ocr page 1
ocr page 2

GUNNING

7

—

E 14

CA-ÏTO

V/

[üfRITfSAMsrëZTRl

w.^TTLËcbntNl

ocr page 3

.

■

ocr page 4
ocr page 5

G U N N ! IJ G

KENT GIJ HEM?

EEN LEVENSBEELD VAN DEN HEILAND,

AAN DE HAP DER EVANGELIËN EN IN HET LICHT VAN HET BELOOFDE LAND.

Vervolg op „Kent gij het Land?quot;

lïET TD TJ IT S C H

DOOR

j^UDWIG ^CHNELLER, Predikaut te Keulen, vroeger te Bethlehem.

Met een voorwoord van Ds. J. P. G. WESTHOFF,

Herst. Lquot;th. Pred. te Amsterdam

TWEEDE DRUK.

r

NIJMEGEN, F. J. MILBORN.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

ocr page 6

Neerhosch. — Stoomdrukkerij der Weesinrichting.

ocr page 7

EEN WOORD VOORAF.

Een nieuw werk van Ludivig Schnéller, den schrijver van „Kent gij het Land?quot;

Niet zonder schroom werd dit, thans in duizenden exemplareri in ons vaderland verspreide, hoek voor de eerste maal door den Directeur der Weesinrichting te Neerbosch uitgegeven. Menige bladzijde toch behelsde het, die in lijnrechten strijd was met de overgeleverde begrippen en denkbeelden van vele Christenen.

Na aandachtige lezing moest menigeen deze of gene van zijn jeugd af gekoesterde en geliefkoosde meening laten varen. Over menig punt ontstak de schrijver zulk een helder licht, dat men wel genoodzaakt toas, als dwaling te verwerpen, wat men jaren lang als waarheid had aangenomen.

Nu is het voorzeker een verblijdend feit, dat zulk een werk binnen weinige jaren reeds drie drukken heeft beleefd.

In menige woning, waar de Bijbel nog als het Huisboek hoog wordt gewaardeerd, is het met vreugde en klimmende ingenomenheid ge- en herlezen. Ja, mij is zélfs menigeen békend, die onder en na de lezing van Schneller\'s iverk over het Beloofde Land zijn ouden, helaas, te lang vergeten Bijbel roeder ter hand genomen en lief heeft gekregen.

Voor dezulken zal ongetwijfeld dit nieuwe werk van den vromen en geleerden schrijver een welkome gave zijn. Het leidt ons het levend Middelpunt der Heilige Schrift binnen. Het schetst ons het heilig leven des Heeren Jezus Christus, zooals het geloof der Gemeente Hem naar de Evangeliën kent en zooals Hij in waarheid is.

In het oorspronkelijke luidt de titel: „Evangelienfahrten:\' In onze taal bestaat daarvoor geen woord. Mijn waarde vriend, de

ocr page 8

VI

vertaler kwam op de gelukkige gedachte tot titel te kiezen: „kent

gij hem?quot;

Wat de schrijver met zijn eerste werk bedoelde, vindt men uiteengezet in het „ Woord voorafquot; van den tweeden druk. Op grond van nauwgezette studiën leert hyj ons het land kennen van \'s Hei-lands gezegenden arbeid.

In dit nieuwe werk schetst hij aan de hand der door de Oude kerk vastgestelde Evangelie-teksten den Zoon des menschen op Zijn tochten door Palestina. Zijn uitwendig levenslot wordt beschouwd in verband met Zijn inwendig leven.

Het maakt in geenen deele aanspraak op een volledig leven van Jezus. Welk mensch is daartoe dan ook in staat? Het behelst meer tafereclen uit dat geheel eenig. God-menschelijk leven. Het is een beeld van Jezus Christus, zooals Hij leefde, sprak en werkte. Het is een levend Christusbeeld in het licht van zijn tijd. Niet minder dan zijn eerste, is het een aanschouwelijk boek, dat tot hart en geweten spreekt.

Met liefde heeft mijn waarde vriend, de Vertaler, zijn taak volbracht. Van harte wenschen ivij hem daarmede geluk, vast over-iuigd, dat zijn arbeid voor duizenden ten zegen zal zijn. Werpe het tevens een rijke vrucht af voor de door den Heer zoo rijk gezegende Weesinrichting te Neerbosch.

Wij eindigen dit korte „woord voorafquot; — want goede wijn behoeft geen krans — met de woorden, waarmede de Hoogl. J. H. Gunning voor een twaalftal jaren zijn leven van Jezus bij het Christelijk publiek inleidde: „In het begin der vijftiende eeuw schilderde Fra Giovanni da Ficsole geknield zijn tafereden uit \' s Hee-ren leven. De hoogste lof, dien ook ik mij in deze voorstellen kan, zou ivezen, dat ik tot hen mocht gerekend\'worden, die als hij, wel bij groote minderheid in kunstvermogen maar toch in dezelfde houding, een beeld hebben geteekmd, dat sommige broeders in hun cel mogen willen ophangen.quot;

amstehdam, 24 Juli 1892.

J. P. G. Westhoff.

ocr page 9

INHOUD.

Biz.

Inleiding............................................1

De opgang uit de hoogte..................................quot;

T)e eerste woorden van Jezus................19

Vier dagen bij Johannes den Dooper aan de Jordaan........30

Aan de Jordaanoevers.......... .......3ó

De komst van den Verwachte................39

De vier dagen.....................

Het eerste wonder van Jezus................50

De lente aan het meer Genesareth..............54

De vischvangst........................................67

Onrijpe volgelingen......................................quot;9

Des konihgs proclamatie in de koningsstad...........78

De koninklijke hoveling van Kapernaüm............101

De bergrede en Jezus\' werkzaamheid in Galilea..........105

De bergrede.....................112

Werkzaamheid in Oalilea.................120

Gevangenschap en dood des Doopers.............128

Vierderlei akkergrond..................134

De tocht van Jezus langs de kust der Middellandsche Zee......149

De reisroute.....................159

De terugreis over Sidon.................161

Tocht naar den Hermon......•...........162

Aan de bronnen der Jordaan................165

Het examen en zijne gevolgen................167

De verheerlijking....................175

Het afscheid.....................181

Het Loofhuttenfeest te Jeruzalem..............183

De feestviering....................185

De strijd......................192

ocr page 10

VUl

Biz.

De laatste dag eu de afreis................199

Jezus\' laatste reis vau (lalilea...............203

Op het Kerstfeest te Jeruzalem...............213

De tien melaatschen...................222

Jezus ia de landstrekeu teu Oüaten der Jordaau..........229

Het eerste Christenhuis te Jericho..............239

De tweede koningsproclamatie in drt koningsstad.........24G

De Intocht op Maandag-..................254

De Dinsdag der lijdensweek................259

De Woensdag der lijdensweek................264

Woensdagavond....................277

Blik op het jinde der wereld................294

Witte Donderdag.................. 304

Gethsemane......................315

In het paleis des hoogepriesters...............325

Goede Vrijdag................... . 332

Eerste verhoor voor Pilatus................33lt;)

Tweede verhoor voor Pilatus................341

Op Golgotha.....................352

Aanhangsel......................372

t—TTjaijjjaa»-

ocr page 11

INLEIDING.

„Maar, dat gij zoo gaarne in het Beloofde Land zoudt willen zijn!quot; schreef eens de Wansbecker Bode aan zijnen Andries. Inderdaad schijnt het alsof de zegen nog aanwezig is op de we-

Het plaatje laat Jeruzalem zien ten tijde Tan Christus; het uitzicht is genomen van den Olgfberg. De voorgrond vormt het dal Kedron.

•2de druk. 1

ocr page 12

2

gen, die de Heer begaan heeft, op de bergen, waarop Hij met Zijne jongeren gerust heeft; alsof men op den Olijfberg de sporen van Zijn nachtverblijf, - op den Tabor nog het licht Zijner verheerlijking ziet; alsof nog een kring van engelen aanwezig is, starende in het verborgene en de plek bewakende, vanwaar Hij de stad aanzag en over haar weende, waar Hij nederknielde en bad, waar Hij het avondmaal instelde, waar Hij gekruisigd werd en stierf. . . .

En zoo is het. Ondanks al het verval, ligt er voor den Christen nog heden iets als een glans van heiligheid over het Heilige Land. Voor de Christenheid zal het altijd eene behoefte zijn, iets te weten ook van de plaatsen waar haar Heer leefde en werkte. En als wij alles wat wij weten uit de berichten aangaande dien tijd, vergelijken met het Heilige Land uit dezen tijd, dan verkrijgen wij dikwijls een meer heldere of juiste voorstelling van menig verhaal uit de Heilige Schrift, dan wij er gewoonlijk van hebben. Als een zoon van Palestina, van kindsbeen af bekend met land en volk, wensch ifc in dit boek deze bewering te staven.

Ik gaf aan dit boek den titel „Kent gij Hem?quot; Een levensbeeld van den Heiland, aan de hand der Evangeliën. Bij het aandachtig lezen der Evangeliën, ondervindt menigeen het gemis van een met het land bekenden gids, die het hem mogelijk maakt zich eenigszins, ook naar het uitwendige, als te verplaatsen onder de toeschouwers en de toehoorders tijdens het lev en van Jezus. Ik heb de Evangeliën gevolgd naar de historische tijdorde van het leven des Heeren, en daarbij die Evangeliën ongebruikt gelaten, die mij voor mijne behandeling minder geschikt voorkwamen. Daardoor was het mogelijk, eenigermate een leven van Jezus te doen aanschouwen in een reeks sprekende figuren, waarbij geen der hoofdperioden kan worden voorbijgegaan.

Ik had daarmede een tweeledig doel:

1) Het uitwendig Schouwtooneel, land en volk .van den toen maligen tijd. te schetsen. Behalve hetgeen ik zelf in het Heilige

ocr page 13

3

Land heb gezien en mede beleefd, heb ik hiervoor de oude geschiedschrijvers geraadpleegd, in hoofdzaak Josephus, dien wij bijna een tijdgenoot van Jezus kunnen noerren.

2) Het Geschiedkundig verband te doen zien, waarin het Evangelie tot het geheele leven van Jezus staat. Daartoe heb ik dikwerf, zonder bezwaar, mijn blik verder doen gaan dan de grenzen van het Evangelie en bij voorkomende gelegenheden, met vrijmoedigheid een \' beeld gegeven van de een of andere periode uit het leven van Jezus, in hare geheele uitgestrektheid.

Ten opzichte der tijdsbepalingen, door mij in de afzonderlijke hoofdstukken gesteld, moet ik verklaren, dat de Evangeliën, naar mijne overtuiging, eene toeejarige, niet eene (Mejarige werkzaamheid aangeven. Om deze meening te staven heb ik dan ook van elke afzonderlijke geschiedenis, jaargetiide en maand aangegeven. Een absoluut juiste aanwijzing is natuurlijk niet te bepalen. Maar de Evangeliën zelve geven genoeg vaste punten aan om voor alle belangrijke gebeurtenissen den tijd met benaderende zekerheid te kunnen vaststellen. Waar dit nu mogelijk is, daar geeft het inderdaad een grootere aanschouwelijkheid aan het verhaal.

In deze bladzijden zal ik meer verhalen dan uitleggen; minder beschouwingen over de Evangeliën geven, dan wel met de meest mogelijke levendigheid den inhoud der Evangelische geschiedenis zelve, ontvouwen. Eenmaal toch zijn deze geschiedenissen, ook met de onbereikbare aanschouwing voor de menschen, eenvoudig doorleefd voor de oogen der tijdgenooten, zonder dat voor hen iemand daarover heeft gepredikt. Toch konden dezen zich niet ontdoen van den machtigen indruk, dien zij maakten. Ook heden nog ligt in deze geschiedenissen iets van de inwendige kracht van groote gebeurtenissen op geestelijk gebied, door het wekken van herinneringen, gedachten, verwachtingen.

Ik gevoel het bezwaar, dat men mij zou kunnen tegenwerpen, dat mijn werk onnoodig of schadeliik is, omdat het van de hoofd-

ocr page 14

4

zaak afleidt. Ik zie dit echter niet in. Geschiedenissen winnen door aanschouwelijkheid bij oud en jong. Het Evangelie bevat slechts geschiedenis. Ook hier mag de verbeeldingskracht tot een heiligen dienst worden opgeroepen, echter onder voorwaarde dat zij zich streng houde aan de historie en met zekerheid de hulplijnen trekke tusschen de verschillende gebeurtenissen en woorden, die ons als onwraakbare historische wetenschap zijn overgeleverd uit den tijd, die bijna twee duizend jaren achter ons ligt. Ik heb zóó lang onder het landvolk van het Heilige Land verkeerd, dat ik durf aannemen, naar mijne bekendheid met het schouwtooneel der evangelische geschiedenis en met de sinds duizenden jaren weinig veranderde Oostersche zeden, het leven in die langvervlogene tijden, met vertrouwbaarheid te kunnen reconstrueeren. Of zou dit inderdaad een onnoodige arbeid zijn ? Welnu, zoo menig werk der phantasie,. — geschiedenissen, die alleen tot vermaak zijn uitgedacht, — wordt ook door Christenen met welgevallen gelezen. Indien dan de helden, die alleen in de verbeelding der dichters bestaan, met deelneming op hunnen weg worden vergezeld, — zouden wij ons dan niet mogen opmaken om den Held aller helden, den schoonste onder de menschenkinderen evenzóó op Zijnen weg te volgen? Zouden wij niet trachten, die twee groote jaren, groot en belangrijk als duizendtallen van jaren, ja, zelfs groot en belangrijk als de eeuwigheid, — die twee jaren, waarop de duizendtallen terugzien en vooruitzien, als op hunne centraalzon, — zouden wij niet trachten er mede bekend te worden uok naar het uitwendige, met gebruikmaking van alle ons ten dienste staande middelen ? Voor hem, die lang in het Heilige land gewoond heeft, onder dezelfde hemelstreek, op dezelfde bergen, op dezelfde wegen, die dagelijks denzelfden zuidelijken hemel, dezelfde zon, dezelfde wolken, dezelfde boomen en bloemen heeft aanschouwd, waarop zoo menigmaal het oog van Jezus peinzend heeft gerust, voor hem is Palestina ook nog heden eene groote, nog te weinig verklaarde toelichting der Evangeliën en van het leven van onzen

ocr page 15

Heiland. En zou het voor de Christelijke Kerk zonder belang en zonder nut zijn, dat in onze eeuw meer dan vroeger, het Heilige Land wederom worde ontsloten en de oorkonden, op zijne bergen geschreven, wederom leesbaar worden? Of zou dit voorrecht alleen aan die weinigen beschoren zijn, die het geluk hadden aldaar langen tijd te vertoeven? Stellig niet. Ik althans acht het van mijne roeping te zijn, als gevolg van mijn zendingwerk aldaar, op de vraag van zoo menig lezer der Evangeliën; „Waar was de Heer gehuisvest ?quot; zoo goed mogelijk tot antwoord te geven: „Kom en zie het!quot;

De Evangelisten hielden zonder twijfel bij hunne geschriften hun oog op het meest verhevene gevestigd. Met groote sprongen voeren zij ons door die beide gedenkwaardige jaren van het openbaar optreden van Jezus. Ook kwam het hun natuurlijk niet in de gedachte, zaken mede te deelen, die als vanzelf spraken, die toenmaals bekend waren bij allen, die hunne kleine geschriften lazen. Wanneer wij heden ten dage onze tijdgenooten even beknopt zouden willen spreken over de werkzaamheden van een groot man b.v. in Berlijn, dan zouden wij zeker niet veel mede-deelen over de stad zelve, hare omstreken, bevolking, de zeden der bewoners, als anderszins, omdat een ieder die weet of gemakkelijk kan te weten komen. Maar het blijft naar mijne overtuiging de plicht der Christelijke Kerk om behalve een diep onderzoek, dat moet doordringen in den geest van het Christendom, van alles gebruik te maken, wat de bekendheid van Palestina in onze dagen aanbiedt, ten einde aan de gemeente zoo duidelijk mogelijk een beeld te geven van het leven onzes Heeren.

In waarheid, het beste van Gods woord is dat deel, dat niet aan tijd of ruimte gebonden is. Zelfs de meest nauwkeurige voorstelling van het aardsche leven van Christus is niets, vergeleken met een enkelen genadeblik van het wezen van den Verhoogde aan Gods rechterhand. Het uitwendige biedt ons in de Evangeliën slechts het omhulsel van een kostbaren schat in den akker. Maar de akker is er toch ook. Door den grond

ocr page 16

6

om te ploegen komt men echter des te spoediger aan het verborgen kleinood. Hem dien alle macht in den hemel en op de aarde toekomt, Hem alleen komt onze aanbidding, onze liefde toe. Maar het Evangelie zelf leert ons, dat wij Hem slechts vinden, als wij den toenmaligen Christus, zooals Hij in knechtsgestalte op aarde rondwandelde, zoo duidelijk mogelijk in Zijne geschiedenis in ons opnemen. Met dat doel zijn de vier Evangeliën geschreven. En hoe duidelijker wij ze kunnen begrijpen, hoe beter het voor ons zijn zal.

In de vaas der uitwendige verhoudingen van Palestina is de kostbare nardus van het leven onzes Heeren besloten. En elke overweging tot de kennis dezer uitwendige omstandigheden, was mij bij dezen arbeid, die mij zelf zoozeer verkwikte, als een openen van den hals der vaas, gevuld met de kostbare nardus, zoodat het geheele huis vol werd van den geur des balsems.

Mochten mijne lezers ditzelfde bij herhaling ondervinden 1 Moge het mij gelukken, het beeld van Jezus en van Zijn leven voor hen te schetsen in eene bekoorlijke gestalte, die dankbaarheid, liefde en verlangen wekt! — Ik bedoel niet, af te leiden van de Evangeliën; integendeel, ik wil er telkens weer toe terugkeeren, als iemand, die zich niet kan verzadigen aan hunne schoonheid. Moge dit boek hier en daar dienst doen als een catalogus op eene uitgezochte schilderijen-verzameling. Wel slaat men er van tijd tot tijd een blik in, maar om met klimmende verrukking de oogen op de heerlijke schilderijen te richten, die geheel de ziel vervullen. Zoo moge dit boek slechts dit bevorderen, dat de lezers telkens weer grijpen naar het onvergelijkelijke Boek zelf, en zij de oorspronkelijke verhalen der apostelen zelve opslaan om nieuwe blijdschap, nieuwen zegen daaruit te ontvangen.

ocr page 17

DE OPGANG UIT DE HOOGTE.

Als de stille nacht, die berg en dal in het duister heeft gehuld, zijn einde nadert, dan begint het in het Oosten te schemeren en te gloren. Een zacht schijnsel van het morgenrood verkondigt in onhoorbare taal aan de slapende wereld, dat de stralende zon uit ver verwijderde, onbekende sferen, heerlijk, lichtgevend, majestueus, als op vleugelen des lichts, en tevens zonder eenig geruisch, de nachtzij der aarde nadert.

Ook de eenige Zon der wereld, kwam tot onze aarde, toen deze in de zwartste duisternis was gehuld, en wel zóó stil en zacht, dat een geschiedschrijver van dien tijd, Josephus, daarvan niets weet te verhalen; maar tevens toch zóó heerlijk en verheven, dat op elk Kerstfeest het gansche rond der wereld opziet naar het licht, dat het eerst die bergen van Judea bestraalde. En ook gloorde een schemering vol blijde verwachting over die bergen, den „Opgang uit de hoogtequot; voorafgaande.

Het plaatje stelt de woestijn ran Judea voor, waarin Johannes de Dooper zijne jeugd doorbracht. De plant op den voorgrond is een bloeiende en vruchtdragende vijgen-cactus.

ocr page 18

8

Dit zijn die gebeurtenissen, die het hart van den grijzen Zacharias als van jeugdige verrukking deden kloppen, die hij ontboezemde in een lofzang, welke nog in onze dagen als van die verafgelegen bergen komende, ons tegenklinkt. Daar ginds, in de weinig getelde en thans bijna onbekende woonplaats van Zacharias en Elisabeth, heeft voor de eerste maal een menschenmond,

— boven de wieg van een pasgeboren kind, dat als een verheven raadsel, een nog ongeopende bloemknop gelijk, ternederlag.

— in zalige vreugde gezongen van „de innerlijke barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte; om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.quot;

Aldus scheen dan het eerste zachte morgenrood van ons Kerstfeest, boven de woning van Zacharias. Waar moeten wij die woning zoeken ? De overlevering, die haar aanwijst in Ainkarem of St. Johannes, nabij Jeruzalem, mist allen historischen grond. Het Nieuwe Testament noemt de stad „Juda.quot; Daar echter Zacharias hoogstwaarschijnlijk in een priester- of Levietenstad woonde, en het Oude Testament ons een Levietenstad Juda noemt, hebben waarschijnlijk zij gelijk, die dit Juda aanmerken, als de geboorteplaats van Johannes den Dooper, het zelfde als het tegenwoordige Juta of Jatta, op 2 uur afstand ten Zuiden van Hebron gelegen.

In 1885 bezocht ik dit stadje voor het eerst. Van Hebron komende liep de weg langs vruchtbare tuinen en landerijen, mee-rendeels echter door steenachtige dalen en rotsachtig gebergte. Nabij de Levietenstad werd het anders. Wij betraden een schoon heuvelachtig plateau. Op den hoogsten heuvel lag een doip. vriendelijk en hef, dat op de bergen en in de nabijgelegen woestijn neerzag, als de wachter en bewaarder van eene heilige geschiedenis. Dit was Juta, weleer de woonplaats des Doopers. Hier in deze oudtestamentische Levietenstad woonden Zacharias en Elisabeth, een echtpaar waarvan de Schrift getuigt,

ocr page 19

9

dat zij vroom waren voor God en onberispelijk naar de geboden en de instellingen des Heeren wandelden. In den tempel te Jeruzalem was hem de geboorte aangekondigd van een zoon, van jongs af vervuld met den Heiligen Geest, die in den geest en in de kracht van Elia een voorlooper des Heeren zijn zoude. Om zijn ongeloof met sprakeloosheid geslagen, keerde hij stom over de bergen naar zijne stille woonplaats terug. Zes maanden later kwam de engel Gabriël tot de begenadigde maagd Maria te Nazareth, vijf dagreizen meer noordelijk gelegen, begroette haar als de gezegende onder de vrouwen en kondigde haar de geboorte aan van Hem, die een zoon des Allerhoogsten zou genoemd worden. Vol ontroering, antwoordde zij: „Zie de dienstmaagd des Heeren. Mij geschiedde naar uw woord.quot; Daarop reisde Maria over dezelfde bergen, waarop wij ons zooeven ophielden, en kwam in dit dorp. En nu, in het huis van Zacharias, begroetten de beide vrouwen elkander. Elisabeth sprak tot Maria; „Zalig zijt gij. omdat gij geloofd hebt! Gezegend zijt gij onder de vrouwen! Vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?quot;

Aldus begon de Geest in dit bergstadje Zijne vleugelen te ontplooien. die na luttel eeuwen de geheele wereld zou vervullen met den lof des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. En Maria, vervuld met zalige vreugde, met den Heilige)) Geest, antwoordde: „Mijne ziel maakt groot den Heer! en mijn Geest verheugt zich in God. mijnen Zaligmaker; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten!quot;

Dit was het morgenrood van het nieuwe verbond, dat den „Opgang uit de hoogtequot; voorafging. Zijn lichtglans verlichtte niet Rome of Athene, maar deze vergeten bergen van Juta, waaide Verlosser der wereld, nog vóór Zijne geboorte, in verheven liederen werd geprezen. En als wij bedachten, dat hier de beide vrouwen, verre van de schitterende hoofdstad, waarboven de Romeinsche adelaars zweefden en waarover een Herodes heerschte, den naderenden dag des Heeren begroetten, dan schenen ons deze stille, onaanzienlijke heuvels, bergen Gods te

ocr page 20

10

zijn, waarop Zijne hand het eerst het nieuwtestamentisch schrift van genade en verlossing heeft gegrift.

Volle drie maanden vertoefde de „begenadigdequot; bij Elisabeth.

Hoe menigmaal zullen zij daarboven in het dorpje in stille uren hebben gesproken van datgene, wat nu als het geopenbaarde Kerstgeheim de geheele wereld verlicht.

Juta, zoo vriendelijk gelegen op een den geheelen omtrek be-heerschende hoogte, is tegenwoordig een armoedig dorpje. Slechts vervallen hutten ziet men daar, de meeste meer onder den grond dan boven hare oppervlakte. Hoopen afval, door de opvolgende geslachten daar neergeworpen, omgeven het, als waren het wallen, zoodat zelfs het huis van den hoofdman, dat zich als een burchx boven de andere huizen zou moeten verheffen, onzichtbaar is geworden. Ook in vroegere dagen zal Juta wel klein en onaanzienlijk geweest zijn. Maar hoe lieflijk waren de dalen, die het als kleine holle wegen omringen! In de diepte en op de hellingen ruischen de olijfboomen. Maria en Elisabeth zullen hier des avonds ivel onder de olyfboomen hebben gewandeld, die ongetwijfeld de voorouders waren van die, welke wij hier thans aanschouwen. Maria, die wij, naar de Oostersche zeden, ons hebben voor te stellen als van zeer jeugdigen leeftijd, heeft zeker, met de hoop in het harte, dikwijls mijmerend hier in he.t verschiet gestaard. Hare oogen staarden op de blauwe bergen van Moab, die in verrukkende kleurenpracht over de Doode Zee zichtbaar waren en waarop eens Bileam, vol verlangen reeds had geprofeteerd van Hem, dien zij onder het harte droeg. „Van de rotsen af zie ik Hem en van de heuvelen aanschouw ik Hem! — Uit Jakob zal een ster opgaan, en uit Israel een heerscher voortkomen. - Ach, wie zal leven, als God dit zal doen geschieden?quot; En als zij hieraan dacht, dan zullen die geheimen van weleer, thans alleen aan haar geopenbaard, hare ziel met groote vreugde hebben vervuld, waarvan Johannes de evangelist zegt; „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. En het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond.

ocr page 21

11

Drie maanden later keerde Maria weder huiswaarts. Haar weg voerde haar langs Bethlehem, dat acht uren verder noor-delijk gelegen, van hier uit, door het gebergte aan het oog wordt onttrokken. Hier was de geboorteplaats van Jozef, waar zij wel een korten tijd rust zal hebben genomen. Zij dacht zeker niet, dat zij dit vriendelijke stadje zoo spoedig zou wederzien.

Spoedig na hare afreize werd in het dorp Juta Johannes geboren en, in aansluiting aan de mededeeling van het familietafereel (Lukas 1 :60—66), heeft Zacharias den lofzang uitgesproken (vs. 67—79) hem door den Heiligen Geest ingegeven. Het waren de eerste woorden, die hij na zoo lang zwijgen, sprak. Drievierde jaar geleden was hij in den tempel te Jeruzalem geweest en had hij bij het stoffelijk reukoffer het geestelijk reukwerk zijner gebeden tot Clod opgezonden. Wat zou hij anders van God hebben gebeden dan de komst des Verlossers? En ziet, een Engel komt hem als verhooring van zijn gebed, de geboorte van den voorlooper des Verlossers aankondigen. Maar hij verstond die boodschap niet, hij kon ze niet gelooven. Troosteloos zag het er in die dagen in Israel uit: het geslacht van David was nagenoeg uitgestorven, het aloude koninkrijk was in eene onbeduidende provincie van Eome veranderd, de profeten waren sinds vier eeuwen verstomd, in de wereldgeschiedenis werd nergens het ruischen van Gods voeten gehoord, op Israels troon zat een bloeddorstige tiran, zooals de geschiedenis geen tweeden had aan te wijzen, - neen, neen, het was niet mogelijk ! Hij had gebeden om de komst des Heeren, maar aan de verhooring van zijn gebed, durfde hij niet gelooven. Op zijn verlangen ontving hij een teeken, dat te gelijker tijd een straf voor zijn ongeloof was. Hij werd stom. Hij zag de vervulling naderen, — waar hij moest zwijgen. Hij aanschouwde Maria in zijn huis, juichend door zijne vrouw begroet — maar hij kon geen woord uitbrengen. Gedurende haar verblijf te zijnen huize sprak hij niet met haar. Wat zal zijne ziel wei hebben

ocr page 22

12

vervuld gedurende dezen langen, bangen en toch zoo blijden Adventstijd? De eerste verwachtingen van zalige kerstvreugde vervulden hem in klimmende mate, hoe meer de tijd naderde. Nu staat hij aan de wieg van zijn eerstgeborene. Wat de Engel had aangekondigd, was geschied. De vervulling der eene belofte was hem een waarborg voor de vervulling der andere. De geboorte van den voorlooper gaf hem zekerheid voor de geboorte des Heilands. Hij staart vol verrukking naar zijn kind, de banden zijner tong worden los in overmaat van vreugde en, na meer dan negen maanden te hebben gezwegen, heft hij een psalm aan vol hope en zaligheid. „Gelijk het gesmolten metaal, uit den smeltkroes stroomt, zoodra eene opening het den uitgang toelaat, alzoo stroomen uit den zoo lang gesloten mond van Zacharias de gedachten en de gevoelens, die zoo lang bij hem waren opgesloten geweest.quot; 1) Zoo klinkt ons de lofzang van den grijzen ziener tegen uit het heerlijke Adventskapittel, het eerste kapittel van het Evangelie van Lukas. Het moet wel een heerlijke Adventstijd geweest zijn in die overigens onaanzienlijke woning op Juda\'s gebergte, waar in die dagen de drie menschen bijéén waren, die boven alle anderen, waardig waren gekeurd, de aanstaande komst van den Heiland te mogen vernemen. Hoe vriendelijk blonk hun de Zon des nieuwen verbonds tegen, niet van het ernstige profetenvoorhoofd van een Mozes of Elia, maar uit twee lieve kindergezichtjes, dat van den kleinen Johannes en dat van het heilige kind Jezus, waarover hemelsche heirscharen in den blijden Kerstnacht hadden gejuicht. Hoe ontmoeten in dit Adventskapittel hemelboden en blijde menschen elkander om de komst des Heeren voor te bereiden. Watliefelijk geruisch in dit hoofdstuk als in den voorhof van het Nieuwe Testament. Psalm na psalm klinkt ons tegen; eerst het korte jubellied van Elisabeth, dan het de koninklijke lofzang

der koningsmoeder, der gezegende Maria, en eindelijk het Bene-

1) Dit zegt Godet in zijn voortreffelijken Coininentaar op het Evangelie van Lukas.

ocr page 23

13

dictus, de profetische vreugdepsalm van den grijzen Zacharias. Evenwel, hoe verschillend van toon. hoe onderscheiden van ac-coorden zij ook zijn, door alle klinkt met geliike zaligheid en dezelfde vreugde: „Advent! Advent! Hij komt! Hij komt!quot;

De eerste adventsdagen gingen voorbij. De tijd van opgroeien en bloeien kwam. Hier in Juta groeide Johannes op. In deze vriendelijke dalen heeft hij als knaap gespeeld. Zijne ouders merkten reeds vroeg in hem op, wat als het geheim van zijn leven reeds over zijn wieg had gezweefd. Hoe dikwijls zal de knaap hebben gezeten aan de voeten van zijn ouden vader in het priesterhuis te Juda en met stralende oogen hebben gestaard in het eerbiedwaardig gelaat, als Zacharias hem sprak van de messiaansche verwachtingen in het Oude Testament, als hij hem zeide, dat hij bestemd was om eenmaal als de eerste dienaar van den te verwachten Koning, vóór dezen uit te gaan en Zijne komst aan te kondigen! Hoe zal dan dat jonge gemoed vervuld zijn geworden met hope en heilig verlangen naar Hem, aan Wien hij zijn geheele leven moest wijden! En hoe dikwijls zal de vrome moeder Elisabeth, die, eenmaal in dit dorp, vervuld van den Heiligen Geest, de „gezegende onder de vrouwenquot; ha.d zalig gesproken, haren zoon in zoete moedervreugde aan het hart gedrukt en hem vermaand hebben vroom te zijn en zich de groote roeping waardig te toonen, waartoe God hem had bestemd.

Dit alles zal de knaap vol ernst in zich hebben opgenomen. Wel was hij een kind als andere kinderen, maar toch reeds vroeg openbaarde zich in hem de machtige werking van den Godde-lijken Geest. En dikwijls zal de geheimzinnige achtergrond van zijn wezen aan zijne omgeving op eigenaardige wijze zijn gebleken, want „hij was vervuld met den Heiligen Geest van zijne geboorte af\'. In liet verborgen rijpte zijn jeugdig gemoed voor zijn heilig ambt. De Evangelist zegt: „En het kindeke wies op en werd gesterkt in den geest.quot;

Daar gebeurde iets dat aan zijn jeugdig leven eene nieuwe wending moest geven. Zijne ouders stierven; beiden waren hoog

ocr page 24

14

bejaard, toen hij geboren werd. Waarschijnlijk was Johannes al vroeg een wees. Nu moest hij zijnen weg alleen zoeken; maaide Goddelijke Geest werd zijn geleider. De dood zijner ouders greep diep in zijn leven in. Alles wat zijne ouders hem hadden gezegd, herleefde met vernieuwde kracht in zijne herinnering. De woorden en de vermaningen van een vromen vader en eene godvreezende moeder werken als een heilige nalatenschap in de harten der kinderen na, zelfs al rusten de ouders reeds langen tijd in den schoot der aarde. En welke schatten had Johannes niet reeds in zijn kinderjaren in zich opgenomen. De liederen, waarmede zij reeds aan zijne wieg God hadden geprezen over den naderenden „Opgang uit de hoogtequot;, de verwachtingen waarmede zij hem zoo dikwijls hadden bekend gemaakt, zij vlochten den draad, die door geheel zijnen geest loopen zoude, zij omschreven de heilige roeping, waaraan hij zijn geheele leven zou wijden.

Hij ging in de eenzaamheid. Wat was natuurlijker dan dar hij zich terugtrok in de nabijgelegen woestijn. Als kind had hij met zijne ouders reeds menigen tocht daarheen ondernomen. Daar zijnde hadden zij hem, diep in het dal, de Doode Zee aangewezen en ten Noorden daarvan de Jordaan, zich zeiven onbewust, dat hun zoon, man geworden zijnde, aldaar zijn verheven werk ten aanschouwen van gansch Israel zou volbrengen. En aan de overzijde had hij toen ook de pasgebouwde vesting Macherus gezien, hoog op het gebergte van Moab gelegen. Hij kon toen nog niet denken dat hij daar boven, aan gene zijde van de blauwe Zoutzee, in die sterkte onthoofd en in de nabijheid begraven zou worden.

De woestijn, waarin hij zich thans ophield, was zeer nabij zijne geboortestad Juta gelegen. Binnen een uur kon men die bereiken. In het Oosten zijn de heuvelen der woestijn van Zif en Maon in het verschiet zichtbaar. Ik trok er inderdaad overheen en de woestijn door. De woningen, die men aldaar nog vindt, doen ons heden nog vermoeden, op welke.wijze Johannes inde

ocr page 25

15

eenzaamheid der woestijn zal geleefd hebben. Hier wonen namen-lijk bijna uitsluitend Troglodieten (holbewoners). Hunne woningen zijn onder den grond in de rotsen gebouwd of uitgehold. Ik zag aldus een geheelen berg, van onder tot boven bevolkt, die uitwendig geen enkel spoor van bewoning te zien gaf. Slechts op den Teil Zif (heuvel Zif) ziet men vele overblijfselen van een oude stad, uit de tijden van David en Rehabeam, welker grondvesten, uitgehouwen gangen, holen verblijven en regenbakken zeer merkwaardig zijn. De plantengroei bestaat uit doornen en distelen, tijm en verschillende zoutplanten. In de lente bloeien hier vele bloemen in wonderschoonen kleurenpracht. Zelden worden menschenstemmen vernomen. Slechts hier en daar op de bergen ontmoet men enkele Bedoeïenen, die hunne kudden weiden. In zulk een rotsholte zal zeker Johannes ook hebben gewoond. De plaats zelve droeg er toe bij om zijne gedachten te vestigen op het verleden van Israel. Gindsche machtige bergen ten Oosten hadden neergezien op Sodom en Gomorra; in deze wildernis had David in veelbewogen dagen zich voor Saul verborgen en menige psalm, dien de priesterzoon hier bestudeerde, is wellicht hier gedicht, als David in vromen weemoed zijne ziel uitstortte in de tonen der snaren zijner hoop.

Maar nog andere plaatsen dan Zif herinneren aan die vroegere tijden. Ten Zuiden van Juta sluit een bergketen den horizont af. Twee prachtige kruinen staan vóór de anderen. Deze heeten tegenwoordig nog, evenals voor 3000 jaren: Main (Maon) en Karmel (de geboorteplaats van Nabal, niet te verwarren met het Karmelgebergte in het Noorden). Waarschijnlijk heeft Johannes in de woestijn nabij Juta geleefd naar de gebruiken der bergbewoners, in het koude jaargetijde zich kleedende met een kemelshuid. Karaeelen zijn hier talrijk.

Wat zal Johannes in de woestijn hebben verricht? Een monnik of een kluizenaar, die zich ter wille van overpeinzingen van eiken arbeid onthield, was hij stellig niet. Ernstige arbeid is onafscheidelijk van elk gezond menschenleven. En Johannes was

ocr page 26

16

een gezond mensch, maar ook moest hij in zijn levensonderhoud voorzien. Wij zijn overtuigd dat hij hetzelfde werk verrichtte, dat heden ten dage evenals in oude tijden in de woestijn verricht werd: hij was schaapherder. Hij was niet de eerste Godsman. die met diepe en rijke gedachten bezield, dit beroep uitoefende, dat tot een dagelijks verblijf in de eenzaamheid op de berghellingen en in de stille dalen noopt, waar het hart, in de zwijgende natuur, zonder ander levend wezen in zijne nabijheid dan de grazende kudde, den blauwen hemel boven zich en den spiegel der zee aan zijne voeten, meer dan ergens elders de nabijheid van den grooten God van hemel en aarde gevoelt.

Het is gemakkelijk te verklaren, waarmede Johannes inwendig vervuld was. Reeds door zijne geboorte, als afstammende van een oud-adellijk priestergeslacht, behoorde hij tot den stand der geleerden. Zijn vader had hem voorzeker grondig onderwezen in de schriften der profeten. Zijn bijbel, Mozes en de profeten, was zonder twijfel zijn getrouwe metgezel in de eenzaamheid. Eén onderwerp bij uitnemendheid trok hem altijd weer met onweerstaanbare macht aan; de voorspellingen namelijk aangaande den beloofden Verlosser, den Messias. Deze Schriftplaatsen zocht hij telkens weer op, overdacht ze en zocht daarbij tevens licht te vinden aangaande zijn eigen levensroeping. Eene plaats uit den profeet Jesaja bleef meer dan eenige andere hem steeds nabij. Dag en nacht hield deze hem bezig. En zoo dikwijls hij die overdacht, hoorde hij een inwendige stem, die zeide: dat zijt gij! dat zijt gij! En zóó overweldigend sprak dat woord tot zijne ziel. zóózeer bepaalde het voor hem zijne bestemming, dat hij later, in zijn volle leven, zijne prediking altijd begon met deze zelfde woorden, die ook heden nog voor ons zijn als het motto van zijn bestaan: „ De stem des roependen in de woestijn; Bereid den weg des Heeren! Maakt Zijne paden recht. Alle dal zal gevuld worden en alle berg en heuvel zal vernederd worden en de kromme wegen zullen recht en de oneffene wegen effen worden, — want de heerlijkheid Gods zal geopenbaard worden.quot;

ocr page 27

17

Dikwijls ook zal het oog van Johannes over de bergen heen hebben gezocht naar het diepe Jordaandal, dat men van de toppen der woestijnbergen in de verte kon zien. Aldaar was, naar de Schriften, zijn voorganger Elia, met vurige paarden en vurigen wagen hemelwaarts gevoerd. Hij ook voelde zich daarheen getrokken. Toen de tijd gekomen was, ging hij er heen en begon zijne krachtige prediking en doop der bekeering, en verkondigde de nadering van Dengene, die te komen stond. Den stedelingen uit Jeruzalem kwam hij ruw en somber voor, als hij allen, groo-ten en geringen, tot boete vermaande en het aanstaand gericht aankondigde. Maar de uitgelezen schare zijner leerlingen luisterde met gespannen aandacht, als hij sprak van Dien, die na hem komen, die met den Heiligen Geest en met vuur doopen zou, van wien de door duizenden toehoorders omringde prediker zeide, dat hij zelfs niet waardig was diens schoenriemen te ontbinden. En ook voor Johannes kwam aan den oever der Jordaan de groote adventsdag, toen Jezus eens aan de oude, heilige rivier stond en de Dooper, diep ontroerd naar Hem heenwees, zeggende: „Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt.quot;

In het dorp Juta wist bij mijn bezoek niemand meer iets aangaande Zacharias, Elisabeth en Johannes. Niet ver van de plaats, waar een overoude, voor heilig gehouden olijfboom stond, welks zware takken op de rotswanden rustten, zag ik een groot hol. Uit het nachtelijk donker van dit hol schenen 6 of 7 lichten, die een tooverachtig schijnsel gaven. Het hol is blijkbaar een aloud rotsgraf van een voornaam geslacht. De overblijfselen van acht grafruimten zijn nog duidelijk zichtbaar. Hier, zeiden de dorpsbewoners, ligt een heilige Schach (hoofdman) begraven.

Te zijner eere werden de lampen brandende gehouden en telkens van de noodige olie voorzien. Of dit de graven zijn van Zacharias en de zijnen, die in groot aanzien stond en evenals zijne vrouw van oud-Israelietischenadel was?De dorpsbewoners kenden den naam niet van den heilige, voor wien zij zoo getrouw hunne

2

ocr page 28

18

lampen onderhielden. Ik vertelde hun de dingen, die voor 2000 jaren in hun dorp hadden plaats gehad. Zij waren blijde deze geschiedenissen te mogen vernemen en deden hun best de namen in hun geheugen te bewaren. Het is geen wonder, dat zij dien naam niet meer kenden. Het ging evenzoo met den naam des Heeren zei ven. Deze is in Zijn geboorteland bijna vergeten. Waarom dan zouden namen van geringere beteekenis, die reeds afnemen moesten, terwijl de Zijne hier nog grooter werd. niet vergeten worden?

ocr page 29
ocr page 30

20

zweeg de evangelische geschiedenis van Jezus. In stilte is het kind in het huis der ouders te Nazareth opgegroeid als een bloem Gods.

Is reeds elk kinderleven voor ons een wonder en het ontwaken van de sluimerende gedachtenwereld en geesteskrachten eene verborgenheid, — welke verborgenheden omzweefden het hoofd van dit kind te Nazareth! Niet alleen met het aard-sche ouderhuis waren banden aangeknoopt, maar ook met het Vaderhuis daarboven. Gelijk eene bloem haren kelk des morgens naar het Oosten keert, vanwaar de zonnestralen komen, zoo keerde deze Lelie den haren gansch en al tot den hemelschen Vader.

De wonderbare verhalen uit de kindsheid van Jezus, waarvan de kerkelijke legenden weten te spreken, verstoren en ontwijden slechts de heilige stilte van dezen verborgen wasdom. Op Zijn twaalfde jaar echter trad Jezus evenals elk andere Israelietische knaap in de rechten en plichten van een lid der gemeente Gods, zooals dit bij ons geschiedt bij de aanneming tot lidmaat. Van toen af mocht Hij de Heilige Schriften onderzoeken en aan de feesten te Jeruzalem deelnemen. Daarom was het de eerste paaschreize, die Jezus op Zijn twaalfde jaar met Zijae ouders deed. Hoe verlangend zal het Kind naar dit tijdstip hebben uitgezien! Eindelijk was de dag voor de afreis aangebroken. Alle voorbereidselen voor eene lange afwezigheid waren in het . huis van Jozef gemaakt. Waarschijnlijk reden de leden van het gezin, als passende voor hunnen stand, op ezels. Ook het twaalfjarige Kind, in een lang, veelkleurig gewaad gekleed, een ge-kleurden tulband op het hoofd, zal op eenen ezel zijn geze» ten geweest. Het heilig gezin reisde niet alleen, zooals bi) de vlucht naar Egypte. De reizigers uit dezelfde stad of streek vereenigden zich gewoonlijk tot een karavaan. Uit Nazareth zullen wel honderd of meer personen zijn gegaan. Het was lente, toen zij de reis aanvaardden. De wonderschoone bloemen waarover de levendige Knaap later, toen Hij een man geworden was, zulke heerlijke gelijkenissen sprak, bloeiden langs den weg. En

ocr page 31

21

toen zij ongeveer een uur na den uittocht uit Nazareth de plaatsen genaderd waren, \'waar de weg naar het dal een aanvang nam, zagen zij vóór zich, de groote, schoone vlakte van Jizreël, gelijkende op een groene, golvende zee. In April is deze vlakte van den Tabor tor, den Karmel en de zee geheel bedekt met heerlijk groen. Bergaf ging het nu naar de vlakte. In het Westen zagen de reizigers het uitgestrekte Karmelgebergte, waarop eens Elia het volk bijeenriep om te kiezen tus-schen Jehova en Baal. Links van de heirbaan zag men Naïn, Endor, Sunem, den berg Gilbóa, en vóór zich de voorgebergten, die Galilea van Samaria scheidden. In het verder verschiet verhieven de bergen van Samaria hunne koninklijke toppen, Ebal en Garizim, alwaar zij morgen hoopten aan te komen. Zeer strenge Joden kozen boven dezen „naastenquot; weg den omweg door het Jordaandal en langs Jericho. Wij hebben geen reden om aan te nemen, dat ons reisgezelschap dit deed. Des nachts bleef de karavaan in de open lucht. Onder de olijfboomen, die bijna elk dorp als trouwe wachters omgaven, vond elke groep een geschikte rustplaats. Om niet op den blooten grond te liggen, nemen nog heden ten dage de feestgangers tapijten en dekens op hunne rijdieren mede.

Hoe meer de reizigers de stad Jeruzalem naderden, destemeer klopte het hart van den knaap uit Nazareth van hooggestemde verwachting. Tegen den avond van den derden dag zagen zij de stad voor het eerst uit de verte, van Bethel af, drie uren voor hunne aankomst. Daar lag zij boven op den berg en de witte gebouwen, met name den marmeren tempel der hooggelegen stad, verhieven zich in den glans der avondzon, als om de reizigers te begroeten. In het Oosten prijkte vol ernst de Olijfberg, dien de Knaap heden voor den eersten keer aanschouwde, aan wiens voet Hij den laatsten nacht van Zijn leven zou doorbrengen, in de open lucht overnachtende evenals op deze reis. Nu ging het eindelijk over de bergruggen langs Bethel, Eire, Kama, Gibea-Sauls. Van den Skopus af, de noordelijke voort-

ocr page 32

22

zetting van den Olijfberg zagen zij de geliefde, sinds eeuwen de heilige stad, in hare volle majesteit vlak voor zich. En zoo als later de kruisvaarders aan deze plaats, door den aanblik overweldigd, de heilige stad met vreugdetranen begroetten, zoo zal ook de Knaap uit Nazareth, ter liefde van Wien de kruisvaarders hier heentrokken, in Zijne ziel diep ontroerd zijn geweest, nu Hij voor de eerste maal de „heilige stadquot; voor zich zag en elk gebouw kon onderscheiden: ginds de plaats waar het paleis van Zijnen voorvader David gestaan had, daar de tempel, waar profeten en koningen gewerkt en heerschappij gevoerd hadden, waar ook heilige godsmannen waren gedood geworden. Ja, hier was ook de stad waar Gij den dood zult vinden, twaalfjarig, onschuldig Kind, dat met Uwe groote, heldere oogen in stille bewondering stad en tempel als verslindt.

In Jeruzalem vinden de reizigers een woelig leven. Uit het gansche land waren Israelieten toegestroomd om feest te vieren. Nog heden komen tegen \'t paaschfeest ongeveer 20,000 pelgrims te Jeruzalem. Er waren natuurlijk geen logementen om alle vreemdelingen op te nemen. Zij, die goede vrienden in de stad hadden, werden door dezen gehuisvest. Anderen sloegen tenten op voor de stadsmuren. Men had geheele straten van tenten, waarin de gasten verblijf hielden. Wellicht waren de tenten wel opgesteld van het Kedrondal tot aan Gethsemané, voorbij den Olijferg. De meesten echter waren ten Noorden der stad opgeslagen, de eenige zijde, die niet zoo dadelijk in een diep dal afliep. Jezus betrad met Zijn ouders het voorhof des tempels, waarvan Hij in Nazareth zoo dikwijls had hooren verhalen. Voor de eerste maal wandelde het Kind in deze heilige zalen, voor de eerste maal aanschouwden Zijne verbaasde oogen den prachtigen bouw des tempels, voor de eerste maal stonden Zijne voeten „in uwe poorten, Jeruzalem!quot; De tempel met zijne marmer en gouden bekleedsels en sieraden was een wonderwerk van bouwkunst, en met den opgewekten trots van een Israeliet zal Jozef, de bouwmeester, de bijzondere onderdeelen wel aan den Knaap hebben aangewe-

ocr page 33

23

zen. En toen in tegenwoordigheid van het volk het feestoffer werd aangebracht en de eerste korenaren aan den Heer werden toegewijd, hoe aandachtig werden toen die heilige gebruiken door Jezus gevolgd! Van al de honderden, die hier in het groote voorhof, schouder aan schouder opeengedrongen stonden, was niemand zoo vol aandacht, zoo overgegeven, zoo verzonken in den Yader, die hier gediend werd, als de twaalfjarige Knaap uit Nazareth, waarop niemand acht sloeg. En des avonds, toen het paaschmaal in de huizen werd gehouden, zaten in eene zaal te Jeruzalem ook Jozef en Maria met Jezus aan, met vrienden en betrekkingen en aten van het paaschlam. Jezus volgde met aandacht de ceremoniën, de herinnering aan de verlossing uit de slavernij uit Egypte. Zou het Kind reeds een voorgevoel hebben gehad van die andere verlossing uit een nog erger dienstbaarheid, die in Zijn leven zoo diep zou ingrijpen, ja, waarvoor Hij Zijn leven zou laten, als een paaschoffer? Ongeveer twintig jaar later vinden wij den man geworden Knaap, op eenen avond in eene opperzaal te Jeruzalem terug. Het is weder Paschen. Weder beschijnt eene lamp een gezelschap, dat om het paaschlam vereenigd is en weder is dezelfde Maria tegenwoordig. En Jezus, in het midden Zijner jongeren, breekt het brood, zooals men het paaschlam brak, alsof Hij Zijn eigen lichaam verbrak. Toen echter was Hij zelf het paaschlam, en op het punt den dood te gemoet te treden als „het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.quot;

Het feest duurde zeven dagen. Of de ouders de geheele week daar bleven, is uit het verhaal niet met zekerheid op te maken. De omstandigheid, dat de ouders Jezus kwijt raakten, bewiist intusschen, dat te gelijk met hen vele anderen vertrokken. Misschien bleven zij ook wel den geheelen feesttijd. Maar het slechts twee uren verwijderde Bethlehem was de geboortestad van Jozef, en bovendien waren aan deze plaats voor hem en Maria liefelijke herinneringen verbonden uit de vroegste kindsheid van Jezus, vooral van den eersten Kerstnacht. Waarschijnlijk brachten zij met

ocr page 34

24

hun Kind een bezoek aan deze plaats. Maar het hart van den Knaap ging niet uit naar Zijne geboorteplaats, maar telkens weer naar den tempel. Als men een afwezende van ganscher harte liefheeft, en men kent een huis, waar veel over hem gesproken wordt, dan gaat men het liefst daarheen. Daarom ging Jezus daarheen, waar men den geheelen dag sprak van den hemelschen Vader, dien Hij liefhad met Zijne gansche ziel. Zoo geschiedde het dan ook, dat Hii den dag na het feest, toen allen zich voor de afreis gereedmaakten, nog eens naar den geliefden tempel terugging.

Buiten voor de Noordelijke stadspoort verzamelden zich alle feestgangers, die naar het Noorden moesten reizen. Daaronder behoorde ook het reisgezelschap uit Nazareth. Indien de bewoners der omliggende dorpen zich met die uit Nazareth tot één karavaan hadden vereenigd, dan zal deze er statig hebben uitgezien. Maar ook vele andere reisgezelschappen stelden zich aldaar op; want ook zij, die naar andere G-alileesche plaatsen en die naar de Jordaanstreken en naar Perea trokken, gingen van de Noorderpoort uit. De groote vlakte aan deze poort gaf aldus op dien dag een schouwspel van groote beweging te zien. Langs den geheelen stadsmuur en tot ver onder de olijf-boomen was veel gedrang. Honderden last- en rijdieren stonden gereed. Zij, die onder den blooten hemel of in tenten overnacht hadden, namen hunne tapijten op. Hier werden de rijdieren gezadeld, ginds de lastdieren beladen. Hier werden de vertrekkenden door bekenden, elders door noodzakelijke voorzorgen opgehouden. Kortom, het waren dezelfde tooneelen, die nog heden tegen Paschen aan de poorten van Jeruzalem te zien zijn, als een groote karavaan opbreekt. Er wordt steeds voor gezorgd, dat men met zonsopgang opbreekt; echter wordt het toch 8, 9 somtijds zelfs 10 uur, eer men op marsch is. Het is dus begrijpelijk, dat niet alle reizigers gelijktijdig gaan. Die reisvaardig zijn, rijden langzaam vooruit. Aldus verdeelt de karavaan zich als vanzelf in kleinere groepen, met een afstand tusschen de eerste en de laatste van 1 tot 2 uur.

ocr page 35

25

Bij het halt houden des avonds komen allen weer samen en daarna kan het gezelschap weer bijeenblijven.

Aldus moet het ook zijn gegaan met het Nazareensche reisgezelschap. Onder de talrijke groepen menschen, rij- en lastdieren,, reizigers en afscheidnemenden, bevonden zich ook Jozef, Maria en Jezus. Ook zij wilden vertrekken. Ook zij hadden nog voor allerlei te zorgen. Zij bevonden zich aan de Noorderpoort van Jeruzalem. Zeer nabij deze poort was een heuvel. Deze heette Golgotha. In de nabijheid bloeiden in de volle pracht der lente de tuinen van aanzienlijke lieden. In dien, welke later het eigendom was van Jozef van Arimathea, verhief zich een zware rotswand. Echter was daarin het graf nog niet uitgehouwen. Nabij den heuvel stond de twaalfjarige Knaap uit Nazareth. Hij aanschouwde dat bont gewemel. Zou Hij een voorgevoel hebben gehad, dat Hem zeide welke beteekenis deze heuvel eenmaal voor Hem, ja, voor de geheele wereld hebben zou? Twintig jaren later, — het was wederom Paaschfeest, — stroomde uit deze poort datzelfde feestvierende volk, schreeuwende en razende omringde de menigte den nu Twaalfjarige, die door krijgsknechten weggevoerd, met het kruis beladen, doodmoede naar Golgotha opging om daar den dood eens misdadigers te sterven. En in dien rotswand was toen een nieuw graf uitgehouwen, waarin de trouwe Held uitrustte van Zijn laatsten, zwaren strijd.

Nu, de tijd ging voorbij onder voorbereidselen. Hier en daar vertrok reeds een reisvaardige troep. En terwijl het vertrek nog eenig oponthoud ondervond, bleef de Knaap de stad beschouwen. Op kleinen afstand zag Hij den geliefden tempel, waardoor Hij zich onwederstaanbaar aangetrokken gevoelde. Daarbinnen had Hij een nieuw te huis gevonden, daarbinnen was het Zijn hart zoo goed geweest, als nergens elders. En daarom spoedde Hij zich door de straten en verdween door de tempelpoort.

Inmiddels waren ook Jozef en Maria tot de afreis gereed. Zij keken naar hun Kind, maar zagen het niet in hunne nabijheid. Zij veronderstelden, dat het reeds met een der andere groepen was ver-

ocr page 36

26

trokken, iets, dat op de terugreis licht kon gebeuren. De ouders volgden dus zonder bekommerd te zijn. Des avonds kwamen zij aan de plaats van algemeene ontmoeting. Het volksverhaal duidt als zoodanig aan het schoongelegen Bire, niet ver van Bethel, van waaruit men het drie uur verwijderde Jeruzalem gemakkelijk kan zien. Aan de destijds daar reeds opwellende heerlijke bron houden de reizigers ook heden ten dage nog gaarne halt, aangezien men door de vertragingen van den eersten dag, toch ook moeielijk verder kan komen. Hoe het zij, de ouders kwamen daar des avonds aan en zochten te midden der andere reisgenoten hun Kind. Maar nergens konden zij het ontdekken; ook had niemand het gezien. Er bleef dus niets anders over dan den volgenden morgen naar Jeruzalem terug te keeren, waar het bij vrienden wel overnacht zou hebben. In Jeruzalem zochten zij nu tot den derden dag; maar tevergeefs. Nu werden zij beangst en verweten zich hunne zorgeloosheid.

Jezus had zich intusschen in den tempel opgehouden. Toen Hij daar kwam, zag Hij al dadelijk eene groep leeraren der Hoo-geschool, die tot den tempel behoorde. Hunne discipelen en het volk zaten aan hunne voeten. Jezus zette er zich ook neder en luisterde. Men zat niet in een zaal of vertrek, maar in de open lucht, of in de prachtige, gewelfde zuilengangen, die vooral aan de zuidzijde, als de „zalen van Salomoquot; uitgestrekte wandelgangen aanboden. In den heeten zomer was het hier voor het onderwijs veel aangenamer dan in een afgesloten ruimte, aangezien men er zoowel koele schaduw als frissche lucht vond. Jezus hoorde toe. Hetgeen hier werd behandeld betreffende datgene wat „Zijns Vadersquot; was boeide Hem dermate dat Hij vader, moeder, terugkeer, huis, ja, alles vergat. Hier werd het Hem duidelijk, dat Hij nog een anderen Vader had, Wien Hij meer toebehoorde en tot Wien Hij in inniger betrekking stond, dan tot Jozef en Maria. Hier geschiedde inderdaad eene goddelijke bevestiging van den Knaap, eene bevestiging van het innerlijk bewustzijn Zijner verhouding tot den Vader. Hij luisterde en bleef on-

ocr page 37

27

verzadigd. Af en toe waagde Hij het een bescheiden vraag te doen. Intusschen brachten deze vragen de geleerden in verbazing. Zij wekten bij hen geheel nieuwe gedachten. Er sprak een doorzicht uit, een doordringen door de uitwendigheden en vormen van den tempeldienst \'ot het eigenlijke wezen van den Godsdienst. Er sprak een gemoed uit, niet door de zonde bezoedeld, een hart, wijdgeopend voor God, alsof alle schuilhoeken van dat hart voor Hem openlagen. Zelfs vertoonde zich reeds de kiem van die gevatheid, waarmede Hij dikwijls later door eene enkele eenvoudige vraag gansch een gebouw van spitsvondige leerstukken van deze zelfde schriftgeleerden omverstootte. Maar nu bestond de vijandschap nog niet, die later Zijne verbitterde tegenstanders tegen Hem innam. Vol oprechte bewondering blikten zij in dit open lieftallig kindergelaat, in het heldere, aller harten winnend oog. En dikwijls was het hun, alsof zij de leerenden waren en de bescheiden Knaap aan hunne voeten hun leermeester.

Waar was de Knaap echter des nachts? Van de tegenwoordige Paaschgangers te Jeruzalem overnachten velen bijna gedurende de geheele paaschweek in de grafkapel of in den tuin daaromheen. De twaalfjarige Knaap bleef zeker ook des nachts in den tempel, en aan Hem werd vervuld, wat de eerste Psalm zegt: „Zijn lust is in des Heeren wet, en Hij overdenkt die dag en nacht.quot; In de huizen der stad immers had niemand Hem gezien, want Zijne ouders bleven Hem zoeken. Hij zal wel gezeten zijn geweest bij de priesters of tempeldienaren, totdat de starren neerblonken op den ouden, heiligen tempel, om zich te laten verhalen van de feesten en van den schoonen eeredienst. En des nachts zocht Hij een slaapplaats onder de bogen en gewelfde zuilengangen, tusschen de kolommen, door de volle maan van Paschen beschenen.

