-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE FAMILIE WALKER.

-ocr page 6-

De gezamenlijke Novellen en Vertellingen van H. A. Banning verschijnen in drie seriën van vijf of zes (leelen.

DE EERSTE SERIE ZAL BEVATTEN !

1. UIT HET VERLEDEN. Utrechtsche Novellen.

a. Pieter van Stralen, de Oude Utrechtsche Omroeper, b. Mooi Elsje. c. l)e Oude Klepperman, d. Op de Voddenmarkt.

2. OUDE KENNISSEN. Vier Novellen.

a. Vreemde eenden in de bijt. b. Tante Jet. Eene Watersnood-novelle. c. Drie dagen in Amsterdam, d. De Suikertante.

3. DE FAMILIE WALKER. Een kijkje in de heden-daagsche samenleving.

4. DE HEKS VAN DE AMEESEOOETER HEIDE.

5. KO FOLKES. Eene Amsterdamsclie Gescliiedenis.

6. EEN KLAVERBLAD. Drie Novellen.

a.\' Bij de Water- en Vuurvrouw. b. Op glad ijs. c. Toonbaas eu zijne huishoudster.

-ocr page 7-

MM

é/i u

DE FAMILIE WALKER,

Een kijkje in de liedendaagsclie samenleYing

.quot;VA «

J 1 \'■

H. A. BANNING.

O

\'s-HERTOGENBOSCH, Maatschappij de Katholieke Illustratie. 1885.

-ocr page 8-

De gezamenlijke Novellen en Vertellingen van H. A. Banning verschijnen in drie seriën van vijf of zes deelen.

DE EERSTE SERIE ZAL BEVATTEN :

1. UIT HET VERLEDEN. Utrechtsche Novellen.

a. Pieter van Stralen, de Oude Utrechtsclie Omroeper, b. Mooi Elsje. c. De Oude Klepperman, d. Op de Voddenmarkt.

2. OUDE KENNISSEN. Vier Novellen.

a. Vreemde eenden in de bijt. b. Tante Jet. Eene Watersnoodnovelle. c. Drie dagen in Amsterdam, d. De Suikertante.

3. DE FAMILIE WALKER. Een kijkje in de heden-daagsche samenleving.

4. DE HEKS VAN DE AMERSFOORTER HEIDE.

5. KO FOLKES. Eene AmsterdamscLe GescMedenis.

6. EEN KLAVERBLAD. Drie Novellen.

a.\' Bij de Water- en Vuurvrouw. b. Op glad ijs. c. Tjonbaas en zijne Luishoudster.

-ocr page 9-

tkMl é/ï L-,

J

DE FAMILIE WALKER.

Een kijkje in de liedendaagsclie samenleving

H. A. BANNING.

T

qU

[lt; ORD-MIN gt;,

,A$y

\'s-HERTOGENBOSCH. Maatschappij de Katholieke Illustratie. 1885.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

DE MMILIE WALKER.

I.

Eene kleine inleiding uit den prnikentiid.

- f

anneer wij van een pruikentijd spreken, moet de lezer zich daarom nog niet angstig voorstellen , dat hij in gezelschap zal worden gebracht van heeren met gepoederde hoofden en dito dames met zwarte mouches aan de slapen en crinolines, de helft grooter in omvang dan die wij vóór eenige jaren zagen verdwijnen, ofschoon zij ook zeer bescheiden den naam van hoepelrokken droegen. De geschiedenis, die wij gaan mededeelen, is uit den jongsten tijd, doch om niet al te zeer met de deur in huis te vallen, willen wij ons eenige oogenblikken verplaatsen in een tijdvak, dat nu bijna\'veertig jaren achter den rug ligt.

I 3. \\

-ocr page 12-

DE FAMILIE WALKER.

Was het toen dan een pruikentijd ?

Als wij het antwoord op deze vraag moeten verwachten van hen die nog naar Theophile\'s wonderolie grijpen om zich een mannelijk voorkomen te geven, zal het zeker bevestigend zijn. Het geslacht, dat in de laatste helft dezer eeuw het licht zag, kan zich nauwelijks een denkbeeld vormen van een maatschap-. pelijk leven zonder een net van spoorwegen, zonder telegraphie, zonder lucifers , hoogere burgerscholen, cafés-chantants en wereldtentoonstellingen. Wanneer de tegenwoordige jongelui van dien tijd hooren spreken, trekken zij den neus op en schijnen te gelooven dat hunne ouders en grootouders in beschaving de Hot-tentotten niet te boven gingen.

Doch men zou ook hetzelfde antwoord krijgen van velen, wier haren reeds beginnen te grijzen en die thans glimlachen om hetgeen zij de onwetendheid hunner jeugd noemen. Men had er vóór veertig jaren nog nooit van gehoord dat de menschen van apen afstammen en er zou ook geen plaats geweest zijn voor Darwin. Iedereen meende toen nog dat recht boven macht ging, de woorden annexeeren en confisqueeren waren nog niet uitgevonden om daden te bemantelen in strijd met het zevende gebod, en de geëmancipeerde dames, die tegenwoordig met een revolver in den zak rondreizen om het protest der moderne beschaving tegen Genesis III vers 14 te

6

-ocr page 13-

EENE KLEINE INLEIDING UIT DEN PRUIKENTIJD.

doen hooren, speelden nog met de pop, in afwachting dat zij hare wisseltandjes zouden verliezen.

\'t Is of wij met de schoone prinses uit het bekende sprookje van Moeder de Gans een eeuw slapende hebben doorgebracht en de tijd middelerwijl reuzenstappen heeft gedaan, zonder dat wij er erg in hadden.

In dien goeden ouden pruikentijd woonde te Groningen een goudsmid, dien wij Oldringa zullen noemen , een man van ongeveer vijftig jaren, even ouderwetsch maar ook even solide als de gouden hoofdtooisels , welke hij vervaardigde. Hij was dan ook uren ver in den omtrek bekend als een voortrelfelijk werkman, en wie geen woorizerquot; van Oldringa op »\'t eufd ad kon neit met doun.quot;

Onze goudsmid had een brave huisvrouw en twee kinderen, een jongen en een meisje. Eenvoudig er , eerlijker man kon in gansch Groningen wel niet gevonden worden. Men had hem nooit op een onwaarheid betrapt en zijn woord was even deugdelijk als zijn goud. Daarom noemde de wereld hem stijfhoofdig en eigenzinnig en zijne vrouw stootte zich ook wel eens aan die scherpe kanten van zijn karakter; want eene vrouw, vooral eene vrouw die moeder is, zij moge zoo braaf zijn als zij wil, kan niet altijd alle dingen, die in het huishouden voorvallen, bij den rechten naam noemen.

Oldringa was van den morgen tot den avond in

7

-ocr page 14-

DE FAMILIE WALKER.

zijne zaak werkzaam en bracht den overigen tijd in den schoot van zijn gezin door; hij zeide altijd: ))Wie zijn pleizier niet in huis kan vinden, zoekt het ook tevergeefs daarbuiten.quot; Koning Salomon had zeker in zijn besten tijd geen verstandiger zet kunnen doen.

Ofschoon Oldringa nu wel geen slaaf was van het goud, dat onder zijne vingers zulk een verlokkende gedaante kreeg, had hij een afkeer van alle verkwisting; hij schonk liever een gulden aan een behoeftige dan dat hij een dubbeltje nutteloos zou hebben uitgegeven, en daar de meeste menschen geheel anders denken en handelen en de gansche wereld wist dat Oldringa er warmpjes in zat, noemde men hem een gierigaard, wat hij waarlijk niet verdiende.

Op de kamers boven hem woonde een kapitein der infanterie , insgelijks met een vrouw en twee kinderen. Hij was een Hollander, zooals men in Groningen eiken Nederlander noemt, die buiten deze provincie geboren is; een zeer knap en beschaafd man van aanzienlijke geboorte, doch die desniettemin met Oldringa op vriendschappelijken voet omging. Zijne vrouw daarentegen was van veel geringer afkomst, doch zocht deze minderheid door gemaakte deftigheid te vergoeden. Zij droeg het hoofd zeer hoog en zag met minachting op de eenvoudige Groningers neder; misschien ook wel omdat deze, in hunne oud-vaderlijke manieren en gewoonten, weinig met al die gemaaktheid en «kale

8

-ocr page 15-

EENE KLEINE INLEIDING DIT DEN PRUIKENTIJD. 9

deftigheidquot; op hadden en haar in de wandeling in plaats van »de mevrouwquot; eenvoudig »de kaptainskequot; noemden.

Kapitein Walker vond er zijn genot in des avonds met den eerlijken Oldringa onder »\'n pipie en \'n klokkiequot; (1) over koetjes en kalfjes te praten. De «kaptainskequot; kwam echter zelden beneden, want zij kon de «plat burgerlijkequot; manieren van juffrouw Oldringa maar niet verdragen. Hot walgde haar als zij die «burgervrouwquot; over het inmaken van zuurkool en snijboonen hoorde praten, al waterden ook hare tanden, wanneer des winters een verlokkende geur uit de keuken van juffrouw Oldringa naar boven steeg. Daarenboven achtte zij het ook beneden haar rang om met de vrouw van een winkelier, al moest deze ook een bemiddeld en geacht burger genoemd worden, op vertrouwelijken voet om te gaan.

Kwam zij al eens beneden in de huiskamer, dan was dit alleen om, evenals een pauw, met haar tooi te pronken en te doen gevoelen dat zij daarmede een groote gunst bewees, \'t Bleek intusschen al spoedig dat zij alsdan iets te vertellen en te verzoeken had, dat met mevrouw die of die of met een partijtje bij den commandant in verband stond. Zij verwaardigde

(1) Een pijp en een borreltje. Zelfs de deftigste burgers dronken daar in dien tijd ook des avonds hun bittertje.

-ocr page 16-

DE FAMILIE WALKER.

zich somwijlen het strijkijzer van juffrouw Oldringa te komen leenen , omdat het »plomperquot; en zwaarder en dus beter geschikt was voor de kleeren van de meid dan het hare, en het gebeurde ook wel eens dat zij toevallig iets te vragen had wanneer de geur van varkenscarbonaden naar boven steeg. Zij kon wel geen varkensvleesch verdragen, maar om juffrouw Oldringa niet te versmaden, liet zij het zich dan welgevallen iets voor den kapitein aan te nemen.

Mevrouw Walker bleef altijd dezelfde deftige vrouw , vol afkeer voor alles wat niet tot den militairen stand behoorde en in \'t volle besef dat zij even ver boven de gewone burgerij uitstak als de Martini-toren boven de huizen. Zelfs de enkele appel of peer, die zij bij zulke gelegenheden den kinderen van Oldringa schonk en die, volgens haar zeggen, gemeenlijk uit den tuin van den gouverneur kwamen, zag zij gaarne met onderscheiding behandeld. Het krenkte haar, wanneer de kleinen die geschenken over den grond rolden , alsof het gewone appelen en peren waren geweest. Zulke feiten gaven in haar oog bewijzen van weinig beschaving of fijngevoeligheid.

Het ergerde mevrouw Walker ook zeer dat haar zoontje Ferdinand, een handig knaapje, in taal en gewoonten een echte Groninger dreigde te worden. Die jongen wist zich dan ook geheel niet naar de hoofsche manieren zijner mama te voegen; hij speelde op de

10

-ocr page 17-

EENE KLEINE INLEIDING Ü1T DEN PRUIKENTIJD. \\ 1

straat «stein brant, olt vrai,quot; (1) en was de onafscheidelijke speelmakker van de kleine Rika Oldringa, een even roodwangig als rondborstig natuurkind.

Zijne zuster Louise had daarentegen geheel het karakter harer moeder. Zij was preutsch, trotsch, alleen ingenomen met zich zelve en verlaagde zich nooit om met de kinderen van «benedenquot; te spelen, dan wanneer daar, naar oud gebruik, met»\'t Olie joar (2) , Martini-avondquot; of andere huiselijke feesten »knieper-diesquot; (3) of »Neijoarskoukenquot; (4) gebakken werden, bij welke gelegenheden zij hare afkeerigheid van de boersche manieren der Groningers aan de bekoringen harer maag offerde.

Kapitein Walker was in houding en manieren een echt militair, die er nooit minder gunstig uitzag dan wanneer zijne vrouw verlangde dat hij in burgerklee-ren met haar ging wandelen. In elk ander gewaad dan in de uniform, die hij van jongs af had gedragen, geleek hij op een figuur uit een kabinet van wassenbeelden, want hij kon met de uniform den soldaat niet afleggen. Fortuin bezat Walker niet, hij vermeed daarom den omgang met andere officieren en zat des avonds veelal bij den eenvoudigen maar ver-

(•1) Steen brandt, liet hout is vrij.

(2) Oudejaars-avond.

(3) Prouweltjes, oblietjes.

(4) Nieuwjaarskoeken.

-ocr page 18-

DE FAMILIE WALKER.

standigen goudsjiuj Dit werd weldra zulk een vaste gewoonte dat moeder Oldringa, wanneer zij de kinderen wnaar bed brocht en de boudel an kant zet hadquot;, nooit vergat den stoel van den kapitein op de gewone plaats en den tabakspot met beste «heerenbaaiquot; er in op de tafel te zetten.

Deze gewoonte werd onafgebroken voortgezet totdat het jaar 1848 daaraan en ook aan den pruikentijd een einde maakte.

Er staan tegenwoordig menschen voor groote geleerden te boek, die in allen ernst beweren, dat de verlichting en beschaving van onzen tijd eigenlijk eerst met liet jaar \'48 begonnen is. In \'93 van de vorige eeuw was de fakkel der moderne verlichting wel ontstoken en overal rondgedragen, doch de oude Jan-Saliegeest had er den domper weer opgezet. In \'48 was die fakkel opnieuw ontstoken en van dien tijd af dagteekent de volledige vrijheid der volken , toen eerst werd de geschiedenis der middeleeuwen voorgoed afgesloten.

Zoo redeneeren ook in ons land geleerde mannen, die wij maar niet zullen noemen. Dit neemt echter niet weg dat bij de geboorte van de nieuwe geschiedenis overal schrik en ontsteltenis heerschten. De fakkel der moderne verlichting dreigde alles in brand te steken en geheel Europa wapende zich om dien politiekcn brand te blusschen. Sommige koningen

12

-ocr page 19-

EENE KLEINE INLEIDING UIT PEN PRUIKENTIJD.

moesten de vlucht nemen, om niet in den brand om te komen, anderen bogen als knipmessen voor de fakkel der moderne verlichting; zelfs in ons rustig land werd alles, wat wapenen kon dragen, op de been geroepen.

Kapitein Walker, op wiens kunde en ervaring men hoogen prijs stelde, werd tot zijn leedwezen naar Amsterdam overgeplaatst. Zijne vrouw was daarentegen met die verplaatsing zeer ingenomen, want zij verbeeldde zich dat een vrouw als zij eigenlijk alleen in de hoofdstad of in Den Haag te huis behoorde. Zij zou nu ook aan hare kinderen een opvoeding kunnen geven, meer geevenredigd aan den rang, dien zij in de maatschappij bekleedde. In dit gevoelen scheen echter haar zoontje Ferdinand niet te deelen, want hoe lichtzinnig en wild de knaap ook steeds was, hij gaf zich bij hun vertrek uit Groningen ongedwongen aan de grootste droefheid over en men moest hem half met geweld van zijne speelgenoote, de kleine Rika, verwijderen , iets waarover zijne moeder zich zeer ergerde.

Men ziet vaak dat rampen met elkander in verband staan, even alsof de menschelijke samenleving een gebouw ware, waaruit men geen steen kan nemen, zonder ook de anderen aan het wankelen te brengen. Kapitein Walker stierf spoedig na zijne verplaatsing. De goede Oldringa zat\' ook niet lang alleen bij zijn

13

-ocr page 20-

DE FAMILIE WALKER.

»heerenbaaiquot;; hij volgde zijn vriend spoedig in het ander leven. De goudsmid stierf bedaard en kalm zooals hij geleefd had, zijne vrouw een goed gevulden spaarpot, maar ook de zorg over de twee kinderen achterlatende.

Na deze inleiding , die, hoe kort ook, voorzeker reeds menigeen verveeld zal hebben, omdat velen, helaas! gewoon zijn een voorrede of inleiding als ballast over boord te werpen, verzoek ik den lezer gt; beleefdelijk mij naar Amsterdam te volgen.

14

-ocr page 21-

II.

De kinderen zijn groot geworden.

Wij schrijven Anno 1868. \'t Is Zaterdagavond, een tijdstip vooral in de hoofdstad van groote betee-kenis. De Joden, die, weerhouden door de voorschriften der Mozaïsche wet, slechts met moeite hunne onrust en zucht naar den handel hebben kunnen onderdrukken , komen, zoodra de lieve zon geweken is, van alle kanten te voorschijn om, zoo mogelijk, in weinige uren de winstderving van het laatste etmaal te herstellen, \'t Is of zij na den Sabbat uit den grond kruipen, gelijk de wormen na een malsche regenbui. Men kan ook duidelijk hooren dat hunne stemmen rust gehad hebben, want de kreten, waarmede zij in de meest onverstaanbare woorden hunne waren uitventen, klinken veel welluidender, althans veel krachtiger dan den vorigen dag.

Er zijn op Zaterdagavond ook duizenden vrouwen van handwerkslieden op de been. Zij hebben reeds een paar dagen op half rantsoen geleefd, want om een gansche week met het loon van den man toe te komen, dat is een groote kunst, voor sommigen een

-ocr page 22-

16 DE FAMILIE WALKER.

onmogelijkheid; thans gaan zij met haar weinige penningen naar de winkels om in vele behoeften te voorzien en dan mogelijk ook nog wel naar eene andere plaats, waar de Zondagsche kleeren bewaard worden. Zulk een plaats heet bij onze zuidelijke naburen de berg van barmhartigheid ; met meer recht mag zij echter wel de berg van ellende genoemd worden.

Verder wemelt het op de straten van knechts en jongens, die nog eenig werk moeten afleveren, van bakkers, die warme bollen bezorgen, van loopmeisjes met doozen in allerlei vormen, en wanneer het weder-buitengewoon fraai is, ziet men in de voornaamste straten een aantal wandelaars, die zich in deze buitengewone bedrijvigheid verlustigen.

Ook binnenshuis heerscht daar, zooals, helaas! overal op den vooravond van den algemeenen rustdag, een algemeene onrust, die niet van de aangenaamste soort is. Of men in stilte zijne dagen slijt, of inde beslommeringen van den handel zijn brood moet verdienen , of men door den Hemel met vrouw en kinderen gezegend is, of een celibatair leven leidt — de Zaterdagavond brengt in alle huisgezinnen beroering, hetzij er de meid den schepter voert, of de huisvrouw haar despotieke rechten doet gelden.

Op den bedoelden avond vinden wij, te midden der bonte menigte, in de volgepropte Kalverstraat een zeeman, die met zijne breede schouders boven allen

-ocr page 23-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

uitsteekt, doch zich, met de handen in den zak, even ongestoord voorwaarts beweegt alsof hij zijn schip door de straat van Gibraltar stuurt. Hij is ongeveer vijf en twintig jaren oud en heeft een blozend goedhartig gelaat, dat met een zwaren ringbaard omzet is. Als alle zeelieden is hij in het blauw gekleed en zijn pet hangt zoo los op zijn hoofd alsof zij elk oogenblik voornemens is den eigenaar in den steek te laten.

Ofschoon onze zeeman zich natuurlijk slechts zelden onder zulk een groote menigte bevindt, schijnt dit echter voor hem weinig aantrekkelijks te hebben, want hij vervolgt zijn weg zonder veel op zijn omgeving te letten, \'t Schijnt ook dat hij haast heeft, daar nu en dan iemand, die den doorgang verspert, vrij onzacht door hem ter zijde wordt geschoven. De manufactuurwinkels trekken echter zijne aandacht; met een bespiedend oog ziet hij naar de artikelen van weelde, die met zooveel smaak geëtaleerd zijn en stapt eindelijk een dier mode-paleizen binnen.

«Wat is er van uw dienst?quot; vroeg een blond, jong meisje, zoo stemmig gekleed, als ware zij een stiefdochter van de mode-godin, die daar troonde.

»Ik wol ins \'n mooie damesdouke zein, juffer,quot; sprak de zeeman.

Het meisje glimlachte.

»Dou begripst me neit, nè?quot; vroeg de zeeman.

«Neen, kapitein.quot;

I 3. 2

n

-ocr page 24-

DE FAMILIE WALKER.

»Kaptain kan er nog wel wat afblieven; \'k bin bliede da \'k \'t tot stuurman brocht eb. Moar dou verstaest me neit, da zei k hel goud en \'k zal doarum mien mond in plooien zetten. Ik zou den damosdoek , die daar hangt, wel eens willen zien, beste juffer.quot;

wDie daar, stuurman?quot;

»Dezelfde; hoe heet zoon ding tegenwoordig?quot;

«Een sjaal, stuurman.quot;

»Zoo ... en de prijs?quot;

«Tachtig gulden, maar we hebben ze in alle prijzen.quot;

»As ie mooi is, stekt em \'t geld zoo nauw neit, juffer.quot;

«Wat blieft u?quot;

»Ik meen dat ik op geen gulden of wat zal zien , wanneer de doek het geld maar waard is.quot;

«Wil u dan niet liever naar boven gaan?quot;

«Naar boven?.....Waarom?quot;

«IJ kan ze daar in alle prijzen zien en uitzoeken.quot;

«Kan \'k dat ding dan neit kriegen?quot;

«Wel zeker, stuurman, maar boven zijn er die u misschien nog veel beter bevallen. Als u daar de trap maar wil opgaan; ik zal iemand meegeven.quot;

«Metgeven? Kanst dou me dan neit an boord elpen?quot;

Het meisje glimlachte weder en vroeg andermaal; «Wat blieft u?quot;

«Wil de juffer mij niet helpen?quot;

18

-ocr page 25-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

»Wel zeker, stuurman; wees zoo goed vooruit te gaan, ik zal u volgen.quot;

Nu werden met bekoorlijke kunstvaardigheid een aantal sjaals te voorschijn gehaald, gevouwen en in het gunstigste licht gesteld, \'t Was of die groots doeken op de wenken der slanke vingers gehoorzaamden, zoo snel volgden de wendingen en plooiingen op elkander, zoo onbegrijpelijk vlug verscheen elk oogen-blik de traditioneele tip op het langwerpig vierkant.

Daar lagen nu eindelijk een twaalftal sjaals uitgespreid en het jonge meisje zag den stuurman aan, als wilde zij zeggen dat het nu zijn beurt was.

))Moet ik daar nu uitzoeken?quot; vroeg hij.

)gt;Wil u er soms nog meer zien?quot;

»Dat zou weinig baten, want ik heb geen verstand van die dingen. Maar zeg eens, als de juffer er nu eens een moest uitzoeken, op welke zou de keus vallen ? \'

«Daar zou ik eerst mijn beurs over moeten raadplegen , stuurman,quot; hernam zij schalks.

»En als u eens over honderd gulden te beschikken had?quot; vroeg de zeeman lachend.

«Over honderd gulden!quot; herhaalde het jonge meisje haastig en men kon duidelijk zien dat eene huivering door hare leden gleed. Zij herstelde zich echter spoedig en antwoordde;

«Als ik honderd gulden mocht besteden, zou ik deze kiezen; het groen is zoo heerlijk.quot;

19

-ocr page 26-

DE FAMILIE WALKER.

»Zoo, maar laat mij dan eens zien hoe dat ding staat als het over uw schouders hangt?quot;

Het jonge meisje wierp met een zwierigen zwaai den doek om de schouders en liep een paar schreden heen en weer.

\'t Was of de zeeman al zeer weinig belang in zijn koopwaar stelde, zoo verstrooid keek hij naar den doek, en als de winkeljuffer op zijn antwoord had moeten wachten, zou zij zeker al te lang heen en weder hebben moeten loopen. Dit scheen haar ook niet te ontgaan, want zij legde glimlachend de sjaal bij de overige. «Wil u nog eens een andere zien?quot; vroeg zij.

»Neen, neen,quot; antwoordde hij, «deze staat mij zeer goed aan, omdat het ook uw keuze isquot;

»Maar de smaak is verschillend, stuurman. De dame voor wie het geschenk bestemd is, heeft misschien een andere keus.quot;

»En toch zal zij nu dezen doek moeten nemen,quot; antwoordde hij. «Wees zoo goed hem in een papier te rollen, dan zal ik de juffer betalen.quot;

«Waar moet het pakje bezorgd worden?quot; vroeg zij. «Waar het bezorgd moet worden?quot; hernam de zeeman de schouders ophalende, «ja, dat weet ik zelf niet recht; ik zal moeten zoeken, maar dat is niets, geef me den doek maar mee.quot;

«Als ik den naam mocht weten, zou ik u misschien het adres wel kunnen opgeven.quot;

20

-ocr page 27-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

»De naam is Walker, maar.....quot;

»Walker!quot; riep het jonge meisje verrast.

«Kent de juffer dien naam zoo goed?quot; vroeg de stuurman,

»Daar zijn er velen,quot; antwoordde het jonge meisje op afgemeten toon. «Deze sjaal is dus waarschijnlijk voor de dochter van mevrouw Walker de kapiteins-weduwe?quot;

»Je zegt dit op eene wijze alsof het u leed zou doen, juffer,quot; sprak de zeeman, terwijl hij het meisje met nog meer opmerkzaamheid dan vroeger aanzag.

»Och, mijnheer,\'\' antwoordde zij met geveinsde onverschilligheid, «dat is immers een zaak geheel buiten mij.quot;

«De juffer kent dus Louise Walker?quot;

«Zeker, zij is mijn nicht.quot;

«Uw nicht, hoe kan dat zijn?quot;\'

«Mijne moeder en mevrouw Walker zijn zusters.quot;

»Ja, dan zijn de dochters nichten,quot; zei dezeeman met koddige naïveteit voor zulk een breedgeschouder-den man. «Maar dat kan ik haast niet gelooven.quot;

«Waarom niet, stuurman?quot;

«Omdat ik nog nooit zeekatten en goudvisschen in hetzelfde water ontmoet heb, juffer,quot; antwoordde de zeeman glimlachend, terwijl hij de klep van zijn pet naar het rechteroor schoof. «Deze sjaal is niet voor Louise Walker, dat kan ik u verzekeren, maar zij zal toch weten dat ik ze bij u heb gekocht.quot;

21

-ocr page 28-

de familie walker.

Het jonge meisje scheen te ontstellen. » Doe dat niet zeide zij, »ik bid u, stuurman, spreek met haar niet over mij.quot;\'

Toen zij die woorden sprak, schenen tranen in hare oogen te blinken. De stuurman zag dit zeer goed; hij geraakte in verlegenheid, schoof de klep van zijn pet nu naar het linkeroor, nam zijn pakje onder den arm en bood het meisje zijn groote hand aan. mAIs ik niet wist dat het u leed deed,quot; zeide hij hartelijk, »dan moest ik er meer van weten, maar nu zal ik zwijgen. Dag, jufier, u zal me nog wel eens zien voor ik weer naar boord ga.quot;

De stuurman verliet met groote stappen den winkel en bevond zich eenige oogenblikken later weder midden in het gewoel der Kalverstraat. Op de Munt-sluis gekomen zijnde, stond hij een oogenblik in twijfel welken weg hij moest nemen, dewijl aldaar de straten naar verschillende richtingen voeren.

»Weg wijzen, meneer?quot; vroeg een jongen met een aantal dagbladen onder den arm, die onmiddellijk had gezien dat de vreemdeling het spoor bijster was.

»Ja, da\'s goud, jongen,quot; antwoordde de zeeman, «voor \'n dubbeldie kanste mi noar de Binnen-Amstel brengen.quot;

«Voor \'n kwartje doe ik het anders ook alsprak de jongen met een snaaksch gezicht. «Waar moet u wezen, kapitein?quot;

22

-ocr page 29-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEK.

»Bij de Heerengracht, nommer veir en vieftig.quot;

»Is dat Fransch of Spaansch, kapitein?quot;

»\'t Jordaansch zal je zeker beter verstaan, kleine bengel. Ik meen nommer vier en vijftig; de naam is Walker.quot;

«Die zijn daar meer, kapitein, wacht eens: De Oprechte Haarlemmer, de Amsterdamsche en de Bazuin... is \'t zoo niet?quot;

»\\Vat snater je toch, jongen?quot;

»Pas op die omnibussen, kapitein, \'t is hier niet pluis. Zóó, nu kunnen zij passeeren ... Ik meen een ouwe heer, die lid is van \'t Bijbelgenootschap en Zondagsoefeningen houdt.quot;

«Neen, die is het niet.quot;

«Wacht, nu weet ik het al; De Nieuwe Rotterdammer, het Zondagsblad en het Vaderland; vier stuivers in de week en met kermis en Nieuwjaar een kwartje. Een toe huis, jongelui; de meid praat ook altijd veir en vieftig en zoo wat. \'t Is goed, kapitein, kom maar mee.quot;

Zonder eenig antwoord af te wachten, sloeg de krantenjongen den weg naar de Reguhers-Breestraat in.

Krantenjongens als te Amsterdam vindt men nergens. Van jongsaf verplicht, van den vroegen morgen tot den laten avond op de straat te zijn en tegen hooge bruggen op te kruipen, schijnen zij hunne beenen te verslijten, alvorens den vollen wasdom te hebben be-

23

-ocr page 30-

DE FAMILIE WALKER.

reikt. Zij loopen bijna altijd met kromme knieën en wanneer voeten, evenals voorwerpen, van ijzer of steen, door veelvuldig gebruik konden afslijten, zou menige krantenjongen te Amsterdam op krukken moeten gaan, alvorens hij vijftien jaren oud was. Voor den militairen dienst zijn zij dan ook meestal ongeschikt. Men denkt er waarschijnlijk zeer weinig aan dat vele kranten behalve scheeve beginselen ook nog scheeve beenen vormen.

De jongen ging op zijn gewoon sukkeldrafje dwars de Botermarkt (1) over en zong nu , waarschijnlijk ter eere van den zeeman, luidkeels het liedje van Piet-Hein : »Piet Hein, zijn naam is klein,

Zijn daden bennen groot,

Hij heeft gewonnen de sulveren vloot.quot;

Plotseling bleef hij voor een mosselkraam staan, zag den zeeman schalks aan en zei:

»Kapitein, als ik nu een kwartje van je kreeg voor m\'n boodschap, zou ik voor een stuiver lekkertjes kunnen smullen en toch nog twee dubbeltjes aan mijn moeder geven.quot;

«Heb je dan geen vader, jongen?quot; vroeg de stuurman, terwijl zij weer voort wandelden.

24

»Jawel, kapitein, maar \'t is beter dat die daar niets van weet, want we hebben een groot huishouden.quot;

(i) Tegenwoordig Rembrandsplein.

-ocr page 31-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

«Heeft je vader geen bestaan.quot;

«Zeker wel, want de sigarenmakerij geeft goed, maar mijn vader heeft te veel noodig voor....quot;

«Voor?quot;

»Och, kapitein, ik zal het maar zeggen: er blijft van het weekgeld te veel aan het glaasje hangen.quot;

«Dat is leelijk, jongen! En hoe groot is het huisgezin ?quot;

«Behalve vader en moeder een groote zuster, die altijd ziek is, een gekke grootmoeder en een klein broertje.quot;

«Dat wil nog al wat zeggen; en hoeveel verdien je in de week?quot;

«Een gulden, eiken avond een boterham en met

kermis en Nieuwjaar een paar nieuwe schoenen.....

Hier , den hoek om , kapitein, \'t tweede huis , daar de meid aan het schrobben is.quot;

De zeeman opende zijn porte-monnaie en zeide:

« Daar, jongen , geef die twee kwartjes aan je moeder en hier is een dubbeltje voor mosselen.quot;

«Dank je wel, kapiteinantwoordde de knaap , in zijne vreugde zijn rechterbeen op eigenaardige wijze in de lucht werpend. Hij zette nu op een drafje zijn weg voort en zong weder luidkeels :

«Piet Hein, zijn naam is klein.quot;

Onze zeeman ging recht op het aangeduide huis aan. De meid had juist de dweil met een zwierigen

25

-ocr page 32-

DE FAMILIE WALKER.

zwaai naar het andere einde der stoep geworpen, om haar daarna zigzagvormig het water te doen opslurpen, toen zij, den vreemdeling voor zich ziende , uitriep : » Wel al mien levend , bisdou\'t, meneer Oldringa ?quot; » Kenste me , mien wicht ?... Is mien zuster thuus ?\'\' »Juffrouw is op de kinderkamer. Als stuurman de gang maar doorgaat, de trappen op, de eerste deur

links____ Wat zal juffrouw opkieken, nè?quot; L

Wel keek «juffrouwquot; op toen de breedgeschouderde zeeman het kleine paradijsje harer woning binnentrad. Met een luiden vreugdekreet vloog zij in zijne geopende armen en uit de hartelijke omhelzing bleek duidelijk hoe lief zij elkander hadden, hoe gelukkig dit wederzien hen maakte.

De lezer zal wel reeds tot de ontdekking gekomen zijn dat wij ons in de woning bevinden van Ferdinand, den zoon van kapitein Walker, die met de speel-noote zijner jeugd, Rika Oldringa, gehuwd was. Onze zeeman is Rika\'s jongere broeder Albert, die nog een heel klein kind was, toen de kapitein en de goudsmid hun »heerenbaaiquot; rookten.

Wanneer wij het gesprek, dat nu volgde, in den Groningschen tongval wilden weergeven, zou menigeen er slechts een enkel woord van verstaan; \'t is eigenlijk haast in geen enkele taal mogelijk, want men hoorde aanvankelijk slechts vreugdekreten en ontboezemingen in half afgebroken woorden, die de tranen

26

-ocr page 33-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

uit de oogen deden wellen en toch aan den mond een glimlach schonken.;

Welk een gelukkig wederzien, na zulk een lange scheiding, \'t Was nu drie jaren geleden dat Albert uitzeilde; toen leefde moeder Oldrmga nog, maar nu was Rika de eenige verwante van den zeeman; geen wonder derhalve dat hij dronken was van vreugde toen hij haar in zijne armen sloot. Want een zeeman heeft ook een hart en het zit vaak beter op zijne plaats dan bij eenig ander mensch. Hoe dikwijls had hij des nachts, wanneer zijn schip het eindelooze pekelveld doorkliefde, aan de sterren gevraagd of zij hem niets konden vertellen van zijne goede Rika, die reeds zulk een zorgvol moedertje voor hem was, toen hij nog waggelend zijne eerste oefeningen maakte in het loopen; die des avonds zoolang , zoo heel lang bij hem zong: »Klaas vaak die komt.

Klaas vaak die komt,quot;

alvorens hij insluimerde.

Wanneer iemand door brand een aantal voorwerpen heeft verloren, die hem dierbaar waren, zal zijn hart zich nog meer aan de overgeblevene hechten. Zoo wordt ook de gehechtheid van den mensch aan beminde personen grooter naarmate de dood dien kring kleiner maakt. Albert Oldringa bezat nu nog slechts zijne zuster Rika, die op zijne lange zeereizen altijd voor zijn geest stond. Geen wonder dat hij opgetogen was

%1

-ocr page 34-

DE FAMII.IE WALKER.

van blijdschap, toen hij haar gezond en welvarend terugzag.

Gezond en welvarend was zij niet alleen, maar ook bloeiend in den vollen rijkdom van de eerste zomerdagen des levens. De bolle, roode wangen, waarin kapitein Walker eens met zooveel welbehagen kneep , waren wel verdwenen , doch men zou in haar altijd de kleine Rika van vroeger herkend hebben, want zij bezat nog dezelfde zachte, blauwe oogen, die reeds zulk een groot vermogen op iedereen uitoefenden, toen zij nog een kind was.

Nadat de eerste verrukking der onverwachte ontmoeting voorbij was en een aantal vragen en antwoorden gewisseld waren, zeide Rika eensklaps:

y-En wil je nu je kleinen naamgenoot niet eens zien, Albert?quot;

De stuurman zag haar verwonderd aan.

«Heb ik dan een kleinen naamgenoot?quot; vroeg hij.

«Zeker, kijk maar eens.quot; Zij sloeg het wiegekleed op en daar lag een blozend knaapje van eenige maanden. Het kind stak de armpjes uit en glimlachte.

«Is dat mijn naamgenoot?quot; vroeg de stuurman en er stonden tranen van vreugde in zijne oogen. «Hij lacht mij waarlijk toe, Rika,quot; sprak hij. «Kom eens hier, aardige snuiter, kleine stuurman!quot; In een oogwenk was het dekentje weggeslagen en daar ging het kind in de grove handen van den zeeman hoog naar boven.

28

-ocr page 35-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

De moeder gaf een gil van schrik en greep met beide handen naar den kleine, die blijkbaar niet op zijn gemak was en een lipje zette.

»Foei, Albert/\' sprak zij, »is dat ruw omgaan met een klein kind ! Kom maar hier, mijn lief ventje, mijn arm schaapje; oom is stout, niet waar?quot;

Door dit ongewoon tooneel in de kinderkamer was ook het oudste knaapje, een kind van drie jaren, wakker geworden. Hij stak zijn hoofdje door de gordijnen van het ledekant en zag nu eens zijne moeder dan weder den grooten man aan, dien hij niet kende.

«Oom is stout, ik zal hem met een stok slaan,quot; zeide hij driest.

»Drommels, t is hier een fraaie ontvangst,quot;\' sprak de stuurman, terwijl hij glimlachend naar het ledekantje ging. »Dat is zeker de kleine Frits, niet waar, Rika?quot;

»Ja, Albert, maar wees nu niet zoo ruw.quot;

«Hij mag er toch wel een oogenblik uit komen?quot;

))Een oogenblikje dan, want anders loopt van avond alles in de war.quot;

»Zie eens,quot; hernam Albert, »hij is al met één been over boord; dat zal nog eerst een zeeman worden. Zie zoo,\' vervolgde hij, toen het knaapje in een oogwenk het bed had verlaten en naar zijne moeder hep, «dat koksmaatje kan ten minste al op zijn eigen beenen staan. Kom eens hier, jongen, geef dit aan

29

-ocr page 36-

DE FAMILIE WALKER.

mama en zeg dat zij daar broertje Albert in moet wikkelen, dan kan hij zich niet stooten.quot;

Hij duwde het bekende pakje in de kleine armpjes en ging toen glimlachend op een stoel zitten.

Zou wel ééne vrouw, ook al is zij moeder van een «klein, lief ventje,quot; een «arm schaapje,quot; hare nieuwsgierigheid kunnen bedwingen, wanneer een «stoute oom,quot; die van de reis komt, een pakje meebrengt?

De kleine Albert kreeg nu een gedwongen plaats op moeders schoot , en of hij ook al een weinig spartelde , het arme schaapje, het touwtje werd toch langzaam ontknoopt en daar lag nu de fraaie sjaal.

«Hemel, Albert, quot;riep Rika verrast uit, «dat is te veel!quot;

«Te veel? Waarom?quot;

«Die sjaal is erg duur.quot;

«Welnu, dan zie je dat ik nog beter guldens dan kinderen den hals kan breken. Kom, geef mij eens een handje, kleine Frits. — Zoo! die jongen ziet wel dat oom zoo kwaad niet is. Morgen zal ik een driemaster voor je koopen, met zeilen en al, hoor! En dan zal ik je eens vertellen hoe oom op zoo\'n ding maanden lang op zee zwalkt.quot;

Een half uur later waren de kinderen weder in de rust; Albert en Rika zaten nu in de huiskamer over allerlei dingen van vroegere dagen te praten, toen mevrouw Walker en hare dochter Louise een bezoek kwamen brengen.

30

-ocr page 37-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

De »kaptainskequot; was veel verouderd, doch zij zocht dit te gemoet te komen door zich zoo jeugdig mogelijk op te schikken. Haar crinoline had een verbazenden omvang, hare handen waren gekneld in kleine glacéhandschoenen , welker kleur tamelijk verflenst was en dus niet weinig harmonieerde met de eigenares, terwijl het hoofd getooid was met een chignon, die , tegenover de grijze haren, welke zij dekte, het zinnebeeld scheen te zijn van het verlangen der dame naar eene onverwelkbare jeugd.

Louise, hare dochter, was klein van gestalte en zeer mager, nog altijd even preutsch en trotsch en even scherp en hoekig in hare uitdrukkingen en manieren als in liaar voorkomen. De komst van den stuurman was aan de dames reeds bekend, want hij was hare woning gepasseerd met het pakje onder den arm. Dat hij een knap voorkomen had moesten zij erkennen , doch zijne komst zou moeielijkheden kunnen baren ten opzichte van de reputatie der beide dames. Hoe licht kon het gebeuren dat Albert haar verzocht met hem naar Art is of naar het paleis voor Volks-vlijt te gaan. Zulk een uitnoodiging zou onder andere omstandigheden zeer welgevallig zijn, maar Albert, hoe flink en knap hij er ook uitzag , droeg een pet, hij had zulke boersche manieren, en men kon zich toch niet wegwerpen ter wille der familie van een schoondochter. \'t Was aan enkele woorden wel te hooren

31

-ocr page 38-

DE FAMILIE WALKER.

dat Louise nog zoo heel afkeerig niet zou zijn geweest van zulk een cavalier , al droeg hij ook een pet, maar mama stond er op dat zij in liet openbaar niet met hem in aanraking mochten komen. Er waren uitzichten die daardoor gedwarsboomd zouden kunnen worden; men moest dus voorzichtig zijn. Zulke moeders hebben altijd uitzichten met zulke dochters.

Toen mevrouw Walker de kamer binnentrad, vertrok zij haar mond tot een geweldigen glimlach, waarschijnlijk om des te beter een paar tanden te laten zien, die nog niet lang geleden zeer netjes voor het venster van een dentist prijkten, en zij stak haar rechterhand zoo gracieus uit alsof zij met zekerheid kon verwachten dat Albert een kus op den verflensten handschoen zou drukken. Louise wierp het hoofd in den nek en zeide op geaflecteerden toon;

«Dag, Albert! wat ben je groot geworden.quot;

«Groot geworden?quot; herhaalde de zeeman vragend, terwijl de glacé-handschoen van mama geheel in de palm van zijn hand verdween.

«Ja, groot en zwaar ook..... waarom lach je?\'\'

hernam Louise.

«Wel, omdat een jonge juffer zoo iets niet tegen iemand van vijf en twintig jaren kan zeggen zonder daarbij te denken dat zij veel ouder geworden moet zijn.quot;

Louise kreeg een kleur, de «kaptainskequot; wierp den stuurman een blik toe die lang niet malsch was, nam

32

-ocr page 39-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN. 33

plaats op een stoel en zeide toen tegen Rika; «Ferdinand heeft mij verzocht u te zeggen dat hij van avond nog een vergadering moet bijwonen. Zoodra de kantoorzaken afgeloopen zijn, komt hij hier met oom Bernard, doch slechts voor een oogenblik.quot;

«Voor een oogenblik slechts,quot; herhaalde Rika met een zucht. «Maar Ferdinand wist toen nog niet dat Albert onverwacht overgekomen was,quot; liet zij er terstond op volgen.

«Ik geloof niet dat hij daarom zijn voornemen zal laten varen,quot; hernam mevrouw Walker. «Ferdinand is te veel een man van zaken, hij is te practisch en te voortvarend om zich door aangelegenheden van huiselijken aard van zijne plannen te laten afbrengen.quot;

«Maar, mama,quot; antwoordde Rika met een lichten graad van opgewektheid, «het komt mij voor dat in het leven alles zijn eisch behoort te hebben, \'t Is prijzenswaardig in Ferdinand dat hij vlijtig en voortvarend is, doch wanneer de gansche dag of liever de geheele week aan zaken is besteed, moest ook het huisgezin eens een beurt krijgen. U weet zeer goed dat ik van Ferdinand geen huishen wil maken en hem zelfs nu en dan aanspoor om een uitspanning te nemen, maar de Zaterdagavond vooral is zoo aangenaam in huis. De week met al haar beslommeringen en bezwaren is dan achter den rug, en een gemoedeliik en 1 3- 3 quot;

-ocr page 40-

DE FAMILIE WALKER.

rustie; uur in den huiselijken kring is zulk een schoone inleiding tot den Zondag.quot;

Mevrouw Walker zag glimlachend hare dochter Louise aan, haalde de schouders op en zeide;

«Wat een ouderwetsch idee.\'

»Dat is wel mogelijk, mama,quot; hernam Rika, »maar het komt mij voor dat niemand er minder om zou zijn , wanneer zulke ouderwetsche ideeën wat langer in de mode waren gebleven. Ferdinand dacht er vroeger ook anders over, bij genoot rust na den afloop der werkzaamheden en gevoelde zich gelukkig, doch oom Bernard beeft hem met geweld in allerlei ondernemingen getrokken, die hem nu dag en nacht in het hoofd woelen. Ik begrijp niets van dat rusteloos streven naar rijkdom , eer en grootheid , wanneer men onbekrompen kan leven van \'tgeen men bezit en verdient.quot;

«Zeg liever dat je geen begrip hebt, kind, van \'tgeen in onzen tijd wordt vereischt van een man, die zich een baan wil breken, die hooger wil stijgen dan het alledaagsche leven en daartoe de kracht \'.n zich gevoelt,quot; zeide mevrouw Walker scherp.

»Menige jonge vrouw zou er trotsch op zijn z.ch de echtgenoote van zulk een man te kunnen noemen, voegde Louise er bij.

«Met andere woorden; mijne zuster is eigenlijk niet waard dat zij zulk een man bezit, sprak Albert.

«Wie zegt dat?quot; vroeg mevrouw Walker geraakt.

34

-ocr page 41-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

»Mijn dochter wil alleen te kennen geven dat Rika haar man miskent in zijne beste bedoelingen.quot;

»Ik heb natuurlijk geen verstand van zulke beste bedoelingen,quot; zei Albert, «maar mij dunkt, als ik een viouw had, zou ik toch ook rekening houden met haar beste bedoelingen; men is voor den drommel toch niet getrouwd om zich alles te laten welgevallen!\'\'

«Heeft Rika zich dan over mijn zoon te beklagen?quot; vroeg mevrouw Walker en het scheen dat zij een uitdagende houding ging aannemen.

