-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

^ v /é8

/ iJó

VALERIA

OF

[ ZEGETOCHT DER KERK UIT D[ KATAKOMBElil

HISTORISCH VERHAAL

Öibifofheek

minderbroeders

VAN WEERT.

Msgr. A, DE WAAL

VERTAALD DOOR

P. M. J. LURASCO.

\'S HERTOGENBOSCH,

Gr. M O s M A N S ZOON. 1888.

-ocr page 4-

J

Italië

Egyp

Const

trouv

dien

landij

Rome

naar

vorst

zijn,

weest

met 1

-ocr page 5-

HOOFDSTUK I.

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

fe gebeurtenis, die wij verhalen, valt voor in den herfst j van het jaar 312 der christelijke jaartelling. Weinige 1 maanden voor dat te Rome Maxentius, de zoon van Maximianus, de heerschappij met snood geweld aan de handen zijns vaders ontrukt had, was in Gallië Constantijn na den dood zijns vaders, Constantius Chlorus, door de troepen tot keizer uitgeroepen. Tus-schen beide keizers was de helft van het Romeinsche rijk op deze wijze verdeeld; Maxentius heerschte over Italië, de landen aan de noordkust van Afrika en het wingewest Egypte, Constantijn over Gallië, Spanje en Britannië. Trachtte Constantijn naar het voorbeeld zijns vaders door zachtheid zich de trouw zijner onderdanen te verzekeren, Maxentius zocht den troon, dien hij onrechtmatig bestegen had, te bevestigen door eene dwing-landij, welke voortdurend ondragelijker werd. Te meer richtten de Romeinen van jaar tot jaar met grooter verlangen hunne blikken naar Gallië, omdat Constantijn aan zijne uitstekende deugden als vorst het voorrecht paarde van uit keizerlijke bloede gesproten te zijn, terwijl de vader van Maxentius een ruwe Illyrische boer geweest was, die enkel om zijne woeste dapperheid door Diocletiaan met het purper begiftigd werd.

1

-ocr page 6-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

Constantijn kende zoowel deze stemming der gemoederen in de hoofdstad als den persoonlijken haat van Maxentius tegen hem. Hij twijfelde niet of eens moest het tusschen hen tot eene bloedige beslissing komen. Maxentius nu, vol wrok tegen zijn medekeizer, begeerde en zocht zulk een treffen, vertrouwend op zijne dubbel zoo sterke legermacht en op zijne veel rijkere hulpbronnen, en meer dan eens had Constantijn de ontevredenheid zijner veldheeren moeten tot rust brengen, wanneer hij eene uitdaging van zijn tegenstander had ontweken. Herhaalde malen had hij uit de kringen van den hoogsten adel te Rome brieven ontvangen, waarin hij uitgenoodigd werd om over de Alpen te trekken en zich door de bevrijding van Eome meester te maken van de heerschappij over Italië en de Afri-kaansche wingewesten. Doch mocht hij zich al sterk genoeg gevoelen tot een verdedigingsoorlog, hij rekende zijne krachten in verre na niet toereikend om een veldtocht naar Italië en een aanval op den vijand in diens eigen land te durven wagen. Hij zocht derhalve van zijn kant iedere aanleiding tot een openlijken twist te vermijden; ja, op den eersten Januari en op den verjaardag der kroning van Maxentius was hij gewoon aan deze schriftelijk zijne geluk-wenschen te zenden, eene beleefdheid, die door Maxentius nooit beantwoord werd.

Constantijn, thans acht en dertig jaar oud, had den zomer van 312 doorgebracht in het zuiden van Gallië, in de omstreken der stad Lyon. Het was in de laatste dagen van September en juist wilde hij, terugkeerend van eene oefening voor het leger, zijne tent binnentreden, toen Anicius Paulinus, een der edelsten van Rome\'s senatoren, zich met gescheurde kleederen voor zijne voeten wierp.

Constantijn herkende onmiddelijk den senator, die onder zijn vader gedurende eenigen tijd legaat geweest was bij het leger; hij hief hem op en vroeg, wat hem uit Rome en in zulk een staat herwaarts voerde.

„Mijn keizer,quot; sprak Paulinus met tranen in de oogen, „weet, dat Maxentius eerst mijne vrouw beleedigd en mij daarna van hoogverraad beschuldigd heeft. Door de hulp van trouwe vrienden en onder bescherming der onsterfelijke goden ontsnapte ik wel uit de gevangenis, doch wat is er geworden van mijne kinderen? Wreek mij. Imperator, terwijl gij het vertrapte Rome, — terwijl gij u

2

-ocr page 7-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

zeiven wreekt. Want zoo gij doof kunt blijven voor het smeeken van den senaat, gevoelloos voor de tranen onzer vrouwen en kinderen, onverschillig voor de ellende van het geheele Romeinsche volk, verneem dan, dat er onder de offers van den tiran ook afstammelingen zijn van den goddelijken Claudius, uw overgrootvader. Ja, in zijn haat tegen u is de ellendeling zoo ver gegaan, dat hij bevel heeft gegeven de standbeelden van u omver te werpen en op de muurschilderingen aan uwe beeldtenissen de oogen uit te steken.quot;

De krijgsoversten in de omgeving van Constantijn hadden met klimmende verontwaardiging het verhaal van den diep gekrenkten man aangehoord, bij zijne laatste woorden brak hun toorn in vlammen uit. Onwillekeurig greep hun hand naar het zwaard; vooral de jongeren, hakend naar koene daden, drongen den keizer, dat hij den hem aangedanen smaad met de wapenen bloedig zou wreken. Den keizer zelf was bij deze mededeelingen het rood der gramschap naar de wangen gestegen; zijne oogen fonkelden onder zijne somber samengetrokken wenkbrauwen: hoeveel hij zich ook tot dusverre van Maxentius had laten welgevallen, deze zware, persoonlijke be-leediging mocht hij niet zwijgend verdragen.

Constantijn verzocht zijn krijgsoversten hem alleen te laten. Hij was gewoon iedere gewichtige onderneming in rustige eenzaamheid te overwegen; thans vooral mocht hij zich allerminst tot een overijlden stap laten vervoeren.

Terwijl hij in ernstig gepeins verbonken, het hart vol toorn en verontwaardiging, in zijn tent heen en weder liep, verbreidde zich het gerucht van den hem aangedanen smaad als een loopend vuur onder zijne soldaten en weldra weerklonk door het geheele leger de kreet: „Naar Rome! naar Rome! Weg met den snoodaard!quot;

Intusschen streed de keizer inwendig een zwaren strijd. Veel drong hem om m.et het zwaard in de hand voldoening te eischen voor die gruwelijke beleediging, doch ernstige bezwaren maakten het hem moeilijk te beslissen, wat hem te doen stond. Om tot een besluit te komen ontbood hij den offerpriester Gordianus, die moest onderzoeken wat de wil w^s der goden, ook riep hij zijne legerhoofden, zijne vertrouwde gunstelingen en den senator Anicius Paulinus tot een krijgsraad bijeen.

Men zag er velen, die vergrijsd waren in den krijgsdienst, die in

3

-ocr page 8-

4 • HET TEEKEN IN DE LUCHT.

het Oosten tegen de Persen en aan den Rijn met de Germanen gestreden, die de veldtochten in Egypte en in Britannië meegemaakt hadden; men zag er anderen van jeugdigen leeftijd, zij waren de wapenbroeders van Constantijn. Verre de jeugdigste van allen was de honderdman Candidus, een jongeling van rijzige gestalte, die de eer van tot de amici Principis, de vertrouwde vrienden des vorsten, te behooren te danken had aan eene dappere krijgsdaad, waardoor hij eens in de hitte van het gevecht Constantijn het leven gered had.

Candidus was de zoon van Castulus en Irene. Evenals zijn vader en zijne twee zusters, die allen als martelaren gestorven ,waren, was ook hij een vurig Christen. Alle soldaten achtten den edelen en dapperen jongeling hoog, doch de christenen, die in groot getal onder de soldaten van Constantijns leger gevonden werden, vereerden in hem tevens een toonbeeld van alle deugden. Want gelijk de drie jongelingen te Babyion ongedeerd bleven in de vlammen van den vurigen oven, zoo ook wandelde hij rein en ongeschonden te midden der verleidingen van het krijgsmansleven.

Tot den raad des keizers {consilium principis) of de generale staf behoorden ook de koningen of aanvoerders der germaanschè en britsche hulptroepen, en onder hen was de voornaamste Eroc, de* koning der Alemannen; niettegenstaande hij zeventig jaar was, had hij een reusachtige, krijgshaftige gestalte met een diep lidteeken over zijn voorhoofd en een grijzen baard, die tot zijn gordel reikte. Constantijn schatte hem des te hooger, omdat hij het voor een groot deel aan Eroc\'s invloed te danken had, dat hij na den dood zijns vaders door het leger tot keizer was uitgeroepen. •

Toen de krijgsraad verzameld was, nam de keizer het woord.

„Gij hebt gehoord,quot; sprak hij, „welk eene beleediging Maxentius mij heeft aangedaan, en, bij Jupiter! uw aandrijven en het\'roepen der soldaten was niet noodig om het vuur der wraak in mijn hart te doen ontvlammen. Doch gelijk de onsterfelijke goden niet iedere euveldaad terstond straffen maar hun uur afwachten, zoo voegt het ook den vorst met beradenheid te handelen. Daarom heb ik u bij een geroepen om uw gevoelen te vernemen; ik heb bovendien in deze gewichtige zaak ook den Goden laten vragen, wat hun wil is, en weldra zullen de priesters ons hun antwoord brengen.quot;

-ocr page 9-

HET TEEJCEN IN DE LUCHT.

Na deze woorden stond koning Eroc op. „Ik dacht,quot; sprak hij met een lichten spotiach, dien de oude krijgsman zich veroorloven mocht, „gij hadt ons bijeen geroepen om ons aan te kondigen, dat het leger morgen bij de eerste\' schemering op marsch zou zijn en dat gij Jpiimen eene maand voor de poorten der hoofdstad wildet staan. Want, bij Wodan! deze veldtocht moet slechts weinige weken duren, terwijl wij onstuimig voorwaarts dringend den vijand in slag op slag verple\'fferen. Maxentius moet nog te bed liggen, als onze zwaarden reeds voor de #sux van zijn slaapvertrek kletteren.quot;

Ook Consta,ntijn zelf had alleen in een verrassend snellen aanval op de legioenen, die in de hoofdkwartieren van Noord-Italië ver-st^aid lagen, en in een stoutmoedigen tocht recht op Rome aan de mogelijkheid van een \'goeden uitslag erkend. Ook de legaten en de Érijgstribunen waren van hetzelfde, gevoelen; de bevelhebber der vloot stond er borg voor, dat hij Corsica en het eiland Sardinië veroveren en het leger van mondbehoefte voorzien zou; en juist wilde Constantijn het beroemde woord van Caesar herhalen: „Alea jacta est, de teerliny ia geworpenquot; toen Gordianus, met een bloemenkrans om zijn hoofd en den Uturn of _wichelsta? in zijn hand, vergezeld van zijne priesters, de-vergadering binnentrad.

. „Volgens uw bevel, goddelijke keizer,quot; sprak hij „hebben wij in de ingewanden der offerdieren den wil der goden nagespeurd. Moge u gegeven zijn al wat u geluk, heil en voordeel aanbrengt, doch weet, dat de voorteekenen ongunstig waren; de goden zijn uw plannen niet genegen.quot;

Deze onverwachte verklaring werkte op de vergadering als eene nachtvorst op jonge bloesems; allen zagen elkander zwijgend en vragend aan; den diepsten indruk maakten die woorden op Constantijn zelf.

Eene pijnlijke stilte heerschte in den krijgsraad; wie durfde het wagen zich tegen den wil der goden te verzetten?

Anicius Paulinus, de Eomeinsche senator, was buiten zich zelf van smart en toorn.

„Neen, neenquot; riep hij uit, „de goden kunnen niet willen, dat zulk een monster Rome nog langer onder zijne voeten vertrede. Of aan de teekenen is eene quot;valsche uitlegging gegeven — of de

5

-ocr page 10-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

goden van den Olympus mogen zich bij andere volken vereerders zoeken.quot;

„Mogen de goden u om uwe smart deze snoode lastertaal vergeven!quot; antwoordde Gordianus op den toon van streng verwijt. „Hoe wilt gij de plannen der eeuwigen met de korte spanne van uwe hand meten. Aan de teekenen is de juiste uitlegging gegeven en eens zal de dag komen, waarop de goddelijke Constantijn inziet, dat de goden hun gunsteling heden voor eene gevaarlijke onderneming waarschuwden, om hem langs een zekerder weg tot grootere macht en hoogere eer te voeren.quot;

Hadden ook de woorden van Paulinus bij velen der krijgsoversten luiden bijval gevonden, de uitspraak,\' door Gordianus met zooveel gezag gegeven, werkte uit, dat men nu de gevaren, die aan den veldtocht verbonden waren, met andere oogen beschouwde. T)e een gaf daarom den raad, alle strijdkrachten, die langs den Rijnoever de grenzen moesten beschermen, te doen aanrukken, om beter opgewassen te zijn tegen de overmacht van den vijand; een ander achtte een goeden uitslag slechts mogelijk, als men in vereeniging met de keizers van het Oosten gezamenlijk een aanval deed; een derde meende, dat men niet tegen den wil der goden een gevaarlijk en avontuurlijk waagstuk mocht ondernemen, doch de wraak tot eene latere en meer gunstige gelegenheid moest uitstellen.

Toen stond Candidus op.

„Mijn keizer,quot; sprak hij, „vergeef den jongste uwer krijgslieden een vrijmoedig woord. Wilt gij naar Rome trekken alleen om eene persoonlijke beleediging te wreken, dan kan God afkeer hebben van het bloed, dat daarom vergoten wordt; doch gaat gij er heen om de stad te verlossen van de gruwelijke dwingelandij eens woestelings, om onschuld en deugd te beschermen tegen euvelmoed en ten-hemel-schreiende geweldenarij, om aan het Romeinsche volk inde plaats van de hardste slavernij vrijheid en rust terug te geven, dan zal God onze wapenen zegenen en u bij den roem van den overwinnaar den nog schooneren roem van een vader des vaderlands verleenen.quot;

Gordianus wierp den moedigen honderman een blik van gloeienden haat toe; hij wist dat Candidus christen was en godspraken en voorteekenen verachtte.

6

-ocr page 11-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

„Bij Wodan! de wijsheid is bij de jeugd!quot; riep Eroc, die zich tot dusverre met moeite had ingehouden. „Hoort gij het steeds luider wordende roepen der soldaten voor uwe tent, keizer? Dat is ook eene stem der goden. En zoo gij wilt, zend ik een bode naar eene der wijze vrouwen van ons volk, die met de hemelsche geesten evenzeer in betrekking staan als uwe priesters, en laat door haa,r den wil der goden vernemen.quot;

Ook de krijgstribuun Aixemius, wiens kalm en bezadigd oordeel de keizer op hoogen prijs stelde, stemde met den jongen honderdman in; doch het grootste getal van hen, die in den krijgsraad vergaderd waren, en vooral de oudere aanvoeders hielden het toch voor bedenkelijk om onder ongunstige voorteekenen een veldtocht te beginnen, waarbij de keizer alles, rijk en leven, op het spel moest zetten. Eeeds werd bij den strijd der meeningen de toon der beraadslaging steeds heftiger, en Constantijn, die slechts met een leger door een algemeene en vurige geestdrift bezield kon hopen de zege te bevechten, was juist op het punt een einde aan de beraadslaging te maken door zijn besluit mede te deelen, dat hij boog voor den wil der goden, toen plotseling een soldaat de tent des keizers binnen stormde uitroepend: „Komt en aanschouwt het wonderbare teeken, dat zich in de lucht vertoont.quot; Allen ijlden naar buiten.

Onbeschrijfelijk was de beweging, die onder de voor \'s keizers tent verzamelde krijgslieden ontstaan was. Eenigen lagen op de knieën en baden met opgeheven handen; anderen vielen voorGon-stantijn\'s voeten neder en riepen hem luide zegekreten toe; weder anderen staarden vragend en met eerbiedigen schroom naar de wonderbare verschijning.

Boven de ten ondergang dalende zon stond groot en in een stralenden glans van licht een samengesteld letterteeken, en daar om heen in grieksche letters de duidelijk te lezen woorden:

EN TOTTa N1KA.

In dit {teeken) overwin!

Toen Candidus deze verschijning aan den hemel zag, viel hij op de knieën, strekte zijne armen uit en riep met tranen in de oogen;

„Wees gegroet, gij verheven teeken mijns Heeren, gij, onze

7

-ocr page 12-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

eenige hoop! Nu gij ons bestraalt, wie kan ons nu wederstaan?quot;

Toen stond hij op en jubelend van zalige vreugde sprak hij tot Constantijn, die stom en starend zijne blikken onafgewend op de verschijning gevestigd hield:

„Ja, mijn keizer, in dit teeken zult gij overwinnen! Geen menschen-mond maar de hemel zelf verzekert het u. Zie, voor dit teeken sidderen de booze geesten van den afgrond; ook uwe vijanden zullen er onmachtig voor ter aarde storten.quot;

„Ik zie,quot; antwoordde Constantijn, „dat het teeken bestaat uit de in elkander vereenigde grieksche letters chi (X) en rho (P); doch ik vraag mij te vergeefs af, wat dit letterteeken beduidt.quot;

Candidus wilde juist de christelijke verklaring van dit teeken geven, toen Gordianus hem voorkwam.

„GoddeLjke keizer,quot; sprak hij met luide stem, opdat alle omstanders hem zouden hooren, „volgens alle regelen der kunst om de voorteekenen te verklaren vernietigt een hoogere godspraak eene mindere en gaat een teeken aan den hemel boven de teekenen in de ingewanden der offerdieren. Waarlijk gij zijt de uitverkoren gunsteling der goden, die het bedrog der vijandige booze geesten tot schande gemaakt en de ongunstige voorteekenen door ditlicht-stralend teeken aan den hemel beschaamd hebben. Want dit is er de beteekenis en verklaring van: de groote Mithras\')) dien gij en uw leger als sol invic.tus (onverwonnen zon), als den onoverwinnelijken en alles overwinnenden god vereert, zal uw teeken en uw leidsman zijn. De samengevoegde letters zijn de medeklinkers van het woord „XAIPEquot; heil u! en dit woord moet met de andere woorden in deze ééne gedachte samengevat worden: Kiest gij Mithras, den onoverwinnelijken zonnegod tot uw leidsman en beschermer, dan zal eene schitterende overwinning en alle geluk uw deel zijn.quot;

8

Gordianus wierp bij deze woorden van terzijde een boosaardigen blik op Candidus en een tviumfeerende glimlach speelde om zijne lippen, toen de aanvoerders, die om den keizer stonden, verheugd

\') Mithras is de zonnegod bij de ouden Persen. Vooral de Romeinsche keizers Trajanus en Commodus bevorderden den eeredienst van Mithras in het Romeinsche rijk. Ten tijde van Constantijn werd Mithras in het leger hoog vereerd. Op eenige munten van Constanten staat op de keerzijde de zonnegod afgebeeld met het omschrift; Soli invicto, comiti, aan de onverwonnen zon, onzen begeleiderquot;

-ocr page 13-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

over de gunstige verandering der voorteekenen uitriepen: „Omen accipimns, wij nemen het gunstige voorteeken aan! Mithras zal ons ter overwinning voeren,quot; en toen de kreet van mond tot mond gaande met immer ontstuimiger gejubel door de legerscharen dei-krijgslieden weerklonk: „Omen accipimns, wij nemen het voorteeken aan! Naar Rome! naar Rome!quot;

Constantijn alleen stond nog in gedachte. De uitlegging van den priester bevredigde hem niet; twijfelend en vragend hield hij zijn blik gevestigd op de samengevoegde letters, die boven de zonneschijf schitterden. Neen, niet op de zon maar op het teeken hoven de zon doelden de woorden: in dit overwin.

Ook de oude Eroc, die de verklaring van Gordianus slechts half verstaan en begrepen had, wijl hij in het Grieksch nog minder ervaren was dan in het Latijn, zag nog peinsend naar die wonderbare verschijning en wenschte, dat hij een zijner oude druïden-priesters bij zich had, om hem eene betere uitlegging te geven van dit raadselachtige letterteeken.

Candidus, die den keizer onafgebroken gadesloeg, raadde diens gedachte; hij naderde den keizer, trok een Tessara •), een erkennings-teeken der christenen, waarop diezelfde in elkander gevoegde letters gegraveerd waren, uit zijn boezem, toonde het den keizer en sprak:

9

„Mijn keizer, aan ons, christenen, is dit teeken niet onbekend; het zijn de twee eerste letters van het woord XPICTOG, Christus, tot één letterteeken vereenigd. Dit teeken griffen wij op het grafgesteente van hen, die ons dierbaar zijn, om uit te drukken, dat zij in het geloof aan Christus, den Zoon Gods, den dood overwonnen hebben en de eeuwige rust zijn ingegaan. In onze heilige schriften wordt Christus de zon der gerechtigheid genoemd; toen hij aan drie zijner uitverkoren leerlingen op den berg Thabor verheerlijkt zich vertoonde, blonk Zijn aangezicht als de zon; Zijn troon is volgens de woorden van den heiligen dichter als de zon voor het aanschijn

1) Tessara noemde men de kleine voorwerpen, die men bij het slüiten van gastvriendschap aan elkander gaf, en die ook voor de afstammelingen dienden als erken-ningsteeken om in eene vreemde stad of in een vreemd land by den gastvriend herberging, hulp en bescherming te vinden. Ook de christenen hadden zulke voorwerpen, waaraan zij elkander als broeders erkenden. Eenige dezer voorwerpen werden bij wijze eener medaille aan een koordje of een lint om den hals gedragen.

-ocr page 14-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

Gods. Wat zou ook, voegde hij er spottend aan toe, het XAIPE, wees gegroet! dat de papegaaien bij de huisdeuren den binnen-trededen toeroepen, boven de zon en met dit omschrift kunnen beteekenen ?quot;

„Dit teeken zou de naamletters van Christus, het teeken van uwen God zijn?quot; vroeg Constantijn zijn voorhoofd fronsend. Dus niet Mithras, niet Jupiter of Mars, de goden, die het Romeinsche leger tot nu toe heeft aangeroepen, voor wie het altaren opgericht heeft, aan wie wij alle roemrijke daden onzer voorvaderen en onze eigene gelukkige krijgsverrichtingen toegeschreven hebben, maar de God der Christenen, tegen wien Diocletiaan de bloedigste edicten uitgevaardigd heeft, tegen wiens belijders de keizers van het Oosten nu nog te vuur en te zwaard woeden, aan wien het grootste deel des legers niet gelooft, van Hem zou Constanstijn zijne overwinning verwachten? En wat zouden zijne veldkeeren, zijne soldaten daarvan zeggen?

Constantijn sloeg op nieuw zijn blik op naar het stralende teeken en hoe langer hij er zijn oog op rusten liet , des te luider hoorde hij eene stem in zijn binnenste, die hem zeide: geloof de woorden des jongelings en vertrouw!

„En op welke wijze, mijn waarde honderdman,quot; vroeg hij, „zal dit teeken ons ter overwinning voeren?quot;

„Mijn keizer,quot; antwoordde Candidus „ia tot nu toe de adelaar het teeken geweest, waaronder de legioenen ten strijde trokken, laat thans een standaard maken met die naamletters van Christus en deze worde aan de spits van uw leger gedragen. Zoo luidt het bevel, dat om het teeken geschreven staat, en onder dezen standaard zult gij de overwinning behalen. En wilt gij mij eene gunst bewijzen, de grootste, die gij mij bewijzen kunt, vertrouw dan dien standaard aan mijne handen toe. In lederen veldslag zal ik hem in het dichtste krijgsgewoel uwen legioenen vooruit dragen, en wees overtuigd, dat de adelaars van Maxejjtius voor het teeken van Christus zullen vluchten als bloode hoenders, waar een havik onder neerschiet.quot;

De oogen des edelen, ridderlijken jongelings straalden van het vuur eener heilige geestdrift. Zijne stem klonk met den toon van zulk eene innige overtuiging, van zulk eene zekerheid der over-

10

-ocr page 15-

HET TEEK EN IN DE LUCHT.

winning, dat Constantijn er den indruk van gevoelen moest. Bovendien vond zijn helder en scherp verstand de door Candidus gegeven uitlegging veel aannemelijker dan de gezochte en gekunstelde verklaring van Gordianus. Doch Constantijn stond, trots zijne moeder Helena, nog te ver van het christendom en hij meende nog te zeer zijne legioenen, die aan den dienst van de goden en bijzonder van Mithras gehecht waren, te moeten ontzien, dan dat hij geen weerzin gevoeld zou hebben om zijne krijgstocht te beginnen onder de hoede van den naam van der christenen God.

De oude Eroc bracht Constantijn tot een besluit.

„Mijn keizer,quot; zeide hij, „deze letters mogen beteekenen, wat zij willen, de raad van den honderdman, om ze op de veldteekenen der legioenen te plaatsen, is, dunkt mij, uitstekend. Deze verschijning is voor ons een teeken des hemels, dat ons de overwinning belooft: meer vragen wij niet; een ieder legge het uit, zooals hij verkiest!quot;

Constantijn huldigde het beginsel in zaken, die den godsdienst betroffen, zichzelven zoowel als anderen de vrijheid der persoonlijke opvatting te laten; hij begreep, hoe een geheel nieuw veld-teeken, dat bovendien die verschijning in de lucht den soldaten voortdurend in herinnering bracht, de geestdrift en den moed zijner krijgslieden in lederen veldslag zou aanvuren, en thans vastbesloten den beslissenden worp te wagen, trad hij vooruit naar den rand van den heuvel, waarop de keizerlijke tent was opgeslagen, om de soldaten zijn besluit aan te kondigen.

Zoodra Constantijn met de hand stilte gebood, kwam oogenblik-kelijk het geroep en gewoel tot bedaren; allen drongen naderbij om zijne woorden beter te kunnen verstaan.

Door het licht der zon beschenen, boven welke nog altijd het geheimzinnige teeken schitterde, achter zich de schaar zijner veld-heeren, stond de jeugdige keizer daar, vervuld van edel zelfgevoel en geestdrift voor het gewichtig besluit, dat hij zooeven genomen had, stralen schietencLuit het donkere oog, met gloeiende wangen, in krijgshaftige houding, een edele, mannelijke gestalte, grootsch en schoon als een Apollo.

Met eene welluidende en ver-klinkende stem sprak hij de zijnen aldus toe:

„ Soldaten! Gij weet, welke beleediging uwen keizer is aangedaan;

11

-ocr page 16-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

gij weet ook onder welk ondragelijk juk van bloeddorstige dwingelandij de hoofdstad des rijks zucht. Eerst aarzelde ik als uw opperste krijgsaanvoerder het edele bloed mijner dappere soldaten te wagen; doch thans heeft de Godheid zelve door dit wonderbare teeken haren wil bekend gemaakt en tevens aan onze wapenen de overwinning toegezegd. Ik volg dan dien wenk des hemels en roep u toe; Op naar Italië! Op naar Rome! Een nieuwe legerstandaard, die in plaats van den adelaar dit teeken des hemels in top voert, zal u voorgaan; in hem zullen wij overwinnen, en eer eene maand ten einde is, staan wij voor de poorten van Rome. Bij de eerste schemering van den dag breken wij op.quot;

Als het bruischen van de zee steeg uit duizende kelen een machtige vreugdekreet ten hemel, waaraan het gekletter der op elkander geslagen wapenen en schilden zich-paarde en dat weerkaatst werd door de nabijgelegen bergen. Allen waren door eene geestdrift en een strijdlust aangegrepen zoo groot als Constantijn nog nimmer bij zijn leger gezien had. Had Constantijn een oogenblik te voren nog met angst gedacht aan de mogelijkheid, daffeijne onderneming mislukken zou, thans was hij zeker van de overwinning; zelfs eene overmacht, dubbel zoo sterk als zijne maicht, durfde hij met zoo strijdlustige legioenen te gemoet trekken.

Toen de zon onderging vervloeide langzamerhand de hemelsche verschijning en de soldaten spoedden zich naar hunne tenten, om zich voor den marsch gereed te maken.

Intusschen liet Constantijn uit de nabijgelegen stad Lyon bekwame goudsmeden komen, wees hun een ongetelde hoop goudstukken aan benevens eene menigte kostbare parelen en edelgesteenten en beduidde hun nauwkeurig den vorm van den nieuwen standaard.

Op het uiteinde eener lange schacht moest het uit massief goud vervaardigde monogram van Christus prijken, bezet met eene dubbele rij van edelsteenen en omgeven door een krans van gouden eikenbladeren; daaronder moest aan een dwarstang een vaan bevestigd worden, rijk gesierd met parelen en stikwerk van gouddraad. Onder het vaan moest in «Én vorm van een medaillon worden aangebracht het borstbeeld van den keizer, voorgesteld als zonnegod met een stralenkrans om het hoofd; dit laatste verlangd^ Constantijn om rekening te houden de uitlegging van Gordianus en met die-

12

-ocr page 17-

het teeken in de lucht.

genen onder zijne soldaten, die aanhangers waren van den staatsgodsdienst. — Dit was het nieuwe veldteeken, dat voortaan onder den naam van Labarum als de hoofdstandaard des legers gelden zou.

Als drager van het Labarum koos Constantijn den honderdman Candidus; hij had het aan geen waardiger handen kunnen toevertrouwen.

Terwijl de soldaten met het vallen van den nacht om de vreugdevuren gelegerd onder her-zingen van krijgsliederen en het klinken der bekers hunne toekomstige overwinning vierden, had Candidus een aantal christen soldaten in zijne tent verzameld om den hemel voor de verschijning van het wonderbare teeken te danken en zich te verblijden in de voorspiegelingen der gegronde hoop op de zegepraal des kruises onmiddellijk na de bloedige vervolging, op de bekeering van Constantijn tot het Christendom, op de verovering van Rome en van het geheele Eomeinsche rijk door de wapenen des Evangelies.

Voor Candidus was er nog eene andere reden, die zijn hart van vreugde deed kloppen: de gedachte aan zijne moeder Irene. Hij stond met haar in eene onafgebroken briefwisseling, en zoo groot was zijne kinderlijke eerbied voor haar, dat hij lederen brief zijner moeder geknield las en hare woorden beschouwde als de woorden van eene heilige. Wat hij van zijne soldij kon besparen, zond hij aan haar; toen hij tot honderdman bevorderd werd, verheugde hij zich hierover het meest, omdat hij nu aan zijne moeder eene grootere ondersteuning zenden kon. De senator Paulinus had hem bericht, dat zij gezond en welvarend was; zijn hart zwol van edelen trots, toen deze, hoewel heiden, geen woorden genoeg kon vinden om haar te prijzen zoowel wegens de zielskracht, waarmede zij den dood van haren echtgenoot en van hare kinderen gedragen had, als wegens de offervaardigheid, waarmede zij zich sinds dien tijd toewijdde aan den dienst der armen en der zieken. Toen Candidus nog nauw-lijks de jongelingsjaren bereikt had, was hij uit het ouderlijk huis vertrokken om zijn loopbaan als krijgsman te beginnen; sedert zeven jaren had hij zijne moeder niet weder gezien, maar als in den lichtkrans van een heilige stond haar beeld altijd voor zijnen geest, en naast God dankte hij het met geheel zijn hart aan haar, dat hij te midden van alle verleiding zijn geloof en zijne onschuld bewaard

13

-ocr page 18-

HET TEEKEN IN DE LUCHT.

had. Hoe stelde de edele jongeling zich de vreugde van het wederzien voor, wanneer hij als standaarddrager van Christus voor zijne moeder komen en aan hare knieën nedervallen kon! En mocht ook al de gedachte aan de dierbaren, die hij verloren had, zijn vader en zijne zusters, voor een oogenblik een waas van droefheid over den helderen spiegel van de vreugde zijner ziel verspreiden, kon hij niet, als hij te Rome wedergekeerd was, op hunne graven het aan de zalige dooden verkondigen, dat Hij gezegepraald had. Dien zij moedig beleden, voor Wien zij den marteldood ondergaan hadden?

Slechts een enkele in het leger deelde de algemeene vreugde niet — Gordianus. Eenzaam in zijne tent op een rustbank liggend, met zijn hand het hoofd steunend en de vuist op tafel voor hem ballend, staarde hij somber voor zich heen; onaangeroerd stond de beker met geurigen wijn, stond de schaal met kostbare vruchten.

„Belachelijk gemaakt door een baardeloozen knaap, door een christenhond!quot; barste hij woedend los, „wichelarij en teekenverklaring met minachting ter zijde gesteld, om in plaats der onsterfelijke goden van Rome den driemaal vervloekten naam van den Nazarener aan het hoofd der legioenen te plaatsen! — Neen! keizer, neen! In dit opzicht zult gij niet overwinnen! Gordianus treed op voor zijne goden, en öp de bloedige slagvelden, te midden van de lijken uwer gesneuvelde soldaten, vier ik op de offeraltaren de zegepraal der eeuwige goden over den Galileër!quot;

Een uur later kwam uit de tent van Gordianus een slaaf in reisgewaad, sloop in het donker van den nacht tusschen de tenten door en klom als een kat over de palen waarmede de legerplaats omheind was.

In zijn kleederen genaaid droeg hij een brief aan den opperbevelhebber van Maxentius\' legioenen, die in Opper-Itali^1 gelegerd waren.

14

-ocr page 19-

HOOFDSTUK II.

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

lp de afmattende hitte van den zomer was eene verfris-achende. koelte gevolgd. Eene overvloedige regen had de dorre aarde van de Romeinsche Campagna besproeid en overal op de velden een frisch groen in weelderig wasdom als met een tooverslag doen ontspruiten. De tweede lente was ontwaakt en slingerde hare bloemkransen om de met vruchten gevulde korven van den herfst.

De vreugdekreten van het landvolk bij het feest der Meditrinaliën, (11 October), waarop voor het eerst de nieuwe wijn geproefd werd, en twee dagen later bij de Fontinaliën, waarop men de bronnen met slingers van bloemen sierde, hadden de burgers van Rome begeleid, toen zij van hunne landgoederen naar de stad terug keerden.

Ook Aradius Ruflnus, de prefekt der stad Rome, had met zijne echtgenoote Sophronia en zijne dochter Valeria weder het paleis betrokken, dat hij op de hoogte van het Goelimontium, niet ver van den Lateraanschen heuvel, bezat; dit gedeelte der stad was in die dagen de woonplaats der voornaamste adelijke geslachten, en de paleisen van een Marius Maximus, een Valerius Aradius, een Symmachus en anderen wetijverden er in grootte en pracht.

-ocr page 20-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

Aradius Ruflnus had onder Maximianus en onder Constantius Chlor^s het eerst de wapenen gedragen; Constantijn en Maxentius warén in hunne jeugd zijne wapenbroeders geweest. Later was hij te Nikomedia aan het hof van Diocletiaan gekomen, waar hij in het huwelijk trad met Sophronia, eene dochter van Totorsus, koning van Bosporus en vasal der Eomeinen. Daar Totorsus en zijn huisgezin christen waren, had de bruidegom aan zijne toekomstige echtgenoote volle vrijheid in de uitoefening van den christelijken godsdienst moeten toestaan, eene belofte, die Ruünus eerlijk hield. Hij zelf, als een oud patriciër, bleef trouw aan den dienst der goden, die de stad Rome tot aanzien gebracht hadden; hoewel hij, in de school der Neoplatonici gevormd, eene zuiverder opvatting had van de godheid en de veelheid der goden beschouwde als het symbool der verschillende eigenschappen en werkingen van een enkel Opperwezen.

Zijn huwelijk was met drie zonen en eene dochter gezegend, en de moeder had al hare kinderen in den christelijken godsdienst opgevoed. Haar echtgenoot had dit wel bemerkt, doch hij rekende er op, althans voor zijne zonen, dat de school en het leven hen wel tot andere gedachten zouden brengen. Daarom vertrouwde hij hen toe aan Lactantius Pirminianus, die als leeraar der welsprekendheid in 301 door Diocletiaan uit Afrika naar Nikomedia geroepen was. Dat Lactantius niet lang na het aanvaarden van zijn ambt christen geworden was, kon Ruflnus niet vermoeden. Later zond hun vader hen naar het leger, en nu dienden twee onder de vanen van den opperkeizer Licinius aan de verre oostelijke grenzen des rijks; de derde was op het slagveld een roemrijken dood gestorven.

In de bloedige vervolging onder Diocletiaan waren Sophronia en hare kinderen, dank zij de hooge plaats, die hare echtgenoot bekleedde, gespaard gebleven. Toen in de lente van 305 Diocletiaan de kroon nederlegde, keerde Ruflnus van Nikomedia naar Rome terug, waar zijn eerzucht schitterende vooruitzichten had. Werkelijk schonk Maxentius, die in het jaar 306 de heerschappij over Italië bemachtigde, aan zijn vroegeren wapenbroeder achtereenvolgens verschillende invloedrijke ambten; ja, in het begin van het jaar 312 benoemde hij hem tot praefectus urhis en plaatste daardoor de leiding der aangelegenheden van de hoofdstad in zijne hand. Schonk deze

16

-ocr page 21-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

benoeming aan de eerzucht van Rufinus de hoogste voldoening , aan zijne echtgenoote baarde zij bange zorgen en grooten kommer. Niet slechts vreesde zij onder de heerschappij van den dwingeland Maxentius een plotselingen val van die steile hoogte, doch zij zag daardoor ook de vervulling van haar vurigsten wensch, eindelijk ook haar echtgenoot voor het christendom te winnen, weder in eene onafzienbare verte verschoven.

Maxentius had bij het begin zijner regeering een einde gemaakt aan de vervolging der christenen en op alle wijze getracht de gunst van het Eomeinsche volk te verwerven. Dit goede begin duurde helaas! slechts zoo lang als zijne heerschappij, die hij door een snoo-den opstand tegen zijn vader verkregen had, van buiten af bedreigd werd. Toen echter de verovering van Egypte door zijn veldheer Rufus en de tweedracht onder de overige keizers, vooral ook de dood van den opperkeizer Galerius in Mei 311 hem bevrijd hadden van de vrees voor de zekerheid zijner gewelddadig bemachtigde kroon, liet hij het masker vallen, en met siddering en ontzetting zag Rome thans iederen dag de daden van wreedheid, hebzucht en schaamteloozen wellust zich vermoederen, waarmede de tiran grooten en geringen, heidenen en christenen vervolgde. Gedurende den hongersnood, die in het jaar 311 uitbrak, riep hij zijnen soldaten toe: „Maakt goeden sier. brast en verkwist: fruimini, dissipate, prodigite!quot; Toen het volk hierover morde, voor het paleis samenschoolde en om brood riep, gaf Maxentius zijn soldaten bevel op de menigte in te houwen en zoo „hun honger voor altijd te stillen.quot; De tot het onmogelijke opgedrevene en met de uiterste gestrengheid ingevorderde belastingen werden deels voor het leger, deels voor kostbare bouwwerken van weelde besteed; nog was de nieuwe renbaan aan den Appischen straatweg niet gereed, of reeds liet de keizer ter eere van zijn gestorven zoon, Romulus, op het Forum aan den bouw van eene basilika beginnen. Zoo onderdrukte Maxentius het Romeinsche volk met hardheid, terwijl hij den adel door verbeurdverklaring en gevangenzetting in toom hield. Vooral de christenen moesten den haat des keizers ondervinden. Paus Marcellus was reeds in het jaar 310 den marteldood gestorven; zijn opvolger Eusebius werd in het volgende jaar naar Sicilië verbannen, alwaar hij kort daarop overleed. Slechts staatkundige redenen, o. a.

2

17

-ocr page 22-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

de vrees voor Constantijn, hielden den tiran terug om de bloedige edicten van Diocletiaan tegen de christenen te hernieuwen.

In de eerste dagen na zijne terugkeer in de stad had Ruünus eene menigte zaken te behandelen, die op afdoening wachtten en van den vroegen morgen tot den laten avond zijne tegenwoordigheid op de prefectuur vorderden. Zijne uitspanning vond hij dan des avonds bij zijne echtgenoote en zijne dochter. Valeria, de jongste zijner kinderen, thans zestien jaar oud, was een buitengewoon schoon en lieftallig meisje, haar zwart haar omlijstte met overvloed van lokken de fijn besneden trekken van het ovale gelaat en uit de diepe oogen straalde eene edele en reine ziel vol kinderlijke onschuld. Zij had een levendigen geest en eene meer dan gewone wilskracht, en zij was de vreugde en de trots van haar vader, die het eenigste hem nog overgebleven kind met de teederste liefde beminde.

Eens, op een avond, vond Euflnus zijne echtgenoote buitengewoon ernstig gestemd. Te vergeefs zocht hij naar de oorzaak; vruchteloos poogde hij Sophronia, die zich door een onverklaarbare onrust beangstigd voelde, weder op te vroolijken. Toen na de coena of het avondmaal een slaaf een koitie heerlijke blauwe druiven op de tafel zette en Valeria een der druiven omhoog hield en met kinderlijke vreugde de grootte en schoonheid er van bewonderde, nam Sophronia in hare ernstige stemming hieruit aanleiding tot woorden plechtiger dan gewoonlijk.

„Aanschouw in deze vrucht,quot; sprak zij tot haar dochter, „het beeld der ziel, die in lijden en beproeving volmaakt wordt. Op een steenachtigen grond gegroeid, aan een staak gebonden, druipend van tranen onder het mes van den wijngaardenier, — zoo moet de wijnstok op de lentzon wachten, dat deze zich over hem ontferme en uit het kale hout de edelste vrucht doe voortkomen.quot;

Valeria legde onwillekeurig de druif weder in het korfje; haar moeder echter plukte peinzend een der roode beziën, kneusde haar tusschen de vingers en sprak: „De schil is rood, maar het inwendige is helder en klaar en om de harde pit ligt het zoete sap. — Zoo is het ook met het lijden.quot;

In Sophronia\'s oog glinsterde een traan; sprakeloos en met beklemd gemoed zaten haar echtgenoot en hare dochter over haar.

18

-ocr page 23-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

Den volgenden morgen was Rufinus gaarne te huis gebleven ter wille zijner echtgenoote, wier weemoedige stemming nog toegenomen was, had niet Juist op dien dag eene gewichtige vergadering zijne persoonlijke aanwezigheid op de prefectuur gevorderd; hij beloofde echter in een uur terug te zullen zijn. Toen hij vertrokken was begaf Sophronia zich naar de penjula, of het open, met bloemen versierde balkon van het huis en volgde met haar blik harenechtgenoot op zijn weg langs het Colosseum naar het Forum, waar, achter den tempel des Vredes, het gebouw der prefectuur lag. Voor haar oog verhief zich met tooverachtige pracht het amphitheater der Plavii of het Colosseum, daarachter de tempel van Venus en Rome, daarnaast de triumfboog van Titus en ter linkerzijde de Palatinus met zijn prachtige en trotsche paleizen des keizers; dan schitterden in den glans der ochtendzon het eene gebouw nog grootscher dan het ander, de tempel van Jupiter Stator, het Septizonium van Severus en de paleizen van Augustus, Tiberius en Caligula met hun wouden van zuilen en standbeelden, en verblinden liet oog met hun rijken tooi van goud, kleuren en zeldzame marmersoorten. Daarachter verhief zich het Capitool met zijn burcht en den Jupitertempel, waarvan het dak verguld was. Maar voor al die heerlijkheid had de patricische vrouw geen oog, haar gedachten verwijlden bij hare zonen en een onuitsprekelijk verlangen naar hen maakte zich meester van haar hart; zij dacht aan haar echtgenoot en zuchtend sloeg zij haar betraanden blik ten hemel met de vraag: „Wanneer, o God, wanneer zal in zijne ziel de macht des heidendoms wijken voor het licht van de genade Uwer waarheid?quot; In deze droevige gedachte verzonken lette zij niet op de weinig goeds voorspellende gedaanten, die haar paleis naderden; zij zag niet, hoe slaven in keizerlijke livrei een gesloten draagstoel in het vestihulum van haar huis droegen, terwijl gewapende krijgslieden in het nabijgelegen straatje, als in een hinderlaag, zich opstelden.

Uit hare zwaarmoedigheid werd Sophronia gewekt door de boodschap, dat een keizerlijke hofbeambte haar wenschte te spreken, en nauwelijks was die boodschap gebracht, of de vrijgelatene verscheen reeds zelf.

Op het zien van dien mensch, wiens terugstootende gelaatstrekken door een gemeen lachje nog afschuwelijker werden, onstelde de

19

-ocr page 24-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

edele vrouw; de vrijgelatene echter boog zich diep voor haar en deed haar de mededeeling, zonder omwegen, dat de goddelijke Maxen-tius haar tot zijne echtgenoot had uitverkoren, dat hij, des keizers dienaar, het bevel had, ha^r terstond tot zijn meester te voeren; de dragers stonden in het voorhof gereed.

Een bleekheid als die des doods overtoog Sophronia\'s gelaat; een oogenblik stond zij als verstijfd van schrik en ontsteltenis, gelijk eene hinde, die plotseling den jakhals ziet, dien zij niet meer kan ontvluchten, en wiens klauwen haar in het naaste oogenblik zullen ontvleeschen. Een blik ten hemel schonk haar de tegenwoordigheid van geest terug en met beslistheid gaf zij den boden ten antwoord: „Meld den keizer deze woorden van zijne dienares; Ik ben christen en door heilige banden onafscheidbaar aan mijn echtgenoot, Ruflnus, verbonden; ik mag en zal aan den eisch des keizers nimmer of nooit voldoen.quot;

„Welaan,quot; antwoordde de hoveling op spottenden toon, „die heilige banden, welke u, edele vrouw, aan uw man ketenen, zijn wel te verbreken. „Niemand is onsterfelijkquot; zegt het spreekwoord. Niets belet dus, dat gij het bevel des keizers voldoet.quot;

Sophronia gevoelde eene koude rilling door hare leden.

„Neen!quot; riep zij hevig ontroerd, „nooit, nooit!quot;

„Weet dan,quot; ging de vrijgelatene steeds onbeschofter voort, „dat ik bevel heb u zonder dralen naar den keizer te brengen, zelfs met geweld. Om een oploop te vermijden, heb ik reeds alle uitgangen laten bezetten; mijne lieden staan in het vestibulum.quot;

Sprakeloos wrong de bedreigde vrouw de handen.

Was er geen redding mogelijk? — geene? — uit de diepte van haar zielsnood richtte Sophronia een smeekenden blik ten hemel; — het was als eene ingeving van boven, welke haar de woorden in den mond gaf, waarmede zij, schijnbaar het bevel volgend, verzocht:

„Gun mij een kwartier tijds om mij in feestgewaad te kleeden.quot;

Bereidwillig werd dit toegestaan. Toen Sophronia was vertrokken sprak de vrijgelatene met een spotlach:

„Even als-alle anderen! — ha-ha-ha!quot;

Het kwartier was verstreken ; — Sophronia verscheen niet.

Na lang wachten verloor de hoveling zijn geduld, te meer daar hij dacht, hoe de keizer hem zoude verbeiden, en hij ging onbe-

20

-ocr page 25-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

schaamd door de naaste vertrekken tot aan Sophronia\'s kamer. Hij klopte; — geen antwoord. Hij riep; — alles bleef stil. Zoude zij, niettegenstaande zijne voorzorg, toch een uitweg gevonden hebben, wellicht een geheimen gang, om te ontvluchten ?

Na kort beraad opende de vrijgelatene de deur; op hetzelfde oogenblik stiet Sophronia zich een dolk in het hart, terwijl zij uit-)( riep; „Heer Jesus, in Uwe handen beveel ik mijn geest!quot;

Toen stortte zij neder.

Met een vloek op de lippen sloop de hoveling henen. — De kerkelijke geschiedschrijver Eusebius bericht ons deze daad in zijn leven van Constatijn, terwijl hij er bijvoegt: „Deze vrouw heeft alle men-schen heden en in de toekomst door de daad bewezen, dat de kuischheid alleen bij de christenen onverwinnelijk is en sterker dan de dood.quot;

Van de komst der keizerlijke dienaren terstond door eene slavin onderricht, had Valeria, welke de morgenuren placht door te brengen met studeeren, naar de kamer harer moeder willen snellen; maar de keizerlijke slaven hadden haar tegengehouden. De toespeling van een hunner maakte haar bekend met het schrikkelijke lot, dat haar moeder dreigde, en een onuitsprekelijke angst greep haar aan. Zoo verliep bijna een halt uur; toen kwam de vrijgelatene, hij gaf zijn lieden een wenk en spoedde zich met hen henen.

Valeria herademde; het moest haar moeder gelukt zijn de booswichten van zich af te weren. Zij ijlde, zij vloog door de vertrekken , die naar de kamer van Sorphronia voerden, terwijl zij luide om haar moeder riep. Doch de geroepene verscheen niet, antwoordde niet en — barmhartig God! daar lag zij dood in haar bloed!

Met een luidde kreet viel het meisje in zwijm.

Ruflnus had zijn bezigheden zoo spoedig mogelijk verricht en spoedde zich nu naar huis; want ook hem had een onverklaarbare angst overvallen. Reeds in het vestibulum kwamen hem de ostia-rius en de slavinnen jammerend te gemoet.

Haastig stormde hij Sophronia\'s kamer binnen: als een verpletterende slag trof hem de aanblik van het bloedige lijk.

Door een onuitsprekelijke smart overmand wierp \'hij zich naast de doode op den grond, nam haar hoofd in zijn armen en riep jammerend:

21

-ocr page 26-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

„Sophronia, lieve vrouw! neen; het is niet waar! Gij kunt niet dood zijn! Ach, slechts één woord! Sla nog eenmaal uw oogen op!quot;

Maar zijn gade was dood — dood, en toen hij naar zijn dochter vroeg, vernam hij, dat zij bewusteloos was, en van het lijk begaf hij zich met wankelenden tred naar de sponde van zijn kind.

Bleek als marmer, de oogen gesloten, ademloos lag daar het meisje. Als had hij de ziel willen vasthouden, opdat zij niet het zwakke lichaam zoude verlaten, greep Euflnus Valeria\'s handen en drukte die krampachtig in de zijnen. Ach, als dit eens niet eene bezwijming ware! als hetzelfde uur hem gade en dochter hadde ontroofd! De trouwe voedster, welke bij de zieke was, stelde den angst des vaders gerust; de pols sloeg nog en weldra zoude Valeria weder ontwaken. Doch dan moet men de grootste omzichtigheid gebruiken, voegde zij er bij, en verzocht iiuflnus in het nevenvertrek te wachten tot Valeria weder haar bewustzijn had teruggekregen.

Ruflnus ging.

De onmacht duurde lang en de ongelukkige man had tijd om de geheele diepte van zijn smart te pijlen. De slag, die hem zoo eensklaps had getroffen, had hem geknakt en te vergeefs zocht hij naar een steun om zich staande te houden. Voor de eerste maal ondervond hij thans zelf, dat de zwakke kracht van een zoon der aarde niet toereikend is om den last van een groot ongeluk te dragen. Maar van uit den hemel strekte zich geen hand uit om hem op te beuren en zijne philosophie bleek machteloos te zijn om hem bij te staan.

Toen bracht een der slavinnen een blad papier, dat men eerst nu op de tafel in Sophronia\'s kamer had bemerkt. Ruflnus herkende terstond de hand zijner vrouw; het schrijven was van den volgenden inhoud:

„Mijn gemaal. God alleen weet, hoe innig ik u en onze kinderen liefheb, hoe mijn hart breekt, dat ik u moet verlaten, zoo eensklaps, zonder afscheid. Maar ik kan niet anders. Het heiligste, wat ik bezit, moet ik vlekkeloos voor mijn God bewaren; ik mag het vat des heiligen Geestes niet der ontwijding, prijs geven. Ik zoude vergaan van schaamte, indien ik zoo geschandvlekt tot u zoude terug-keeren; nog veel minder mag ik zoo voor de engelen en voor het aanschijn Gods verschijnen. Met al den gloed mijns harten heb ik

22

-ocr page 27-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

tot Hem gebeden, dat Hij mij een anderen weg ter redding zoude aanwijzen ; daagt er geen hulp op, dan volg ik de stem van mijn binnenste en ontkom, als liet hert de lagen des jagers ontkomt, op gindscher; berg, dien de voet der vervolgers niet kan bereiken. Christus zal mijn ziel opnemen en wat ik voor u, mijn dierbare Rufinus, hier beneden als zondares niet konde verkrijgen, dat hoop ik voor u te verwerven, wanneer ik als martelares voor u bid. Valeria, mijn lief, lief kind, troost uw vader; beveel mij aan in de gebeden der kerk; en gedenk mij, arme I Ook in den hemel blijf ik uw moeder en die uwer broeders, en eenmaal....quot;

Hier was het schrijven afgebroken; het binnentreden van den vrijgelatene had het Sophronia onmogelijk gemaakt haar geloof, haar hoop op een toekomstig wederzien, waar geen scheiden het geluk der zaligen bedreigt, ten volle uit te drukken.

Eufinus las en herlas het schrijven en zijn smart vond verlichting in een stroom van tranen. Hoe sprak uit elk woord van de afgestorvene de teederste liefde; hoe spiegelde zich in eiken regel het edele, fiere karakter van zijne gade weder!

De Romeinsche geschiedenis verhaalt een dergelijk feit van Lu-cretia, die om haar schande niet te overleven zich den dood gaf. Wie had geloofd, dat zulk een heldhaftigheid nog mogelijk was? En toch stond öophronia\'s daad nog veel hooger, daar de beweeggronden, die haar hadden geleid, edeler waren. Ofschoon een heiden gevoelde Rufinus de verhevenheid dezer beweeggronden, die hun wortel eenig en alleen konden hebben in de hooge opvatting van kuischheid en huwelijkstrouw bij de christenen.

Een slavin berichtte, dat Valeria uit haar onmacht was ontwaakt en haar vader wenschte te zien. Zwijgend stak de zieke haar hand naar hem uit; beiden vonden geen woorden voor hunne smart; slechts hun blik en hun handdruk spraken.

Toch was de smart van Valeria een geheel andere dan die van haar vader, te meer, toen zij het schrijven van haar moeder had gelezen. Zij, de christin, was in staat geheel en al de verheven stemming te begrijpen, waarin de afgestorvene haar daad had verricht. Sophronia had voor haar dochter, die één geloof met haar beleed, steeds haar hart kunnen ontsluiten en zij had het gedaan met al de heilige liefde eener christelijke moedor. Wat haar echt-

23

-ocr page 28-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

genoot als heiden niet begreep, waarover zij met hem niet kon spreken, wat in oogenblikken van verheffing en geestdrift haar edele ziel vervulde, dat had zij in het gevoelige hart van haar kind, van hare dochter, uitgestort. Hoe dikwerf hadden zij met elkander haar gebed, hare tranen voor den troon der goddelijke barmhartigheid nedergelegd, opdat toch eindelijk de scheidsmuur mocht vallen, die haar echtgenoot en vader van haar scheidde! Valeria had meer verloren dan eene moeder; maar uit hare smart schouwde zij omhoog naar de martelares, die gekroond met de kroon der overwinning voor Gods troon stond, en helderder straalde haar de hoop tegen, dat het uur der genade voor haar geliefden vader thans minder verwijderd zoude zijn.

Een der slavinnen had intusschen Irene, de boezemvriendin van Sophronia, van het voorgevallene onderricht en de edele matrone trad nu, vol christelijke liefde en deelneming, in het huis der rouw. Irene verstond het, als slechts weinigen, om balsem in de brandende wonden te gieten; zij bracht wat haar naam beteekende, vrede; waar zij verscheen, kwamen met haar berusting en hoop, die twee engelen, die de goddelijke barmhartigheid in dit tranendal heeft gezonden, opdat de zwakke stervelingen niet zouden bezwijken onder den last van hun kruis.

Er ligt bij den dood van edele menschen een geheimnisvolle troost in zich hun laatste woorden en handelingen weder voorden geest te roepen — het gulden avondrood na een dag vol zonneschijn. Zoo verhaalde Irene, hoe Sophronia nog gisteren middag in het Transtiberijnsche stadskwartier was gegaan om in een afgelegen straatje aan een arme kraamvrouw versterkend voedsel en voor haar kindje nieuw linnengoed te brengen. Dan herdacht zij zoo menigen trek van stille deugd en van heldhaftige opoffering, zoo menig woord van haar boezemvriendin, dat, als de geur uit den rozenknop, uit het edele binnenste van haar hart was gestroomd. En hoe werd het beeld, dat Irene aldus van Sophronia schetste, niet door de laatste woorden, die zij in het gezicht van den dood had geschreven, volmaakt!

In hare liefde voor de doode spraken beide vrouwen, zonder er op te letten, dat Ruflnus een anderen godsdienst beleed; Sophronia had evenzoo haar afscheidswoorden in denzelfden geest geschreven. De

24

-ocr page 29-

GETROUW TOT [N DENquot; DOOD.

prefect echter, met een hart verlangend naar troost, nam dit alles op als het dorre aardrijk den verkwikkenden regen. Hij had immer geloofd Sophronia tot op den bodem harer ziel te kennen; nu eerst werd voor hem de geheele diepte van haar edel hart geopenbaard. En wat waren dat voor verheven ideën, die hij heden voor de eerste maal hoorde en waarmede de vrouwen zoo vertrouwd waren, ja die haar aangeboren schenen!

Ruflnus wist, dat Irene\'s echtgenoot met haar beide dochters waren ter dood gebracht, omdat zij het christendom beleden; hij had echter nooit gevraagd naar de nadere omstandigheden van hun dood. Nu verlangde hij te vernemen, hoe een zwakke vrouw het verlies van haar man en hare kinderen had verdragen en in zijn smart, die zoozeer aan troost behoefte had, vond hij in eene uitdrukking, die Irene bezigde, aanleiding, haar zijn verzoek te doen.

Irene begreep, wat Ruflnus wilde, en voldeed gaarne aan zijn wensch.

„Toen de bloedige edikten van Diocletiaan werden afgekondigd,quot; ving zij aan, „en Maximianus, zijn wreede inborst volgende, de christenen uit elk toevluchtsoord verdreef, onze kerken, onze godshuizen, ja zelfs onze kerkhoven verbeurd verklaarde, stelde mijn echtgenoot Castulus, die bij den keizer het ambt van opperhofmeester bekleedde, onze woning als kerk ter beschikking. Terwijl de keizer zijn bloedige moordbevelen onderteekende, vierden de christenen in zijn eigen paleis de heilige geheimnissen. — Gij herinnert u nog, edele Ruflnus, den dapperen tribuun Sebastianus?quot;

„Die eerst door de Nubische boogschutters werd doodgeschoten,quot; antwoordde bevestigend de prefect, „maar weder tot het leven terugkeerde, en toen met knotsen werd doodgeslagen. Ik herinner mij, dat men destijds veel daarover sprak.quot;

„Wij hadden,quot; dus ging Irene voort, „hein, schijnbaar dood, heimelijk in onze woning gebracht, om hem den volgenden nacht in stilte te begraven. Maar tot onze groote vreugde, bemerkten wij, dat Sebastianus nog leefde, en het gelukte weldra aan onze zorg, zijne door bloedverlies uitgeputte krachten weder te doen herstellen. Nauwelijks genezen, ging hij, verlangend naar het martelaarschap, tot den keizer. Maximianus liet hem als een hond doodslaan en onderzocht daarna\', waar Sebastianus was opgenomen en verpleegd. De ont-

25

-ocr page 30-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

dekking, dat de vertrekken van een hofbeambte, in zijn eigen paleis den martelaar een toevluchtsoord hadden verstrekt, ja, dat zelfs de christenen aldaar zich verzamelden om hun godsdienst te vieren,

vervulde hem met de grootste woede. Terstond werd mijn echtgenoot gegrepen en na driemaal verhoord en driemaal gefolterd te zijn / voor de Labikaansche poort, in de nabijheid van de waterleiding

r

van Claudius, levend in eene zandgroeve begraven.quot;

Irene zweeg een oogenblik, door haar smart overweldigd; toen vervolgde zij:

„Ik werd onder wreede mishandelingen met mijne beide dochters,

meisjes van zestien en vijftien jaar, in den kerker geworpen; mijn jongste kind, mijn Candidus, ontkwam aan de wraak des keizers,

daar Castulus den knaap kort voor dien tijd naar de krijgsschool in Grallie had gezonden. Het lijden van eene maandenlange gevangenschap, hoe vreeselijk deze ook was, werd overtroffen door de smart, dat ik van mijne kinderen werd gescheiden en trots alle bidden en smeeken noch bij hen mocht komen, noch iets van hen konde vernemen. Op een morgen echter kwam de gevangenbewaarder en deelde mij met ijskoude onverschilligheid mede, dat de beide meisjes dood op den grond hunner cel lagen. Zij waren den vorigen nacht gestorven aan de gevangeniskoorts. Mijn smeeken om ten minste hare lijken te mogen zien, al was het slechts voor een oogenblik, vond in den beginne geen gehoor bij den hartvoch-gen man; eindelijk overwon toch mijne liefde, toen ik hem aan zijne eigen kinderen herinnerde. Ik trad in de cel; daar, lagen zij, twee gebroken bloemknoppen. De eene had de armen uitgestrekt als hing zij aan het kruis, de andere rustte naast haar, offerlam naast offerlam.quot; ,

Tranen verstikten Irene\'s stem; Rufinus greep diep bewogen de hand zijner dochter: hoe was ook hem een dergelijk verlies nabij |

geweest!

De matrone droogde hare tranen, die de smartelijkste herinnering uit hare oogen had geperst, en besloot toen haar verhaal aldus:

„De troonsbestijging van Maxentius opende de deur van mijne gevangenis en mijn eerste gang was naar de rustplaats van mijn echtgenoot en van daar naar mijne kinderen, die men in een ge- • .

meenschappelijk graf in het Cemeterium van Calistus had bijgezet.

26

x

-ocr page 31-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

Sedert dien tijd, sta ik daar als een boom van zijn loof beroofd in den winter, die eenzaam zijne bladerlooze takken ten hemel verheft. Nog ééne troost, ééne hoop heeft de Heer mij gelaten, dat is mijn zoon Candidus.quot;

Irene zweeg en zwijgend en peinzend zat Ruflnus tegenover haar. Hoeveel leed had deze zwakke vrouw doorgestaan! — En waar had zij den moed en de kracht bij zulke beproevingen geput?

Valeria was allengs zoo ver hersteld, dat zij het waagde haar vader te verzoeken, de dierbare doode de laatste liefdediensten te mogen bewijzen, en daar ook Irene haar verzoek ondersteunde, gaf Ruflnus, niettegenstaande zijne bezorgdheid, eindelijk zijne toestemming. Wie den bittéren kelk der beproeving moedig en geduldig ledigt, vindt op den bodem eene geheimzinnige kracht des hemels: dat wist Irene uit eigen ervaring.

Zoo begaf zich dan Valeria met hare moederlijke vriendin in het tablinum, waarheen het lijk intusschen door de dienstmaagden was gedragen en op een rustbed gelegd. Ruflnus bleef in zijn vertrek alleen met zijne smart en zijne gedachte; doch de smart was ge-leenigd, de gedachten waren minder vervuld met bitterheid.

Als de aanbrekende morgen zijn eerste stralen over den donkeren oceaan zend, dan worden de golven effen en dankbaar begroet de zeeman het opkomen van den nieuwen dag.

Sophronia had, voordat zij zich vrijwillig den dood gaf, het witte linnenkleed aangetrokken, dat zij op den dag van haar doopsel had ontvangen; zij had het, onbevlekt door zonden, roodgeverfd met het bloed van het martelaarschap, haar God en Verlosser willen teruggeven.

Valeria zonk diep bewogen naast het lijk op de knieën; terwijl zij haar armen om het dierbare hoofd strengelde, stortte zij haar gevoel in deze woorden uit:

„Lieve moeder, als martelares, den palmtak in de hand, staat gij thans voor de troon Gods. Neen, ik wil niet weenen! De dochter van eene zoo sterke vrouw, het kind eener martelares, moet zich haar moeder waardig toonen. De Heer moge het zwakke takje aan het kruishout binden, door mijne tranen heen schouw ik omhoog naar uw hemelglorie en prijs met u onzen Heer, o, mijne zalige moeder!quot;

27

-ocr page 32-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

Door Irene en twee trouwe dienstmaagden geholpen ging Valeria aan haar smartelijk-zoeten arbeid. Zij zalfden de doode met kostbare specerijen, legden haar een palmtak tusschen de handen en wonden haar een krans van rozen om haar hoofd. Naar oud-Romeinsch gebruik werd het lijk met de voeten naar de deur gekeerd en plaatste men lichten er omheen; in een acerra of reukvat brandde welriekende wierook, die het vertrek met zijn geur vervulde. — Het met het martelbloed doorweekte doopkleed van hare moeder sloot Valeria als een heilig overblijfsel in een area van kostbaar hout, die met gedreven zilver beslagen en met ivoren versierselen was verfraaid.