Eerst op den derden dag kwamen Zijne ouders in den tempel waarschijnlijk niet zoozeer om hun kind te zoeken, als wel om God te bidden, het hun te doen vinden. Maar bij het binnentreden van het ruime voorhof, ziet Maria hem zitten midden tus-

ocr page 38

28

schen de leeraars! Zij vliegt daarheen, drukt Hem aan hel hart en vraagt op liefdevollen, maar toch zacht verwijtenden toon „Mijn zoon, waarom hebt gij ons alzoo gedaan? Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht!quot; Jezus scheen als uit een andere wereld terug te keeren. Hij zag Zijne moeder verwonderd aan en deed op kinderlijken toon de wedervraag: „Waarom hebt gij Mij gezocht?quot; (kon ik ergens elders zijn dan in den tempel?) „Wist gij niet, dat ik zijn moest in de dingen mijns Vaders?quot;

Dit zijn de eerste woorden, die uit Jezus\' mond zijn opgetee-kend. Zij zijn waardig aan het hoofd te staan van al die goddelijke woorden, welke dezelfde mond later in dat dierbare land sprak. Als ooit een eerste woord van een groot man ons een blik gaf in zijn diepste wezen, zoodat het profetisch heenwees op een groote toekomst, dan was het wel dit woord van den twaalfjarigen Jezus. Dit woord is in \'t kort het program van Zijn leven. Zijn geheele leven in Galilea, Samaria, Jeruzalem, of waar wij het ook kennen, stelt ons de vraag: „Weet gij niet, dat ik zijn moet in de dingen mijns Vaders?quot; Zelfs als Hij ten laatste op dien heuvel buiten de poort, waar eens de knaap bij de opbrekende karavaan stond, aan het kruis hing, het hoofd met bloec en wonden bedekt, als diezelfde Maria, onder heete tranen en in stomme smart den lijdenden Zoon schijnt te vragen; „Mijn zoon, waarom hebt gij ons dit aangedaan?quot; — dan is het, wederom op dat groote Paaschfeest, alsof Zijn brekend oog haar en ons met de wedervraag beantwoordt: „Weet gij niet dat Ik zijn moet in de dingen Mijns Vaders?quot;

Lukas voert ons van den tempel terug naar Nazareth. In het vreedzame dal, vanwaar men den blik kan richten op den met sneeuw bedekten Hermon, op de vlakte van Jizreël, op den berg Gods, Karmel, op de blauwe Zee, daar leefde Jezus als in het verborgene, onopgemerkt. Het morgenrood der opgaande Zon had over Juta geschenen; in een heiligen nacht, te Bethlehem, was deze Zon in stralenglans opgegaan, alsof honderdduizend zonnen door den duisteren nacht der wereld glansden; in Jeruzalem

ocr page 39

29

brak hare heerlijkheid door, in de onbegrepen gestalte van het twaalf jarig Kind. Nu ging zij in Nazareth weer onderin de stilte der verborgenheid. Daarna straalde deze nieuwe Zon in volle pracht en verlichtte de bewoners van den boschrijken oever der Jordaan, het verrukkelijke meer van Genesareth en de oudekoningsstad Jeruzalem met hare tempels. „Zij zagen Zijne heerlijkheid, de heerlijkheid van den Eengeboren Zoon des Vaders. Het Licht scheen in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.quot; Het scheen en verlichtte die landen, totdat de Zon eindelijk op den goeden Vrijdag achter Golgotha bloedrood onder ging. Als de Paaschzon verrees zij echter opnieuw om de geheele wereld te verlichten met nieuw licht. Sinds dien dag luidt de grondtoon van elk Christenleven, ja, van de voorafgaande en volgende wereldgeschiedenis der verloste menschheid: „Weet gij niet, dat Ik zijn moet in de dingen Mijns Vaders?quot;

ocr page 40

Voor ons breidt zich het diepe Jordaandal uit. Wat al herinneringen uit oude tijden omzweven dezen heiligen stroom. Als wij zijn boschrijken oever betreden, als wij neerzien op de snelvlietende wateren, wier fluisteren en murmelen op de hooge, steile oeverwanden wegsterft, dan gaat er een geluid op uit het bruisende water, als had het ons veel te vertellen. Het spreekt ons van Israels vroegere dagen, toen het zwervende volk, uit Egypte gekomen, voor het eerst aan den voet dezer altijd groene boomen zijn leger opsloeg, — toen de gelukkige zwervers, met Jozua aan het hoofd, in het gezicht van het beloofde land, waarnaar zij zoo lang smachtend hadden uitgezien, voor de eerste maal aangezicht en

Het plaatje stelt de Jordaan voor, ter plaatse waar, volgens de overlevering de doop werd toegediend. Op den achtergrond zijn de steile oeverwanden, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, zichtbaar. In de hoofdletter zijn de beide Jordf.an-bloemen gestoken, waarover eveneens gesproken wordt, de kleinste links violet, de andere, die op eene korenbloem gelijkt, lichcblauw.

ocr page 41

31

handen bevochtigden in den stroom, die voortaan hun zou toebe-hooren. Niettemin zijn de heerlijkste dagen, die over dezen gewij-den oever zijn opgegaan, die, waarvan de Evangelist Johannes hoofdstuk 1 vs. 19 en verv. er vier met korte, krachtige trekken beschrijft. Het waren adventsdagen, geboortedagen der Christelijke Kerk. De eerste openbare behandeling, de eerste schrede, waarmee de goddelijke Verlosser Zijn werk aanvaardde, hoewel door menschen omgeven toch door slechts weinigen erkend; toen nog een eenvoudig man, een vergeten burger van Nazareth in Galilea, had plaats hier in deze boschrijke streek, in dit diepe dal.

Hierheen aan de Jordaan, had Johannes den Dooper het tooneel zijner werkzaamheid kortgeleden verplaatst. In de eenzaamheid der woestijn of steppe was hij opgegroeid. Reeds door het onderwijs zijner ouders was hij er van doordrongen, dat hij de komst van den Messias moest voorbereiden. De heilige liederen, die Maria, Elisabeth en zijn vader Zacharias bij zijne wieg hadden gezongen, waren niet door den wind weggeblazen. Hunne melodie doortrok als een liefelijk, als een heilig bewaard geheim zijne jeugd en verlevendigde zijne een-zaamhheid met zalige verwachtingen. Menigmaal zag hij in den geest den Messias komen en zichzelven als Rijksheraut Hem voorgaan. De tijd brak aan, dat hij zijn geheim openbaren moest, ja, dat hij het aan geheel het volk openlijk moest verkondigen. De Geest Gods gaf hem de gewisheid, dat de lang Verwachte voor de poort stond en hij zelf als Heraut Zijne komst moest aankondigen. Toen trad hij uit de eenzaamheid te voorschijn en predikte. De inhoud zijner prediking, voor een iegelijk begrijpelijk, was: „De koninklijke Redder is in aantocht. Bereidt u door bekeering en afwas-sching uwer zonden om Hem te ontvangen.quot; In het begin predikte hij in de woestijn zijner geboorteplaats, op het gebergte. Later ging hij af naar de Jordaan, waar de vele reizigers uit het gansche land elkander ontmoetten. Hij deed geen afstand van zijn eenvoudige levenswijze. Het kemelsvel met den lederen gordelriem bleef zijne kleeding, de meest eenvoudige kost als sprinkha-

ocr page 42

32

lien1) en wilde honing zijn voedsel. De rijweg van Bethabara of Bethanië moet aan de Jordaan tegenover Jeruzalem, alzoo dicht bij Jericho, hebben gelegen. Dé talrijke karavanen en wandelaars, die van her- en derwaarts de Jordaan langs trokken, zeide hij aan, dat de langverwachte Koning spoedig komen zoude en vermaande hen, door schuldbelijdenis en den doop in de Jordaan, vergiffenis van zonden te erlangen, ten einde hem waardiglijk te kunnen ontvangen.

Op welken tijd nu is Johannes opgetreden? Waarschijnlijk in den vroegen regentijd, in November, want eerst als de groote zomerhitte, die in October den hoogsten graad bereikt, voorbij is, kan men in het Jordaandal weer leven. In den zomer vluchten zelfs de Bedoeïenen der woestijn naar de bergen en de bergbewoners van Jeruzalem en omstreken (en met deze had Johannes te rekenen) komen gedurende de zomerhitte nimmer zonder hooge noodzakelijkheid in het Jordaandal. En dit is niet alleen zoo in onze dagen, maar Jozefus bericht ons dezelfde feiten uit den rijd van Jezus. Bij gevolg kan Johannes niet anders dan in het begin van den wintertijd zijn opgetreden. In dienzelfden winter, ongeveer twee maanden na het optreden van Johannes, alzoo in het begin van Januari, kwam ook Jezus tot hem om zich te laten doo-pen. Met de vier dagen dus, door den Evangelist Johannus, beschreven, zijn we in de maand Februari gekomen.

Dat (Johannes kort na- Jezus\'is opgetreden, leert ons de tijdsbepaling van het Nieuwe Testament. Keizer Augustus stierf in het jaar 14 of 15 onzer tiidrekening. Jezus was toen ongeveer 18 jaar oud, want zooals bekend is, werd Hij 3 of 4 jaar vóór het eerste jaar van onze tijdrekening geboren. Nu bericht Lu-kas (Hoofst. Ill vs. i) dat Johannes, die een halfjaar ouder was dan jJezus, is opgetreden in het 15de jaar der regeering van Tiberias, den opvolger van Augustus. Volgens deze berekening

1

Vergelijk Schneller „Kent gy het land?quot; hoofdstuk „Spijzen,quot; en „Land- en akkerbouw.quot;

ocr page 43

33

zou Jezus 18 en 15 d. i. 38 jaar oud zijn geweest, toen de Dooper zijne bediening aanvaardde. Nu was Jezus,toenHij gedoopt werd, volgens Lukas III vs. 33, „ongeveer 30 jaar oud\'\\ Uit de vergelijking met de bovengenoemde cijfers blijkt dus niet alleen, dat het getal 30 slechts bij benadering is genoemd, maar ook dat Jezus zeer kort na het eerste optreden van Johannes is gedoopt geworden.

Bovendien spreekt Johannes de Dooper ook van de zeer nabi] zijnde komst van den Messias. Deze merkwaardige aankondiging moet het gansche volk in geestdrift hebben ontstoken en in groote scharen naar de Jordaan hebben getrokken. De heraut komt immers eerst dan, als de koning hem op den voet volgt en heeft slechts op den machtige, die na hem komt, te wijzen. Hiertoe was de tijd van November tot Maart geheel voldoende. Meer tijd was niet noodig om het geheele volk tot ver in het Noorden op de Profetische gestalte des Doopers opmerkzaam te maken. Sedert eeuwen waren geene profeten opgestaan en de verhevene profetenstemmen waren verstomd in de woestijn van het godsdienstig leven in Israel, dat was ondergegaan in twisten over opvolging en wetgeving. Desniettemin smeulde de hoop en brandde het verlangen naar den Messiaanschen Redder des volks.

Nu kwam de Profeet! Nu kondigde hij den sinds meer dan duizend jaar Verwachte aan; — is bet dan wonder, dat zij in scharen aan den gewijden Jordaanoever kwamen, om het gróote nieuws te hooren? Is het wonder, dat vijf Galileesche mannen: Andreas, Johannes, Petrus, Filippus en Nathanael, zich deswegen drie dagreizen van de plaats hunner woning verwijderen ? Het bericht, dat een nieuwe Profeet was opgestaan, verspreidde zich met de snelheid des winds van Dan tot Berséba. Er ontstond een machtige volksbeweging, die spoedig haar toppunt bereikte. Toen was de komst van Jezus noodig. En inderdaad, toen zelfs de hooge Raad zich tegenover den Dooper stelde, — toen verscheen Jezus den volgenden dag voor de eerste maal voor het gansche volk aan de oevers van de Jordaan. Had Je-

3

ocr page 44

34

zus nog een jaar laten voorbijgaan — want slechts in den winter zou Johannes in het gloeiend heete dal wederom zulke groote massa\'s kunnen verzamelen, — dan zou de beweging, wegens het wufte karakter des volks, een einde hebben genomen.

Deze tijdsbepalingen: November; \'t optreden des Doopers; Januari : de doop van Jezus ; Februari: voorstelling van het volk aan de Jordaan, komen ook geheel overeen met de overige berichten aangaande de werkzaamheden van Jezus. Want vanhier aan de Jordaan trok Jezus met Zijne nieuwe jongeren in drie dagen naar Nazareth, waar Hij de uitnoodiging tot de bruiloft te Kana aannam. Kort daarop heeft Hij Zijne woonplaats verplaatst van Nazareth naar Kapernaüm. Maar in Kapernaüm bleef Hij slechts weinige dagen, daar het Paaschfeest — in April — naderde en op dit feest moest Jezus voor het geheele volk, dat in de heilige stad zou verzameld zijn, als de Messias optreden, na in Galilea slechts korten tijd eenige voorbereidende werkzaamheid te hebben doen aanschouwen, ten einde een gedeelte Zijner discipelen bijeen te brengen. Dit voorbereidend werk geschiedde in de maand Maart, waarin het Heilige Land getooid is met de volle voorjaarspracht, waarmee een oude overlevering overeenstemt, die zegt, dat Jezus zijn werk begon in het voorjaar.

Na het laatst van Februari verplaatsen wij dam ook de vier dagen, waarvan Johannes I : 19, 29, 35, spreekt. Heden nog zijn de maanden Februari en Maart juist die, waarin de bewoner van Jeruzalem het liefst het Jordaandal bezoekt. Alles groeit en bloeit dan in dat wondervolle dal.

De verschijning des Doopers baarde voortdurend grooter opzien. \'t Was of er eene volksverhuizing plaats greep uit Jeruzalem, Bethlehem, Hebron, uit alle dorpen van het gebergte, uit den geheelen omtrek van de Jordaan.

ocr page 45

A a ii de Jor daan-oevers.

Laat ons te zamen naar den oever van den heiligen stroom gaan. Wij hebben Jericho met zijne palmbosschen en marmeren paleizen reeds ter linkerzijde laren liggen. Wij trekken met de menigte over de twee uur gaans breede benedenvlakte. Deze wordt langzamerhand meer en meer woest, hoe meer zij de Doode Zee nadert. Slechts de liefelijke Jordaanbloem steekt haar hoofd uit het dorre zand op. Nabij de rivier gekomen gaan wij de laatste helling af en begroeten, na de woeste plaatsen doorgetrokken te zyn, met dubbele vreugde het prachtige, frissche, aloude woud aan den oever. Hoe weldadig doet u hier de koelte aan in het schaduwrijke bosch. De wandelaars genieten hier. nog eer zij den Dooper zeiven aanschouwen, van menige verkwikking en lust der oogen. Een rijke afwisseling van boomsoorten en planten is hier te zien. Tegen den donkergekleurden achtergrond schitteren in vuurgloed een menigte oleanders als zoet lachende oogen in den nacht. De thans verdwenen palmen ruischten in den tijd van Johannes, terwijl zij zich hoog boven alle boomen verhieven, en de slanke zilverpopulier drong toen even als nu tot dicht bij de rivier door, als wilde hij luisteren naar het zacht gefluister van de wateren van den alouden stroom en zijne wondervolle verhalen.

Nu dalen wij naar den stroom zeiven af! Ziet zijne snelvlietende wateren. Zij murmelen niet zoo kalm als de Rijnstroom, die in zijnen loop door menige vriendelijke stad wordt begroet, waarin menige hooggebouwde burcht zich spiegelt. De Jordaan vloeit niet zoo rustig naar het diepe dal en weerkaatst nergens het beeld van stad of toren. Eenzaam, snel rept zij zich door hare bedding voort, als wilde zij niets weten van de buitenwereld en als had zij reeds genoeg verhevens gezien. Hoe prachtig is de rivier omzoomd! De boomen laten hunne takken breed hangen over de golven, waardoor onder het dichte loover, tal van warme bad-

ocr page 46

36

plaatsen ontstaan. Zoo dicht aan den oever strekt zich hier en daar het bosch uit, dat men zou meenen, dat de boomen uit het water waren opgewassen. In het voorjaar schiet de zon hare stralen in duizend kleuren op de golven, tusschen de groene omlijsting, als ware deze getooid met een koninklijken, zijden tulband, zich zelve bewust, dat geen stroom der aarde hem in adeldom nabijkomt. Niet alleen sluit deze groene wal de kust op vele plaatsen af, als mocht er geen ongewijde voet zich hier zetten; aan menige plaats verheffen zich loodrecht torenhooge, ontzaglijke witte oeverwanden, door geen menschenvoet te beklimmen. Slechts de arenden en de gieren hebben daar in de hoogte hunne nesten en koesteren zich in den behaaglijken zonnegloed. Deze muren staan daar als ernstige wachters over den heiligen Jordaanstroom, sommige zoo schijnbaar gevaarlijk dicht aan den oever, dat men zou vreezen ieder oogenbl.\'k het trotsche gevaarte in het golvengraf der Jordaan te zien storten. Deze mergelwanden strekken zich op vele plaatsen uit over groote afstanden langs den 40, 50 Meter breeden stroom.

Tegenover die hooge oeverwanden ligt nu, volgens de overlevering, de doopplaats aan de Jordaan, door een heerlijk oeverbosch beschermd.

In ieder geval lag de plaats, waar Johannes doopte, zooals de naam Bethabara of liever Bethania (d. i. aanlegplaats) reeds aanduidt, aan eene doorwaadbare plaats of ondiepte. Slechts op sommige plaatsen kan een vaartuig of een moedig zwemmer de woelige golven doorklieven om den anderen oever te bereiken. Aan deze ondiepte kwamen talrijke reizigers samen, waardoor de Dooper ruimschoots gelegenheid vond zijne boodschap te verkondigen.

Aan zoodanige plaats vindt men meestal eene door de karavanen, de paarden, muildieren en kameelen platgetreden vlakte, die in Februari, den tijd onzer geschiedenis, met een weelderige groene zode bedekt was. Hier hielden de reizigers uit Jeruzalem hun eerste halt; hunne lastdieren vonden hier een goede weide.

ocr page 47

37

Zij waren niet gekomen om over de ondiepte te gaan, maar om den Dooper te hooren. Zij zochten een rustplaats in de schaduw der boomen en wachtten. Johannes woonde waarschijnlijk in een loofhut, midden in het bosch. Bi] mijn laatste bezoek aan de Jordaan vond ik verscheidene Abyssinische monniken aldus gehuisvest. Zij wonen daar in zomer en winter. In dit dal behoeft men niet veel beschutting tegen de invloeden van de temperatuur der lucht. Hier heerscht voortdurend eene warme zomer. Geen ijskorst bedekt ooit dezen stroom, die door de eeuwige sneeuw van den Hermon daarboven steeds wordt gevoed. De monniken klaagden slechts over wilde dieren; wilde zwijnen, luipaarden, slangen worden er genoeg gezien. Ook Johannes zal dezen wel eens hebben ontmoet en heeft daaruit wellicht aanleiding genomen om de Farizëen met hun vroom schijnend uiterlijk, maar verborgen venijn, te vergelijken bij adderenge-broedsel. Op bepaalde tijden, of als er veel volks was, trad de Dooper uit zijne hut te voorschijn; allen zwegen dan en luisterden. En met hoogen ernst in zijne stem, slechts afgebroken door het ruischen der bladeren en der golven van de Jordaan daar beneden, sprak hij van de nabijzijnde komst van den Messias en vermaande tot aflegging van zonden om Hem te kunnen ontmoeten.

Johannes was toenmaals de éénige, die erkende, dat het koninkrijk van den Messias een geestelijk rijk zijn zoude en dat de Messias zelf Zijn verheven doel zou te niet doen, indien Hij, als een krijgsheld, schild, zwaard en lans zou gebruiken en. gelijk de koningen der aarde. Zijn troon vestigen in stroomen bloeds, die het verdrijven der Romeinen en Idumëers zeker zou kosten om een nieuw Makkabeenrijk te stichten. Al ware de ontwikkeling des Rijks voor dezen grootsten onder de profeten Israels nog eene verborgenheid, dit was hem toch zonneklaar, dat slechts afkeer van de zonde en een dorsten naar gerechtigheid geschikt maakte voor de ontvangst van den Messias, gelijk hij ook in den Messias iemand verwachtte, die geheel vrij zoude

ocr page 48

38

zijn van de macht der zonde. De aankomst van een zóódanige zag hij eiken dag aan den Jordaanoever te gemoet. Op dit standpunt staande, verwachtte de groote man; met profetische zekerheid, de aankomst van den Messias, die de oude profeten, eenen Joel en Jesaja en Elia in grootheid verre zou overtreffen. Wie van zijne toehoorders nu de noodzakelijkheid van een zedelijken omkeer erkende, die kon in nadere betrekking treden met den waardigen biechtvader. Al was deze ook nog jong, hij kende, zooals niemand anders, de macht der zonde en had ongetwijfeld in eigen hart een heeten strijd gestreden. Na de belijdenis van schuld liet hij, als in Gods plaats, de gelofte van terugkeer en strijd tegen de zonde afleggen. En ten teeken der afwas-sching van de onreinheid der zonde, doopte hij de boetelingen in de snelstroomende Jordaan, waaruit zij als tot een nieuw leven gewijd, weer te voorschijn kwamen. Dan werd de boetprediker evangelist en, door den Heiligen Geest bezield, wees hij op de aanstaande vergeving van zonden.

Ook een schare van meer innige aanhangers verzamelde zich om zijn persoon. Mannen, voor wie de hoop op den Heer alles en alles was, die door zijn prediking zoozeer waren aangegrepen, dat zij hunne beroepsbezigheden lieten varen om met Johannes op Zijne komst te wachten, sloten zich bij hem als hunnen leeraar en meester aan. Met deze jongeren besprak hij open en onomwonden de blijde hoop, die in hem was. Hij sprak met hen van den toekomstigen Koning van het hemelsch Koninkrijk. Hoe menigmaal zullen zij aan dezen alouden heiligen stroom hebben gebeden om de komst des Heeren en zal hunne ziel zich hebben uitgestrekt tot de stoutste verwachtingen, die in een menschenhart kunnen opkomen. Zeker althans is het, dat Johannes zijne discipelen nieuwe gebeden heeft geleerd, die zonder twijfel van zoodanigen inhoud waren. (Lukas XI : 1.)

ocr page 49

39

De komst van den Verwachte.

Wanneer zou de Messias komen? Steeds grooter menigte verzamelde zich rondom Johannes; doch Hij, die verwacht werd) kwam niet, hoezeer Johannes eiken dag Zijne komst te gemoet zag. Persoonlijk waren Johannes en Jezus niet met elkander bekend. ofschoon zij van hunne kindsheid af in zoo nauwe betrekking tot elkander hadden gestaan. Johannes was met Jezus bekend, maar bleef in het Zuiden van de woestijn en had Hem tot nu toe niet aanschouwd (Joh. I : 33). Jezus woonde in het Noorden, te Nazareth, en ging slechts voor korten tijd op tot de feesten te Jeruzalem. Op zekeren dag had Johannes wederom gesproken over den verwachten Koning en diens Rijk, terwijl hij zijne oogen over de menigte liet gaan, of hij Dezen ook onder de aangekomenen mocht zien. Maar Hij was niet gekomen. Het volk had zich verwijderd. Alléén Johannes was gebleven. Daar komt een Man tot hem, met het verzoek hem te doopen. Johannes zal ook tot Dezen hebben gesproken van de aanstaande komst van den Messias en van de noodzakelijkheid om zich te bekee-ren en Zijne zonden te belijden. Maar de Man met de reine oogen en het open gelaat, waarop een stille majesteit zichtbaar was zeide hem, geen zonde te kennen, één te zijn met den Vader en gekomen te zrn om, gelijk reeds elk paaschfeest en ook Je-saja geprofeteerd had, als het zondelooze Lam Gods de zonden van Israel en van de geheele wereld weg te dragen.

Met klimmende verbazing had de Dooper den Vreemdeling aangehoord. Met aanbiddende bewondering en vol eerbied zag hij Hem aan, die 7,ichzelven het Lam Gods durfde noemen. Nu heeft hij zijnen Meester gevonden. Tot nu toe had hij zich geroepen gevoeld ieder mensch onder Israel tot bekeering te vermanen. Voor dezen echter moest hij zelf in het stof bukken en zich zeiven een zondaar erkennen. Onder dit gevoel sprak hjj

ocr page 50

40

de behoefte uit, door Jezus gedoopt te worden. Maar Jezus eischte van hem, dat hij Hem doopen zoude. Welke gedachten zullen in dat uur het hart van den Dooper hebben vervuld! Slechts één dienst mocht hij Jezus bewijzen, n.1. Zijne schoenriemen te ontbinden, alvorens Hij in het water afdaalde. Hoe gelukkig zal Johannes zich daarbij gevoeld hebben, hoewel hij wist zelfs dit dienstbetoon onwaardig te zijn. Van dien oogenblik af pleegde hij, als hij van Jezus sprak, met diepen eerbied er bij te voegen; „Dien ik niet waardig ben, de riemen Zijner schoenen te ontbinden.quot; En toen Jezus in het water nederdaalde, toen zag hij het teeken, waarop hij nog slechts wachtte; want Die hem had gezonden om te doopen, Die had tot hem gezegd: „Degene op wien gij den Heiligen Geest zult zien neerdalen, Die is het!quot;

Gewijd tot Zijn goddeliike taak als Verlosser der wereld, trad Jezus uit het water van de Jordaan. Voor den Dooper zeiven was dit het beteekenisvolste uur zijns levens. Hij had Hem gevonden om Wien te dienen hij geboren was. De evangelist Johannes bericht ons op zijne wijze maar weinig van hetgeen beiden in dat uur hebben gesproken. Het lijdt echter geen twijfel, of na den doop van Jezus zullen beiden zich op dien dag langen tijd met elkander hebben onderhouden. Johannes de Dooper zal zich wel hebben neergezet naast den lang Verwachte, om het antwoord van zijnen Gebieder te vernemen op zijne vragen aangaande het „Koninkrijk der Hemelen,quot; welks heraut hij zijn moest. Jezus heeft zich toen in hun gesprek zeker voorgesteld als „het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt.quot; Want van toen af gebruikten de Dooper en diens leerling Johannes deze uitdrukking zóó gaarne, en deze is bij hen zoo innig verbonden aan den naam Jezus, dat wij dit noodzakelijk moeten toeschrijven aan dit eerste gesprek.

Na den doop vertoefde Jezus veertig dagen lang in de woestijn. Deze moet de woestijn van Juda of Benjamin geweest zijn, die zich ten Westen van Jericho in het gebergte uitstrekt. De traditie wijst ons op het wild romantische rotsgebergte Quarantania,

ocr page 51

41

Noord-Westwaarts van Jericho 1). Gedurende dezen tijd van verzoeking stroomde nog altijd het volk naar de Jordaan. Hun weg liep door de woestijn, waarin Jezus zich ophield. Jezus kon gedurende Zijn veertigdaagsch verblijf van de hooger liggende woestijn uit de volksmenigten zien, die diep in het dal dagelijks zich tot Johannes begaven. Daar trokken zij door de in Maart zoo heerlijk groene Jordaanvlakte. Van de Jordaan zag Hij slechts de donkere boschranden, waartusschen de stroom doorliep. Daar doopte Zijn gezant Johannes en bereidde het volk voor op Zijne komst. Jezus zal die wisselende menschenmassa met innerlijke beweging des gemoeds hebben aanschouwd, die allen zich tot Hem aangetrokken gevoelden. Johannes toch kon, nu hij Jezus persoonlijk had leeren kennen en Hem gedoopt had, met des te meer aandrang op de onmiddellijk aanstaande komst van den Messias- koning wijzen. Wel zal hij zich er spoedig over verwonderd hebben, dat de Heer even spoedig en spoorloos was henengegaan, als Hij gekomen was. Wel zal hij van de oeverheuvelen hebben gestaard naar Jericho en de daarachter zich verheffende woestijn, maar Jezus vertoonde zich niet.

De evangelist Johannes nu, verhaalt ons hetgeen op vier opeenvolgende dagen daar aan de Jordaan is voorgevallen.

De vier dagen.

Wij verplaatsen ons in den geest aan den Jordaanoever op den eersten dag. Wederom was eene groote menigte uit Jeruzalem en het gansche land toegestroomd, gelijk dit nog heden ten dage geschiedt op elk Nebi-Musa-feest, of wanneer jaarlijks de Christelijke pelgrims naar de Jordaan trekken. Onder de scharen bevinden zich heden afgevaardigden van den Hoogen Raad te Jeruzalem. Zij zullen Johannes rekenschap vragen van zijne al-

1) Vergelijk Schneller; „Kent gij het laad?quot; hoofdstuk; Naar de Jordaan en de doode Zee ; de Quarantaniaberg.

ocr page 52

42

tijd meer opzien barende prediking en zijn doop. Reeds van verre konden zij bemerken, welk eene aantrekkingskracht de Dooper voor het volk had. Hier zagen zij groote karavanen van ezelrijders uit Jeruzalem, daar een oud moedertje, gezeten op den gemakkelij-ken zadel, ginds waren de kinderen in het gezelschap, elders wederom ging een schaar eenvoudige landlieden te voet. Meer benedenwaarts van het schitterend Jericho kwamen velen uit die stad, tollenaren, beambten, soldaten, officieren. (Luk III : 12 15.) Allen trokken naar de Jordaan, allen wilden Johannes ontmoeten en hooren. Zij komen ter plaatse. Johannes was wellicht reeds opgetreden en predikte. Nu kreeg lui voornaam be zoek. De afgevaardigden uit den Hoogen Raad naderden hem met deftig gebaar en ondervroegen hem. Vraag op vraag leggen zij Johannes voor, die kortelijk worden beantwoord. Zij kunnen slechts vernemen, dat hij niet is de Christus, niet Elia, maar een prediker, die de komst van den Christus voorbereidt. Plotseling verrast hij de ondervragers en gansch het volk, dat in stilte toehoort, met een nieuw bericht: „Hij heeft zich onder U bevonden, maar gij hebt Hem niet gekend!quot; Dus heeft Johannes Hem reeds gezien! Maar wie is het dan? Hoe groot moet Hij zijn, van wien de voor heilig gehouden en geëerde Johannes met den grootsten eerbied zegt, dat hij niet waardig is de riemen Zijner schoenen te ontbinden ! — Na deze aankondiging, die het volk evenzeer als de afgevaardigden verbaasde, liet de Dooper allen aan hun eigene gedachten over en trok zich terug in zijne loofhut.

De menigte kon hier desgewenscht ook overnachten. In het Jordaandal was geene bijzondere schuilplaats noodig. Men legde zich ter ruste onder het geboomte. En die daar des nachts, onder het goddelijk sterrenschrift bijeen waren, bespraken het groote nieuws, terwijl van achter het bosch het gemurmel van het stroomende water tot hen doordrong. Menige groep, om een discipel van Johannes verzameld, zal in den stillen nacht hebben gefluisterd van den Messias, wiens komst door de aartsva-

ocr page 53

4-3

ders voorzien, door de profeten voorspeld, door Mozes, den knecht Gods, zelfs aangekondigd was, die nu was verschenen en door hen zou kunnen worden aanschouwd. De Dooper bleef echter daarboven in zijne hut. Hij had met zijne jongeren den avondmaaltijd gehouden en zich daarna teruggetrokken. En de Jordaan ruischte steeds door en de toppen der boomen gewaagden van een heuglijke verborgenheid, want de Koning was gekomen en was in dezen stroom gedoopt.

Tweede dag. Aangezien de menigte gebleven was en waarschijnlijk door nieuwaangekomenen was vermeerderd, trad de Dooper weer op om te prediken. Sinds hij Jezus gedoopt had, had zijne getuigenis ongetwijfeld een meer bepaalden vorm aangenomen. Het liefst stelde hij Hem, die komen zou, voor als „het Lam Gods.quot; Terwijl hij sprak, kwamen steeds nieuwe toehoorders uit Jericho. Van tijd tot tijd wierp Johannes een onderzoekenden blik op de nieuwaangekomenen. Plotseling breekt de prediker zijne rede af; hij strekt zijn arm uit, wijst op één der naderenden en roept met diepbewogen stem uit; „Ziet het Lam Gods, dat de zonden der tcereld wegdraagt!quot; Wat hij daarmede zeggen wilde, konden al zijne hoorders weten, want Johannes had daarvan zooeven reeds tot de menigte rondom hem gesproken. Een kreet van verrassing ging op onder het volk. Aller oogen richtten zich naar den vreemdeling, die zich rustig onder de toehoorders plaatste, als om Johannes te nopen ongestoord door te spreken. En Johannes zette zijne rede voort. Voor hem echter was het oogenblik gekomen, dat het hoogtepunt zijns levens zou zijn, waarin hij zijne roeping volbrengen zou, namelijk den Bruidegom aan Zijne bruid voor te stellen. In tegenwoordigheid van Jezus en terwijl allen naar Johannes hoorden. maar op Jezus zagen, sprak Johannes, als door den Heiligen Geest aangegrepen, onder het plechtig zivvjgen van het volk over Hem. Elk woord, elke zijner bewegingen wees op Hem alleen. Eindelijk besloot hij zijne rede, — als wilde hij allen tot getuige oproepen, dat hij nu zijn hoogsten, zijn verhevensten plicht vervuld

ocr page 54

44

had, met de woorden: „Ik heb gezien en getuigd, dat Deze de Zoon van God is!quot; (Joh. I : 34.)

Derde dag. Den volgenden dag bevond Johannes zich wederom aan de Jordaan en sprak tot het volk, bezield door het besef, dat Hi], van wien hij getuigde, niet verre, dat Hij in de nabijheid was, schoon niemand wist, waar Hij woonde of Zijn verblijf hield. Onder den invloed des Heiligen G-eestes wees hij het volk en zich zei ven op de verwachting der verheven verlossing door Jezus. Het was in den middag (Joh. I : 40). Het volk was vertrokken of maakte zich tot vertrekken gereed. Johannes stond met twee van zijne jongeren, Andreas en waarschijnlijk den evangelist Johannes, aan den oever. De Dooper ziet op en aanschouwt wederom Jezus, door het volk heengaande. Wellicht was hij den geheelen dag, ongezien, zijn toehoorder geweest. Jezus was onder de vertrekkenden en Johannes liet bij vernieuwing de weinige woorden hooren: „Ziet het Lam Gods!quot; Aanbiddend zag hij Hein na, maar durfde Hem niet volgen, wetende dat het zijn taak was te blijven getuigen gelijk te voren, tot hij van zijn post geroepen werd. De beide jongeren echter grepen moed en volgden Jezus. Jezus bemerkte, dat Hij gevolgd werd, keerde zich om, zag hen aan en vroeg met die vriendelijke stem, die zij nimmermeer vergeten konden: „Wat zoekt gij?quot; En zij antwoordden bevende: „Meester, waar woont Gij?quot; Jezus noodigde hen vriendelijk: „Komt en ziet!quot; Hij woonde, of als gast in een nabijgelegen huis, of in een spelonk, of buiten (gelijk men ook nog heden doet) ergens in het bosch aan de Jordaan. De jongeren bleven den geheelen avond bij Jezus. Dit was een feestavond voor Hem. Terwijl over Jericho en het gebergte van Juda de zon glanzend onderging en de schaduwen van den nacht zich over het stille Jordaandal uitbreidden, ging voor hen het eeuwige Licht op.

Zoo mogen wij in het Evangelie van Johannes den blik slaan op deze schoone, eerste gewijde uren aan de Jordaan, op dat eerste schijnsel der heerlijkheid van den Eéngeborene des Vaders,

ocr page 55

45

waaromtrent de drie eerste evangelisten ons niets melden. Van die eerste uren is ons niets nader bekend dan hunne gevolgen. Nog dienzelfden avond bracht Andreas, zijnen broeder Simon Petrus, tot den gevonden Messias. Jezus zag den discipel, met wien Hij later zooveel zou doorleven, doordringend aan en gaf hem den nieuwen naam Petrus d. i.: „Rots.quot; Laat inden avond verlieten de drie jongeren Jezus weder en keerden terug tot hun toenmaligen meester.

Vierde dag. Den volgenden dag is Jezus met Zijne nieuwe vrienden op reis. Dezen hadden van Hem vernomen, dat Hij heden naar Galilea zou terugkeeren. Zij verzochten en kregen vergunning om met Hem naar de gemeenschappeliike woonplaats te reizen. Zi] namen afscheid van Johannes den Dooper. Deze groote man had hunne harten zóózeer ingenomen en zoo aan zich verbonden, als nooit iemand te voren. Maar nu hadden zij Hem gevonden, die oneindig grooter was dan hun voormalige meester. En zij wisten, dat zij ook den wensch van Johannes vervulden, door hem te verlaten en Jezus te volgen. Want daartoe was hij gekomen om van hem af en op-Jezus te wijzen. Jezus moest wassen en hij minder worden. Zij scheidden diepbewogen en zagen Hem vermoedelijk nimmer weder.

De zon was nauwelijks stralend opgegaan over de bergen van Gilead, toen Jezus op eenen ochtend omstreeks de wisseling van Februari en Maart, zich met Zijne reisgenooten op weg begaf. Onderweg zag Jezus Filippus, een medeburger van Zijne drie medereizigers uit Bethsaïda, aan de zee van Tiberias. Deze durfde zich niet bij Jezus te voegen. Maar Jezus herkende in hem een der meest getrouwe leerlingen van den Dooper. Daarom noodigde Hij hem uit, mede te gaan naar Galilea, waarmede Jezus den wensch zijns harten te gemoet kwam, want onmiddellijk sloot hij zich bij zijn nieuwen Meester aan.

Nog wandelden zij bij het licht der morgenzon door het oeverwoud van de rivier, toen Filippus op eenigen afstand zijnen vriend Nathanael uit Kana gewaar werd. Het was hem bekend,

ocr page 56

46

hoe verlangend deze oprechte man naar den aangekondigden Verlosser uitzag. Wat zou hem er anders toe gebracht hebben, zich drie dagreizen ver van zijne woonplaats te verwijderen, dan de blijde boodschap van den nieuwen profeet Johannes? Hij had aan de voeten van den Dooper gezeten. Zijne oogen glinsterden van heilige blijdschap en hoop, toen Johannes sprak van den in aantocht zijnden Koning en Heiland. Jezus was gekomen, door den Dooper en het volk met gejuich begroet. Maar, hoe vreemd! deze oplossing van het groote vraagstuk had hem in een doolhof van twijfel gebracht. Uit Nazareth? Uit het naburige dorp, slechts anderhalf uur van Kana verwijderd? En dan een man, van wien hij, ondanks de nabuurschap nimmer iets bijzonders had gehoord? Neen, neen! dit kon de Koning, de Verlosser van Israel niet zijn! Het is een algemeen bekend verschijnsel, dat de bewoners van twee naburige plaatsen in den regel elkander niet zeer genegen zijn. Die op het land hebben gewoond, kunnen hiervan getuigen. Maar de Nazareners schijnen inderdaad een ruw volk te zijn geweest, dat zich niet beroemen kon op een goeden naam. De trouwhartige Filippiis dacht er wel niet aan, hoe ongeloovig zijn vriend Nathanael den door den Dooper aangewezen Messias aanzag, toen hij in de eerste opwelling van vreugde hem te gemoet ijlde met den uitroep: „Wij hebben Hem gevonden, van wien Mozes en de profeten gesproken hebben, Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth!quot; Maar Nathanael antwoordde ontwijkend, als viel er over zulk eene dwaasheid niet te twisten: „Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen?quot; Filippus echter liet zich niet afwijzen, maar sprak dringend: „Kom en zie!quot; en te gelijker tijd trok hij den weerstrevenden, twijfelenden vriend mede naar Jezus. Deze kwam met wantrouwen en hij verwachtte niet veel goeds. Maar hoe vriendelijk was de groet, dien hij ontving! „Ziedaar,quot; aldus begroette hem Jezus, „een Israeliet, in welken geen bedrog is!quot; Vol verwondering vraagt Nathanael in zijn beminlijken eenvoud: „Vanwaar kent Gij mij?quot; waarop Jezus met grooten ernst sprak: „Eer u Filippus riep

ocr page 57

47

daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.quot; En nauwelijks had Nathanael dit woord gehoord, of hij riep getroffen uit: „Kabbi! Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning Israels!

De logica dezer gevolgtrekking schijnt eenigszins zonderling. Iemand, die Nathanael onder een vijgeboom heeft zien zitten, behoeft nog niet Gods Zoon en Israels Koning te zijn, zou men zeggen. Maar hier moeten wij tusschen de regels lezen om tot het rechte begrip te komen. In het dichte van het woud aan de Jordaan vindt men hier en daar een wilden vi/jgeboom. Deze groeien hier, in de nabijheid van het levenwekkend water, op buitengewoon krachtige wijze, en hunne takken hangen zoo laag ter aarde, dat zij rondom den stam een voor \'s menschen oog ondoordringbare tent vormen. Reeds in Ain-Fara, niet ver van Jeruzalem, kan men in de bedding van de beek Krith zulke vijge-boomen zien. Nu schijnt het, dat Nathanael dienzelfden morgen zeer vroeg was opgestaan om in het dichtste gedeelte van het bosch zijn morgengebed te doen en daartoe eene plaats had gezocht, die zelfs in het donkere woud nog in \'t bijzonder eiken blik tegenhield. Toen zag hij zulk een vijgeboom. Daarheen begaf zich Nathanael. Onder het bladerengewelf kon niemand hem zien; daar kon hij zijn hart, vol bangen twijfel, in het gebed uitstorten. Hij kon niet gelooven, dat deze de Messias was, dat uit het in zijne oogen zoo verachte Nazareth de Koning van Israel, de Zoon van God zou kunnen voortkomen. En in de eenzame, door de vijgebladeren en takken gevormde boschkapel bad hij tot God, het hem te willen openbaren of de verwachting van Israels volk vervuld was geworden in Hem, voor wien, door de prediking des Doopers, zoovele oprechte harten waren geopend.

Toen was hij weder naar buiten getreden uit de schaduw van den boom. En nauwelijks had hij dit gedaan, of zijn vriend Filippus kwam hem te gemoet met zijn verblijdend bericht. Op critische wijze beantwoordde hij zijn al te lichtgeloovigen vriend. Maar deze leidt hem tot Jezus, en zie: de twijfelaar is door een woord overwonnen. Niet alleen het aangezicht vol waardigheid

ocr page 58

46

hoe verlangend deze oprechte man naar den aangekondigden Verlosser uitzag. Wat zou hem er anders toe gebracht hebben, zich drie dagreizen ver van zijne woonplaats te verwijderen, dan de blijde boodschap van den nieuwen profeet Johannes? Hij had aan de voeten van den Dooper gezeten. Zijne oogen glinsterden van heilige blijdschap en hoop, toen Johannes sprak van den in aantocht zijnden Koning en Heiland. Jezus was gekomen, door den Dooper en het volk met gejuich begroet. Maar, hoe vreemd! deze oplossing van het groote vraagstuk had hem in een doolhof van twijfel gebracht. Uit Nazareth? Uit het naburige dorp, slechts anderhalf uur van Kana verwijderd? En dan een man, van wien hij, ondanks de nabuurschap nimmer iets bijzonders had gehoord? Neen, neen! dit kon de Koning, de Verlosser van Israel niet zijn! Het is een algemeen bekend verschijnsel, dat de bewoners van twee naburige plaatsen in den regel elkander niet zeer genegen zijn. Die op het land hebben gewoond, kunnen hiervan getuigen. Maar de Nazareners schijnen inderdaad een ruw volk te zijn geweest, dat zich niet beroemen kon op een goeden naam. De trouwhartige Filippus dacht er wel niet aan, hoe ongeloovig zijn vriend Nathanael den door den Dooper aangewezen Messias aanzag, toen hij in de eerste opwelling van vreugde hem te gemoet ijlde met den uitroep: „Wij hebben Hem gevonden, van wien Mozes en de profeten gesproken hebben, Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth!quot; Maar Nathanael antwoordde ontwijkend, als viel er over zulk eene dwaasheid niet te twisten: „Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen?quot; Filippus echter liet zich niet afwijzen, maar sprak dringend; „Kom en zie!quot; en te gelijker tijd trok hij den weerstrevenden, twijfelenden vriend mede naar Jezus. Deze kwam met wantrouwen en hij verwachtte niet veel goeds. Maar hoe vriendelijk was de groet, dien hii ontving! „Ziedaar,quot; aldus begroette hem Jezus, „een Israeliet, in welken geen bedrog is!quot; Vol verwondering vraagt Nathanael in zijn beminlijken eenvoud; „Vanwaar kent Gij mij?quot; waarop Jezus met grooten ernst sprak: „Eer u Filippus riep

ocr page 59

47

daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.quot; En nauwelijks had Nathanael dit woord gehoord, of hij riep getroffen uit; „Rabbi! Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning Israels!

De logica dezer gevolgtrekking schijnt eenigszins zonderling. Iemand, die Nathanael onder een vijgeboom heeft zien zitten, behoeft nog niet Gods Zoon en Israels Koning te zijn. zou men zeggen. Maar hier moeten wij tusschen de regels lezen om tot het rechte begrip te komen. In het dichte van het woud aan de Jordaan vindt men hier en daar een wilden vijgeboom. Deze groeien hier, in de nabijheid van het levenwekkend water, op buitengewoon krachtige wijze, en hunne takken hangen zoo laag ter aarde, dat zij rondom den stam een voor \'s menschen oog ondoordringbare tent vormen. Reeds in Ain-Fara, niet ver van Jeruzalem, kan men in de bedding van de beek Krith zulke vijge-boomen zien. Nu schijnt het, dat Nathanael dienzelfden morgen zeer vroeg was opgestaan om in het dichtste gedeelte van het bosch zijn morgengebed te doen en daartoe eene plaats had gezocht, die zelfs in het donkere woud nog in \'t bijzonder eiken blik tegenhield. Toen zag hij zulk een vijgeboom. Daarheen begaf zich Nathanael. Onder het bladerengewelf kon niemand hem zien; daar kon hij zijn hart, vol bangen twijfel, in het gebed uitstorten. Hij kon niet gelooven, dat deze de Messias was, dat uit het in zijne oogen zoo verachte Nazareth de Koning van Israel, de Zoon van God zou kunnen voortkomen. En in de eenzame, door de vijgebladeren en takken gevormde boschkapel bad hij tot God, het hem te willen openbaren of de verwachting van Israels volk vervuld was geworden in Hem, voor wien, door de prediking des Doopers, zoovele oprechte harten waren geopend.

Toen was hy weder naar buiten getreden uit de schaduw van den boom. En nauwelijks had hij dit gedaan, of zijn vriend Filippus kwam hem te gemoet met zijn verblijdend bericht. Op critische wijze beantwoordde hij zijn al te lichtgeloovigen vriend. Maar deze leidt hem tot Jezus, en zie: de twijfelaar is door een woord overwonnen. Niet alleen het aangezicht vol waardigheid

ocr page 60

48

en de koninklijke blik, die tot in zijn binnenste doordringt, niet alleen Zijn woord, waarvan hij, ondanks zijnen twijfel, den onbe-drieglijken klank als in zich opnam, maar inzonderheid dit trof hem in dezen Man, dat Hij bekend was met de verborgenste voorvallen zijns levens, als had Hij met het oor van den alom-tegenwoordigen God zijn gebed gehoord en verhoord. Was dit alles niet eene goddelijke beschikking, eene zichtbare verhooring van zijn gebed? Neen, hij kon niet meer twijfelen. Diep getroffen bracht hij den Heer zijne hulde en legde hij eene belijdenis af, zoo stoutmoedig en verheven, als nog niemand had uitgesproken, ja, als wij ook lang daarna niet meer hoeren in den kring der jongeren: „Gij zijt Israels Koning! Gij zijt de Zoon Gods!quot;

Vriendelijk zag Jezus den nieuwen jonger aan. Hij wist het, dat het de slechtste jongeren niet zijn, die eerst eenen ernsti-gen en eerlijken strijd met den twijfel hebben te voeren. Zijn antwoord was vol koninklijke Majesteit; het kon hem overtu.-gen, hoeveel goeds uit Nazareth kon voortkomen. „Gij gelooft,quot; sprak Hij tot hem, „omdat Ik u gezegd heb, dat Ik u gezien heb onder den vijgeboom, maar gij zult grootere dingen aanschouwen!quot; Jezus had gedurende Zijn veertigdaagsch verblijf in de woestijn, dagelijks in het Noord-Westen de eerwaardige bergen van Bethel aanschouwd en daarbij zeker gedacht aan den wonderschoonen droom, dien de aartsvader Jakob aldaar had gehad en die nu in Hem zei ven heerlijk in vervulling zou treden. Ook van het Jordaandal uit zag men die bergen in het verschiet. Daarin vond de Heer aanleiding om te zeggen: „Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, die schoone droom van de hemel-ladder is voortaan geen droom meer, maar letterlijke werkelijkheid! Want van nu af zult gij den Hemel geopend zien, en de Engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen!quot;

Dit was het eerste verhevene woord van Jezus aan Zijne vol eerbied toehoorende jongeren. En aldus aanvaardden deze zes

ocr page 61

49

wandelaars, den blik gericht op eene toekomst vol heerlijke verwachtingen, de gemeenschappelijke reis naar Galilia. Op reis gevoelt men zich lichter tot elkander aangetrokken, dan elders. Zoo waren de drie reisdagen tusschen de doopplaats aan de Jordaan en Galilea, voor de met hun nieuwen Meester wandelende jongeren, dagen van toenadering, van samenleven en samengroeien. Zij beijverden zich Hem kleine diensten te bewijzen en Hem blijken van hunne liefde en hoogachting te geven. En hoe gelukkig maakte dit Hem. Hun vroegere meester Johannes toch had zich eens onwaardig verklaard de schoenriemen van Dezen te ontbinden. Tot aan hun levenseinde zullen zij wel hebben gedacht aan hun eerste wandeling met Jezus van de Jordaan naar Galilea, na die vier heerlijke, onbewolkte dagen bij Johannes den Dooper aan de oevers van de Jordaan.

ocr page 62

Het plaatje stelt Nazareth voor, alsmede het gebergte, dat die stad veüi Kana scheidt. De weg, dien Jezus van Nazareth naar Kana volgde, die schuin over deo middelsten berg loopt, is duidelijk zichtbaar.

ocr page 63

51

leven uitgespreid geweest, die voor Hemzelven nog niet geheel was opgeheven — n.1. aangaande Zijne eenheid met den Vader. Eeeds eenmaal was die geopenbaard geworden in den tempel te Jeruzalem in dat wonderbare woord van den Twaalfjarige. Toen echter was het meer een heilig voorgevoel dan de duidelijke verklaring, die Hij later zoo rustig uitsprak inde woorden: „Die Mij ziet, heeft den Vader gezien!quot; Intusschen bewijst het woord van den Knaap reeds de richting van Zijnen geest. Toen reeds zocht Hij naar de oplossing van het groote raadsel Zijns levens en getuigde daarvan in Zijn passend antwoord. Hoe dikwijls zal in de volgende achttien jaren dat zelfde gevoel, maar krachtiger, meer heraelsch, meer overweldigend en heilig, de ziel van den Jongeling, van den Man hebben vervuld, alvorens Hij tot het heldere inzicht was gekomen! Nu moest de stem van buiten beantwoorden aan het fluisteren binnen in Hem, dat Hem reeds langen tijd had verzekerd, dat Hij de Eengeborene Gods was. Wat zal de inhoud van Zijn gebed zijn geweest, waarmede Hij in het water der Jordaan afdaalde? Uit het antwoord kunnen wij dat verstaan. Moet niet de vraag geweest zijn: „Ben Ik het werkelijk? Ben Ik Uw Zoon? Vader, o zeg het Mij, dan wTeet Ik, dat Ik het ben!quot; Toen was de laatste openbaring Hem ten deel gevallen: het antwoord Zijnshemelschen Vaders op de vraag des Zoons: „Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in wien Ik al Mijn welbehagen heb.quot; Dit antwoord maakte dat uur tot het beslissend tijdstip in het leven van Jezus. Zulk een overweldigende, heilige gewisheid stemt onwederstaanbaar tot stilte en eenzaamheid. Jezus trok zich dan ook in de woestijn terug en bleef aldaar veertig dagen. Door dit antwoord had de Vader Hem ook doen gevoelen, dat Hij van eeuwigheid in des Vaders schoot had gerust. Nu wist Hij wie Hij was, nu kon Hij ook daarvan aan de wereld getuigenis geven. Dit Goddelijk antwoord op Zijne vraag drukte tevens het Goddelijk zegel op Zijn besluit, om door de kracht Zijner Goddelijke heiligheid het menschdom te verlossen van zonde en ellende. Zoo had Hij dan in den doop

ocr page 64

52

Zijne wijding ontvangen voor Zijn heerlijk ambt en toen Hij daarna terugkeerde naar Nazareth, deed Hij dat om Zijne woonplaats vaarwel te zeggen. Hij kon niet meer, gelijk de andere men-schen, gebonden zijn aan huis en huisgezin. Van nu aan behoorde Hij aan het geheele volk en reeds de beide volgende jaren zouden het bewijs leveren dat Hij niet alléén aan dit volk, maar aan geheel het menschdom toebehoorde.

Toen Jezus des namiddags van den derden reisdag te Nazareth aankwam, vond Hij waarschijnlijk Zijne moeder niet te huis. Zij was reeds vertrokken naar eene bruiloft te Kana. Jezus en Zijne jongeren, pas aangekomen, werden ook nog genoodigd. De reizigers, hoewel vermoeid van de reis, namen de uitnoodiging aan. Niemand kon de jongeren toen nog beschouwen als de discipelen van later; zij waren de gasten van Jezus. Nog dienzelfden dag gingen zij naar het op anderhalf uur afstand gelegen Kana. Een dei-jongeren, Nathanael, woonde hier. Zij wandelden over de heuvelen, Noord-Oostelijk van Nazareth. Vervolgens gingen de zes mannen langs de helling van den bergrug afwaarts naar het groote, schoone dal, het tegenwoordige Wadi-Tur\'an, waarin Kana, het tegenwoordige Kerf Kanna ligt. Het was voorjaar, want het Paaschfeest was op handen (Joh II: 13).

Het gezelschap kwam in het liefelijk dorpje aan. Uit de schoor-steenen stegen talrijke kleine rookwolkjes op, ten teeken dat overal het avondmaal werd toebereid.

Eenige minuten voor zij het dorp binnentraden kwamen zij aan de bron, waaruit nog heden de bewoners van Kana hun water putten. Op elk uur van den dag vindt men hier groepen van vrouwen, die water halen. Deze komen veelal in lange rijen uit het dorp met den gebruikelijken zwarten, aarden waterkruik op het hoofd. Uit deze kruiken werden de gewone watervaten, die in de huizen stonden, gevuld, hebbende in den regel een inhoud van twee of drie maten of ongeveer 80 Liter.

Jezus en Zijne jongeren kwamen juist bijtijds om aan het hoofdfeest deel te nemen, dat eerst des avonds gevierd werd.

ocr page 65

53

De bruiloft te Kana heb ik reeds vroeger getracht aanschouwelijk voor te stellen. 1) De verandering van het water, dat zich in de zes watervaten bevond, (Joh. II : 6) ongeveer 500 Liter, in wijn — een kostelijk bruilofsgeschenk voor de nieuwe huishouding — wekte de hoogste verbazing onder de bruiloftsgasten. Aan zulk eene koninklijke hulp bij den kleinen huiselijken nood had Maria in de verste verte niet gedacht. Tot nu toe had niemand iets vermoed van de wondermacht, die de 30-ja-rige Gast bezat. Een ieder had Hem gehouden voor den bouwmeester uit Nazareth, den zoon van Maria. Niemand van Zijn vroegere bekenden kon vermoeden, welke beslissende ure Hij in-tusschen had doorleefd. Maar op niemand maakte het wonder meer indruk dan op Zijne vijf nieuwe vrienden. Beneden aan de Jordaan hadden zij, 4 dagen geleden, Jezus voor het eerst gezien, toen de Dooper op Hem wijzende uitgeroepen had: „Zie! het Lam Gods!quot; Nu hadden zij drie dagen met Hem gewandeld. Wel „brandde het hart in hen,quot; toen Hij met hen sprak. Maar eerst hier schitterde voor de eerste maal iets van de verborgen majesteit van Hem, van wien hun vroegere meester Johannes vol eerbied zeide, dat hij niet waardig was Zijne schoen-nen Hem na te dragen. En deze handeling, zoo eenvoudig volbracht in den kring der bruiloftsgasten, bevestigde voorgoed het onwankelbaar geloof in hun nieuwen Meester, met wien zij voortaan verbonden bleven tot Zijnen dood op Golgotha, tot hun eigen levenseinde of martelaarsdood om zijnentwil, ja tot in alle eeuwigheid. Dit was voor de vijf begeleiders van Jezus de beteekenis van het wonder te Kana. Daarom voegt de Evangelist deze woorden toe aan het verhaal; „Dit teeken heeft Jezus te Kana in Galilea gedaan en heeft Zijne heerlijkheid geopenbaard en Zijne discipelen geloofden in Hem.quot;

1) Zie: „Kent gij het land?quot; hoofdstuk „Bruiloften.quot;

ocr page 66

Het plaatje stelt voor het meer Genesareth met het tegenwoordige Tiberias. Men ziet hier Zuid-Oostwaarts naar Dekapolis. (10 steden.) De bloemen zijn werii doode maankop.

ocr page 67

00

Gennesar, doorsneden met zilveren beekjes, naar het meer heen! Hoe schoon liggen daar aan den oever de steden met hunne heldere huizen, die uit den blauwen vloed schijnen op te rijzen, Kapernaüm, Betsaïda, Magdala, Tiberias, Tarichea! Hoe schoon spiegelen zich langs het strand de bosschen van bloeiende oleanders in het blauwe water. Het gebergte omgeeft beschermend de woonplaats onzes Heeren, als geboeid door den verrukkelijken aanblik. En boven alles uitstekende staat daar de hoofdman dei-bergen, wiens sneeuwwitte kruin, de gloeiende zon een nog schooner glans verleent: de trotsche Hermon, ondanks zijne duizenden jaren nog recht oprijzende en verheven, — vaderlijk neder-ziende op het blauwoogige kind van het dal, dat hij dagelijks door zijnen zoon, den Jordaanstroom, voorziet van het kosteliikste water, ontspringende uit verborgen rotsholen. De heilige Jordaan zelve, verliest zich bijna in den blauwen vloed, waarover het scheepje van Jezus zoo dikwijls in vroolijke vaart heengleed. Gelukkig scheepje! Gij hebt den kostbaarsten last gedragen, zoo als de grootste zeekastelen der majestueuze wereldzeeën te gee-ner tijd gedragen hebben, — den Heiland der wereld! En wie den voet op den oever zet, gevoelt inwendig iets als een plechtig gebed en hoort een inwendige stem, zooals Mozes eenmaal in de woestijn van het Zuiden vernam, sprekende: „Ontdoe u van uwe schoenzolen, want de plaats waarop gij staat is heilig land!quot; Want langs dezelfde paden heeft eenmaal de Zoon Gods en der men-schen zich bewogen met Zijne twaalf discipelen en dikwijls met een groote schare, die de woorden des levens uit Zijnen mond wilden hooren. Geen enkele streek uit het Heilige Land, is door den Heiland door langdurige werkzaamheid zoozeer geheiligd, als juist de Noordelijke oever van dit meer, met zijne steden Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin. In Jeruzalem en andere plaatsen, was Hij slechts een doortrekkende gast. Maar hier was Hij te huis. Hier kende hij eiken berg, eiken boom, elk huis. Hier is bijna alles geschied wat Mattheüs en Markus in de hoofdstukken, resp. tot en met XVHI en IX, ons verhalen.

ocr page 68

56

De Evangelist Johannes verhaalt in het eerste hoofdstuk, de eerste ontmoeting en verdere kennismaking van Jezus en Zijne jongeren in het diepe Jordaandal. Deze voor hem onvergetelijke eerste dagen van eene in eeuwigheid niet meer stervende liefde, heeft hij geplaatst aan het hoofd van zijn Evangelie. Ons Evangelie verhaalt ons evenzoo van belangrijke, ook om hunne gevolgen gewichtige dagen aan het meer Genesareth. Het verhaalt ons, dat Jezus verscheidene weken na die gebeurtenissen aan de Jordaan, zijne vier eerste jongeren voortdurend bij zich hield, waaraan er drie ook later in den kring der discipelen het bijzonder vertrouwen van Jezus bleven genieten.

Dat waren gelukkige dagen, die eerste dagen aan het meer Genesareth. Het was lente in de natuur, lente ook in de loopbaan van Jezus. Ook de schilderingen der Evangeliën uit deze dagen bezitten eene eigenaardige bekoorlijkheid gelijk aan die van den frisschen dauw onder de stralen der opgaande zon. Het zijn de eerste schreden des Heilands tot bereiking van het groote doel. Nog werpt het kruis van Golgotha geen schaduw op Zijnen weg. Langzamerhand zien wij, hoe Hij den kring uitbreidt. Toenmaals was die streek niet zoo stil als tegenwoordig, een talrijke, levendige, beweeglijke bevolking woonde aan den oever; de omliggende steden bloeiden en honderden vaartuigen voeren over het blauwe meer.

Hier had Jezus, toen Hij Nazareth verlaten had, Zijne woonplaats gevestigd. Met Zijne moeder en Zijne broeders was Hij vertrokken naar het meer Genesareth (Joh. II : 12). Ongeveer 28 jaar had de familie te Nazareth gewoond, waar ook bloedverwanten van Maria woonden. Jozef was er vreemd gekomen. Het gezin had aldaar geen erfrecht en het viel dus niet moeielijk de stad te verlaten en zich elders te vestigen. De zusters van Jezus, die vermoedelijk gehuwd waren, bleven achter. Om den kring van hoorders zoo groot mogelijk te maken, verwisselde Jezus het in de bergen als verscholen Nazareth met Kapernaüm, welke stad voor de Joden de hoofdstad van Galilea was. Niet alleen dat ge-

ocr page 69

57

heel Galilea hier samenstroomde maar ook konden de woorden van Jezus hier als op het hoofdstation van den handelsweg tus-schen de zeehaven van Akko en Damaskus vele doortrekkende!1, bereiken. Hieruit laat zich ook verklaren, dat zoo dikwijls vele duizenden zich rondom den Heer verzamelden, hetgeen in Nazareth niet licht zou hebben plaats gevonden. Het huisgezin van Jezus had te Kapernaüm een eigen huis betrokken, voor welks onderhoud de broeders van Jezus moesten zorgen door hunnen arbeid. Intusschen was Jezus slechts nu en dan bij hen, meer als gast dan als huisgenoot.

Met welke innige belangstelling en zaligheid zal Maria in die dagen de toenemende werkzaamheid van haren Zoon hebben gadeslagen! Eerst nu traden de verwachtingen in vervulling, die hare ziel vervuld hadden van die onvergetelijke ure af toen zij, nu 30 jaren geleden, als maagd, den Engel vol onderwerping antwoordde: „Zie, de dienstmaagd des Heeren! Mij geschiedde gelijk gij zegt.quot; Toen had de Engel haar geantwoord: „Hij zal Koning zijn, en Zijns Koninklijks zal geen einde zijn.quot; Dit woord had de maagd met heerlijke verwachtingen vervuld. Nu — zij was reeds bijna 50 jaar oud — waren de verwachtingen van dien tijd, van dien zaligen nacht te Bethlehem, met nieuwe kracht ontwaakt. Hier aan het meer Genesareth, zag zij haren Zoon dagelijks omwandelen, omringd door honderden, ja duizenden, en sprekende over Zijn Koninkrijk, — dat haar door den Engel was aangekondigd, — met aangrijpende kracht, in ongehoorde taal. Eerzucht mengde zich in hare moederlijke teederheid en liefde, als zij, de „dienstmaagd des Heerenquot; zich onder de menigte bevond, naar haren Zoon luisterde en elk woord van Zijne lippen begeerig opving. Hoe gelukkig was zij, dat zij naar het uitwendige nu en dan voor Hem zorgen kon. Hij was van de Jordaan teruggekeerd anders dan Hij er was heengegaan. In Nazareth was Hij de vriendeiyke huisgenoot; thans behoorde Hij aan het geheele volk. Van nu aan kwam Hij dikwijls in langen tijd niet in haar huis. Toch mocht zij Hem nog menigmaal dienen met moederlijke

ocr page 70

58

liefde. Eens zelfs, toen Hij na een verraoeienden tocht met Zyne jongeren naar Oostersche wijze in de open lucht wilde eten, verzamelde zich eene schare rondom hen. En toen de moeder met hare zonen beproefde de menigte te verwijderen, sprak Jezus deze wonderschoone woorden; „Zie, Mijne moeder en Mijne broeders! Die den wil van God doet, die is Mijne moeder, Mijne zuster en Mijn broeder!quot; Ook Maria was nu discipelin en moest als zoodanig leeren de aardsche banden meer en meer in geestelijke banden te zien overgaan. Wanneer echter volgens Lukas VIII: 2, later ook vrouwen den Heer hebben gevolgd (drie worden met name genoemd) om het reisgezelschap met hare diensten en uit hare goederen bi] te staan, is de moeder van Jezus daarbij niet uitdrukkelijk genoemd, omdat van zelf sprak, dat zij was medege-gaan. Ook de laatste groote reis naar Jeruzalem maakte zij mede, want zij stond onder het kruis op Golgotha.