«Neen, mama, in geenen deele,quot; antwoordde de jonge vrouw en men kon aan hare stem hooren dat zij ontroerd was. «Het spijt mij dat een enkel woord van mij aanleiding heeft gegeven tot dit gesprek. Ik ben gelukkig, mama, doch ik wenschte het ook zoo gaarne Ferdinand te zien en, geloof mij, hij is het met. Hij heeft een aanzienlijke betrekking, wij bezitten daarenboven nog een matig vermogen, doch dat kan hem niet meer bevredigen; hoe lief hij mij ook heeft, de huiselijke kring bezit niets aantrekkelijks meer voor hem, want zijn hoofd is gevuld met allerlei plannen. Zelfs des Zondags gunt Ferdinand zich geen rust; \'t is dan een onophoudelijk komen en gaan van leden van kiescolleges en allerlei vereenigingen, zoodat van den heelen lieven Zondag bijna geen uurtje overschiet.quot;

«Zoo behoort het te zijn, Rika,quot; sprak de oude

35

-ocr page 42-

DE FAMILIE WALKER.

dame. « De staat en de maatscliappij vorderen in onzen tijd den gebeelen mensch en hij die zich het meest aan de algeraeene belangen toewijdt, heeft de meeste aanspraak op de dankbaarheid van tijdgenoot en nakomeling. Oom Bernard wist wel wat hij deed toen hij Ferdinand, die buitengewone gaven bezit, aanspoorde om zich aan de algemeene belangen op politiek en maatschappelijk gebied toe te wijden.quot;

»Maar, mama,quot; zeide Rika verwonderd, »zou u het dan aangenaam gevonden hebben wanneer de kapitein maar altijd voor anderen en nooit voor zich zeiven of zijne vrouw geleefd had?quot;

«Mijn man bezat te weinig eerzucht,quot; hernam de weduwe op ijskouden toon, »dat was zijn hoofdgebrek. Had hij zich wat meer op den voorgrond geplaatst en op de sociëteit omgang gezocht met de hoofdofficieren in plaats van eiken avond nutteloos bij uw vader door te brengen, ik zou thans misschien kolonels-weduwe zijn.quot;

Zij klopte wrevelig met den voet op den grond alsof zij den kapitein, die er reeds zoolang onder lag, nog eens wilde doen gevoelen hoe zij over hem dacht.

«Maar mijn brave vader ging zelden uit en waren mijne ouders dan niet gelukkig?quot;

«Gelukkig?____ ik weet niet wat je geluk noemt,

kind.quot;

«Ik acht iemand gelukkig, mama, dien tevreden is

36

-ocr page 43-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

met den stand waarin hij is geplaatst, die zijn best doet om vooruit te komen in de wereld zonder met koortsachtige gejaagdheid een schijngeluk na te loopen , waarbij het gemoedsleven geheel verloren gaat en daarmede niet zelden ook het huiselijk geluk.quot;

))Ik wist niet dat mijn schoonzuster zoo dichterlijk kon zijn,quot; meesmuilde Louise met een gedwongen glimlach.

Zonder op die vlijmende woorden acht te geven, vervolgde Rika: «Mijn vader was een werkzaam man, die geen uur zou hebben verzuimd, maar als de bezigheden afgeloopen waren, dan zocht hij zijn geluk in den huiselijken kring en hij heeft er zich altijd goed bij bevonden.quot;

»En zoo heeft hij geleefd en zoo is hij gestorven,quot; zeide de weduwe schamper; «in zijn werkplaats en in den hoek van den haard, zonder zich zeiven af te vragen of hij als lid der maatschappij ook nog andere plichten te vervullen had.quot;

«Met uw verlof, mevrouw,quot; sprak Albert met minder kalmte dan men van hem gewoon was, »hij heeft een onberispelijken naam nagelaten en ook nog geld, dat ook anderen tegenwoordig zeer goed te stade komt.quot;

Het gesprek dreigde een gevaarlijke richting te zullen nemen, doch Rika gaf er met eene gevatheid, die aan de meeste vrouwen eigen is, een andere wending

37

-ocr page 44-

DE FAMILIE WALKER.

aan door de opmerking te maken, dat er gescheld was. Zij opende de deur der kamer en haar echtgenoot trad inderdaad eenige oogenblikken later met den majoor binnen.

Ferdinand Walker was een knap man in den vollen bloei des levens. Hij was lang van gestalte, had een zekere fierheid in zijne houding en zag er over \'t geheel eenigszins aristocratisch uit. Zooals hij daar stond met zijn kort geknipt krullend haar en lichtblonde bakkebaarden , die naar de Engelsche manier van zijne kaken afhingen, moest men onwillekeurig denken dat hij vergeten had een lintje in een der knoopsgaten van zijn jas te steken.

Oom Bernard, doorgaans eenvoudig de majoor genoemd, had een minder gunstig voorkomen. Hij was een broeder van mevrouw Walker, had het grootste gedeelte van zijn leven in Oost-Indië doorgebracht , was daar tot den rang van majoor opgeklommen en leefde nu van zijn pensioen en van \'tgeon Insulinde hem in den schoot had geworpen. Hij was een man van ruim vijftig jaren, zeer zwaarlijvig en met een geelbleek bol gelaat, een kaal hoofd en een grooten grijzen knevel bovon zijne dikke lippen. Zijne kleine grauwe oogen schenen te begrijpen dat zij niet van de schoonste soort waren, want zij verscholen zich achter zware, borstelige wenkbrauwen. Overigens was hij zeer weelderig gekleed en droeg op zijn vest een

38

-ocr page 45-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

zwaren gouden ketting en een lorgnon van hetzelfde metaal.

Ferdinand verwelkomde zijn zwager met de meeste hartelijkheid, de majoor liet zich op een stoel nedervallen, veegde met een bont gekleurden foulard het zweet van zijn hoofd en blies toen groote wolken uit een manilla-sigaar.

«Heeft oom al thee dronken?quot; vroeg Rika , middelerwijl Ferdinand naast haar plaats had genomen en met Albert in gesprek was.

»0 ja, kind, al meer dan een uur geleden.quot;

«Dan \'n glassien wien, nè?quot;

«Laat toch dat Groningsche dialect varen,quot; bromde de majoor.

«\'t Is mijn moedertaal en die vergeet men niet licht,quot; zei Rika glimlachend.

»Men moet alles kunnen vergeten,quot; antwoordde de majoor vrij barsch, «behalve dat men leeft om te genieten.quot;

«Nu oom, word maar niet boos, hernam de jonge vrouw, «dan zal ik eens een heerlijk glas schenken op de welkomst van mijn broer.quot;

«Ik kan er geen gebruik van maken en Ferdinand ook niet, want wij moeten aanstonds weer vertrekken, Rika. quot;

»Is het dan toch waar dat je nu niet thuis kan blijven, Ferdinand?\'\' vroeg zij, zich tot haar echtgenoot wendende.

39

-ocr page 46-

DE FAMILIE WALKER.

»Er is van avond buitengewone vergadering voor een op te richten vereeniging tot bescherming der dieren , Rika; ik heb beloofd die te zullen bijwonen, natuurlijk niet wetende dat wij zulk een onverwacht en aangenaam bezoek zouden krijgen.quot;

»Daarom kan die vergadering ook wel aan dit aangenaam bezoek opgeofferd worden, niet waar? Albert heeft ook al mijn plannen van dezen avond in duigen geworpen, voor een enkele maal is dat toch nog zoo erg niet.quot;

»Onmogelijk, nicht, onmogelijk,quot; riep de majoor, te midden van een hoestbui, zooals hem niet zelden overviel. ))De zaken, die dezen avond in behandeling komen, zijn van te groot belang voor de toekomst.\'\'

))Maar, lieve oom, die vereeniging zal toch wel buiten Ferdinand tot stand kunnen komen. En wat hebben wij buitendien met de bescherming der dieren te maken; laat de politie daarvoor zorgen.quot;

» Dat zijn aangelegenheden die boven je begrip gaan , Rika,quot; bromde de majoor.

»Boven mijn begrip, oom? Ik zou toch denken dat eerst de menschen en dan de dieren beschermd behoorden te worden. Ferdinand heeft deze week twee vergaderingen van de kiesvereeniging, een van\'t Nut en nog twee anderen bijgewoond. Ik gun hem gaarne een uitspanning, doch het zou, dunkt mij, niet kwaad zijn dat eens een vereeniging werd opgericht tot be-

40

-ocr page 47-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

scherming van huisvrouwen , wier mannen hunne vrouwen en kinderen aan politieke en andere vergaderingen opofferen. Is het niet waar, Fer?quot; voegde zij er glimlachend bij, haar echtgenoot op den schouder kloppende.

«Gekheid, gekheid,quot; sprak de majoor, die reeds ongeduldig begon te worden. »De taak der vrouwen is in het huishouden en bij de kinderen te zijn, die der mannen deel te nemen aan alles wat de algemeene verlichting en beschaving, met andere woorden, het heil der maatschappij kan bevorderen.quot;

«Dat zal ik nimmer leeren begrijpen,\' hernam de jonge vrouw; «en als het dien weg uit moet, zal het er donker gaan uitzien in de huisgezinnen, in weerwil van alle verlichting.quot;

Zij zweeg en zag voor zich. Ferdinand streek met de hand over het voorhoofd en scheen niet onwillens te zijn van zijn plan af te zien, docli de majoor had honderd redenen voor een om te bewijzen dat hij de vergadering van dien avond, ook in zijn eigen belang en dat van zijn huisgezin , niet mocht laten varen.

Rika zag zeer goed dat Ferdinand als op heete kolen zat, want de majoor had hem in den laatsten tijd schier geheel weten te beheerschen; zij kon hem niet goed in die pijnlijke houding zien en vroeg daarom op haar gewonen goedhartigen toon:

«Zou het laat worden van avond, Ferdinand?quot;

41

-ocr page 48-

DE FAMILIE WALKER.

»Het is niet te verwachten,quot; antwoordde hij; »ik hoop over een paar uren weer thuis te zijn.quot;

«Welnu, het maakt niets uit. Het was maar om Albert, doch morgen hebben we immers den ganschen dag om met elkander te praten.quot;

»Het spijt mij, dat ik het u moet zeggen, nicht,quot; sprak de majoor, die, tegen zijne gewoonte in, nu wel een weinig verlegenheid aan den dag legde, »maar morgen moeten wij noodzakelijk naar Haarlem.quot;

«Naar Haarlem?......Op Zondag, Ferdinand?quot;

»Ja, Rika, je weet dat ik gedurende de week geen tijd heb en morgen zal waarschijnlijk de associatie, waarover ik met u heb gesproken, tot stand komen, \'t Is zeker niet aangenaam voor u en ik zou ook liever eens uitrusten, want ik ben zeer vermoeid van al den inspannenden arbeid dezer week.quot;

»Op Zondag,quot; herhaalde Rika, die nog altijd den gang barer gedachten volgde. Zij schudde het hoofd en zeide: «Het ontheiligen van den dag des Heeren kan geen geluk aanbrengen, Ferdinand. Mijn goede vader was een vlijtig man, doch hij zou voor geen geld van de wereld op Zondag een slag gedaan hebben en de Heer heeft zijn arbeid gezegend. Daar ^ staat geschreven: Weest gedachtig dat gij den Sabbatdag heiligt, en niemand kan tegen dat gebod zondigen zonder den toorn des Heeren op zich te laden.quot;

42

-ocr page 49-

DE KINDEREN ZIJN GROOT GEWORDEN.

»Maar, beste Rika,quot; antwoordde Ferdinand met een glimlach, die van een ongdpast medelijden met haar eenvoud getuigde, «zouden wij den Heer vertoornen met te Haarlem zeer bedaard een vergadering te houden; dan moet de Heer ook wel vertoornd zijn op de spoortreinen, die er ons heenvoeren.quot;

))Spot niet, Ferdinand,quot; sprak zij ernstig »De menschen zijn tegenwoordig zeer geleerd en ik ben maar een dom schepseltje, doch ik weet dat er geschreven staat: de vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid en dat alle wijsheid buiten Hem slechts hoogmoed en ijdelheid is. Mijne brave moeder zei altijd: De geboden Gods zijn als de fondamenten van een huis; als men die fondamenten wegneemt, zal het huis ineenstorten. \'

De majoor kreeg een geweldige hoestbui. ))Als de jonge vrouwen ook al gaan preeken, zal het in de wereld nog te benauwd worden,quot; zeide hij eindelijk. »A1 die geboden en formulieren waren goed in de dagen van duisternis en bijgeloof en priesterheerschappij. De verlichting van onze eeuw heeft daar eindelijk een einde aan gemaakt en dat is maar goed ook; de ware humaniteit, waaruit het heil der menschheid moet voortspruiten , zal meer bevorderd worden door het aan-kweeken van kennis en wetenschap, dan door het prevelen van voorgeschreven gebeden en het kraaien van psalmen. Ik hoop den tijd nog eens te beleven,

43

-ocr page 50-

DE FAMILIE WALKER.

dat het officieel vieren van den Zondag door den Staat afgeschaft wordt.quot;

«Foei, oom,quot; sprak Rika, »dat ware schandelijk, want dan zou de Staat immers handelen tegen het gebod van God.quot;

«Wat ben je toch een dom gansje, Rika,quot; hernam hij met een verwaanden glimlach om den grooten mond. »De Staat heeft met dat alles niets te maken, want hij is eenvoudig een burgerlijke en geen Roomsche, gereformeerde of joodsche instelling, \'t Komt in onzen tijd geheel niet te pas den Zondag als rustdag aan alle burgers zonder onderscheid op te dringen, want de burgers behooren gelijke rechten te hebben en daar zijn er duizenden in ons land, en het zijn de meest verlichten, die geheel geen belang stellen in het vieren van den Zondag.quot;

»Ik ben het niet met u eens, majoor,quot; zei Albert. «Als de Staat zich geheel niet meer stoort aan de geboden van God, zal hij een schip zijn zonder kompas ; de beste stuurman zal met de handen in het haar zitten met al zijn kennis en wetenschap. En hoe heilzaam het vieren van den Zondag is, daar weet ieder zeeman van te praten, \'t Moet al een deugniet van een matroos zijn , die op dien dag geen goeden indruk krijgt als er kerk gehouden en een gebed gedaan wordt, want op zee gevoelt men meer dan ergens hoe weinig een mensch eigenlijk in de melk te brokken heeft.quot;

44

-ocr page 51-

DE KINDEREN ZIJN GUOOT GEWORDEN.

»Je zal nooit een De Ruyter worden, dat hoor ik wel,quot; sprak de majoor schamper.

«\'tis best mogelijk, majoor,quot; antwoordde de zeeman ; »maar ik zou al die duizenden verlichten, waarvan u spreekt, wel eens in een fermen storm willen zien; u kan er op rekenen dat zij zouden leeren bidden.quot;

«Praatjes voor oud-gasten,quot; bromde de majoor, terwijl hij minachtend de schouders ophaalde, zijn jas dichtknoopte en opstond. «Kom, Ferdinand,quot; zoo liet hij er op volgen, ))\'tis meer dan tijd; wij moeten gaan.quot;

»Hoe laat vertrek je morgen naar Haarlem?quot; vroeg Rika. Hare oogen waren vol bezorgdheid op den echtgenoot gevestigd, die den moed scheen te missen, om het harde wooord uit te spreken.

«Ik zal nog eens over die reis nadenken,quot; fluisterde hij haar toe.

Men hoorde de jonge vrouw een diepen zucht slaken, toen beide mannen het vertrek verlieten.

45

-ocr page 52-

in.

Humaniteit.

De oude Grieken bezaten in hun tijd een gebouw, O d e o n genaamd , waarin zij repetitiën hielden van muziek- en zangstukken, die in \'t openbaar zouden worden voorgedragen.

Te Amsterdam op den Singel, bij het Koningsplein, staat een gebouw, dat denzelfden naam draagt en voor een gedeelte ook dezelfde bestemming heeft. t Is een der hoogste, maar ook een der zonderlingste huizen van de hoofdstad, zoowel uithoofde van den bouwtrant en inrichting, als om \'t geen er in uitgeoefend en verricht wordt. In het onderhuis — dat wil te Amsterdam zeggen onder den beganen grond — wordt sinds vele jaren een uitgebreide handel gedreven in tapijten, karpetten en matten. Men behoeft in dien winkel niet te vreezen, dat de goederen zullen verkleuren, want de lieve zon schijnt daar nooit in en het daglicht, gedurende den winter, slechts weinige uren.

Een breede marmeren trap voert naar de bel étage, waarvan de ruimte meerendeels is ingenomen door een vergaderzaal en koffiekamer. In deze zaal worden door

-ocr page 53-

47

particulieren partijen van allerlei aard gegeven en ook somwijlen vergaderingen en voorlezingen gehouden. Een breede trap, achter in het gebouw, voert naar een groote zaal, waarin gedurende den dag een twijfelachtig licht schijnt, omdat zij dit moet ontvangen door kleine vensters van matglas, boven aan het gewelf. Men had echter gerust gewoon glas kunnen bezigen, want geen menschelijk oog kan er binnendringen, zoo hoog steken deze kleine vensters boven alle huizen uit.

Daar vergaderen de leden der Vrijmetselaars-loge la Charité. Bij zoodanige gelegenheden wordt bij de kolommen, die de tribune schragen, een decoratie geplaatst , welke in het midden een boogvormige poort of doorgang heeft en met de zinnebeelden van het geheime genootschap versierd is. Dit achterste gedeelte der zaal heet dan het voorhof van den tempel; in den eigenlijken tempel staan aan weerszijden lange tafels, waaraan de broeders plaats nemen, wanneer er loge wordt gehouden. Heeft een zoogenaamde uitvaart van een overleden Vrijmetselaar plaats, dan worden op de tafels kaarsen in zwarte kandelaars geplaatst, en de wanden prijken met rouwversieringen.

Deze zaal wordt echter ook veelvuldig gebruikt voor \'tgeen de vrijmetselaars profane zaken noemen, want zij is v.oor het publiek beschikbaar. Er worden bijeenkomsten van allerlei aard gehouden en concerten voor verschillende doeleinden gegeven. Kiesvereenigingen van

-ocr page 54-

DE FAMILIE WALKER.

de meest uiteenloopende richtingen houden daar hare vergaderingen; de gebroeders Davenport hebben er hunne spiritistische voorstellingen gegeven; de novellen-schrijver Cremer droeg er zijn Kriekende kriekske voor; de vereeniging van den H. Vincentius a Paulo hield er langen tijd de repetitiën voor de luisterrijke concerten, die zij nog jaarlijks geeft, en het was daar dat voor het eerst de plannen werden blootgelegd voor het Vondelspark, dat tegenwoordig de hoofdstad tot sieraad strekt. Men kan dus met volle recht zeggen dat de groote trap, die naar deze zonderlinge zaal voert, de draagster is van de meest uiteenloopende beginselen en richtingen.

In dit gebouw had op meergenoemden Zaterdagavond een bijeenkomst plaats van mannen, die zich ten doel hadden gesteld een nieuwe vereeniging tot bescherming der redelooze wezens op te richten. Een aantal Amsterdammers waren in de dagbladen opgeroepen om tot dit doel mede te werken en die mannen in hunne pogingen te schragen. De oproeping had anoniem plaats gehad, doch de namen dergenen die zich op den voorgrond stelden , waren zeer goed bekend.

Daar was in de eerste plaats majoor Walker, algemeen geacht en bekend om zijne verdraagzaamheid en humane denkbeelden; een jong advocaat, Mr. Schrabben , die in de pleitzaal om zijn scherpzinnigheid uitmuntte en door zijn uitgebreide verhandeling over het

48

-ocr page 55-

HUMANITEIT.

stelsel van Darwin had bewezen, dat hij geheel op de hoogte was der wetenschap van zijn tijd; Levy Penhouder, redacteur van een der groote bladen, lid van een internationale commissie tot onderzoek der oorzaken van het pauperisme in onze dagen , de efTec-tenhandelaar Lauwer, die uitgebreide relatiën in Amerika bezat en wiens fmanciëele bekwaamheden ieders bewondering wekten , en eindelijk ook Ferdinand Walker.

Deze vijf heeren namen aan een tafel met een groen kleed plaats. Toen het oogenblik, voor de vergadering bestemd , aangebroken wras , stond de majoor op, zette zijn lorgnon op den neus en zag tot zijn genoegen, dat het getal aanwezigen grooter was, dan hij had mogen verwachten. Hij plaatste beide handen op de tafel, zoodat de schitterende diamant aan den wijsvinger van zijn rechterhand zeer in het oog viel, hoestte een paar malen en zeide toen:

«Mijne Heeren! Het doel dezer bijeenkomst is u allen bekend. Sinds lang deed zich de behoefte gevoelen aan een vereeniging tot bescherming der dieren, onze natuurgenooten van een lagere orde. Het zou Nederland tot schande strekken, wanneer wij nog langer verstoken bleven van een afdoend middel ter beteugeling van wreedheden, die met de beschaving en verlichting van onzen tijd in strijd zijn. Wij hebben gemeend het initiatief te moeten nemen in deze hoogst belangrijke aangelegenheid, zonder ons echter op den I 3. 4

49

-ocr page 56-

DE FAMILIE WALKER.

voorgrond te willen stellen. Wij verzoeken u derhalve uit ons midden een voorloopig bestuur te benoemen, dat belast zal zijn met de leiding dezer vergadering , waaruit, naar wij hopen en verwachten , de gewenschte vereeniging zal voortspruiten.quot;

Yele handen en voeten kwamen in beweging om luidklinkende blijken van goedkeuring te geven. Een vriend van den redacteur aan de groene tafel stond in het midden der vergaderden op en deed het voorstel , dat de aanwezigen de heeren, die zooveel ijver in deze zaak aan den dag gelegd hadden, zouden uit-noodigen zich tot een voorloopig bestuur te constitueeren.

Andermaal volgde een groote beweging van handen en voeten.

De majoor boog en bedankte de aanwezigen voor dit groote blijk van vertrouwen, doch verzocht dat allen, die met het voorstel instemden, daarvan blijk zouden geven door op te staan.

Bijna alle aanwezigen rezen van hunne stoelen op.

«Bij acclamatie aangenomen!quot; riep met een sterk joodsch accent de heer Penhouder, die scheen te begrijpen dat hij voor secretaris van zoodanige vereeniging in de wieg gelegd was.

De majoor liet met welgevallen zijn gouden horlogeketting door de vingers glijden en begon nu weder;

«Mijne Heeren! Het is\'s menschen roeping om vóór alles en in alles humaan te zijn. In het woord huma-

50

-ocr page 57-

nü5IANITEIT.

nileit ligt de volheid der wezenlijke beschaving, die de maatschappij, de wereld moet veredelen; het is het Alpha en Omega van onzen tijd, van de nieuwe orde der denkbeelden. Daarom kan ieder, tot welken godsdienst hij ook moge behooren, zich onder de banier der humaniteit scharen, want zij beoogt slechts het zuiver menschelijke in de maatschappij te ontwikkelen.quot;

Dc majoor hoestte nogmaals, waarschijnlijk om te doen weten dat zijne inleiding geëindigd was en nu volgde een daverend handgeklap.

»Wij zijn de heeren der schepping, althans op de planeet die door ons wordt bewoond; wij staan op den eersten rang der zoogdieren en hebben van de natuur groote voorrechten boven alle andere levende wezens ontvangen. In den mensch heeft het ontwikkelingsvermogen der natuur zijn meesterstuk gewrocht, want zijn geest weet de raadsels der eeuwen op te lossen , door te dringen in de geheimen van het heelal en die dienstbaar te maken tot veredeling en ontwikkeling van al het bestaande. Bezit de mensch echter zulke groote voorrechten, hij heeft ook groote plichten te vervullen, vooral tegenover de wezens van minderen rang en het is een betreurenswaardig feit, dat die plichten maar al te zeer uit het oog verloren worden. In weerwil dat de beschaving, dank zij de ware humaniteitsleer, meer en meer doordringt, zien wij onder onze oogen dagelijks de dieren mishandelen op

51

-ocr page 58-

DK FAJ1ILIE WALKER.

eene wijze, die voor den mensch onteerend is. Honderden voorbeelden zijn daarvan aan te halen, doch ik wil kort zijn, Mijne Heeren! Het zal wel niet noodig zijn te wijzen op de mishandeling van het slachtvee, dat dagelijks ter markt wordt gevoerd, of op de paarden van huurkoetsiers, die schier dag en nacht in het gareel moeten zijn, ik wil uwe aandacht liever vestigen op feiten van niet minder ingrijpenden aard, uit gewoonte ontstaan.quot;

De majoor hoestte weder, nam een teug suikerwater , voer met den zakdoek over den kalen schedel en vervolgde toen zijn toepraak.

»\'tls vooral in ons land eene heerschende gewoonte om in het begin van den zomer, als de gansche natuur juicht, de nesten der vogels te verstoren. Dat er nog ouders gevonden worden, die van zulke wandaden getuige kunnen zijn, zonder ze streng te bestraffen, moet voor ieder beschaafd mensch onbegrijpelijk zijn. Stelt u een gevederd ouderenpaar voor, Mijne Heeren, dat zich verheugt in een zeker getal spruiten, de vreugd, de lust van het kleine gezin, dat verborgen leeft in de twijgen van een boom. Den ganschen dag zijn de ouders ijverig in de weer om duizenden insecten aan te dragen, die tot voedsel moeten dienen der kleinen, welke nog hulpbehoevend zijn en klapwiekend de komst te gemoet zien van hen, die hun liet aanzijn hebben geschonken. Liefde en

32

-ocr page 59-

HUMANITEIT.

gehechtheid bezielen dat kleine gezin ; wanneer de avond daalt, verkwikt de huisvader den mensch door zijn liefelijk gezang en des nachts zit hij met zijn gaaike op het nest om beider telgen tegen koude en roofdieren te beschutten.

«Heerlijk schouwspel, niet waar; men moest er een vingerwijzing der natuur in zien , die niet wil dat de mensch de schoone orde, door haar daargesteld, zal verbreken. Helaas! daar komt een jongen, wiens hoofd gevuld is met onpractische denkbeelden over zijne roeping en bestemming, doch die onbekend is en wel onbekend zal blijven met de grondbeginselen der ware humaniteit; met de wreedheid van een tijger verwoest hij het nest, verstoort hij het geluk van dit gevederde gezin, alleen om zijn lust bot te vieren , om de arme kleine diertjes, die zonder de verzorging der ouders niet kunnen leven, te zien kwijnen en sterven. Is het niet hoog tijd, Mijne Heeren, dat aan zoodanige barbaarsche handelwijze een einde worde gemaakt?quot;

De pleitrede, ter gunste van de gevederde natuur-genooten, werd mei een daverend handgeklap begroet.

«Dan meen ik u ook te mogen wijzen. Mijne Heeren,\'quot; zoo vervolgde de voorzitter, »op de kanibaalsche, ik zeg de kanibaalsche manier, die bij het dooden van dieren gebruikelijk is. De dieren zijn den mensch tot voedsel geschonken, doch ik vraag u, heeft hij daarom

53

-ocr page 60-

DE FAMILIE WALKER.

nog het recht de middeleeuwsche pijnbank op hen toe te passen, hen dood te martelen?quot;

«Bravo!quot; klonk het door de zaal.

»Is het niet hartverscheurend een varken te hooren schreeuwen, dat men levend het bloed aftapt om des te lekkerder worst te kunnen eten? Getuigt het niet van onmenschelijke barbaarschheid om met zekeren wellust de visschen levend het ingewand uit te halen, een paling levend het vel af te stroopen, en den slangen in Artis levende konijnen voor te werpen, wier laatste oogenblikken verbitterd worden door het gezicht van hun doodvijand? Men werpt levende kreeften en garnalen in kokend water, opdat zij des te schooner van kleur zouden zijn. \'t Is schandelijk! En wanneer dan die arme dieren in hun doodstrijd een klagend geluid doen hooren, durft men dat zingen noemen, fleb ik overdreven met te zeggen dat men met het dooden van dieren op kanibaalsche wijze te werk gaat?quot;

De redenaar kreeg het verlangde antwoord in de toejuichingen der vergaderden.

» Die barbaarschheden kunnen een einde nemen zonder dat de belangen der menschheid er door worden benadeeld. \'t Is nuttig, \'t is noodig dat door de wetenschap proeven worden genomen op levende dieren, doch alvorens daartoe over te gaan, kan men ze chlorofor-miseeren; dit kan ook plaats hebben met de dieren die geslacht moeten worden, van den os af lot de kip

54

-ocr page 61-

HDMANITEIT.

en de paling toe. Men bewondert vaak in kunstkabinetten veelkleurige vlinders, die reeds lang dood zijn en nog niets van hunne schoonheid verloren hebben ; doch men denkt er niet aan hoe die dieren een ellendigen hongerdood hebben moeten lijden, spartelende aan een speld. Men moet ook die diertjes bedwelmen om hun lijden te verkorten; men zal daardoor niet slechts aan die wezens een grooten dienst bewijzen, doch tevens medewerken tot de veredeling van \'s men-schen gemoed, tot het aankweeken der ware humaniteit.quot;

De majoor haalde nog een aantal voorbeelden uil het dagelijksch leven aan en eindigde met de uitnoo-diging dat ieder der aanwezigen niet slechts zou deelnemen aan de op te richten vereeniging, maar ook in ruimen kring ijverig medewerken te verspreiding harer beginselen.

De doorgraving van Holland op zijn Smalst is nooit zoo uitbundig toegejuicht als op dien avond het plan tot \'t chloroformiseeren van garnalen, schelvisch en stoof-paling. De majoor moest driemaal opstaan om door een buiging zijne erkentelijkheid te betuigen; hij glom van geluk.

Nadat de heeren aan de groene tafel eenige oogen-blikken de hooiden bijeengestoken hadden om over de verdere werkzaamheden van dien avond te spreken, stond de majoor andermaal op om te vragen of ook een der aanwezigen het woord verlangde.

55

-ocr page 62-

DE FAMILIE WALKER.

Een stem achter in de zaal vroeg:

«Worden er notulen gehouden van \'t geen hier dezen avond gesproken en verhandeld wordt, mijnheer de voorzitter?quot;

De majoor gaf een toestemmend antwoord.

«Mag de vergadering welen wie der heeren als secretaris fungeert?quot;

»Ik heb den heer Penhouder verzocht zich met die taak te belasten en hij heeft dit welwillend aangenomen,quot; antwoordde de majoor.

»Dan doe ik het voorstel dat vóór het sluiten dezer vergadering lezing worde gehouden van de notulen. \'

De vraag van den majoor, of de aanwezigen met dit voorstel instemden, werd door een luidruchtige beweging van handen en voeten beantwoord.

Andermaal riep de stem echter in de zaal;

«Ik verzoek het woord, mijnheer de president.quot;

«Uw naam, mijnheer?quot; sprak de majoor.

«Van der Beeken,quot; klonk het antwoord.

Alle hoofden keerden zich om, want die naam had in deze vergadering een vreemden klank en er kwam ook eenige onrust onder de heeren aan de groene tafel.

«Mijnheer Van der Beeken heeft het woord,quot; zeide de majoor schoorvoetend.

«Het zal zeker wenschelijk zijn, Mijne Heeren,quot; zoo begon de heer Van der Beeken, «dat maatregelen worden genomen tot beteugeling der mishandelin-

56

-ocr page 63-

HUMANITEIT.

gen , waaraan vele dieren en zeer nuttige dieren onder ons blootstaan. Het moet genoeg zijn te wijzen op het afschuwelijk vervoer van nuchtere kalveren naar de markt en het afbeulen van karhonden, om de alge-meene verontwaardiging gaande te maken. Kunnen er door middel der politie, of langs anderen weg, maatregelen genomen worden om zoodanige afschuwelijke handelwijzen een einde te doen nemen, ik ben gaarne bereid daartoe het mijne bij te dragen, doch ik bedank er voor om dit te doen onder de banier der humaniteit, zooals die door den geachten voorzitter is opgegeven, en ik protesteer tegen de overdrijving en het ziekelijk medelijden, welke in zijn toespraak doorstralen.quot;

Wanneer alle hoofden door een electrischen stroom in beweging gebracht waren, konden zij zich niet gelijkmatiger omgewend hebben. Sommige aanwezigen stonden zelfs op en de majoor bracht zijn foulard naar den kalen schedel.

»Ik laat ieder vrij zich een zoogdier te noemen,quot; vervolgde Yan der Beeken , »doch niemand heeft het recht mij onder die klasse van wezens te rangschikken. Niet als mededier, maar als mensch met rede en verstand begaafd en met een onsterflijke ziel bevoorrecht, gevoel ik mij verontwaardigd over de mishandeling van dieren, die ons tot nut en vreugde zijn geschonken. Een hond leeft en sterft als een hond en de mensch.

57

-ocr page 64-

DE FAMILIE WALKER.

voor een hoogcre bestemming geschapen, werpt zijne waardigheid in het slijk , wanneer hij zich onder de zoogdieren rangschikt. Doch laat ons eens aannemen dat de mensch een dier, een zoogdier is, dan komt het mij voor dat hij eerst voor de bescherming der zoogdieren van gelijken rang moet ijveren alvorens af te dalen tot de lagere soort. De geachte voorzitter beklaagt de paarden, die schier nacht en dag in \'t gareel zijn; ik heb ook medelijden met die dieren, doch zij krijgen ten minste nog haver en er zijn zooveel menschen onder ons, die bij karig voedsel nog veel harder moeten werken.

wik zal mijn kinderen nimmer straiFeloos vogelnesten laten verstoren, doch alvorens het medelijden met gevederde natuurgenooten in te roepen, mochten wij wel eerst een oog vestigen op huisgezinnen, die door de barbaarschheden der medemenschen verwoest worden. Ik ken een huisgezin, Mijne Heeren, dat vroeger gelukkig en betrekkelijk welvarend was. Het leefde verborgen, niet in de twijgen van een boom, maar in een der volkrijke buurten van Amsterdam. Helaas! daar komt iemand, wiens hoofd gevuld is met denkbeelden over humaniteit, doch die geen geweten heeft en in zijn evenmensch slechts zoogdieren ziet. Hij venvoest het geluk van dit gezin door een onteerende daad, zoo wreed als een tijger die zou kunnen bedrijven. En wat was daar het gevolg van ? De vader vsyj het

58

-ocr page 65-

HUMANITEIT.

huisgezin, die zich de kroon van het hoofd genomen zag en door de buren met vingers werd nagewezen, gaf zich uit wanhoop aan dronkenschap over; hij mishandelt nu zijne vrouw en verwaarloost zijn gezin; de dochter verkwijnt in den bloei haars levens; een oude grootmoeder heeft de schande niet kunnen dragen, zij is krankzinnig geworden, en een knaapje , dat onderwijs had kunnen genieten, moet nu, om eenigszins in de nooddruft van het gezin te voorzien, van den vroegen morgen tot den laten avond dagbladen rondbrengen ; zijne beenen zijn reeds vergroeid, er is in de toekomst voor hem niets te hopen. Wie is hier schuldiger: de onnadenkende jongen, die een vogelnestje uithaalt, of de eerlooze die het geluk van een gansch gezin verwoest?quot;

De majoor was lijkbleek geworden, hij greep krampachtig naar het glas water en kon het nauwelijks aan zijn mond brengen. De heer Penhouder, die zag welken indruk de laatste woorden op den president maakten, greep naar de schel en haastte zich te zeggen:

«De geachte spreker gelieve niet uit het oog te verliezen dat wij hier bijeen zijn om over de oprichting eener vereeniging tot bescherming der dieren te beraadslagen en niet voor een ander philanthropisch doel. Daar wellicht ook nog andere heeren het woord verlangen, moeten wij hem daarenboven verzoeken in de uiteenzetting zijner denkbeelden niet tewijdloopigtezijn.quot;

59

-ocr page 66-

DE FAMILIE WALKER.

))Ik zal niet meer van het gestelde onderwerp afdwalen en zoo kort mogelijk zijnvervolgde de heer Van - der Beeken. «Wanneer men werkelijk verlangt eene vereeniging tot bcscberming der dieren op te richten, die deelneming kan verwekken en waarvan men practisch nut kan verwachten, moet men zich vooral wachten voor overdrijving , want de oprichters zullen anders werkelijk slechts bespotting op zich laden. In het buitenland heeft men daarvan reeds vele jaren geleden nadeelige gevolgen ondervonden en de waarheid bewezen van het spreekwoord: Een onhandig vriend berokkent soms meer nadeel dan een volslagen vijand. Zoo werd in Duitschland door soortgelijke vereeniging tot prijsvraag gesteld; Een middel te vinden om de honden van zekere diertjes, vlooien genaamd, te bevrijden, zonder die vlooien van haar recht van bestaan te berooven, dat wil zeggen zonder ze te dooden.quot;

Een algemeen gelach weerklonk door de zaal; Ferdinand Walker zelf moest het gelaat achter zijn zakdoek verbergen, de overige heeren aan de groene tafel werden rood van verontwaardiging en de majoor kreeg daarbij nog een geweldige hoestbui.

»Er kwam toen een voorstel in,quot; zoo vervolgde Van der Beeken, »om een vereeniging tot landverhuizing voor de vlooien te stichten; men zou ze allen vangen, in zakken doen en dan naar Amerika zenden om daar een eigen kolonie aan te leggen.quot;

CO

-ocr page 67-

HUMANITEIT.

Andermaal weerklonk een luid gelach door de zaal. De secretaris, Levy Penhouder, ziende dat de president in woede scheen t;e zullen uitbarsten. stond nogmaals op en zeide:

«Wij moeten den spreker verzoeken den ernst der zaak niet uit het oog te verliezen , daar wij ons anders genoodzaakt zouden zien hem het woord te ontnemen.quot;

»Ik spreek in vollen ernsthernam Van der Beekeu zeer bedaard; »trouwens het zijn niet mijne woorden, maar die van een voornaam humaniteits-man in Duitsch-land, den bekenden schrijver Berthold Auerbach. Wanneer zulk een man, die de humaniteitsleer boven alles schat, met de ziekelijke richting van sommige tegenwoordig bestaande vereenigingen tot bescherming der dieren den spot drijft, zal wel niemand mij ten kwade duiden dat ik daartegen waarschuw. En \'t zijn de woorden van den geachten voorzitter die mij aanleiding tot bezorgdheid gegeven hebben. Hij wil dat men op de vischmarkt chloroform zal invoeren om de ter dood veroordeelde zee- en rivierbewoners niet te martelen, doch hoe leeft het door hem verheerlijkt gevederd ouderenpaar met de duizenden insecten die zij hun jongen brengen. Zouden wij dan niet moeten beginnen met de mugjes en vliegjes te chloroformi-seeren, die zoolang in hun bek spartelen alvorens zij in het nest aan den dood gewijd worden?quot;

De majoor kon zich niet langer bedwingen, hij

61

-ocr page 68-

DE FAMILIE WALKER.

slingerde de bel, stond driftig van zijn stoel op en riep met schorre stem:

«Mijne Heeren, ik roep uwe tusschenkomst in tegen een domper, een vijand van den geest der humaniteit, die hier binnengeslopen is om ons edel streven door ongepaste kwinkslagen bespottelijk te maken en het daardoor tegen te werken; ik verzoek uwe vergunning om hem de zaal te doen verlaten.

»Nog slechts een enkel woord. Mijne Heeren, sprak Van der Beeken met verheffing van stem, terwijl hij meer naar het midden der zaal drong. De majoor bleef met de bel in de hand staan, niemand verroerde zich en aller oogen waren op den spreker gevestigd. »De president wil mij het recht ontnomen hebben, om aan deze openbare vergadering deel te nemen; t is niet noodig, want ik zal mij vrijwillig verwijderen. Ik gevoel mij echter nog genoopt te zeggen, waarom ik een vijand ben van de humaniteit, waarvoor de voorzitter dezer vergadering ijvert. Of men zich al dan niet een zoogdier acht, de mensch blijft altijd onze meest verwante natuurgenoot en het is een schreeuwende onrechtvaardigheid, zoo met meer, de medemenscben te verdrukken en te mishandelen en de dieren in bescherming te nemen, \'t Is nu twee jaren geleden dat ik den geachten president op een reis in Zwitserland ontmoette. Hij liet zich toen op de schouders van mannen, die schier onder dien last bezweken, de hooge bergen opdragen.

62

-ocr page 69-

HUMANITEIT.

Waarom? Volgens zijne eigen woorden was dat aangenamer dan op een paard of muilezel. Naar dit feit kan men de humaniteit van den president afmeten. Ik heb gezegd.quot;

Er onstond een oogenblik gemompel toen de heer Van der Beeken bedaard de zaal verliet, doch de bel liet zich weder hooren en Levy Penhouder, die den majoor eenige woorden in het oor had gefluisterd, stond op en sprak: «Mijne Heeren, ik neem de vrijheid u de volgende motie voor te stellen: De vergadering , overtuigd van de goede bedoelingen des door haar gekozen bestuurs en vooral hulde willende brengen aan het edel streven van den geachten voorzitter, zet hare werkzaamheden voort.quot;

Handen en voeten kwamen weder in beweging, geen stem verhief zich tegen deze motie en de secretaris riep andermaal met een piepend stemmetje:»Bij acclamatie aangenomen!quot;

Men had nu ruim baan en alvorens een half uur verstreken was, had men eene commissie benoemd tot het ontwerpen van een voorloopig reglement en ging de vergadering met de beste wenschen voor de nieuwe vereeniging uiteen. Nog denzelfden avond schreef Levy Penhouder een belangrijk verslag van deze vergadering en weinige dagen later sprak de dagbladpers over den uitstekenden majoor Walker, aan wiens rusteloos streven naar humaniteit Nederland eerlang

63

-ocr page 70-

DE FAMILIE WALKER.

een vereeniging zou danken, die onberekenbaar veel nut kon stichten. Er is ook een gedrukt verslag van de vergadering in O d e o n verspreid, waarin echter niemand een woord kan terugvinden van \'tgeen door den heer Van der Beeken gesproken is. Dewijl later deze vereeniging niet tot stand kon komen, schreef men dit in de dagbladen toe aan de weinige sympathie van het toenmalig conservatief ministerie.

Toen de majoor het gebouw verliet, stond reeds meer dan een half uur een vigilant op hem te wachten- Het was een koude avond en de regen viel bij stroomen neer, doch de dierenbeschermer dacht geen oogenblik aan het arme paard dat stond te trillen, noch aan den koetsier, die zich met de handen in den zak aan den ingang van het portaal bewoog. Op het oogenblik dat hij in het rijtuig wilde stappen s kwam een jongen met kromme beenen naar hem toe en zeide:

«Mijnheer de majoor, een woordje, asjeblief.quot;

«Wat wil je, wie ben je?quot; vroeg de philanthroop barsch.

»Ik kom uit de Anjelierstraat, mijnheer! Mijn vader is van avond in het water geloopen en verdronken en nu weet moeder niet hoe zij hem onder de grond zal krijgen, want wij hebben geen cent in huis.quot;

«Wat gaat mij dat aan, brutale jongen?\'\' sprak de majoor terwijl hij in het rijtuig stapte.

«Ik ben bij u aan huis geweest, mijnheer de majoor.

64

-ocr page 71-

HUMANITEIT.

maar daar zeide men dat ik u hier zou kunnen vinden,quot; hernam de jongen, terwijl hij de hand tusschen het half geopende portier hield. «Moeder is radeloos, en mijn zieke zuster heeft van den schrik weer bloed opgegeven. Zou er niet een kleinigheid overschieten, mijnheer? Wij hebben morgen niets te eten.quot;

Men hoorde een geweldige hoestbui in de vigilant, en toen een stem die op de politie vloekte, omdat zij zulk brutaal bedelvolk niet van de straat hield. Het portier werd met geweld dichtgetrokken en de jongen liet een schreeuw hooren, want een zijner vingers was er tusschen gekneld. De koetsier, die op den bok zat, keerde het hoofd om, doch de stem in het rijtuig riep: vooruit! en toen legde hij de zweep over het paard en een oogenblik later wist niemand van de talrijke voorbijgangers hoe in Odeon de beginselen der humaniteit ter gunste der garnalen en kreeften ingeroepen en hoe diezelfde beginselen voor de deur op den natuurgenoot in practijk gebracht waren.

Toen de jongen met den gekneusden vinger in den mond, schreiende de Beulingsluis opliep, ontmoette hij Albert Oldringa, die hem terstond herkende en •vroeg wat hem deerde.

»Ach ik ben zoo ongelukkig vandaag, kapitein,quot; sprak hij. «Mijn vader is een paar uren geleden in het water geloopen en verdronken; mijn moeder weet niet wat zij moet beginnen, want zij bezit niets dan de I 3. 5

65

-ocr page 72-

DE FAMILIE WALKEK.

twee kwartjes, die ik van u heb gekregen en, al ons Zondagsche goed staat achter de schuine deur.\'\' »Waar?quot; vroeg de zeeman verwonderd.

«In den lommerd, kapitein. Toen de politie in huis kwam, kreeg mijn zuster een bloedspuwing van den schrik. Mijn moeder was radeloos en zond mij naar een heer, die wel wat voor ons mocht doen; maar daar voor \'t Ode on heeft hij vloekend mijn vinger tusschen het portier van zijn rijtuig gekneld. Zie eens, kapitein .... Oef. hij doet mij zoo zeer.quot;

«Woon je ver van hier, mijn jongen?\'\' vroeg de zeeman op medelijdenden toon.

))Ja, kapitein, \'t is nog een heel eind, maar ik wil u daar wel voor niemendal heenbrengen,quot; antwoordde de knaap, die, in weerwil van al zijn leed, toch zijne snakerijen niet kon laten varen.

Albert zag op zijn horloge en zeide toen:

«Wijs mij den weg maar, jongen, ik ga met je mee.quot;

66

-ocr page 73-

IV.

In de achterbuurt.

Een klein en onaanzienlijk gedeelte van Amsterdam is bekend onder den naam van Jordaan. De eigenlijke naam is Jardin, naar de tuinen die daar vroeger gevonden werden, doch niemand bezigt hem en \'t is ook best mogelijk dat hij niet op het kadaster aangegeven wordt. Niet alleen in het hartje dier buurt, maar ook ver daarbuiten dragen alle grachten, straten en stegen namen van bloemen. Zoo heeft men daar een Leliegracht, een Rozengracht, een Bloemgracht, een Goudsbloemstraat, een Anjelierstraat en zoo al meer.

In laatstgenoemde straat woonde onze krantenjongen op de derde verdieping. De smalle trap, die naar dat verblijf voerde, was wel altijd onooglijk, doch zij werd in den regel toch goed schoon gehouden, vooral tegen den Zondag. Op dit oogenblik was zij echter vol slik en vuil, want men had het lijk van den verongelukten huisvader niet dan met veel moeite naar boven gesleurd. De gansche woning bestond uit een kamer voor aan de straat en een heel klein vertrekje met

-ocr page 74-

DE FAMILIE WALKER.

een bedstede. De lieve zon scheen nooit in dat kamertje, want het ontving zijn licht door een klein raam in het houten beschot, dat de gansche bewoonde ruimte in twee ongelijke deelen scheidde; het kon in den winter ook niet verwarmd woorden, want er was geen schoorsteen. De kleine petroleumlamp, die in de groote kamer op de tafel stond, verlichtte op dat oogenblik een tooneel, zooals waarschijnlijk de hoofdstad geen tweede kon aanbieden. Bij den haard zat op een stoof een stokoude vrouw met een zwarte muts op het hoofd, waaruit hier en daar een bundel grijze haren te voorschijn trad. Zij staarde strak in het vuur, zat meeren-deels onbeweeglijk, doch wranneer nu en dan een vonk langzaam en wat hooger den gewoonlijk naar boven steeg, stak zij de magere hand uit, volgde met tintelende oogen die vonk tot zij haar licht verloor en verdween , en dan bleef zij soms langen tijd in dezelfde houding zitten.