Irene nam toen de zorg voor de menigvuldige voorbereidselen ter begrafenis op zich, zooals de aangifte van het sterfgeval aan den ambtenaar bij den tempel van Libitina \'), en het bestellen der Vespülones of lijkdragers. Valeria echter ging naar haar vader, om hem in zijne eenzaamheid en zijn droefheid ter zijde te staan. Zij wist, hoezeer hij haar troost noodig had, hij, die in den nacht van het ongeluk niet door het zaligmakende licht der genade en des geloofs werd beschenen, dat hem de smart van het verlies verminderde door de berusting in den wil der alles leidende Voorzienigheid en door de hoop op een toekomstig wederzien. Zij vond haar vader, het hoofd op zijne hand steunend, in gedachte over het schrijven van Sophronia; hij reikte haar het blad over en sprak:

„Lees het mij luid op voor, mijn kind; in uwe stem hoor ik weder die van uwe moeder.quot;

28

Valeria nam het blad en las. In den beginne gelukte het haar meester te blijven van hare inwendige ontroering. Toen zij echter toevallig een blik wierp op haar vader, wien traan op traan langs de wangen rolde, toen overwon ook haar de smart en hare stem stokte. Doch met de geheele wilskracht harer sterke ziel, die zij van haar moeder had geërfd, herstelde zij zich weldra en ging voort met lezen; zij eindigde met de woorden: „Christuszal mijne ziel tot zich nemen en wat ik voor u, mijn dierbare Rufinus, hierbeneden

0 Libitina: eene oud-Italiaansche godin, later voor dezelfde gehouden als Proserpina of als Venus. Zij had te Rome een heiligdom, waar volgens eene verordening van Servius Tullius de aangifte van overlijden moest geschieden. Daar kon men ook alles huren, wat voor eene begrafenis noodig was.

-ocr page 33-

GETROUW TOT IN DEN DOOD.

als zondares niet konde verwerven, dat hoop ik voor u te verkrijgen, wanneer ik als martelares voor u bid.quot;

„Het is het testament van moeder,quot; sprak Valerie, terwijl zij vol hartelijkheid haar arm om den hals van haar vader sloeg; „ wilt gij niet haar laatsten wensch vervullen?quot;

Euflnus zag door zijne tranen heen zijne dochter aan, drukte haaide hand en zweeg. En zijne dochter verstond hem, en vol hoop richtte zij dankend de oogen ten hemel; het gebed der martelares begon zijne uitwerking te verkrijgen; het lam, dat zoo lang op den dwaalweg had gedoold, gevoelde het eerste verlangen naar den goeden herder, opdat hij het ook op zijn schouderen zoude nemen en dragen naar de gaarde van zoeten zielevrede en hemelsche troost.

Op zijn verzoek moest Valeria haar vader naar het lijk harer moeder geleiden en hoe diep de eerste aanblik van zijne gade, die daar levenloos op de baar lag, hem ook ontroerde, thans was het niet meer alleen de smart over het zware verlies, het was tevens eene soort van heilige vereering, waarmede hij de dierbare doode naderde. Terwijl hij naast haar nederknielde, legde hij Sophronia\'s schrijven op de borst van het lijk en vestigde, als wilde hij de woorden nog eenmaal uit haar mond vernemen, zijne met tranen gevulde oogen dan op het schrift, dan weder op de vriendelijke trekken der afgestorvene. Sophronia was gestorven om haar huwelijkstrouw te bewaren; doch dit voelde Rufinus en hij was er levendig van overtuigd, zij was tot dit offer alleen in staat geweest, doordat zij Christin was. De algemeen verbreidde vooroordeelen tegen het Christendom hadden zijne vrouw en dochter door den glans harer deugden reeds lang bij hem doen verdwijnen; doch dat hun godsdienst hen konde bezielen tot zulke zware offers, dit was nieuw voor hem en trof hem diep, en onwillekeurig vestigden zijne oogen zich altijd weder op de laatste woorden van het geschrift: „Wat ik hierbeneden als zondares niet voor u mocht verwerven, dat hoop ik voor u te verkrijgen, wanneer ik als martelares voor u bid.quot;

29

-ocr page 34-

HOOFDSTUK III.

D E E I G E N D E WOLKEN.

fet somberen blik, achteloos op zijn rustbed uitgestrekt, I geeuwend over de vervelende berichten der acta diurna, J de toenmalige staatscourant, wachtte Maxentius op de komst van Sophronia.

Gelijk ons zijne munten aantoonen, verried het ge-heele wezen des keizers zijne boersche en barbaarsche afkomst. Hij was eensterkgebouwde, breedgeschouderde figuur, het beeld van ruwe en woeste kracht. Over het lage voorhoofd hing het kroesige haar bijna tot op de wenkbrauwen; de ronde, dikke kop rustte op een vleezige hals; iets terugstuitend dierlijks gloeide in de scherpe oogen. Hij zelf vergeleek zich gaarne met Herkules; zijne lijfwacht, die uit de grootste en sterkste soldaten bestond, had hij den naam van die der Herkulessen gegeven.

Maxentius had de acta diurna uitgelezen en wilde juist, daar hij het wachten moede werd, een tweeden vrijgelatene naar Sophronia\'s woning zenden, toen een bode met een, zooals hij zeide, dringenden en gewichtigen brief werd aangemeld.

„Hij moet hem naar den prefect der kanselarij brengen of naar wien hij wil,quot; antwoordde de keizer geeuwend, doch bedacht zich dan, daar het hem inviel, dat het waarschijnlijk tijdingen van het

-ocr page 35-

DREIGENDE WOLKEN.

oorlogstooneel in Opper-Italië zouden wezen, en liet zich den briet geven.

De bode was gezonden door \'s keizers veldheer Rufus, die het bevel voerde over het noorderleger. Maxentius opende het schrijven en hoe verder hij las. des te somberder werden zijne gelaatstrekken. Dat Constantijn over de Alpen was gekomen en bij Augusta Taurinorum (Turijn) eene overwinning had behaald, wist hij uit vroegere berichten, en dit eerste geluk van zijn tegenstander was niet van groot gewicht geweest. Hij vertrouwde zoozeer op het in Egypte beproefde veldheerstalent van Rufus, dat hij niet twijfelde, of deze had zich laten slaan uit list en zoude hem weldra het hoofd van Constantijn toezenden.

Thans meldde hem de veldheer, dat na de inneming van de versterkte stad Turijn de vijand, in ijlmarschen voortrukkend, voor Brixia (Brescia), toen voor Verona verschenen was, dat hij bij beide steden de keizerlijke troepen eene bloedige nederlaag had toegebracht en Verona stormenderhand had ingenomen. Ruricius, de bevelhebber dezer stad, was onder de gesneuvelden. Gelijk te Turijn en te Brescia had Constantijn ook hier, tegen het gewone krijgsgebruik in, de bezetting het leven geschonken. Met den val van Verona was Opper-Italië verloren; het onstuimig snelle voortrukken des vijands echter en de moedeloosheid zijner eigen soldaten veroorloofden den veldheer niet in de Po-vlakte zijn tegenstander nog eens het hoofd te bieden; daarom dan had hij bevel gegeven de passen der Apennijnen te versperren, teneinde tijd te winnen, om in de nabijheid van Florence een nieuw leger te verzamelen. Dringend bad hij den keizer om hem alle beschikbare krachten, vooral de lang verwachte legioenen uit Sicilië en Afrika, in ijlmarschen toe te zenden.

Dit waren berichten, die den keizer dan toch uit zijne gewone traagheid wakker schudden. Woedend wierp hij den ongeluksbrief, zonder hem uit te lezen, op den grond, vertrapte hem met den voet en riep:

„Florence? Florence? — O! de schurk, de verrader! Hoe! Placentia, Parma en Bononia zonder slag of stoot prijs geven! Waarom snel ik zelf niet toe aan de spits mijner legioenen, om gelijk Herkules dit everzwijn, dat in mijn akker is gedrongen, levend te vangen?quot;

Zijn toorn verkroppend, liep de keizer zijn vertrek op en neder.

31

-ocr page 36-

DREIGENDE WOLKEN.

Hoe was het mogelijk, dat Rufus, die nog nooit eene nederlaag had geleden, dat zijne beste legioenen, niettegenstaande hunne dubbele overmacht, zich driemaal achter elkander hadden laten slaan!

En hoe volkomen moesten de vijanden eiken keer hebben overwonnen, om zijn leger geheel uit elkander te jagen!

Eindelijk herinnerde zich Maxentius, dat hij den brief niet ten einde toe had gelezen. Hij nam hem weder op van den grond; het slot luidde:

„Naar Gordianus, de priester van Mithras in Constantijn\'s leger, die ons geheel toegedaan is, mij bericht, heeft deze, zooals hij voorgeeft volgens een verschijning, die hij aan den hemel zag, een nieuwen standaard laten vervaardigen, waarop hij zich, in zijne bescheidenheid, als zonnegod vertoont; daarboven is een geheimzinnig teeken, dat den naam van den God der Christenen moet beduiden. Hoe dwaas en dom de fabel van deze verschijning ook is uitgedacht — Gonstantijn heeft haar zeker na een vroolijken nacht gezien — zijne soldaten, van wie een groot gedeelte uit Christenen bestaat, verrichten onder dit nieuwe veldteeken wonderen van dapperheid.

„Voor den laatsten slag heb ik uit alle legioenen vijfhonderd dei-beste soldaten gekozen en hun de hoogste belooning en de grootste eer en bevordering beloofd, als zij dien standaard veroverden. Nog nimmer heb ik zulk een verwoed vechten aanschouwd; maar als door demonische machten gedragen, wankelde dit vervloekte veldteeken niet; van mijn vijfhonderd echter is nauwelijks een enkele overgebleven.quot;

„Zoo?quot; sprak Maxentius grimmig, terwijl hij de vuist balde. „Zoo? De Nazareners zijn het, die mij naar kroon en leven staan? Gij, ellendige honden, zoo beloont gij het mij, dat ik u van de ketting heb losgelaten? De goddelijke Diocletian heeft u goed beoordeeld. Waarom heb ik zijn verdelgingsdekreet opgeheven?quot;

Op dit oogenblik verscheen, bevend voor den toorn van zijn heer, de vrijgelatene, dien Maxentius naar Sophronia had gezonden, en berichtte, dat die vrouw, onder de verklaring, zij was Christin en zoude derhalve de bevelen des keizers niet volgen, zichzelve had gedood.

Deze treffende tijding deed in Maxentius boezem geen gewetenswroegingen ontwaken. .

32

-ocr page 37-

DREIGENDE WOLKEN.

„Zij is Christin en zal derhalve niet de bevelen des keizers gehoorzamen?quot; herhaalde hij spottend. „Ja, dat past bij elkaar! Zij zijn allen schuldig aan hoogverraad, van den armen bedelaar af tot hun bisschop Melchiades toe. Wat zouden zij triomfeeren, als Constantijn in Rome zijn intocht hield! Maar bij de onsterfelijke goden! ik zal hun het lachen wel doen vergaan! — Ga,quot; snauwde Maxentius den vrijgelatene toe, „en laat Heraclius na hetprandium bij mij komen, hij moet mij van die verraders bevrijden.quot;

Gramstorig liep de keizer weder het vertrek op en neder. Had hij het vorige jaar eenige honderden Romeinsche burgers door zijn Pretorianen en Herkulessen laten neêrhouwen, waarom konde hij thans niet, als afschrikkend voorbeeld eenige duizenden Christenen in het Amphiteater der Flavii laten samendrijven en doodslaan?

„Maar,quot; dus wederlegde hij zich zelf, „dit ontuig is niet te verdelgen : als de motten in de wol zoo hebben zij zich in de geheele stad en zelfs in het paleis genesteld. En welk een welkom voorwendsel zoude ik aan dien Gallischen knaap geven, zich als redder van het Romeinsche volk voor te doen, wanneer ik een hoop dezer vagebonden over de kling lieï jagen!quot;

Na zijn uitvaren tegen de Christenen ging de Keizer weder over tot het beschouwen van zijn eigen toestand. — Zoo Rufusbij Florence nogmaals geslagen werd, stond dan voor den vijand de weg naar Rome niet open?

„Welaan,quot; sprak Maxentius tot zich zelf. „Ik zal de stadsmuren verbeteren en door wallen en grachten laten versterken. Laat hen het dan beproeven, die honden, in mijn dassenhol te kruipen: met bloedende muilen zullen zij weder afdruipen!quot;

Op dit oogenblik liet Rufus zich aanmelden. Bij den ernst der toekomst had de veldheer het noodig geoordeeld, persoonlijk met Maxentius te spreken en hem het krijgsplan voor te leggen, dat alleen, naar zijn overtuiging, den keizer nog konde redden. Nadat hij het opperbevel aan een zijner onderbevelhebbers had toevertrouwd, was hij, dag en nacht zonder oponthoud reizend, zijn bode op den voet gevolgd.

Maxentius was door het plotselinge verschijnen van zijn veldheer niet weinig verrast; mondelinge mededeelingen van deze bevestigden en verklaarden wat hij in zijn brief had bericht.

3

33

-ocr page 38-

DREIGENDE WOLKEN.

„Welaan,quot; herhaalde de keizer, „ik zal Rome versterken en in staat van verdediging stellen. Eer zal daarin geen steen op den andere blijven dan dat ik de stad aan Constantijn zal overgeven!quot;

„Als deze voor de poorten staat,quot; antwoordde Eufus, die zijner macht bewust vrijer dan andere stervelingen tot den keizer durfde spreken, „dan zullen uw muren en wallen u weinig baten. Voor een belegering ontbreekt het ons aan alles; in de eerste plaats aan proviand. De hongersnood in het voorjaar heeft de magazijnen geledigd, en ik twijfel sterk, of de stadsprefect Eufinus in staat was, hen uit den schralen toevoer van dezen zomer weder te vullen.quot;

„Ik laat hem levend braden,quot; riep Maxentius toornig over de tegenspraak zijns veldheers, „als de schuren niet gevuld zijn. Bovendien heb ik met dien Eufinus omtrent zijn vrouw nog af te rekenen. In ieder geval is gedurende eenige maanden de voorraad nog toereikend voor de legioenen.quot;

„En wat baat het u,quot; antwoordde Eufus, „als gij Eome twee of drie maanden behoudt? Zijt gij zeker, dat het volk geen oproer zal maken in de belegerde stad?quot;

„Dit volk oproer?quot; lachte de keizer, „als de kunstenmaker zijn poedel, zoo laat ik, met de bloedige zweep in de hand, de Eo-meinen voor mij dansen. Maar kom nu eindelijk met uw plan voor den dag!quot;

„Eome kunt gij op den duur niet tegen Constantijn verdedigen,quot; herhaalde de veldheer; „begeeft gij u daarentegen naar Sicilië of naar uw Afrikaansche provinciën, dan staan u frissche krachten ten dienste om binnen korten tijd weder met een krachtige vloot voor den mond van den Tiber te verschijnen. Ik zal mij voor den winter met mijn legioenen naar Capua en achter den Volturnus terugtrekken. Constantijn, tevreden met het bezit van Eome, zal ons een poos met rust laten en bij het begin van de lente dringen wij met vernieuwde kracht te water en te land vooruit. Daarbij reken ik zeker op het bondgenootschap der andere keizers, die Constantijn een te machtigen medebestuurder zullen vinden, wanneer hij in het bezit is van Brittanië, Gallië, Italië en Afrika.

„Bij Herkules!quot; sprak Maxentius, „ik zal uw voorslag in over-weging nemen. Haha! als Constantijn mij in zijn macht kreeg, voorzeker, hij liet mij den kop afhouwen en hem op een staak in

34

-ocr page 39-

DHETGENDE WOLKEN.

alle steden van het Romeinsche rijk ten toon stellen. Ik beloof hem ten minste, dat ik dit met den zijne zal doen.quot;

„Als gij hem in handen krijgt,quot; antwoordde Rufus droogjes.

„Als ik uit Rome moet,quot; raasde de Keizer, door deze uitdrukking van zijn veldheer nog toorniger geworden, „dan steek ik de stad eerst aan alle de vier hoeken in brand, en ik zweer het u, dat Nero bij mij vergeleken een slecht stoker zal geweest zijn. Ik weet, dat ik mij op de soldaten kan verlaten.quot;

Rufus was een Romein van den ouden stempel; de vreeselijke bedreiging des .keizers stuitte hem dus tegen de borst, evenzeer de veronderstelling, dat de soldaten bij het brandstichten zijn handlangers zouden zijn. Met gefronste wenkbrauwen vestigde hij zijn blik op Maxentius, toen sprak hij:

„Voorzeker, gij kunt u op mij en op het leger verlaten in den strijd.quot;

De tiran verstond zijn veldheer.

Een vrijgelatene meldde nu, dat het zesde uur,, de tijd van het prandium of middagmaal was gekomen.

„Wij willen ons door Constantijn het genot van de tafel niet laten bederven,quot; sprak Maxentius, „bij een beker Falernischen wijn kunnen wij de zaak nog beter bespreken.quot;

Nog denzelfden avond keerde Rufus naar het leger terug, zeer ontstemd over het bevel des keizers, die, vertrouwend op de verzekering van zijn waarzeggers en auguren, aan zijn veldheer had opgedragen, zich met zijn troepen op Rome terug te trekken, maaiden vijand den weg steeds betwistende tijd te winnen voor de legioenen, die uit het zuiden aanrukten.

Terzelfder tijd zat in een zaal van de thermen van Titus de jonge senator Symmachus eenzaam en alleen; peinzend beschouwde hij de marmergroep van Laokoon, die in een nis op den achtergrond van de zaal was geplaatst. In geheel Rome was er geen fierder Romein, geen ijveriger vereerder der goden dan hij. Onder de weinige eerbiedwaardige mannen, die de in verval gerakende hoofdstad destijds kon aanwijzen, was hij een der achtenswaardigste, een man van strenge zeden, gevormd in de school der Neoplatonici, die bovendien met zijn afkomst van een oud senatoriaal geslacht een onmetelijken rijkdom vereenigde. Herhaaldelijk had Maxentius hem

35

-ocr page 40-

DREIGENDE WOLKEN.

de meest schitterende eereposteu aangeboden; bymnmclius had steeds geweigerd, daar hij niet de dienaar van een dwingeland wilde zijn. Uit het openbare leven teruggetrokken, ontmoedigd door de verbastering der Romeinen, verstoord op de senatoren en ridders, die den roem van hun voorouders niet indachtig, het zich lieten welgevallen, dat Maxentius zelfs de snoodste misdaden aan hunne verwanten en huisgenooten bedreef, en de eer van hun naam prijs gaven, om hun leven en hun vermogen te redden, leefde hij alleen voor de opvoeding van zijn zoon, die, toen nog een knaap, naderhand tegenover een Damasus en een Ambrosius met zulk een machtig redenaarstalent voor Rome\'s zinkende goden zijn stem zoude verheffen.

Was het de tragische dood van Sophronia, waren het de berichten van het oorlogstooneel, door Symmachus langs geheime wegen ontvangen, die hem zijn voorhoofd deden fronsen ? Het was het een en het andere, en toch voelde de senator geen medelijden met den dood van een vrouw, die als Christin gestorven was, en bleef hij onverschillig voor de bedreigde heerschappij van Maxentuis, die hij evenzeer verachtte als hij Constantijn haatte.

Uit zijn somber gepeins werd de jonge senator gewekt door het verschijnen van een grijsaard, die met een vriendelijk lachje op hem toetrad en hem de hand reikte ter begroeting.

Ook op Symmachus\' voorhoofd effenden zich de rimpels, toen hij den grijsaard herkende; want deze was zijn voormalige leermeester, Lactantius Firmianus, die hem eens aan het hof van Diocletiaan to Nikomedia de redekunst had onderwezen.

„Het zal nu acht jaar geleden zijn,quot; zoo begon de grijsaard na de eerste begroeting, „dat gij uit Azië naar Rome zijt teruggekeerd, en ik durfde nauwelijks hopen, u ooit weder te zien, zoo niet een gelukkige samenloop van omstandigheden mij hadde vergund, nog eenmaal de luisterrijke beheerscheres der wereld, het gulden Rome, te aanschouwen.quot;

„Als gij dit voor een geluk hebt aangezien, zoo moogt gij wel van meening veranderen,quot; antwoordde hem Symmachus, die opnieuw het voorhoofd fronste.

„Ik ben eerst gisteren aangekomen,quot; antwoordde Lactantius, „en heb toch reeds vele zeer slechte berichten vernomen. Maar in het diepst mijner ziel werd ik ontroerd door den treffenden dood van

36

-ocr page 41-

DREIGENDE WOLKEN.

Sophronia. Ik leerde haar in Nikomedia kennen en bewonderde toen reeds haar edel karakter.quot;

„De dood van die vrouw zoude op mij indruk maken, had Sophronia niet ala hartochtelijke Oostersche en als overspannen Christin, maar als echte Romeinsche in koelen bloede en kalme rust, gelijk een Lucretia, zich het mes in de borst gestooten. Wat mij ergert is, dat zelfs de prefect van Rome in het heiligdom van zijn huis niet veilig meer is voor de lagen van den keizerlijken dwingeland. Doch nog schandelijke!\' is het, dat er in Rome geen tweede Brutus is, die den bloedigen dolk van den grond durft opnemen.quot;

„Men verhaalde mij ook van Constantijn, van zijn overwinningen op Rufus en hoe hij zonder dat men hem kan tegenhouden reeds tot in Umbrië is doorgedrongen. Erkent gij niet in hem het werktuig eener hoogere macht om de misdaden van Maxentius te bestraffen ?quot;

Op deze vraag richtte Symmachus zwijgend, met een bitteren spotlach, zijn blik op Lactantius, toen wees hij met de hand op do groep van Laokoon en sprak:

„Beschouw dit beeld, beschouw het goed! Ziet gij, hoe Laokoon, door de twee slangen gepijnigd in stomme smart zich wringt en ten hemel zucht? Ziet gij, hoe zijn zonen, door de kronkelingen der ondieren omwonden, klagend hun vader roepen, die hen niet helpen kan? Dat is een beeld van Rome — Rome, dat met zijn inwoners door Maxentius en Constantijn wordt gemarteld en in doodelijke omstrengeling wordt verpletterd. Slechts daarin gaat de vergelijking mank, dat deze slangen eendrachtig hun óffer aanvielen, terwijl deze beiden met verdubbelden bloeddorst als in wedstrijd den buit verscheuren.quot;

„Neen, neen,quot; riep Lactantius met gloed, „gij moogt Constantijn niet met de slangen vergelijken noch hem gelijk stellen met dien ellendigen Maxentius.quot;

„Gij kent hem niet, goede grijsaard,quot; antwoordde Symmachus met een schamper lachje. „Gij meent, dat hij op zijn vader Con-stantius Chlorus gelijkt, en vergeet, dat zijn moeder, Helena, een Dacische herbergdienstmaagd van geringe afkomst en bovendien een Christin is.quot;

Lactantius onderdrukte het antwoord, dat hem reeds op de lippen

37

-ocr page 42-

DREIGENDE WOLKEN.

zweefde. De senator ging opgewonden voort en zijn stem beefde van smart en verbeten woede:

„Weet gij, dat Constantijn den vervloekten naam van der Christenen God op zijn banier heeft geplaatst? O Rome! de Galliërs en Kar-thagers hebben u niet dien smaad aangedaan, dien deze imperator aan het hoofd van Romeinsche legioenen u bereidt! Lactantius, als gij, gelijk de grijze Homerus, de bron der poëzie frisch in uw borst bewaard hebt, verhef dan uw stem voor de onsterfelijke goden tegen den gekruisten Jood, dien Constantijn op den troon van Jupiter wil verheffen.quot;

Een smartelijke trek vloog over het gelaat des grijsaards. Vroeger een vereerder der goden had hij als dichter en redenaar het Christendom bestreden en dit had hem de gunst van Diocletiaan verworven. Plotseling door de genade getroffen en tot Christen bekeerd, had hij sedert dien tijd onvermoeid met woord en gedicht en vooral door philosophische verhandelingen zijn nieuw geloof verdedigd en het heidendom bestreden om de vroeger gegeven ergernis weder goed te maken. Hoe smartte hem nu de ervaring, dat zijn gedichten ter verheerlijking van den afgodendienst nog niet vergeten waren, terwijl zijn verdedigingsschriften van het Christendom zelfs zijn voormaligen leerling nog onbekend waren gebleven.

Hij schudde het hoofd bij deze uitdagende taal van Symmachus, terwijl hij met een bitteren glimlach antwoordde: „Als Jupiter geen bliksem kan slingeren, om zijn troon te verdedigen, en Minerva\'s speer en Apollo\'s boog gebroken zijn, hoe kan dan de pen in de hand eens grijsaards de goden van Rome voor den ondergang behoeden ?quot;

Symmachus wilde juist antwoorden, toen een gezelschap vreemdelingen zaal binnentraden, aan wie een gids met luider stem de groep van Laokoon begon te verklaren. Verstoord over de woorden van Lactantius, boos omdat men hun onderhoud kwam onderbreken, verliet Symmachus met een kort afscheid zijn leermeester en ging ijlings heen.

Het tragische einde der edele Sophronia had in alle kringen, dei-hoofdstad een diepen indruk gemaakt, had, velen beschamend, het zedelijk bewustzijn uit zijn indommeling wakker geschud en de smadelijke vernedering, waartoe de tiran adel en volk had gebracht,

38

-ocr page 43-

DREIGENDE WOLKEN.

voor allen handtastelijk gemaakt. De prefect der kanselarij, Hera-clius, die overal zijn spionnen had, berichtte den keizer na het prandium, dat er in de stad een groot misnoegen heerschte.

Heraclius, vroeger Christen, sedert zijn afval, gelijk alle apostaten, een heftige vijand zijner voormalige geloofsgenooten, had zich in buitengewoon korten tijd van leeraar der Grieksche rhetoriek tot zijn tegenwoordige positie weten te verheffen. Nog voor eenige jaren leefde hij op het eenzame eiland Sardinië in ballingschap , daarheen veroordeeld door de rechterlijke uitspraak van Aradius Ruflnus, omdat hij een verzameling van Christenen met geweld van wapenen en met bloedvergieten had gestoord. De voorbede van zijn echtgenoote Sabina, die uit een oud-patricisch geslacht was gesproten en wier hand hij gekocht had met zijn afval van het Christendom, verkreeg zijn terugroeping; door een lofrede op den verjaardag Maxentius\' troonsbestijging verwierf hij de gunst van den keizer; in de geheime kanselarij aangesteld, werd hij weldra aan het hoofd daarvan geplaatst. De listige en buigzame Griek had daardoor een veelvermogenden invloed verkregen; hij genoot het volle vertrouwen des keizers, wiens hartstochten hij diende, en met dezen wist hij wederom zijn voordeel te doen.

Maxentius hoorde het bericht van zijn geheimen secretaris over de stemming in de stad en den diepen indruk, dien Sophronia\'s dood op de bevolking had gemaakt, zeer onverschillig aan.

„Goed,quot; sprak hij spottend, terwijl hij een beker calda of warmen wijn in één teug ledigde, „men moet inderdaad met de openlijke meening rekening houden. Schrijf daarom terstond het bevel tot inhechtenisneming van Ruflnus en laat hem proces aandoen, omdat hij - nu, omdat hij, zooals Rufus mij meldde, voor de proviandeering der stad niet genoegzaam heeft gezorgd.quot;

Bij deze woorden des keizers straalden de oogen van den Griek van boosaardige vreugde. Hij had het niet vergeten en aan Ruflnus niet vergeven, dat deze hem voor twee jaar tot levenslange ballingschap naar Sardinië had veroordeeld; reeds lang loerde hij op een gelegenheid zich te wreken; doch de stadsprefect was in zijn hooge positie tot nog toe onbereikbaar voor hem gebleven. Thans was het uur der wraak gekomen, en Heraclius begroette dit met des te meer vreugde, wijl nog kort geleden Ruflnus met den trots

39

-ocr page 44-

DREIGENDE WOLKEN.

eens Romeinschen senators een aanmatiging van den Griekschen opkomeling door een misschien te scherp woord had afgewezen en hem zijn verachting had laten voelen.

Heraclius moest zich geweld aandoen, om zijne vreugde te verbergen.

„Hoe?quot; vraagde hij, schijnbaar verschrokken door het woord des keizers, „den senator Aradius Ruflnus, den prefect der stad Rome, wilt gij gevangen nemen en____ en____?quot;

„En, als het mij belieft, ter dood laten veroordeelen,quot; voltooide Maxentius kalm. „quot;Wat stadsprefect! Zoo een maanskop van een stadsprefect zit niet vaster op zijn stengel dan een plebeïsche distel.quot;

„En toch zou ik u raden, als uwe goddelijkheid de hand aan den stadsprefect wil slaan, de aankomst der legioenen uit het Zuiden af te wachten,quot; zeide de arglistige Griek.

„De legioenen?quot; vroeg Maxentius, zijn voorhoofd fronsend.

„Uwe goddelijkheid heeft-dezen adder reeds te lang aan haar boezem gekoesterd. Gij alleen hebt niet willen zien, hoe Ruflnus op alle wiizen de gunst van het Romeinsche volk trachtte te winnen. Ik sidder, zoo dikwijls ik er aan denk, over welke groote macht die eerzuchtige man in zijne positie als stadsprefect te beschikken heeft. Thans echter, nu Constantijn tegen u is opgestaan, is hij dubbel gevaarlijk; en wanneer hij, zooals uwe goddelijkheid zegt, voor de proviandeering van Rome niet de noodige maatregelen heeft genomen____quot;

„Die ellendige verrader!quot; riep Maxentius; „hij is Constantijns strijdmakker geweest!quot;

„Nu, dan twijfel ik geen oogenblik,quot; ging de sluwe Griek voort, „dat men in zijn huis compromitteerende geschriften, b. v. een geheime briefwisseling zoude vinden, door welke een samenzwering met Constanten____quot;

„Nog eens!\'\' riep Maxentius woedend, „schrijf dadelijk het bevel tot inhechtenisneming en zorg, dat de rechters hun plicht doen!quot;

„Bij deze ontwijfelbaar bestaande samenzwering echter,quot; sprak Heraclius verder, zonder op\'s keizers bevel acht te geven, „waarvoorde bewijzen zullen en moeten gevonden worden, was ook zijn vrouw Sophronia betrokken, en omdat zij niet tegen haar man heeft willen getuigen, heeft zij zichzelf gedood. Zoo zullen de Romeinen

40

-ocr page 45-

DKEIGENDE WOLKEN.

het morgen in de acta diurna lezen. Over deze briefwisseling moet ook tegen andere lieden proces gemaakt worden. Zij worden veroordeeld en hun vermogen komt aan den fiscus.quot;

Maxentius moest een oogenblik nadenken, om het onbeschaamde plan van Heraclius te begrijpen. Dan sloeg hij met de hand op zijn knie en riep ten hoogste bevredigd uit:

„Bij de knots van Herkules! in het geheele Eomeinsche rijk vind ik geen tweeden speurhond, zooals gij! Uw plan is voortreffelijk, heerlijk! Weet gij, dat die Sophronia een Christin was en dat zij daarom weigerde mijn verlangen te voldoen? Zet ook dit, dat zij Christin was in de acta diurna, dan is het volk de mond over die vrouw gestopt; met de halsband van het proces houd ik don troep in bedwang, en de verbeurdverklaringen komen mij voor den bouw der Basilica en voor de feesten ter viering van den verjaardag van mijn troonsbestijging juist te pas. quot;VYat vraagt het Eomeinsche rattennest er naar,quot; voegde hij er op verachtenden toon bij, „waar het koren vandaan komt, als dat ontuig zich maar goed vol kan vreten?quot;

Heraclius wilde heengaan, daar hij brandde den stadsprefect zijn wraak te laten voelen; een wenk zijns meesters hield hem terug.

„Weet gij,quot; vroeg Maxentius en zijn voorhoofd werd weder beneveld , „weet gij, dat Constantijn door een listig verzonnen bedrog zich de geheele bende Christenen tot bondgenoot heeft gemaakt? Zooals het wilde dier in het Colosseum in zijn kooi er op loert, dat zijn wachter hem de traliën opent, zoo wachten de Christenen slechts op het oogenblik, dat Constantijn voor Rome zich vertoont, om in bloedigen opstand mij naar de keel te vliegen. Maar, bij Herkules! zij zullen mijn knots leeren kennen! Binnen acht dagen moet hun bisschop Melchiades met al zijn priesters en diakens gevangen genomen zijn. Om dit te doen is niemand meer geschikt dan gij; gij kent hunne schuilhóeken en hunne geheime teekens, en het zal u een genot zijn, uw voormalige schandgenooten onder het mes te brengen. Zijn eerst de herders weg, dan gaan wij aan de vette hamels, en dan zal u uw aandeel niet ontbreken. De rest van het gepeupel mag wegkruipen in zijn holen; daar ben ik niet bang voor.quot;

Hoezeer gebeten op de kerk, die hem had uitgestooten, do apostaat ook was, en hoe gaarne hij iedere gelegenheid ook aangreep, om den keizer tegen de Christenen op te hitsen, dit bevel verschrikte

41

-ocr page 46-

DREIGENDE WOLKEN.

hem toch. Heraclius kende te goed de macht van het Christelijk geloof en had haar in de vervolging van Diocletiaan te duidelijk daarvan een proef zien afleggen, dan dat hij niet innig overtuigd zoude geweest zijn van de nutteloosheid van bloedige maatregelen. Vooral thans, nu Constantijn tegen Rome oprukte, scheen hem een vervolging ook uit een staatkundig oogpunt in den hoogsten graad onverstandig.

Daarbij kwam nog, dat Heraclius, met het oog op de herhaalde nederlagen van Eufus, reeds de mogelijkheid voorzag, dat Constantijn Maxentius zoude overwinnen. In zijn plaats zoude elk ander geen oogenblik getwijfeld hebben, of ook zijn hoofd ware dan ver-speeldde sluwe Griek echter gaf nog geenszins de hoop op, om zoo niet de gunst des overwinnaars te verwerven, dan toch zijn leven te kunnen redden, als het hem voor dien tijd gelukken mocht, zich met de kerk te verzoenen. En in plaats daarvan zoude hij zich nu tot werktuig van vernieuwde bloedbevelen laten gebruiken, die zelfs bij de heidensche bevolking gehaat geworden waren en waartegen zich ook zijn eigen beter gevoel verzette? De listige Griek had slechts weinige oogenblikken noodig om een uitkomst te vinden, teneinde zich aan die opdracht te onttrekken en tevens zijn eigene plannen te bevorderen. Daar tegenspraak den keizer in zijne eigën-zinnigheid slechts pleegde te versterken, zoo besloot hij langs omwegen zijn doel te bereiken.

„Mijn gebieder,quot; sprak hij, „nog nooit heeft uw goddelijke mond mij een opdracht gedaan, die ik met meer vreugde bereid was uit te voeren. En daar de goden mij vergund hebben uw bevelen vooruit reeds te raden, zoo heb ik na lang en ernstig overwegen eindelijk een nieuw en wel het eenig onfeilbare middel gevonden, om de Nazareners met wortel en al uit te roeien.quot;

„Bij Herkules!quot; riep Maxentius uit, „ik laat u op quot;het Forum den schoonsten triomfboog oprichten, als uw middel afdoend is.quot;

„Het is even zoo zeker als eenvoudig. Dé bloedige maatregelen van Diocletiaan en van de vorige keizers hebben het fanatisme dezer bende ontvlamd; andere pijlen moet gij op uw boog leggen, als gij hen wilt vernietigen. Een bergstroom spat tegen de hindernissen op, die men hem in den weg legt; als gij hem echter tus-schen enge dammen naai- de woestijn leidt, verloopt hij vanzelf in

42

-ocr page 47-

DREIGENDE WOLKEN.

het zand. Welnu, snijd den Christenen alle gemeenschap af in het openbare en burgerlijke leven met de vereerders der onsterfelijke goden. Laat in alle scholen uw beeldtenis aanbrengen en meesters en leerlingen moeten dagelijks vóór het onderricht wierook offeren. Laat op de markt uw priesters eiken morgen de voedingsmiddelen bewierooken. en alle kooplieden, tot den geringsten venter toe, moeten godenbeelden in hun winkels hebben. Huwelijken, verdragen, koopcontracten zijn niet geldig, wanneer zij niet worden gesloten met offeren; geen klager mag voor het gerecht treden, zonder eerst de goden te hebben aangeroepen. Door deze en dergelijke middelen sluit gij de Nazareners uit van onderwijs, handel, recht en verkeer en voordat een menschenleeftijd voorbij is—quot;

„Deze langdradige proef,quot; onderbrak hem geeuwend Maxentius, „laat ik aan anderen over; dien ik wil worgen pak ik dadelijk bij de keel. Een Griek, waarachtig, al draagt hij ook den naam van Herkules,quot; voegde hij er minachtend bij, „gaat liever om met vergift en slinksche middelen. Ik moet nu eenmaal,quot; zeide hij toornig, en sloeg met de vuist op de tafel, „deze Hydra haar honderd koppen afhouwen en wilt gij niet de fakkel ziin, waarmede ik haar in den hals brand, opdat de koppen niet weder op zullen groeien, dan vind ik wel een ander.quot;

Heraclius verloor geen oogenblik zijne bedaardheid. „Uw goddelijkheid weet, hoe onvoorwaardelijk ik aan haar bevelen gehoorzaam. Maar van de misgrepen van Diocletiaan was de ergste, dat hij de verzamelplaatsen der Christenen sloot en daardoor zelf de vallen wegnam, waarin hij de vossen kon vangen. Geef den Nazareners hun kerken en hun cemeteriën terug en verleen hun het recht zich te vereenigen; wacht dan slechts een hunner feestdagen af en gij zult zien, hoe zij allen, hun bisschop Melchiades en zijn priesters en diakens aan het hoofd, in de val loepen. In het midden der volgende maand vieren zii het feest van Cecilia aan de Via Appia; in de vreugde over de hun wedergeschonkene vrijheid zal bij het feest geen der hoofden ontbreken, en dan hebt gij slechts uw Pretorianen er heen te zenden, om hen allen tegelijk te vangen.quot;

„Een wonderlijk voorstel, bij Jupiter!quot; riep Maxentius, „en toch heeft het iets verleidelijks. Maar,quot; zoo ging hij na eenig peinzen voort, „zullen die honden niet zeggen dat ik hun uit vrees voor

43

-ocr page 48-

DREIGENDE WOLKEN.

Constantijn hun heiligdommen heb teruggegeven, en zullen zij dan niet des te luider blaffen?quot;

„Dat blaffen zult gij hun wel spoedig afleeren. Men moet die Christenen behandelen als de jachthonden; terwijl gij hun met do eene hand het been der keizerlijke gunst toewerpt, klapt uw andere met de zweep over hen; dan kruipen zij voor u op den buik.quot;

„Ik zal er over denken. Waarlijk, Diocletiaan was geen Herkules. Hij heeft de ondieren slechts in hun holen gedreven; maar in plaats van hen te verwurgen, verkoos hij kool te bouwen.quot;

„Nu, de ware Herkules zal hen uit hunne holen lokken, om hun dan met zijn sterken arm de keel toe te wringen. Als gij aldus beveelt, dan zal ik het edikt in de kanselarij laten ontwerpen. En zoo gij het nog voor den verjaardag van uw roemvolle troonsbestijging laat openbaar maken, dan zult gij zien met welke dankbaarheid en geestdrift die Christenen in hunne onnoozelheid het feest medevieren en den goddelijken Maxentius zullen toejuichen.quot;

Voor het oogenblik tevreden, dat Maxentius zijn plan betreffende de Christenen niet had afgewezen, had de sluwe Griek met de laatste woorden het onderhoud behendig op een ander onderwerp gevoerd, op de naderende feesten, die, met de voltooiing van zijn Basilica, don keizer het naast aan het hart lagen. Inderdaad liet Maxentius weldra de gedachten aan de Christenen varen, om over deze beide onderwerpen te spreken; Heraclius echter wist hem een feestprogram op te maken, dat hem zoo aanstond, dat de keizer ten hoogste bevredigd was. Dit alleen had de keizer aan het onderwerp toe te voegen:

„De inwijding van den circus met gewijd water door de priesters is mij te waterig; ik wil het met bloed laten doen. Op het oogenblik, dat bij den wedren de eerste als overwinnaar het doel heeft bereikt en de circus weerklinkt van het gejubel en gebrul van het volk, moet daarbuiten op een afgezonderde plaats een half honderd Christenen worden nedergehouwen. Hun doodskreten en het bloed, dat daar tegen de muren spat,quot; voegde hij er met een boezen lach bij, „dat is een betere zegen, dan al dat gesnater en dat wijwater van do priesters.quot;

Heraclius waagde het niet tegen te spreken, om de goede luim van zijn heer niet te bederven. Hij dacht aan de lijst der samenzweerders, die hij moest opmaken.

44

-ocr page 49-

HOOFDSTUK IV.

IN DE KATAKOMBEN.

\'quot;\'\'••^hiiim^üïïiiiuui\'i.....ij

ome was door paus Fabianus omstreeks het jaar 250 in zeven kerkelijke afdeelingen verdeeld geworden; aan het hoofd van elk stond een diaken, die tevens het opzicht had over de kerkhoven of cemeteriën van -\'/4^ elke afdeeling. Het Celimontium, waar het paleis van Eufinus lag, behoorde tot de tweede afdeeling, wier begraafplaatsen aan de Via Appia en aan den grooten quot;0üir latijnschen weg lagen. Valeria had gewenscht, dat haar moeder zoude worden bijgezet in de Katakomben van de Via Appia, die onmiddellijk onder het opzicht des pausen stonden en hun naam ontleenden aan den heiligen Callistus.

In het oude Rome hadden de begrafenissen des nachts plaats; volgens Irene\'s voorzichtige beschikking zoude het lijk van Sophronia in alle stilte en zonder veel praal worden bijgezet. Dit belette echter niet, dat in het atrium zich een groot aantal armen, kreupelen en oude lieden had verzameld, die hun weldoenster hun liefde en dankbaarheid wilden bewijzen. Toen Irene, door twee dienstmaagden begeleid, in hun midden verscheen, om in naam van Eufinus en van zijn dochter aalmoezen onder hen uit te deelen, schrok zij niet weinig, toen zij onder de menigte ook Eustica, de vrouw van een der fossores of kerkelijke doodgravers uit de Trans-

-ocr page 50-

IN DE KATAKOMBEN.

tiberijnsche wijk daar zag. Ofschoon deze vrouw eerst sedert vier dagen het ziekbed had verlaten, was zij toch met haar zuigeling en haar blinde moeder gekomen, en toen Irene haar dit zachtkens verweet, antwoordde de jonge vrouw:

„Wij konden geen van beiden in huis blijven; wij moeten nog eenmaal de hand kussen, die ons zooveel goed heeft bewezen.quot;

Irene haastte zich de twee vrouwen in het vertrek bij het lijk te brengen en het was treffend te zien, hoe de moeder met haar pasgeboren kind en de blinde oude bij de baar nederknielden en haar smart en dankbaarheid lucht gaven. Eerst na lang weigeren nam Rustica den doek aan, dien Irene haar opdrong, opdat zij er zich mede zoude dekken tegen de koude nachtlucht, als zij naar huis terugkeerde.

Hoe dikwijls ontdekt men in de grove schelp der armoede de kostbaarste parel van een edel karakter!

Nu kwamen Ruflnus en zijne dochter nog eens bij de doode, om onder heete tranen den afscheidskus op haar voorhoofd te drukken, ïoen spreidde hij, zooals het gewoonte was, een kostbaren doek van Tyrisch purper over het gelaat van het, naar Romeinsche zeden, open op de baar liggend lijk. Nadat de priesters de gebeden dei-kerk hadden gesproken, zette zich, bij het schijnsel der fakkels, die de slaven des huizes droegen, de stoet, die, behalve uit Ruflnus en zijne dochter, alleen uit Irene en de naaste verwanten en de huis-genooten bestond, in beweging.

Niettegenstaande het late uur stonden voor de naburige paleizen en huizen overal groepen van personen, die met stille deelneming toeschouwden. Niemand durfde een woord van medelijden spreken, uit vrees voor de keizerlijke spionnen, wier nabijheid men vermoedde.

Van de hoogte des Celimontiums afdalend, ontmoette de treurige stoet een bende jongelieden, welke den avond in een der beruchte drinkholen dezer wijk hadden doorgebracht. Door den wijn beneveld, tot nachtelijk rumoer altijd bereid, kwam de uitgelaten troep terstond nader, om de fakkels aan hun dragers te ontnemen. Aan het hoofd der rinkelrooiers stond een jongeling, dien wij weldra weder zullen ontmoeten; hij was de zoon van den prefect der kanselarij.

„Bij Bacchus!quot; riep hij tot zijn gezellen, „de dooden behoeven geen

46

-ocr page 51-

IN DE KATAKOMBEN.

fakkels om den weg onder de aarde te vinden; maar wij, als wij iemand een serenade willen brengen, dan hebben wij die lichten noodig.quot;

Bij deze woorden beproefde hij een der slaven zijn fakkel te ontnemen; maar nu trad hem uit het kleine gevolg een man te gemoet; deze liet zijn hand zwaar op den schouder des jongelings vallen en sprak met treffenden ernst:

„De stadsprefect Rufinuamp; brengt zijn vrouw ten grave; stoor de stille plechtigheid niet.quot;

Deze woorden en de diepe verontwaardiging, waarmede zij werden gesproken, de heldhaftige dood van Sophronia en ook de hooge waardigheid van den rouwdragende deden de bende beschaamd terugwijken.

Verlegen stamelde de aanvoerder een verontschuldiging, en toen gingen allen hun weg.

Langs de thermen van Caracalla kwam de stoet, zonder verdere stoornis te ondervinden, aan de Appische poort, die tegenwoordig den naam draagt van den H. Sebastianus. Daar stond een schaar van Christenen te wachten, grootendeels arme lieden, om de afgestorvene te geleiden naar de katakomben van Callistus.

De nacht was bij uitstek zacht. Van den stillen hemel blikten de sterren, als engelen, neder op den nachtelijken stoet; rustige vrede lag over de geheele natuur gespreid en de bladeren en de boomen waagden het nauwelijks te fluisteren, gelijk vrome kinderen, om de plechtigheid niet te storen. Doch somber schouwden deheiden-sche grafmonumenten aan beide zijden van den straatweg op de Christelijke begrafenis; zij, de ijdele praal en pracht der levenden, boven asch en vernietiging, waarvoor geen hoop op een zalige verrijzenis bestaat.

De geestelijken aan het hoofd van den stoet hadden psalmen aangeheven niet op treurigen maar op feestelijken toon, gelijk het bij de begrafenis der martelaren was voorgeschreven. Hoe dikwerf hadden sedert driehonderd jaren deze heilige gezangen in de stilte van den nacht langs de Via Appia weerklonken, als de Christenen de lijken der bloedgetuigen van de gerechtsplaatsen en uit het amphitheater der Flavii naar de katakomben geleiden! Doch dra zal de tijd komen, waarop het Romeinsche volk, waarop de herders

47

-ocr page 52-

IN DE KATAKOMBEN.

der Albanische en iSabijnsche bergen, waarop de pelgrims uit Etru-rië en Campanië in lange rijen onder heilige jubelgezangen naar de roemvolle graven der martelaren ter bedevaart trekken, om daarin de overwinning des kruises over de wereld te vieren. Ja, als de trotsche grafmonumenten met hunne roemverkondigende opschriften lang tot puin zijn vervallen en slechts woeste ruïnen met klimop begroeid boven de vernielde en geplunderde graven zich in hare verlatenheid verheffen, dan zullen, zelf uit landen, waarheen nooit de voet des Eomeinschen strijders was gekomen, uit onbekende werelddeelen vrome geloovigen de Via Appia langs trekken, om vereend in één geloof, in één hoop en in één liefde, bij de graven der martelaren te bidden. De eigenlijke ingang der katakomben van den H. Callistus lag vlak aan de Via Appia, naast het grafmonument der christen Cornelii; nog heden staat de bruine kern van het monument tusschen donker groene cypressen, waarnaast de oude trap in de grafstraten nederwaarts voert. Sedert echter door Diocletiaan de gronden, waaronder de katakomben gelegen zijn, werden verbeurdverklaard, hadden de Christenen zich een ingang gemaakt, die door struiken en laag hout was verborgen.

Daar wachtte Mincius, de doodgraver uit de Transtiberijnsche wijk, met de hem ondergeschikte fossores, het lijk af.

Bij de engte van den ingang moest dit van de baar worden genomen om goed te worden naar binnen gedragen; Ruflnus nam de dierbare last in zijn armen, en droeg dien, door Mincius en zijn gezellen ondersteund, omlaag in de diepte.

Daar wachtte, te midden zijner priesters en diakenen, bisschop Melchiades, om persoonlijk de begrafenis te verrichten.

Onder de gebeden der kerk hieven de fossores het lijk op en schoven het in de opene nis; Valeria goot nu een kruikje met kostbaar reukwerk over de doode, zoodat de geheele kapel met den geur werd vervuld.

Tot hiertoe had Rufinus, de heiden, de heilige plechtigheid mogen bijwonen, alles had een diepen indruk op hem gemaakt, de tocht in de stilte van den nacht langs de Via Appia bij het zingen der psalmen, de gang door de straten der onderaardsche doo-denstad, de vroomheid en godsvrucht, waarmede de Christenen de begrafenis bijwoonden. Maar nu begon de heilige Mis. Wat deed

48

-ocr page 53-

IN DE KATAKOMBEN.

het hem pijnlijk aan, zich uitgesloten te zien van de liefde, die de Christenen verzameld hield bij hot graf zijner gade!

Ach, nu gevoelde hij het. welk een diepe kloof hem van zijn So-phronia en van zijn kind scheidde. Een oogenblik beproefde hij om zijn hart en zijn geest weder tot zijn oude goden te richten; doch de demonen van den godendienst hadden het niet gewaagd hem te volgen in de gewijde rustplaats der martelaren. Aan hun banden ontrukt zag hij voor de oogen van zijn geest den blinddoek wegvallen; in het duister der doodenstad ging hem het levenslicht dei-waarheid op.

Paus Melchiades had Severus, een zijner diakenen, opgedragen, gedurende de heilige Mis Rufinus in de katakomben en naar de beroemdste graven der martelaren te voeren, en hem, zoo hij dit verlangde, naar het daglicht terug te geleiden.

Severus maakte den prefect op eenige bijzonder schoone grafschriften opmerkzaam. Zoo lazen zij op een marmersteen de woorden: „Quiriacae, home feminae — palumba nine felle — in pace\'\'\' (aan Cyriaca, de goede vrouw, — zij was een duif zonder gal — dat zij ruste in vrede). Op den grafsteen van Jovina luidde het inschrift: „recessit a saeculo ingressa in pace\'quot; (zij heeft het tijdelijke verlaten en is in den vrede ingegaan); — het geloof aan een leven na dit aardsche leven, aan een verbinding der levenden met de afgestorvenen en aan een toekomstig gelukkig wederzien vertoonde zich op de inschriften aan Rufinus in verscheiden uitingen. Hier las hij: „Claude vivas in aeternoquot; (Claudius leef in eeuwigheid): „Lcon-tino in Deo paxquot; (Leontinus zij vrede in God); „In pace spiritus Silvani, amenquot; (de ziel van Silvanus ruste in vrede, amen); „Irene dulcis vivas in Dominoquot; (zoete Irene dat gij in den Heer moogt leven). Een ander inschrift luidde: „Dulcis anima in pace Dominiquot; (zoete ziel gij rust in den vrede des Heeren); quae vivit annos XV viryo (vijftien jaren leefde zij, het meisje); pater filiae suae dulcissimae (de vader aan zijn teerbeminde dochter) — „Jaunaria bene refrigera et yoga pro nobisquot; (Januaria, rijke verkwikking zij u en bid voor ons) stond er op een anderen grafsteen. — Een vrouw beval zich en haar man aan in de voorbede der in Christus gestorvene met de woorden: „ Vincent ia in Christo pe.tas pro Phoebe et pro virgineo ejusquot; (Vin-centia, gij rust in Christus, bid voor Phoebe en haar echtgenoot).

49

-ocr page 54-

IN DE KATAKOMBEN.

En waarop al dit hopen op den vrede en het eeuwige leven in God den Heer, waar de afgestorvenen ons zijn voorgegaan en waartoe zij door hun gebeden aan de achterblijvenden den weg banen, gegrond is, dat zeide een Grieksch inschrift met woorden: XPICTIANA. H. EN. 0En. KAL XPICTH. mcTETCACA, (Christiana, die in God en Christus geloofd hebt). Vele opschriften zondigden tegen grammatica en orthographie en waren door onkundige hand ruwweg in den steen gegrifd. Het geloovig vertrouwen, dat zich daarin uitsprak, moest dus eer gemeen goed van alle Christenen, ook van de geringsten, zijn geweest en niet een privilege der geleerden en ingewijden, zooals dat in de scholen der philosophen het geval was.

Menig graf was versierd met schilderingen; eenigen daarvan verklaarde Severus, voorzoover Euflnus in staat was het te begrijpen, en ook daarin sprak zich dezelfde levendige hoop, dezelfde blijde overtuiging uit als in de opschriften.

Op verscheidene grafsteenen las de prefect tot zijn niet geringe verwondering de namen van personen, die hij bij hun leven had gekend, van wie hij echter niet had vermoed, dat zij Christen waren geweest. Zij behoorden allen tot hen, die hij hooggeschat had. Velen van hen waren van een senators-geslacht en uit den oudsten adel van Rome gesproten.

Op hun tocht kwamen zij meermalen dicht bij de kapel, waar de Christenen bij het graf van Sophronia waren verzameld; hoe wonderbaar en treffend was voor Kufinus hun gezang, dat door dc gangen der katakomben nu eens dicht bij, dan weder van verre in zijn oor klonk! Hoe werd hij dan onwederstaanbaar tot hen getrokken, om met hen vereenigd aan het graf zijner gade te bidden!

Toen de heilige plechtigheid was geëindigd, werd Euflnus nog eens aan de rustplaats gebracht, om de dierbare afgestorvene het laatste vaarwel toe te roepen, voordat de fossores het graf met den marmersteen sloten. Valeria had met al den gloed der kinderlijke liefde tot haar Heiland voor haar vader gebeden; als een engel des hemels, zoo had haar gebed hem op zijn tocht door de katakomben begeleid. Toen Euflnus zich nu over het lijk zijner gade heenboog en zijn lippen op haar kille handen teeder ten laatste afscheidsgroet drukte, toen hoorde de dochter uit den mond haars vaders een woord, dat haar hart met de zoetste vreugde vervulde.

50

-ocr page 55-

IN DE KATAKOMBENT.

„Lieve vrouw, moge uw God ook weldra mijn God worden.quot;

De fossores hieven de marmerplaat voor de nis en maakten haar rondom met kalk dicht, de Kerk had in haar schatkamer der ka-takomben een nieuw kleinood nedergelegd. De tijd was te kort geweest om in den grafsteen een inschrift te griffen; dit smartte Eufinus, en terwijl de doodgravers hun arbeid verrichtten, greep hij een puntig ijzer uit hun werktuigen en krabde op de kalk van de nabijzijnde muur het opschrift:

Sophronia dulcis semper vives Deo.

(Zoete Sophronia, gij zult altijd bij God leven).

De prefect herhaalde hierbij slechts woorden en uitdrukkingen, zooals hij die op de meeste grafsteenen had gelezen; maar terwijl hij hen nu zelf schreef, hen voor zijn oogen stelde en hen toepaste op zijn echtgenoot, troffen hem deze woorden met een wonderbare macht; het was de bekentenis van zijn eigen overtuiging, dit „semper vives Beoquot;. Dit geloof echter aan God en een eeuwig leven in Hem vervulde zijn hart met licht en troost en nog nooit ondervonden vreugde. Tranen biggelden hem over de wangen en door de aandoening zijner ziel medegesleept, schreef hij onder het opschrift, zijn bekentenis herhalend en bevestigend, de woorden:

Sophronia vives.

(Ja, Sophronia, gij zult leven).

En terwijl door de hand des tijds, door de handen der barbaren gebroken, de grafsteenen en opschriften der kapel allen verdwenen zijn, staan de woorden, die Ruflnus op den muur grifde, nog heden ten dage en verhalen ons van de troost eener ziel, die in den strijd tusschen natuur en genade, tusschen den nacht des ongeloofs en het licht des geloofs zich overwinnend baan brak.

Sophronia\'s gebed voor den troon Gods begon verhoord te worden.

Toen de fossores hun arbeid hadden volbracht, verlieten de ge-loovigen met den afscheidsgroet: „ Vale in pace\'\'\'\' (Vaarwel in vrede), de grafkapel om door de gangen der katakomben weder naar de oppervlakte der aarde omhoog te stijgen.

Juist ging de ochtendzon over liet Albanisch gebergte op en ver-

-ocr page 56-

IN DE KATAKOMBEN.

guide met haar schijn de lichte wolken, die stil en vreedzaam, als een kudde schaapjes onder de hoede des herders, aan de hemel-vlakte weidden, en zag naar Rome, de wereldstad, met haar rusten vredeloos jagen naar winst en genot, en bestraalde de grafmonumenten aan de Via Appia, waarin alle werken en zwoegen, en alle hartstocht, lust en smart, lief en leed in eeuwige stilte rustten.

Valeria had bemerkt, hoe haar vader het opschrift in de kalk krabbelde; met een spanning, die elk oogeriblik toenam, had zij de letters onder zijn hand zien te voorschijn komen, uit het halve woord het geheele, voordat het nog geschreven was, geraden; bij ieder woord, dat hij verder schreef, jubelde haar hart meer en meer, en tranen van geluk en zaligheid biggelden langs haar wangen. De smeekende blik der maagd was niet noodig, om bisschop Melchiades er toe te bewegen op den terugtocht met Rufinus over de leer des Christendoms te spreken. De tijd was toereikend, om de grondwaarheden van onzen heiligen godsdienst, voor zoover zij destijds aan de katechumenen werden medegedeeld, uit te leggen en Melchiades vond in Rufinus een evenzoo gewilligen a\'s verstandigen leerling.

Toen nu bij het afscheid de paus de hoop uitsprak, weldra den prefect het heilig kruisteeken op het voorhoofd te zullen maken en hem daarmede plechtig onder het getal der katechumenen op te nemen, schrok deze toch nog voor dien openbaren stap en dit openlijk breken met den Romeinschen staatsgodsdienst terug. Het was, meende hij, genoeg, dat hij in zijn hart den God der Christenen vereerde; wanneer zijn ambt en gunstiger tijdsomstandigheden het hem zouden veroorloven, zoude hij voorzeker gaarne den wensch des bisschops vervullen.

Melchiades hoopte alles van Valeria\'s invloed op haar vader, hoewel een bang voorgevoel hem zeide, dat de tijd wellicht zoude ontbreken voor een langzamen en geleidelijken overgang tot het christe\'ndom.

En de heilige grijsaard had juist vooruitgezien.

Nauwelijks was in dien nacht de lijkstoet uit het paleis van den prefect getogen, of een gerechtsambtenaar met eenige dienaren drong in diens woning en legde beslag op een aantal geschriften en op de sleutels der prefectuur.

In de nabijheid van den Palatinus verliet Valeria haar vader en sloeg met Irene den weg in .over de Emilische brug naar het Trans-

52

-ocr page 57-

IN DE KATAKOMBEN.

tiberijnsche stadskwartier, om de zieke vrouw, Rustica, te bezoeken, daar zij bezorgd waren, dat haar uitgaan van den vorigen avond en de koude nachtlucht die goede vrouw zouden geschaad hebben.

Ruflnus werd bii zijn tehuiskomst door zijn vicarius verrast met de mededeeling van de nachtelijke huiszoeking.

De prefect verbleekte; hij wist, wat die huiszoeking ten doel had: Maxentius had zijn ondergang gezworen.

En nu weerklonk ook in het atrium gedruisch en wapengekletter; in het volgende oogenblik drong een schaar van gerechtsdienaren en gewapende lieden, die blijkbaar op zijn terugkeer had gewacht, in het vertrek.

Maar nu verhief zich ook Ruflnus in het volle bewustzijn van een Romeinsch patriciër, nog hooger gestemd, door de gedachte aan den moedigen en edelen dood zijner vrouw.

„Ik weet, waarom gij komt,quot; sprak hij tot den aanvoerder der gerechtsdienaren; „ik zal u volgen; maar weg met die ketenen. Noch de senator Aradius Ruflnus, noch de prefect van Rome laat zich boeien, voordat hij voor don rechterstoel is verschenen.quot;

„Maar mijn last luidt u gebonden naar do Mamertijnsche gevangenis te voeren,quot; antwoordde deze; „doch als gij vrijwillig volgt, wil ik geen geweld gebruiken.quot;

De weg, langs het Coliseum, de Via Sacra, door den boog van Titus en over het gehoele Forum was lang genoeg om het volk in groote menigte te doen toestroomen en het treurig schouwspel der wegvoering van zijn stadsprefect naar de gevangenis bij te wonen. Maar de vrees voor den tiran hield allen in bedwang en slechts de uitdrukking op hun gelaat verried de innerlijke verontwaardiging, welke deze nieuwe gewelddaad bij hen opwekte.

In de gerechtszaal van de Mamertijnsche gevangenis wachtte reeds do pretor met zijn assistenten op de aankomst van den gevangene. Ook Heraclius had zich er heen begeven, onder het voorwendsel, als prefect der keizerlijke kanselarij het handschrift dei-verbeurdverklaarde stukken te moeten keuren, in waarheid echter om zijn invloed uit te oefenen op den gang van het proces.

Met boosaardige vreugde richtte hij zijn blik op den gevangene, die, omgeven door de gerechtsdienaren, voor den pretor gebracht werd.

Na de gebruikelijke formulen begon het verhoor van den aange-

53

-ocr page 58-

IN DE KATAKOMBEN.

klaagde over zijn vroegere betrekkingen met Constantijn en eenigen van diens veldheeren. Vervolgens werden uit de in beslag genomen papieren brieven te voorschijn gebracht, wier schrift Horaclius, door het te vergelijken met dat van den brief van gelukwenschingen aan den keizer, als dat van Constantijn erkende. De inhoud van deze brieven, die de pretor beval voor te lezen, was voorzeker zeer bezwarend voor den stadsprefect. Heraclius had daarvoor wel gezorgd, want door een geheimschrijver der keizerlijke kanselarij had hij die brieven laten vervaardigen. Doch Ruflnus protesteerde nu, ten hoogste verontwaardigd, tegen deze brieven, die hij niet had ontvangen en die valsch moesten zijn en ondergeschoven.

„Wie deze brieven vervaardigd heeft,quot; sprak hij en zag Heraclius aan met een blik, welken deze niet konde verdragen, „zal de prefect der keizerlijke kanselarij wel aan den rechter kunnen zeggen, en wellicht weet hij ook hoe zij onder mijn papieren zijn gekomen.quot;

Deze woorden van den gevangene brachten voor een oogenblik den lagen Griek in verwarring, maar spoedig herstelde hij zich weder en met berekende kalmte verzocht hij den pretor, dat de uitdrukkingen van den aangeklaagde door den notaris in den protokol juist zouden worden opgenomen, terwijl hij er spottend bijvoegde:

„Als vertrouwde dienaar van den goddelijken Maxentius sta ik te hoog, dan dat deze pijl uit de hand eens hoogverraders mij zoude kunnen treffen; zulk een uitvlucht stelt de schuld van den aangeklaagde geheel buiten twijfel.quot;

Zonder Ruflnus meer aan het woord te laten komen, sprak de pretor nu terstond het vonnis uit, dat den prefect schuldig verklaarde wegens hoogverraad gepleegd tegen het leven des keizers en hem ter dood en tot de verbeurdverklaring zijner goeden veroordeelde.

Op een wenk van Heraclius wilde de gevangenbewaarder met zijn dienaren reeds de hand aan hem slaan, doch Ruflnus richtte zich op in zijn volle lengte en beval hun:

„Wacht! ik heb nog een woord te spreken.quot;

„De keizer wil mijn dood,quot; sprak hij tot den pretor, „en zijn wil is het wetboek, naar hetwelk gij mij veroordeelt. Het goochelspel met de brieven hadt gij u wel kunnen sparen. Ik moet sterven, daalde deugd mijner echtgenoot onbereikbaar was voor den dierlijken

54

-ocr page 59-

IN DE KATAKOMBEN.

lust van den tiran, en zulk oen vrouw waardig ga ik zonder vrees den dood te gemoet. Doch dit mag Heraclius zijn meester als laatsten groet van zijn voormaligen krijgsmakker mededeelen. Misdaden steunen geen troon! In booze hoovaardigheid treedt gij alle goddelijke en menschelijko recht met voeten; uw voeten glijden uit op dien bodem!quot;

„Laat mij uitspreken 1quot; beval Ruflnus op gebiedenden toon den gerechtsdienaren. toen do pretor en Heraclius, woedend over die koene taal van den veroordeelde, hun gelastten, den gevangene weg te voeren. „Het onschuldig bloed, dat gij vergiet, Maxentius,quot; en bij deze woorden schitterde zijn oog en verhief hij zijn rechterhand dreigend ten hemel, „de zuchten der weduwen en weezen, de nood der beroofden en bannelingen, de ellende van het onderdrukte volk, het schreit om wraak, overweldiger, en tegen deze wraak beschermen u geen pretorianen. In smaad en schande zult gij uw eind vinden, gij en al die lage slavenzielen, die uw misdaden dienden, en nabij is het uur der vergelding.quot;

„Ha,quot; riep Heraclius den gerechtsdienaren toe. „Kunt gij nog langer deze majesteitschennis dulden? Grijpt hem vast. In het diepste kerkerhol met den verrader, voort, voort!quot;

Nu stortten zich de gevangenbewaarder en zijn knechten op Ruflnus, knevelden hem en sleepten hem weg. — Toornig en wrevelig spoedde zich Heraclius naar zijn huis. Hij had zijn wraak gekoeld, den man, door wien hij beleedigd was geworden, had hij aan den dood overgeleverd; maar instede van zich daarover voldaan te gevoelen, werd hij vervolgd door de zoo plechtig uitgesproken bedreiging, als door een spook. Te vergeefs zocht hij zich diets te maken, dat de val van den stadsprefect door den keizer reeds vooruit besloten was; te vergeefs verhaastte hij zijn schreden; du verontrustende schim zweefde om hem heen en fluisterde hem onophoudelijk de laatste woorden van den veroordeelde in het oor:

„Nabij is het uur der vergelding.quot;

55

-ocr page 60-

HOOFDSTUK V.