Jongeren in den engeren zin van het woord, die Hem voortdurend vergezelden, had Jezus in dien eersten tijd nog niet. Hij begaf zich alleen naar de Synagoge en sprak tot het volk. In de Synagoge werd niet alleen des Zaterdags maar ook des Maandags en des Donderdags onderwezen. Elke van die gelegenheden greep Jezus aan om zich aan het volk te openbaren. Op de andere dagen onderhield Hij zich met grootere of kleinere groepen op de straten. Zijne prediking was vastgeknoopt aan die van den Dooper. Kon deze evenwel slechts zeggen: „Het Koninkrijk is nabij gekomen,quot; Jezus verraste het volk met de blijde boodschap: „Het Koninkrijk is gekomen!quot; De indrukwekkende, rustige, meer dan profetische zekerheid, waarmede Hij deze woorden uitsprak, bracht de toehoorders in verbazing. Wel is waar zeide Hij, dat het Koninkrijk nog slechts een mosterdzaadje was, dat aan de aarde was toevertrouwd; maar gelijk de aan hef meer groeiende mosterdplanten uit één korrel er honderdduizenden voortbrengen, zoo zou ook het rijk, dat met Hem kwam, zich tot honderdduizenden uitbreiden. — Wat deden intusschen de vijf jongeren, die Hem voor eenige weken hadden leeren kennen en daar

ocr page 71

59

met Hem waren gereisd naar Galilia ? Zij behoorden zeker tot de aandachtigste aan Hem Innigst verknochte hoorders. Zij zuilen wel geen enkele samenkomst in de Synagoge, waar Hij sprak hebben verzuimd. Zij zullen Hem des avonds in Zijne woning zijn gevolgd, of hebben Hem in hunne woning genoodigd, alwaar zich dan een kring van leergierige mannen en vrouwen met hen rondom Jezus verzamelde. Sinds die dagen aan de Jordaan en vooral sinds dien avond te Kana wisten zij, dat Hij de sedert eeuwen verwachte Koning en Messias was. Maar zij hadden nog geen aanleiding om het zoo ingrijpend besluit te nemen, huisgezin en beroep te verlaten. Daarom wijdden zij nog een groot deel van hunnen tijd aan hun werk. Zij behoorden, althans vier hunner, tot eene welgestelde visschersfamilie in Bethsaïda, zij bezaten voor het minst twee eigen vaartuigen, die volgens de evangelische verhalen, ook voor een grooter gezelschap ruimte aanboden. Jezus overal te volgen, daaraan dachten zij tot nog toe, zeker niet. Zij konden niet denken dat Hij later bijna voortdurend zou rondwandelen, waarbij Hij dikwijls niets zou hebben om het hoofd op neer te leggen. In den eersten tijd, schijnt Zijne werkzaamheid zich te hebben beperkt tot de weinige steden aan den Noordelijken oever van het meer; Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin. Maar al volgden deze toekomstige discipelen Hem niet op al Zijne schreden, zij werden tot Hem aangetrokken met on-wederstaanbare kracht. Als zij des avonds hunne netten uitwierpen, als zij dezen des ochtends ophaalden, als zij op het blauwe meer ronddreven, altijd waren hunne gedachten bij Hem, die in hunne harten de zaligste verwachtingen had gewekt, die het hart van een vromen, geloovigen Israeliet konden vervullen. En hoe meer zij hem hoorden en spraken, des te inniger werd hunne betrekking tot Hem. Hoe zal Johannes Hem hebben aangehangen, die later door zoo innige vriendschap met hem verbonden was, dat Hij de leerling heet „dien Jezus liefhadquot;. Het stond zeker wel bij hen reeds vast, dat als Jezus een beroep zou doen op hen of op het volk om Zijn Koninkrijk te helpen oprichten, zij Hem vol-

ocr page 72

60

gen zouden, waarheen Hij wilde. Maar op zulk eene oproeping moesten zij wachten.

De oproeping kwam, en wel op één der eerste Aprildagen; want kort daarna ging Jezus op naar Jeruzalem om het Paasch-feest te vieren.

De beide scheepjes der jongeren lagen op dien ochtend geankerd aan den oever, bemand met de visschers en hunne helpers. Daar kwam Jezus aan het meer, gevolgd door een schare, komende van Kapernaüm. De synagoge kon de menigte Zijner toehoorders niet meer bevatten. Ook was deze niet eiken dag geopend en zoo moest Jezus dus in de open lucht tot het volk spreken. Zij begaven zich naar den oever, maar ook daar kon Hij niet spreken, omdat het volk zoo op hem aandrong, dat Hij spoedig vlak aan den waterkant stond, waarom Hij naar een betere standplaats uitzag De beide schepen Zijner welbekende vrienden vallen Hem in het oog. Ook deze vrienden zullen, toen zij den Heer met de schare zagen aankomen, wel naderbij zijn gekomen om te luisteren naar Zijne woorden. Jezus had heden groote dingen met hen voor. Hij groette slechts Petrus, ging in het schip van dezen en verzocht hem een weinig van het land af te varen. Petrus voldeed hieraan, en nederzittende sprak Jezus tot de scharen uit het schip. Het is jammer, zouden wij zeggen, dat ons van den inhoud dezer prediking, evenmin als van zoovele andere, iets bekend is. Gredurende de prediking zat Petres aan de voeten van Jezus, dien hij vol vereenng bleef aanzien. Toen de rede geëindigd was, had op Jezus\' bevel de bekende wonderdadige vischvangst plaats. (Lukas V ; 4 — 7.)

Deze gebeurtenis, als een daad voor hem persoonlijk vemcht, maakte op Petrus een diepen indruk en bereidde hem geheel voor op de aanstaande gewichtige beslissing. Jezus zal voorzeker gedurende de vischvangst aan den oever hebben gestaan. Na de gelukkige vangst kwam op een wenk van Petrus ook het andere schip nabij om bij het inzamelen der visschen behulpzaam te zijn. Toen beide schepen gevuld waren, voer het tweede een weinig ter zijde. Maar Petrus sprong na volbrachten arbeid op

ocr page 73

i

61

den oever en viel in de grootste bewondering ja in aanbidding voor Jezus op de knieën. Jezus zag hem aan met Zijn Konim:-lijken blik en kondigde den voor Hem knielenden jonger nog grootere dingen aan: Hij zoude hem en zijne broeders uitzenden op de groote wereldzee. Daar zouden zij de netten van het hemelrijk uitwerpen en als visschers voor God, de kostbaarste vangst van geredde menschenzielen bijeenbrengen. Toen richtte Jezus, — als een Rijksbevel voor Zijn koninkrijk — deze gewichtige uit-noodiging tot het broederpaar, waardoor de richting van hun leven bepaald werd: „Volg mij!quot; En zij, onder den indruk van wat zij doorleefd hadden, bedachten zich geen oogenblik, verlieten onmiddellijk hunne netten en gingen met Jezus naar Kaper-naüm.

Het tweede schip, waarop Zebedeüs met zijne beide zonen Jakobus en Johannes en de helpers zich bevonden, was op eenigen afstand van den oever gebleven. De opvarenden hadden volop werk om de visschen te bergen en de netten in orde te brengen. Ook zij waren zeer verbaasd over het zooeven gebeurde wonder als bewijs der nabijheid Gods. Jezus kwam met Zijne beide eerste jongeren langs het strand naar hun schip. Vol eerbied zullen zij zich hebben opgericht, toen Jezus naderde. Jezus echter bleef staan en riep ook hen om Hem te volgen. En zij lieten hun vader Zebedeüs met de daglooners in het schip en volgden Hem.

Nu namen de twee belangrijke leer- en zwerfjaren der apostelen een aanvang. Zoolang zij nog in Kapernaüm waren, zullen zij des nachts en op feestgetijden wel in den kring der hunnen hebben vertoefd. Hun geboortestad Bethsaïda lag slechts een half uur van Kapernaüm af. Mogelijk ook was de vrouw van Petrus naar hare moeder in Kapernaüm gekomen. Ook Jezus zal aldaar wel bij de Zijnen hebben gewoond, hoewel Hij nog slechts als gast in hunne woning verkeerde. Van nu af was Hij meestal reizende. Zijne woonplaats was daar, waar verlorene zondaars in Israel te vinden waren.

ocr page 74

62

Reeds den volgenden sabbat ging Hij met Zijne nieuwe discipelen naar de synagoge. Het was de rustdag van het volk. Een ieder begaf zich dan naar het meer. De visschers hadden hunne booten vastgelegd. De netten waren sinds Vrijdag uitgespannen aan den oever. Voor de karavansera\'s lagen de kameelen, ezels en paarden, die, evenals de menschen hun rustdag hadden. De bewoners van Kapernaüm gingen in den vroegen ochtend in feestgewaad naar den oever van het meer en verzamelden zich onder palmboomen. De ochtend was onuitsprekelijk schoon, als gewoonlijk in April. Geen zeil was te zien op de blauwe vlakte, geen hand strekte zich uit naar den arbeid. Alles sprak van rust en sabbats vreugde.

Op de vermoedelijke puinhoopen van Kapernaüm, tegenwoordig genaamd Teil Hum, staan nog heden ten dage weinige minuten van den oever verwijderd de overblijfselen van een schoon, uit wit kalksteen opgetrokken monumentaal gebouw. Basementen en kapiteelen van kolommen, met prachtig beeldhouwwerk, liggen in grooten getale op deze puinhopen verspreid en zeer zeker zullen nog grootere kunstschatten in den grond te vinden zijn. Hier stond, zooals men niet zonder grond vermoedt, vóór 1900 jaar de Synagoge van Kapernaüm (Lukas VII : 5), waarin Jezus zoo menigmaal sprak. Indien deze steenen spreken konden, wat zouden zij ons niet kunnen vertellen van die lang vervlogen dagen, waarvan onze Evangeliën verhaten.

Naar deze plaats richtten de lieden uit Kapernaüm van het meer en uit de huizen, op het bepaalde uur hunne schreden. De synagoge was in den laatsten tijd steeds overvol. Men was gewoon, op zulke dagen, den nieuwen, overal groot opzien ver-wekkenden Leeraar, te gaan hooren. En inderdaad, daar zat Jezus weer omringd door Zijne jongeren. Nu stond Hij op en begaf zich naar de spreekplaats. Hij las een tekst uit het Oude Testament, gaf het boek terug en begon te spreken. Her. volk luisterde in ademlooze stilte. Steeds overweldigender werd de indruk, al krachtiger sprak Zijne prediking tot hunne harten. On-

ocr page 75

63

danks hare eenvoudigheid en duidelijkheid waren Zijne gedachten zóó diep. Zijne woorden zoo aangrijpend, dat niemand zich aan hun werking kon onttrekken. Als Hij geëindigd had, waren allen aa.ngegrepen. medegesleept, ja, ontzet door de kracht Zijner prediking. (Markus I ; 23 enz.) Een nieuw geval deed de algemeene geestdrift nog vermeerderen. Plotseling klonk de stem van een man met een onreinen geest door de menigte: „Ik ken U, Jezus van Nazareth! Gij zijt de Heilige Gods!quot; Daarop geschiedde even onverwacht een teeken, waardoor de indruk van Zijne grootheid nog meer klom. Jezus, op Zijne plaats blijvende, beval den onreinen geest den man te verlaten. Nog éénmaal openbaarde de booze geest zijne werking en eenige minuten later stond de man, straks nog zoo wild, rustig te midden der anderen en gaf zijn helder oog en zijne rustige houding aan allen te aanschouwen, dat hij van zijne vreeselljke krankheid was genezen. Dit alles geschiedde bij een ademlooze stilte onder de verzamelde menigte. En daar dit het eerste wonder was, dat Jezus, volgens Markus en Lukas, voor het verzamelde volk te Kapernaüm deed, is het zeer begrijpelijk dat het volk zich zoozeer verbaasde. (Mark I : 27.)

Iets dergelijks hadden zij nog nooit gezien. Met diep ontzag zagen zij tot den man op, voor wien zij bijna vreesachtig zouden kunnen zijn, indien Hij niet door Zijne aangrijpende woorden aller harten onwederstaanbaar tot zich had getrokken, die slechts één woord behoefde te spreken om zelfs duivelen tot gehoorzaamheid te dwingen.

Toen de scharen naar hunne woningen terugkeerden, ging ook Jezus met hen door de straten van Kapernaüm. Met Zijn jongeren bracht Hij een bezoek bij de schoonmoeder van Petrus, die aan de koorts lijdende te bed lag. Jezus nam haar bij de hand en richtte haar op en op datzelfde oogenblik verliet haar de koorts. Nieuwe kracht stroomde haar door de aderen en zij haastte zich den zoo welkomen gasten de diensten van een gastvrij huis te bewijzen.

ocr page 76

64

Deze gebeurtenis ging ongetwijfeld van mond tot mond dooide gansche stad. Deze dag was voorzeker een van de veelbewogen dagen in het leven des Heeren. De gebeurtenissen, die daarop plaats hadden, brachten het volk in de grootste opgewondenheid-Het kwam den onervarenen, wat de jongeren en de eerste aanhangers van Jezus waren voor, alsof alles zich als van zelf zou ontwikkelen en Jezus zeer gemakkelijk het lang verwachte koninkrijk van David weer zou oprichten.

Aan den avond van den Sabbat zal Jezus zich wel wederom in het huis Zijner eigene familie hebben bevonden. Het huis werd door het volk als belegerd. Heden toch was niemand aan den arbeid en daarom kon een ieder zich geheel bezig houden met de wonderdadige dingen, die geschied waren. De geheele stad was daarmede vervuld. De zieken hadden van de beide genezingen aan het meer en in het huis gehoord en allen wilden nu ook genezen worden door hunnen merkwaardigen, nieuwen medeburger, die kortgeleden uit Nazareth herwaarts was gekomen. Maar op den Sabbat durfde men de kranken niet naar Jezus dragen, omdat men zich te zeer gebonden gevoelde door de letterlijke opvatting der Joodsche wetten. Zij konden nauwelijks wachten tot de zon was ondergegaun en de Sabbat voorbij was. En toen de schaduwen van den nacht, zich te half zeven ure, over het meer Genesareth begonnen te verspreiden en het donker werd op de bergen, toen werden uit de straten van Kaper-naüm alle zieken tot Hem gebracht. Markus zegt (I : 33) damp;t de geheele stad bijeenverzameld was omtrent de deur. Een groote menigte bevond zich aldus in den stikdonker en nacht der nieuwe maan (de schemering duurt nauwelijks V* uur) voor het huis van Jezus, allen vol verwachting. Gedeeltelijk was dit eene nulde, gedeeltelijk eene roerende, sprakelooze bede. Alle zieken en ellen-digen toch, die wachtende waren totdat de zegenende handen hen zouden aanraken, spraken eene taal, die diep in het hart van Jezus drong. — De Heiland treedt naar buiten. Hij plaatst zich te midden der door geheel Kapernaüm omringde kranken en staat

ocr page 77

65

vol medelijden beurtelings bij elk hunner stil. Het moet een aangrijpend tooneel zijn geweest te zien, hoe honderden menscher: de barmhartige behandeling van den Heiland aanzagen. Lukas zegt (IV : 40): „Hij legde een iegelijk van hen de handen op en genas henquot; en Mattheüs voegt er bi] als om den indruk weer te geven, die dat uur op alle aanwezigen maakte (VIII: 17): „Opdat vervuld zou worden, wat gesproken was door Jesaja, den profeet: „Hij heeft onze krankheid op zich genomen en onze ziekten gedragen.quot;

Hoe zal er gejuicht zijn in dien nacht in de huizen langs het liefelijke meer! Buiten was het nacht, maar in de harten was het licht geworden. De altaarlampen brandden in de huizen en de harten waren brandende van dankbaarheid. Hoevele tranen had Jezus heden gedroogd. Die voor een uur nog krank waren, zaten nu als herstelden gelukkig in den kring der hunnen. En moest niet hetgeen heden doorleefd was de harten vervullen met de blijde hoop, dat op dezen Sabbat de eeuwige Sabbat zou aanvangen? Was dit niet het aanbreken van den gouden eeuw, waarvan de profeten, b.v. Jesaja (XXV : 8) spreken: „De Heer zal de tranen van alle aangezichten afwisschen!quot;

Maar, waar was Jezus gebleven? Hij had zich in huis teruggetrokken en zal zich wel spoedig hebben ter ruste begeven. Zou ook Hij, eer Hij insliep, niet met vreugde hebben gedacht aan allen, die Hij heden van hun lijden had verlost? Wij kunnen daaraan niet twijfelen. En als het waar is, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen, dan weten wij ook, welk hart op dien Sabbat in Kapernaüm het gelukkigst was, wie op dien avond met de zaligste gewaarwording insliep.

Maar niet lang genoot Hij van de rust en den slaap. „Voor het aanbreken van den dagquot; (Markus I : 35) stond Hij op en ging naar buiten. Het was nog duister, de geheele stad lag nog in slaap gedompeld. Geheel alleen ging Hij naar buiten de stad en beklom een der heuvelen aan de Noordzijde. Een koele ochtendwind blies uit het Westen over de bergen en het meer. De sterren begonnen te verbleeken. Boven de oostelijke bergen begon

ocr page 78

66

het te dagen, eerst matgeel, daarna meer en meer purper. Maar Jezus stond op den donkeren bazaltheuvel of zat op een rots. ^VVel aanschouwde Hij de natuur, waarin Zijn blik dieper doordrong, dan het den aardschen mensch vergund is. Zijn oog reikte ver over de bergen, het dal en het meer. Hij zag op tot Zijnen Hemelschen Vader, wiens heerlijkheid Hij verlaten had, om op de aarde het werk der verlossing te volbrengen voor een verloren rnenschdom. Hier, zittende op de door Hem geschapen aarde, „de voetbank Zijner voeten,quot; onderhield de Zoon zich met den Vader.

Hij verbleef aldaar, totdat de dag was aangebroken. Het was een van die stille uren, waarin Hij hemellucht ademde en kracht putte uit de diepte der Godheid, om die later te kunnen doen uit-stroomen in de arme, in zonde verloren wereld, in welker stiklucht Hij zich dagelijks bewoog.

Inmiddels was de stad ontwaakt. De eerste gedachten betroffen Jezus en hetgeen Hij gisteren binnen hare muren verricht had. De bewoners waren daarmede nog te zeer vervuld, om als gewoonlijk hun dagwerk ter hand te nemen. Zij spoedden zich naar Zijne woning om Hem hun morgengroet en hunne hulde te brengen. Maar zij vonden Hem daar niet. Toen gingen zij naar Zijne jongeren, die Hem de laatste dagen vergezeld hadden en zochten met hen. Petrus en Andreas woonden niet meer in Bethsaïda, maar hier in deze stad (Mark. I : 29). Petrus schijnt gevoeld te hebben, waar men zoeken moest. Hij kwam met vele anderen op den heuvel, waarop Jezus zich bevond. Verheugd riep hij den Heer toe: „Allen zoeken U!quot; (Mark. 1:37). De groote beweging en geestdrift der menigte maakten indruk op hem. Maar Jezus ging niet naar de stad terug. Tot verbazing van Petrus, gaf Hij dezen en den anderen jongeren Zijn voornemen te kennen, om van hier te vertrekken, zeggende (Mark. I : 38, 39): „Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike, want daartoe ben Ik uitgegaan.quot; En het volk in Kapernaüm wachtte Hem te vergeefs.

En Jezus aanvaardde in den frisschen morgen Zijn eersten tocht door Galilea.

ocr page 79

DE VISCHVANGST.

Het Evangelie van Lukas bevat in het Vd® hoofdstuk vs. 1 — 11, een gedeelte van het in ons vorige hoofdstuk behandelde namelijk de wonderdadige vischvangst.

De Galileesche Zee is nog heden ten dage ongemeen vischrijk. De visschen zijn van dezelfde soort als die in den Nijl worden gevangen: harders, wentelaars, brasems, barbeelen, enz. Met het water van de Jordaan, dat in het meer vloeit, zwemmen vele af naar Judea tot bij Jericho. Maar menig vischje moet het betreuren, dat het het blauwe meer van Genesareth nieuwsgierig verliet om verder te trekken. Nauweliiks toch wordt het door de steeds woester wordende Jordaan in de Doode Zee gevoerd of het is gedaan met den lustigen zwemmer.

Visschersboot van Bethsaïda en Kapernaüm. Het gezicht op de bergen is genomen van Kapernaüm uit naar het Westen ziende, van de plaats, waar de gebeurtenissen in dit en het vorige hoofdstuk beschreven, plaats vonden.

ocr page 80

68

Na eenig gespartel drijft hij spoedig, even als millioenen anderen voor hem, dood op de oppervlakte der Doode Zee, Bij zoo\'n grooten rijkdom aan visch is het duidelijk, dat ook heden nog in gansch Tiberias visch de voornaamste toespijs is bij het dagelijksch brood. Hij, die daar geweest is, zal zich herinneren, dat bij het middagmaal in het gastvrije klooster der Franciskaner monniken, steeds een schotel gebraden visch prijkte; en dat de goede pater Lukas nooit naliet er op te wijzen, dat deze zelfde vischsoort werd gegeten door de heilige Apostelen, ja, door den Heer Jezus zeiven, gedurende Zijn verblijf aan het meer Genesa-reth. Alle toehoorders der bergrede hadden deze goedkoope spijs dagelijks op hunne tafel en zelfs de armste huisvader kon daarmede zijn hongerige kinderen genoegzaam voeden. Daarom dan ook knoopte Jezus naar Zijne gewoonte aan deze dagelijksche ervaring der huisvaders, die Hem omringden, deze Zijne woorden vast; „Wie onder u, als zijn zoon hem een visch vraagt zal hem een slang geven ?quot; en wees hen daarbij op den hemelschen Vader. Ook bij de spijziging der vijf duizend was visch de eenige toe-spiis.

Ofschoon Jezus wist, dat Petrus den ganschen nacht niets gevangen had, zeide Hij toch tot hem: „Steek af naar de diepte en werp uwe netten uit om te vangen.quot; Op het meer Genesareth worden alleen des nachts de netten uitgeworpen, omdat men des daags zelden iets vangt. 1) Gedurende mijn laatste bezoek in Tiberias in 1889 heb ik mij opzettelijk veel met visschers onderhouden om een blik te slaan in het werk der hedendaagsche visscherij. Ik vroeg hun, of zij ook niet des daags de netten uitwierpen. Zij lachten mij uit en verklaarden, dat dit alleen door een zeer dommen visscher zou worden gedaan. Daarop wijst ook het antwoord van Petrus, als hij zegt: „Meester, wij hebben den ganschen nacht — dat wil zeggen: gedurende den eigenlijken

1) Zie : „Kent gij het land?quot; hoofdstuk : „Een Zondag aan het meer Genesareth.quot;

ocr page 81

09

vischtijd — „gearbeid en niet gevangenen nu zou ik tegen alle visscherswijsheid in op den helderen dag uitgaan? „Doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.quot;

Waarin bestend dan nu het wonderbare dezer vischvangst ? Niet daarin, dat Petrus eene menigte visschen, grooter dan ooit te voren, in eenen trek ophaalde; een zoodanig geval komt nog heden voor. Gelijk bij andere gelegenheden, *) bestond ook nu het wonder hierin, dat iets wat wel eens meer geschiedde, in dit bepaalde geval plaats vond, onverwachts en op het woord des Heeren. Dit wordt ons duidelijk uit de mededeelingen der heden-daagsche visschers aan datzelfde meer.

De beste tijd voor de vischvangst is de winter en het voorjaar tot Paschen (van dezen tijd spreekt ook ons Evangelie). In dezen tijd is de rijkdom aan visch dikwijls zoo buitengewoon groot, dat men het moet hebben gezien, om niet de berichten voor overdreven te houden. Natuurlijk is dit niet overal op het meer alzoo; de visschen aldaar zijn namelijk doortrekkende. Ook trekken zij niet eenzaam door de blauwe wateren; zij zijn zeer gesteld op gezellig samenzijn. En hoe ontzettend groot zijn de scholen, die hier gemeenschappelijk doortrekken! Nauw aaneengesloten zwemt het groote leger door het meer Genesareth en niemand weet waardoor hun reisroute wordt aangegeven.

Vele reizigers hebben opgemerkt, dat de visch in het Noorden van het meer zeer overvloedig is, in het Zuiden echter weinig voorkomt. Van tijd tot tijd echter heeft het Zuidelijk Tiberias denzelfden rijkdom als de Noordelijke kust. Bij Tabira, vermoedelijk het vroegere Bethsaïda, vindt men tegenwoordig niet, zoo als de oude naam (vischscholenj zou doen denken, groo ten vischvooraad. De opbrengst bestaat hier in éénen win-

\') „Kent eij het land?quot; b. v. de hoofdstukken: „De profeet Elia op zijne tochtenquot; eu „Goede Vrijdag.quot;

ocr page 82

70

ter volgens de visschers, uit nauwelijks 600 centenaars, terwijl bij El fiïlyje circa 3000 centenaars worden gevangen. De grootte der opbrengst hangt er dus van af, of de visschen op hunne tochten in grooten getale en voortdurend een bepaalde plaats bezoeken. Intusschen is hiermede niet gezegd, dat bijna alle visschen zich aan deze scholen aansluiten. Een bijzonder goede vangst kan men slechts doen, wanneer zulk een doortrekkende optocht in de nabijheid der netten komt.

Het is zeer merkwaardig, de aankomst van zulk een leger van het strand af te zien. De visch had, tijdens mijn bezoek in Tiberias, de richting, bij uitzondering overdag, naar Tiberias en Magdala genomen. Het was visch aan visch van boven tot beneden. Met honderdduizenden kwamen ze aanzwemmen. Tot aan het zand van den oever zag men meer visch dan water. Het leger naderde, vast aaneengesloten. Alle waren levendig en vroolijk, alsof zij in grenzenlooze vreugde het feest der lente vierden. Zij vermoedden niet, welke moordplannen de „heeren der Scheppingquot; aan den oever tegen hen uitbroedden. Alle visschers maakten zich op en grepen naar hunne wapenen, de groote netten.

Zelfs de kinderen waren naar den oever gesneld. Met de handen, in aarden potten, in hunne als schorten opgeslagen hemdjes, vingen zij juichend van de opeengedrongen visch, zooveel zij wilden. Hoe ijveriger deze jacht gehouden werd, hoe meer het zwemmende volkje het ongastvrije strand vaarwelzeide. Langzaam, dicht aaneengeschaard, trokken zij wederom het meer in. Als wij nu vernemen van zulke ongehoorde hoeveelheden visch, dan verwonderd het ons niet langer, dat Petrus zooveel visch ving, dat hij van éénen trek twee schepen kon vullen, die elk een dozijn menschen konden bevatten. Het wonderbare lag hierin, dat de rijke vangst plaatsgreep op ongewonen tijd en op het bevel des Heeren.

Ook het net moet wel zeer groot zijn geweest om den inhoud van twee schepen te bevatten. Aangezien dit mij meermalen had bezig gehouden, nam ik ook de netten der visschers aldaar in

ocr page 83

71

oogenschouw. Ik zag vele netten uitgespannen, die op zijn minst zoo groot waren als dat van Petrus moet geweest zijn. Er zijn twee soorten van netten. De eene soort, de meest gebruikelijke, kan ongeveer zes centenaars visch bevatten. Het „groote netquot; Idde, genaamd is echter veel grooter; het heeft eene uitgestrektheid van 100 tot 200 manslengten (kawe). De visscher, met wien ik op het meer Genesareth voer, verhaalde mij van een geval, dat ik met het oog op ons Evangelie zeer merkwaardig vond. Hij had kort te voren met zijne makkers een bijzonder gelukkige vangst gehad. Zij hadden het groote net, de Idde, uitgeworpen. Toen zij den buit wilden bergen, konden zij nauwelijks het net ophalen. Ook konden zij niet alles in een schip storten, hoewel het op de tochten twaalf man medenam. Zij moesten een tweede schip van gelijke grootte halen dat, evenals het eerste, een volle lading kreeg. De netten waren op verschillende plaatsen door den zwaren last gescheurd. Zij verkochten 90 centenaars van dien éénen trek. De verhaler wist niet. dat zijn verhaal een merkwaardig licht wierp op de geschiedenis van de vischvangst van Petrus.

De wonderbare gebeurtenis had voor Petrus en zijn broeder Andreas een geheel bijzondere, persoonlijke beteekenis. De richting van zijn levensweg was er door aangewezen. Van nu aan volgden zij dezen Koninklijken Heer en bleven Hem getrouw tot aan hun graf, dat eens in verre gewesten voor hen zou worden gedolven.

Veel had de Heer Zijnen jongeren met deze vischvangst te zeggen. Nu riep Hij hen op om Hem te volgen; later zond Hij hen uit op eene zee, waarop millioenen, onbekend met den goeden weg, met den grooten stroom werden medegesleept, en die zij moesten vangen in het net van het Hemelrijk. Beteekenis-vol was de vischvangst voor Petrus, want hij moest vrouw, beroep en huis verlaten. Veelbelovend; want hoe heerlijk moest het zijn, zulk een Heer te volgen. Veelbelovend, omdat deze vischvangst eene profetie was van dien veel heerlijker arbeid^

ocr page 84

72

dien Jezus Zijnen jongeren zou opdragen, op de woelige Zee dei-volkeren

Onrype -volgelingen.

Lnkas IX vs. 57 — 62.

Nog zijn wij in de lente van Jezus\' eerste werkzaamheid. Volgens Mattheüs (VIII: 18) vallen de gebeurtenissen, die in dit hoofdstuk zullen worden behandeld, voor onmiddellijk na die, welke wij besproken hebben in ons voorlaatste hoofdstuk: „De lente aan het meer Genesarethquot; en aldus weinige dagen slechts na de oproeping der eerste vier jongeren, misschien zelfs onmiddellijk na dien gedenkwaardigen Sabbat, waarop Jezus in Ka-pernaüm zoovele kranken genezen had. Des ochtends hadden de zoekende jongeren Hem gevonden, biddende op eenen heuvel achter Kapernaüm en had Hij hun Zijn voornemen te kennen gegeven, dat Hij nu naar de omliggende vlekken gaan wilde om ook daar te prediken. Toen Hij met Zijne jongeren naar het meer afdaalde, schaarden allen, die Hem in de vroegte gezocht hadden, zich om Hem heen. De Heer kon op dezen tocht, waarop Hij rustig wilde prediken, eene zoo opzienbarende menigte niet in Zijn gevolg hebben. Daarom beval Hij Zijnen vier jongeren een der schepen los te maken en naar de andere zijde over te varen. Heden was er meer leven en beweging aan het meer dan op den voorgaanden Sabbat. De visschers waren aan hunne ochtendbezigheden. Het deed de verzamelde bewoners van Kapernaüm leed, dat de Heer hunne stad ging verlaten. Velen hunner waren gaarne voor altijd in de omgeving van een zco merkwaardigen Meester gebleven. Sinds eenige dagen zagen zij vier van hunne landslieden Jezus steeds begeleiden. Waar men Jezus zag, zag men de vier welbekende visschers immer in Zijn gezelschap. Was het dus niet begrijpelijk, dat na de indrukmakende gebeurtenissen van den vorigen dag, menigeen zich afvroeg: wilt ook gij u niet bij Hem aansluiten, als Hij u dezelfde trouwe vriendschap waardig keurt? En ook Jezus zal wel een onder-

ocr page 85

73

zoekenden blik hebben geslagen op dezulken, die met bijzondere belangstelling zich om Hem verdrongen. Hij had de twaalven nog niet uitverkoren en de acht ontbrekende jongeren moest Hij toch zoeken uit den grooten kring.

Ons Evangelie maakt melding van drie voorvallen, waarschijnlijk uit vele andere gekozen, om ons dit duidelijk te maken en tevens om ons de gronden te doen kennen, waarom bij zoo menigeen de geestdrift niet leidde tot het gewenschte gevolg.

1) Terwijl Jezus zich gereed maakte om met het schip af te varen, trad een jong schriftgeleerde naar voren.

Hij verlangde Jezus te vergezellen, evenals die andere vier. De tijd dwingt tot spoed. Reeds beweegt zich het schip. Hij wilde heden reeds medegaan, treedt voor Jezus en zegt op blijden toon: „Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat!quot; Maar de Heer zag te diep in zijn binnenste, om, zooals de Schriftgeleerde wel gedacht had, hem zonder meer, vriendelijk aan te nemen. Veelmeer vond Jezus het noodig, hem vooraf de bezwaren en ontberingen te doen kennen, die zulk een besluit medebracht, om niet hem later Zijn banier te zien verlaten en zich uit den kring Zijner discipelen verwijderen.

Terwijl Jezus met Zijne jongeren de oevers van het meer Genesareth omwandelde, had Hij ruimschoots gelegenheid het doen en laten der dierenwereld waar te nemen. Zijne gelijkenissen getuigen daarvan. Een der wilde dieren, die men daar ontmoet, is de jakhals, een roodharige vos, die den mensch geen kwaad doet. Met dezen vergelijkt de Heer Herodus. (Luk. XHI: 82.) Nog heden ten dage treft men hen aan, en hoewel hij een zwervend rooversleven leidt, heeft hij toch eene woning, een rotskloof, waarheen hij na zijne omzwervingen steeds terugkeert, om ongestoord en behagelijk rust te nemen.

Het luchtruim klievende, spoedde zich ook des avonds allerlei gevogelte naar zijn nesten. De ontzaglijke rotswanden boden huisvesting aan een ontelbaar leger wilde duiven en andere vogels, waarom men het dal dat de „koninklijke hovelingquot; later door-

ocr page 86

74

trok, den naam gaf van Wadi Hamdm, d. i. duivendal.

Dit huiswaarts keeren nu van al die vogels, naar hunne eigene warme nesten, zag Jezus eiken avond, als Hij zich aan het meer bevond. Hij echter trok het land door zonder vaste woning, nu eens overnachtende in de open lucht, dan weer om nachtverblijf vragende aan menschen en niet altijd werd hij vriendelijk opgenomen. (Luk. IX\': 52 — 53.) Die Hem wilden volgen moesten op zulke ervaringen voorbereid zijn.

Jezus voorzag, dat de geestdrift van den jeugdigen schriftgeleerde tegen zoodanige ontberingen niet bestand zou zijn. Daarom antwoordde Hij hem; „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten; maar de Zoon des menschen heeft niets, waarop Hij het hoofd kan nederleggen.quot; Wij weten niet of dit veelbeteekenende woord, de licht verkoelende geestdrift van den jongen man voor altijd heeft gedoofd. Zeer zeker heeft het hem tot zelfonderzoek gebracht en hem een blik gegeven in den ernst der diepste levensvraag. En als hij Is,ter zich toch voor den Heer verklaarde, dan had zijn besluit er des te meer zedelijke waarde om.

2) Een ander stond in de nabijheid, die waarschijnlijk eveneens de gedachte in zijn hart had, om Jezus te volgen, welke hij echter niet uitsprak. Deze gedachte kennende, kwam Jezus hem onverwachts met het bevel te gemoet: „Volg mij!quot; Maar hij had bezwaren. „Heer, antwoordde hij, sta mij toe, dat ik heenga en eerst mijn vader begrave.quot; Maar Jezus zeide tot Hem: „Laat de dooden hunne dooden begraven! maar gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods!quot;

Zonder nadere toelichting is dit korte, gebiedende antwoord niet te begrijpen. Ook den man zeiven zal het veel te denken hebben gegeven. Vooreerst moeten wij aannemen, dat de vader van den jongeling nog niet gestorven was. De warmte, die daar heerscht, maakt het noodzakelijk de dooden een halven dag na hun afsterven reeds te begraven. En dit eischte zooveel voorbereiding, dat het onaannemelijk is, dat de jongeling, wiens vader

ocr page 87

75

dan des nachts gestorven moest zijn, zich in den vroegen ochtend onder de scharen zou hebben bevonden.

Geheel anders is de zaak, als de vader nog leefde. De alge-meene geestdrift voor Jezus heeft ook dezen zoon aangegrepen en wel meer dan anderen. Reeds dikwijls had hij naar Jezus geluisterd en al volgde hij Jezus niet overal, toch was hij reeds een discipel van den grooten Meester. (Matth VIII: 21.) En zoo oprecht en volkomen was ziin hart reeds geopend voor Jezus, dat de Heer hem reeds bekwaam achtte, om als bode des Hee-ren de blijde boodschap van het Hemelrijk te verkondigen. Dit wist Jezus en daarom wilde Hij hem, den discipel, tot Apostel roepen. Het vooruitzicht der ontbering had dezen man niet afgeschrikt, gelijk den schriftgeleerde; hij had echter een in zijn oogen gegrond bezwaar. Hij was van gevoelen, dat kinderplicht hem vooralsnog moest terughouden. Zekerlijk niet jegens een reeds gestorven vader, wiens teraardebestelling binnen een paar uren had moeten plaats hebben en dus geen beletsel kon zijn, om nog dienzelfden dag heen te gaan, om het Godsrijk te verkondigen. Het bevel „volg Mij!quot; kon alzoo niet betee-kenen zich verder niet te bekommeren om het lijk des vaders, maar het had op het oog eene scheiding gedurende het leven: hij moest den ouden vader verlaten en zich van stonde aan wijden aan de verkondiging van het Godsrijk aan welks Heer hij reeds geloofde als den Messias.

De bede van den jongeling had dus deze beteekenis: gaarne zou ik U volgen; maar ik heb een ouden vader, dien ik tot zijnen dood moet verzorgen. Laat mij bij hem blijven, totdat hij sterft, opdat ik als een goed zoon hem kan begraven.

Bij het antwoord van Jezus moeten wij ons herinneren, da,t Jezus den man goed kende. Mattheüs noemt hem uitdrukkelijk een discipel. Maar ook den vader moet Jezus hebben gekend. Dit spreekt duidelijk uit zijn antwoord; anders had Hij niet het treurige oordeel, dat deze geestelijk dood was, over hem uitgesproken. Slechts door deze persoonlijke bekendheid te onderstellen kun-

ocr page 88

76

nen wij het antwoord van Jezus recht verstaan. quot;Ware de discipel niet een der weinigen geweest, die den beslissenden stap inwendig reeds gedaan hadden, zoodat hij nu alleen nog slechts door een plicht van piëteit werd teruggehouden, dan zou de Heer hem zekerlijk niet tot het hoogste ambt hebben geroepen, maar hem evenzeer hebben afgewezen, als dien eersten, die zich vrijwillig had aangeboden. Hij wilde aldus den discipel eigenlijk dit zeggen: „Vriend! sinds Mijne komst scheidt zich de wereld in twee rijken, het Rijk des levenis en het Rijk des doods. Het eerste is alleen bij Mij te vinden, tot het andere behooren allen (ook uw vader), die mijn woord vernomen, maar het niet geloofd hebben, hetzij dan dat zij reeds gestorven zijn, of dat zij zooals uw vader nog onder de levenden zich bevinden. Gij echter, gij hebt in Mij geloofd, gij behoort tot het Rijk des levens. Verlaat de dooden in Kapernaüm en volg dan den Vorst des levens, die u heeft uitverkoren tot de hoogste roeping: een heraut te zijn van het Godsrijk! Bekommer u niet om de begrafenis van uwe vader. Er zijn in Kapernaüm, helaas! nog geestelijke dooden genoeg om elkander te begraven.

Dit ongeveer was de zin van Jezus\' woord. Zijn opdracht eischte spoed. De Heer zou nog slechts twee jaren op aarde zijn. Die vader kon nog langer dan twee jaren leven. Indien de zoon dan zoo lang zou hebben gewacht, ware hij er nimmer toe gekomen Jezus te volgen. Het getal der geestelijk levenden was gering, dat der geestelijk dooden groot. En juist daarom had de Heer dezen discipel noodig.

De dienst des hemelschen Vaders, die dooden ten leven riep, stond hooger dan de plicht om een vader, die lichamelijk en geestelijk dood was, te begraven. Ware de jongeling niet door Jezus geroepen, dan zou hij zijn plicht jegens zijn vader tot diens dood hebben volbracht. Nu echter gold het woord; „Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig!quot; 1)

1) Het antwoord, dat de Heer gaf aan den dorden jongeling, die hem volgen wilde, is behandeld in „Kent gij het land?quot; hoofdstuk „Land- en akkerbouw.quot;

ocr page 89

77

Of deze tweede jongeling in den kring der twaalven werd opgenomen, wordt niet gezegd. Wel is het waarschijnlijk, dat hem, die innerlijk reeds zoo ver gevorderd was, door Jezus\' antwoord ook zijn bezwaar was ontnomen en hij in Jezus\' gevolg trad en van nu af bij zijne prediking op eigen ervaring kon wijzen in het nemen van eene beslissing, zoo onontbeerlijk voor de volgelingen des Heeren.

ocr page 90

De zon blonk als goud. Een heerlijke lentedag, zooals die slechts opgaat over het meer Genesareth, was voor de wereld aangelicht, toen Jezus in April van het eerste jaar van Zijn openbaar optreden zich opmaakte om op te gaan naar Jeruzalem.

Het plaatje stelt deu tempel van Jeruzalem voor ten tijde van Christus naar eene meer architectonisch, schoone eu betere voorstelling dan op het plaatje aan het hoofd der Inleiding. Op den achtergrond ziet men de bergen van Bethlehem langs het Kidronctal.

ocr page 91

Sinds duizenden jaren was de advent in het heelal voorge-voeld geworden. Een engel der hope trok door de wereld en liet de verwachting van een toekomstigen Verlosser nimmer geheel verloren gaan op de aarde. Socrates en Plato zagen uit naar de „volbrachte gerechtigheid,quot; die ons de waarheid zou brengen; de legenden der volkeren spraken van den nog niet aangebroken gouden tijd.

Deze verwachtingen hadden nimmer opgehouden; integendeel zij openbaarden zich al krachtiger.

In Israel was natuurlijk die hoop het levendigst. De profeten stemden in steeds voller wordende accoorden den psalm des verlangens aan. Met klimmende geestdrift hadden zij heengewezen naar de Zon, die in het Oosten zou opgaan, totdat voor drie eeuwen de heilige profetie bij Maleachi zich oploste in deze woorden: „En snellijk zal tot Zijnen tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt. Ziet, Hij komt, zegt de Heer der heirscharen!quot; (Mal. III : 1.)

Heden was die dag aangebroken. De Heere „kwam tot Zijnen tempel.quot; Ongeveer drie maanden geleden had Hij bij den doop in de Jordaan Zijn ambt aanvaard. Ongeveer ééne maand geleden, was Hij door Johannes den Dooper aan het volk voorgesteld.

Daarna was Hij naar Galiléa gegaan. Aldaar bleef hij gedurende de wonderschoone maand Maart en liet Hij voor de achtste maal zijn Goddelijke stem hooren aan de oevers van het meer Genesareth. Het volk stroomde in grooten getale tot Hem. Reeds aan de Jordaan sloten vijf jonge mannen als leerlingen zich bij Hem aan. Vier van dezen riep Hij tot Zijne vaste volgelingen. Ook anderen wilden Hem begeleiden. Wie had toenmaals er aan kunnen denken, dat deze Leeraar, die door den alom vereerden Dooper zoo eerbiedig als Koning begroet werd, eenmaal een sma-delijken dood zou sterven?

Maar Jezus was voorzichtig. Niet alle gloeiende geestdrift nam Hij aan als echt goud. Slechts van het bekende viertal hebben wij de zekerheid, dat het toen reeds voorgoed als Zijne volgelin-

ocr page 92

80

gen werd aangenomen. Het begeleidde Hem ook naar Jeruzalem. Hunne namen waren Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes. De keuze der latere jongeren en de bepalingen van hun aantal op twaalf, geschiedde eerst in het volgende jaar. Mattheüs b. v. was toen nog niet geroepen. En nu juist Mattheüs de oorspronkelijke bron is voor de drie eerste, elkander zoo gelijkende Evangeliën, wordt hieruit genoegzaam verklaard, waarom de drie eerste Evangeliën van de eerste helft der openbare werkzaamheid des Heeren bijna geen melding maken. Mattheüs toch werd eerst geroepen, toen Jezus ongeveer een jaar later naar Galiléa terugkeerde; derhalve had hij de gebeurtenissen in Judéa niet mede beleefd. Daarom moeten wij den Evangelist Johannes dank weten, dat hij (Joh. I : 44 tot V : 54) deze leemte heeft aangevuld en ons de gewichtige, tien maanden lange werkzaamheid van Jezus te Jeruzalem en in Judéa heeft medegedeeld, van welk tijdsverloop ons anders niets bekend zou zijn.

Dit is daarom te meer van belang, omdat wij uit de drie eerste Evangelën, in het geheel niet kunnen begrijpen, hoe Jezus ten slotte weenend tot de stad Jeruzalem kon zeggen: „Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen,quot; indien Hij, gelijk uit deze schriften schijnt te blijken, slechts ééns, en wel op den goeden Vrijdag, te Jeruzalem gekomen ware. Johannes geeft de verklaring volkomen duidelijk. Hij bericht ons, dat Jezus niet alleen bijna het geheele eerste jaar in Judéa was maar ook, dat Hij in het tweede jaar van Galiléa uit nog viermaal naar Jeruzalem trok om hare kinderen bijeen te verzamelen.

Het paaschfeest was aanstaande. Wederom maakte zich het volk op om evenals elk jaar sinds vele eeuwen uit steden gn dorpen op te gaan naar Jeruzalem. Ook Jezus maakte zich met hen op en trok over de bergen van het Heilige Land naar Jeruzalem. Op Zijn levensweg stond een onzichtbare wegwijzer, die immer en altijd „heenwees naar Jeruzalem.quot; Juist op dit tijdstip was het noodig er heen te gaan. Messias beteekent Koning, waarom ook Nathanaël Jezus begroet als Israels Koning.

ocr page 93

81

Nu kon de Koning Zijnen troon nergens anders innemen dan m de Koningsstad Jeruzalem. Wel had Johannes de Dooper Hem aan de Jordaan reeds aan het volk voorgesteld. Wel had Hij reeds aan het meer Genezareth eene werkzaamheid ontvouwd, die alles overtrof, wat de Dooper van Hem had aangekondigd. Maar de Messias, de Koning, de nationale Held, die Israel zou verlossen, kon niet in de woestijn aan de Jordaan, niet in een landstad van den tweeden rang optreden; Hij kon dit alleen doen in de hoofdstad en wel op den tijd, dat het meeste volk uit alle oorden des lands aldaar verzameld was. Eerst dan zou Zijn optreden zijn, wat het wezen moest: des Konings proclamatie voor alle volken. Zulk een tijdpunt was het aanstaande Paasch-feest. Het volk dat uit alle streken van Palestina samenkwam, had er geen voorgevoel van, welke eene verrassing hun op dit feest wachtte, de vervulling namelijk van dat verlangen waarvan hunne vaderen hadden gezongen, waarvan reeds in de grijze oudheid de man Gods, Mozes, had geprofeteerd.

Toch waren zij niet onvoorbereid. Sinds een half jaar had Johannes de Dooper zijn overweldigende stem laten hooren en de onmiddellijk aanstaande komst des Heeren aangekondigd. Hij had Jezus niet aan eenige uitverkorenen aangewezen, maar zooveel mogelijk aan allen. Zelfs had hij getuigenis gegeven, dat het eigenlijke doel van zijn ambt was. Jezus te openharen aan het gansdie volk (Joh. 1:31). Wie dus was aangegrepen door de prediking van Johannes, wie het wist dat hij Jezus had aangewezen als den lang verwachte, wie er getuige van geweest was, welke wonderbare werkzaamheid Hij reeds aan het meer had tentoongespreid, die moest bij het naderen van het grootste Israelietische feest in gespannen verwachting de dingen, die-komen zouden, te gemoet zien.

Aldus was de toestand, toen Jezus in de laatste dagen voor Paschen, zich op weg begaf. Hij had Zijne nieuwe woonplaats, Kapernaüm. waar Hij eerst voor weinige weken gehuisvest was, verlaten. Hij had afscheid genomen van Zijne familie. Huisge-

6

ocr page 94

82

noot, zooals Hij gedurende de laatste 30 jaren was geweest, zou Hij nimmer weer worden. Voor de Jongeren moeten het heerlijke dagen geweest zijn. toen zij met Jezus voor het eerst over de eerwaardige bergen van het Oude Verbond naar Jeruzalem trokken, terwijl de klokkentonen van het Nieuwe Verbond reeds weerklonken in hun hart. Hun weg ging door het Jordaandal, waar het in April nog niet te heet was, of wel trokken zij door Samaria over het gebergte. Er ^ord gezegd, dat de Joden, om het gehate Samaria te mijden, bijna altijd door het Jordaandal van Galilea naar Jeruzalem trokken. Maar ook langs dezen weg moest men door een uitgestrekt gebied gaan, dat öf heidensch of Samaritaansch was. Ook getuigt Jozefus, dat geheele feestka-ravanen uit Galiléa, omstreeks Paschen hun weg namen midden door Samaria. En van Jezus weten wij, dat Hij, toen Hij na tien maanden naar Galiléa terugkeerde, den weg over Samaria nam. (Joh. IV : 4).

Heeft Hij dit nu ook gedaan gedurende deze reis, dan ging Zijn weg door de uitgestrekte vlakte Jizreël; over de bergen van Samaria, tusschen den Ebal en Garizim, door de aan bronnen zoo rijke stad Sichem of Neapolis, tot aan de hoogte van het oude Bethel. Hier, waar eens Abraham de belofte had ontvangen aangaande Hem, die nu over deze hoogten trok, aanschouwde Hij met Zijne jongeren voor het eerst op de Zuidelijke bergen de blinkende tinnen van de nog drie uur verwijderden tempel van Jeruzalem. Het was reeds laat in den avond. De tocht van Sichem naar hier had meer dan 20 uren geduurd. Nog was de marmeren, met goud bekleede Tempel zichtbaar boven de schoone stad met hare vele torens. De stralen der ondergaande avondzon verguldden zijne edele, eerwaardige vormen en gaven de oude koningsstad te zien in kleurrijke verlichting. Als groeten blikte in het Oosten der stad de Olijfberg met zijne villa\'s over dit alles heen.

Hoe zal het hart van Jezus geklopt hebben! Wiens hart wordt niet aangedaan bij den eersten aanblik van de plaats waar de

ocr page 95

83

voornaamste verrichtingen zijns levens zullen geschieden bij het aanvaarden van een belangrijk ambt, en hij nu de stad voor zich ziet, waarin hij het grootste gedeelte van zijne weergalooze taak zal volbrengen tot den einde? Het jaargetijde was hetzelfde, als toen Hij twee jaren later opging om te lijden en te sterven. Nu nog was het voor Hem een hoopvolle, gouden tijd. Nu nog was Zijn weg als die eens wandelaars, die nog niets bemerkt van de hitte en het stof van den raiddag, of van de zorg en den last des avonds. Indien ooit een hart op aarde met edele, overgegevene, onbaatzuchtige geestdrift voor een groote taak heeft geklopt, dan is het dat van Jezus van Nazareth geweest, toen Hij in deze lentedagen opging tot Zijn volk in Jeruzalem, of om met Johannes den Dooper te spreken. (Joh III : 29) als een Bruidegom om zijne Bruid te begroeten. In dit hart, waarin de pols der geheele wereld sloeg, aller smart maar ook aller verwachting en hoop werd gevoeld. En wie voelt zich niet aangedaan bij den aanblik van Hem, die daar voortstrijdt, van dien Goeden Herder, die Zijne verlorene schapen zoekt! Op den berg van Bethel staat Hij stil en ziet op naar het Zuiden. Vóór Hem ligt in de verte de schitterende hoofdstad. Vanhier heeft Hij haar twintig jaar geleden gezien aan de zijde Zijner ouders. En ginds, aan gene zijde der stad lagen de bergen Zijner eerste kindsheid, om Bethlehem. Links daarvan verhief zich de trot-sche berg Herodium, heden de Frankenberg geheeten. Daar lag Zijn voormalige vervolger, Herodes de Groote, boven op den berg in zijn praalgraf. Links van den olijfberg liep de weg naar de woestijn van Juda. Aldaar had Hij, niet verre van Jeruzalem, 40 dagen achtereen ia de eenzaamheid doorgebracht. Dit was een tijd geweest van heilig nadenken en diepzinnig oveleg. Daar had Hij Zijn besluit genomen en zich gesterkt in Zijn God. Daar was Zijn wil ondergegaan in den wil Zijns Vaders, en dat niet zonder strijd. Allerlei verzoekingen hadden Hem toen bestormd. Maar ernstig en vast greep Zijne hand die van den hemelschen Vader. En Hij sprak dit woord, dat de grondtoon was van ge-

ocr page 96

84

heel Zijn leven, dat wij ook nog in den laatsten nacht Zijns levens uit Zijn mond vernemen: „Vader! niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt!quot;

Gedurende de 40 dagen zal Hij zich ook wel begeven hebben naar den nabijgelegen tempel te Jeruzalem. Zijn heldere blik drong door tot den grond der dingen. In den godsdienst en de regeering ontwaarde Hij reeds de kiemen des doods. Het was al vormendienst, vormen zonder leven. Het werd Hem duidelijk, dat deze tempel op den berg Zion niet de tempel kon zijn, die het gansche menschdom moest omvatten, waarvoor Zijn hart zoo snel klopte. Een nieuwe tempel moest worden opgericht, welks steenen levende waren; — steenen niet gekomen uit de omliggende steengroeven maar uit het menschdom zelve. Hij zelf was daarvoor de rechte Bouwmeester, in hoogeren zin dan vroeger in Nazareth. 1) Ja, Hij zelf was de Grond- en Hoeksteen, ja meer, de Tempel zelve, waarin geheel het menschendom heil en heul zou vinden. Zoo vertoonde Zijn verhevene roeping zich in de gestalte van Zijn vroeger handwerk, dat eens bouwmeesters. Een bouwmeester zou Hij zijn in gansch eenigen zin. Zijn bouwwerk zou nog oneindig verhevener worden dan deze wijdberoemde, heerlijke tempel, dien Hij den volgenden morgen na een marsch van drie uren voor zich zag.

Van hier gezien, vertoonde zich de stad amphitheaterswijze. Tegenover het diepe Kidrondal in het Oosten, verhief zich de Olijfberg boven den tempel. Naar het Westen liep de stad terrasvormig tot aan de heden nog op het hoogste punt van Jeruzalem staande torens Hippikus en Phasael, door Herodes gebouwd. Rondom de stad waren diepe dalen, met uitzondering der Noordzijde, vanwaar Jezus naderde. In den tempel was reeds een groot gedrang wegens de vele bezoekers. Het was nu als elk jaar en toch niet als vroeger. Door de prediking van Johannes denDooper was eene beweging ontstaan, die van nu aan door het optreden van Jezus op elk

11 Zie Schncller „Kent gij het land?quot; hoofdstuk: „De Timmermanquot;.

ocr page 97

85

volgend feest al machtiger zou worden, tot zij na twee jaren op hetzelfde feest zou eindigen in een groeten optocht naar Golgotha.

Jezus nadert de stad. Van den Olijfberg, van de Noordzijde of van den meer Oostelijken kant naar Bethanië toe ging Hij met Zijn klein getal jongeren naar de tempelpoort. Wat zou Hij doen? Wat zou Zijn eerste regeeringsdaad zijn? De geheele boete- en gerichtsprediking van den Dooper wees op een daad ter hervorming. Zou Hij hebben kunnen verwachten, dat de hoogepriesters en het volk Hem dadelijk zouden erkennen, als Hij met Zijne aanspraken als Heerscher den tempel binnentrad? Ware Hij onverwachts gekomen, dan zekerlijk niet. Maar alles was voorbereid door Johannes den Dooper. Zij, die zich hadden laten doopen, waren voldoende voorbereid om den verwacht wordenden Koning te huldigen; zij, die de boetprediking hadden weerstaan, waren gelijkelijk voorbereid om ook Jezus, als bij vernieuwing te wederstreven. Alzoo was op dit feest het geheele volk feitelijk inwendig bereid om Jezus te ontvangen, al naar de gesteldheid van ieders hart. Ook de Dooper zelf, als een goed Israeliet, zal met zijne discipelen, ingevolge de wet, wel op het feest zijn gekomen. Men wist op zijn getuigenis, dat de Koning reeds in het land was. Hoe meer het feest nabijkwam, des te belangstellender werd in de voorhoven des tempels, in de huizen, op de straten, in de kringen der feestgangers de vraag gedaan aangaande den Messias, door den Dooper aangekondigd; „Zou hij spoedig komen? Misschien nog heden!quot;

De oppervlakte, waarop de tempel met zijne bijgebouwen stond, was uitgebreid en besloeg een groot gedeelte der stad. De tempel was door Herodes schitterend hersteld en vergroot geworden; nog werd er aan gewerkt. Drie voorhoven omringden het eigenlijke tempelgebouw, dat voor geen enkelen bezoeker toegankelijk was: 1. het voorhof der priesters, de onmiddellijke omgeving des tempels; 2. het voorhof der mannen, meer Oostelijk en meer verwijderd, dat slechts aan Israelietische mannen toegang verleende; 3. het voorhof der vrouwen, verder Westelijk en nog

ocr page 98

86

meer verwijderd gelegen, waartoe zoowel mannen als vrouwen toegang hadden. Rondom deze voorhoven bevond zich het voorhof der heidenen, een groote vrije ruimte, die Herodes omringd had met arcaden en zuilengangen. Dit voorhof mocht ook door heidenen worden betreden, die belangstelling koesterden voor Israels godsdienst. Hier zouden zij, die van verre stonden, met de aanbidding van den waren God worden bekend gemaakt. Maar hoe was \'t hier gesteld? Een vrome heiden, die den waren God zocht, werd hier in zijn aandacht nog erger gestoord dan in een heiligdom, gewijd aan Jupiter of aan Pallas Athene. In stede van een plaats der aanbidding, was hier een ware jaarmarkt ontstaan.

Nog heden ten dage wordt men op dit zelfde feest levendig herinnerd aan het uit het Evangelie bekende tooneel, als men het voorhof der heilige grafkapel te Jeruzalem betreedt. Als het Paaschfeest nadert en de pelgrims uit alle landen zich in de heilige stad verzamelen om op het graf des Heeren te bidden, dan wordt deze ruimte, die den diepsten indruk moet geven aan de harten der vrome bidders, meer en meer gevuld met handelaars en kooplieden, die uit de vrome oefeningen der pelgrims munt trachten te slaan. Merkwaardig is het te aanschouwen, hoezeer het handeldrijven in dit voorhof tegen Paschen herinnert aan het handeldrijven van voor twee duizend jaren in het eenige minuten gaans meer Oostelijk gelegen voorhof van den ouden tempel. In de hooge, rijk versierde portalen der grafkapel zitten op divans en Turksche tapijten, verscheidene Mohammedaansche sheiks, hun pijp rookende en op echt Oostersche wijze behagelijk hun koffie slurpende, terwijl zij inmiddels het oog houden op de Christenen. In het voorhof verdringt zich een menigte koopers en verkoopers. Allerlei zaken worden verkocht, waarbij men speculeert op het vroom geloof der pelgrims. Heilige waskaarsen, rozenkransen, gesneden uit materiaal uit de „heilige plaats,quot; paarlemoeren kruisen, beeldjes, broches, voorwerpen van olijfhout van den Olijfberg, enz. Op een andere plaats zitten wisselaars, die tegen een behoorlijk agio het

ocr page 99

87

uitheemsche geld inwisselen. De goed evangelische Christen, die gewoon is, zich in stilte van een bedehuis terug te trekken en die dit ook dacht te doen in de grafkapel, wordt geheel ontnuchterd, als hij te midden van het oorverdoovend geluid van de stemmen der koopers en verkoopers hier zich een weg moet banen.

Dit alles ontwijdt, volgens de inzichten der oosterlingen en hunne kerkelijke leiders, de kerk in geenen deele. Evenals ten tijde van Jezus, wordt zij overigens voor een andere voorgewende ontheiliging zorgvuldig bewaard: geen Jood mag deze plaats betreden.

Ik heb meermalen gezien, dat de Joden werden teruggedreven en op mijne vraag dienaangaande werd mij door de Kawas-sen (gewapende oppassers) geantwoord; „Een Jood mag niet langs Golgotha gaan, omdat die vervloekte Joden daar den Messias hebben gekruisigd.quot;

Juist zoo was het toen ook in het groote voorhot der heidenen in den tempel te Jeruzalem, met dit verschil dat nu de Joden de plaats der heidenen hebben ingenomen. Op straffe des doods mocht een heiden niet binnentreden in de heilige voorhoven. Slechts het buitenste „Voorhof der heidenenquot; was voor deze toegankelijk. Maar juist hier, waarheen zich toen menige heiden begaf uit innig verlangen naar den waren God, was het heiligdom tot een marktplaats geworden. Er werd handel gedreven, wisselbanken werden gehouden, vee werd verkocht waardoor sommige gedeelten er als een stal uitzagen. Joden, die offerdieren wilden koopen, waren met de verkoopers aan het loven en bieden over den prijs. En, wie eenmaal getuige was van de drift, die de oosterlingen aan den dag leggen bij den koop of verkoop der kleinste dingen zelfs en hoe zij bij elke kleinigheid zweren bij God, bij den tempel, bij hun hoofd, bij hun leven, enz., de eene dat hij het niet goedkooper kan geven, de ander dat hij het niet zoo duur betalen kan vermag zich een denkbeeld te maken van het oorverdoovend geraas dat Jezus vernam toen Hij voor het eerst als Messias Zijnen tempel betrad. Nu zouden

ocr page 100

88

hier de heidenen den God Israels leeren kennen, Zijne heiligheid leeren aanbidden\'.