Bij de tafel, waarop verscheiden voorwerpen in volslagen wanorde bijeen lagen, zat een vrouw van middelbaren leeftijd. Haar ellebogen rustten op de tafel, haar hoofd op de handen. Krampachtige schokken voeren van tijd tot tijd door hare leden, de oogen staarden even strak, ofschoon niet zoo wild in de ruimte als die van de oude vrouw. Op den grond, onder de vensters, lag een groot voorwerp door een meer dan half versleten wollen deken bedekt; het was

68

-ocr page 75-

IN DE ACHTERBUURT.

\'t lijk van den dronkaard, die dien avond zijn dood gevonden had.

Langen tijd heerschte een huiveringwekkende stilte in de kamer waar zoolang reeds de ellende zetelde en waar nu ook nog de dood zijn zetel opgeslagen had. Op eens liet zich een pijnlijk hoesten hooren uit het kleine vertrek, waarvan de deur met een reet openstond. Die hoest scheen de vrouw uit hare verbijstering wakker te schudden, want zij stond haastig op en verdween met de petroleum-Iamp door de smalle deur. Thans viel nog slechts een zeer zwak licht in de kamer; het kwam van het flikkerend haardvuur en uit het venster van een der buren aan de overzijde der straat. De spookachtige gestalte der oude vrouw in den hoek van den haard was nu nog veel afzichtelijker geworden. Wanneer men niet terstond had kunnen zien dat zij krankzinnig was, zou het thans duidelijk zijn gebleken, \'t Is een gewoon verschijnsel dat de meeste krankzinnigen hunne omgeving trachten te verschalken. Als men soms meent dat zij noch oogen noch ooren hebben voor \'t geen om hen heen plaats grijpt en geheel afgetrokken schijnen, is dit vaak slechts een sluw bedrog; want men heeft hen nauwelijks uit het oog verloren, of er komt leven en beweging in de ledematen, die langen tijd versteend schenen, en de listigheid, waarmede zij alsdan naar verboden voorwerpen grijpen, wekt inderdaad verbazing.

69

-ocr page 76-

DE FAMILIE WALKER.

Niet zoodra had de jonge vrouw zich met de lamp verwijderd, of de krankzinnige stond stil uit den hoek van den haard op en sloop naar de andere zijde der kamer, lichtte een gedeelte van de deken op en bracht daardoor het hoofd van den drenkeling te voorschijn. quot;!gt;

Zij legde de dorre hand op het voorhoofd van den doode, doch het scheen dat in die hand geen gevoel meer zat, want zij bukte nog lager en bracht er toen haar wang tegen.

«Hij is koud, Klaas is erg koud,quot; sprak zij in )

zich zelve.

Toen stond zij weder op, ging naar de tafel en schonk uit een ketel, die daar op een groen komfoor ^

stond, een kom heete koffie. Andermaal knielde zij bij het lijk neder, lichtte met de eene hand het hoofd op en trachtte met de andere hand het heete nat in den mond te gieten. Zij kon de kom echter wel tus-schen de lippen brengen, maar de tanden waren vast opeengesloten, zoodat de koffie langs de kin op de borst droop.

Op dat oogenblik kwam de vrouw weder met de lamp binnen. Een siddering gleed haar door de leden ♦

en zij riep met afschuw uit; »Moeder, ,wat doe je daar?quot;

»Klaas is koud en hij moet wakker wordensprak de krankzinnige, terwijl zij schuw opstond en weder naar den hoek van den haard strompelde

70

-ocr page 77-

Tl

«Mijn Godl mijn God!quot; dat was alles wat de vrouw kon uitbrengen.

»Hij moet wakker worden,quot; herhaalde de krankzinnige , »de dienders zullen zoo komen, want wij hebben allemaal gestolen, allemaal.quot;

De vrouw plaatste de lamp op de tafel, greep met bevende hand naar de deken en wierp die weder over het lijk.

»Ik moet mijn schoenen hebben hernam de krankzinnige , »want de dienders zijn al hier geweest en ik heb ook gestolen; we hebben allemaal gestolen.quot;

Op dat oogenblik kwam de krantenjongen met Albert Oldringa de trap op.

«Daar zijn ze al,quot; riep de krankzinnige , «daar zijn de dienders, ik moet mijn schoenen hebben, want ik heb ook gestolen.quot;

De arme vrouw, die nog slechts een paar uren weduwe was, zag vreemd op toen haar zoontje met een vreemdeling het vertrek binnenkwam.

»Hier is de kapitein, moeder, van wien ik van middag de twee kwartjes heb gekregen.quot;

))Is dat ook een diender, Kee?quot;\' vroeg de oude, nieuwsgierig het hoofd vooruitstekende.

»Neen, moeder, wees maar gerust,quot; antwoordde de vrouw, terwijl zij een stoel voor den vreemdeling gereed zette.

»De majoor heeft mijn vinger tusschen het portier

-ocr page 78-

DE FAMILIE WAIKER.

van zijn rijtuig gekneld; zie eens, moeder, het bloed komt tusschen den nagel uit,quot; sprak de knaap.

«Arme jongen,quot; antwoordde demoeder, «was dat zijn antwoord op mijn verzoek!

«Hij vloekte als een ketellapper, noemde ons bedelvolk en wilde de politie gaan halen.quot;

«De politie, altijd de politie,quot; hernam de vrouw, middelerwijl zij uit de lade der tafel een schoon lapje haalde en dat om den gekwetsten vinger wond. «Blijf je nu thuis, Jacob?quot;

«Neen, moeder, om elf uren het Handelsblad halen in de Amstelstraat en naar het Rokin brengen. Ik zal maar gauw gaan, want nu heb je toch gezelschap. Niet waar, kapitein, u blijft nog wat?quot; vervolgde hij , zich tot den zeeman wendende, «moeder is erg bedroefd en \'t is nu ook zoo akelig hier in de kamer.quot; Dit zeggende wees hij bij het heengaan naar de oude deken onder de vensters.

«Ik heb gehoord dat u heden een groot ongeluk overkomen is, moeder,quot; zei Albert.

«Ach , mijnheer, geluk ken ik sinds lang niet meer,quot; antwoordde de vrouw met een zucht, «ik leef altijd in kommer en verdriet, maar wat mij nu overkomen is, gaat boven mijne krachten.quot;

«Is uw man door de duisternis misleid?quot;

«Ik weet het niet, mijnheer. Hij moet in \'t begin van den avond op de Prinsengracht in \'t water geloo-

72

-ocr page 79-

IN DE ACHTERBUURT.

pen zijn; men heeft nog moeite gedaan om hem te redden, maar hij is er dood uit gehaald en toen hebben zij het lijk hier gebracht.quot;

» En zou hij zijn weekgeld nog ontvangen hebben ?quot;

»Och , mijnheer, er zal deze week wel niets overgeschoten zijn; \'t spijt me dat ik het moet zeggen, maar hij is in de laatste vier dagen niet nuchter geweest.quot;

»Je ben dus op het oogenblik van alle middelen ontbloot?quot;

«Ja, mijnheer. Mijn dochter had nog naaiwerk, dat zij van avond moest afleveren en waarvoor dan geld kon ontvangen worden, maar zij heeft van den schrik een hevige bloedspuwing gekregen en ligt nu te bed. Ik weet ook niet hoe mijn man fatsoenlijk onder den grond moet komen.quot;

\'t Is merkwaardig dat zelfs de armste menschen veel prijs stellen op een fatsoenlijke begrafenis; zij zouden liever honger lijden dan zoo iets missen.

))Ben je dan niet in een begrafenisfonds?quot;

«Ja wel en ik heb soms honger geleden om de bus te kunnen voldoen, maar ik zal nu wel geen uitkee-ring krijgen, want \'t praatje loopt rond dat mijn man zich van kant heeft gemaakt.quot;

»Maar wordt dan van stadswege niet voor de begrafenis van behoeftigen gezorgd?quot;

» Ach, mijnheer,quot; sprak de vrouw met eene ver-

73

-ocr page 80-

DE FAMILIE WALKER.

heffing van stem en er gleed een huivering door hare leden, «iemand van den arme het huis te laten uitdragen.....Er is een tijd geweest dat wij het goed

hadden en nu quot;

«Moeder, wie is daar?quot; vroeg een zwakke stem, die uit het belendende kamertje kwam.

Albert wendde het hoofd om en de vrouw zeide.

«Mijn zieke dochter ligt daar, mag ik u even alleen laten, mijnheer?quot;

De zeeman knikte met het hoofd en de moeder ging het donkere kamertje binnen. De oude vrouw had al dien tijd op haar stoof gezeten, binnensmonds onverstaanbare woorden sprekende. Nu stond zij op en naderde sluipend Albert; er lag een akelige glim -lach om haar tandeloozen mond.

«Klaas is koud,quot; sprak zij, «de dienders hebben hem koud gemaakt en als de majoor komt, moet hij

mee.....Ik moet ook mee want wij hebben allemaal

gestolen.quot;

Zij sloop op hare teenen al nader en nader en legde eindelijk haar uitgemergelde hand op Alberts arm. Hare oogen glansden van volslagen waanzin.

«Pas op den majoor, want je hebt ook gestolen; we hebben allemaal gestolen en daarom is Klaas zoo koud,quot; riep zij in afgebroken woorden.

Albert trok huiverend zijn arm terug, hij stond van zijn stoel op. De zeeman, die zooveel stormen bijge-

74

-ocr page 81-

IN DE ACHTERBUURT.

woond had en gewoon was onder ruw zeevolk te ver-keeren, gevoelde vrees en walging in dat armoedige vertrek bij een lijk en een krankzinnige. Eensklaps grepen de magere vingers der oude naar zijn horlogeketting.

«Dat is goud,quot; riep zij en hare vingers klemden zich krampachtig om het voorwerp, »je hebt dat ding

gestolen van den majoor..... Wij hebben allemaal

gestolen.quot;

Haar stem klonk luider dan gewoonlijk, de weduwe schoot ijlings toe, maakte onder verontschuldigingen de hand der krankzinnige los en gelastte haar weder bij den haard te gaan zitten, wat zij dan ook gewillig deed, ofschoon nog altijd dezelfde woorden herhalende.

))Ach, zij was zulk een goede, brave vrouw,quot; sprak de weduwe, »doch ons ongeluk heeft haar , krankzinnig gemaakt.quot;

«Zij spreekt aanhoudend van stelen en van een majoor, wat meent zij daarmee?quot; vroeg Albert.

«Sinds vier jaren zijn die woorden haast altijd in haar mond, en nu dezen avond agenten van politie hier zijn geweest is dat nog erger. Als het zoo laat niet was, zou ik u de oorzaak van ons ongeluk mee-deelen.quot;

«Ik heb den tijd, moeder,quot; sprak Albert, «want ik kan aan boord komen wanneer ik wil.quot;

«Dan zal ik u alles zeggen, mijnheer,quot; hernam de

76

-ocr page 82-

DE FAMILIE WALKER.

weduwe, «doch ik wil eerst de deur van het kamertje dicht doen, want mijn kind mocht eens enkele woorden hooren en die zouden haar te veel ontroeren.

Zij sloot zacht de deur, ging weder zitten en deelde toen het volgende mede:

»Zoo arm en ellendig wij nu zijn, zoo gelukkig waren wij nog vóór weinige jaren. Mijn man was vlijtig en wij hadden goed ons brood. Hij dronk wel eens een borrel te veel, zooals, helaas, onder de sigarenmakers maar al te dikwijls het geval is, doch van \'tgeen hij mij wekelijks bezorgde, kon ik in de behoefte van ons huishouden tamelijk goed voorzien. Moeder was bij ons, zij breide kousen voor een winkel. Mijn oudste dochter was op achttienjarigen leeftijd een mooi meisje, zij was goed onderwezen en niet onbedreven in allerlei naaiwerk. Mijn man zou wel graag gezien hebben, dat er een juffertje uit gegroeid was, want in zijn tijd was hij erg hooghartig, doch moeder zei dat het beter was een goeden dienst te zoeken. Meisjes van onzen stand, zeide zij altijd, staan aan zooveel verleiding bloot, als zij wat naar de mode gekleed zijn, en een modemaakster of naaister kan daar niet buiten. Zij achtte daarom een goeden dienst beter, en wanneer zij eens kwam te trouwen, zou zij er des te beter huisvrouw om zijn.

»Wij volgden moeders raad en zochten en kregen een dienst voor haar als werkmeid bij een winkelier

76

-ocr page 83-

IN DE ACQTERBL\'UUT.

op den Nieuwendijk. De menschen waren braaf en ook heel goed voor haar, doch het ongeluk wilde dat zij een commensaal hadden, een gepensioneerd majoor.quot;

«Uit Oost-Indië?quot; vroeg Albert haastig.

»Ik geloof het wel.quot;

«Hoe zag hij er uit?quot;

»Hij is een zwaar man met een grooten knevel en een kaal hoofd.quot;

«En zijn naam?quot;

»Hij heet Piepers.... Kent mijnheer hem soms?quot;

»Ga maar voort,quot; sprak Albert ontroerd. Hij was bleek geworden en had de sigaar, die hij in den mond hield, midden doorgebeten.

»In den beginne was die man heel voorkomend en vriendelijk tegen mijn dochter; niemand mocht hem bedienen dan zij, en zij sprak altijd met heel veel lof van hem; doch wij vertrouwden het niet, want de vriendelijkheid van zulke heeren is dikwijls zeer gevaarlijk. De majoor had ook soms met veel deelneming naar ons gevraagd en kwam zelfs nu en dan bij ons aan huis. Moeder kreeg een mooie snuifdoos van hem en voor de twee jongste kinderen bracht hij altijd eenige snuisterijen mee; doch wij konden hem toch niet goed uitstaan, want hij had iets in de oogen dat ons bang maakte.

»Op eens sprak mijn dochter geheel niet meer van hem, zij vermeed zelfs zijn naam. Toen er zoo een

77

-ocr page 84-

DE FAMILIE WALKER.

maand voorbijgegaan was — want zij had maar om de andere week een uitgaansdag — sprak ik haar eens daarover aan en zij vertelde mij daarop dingen, waarover ik maar zal zwijgen. Die majoor was een slecht mensch, een heel slecht mensch en mijn dochter kon in dat huis niet langer blijven. Mijn man, die erg driftig was, wilde dien rijken schobbejak den mantel gaan uitvegen , maar moeder, die daar nu zoo ongelukkig in den hoek zit, hield hem tegen; zij zeide dat men voorzichtig moest zijn met de groote lui,. want dat zij gemeenlijk aan het langste eind blijven. Mijn dochter zeide nu fatsoenlijk haar dienst op , want anders had zij immers ook geen goede getuigen kunnen krijgen. Eerst wilde zij de oorzaak niet zeggen, maar \'t eene woord bracht \'t andere voort en zoo kwam alles uit.

»De majoor moet er echter al spoedig iets van vernomen hebben, want op haar volgenden uitgaansdag vertelde mijn dochter dat hij veranderd was als een blad op den boom. Vroeger was alles goed wat zij voor hem verrichtte en nu kon zij niets meer naar zijn zin doen. Hij behandelde haar zelfs op onbeschofte wijze in \'t bijzijn van vreemden. Eens zeide hij in hare tegenwoordigheid aan de juffrouw dat hij eieren gemist had en dat de suiker veel vroeger op was dan bij de vorige meid. Nu kon mijn dochter zich niet langer inhouden; om haar eer te redden verweet zij hem zijn schandelijk gedrag, zijn aanbiedingen om

78

-ocr page 85-

IN DE ACHTERBUURT.

baar tot ondeugd te brengen en kwam er voor uit, dat dit ook de eenige reden was waarom zij hare huur had opgezegd.

» De majoor was woedend , loochende alles, noemde haar een slet, die niet lang meer uit de handen van de politie zou blijven en zoo al meer. Toen ik dit vernam , verbood ik mijn dochter over dit voorval met haar vader te spreken; ik kende zijn drift en vreesde dat hij zich aan den majoor zou vergrijpen. Ik spoorde haar tot lijdzaamheid aan, daar het nu toch van zeer korten duur was, en zij een zeer goeden dienst had gekregen.

«Had ik mijn dochter toen maar thuis gehouden , wij zouden niet in zulk een afgrond van ellende zijn gestort.

ȟon volgenden Zondag was mijn goede moeder jarig; ik had des avonds chocolade klaar gemaakt en mijn dochter bracht een grooten koek voor haar grootmoeder mede. \'t Is de laatste vroolijke, de laatste gelukkige avond van mijn leven geweest. Terwijl wij daar zoo genoeglijk bijeen zaten werd er geklopt. Ik opende, niets kwaads vermoedende, de deur en er drongen twee agenten van politie binnen. Al heeft men niets op zijn geweten, mijnheer , zoo iets is toch, vooral in den avond, een akelig gezicht en \'t is dus geen wonder dat ik ontroerde.

««Zijn wij hier bij den sigarenmaker Verbonk?quot; vroeg mij een der agenten.

79

-ocr page 86-

DE FAMILIE WALKER.

maar wat is er van uw dienst?quot; vroeg ik bevend. Ik vreesde dat mijn man, die zoo erg driftig was, een kloppartij had gehad.quot;

»»Is je dochter, die op den Dijk dient, thuis?quot;

»»Ja.....maar mijn hemel.....quot;

««Zij moet met ons mee.quot;

»»Mijn dochter met u mee,quot; stotterde ik. «Wat is er dan gebeurd?quot;

»))Daar weten wij niets van, maar zij moet terstond mee.quot;

)gt;Ik meende door den grond te zinken, gaf een gil van schrik en vloog naar binnen. Het tooneel dat daar plaats greep, kan ik onmogelijk beschrijven. Mijn arm kind zat als aan den stoel genageld, toen zij die vreemde en noodlottige boodschap hoorde. Mijn man was ook een oogenblik als versteend, sprong toen echter eensklaps op, greep mijn dochter bij den arm en riep:

»»Wat heb je uitgevoerd.....spreek!quot;

»«Niets, vader,quot; was het antwoord.

»»Niets?.....en wat moeten dan de dienders in

huis doen? Ik wil het weten, spreek op.quot;

»»Maak geen spektakel,quot; zei een der agenten; »het zal immers wel uitlekken wat er gaande is.\'\'

»»Uitlekken!quot; herhaalde mijn man woedend, »wat zou er uitlekken? De meid is schuldig of onschuldig. Is zij schuldig, heeft zij mijn eerlijken naam geschand-

80

-ocr page 87-

IN DE ACHTERBUURT.

vlekt, dan breek ik haar den hals, hier in mijn eigen huis; is zij onschuldig dan wil ik niet, dat zij met dienders langs de straat zal gaan, hoor, dat wil ik niet.quot;

««Kom, kom, geen praatjes,quot; zei de eene agent; »wij kunnen hier geen uur blijven;quot; doch de ander wist mijn man tot bedaren te brengen door te zeggen dat ons kind misschien maar m \'t een of ander moest getuigen, zij behoefde ook niet met hen mee te gaan, zij kon met haar moeder volgen, niemand zou er erg in hebben dat er iets te doen was met de politie.

»»Maar ik wil weten wat er gaande is,quot; herhaalde mijn man , wiens drift daarom nog .lang niet afgekoeld was. «Spreek dan toch, meid, wat heb je uitgevoerd, heb je gestolen, heb je gemoord?quot;

»»Foei, Klaas, wat handel je onverstandig,quot; sprak toen mijn moeder. Zij ging naar ons kind, sloeg den arm om haar hals en zeide: »Van avond heb je mij gezegd, dat je God om een lang. en gelukkig leven voor mij zou bidden, durf je nu ook voor den al-wetenden God getuigen dat je aan geen enkele misdaad schuldig ben?quot;

»»Ja, grootmoeder, ik heb niets gedaan, waar de politie mee noodig heeft, dat bezweer ik u,quot; sprak ons kind.

»»Zou je met die woorden de eeuwigheid durven ingaan?quot;

I 3. 6

81

-ocr page 88-

DE FAMILIE WALKER.

»»0 ja, gerust, grootmoeder, ik ben onschuldig, geloof mij toch.quot;

«Zij begon bitter te weenen. «Welnu,quot; sprak moeder tot mijn man, »laat haar gerust gaan, zij is onschuldig, daar blijf ik je borg voor.quot;

»Er was dan ook niets tegen te doen. Eenige oogenblikken later verliet ik met mijn kind het huis, de agenten zouden ons wat later volgen. Er stonden vele menschen uit de buurt aan de deur, want men had de agenten van politie gezien en ook de hevige uitvallen van mijn man gehoord. Wij waren ons niet van schuld bewust, doch desniettemin gingen wij met gebogen hoofden door het volk. Verdenking is reeds een vonnis in het oog van velen, vooral onder menschen van onzen stand. Men ging voor ons uit den weg, men zou ons niet hebben willen of durven aanspreken, \'t Moest niet zoo zijn, mijnheer, maar \'tis of alles, wat de politie aanraakt, besmet is.

«Toen wij op den Nieuwendijk kwamen , waar mijn dochter diende, vonden wij daar den commissaris van politie met nog twee heeren. Mijn dochter ging met hen alleen in een kamer en zij was daar nauwelijks eenige minuten toen ik een gil hoorde. Ik kon mij nu niet langer bedwingen en ging ook de kamer binnen. Zoodra mijn dochter mij zag, vloog zij mij om den hals, uitroepende: »\'t Is niet waar, wat zij zeggen, moeder,

82

-ocr page 89-

IN DE ACHTERBUURT.

ik heb niet gestolen, ik roep God tot getuige, dat ik onschuldig ben.\'\'

«Maar wat was er dan voorgevallen!quot; vroeg Albert, die met belangstelling naar dit verhaal had zitten luisteren.

))Ik heb dit eerst later vernomen,quot; antwoordde de vrouw, veel later, toen ons geluk verwoest, toen mijn kind onteerd was. In weinige woorden kan ik u het geval meedeelen. Kort nadat mijn dochter naar ons gegaan was om den avond door te brengen, kwam de majoor thuis. Hij schelde en vroeg waar de meid was. Men antwoordde hem dat zij haar uitgaansdag hield. Toen zeide hij dat zijn horloge met gouden ketting uit zijne slaapkamer verdwenen was. Aanvankelijk meende men dat de majoor zich vergiste, en er werd overal gezocht, doch tevergeefs. Mijn dochter was alleen boven geweest om, volgens gewoonte, het theegoed gereed te zetten, doch de huisgenooten dachten er niet aan haar van diefstal te beschuldigen, want nooit hadden zij de minste oneerlijkheid in haar bespeurd. De majoor was echter -woedend; hij noemde mijn dochter een huichelaarster, die ieder met haar uitgestreken gezicht om den tuin leidde; hij somde eenige kleinigheden op, die hij in den laatsten tijd gemist had en stond er op dat onmiddellijk haar kamertje zou worden onderzocht. In \'teerst wilden de huisgenooten daar niets van hooren ,

83

-ocr page 90-

DE FAMILIE W ALKER.

doch de majoor dreigde dat hij persoonlijk naar de politie zou gaan om aangifte te doen, en daar iedereen meende dat een onderzoek ter gunste van mijn dochter zou afloopen. werd werkelijk de politie geroepen. De commissaris moest nu zijn plicht doen; het vertrekje, waar mijn dochter sliep, een zoogenaamd insteekkamertje op de trap, werd onderzocht en men vond inderdaad het horloge van den majoor in haar koffer.quot;

«Zij had het dus werkelijk ontvreemd?quot; vroeg Albert.

»Ach, mijnheer, spreek wat zachter,quot; zeide de moeder, een angstïgen blik naar de kleine deur in het beschot werpend. »Het arme kind, dat daar ligt, heeft reeds zooveel geleden. Er zijn sinds dien onge-lukkigen dag vier jaren voorbijgegaan, mijn dochter is meermalen den dood nabij geweest, doch altijd blijft zij onder dure eeden betuigen dat zij geen schuld heeft gehad aan die misdaad.

»Maar hoe kwam dan het horloge in haar koffer? Kan er ook een andere dienstbode in huis geweest zijn, die haar vijandig was ? \'

»Onmogelijk, mijnheer, maar u is nog jong, u weet nog niet tot welke stappen een mensch kan komen, wiens hartstochten gedwarsboomd worden. Voor een wellusteling is niets te heilig, hij is een dier gelijk en handelt als een dier. Doch ik ben nog

84

-ocr page 91-

TN DE ACHTERBülRT.

niet aan het einde van mijn verhaal. Mijn dochter werd naar de gevangenis gebracht; niets pleitte in haar voordeel, want haar meesteres moest onder een eed getuigen, dat zij alleen tijdens de korte afwezigheid van den majoor boven geweest was. Of zij ook al hare onschuld betuigde, het baatte niets, zij werd onder verzachtende omstandigheden tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld.

«Er was intusschen nog een ander ongeluk over ons hoofd gekomen. Mijn man, evenals wij overtuigd van de onschuld onzer dochter, was zich zeiven niet meester. Op een morgen, dat hij zich aan sterken drank te buiten was gegaan, begaf hij zich naar den majoor, ging ongevraagd naar boven, greep hem bij de keel en zou hem vermoord hebben, wanneer niet bij tijds hulp was komen opdagen. Dit vergrijp heeft hij zes maanden in de gevangenis geboet.

«Daar zaten wij, arm, verlaten, veracht. Er was niemand, die zich onzer aantrok. Ik poogde werkhuizen te krijgen, doch werd overal afgewezen, zoodra ik mijn naam slechts noemde. Wie zou zich ook het lot aantrekken van een vrouw, wier man en dochter een onteerende straf ondergingen ! Moeder kon het leed niet dragen, zij werd krankzinnig en sprak nu altijd van stelen en van de politie. Toen mijn dochter haar straftijd voleindigd had, herkende bijna niemand haar meer en niemand zou haar ook hebben

85

-ocr page 92-

DE FAMILIE WALKER.

willen herkennen. Er waren nog enkele medelijdende menschen, die haar wat naaiwerk verschaften, daarvan moesten wij onzen honger stillen, doch het nachtwaken ondermijnde hare gezondheid, zij kreeg een bloedspuwing en kwijnt sinds dien lijd langzaam weg.quot;

«Maar heeft uw man na zijn ontslag uit de gevangenis dan niet zijn best gedaan om het doorgestane leed zooveel mogelijk te doen vergeten?quot; vroeg Al-bert.

«Dat had hij moeten doen, mijnheer!quot; antwoordde de vrouw met een diepen zucht, «doch niet iedereen is tegen zulke stormen bestand. Toen hij terugkwam, vond hij een dochter, de kroon van zijn leven, ziekelijk en onteerd, en een krankzinnige moeder, die hem terstond vroeg of hij gestolen had. Zijn naam was geschandvlekt, zijn geestkracht geheel verlamd. Het duurde lang alvorens hij eenig werk kon krijgen en toen hem dit eindelijk gelukte, werd hij overal met argwaan nagegaan; zijne kameraden zagen hem met den nek aan en vermeden zijn gezelschap. Toen kwam de ongelukkige hartstocht weder boven, hij zocht zijn leed in den drank te vergeten, verteerde somtijds al zijn weekgeld en moest eindelijk vandaag een ongelukkigen dood sterven.quot;

«En wat ben je nu voornemens te beginnen?quot; vroeg Albert.

«Wat ik voornemens ben, mijnheer, niets! Een

86

-ocr page 93-

IN DE ACHTERBUURT.

mensch als ik, kan geen voornemens hebben. Ik zou graag sterven, mijnheer, maar daar zijn nog drie wezens die mij noodig hebben, ofschoon ik zoo weinig voor hen kan doen.quot;

»Maar weet dan de wijkmeester niet dat je een ongelukkige, fatsoenlijke vrouw ben?quot;

))Zeker weet hij dat, mijnheer, maar wat kan die man aan ons doen ? Er is maar één weg open, namelijk naar de Ommerschans, en dan moet ik eerst nog bedelen en door de dienders opgepakt worden,quot; sprak zij met huivering. «Maar wat komt het er op aan,quot; liet zij er op volgen en er schemerde wanhoop in hare oogen, »de moeder is niet beter dan de dochter.quot;

»Zoo moet je niet spreken,quot; hernam de zeeman, die nu ook huiverde bij de gedachte aan zooveel ellende. «Maar hoe ben je er toe gekomen om van avond hulp te gaan vragen bij den majoor?quot;

«Hoe ik daartoe gekomen ben? Men weet niet waar men toe komt als men radeloos is geworden. En mocht ik dan niet denken, dat de man, die ons in het ongeluk heeft gestort, in zulk een oogen-blik iets zou gevoelen dat berouw en barmhartigheid genoemd wordt?quot;

«Je hebt gelijk,quot; sprak Albert. «Ik moet nu vertrekken, maar ik zal terugkomen en intusschen eens nadenken over \'t geen voor u gedaan kan worden.quot;

De krantenjongen was gedurende het laatste ge-

87

-ocr page 94-

DE FAMILIE WALKER.

deelte van \'t gesprek teruggekomen; toen de stuurman deze woorden sprak, welden de tranen uit zijne oogen, hij vloog zijne moeder om den hals en zeide: «Ik heb \'t je wel gezegd, moeder, dat de kapitein zoon goed mensch is, hij zal ons wel helpen.quot;

Albert was ontroerd. Hij haalde een muntbiljet van tien gulden te voorschijn, gaf het aan de vrouw en zeide; »Hier is iets om in de eerste behoefte te voorzien. Als je mij morgen of overmorgen noodig mocht hebben, laat dan de jongen maar aan boord van de Urania in \'t Oosterdok naar den stuurman Oldringa vragen, of anders bij mijn zwager op den Amstel, ik zal u het adres opgeven.quot;

ȟat adres weet ik wel sprak de jongen. Hij zag er zonderling uit met dien glimlach om zijn mond en de tranen in de oogen.

Nadat de stuurman vertrokken was, barstte eerst de moeder in tranen uit. Wie heeft niet ooit in zijn leven de weldaad van zulke tranen kunnen waardeeren?

Toen nam zij haar zoontje bij de hand en zeide: »Kom, mijn kind, laat ons God bidden, want van Hem en door Hem kan alleen nog hulp komen.quot;

Hier was de nood hoog geklommen; zou Gods hulp niet nabij zijn?

88

-ocr page 95-

Een klein hoofdstuk maar van groote beteekenis.

Wij zijn in \'t vorige hoofdstuk wel wat al te vluchtig over Ferdinand Walker heengegleden. Sinds twintig jaren hadden wij hem niet ontmoet en zulk een tijdvak oefent een gewichtigen invloed op den mensch uit. Blijven ook de hoofdtrekken van het karakter door t gansche leven heen denzelfden stempel dragen, de omgeving, de lotsvervvisselingen, waarvan hij zoo geheel afhankelijk is, of afhankelijk gemaakt wordt, wijzigen zijne denkbeelden en handelingen, soms zijne beginselen. Den jongeling, die droomde van idealen , welke de wereld altijd schuldig blijft, die slechts wilde leven van rozengeur en maneschijn en in wiens borst geen plaats was voor eerzucht, vindt men op gerijpten leeftijd terug als een man,. wiens hoogste streven het is macht, aanzien en een grooten naam te bezitten. Van den zoeten droom is niets achtergebleven dan de gedachte aan zijn ijdelheid. Nog twintig jaren later beseft dezelfde man niet zelden dat ook de zucht naar een grooten naam niet meer is dan een ijdele droom.

Er is in dit opzicht echter geen gewichtiger tijd-

-ocr page 96-

DE FAMILIE WALKER.

vak dan wat ons uit de kinderjaren in den manne-lijken leeftijd heeft overgebracht. Ferdinand Walker was te Groningen nog een dartel knaapje, dat geen zorg voor de toekomst kende, thans bevond hij zich als huisvader in \'t volle gewoel der wereldsche beslommeringen. Hij was even nauwgezet in het vervullen zijner plichten als rechtschapen, en bezat daarbij de goedhartigheid als een erfdeel zijns vaders. De hooghartige denkbeelden zijner moeder waren intus-schen niet zonder invloed op hem gebleven. Die vrouw, wier gedachten nooit of ten minste zelden boven het aardsche of stoffelijke gingen, had het godsdienstig leven in den knaap niet ontwikkeld, ofschoon ook niet rechtstreeks tegengewerkt. De godsdienstplichten werden waargenomen, voor zoover deze stipt waren voorgeschreven; men bezocht des Zondags de kerk en onderhield de vastendagen, doch voor \'t overige werd de godsdienst geheel als een bijzaak beschouwd.

Toen Ferdinand zijne eerste H. Communie gedaan had, scheen het alsof een tijdperk achter zijn rug lag , waarmede hij voortaan niets meer te maken had. Nu had de moeder voor \'t godsdienstige alles verricht wat noodig was; de gedachte dat die indrukwekkende plechtigheid slechts als een inleiding tot het godsdienstig leven moet worden beschouwd, zou niet in haar hebben kunnen opkomen. Zonder dat men haar onge-

90

-ocr page 97-

EEN KLEIN HOOFDSTUK MAAR VAN GROOTE BETEEKENIS. 91

voelig kon noemen voor die groote plechtigheid, scheen zij haar toch als een soort van examen te beschouwen; haar zoon had nu dat examen afgelegd, hij kon als een gepromoveerd katholiek beschouwd worden en daarmee was alles afgedaan. In hare wenschen op den grooten dag sprak de moeder dan ook slechts van den plicht, die nu op Ferdinand rustte, om zich een baan te breken, om zich met al zijn kracht toe te wijden aan al hetgeen hem tot een groot man zou kunnen maken. Van volharding in de deugd was geen spraak.

Met het klimmen der jaren werd Ferdinand al meer en meer eerzucht ingeboezemd; er werd geheel niet naar gezien of het onderwijs ook kon schaden aan de beginselen van godsdienst en zedelijkheid, evenmin als naar de toenemende lauwheid in quot;t vervullen der godsdienstplichten , en toen Ferdinand eindelijk een man geworden was, kostte het hem dan ook volstrekt geen moeite om van zijne moeder de toestemming te krijgen tot een huwelijk met de protestantsche Rika Oldringa. Haar eenige grief was de burgerlijke afkomst van het meisje, doch die werd door de nalatenschap van vader Oldringa vergoed; aan godsdienstige bezwaren dacht zij geheel niet.

Ferdinand bezat een winstgevende betrekking op een der grootste kantoren van Amsterdam; hij had een brave, lieve vrouw en was dus zoo gelukkig als men

-ocr page 98-

DE FAMILIE WALKER.

in een gemengd huwelijk zijn kan. In den laatsten tijd was echter zijn eerzucht zeer geprikkeld door schoone vooruitzichten, die hem werden voorgespiegeld. Zijn oom, de majoor, was zijn Mephistopheles, die onophoudelijk nieuwe brandstof aanvoerde om meer en meer den hartstocht te doen ontvlammen, door zijn moeder reeds zoovele jaren aangekweekt. In onzen tijd wordt meer dan ooit jacht gemaakt op goud en grootheid; reusachtige ondernemingen, waaraan vroeger niemand zou hebben gedacht, rijzen uit den grond op en doen de gansche wereld van zich gewagen, \'t Is waar, zij verdwijnen vaak even spoedig, doch de kwaal is aanstekend; waar er één schipbreuk heeft geleden, zijn er tien te vinden om de kans nogmaals te wagen.

Rika zag met angst dat een groote ommekeer in haar echtgenoot plaats greep; zij trachtte hem van den gevaarlijken weg af te houden, doch het mocht haar niet gelukken. Mag iemand zich hierover verwonderen? De jonge vrouw bezat veel gezond verstand , doch wat wist zij van moderne ondernemingen, wat van speculatiën op financieel gebied? Zij kon haar bedenkingen met geen redelijken grond staven; voor moderne ooren klonken die bedenkingen zelfs belachelijk. Zoo kwam het dat Ferdinand zich langzamerhand geheel aan zijn oom overgaf en deze hem in het gewoel van het publieke leven wierp, opdat

92

-ocr page 99-

EEN KLEIN IIOOFDSTCK MAAR VAN GROOTE EETEEKEN1S. 93

hij een populair man zou zijn alvorens voorgoed op te treden. Om dezelfde reden moest Ferdinand ook een werkzaam aandeel hebben in het oprichten van de vereeniging tot bescherming der dieren.

Toen hij van de vergadering terugkwam, zat Rika nog in de huiskamer; zij had naaiwerk op haar schoot, doch men kon zeer goed zien dat hare gedachten zich niet bezighielden met de naald, die zeer traag op en neer ging.

))Nog hier, Rika?quot; vroeg Ferdinand, «ik dacht dat je reeds in de rust zou zijn.quot; Hij trok zijn demi-saison uit en wierp ze op de canapé.

))Ik heb uwe terugkomst willen afwachten,quot; antwoordde zij het hoofd even oplichtende.

»Je hebt geschreid!quot; sprak hij, zijn hand op haar schouder leggende.

»Ja, een weinig,quot; hernam zij, «men kan zich niet altijd bedwingen.quot;

«Maar wat is er dan gebeurd?quot; vroeg hij verwonderd; «heeft mama soms . . .quot;

«Neen, Fer, er is niets gebeurd, mama heeft nog een uurtje genoeglijk bij ons gezeten.quot;

«Dan ben je zeker boos, omdat ik zoo laat thuis kom.quot;

«Boos niet, Ferdinand, maar bedroefd. Als het voor ons noodig was of je geluk kon bevorderen , zou het mij niets deren, maar de toekomst, die je te gemoet gaat, komt mij voor als een afgrond, waarin wij zullen omkomen.quot;

-ocr page 100-

DE FAMILIE WALKER.

«Maar, kind, hoe kom je aan zulke pessimistische gedachten ; ben ik dan zoo roekeloos ?quot;

«Dat wordt men met opeens, maar langzamerhand, Ferdinand. Ik vraag mij zelve honderdmaal af waarvoor dat rusteloos zwoegen, dat streven naar grootheid moet dienen en ik kan geen enkel bevredigend antwoord vinden. Je hebt een betrekking, die honderden naijverig maakt en ons onbezorgd kan doen leven, daarenboven bezitten wij nog een vrij aanzienlijk vermogen; wat behoeven wij meer om gelukkig te zijn?\'quot;

Ferdinand glimlachte. «Dat oude liedje van vMan bi audit nicht viel urn (jlücklwh zu seinquot; wordt tegenwoordig niet meer gezongen, beste Rika,quot; sprak hij; «tegenwoordig geldt de leus van Goethe: »Jdnein ins volle Leien!\'

» t Kan mij niet schelen wat Goethe zegt,quot; antwoordde de jonge vrouw, een weinig geraakt, omdat Ferdinand met haar angst schertste, »en al waren er ook nog honderd Goethe\'s, ik zou blijven volhouden dat het een dwaasheid is naar tien vogels te grijpen, die in de lucht vliegen, en den een, dien men in de hand heeft, te laten ontsnappen.quot;

«Maar, mijn best wijfje,quot; hernam hij, haar op den schouder kloppende, «begrijp je dan niet dat men tegen alle regelen der hedendaagsche economie hsmdelt met zijn geld als een boom in den grond te laten staan,

94

-ocr page 101-

EEN KLEIN HOOFDSTUK MAAR VAN GROOTE BETEEKENIS. 95

om jaarlijks de karige vruchten te plukken, die het afwerpt? De ontwikkeling van onzen tijd heeft bronnen geopend, die men vroeger niet kende, het goud ligt op de straat, men behoeft het slechts op te rapen. Juist, omdat wij kapitaal bezitten, kunnen wij meer doen dan honderd anderen, die waarlijk niet op zich zouden laten wachten, wanneer zij niet met leege handen stonden.quot;

»0, ik zal gaarne zien dat je deelgenoot wordt in de een of andere solide firma of eene zaak overneemt, die dan langzamerhand kan worden uitgebreid, doch dat heeft immers den tijd nog, Ferdinand.quot;

«Tijd is geld,quot; sprak de jonge man. «Dat langzaam tegen den berg opklimmen behoort niet meer tot onze eeuw, Rika. Vijftig jaren geleden zou msn iemand , die geld had gevraagd voor het bouwen van een Paleis voor Volksvlijt als een krankzinnige hebben beschouwd; dr. Sarphati wist daarvoor in één dag een millioen gulden bijeen te krijgen, \'t Is de toover-staf van den vooruitgang, die dit alles weet te scheppen en wie daar geen gebruik van maakt, is geen man van zijn tijd.\'

«Acht je dan dat millioen zoo secuur belegd?quot;\'

»Dat is een andere quaestie, lieve Rika! De inschrijving heeft bewezen, dat een man, die zich populair heeft weten te maken, slechts met een goed doorwerkt plan, \'t welk de algemeene belangen van

-ocr page 102-

DE FAMILIE WALKER.

den vooruitgang kan bevorderen, voor den dag behoeft te komen, om een gouden regen te doen ontstaan. Ieder mensch heeft in zijn leven een moment dat de fortuin hem toelacht, ik acht dat oogenblik voor mij gekomen en \'t zou mij tot een eeuwig verwijt strekken, wanneer ik die gelegenheid liet voorbijgaan.quot;

«Dat alles spiegelt u oom, de majoor, voor, niet waar ?quot;

»Oom ziet in mij een werkzamen, ondernemenden geest; hij spoort mij aan om partij te trekken van de middelen, waarover ik kan beschikken, meer niet.quot;

«Zeg liever dat oom uw booze geest is,quot; sprak de jonge vrouw zeer ernstig.

«Hij is een door en door knap man, die een schrander hoofd heeft en een onschatbare kennis en ondervinding bezit.quot;

»Dat is wel mogelijk, Ferdinand, maar daar staat geschreven: «Mijn zoon, is het dat u de zondaars aanlokken, consenteer hen niet, wandel met hen niet, weer uwen voet van hunne paden, want hunne voeten loopen tot het kwaad.quot;

«Ja, beste Rika,quot; sprak Ferdinand, de handen glimlachend ineenslaande, «tegen bijbelargumenten ben ik met bestand, dat weet je wel. Kan je mij op staathuishoudkundige gronden aantoonen dat oom mijn man niet is, ik zal gaarne naar uw raad luisteren, maar.....quot;

96

-ocr page 103-

EEN KLEIN HOOFDSTUK MAAR VAN GROOTE BETEEKENIS. 97

»Ik beoordeel oom niet naar de regelen der staathuishoudkunde , maar naar de beginselen van godsdienst en zedelijkheid, Ferdinand, en dan is hij een gevaarlijk man voor u.quot;

«Is oom dan zedeloos, Rika?quot;

«Voor de wereld is hij het wellicht niet, doch de wereld eischt ook met veel op dat punt; ongodsdienstig is hij intusschen zeker.quot;

«Maar de godsdienst heeft toch niets te maken met maatschappelijke instellingen, met vennootschappen en vereenigingen, vrouwtje-lief.quot;

«Meer dan je denkt, Ferdinand,quot; antwoordde Rika , terwijl zij met haar zachte blauwe oogen haar man weemoedig aanzag. «Er ligt mij iets op het hart,quot; liet zij er toen op volgen, «maar je moet niet boos op mij worden, als ik je eens ronduit mijne meening zeg. T^en wij trouwden, hebben wij elkander beloofd dat ieder van ons zijn godsdienst ongehinderd zou kunnen waarnemen. Zulk een belofte is zeer goed, maar zij moet voortspruiten uit gehechtheid aan het geloof, uit innige overtuiging, niet uit onverschilligheid.quot;

«O, ik begrijp waar je heen wil,quot; sprak Ferdinand een weinig ongeduldig.

«Ik ben erg vervelend, niet waar, Fer?quot; zei de jonge vrouw, een poging doende om te glimlachen.

«Neen, neen, kind, ga voort,quot; sprak hij zoo

-ocr page 104-

DE FAMILIE WALKER.

vriendelijk mogelijk om zijne fout te herstellen, »ik zal nog een versche sigaar opsteken.\'\'

«Jij ben katholiek, Ferdinand, ik ben protestant,quot; vervolgde de jonge vrouw. «De gedachte is wel eens bij mij opgekomen, dat wij een van beiden in dwaling moeten verkeeren, maar ik geloof toch dat wij beiden brave menschen kunnen zijn, wanneer wij te goeder trouw de plichten van onzen godsdienst waarnemen. Wanneer echter iemand zich katholiek noemt en hij treedt alle voorschriften van zijn godsdienst met voeten, dan noem ik hem een slecht mensch. Oom spot met God en Zijn gebod, hij lacht niet alleen mij, maar ook u uit, hij spreekt met minachting over den Paus, die toch het hoofd van zijn kerkgenootschap is, hij noemt de pastoors domme papen, de monniken luie vetbui-ken en komt nooit in de kerk. Onlangs kwam hij juist op de kinderkamer, toen de kleine Frits met gevouwen handen voor zijn ledekantje knielde en ik hem het gebed des Heeren voorzei. Hij liep lachend weg en zei mij later dat ik al heel vroeg van mijne kinderen huichelaars maakte. Zoo iemand tot raadsman te hebben, acht ik niet slechts onvoorzichtig, maar roekeloos.quot;

»Je verwart godsdienstige en maatschappelijke zaken met elkander, Rika. Behalve dat de verdraagzaamheid niet gedoogt naar iemands godsdienstige overtuiging te vragen, wanneer hij overigens een knap man

98

-ocr page 105-

EEN KLEIN HOOFDSTUK MAAR VAN GROOTE BETEEKENIS. 99

is, hebben de zuiver maatschappelijke instellingen daarmede ook niets te maken.quot;

))Je wil niets weten van het Woord Gods, Ferdinand, dat hen bedreigt, die hunne voeten zetten op de paden der goddeloosheid, maar zal je ook ontkennen dat het voortdurend verkeer met je oom een nadeeligen invloed op je moet uitoefenen?quot;

»lk ben geen kind meer, Rika, mijn oordeel is gerijpt, en ik geloof toch wel zooveel verstand te hebben om het goed van het kwaad te onderscheiden,quot; sprak Ferdinand op een toon, die duidelijk deed hooren dat het gesprek pijnlijk voor hem begon te worden.

«Laat ons kalm blijven, beste Ferdinand,quot; hernam de jonge vrouw nog ernstiger dan te voren. ))Je zegt dat ieder mensch in zijn leven een moment heeft, waarin de fortuin hem toelacht; ik geloof dat er oogenblikken in het leven zijn, waarin Gods genade krachtiger tot ons spreekt dan anders. Wellicht beleven wij thans zulk een gelukkig oogenblik; \'t zou nog veel roekeloozer zijn dit met onverschilligheid voorbij te gaan, dan de fortuin te minachten.quot;

Toen legde zij haar hand op zijn arm en zag hem vertrouwelijk en deelnemend aan. »Is het dan niet waar, Ferdinand,quot; vroeg zij, »dat je in de drie laatste jaren veel flauwer en onverschilliger voor het godsdienstige ben geworden, en mag ik dat dan niet toeschrijven aan den invloed van oom?quot;

-ocr page 106-

DE FAMILIE WALKER.