HET OFFER.

]|p den terugweg van de katakomben naar de stad had IS Valeria zich bij Irene gevoegd. Ook deze had met de innigste vreugde dc verandering gezien, die bij Ru-finus iiad plaats gevonden, en beide vrouwen overlegden met elkaar wat haar te doen stond, opdat het ontluikende plantje des geloofs, beschermd tegen het stof van het openbare leven en de verzengende zorgen en bezigheden van zijn ambt, stil en ongestoord zich zoude kunnen ontwikkelen.

Onder zulke gesprekken waren de beide vrouwen over dc Emilische brug in het Transtiberijnsche stadskwartier aangekomen, dat destijds, zooals nog heden ten dage, voornamelijk door een arme bevolking bewoond werd. In menig straatje had zich niet licht een patriciër en nog veel minder een voorname vrouw gewaagd; doch de beide vrouwen waren voor de armen dier wijk een gezegende verschijning en vol eerbied werden zij van alle kanten gegroet.

De fossor Mincius bewoonde met zijn vrouw Rustica en zijn blinde moeder een armoedig huisje; doch de afzichtelijke zuster der armoede had daarin geen plaats kunnen vinden: alles was zindelijk en rein. Vriendelijk lachte de zon door het venster, waarvoor bloeiende asters stonden en aan do omhooggeleide takken roode appelen bloeiden;

-ocr page 61-

HET OFFER.

een raaf, die Mincius had leeren praten, herhaalde van tijd tot tijd zijn „Ave Kusticaquot;, „goeden dag Rustica.quot;

De zieke vrouw zat reeds weder aan den weefstoel en wierp met geoefende hand de spoel door de draden; naast haar in de wieg sluimerde haar zuigeling. De blinde moederspon; terwijl zij uit het spinrok met de vingeren van haar rechterhand den draad vervaardigde en dezen om een garenklos wond in gestadige beweging dan opwaarts dan nederwaarts, arbeidde zij met zulk een zekerheid en handigheid, dat men niet bemerkte, dat zij blind was.

„Ik heb vier geheele dagen geluierd,quot; zeide Rustica lachend, toen Irene haar berispte dat zij reeds aan het weefgetouw zat, hetwelk toch nog te vermoeiend voor haar was, „dat moet ik weder inhalen, als ik moede word dan kijk ik naar dien kleinen schelm daar in de wieg; dan denk ik, ik zat te Bethlehem naast de kribbe, waar ook zulk een kindje in lag; en dan wordt de arbeid zoet/\'

De jonge vrouw liet voor een oogenblik de spoel rusten en richtte, vol zoete moedervreugde, lachend het donkere, levendige oog op den slapenden zuigeling. „Ik heb,quot; ging Kustica voort, in haar geluk blijde voortbabbelend, „mijn eerstgeborene in den geest aan het voeteinde in de kribbe gelegd en de Moedermaagd gebeden, om van tijd tot tijd een goedgunstigen blik op hem te werpen; die moet zich als een heilig merk in het jonge hart indrukken. En Josef, die het goddelijk Kind zoo getrouw heeft beschut, zal zijn hand ook over mijn kleine uitstrekken.

Bij deze woorden sloeg Kustica het bedeksel aan het hoofdeinde dei-wieg op en toonde aan beide vrouwen met een lach van innige tevredenheid een plaatje, dat daar boven het hoofd van hot kind was opgeplakt en den stal van Bethlehem voorstelde.

Dit tooneel werd door het binnentreden van Mincius onderbroken. Toen hij Valeria zag, verbleekte hij. Na een wijle bij zichzelf te hebben overlegd, nam hij de beide dames ter zijde en zeide verlegen:

„Ik geloof, edele Valeria, uw vader wenscht, dat gij spoedig naar huis komt.quot;

„Mijn vader?quot; vroeg het meisje verbleekend. „Nog geen halfuur geleden hebben wij hem aan den Palatinus verlaten; spreek, wat is er met hem voorgevallen?quot;

„Een van uw dienaren,quot; antwoordde de fossor, „ontmoette mij

-ocr page 62-

HET OFFER.

op de straat en vroeg mij, of ik niet wist, waar zijn meesteres was. Hieruit maakte ik op, dat men u zocht.quot;

Dit raadselachtige antwoord bewoog beide vrouwen tot een spoedig vertrek. Haastig gingen zij door de straatjes; vol kommer en deelneming schouwde Mincius, die haar tot aan do deur begeleid had, haar na.

„Arme jonkvrouw,quot; sprak hij tot zichzelf, „de hemel geve u kracht, om het zware kruis te dragen, dat hij op uw zwakke schouderen legt!quot;

Mincius had zijn terugweg over het Forum genomen en was dus getuige geweest van de wegvoering van Rufinus naar de Mamer-tijnsche gevangenis; vol angst en bezorgdheid zochten zijn dienaren thans zijn dochter.

Wie beschrijft Valeria\'s smart, toen zij bij haar tehuiskomst dit nieuwe ongeluksbericht vernam! Voor eenige oogenblikken stond zij onbewegelijk en verstijfd, en had Irene haar niet bijgestaan en haar troostend in haar armen genomen en aan haar hart gedrukt, zij was voorzeker in onmacht gevallen. Door Maxentius in den kerker geworpen te worden, was ter dood veroordeeld zijn; — gisteren haar moeder verloren, heden haar vader; kon zij heviger beproefd worden? En als Kuflnus moest sterven, voordat hij Christen was geworden! Na jarenlang tegenstreven had hij eindelijk de eerste schrede gedaan naar de poort des heils; moest de dood nu de brug voor zijn voeten afbreken, voor hij haar had overschreden ?

Haar vader, of ten minste zijne ziel redden, al kostte het wat het wilde, was de eenige gedachte, die nu met onweerstaanbaar geweld Valeria bezielde en haar een bijna bovenmenschelijke kracht verleende.

Irene raadde haar aan eerst een poging te doen om de wachten om te koopen en zoo in de gevangenis door te dringen.

Nadat het meisje een beurs met goudstukken had gevuld, spoedden zich de beide vrouwen over het Forum naar de Mamertijnsche gevangenis.

Doch hoe zij ook baden en smeekten, wat zij ook aanboden, de gevangenbewaarder bleef onverbiddelijk uit vrees voor Heraclius. Ten laatste gaf hij haar toch den volgenden wenk:

„Wendt u tot don prefect der keizerlijke kanselarij; met zijn ver-

58

-ocr page 63-

HET OFFER.

lof slechts zal ik u bij den gevangene toelaten; — hoewel het,quot; voegde hij er niet zonder medelijden met het jonge meisje bij, „voor u zelf wel beter zoude zijn, dat gij niet naar hem toe gingt.quot;

Bij het hooren van den naam Heraclius had Irene onwillekeurig een zucht geslaakt. Van dien man was voor Valeria weinig te hopen.

„Kent gij den prefect der kanselarij Heraclius?quot; vraagde onderweg het meisje aan de matrone.

„Ik ken hem helaas! maar al te goed!quot; antwoordde Irene. „Hij is niemand anders dan die ongelukkige, die zich verleden jaar aan het hoofd der onder Diocletiaan afgevallen Christenen stelde, om den bisschop Eusebius te dwingen hen weder in de kerk op te nemen, maar zonder voorafgaande boetedoening. Gij weet, dat zij zelfs met wapengeweld in de kerkelijke bijeenkomst zijn binnengedrongen en het huis Gods met het bloed hunner broederen ontwijdden.quot;

„Maar,quot; vraagde Valeria, „heeft de keizer hem niet tegelijk met den heiligen Vader uit Rome verbannen?quot;

„Gewis; doch Maxentius kon zulk een mensch te goed gebruiken en schonk hem voor eenigen tijd genade, nam hem in zijn geheime kanselarij en maakte hem voor eenige weken zelfs prefect daarvan.quot;

Hoe natuurlijk de afkeer ook was, die Valeria tegen den afvallige gevoelde — haar bleef toch geen andere uitweg over dan zich tot hem te wenden. Bezat Heraclius zulk een invloed op den keizer, dan was ook een woord van hem genoeg om haar vader te redden, en zij vertrouwde dat haar kinderliefde wel de woorden zoude vinden, om dien man door bidden en smeeken te verteederen. Noch zij, noch Irene kende den grooten haat, dien de hoveling voedde tegen den stadsprefect; geen van beiden vermoedde, dat de inhechtenisneming van Rufinus mede het werk van Heraclius was geweest. Het meisje liet zich door Irene tot aan zijn woning begeleiden, die zich bevond in een vleugel van het keizerlijk paleis, en trad toen alleen binnen.

„Kan ik den edelen Heraclius, den prefect der keizerlijke kanselarij spreken?quot; vraagde zij aan den ostiarius.

De wachter zag haar van boven tot onderen met eene laatdunkende voornaamheid aan en gaf na eenig dralen kort ten antwoord:

„Mijn meester heeft bevolen niemand tot hem toe te laten.quot;

59

-ocr page 64-

HET OFFER.

„Maar ik moet hem spreken,quot; antwoordde Valeria dringend, „ik verzoek u, meld mij bij hem aan.quot;

De slaaf trok de schouders op, zonder een woord te antwoorden, en leunde achteloos tegen den post der huisdeur.

Nu haalde Valeria eenige goudstukken te voorschijn en hun klank werkte.

„Gij wilt mijn meester spreken, niet waar, edele jonge dame?quot; vraagde de eensklaps beleefd geworden wachter, terwijl hij handig de hem aangebodene goudstukken aannam. „Ik zal u tot zijn zoon Sabinus voeren, misschien kunt gij dezen bewegen, u bij zijn vader te brengen. Daar staat bij in het atrium met eenigen van zijn vrienden.quot;

Schuchter naderde de maagd die groep van jonge lieden, die in het atrium op uitgelaten wijze stonden te schertsen en te lachen. Op haar vraag stelde zich een pronkerig gekleed en sterk geparfumeerd jongmensch voor, in wien Valeria terstond denzelfden herkende, die in den vorigen nacht zoo onbeschaamd den lijkstoet had gestoord. Onder sierlijke buigingen vroeg Sabinus wat de meesteresse begeerde.

Hot meisje verklaarde hem in korte woorden, dat zij de dochter was van den stadsprefect Ruflnus en voor dringende aangelegenheden den prefect der keizerlijke kanselarij wenschte te spreken.

„Zoo is dan,quot; antwoordde Sabinus, „die moedige dame, die zichzelf den dolk in de borst heeft gestooten, uw moeder. Reeds uit belangstelling in deze nieuwe Lucretia vervul ik gaarne den wensch van hare schoone dochter. Het is nu wel niet het uur, waarop mijn vader ontvangt, maar hij zal voor u wel een uitzondering maken.quot;

Valeria was geheel en al vervuld van de gedachte, om haar vader te zien; zij hoorde uit de woorden van het jonge menscb slechts belangstelling voor haar en de inwilliging van haar verzoek.

Blijde uit den kring der jongelieden te geraken, wier onbeschaamde blikken haar het hart benauwden, volgde zij Sabinus en stond in weinige oogenblikken voor Heraclius.

Hij was een man van goed in de vijftig; het dorre gelaat met de kleine, scherpe oogen, met de smalle lippen en de omlaaggetrokken mondhoeken had niets, wat vertrouwen zoude kunnen inboezemen. Sabinus stelde de jonge dame aan zijn vader voor en trad dan eenige schreden terug, nieuwsgierig wat de dochter van

60

-ocr page 65-

HET OFFER.

den stadsprefect, wier ernstige schoonheid hein bij den eersten blik had getroffen, tot zijn vader voerde.

Valeria schepte moed.

„Vergeef mij, edele heer, als ik het waag u te storen met een verzoek.quot;

„Gij stoort mij waarlijk in mijn bezigheden,quot; antwoordde barsch, zijn hoofd afwendend, de prefect. Hij toch was er juist mede bezig te overleggen, welke patriciërs hij in de verzonnen samenzwering van Ruflnus zoude betrekken; wie kon hem dan meer storen,, dan de dochter van den man, die hem heden ten derde male zoo gevoelig beleedigd had? De stem des gewetens, tot zulk een luid geroep gewekt door de bedreiging van Ruflnus, had Heraclius helaas! tot zwijgen gebracht.

„Het leven mijns vaders, edele Heraclius,quot; zoo ging het meisje voort, „ligt in uwe hand; gij kunt het redden als gij wilt;quot; — en nu begon Valeria met zulke treffende woorden de onschuld van haar vader te betuigen, nu bad zij zoo innig en zoo vurig om zijn leven, dat haar taal. zooals zij geloofde, wel een steen had kunnen vermurwen. Zelfs Sabinus, die minder bedorven dan lichtzinnig was, kon een uiting van medelijden niet onderdrukken, toen Valeria eindelijk den prefect te voet viel, zijn knieën omvatte en met geheel de gloeiende liefde van haar kinderlijk hart den harden man smeekte. Maar deze deed, alsof hij haar in het geheel niet bemerkte, en toen haar aanhoudend smeeken hem eindelijk verdroot, zeide hij met een kille kalmte, die elke hoop deed verdwijnen:

„Weet wel, dat vrouwentranen geen gewicht leggen in de weegschaal der gerechtigheid. En stoor mij nu niet verder.quot;

Met een diepen zucht liet Valeria de knieën van den prefect los, stond op en ging met gebogen hoofd en gebroken hart naar de deur.

Sabinus volgde haar.

„Bij Jupiter!quot; sprak hij, toen zij alleen waren, „de oude heeftu leelijk laten gaan. Maar als gij hem even zooveel goudstukken als tranen had laten zien, dan wil ik een nijlpaard wezen, als hij u niet tenminste had veroorloofd uw vader te bezoeken in den kerker.quot;

„Ik heb een buidel vol goudstukken bij mij,quot; sprak Valeria blozend; „mag ik u verzoeken, tenminste deze gunst voor mij van uw vader te verwerven?quot;

61

-ocr page 66-

HET OFFER.

Sabinus bedacht zich een oogenblik; dan greep hij haastig naaiden buidel en terwijl hij hem onder zijn kleed verborg, sprak hij:

„Thans is mijn vader niet in de stemming, dat ik hem uw verzoek durf doen; maar ik zelf zal u naar de gevangenis geleiden en beproeven u bij den gevangene te brengen. Naderhand zal ik mijn vader, en wel door uw geschenk, mijn daad weder doen vergeven.quot;

Valeria bedankte het jonge mensch met vreugde en blijdschap; zij onderdrukte den argwaan, die door de haast, waarmede Sabinus naaiden buidel had gegrepen, bij haar was opgekomen.

In het atrium wisselde de zoon van den prefect der kanselarij zachtkens eenige woorden met zijn kameraden, die zijn mededeeling met woest gelach vernamen; toen ging hij aan Valeria\'s zijde dooide straten van den Palatinus naar de groote marmeren trap, die naar het Forum voerde, en geleidde haar langs de Basilica Julia, welke door Cesar werd gebouwd, naar de Mamertijnsche gevangenis aan den voet van het Capitool. Onderweg trachtte hij Valeria zoo beleefd en voorkomend mogelijk te onderhouden en haar te troosten met de hoop, dat het gerecht zeker de onschuld van haar vader aan den dag zoude brengen. Om haar wat afleiding te geven, verhaalde hij haar van zijn reizen en zijn verblijf in Egypte; hij drukte zijn verwondering uit, dat hij haar niet bij de hoffeesten en in de paleizen der aristokratie had gezien en vond het onuitstaanbaar voor een joftg meisje, om in de broeikas van stijve teruggetrokkenheid haar jeugd te zien voorbijgaan met haar kleuren en geuren.

Valeria, alleen vervuld met de gedachte aan haar vader, lette nauwelijks op dit onbeteekenend gesnap; zij moest zich geweld aandoen om hem, in wiens hand de vervulling van haar dierbaarsten wensch lag, op zijn lastige vragen geen onvriendelijk antwoord te geven.

Daar de gevangenbewaarder den zoon van den kanselarijprefect kende, maakte hij geen bezwaar om, op het voorgewend bevel van Heraclius, het meisje voor een half uur bij haar vader toe te laten.

De zeldzame schoonheid van Valeria, haar kommer over het lot haars vaders na den tragischen dood van haar moeder, de gloed, waarmede zij hem, toen hij heenging, had dank gezegd, wekte bij Sabinus een ongewone belangstelling op voor deze jonge dame en op zijn weg naar huis kwamen hem allerlei gedachten in het hoofd.

62

-ocr page 67-

HET OFFER.

Hij had in het verleden voorjaar zijn studiën aan de hoogeschool te Alexandrië in Egypte voltooid en was naar Rome teruggekeerd, niet,-zooals zijn vader had gehoopt, om zich met ernst aan den staatsdienst te wijden, maar om de genoegens, die Alexandrië hem slechts ten halve had aangeboden, in de hoofdstad der wereld volop te genieten. Onder de voorname jongelieden van Rome vond de zoon van den schatrijken prefect der kanselarij weldra vrienden van zijn gezindheid, met welke hij bij dobbelspel en drinkgelagen de nachten doorbracht. Zoo stond hij dan sedert lang wegens zijn verkwistingen met zijn vader op een gespannen voet en hij had zich gaarne, hoe eerder hoe liever, van het ouderlijke huis losgemaakt. Nu scheen hem door Valeria het geluk te wenken. Kon haar hand voor Rufinus een te hooge prijs zijn, om in het gezicht van den dood zich daarvoor weder leven, ambt en rijkdommen te verwerven ? Had zich aan hemzelf schitterender en voornamer partij ooit voorgedaan? Zijn vader had het in zijn macht den gevangene te redden, en Sabinus rekende op de hulp van zijn moeder, om haar echtgenoot over te halen tot bemiddeling bij den keizer. Aan de onaangename ontmoeting van den vorigen nacht dacht hij niet eens meer.

Nadat Sabinus zijn plannen had in orde gebracht, spoedde hij zich naar huis en begaf zich het allereerst naar zijne moeder.

Deze ontving haar zoon in een met vorstelijke pracht ingericht vertrek. Dikke tapijten van oostersch maaksel bedekten den vloer; de houten zoldering was in goud en kleuren smaakvol geschilderd. Op tafels van kostbaar citroenhout langs den wand stonden gouden kandelabers naast schoon bewerkte statuetten, glasschalen met geciseleerd beeldwerk, kastjes van ivoor en goud, vazen van agaat en ander edelgesteente. Door het halfgeopende venster, dat met rijke gordijnen werd gesloten, had men het uitzicht op een sierlijke veranda, waar temidden van de zeldzaamste gewassen, een klaterende fontein haar water in een schaal van zilver storte, die door drie amoretten werd gedragen. Zoo Heraclius, om rijkdommen te verzamelen, meer dan eens zijn handen had bezoedeld, zijn vrouw was, door haar onmatige liefde voor pracht en weelde niet de minste oorzaak daarvan.

Op een met tyrisch purper overtrokken en rijk met goud ingelegd rustbed uitgestrekt, was Sabina juist bezig met het lezen van een

63

-ocr page 68-

HET OFFER.

der minst kiesche blijspelen van Plautus, toen haar zoon binnentrad.

De vrouw van den prefect der kanselarij was niet slechter en niet beter dan honderd anderen van haar geslacht in het toenmalige Rome. Op haar adel steunend voerde zij in huis een onbestreden heerschappij; doch mochten de slavinnen ook dikwerf van haar kuren te lijden hebben, in Rome waren andere meesteressen, die haar dienstboden nog veel harder en wreeder behandelden. De schitterende positie, welke haar man zich had verworven, vervulde haar met een trotsche tevredenheid, en haar geluk zoude volkomen geweest zijn, wanneer haar zoon, dien zij met hartstochtelijke moederliefde beminde, haar een schoondochter uit een oud senatorsgeslacht had geschonken.

Zij hoorde derhalve met klimmende belangstelling Sabinus\' verklaring aan en toen hij had geëindigd, sprak zij:

„Uw vader moet den gevangene vrij laten, mijn lieveling! In geheel uw leven wordt u niet weder zulk een schitterende partij aangeboden. Laten wij terstond naar hem toe gaan.quot;

Öabina stond op van haar rustbed, klapte met de vingers en gaf aan de slavin, die op dit teeken was binnengetreden, het bevel, dat terstond een dienaar naar de Mamertijnsche gevangenis zoude gaan, om Valeria tot een onderhoud met haar uit te noodigen. Toen-legde zij haar hand op den arm van haar zoon en liet zich door hem naar Heraclius\' kamer geleiden.

„Wij zullen,quot; zeide zij onderweg, „bij uw vader op wederstand stuiten. Begint gij, ik zal u op het juiste oogenblik te hulp komen.quot;

Heraclius had, toen Valeria hem had verlaten, onrustig zijn kamer op en neder geloopen; het hartroerende smeeken van het ongelukkige kind had met heilig geweld tot zijn geweten gesproken. „Er is nu eenmaal niets meer te veranderen aan hetgeen de keizer over Ruflnus heeft besloten,quot; zeide hij eindelijk tot zichzelf, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd streek, en dan keerde hij weder tot zijn lijst van veroordeelden. Juist had hij die gereed, toen zijn vrouw en zoon binnentraden. Niet zonder verwondering ontving hij hun bezoek; Sabina zette zich in een armstoel neder en begon met haar flabdlum, haar waaier van fraaie pauwevederen te spelen, terwijl de jongeling aldus aanving:

64

-ocr page 69-

HKT OFFKR.

„Vader, ik ben thans drie en twintig jaar oud en het is tijd, dat ik een echtgenoote kies.quot;

„Bij Jupiter, dat is sedert maanden het eerste verstandige ■■voord, dat ik uit uw mond hoor.quot;

„Welnu ik heb een meisje gevonden, dat jong, voornaam en bovendien de eenige erfgenaam van een rijken weduwnaar is.quot;

„Rijk, voornaam, de eenige erfgenaam, jong en schoon, en die wil n haar hand schenken ?quot; riep Heraclius met een ongeloovig lachje.

„Het geluk heeft een aas aan mi]n hengel gestoken, waaraan het goudvischje zonder twijfel zal bijten, als gij slechts mij het water niet bederft.quot;

„Ik begrijp u niet; wil Fortuna uw geluk weven, dan zal ik haar draden gewis niet verwarren.quot;

„Om het u met korte woorden te zeggen: ik hoop, de dochter van den stadsprefect Rufinus zal mij hare hand schenken en ik zal de erfgenaam van zijn vermogen zijn, — als gij ten minste het proces tegen hem staakt.quot;

Heraclius staarde zijn zoon met groote oogen aan. „Hebt gij behalve uw geld ook uw verstand bij het dobbelen verspeeld ?quot; riep hij toornig. „Van dit huwelijk kan nooit en nimmer sprake zijn 1 Neen,\'ik wil uiet tot schoondochter hebben de dochter van een man, die mij zoo zwaar heeft beleedigd. En al wilde ik het, weet gij dan niet, dat Ruflnus aangeklaagd is van zamen zwering tegen den keizer en dat hij reeds veroordeeld is?quot;

„Zet in plaats van hem een anderen onschuldige op de lijst,quot; zeide Sabinus.

Heraclius schoof onrustig op zijn stoel heen en weêr. „Maar gelooft gij dan in ernst,quot; riep hij boos, „dat het meisje voor het leven van haar vader uw liederlijk gezicht wil in ruil nemen?quot;

„Zij heeft het mij ernstig verzekerd.quot; antwoorde Sabinus, „dat zij tot elk offer bereid is om haar vader te redden. En wat mijn gezicht betreft,quot; voegde hi] toornig over Heraclius\' woorden met een boosaardig lachje er bij, „de menschen zeggen, dat ik sprekend op mijn vader gelijk.quot; .

Woedend stond de prefect van zijn zetel op; snel kwam nu Sabina tusschenbeiden. De Romeinen pleegden Juin vrouwen als „mijn meesteresquot; aan te spreken en in den mond van Heraclius was dit

()■quot;)

-ocr page 70-

HET OFFER.

meer dan eene beleefdheid. Terwijl Sabina haar waaier dichtsloeg, wat zij pleegde te doen, -wanneer zij wilde te kennen geven, dat zij geen tegenspraak dulde, sprak zij: „Mijn lieve echtgenoot, het betreft het levensgeluk van onzen zoon, en als de jonge dame er in bewilligt hem tot man te nemen, dan moet haar vader in vrijheid worden gesteld.quot;

„Maar „mijn meesteresquot; hebt gij dan geheel en al vergeten, dat het die man was, welke mij heeft veroordeeld ter verbanning en die mij kortelings weder zoo diep heeft gekrenkt? Een uur geleden heeft de ellendeling mij weder grof beleedigd en nu zullen wij als schoonvaders elkander omhelzen?quot;

„Het huwelijk der kinderen,quot; antwoordde Sabina, „verzoent de tweedracht der vaders.quot;

„Zijn er dan in li ome niet honderden van jonge meisjes uit de aristokratie,quot; vervolgde Heraclius met klimmende opwinding tot Sabinus, „die den eenigen zoon van den prefect der kanselarij gaarne haar hand zouden schenken? Waarom moet het nu juist dat meisje zijn, die gij, tot uws vaders verdriet, in een lichtzinnige bui tot vrouw wilt hebben? En als de jongen,quot; sprak hij nu tot Sabina, „zich de beleedigingen, die mij zijn aangedaan, niet aantrekt, van mijne vrouw had ik____quot;

„Alsof het,quot; onderbrak hem Sabina, „niet uw schoonste triomf ware, mijn lieve man, dat Ruflnus uit uw hand het geschenk van zijn leven ontvangt ? En dan — is het voor u niet van belang, den prefect van Rome van u afhankelijk te zien?quot;

Heraclius zag vreemd op bij deze vraag. Als hij bij den invloed, dien hij aan het hof bezat, nog den eersten ambtenaar der stad tot zijn wil had, dan was er voorzeker in Rome geen machtiger mensch dan hij.

„Maar,quot; bracht hij daartegen in, „het vonnis is reeds uitgesproken, reeds is hij uit zijn ambt ontzet, de verbeurdverklaring van zijn goederen is reeds bevolen!quot;

„Het is,quot; antwoordde Sabina lachend, „aan den goddelijken Maxentius onverschillig, wiens naam de verbeurdverklaarde goederen dragen. Het vonnis is nog niet openbaar gemaakt, gij hebt dus de handen nog vrij. Het onderzoek der rechters zal zijn onschuld aan liet licht brengen en gij dreigt den keizer met oproer

66

-ocr page 71-

HET OFFER.

of waarmede gij hem anders bang maakt, opdat hij Kufirms weder in zijn ambt herstelle.quot;

„Maar de dood van Sophronia! en die brieven, die____Ik kom in

de grootste verlegenheid!quot;

Sabina\'s antwoord werd verhinderd door de komst van een slaaf, die Valeria aanmeldde.

„Laat aan mij de onderhandeling over,quot; sprak zij; „gij beiden zijt er te onhandig voor om dat duifje te vangen.quot;

Een half uur later verliet het meisje de woning van Heraclius met een brief in haar hand, waarin de kerkermeester werd gelast, den gevangene Aradius Ruflnus onmiddellijk in vrijheid te stellen.

Toen Valeria op straat was gekomen, bleef zij een oogenblik staan en haalde diep adem.

Het offer was gebracht; — alleen de hemel wist, hoe zwaar het aan het arme kind viel en hoe zij te moede was.

Valeria maakte met den wijsvinger het teeken des kruises op haar voorhoofd, wierp een vurigen blik ten hemel en sloeg den weg in naar de Mamertijnsche gevangenis.

Een half uitgewischt schilderstuk in de katakomben der heilige Petrus en Marcellinus stelt Susanna voor onder het beeld van een lam, als zij door de\'beide ouderlingen in de gedaanten van twee wolven wordt aangevallen. Mogen wij voor Valeria ook op een Daniël hopen, die haar zal redden uit den muil dezer wolven, die de booze plannen van Sabinus en zijn moeder tot schande maken zal ?

Neen!

Aan het hof van Maxentius te Rome was er voor haar geen Daniël.

En als Valeria haar vader uit den kerker voert, dan is hij wel is waar vrij, maar zij zelf bindt zich met ketenen, omtrent wier zwaarte zij zich niet bedriegt, doch die zij met de standvastigheid van een martelares als offer voor de ziel haars vaders besloten is te dragen.

67

-ocr page 72-

HOOFDSTUK YI.

4

IN\' DK MAMKRTIJNSCUE GEVANGENIS.

fe Mamertijnsche gevangenis, aan den voet van het Capitool. aan den kant van het Forum, de gevangenis voor hoogverraders en staatsmisdadigers, bestaat, voor

zoover het gebouw heden nog is bewaard gebleven, uit een bovengedeelte, naar hetwelk men thans- van straat met een lange trap afdaalt, en een onderste kleiner deel, dat in de rots van den Capitolijnschen s|s heuvel is uitgehouwen, slechts even hooger is dan een t manslengte en zes schreden middellijn heeft. De vlakke zoldering van groote vierkante Peperijnsche steenen heeft in het midden een ronde opening, in vroegeren tijd de eenige verbinding tusschen het boven- en het beneden-gedeelte. Daardoor werden de misdadigers omlaag geworpen; daardoor reikte men hun gedurende de weinige dagen, die hnn ter dood brenging voorafgingen, het karige voedsel, indien zij niet veroordeeld waren tot den hongerdood. Nimmer drong zelfs de flauwste straal van het daglicht in dit kille, natte, ijskoude hól door; nimmer verfrischtc de minste luchttocht den dikken walm van modderstank, die hier hing. Volgens de overlevering, heeft de apostel Petrus in dit krot gesmacht; bij een bron, die op zijn gebed uit den rotsachtigen bodem ontsprongen was, doopte hij zijn bewaarders; de ketenen, die hij hier had gedragen, worden,

-ocr page 73-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

gevoegd bij die, waarmede Herodes hem te Jerusalem liet boeien, in de kerk Sancti Petri ad vincnla vereerd. De overlevering der kerk noemt ons in de volgende eeuwen der vervolging nog meerdere martelaren, die gelijk de apostel in de Mamertijnsche gevangenis hebben gezucht.

Toen Ruflnus in dit IJselijke hol werd geworpen en met ketenen aan een blok werd geklonken, wist hij, dat hij hier alleen en vergeten zoude moeten sterven of de plaats zou verlaten slechts om ter dood gevoerd te worden. Levend begraven in dit vreeselijke krot, nacht om zich heen, nacht, donkere nacht in zijn ziel, knarsetandde Ruflnus van smart en toorn en schudde woedend met beide handen de ketenen. Maar de koude, harde steenen van zijn kerker hadden geen gevoel voor zijn smart, en als het spotlachen van demonen weerklonk het rammelen van zijn ketenen in de doodsche stilte van zijn gevangenis; hij vreesde waanzinnig te worden, zoo wild en woest joegen de gedachten door zijn hoofd. Zuchtend drukte hij zijn gloeiend voorhoofd tegen den klammen rotswand; dan zonk hij ineen, legde het hoofd op de handen en staroogde en tuurde in het ondoordringbaar duister.

Allengs werd zijn geest kalmer; zijn gedachten vormden zich weder tot een geheel en nu richtte Ruflnus zijn blik op het verleden.

Hoe gelukkig was hij geweest! Rijkdom, eer, een voortreffelijke gade, hoopvolle zonen, een edele dochter. Alles had het lot hem geschonken — om hem alles weder met een greep te ontrukken.

„Bestaat erquot; zoo vraagde hij zich zelf af en hij schudde wederom toornig zijne ketenen, „bestaat er een opperwezen, dat het lot der stervelingen bestuurt: waarom laat Hij dan toe, dat de deugd wordt overwonnen en de misdaad triomfeert? — Zijn er twee edeler en God getrouwer zielen op de wereld dan mijn echtgenoot en mijn dochter? En hun God behoedt de eene niet voor de lagen van den keizerlijken woesteling en laat over de andere, over een zwak meisje zulk onmetelijk leed komen! Met welke begeerte had mijn hart, door kommer gekweld, de grafschriften in de onderaardsche doodenstad gelezen! Ik was ei dicht bij om Christen te worden; ik was het reeds in der daad; maar op het oogenblik, waarop ik geloovend en hopend mijne handen naar het licht uitstrekte, werd ik in dit moordhol geworpen, om tot de erkenning te komen, dat

69

-ocr page 74-

IN DE MAMERTIJNSCHK GEVANGENIS.

het een dwaallicht was, dat alles leugen en IJdele waan en dwaas zelfbedrog is geweest.quot;

Eensklaps kromp Rufinus ineen; al zijn spieren spanden zich; zijn adem stokte.

Zeer duidelijk hoorde hij de stem zijner dochter, die riep:

„Tata, tatalquot;

Dit was de lieve vorm, waarmede de kinderen in de oudheid, gelijk thans nog te Rome, hun vader aanspraken, en dien Valeria gaarne gebruikte als zij bijzonder hartelijk wilde zijn.

Was het de geest van zijn dochter, die door dit geroep haar vader bekend maakte, dat zijn kind met geheel haar hart bij hem verwijlde?

Maar nu hoorde Rufinus in het bovengedeelte van den kerker gedruisch en voetstappen, en nu ook de stem van een man, van den gevangenbewaarder; daarop klonk de stem van zijn dochter weder opnieuw en nu meer nabij. De prefect beefde over zijn geheele lichaam van spanning en opgewondenheid; was het dan mogelijk, dat zijn dochter den weg tot hem gevonden had? — Gehoorzamend aan het hem door Sabinus zoogenaamd overgebracht bevel van den prefect der kanselarij, had de gevangenbewaarder Valeria de trap afgeleid, die naar het hol voerde; zij was het, die vol ongeduld en verwachting, reeds van verre haar vader het zoete, vleiende woord had toegeroepen.

Aan den voet van de ladder gekomen, geleidde de gevangenbewaarder het meisje bij de hand nog eenige schreden verder in de duisternis, terwijl hij riep:

„Heer, hier breng ik u uw dochter, die u komt bezoeken.quot;

Het meisje was op het punt in onmacht te vallen, toen zij uit de diepte de stem haars vaders en het rammelen van zijn ketenen hoorde.

„Kniel hier bij deze ronde opening,quot; sprak de gevangenbewaarder tot Valeria, „en pas op, dat gij niet naar beneden stort; gij kunt alleen van hier met uw vader spreken. Na een half uur kom ik u weder halen, als gij het zoolang in dezen Tartarus uit kunt houden.quot;

Valeria knielde op den grond en tastte met de hand om de natte, koude steenen, die den rand der opening vormden. Toen boog zij voorover, om haar vader te kunnen zien, maar de duisternis was zoo dicht, dat zij niets kon onderscheiden.

70

-ocr page 75-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

Rufinus echter, wiens oogen zich reeds aan de duisternis gewend hadden, onderscheidde aan de opening de omtrekken van haar gestalte.

„Welk een troost,quot; riep hij uit, „mijn lief kind nog eenmaal te kunnen zien en spreken, voor ik sterf! Reik mij de hand, opdat ik voele, dat gij het zeker zelf zijt.quot;

Valeria stak haar arm door de opening en sidderde, toen de klamme, koude handen haars vaders haar heete hand omvatten.

„Maar zeg mij,quot; vraagde de stadsprefect, „hoe hebt gij het gedaan gekregen, om bij mij in dit hol te komen en wel zoo spoedig ?quot;

„Te vergeefs had ik beproefd, den gevangenbewaarder om te koopen,quot; antwoordde het meisje; „op raad van hem wendde ik mij tot den prefect der kanselarij, Heraclius.quot;

„De ellendeling heeft door valsche brieven den keizer trawanten-dienst bewezen tot mijn val. Dit heb ik hem verweten en hij zal u barsch afgewezen hebben.quot;

„Reeds had ik alle hoop verloren; toen zond mij de goede God in zijne barmhartigheid in den zoon van dienzelfden Heraclius een leidsman, die mij tot u voerde.quot;

„In zijn zoon? Kan een slechte stam een goeden tak voortbrengen? Maar waarschijnlijk is de zoon voor uw goudstukken minder onverschillig geweest dan de kerkermeester. — Nu, ik ben hem toch van harte dankbaar, dat ik u voor mijn dood nog eens mag zien. — Kwelde mij niet de zorg voor u, mijn kind, dan daalde ik welgemoed van de ruïnen van mijn geluk en mijn droomen af in kracht der vergetelheid en in den eeuwigen nacht.quot;

In de laatste woorden van Rufinus lag zooveel noodlottige berusting, dat Valeria terstond tot haar diepe smart bemerkte, dat de keten, waarmede in den voorgaanden nacht zijn scheepje aan het kruis was vastgemaakt, in den storm van het ongeluk vaneen-gerukt was geworden. Doch met al de liefde van een dochter en van een Christin spande zij nu haar krachten in om den heiligen band opnieuw vast te knoopen en het scheepje uit de woede der golven in de zekere haven der waarheid en des heils binnen te loodsen. En met de woorden zijner dochter vereenigde zich het gebed zijner gade voor den troon Gods. Valeria was verbaasd over zichzelve, hoe het ééne bewijs na het andere voor de waarheid en de goddelijkheid

71

-ocr page 76-

IN DE MAMERTMNSCHE GEVANGENIS.

van het Christendom in haar geest kwam en hoe zij voor hare gedachten terstond het juiste woord vond, alsof alles door een hoogere hand geschreven voor de oogen van haar ziel stond en zij het maar aflas.

Hoewel in het begin met een bitter lachje en bij zichzelf alles tegensprekend, luisterde Rufinus toch gewillig naar zijn dochter; het was toch de stem van zijn dierbaar kind, die tot hem sprak. En allengs verdween het ongeloovig spotlachje van zijn lippen en de tegenwerpingen verstomden; de bruisende golven in zijn boezem werden bedaard, en uit de wolken scheen weder een zonnestraal in den nacht van zijn ziel. Steeds met alle oplettendheid hoorde Rufinus uit de diepte van zijn kerker naar de zoete stem; als woorden van een hooger wezen, dat tot hem sprak, zoo klonk hem alles, wat zijn dochter hem zeide. Gelijk de door de zomerhitte verwelkte plant, die zich langzamerhand van de aarde weder opheft, als de hemel zijn regen en zijn zegen over haar uitstort, zoo hief ook zijn naar vertroosting dorstende ziel zich op uit de diepte onder den nedervallenden dauw der genade. Toen echter Valeria hem herinnerde aan het woord van Sophronia, aan hot gebed, dat de gade en martelares voor den troon Gods voor hem stortte, toen was de laatste wederstand gebroken en door de macht der genade overwonnen riep hij uit:

„Ja, mijn lief kind, nu geloof ik weder; ja, ik wil geheel alles gelooven, wat gij gelooft, wat uwe moeder heeft geloofd; gaarne wil ik sterven, als ik maar als Christen sterven kan.quot;

Er bestaat een geluk, zoeter dan al het geluk der wereld, namelijk een ziel, die ons lief en dierbaar is, na lang worstelen voor God en de waarheid te hebben behouden; en er bestaat een troost, zoeter dan al de troost der wereld, dat is de troost van na lang dwalen God te vinden, van uit den kouden, duisteren nacht gebracht te worden in den hellen, warmen zonneschijn der waarheid, van uit de leege, dorre zandwoestijn des ongeloofs te worden gevoerd in den bloemhof der Kerk. Bij dit geluk, bij deze troost vergeet het hart smart en leed; de doornen en distelen steken niet meer; de gevangenschap verliest haar ontzetting en de dood zijn bitterheid.

Valeria mocht er op rekenen door middel van nieuwe geschenken aan don zoon van den prefect nogmaals toegang tot de gevangenis te

-ocr page 77-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

erlangen, niet alleen voor zich, maar ook voor een priester, die haar vader het heilig doopsel zoude toedienen. Toen dan de stem van den gevangenbewaarder boven aan de trap haar riep, was het afscheid minder zwaar door de hoop van elkander binnen kort weder te zullen zien.

Toen Rufinus alleen was, wierp hij zich op de knieën en dankte zijn God uit het diepste van zijn hart in een lang en vurig gebed. Hij was een ander mensch geworden en beschouwde nu zichzelf en het voorgevallene met een ander oog. Hij bekende, dat hij wel nimmer tot de waarheid geraakt was, had de zware hand des onge-luks niet zijn trots gebroken en .de banden van menschelijk opzicht verscheurd. Mocht dan de onrechtvaardige rechtspraak hem leven en goed ontnemen, hij had daarentegen in het geloof van Christus, zijn God, voor het tijdelijke het eeuwige leven gevondén. Hij herinnerde zich weder de opschriften in de katakomben en het kwam hem voor, dat hij nu eerst recht hun waren zin verstond; hij dacht aan Sophronia en hij vroeg zichzelf af, hoe hij jaren lang in dwaze vooroordeelen en hardnekkige eigenzinniheid een scheidsmuur had kunnen laten bestaan, waardoor hij zichzelf van het hoogste en reinste geluk had verwijderd gehouden; hij dacht aan Valeria en langs zijn wangen rolden tranen van vaderlijke vreugde over het kleinood, dat de hemel hem had geschonken. Hij riep telkens zich alles weder in het geheugen, wat zij tot hem had gesproken; hoe eenvoudig, duidelijk en waar scheen hem die leer, die zij hem had verkondigd!

Na eenigen tijd bracht een knecht des gevangenbewaarders een stuk brood en een kruik wijn; Valeria had van de wachten deze karige verkwikking voor hem gekocht.

Daar Rufinus sedert den vorigen dag niets genoten had. zoo was hem bijzonder de wijn in de natte koude een ware lafenis.

Nog had hij zijn sober maal niet geëindigd, toen andermaal — maar neen, nu moest zijne verbeelding hem zeker bedriegen; hoe had Valeria zoo spoedig voor de tweede maal toegang tot hem kunnen verkrijgen? Maar, hij bedroog zich niet; want riep zij niet.; „Vader, gij zijt vrij!quot;?

„Het is een bedrog van mijn overspannen zenuwen,quot; sprak Rufinus bij zichzelf.

73

-ocr page 78-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

Doch nu weerklonk de stem opnieuw en wel luider en meer nabij :

„Vader, gij zijt vrij, gij zijt vrij!quot;

Te gelijker tijd zag Ruflnus in de verte licht schemeren als het schijnsel van een fakkel.

En nog eens, het was geen dwaling — nog eens hoorde hij, nu zeer nabij, de stem zijner dochter.

„Vader, gij zijt vrij, ik kom u halen.quot;

Met Valeria waren de gevangenbewaarder benevens eenige bedienden de trap afgekomen; zij lieten een korte ladder door de opening omlaag en een van hen daalde naar beneden bij Ruflnus om hem van zijn ketenen te bevrijden en hem naar boven te voeren.

Half bewusteloos volgde de prefect. In het volgend oogenblik lag zijn dochter in zijn armen, haar hoofd aan zijn borst, sprakeloos, geheel overweldigd door hetgeen er omging in haar binnenste, terwijl hem zelf alles als een droom toescheen.

Eindelijk vermaande de gevangenbewaarder verder te gaan, en voorafgegaan door de fakkeldragers stegen allen langs de trappen omhoog.

Eerst bij het aanschouwen van het daglicht werd het Ruflnus weder helder in zijn zinnen.

„Ik ben dan waarlijk vrij?quot; riep hij uit, „en gij, mijn lief kind, gij hebt mij gered ? Maar zeg mij, hoe hebt gij het onmogelijke tot stand gebracht?quot;

- „Kom nu mede vader,quot; sprak Valeria. „Ik zal het u later verhalen.quot;

„Hebt gij u aan de voeten des keizers geworpen en heeft hij zich door uwe smeekbeden laten verteederen?quot;

„Laten wij ons verheugen, dat wij weder vereenigd zijn!quot; antwoordde het meisje ontwijkend.

Ruflnus kreeg argwaan en zijne schreden werden langzamer; des te dringender bad hem zijn dochter om voort te gaan; — juist dit vermeerderde zijn achterdocht.

Terwijl hij Valeria ter zijde nam sprak hij:

„Ik doe geen stap verder, voordat ik weet, hoe gij mijn bevrijding hebt verkregen, en ik bezweer u bij de heilige nagedachtenis uwer moeder mij alles te zeggen.quot;

Valeria kon nu niet meer ontwijken.

74

-ocr page 79-

FN DE MAMKRTIJNSCHE GEVANGENIS.

Zij bekende hem, dat zij er in had toegestemd aan den zoon van Heraclius hare hand te schenken, en dat zij voor dezen prijs de vrijheid van haar vader had gekocht.

Rufinus, diep geroerd, kon geen woord uitbrengen; slechts de tranen, die hem langs de wangen biggelden, spraken. Eindelijk zeide hij:

„Neen, neen, mijn kind, zoo niet voor u, dan is toch voor mij die prijs te hoog. Wilt gij, dat ik de jaren, die ik nog te leven heb, mij ieder uur het verwijt zal doen, dat ik dit kort bestaan voor het levensgeluk van mijn eenig kind heb gekocht? — Moge God u het offer, wat gij bereid waart voor mij te brengen, vergelden; alleen een eeuwig loon kan de waardige prijs voor zulke kinderliefde zijn; maar liever wil ik honderdmaal den dood en alle martelingen lijden, dan dat ik de zielverkooper van de edelste onder al de dochteren zoude worden. - Gevangenbewaarder,quot; zoo ging hij verder, „ik zal deze plaats niet verlaten. Zeg aan Heraclius, dat wij Christenen zijn en dat ik reeds daarom zijn voorslag verwerp, en wees gij zelf thans getuige, hoe ik mijne dochter plechtig voor het aanschijn Gods verbied ooit weder een woord daarover te spreken.quot;

Valeria zonk aan de borst haars vaders en brak los in een luid snikken. Aan zijn tegenstand had zij niet gedacht in het heilig , vuur harer kinderliefde.

Vol verwondering zag de gevangenbewaarder hen beiden aan.

„Als het u bij mij bevalt, zoo blijf dan, totdat ik den prefect der kanselerij dit bericht heb overgebracht.quot;

„Maar laat mij dan ook bij mijn vader blijven!quot; onderbrak hem Valeria smeekend. „O, ik wil zijn gevangenis, zijn lijden deelen en tot aan het uur, waarop gij hem ter dood zult voeren, aan zijne zijde zijn.quot;

„Daar omtrent heeft de prefect der kanselarij te beslissen,quot; antwoordde de gevangenbewaarder. „Tot mijn knecht van hem terugkomt zal ik u met elkander in een vertrek opsluiten, waar gij genoeg afleiding zult vinden.quot;

Met deze woorden greep hij naar zijn sleutelbos en ging beiden door een lange gang voor, totdat zij aan een met ijzer beslagen deur kwamen.

75

-ocr page 80-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

De gevangenbewaarder opende deze; het was dc kamer der fol-terwerktuigen.

„Bekijkt nu dit speelgoed op uw gemak/\' zei hij glimlachend. „Ik zal intusschen verdere bevelen inwinnen.quot; Toen grendelde hij de deur en sloot haar achter zich dicht.

Ruflnus was gedurende de vervolging van Diocletiaan dikwerf getuige geweest van de openbare foltering der martelaren; toch rilde hij nu hij het geheele arsenaal van bloedige pijnigingswerktuigen voor oogen had.

Want daar lag naast zwaard en bijl een hoop geesels van leder met looden ballen aan het eind; scorpioenen en roeden; ijzeren tangen, haken en metalen kammen, om de veroordeelden het vleesch van de leden te rukken. Op gindsche ijzeren roosters en stoelen werd het offer vastgebonden om bij een langzaam vuur gebraden te worden. Daar stond ook de in de akten der martelaren zoo dikwerf genoemde equuleus of het paardje, waarop, door het omdraaien van een rad, den ongelukkigen alle ledematen uit elkander werden gerukt. Tegen deze vreeselijke werktuigen stonden de lamina, metalen platen, die, gloeiend gemaakt, in de weeke lichaamsdeelen gebrand werden van dengeen, die op den equuleus was uitgerekt. Daar naast stond, pp zijn kant met spitse, metalen tanden bezet, het rad, waarop de veroordeelde werd gebonden, en dat zijne tanden bij het wentelen steeds dieper in het vleesch boorde. Groote ketels van brons dienden om op het vuur olie aan het koken te brengen, waarin men den veroordeelde langzamerhand indompelde.

Vele dezer foltenverktuigen waren nog rood van bloed, van het bloed der martelaren, die in de laatste vervolging foltering en dood hadden geleden.

Bij het zien van al die gereedschappen van barbaarsche wreedheid voeldè Rufinus, hoe hem een koude rilling doortrilde; hij sidderde bij de gedachte, datquot; hij zijn geloof door zulke proeven zoude moeten belijden. Valeria\'s oogen daarentegen straalden van een heilig vuur en, terwijl zij hare lippen op een der folterwerktuigen drukte, wendde zij zich met die geestdrift, waarmede de helden der eerste kerk de glorie van het martelaarschap begroetten, tot haar vader.

„Schrik niet terug,quot; sprak zij, „voor deze wapenen des satans;

76

-ocr page 81-

INT DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

het bloed der heiligen heeft hen gewijd en hen veranderd in zegetrofeeën, waarmede de belijders van Christus hun triomftocht in de eeuwige heerlijkheid vierden. Boven den martelaar op zijn foltertuig openen zich de wolken, en het volk van het hemelsch Jerusalem ziet neder op den strijder Gods; met hemelsche kracht staat Christus hem ter zijde, en van den troon Zijner majesteit belooft de Eeuwige een koninklijk loon. Is de krijgsman trotsch op zijn litteekenen, waarom zullen wij dan de wonden vreezen? Als wij vallen, dan staan wij; als wij sterven, dan leven wij eeuwig; de foltering mag ons aardsch kleed verscheuren. God versiert ons met het gewaad der heerlijke onsterfelijkheid.quot;

Zoo sprak Valeria en haar vader luisterde naar haar gelijk een leerling naar zijn meester, een kind naar de woorden van zijne moeder. Door zijn gevoel overweldigd wilde hij zich voor zijne dochter op de knieën werpen om haar zegen te vragen; Valeria echter maakte het teeken des kruises op zijn voorhoofd, en toen zonken beiden elkander in de armen, vol zoet geluk te midden der moordwerktuigen van de folterkamer. En uit den hemel schouwden twee oogen eener zalige in .nog verhoogde zaligheid nedei op echtgenoot en dochter; en in den lichtbundel, die van den troon des Allerhoogsten tot in den kerker straalde, zweefden lachend lichte engelengestalten omlaag.

Had Valeria er niet aan gedacht in hare kinderliefde, dat zij bij haar vader weerstand zou vinden voor het offer, dat zij wilde brengen, Sabinus en zijn ouders waren van zulk een gemeene inborst, dat zelfs niet de minste twijfel bij hen opkwam, of de stadsprefect-zoude met beide handen de gelegenheid aangrijpen, om zijn leven en zijn vermogen te redden en te gelijkertijd zijn dochter aan den zoon van een der eerste hofbeambten uit te huwelijken. Sabina was overgelukkig, het meisje was haar buitengewoon bevallen, en zij wist al do voordeelen van dit huwelijk met zulk een welbespraaktheid af te schilderen, dat eindelijk ook Heraclius zich begon te schikken in het gebeurde. Nu was het dringenste om het bevel tot verbeurdverklaring der goederen te herroepen en Sabinus, die gaarne Valeria had begeleid bij haar terugkeer naai- de Mamer-tijnsche gevangenis, moest terstond naar het paleis van den stadsprefect ijlen.

77

-ocr page 82-

IN DE MAME RTIJNSCHE GEVANGENIS.

Met het schriftelijk tegenbevel van zijn vader verscheen hij daar, toen de beambten van den fiscus reeds bezig waren de keizerlijke zegels te leggen. Nadat hij dus de inbeslagneming verhinderd had, snelde hij naar den Mamertiinschen kerker, terwijl hij onderweg overlegde met welke schoone woorden hij zich aan zijn toekomstigen schoonvader zoude voorstellen.

Daar ontmoette hem de dienaar, dien de gevangenbewaarder naar hem had afgezonden en deelde hem de verklaring der gevangene mede.

Sabinus geloofde zijne ooren niet; de stadsprefect Ruflnus zoude een Christen wezen?! — en daarom wilde hij hem zijne dochter niet geven? Dit moest hij uit diens eigen mond vernemen om het te kunnen gelooven. Zeer opgewonden snelde hij naar den Mamer-tijnschen kerker; door deze zoo onverwachte mededeeling was hem de geheele fraaie redevoering uit het hoofd gegaan.

Toen hij in de folterkamer trad, waar Ruflnus nog met zijn dochter was opgesloten, wankelde hij een oogenblik, daar hem plotseling bij het zien van den prefect het voorval van den vorigen nacht inviel. Op Valeria\'s gelaat straalde nog de gloed der heilige bezieling, waarmede zij over de glorie van het martelaarschap had gesproken tegen haar vader, en zonder vrees, gelijk de martelaars in het worstelperk van het amphitheater hun oog richtten op den leeuw, die zich bukt tot den sprong, zoo richtte zij haar blik op Sabinus, die daardoor nog meer ontsteld werd.

Doch spoedig vatte hij weder moed en, terwijl hij zich tot Ruflnus wendde, sprak hij met alle hoffelijkheid:

„Vergeef mij, dat ik onder zulke vreemde omstandigheden tot u kom, edele Ruflnus, om u de hand uwer dochter te vragen. Dat gij Christenen zijt, is mij onverschillig; ik huw niet den godsdienst maar het meisje. Zij heeft zich in tegenwoordigheid mijner ouders bereid verklaard mijne gade te worden; en als ik haar als bruidsgeschenk uw vrijheid en uw herstel in uw waardigheid en vermogen geef, dan hoop ik, dat gij den eenigen zoon van den eersten beambte des keizers niet als schoonzoon zult versmaden. Zoo ik mij echter in mijn verwachting bedrogen zoude zien, weet dan, dat niet alleen de liefde maar ook de wraak zoet is: uw lot ligt in mijne handen.quot;

Ruflnus had terstond den jongeling herkend; zijn verschijnen zoo-

78

-ocr page 83-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

wel als zijn woorden vervulden hem met afschuw; en eerst nu begreep hij geheel de grootte van het offer, dat zijn kind bereid was geweest voor hem te .brengen.

„Jongmensch,quot; antwoordde hij, „over de diepe, breede kloof, die u van ons scheidt, kan geen brug geslagen worden. Gij dreigt ons met den dood; welnu, te midden van al deze folterwerktuigen verklaar ik u: wij vreezen den dood niet.quot;

Deze beschaming van zoo onomwonden en beslist afgewezen te worden, vervulde Sabinus met woede en, terwijl hij een vloek uitstiet , sprak hij:

„Nu, goed; dan zult gij beiden als ellendige honden sterven!quot;

Met deze woorden snelde hij heen, gaf den gevangenbewaarder bevel, de gevangenen in het onderste kot te werpen en ijlde naar zijn vader.

Onder weg ontmoette hij zijn vrienden, aan wie Sabina in haar vreugde reeds het groote nieuws van de aanstaande verloving haars zoons had medegedeeld. Zij overlaadden hem met gelukwenschen en noodigden zich zelf te gast op het bruiloftsmaal.

Dit vermeerderde nog de gramschap van Sabinus.

„Dat u de vallende ziekte treffe!quot; schreeuwde hij. „Gelooft gij, dat ik zoo een hond van een Christin tot vrouw wil hebben? Bij Jupiter! de beul zal die meid trouwen, en het hoofd van haar vader geef ik haar als bruidsgeschenk.»

Onder verwenschingen rukte hij zich van zijn kameraden los en snelde naar huis.

Toen Rufinus, hand in hand met zijn dochter, door de knechten de trap afgevoerd werd. altijd dieper in het vochtige, akelige duister, begon zijn vaderhart te sidderen. Hij wist, hoe vreeselijk het daar beneden was; het scheen hem, als voerde hij zijn geliefde dochter in het graf.

Valeria voelde, hoe de hand haars vaders in de hare beefde.

„Vader,quot; sprak zij, „hoe gelukkig ben ik toch, dat ik bij u zijn kan! Hoe dank ik u thans, dat gij er niet in toegestemd hebt! Elk woord uit den mond van dien afschuwelijken jongen zegt mij, dat ik, aan hem verbonden, eens in de verzoeking zoude gekomen zijn, berouw te gevoelen over mijn offer voor u. Hoe waar hebt gij het gezegd, dat een slechte stam geen goede takken dragen kan: weet

79

-ocr page 84-

IN DK MAMKBTU.fNSCHK GEVANGENIS.

dan, dat zijn vader den doop ontvangen heeft maar van de kerk is afgevallen en sedert haar heftigste vijand is geworden. Thans zullen wij met elkander sterven en de martelaars, die deze plaats hebben geheiligd, zullen door hun voorbeeld en hun gebed ons weldra tot deelgenooten hunner glorie maken.quot;

Met deze woorden schreed zij moedig naar de opening; in het volgende oogenblik zag haar vader haar in de diepte verdwijnen.

Toen hij \'ook beneden was gekomen, omarmden zij elkander, vielen op dc knieën en zonden sprakeloos, doch uit het binnenste van hun hart, hun gebeden te zamen ten hemel.

En gelijk dc Heer door zijn dienaars aan Daniël het brood in den leeuwenkuil zond, zoo daalde ook tot hen een engel Gods in den kerker neder, om met zoete hemeltroost hun zielen te sterken.

„Zonderlinge menschen, die Christenen,quot; bromde de gevangenbewaarder, toen hij, de fakkel in de hand, de trap weder opsteeg. „Als ik anders een gevangene in dit krot moet werpen, stelt hij zich aan als een razende; die Christenen daarentegen doen, alsof er daar beneden een feestdisch bereid stond. Men zegt, dat zij toove-naars zijn. die hitte in vorst en koude in warmte kunnen veranderen, en iets daarvan moet toch wel waar zijn. Maar als ik na weinige dagen hun lijken met den ijzeren haak laat omhoog halen, dan zijn zij toch op dezelfde wijze gestorven als de anderen.quot;

Heraclius had, toen hij wederom alleen was, de akten nogmaals ter hand genomen en overlegde, wien hij in de plaats van den stadsprefect tot hoofd der samenzwering zoude maken, en hoe hij alles, bijzonder den dood van Sophronia, goed zoude verklaren. De zaak had haar groote zwarigheid, en hoe meer hij alle omstandigheden naging, des te ingewikkelder scheen hem het kluwen, dat zijn vrouw en zijn zoon hem hadden gegeven om te ontwarren. Het berouwde hem, dat hij zijn toestemming had gegeven, en verstoord over Sabina\'s ijdelheid en neg verstoorder over zijn zoon, die hem alle dagen op nieuw boos maakte, liep hij somber gestemd het vertrek op en neder. Eindelijk meende hij een bevredigenden uitweg te hebben gevonden; «ophronia onderhield een verboden liefdesbetrekking met het hoofd der samengezworenen en was door deze in het geheim ingewijd. Bniten weten van haar man, die den keizer getrouw was, verzamelde zij de samengezworenen in een

80

-ocr page 85-

IN DE MA.MERTIJNSCHE GEVANGENIS.

afgelegen zaal van haar huis, waar zij niet hen beraadslaagde over den val van den keizer en den dood van haar eigen gemaal. Bij de ontdekking doodde zij zichzelf, om niet tegen de samengezworenen te moeten getuigen: doch de schuldigen werden, door gevonden brieven, allen gezamenlijk verraden. — Voor het hoofd der samenzwering had Heraclius Marcus Anicius uitgekozen, den broeder van Paulinus, die bij Constantijn was gevlucht. Marcus behoorde tot de rijkste Senatoren en Maxentius had zich meer dan eens ongunstig over hem uitgelaten. Dus durfde hij er op rekenen, dat de keizer zich zoude kunnen vereenigen met de voorgenomen persoonsverwisseling, te meer wanneer hij zelf voor de trouw en gehechtheid van Ruflnus zoude borg blijven.

Tevreden met de gevonden oplossing, was Heraclius juist begonnen het bericht daarvan voor de Acta cliurna of de staatscourant te vervaardigen, toen Sabina, de oogen stralend van toorn, het gelaat rood van boosheid de kamer binnenstormde; achter haar kwam Sabinus.

„Beiden zullen zij sterven!quot; schreeuwde zi] met bevende stem. „Ha, die hoon! de ellendeling wil niet!quot;

„Mijn meesteres,quot; sprak Heraclius, die, toen hij zijn vrouw zoo aanschouwde, van zijn stoel opgesprongen was, „bedaar! spraakt gij van____ van____?quot;

„Verbeeld u; welk een grenzenlooze beleediging. Ruflnus slaat het aanzoek van mijn zoon af. Neen, dat verdraag ik niet!quot;

Met deze woorden zonk Sabina op een rustbed neder en trachtte bevend met haar waaier zich het gloeiende gelaat te verkoelen.

Inderdaad was voor deze trotsche vrouw de beleediging des te grievender, wijl daardoor haar schoonste verwachtingen verijdeld waren, en zij verdroeg dit des te moeilijker, wijl zij aan den spot dacht, dien haar overhaaste mededeeling van het huwelijk van haren zoon „met een jonge, hoogadelijke damequot; haar nu zoude berokkenen. Met toenemend ongeduld had zij gewacht op de terugkomst van Sabinus hand aan hand met Valeria, en toen hij alleen kwam, was het ééne woord: „Haar vader wil niet!quot; voldoende geweest, haar in de grootste woede te doen ontsteken. Zonder haar zoon verder aan te hoeren was zij naar het vertrek van haar gade gesneld.

Ook Heraclius voelde zich door het weigerend antwoord van Ruflnus diep gegriefd.

81

6

-ocr page 86-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

„Dus zelfs in het aangezicht des doods,quot; sprak hij gramstorig, „laat hij zijn hoogmoed en zijn verachting voor mij niet varen! Welaan, hij zal ondervinden wat het is, het aanzoek van den almachtigen vertrouweling des keizers af te wijzen.quot;

„Neen,quot; merkte Sabinus op, „het is geen hoogmoed. Kuflnus laat u zeggen, dat hij en zijn dochter christen zijn en dat____quot;

„Groote goden! christen?! Waar is mijn reuküeschje?quot; riep Sa-bina, op wier gelaat, bij het noemen van den naam christen, zich een uitdrukking van walging en afschuw vertoonde.

„Christen? zoo? Christen?quot; lachte Heraclius, zegevierend. „De prefect der stad Rome een Christen! Dit is mij een zeer welkome tijding. Wie zal thans nog aan zijn samenspannen met Constantijn twijfelen ?quot;

Het eerst gelukte het aan den lichtzinnigen Sabinus zich te troosten over de verijdeling zijner schoone plannen en zich over zijn gramstorigheid wegens de afwijzing heen te zetten.

„Is mij,quot; bracht hij in \'t midden, „het zoete duifje ook al ontvlogen, zoo heb ik. bij Bacchus, toch altijd een vette vangst gedaan, en die zal mijn lieve vader mij goed door den keizer laten betalen! Op zijn minst de helft van het verbeurdverklaarde vermogen zal niet te veel zijn. De beste Falerner wijn uit onzen kelder is nauwelijks goed genoeg, om het geluk te vieren, dat mij de goden voor een christin als vrouw en voor een christen als schoonvader hebben bewaard. — Maar wat zal er nu met hen beide geschieden ? Ik heb hen in het onderste kot laten werpen.quot;

„Daar mogen zij met elkander doodhongeren!quot; riep Sabina, die haar toorn nog niet bedwongen had.

Slechts de gedachte aan zijn plannen bewoog Heraclius dezen eisch van zijn vrouw niet in te willigen.

„De oude,quot; sprak hij „niet het meisje, heeft onze plannen verijdeld. Zij mag dan leven als bedelaarster; hem echter geef ik over aan den bouwmeester van de basiliek en ik zweer hem, dat zijn bloed het eerst tegen de muren van den nieuwen circus zal spatten.quot;

Met dit besluit vereenigde zich vrouw en zoon en Heraclius zond terstond een slaaf om den gevangenbewaarder zijn bevel over te brengen. Toen spoedde hij zich naar den keizer om hem het groote nieuws te melden, dat Rufinus zich zelf als christen had bekend

82

-ocr page 87-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

gemaakt, en hem de lijst der medesaamgezworenen voor te leggen. Een der eersten op de lijst was een hofbeambte, Valerius Antonius, die zijn christendom niet verheelde en derhalve reeds lang door Heraclius gehaat werd.

Valeria was terstond weder begonnen aan haar vader de grondwaarheden van het christendom verder te ontvouwen. Er was geen tijd te verliezen, want elk oogenblik kon het bevel komen, dat hij in zijn bloed het doopsel van het martelaarschap zoude ontvangen.

Ruflnus begeerde niets vuriger dan dat de laatste scheidsmuur zoude vallen, die hem nog van zijn God scheidde. Toen Valeria op zijn vraag, of de doop door water slechts door een priester kon worden toegediend, antwoordde, dat in geval van nood een ieder dit doen mag en ook kan, zoo hij de meening heeft te doen wat de heilige kerk doet, toen bad hij haar dringend hem deze genade niet langer te onthouden.