Jezus trad door de tempelpoort. Het eerste voorhof, hetwelk Hij moest doorloopen, was dat der Heidenen. Hoe had Hij er zich over verheugd te komen in hetgeen Zijns Vaders was! Hij werd ontvangen bij de schandelijkste wannorde. Zij. die geroepen waren om den tempel te bewaren, de Hoogepriester en de hooge Eaad, lieten dit alles toe, ja begunstigden het, omdat zij daarbij „goede zaken maaktenquot;! Vroeger reeds had dat alles Hem diep gegriefd. Toen echter had Hij gezwegen. Hij had nog niet het ambt ontvangen, dat Hem recht gaf deze overtreding in het Godshuis tegen te gaan. Nu was het anders gesteld. Heden kwam Hij niet als een eenvoudig Israeliet, maar als de Heer en f

Koning van dezen tempel. Hi) had hier te bevelen, niet de Hoogepriester. Hij was een Koning, die kwam om gekroond te worden en vond Zijn hof in een jaarmarkt veranderd. Hadde Hij heden een oog gesloten om de groote heeren niet voor het hoofd te stoeten, dan had Hij reeds op den eersten dag bij de eerste schrede in den tempel, de heerlijkheid van Zijn koninkrijk, de waardigheid van Zijn heilig ambt verloochend.

Daaraan denkt Hij niet. Een heilige toorn vlamt op het gebiedend voorhoofd, als Hij door de poort gaande de veemarkt betreedt. En gelijk de profeet Maleachi hem aankondigt als eenen, f

die de kinderen van Levi, de priesterschaar, zal reinigen (Mal.

III : 3), trad Hij toornig en bestraffend op in Zijn heiligdom. Verbaasd zien de jongeren Hem aan. Hun Heer is als veranderd.

Hij gelijkt den veldheer, die ten gerichte van een geheel volk optrekt. Vastbesloten om de wanorde in Zijns Vaders huis dadelijk te doen ophouden, maakt Hij van een daar liggend koord een geeselroede. Nu klinkt Zijne diepe, mannelijke, geweldige stem door de voorhoven en zuilengangen. Gebiedend staat Hij daar als een Vorst, die er zich van bewust is, dat allen hier f

hebben Hem te gehoorzamen. Hij beveelt, dat al het vee en alle koopwaren onvoorwaardelijk buiten den tempel moeten wor-

ocr page 101

89

den gebracht. Een gebiedend gebaar met den geesel. dien Hij als symbool van het gericht in de hand houdt, vérhoogt den nadruk Zijner woorden. Uiterlijk geweld gebruikt Hij niet. Niemand durfde tegenspreken. „Hij dreer\' allen uit den tempel, die ossen, schapen en duiven verkochten, met de schapen en de ossen. Het geld der wisselaren stortte Hij uit en wierp de tafelen om. Den duivenverkoopers riep Hij toe; „Neemt deze dingen van hier weg en maakt Mijns Vaders huis niet tot een huis van koophandel!quot;

De wisselaars en de veeverkoopers waren heengesneld. In weinige minuten was het stil geworden. In het voorhof der heidenen heeft ongetwijfeld al het volk, dat in de binnen-t ste voorhoven zich bevond, zich rondom Jezus verzameld. Toor

nig stond Jezus voor de menigte. Zijne jongeren zagen Hem verwonderd en opgetogen aan, gedachtig aan het Schriftwoord: „De ijver van Uw huis heeft Mij verslonden.quot; Een fluistering ging door het volk. Zij, die Hem reeds gezien hadden aan de Jordaan en aan het meer Genezaretli, zeiden tot elkander: „Hij is het! Hij is het! Dezen is door den grooten Johannes den Doo-per als den Messias aangewezen!quot; Wellicht was de Dooper zelf in de nabijheid en zag de bevestiging zijner eigene prediking: „Deze zal met den Heiligen Geest en met vuur doopen! En de • wan is in Zijne hand! Hij zal Zijnen dorschvloer doorzuiveren

en de tarwe samenbrengen in Zijne schuren; maar het kaf zal Hij met onuitblusschelijk vuur verbranden!quot;

De overwegingen, die de overpriesters maakten, gewoon als zij waren op deze plaats te bevelen, waren intusschen van geheel anderen aard. Ook zij waren gedurende dit opzienbarend optreden toegesneld. Zij sloegen toornige blikken op den jeugdigen ijveraar, zoo vol aanmatiging, die niet eens een Rabbi was. Deze gaf hier bevelen en heerschte als machthebbende, alsof zij zelve ) hier niets te zeggen hadden. Hoe durfde hij het wagen, hier

onder hun bereik aldus op te treden ?

Zij wisten echter niet goed, wat zij doen zouden. Johannes

ocr page 102

90

met zijnen doop en zijne prediking was hun al lastig genoegquot; geweest. En zij zullen reeds hebben vernomen, dat het volk van Hem getuigde, dat deze man, die hier met koninklijk gebaar en koninklijke eischen voor hen stond, diegene was, van wien Johannes sinds een half jaar zoo vol geestdrift, zoo vol eerbied had getuigd, dat die na hem komen zoude, wien hij niet waardig was de schoenriemen te ontbinden. Zij hadden het niet gewaagd tegenover den Dooper hunne vijandschap openlijk te doen blijken; tegenover dezen grootere durfden zij dit nog minder doen. Veel later nog dreef Jezus hen door Zijn beroep op den Dooper in de engte (Matth. XXI : 24—28). Zij bevonden zich dan ook, ondanks hun hevige vijandschap tegen Jezus, in gelijke verlegenheid als voor eenige weken tegenover den Dooper, toen zij hunne afgezanten tot hem naar de Jordaan zonden. En evenals zij destijds Johannes niet berispten, maar met diplomatieke voorzichtigheid hunne inwendige bedoelingen achter schijnbaar billijke vragen hadden verborgen, alzoo deden zij ook nu. Zij waren heeren van den Tempel. Zij waren aansprakelijk voor alles wat hier gebeurde. Alzoo moesten zij ten minste onderzoek doen, wie de man was, die hier zoo opstond en stelden hem daarom deze vragen: „Van wien hebt gij deze macht ? Aan wien ontleent gij die ?quot;

Maar Jezus doorzag de schijnbaar onschuldige uitdrukking van hun gelaat en hun loerende oogen. Hij zag tot op den bodem hunner ziel. Reeds las Hij in hunne venijnige blikken het beginsel van hun doodelijken haat. Hij zag duidelijk in, dat zij evenmin gevolg zouden geven aan Zijn woorden als aan die van Zijn voorlooper en heraut Johannes. De lieden, die vroeger in het voorhof des tempels handel dreven, hadden ondanks hunne materiëele schade, gehoor gegeven aan Zijn bevel en aan de stem in hun binnenste. En hadden ook deze hoofden onder het volk zich gebogen in deze beslissende ure, hoe geheel anders zou Israels geschiedenis geweest zijn ! Maar zij weerstonden Hem. Zij verhardden zich tegen den onvermijdelijken indruk van de voorbereiding door den Dooper, en van het heilig optreden van Jezus en dit slechts op schijngron-

ocr page 103

91

den aan hun vormelijk recht ontleend. In plaats van hunne knieën te buigen en den waarachtigen Heer des tempels welkom te heeten, werd hun weerstand meer en meer aanvallend. Uit hunne woorden bleek dit wel niet, maar Jezus zag dieper. Hij zag hoe snel deze menschen tegen Hem partij hadden gekozen. De aanval was reeds begonnen met de prediking van den Dooper. Hem, wiens optreden door hun geweten als heilig moest worden erkend; Hem, dien de profeet Johannes als zijn Heer en gebieder had aangewezen, Hem vroegen zij nu naar Zijne geloofsbrieven tot staving van Zijn gezag. Hij zou een wonder uit den hemel hebben moeten toonen om te bewijzen dat Hij het recht had om een einde te maken aan de tempelschennis. Dit zou zijn alsof een dief den rechter, die hem wegens diefstal had veroordeeld, zou toevoegen: quot;Welk teeken van den hemel kunt gij doen verschijnen om te bewijzen, dat gij rechtmatig diefstal straft?

Ondanks de schijnbaar juist passende vraag, doorgrondde Jezus hare wezenlijke strekking. Zij vergisten zich schromelijk, indien ze meenden bij hunne voorzichtig gestelde vraag niet te worden doorschouwd. Jezus kende hunne gezindheid reeds sinds den tijd dat hun gezantschap tot den Dooper kwam. Bovendien had Hij zelf reeds dertig jaren in het land verkeerd, lang genoeg dus om deze mannen voldoende te kunnen beoordeelen. Hij wist, dat deze heeren zijne meest verbitterde vijanden zouden worden. En reeds gedurende het eerste kwartier van Zijn optreden in den tempel, kwam het tot eene uitbarsting, die Hij niet kon vermijden. Nog scheen deze onbeduidend en zonder gevaar. Maar de wolfstan-den zouden zich spoedig genoeg laten zien. Zijn eerste wederstreven der heerschende partij besliste over Zijn geheele leven en over het lot van gansch Israel, Het was Zijne Konings-procla-matie. Zijn eerste beroep op Zijn volk, eene prediking niet met vele woorden maar met des te welsprekender daden, die opriepen tot heiliging, tot ommekeer. Deze eerste oproeping echter werd reeds met kwalijk verholen boosheid afgewezen.

Dit alles doorzag Jezus met één blik, toen Hij in tegenwoor-

ocr page 104

92

digheid van het ademloos luisterende volk antwoord gaf aan de hooggeplaatste ondervragers. En welk een antwoord! Op geheel het groote tempelhof, was er niet één, ook de Dooper niet, die de onmetelijke diepte kon peilen, welke Jezus met dat enkele woord aanduidde. Het antwoord was van meer dan Spartaansche kortheid. Het omvatte met een paar woorden het geheele plan van zijn Goddelijk verlossingswerk. Men bevond zich inhetlaagst-gelegene voorhof. Naar het Westen vierhief zich, hooger dan de terrasvormige oploopende voorhoven, de trotsche, heerlijke tempel. Hoe glinsterden zijne goude daken, hoe schitterden zijn marmer in de Aprilzon, die hoog boven den Olijfberg stond, hoe schoon en stout vertoonden zijne vormen zich tegen den azuren hemel! Naar dit wonderwerk van den ouden tijd, den trots van eiken Israeliet, verwees Hij, toen hij rustig zeide: „Breekt dezen tempel af! In drie dagen zal Ik hem oprichten!quot;

Met groote oogen zien zij Jezus aan. Reeds zes en veertig jaren bouwde men aan dezen tempel. Maar toch, de kalmte, waarmede Hij dit woord, — voor hen zoo zinloos, — sprak, werkte overweldigend. Bij Jezus kwam dit woord uit een welbe-reiden bodem, als een verbindende bliksemstraal eene in duister gehulde wereld vervullende met Goddelijke wijsheid. Zijn plan was reeds lang gerijpt en in deze weinige woorden saamgevat. Voor hen echter was dit eerste optreden, dit woord, dat in de diepste diepte van het Goddelijk verlossingsplan ingreep, volkomen onverstaanbaar. Zij meenden zelfs dat Zijn verstand gekrenkt was en dachten slechts aan den zichtbaren, den uitwendigen tempel. Vroeger was Jezus bouwmeester geweest. En zij waren zoo doordrongen van de gedachte, dat alles wat godsdienst en godsrijk heette, in uiterlijkheden bestaan en aan een zichtbaren tempel en zijn dienst moest gebonden zijn, dat zij in het geheel niet op de gedachte kwamen, dat er eene geestelijke beteekenis in de woorden van Jezus verborgen kon zijn.

Inderdaad lag in het antwoord van Jezus eene geheimzinnige dubbele beteekenis en daarom iets raadselachtigs. Aan de eene

ocr page 105

93

zijde bedoelde Hij den voor Hem staanden tempel Israels, aan de andere zijde zijn lichaam, als een levende tempel Gods. Gij zult dit was ongeveer de zin Zijner woorden, aan Mijne Messiaansche roeping, die Ik heden voor de eerste maal openbaarde, nimmer gelooven, maar ook niet rusten voor gij Mijn lichaam, den waren Godstempel, aan het kruis zult verbroken hebben. Maar wat zou deze vernietiging beteekenen? Niets anders dan de verwoesting-van Jeruzalem, de verwoesting van dezen alouden tempel, tegen welks reiniging gij u zoo-even hebt verzet. Kunt gij dit echter altijd blijven doen? Den waarachtigen tempel Gods zult gij daarmede toch niet verwoesten, want op den derden dag zal met Mij de ware tempel Gods herrijzen, Mijn lichaam in geheel nieuwe beteekenis. Mijne kerk, die alle kinderen Gods op aarde zal omvatten en verzamelen!

Geen enkele uitspraak van Jezus werd Hem zoo kwalijk genomen en Hem zoolang verweten, als dit raadselachtig woord. Zij. die aan het uitwendige hingen, namen het in letterlijken zin op, maar zij, die er dieper over nadachten, gelijk de jongeren, kwamen de beteekenis telkens nader, totdat na de opstanding, hun de schellen als van de oogen vielen en de juiste beteekenis der geheimzinnige woorden zich plotseling ten volle openbaarde.

Zoo was dan Jezus bij de aanvaarding vanZijnambtswerkterstond in botsing gekomen met Israels overheden in plaats van als koning-gehuldigd te worden. Wel was het heerlijk geweest, als Hij met zaligsprekingen had kunnen beginnen. Maar dit was niet mogelijk. Hij moest met de bazuin des gerichts Zijne intrede in den tempel doen. zooals Maleachi dit voor eeuwen reeds had voor-gevoeld. En wat was het resultaat van dit eerste optreden? Naar zuiver menschelijke beschouwing moest men zeggen, dat het mislukt was, dat Jezus begon met in Zijn ambtelijk werk schipbreuk te lijden. Het volk en zijn oversten hadden Hem niet erkend, hadden Zijne koninklijke aanspraken afgewezen. Aan Zfoi loopbaan werd daardoor een geheel nieuive richting gegeven, hoezeer dit Hem niet verraste. In plaats van door Zijn volk jube-

ocr page 106

94

lend ontvangen te worden, zou Hij, voor het vervolg staan tegenover het grootste deel van dat volk en zijn leiders. Reeds nu gold de uitspraak, 60 jaren later door den Evangelist Johannes, aldus geuit; „Hy is gekomen tot het Zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen! Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen!quot; (Joh. I : 11. 5.)

Toch was de vijandschap nog niet uitgebroken. Juist omdat Jezus den loop der dingen had voorzien, was Hij na deze openbare mislukking verre gebleven van elke pessimistische opvatting. Hij bleef in den voorhof. Vooralsnog was het bij Zijne tegenstanders niet gekomen tot een doodelijken haat, maar slechts tot een toenemend wantrouwen. Gedurende het achtdaagsche Paaschfeest zal Hij wel menigmaal Zijne stem in de voorhoven, des tempels hebben doen hooren om allen uit te noodigen in te gaan tot Zijn heilig Godsrijk. Hij mocht niet, gelijk de Dooper, slechts aan de verwijderde Jordaan prediken. Als een onverschrokken veldheer, trad Hij midden in het centrum, in het hart van den vermolmden Israelietischen godsdienst. Bij dacht er niet aan, Zijne koninklijke aanspraken door geweld te doen gelden; maar des te ernstiger was Hij er op uit om door Zijn woord het zaad te strooien over gansch Israel. Hij leerde in den tempel en Zijne leer had voor de Israelieten veel treffends. Hoewel Jezus, als een wijs leeraar, met het A-B-C van Zijne leer aangaande het Godsrijk begon, had Zijne rede een onpeilbare diepte. Reeds wezen Zijne woorden op den voor alle menschen oneindig verrassenden verborgen achtergrond van zijn persoon. Reeds uit het eerste woord, dat Hij bij de tempelreiniging tot de handelaren sprak, bleek deze verborgenheid duidelijk: ,,Maakt niet mijns Vaders huis tot een huis van koophandel!quot;\' Deze leer zou Hij op elk volgend feest met steeds meer duidelijkheid, met steeds verrassender diepte, op deze zelfde plaats ontwikkelen, totdat Hij er voor zoude sterven op deze zelfde plaats, waar Maria en Jozef voor twintig jaren de zelfde verborgenheid hadden vernomen uit den mond van den twaalfjarigen knaap, toen hij sprak;

ocr page 107

9-3

„Wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen Mijns Vaders?quot;

Alhoewel Jezus, deze leer nu nog niet zoo duidelijk verkondigde als wel later, was toch Zijn persoon, als de door God gezonden Redder, reeds het middelpunt van Zijne leer. Op velen maakten Zijn woord diepen indruk. Velen hoopten dat met Hem de verwachte gouden eeuw van den Messias zou aanbreken. Johannes zegt (II: 23) „velen geloofden in hemvoorwaar geen wonder! Niet alleen omdat de Dooper Zijne komst bij het volk krachtig had voorbereid, maar Hij zelf verrichtte zoo talrijke en goddelijke wonderdaden, dat men ook in hoogere kringen moest erkenden, dat Hij door Gods kracht zulke groote dingen deed (Joh. Hl ; 2). Jezus moet toentertijd vele wonderen verricht hebben, die door het geheele land besproken worden. Wij kennen ze niet, maar Johannes spreekt er van (Joh. II ; 23; IH : 2; IV ; 45.) Deze werkzaamheid was in hare gevolgen niet zonder gewicht. Toen de feestgangers, uit alle deelen van het land toegestroomd, de eerste wonderen zagen, namen velen de overtuiging, althans en hoop mede huiswaarts, dat zij den Messias zeiven aanschouwd hadden. Zoo dan ging de roep der wondere werkzaamheid des Heeren door het geheele land uit. Velen geloofden in Hem. Dit was eerst een wondergeloof en Jezus wist, hoe onbetrouwbaar dit was (Joh. II: 24.) Toch was daardoor de bodem eenigszins bereid voor lateren arbeid. Hij behield zich voor, al deze jonggeloovigen in de streken hunner ivoonplaats te bezoeken en hun gelegenheid te geven, Hem persoonlijk nader te leeren kennen, alvorens zij eene keuze zouden doen voor of tegen Hem. Van nu aan was dit zyn gewijzigd programma. 1)

Voorloopig bleef Hij ook nog na het feest te Jeruzalem en wij mogen aannemen gedurende langen tijd. Als Hij later klaagt

1) Dit kan verkeerd worden begrepen. De afwijzing van Zijne koninklijke aanspraken was voor Jezus evenmin verrassend, als de zondeval in Gods wereldplan onverwacht was. Op deze ondervinding was Zijn plan van den beginne af berekend, ja zelfs was de gebeurtenis eene \'noodzakelijkheid. Het spreekt echter van zelf dat Hij toch de proef kigt;n vemen om tot een normale ontwikkeling te komen, namelijk

ocr page 108

96

over zijne vele vergeefsche pogingen om Jeruzalem te redden, dan mag hieruit worden afgeleid dat Zijne werkzaamheid in de hoofdstad van langen duur was. Dagelijks was Hij dan ook zeker in den tempel. Dagelijks verzamelden zich een kring van vrienden en bekenden om Hem heen. quot;Waarschijnlijk won Hij in dezen tijd die trouwe vrienden,, welke wij later in veelbewogen dagen rondom Hem zien: het gezin van Martha, Maria en Lazarus uit het nabijgelegen Bethanië en in de stad zelve Nicodemus en Jozef van Arimathea. Nu werden vriendschapsbanden gelegd, die meer en meer werden aangehaald, todat Jezus voor hen alles en alles werd. In den beginne durfden zij, gelijk ïficodemus, niet altijd in het openbaar daarvan getuigenis geven; maar in nood en dood, in den nacht na den Goeden Vrijdag, traden zij des te moediger op. Hoe groot de vooroordeelen waren, die Jezus bij eerlijk zoekende, en goedgezinde mannen had te overwinnen, die van der jeugd af hadden geleerd en geloofd dat het Eijk van den Christus slechts eene wederoprichting zijn zoude van het Rijk van David en Salomo, dit

tot de trapsgewijze erkenning van den Messiaanschen Koning door Zijn volk. Ware dit gebeurd, dan zou Hij niet een aardsch Koninkrijk hebben opgericht, maar van den tempel, als Zijn aangewezen paleis, uit, de godsdienstige hervormingen hebben voortgezet, die Hij in de tempelreiniging was begonnen. Gelijk nu de zaken stonden, zoude bij het principieel verschil tusschen Zijn rijk en de natuurlijke menschen dit werk onder alle omstandigheden tot hetzelfde treurige conflict hebben moeten leiden, waarvan wij nu den aanvang zien bij dit eerste bezoek in Jeruzalem. Dat Jezus allereerst moest optreden met Zijne volle Messiaansche aanspraken is zeer duidelijk. Hij moest het volk gelegenheid geven Hem dadelijk te erkennen. Anders hadde Hij het verwijt verdiend, dat Hij niet van den beginne aan zijn volk had gezegd wie Hij was, dat Hij zijne aanspraken niet had vooropgesteld, waarop het Hem had moeten erkennen, waarom het volk er dan geen verwijt van kon worden gemaakt., dat het Hem verworpen had. En aldus geldt van het eerste optreden van Jezus in Jeruzalem dit gewichtige woord, dat Hij in den laatsten nacht Zijns levens, terugziende op geheel zijn werk, tot zijne discipelen zeide: „Indien ik niet gekome ware en tot Hen gesproken had, zij hadden geene zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde.\'\' (Joh. XV : 22, 24.)

ocr page 109

97

leert ons het nachtelijk gesprek des Heeren met Nicodemus.

Na eenigen tijd verliet Jezus Jeruzalem. Het was een getuigenis tegen Israel, dat Jezus uit de hoofdstad, het aangewezen en natuurlijk tooneel van Zijnen arbeid, moest wijken. Opgegaan naar het Paasclifeest om als Koning te worden gehuldigd, verliet Hij de stad met de weemoedig stemmende zekerheid, dat Hij hier te Jeruzalem door Zijn volk zou worden gekruist.

Aan Nicodemus had Hij dit reeds in een geheimzinnig beeld geopenbaard. (Joh. Ill: 14.) Het was nu Zijn plan geweest Israel in de verschillende landstreken op te zoeken, het gelegenheid te geven Hem van nabij te leeren kennen en Zijn Evangelie te hooren. Het eerst hield Hij zich op in de landstreek Judea. Niet alleen predikte Hij aldaar, maar liet degenen, die zich bi] Hem aansloten, door Zijne jongeren doopen. Het was midden in den zomer en daarom ontbrak op het gebergte bijna overal het water. Gewoonlijk had men dit slechts in regenbakken. Doch daarmede kon niet worden gedoopt, omdat de doop toentertijd een onderdompeling was. Naar de Jordaan kon Jezus gedurende de gloeiende zomerhitte ook niet gaan. Met voldoende zekerheid kunnen wij weten, waar Jezus moet hebben gedoopt. Hij kan dit alleen hebben gedaan aan de bronnen bij Bire, drie uur ten Noorden van Jeruzalem, bij Bethel, in Lifta, een uur Westwaarts van Jeruzalem, bij Bet-Djala en aan de zoogenaamde Filipsbron, de beide laatste plaatsen ongeveer 2 uur ten Zuiden dei-stad. Aan deze bronnen met hunne bekkens konden echter slechts weinigen worden gedoopt. De meest geschikte plaats om op het gebergte te doopen was de omvangrijke vijver van Salomo hij Bethlehem. Het is dus niet onwaarschijnlijk, dat Jezus langen tijd predikte en doopte in de onmiddellijke nabijheid der vriendelijke stad Zijner eerste kindsheid, waar eens de hemelsche heirscharen met jubelzang het pasgeboren Kind hadden begroet in den stillen, heiligen nacht. Ook aan den straatweg naar He-bron bevonden zich groote vijvers, die, evenals die te Bethlehem in verbinding stonden met de groote waterleiding naar Jeruza-

7

ocr page 110

98

lem en die ook midden in den zomer veel water bevatten. En ook in Hebron zelf waren groote vijvers, aangezien die geheele streek, vooral naar het Zuiden, waterrijk is. Aan deze plaatsen dus zal Jezus hebben gepredikt en gedoopt, zoolang Hij op het gebergte vertoefde.

In November echter, na het Loofhuttenfeest, toen in den regentijd het weer koeler werd, begaf Hij zich beneden in het Jordaandal. Hier had Johannes de Dooper den weg voor Hem bereid, ja, nog altijd arbeidde deze voor zijnen Heer, hoewel eene dagreize meer Noordelijk, in Enon (Joh. III : 23). Dat waren belangrijke doop-plechtigheden in die dagen! Daarboven in Enon trok de Dooper nog altijd ontelbare scharen en ginds in Judéa, alzoo bij Jericho, was de toeloop naar Jezus nog grooter. (Joh. Hl : 22.)

Juist één jaar, nadat Johannes voor het eerst was opgetreden, in November, December, Januari, kwamen al grootere scharen tot Jezus. Neen, de machtige beweging, toen aangevangen, was niet in kracht verminderd ondanks de afwijzing in de hoofdstad ; — integendeel, zij bewoog steeds wijdere kringen. Altijd grooter werd het aanzien van Jezus bij het volk, immer grooter Zijn invloed. Geen wonder dus dat het den oversten des volks in Jeruzalem bang om het harte werd. Het werk van Jezus kwam hun hoe langer hoe gevaarlijker voor. En hoemeer zij hoorden van de resultaten, des te meer werden zij, — omdat zij niet in Hem gelooven wilden, — gedwongen als tegenpartij op te treden en te eindigen met den moord op Golgotha.

Jezus hoorde van hunne ontwakende vijandschap. Hij zag, dat hunne ijverzucht voor Hem gevaarlijk dreigde te worden. Aa.i Hem zouden zij wel niet, evenals indertijd aan den Dooper, een gezantschap tot onderzoek zenden maar krachtiger maatregelen zouden zij tegen Hem nemen. Zijne ure was echter nog niet gekomen. Hij wilde niet, dat zij zich in overhaasting zouden schuldig maken aan de grootste zonde: verwerping en terdoodbrenging van hun Heiland. Ook wilde Hij vooraf het geheele volk in du drie provinciën des lands voldoende tijd en gelegenheid geven om

ocr page 111

99

Hem te leeren kennen. Eerst dan zouden zij door een ticeeden intocht in de gelegenheid gesteld worden zich vóór of tegen Hem te verklaren. Bovendien was er nog een lange tijd noodig tot het vormen Zijner jongeren als fundamenten Zijner Kerk, den nieuw op te bouwen tempel. Daarom besloot Hi] te midden der bediening des doops Judéa te verlaten. (Joh. IV : 1, 3.) Dit was einde Januari of begin Februari. (Joh. IV : 35.) Na een tien maanden lange werkzaamheid in het meest uitgestrekte landschap Judéa, vertrok Hij naar het Noorden, naar Galiléa, dat Hij op het laatste Paaschfeest verlaten had.

Hij nam de terugreis door Samaria. 1) Zijn weg liep over Sichem en de vlakte Jizreël naar Nazareth, Kana Kapernaüm. Van de eerstvolgende maanden is ons het meeste bekend; want, hoewel de drie eerste Evangeliën geheel zwijgen over de werkzaamheid in Judea, verhalen zij veel en met groote uitvoerigheid van het werk in Galiléa. In Galiléa werd Jezus met geestdrift ontvangen. Men had hier veel gehoord van de wonderdaden en handelingen, die Hij in Judéa verricht had. Bij duizenden verzamelden zich de scharen rondom Hem. In den eersten tijd moet Hij de bergrede gehouden en de meeste wonderen hebben verricht, waarvan de drie eerste evangelisten voor het begin der lijdensgeschiedenis melding maken. Wij zullen echter zien, dat Hij niet den geheelen zomer in Galiléa bleef, maar tot den herfst verscheidene reizen buiten het land deed, om in de stilte Zijne jongeren te onderwijzen, alvorens Hij opging naar Jeruzalem om aldaar te sterven.

De werkzaamheid van nagenoeg het geheele eerste jaar in Jeruzalem en Judéa eindigde aldus in een zich terugtrekken. Ach! wat zal dit Jeruzalem, - waarover Hij wel niet alleen bij den laatsten intocht tranen zal hebben gestort, — Hem nu

]| Voor het gesprek met de Samaritaansche vrouw, zie Sohneller, „Kent gij liet land?quot; hoofdstuk; „het Reizen in Palestina.quot;

ocr page 112

100

aan het harte hebben gelegen! Maar reeds nu, aan het einde dezer tien maanden klonk in Zijn hart dit weemoedige woord, dat Hij in het volgend jaar die stad tot afscheid toeriep: „Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenverzamelen, gelijk eene hen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen - maar gij hebt niet getvild

ocr page 113

- i:

ocr page 114

102

zijner kindsheid. Dit stadje, waar Hij tot voor een jaar, dus nagenoeg geheel Zijn leven was geweest, was het doel van Zijnen tocht. Toch wachtte Hem hier eene der smartelijkste ervaringen Zijns levens, want waarschijnlijk had bij dit bezoek het voorval plaats, dat in Lukas IV : 19 — 29 wordt verhaald. Wel aanschouwde Hij in de synagoge te Nazareth slechts bekende gezichten; allen wilden den beroemden Man, die zoolang als hun Medeburger stil onder hen geleefd had, zien en hooren. „Zij verwonderden zich over Zijne aangename woorden.quot; En toch, juist omdat zij Hem zoo goed kenden, bleven zij onontvankelijk en moest Jezus hier herhalen, hetgeen Hij een paar dagen te voren aan Zijne jongeren had gezegd (Joh. quot;V : 44): „Geen profeet is aangenaam in zijn vaderland.quot; De uitwerking Zijner woorden was, dat de bekende aangezichten allen rood van toorn werden. Zij konden niet begrijpen, hoe de voormalige timmerman uit hunne stad zich durfde vermeten, hun zulke waarheden te zeggen. (Luk, IV :24—27.) Vol toom wierpen zij, Zijn bekende stadgenooten tot hiertoe. Hem uit buiten de stad en leidden Hem op den top des bergs, om Hem van de steilte af te werpen. Op deze wijze begroette Hem de stad Zijner jeugd. Het was een voorspel van hét lijden op Golgotha. Zou Hij daaraan niet hebben gedacht?

Hij ging verder. De weg naar Kapernaüm liep over Kana, een stadje met liefelijke herinneringen! Hier had Hij het vorige jaar de bruiloft medegevierd en voor het eerst Zijne heerlijkheid geopenbaard. Hier ook woonde Nathanael. In twee woningen dus vond Hij althans vriendelijker ontvangst dan te Nazareth.

Te Kana schijnt Jezus eenige dagen gebleven te zijn. De tijding Zijner komst verbreidde zich spoedig door geheel Galilea, vooral ook te Kapernaüm. Vandaar kwam al zeer spoedig een „Koninklijke hovelingquot;, een man van het hof van den Tetrarch Herodes Antipas, naar het op het gebergte liggende Kana. Dadelijk begaf deze zich met een dringend verzoek naar de woning, waar Jezus Zijn intrek genomen had. Beneden in de \'s zomers zoo verhitte steden komen nog heden, meer dan elders, gevaarlijke koortsen

ocr page 115

103

voor. De zoon des hovelings was er door aangetast. De koorts herhaalde zich telkens met toenemende hevigheid en met eiken nieuwen aanval verminderden de krachten van het kind, totdat eindelijk het leven er mede gemoeid scheen. De vader was ontroostbaar. Als nu Jezus er maar.geweest ware! Een jaar geleden was geheel Kapernaüm in verrukking over de wonderen, die Jezus aldaar had gedaan. Tot in den nacht waren toen de kranken tot Hem gebracht en Hij had ze allen genezen. In Kapernaüm werd daarover nog altijd gesproken, maar Jezus had men in langen tijd niet meer gezien. Des te meer verbreidde zich daarom door geheel Galilea het gerucht van de groote daden, die Hij in Jeruzalem en Judea volbracht had. (Joh. IV : 45.) Daar komt onverwacht de tijding, dat Jezus in Galilea is teruggekeerd en zich te Kana bevindt. Nauwelijks heeft de beangste vader dit vernomen, of hij besluit tot Jezus te gaan. Den volgenden morgen voor zonsopgang verlaat hij zijn stervend kind en begeeft zich op weg naar Kana. Het was in Februari, in welken tijd in Palestina de zon tegen 7 uur opkomt. De reiziger reed waarschijnlijk door de vlakte Gennesar naar het hooger liggende rotsdal Wadi Ha-mam, langs den Krün Hattin naar Kana. Dit was een afstand van ongeveer 7 uur. Hij kwam dus aan „te zeven urequot; d. i. naar onze tijdrekening te 2 uur des middags. In Kana vroeg hij dadelijk naar het huis waar Jezus was. En nauwelijks zag Hem de bezorgde vader — die Hem zeker van het vorige jaar nog kende — of hij smeekte Hem, mede terug te keeren naar Kapernaüm en zijn kind te redden. Wellicht had hij voor Jezus een rijdier meegebracht. Maar Jezus ging niet. Nadat Hij door een schijnbaar hard woord het zwakke geloof van den Koninklijken hoveling bevestigd, zoo niet gewekt had, sprak Hij met vriendelijke, kalme stem: „Uw zoon leeft!quot;

Nu viel den vader een centenaarslast van het hart. Hij vertrouwde onvoorwaardelijk op de woorden van Jezus. Daarom vond hij er geen bezwaar in, ook den nacht zoo ver van de zijnen doortebrengen, die hij in den vroegen morgen in zoo groote

ocr page 116

104

spanning had verlaten. De terugreis naar Kapermüm toch kon hij heden niet meer aanvaarden. De zon ging reeds te 6 uur onder en na eene schemering van 10 minuten zou de duistere nacht hem in het eenzame rotsdal zijn overvallen. Alzoo bleef hij in Kana en zat waarschijnlijk des avonds in den kring dergenen, die zich rondom Jezus verzamelden.

Den volgenden morgen echter begaf hij zich vroegtijdig op weg. Hoe geheel anders dan gisteren was hij heden gestemd! Gisteren vol zorg over zijn stervend kind, — heden vol dankbaarheid en vreugde over het teruggeschonken dierbare leven. Vroolijk trok hij op in den schoonen morgenstond; zijne dankbare ziel stemde in met de vogelen, die hun morgenlied zongen. In het kleine dal Wadi Hamam. dat in een hollen weg eindigt, waar zich een heerlijke bron bevindt, halverwege tusschen Kana en Kapernaüm, zal de koninklijke hoveling waarschijnlijk rust hebben gehouden. En daar vonden hem zijne dienstknechten, die de blijde boodschap brachten, dat zijn kind leefde en hersteld was. Hij had hieraan niet getwijfeld. Alleen vroeg hij naar het uur der herstelling. Het antwoord luidde; „Gisteren te zeven uur verliet hem de koorts!quot;

De gelukkige vader reisde huiswaarts. Eindelijk zweefde zijn oog over de welbekende vlakte, tot het Kapernaüm zag, waar in een huis aan het meer zijn genezen kind zich bevond, dat hij weldra aan zijne borst mocht drukken.

Op dien dag vulde een onuitsprekelijk geluk deze aanzienlijke woning te Kapernaüm. De bekommerde reiziger van gisteren had een blik mogen slaan in het wonderland des geloofs. De weg van Kapernaüm naar Kana, eerst zoo moeielijk en donker, was de gelukkigste weg van zijn leven geworden. Want deze had hem en de zijnen tot Jezus gebracht. Wij lezen in Lukas VIII : 3. dat de huisvrouw van den rentmeester van Herodes tot de vrouwen behoorde, die uit dankbaarheid Jezus dienden. Was dit de moeder van het kind? Wij weten het niet. Maar in elk geval behoorde deze voortaan tot de discipelinnen des Heeren, want onze tekst eindigt met deze woorden; „Hij geloofde zelf, en zijn geheele huis.quot;

ocr page 117

Wij komen nu in dat tijdperk van het leven onzes Heeren, waarvan wij de uitvoerigste berichten bezitten _ Van het leven van Jezus is ons slechts weinig bekend. Van groote tijdvakken weten wij niets. Toch moet op eiken dag iets belangrijks zijn voorgevallen; immers, kan in dit leven één verloren dag zijn geweest? of maar één onbeduidende dag? Hoe weinig ons van menige belangrijke periode bekend is, hebben wij duidelijk kunnen zien in het vorige gedeelte van Jezus\' werkzaamheid in Judéa. Geen enkele landstreek kon zich toch verheugen over eene zoo langdurige werkzaamheid des Heeren als juist Judéa. Tien volle maanden heeft Hij aldaar onafgebroken

De bloemen iu de beginletter, — de anemoon, „lelie des velds,quot; de crocus vu de kloosterbloem, — bloeiden allen toen de bergrede gehouden werd.

ocr page 118

106

gepredikt, gedoopt, wonderen gedaan. En juist van dezen tijd weten wij het minste. Nu vergezellen wij Hem naar Galilea, waar Ei) zich drie vierendeeljaars zal ophouden.

Nemen wij daar nu den tijd voor de verschillende reizen naar Jeruzalem, naar de Middellandsche zee, Dekapolis, den Hermon af, dan blijven voor Galilea zelf nauwelijks vijf maanden over d. i. niet zoo lang een tijd als het verblijf in Judéa. Intusschen is de Galileesche periode, die, waarvan wij de belangrijkste wetenschap bezitten. Maar ook hier is, buiten de medegedeelde gebeurtenissen, nog veel meer geschied. Het Evangelie van Johannes, — zoo meesterlijk beknopt, dat ondanks of liever door zijne beknoptheid, veelal zoo verheven is, — zegt in het laatste vers: „En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zoo zij alle bijzonder geschreven werden, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten.

Slaan wij nu den blik op den eersten tijd der werkzaamheid des Heer en in Galilea.

Het was tegen het eind van Januari (Joh. IV : 35), juist een jaar na den doop van Jezus, dat Hij van Judea naar Galilea trok. De gevangenneming van Johannes den Dooper had volgens Mat-thefls (IV : 12) en Markus (I : li) den laatsten stoot gegeven tot de afreis. Bijgevolg was Johannes in dezelfde maand Januari gevangengenomen. Deze gevangenneming van Zijn voorlooper was voor Jezus eene aanwijzing van hetgeen Hem zeiven te wachten stond. Als Johannes ons verhaalt, dat de aangroeiende haat der Farizeën de aanleiding was tot het vertrek van Jezus, dan is de veronderstelling niet gewaagd, dat ook dezen meegewerkt hadden om den Dooper te gijzelen. Hoe het zij, Jezus vond het raadzaam zich te onttrekken aan de lagen dezer gevaarlijke vijanden in Jeruzalem en zich terug te trekken naar Galilea waar het meer vrij en frisch was onder de levendige, bedrijvige bevolking. Slechts de eerste zes weken van Zijn verblijf aldaar zullen wij behandelen. Deze zijn begrensd eenerzijds door de komst van Jezus in de eerste Februaridagen en anderzijds door het ver-

ocr page 119

107

trek van Jezus naar het Purimfeest te Jeruzalem omstreeks half Maart.

De Galileërs ontvangen Jezus met geestdrift (Joh. IV : 45). Niet alleen herinneren zij zich Zijne werkzaamheden in het vorige jaar, maar Zijne altijd meer aangrijpende daden in Judéa hadden Hem overal in het ronde ruchtbaar gemaakt. Te Kana, waar Jezus eerst eenige dagen rust had genomen, was Hij bezocht door den „koninklijken hoveling.quot; Kort na diens vertrek naar Ka-pernaüm, was Jezus hem daarheen gevolgd. Door het dal Wadi Hamilm en de diepe, schoone vlakte Gennesar wandelde Hij met Zijne jongeren naar Kapernaüm, waarheen Jezus reeds in het vorige jaar met Zijne huisgenooten was verhuisd. Kapernaüm was de voornaamste, zuiver J.oodsche stad aan het meer Genesa-reth. De groote steden Tiberias en Tarichea, aan de Westelijke en Zuidelijke oevers gelegen, met hunne 100.000 inwoners waren wel grooter, maar hadden een meer heidensch karakter. Jezus was allereerst gezonden tot het volk Israels.

Te Kapernaüm kruisten elkander de verschillende hoofdwegen en de handel trok de lieden uit verschillende streken daarheen. Dit alles was gunstig voor Zijne plannen. Ook lag het dicht aan de grenzen van verschillende beschaafde landen. In het Noord-Westen lagen Syrië met Tyrus en Sidon, in het Noorden en Noord-Oosten Gaulanitus en Caesaréa Pilippi, in het Oosten Deka-polis („de 10 stedenquot;). Hij kon daarom, als Hij het om Zijne vijanden of andere redenen noodig oordeelde, in weinig tijds de grenzen des lands overschrijden. Ook kon Hij van dit centraalpunt uit Zijn invloed in alle naburige provinciën doen gelden, zooals wij dan ook bij de bergrede reeds een menigte hoorders aantreffen uit de meest verschillende Joodsche en heidensche streken. Elke handelaar, elke kameeldrijver, die Hem in Kapernaüm hoorde, werd onwillekeurig voor de verschillende landen een bode der nieuwe blijde boodschap. Een vaste woonplaats was Kapernaüm voor Jezus echter niet; sinds een jaar had Hij die niet meer. De stad was veelmeer Zijn hoofdkwartier, vanwaar

ocr page 120

108

Hij grootere en kleinere reizen deed naar liet een of ander gedeelte der provincie of wel naar het buitenland.

De provincie Galiléa verkeerde in bloeienden toestand; geen enkele akker was onbebouwd en de opbrengst was buitengewoon ruim. Het viel den inwoners niet moeilijk hun levensonderhoud te vinden. Landbouw en visscherij, handel en industrie bloeiden. Herodes wist dan ook wel de krachtige provincie op cijns te stellen; zij bracht hem jaarlijks 150 talenten op. Ook scheen, volgens de evangelische berichten, de bevolking, ondanks hare dichtheid, — volgens Jozefus telde zij 80.000 zielen per □ mijl, — niet zoo streng aan haren arbeid gebonden te zijn, dat niet geheele scharen dagen lang hun werk konden verlaten om Jezus te volgen.

Bij de bergrede vinden wij voor het eerst zoo\'n groote men-schenmassa in Galilea, rondom Jezus vergaderd. Een groote roep was uit Judeavan Hem uitgegaan. Nauwelijks was het bekend geworden, dat Hij na eene lange afwezigheid was teruggekeerd, of er heeft eene gebeurtenis plaats, die aller oogen in Kapernaüm en van rondom op Hem vestigt en de grootste verwachtingen opwekt. Het is de genezing van den zoon des hovelings in het zeven uur verwijderde Kana. Met innige blijdschap heeft de gelukkige vader zeker zijn als opnieuw hem geschonken zoon aan het hart gedrukt na zijn terugkeer uit Kana. Natuurlijk werd de wonderdadige gebeurtenis in geheel Kapernaüm bekend en maakte de beweldadigde er geen geheim van, dat hij aan Jezus geloofde als den goddelijken Redder en Koning. En toen nu Jezus persoonlijk te Kapernaüm kwam, toen de hoveling en zijne huis-genooten Hem met vreugdetranen begroetten, toen Hij bij het binnentreden der stad zoovele bekende gezichten ontmoette, toen de mare zich verspreidde: „Jezus is weder hier!quot; toen was er wel geen huis in Kapernaüm, waarin men niet blijde was over de aankomst van den grooten profeet, wiens familie tot de burgers der stad behoorde. En welk eene vreugde zal het hart van Maria hebben doen kloppen, toen haar zoon, wiens optreden in Jeruzalem in Judea

ocr page 121

109

met zooveel geestdrift was begroet, wederom haren drempel betrad en haar vol hartelijkheid als Zijn moeder begroette.

Voorwaar, Hij was niet gekomen om na den drukken tijd in Judea te gaan uitrusten in de moederlijke woning. De geestdrift van het volk was hoog gestemd. Zijn hart en Zijn plicht riepen Hem daarbuiten om het volk te dienen. Dadelijk nam Zijne werkzaamheid in Galilea en wel aan de oevers van het meer Genesareth een aanvang. Als inleiding hield Hij de bergrede. Volgens Mattheüs heeft het eenigszins den schijn, alsof Jezus Zijn ambtswerkzaamheid met de bergrede was begonnen. Maar daaraan moet noodwendig voorafgegaan zijn, dat de roep Zijner daden reeds door alle naburige landen was verbreid. Ook de vijandschap Zijner tegenstanders moest reeds ontwaakt zijn en zich ook tegen Zijne jongeren reeds hebben doen gelden, want Hij spreekt dezulken zalig die, om Zijns naam wil, worden vervolgd. Toch is het waar, dat de bergrede den indruk maakt van eene Openingsrede. De plechtige zaligsprekingen bij het begin, de nieuwe uitlegging der wet, de verbazing der hoorders over den geheel nieuwen weg en ongewonen leertrant, dit alles is slechts dan verklaarbaar, als wij aannemen, dat Jezus met de bergrede Zijne groote werkzaamheid in Galilea in het tweede jaar heeft ingeleid.

Niet lang had Jezus in de verschillende plaatsen aan den oever van het meer gearbeid, in de synagoge en in de open lucht gepredikt en kranken genezen, of het snel verbreide gerucht van Zijn groote daden deed talrijke scharen uit Syrië en uit de omliggende streken toestroomen. Vooral in de huizen, waar kranken waren, werden de berichten aangaande Jezus met blijdschap begroet. Op de wegen van Kapernaüm zag men in die dagen een menigte kranken daarheen trekken: sommige op eigen beenen maar met loomen of waggelenden tred, anderen op muildieren of op ezels gezeten en ondersteund door behulpzame vrienden, wederom anderen op draagbaren of draagstoelen. Allen gingen tot Jezus naar Kapernaüm. Aldus verzamelde zich spoedig na

ocr page 122

110

Zijn komst in en ornKapernaüm eene uit alle deelen der provinciën samengevloeide menigte. In de eerste plaats zag men de Gali-leërs zelve, verder lieden van over het meer uit de „tien stedenquot; het overwegend heidensche. republikeinsche Dekapolis, waar Zeus ■en Apollo meer bekend waren dan Jehova, de God der oude bewoners van die landstreek. Ook waren er velen uit Jeruzalem en Judea, van drie tot vijf dagreizen van Kapernaüm verwijderd. Uit Peréa, op welker Zuidelijke hoogten waarschijnlijk toen reeds Johannes de Dooper in den kerker van Macherus smachtte, waren velen hem gevolgd. Zelfs waren er bewoners van het strand der Middellandsche Zee, uit de Grieksch-Phoenicische steden Tyrus en Sidon, kenbaar aan hunne vreemde kleederdracht. In die dagen moet het aan de kusten van het liefelijke meer Genesareth een bont gewemel zijn geweest van gemengde gezelschappen uit de verschillende landstreken. Maar allen waren bezieü/met den zelfden wensch: Jezus te zien.

Voor Jezus was dit toestroomen van Galilea\'s bevolking een antwoord en eene bemoediging, Hem door Zijnen hemelschen Vader gegeven. ïot nu toe was Zijn optreden bijna een voortdurend wijken geweest. Zijne proclamatie in April van het vorige jaar had men afgewezen. Uit Jeruzalem, de aangewezen stad Zijner werkzaamheid, was Hij den vorigen zomer reeds verdrongen geworden. Toen begaf Hij zich naar Judea, maar ook daar kon Hij niet blijven. Zijnen trouwen helper, Johannes den Dooper, was reeds de mond gesloten, doordien men dezen achter slot en grendel had gezet. Des te weldadiger deed Hem dus deze begroeting door de Galileesche bevolking aan, zooals de vreugdetonen in de zaligsprekingen duidelijk te verstaan geven. Met des te meer vreugde begroette Hij dan ook dit duizendvoudige verlangen naar Zijne Heilandsliefde en Zijne hulp, dat Hij las op aller aangezicht.

Het was een merkwaardige tijd in het leven des Heeren, ook om nog een andere reden, die wij straks zullen vernemen. Daarom begaf Hij zich, alvorens op te treden voor de verzamelde menigte,

ocr page 123

Ill

in de eenzaamheid. Daar luisterde Hij naar de stem uit den Hoogen, daar blikte Hij in liet hart Zijns Vaders, waardoor de inwendige polsslag Zijns levens werd gewekt en geregeld. (Joh. V : 19.) En welke was nu de beslissende stap, voor welken Hij stond en die Hem tot het vragen en aanhooren van den Vader drong? Het was de keuze Zijner twaalf Apostelen. Morgen wilde Hij, omringd door deze twaalf boodschappers, voor het eerst voor het volk optreden. Uit het verband blijkt, dat Hij op zekeren avond een groote vergadering tegen den volgenden morgen had saamgeroepen. De jongeren, waaruit Hij de twaalven wilde kiezen, zouden morgen vroeg tot Hem komen. Hij trok zich terug en ging alleen uit naar den berg om te bidden. (Luk. VI: 12.)

Hij bleef den nacht over in het gebed tot God. Het was een groot belang, dat Hij met Zijnen Vader had te behandelen. Het was niets minder dan de voorbereiding tot de eerste grondlegging van den verheven Dom der Christelijke kerk, dien de voormalige bouwmeester wilde oprichten op deze vergankelijke aarde, de voorbereiding tot het apostelschap. Tot nu toe had Hij in Zijn werk een machtigen helper gehad, dien Hij hooger schatte dan allen, die uit vrouwen geboren waren, Johannes den dooper. Deze helper was Hem ontnomen. Intusschen had Hij mannen noodig, die nu en ook later na Zijnen dood, als Zijn uitverkorene zendboden en gevolmachtigden Zijn werk zouden voortzetten. En zijn dood stond Hem steeds zekerder voor oogen. Morgen in de vroegte wilde Hij hen plechtig het ambt van Apostel, d. i. van Zijne zendboden opdragen. Wie Hij zou kiezen, dit was de groote zaak, waarover Hij het aangezicht Zijns Vaders in gebeden zocht.

Den volgenden ochtend ontmoette Hij op den berg Zijne aanhangers, die Hij aldaar had bescheiden. Jezus kwam van de hoogte, waar Hij den nacht in het gebed had doorgebracht. Hemelvrede omzweefde Hem. Daar stond Hij, de Koning des hemelrijks, op den berg, en riep met souvereine gewisheid Zijne rijksboden tot zich en hield met hen Zijn eersten rijksdag. En nu stonden rondom Hem, — nu Hij de keuze gedaan had, — de twaalf mannen

ocr page 124

112

wier namen thans in alle Christelijke landen der wereld bekend zijn. Vele roemrijke keizers en koningen zijn den meesten men-schen onbekend, maar de namen dezer twaalf Galileesche mannen zijn de meest bekende ter wereld. Van nu aan zullen zij steeds met Jezus zijn. In den dagelijkschen omgang met Hem zullen zij worden opgevoed voor de verhevenste taak. Kan er op aarde iets meer opvoedend zijn, dan voortdurend in Zijne nabijheid te verkeeren? Ook was een mondeling onderricht noodig. Wij zullen dan ook zien, dat Hij voortaan niet alleen voor groote menschen-massa\'s predikte, in tegenwoordigheid Zijner discipelen, maar dat Hij ook menigmaal zich met Zijne Apostelen afzonderde om hun een zorgvuldig onderwijs privatissime te geven.

Toen Jezus Zijne twaalven had uitverkoren, kwam Hij af en sloeg den weg in naar Kapernaüm. (Luk. VI : 17).

DE BERGREDE.

Daarbeneden werd Hij gewacht door de volksmenigte. Omringd door het twaalftal, trad Hij in hun midden. Met gejuich werd Hij ontvangen, met vriendelijken groet beantwoordde Hij hun „welkom.quot; Nauwelijks aangekomen, was Hij alreeds omringd door een schare, van alle kanten aangebrachte kranken. Hier een lamme, daar een geraakte, ginds een bezetene, in het kort, het scheen alsof alle krankheden, waardoor het menschdom was aangetast, hier op eëne plek waren bijeengebracht. Het moet een verheven aanblik geweest zijn, den Heiland te zien onder zoovele kranken, ellendigen, lijdenden, hun alle vriendelijk aanziende en hen genezende met zachte hand. „Al de schare zoch: Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en Hij genas ze allen.quot; (Luk. VI : 19.) Hij geleek de hemelsche zon, wier stralen alles tot nieuw leven wekt; Zijn lichaam geleek eene bron, waaruit nieuwe levenskracht vloeide voor het lijdende menschdom. Wij kunnen ons moeielijk voorstellen, welk eene geestdrift er

ocr page 125

118

onder de menigte moet hebben geheerscht, nog eer Hij den mond opende om de thans algemeen bekende Bergrede uitte spreken. Wie gekomen was om hulp te zoeken, werd genezen. Onder de schare was niemand meer te vinden, dien Hij zijn lijden niet had afgenomen. Men wist, dat deze genezing slechts bijzaken waren en de veel verhevener hemelboodschap, die Hij brengen kwam, hoofdzaak was.

Nu slaat Jezus de oogen op. Beide Evangelisten spreken van dezen blik, vriendelijk en doordringend, dien Hij op de menigte en op Zijne discipelen sloeg. Zijn hart klopte van vreugde bij het brengen der blijde boodschap, die Hij kwam verkondigen. Hij zette zich op een rotspunt. Aller oogen hingen aan Zijne lippen, toen Hij Zijn mond opende om met heldere, mannelijke, voor de duizenden hoorders duidelijke stem, die eeuwig gedenkwaardige rede te houden, welker eerste woorden als een groet uit den hemel in de ooren klonken van het ongelukkige volk en ook ons telkens en telkens weer als een heerlijk lied uit de eeuwige woningen tegenruischen; „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij, die treuren, want zij zullen vertroost worden! Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven! Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien!quot;

Het is niet mijn voornemen door te dringen in inhoud en ge-dachtengang der bergrede. Ik wil slechts met eenige voorbeelden aantoonen, hoe in deze rede, in tegenstelling met de spitsvondige haarklooverijen der leeraren uit de Synagoge, nieuw, frisch leven stroomt, hoe klemmend Jezus uit de natuur en uitliet dagelijksch leven Zijner toehoorders. Zijne gelijkenissen wist te kiezen. Het was geene wijsheid uit de boeken, die het volk werd aangeboden, maar uit de wijde schepping, waarin zoo menige diepe gedachte door God is neergelegd. Aan Zijne voeten lag het blauwe meer Genesareth; de morgenzon deed het aardrijk baden in een zee van licht; rondom Hem verhieven zich de bergen en heuvelen in heerlijken lentedos. Dit was Zijn

ocr page 126

114

boek. Daaruit putte Hij Zijn gelijkenissen — en als geen ander las Hij daarin en leerde Hij Zijnen hoorders daarin te lezen\'.

Hij zocht niet naar verhevene beelden. Hij bepaalde zich bij het meest eenvoudige, maar daarin legde Hij den diepsten zin. die des te onvergetelijker door Zijne toehoorders werd opgenomen.

Het is van algemeene bekendheid, dat in Palestina de bodem in de lente met een bijzonder schoon, schitterend bloemtapijt bedekt is. Een der meest verrukkelijke bloemen is de anemone. En al groeit deze bloem, de zoogenaamde „lelie des veldsquot; zoowel op den weg als tusschen de steenachtige rotsen en op de kale heide, — haar liefste plaats schijnt toch te zijn beneden aan de lachende oevers van het meer Genesareth. De strandbewoners zien deze heerlijke pracht, elk jaar opnieuw; de meesten echter denken daarbij niet, maar een klein getal verstaat de spraak der kleine bloemkens. Jezus wees in het rcnd en vertolkte de taal dezer weinig getelde sieraden der schepping: „Aanschouwt de leliën des velds, hoe zij wassen!quot;

Het schijnt, dat Jezus Zijne gelijkenissen dikwijls koos met het oog op het beroep Zijner hoorders, zonder daarom Zijne woorden slechts als voor hen bestemd, te beperken. Zoo richt Hij zich hier meer bepaald tot het nijvere deel onder Zijn gehoor. Beneden in het dal lag de fabriekstad Arbela, met vele spinnerijen en weverijen. Velen der hoorders waren waarschijnlijk naar oos-tersche zeden gekleed in bonte met bloemwerk doorweven kleederen; bovendien werden de weefsels van Arbela naar hein Je en ver uitgevoerd. Onder de toehoorders zullen zich ook ^e\\ arbeiders bevonden hebben, die daar hun werk vonden als spinners en tvevers. Hen, die voor prachtvolle kleedingstoffen een open oog hadden, maakt Hij opmerkzaam op die bloemenpracht aan hun voet, zeggende; „Ziet, hoe zij wassen! Zij arbeiden niet en spiw-nen niet, gelijk gij. En nochtans is Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed geweest, gelijk ééne van dezen.quot; Zal God niet veelmeer voor de menschen zorgen, dat ook zij gekleed worden?

Met een andere gelijkenis wendt Hij zich tot de landlieden.

ocr page 127

115

Deze voorzagen in hun levensonderhoud door zaaien en maaien. Het koren bewaarden zij in onderaardsche bakken, die wij kelders zouden noemen. Menige zorgzame landman heeft wellicht onder de hoorders gestaan, die van meening was, dat het alleen op zijn zaaien en zijn ploegen aankwam en wiens hart zou breken als kelder of schuur ledig zou raken. Jezus maakte hen opmerkzaam op de vogelen, die in den lentemorgen over hunne hoofden vlogen, en sprak: „Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve. Hoeveel gaat gij de vogelen te boven!quot; (Luk. Vi ; 24.)

Voorzeker stonden een groot aantal visschers in hunne lange, blauwe kleeding voor Hem, gekomen uit Kapernaum, Bethsaïda, Magdala, Tiberias en andere kustplaatsen. Ook sommigen Zijner Apostelen hadden dit bedrijf uitgeoefend. De visschers wisten beter dan anderen, hoe belangrijk het zout is voor de wereld. Niet alleen maakten zij daarmede de visschen, hun voornaamste voedsel, smakelijk maar ook konden zij ze daarmede gedurende langen tijd goedhouden. Nu worden in de zoutgroeven dikwijls stukken gevonden, die er uitwendig goed uitzien en toch geheel smakeloos zijn. „Giij zijt het zout der aarde. Indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden?quot; Draagt zorg, dat gij uwe prikkelende en bederfwerende kracht niet verliest!

Om Gods goedheid, die zich over allen uitstrekt, aanschouwelijk te maken, wijst Jezus Zijne hoorders eenvoudig op de zon. Daar stond voor Hem het groote gemengde gezelschap van duizenden personen. Daar stonden visschers en wevers, boeren en kooplieden, tollenaars en soldaten, Farizeërs en Schriftgeleerden, Joden en heidenen, boozen en goeden, rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Ge-wisselijk waren er velen onder, wier geweten bezwaard, wier leven door vuile zonden bevlekt was. Toch was de goedheid Gods bereid hen aan te nemen. Zijne zon was heden zoo heerlijk opgegaan en voor weinig tijd had de regen hunne akkers tot vruchtbaarheid gedrenkt.

ocr page 128

J16

Bij het onderwerp „biddenquot; „en „godsdienstig vertoonquot; schilderde Hij hun uit het dagelijksch leven gegrepen die soort van vroomheid, die van de menschen gezien wil worden. Het was toen als tegenwoordig bij de Mohammedanen in het Heilige Land. Als het uur des gebeds geslagen heeft, doet de Mohammedaan zijn gebed, waar hij ook zijn moge; — op een weg, op de markt, in de bazar te midden van koopers en verkoopers. Hij spreidt zijnen mantel of gebedskleed uit op den grond, knielt neder, breidt zijn armen uit, neigt het aangezicht ter aarde en mompelt zijn eentonig gebed. Hij meent, dat de lange gebeden bij God een goed verhoor zullen vinden en verheugt er zich bovendien over, dat de menschen zien, hoe vroom hij is. Bij vele Joden, voornamelijk bij de Farizeën, moet het toenmaals evenzoo geweest zijn. Niet tevergeefs vermaant daarom de Heer: „ Wanneer gvj bidt. doet niet gelijk de heidenen, die meenen, dat zij verhoord zullen worden, als zyj vele woorden gebruiken, — of gelijk de geveinsden, die gaarne in de synagogen en op de hoeken der straten bidden, opdat zij van de menschen gezien worden. Maar gij, als gij bidt, zoo gaat in moe binnenkamer en de deur gesloten hebbende bidt uwen Vader, die in het verborgen is!quot;

Op gelijke wijze staat het bij de Mohammedanen met het vasten. In de maand der vasten. Ramadan, is elke Muzelman er op gesteld, dat gezien worde, hoeveel hij voor zijn godsdienst overheeft, waarom hij, zoolang de zon schijnt niets eet en zelfs bij de grootste hitte zijn brandenden dorst met geen enkelen teug water lescht. De vervulling van dezen plicht maakt hem niet alleen tevreden over zijn voortreffelijken inwendigen toestand, maar hij gelooft daarmede den almachtigen God bijzonder voldaan te hebben. Volkomen zoo beschouwden vele Joden hunne wetten op het vasten. Hunne vertooningen moesten hun de getuigenis van bijzondere vroomheid geven. Daarom zegt Jezus: „Wanneer gij vast, toont geen droevig gelaat, gelijk de geveinsden, want zij mismaken hunne aangezichten, opdat zij van de menschen mogen gezien worden, als zij vasten. Maar, als gij vast, zalft uw

ocr page 129

117

lioofd en wascht uw aangezicht, opdat het van de menschen niet gezien worde, dat gij vast, maar van uwen Vader, die in het verborgen is.quot; Dit wasschen van het aangezicht wijst nog op een ander gebruik. In het Heilige Land is het nog heden gebruikelijk, in dagen van rouw, het aangezicht ongewasschen te laten. De 40 rouwdagen in het Oude Testament aangegeven, worden heden nog gehandhaafd en men loopt gedurende al dien tijd met ongewasschen lichaam en met kleederen, die door het rouwgebruik, om stof en asch op het hoofd te werpen, een droevig en morsig voorkomen geven. Maar men doet meer. Bij een sterfgeval wordt van den ketel het roet genomen, waarmede men dan aangezicht en armen besmeert als teeken van rouw. Aldus gaat men ter begrafenis. Om deze handeling is het begrip „zwart, vuilquot; zoo dikwijls van gelijke beteekenis met „treurig.quot; De Hebreeuwsche taalkenners weten dan ook dat godèr d. i. de „Vuilequot; door „de treurendequot; moet worden vertaald. (Ps. XXXV ; 14; XXXVIII : 7; XLII : 10 enz.) Dit heeft zijnen grond niet in de zwarte kleur der kleederen maar in de zeden en gewoonten, boven vermeld. De Heer nu, zonder de uiterlijke vormen te verwerpen, verwijst dezen naar de verborgenheid der binnenkamer om er waarde aan toe te kennen. „Zalft 1) uw hoofd en ivascht uw aangezicht, opdat het van de menschen niet gezien worde, dat ge vast!quot;

Ook het bekende woord: „Vergadert u geene schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft en waar de dieven doorgraven en stelenquot; is alleen verstaanbaar door de bestaande toestanden. Met de mot wordt niet bedoeld de kleedermot, maar een zeer kleine kever, nog heden ten dage de grootste vijand van alle korenhandelaren in Palestina. Reeds is gezegd, dat het koren in schuren en kelders bewaard wordt. Komen de kevertjes (motten) in het graan, dan is het uit met den geborgen schat.