«Wat ben je van avond akelig ernstig, Rika,quot; antwoordde hij met een gedwongen glimlach om den mond. »\'tZal wel nooit gehoord zijn, dat een protes-tantsche vrouw haar katholieken man naar de mis en den biechtstoel jaagt.quot;

»Dat doe ik ook niet, Ferdinand,quot; hernam zij. «Niemand kan mij kwalijk nemen dat ik geen waarde hecht aan de mis en aan uwe sacramenten en toch zou ik zoo graag van u het tegenovergestelde zien, want het is mijn overtuiging dat iemand, die onverschillig is voor zijn godsdienst, ook onverschillig moet gaan worden voor goed en kwaad.quot;

»Je spreekt van dingen, die je niet kan beoordee-len, Rika,quot; antwoordde Ferdinand. »Men kan zeer goed katholiek zijn zonder nu juist groote waarde te hechten aan bijzaken, aan zekere formulieren en gebruiken , die met de eigenlijke leer niets te maken hebben. Daaromtrent ben ik zeker meer onverschillig geworden, ik heb dit te danken aan mijne studie op wetenschappelijk gebied. Voor \'t overige moet je ook wel onderscheid maken tusschen iemand, die een beschaafde opvoeding heeft genoten, die veelzijdig ontwikkeld is en zekere drijvers en dwepers , die de misbruiken, welke in de Kerk geslopen zijn, niet willen zien of erkennen en ons gaarne naar de duistere middeleeuwen zouden terugvoeren. Met die Ultramontanen ga ik niet mee; ik ben een voorstander van verlich-

100

-ocr page 107-

EEN KLEIN HOOFDSTUK MAAR VAN GROOTE BETEEKENIS. 101

ting en beschaving en zie in het maatschappelijke slechts naar kennis en talent, niet naar godsdienst; die behoort in de kerk thuis, daarbuiten zijn wij allen staatsburgers.quot;

wik heb van die dingen geen verstand , Ferdinand,quot; sprak Rika goedig, » doch ik geloof te mogen denken, dat je dwaalt. Of je niet kan meegaan met de Ultramontanen, laat ik daar, doch zij zijn toch uwe geloofsgenooten en het is onnatuurlijk dat je. om hen te bestrijden, wel meegaat met hun bitterste vijanden. De Protestanten zijn het ook lang niet in alles eens, maar diegenen onder hen, welke in Christus den Heer gelooven, nemen toch niet bij voorkeur deel aan ver-eenigingen , die een anti-christelijke strekking hebben.quot;

«Wat bedoel je daarmee, Rika?quot;

»Ik heb er wel eens over nagedacht, Ferdinand, dat je niets geeft om katholieke aangelegenheden ; ik weet eigenlijk niet welk woord ik er voor moet gebruiken. Je teekent gewoonlijk in op alle uitvoeringen ten voordeele der armen, doch van de Vin-centiusvereeniging wil je nooit iets weten, er komt geen enkel katholiek boek of dagblad in huis, maar je leest wel dagelijks tijdschriften en kranten, waarin met je geloof de spot wordt gedreven en je neemt deel aan vereenigingen die hetzelfde doel beoogen.quot;

))Dat is niet waar, Rika, die vereenigingen en dagbladen bestrijden het Catholicisme niet, maar wel de

-ocr page 108-

DE FAMILIE WALKER.

clericalen en ultramontanen, die aan allen vooruitgang en verlichting een einde willen maken , die geen rekening houden met den modernen tijdgeest en die onze wetten getoetst willen zien aan de begrippen en denkbeelden , welke vóór eenige eeuwen goed waren, maar thans in strijd zijn met onze maatschappelijke toestanden.quot;

Rika schudde het hoofd. »Ferdinand, je ben op een verkeerden weg,quot; sprak zij. «Wat je begrippen en denkbeelden noemt, zijn geloofswaarheden voor je, zoolang je katholiek ben. Als je blijft toegeven aan die eigen denkbeelden, zal je hoe langer hoe onverschilliger worden en eindelijk ophouden katholiek te zijn. En wat dan ? Ik ben zeker maar een dom vrouwtje, doch ik zie zeer goed waar \'t heenloopt: er zal eens een tijd komen dat je, evenals oom, den spot drijft met Gods woord en het bidden huichelen noemt en, beste Ferdinand, wat is een mensch zonder geloof?quot;

«Waar denk je aan, Rika?quot;

«Aan uwe ziel, Ferdinand, die je voorwereldsche dingen in de waagschaal stelt. Blijf de plichten van je godsdienst waarnemen en laat je niet meesleepen door menschen, die de grootste vijanden zijn van je geloof en ook van het mijne, omdat zij God verlaten hebben. Wij mogen door hen rijker en aanzienlijker worden, \'tzal ons niet gelukkig maken, want waar God niet woont, is geen vrede.quot;

Rika was opgestaan. Ferdinand sprak geen woord

m

-ocr page 109-

EEN KLEIN HOOFDSTUK MAAR VAN GROOTE BETEEKENIS. 1 03

meer; het verheugde hem dat aan het gesprek een einde was gekomen. De man was niet ongevoelig voor het leed zijner jonge vrouw en hij begreep ook wel dat hare gevolgtrekkingen zeer juist waren, ofschoon slechts van het standpunt, waarop zij zich had geplaatst en dat was niet het zijne; doch hij schreef alles toe aan hare bekrompen denkbeelden, de vrucht eener opvoeding, die niet geëvenredigd was aan de eischen van den tijd. Voor geen geld van de wereld zou hij haar anders gewenscht hebben, want juist om haar eenvoud was zij zoo beminnelijk. Zijn oordeel was echter meer gerijpt, hij mocht zijn verstand niet onderwerpen aan leerstellingen, die geheel in tegenspraak waren met de nieuwere resultaten der wetenschap. Hij was katholiek en wilde dat ook blijven , doch in zuiver politieke en maatschappelijke aangelegenheden een voorstander der moderne beginselen , zonder welke vooruitgang en verlichting slechts ijdele woorden zouden zijn. Zijn vrouw was te weinig ontwikkeld dan dat een nieuwe poging, om haar tot andere gedachten te brengen, zou kunnen baten ; daarom zweeg hij maar.

Zóó eenvoudig was Rika intusschen niet, of zij besefte zeer goed, wat in hem omging. Ook zij zweeg, doch haar was geleerd , dat God niemand verstoot die Hem in ootmoed nadert, en daarom knielde zij lang neder, alvorens te gaan rusten, ofschoon het reeds zeer laat was.

-ocr page 110-

VI

Een vroolijke avond.

Weinige dagen later liep het bericht rond dat een groote maatschappij onder den naam van Vooruitgang was opgericht, waarvan de hoofdzetel te Amsterdam zou zijn, doch met vertakkingen in de voornaamste steden des lands en relatiën door geheel Europa heen. De enorme krachten, waarover deze maatschappij te beschikken had, stelden haar in staat, op financieel gebied in een lang gevoelde behoefte te voorzien. Door hare uitgebreide betrekkingen met buitenlandsche huizen van den eersten rang zou zij in staat zijn op de voordeeligste wijze gelden te beleggen en ook te verstrekken. Zoo bezat zij b. v. door haar kapitaal en invloed een belangrijk overwicht in de Amerikaansche spoorwegen en kon den houders van aandeden daarover de beste inlichtingen geven. Er zou ook een Levensverzekering aan verbonden zijn, waarvan de statuten en tabellen, vervaardigd door een statisticus van den eersten rang, de meest verrassende uitkomsten aanboden. Eindelijk zou de maatschappij Vooruitgang ook nog een eigen

-ocr page 111-

EEN VROOLIJKE AVOND.

orgaan hebben, bestaande in een financieel weekblad onder de redactie van Levy Penhouder. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg voorloopig twee millioen gulden.

Dit alles werd medegedeeld door verschillende dagbladen, die — natuurlijk alleen om de belangen van het publiek te behartigen — niet nalieten te wijzen op de groote krachten, waarover de nieuwe maatschappij tc beschikken had en op de uitstekende mannen, door wier geestkracht dit groote werk tot stand was gebracht. In de eerste plaats de directeur Ferdinand Walker, een man die zulk een levendig aandeel nam in de publieke belangen, die aan de beurs een onbeperkt vertrouwen genoot en wiens bekwaamheden en rechtschapenheid algemeen bekend waren. Men was er ook door groote opofTeringen in geslaagd den effectenhandelaar Lauwers, een der eerste specialiteiten op financieel gebied, aan de maatschappij te verbinden; zijn kennis en ervaring waren een waarborg voor de deugdelijkheid der verschillende operatiën, waarvan men weldra zou hooren,. Daarenboven had men niet gelukkiger kunnen zijn in de keuze der commissarissen, die zich geheel belangeloos aan de maatschappij toewijdden. Om het publiek hiervan te overtuigen, behoefde men slechts den gepensioneerden majoor Piepers te noemen, een man wiens talenten door ieder gewaardeerd werden, die al zijne krachten aan de openbare

-ocr page 112-

DE FAMILIE WALKER.

belangen wijdde, die aan het hoofd stond van onderscheiden philanthropische vereenigingen en in de meest gewichtige maatschappelijke aangelegenheden als een vraagbaak moest worden beschouwd, \'t Was ook aan zijn invloed te danken, dat het gelukt was den ervaren rechtsgeleerde, Mr. Schrabben, wiens doorwrochte geschriften en voorlezingen zoozeer de aandacht trokken, als consulent aan de maatschappij te verbinden. Ten slotte werd de belangstelling van het publiek ingeroepen voor de maatschappij Vooruitgang , waarop Nederland te recht trotsch mocht zijn, daar zij kon wedijveren met de model-inrichtingen van dien aard in het buitenland.

Nadat de organen der publieke opinie, die met zooveel opoffering en zoo rusteloos voor het heil dei-maatschappij werken, zich van hun taak hadden gekweten , namen zij welwillend groote advertentiön op , waarin de voorrechten, die de nieuwe maatschappij aanbood, uiteengezet werden; duizenden prospectussen droegen, als zooveel monden van de faam, die voorrechten al verder en verder en de kantoren werden geopend.

Het doel was bereikt: Ferdinand Walker, voortgestuwd door zijn Mephistopheles, stond aan het hoofd van een financieele inrichting, die aan de beurs geducht van zich zou laten hooren. En inderdaad, \'t was eenige dagen lang alsof een nieuwe Columbus

106

-ocr page 113-

EEN VROOLIJKE AVOND.

een andere nieuwe wereld had ontdekt, in zulke dikke wolken van wierook was Ferdinand gehuld. Gelijk in de sprookjes uit den ouden tijd de feeën bij de geboorte van een prins of prinses de wieg omstuwden, zoo knielden aan de wieg der jeugdige maatschappij de trawanten van Mercuur. De directeur der nieuwe maatschappij ontving bezoek van hooggeplaatste personen en honderden kaartjes van men-schen , die hij nooit had hooren noemen. Daarop bracht elke post een aantal brieven van sollicitanten naar betrekkingen op de verschillende bureau\'s. Zij konden allen zulke voldingende bewijzen van bekwaamheid en eerlijkheid overleggen dat men moest vragen of in ons land niet de bekwaamste en eerlijkste men-schen naar brood zoeken.

Gelukkige dagen voor Ferdinand, nu zich zulk een schitterende toekomst voor hem opende; hij dacht er echter niet aan dat hij zich, vele jaren geleden, niet minder gelukkig had gevoeld, toen hij als knaap kaartenhuizen bouwde, die meestal door ruwe handen wreedaardig vernield werden. Wie denkt ook aan huwelijksrampen , wanneer hij met zijne bruid naar het altaar gaat, aan afgeschoten armen en beenen, als hij op het slagveld lauweren wil gaan plukken.

Ferdinand was gelukkig; hij dacht niet meer aan dien avond, toen Rika hem de toekomst zoo donker schetste. Nu toch reeds bleek het uit alles dat hij

107

-ocr page 114-

DE FAMILIE WALKER.

beter had gehandeld met de inspraak van zijn verstand , zijne kennis van den geest des tijds te volgen, dan aan de gemoedsbezwaren zijner vrouw gehoor te geven; de majoor had gelijk: de vrouwen zijn goed in de keuken en in de kinderkamer, maar moeten zich niet met maatschappelijke aangelegenheden inlaten. Rika scheen dan ook reeds in te zien — en dit was een bewijs voor haar gezond verstand en rechtschapenheid — dat zij verkeerd had gehandeld, want geen enkel woord van afkeuring was nog over hare lippen gekomen, zij was dezelfde goede Rika als altijd.

Welke dwaze gedachten kan iemand hebben, die de handelwijze van anderen alleen in den spiegel van zijne eigenliefde beschouwt! Ferdinand zag in hen, die, uit eigenbaat, de opgaande zon kwamen aanbidden, slechts vereerders van zijn genie, en hij beschouwde de stille onderwerping zijner vrouw als een stilzwijgende bekentenis harer dwaling.

Ferdinand gevoelde zich gelukkig, en om hiervan een bewijs te geven, wilde hij zijne familie en meest verknochte vrienden een avond bij zich vereenigen. Ook daar had Rika niets tegen; zij scheen geheel bekeerd te zijn.

Wij vinden op den avond, voor het feest bestemd. Walkers woning schitterend verlicht; de gaskroon, die anders zulke goede diensten bewees, scheen thans niet voldoende geacht te zijn, want er brandden ook

108

-ocr page 115-

EEN VROOLIJKE AVOND.

nog een aantal bougies. Rika, die op verzoek van haar echtgenoot buitengewoon veel werk van haar toilet had gemaakt, was nog bezig een en ander te rangschikken, toen de eerste gasten werden aangediend.

»Mijnheer en mevrouw Penhouder!quot; riep een knecht met witte das en dito handschoenen, die reeds eeni-gen tijd aan de voordeur de wacht had gehouden. De redacteur schonk zijn vrouw gelegenheid om met de sierlijkste buigingen de zaal binnen te treden. Buitengewoon veel plaats had deze dame daarvoor intusschen niet noodig, want zij was zeer klein; naast haar man, die men op het bureau van zijn dagblad — ten minste als hij afwezig was — gemeenlijk het uitroepingsteeken noemde, geleek zij een komma.

«\'t Is mij zeer aangenaam u hier te zien,quot; sprak Walker, toen de veelvuldige draaiingen en wendingen der komma een einde hadden genomen.

» Uwe eervolle uitnoodiging gedoogde niet eene kleine onpasselijkheid in aanmerking te nemen,quot; antwoordde het uitroepingsteeken met een buiging, die voor de gaskroon zeer gevaarlijk had kunnen worden.

«Deert u iets?quot; vroeg Ferdinand.

«Mij niet, maar mijne vrouw wordt weder erg door hoofdpijn geplaagd.quot;

«Een lastige kwelling,quot; zei Rika, die misschien gelijk had met te denken dat het dan beter ware geweest thuis te blijven.

109

-ocr page 116-

DE FAMILIE WALKER.

»0, mijn lieve mevrouw,quot; antwoordde de komma, »daar weet niemand van te spreken, die er geen ondervinding van heeft. Een kwelling, een groote kwelling, zooals u zegt, een rijk mensch, die \'t niet weet, een schatrijk mensch.quot;

»En is u er dikwijls mee geplaagd, mevrouw?quot; vroeg Rika.

» Dikwijls? \' herhaalde mevrouw Penhouder.» Levy!quot;

»Wat is er, mijn schat?quot; vroeg de echtgenoot.

«Mevrouw vraagt of ik dikwijls met hoofdpijn aangehaald ben.quot;

Levy had intusschen geen tijd om op de vraag te antwoorden, want zij liet er onmiddellijk op volgen: ))Ik kan de dagen van \'tjaar dat ik er vrij van ben, wel tellen op mijn vingers; als ik twee dagen achter elkander van die kwelling verlost blijf, meen ik in den hemel te zijn.quot;

»En is de oorzaak niet weg te nemen ?quot; vroeg Rika.

De kleine dame haalde de schouders op en trok een gezicht dat medelijden scheen af te bedelen, «\'t Is een erfelijke ziekte in de familie,quot; zuchtte zij, «mijn gansche geslacht is zeer nerveus, de kwaal zetelt in de zenuwen.quot;

En nu eensklaps van toon veranderende, alsof zij een orgel ware, waarop men bij het bespelen elk oogenblik in een ander register kan overgaan, vervolgde zij: »Mag ik u mijn compliment maken over uw heerlijk toilet, mevrouw?quot;

110

-ocr page 117-

EEN VROOLHKE AVOND.

«Och, mevrouw, \'t heeft niet veel te beduiden,quot;

antwoordde Rika.

«Niet veel te beduiden? \'t Is zoo innig, zoo eenvoudig en toch zoo uitstekend schoon. Ik zeg zoo dikwijls tegen mijn man, de jonge mevrouw Walker heeft een gekuischten smaak, zij weet met de zachtste kleuren te schitteren, te tooveren. Niet waar, Levy ?quot;

»Wat is er, mijn schat?quot; vroeg andermaal haar echtgenoot, die juist aan Ferdinand mededeelde, dat hij zoo vrij geweest was eenige muziek mede te brengen, voor \'t geval, dat men zijne vrouw — eene uitstekende zangeres — mocht willen hooren.

«Zeg ik niet honderdmaal dat mevrouw Walker een gekuischten smaak heeft?quot;

» Ja, Sara, maar dat weet immers ook iedereen wel.quot; antwoordde Penhouder met een galante buiging aan het adres der gastvrouw.

»En als men \'t ook niet wist, zou deze zaal het toch wel vertellen,quot; hernam de kleine dame met nog meer verheffing van toon, tot groote verwondering van Rika, die niet kon begrijpen, hoe iemand, die door hoofdpijn gekweld werd, zich in zulk een niets beteekenenden woordenvloed kon storten. »\'tBaat niet veel of de heeren al veel geld besteden aan fraaie meubelen en kamersieraden, \'t hangt van den smaak der huisvrouw af of ze goed gerangschikt zijn, en

111

-ocr page 118-

DE FAMILIE WALKER.

hier behoeft men niet te vragen wie er de hand in gehad heeft. O, mijn arm hoofd!quot;

»\'t Is u hier toch niet te warm, mevrouw ?\'\' vroeg Rika.

»Te warm?..... \'t is hier heerlijk, maar warm ol

koud, \'t baat mij niets; tegen een familiekwaal is geen kruid gewassen. Wat pracht van een spiegel heeft u daar hangen; hij is zeker bij Van Erven Dorens gekocht, niet? Dat dacht ik wel, maar \'t komt alles al weer op den smaak aan. Dat zei ik gisteren ook nog, toen ik uwe kindertjes in A r t i s zag; engeltjes om Ie stelen, zoo waar, iedereen had er het oog op. Ik hoorde eene deftige, bejaarde dame vragen van wie die lieve kinderen waren, ik was er jaloersch over en ik heb \'t dadelijk aan mijn man verteld, niet waar. Levy ?quot;

«Wat is er, mijn schat?quot; vroeg de redacteur nogmaals , doch hij kreeg ditmaal geen antwoord, want de deur werd geopend door den knecht, die mevrouw Walker en hare dochter kwam aandienen. Het uitroepings-teeken verhief zich in zijne volle lengte, de komma maakte de sierlijkste buigingen en de gewone plichtplegingen kregen haar vollen eisch. Rika verheugde er zich over dat zij voor het oogenblik ontslagen was van de lastige vleierijen der kleine dame, die in staat was iedereen de kwaal, waarover zij klaagde, op het lijf te jagen, doch het duurde niet lang.

112

-ocr page 119-

EEN VROOLIJKE AVOND.

Mevrouw Walker, die dezen avond als een der glanspunten van haar leven beschouwde, en daarom in de beste stemming verkeerde, kon niet nalaten met welgevallen op haar schoondochter te zien, die dan ook inderdaad, minder door haar tooi dan door hare natuurlijke aanvalligheid , als koningin van het feest schitterde.

«Wat zie je er van avond allerliefst uit, Rika,quot; sprak zij, «je doet je gasten wezenlijk eer aan.quot;

))Niet waar!... Ik heb mevrouw ook reeds mijn compliment gemaakt over haar gracieus toilet,quot; haastte Sara zich er bij te voegen, «maar men is niet anders van haar gewoon, mijn lieve mevrouw. Dat dacht ik Zondag nog, toen ik mevrouw op de Keizersgracht zag wandelen. Een koningin alleen kan zoo haar sjaal dragen, \'t Is waar de sjaal was uitstekend schoon en kostbaar ook, maar mevrouw heeft een benijdenswaardige taille.quot;

»Ik kan toch zooveel bijzonders aan je sjaal niet vinden, Rika,quot; zei Louise.

«Niets bijzonders!quot; hernam Sara, «\'tis een pracht van een sjaal.quot;

«\'tls waar, je weet nog niet dat Albert mij een nieuwe sjaal cadeau heeft gemaakt,quot; antwoordde Rika.

«En daar zeg je ons niets van!quot; riep Louise vrij scherp.

»Albert heeft ze voor mij meegebracht, toen hij in de stad kwam. Op dien Zaterdagavond ben je voor

I 3. 8

113

-ocr page 120-

DE FAMILIE WALKER,

het laatst bij mij geweest en je weet nog wel dat Fer en oom naar eene vergadering en den volgenden dag naar Haarlem moesten; ik heb waarlijk toen aan dat heele geschenk niet meer gedacht.quot;

»Men moet wel een benijdenswaardig lot hebben, wanneer men zulke dingen als kleinigheden gaat beschouwen zei Louise.

»Daar denk ik ook met aan, Louise, sprak Rika; «deze sjaal heeft eene dubbele waarde voor mij als een geschenk van mijn broer.

»Koin, laat haar ons eens zien,\'\' zei mevrouw

Walker.

«Nu, mama?\'\' vroeg Rika verwonderd, »dat gaat niet, want elk oogenblik kan er nog meer gezelschap komen.quot;

»\'t Kost immers maar een oogenblik , kind,quot; hernam mevrouw Walker; «de heeren schijnen toch reeds in een belangrijk gesprek gewikkeld en mevrouw Penhouder zal het wel niet kwalijk nemen.quot;

»In \'t minst niet,quot; sprak de komma, »als wij althans mevrouw niet derangeeren. \'

De meid bracht de sjaal, die gevouwen en nu met oogen en vingers geschat werd.

»\'tls een waar prachtstuk,quot; sprak Sara. »Kom, lieve mevrouw, laat ik u eens helpen. Zij ging op haar teenen staan om zoo hoog te kunnen reiken. »Heb ik te veel gezegd,quot; vervolgde zij, zich op een

114

-ocr page 121-

EEN VROOLIJKE AVOND.

kleinen afstand draaiende. »Ik bidu, kom eens hier zoo ging zij voort, zich tot Louise wendende, «blijf u een oogenblik staan, mevrouw, zóó, nu valt het volle licht er op.... \'tis een pracht van een sjaal.quot;

»Ze is mooi, dat is niet te ontkennen,quot; zei Louise, die er begeerige oogen naar wierp, «maar niet voor mijn zuster.quot;

»Voor mevrouw niet?.... hemel!quot; riep de komma, alsof zij een angstkreet liet hooren; «\'t is of ze voor haar gemaakt is, ik heb dit Zondag nog gezegd, niet waar. Levy?quot;\'

»Wat is er, mijn schat?quot;

«Heb ik Zondag niet gezegd, dat mevrouw de schoonste sjaal uit gansch Amsterdam heeft?quot;

»Ja, Sara.quot;

7

»lk heb niets tegen de sjaal, maar zij kleedt mijn zuster niet,quot; sprak Louise op buitengewoon bitsen toon.

ygt; Niet kleeden ?.. .. hoe is quot;t mogelijk, hoe is het menschelijk mogelijk!.... O mijn hoofd, mijn arm hoofd!quot;

»\'t Is toch met alle schoonheidsregelen in strijd

dat zich een blondine met veel groen opsiert.....

dat staat affreus.quot; Deze woorden werden de kleine dame toegebeten.

«Maar, mijn lieve juffrouw,quot; hernam Sara, die niet geneigd scheen het veld te ruimen, »mevrouw is donkerblond en wat kan dat sikkepitje groen haar scha-

115

-ocr page 122-

DE FAMILIE WALKER.

den. Ik weet wel dat groen de lievelingskleur dei-ongehuwde dames is, maar, ik bid u, wie zal aan de jonge, schoone mevrouw quot;Walker zeggen dat zij moeder is van twee engelen van kinderen ?

Hadden de oogen van Louise pijlen kunnen schieten, \'t ware gedaan geweest met de komma , thans moesten die oogen zich vergenoegen met het slachtoffer harer woede zoo vernederend mogelijk van boven tot onder op te nemen. Louise verwijderde zich en ging met zooveel schijnbare aandacht naar een der schilderijen staan kijken, alsof zij daar voor de eerste maal in huis gekomen was. Men kon aan de beweeglijkheid van haar mond en aan het samentrekken harer wenkbrauwen zeer goed zien, dat de kostbare sjaal haar een doorn in \'t hart had gestoken. Dat was voor haar \'t begin van «een vroolijken avond.quot;

Albert Oldringa trad nu de kamer binnen en werd aan den heer Penhouder en zijne echtgenoote voorgesteld ; kort daarop kwamen de overige gasten: Mr. Schrabben, de advocaat, de effectenhandelaarLauwers met een zuster en de majoor. Er werd thee geschonken onder de eerste pijnlijke indrukken, die elke bijeenkomst van dien aard tot inleiding dienen. De dames zaten recht als staken en schenen de oogen nauwelijks te kunnen opslaan. Merkwaardig was hst daarom dat juffrouw Schrabben binnen vijf minuten wist dat de kant, waarmede Louise Walkers kleedje gegar-

-ocr page 123-

EEN VUOOLIJKE AVOND.

neerd was, vroeger aan de mantille van haar mama had gezeten ; juffrouw Lauwers was toen betrekkelijk al lang overtuigd dat de juweelen , waarmede mevrouw Penhouder prijkte, geen tien gulden waard waren en Louise had reeds eenige verstandhouding bespeurd tusschen Mr. Schrabben en de zuster van den effectenhandelaar.

De heeren namen deel aan het algemeen gesprek, dat eerst hortend en stootend over de nieuwtjes van den dag liep, om eindelijk vasten voet te krijgen bij enkele familiën, in wier goeden naam men veel belang scheen te stellen. Zoo sprak juffrouw Lauwers met veel medelijden over een vroegere vriendin van haar, die sinds twee jaren gehuwd en thans zeer ongelukkig was. De ongelukkige vrouw was zeer te beklagen en verdiende zeker een beter lot, maar.... zij had zich ook zoo roekeloos niet in het huwelijk moeten begeven. Hare ouders hadden voorzichtiger moeten zijn., maar wat zal men zeggen, als iemands zaken niet gunstig staan en .men kan zich redden door zijn dochter een rijke partij te laten doen.....

De heer Lauwers wist te vertellen dat eerstdaags vier aanzienlijke firma\'s zouden failleeren. Hij lispelde Louise de namen in de ooren, die van verbazing in de handen sloeg en de namen aan de andere dames rondom de tafel telegrapheerde. Het scheen dus een geheim te zijn en een geheim te moeten blijven. De oude mevrouw Walker zei dat zij \'t niet kon gelooven,

-ocr page 124-

DE FAMILIE WALKER.

doch mevrouw Penhouder merkte te recht aan dat iemand als de heer Lauwers \'ttoch wel kon weten, en toen knikte mevrouw Walker verscheidene malen met het hoofd, waarschijnlijk om te kennen te geven, dat zij er nu ook niet meer aan twijfelde. Louise sprak daarop met groote belangstelling over de familiën die door dit incident in \'t ongeluk werden gestort. Zij was met een paar leden er van zeer intiem, \'t waren allerliefste menschen, maar zij hadden hun slaat veel te hoog opgevoerd. Men vond ze eiken dag op den eersten rang in den schouwburg, de dames bezochten alle concerten en de verteringen, die in Art is gemaakt werden, waren enorm. Daarenboven was het nu gebleken dat de heeren des nachts meestal zeer laat thuis kwamen, en het kon ook wel zijn dat men in den laacsten tijd den staat zoo hoog had opgevoerd om het crediet op te houden, \'t Waren overigens allerliefste menschen en men had innig medelijden met \'t geen hun voor de deur stond.

«Kent u de familie Oristorio?quot; vroeg mevrouw Penhouder aan mevrouw Walker.

De weduwe schudde ontkennend het hoofd.

»Niet?quot; hernam het kleine vrouwtje, «die rijke Portugeezen hier aan den Binnen-Amstel.

»0 ja, dat groote huis met balkon,quot; zei mevrouw Walker.

«Daar is \'t dezer dagen ook een vreeselijke toe-

118

-ocr page 125-

EEN VROOLIJKE AVOND.

stand geweest. Ik weet \'t van mijn meid, die bij de familie heeft gediend. Lieve menschen zijn het, dat moet ik zeggen, en goed voor de armen. De oudste zoon leefde wat ruw; hij was niet slecht, maar wat los, weet u. Waarschijnlijk heeft hij groote verteringen gemaakt, zooals hier in Amsterdam al licht kan gebeuren met jongelui, die midden in de wereld leven. O, mijn arm hoofd!.... \'t Zal nu acht dagen geleden zijn dat hij des nachts zijn braven vader chloroform heeft laten opsnuiven, om hem te bedwelmen. Is \'t niet zoo. Levy?quot;

«Wat is er, mijn schat?quot;\' vroeg de redacteur, die juist den majoor over het plan onderhield om in ons land een geïllustreerd spotblad op te richten in den geest van Kladderadatsch (I) in Duitschland.

«Ik spreek over het ongeluk bij de familie Oristorio,quot; zeide het kleine vrouwtje.

«Maar dat mag niet openbaar worden, Sara,quot; hernam Levy.

119

«Wie maakt het dan openbaar, man?quot; hernam zij, »wij spreken hier immers in vertrouwen, in \'t volste vertrouwen. Laat ik u vertellen wat er gebeurd is, lieve mevrouw, de mannen schijnen te gelooven, dat ons geen enkel geheim kan worden toevertrouwd. Toen dat waagstuk gelukt was, heeft hij de brandkast

(1) Destijds was Uilenspiegel nog niet geboren.

-ocr page 126-

DE FAMILIE WALKER.

van zijn vader geopend en daaruit voor meer dan twee ton aan effecten en juweelen ontvreemd. Hij heeft nog denzelfden nacht het huis verlaten en de stad ook, naar men zegt, met een actrice van Van Lier. De oude man moet radeloos zijn, doch hij houdt het feit geheim om zijn naam niet te schandvlekken. Wat kan men toch van zijn eigen vleesch en bloed al niet beleven, niet waar?____ O, mijn hoofd, mijn arm hoofd.quot;

»Ik heb gisteren mijnheer uw oom ontmoet,quot; zei juffrouw Lauwers tot Louise, »wat is hij in den laat-sten tijd erg verouderd.quot;

«Mijn oom?quot; vroeg Louise verwonderd.

«Ja, mijnheer Van Breugel uit de Hoogstraat; hij is immers een oom van u, niet waar?quot;

«O, die!quot; antwoordde Louise. Er lag een groote hoeveelheid minachting in den toon, waarop zij dat kleine woord uitsprak. Om het gesprek een andere wending te geven, riep zij de meid, die juist de kamer binnengekomen was en fluisterde deze iets in het oor.

))Ik ben zoo even nog boven geweest, juffrouw,quot; antwoordde de meid.

«Wat is er, Louise?\'\' vroeg Rika, die deze woorden gehoord had.

»Och niets,quot; hernam zij. »lk was bang dat de kinderen boven vergeten werden.quot;

Rika zag haar schoonzuster een oogenblik vol be-

120

-ocr page 127-

EEN VROOLIJKE AVOND.

vreemding aan; zooveel belangstelling in de kinderen had zij nooit van haar ondervonden.

Louise, die als bij instinct begreep dat zij den dans nog niet ontsprongen was, nam haar kopje met thee op om een afleiding bij de hand te hebben. Dit pleitte voor hare scherpzinnigheid, want op hetzelfde oogen-blik zei juffrouw Lauwers op een toon die van deelneming moest getuigen:

«Wij hebben vroeger ook in de Hoogstraat gewoond en altijd veel belang gesteld in de familie Van Breugel, want \'t zijn allerliefste menschen.quot;

Louise haalde de schouders op en bracht de brandend heete thee aan de lippen.

»Waar heb je \'t over, Louise?\'vroeg nu mevrouw Walker, die wel gezien had dat haar dochter een kleur kreeg.

»Och, mama, \'theeft niets te beteekenen,quot; antwoordde zij kortaf en spijtig.

Juffrouw Lauwers zag zeer goed dat Louise als op de pijnbank zat; hoe zij daarin nu een reden te meer kon vinden, om het gesprek voort te zetten, dit moeten wij ter beslissing overlaten aan hen, die meer speciaal hun studie hebben gemaakt van de mysteriën van het vrouwelijk gemoed.

»Ik spreek met mejulfrouw uw dochter over de familie Van Breugel in de Hoogstraat, ik ken die goede menschen sinds lang,quot; hernam zij, wat luider spre-

121

-ocr page 128-

DE FAMILIE WALKER.

kende , omdat mevrouw Walker aan de overzijde der tafel zat.

«Zoo, zoo!quot; antwoordde de weduwe en haalde met veel meer beweging dan noodig was haar zakdoek te voorschijn.

ȕs er iets met oom in de Hoogstraat gebeurd?quot; vroeg nu Rika, die naast haar mama gezeten was en enkele woorden had opgevangen.

«Niets, Rika, niets,quot; hernam mevrouw Walker; «ik geloof dat mevrouw Penhouder nog wel graag een kopje thee zou willen hebben.quot;

Van dat gunstig oogenblik maakte Louise gebruik om zich tot Albert te wenden met de vraag:

«Bij wie heb je de sjaal gekocht?quot;

«Bij een heel aardig meisje,quot; antwoordde de zeeman glimlachend.

«Ik bedoel in welken winkel,quot; hernam zij.

«In de Kalverstraat, Louise; nader adres kan ik u niet geven, want ik ben hier een vreemdeling.quot;

«Wellicht bij uw nicht Mina,quot; zei juffrouw Lauwers nu weer.

Wanneer de vloer der zaal niet met een zwaar tapijt bedekt was geweest, zou men een vinnigen stoot van een voet gehoord hebben, al behoorde die voet aan een jong meisje en al was zij ook buitengewoon klein.

Louise begreep nu dat juffrouw Lauwers besloten

m

-ocr page 129-

EEN VROOL1.IKE AVOND.

had haar prooi niet gemakkelijk los te laten en wist wellicht bij ondervinding hoe weinig er tegen te doen valt, wanneer sommige jonge dames, die naar haar zin reeds veel :e lang in de jaren van verstand en onderscheid gevorderd zijn, eens een dergelijk besluit genomen hebben.

«Mijnheer Oldringa spreekt immers van een aardig meisje!quot; hernam zij vlijmend scherp.

»Hé, is dan uw nicht Mina geen heelliefmeisje?quot; vroeg juffrouw Lauvvers met tergende kalmte en zoo luid alsof al de aanwezigen in slaap gevallen waren en wakker geschud moesten worden.

Mevrouw Walker beet zich op de lippen en tele-grapheerde eenige oogwenken naar haar dochter, die met naliet terstond op dezelfde wijze een veelbetee-kenend antwoord te geven. Dit ontging intusschen Albert niet, die zijn ooren reeds had gespitst, toen juffrouw Lauwers op een nicht zinspeelde.

))Ik wist niet dat, behalve uw oom de majoor, hier in de stad nog familie van u woonde, Louise,quot; sprak hij.

Louise slorpte nogmaals aan haar kopje thee, doch juffrouw Lauwers bewees dat zij zeer gedienstig was en antwoordde;

«Wel zeker, mijnheer Oldringa, Van Breugel is gehuwd met de zuster van mevrouw Walker en van mijnheer den majoor. Wist u dat niet? \'t Zijn heele

123

-ocr page 130-

DK FAMILIE WALKER.

lieve menschen, die wel hun best doen om door de wereld te komen; men behoeft zich waarlijk voor hen niet te schamen al moeten zij zich ook erg behelpen.quot;

))En wie zegt u dan, dat wij ons voor hen schamen?quot; vroeg mevrouw Walker, die zich niet langer kon bedwingen en daardoor de voorzichtigheid uit het oog verloor.

))Lieve hemel, mevrouw,quot; hernam jaffrouw Lauwers, den schijn aannemende alsof zij zich verwonderde, »ik wil alleen te kennen geven, dat ik hen niet minder hoogschat al zijn zij ook ongelukkig.quot;

Mevrouw Walker haalde minachtend de schouders op. »\'t Is het gewone huismiddel van zwakke zielen om alles wat haar overkomt aan het ongeluk toe te schrijven,quot; sprak zij; «ik geloof dat men beter zou doen met eerst te vragen of zij de oorzaak niet in zich zeiven moeten zoeken. Wanneer zulke menschen op eigen krachten bouwden en niet altijd op de hulp der Voorzienigheid wachtten, zouden zij zich over zooveel ongelukken niet te beklagen hebben.quot;

«Bravo, mevrouw!quot; riep de heer Penhouder, «zoo mag ik het hooren. Ik heb plan dezer dagen een brochure in het licht te geven , getiteld: De m ensch vermag alles door zich zeiven. Als het mij aan de noodige bouwstoffen mocht ontbreken, zal ik zoo vrij zijn eens bij u aan te kloppen.quot;

»Maar \'t is toch niet te betwisten dat de familie

m

-ocr page 131-

EEN VROOLIJKE AVOND.

Van Breugel met veel tegenspoeden te kampen heeft,quot; hernam juffrouw Lauwers. ))De kinderen zijn haast altijd ziek, een is er stekeblind — zijn dat geen ongelukken ?quot;

«Ik weet het niet,quot; zei mevrouw Walker op ijs-kouden toon; «dergelijke rampen zijn ook dikwijls het gevolg van een ziekelijke richting van den geest en men moet er de oorzaak van opsporen alvorens gevolgtrekkingen te kunnen maken. Mijne zuster heeft haar toekomst verwoest door een mésalliance; dat is de voornaamste oorzaak van \'t geen zij hare ongelukken noemt. Wat zou men wel zeggen van iemand die zijn rechterhand afkapt en er zich dan over beklaagt, dat hij niet meer kan werken? Ik heb haar gewaarschuwd toen zij wilde trouwen met een man zonder fortuin, doch toen heette het dat hij zoo knap, zoo braaf en zoo goed was. In het laatste heeft zij geen ongelijk gehad, want hij is een kalf van een vent, maar met zulk een hoedanigheid kan men al slecht door de wereld komen.quot;

»Ik heb een afkeer van mannen die men goed noemt,quot; sprak Louise, wzij zijn in den regel te onbeduidend om zich in \'t een of ander te buiten te gaan; aan zulk een log en loom karakter moet even weinig waarde worden gehecht als aan een paard dat niet op hol kan gaan. Een goed man is in mijn oog een uilskuiken.quot;

1215

-ocr page 132-

DE FAMILIE WALKER.

»Zoo ver ik weet, is de heer Van Breugel den ganschen dag werkzaam in zijne zaak,quot; antwoordde juffrouw Lauwers, »en dat hij zijne tegenspoeden met geduld verdraagt, is, dunkt mij, geen ondeugd in hem.quot;

»Ja, dat geduldig verdragen van tegenspoeden is een echt speelpopje van zwakke zielenhernam mevrouw Walker. «Zij leggen de handen in den schoot, zuchten en smeeken de Voorzienigheid om hulp in plaats van de handen uit de mouwen te. steken. Van Breugel had het veel verder kunnen brengen wanneer hij zich niet zoo hardnekkig had vastgehouden aan verouderde beginselen; daardoor zijn de zaken achteruit gegaan en heeft hij de opvoeding zijner kinderen verwaarloosd.quot;

«Noem het kind maar bij zijn naam,quot; sprak de majoor, aan wiens gelaatskleur men zeer goed kon zien dat het gesprek hem niet beviel. «Van Breugel en zijn vrouw zijn vol bigotterie; zij meenen in al hun doen en laten een ingeving te moeten volgen, die zij de roepstem van hun geweten noemen. Door zulke klinkklank, die de stem van het gezond verstand smoort en den vrijen wil een spaak in het wiel steekt, worden de krachten verlamd en ontstaat een voortdurende weifeling, die doodelijk is voor alle energie. Van Breugel beschouwt zijn catechismus als het hoogste wetboek, en wat hebben zijne krenten en rozijnen daarmee te maken!quot;

126

-ocr page 133-

EEN VROOLIJKE AVOND. 127

Mevrouw Penhouder lachte luider dan welvoeglijk was in een gezelschap. »Wat is de majoor toch een geestig man,quot; zeide zij; »o mijn hoofd, mijn arm hoofd!quot;

«\'tls waar,quot; hernam de majoor. »Hij zou des Zondags liever al zijn klanten dan de Mis in den loop laten en hij is beter thuis in de prijs-courant van allerlei bijgeloovigheden dan in de veilings-conditiën op het Oostindische-huis.quot;

«Schei toch uit, mijnheer de baron,quot; riep de komma, terwijl zij schaterend achterover in haar stoel viel. »0 mijn arm hoofd!quot;

»Ik heb sinds lang aangeboden de kinderen voor mijne rekening degelijk onderwijs te doen geven en de oudste dochter had door mijne tusschenkomst een goede partij kunnen doen, doch dit alles is afgestuit op dingen, die men geloofsbezwaren noemt. Nog onlangs was ik in de gelegenheid Van Breugel een tamelijk winstgevende betrekking te bezorgen, doch hij wees dat aanbod met vrome verachting van de hand; de man zit liever met Job op den mesthoop te klagen, dan zijne dwaze ideeën op te geven, al gaat ook zijn gebeente aan zijn vel kleven.quot;

«En die oudste dochter heeft een aardje naar het vaartje,quot; sprak Louise, »en zij is daarbij zoo trotsch als een pauwenkuiken.quot;

»Mina van Breugel trotsch?quot; vroeg juffrouw Lauwers met verwondering; »ik ken geen eenvoudiger meisje,

-ocr page 134-

DE FAMILIE WALKER.

men behoeft haar slechts aan te zien om zich daarvan te overtuigen.quot;

»Als men de menschen naar het uiterlijke beoordeelt, koopt men allicht een kat in den zak,\'\' hernam Louise. «De schijnbare nederigheid der vromen is meestal slechts een masker , waaronder de inwendige trotschheid verborgen is. Zij zijn hoovaardig op hetgeen zij hiHine deugden noemen, zij beschouwen de onschuldigste zaken in de wereld door een zwart glas, evenals men bij een zon-eclips doet. Ik moet u zeggen dat in het gemoed van Mina van Breugel dingen omgaan , die men op haar gelaat niet zou zoeken; ik zou u kunnen bewijzen , dat zij de kat in het donker knijpt.quot;.

«Foei, Louise,quot; sprak Rika met verontwaardiging , »dat mag je niet zeggen; er valt niets op Mina\'s gedrag aan te merken en als het hare ouders ook al niet voordeelig gaat, is het voor hen toch zeker een voorrecht zulk een dochter te bezitten.quot;

» Omdat zij mooi genoemd wordt en sommige hecren uren lang voor den winkel heen en weer loopen, niet waar? Bij al zijn vroomheid schijnt haar vader daar toch een goede speculatie in te zien, anders zou hij haar wel thuis houden.quot;

»U vergist u zeerzeide juffrouw Lauwers; »Mina heeft die betrekking met tegenzin van hare ouders aanvaard, om de lasten van het huisgezin, waarin zij gemist kon worden, te verlichten.quot;

128

-ocr page 135-

EEN VROOL1JKE AVOND.

«Ha, ha!quot; sprak Louise met een valschen lach, »dat is een doekje voor het bloeden, evenals bij de advertentiën, waarin men leest: «er zal meer op een goede behandeling dan op salaris gelet worden.quot; quot;

»Zouden wij nu niet een kaartje gaan leggen, Rika?quot; vroeg de kapiteins-weduwe, Louise een wenk gevende om een einde te maken aan het gesprek dat haar niet beviel. Aan dat verzoek werd gevolg gegeven; de gasten verlieten hunne plaatsen en de speeltafeltjes werden gerangschikt. De stuurman was het eerst opgestaan , want zijn bloed was aan het gisten geraakt, zoodat hij zich nauwelijks kon bedwingen. Waarom? Om dezelfde reden die elk gevoelig mensch schokt als hij een kat een onschuldig vogeltje ziet vangen. Hij maakte een vergelijking tusschen de arrogante officiersdochter en het eenvoudige, in zijn oog zoo onschuldige meisje dat hem de sjaal had verkocht; dat die vergelijking zeer ongunstig voor Louise uitviel, zal hem wel niemand kwalijk nemen, die nog niet geheel vergeten is dat hij ook eens vijf en twintig jaren telde.

Het verschijnen van speelkaarten in een gezelschap heeft in den regel ongeveer dezelfde eigenaardige uitwerking , als het optreden van een zangeres of violist op een concert na de uitvoering van een symphonie. In de meeste gezelschappen loopt het gesprek aan de theetafel op krukken evenals de aandacht bij het uitvoeren van een symphonie, al wordt ook het vader-I 3. 9

129

-ocr page 136-

DE FAMILIE WALKER.

schap over zulk een kunstwerk door Beethoven of Schumann gedragen; komen echter de losse bladen op de tafel, met de eigenaardige figuren, die door alle geslachten heen heeren, vrouwen en boeren genoemd worden, die beurtelings zooveel verrassingen schenken en teleurstellingen aanbieden, — dan smelt doorgaans het ijs der vormen om plaats te maken voor den stroom der ongekunstelde vroolijkheid.

Middelerwijl de speeltafeltjes geplaatst werden, bewogen zich de gasten in de zaal met het aangename gevoel dat vóór vele jaren een reiziger bezielde die eenige uren achter elkander in een diligence had doorgebracht; de komma maakte sierlijke wendingen en draaiingen, die aan een geoefend schaatsenrijder deden denken, haar man stond, met de beide duimen in de armgaten van zijn vest, zoo recht als de bougies op den schoorsteen, naar de gaskroon te turen, de majoor blies vervaarlijke wolken uit zijn manilla-sigaar en mevrouw Walker nam de overgangs-periode van den vroolijken avond waar om haar dochter eenige woorden toe te fluisteren.