Do maagd weifelde in den beginne bij dit verzoek; doch Ruflnus herhaalde steeds luider smeekend: „Als gij mij doopen moogt, uit wiens hand ontvang ik dan liever dit geschenk van Gods goedheid dan uit de uwe? of denkt gij, dat ik nog geen moed genoeg heb om voor Jesus Christus te sterven, o mijn kind, geef mij dan door het heilig bad de kracht daartoe! Dan mogen zij alle folteringen aanbrengen, te midden der vreeselijkste pijnen, zoolang er nog leven in mij is, zal ik het herhalen; Ik geloof in Jesus Christus, den Zoon Gods, die mij bemind heeft en mij door Zijn dood het eeuwige leven heeft verworven.quot;

Ruflnus was genoegzaam voorbereid op het ontvangen van het heilig doopsel; de dood stond voor de deur; op een priester was niet te hopen. Valeria erkende, dat zij niet alleen de macht had haar vader het H. Sacrament toe te dienen, maar dat zij zelfs daartoe verplicht was.

Doch waar water te vinden?

Nu herinnerde zij zich, dat de H. Petrus, om zijn wachters te doopen, eens op wonderdadige wijze in de Mamertijnsche gevangenis een bron had doen ontspringen. Zou deze nog vloeien?

Terwijl zij al zoekend met de handen langs den grond tastte, vond zij na korten tijd, tot haar onuitsprekelijke vreugde, het in een holte bijeen gestroomd water.

S3

-ocr page 88-

IN DE MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

Zij geleidde dan haar vader naar de bron en in de voorgeschre-vene orde, in zooverre dat mogelijk was, begon zij met de vraag:

„Wat begeert gij van de kerk?quot;

„Het geloof en het eeuwige leven,quot; antwoordde Eufinus.

„Verzaakt gij den duivel?quot;

„Ik verzaak.quot;

„En al zijn werken, en al zijn ijdellieden ?quot;

„Ik verzaak.quot;

„Gelooft gij aan God, den almachtigen Vader, den schepper van hemel en aarde?quot;

„Ik geloof.quot;

Nadat Valeria de artikelen van de apostolische geloofsbelijdenis afzonderlijk had gevraagd, maakte zij het teeken des H. kruises op het voorhoofd van haar vader en bad hem het Onze Vader voor. Toen vroeg zij hem:

„Wilt gij gedoopt worden?quot;

„Ik wil het en begeer het uit geheel mijn hart,quot; antwoordde Ruflnus.

Nu deed Valeria haar vader bij de bron nederknielen en zich er over heen buigen; en terwijl zij dan met de holle hand het water schepte, goot zij het over zijn hoofd uit met de woorden:

„Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes.quot;

De hand der maagd sidderde, haar stem beefde van een heilige ontroering, en in het water van het Sacrament vielen haar tranen, tranen van onuitsprekelijk zoet geluk.

Ruflnus vatte de hand zijner dochter, drukte die, tegen haar willen, aan zijn lippen en bevochtigde die met heete tranen.

,,0 mijn kind,quot; riep hij, „hoe gelukkig, hoe zalig ben ik thans! Nu mag ik den eeuwigen God mijn vader noemen; Onze Vader, die in de hemelen zijt!quot;

Valeria echter, overweldigd door den machtigen indruk, geraakte in verrukking; zich losmakend van den last der aarde zag haar geest de zaligheid van het paradijs voor zich ontsloten, en terwijl zij de armen als tot een gebed omhoog hief, ontvloeiden haar lippen deze woorden.

„Ziet gij den eerbiedwaardigen grijsaard met dien langen, witten

84

-ocr page 89-

IX DE MAMEUTIJXSCHE GEVANGENIS.

baard, don herder te midden zijner kudde onder den palmboom ? — Schitterend als de zon straalt zijn gelaat eu zijn kleed is witter dan sneeuw. — Scharen in lichtende gewaden omgeven hem, gelijk de vorsten den heerscher op zijn troon. — En daar komt moeder! In een wit kleed, den palmtak in de hand, een bloemenkrans om het hoofd, haar borst versierd met de bliksemende robijnen van het martelaarschap, zoo geleiden twee engelen haar tot den grijsaard. — Zij zinkt voor hem neder; maar hij heft haar op en streelt haar de wangen; vriendelijk lachend drukt hij haar, als de vader het teruggekeerde kind. een kus op het voorhoofd en geeft haar melk te drinken uit een gouden schaal.quot;

Op de knieën liggend luisterde met ingehouden adem Rufinus naar de woorden zijner dochter. Het wist niet, hoe hij te moede was; een heilige vrees doorliep zijn leden.

Na een poos ging Valeria, nog steeds in haar vervoering, verder.

„Lieve moeder, bid den heiligen herder, dat hij ook ons uit die schaal laat drinken; want het is hier beneden zoo koud en ijzingwekkend, en zonder versterking kan vader bet niet uithouden. Weet gij, dat hij christen is, dat ik hem gedoopt heb? — Gij wenkt ons, tot u te komen ? O! hoe gaarne ijlde ik naar u toe! Maar wie voert ons over dien afgrond, die ons van u scheidt, voorbij den vreeselijken, zwarten draak met de gloeiende oogen en uitgestrekte klauwen ?quot;

Deze vraag werd door de ruwe stem van den gevangenbewaarder beantwoord, die vader en dochter beval uit de diepte omhoog te komen. Deze roep wekte Valeria uit haar verrukking, en in de meening, zij gingen nu ter dood, omarmde zij haar vader, terwijl zij vol heilig vuur sprak:

„Treed den draak onverschrokken op den kop, vader; in den naam van Jesus, hij kan u geen leed doen; spoeden wij ons, moeder wacht ons! kort is de strijd en eeuwig het geluk!quot;

Toen beiden, de ladder beklimmend, boven kwamen, verkondigde hun de gevangenbewaarder het bevel van den prefect, die den vader tot slavendienst aan den bouw der basiliek veroordeelde; de dochter mocht gaan, waar het haar beliefde.

Dit onverwachte vonnis was voor beiden even smartelijk. Valeria sidderde bij de gedachte aan de langdurige en vreeselijke mishan-

85

-ocr page 90-

IN DK MAMERTIJNSCHE GEVANGENIS.

delingen, die haar vader stonden te wachten. Kuflnus moest zijn dierbaar kind als een bedelares zonder dak of schut van zich zien gaan.

„Hierboven is thans uw vader, mijn lieve dochter!quot; sprak hij, terwijl hij tot afscheid een kus op haar voorhoofd drukte. „Uw vader en mijn vader, en verheugd ga ik den weg, dien Zijn hand mij wijst over den donkeren afgrond naar uw moeder.quot;

Onbarmhartig rukten de beulen hem van zijn dochter, bonden hem de handen met koorden op den rug en voerden hem weg. Valeria volgde haar vader tot aan den ingang van het bouwterrein; nog een sprakelooze blik als afscheidsgroet; toen sloot zich de poort van de groote lijdensschool achter den veroordeelde.

Toen Valeria naar huis wilde terugkeeren, werd zij voor het vestibulum door de dienaren van den fiscus, die Heraclius terstond daarheen gezonden had, met schimp en schande weggejaagd. Zij verdroeg dit zonder zuchten.

„De vossen,quot; sprak zij, haar blik ten hemel slaand, „hebben hun holen en de vogelen hun nesten, maar de Zoon des menschen had niets waarop Hij zijn hoofd kon nederleggen. Mag ik klagen, als Hij mij mijn legerstede aan den voet van Zijn kruis bereidt? Het lam doet zijn mond niet open, wanneer het door de hand van zijnen herder wordt geschoren; hij moge het binden en op de slachtbank leggen, het zwijgt, want het is zijn eigendom.quot;

De heilige liefde gelijkt een bron in het woud; beiden worden des te helderder en klaarder naarmate zij op haar weg meer over steenen vloeien en haar loop moeten nemen door donkere holen.

Slechts één schat verliet Valeria met bloedend hart, daarom smeekte zij — te vergeefs — de harde, gevoellooze mannen; had zij ten minste de area met den met bloed doorweekten doek, de reliquie van haar moeder, kunnen redden! Dit kleinood aan ge-meene handen te moeten overlaten, sneed haar door de ziel; hoeveel troost en lafenis zoude haar deze heilige gedachtenis gegeven hebben!

Zuchtend en toch berustend in elk offer, wendde het arme meisje haar schreden — zij wist niet waarheen — af van het ouderlijk huis met alle zoete herinneringen eener gelukkige kindsheid.

„Als een door den storm verwoeste hof,quot; sprak zij, „ben ik voor den Heer; alle bloemen liggen gebroken en geknakt; slechts een

86

-ocr page 91-

IN DE MA MEKT [J N SCH E GEVANGENIS.

bladerlooze wijngaardtak staat te midden der verwoesting, geslingerd om het hout, het hout des kruises, — en hoopt niet meer op dfe lentezon.quot;

De gevouwen handen op de borst gedrukt, richtte Valeria haar benevelden blik ten hemel en van haar lippen steeg het gebed der heilige berusting omhoog;

„Heer, Uw wil geschiede!quot;

87

-ocr page 92-

HOOFDSTUK VIL

GOEDE VRIENDEN.

loo hoog de Kerk der eerste eeuwen het marteldom i opvatte, even zoo bepaald en standvastig hield zij zich aan den plicht om alle geoorloofde middelen aan to wenden ten einde het eigendom des levens te redden voor de heidensche vervolgers. Dezelfde Cyprianus, die met de meeste geestdrift van het martelaarschap spreekt en hen zalig prijst, die geroepen werden tot de bloedige belijdenis van hun geloof, zocht zijn leven door de vlucht te behouden, totdat de wil Gods hem openbaarlijk voor den rechterstoel en op de strafplaats voerde. Bij al de kracht en moed, met welke de eerste Christenen voor hun geloof stierven, waren zij onuitputtelijk rijk in uitvindingen om de aanslagen hunner vijanden te verijdelen. Aan wien onder de vele vrienden haars vaders Valeria ook dacht, om zijn hulp te vragen, geen kon haar die bieder: den eene ontbrak het aan invloed bij den keizer, den andere aan moed en wederom anderen, en onder dezen Symmachus, zouden haar wegens hunnen haat tegen het Christendom allen bijstand geweigerd hebben.

Ten einde niets onbeproefd te laten tot redding van haren vader, besloot Valeria zich te wenden tot de keizerin, om hare bemiddeling te vragen bij Maxentius, en zoo sloeg zij dan dadelijk den weg in naar

-ocr page 93-

GOEDE VRIEXDEN\'.

den Palatinus. Door haren echtgenoot alleronwaardigst behandeld, woonde de ongelukkige vorstin als eene verstootene in een afgelegen gedeelte van het paleis; slechts bij feestelijkheden mocht — neen, moest zij in \'t openbaar verschijnen; als Maxentius aan het volk het beeld van zijn echtelijk geluk wilde vertoonen, welk geluk hij zelf, gelijk de heele wereld wist, zoo schaamteloos en geheel en al in den grond verstoord had.

Zoodra de keizerin vernam, dat de dochter van den stadsprefect en van Sophronla haar om gehoor verzocht, stond zij haar vol deelneming dit toe. — In den weelderigen hof des geluks bloeien de bloemen van het medelijden niet: haar grond is de rotsachtige, met doornen volgegroeide bodem van eigen lijden.

Op een rustbed uitgestrekt, in gezelschap van twee slavinnen, die Maxentius alleen nog tot hare bediening had gelaten, ontving de keizerin Valeria. Zij was eene groote, bleeke vrouw; op haar nog jeudig gelaat hadden kommer en hartzeer de voormalige schoonheid en aanvalligheid tot op enkele zwakke sporen na uitgewischt, en het verfsel op hare wangen en het met een penseel op de wenkbrauwen aangebrachte stybium boden voor het verlorene een geringe vergoeding.

Sedert den dood van haren eenigen zoon, Romulus, had de keizerin maandenlang in de diepste zwaarmoedigheid slechts zwarte kleederen gedragen. Toen zamelde zij hare krachten bij elkander; zij wilde het noodlot trotseeren en vond er nu genoegen en verstrooiing in zich door hare slavinnen in prachtige kleederen te laten dossen en te laten tooien met edelgesteenten en parelen. Zij was nog jong en had recht op de gaven des levens, en de blanke Syra en de zwarte Numidica werden niet moede, haar door waarzeggerij de toekomst met den schemer der hoop af te schilderen. Maar de vervulling dier beloften wilde niet komen; de gedwongene eenzaamheid begon als eene nachtmerrie op de ziel der keizerin te drukken en, zonder hoogeren steun, verzonk zij in een melancholie, die dikwijls aan wanhoop grensde.

Ook heden had zij weder zulk een droef uur, en door duistere tranen schouwde zij voor zich uit, zonder op de slavin te letten, die haar den metalen spiegel voorhield, om haar te laten zien, hoe schoon haar het nieuwe kapsel stond, dat Numidica had uitgedacht.

89

-ocr page 94-

#

90 GOEDE VRIENDEN.

Hoe zorgzamer men steeds geweest was, den immer meer en meer meer bedenkelijk geworden staatkundigen toestand voor de keizerin geheim te houden, des te meer drukte haar de onverwachte boodschap van de reeds zoo nabij zijnde oplossing ter neder. Dan hadden nog slechte voorteekenen haar beangstigd; onder anderen waren gisteren bij lichten namiddag scharen nachtuilen uit hunne holen en nesten in de uitgestrekte gebouwen van den Palatinus gevlogen.

Toen Valeria binnentrad, deed de keizerin hare slavinnen vertrekken, om met het meisje alleen te spreken. Toen zij haar zaak vernomen had, sprak zij met een bitter lachje:

„Goed kind, wanneer ik mijn gemaal om het leven van uwen vader smeekte, zoude hij in hem een mededinger meenen te bespeuren; Ik ben eene arme, machtelooze vrouw. Mijne handen zijn met kete nen gebonden, en dat deze van goud zijn, maakt hen nog te zwaarder. — In al mijn rijkdom — rijk slechts aan kommer,quot; zoo ging zij na eene poos met groote bitterheid voort, „benijd ik de armste bedelares om het geluk barer armoede; — met purper en juwee-len getooid, draag ik een diadeem, dien de hand van een vijandig noodlot op mijn smart heeft gezet.quot;

De weemoedige bitterheid, die uit de woorden der ongelukkige keizerin sprak, ontroerde diep Valeria\'s hart, en voor een oogenblik haar eigen leed vergetend, sprak zij: „Hooge heerscheres, de almachtige hand, die den worm in het stof onderhoudt, heerscht ook over het leven der menschen, en als God ons beproevingen overzendt, zoo rijkt Hij ons ook den staf der hoop om ons te steunen.quot;

„Wat de dichters,quot; antwoordde de keizerin, „spreken van een vader der goden en der menschen, is een schoone waan. Die pop is alleen voor de kinderen des geluks. Leer, zooals ik, met trots en gelijkmoedigheid den haat van liet noodlot dragen: dat is de beste raad, dien ik u kan geven. Wordt de last des levens te zwaar, dan werpt men hem van zich af.quot;

Met deze woorden stond de keizerin op en deed Valeria vertrekken, terwijl zij haar de hand reikte om deze te kussen.

Met een gemengd gevoel van afgrijzen en medelijden scheidde de maagd. In het zwaarste lijden troosteloos en zonder hoop, — ais laatste redmiddel de zelfmoord — bestond er iets ongelukkiger, iets onzaliger?

-ocr page 95-

GOKDE VRIENDEN\'.

Valeria richtte een innigen blik ten hemel; hoe licht en gemakkelijk te dragen scheen haar eigeu smart op dit oogenblik!

Irene had, wat geschied was, reeds vooruit gezien; thans kwam zij om Valeria in hare woning een onderkomen aan te bieden. Wel bewoonde de matrone sedert den dood van haren man en het verlies van hare goederen slechts c-en bescheiden vertrekje in een huurhuis op den Aventinus, doch zij drong er zoo hartelijk bij Valeria op aan deze met haar te deelen, dat het meisje niet kon wederstaan aan de uitnoodiging barer moederlijke vriendin.

Toen Heraclius den keizer de mededeeling deed, dat Rufinus zich zelf als Christen verklaard had, geraakte Maxentius in de grimmigste woede, ook toen Heraclius de lasteringen berichtte, die de gevangene tegen den heerscher had geuit.

„Het dronken gebroed der Nazareners wast ons boven het hoofd: er moet mot de knots op geslagen worden!quot; riep Maxentius, met de vuist op de tafel slaande. „De prefect van Rome een Christen, de stad in alle hoeken vol van Christenen en Constantijn op weg naar Rome! — Gij legt mij van avond een lange lijst van gevangen-genomenen voor ! En doe een fikschen greep in den hoenderhof der ridders en senatoren! Want of zij Christen zijn of niet, zij hebben toch met elkander samengezworen. Als ik niet een aantal dezer trotsche hanen den nek omdraai en de anderen eens duchtig pluk, vliegt mij dat pluimgedierte over het hoofd!quot;

Zoo sleepten dan reeds in den loop van den namiddag de trawanten van Heraclius uit alle deelen der stad degenen, die zoogenaamd samengezworen hadden met den stadsprefect, in de Tulliaansche gevangenis, onder hen een niet gering getal Christenen en voornamelijk uit de destijds bloeiende adellijke geslachten. De eerste was Valerius Antonius, de keizerlijke hofbeambte.

ïoen de acta diurna \'s avonds verschenen en hunne onthullingen over Rufinus en de zoogenaamde samenzwering der Christenen brachten, werd dit nieuws met algemeen hoofdschudden ontvangen. Een ieder vond het ongelooflijk, dat Rufunius, het hoofd van het stadsbestuur, een Christen zoude zijn ; men had hem toch onlangs nog bij de groote feesten der Ludi Eotnani in September in den tempel van Jupiter op het Capitool zien offeren. Bovendien was de plichtgetrouwheid van den stadsprefect zoo algemeen erkend.

9j

-ocr page 96-

GOEDE VRIENDEN.

dat niemand hem in staat achtte iets te doen van wat hem werd ten laste gelegd. Dan hadden nog de vrienden van Sabinus het van zijn moeder vernomene nieuws en diens eigene uitbarsting van woede, toen hem geluk gewenscht werd, met de veroordeeling van Ruflnus in verband gebracht, en nu schoof men algemeen de schuld op Heraclius.

Dezelfde acta dinnta hielden ook in het keizerlijke edict, dat Aradius Ruflnus ontzette van zijn ambt als stadsprefect en in zijn plaats Annius Anulinus benoemde. Des avonds trokken hoopen volks, dcor Heraclius omgekocht, door de straten onder het luide gebrul: „ Chrisiianos ad leones!quot; („Werpt de Christenen den leeuwen voor!quot;) Andere scharen verzamelden zich voor de ingangen van den kerker en overlaadden de Christenen, die er binnen gebracht werden, met de gemeenste smaadredenen, stootten en sloegen hen of wierpen hen met steenen.

Symmachus knarsetandde van woede over de nieuwe gewelddaad van den tiran, die zich van de zware schuld, welke hij tegenover Kufinus op zich geladen had, ontdeed door deze zelf uit den weg te ruimen en dit deed door hem van twee snoode misdaden te betichten: van hoogverraad en — wat in de oogen van Symmachus nog slechter was — van afval tot de verachte sekte der Christenen.

Bijzonder verontwaardigde hem deze laatste beschuldiging, daar hij toch wist, hoe sterk Ruflnus, trots zijne vrouw, den overgele-verden godsdienst van den Romeinschen staat aankleefde.

Symmachus was van jongsaf met den stadsprefect bevriend geweest en hij hield het voor zijn plicht door persoonlijke tusschen-komst bij den keizer eene poging te doen hem ten minste het leven te redden. Nog denzelfden avond verzocht en verkreeg hij eene audientie.

Maxentius, niet weinig verwonderd, dat de machtige Senator, die zoo trotsch tot nog toe het hof had gemeden, zich eindelijk tot hem wendde, ontving hem met buitengewone beleefdheid.

„Ik hoop niet uwen toorn te verwekken,quot; begon Symmachus, „als ik het waag uw Goddelijkheid op eene noodlottige dwaling in een aanklacht opmerkzaam te maken, die, wanneer zij waar zoude zijn, zeer zeker de zwaarste straf voor den beschuldigde zoude rechtvaardigen.quot;

92

-ocr page 97-

GOEDE VRIENDEN.

„Gij meent zeker, edele tiymraachus,quot; antwoordde de keizer, „den afgezetten en ter dood veroordeelden Ruflnus. Maar indien het u tot eer strekt, dat gij voor een standgenoot als verdediger-optreedt, zoo weet ik ook, dat de Senator Symmachus met mij samenzweering met de vijanden des rijks en verraad aan de Goden, die Rome groot gemaakt hebben, voor een misdaad houdt, die met den dood dient gestraft te worden.quot;

„Het is niet waar, dat Ruflnus een Christen is.quot;

„Ik zou gaarne het tegenbewijs vernemen.quot;

„Ik ken hem van jongsaf als een trouwen vereerder der Godeu, als iemand, voor wien Rome\'s grootheid alléén in het behoud van den staatsgodsdienst gelegen is.quot;

„En als hij thans deze Goden vervloekt en zich in \'t openbaar als aanhanger der dwaze en verboden sekte der Christenen verklaard heeft, houdt gij hem dan ook niet in staat tot de tweede misdaad ?quot;

„Vergeef mij dit stoute verzoek, mag ik deze verklaring uit zijn eigen mond vernemen ?quot;

„De hond van een verrader zal reeds weggevoerd geworden zijn naar den dwangarbeid aan de nieuwe basiliek; ik bewillig volgaarne uw verzoek en uw wensch, dat gij dus u zeiven en meteen de Romeinen overtuigt van welk vuil ik den Augiasstal der stad Rome gereinigd heb.quot;

„En als Ruflnus nu eens zich bereid verklaart den Goden te offeren ?quot;

Maxentius fronste het voorhoofd, maar hij deed zich geweld aan en sprak:

„Dan geef ik u mijn keizerlijk woord, dat ik hem het leven zal schenken. Ga dan tot hem: ik geef u een centurio van mijn lijfwacht mede, opdat gij toegelaten wordet tot de bouwwerken.quot;

Op een gegeven teeken des keizers trad met dreunenden tred de centurio Martialis binnen, een herkulische gestalte, die twee kop grooter was nog dan Maxentius; over de van goud schitterende wapenrusting droeg hij een leeuwenhuid als mantel, de opengesperde muil was hem ten helmtooi en een zware Herculesknots hield hij in de hand.

„Dit knaapje geef ik u als geleider mede,quot; sprak lachend de keizer; „de sleutel in zijn vuist zal u de deuren wel openen.quot;

93

-ocr page 98-

GOEDIG VRIENDEN.

Nadat Symmachus van Maxentius afscheid had genomen, begaf hij zich door Martialis begeleid naar de basiliek.

De zekerheid met welke de keizer van Rufinus\' afval sprak, had den Senator tot nadenken gestemd; maar moest de vriend zijner jeugd niet, juist daardoor, dat de Christengod zijne vrouw niet beschermd had tegen de vervolging van den keizerlijken woesteling, nog meer overtuigd zijn van de dwaling dier secte? Dat hij desniettegenstaande Christen geworden was, zou dus daarmede in tegenspraak zijn.

Na lang zoeken vond Symmachus eindelijk Ruflnus, zooals de overige gevangenen met zware ketenen geboeid, schamel met lom -pen gekleed, en niettegenstaande het late avonduur bezig met het zwaarste slavenwerk. De ellendige toestand van den ongelukkige te aanschouwen ontroerde den Senator en terwijl hij op hem toe-tramp;d, sprak hij diep bewogen:

3 Gij zijt het offer geworden van schandelijken laster, edele Ruflnus; maar ik kom om u de vrijheid te brengen. Het is niet waar en het kan niet waar zijn, dat gij Christen zijt geworden. Zeg mij dus, in welken tempel ik het offer aan de onsterfelijke goden\'voor u zal bestellen en gij zijt vrij. Maxentius heeft mij zijn keizerlijk woord hierop gegeven.quot;

„Ik dank u van ganscher harte voor uw vriendelijke bemiddeling bij den keizer,quot; antwoordde Ruflnus, „maar meer nog dank ik mijnen God, dat hij mij eindelijk van mijne dwaling heeft bevrijd en in Jesus Christus de eenige waarheid heeft laten vinden.quot;

„Is het mogelijk?quot; riep Symmachus, diep gegriefd, dat hij in zijn meening zich bedrogen had. „Maar neen! het vreeselijke ongeluk, liet plotselinge en bloedige verlies van uwe getrouwe gade heeft uw verstand beneveld. Kom bij zinnen, begrijp toch, dat een gekruisigde misdadiger, die noch zich zelve, noch uwe vrouw kon redden van den dood, geen God kan zijn.quot;

„Het ongeluk,quot; antwoordde de gevangene rustig, „heeft door het licht der goddelijke genade de duisternis, die mij tot nog toe omgaf, verdreven, en vreugdevol ben ik bereid voor mijn christelijk geloof het zwaarste lijden en den schrikkelijksten dood te ondergaan. Moge God u uw welwillendheid jegens mij daardoor vergelden, dat ook gij tot de erkenning der waarheid moogt geraken.quot;

94

-ocr page 99-

GOEDE VELENDEN.

Zonder een woord te antwoorden keerde de senator zich om en ging heen.

De centurio echter, die getuige was van het geheele onderhoud en zich door de woorden van Kuflnus diep getroffen gevoelde, bleef achter en richtte tot den gevangene de vraag:

„Zeg mij, waar ik iets naders omtrent de leer van uw geloof kan vernemen?quot;

Deze vraag vervulde Rufinus met een onbeschrijfelijke troost. Het martelaarschap is ten allen tijde het zaad des Christendoms geweest; doch dat het begin der opoffering zoo dadelijk vruchten droeg en de zoete hoop een ziel voor Christus te winnen was voor den jongen Christen en belijder een heilige vreugde, die hij nimmer had gekend, van welke hij tot nog toe geen begrip had gehad.

„Ga, de Via Appia langs, opwaarts;quot; antwoordde hij na eenig bedenken, „zoowat tot den tweeden mijlsteen, en vraag daar naar den bisschop Melchiades, die zal u alles leeren, wat gij begeert te weten. Zeg hem, dat ik met blijdschap voor Christus lijd en beveel mijne dochter in zijn vaderlijke bescherming.quot;

De opzichter onderbrak het gesprek door Rufinus weder tot den arbeid te roepen.

In gepeins verzonken staarde de krijgsman den gevangene na.

„Offert men dan,quot; zoo vroeg hij zich zelve af, „den rang van Romeinsch senator, het schitterende ambt van stadsprefect van Rome. rijkdom en al de genietingen des levens op om zich als misdadiger te laten mishandelen en eindelijk den wilden dieren in het Amphitheater voorgeworpen te worden, zonder de overtuigendste gronden en een meer dan menschelijke kracht ? — Ik wil toch morgen den bisschop Melchiades opzoeken.quot;

Onder de Christenen had de inhechtenisneming en de aanklacht der samenzwering angst en schrik verspreid; stond niet de terugkeer der vervolging van Diocletiaan te vreezen? Niet allen waren, helaas! bezield met die heerlijke ideeën en die edele gevoelens voor het marteldom, welke Valeria tot een heilige vreugde stemden, toen zij de folterwerktuigen aanschouwde. Gedurende de vervolging van Diocletiaan waren er toch niet weinigen van het geloof afgevallen, en bedroefden zij daardoor het moederhart der Kerk, en het sloeg nog een diepere wonde, dat zij na het einde der vervolging, zonder

95

-ocr page 100-

GOEDE VRIENDEN.

voorafgaande boete, weder de opname in de gemeente wilden afdwingen. Zij hadden zich zelfs niet geschaamd zich onder de aanvoering van Heraclius te stellen, die niet gezwicht was voor de martelingen, maar in tijd van vrede en rust Christus had verloochend.

Bisschop Melchiades en zijn geestelijkheid beschouwden het daarom als hun heiligsten plicht de gevangene broeders bij te staan, hen te sterken in het geloof en in de belijdenis er van, en door de vertroosting der Sacramenten en de grootste bewijzen van liefde, toewijding en eerbied hun ter hulp te komen. Door omkooping der opzichters gelukte het nog des avonds aan den aartsdiaken Silvester tot de gevangenen toegelaten te worden en hij smaakte het genoegen allen vol blijden moed in hun geloof aan te treffen en besloten liever pijn en dood te lijden dan hun God te verloochenen.

Een onverwachte verrassing was het voor de gevangenen, toen na eenige uren in den kerker doorgebracht te hebben, hun werd aangekondigd, dat de keizer allen, die tot den Romeinsche adel behoorden, voorloopig op vrije voeten liet stellen.

Weldra zullen wij vernemen, wat de oorzaak van dit besluit was. Buitendien was het aantal van hen, die in den kerker bleven, nog altijd groot genoeg en in den loop van den volgenden dag werd de leegte weder door nieuwe gevangenen aangevuld.

Den volgenden morgen voerde men de aangeklaagde gevangenen op het Forum in de basilica Julia en voor den rechterstoel; voor hen, die christen waren, was de belijdenis van hun geloof voldoende om hun deelname aan de samenzwering als bewezen te doen beschouwen. Onder den druk der tirannie had ook de rechtersstand zijn zelfstandigheid verloren; niet naar het oordeel der wet werd thans het vonnis geveld, maar de wil des keizers was de wet en bepaalde het oordeel van den rechter. Alle gevangenen werden wegens majesteitsschennis ter dood en tot verbeurdverklaring van hun goederen veroordeeld; tot den dag van het voltrekken van dit vonnis zouden de mannen gebruikt worden om te arbeiden aan den bouw der keizerlijke basiliek op het Forum; de vrouwen werden in een vertrek der Mamertijnsche gevangenis opgesloten.

96

-ocr page 101-

HOOFDSTUK VIII.

ü E G E V A X (i E X E X.

jijen gevolge der menigvuldige stoornis en der daardoor [ s veroorzaakte haast, met welke Heraclius de lijst dei-voorgewende samenzwering had samengesteld, waren er eenige namen opgekomen, die hij anders bij rustiger overleg wel voor een betere gelegenheid zoude hebben bewaard. Dit betrofbijzonder dien van Valerius Antonius, den kamerheer des keizers, wiens onomkoopbare eerlijkheid meermalen zijn hebzuchtige plannen had verijdeld. Evenzoo goed als Heraclius wist ook Maxentius, dat hij een christen was, maar desniettegenstaande genoot Antonius het onbegrensde vertrouwen van zijnen gebieder.

Zijn inhechtenisneming, waarover wij in het vorige hoofdstuk spraken, zoude Heraclius duur te staan komen.

De moeder van Antonius, Surula, was eene van die eerbiedwaardige matronen, wier wereld de stille, huiselijke kring is en die omringd door bloeiende kleinkinderen in vroolijken vrede den avond huns levens zien schemeren. De gevangeneming van haren zoon, dien de gerechtsdienaars meêdoogeloos uit de armen zijner weenende gade, uit den kring der jammerende kleinen hadden gerukt, vernietigde met eenen slag Surula\'s geluk, en hoewel zij ook als een christelijke

7

-ocr page 102-

DE GEVANGENEN.

moeder de kracht gevonden had haren zoon door den Moedigen marteldood ten offer te brengen, zoo kon zij toch de schande, dat hij wegens eedbreuk jegens zijnen heer en wegens deelneming aan de samenzwering zoude terechtgesteld worden, niet op zijn nagedacli-tenis, niet op het hoofd zijner kinderen laten komen.

Terwijl zij haren kleinzoon Jason, een tienjarigen knaap van een allerbevalligst uiterlijk, aan de hand met zich nam, ijlde zij nog denzelfden avond naar het paleis en verzocht in \'s keizers gehoor toegelaten te worden.

„Mijn gebieder,quot; sprak zij, terwijl zij voor Maxentius op de knieën viel, „indien mijn zoon uwe ongenade op zich heeft geladen, omdat hij zijn plicht niet getrouw heeft vervuld, dan buig ik mij in gehoorzaamheid voor elk oordeel van Uwe Majesteit, maar....quot;

„Wat, ongenade?quot; onderbrak haar Maxentius, terwijl hij de bejaarde vrouw ophief, „ik ben integendeel uwen zoon zeer genegen, daar ik hem ken als een dienaar van beproefde trouw.quot;

„Ik dank Uwe Majesteit voor deze getuigenis en ik waag haar aan te roepen ter verdediging tegen eene aanklacht, die hem reeds in den kerker en in boeien heeft geworpen.quot;

„Bij Jupiter,quot; riep de keizer verstoord uit, „wie durft zich vermeten, zich te vergrijpen aan mijne naaste hofbeambten ? En welke misdaad waagt men hem ten laste te leggen ?quot;

„Viel er ook maar één schaduw van verdenking, zelfs van een veel geringer misdrijf op mijnen zoon,quot; zoo ging Surula voort, „uwe dienares zoude het niet wagen voor u te verschijnen. Doch dat hij zoude samengezworen hebben tegen troon en leven van zijnen gebieder, neen, keizer, neen, dat is een schandelijke laster.quot;

Bij deze woorden herinnerde Maxentius zich zijn bevel en hij sprak, terwijl hij zijn voorhoofd fronste;

„Uw zoon is Christen en daardoor heeft hij zich zelf de aanklacht op den hals gehaald; de kikvorschen kwaken allen, de eene juist zooals de andere.quot;

„Hoe zal ik het wagen mijn keizerlijken heer te bewijzen, dat hij een ongerechtvaardigde achterdocht tegen ons. Christenen, heeft? Maar zie dezen knaap eens aan! Het is mijn kleinzoon; wellicht herkent gij hem; want hij werd als speelmakker met uwen onver-getelijken zoon opgevoed, totdat het ondoorgrondelijke raadsbesluit

98

-ocr page 103-

DE GEVANGENEN.

des hemels u dat zoete kleinood ontnam. Nu, mijn keizer, bij het onschuldige hoofd van dit kind, bij de heilige nagedachtenis van uw Romulus zweer ik u, dat mijn zoon onschuldig is aan het misdrijf, dat men hem ten laste legt.quot;

Maxentius had zijn blik op het kind gevestigd, dat schuw met zijn groote, zwarte oogen den keizer aanstaarde, en hoe langer hij den knaap met zijn fijnbesneden gezichtje, zijne wangen, friscli als rozen, en zijne donkere lokken aanschouwde, hoe meer zijn ruw gelaat een zachtere uitdrukking aannam. De toch reeds liefelijke verschijning van het kind werd nog verhoogd door de praetexta of het bontversierde kleed van witte wol en door de gouden bulla om zijn hals, gelijk de kinderen van adellijke familieën dit plegen te dragen.

Maxentius vereerde met afgodische liefde het aandenken van zijn eigen zoon. Ter zijner eere had hij een circus op den Appi-schen weg gebouwd; zijn naam zoude de nieuwe basiliek op het Forum dragen; zijn statuetten en afbeeldingen vond men overal in het paleis. En thans stond een knaap voor hem, die met zijn zoon opgegroeid en opgevoed was. Zoo schoon, zoo lief, zoo bevallig zoude nu ook zijn Romulus geweest zijn, had een vijandig toeval des lots hem dat zoete kind niet ontrukt. De harde man werd week en een traan parelde in zijn oog.

En toen de matrone wederom op de knieën zonk en met haaide knaap nederknielde, zijne handen omhoog hief en met de klare zilverstem der onschuld den keizer bad: „Geef mij mijn vader weder; ik zal goed voor u bidden!quot; toen kon Maxentius zicli niet meer bedwingen; het was de stem van zijn eigen kind, die hij meende te hooren.

„Ja, zoete knaap,quot;\' riep hij, „gij zult uw vader weder hebben! -Neem dezen ring,quot; ging hij voort tot Surula, „en open uw zoon den kerker. En nu, gaat, gaat, gij behoeft mij niet te danken.quot;

Maxentius wendde zich om en snelde in het naastbygelegen vertrek.

Diep bewogen liep hij heen en weder; toen bleef hij voor liet uit het fijnste Grieksche marmer gehouwen borstbeeld van zijn kind staan en beschouwde het lang, zeer lang, en de eene traan na den andere rolde hem langs de wangen.

99

-ocr page 104-

DE GEVANGENEN.

„O,quot; riep hij uit, terwijl hij de hand voor ziin voorhoofd legde, „waarom heeft het roofgierige noodlot mij dezen knaap ontrukt? „Hij had mijn wilden zin getemd; om zijnentwille was ik een „vaderlijke heerscher geworden. Het uur dat zij hem roofden heeft „mijn gemoed in de duisternis gehuld, die geen sterren — maar „bliksems verlichten.quot;

Op dit oogenblik liet Heraclius zich aanmelden om den keizer de lijst der in de gevangenis geworpen mede-samengezworenen van Euflnus voor te leggen. Een onderworpen lachje speelde om de lippen van den hoveling, toen Maxentius met gefronste wenkbrauwen driftig op hem toetrad en hem vroeg:

„Wie heeft u veroorloofd, ellendige, een dienaar yan mijn huis „zonder mijn verlof in den kerker te werpen? Bij alle goden, zooals „ik u uit het stof heb verheven, zoo treed ik u weder als een worm „onder de voeten! Geef hier de lijst!quot;

De keizer las vluchtig de lange opgave en zijn voorhoofd verduisterde nog meer.

„Twee Valerii, twee Cornelii, drie Dasumii, vijf Anicii — die „vervloekte Griek,quot; riep hij uil, „decimeert den Romeinschen „adel! En waar zijn de priesters en diakenen der Christenen, die „gij beloofdet te zullen vangen ? Ik merk het wel, de vos heeft zijne „haren met zijne streken verloren. Weg met u! Geef dadelijk den „adellijken gevangene de vrijheid en als gij mij morgenavond niet „ten minste den aartsdiaken, die de kas heeft, en een half dozijn van „de andere leiders der Christenen in den kerker levert, dan zal ik „uwen ouden vrienden eens vertoonen hoe men een schurftigen hond „behandelt.quot;

Zonder een woord te spreken sloop Heraclius heen.

„Heeft hij mij dan zelf dezen morgen niet den last gegeven ?quot; riep hij woedend, zoodra hij uit het paleis op den voorhof was gekomen. „Maar ik weet, Symmachus, die ellendeling, is bij hem geweest en „heeft hem bang gemaakt voor den adel en nu schuift hij degeheele „verantwoording der gehate maatregelen op mij! — Nauwelijks heb „ik, na lang denken en zoeken, den weg gevonden, die mijne toekomst „verzekert, of mijn vijandig lot dwingt mij zelf de steenen aan te „dragen om dien weg te versperren. Een vernieuwing der Christen-„vervolging verbreekt voor mij de brug naar Constantijn, en toch moet

100

-ocr page 105-

DE GEVANGENEN.

„ik den keizer een offer in den muil werpen, wil zijne woede mij „zeiven niet treffen. Indien ik,quot; vervolgde Heraclius na eenig bedenken, „slechts een priester of diaken in mijne macht konde krijgen! „Daarmede zoude de keizer voor het oogenblik tevreden zijn; en ik „had tegenover bisschop Melchiades een nieuw onderpand in de „gevangenen.quot;

Wel kende Heraclius de woning van meerderen der hoogere geestelijkheid, maar hij twijfelde geen oogenblik of de Christenen, bezorgd geworden door het besluit tot inhechtenisneming, hadden reeds alle voorzichtigheidsmaatregelen genomen voor de zekerheid hunner priesters.

Hij hoopte nog het eerste een derzelven te vatten bij de begraafplaatsen en wel bij die aan den Appischen weg, en dus zond Heraclius in den vroegen morgen van den volgenden dag een half dozijn ziiner gerechtsknechten, om bij het grafmonument van Cornelius, waarbij de ingang der Katakombe van Callistus lag, op Christenen te loeren. Zij grepen dan ook weldra een bejaarden man, die bekende Christen diaken te zijn en Severus te heeten; „maar toen wij hem „wilden wegvoeren,quot; berichtte de aanvoerder aan Heraclius, „wierp „zich een centurio der keizerlijke lijfwacht, een Hercules, een mensch „als een reus zoo sterk, op ons, greep mij en Tranquillius in de „borst, hief ons in de hoogte, ieder met ééne hand, en sloeg ons „met de ruggen tegen elkander, dat al mijne ribben kraakten en ik „bewusteloos op den grond viel. Toen ging hij op de anderen los „en hadden de \'gevangenen hem niet weerhouden, hij had hen nog „erger toegetakeld dan hij ons gedaan had. Zoo bevrijdde hij den „oude en bracht hem binnen de stad.quot;

Heraclius raasde over hunne lafheid op deze lieden, die hem te vergeefs hunne bulten en kwetsuren van\' de krachtige vuisten des krijgsmans toonden; echter kwam dit voorval den sluwen Griek niet ongelegen. Hij kende zijnen heer en wist, dat de schildering der bewijzen van de herculische kracht des centurio\'s hare gunstige werking niet zoude missen.

„Als gij voor den keizer geroepen wordt,quot; beval hij den dienaren, „schildert dan de mishandelingen, die gij hebt ondergaan, met „schrille kleuren: anders kan ik, bij Jupiter, niet voor uwe hoofden „instaan.quot;

101

-ocr page 106-

DE GEVANGEXEN.

Toen hij uu \'s avonds toch niet geheel zonder angst in het paleis trad, moesten lt;lie lieden zich in den voorhof gereed houden.

Heraclius beklaagde zich dadelijk bij den keizer, dat een soldaat der lijfwacht de uitvoering der keizerlijke bevelen en de gevangenneming van den diaken Severus had verhinderd.

Maar verre van boos op den centurio te worden, had Maxentius veel genoegen in de beschrijving der herculische daden van deze; ja, hij beval de dienaren voor hem te brengen, om uit hun mond nogmaals het voorgevallene te hooren.

„Ik moet den misdadiger zelf toch ook in verhoor nemen,quot; riep hij lachend, „om over hem een rechtvaardig oordeel te kunnen vellen.quot;

Na eenige oogenblikken trad Martialis binnen, groette den keizer op militaire wijze en plaatste zich als een boom voor Maxentius, die quot;.-net trotsch welbehagen zijn oog op deze herculische gestalte rusten liet.

Heraclius moest zijn aanklacht herhalen, maar Martialis onderbrak hem door met de meeste kalmte te verklaren:

„Toen die kerels den ouden man niet goedwillig wilden laten „gaan, heb ik hen een weinig op zijde geschoven. Maar armen en „beenen heb ik, gelijk gij ziet, niet gebroken.quot;

„Maar gij hebt toch,quot; lachtte de keizer, „twee van hen tegen „elkander geslagen, dat zij eerst na een half uur weder tot bewust-„zijn kwamen.quot;

De twee bevestigden de aanklacht met jammerlijke gezichten.

„Dan moet ik u,quot; vervolgde de krijgsman met dezelfde bedaardheid tegen de dienaren, „inderdaad wat harder hebben aangepakt „dan ik meende. Dat is zoo juist niet af te meten.quot;

„Ha, ha, ha!quot; riep Maxentius, die zich kostelijk vermaakte met de geschiedenis, „zóó hard, dat de anderen vol angst zijn wegge-„loopen.quot;

„En dat was goed ook,quot; vervolgde de soldaat, „dat die genoeg „hadden aan het toekijken. Anders zoude ik mijn koud bloed verloren „hebben en dan waren al die kikvorschen, de ééne na den andere, „over den naasten tuinmuur gevlogen.quot;

Men had slechts den reus aan te zien, om te begrijpen, dat hem dit niet eens veel moeite zoude gekost hebben.

102

-ocr page 107-

DB GEVANGENEN.

„Maar ik zal u .:odi moeten bestraffen,quot; sprak Maxentius lachend, „omdat gij beambten in de vervulling van hun plicht hebt ver-„hinderd.quot;

„Dien ik begeleid, heer, die staat onder mijn bescherming,quot; antwoordde Martialis, „en die onder de bescherming van een Hercules „staat, staiat onder de bescherming des keizers.quot;

„Bij de knots van Hercules!quot; riep Maxentius, „daarin hebt gij „gelijk, en die kerels daar moeten u eigenlijk nog dankbaar zijn, dat „gij ze niet allemaal den nek hebt gebroken.quot;

Hiermede liet de keizer beide partijen vertrekken en terwijl hij den centurio met welgevallen nastaarde, riep hij uit:

„Bij Jupiter! honderd van zulke mannen nemen het op tegen „een legioen van Constantijn!quot;

Deze gebeurtenis had Maxentius in een goede luim gebracht, en Heraclius, die dit had vooruitgezien, legde hem nu dadelijk een pracht-exemplaar van het met gouden letters op purper papier geschreven programma der naderende keizersfeesten voor; onder het lezen daarvan vergat de tiran gelukkig de bedreiging van den vorigen avond.

Sedert den dag van het eersten-steen-leggen had Maxentius het werk aan zijne basiliek met koortsachtige haast voort doen zetten, alsof hij wilde spotten met een geheim voorgevoel, hetwelk hem zeide, dat het hem niet zoude vergund zijn den bouw te voleinden. Inderdaad zoude dit werk noch zijnen naam, noch dien van zijnen zoon dragen, maar zijn gehate vijand, Constantijn, zoude de basiliek voltooien en haar voor de nakomelingschap zijnen naam geven. Dus waren er van het grauwen van den morgen tot aan den nacht honderden van publieke slaven en staatsgevangenen bezig baksteenen en marmerblokken aan te voeren, kalk te bereiden en stellingen op te slaan, en onbarmhartig suisde de zweep der opzichters over hunne naakte ruggen, als de ongelukkigen onder hunnen zwaren dienstarbeid afgemat dreigden in elkander te zinken. Dagelijks verscheen de keizer op het bouwterrein, om door zijn aanwezigheid de werkopzichters aan te sporen, en wee! den arbeider, die niet zijn uiterste krachten inspande!

De Christenen zochten van hunnen kant het lot hunner gevangene broeders op alle wijze te verzachten en zij ontzagen hiervoor noch

103

-ocr page 108-

DE GEVANGENEN.

opofferingen, noch gevaren. Wij, in onze dagen, kunnen nauwelijks begrijpen, wat er in dien tijd van de offervaardigheid der geloovigen werd gevorderd en met welke blijdschap en bereidwilligheid, met welken edelen wedijver zij hieraan voldeden.

Maar gelukte het hun door list en omkooping dan dezen, dan genen gevangene lafenis en troost te brengen, een van dezen moest hiervan verstoken blijven: het was Ruflnus. Het strenge bevel van Heraclius omgaf hem met onoverkomelijke hindernissen.

Drie der belijders waren nog Katechumenen; een priester had echter gelegenheid gevonden hen heimelijk te doopen en hun de H. Communie te geven; hoe gaarne Ruflnus ook deze hemelsche spijs zoude ontvangen hebben, toch was het onmogelijk.

De eenige troost, die zijne dochter hem konde brengen, bestond hierin, dat zij eiken dag uren achtereen van de hoogte van den groeten, vrijen hof van het paleis, die tegenover de basiliek gelegen was, haren vader door teekenen hare liefde te kennen gaf en door te wijzen op den hemel zijn moed zocht te sterken. Maar voor haar zelve waren dat uren van onnoemelijk lijden. Hoe bloedde haar hart wanneer zij stomme, hulpelooze getuige zijn moest van de onmenschelijke behandelingen, met welke haar vader de zwaarste lasten werden opgelegd; hoe kromp zij ineen, wanneer de stok of de zweep der opzieners bloedige striemen over zijn rug sloeg, als hij met zijn last niet snel genoeg voortging.

Mocht het noch een priester, nocii een diaken, zelfs niet den keizerlijken centurio gelukken, hoewel ook deze laatste het meermalen beproefde, den armen man hulp te brengen, hem gewerd, ofschoon voor korten tijd, verzachting in zijn lot van eene zijde, van welke zij het minst was te verwachten, namelijk van Sabinus, den zoon van den prefect.

Het dagelijksch bezoek van Valeria op de buitentrap van den Palatinus en hare gebarentaal waren hem niet ontgaan; hij was niet zoo bedorven, dat daardoor niet een edele snaar in zijn binnenste zoude beroerd worden. Zijn vader toch was het, die de schuld van hun ongeluk droeg; hij had Ruflnus zonder mededoogen aan zijne wraak geofferd.

Als kwam hij uit naam van Heraclius, beval Sabinus den opzichters een zachtere behandeling van dezen gevangene; ja, hij bewerkte

104

-ocr page 109-

DE GEVANGENEN.

zelfs, dat Valeria, al was slechts het voor eenige weinige oogenblikken, haar vader konde spreken en troosten en sterken met haar kinderlijke liefde. De tranen, onder welke het meisje hem voor dit gunstbewijs dankte, roerden hem; ongemerkt volgde hij haar spoor en vond aldus hare woning op het armzaligste dakkamertje, en toen hij den volgenden avond zeer gelukkig was geweest bij het spel, zond hij haar den volgenden morgen met een vertrouwden slaaf zelfs een buidel geld.

Valeria was afwezig, toen Irene den bode ontving.

Van Sabinus? en geld? — Hoe dorst de ellendige dit wagen!

„Zog uwen heer,quot; antwoordde Irene verontwaardigd, „dat de „jonge dame elk geschenk van zijn hand afwijst. Is het niet genoeg „dat haar vader als een gewoon misdadiger tot den zwaarsten arbeid „en ter dood is veroordeeld en dat zij zelve tot den bedelstaf is „gebracht? En moet nu de zoon de schanddaad van zijn vader door „een nog grootere schanddaad de kroon opzetten? Zoo hoog de „sterren boven het bereik van zijn hand zijn, zoo hoog staat Valeria „boven hem. — Weg, weg met dit zondegeld, dat met te veel bloed „en tranen is bezoedeld!quot;

De afwijzing van zijn geschenk krenkte Sabinus zeer, te meer daar het in zijne oogen eene daad van bijzondere grootmoedigheid geweestquot; was.

Wie was die vrouw, welke zich opgeworpen had als voogdes van het meisje en het gewaagd had op zulk een beleedigende wijze zijn welgemeend aanbod te beantwoorden?

Hij behoefde niet lang te zoeken om te vernemen, dat het de weduwe was van Castulus en de moeder van Candidus, die standaarddrager was in het leger van Constantijn.

Dadelijk deed nu Sabinus door zijn .vader hiervan aangifte bij den keizer en deze beval weldra Irene in den kerker te werpen, om bij de inwijding van den circus met de overige veroordeelden te worden omgebracht.

In zijn gramschap herriep Sabinus insgelijks zijn aan de wachters gegeven bevel en gelastte hun integendeel Ruflnus zoo streng mogelijk te behandelen, hem voor het zwaarste werk te gebruiken en de zweep niet te sparen. De onophoudelijke spot van zijne vrienden over het verongelukte aanzoek had zijn wrevel tegen

105

-ocr page 110-

DE GEVANGENEN.

Valeria\'s vader opnieuw aangewakkerd en door de barsche afwijzing, die hij van Irene ondervond, was zijn haat tegen hem nog gestegen.

Door de booze voorteekenen, die de keizerin hadden beangstigd, was ook Maxentius gestoord geworden in zijn rustig bewustzijn van te zullen overwinnen. Wee, indien de profetieën van zijn waarzeggers hem hadden bedrogen! indien zijne legioenen, niettegenstaande hun grootere getalsterkte, ook nu voor de poorten van Rome werden geslagen! Indien Constantijn, het vluchtende leger op den voet in de stad volgend, hem levend in zijn macht kreeg, hem in triumf medevoerde, hem aan de wraak van het woedende volk prijs gaf en hem eindelijk in de Mamertijnsche gevangenis liet wurgen?

De gedachte aan de mogelijkheid hiervan vervulde plotseling den keizer met angst en vrees.

Nog konde hij vluchten en zich in Afrika redden; de Appische straatweg, die naar het zuiden voerde, was nog vrij. — Maar grooten tegenzin had de keizer tegen dezen uitweg; het was zijn lot, dat hem aan Rome kluisterde.

Om tot rust en tot een besluit te geraken, besloot hij zijn toevlucht te nemen tot een dier schrikwekkende, geheime middelen, door welken volgens de leer der toovenaars de geesten het zekerst werden bezworen en gedwongen werden de toekomst te onthullen, en in stilte gaf hij bevel alles voor den volgenden nacht in gereedheid te brengen.

106

-ocr page 111-

HOOFDSTUK IX.

GE BED.

et was voor de Christenen, die geroepen werden tot den marteldood, een betrekkelijk licht offer, als op het

....., doodvonnis spoedig de voltrekking volgde. Anders echter

was iiet wanneer een lange kerkerstraf in vreeseliike

(s a)

i\'iamp;M gevangenissen of zware slavenarbeid aan de openbare gebouwen de ongelukkigen langzaam deed wegkwijnen.

Cvj\'C ) wanneer zij tevergeefs naar het uur verlangden, waarop het zwaard des beuls aan hun lijden en kwel-T lingen een einde zoude maken. Dan liet de natuur maar al te stormachtig haar rechten gelden en eiken dag, elk uur deed verlangen naar eene vernieuwde belijdenis in heldenmoedige standvastigheid. Wat waren alle pijnen en folteringen tegen deze wekenlange gevangenschap in kerkers vol vuil en stank, waarin nooit een zonnestraal doordrong, waar de uren, als de gevangenen zelf, met ketenen gekluisterd schenen, in een troostelooze eenzaamheid die zwaar gelijk de duisternis die hen omgaf, op het gemoed drukte en dreigde den ongelukkige tot wanhoop te voeren! Niet minder vreeselijk was het lot van hen, die veroordeeld waren om aan de openbare werken te arbeiden. Een volk, dat, gelijk het Romein-sche, van kinds af zijn grootste genoegen vond in de bloedige gevechten der zwaardvechters, dat gewoon was aan de brutaalste

-ocr page 112-

GERED.

mishandeling zijner slaven, kende geen medelijden en geen erbarming met arme veroordeelden, en het allerminst kenden dit de opzichters, onder wier tucht de ongelukkige offers bij een karig voedsel den zwaren arbeid van het aanbreken van den dag tot laat in den nacht te verrichten hadden. Als wij thans de ruïnen der groote gebouwen van het oude Rome beschouwen, denken wij niet aan de zuchten en de tranen, niet aan de stroomen bloeds, onder welke zij werden tot stand gebracht, niet aan de scharen van Christenmartelaren , die hier door onnoemelijke mishandelingen geleden hebben.

Voor Eufinus werd de proef van zijn jong geloof een zeer harde, bijzonder door het uitdrukkelijk bevel, dat Heraclius omtrent hem aan de wachters had gegeven. De krachtige man was binnen weinige dagen tot een geraamte vermagerd; hij voelde, dat zijn einde nabij was; hoe gaarne ware hij gestorven, hadde niet de zorg voor zijne dochter hem het sterven zwaar gemaakt.

Valeria geleek eene plant, die uit haren grond gerukt en in den zengenden zonnengloed is weggeworpen. Wat de verwelkende nog in \'t leven hield, was Irene\'s waarlijke moederlijke deelneming. Dan wees de edele matrone haar op de verhevene ideën, die het Christendom, als bloemen uit het paradijs, langs den koninklijken weg des kruises heeft geplant; dan wekte zij in haar de hoop, dat Con-stantijn tijdig genoeg zoude komen om den gevangene in vrijheid te stellen.

Wanneer Irene van deze hoop sprak, deed zij dit met een gloed en een vuur, dat ook Valeria onwillekeurig hierdoor werd aangegrepen. Het moederhart dacht aan den zoon, aan Candidus, aan het zalige uur van het wederzien na jarenlange scheiding.

Het was den voorlaatsten dag voor \'s keizers feest, toen Valeria weder de buitentrap van het paleis beklom; maar hoe zij ook in het rond schouwde, haar oog zocht te vergeefs haren vader.

Was hij ziek geworden ? Misschien was hij reeds dood, gestorven onder de barbaarsche mishandeling zijner bewakers. En ach! als hij ziek terneder lag, zonder verpleging, zonder voedsel, zonder bedekking. Deze gedachte doorvlijmde Valeria het hart. Nadat zij twee uur lang te vergeefs naar haren vader had uitgezien, daalde zij de trap af, weenend en snikkend, zonder zich te bekommeren om

108

-ocr page 113-

GERED.

de lieden, die met onverschillige nieuwsgierigheid de weenende aanstaarden. Daar ontmoette haar Rustica, de jonge vrouw uit de transtiberijnsche stadswijk.

Onder het voorwendsel houtspaanders te rapen, was de brave \'\' vrouw herhaalde malen binnen het afgesloten bouwterrein geloopen en had den Christenen heimelijk hulp gebracht, onvoorschillig voor de zweepslagen, met welke de opzichters haar meer dan eens hadden weggejaagd. Thans, nu Valeria haar haren nood klaagde, greep Rustica haar hoofd met beide handen ten einde er met geweld het plan uit te voorschijn te halen om den zieke te vinden en bij hem te kunnen komen. Eensklaps helderde haar gezicht op, hare oogen straalden en een schelmsch lachje kwam om hare lippen.

„Ja, ja, zoo zal het wel gaan!quot; riep zij uit. „Het zal een ge-„waagd stuk worden en ik moet wachten tot het donker is gewor-„den; maar als het mij gelukt, zult gij voor middernacht... . Doch „nu heb ik geen tijd meer te verliezen; ik moet met mijn man „de zaak overleggen. G-ij kunt niet gelooven,quot; liet zij er trotsch op volgen, „hoe slim en verstandig hij is. Vaarwel en houd goeden „moed!quot;

Valeria staarde haar dankbaar en met een weemoedig lachje na en gaf haar bij het heengaan een goudstuk, het laatste wat zij bezat, om daarvoor voor haren vader wat verkwikkends te koopen.

In Rome mochten destijds bij het ongehoorde drukke verkeer en de engte der straten, de karren en vrachtwagens slechts des nachts rijden; ook de voerlieden, die het bouwmateriaal voor de basiliek moesten aanbrengen, moesten ten minste voor een gedeelte hun werk des nachts verrichten. Hierop bouwde Rustica haar plan.

De fossor Mincius, haar man, kende gewis velen der voerlieden, die in de nabijheid der Katakomben hunne zandgroeven hadden en zeker was wel deze of gene onder hen bereid zijn nachtdienst aan een ander over te geven, te meer als hun de nacht nog betaald werd. Rustica spoedde zich naar huis.

Mincius was juist bezig een grafschrift, dat voor hem lag, in een marmeren plaat te houwen, zoo goed hij dat met zijn weinige oefening en zijn gebrekkig gereedschap vermocht. Het grafschrift was voor een knaap, Eugenius, en de ouders vonden hunne troost in de overtuiging; Uwe ziel is, waar het goed is — Spiritus turn

109

-ocr page 114-

GERED.

in bono. De letters waren tamelijk wel gelukt, hoewel uit den tweeden regel drie letters waren weggelaten. Maar de duif van Noe, die hij naar het voorbeeld trachtte er bij te voegen, verwekte zelfs bij Ru-tica een vroolijk lachje.

„Gij spot met mijn kunstwerk,quot; sprak schertsend haar man, „maar „de olijftak is toch zeker een olijftak en daaruit besluit een ieder, „dat de vogel de duit uit de ark zijn moet. Maar zeg mij wat voert „u zoo spoedig weder terug ?quot;

Rustica verhaalde haren man hare ontmoeting met Valeria en het plan, dat eensklaps in haar was opgekomen en waarover zij onderweg nog rijpelijk had nagedacht. Tot haar groote vreugde vond het bijval bij Mincius. Daar er geen tijd te verliezen was, begaf zich de fossor dadelijk naar den Appischen weg om in de arenariën of zandgroeven, die zich daar bevonden, de noodige handlangers te vinden; Rustica sloop weder om hout te verzamelen binnen het bouwterrein.

Na lang kijken, zoeken en vragen vond zij eindelijk Rufinus, die aan koorts lijdende in een afgelegen deel van de bouwplaats lag.

ïoen in den volgenden nacht de lange rij van karren, met aarde beladen, door den ingang van het afgesloten terrein kwam, zat op een der karren Rustica, de teugels en de zweep in de hand, in een ruwen mantel gehuld, op het hoofd de wijde Phrijgische muts van roode kleur, gelijk de Romeinsche voerlieden thans nog plegen te dragen, een or ca kostelijken wijn naast zich.

„Oho,quot; riep spottend de wachter, die met eene brandende fakkel aan de poort stond. „Oho, eene amazone op een zandkar? Waar „is dan de voerman?quot;

„Ja,quot; sprak Rustica zonder te ontstellen, „waar is de voerman ? „Als het geluk dien kerel een drinkgeld in handen speelt, dan slaapt „hij den geheelen nacht als een marmot.quot;

„Gij rijdt dus voor uwen man dezen trotschen Hirpijner,quot; spotte de beambte, terwijl hij op den mageren knol wees, „maar bij „Epona, de godin der paarden,quot; vervolgde hij, zijn fakkel voor Rustica\'s aangezicht houdend, „al staat u de roode muts nog zoo prachtig, „ik herken u toch in die verkleeding. Laat eens zien of gij niets „bi] u hebt voor de gevangene Christenen.quot;

„Hoor nu eens,quot; riep Rustica lachend, de wijnkruik in de hoogte

110

-ocr page 115-

GERED.

houdend, „die bibulus zijn pit is droog geworden en nu wil hij mijn „oliekruikje gaan aanspreken, dat ons in den kouden nacht tegen het „bevriezen beschut! Nu, gij kent de transtiberijnsche vrouwen niet! „Breng je koperen neus naar de munt, daar kan je een geheele kruik „wijn voor koopen.quot;

Onder het luide gelach der voerlieden, legde Rustica flink de zweep over den knol en was, voordat de wachter nog iets in het midden kon brengen, hem voorbijgereden.

Zoodra zij met haar paard aan de losplaats gekomen was, liet zij het werk aan een der metgezellen over, haakte het olielampje los, dat heen en weder wiggelend aan een kleine ketting onder aan de kar hing en ging den stadsprefect opzoeken.

In het donker kwam zij dicht bij het groote, planken getimmerte, waarin een schaar slaven op elkander gedrongen onder bewaking van eenen soldaat een ellendige nachtrust genoot; het licht verraadde haar en de soldaat riep haar aan; maar terwijl zij snel achtereen steenhoop voorbij wipte, ontkwam zij dit gevaar. Nog weinige schreden en Rustica knielde naast Rufinus.

Deze was den vorigen dag door een zeer hevige koorts overvallen geworden, zoodat hij, trots de tusschenkomst van Sabinus, van den arbeid ontslagen was geworden. Slechts door de verklaring dat de gevangene voor de feestspelen bestemd was, had deze zich laten tevreden stellen; zijn wraak wilde het genoegen niet derven het bloed van zijn offer onder de klauwen van een leeuw of het zwaard van den beul te zien omhoogspruiten. Thans lag Rufinus daar op den harden grond, onder den blooten hemel, slechts ternauwernood gedekt door een stroomat, door de koude verkleumd; hij verwachtte zijn einde. Hoe gaarne had hij voor zijn dood nog eens zijn kind gezien!

Plotseling scheen de straal van een lamplicht in zijn oogen; tegelijkertijd aanschouwde hij Rustica.

„Uwe dochter groet u duizendmaal en zend u dezen dronk,quot; sprak zij, hief dan met de voorzichtigheid en zorg van een moederden kranken overeind en bracht de kruik aan zijne lippen.

De voortreffelijke oude Falernerwijn goot nieuw leven in de verstijfde ledematen van deigt;~gevangene.

„Wij hebben geen tijd te verliezen,quot; sprak zij verder, „verzamel

Ill

-ocr page 116-

«ERED.

„alle ruwe krachten en volg mij; alles is klaar voor de vlucht.quot;

Met deze woorden hielp zij hem opstaan, zette hem haar Phrij-gische muts op het hoofd, hing hem haren voermansmantel over de schouders en, nadat zij haar licht had uitgeblazen, trok zij hem door de duisternis, aan hare hand, naar de losplaats.

Weinig woorden waren er noodig om de voerlieden in het geheim in te wijden en hen tot helpers te maken bij deze poging tot ontvluchten van een man, die bij het volk algemeen geacht was.

Daar hunne karren reeds ontladen waren, deed Rustica den stadsprefect opstijgen en met de overigen wegrijden; zijne dochter, voegde zij er bij, bevond zich in het huis van Irene op den Aventinus; in de nabijheid daarvan kon hij zijne kar aan de medegezellen overgeven.

Rufinus volgde werktuigelijk; hii wist niet of het werkelijkheid of\' een droom was, wat er met hem geschiedde. Zonder last te hebben van den wachter, kwam hij in de rij met de anderen voerlieden door de poort van het bouwterrein en weldra, langs het Colisseum en het Septigonium van Severus, aan de plaats, waaide weg naar den Aventinus begon te stijgen.

Eenigen der voerlieden hielpen hem van zijne kar.

„Gij hebt voor ons arme lieden steeds een hart gehad,quot; sprak een hunner, „en hebt gezorgd, dat het in de stad ten minste niet „aan brood ontbrak; uwe echtgenoote schuwde zelfs niet de ellendigste schuilhoeken der armoede, en daarom zijn wij u volgaarne „behulpzaam geweest in uwe vlucht.quot;

Daarmede schudde hem de mannen trouwhartig de hand en gingen heen. Eerst toen Rufinus alleen was en over alles nadacht, overtuigde hij zich eindelijk, dat hij niet droomde, maar dat hij werkelijk in vrijheid was.