De uitdrukking roest moet ook anders worden opgevat dan gewoonlijk, waarbij men aan ijzer moet denken. Het Grieksche

1) „Zalvenquot; Zie „Kent gij het land:quot; hoofdstuk „I.aud en akkerbouw.\'

ocr page 130

118

woord broste beteekent veelmeer „invretenquot; en heeft in den meest uitgebreiden zin de beteekenis van vernietigen van alle aardsche voorwerpen. Wij zouden zeggen: „de tand des tijds.quot; De Heer wendt zich dus niet alleen tot de rijken der aarde, niet tot de korenhandelaren, maar tot alle aanwezigen en herinnert hun, dat de tand des tijds alles, wat schoon en begeerlijk is, aantast en vernietigt. Daarom: „Maakt u eene schat, die niet afneemt, in de hemelen!quot; (Luk. XII : 33.)

Nog eene andere vergelijking knoopte Jezus vast aan de win-terkleeding, die sommigen in Februari nog wel dragen. Een mantel van schapevacht wordt dan, al naar gelang van het weder met de wol binnen- of buitenwaarts omgehangen. De meer gegoeden laten gewoonlijk de binnenzijde van de vacht overtrekken met gekleurde zijde of eenige andere stof.

Nu had de Hooge Raad zeer waarschijnlijk reeds spionnen naar Jezus afgezonden en zag Hij hunne loerende blikken te midden der hoorders. Zij behoorden tot de aanzienlijksten onder de Schriftgeleerden en namen eenigszins de houding aan van profeten, ten einde het volk te waarschuwen tegen de misleidingen van Jezus. Toen nu de Heer hen daar zag staan, gekleed in de vacht van het zachtzinnige schaap, met een vroom uiterlijk, alsof zij door Hem wilden onderwezen worden, trof Hem des te meer het contrast tusschen hun onschuldig kleed en de wolfsnatuur, die zij daarachter verborgden. Daarom sprak Hij: „Wacht u voor hen! zij komen in schaapskleederen tot u, maar van binnen zijn zij grijpende wolven!quot; Aan hunne vruchten zult gij hen kermen, niet aan hun uiterlijk.

Vele gelijksoortige voorbeelden uit de bergrede, zouden nog kunnen worden aangevoerd. Maar de aanhalingen bewijzen voldoende, dat de Heer Zijne vergelijkingen aan het dagelijksch leven ontleende en de toepassing kort en practisch maakte.

En juist deze eigenaardige manier van spreken over zulke belangrijke onderwerpen van diepen zin, greep het volk zoo onwederstaanbaar aan. De Schriftgeleerden hadden de gewoonte

ocr page 131

119

de godsdienstige behoeften des volks te gemoet te treden met uitleggingen van ceremoniën, uitwendige vormen over reinigingsoffer en belastingwetten. Natuurlijk bleef het hart en het geweten daarbij koud. Dit was nu eens gezond voedsel, — dit verklaren der wet in hare diepte door den Wetgever zeiven, — zoo vrij en oppermacntig, dat menige uitwendigheid der wet voortaan bijzaak was en toch te gelijker tijd zoo rein en zoo duidelijk de kern der wet te zien gevende, dat Hij met recht kon verklaren, dat met Zijne toelichting geen tittel of jota der wet werd te niet gedaan. Dit was een liefdevol en ernstig ingaan in de innerlijke behoeften van hart en geweten aangaande de dingen, die het menschenhart dagelijks in beweging brengen. Dit gevoelde het volk en daarom maakte de rede van Jezus zulk een diepen indruk.

Maar er was meer. Jezus had er zich voor gewacht, zich in Zijne rede den Messias te noemen. Aan dezen naam waren nu eenmaal bij het volk begrippen verbonden, zeer verschillend van die betreffende hetgeen Jezus was en zijn wilde. Maar wat betee-kende de naam? De zaak zelve had Hij duidelijk aangegeven. Had Hij niet aan het slot Zijner rede telkens meer klemmend Zijn eigene Persoon gemaakt tot middelpunt van alles! Hoe verwonderd was het volk, toen Hij met den ernst, die Hem eigen was, de hoop der zaligheid voor een ieder hunner, — persoonlijk, — afhankelijk stelde van de betrekking, die er bestond tusschen hen en Hemzelven! Kalm, als sprak het van zelf en alsof Hij zat niet op een rotspunt maar op den majestueuzen Troon des wereldrichters, zeide Hij: „Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen naam geprofeteerd en vele krachten gedaan? Dan zal Ik hun aanzeggen; Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid!quot; En een gevoel van ontzag en heilig ontwaken beving de schare, toen Hij. die door Zijne wonderdaden reeds bewezen had, dat achter die machtige woorden onbeperkte macht verborgen was, met krachtige stem Zijne rede aldus besloot: „Een iegelijk dan, die

ocr page 132

120

deze Mijne woorden hoort-, en ze niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft. En de slagregen is neergevallen en de waterstroo-men zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangeslagen en het is gevallen en zijn val was groot!quot;

Toen Jezus geëindigd had, heerschte een diep stilzwijgen. „Het volk ontzette zich over Zijne leer.quot; Eindelijk openbaarde zich de ontzetting in woorden. De grootheid Zijner wonderen vóór de prediking vergat men wegens de grootheid Zijner rede. Luide sprak het volk het uit zoo iets nog nimmer te hebben gehoord, ja, dat Hij sprak „als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden.quot;

WERKZAAMHEID IN GALILEA.

Eeeds zagen wij, dat Jezus na de afwijzing van Zijn eerste koninklijk optreden op het Paaschfeest te Jeruzalem Zijn program wijzigde en nu voornemens was de drie Joodsche provinciën Judea. Galilea en Perea beurtelings te bezoeken. Men moest Hem eerst overal aan alle plaatsen kennen. Eerst dan, wanneer men in staat zou zijn uit eigene ondervinding eene persoonlijke overtuiging aangaande Hem te hebben, zou nog eenmaal, op een der hoo-ge feesten, op beslissende wijze het voor of tegen Hem moeten blijken. Hierdoor was Zijn plan voor Galilea afgebakend. Evenals het vorige jaar in Judea, trok Hij nu, na de bergrede, door de provincie Galilea van stad tot stad, van dorp tot dorp.

Maar ook hier liet men Hem niet ongemoeid. De oversten des volks in Jeruzalem, wakker geschrikt door den roep Zijner daden in Galilea, lieten Hem door hunne boodschappers achtervolgen. Minder dan ooit, was iets te bespeuren van teruggang in de groote volksbeweging, door de prediking van den Dooper ontstaan. Jezus\' optreden was oorzaak, dat zij zich op nog veel kracitiger wijze uitbreidde. Wat zou Hij wel in het schild voeren ? Wel is waar onthield Hij zich van elke poging om Zijne macht te vestigen. Maar, als Zijn aanhang van dag tot dag grooter werd, kon

ocr page 133

121

dit dan uitblijven? Nog herinnerden 74] zich den dag, toen Hij als een koninklijk gebieder den tempel was binnengetreden en zich had verstout aldaar bevelen te geven, alsof zii zelve ei niet waren. Toen lieten zij Hem door hunne afgezanten scherp in het oog houden en op geslepen wijze bestrijden. Wonderdaden echter konden niet geloochend worden. Deze spraken te duidelijk voor zichzelve. Toch gelukte het hun Zijn aanzien te verminderen en Hem verdacht te maken door als pleitbezorgers ■der aloude nationale wetgeving Jezus in de oogen des volks te brandmerken als een goddeloozen verachter der Mozaïsche wetten, toen Hij op den Sabbat genezingen had verricht.

Jezus zag en doorgrondde deze spionnen wel, maar bekommerde zich schijnbaar niet om hen. Zonder te wijken vervolgde Hij Zijnen weg. Zonder nieuwe aanleiding bond Hij den strijd met hen niet aan. Traden zij echter op met hunne spitsvondigheden, •dan versloeg Hij hen zoo volkomen, dat zij zwegen. Hij gaf hun niet de minste aanleiding tot het vermoeden, dat Hij zich met de macht wilde bekleeden. Niets hadden zij liever gewenscht dan dit, wat ook door vriend en vijand verwacht werd zoozeer zelfs, dat wij spoedig zullen zien, dat Zijne beste vrienden zich .aan Hem ergerden, omdat Hij niet een beslissenden stap deed om de geheele natie rondom Zijnen Persoon te vereenigen.

Jezus ging kalm en zeker Zijn weg. Hij predikte in het geheele land, nu in synagogen dan in de open lucht. En om Zijne prediking kracht bij te zetten, stond Zijn hemelsche Vader Hem ter zijde door Hem daden te doen volbrengen, die aan eiken onbevooroordeelde Zijne goddelijke zending moesten bevestigen.

Hoe gemakkelijk was het voor de Galileërs in Hem te geloo-venl Elke stad, elk dorp moest toch wel onder hare bewoners iemand hebben, die door Jezus genezen was en die als een levend getuige Zijner goddelijke almacht, dagelijks werd gezien en in eene prediking zonder woorden van Hem getuigde.

Wij kunnen ons niet bezig houden met elk wonder afzonderlijk. Eén echter zullen wij behandelen, omdat dit in meer dan

ocr page 134

122

één opzicht van invloed was* op de volgende gebeurtenissen en daarop een helder licht werpt, n.1. de opivekking van den jovgélinff te Naïn. Deze gebeurtenis is voorzeker het hoogtepunt der eerste periode van Jezus\' werkzaamheid in Galilea. Deze opwekking moet, zooals blijken zal, hebben plaats gehad in de eerste zes-weken, waarmede wij ons in dit hoofdstuk bezig houden. Lukasr die in het algemeen de opvolging der gebeurtenissen het meest nauwkeurig beschriift, verhaalt ons na de Bergrede slechts de geschiedenis van den dienstknecht des hoofdmans te Kapernaüm en gaat dan dadelijk over tot de opwekking te Naïn. Ook lag Naïn Zuidelijk in de richting van Zijnen weg naar Jeruzalem, dat Jezus voornemens was omstreeks half Maart te bezoeken.

Naïn is slechts eene dagreize van Kapernaüm verwijderd. Het volk verkeerde nog in de eerste opgewondenheid. Daarom volgde het Jezus in grooten getale, toen Hij Zuidwaarts optrok. Vóór de bergrede had het Zijne wonderdaden, met betrekking tot het groote aantal genezingen, in de rijkste verscheidenheid aanschouwd. Hier te Naïn zou het slechts eene daad zien, maar deze ééne zou de vorige op ongeloofelijke wijze overtreffen.

De Evangelist voert ons in deze stad het huis binnen van eene weduwe. Eenmaal had zij in dit huis gelukkige dagen doorleefd aan de zijde van een beminden echtgenoot. Hier had zij haar eerste en eenigste kind aan het hart gedrukt. Maar de kwade dagen waren gekomen. De dood was hare woning binnengetreden en had den geliefden man van hare zijde weggerukt. Een troost was haar gebleven: haar kind, haar eenige zoon.

En nu was ook deze zoon haar ontnomen. Een eenig kind is als een eenig oog. Als dit zich sluit, is het nacht. Nacht was het in het hart der weduwe, toen, naar Oostersch gebruik, de lange lijkstoet nog op den sterfdag zich grafwaarts bewoog. De begraafplaats van Naïn bevond zich, volgens nog bestaande aanwijzingen, ten Oosten der stad op den weg naar Endor. dat nog heden denzelfden naam draagt. Op den weg derwaarts staat, ter herinnering aan de opwekking van den jongeling, een kerkje. Langs

ocr page 135

123

dezen weg nu, ging de stoet voort. De geheele stad trok mede. Vooraan droegen vrienden en betrekkingen het lijk des jongelings, zonder doodkist, op een draagbaar. Het was in linnen gewikkeld, maar het bleeks gelaat was onbedekt. De moeder volgde.

Zij was zoo verzonken in hare droefheid, dat zij niet bemerkte, dat even buiten de poort een stoet, grooter dan de lijkstatie, deze ontmoette. Aan het hoofd van den tweeden stoet ging een man van jeugdig voorkomen. Het was Jezus. Achter Hem kwamen Zijne jongeren en eene groote menigte volks. Jezus had den lijkstoet reeds van verre gezien. Nu ziet Hij de weduwe. Haar smart doorsnijdt Hem het harte. Een blik naar Boven en een antwoord van Zijn hemelschen Vader, zegt Hem, waarom Hij juist nu bi] die beide volksverzamelingen dezen doode moet ontmoeten. Hij trad op de weduwe toe, en met die stem, die zoo machtigen invloed oefende op de menschen, zegt Hij: „Ween niet!quot; Nog zag zij Hem vragend aan, vol bangen twijfel, toen Jezus reeds op de dragers toetrad en de baar aanraakte. Verrast staan de dragers stil. De gebiedende verhevenheid van blik en houding, de omstandigheid, dat Hij gaat aan het hoofd van een zeer grooten stoet, dwingt hen tot gehoorzamen. Zij zetten de baar neder-Verwonderd staan beide scharen stil, de eene achter den dood, „den koning der verschrikkingquot;, de andere achter Jezus, „den Koning des levens.quot; Men hoort Jezus spreken. Onder het adem-looze stilzwijgen van al het volk, spreekt Hij met majestueuze kalmte: „Jongeling, Ik zeg u, sta op!quot; En niet alleen heeft de luisterende menigte het woord verstaan van den Man, die macht schijnt te hebben ook aan gene zijde des grafs, maar ook hij, tot wien het gericht is. De doode ontwaakte. De groote, donkere oogen in het jeugdige voorhoofd openen zich. Hi] zit overeind, ziet weder de liefelijke zon, ziet Jezus aan en begint te spreken. Met koninklijke vriendelijkheid neemt de Vorst des levens den jongeling bij de hand en geeft hem aan zijne moeder weder. Zij kan hare oogen niet gelooven — en werpt zich met een kreet van blijde verrassing aan zijn borst.

ocr page 136

124

Vol verbazing had het volk toegezien. Zij vroegen zich af, of zij droomden of waakten. Is het wonder, als de Evangelist zegt, dat na dit wonder, dat onder hunne oogen geschiedde, een vree-ze hen beving in de tegenwoordigheid van dezen geheel eenigen Man? Het was een van die oogenblikken, waarin allen God verheerlijkten, zeggende: „Een profeet is onder ons opgestaan en God heeft Zijn volk bezocht!quot; (Luk. VII : 16.)

Dit was het wonder, dat alle andere uit dien eersten Galilee-schen tijd de kroon opzette. Welke strekking had het ? De woorden, bij het bericht van den dood van Lazarus, door Jezus gesproken, werpen ook over deze geschiedenis het rechte licht. Toen zeide Hij: „Deze krankheid is niet tot den dood, maar tot heerlijkheid Gods; opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde!quot; (Joh. XI: 4.) Ook de jongeling te Naïn was niet gestorven, om zoo te zeggen, door eene vergissing der Voorzienigheid, welke Jezus in een oogenblik van medelijden weder herstelde. Maar deze krankheid was, naar het voornemen van Gods raad, niet tot den dood, maar moest dienen tot verheerlijking van Gods Zoon. Deze opwekking was niet om de moeder, niet om den jongeling, niet voor gansch Naïn en de beide volksmenigten alléén, maar zij was eene machtige prediking zonder woorden, waarmede de hemelsche Vader tot het gansche volk Israels sprak; „Deze is Mijn geliefde Zoon, in welken Ik Mijn welbehagen heb!quot; Zooals Jezus in Zijne prediking te Jeruzalem het uitdrukte, waren er steeds twee, die predikten: Hij met uitwendig verstaanbare woorden en Zjn Hemelsche Vader, die door Hem sprak in verhevene daden. Wie deze dubbele getuigenis niet geloofde, kon zich niet verontschuldigen. Eene prediking van den Vader door den Zoon, krachtiger en duidelijker dan die van heden, was niet denkbaar, want van eene die verhevener was, ja, van de allerhoogste prediking die zou worden gehouden op Golgotha en in den hof van Jozef van Ari-mathea, daarvan had toen nog niemand eenig voorgevoel.

Deze ongehoorde daad van Jezus maakte den diepsten indruk in geheel Israel. Aller oogen werden meer dan ooit op Jezus ge-

ocr page 137

125

vestigd. Van dit wonder alleen bericht Lukas uitdrukkelijk, c\'at het niet slechts in geheel Galilea dagelijks besproken werd, maar dat het gerucht tot ver over de grenzen drong, in het verwijderde Judea, Jeruzalem en in alle omliggende landen. Het volgende hoofdstuk zal ons leeren. dat de roep er van zich uitstrekte tot het verre gebergte van Moab, zelfs tot achter de burchtmuren der vesting Macherus, waarachter Johannes de Doo-per gevangen zat, en wij zullen zien welken indruk dit bericht op den Dooper maakte.

Nog in een ander opzicht is deze daad van groote beteekenis. Jezus zelf, maakte uit Zijne jjrediking met alle duidelijkheid en kracht de gevolgtrekkingen, met name in de hoofdstad Jeruzalem zelve. Het is niet als bij toeval, dat ons uitdrukkelijk wordt medegedeeld, dat de roep over deze wonderdaad juist in het verwijderde Judea een zoo diepen indruk maakte. Onbewust geeft Lukas ons daarmede den sleutel voor de rede, die Jezus weinige dagen later in den tempelhof te Jeruzalem hield. Jezus begaf zich daarheen, wellicht onmiddellijk na het wonder te Naïn. Nogmaals is het de evangelist Johannes alleen, die van deze reis spreekt. Jezus zond de Apostelen door Galilea om de blijde boodschap te verkondigen. Waar bleef Hij zelf intusschen ? Het antwoord ligt voor de hand: Hij reisde alléén naar Jeruzalem. Slechts Johannes, die in zijn vijfde hoofdstuk «en zoo nauwkeurig bericht van deze reis geeft, schijnt Hem te hebben vergezeld. Het feest, in Joh. V genoemd, was het Purimfeest, dat half Maart gevierd werd. De opwekking te Naïn moet kort voor dit feest hebben plaats gehad, want het geheele vijfde hoofdstuk is een echo van hetgeen te Naïn was geschied. Eerst daardoor, dat Jezus veertien dagen te voren, ten aanschouwen van een groote menigte getuigen een doode had opgewekt, verkregen Zijne woorden op dit feest voor Zijne tijdgenooten eene zoo groote kracht en verpletterende overtuiging, toen Hij daar in Jeruzalem, in verschillende uitspraken altijd weer tot het verzamelde volk sprak: „Voorwaar, zeg Ik u, de ure komt en is nu, wanneer

ocr page 138

126

de dooden zullen hooren de stem des Zoons G-ods en die ze gehoord hebben zullen leven. Want de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, Zijne stem zullen hooren. En zij zullen uitgaan!quot; (Joh. V : 21 — 29.)

Voor het eerst hooren wij hier Jezus op de oude tempelplaats eene uitvoerige leerrede houden. Voor het eerst zien wij Hem alle middelen van bewijsvoering gebruiken om aan het feestvierend Israel te zeggen, wie Hij is. Hij wijst op het getuigenis van den Dooper. Het volk vereerde dezen grooten man, algemeen als profeet erkend, als een heilige. Reeds straalde de martelaarskroon op zijn hoofd. In de burcht Macherus, die van de tempelplaats, waar Jezus sprak, te zien was, smachtte hij achter kerkermuren. Nu hij van hen was weggenomen, herinnerden zij zich opnieuw zoo menig ernstig woord, door hem aan de Jordaan tot hen gesproken. En konden zij nu wel aan Johannes denken, zonder er aan herinnerd te worden, dat deze steeds zijn getuigenis eindigde met de betuiging, dat deze Jezus de lang Verwachte was? Jezus verzuimde dan ook niet, de herinnering aan dat getuigenis steeds levendig te houden: „Gijlieden hebt tot Johannes gezonden en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven,quot; dat ik de verwachte ben. (Joh. V : 33.) „Maar,quot; vervolgt Hij, Zijn meest klemmenden bewijsgrond aanvoerende, „Ik heb eene getuigenis meerder dan die van Johannes; want de werken (b.v. die in Naïn), die Mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mijquot; (Joh. V : 36). En eindelijk gaat Hij over tot dat bewijs, dat ook steeds een hoofdpunt is van Zijn onderricht aan Zijne jongeren, nameliik aan te toonen, dat het Oude Testament slechts wees op Hem alleen. Het geheim, dat Hem omzweefde, ontvouwde Hij ten duidelijkste. Openlijk noemde Hij zich Gods Zoon. Zoo onomwonden had Hij nog nimmer gesproken. Den Messiasnaam echter vermeed Hij ook nu zorgvuldig, maar de nieuwe openbaringen overtroffen verre de stoutste verwachtingen, die de oude profeten ooit van eenen Messias had-

ocr page 139

127

den gekoesterd. En wie aan Zijne daden dacht, die in Naïn wel hun toppunt hadden bereikt, moest ook het onbegrijpelijke uit Zijnen mond voor geloofwaardig houden.

Welk een resultaat had deze feestreize? Voor het eerst komt ■de gedachte op Hem te dooden! Reeds Zijne vrije beschouwing over den Sabbat in Galilea en nu te Jeruzalem (Joh. V : 16) had •den eersten stoot gegeven om deze gedachte, maar om dieper liggende redenen, - bij de overpriesters te doen opkomen. Voor ■de verhevenste daden door Hem verricht, hadden zij geen oog. Evenals Shylock hielden zij vast aan hun vermeend recht: schending van de Mozaïsche wet betreffende den Sabbat. Maar toen Jezus ter verdediging Zijner genezing op den Sabbat God Zijn Vader noemde en zichzelven Gods Zoon, toen was Zijn lot in hunne harten beslist. „Hij maakt zichzelven Gode even gelijk.quot; (Joh. V ; 18.) Nu moet Hij sterven. De voltrekking van Zijn doodvonnis was nog slechts een kwestie van tijd. (Joh. V: 16—18.)

Niemand zag dit duidelijker in, dan Jezus zelf. Van nu aan zou •elk feest meer duidelijk doen uitkomen de verhouding van het volk tot Hem, totdat het uur sloeg, dat Hij de dingen hun loop liet. Zijne ure was nog niet gekomen d. i. nog was Zijn werk niet afgedaan, dat Hij eerst volbrengen moest. Nog had Hij gansch Israel niet de gelegenheid gegeven Hem van nabij te leeren kennen, opdat het bij het gericht op Golgotha een gevestigde, geldige stem zou kunnen uitbrengen. Ook waren Zijne ■eerst voor een maand beroepen Apostelen nog niet voorbereid op den laatsten zwaren slag. In dezen zomer zullen wij nog zien, hoe Hij met hen in de eenzaamheid gaat om hen te spreken over het moeielijkste onderwerp; het kruis, dat zij zelfs op den paaschmorgen nog niet begrepen. Voorloopig dus reisde Jezus na het korte bezoek te Jeruzalem terug naar Galilea, waar Hij de terugkomst der Apostelen van hun eersten predik-.tocht afwachtte.

ocr page 140

GEVANGENSCHAP EN DOOD DES DOOPERS.

Omstreeks Februari van het 34ste jaar na de geboorte van Jezus trok een gewapende stoet door het diepe dal, dat de Jor-daan doorstroomt. De ruiters hadden een gevangene in hun midden. Zij kwamen uit de residentie van den Tetrarch Herodes, Sep-phoris in Galilea, of wel, — daar het nog in den winter was. de trotsche vesting Macherus. Naar hunne kleeding te oordeelen waren zij in dienst van Herodes Antipas, die over het tweelingrijk, Galilea en Perea, heerschte. De gevangene, een krachtvol man van vastberaden uiterlijk en onversaagden blik, liep zwijgend

Het plaatje geeft te aanschouwen de monding van de Jordaan, wier oever met drijfhout bedekt is. Op den achtergrond de voorgebergten van Perea, die Johannes op weg naar Macherus moest overtrekken.

ocr page 141

129

in hun midden. Hij droeg, naar het gebruik der bewoners van de Zuidelijke hergwoestijn, over het hemd een ruw bewerkt kleed van kemelshaar, door een lederen riem om het lijf vastgehouden. Donkere oogen, den Israeliet eigen, blikten uit het aangezicht van den ongeveer dertigjarigen man. De gevangene scheen in dit dal zich wel thuis te gevoelen. Het was Johannes de Dooper.

Hoe was hij in dezen toestand geraakt? Slechts een korte werkzaamheid was dezen grooten man toebedeeld, kort voor het optreden van Jezus had hij zijne prediking begonnen, die eene beweging in het leven had geroepen, die geheel Israel van Noord tot Zuid had aangegrepen. Nu reeds, na weinig langer dan een jaar, was zijn arbeid ten einde. „Hij was,quot; zegt Jezus, „eene brandende en lichtende kaars, en gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen!quot; (Joh. V : 35.) Ook Jezus arbeidde nog eenigen tijd gelijktijdig met Johannes aan de oevers van de Jordaan en doopte.

De werkzaamheid van Johannes droeg later een ander karakter dan een jaar te voren. Toen predikte hij van den toekom-stigen Koning, thans van Hem, die gekomen was. Reeds in Maart had hij Hem persoonlijk aan het volk voorgesteld. Reeds in April was Jezus opgegaan naar Jeruzalem om op het Paasch-feest Zijne koninklijke aanspraken te doen gelden. Reeds schaarde zich het volk, in toenemend getal, rondom zijnen Messias. En als Johannes thans doopte, dan verbond hij daaraan eene persoonlijke aanduiding van Jezus. Van eene reiniging van zonde, de eigenlijke beteekenis van den doop, kon thans geen sprake meer zijn zonder alle hoop te vestigen op den Redder, of gelijk Johannes dit het liefst uitdrukte, op het „Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.quot; Alzoo verwees Johannes eiken doo-peling naar Jezus. Zoodoende werd de drang tot Jezus en Zijnen doop steeds grooter. Bovendien was de prediking van Jezus veel machtiger dan die van Johannes. Ook Jezus had, evenals Zijn voorlooper, den doop in de eerste plaats doen zijn een uiterlijk teeken om te worden opgenomen onder de jongeren. Na Zijne

9

ocr page 142

130

prediking traden velen, die aangegrepen waren, toe en verzochten gedoopt te worden. En de jongeren, waarvan Jezus aan het einde dier „vier dagen aan de Jordaanquot; er reeds vijf had uitverkoren, begaven zich met de doopelingen naar den stroom en doopten hen in den naam van hun predikenden Heer. (Joh. IV: 2.) Aan twee plaatsen hoofdzakelijk hadden uitgebreide doopplechtigheden plaats. Hoe grooter de volksverzamelingen rondom Jezus werden, hoe meer Johannes daarin zag het heerlijkste resultaat van zijn eigenlijke levensroeping. De jongeren van Johannes, die in zijn gevolg bleven, waren er jaloersch van, maar Johannes zelf verblijde zich om de stem des bruidegoms.quot; 1)

Johannes was te Aenon gekomen, in het gebied van den Tetrarch Herodes Antipas. Volgens Jozephus kwam het dezen vorst, een echten Herodes, verdacht voor, dat Johannes zoo grooten invloed bij het volk verkreeg. Ondanks den grooten toeloop naar Jezus, had ook hij nog grooten aanhang. „Johannes/\' zegt Jozephus, „was een man, die de Joden vermaande deugdzaam te zijn, onderlinge rechtvaardigheid en vroomheid jegens God te oefenen en alzoo ten doop te komen. Alsdan zou hun doop Grode welgevallig zijn, als zij zich dien lieten toedienen tot reiniging des lichaams, in zooverre al reeds vroeger de ziel door gerechtigheid gereinigd was. Het volk aangegrepen door zijne woorden, stroomde tot hem. De menschen waren bereid op zijnen raad alles te doen. Daarom vreesde Herodes, dat zijn groot aanzien bij het volk, hen tot een revolutie zou kunnen vosren. Dit willende voorkomen, liet hij hem gebonden naar de vesting Macherus voeren.quot; Het was voor Herodes niet moeielijk, den Dooper in zijne macht te krijgen. Het was in Januari, da t men den gevangene tot hem bracht. Intusschen gevoelde hij zich wel te moede, toen hij begreep, dat Johannes slechts tot reinheid van zeden en een heiligen wandel aanspoorde en hij dus uit een staatkundig oogpunt niet gevaarlijk was. Maar Johannes was niet alleen „een stem des roependen in de woestijnquot; maar ook in

1) Zie Schneller „Kent gij het landV\' hoofdstuk „Bruiloften.quot;

ocr page 143

131

het vorstelijke paleis. Ombeschroomd bestrafte hij den vorst over zijne zonden. Herodes wist, dat Johannes een heilig man was. Daarom vreesde hij hem. (Mark. VI: 20.) Hij liet zich in zooverre overtuigen, dat vele misbruiken aan zijn hof moesten ophouden. Ook had Johannes een stillen bondgenoot in de stem des gewetens van den vorst. Vandaar dat merkwaardige woord van Markus VI: 20 (woordelijk vertaald); „Hij geraakte, toen hij hem hoorde zeer in verlegenheid — en hoorde hem gaarne.quot; Johannes verschoonde ook niet de wondeplek in het privaatleven van Herodes; zijn overspelig samenleven met zijne schoonzuster Herodias. Deze werd bevreesd voor den invloed des Doopers. Keeds nu wilde zij hem dooden, maar zij konde niet. (Mark VI; 16.) Toch wist zij van Herodes te verkrijgen, dat hij den gevaarlijken man voortdurend gevangen hield.

Zoo dan werd Johannes uit het bedrijvige leven gerukt en overgebracht naar de diepe stilte van Macherus\' kerkerhol, een tocht van 4 tot 5 dagen. Van den Noordkant der Doode Zee naderden zij de bergen der Belka. Daar verrees de Nebo, van wiens kruin Mozes eenmaal nederzag in het Beloofde Land. Sinds dien tijd was er veel gebeurd. De Profeet, dien Mozes had aangekondigd ivas gekomen. Maar hij, Johannes, werd ingekerkerd. Aan gene zijde van den Nebo kwamen zij aan de monding van de Kallirrhoë, die uit een diepe kloof bruisend voortspringt en zijn zoetwatermassa in de Doode Zee uitstort. Hier is de eenige plek, ver in het rond, waar zoet drinkwater wordt gevonden, waarom de reizigers hier gaarne zich neerzetten, ook om te overnachten. Hier blijkt de onjuistheid der beschrijvingen, die de omgeving van de Doode Zee maken tot eene plaats van vloek en verschrikking. In de lente, — en Februari is daar beneden reeds een lentemaand, — vertoont zich hier een tropische pracht. Het reisgezelschap, met Johannes den Dooper, zal hier ook wel zijn nachtkwartier hebben opgeslagen. Daar zat Johannes, de laatste en de grootste onder de profeten van Israel, in den duisteren nacht aan de eenzame, zwijgende oevers der Doode

ocr page 144

132

Zee. In zijne gedachten blikte hij over het donkere water, waarachter de welbekende bergen zijner kindsheid lagen, waarop Juda gelegen was. En zijne gedachten keerden terug naar lang ver-vlogene dagen.

Den volgenden morgen beklom men langs gevaarlijke rotsen het gebergte en bereikte eindeliik over zuiver vulkanisch gebied den Machérus. De naam der vesting is nog heden bewaard in Mukdur. Hier was de gevangenis van Johannes. Hoewel in de vesting opgesloten, schijnt hem toch eenige vrije beweging te zijn gelaten; althans met zijne discipelen onderhield hij een onbeperkt verkeer.

Hoe schoon, hoe\'trotsch, hoe hoog lag daar de oude Macherus! Zelfs koningen verwijlden hier gaarne om het verrukkelijk natuurschoon. Als Johannes uitzag naar het quot;Westen, dan breidde het geheele land van Judea zich voor hem uit als een landkaart. Daar lag zijn geliefd „heilig landquot; voor hem, als een troonzaal, waar de Eeuwige zich nederzette, waar ten minste de voetbank Zijner voeten was. Door eene opening tusschen den ver verwijderden Olijfberg en zijn Zuidelijken buurman, zag hij (gelijk nog heden) verre, zeer verre, op drie dagreizen afstands, de heilige stad Jeruzalem met haren tempel, waarin eens zijne geboorte zijnen vader werd aangekondigd. En ginds, slechts twee uren Zuidwaarts, zag hij duidelijk, hoog op het gebergte, het vriendelijke stadje Bethlehem, waar voor ruim 30 jaren Jezus geboren werd uit Maria, de vriendin zijner moeder. En nog iets meer Zuidelijk zag hij de bergen van Juta, waar hij geboren en opgevoed was. Meer van nabij rustte zijn oog op de heuvelen dei-woestijn, in welker eenzaamheid hij zoo „gelukkig, zonder verdrietquot; geleefd had, totdat zijn ambt hem had geleid in het Jordaandal, dat hij ginds in de diepte, aan de rechterzijde, aanschouwde. Alzoo dan schouwde de laatste profeet van Israel, alvorens te sterven, neer op het Heilige Land, van dezelfde bergen af, waar voor 1500 jaren de eerste profeet van Israel, de man Gods, Mozes, van den top van den Nebo vóór zijnen dood een blik had mogen slaan in het beloofde land.

ocr page 145

183

Hier nu liet de Heer den laatsten en grootsten profeet van het Oude Verbond zijn laatste levensdagen doorbrengen; doch hoezeer aan eenzaamheid gewoon, kon hij toch in dezen weg niet tevreden zijn. Met zijn volk had hij gewacht op de vervulling zijner verwachtingen aangaande den verschenen Redder Israels. Hij had gewacht op een teeken om Hem, wiens schoenriemen hij niet waardig was te ontbinden, te volgen ter overwinning. En nu lag hij daar, hij, om wien duizenden zich met gelijke verwachtingen hadden geschaard, eenzaam in de vesting op de Moabietische bergen, — als een arme gevangene, naar wien niemand meer vroeg. Ook Jezus liet niets van zich hooren! Wel drong ook tot hem de roep der wonderdaden door, die Jezus verrichtte. Maar van een beslissende stap, waardoor Deze zich aan de spits van Zijn volk stelde, hoorde men niets.

Op zekeren dag, — het was in de maand Maart, — verspreidde zich door het gansche land, zelfs tot in zijn eenzamen kerker te Macherus, het bericht van een verbazingwekkende, ongehoorde daad van Jezus — de opwekking van den jongeling te Naïn (Luk. VII : 18, 19.) Dit bericht aangaande Zijne heerschappij, zelfs over den dood, versterkte zijn geloof in Jezus. Het was hem echter onbegrijpelijk, dat het volk na deze goddelijke daad, in het openbaar verricht, Hem niet -erkende en aannam als den verwachten Heiland. Even onbegrijpelijk was het hem, dat Jezus zelf, nu de nood der tijden riep om een verlosser, nog altijd naliet, klaar en duidelijk zich als Messias te proclameeren. Als Johannes nu zijne jongeren tot Jezus zendt, is dit niet uit ongeloof, maar uit ongeduld. Reeds vroeger had hij gemeend, als voorlooper te moeten ingrijpen in het ambtelooze leven van Jezus. Hij had Hem aan het volk voorgesteld en bekend gemaakt, en eerst toen trad Jezus openlijk op. Daarom meende hij nu, nogmaals te moeten tusschenbeide komen. Hij meende Jezus, ten aanhooren van het volk, in het openbaar, gelegenheid te moeten geven zich met een krachtig woord als den verwacht wordenden Messias te openbaren. Met het oog hierop besloot hij.

ocr page 146

134

twee van zijne discipelen, die hem getrouw waren gebleven tot in de gevangenis, tot Jezus te zenden.

De beide jongeren vertrokken. Zij gingen langs den zelfden weg, die hun meester onlangs had afgelegd en kwamen te Galilea. Zij deden onderzoek naar de verblijfplaats van Jezus. Deze bevond zich toen op Zijne ons bekende reize door de steden en dorpen der streek. Zij vonden Hem te midden van een grooten volkshoop. Men had namelijk de kranken en ellendigen uit de naburige stad tot Hem gebracht. Hij genas ze alle. Inmiddels kwamen de beide boden van Johannes. Een zoo groote menigte was gunstig voor hun doel. Voor aller oog traden zij op Jezus toe en maakte zich bekend als afgezanten van den Dooper; van den gevangen Dooper! Dit woord maakte op allen den diepsten indruk. Vroeger had men Johannes algemeen voor den Messias gehouden; bij zijne gevangenneming had, volgens Jozephus, een kreet van smart en toorn weerklonken door gansch Israel! En nu vragen die twee mannen, uit naam van den vereerden profeet kort en bondig: „Zijt Gij de Messias, die komen zou, of verwachten wij een anderen?quot;

Aller oogen vestigen zich op Jezus. .EKeromtrent had Hij zich nog nimmer verklaard. Zelfs aan Zijne jongeren had Hij zich nog nimmer als den Messias geopenbaard, totdat zij zelve, door de macht der feiten in verband met de profetie gedrongen, erkenden en verklaarden: „Gij zijt Christus, de Zoon des levenden Gods!quot; Een iegelijk moest tot deze erkenning komen door Zijn karakter. Zijne woorden, Zijne daden, niet door Zijn mondelinge bewering. Aan deze houding, die Hij steeds, zelfs nog tegenover de Emmaüsgangers, volhield, bleef Hij ook hier getrouw. Hij zag met Zijn open gelaat de beide gezanten vriendelijk aan, wees wellicht naar die bergen, waar Zijn vriend gevangen zat, de eenige die Hem had begrepen, degene wiens onverwachte gevangenneming Hem diep had getroffen, en sprak: „Gaat henen en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wan-

ocr page 147

135

delen, de melaatschen gereinigd worden, de dooven hooren, de dooden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt. „En,quot; voegde Hij er bij, „zeg hem ook: zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden!quot;

Vol verbazing zagen de beide mannen de bevestiging van Jezus\' woorden in den breeden kring, die Hem omgaf. De geestdrift, die na de opwekking te Naïn al hooger en hooger was gestegen, greep ook hen aan met overweldigende kracht. Heden zagen zij dingen, die zij van hun eigen meester nimmer gezien hadden. Wel hadden zij er van gehoord. Verheugd spoedden zij zich terug over berg en dal, en brachten het antwoord van Jezus aan den gevangene te Macherus. Zij verhaalden, hoe zij Jezus gevonden hadden nabij een stad in Galilea, hoe Hij omringd was door blinden, lammen, melaatschen, die Hij genezen had, hoe allen aan Zijne lippen hingen en luisterden naar de blijde boodschap van Gods genade en liefde en brachten hem de waarschuwende vermaning over, waarmede Jezus Zijn antwoord had besloten. Met diepe aandoening hoorde Johannes hun bezield verhaal aan en de woorden van Jezus waren hem als de laatste groet, een krachtige geloofsversterking, een straal van hoop op overwinning in zijne eenzame gevangenis.

Niet lang daarna werd in het trotsche bergslot een schitterend feest gevierd. Het was in het begin van April; want het bericht van deze dagen kwam kort voor Paschen Jezus ter oore. Het was de verjaardag van Herodes. Boven in het slot werd vorstelijke pracht en praal tentoongespreid, terwijl daarbeneden de Dooper zat in zijn somber vertrek. De staatslieden en hovelingen van den vorst en de adellijken van zijn rijk waren in de pronkzalen bijeen. Luid klonk de muziek over de bergen en zelfs drong zij door tot den gevangene. Ook werd er gedanst; niet de onschuldige dans der Israelieten, maar de wulpsche dans der Grieksche danseressen. Salome, in \'t bijzonder, de dochter van Herodias, wist door hare sierlijke, zinstrelende bewegingen allen te betooveren, ook Herodes. Terwijl het geheele gezelschap

ocr page 148

136

zijn daverende goedkeuring doet hooren, wil ook hij zijne tevredenheid en bewondering haar betuigen. Natuurlijk moet dit geschieden op koninklijke wijze. In zijn roes belooft hij haar met een eed, elke begeerte te zullen inwilligen, tot zelfs de helft van zijn koninkrijk. Die belofte wil de bevallige danseres niet ongebruikt laten voorbijgaan. Zij trekt zich terug om de zaak te overwegen. Hare moeder, die in deze dagen hier op Macherus, wederom op de onaangenaamste wijze aan Johannes was herinnerd geworden, die het wellicht vernomen had, dat haar „gemaalquot; den ernstigen Dooper wederom had gesproken, gevoelde, dat zij de vruchten van hare kuiperijen en zonden nimmer ongestoord zou kunnen genieten, zoo lang deze man in leven was, wiens bloote aanwezigheid voortdurend een stilzwijgend verwijt was voor Herodes. Nu wil zij deze gelukkige gelegenheid aangrijpen om den lastigen boetprediker uit den weg te ruimen. Hare dochter reikt haar maar al te gewillig de hand. Het natuurlijk medegevoel, dat gewoonlijk het hart der vrouw bijzonder eigen is, doet zich zelfs geen oogenblik in haar binnenste hooren. Zij treedt haastig naar de schitterende zaal terug. De feestgenooten zwijgen. Allen zijn in gespannen verwachting, welke hartewensch door de schoone koningsdochter zal worden uitgesproken. En onder eene ademlooze stilte zegt zij, — bij elk volgend woord vernieuwde ontzetting teweegbrengende en elk woord duidelijk en scherp afgemeten uitsprekende: — ik wil, dat gij mij nu terstond in eene schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooperquot;. Mark. VI: 25.

Herodes verbleekt. Hij begreep terstond, wie de raadgeefster der prinses was geweest. Vele der hooge gasten zullen voorzeker ontzet zijn geweest over dit afschuwelijk verlangen, dat door de toevoeging „in eenen schotelquot; gruwzamen hoon en duivelsche wraak aanduidde. Allen zwijgen echter. En in deze pijnlijke stilte, vreezende door zijn beter gevoel geleid, zichzelven bloot te geven, stiet Herodes alle tegenbedenkingen van zich en gaf het bevel tot onthoofding. Getuigen werden niet gehoord, verdediging niet toegelaten. Rechterlijke uitspraak werd niet gedaan. Een der

ocr page 149

137

lijfknechten werd uitgezonden om het bevel uit te voeren. Ket pleit was spoedig beslecht, de gevangene bevond zich slechts ééne trap lager. Het kleed van kemelshaar was nog zijne kleeding. Hij zag den beul komen. Deze ontblootte zijn zwaard. Johannes zal toen wel hebben gedacht aan Hem, die de droom, de verwachting, de hoop van zijn geheele leven was geweest, voor wien hij geboren was en gewerkt had, aan Jezus, die daar boven in het Noorden dooden opwekte, den armen het Evangelie verkondigde en nog onlangs hem het bekende antwoord zond. Zwijgend bood hij zijn hoofd. Dit werd van de romp gescheiden en aan de onmen-schelijke prinses gebracht, in eenen schotel, als een kostelijk tafelgerecht. De furie, die nog zoo even zoo bevallig en zoo betoove-rend gedanst had, nam het afschuwwekkend gerecht met beide handen aan, terwijl er nog bloed uit het hoofd vloeide. Zij bracht het aan hare moeder, die met wraaklustig oog op het ongekleurde, edele, nog in den dood bestraffende gelaat staarde en op den verstomden mond, die haar nu geene verwijtingen meer doen kon.

De feestvreugde was verdwenen. Van dat oogenblik af werd Herodes dag en nacht vervolgd door de schim van Johannes, dien hij vermoord had. Als hij later van de daden van Jezus hoorde, sidderde hij, geloovende, dat Johannes uit het graf herrezen was. (Matth. XIV ; 2.) Ook had hij geen geluk of goed gesternte meer. Hij verloor rijk en schepter en stierf in ballingschap te Lyon in Frankrijk. De legende zegt, volgens Jozephus, dat zijne ongelukken he-melsche straffen waren voor den moord op Johannes gepleegd.

Dit was het einde des Doopers, die 1 of 2 jaar geleden was opgestaan in de eenzaamheid der woestijn om aan de Jordaan den weg des Heeren te bereiden, — een vroeg afgesneden, jeugdig leven, dat in heiligen ernst en in verblindende reinheid aan Israel was voorbijgetrokken als een schitterende meteoor. Hij was gelijk zijn Meester hem noemde, „een brandende en lichtende kaarsquot; (Joh. V : 35), ja, de grootste van alle menschen-kinderen, die de groote Menschenkenner ontmoet had, of, zooals Deze zich uitdrukte in die merkwaardige woorden, die

ocr page 150

138

als een grafschrift voor Johannes mogen worden aangemerkt: „de grootste onder allen, die van vrouwen geboren zijn!quot; (Matth. XI : 11 — 13.) Niemand beweende hem meer, dan Jezus, die, toen Hij de doodstijding vernam, niet onder de menschen kon blijven, maar alleen naar eene woeste plaats trok. (Matth. XIV : 13.) Zijn leven was met Jezus verbonden geweest van zijne geboorte af. Toch waren zij in hun leven niet veel te zamen. Johannes heeft nimmer een wonder verricht (Joh. X : 14), maar wat de Engel vóór zijne geboorte gezegd had, is in hem vervuld geworden: „Hij zal velen der kinderen Israels bekeer en tot den Heer, hunnen God, en voor Hem heengaan in den geest en de kracht van Elia!quot; (Luk. I : 13—14.) Dat heeft hij gedaan en daarom werd hij door velen uit Israel betreurd en heeft de geschiedschrijver in zijne geschriften een vereerend gedenkteeken voor hem opgericht.

De jongeren van Johannes waren niet tegenwoordig geweest bij zijne terdoodbrenging. Eenzaam was Johannes gestorven gelijk hij meestal eenzaam had geleefd. Toen de treurmare hun ter oore kwam, spoedden zij zich naar de gevangenis en verzochten om het zielloos lichaam van hunnen geliefden meester. Dit werd hun niet geweigerd. Zij namen het lichaam onder bittere tranen op, groeven een graf en legde het ter ruste in de aarde der bergen van Moab. Aldaar is zijn eenzaam graf. Geen steen wijst de plaats aan, zij bleef der wereld onbekend. Maar de winden des hemels waaien er eiken dag overheen, Gods zon beschijnt ze met hare gouden stralen en schoone bloemen bloeien er elke lente opnieuw. En de plaats zijner ruste blikt over de zee naaide verre bergen van Juta, waar hij eens als een dartel kind speelde, waar zijne ouders, Zacharias en Elisabeth, begraven liggen. Het lichaam des Doopers echter slaapt daar in de eenzame wildernis op de bergen van Moab tot den grooten dag der opstanding. Hoewel gestorven leeft hij nog, en op eiken advent treedt hij opnieuw op in ons midden, om jaar op jaar, tot de wederkomst van Christus, voor de gemeente des Heeren zijne adventsprediking te houden.

ocr page 151

IERDERLEI AKKER-GROND.

lükas tui: 4—15.

Ih

.11

li ii.

De gelijkenis van den vierderlei akkergrond verplaatst ons in de tweede helft van de groote werkzaamheid in G-alilea, die Jezus in Februari van het tweede jaar begonnen was. Van den volgenden zomer, van het Purimfeest in Maart (Joh. Y) en de spijziging der vijfduizend in April (Joh. IV : 4) tot op de reis van Jezus naar het Loofhuttenfeest in October (Joh. VII) vinden wij in de ETan-geliën geen bepaalde tijdsaanwijzingen. Gedurende deze tijdruimte moeten wij ons alzoo tevredenstellen met gissingen, die echter aanspraak kunnen maken op benaderde juistheid. Alle zooeven genoemde tijdsaanwijzingen geeft ons de Evangelist Johannes. De andere Evangelisten onthouden zich niet alleen van elke opgaaf van tijd, maar laten de gebeurtenissen uit deze Galilee-sche periode meestal onmiddellijk op elkander volgen, zonder met angstige nauwkeurigheid eenige tijdorde op te geven.

Dat wij ons in den tijd tusschen den voorzomer en den oogst bevinden, bewijzen ons verschillende kleine aanwijzingen in de mededeelingen, gedaan vóór ons Evangelie. Zoo had Jezus b.v.,

ocr page 152

140

volgens Mattheüs, kort na de bergrede, gelijk wij boven gezien hebben, tot aan het Purimfeest in Maart een veelomvattende werkzaamheid geoefend in de steden en dorpen van Galilea (Matth. IX ; 35). Kort daarna zond Hij de Apostelen uit op hun eersten prediktocht (Matth. X). Geschiedde dit, gelijk wij boven zeiden, gedurende het Purimfeest (Joh. V), dan bevinden wij ons in de maand Maart. Op eene onmiddellijk voorafgaande mededeeling van Mattheüs (IX) valt dan ook een bijzonder licht; Jezus namelijk had gedurende Zijne omwandeling door de provincie met innig medelijden de groote herderlooze volkmassa\'s aanschouwd. In Maart vertoonden zich aan Zijn oog op Zijne omwandeling in Galilea de velden overal vruchtdragend. De aren hadden zich gezet en beloofden rijke vrucht. De maaiers zouden spoedig aan het werk moeten. Dit strekte Jezus tot zinnebeeld voor een anderen grooten oogst, die voor Zijne oogen rijpte en evenzeer veel handen vroeg. Daarom zeide Hij: „De oogst is groot. Bidt den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen oogst uitstootte!quot; (Matth. IX : 38.)

Eenige hoofdstukken verder vinden wij in Mattheüs (XII : 1) wederom Jezus, gaande door het gezaaide. Dit moet in Mei geweest zijn, minstens een maand na de spijziging der vijfduizend.quot; 1) Ook nog heden ten dage hebben de bewoners van Palestina de gewoonte, om, zooals wij van de Apostelen lezen, aren te plukken en te eten, als zij door het gezaaide gaan. Dit kan echter niet vroeger zijn dan in Mei of Juni, omdat de aren niet eerder rijp en eetbaar zijn.

Wij mogen dus als juist aannemen, dat de werkzaamheid in Galilea in Februari begonnen, op zijn minst geduurd hee:;t tot Juni. Deze tijd was eenerzijds een tijd van groote gevolgen, grooten bijval onder het volk (Matth. IX : 33), anderzijds echter een tijd van toenemend conüikt met de volksleiders, uit Jeruzalem herwaarts gezonden, en daarmede het begin van afval

1) Volgens Johannes in April.

ocr page 153

141

der menigte (Joh. VI : 66). Mattheüs schildert ons dit van hoofdstuk IX : 34 af, waar zij Zijne wonderdaden toeschriiven aan duivelskunsten, tot de vijandschap en tegenstand het toppunt bereikte en Jezus hun (XII: 31) die vreeselijke waarschuwing en bedreiging doet hooren, betreffende de onvergeeflijkheid hunner zonden. Met deze ernstige strafrede is de overgang tot de gelijkenis gegeven (XIII), die reeds het begin van het gericht is. Gelijkenissen werkten verschillend op de gemoederen der toehoorders : de ontvankelijke harten werden gebracht tot dieper inzicht in de prediking des Heeren; de massa ergerde zich er aan en keerde Jezus den rug toe, „opdat zij met de oogen niet zien, met de ooren niet hooren en met het hart niet verstaan zouden noch zich bekeerenquot; (XIII : 15). Het was het begin van het gericht der verharding. Zijn duidelijke, heldere oproeping tot het ingaan in het Godsrijk door bekeering hadden zij sinds lang vernomen, maar te gelijker tijd meer vergeten. Zij hadden Zijne woorden toegejucht maar alles bij het oude gelaten. Van nu aan wilde Jezus slechts in gelijkenissen tot het volk spreken. Hij sprak ze uit op eenvoudige wijze, zonder er verdere verklaring van te geven. Juist daarin lag het nieuwe, het aantrekkelijke. Zij, wier geweten was aangegrepen door den indruk der goddelijke waarheden, vonden in die wijze van spreken een spoorslag van dieper in den zin door te dringen, en wie ze niet verstond vroeg naar de beteekenis. Des te vaster schoten dan de woorden wortel in de wel toebereide aarde der harten. Bij de anderen evenwel, kwam des te spoediger uit, wat in hun binnenste was, en dat de woorden van Jezus bij hen waren gevallen in platgereden, steenachtige en doornige aarde, zoodat ze geen vruchten voortbrachten. Zonder verder nadenken vonden zij de eenvoudige verhalen van Jezus, hetzij als vanzelf sprekend, hetzij onaannemelijk of wel zonder zin, en meenden zij daarom te meer recht en aanleiding te hebben, zich van Hem af te keeren.

Onze tekst bevat de eerste dier gelijkenissen. Toen Jezus die uitsprak, was Hij wederom te Kapernaüm teruggekeerd. Het was

ocr page 154

142

in Mei of Juni. Zwijgend zat Hij bij de zee. Wellicht zag Hij met Zijne Heilandsoogen op de stad, waarin Hij reeds zooveel had gesproken en verricht en waarvan Hij eenige maanden latei-zoo droevig zeide; „En gij, Kapernaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de helle toe nedergestooten worden; want zoo in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zoude tot op den huidigen dag toe gebleven zijn!quot; (Matth. XI : 24.) Wellicht overdacht Hij, hoeveel Hij hier reeds had gewerkt en hoe weinig vrucht Hij had gevonden. En ziende op de landbouwers der omliggende akkers, vergeleek Hij zich bij een landman, die overal rijkelijk gezaaid, maar niet rijkelijk had geoogst. Terwijl Jezus aldaar zat, kwamen lieden uit Kapernaüm tot Hem. Men wilde Hem gaarne hooren, maar het doen bleef achterwegen. De schare groeide spoedig aan. Jezus ging in een schip en sprak tot het volk de eerste Zijner gelijkenissen. Deze was uit het dagelijksch leven der hoorcers gegrepen. Zaaien en oogsten was eene zaak, die de bewoners van Palestina elk jaar opnieuw het hoogste belang inboezemde; alles hing daarmede samen.

De Heer vergelijkt de schare, die voor Hem staat, met eenen akker; de toehoorders persoonlijk met gedeelten des akkers. Hijzelf is de zaaier. De zaaier kan niet eerst steenen en rotsen verwijderen, doornen en distelen uitroeien. De akker moet reeds toebereid zijn om het zaad te ontvangen, Alzoo moeten de harten der hoorders toebereid zijn, opdat Jezus vruchten mag verwachten, dat nu is noodig voor zulk eene toebereiding. Op de akkers aan het meer Genesareth zijn hoofdzakelijk drie beletselen aan den wasdom te overwinnen: l» indien de akker als weg moet worden gebruikt, moet deze worden afgeschoten: 2° aanwezige rotsbrokken moeten worden verwijderd en in hunne plaats goede teelaarde worden bijgebracht; 3» moet het worden uitgeroeid. Is dat alles geschied, dan mag men een goeden oogst verwachten. De vier soorten van akkergrond, die de Heer noemt, zijn, zooals uit het volgende blijkt, nog heden ten dage voor

ocr page 155

143

de omgeving van het meer van Genesareth, zeer karakteristiek.

1) „Een deel viel bij den weg.quot; Daarmede wordt natuurlijk niet de landstraat bedoeld; op deze toch zou wel niemand zaad uitstrooien. Wanneer een akker niet door een muur of eenige andere afsluiting is afgezet, gaan de lieden, om een omweg te vermiiden, dikwijls gedachteloos door het gezaaide, waardoor dan ■op zekere plaatsen een voetpad ontstaat. Niet alleen wordt daardoor de akker benadeeld, omdat zoodoende groote gedeelten worden vertreden, maar ook omdat bijna alle rij- en lastdieren, die over dien weg gaan, van de opgeschoten planten eten. Wanneer nu in November de zaaitijd is aangebroken, worden ook deze voetpaden omgeploegd en mede bezaaid. Spoedig neemt een ieder weer den ouden weg en wordt dit gedeelte van den akker platgetreden.

Met dezen weg, die aldaar niet zijn moest, vergeleek de Heer een deel der menschen, die Hij aan den oever voor zich zag, wier oogen in Zijne oogen blikten. Zij hadden zich verplicht gezien muren om den akker huns harten op te trekken, opdat dezen niet zouden worden voetpaden voor booze invloeden. Zulke muren bestonden in : smart over hunne zonden, verlangen naar verlossing daarvan, aanneming der goddelijke waarheid, een ernstig besluit om Jezus te volgen. Deze muren hadden zij echter niet opgericht en zoo was hun hart een weg, waarop tegenovergestelde indrukken, gedachten, wenschen en neigingen omdwaalden. En den Satan viel het gemakkelijk de zaden des woords onvruchtbaar te maken.

Het is de, op zedelijke traagheid berustende, onverschillige wereldzin, die van diepgaande indrukken nog geen spoor naliet, omdat de harten nog openstonden voor allerlei invloeden, die er op werkten en ze verhinderden te komen tot die stilheid, die een eerste voorwaarde is voor het wortelen van het zaad des goddelijken woords. De Heer spreekt dus over die verstrooide naturen, bij wie van de werkzaamheid des woords nog geen sprake is.

Maar de vertreden bodem kan worden omgezet in goed land,

ocr page 156

144

als er muren worden opgericht in die vele stemmen, die hoofd en hart voortdurend bezig houden en de kwade invloeden tot zwijgen brengen. Dit doet de Heere dikwijls, als Hij den mensch een kruis, leed en beproevingen zendt, die den verstrooiden geest plotseling tot staan brengen en voor den ernst des levens of des doods plaatst. In \'t algemeen kan eerst dan de werkzaamheid van het Goddelijk woord beginnen en doen blijken of dit land tot de tweede of derde of misschen tot de vierde soort behoort, waarover de Heer verder in Zijn gelijkenis spreekt.

2) „Het andere viel op steenrotsquot; of op „steenachtige plaatsenquot; ^Matth. XIH : o). Het is van algemeene bekendheid, dat Palestina zeer rotsachtig is; dit is vooral het geval nabij het meer Genesareth. Men denke slechts aan de wild-romantische rotsblokken van Wadi Handn, of aan die van Wadi Lamüm. De weg achter Kapernaüm, die naar den Chan Dschuhb Jmsj/loopt, is door zijne onafzienbare steen- en rotspartijen, een der vreeselijkste wegen, die ik in het Heilige Land begaan heb. Waar nu een zoodanige steenbodem zich uitstrekt tot aan de oppervlakte van den akker, kan die slechts worden herschapen in vruchtbaar bouwland, door den grond uit te hakken en met vruchtbare aarde aan te vullen. Dit geschiedt nog in Palestina. Verricht men dezen zwaren arbeid niet, dan schiet het zaad wel op, maar het verdort spoedig.

De Heer vergeleek een deel Zijner hoorders met zoodanigen bodem. De eerste wonderdaden en prediking des Heeren hadden zij met gejuich begroet en ook nu begroetten zij Hem met geestdrift. Maar Jezus voorzag, dat zij Hem zouden verlaten, als vervolgingen en lijden zouden komen. Gedeeltelijk was dit reeds geschied. De jongeren mochten het opschietende zaad beschouwen als eene belofte voor de toekomst, Jezus zag nog de rotsgrond in hunne harten. Het oude steenen hart was nog niet verbroken door boete en breken met de zonde.

Was het bij de eersten niet gekomen tot eene diepen indruk wegens verstrooidheid des geestes, de tweede categorie had inderdaad reeds eenige ontvankelijkheid betoont. Als kinderen van het

ocr page 157

145

oogenblik berekenden zij niet eerst de kosten, maar gaven zij zich spoedig en blijmoedig over. Zij schenen aldus verder te zijn gekomen dan de eersten. Was bij dezen het wortelen eenvoudig onmogelijk, bij geenen ontkiemde het zaad reeds. Nu echter, — en dit hadden zij niet bedacht, — na de blijde aanneming des woords, hegon eerst het werk. En dezen grondigen arbeid aan zichzelven schuwden zij. Hierdoor zijn bedoeld de oppervlakkige naturen, die meenen, dat met gereede toestemming en opwinding, door hen voor „bekeeringquot; aangezien, de zaak was afgedaan. Komen echter de moeielijkheden dan deinzen zij terug en vallen af. De vermoeiende, aanhoudende, onverdroten arbeid, die diep aangrijpt, die den ouden mensch, den ouden wil doodt, dien schuwden zij. Zonder dit, is eene — mogelijke — verandering van een rotsachtigen bodem in vruchtbaar land niet te verwachten.

3) „Het andere viel in het midden van de doornen.quot; Het Oosten is bijzonder rijk aan doornen en distelen van de meest verschillende soorten. Wie Palestina bereisd heeft en de onbebouwde streken met hun doornengroei gezien heeft, krijgt den indruk, dat nergens ter wereld de vloek over het aardrijk: „Doornen en distelen zal het voortbrengenquot; zoozeer is bewaarheid als hier. Een lage doornstruik nauwelijks een voet hoog, geheel met doornen bedekt, overdekt heden ten dage in Palestina onafzienbare vlakten, alwaar geen enkel gewas anders groeien wil. Deze struiken zullen hier niet bedoeld zijn, ivel de distel, die op de vruchtbare laagvlakten bij het meer Genesareth overvloedig groeit en bloeit. In 1889 reden wij van Kapernaüm naar den Chan Dschubb Jüsif aan den straatweg van Damascus. Een uur lang ging onze Weg door een bosch van distelen. Wij zaten te paard en toch reikten de dis-telen tot aan onze hoofden en rondom zagen wij niets dan een oerbosch van zoodanige distelboomen, waar wij slechts met moeite ons konden doorwerken. Waarvan getuigt dit nu? Van de onuitputtelijke vruchtbaarheid des bodems, die immer vrucht moet voortbrengen, al zijn het ook maar distelen! Welk een kostbare oogst kon hier worden verkregen van dezen kostelijken grond.

10

ocr page 158

146

Ik sprak daarover met een bewoner van den oever. „Deze bodem,quot; zeide hij, „heeft sinds onheuglijke tijden distelen voortgebracht. Heek min allah (God heett dit nu eenmaal alzoo gemaakt), zullen wij het nu beter maken dan Hij?quot; Toch had men op sommige plaatsen distelstruiken doen afbranden, daarna den grond een handbreed diep omgeploegd en met koorn bezaaid. Maar nau welijks stond de magere halm een weinig boven den grond, of de distelen schoten er hoog boven uit en men kon verzekerd zijn, dat de armzalige aren geen vrucht zouden dragen. Slechts van het uitroeien der wortels tot op groote diepte zou eenig heil te wachten zijn.