Er waren tien personen die aan het spel zouden deelnemen, want Rika onthield er zich van, omdat zij dan beter in staat zou zijn aan de gasten kleine attenties te bewijzen. Men kon dus twee partijen met een zoogenaamden lummel maken. Onder alle andere omstandigheden zou iedereen zich zeer beleedigd ach-

130

-ocr page 137-

EEN VROOLIJKE AVOND.

ten, wanneer men hem een lummel noemde, het kaartspel heeft echter van dien naam een zeer onschuldige uitdrukking gemaakt. Louise Walker deed alle moeite om met den advocaat Schrabben aan hetzelfde tafeltje te komen. Ofschoon zij dit natuurlijk niet liet blijken, scheen juffrouw Lauwers te veel met dergelijke tactiek bekend te zijn om daarvan onkundig te blijven. Er speelde een glimlach om hare lippen die van niet weinig leedvermaak getuigde en zij wendde zich onmiddellijk tot Rika met de vraag:

»Is het goed dat wij maar plaats nemen, mevrouw ?quot;

«Zeker, zeker!quot; antwoordde de gastvrouw, terwijl zij nog een paar stoelen rangschikte.

«Dan zal het mij veel eer zijn eens een lesje van u te ontvangen, mijnheer Schrabben,quot; hernam juffrouw Lauwers, den advocaat een stoel aanbiedende en op den andere daarnaast plaats nemende.

«Om als uw leermeester op te treden, moest uwe reputatie in het quadrilleeren minder groot zijn , juffrouw,quot; sprak Schrabben terwijl hij met een buiging ging zitten.

De meeste vrouwen bezitten een bijzondere geschiktheid om in moeielijke oogenblikken het initiatief te nemen, doch die eigenschap maakt ook dat zij des te gevoeliger zijn voor kleine nederlagen, haar door dezelfde tactiek toegebracht. Louise beet zich op de lippan van ergernis en spijt; zij zou nu aan dat tafeltje

131

-ocr page 138-

DE FAMILIE WALKER.

geen plaats meer hebben -willen nemen, al had men haar daartoe ook dringend uitgenoodigd, want de onmiddellijke nabijheid van juffrouw Lauwers, die hare bedoelingen had doorgrond, was haar een walg. \'t Scheen dat ook nog anderen van het gezelschap niet onverschillig waren omtrent een plaats aan de speeltafel. Ferdinand schoof een stoel naast Schrabben bij en noodigde Lauwers en mevrouw Penhouder uit zijn voorbeeld te volgen, \'t Was hem bekend dat zijn mama en de majoor onder de »lastige spelersquot; gerangschikt moesten worden en hij wilde zijne gasten niet aan onaangenaamheden blootstellen. De majoor was een geoefend speler, wien het vrij onverschillig was of hij won of verloor, wanneer de kaarten hem slechts gelegenheid schonken, om een kans te wagen; zoolang het lot hem echter ongunstig bleef, wreekte hij gewoonlijk zijn wrevel op de medespelers. Mevrouw Walker daarentegen speelde zeer oppervlakkig, doch kon geen verlies dulden en plaatste gemeenlijk hare onhandigheden op rekening van een ander.

Met dergelijke eigenaardigheden komt men niet zelden in aanraking of liever in botsing op een «vroolijken avondquot;; zij zijn als de windvlagen in de maand Mei, als aanvallen van koorts tijdens een pleizierreisje.

Toen onze zeeman, die zich een oogenblik verwijderd had, in de zaal terugkeerde, bleef hem niets over dan de laatst opengebleven plaats aan het tafeltje

-ocr page 139-

EEN VROOLIJKE AVOND.

bij den majoor in te nemen. Hij koesterde geen schoone verwachtingen van de eerstvolgende uren, want \'t ontging hem niet dat mevrouw Walker en haar dochter vinnige blikken naar het andere speeltafeltje wierpen, waar Mr. Schrabben, die op dat oogenblik lummel was, zeer vertrouwelijk in de kaarten van juffrouw Lauwers zag.

\'t Duurde niet lang of de eigenaardige gebreken der spelers kwamen in het volle daglicht. Louise scheen zeer verstrooid te zijn en maakte daardoor menige fout, waarover de heer Penhouder met zijne gewone hoffelijkheid schertste; de majoor begon meer en meer wrevelig te worden, omdat hij voortdurend slechte kaarten kreeg, de weduwe zag met ergernis dat hare fiches met elk spel meer verminderden. Aan de speeltafel verheugt de een zich altijd ten koste van den ander, de beste vrienden staan vijandig tegenover elkander; \'t is een onbloedig worstelperk, waarin de hartstocht menigen steek ontvangt, want de hartstocht staat altijd bij het spel op den voorgrond, ook al wordt het niet uit winstbejag gedreven. Ieder stelt er prijs op een troetelkind der fortuin te zijn en er zijn maar weinig menschen, die er volslagen kalm onder blijven, wanneer zij door die grillige geluksgodin stiefmoederlijk worden behandeld.

«Moet men niet aan fataliteit gaan gelooven?\'\'sprak de majoor tot Rika, die nu en dan eens achter de kaarten kwam staan.

!33

-ocr page 140-

DE FAMILIE WALKER.

«Hoe zoo, oom?quot;

»Wel, ik heb den ganschen avond nog geen kaart in de handen gehad, ik heb nog geen spadille gezien.quot;

«Men moet de fortuin toelachen, majoor,quot; sprak Penhouder; »van al de vrouwen k an zij het allerminst een stuursch gezicht verdragen.quot;

»U is dus van oordeel dat alle vrouwen gevoelig zijn voor vleitaal?quot; antwoordde de majoor, terwijl hij zijne kaarten weer samenraapte.

De redacteur liet lachend zijne tanden zien.

»Pas op, oom, nu zal het beter gaan,quot; zeide Rika, die in zijne kaarten zag.

»\'t Zal wat zijn,\'\' bromde hij.

»Nu , zie dan eens, ik moet maar achter u staan .... Dat geeft een groot spel, pas maar eens op.quot;

»Wij zullen zien,quot; sprak de majoor, die in één oogenblik zijn kwade luim met kon overwinnen.... «Drie heeren!quot;

»Ik pas,quot; zei Albert.

» Drie heeren ?quot; herhaalde mevrouw Walker, hare kaarten rangschikkende. «Solo, dan.... solo in de kleur.quot;

«Solo..,, solo in de fijnen!quot; riep de majoor, ter-wijl hij zijne zuster aanzag, alsof zij het op zijn leven gemunt had. «Maar dat is weer een groote domheid van je !.. .. Solo zonder spadille en....quot;

«Maar ik weet toch wel wat ik doe,quot; antwoordde de weduwe, «ik ben geen kind.quot;

134

-ocr page 141-

EEN VROOLIJKE AVOND.

«En ik zeg dat je weer een groote domheid begaat, wanneer je spadille...

«Wil je ook liever mijn kaarten zien?quot; vroeg mevrouw Walker scherp.

»lk behoef ze niet te zien, ik weet toch wel wat je in de handen hebt.... Solo fijn, jij moet spelen, Louise.quot;

De majoor zag zeer goed dat de gierigheid de wijsheid had bedrogen, hij maakte met veel overleg gebruik van zijne krachten en de weduwe verloor het spel.

«Wat heb je er nu bij gewonnen?quot; vroeg hij.

»Kon ik dan weten dat jij zulk een sterk tegenspel hadt ? \'

«Dat wist je zeker; ik had drie heeren geannonceerd, met uw kaarten was dat voor ons altijd een gewonnen spel geweest.quot;

»En ik zou wel eens willen weten of twee matadors mariage zevende met goede bijkaarten geen geoorloofde solo is,quot; antwoordde de weduwe, met angstige nauwkeurigheid hare fiches tellende.

«Gekheid!quot; bromde de majoor opnieuw; »één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; maar zoo zijn de vrouwen.quot;

Rika en Albert zagen elkander aan; zij schenen beiden te vragen of dat nu een vroolijke avond moest heeten.

Op dat oogenblik kwam de meid binnen met de

135

-ocr page 142-

DE FAMILIE WALKER.

boodschap aan Albert dat de krantenjongen hem een oogenblik wenschte te spreken; zij moest maar zeggen; de jongen uit de Anjelierstraat, dan wist de stuurman het wel.

«Wees zoo goed, Rika, een oogenblik mijne kaarten over te nemen,quot; sprak Albert terwijl hij opstond.

Toen hij terugkwam, zag zijne zuster zeer goed dat iets ongewoons in hem omging. Een vrouwelijk oog ziet zoo scherp.

»Wat is er gaande, Albert?quot; vroeg zij en zij wilde opstaan om hem haar plaats te doen innemen.

»Gasco voor schoppenheer !quot; riep de majoor.

»Blijf maar zitten , Rika,quot; antwoordde de stuurman, »ik wil liever een oogenblik op de been blijven.quot;

»Je ziet er ontsteld uit,quot; hernam zij, de kaarten voor zich nederleggende.

»Dat ben ik ook,quot; hernam hij, «maar het moet u niet verontrusten.quot;

«Gasco voor schoppenheer! Spelen wij of spelen Avij niet?quot; riep de majoor ongeduldig.

Rika nam aarzelend de kaarten op, maar zag toen haar broeder weer aan. «Je maakt mij ongerust,quot; sprak zij en zich toen tot den majoor wendende, liet zij er op volgen: «och, een oogenblikje, oom!quot;

«Zulk een interruptie is zeer onaangenaam,quot; zei de majoor knorrig, terwijl hij de kaarten in elkander schoof en er mede op de tafel klopte, «\'tis van

136

-ocr page 143-

EEN VROOLIJKE AVOND.

avond voor de eerste maal dat ik goede kaarten in

dc handen heb..... Drie vrouwen aan één partij,

dat gaat ook niet.quot;

Ferdinand had ook zijne kaarten neergelegd, toen hij gewaar werd met hoeveel bezorgdheid zijne vrouw haar broeder aanzag. »Is er iets gebeurd, Albert?quot; vroeg hij.

»Ja, er heeft een ongeluk plaats gehad dat mij zeer treft,quot; antwoordde de zeeman.

«Een ongeluk?quot; klonk het van alle kanten.

»Is er brand?..... spreek toch, mijnheer, denk

dat ik moeder ben,quot; riep mevrouw Penhouder.

«Stel u gerust,quot; sprak Albert; «het ongeluk betreft geen der aanwezigen.quot;

«O, foei, wat ben ik ontsteld,quot; hernam mevrouw Penhouder, terwijl zij hare armen zoo slap in den schoot liet neervallen als ware zij willens ze geheel

af te schudden. »0, mijn hoofd , mijn arm hoofd 1.....

Levy?quot;

«Wat is er, mijn engel?quot;

«Och geef me je zakflacon eens, lief, ik meende daareven te bezwijken.quot;

De tcedere echtgenoot haastte zich aan het verlangen zijner gade te voldoen.

«Maar zeg nu eens, Albert,quot; sprak Rika, haar broeder op den arm kloppenrle, «wat is er voorgevallen dat u zoo kan doen ontstellen?quot;

\'137

-ocr page 144-

138 DE FAMILIE WALKER.

«Een huisgezin, dat reeds diep ongelukkig was, is door een nieuwe ramp getroffen, Rika, doch je kent de nienschen niet.quot;

«Maar als jij er zooveel belang in stelt, zal het ons wel niet onverschillig kunnen zijn er iets van te hooren sprak Rika op deelnemenden toon. » Wij kunnen wel een oogenblik wachten met de kaarten, niet waar, oom ?quot;

«Het zal mij weinig baten of ik ook al van een ander gevoelen ben,quot; antwoordde de majoor, terwijl hij een versche manilla-sigaar met veel drift in de vingers rondwentelde.

»Heb ik straks niet hooren zeggen dat de boodschap uit de Anjelierstraat kwam?quot; vroeg de gastvrouw opnieuw aan haar broeder.

Albert knikte met het hoofd. De majoor had een lucifer voor zijn sigaar aangestoken; toen hij die vraag hoorde scheen hij daar niet meer aan te denken, want de vlam verteerde langzaam het stokje en brandde eindelijk zijne vingers.

»In de Anjelierstraat woont een gezin dat door allerlei omstandigheden zeer ongelukkig geworden is,quot; sprak de zeeman. »De dochter moet valsch beschuldigd zijn van diefstal, zij heeft een jaar in de gevangenis doorgebracht, en is met een onherstelbare ziekte naar huis teruggekeerd; de vader heeft zich uit wanhoop aan den drank overgeven en een oude grootmoeder werd krankzinnig.quot;

-ocr page 145-

EEN VROOLIJKE AVOND.

«Verschrikkelijk!quot; riep Rika, de handen meewarig vouwende.

«Dat is nog slechts het voorspel,quot; hernam Albert: «een paar weken geleden is de vader smoordronken in het water geloopen en verdronken. Toen het lijk in huis werd gebracht, kreeg de ongelukkige dochter van schrik een bloedspuwing en van middag. ...quot;

De majoor was opgestaan; hij zag er doodsbleek uit en waggelde naar de deur. De zeeman zweeg en oogde hem achterna.

«Nu, en van middag?quot; vroeg Rika. «Waarom kijk je zoo naar oom, Albert ?quot;

«\'t Komt mij voor dat de majoor ongesteld is geworden,quot; antwoordde hij.

«Het verhaal kan hem ook wel wat sterk getroffen hebbensprak de komma; «mijnheer de majoor is een gevoelig mensch, een zeer gevoelig mensch , dat blijkt uit zijne redevoeringen over de bescherming der dieren.quot; «\'tis hier ook wel wat warm,quot; zeideRika; «maar

ga nu voort, Albert; van middag.....?quot;

«Van middag is het meisje overleden en op hetzelfde oogenblik dat de moeder zich vol droefheid op het lijk harer dochter neerwierp, is de krankzinnige grootmoeder in een onbewaakt oogenblik uit het raam van de derde verdieping gesprongen.quot;

»\'t Is ijselijk!quot; riep Rika, beide handen voor de oogen brengende.

139

-ocr page 146-

DE FAMir.lE WALKER.

«Een prachtig binnenlandje voor ons nommer van morgen,quot; zei de redacteur, die, ofschoon steelsgevvijs , niet kon nalaten zich in de handen te wrijven; »de menschen lezen het liefst zulke akelige dingen, vreese-lijke moorden en schipbreuken.quot;

»Is de krankzinnige vrouw dood?quot; vroeg Rika, haar betraande oogen tot Albert richtende.

«Zij moet in hoogst gevaarlijken toestand naar het gasthuis gebracht zijn.quot;

«Zijn die menschen behoeftig, Albert?\'\'

«Behoeftig? Zij verkeeren in de grootste armoede, er heerscht volslagen gebrek in huis.quot;

» Een vreeselijk lot, inderdaad ,quot; sprak mevrouw Penhouder , » en zij zijn toen menschen als wij , niet wa ar ?quot;

«Dat zeg ik ook, mevrouw,quot; hernam de zeeman. »Wij leven in weelde en vroolijkheid, zij in ellende en radeloosheid; hier wordt feest gevierd in de hoop op een blijde toekomst, daar is de toekomst geheel vernietigd en voert de ellende tot wanhoop. Ik geloof daarom dat wij de nieuwe zaak van mijn zwager niet beter kunnen inwijden dan met een liefdegift voor dit ongelukkige gezin. Ik wil mij graag met de giften belasten en ook zorg dragen dat het geld goed besteed worde.quot;

«Daarin herken ik weer geheel mijn ouden Albert,quot; sprak Rika, terwijl zij opstond en den arm om den hals van haar broeder sloeg.

140

-ocr page 147-

EEN VR00L1JKE AVOKD.

))Rika, houd uw boezelaar eens op,quot; zei de zeeman; «zoo..... wacht nu even, ik zal voorgaan.quot;

Er rolden rinkelend vier groote zilveren schijven in den zijden boezelaar. »Nu verder,quot; vervolgde hij.

»Asjeblief, Fer! ter liefde Gods voor het ongelukkige gezin/\' sprak de gastvrouw met een bevalli-gen glimlach.

Wat was zij schoon op dat oogenblik!

Haar man scheen dit ook te begrijpen, want hij zag met welgevallen naar haar op. Dat waren dezelfde glinsterend zwarte oogen, die hem reeds beheerschten toen hij nog een knaap was.

»En geen klein beetje ook, hoor,quot; vervolgde zij, met de zilveren schijven rammelende; »denk aan de spreuk: «Den arme gegeven is Gode geleend,quot; de Heer zal er ons voor zegenen.quot;

Ferdinand opende glimlachend zijn porte-monnaie; hij hechtte niet veel waarde aan die spreuk, maar zooals zijn vrouw daar voor hem stond, had hij haar voor de gansche wereld niet willen missen.

«Zoek maar niet, Fer,quot; sprak Rika, in de geopende porte-monnaie van haar man ziende; «voor zulk een bagatel speel ik niet als diakones; ga maar even naar boven om een papiertje te halen; met roode letters, hoor!quot;

»Ik kan het u immers morgenochtend wel geven, kind?quot;

Ill

-ocr page 148-

DE FAMILIE WALKER.

»Neen, neen, men moet het ijzer smeden als het heet is; ga maar naar boven, ik zal intusschen bij onze gasten aankloppen.\'\'

Mevrouw Penhouder vond het idee subliem, doch had haar echtgenoot een oogenblik te voren reeds ingefluisterd, dat hij best met één rijksdaalder kon volstaan, toen zij er twee in zijn hand zag. De kapiteins-weduwe kon haar ergernis nauwelijks bedwingen , zij bromde iets over bedelarij en onbetamelijkheid , doch droeg desniettemin het hare bij evenals de overige gasten.

Rika was nog aan het inzamelen, toen de majoor de zaal weder binnentrad. Zijn gelaat was nu niet bleek, maar vuurrood, een bewijs dat zijne ontsteltenis plaats had gemaakt voor verkropte woede.

))Nu kom ik eens bij u aankloppen, oom,quot; sprak zij en door de beweging harer handen danste het geld in haar boezelaar.

))Wat moet dat beteekenen?quot; vroeg hij vrij norsch.

«Ik kom ter liefde Gods een aalmoes vragen voor het ongelukkige gezin , waarvan Albert heeft verteld; zie eens, ik heb al heel wat.quot;

))Met zulke kunsten kan ik mij niet ophouden.quot;

«Zijn dat kunsten, oom?quot;

»Zeker, wij doen ons best om de bedelarij uit te roeien en jij wil aan die pest der maatschappij de hand gaan houden.quot;

142

-ocr page 149-

EEN VROOLIJKE AVOND.

»0 foei, oom, dat is ongevoelig.\'\'

«Ongevoelig? üe meeste dwaasheden worden op maatschappelijk en godsdienstig gebied gepleegd omdat men alleen het gevoel en niet het versland raadpleegt. Wat baat het ons \'t pauperisme door degelijke en practische middelen te bestrijden, wanneer jelui, vrouwen , door uw zoogenaamde christelijke liefdadigheid de luiheid in de hand werkt?quot;

»Maar de menschen, waarvan Albert spreekt, zijn zoo diep ongelukkig geworden, oom; moet dan voor hen niets gedaan worden?quot;

«Laat ze gaan werken. Een Duitsch economist zegt: Das Gold liegt auf der Strasse en ik ben het volkomen met hem eens. Wie zijn verstand en zijne handen gebruikt, zal het kunnen vinden en oprapen.quot;

«Maar, oom,quot; hernam Rika en hare groote oogen bleven vol verontwaardiging op hem rusten, «daar zijn op het oogenblik geen handen om te werken. De vader is verdronken, de dochter, die zoo ongelukkig geworden was, is vandaag gestorven, de oude grootmoeder is uit het raam van de derde verdieping gesprongen. Waar anders moet de arme weduwe voor haar en hare twee kinderen op het oogenblik goud gaan zoeken dan bij medelijdende menschen?quot;

De majoor ontroerde vluchtig toen hij die tijding vernam, doch zijn gelaatskleur werd nog donkerder.

Het gaat een gewetenloos mensch als een misdadi-

143

-ocr page 150-

DE FA511 LIE WALKER.

ger voor de rechtbank: hoe pijnlijker zijn toestand bij elk verhoor wordt, des te hardvochtiger en onbeschaamder zal men hem zien optreden.

«Een man van beginsel als ik,quot; bromde hij tus-schen de tanden, «laat zich niet door gemoedsaandoeningen van het rechte spoor leiden, \'t Is best mogelijk dat hier en daar iemand wordt gevonden, die geen uitkomst weet, maar het beste stelsel van de wereld maakt soms enkele slachtoffers. De aalmoes is een versleten conscientie-stopper uit vroegere tijden , waarmede men waande een Gode welgevallig werk te verrichten; er zijn in onzen tijd betere middelen gevonden, om het pauperisme te bestrijden; vraag er mijnheer Penhouder maar naar, hij is een specialiteit op dat gebied.quot;

«Inderdaad; het valt niet te ontkennen dat het geven van zoogenaamde aalmoezen altijd een groot onheil in de maatschappij heeft aangericht, omdat, het de luiheid en losbandigheid aankweekt,quot; sprak de redacteur; «het zou daarom zeer heilzaam zijn wanneer de particuliere liefdadigheid geheel ophield en ieder zich bij de philanthropische instellingen aansloot, die zijn opgericht om het pauperisme met practische middelen te bestrijden.quot;

«Dan heeft u zooeven zeer onpractisch gehandeld,quot; zeide Rika met een half gedwongen glimlach; »\'t doet mij veel pleizier, want om u de waarheid te zeggen,

-ocr page 151-

EEN VROOLIJKE AVOND.

want ik ben het lang niet met u eens op dat punt.quot;

»Wie zou tegenover zulk een bekoorlijke gastvrouw niet gaarne een offer aan zijn beginsel brengen ?quot; hernam de redacteur met eene diepe buiging.

»Mag ik u eens een vraag doen, mijnheer Penhouder?quot; sprak Albert, die zich met walging van den majoor had afgewend.

«Zeer gaarne.quot;

«Wanneer men een schipbreukeling op de golven ziet dobberen, moet men hem dan alleen verwijzen naar de reddingsmaatschappijen en den rug toekeeren, of zou het niet beter zijn eenige pogingen aan te wenden om den ongelukkige te redden?quot;

»De gevallen zijn niet gelijk, mijnheer,quot; antwoordde de redacteur. «Een schipbreukeling verkeert slechts in oogenblikkelijk gevaar, dat onmiddellijk geheel ophoudt wanneer men hem heeft gered; hij zal niet in het water gaan springen om nogmaals gered te worden. De arme daarentegen vindt in de aalmoes een gemakkelijk middel om zonder werken aan den kost te komen.quot;

»Maar kan men zich dan het geval niet voorstellen dat menschen, hetzij plotseling, hetzij door een opeenstapeling van rampen ongelukkig worden en in den grootsten nood verkeeren?quot;

«Zeker wel, maar men vindt tegenwoordig overal philanthropische instellingen, die zich het lot van zulke ongelukkigen aantrekken en tevens de ontwikkeling

I 3. 10

143

-ocr page 152-

DE FAMILIE WALKER.

van den geest bevorderen in verwaarloosde gezinnen; voor het overige hebben wij immers ook onze koloniën van liefdadigheid.quot;

«Maar meen je dan niet dat er honderden onge-lukkigen onder ons zijn, die liever in stilte gebrek lijden dan zich met den grooten hoop naar commissiën van onderstand te begeven, om in een armenboekte worden opgeteekend. \'tKomt mij voor dat zulk een eergevoel, of hooghartigheid, zooals men het wil noemen , grooter prikkel is om zich zooveel mogelijk staande te houden dan de gedachte van als arme te boek te staan en als zoodanig door iedereen aangezien te worden. De weduwe in de Anjelierstraat zal zeker liever gebrek lijden en het weinige wat zij nog bezit te gelde maken, dan hare dochter van de armenkas te doen begraven; noem het een dwaasheid zoo je wil, de vrouw is er in mijn oog beter om. Meent mijnheer de majoor zijn beginsel te moeten staande houden tegenover het gevoel dat deze aalmoes slechts als een geringe vergoeding moet worden beschouwd voor geleden onrecht en doorgestaan lijden, het staat hem vrij; ik dank intusschen de overige leden van het gezelschap voor hunne bijdragen, die in mijn oog wel degelijk als een Gode welgevallig werk moeten worden beschouwd. quot;

De majoor stond bij de laatste woorden eensklaps op, doch ging weder zitten. Er volgde een geweldige hoestbui, die lang duurde; ofschoon zijn oogen vlam-

146

-ocr page 153-

EEN VROOLIJKE AVOND.

men schoten, scheen hij den moed te missen om een woord te spreken. Het bewustzijn van schuld, de overtuiging dat de zeeman alles wist, scheen te kampen met zijn gekrenkten trots.

Ferdinand, die wel zag dat zijn oom in een ongewone gemoedsstemming verkeerde, ofschoon hij er de oorzaak zelfs met van kon gissen, trachtte een einde aan het gesprek te maken.

«^Villen wij het spel nu weder voortzetten?quot; vroeg hij, »de kaarten zullen anders koud worden J\'

«Ik speel met meer,quot; antwoordde de majoor norsch.

))U moet niet boos zijn, oom,quot; sprak Rika vriendelijk, «dat ik u een oogenblik heb opgehouden.quot;

k Maar waarom dan de kaarten op de tafel gebracht, wanneer je niet kan nalaten over allerlei dingen te spreken, die ons mets aangaanantwoordde de majoor; »ik zou u in het vervolg aanraden liever op het ganzenbord te spelen.quot;

Hij stond op, hoestte eenige malen en ging toen met groote stappen in de zaal heen en weer loopen. Mevrouw Walker zag Rika aan en schudde het hoofd, \' alsof zij wilde zeggen; «je hebt een groote onbeleefdheid begaan, kind; wat moeten de gasten wel van je denken,quot; en haar dochter fluisterde zij in de ooren: »de manieren van den plompen goudsmid gaan er nimmer uit.quot;

»Dan stel ik voor eenige oogenblikken aan de muziek

147

-ocr page 154-

DE FAMILIE WALKER.

toe te wijden,quot; sprak Ferdinand; »\'t is wellicht onzen gasten niet onbekend dat wij een uitstekende dilettante in ons midden hebben \' — dit zeggende wees hij op de komma — »en ik hoop dat mevrouw ons dezen avond wel in de gelegenheid zal willen stellen haar talent te bewonderen.quot;

Mevrouw Penhouder bedankte met een graciezue buiging den gastheer voor zijn hoffelijkheid, doch verzocht verschoond te blijven, omdat zij op het oogenblik erg gekweld werd door hoofdpijn, een erfelijke familiekwaal; daarenboven was zij juist den vori-gen dag erg verkouden geworden, een ongeval, dat de meeste muzikale dames schijnt te treffen, die een partijtje bijwonen; zij meende daarom niet beter te kunnen doen, dan de uitnoodiging te endosseeren aan juffrouw Louise, die — dit wist zij zeer goed • een pianiste van den eersten rang was. Toen nu juffrouw Louise verklaarde, dat zij geen vinger op de piano zou zetten alvorens mevrouw Penhouder zich had doen hooren, zette de komma eerst een gezicht alsof zij tot den brandstapel veroordeeld was en gaf toen te kennen dat zij ter wille van den gastheer en zijn echtgenoote bereid was een offer te brengen. Men vond dat natuurlijk allerliefst, en de heer Penhouder, die er vooraf reeds van overtuigd scheen te zijn dat zijn vrouw geen weerstand zou kunnen bieden aan den algemeenen wensch, had intusschen de

148

-ocr page 155-

EEN VROOUJKE AVOND.

pianino geopend en een bundel muziek gereed gelegd. Begeleid door den gastheer draaide de komma met een zwierigen zwaai naar het instrument, liet eerst de vingers vluchtig over de toetsen gaan, als achtte zij het noodig ze wakker te schudden, kuchte een paar malen, had blijkbaar veel moeite om de plooiingen en golvingen van haar kleedje te rangschikken, liet andermaal vluchtig de magere vingers over de toetsen zweven en wierp zich toen in een zee van tonen, die — zooals haar echtgenoot fluisterend te kennen gaf — als een introductie beschouwd moesten worden op het groote sopraan-air uit Robert le diable.

De heer Penhouder stond in zijn volle lengte achter zijne vrouw geposteerd, zijne oogen waren onafgebroken op de muziek gericht om tijdig het blad te kunnen omslaan; voor iemand zonder muzikaal talent moet het echter den schijn gehad hebben alsof hij zich gereed hield om de zangeres op te vangen wanneer zij achterover mocht vallen, want vooral bij het grace! grace! wist men niet wat meer te bewonderen: of het schelle geluid dat door zulk een klein wezen werd voortgebracht, óf de kunst om bij al die buitengewone wendingen op den tabouret te balan-ceeren. Aan de meesten der aanwezigen was het duidelijk te zien dat zij nu en dan overvallen werden door de gewaarwording van iemand die een ruit hoort breken; desniettemin werd mevrouw Penhouder met

4 49

-ocr page 156-

DE FAMILIE WALKER.

150

toejuichingen overladen toen het slot-acoord gevallen was, en zij verliet de pianino met de volle overtuiging dat zij geschitterd had. Zoo iets behoort tot de eigenaardigheden van een vroolijken avond.

Nadat ook Louise Walker zich met niet minder succes had doen hooren, werden de gasten verzocht aan het souper te komen deelnemen. Dat de tafel gastronomische uitzichten aanbood, was duidelijk te zien aan het gelaat van den majoor, die meer prijs stelde op een enkel kippeboutje dan op alle muziekwerken der klassieke en moderne school; hij hield met het oog van een kenner inspectie en zette zich neder met de overtuiging dat hem bij dit spel de\' matadors niet zouden ontbreken. Hij bleef nog langen tijd afgetrokken, doch toen de champagne zijn tong gestreeld had, scheen de wolk van zijn voorhoofd te verdwijnen; hij had uit de Lethe (1) gedronken en kon weder genieten zonder door gewetenswroegingen gekweld te worden. Ferdinand bracht een dronk uit op zijne gasten, de majoor verhief de talenten van zijn neef hemelhoog en dronk op de maatschappij «Vooruitgang.quot; Levy Penhouder bracht een toost uit op de vrouw die het geluk had zulk een uitstekend echtgenoot te bezitten. Lauwers op de moeder die zulk een zoon had opgevoed, en zoo kreeg ieder zijne beurt.

(1) De bron der vergetelheid.

-ocr page 157-

EEN VROOLIJKE AVOND.

Toen de gasten vertrokken waren — het was zeer laat geworden — klopte Ferdinand zijne vrouw op den schouder en zeide:

»Zie zoo, Rika, die partij is eindelijk achter den rug; ben je niet blij?quot;

)gt;Ja, Fer, ik ben recht blij, want er valt zooveel te schikken en te plooien met de verschillende gasten, dat men voortdurend in een onaangename spanning verkeert.quot;

Toen mevrouw Walker na hare tehuiskomst haar grooten chignon en valsche tanden aflegde, bleek opnieuw de waarheid van het spreekwoord: niemand is een held tegenover zijn eigen kamerdienaar. Al de gemaakte deftigheid was verdwenen. Zij gaf haar wrevel lucht ten koste van den stuurman, die door zijn ongepaste bedelarij geld uit haar zak geklopt had, en op Rika, over wier plat burgerlijke manieren zij zich schaamde. Louise zwoer dat zij zich op juffrouw Lauwers, die door Mr. Schrabben naar huis vergezeld was, zou wreken en droomde des nachts dat zij de sjaal van Rika met hare tanden verscheurde. Mevrouw Penhouder had te huis, in weerwil van haar hoofdpijn, een hevige woordenwisseling met haar Levy, die, naar haar gevoelen, dien avond te weinig werk van haar had gemaakt, en juffrouw Lauwers verheugde er zich over, dat zij de trotsche Louise Walker eens geducht gekrenkt had.

151

-ocr page 158-

DE FAMILIE WALKER.

132

In weerwil van dit een en ander werd in sommige kringen te Amsterdam nog langen tijd met veel ophef gesproken over de schitterende partij, die door den heer Walker gegeven was, en over den »vroo-lijken avondquot;, dien de gasten bij hem hadden doorgebracht.

-ocr page 159-

VII.

Een rabnlist van onzen tijd.

Het gebeurt niet zelden dat men een familie door gansche geslachten heen met loffelijke hardnekkigheid naar hetzelfde ideaal ziet streven. Heeft een stamvader zich als geneesheer of advocaat beroemd weten te maken. de nakomelingschap droomt altijd van een nieuwe doctorale of juridische ster in de familie. Wanneer men een knaapje, dat zulk een beroemden naam uit de vorige eeuw draagt, een geestigen zet hoort doen, al is het ook soms per abuis, dan heerscht bij de gansche familie de volle overtuiging, dat hij eens de voetstappen van zijn overgrootvader zal gaan drukken ; de grootmoeders vooral zijn er zeker van dat de geest haars vaders in dit veelbelovend jongske zal herleven.

Zulk een traditioneel uitzicht heeft sinds onheuglijke tijden geheerscht onder hen, die den naam van Schrabben dragen. Bij alle mannelijke en vrouwelijke leden dier uitgebreide familie vond men in de pronkkamer het silhouet van een man, met staartpruik en bef, die ongetwijfeld gedurende zijn leven reeds het voorgevoel had gesmaakt, dat hij eenmaal de patriarch van zijn

-ocr page 160-

DE FAMILIE WALKER.

geslacht zou worden genoemd , want hij hield het hoofd, in het besef zijner waardigheid, hoog opgeheven en zijn zware onderkin zwol met onmiskenbaar zelfbehagen over de dikke witte das heen. Dat was dominus Judo-cus Schrabbenus, de hevige bestrijder der Remonstranten, wiens geschrift De spelonk der dwaling he indertijd in ons land evenveel vereerders vond als Bunyan\'s Enge Poorte. Elke eerstgeborene van het mannelijk oir in de familie Schrabben kreeg den doopnaam Judocus en in die familie waren er niet weinigen, die zulk een Judocus voorbeschikt achtten voor het predikambt. Dit blijkt ook uit een geslachtslijst , door zekere juffrouw Schrabben te Utrecht eigenhandig in den Staten-Bijbel geschreven. Deze lijst is echter zeer onvolledig, want zij begint eerst met hel jaar 1810 en eindigt in \'t jaar 1838, toen juffrouw Schrabben stierf in de overtuiging dat hare oogen nog een nieuwen Judocus Schrabbenus hadden mogen zien. In die geslachtslijst leest men o. a. het volgende; »Anno 1810 den 1. December is mijn mans vader Judocus Schrabben, bedienaar des goddelijken woords, in den ouderdom van 81 jaren en anderhalve maand aan watersugt en verval van kragten overleden.

«Anno 1811 den 5. Mei doe is ons een soon geboren. \'t Kint is gedoopt in de Jacobikerk door ds. Wolterbeek met den naam Judocus, naar sijn grootvader, en is bestemd voor den heiligen dienst.quot;

154

-ocr page 161-

EEN RABULIST VAN ONZEN TIJD.

Men ziet dat de predestinatie afhankelijk werd gemaakt van den erfelijken naam; hier bleek intusschen alweder de waarheid van het spreekwoord, de mensch wikt, maar God beschikt, zooals men uit het volgende kan zien.

«Anno 1811 den 1. December doe is ons kint Judocus overleden, op den sterfdag van zijn grootvader Judocus, in den ouderdom van seven maanden aan de stuypen en leyd begraven in de Klaaskerk in ons graf; sijn oom Judocus heeft hem daar na toe gedragen.

«Anno 1812 den 2. Februari is ons andermaal een soon geboren, die in de Buurtkerk gedoopt is door ds. Hugenholtz en den naam ontving van Judocus; hij is bestemd voor de bediening.quot;

Deze Judocus heeft zijne bestemming bereikt en mocht zich later ook nog verheugen in het voortleven van zijn naam. zooals blijkt uit de geslachtslijst, waarvan wij slechts een uittreksel leveren.

«Anno 1838 den 24. Augustus op koningsdag (1) doe is mijn schoondochter Judoca bevallen van een soon. Hij is in de Geertekerk gedoopt door ds. Merens jnet den naam Judocus na zijn vader en grootvader, en is bestemd voor den heiligen dienst.quot;

155

Hier eindigt de geslachtslijst in den Staten-Bijbel.

(1) Koning Willem I was op dien dag jarig.

-ocr page 162-

DE FAMILIE WALKER.

Kort daarna stierf juffrouw Schrabben en dat was maar goed ook, want wanneer zij nog eenige jaren liad moeten leven, zou zij ondervonden hebben, dat alle menschelijke berekeningen slechts ijdel zijn, zelfs al worden zij ook gemaakt op den onsterfelijken naam van Judocus Schrabbenus.

De jongste, wellicht de laatste der Judocussen van het geslacht Schrabben, werd met zorg opgekweekt voor zijn voorbeschikte bestemming, in de schaduw der silhouette des beroemden mans, evenals een kroonprins in de schaduw van den troon, dien hij eenmaal zal bestijgen. Van zijn tiende jaar af moest hij dagelijks een hoofdstuk lezen in De spelonk der d w a 1 i n g h e, alsmede in nog een ander geschrift van zijn grooten voorzaat getiteld: Sleutel op het Hooglied Salomo\'s, doch ofschoon zijn vader met een volle nicht was gehuwd, die denzelfden naam droeg — een voorrecht, waarop men zich in de familie tot dusverre nog niet had mogen beroemen — leverde de jongste der Judocussen het bewijs dat een appel wel .eens ver van den stam kan vallen. Als student aan de academie gaf hij zich aan de grootste ongebondenheid over, hij las niet alleen niet meer in D e spelonk der dwalinghe of in den Sleutel op liet Hooglied Salomo\'s, maar verslingerde zijn jeugd in de spelonken van ontucht en volgde wel Salomons voorbeeld, maar niet zijne lessen. Tot schande

156

-ocr page 163-

EEN KABÜLIST VAN ONZEN TIJD.

van den naam, dien hij droeg, werd hij wegens wangedrag van de lijst der proponenten geschrapt. Zijn vader stierf van verdriet. Waartoe zou hij ook nog langer leven? De kroon was van zijn hoofd gevallen, de laatste erfgenaam van den beroemden naam had zijn verzenen tegen den prikkel gesteld; nimmer zou, zoolang de wereld bestond, na hem een Judocus Schrabben den kansel beklimmen.

Onze Judocus gevoelde zich intusschen van een grooten last ontheven, toen hij van de traditioneele verplichting, aan zijn naam verbonden, ontslagen was. Van zijne familie verstoeten, zonder eenig middel van bestaan, daar hij zijn vaderlijk erfdeel tot den laat-sten cent verkwist had, zag hij zich genoodzaakt als klerk — eerst bij eefn procureur, later bij een advocaat — zijn kost te verdienen. Aan een schrander oordeel en natuurlijke begaafdheden ontbrak het hem intusschen niet; toen hij enkele jaren in het wespennest van rechtsgedingen had doorgebracht, vestigde hij zich te Amsterdam als practizijn of zaakwaarnemer en kreeg om zijn voortvarendheid en geslepenheid weldra een gewenschte reputatie. Dat was hem intusschen niet genoeg, zijn rusteloos werkzame geest streefde naar hooger; hij legde zich met ijver op zijn lievelingsstudie, de rechtsgeleerdheid, toe en promoveerde eindelijk tot verwondering van velen, tot ergernis der advocaten, die hem maar al te goed ken-

157

-ocr page 164-

DE FAMILIE WALKER.

den, in beide rechten. De laatste der Judocussen was dus niet op den kansel, maar voor de balie aanbeland.

Wij hebben Mr. Schrabben reeds ten huize van Ferdinand Walker ontmoet, die met hem in kennis was gekomen door zijn oom, den majoor, wiens raadgever en handlanger hij was; er viel dien avond niets bijzonders van hem te zeggen, want Schrabben was, als gewoonlijk in een gezelschap, afgetrokken; \'t scheen dat hij de gulden spreuk: spreken is zilver, zwijgen is goud, in practijk wilde brengen, doch de waarheid was dat zijn geest zich altijd met processen en rechtsknevelarijen bezig hield. Om hem goedteleeren kennen, willen wij hem daarom midden in zijn werkkring bezoeken.

\'t Is tien uur in den morgen. Mr. Schrabben zit voor zijn schrijftafel en rangschikt eenige bundels papieren, allen voorzien van roode linten, als zoovele bloedige strepen door de berekeningen van velen, die ooit een voet in die kamer gezet hebben. Er liggen verschillende wetboeken en rechtsgeleerde geschriften voor hem en naast hem staat een snippermand met verscheurde briefjes, van wie weet hoeveel verscheurde harten. Er heerscht bij zekere weelde groote nonchalance in dit vertrek, dat aan een studentenkamer doet denken. Bij een kostbare kristallen water-karaf en glas staan op de tafel een paar geopende sigarenkisten, op

158

-ocr page 165-

EEN RABDLIST VAN ONZEN TIJD.

een boekenrek liggen prachtige banden onordelijk door elkander, en men kan wel zien dat de advocaat gewoon is menschen van allerlei stand te ontvangen, want behalve de gewone stoelen staan, dicht in zijne nabijheid, twee fraaie fauteuils. Wie daarin een plaats krijgt, kan er op rekenen dat hij die met goud moet betalen.

Naast dit heiligdom van Themis is een kantoor, waar twee klerken aan een grooten lessenaar in groote boeken werkzaam zijn. De jongste is alleen belast met copieerwerk, de oudste, die Knover heet, is in de meeste geheimen van zijn patroon ingewijd; hij weet ieder bezoeker schoentjes naar voetjes te geven en buigt of brutaliseert naar gelang de patiënten — zooals hij ze noemt — in de veêren zitten.

Mr. Schrabben schelt, Knover treedt binnen.

»Is de onkosten-rekening van Pietersen gereed?quot; vraagt de advocaat.

»Ja, mijnheer.quot;

«Hoe hoog is ze?quot;

«Ik geloof zeventien gulden zes en dertig en een halve cent.quot;

» Goed, tel er dan nog tachtig centen bij, want ik heb gisteren in de sociëteit met hem een onderhoud over de zaak gehad; schrijf hem dat hij over zijn pretentie van /21.00 na aftrek der kosten kan beschikken.quot;

«Best, mijnheer.quot;

159

-ocr page 166-

DE FAMILIE WALKER.

»Hier is een brief van mijn collega Verpiggen te Rotterdam over die kleine quaestie in de nalatenschap van Van Diggelen. Zijn cliënt heeft gelijk, en er is mets aan te doen, maar vraag Verpiggen eens of die man een stootje kan velen en doe hem in dat geval het voorstel, de zaak toch maar door te zetten. Breng den Erven Van Diggelen intusschen zeven en dertig gulden vijftig in rekening voor de voorloopige bemoeiingen; hier is de specifieke nota.quot;

»Best, mijnheer.quot;

»Overmorgen komt de zaak van Slijmberg voor. Loop m het middaguur eens bij hem aan en zeg dat ik genoegen neem met zijn voorstel wanneer hij van-daag nog, behalve de dagvaarding, dertien gulden tachtig betaalt voor gemaakte onkosten.quot;

«Zijn vrouw ligt gevaarlijk ziek, mijnheer.quot;

Juist, des te eerder zal hij de zaak uit de voeten willen maken.quot;

«Is er nog iets anders, mijnheer?quot;

^Voor het oogenblik niet, Knover.quot;

De vertrouwde verlaat het heiligdom van den Rabu-hst, die de Ideeën van Multatuli opslaat om zich eenige oogenblikken te ontspannen.

Kort daarna worden brieven gebracht; de advocaat loopt ze vluchtig door en legt ze met aanteekeningen verrijkt ter zijde. Een is er bij die hem doet glimlachen. Een zijner vrienden doet een goed woord voor

1G0

-ocr page 167-

EEN RABULIST VAN ONZEN TIJD.

een brave maar ongelukkige familie, die om een pretentie op groote kosten gejaagd is. «Wat sentimen-teele bui,quot; zegt de advocaat; «de inboedel van dien vent is nog goed voor de vordering met de kosten; wat gaat mij het overige aan.quot;

Er wordt geklopt.

«Binnen !quot;

Knover treedt de kamer in, en doet de deur achter zich dicht. «Daar is de bakker Verzoelen,quot; zegt hij, «het is de derde maal van de week, hij wenscht u te spreken.quot;

«Zeg dat ik op het oogenblik geen tijd heb.quot;

«Dat heb ik reeds te kermen gegeven, maar hij wil wachten tot het u gelegen komt.quot;

«Zoo! Welnu, laat hem binnenkomen, maar breng dan zijn onkostenrekening mede.quot;

De bakker moest wachten tot Knover gereed was en dat duurde vrij lang. Eindelijk werd het hem vergund toegang te krijgen tot den advocaat, die hem zeer welwillend verzocht plaats te nemen.

«Ik kom eens hooren naar het rekeningetje dat mijnheer al zoolang in handen heeft,quot; sprak de bakker.

»Er is nog geen geld ingekomen, Verzoelen.quot;

«Maar, mijnheer, \'t is nu al anderhalf jaar geleden, dat ik u toevallig daarover aansprak. Ik heb u het briefje op uw verzoek gegeven, want dan zou er, naar uw gedachten, wel spoedig een einde aan komen.quot; 1 3 11

161

-ocr page 168-

DE FAMILIE quot;WALKER.

«\'t Is uw eigen schuld dat het zoolang duurt, Ver-zoelen, ik heb u reeds lang een dagvaarding aangeraden, maar je wil niet.quot;

«Neen, mijnheer, dat kan ik niet over mijn hart krijgen en daarenboven waag ik goed geld voor kwaad geld.quot;

«Maar wat is dan je verlangen, Verzoelen?quot;

«Ik zou gaarne het briefje terughebben, mijnheer, al moet ik dan ook een bagatel kosten betalen, ofschoon u beloofde mij een pleizier te willen doen , omdat u bij mijn broer op kamers heeft gewoond. Ik wil dan zelf liever zien of ik het niet met paaiementen binnen kan krijgen.quot;

«Zooals je wil, Verzoelen, maar je zal wel begrijpen dat er onkosten op geloopen zijn. Ik heb anderhalf jaar lang briefjes geschreven, boodschappen gezonden en ook meermalen een onderhoud met uw schuldenaar gehad. Kom maar eens hier, dan zullen wij afrekenen. Uw vordering is twee en veertig vijftig, mijn nota is vier en veertig tachtig; je ziet dus dat de gansche som aan kosten verloren is gegaan.quot;

De bakker stond eensklaps van zijn stoel op als ware hij door een adder gestoken en zag den advocaat met groote oogen aan.

» Maar, mijnheer, wie heeft u last gegeven om zulke groote kosten te maken?\'\'

Schrabben haalde de schouders op. »Ie hebt niet

162

-ocr page 169-

EEN RABÜLIST VAN ONZEN TIJD.

gewild dat ik zou dagvaarden,quot; sprak hij, «maar mij bijna elke week aangespoord, met den man te spreken en de zaak in der minne te schikken; meen je dan, Verzoelen, dat ik mijn tijd en mijne bedienden voor ieder beschikbaar heb?quot;

«Maar dat is .... dat is afzetterij!quot; riep de bakker verontwaardigd.