Rustica had de kar waarop Rufinus zat, als met een valkenoog gevolgd door het duister; haar hart juichte, toen zij zag, dat hij ongemoeid den poortwachter voorbij reed, en zij steeg dan zelve bij den laatsten voerman in den wagen, bereid met de welbespraaktheid van een transtiberijnsche den wachter ten antwoord te staan.

Deze had reeds lang op haar gewacht, om naar de wijze van dergelijke lieden met eene vrouw, die zoo bij de hand was, te schertsen ; hij had voerman voor voerman goed aangezien en was nu niet weinig verwonderd Rustica bij dien van de laatste kar te vinden.

112

-ocr page 117-

GERED.

„Dat is toch vreemd,quot; riep hij toen hij haar zag, „vind ik u, „transtiberijnsche heks, nu op den laatsten wagen! Wie heeft dan „uw kar gereden?quot;

„G-anzen en soldaten kunnen achter elkaar loopen,quot; antwoordde Rustica lachend, „en gelooft gij soms, dat mijn beestje te dom „daarvoor zou zijn?quot;

„Maar ik heb toch goed opgelet en op elke kar een voerman „gezien.quot;

„Mijn wijn is u in het hoofd gestegen; ik wed, dat gij een senator aanzaagt voor een karrenrijder.quot;

„Haal u de duivel met uw wijn en uw senatoren!quot; riep de wachter boos Rustica achterna, die reeds verder was gereden. Zij keerde zich nog eens om en riep:

„Wat spreekt gij met verachting van de senatoren, en toch is „het nog niet lang geleden, dat gij bij een senator voor deurwachter „gespeeld hebt!quot;

„Deurwachter bij een senator?quot; bromde de wachter in zijn baard; maar Rustica was reeds te ver weg in het donker dan dat hij haar naar de beteekenis van haar woorden had kunnen vragen.

Het duurde lang voordat Rufinus in het huis, waar Irene woonde, den in diepen slaap liggenden ostiarius vermocht te wekken. Eindelijk kwam deze, opende de deur op een kier, keek met wantrouwenden blik den man aan met zijn wollen muts en vraagde hem, wat hij wilde. Rufinus, zijn kleeding in aanmerking nemend en vreezend zijn dochter door het plotselinge bericht van zijn bevrijding te hevig te doen ontstellen, gaf zich voor een bode uit, welke de matrone Irene een zeer dringende boodschap had over te brengen.

„De matrone Irene,quot; antwoordde de portier, „is in den namiddag door keizerlijke gerechtsdienaren uit het huis gehaald en in de gevangenis gesleept.quot;

„En mijne dochter?quot; riep vei-schrikt Rufinus.

„Wat weet ik van uwe dochter!quot; antwoordde de Ostiarius en sloot, knorrig over de nachtelijke rustverstooring, weder de deur, zonder zich verder om de vragen en de smeekingen van den vreemdeling te bekommeren.

Voor Rufinus had de veronderstelling, dat Heraclius, als een nieuwe daad van wraakzucht, thans ook zijn dochter en met haar

8

113

-ocr page 118-

GERED.

Irene in de gevangenis had laten werpen, de grootste waarschijnlijkheid. Konde hij twijfelen, dat men haar ter dood zou veroor-deelen, als morgen zijne vlucht ontdekt werd?

Hoe had hij zich de zalige vreugde van het herkennen en het wederzien voorgespiegeld, hoe had zijn vaderhart verlangd zijn teer geliefde dochter te omarmen! Slechts weinige oogenblikken en alle beproevingen, alle smarten zouden een einde nemen, en de hemel, die hem zoo wonderbaar had gered, had ook voorzeker den weg gebaand om aan de verdere vervolgingen van zijn vijanden te ontkomen. En thans deze plotselinge, vreeselijke ontgoocheling! Was hij dan bevrijd geworden alleen om getuige te zijn van den bloedigen dood van zijn kind? O, wat ware het hem duizendmaal liever geweest, zoo hij met zijn dochter had kunnen sterven!

Nadat hij langen tijd in gèdachte verzonken daar had gestaan, besloot hij naar de basiliek weder terug te keeren en zichzelven aan den wachter weder over te leveren. Hij wenschte hoe eerder hoe liever te sterven.

Een onuitsprekelijke bitterheid vervulde zijn gemoed en duisternis lag over zijn ziel gespreid. Met hoonenden spot naderde hem de verleider en fluisterde hem in \'t oor: „Ziet gij, hoe alles toeval is en hoe de luim van het blinde noodlot met het geluk der menschen speelt? En gij, dwaas, gij geloofdet aan een eenigen God?!quot;

Het was de eerste zware bekoring, welke na het ontvangen van het H. doopsel Ruflnus kwam kwellen. Al het lijden, alle mishandelingen der laatste dagen had hij met standvastigheid, zonder morren verdragen in geestdrift door het bewustzijn als Christen te lijden voor zijn God; door de kille koorts aangegrepen had hij den hemel gedankt, dat hij de uren der beproeving in zijn goedheid verkorten en hem thans spoedig met Sophronia in eeuwige zaligheid wilde vereenigen. Deze plotselinge afwisseling echter tusschen de zoetste hoop en zulk een wreede ontgoocheling, waarop de lichamelijk gebroken man niet voorbereid was, ontstelde geheel zijn ziel.

Doch zoude Rufinus destijds in de Mamertijnsche gevangenis voor deze bekoring bezweken zijn, nu, als zoon der kerk, als belijder, gestaald door het lijden, dat hij voor zijn geloof moest verduren, was hij door de genade sterk genoeg haar te wederstaan. Als een afzichtelijk monster des afgronds scheen de bekoorder naast hem

114

-ocr page 119-

GERED.

uit de diepte op te stijgen, en met afgrijzen en ontsteltenis wendde hij zich van hem. Terwijl Kufinus het van tranen verduisterde oog naar den nachtelijken sterrenhemel opsloeg, riep hij uit geheel zün hart en ziel: „Leid ons niet in bekoring!quot; \'

En als door God gezonden, vertoonde zich op hetzelfde oogenblik Rustica. Overgelukkig den stadsperfect gered te hebben, was zij hem zoo snel als zij ken nageijld, om nu ook getuigen te zijn van het blijde wederzien van vader en dochter. Wel was dus ook voor haaide teleurstelling zeer smartelijk, maar de kloeke vrouw herstelde zich spoedig.

Het gelukte aan Rustica\'s woorden Ruünus te overreden, dat hij voor dezen nacht in hare hut een onderkomen zoude nemen. Beiden sloegen te zamen den weg in naar de Tiberbrug, terwijl Rustica aan den lichamelijk en geestelijk gebroken man haren arm ten steun bood.

Meermalen moest hij zich, daar hij geheel uitgeput was, op een steen langs de straat nederzetten om uit te rusten. Rustica gaf-hem dan weder te drinken; maar schonk de voortreffelijke wijn weder kracht aan zijn lichaam, zijn gemoed, door ongerustheid over zijn kind nedergedrukt, werd niet verkwikt en versterkt.

„Ware toch,quot; zoo zuchtte hij, „de dood gekomen, voordat ik „deze bittere teleurstelling moest ondervinden! Ik verwachtte hem, „aan Gods wil overgegeven verbeidde ik mijn einde. En nu te leven, „als mijne dochter moet sterven; nu vrij te zijn, als zij smacht in „den kerker! Arm, arm kind! — Rustica bid mij het Onze Vader „voor — mijn geest is te veel verduisterd — nu de derde bede! — „Ja, Uw wil geschiede. Uw wil geschiedde!quot; Bijna tegelijkertijd — het was reeds omtrent middernacht — zag men een man de trappen van het keizerlijke paleis betreden, hij droeg onder zijnen wijden mantel een verborgen voorwerp. Niettegenstaande het ongewone uur lieten alle wachten hem ongehinderd en zonder te vragen verder gaan, totdat hij in het vertrek des keizers kwam.

Maxentius had hem lang met ongeduld gewacht.

Naast den gebieder stond een phantastisch gekleede man, met öostersche gelaatstrekken en een met goud gestikte phrygische muts op het zwarte, gekrulde haar, dat hem tot op de schouders afhing.

„Brengt gij wat wij wenschen?quot; vraagde haastig Maxentius.

116

-ocr page 120-

GEHED.

„Het heeft nog geene melk gezogen,quot; antwoordde de andere, terwijl hij een pasgeboren kind voor den keizer op de tafel legde. Deze greinsde met een helsch lachje het onschuldig schepseltje aan en wendde zich dan tot den oosterling, terwijl hij sprak;

„Laat ons dan de offerschouw houden.quot;

Een uur later verliet de onbekende het paleis en sloeg haastig den weg naar den Tiber in.

Maxentius echter legde zich, bevrijd van een bange vrees, ter ruste; uit de lillende ingewanden van het kind had de Magiër hem den schitterendsten triumf over Constantijn voorspeld.

Den volgenden morgen vond men in een afgelegen straatje, dicht bij den Tiberoever, een met veel dolksteken doorboord lijkje, en daarnaast de ingewanden van een kind. De geheinmisvolle, dubbele misdaad, welke hier moest gepleegd zijn, bracht de geheele wijk in beroering. Door den Questor ondervraagd zeiden de buren, dat zij in het rumoer van een nachtelijk straatgevecht de raadselachtige woorden hadden gehoord; „Mijn kind slachten.... volle loon geven.quot; Eenige hielden vol dat zij ook den naam des keizers hadden hooren noemen, - en daarop liet de Questor zijn onderzoekingen varen.

116

-ocr page 121-

HOOFDSTUK X.

VOOR DE POOKTE N.

s

ï

in een koortsachtige opgewondenheid gebracht. Voor ieder aanplak-billet verdrong zich de menigte, en die niet lezen konden, wachtten geduldig tot iemand er bij kwam, die het program luide voorlas. Waar men maar kwam, in de baden, op het Forum, in de koophallen, men hoorde van dierengevechten en gladiatoren, van wedrennen en theater-voorstellingen; de namen der beroemdste too-neelspelers en zwaardvechters waren in aller mond; hooge sommen werden verwed, of in den circus de groenen of de blauwen bij de wedrennen zouden overwinnen. Wel kwam het gerucht al nader en nader, dat Constantijn zonder weerhouden te worden en met ijlmarschen naar Rome oprukte, maar men bekommerde zich daar niet om; zelfs toen de verslagen legioenen van Rufus voor de poorten

1 lelijk Maxentius had bevolen, had Heraclius na zijn !| onderhoud, waarvan wij» in het derde hoofdstuk spraken, nog gedurende den nacht een groot aantal aan-plakbilletten met het feestprogram laten vervaardigen en hechten aan de buitentrap van den Palatinus, aan de zuilen der tempels, aan de triumfbogen en aan alle hoeken der straten. Het was nog acht dagen voor het feest, maar de aankondiging had toch het gansche Eomeinsche volk, rijk en arm, groot en klein.

-ocr page 122-

VOOR DK POORTEN.

verschenen en de veldheer zijne maatregelen nam om in het aangezicht der stad den beslissenden slag te leveren, dachten en spraken en droomden de Romeinen slechts van de komende feesten en spelen.

Zulk eene lichtzinnigheid vond echter gedeeltelijk haar verklaring in het gedrag des keizers. Door de voorspellingen der waarzeggers en sterrenwichelaars zeker van zijn overwinning, verwierp hij het plan van Rufus, om tusschen de stad en den Tiber den vijand af te wachten en van den breeden, snelvlietenden stroom als natuurlijk verdedigingsmiddel partij te trekken. Rufus moest aan gene zijde van de rivier het legerkamp opslaan en slechts op zijn hevig aandringen werd hem ingewilligd, dat hij boven de Milvische brug, nog een schipbrug mocht leggen. Alle nachten weergalmde de Pa-latinus weder van de woeste gelagen, die de keizer met de officieren van zijn leger hield; Maxentius had daarbij het meeste genoegen in het vele drinken zijner dischgenooten. In schitterende optochten zag men hem ook wel, als Hercules met een leeuwenhuid over den schouder, door de straten van Rome naar het leger rijden om militaire feesten bij te wonen. De mare, dat Constantijn in één of twee dagen voor de poorten zoude staan, dat zijn vloot reeds bij Centum cellae, het tegenwoordige Civita vecchia, gezien was, had hem wel voor een oogenblik geschokt in zijn vertrouwen op de zegepraal, maar die offerschouw der ingewanden van het geslachten kind schonk hem de ontwijfelbare zekerheid zijner overwinning weder.

Wat wonder, zoo de Romeinen dan de zorgeloosheid des keizers deelden. Zij waren toch sedert lang er aan gewoon de beslissing van hun lot aan de wapenen der soldaten over te laten. Daarenboven waren er duizenden in Rome, die bi) een politieke omwenteling niets hadden te verliezen, en die, of Maxentius of Constantijn zegepraalde, reeds op de feesten en de openbare uitdeelingen rekenden, die aan de triumfen verbonden zouden zijn.

Niemand was zoo verontwaardigd over het gedrag van Maxentius als Symmachus, ofschoon niemand zoo innig met hem zijn overtuiging deelde, dat Constantijn in den beslissenden slag zou worden verslagen. De goden hadden het toegelaten, dat een Hannibal tot voor de poorten van Rome, een Brennus tot aan den voet van het Capitool voortgerukt was, doch dan waren zij tusschenbeiden gekomen en hadden de macht der vijanden vernietigd, en dit zoude, daarvan

118

-ocr page 123-

POOBTEX.

119

VOOR DE

was Symmachus overtuigd, ook thans weder geschieden. Tegen Brennus en Hannibal had Rome zijn laatste druppel bloed in de waagschaal gesteld; maar wat deed Maxentius om altaar en haardstede tegen den vijand der goden, zijne aangematigde heerschappij tegen een medestander te verdedigen? Had hij ten minste, inplaats van te bouwen op toovenarij en misdadig bijgeloof, Victoria en den overigen goden geloften en offers gebracht! Het kwam Symmachus derhalve, en nogmeer na zijn onderhoud met Lactantius, in hoogen graad waarschijnlijk voor, dat de goden zich van Constantijn slechts als werktuig bedienden, om Rome van den tiran en den overweldiger te verlossen en dan door een anderen, een aan hen getrouwen keizer ook Constantijn te vernietigen — en Symmachus wierp geenszins de gedachte van zich af, dat hij zelve de uitverkorene der goden zijn konde. Meer dan eens hadden lieden den troon der Cesars beklommen, aan wier verheffing voorheen niemand gedacht had. — Als de goden echter hem, den Senator verkozen, zoude hij Rome\'s inwendige en uitwendige vijanden vernietigen, de tempels der goden met nieuwe praal versieren, de zonen der Quiriten tot de grootheid hunner voorvaderen terugvoeren! Als een tweede Trajanus zoude hij slechts voor het geluk van zijn volk leven. Met deze gedachten vervuld, trof hij een morgen op het Forum weder zijn ouden leermeester, Lactantius, aan, en terwijl hij met de hand op den van goudstralenden tempel van Jupiter en den ten hemel reikenden burg op het Capitool wees, richtte hij tot hem de vraag: „Kunt gij u „voorstellen, dat van dezen tempel en dezen burg ooit het spoor „zoude kunnen verloren gaan, ja, dat daar in de plaats van Jupiter „de gekruiste Christengod zou worden aangebeden en op de puin-„hoopen van dezen burg noordsche barbaren hunne tenten zouden „opslaan? Evenzoo onmogelijk is het, dat Constantijn meester wordt „van Rome! Hij kon tot aan den Tiber doordringen; dan zal de „ommekeer plaats grijpen.quot;

Lactantius had bij zijn eerste onderhoud de bekentenis van zijn christelijke overtuiging teruggehouden, op de hem thans gedane vraag meende hij zijn voormaligen leerling een onomwonden antwoord schuldig te zijn en hij sprak:

„Ik keer de vraag om, edele Symmachus: als Constantijn meester „van Rome wordt, zoudt gij het dan voor mogelijk houden, dat de

-ocr page 124-

VOOR DK POORTEN\'.

„christengod uwe goden van hunne tronen storten zou en op de „puinen hunner tempels zijn altaren verrijzen liet? Ik houd beiden „niet alleen voor mogelijk, ik ben er volkomen zeker van.quot;

„Ik zie,quot; antwoordde glimlachend de Senator, „dat de gloed uwer „phantasie in uw grijsheid niet is verkoeld.quot;

„Neen, neen, edele Symmachus,quot; antwoordde Lactantius, „ik „scherts niet en phantaseer niet; gelijk de waarheid over de dwaling, „zoo zal ook Christus over al uw valsche goden zegepralen.quot;

„Ha,quot; riep Symmachus uit en week onwillekeurig een schrede terug. „Zoo zijt gij ook een Christen?quot;

„Ik heb de leer van al uw wereldwijzen onderzocht,quot; hervatte Lactantius, „en wat ik daar in vond, was weinig meer dan een „mat licht in een hoornen lantaarn. Toen leerde ik het Christendom „kennen en daarmede ging mij de zon der waarheid op , en deze „zon,quot; vervolgde de grijsaard vol geestdrift, „zij zal ook over den „nacht zegepralen, die thans nog over P.ome en het aardrijk gespreid ligt.quot;

„Nu de zon van dezen door oosterschen waan tot God gemaakten „Jood, gun ik u,quot; antwoordde met bitteren spot de Senator. „Ik „verkies de onsterfelijke goden, die Rome hebben groot gemaakt, „boven een gekruisigden misdadiger.quot;

„Onder het kruis zal Rome nog grooter worden!quot; sprak Lactantius. „Niet de lichamen, de geesten en de harten beheerschend, „zal Rome dan het licht der waarheid uitstralen over de geheele „ wereld en volkeren van alle talen tot één Godsrijk vereenigen.quot;

„Rome aan de voeten van den gekruiste van Nazareth! — Ikbe-„treur het, dat een man, wiens geestesgaven ik eens bewonderde, tot „zulke weerzinswekkende monsterachtigheden kan vervallen,quot; antwoordde Symmachus met minachtend koelen toon en liet er op volgen: „Wijl ik alles, wat Christen heet, uit den grond van mijn hart veraf-„schuw, zoo zult gij mij voortaan wel verschoonen van uw bijzijn.quot;

Hiermede keerde hij den Christen den rug toe en richtte zijne schreden naar het Capitool.

In het diepst van hare ziel bekommerd en bedroefd, slechts bezig met de gedachte aan haren vader, had Valeria na de ontmoeting met Rustica den weg naar huis ingeslagen. Het menschelijke hart is in groot ongeluk meer geneigd het uiterste en ergste te vreezen

120

-ocr page 125-

mm

VOOR DE POORTEN. 121

dan iets te hopen, en zoo scheen het haar het waarschijnlijkste, dat haar vader reeds dood was of in korten tijd onder zijn lijden bezwijken zou.

Toen zij nu aan de plaats kwam, waar de weg naar den Aven-tinus opwaarts gaat, bleef zij een oogenblik in gedachte staan; toen sprak zij tot zichzelf.

„Ik heb morgen een martelaar te bergraven; ik wil hem naast „mijne moeder een rustplaats bereiden.quot;

Zij nam daarom een anderen weg en sloeg de straat in, die naaide Appische poort en naar buiten naar de Katakomben voerde. Onderweg ontmoette zij een man, die met haar in hetzelfde huis woonde: dit was haar een welkomen gelegenheid om aan Irene ter geruststelling mede te laten deelen, dat zij naar buiten gegaan was om voor haren vader een graf te bestellen.

Het goede kind bevroedde niet, dat op datzelfde oogenblik Irene door keizerlijke gerechtsknechten uit hare woning in den kerker werd gesleept.

Hoe afschuwelijk ook het kerkerhol was, waarin de gerechtsdienaren de arme vrouw aan zware ketenen klonken, Irene achtte dit niet bij het onbeschrijfelijk leed dat haar hart vervulde. Zoo veel lijden zij gedurende haar leven had verdragen, alles scheen haar niets vergeleken bij de beproeving, die de hemel thans zoo onverwacht haar overzond. Hoe dikwijls had zij vroeger met vrome bewondering de martelaars naar het strijdperk begeleid en hun lijken de laatste eer bewezen, in heilig verlangen, gelijk zij, ook voor Christus te mogen sterven! En thans nu de hemel haar den palm aanbood beefde nochtans hare hand dien aan te nemen.

„Barmhartige God,quot; jammerde Irene, „laat mij nog eenmaal mijn „zoon zien, dan wil ik gaarne sterven. Hebt gij hem dan daarom „gelukkig gered uit alle gevaren, dat hij van allen, die hij beminde, „ook van zijne moeder, slechts het graf zou wedervinden? Uw wil „geschiede, o Heer, Uw wil geschiede! Ik buig mijn hoofd onder „het offermes; mijn laatste zucht zal een gebed zijn voor mijn eenig, „dierbaar kind, voor mijnen Candidus. En als hij dan midden onder „het gejubel van den triumf zijne moeder roept, om zijn goed moedertje, dat hem zoo innig, innig liefhad, in zijne armen te sluiten „en als men hem dan in plaats van haar. slechts haar bloedig kleed.

!S

-ocr page 126-

VOOR DE POORTEN\'.

„verscheurd door de klauwen der wilde dieren, kan brengen en hem „vragen: „Zie, is dit kleed van uwe moeder?quot; O mijn God, laat „ik hem dan nabij zijn om zijn ziel te troosten en haar smart te „verzachten. — Vaarwel, mijn kind, leven van mijn leven! God wil „het, dat wij elkander eerst in den hemel wederzien; aanbid met „mij Zijn allerheiligsten wil. De zegen uwer grijze moeder begeleide „u, mijn zoon, door het leven en als de Heer ook u eens tot zich „zal roepen, o, dan zal uw moedertje op den drempel der hemelpoort staan en u met uitgebreide armen verwachten.quot;

Ook aan Valeria dacht zij en die gedachte vermeerderde nog hare zielesmart. Het meisje was haar van dag tot dag\' dierbaarder geworden met haar leed en haar zielskracht; dat kind der martelares en des belijders, dat zelf in het smartelijkste martelaarschap moeder en vader den hemel ten offer bracht. Tusschen Irene en Valeria had zich in den dagelijkschen en innigen omgang met elkander de teederste liefde ontwikkeld; het meisje had in de matrone hare moeder wedergevonden en deze noemde Valeria steeds hare dochter. Onbemerkt was in Irene\'s gemoed een zoete wensch ontstaan, en hoe meer zij Valeria met haar edel hart leerde kennen, des te meer plaatste zij in haren geest naast het beeld van haren zoon dat van het meisje, om het geluk, dat zij zoo nabij waande, te voltooien. En nu had zij niet eens van haar afscheid kunnen nemen en bij het verlies van een vader trof het arme kind ook de dood van de vriendin; die haar als een andere moeder was.

Eerst tegen den volgenden dag, toen zij den geheelen nacht in een vurig gebed haren zielestrijd had gestreden, verkreeg Irene vrede en berusting; ook het offer van Isaak was door haar gebracht, God alleen wist met welk een bloedend hart. In een onbeschrijfelijk innig gebed offerde nu Irene zichzelve en haar martelaarschap voor haren zoon en smeekte des hemels zegen over hem af, wien weder te zien zij had opgegeven, wien zij den Heer ten offer had gebracht en aan wien toch geheel haar moederhart met al zijn vezelen onverbreekbaar en onafscheidelijk hing.

Na een half uur gaans op de Via Appia was Valeria bij het cimeterium van Callistus gekomen en onbemerkt den geheimen ingang binnengeslopen, door welke alleen men nog in de Katakombe kon komen, nadat de oude ingang door de soldaten was dicht gemaakt.

122

-ocr page 127-

VOOR DE POORTEN.

Van kindsbeen af vertrouwd met de onderaardsche gangen der doodenstad, vond zij spoedig de fossores, die reeds bezig waren een polyandrium of gemeenschappelijk graf te bereiden, waarin overmorgen de martelaars van den circus te zamen zouden worden bijgezet. Gaarne voldeden eenige arbeiders haar verzoek en begonnen naast het graf van Sophronia ook de rustplaats voor haren vader te vervaardigen.

Met tranen in de oogen schouwde quot;Valeria het aan. hoe bij een flauw lamplicht, onder het dreunen van doffe hamerslagen, het gat in den bruinen rotswand al grooter en dieper werd, om weldra het liik van Ruflnus op te nemen. Doch hoe zwaar en smartelijk voor haar het verlies van haar geliefden vader ook was, zij schiep weder nieuwe troost in het zien der woorden, die in de kalk op den muur gegrift waren; „Semper vices Deo, gij zult voor altijd bij God leven.quot; Haar vader stierf als Christen, ja, als martelaar! Valeria erkende de leiding der Voorzienigheid en het inwerken der genade; zij moest haar moeder ten offer brengen om haar vader voor God te winnen; mocht zij zich verzetten, wanneer de hemel ook hem den palmtak van het martelaarschap in de hand wilde leggen?

Ongeveer een uur voor dat Valeria zich naar de Katakomben had begeven, was Sabinus met eenigen zijner kameraden ook de Via Appia opgegaan om de toebereidselen in den circus voor de aanstaande feesten in oogenschouw te nemen en zich te verlustigen vooral in het aanschouwen der renpaarden, die diei^ morgen reeds waren aangevoerd.

Honderden van slaven waren nog druk in den weer om overal de laatste hand aan te leggen, het overtollige bouwmateriaal en de stellingen op te ruimen, het bonte marmerbekleedsel der wanden glad te maken, de keizerlijke zitplaats en het hoofdportaal met bloemkransen en draperieën te versieren en den renbaan in zijn geheele lengte met een mengsel van zand en kopervijlsel te bestrooien.

Als de zoon van den keizerlijken kanselier kreeg Sabinus dadelijk toegang, tot de stallen, waar in lange rijen aan vergulde kribben de paarden stonden, die bestemd waren voor het rennen van overmorgen; hij onderhield zich daar met de stalknechten en voerlieden, bijzonder met die der groene partij, waarvoor hij dweepte en voor wier overwinning hij zijn hoofd zoude verwedden.

123

-ocr page 128-

VOOR DE POORTEN.

Toen in den circus alles was bezichtigd geworden, brachc hij nog met zijne kameraden eenigen tijd door in de herbergen en kroegen in den omtrek, maakte gekheid met de meisjes uit het nabijgelegen dorp en koelde zijn overmoed aan de arme reizigers, die langs de Via Appia naar de stad togen.

Bij de toenemende uitgelatenheid viel het een der jongelieden in voor te stellen de Christelijke begraafplaats binnen te dringen, die in de nabijheid moest zijn en waarvan het volk zooveel verhaalde. Dit plan vond bij allen bijval; na eenige moeite gelukte het een boerenknaap te vinden, die hun toezegde voor een goede fooi den geheimen ingang te zullen aanwijzen en nadat men zich in het dorp van harstoortsen had voorzien, ging het gezelschap op weg.

Toen men aan den ingang, die onder kreupelhout en oud muurwerk verborgen lag, was gekomen, riep de eerste:

„Gij halzen, het voornaamste hebt gij vergeten: hoe zullen wij „er weder uitkomen?quot;

„Laten wij den knaap naar het dorp sturen,quot; antwoordde Sabinus, „om garen te koopen.quot;

„Dat duurt te lang,quot; bemerkte een ander, „en buitendien, ik „vertrouw zulk een draad van Ariadne niet. Als de Christenen dien „doorsnijden, dan zitten wij gevangen in hun dassenhol. Ik heb een „beter middel. Ziet, hier is een groot plakkaat, waarop de goddelijke „Maxentius het Eomeinsche volk overmorgen op zijn feest noodigt; „laten wij dat.in kleine stukjes scheuren en die op den weg strooien. „Zoo kunnen wij onbezorgd zoo ver gaan als het papier toereikt.quot;

Met gejuich werd het groote plakkaat verscheurd en nu daalde het gezelschap in de diepte, waarheen een steile trap tusschen ruw gemetselde muren omlaag voerde.

In de stille, onvriendelijke duisternis werd de uitgelaten bende zeer spoedig minder luidruchtig en Sabinus was niet de eenige, die liever was teruggekeerd. Maar de moedigsten gingen voorop, verlichtten den weg met hunne walmende harsfakkels om niet in den een of anderen kuil te vallen en strooiden hunne stukjes papier.

Nadat men een tamelijk eind weegs door de gewelven der arenaria of zandgroeven had afgelegd, kwam men in anders ingerichte gedeelten. De gangen waren niet zonder plan uitgehouwen hallen, maar regelmatige straten, niet meer gewelfd, maar met loodrechte

124

-ocr page 129-

VOOR DE POORTEN.

wanden en horizontale zolderingen; in den bruinen tufsteen waren van den grond af tot den zolder grafplaten van wit marmer of roo-den tegelsteen ingezet. Het gezelschap was dus in de doodenstad der Christenen binnengedrongen.

Was Sabinus\' moed reeds in het duistere labyrinth gezonken, nu beving hem te midden der dooden angst en schrik. Terwijl hij zijn voorman aan het kleed vasthield, durfde hij noch rechts noch links te zien, en juist het geval, dat hij, wat hem beangst maakte, slechts ten halve zag, vermeerderde bij elke schrede zijn phantaisie. In de gangen, die zich aan beide zijden in het ondoordringbaar duister verloren, geloofde hij gloeiende oogen en vreemdsoortig heen-en wederzwevende gedaanten te bemerken; ja, dat waren voorzeker de geesten der afgestorvenen, die om de rustplaats hunner asch zweefden. Van eenige oudere graven waren de voorplaten weggevallen en men zag de geraamten liggen. Sabinus sloot de oogen; maar hij had toch reeds de gebeenten gezien. Hij vervloekte voor de zoo-veelste maal de dwaasheid zich in zulk een verschrikkelijk oord gewaagd te hebben. En nu rees plotseling de gedachte bij hem op, dat de doode Christenen zich op hem, den zoon, konden wreken over den afval van zijnen vader; onwillekeurig bracht hij bij deze gedachte de hand aan zijn hoofd.

Maar ook den meer moedigen begon het angstig en bang te worden. Het was volstrekt niet uit nieuwsgierigheid dat zij van tijd tot tijd bleven stilstaan om, zooals het heette, een opschrift te lezen of de fakkels, die met hun verstikkenden damp de lucht vervulden weder frisscher op te doen branden.

Hier en daar opende zich een grafkamer, wier wanden en zolderingen met zeldzame schilderingen versierd waren. Hier zag men een zeemonster, aan hetwelk men uit een schip een mensch in den muil wierp; aan de tegenoverliggende zijde zette het dier den op-geslokten man weder aan land; moest deze raadselachtige afbeelding misschien Arion beteekenen ? — Daar stond een man met uitgestrekte armen tusschen twee leeuwen, daar een andere tusschen zeven met brood gevulde korven; waarschijnlijk werd hierdoor aangeduid, dat de eene afgestorvene een gladiator, de andere een bakker geweest was. — Op een ander schilderstuk was een man afgebeeld, die een mes boven een gebonden voor hem üggenden knaap

125

-ocr page 130-

VOOR DE POORTEN.

zwaaide; dat duidde duidelijk op de wreede maaltijden, waarop de Christenen het vleesch van een geslacht kind nuttigden.

Daar de dooden niet uit hunne graven oprezen en geen knoken-hand van achteren de indringers onverwacht in den nek pakte, zoo keerde allengs de moed van het gezelschap weder, te meer nu ook de gangen breeder werden en men niet meer gedwongen was één voor één achter elkander te gaan. De gesprekken, die tot een somber zwijgen geheel waren verstomd, werden weder zacht opgenomen.

Plotseling tuimelden de voorsten verschrikt achteruit: in de deur van een grafkamer, door de schijn der toortsen verlicht, scherp afstekend tegen de diepe duisternis van het binnenste der kamer, stond daar een menschelijke gedaante, een geest, voor hen. Als vastgenageld staarden allen met wijd opengespalkte oogen vol afgrijzen en ontzetting naar de verschijning.

Het was de geest van een jong meisje. De sluier, die van haar hoofd afhing, omsloot een bleek, met diepen ernst overtogen en toch nog in den dood bevallig gelaat. De groote zwarte oogen schouwden de indringers vragend aan; dan kwam er een duistere trek over het maagdelijk wezen; zwijgend verhief zij haai- arm en wees gebiedend met de hand heen te gaan.

Het bevel werd met graagte opgevolgd.

Zoo snel het in het donker mogelijk was, ijlden de deugnieten weg, zonder een woord te spreken, de eene den andere voortduwend; elk ware gaarne de eerste geweest, en de laatste meende, de geest zat hen op de hielen. Zij ademden vrijer, toen zij weder in het Arenarium kwamen zonder dat de dooden rechts en links uit hunne graven opstonden en hun den weg versperden. Zelfs toen zij, de stukjes papier als wegwijzer volgend, gelukkig den uitgang hadden bereikt en in de reeds aangebroken ochtendschemering langs den Appischen weg naar de stad schreden, duurde het nog geruime tijd, voordat een van hen een woord durfde spreken.

Het was Valeria, die de onbeschofte bende te gemoet trad. Toen de fossores het graf vour haren vader in gereedheid hadden gebracht, was zij nog alleen in de grafkamer gebleven, om, leunend tegen de marmerplaat, die de rustplaats harer moeder dekte, te bidden voor haren vader en voor zichzelve kracht af te smeeken voorliet offer, dat de hemel van haar vorderde.

126

-ocr page 131-

VOOR DK POORTEN.

Zij had nog niet lang gebeden, toen zij buiten in den gang gerucht vernam. In de meening, dat het fossores waren, die haar de eene of andere tijding omtrent haren vader kwamen brengen, wilde zij juist uit de grafkamer treden, toen zij de bende indringers voor zich zag. De plotselinge verrassing sloot haar den mond en maakte haar in het eerste oogenblik onbewegelijk. Doch toen erkende zij Sabinus, en, diep verontwaardigd over de onbeschaamdheid, die zelfs niet den vrede van het graf eerbiedigde, wees zij met een stom handgebaar de vermetele bende terug uit de gewijde plaatsen. Toen het gezelschap in de stad kwam, werd het verrast door de mede-deeling, dat in den loop van den namiddag de legioenen van Con-stantijn in de nabijheid van Rome waren aangekomen.

De nacht lag reeds over de aarde, toen Valeria uit de Katakomben den terugweg naar de stad aanvaardde. Op haren tocht langs den thans eenzamen en veriatenen straatweg hield haar de gedachte aan haren vader onophoudelijk bezig. Was het Eustica gelukt hem te vinden? Had zij hem nog in leven getroffen ? Ach, had zij hem ten minste éénmaal voor zijn dood kunnen zien en spreken en zijn vaderlijken zegen ontvangen! Zij richtte haren blik ten hemel. Vriendelijk als een bode der hoop straalde de avondster op haar neder, en gelijk een moeder, die hare kinderen ter sluimering aan haren boezem drukt, deed de zoete stilte van den nacht berusting, vrede en kalmte in hare ziel dalen. Wie beschrijft hare smart, toen zij de woning van Irene op den Aventinus bereikte en hier uit den mond dei-medebewoners het bericht van de gevangenneming harer tweede moeder vernam!

„Mijn God,quot; zuchte Valeria, en tranen van den diepsten jammer rolden snel achter elkander over hare wangen, „moet dan alle, „alle smart over mij, zwak schepsel, komen? Ook de eenige drup-„pel honig, die mij den bitteren kelk des levens verzoette, verandert „Gij in bitteren gal?quot;

Valeria had, sedert den dood van Sophronia, zoo dikwerf aan dat laatste onderhoud gedacht en, terwijl zij de vergelijking van den wijnstok op zichzelve toepastte, kracht en berusting in de smartelijkste beproevingen gevonden. Ook thans dacht zij weder aan die gelijkenis; doch deze bood haar geen troost.

.„Ach Heer,quot; klaagde zij, „te scherp snijdt Uw mes aan de arme

127

-ocr page 132-

VOOR DE POORTEN.

„loot; te vast gebonden aan het hout des kruises zal zij geknakt „worden. Waarom was ik niet tehuis om met mijne moeder te wor-„den gevangen genomen en met haar kerker en dood te deelen! „Het eene graf is nauwelijks gesloten of het andere wordt bereid; „ach, wie zou mij gezegd hebben, dat ik daarnaast een derde „moet laten graven!quot;

En nu vielen haar de klaagwoorden van den psalmist in en met hem sprak zij: „Uwe pijlen hebben mij getroffen; Uw rechterhand „drukt zwaar op mij. Heer, al mijn jammer is U voor oogen, en „mijne klachten zijn U niet verborgen; verlaat mij niet. o Heer, „mijn God; wend U niet van mij af.

De heilige woorden goten balsem in Valeria\'s gewond hart; allengs kreeg zij hare kalmte terug om te beraden.

Voor alles verlangde zij berichten van haren vader te hebben, en, snel besloten, toog zij ondanks het nachtelijk uur naar de woning van Rustica. Bekend met den weg, ijlde zij door de duisternis dei-enge, stille straten van de trantiberijnsche stad, die, destijds nog veel schilderachtiger dan tegenwoordig, hier onder vervallen bogen doorliepen, daar langs de ruïne van een tempel voerden. Van de hoogte des nabijgelegenen Janiculus verhieven sombere cypressen zich naar den sterrenhemel omhoog; spookachtig wierp de halve maan haar bleek licht op de duistere, vervallen muren; doch het jonge meisje, slechts bezig met de gedachte aan haren vader, voelde geen vrees op haren eenzamen nachtelijken tocht.

Valeria vond slechts den fossor Mincius en zijne blinde moeder tehuis; Rustica was nog niet teruggekeerd en het goede oudje gaf zich te vergeefs alle moeite om den kleine zuigeling, die naar de moederborst verlangde, zoet te houden en in slaap te sussen. Een treurig traanlampje verlichte karig de bescheiden woning en wierp zijn twijfelachtig licht op de smalle, lange marmerplaten, die naast het gereedschap van den fossor aan den wand stonden en bestemd waren om de graven af te sluiten. Een op den grond flikkerend vuur had een aangename warmte door het vertrek verspreid; op een ijzeren drievoet borrelde boven gloeiende kolen een waterketel.

Mincius verhaalde het meisje, welk plan zijne vrouw had ver; zonnen om den stadsprefect niet alleen hulp te brengen maar hem geheel uit de macht zijner vijanden te bevrijden.

128

-ocr page 133-

VOOH DE POORTEN.

Reeds de zekere mededeleeling, dat haar vader nog leefde, was voor Valeria\'s bekommerd hart een groote troost; hem gered te zien, om in de stille verborgenheid eener afgelegen hut van de trantiberijnsclie stad aan haar kinderlijke zorg te worden toevertrouwd, dat scheen haar, na al het leed der laatste weken, een schier te groot geluk.

In koortsachtige opwinding snelde zij, bij elk gerucht, dat van de straat haar oor bereikte, naar de deur, om te zien of Rustica met haar vader daar was, en eerst toen de blinde oude vrouw haar er op wees, hoe gevaarlijk het was om den verzwakten Rufinus bloot te stellen aan de hevige gemoedsbeweging, die een plotseling wederzien met zich zou brengen, besloot Valeria zich te bedwingen en te overleggen, hoe men hem moest voorbereiden, wanneer Rustica\'s koen plan door den hemel werd begunstigd.

Het eene uur na het andere verliep; het was reeds na middernacht en nog was de vrouw niet terug. Tusschen angst en hoop zwevend zaten de drie daar en lieten zwijgend aan hunne gedachten vrijen loop; de kleine in de wieg was weder ingesluimerd en ook het moedertje streed vergeefs tegen den slaap.

Eindelijk weerklonken op de straat voetstappen; Valeria snelde naar de deur en herkende niettegenstaande zijne vermomming haren vader. Zij had wel in luide jubelkreten willen uitbarsten, maar zij drukte beide handen voor de lippen en slechts de onbeschrijflijk hartelijke blik, dien zij ten hemel zond, verkondigdé de vreugde en het zalige geluk van haar hart. Terwijl Mincius en Rustica den doodmoeden Rufinus de trappen ophielpen, lichtte zij van boven met het traanlampje bij, terwijl zij de eene hand voor haar gelaat hield; toen gaf zij de lamp aan de blinde moeder en ging in een zijvertrek.

De fossor en zijne vrouw legde Rufinus op het bed, dat zij voor hem hadden bereid; toen gaf Rustica den van koude sidderenden zieke wijn en warm water te diinken. Valeria zag alles aan zonder zelve, gezien te worden en tranen van medelijden rolden over hare wangen; welk een inspanning kostte het haar zich terug te houden.

„Gij hebt mij het leven gered, goede vrouw,quot; sprak Rufinus. „Maar,quot;\' liet hij er zuchtend op volgen, „wat is het mij waard, nu mijn kind, mijn schat, mijn alles, in de handen van den tiran is gevallen en aan den dood is overgeleverd.quot;

129

9

-ocr page 134-

VOOR DE POORTEN.

„O neen, edele heer/\' riep de blinde moeder, „uw dochter was zooeven nog hier, en Mincius zal haar gaan roepen.quot;

„Zoo, is zij dan niet met Irene gevangen genomen ?quot; riep Ruflnus. „Ach, spoed u om haar bij mij te brengen! Ja, nu is het goed, en alle leed en alle ongeluk zal vergeten zijn, als ik mijn lief kind weder zie.quot;

„Wij hebben uw dochter hier dicht in de nabijheid bij een Christen familie in zekerheid gebracht,quot; sprak Mincius; „maar kan het u, nu gij zoo zwak zijt, geen kwaad doen als gij haar ziet?quot;

„Kan het de smachtende en verdorde plant kwaad doen,quot; antwoordde lachend Ruflnus, „wanneer de hemel eindelijk zijn ver-kwikkenden regen over haar uitstort? Maar richt mij op, voordat mijne dochter komt, opdat zij niet verschikt worde op het zien van mijnen ellendigen toestand.quot;

Valeria kon zich niet meer bedwingen; zij trad uit het duister van het zijvertrek en naderde de legerstede van haar vader.

„Tata, hier ben ik,quot; sprak zij en vatte de hand van den zieke. Ruflnus trok zijn kind naar zich toe en hield haai\' lang vast in zijn armen; sprakeloos lagen beiden in elkanders armen, beiden over-zalig in de vreugde elkander weder te bezitten.

Op hetzelfde uur wentelde Maxentius zich heen en weder op zijn keizerlijke sponde, gekweld door zware droomen. Hij bevond zich in den circus; langs de baan zat het volk op de omhoogstijgende zitplaatsen in verwachting van het begin der spelen. Juist op het oogenblik, dat de keizer het teeken tot den wedren geven wilde, trad een gestalte van bovenmenschelijke grootheid en waardigheid voor hem en gebood hem, den obelisk, die zich in het midden der arena verhief, op zijn rug te nemen. Maxentius moest gehoorzamen. De reuzenlast drukte hem ter neder; steunend en zuchtend, druipend van het zweet, sleepte hij hem langs de Via Appia naar de stad. Telkens dreigde hij onder het gewicht te bezwijken; de dreigende blik des Grootmachtige dreef hem voort. Eindelijk mocht hij halt houden voor het stadium van Domitiaan. Daar zat op een troon een zachte maagd, een palmtak in de hand, een sneeuwwit lam aan haar voeten. Voor haar moest hij den obelisk oprichten. Telkens en telkens beproefde hij dit; en toen het hem eindelijk met onuitsprekelijke moeite en inspanning was gelukt, kwam er een

130

-ocr page 135-

VOOR DE POORTEN. 131

duif, met een olijftak in den snavel, aangevlogen en zette zich op de spits van den obelisk neder. Toen ontwaakte Maxentius.

„Bij Jupiter!quot; bromde hij, diep ademhalend en veegde het zweet weg dat in dikke druppels op zijn voorhoofd parelde; „dat was een zware en booze droom! Die vreeselijke man, die mij tot zulk een slavenarbeid noodzaakte! En wie is de maagd, voor wie ik den obelisk moest oprichten? Morgen zal ik een Chaldeër vragen, wat dit te beduiden heeft.quot;

De droomuitlegger, dien Maxentius in den vroegen morgen van den volgenden dag ontbood, wist hem het gezicht niet uit te leggen; hoe had hij ook kunnen bevroeden, dat na anderhalfduizend jaar een paus den obelisk uit de overblijfselen van den circus zoude doen uitgraven, hem voor de kerk der H. Agnes zou oprichten en zijn wapen, de duif met den olijftak, op de spits zou zetten?

-ocr page 136-

HOOFDSTUK XI.

DAAGS VOOR DEN SLAG.

fufus had, volgens de hem door Maxentius gegeven bevelen, het voortdringen van Gonstantijn naar Eome zooveel mogelijk zoeken tegen te houden, om tijd te winnen voor de komst der legioenen uit het zuiden. Nogmaals een open slag te leveren dorst hij niet wagen wegens de ontmoediging van zijn troepen, en na een flauwe verdediging van de bergpassen der Ap-penijnen moest hij ook Florence aan zijn tegenstander zonder strijd prijsgeven, om zich, op den voet gevolgd door de legioenen des vijands, langs de Via Flaminia op Rome terug te trekken.

Gonstantijn gunde zijnen soldaten ter nauwernood de noodzakelijke rust; doch dezen schenen, naarmate zij het doel van hunne verwachtingen naderden, met schier bovenmenschelijke kracht en geduld vervuld te worden. Hunne blijde moed werd niet weinig verhoogd door de geestdrift waarmede de bevolking in stad en land, hoe dichter zij bij de hoofdstad kwamen, Gonstantijn als hunnen bevrijder van het juk des dwingelands begroette. Maxentius had namelijk nog gedurende de laatste dagen alles, wat de wapenen kon dragen en tevens den voorraad van vee en koren, met meêdoogeloos geweld in de stad bijeen gebracht.

-ocr page 137-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

Zoo gelukte het Constantijn, met onvermoeid voortrukken, twee dagen voor het feest van zijn tegenstander met de voorhoede van zijn leger de villa Ad Gallinas te bereiken, welke niet meer dan acht mijlen van de stadspoort verwijderd lag. Hij besloot hier zijn kwartier op te slaan, den volgenden dag de aankomst van al zijne troepen af te wachten en dan, den morgen daarop, den 28 October, den verjaardag van Maxentius\' troonsbestijging, den beslissender! slag te leveren. De villa Ad Gallinas, behoorde vroeger aan Livia, de gemalin van Augustus, en zij droeg haar naam van de sage, volgens welke een witte hen, die door een adelaar werd medegenomen, een lauwertak in den schoot der keizerin liet vallen.

Gordianus, de heidensche offerpriester, liet niet na Constantijn op dit goede voorteeken voor de aanstaande overwinning opmerkzaam te maken.

Candidus, die met den keizer op de villa was aangekomen, brandde van verlangen zijn geliefde moeder te omarmen en had, dadelijk na zijn komst, een boer uit den omtrek mèt eenige snel geschreven regelen naar de stad gezonden, om Irene zijn groeten te brengen en haar de nakende stond van wederzien aan te kondigen. Voor alle zekerheid had hij den boden bevolen, zich langs omwegen naar het Vatikaan te begeven om de „Memorie van Anacletusquot; — de toenmalige hoofdkerk — op te zoeken. Daar zou men zijn brief in ontvangst nemen om dien verder te bezorgen en hem tevens mededeelen, hoe het zijne moeder, de matrone Irene, de weduwe van Castulus, ging. Laat in den avond was de bode met het antwoord teruggekeerd, dat zijne moeder wel was en zijn schrijven haar ter hand zou gesteld worden; het bericht van haar gevangenneming was op dat uur op het Vatikaan nog niet bekend. Zoo spaarde de hemel genadig den edelen jongeling de smart van bange bezorgdheid; zijn kinderhart verheugde zich in de blijdschap zijner moeder, als zij zijn brief zou ontvangen en de glans van zoet geluk straalde op zijn gelaat, als hij dacht aan het oogenblik, waarop hij haar in zijn armen zou kunnen sluiten. Hadde hij bevroed, waar zij thans was, wat zijn moeder thans leed!

Zoo zat dan Candidus gelukkig in een vertrek der villa, dat hem voor den nacht was aangewezen, en liet door het geopende venster zijn blik droomend op het door sterrenlicht beschenen

133

-ocr page 138-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

Tiberdal en de verre Sabijnerbergen rusten en herinnering en hoop, deze beide lieflijke zusters, dartelden in blijde dansen om dephan-tasie des jongelings.

Daar werd aan zijne deur geklopt en de Tribuun Arsenius trad met den Senator Anicius Paulinus binnen.

Sedert den dag, waarop het teeken aan den hemel met de naamletters van Christus boven de zon verschenen was, hadden beide mannen zich tot het Christendom aangetrokken gevoeld; door den wonderbaren voorspoed, welke de hemelsche belofte zoo opvallend bevestigde, waren zij hierin met iederen dag meer versterkt geworden; herhaalde malen hndden zij, eerst alleen, toen te zamen met Candidus over de leer van het Christendom gesproken, en hoe meer zij die leerden kennen, hoe meer de wolken van het veroordeel verdwenen voor het zonlicht der voor hen dagende waarheid. Zoo was dan tusschen deze drie mannen een op de edelste grondvesten gebouwde vriendschap ontstaan; zonder het afgesproken te hebben, bevonden zich thans de Senator en de Tribuun te zamen op weg naar Candidus\' kamer, beide waren gedrongen, om in het gezicht van den beslissenden dag hun vriend de verklaring te geven, dat de overwinning des keizers ook de overwinning van Christus over hen zoude zijn.

„Met een onuitsprekelijk verlangen,quot; voegde Paulinus er bij, „voel ik mij getrokken naar Rome, en toch sidder ik bij de gedachte aan het lot mijner kindei en. Gisteren avond, dadelijk na onze aankomst, heb ik een trouwen dienaar naar de stad gezonden om berichten omtrent hen in te winnen; tot op dit oogenblik is hij nog niet teruggekeerd. Alle dagen smeek ik met stijgende vurigheid tot God, dat Hij mij mijne kinderen in goeden welstand late wedervinden, ik heb Hem de gelofte gedaan, dat zij met mij Christenen zullen worden, en ik wil alles doen, dat zij met geheel hun hart en ziel Christenen worden.quot;

„Vertrouw op God, gij zult ze wedervinden,quot; antwoordde Candidus met warmte. „Onze God is niet gelijk die afgoden van steen en metaal, die ooren hebben om niet te hooren, wier knieën de treurende en bekommerde te vergeefs omvat.quot;

De jongeling had sedert weken, hoe meer hij het edele karakter der beide mannen leerde kennen, des te vuriger voor hunne be-

134

-ocr page 139-

DAAG^ VOOR DEN\' SLAG.

keering gebeden; de verklaring, die zij heden deden, vervulde hem met de grootste vreugde, en zijn vroom hart zag In de zware beproeving, welke den Senator Aniclus had getroffen, slechts de duidelijke bestiering der Voorzienigheid, die hem benevens zijn kinderen door den nacht tot het licht der waarheid had willen voeren. Hij zou zich nog meer verheugd hebben, indien hem een blik in de toekomst ware vergund. Want Arsenius, die onder Constantijn\'s zonen tot de hoogste waardigheden werd verheven, zou onder den afvalligen Juliaan de kerk door een glorievol martelaarschap verheerlijken; de familie der Anicii telde niet alleen den eersten Christen consul van het Romeinsche rijk onder hare leden, maar zij heeft ook, meer dan eenig ander der oude Christen geslachten, in het vervolg de kerk een schitterende schaar van groote en heilige kinderen geschonken.

Van de Villa Ad Gallinas kon men in de verte de wachtvuren van het vijandelijke leger langs den stroom en op de heuvelen, die zich tot aan de stad uitstrekken, zien branden; in de stilte van den nacht hoorde men zelfs van tijd tot tijd het geraas en getier, waarmede de soldaten van Maxentius bij woeste drinkgelagen zich voorbereidden voor den naderenden slag.

Den blik naar dien kant gericht zat in een donker, afgelegen koe-pelvertrek der villa, verzonken in somber gepeins, Gordianus, de priester van Mithras. Bij elke nieuwe overwinning van Constantijn won onder de soldaten de overtuiging meer en meer veld, dat de God der Christenen hun aanvoerder was; de keizer scheen slechts op de inneming van Rome te wachten, om zich openlijk voor den Gekruiste te verklaren, en zelfs mannen als Arsenius hadden zich van de goden afgewend. Gordianus\' hoop op Rufus was bitter teleurgesteld en tot zijn grooten wrevel gaf elke oöerschouwing gunstige voorteekenen voor Constantijn.

„Ik zal het nog moeten beleven,quot; gromde de opperpriester spijtig, „dat de altaren, de tempels ledig zullen staan en verlaten en de Nazareër zijn voet zal zetten op de ter aarde geworpen beelden der onsterfelijke goden! Of staat de algemeene wereldbrand, die de Sibyllen hebben voorspeld, voor de deur, om volgens het eeuwige besluit desquot; Fatum\'s aarde en hemel, Christus en de goden in zijne reuzen vlammen te verteren?quot;

-ocr page 140-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

„Vreeselijke noodzakelijkheid,quot; vervolgde hij na een wijle, balde de vuist en stiet in grimmige woede met zijn staf op den grond. „Vreeselijke noodzakelijkheid, Constantijn te moeten huldigen en vleien en overwinning op overwinning te moeten voorspellen! Ha, dat ik — ik de profeet moet zijn, die den triumf des Gekruiste over mijne goden verkondigt!quot;

Eerst de morgen, die zijne stralen over het verre landschap en den vloed des Tibers zond, verdreef Gordianus uit zijn eenzaam vertrek, zooals de uil vlucht, wanneer de dag aanbreekt.

Den volgenden ochtend sprak men in geheel Rome over niets anders dan over de komst van Constantijn voor de poorten der hoofdstad. Voor vijfhonderd jaar had het woord: „Hannibal ante portas, Hannibal staat voor onze poortenquot; de geheele bevolking met schrik en met ontzetting vervuld; thans begroetten de Romeinen deze mare, zoo aan de eerste gelijk, met stille vreugde, met wen-schen en gebeden voor de zegepraal van Constantijn en met hoop op betere tijden en den val van den geweldenaar.

Heraclius had bij het ongunstige verloop van den oorlog de gevolgen daarvan voor zichzelf steeds ernstiger overwogen; door niemand was met grooter opmerkzaamheid de tocht van het vijandelijke leger, dat dagelijks nader bij de stad kwam, gevolgd geworden; de gedachte aan zijn toekomst had in den laatsten nacht allen slaap van zijn oogen verdreven. Voorzeker, in Rome was er geen mensch, die meer door zware en droeve zorgen werd gekweld, dan de almachtige, door zoovelen benijde prefect der keizerlijke kanselarij.

Hij wist wel, dat Rufus, in het geval eener nederlaag, zijn maatregelen had genomen om den keizer naar het zuiden in veiligheid te brengen en zijn vroeger krijgsplan, ware het ook onder moeie-lijke omstandigheden, uit te voeren; doch Heraclius mocht er in het geheel niet aan denken zich aan de bezwaren van zulk een vlucht, met al haar wisselvalligheden, bloot te stellen. En dan als Rufus viel, als Maxentius verslagen werd? „De tak, waarop ik tot nu toe gezeten heb,quot; dus sprak zij, „begint te vermolmen; ik moet daarom nog tijdig een anderen grijpen, waarop ik mij kan neerzetten als de eerste van den stam afbreekt.quot; Maar wie anders dan Constantijn kon die tak zijn, en toch had hij zelf alles gedaan om dezen voor zich onbereikbaar te maken.

136

-ocr page 141-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

Om tot zijne tegenwoordige waardigheid te geraken had Heraclius elk middel goed gevonden; om zich daarin staande te houden had hij de wreedheid en begeerigheid van den tiran gediend ; aan zijn eigen rijkdom kleefde het bloed van onschuldig veroordeelden. De gevallen stadsprefect Euflnus was de voormalige wapengenoot van Constantijn; Heraclius dacht met schrik aan de mogelijkheid, dat Constantijn kundig was van de hem toegedichte en vervalschte brieven. En hoe moest hij, bij zijne neiging voor het Christendom, den afval van Heraclius en diens optreden tegen de beide pausen, Marcellus en Eusebius, beoordeelen?

Het geweten, dat zoo lang had gesluimerd, begon te ontwaken; het was het ontwaken van een slang, die hem met den angst des doods de borst omstrengelde.

Voor Heraclius bleef geen andere redster over dan alleen de kerk, zij, wier moederhart hij zoo diep had verwond. Met haar verzoend, door haar weder als zoon in de gemeenschap der geloovigen opgenomen, waagde hij het te hopen Constantijn\'s gunst te kunnen verwerven. Maar was er dan een weg te vinden om, zonder de strenge en jarenlange boete, van den ban vrij te komen? Heraclius geloofde dit gevonden te hebben in het plan, dat hij Maxentius had voorgelegd. Gelijk keizer Gordianus, na de bloedige vervolging van Valerianus, den Christenen hunne kerken en begraafplaatsen had teruggegeven, zoo moest hij Maxentius tot het onderschrijven van een dergelijk gunstbewijs bewegen. Toen het uur der ochtendaudiëntie gekomen was, begaf zich Heraclius tot den tiran en begroette hem met de woorden:

„Constantijn heeft dan op de Villa Ad Gallinas zijn intrek genomen! welk gunstig voorteeken. Ad Gallinas!quot;

„Bij Hercules,quot; riep Maxentius lachend, „aan dit omen had ik niet gedacht. Ha, Ad Gallinas! Hoe zal de havik onder de laffe hoenders varen en haar plukken dat de vederen in \'t rond vliegen! Morgen moet Rufus den vijand vernietigen; dat zal de schoonste verheerlijking van mijn feest zijn! Jammer, dat ik niet op twee plaatsen te gelijk kan zijn!quot;

„Ik kwam juist daarom, om als hoofd der kanselarij,quot; antwoordde Heraclius, „de bevelen te ontvangen, hoe ik door renboden geregelde berichten van het slagveld naar den circus kon laten brengen. Als

137

-ocr page 142-

138 DAAGS VOOR, DEN SLAG.

gij mij namelijk een aantal der beste renners uit de keizerlijke t

stallen daartoe wilt aanwijzen, dan zal ik van kwartier tot kwartier een ruiter plaatsen; ieder brengt het bericht aan zijn buurman en gij zult eenigermate in den circus op het slagveld zijn.quot;

„Bij de knots van Hercules, dat bevalt mij; Eufus kan mij aldus den kop van Constantijn nog warm naar den circus zenden.quot; ^

„Het komt hierbij alles aan, dat het overbrengen der berichten stipt en juist geschiede, en de verantwoordelijkheid durf ik zelf alleen op mij nemen. Ook moet dadelijk na den slag een ijlbode het bericht der overwinning naar Napels en van daar naar Afrika overbrengen.quot;

„En andere boden naar Gallië, Brittanië en Hispanië, dat ik daar dadelijk tot keizer worde uitgeroepen.quot;

„Ik laat reeds nu de tijding der zegepraal vervaardigen.quot;

„Zeer goed! maar de spelen in den circus zult gij er aan moeten geven. Nu, ik zal u Gallië als provincie geven; daar kunt gij u schadeloos stellen.quot;

„Ja, in waarheid, sedert maanden had ik mij reeds op het feest voorbereid; doch een getrouw dienaar moet voor zijn heer genoegens en uitspanningen weten op te offeren.quot;

Daardoor had Heraclius verkregen, dat hij over den loop van het gevecht ieder oogenblik de vertrouwbaarste berichten kon hebben en dientengevolge den uitslag van den strijd kon afwachten in het geval dat Constantijn, zooals hij met allen grond vermoedde, den verjaardag der troonsbestijging had uitgekozen voor de beslissing der wapenen.

Nu legde hij den keizer het edict ter onderteekening voor, dat aan de Christenen hunne begraafplaatsen en kerken teruggaf, terwijl hij zijn belofte behaalde, om zoo niet op den dra komenden dag van Sint Cecilia, dan toch tegen het einde des jaars en wel op het feest,

waarop de Christenen de geboorte van hun God vierden, hen alle in de val te krijgen. f

„Gij gelooft dus werkelijk, dat die ratten op deze wijze in het spek zullen bijten?quot; vraagde Maxentius.

„Het wegnemen van hunne begraafplaatsen en kerken,quot; antwoordde Heraclius, „is hun smartelijker geweest dan de bloedigste vervolging; gij zult zien met welke graagte zij naar dit aas in de val loopen.quot;

-ocr page 143-

HAAGS VOOR DEN SLAG.

Maxentius onderteekende en Heraclius verliet, ten hoogste bevredigd, zijnen keizerlijken gebieder, het edikt als een kleinood in zijn gewaad verbergend, om den bisschop Melchiades op te zoeken.

Hij rekende er stellig op door dit keizerlijk edikt zijne dadelijke en onbedongen wederopname in de kerkelijke gemeenschap van den paus te kunnen koopen. Daardoor was dan een der zwaarste steen en, die hem in den weg lagen tot het verwerven van Con-stantljn\'s gunst en genade, op zijde geruimd. „Dat nu de kerk haar begraafplaatsen, kerken en vrome stichtingen weder verwierf is een weldaad, die duizendmaal tegen alles opweegt, wat men mij kan verwijten en waarvan toch alleen de overdreven hardheid van paus Eusebius de schuld was. Helpt Melchiades mij thans mijn scheepje gelukkig om die gevaarlijke klip heen sturen, zoo zal ik voorwaar de kerk meer stichten door mijn ijver dan ik het zou kunnen doen door de strengste boete.quot;

Vrome voornemens, doch looze spruiten zonder vruchtbaarheid, niet door den zonnegloed der genade, maar alleen door de dompige kelderwarmte van bange vrees uitgebroeid!

Heraclius had door zijn spionnen de geheime verblijfplaats van den bisschop Melchiades in een hut der Suburra ontdekt ; bij de voorzorgen echter, waarmede de Christenen het toevluchtsoord van hunnen paus hadden omgeven, kostte het den prefect desniettegenstaande geene geringe moeite tot hem te komen. Toen hij na een half uur de hut verliet, verrieden zijne sombere trekken den wrevel en de woede, die in zijn binnenste kookten. Tegen al zijn verwachtingen had Melchiades zijn aanbod afgewezen en hem hoogstens een gedeeltelijke vermindering der kerkelijke straf in het verschiet gesteld, hem echter tegelijkertijd met heiligen ernst op Gods strafgerecht gewezen, waaraan nog geen vervolger der kerk ontkomen was.

Ontmoedigd en boos zich zoo verrekend te hebben, en door de bedreigingen des pausen nog meer gekrenkt, wendde Heraclius zijn schreden naar het Forum, op een ander middel zinnend, hoe hij zich bij Constantijn kon aanbevelen.

„Ik zal,quot; sprak hij tot zichzelf, „de protokollen van den Senaat doorbladeren en de uitdrukkingen der Senatoren, die Constantijn vijandig gezind zijn, bijeenzoeken. Wellicht vind ik ook in het archief....quot;

139

-ocr page 144-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

Plotseling klaarde zijn gelaat op.

„Ik heb het gevonden!quot; riep hij uit; „de brieven des priesters Gordianus aan Eufus! — Kan ik mij beter bij Constantijn aanmelden ?quot;

■ Tehuis gekomen ontving hem zijn zoon Sabinus met de verrassende vraag; „Weet gij, dat Eufinus ontvlucht of gestolen is?quot;

„Gij schijnt beneveld door den wijn,quot; ahtwoordde vergramd Hera-clius; „verklaar u nader!quot;

„Of zijn geheele ziekte is slechts comediespel geweest,quot; ging Sabinus voort, „en dan is hij ontvlucht; of hij is gestorven en dan hebben de Christenen zijn lijk gestolen. In alle geval is hij dezen nacht verdwenen. Ik meen, dit is zeer klaar en duidelijk.quot;

Deze tijding was voor Heraclius hoogst onaangenaam en gaf hem veel te denken. Dat de Christenen zich de moeite hadden gegeven het lijk te stelen, scheen hem onwaarschijnlijk toe, daar zij het voor een drinkgeld konden bekomen zonder zich aan gevaar bloot te stellen; de gevangene moest dus ontvlucht zijn. Dus had Heraclius ingeval van een troonsverwisseling alles van Eufinus\' wraak te duchten. — Nu herinnerde hij zich Valeria. Zij wist gewis van de vlucht af en waar Eufinus verbolgen was; met de dochter had Heraclius ook den vader verder in zijn macht.

„Ga dadelijk,quot; beval hij zijn zoon, „en zend gerechtsdienaren naar den Aventinus, naar de woning van Irene. En als men daar het meisje niet vindt, moet men naar haar verblijf snuffelen; voor heden avond moet zij gevangen, afgeleverd zijn.quot;

„Ik beloof hem, die mij het meisje brengt,quot; riep hij zijn zoon, die reeds weg ging, achterna, „honderd sectertiën — tweehonderd sec-tertiën!quot;

De ziel vol bittere mismoedigheid liep Heraclius in zijn kamer heen en weder. Toevallig viel zijn blik op het edikt; in zijn verbeten woede greep hij het, scheurde het in stukken en wierp dezen op den grond.

Nauwelijk had hij dit gedaan, of het viel hem in, welke voortreffelijke diensten dit document hem toch steeds had kunnen doen, om zijn welwillende gezindheid jegens de Christenen bij Constantijn te bewijzen.

Dit vergramde hem nog meer.

140

-ocr page 145-

DAAGS VOCE DEN SLAG.