De Heer vergeleek een ander deel Zijner hoorders met deze distelvelden. Gelijk de distelen het weligst tieren op vruchtbare akkers, zoo had de Heer nu op het oog die begaafde, naturen. zich onderscheidende door rijkdom in lichamelijke of geestelijke goederen. Wat zouden zij veel goeds kunnen doen met hunne rijke gaven! Maar als het kwaad eenmaal wortel gevat had in dezen vruchtbaren bodem, dan zou ook de ontwikkeling van het booze des te sneller gaan, tenzij de wortels van het onkruid tot in de diepte werden uitgeroeid. Jezus had onder Zijne hoorders dezulken, bij wie het vuur van voorbijgaande geestdrift de distelen aan de oppervlakte had verbrand, waardoor het uitzaaien van Zijn woord mogelijk was geworden. Maar de diepliggende wortelen hunner aardschgezindheid bleven onaangeroerd. En daarom zag Hij vooruit, dat naast het opschietende zaad ook zeer spoedig de distelen tot groote hoogte zouden opwassen en de vrucht verstikken. De heete zon van den tegenspoed had dezen niet ongevoelig gemaakt, omdat ze te diep waren ingeworteld. Zij boden den woekerplanten te veel vruchtbaren bodem in hunne harten en in hunne sociale toestanden en daarom moest het hemelsche zaad verstikken.

öok deze bodem laat zich omzetten in goed land. Bij deze derde soort is echter nog meer grondige en nog meer ernstige arbeid noodig dan bij de beide voorgaande gronden. Zijn bij de eer-

ocr page 159

147

sten de muren opgetrokken en worden deze onderhouden, dan is in deze richting al het noodige gedaan; zijn bij de anderen de steenen weggevoerd en is goede aarde in hun plaats aangebracht, dan is de steenachtige akker van voorheen tot een duurzaam vruchtbaar land gemaakt. Maar bij de distelen gaat het anders, want als deze zijn uitgeroeid, dan is, indien de bewerking niet zeer grondig geschied is, het gevaar steeds aanwezig, dat verborgen wortels wederom aanslaan, de overhand verkrijgen, opwassen en den geheelen akker tot een woestijn maken. Hier moet het land van het eene einde tot het andere, zeer diep worden omgewerkt. Groot bezit dus van aardsche of geestelijke goederen, legt de verplichting op om, hoe grooter dat is, des te dieper en ernstiger aan zich zeiven te arbeiden. Want, wien veel gegeven is, van dien zal veel worden geëischt.

4) „En het andere viel op de goede aarde.quot; Deze was niet van een ander gehalte dan de drie andere stukken. Ook de laatste konden bij vlijtige bewerking even vruchtbaar zijn. Slechts deze goede aarde was door diep omwerken van de doornen gezuiverd, de aanwezige rots was verwijderd, muren en hekken omgaven de begaanbare gedeelten. En het bracht honderdvoudige vrucht voort. Het zijn de getrouwe naturen, die de Heer met de goede aarde vergelijkt.

Met deze gelijkenis had Jezus slechts de geschiedenis van het landbouwersleven verhaald. Geen enkel woord tot verduidelijking voegde Hij er aan toe. Maar toen Hij geëindigd had, verhief Hij Zijne stem en zeide hoogernstig tot besluit: „Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot; Daarmede wilde Hij Zijne hoorders vermanen dit oogenschijnlijk zoo eenvoudig verhaal te overdenken. Slechts een vierde deel des akkers had vrucht gedragen. Zij moesten zelve er toe komen te begrijpen, dat Hij sprak van een anderen akker, waarop ook platgetreden weg, rotsgrond en distelen gevonden werden en dat ook deze drie soorten van onvruchtbaar land door trouwen arbeid tot goede aarde konden worden. En terwijl de menigte na dit slotwoord zwijgend daar stond

ocr page 160

146

Ik sprak daarover met een bewoner van den oever. „Deze bodem,quot; zeide hij, „heeft sinds onheuglijke tijden distelen voortgebracht. Heek min allah (God heett dit nu eenmaal alzoo gemaakt), zullen wij het nu beter maken dan Hij?quot; Toch had men op sommige plaatsen distelstruiken doen afbranden, daarna den grond een handbreed diep omgeploegd en metkoorn bezaaid. Maar nauwelijks stond de magere halm een weinig boven den grond, of de distelen schoten er hoog boven uit en men kon verzekerd zijn, dat de armzalige aren geen vrucht zouden dragen. Slechts van het uitroeien der wortels tot op groote diepte zou eenig heil te wachten zyn.

De Heer vergeleek een ander deel Zijner hoorders met deze distelvelden. Gelijk de distelen het weligst tieren op vruchtbare akkers, zoo had de Heer nu op het oog die begaafde, naturen, zich onderscheidende door rijkdom in lichamelijke of geestelijke goederen. Wat zouden zij veel goeds kunnen doen met hunne rijke gaven! Maar als het kwaad eenmaal wortel gevat had \'n dezen vruchtbaren bodem, dan zou ook de ontwikkeling van het booze des te sneller gaan, tenzij de wortels van het onkruid tot in de diepte werden uitgeroeid. Jezus had onder Zijne hoorders dezulken, bij wie het vuur van voorbijgaande geestdrift de distelen aan de oppervlakte had verbrand, waardoor het uitzaaien van Zijn woord mogelijk was geworden. Maar de diepliggende wortelen hunner aardschgezindheid bleven onaangeroerd. En daarom zag Hij vooruit, dat naast het opschietende zaad ook zeer spoedig de distelen tot groote hoogte zouden opwassen en de vrucht verstikken. De heete zon van den tegenspoed had dezen niet ongevoelig gemaakt, omdat ze te diep waren ingeworteld. Zij boden den woekerplanten te veel vruchtbaren bodem in hunne harten en in hunne sociale toestanden en daarom moest het hemelsche zaad verstikken.

Ook deze bodem laat zich omzetten in goed land. Bij deze derde soort is echter nog meer grondige en nog meer ernstige arbeid noodig dan bij de beide voorgaande gronden. Zijn bij de eer-

ocr page 161

147

sten de muren opgetrokken en worden deze onderhouden, dan is in deze richting al het noodige gedaan; zijn bij de anderen de steenen weggevoerd en is goede aarde in hun plaats aangebracht, dan is de steenachtige akker van voorheen tot een duurzaam vruchtbaar land gemaakt. Maar bij de distelen gaat het anders, want als deze zijn uitgeroeid, dan is, indien de bewerking niet zeer grondig geschied is, het gevaar steeds aanwezig, dat verborgen wortels wederom aanslaan, de overhand verkrijgen, opwassen en den geheelen akker tot een woestijn maken. Hier moet het land van het eene einde tot het andere, zeer diep worden omgewerkt. Groot bezit dus van aardsche of geestelijke goederen, legt de verplichting op om, hoe grooter dat is, des te dieper en ernstiger aan zich zeiven te arbeiden. Want, wien veel gegeven is, van dien zal veel worden geëischt.

4) „En het andere viel op de goede aarde.quot; Deze was niet van een ander gehalte dan de drie andere stukken. Ook de laatste konden bij vlijtige bewerking even vruchtbaar zijn. Slechts deze goede aarde was door diep omwerken van de doornen gezuiverd, de aanwezige rots was verwijderd, muren en hekken omgaven de begaanbare gedeelten. En het bracht honderdvoudige vrucht voort. Het zijn de getrouwe naturen, die de Heer met de goede aarde vergelijkt.

Met deze gelijkenis had Jezus slechts de geschiedenis van het landbouwersleven verhaald. Geen enkel woord tot verduidelijking voegde Hij er aan toe. Maar toen Hij geëindigd had, verhief Hij Zijne stem en zeide hoogernstig tot besluit: „Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot; Daarmede wilde Hij Zijne hoorders vermanen dit oogenschijnlijk zoo eenvoudig verhaal te overdenken. Slechts een vierde deel des akkers had vrucht gedragen. Zij moesten zelve er toe komen te begrijpen, dat Hij sprak van een anderen akker, waarop ook platgetreden weg, rotsgrond en distelen gevonden werden en dat ook deze drie soorten van onvruchtbaar land door trouwen arbeid tot goede aarde konden worden. En terwijl de menigte na dit slotwoord zwijgend daar stond

ocr page 162

148

aller oogen op Jezus gericht houdende, blikte ook Zvjn oog in het gelaat der schare. Voor Hem lag die vierderlei akkergrond der harten: onverschillig, lichtbewogen, strijdende of blijde, overgegeven en vast besloten, open en bloot. Niemand nog, zelfs van de jongeren niet, had het eenvoudig verhaal begrepen. Maar allen moesten er over nadenken. Wat uit dezen mond gehoord werd, kon niet oppervlakkig zijn. En terwijl de menigte zich verspreidde en wederom aan het werk ging, werd altijd nog die stem gehoord, die zoo ernstig had gesproken:

„Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot;

ocr page 163

DE TOCHT VAN JEZUS LANGS DE KUST DER MIDDELLANDSCHE ZEE.

Matthetts XV ; 21—28.

De tocht van Jezus Baar Tyrus en Sidon had plaats in Zijn laatste levensjaar. De dagen van Zijn verblijf in Galilea waren geteld. Reeds wierp het kruis van Golgotha zijn schaduw meer en meer zichtbaar op Zijn weg. De werkzaamheden van Jezus in Galilea hadden ook hun toppunt bereikt. De aandrang van het volk werd steeds grooter. Jezus moest steeds een vaartuig te Zijner beschikking hebben om Hem nu hier dan daar tot spreekgestoelte te dienen, als de oever zoo dichtbevolkt was. (Mark. III: 9.) Het was alsof Jezus den arbeid alleen niet meer kon volbrengen. Hij had „de twaalf zendbodenquot; uitgezonden om Hem behulpzaam te zijn. Twee aan twee gingen zij uit, terwijl Jezus op het Purimfeest te Jeruzalem was, en zij gingen het land door predikende, noo-digende, teekenen en wonderen doende. Geheel Galilea hoorde den klank der bazuin. Voldaan kwamen de jongeren terug van

Het plaatje stelt de citadel van Sidon voor, zooals die heden ten dage uit de zee oprijst.

ocr page 164

150

hun zendingwerk. Alles scheen mede te werken, alles liet zich hoopvol aanzien. Jezus echter wist, waarheen Zijn weg leidde. De volksbeweging met het optreden van Johannes begonnen, zich uitbreidende met Jezus, die de rust in Israel, — die eener begraafplaats, had verstoord, was den toongevenden kringen in Israël alom eene ergernis. Onlangs nog op het Purimfeest hadden dezen Hem den dood gezworen. (Joh. V : 16—18.) Sinds dien tijd zag Jezus onder Zijne toehoorders hier en daar de loerende blikken der spionnen, die Hem uit Jeruzalem waren nagezonden. Hij wist wat dit te beteekenen had, hoe deze vijandschap der machthebbenden zou eindigen.

Maar er was meer. G-elijktijdig met de zoo opgewekte terugkeer van Zijne jongeren, kwam er een bericht, dat Jezus bijzonder trof. Zijn vriend Johannes was in de gevangenis te Macherus onthoofd geworden. Dit vernemende kon Hij niet langer te midden van het gewoel des volks blijven; Hij kon het onder de men schen niet langer uithouden. Onweerstaanbaar voelde Hij zich getrokken tot de eenzaamheid, die Hij ook noodig achtte voer Zijn jongeren. Het schip werd losgemaakt, de zeilen geheschen en de Heer voer met Zijne Apostelen naar den stillen Oostelijken oever. Met Zijn geestelijk oog zag Hij nog den forschen Dooper als Zijn Rijksheraut staan aan den Jordaanoever en aanschouwde Hij het, hoe de edele profeet rustig en zwijgend het hoofd aan den beul overgaf. Ook zag Hij een stil, eenzaam graf op de verre hoogten van het Moabietengebergte.

In dit alles zag Jezus Zijn eigen toekomst. Het was Hem als een wegwijzer voor Zijn eigen leven. Deze wegwijzer wees naar Golgotha.

Het was in de maand April, juist een jaar vóór den dood des Heeren. Daarboven op de heuvelen van Bethsaïda Julias, kon Jezus de zoo begeerde stilte slechts voor weinige uren vinden. Het volk was Hem nageloopen rondom het meer. Dit trof Jezus. Hij deed afstand van de rust, sprak den geheelen dag tot hen en spijzigde des avonds de 5000. Eerst de nacht bracht Hem de

ocr page 165

151

heilige kalmte en, terwijl de menigte naar huis trok en Zijre jongeren tegen wind en golven kampten, was Hij alleen op het gebergte om tot Zijnen Vader te bidden.

Deze tocht langs den Oostelijken oever was niet alleen het hoogtepunt, maar tevens het keerpunt Zijner werkzaamheid in Galilea. In aansluiting aan de spijziging der 5000 en aan de door het volk gewenschte proclamatie van Jezus als aai\'dsch koning en heerscher over Israel, hield Hij den volgenden dag in de ons bekende synagoge te Kapernaüm, 1) die lange, diepzinnige rede, welke wij vinden in Joh. VI. Maar hoe meer Hij sprak, hoe minder Hij door de menigte begrepen werd. Hij predikte, dat men Hemzelf moest eten. Hij sprak in het openbaar, al was het in een duistere rede, van een bloedigen dood, die Hem wachtte, zich vergelijkende met een slachtoffer, welks vleesch men eten, welks bloed men drinken moest. En van het deelgenootschap aan dezen merkwaardigen offermaaltijd maakte Hij het heil der geheele wereld afhankelijk! Dit te gelooven vonden zij toch al te erg. Zij waren nog ontstemd, omdat Hij gisteren de koninklijke waardigheid naar hunne bedoeling had afgewezen. Nu hoorden zij deze rede, die zij wel is waar niet begrepen, maar waarvan zooveel hun toch wel verstaanbaar was, dat dit alles hemelsbreed verschilde van hetgeen zij zich van eenen Messias voorstelden. Hij moest de Romeinen uit hun land verjagen, hun een schitterend, behaaglijk leven schenken, door Zijne wondermacht brood, genot en rijkdom geven, — ma-ar nu? Hij wilde zich ten offer stellen? Men zou Zijn vleesch eten. Zijn bloed drinken? En dit alles als hoofdvoorwaarde voor de verkrijging van het heil? Neen, dan hadden zij zich toch in dien Man bedrogen! Van zulke droomerijen waren zij niet gediend.

Aldus begon van dien dag af een groote afval in Galilea. Velen gingen terug en wandelden niet meer met Hem. (Joh. VI : 66.) Dit was eene zifting der schare van aanhangers, die

11 Zie Sciineller „Kent gij het LandVquot; Hoofdstuk: „De Lente aan het meer fienesnreth.quot;

ocr page 166

152

plaats had, niet buiten de bedoeling van Jezus. Wie bij Hem niet het hoogere zocht, werd door deze laatste gebeurtenis voor altijd van Hem vervreemd. Dit spreken over zich te offeren, over vleesch eten en bloed drinken, scheen hun in verband met Zijn aarzeling of onverstandige weigering van gisteren, onzinnig genoeg toe om voor goed met Hem te breken en voortaan Hem te beschouwen als eene verloren grootheid. Anderen, die dieper waren aangegrepen, ging het nochtans met deze raadselachtige woorden evenzoo als met dat vreemde gezegde te voren (Joh. II : 19), dat toen ook door niemand verstaan was; wel vermoedden zij een dieperen zin, maar zij moesten over de beteekenis nog nadenken. Toch had Jezus hun den sleutel gegeven om van de grofzinnelijke beteekenis te komen tot de diepere geestelijke beteekenis. (Joh. VI : 63.) Voor Jezus zeiven echter was deze afval van het volk een nadere verwijzing naar Golgotha.

Jezus bleef nog eenigen tijd in Galilea, zooals blijkt uit de woorden: „Na dezen wandelde Jezus in Galileaquot; (Joh. VII: 1). Inderdaad was het nu, wegens den zich openbarenden afval, een andere tijd dan tot nu toe. Althans in Kapernaüm en op den Noordelijken oever van het meer Genesareth, als het middelpunt Zijner werkzaamheid, waar men Hem met zoo groote geestdrift had ontvangen, nam het geloof in Hem sterk af, of liever het bleek, dat ondanks al de geestdrift ivaar geloof slechts in weinige harten wortel had geschoten. Intusschen bleef Jezus nog tot in de maand Juni in Galilea, gaande van stad tot stad, van dorp tot dorp.

In \'t hart van den zomer besloot Hij met Zijne discipelen nog grooter eenzaamheid te zoeken. Hij ondernam met hen twee reizen van meer uitgestrektheid in het buitenland, ten einde aldaar geheel ongestoord met hen te zijn. De eene reis was naaide Middellandsche Zee, de andere naar het hooge Hermongebergte. nabij Cesarea-Filippi. Deze reizen waren hierdoor van de andere onderscheiden, dat Jezus niet werd vergezeld door eene groote volksmenigte, maar veel meer met Zijne jongeren alleen was.

ocr page 167

153

Dit was ook het \'doel dezer reizen, die van Juli tot September duurden, n. 1. „verborgen te zijnquot; (Mark. VII : 24). Hoe meer de Heer inzag, dat Zijn weg naar het kruis leidde, des te meer verlangde Hij naar een tijd van ongestoorden omgang met Zijne jongeren om dezen te onderwijzen. Hij moest daartoe den tiid uitkoopen. Een jaar later zou Hij niet meer met hen op aarde rondwandelen. Hij moest Zijne discipelen vormen door het heerlijkste en zorgvuldigste onderricht, dat immer ter wereld gegeven werd, ten einde hen als Zijn edelste en beste erfenis aan Zijne Kerk achter te laten, als persoonlijkheden, als karakters, niet uit de geleerde Joodsche kringen voortgekomen, maar door Hemzelven bereid. Zijn werk, geheel en onverdeeld. De reizen van eenige maanden lang werden geheel besteed aan de opvoeding dezer mannen, wier namen niet weder verloren zijn gegaan en die te allen tijde met eere zullen worden genoemd onder de grootsten van het menschelijk geslacht. Jezus had hun veel te zeggen, veel kennis hun deelachtig te maken, vele vooroordeelen in hen te overwinnen. Weinig is ons van dit alles bekend. Toch weten wij er veel van; geheel het Christelijk geloof, zooals het nog heden ten dage leeft in de wereld, is mede een resultaat van die weken en maanden, die Jezus met Zijne discipelen heeft doorgebracht, ver buiten Israels grenzen. Het waren de voorbereidingen der Christelijke Kerk, tot stand gebracht aan den heerlijken oever der Middelland-sche Zee en aan de hellingen van het trotsche Hermongebergte. Hier opende Hij voor Zijne jongeren, — ook Judas was tegenwoordig, — den ganschen rijkdom van Zijn geest. Hier toonde Hij de rustige gewisheid van Zijn geloof aan het zalig einde dezer wereld vol zonde en schuld en liet hen zien hoe dit zalig einde samenhing met Zijn Persoon; hier gunde Hij hun een blik in de diepte Zijner ontfermende Heilandsliefde. Slechts ééne les, — de moeilijkste, — handelende over Zijn lijden en sterven, spaarde Hij hun nog. Deze kwam eerst aan de beurt bij de tweede reis naar den Hermon.

ocr page 168

154

DB REISROUTE.

Om van Kapernaüm naar de landpalen van Tyrus en Sidon te gaan moest Jezus het hooge gebergte van Hoog-Galilea overschrijden en aan gene zijde afdalen naar de kustvlakte. De weg liep langs de tegenwoordige stad Safed. Hierheen voerden twee verschillende wegen, de eene Noordelijk over Chan Djubb Jüsif, de andere Zuidelijk door het dal Wadi Lernüm. quot;Wij vergezellen Jezus op den laatsten, die vroeger een goede straatweg moet gehad hebben, welke tegenwoordig echter nauwelijks begaanbaar is, hoewel nog even grootsch als toen. Diep door het dal stroomt zeer snel een breede, ruischende beek, welker water de vlakte Gennesar zeer vruchtbaar maakt.

Nadat de reizigers eenige uren opwaarts geloopen hadden, hielden zij, evenals alle reizigers, hun eerste rust voor gemeenschappelijk ontbijt, bij de schoone bron, A in al harnra, alwaar onder de groene granaat-, vijge-, perzik- en citroenboomen altijd wel een schaduwrijke plaats was te vinden.

Van deze bron af bereikte men Safed gemakkelijk in 20 minuten. Hier is men op den hoogsten top der provincie en heeft men het uitzicht op elk gedeelte van Galilea, waarom de veronderstelling zeer aannemelijk is, dat Jezus, van de heuvelen nabij Kapernaüm op Safed wijzende, van deze stad zou hebben gezegd: „Eene stad op een berg liggende kan niet verborgen zijn!quot; Hier zal Jezus Zijn Galilea nog wel eens hebben overzien. Daar lag Naïn met den kleinen Hermon, ginds den Tabor met zijn trotschen koepel, hier de berg Gilboa, daar weder de bergen van Samaria, beheerscht door de breede bergruggen en kruinen van den Ebal en Gerizim; ginds, nog verder Zuidwaarts, het Moabieten-gebergte aan de Doode Zee, daar de langgestrekte bergruggen van den Karmel, die het zeer wijde vergezicht tot de zee voortzet, alwaar Hij Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin zag liggen. Meer rechts zag Hij de hoogste huizen van Nazareth op het gebergte, waar Hij tot 20 jaar geleden Zijne kindsheid had doorgebracht. Hier over-

ocr page 169

155

zag Hij met e\'ew blik het geheele gebied Zijner zelfopofferende, geestdriftvolle werkzaamheid in Galilea. Ook hier was het niet tot een waar geloof gekomen. Nu vertrok Hij voor langen tijd en reeds was het eene uitgemaakte zaak. dat Hij nog in dit jaar voor goed afscheid zou nemen van G-alilea.

Van Safed, „de stad op den bergquot;, waar Jezus de eerste maal nachtrust zal hebben genomen, trok Hij verder door Hoog-Gali-lea. De uitdrukking „in de landpalen van Tyrus en Sidonquot; noodzaakt ons niet aan te nemen, dat Jezus zich rechtstreeks of bepaaldelijk naar eene van deze hoofdsteden heeft begeven. De overlevering doet daarom een gelukkigen greep, als zij Jezus naar Sarepta laat gaan, dat midden tusschen die beide steden aan den zeeoever is gelegen. Indien dit juist is, dan heeft Jezus Noordwaarts het dal van de Leontes moeten doortrekken, over de tegenwoordige brug ka\' ka\'ije. Deze Leontes (thans Litani) is een wilde stroom. Aan deze brug, waarover de weg naar het gebied van Tyrus en Sidon leidt, houden de reizigers na het vermoeiende afstijgen naar het koele dal, in de schaduw der rotsen aan het frissche water gewoonlijk halt. Ook onze wandelgroep met Jezus in het midden zal hier wel uitgerust en het heerlijke rustoord met vreugde hebben begroet. En aannemende, dat Jezus zich niet haastte op Zijne dagreizen, omdat juist deze de meest ongestoorde stilte aanboden, die Jezus op Zijne wandelingen zocht ten einde Zijne discipelen te onderwijzen, — zal Hij op zulke plaatsen wel lang met Zijne leerlingen hebben vertoefd. Aan hunne voeten spatte het snelstroo-mende water van de Leontes op tegen de rotswanden. Maar Jezus sprak hun van den stroom des eeuwigen levens, die met Zijne komst ontsprongen was, nu nog wel eng besloten tusschen de rotsdalen van Palestina, maar door deze jongeren spoedig te leiden over juist deze Middellandsche Zee, door de gansche wereld, totdat de aarde zou vervuld zijn met de kennis des Heeren, gelijkt de wateren den bodem der zee bedekken.

In het gebied van Tyrus en Sidon.

ocr page 170

156

Met kleine dagreizen zal Jezus op den vijfden of zesden dag zijn aangekomen aan de kust der blauwe Middellandsche Zee, en al moge Hij vroeger, voor Zijn 80ste levensjaar, meermalen aan de zee zich hebben opgehouden, zoo was dit zeer zeker het eerste bezoek gedurende Zijn openbaar optreden. Vóór Hem lag nu die groote zee, waar de geheele wereld als een krans omheen was gelegen en waarover Hij na weinig tijds Zijne Apostelen zenden zou om de geheele wereld door te gaan. Welk een woelig leven heerschte hier! quot;Weelderige pracht verspreidde zich over de koninkrijken der zeehelden van Tyrus en Sidon, die sinds aloude tijden beheerschers der zee waren geweest. De Sidoni-sche schippers hadden voor Koning David, den aardschen voorvader van Jezus, de cederen van den Libanon aangebracht en Sidoni-sche meesters, timmerlieden en metselaars, hadden zijn paleis gebouwd. En ook nu nog, toen Jezus aan deze plaats was, weike pracht, welke weelde vertoonde zich aan Zijn oog! Hoe prijkten de heerlijke tuinen en parken der rijke handelaren! Den hier wonenden geldvorsten was geen weelde te kostbaar. De huizen waren omringd door zuilengalerijen, met schilderwerk versierd, ramen en deuren met beeldhouwwerk verfraaid, bloeiende slingerplanten groeiden langs muren en balkons. Bevallige badhuizen lagen verscholen in schaduwrijke tuinen. Al wat kunst en schoonheid kon geven, was hier door de Tyrische en Sidonische handelskoningen saamgebracht.

Wie thans de poorten der beide morsige steden Tyrus en S;.don binnenrijdt, kan zich geen denkbeeld maken van de uitgebreide nijverheid, toenmaals gedreven door een geslacht, over welks graven thans Zijn voet zich voortbeweegt. Hier stonden de groote fabrieken van alle denkbare voortbrengselen: linnenweverij, purper- en glasfabricatie. De wereldberoemde purperwevers van Tyrus, die al de uit China ingevoerde zijde aankochten en deze, in de meest koninklijke kleur, naar het groote Romeinsche Rijk uitvoerden, behaalden daarmede verbazende winsten. Ook de glasproductie handhaaft hier in haar bakermat nog altijd haar

ocr page 171

ouden roem. Volgens Strabo verhieven zich deze fabrieken, vele verdiepingen hoog, langs de geheele kust van Tyrus tot Sarepta en van daar to: Sidon. De handel intusschen bepaalde zich niet tot deze eigene voortbrengselen. Alle producten uit Midden-Azië en de landen aan den Eufraat, zooals leder en pelterijen, oliën en specerijen, werden naar Tyrus gevoerd en van daar uit overal heengezonden. De grootste handelshuizen dezer stad die hunne factorijen hadden tot Spanje toe, beheerschten de wereldmarkt. En alles wat uitgevoerd werd, keerde met tien-, ja honderdvoudige winst terug en schonk onmetelijke kapitalen aan de groothandelaren en fabrikanten, die de voorname lui waren, terwijl de groote massa bestond uit werklieden, matrozen en schippers.

Jezus had de schitterende steden niet tot Zijn doel bestemd. Hij zocht de stilte, ongeveer aan dezelfde plaatsen, waar eenmaal de vervolgde profeet Elia bij de weduwe van Sarepta een toevluchtsoord had gevonden. De naam van dezen profeet had een gansch eigenaardige, eenige beteekenis in het leven des Heeren. De Dooper was Zijn Elia (Luk. XI : 14); in Zijne prediking gebruikte Hij menigmaal diens naam; op den berg der verheerlijking verscheen hij Hem; en zelfs stervende aan het kruis klonken hem de woorden in het oor: „Laat ons zien, of Elias komen zal.quot; — Op een stille plaats aan het strand vertoefde de Heer met Zijne jongeren. Markus bericht (VII ; 24): „Hij ging in een huis en wilde niet, dat iemand het wist.quot; Waarschiinlijk bleef Jezus langen tijd in dit gebied, want toen Hij in dit huis niet verborgen kon blijven, nadat Hij de dochter der Syro-Fenicische vrouw genezen had, vond Hij daarin aanleiding om meer Noordwaarts te trekken, waar Hij ook het prachtige Sidon bezocht. Dit blijkt uit Markus VII : 31: „Wederom verliet Hij het gebied van Tyrus en reisde door Sidon naar de zee van Gralileaquot; (woordelijke vertaling). Indien Hij slechts naar de zee van Gralilea had willen terugkeeren, dan zou Hij voor den weg naar Sidon juist de tegenovergestelde richting hebben moeten nemen.

In de nabijheid van Tyrus, meer Zuidelijk, kon Jezus niet

ocr page 172

158

langer blijven. Nauwelijks was Hij aangekomen (Mai\'kus VII : 25) of de Syro-Penicische vrouw was daarvan reeds onderricht. Toen haar kind op zekeren dag een aanval der krankheid had, ging zij Hem zoeken, vast besloten niet terug te keeren vóór Hi] haar dochter genezen had. Dat Hij helpen kon wist zij. Zij vond hem niet te huis en wilde Hem opzoeken. Jezus was met Zijne jongeren buiten om hen onder Gods vrijen hemel te leeren. De vrouw ijlt Hem na. Maar hoe dringend zij ook smeekte, het scheen of Jezus doof was voor hare beden. De jongeren smeekten met haar mede. Hij echter sprak kortaf: „Ik ben niet gezonden dan tot de verlorene schapen van het huis Israels!quot; Zij stelt zich vóór Hem, valt Hem te voet en roept, misschien voor de honderdste maal: „Heer, help mij!quot;

Nu opent de Zwijgende eindelijk den mond om haar te antwoorden. Maar welk een antwoord! „Het is niet betamelijk dat men het brood der kinderkens neme en het den hondekens voor-werpe!quot; Om de strengheid van dit gezegde te gevoelen, moet men weten hoe de Oosterling over de honden denkt. Voor hem is de hond een afschuwelijk, onrein dier, dat niemand aanhoudt, maar dat op straat thuis behoort. Het leeft van de onreinheid der menschen, eet allen afval en ziet er ruig en verwaarloosd uit, terwijl alleen de scheldnaam der voorbijgangers, „hondsvotquot; het bewijs geeft, dat hii wordt opgemerkt. Daarom is „hondquot; ook nog tegenwoordig evenzeer een scheldnaam als in het Oude. en Nieuwe Testament. Het lekken van het bloed van Izébel door de honden is het toppunt van smaad, en dat de arme Lazarus zijne wonden door onreine honden liet lekken, gaf te kennen, hoe ellendig en erbarmelijk zijn toestand was.

Het antwoord des Heeren klonk in Oostersche ooren derhalve nog harder dan in de onze. De arme, smeekende vrouw moest dus denken: Wij, Grieken, zijn voor Hem onreine honden! — Met welke bedoeling gaf Jezus dit antwoord ? Zeker niet om Zijn eigene meening weer te geven. Hij sprak slechts in den geest Zijner landgenooten. Elke Israeliet dacht destijds zóó over al

ocr page 173

159

wat geen volksgenoot was. Zijne bedoeling was paedagogisch. Hij deed zichzelven geweld aan om Jood te schijnen, ten einde Zijn jongeren het goede zaad des geloofs des te duidelijker en te heerlijker te doen opmerken, voortkomende uit het stof der verachte heidenwereld. De vrouw moet in den toon der stem en in de oogen van Jezus, die haar aanzagen, hebben gelezen. Die oogen, waarin zij zoo vertrouwend blikte, beschouwden haar niet als een straathond. En er ligt iets roerends in, als zij in haar antwoord het wapen hanteert, dat Hijzelf haar in het harde woord, door Hem gesproken, als stilzwijgend toereikte: „Ja, Heer! doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.quot;

Nu kon Jezus niet langer weerstand bieden. Nauwelijks had de vrouw deze woorden gesproken, of Hij bleef staan, zag haar met een blik vol blijde verwondering aan en sprak: „Vrouw! groot is uw geloof! uwe bede is verhoord. Ga heen! uwe dochter is genezen!quot;

Dit voorval was niet slechts voor de vronw en haar kind gezegend, maar ook — en dit is in den samenhang der Evangelische geschiedenis van nog meer belang — werd het een bron voor het onderwijs, dat de Heer Zijnen jongeren in dien stillen tijd gaf. Om die reden is van deze lange reis ons slechts deze enkele trek medegedeeld. Het voorval was van beteekenis in het bijzonder voor de jongeren, hoezeer dezen daarin juist niet een eervolle rol vervulden. Het schijnt zelfs, dat Jezus bij de behandeling van dit geval meer Zijne discipelen dan wel de vrouw op het oog had. Was het voor de vrouw eene beproeving, voor de jongeren nog meer en wel met betrekking tot het in hen als Apostelen ontwakende begrip van het koninkrijk der hemelen. Het slot van het gebeurde, — de uitgedrukte bewondering der vrouw voor Jezus, — bevatte voor de jongeren een groote practische les, grooter, gewichtiger en in nauwer verband met hunne aanwezigheid aan deze plaats, ver van hun geboorteland, dan zij heden nog begrepen. Jezus stond geheel anders tegenover deze heldin, dan zy. quot;Wel hadden zij haar hunne voorbede geschonken, maar zij deden dit als Joden.

ocr page 174

160

Zij wilden van de vrouw met haar lastig aanhouden ontslagen zijn.

Een voorbede, die niet uit het hart kwam, kon ook niet tot het hart doordringen. En als Jezus juist om deze wijze van voorbidden zoo verachtelijk over de heidenen sprak, deed Hij dit meer ter wille van Zijne nog al te Joodschgezinde jongeren, dan met het oog op de smeekende vrouw, voor wie intusschen deze beproeving ook hare beteekenis had. Met het woord honden sprak Jezus de innerlijke overtuiging Ziiner jongeren uit, die echter door Hem niet werd gedeeld. Hij wilde vernemen, wat Zijne jongeren daarvan zeggen zouden. quot;Vermoedelijk billijkten zii dat woord van ganscher harte. Jezus wilde hen echter brengen tot een hoogere waardeering der heidenen. In deze geschiedenis s:aat Hij voor Zijne jongeren in een dubbele gestalte. Ten eerste als de Messias der Joden. Doch door het omhulsel van den bioot Israelietischen Heiland is reeds de Heiland der wereld zichtbaar. Hoe kon het anders, — hier in het gebied van een der schitterendste steden der toen bekende wereld, waar alle volken elkaar ontmoetten, — hoe kon het anders dan dat Jezus bij den aanblik dei-vertegenwoordigers van zoovele natiën Zijne gedachten bijzonder gevestigd had op Zijne aanspraken als de Heiland aller volken, en natiën? Tot nu toe had Hij Zijne jongeren binnen denengen kring van Israels volk gehouden. Nu was het tijd om hun blik hier aan het strand der wereldzee te vestigen op de groote menschen-zee, waarop Hij hen wilde uitzenden als visschers van menschen. Alzoo was het geheele voorval vol diepe beteekenis voor de ontwikkeling der jongeren. De geheele geschiedenis, het hartroerende slot, de hartelijke blijdschap en toenadering, die Jezus der vrouw bewees, alles te zamen moest zonder nadere toelichting des Hee-ren, te denken geven aan deze Israelietische mannen, die evenals al hunne landgenooten gewoon waren, in eiken heiden slechts een onrein wezen te zien. Tot hunne verbazing geeft Jezus te aanschouwen, hoe onder het verachte stof der heidenwereld een fonkelende diamant kan schuilen. De jongeren zullen verwonderd en beschaamd hebben toegezien. Want ach! — en dit

ocr page 175

161

was ook een gedeelte der leering — het „hondekenquot; overtrof verre de kinderen des huizes. Zulke paarlen des geloofs had Jezus onder het „volk Godsquot; zelden gevonden. Alzoo gebruikte Jezus dit onverwachte voorval, als een wijs opvoeder, tot leering en vorming van Zijne jongeren, zonder wier tegenwoordigheid Hij de bede der vrouw, wier geloof Hem wel bekend was, waarschijnlijk wel terstond op vriendelijke wijze zou hebben ingewilligd.

DE TERUGREIS OVER SIDON.

Na dezé gebeurtenis moest Jezus, die verborgen wilde blijven, verder reizen. Hij trok Noordwaarts, waar Hij eindelijk in de stad Sidon aankwam. Aldus bleef Hij nog in het Fenicische land, waar toenmaals de Grieksche taal en Grieksche toestanden overheerschend waren. Toch was Hij hier niet ver van Zijn arbeidsveld, integendeel was Hij ook hier midden in Zijn gewichtigen arbeid. Alvorens af te treden van het schouw-tooneel der wereld, moest Hij nog één werk volbrengen, het grondvesten Zijner gemeente, de bewerking der twaalf eerste grondsteenen Zijner Kerk, de Apostelen. Daarom arbeidde de voormalige Bouwmeester nu hier in alle stilte. Hier verzamelde Hij de grootste kracht in den kleinen kring om in de twaalven Zijne wereldkerk te grondvesten. De „Petri,quot; de steenen, legde Hij op een kostelijk fundament, opdat, gelijk Hij eenige maanden later op den Hermon zeide, zelfs de poorten der hel Zijne gemeente niet zouden kunnen overweldigen. En ongetwijfeld vond de Heer in het voorval met de Syro-Fenicische aanleiding om met Zijne jongeren nog verder over dit groote thema te spreken. Hoe menigmaal zal Hij aan het strand hebben gestaard naar die groote, blauwe zee, aan welker oevers, na eenige eeuwen, de Christelijke Kerk in wijden kring zou zijn verrezen. Voor Zijn geestesoog verhief zich dan op deze twaalf grondsteenen dat groote heerlijke gebouw in zijn oneindige ontwikkeling, tot in alle eeuwigheid bestaande.

11

ocr page 176

Het laatste levensjaar des Heeren was meer dan vroeger een jaar van reizen, Reeds bewegen zich snellijk over de aarde de voeten van Hem, die uit de hoogte des hemels was neergedaald, die nu wederom spoedig afscheid zal nemen. Meer dan van eenigen tijd moet van dit jaar worden gezegd; de Zoon des menschen heeft niet, waarop Hij het hoofd kan nederleggen. Nadat Hij omstreeks Juli naar het heidensch-Grieksch gebied van Tyrus en Sidon gegaan was, keerde Hij zich, vermoedelijk in Augustus, wederom naar het Zuiden. Zijn geboorteland Galilea ging Hij

Het plaatje stelt voor den oorsprong der Jordaan. Op den achtergrond de met sneeuw bedekte Hermon. De plant is het Jordaanriet, waarvan de Heer spreekt in Matth. XI: 7.

ocr page 177

163

echter voorbij. Zijne bestemming was de grootere landstreek Zuid-Oostelijk van Galilea gelegen, het meer heidensche Dekapolis, in het Oostelijke Jordaanland. Daar verbleef Hij eindelijk op het hoogland ten Oosten van het meer Genesareth (Mark. VII : 31). Maar nauwelijks was Hij in de nabijheid gekomen van het land, waar de door Hem in het leven geroepen volksbeweging haar toppunt had bereikt, of in drie dagen tijd hadden zich duizenden menschen rondom Hem op het gebergte verzameld. En gelijk Hij ongeveer drie maanden geleden niet ver van deze plaats de 5000 mannen gespijzigd had, deed Hij dit hier met de 4000, die door dit wonder in verrukking geraakten. Jezus bracht van hier uit slechts een kort bezoek aan den Westelijken oever, Zijn geboorteland. (Mark. VIII : 10—13.) Daarna, naar het Oosten teruggekeerd, ondernam Hij in September de tweede reis naar het Noorden, die zich echter niet zoo ver uitstrekte als die naar de Middellandsche Zee, maar zich bepaalde tot Caesarea Filippi aan den voet van het Hermongebergte, vanwaar Hij reeds in September naar Galilea terugkeerde. In October reisde Hij weer af, om met het Loofhuttenfeest Jeruzalem te bezoeken. Vandaar bracht Hij nog eenmaal een laatst weemoedig afscheid aan Zijn geliefd Galilea, waarna Hij eindelijk de vier — vijf maanden lange reis aanvaardde om voor de laatste maal op te gaan naar Jeruzalem, alwaar dan alles in vervulling zou komen, wat van Hem geschreven stond.

Wat mag den Heer hebben bewogen tot Zijn tocht naar den Hermon? Gedurende het zooeven genoemde bezoek aan den Westelijken oever van het meer, kwam Jezus na maandenlange afwezigheid terug in Zijne woonplaats, die Hij in Juli had verlaten. Het volk ontving Hem vol vreugde, maar onder de menigte ontdekte Jezus tevens de loerende aangezichten der spionnen uit Jeruzalem. In den laatsten tijd, in het buitenland, hadden zij Jezus met rust gelaten. Op Israelietisch gebied vond Hij hen terug en begonnen zij weer Hem lagen te leggen. Het onweder naderde. Dat Zijn aardsche leven door een gewelddadigen dood zou worden

ocr page 178

i

164

afgebroken, dit wist Hii reeds voor lang. Reeds in de lente hadden de Farizëen hier in Galilea overlegd, hoe zij Hem zouden dooden. Jezus wist dit. (Matth. XII : 14—15.) De smadelijke terechtstelling van den Dooper was Hem een duidelijke vingerwijzing. De voorlooper ging Hem ook voor in den dood. Het einde, dat den dienaar der waarheid bereid was, was onvermijdelijk voor den Koning der waarheid, en in verband met zekere plaatsen uit de profeten, waarover Hij van Zijne kindsheid af veel had nagedacht, werd het den Heer immer duidelijker, hoe spoedig Zijn pad door lijden tot heerlijkheid loopen moest. Dit gaf Hij Zijnen tegenstanders te verstaan in een raadselachtig antwoord. Toen dezen namelijk van Hem een teeken begeerden, zeide Hij: „Wat begeert dit geslacht een teeken? Voorwaar Ik zeg u: hun zal geen teeken gegeven worden, dan het teeken van Jona, den profeet.quot; Met deze merkwaardige woorden liet Hij hen verwonderd staan en hen verlatende, steeg Hij in het schip om naar den Oostel jken oever terug te varen.

Jezus was voornemens een lange reis te doen. Het woord aangaande den profeet Jona bewijst, dat deze nieuwe botsing met de heerschende partij, Hem met doodsgedachten had vervuld. Nu was het hoog tijd om ook Zijne jongeren in te wijden in de noodzakelijkheid van Zijn naderenden gewelddadigen en smadelljken dood, waarvan Hij de zekerheid langen tijd reeds als een geheim met zich had omgedragen. Deze mededeeling en hare toelichting was het laatste en zwaarste onderwerp, waaromtrent Hij Zijne jongeren vóór Zijn heengaan nog moest inlichten. Als een verstandig leeraar was Hij begonnen met het gemakkelijkste, om van trap tot trap op te klimmen tot het moeielijkste. Met zaligsprekingen begonnen, eindigde Hij met de aankondiging van Zijn lijden en dood. Voor dit hoogstgewichtige gedeelte van Zijn onderwijs had Hij een langen tijd ongestoorde rust noodig. Enkele rustige uren kon Jezus aan den oever van het meer wel vinden, ofschoon de wonderbare spijziging aller aandacht op Hem had gevestigd. Maar nu kon er geen sprake meer zijn van korte open-

i

ocr page 179

baringen in een stil avonduur, waarop den volgenden ochtend wederom een groote toeloop van volk volgde, neen er was noo-dig een voortgezet onderwijs tot ontwikkeling van het geloofsleven der jongeren. En ook dezen moesten den tijd hebben om de verhevene, diep treffende openbaring in de eenzaamheid te overpeinzen en in zich op te nemen. Het was een Rijksdag van ernstigen aard, dien Jezus met het twaalftal boden van hethe-melsch Koninkrijk wilde houden, daarboven op den Hermon. Daarom ging Hij nog eenmaal naar het buitenland, gelijk men het gebied van Caesarea-Filippi met Zijn heidensche bevolking wel noemen mag.

Jezus dan ging Noordwaarts. Het doel Zijner reis was die geweldige Hermon, die grootste der bergen, met sneeuw bedekt, verguld door de Zuiderzon en vanwaar men het liefelijke meer Merom aanschouwt, terwijl de top zich in de wolken verliest.

AAN DE BRONNEN DERJORDAAN.

Allerwegen bruisen hier de snelle wateren. Hier is het land der bronnen, het land van den machtigen watervoorraad. Hier is de oorsprong van die talrijke bergstroomen, die aan verschillende zijden van den Hermon ontspringen, zich vereenigen en dan als Jordaanstrooni met onbelemmerden gang wegstroomen naar het verre Zuiden.

Voornamelijk zijn het drie machtige bronnen, die hier dicht bij elkander hun oorsprong nemen, welke de Jordaan vormen. De meest Westelijke voedt de huidige Hasbdni en is, hoewel niet de grootste, toch de oorsprong van den heiligen stroom.

Een uur gaans meer Oostelijk, ontspringt de tweede, de grootste bron der Jordaan, — ja, wellicht de grootste der geheele wereld — uit de geheimzinnige ingewanden van den Hermon. Deze is de Nahhr Ladddn, „de kleine Jordaanquot;, zooals Jozefus zegt. Hier opent de Hermon zijn rijkste voorraadschuren, alsof hij geheele bergmeren in zich bevatte. Eenmaal bevond zich dit water

ocr page 180

166

boven op den berg als sneeuw en ijs en zijpelde langs onbekende rotspaden tot diep in den Hermon. Eeeds van verre hoort men het water in de diepte bruisen, totdat men het als een machtigen stroom, kristalhelder ziet te voorschijn treden en over de zwarte bazaltruggen naar beneden stormen. Geen wonder, dat reeds de oude Hebreen aan dezen stroom den naam Jor daan gaven, dat is de naar beneden vliegende. Oostelijk van deze bron heeft men de plaats van het oude Ban thans met een naam van dezelfde beteekenis (Rechter) in het Arabisch Teil el kadi. Hier stond Jezus op het uiterste punt in het Noorden van het Heilige Land, dat zich uitstrekte „van Dan tot Berseba.quot;

Drie kwartuurs meer Oostelijk ontspringt eindelijk de derde groote bron der Jordaan, die van Banias. Hier staan wij op de overblijfselen van Caesarea Filippi. Ten tijde van Jezus moet het hier heerlijk zijn geweest. Zelfs heden nog is het voor den reiziger een idyllisch oord, een paradijs; wie hier komt droomen van vervlogen tijden, verneemt in het gefluister van het geboomte de woorden:

Herodes de Groote heeft de stad Caesarea gebouwd en diens zoon Filippus, een goed en rechtvaardig vorst, heeft haar op prachtvolle wijze vergroot. De stad lag in een bekoorlijken hollen weg aan den voet van den Hermon. Ten Noorden verhief zich loodrecht en trotsch een rotswand, die eene groote opening bevatte, op een rotspoort gelijkende, waaruit de derde Jordaanbron ontspringt, niet als een beekje, maar reeds een stroom. Met groote snelheid storten zich de wateren over de rotsen en over de puinhoopen van het oude Caesarea Filippi tot in het dal. Ten tijde, dat Jezus daar vertoefde, zag het er anders uit. Jozefus zegt van deze bron: „In het gebergte bevindt zich een buitengewoon schoone spelonk, waaronder een onmetelijk diepe kloof aanwezig is, gevuld met stilstaand water. Daarboven reikt de berg nog tot in de wolken. Onder deze spelonk ontspringen de bronnen van de Jordaan. Herodes verrijkte deze, stad, van zichzelve reeds zoo schoon, met een prachtigen tempel uit wit steen opgetrokken ter eere van Caesar.

ocr page 181

167

Naar de godheid Pan, aan wien deze tempel was gewijd, draagt deze plaats ook nog heden den naam Banias. Toch was niet dit indrukmakende heiligdom het schoonste, maar wel de bron met hare omgeving, die door den wel willenden Herodes Filippus op allerlei wijze werd verfraaid met waterleidingen, tuinen en parken, waartusschen schitterende paleizen gebouwd waren, zich uitstrekkende tot aan het blauwe meer Merom.

En in deze in elk opzicht bekoorlijke landstreek hield Jezus zich op met Zijne jongeren.

HET EXAMEN EN ZIJNE GEVOLGEN.

quot;Wegens het doel Zijner reize is Jezus hier langen tijd, zeer zeker verscheidene weken, gebleven. De stad Caesarea Filippi met hare tempels en paleizen zal door Hem ook wel bereikt zijn geworden, (Mark. VIII; 27.) Op zekeren dag ging Hij op een Zij. ner wandelingen, onder de schaduwrijke boomen van het bron-gebied der Jordaan. Jezus had met Zijne jongeren gebeden (Luk IX; 18), — welk een belangrijk gedeelte van Zijn onderwijs was het gebed! De jongeren dan waren onder den indruk van dit gebed, waaruit zij bij vernieuwing hadden geleerd, hoe innig Jezus met Zijnen Hemelschen Vader verbonden was, zoo geheel anders dan zondige menschen. Daarna hield Jezus gelijk een leermeester, alvorens tot hoogere lessen over te gaan, met Zijne leerlingen, een examen, waardoor het tot dusver geleerde moest aan den dag komen. Alles wat Hij tot nu geleerd en met Zijn leven had bevestigd, moest het onwrikbaar fundament zijn van het Christelijk geloof, waarop het gebouw verder kon worden opgetrokken. Dit vast fundament, deze vaste grond, was het onwankelbaar geloof in Zijn Persoon. De jongeren moesten in Zijn heiligen Persoon Gods nabijheid voélen, zij moesten uit duizend groote en kleine dingen, door de overtuigende kracht van doorleefde feiten, komen tot de gevolgtrekking, dat een zoon zijnen vader niet meer gelijk.

ocr page 182

168

vorming kon zijn dan Jezus gelijkvormig was Dengene, dien Hij Zijnen „Hemelschen Vaderquot; noemde. Zij zouden dit echter niet willen gelooven, alleen omdat Hij het zeide. In den omgang met Zijne jongeren had Hij het nimmer onomwonden uitgesproken. In den omgang met Hem zeiven moesten zij door eigen ondervinding leeren. Feiten spreken duidelijker dan woorden. Nu zegt men wel, dat een groot man tegenover zijn kamerdienaar ophoudt groot te zijn, maar hier had juist het tegenovergestelde plaats gedurende den intiemen omgang. Juist door den meest vertrouwelijken omgang zouden zij zoo overweldigende indrukken ontvangen van Zijne goddelijkheid, dat zij eiken grond moesten verwerpen, die schijnbaar moest of kon worden aangevoerd tegen de ongehoorde gedachte: G-od in menschelijk vleesch! dat zij zich moesten buigen voor den Groote, den Heerlijke, den Hoogverhevene. Tot voor korten tijd had Hij als een gewoon mensch in het bouwmeestersgezin te Nazareth gewoond, ja zelfs als de anderen gewerkt met hamer en truweel; zij kenden Zijne moeder, broeders en zusters in de gewone levensverhoudingen; dagelijks was Hij met hen, rustte Hy met hen uit in de schaduw, at Hij met hen het brood, de visch, de olijven, die zij hadden medegenomen, overnachtte Hij met hen in de zelfde eenvoudige hutten; — maar juist in deze alledaagsche dingen zouden zij door het aardsch omhulsel, door het voorhangsel Zijner men-schengedaante heenziende, Zijn waar, hemelsch wezen aanschouwen. En deze indruk was dikwerf, de Evangelische geschiedenis geeft er vele voorbeelden van, zoo sterk, dat zij door het goddelijke, den mensch bijna geheel voorbijzagen, alsof in Hem, de Eeuwige, de Majestueuze, de alleen Geestelijke was te voorschijn getreden uit het incognito van Zijne uiterlijke verschijning.

Nu was de tijd aangebroken, waarin Jezus de resultaten van Zijn onderwijs, als ware het door een examen, wilde doen uitkomen. Voor Hem zeiven toch naderde het einde. Daarom moest Hij overgaan tot het laatste en moeilijkste leerstuk, zoodra het fundament, het geloof in Zijn Persoon, was vastgelegd;

ocr page 183

169

Hij vroeg hun dus „Wie zeggen de menschen, dat Ik ben?quot; Zij deelden Hem de uiteenloopende meeningen mede.

Onverwachts kwam Hij nu tot hen met de vraag; „Maar gijlieden, wie zegt gyj, dat Ik ben?quot; Petrus, die wellicht reeds lang gewacht had op een gunstige gelegenheid en voor wiens geest al de ontvangene, goddelijke indrukken in één oogenblik als voorbijtrokken, getroffen door den grooten ernst in de trekken zijns Meesters, antwoordde onmiddellijk en op den beslisten toon van een gevestigde overtuiging: „G-ij zijt de Messias, de Zoon des levenden Gods!quot; De Messias was de verwacht wordende Koning; het was dus de Koningsproclamatie, waarin Petrus zijnen Meester huldigde. Een glans van heilige vreugde bestraalde het aangezicht van Jezus. Dit was het werk van Zijnen hemelschen Vader! „Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona!quot; riep Hij bewogen uit, „want vleesch en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is!quot; Gij heet Petrus, aldus vervolgde Hij, maar een Petrus, een rots, zijt gij, door uw geloof. Op deze rots zal Ik Mijne Gemeente bouwen, mijn Rijk, welks Koning gij in Mij zoo even hebt begroet. En zoo duurzaam en vast zal dit fundament zijn, dat zelfs de poorten der hel het gebouw niet zullen overweldigen! Welk eene verklaring! Welke ongedachte uitzichten opent zij den discipelen! Wat waren die poorten der hel? Het waren de wijd geopende poorten, waardoor tot nu toe alle menschengeslachten, sinds duizenden jaren, waren verdwenen. Deze poorten stonden steviger dan alles, wat den menschen bekend was, zij schenen in de eeuwigheid gegrondvest te zijn. Voor deze poorten had tot nu toe alle menschelijke grootheid en majesteit zich gebogen. De machtigste koninkrijken en hunne stichters waren er voor in het stof verzonken. De dood was als de geweldigste onder de geweldigen, overwinnaar gebleven op elk slagveld. Maar Jezus, staande voor-Zijne jongeren, als met bovenmenschelijke macht bekleed, als gebieder over deze wereld, verkondigt hier in alle kalmte en eenvoud, de heerschappij van Zichzelven en Zijn Rijk over de nog nimmer overweldigde

ocr page 184

170

poorten van het doodenrijk. Het nieuwe koninkrijk zou zijn een tempel Gods, welks grondsteenen, de Apostelen, Hij in deze vergankelijke wereld zou bevestigen op den rotsgrond van het geloof aan Zijn Persoon, en zelfs door de gevreesde poorten des doods zullen zij, die tot Zijn Rijk behooren, ongedeerd en in triumf doortrekken --waarheen? Tot nog grootere heerlijkheid! Tot nu toe stonden voor een iegelijk slechts de poorten van het doodenrijk open om te overweldigen. Nu echter zouden andere poorten, die des hemelrijks zich openen. Reeds had Jezus Zijne twaalf leerlingen, de eerste onderdanen en ministers van dit Rijk, zoo ver gebracht, dat Hij hun, gebrekkige, menschelijke werktuigen, de sleutels dezer poorten des hemelrijks kon toevertrouwen. En in dit gelukkig vooruitzicht van de groote toekomst van Zijn Koninkrijk, zeide Hij, nog steeds den verbaasd toeluisterenden Petrus aanziende: „Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen!quot; en gaf Hij hem daarmede reeds de volmacht, die Hij later (Matth. XVIII; 13, Joh, XX : 23) aan de gezamenlijke Apostelen gaf om door hen Zijne wereldkerk te stichten.

De jongeren hadden vol verbazing toegeluisterd. Zij vernamen de woorden: de poorten van het doodenrijk, de koning der verschrikking, onschadelijk gemaakt, de poorten van het hemelrijk geopend, zijzelve de sleutels daarvan in de hand houdende, — het was hun als droomden zij. Hun Meester voerde hen op steeds verhevener hoogte. Op de reis, onlangs naar Tyrus en Sidon gedaan, had Hij hun blik gevestigd op een wereldkerk, die eens alle volkeren zou omvatten. Nu laat Hij hun nog verder, nog dieper blikken, n.1. in de onzichtbare wereld. Het licht zou doorbreken ten gevolge van Zijne werkzaamheid, tot aan gene zijde der grenzen van ruimte en tijd, tot gene zijde der zoo donkere poorten van het doodenrijk. Het was een wijdingsure aan de bronnen van de Jordaan, het feestelijk hoogtepunt van het onderwijs, dat „des menschen Zoonquot; dezen mannen had gegeven, sinds zij door Hem waren geroepen. En was dit tevens de beste, de meest troostvolle en meest goddelijke overgang tot de smartelijke openbaringen,

ocr page 185

171

die nu zouden volgen? Majestueus was de inleiding tot de aankondiging van Zijn lijden, zoo majestueus als deze eenige wereldgebeurtenis het vereischte.

Het zal wel eenigen tijd geduurd hebben, alvorens Jezus met spreken voortging. De gedachten der jongeren zullen nog wel niet zóó hoog, zóó ver zijn gegaan. Ook Jezus verplaatste zich in den geest in dien heerlijken tijd, dat Zijn groot Verlossingswerk vruchtdragend zou zijn, immers tot de laatste handeling bereidde Hij zich meer en meer voor. Daarna verhief Hij weder Zijne stem. Hij beval hun, den inhoud der woorden van Petrus voor elkeen verborgen te houden. Verbaasd zagen de jongeren Hem aan. quot;Wat beteekende dit? Zwijgen? Nu het klaar en duidelijk was uitgesproken, dat Hij de Christus was, de Messias, Gods Zoon, — nu Hij die hulde had aangenomen, — moest nu niet de tijding daarvan jubelend door het land worden gedragen, te meer, omdat nu de geestdrift der volksmenigte ten top was gestegen? Duizenden toch hadden zich kort na Zijne aankomst om Hem verzameld! En nu gebood Hij hun te zwijgen? Zij begrepen er niets van. Maar nog meer zouden zij zich hebben te verbazen; want nu ontvingen zij, slag op slag, openbaringen, die dreigden hen van het toppunt van geestdrift te doen nederstorten in de diepste moedeloosheid en wanhoop. Na het zoo verhevene feestuur, na het zoo gelukkig doorgestaan examen, trof de aankondiging van Zijn naderenden dood als een donderslag hunne ooren. Van toen aan, zooals de Evangeliën uitdrukkelijk zeggen (Matth. XVI: 21, Mark. VHI: 31), begon Jezus Zijnen discipelen te toonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem om gedood te worden. Ver, ver weg in het Zuiden, waren de omtrekken der bergen, waarop Jeruzalem lag, flauw zichtbaar. Daarop wijzende, zeide Jezus: „Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen, wat geschreven is door de profeten!quot;

Als een booze droom kwam deze verklaring den jongeren voor: veel lijden, gedood worden, opstaan, — zij konden het niet vatten. Voornamelijk de vurige Petrus niet, die zijnen Mees-

ocr page 186

172

ter aanzag met een blik vol ontsteltenis en verslagenheid. Dit zou niet geschieden! Reeds had deze, namens de andere discipelen, zulke treffende woorden gesproken, dat hij ook nu niet zwijgen mocht. Hij verzocht Jezus met hem een weinig terzijde te gaan. Jezus deed dit. Petrus verzocht Hem nu dringend, waarschijnlijk in het belang der goede zaak, die reeds zulke vorderingen maakte, het gevaar te vermijden en niet naar Jeruzalem te gaan. Hij moest het rijk van David wederom oprichten — en nu zou Hij sterven! Dan was het met alles gedaan. Jezus echter wees hem met gestrengheid af. De Heer was zoo vervuld van blijdschap over Zijn werk en van de zekerheid aangaande Zijn zegevierend, Hem verheerlijkend sterven, dat Hij elke gedachte aan het opgeven daarvan, verre van zich wierp. Ook kon Hij, na de zooeven gedane openbaringen, waarin Hij met Goddelijke majesteit hunnen blik had gericht op Zijne overwinning, zelfs aan gene zijde van de poorten des doods, — een beter, meer gehoorzaam aanvaarden van de nieuwe leer verwachten. Daarom wees Hij Petrus met gestrengheid af. „Ga heen, achter, mij. Satan!\'\' sprak Hij bestraffend, en het was alsof dezelfde gestalte, die gedurende de 40 dagen in de woestijn op Hem was aangedrongen, acnter Zijn geliefden, trouwen discipel stond. Hem verzoekende; „want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der men-schen zijn!quot; Petrus zweeg. Zij gingen verder.

In deze dagen kwam Jezus nog dikwijls op dit zelfde onderwerp terug. De uitdrukking: „Van toen aan begon Jezusquot; (Matth. XVI : 21) wijst duidelijk op een herhaald onderricht aangaande deze zaak. Verdere bijzonderheden worden ons niet medegedeeld. Toch weten wij met zekerheid, waarover Hij gesproken heeft en in welke richting Hij dit deed. Jezus verwijst herhaaldelijk daarnaar na Zijne opstanding; zoo zegt Hij (Luk. XXIV: 44) tot de discipelen: „Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden wat van Mij geschreven is in de wet van Mozes en de profeten en psalmen. Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus

ocr page 187

173

lijden en van de dooden opstaan ten derde dage.quot; Zijn onderwijs was dus, gelijk ook de lijdensaankondiging in Luk. XVIII: 31 aanduidt, een openen van de diepste beteekenis der Schrift, het openen van het geheele Oude Testament, als zijnde eere groote Messiaansche profetie. Hij „toonde hun aanquot; (Mark. XVI: 21) in het bijzonder het goddelijk moeten van Zijn lijden, waarop Hij na Zijne opstanding zoo dikwijls terugkwam: „Moest niet de Christus aldus lijden?quot; En zou Hij de Emmaüsgangers hebben bestraft over de traagheid hunner harten, indien Hij hen van hun verblijf op den Hermon af, niet zoo duidelijk had aangetoond, dat men eerst dan de hartader van het Oude Testament had geraakt, als men uit de wetten Van Mozes, de profeten en de psalmen, altijd weer den lijdenden en door lijden verheerlijkten Messias aanschouwde. Zoo onomwonden sprak Hij met hen over Zijne naderende terechtstelling, dat Hij hun zelfs aanduidde, welken dood Hij sterven zou, den meest vernederenden, die er was, n.1. dien aan het kruis. (Matth. XVI : 24.)