Schrabben wierp zich achterover in zijn stoel, draaide den penhouder in zijne vingers rond, zag den man met zijne grauwe oogen scherp aan en zeide:

«Wees voorzichtig, Verzoelen, want zulke uitdrukkingen zouden u heel wat meer gaan kosten. Aan uwe onnoozelheid schrijf ik het toe, dat je niet inziet hoe redelijk ik u heb behandeld, en ik wil nog wel iets voor u doen, omdat ik zoolang bij uw broeder heb gewoond. Ik schenk u het saldo dat mij toekomt en neem de pretentie, die niets waard is, voor mijne rekening, daarmede is dan de zaak afgedaan.quot;

«Dat geloof ik wel,quot; sprak de bakker, die zich nauwelijks langer kon bedwingen.

«Daardoor bespaar je twee gulden veertig cents,quot; vervolgde de advocaat, «want van de pretentie komt nimmer iets terecht, dat begrijp je toch ook wel, nu wij in anderhalf jaar geen stap verder zijn gekomen.quot;

De bakker had zijn hoed van den grond opgenomen. »Ik wil dan eerst nog eens zien of voor een eerlijk man geen recht te verkrijgen is,quot; zeide hij; «er zul-

163

-ocr page 170-

DE FAMILIE WALKER.

len nog wel advocaten te vinden zijn, die zulke schurkerij evenzeer verfoeien als ik.quot;

Hij verliet zonder verder een woord te spreken de kamer. De advocaat schelde, Knover trad binnen.

«Noteer op de rekening van den bakker Verzoelen een gulden tachtig voor een advies,quot; sprak hij.

» Best, mijnheer! — Van Breugel uit de Hoogstraat wenscht u te spreken.quot;

«Laat hem wachten tot ik u roep; zoo zich in dien tijd nog iemand aanmeldt, kom het mij dan zeggen.quot;

«Goed, mijnheer.quot;

Knover vertrok, de advocaat stak een sigaar op en zette zich behaaglijk in zijn stoel neder. De rookwolkjes kronkelden naar boven, hij staarde ze schijnbaar gedachtenloos achterna, doch men kon aan de beweeglijkheid van zijn mond toch wel zien, dat iets buitengewoons in hem omging. ))Wat is de wraak zoet,quot; hoorde men hem zeggen, en toen hij den naam van Van Breugel uitsprak, vormde zich om zijn mond een glimlach, dien men duivelachtig kon noemen. «Die man heeft mij liever tot vijand dan tot schoonzoon gehad; welnu, hij moet het zelf weten.quot;

Er ging een kwartier en een half uur voorbij en nog altijd werd de cliënt niet toegelaten. Eindelijk schelde de advocaat; te gelijk ging hij voor zijn schrijftafel zitten, nam een pen en deed alsof hij ijverig aan het werk was.

164

-ocr page 171-

EEN HABÜLIST VAN ONZEN TIJD.

Van Breugel trad binnen en bleef niet ver van de .deur staan. Hij was een man van nauwelijks vijftig jaren, doch zijne haren begonnen reeds wit te worden. De advocaat was zoo in zijn werk verdiept dat hij hem niet scheen te hooren. Dit hield eenige minuten lang aan.

«Mijnheer Schrabben,quot;.... waagde het eindelijk de cliënt te zeggen.

«Ah, Van Breugel,quot; sprak de advocaat zich schijnbaar verrast omkeerende.

«Ik ben nogmaals zoo vrij hier te komen,quot; zoo begon Van Breugel, doch de advocaat liet hem niet uitspreken. «Wil u wel zoo goed zijn de deur dicht te doen?quot; vroeg hij.

De cliënt gehoorzaamde.

»Zoo! Wat is er nu van uw dienst?quot;

»Ik heb een aanmaning van u ontvangen , mijnheer, om binnen drie dagen de vordering van....quot;

«Welke vordering? Ik heb er meer dan een te uwen laste.quot;

»Dat weet ik, helaas, maar al te goed, mijnheer, doch in het briefje dat ik dezen morgen ontving, was slechts van één pretentie spraak.quot;

«Zoo, ja, laat eens zien,quot; sprak de advocaat zijn agenda in de hand nemende, «drie en zeventig zes en dertig; kan je die weer niet betalen ?quot;

Dat weer niet was een dolksteek; de advocaat

165

-ocr page 172-

DE FAMILIE WALKER.

wist het zeer goed. Hij zag het slachtoffer aan om er zich van te overtuigen dat de stoot raak geweest, was.

»Ik kom slechts veertien dagen uitstel verzoeken.quot;

«Zoo, veertien dagen, maar dat gaat niet, ik heb last u onmiddellijk te vervolgen en mag daarvan niet afwijken.quot;

»Ik weet dat de crediteur een vriend van u is, mijnheer, een goed woord van u kan alles afdoen.quot;

De advocaat haalde de schouders op. »Waarom zorg je dan ook niet wat vroeger voor de afdoening ?quot; vroeg hij.

«Wanneer iedereen daarvoor stipt kon zorgen, zou hier niet veel te doen vallen, mijnheer,quot; antwoordde Van Breugel met een pijnlijken glimlach. «U weet wel dat ik in de laatste jaren veel tegenspoeden heb gehad en ik kan nog mijn brood wel verdienen, maar het schijnt dat ik vijanden heb die mij in mijn crediet benadeelen. De wissel, die thans in uwe handen is, werd mij gisteravond voor de eerste maal vertoond, en omdat hij niet terstond betaald werd, is hij onmiddellijk in uwe handen gekomen. Is dat niet ongehoord?quot;

«Maar gaan de zaken dan zoo slecht?quot; vroeg de advocaat als hadde hij van het laatste geen woord verstaan.

«Ik zeg u dat ik mijn brood nog wel kon hebben, als men mij het vel niet over de ooren haalde, doch

166

-ocr page 173-

EEN RABULIST VAN ONZEN TIJD.

\'t is of men gezworen heeft mij in het ongeluk te storten.quot;

))Kan de familie van uwe vrouw niet bijspringen? ik ken er wel onder die er warmpjes in zitten.quot;

«Och, mijnheer Schrabben,quot; antwoordde Van Breugel, »de ondervinding leert dat men in den nood bij familie het allerminst moet aankloppen.quot;

»\'t Is waarhernam de advocaat met volle overtuiging; hij had daar vroeger veel ondervinding van opgedaan. »Maar je verdient nu en dan nog wel eens wat buiten uwe affaire, niet waar?quot;

Van Breugel zag hem vragend aan.

))Ben je niet gewoon den deurwaarder Meeker bij protesten als getuige te assisteeren ?quot;

»0 ja, maar dat werpt niet veel af.quot;

»Doch het rooft u ook niet veel tijd, niet waar, en \'t is gemakkelijk voor Meeker dat hij u altijd bij de hand heeft. Wien gebruikt hij gewoonlijk voor tweeden getuige?quot;

«Den kleermaker Loever tegenover mij.\'\'

))Je behoeft dus beiden slechts een oogenblik op zijn kantoor te komen en alles is spoedig afgeloopen.quot;

»Het kost mij nauwelijks een half uur; \'t weinige dat het afwerpt, kan ik dus gemakkelijk meenemen.quot;

«Een oogenblik, Van Breugel,quot; sprak de advocaat, terwijl hij een pen opnam, »je kan wel zoolang gaan zitten.quot;

167

-ocr page 174-

DE FAMILIE WALKER.

De man gevoelde zich echter te diep gekrenkt om van dat aanbod gebruik te maken; hij bleef staan.

Schrabben schreef haastig een brieve, schelde en zeide tot Knover, toen deze binnentrad: «Laat dit onmiddellijk bezorgen.quot;

»En hoe denk je nu over die pretentie van drie en zeventig zes en dertig?quot; vroeg hij, zijn stoel omdraaiende , aan Van Breugel.

«Zooals ik u reeds gezegd heb, mijnheer Schrabben, ik wenschte veertien dagen uitstel.quot;

«Onmogelijk.quot;

«Ik heb u een maand geleden toch bewezen dat ik woord weet te houden, mijnheer; op den bepaalden dag waren de honderd gulden in uw bezit.quot;

«Je ben toen waarschijnlijk door een vriend bijgestaan , maar die vindt men elk oogenblik maar zoo niet.quot;

Van Breugel kreeg een kleur. Vrienden bezat hij niet, wie heeft ze wanneer hij in zorgen zit? Zijn dochter had hem een offer gebracht, hij zou dit echter voor geen geld van de wereld aan den advocaat bekend hebben; daarom zweeg hij.

«En hoe moet het dan met de andere pretenties gaan, die nog loopen?quot;

« Met Gods hulp zal ik daar ook wel doorkomen, mijnheer, als men het onmogelijke maar niet van mij vergt.quot;

«Zulke wissels op den hemel worden niet licht ge-

i68

-ocr page 175-

EEN RABÜLIST VAN ONZEN TIJD.

disconteerd, Van Breugel,quot; sprak de advocaat met een spotlach om de lippen. «Je kan op den duur onmogelijk staande blijven, man , \'t is daarom beter voor u naar een ander bestaan uit te zien.quot;

»\'t Is in onzen tijd niet gemakkelijk aan een betrekking te komen, mijnheer; daarenboven zou ik mijne zaak niet dan met groot verlies kunnen verkoopen en hoe wil ik dan mijne crediteuren tevreden stellen?quot;

«Ik ben wellicht in staat u een betrekking te bezorgen, die een ruim bestaan oplevert en daarenboven nog het uitzicht om met uwe crediteuren geheel op gladden bodem te komen.quot;

\'t Was of een lichtstraal over het bedrukte gelaat van den gefolterden man vloog , doch dit duurde slechts een oogenblik, want zij werd terstond verdrongen door de gedachte dat hij van Schrabben onmogelijk hulp kon verwachten.

»Er wordt in een der vereenigingen alhier een kastelein gevraagd,quot; vervolgde de advocaat. «Aan die betrekking is verbonden: vrije woning, brand en licht, alsmede een jaarlijksch inkomen, dat op minstens vijftienhonderd gulden geschat wordt. Door mijn invloed bestaat er misschien kans dat je bovenaan komt op de lijst der sollicitanten. De eenige voorwaarde is dat je lid wordt van de broederschap der Vrijmetselaars.\'

»Ik dank u, mijnheer,quot; sprak Van Breugel op een toon, die afkeer te kennen gaf.

1G9

-ocr page 176-

DE FAMILIE WALKER.

»Je acht dit zeker in strijd met je geweten of zoowat?quot; vroeg de advocaat sarrend.

»Zeer juist, mijnheer,quot; antwoordde Van Breugel bedaard en met waardigheid; »ik ben katholiek en kan geen lid worden van een genootschap dat door de Kerk veroordeeld is.quot;

» Zoo, is de vrijmetselarij door de Kerk veroordeeld ? Verdoemd zeker? want uwe Kerk vloekt en zegent er maar op los; doch hoe komt het dan dat zoovele katholieken tot onze broederschap behooren?quot;

«Ik weet het niet, mijnheer Schrabben, maar volgens mijn gevoelen zullen dat Katholieken zijn als sommigen, die zich Christen noemen en nauwelijks aan God gelooven.quot;

«Zoo, zoo! denk je dat?quot; hernam de advocaat altijd op denzelfden sarrenden toon; »\'t schijnt tot de eigenaardigheden van die kerkelijke leer te behooren om maar ieder te veroordeelen en te verdoemen, die niet op commando gelooft, wat hem wordt voorgepreveld. Maar zeg mij eens, hoe kan je het met je geweten en godsdienstige overtuiging overeenbrengen, de toekomst van je familie te verwoesten en de schuld-eischers in de onmogelijkheid te stellen, in het bezit te geraken van hetgeen hun wettig toekomt ?

«Wij moesten dit gesprek staken, mijnheer Schrabben sprak Van Breugel, »ik wil alles doen wat in mijn vermogen is, om iedereen te geven wat hem

170

-ocr page 177-

EEN RABULIST VAN ONZEN TUD.

toekomt, en zou daarvoor en voor de toekomst van mijn gezin gaarne mijn leven ten offer brengen, maar er is iets dat ik hooger schat dan het leven.quot;

»De gehoorzaamheid aan de alleen zalig- en heilig-makende Kerk, waarschijnlijk? \'t Is goed, wij zullen er dan maar niet verder over spreken, mijn tijd is bovendien zeer beperkt. Zorg nu maar dat binnen drie dagen de drie en zeventig gulden zes en dertig cents in mijn bezit zijn, dan zal met je geweten tevens een der crediteuren gerustgesteld zijn.quot;

«Binnen drie dagen?---- \'tls mij niet mogelijk,quot;

sprak Van Breugel huiverend.

«Dan moet je de gevolgen maar afwachten.quot;

«Bedenk, mijnheer, dat ik een huisvader ben, die...quot;

«Een huisvader, die besef heeft van zijn plicht, zou anders handelen. Doch, \'tis genoeg, mijn tijd is te kostbaar om langer over dergelijke beuzelarijen te spreken.quot;

De advocaat schelde. Van Breugel waagde het nog een enkel woord te zeggen, doch hij werd afgescheept met de barsche woorden: «Ik herhaal het, er is niets aan te doen, dat is mijn laatste woord. — Dag, Van Breugel!quot;

De kruidenier, ofschoon diep gekrenkt, gevoelde niet meer de verlegenheid , welke hem bij zijne komst beving; hij wierp een blik vol verachting op den advocaat en verliet met opgeheven hoofd de kamer.

171

-ocr page 178-

DE FAMILIE WALKER.

Hij was volkomen bewust van zijn hachelijken toestand, doch gevoelde zich desniettemin ver verheven boven zijn vervolger.

Mr. Schrabben had zeer goed gezien met hoeveel verachting Van Breugel hem aanzag; hij knarste van nijd op de tanden, want zijn doel was niet bereikt: hij had verwacht dat zijn slachtoffer zich voor hem zou krommen. »Ik zal dien dweper doen gevoelen, wien hij heeft beleedigd,quot; mompelde hij. «Hoe heb ik er ooit aan kunnen denken de schoonzoon van dien man te worden! En toch de keus was zoo slecht nog niet; zijne dochter is een engel en ofschoon hij nauwelijks zijn brood verdient, eens zal hem eene rijke erfenis ten deel moeten vallen, dat weet ik, en\'t zou mij niet moeielijk gevallen zijn hem op grond daarvan voorschotten te verschaffen, waarmede hij zijn zaken had kunnen uitbreiden. Nu zal ik hem echter vóór dien tijd in het verderf storten, dat zweer ik.\'

Na dit humane voornemen te hebben gemaakt, ging de voorstander der vereeniging tot bescherming der dieren nogmaals voedsel voor den geest zoeken in de Ideeën van Multatuli.

Hij las: «Wanneer men in de kerk zich inderdaad bezig houdt met de vertellingen, die daar worden uitgekraamd, \'tis onmogelijk nuchter thuis te komen.

«Jesus heeft veel schoons gezegd. Maar \'tschoone.

172

-ocr page 179-

EEN RABÜLIST VAN ONZEN TUD.

dat hij gezegd heeft, beslaat geen half vel druks (7| cent).quot;

De afstammeling van dominus Schrabbenus was zoo verdwaald in de Spelonk der dwalinghevan onzen tijd dat hij bij die godslasterlijke woorden in een schaterlach uitbarstte.

«Heeft u geroepen, mijnheer?quot; vroeg Knover,die de kamer binnentrad.

))]STeen.quot;

»Ik dacht het. — De zaakwaarnemer Slammers wenscht u te spreken; komt het u gelegen?quot;

De advocaat knikte en Knover ging heen.

»Je komt of je geroepen was, Slammers,quot; sprak Schrabben, »ga zitten.quot;

De .zaakwaarnemer zette zich in een blijkbaar onderdanige houding op een stoel neder. De man had aan vele kwade praktijken deelgenomen sinds hij zijn loopbaan begonnen was, doch men kon wel zien dat hem bij die menschenjacht de vetste brokken niet ten deel gevallen waren. Zijn hoofd geleek een raagbol, die, na vele jaren dienst, aan een baker of waschvrouw geschonken is, en op zijne kleeren had de schuier reeds jarenlang tevergeefs zijne krachten beproefd. Hij had overigens iets glads en buigzaams in zijne manieren en geleek, wanneer hij daar met zijn snuifdoos tusschen de vingers zat, op een acteur die zijn beste dagen heeft gehad en op een tooneel

173

-ocr page 180-

DE FAMILIE WALKER.

in de achterbuurt in de rol van een gentleman optreedt.

» Ben je gunstig geslaagd in het opsporen van preten-tiën ten laste van Van Breugel?quot; vroeg de advocaat.

«Betrekkelijk, mijnheer, betrekkelijk. U kan over twee vorderingen beschikken, maar.....quot;

«Tegen hoeveel percent ?quot;

«Dat wilde ik juist zeggen, mijnheer. De eene pretentie is ruim honderd gulden groot, de andere in de tachtig, doch men wil ze niet afstaan dan tegen het volle bedrag.quot;

«Wat is dat? Heb je dan niet duidelijk doen doorschemeren dat Van Breugel binnenkort voorgoed zijne betalingen zal moeten staken?quot;

«Zeker, mijnheer, ik heb zelfs gezegd dat hij nog deze week twee dagvaardingen te zijnen laste heeft.quot;

»En?quot; vroeg de advocaat ongeduldig.

«Men gaf mij ten antwoord dat de kruidenier een doodeerlijk man was.quot;

«Wat uilskuikens zijn dat! Alsof een schelm, die geld heeft, niet veel meer waard is dan een arme drommel met het eerlijkste hart van de wereld.quot;

Schrabben zat een oogenblik na te denken en zeide toen;

«Je ben er immers zeker van dat Van Breugel nog goed is voor de gezamenlijke pretenties?quot;

«Ongetwijfeld, ik geloof zelfs dat zijn tekort slechts eenige honderden guldens zal bedragen, wanneer hij zijn balans opmaakt; \'t ontbreekt den man aan be-drijfs-kapitaal en hij zet te weinig om.quot;

174

-ocr page 181-

EEN RABÜLIST VAN ONZEN TIJD. 175

«Zoo, luister dan eens goed naar mij. Je gaat morgen naar Van Breugel met een vordering, die ik uit Rotterdam op hem heb ontvangen en houdt u natuurlijk of je die zaak in handen hebt. Zeg dat je hem moet vervolgen en raad hem aan door uwe tusschenkomst tot een accoord met zijne schuldeischers le komen. Spiegel hem dat zoo mooi mogelijk voor en maak het aas zoo lekker als je kan voor zijn eerlijk hart, dan\' zal hij wel bijten. Morgen zal ik u mijn jongsten bediende, die weinig bekend is, meegeven,

om de bedoelde pretenties te koopen. Wat?____ Zet

maar geen zuur gezicht; ik moest een ezel zijn wanneer ik u, na hetgeen vroeger heeft plaats gehad, nogmaals in geldelijke zaken vertrouwen schonk. Je kan thans gaan, Slammers, mijn tijd is beperkt. Als alles naar wensch afloopt, zal ik het goed met je maken.quot;

De zaakwaarnemer stond op, nam een snuifje, kuchte, haalde op armoedige wijze de schouders op, doch ging nog niet heen.

))Is weer schraalhans keukenmeester bij je?quot; vroeg de advocaat met een vernederenden glimlach. Hij haalde uit een geldzak, die op zijn schrijftafel lag, twee rijksdaalders en schoof ze den zaakwaarnemer toe met de woorden: » Nu geen cent voorschot meer, hoor.quot;

Slammers was nauwelijks vertrokken toen de deurwaarder Meeker binnentrad. De advocaat stond op en schoof een der fauteuils naderbij.

-ocr page 182-

dk familie walker.

«Ga zitten, mijnheer Meeker,\' sprak hij, «hoe

eaat uetL... Een lekkere sigaar?quot;

»Ik dank u,quot; antwoordde de deurwaarder droog, als vertrouwde hij die buitengewone vriendelijkheid -iet. »Ik heb vóór den middag nog dringende bezigheden af te doen-, zou ik mogen weten waarover u mli op dit oogenblik verlangt te spreken?

»Daar was zulk een groote haast niet bij, vriend; inline bedoeling was dat u bij gelegenheid eens h.er zou binnenloopen. Maar steek dan toch een sigaar op als je ten minste een half uur tijd hebt.

«Nu, een half uur kan ik er nog wel afnemen. «Mag ik u dan een glas madera aanbieden? «Verplicht, het is mij nog te vroeg.quot;

«\'tSpijt mij dat ik niets aan u kan kwijt raken, sprak de advocaat, middelerwijl hij een sigaar aansta , diep in zijn stoel ging zitten en de beenen over elkander sloeg. Vtls een buitengewone en wellicht ook piinliike zaak, waarover ik metu wenschte te spreken, mijnheer Meeker,quot; zoo begon hij; «maar ik ben gewoon klaren wijn te schenken en zal dan ook maar zonder omwegen mijne meening zeggen. U heett mij vroeger, toen ik nog niet gepromoveerd was eens verweten dat ik in de practijk middelen bezigde, die men onder fatsoenlijke practizijns — heette het zoo niet? ~ die men onder fatsoenlijke practizijns met

gewoon was.

-ocr page 183-

een rabulist van onzen tijd.

»Verweten is het juiste woord niet, mijnhe t Schrabben,quot; sprak de deurwaarder; «ik heb er u slechts op gewezen dat er, ten koste van onschuldige en onervaren menschen , onregelmatigheden plaats grepen, die ik ongeoorloofd en op den duur ook voor u gC vaarlijk achtte.quot;

))Nu, dat komt zoo wat op hetzelfde neer, maar daarom, vriend, mag het u ook niet verwonderen dat ik u op mijn beurt op groote onregelmatigheden opmerkzaam maak.quot;

))Van mijn kant?quot; vroeg de deurwaarder verwonderd. De advocaat knikte herhaaldelijk met het hoofd. »Vol-gens de wet is een deurwaarder of notaris verplicht zich, bij het protesteeren van een wissel, met twee getuigen vóór zonsondergang naar de woning van den wanbetaler te begeven, om daar protest van nonbetaling of non-acceptatie op te maken, niet waar?quot; »Zoo luidt het voorschrift,quot; sprak de deurwaarder. »En zoo is men het ook verplicht te doen, tenzij men daarvoor de bij de wet bepaalde straf of boete wil beloopen. \'t Is mij echter gebleken dat u door onregelmatigheid dit voorschrift met voeten treedt.quot;

De deurwaarder schoof ongeduldig op zijn stoel heen en weer; het stuitte hem dat hij uit den mond van iemand als Mr. Schrabben zulk een verwijt moest hooren »Het zal u wel niet onbekend zijn, mijnheer Schrabben,quot; sprak hij met verkropten wrevel, »dat I 3. 12

\'177

-ocr page 184-

DE FAMILIE WALKER.

bij vele mijner collega\'s de gewoonte bestaat, in sommige gevallen het protest op hun kantoor op te maken in het bijzijn van den wanbetaler en twee getuigen ; de gansche onregelmatigheid bestaat dus slechts in een kleine afwijking van den vorm, waartoe men alleen overgaat in het belang van personen, wier crediet op het spel gezet zou kunnen worden.\'\'

»Jawel,quot; hernam de advocaat met een valschen glimlach, «maar met die beweegreden heb ik zoo min als de wet iets te maken, ik constateer alleen het feit en beschuldig u van overtreding der wet.quot;

«Met uw welnemen, mijnheer,quot; sprak Meeker, die warm begon te worden, »ik geloof eigenlijk, dat u met de gansche zaak niets te maken heeft, dan voor zoover er voor u een soort van revancha in zit., ofschoon de gevallen niet gelijk zijn, dewijl de onregelmatigheden, waarvan u spreekt, niet ten nadeele, maar in het belang van het publiek plaats grijpen.quot;

«Ik herhaal dat de beweegredenen mij onverschillig zijn en wil er slechts op wijzen dat zulke onregelmatigheden nadeelige gevolgen voor u kunnen hebben.quot;

De deurwaarder haalde de schouders op. ))Wie zal daarmede te koop loopen,quot; zeide hij. »Meent men er echter bezwaar in te zien, dan staak ik de «onregelmatigheden,quot; die ik waarlijk niet in mijn belang heb begaan

))\'t Is mij geheel onverschillig of u daarmede al of niet wil voortgaan, vriend,quot; antwoordde de advocaat.

178

-ocr page 185-

EEN R.VBÜLIST VAN ONZEN TIJD.

»Maar wat wil u dan, mijnheer Schrabben?quot; vroeg de deurwaarder.

))Ik wil u eenvoudig doen zien, mijnheer Meeleer, dat iemand, die van kaatsen houdt, ook den bal terug verwachten moet, daarom zal ik een aanklacht bij de rechtbank tegen u indienen.quot;

))\\Vat!quot; riep de deurwaarder, terwijl hij verbaasd van zijn stoel opstond; «dit kan u toch geen ernst zijn?quot;

sik ben niet gewoon in dergelijke zaken te schertsen,quot; klonk het antwoord; ))ik moet u daarenboven ook nog zeggen dat ontkennen van uw kant niets zal baten, dewijl ik .voldoende bewijzen kan leveren.quot;

«Maar weet u wel, mijnheer, wat het gevolg van zulk een aanklacht zou kunnen zijn?quot;

»0, zeer goed; het verlies van uw ambt of voor het minst schorsing en een zware geldboete.quot;

De deurwaarder, die zijn ooren nauwelijks kon ge-looven, was bleek geworden als een lijk, zoodat zelfs zijn bevende lippen geheel kleurloos waren. «Maar, mijn hemel,quot; zeide hij, »hoe is het mogelijk dat iemands wraakzucht over een kleinigheid zoover kan gaan om den ondergang van een gansch huisgezin te berokkenen! Weet u wel, mijnheer Schrabben, dat mijn geheele toekomst op het spel staat, wanneer u aan uw voornemen gevolg geeft?quot;

»Dat is uwe zaak, mijnheer Meeker,quot; sprak de

179

-ocr page 186-

DE FAMILIE WALKER.

advocaat; »de aanklaclit ligt gereed, doch u kan het gevaar nog afweren.quot;

»En door welk middel?quot;

\' ^Luister eens, vriend! Daar is eigenlijk slechts één afdoend middel in de wereld en men kan er als het ware wonderen mee doen. Of men voor hoofden van wilde volksstammen of voor koningen bij de gratie Gods staat, dat .middel mist nooit zijne werking. In één woord, met geld is alles goed te maken. Betaal mij achthonderd gulden, dan trek ik mijn aanklacht in, en u heeft noch schorsing, noch boete te vreezen.

Meeker kon zijne verontwaardiging nauwelijks bedwingen , doch hij was overtuigd dat Mr. Schrabben in staat zou zijn aan zijn voornemen gevolg te geven. Daarom bedwong hij zich en vroeg acht dagen om zich te bedenken ; hij hoopte in dien tijd een uitweg te zullen vinden.

))Ik geef u drie dagen,quot; antwoordde Schrabben.

De deurwaarder vertrok met een buiging zonder verder een woord te spreken.

»Hij zal ongetwijfeld tot een schikking kcmen , sprak Schrabben, «want ik weet dat zijne vrouw de tering heeft; .alle opspraak zou doodehjk voor haar kunnen zijn.

180

Deze rabuüst (1) was een ijverig lid van verschillende humane vereenigingen en consulent van de maatschappij Vooruitgang.

(1) Advocaat die slechte praktijkon waarneemt.

-ocr page 187-

vin.

Ia de Hoogstraat.

Het is weder Zaterdagavond. In de woning van den kruidenier Van Breugel, dien wij bij den advocaat Schrabben hebben leeren kennen, heerscht de gewone bedrijvigheid aan dien avond eigen. Zijn de zorgen eener moeder, die een talrijk kroost bezit, op dat tijdstip in den regel grooter dan menigeen weet te beseffen, dit is vooral het geval, wanneer zij niet over dienstboden te beschikken heeft en de bron, waaruit het huisgezin zijn bestaan moet putten , weinig oplevert. Juffrouw Van Breugel is een knappe vrouw, veel knapper dan hare zuster, mevrouw Walker, al draagt zij dan ook geen grooten chignon en valsche tanden. Hare haren zijn grijs geworden , helaas, vóór den tijd, en de zorgen, die daarvan de oorzaak zijn, hebben ook scherpe lijnen in haar gelaat gegrift. Desniettemin ziet zij er kalm en gelaten uit en heeft voor elk der kinderen een goed woord over, al loopen zij haar ook in den weg bij het gereed leggen en gereed maken der Zondagskleeren, want aan het een ontbreekt een bandje, aan t ander een knoop en \'t derde moet

-ocr page 188-

DE FAMILIE WALKER.

nog wat vermaakt worden voor een kleintje, dat de afleggertjes van een ouder zusje moet dragen. Er zijn nu nog vier kinderen in huis, waarvan één blindgeboren is. Weinige maanden geleden waren er twee te gelijk aan het roodvonk overleden.

))Zie eens/\' sprak een der kinderen, dat aan den schoot der moeder stond, ))dit is nog een boezelaartje van zusje Marie; zij is nu met onzen Frans bij onzen lieven Heer, niet waar, moe?quot;

))Ja,quot; sprak de moeder, «God heeft ze tot zich genomen en wat God doet is welgedaan, daarom mogen wij nimmer morren en klagen.quot;

»Ik heb Marie en Frans nooit gezien,quot; zeide het blinde kind, «maar als ik in den hemel kom, zal ik ook oogen hebben, niet waar, moe?quot;

«Zeker, lief kind, en daar is het veel schooner dan hier.quot;

»Toen Marie en Frans dood waren en nicht Louise ze nog eens kwam zien, zeide zij: dat is een groot gemak in een klein kistje; wat meende nicht daarmee, moe?quot;

Er welde een traan in de oogen der moeder op. »Ik weet het niet, mijn kind,quot; antwoordde zij.

Wat moet het een moeder hard vallen, wanneer anderen en nog wel leden der familie, het sterven van hare kinderen als geluk beschouwen, om gemis aan tijdelijke goederen.

1821

-ocr page 189-

IN DE HOOGSTRAAT.

«Komsprak zij, »laat Suze met u het avondgebed doen, dan zal ik u naar bed brengen; maar vergeet niet een Onze Vader te bidden voor Karei, die te Rome is. Het wordt hoog tijd en Suze moet haar les uit den catechismus nog eens doorloopen.quot;

Van Breugel kwam nu en dan binnen, veel meer dan hem aangenaam was, daar hij liever gezien zou hebben, dat de winkel vol klanten was.

))lk heb daareven de brutale meid van uw lieve zus weder gehad,quot; sprak hij half schertsend. «Mevrouw liet zeggen dat er de vorige week valsche boonen in de koffie geweest waren, de rijst was veel te duur en de suiker vol meel. De meid zei dat zij alles in andere winkels veel beter en goedkooper kon krijgen; zij bedankte er ook voor in \'t vervolg zoo ver te loopen; als mevrouw nog langer menschen wilde bevoordeelen , die haar zoo slecht behandelden , moest zij zich maar van een andere meid voorzien.quot;

»En heeft zij nu betaald?quot;

«Wel toch niet; de rekening is nu weder met vijf gulden twintig vermeerderd en bedraagt thans ruim zeven en vijftig gulden.quot;

»Heeft zij geen antwoord gebracht op het briefje ?quot;

))Jawel, mondeling; mevrouw liet zeggen dat zij het nog eens zou inzien, maar voor de laatste maal; ik behoefde geen briefjes meer te schrijven.quot;

))Dat is toch ongehoord,quot; sprak de vrouw met een

183

-ocr page 190-

DE FAMILIE WALKER.

blos van verontwaardiging op het gelaat. »En wat heb je geantwoord?quot; vroeg zij.

»Dat mevrouw maar liever naar een anderen winkelier moest omzien, wanneer zij meende dat ik haar niet goed bediende/\'

«Maar waarom niet liever alles gezegd?quot;

»Dat zou een gemakkelijke wraakneming geweest zijn, maar dan zou ik mij juist schuldig gemaakt hebben aan \'t geen wij in je zuster laken; met de eer van zijn familie op de straat te brengen, wint men niets.quot;

»Je hebt gelijk.... Er is volk, Van Breugel.... neen, \'t is Bernard. Lieve Heer, wat zal dat nu weer zijn?quot;

De majoor trad binnen, opgeblazen als altijd, de onmisbare havanna-sigaar in den mond, een rotting met gouden knop in de hand en den zwaren gouden horloge-ketting en lorgnon op het witte vest. Hij \'iet de oogen minachtend rondgaan en groette nauwelijks.

))Weet je wel,quot; zoo begon hij zonder verdere inleiding, »dat je dochter Mina tegenwoordig op ongeoorloofde wegen gaat?quot;

»Wat zeg je?quot; riep de vader ontsteld. Demoeder was bleek geworden, doch bleef kalm. «Op ongeoorloofde wegen?quot; herhaalde zij, het oog vol bezorgdheid op haar broeder richtende.

»Zij maakt zeer vertrouwelijke wandelingen met den stuurman Oldringa. Die jongen bezit fortuin en je

\\ SI

-ocr page 191-

IN DE HOOGSTRAAT.

kan daarom wel denken dat hij geen goede inzichten zal hebben met.....quot;

))Met de dochter van een onbemiddeld burger, wil je zeggenzoo viel hem de moeder in de rede.

»Juist, en die vol schulden zit, zou ik er bij kunnen voegen.quot;

«Wanneer uw bezoek geen ander doel had dan mij en mijn kind te beleedigen,quot; sprak Van Breugel verontwaardigd, »zou je beter gedaan hebben met mijn huis als gewoonlijk voorbij te gaan. Heb jij mijn dochter in zulk slecht gezelschap ontmoet?quot;

))Ik niet, maar Louise,quot; antwoordde de majoor.

»Zoo!quot; sprak Van Breugel die op dat oogenblik een buitengewone hooghartigheid aan den dag legde. »Wij kennen Louise, niet waar? Dergelijk slecht gezelschap zou door haar zeker niet versmaad worden, \'t Is om de eer van mijn dochter dat ik u nog antwoord wil geven, Bernard! Ik weet dat zij den stuurman Oldringa op de wandeling ontmoet heeft en wat hij haar heeft medegedeeld strekt evenmin u als Louise en hare moeder tot eer. \'t Zou beter zijn uw eigen zuster te waarschuwen tegen lastertongen die roekeloos rondspringen met de reputatie harer naaste familie. Als wij bij familiefeesten over het hoofd gezien worden, moest men ook zoo goed zijn onzen goeden naam en vooral dien van mijne dochter in de gesprekken met vreemden buiten spel te laten.quot;

185

-ocr page 192-

DE FAMILIE WALKER.

nog wat vermaakt worden voor een kleintje, dat de afleggertjes van een ouder zusje moet dragen. Er zijn nu nog vier kinderen in huis, waarvan één blindgeboren is. Weinige maanden geleden waren er twee te gelijk aan het roodvonk overleden.

«Zie eens/\' sprak een der kinderen, dat aan den schoot der moeder stond, ))dit is nog een boezelaartje van zusje Marie; zij is nu met onzen Frans bij onzen lieven Heer, niet waar, moe?\'\'

))Ja,quot; sprak de moeder, «God heeft ze tot zich genomen en wat God doet is welgedaan, daarom mogen wij nimmer morren en klagen.quot;

»Ik heb Marie en Frans nooit gezien,quot; zeide het blinde kind, J»maar als ik in den hemel kom, zal ik ook oogen hebben, niet waar, moe?quot;

«Zeker, lief kind, en daar is het veel schooner dan hier.quot;

»Toen Marie en Frans dood waren en nicht Louise ze nog eens kwam zien, zeide zij: dat is een groot gemak in een klein kistje; wat meende nicht daarmee, moe?quot;

Er welde een traan in de oogen der moeder op. »Ik weet het niet, mijn kind,quot; antwoordde zij.

Wat moet het een moeder hard vallen, wanneer anderen en nog wel leden der familie, het sterven van hare kinderen als geluk beschouwen, om gemis aan tijdelijke goederen.

4 82

-ocr page 193-

IN DE HOOGSTRAAT.

»Komsprak zij, »laat Suze met u het avondgebed doen, dan zal ik u naar bed brengen; maar vergeet niet een Onze Vader te bidden voor Karei, die te Rome is. Het wordt hoog tijd en Suze moet haar les uit den catechismus nog eens doorloopen.quot;

Van Breugel kwam nu en dan binnen, veel meer dan hem aangenaam was, daar hij liever gezien zou hebben, dat de winkel vol klanten was.

»Ik heb daareven de brutale meid van uw lieve zus weder gehad,quot; sprak hij half schertsend. «Mevrouw liet zeggen dat er de vorige week valsche boonen in de koffie geweest waren, de rijst was veel te duur en de suiker vol meel. De meid zei dat zij alles in andere winkels veel beter en goedkooper kon krijgen; zij bedankte er ook voor in \'t vervolg zoo ver te loopen; als mevrouw nog langer menschen wilde bevoordeelen, die haar zoo slecht behandelden, moest zij zich maar van een andere meid voorzien.quot;

))En heeft zij nu betaald?quot;

))Wel toch niet; de rekening is nu weder met vijf gulden twintig vermeerderd en bedraagt thans ruim zeven en vijftig gulden.quot;

«Heeft zij geen antwoord gebracht op het briefje?quot;

»Jawel, mondeling; mevrouw liet zeggen dat zij het nog eens zou inzien, maar voor de laatste maal; ik behoefde geen briefjes meer te schrijven.quot;

»Dat is toch ongehoord,quot; sprak de vrouw met een

183

-ocr page 194-

DE FAMILIE WALKER.

blos van verontwaardiging op het gelaat. «En wat heb je geantwoord?quot; vroeg zij.

))Dat mevrouw maar liever naar een anderen winkelier moest omzien, wanneer zij meende dat ik haar niet goed bediende.quot;

»Maar waarom niet liever alles gezegd?quot;

»Dat zou een gemakkelijke wraakneming geweest zijn, maar dan zou ik mij juist schuldig gemaakt hebben aan \'t geen wij in je zuster laken; met de eer van zijn familie op de straat te brengen, wint men niets.quot;

»Je hebt gelijk.... Er is volk, Van Breugel.... neen, \'t is Bernard. Lieve Heer, wat zal dat nu weer zijn?quot;

De majoor trad binnen, opgeblazen als altijd, de onmisbare havanna-sigaar in den mond, een rotting met gouden knop in de hand en den zwaren gouden horloge-ketting en lorgnon op het witte vest. Hij liet de oogen minachtend rondgaan en groette nauwelijks.

))Weet je wel,quot; zoo begon hij zonder verdere inleiding, »dat je dochter Mina tegenwoordig op ongeoorloofde wegen gaat?quot;

))Wat zeg je?quot; riep de vader ontsteld. Demoeder was bleek geworden, doch bleef kalm. »Op ongeoorloofde wegen?quot; herhaalde zij, hel oog vol bezorgdheid op haar broeder richtende.

))Zij maakt zeer vertrouwelijke wandelingen met den stuurman Oldringa. Die jongen bezit fortuin en je

4 84

-ocr page 195-

IN DE HOOGSTRAAT.

kan daarom wel denken dat hij geen goede inzichten zal hebben met....

»Met de dochter van een onbemiddeld burger, wil je zeggen,quot; zoo viel hem de moeder in de rede.

»Juist, en die vol schulden zit, zou ik er bij kunnen voegen.quot;

«Wanneer uw bezoek geen ander doel had dan mij en mijn kind te beleedigen.quot; sprak Van Breugel verontwaardigd, »zou je beter gedaan hebben met mijn huis als gewoonlijk voorbij te gaan. Heb jij mijn dochter in zulk slecht gezelschap ontmoet?quot;

))Ik niet, maar Louise,quot; antwoordde de majoor.

))Zoo!quot; sprak Van Breugel die op dat oogenblik een buitengewone hooghartigheid aan den dag legde. »Wij kennen Louise, niet waar? Dergelijk slecht gezelschap zou door haar zeker niet versmaad worden, \'t Is om de eer van mijn dochter dat ik u nog antwoord wil geven, Bernard! Ik weet dat zij den stuurman Oldringa op de wandeling ontmoet heeft en wat hij haar heeft medegedeeld strekt evenmin u als Louise en hare moeder tot eer. \'t Zou beter zijn uw eigen zuster te waarschuwen tegen lastertongen die roekeloos rondspringen met de reputatie harer naaste familie. Als wij bij familiefeesten over het hoofd gezien worden, moest men ook zoo goed zijn onzen goeden naam en vooral dien van mijne dochter in de gesprekken met vreemden buiten spel te laten.quot;

183

-ocr page 196-

DE FAMILIE WALKER.

))Ei, ei,quot; sprak de majoor op sarrenden toon, »de stuurman schijnt die vlag gekozen te hebben om des te gemakkelijker zijn contrabande hier binnen te loodsen, \'t Is wel merkwaardig dat de vader, die altijd zoo voorzichtig te werk gaat, zich argeloos houdt, nu er wellicht een goede slag te slaan is.quot;

»Ik acht mij boven zulke ellendige aantijgingen verheven,quot; sprak Van Breugel met fierheid.

»Blijf toch bedaard,quot; waarschuwde zijne vrouw. »Ik ben bedaard, moeder,quot; hernam hij, »maar zal niet gedoogen dat men de eer van mijn kind te na komt, of mijne bedoelingen miskent. Dat Oldringa een fatsoenlijk man is, heeft hij getoond door mijne dochter te waarschuv/en voor leden harer familie, die roekeloos haar goeden naam bevlekken. Een vermogend man als hij, zal er ook niet aan denken de dochter van een armen kruidenier te huwen, doch je kan er verzekerd van zijn dat ik ook nimmer mijne toestemming tot zoodanig huwelijk zou geven.quot;

))Ei kijk!quot; sprak de majoor op denzelfden sarrenden toon, «omdat hij protestant is, waarschijnlijk. \'

»Juist, je kent mijne zienswijze daaromtrent, \'t is dus niet noodig dat wij daarover verder een woord spreken. quot; ))Ja, ik ken al je domheden zeer goed, vrome man; wanneer je niet zoo vol bigotterie was, zou je dochter nu wellicht reeds de vrouw van den advocaat Schrabben zijn, en jij een goede positie hebben.quot;

186

-ocr page 197-

IN DE HOOGSTRAAT.

»Maar dan zou ik de schoonvader van een schurk geworden zijn,quot; zeide Yan Breugel, die allengs warmer werd, »en wie mij daarvoor in staat acht, moge eerst rekening met zich zeiven houden.quot;

))Er is volk, vader,quot; sprak de vrouw, die verheugd was dat zich een gelegenheid aanbood, om aan het gesprek een einde te maken.

»Die vent zal met zijne kwezelarijen zijn gezin nog tot den bedelstaf brengen,quot; zei de majoor toen de kruidenier de kamer verlaten had.

«Je valt ons hard, Bernard,quot; antwoordde juffrouw Van Breugel. «Wij hebben altijd ons best gedaan om op een eerlijke wijze door de wereld te komen; dat dit slecht gelukt, is onze schuld niet.quot;

«En zijn u dan niet van verschillende kanten goede vooruitzichten aangeboden?quot;

»0 ja, doch dan moesten wij ons geloof verzaken en daar beware ons God voor.quot;

«Gekheid,quot; bromde de majoor, »wat je geloof noemt, is niets meer dan middeleeuwsche domheid. Je ben onverbeterlijke dwepers. Je oudste zoon zou een heerlijke toekomst in Indië te gemoet zijn gegaan, wanneer je hem geheel aan mij hadt overgelaten, maar je liet hem liever naar Rome gaan om dat oude roofnest te beschermen.quot;

«Foei, wat taal, Bernard!quot; riep juffrouw Van Breugel verontwaardigd.

187

-ocr page 198-

DE FAMILIE WALKER.

»Ik zeg dat het een groote domheid was, want de Paus is niet meer te redden; de toekomst behoort aan den modernen vooruitgang, aan de humaniteit, den godsdienst der negentiende eeuw. Je handelt beiden dwaas en onverantwoordelijk tegenover je kinderen , want met al dat bidden en naar de kerk loopen wordt hunne opvoeding verwaarloosd en als je geen brood meer hebt, zullen de pastoors je niet aan den kost helpen , of je moet rozenkransen eten en kerkstoelen kluiven.quot;

»\'t Is vreeselijk zoo iets uit den mond van zijn eigen broeder te moeten hooren,quot; sprak juflrouw Van Breu-gel met een diepen zucht. «Als je eens wist, Bernard, welk een troost ;k bij al mijne wederwaardigheden in den godsdienst vind, je zoudt waarlijk zoo niet spreken ; zelfs mijn eigen familie belastert mij, waar zal ik dus beter troost zoeken dan bij God?\'\'

»Dat is ziekelijke aandoening van het gemoed, anders niet; maak je los van die bijgeloovigheden en je zal meer geestkracht gaan gevoelen. De kerk kost tijd en geld en je hebt die beide hoog noodig.quot;

»De kerk kost mij geen geld, dat weet je zeer goed, Bernard; de haat tegen de priesters doet u tegen uwe overtuiging spreken.quot;

»En wie heeft dan onlangs de kerkelijke en huiselijke uitgaven bij de eerste communie van uw dochtertje betaald?1\' vroeg de majoor schamper.

188

-ocr page 199-

IN DE HOOGSTRAAT.

«Aid je dit gaarne weet, zal ik het u zeggen, ofschoon ik geen verantwoording schuldig meen te zijn aan iemand, die er slechts op uit is, ons het leven zoo onaangenaam mogelijk te maken. De pastoor heeft geweigerd ons klein offer aan te nemen; je hebt reeds te veel tegen de zorgen des levens te kampen, zeide hij. De patroon van onze Mina stelde zooveel belang in het geluk, dat onze jongste dochter te beurt viel, dat hij aangeboden had haar geheel te kleeden.quot; De eenige buitengewone kosten, die wij ons veroorloofden, bestonden ineen kleine huiselijke feestviering, en al had ik mij daarvoor ook een jaar lang moeten bekrimpen, ik zou er niet voor teruggedeinsd zijn, want hoe zou een moeder grooter vreugde kunnen smaken, dan wanneer zij haar kind voor de eerste maal ziet nederknielen aan de Tafel des Heeren,quot;

Er kwam een duivelachtige glimlach om de dikke lippen van den majoor. )gt;Tafel des Heeren!quot; herhaalde hij smalend en hij voegde er nog eenige woorden bij, die wij hier niet zullen herhalen. Juffrouw Van Breugel verloor nu hare gewone kalmte.

«Zwijg!quot; riep zij verontwaardigd; «zulke taal wil ik in mijn huis niet hooren en wel het allerminst van een broeder, die meineedig geworden is tegenover God en de nagedachtenis zijner ouders onteert. Het heugt mij nog dat onze zieke moeder op den dag van uw eerste H. Communie tot u zeide; Bernard, ik zal

189

-ocr page 200-

DE FAMILIE WALKER.

spoedig niet meer in leven zijn, beloof mij thans plechtig dat je nimmer den eed, dien je heden voor God hebt gezworen, zal vergeten. Wat heb je toen geantwoord?quot; vroeg juffrouw Van Breugel terwijl zij opstond.