Na een uur kwam Sabinus terug met de tijding, dat Valeria . sedert gisteren morgen niet was teruggekeerd. In den nacht echter had een onbekende in de kleeding der voerlieden den ostiarius gewekt en voorgegeven een boodschap aan Irene te hebben; ook had deze persoon beangst naar zijne dochter gevraagd, maar Averd door den portier van de deur gewezen.

Heraclius stampte bij dit bericht toornig op den grond: doordat hij Irene als de moeder van Candidus had aangeklaagd en haar gevangenneming had veroorzaakt, was thans alles bedorven.

„Moet mij dan alles tegen loopen?quot; riep hij woedend uit.

„Het zal toch nog erger worden!quot; antwoordde hem een stem in zijn binnenste.

Naar de verkleeding te oordeelen, moest Euflnus met behulp der voerlieden ontkomen zijn; maar wat kon men anders uit die kerels krijgen dan de eenstemmige verklaring niets er van te weten?

De poortwachter van het bouwterrein werd in een scherp verhoor genomen. Uit de aan hem gestelde vragen begreep deze spoedig, dat die vrouw hem had bedrogen en Euflnus had ontvoerd; daar hij Kustica zeer goed van uiterlijk kende, zoo ware het voor hem niet moeielijk geweest haar in de transtiberijnsche wijk te doen vinden, en dan zou de stadsprefect zeker ontdekt worden. Maar de wachter hield liet voor zijn eigen heil raadzaam van dit geheele geval te zwijgen en halstarrig vol te houden: „Ieder kar heeft bij het binnenkomen en het uitrijden zijn voeiman gehad, en ik kan alle goden en godinnen tot getuigen aanroepen, dat op geen kar twee mannen gezeten hebben.quot;

„Maar,quot; riep Heraclius driftig. „Hoe is dan de gevangene er uit , gekomen?quot;

„De man was zoo mager geworden als een schim; hij zal op een plaats, waar het rasterwerk niet heel dicht was, ontkomen zijn.quot;

„Neen, neen, dat is onmogelijk!quot;

„Ja, dan weet ik nog slechts eene andere uitlegging, heer. De Christenen zijn erge toovenaars. Ik heb gehoord, hun meester is eens door een sleutelgat binnengeslopen en te midden zijner leerlingen verschenen. Een anderen keer echter, toen hij \'s avonds in een hol was ingesloten, werd de opening door een zwaar steenblok gesloten, dat tien man nauwelijks van zijn plaats konden krijgen;

141

-ocr page 146-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

een halve centurie soldaten moest de wachthouden en desniettegenstaande was de gevangene den volgenden morgen verdwenen. Als de Christenen too verspreuken hebben, waardoor zij bergen kunnen verzetten, dan wondert het mij alleen, dat zij den stadsprefect niet reeds veel eerder hebben bevrijd.quot;

Heraclius was ten hoogste ontstemd. Zelfs niet het geringste spoor vertoonde zich aan hem, dat hem op den weg van den vluchteling kon brengen. Zijn vergramdheid werd nog grooter, toen hem Sabinus, tegen den avond terugkeerend, berichtte, dat hij Valeria met een vrouw uit het volk in het transtiberijnsche had gezien.

„En waarom hebt gij haar niet gevat?quot; riep de prefect woedend.

„Bedaard, Tata!quot; antwoordde spottend Sabinus. „Toen ik haar erkende, ijlde ik, zooals van zelf spreekt, naar haar toe en vatte haar bij den arm. Maar toen vloog die vrouw als een furie op mij aan en schreeuwde de geheele buurt bijeen; van alle kanten kwamen de mannen en de vrouwen, die nog veel erger zijn, toegesneld; ik was als in een wespennest van enkel demons geraakt. Die Megeren huilden als een hoop razende katten; de kerels sloegen en stooten mij, en daar gij uw zoon geen krokodillenhuid mede ter wereld hebt gegeven, zoo hadden zij mij dood geslagen, als niet iemand mij ter hulp ware gekomen.quot;

„En wie was dat?quot; vraagde Heraclius.

„Het was niemand anders dan Valeria zelf,quot; antwoordde Sabinus, „welke die tijgers in lammeren veranderde, zoodat zij van mij aflieten. Beschaamd en vernederd sloop ik henen. Dit was de wraak eener Christen, en bij Jupiter! als alle Christenen zoo zijn, als dit meisje, dan begrijp ik, dat gij niet____quot;

Sabinus was toch tegenover zijn vader niet driest genoeg zijn gedachte geheel uit te spreken; doch zijn spottende, boosaardige lach voltooide de woorden duidelijk genoeg.

Heraclius wierp hem een vergramden blik toe, beet zich op de lippen en zweeg. Het was de eerste maal dat Sabinus op den afval zijns vaders van het Christendom zinspeelde; had hij hem dit kwetsend verwijt op kwetsender wijze kunnen maken?

Heraclius echter was weerloos tegen den vergiftigen pijl, waarmede zijn zoon hem had getroffen, en bij de ernstige woorden des bisschops kwam nu de hoon des onbezonnen jongelings. Het kostte

142

-ocr page 147-

DAAGö VOOR DION SLAG.

den prefect moeite zijn geest met geweld van deze gedachte los te scheuren, terwijl hij begon te overleggen, hoe hij Valeria in het transtiberijnsche kon laten opsporen. Zijn bezorgdheid voor Euflnus werd echter verdreven, toen hem later een man gebracht werd, die hem verklaarde, dat Valeria, die hij zeer goed kende, daar zij in hetzelfde huis met hem woonde, hem op den weg naar de Appische poort verzocht had, Irene mede te deelen, dat zi] ging om haren vader te begraven. Ruflnus moest dan toch gestorven zijn, en hoewel Heraclius niet al de berichten, die hij omtrent deze zaak ingewonnen had, hiermede kon rijmen, zoo liet dit gezegde van de dochter geen twijfel over, dat de stadsprefect dood was. Hiermede was hem een zware zorg van het hart genomen.

Des namiddags waren de Christenen, die veroordeeld waren den volgden morgen als menschenoffers te dienen, naar den circus van Maxentius gevoerd. Het waren er vijftig; een veel grooter aantal was bestemd voor de gevechten met de wilde dieren, welke op een lateren dag van het feest moesten plaats vinden. Valeria had het niet van zich kunnen verkrijgen Irene te laten sterven zonder haar geliefde tweede moeder vaarwel gezegd te hebben, zonder haar te danken voor al de goedheid en zorgen, waarmede de matrone de plaats eener moeder bij haar had vervuld, zonder haar de blijde tijding mede te deelen, dat haar vader gered was. En zoude Irene aan haar dochter niets te zeggen hebben? Valeria voelde het, hoe zwaar en smartelijk het voor de moeder moest zijn te sterven zonder haar vurig geliefden zoon te zien, die nu zoo dicht bij haar was en naar wien zij toch te vergeefs de armen uitstrekte. Het meisje kou haar tenminste de troost bieden haar laatste groeten, haar moederlijken zegen voor hem te ontvangen. Door de zorg voor haren vader behoefde Valeria zich niet te laten terughouden.

Ruflnus was, wonderbaar versterkt, des ochtends ontwaakt. Hoe had hij vol verbazing in het rond gestaard in de hut van Mincius en zich eerst het eene na het andere herinnerd, wat er in den verloopen nacht was gebeurd! Hoe gelukkig was hij zijn dochter weder te bezitten; hoe gelukkig deze haar vader gered te zien! Door Mincius, nog voor het aanbreken van den dag in kennis gesteld van de bevrijding van den-stadsprefect, had bisschop Melchiades dadelijk een diaken gezonden om alles te bereiden, wat noodig was voor liet

143

-ocr page 148-

14-4-

daags voor den slag.

verzorgen van den Zieke. De arts, die met hem gekomen was, kon

lino. dler meikwaardlge geilen waarnemen, waarbij ejsn plotselinge blijde gemoedsbeweging met één slag de ziekte breekt en

zL v °agebleven zwakte binnen wonder korten tijd wegneemt. Zoo kon Valeria des namiddags zonder zorg den zieke aan de hoede van Mincius overlaten, om met Rustica naar den circus te ijlen Beiden hadden juist hunne woning verlaten, toen haar, gelijk wij boven vermeldden, Sabinus ontmoette.

Naar Romemsch gebruik werd den ter dood veroordeelden aan den vooravond van hun terdoodbrenging niet slechts een zekere vrijheid gegund om hunne verwanten en vrienden te zien, maar hun werd ook nog een rijkelijk maal, de zoogenaamde coena libera bereid waarbij het volk mocht tegenwoordig zijn. De Christelijke gevangenen veranderden dit, zooveel zij konden, in het H. Liefdemaal, dat vooi hen onderpand en voorsmaak van het hemelsche bruiloftsmaal was, waaraan zij, met de kransen van het martelaarschap versierd nu weldra zouden aanzitten. \'

Daar er in den circus nog overal gewerkt werd, had men de gevangenen opgesloten in de ruimte, waar zij zouden ter dood ge-bracht worden; daar zaten zij in lange rijen op den grond, om het laatste maal, bestaande uit brood, wijn, kaas en vruchten, te nuttigen. Een aantal nieuwsgierigen, grootendeels landlieden uit het naburige dorp, verdrongen zich voor den ingang en stonden naar

ezen maa tijd te kijken; soldaten met getrokken zwaard hielden de wacht.

Met een blijde rust op het gelaat zaten daar de martelaars en genoten de hun voorgezette spijzen onder heilige gesprekken; de heidenen stonden vol bewondering, hoe deze menschen, in het gezicht van den dood, zoo kalm en vroolijk konden zijn.

Een zekere onrust ontstond onder de gevangenen aan het einde

van het maal; meer en meer richtten zij hun oogen naar den ingang• de veroordeelden verwachtten klaarblijkelijk iemand, wiens wegblijven hen met bezorgdheid vervulde.

Eindelijk verscheen de verlangde en met een tevreden lachje fluisterde de eene den andere toe: „Hij is gekomen, daar is hij!quot; Aller oogen richtten zich, stralend van blijdschap, op den aartsdiaken Silvester, die, door twee knapen begeleid, aan den ingang

-ocr page 149-

DAAGS VOOR DION SLAG.

verscheen, nadat hij zich met moeite door de nieuwsgierige toeschouwers een weg had gebaand.

Onder zijn mantel verborgen droeg hij liet Lichaam des Heeren, de hemelsche teerspijs.

De hoofdopzichter der gevangenen, \'s morgens door een rijk handgeld gewonnen, veroorloofde den diaken den toegang tot de ruimte, die voor de gevangenen was afgeschut, en dezen ontvingen hem met teekenen van de diepste vereering en hulde.

De twee knapen knielden voor Silvester neder en hielden op hunne met linnen doeken bedekte handen een zilveren schotel omhoog. De diaken nam het heilige Sacrament uit het rijk met goud gestikte zakje, waarin hij het gedragen had, en verdeelde het op den schotel, naar het aantal der gevangenen.

Nadat dezen elkander omarmd en den vredekus gegeven hadden, traden zij op de rij af nader, knielden neder en hieven de handen, de rechter kruiselings over de linker gelegen, op.

„Viaticum Domini, de teerspijs des Heeren,quot; sprak de diaken. „Amen,quot; antwoordde de andere, ontving dan op de open hand het Heilig Sacrament en genoot, het hoofd vol eerbied gebogen, het goddelijke mysterie.

Na het ontvangen te hebben keerde ieder naar zijne plaats terug, in stille aanbidding van zijn Heer en God, zichzelf offerend aan Hem, die zich voor ons had gegeven, en in innig gebed om dat ééne smeekend, het volharden in liefde en trouw tot den laatsten ademtocht.

Na den maaltijd, die op zoo plechtige wijze was besloten met het ontvangen der Heilige Communie, werden aan de gevangenen nog eenige oogenblikken toegestaan, om zich te onderhouden met hun betrekkingen en van hen afscheid te nemen, en nu mochten zij, die buiten wachtten, in de afgesloten ruimte binnentreden.

Irene ontving Valeria en haar begeleidster met die stille en heilige gemoedsrust, die reeds een weerspiegeling is des hemelschen vredes, terwijl het meisje, door diepe droefheid overvallen, snikkend haar gelaat aan den boezem der matrone verborg. Valeria moest haar al de omstandigheden van haars vaders vlucht verhalen; toen zij ge-eindigd had, sprak Irene: „De hemel heeft u niet als wees willen achterlaten; terwij] hij u uwe vrienden wegnam, gaf hij u uwen vader weder.quot;

145

10

-ocr page 150-

DAAGS VOuK DEN SLAG.

Zij wilde nog verder spreken, maar de gedachte aan Candidus, die voor het verlies zijner moeder geen andere vergoeding zoude vinden, verstikte haar stem.

Een innige blik naar den hemel gaf haar de rust en kalmte weder.

„Neem deze doos,quot; ging Irene voort en bracht uit haar gewaad een gouden bulla te voorschijn, „en geef die mijn zoon. Zij bevat een met het bloed zijns vaders gedrenkte spons; het is het,eenige, wat ik hem met mijn moederlijken zegen kan nalaten. Zeg hem\', dat mijn laatste snik een gebed was voor hem; zeg hem, dat ik van uit den hemel gestadig over hem waak, dat ik in elk uur des gevaars onzichtbaar aan zijne zijde zal staan. Neen, de moederliefde sterft niet; zij wordt in den hemel nog reiner en klaarder, en op deze korte scheiding volgt een eeuwige vereeniging. En ook over u en uw vader wil ik waken en voor u bidden, mijn kind; ik heb het reeds dezen nacht gedaan, ik zal het doen in het uur van mijn, dood en dan altijd door voor Gods troon. Tusschen gisteren en heden was ons wederzien smartelijk; maar is die spanne tijds tot het zalige wederzien hierboven niet insgelijks een van heden tot morgen ?quot; . Intusschon was de zon ondergegaan en de tijd, aan de gevangenen vergund tot een onderhoud met hunne betrekkingen, verstreken; de wachters kwamen om de bezoekers te doen vertrekken. Valeria en Rustica, die onder voortdurend weenen Irene\'s woorden hadden aangehoord, knielden neder opdat zij haar den zegen zoude geven; Irene maakte, onder een stil gebed, met den wijsvinger het kruis-teeken op hare voorhoofden en gaf haar den kus des vredes.

„Edele vrouw,quot; sprak Rustica, haar zuigeling op haar arm haar voorhoudend, „zegen ook mijn kind, en gedenk hem in den hemel, dat het vroom en deugdzaam worde. Wij zijn arm en kunnen hem niets in het leven medegeven; maar als ik hem zeggen kan, dat een martelares hem voor haar dood den moederlijken zegen heeft gegeven, dan bezit hij daarin meer dan alle rijkdommen waard zijn.quot;

Irene legde haar hand op het hoofd van den kleine en maakte ook hem het heilig kruisteeken op het voorhoofd. Toen scheidden de wachters medoogenloos de vrouwen.

„Tot een zalig weerzien!quot; riepen de gevangenen.

„Gedenkt ons in uwe gebeden!quot; antwoordden de geloovigen, die met den diaken Silvester van hen scheidden.

-ocr page 151-

DAAGS VOOR DES SLAG.

Terwijl de Christenen in den circus van de Via Appia hun liefdemaal hielden en voor den dood het heilig onderpand des levens genoten, verzamelde Maxentius ter viering van den vooravond van zijn feest den adel van Rome en de opperste bevelhebbers van zijn leger in de schoonste zalen van zijn keizerlijk paleis tot een groot nachtelijk drinkgelag.

Het zoude ook zijn coena libera, zijn doodsmaal, zijn. Op gouden lichtstandaards flikkerden de vlammen, die de zalen als bij dag verlichtten en aan de marmerbeelden een schijn van leven gaven; klaterende fonteinen wierpen haar water in de hoogte en fonkelden met al de kleuren van den regenboog in den schijn der vlammen; de heerlijkste bloemen verspreidden haar geuren; op de kolommen en aan de glansende wanden van wit marmer waren krijgstrofeeën aangebracht.

De menigte van gasten was aan meerdere tafels op verscheidene verhevenheden verdeeld; aan de hoofdtafel rustte de jonge gemalin eens senators aan de zijde van Maxentius; want de keizerin had zich op zijn bevel moeten vei\'ontschuldigen wegens ongesteldheid. Tegenover hem had de veldheer Rufus zïjh plaats; de nieuw benoemde stadsprefect Annius Anulinus, gewezen consuls en andere der aanzienlijkste senatoren waren op de overige rustbedden aan de keizerlijke tafel geplaatst. Rufus had tegen zijn wil aan de uitnoodiging gevolg gegeven; de nabijheid des vijands maakte zijn aanwezigheid in het kamp noodzakelijk, en Maxentius had hem moeten toestaan voor middernacht met de bevelhebbers naar het leger terug te keeren.

Slaven en slavinnen waren druk in de weer om op groote schotels de kunstig opgediende spijzen aan te dragen; anderen vulden uit de sierlijke kannen en hengselkruiken met de fijnste wijnen de gouden schalen en de nog kostbaarder bekers van glas van een zeldzaam maaksel. Lichtgeschorte danseressen vertoonden tot genoegen der gasten bij den klank der fluiten en castagnetten hare wulpsche dansen.

Reeds waren de hoofden verhit door den wijn, beker op beker was geledigd op de overwinning der keizerlijke wapenen; steeds wilder en uitgelatener werd de bacchantische lust. Zelfs Rufus vergat, door den wijn beneveld, den hem wachtenden strijd.

Door de wachten onbemerkt, die nu bij het groote feest niet met droge kelen hadden willen blijven , was een oud moedertje op haar

147

-ocr page 152-

DAAGS VOOR DES SLAG.

krukken doorgedrongen tot op de breede buitentrap, die naar de verhevenheid der keizerlijke tafel leidde. Afgemat was zij op de onderste trede nedergezonken, en terwijl boven de wijn schuimde en het wilde gejubel van het gezelschap zich vermengde met de muziek der fluiten en cimbalen , nam de oude uit een korf het bloedige lijkje van een kind en drukte dit onder zuchten en klachten aan haar boezem.

„Uw moeder is dood, mijn schatje,quot; fluisterde de oude, „en uw vader heeft zich in den Tiber geworpen; maar uw grootmoeder zal u beschermen, dat de keizer u niets doet. Slaap maar toe, mijn lief poppetje! — Zij gaven voor, u de horoscoop te willen trekken, en daarom heeft uw moeder u aan hen overgegeven. Maar zij hebben____ o, zij hebben u____ Wat zijt gij koud! — Hu, de keizer

heeft u geslacht, en nu eten zij daarboven uw hart en drinken uw bloed.quot;

En nu verhief zich de ongelukkige onder kermen en klagen, en al haar krachten verzamelend, klom zij de trappen op, tot zij plotseling uit het duister in het helle licht trad en als een uit de diepte rijzend spook voor den keizer stond. Wel snelden dadelijk slaven op haar toe en dreven haar de trappen weder af, maar Maxentius had haar toch gezien, met het bloedige kinderlijkje op den arm, met dien waanzinnigen blik in de hol liggende oogkassen , en daarom was hem de beker van de lippen gezonken en zijn gelaat vaalbleek geworden. Want dit kon geen menschelijk wezen zijn; dat was een furie uit den afgrond, die hem zijn onnatuurlijke misdaad voorhield en hem de naderende wraak aankondigde.

Tevergeefs spande de keizer zich in om zijn ontsteltenis en onrust te verbergen. Hij greep den beker, maar zijn hand sidderde en kon de drinkschaal niet aan de lippen brengen. De muziek en het geraas klonk hem opeens als het huilen en lachen van demonen. Somber starend, met wijdgeopende oogen, zat hij daar. Met beangstigde blikken sloegen de gasten, die in zijn nabijheid zaten, hem gade; het plotseling verstommen der vreugde werd nog te pijnlijker door de uitgelaten vroolijkheid aan de andere tafels.

Plotseling sprong Maxentius op, vatte den glasbeker, slingerde hem op den mozaïkvloer, zoodat hij kletterend in duizend scherven brak, en brulde:

148

-ocr page 153-

DAAGS VOO LI DKN SLAG.

„Kust wil ik hebben! Weg met dit gekrlisch en gehuil! Waar zijn mijn pretorianen, dat zij al dat gebroed daarboven nederhouwen ?quot;

Ontsteld vlogen de gasten aan de tafel des keizers op, eensklaps verstomde het vroolijke geraas, in weinige oogenblikken waren de zalen ledig en een akelige stilte des doods volgde op de wilde vreugde. Maxentius was op zijn rustbed nedergezonken; Rufus, die alleen het gewaagd had, achter te blijven, beschouwde hem met ernstigen blik. Met den rug naar de trap zittend had hij de oude niet bemerkt, en zoo kon hij zich in den beginne de plotselinge verandering des keizers niet verklaren.

De doodsche, akelige stilte, die er heerschte, schrikte eindelijk Maxentius op en hij beval Rufus, hem naar zijn slaapvertrek te geleiden.

De afwisseling van lucht werkte bedarend op \'s keizers geest; met de kalmte keerde zijn trots terug.

„Ik offer duizenden van krijgers op om mijn troon te verdedigen; wat is er nu aan zulk een worm gelegen, wanneer ik mij de zekerheid wil verschaffen, dat ik overwinnen zal? Zijn de geesten van het noodlot begeerig naar kinderbloed, zoo laat ik, bij Jupiter! in Rome en in het geheele rijk alles, wat zuigeling heet, mensch en dier, aan de borst der moeder in stukken houwen!quot;

Rufus staarde den keizer met wijdgeopende oogen aan. De woorden, die hij geuit had, waren hem een raadsel, evenals de plotselinge omkeer van uitgelaten vroolijkheid in bangen schrik dit was geweest; doch hij bevroedde het verband tusschen dezen en huiverde bij de gedachte aan de misdaad, waarop de woorden des keizers hadden gezinspeeld.

„En zulk een monster,quot; sprak hij tot zichzelven, „dient gij, en voor zijne heerschappij offert gij uw veldheerstalenten en het leven uwer soldaten en wellicht uw eigen leven?quot;

Rufus was met Maxentius alleen — en toen deze gedachte door zijn geest voer, rustte onwillekeurig zijn rechterhand op de greep van zijn zwaard. Uitgestrekt op zijn rustbed ware de keizer weerloos aan hem overgeleverd geweest: één stoot en Maxentius was niet meer, en Rufus had slechts de hand uit te steken om de kroon op zijn eigen hoofd te plaatsen. Met vreugde zouden zijn legioenen hem tot imperator uitroepen. Ware Symmachus in zijn plaats geweest...

149

-ocr page 154-

DAAGS VOUR DKN SLAG.

„Neen,quot; sprak Rufus, en verliet met haastigen tred het vertrek, zonder Maxentius te groeten, „neen, ik heb voor hem vier slagen en de helft van het rijk verloren; ik wil niet bovendien nog zijn moordenaar worden! Willen de goden mij op den troon verheffen, zoo mogen zij een andere hand wapenen met het moordstaal.quot;

Toen de veldheer de groote buitentrap van het paleis afdaalde om nog in don nacht naar het leger terug te keeren, zag hem een soldaat der keizerlijke lijfwacht na, die tot dat oogenblik in gepeins verzonken aan de marmeren leuning van de trap had gestaan. Doch slechts een oogenblik vermocht het aanschouwen van den veldheer den krijgsman van de gedachte af te leiden, die zijn geest bewoog^ gelijk de storm de golven der zee. Martialis — want hij was het — had met den bisschop Melchiades een lang onderhoud gehad, en wat de eenvoudige hoogepriester hem van de leer des Christendoms had gezegd, had wel ten deele zijn toestemming gevonden, ja zijn bewondering gewekt, maar tegen menig ander geloofspunt kwam de gansche trots van den wilden krijgsman in verzet.

„Een god,quot; sprak hij bij zichzelf, terwijl hij het hoofd schudde, „die zich in het gezicht laat spuwen, geeselen en aan het kruis nagelen, neen, dat is geen god voor mij! Driehonderd jaar geeft hij zijn aanhangers prijs aan de wreedste vervolgingen, zonder zich te laten gelden en den bliksem zijner wraak op zijn vijanden te slingeren, en toch verlangt hij van de zijnen, dat zij alles, have en goed, lijf en ziel, voor hem ten offer brengen. En zij offeren dit voor hem; met meer goeden moed en met meer geestdrift stort geen krijgsman zich in den slag dan deze Christenen ter slachtbank ijlen. Om er op in te hakken met liet zwaard, om ieder die een woord ten nadeele van hem durft zeggen op den grond te smakken, daarvoor kan Christus mij krijgen. Maar zoo geduldigd als de Christenen beleedi-gingen en mishandelingen verduren, zonder den ellendeling vast te pakken en tegen den muur te verpletteren — neen, dat kan ik niet.quot;

Als wilde hij zijn gedachten ontvlieden, sloeg Martialis den weg in naar den anderen vleugel van het paleis, waar de Herkulessen hun kwartier hadden; doch de gedachten volgden hem, en in zijn slaap stond het beeld des bisschops Melchiades hem voor den geest en klonken in zijn ooren de woorden, die de grijsaard tot hem had gesproken over de glorie des kruises.

-ocr page 155-

DAAGS VOOR DEN SLAG.

Valeria en Kustica waren met de andere geloovigen bij het vallen van den avond van den circus naar de stad teruggekeerd; de sterren fonkelden reeds aan den hemel, toen zij in de transtiberijnsche buurt aankwamen. Rufinus had reeds voor een paar uur zijn bed verlaten; hij was vereerd geworden door het bezoek van bisschop Melchiades en de paus had hem tot zijn allergrootste vreugde voor den volgenden Zondag het heilig sacrament des vormsels beloofd, dat dan zoude gevolgd worden door een regelmatig onderricht in de waarheden des geloofs door een diaken.

Lang reeds had de engel des vredes den sluier uitgespreid over de hutten der Transtibera; stil schouwden de trouwe wachters van den nacht, de sterren, met hunne zachte oogen op Rome en zijn omstreken; zachtkens, als de hand eener moeder over het hoofd van het slapende kind, streek de adem van den nacht over boomen en struiken; van de uitgedoofde wachtvuren der beide legers stegen nog van tijd tot tijd de laatste vlammen omhoog — en altijd nog waakte een hart, het hart eener moeder, en van de sluimerende aarde stegen Irene\'s gebeden omhoog voor haar zoon tot den troon Gods. En voor den geest des slapenden Candidus zweefde vriendelijk en weldadig het beeld van Irene; wie aan zijn sponde had gestaan, zoude van zijn lippen, die in den droom glimlachten, hebben hooren fluisteren den zoeten naam zijner moeder.

Het was een schoone nacht voor den grooten dag der beslissing, die een geheele wending in de geschiedenis van het Romeinsche rijk zou brengen en tevens in de geschiedenis der Kerk en in die der wereld. Van den donkeren hemel straalde de sikkel der maan neder op de legioenen van Constantijn, op het kamp van Rufus, op de eeuwige stad en spiegelde zich in den vloed van den Tiber; wanneer zi] den volgenden avond weder op zoude gaan, op welk een verandering zoude zij, de „veranderlijke maanquot;, dan nederzien! De Tiber alleen zou dan in gestadigen, gewonen gang voortstroomen en zijn golven rollen als gisteren, als voor duizend jaren — een zinnebeeld der Voorzienigheid, die, eeuwig gelijk, bij het wisselend lot der menschen en der volken voortschrijdt.

151

-ocr page 156-

=3==*«-:

-—^3

I

*r—

l\'

HOOFDSTUK XII.

D li X 1E U W E B A L T H A Z A K.

\'es morgens vroeg van den volgenden dag werd Maxen-| tius door een ijlbode gewekt, dien Rufus hem zond : met het bericht, dat Constantijn zich in slagorde op-stelde; ieder oogenblik kon de strijd verwacht worden.

„Goed,quot; antwoordde de dwingeland, „ik zal de tijding der overwinning van mijnen veldheer in den circus afwachten. Zeg aan Eufus, dat hij er voor zorgt Constantijn levend in zijn macht te krijgen; gelijk Herkules het Erymantisch everzwijn, zoo wil ik den ellendeling in mijn triumf medevoeren.quot;

De versch aangekomen legioenen, evenals de Pretorianen, waren allen oude, in den strijd geharde troepen; daarbij kwam nog de keizerlijke lijfgarde der Herkulessen, 6000 man sterk. Dus bezat Maxentius een leger, dat in aantal zijn tegenstanders verre overtrof, aan geoefendheid hun ten minste gelijkstond, en door geen vermoeiende marschen was uitgeput. De gedeeltelijke ontmoediging was verdwenen door de aankomst der Siciliaansche en Afrikaansche legioenen, die met groote vreugde hunnen ouden veldheer Rufus weder hadden begroet. Het geheele leger was met hart en ziel voor Maxentius, daar hij het steeds had behandeld naar de beginsels van Septimus Severus: „Maak de soldaten rijk en bekommer u verder

Ij s

:

1\'

-ocr page 157-

DE NIKUWE BALTHAZAR.

om niemand.quot; Nog gisteren had hij hun, gelijk het bij zulke gelegenheden gebruikelijk was, bij den verjaardag van zijn troonsbeklimming het donativum of geldgeschenk thans dubbel laten uitbetalen. Aldus vermeende hij, ook zonder de voorspellingen van zijn sterrenwichelaars en magiërs, zeker te kunnen zijn van zijn overwinning en kon daarom al zijn gedachten wijden aan de viering van zijn feest.

In een safraangeel kleed, dat met een breeden, met goud en juweelen bestikten rand \'was omzet, daarover den wijden purpermantel, die in vele plooien nederhing, den gouden stralendiadeem om het hoofd, in de hand den ivoren scepter met den adelaar, de schoenen zelfs met edelgesteenten bedekt, zoo trad Maxentius op het daartoe bestemde uur uit zijn vertrekken en nam met minachtende vriende-, lijkheid de kruipend eerbiedige gelukwenschen en begroetingen aan .der in een witte feesttoga gekleede senatoren en ridders.

Onder de schetterende fanfaren der muziek en het gejuich der menigte zette zich de feestelijke optocht van den Palatinus, door den boog van Titus, langs den tempel van Roma en Venus, in beweging. De keizer zelf stond, een palmtak in de hand, gelijk een trium-phator, omgeven door de veldteekenen zijner lijfgarde, in een met zes prachtige schimmels bespannen zegewagen, die schitterde van ivoor en gulden platen, met drijfwerk versierd. In een volgenden wagen zat zijn gemalin, treurig in al den glans van haar met goud doorwerkt gewaad, als een grafsteen die met bloemen is bekranst, — thans dubbel treurig bij de herinnering aan den schoonen knaap, die het zwarte noodlot uit haar moederarmen had losgerukt. De senatoren en ridders, de priesters met de beelden der goden, naast de in het wit gekleede Vestaalsche maagden, de voornaamste hofbeambten in roode met goud bestikte kleederen en het overige gevolg van rang volgden, de mannen te paard, de vrouwen op draagstoelen of in sierlijke koetsjes, den keizerlijken wagen. Niettegenstaande zijn waarschuwing vermocht Heraclius niet zijn vrouw Sabina van de deelneming aan de feesten af te houden; ook Sabi-nus, die zijn plaats had in het gevolg des keizers, zoude om welken prijs ook de genoegens van dezen dag niet hebben gemist. Talloos was de volksmenigte, die den stoet voorafging en volgde, of haar van de trappen en muren der tempels en paleizen aanschouwde;

:o3

-ocr page 158-

DE NIEUWE BALTHAZAR.

duizenden waren reeds in de vroegte, lang voor het aanbreken van den dag, uitgetogen om een zoo goed mogelijke plaats te bekomen.

De nacht, die door Irene onder vurige gebeden was doorgebracht, had haar ziel gezuiverd van het laatste, wat haar nog aan de aarde hechtte. Wel dacht zij nog aan haar zoon, doch deze gedachte stoorde niet meer den vrede van haar hart. Als de adelaar zich van de aarde hoog boven de wolken heeft verheven, dan zweeft hij, de blik naaide zon gericht, rustig en zonder vleugelslag in het reine luchtruim. Op de losweg gedane vraag van een der gevangenen, wanneer de strijd zoude beginnen, gaf zij met een zaligen glimlach ten antwoord:

„Christus, die voorzit bij de spelen, heeft reeds zijn plaats ingenomen; de H. Geest heeft zijn strijders met de olie Zijner genade gezalfd en hen met hemelsche wapenen uitgerust, en in onafzienbare reien wachten de toeschouwers, de heiligen in den hemel, op het bégin van den strijd. De poort des doods is in een triomfboog veranderd; engelen in stralend gewaad staan daar bereid om den overwinnaar voor den oppersten Kamprechter, voor het aanschijn Gods te voeren, om uit Zijne hand den prijs, den palmtak en den krans der glorie te ontvangen.quot;

Slapeloos, gelijk Irene in den kerker van den circus, had Valeria den nacht doorgebracht in Mincius\' hut. Zoo gelukkig zij was over de redding van haren vader en over zijn wonderbaar spoedige beterschap, zoo smartelijk was voor haar de gedachte aan Irene. Zij kon zich in het geheel niet voorstellen, dat zij hare moederlijke vriendin moest verliezen, en toch bracht ieder uur haar nader bij dit vreeselijk oogehblik. De gedachte, welk een smart het voor den zoon zoude zijn, als hij, overgelukkig, na de behaalde overwinning, naar zijn moeder zoude ijlen en in plaats van haar in zijne armen te kunnen sluiten, de tijding zoude moeten vernemen, dat zij voor weinige uren gevallen was onder het zwaard van den beul, doorgriefde haar de ziel.-

Zij moest Candidus de bulla met de spons, in zijns vaders bloed gedoopt, overreiken; hoe zoude zij woorden vinden om den edelen jongeling in zijn onbeschrijfelijke smart te troosten?

Geen aandenken aan de overledene kon zij hem geven! Ja toch! Als zij naar den circus snelde, kon het haar met de andere geloo-vigen wellicht gelukken het bloed der martelaren op doeken en in

154

-ocr page 159-

DE NIEUWE BALTHAZAR.

sponsen te verzamelen en zoo met het bloed zijns vaders in de gouden bulla dat zijner moeder te vereenigen. En kon zij niet het lijk van Irene in het voor haar eigen vader bestemde graf leggen, afgescheiden van de andere martelaren, die in een polyandrium, in een gemeenschappelijke groeve, zouden worden bijgezet, om aldus Candidus ten minste naar het graf zijner moeder te kunnen voeren? — Wel dacht Valeria aan het gevaar, wanneer zij een andermaal Sabinus mocht ontmoeten; maar Heraclius was met zijn zoon in het gevolg des\'keizers en onder de groote volksmenigte kon zij, met de noodige voorzichtigheid, zich wel aan hunne blikken onttrekken. Toen zij in de vroegte haar vader haar wensch kenbaar maakte, bracht deze wel is waar er ernstige bedenkingen tegen in, maar eindigde toch met toe te geven, toen Rustica om het hoofd van Valeria een doek wond, gelijk de vrouwen uit het volk plegen te dragen en waardoor zij meer beveiligd was voor herkend te zullen w\'orden.

Het was een prachtige herfstmorgen. Van het Albanisch gebergte woei een frische, krachtige wind; de morgenzon straalde van den wolkenloozen hemel op den feeststoet en spiegelde zich in de rijke goudsieraden en de blanke wapenrustingen der krijgers. Maxentius twijfelde niet of het hem toelachende geluk had hem dezen prachti-gen zonneschijn voor zijn feest gezonden; hij _dacht er niet aan dat die zon niet voor hem alleen scheen.

Zeer vele landlieden, die den stoet met blijde groeten ontvingen, stonden alleen of in groepen tusschen de monumenten der Via Appia, in hunne bonte, schrilgekleurde kleederen, als levende bloemkransen, langs den straatweg.

Slechts twee mannen, een oudere en een jongere, die iets zijwaarts van den weg bij het graf der Cornelii stonden, hadden nauwelijks een oog voor die voorbijgaande pracht en als zij vluchtig er naar zagen, was hun blik ernstig en somber. De oudere was de grijze diaken Severus, die zich naar de Katakomben van Callixtus had begeven om de laatste toebereidselen te maken voor het begraven dei- martelaren; de jongere, met opgeschort kleed, werd doorzijn langen houweel, waarop hij leunde, aangeduid als een der fossores. Het was Mincius, die gedurende den nacht had gearbeid aan de rustplaatsen der martelaars en nu pas omhoog gestegen was om na volbrachten arbeid zich te verfrisschen aan de verkwikkende morgenlucht.

155

-ocr page 160-

DE NIEUWK BALTHAZAR,

„Het is en blijft jammer,quot; bemerkte de doodgraver, „dat wij gisteren die fraaie bende niet den terugweg hebben versperd. Een uur gevangenis zoude voor hen een goede straf zijn geweest. Ook de zoon van den prefekt der kanselarij, Heraclius, was er bij, en ik had bijzonder gaarne met dit heertje kennis gemaakt.quot;

„Laten wij aan God de straf over, mijn zoon,quot; antwoordde de grijsaard, „gelijk haar maat en haar tijd.quot;

„Ik weet, dat gij gelijk hebt, mijn vader. Maar als ik over al de misdaden denk, die men ongestraft aan ons pleegt; als ik de pracht en de hoovaardigheid aanschouw, waarmede de keizer nu weder naar den circus trekt, om de heilige ledematen van Christus door het zwaard zijner beulen te laten slachten, dan zoude ik dikwijls....quot;

„Werd niet Balthazar, de koning van Babylon, in denzelfden nacht verslagen en gedood, waarin hij de heilige vaten des tempels te Jerusalem bij zijn gastmaal ontwijdde?quot;

„Toen Daniël de geheimzinnige teekenen op den muur uitlegde. Maar bij dit feest,quot; vervolgde Mincius, terwijl een heilige gramschap uit zijn oogen straalde, „zijn het niet bekers van metaal, maar de levende vaten des Heiligen Geestes; en niet wijn, maar het bloed der martelaren wordt er geplengd.quot;

„En als God het wil,quot; sprak de grijsaard, terwijl hij dacht aan Constantijn, „verschijnt ook heden een geheimzinnig teeken, dat Maxentius en zijn gasten niet verstaan.quot;

„Doch dan zijn reeds de heilige vaten gebroken en is hun bloed reeds vergoten.quot;

„Wie weet dat, mijn zoon, wie weet dat? Heeft God niet meermalen de Zijnen uit den muil van den dood gered?quot;

Intusschen had de keizer, door het gejubel des volks begroet, door het hoofdportaal zijn intocht in den circus gehouden en op het podium met zijn naatste gevolg, met de senatoren en de Vestaalsche maagden plaats genomen. Van zijn verheven troon, het pulvinar, liet hij zijn blikken over het groote, statige gebouw weiden, en een lachje van trotsche tevredenheid speelde om zijn lippen; hij had Rome een heerlijk bouwwerk rijker gemaakt, dat zijn roem aan het verste nageslacht zoude verkondigen.

De in tien trappen omhooggaande zitplaatsen, versierd met de kostbaarste marmersoorten, konden bij de twintig duizend menschen

356

-ocr page 161-

DE NIEUWE BALTHAZAR.

bevatten, en zoo Maxentius thans de plaatsen minder bezet vond dan hij had verwacht, daar de bezorgdheid over de komende gebeurtenissen bij velen toch de overhand had behouden op de nieuwsgierigheid, zoo verstoorde dit ter nauwernood de vreugde, die de keizer smaakte bij het aanschouwen van zijn werk. Midden dooide arena, over haar geheele lengte, liep de met beelden, zuilen en tempeltjes versierde spina, de lange muur, waar de wagenmenners zeven maal moesten omheen rijden. In het midden der spina verhief zich de obelisk, dien Domitianus in het jaar 90 na Christus naar Rome had gebracht en dien Maxentius thans in zijn circus had opgericht.

Tegenwoordig staan van het gebouw, dat de tiran op het punt stond in te wijden met het bloed der martelaren, slechts de buitenmuur en de torens van den ingang; ook ziet men nog de doodspoort, de porta libitinensis, waardoor de lijken werden weggesleept. Een diepe, droeve stilte heerscht over de met gras begroeide zitplaatsen, en in de met puin bedekte gangen en gewelven hebben de vossen hun holen gegraven. Statige ruïnen in de nabijheid herinneren aan den tempel van Romulus en andere gebouwen, die den circus omgaven; boven allen, op de hoogte der hier sterk stijgende Via Appia, steekt het graf van Metellus uit, als om dit ernstige beeld der verwoesting een nog ernstiger achtergrond te geven.

Het feest der inwijding van den nieuwen circus begon met de onthulling van het standbeeld van Romulus, ter wiens eer de keizer het gebouw had opgericht. Voor de keizerin was een afzonderlijke, hooge troon opgericht, die door een baldakijn, met purper en goud bestikt, werd overschaduwd en met kostbare oostersche tapijten en met kransen versierd was; op gouden drievoeten brandde de wierook met zijn welriekenden geur. Van hier kon zij, omgeven door haar slavinnen, de onthulling van het beeld haars zoons van zeer nabij aanschouwen.

Toen het vallend omhulsel haar dit beeld vertoonde, dit koude, witte, marmeren beeld met de bekende, dierbare trekken thans in harden steen, strekte de keizerin, onwillekeurig, van smart overmand, haar armen uit, als wilde zij het beeld omhelzen en uit haar moederborst het leven in dezen dooden steen gieten. Toen legde zij zuchtend het hoofd op haar hand en staarde, vol droefheid, voor

157

-ocr page 162-

DE NIEUWE BALTHAZAR.

zich heen, zonder op de slavinnen te letten, die zich bezorgd om hun meesteres verdrongen, de eenigen, die onder de duizenden van toeschouwers zich bekommerden om de smart eener moeder, om de smart eener keizerin.

Op de onthulling van het beeld volgde de godsdienstige ceremonie van de inwijding van den circus, terwijl de priesters onder gebeden en gezangen in processie gouden en zilveren beelden der goden en de borstbeelden van Maxentius en der verwanten van het keizerlijke liuis door den circus droegen en de muren daarvan met gewijd water besprenkelden. Daar de renbaan zeer lang was, nam deze verrichting tamelijk veel tijd in beslag.

„Bij Herkules!\'quot; fluisterde Sabinus ongeduldig zijn buurman in het oor, „de vrome heeren konden zich die moeite wel sparen! Ik had in \'s keizers plaats liever eenige honderden gladiatoren met elkander laten vechten. Het strijdgehuil van dezen is veel welluidender dan dit geblaat, en als het frissche bloed in \'t rond spuit, bevalt dit den goden en den menschen meer dan een zee van wijwater.quot;

Het gejuich en geschreeuw, waarmede het volk \'s keizers verschijnen in den circus begroette, was voor de gevangenen de tijding geweest, dat thans het uur van den marteldood naderde. Kalm, ja verheugd zagen zij den dood te gemoet. Het gezicht der soldaten, die zich met getrokken zwaarden aan den ingang van de afgesloten ruimte hadden opgesteld, om op het gegeven teeken op hen aan te vallen, had voor hen niets schrikkelijks. Nog eens gaven zij elkander den kus des vredes en wekten elkander op tot het standvastig belijden van Christus\' naam. En ware er onder hen één geweest, wiens hart bij het naken van den dood hadde gesidderd, een blik op Irene zoude hem den onverzwakten moed van het martelaarschap weder gegeven hebben. Zij, die het zwaarste offer had te brengen, stond, met een glimlach van hemelsche zaligheid op het gelaat, als een moeder tusschen haar kinderen, en als van tijd tot tijd haar armen zich omhoog strekten tot het gebed en haai\' oogen in heilige geestdrift boven al het aardsche den hemel geopend schenen te aanschouwen, dan deed de gloed van haar bezielde offervaardigheid ook bij de anderen de vlam der edelste standvastigheid hoog opflikkeren.

Eindelijk waren de voorafgaande plechtigheden in den circus ge-

158

-ocr page 163-

DE NIEUWE BALTHAZAR.

eindigd en aller oogen richtten zich dan naar de zitplaats des keizers, vanwaar Maxentius dooi- een witten doek in de arena te werpen het teeken tot den aanvang der wedkampen moest geven, dan naar het andere einde van het circus, waar de wagenmenners slechts met de grootste moeite hunne trappelende en kamplustige rossen in toom konden houden.

Maxentius had het onthullen van het beeld en het begin der feest-processie bijgewoond; toen was hij verdwenen, waarschijnlijk wijl de godsdienstige plechtigheid hem niet minder dan het volk verveelde. Maar thans moest hij toch op zijn plaats zijn om het teeken te geven.

Maar de eene minuut verliep na de andere, de keizer verscheen niet. De spanning en het ongeduld der duizenden in het rond op de trapsgewijze omhoog zitplaatsen, wies met elk oogenblik en gaf zich eindelijk door uitroepen en stampen met de voeten lucht. Want in het amphitheater en in den circus, waar onder de groote massa ieder bijzonder persoon verdween, durfde het volk zich ook tegenover een strengen heerscher veel veroorloven, en zelfs tirannieke keizers hielden daar zorgvuldig rekening met de stemming en de uitdrukkingen, met den lof en de blaam der menigte.

Allengs nam de onrust des volks een ander karakter aan; de tijding, dat Constantijn hufus had aangegrepen en de slag ontbrand was, ging van mond tot mond en bracht de duizenden in den circus in de grootste onrust en opgewondenheid.

De zaak werd nog erger, toen een der hofbeambten, om het volk tot zwijgen te brengen, inplaats van den keizer het teeken tot den aanvang van den wedren gaf.

Op dit teeken vielen de «lagboomen en in wilde jacht schoten de zes vierspannen als een afgeschoten pijl in de renbaan. Voorover op hun higa staande, vlogen de voerlieden met schuimende rossen naast elkander, voor elkander langs de lange baan en dreven met zweepgeklap en geroep de renners aan tot de snelheid des winds; het was een prachtig schouwspel. Doch zoo de Romeinen anders met elke zenuw van hun lichaam de wagens volgden, die in de opdwarrelende stofwolken voortstormden, met geroep, handgeklap, gewuif met doeken als om strijd de voerlieden hunner kleur aanmoedigden en zich tot razernij en waanzin toe al meer en meer

159

-ocr page 164-

DE NIEUWE BALTHAZAR,

opwonden, in geval het eerste vierspan door dat, -hetwelk hem op de hielen zat, werd ingehaald, dan dit weder vooraan kwam, een wagen bi] het omrijden van de spina tegen de meta in stukken sloeg, — heden had het spel geen aantrekkelijkheid voor het volk, en terwijl reeds een groot deel naar de uitgangen drong, begonnen de overigen steeds wilder en luider, naar de keizerlijke zitplaats gekeerd, te fluiten en te schreeuwen.

„Weg met de paarden!quot; riep men. „Waar is de keizer? Wat is er voorgevallen? Geef ons tijding!quot;

Eindelijk trad een heraut vooruit en gebood met zijn staf het stilzwijgen. De wagenmenners hielden hunne paarden in; alles luisterde met gespannen aandacht.

Met luider stemme verkondigde de heraut, dat de goddelijke Maxentius het niet van zijn hart had kunnen verkrijgen om zijn dappere legioenen alleen te laten strijden tegen dien onbeschaamde, die het waagde zijn hand op te heffen tegen de geheiligde hoofdstad des rijks en de feesten van het Romeinsche volk te storen door wapengekletter. Zoo was dan de heldenmoedige keizer aan de spits zijner troepen gesneld om den roem van Caesar te verduisteren; want hij behoefde slechts te komen om te overwinnen.

Eenigen beantwoordden de pralende woorden des herauts met hoongelach, anderen dachten er met schrik aan, dat het bedenkelijk genoeg moest staan met den beslissenden slag, als Maxentius de spelen moest verlaten om zich persoonlijk aan het hoofd der legioenen te stellen; allen hadden slechts ééne gedachte, nu zoo snel mogelijk naar Rome terug te keeren.

In weinige oogenblikken stond de ruime circus leeg en in een dichte hoop rolde de verbazend groote massa van meer dan tienduizend menschen, die elkander stootten en drongen, naar de stad. Het was alsof Constantijn niet van de andere zijde Rome aanviel, maar langs de Via Appia in aantocht was en de voor hem vluchtende menigte vervolgde. Mannen, vrouwen en kinderen schreeuwden wild door elkander; dikke stofwolken rolden met het volk naaide stad, en de zon, welke dien morgen nog zoo vriendelijk had geglimlacht, zond nu gloeiende stralen op de vluchtelingen, die bij allen spoed niet spoedig genoeg de stad konden bereiken.

Sabina had in de groote verwarring te vergeefs haren zoon ge-

160

-ocr page 165-

DE NIEUWE BALTHAZAR.

zocht, te vergeefs om haar slaven en dragers geroepen; er bleef haar niets anders over dan in haar feestgewaad te voet door de dikke stof in de brandende zonnehitte kuchend en druipend van het zweet met de overige menigte zich naar de stad te spoeden.

Toen Maxentius op de door Rufus gezonden berichten over den stand van het gevecht besloot persoonlijk aan het hoofd zijner legioenen te snellen, vleide hij zich nog met de hoop, plotseling door zijn verschijnen het lot van den dag te doen keeren. Nochtans riep hij, toen hij wegreed, den opzichter der gevangenen toe, de Christenen te laten nederhouwen ingeval voor den avond de tijding der overwinning niet zoude zijn aangekomen. „Als het mij euvel mocht vergaan,quot; dacht hij bij zichzelf, „zullen ten minste die honden zich niet over mijn ongeluk verheugen.quot;

Sabinus had gaarne den keizer alleen de lauweren van den dag laten plukken. Hoezeer hij zich ook eerst in de nabijheid van Maxentius had gedrongen om een welgevalligen blik van deze te mogen ontvangen, thans beproefde hij zoo snel mogelijk te ontkomen; doch een wenk des keizers noodzaakte ook hem zich bij het kleine gevolg te voegen. In vliegenden galop ging het langs de Via Appia naar de stad; de bereden boden van Heraclius moesten nu omgekeerd Rufus het bevel overbrengen tot iederen prijs stand te houden, ■totdat de keizer op het slagveld zoude verschijnen.

Van de hoogte, waarop het graf der Cornelii staat, schouwden de diaken Severus en de jonge fossor de voorbijrennende schaar na; zij konden niet twijfelen, wat dit te beduiden had.

De grijze diaken vouwde de handen, hief de oogen ten hemelen sprak met aangrijpenden ernst het eene woord: „Balthazar!quot;

;gi

-ocr page 166-

HOOFDSTUK XIII.

DE SLAG.

^l\'l.quot;\'M.i\' iil.niiillinniirii^

jen groot half uur gaans van de porta Flaminia (thans I Porta del popoio) komen bij de Milvische brug (Ponte 5 ; molle) uit het Noorden twee heerwegen te zamen, de

via Cassia en de via Flaminia. De laatste loopt, van de Villa ad Gallinas, langs den rand van meesten-deels stijle hellingen, die nu eens dichter tot de kronke-lende bedding des Tibers naderen, dan verder terug-öfe wijken en zoo kleinere en grootere vlakten langs den T vloed vormen. Niet ver van de Milvische brug krijgt, tengevolge van een sterkere kromming der rivier, de vlakte een grootere uitgestrektheid, welke thans naar de ruïnen van een oud grafmonument de weiden of prati di Tor di Quinto heeten. Dit is het slagveld van 28 October 312.

Eufus, de veldheer van Maxentius, had zijn leger in een groeten driehoek opgesteld: den Tiber, in welke zich hier juist de verrukkelijke Arno werpt, ter rechter zijde en in den rug, met de beide bruggen stroomafwaarts; links de kleine hoogten, welke door boogschutters en slingeraars werden bezet; vóór zich naar het Noorden de via Flaminia. Deze positie was in zooverre gunstig gekozen, dat Constantijn op het enge terrein, tusschen den Tiber links en de hoogten rechts, zijn strijdkrachten niet vrij kon ontwikkelen en door

-ocr page 167-

DE SLAG.

de overal op de huogteu geposteerde scherpschutters aan een moord-dadigen flankaanval was blootgesteld. Rekent men daarbij de groote overmacht zijner tegenstanders, die naar een oude opgave over een viermaal grooter aantal beschikten, dan waagde Constantijn met zijne door ijlmarschen afgematte troepen een strijd, die menschelijker wijze gesproken meer dan stout was, en die, werd hij verloren, hem dicht bij het doel zijner hoop alles zoude doen verliezen.

Maar Constantijn, vertrouwend op het teeken des hemels, dat hem zoo wonderbaar van overwinning tot overwinning had geleid tot voor Rome\'s poorten, wilde zelfs niet één dag verliezen; hij stelde bij het eerste grauwen van den morgen zijn leger in slagorde en dwong den vijand naar de wapenen te grijpen. Hijzelf, in een schitterende wapenrusting, stralend van goud, op het prachtige, sneeuwwitte ros, reed voor de slaglinie heen en weder en ontvlamde door weinige, maar aangrijpende woorden den strijdlust zijner krijgers.

Met het labarum aan het hoofd hadden de talrijke Christensoldaten in Constantijns leger tot nog toe waren heldenmoed aan den dag gelegd, des te meer daar overal waar het teekeu van Christus in het gewoel van den strijd boven de strijdenden schitterde, de doode-lijke pijlen des vijands hunne kracht schenen verloren te hebben. Doch het Christelijke karakter van dit teeken, dat in het leger al meer en meer werd begrepen, had ten gevolge dat de soldaten en aanvoerders, die nog de goden bleven aanhangen, het meermalen met wantrouwende blikken aanzagen. Zelfs Constantijn wijfelde nog immer en hoewel hij in het diepste zijner ziel aan Christus geloofde en Hem den goeden uitslag zijner ondernemingen toeschreef, toch had hij het tot heden toe niet van zich kunnen verkrijgen met de vurigheid van een levendig geloof tot den God der Christenen te bidden. Thans, in het gezicht van Rome, den hoofdzetel van den afgodendienst, ontstond er weder twijfel in zijne ziel, en deels om zijne heidensche soldaten, deels tengevolge van zijn eigene besluiteloosheid, besloot hij het zesde legioen, welke het labarum tot veldteeken had, eerst dan in den strijd te voeren, wanneer de nood het vorderde. Werd dan door hem de overwinning behaald, dan zoude daarmede zijn laatste bedenken tegen den Christelijken godsdienst worden overwonnen. Daarom wees hij dit legioen een plaats aan wel in het centrum, maar in de achterhoede. Aan het hoofd droeg ook thans

163

-ocr page 168-

DE SLAG.

de centurio Candidus het heilige teeken met zijn in den glans der morgenzon stralend naamcijfer van Christus, en met trots en vreugde aanschouwden de zijnen de gestalte des edelen jongelings, die de Christenen aan den aartsengel Michael herinnerde, toen hij de demonen des afgronds zijn: „Wie is gelijk God?quot; toeriep.

Gordianus had met zijn priesters den goden rijke offers geslacht en verklaarde overgelukkig te zijn den goddelijken keizer te kunnen mededeelen, dat de offerschouw gunstige teekenen had opgeleverd.

Toen nu alles tot den strijd bereid was, gaf Constantijn het teeken tot den aanval. De signalen weerklonken en onder het heldere en wilde schetteren der trompetten en den als een donder rollenden krijgskreet rukten de legioenen in den strijd.

Constantijn zelf had zich aan de spits der Gallische ruiterij gesteld, en hoewel een hagel van pijlen en steenen om hem heen vloog, stormde hij met zulk een onstuimigheid op de vijandelijke ruiterij aan, dat deze den schok niet kon weerstaan en in wilde vlucht zich omwendde. Doch als een ijzeren muur stond het zwaargewapende voetvolk van Maxentius\' legioenen, man aan man. schild aan schild, en op het woud van vooruitgestoken lansen sprong de eerste aanval af. Wel liet Constantijn dadelijk ook de colonnes van zijn voetvolk in het gevecht rukken; maar nu traden ook de oude, met litteeke-nen overdekte pretorianen vooruit — en hunne dapperheid brak toen andermaal de macht der aanvallers.

En nu werd de vijand van verdediger aanvaller. Rufus zelf voerde zijne veteranen aan, met welken hij zoo menige overwinning had bevochten; aan den anderen vleugel rukten de Herkulessen vooruit, zesduizend reuzengestalten, met een leeuwenkop tot helmsieraad, inplaats van zwaarden zware knotsen van staal, fladderende leeuwenhuiden om de schouders. Onder den tred der zwaargewapenden dreunde de grond; de schok was vreeselijk.

„Bij Wodan!quot; brulde koning Eroc vol woede zijn Germanen toe, „heb ik dan oude wijven van hunne spinrokken naar Eome gevoerd? Thor slingere zijn hamer in den rug van elk, die een schrede wijkt!quot;

Het kwam den legioenen van Rufus van pas, dat de zon hen in den rug stond, terwijl zij de oogen der tegenstanders verblindde; daarenboven dreef de Oostenwind dikke stofwolken den troepen van Constantijn in het aangezicht.

164

-ocr page 169-

DE SLAG.

Kufus zoad zijn eerste ijlboden af om Maxentius de gunstige ontwikkeling van den strijd te berichten. De^e tijding kwam juist op het oogeublik, toen liet omhulsel van het standbeeld van Romulus viel; kon er voor den tiran een gelukkiger samenloop zijn? Hij deed zich toch geweld aan het verzamelde volk niet terstond dooiden heraut de blijde boodschap te doen mededeelen; daar de overwinning zeker was, zoo moest toch de uitwerking een grootschere zijn, wanneer hij den Romeinen de algeheele vernietiging zijns tegenstanders kon aankondigen.

Intusschen zwenkte het geluk heen en weer. De soldaten van Constantijn, gedachtig aan de overwinningen, die zij tot nog toe steeds hadden behaald, Rome, het einddoel hunner wenschen, voor oogen, vochten als leeuwen; maar de oude keurtroepen van Maxentius hadden het voordeel van grootere koelbloedigheid, gunstiger stelling en aanzienlijke overmacht.

Ten einde de hoogten van de vijandelijke boogschutters en slingeraars te zuiveren, had Constantijn den tribuun Arsenius met eenige cohorten afgezonden om hen in den rug te vallen; doch deze stiet op een onoverwinnelijken tegenstand, en het moorddadig schieten van de hoogten werkte verwoestend op den rechter vleugel.

Eroc, de grijze koning der Allemannen, had zijn troepen tot een nieuwen aanval op den linker vleugel verzameld en om hen meer aan te vuren het veldteeken aan zijn eenigen zoon, den afgod dei-soldaten, toevertrouwd. Met onverzwakten moed stormden die wakkere krijgers in den strijd; de eerste, die door een pijl in het hart getroffen nederzonk, was de schoone jongeling. Eroc zag het; hij bedwong zijn tranen, die hem in het oog welden. Zijn strijders echter konden eene kortstondige ontmoediging niet weeren. Dit oogenblik maakten de tegenoverstaande Herkulessen zich ten nutte en drongen met onwederstaanbare vaart vooruit. Onder de duchtige slagen hunner stalen knotsen spatten de helmen en pantsers dei-vijanden in scherven, als waren zij van aardewerk. Het voorste van allen, een leeuw gelijk, woedde Martialis, uit meer dan eene wond bloedend en door die wonden nog meer verwoed, en hoopte om zich henen lijk op lijk. De Germanen weken en hunne rangen begonnen zich op te lossen.

Rufus zond een tweeden ijlbode af.

165

-ocr page 170-

DE SLAG.

Constantijn ziet zijn beste helden neervallen, cohorten, die nooit gewankeld hebben, ontmoedigd terugwijken, den vijand met de blijde omstuimigheid der reeds zekere overwinning onwederstaanbaar in zijn legioenen bi-eken, vóór zich Rome, achter zich dood en schande, om zich heen de opeengehoopte lijken zijner krijgers. In dit beslissend oogenblik wendt hij zich tot den God der Christenen.

„Jesus Christus,quot; riep hij uit. hand en oog ten hemel heffend, „is het waarachtig Uw teeken geweest, dat mij boven de zon verscheen en mij de overwinning beloofde, o, houdt dan uw belofte! Dan geloof ik aan U, en met mij zal het geheele rijk U als den eenigen, den waren God aanbidden.quot;

„Het zesde legioen moet in het gevecht,quot; zeide Candidus, en met het labarum vooruit, onder de strijdleus „Christus vincit!quot; Christus overwint! vielen de helden op den vijand aan.

En wonderbaar! Als met één slag wendde zich de krijgskans. Gelijk de vloed der stroomen zich stuwt tegen den steenrots, waartegen hij opspat, maar door wien hij teruggeworpen wordt, zoo stormden, zoo weken de gelederen des vijands. Het was alsof een bovennatuurlijk licht van het in den zonneschijn schitterende naamcijfer van Christus uitstroomde en zijn stralen als een toofngloed des hemels op den vijand terugslingerde. Tegelijkertijd verschenen op de hoogten de soldaten van Arsenius; men zag de vijanden in het rond van de steile wanden naar beneden storten; dra waren de hoogten gezuiverd, en door het breede dal, dat tegenwoordig den naam draagt van den schilder Poussin, vielen de cohorten van Arsenius den vijand in de flank.

„Christus vincit, Christus vincit!quot; klonk het opnieuw; aangemoedigd door het voortdringen van het centrum rukten ook de vleugels weder aan, en steeds luider verhief zich langs de geheele slaglinie, zoowel van de heidensche als van de christen soldaten, de roep: „Christus vincit, Christus vincit!quot;

Rufus knarsetandde van woede, toen het tooverteeken, dat hem reeds meermalen de overwinning had ontrukt en den lauwerkrans van zijn veldheersroem had verscheurd, aan de spits der vijandelijke legioenen verscheen; toen zijne soldaten, tegengehouden en teruggeworpen, te vergeefs den dood te gemoet gingen, toen de pretoria-nen, ja zelfs de Herkulessen begonnen te wijken.

166

-ocr page 171-

DK SLAG.

Een derde ijlbode werd naar Maxentius gezonden. Doch nauwelijks had de keizer met gefronst voorhoofd de tijding vernomen, of een nieuwe boodschap werd gebracht: „Het vervloekte Chrisrus-teeken werpt alles neder; waar is uw belofte? Alleen uw tegtn-woordigheid kan den slag redden.quot;

Maxentius stiet bij deze tijding een vreeseliiken vloek uit. Doch hij moest overwinnen, dat stond buiten twijfel, en verdroot het hem ook de kampspelen te moeten verlaten, zoo was wederom zijn roem dubbel groot, wanneer de overwinning zijn persoonlijk werk zoude zijn.

„Zeer goed,quot; sprak hij, „dan zal ik zelf den stok van Constantijn voor de knie nemen, als Eufus hem niet kan breken. Nazarener!quot; voegde hij er hoonend bij, „wij willen eens zien, wie van ons beiden de sterkste is.quot;

Na een klein uur rijdens kwam hij op het slagveld aan.

Eufus had intusschen, bij de groote meerderheid zijner strijdkrachten, de frische legioenen der reserve in het gevecht kunnen brengen, om door een algemeenen aanval de wijfelende kans te redden en door de wal van de gesloten gelederen was de voortdringende vijand voor een oogenblik tot staan gebracht. Doch het scheen, dat de spits van Constantijns legioenen hemelsche scharen in de lucht voor het teeken des kruises streden, dat onzichtbare handen de pijlen der tegenpartij opvingen en op haarzelf terugslingerde.

Toen Maxentius op het slagveld aankwam, woedde de slag zoover het oog reikte. Gedachtig aan hun schitterend verleden behielden de cohorten der pretorianen hunne oude dapperheid; zij, die zoo vaak keizers op den troon verheven en keizers afgezet hadden, stierven nu den heldendood voor een vorst, die dit offer zoo in het geheel niet waardig was. Met niet minder dapperheid vochten de legioenen van Sicilië en Afrika, ieder spanne gronds met den moed der wanhoop verdedigende, en des te wanhopiger, daar de rivier in hun rug, waarop zij meer en meer werden teruggedrongen, hun slechts de keuze liet te vallen in een eervollen strijd of door de golven verzwolgen te worden.

Het verschijnen van Maxentius werd door zijn getrouwen met gejuich begroet. Den gouden stralendiadeem om het hoofd, om de schouders den fladderenden purpermantel, zonder schut of wapen.

167

-ocr page 172-

DK SLAG.

alleen op den indruk van zijn verschijnen vertrouwend, stelde hij zich aan het hoofd der Herkulessen.

„Bij Herkules, mij na!quot; riep hij zijn lijfwacht toe, terwijl hij zijn ros de sporen in de zijden drukte, dat het wild stijgerend midden in het gedrang der vijanden sprong. Hom volgde Rufus, hem volgden de Herkulessen niet opgeheven knotsen tusschen de vooruitstormende vijanden; — wat vermag het geweld van wapenen tegen de macht des hemels!

Naast Maxentius zonk zijn dappere veldheer neder, door een speer doodelijk getroffen; voor het onweerstaanbaar voortdringende labarum weken de gelederen der Herculessen.

Hiermede was liet lot van den slag beslist.

Weldra werd de vlucht algemeen. In volkomen wanorde, de wapenen wegwerpend, door de Gallische ruiterij vervolgd, snelden allen naar de beide bruggen. Onder den last der vluchtenden week de schipbrug uit elkander, begroef eenigen in den stroom, sneed anderen den weg ter redding af; slechts aan weinigen gelukte het op ronddrijvende planken of in schuitjes den tegenovergelegen, steilen oever te bereiken. Van de vernielde schipbrug wendde de menigte zich nu naar de Milvische brug, nauw op de hielen gezeten door de moorddadige zwaarden en pijlen der vijanden. De steenen borstwering aan beide zijden van de brug kon aan het groote gedrang geen weerstand bieden; zij brak, en voetvolk en ruiters stortten in de diepte en woelden in een vreeselijke verwarring door elkander, met den dood worstelend in den wild omhoog schuimenden stroom. Zelfs zij, die konden zwemmen, werden door anderen, die in hun wanhoop zich aan hen vastklemden, in den vloed omlaag getrokken. Onder hen was Sabinus, de zoon van den prefect der kanselarij.