Ook verheelde Hij het hun niet, dat ook hun op dezen weg, de zwaarste beproevingen en zelfverloochening wachtten. Wie van u — aldus sprak Hij ongeveer, — alsnog het voornemen heeft. Mij te bleven volgen in alles wat Mij nog wacht, die doe afstand van alle aardsche genietingen, persoonlijke sympathieën en wenschen, voordeelen en verwachtingen; die wete, dat dit alles voor hem niet meer bestaat. Naar den mensch bezien, is ook uwe positie, Mijne leerlingen, verloren. Indien een veroordeelde misdadiger naar de gerechtsplaats geleid wordt en deze zijn kruispaal dragen moet, dan heeft hij geen hoop meer voor dit leven. Hij ziet af van alles wat de wereld biedt, en hij moet dit doen al zou hij niet willen. Evenzoo moet ieder, die Mij volgen wil, nu Mijne zelfovergave aan het kruis een uitgemaakte zaak is, zich beschouwen als zulk een veroordeelde, die reeds het kruis op den schouder heeft om te scheiden van de wereld, waarvan hij niets meer te hopen heeft. En hij, die na deze openbaringen - en hierbij zag Hij Judas aan, — nog rekenen zou op aardsch

ocr page 188

174

gewin, gemak, geluk en eer, zal zich. bij hetgeen in de eerstvolgende maanden zal gebeuren, deerlijk bedrogen zien; hij zal juist verliezen, wat hij gehoopt had te gewinnen. Maar — en ook nu blikte Hij Zijne jongeren in de oogen, van welke sommigen den marteldood zouden sterven, — die om Mijnentwil alle aardsche hoop, ja zelfs gelijk Ik, zijn leven verliezen zal, die zal het leven vinden in eeuwige heerlijkheid, want van nu af is den dood zijne verschrikking ontnomen. De poorten des doods kunnen de Mijnen niet meer overweldigen. Ontroerd zullen de jongeren hunnen meester hebben aangestaard.

Ach, den eisch om afstand te doen van alles, nadat zij zooveel, ook van deze wereld, verwacht hadden, trof allen diep. Het meest nog Judas, voor wien de Heer, die hem ook liefhad, nog deze woorden sprak: „Want wat baat het een mensch zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade aan zijne ziel?quot; Daarmede zou de roes der vreugde te duur zijn betaald; hij zal zijn eeuwigen Rechter niet ontgaan. En weet gij wie deze eeuwige rechter is? Niemand anders dan de nu nog bij allen bekende mensch, die naast u staat op den Hermon, die door de banden des doods niet zal kunnen worden gehouden. Eenmaal, na Zijnen dood, zal Hij op aarde terugkomen, niet meer als de eenvoudige Galileër, maar bekleed met de heerlijkheid Zijns Vaders. (Matth. XVI: 27.) Omgeven van een koninklijk gevolg van Engelen eu hemelsche heirscharen uit de onzichtbare wereld, zal Hij komen om een iegelijk te vergelden naar zijne werken. Zoo ging Hij van trap tot trap; de eene openbaring overtrof de andere, tot aan de laatste toe, waarin Hij liet doorschemeren, dat Hij niet ieder van hen, vertrouwde. (Joh. VI; 70 zegt dit nog duidelijk).

Het waren ernstige, beslissende uren, daar aan den voet van het Hermongebergte! Deze dagen werden onuitwischbaar in de harten der Apostelen gegrift. De jongeren zullen menigen strijd in de eenzaamheid hebben uitgevochten. De Evangeliën zeggen ons, dat na de ontvangen openbaring, eene pauze van 6 tot 8 dagen werd gehouden. Uiterlijk gebeurde in dien tijd

ocr page 189

175

niets bijzonders. Innerlijk daarentegen ongetwijfeld des te meer. Zij moesten leeren zich vrijwillig te schikken in den voorgestelden smarteliiken weg huns Meesters. De indruk der woorden van Jezus was natuurlijk zeer verschillend bij de verschillende jongeren. Judas werd meer achterhoudend en somber. Thomas, en zeker ook wel anderen met hem, begonnen te twijfelen. Zij trachtten in de toekomst te lezen en zagen overal geschreven: Dood! Zij vergaten intusschen, dat Jezus ook had gesproken van overwinning over de poorten van het doodenrijk en van Zijne eigene opstanding. Allen te zamen waren door de woorden van Jezus met diepen ernst vervuld. Niemand hunner begreep de zaak. In deze dagen van afzondering, moesten zij nu, in den strijd der zelfverloochening, er toe komen om ook in dezen nog onbegrepen weg hun Meester te volgen, dien zij als Gods Zoon hadden begroet. Wie deze erkentenis oprecht gemeend had, moest zich door dezen Aanvoerder, zelfsop den weg desdoods vertrouwendlatenleiden.Ook Jezus kwam ongetwijfeld in deze dagen nog dikwijls terug op deze grondgedachte van Zijne leer: „Door kruis tot heerlijkheid, door den dood tot het leven!quot;

Hij zelf intusschen was niet treurig. Integendeel, een geest van blijdschap vervulde Hem. Hij zag door den nevel heen over het aardsche Jeruzalem naar het hemelsche en Zijne ziel juichte bij de gedachte aan het paradijs, dat Hij door Zijn sterven henvinnen zou.

De verheerlijking.

Aldus verliep een volle week. Jezus gebruikte die voor Zijn onderwijs. Diepe verslagenheid had echter de jongeren aangegrepen. Zij hadden gedacht, dat nu eigenlijk de tegenstand der overpries-ters en schriftgeleerden glansrijk zou zijn overwonnen, en nu — zou Hij sterven door hunne handen. De discipelen waren waarschijnlijk zeer stil, als Jezus bij hen was. Hij zag wel in dat er een crisis was ontstaan in de verhouding tusschen Hem en Zijne jongeren en Hij nam Zijne toevlucht tot het gebed. Het gebed was

ocr page 190

176

voor Hem een staf op eiken weg, ja een wonderstaf, ja tot vleugelen om zich te verheffen boven het aardsche. Na 8 dagen dan. ging Hij met Zijn drie beproefde leerlingen op den berg om te bidden. (Luk. IX : 28, 29).

Zij bleven twee dagen aldaar, hoog op het gebergte. Vermoeid van den tocht hadden de discipelen zich te rusten gelegd. Jezus echter sliep niet; de heerlijke berglucht verfrischte Hem en Hij gevoelde behoefte om te bidden. Hij had veel met Zijnen vader te spreken en met vreugde begroette Hij deze eenzaamheid. De jongeren waren ingeslapen. Nu was hij eerst recht alleen met Zijnen Vader, in rechtstreeksch verkeer met de onzichtbare wereld, met den eeuwigen God, Zijn tweede Ik. Wat zal Hij tot Hem gezegd hebben? Niets anders dan dat, wat Hem zoozeer trof; de neerslachtigheid Zijner jongeren, hunne ongeschiktheid om de gedachte in zich op te nemen, dat het slechts door lijden tot heerlijkheid kon gaan. Voor zich zag Hij overwinning, wereldver-lossing, wereldverheerlijking, — maar de brooze werktuigen, die Hij als dragers der nieuwe levensmacht in de wereld wilde uitzenden, waarvan er enkele aan Zijne zijde slapende waren, schenen bijna te krachteloos, om die goddelijke gedachte en dit plan te vatten. Ook zal Hij zich hebben verdiept in het heerlijke raadsbesluit der Goddelijke liefde, tot vervulling waarvan Hij in menschen-gedaante op aarde was gekomen, krachtens welke de geheele aarde, die onder den vloek der zonde aan Zijne voeten lag, zou worden opgeheven in den zonnegloed der eeuwige verheerlijking.

Toen geschiedde het, terwijl Hij bad, dat Zijne gedachten over verheerlijking, zich, om zoo te zeggen, belichaamden. Door Zijn aardsch omkleedsel heen, straalde Zijne Goddelijke heerlijkhei d! De gloeiende levenskracht, die eene verloste wereld op vleugelen der liefde overwinnen kon en wilde dragen door de poorten des doods, zou zich als een zichtbare profetie aan de jongeren openbaren. Zoo wilde het de Vader. Dit was de verhooring van het gebed des Zoons. De jongeren zouden het zien, dat in de andere wereld, waarvan Jezus onder aan den berg met zooveel

ocr page 191

177

vertrouwen gesproken had, Zijn heengaan naar Jeruzalem bekend en besloten was, ja zij zouden van den Vader in den hemel zel-ven de bevestiging vernemen. Hiertoe verschenen nog twee andere gestalten. Omstraald door den glans van Jezus, de Cen-traalzon des menschdoms, stonden bij Hem de twee grootste mannen van het Oude Verbond, Mozes en Elia, beiden op geheimzinnige wijze, op den Nebo en aan de Jordaan van deze aarde opgenomen. Met diepen eerbied staan zij daar als dienaren voor hun goddelijken Meester. Nu ontwaken de jongeren. Zij openen de oogen, maar gelooven, dat zij nog droomen. Zij zien, wat hunne oogen nog nimmer aanschouwden, wat nog nimmer in hen was opgekomen. Itear staat hun Meester en Zijn aangezicht evenals Zijne gedaante, blinkt als de zon! Wel stond de ondergaande zon in het Westen, maar hetgeen zij aanschouwden kon niet worden veroorzaaakt door het avondrood der ondergaande zon. Het was een bovenaardsche glans, die Hem en Zijne beide dienaren omstraalde — alle glans en alle stralen kwamen voort uit Zijn Persoon. Alles aan Hem was heerlijkheid en licht. Als verblind zagen Hem de drie jongeren aan. Bijna twee jaren hadden zij, zonder Hem nog te kennen, met dezen Verheerlijkte omgewandeld! Hier begon voorzeker de _diepe indruk van Zijne lichtgestalte in de ziel van Johannes zich te vestigen, waaronder hij in den aanhef van zijn Evangelie schrijft: „Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen! Dit was het waarachtige licht, dat verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld.quot; (Joh. 1 : 5, 9.) Jezus zal hun hebben gezegd, wie die beide mannen waren.

Dit was dan Mozes, die op Sinaï de wet gaf, van wien zij sinds hunne kindsheid hadden gehoord als den machtigsten profeet in Israel! Dit was dan Elia, die om vuur van den hemel had gebeden, daarginds op den in het Westen zichtbaren Kar-mel! Hoe verheven stond hun Meester tusschen deze beiden! Hoe vol eerbied bogen zich die machtigen voor Hem, aan Wien zij gedurende de laatste dagen bijna hadden getwijfeld. En nu waren zij stomme, verbaasde toehoorders van een gesprek, dat

12

ocr page 192

178

den diepsten indruk op hen maken moest. Hoe overtuigend spraken zij, als twee ministers van God, over de zaak, die hen zoo had verontrust: de opgang naar Jeruzalem, als van een natuurlijke, noodzakelijke handeling, die moest leiden tot verheerlijking! Hoe schaamde zich Petrus, die het gewaagd had dezen Groote, dezen Heerlijke tegen te spreken, toen hij zeide: „Dit zal U geenszins geschieden!quot; Wie waren zij, dat zij dagelijks met Hem mochten omgaan, met Hem mochten omwandelen, met Hem mochten vertoeven in de hutten der Galileërs! En toch, hetgeen zij zagen was zoo wonderbaar, zoo oneindig schoon; Petrus ware liefst voor immer daar gebleven. Eene ongekende zaligheid vervulde zijne ziel. De onzichtbare wereld, waarvan de meeste menschen een afkeer hebben, kwam hem zoo bekoorlijk voor; een zoo heilig verlangen kwam op in zijn hart, dat het Hem was als in den psalm is uitgedrukt: „Als de Heelde gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die droomen. Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich!quot; Bijna geloofde hij, dat zij reeds in den hemel waren en zij niet meer in lagere sferen behoefden af te dalei:. Op de hem eigene wijze van kort beraad, wilde hij dadelijk maatregelen nemen om deze hooggelegene verblijfplaats zoo be-hagelijk mogelijk voor het kleine gezelschap in te richten door eenige loofhutten te bouwen en dan daar te blijven, voor immer.

Doch, terwijl hij nog sprak, geschiedde er meer! Een wolk kwam over het bergdal en bedekte de plaats, waar zij stonder.. Een heerlijke glans straalde uit die wolk. Alles, wat zij zagen, moest in deze ure hun zijn als een symbool, het zichtbare moest de onzichtbare wereld hun duidelijk maken om hun geloof te versterken in de donkere dagen, die aanstaande waren. De welk was de openbaring van Gods nabijheid. Zij wisten, dat Gcds verschijning was: het zichtbaar worden van den Eeuwignabij zijnde, — die om zoo te zeggen, te voorschijn trad uit het incognito Zijner onzichtbaarheid. Wie echter gevoelt niet hunne ontzetting bij het aanschouwen van de nabijheid Gods, als be-

ocr page 193

179

lichaamd? Er kwam eene stem uit de wolk, menschelijke woorden sprekende: „Deze is Mijn geliefde Zoon! Hoort Hem!quot; als moesten zij worden herinnerd aan die eerste openbaring aan hui. eersten Meester, Johannes den Dooper; — als moest hun worden gezegd: G-ij, die Zijne lijdensopenbaringen schijnt niet te kunnen ge-looven, hoort Hem, volgt Hem op Zijne donkere paden, ja, zelfs naar Jeruzalem aan het kruis. Deze stem, waarbij hun lichaam en ziel beefde, was de laatste handeling en het hoogtepunt van deze geheimzinnige gebeurtenis. Wat nog zooeven zichtbaar was, werd wederom gehuld in den sluier, die het onzichtbare, hoe nabij ook, voor ons oog verbergt. De jongeren zagen nog steeds vol verbazing in het rond, — doch waar zij eerst drie mannen hadden gezien, zagen zij nu Jezus alléén. Vol majesteit, maar te gelijk nederbuigend, geheel de zelfde vriendelijke Meester van weleer, zal de Heer met hen hebben gesproken over deze verheerlijking (Matth. XVH; 7). Echter bleef Hij niet overeenkomstig de begeerte van Petrus voor immer met hen op den berg. Zij bleven er nog slechts overnachten. De gesprekken, die gehouden zijn, zullen den jongeren hun leven lang in gedachtenis zijn gebleven. Slechts éénmaal heeft Petrus dezen grooten dag zijns levens in zijne brieven vermeld. (2 Petr. 1: 17.) Mondeling zal hij er de gemeente wel bij herhaling van hebben gesproken.

Des anderen daags verlieten de vier bergreizigers het heerlijk oord en keerden tot de menschen daarbeneden terug. Den jongeren ging het hart open, terwijl zi] met Jezus voortwandelden en Hem opheldering vroegen aangaande enkele voor hen duistere zaken, de opstanding der dooden, de wederkomst van Elia, enz. Ten opzichte van de verheerlijking zelve legde Hy hun wederom het stilzwijgen op. Na korten tijd wilde Hij de wereld zelve op ongedachte wijze verrassen door de openbaring dezer dingen, die daarboven door het drietal waren aanschouwd. Hoe geheel anders dan zij waren opgeklommen, daalden nu de jongeren van den Hermon af. Gisteren nog waren zy versaagd, heden zijn zij vol vertrouwen en blijmoedig. Voor hen had de

ocr page 194

180

verheerlijking plaatsgegrepen. Niet voor Jezus, niet om Hem „te doen rijpen voor het hemelsche bestaanquot; — dat was Hij reeds deelachtig, sinds Hij als Meester en Heiland was opgetreden. Maar het geloof der Jongeren, die de doodsaankondiging nog niet konden vatten, moest op heerlijke wijze worden versterkt. Daarom spraken de beide profeten, die bij hen het hoogst stonden, over het opgaan naar Jeruzalem, daarom sprak de stem niet tot Jezus, zooals vroeger aan de Jordaan (Mark. I; 11), maar uitdrukkelijk tot hen, de jongeren. Maar ook deze grootste aller openbaringen kon eerst geschieden, nadat zij Hem door Zijne gestalte als Dienstknecht heen voor acht dagen hadden erkend als den Zoon des levenden Gods. De reis was ondernomen als om het onderwijs te besluiten en het glansrijk slot was juist deze verheerlijking, waarbij Jezus zich openbaarde in Zijne goddelijke volheid en overwinnende levenskracht, ondanks Zyn sterfelijk lichaam, — eene volheid, die Hij sinds lang bezat, maar die Hij nog niet had getoond. Nu moesten zij het gevoelen, dat Hy werkelijk tot de wereldheerschappij geroepen was, gelijk Hij hun later bij Zijne hemelvaart zeide: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde!quot; Zoo daalden zij dan met vernieuwd geloof, met vernieuwde geestdrift, aan Zijne zijde den berg af. Voorzeker moet het contrast tusschen boven en beneden groot geweest zijn — zelfs voor den Heer. De wereld des ongeloofs, die wereld der zonde en hare gevolgen, deed zich met schrillen wanklank hooren na de hemelsche uren op den berg doorleeft, zoodat de Heer het uitsprak met de woorden: „O, gij ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn?quot; (Matth. XVH ; 17.)

Hoe lang Jezus nog in het brongebied van de Jordaan vertoefde, is ons onbekend. Voorzeker gebruikte Hij al dien tijd voor verder onderwijs. In bijzonderheden is ook daarvan ons niets bekend, maar in de brieven der Apostelen, in hunne leerredenen te Jeruzalem en door geheel de wereld, weerklonk wat Jezus hier in de eenzaamheid tot hen gesproken had.

ocr page 195

181

HET AFSCHEID.

Jezus nam afscheid van de bronnen der \'Jordaan. Hij had hetdoel bereikt, waartoe Hij hier gekomen was. Hij had Zijn jongeren ingeleid in de coodsgedachten, die van nu aan meer en meer het onderwerp van Zijn denken en spreken zouden zijn. Met voldoening kon Hii terugzien op hetgeen Hij bij Zijne jongeren had bewerkt, ondanks hunne kleingeloovigheid. Als op eene rots gegrond, was de gemeente gevestigd, die zich van nu aan zou ontwikkelen tot in alle eeuwigheid. In de harten Zijner jongeren, uitgenomen van den „zoon des verderfs,quot; was de Petra, de rots des geloofs, als het onbeweeglijk fundament gelegd en als de kroon op het onderwijs had de Vader in den hemel zelve Zijne stem doen hooren uit de wolk en achter het laatste hoofdstuk Zijn goddelijk punctum geplaatst.

De Apostelen vormden nu de grondslagen van een nieuwe wereld en van een nieuwen tijd, terwijl de oude tijd onvermijdelijk zijn einde te gemoet snelde. Reeds naderde met ijzeren voet het strafgericht voor het volk, dat zyn Heiland verstiet. Op dezelfde plaats, waar Jezus het Examen met Zijne jongeren hield, waar Hij hun de aanstaande overwinning Zijner kerk, zelfs aan gene zijde des grafs voorspelde, — op diezelfde plaats werd ongeveer 40 jaar later het doodenfeest van het Israelietische volk gehouden. De overwinnende Romeinsche veldheer ïitus kwam van de rookende puinhoopen van Jeruzalem en het vuurgraf van den Jehova-tempel met zijn leger naar Caesarea Fïlippi om den ondergang van Israel met schitterende feesten te vieren. Groote scharen Joodsche gevangenen werden herwaarts gesleept en op gruwzame wijze omgebracht. Daar, waar de Verlosser, de ware Koning der Joden, voor weinige tientallen jaren een rijksdag hield met Zijne twaalf Apostelen en het fundament legde van Zijn nieuw koninkrijk, terwijl Hij den blik wendde naar Jeruzalem, waar Hij sterven zoude, — daar lagen de laatste hoogmoedige helden p\'an het verblinde Israel, van het oude Rijk te zieltogen.

ocr page 196

182

Jezus hoorde den rollenden donder van het naderend gericht.

Hij overzag van den Hermon. het geheele Heilige Land met geheel zijne geschiedenis, verheven maar treurig, omdat de laatste gruwelijke daad zou zijn: het ter dood brengen van Zijn hoogheerlijken Persoon. Hij zag, hoe Israel daarmede zijn eigen doodvonnis uitsprak. Hij zag de legerbenden aanstormen en het eeuwenoude Rijk van Israel begraven onder de puinhoopen van Jeruzalem. Maar ook zag Hij met Goddelijken zienersblik in de gouden toekomst. Hij zag, hoe op de overblijfselen van Israels rijk, van alle koninkrijken der aarde, de schitterende tempel Gods zich zou verheffen, welks fundament Hij in de twaalven had gelegd. Het waren dus niet enkel lijdensaankondigingen, die Hij uitsprak; neen, reeds weerklonk een overwinningskreet in de woorden: „Wij gaan op naar Jeruzalem!quot; Hij ging daarheen niet om te sterven, maar om de poorten des doods te openen. De jongeren zagen deze lichtzijde van het lijden nog niet, zij zagen nog slechts het beeld van den lijdenden Heiland. Zelfs zes maanden later, in Gethsemané, verstonden zij dat nog niet en lieten zij Hem alleen.

Wanneer wij dit alles nu overdenken, — dan straalt er een gloriekrans rondom den eenigen, koninklijken Hermon, „den heiligen berg.quot; (2 Petr. I : 18.) Heerlijke Hermon! Gij zaagt op uwen kruin het voorspel der eeuwige verheerlijking, die eenmaal zal opgaan over de bergen dezer aarde, als de ochtendstond der eeuwige heerlijkheid. Niet tevergeefs verheft gij uw kruin zoo blijmoedig tot in de wolken; want gij zijt ons een profeet uit het land, waar de eeuwige verheerlijking der wereld volbracht wordt, waar het toeven op den berg der verheerlijking niet meer uitzondering is, waarop wederom uren van smart en ellende volgen, — maar waar wij duurzaam mogen wonen, als ten aanzien der verheerlijkte aarde het woord zal vervuld worden:

„Ziet! de woonstede Gods is onder de menschen!\'quot;

ocr page 197

HET LOOFHUTTENFEEST TE JERUZALEM.

Jezus was van den Hennon naar Kapernaüm teruggekeerd. Hij was langen tijd afwezig geweest. Drie maanden moet Hij in het buitenland hebben doorgebracht, eerst in Tyrus en Sidon, daarna in Dekapolis en laastelijk aan de bronnen der Jordaan. In het bijzonder te Kapernaüm had men Hem sinds Zijn tocht naar Tyrus in Juli gemist. Nu was het September. In Kapernaüm zal menigeen zich over deze reistochten van Jezus hebben verwonderd, want de drie genoemde landstreken waren alle zuiver heidensch gebied, waar Hij van alle verkeer met het Jood-sche Israel was afgesneden. Niet het minst zal men zich hebben verwonderd in het huis van Jezus\' eigene familie. Zijne broeders en ook Maria begrepen Hem niet. Het voorgaande jaar was Hy ook ongeveer negen maanden afwezig gebleven. Maar toenmaals vertoefde Hij in Judea, ten deele in Jeruzalem, ten deele in de omstreken zelve, voornamelijk aan de Jordaan, alwaar Hij doopte en tal van jongeren om zich verzamelde. Dit alles vonden zij zeer natuurlijk ; maar deze buitenlandsche reizen waren hun volkomen onbegrijpelijk. Nu echter was Hij eindelijk weder in huis gekomen. (Mark. IX ; 33.) Maar ook hier in Galilea bleef Hij wederom zooveel mogelijk in de afzondering, ondanks in de lente

ocr page 198

180

verheerlijking plaatsgegrepen. Niet voor Jezus, niet om Hem „te doen rijpen voor het hemelsche bestaanquot; — dat was Hij reeds deelachtig, sinds Hij als Meester en Heiland was opgetreden. Maar het geloof der Jongeren, die de doodsaankondiging nog niet konden vatten, moest op heerlijke wijze worden versterkt. Daarom spraken de beide profeten, die bij hen het hoogst stonden, over het opgaan naar Jeruzalem, daarom sprak de stem niet tot Jezus, zooals vroeger aan de Jordaan (Mark. 1: 11), maar uitdrukkelijk tot hen, de jongeren. Maar ook deze grootste aller openbaringen kon eerst geschieden, nadat zij Hem door Zijne gestalte als Dienstknecht heen voor acht dagen hadden erkend als den Zoon des levenden Gods. De reis was ondernomen als om het onderwijs te besluiten en het glansrijk slot was juist deze verheerlijking, waarbij Jezus zich openbaarde in Zijne goddelijke volheid en overwinnende levenskracht, ondanks Zijn sterfelijk lichaam, — eene volheid, die Hij sinds lang bezat, maar die Hij nog niet had getoond. Nu moesten zij het gevoelen, dat H\\j werkelijk tot de wereldheerschappij geroepen was, gelijk Hij hun later bij Zijne hemelvaart zeide: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde!quot; Zoo daalden zij dan met vernieuwd geloof, met vernieuwde geestdrift, aan Zijne zijde den berg af. Voorzeker moet het contrast tusschen boven en beneden groot geweest zijn — zelfs voor den Heer. De wereld des ongeloofs, die wereld der zonde en hare gevolgen, deed zich met schrillen wanklank hooren na de hemelsche uren op den berg doorleeft, zoodat de Heer het uitsprak met de woorden: „O, gij ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn?quot; (Matth. XVII: 17.)

Hoe lang Jezus nog in het brongebied van de Jordaan vertoefde, is ons onbekend. Voorzeker gebruikte Hij al dien tijd voor verder onderwijs. In bijzonderheden is ook daarvan ons niets bekend, maar in de briev-en der Apostelen, in hunne leerredenen te Jeruzalem en door geheel de wereld, weerklonk wat Jezus hier in de eenzaamheid tot hen gesproken had.

ocr page 199

181

HET AFSCHEID.

Jezus nam afscheid van de bronnen der Jordaan. Hij had hetdoel bereikt, waartoe Hij hier gekomen was. Hij had Zijn jongeren ingeleid in de doodsgedachten, die van nu aan meer en meer het onderwerp van Zijn denken en spreken zouden zijn. Met voldoening kon Hij terugzien op hetgeen Hij bij Zijne jongeren had bewerkt, ondanks hunne kleingeloovigheid. Als op eene rots gegrond, was de gemeente gevestigd, die zich van nu aan zou ontwikkelen tot in alle eeuwigheid. In de harten Zijner jongeren, uitgenomen van den „zoon des verderfs,quot; was de Petra, de rots des geloofs, als het onbeweeglijk fundament gelegd en als de kroon op het onderwijs had de Vader in den hemel zelve Zijne stem doen hoeren uit de wolk en achter het laatste hoofdstuk Ziin goddelijk punctum geplaatst.

De Apostelen vormden nu de grondslagen van een nieuwe wereld en van een nieuwen tijd, terwijl de oude tijd onvermiide-lijk zijn einde te gemoet snelde. Reeds naderde met ijzeren voet het strafgericht voor het volk, dat zyn Heiland verstiet. Op dezelfde plaats, waar Jezus het Examen met Zijne jongeren hield, waar Hij hun de aanstaande overwinning Zijner kerk, zelfs aan gene zijde des grafs voorspelde, — op diezelfde plaats werd ongeveer 40 jaar later het doodenfeest van het Israelietische volk gehouden. De overwinnende Romeinsche veldheer Titus kwam van de rookende puinhoopen van Jeruzalem en het vuurgraf van den Jehova-tempel met zijn leger naar Caesarea Filippi om den ondergang van Israel met schitterende feesten te vieren. Groote scharen Joodsche gevangenen werden herwaarts gesleept en op gruwzame wijze omgebracht. Daar, waar de Verlosser, de ware Koning der Joden, voor weinige tientallen jaren een rijksdag hield met Zijne twaalf Apostelen en het fundament legde van Zijn nieuw koninkrijk, terwijl Hij den blik wendde naar Jeruzalem, waar Hij sterven zoude, — daar lagen de laatste hoogmoedige helden ^an het verblinde Israel, van het oude Rijk te zieltogen.

ocr page 200

182

Jezus hoorde den rollenden donder van het naderend gericht.

Hij overzag van den Hermon. het geheele Heilige Land met geheel zijne geschiedenis, verheven maar treurig, omdat de laatste gruwelijke daad zou zijn: het ter dood brengen van Zijn hoogheerlijken Persoon. Hij zag, hoe Israel daarmede zijn eigen doodvonnis uitsprak. Hij zag de legerbenden aanstormen en het eeuwenoude Eijk van Israel begraven onder de puinhoopen van Jeruzalem. Maar ook zag Hij met Goddelijken zienersblik in de gouden toekomst. Hij zag. hoe op de overblijfselen van Israels rijk, van alle koninkrijken der aarde, de schitterende tempel Gods zich zou verheffen, welks fundament Hij in de twaalven had gelegd. Het waren dus niet enkel lijdensaankondigingen, die Hij uitsprak; neen, reeds weerklonk een overwinningskreet in de woorden: „Wij gaan op naar Jeruzalem!quot; Hij ging daarheen niet om te sterven, maar om de poorten des doods te openen. De jongeren zagen deze lichtzijde van het lijden nog niet, zij zagen nog slechts het beeld van den lijdenden Heiland. Zelfs zes maanden later, in Gethsemané, verstonden zij dat nog niet en lieten zij Hem alleen.

Wanneer wij dit alles nu overdenken, — dan straalt er een gloriekrans rondom den eenigen, koninklijken Hermon, „den heiligen berg.quot; (2 Petr. I : 18.) Heerlijke Hermon! Gij zaagt op uwen kruin het voorspel der eeuwige verheerlijking, die eenmaal zal opgaan over de bergen dezer aarde, als de ochtendstond der eeuwige heerlijkheid. Niet tevergeefs verheft gij uw kruin zoo blijmoedig tot in de wolken; want gij zijt ons een profeet uit het land, waar de eeuwige verheerlijking der wereld volbracht wordt, waar het toeven op den berg der verheerlijking niet meer uitzondering is, waarop wederom uren van smart en ellende volgen, — maar waar wij duurzaam mogen wonen, als ten aanzien der verheerlijkte aarde het woord zal vervuld woi-den:

„Ziet! de woonstede Gods is onder de menschen!quot;

ocr page 201

HET LOOFHUTTENFEEST TE JERUZALEM.

||

I (\'1

Jezus was van den Hennon naar Kapernaüm teruggekeerd. Hij was langen tijd afwezig geweest. Drie maanden moet Hij in het buitenland hebben doorgebracht, eerst in Tyrus en Sidon, daarna in Dekapolis en laastelijk aan de bronnen der Jordaan. In het bijzonder te Kapernaüm had men Hem sinds Zijn tocht naar Tyrus in Juli gemist. Nu was het September. In Kapernaüm zal menigeen zich over deze reistochfen van Jezus hebben verwonderd, want de drie genoemde landstreken waren alle zuiver heidensch gebied, waar Hij van alle verkeer met het Jood-sche Israel was afgesneden. Niet het minst zal men zich hebben verwonderd in het huis van Jezus\' eigene familie. Zijne broeders en ook Maria begrepen Hem niet. Het voorgaande jaar was Hij ook ongeveer negen maanden afwezig gebleven. Maar toenmaals vertoefde Hij in Judea, ten deele in Jeruzalem, ten deele in de omstreken zelve, voornamelijk aan de Jordaan, alwaar Hij doopte en tal van jongeren om zich verzamelde. Dit alles vonden zij zeer natuurlijk ; maar deze buitenlandsche reizen waren hun volkomen onbegrijpelijk. Nu echter was Hij eindelijk weder in huis gekomen. (Mark. IX : 33.) Maar ook hier in Galilea bleef Hij wederom zooveel mogelijk in de afzondering, ondanks in de lente

ocr page 202

184

nog groote volksmassa\'s Hem aldaar gevolgd waren. (Mark. XI: 30.)

Het was herfst. De oogst van druiven en andere vruchten was in vollen gang en naderde reeds het einde. Het Loofhuttenfeest was aanstaande. Reeds overal maakte men zich gereed voor de feestreis naar Jeruzalem. Alleen Jezus deed dit niet. Wat kon Hem nu meer terughouden om gelijk alle vrome Israëlieten op te gaan tot het feest ? Wilde Hij een kluizenaar worden in plaats van Messias? Of wel ontbrak het Hem aan moed? Zijne broeders maakten daarop aanmerkingen, zeggende : „Niemand houdt zich verborgen, die, zooals Gij, zich als profeet wil openbaren ; maak IJ mede op, ga naar Judea en maak u bekend aan de toereld?quot; „De broeders,quot; — aan welker spits de latere voorganger der eerste Christengemeente in Jeruzalem, Jacobus, stond, — „geloofden nog niet in Hem,quot; zegt het Evangelie (Joh. VII : 5). Wel konden zij de wonderen, waarvan zij getuige waren geweest, niet loochenen, maar zij meenden, wie Messias van het volk of ook maar een profeet zijn wilde, moest opgaan naar Jeruzalem, de toestemming der schriftgeleerden en oversten des volks verwerven en met hunne goedkeuring en hulp het geheele volk voor zich winnen. Dit alles kon in het verachte Galilea of in de landen der heidenen niet geschieden. Daartoe was noodig moedig den tocht naar Jeruzalem te doen — en welk tijdstip was daartoe gunstiger dan dit feest, dat de besten der natie in de heilige stad samenbracht?

Zij wisten echter niet, wat hun Broeder van deze schriftgeleerden te wachten stond. Zij konden niet vermoeden, welke treurige geheimen Jezus aan Zijne jongeren had onthuld gedurende de laatste weken. Hun kon Hij dit ook niet mededeelen, Hij zinspeelde er slechts op in de woorden: „De wereld (aan welke gij wilt dat Ik Mij zal openbaren en van welke gij voor Mijne zaak zooveel verwacht) haat Mij — ulieden niet. Daarom is Mijn tijd tot openbaring op dit feest nog niet gekomen. De jongeren begrepen Hem. Nog slechts kort geleden, terugkeerende van den Hermon, had Hij hun bij vernieuwing gesproken van dezen

ocr page 203

185

tocht naar Jeruzalem (Mark. IX : 31), waarbij deze haat zijn toppunt zou bereiken. Het antwoord van Jezus sloot geheel op de vordering Zijner broeders, toen Hij sprak: „Om Mij aan de wereld te openbaren en feestelijk binnen te trekken in de Koningsstad (gelijk een halfjaar later op Palmzondag) ga Ik niet op tot dit feest, want Miin tijd is nog niet vervuld.quot; De broeders schudden het hoofd; dit was wederom het oude talmen. Zij reisden weg met de karavaan. Wie niet geraden zijn wil, kan ook niet geholpen worden, dachten zij.

Eenige dagen later, toen zij reeds de bergen waren overgetrokken, ging ook Jezus naar Jeruzalem, niet openlijk, maar als in het verborgen.

DE FEEST TIE RING.

Te Jeruzalem was inmiddels het Loofhuttenfeest in vollen gang gekomen. Welk een stroom van menschen, wat feestelijk gewoel binnen de muren van Jeruzalem! Uit alle windstreken kwamen gasten. Uit het Noorden van G-alilea en van het gebergte van Efraïm, uit het Oosten van Jericho, de Jordaanstreek en Perea, uit het Zuiden van Hebron en Bethlehem, uit het Westen van de berghellingen. Daarboven kwamen talrijke vreemdelingen uit de havensteden Caesarea en Joppe. Jubelend en juichend naderden allen de heilige stad. Pauken en cymbalen overstemden het gezang, wanneer de reizigers, evenals nog bij de tegenwoordige pelgrimstochten in het Heilige Land, des avonds halt houden, of wel wanneer zij aan het einde van den tocht den heiligen tempel aanschouwden. Geen feest werd door de bewoners van Palestina zoo gaarne bijgewoond, als dit. Het is mogelijk, dat de buitenlandsche bezoekers niet zoo talrijk waren als met het Paaschfeest. In het binnenland echter was het nu, einde September of begin October, de meest uitgezochte tijd voor feestvreugde. quot;Van Mei af had men voortdurend de verschillende vruchten geoogst en in den laatsten tijd had het geheele land als het ware er uitgezien, als één groot Loofhutten-feestterrein.

ocr page 204

186

In den heerlijken zomertijd woonde een ieder, die een tuin, wijnberg of bosch in bezit had, naar oud-vaderlijke zeden buiten onder zijn wijnstok of zijne vijgeboomen. Ja zelfs de stedelingen in Jeruzalem namen in dezen tijd bij voorkeur hun verblijf op kleine landgoederen of in welaangelegde tuinen. Aldaar woonden zij in lichtgebouwde landhuizen, in de torens der wijnbergen of ir. loofhutten en zwartharige tenten. Nu echter, in de eerste dagen van October, kwam het verheugde volk uit alle deelen des lands te zamen om het oogstfeest te vieren in den tempel te Jeruzalem. Jozefus noemt het Loofhuttenfeest het grootste en het heiligste van alle Israelietische feesten. Overal werden tenten of loofhutten opgeslagen, ook de 120,000 inwoners der stad woonden dan niet als gewoonlijk in steenen huizen, maar een ieder had zijne tent, gelijk vroeger de zwervende Israelieten in de woestijn, hetzij op de binnenplaats, 1) op een vrije plek of op het dak. Aldus wilde het de heilige feestorde uit den tijd der vaderen. Ook buiten de stad, van de stadspoort tot ver in het Noorden, nabij den Skopus in het Westen tot voorbij den grooten vijver en in het Oosten tot aan den Olijfberg stond tent aan tent, loofhut aan loofhut. De omtrek van Jeruzalem geleek op de legerplaats van een groot zwervend Bedoeïenenvolk.

Het feest duurde acht dagen. Het was een volksfeest in den uitgebreidsten zin des woords. De geringste landbouwer kon de feestvreugd evenzeer genieten als de rijkste stedeling, omdat de in het jaargetijde zijn oorsprong vindende, landelijke bestemming van het feest op het innigst verbonden was met de godsdienstige gedachte namelijk de herdenking van G-ods wonderdaden gedurende den doortocht van Israels volk door de woestijn. Twee wonderdaden traden in het bijzonder op den voorgrond: des daags zouden de zwervenden niet versmachten in de waterlooze vlakte der Sinaïtische woestijn; des nachts, ging de vlammende wolkkolom voor hen uit als een helder licht. Aan deze beide voorrechten

I) Zie „Kent gij het land?quot; hoofdstuk „de laatste nacht.quot;

ocr page 205

187

herinnerden onder de menigvuldige ceremoniën van het Loofhuttenfeest in hoofdzaak twee feestelijkheden, waarvan natuurlijkerwijze de ééne des daags, de anderen des nachts plaats vond.

De eerste was het drankoffer, waartoe het water eiken ochtend op feestelijke wijze uit de bron Siloah werd opgebracht. Juist nu, in October, was het volk voor een waterfeest bijzonder ontvankelijk, aangezien het gansche land overal droog en dor was. De vergaarbakken waren leeg; de bronnen droogden uit. Het verdorde land begon te scheuren door de gloeiende hitte der Octoberzon. Alles zag verlangend uit naar den eersten regen, die het dorstige land zou komen verkwikken. Het was dus een groote vreugde voor het volk, als des ochtends een priester, gevolgd door een tallooze menigte, uit de prachtvolle tempelpoort uittrad om door het Kidrondal af te dalen naar de bron Siloah. Uit deze schepte hij het water met een gouden kan. En evenals nu nog de bewoners van Palestina nooit verzuimen uit een bron, die zij voorbijgaan, te drinken, zal ook bij deze gelegenheid het geheele volk uit de heilige bron hebben gedronken. Nog heden wordt men aan dit volksgebruik uit lang vervlogen tijden, levendig herinnerd, als in December of Januari van elk waterrijk jaar, in datzelfde dal nabij de Siloahbron, de Jobsbron overloopt en hare wateren het Kidrondal doorstroomen. Dan ijlt jong en oud in feestgewaad het tegenwoordige Jeruzalem uit hierheen. Reeds in den vroegen ochtend trekken zij in schilderachtige groepen van Jeruzalems hoogte naar het dal, sommigen te voet, geheele harems op ezels, velen op trotsche paarden. Ook de dorpsbewoners van Siloah komen van hunne rotsen af en uit de geheele omgeving tot Bethlehem toe, gaan talrijke gasten op tot het feest. Met aandacht kijken zij in de krachtige bronwel, die hun de vervulling hunner hoogste wenschen, een over-vloedigen winterregen, waarborgt. Daarna leggen zij zich neder inbe-haaglijke groepen en heffen zij een vroolijk gezang aan. Evenzoo groot was vóór vele eeuwen de deelneming aan het waterfeest ten tijde der jaarlijks wederkeerende droogte, in ditzelfde dal. De

ocr page 206

188

priester droeg het water in de gouden kruik van de bron Siloah in feestelijken optocht naar de stad. Langs de oude rotsgraven van het dal Josafat, zooals het Kidrondal daar heet, ging de stoet op naar den tempel. Achter den priester ging het juichende volk, in rijen dansende, met groene palm-, mirte- en perziktakken in de hand. 1)

Zoo vroolijk ging het op deze feesten toe, dat de Rabbijnen gewoonlijk zeggen, dat wie aan de vreugde van het Loofhuttenfeest nog nimmer deelnam, eigenlijk nog niet weet wat feestvreugde is. De feeststoet bewoog zich langs den voet des Olijfbergs, zoodat het gejuich der menigte doordrong tot in de voorhoven des tempels, waar de menigte binnentrad onder trompetgeschal. Middelerwijl betrad de priester het altaar en bracht het drankoflfer uit de gouden kruik op. Het volk stelde zich tegenover hem en op de maat van cymbalen en pauken zongen de vroolijke mannenstemmen, begeleid door de bewegingen van den rijendans, de woorden uit Jesaja XII : 3: „Gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils!quot; En wij weten, dat naar de uitlegging dezer woorden, men niet alleen terugzamp;g op het water, dat door den staf van Mozes uit de rots stroomde, maar dat men veelmeer vooruitzag op de bronnen des heils, die de verwacht wordende Christus zou openen.

Het nachtelijk feest had betrekking op het andere genadewonder gedurende den tocht der Israelieten door de woestijn, de vuur- en wolkkolom. Twee fakkels van reusachtige afmeting werden in den tempelhof ontstoken. Zij waren in den Yoorhof der vrouwen geplaatst. Men zegt, dat hun licht zich verspreidde over geheel Jeruzalem. Dit nachtelijk feest was nog veel drukker dan het waterfeest des ochtends, gelijk ook heden nog de feestvreugde bij huwelijksfeesten eerst des nachts haar toppunt bereikt, als het flikkerend licht der fakkels zich verspreidt en het gezang in

\') Vergelijk „Kent gij het land?quot; hoofdstukken ..Feestenquot; eu „Muziek.\'

ocr page 207

189

de stilte des nachts weergalmt. Eerst wanneer de beide reuzen-luchters waren aangestoken en bovendien nog tallooze toortsen brandden, dan eerst was de rechte tijd gekomen voor een echt Oostersch feest. Aldus werden de feesten, vooral door de landelijke bevolking, steeds gehouden op de bergen, in tuinen of in de dorpen. In de voorhoven des tempels klonken weer de feestzangen, begeleid door muziekinstrumenten, op welker maat de rijendansen werden uitgevoerd. Luide weerklonk het gejuich over de stad tot op den in duisternis gehulden Olijfberg. Vermoedelijk zong men het meest die psalmen, die uitnoodigden om den Heer in Zijn heiligdom te prijzen en te loven met muziekinstrumenten. De vreugde werd steeds grooter en opgewekter, ja wij weten, dat ze niet zelden eindigde in volkomen uitgelatenheid. Niet slechts de jeugd, zelfs mannen op rijpen leeftijd namen deel aan den dans, die niet eindigde, vóór dat het eerste ochtendgloren achter den Olijfberg den naderenden dag aankondigde.

Op deze wijze werd het feest van dag tot dag voortgezet. Omtrent den achtsten dag zijn wij daarvan niet zeker. Dit weten wij intusschen wel, dat Jezus er meermalen getuige van was na Zijne aankomst op het feest te Jeruzalem, den vierden of vijfden dag • Onverwachts stond Hij op zekeren morgen in den tempelhof, leerende. Wij kunnen ons moeielijk de beweging voorstellen, die Zijne verschijning teweegbracht. Allen hadden in deze dagen over Hem gesproken. Onder allen, die van heinde en verre waren toegestroomd, was voorzeker niemand, die in deze feestdagen Zijn naam niet had gehoord. Hier vielen alle berichten aangaande Zijne wonderen en de kracht Zijner woorden samen. Alles wat Hij vroeger verricht had, werd opnieuw in herinnering gebracht. Ongeloofelijke dingen werden van Hem verhaald sinds de opwekking van den jongeling te Naïn, de spijziging der 5000, die der 4000, en vele andere. In de honderden tenten, die om en in Jeruzalem waren opgeslagen, zaten dikwijls groepen van mannen en vrouwen bijéén, elkander de verhalen Zijner wonderen mededeelende. Zij, die Hem vroeger gezien hadden, hoopten den wondervollen Man nu te leeren

ocr page 208

190

kennen. Want nu moest Hij wel komen, daar Hij op de beide andere hoofdfeesten, Paschen en Pinksteren, niet was verschenen. Sinds zeven maanden was Hij te Jeruzalem niet gezien. „Zou Hij komen?quot; Deze vraag was op den eersten dag van het feest op aller lippen en geen enkele der feestgangers zal meer belangstellend zijn ontvangen dan de broeders van Jezus. Bij hunne aankomst zullen zij bestormd zijn geworden met de vraag of hun broeder niet komen zoude en de vragers zullen zich ontstemd hebben afgewend op de droeve verklaring, dat Hij niet zou verschijnen. Dit bericht verhinderde intusschen niet, dat het dagelijksch gesprek Jezus gold. Johannes leert ons dit op duidelijke wijze. (VII; 12.) Nimmer nog was onder het Israelietische volk zulk een man opgetreden. De in eiken kring zoozeer vereerde, in het algemeen voor den aangekondigden Redder en Verlosser gehouden Johannes de Dooper (Luk. III : 15), die voor twee jaren was begonnen te leeraren en een half jaar geleden was vermoord geworden, had door zijne prediking en door zijnen doop die geweldige beweging slechts in gang gebracht om voor Jezus, den Meerdere, plaats te maken. Ieder erkende, dat men in merkwaardige dagen leefde sedert het optreden van deze beide mannen. Nu echter trok zich de algeheele uiting dezer machtige volksbeweging samen om Jezus alléén. De gevoelens aangaande Hem waren zeer verdeeld. De ééne partij was vol geestdrift en vol verwachting van een groote daad, die Hem plaatsen zou aan het hoofd der natie. Zij hield Hem voor een profeet, ja, voor meer dan dat. Anderen waren slechts nieuwsgierig om Hem te zien. Weer anderen, en dit was de Parizeesche partij, pleitten voor het tegenovergestelde en noemden Hem een bedrieger, die gelijk zoovelen in de laatste jaren met voorgewende Goddelijke opdracht hadden getracht het volk te verleiden. Hoe het zijn moge, een ieder sprak over Hem, zij het ook dat Zijne aanhangers, die de minderheid uitmaakten, bij de vijandige houding der heerschende partij liet niet waagden hun gevoelen vrijmoedig uit te spreken. (Joh. VII: 13.)

ocr page 209

191

Daar staat op zekeren morgen Jezus, midden in den voorhof des tempels! De liiding hiervan verbreidde zich snel als de wind door geheel Jeruzalem in de honderden tenten van het Loofhuttenfeest. Hoe meer men de hoop reeds had opgegeven Hem te zien, hoe meer onversaagd Zijn moedig optreden in het hol van den leeuw den volke toescheen, des te meer verrast schaarde zich eene groote menigte rondom den Profeet van Galilea. Ten einde de oversten des volks niet al te zeer te prikkelen was Jezus niet openlijk opgegaan naar Jeruzalem. Indien Hij dit gedaan had, dan zou de opwinding des volks, gelijk een halfjaar later op Palmzondag, de woede der hoogepriesterlijke partij zoodanig hebben gaande gemaakt, dat Hij nu reeds Zijn G-oeden Vrijdag zou hebben doorleefd, hetzij aan het kruis, hetzij onder de steenworpen Zijner vijanden. Want als reeds in Galilea, toen de lieden in hun beroep bezig waren, duizenden zich om Hem heen verzamelden, hoeveel te meer zou dan de groote massa, die opging naar Jeruzalem, waarheen het halve land ter feestviering op reis was, zich hebben aaneengesloten om Hem een triumftocht te bereiden. Jezus zou, als Hij zulks gewild had, aan de spits van duizenden Jeruzalem hebben kunnen binnentrekken. Maar Hij wilde de uitwendige beslissing over Zijn lot verdagen, totdat de inwendige beslissing in de harten van het Joodsche volk en der oversten in kalme overtuiging, zonder overijling, tot volkomen openbaring van Zijn innerlijk wezen, was gevestigd. Om die reden was Hij bijna in het verborgen gekomen. Ook Zijn jongeren schijnen niet te zijn mede-gekomen, (de jongeren uit Joh. IX : 2 waren vermoedelijk Zijne discipelen in Jeruzalem, uit Bethanië,) enz. van Johannes alléén weten wij zeker, dat hij tegenwoordig was. Hoe geheim ook Jezus Zijne reis had volbracht, Zijne komst was noodzakelijk. Nadat Hij gedurende het laatste halfjaar de opleiding van Zijne twaalf Apostelen, de vestiging Zijner toekomstige gemeente tot op zekere hoogte ten einde gebracht en Hij daarboven op den Hermon Zijn punctum finale er achter geplaatst had, kon Hij niet langer het middelpunt der Israelietische gods-

ocr page 210

192

dienst mijden. Nu moest Hij Israels beslissing voor of tegen Hem, — op Zijne krachtvolle wijze voorbereiden en uitlokken. Van nu aan was elk der drie reizen, die Hij nog naar Jeruzalem ondernam, als een stoutmoedige krijgstocht van den veldheer naar, ja in het hoofdkwartier des vijands. Van nu aan legt het optreden van Jezus in den tempel aan gansch het volk de ontzettende vraag voor van geloof of verwerping. Hiertoe moest Hij het zijn innerlijk wezen op nog niet voorgekomen wijze openbaren, opdat de geloovigen zouden weten in Wien zij geloofden en de onge-loovigen zouden weten, Wien zij verwierpen, ja opdat dezen, aangegrepen door de macht der waarheid, die zij niet konden verdragen, zouden worden gedreven tot de uiterste consequentiën van hun haat.

DE STRIJD.

Enkel de verschijning van Jezus deed een waren storm van den hartstochtelijken haat bij Zijne tegenstanders losbarsten. Hij liet zich daardoor echter niet uit het veld slaan, maar aanvaardde den strijd met volkomen kalmte. Hij wist wat Hij wilde en hoedanig het einde van den stryd zoude zijn. Uit de rede, die Hij op dit feest hield, kunnen wij Zijn plan duidelijk opmaken. In het verband Zijner gedachten liet Hij, op wel-overlegde en op het oogenblik passende wijze, zich leiden door de tegenwerpingen Zijner tegenstanders, ja zelfs door de ceremoniën, die om Hem heen plaats hadden. Maar alles was ondergeschikt aan dit ééne doel van Zijn bezoek: om namelijk dooide meest openhartige verklaring van Zijn diepste wezen, van Zijne goddelijke macht en van Zijne hemelsche afkomst, het geheele volk te stellen voor de groote keuze van aanbiddend geloof of doodelijken haat. En wie deze rede (Joh. VII : 10-21} slechts vluchtig leest, zal den indruk ontvangen, dat Jezus dit doel volkomen heeft bereikt. De gemoederen verwijderen zich meer en meer van elkander. Met dramatische levendigheid wordt

ocr page 211

193

de geestesstrijd tusschen Jezus en Zijne tegenstanders gestreden, aan wier voeten Hij, aan dezelfde plaats, als twaalfjarige knaap, zoo eerbiedig luisterend had gezeten.\'Elk Zijner woorden valt als een gloeiende vonk tusschen de toehoorende volksmenigte, geloof of haat doende ontbranden.

Het is, als wilde Hij, na de laatste reis naar den Hermon, nu Zijne jongeren Hem hadden erkend en begroet als Gods Zoon, ook het laatste omhulsel doen wegvallen, dat tot nu toe Zijn diepste wezen voor de wereld had verborgen gehouden. Zoo onomwonden als nu, had Hij nog nimmer gesproken over Zijne goddelijke toekomst. Wel is waar had Hij de voorzichtigheid, zich niet met name als den Messias d. i. Koning aan te duiden, ten einde de vormelijke aanleiding tot een proces te vermijden. Daardoor zou men Hem éénsdeels met den Romeinschen rechter hebben in aanraking gebracht, anderdeels zou Hij aanleiding hebben gegeven tot misverstand. Want wat Hij van zichzelven getuigde, ging veel verder dan hetgeen een Jood van een Messias verwachtte. Luide zeide Hij tot de verzamelde menigte in den voorhof, wie Hij was. (Joh. VII: 37.) Steeds luider vroegen de toehoorders, gedurende de nog overige dagen van het feest, of Deze toch niet de beloofde Messias was? „Wanneer de Christus zal gekomen zijn,quot; zoo zeiden zij, „zal Hij ook meer teekenen doen, dan deze gedaan heeft?quot; (Joh. VII; 31). „En,quot; vroegen anderen: „is Hij het niet, dien zij zoeken te dooden ?quot; Zouden onze overpriesters zelve bij nader inzien toch moeten getuigen, dat Hij een profeet is, — of meer nog, wellicht zelfs de Messias ?quot; Hoe het zij, het feest scheen zich geheel te bewegen niet meer om den ouden tempel, maar om Hem, die reeds voor anderhalf jaar met de geeselroede in de hand als Heer des tempels was opgetreden, zichzelven voorstellende als den waren Tempel, dien Hij in drie dagen zou herbouwen. (Joh. II : 19.)

Hetgeen Jezus op dit feest deed, was niets anders dan de vervulling van dit toenmaals uitgesproken profetisch woord. Alles toch wat Hij hier deed, was de voorbereiding tot een nieuwen

13

ocr page 212

194

tempelbouw, en dat alles had plaats in het gezicht van den tempel, welks aanstaanden ondergang Hij toen reeds op verborgen wijze had aangekondigd, in het gezicht van de vergaderzaal der over-priesters, die met de Senatoren, vol gramschap de oogen zullen hebben geslagen op den voorhof, waarop Jezus zich bevond en leerde, door het geheele volk omringd.

Zoo krachtig als nu, hadden zij Jezus nog niet aangetast. Scherp als een tweesnijdend zwaard, hanteerde Hij Zijn machtige rede. Er waren genoeg farizeesche en sadduceesche leeraren en studenten in den tempel om den gehaten indringer uit G-alilea te bespieden en elk verdacht woord aan hunne meesters over te brengen. Hij had den moed hun de meest beleedi-gende verwijten te doen. Om te zwijgen over het scherpste verwijt op den achtsten dag van het feest, waarbij Hij hen kinderen van den duivel noemde in plaats van Abrahams zaad, — reeds op den eersten of tweeden dag na Zijne aankomst op het feest verklaarde Hij, dat zij, de beroemde schriftgeleerden, God niet kenden. (Joh. VII: 28.) Hij alleen bezat die kennis. Nauwelijks had Hij dit woord gesproken, dat hun voorkwam het uiterste te zijn van onbeschaamdheid in dezen ongeleerden Galileër, of zij namen toornig het besluit Hem te grijpen en achter slot en grendel te zetten. Dit gelukte hun echter niet. (Joh. VII: 30). Welk een stormachtig begin van het feest voor Jezus!

Toen nu de overpriesters en oversten gewaar werden, dat het volk, onder den indruk van Zijne woorden er over redetwistte, of deze mensch wel iemand anders kon zijn dan de Christus zelf (Joh. VH: 31), toen werd het ernst bij hen. Nu moesten strenge maatregelen worden genomen. Reeds al te lang hadden zij daarmede gedraald. Zij werden bang voor dezen volksman, door wien zij zichzelve als terzijde gezet gevoelden. Deze indringer uit Galilea beheerschte alles; allen liepen Hem na. Zij hielden een geheimen Eaad. Spoedig werden zij het eens, dat zij hunne gerechtsdienaren, ongemerkt onder de menigte moesten zenden om Hem onverwachts te grijpen. Dit was het

ocr page 213

195

eerste ambtelijk optreden van den hoogen Raad tegen Jezus.

De gerechtsdienaren kwamen in den Voorhof. Ongemerkt mengden zij zich onder het volk. Niemand had eenig vermoeden van hunne bedoeling. Jezus echter wel. Hij liet zich door hen niet van Zijn onderwerp afbrengen. Slechts liet hij hun en dengenen, die het weten konden, gevoelen, dat Hij hunne plannen kende. „Nog een kleinen tijd ben Ik bij u,quot; zeide Hij. „Gij zult Mij zoeken en Mij niet vinden.quot; In het algemeen sprak Hij voor hen, die ooren hadden om te hooren, van den eersten dag Zijner komst af duidelijk genoeg van Zijn aanstaanden dood, gelijk Hij dit gedaan had tot Zijne jongeren sinds de dagen op den Hermon doorgebracht. (Joh. VII : 19; VIII : 14; VIII : 21; VIII : 37; IX ; 4; X : 12.)

De achtste en laatste dag van het feest brak aan. Deze was de voornaamste van het geheele feest. De dag was heerlijk. Berg en dal vertoonde zich in het gouden licht der zon. Op de tempelplaats bewoog zich het volk in feestgewaad. Heden moest alle feestvreugde nog eenmaal worden saamgevat, want morgen reeds namen de meeste gasten afscheid. Waterdragers droegen het water uit de Siloahbron over de voorhoven des tempels. Op den heeten Octoberdag was een dronk frisch water een bijzondere verkwikking. Ook heden nog prijzen deze waterverkoopers in de straten van Jeruzalem hunne waar aan met den roep: „Water, water, drinkt allen, gij dorstenden! Die dorst heeft, die kome en drinke!quot; Onverwachts staat Jezus daar! Hij neemt den roep der waterverkoopers, maar in hoogeren zin, over. Ook duidelijk genoeg is Zijne toespeling op de water-ceremonie der laatste dagen. El-ken dag toch was herinnerd geworden aan het water, dat de Heer in de woestijn uit de rots had doen stroomen. De aanwezigen hadden honderden malen gezongen: „Met vreugde zullen zij drinken uit de fonteinen des heils!quot; En waarschijnlijk was de laatste toon van dit lied nauwelijks weggestorven, toen Jezus met Zijn krachtige stem, die over geheel den voorhof weerklonk, uitriep: „Die dorst heeft, kome tot Mij, en drinke!quot; Bij Mij vloeien de Messiaansche fonteinen reeds! „Die in Mij gelooft.

ocr page 214

196

stroomen des levenden waters (gelijk eens uit de rots in de woestijn) zullen uit zijnen buik vloeien!quot; Het volk begreep Hem dan ook zeer goed en voorzeker geeft Johannes in deze woorden slechts het thema weer van eene lange rede des Heeren, waarin de woorden steeds machtiger en krachtiger werden, totdat de hoorders aan het slot aangegrepen en vol geestdrift uitriepen: „Deze is waarlijk de profeet!quot; Anderen verklaarden ronduit: „Deze is de Christus!quot; De tegenstanders intusschen maakten des te heviger gebaren en trachtten met nietsbeteekenende rede-neeringen den diepen indruk uit te wisschen, dien de persoonlijkheid van Jezus wederom op het volk had geoefend. De toestand scheen hun zoo hachelijk, dat zij opnieuw een poging deden om Hem te grijpen. Maar Jezus stond pal te midden van den storm, die de gemoederen beroerde, onbevreesd en rustig, gelijk eens op het meer G-enesareth. Niemand verstoutte zich Hem aan te raken.

Middelerwijl was in het nabijliggend gebouw de Hooge Raad saamgeroepen tot eene spoedeischende zitting. De heeren leden van den Hoogen Raad hadden ditmaal geen vroolijk feest. De volgelingen van den Galileër lieten hun geen rustige uren meer. De ramen van het vergaderlokaal gaven uitzicht op de zijde van den voorhof der vrouwen, alwaar Jezus sprak. Zij zagen de opgewonden menigte en Jezus in hun midden. Van tijd tot tijd hoorden zij wellicht stemmen, die uitspraken: Hij is de Profeet! Hij is de Christus! De voorzitter wachtte op de gerechtsdienaren. Daar treden zij binnen. Zonder Jezus echter. „Waarom hebt gij Hem niet gebracht?quot; vroegen hun de overpriesters en de Farizeën. De dienaren, onder den indruk van de persoonlijkheid en de rede van Jezus, antwoordden in hun geestdrift eerlijk: „Nooit heeft een mensch alzoo gesproken, gelijk deze mensch!quot; Dit ontbrak er nog maar aan, dat hun eigene die-nai-en tot Hem overliepen!quot; „Zijt ook gijlieden verleid?quot; riepen zij uit. „Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd of uit de Farizeën?quot; Maar nu kwam nog de meest onverwachte en meest onaangename verrassing, want nauwelijks hadden zij deze woor-

ocr page 215

197

den gesproken, of een uit hun midden, een der oversten, staal op en trekt moedig partij voor Jezus. Men had het heden toegelegd op eene veroordeeling van den gevaarlijken „Profeet,quot; en daarbij kon Nicodemus niet het stilzwijgen bewaren. Bij deze algemeene toomelooze opgewondenheid herinnerde hij rustig aan de wetsartikelen, die eene veroordeeling slechts veroorloofden na voorafgegaan gerechterlijk verhoor. „Wat verhoor! wat onderzoek!quot; riepen vele stemmen te gelijk. „Zijt gij ook een Ga-lileër — en wilt gij een overste in Israel zijn?quot; Het is een stormachtige zitting. Maar Nicodemus had de duidelijke uitspraak der wet aan zijne zijde en door zijne tegenwerping werd het doel der zitting verijdeld. De vergadering ging zonder resultaat uiteen; een iegelijk ging heen naar zijn huis. Toch was deze zitting in hare gevolgen van groote beteekenis. Voor den eersten keer was de Hooge Raad ambtshalve saamgekomen om Jezus uit den weg te ruimen. Van nu aan kwam men meermalen in deze raadzaal bijeen om eene reeks besluiten van officiëel-vijandigen aard tegen Hem te nemen, totdat een half jaar later in deze zelfde zaal, Jezus gebonden voor hen stond om te worden overgeleverd aan Pontius Pilatus. En toen Jezus in den nacht van Donderdag op Vrijdag aan den Hoogepriester, die het door Nicodemus geëischte verhoor wilde houden, ten antwoord gaf: „Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb ik niet gesproken!quot; toen dacht Hij gewis aan de dagen van dit Loofhuttenfeest.