De majoor scheen een oogenblik te ontroeren; hij zocht naar woorden maar kon ze niet vinden, hij mompelde binnensmonds eenige verwenschingen, nam zijn hoed op, en verliet zonder verder nog een woord te spreken het huis.

Laat in den avond, toen de winkel gesloten was, deelde Van Breugel zijne vrouw mede dat hij een onderhoud van zeer ernstigen aard had gehad met den zaakwaarnemer Slammers. De vrouw ontroerde toen zij dien naam hoorde. Slammers had weder een nieuwe pretentie in handen en wist te vertellen dat ia de stad zeer slechte geruchten betreffende Van Breugel in omloop waren, en men algemeen overtuigd was dat hij eerlang voorgoed zijne betalingen zou moeten staken. Nu de zaken zóó stonden, kon de kruidenier zich onmogelijk \' staande houden en hij raadde hem daarom als vriend aan, indien dit nog mogelijk was, een onderhandsch accoord met zijne schuld-eischers te sluiten. Van Breugel stond overal als een braaf en eerlijk man te boek, daarom achtte hij het zeer waarschijnlijk dat de voornaamste crediteuren hem gaarne de hand zouden leenen om hem uit zijn

190

-ocr page 201-

IN DE HOOGSTRAAT.

netelige omstandigheden te redden. Ging hij daartoe niet over, dan zou een faillissement onvermijdelijk zijn.

Juffrouw Van Breugel beefde als een riet toen zij deze mededeeling hoorde en deinsde voor dien maatregel terug, doch haar man bracht haar aan het verstand dat bij de in \'t oog loopende vervolging, waaraan zij blootstonden, geen andere uitweg mogelijk was. De advocaat Schrabben was onverbiddelijk; over een paar dagen moest hij geld hebben. Eenigen tijd geleden waren zij aan zijne handen ontkomen doordien hunne dochter Mina een voorschot van honderd gulden op haar salaris had gekregen; wie zou hen thans echter uit den nood redden en wat stond hun nog niet te wachten! Bewilligden de crediteuren in eene schikking, dan zou de naam van Van Breugel voor openbare onteering bewaard blijven, en daarbij bestond ook nog het vooruitzicht dat men later de tegenwoordige crediteuren tot den laatsten cent zou kunnen voldoen.

Tot diep in den nacht werd dit gesprek door beide echtgenooten voortgezet en zij kwamen eindelijk tot de overtuiging dat het voorstel van Slammers het best overeenstemde met hun plicht en hun geweten; zij droomden zelfs reeds van een tijd, waarin zij hunnen crediteuren een bewijs van eerlijkheid en erkentelijkheid tevens zouden kunnen geven.

Veertien dagen later waren al die luchtkasteelen vernietigd. Bij Van Breugel in de Hoogstraat heerschte

191

-ocr page 202-

DE FAMILIE WALKER.

192

groote verslagenheid; in de buurt vertelde men elkander dat zij de heeren van de rechtbank bij den kruidenier hadden zien ingaan; niet zelden bleven menschen voor de deur staan ofschoon er niets te zien was, en op een der luiken van de winkelramen, die niet meer geopend werden, had een straatjongen met krijt het woord »bankroetquot; geschreven. Van Keugel had gevolg gegeven aan het plan, op den bewusten Zaterdagavond gevormd; er waren door den zaakwaarnemer Slammers brieven aan de crediteuren geschreven, van welke eenige onmiddellijk in het voorgestelde accoord toestemden, zelfs onder de toezegging dat zij den kruidenier weder crediet wilden openen zoodra de zaken geregeld waren, doch de advocaat Schrabben had van de rechtbank vergunning weten te krijgen om beslag te leggen op den boedel, op grond dat eenige onregelmatigheden zouden hebben plaats gehad en de zaakwaarnemer Slammers, uithoofde van ongeoorloofde practijken, reeds meermalen met de rechtbank in aanraking was geweest. Op het onverwachtst verscheen in de woning van den kruidenier een deurwaarder met twee getuigen en er werd beslag op den boedel gelegd. De advocaat Schrabben had zijn doel bereikt, de niets kwaads vermoedende Van Breugel was in de fuik geloopen en Slammers ontving een goede belooning voor zijn bondgenootschap.

-ocr page 203-

IX.

De keerzijde der medaille.

Het is vier jaren later. Ofschoon slechts een atoom in de wereldgeschiedenis, was dit kleine tijdvak een der belangrijkste van onze eeuw, om de groote gebeurtenissen , de omwentelingen en lotsverwisselingen die plaats grepen. Sinds het oogenblik, dat wij den lezer verzochten ons naar Amsterdam te volgen, ten einde hem daar in verschillende kringen te brengen, werd tusschen twee groote natiën, ten aanzien van het verbaasde Europa, een strijd gevoerd, zoo bloedig en vreeselijk als ooit gestreden is. Frankrijk verloor zijn keizer en zijn gloire, de Paus werd wederrechtelijk van zijn wereldlijke macht beroofd en er ontstond een nieuw Duitsch keizerrijk, dat het recht aan de zegekar van het geweld kluisterde.

Men noemde dat alles vooruitgang der beschaving , en op het financieel gebied waren in dit opzicht ook reuzenstappen gedaan. De zucht naar grootheid, weelde en genietingen was in de laatste jaren zoodanig toege-\'nomen, dat een waar delirium ontstond, waarvan door speculanten misbruik werd gemaakt. Aangemoedigd I 3. 13

-ocr page 204-

DE FAMILIE WALKER.

door een bezoldigde dagbladpers wierpen duizenden en duizenden met nooit gehoorde lichtzinnigheid aanzienlijke kapitalen in speculatieve fondsen of maatschappijen en ondernemingen, die schitterende namen droegen, doch allen solieden grondslag misten. Er werd geen acht meer gegeven op het spreekwoord; een klein winstje, een zoet winstje. Groote kapitalisten zetten somwijlen hun gansche vermogen op het rood en zwart der kansberekening; fabrikanten, kooplieden en kleine renteniers volgden hun voorbeeld; ieder die over e enig geld te beschikken had , liet zich verleiden door de schitterende kansen, die allerwegen werden aangeboden: het beursspel had de roulette vervangen. Dit duurde zoolang tot de ergerlijkste bedriegerijen aan het licht kwamen. Het bleek toen dat men zijn geld belegd had in spoorwegen, die nooit bestaan hadden of nimmer tot uitvoering zouden komen; groote bankiershuizen begonnen te wankelen en sleepten, loen zij vielen, andere mede; er volgden zelfmoorden en gevangennemingen, duizenden werden geruïneerd, wederom duizenden zagen de vruchten van veeljarigen arbeid verloren gaan, of moesten zich met groot verlies van effecten ontdoen, die in een kwaden reuk stonden.

Er hadden dus gedurende het korte overgangstijdperk van ons verhaal geduchte lotsverwisselingen plaats gegrepen, die ook niet zonder invloed waren

194

-ocr page 205-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

gebleven op de personen, waarmede wij kennis maakten; wij zullen hen eens de revue laten passeeren.

Ferdinand Walker is een groot man geworden; hij woont sedert eenigen tijd in de bocht van de Heerengracht en heeft een prachtige equipage tot zijne beschikking. Zijn borst is met verschillende buitenland-sche ridderorden versierd, doch hij schijnt die niet zonder zorgen verkregen te hebben, want hij heeft, in tegenspraak met zijn leeftijd, reeds grijze haren. Rika is nog dezelfde lieve, zorgvuldige huisvrouw, doch zij kan zich maar slecht voegen naar de gebruiken der groote wereld, waarin men haar heeft gevoerd. De «kapitainskequot; daarentegen beweegt zich het liefst in het groote huis van haar zoon; zij betreurt het zeer, dat de crinolines geheel afgeschaft zijn, daar zij nu, ondersteund door Ferdinand, beter dan ooit in de gelegenheid zou zijn in haar volle lengte en breedte op de straat te schitteren. Louise is vier jaren ouder geworden, doch tracht door haar toilet te doen ge-looven, dat zij tien jaren jonger geworden is; moeder en dochter houden zich nog altijd met zekere uitzichten bezig.

De majoor is merkelijk verouderd; hij schrijft dit toe aan de kwaal, die men het pootje noemt, doch zijne vrienden lispelen elkander toe dat er iets anders achter moet schuilen. Albert Oldringa is kapitein van een koopvaardijschip; sinds veertien dagen is hij terug

195

-ocr page 206-

DE FAMILIE WALKER.

van een groote reis en denkt langen tijd te Amsterdam te zullen vertoeven , daar zijn schip averij heeft bekomen. Van Breugel heeft den handel vaarwel moeten zeggen, door de kunstgrepen van Mr. Schrabben, die den man niet losliet, alvorens hij hem geheel had geruïneerd. Door tusschenkomst van Albert heeft hij een betrekking gekregen op het kantoor van een reeder. De weduwe uit de Anjelierstraat is vaste werkster bij Rika, die na den »vroolijkenquot; avond geen rust had alvorens dat arme huisgezin verzorgd was; de krantenjongen doet boodschappen voor de maatschappij Vooruitgang en de oude vrouw heeft na den be-wusten val uit de derde verdieping tot aller verwondering haar verstand teruggekregen en woont nog altijd bij haar dochter. Van de overige personen valt niets bijzonders mede te deelen.

De maatschappij Vooruitgang had, dank aan de gunstige aanbevelingen der dagbladpers en van verschillende financieele specialiteiten, al spoedig een hooge vlucht genomen. Aanvankelijk waren er wel velen die meenden dat de vooruitzichten, aan het deponeeren van gelden verbonden, wat al te schitterend schenen om voldoenden waarborg voor soliditeit op te leveren en die zich niet konden begrijpen, hoe de premiën der levensverzekering zooveel hooger konden zijn dan bij andere maatschappijen van dien aard; doch de dagbladen en de specialiteiten wisten met cijfers aan

196

-ocr page 207-

DE KEERZIJDE DER MEDAIILE.

te toonen, dat alle berekeningen op deugdelijke gronden steunden. Men moest den sleutel van dit raadsel zoeken in de uitgebreide relatiën en reusachtige operation der maatschappij , die beter dan eenige andere inrichting van dien aard op de hoogte was van \'t geen in de financieele wereld omging. Vooral Amerika was het veld harer exploitatie; de nijvere bevolking aldaar had beter begrip van het omzetten van kapitalen, dan die der oude wereld, en kon daarom hooger rente betalen. Daarenboven werden er reusachtige spoorwegen in exploitatie gebracht, die mettertijd goudmijnen beloofden te zullen worden. De Vooruitgang had zich met veel tact meester weten te maken van de beste relatiën, en daarin moest vooral het geheim der vruchtbare werkzaamheden dier maatschappij gezocht worden.

De balans van het eerste jaar was schitterend; men kon een belangrijk dividend uitkeeren, doch achtte het noodzakelijk de bron van welvaart ten voor-deele der maatschappij te doen toenemen door grootere uitbreiding. Men zag dan ook al spoedig niet slechts in ons land maar door geheel Europa heen in de voornaamste steden filiaal-banken oprichten, die evenzeer door de gansche groote dagbladpers werden aangeprezen.

Zoo kwam het dat Ferdinand Walker, de directeur van Vooruitgang, reeds na vier jaren een groot

197

-ocr page 208-

de familie walker.

198

man werd, wiens naam men in de gansche verlichte wereld kende. Zijn gezond verstand zeide hem wel dat niet alles goud was, wat in zijne omgeving blonk, doch de grootheid had hem bedwelmd; evenals Napoleon III leefde hij in een stroom van kansberekeningen , altijd hopende dat de troon, waarop -hij gezeteld was, door de fortuin begunstigd zou blijven. In den laatsten tijd had zich echter een groote onrust van hem meester gemaakt. In weerwil van de schitterende balansen, die aan het publiek werden overgelegd, en van de buitengewone middelen, waarover de bank te beschikken had, zag hij een gapenden afgrond onder zich, doordien het grootste gedeelte harer kapitalen in speculatieve fondsen belegd was. In de jongste vergadering met de commissarissen der maatschappij had hij daarover onverholen zijn bezwaren te kennen gegeven, dewijl hij als eerlijk man de verantwoordelijkheid niet langer kon dragen, doch de majoor, de consulent Schrabben en de financieele specialiteit Lauwers drongen er op aan dat men juist daarom meer energie dan ooit aan den dag moest leggen. Uit Amerika waren buitengewone aanbiedingen gedaan door concessionarissen van spoorwegen; men behoefde slechts de hand uit te steken, om die nieuwe goudmijn tot eigen voordeel te exploiteeren. Walker gaf te kennen, dat de maatschappij daardoor medewerkte om het publiek te misleiden , dewijl de Amerikaansche zwen-

-ocr page 209-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

delarlj eenmaal tot groot nadeel der fondsenhouders moest uitloopen, doch men lachte met zijne bezwaren en in het eerstvolgend nummer van het financed orgaan der maatschappij schreef Levy Penhouder, voorgelicht door Lauvvers, een schitterend artikel over de nieuwe operatien van Vooruitgang, die den koortsachtig opgewonden speculanten de tanden deed wateren.

Wanneer Ferdinand Walker daar heenreed in zijn prachtige equipage werd liij door duizenden benijd. Men boog voor hem tot in het stof; want hij werd beschouwd als een der geldmonarchen van onzen tijd , die over een macht te beschikken hebben, waartegen zelfs de Krupp-kanonnen niet bestand zijn en die door de koningen soms tot den adelstand verheven of met andere gunsten overladen worden, omdat zij zulk een gewichtige stem hebben verkregen in de Europeesche politiek, daar men zonder hen noch tot oorlog, noch tot vrede komen kan. Zoodra die geldmonarch in zijn gehoorzaal, de beurs, verscheen, beijverde zich ieder, uit zijne wenkbrauwen en de lijnen van zijn gelaat gevolgtrekkingen te maken in betrekking tot de kansberekening van den dag. Eens deed Napoleon III, door een enkel woord aan den Oostenrijkschen gezant , gansch Europa van ontzetting trillen; zoo zou ook deze geldmonarch door een enkele verdachte uitdrukking in staat zijn geweest een ware paniek te doen ontstaan.

199

-ocr page 210-

DE FAMILIE WALKER.

Rika, de eenvoudige Rika had intusschen reeds lang met bezorgdheid gezien dat in het gemoed van haar echtgenoot iets ongewoons omging, want tegenover zijne vrouw kon hij zich niet altijd van het masker bedienen, dat hij op de beurs en in zijn werkkring nooit aflegde. Zij zag zeer goed dat zijne opgeruimdheid gekunsteld was, dat de liefkoozingen en ongekunstelde vroolijkheid zijner kinderen hem vaak hinderlijk waren en zijn glimlach gedwongen was. Eens trof zij hem in zijne kamer aan met de hand aan het hoofd in diepe gedachten verzonken. Hij had hare komst niet opgemerkt, alvorens zij naast hem stond en de kleine vingers door de lokken liet glijden, die meer en meer verbleekten.

»Wat deert u?quot; vroeg zij.

«Niets, Rika, niets!quot; antwoordde hij eenigszins onthutst.

»A1 tracht je ook alles voor mij te verbergen, ik weet toch wel wat de oorzaak is,quot; hernam zij. Hij zag haar vragend aan. Toen legde zij haar arm om zijn hals, zag hem met diep medelijden aan en vervolgde :

»\'t Is de zorg die uw gezondheid en geluk verwoest, .....arme Fer!quot;

«Zijn wij dan niet gelukkig?quot; vroeg hij met een gedwongen glimlach.

«Voor het uiterlijke wel, beste Fer, het ontbreekt ons niet aan glans en luister, doch de kalmte, de ge-

200

-ocr page 211-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

moedsrust, zonder welke men niet waarlijk gelukkig kan zijn, ontbreken. Ik heb alles wat de wereld mij kan aanbieden, ik leef voor u en onze kinderen, Fer, en meen je dan dat ik gelukkig zou kunnen zijn, wanneer ik u zie wegkwijnen?quot;

»Je overdrijft, vrouwtje,quot; sprak hij, doch hij vermocht zijne oogen niet tot haar op te slaan.

»Ik vergis mij niet, Ferdinand; je wordt door zorgen verteerd, dat zie ik zeer goed; door de zorgen voor de toekomst van onze kinderen wellicht. Waarom dat voor mij verborgen gehouden, of meen je dat ik geen kracht genoeg zou bezitten om het leed even goed als het lief met u te deelen ?quot;

«Nogmaals, geloof mij, Rika, onze financiën zijn gewaarborgd, er is in de toekomst niets voor onze kinderen te vreezen.quot;

«Dan moet je in zaken gewikkeld zijn, waartegen uw eerlijk hart zich verzet, of verbintenissen hebben aangegaan, die uw goeden naam in gevaar brengen; ik ken u te goed, Ferdinand,quot;

Walker gaf ditmaal geen antwoord.

»Is dat niet de oorzaak van uwe afgetrokkenheid, van de onrust, die u kwelt tot in uwe droomen, Ferdinand?quot; vroeg zij deelnemend.

Hij zag haar aan, en er blonk een traan in zijn schoon, mannelijk oog. «Je blijft nog altijd dezelfde goede, bezorgde Rika,quot; antwoordde hij, haar de hand

201

-ocr page 212-

DE FAMILIE WALKER.

drukkend. »Ik wil dan ook niet langer verzwijgen, dat ik door omstandigheden in zaken gewikkeld ben, die mij tegen de borst stuiten.quot;

«Als ik zeg dat ik dit van den beginne af voorzien heb, moet je daarom niet denken. dat ik daarvan een verwijt wil makenhernam zij. «Het oude spreekwoord zegt: wie met pek omgaat, wordt er mede besmet. De menschen, met wie je door de maatschappij verbonden ben, mogen voor de wereld een grooten naam hebben, zij zijn en blijven echter niets dan deftige deugnieten, die met God en Zijn gebod den spot drijven.quot;

»Rika!quot; sprak Walker op half verwijtenden toon.

»Ik zeg niets te veel, Fer,quot; hernam de vrouw, met meer drift dan men van haar gewoon was, en men zag nu ook in hare oogen tranen. «Deftige deugnieten zijn zij, die mijn goeden Ferdinand het hoofd op hol gemaakt hebben en nu zijn leven vergallen. Zij hebben u eerst onverschillig doen worden voor God en godsdienst, om u des te beter te kunnen beheerschen. Al dat smalen van oom, den majoor, op het concilie en op den Paus had geen ander doel. Ik heb geen verstand van die zaken en bemoei mij er ook niet mede , maar ik heb zeer goed gezien, dat je sinds dien tijd niet meer in de kerk komt. Heugt het u nog wel, Fer, dat ik u op den avond voor dat je naar Haarlem gingt om de maatschappij

202

-ocr page 213-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

tot stand te brengen, heb voorspeld, hoe je langzamerhand geheel onverschillig voor God en godsdienst zou worden, wanneer je onder den slechten invloed bleeft van oom, den majoor?quot;

»Ik ben niet onverschillig voor den godsdienst, Rika, maar ik kan mij niet vereenigen met het drijven der Ultramontanen, dat is alles.quot;

«Nog eens, ik bemoei mij er niet mee, ik wijs slechts op het feit dat je tegenwoordig noch katholiek , noch protestan ben, dat je eigenlijk geen godsdienst meer hebt en dat de man, die daarvan voornamelijk de oorzaak is, u tevens in zaken gewikkeld heeft, waaraan je geen deel zou hebben genomen, wanneer je godsdienstig was gebleven.quot;

Walker zweeg , hij scheen gedachteloos voor zich te staren.

»Wij zijn groot geworden in de wereld, Ferdinand,quot; zoo vervolgde Rika, »maar ben je er gelukkiger om ? Heugt het u nog wel, hoe kalm en tevreden wij in de eerste jaren van ons huwelijk leefden, toen uw hoofd nog niet opgevuld was met de dingen, die oom gewoon is kennis, ontwikkeling, humaniteit en zooal meer te noemen ?quot;

«O zeker,quot; sprak Walker met een zucht, »toen waren wij gelukkig.quot;

«Welnu, laat ons dan weder worden wat wij geweest zijn, beste Fer; al moet dat ook nog zulk een

203

-ocr page 214-

DE FAMILIE WALKER.

groot offer kosten, ik ben er toe bereid, want uw geluk gaat mij boven alles.quot;

«Onmogelijk!quot; riep Ferdinand, terwijl hij driftig opstond, » mijne eer gedoogt niet dat ik mij op dit oogen-blik aan de zaken onttrek.quot;

«Arme Fer!quot; sprak Rika met een diepen zucht, »zoover heeft men u in de distelen en doornen van het moderne leven gesleurd, dat je niet meer zonder gevaar voor- of achteruit kan. Wat zal het einde zijn?quot;

«Wij willen het beste hopen, Rika,quot; antwoordde Ferdinand.

»En bidden,quot; hernam zij; «want ik weet hel wel: God alleen kan hier uitkomst geven.quot;

De majoor verkeerde in den laatsten tijd in een toestand , waarover zijne vrienden zich ongerust maakten. Rehalve het «pootjequot; waaraan hij veel leed wanneer de noordenwind heerschte, scheen hij een kwaal te hebben, die zijn anders sterke constitutie sloopte. Al kleedde hij zich ook nog met dezelfde zorg, hij kon niet meer dan een schaduw van zijn vroegere grootheid vertoonen. Zijn bolle wangen waren verdwenen en onder zijne oogen zag men dikke, zwarte kringen. De geneesheeren meenden dit een en ander aan een hartkwaal te moeten toeschrijven en raadden hem aan, een buitenlandsche badplaats te gaan bezoeken, doch hij wilde daar niets van hooren. Dat zijn kwaal

204

-ocr page 215-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

in het hart zetelde, hiervan was hij maar al te zeer overtuigd, doch hij wist evengoed, dat geen enkele badplaats in de gansche wereld hem van de kwellingen kon genezen, welke zijn leven verbitterden. Het ging hem als vele menschen, die, zoolang zij in de volle kracht van hunne gezondheid zijn, geen last schijnen te hebben van hun bezoedeld geweten, die alles, zelfs de Voorzienigheid tarten en zoo onbekommerd daarheen leven, alsof zij verzekerd zijn dat de algemeene natuurwet op hen een uitzondering zal maken. Zoodra echter bij zulke wereldlingen de lichaamskrachten afnemen, verlamt ook de geestkracht; er blijft slechts walging en wrevel over, omdat het genot geen prikkel meer heeft, en men vreeselijk gekweld wordt door gedachten, die men vroeger in den zwijmelroes der genietingen wist te begraven.

De majoor had een weelderig, een losbandig leven geleid en scheen daar zeer goed tegen bestand te zijn, doch in de laatste twee jaren hadden zich sporen van uitputting vertoond, die meer en meer toenamen en eindigden met eene voortdurende koortsachtige gejaagdheid en slapeloosheid. Toen kwamen hem kwelgeesten plagen, die hij maar niet kon bezweren. Somwijlen gebeurde het nog wel dat hij zich trachtte te begoochelen door een kunstmatige opgewektheid, die voor een oogenblik kracht schonk aan zijn zenuwleven; dan zwelgde hij weder met volle teugen uit

205

-ocr page 216-

DE FAMILIE WALKER.

206

den beker der genietingen, doch het gevolg hiervan was altijd dat bij zijne ontnuchtering zijn toestand nog ondraaglijker werd. In den laatsten tijd werd hij daarenboven ook nog gekweld door groote zorg voor zijn vermogen. Hij had wel het meest bijgedragen om de maatschappij Vooruitgang den gevaarlijken weg der moderne speculatiën te doen opgaan; als man van zijn tijd meende hij dat men, gesteund door eenige namen, die in de moderne samenleving altijd op den voorgrond worden geschoven, slechts een slim gebruik behoefde te maken van de macht der publiciteit, om eene onderneming op groote schaal te doen slagen. Daarom had hij niet geaarzeld — ofschoon langs zijwegen, omdat zijne betrekking van commissaris niet anders gedoogde — het grootste gedeelte van zijn vermogen in de maatschappij Vooruitgang te plaatsen. Drie jaren lang had hij zich daarbij zeer goed bevonden, doch de maatschappij was door de toenemende zwendelarijen in het buitenland , waarin zij zijdelings betrokken was, op een gladde baan geraakt. De wereld wist daar wel niets van, maar bij de toenemende koortsachtige gejaagdheid in de geldwereld kon nu de kleinste schok de gevaarlijkste gevolgen hebben. De Amerikaansche spoorwegen boden nieuwe hulpbronnen aan, doch de majoor was er ten volle van bewust, dat men een hoog spel waagde, omdat die buitenlandsche maatschappijen alle

-ocr page 217-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

soliede waarborgen misten. Er bestond wel alle kans dat binnen wemige weken voor aanzienlijke sommen van die aandeelen geplaatst zouden kunnen worden, maar.....

Wanneer de majoor in den gang zijner gedachten zoover gevorderd was, huiverde hij, want dan vertoonde zich aan zijne oogen de keerzijde der medaille, waarop een toekomst afgebeeld stond, die hij zich nooit had kunnen voorstellen. Hij bracht soms gan-sche dagen in koortsachtige gejaagdheid door en des nachts hoorde men hem vloekend over zijn kamer heen- en weerloopen. De Nemesis had hem tot in zijn bed vervolgd en pijnigde hem op ondraaglijke wijze. Een somber tafereel van een leven vol zonden rolde voorbij de oogen van zijn geest; hij kon dat tafereel niet verscheuren, niet vernietigen en knarste op zijne tanden van spijt en onmacht. Dan rees eensklaps de bloedige gedaante op van iemand, die hem eens in Oost-Indië zijn vriend noemde, dien hij door het spel tot den bedelstaf gebracht en eindelijk in een duel gedood had, en naast die bloedige gedaante vertoonde zich ook een jong meisje dat in de kracht van haar leven onteerd ten grave gedaald was ten gevolge zijner valsche beschuldigingen. Het angstzweet stond alsdan op zijn kalen schedel, want die kwellingen waren veel erger dan zijne lichaamspijnen; hij ver-wenschte zijne geneesheeren, die geen middelen ken-

207

-ocr page 218-

DE FAMILIE WALKER.

den om hem van dien koortsachtigen toestand te genezen, hij vervloekte zich zeiven en de gansche wereld.

Eens dat zijne vrienden, Mr. Schrabben en Levy Penhouder, hem na zulk een nacht bezochten, ontstelden zij over zijne misvormde gelaatstrekken, over den onheilspellenden gloed, die uit zijne oogen straalde. Het was den majoor niet mogelijk zijne kwellingen op dat oogenblik achter een masker te verbergen en daarom gaf hij zijn wrevel onverholen lucht en zeide ten slotte dat hij een einde aan zijn leven zou maken, wanneer-het niet spoedig weer veranderde.

»Kom, kom,quot; sprak Schrabben glimlachend, «je moet goeden moed houden. Rheumatische gestellen worden altijd zoo geplaagd , wanneer de noordenwind langen tijd heeft geheerscht; \'t is een kleine straf voor de pekelzonden, zooals de vromen zeggen.quot;

De majoor zag hem bij die woorden lang niet vriendelijk aan.

»Wie kan op uwe jaren, in het best van zijn leven, aan sterven denken,quot; zei Penhouder. »Je bezit alles wat je kan verlangen: geld en eer. Nog maar een weinig geduld dan kan je weer volop genieten en uw lievelingsliedje zingen: Die Welt ist so schön.

«Wat zegt de dokter?quot; vroeg Schrabben.

»De dokters zijn ezels,quot; bromde de majoor.

»Maar het komt mij voor dat je in den laatsten

208

-ocr page 219-

DE KEERZIJDE DEH MEDAILLE.

tijd te veel in huis ben gebleven. Altijd zoo op dezelfde kamer te zitten. dat geeft ongezonde denkbeelden en overdreven, koortsachtige gedachten over dingen waar we eigenlijk niets mee noodig hebben, ik weet dit bij ondervinding. Men moet zich met geweld uit die dingen rukken, door de een of andere uitspanning, die den geest boeit of de zinnen prikkelt. Waarom zoek je geen afleiding?quot;

«Waar en hoe zal ik die vinden?quot; antwoordde de majoor; »ik verveel mij overal en altijd.\'\'

»Ik zal u eens een goed recept voorschrijven,quot; hernam Schrabben, »en laat dan die pillen en poeders maar gerust staan. Ga van avond naar Van Lier, daar wordt Die schone Galat hé van Offenbach gegeven, een onbetaalbaar ding, dat prettig gespeeld wordt.quot;

«Ja, dat is juist iels voor u,quot; sprak Penhouder, »\'t is zoo geestig, zoo vol kwinkslagen en verrassingen; ik ben overtuigd dat je morgen veel beter zal zijn, want zulke dingen zijn als het ware een bad voor den geest, waarin hij zich rondwentelt en verfrischt.quot;

De majoor had eerst nog eenige bedenkingen, doch liet zich eindelijk overreden. Het was hem of hij gedurende het gesprek reeds veel verlichting verkregen had; ja, hij moest verstrooiing hebben en die tegen eiken prijs zoeken, want zoo kon hij niet langer leven.

Toen de beide mannen de trap afgingen, zei de een: I 3. 14

209

-ocr page 220-

DE FAMILIE WALKER.

»Als dat nog lang zoo duurt met den majoor, acht ik hem werkelijk in staat de hand aan zich zeiven te slaan.quot;

«En hij zou groot gelijk hebben ookantwoordde de ander, «want wij moeten het leven nemen als al het overige, wat de natuur ons schenkt. Wat ons gaat walgen, werpen wij weg; \'t is beter wat vroeger in het niet terug te keeren, dan langer een bestaan voort te sleepen, dat ons geen genot en vreugde meer kan aanbieden.quot;

Dit was het gevoelen van Mr. Schrabben, die. bekend stond om zijne heldere en zeer ontwikkelde denkbeelden over den waren geest der humaniteit en dien men daarom in een der loges tot den rang van officier had verheven.

De majoor was des avonds werkelijk in het Grand Theatre te vinden. Hij had den moed daartoe verkregen door kunstmatig opgeschroefde gedachten, die hem voor een oogenblik zijne veelzijdige kwellingen deden vergeten. Toen de wufte vertooning een aanvang had genomen, toen de dartele muziek zijne ooren streelde en de zinnelijke voorstelling zijne verslapte zenuwen weder schenen te bezielen, begon hij andermaal te gelooven dat de sombere gedachten, die hem beheerschten, en de slapeloosheid , waarvan hij in den laatsten tijd het slachtolïer was, aan gebrek aan verstrooiing moesten worden toegeschreven Hij zou zich

210

-ocr page 221-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

dien avond gelukkiger gevoeld hebben dan sedert maanden, indien er niet iets geweest was dat hem meer en meer begon te hinderen. In het laatste gedeelte der voorstelling zat tegenover hem een jongeling, aan wiens gelaatskleur men zeer goed kon zien dat hij in Oost-Indië geboren was. Hij had langen tijd met zijne donkere oogen onophoudelijk naar den majoor gestaard en eindelijk den tooneelkijker te baat genomen, waarschijnlijk om het voorwerp zijner aandacht des te beter in zijn geheugen te prenten. Aanvankelijk meende de majoor dat dit slechts toeval was, doch toen eerst de oogen en later de beide kijkglazen als twee pistolen alle wendingen van zijn hoofd volgden, begon hij zich af te vragen, wat daarvan de oorzaak kon zijn. Dat staren werd den majoor hinderlijk, hij veranderde daarom van plaats; doch de gewapende oogen volgden hem en lieten hem schier geen oogenblik los.

Wie kon toch die vreemdeling zijn, en was belangstelling of onbescheidenheid de oorzaak van zijn zonderling gedrag? De majoor had hem nooit ontmoet, dat wist hij zeker en toch schenen zijne gelaatstrekken hem niet geheel onbekend. Nu de binocle voor een oogenblik daalt, is het hem of hij de oogen, die zoo strak op hem staren, ook meer gezien heeft. »Wat mag die knaap met mij voor hebben?quot; dacht hij. »Is hij een schilder, die naar een type zoekt? \'t Is

211

-ocr page 222-

DE FAMILIE WALKER.

in alle geval hinderlijk, vervelend, onuitstaanbaar.... daar moet een einde aan komen.quot;

Zoodra zich slechts de gelegenheid aanbood, duwde de majoor een der bedienden uit den schouwburg een fooi in de hand met verzoek den jongen vreemdeling te gaan zeggen dat hem het onophoudelijk fixeeren begon te vervelen. De vreemdeling liet eenvoudig antwoorden dat hij dit van het eerste oogenblik af zeer goed begrepen had, doch daarom nog geen reden kon vinden om zijn amusement te staken. Toen de majoor na dit antwoord de oogen opsloeg, waren de kijkglazen weder op hem gericht. Hij werd bloedrood van woede en was een oogenblik voornemens den onbeschaamden vreemdeling een beleedigende boodschap te zenden, doch hij bedacht zich en besloot nu zijne oogen voortdurend naar het tooneel te richten, wat hem intusschen niet gemakkelijk viel.

De voorstelling was afgeloopen; het volk stroomde langs de verschillende uitgangen naar buiten, voldaan of niet voldaan, maar zeker nog vol van indrukken, die de schaamtelooze operettes van Offenbach ontwijfelbaar achterlaten. De majoor had een oogenblik gewacht, omdat hij zich niet in het volle gedrang wilde wagen en strompelde daarna ook de trappen af. Wat was hij verouderd en vervallen, sedert men hem daar gewoonlijk zag, wanneer Offenbach den schepter zwaaide. In de nabijheid van de deur werd hij vrij onzacht op

212

-ocr page 223-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

den voet getrapt, waaraan hij in den laatsten tijd zooveel geleden had. Hij stiet van pijn een vloek uit, keerde het hoofd om en zag den gehaten vreemdeling voor zich.

»Doe je dit met opzet, mijnheer?quot; vroeg hij.

»Neen, met een neerzet,quot; klonk het laconisch antwoord.

De majoor beet op zijne tanden van woede en pijn. »Je ben een ellendeling en zal mij rekenschap geven voor al de beleedigingen van hedenavond,quot; duwde hij den vreemdeling toe.

«Het zal mij zeer aangenaam zijn een oude rekening met u te sluiten,quot; antwoordde deze.

De majoor zag hem een oogenblik aan, haalde zijn portefeuille te voorschijn en overhandigde den vreemdeling zijn kaartje. Deze las hoorbaar: »B. Piepers, gep. majoor van het O. I. leger.quot;

«Goed,quot; zeide hij, »mag ik nu uw adres weten?quot;

»Leidschestraat bij de Prinsengracht.quot;

»Amstel-Hotel,quot; sprak de vreemdeling bij het overreiken van zijn kaartje. Hij voegde er geen woord meer bij, maar vestigde zijne groote, zwarte oogen strak op den majoor. Zoodra deze met behulp van zijn gouden lorgnon den naam gelezen had , werd hij doodsbleek en kon zich slechts met behulp van zijn stevigen rotting op de been houden. Hij wierp nog even een verwilderden blik op den jongeling en het kostte hem

213

-ocr page 224-

DE FAMILIE WALKER.

moeite de vigelante te bereiken, die op hem stond te wachten. Evenals eens voor het gebouw Odéon stond daar nu ook de voormalige krantenjongen, die een brief van zijn patroon Ferdinand Walker voor den majoor bracht, met de boodschap er bij dat hij hem persoonlijk aan den adressant ter hand moest stellen.

De majoor stak den brief werktuiglijk in den zak, gaf geen antwoord op de vraag of er ook iets te belasten was, maar zonk als vernietigd in het rijtuig neder. Hij had op het kaartje den naam gelezen van den vriend zijner jeugd, dien hij in het ongeluk gestort en in een duel om het leven gebracht had. Die jongeling moest een zoon van zijn slachtoffer geweest zijn; nu wist hij waarom diens oogen zoo zeer zijne aandacht hadden getrokken. De gedachten, die hem thans bestormden, waren zoo verpletterend, dat zij hem schier het bewustzijn benamen; het waren eigenlijk geene gedachten, hij bevond zich als in een wervelwind van angsten en kwellingen. Alles wat hem in de laatste dagen het leven verbitterd had, kwam nu als een centenaarslast op hem drukken; het was of hij zou stikken, hij wenschte dat het paard hem in toome-looze vaart voortsleurde, waarheen, dat was hem onverschillig, maar altijd voort, rustelcos, zonder ophouden.

Zoo bereikte hij zijne woning, doch ook daar wachtten hem nieuwe kwellingen. De brief van Ferdinand

244

-ocr page 225-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

moest wel een belangrijke tijding bevatten, daar hij hem op zulk een ongelegen tijd en plaats had doen bezorgen. Reeds bij liet lezen der eerste woorden verbleekte hij en toen hem de gansche inhoud bekend was, bleef hij lang roerloos zitten, zijne oogen puilden uit hunne kassen, zijne lippen bewogen zich krampachtig. Zoo die toestand nog slechts een oogen-blik had voortgeduurd. kon men er verzekerd van zijn dat hij door een beroerte getroffen zou zijn.

De brief was zeer kort en luidde als volgt; »Zoo even ontving ik zeer ongunstige berichten uit Amerika. Wees zoo goed tegen morgenochtend 10 uren een vergadering van commissarissen te beleggen, want er moeten vóór beurstijd maatregelen genomen worden, of wij zijn reddeloos verloren.quot;

De majoor kwam langzamerhand tot bezinning, hij wreef met de rechterhand langs den kalen schedel, als achtte hij het mogelijk op die wijze aan zijne verwarde gedachten vorm en gedaante te geven. Hoe duidelijker echter zijn bewustzijn terugkeerde, des te meer nam zijn onrust toe, want hij zag een afgrond aan zijne voeten, dien hij niet zou kunnen ontwijken. Waar was nu de geestkracht, waarop de man altijd had gesnoefd? Hij sprong van zijn stoel op en liep langen tijd in groote gejaagdheid de kamer op en neer; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, het was tevergeefs dat hij de kwelgeesten, die hem pijnig-

215

-ocr page 226-

DE FAMILIE WALKEK.

216

den, poogde te verbannen, zij hadden zich geheel van hem meester gemaakt. Toen greep hij naar de flesch .en zwelgde met gretige teugen het verhittend vocht in dat hem in den laatsten tijd, voor eenige oogen-blikken althans, aan zijne gewetenswroegingen, aan zijne sombere voorgevoelens had onttrokken, doch ook dit middel bleef thans zonder uitwerking. Wat zou hij niet hebben willen geven om slechts een enkel uur verlost te zijn van zijne kwellingen; de Nemesis liet echter haar offer niet meer los. Gedurig stond do jongeling met de gelaatstrekken van den vermoorden vriend voor hem. »Ik kom een oude rekening met u sluiten!quot; klonk het hem in de ooren. Er moet een bloedschuld betaald, of opnieuw bloed gestort worden. Een vreeselijk tooneel, dat hij jarenlang slechts met inspanning van al zijne krachten uit zijn geest had kunnen verbannen, vertoonde zich weder voor zijne oogen. Hij zag een vriend, wiens geluk hij verwoest, wiens leven hij vernietigd had, in zijn bloed wentelend op den grond liggen, en aan zijne zijde rees de gevreesde jongeling op, die de hand uitstak naar den moordenaar. De rampzalige sloeg de handen voor de oogen, doch het baatte hem niet, want daar rees een andere schim uit het graf op, die hem met een gouden horloge, gloeiend als een kool vuur, een onuitwischbaar schandmerk op het voorhoofd brandde. Er stegen zware zuchten uit zijn borst op, die ineensmolten met de

-ocr page 227-

DE KEERZIJDE DER MEDAILLE.

zelfvervloeking, welke door zijne lippen werd uitgestoo-ten en hij zwe\'gde opnieuw, doch altijd tevergeefs. En als die spooksels uit zijn eerloos en losbandig leven yoor een oogenblik verdwenen, zag hij zich zeiven in de toekomst als een geruïneerd en onteerd man, wiens naam door duizenden gevloekt zou worden, omdat hij hen door machtspreuken en valsche praktijken in verderfelijke speculatiën had gelokt. Zij riepen wraak op zijn hoofd af en sleurden het lijk van den vermoorden vriend en van het onteerde meisje voor zijne voeten, en te midden dier visioenen mengden zich de dartele groepen uit de operette van Offenbach. Geen oogenblik vond de rampzalige rust. Zoo bracht hij den nacht door en de dag, die er op volgde, was nog veel vreese-lijker voor hem, want het was de dag der vergelding.

Albert Oldringa wandelde in den vroegen morgen in het Yondelspark. Hij was den vorigen avond getuige geweest van een tooneel in de woning zijner z jster, dat hem tot in het diepst zijner ziel had getroffen. Ferdinand Walker had zijne vrouw langzaam voorbereid op den slag, die hen eerstdaags onvermijdelijk moest treffen; hij had haar knielend vergiffenis gevraagd, omdat hij vroeger niet naar haar raadgevingen had willen luisteren.

Albert had den nacht bijna geheel slapeloos doorgebracht en zocht nu verademing voor zijne geschokte

217

-ocr page 228-

DE FAMILIE WALKER.

zenuwen in het fraaie Yondelspark. De vogels zongen hun lustig lied en de opgaande zon kleurde de toppen der hoornen met een gouden gloed. Hij wandelde in diep nadenken verzonken voorhij het standbeeld van den grooten dichter, wiens bezielde pen eens schreef:

»O Lucifer! wat raad ? Het ziet er schriklijk uit, Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort of wallen, De gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen . En zinken in een poel en afgrond, zonder grond.quot;

Eensklaps wordt zijne aandacht getrokken door iemand, die als een beschonkene langs een der lanen waggelde. Oldringa meende die figuur te herkennen..... Inderdaad, het moest de majoor zijn, doch in welke

zonderlinge houding!..... Wat is hij voornemens?.....

Groote God!

Op dien kreet van Albert, door schrik en ontsteltenis aan zijn keel ontsnapt, volgt onmiddellijk een knal en de zelfmoordenaar stort ter aarde,

Albert staat een oogenblik als versteend en draaft toen dwars over de grasperken naar de ongelukkige plek; ook van andere zijden snelden menschen toe: zij vonden den majoor met verbrijzelden schedel; hij had reeds opgehouden te leven.

Dat was het einde van den man, die om zijne humane beginselen zoo hoog stond aangeschreven bij de moderne philanthropen.

218

-ocr page 229-

X.

De catastrophe.

Daar waren sinds langen tijd verontrustende berichten in omloop geweest betrefl\'ende Amerikaansche spoorweg- en andere maatschappijen; hier en daar liet een krachtige stem zich hooren tegen de onbegrijpelijke lichtzinnigheid en verregaande roekeloosheid van bankiers, die effecten ter markt brachten, waarvan de reëele waarde nietsbeteekenend was; anderen ontzagen zich niet te zeggen dat die bankiers zich ten koste van het publiek verrijkten, door lichtgeloovigen willens en wetens een bedrieglijk lokaas \\lt;^r te houden. Zoo was reeds eenmaal in een financieel geschrift medegedeeld dat in Amerika een maatschappij was opgericht tot exploitatie van steenkolenmijnen, die slechts op \'t papier bestonden. De schrijver verklaar de rondweg dat de directie dier maatschappij in handen was van dieven en zwendelaars. Men had langen tijd te voren in de nabijheid van een aan te leggen spoor-weglijn een vrij aanzienlijken voorraad steenkolen in den grond weten te brengen en nu hoorde de wereld eensklaps gewagen van ontdekte steenkolenmijnen, er

-ocr page 230-

DE FAMILIE WALKER.

werd een maatschappij gevormd en de aandeelen, aangeboden door verschillende huizen van naam, werden met graagte gekocht.

Zulke feiten schenen intusschen nog weinig invloed uit te oefenen op den koortsachtig opgewonden speculatiegeest. \'t Moet dan ook gezegd worden dat de verregaande roekeloosheid, zoo niet gewetenloosheid van sommige aanzienlijke bankiers of effectenhandelaars van den eersten rang daartoe veel bijdroeg. Het publiek had wel eenig recht te verwachten, dat zoodanige huizen zich niet zouden inlaten met fondsen, die geen vertrouwen verdienden; zij bleven echter bij alles, wat men hoorde, het stilzwijgen bewaren en brachten dagelijks zoodanige effecten aan de markt, terwijl de bladen, die men als hunne organen mocht beschouwen , niet nalieten ze nu en dan aan te bevelen. Zoo kwam het dat een aantal menschen hunne spaarpenningen of een gedeelte van hun bedrijfskapitaal waagden in aandeelen van Ameri-kaansche maatschappijen, als de Paul and Pacific, de Atlantic and Great Western, de Union Pacific, de Milwaukee and St. Pau\'. en anderen , die daardoor ten gronde gericht zijn of zich met groot verlies teruggetrokken hebben.

De verontrustende tijdingen, waarop Ferdinand Walker in zijn briefje aan den majoor zinspeelde, hadden betrekking op de Paul and Pacific, welke maatschappij zich insolvent verklaard zou hebben. Dit werd

m

-ocr page 231-

DE CATASTROPHE.

alth ans als een gerucht van zeer ernstigen aard medegedeeld en het was niet te verwonderen dat de president van de Vooruitgang een buitengewone vergadering n oodig achtte, dewijl deze maatschappij rechtstreeks in betrekking stond met de Paul and Pacific.

De nootlottige tijding ging den volgenden morgen als een loopend vuur rond, en verwekte op de beurs niet weinig sensatie; de geldmannen liepen koortsachtig heen en weer en men zag op sommige gelaatstrekken angst en vertwijfeling geteekend; want wanneer een firma of maatschappij, die op de beurs veel gezag heeft of grooten invloed uitoefent, aan het wankelen raakt, ziet men gemeenlijk dat zij in haar val ook andere huizen meesleept. Wat zouden niet de gevolgen kunnen zijn wanneer het gerucht waarheid sprak? Iedereen aan de beurs wist dat de Vooruitgang voor aanzienlijke sommen in de Paul and Pacific betrokken was, en toen het nu bekend werd dat de majoor Piepers, een der commissarissen dier maatschappij , op denzelfden ochtend een einde aan zijn leven had gemaakt, ontstond plotseling een algemeen wantrouwen, dewijl men beide feiten met elkander in verband bracht en den zelfmoord toeschreef aan den onvermijdelijken ondergang der maatschappij Vooruitgang. Op de beurs werd Walker met Argusoogen gadegeslagen; iedereen meende onheilspellende teekenen op zijn gelaat te bespeuren en het was dan ook niet

-ocr page 232-

DE FAMILIE WALKER.

te misleiden, zooals dit meestal het geval is met dergelijke lijders. Daarna werden de gaven van zijn geest, zijne uitgebreide kennis en verdiensten in het breede opgesomd. Hij had medegewerkt tot alles wat de belangen der maatschappij kon bevorderen, wat tot aankweeking van verlichting, beschaving en ware humaniteit kon bijdragen; doch ofschoon hij ook midden uit zijne veelomvattende werkzaamheden was weggerukt , de vruchten van zijn arbeid zouden blijven tot heil der menschheid.