Maxentius, omgeven en gedekt door zijn Herkulessen en door het laatste overschot der pretorianen, was, langzaam wijkend, tot in de nabijheid van de brug gekomen; maar hier werd het gedrang der vluchtende menigte zoodanig, dat iedere schrede onmogelijk werd. Op dit oogenblik verscheen, aan de spits van het zesde legioen. Constansijn, om door een laatsten slag aan den bloedigen strijd een einde te maken. Terwijl hij nu ook zelf in den roep zijner soldaten „Christus vincit!quot; instemde, drong hij, het laba-

168

-ocr page 173-

DE SLAG.

rum aan zijn zijde), met onweerstaanbare kracht op de vijanden in.

Achter zich de bruisende golven, voor zich het moordende zwaard des naderenden vijands, den dood voor oogen, den dood in den rug, streed de lijfwacht haar laatsten strijd.

Toen Maxentius zag, dat alles verloren was, gaf lüj zijn paard de sporen on sprong van den stellen oever in den stroom. Maaide gezwollen vloed sleepte paard en ruiter mede; in zijn wanhoop klemde zich de dwingeland aan den hals van zijn paard vast en verzonk in de wateren, die zich over hem weder sloten; voor Constantijns oogen verzwolgen hem de golven.

Terstond liet de overwinnaar het teeken geven om den strijd en de vervolging te eindigen. Toen steeg Constantijn van zijn paard, knielde neder en dankte, met ontbloot hoofd, den hemel voor de glorierijke overwinning.

En naast den keizer zonk Candidus, zonken de honderden c\'-isttn soldaten, zonken, door den overweldigenden indruk van het oogen-blik medegesleept, ook de scharen der heidensche krijgers op de knieën; tranen van aandoening rolden langs de gebruinde wangen; ieder voelde het: een hoogere hand had des vijands overmacht vernietigd en den glorierijksten lauwerkrans om het veldteeken van Constantijn gewonden.

Kort na den middag was de groote en\'beslissende slag gewonnen.

Eerst nu dacht koning Eroc aan zijn oon. Hij vond het lijk, het veldteeken nog vast in de hand geklemd, in de nabijheid des oevers. Sprakeloos nam de grijsaard den ju tippling in zijn armen; zijn krijgers wilden hem dezen last afnemen; hij wilde dit niet.

„Zijn vader,quot; sprak hij, „droeg hem in het leven, zoo moeten die vaderarmen hem ook in het graf dragen. Verre van het vaderland leg ik hem neder in ■ ; jemde aarde; docli zijn geest vond zijn weg tot het maal der ipMen in Walhalla.quot;

Aan den voet van een statigen cypres op de hoogte des Tiber-oevers, in volle wapenrusting, het gelaat naar het oosten gewend, werd het ;tjK in de groeve gelegd. Aan het hoofdeneinde plaatste Eroc. het schild van den held en zijn soldaten sneden in de schors vau ir-n boom den naam des jongelings.

De groote strijd, die over de geschiedenis van Eome en van de kerk besliste, vond haar waardige afbeelding in een van die schilder-

169

-ocr page 174-

DE SLAG.

170

werken, waarmede Kafaëi\'s onsterfelijke meesterhand het Vaticaan heeft versierd; voor ons Maxentlus, zooals hij In de golven verzinkt, ter linker zijde Constantijn op een stijgerend paard aan den rand des oevers, het teeken des kruises aan zijne zijde; rechts op de Milvische brug en in bootjes in den stroom de vluchtenden; links een strijder, die het lijk zijns zoons wedervindt.

-ocr page 175-

.............

f\'. I

HOOFDSTUK XIV.

DE REDDER.

Iet was voor Constantijn van het grootste gewicht te | verhinderen, dat de in de stad gevluchte soldaten van i Maxentius zouden beproeven, zich achter de muren weder te verzamelen en het öf tot een belegering, öf

K \'-T1 ^

quot;gt;^3^ tot een straatgevecht zouden laten komen, of zich door

irnr

t

moord en plundering op de weerlooze burgerij over de geledene nederlaag zouden wreken. Zoodra dan de slag-beslist was, gaf hij terstond zijne ruiterij bevel, langs den naar het Vaticaan voerenden straatweg naar Rome te ijlen en deels over de Elische brug bij het moles Hadriani, deels over de Janiculische in de stad te trekken en het Capitool en het Forum te bezetten. Tegelijk werden, om den verstrooiden troepen dei\' vijanden den pas af te snijden, de Milvische brug en de straatweg naar het Vaticaan door troepenafdeelingen bezet. Constantijn gaf aan den bevelhebber der ruiterij Paulinus als begeleider, èn om aan de stadsoverheden officieel de overwinning des keizers en den ondergang van Maxentius te berichten, èn — en dit in de eerste plaats — om het brandende verlangen te bevredigen van den senator naar zijn kinderen, wier lot hem geheel en al onbekend was.

In de stad was, sedert het oogenblik dat de aanvang van den be-slissenden strijd bekend was geworden, de opgewondenheid van uur

__

-ocr page 176-

DE REDDER.

tot uur gestegen, en nogmeer toen Maxentius naar het slagveld ijlde, toen de vluchtelingen in steeds grooter getale naar Rome kwamen, toen de duizenden uit den circus terugkeerden. Allen zweefden tusschen vrees en hoop; de tegenstrijdigste berichten kruisten elkander, en de bedreigingen der in troepen door de straten trekkende soldaten de stad in brand te zullen steken en aan Constantijn slechts een rookende puinhoop over te laten, als Maxentius zoude overwonnen worden, vervulden de geheele burgerij met angst.

De senatoren hadden zich na de onderbreking der feesten in den circus allengs begeven naar den tempel van Concordia, aan den voet van het Capitool, waar de vaders hunne beraadslagingen pleegden te houden. Boden na boden werden uitgezonden om zekere tijding van het slagveld te bekomen; eindelijk kwam het bericht, dat Maxentius zijn dood in de golven had gevonden en de strijd beslist was. Terstond vaardigde de senaat een plechtig gezantschap, aan welks hoofd de nieuwe stadsprefect Annius Anulinus stond, met de gouden beelden van Koma en Victoria af naar het slagveld, om den overwinnaar te huldigen en hem geluk te wenschen. Tegelijkertijd gaf de senaat het bevel om de ridders en senatoren, van welke een groot aantal sedert maanden in ketenen smachtten, benevens alle wegens majesteitsschennis aangeklaagden en veroordeelden op vrije voeten te stellen.

Hoe weergalmde de lucht van gejubel en zegewenschen voor Constantijn, waarmede het volk de uit den kerker bevrijde offers van den gevallen tiran en de van den bouw der basiliek ontslagenen begroette! Nog luider klonk het gejuich en het gejubel, toen kort daarna Constantijns ruiterij over de Elische brug binnenrukte en het Forum bezette.

Paulinus, door zijn vrienden in den Senaat allerhartelijkst verwelkomd, vorschte lang te vergeefs naar zijn kinderen; niemand wist hem over hun lot eenige inlichting te geven; de bezorgdheid des vaders steeg met ieder oogenblik. Eindelijk bracht hem een christen senator de blijde tijding, dat zij in de villa der Quintilii, die bij den vierden mijlsteen aan de Via Appia lag en in bezit eener christen familie was, verborgen waren. Hij had er nog bij kunnen voegen, dat zij sedert eenige weken met nog andere Katechumenen in de christelijke leer werden onderwezen.

172

-ocr page 177-

DE \'REDDER.

Paulinus zond terstond een renbode, om zijn kinderen naar Rome terug te voeren. Had hij echter van de ter dood veroordeelde Christenen in den circus geweten! Met zijn bode ware dan een afdeeling ruiterij medegeijld om hen terstond op vrije voeten te stellen. Doch te midden der algemeene opgewondenheid en der belangrijke gebeurtenissen dacht niemand aan de aanstaande martelaren in den verren circus, en zoo niet een onverwachte hulp, als een reddende engel, verscheen, zoude de dwingeland zelfs na zijn dood nog zijn offers vorderen.

Bij de tijding dat de slag begonnen was had zich in de vroegte de bisschop Melchiades met eenige diakenen en een kleine schaar Christenen in de Katakomben van den H. Valentinus begeven, die, heden geheel vervallen, lagen aan den hoogen weg van deFto-miriin naar de Milvische brug. Daar waren zij dicht bij het slagveld, om terstond na den strijd den gewonden Christenen hulp te kunnen brengen. Van een villa, die niet ver van den ingang der Katakomben op de hoogte der heuvelketen lag, konde men in de verte het slagveld, van dicht bij de eerste langs de Via Flaminia naar Rome vluchtende soldaten, den naar den strijd snellenden keizer, de algemeene vlucht van het geslagen leger zien; zoo bekwamen de beneden verzamelde geloovigen van tijd tot tijd bericht over den gang van den strijd. Terwijl Constantijn en de zijnen met het zwaard vochten, hieven de Christenen hunne armen ten hemel in een vurig gebed, zooals Mozes, toen Israel tegen Amalec streed.

Eindelijk kwam de tijding der overwinning; kort daarna de mede-deeling, dat Maxentius in de golven verdronken was.

Nu verhief zich de grijze opperpriester, om het lofgezang te herhalen, dat Mozes had aangeheven, toen Pharao en zijn leger in de Roode Zee hun ondergang hadden gevonden:

„Zingt lofprijzend tien Heer. die zich glorierijk en groot heeft betoond.

Ros en ruiter begroef Hij in de zee.

Mijn kracht is de Heer; Hij is mijn redder en God.

Ten strijde verhief zich de Held.

— de Almachtige is zijn naam —

En slingerde Pharao\'s leger en zijn wagens in de diepte.

Geweldig toonde zich Uw arm; hoe trof Uw rechterhand den vijand!

„Vervolgen,quot; sprak hy, „wil ik hen; mijn zwaard vernietige hen allen.quot;

Een ademtocht van U — daar bedekt hen de zee;

Zij verzonken in de golven als lood.

Gij voerdet in genade Uw volk. o Redder.

En droeg het. vol erbarmen, op Uw machtigen arm.quot;

173

-ocr page 178-

DE EEDDER.

Toen vertrok de grijze bisschop met zijn geestelijken en de ge-loovigen, die zich om hem hadden verzameld, naar het slagveld. Want behoorde het, dat dc Roomsche Kerk op de eerste plaats den overwinnenden keizer dank- en heilwenschen bracht, zij mocht niet minder de eerste stonde, die haar na driehonderdjarigen druk de vrijheid gaf. toewijden aan de werken van liefde en barmhartigheid, die ten allen tijde de roeping en tevens het kenmerk van Christus\' kerk zijn geweest. Van het aanschijn des glorierijken overwinnaars, die in den naam Gods den vijand had nedergeworpen en vernietigd, wilden zij naar de arme verwonden en de verlaten stervenden ijlen, om in denzelfden gezegenden naam hunne smarten te verzachten en hen in hun doodsuur te troosten. Maar nog een bijzondere reden drong den bisschop spoed te maken om den keizer te zien: de gedachte aan de ter dood veroordeelde Christenen in den circus. Wat was hun lot? Waren zij reéds nedergehouwen? Men wist dat hun terdoodbrenging voor het slot der spelen was bevolen; de wedren was zeer waarschijnlijk nog niet begonnen, toen Maxentius den circus verliet, of hij was door zijn vertrek onderbroken geworden; doch hoopte de paus aldus, dat de gevangen Christenen nog in leven waren, bevonden zij zich dan niet nog in gevaar als offers te vallen van den Christenhaat en de wraak hunner bewakers? Constantijn alleen kon hen redden, en met de angstige bezorgdheid van een vader voor zijne kinderen spoedde zich de grijze bisschop om van hem de bevrijding der Christenen af te smeeken.

Toen de paus in het kamp verscheen, was de keizer juist met zijn staf ten krijgsraad verzameld, waarin onder anderen ook de intocht in de stad nog voor den avond besloten werd; eigenhandig had Constantijn Candidus met de onderscheidingsteekenen van krijgstribuun bekleed en hem den gouden ring aan den vinger gestoken. De keizer zelf, zoowel als zijne omgeving, was nog geheel onder den machtigen indruk, dien de groote beslissing van den dag op hen allen gemaakt had. De ernst van het oogenblik werd nog vermeerderd door de gedachte aan meer dan een der trouwe wapengezellen en krijgsoversten. die, gesneuveld of zwaar gewond, in de verzameling ontbrak.

Het was een oogenblik van groote beteekenis in de wereldgeschiedenis, toen de grijze hoogepriester voor den jeugdigen en overwinnenden imperator verscheen. iN\'adat drie honderd jaren lang de

174

-ocr page 179-

HE REDDER.

naam van Christen voor Home en de Homeinsclie wereld een vloek was geweest, nadat de keizers zoo lang ondergang en verderf hadden gevreesd van den Christengod en daarom Zijn aanhangers op de bloedigste wijze hadden vervolgd, zoo was het thans de God der Christenen , door Wien Constantijn zich met de overwinning zag gekroond, zoo was het de Christen bisschop, die hem het eerst uit de hoofdstad hulde en heilwenschen bracht. Uit de drie honderdjarige duisternis der Katakomben trad de reine bruid van Christus, de kerk, voor den nieuwen imperator en bood hem haar hulp aan om op de puinhoopen der oude wereld een nieuwe en gelukkigere, een betere te grondvesten. Sacerdotiuw en Imperium ontmoetten elkander voor de eerste maal in heilvoorspellende vriendschap.

Het verschijnen van den grijzen bisschop en de eenvoudige en toch zoo waardige wijze, waarop hij tot den keizer sprak, maakte op deze, zoowel als op zijn omgeving, een onmiskenbaren indruk. Onwillekeurig vergeleek Constantijn hem met Gordianus en de andere heidensche priesters; hoe geheel anders trad deze priester des Christendoms op! Constantijn voelde het, dat hij tegenover een paus stond.

De opperherder haastte zich op zijn gelukwensch terstond de bede te doen volgen om een bode op een vlug paard naar den circus te laten afzenden.

Candidus had zich tot nog toe uit eerbied voor den keizer en voor den paus geweld aangedaan om niet naar zijn moeder te vragen, zoo gaarne hij ook uit den mond van den bisschop het bericht van zijn bode bevestigd zag. Op de mededeeling, dat Christenen in den circus ter dood waren veroordeeld, zoo zij niet reeds ter dood waren gebracht, overviel hem plotseling een vreeselijk voorgevoel en verbleekend richtte hij met bevende stem tot den paus de vraag:

„Waar is mijn moeder?quot;

Melchiades draalde met het antwoord.

„Is ook zij____?quot; riep Candidus, en daar hem het zwijgen des

grijsaards alles zeide, wierp hij zich voor de voeten des keizers en bad hem om de vergunning, naar den circus te mogen snellen.

Constantijn liet terstond de snelste Andalusische renners voorbrengen; meteen zond hij ijlboden naar de stad aan de oversten

175

-ocr page 180-

DK REDDER.

der ruiterij, om zonder dralen twee decuriên naar den circus aan de Via Appia te zenden; terwijl hij aan Candidus het eigenhandig geschreven bevel ter hand stelde, om de gevangenen terstond in vrijheid te stellen, sprak hij:

„De tijding van onze overwinning en van den ondergang van Maxentius zal reeds daar aangekomen zijn en dan zijn de gevangenen voorzeker reeds vrijgelaten; zoo niet, dan zult gij de welkome bode zijn, die uw edele moeder en de andere Christenen in triumf naar Rome zal voeren. Ik zal den intendant van het keizerlijk paieis van Lateranen het bevel doen toekomen, voor uw moeder, en voor wien het later noodig zal blijken, een vleugel van het paleis gereed te houden. Ga nu spoedig; God, die ons naar Rome heeft gevoerd, zal ook u in de armen uwer moeder voeren.quot;

Constantijn verzweeg de gedachte aan de mogelijkheid, dat Maxentius juist voor het geval van zijn nederlaag hun dood kon bevolen hebben; Candidus koesterde dezelfde vrees. In vliegende haast joeg hij langs den straatweg, die op den rechter oever des Tibers en voorbij de Vaticaansche hoogten in de stad voert, daar deze niet belemmerd was door gedrang. Toen ging hij door het Transtibe-rijnsche kwartier langs den circus Maximus en de baden van Caracalla de porta Appia weder uit. Het edele ros scheen, toen hij weder in de vrije natuur was, nauwelijks het zand aan te raken en toch had Candidus zich nog vleugels gewenscht. Gepijnigd door klim-menden angst zuchtte hij en smeekte hij uit het diepst zijner ziel tot den hemel:

„O, laat mij niet te laat komen!quot;

Met Valeria had zich een aantal geloovigen. meestal naaste bloedverwanten der ter dood veroordeelden, sedert het aanbreken van den dag naar den circus begeven, om de lijken der martelaren naar het Cemeterium van Callistus over te brengen; later was ook de diaken Severus met den fossor Mincius en de andere fossores daar aangekomen. Uit een uitdrukking, een van de daarbuiten wachtende hofslaven ontvallen, had men vernomen, dat de strijd ontbrand was en onwillekeurig knoopte zich aan dit bericht de hoop op redding der gevangenen. Dan waren de eerste boden van Rufus gekomen en met angst en zorg hadden de Christenen gehoord, hoe zij de een na den ander blijde den voorspoed der keizerlijke wapenen verkondigden.

176

-ocr page 181-

DE REDDER.

„O Heer!quot; zuchtte Valeria uit den grond van haar hart, „laat het öffer, dat de martelaren IJ brengen, Uwe hulp over Constantijn afsmeeken!quot;

Het kwam haar zelfs voor een oogenblik in haar hoofd om, als de bloedgetuigen ter dood zouden geleid worden, zich tot hen een weg te banen en zich als Christin bekend te maken, om het offer van haar leven in de weegschaal der beslissing te leggen; slechts de gedachte aan haar vader hield haar terug. Toen waren de derde en de vierde bode verschenen. Maxentius had te midden der feestelijkheden den circus verlaten, om met slappen teugel naar Rome te ijlen; de algemeene vlucht des volks liet geen twijfel meer, dat de overwinning zich naar Constantijn neigde en triompheerend riep de diaken Severus den jongen fossor toe:

„Denkt gij aan koning Balthasar en aan het geheimzinnige schrift ?quot;

Valeria had de vraag gehoord. „Na Balthasar,quot; riep zij uit, „kwam de koning, onder wien God Daniël uit den leeuwenkuil redde; de Almachtige zal heden een gelijk wonder verrichten!quot;

De hoop is als een troostende moeder, en bijzonder de jeugd vlijt zich gaarne aan haren boezem en vergeet bij haar zoet lachje, dat de ontgoocheling met hare duistere trekken en haar koud hart de stiefzuster der hoop is.

Irene vrij! — Deze gedachte deed Valeria van vreugde trillen.

„Mijn God,quot; verzuchtte zij, „is het zonde, als mijn ziel zich verheugt bij de gedachte, dat mijn moeder van de deur des hemels aan het hart harer dochter wordt teruggevoerd? Mag ik mij niet verheugen bij de gedachte, dat deze edele matrone, gelijk de grijze Jakob, haar zoon weder zal vinden?quot;

De gevangenen waren den vorigen avond in een gewelf van den circus opgesloten geworden; hoe gaarne had Valeria nu met hen gesproken! Zij waagde het den centurio, die met hun bewaking was belast, dit verzoek te doen, doch deze wees haar barsch af, terwijl hij er hoonend bijvoegde:

„Zij weten het al, dat zij moeten sterven! Of wilt gij misschien getuige zijn van de aangename verrassing, als het plotseling zal klinken: Nu voort naar de slachtbank?quot;

De diaken Severus had eenige jonge lieden, kort na elkander, naar de stad gezonden om berichten in te winnen. De eerste boden

12

177

-ocr page 182-

DE REDDER.

kwamen nu terug en brachten de tijding, dat men in alle straten troepen van vluchtende soldaten zag; men zeide, dat Rufus gesneuveld was en Maxentius gevangen genomen. De centurio liet hen voor zich komen; maar nadat hij deze berichten had aangehoord, herhaalde hij zijn verklaring:

„Dit alles hindert niets aan het bevel, dat ik uit \'s keizers mond zelf heb ontvangen. Gij, Christenen,quot; voegde hij er nijdig bij, „hoopt, dat de goddelijke Maxentius verslagen wordt, en gij zoudt vreugdedansen om zijn lijk willen uitvoeren. Doch dan wil ik, zijn centurio, den grooten doode als eerste plengoffer het bloed der uwen offeren.quot;

„Gij zoudt dan, als Constantijn verwint,quot; sprak nu Severus, „van hem slechten dank verdienen, als gij het zoo bloedige en wreede bevel des overwonnene hebt uitgevoerd.quot;

Maar de centurio bleef onverbiddelijk en den Christenen ontzonk de hoop de gevangenen gered te zien, in\' dezelfde verhouding, waarin hunne verwachting op Constantijn\'s overwinning door de berichten der nieuw aankomende boden meer en meer zekerheid kreeg.

Valeria alleen hield vol. Wel zag ook zij niet, vanwaar hulp en redding moest komen, maar, al legde zij ook in een nieuwe acte van opoffering en berusting alles in Gods hand — zij kon niet gelooven, dat de hemelsche Vader haar de zalige hoop van het wederzien had laten schijnen, alleen om haar zwaar offer dubbel zwaar te maken. Vriendelijke engelen gelijk, speelden om haar ziel gestadig de gedachten aan het gelukkigste der oogenblikken, waarop zij haar moeder gered in de armen zoude kunnen sluiten, waarop alle gevangenen in jubel en blijdschap naar Rome zouden terug-keeren, om met hun gemeenschappelijke moeder, de Kerk van Christus, de zegepraal te vieren.

In de, hoewel nog zoo zwakke, hoop, dat misschien toch nog op de een of andere wijze een geheel vertrouwbaar en zeker bericht over Constantijn\'s overwinning naar den circus mocht geraken, hetwelk dan den centurio zoude doen veranderen van gevoelen, had Severus op de hoogte bij het graf der Cornelii Mincius als wachter geplaatst. Vandaar kon men de Via Appia verre afzien tot aan de stad; tot aan den circus stonden andere mannen, die zouden overbrengen, wat de wachten bespeurden.

Na lang wachtens signaleerde Mincius eindelijk een ruiter, die in

178

-ocr page 183-

DE REDDER.

militaire kleeding kwam aanrennen. Door eenigen zijner soldaten begeleid, door de geloovigen gevolgd, begaf zicii de centuiio naar de Via Appia.

Eindelijk kwam de ruiter; het was de dienaar, dien Paulinus tot zijn kinderen op de villa der Quintilii had gezonden. Vol bange verwachting verdrongen de Christenen zich om hem; zelfs Mincius was van zijn post den bode nagesneld. Wel gaf hij de zekere en ontwijfelbare tijding, dat Maxentius gevallen was: maar juist dit prikkelde den centurio tot de uiterste woede, om nu den dood des keizers op de Christenen te wreken. In den circus teruggekeerd, beval hij zijn soldaten de gevangenen voor te brengen.

„In het midden van de Arena,quot; riep hij, „aan de voeten van het beeld van Romulus, brengen wij de schim van den imperator het groote doodenoffer!quot;

ïe vergeefs smeekten hem de geloovigen van de voltrekking van het bloedige bevel af te zien; te vergeefs wierp zich de grijze diaken Severus aan de voeten des officiers; de hardvochtige krijgsman bleef onverbiddelijk. De gevangenen werden uit hun verblijf gevoerd; de cohorten der soldaten namen hen in hun midden — om hen den dood te gemoet te voeren.

Valeria zag Irene; sprakeloos strekte zij de armen naar haar moeder uit. Terwijl zij met onuitsprekelijke innigheid en met de gloeiendste vurigheid haar hulpgeroep voor den troon der almachtige Erbarming opzond, volgde zij met de klagende en weenende geloovigen de gevangenen in den circus naar de plaats, waar hun vonnis zou worden voltrokken.

Maar nu had een onverwachte wending plaats. De mededeeling van Paulinus\' bode had zich spoedig onder de cohorten der soldaten verspreid; was Maxentius gevallen, Constantijn keizer en Rome in zijn bezit, dan moest de uitvoering van het bloedbevel voor hen allen de ergste gevolgen hebben. Reeds onwillig, talmend en morrend, hadden zij de gevangenen in de arena gevoerd; thans, nu de centurio hun beval de zwaarden te trekken, op de gevangenen in te houwen en hen allen te dooden, bleven de soldaten onbewegelijk staan en weigerden te gehoorzamen.

Valeria had dit niet bemerkt of zij hief haar handen juichend ten hemel en riep jubelend:

179

-ocr page 184-

DE REDDER.

„Heb dank, heb dank, almachtige God! Gij, die Mozes uit de handen van Pharao en Daniel uit den leeuwenkuil bevrijdde, — ik wist het wel; Gij laat niet ten schande worden, die op U vertrouwt.quot;

Met deze woorden wilde Valeria, reeds zeker van de redding dei-gevangenen, naar Irene toesnellen. Maar de centurio stiet haar woedend terug, uitroepend:

„Bij Herkules! levend of dood, is mijn keizer mijn keizer, en ziin bevel zal uitgevoerd worden! En als gij, soldaten, den goddelijken Maxentius, die u met weldaden heeft overladen, snood wilt vergeten en als oproerlingen gehoorzaamheid wilt weigeren, dan —quot;

Op dat oogenblik riep oen der landlieden, die zich in groote getale bij den circus hadden verzameld, dat men op de hoogte der Via Appia een tweeden ruiter in vliegende vaart zag aan komen rennen.

Met duisteren blik liet de centurio zijn zwaard zinken en zond eenige soldaten naar den uitgang van den circus. Valeria en andere Cnristenen volgden hen in angstige spanning.

Met lossen teugel kwam langs de Via Appia een ruiter in wapenrusting aanrennen, een blad papier omhoog houdend. „In naam des keizers,quot; riep hij reeds uit de verte, „houdt in, houdt in!quot;

Het was Gandidus, die op zijn paard, dat droop van het zweet, op het laatste oogenblik nog verscheen.

Alles week voor den ruiter op zijde en — in den circus stormen, van het paard springen, met de woorden „moeder, moeder!quot; op de schaar der gevangenen toesnellen en Irene, die de armen naar haar zoon uitstrekte, aan het hart drukken, was het werk van een oogenblik.

„Moedertje, zoet, lief moedertje!quot; meer kon Gandidus niet zeggen, zoo overweldigde de vreugde hem.

Sprakeloos, tranen van zaligheid in de oogen, boog de matrone haar hoofd over haar zoon en drukte hem aan haar moederhart — in een lange, onuitsprekelijk gelukkige omhelzing.

Zelfs de ruwe soldaten stonden geroerd, toen zij dit aanschouwden. De centurio was door die zoo plotselinge en schier wonderbare verschijning van een redder in de persoon van den krijgstribuun ten hoogste verrast; hij had Constantijn\'s bevel gelezen, dat Gandidus hem had toegeworpen en nu klonk in de verte de hoefslag der naderende ruiterij. Nu verklaarde hij luide:

180

-ocr page 185-

DE REDDER.

„Het is mij onmogelijk gemaakt om het bevel van den goddelijken Maxentius te volvoeren. Dat dan de wil des overwinnaars gelde: de gevangenea zijn vrij.quot;

Deze woorden werden met een luid gejuich door de Christenen begroet; de diaken Severus en de overige geloovigen snelden naar de gevangenen toe; hier omarmde een man zijn vrouw, daar een zoon zijn vader, een broeder zijn broeder, onder tranen van de zoetste vreugde. Wanneer de hemel de olie van zijn troost in de uitgaande lamp giet, dan flikkert de vlam spoedig weder op, en van de plaats, waar zoo even het bloedige offer van het martelaarschap zoude worden gebracht, steeg nu de wierookgeur van een innig dankgebed tot voor den troon des Allerhoogste.

Hoe Valeria ook brandde van verlangen om Irene aan haar borst te drukken, zoo had toch haar fijngevoeligheid en haar maagdelijke kieschheid haar teruggehouden om de geliefde moeder te naderen, die in de eerste zalige oogenblikken van het wederzien van haar zoon, te meer onder zulke omstandigheden, hem eenig en alleen moest behooren. Zwijgend stond zij ter zijde, het hart overvol van geluk en blijdschap, een lachje van zoete vreugde om hare lippen. Zoo geleek zij een roos na het onweder. Nog hangen de regendroppels als tranen aan dè blaadjes, maar reeds spiegelt zich in hen de zon en giet over de bloem nieuwen geur en liefelijke aanvalligheid. En toen Irene nu Valeria zag, op haar toesnelde, haar in haar armen sloot, toen was het haar beiden, alsof een hand van boven den bitteren lijdenskelk van hunne lippen had weggeslingerd en droppels uit de bron der zaligheid in hunne zielen neervielen.

„Dat is mijn zoon, mijn Candidus!quot; riep haar blijde de overgelukkige moeder toe.

„God alleen,quot; sprak Valeria, terwijl zij zijn hand niettegenstaande zijn wederstreven aan haar lippen drukte. „God alleen, die u gezonden heeft, kan u het zoete geluk van dit oogenblik vergelden.quot;

Blozend sloeg zij de oogen neder.

„Edele maagd,quot; antwoordde Candidus, verrast door den adel en de lieftalligheid van Valeria\'s verschijning, „het is het beroep van den soldaat wonden te slaan en den dood te brengen; maar zoeter is het hem toch, als hij leven schenken, wonden heelen en tranen droegen kan. Dat ik als zoon het leven van mijn moeder, als Christen

181

-ocr page 186-

DE REDDER.

het leven van roemwaardige belijders kon redden, dat is een geluk en een genade, waarvoor ik gaarne al de snel verwelkende lauweren des oorlogs afsta.quot;

Ondertusschen waren de keizerlijke ruiters aangekomen. Daar zij de gevangenen reeds in vrijheid zagen, gingen zij uit op buit, en dra verkondigde hun gejubel en tevens een van Candidus gezonden kameraad, dat zij een rijk bezette, nog niet aangeroerde tafel in de zaal boven de ingangspoort ontdekt hadden. De gevangenen hadden, sedert de Coena libera in den vorigen avond, niets genuttigd; zij hadden behoefte aan een verkwikking voor dat zij naar de stad terugkeerden; onder algemeene vreugde deelden de soldaten met hen de lekkere hapjes der keizerlijke tafel — aan het boveneind der zaal was tusschen kransen en kostbare draperiën het borstbeeld van den tiran aangebracht; de soldaten rukten het neder, staken het de oogen uit, gelijk Maxentius het met de afbeeldingen van Constantijn had gedaan, en besloten het als zegeteeken in triomf naar Eome te voeren.

Daar de Christenen verlangden spoedig aan de algemeene vreugde over de overwinning deel te nemen, zoo brak de gelukkige schaar na een korte verkwikking op, en nadat zij nog eens vereenigd hart en hand tot een dankgebed ten hemel geheven hadden, gingen zij op weg. Voor hen uit reden de ruiters met hun zegeteeken naaide stad. Op bevel van Candidus had een van hen Mincius achter op zijn paard genomen, opdat hij naar het verlangen van Valeria, zoo spoedig mogelijk haar vader Irene\'s redding en die der overige Christenen zou mededeelen.

Tusschen Candidus en Valeria inwandelend, liet de gelukkige moeder zich door haar zoon verhalen, wat hij ondervonden had gedurende den veldtocht en bijzonder het verloop van den jongsten slag. Hoe opmerkzaam luisterden beide vrouwen naar zijne beschrijving; hoe verheugd waren hunne harten over de zichtbare inwerking van God; hoe gelukkig schouwden zij nu uit den vervlogen nacht dei-beproeving in eene vroolijke toekomst, die als een gulden dageraad voor hun blik verrees! — Dan kwam de beurt aan Irene om te verhalen, wat zij had beleefd en geleden. Haar verhaal was te gelijk een schildering der beproevingen en rampen, die over Ruflnus en zijn dochter en over de andere Christenen waren gekomen. Telkens en

182

-ocr page 187-

DE REDDER.

telkens moest de maagd blozen over den lof haar toegezwaaid; te vergeefs zocht zij dien af te weren door hare dankbaarheid te betuigen voor de moederlijke liefde, met welke Irene haar had ter zijde gestaan. Candidus hoorde, diep ontroerd, de treffende woorden zijner moeder; vol vromen eerbied zag hij zich te midden eener schaar van belijders, die deels in de gevangenis, deels als bouwslaven alle soort van nood en ellende hadden verdragen. Voorzeker, terwijl Constantijn\'s leger met het zwaard in de vuist om de overwinning-streed, hadden al dit lijden en al die offers der geloovigen in Rome zich als smeekende kinderen voor den troon der goddelijke majesteit nedergeworpen om den triomf van Constantijn, de overwinning des kruises af te smeeken.

Doch den diepsten indruk maakte op Candidus de offervaardige moed, waarmede Valeria de angsten van haars vaders gevangenschap in de mamertijnschen kerker had gedeeld en een schier bovenmensche-lijken last van lijden en smarten had gedragen. Was er, vraagde hij zich af, onder Rome\'s dochteren wel een edeler, hooghartiger maagd dan zij? Valeria moest moeder en zoon verhalen, wat zij had ondervonden sedert de gevangenneming van Irene, en de wijze, waarop zij dit deed, bijzonder waarop zij het gelukkige wedervinden van haar vader beschreef, onthulde een hart van zulk een edelen zin, dat Candidus slechts zijn moeder bij haar kon vergelijken en volkomen de innige liefde begreep, welke beiden verbond. De mede-deeling, dat Rufinus in een hut in het transtiberijnsche verborgen was, beantwoordde hij zoowel als zijn moeder met het deelnemende voorstel Valeria terstond daarheen te begeleiden.

„Mijn keizer,quot; liet de tribuun er opvolgen, „heeft ons een vleugel van het Vaticaansche paleis aangewezen; daarheen zullen wij den edelen stadsprefect brengen, totdat hij binnen kort weder op \'s keizers bevel in zijn eigen paleis kan wederkeeren.quot;

De diaken Severus had op Candidus\' verzoek een fossor naar het naaste dorp gezonden om voor Irene en Valeria een wagen te halen. Deze haalde nu de voetgangers in; de vrouwen namen er in plaats, Candidus besteeg weder zijn paard en reed naast den wagen naaide stad. De overige geloovigen volgden te voet.

Destijds was de tegenwoordig ledige en verlaten streek, van de baden van Caracalla tot de Appische poort en nog verder dan deze.

183

-ocr page 188-

DK REDDER.

door een dichte bevolking bewoond, en naa«t het oude grafmonument der Scipio\'s en de Columbaria der vrijgelatenen van Augustus verhieven zich huizen, paleizen en villa\'s in grooten getale. Hoe meer Candidus en de beide vrouwen de stad naderden en vooral toen zij in de bevolkte straten kwamen, vernamen zij van alle kanten de uitingen der eenstemmige vreugde der Romeinen over de bevrijding van het juk des geweldenaars. Zij zelf waren het voorwerp der bewondering en van de algemeene verbazing; de schoone tribuun uit Constantijn\'s leger, die op zijn edel ros naast de armzalige boerenwagen als een beschermende geleider van twee schamel gekleedde vrouwen reed, was voor allen een raadsel. Vooral ds vrouwen en meisjes staken de hoofden bijeen en vervielen in de vreemdste veronderstellingen om het raadsel op te lossen.

Toen nu het gezelschap over de Tiberbrug den weg insloeg naar het transtiberijnsche kwartier, waar, zooals nog heden ten dage, hst geheele leven en doen der arme klassen zich op straat vertoont, waar de handwerklieden bij open deur arbeiden en de venters en koopvrouwen hun waren en groenten voor de huizen ten verkoop hebben uitgestald, toen kwam daar alles in beweging. Kinderen en volwassenen liepen den wagen achterna; men moest toch zien, waar hij heenging. En toen ruiter en wagen een der ellendigste straatjes insloegen, voor de hut van Mincius stil hielden, en de tribuun en de vrouwen door de lage huisdeur binnentraden, verdrong zich het nieuwsgierige volk van alle kanten om een blik naar binnen te kunnen werpen. Honderd maal moest de boerenknaap, die als koetsier dienst deed, herhalen, dat hij niet wist, wie de voorname ruiter en zijn begeleidsters waren. Wel herinnerde zich een van de buurvrouwen, dat zij beide vrouwen dikwijls gezien had, die Rustica, toen deze kraamvrouw was, bezochten, maar zij had zich destijds de moeite niet gegeven te vragen wie zij waren; er kwam geen einde aan het raden en aan de veronderstellingen. — Sedert Rustica had vernomen, dat de slag tusschen Constantijn en Maxentius was begonnen en vooral, toen in den namiddag het tumult in de stad, dat al heviger en heviger werd, ook in haar afgelegen straatje gehoord werd, werd zij hoe langer -hoe meer bezorgd voor Valeria. Zij verweet zich gestadig,» dat zij het meisje alleen had laten uitgaan; te vergeefs trachtte zij zichzelf te verontschuldigen met de zorg voor haar kind, voor

184

-ocr page 189-

DK REDDER.

den zieke en voor liet huishouden, te vergeefs zich gerust te stellen met de gedachte, dat Mincius wel voor de veiligheid van Valeria zoude gezord hebben. Zelfs de tijding der overwinning, die zij van een buurvrouw vernam, kon haar niet vroolijk maken, daar zij dacht aan de gevangenen in den circus, die de tiran zeker reeds aan het zwaard had overgeleverd, nog voordat hij zich naar het slagveld had gespoed. Steeds dringender riep de raaf, toen de tijd daar was, waarop hij eten kreeg, haar zijn „Ave Ensticaquot; toe: zij lette er niet op en toen de kleine, zwarte bedelaar, al te lastig werd, stiet zij hem barsch op zijde. Haar moeder echter, die met haar fijn, den blinden eigen gevoel dra de booze luim harer dochter had ontdekt, maakte het haar eerst recht lastig met allerlei vragen, waardoor het goede oudje de oorzaak hiervan zocht te weten te komen.

Eufinus had dien morgen slechts ongaarne er in bewilligd, dat zijn dochter naar den circus zou gaan; toen Valeria \'s middags nog niet teruggekeerd was, werd de zieke al onrustiger. Om den prefect niet ongerust te maken, had Rustica nog niets gezegd van den slag; in de hoop zijne gedachte van zijn dochter af te. leiden, deelde zij hem nu mede, wat zij had vernomen. De overwinning van Con-stantijn verheugde hem zeer; maar waarom was zijn dochter er niet om deze vreugde te deelen?

Toen de zon reeds ten ondergang begon te nijgen en Valeria nog maar niet verscheen, weid Kustica hevig bezorgd. I-Ioe gaarne ware zij naar den circus geijld, had zij den zieken prefect en haar moeder maar alleen durven laten! Wel honderd maal in een uur snelde zij naar de deur om uit te zien of het meisje nog niet kwam. Eindelijk zag Eustica haar man; — hij kwam zonder Valeria! In vreeselijken angst snelde zij hem op straat te gemoet; — zij brak in luid gejubel uit, toen Mincius haar de redding van Irene door haar zoon mededeelde en verhaalde, dat Valeria hem zond, om haar vader die blijde tijding te brengen.

„Hebt gij niet gevraagd, waarheen de jonge tribuun zijn moeder zal brengen?quot; riep zij uit. „Al hielden tien paarden mij tegen, ik moet naar haar toe om haar geluk te wenschen!quot;

„Nu,quot; antwoordde Mincius, „hij zal aanstonds met haar mede gaan naar haar woning op den Aventinus.quot;

185

-ocr page 190-

DE REDDER.

„In dat armoedige kamertje? Wat praat gij toch, man! Maar nu spoedig naar binnen, en breng den zieke het gelukkige nieuws! — God zij dank!quot; riep zij juichend, terwijl zij achter haar man in de hut ging.

Dat zijn dochter goed en wel behouden, Irene benevens de overige gevangenen door haar zoon gered, Rome in volle voorbereiding voor den triumfeerenden intocht des overwinnaars was, verheugde Eufinus het eene nog meer dan het andere; ieder oogen-blik onderbrak hij met vragen het verhaal van Mincius.

Daar klonk op de straat het rollen van een wagen, die snel kwam aanrijden.

En hoe? — Hield hij niet stil voor haar hut? Juist wilde Rustica nieuwsgierig- naar het venster snellen, toen de deur openvloog en Valeria het vertrek binnenstormde met de woorden:

„Tata, moeder is vrij en al de gevangenen; Candidus, haar zoon. heeft hen gered; beiden komen om u te groetenquot;.

Nu traden Irene met haar zoon binnen.

Rufinus verzamelde al zijn krachten om hun eenige schreden te gemoet te gaan en hen te verwelkommen en geluk te wenschen. Mincius en Rustica aanschouwden met blijde nieuwsgierigheid den krijgstribuun; zulk een hoog bezoek had hun armoedige hut nog niet ontvangen. De blinde moeder, die zij zacht hadden in \'t ooi-gefluisterd, wie de vreemde was, moest met alle geweld zijn hand kussen. Rustica nam haar zuigeling uit de wieg, om hem ook deel te laten nemen aan de vreugde, die in de arme hut ieders hart vervulde. Toen nu Irene haar in de armen sloot en Candidus haar overlaadde met woorden van lof over de redding van den stadsprefect, toen ontbraken haar, hoe welbespraakt zij anders ware, van verlegenheid de woorden.

Met hartelijken dank nam Rufinus afscheid van de brave menschen, die hem met zooveel liefde hadden opgenomen en verpleegd.

Terwijl Mincius en Candidus hem behulpzaam waren om in den wagen te stijgen, verdrong zich de nieuwsgierige menigte om Rustica, om haar fluisterend te vragen, wie de tribuun, wie de zieke, wie de beide vrouwen waren. Rufinus was door het lijden, dat hij had ondergaan, zoo verouderd, dat die lieden hem niet herkenden; wie had bovendien kunnen vermoeden, dat de ter dood veroordeelde

186

-ocr page 191-

DE REDDER.

prefect een toevlucht had gevonden in een hut van het trantibe-rijnsche ?

Zoodra nu Rustica aan de omstanders had verraden, wie de geheimzinnige personen waren, verhief zich een luid gejubel. Ieder wilde den prefect zien en hem zijn eerbied betuigen. Juichend volgden allen den wagen. Uit de straat zoowel als uit de zijstraatjes kwam jong en oud toegestroomd en zoo werd hun tocht door hettransti-berijnsche een soort triumftocht voor Euflnus.

Mincius en zijn vrouw, die de wegrijdenden tot aan het eind dei-straat met het oog volgden, moesten nu de geburen alles verhalen, en er kwam geen eind aan het vragen en aan hun verbazing. Rustica verzweeg echter, dat zij den prefect gered had en op wat wijze zij dit verrichtte. Wat zij gedaan had, dat had zij uit dankbaarheid _ en uit christelijke naastenliefde gedaan, en de goede uitslag was zoo geheel en al het werk van Gods hulp, dat zij zich daarvan g^en verdienste toerekende. Zij bepaalde zich dan tot het verhalen, dat er \'s nachts aan haar deur geklopt werd en dat toen haar man had geopend, een arme om onderkomen had verzocht; dat, daar de man geheel hulpbehoevend was, Mincius hem niet konde afwijzen. Dat zij zelf den zieke bij zich in huis had gebracht, verzweeg zij.

Bij het afscheid had Candidus den fossor verzocht naar het slagveld te ijlen en den paus de redding der gevangenen mede te deelen. Met welke vreugde ging Mincius thans op weg om deze eervolle en verblijdende opdracht te volbrengen!

De zon was reeds ondergegaan, toen Candidus de zijnen in het Vaticaansche paleis voor eenige uren verliet om naar het kamp te gaan. De intendant, verheugd den nieuwen keizer dienst te kunnen bewijzen, had, gehoorzaam aan diens bevel, een reeks der schoonste keizerlijke vertrekken ter beschikking van Candidus gesteld en droeg voor de verpleging en de bediening der gasten de grootste zorg.

Toen Candidus door de straten der stad reed, waar hij wegens .de groote menigte menschen den teugel niet durfde vieren, zag hij hoe overal de huizen werden versierd met lauriertakken, bloemkransen en bonte tapijten voor de feestelijke ontvangst des overwinnaars. Het marmerbeeld van Maxentius op het Forum was omvergeworpen en een schaar juichende kinderen dansten om de

187

-ocr page 192-

DE REDDER.

overblijfselen rond. Candidus werd door het volk, dat in hem een tribuun van het overwinnende leger herkende, met gejubel begroet. Op het veld van Mars en op de Via Flaminia werd hij weder in zijn\' rid gestoord door de deputaties van verschillende en talrijke collegies en corporatiën, die in feestgewaad met palm-, laurier- en olijftakken den overwinnaar tegemoet togen. Toen de nacht viel werden aan de huizen in het rond en aan de villa\'s op de hoogten langs de Via Flaminia tallooze lichten ontstoken, en de scharen van landlieden dansten om de vreugdevuren, die overal ten hemel opflikkerden.

De ruiter zag in zijn geest bij deze feestvreugde weder al de gebeurtenissen van den dag: de bloedige tafereelen van het gewoel van den slag, de vreugde der roemrijk bevochte overwinning, de eer, waarmede Constantijn hem had overladen, de hoop, de vrees, den overvloed van vreugde, geluk en zaligheid, dien hem de namiddag had gebracht. Maar zoo rijk en menigvuldig de beelden waren, die hij in zijn geest zag voorbij varen, twee gestalten bleven steeds op den voorgrond, — zijn moeder en Valeria.

188

-ocr page 193-

HOOFDSTUK XV.

DE INTOCHT.

lijn heilig ambt gedachtig had Melchiades zich met de I overige geloovigen onmiddellijk uit de keizerlijke tent I naar het slagveld begeven om den verwonden en den stervenden hulp en troost te brengen. Het aantal christelijke soldaten onder dezen was opvallend gering; hen te herkennen was zeer gemakkelijk. — „Pax tecum, vrede zij u,quot; sprak de bisschop, terwijl hij zich over een gewonde heenboog. „Wat vrede!quot; gaf deze barsch ten antwoord; „water wil ik hebben, bij Herkules! om mijn ontzettenden dorst te lesschen.quot; De Paus gaf aan een zijner begeleiders een wenk om den versmachtende te laven, en wendde zich tot een anderen gewonde: \'„Pax tecum, vrede zij u!quot; Op dezen groet helderde het gelaat van dien krijger op, en terwijl hij de handen omhoog hief, sprak hij: „O God. heb dank, dat er een broeder komt, voordat ik sterf! Bevindt zich geen priester onder u, dat ik ten minste zijn zegen ontvange?quot;

Op de plaats, waar de dicht opeengestapelde lijken getuigenis gaven, dat de strijd daar zeer heet geweest was, herkende de bisschop onder de gevallenen den centurio Martialis. Hoewel uit talrijke wonden bloedend, leefde hij nog, en als de heilige grijsaard zich over hem heen boog en hem aansprak, verzamelde de

-ocr page 194-

DE INTOCHT.

krijgsman zijn laatste krachten, om de woorden uit te brengen:

„Als christen sterven.... Ik geloof aan Jesus, den Zoon Gods.quot;

Daar de gewonde klaarblijkelijk nog slechts weinige oogenblikken zoude leven, bad de bisschop hem de geloofsbelijdenis voor en verwekte met hem een acte van berouw over de zonden zijns levens; toen diende hij hem den doop toe en zalfde hem met de heilige olie.

Met een zalig lachje om de lippen, gesterkt door de gebeden en de zegeningen der kerk, blies Martialis zijn laatsten adem uit.

Reeds begon de schemering te vallen, en nog waren Melchiades en zijn begeleiders onvermoeid bezig met hun vroom liefdewerk; Gonstantijn vernam liet, en zijn achting voor den edelen, grijzen priester steeg tot diepe bewondering.

„Waarom,quot; vroeg hij zichzelven af, „bekommert zich Gordianus met al zijn gezellen in het geheel niet om de dapperen? Wie leerde deze Christenen de vreugde der behaalde overwinning, in plaats van bij gelagen, met het verplegen der gewonden vieren?quot;

De keizer was nog niet bekend met het allesverbindende liefdewoord des goddelijkeu Verlossers: „Wat gij den geringste mijner broederen hebt gedaan, dat hebt gij Mij gedaanquot;.

En om de soldaten de zoo ruimschoots verdiende uitspanning te vergunnen, èn wegens de menigvuldige toebereidselen voor den intocht des keizers, vond het opbreken eerst plaats, toen de nacht geheel was nedergedaald. De Milvische brug kon, ten gevolge van het breken der steenen borstwering, niet gebruikt worden bij het onvermijdelijke gedrang; in plaats van langs de Via Flaminia moest Gonstantijn om deze reden langs den rechter oever naar het Vaticaan trekken en over de Aelische brug, het grafmonument van Adrianus voorbij gaande, zijn intocht in de stad houden.

Uit elk der legioenen waren centuriën of kleinere afdeelingen verkoz- n om met hun omkransde veldteekens in het gevolg van den overwinnaar op te trekken; op diens uitdrukkelijk bevel moest het Labarum onmiddellijk voor hem uit gedragen worden. Hij zelf verscheen, te paard gezeten, het keizerlijk purper om de schouders, den diadeem op het hoofd, omgeven door zijn legaten, krijgsoversten en veldheeren; de senatoren en de ridders en wie door hun waardigheid of ambt daartoe gerechtigd waren, gingen voor den triomfator of maakten zijn gevolg uit.

190

-ocr page 195-

DE INTOCHT.

Zoo bewoog zich de feestelijke optocht over de Aelische brug, langs den rechter Tiberoever, naar de stad, onder geleide van duizenden fakkels en het onophoudelijk jubelen en juichen van de tallooze volksmenigte, en begroet door vreugdevuren, welke overal op de hoogten van den Monte Mario en het Vaticaan brandden.

Nog stond, hoewel sedert langen tijd niet meer in gebruik, op de helling van den Vaticaanschen heuvel de circus van Nero, waarin het eerste christenbloed te Rome was vergoten. In het midden van dien circus verhief zich slank de obelisk, aan wiens voeten indertijd de levende fakkels van christenen den keizerlijken wagenmenner in het duister van den nacht hadden verlicht; thans aanschouwde hij, hoe de gebannen naam van Christus zijn triomfeerenden intocht in Rome hield, en hoorde hij, in plaats van den doodsnik der stervende martelaren, den jubelkreet van hun nageslacht; „Christus vindt!quot; En de dag zal aanbreken, waarop de obelisk uit de laatste ruïnen van den circus zal verdwijnen, om met het „Chrittus vindt!quot; tot inschrift, met het kruis op de spits, zich als wachter te stellen voor het graf van dien armen Gallileeschen visscher, wiens gebeente toen nog in een onaanzienlijke grafkapel naast den circus van Nero rustte, boven welk graf echter nu „een hemel in den hemelquot;. Sint Pieters groote koepol, zich verheft.

Thans staat aan die kapel een hoopje Christenen, en nu het Constantijns legerscharen ziet voorbijtrekken, heft het dankend de handen ten hemel. Eens zal van de Loggia der Sint Pieterskerk de opvolger van dezen visscher zegenend zijn handen over de stad en de geheele wereld uitstrekken, terwijl tallooze scharen op het groote Sint Pietersplein, millioenen en millioenen in den geest over de geheele aarde aan zijn voeten liggen. Nog verheft zich in den rijkdom van zijn zuilenpracht en van zijn versiering van godenbeelden het Mausoleum van Adrianus, het reuzenstandbeeld des keizers op zijn nok, in de diep gelegen grafkamers de assche van den wereldbeheerscher in porphyron urnen. Barbaarsche handen zullen de keizerlijke asch in de vier winden verstrooien, terwijl de wereld, het eene geslacht na het andere, door den loop dei-eeuwen heen naar het graf van den visscher zal trekken; het standbeeld op de nok zal plaats maken voor het beeld van den aartsengel Michael, den hemelschen aanvoerder der strijdende kerk,

191

-ocr page 196-

DE INTOCHT.

en op de plaats der afgodenbeelden zullen zich op de Aelische brug, die evenals het grafmonument zelf, niet eens meer den naam des oprichters zal dragen, de beelden van engelen, met de symbolen des Gekruisigde verheffen. — Had Constantijn, toen hij langs het Vaticaan en de Engelenbrug zijn intocht in Rome hield, een zwak voorgevoel, dat alles eenmaal aldus zoude geschieden, en rijpte op dat oogenblik bij hem het besluit, de eerste te zijn, die tot deze glorievolle verandering de hand aan den arbeid zoude slaan ? — Het zoude waarlijk den schijn daarvan krijgen, als wij mededeelden, dat Constantijn zich haastte om boven het graf van den prins dei-apostelen, met aanwending van de muren van Nero\'s circus, de prachtigste kerk van het Westen te bouwen, op wier gevel hij het inschrift plaatste:

„Quocl, duce te, mundus surrexit in astra triumphans,

Hanc Constantimis victor tihi condidit aulam.quot;

„Omdat de wereld, door u geleid, in zegepraal ten hemel stijgt.

Bouwde Constantinus, de overwinnaar, u dit vorstelijke huis.quot;\'

Over de Aelische brug, langs het Stadium van Domitianus, trok de feestelijke optocht in de straten der stad. De portieken, de vensters, de muren der huizen en tempels waren met ontelbare lampen verlicht; op de vlakke daken flikkerden fakkels, en door hun licht beschenen stegen de witte wierookwolken uit de reukvaten omhoog. De vreugdekreten van de daken beantwoordden het gejuich der volksmenigte, welke door de straten golfde; Constantijn werd als „liberator ürbisquot;, als „fundator pacisquot;, als „bevrijder der stadquot;, als „grondvester des vredesquot; geprezen, gelijk hem nog twee opschriften op zijn triomfboog noemen.

Ofschoon de vreugde van het geheele Romeinsche volk over de verlossing van het harde en bloedige juk des geweldenaars ongeveinsd en algemeen was, zoo was zii bij de christenen toch het grootst. Zij toch hadden het zwaarst geleden door de wreedheden van den tiran. Onder hen, die door het bevel van den Senaat waren in vrijheid gesteld, waren zeer velen hun broeders, die hun thans uit de armen des doods werden wedergegeven. De verwachtingen, welke zij op Constantijn hadden gevestigd, waren zoowel

192

-ocr page 197-

DE INTOCHT.

door de eervolle ontvangst des Pausen, als door de redding dei-gevangenen in oen circus bevestigd geworden, en zoo zag men aan al de huizen, waar Christenen woonden, bij de nachtelijke illuminatie het kruis of de naamcijfers des Heeren schitteren; vol verwondering erkenden de Romeinen, hoe groot, trots de jongste, bloedige vervolgingen, het aantal der Christenen was.

Langs het theater van Pompejus nam de optocht zijn weg in wijde bogen om het Capitool en den Palatinus, en daalde dan langs het Colyseum en de Via Sacra, den heiligen straatweg, door den triomfboog van Titus, op het Forum af. In de nabijheid van dezen boog, op de hooge verhevenheid, welke de tempelplaats van het heiligdom der godin Roma bevatte, wachtten Irene en Valeria, volgens hare met Candidus gemaakte afspraak, den feestoptocht af; hoe gaarne Ru-finus zich bij haar had aangesloten, hij durfde het niet wagen, om zich aan de koude nachtlucht bloot te stellen. De intendant van het Vaticaansche paleis had de beide dames in een gesloten draagstoel, door germaansche slaven gedragen, onder geleide van een vooiiooper naar die plaats doen brengen. De tijd, die vervlogen was sedert het vertrek van Candidus, was voor haar toereikend geweest om zich door een bad te verfrisschen, feestkleederen aan te trekken en het intusschen bereide maal te nuttigen. En voorzeker nog veel meer dan alle verkwikkingen des lichaams hadden de vreugde en het geluk, waarmede haar hart was vervuld, de sporen van het doorgestane lijden op het gelaat der beide vrouwen uitge-wischt. Van de plaats, waar zij den optocht afwachtten, zagen zij voor zich de gebouwen, die zich op den Palatinus stout ten hemel hieven, en welken, zoo ver het in de haast mogelijk geweest was, met duizenden van lichtjes tot in de tinnen des tempels en de daklijsten der paleizen waren verlicht; aan hare rechterzijde verhief zich de triomfboog van Titus met het gouden vierspan gekroond; links in de diepte van het dal lag het Colyseum.

, „Ziet gij,quot; sprak Irene, terwijl zij met de hand naar de donkere massa van het reusachtige Amphitheater wees, „ziet gij, hoe daar in de bogengangen het volk zich te zamen dringt? Afgewend van de arena, waarin het zich zoo vaak verlustigde met den marteldood der Christenen, ziet het thans met verlangen uit naar de triomfeerende teekens van Christus, die Zijn intocht houdt in de hoofdstad der wereld.quot;

13

193

-ocr page 198-

DE INTOCHT.

„Ik dacht er zooeven aan,quot; antwoordde Valeria, „hoe deze boog van Titus, die aan de zegepraal van Eome over Jerusalem en het Jodendom is gewijd, zijn tegenhanger mocht vinden in een boog van Constantijn, die de glorievolle overwinning van het kruis over Rome en het heidendom aan het nageslacht zal verkondigen. En het schijnt mij, dat deze geen passender plaats zoude kunnen vinden, dan in de nabijheid van het Colyseum, waarin de martelaren voor den triomf des kruises hebben gestreden.quot;

„En wat voor tegenhanger,quot; vroeg Irene, „zoudet gij voor den Palatinus vinden?quot;

„Wat konde schooner tegenover de paleizen der Caesars staan dan een huis, waar de hemelsche Koning in zijn Sacrament en in Zijnen zichtbaren plaatsbekleeder Rome en de wereld zegent?quot; antwoordde Valeria.

Het jubelen des volks en de schetterende fanfares der muziek onderbraken het onderhoud; de feeststoet kwam naderbij. Uit de bogengangen des Colyseums, uit de vensters van den Palatinus, van de tinnen en zuilengangen der tempels juichten de duizenden den overwinnaar toe, wuifden met de handen, zwaaiden met doeken en wierpen bloemen en kransen. Zelfs tot op de schouders der godenbeelden was de straatjeugd geklommen en vandaar schreeuwde zij haar „/o triwnpha/quot; Op de fakkeldragers, welken den stoet openden, volgden de troepen met hunne omkransde veldteekenen; de christen krijgers hadden meerendeels hunne schilden met het naamcijfer des Heeren versierd.

Doch in den geheelen triomfstoet zocht het oog der beide vrouwen slechts naar één, naar Candidus. Wat lachte het hart der moeder blijde, toen Valeria haar in de verte het naderende Labarum toonde, en als dit al nader en nader kwam, haar dierbaren zoon, die dit heilige veldteeken in de hand aan het hoofd der zijnen droeg, voor den keizerlijken zegewagen rijdend!

En nu had zijn zoekende blik ook haar gevonden, en terwijl Irene en Valeria hem kransen toewierpen, keerde hij voor een oogenblik het Labarum met het van goud stralende naamcijfer des Heeren naar beide vrouwen. Dat zijn moeder, dat Valeria hem hadden gezien, was hem meer waard, dan al het gejubel en de bijval des volks.

Toen de schoone jongman aan gene zijde van den boog van Titus

194

-ocr page 199-

DE INTOCHT.

uit het oog der beide vrouwen was verdwenen en Irene aan Valeria een vraag deed, moest zij deze herhalen, zoo verward was het antwoord.

In den tempel van Concordia aan den voet van het Capitool wachtte de senaat den nieuwen keizer af, om naar oud gebruik door de lex reyia zijn waardigheid te bevestigen. Het was een ijdel formulier, gelijk ook de geheele senaat al sedert lang een mummie was geworden; doch Constantijn was voorzichtig genoeg deze waar-delooze schijnplechtigheid te eerbiedigen, waaraan de „patres c,un-scriptiquot; nog zoozeer hechtten. Met waardige kalmte hoorde hij de lange lofrede aan, waarin de best bespraakte der senatoren met de meest overdreven huldigingen en vleiereien den overwinnaar begroette. Vervolgens hield de keizer over het Forum zijn intocht in het Palatijnsche paleis; hij maakte er zich af den tempel van het Capitool te bezoeken, om daar den goden dank te zeggen, door te wijzen op het late uur. Reeds hadden de senatoren, die voor het meerendeel nog aanhangers der goden waren, niet zonder misnoegen bemerkt, dat Constantijn niet op het altaar dei-Victorie, onder wier schut de senaat haar vergaderingen hield, het van ouds gewone offer had gebracht. Symmachus had zeer ontstemd zich bij de begroeting des overwinnaars op den achtergrond gehouden; hij kon het niet van zich zei ven verkrijgen om hem naar den Palatinus te begeleiden. Bittere wrevel vervulde zijn ziel en met ontgloeiden blik staarde hij van het portaal des tempels naar het hel vellichte Forum en het gewemel der juichende en zingende menigte. Daar nadert hem Lactantius, door de vrome hoop bezield zijn voormaligen leerling thans door den indruk van de groote gebeurtenis tenminste tot nadenken over de dwaling van het heidendom te stemmen; hij had hem, niettegenstaande het onheusche afscheid, aan het portaal des tempels afgewacht.

Toen de Senator den grijsaard gewaar werd, werd zijn voorhoofd nog meer gefronst.

„Gij, lichtschuwe vijanden van het rijk!quot; zoo sprak hij op bitteren toon. „Wat zijt gij thans verheugd over een overwinning, welke het zwaarste ongeluk is, dat Rome ooit heeft getroffen! Doch het einde is nog niet gekomen! Zoolang Rome bestaat, heeft nog elke triomfator op het Capitool den onsterfelijken goden voor de over-

195

-ocr page 200-

DE INTOCHT.

winning dank gebracht, en Constantijn bracht zelfs de Victorie zijn offer niet; deze misdaad kan niet ongestraft blij\'ven.quot;

„Als gij ons, Christenen, voor vijanden des rijks scheldt,quot; antwoordde op kalmen toon Lactantius, „zeg dan eens, wanneer zijn wij, zelfs tegen die keizers, die ons onderdrukten en op het bloe-digst vervolgden, ooit opgestaan? quot;Wij hebben als trouwe onderdanen voor hen en voor het rijk gebeden en onze hoop op God gesteld. Gij noemt dezen dag een ongeluksdag voor Rome, en ik verheug mij, dat de kerkers hunne gevangenen vrij laten, dat het zwaard van den beul wordt ter zijde gelegd en dat de toomlooze tirannie van den overweldiger een einde heeft genomen. Hebben nu de goden bewezen, dat zij niet in staat zijn iets te ondernemen tegen het teeken, dat Constantijn naar Rome heeft gevoerd, zoo zal ook Christus hem tegen hunne wraak beschutten; want wat vermogen de booze geesten tegen den Ahnachtigen God? Ja, beleeft gij het niet, dan zal zeker uw zoon het beleven, dat het beeld der Victorie uit den Senaat zal worden verwijderd en dat de beelden der goden alleen als het werk van groote kunstenaars zullen worden behouden.quot;

„Als het gepeupel voor een uur de macht in handen krijgt, dan wordt het al dadelijk brutaal en aanmatigend,quot; antwoordde de Senator op een tóón, die de diepste minachting aanduidde.

„Ik vergeef u dit harde woord om uw mistroostigheid,quot; sprak de grijsaard. „De waarheid is het, die na driehonderd jaar van onderdrukking overwint. En het is niet de dag van heden, die de wereld overtuigt van de goddelijkheid der Christendoms en de dwaling, welke zij tot nu toe gediend heeft; staan uw tempels niet reeds langen tijd ledig, zijn uw godenbeelden niet reeds langen tijd met spinnewebben bedekt, zijn de trappen van uw heiligdommen niet reeds langen tijd met gras begroeid? Waarom klampt gij u vast aan een lijk en wilt gij het wangeloof niet verlaten, dat na eenen menschen-leeftijd nog slechts door onwetenden zal worden aangehangen ?quot;

Symmachus verliet, zonder een woord te spreken, zijn leermeester en zocht, morrend over het gejubel des volks, langs eenen omweg zijn paleis op. Lactantius had goed geprofeteerd; want te vergeefs wendde de zoon van Symmachus een geheelen nacht door zijn

196

-ocr page 201-

DE INTOCHT.

sciiitterend redenaarstalent aan, om het hoogvereerde beeld der Victorie, dezen laatsten steun van het wegzinkend heidendom, voor den Senaat te behouden; een Christelijke dichter Prudentius was het, die verzocht, dat de godenbeelden mochten gespaard blijven als „kunstwerken van groote meestersquot; (artificum nicu/nontm opera); en Lactantius ontwierp dien avond het plan van zijn beroemd werk: de moi-tibus persecutorum (over den dood der vervolgers) waarin hij aan de hand der geschiedenis den ondergang schildert van hen, die de kerk hebben vervolgd.

Toen Symmachus op zijn terugweg bij den tempel van Rome. die thans in duister was gehuld, was gekomen, leunde hij tegen een der prachtige porphyrzuilen van het voorhof en liet, ver verwijderd van het geraas van het jubelende volk, van de eenzame hoogte zijn oog weiden over het Forum met al de tempels en gedenkzuilen en monumenten eener duizendjarige roemvolle geschiedenis, en toen richtte hij zijn blik op den tempel en de brug van het Capitool, wier omtrekken zich vol majesteit tegen den sterrenhemel teekenden. Hem. die zijn Rome en de van zijn vaderen geërfde instellingen met al den trots van een echten Romein liefhad, die met zulk een vast vertrouwen op de tusschenkomst der goden had gerekend, was deze dag een ongeluksdag, erger dan die van Cannae.

„O Goden!quot; riep hij uit en hief de gebalde vuisten ten hemel, terwijl tranen van grimmige smart en bitteren weemoed over zijn wangen biggelden. „Waarom hebt gij dit toegelaten ? Gouden Roma, gij heerscheres der aarde, triomfeerend over alle volkeren — thans overwonnen, onderworpen door den aanhang van een gekruisigden Jood! Rijst op uit uwe graven, Scipio, Cato, Augustus, en helpt mij jammeren en weeklagen over het uur, waarop de verrader dei-vaderlijke goden op den troon der Caesars werd verheven!quot;

„Zoo kan alleen de edelste der Romeinen, de Senator Symmachus spreken,quot; onderbrak hem een stem.

Het was Gordianus, de priester der zon, die juist, van den tempel van Mithras, in de nabijheid van het Lateraan terugkeerde, waar hij zijnen god het taurobolium of plechtige stierenoffer had gebracht.

Beide mannen herkenden elkander als vrienden hunner jeugd, en weinige woorden waren genoeg om hen te overtuigen, dat zij de zelfde gevoelens waren toegedaan.

197

-ocr page 202-

DE INTOCHT.

Terwijl Uordianus den Senator tot aan diens paleis vergezelde, sprak hij, in aansluiting op de laatste woorden van Symmaclms:

„Als de zonnegod \'s avonds in de zee daalt, dan komen de nevelen van den nacht over de aarde, en de scorpioen en de slang kruipen uit hunne holen om ons verderf te brengen. Doch de onoverwinnelijke god slaapt slechts korten tijd. Toen ik het warme bloed van den offerstier over zijn altaar uitgoot en in geheimnis-volle gebeden den lichtenden heerscher des hemels bezwoer om Rome te beschermen tegen den smaad van den Gekruisigde, toen zag ik in heilige teekenen het volgende orakel:

„Een jaar van jaren

Aan den Magiër van Nazareth!quot;

„En hoe legt gij deze duistere woorden uit?quot; vroeg Symmachus.

„De zin kan niet twijfelachtig zijn,quot; antwoordde Gordianus. „Gelijk een jaar van dagen drie honderd vijf en zestig dagen telt, zoo telt een jaar van jaren drie honderd vijf en zestig jaren. Na dit jaren-jaar zal het christelijk bijgeloof verdwijnen.quot;

„Dan waren zijn laatste kalenden reeds voorbij,quot; antwoordde Symmachus, „want deze dwaalleer sluipt al drie eeuwen over de wereld. En juist heden....quot;

„De scorpioen, die heden in Rome zijn intocht heeft gehouden.quot; onderbrak hem Gordianus, die de gedachte van Symmachus geraden had, „en de Gallilëeische adders, die zich met hem hebben verbonden, neen, edele Symmachus, neen, zij zullen niet lang de heerschappij behouden! Triomfeerend stijgt in het oosten de zonnegod weer omhoog en verdrijft de nevelen van den nacht en jaagt het ongedierte weder in hun schuilhoeken, en deze morgen is naderbij dan gij meent.quot;

„Hoe zal ik dit gelooven?quot; vroeg de Senator op bitteren toon, „nu de vervloekte naam des Nazareners heden zijn intocht heeft gehouden in Rome, in de Curie en in het paleis?quot;

„Denk aan Maximinus, den keizer van het Oosten, den gezworen vijand der Christenen,quot; antwoordde de priester. „Tusschen hem en Constantijn is de beslissende strijd onvermijdelijk, en — bij de onsterfelijke goden! Maximinus zal overwinnen!quot;

198

-ocr page 203-

DE INTOCHT.

Met deze woorden verliet Gordianus zijn vriend en sloeg den weg in naar den Palatinus, om den keizer mede te deelon, dat hij Mithras plechtige dankoffers had gebracht voor de glorierijke overwinning.

Terwijl de keizerlijke veldoversten zich in het prachtig Triciimium van Augustus vermaakten bij vroolijke gelagen, zat Constantijn. die afgemat door de vermoeienissen van den dag zich vroegtijdig had teruggetrokken, alleen in de hel verlichte pronkzaal van het paleis, welke \'s morgens nog door Maxentius bewoond was.

De overwinnende veldteekenen van zijn leger waren in het midden geplaatst, tot een soort van tropee vereenigd, waarboven, als om het te bekronen, het Labarum zich verhief.

In gepeins verzonken, liet de keizer al de gebeurtenissen dei-laatste weken in zijn gedachte voorbijgaan, van zijn oprukken uit Gallië tot den beslissenden veldslag van dien dag, en hoe meer hij alles overwoog, hoe meer in hem de overtuiging rijpte, dat hij alleen aan de tusschenkomst eener hoogere macht zijn schitterende overwinningen had te danken, dat Hij hem naar Rome had gevoerd, onder Wiens naam hij den veldtocht had begonnen.

Voor zijn oog verhief zich boven de tropee het Labarum met het naamcijfer van Christus en gelijk het tot nu toe door zijn stralen verderf bracht in de gelederen zijner vijanden, zoo straalde het thans genadebrengend in zijne ziel.

Constantijn zonk voor het heilige teeken op de knieën en hief zijn handen dankend tot den God der Christenen, — en na drie honderd jaar van Moedigen strijd van den wereldbeheerscher tegen den naam van Christus lag thans de keizer biddend aan de voeten van den Gekruiste.

Op dit ocgenblik storten de oude goden van hun tronen in den afgrond; een nieuw tijdperk brak aan voor de geschiedenis der wereld.

Constantijn wilde nog heden zijn Christelijke gevoelens op plechtige wijze openbaar maken. Had het Christendom tot dezen dag in holen en schuilhoeken een duister toevluchtsoord moeten zoeken, zoo zoude het thans in zijn Opperhoofd op een der schoonste heuvelen van Rome, in het midden der stad, tegenover den Palatinus en het Capitool, het Col yseum, waar zooveel martelaarsbloed vloeide voor de overwinning van het kruis, aan de voeten, een keizerlijk

199

-ocr page 204-

DE INTOCHT.

paleis tot woning bekomen. Nero had het geslacht der Laterani laten uitroeien en hun paleis op den Coelius in beslag genomen; herhaaldelijk was het paleis de woning der keizers geweest: van heden af -zoude het de zetel en het eigendom des pausen zijn.

Juist toen Constantijn tot dit besluit was gekomen en eigenhandig het bevel van den afstand had geschreven, liet Candidus zich aan; melden. De keizer ontving hem des te liever, daar de tribuun juist als overbrenger dezer boodschap door hem .was uitverkoren. Wie ware dan ook waardiger daartoe geweest en wie zoude haar met meer vreugde hebben volbracht?

Candidus berichtte den keizer, dat hij zijne moeder en do overige gevangenen nog gelukkig op het laatste oogenblik had kunnen redden. Toen schilderde hij met klimmenden gloed de beproevingen, welke Rufinus en zijne dochter te verduren hadden gehad, en den heldenmoed, dien zij daarbij hadden betoond; tevens verzocht hij den keizer om de in beslagneming van hunne goederen door Maxentius bevolen te herroepen en vader en dochter weder te laten terugkee-ren in hun paleis.

Constantijn had met levendige deelneming de schildering van de redding der christenen en van de vreugde van het wederzien tus-schen Candidus en zijne moeder aangehoord; bij het verhaal van het lijden van Rufinus. steeg hem het bloed van toorn naar de wangen en met gefronst voorhoofd sprak hij:

„Zoo smadelijk heeft men den hoogsten staatsambtenaar behandeld? Mijn eerste zorg zij, het aan hem gedane onrecht goed te maken. Ik verlang er naar om den ouden krijgsmakker weder te zien, — hemquot; vervolgde Constantijn met een glimlach, „en ook zijne dochter, van wier heldenmoedige deugd gij zulk een treffend beeld hebt vertoond, — met zulk een gloed, mijn dappere tribuun, dat het mij voorkomt alsof het bloedige werk van Mars en het woeste geraas der wapenen.... maar daarover spreken wij wellicht een anderen keer. Ga thans en meld Eufinus, met mijnen groet, dat ik hem weder in al zijn bezittingen herstel; nog dezen avond zal ik de daartoe noodige bevelen geven. Hij zal. toch niet weigeren om het ambt, dat hij onder Maxentius bekleed heeft, ook onder Constantijn te bekleeden. Doch dit wil ik hem mondeling mededeelen; want morgen wensch ik hem en zijn dochter te zien. Maar ik heb

200

-ocr page 205-

DE INTOCHT.

nog een tweede opdracht aan u, mijn beste tribuun. Zoek terstond den bisschop Melchiades en overhandig hem dit schrijven. Het is van mijn eigen hand, het decreet, dat hem en zijnen opvolgers ten eeuwigen dage het Lateraansche paleis tot woning schenkt. Moge Christus, die mij naar Rome en op deze plaats heeft gevoerd, het in genade als een offer van mijn dankbaarheid aannemen, dat ik Zijn plaatsvervanger op aarde aanbied. Morgen zaï ik een tweede edikt uitvaardigen, dat aan de christenen al de onder Diocletianus in beslag genomen kerken en cemeteria wedergeeft.quot;

De oogen van den jongen krijgsman straalden van heilige vreugde. Candidus had zich gedurende den veldtocht zoo vaak, in vroom verlangen en zalig voorgevoel, den geweldigen ommekeer voor den geest gebracht, dien de gehoopte bekeering van Constantijn voor de kerk ten gevolge zoude hebben; nu zag hij zijn hoop verwezenlijkt en een onbeschrijfelijk geluk vervulde zijn hart.

„Mijn keizerquot; sprak hij vol blijdschap, „uw opdracht geeft mij vleugelen, en uit het diepst mijner ziel dank ik u, dat gij mij tot overbrenger van den brief uitkiest. En ook voor de andere gunst dank ik u. Euünus vertoeft met zijne dochter bij mijne moeder in het Lateraansche paleis; ik ijl terstond naar hen toe; hoe zullen allen zich over deze dubbele boodschap verheugen!quot;

Constantijn glimlachte.

„Ik hoop dat den omweg over het Lateraan tot den bisschop geen groote isquot; sprak hij.

„Ik denk bij mijne moeder te vernemenquot; antwoordde Candidus blozend, „waar de heilige grijsaard zich bevindt.quot;

„Ook verlang ik,quot; vervolgde de keizer, „uwe moeder te zeggen, hoe ik den heldenmoed van haren zoon waardeer. In de eerstkomende dagen hoop ik haar een bezoek te kunnen brengen, daar ik het niet waag om een edele Romeinsche matrone, zooals uw moeder is, te verzoeken met Eufmus en zijn dochter bij mij te komen.quot;

„Mijn keizer,quot; antwoorde Candidus, „mijne moeder wenscht niets vuriger dan haren dank aan uw voeten te leggen, dat gij aan mijne handen het Labarum hebt toevertrouwd, en het zal voor haar de grootste gunst zijn, als zij met Ruflnus en zijne dochter voor u zal mogen verschijnen.quot;

201

-ocr page 206-

DE INTOCHT.

„Morgen vroeg,quot; bemerkte Constantijn, „zal zich een half leger van senatoren en ridders aanmelden tot de morgenbegroeting; doch ik zal den hofbeambte bevel geven, dat men de uwen late voorgaan.quot; Met deze woorden liet de keizer zijn tribuun vertrekken.

In de voorkamer ontmoette Candidus Gordianus. De zonnepriester wierp den jongeling een blik van grimmigen haat toe, welke deze echter in de blijdschap zijns harten niet bemerkte. Gordianus liet zich bij den keizer aanmelden; — hij werd op den volgenden morgen bescheiden.

Candidus spoedde zich naar zijne moeder.

Op weg ontmoette hij den senator Anicius Paulinus; deze had zijn kinderen wedergevonden, geen enkele ontbrak. Geheel vervuld van vreugde snelde de vader zijn vriend te gemoet onder den uitroep:

„Candidus, God heeft mijn gebed verhoord; ik geloof aan Jesus Christus!quot;

Candidus van zijn kant deelde hem in vluchtige woorden mede, welken opdracht hij had; toen ijlde hij verder naar het Lateraan.

De mededeeling, dat de keizer Eufinus weder in zijn ambt en in het bezit zijner goederen herstelde, werd door dezen en door zijn dochter met dank jegens den hoogen weldoener ontvangen; met onbegrensde vreugde begroette men de andere tijding. Door deze schenking van Constantijn was niet slechts de erkenning van het tot nu toe vervolgde christendom door den keizer uitgesproken, doch tegelijkertijd gaf zij een schitterend bewijs van de godsdienstige gemoedsstemming des keizers.

„O!quot; riep Valeria, en hare oogen straalden, hare wangen kleurden zich met den gloed eener heilige geestdrift, „thans beginnen de zaadkorrels uit het bloed der martelaars te ontkiemen! In het duister der graven dringt de morgenstraal van den paaschdag onzer verrijzenis; Magdalena droogt hare tranen, en jubelend zingt de Kerk haar Alleluja, Christus dncit! In Constantijn ligt Rome, ligt de geheele wereld met het aangezicht ter aarde voor Gods Zoon. O! edele tribuun, spoed u, spoed u, om den heiligen Vader, de gan-sche kerk de blijde Paaschboodschap te verkondigen. Gij zult den eerwaardigen grijsaard bij het cemeterium van Valentinus aan de Via Flam in ia vinden; aldus heeft ons zooeven de fossor Mincius

202

-ocr page 207-

DE INTOCHT.

bericht. Welke vreugde zal dit voor hem en onze broeders zijn!quot;

Candidas nam afscheid, daar hij wegens het reeds late uur, na zijn terugkeer van den bisschop, zijn moeder niet nog eens kon bezoeken, bepaalde den tijd, op welken men den volgenden morgen naar het paleis zoude gaan en vertrok, zijn weg nemend naar de keizerlijke stallen, die op de zuidzijde van den Palatinus gelegen waren. Hij behoefde niet het handschrift des keizers te toonen om terstond een der beste renners ter zijne beschikking te krijgen. In de, deeis nog verlichte, straten trok het volk nog steeds heen en weder. Eerst toen Candidus uit het net der nauwere straten op het stillere veld van Mars en in de lanen gekomen was, die naar de Fla-minische poort voerden, kon hij zijn ros den teugel vieren.

Doch terwijl zijn lichaam in ijlende ren door den nacht langs de nu stillen en verlaten straatweg snelde, zweefden de lieflijkste beelden hem in bonte mengeling voor den geest. De krijgstocht was roemrijk geeindigd; zijn dierbare moeder was hem wedergegeven uit de armen des doods; de bekeering van Constantijn had zijn heiligste wenschen bevredigd. Waren hiermede alle zijn wenschen vervuld, gelijk ontloken bloemknoppen? Alle? — Terwijl eenige knoppen in vollen bloei staan, beginnen andere weder hun geheim-nisvol leven. Eensklaps werden zijn gedachten op een ander voorwerp gevestigd.

Uit de verte drong door de stilte van den nacht een gezang tot hem door, dat hem wonderbaar ontroerde. Waren dat niet de wijzen van de psalmen en hymnen der kerk ? — Hij moest dit onderzoeken.

Van de kleine hoogte, waartegen de ingang van het cemeterium van den heiligen Valentinus lag, zag hij een processie nederdalen; alle deelnemers, kinderen zoowel als volwassenen, mannen zoowel als vrouwen, droegen brandende fakkels. Aan het hoofd van den optocht werd een groot, uit lichten bestaand naamcijfer van Christus gedragen, en hoog verheven straalde de gezegende naam van Christus dooiden nacht. Toen hij dit aanschouwde werd Candidus zeer ontroerd; tranen van vrome aandoening en liefde rolden hem over de wangen.

Er viel niet te twijfelen; onder aanvoering van Christus, haren Heer, hield de Kerk met den paus uit het duister der Katakomben, in stralenden feesttocht, onder het jubelen en het zingen van heilige gezangen, haren intocht in de hoofdstad der wereld.

203

-ocr page 208-

DE INTOCHT.

Candidus was van zijn paard gestegen en wachtte den tocht op. Dra kon hij de woorden van het gezang verstaan: het was de 113d0 Psalm, In e.xsitu Israël de Eyyijto, de Psalm, welke den uittocht Israel\'s uit de slavernij en de bevrijding van het juk der Pharao\'s viert. Candidus zong zachtjes de gezangen mede, en toen de processie naderbij was gekomen, gaf hij een teeken om stil te houden, trad op den bisschop toe en deelde de keizerlijke boodschap mede, terwijl hij den brief overreikte.

Wie beschrijft de vreugde en de blijdschap der christenen? Met hunne dankgebeden, die zij met opgeheven handen spraken, zonden zij vurige zegenwenschen voor den keizer ten hemel.

Toen de heilige grijsaard het voornemen uitsprak om den volgenden morgen persoonlijk zijn dank aan den keizer te brengen, bood Candidus zich aan om hem aan deze voor te stellen. Nu steeg de tribuun weder te paard en draafde terug naar de stad, vaak omziende naar het stralende naamcijfer van Christus aan het hoofd der langzaam volgende processie.

Op het veld van Mars ontmoette Candidus een lijkstatie. — Twee fakkeldragers gingen voor aan, dan volgden twee mannen, die de doode droegen; twee vrouwen vormden het eenige gevolg.

Juist zetteden de dragers, die vermoeid schenen,-de baar neder, om een oogenblik uit te rusten.

Bij het aanschouwen van dezen eenvoudigen stoet vermoedde Candidus, dat het een man uit het volk was, die werd begraven; des temeer verwonderde hij zich, toen hij zag dat het kleed, hetwelk de baar dekte, van kostbaar purper was met breede goudborduursels versierd.

„Wien begraaft ge daar?quot; vraagde hij nieuwsgierig zijn paard inhoudend.

Een der dragers sloeg het kleed omhoog; de schijn der fakkels verlichtte het gelaat eener vrouw, dat door den dood zeer was misvormd.

Candidus ontstelde onwillekeurig.

„Het is de vrouw van Maxentius,quot; sprak de doodgraver met koude onverschilligheid; „zij heeft zich zelve vergiftigd. Haar slavinnen begraven haar op haar landgoed naast haren zoon.quot;

De dragers hieven de baar weder op en spoedden zich voort, zoo snel, dat de vrouwen hen nauwelijks konden bijhouden.

204

-ocr page 209-

DE INTOCHT. 205

„Het beeld des heidendoms!quot; sprak Candidus diep ontroerd, en vervolgde peinzend zijn weg naar den Palatinus, waar de generale staf des keizers zijn kwartier had opgeslagen.

Reeds lang lag Rome, uitgeput van de inspanning der laatste dagen, in diepen slaap verzonken, en nog waren twee vensters van het Lateraansche paleis verlicht. Irene kon niet slapen. Haar geheele leven, z» rijk aan beproevingen, aan strijd en offers, kwam voor haren geest rijzen, een duistere dag, wiens avond echter dooide zon met den schoonsten glans wordt verguld. Arol heilige vreugde dankte zij den hemel voor alles, voor het doorgestane leed en voor het geluk, dat hij haar thans bereid had; doch met dit dankgebed legde zij nog een stille smeekbede voor Gods troon neder, een smeekbede, wier verhooring haar geluk volkomen zou maken.

Ook Valeria kon niet slapen. In den drang der gebeurtenissen had zij het geschikte oogenblik niet kunnen vinden om Candidus de gouden „bullaquot; over te reiken of haar aan zijne moeder ter hand te stellen. Thans lang de doos, welke zij uit vrome nieuwsgierigheid had geopend, voor haar, met de spons, welke rood was van het bloed van Castulus; zij dacht aan de reliekwiën harer moeder, die zij niet mocht hopen weder te bezitten; hoe gelukkig zoude zij zijn, wanneer zij als vergoeding deze „bullaquot; mocht behouden! Om de met martelaarsbloed doorweekte spons met haar te deelen, zoude Candidus haar niet weigeren, als zij hem den volgenden dag dit zoude verzoeken. Doch voor zich zelve blozend, bekende de maagd, dat het haar — zij wist zelve niet waarom — aan moed zoude ontbreken dit verzoek te doen.

-ocr page 210-

HOOFDSTUK XIV.

HET LOO N.

I en menigte lijken van degenen, die in den Tiber waren ï verdronken, was gedurende den nacht aan den oever 1 aangespoeld, daaronder ook dat van Maxentius. Eenige soldaten van het leger van Constantijn vonden hem in de vroegte en brachten hem op land.

De doode was nog bekleed met het keizerlijke gewaad, doch dit was geheel en al door het slik bezoedeld. Zijn gelaat was geheel misvormd; woede en wanhoop in het laatste worstelen met den dood waren in zijn verwilderde trekken te lezen; haren en baard waren vol slik, — het was een ontzettend schouwspel. De soldaten haastten zich het lijk van zijne gouden sieraden en kostbare edelgesteenten te berooven en dezen onder elkander te verdeelen. Toen hieuwen zij den doode het hoofd af, staken dit op een lans en droegen het jubelend in het kamp; hadden zij den tiran niet levend in hun macht kunnen krijgen, zoo moest toch zijn hoofd in triomf worden rondgevoerd. Aan het bovengedeelte van het kamp op een hoogte plantten zij de lans in den grond, de bloedige tropee op de spits.

Met de soldaten deelde het gepeupel der stad het recht van de lijken te plunderen, die de stroom aan land had gespoeld, en het uitschudden werd met alle nauwgezetheid volbracht. Slechts bij eenen doode geschiedde dit niet; het was bij het lijk van een jon-

-ocr page 211-

HET LOON.

gen man, wslke op een vlakke plaats des oevers tusschen hooge biesen lag. Want eene vrouw had met de woede eener furie de plunderaars verdreven en hield thans daarbij de wacht; en als men de plaats genaakte, riep zij overluid:

„Stil, stil, de keizer slaapt daar! Weet gij niet, dat mijn zoon Constantijn in een tweegevecht heeft gedood? Van middag za! de imperator Sabinus zijn intocht in Rome houden.quot;

Terwijl Sabina, die waanzinnig was geworden, met loshangende haren en starenden blik, de kleederen met slik bemorsd, de wacht hield bij het lijk van haren zoon, wachtte Pleraclius in het voorvertrek des keizers het oogenblik, waarop hij voor den nieuwen vorst zoude verschijnen.

Heraclius had sedert den vorigen dag uren van vreeselijke spanning en onrust beleefd. De zwerm van spionnen en berichtbrengers, waarover hij voorheen zooveel macht uitoefende, was hem ontrouw geworden, zoodra de dood van Maxentius was bekend geworden; hoe diep gevoelde hij het, dat van het zinkende schip van zijn geluk allen bijtijds zich zochten te redden. De onzekerheid over het lot zijns zoons, de aan wanhoop grenzende angst zijner echtgenoot over haren zoon, de bezorgheid en vrees voor zijn eigen lot, bijzonder als hij aan zijn verleden dacht, bezorgden hem verschrikkelijke uren. Bij het aanbreken van den nacht had hij heimelijk uit de stad willen vluchten; doch zijn vrouw had zijn voornemen geraden en hem met geweld teruggehouden. In den vroegen morgen had een slaaf medegedeeld, dat hun zoon verdronken op den oever van den Tiber lag; Sabina was van verdriet hierover krankzinnig geworden, en om haar ongeluk volkomen te maken, had zij zich een onbewaakt oogenblik ten nutte gemaakt, om het huis te verlaten. Heraclius was te veel met zich zeiven bezig, om er aan te denken, naar zijn vrouw te laten omzien; de vraag naar het lot, wat hem zei ven wachtte, nam al zijn gedachten in beslag. Wat bleef hem over, dan de keus zich het leven te benemen of een poging te wagen om Constantijn\'s gunst te verwerven ? Maar hij wilde niet sterven; met schrik dacht hij aan oordeel en eeuwigheid, waaraan hij thans weder geloofde, of liever gelooven moest, hoezeer hij zich ook daartegen verzett\'e, en daarom verzamelde hij al zijn moed en ging op weg naar den keizer.

207

-ocr page 212-

HET LOON.

Voor alles moest hij trachten de gunst van den nieuwen vorst te winnen, voordat deze iets ten zijnen nadeele kon vernemen, en daarom was hij de eerste, die zich in de voorkamer der keizers bevond om dezen den morgengroet te brengen. Gedurende den tijd, welke hij met wachten moest doorbrengen, kon hij zich eeniger-mate voorbereiden, en als hij ten laatste zou worden toegelaten, gaf het beslissend gewicht van het oogenblik hem zijn geslepenheid en overleg weder. Terwijl hij voor Constantijn op de knieën zonk en eerbiedig diens hand kustte, ving hij aan:

„Het ambt, dat ik onder den overweldiger bekleedde, konde in de oogen van Uw Goddelijkheid tegen mij spreken, als ik niet in staat ware om u de bewijzen voor te leggen, hoe ik gedurende den tijd, dat ik door nood gedrongen den tiran diende, toch steeds in mijn binnenste Uw Goddelijkheid was toegedaan. Dit zal mij bij uwe zachtmoedigheid en genade vergeving verwerven, zoo ik genoodzaakt was bevelen uit te voeren, die ik in geweten veroordeelde. Verre van die roekeloosheid, welke trouw huichelt en in het geheim met den vijand samenspant, heb ik integendeel de verraderij onschadelijk gemaakt, — door dat ik die brieven niet aan den tiran deed geworden.quot;

Hiermede legde hij het schrijven van den opperpriester Gordianus aan Rufus voor den keizer neder.

Constantijn fronste het voorhoofd, toen hij den brief las, aan welks echtheid hij niet kon twijfelen. De man, die hem in naam der goden de overwinning had beloofd, had heimelijk den vijand de hand gereikt om hem de overwinning te ontrukken.

Het verraad was blijkbaar en Gordianus had een smadelijken dood verdiend.

Doch welken indruk moest het op alle aanhangers der goden in de stad en in het leger maken, als de nieuwe keizer bij het aanvaarden der regeering den eersten priester van Mithras in Rome liet ter dood brengen?

In zoover was de onthulling Constantijn niet zoo welkom als Heraclius had gemeend.

„Het is geen kleine dienst, welke ik uw goddelijkheid heb kunnen bewijzen,quot; voegde deze er aan toe: „toch hoop ik u nog beter mijn aanhankelijkheid te kunnen toonen. Niemand kan de bijzon-

208

-ocr page 213-

HET LOON.

dere gevoelens der Senatoren en ridders beter kennen dan ik, en uwe goddelijklieid zal verbaasd staan, hoe velen van den adel u vijandig gezind zijn.quot;

Constantijn begreep wat de hoveling wilde zeggen, maar hij verborg zijn misnoegen.

„De regeering eener stad als Rome,quot; hervat Heraclius, „is niet mogelijk zonder den geheimen dienst van vertrouwbare spionnen, en ik durf mij beroemen de gansche stad als met een spinneweb omsponnen te hebben, waarvan de stralen allen in het middelpunt der geheime keizerlijke kanselarij te zamen loopen. Elke uitdrukking, al is zij ook in den schoot der familie en in den kleinsten vriendenkring gedaan, bereikt aldus het oor uwer goddelijkheid.quot;

Die gedachte, dat hij het schandelijke spionnensysteem van Maxen-tius, dat zoovele edele mannen en vrouwen ballingschap, armoede en dood had gebracht, zou aannemen, streed den keizer tegen het gemoed. Hij dacht aan de mededeelingen, die Candidus hem omtrent Heraclius had gedaan, toen hij het lijden van liufinus en zijne dochter had afgeschilderd: hoe volkomen waren diens eigene woorden daarmede in overeenstemming!

„Daar gij zoo juist van alles onderricht zijt,quot; sprak Constantinus en zag den hoveling scherp aan, „zoo zult gij mij gewis alles kunnen mededeelen omtrent het lot van den door Maxentius afgezetten stadsprefect, den vriend mijner jeugd, Ruflnus.quot;

Heraclius verbleekte; doch snel herstelde hij zich weder en sprak:

„Als een offer van de wreedheid der tirannen, is hij als bouw-gevangene van ellende omgekomen; zijne dochter heeft hem aan de Via Appia begraven. Zelden werd een edeler mensch,quot; waagde Heraclius er bij te voegen, „door schandelijker middelen ten gronde gericht.quot;

Constantijn kon zich bij de laatste woorden nauwelijks meer inhouden.

„Maxentius had toch den schijn voor zich, hem met rede te vervolgen,quot; bemerkte hij, „daar hem een aantal vervalschte, zoo het heette, door mij aan Rufinus geschreven brieven werden voorgelegd. Zelfs in de acta diurna stond hierover een bericht. — Kunt gij mij zeggen, wie deze brieven heeft laten vervaardigen ? Kunt gij het mij zeggen,quot; herhaalde Constantijn en zijne oogen schoten bliksems op

14

209

-ocr page 214-

HET LOON.

den hoveling, „wie die lage Griek geweest is, die den prefect van Rome in den Marmertijnschen kerker heeft geworpen, — welke prijs van zijne dochter voor zijne vrijlating werd gevorderd, — wie hem veroordeelde tot de bouwwerken en haar als bedelares op straat zette? En gij waagt het voor mij te verschijnen en mij uw schandelijke diensten aan te bieden? — Neen, Ruflnus is niet dood: Christus, dien gij, ellendeling, verloochend en vervolgd hebt, heeft hem tegen uw lagen beschut.quot;

Heraclius had zich aan de voeten des keizers geworpen en bad jammerend en smeekend om genade, daar hij slechts uit gehoorzaamheid aan Maxentius had gehandeld. Maar reeds was op een door Constantijn gegeven teeken de centurio, welke in de benedenkamer de wacht hield, binnengetreden.

„Voer dezen ellendeling,quot; beval Constantijn, „in de Marmertijnsche gevangenis, waar men hem in den ondersten kerker zal werpen. Ik hoop, dat er in Rome niet een ander zal gevonden worden, die zoo als deze den dood heeft verdiend.quot;

Op een wenk van den centurio verschenen soldaten en sleepten Heraclius uit het keizerlijk vertrek weg.

In de voorzalen en op het plein had zich intusschen een groot aantal voorname personen verzameld om den keizer hunnen morgengroet te brengen; allen erkenden den prefect en begrepen, welk lot hem te wachten stond. Niemand had medelijden met hem.

Juist toen de soldaten met den gevangene de breede trappen van het paleis afdaalden, steeg Candidas met zijn moeder, met Valeria en den bisschop Melchiades de trappen op; Rufinus volgde hem in een gesloten draagstoel.

Door het gedrang was Candidus, de eenige van hen, die den gevangene zag; hij kende hem echter niet. Heraclius echter herkende Valeria en toen werd zijn bleek gelaat aschgrauw. Vol ontzetting staarde hij het meisje aan, zijne knieën knikten, en had een der soldaten hem niet onbarmhartig voortgeduwd, dan was hij ter aarde gestort.

Wat greep hem zoo aan, toen hij Valeria aanschouwde?

Heraclius had haar tot nu toe alleen in zwarte rouwkleederen, vol smart en kommer gezien; zoo lag zij voor hem geknield, toen zij om het leven van haren vader smeekte; zoo had zij hem de

210

-ocr page 215-

HET LOON.

hand gekust, toen zij bewilligde om de vrouw van zijnen zoon te worden, ten einde den vrijbrief voor Rufmus te erlangen; zoo was zij op het Forum met barsche woorden door hem afgewezen, toen zij haren vader een verkwikking zocht te brengen. Daar echter het hofcerimonieel op de audientiën de rouwkleeding verbood, zoo had Valeria thans haar zwart gewaad met een feestgewaad verwisseld. Zij droeg de dalmatiek, een lichtkleurig, saffraangeel zijden kleed, waarover twee met goud gestikte purperen strepen, het onderamp;chei-dingsteeken der dames van hoogeren stand, van de schouders tot de voeten liepen; de haren omgaven in golvende krullen het edel gevormde hoofd, dat door een witten sluier, met purperen en gouden franje versierd, was bedekt; om den hals droeg zij een eenvoudig snoer van paarlen. Aan de schouders en op den zoom van haar kleed waren rosetten van goud en paarlen gestikt. Door de beschroomdheid, wijl zij voor den keizer zoude verschijnen, had de bleekheid harer wangen voor een frisch rood plaats gemaakt en al het geluk, dat de vorige dag gebracht had, straalde uit Valeria\'s trekken. Zoo was het jonge meisje eene stralende verschijning, vol innemende schoonheid en lieftalligheid. De volksmenigte, die voor de paleistrap naar de binnentredenden stond te kijken, vroeg fluisterend, wie deze zachte en liefelijke maagd was; de christenen, welke haar tusschen hunnen bisschop Melchiades en den jongen, schoonen krijgsman zagen, begroetten haar als het beeld der uit de katakomben glorierijk verloste Kerk; — was het dan een wonder, dat zij Heraclius, die geheel vernietigd door het oordeel des keizers half waanzinnig van doodsangst, haar plotseling voor zich zag, als een bovennatuurlijke verschijning voorkwam?

Had Valeria\'s verschijnen Heraclius ontsteld, zoo was Candidus, toen hij in de vroegte de woning zijner moeder was binnengetreden om beide vrouwen voor den keizer te voeren, door de verandering, welke in het uiterlijk van het meisje had plaats gegrepen, ten hoogste verrukt geworden. Hij vergeleek haar in stilte bij een edelen steen, dien de kundige hand van den goudsmid uit een ouden, zwart geworden sieraad heeft genomen en in zuiver goud heeft gezet; -met een donkeren bergstroom, waarover plotseling de zon haar lichte stralen uitgiet — met een roos, die bij den groet der morgenstralen frisch uit den knop is ontloken.

211

-ocr page 216-

HET LOON.

Hij zelfs verscheen heden ook niet meer zooals gisteren bedekt met stof, afgemat door de ongehoorde vermoeienissen, aangegrepen door al die hevige indrukken, maar in de bloeiende frischheid der jeugd, in schitterend krijgsgewaad, een krijgshaftige en toch innemende verschijning. Valeria waagde het nauwelijks hem aan te zien.

Irene droeg de stola matronulis, een tot op de voeten nederhan-gend gewaad, dat slechts oudere aanzienlijke dames mochten dragen; daarover de zijden palla, welke het hoofd omhullend, in rijke plooien om het lichaam hing.

Bij de morgenbegroeting des keizers werd hetzelfde hofceremonieel gevolgd, als reeds onder de eerste keizers had gegolden en door Diocletianus nog was vervolmaakt.

In de zware, witte toga, het toenmalige ambtsgewaad, wachtte men in de vestibulnm van het paleis den tijd af, waarop de audiëntie een aanvang zoude nemen; eene afdeeling der hofbedienden was bezig hen, die hunne opwachting kwamen maken, volgens hun rang of ambt binnen te laten.

Het maakte op de Komeinen een zeer gunstige indruk, dat Con-stantiin niet zittende, maar staande de bezoekers ontving, ook den sedert DiocUtianus gebruikelijken handkus niet toeliet en eene beleefdheid aan den dag legde, die tegenover de ruwe schaamteloosheid van een Maxentius en de voorname trotsche minachting voor een Dioclitiaan dubbel gunstig afstak.

Euflnus had nauwelijks den tijd, om de hartelijke begroeting dei-ridders en senatoren in de voorkamer te beantwoorden; zonder aangediend te worden, werd hij terstond met de zijnen de zaal van ontvangst binnengelaten.

Zoodra Constantijn hem aan de zijde van Candidus ontwaarde, ging hij de matrone eenige schreden tegemoet en wenschte haar geluk met eenen zoon, wiens dapperheid zijne edelmoedigheid evenaarde.

„Het woeste wapengedruisch,quot; sprak hij, „overstemt vaak in ons het goddelijke, en te gemakkelijk legt zich het ijzer van het panser ook om het hart van den krijger; de bandelooze Mars maakt zijn zonen bandeloos, en menig held in den slag steekt in het ongeluk lafhartig zijn wapen in eigen boezem. Niet aldus uw zoon. De oorlog geeft hem u heden onbedorven terug, met gestrekten wil, rijk aan eer; geen schaduw stoort eene trotsche moedervreugde.quot;

212

-ocr page 217-

HET LOON.

Toen de paus zijn dank betuigde en de belofte deed, dat de Roomsche Kerk, en met haar al hare broeders, met vurige gebeden den zegen des Allerhoogsten over den keizer zou afsmeeken, antwoordde Constantijn:

„Gij betaalt aardsche gaven met hemelsche munt, en die neem ik te liever aan, daar ik van Gods hulp alleen verwacht, dat mijne regeering eene zegenrijke zal zijn.quot;

Rufinus begroette den keizer hartelijk, als eenen ouden krijgsmakker; met levendige deelneming herdacht hij het lijden, datRu-flnus en zijne dochter alleen door christelijken moed in staat waren geweest te doorstaan, en verzocht hem, het ambt van Praefectus Urbi weder te willen aanvaarden.

Valeria\'s liefelijke verschijning had Constantijn bij haar binnentreden reeds verrast. Toen hij met zooveel lof over Candidus sprak, was hem de stralende vreugde niet ontgaan, waardoor zich onbewust het hart van het meisje had verraden. Constantijn wendde zich derhalve tot den jongeling en sprak, terwijl hij op de tropee met het Labarum wees:

„Na het eindigen van den oorlog neem ik uit uwe handen, dappere tribuun, den standaard, dien ik u heb toevertrouwd. Gij hebt hem zoo eervol gedragen, dat ik u iets nog kostbaarders wil toevertrouwen; en gij zult het des te liever bewaren, ofschoon het niet mijn eigendom is. Ik heb echter den tegenwoordigen bezitter nog niet om zijne toestemming gevraagd; maar ik doe het thans: Rufinus, ik vraag voor mijnen tribuun Candidus de hand van uwe dochter Valeria.quot;

Deze zoo geheel onverwachte woorden des keizers maakten, bijzonder op de twee meest belanghebbenden, een onbeschrijfelijken indruk. Candidus viel den keizer te voet, dat geluk was te groot! Valeria wierp zich aan den boezem van Irene.

„Mijn keizer,quot; sprak Rufinus, „gij brengt in vervulling, wat ik in het binnenste van mijn hart had gehoopt en volgaarne geef ik den edelste onder uwe krijgers het kleinood, dat de hemel mij heeft geschonken.quot;

„Mijn lief kind,quot; sprak Irene, de maagd omhelzend, „zoo schenkt de hemel mij eene dochter weder.quot; Constantijn had Candidus doen opstaan en voerde hem tot Valeria; Rufinus legde de hand van het meisje in die van Irene\'s zoon.

218

-ocr page 218-

HET LOON.

„Is er iets beters, dat de\'plaats van het altaar kan vervullen,quot; sprak de grijze bisschop, op het Labarum wijzend, „dan dit teeken van den heiligen naam? Zoo zij dan voor mij, als priester Gods in den naam van Christus, de heilige band gelegd, die u van heden verbindt, en smeek ik voor u van den hemel genade en heil af. Weest gelukkig in het bezit van het loon, dat gij, Candidus, u hebt verworven door strijden, gij, Valeria, doorlijden! - Moge uwe band het symbool zijn der eendracht, welke voortaan den staat met de Kerk van Christus zal verbinden, daar ons de hemel eenen keizer heeft geschonken, die het heil des-rijks niet in de vervolging dei-Kerk, maar in hare bescherming zoekt, en die met vaderlijke hand •de wonden tracht te heelen, welke droevige verblindheid en onverdiende haat haar hebben toegebracht.quot;

Nog op denzelfden morgen nam de paus bezit van het Lateraansche paleis en bestemde de basiliek, welke het bevatte, een groote, op een dubbele zuilenrij rustende zaal, tot kathedraal van den bisschop van Rome. Tot dien tijd was de kerk der H. Pudentia, de dochter van den senator Pudens, in wiens huis de apostel Petrus, de eerste geloovigeo placht te verzamelen, de kathedraal des pausen geweest; van nu af zou de Lateraansche basiliek „de moeder er het hoofd van alle kerken der stad en der geheele wereldquot; zijn. Het edikt, waardoor den christenen hunne heilige plaatsen werden teruggéschonken, werd door de geloovigen met onbeschrijfelijken dank begroet en de priester-titularissen haastten zich weder van hunne kerken bezit te nemen. Helaas! meermalen aanschouwden zij daar de gruwelijkste verwoestingen en de vreeselijkste schennis. De oude, eerwaardige kerk van den H. Clemens was in een heiligdom van Mithras, die in\' het huis van Lucina zelfs in eene menagerie veranderd geworden; andere kerken dienden tot magazijnen, en van de voormalige versiering waren slechts jammerlijke overblijfselen aanwezig.

Maar met eene offervaardigheid en geestdrift, gelijk in de geschiedenis der Kerk wellicht geen grootere voorkomt, gaven de Christenen alles, wat zij bezaten, om het verwoeste schooner te herstellen en elke dag, waarop in een der kerken de eerste godsdienstoefening weder werd gehouden, was voor allen een dag van heilige feestvreugde. Nog honderd jaren later weerklinkt in de gedichten, waar-

214

-ocr page 219-

HET LOON.

mede de dichter Prudentius dien dag bezingt, de jubel, waarmede de Rooinsche Kerk toenmaals hare bevrijding bezong. De vreugde werd nog verhoogd door hen, die, overtuigd van de waarheid des Christendoms door het openbare wonder, dat zij in de overwinning van Constantijn voor oogen hadden, de oude goden den rug toekeerden en den bisschop Melchiades om opname in den schoot der Kerk baden. De eersten waren de tribuun Arsenius en de senator Anicius Paulinus met zijne kinderen.

Op den dag na de verloving van Candidus met Valeria zag men een gezelschap de Appische poort uittrekken; in aller oogen was zoete vreugde en zalig geluk te lezen; het jonge bruidspaar toog met de ouden, naar de graven van Sophronia en der zusters van Candidus, om die met bloemen en kransen te versieren.

Zij waren niet de eenigen, die naar de Katakomben gingen; reeds sedert het aanbreken van den dag bewogen zich grootere en kleinere scharen van geloovigen, allen in feestdos, langs den Appischen straatweg. Want de Kerk vierde op dien dag, 30 October, het feest van den heiligen paus en martelaar Pontianus, en had men gedurende de jaren der vervolging het nimmer achterwege gelaten, zijn nagedachtenis door het vieren der heilige geheimen in de Katakomben van Callistus te eeren, zoo moest thans de jubel der triomfeerende Kerk weerklinken bij de graven der martelaren. De fossorss hadden nog gedurende den nacht den sedert jaren door puin versperden ingang weder geopend en de trap, welke tot de grafkamers voert, vrij gemaakt; de weg van de Via Appia tot aan den ingang was met bloemen en frisch groen bestrooid, de deuren versierd met festoenen en tapijten en de kapel zelf met guirlanden en talrijke lampen.

Een kort onweder had \'s morgens met kleine buien het stof van don straatweg verdreven en de geheele natuur verfrischt; door de grillig gevormde bergen van wolken braken hier en daar de stralen der zon en kleurden de randen met eenen vuurgloed; zoo schoon de Italiaansche hemel is in zijne helderheid, zoo wondervol is hij, wanneer lichte wolken hem met hun kleurenpracht versieren.

Wat hadden Araleria en Ruflnus veel te zeggen over het graf van hunne moeder en gade, die thans de hemelsche zaligheid genoot; hoe voelde Irene en haar zoon zich getrokken tot de graven der maagden, welke door den marteldood de groote zegepraal verwierven!

215

-ocr page 220-

HET LOON.

Nog onlangs had Valeria zoo vaak de Via Appia betreden, het hart vol kommer en smart en angst, — toen zij hare moeder ter rustplaats geleidde, toen zij haar vader een graf bereidde, toen zij voor het laatst afscheid van Irene wilde nemen. Rufinus zou heden als Christen tot de rustplaats zijner echtgenoote wederkeeren; haar gebed en dat van hare dochter had hem op den weg van zware beproevingen tot de waarheid gevoerd. Irene was langs dezen straatweg naar den circus gesleept, om daar te sterven, zonder haar geliefden zoon, welke zoo dicht in haar nabijheid was, na lang scheiden te kunnen omarmen. In welken zielenangst was Candidus de monumenten der Via Appia voorbij gesneld, hoe vurig had hij den hemel aangeroepen, dat hij niet te laat zoude aankomen.

Aan dit alles dachten de tochtgenooten, en in de oogen van Valeria parelde van tijd tot tijd een traan; maar dan overtoogook weder een lachje van gelukkige vreugde hare trekken, als zonneschijn na het onweder. Nooit had hun het groen der boomen en de kleur der bloemen liefelijker tegengelachen; de villa\'s op de glooiingen van de Albanische bergen groetten van verre als vroolijke kinderen; in de reine, verkwikkende lucht van den warmen herfstdag-zwermden de bijen, de kevers en de muggen brommend in het rond, en — hoe wonderschoon! - boven al dien vrede en vreugde welfde een prachtige regenboog zijn lichtenden kleurenglans.

Na een tocht van een half uur, had men het cemeterium van den heiligen Callistus bereikt, en onder Valeria\'s geleide daalde het gezelschap met hun fakkels en hun bloemenkransen in de heilige doodenstad af.

Toen zij na eene korte wijle in het Cubiculum traden, waarin Sophronia rustte, — ter eene zijde het dubbele inschrift, dat Rufinus haar had gewijd, en ter andere het ledige graf, dat zijn dochter voor hem zeiven had bereid, — overviel beiden een hevige ontroering, en vooral Valeria, die in luid snikken uitbrak. Doch de smart, was thans weldadig, zij werd door een heiligen troost verzoet. Wel kwam bij beiden den wensch op: ach, dat zij nog leefde, om ons geluk te deelen! Zij voelden echter, hoe op dit oogenblik de zalige hun in den geest nabij was. En nu eerst begreep Rufinus de volle betee-kenis van zijn inschrift: „Sophronia dulcis, semper vives Deo; Sophronia vives, gij zult eeuwig bij God leven; ja gij zult eeuwig

216

-ocr page 221-

HET LOON.

leven!quot; Zwijgend grifte hij met een klein instrument in de kalk-bedekking een derde inschrift:

Sophronia, vivas felixcum tuis!

Sophronia, leef zalig met de uwen.

Thans, als christen, was Rufinus van de troostrijke waarheid overtuigd; de dood had geen afgrond tusschen de afgestorvenen en de nageblevenen gevormd; slechts een lichte voorhang scheidde hen. Gelijk Sophronia eenwig zalig bij God leefde, zoo verwijlde zij ook bij de haren met haar gelouterde liefde, had zij in de dagen der beproeving voor echtgenoot en dochter Gods barmhartigheid gesmeekt, zoo deelde zij thans van uit den hemel, het stille, overvloedige geluk hunner harten.

En gelijk deze beide inschriften, zoo is ook deze derde, uit het geloovige hart ontsprotene groet van den afgestorvene in de Kata-komben van Callistus bewaard gebleven.

Nadat Valeria en Irene het graf van moeder en vriendin met kransen hadden versierd, ging het gezelschap naar de begraafplaats der twee meisjes. Het was een eenvoudig graf, waarin de maagdelijke martelaressen in vrede naast elkander sluimerden; desteen droeg zelfs geen opschrift. Doch Irene had boven het graf als voorbeeld de drie Babylonische knapen laten afbeelden, en hoe voelde zij zich thans niet gedrongen om, nu de vlammen der vervolging waren uitgedoofd, in te stemmen in den lofzang der strijders voor God uit het Oude Testament.

Candidus was, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, uit het vaderlijk huis, uit den kring zijner speelgenooten gerukt voor den ruwen krijgsdienst; en nu temggekeerd, stond hij met zijne moeder aan het graf zijns zusters; het lijk van zijn vader, den martelaar, lag echter nog onder puin bedolven in de zandgroeve aan den La-tijnschen straatweg, en wachtte, dat de zoon hem een grafkamer tot rustplaats zou bouwen, als middenpunt eener katakombe, welke voor altijd den naam van Castulus zou dragen.

Moeder en broeder hingen boven de graven twee bloemenkransen op; Candidus grifte bovendien in den steen het zegenrijke naamcijfer van Christus, waarvoor de twee zusters waren gestor-

217

-ocr page 222-

HET LOON.

ven, in Wiens vrede zij thans rustten, in Wiens hemelglorie zij eeuwig met hun vader zich verheugden.

Nu geleidde Valeria het gezelschap naar de meest beroemde graven van martelaars; de kapel, waarin sedert eenige eeuwen de pausen werden bijgezet, naar de rustplaats der heilige Cecilia, naaide katekombekerk der heilige Sateris en naar het oudste deel van het cemeterium, waar de heilige Luceina, de leerlinge van den apostel Paulus, rustte.. Heden nog na anderhalfduizend jaar zijn deze graven het doel van alle pelgrims, ofschoon de gebeenten der heilige martelaren reeds lang in de kerken der stad waren overgevoerd en de tijd en het vandalisme van woeste menschen veel hebben verwoest. Destijds was alles nog ongeschonden; de sarcophagen of steenen kisten, de grafsteenen voor eenige graven, de lampen, waarmede men op den verjaardag van het overlijden de graven dei-afgestorvenen verlichtte, de in de frissche kalk ingedrukte voorwerpen, welke de christenen aan het verzegelen van het graf van Christus en aan Zijne en hunne verrijzenis herinnerden, de schilderwerken, waarmede de gewelven en wanden der grafkamers waren versierd.

Op zijne tocht door de katakomben ontmoette het gezelschap dan hier, dan daar groepen van geloovigen, die de heilige plaatsen bezochten, met lampen en fakkels in de handen; niet zelden weerklonken vrome gezangen dan in de nabijheid dan weder meer verwijderd; talrijke graven waren met frissche kransen getooid, bij andere branden lampen, welke in de kalk, die de grafplaten sloot, waren vastgehecht.

Valeria wist alles uit te leggen. Gelijk de hovenier, die rondwandelt tusschen den rijken bloei zijner bloembedden, dan hier, dan daar een tak, een knop en bloemen afsnijdt, om dus uit het schoonste, wat zijn tuin bezit, een kleurigen, geurigen tuil te verzamelen, zoo verklaarde ook Valeria hier een inschrift, daar een symbool, ginds een rijk versierde kapel; nu hield zij stil voor een eenvbu-digen grafsteen, welke de geringe overblijfselen van vele martelaren, die door de wilde dieren waren verscheurd of door de vlammen hun dood hadden gevonden, verborg; dan geleidde zij het gezelschap van verdieping tot verdieping, door de straten en gangen van de groote doodenstad. Vol opgetogenheid luisterde Eufinus naar elk woord, dat van de lippen zijner geliefde dochter vlood; zelfs Can-

218

-ocr page 223-

II ET LOON.

didus, die zich slechts uit zijne kinderjaren de katakomben herinnerde, wist niet wat hij meer moest bewonderen, den rijkdom der heilige schatten, die de Kerk in deze schatkamer bewaarde, of de innige vroomheid en de verheven opvatting, waarmede zijn bruid alles uitlegde en verklaarde.

„Zie,quot; sprak Valeria, terwijl zij haar begeleiders in een niet zuilen versierde kapel voerde, wier achtergrond uit een rijk beschilderde nis bestond, „deze schilderij is eerst voor weinige maanden gereed gekomen. Het is een der meest zinrijke afbeeldingen van onze cemeteriën; het beeld van den Goeden Herder, het symbool des Heeren, die de verdoolde menschheid op de schouderen Zijner liefde naar den schapenstal van Zijn Kerk draagt. De koppen naar Hem gewend, verdringt de kudde zich om Hem; Zijne boden ijlen de woestijn der wereld in om aan alle volkeren de stroomen des heils te bieden, welke uit de levende rots, Christus, ontspringen. •Eenigen aanhooren met verlangen en rouwmoedigheid de genade-brengende boodschap, anderen daarentegen door zinnelijkheid gekluisterd aan de aardsche genoegens, keeren zich in trotschen overmoed van den herder en zijn boden af.quot;

„Ik sta slechts in het voorhof der kerk,quot; riep Rufinus, de oogen nadenkend op de schilderij richtend, vol blijde bewondering uit, „en hoe schoon is alles, wat ik ziel Wat moet het zijn, als ik het heiligdom durf binnentreden!quot;

Onophoudelijk richtte hij vragen tot zijne dochter, om zich te doen onderrichten, en hoe meer hij in het wezen der zaken indrong, des te hooger steeg zijne bewondering.

„Zeg mij, wat beduidt deze visch, die ik zoo dikwijls zie afgebeeld,quot; vroeg Rufinus, toen het gezelschap stil hield voor een vreemdsoortige afbeelding in het oudste gedeelte der katakomben, waarop eene in het water zwemmende visch werd voorgesteld, die een korfje met brood en wijn op den rug droeg.

Valeria had haren vader in den Marmertijnschen kerker bi] diens snelle voorbereiding tot den doop nog niet over een geheimenis gesproken. dat in het algemeen in het onderricht der katechumenen, eerst op het laatst werd verklaard; zij zag derhalve bij deze woorden van Rufinus Irene vragend aan; toen echter de matrone haar lachend toeknikte, antwoordde zij:

219

-ocr page 224-

HET LOON.

„Op de grafsteenen zien wij vaak een visch, vaak het grieksche woord voor visch, Ichthys, afgebeeld. Onze vaders in het geloof verdeelden dit woord in zijn vijf letters en in deze erkenden zij de eerste letters der vijf grieksche woorden: Je.sus Christus, Theou Hyios, Soter. Jesus Christus, Zoon Gods, Verlosser,quot; en zoo is de visch voor ons een geheim teeken voor den Heer geworden. Daarom staat de afbeelding van den visch of het woord op de grafsteenen, om aan te duiden, dat de overledene in het geloof aan Jesus Christus, den Zoon Gods, en in vertrouwen op Zijn Verlossingsdood uit deze wereld is gescheiden. Zoo is ook deze visch,quot; vervolgde Valeria, op de afbeelding wijzend, „die zich levend boven het water verheft, het zinnebeeld van den Zoon Gods, die zich verheven heeft uit den zondvloed van Zijn lijden, tot het eeuwige leven, in de heerlijkheid des Vaders, doch met ons verbonden is door een wonderbare spijze, die Hij ons aanbiedt, — die wel is waar de oogen en de tong brood en wijn toeschijnt, doch in waarheid door het woord Zijner almacht een bovenaardsche, hemelsche, goddelijke spijs is geworden.quot; Valeria hield op; zij waagde het niet den sluier van het heilig Geheim verder op te lichten. Rufinus echter beschouwde in gepeins verzonken het afbeeldsel en sprak:

„Op een andere schilderij zag ik een visch naast korven met brood als spijze voor tot het maal genoodigde gasten; hier draagt de visch brood en wijn in een korfje op den rug. Nu is, zooals gij mij geleerd hebt, de visch Christus! — is dan die bovenaardsche, hemelsche, goddelijke spijze, die gij eet, die den zinnen brood en wijn schijnt____quot;

Rufinus hield op; de gedachte scheen hem te verheven, te grootsch, dan dat hij het gewaagd had haar uit te spreken.

Het als in heilige verrukking stralende oog van Valeria en het zalige lachje om haar lippen gaf hem stilzwijgend het toestemmend antwoord.

„O mijn kind,quot; riep Rufinus met diep bewogen stem, „is het dan mogelijk en denkbaar, dat de Eeuwige zich zoo diep tot het arme schepsel neer zou buigen, en kan de worm in het stof zijn God in zich opnemen, zonder door Diens majesteit verpletterd, door den vlammengloed van Diens heerlijkheid verteerd te worden?quot;

„De goddelijke liefde, die ter verlossing aan het kruis hing,quot; ant-

220

-ocr page 225-

HET LOON.

woordde Valeria, „stelde zich met uitgestrekte armen tusschen hemel en aarde, tusschen God en de menschen, en trok der. Oneindige omlaag in het stof en hief den zoon der aarde op tot God.quot;

„En mag ik,quot; vroeg Rufinus, en een traan parelde in zijne oogen, „mag ik, nadat ik zoo\'n langen tijd de valsche goden heb gediend, en zoo hardnekkig de genade van mij afgestooten heb, mag ik, armzalige zondaar, hopen, toegelaten te worden tot deze hemelspijze, om mijn God en Schepper — — o mijn kind, mijn kind, mogen mijne handen zich uitstrekken naar den Zoon Gods, mogen mijne lippen Hem aanraken, mag mijn hart Hem bevatten ? — Neen, dat ben ik niet waardig. Maar aanbidden mag ik Hem en Zijne liefde in de gedaante van brood; zien mag ik, hoe gij, reine, heilige zielen, Hem in u en u in Hem doet opgaan. O, thans begrijp ik,quot; vervolgde hij, „hoe de martelaren zoo verheugd en vol geestdrift den dood tegemoet traden en niet verschrokken voor die folterwerk-tuigen, bij wier aanblik ik sidderde; thans zie ik, waartegen de macht des keizers zich verpletterde; thans begrijp ik, hoe mijne lieve Sopfrronia, het vaatwerk Gods moest verbreken, om het niet te laten ontwijden.quot;

Irene en Candidus hadden met klimmende ontroering deze woorden aangehoord. Zij zelve hadden van het Sacrament een nog diepere opvatting dan liuflnus, en toch maakte die geestdrift, welke hem bij de eerste onthulling der geheimen aangreep, op hen den diepsten indruk.

„Doch zeg mij.quot; vervolgde Rufinus, die van de afbeelding niet kon scheiden, „waardoor en op welke wijze dan brood en wijn in deze hemelsche spijze, in den goddelijken „visch,quot; in Jesus Christus, den Zoon Gods en onzen Verlosser, verandert? Gij wijfeit om mijne vragen te beantwoorden; o, laat mij met den blik nog dieper in deze verheven geheimenis dringen! — Ik voel het, dit moet wederom geschieden door een geheel goddelijke inwerking. — Verschijnt wellicht de Heer, als wij tot gebed zijn verzameld, uit den hemel in ons midden, om door Zijn goddelijke almacht dit onuitsprekelijk wonder te verrichten? Want wie anders dan Hij zelf zoude machtig en tevens heilig genoeg daartoe zijn?quot;

„Ontdek hem nu alles!quot; spraken Irene en Candidus als uit één mond tot Valeria, overweldigd door het vurig verlangen, waarmede

221

-ocr page 226-

HET LOON.

Kufiims trachtte in het Heilig Geheim des Altaars door te dringen.

„Gij hebt,quot; sprak het meisje en hare taal werd nog plechtiger, „gij hebt na deze afbeelding van den maaltijd een andere gezien; een man in het wijde palium gekleed, gelijk voorheen onze priesters, evenals de heidensche philosophen, plachten te dragen, staat naast een Altaartafel, die op drie voeten rust, en strekt zijn handen over het brood en den daarneven op een schotel liggenden visch uit. Aan de andere zijde is een vrouw afgebeeld, die met opgeheven handen bidt.quot;

Valeria hield eene korte wijle op; zij moest al hare krachten verzamelen, om op waardige wijze het grootsche geheim te verklaren. Toen sprak zij diep bewogen:

„Een woord, door sterfelijke lippen over het brood uitgesproken, doet den Onsterfelijke en Onmetelijke geweld aan; door Gods inblazing almachtig geworden, verandert het het doode in het levende, het aardsche in het hemelsche, de vrucht der aarde in een goddelijke spijze, en onder den sluier van de broodsgedaante ligt op het altaar de goddelijke „vischquot;, Jesus Christus, — en met opgeheven handen Hem aanbiddend staat daar de Kerk voor den Zoon Gods, den Verlosser, in het levendig geloof aan Zijn woord: „Neemt en eet, dit is mijn lichaam.quot;quot;

Ruflnus stond een oogenblik verstomd, als worstelend tegen de verhevenheid van het geheim, die zijn verstand overweldigde. Eindelijk sprak hij:

„Hoe rein en heilig moeten onze priesters zijn, van wier lippen de Zoon Gods opnieuw geboren wordt, hoe vlekkeloos de handen, aan welke Hij zich, in broodsgedaante gehuld, toevertrouwt 1 — En wat groote liefde van den Eeuwige, om aan den gebrekkigen zoon des stofs over zich zeiven macht te verleenen, zoo dat één woord uit diens mond, voldoende is, om de nederige natuur van het brood te doen veranderen niet in een mensch, niet in een engel, maar in de goddelijke natuur! Neen, neen, dat kan geen menschelijk verstand vatten en begrijpen. — Ach mijn kind,quot; ging hij na een wijle voort, „wat is dit een zoet en hemelsch loon voor het lijden, dat ik verduurde, dat ik daardoor tot de kennis van dit hoogste wonder der goddelijke liefde geraakte!quot;

„En toch,quot; hervatte Valeria, „moet de sluier nog verder vallen,

222

-ocr page 227-

HET LOON. 223

om u alles te onthullen, wat het geloof over dit geheim leert. Het is een priester, die aan de tafel, aan het altaar staat, en priester en altaar bewijzen dat er een offer aanwezig is. — Doch om dit te begrijpen,quot; vervolgde Valeria, „moet gij eerst in andere waarheden vonder-richt zijn, en ik vrees, u heden reeds te veel te hebben ingespannen.quot; . „Voelt men de lichamelijke zwakte, mijn kind,quot; riep Rufinus uit, „als de ziel zoo hoog boven het aardsche wordt verheven, of drukken den gevangene zijne ketenen, als de geheele hemel in zijn kerker nederstraalt ? üw vader volgt u, als het lam de herderin, ook wanneer zij het van de weide der zalige verrukking in de dorre woestijn der wereld terugvoert.quot;

Na een verblijf van meer dan twee uren had Valeria met de haren de trap weder bereikt, welke uit het cemeterium naar den ingang leidde. Door den nu van puin bevrijden ingang viel het daglicht als om hen te begroeten, en deze uitnoodiging volgend, steeg het gezelschap uit de katakomben naar boven. Toon Rufinus met moeite de lastige, stijle treden opstommelde, waarbij Valeria hem haar arm ten steun bood, sprak hij met een blik vol innige dankbaarheid: „Als op den stijlen weg, die uit den nacht naar het licht der waarheid voert, de liefde haren arm biedt aan den pelgrim, dan bereikt hij toch eindelijk, met Gods genade, zijn deel.quot;

Toen het gezelschap uit den tuin, waarin het cemeterium lag, op de Via Appia kwam, zat daar, gelijk het meermalen gebeurt, een boerenknaap, die den vermoeiden herfstvruchten aanbood. In zijn wijden korf lagen naast appelen, peren en ander ooft, ook druiven, schoone, roode druiven, en een tros daarvan omhoog heffend, bood hij dien vriendelijk lachend Valeria aan.

„O ja,quot; ri^p het meisje, die gisteren en heden herhaaldelijk de woorden van Sophronia had herdacht, „geef mij die schoone, roode druiven, het is mijn zoete moeder, die ze mij zendt. Herinnert gij het u nog?quot; vervolgde zij tot haren vader, terwijl een traan van weemoedige vreugde in haar oog blonk; en zij nam een druif tus-schen hare vingers en drukte haar stuk.

„De schil is rood,quot; antwoordde Rufinus diep bewogen, terwijl hij de woorden zijner gade herhaalde, „maar het binnenste is klaar en helder, en om den harden kern vloeit het zoete sap, — zoo is het ook met het lijden.quot;

-ocr page 228-

224 HET LOON.

Op den terugweg naar de stad ontmoette het gezelschap eene afdeeling soldaten, welke een met ketenen beladen gevangene in hun midden hadden. Hoe was Candidus verbaasd, toen hij in dezen den zonnepriester Gordianus herkende. Tegelijkertijd hief de gevangene het hoofd op en een duivelsche woede sprak Uit zijn gelaat, toen hij den tribuun ontwaarde. De gehate banierdrager van den christelijken naam, overladen met eer, stralend van geluk, — en hij, ter dood veroordeeld, op den weg naar een eenzaam rotseiland, waarheen de keizer hem, nog uit genade, levenslang gebannen had.

Acht dagen later knielden in de basiliek van Lateranen aan het altaar, aan het welke eens de vorst de apostelen de H. Geheimen had gevierd, Candidus en Valeria, door hunne ouders vergezeld, en voor God en de geheele Kerk, sloten zij hun heiligen bond. Constantijn had zich belast met den uitzet der bruid en had zich met keizerlijke vrijgevigheid van zijn taak gekweten.

Kostbaarder dan al die rijkdom van paarlen en juweelen en al de gouden sieraden was in Valeria\'s oog de bulla, in den vorm van een hart, met het bloed van den martelaar Castulus, die zij op den borst droeg; Irene had de opgetooide bruid deze heilige reliquie als laatste en edelste bruidsieraad om den hals gehangen.

Van alle kanten ontvingen zij bruidsgeschenken, zelfs de arme Rustica wilde met hare gave niet achterblijven. Rufinua had, nauwelijks in zijn paleis teruggekeerd, haar en haren man de schitterendste aanbiedingen gedaan; beiden hadden beslist elke belooning geweigerd. Thans kwamen zij en brachten hun geschenk, onaanzienlijk en toch wellicht van alle gaven de rijkste van beteekenis: een eenvoudige schaal van glas, op grove wijze was op haar bodem gegraveerd de beide jonggehuwden voor het altaar, daarboven een zegekrans en daaromheen het opschrift:

„ Vivatis in Deo, leeft in God.quot;

-ocr page 229-
-ocr page 230-