In de loge had een indrukwekkende treurplechtig-heid plaats. De tempel was met zwart behangen en de katafalk, die in het midden stond, droeg de insignes van den overledene. De groot-redenaar hield een toespraak, waarin hij den ontslapene schetste als een man, die zijn gansche leven had toegewijd aan de bevordering der ware humaniteit, wiens leus was: licht, liefde, leven. De treurmuziek deed zich hooren en de broeders zongen het lied der ware onsterfelijkheid.

Zoo werd hulde gebracht aan de nagedachtenis van een zelfmoordenaar.

-ocr page 233-

XF.

De Avarc wijsheid.

De niensch is een zonderling wezen. Hoeveel door zicht hij ook vaak aan den dag legt, waar het geldt de kortzichtigheid van anderen met de meeste klaarheid aan te toonen, hij is dikwijls stekeblind in aangelegenheden, die voor hem van het hoogste belang zijn. Zijn vooringenomenheid met het stokpaardje, dat hij berijdt — en wie zal durven zeggen dat hij geen stokpaardje heeft ? -— maakt hem doof voor welgemeende waarschuwingen ; hij wil van geen gevaar weten en meent zelfs in zijne beste vrienden benijders en afgunstigen te zien. Komt echter het oogenblik, waar.n blijkt dat hij in zijne verwachtingen deerlijk bedrogen is, dan stort hij al zijn gramschap op het stokpaardje uit ; nooit zal men van hem hooren dat zijne eigen kortzichtigheid de oorzaak is geweest van zijn ongeluk.

Zoo ging het ook met de aandeelhouders en andere geïnteresseerden in de maatschappij Vooruitgang. Er was herhaaldelijk, zelfs van den beginne af, gewaarschuwd legen deze moderne onderneming. Door

-ocr page 234-

DE FAMILIE WALKER.

geoefende en zeer bezadigde financiers werd — ofschoon niet in het openbaar — aangetoond dat de berekeningen den toets niet konden doorstaan, of althans geen waarborgen aanboden voor buitengewone gevallen, waarmede men toch rekening behoorde te houden; doch die waarschuwingen werden in den wind geslagen, men haalde met minachting de schouders op voor den Jan-Salie-geest, die nog altijd in ons land wilde blijven heerschen en wierp zich hartstochtelijk in de spe-culatiën der nieuwe maatschappij.

Zoodra het echter bleek dat de maatschappij\'ten gevolge harer eigen uitspattingen bezweken was, zooals men dit ook niet zelden met menschen ziet, gebeuren, brak een storm van verontwaardiging onder de vroegere vereerders los; zelfs sommige dagbladen, die vroeger ruim beloond waren voor hunne serviliteit, maakten nu de opmerking dat die fmancieele boom nog tijdig geveld was, dewijl het inderdaad bleek dat hij de gezonde sappen uit de maatschappij opslurpte zonder vruchten te leveren. Sommige der stokpaardrui-ters meenden zelfs dat de justitie in ons land te zwak was , daar zij nog altijd den directeur der maatschappij op vrije voeten liet; de menschen die vroeger voor Walker bogen , wanneer hij in zijne equipage door de straten reed, zouden hem nu gaarne geboeid door Amsterdam hebben zien voeren.

Zoo iets was intusschen niet noodig om Walker diep

226

-ocr page 235-

DE WARE WIJSHEID.

ongelukkig te maken; hij was dit reeds. Bespanning, waarin hij in den laatsten tijd verkeerde, steeg tot haar toppunt, toen hem de tijding werd gebracht dat de majoor een einde aan zijn leven had gemaakt. «Wij zijn verloren, Rikiv!quot; riep hij in zijne radeloosheid uit, en de wanhoop stond zoo duidelijk op zijn gelaat ge-teekend , dat velen hem in staat geacht zouden hebben het afschuwelijk voorbeeld van zijn Mephistopheles te volgen. Het kan ook zeer goed mogelijk zijn dat de ware geestkracht, die zich nu in zijne vrouw openbaarde, wel het meest bijdroeg om hem voor zulk een nood-lottigen stap te behoeden. Zij was diep geschokt over die verpletterende tijding, doch herstelde zich spoedig en vroeg :

»Waarom zouden wij verloren zijn, Ferdinand?quot;

»Er zlju reeds verontrustende tijdingen in omloop, de zelfmoord van oom zal daarmede in verband gebracht worden en den ondergang der maatschappij veroorzaken.quot;

«Oom is verloren,quot; sprak Rika, »hlj toont door die daad dat hij een lafaard is. Zoolang hij zich in weelde kon baden , trok hij minachtend de schouders op voor iedereen, die zich in de wereld niet wist te verheffen. Het goud ligt op de straat, men behoeft het slechts op te rapen, zeide hij altijd, en nu er wellicht gevaar bestond, dat hij zijn weelderig leven vaarwel zou moeten zeggen, gevoelde hij geen moed, geen

227

-ocr page 236-

DE FAMILIE WALKER.

geestkracht om, evenals duizenden menschen, de handen uit de mouwen te steken. Dat is lafhartig! Zooals hij vroeger de ongelukkigen van zich heeft gestooten, die hem hinderlijk waren, zoo heeft hij ook nu een einde aan een leven gemaakt dat hem geen genot meer kon aanbieden. Foei! een man moet den moed bezitten om zich tegen het ongeluk te verheffen; in die worsteling wordt hij krachtig.quot;

»Maar je kent ons ongeluk in al zijn omvang niet, Rika.quot;

«Zijn wij arm?quot;

»Dat is niet onmogelijk.quot;

«Welnu, dan zal men niet kunnen zeggen dat wij ons ten koste van anderen verrijkt hebben.quot;

«Maar onze kinderen, onze arme, onschuldige kinderen, Rika?quot;

Men kon zien dat de moeder door die woorden hevig geschokt werd, want zij bracht de handen voor het gelaat en snikte. Dit duurde echter slechts kort; toen sloeg zij de oogen naar boven als smeekte zij den Hemel om moed en antwoordde:

«De gedachte aan onze kinderen zal ons dubbele krachten schenken, Ferdinand, en laat ons ook niet vergelen dat slechts door Gods zegen alles gedijen kan. Je hebt gedaan wat menschelijke krachten en berekeningen vermochten , je hebt met buitengewone inspanning gewerkt, je ben grijs geworden vóór den

228

-ocr page 237-

DE WARE WIJSBEID.

tijd, doch hoe grooter je werdt in de wereld, des te minder dacht je er aan , dat zonder den wil der Voorzienigheid alle menschelijke berekeningen ijdel zijn.\'\' «Ik weet het wel, Rika,quot; viel Ferdinand haar in de rede, »ik heb roekeloos gehandeld en verdien

mijn ongeluk, maar jij, arme vrouw.....quot;

«Bekommer je niet te veel om mij, Ferdinand, ik kan de wereldsche grootheid, die mij zooveel verdriet en zorgen gekost heeft, zeer goed missen; daarenboven past het mij niet te klagen nu wellicht honderden menschen door de maatschappij in het ongeluk gestort zijn. Hoe moeten zij zich redden ?quot;

»Je foltert mij , Rika.quot;

»Ik wil er slechts op wijzen, Ferdinand, dat wij zeker verdienen het eerst en het zwaarst gestraft te worden; daarom moeten wij ons ook zonder morren aan ons lot onderwerpen en al onze krachten inspannen om voor ons en onze kinderen een nieuwe toekomst op te bouwen. Als je den moed maar niet laat zinken, Fer, dan zal alles nog beter terechtkomen dan je nu denkt.quot;

«Hoe kom je toch aan zooveel kalmte en gelatenheid, Rika?quot; vroeg Walker verwonderd.

«Door de overtuiging dat de Heer onze pogingen zal zegenen wanneer wij erkennen dat zonder Hem alle menschelijke kennis niets vermag en wij geen gemeenschap meer willen hebben met hen, die met

229

-ocr page 238-

DE FAMILIE WALKER.

de ordonnantiën Gods den spot drijven en als rede-looze wezens leven. Maak u daarom los, Fer, van de menschen, die in hun hoogmoed en verblindheid wanen, dat zij aan geen Opperwezen rekenschap van hunne daden schuldig zijn. Oom is door den booze zoover gebracht, dat hij de handen aan zich zeiven heeft geslagen; God zal hem richten, doch daar zijn nog anderen, die zelfs voor zulk een voorbeeld van de straffende hand Gods het hoofd niet zullen buigen en wellicht naar nieuwe middelen uitzien om u nog verder te sleepen op de baan des verderfs. Verlaat die oorblazers, Ferdinand, ik bid u dit in naam van onze kinderen.quot;

«Zij hebben mij reeds verlaten, Rika.quot;

«Wat zeg je?quot;

«Schrabben, Penhouder en Lauwers hebben mij schandelijk in den steek gelaten, toen zij meenden dat geen redding meer mogelijk was; zij hebben schaamteloos alle verantwoording van zich afgeworpen en mij schandelijk belasterd; ik heb dit verzwegen om u niet noodeloos te verontrusten.quot;

«Arme Fer,quot; sprak de vrouw met de oogen vol tranen, «wat bittere teleurstelling moet dit voor u zijn! Je hebt u door schijnvrienden laten verleiden en nu je ongelukkig ben geworden, spelen zij de schulde-loozen. Dat zijn nu de mannen, die de wereld willen beschaven en met den godsdienst den spot drijven!

230

-ocr page 239-

DE WARE WIJSHEID.

Doch hoe verder wij van zulke menschen verwijderd zijn, des te dichter zullen wij bij den Heer zijn, Ferdinand, bij den Heer, die ons nooit verlaat, bij Christus, die de weg, de waarheid en het leven is, die gezegd heeft; Komt tot mij, die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken.quot;

Walker drukte de hand zijner vrouw; hij glimlachte nu niet meer om hetgeen hij vroeger hare bekrompen denkbeelden noemde, hij gevoelde dat al zijne kennis, zijne ontwikkeling, zijne vermeende geestkracht hem de bemoediging niet kon schenken, en dat het de ware geestkracht was, die hij thans in haar bewonderde. »Ik zou het lot nog wel het hoofd kunnen bieden,quot; dacht hij, »maar o, de schande! . . . .quot;

De schande! Ja, die was niet gering. Al de ratten, die het zinkende schip verlaten hadden, knaagden aan hem, terwijl hij te midden der felle branding worstelde om het strand te bereiken. Levy Penhouder, die zich aan een ander linancieel blad had verbonden . ofschoon niet in het openbaar, bracht de gevallen maatschappij Vooruitgang onophoudelijk slagen toe , alleen met het doel om een andere maatschappij, die hem goed betaalde, in een gunstig licht te stellen; door zijne vroegere relatiën was het hem natuurlijk mogelijk zaken aan het licht te brengen, die men in elke finan-cieele onderneming voor het publiek verborgen houdt. De dagbladen, die vroeger zooveel hadden bijgedragen,

231

-ocr page 240-

DE FAMILIE WALKER.

om het publiek in een valschen waan te brengen of onwetend te laten, beijverden zich nu ook, de feiten, door Penhouder aan het licht gebracht, te helpen verspreiden. \'t Had natuurlijk den schijn alsof die dagbladen zeer verontwaardigd waren over speculation, waarvan zoovele menschen het slachtoffer waren geworden , doch zij openden hunne kolommen voor advertentiën van andere maatschappijen van gelijken aard, die door hen aanbevolen werden. Schrabben, de voormalige consulent van de Vooruitgang, was onbeschaamd genoeg om als raadgever op te treden van sommigen , die in het faillissement betrokken waren en ontzag zich niet. Walker tot zelfs in zijne woning te vervolgen en de vereffening van den insolventen boedel zeer te bemoeiehjken. Het was vooral zijn streven de vernietiging te bewerken van een huwelijksvoorwaarde, die een groot gedeelte van Rika\'s vermogen uit den boedel kon redden; de rabulist meende te kunnen bewijzen dat die acte om zekere onregelmatigheden ongeldig was.

Dit alles pijnigde Walker zeer; hij kon geen dagblad in de handén nemen zonder zijn naam gekoppeld te zien aan krenkende uitdrukkingen; een enkele maal had hij het gewaagd zich op de straat te begeven, doch men wees hem met vingers na. De gordijnen van zijn huis werden niet moer opgehaald; wanneer hij echter soms eens door oen kloine opening zag,

232

-ocr page 241-

DE WARE WIJSHEID.

werd hij gewaar dat de wandelaars voor zijne woning bleven staan; de een schudde het hoofd, de ander ging na eenige oogenblikken met een valschen glimlach verder. Zijne kinderen werden in de school en ook op de straat beleedigd door makkers, die zich vroeger zeer vereerd gevoelden , wanneer zij met hen de hooge stoep mochten opgaan. Zijn oudste zoontje was eens uit de school gekomen met een papier op den rug, waarop met groote letters het woord bankroetier stond; daarom hield hij zijne kinderen voortaan thuis. Het verwonderde die kinderen natuurlijk dat zij zich niet meer in het openbaar mochten vertoonen; somtijds staarden zij hun vader lang aan en dat griefde hem, want hij vreesde dat hij zelfs in de oogen van zijne kinderen een ellendeling was.

Was het te verwonderen dat de eens zoo fiere Ferdinand bezweek onder den last van zijne eigen wroegingen en de schande die op zijn hoofd geladen werdquot;?

\'t Is zes maanden geleden dat de majoor een einde aan zijn leven maakte; men hoort niet meer spreken over den man, die in zijn leven door de moderne philanthropen werd verheerlijkt, omdat hij, hoe onbeduidend hij ook mocht zijn, een werktuig was tot bevordering hunner belangen. Toen het vuurwerk na zijn dood te zijner eere afgestoken was, verdween zijn naam in den nacht der vergetelheid. Hij werd

233

-ocr page 242-

DE PAMILIE WALKER.

234

door niemand betreurd, want niemand had hem ooit bemind, en werd hij soms nog genoemd door hen, die zich eens zijne vrienden en vereerders noemden, dan was het alleen om den spot te drijven met zijne oppervlakkigheid en inbeelding, die hem in den waan brachten dat hij grooten invloed bezat en om zijne kennis en ontwikkeling werkelijk hoog gewaardeerd werd, terwijl hij slechts door zekere partij gebezigd was om de kastanjes uit het vuur te halen. De maatschappij Vooruitgang verdween ook langzamerhand van do lijst der praatjes van den dag. Wij leven tegenwoordig te snel om ons, ook bij zeer gewichtige gebeurtenissen , lang te kunnen ophouden. Zij, die door de Vooruitgang geheel geruïneerd waren, werden uit het maatschappelijke leven verdrongen; men zag niet meer naar hen om, want in onzen tijd heeft ieder genoeg met zich zeiven te doen. Er waren weduwen tot den bedelstaf gebracht, omdat de bron, waaruit zij haar inkomen putten, verdroogd was; de levensverzekering was in een doodvonnis veranderd. Anderen, wier verliezen minder aanzienlijk waren, zoeken thans naar middelen om de schade te herstellen ; zij lezen met graagte de financieele artikelen van Levy Penhouder en zullen waarschijnlijk nu hun geluk gaan beproeven in de maatschappij, wier soliditeit door hem wordt opgehemeld. Het gaat met de speculanten van onzen tijd als met de muggen, die onophoudelijk

-ocr page 243-

DE WARE WIJSHEID.

de vleugels verzengen en toch zoolang van het eene licht naar het andere vliegen, tot zij neervallen om niet weder op te staan, \'t Is een kwaal des tijds, eene epidemie welke elkeen aantast die zich binnen den besmettenden kring waagt.

Zij, die belast zijn met de taak om de insolvente maatschappij ter aarde te bestellen, zijn nog onafgebroken werkzaam , althans voor het oog der wereld. Die mannen schudden bedenkelijk het hoofd wanneer iemand de vrijheid neemt hun naar den vermoedelijken afloop te vragen. Als men hen hoort spreken, moet het iedereen verwonderen dat zij niet reeds lang onder den last van den arbeid bezweken zijn. Kwaadwilligen zeggen wel dat de zaak zoolang gerekt wordt, opdat zoo veel mogelijk aan den strijkstok zal blijven hangen , doch men weet dat de wereld vol lastertongen is. Hoe meer ongeduld de crediteuren aan den dag leggen, des te meer kalmte schijnen die mannen op te doen en men mag met grond vermoeden dat hunne onuitputtelijke zorgvuldigheid om het gansche labyrinth van speculation, waaraan de maatschappij heeft deelgenomen , geheel en tot zelfs in de uiterste schuilhoeken te doorkruisen, nog lang niet uitgeput zal zijn, wanneer Ferdinand Walker niet meer tot de levenden zal behooren; want heeft de maatschappij vele slacht-olfers gemaakt, haar directeur heeft zij met het minst getroffen.

235

-ocr page 244-

DE FAMIME WALKER.

De koortsachtige spanning, waarin zich Walker reeds lang vóór den zelfmoord van den majoor bevond , was na dien tijd nog aanmerkelijk toegenomen. Zijne boeken waren wel behoorlijk in orde, hij kon de bewijzen leveren dal hij zich met toestemming, zelfs op aandrang der commissarissen in de laatste halsbrekende operatiën had gestoken, doch kon hem dit ook vrijwaren tegen onteerende straffen, het was niet in staat hem te verlossen van het zelfverwijt, van de wroeging, die aan zijn leven knaagde. In den eersten lijd trachtte hij zich tegenover Rika kalm te houden, doch dit vermocht hij eindelijk ook niet meer en er volgden nu vaak hartverscheurende looneelen. Hij ging soms uren lang in somber nadenken op en nser en dan brak eensklaps een geweldige storm los. Hij noemde zich een ellendeling, die de toekomst van vrouw en kinderen verwoest had; hij gevoelde zich schuldig aan den zelfmoord van zijn oom en er waren zelfs oogen-bhkken dat hij bij het minste geritsel vertwijfeld opsprong , in de meening dat de politie gekomen was om hem naar de gevangenis te voeren.

Rika bracht soms geheele nachten wakende door, want Walker werd in zijne droomen geweldig gekweld en zij week ook gedurende den dag geen oogenblik van zijne zijde. Met eiken dag werd die toestand erger en de geneesheeren spoorden tot groote voorzichtigheid aan, dewijl zij vreesden dat hij in

236

-ocr page 245-

237

zijne vlagen van zwaarmoedigheid de hand aan zich zeiven zou slaan.

Zoo waren drie maanden voorbijgegaan. Voor Rika, maanden van onuitsprekelijk lijden. Zij was afgetobd naar geest en lichaam , doch zij had zich nog geen enkel oogenblik in het bijzijn van Ferdinand kleinmoedig getoond. Zij ontving van niemand hulp, zij vond bij niemand troost en moest zelfs nog verwijlingen van haar schoonmoeder hooren. De «kaptainske,quot; wier trots gevoelig gekrenkt was door den voor haar onver-wachten val der maatschappij, meende dat de zwaarmoedigheid van haar zoon grootendeels moest worden toegeschreven aan hetgeen zij het «gezeurquot; van Rika noemde, \'t Had haar altijd tegen de borst gestuit dat Rika zich niet goed kon vereenigen met het weelderige leven, \'t welk Ferdinand zich volgens zijn stand veroorloofde; zij was er meermalen getuige van geweest dat de jonge vrouw hem voor den majoor of den advocaat Schrabben waarschuwde, die zij gewetenlooze menschen noemde, met wie men niet in aanraking kon komen zonder zich te besmetten. Nu door onvoorziene omstandigheden — want dat kon alleen de oorzaak zijn — de maatschappij hare betalingen had moeten staken, verkeerde Ferdinand in den waan dat hij zijn ongeluk aan zich zeiven te wijten had en dat moest voornamelijk haar schuld zijn.

«Ik zeg u dit niet om u verwijtingen te doen,quot;

-ocr page 246-

DE FAMILIE WALKER.

zeide mevrouw Walker eens, toen zij zag dat Rika zich over zoodanige zinspelingen buitengewoon gevoelig toonde, «want ik weet zeer goed dat men niet licht vooroordeelen kan afleggen, vooral wanneer zij voortspruiten uit een.....hoe zal ik zeggen.....uit een

eenzijdige opvoeding.quot;

Rika zag haar aan doch gaf geen antwoord.

»\'t Is niet goed Ferdinand te verontrusten met gewetensbezwaren , want dan zal hij zijn geestkracht geheel verliezen. Ieder mensch heeft fouten te betreuren , die hij gedurende zijn leven begaan heeft en je-zal zoo goed weten als ik dat de gedachten daaraan een onaangename stemming teweegbrengen. Ik heb zeer goed bespeurd dat Ferdinand in den laatsten tijd aan zulke gedachten te veel voedsel heeft gegeven en ik geloof dat uwe gewoonte om altijd voorbeelden uit den bijbel aan te halen, daarvan voornamelijk de oorzaak is. Zulk een ziekelijke richting van den geest is aanstekend , vooral voor menschen , die, zooals men het noemt, door rampen getroffen worden. Je moet dit niet meer doen, Rika, maar Ferdinand veeleer doen gelooven, dat alleen het noodlot oorzaak is van zijn ongeluk en hij slechts moed en geestkracht noodig heeft, om, wanneer deze stormen voorbijgegaan zullen zijn, door zijne uitstekende talenten opnieuw een schitterende positie in de maatschappij te erlangen.quot;

»11 miskent mij, mama,quot; antwoordde Rika; «ik

238

-ocr page 247-

DE WARE WIJSHEID.

verwijt Ferdinand niets, ik troost hem; doch verg niet van mij dat ook ik zal medewerken om zijn hoofd op te vullen met denkbeelden, die ik verfoei en waaraan wij ons ongeluk te wijten hebben. Ik ken geen noodlot, mama, maar wel een Voorzienigheid, zonder wie wij niets vermogen en aan wie wij rekenschap van al onze daden verschuldigd zijn.quot;

»Zie je wel, zulke dwaze denkbeelden spruiten alleen uit uwe eenzijdige opvoeding voort,quot; sprak de «kapitainskequot; smalend. «Men kan toch wel godsdienstig zijn zonder alles aan de Voorzienigheid over te laten; je zal Ferdinand door zoodanig gezeur nog in het graf brengen.quot;

«Mama,quot; antwoordde Rika met meer nadruk dan men van haar gewoon was, »ik heb Ferdinand meer dan mijn leven lief, maar zie hem liever naar het graf dragen, dan dat hij nog eenmaal een speelbal zou* moeten worden van menschen, die hem naar ziel en lichaam ongelukkig gemaakt hebben. U spreekt zoo vaak van een eenzijdige opvoeding en vergeet dat Ferdinand juist aan een eenzijdige opvoeding zijn ongeluk te wijten heeft.quot;

«Wat wil je daarmede zeggen?quot; vroeg de weduwe scherp.

»Neem mij niet kwalijk dat ik u hard moet vallen, mama,quot; hernam Rika, «maar u dwingt er mij toe. Men heeft Ferdinand altijd doen gelooven, dat de

239

-ocr page 248-

DE FAMILIE WALKER.

mensch alles door zich zeiven vermag; hij schijnt nooit geleerd te hebben de hulp der Voorzienigheid in te roepen, en daardoor komt het dat hij zich thans zoo ongelukkig gevoelt. Wat de mensch vermag heeft hij gedaan, doch nu alle menschelijke wijsheid en kennis uitgeput zijn en toch geen uitkomst te vinden is, heeft hij allen steun verloren. Had men hem altijd voor oogen gehouden dat de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid is, dat onze hoop is in den naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft, hij zou zich thans ootmoedig voor God nederwerpen en er zou kalmte in zijn gemoed komen , want de Heer heeft gezegd: Komt allen tot mij die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken; en het Woord des Heeren blijft in eeuwigheid.quot;

De weduwe maakte een beweging, die haar ongeduld verried.

«Ik weet wel, dat zulke woorden u niet bevallen hernam Rika, «maar ik meen recht te hebben om ze te spreken. Ik heb mij jarenlang het zwijgen laten opleggen, doch daar moet een einde aan komen. Ferdinand is altijd verblind geweest omdat oom, de majoor, hem door zijne machtspreuken het hoofd op hol heeft gebracht. Die man spotte met de Voorzienigheid en met den godsdienst, hij noemde bidden eene dwaasheid; de mensch moest op eigen krachten steunen, zeide hij, doch toen het ongeluk hem aan-

240

-ocr page 249-

DE WARE WIJSHEID.

grijnsde, ontbrak hem zelf de moed en hij sloeg lafhartig de hand aan zich zei ven.quot;

»Je moest daar niet van spreken, Rika,quot; zeide de weduwe, die ondanks zich zelve huiverde.

«Ik zal zwijgen, mama,quot; vervolgde de jonge vrouw, »want ik wil u niet bedroeven, maar vergeet niet dat ik echtgenoote en moeder ben en dat de hoogste belangen op het spel staan van hen, die mij het dierbaarst zijn op de wereld. Kon ik Ferdinand met mijn leven redden , ik zou geen oogenblik aarzelen, maar er is iets dat nog veel hooger waarde heeft dan zijn gezondheid en zijn leven, en laat ons dat niet roekeloos op het spel zetten door ontijdige vrees voor een onaangename stemming. Ik heb de volle overtuiging , mama, dat Ferdinand veel kalmer zou zijn, wanneer hij in vrede met God en zijn geweten leefde, want mijn goede vader zeide altijd; een mensch zonder godsdienst is als een schip, dat zonder roer of compas aan wind en golven is prijsgegeven; verg daarom niet van mij, mama, dat ik zijn gemoed nog meer in verwarring breng met allerlei wereldsche dingen, die hem hoe langer hoe verder van God verwijderen; ik zal dat niet doen, ik mag dat niet doen.quot;

Zij hield woord. Op zekeren dag dat Walker buitengewoon kalm was en het daardoor nog meer dan anders in het oog liep, dat zijn lichaam langzaam gesloopt werd, zeide Rika, die naast hem gezeten was:

I 3. 16

241

-ocr page 250-

DE FAMILIE WALKER.

«Heugt het u nog wel, Ferdinand, hoe wij als kinderen te Groningen ook zoo zaten als uw papa en mijn vader aan het dammen waren?quot;

«Ja, Rika,quot; antwoordde Walker met een zucht, »dat was een gelukkige tijd, toen kenden wij nog geen zorgen.quot;

»En als wij die ook al eens meenden te hebben over allerlei beuzelingen, dan gingen wij naar onze ouders en die wisten ons te troosten en op te beuren, niet waar?\'\'

«Helaas,\'\' sprak Walker niet een diepen zucht, »en tegenwoordig zijn wij door iedereen verlaten, niemand bekommert zich om ons, wij kunnen nergens troost vinden.quot;

«Dat kunnen wij wel, Ferdinand, als wij met kinderlijk vertrouwen tot God gaan.quot;

«Ik begrijp u, Rika, maar.....quot;

«Wat wil je zeggen, Fer?quot; vroeg zij, hem de hand drukkend.

«Ik kan niet bidden, Rika..... ik ben een onge-

loovige geworden, zooals je voorspeld hebt.quot;

«Neen, dat ben je niet,quot; sprak zij weemoedig en zij hield haar groote oogen liefdevol op hern gevestigd, «dat is niet mogelijk. Je ben evenals de Israëlieten in hun voorspoed, van den Heer afgeweken, je hebt vreemde goden gediend, maar in je hart ben je niet ongeloovig. Zou je niet gelukkiger zijn , wanneer je

242

-ocr page 251-

DE WARE WIJSHEID.

evenals vroeger, in geloovig vertrouwen kondt naderen tot den Heer, wiens hulp zoo machtig is?quot;

»0 ja!quot; riep Walker en het was of die woorden aan zijn keel ontsprongen.

»Welnu, wat belet u dien troost te zoeken, Ferdinand ? Ik heb het altijd diep betreurd dat je onverschillig ben geworden voor den godsdienst, want de hoovaardij mag den mensch al eens doen gelooven dat hij zich boven de gewone stervelingen kan verheffen, in zijn binnenste zal hij altijd gevoelen dat dit slechts ijdele grootspraak is. De omgang met oom heeft u in een maalstroom van meeningen geworpen, die slechts uitgevonden zijn om het geweten in slaap te wiegen en wij hebben gezien wat daar het einde van is. Wanneer je vroeger in den godsdienst en in het gebed een bron van troost hebt gevonden, waarom u dan van die bron afgewend nu je het meest troost behoeft? Je hebt mij vroeger wel eens gezegd dat er in je godsdienst punten zijn , welke je niet goed kan aannemen ; \'t is mogelijk, ofschoon ik niet begrijpen kan, hoe men zich daardoor geheel van God kan verwijderen; maar spreek dan met een leeraar van uwe Kerk, die zal wellicht kunnen oplossen wat u raadselachtig voorkomt of waarvan je door oom en anderen een verkeerd begrip gekregen hebt.quot;

«Meen je dat?quot; vroeg Walker en het scheen of die woorden hem aangenaam verrasten.

243

-ocr page 252-

DE FAMILIE WALKER.

»Waarom zou ik het niet meenen?quot; hernam Rika. «Ik heb het altijd betreurd, dat wij niet in denzelfden godsdienst geboren en opgevoed zijn, en nooit zou ik iemand aanraden een gemengd huwelijk te sluiten, want ik heb nu leeren inzien hoe ongelukkig dit is, zelfs als echtgenooten elkander liefhebben; maar verschil van godsdienst is zeker nog veel beter dan geen godsdienst. Spreek dus eens met een leeraar van uw godsdienst, Ferdinand, en als hij in staat is aan uw gemoed kalmte te geven, zal ik hem zegenen, want uw geluk is ook mijn geluk.quot;

»Rika!quot;\' riep Walker, en er sprongen tranen uit zijne oogen, »had ik toch altijd naar uw raad geluisterd, ik zou u zoo ongelukkig niet hebben gemaakt; wat beteekenen alle kennis en wetenschap tegenover zulk een hart van goud!quot;

Slechts op een enkelen wensch was een priester bereid zich naar Walker te begeven, die, in den toestand , waarin hij zich bevond, zijn woning niet kon verlaten. Rika deelde hem met haar gewone openhartigheid alles mede. Zij verhaalde hem hoe gelukkig zij in het begin van hun huwelijk geweest waren, doch hoe Ferdinand door den omgang met menschen, die met den bijbel den spot dreven, langzamerhand geheel onverschillig geworden was voor den godsdienst.

De gedachte was wel eens bij haar opgekomen of

244

-ocr page 253-

DE WARE WIJSHEID.

245

zulke menschen niet vergeleken moesten worden met revolutiemannen, die bij een oproer de regeering altijd beschuldigen van wetschennis , ofschoon zij zich nooit aan eenige wet gestoord hebben. In haar kerkgenootschap was dat ook het geval: menschen die aan geen openbaring geloofden, wilden soms het hoogste woord voeren in kerkelijke aangelegenheden. Reeds lang had zij gezien dat haar man door inwendige onrust verteerd werd, ofschoon hij daarvan niets had doen blijken; sinds het ongeluk hem had getroffen, kon hij echter die onrust niet meer bemantelen, en nu was hij in een toestand geraakt, die groote bezorgdheid voor de toekomst verwekte. »Hij is zoo diep ongelukkig geworden, mijnheer,quot; zoo eindigde zij, ))want waar moet een mensch, die zijn vertrouwen op God verloren heeft, troost zoeken in het ongeluk? Mijn schoonmoeder heeft mij aangeraden dat ik een der professoren zou raadplegen; ik wil dat wel doen, want om zijn leven te redden zou ik alles opofferen, maar zijne ziel moet gered worden, wij moeten hem tot God terugbrengen, dat is veel noodzakelijker en het zal ook wel het meest tot zijn herstel kunnen bijdragen. Mijn man is in de Roomsche religie geboren en opgevoed en ik ben daarom van oordeel dat een leeraar van het kerkgenootschap, waartoe hij vroeger altijd behoord heeft, het best in staat zal zijn, om zijn hart te treffen, dat in verwarring is

-ocr page 254-

DÉ FAMILIF. WALKÉft.

gebracht door sommigen, die, zooals Paulus zegt, het evangelie willen verkeeren.quot;

De priester was door die woorden zeer getroffen en dacht: zooveel geloof heb ik bij velen in Israël niet gevonden. «Mevrouw,quot; zeide hij, »u heeft een daad verricht, die aangenaam is in de oogen van God en niet onbeloond zal blijven. Ik ben bereid aan uw verlangen te voldoen, doch laat ons bidden om den bijstand, die alleen van boven kan komen, want Paulus zegt ook dat men wel kan planten en besproeien , maar dat het God alleen is, die wasdom geeft.quot;

Walker was verwonderd, zelfs een weinig wrevelig, toen hij den priester zag; hij had zijne toestemming tot dit bezoek wel gegeven, doch nu kwam het hem voor dat dit slechts geschied was in een oogenblik van radeloosheid. De man der moderne wetenschap gevoelde zich eenigszins gekrenkt, toen hij meende dat aan hem een raadsman en leidsman werd opgedrongen, die, volgens zijn begrip, in kennis en verlichting verre beneden hem stond. Hij was wellevend als altijd, doch niet zonder aanmatiging; al gevoelde hij zich ook diep ongelukkig, toch kwam de hoogmoed in verzet tegen het denkbeeld dat hij het hoofd zou moeten buigen voor een priester. Hij wierp zich met koortsachtige gejaagdheid op het stokpaard der modernen en galoppeerde met de lichtzin-

-ocr page 255-

ware wijsheid

nigheid der halfweters door de geologische en palaeon-tologische spitsvondigheden van onzen tijd op de geopenbaarde waarheden los.

De priester hoorde hem kalm en bedaard aan en begon toen langzamerhand de dwalingen der moderne wetenschap te bestrijden. Walker, die altijd slechts zeer eenzijdige schrijvers geraadpleegd en in de tijdschriften en dagbladen zijn dagelijksch wetenschappelijk voedsel genoten had, kreeg al spoedig opheldering in hetgeen hem tot dusverre onverklaarbaar of althans zeer duister geweest was. Rika was bij al die gesprekken tegenwoordig; hare oogen hingen aan de lippen van den priester, wanneer deze de geopenbaarde waarheden tegen de drogredenen der hedendaagsche wetenschap verdedigde; dat was haar uit het hart gesproken. Ja, het was werkelijk zoo: Wanneer men tot de mannen der moderne verlichting de vraag richt: Wie is Jesus van Nazareth? zal de een antwoorden ; hij was een groot wijsgeer, de ander hij was een groot man en zijn tijd ver vooruit; maar zij die in Gods Woord gelooven, zullen met Petrus antwoorden en zoolang de wereld staat, blijven antwoorden: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God.

Wat Rika voorzien had, gebeurde. Naarmate Ferdinand zijne dwalingen inzag en zijn hart zich tot God begon te wenden, verdween de slapeloosheid en de vertwijfeling en op den dag dat hij rouwmoedig

-ocr page 256-

DE FAMILIE WALKER.

belijdenis zijner zonden had afgelegd, bekende hij aan Rika, met tranen in de oogen, dat hij zich, in weerwil van hun pijnlijken toestand, gelukkiger gevoelde dan hij ooit in de dagen van weelde en grootheid geweest was. Doch toen Ferdinands gemoedsrust teruggekeerd was, bleek het meer nog dan vroeger dat zijn lichaamskrachten langzaam gesloopt werden; wat ook door de geneeskundigen werd aangewend, zij vermochten niets tegen de kwaal, die aan zijn leven knaagde en zagen zich eindelijk genoodzaakt dit onbewimpeld te kennen te geven.

Rika hoorde dit doodvonnis, dat zij reeds voorzien had, met gelatenheid aan, ofschoon de toekomst haar deed huiveren, want nu bleef al de zorg voor de opvoeding , wellicht voor het onderhoud barer kinderen, op hare schouders rusten. Hoe geheel anders zag het er nog nauwelijks tien jaren geleden uit: toen lachte de toekomst haar tegen, want zij vond een waarborg voor haar geluk in den man, die haar liefhad, en in haar vermogen. Die man ging nu sterven en het was nog onzeker of haar vermogen uit de schipbreuk der maatschappij gered zou worden. Doch al huiverde zij ook, al ontvlood een zucht aan haar borst, die van een schromelijk inwendig lijden getuigde, zij bezat nog den moed om met Job uit te roepen: God gaf, God nam, de naam des Heeren zij geprezen. Zoo waar is het wat het oude Duitsche liedje zegt:

248

-ocr page 257-

DU WA UK WIJSIIKU).

«Wider alle Wiuiden giebt\'s ein kriiftig Kraut,

Der hat Heilang funden, der dies Krautlein baut;

In des Glaubens Garten ist es nnr zu schauen,

Lernt dies Krautlein warten: es heiszt Gottvertrauen.quot;

Er was nauwelijks een half jaar voorbijgegaan sedert den val der maatschappij, toen eens midden op den dag een plechtige stilte heerschte in de woning van Ferdinand Walker. De huisgenooten hadden gedurende zijne ziekte alle gedruisch vermeden en sedert eenige dagen was een gedeelte der gracht met zand bedekt, om het geraas der rijtuigen te verminderen, doch de stilte, die nu heerschte, was buitengewoon. De dienstboden liepen op de teenen en men hoorde geen deur openen of sluiten. Ferdinand lag op zijn ziekbed met de handen gevouwen en de oogen gesloten ; als zijne lippen zich niet bewogen hadden, zou men hem voor dood gehouden hebben. De oude mevrouw Walker spreidde een sneeuwwit laken over de tafel, die naast het ledekant stond, en werd daarin bijgestaan door Rika, die nu en dan met liefdevolle bezorgdheid een oog op den zieke wierp.

»Is het zoo goed, mama?\'\' lispelde zij, een crucifix midden op de tafel plaatsende.

De weduwe knikte toestemmend en droogde met den zakdoek de oogen, die vol tranen stonden. Louise stond aan het voeteinde van het ledekant; zij staarde met weemoed op het ingevallen gelaat van haar broe-

* 349

-ocr page 258-

230 dé familie Walker.

der, eens de trots der familie, nu een stervende , In de kracht zijns levens geveld midden in het gewoel der moderne samenleving.

Toen werd het zoo stil in de kamer dat men een speld kon hooren vallen; het eenige wat men vernam, was de korte ademhaling van den zieke, die onbeweeglijk in dezelfde houding bleef liggen.

Eenige oogenblikken later hoorde men iemand langzaam de trap opkomen; Rika ging naar het ledekant, legde haar hand op het voorhoofd van den zieke en vroeg zacht:

))Ik geloof dat de pastoor gekomen is, Fer; kan ik hem binnenlaten ?quot;

Walker opende de oogen, glimlachte en knikte even met het hoofd. Toen tastten zijne magere vingers naar hare hand, die zij omklemden.

«Zijn de kinderen hier?quot; vroeg hij.

wNeen, Fer,quot; antwoordde zij, »ik was bang dat zij u hinderlijk zouden zijn; wil je dat ik ze ga halen?quot;

»0 ja,quot; sprak hij, «dan zal je met hen bidden, niet waar?\'\'

«Zeker,quot; antwoordde zij, «ik heb dit altijd voor u gedaan.\'1

«Dat weet ik,quot; hernam hij, «en God heeft uw gebed verhoord. Verzoek nu mama en Louise dat zij zich ook even verwijderen, ik zou gaarne nog eenige oogenblikken met den pastoor alleen zijn.

-ocr page 259-

be Ware Wijsheid.

Er is niets zoo indrukwekkend in dit leven als de toediening der HH. Sacramenten aan een stervende. Bij die plechtigheid schijnt al het aardsche te verdwijnen ; de ontzagwekkende tegenwoordigheid van den God, die eens den kruisdood stierf, om den mensch deelachtig te maken aan de eeuwige zaligheid en die nu zoo liefdevol komt om hem met Zijn eigen Vleesch en Bloed te versterken op de reis naar de eeuwigheid , doet alle gedachten aan de ijdele wereld verstommen ; men gevoelt dan evenzeer in een paleis als in een hut de nietigheid van alle aardsche grootheid.

Bika lag midden in de kamer op de knieën, zij hield de beide armen om hare kinderen geslagen en bad. Met de oogen volgde zij alle handelingen des priesters , ofschoon de beteekenis er van haar onbekend was; doch toen hij het Confiteor sprak en zij zag dat Ferdinand met inspanning driemaal op de borst klopte, liet zij het hoofd zinken. Zij begreep dat hij; met den tollenaar uit het evangelie, uitriep : Heer, wees mij genadig. «Ja, Heer, wees hem genadig,quot; snikte zij, «laat mij leven en lijden, maar wees hem genadig; laat hem uw koninkrijk beërven.quot;

Walker ontving de Sacramenten der stervenden met groote godsvrucht, hij bleef nog lang inwendig bidden nadat de pastoor reeds vertrokken was en viel daarna in een verkwikkenden slaap.

Toen hij ontwaakte, zat zijne vrouw naast zijn ledekant.

-ocr page 260-

DE FAMILIE WALKER.

»Hoe is het, Fer?\'\' vroeg zij deelnemend.

»0, goed, heel goed,quot; antwoordde hij met een glimlach van verrukking: «als ik nu maar wist, dat mijn vrouw en kinderen bezorgd waren, Rika, zou ik gaarne sterven, want ik heb afgerekend met de wereld, ik ben verzoend met God.quot;

»Zou je mij zoo gaarne bezorgd zien?quot; vroeg zij en voor een oogenblik straalden hare oogen weder als vroeger.

»Hoe kan je dit vragen,quot; antwoordde hij, «ik-sidder als ik aan uwe toekomst denk.quot;

«En als ik u nu eens goede tijding kon mededeelen?quot; hernam zij.

«Goede tijding?... Wat wil je daarmee zeggen?quot;

«Beloof je mij bedaard te zullen blijven, Fer?\'\'

De zieke knikte met het hoofd en zag haar met zijne holle oogen aan, als wilde hij de woorden aan haar mond ontrukken.

«Toen ik zoo even beneden afscheid nam van den pastoor, die zooveel belangstelling voor ons aan den dag heeft gelegd, kwam mij een der curators zeggen dat de rechtbank afwijzend had beschikt op het verzoek van nietigverklaring der huwelijksvoorwaarde , door Schrabben in naam van eenige crediteuren ingediend.quot;

Er vertoonde zich op Walker\'s wangen voor de laatste maal een blos van vreugde, hij sloeg de oogen ten hemel en zeide:

252

-ocr page 261-

DE WARE WIJSHEID.

»Ik dank u, o God, omdat Gij mijn hart van deze groote benauwdheid verlost hebt; ik had alles bedorven, Gij hebt alles weder goed gemaakt.quot;

«Die ellendige Schrabben heeft dan toch zijn doel niet bereikt,quot; sprak de weduwe, die den advocaat niet had kunnen uitstaan, sinds het haar ondubbelzinnig was gebleken, dat hij geheel onverschillig was omtrent hare dochter Louise.

«Ach, mama,quot; zeide Ferdinand, «laat toch geen haat ons bezielen op het oogenblik dat God ons zooveel liefde en ontferming ten deel laat vallen; ik heb zooveel vergiffenis noodig en vergeef gaarne allen , die mij hebben willen beleedigen en benadeelen.quot;

Rika drukte hem de handen. «Nu is uw hoogste wensch vervuld, niet waar ?quot; vroeg zij.

«Mijn hoogste wensch nietantwoordde hij en zijne oogen bleven lang innig op haar rusten.

Zij zag hem vragend en met blijkbare verwondering aan. Zijne ademhaling was een oogenblik door aandoening belemmerd; daarna vervolgde hij :

«Rika, ik moet nog één olfer, een groot offer van u vragen. Door Gods genade heb ik aan u mijne bekeering te danken; dat ik met God verzoend ben, is uw werk, doch nu besef ik ook volkomen hoe onwaardeerbaar de schat des geloofs is. Ik ben langen tijd onverschillig geweest omtrent de godsdienstige opleiding onzer kinderen; dat was zondig. O, Rika,

253

-ocr page 262-

DE FAMILIE WALKER.

laat mij niet sterven zonder de overtuiging dat onze kinderen eenmaal leden mijner Kerk zullen zijn.quot;

))Het was immers reeds vóór ons huwelijk bepaald dat de zonen in uw godsdienst opgevoed zouden worden , Fer?quot;

»Dat weet ik, Rika, maar wil je die belofte nog eens herhalen, nu ik ga sterven?quot;

»Ik wil nog meer doen, Ferdinand,quot; sprak zij, »ik wil den godsdienst nader leeren kennen, die zulke groote genademiddelen bezit.quot;

»Nu sterf ik gerust,quot; sprak Walker vol aandoening. «Verwijder van onze kinderen alles wat aanleiding zou kunnen geven om hen op den dwaalweg te brengen, waarop ik zooveel voetstappen heb gezet. Laat hen geen omgang hebben met menschen, die onverschillig zijn voor den godsdienst en dat verdraagzaamheid noemen; had ik u niet gehad, Rika, wie weet tot welke stappen de valsche verlichting mij zou hebben verleid; blijf ook zoo voor onze kinderen waken, opdat zij niet eenmaal de wroegingen ondervinden , die mij zoolang gefolterd hebben.quot;

Walker was uitgeput door inspanning en aandoening; Rika sprak hem nog menig troostvol woord toe; zij week niet meer van zijne zijde en verliet de kamer eerst toen hij opgehouden had te leven.

De maatschappij Vooruitgang leeft nog slechts

254

-ocr page 263-

DE WARE WIJSHEID.

voort in de herinnering van hen, die er de slachtoflers van zijn geworden. Rika woont thans met hare beide kinderen op een der grachten, die met den naam van bloemen en planten prijken; zij begeeft zich elke week naar het kerkhof van de kerk de Liefde, en bidt daar vurig voor de zielerust van den man, dien zij zoo innig liefhad.

Op de wkapitainskequot; had het sterf bed van Ferdinand een grooten indruk gemaakt, doch zij is nog dezelfde ij\'dele vrouw gebleven; haar voornaamste zorg is nog altijd zich met «uitzichtenquot; voor hare dochter Louise bezig te houden, wier kansen intusschen hoe langer hoe minder worden.

Albert Oldringa, die vóór den dood van Ferdinand Amsterdam verlaten had, zwalkte nog lang op de zee rond. Hij vroeg toen dikwijls in den nacht aan de sterren hoe zijne goede Rika het maakte, wier brieven hij las tot zij versleten waren. En als hij daar aan boord zat te mijmeren, rees naast die trouwe zuster ook het beeld van een ander wezen, dat hem lang niet onverschillig was, sinds hij in de Kalverstraat een sjaal kocht. In zijn verlangen om spoedig het vaderland te bezoeken, speelde dat beeld geen kleine rol, en \'t is niet onmogelijk dat wij later nog eenige bijzonderheden mededeelen betreffende hem en meer andere personen, die wij in dit verhaal hebben leeren kennen.

2Ö5

-ocr page 264-
-ocr page 265-
-ocr page 266-
-ocr page 267-