Terwijl de raadslieeren hunne stormachtige zitting hielden, hield Jezus eene rede, die nog krachtiger was dan de vorige, die nog duidelijker Zijn diepste wezen openbaarde. Het was nu eenmaal het thema van al Zijne redenen op dit feest, voor wien het volk Hem houden moest. Jezus stond bij de schatkist en dus in den zoogenaamden vrouwenvoorhof, zeer nabij de Raadzaal, in het gezicht Zijner bitterste vijanden. Zij konden Hem daarbuiten

ocr page 216

198

liooren spreken en zelfs zien hoe aandachtig en ingespannen het geheele volk naar Hem luisterde. Had Hij vroeger op zichzel-ven gewezen als de hoogste vervulling der ï^aier-ceremonie en van het waterwonder in de woestijn, — thans wees Hij op de tweede merkwaardige ceremonie van het Loofhuttenfeest, de verlichting en de beide reuzenluchters herinnerende aan de vuurkolom in de woestijn, zeggende: „Ik hen het Licht der wereld; die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben!quot; Dit waren geweldige, ongehoorde woorden, die nog nimmer door den mond eens menschen waren gesproken. Deze Man, wiens broeders en geboorteplaats bij velen bekend waren, kon aldus getuigen, dat Hij was het licht der wereld, niet van Judea of G-alilea, neen, ook van het Romeinsche Rijk, van de millioenen menschen, die op de aarde waren! Dit had vóór Hem nog niemand gezegd. Kon God zelf wel meerder zijn dan het licht der wereld? Het schijnt, dat de Farizeën in hunne opgewondenheid waren nabijgetreden om ten minste door tegenspraak de toenemende geestdrift van het volk te dooven. (Joh. VIII : 13). De meerderheid was nog wel aan hunne zijde, of gemakkelijk aan hunne zijde terug te brengen. En nu begon die scherpe woordenwisseling, waarin Jezus telkens dieper blik deed slaan in Zijn geheimzinnigen Persoon, zoo diep, dat men er van duizelde. Telkens dringerder kwam alles aan op de kritieke vraag: „Wie zijt Gij ?quot; (Joh. VIII: 25.) — maar telkens meer overweldigend vernamen zij de woorden, die zij ongehoord en vermetel vonden, maar die toch anders niets uitdrukten dan de beteeke-nis van het innerlijk wezen van den Man, die voor hen stond. „Gijlieden zijt van benedenquot; zeide Hij, „Ik ben van boven. Gij zijt uit deze wereld. Ik ben niet uit deze wereld!quot; (Joh. VII:53.) Zij waren bijna zichzelven niet meer meester, toen Hij zeide: „Ik ben van God uitgegaan en kom van Hem!quot; (Joh. VIII:42.) Zij konden zich nauwelijks meer inhouden, toen Hij, de Man uit Galilea, zich vermat te beweren, dat wie Zijn woord zou bewaard hebben, den dood niet zien zou in der eeuwigheid. Zij

ocr page 217

199

konden dit slechts daaruit verklaren, dat Hij bezeten was, of den duivel had. (Joh. VII : 48\' 52.) Eindelijk zeide Hij iets, dat als vuur insloeg in hunne verhitte gemoederen, toen Hij sprak van Zijn bestaan vóór de grondlegging der wereld. Zij hadden gesproken van hunnen stamvader Abraham. Daarop antwoordde Hij ongeveer als volgt; „Uw stamvader Abraham had, toen hij voor 2000 jaren dit land doorreisde, geen grooter begeerte, dan om Mij en Mijne komst te aanschouwen. Nu eindelijk heeft hij Mij zien komen — want nog leeft hij — en hij spreekt zich zalig, dat hij Mij gezien heeft.quot;

„Hoe 1quot; riepen zij, „Gij hebt nog geen vijftig jaren en hebt gij onzen vader Abraham gezien?quot;

„Voorwaar!quot; antwoordde Jezus rustig: „Voorwaar, eer Abraham was, ben Ik!quot;

Dit was te veel. Hunne woede was grenzenloos. De aanhangers van Jezus werden door de heerschzuchtigen, die toch heer en meester op dezen hof waren, teruggejaagd. Het farizeesche gepeupel, de hoogeren en de lageren, ze namen steenen op om Jezus te steenigen. Het oogenblik was hoogst gevaarlijk. Jezus erkende, dat het hoog tijd was om af te trekken, wilde Hij niet, zooals later Stefanus, heden reeds worden gedood in de opwelling van des volks hartstochten. Zijne ure was nog niet gekomen, Jezus verborgde zich en ging uit den tempel.

De laatste dag en de afreis.

Volgens Joh. IX en X schijnt Jezus nog eenige dagen in Jeruzalem gebleven te zijn. Hoe moeielijk het Hem ook viel hier te blijven, te midden van een wereld vol haat en nijd, toch zeide Hij tot Zijne vrienden: „Zoo lang Ik in de wereld ben, zoo ben Ik het licht der wereldquot; (Joh. IX : 5) en gaf daarmede een eeuwig gedenkwaardig\'voorbeeld aan Zijne jongeren, tot wien Hij ook gezegd had: „Gij zijt het licht der wereld!quot; en die Hij vermaand had, hun licht niet te verbergen onder

ocr page 218

200

een korenmaat, zelfs niet, al zouden zij liever zich in het verborgen terugtrekken. Ook was Zijn tijd nog slechts kort. „Ik moet werken,quot; zeide Hij toen „zoo lang het dag is. De nacht komt, wanneer niemand werken kan.quot;

Hoewel Jezus stellig vele vrienden in de stad bezat, die Hem gaarne in hun huis hadden opgenomen, zoo zal Hij geen verblijf in de stad hebben gehouden, omdat Hij daar niet veilig was. Na den zwaren strijd, dien Hij had moeten strijden, wilde Jezus alléén zijn, in de eenzaamheid. Al mocht Joh. VIII; 1 — 11 niet op de rechte plaats staan, zoo mogen wij toch de woorden van het eerste vers overnemen en Jezus des avonds en des nachts zoeken op den Olijfberg. Daarbij kunnen wij ons dan ook wel de plaats denken, waarheen Hij zich begaf namelijk den hof Gethsemané! Zooals Lukas zegt (XXII ; 39) was Jezus gewoon, daarheen te gaan, en ook later kon Judas deze plaats weten, aangezien Jezus zich aldaar zoo dikwijls bevond. (Joh. XVII: 2.) Daarheen zal Jezus zich des avonds dan ook wel hebben terruggetrokken en er zich niet alléén hebben gevoeld, want Hij sprak met Zijn hemelschen Vader over het verheven werk, waarin Hij betrokken was. Een half jaar later streed Hij onder dezelfde olijfboomen den laat-sten, heetsten strijd.

Maar ook ging Jezus des avonds menigmaal naar het, een half uur meer Oostelijk gelegen, Bethanië, dat Hem zeer lief was. Het huisgezin te Bethanië behoorde ongetwijfeld tot de meest dankbare toehoorders, als Hij des daags in den tempel leerde. Voorzeker behoorde het tot degenen, die het luide durfden verklaren, dat Hij de Messias was.

Langen tijd kon Jezus bij de heftigheid van den haat niet in de hoofdstad toeven, al bezocht Hij nog menigmaal den tempel. Het waren echter donkere, dreigende aangezichten, die Hem daar ontvingen, vooral sinds de genezing des blindgeborenen. Jezus streed met hen niet meer, zij hadden genoeg vernomen, waarover zij konden nadenken. Slechts tot hen, die in Hem geloofden — en hun aantal was niet gering (Joh. VIII: 80) — richtte

ocr page 219

201

Hij nog kostelijke woorden, vol van blijde verwachting, om hen te bevestigen in het geloof, om hun een blijde hope te geven, door hen te wijzen op de heerlijkheid Zijner gemeente. Als zoodanig noemen wij de gelijkenis van den goeden herder, die zijn leven geeft voor de schapen en al zijne schapen uit de geheele wereld eenmaal om zich verzamelen zal.

Toen nam Jezus afscheid en keerde terug naar Galilea. Van deze reis wordt hier even weinig melding gemaakt, als van die aan het slot van Joh. V. Zij volgt echter vanzelf, vooral uit een vergelijking met het Evangelie van Lukas. Evenals Hij gekomen was langs eenzame wegen, verre van de feestkarava-nen, nam Hij den terugtocht weder aan. Zijn getrouwe Johannes, de jonger dien Jezus liefhad, was ongetwijfeld Zijn reisgenoot. Niemand in den tempel had zoo diep als hij gevoeld, wat Jezus zeggen wilde met „het Licht der wereld,quot; hij, die Hem onlangs in schitterenden lichtglans had gezien daarboven op den Hermon; hij, door wiens geheele Evangelie, later dit woord telkens terugkeert als thema van het geheel, te beginnen met Hoofdstuk I. Ook kon niemand dat woord, „eer Abraham was, ben Ikquot; zoo gemakkelijk aannemen als hij, die onlangs daarboven een Mozes en Elia in aanbiddende hulde voor Jezus staande, had aanschouwd. Ongetwijfeld besprak Jezus met Zijn metgezel de gebeurtenissen op het feest. Belangrijke dagen, dagen rijk aan gebeurtenissen, waren doorleefd. Met goddelijke macht en majesteit, meer nog dan op het laatste Purimfeest (Joh. V), had Jezus zich aan Israel vertoond als de Bron des levens, als het Licht der wereld, als de Beheerscher des doods. Het Licht der wereld scheen ten aanschouwe van den ouden tempel zoo helder door de duisternis der in zonde verloren wereld, — maar helaas, „de duisternis heeft het niet begrepenquot; (Joh. I : 5).

De dubbele beteekenis van het Evangelie, ten leven of ten doode, was-thans duidelijker dan ooit in \'t licht getreden. Met diepen weemoed had Jezus het kort voor Zijne afreize uitgesproken : (Joh. IX : 39) „Ik ben tot een oordeel in deze wereld

ocr page 220

202

gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien,, blind worden!quot; Na de ongehoorde getuigenissen van Jezus op dit feest, die alleen door eene G-ode-gelijke konden worden uitgesproken, was onzijdigheid niet meer mogelijk. Voor of tegen! was nu het parool. Ook waren besluiten van den ernstigsten aard op dit feest genomen. De volksleiders hadden besloten Hem te dooden. den Gehate! Geheel het feest had eigenlijk zich om Hem bewogen. Hij zou zich echter niet lang meer verheugen over Zijn triomf. Men wachtte slechts op een gunstig oogenblik.

Ook Jezus wachtte op Zijne ure. Over het schijnbaar tragisch einde van Zijn leven, dat toch onverwachts zou worden eene heerlijke overwinning, had Hij sinds het verblijf op den Hermon, op de duidelijkste wijze gesproken. Maar Zijne ure was nog niet gekomen. Vooralsnog leidde Zijn pad nog eenmaal naar Galilea.

ocr page 221

Het was nog ongeveer een half jaar voor Jezus\' dood. Zijn tijd was niet gekomen om afscheid te nemen van Galilea. Hij had in het voorgaande jaar eenige maanden, in dit jaar ongeveer vijf maanden, Februari tot Juni, en in den herfst eenige weken in Galilea doorgebracht. Deze tijd was voldoende om het geheele land te bereizen. Gedurende dit laatste jaar, van Februari af (Joh. IV ; 35) had Jezus met bijzondere zorg en liefde zich gewend tot de Galileërs, deze „veronachtzaamde schapen, die geen herder hadden.quot; De geheele landstreek was Hij doorgetrokken; zelfs in verafgelegen woestijn- en heidevlakten had men Hem leeren kennen.

Nu liepen deze schoone dagen voor Galilea ten einde. Het

Het plaatje geeft een laatsten blik op het meer Genesareth voor den reiziger naar Jaruzalem. De beide steile heuvels op den zandgrond zijn de Krun Hattin. Achter dezen het dal Oeadi Uamdm. Aan den noordelijken oever de steden Kaper-naüm, Bethsaïda, enz. Links daarvan de oevervlakte Gennesar. In het verre Noorden de Hermon, door wolken omgeven.

ocr page 222

204

morgenrood van een nieuwen tijd ging op over het geheele land, toen Jezus er doortrok. Zijn afscheid was nu op handen. De teekenen werden meerder, die aanduidden, dat Zijne vijanden Hem niet lang meer zouden verdragen. Herodes begon zich over Zijn machtigen invloed bij het volk ongerust te maken. (Luk. XIII: 31.) Op het Loofhuttenfeest had men onlangs de nadering van liet onweder duidelijk genoeg waargenomen. Jezus\' werkzaamheid kon nog slechts korten tijd duren. Gewone profeten konden tientallen van jaren in dit land werkzaam zijn, maar eene verschijning als Gods Zoon in menschengedaante, eischte spoedige beslissing. Het was als een kortstondig licht, dat Israel voorbijtrok. Na verloop van weinig meer dan twee jaren na Zijn eerste optreden aan de Jordaan, was Hij wederom opgevaren tot Zijn hemelschen Vader.

Alvorens Jezus te volgen op Zijn laatsten tocht uit Zijn „vaderlandquot; Galilea, moeten wij eenig licht laten vallen op den tijd der afreis en op de reisroute. Wanneer had deze afreis plaats? Aangezien alle Evangeliën over een voortgezetten arbeid van Jezus in Galilea, na Zijn terugkeer van den Hermon, het stilzwijgen bewaren en de drie eersten onmiddellijk daarop overgegaan tot de laatste reis naar Jeruzalem (Johannes gewaagt van de daartusschen liggende reis naar het Loofhuttenfeest, begin October, Joh. X), zoo kunnen wij de afreis van Jezus niet later stellen dan in November. De berichten aangaande deze reis vinden wij voornamelijk bij Lukas (IX : 51 tot XIX : 28), die daaraan een derde gedeelte van zijn Evangelie heeft gewijd, terwijl Mattheüs (XIX) en Markus (X) er slechts kortelijk over spreken. Hieruit volgt, — daar Jezus eerst op liet volgende Paaschfeest in April te Jeruzalem kwam, — dat de reis bijna een half jaar moet hebben geduurd. Hoe is dit echter aan te nemen, daar men in drie dagen van Galilea naar Jeruzalem kon komen? Het is duidelijk, dat Jezus meer gelegen was aan den weg naar Jeruzalem dan aan het einddoel der reis zelve. Hij wilde, als op een langzaam vorderende zendingreis, door een gebied trekken, waar-

ocr page 223

205

mede Hij tot nog toe weinig in aanraking was geweest en wel 1° het grensgebied van Samaria en Galüea, 2° de landstreek Perea. Dit was de route, die Hem ten slotte langs groote omwegen naar Jeruzalem leidde.

De beteekenis van deze reis en de toestanden, die Jezus daarbij aantrof, zullen ons duidelijk worden, als wij een vluchtigen blik slaan op de toenmalige godsdienstige en staatkundige verhoudingen van het land. Ten tijde van Jezus was de wereld G-rieksch-Romeinsch. Handel en verkeer tusschen landen en volken, in en door het ontzaglijk gebied van het Romeinsche Rijk, was op tot heden ongekende wijze mogelijk geworden. De grenzen van dat groote keizerrijk omsloten bijna de geheele wereld. Men kon, als han-, . del en gewin daartoe aanlokte, zonder gevaar naar andere landen trekken en zich aldaar vestigen. Overal vond men bescherming bij de machtige Romeinsche regeering. Geen volk ter wereld had hiervan een zoo ruim gebruik gemaakt als de Joden. Reeds een eeuw voor het optreden van Jezus zegt Strabo: „Men vindt niet gemakkelijk eene plaats op de wereld, die dit geslacht (der Joden) niet heeft opgenomen en die ook tevens niet door hen is ingenomen.quot; Ten tijde van Jezus woonde dan ook het grootste en rijkste deel van het Jodendom niet meer in het Heilige Land, maar was dit verstrooid door Egypte, Syrië, Klein-Azië, Griekenland en Italië. Hoofdzakeliik in de schitterende wereldsteden als Rome, Alexandrië, Antiochië, Gorinthe, Efeze enz. hadden zij zich gevestigd, alwaar zij als kooplieden, handelaren en bankiers betere zaken maakten dan in het Heilige Land, Te Rome woonden duizenden Joden. Waar ook Paulus later predikte, overal vond hij Joodsche kolbniën. In Egypte alléén woonden minstens een millioen Joden, alzoo een even groot aantal als in geheel Galilea.

De godsdienstige toestand der toenmalige wereld was inderdaad inwendig treuriger en meer verdeeld, uitwendig echter meer éénvormig dan ooit te voren. Overal diende men dezelfde goden als te Rome, met behoud van den eeredienst der oude nationale

ocr page 224

206

goden. Ook het oude, beloofde land van Israel was niet vrij gebleven van deze invloeden. Ook daar hadden de Olympische goden sinds lang hunnen intocht gehouden. Waar eens David heerschte, van Egypte tot den Eufraat, werd niet meer volgens de overlevering, in dat gansche land, de Verbonds-God Jehovah gediend. De bevolking van het oude Rijk van David was grootendeels heidensch. De tempel te Jeruzalem was nog slechts voor een klein gedeelte het nationale heiligdom van het oude Rijk. De streken langs de kusten van Palestina waren sinds langen tijd heidensch. Syrië in het Noorden was een hoofd-bakermat van Helleenschen godsdienst en leven. In Tyrus en Sidon, aan den voet van den Hermon, had Jezus dikwijls gestaan voor de tempels dezer goden. Dekapolis en Batanea, het oude gebied der stammen van G-ad en Manasse, waar wij nog heden de prachtige ruïnen van den in G-riekschen stijl gebouwden tempel bewonderen, gaven een zuiver Helleensch karakter in godsdienst en zeden te aanschouwen. Slechts op het gebergte en in het midden des lands kon men zich aan dezen invloed nog eenigen tijd onttrekken. Niettegenstaande dit, bloeide zelfs midden in het Heilige Land op vele plaatsen de dienst der Olympische goden. En ook waar de oude godsdienst nog bewaard was gebleven, was zij verdeeld in twee scherp-afgebakende richtingen, de Joodsche en de Samaritaansche belijdenis, die nog veel scherper tegenover elkander stonden, dan bij ons de Protestanten en de Roomsch-Katholieken. Aldus was dan het gebied, binnen hetwelk men naar oud-vaderlijk gebruik den God der vaderen Jehovah te Jeruzalem diende, nog slechts als een eiland in de groote wereldzee der Grieksch-Eomeinsche godsdienst, welker golven steeds dreigender den oever van het eenzame eiland beukten. Eigenlijk was het in den diepsten grond niet meer één eiland, maar waren het drie kleine eilanden, door hunne staatkunde en door hunne ligging vanééngescheiden, de drie provinciën Judea, Galilea en Perea, in welke alléén nog de oude godsdienst de heerschende was gebleven. En dezen

ocr page 225

207

vormden het gebied, waarin Jezus twee jaren lang in het openbaar werkzaam was. Judea, de grootste dezer landstreken, kan men voor zoover het door Joden bewoond was, gemakkelijk in twee dagen in de lengte en over de breedte doorwandelen. Perea, het landje dat zich twee of drie dagreizen lang, langs den Jor-daanoever uitstrekte, kon men over de breedte in éénen dag, op sommige plaatsen in eenige uren doortrekken. Ook Galilea was een klein land. Een voetganger had voor de doorreis van het Noorden tot het Zuiden twee, van het Oosten tot het Westen één dag noodig.

Bovendien stonden deze drie Joodsche landstreken niet alléén staatkundig onder verschillende hoofden (Herodes regeerde over Galilea en Perea, Pilatus over Judea), maar naar hunne ligging waren zij zóó van elkander gescheiden, dat men niet anders dan over heidensch gebied van de eene in de andere kon komen. Slechts Perea en Judea grensden aan elkander aan de Jordaanzijde.

Dit beknopt overzicht zal ons de beteekenis van deze laatste reis van Jezus in het juiste licht plaatsen. Wij weten, dat Jezus tot nu toe wel in Galilea en Judea langdurig werkzaam was, echter niet in Perea en evenmin in het godsdienstig zoozeer gemengd grensgebied van Galilea en Samaria. Hij moest echter, alvorens Hij Zijne roeping jegens gansch het Joodsche volk als volbracht kon beschouwen, ook hier arbeiden, opdat alle schapen van het huis Israels Zijne stem zouden hooren. Om deze reden zal Jezus wel de laatste maanden Zijns levens hieraan hebben gewijd en, terwijl Hij deze landen in korte tochten doortrok, Zijn ander hoofddoel, de opleiding Zijner jongeren, hebben vervolgd. Slechts ééns, in December, staakte Hij deze reizen voor een kort bezoek aan Jeruzalem (Joh. X ; 22); ook valt in dezen tijd het bezoek te Bethanië (Luk. X) en tegen het einde der reis ondernam Hij van Perea uit den moedigen en snellen tocht naar Bethanië, ter opwekking van Lazarus. Laat ons nu, na dit kort overzicht, ons meer bepaald bezig houden met de reis zelf.

„En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld

ocr page 226

208

waren, zoo richtte Hij Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen.quot; Aldus begint (Luk IX : 51) het bericht aangaande deze reis. Deze woorden hebben een bijzondere klem, alsof de Evangelist zijne lezers wilde voorbereiden op het begin van het groote drama, dat aan het kruis eindigen zou, alsof het eerste klokgelui voor den droeven weg naar Golgotha dra in de ooren moest weerklinken.

Als plaats van uitgang hebben wij waarschijnlijk te denken aan Kapernaüm „Jezus\' stad.quot; Op den breeden handelsweg bewoog zich een stoet van duizenden. Joden en heidenen, landbouwers, handwerkslieden, kooplieden, officieren, tollenaren en anderen waren in den stoet te onderkennen. Allen volgden Jezus, die met Zijne bekende jongeren den stoet voorafging. Men wist, dat Hij na lange afwezigheid naar Jeruzalem ging. Door een groote schare gevolgd (Mark. X : 1), vertrok Jezus van Galüea, gelijk Hij een half jaar later op Palmzondag Jeruzalem binnentrok. Zou de menigte er een voorgevoel van hebben gehad, dat Hij voor de laatste maal hun land vaarwelzeide ? Hadden zij er een voorgevoel van, welken treurigen tocht Hij heden aanvaardde, dat hunne gelukster, hun hoop, met dezen Man voor immer van hunne grenzen week? Waarschijnlijk hadden sommigen er een flauwe voorstelling van; want zij, die voor weinige weken het Loofhuttenfeest bezocht hadden, moesten weten, hoe verbitterd de machthebbenden in Jeruzalem tegen Jezus waren, moesten weten, dat dezen Hem den dood gezworen hadden. Zou Hij dezen keer wel onverlet uit Jeruzalem terugkeeren? Deze vraag kwam zonder twijfel op bij velen, die deel uitmaakten van den stoet.

In den beginne zullen de scharen, waarvan Markus (X : 1) gewaagt, Jezus zijn gevolgd van plaats tot plaats; velen toch zullen langzamerhand zijn achtergebleven, terwijl elke nieuwe stad, nieuwen toevoer zal hebben geleverd. Het behoeft nauwe lijks te worden gezegd, dat Jezus bij zoodanigen toeloop dag aan dag predikte. Zijne woorden vonden te meer ingang, omdat.

ocr page 227

209

zij zoo hoog ernstig waren uitgesproken onder den indruk, dat Hij voor het laatst deze steden, bergen en vlekken bezocht. Wij hebben hiervan echter in \'t geheel geen berichten, evenmin als van vele andere tijden en leerredenen van Jezus gedurende Zijne omwandeling. In den regel zijn van de meest belangrijke dagen de voornaamste feiten en van de prediking des Heeren slechts de hoofdgedachten medegedeeld.

De reis van Jezus kon bij zulk geleide en onder zulke werkzaamheid slechts langzaam voortgaan. Ook raakte hier stad aan stad, dorp aan dorp. Galilea was toenmaals niet zoo schraal bevolkt als in onzen tijd, waarin het zoekend oog nog slechts weinige armoedige dorpen ontdekt, waarin over den kostbaren bodem van Galilea de grootste vijand van den landbouw, de Bedoeïen, rondwaart. Toentertijd was het een bloeiende landstreek, waarvoor Jozefus geen woorden genoeg had ter verheerlijking.

Jezus moet het Zuidelijk grensgebied van Galilea en Samaria in deze dagen zijn doorgetrokken. Wij kunnen niet aannemen, dat de staatkundige grenzen van deze landstreken nimmer door den Heer zouden zijn overschreden. Binnen het Samaritaansche gebied waren voorzeker in de nabijheid der grenzen Joodsche gemeenten te vinden. Eeeds vroeger zagen wij den Heer aldaar te Naïn. Allereerst wendde Jezus zich tot de Joden. Maar toch zegt ons verhaal ons, dat Hij ook Samaritaansche streken bezocht. Jezus bewoog zich hier op een terrein met zeer gemengde bevolking. In de oude hoofdstad van het Israelietische rijk, Samaria, gelegen op een afstand van slechts eene dagreize, kende men Jehova niet meer; aldaar rookten de altaren van Zeus, Apollo, Artemis, enz. Ook Scythopolis, het oude Bethsean des Bijbels, waarheen na den ongelukkigen veldslag op de bergen van Gilboa, het lijk van Saul vervoerd was geworden, lag op den weg des Heeren en was door en door heidensch. Dat Jezus zich langen tijd, 1 tot 2 maanden, in deze half-joodsche, half-Samaritaansche landstreken ophield, doen de Evangeliën duidelijk vermoeden. Het voorval met de tien geraakten, waaronder

14

ocr page 228

210

een Samaritaan was en de gedurende deze reis uitgesproken gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan, geven de Samaritanen als op den weg des Heeren te zien.

Beschouwen wi] nu het verhaal uit ons Evangelie. Eenigen tijd na Zijn vertrek uit Kapernaüm ging Jezus op een der voor-treffelijke Romeinsche straatwegen, die het grensgebied der beide provinciën doorsneden. De groote volksmassa, die Hem bij het begin der reis omgaf, had Hem grootendeels verlaten; zij, die nog met Hem waren, moesten wel tot Zijne meest getrouwe jongeren behooren. Nog vormden zij een groote karavaan. Lukas verhaalt in het volgende hoofdstuk (X), dat Jezus nog 70 andere leerlingen uitzond om Zijne komst aan te kondigen en voor te bereiden. Door woord en daad moesten zij in alle plaatsen wijzen op de grootheid van Hem, die tot hen komen zou. Het oude land van Israel, waar eens de profeet Elia werkzaam was geweest, lag voor den Heer, thans werd daarin op vele plaatsen geofferd aan Zeus en Apollo. Meer dan elders was hier het volk eene kudde zonder herder. En als Hij hieraan dacht, werd Hij aangegrepen door een gevoel van oneindige ontferming.

Het weid avond. Vóór Hem lag een dorp, waar Jezus gaarne had willen overnachten. Daar Zijn gevolg zoo groot was, wilde Hij niet het dorp binnentreden en in zekeren zin de bewoners dwingen tot gastvrijheid. Daarom legde het geheele gezelschap zich neder onder het geboomte en werden eenige boden uitgezonden om vriendelijke opname te verzoeken.

Buiten het dorp wachtte het gezelschap de terugkomst dei-boden af, in de hoop nog vóór zonsondergang in het dorp ve zijn. Eindelijk keeren de boden terug, geheel ternedergeslagen. De dorpelingen hadden geweigerd hen op te nemen. Wel hadden zij vernomen wie de gast was, maar zij wezen zijn verzoek af, op grond van hun godsdienstigen haat jegens de Joden. Wat ging het hun, als Samaritanen aan, dat die Man daarbuiten als een Profeet, ja als de Messias vereerd werd? Hij was slechts voor de Joden, die lien bij elke gelegenheid hunne diepe verach-

ocr page 229

211

ting deden gevoelen, — wat ging hun dan die Messias aan, wiens aangezicht was als reizende naar Jeruzalem, de gehate stad hunner haters?

Dit was een treurige tijding voor het gezelschap. Twee dei-meest vertrouwde jongeren, Jakobus en Johannes, barsten uit in gramschap. Zij waren met hunne gedachten nog steeds op den Hermon, waar zij Elia in persoon hadden mogen aanschouwen. Wellicht hadden zij heden, nu zij zich op de plaats bevonden, die getuige was geweest van Zijne daden, er nog over gesproken, hoe hij eens vuur van den hemel had afgesmeekt om de boden des konings van deze toen reeds ontaarde landstreek te doo-den. Ook nu nog was het er een even goddeloos volk als toen, — zoude het niet dezelfde straf verdienen, als eens hunne vaderen? Vol vuur en geloofsijver wendden zij zich tot Jezus, die nog gezwegen had en zeiden: „Heer! wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft?quot; Maar Jezus zich omkeerende, bestrafte hen en zeide: „Weet gij niet van hoedanigen geest gij zijt ? Wij zijn gekomen om het Evangelie te verkondigen en nu men ons niet wil opnemen, wilt gij vuur van den hemel doen nederdalen ? Moet Ik dan de boodschap des vredes met vuur en met het zwaard opdringen?quot; Ed met eene majesteit en eene liefde, die hen beschaamden, voegde Hij er bij: „De Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven maar om te behouden!quot;

De wraak, dien de Apostelen zoo gaarne op deze Samaritanen zouden genomen hebben, bleef intusschen niet uit. Maar het was de wraak Desgenen, die niet gekomen was om der menschen zielen te verderven. Het laatste woord, dat Jezus een half jaar later vóór Zijn hemelvaart sprak, herdacht op aangrijpende wijze juist deze verachte Samaritanen: „Gijlieden zult Mijne getuigen zijn in geheel Judea en Samaria en tot aan het einde der aarde!quot; Eene hoogere eenheid, boven de verschillen tusschen Samaritanen en Joden, moest den ouden wrok en den eeuwenouden godsdienst-twist

ocr page 230

212

overbruggen en wel gemeenschappelijke behoefte aan en gemeenschappelijke aanbidding van den eenigen Heer en Heiland, Jezus Christus, in Wien alléén heil is voor Joden en Samaritanen, Protestanten en Katholieken. — En inderdaad reeds binnen weinige jaren vinden wij aanzienlijke afdeelingen der eerste Christengemeenten door geheel Samaria verspreid, waarover de macht der hoogepriesters zich niet uitstrekte. In zekere stad in Samaria vinden wij den onvermoeiden evangelist der eerste Christenheid, Filippus, den Messias predikende en in Zijnen naam teekenen en wonderen verrichtende. Allen zijn aangegrepen door de goddelijke kracht van het nieuwe Evangelie en de oude klove tusschen Joden en Samaritanen is gedempt door de liefde tot den éénen Heer. Ja, denzelfden Johannes, die eens vuur van den hemel wilde afsmeeken om de Samaritanen te vernielen, vinden wij in Samaria terug in gemeenschap met Petrus het vuur des Heiligen Geestes afsmeekende over de broederen in Samaria. Dit zijn de verborgene, wonderbare wegen der liefde Gods. Dit was de goddelijke wraak van Hem, die eens aan hunne poorte was afgewezen geworden.

ocr page 231

•1

Het was in den winter ten tijde van ons Kerstfeest in December. Een hevige regen overstroomde onder het gehuil van den stormwind de stad Jeruzalem. In de stad bleef men op zulke dagen liefst te huis. En toch brak op 25 Chisleu (December), „midden in den kouden winter,quot; een schitterend feest aan. Lichten werden ontstoken, paleizen en hutten geïllumineerd, evenals in Christenlanden op het Kerstfeest. Het is ons, alsof de poësie van de kerstboom verlichting en luister almede tot ons zijn gekomen uit het oude Heilige Land. Bij den gloed der fakkelen en der olielampen, verheugde men er zich, tijdens de kortste dagen, in het ge-heele land over, dat eens uit den nacht der tempel-ontwijding door Antiochus, het licht van den waren godsdienst op den heiligen berg Sion wederom was ontstoken door den moed der Makkabeën.

m 1\'

if

Het plaatje stelt de „goudeu poortquot; voor. Naar aanleiding van eene voorspelling, dat de overwinnende Christenen eenmaal daar door de heilige stad zouden binnengaan, is deze poort dichtgemetseld. Links een olijfboom, in het midden en rechts vijgen-cactusplanten, op den voorgrond een bloeiende olijftak.

ocr page 232

214

Daarom wordt het feest in onzen tekst genoemd „het feest der vernieuiving des tempels.quot;

Ook Jezus was op het feest gekomen — de laatste maal voor Zijn lijden. Hoe na lag dit Jeruzalem Hem toch aan het hart! In October wilde men Hem aldaar steenigen, het laatste bezoek had hem bijna het leven gekost. Toch zien wij er Hem in December terug. Maar Hij wist, dat Hij zijn moest op de gevaarlijkste plaats. Zijne zaak moest hier worden beslist. Voor het laatst kwam Hij nog eens Zijne getuigenissen aangaande zichzelven afleggen, nog éénmaal op de duidelijkste wijze zeggen, wie Hij was. Nog éénmaal wilde Hij het volk en de oversten stellen voor die onzaglijke vraag, of het aan Hem geloofde als Gods Zoon, of dat het Hem verwierp. En wij zullen zien, dat Zijne verklaringen op dit Decemberfeest het hoogste punt van klaarheid bereikten, daar Hij Zijne volkomene eenheid met den hemelschen Vader vrij en openlijk voor het verbaasde volk uistprak.

Jezus had toen, gelijk wij in het voorgaande hoofdstuk gezien hebben, de laatste reis van Galilea uit aanvaard. Die reis was in November begonnen, dus heeft Hij zich ongeveer zes weken opgehouden aan de Zuidelijke grenspalen van Galilea en Samaria. In December ging Hij op naar het Licht-feest te Jeruzalem. Slechts Johannes gewaagt van deze reis en geeft ons den sleutel tot verklaring van het feit, dal Lukas zwijgt van die lange reis van Galilea naar het Zuiden, en ons dadelijk in het bij Jeruzalem gelegen Bethanié verplaatst. (Luk X: 38.) Vroeger reeds heb ik de veronderstelling uitgesproken, dat alléén Johannes, .,de discipel, dien Jezus liefhad,quot; den Heer vergezelde. Met groot gevolg kon Jezus, wegens den gevaarlijken stand van zaken te Jeruzalem, niet derwaarts reizen. Het is ons daardoor dan ook verklaard, waarom alleen Johannes van deze reis verhaalt.

De driedaagsche reis van Zuid-Galilea over de bergen van Samaria naar Jeruzalem, was in December weinig aantrekkelijk, waarom Johannes dan ook zegt, dat het winter was. Om deze reden kwamen weinig vreemde gasten te Jeruzalem. Jezus werd

ocr page 233

215

ook niet verwacht en dit te minder, omdat Zijn laarste bezoek in October met levensgevaar verbonden was geweest. Zijne tegenstanders, die Hem ver weg in Galilea dachten, werden in deze dagen dan ook niet door gedachten aan Hem verontrust.

Om de koude konden de bezoekers niet, als op het Loofhuttenfeest in October, zich in den gloed der zon in de open voorhoven ophouden, maar hadden zij zich begeven in de zuilengalerijen, die den tempel omringden. Daar verspreidt zich eensklaps het gerucht, dat Jezus is gekomen en dat Hij zich ophoudt in het voorhof van Salomo. (Joh. X : 23.) Allen spoeden zich derwaarts en inderdaad, daar stond de bekende Profetengestalte onbevreesd, als ware Hij niet te midden van doodsvijanden, maar onder vrienden. Van verschillende kanten werd Hij vroolijk begroet. De diepe indruk, dien zij in October van Zijn Persoon hadden ontvangen, was bij velen nog niet uitgewischt. Wie ook kon het vergeten zijn, dat Hij in allen ernst zich daarbuiten in den Voorhof had aangekondigd als uit den hemel neergedaald, als het licht der wereld, als de bron van alle heil, ja als een Wezen, dat reeds voor duizenden jaren, — lang eer Abraham was, bestond! Toen hadden deze verklaringen een storm van verontwaardiging verwekt bij de regee-rende heeren van den Tempel, die Hem met den dood hadden gedreigd. Daarom was een ieder verbaasd, Hem zoo rustig midden in den tempel te zien. Dit was niet alleen een bewijs van zeldzame onversaagdheid, maar ook van vertrouwende tegemoetkoming. Van alle zijden omringde men Hem (Joh. X : 21) en spoedig was Jezus omgeven door een dichten menschendrom; de meesten waren stadsbewoners, terwijl een menigte wetgeleerden en Fari-zeën konden worden waargenomen, daar dezen juist heden op het feest in grooten getale aanwezig waren. Spoedig bleek het, hoe, sinds de getuigenissen van Jezus in October, de gemoederen ontstemd waren. De toenmalige geestdrift was intusschen wel eenigs-zins bekoeld. Daar nauwelijks was Jezus verschenen, of allen geraakten opnieuw in geestdrift. De wetgeleerden en hunne aanhangers, als ook vele onbesliste gemoederen omringden Jezus om

ocr page 234

216

eindelijk eene ondubbelzinnige verklaring van Hem te vernemen. Hoe duidelijk Hij in October ook gesproken had, eene verklaring ontbrak nog: Hij had zich nog niet den Messias genoemd. Het was toen even als nu: men hing aan Zijne woorden. Zoo lang Jezus dat Joodsche slotwoord der algemeene Messias verwachting nog niet op zich had toegepast, begreep men Zijn Persoon nog niet recht; daarom vormden zij van alle kanten een kring om Hem heen en begeerden een bondige verklaring. „Hoe lang nog,quot; aldus ongeveer riepen zij, „zult Gij ons in onzekerheid laten en zult Gij nog de hoofdvraag ontwijken? Verklaar U toch eindelijk, gelijk het een man betaamt. Zijt Gij de Messias? Zoo ja, zeg het ronduit. Wij zijn die dubbelzinnigheid moede!quot;

Bij Zijne tegenstanders was achter dezen onverwachten aanval meer verborgen, dan de bloote wensch, een antwoord te ontvangen. Zij wilden Hem door dezen onverwachten aandrang verleiden tot een ondoordachte uitspraak. Juist het woord Messias, dat in het Romeinsch overgezet (Koning = rex) gemakkelijk was te verdraaien tot kroonpretentend, moest Jezus vermijden, wilde Hij geen aanleiding geven tot een aanklacht bij Pilatus. Het is bekend, dat zij eenige maanden later, op den Goeden Vrijdag, zich van dezen kunstgreep hebben bediend. Jezus las dit voornemen duidelijk op hunne loerende aangezichten. Hij bewees hun dan ook niet den dienst zich den Messias te noemen. Daartoe was Zijne ure nog niet gekomen. Toch gaf Hij hun een antwoord en wel een, dat zóó mogelijk nog duidelijker was dan dat in October gegeven. Door de meest openhartige uitspraak over Zijn goddelijke natuur en Zijn hemelsche afkomst drong Hij hen innerlijk om zelve tot een besluit te komen, alvorens Hij komen wilde tot de laatste, uiterste uitspraak. Hoezeer reeds Zijne daden den vragers sinds twee jaren konden zeggen met wien zij Ie doen hadden, zeide Hij het hun ook in woorden, opdat zij geene verontschuldiging zouden hebben. Daarom nam Hij in Zijn antwoord den draad Zijner rede op, waar Hij die in October had losgelaten. Rustig zag Hij de opgestookte mannen aan en zeide:

ocr page 235

217

7,Ik heb het u reeds dikwijls genoeg gezegd, nog onlangs op het Loofhuttenfeest. Waarom hecht gij toch altijd aan dat ééne woord Messias, of zelfs in het algemeen aan woorden? Hebt acht op de werken, die Ik nu twee jaren lang in uw midden doe. Genezing van kranken, opwekking van dooden, spijziging van duizenden na het aanroepen van den naam G-ods; op wien wijzen al deze dingen? Spreekt daaruit niet een taal, machtiger dan •dat Ik nu zou verklaren dat Ik de Messias ben?quot;

En toen zij in verlegenheid zwegen, vervolgde Hij met weemoedigen ernst: „Gij zijt nu eenmaal niet te overtuigen. Op u maken Mijne ernstige woorden geen indruk meer. Waarom niet? Omdat gij, Jeruzalemmers, niet van Mijne schapen zijt, gelijk Ik u reeds in den herfst gezegd heb. Want, zooals gij ginds in de woestijn kunt zien, dat de schapen hunne herders kennen aan de stem, zoo is het ook met Mijne schapen. Zii hooren en kennen Mijne stem. Mijne woorden maken op hen den diepsten indruk en zij nemen ze ter harte. Zij volgen Mij als hun goeden Herder. Zij weten wel waarom. Ik geef hun het eeuwige leven. Ook zijn zij bij Mij veilig geborgen voor eiken vijand. Niemand kan hen rukken uit Mijne hand. In de woestijn kan het gebeuren, dat een wolf komt en de schapen rooft. Bij Mijne kudde is dit onmogelijk, want Mijne macht is groot, grooter dan gij vermoedt. Geen macht op •de gansche wijde wereld is zoo groot als de Mijne. Weet gij wie Mijn Vader is? Niemand anders dan de Almachtige zelf! En het is hetzelfde of Ik zeg, dat Ik Mijne schapen behoed, of Hij, want geloof mij, wij beiden, de almachtige Vader en Ik, zijn Eén.quot;

Zoo dan had Jezus de vragers niet slechts geantwoord met een duidelijk „jaquot; maar met nog veel meer. Half in den vorm van een klacht over hun ongeloof, half als een herhaalde uitnoo-diging om toe te treden tot Zijne gelukkige kudde, zeide Hij hun nog ééns duidelijk en helder, wie Hij was en daarmede bereikte Hij tevens het hoofddoel van Zijn bezoek aan het feest. Men moest weten, wie Hij was en wie Hij zijn wilde, opdat zij tegenover Hem eene beslissing zouden kunnen nemen. Als antwoord op de betref-

ocr page 236

218

fende vraag hield Hij den Messiaswciam, die zoo gemakkelijk kon worden misverstaan, liever verzwegen en gaf in de plaats daarvan de zaken. In opklimmende reeks vatte Hij in Zijne rede met de grondgedachten, die wij zoo even vernomen hebben, nog eenmaal datgene samen, wat Hij in October had gezegd van Zijne hemelsche afkomst. Hij sprak over Ziinen Vader, totdat Hij met grooten nadruk en volkomen gemoedsrust het uitsprak; ,,Ik en de Vader zijn Eén!

Deze woorden brachten Zijne hoorders in ontzettende beroering. Zoo godslasterend had Hij toch in October nog niet durven spreken. Was Hij soms niet meer toerekenbaar? God, die hemel en aarde geschapen had, die sinds eeuwen in dezen tempel vereerd werd, die God zou Eén zijn met dezen aanmatigenden Galileër? Dit durfde Hij zeggen in het gezicht van den ouden Jehovah-tempel? Reeds onder Zijne rede hadden zij zich geweld moeten aandoen om kalm te blijven, toen Hij van de eene hoogte tot de andere opsteeg. Maar toen Hij de laatste woorden gesproken had, toen kon men zich niet meer bedwingen. Nu gold het de beleedigde Goddelijke Majesteit te wreken. Schuimend van woede wierpen zij zich op een nabijzijnden steenhoop om Hem te steenigen. Maar Jezus bleef rustig staan, ook toen zij Hem met de steenen naderden. Een kalm mensch heeft dikwijls een wonderbare macht over een hartstochtelijke, opgewonden menigte. Getroffen bleef men staan. Niemand wierp een steen op Hem.

Alsof Hij zich niet bekommerde over hunne bedreigingen, sprak Hij kalm, echter niet zonder beschamende ironie: „Ik heb u zoovele treffelijke werken getoond, die alléén Mijn Vader doen kon. Alvorens gijlieden Mij steenigt, zal Ik wel mogen vragen: Om welke van die werken, wilt gij Mij dooden?quot;

„Wat gaan ons nu nog Uwe daden en werken aan!quot; riepen zij verbitterd uit. „Wij willen IJ steenigen en doen het met goed reent om Uwe Godslastering, omdat Gij U zeiven God maakt!quot; Jezus hernam: „Uwe heilige boeken noemen toch ook gewone men-schen, voor zoover dezen optraden in den naam van God, —

ocr page 237

219

Goden. Hoe kan het dan Godslastering zijn, als Ik, die van boven ben, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft. Mijzelven Gods Zoon noem? Nog eens; Ziet toch naar Mijne werken! Vraagt uzelven af, of deze niet uit God zijn moeten! Daden zijn toch meer dan woorden! Indien ge dit zoudt willen bedenken, zou het u duidelijk zijn, dat in Mij de Almacht en Majesteit des Vaders voor u staat. Hij in Mij, gelijk Ik in Hem. Daarom zeg Ik nogmaals: Ik en de Vader ziin Eén!quot;

De eenvoudige bewijsvoering uit het Oude Testament had hen een oogenblik ontwapend en in zooverre tot bezinning gebracht, dat zij de steeniging achterwegen lieten. Zulk een woord kon tegenover de Romeinen, kwade gevolgen hebben gehad. Zij moesten een vorm vinden om Hem, op den weg van orde en rechtspraak, te dooden. Daarover beraadslaagden zij te zamen. Zij kwamen overeen Hem op onverwachte wijze te grijpen (Joh. X: 39).

Jezus doorzag hun plan en het gevaarlijke van den toestand. Het was hoog tijd om zich buiten hun bereik te stellen. Hij vluchtte. Van den hof van Salomo uit, ging Hij door hun midden naar den uitgang des tempels.

Aldus verliet Jezus voor de laatste maal de stad — als een Vluchteling. Met eiken nieuwen tocht naar Jeruzalem was de haat Zijner tegenstanders al heftiger ontbrand. In October had men getracht Hem te dooden; toch verhinderde dit Hem niet om een week lang nog voortdurend de stad te bezoeken. Nu was het anders gesteld en kon het oponthoud van Jezus op dit feest slechts zeer kort zijn. Volgens Johannes kan Hij slechts een half uur in den tempel en in de stad gebleven zijn. Het moet Jezus moeielijk zijn geweest op Zijn gang naar den Olijfberg. Alles scheen vruchteloos te zijn in deze ongelukkige stad. Toch was Zijn bezoek, ook dezen keer, niet tevergeefs geweest. Hij had Zijn doel bereikt. Niet alleen was de haat Zijner vijanden ten top gestegen, maar ook Zijne getuigenis was tot het hoogste punt gekomen in de woorden; „Ik en de Vader zijn Eén.quot; Het beslissende woord „Jezus de Zoon van Godquot; was nog één-

ocr page 238

220

maal neergelegd in de feest-vergadering. Menigeen zal zich nogmaals hebben afgevraagd, of Hij niet het recht had tè zeggen, dat Zijne werken de waarheid Zijner woorden waarborgden.

Jezus ging naar Bethanië, dat op een klein uur afstands van de stad gelegen is, achter den Olijfberg. De liefelijke geschiedenis, die Lukas X ons verhaalt, steekt vriendelijk en vreedzaam af, tegen den donkeren achtergrond van haat en nijd te Jeruzalem.

Deze geschiedenis is voldoende bekend. In het Oosten is een welkome gast niet alleen de gast van een bepaald huis maar ook van alle vrienden van dat huis, dikwijls zelfs van het ge-heele dorp. Men schaart zich rondom den aangekomene en allen bieden ververschingen aan. Ook in Bethanië zal het aldus gegaan zijn; Martha en Maria bedienden vriendelijk de gasten van hun huis. Maar ook daarna had Martha voor vele dingen te zorgen en hoe gewichtig ook de mededeelingen waren, die de onverwachte Gast deed, de zorgen van Martha waren nog gewichtiger. Zij moest nog een heerlijken avondmaaltijd voor den Gast gereedmaken.

Niet alzoo oordeelde de jongere zuster Maria. Deze had zich ongemerkt neergezet nabij Jezus om te luisteren naar Zijne woorden, die wel een echo zullen geweest zijn op datgene, wat Hij heden in den tempel gesproken en doorleefd had, waarbij het „Een zijn met den Vaderquot; de grondtoon zal hebben uitgemaakt.

Martha was hierover niet tevreden. Zij zelve had het zoo druk voor den Heer en Maria zat maar rustig onder de gasten. Zij ziet Jezus aan en zegt; „Heer, trekt Gij U dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen ? Zeg dan haar, dat zij mij helpe!quot; Doch Jezus antwoordde vriendelijk maar beslist; „Martha! Martha! Het ongelijk is aan uwe zijde. Gij bekommert en ontrust u over vele dingen. Eén ding is noodig. Maria heeft het goede deel gekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden!quot;

Een vriendelijk verwijt lag in de woorden van den Heer opgesloten, terwijl de goedkeuring aan Maria geschonken, onvoorwaardelijk was. Maar Jezus zeide dit zoo vriendelijk, dat Zijne woorden

ocr page 239

221

geen pijn deden. Vermoedelijk zette Martha zich naast Maria aan Jezus\' voeten en luisterde naar de woorden des Heeren, die de kleine woning als tot een voorhof van het hemelsch te huis maakte.

Jezus zal wel niet lang te Bethanië gebleven zijn, maar den volgenden dag afscneid genomen hebben. Eerst na twee maanden zou Hij de vriendelijke woning weerzien, als Hij den nu nog welvarenden Lazarus uit den dood zou opwekken. Jezus had door Zijn laatste feestbezoek te Jeruzalem, Zijne uitgestrekte predikreis voor korten tijd afgebroken. Thans keerde Hij terug tot de scharen naar Perea aan gene zijde van de Jordaan (Joh. X : 40). Binnen weinige dagen was Hij met Zijne discipelen weer vereenigd in het Noorden om de eerstvolgende twee maanden te wijden aan Perea, gelijk Hij tot nu toe de beide provinciën Judea en G-alilea had doorreisd.

ocr page 240

DE TIEN MELAATSCHEN.

Lukas XVII : 11 — 19.

Het was einde Januari of begin Februari. Jezus had nog twee maanden te werken op aarde. Hij was op Zijn laatsten, lang-durigen tocht naar Jeruzalem.

In de laatste dagen van December was Hij van het feest der tempelwijding in Jeruzalem (Joh. X) en van Zijn bezoek aan Beth-anië (Luk. X ; 38) teruggekeerd en had zich na een laatste afscheid van Galilea, in Perea (Joh. X : 40) bij de groote schare Zijner discipelen en Apostelen gevoegd. Lukas deelt mede, dat dikwijls duizenden zich om Hem heen verdrongen, zoodat zij elkander vertraden. (Luk. XI : 29; XII : 1; XIV : 25.)

Als een, die afscheid nam, trok Jezus nog eenmaal het land door en, aangezien Hij op vele plaatsen voor het eerst maar tevens voor het laast kwam, liet Hij Zijne komst gewoonlijk door Zijne 70 jongeren aankondigen en het volk op Zijne komst voorbereiden. Den eenen voorlooper had men gedood. Zeventig anderen waren daarvoor in de plaats getreden. Geen enkele plek

ocr page 241

228

in Perea mocht onbezocht blijven. Overal moest men den Messias — ofschoon Hij zich dezen naam niet uitdrukkelijk gegeven had — persoonlijk leeren kennen, ten einde bij Zijn koninklijken intocht te Jeruzalem in April en bij het volksgericht op den Goeden Vrijdag, uit eigen overtuiging voor of tegen Hem te kunnen optreden. Ook zien wij, hoe op deze reis de gemoederen bij het verschijnen van Jezus verdeeld waren. Spoedig hooren wij dan ook uit het midden der volksmenigte een stem, zeggende: „Zalig is de buik, die U gedragen heeft,quot; (Luk. XI : 27) en tijdens den maaltijd in het huis des Farizeërs, de woorden van een dischge-noot; „Zalig hij, die brood eet in het Rijk Gods!quot; Maar ook zien wij spoedig, hoe Zijne tegenstanders, in hunne verblinding Zijne verhevenste wonderen voor duivels-kunstenarij en zwarte kunst verklaren, terwijl ook Jezus zich genoodzaakt ziet, hunne huichelarij met de scherpste wapenen, meedoogenloos te ontleden. (Luk. XI : 15; LXII : 13, 15.) Onder dit alles verzuimde Jezus niet, Zijnen jongeren in al deze vijandelijkheden, ook in de nu beginnende verwijzingen naar Herodes Antipas (die over Perea regeerde), de voorteekenen te doen opmerken van Zijn op handen zijnden dood. Overal dus kon men Jezus, een ieder in zijne eigene plaats, leeren kennen, en al waren de vruchten nog niet dadelijk zichtbaar, toch zouden ze over korten tijd zichtbaar worden, want als eenige maanden later, gedurende het Pinksterfeest, op eenen dag drie duizend geloovig werden, dan was dit niet een oogenblikkelijk wonder, maar het ontspruiten van het zaad, door Jezus geduldig en voortdurend, onder veel strijd en aanvechting, onder gansch Israel uitgestrooid. De meesten der eerste Christenen kenden Jezus persoonlijk en reeds kort na Jezus\' dood ontstonden in het Noorden en in het Zuiden des lands, bloeiende Christelijke gemeenten en de Apostelen konden oogsten, hetgeen Jezus op deze reizen had gezaaid, gelijk Hij reeds een jaar te voren in Samaria had voorspeld. (Joh. IV : 37 en v.v.)

Jezus moet zich ten tijde van ons verhaal hebben opgehou-

ocr page 242

224

den op de grenzen van Samaria en Perea. De melaatsche Sama-ritaan wijst op de nabijheid van Samaria. quot;Wij plaatsen hem aldus in de streek van het boven-Jordaandal en zijne naar het Oosten zich verheffende bergen, ongeveer midden tusschen het meer Genesareth en de Doode Zee. Deze streek was Hem en Zijn eerste jongeren welbekend. Juist twee jaren geleden trok Hij uit Nazareth naar hier om den pas opgetreden profeet Johannes te ontmoeten. Ook trok Hij over deze bergen, toen Hij met Zijne vijf eerste jongeren na die vier gedenkwaardige dagen aan de Jordaan naar Nazareth en Kana terugkeerde.

In deze streek nu naderde Jezus eens een dorp. Nog voor Hij binnentrad, vernam Hij weemoedig klagende stemmen en zag Hij eenige melaatschen, die om hulp riepen. Een diep medelijden met deze ongelukkige Paria\'s der maatschappij greep Hem aan. Zij waren in de hoogste mate beklagenswaardig. Gelijk dit tegenwoordig nog het geval is, moet het toenmaals ook geweest zijn. De arme ongelukkigen zitten neergehurkt op den grond, doorknaagd door de vreeselijke ziekte. Het eene lid na het andere wordt aangetast. Het gevoel in en onder de huid versterft. Men kan een naald zeer diep in het vleesch steken, zonder dat de zieke het bemerkt. De ledematen worden langzamerhand akelig verminkt, versterven en vallen af. Tranen vloeien voortdurend uit de halfgesloten oogen, als wilde de natuur hen dwingen, voortdurend hun toestand te beweenen. In bijna alle gevallen is de ziekte erfelijk. Een kind uit melaatsche ouders geboren, kan tot het twinstigste jaar frisch en gezond zijn, trouwen en zelf gezonde kinderen hebben. Maar langzamei-hand openbaart zich de ziekte en hij en de zijnen komen tot de vreeselijke ontdekking, dat „de eerstgeborene des doodsquot; zooals Job die ziekte noemt, hem als zijn buit heeft aangegrepen. Nu vlieden allen van hem. Van eiken omgang met gezonde menschen uitgesloten, uit elke woning gebannen, door de hunne gemeden, in holen buiten de stad gemeenschappelijk wonende - is het wonder, dat zij duizendmaal liever sterven

ocr page 243

225

dan zoo te leven? En dit doen zij in den beginne, als zij nog niet gewoon zijn geraakt aan hun lot. In bittere bewoordingen beschuldigen zij, half waanzinnig, den hemel. Maar de macht der gewoonte is groot; menschen kunnen zelfs wennen aan melaatse hheid. Langzamerhand worden de ongelukkigen zoo geestelijk stomp, dat alles hun onverschillig is. Nog slechts de glans van goud en zilver heeft een betooverende macht op hen en bedelende zitten zij langs den weg, roepende : „Sidi hinn alênn!quot; d. i. Heer, erbarm u over ons!

Naar het voortreffelijke Duitsch asyl voor melaatschen gaan slechts weinigen van hen, slechts een twintigtal. Liever sleepen zij zich bedelend voort om aalmoezen op te zamelen. Hunne vrijheid beschouwen zij als hun eenig overgebleven eigendom, en dit willen zij niet prijsgeven in een asyl met vaste huisregelen. En al betreurt men dit nu, wie zal het dezen ellendigen van hun standpunt euvel duiden ? Op genezing is geen kans; om de zegeningen van het Evangelie, die levende hoop op een betere wereld, te waarderen, zijn de meesten te gevoelloos, hetgeen wederom eene der jammerlijke gevolgen der ziekte is, die zich weerspiegelt in hun starren blik, evenals onverschilligheid voor het hoogere niet echter voor lage neigingen en hartstochten. Geen zonnestraal van hoogere gedachten en zalige hoop verlicht de somberheid van hun bestaan en biina komt het mij voor, alsof wij voor deze ongelukkige wezens eerst in het volgend leven hebben te hopen op een hooger geestesleven, waartoe God hen toch ook heeft geschapen en bestemd.

Tien zulke ongelukkigen nu zaten in hunne mantels gewikkeld, want het was in den winter, aan den weg naar het dorp, dien Jezus volgde. Iets bijzonders, iets als uit de diepte komende lag heden in hunne heesche geluiden. Heden wilden zij niet bedelen als gewoonlijk. De naam Jezus was zelfs bij deze melaatschen bekend. Indien het waar was, dat Hij een doode had opgewekt, dan moest Hij ook melaatschheid kunnen genezen. Men had ook verteld, dat Hij in Februari van het

15

ocr page 244

226

vorige jaar een melaatsche nabij Kapernaüm had gereinigd. (Matth. VIII : 2.) Nooit nog was het bij hen opgekomen gezond te kunnen worden, maar sinds zij hadden gehoord van den Galileeschen Profeet, schoot een flauwe straal van hoop hun dooide ziel, als zij bedachten, dat Deze ook wel eens binnen hunne grenspalen zou kunnen komen. Heden was die groote dag aangebroken. Jezus had Zijne komst waarschijnlijk door Zijne jongeren doen aankondigen. De geheele bevolking zag met vertrouwen den alom bekenden Aankomende te gemoet. Niet het minst deden dit de melaatschen. Zij hadden zich opgesteld terzijde van den weg, omdat zij naar de Joodsche wet niet aan den weg mochten zitten. Daarom stonden zij „van verrequot;, zooals onze tekst zegt, op het land. Hun hart klopte en bonsde, toen zij eindelijk Jezus zagen komen, Hem, den eenigen mensch op de wijde wereld, die hen helpen kon. Zij zagen Hem naderen aan het hoofd van een groot gevolg.

Toen Jezus nabij hen gekomen was, verhieven zij hun stemmen en riepen bijna woordelijk hetzelfde, als wat de melaatschen nog heden roepen: „Heer, erbarm U over ons!quot; Maar zij voegden er aan toe; „Jezus, Meester!quot; en juist in deze toevoeging lag het vonkje geloof aan Zijne goddelijke zending, uit kracht waarvan Hij hen genezen kon.

Toen Jezus deze ongelukkige schepsels zag, werd Zijn hart vervuld met medelijden. Hier kon en mocht Hij helpen. Een schemering van geloof aan Zijne Heilandsliefde, aan Zijne goddelijke macht, was in hun bede waar te nemen. En voor het dorp zou de genezing een verheven prediking zonder woorden zijn. Hij deed kracht van zich uitgaan, zag de melaatschen aan met dienzelfden blik, die Zijne tijdgenooten dikwerf zoo wonderbaar had aangegrepen en tot onbepaald vertrouwen gestemd en sprak vriendelijk, alsof zij reeds gezond waren: „Gaat heen en vertoont u den priester!quot; (aldus gebood de wet van Mozes tot erkenning der genezing.) Daarna ging Jezus met Zijne omgeving verder naar het dorp.

ocr page 245

227

De melaatschen hadden de woorden gehoord, maar konden ze niet gelooven. Toen Hij echter Zijn weg vervolgde, toen zij wederom alleen waren, maakten zij zich op met blijde zekerheid, want wie zou deze stem, wie zou dezem Mensch niet gelooven ? En terwijl zli heengingen, bemerkten zij met verrukking, dat de akelige sporen der vreeselijke ziekte verdwenen. Zij zagen elkander aan en merkten met onuitsprekelijke blijdschap de lijnen van het schoone menschelijk gelaat bij elkander op, dat hun nog nimmer zóó schoon, zoo edel had toegeschenen, als in deze oogenblikken. Nieuwe levenskracht doorstroomde hunne verslapte ledematen. Een frissche huid begon de doorknaagde plekken te overdekken. De geheele wereld, voor welke zij tot nu toe zoo goed als begraven waren geweest, lag nu voor hen open.

En toch — met welke droeve klacht des Heeren eindigt ons verhaal. Eén slechts keerde terug tot Jezus om Hem te danken. Allen waren gelukkig, allen hadden een nieuw leven ontvangen, — maar zij namen het geluk aan als een roof, die hun als door een toeval was in den schoot geworpen. Zij gingen huns weegs en lieten hunnen Weldoener Zijns weegs gaan. Zij dachten er niet aan. dat zij daarmede den grootsten zegen, die een menschenhart kan ontvangen, den rug toekeerden.

Eén slechts maakte eene uitzondering. Deze gevoelde, dat hij zich nu niet naar de priesters noch naar zijne bloedverwanten moest spoeden. Hij voor zich kende nu op de geheele wereld slechts één plaats en die was aan de voeten des Heeren. Met de hem zoo even geschonken krachten ijlde hij Jezus na en zonk vol ootmoed voor Dezen op de knieën. Met luider stem, voor allen verstaanbaar, dankte hij den Heer en zag Hem aan, als gevoelde hij zich in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid. En deze was een Samaritaan.

De gelukkige zal gewis den Heer trouw hebben beloofd tot den dood. quot;Wij kunnen het ons niet anders voorstellen, dan dat deze Samaritaan, die tot nu toe geen te huis had, een on-

ocr page 246

228

afscheidelijk volgeling van Jezus is geworden. Bij Jezus had hij zijn te huis eindelijk gevonden.

Wij kennen den naam van dezen man niet. Voor den Heer was deze ziel een nieuwe vrucht uit het zoo verachte land der Samaritanen. Hoe diep het Hem ook smartte, dat de negen anderen, die toch Israelieten waren, zoo weinig de hand Gods in hunne genezing zagen, — deze ééne, die zoo dankbaar voor Hem nederknielde, was Hem een heerlijk onderpand van den blijden tijd, dat in Samaria een reeks Christengemeenten zouden ontstaan, als de schoonste vrucht op Zijn moeitevolle omwandeling op aarde, die na weinige maanden reeds een einde zou nemen.

ocr page 247

JEZUS IN DE LANDSTREKEN TEN OOSTEN VAN DE JORDAAN.

MARK. X : 17 — 27.

Jezus had zich van het feest te Jeruzalem in December naar Perea begeven (Joh. X : 40). Hij kan aldaar zijn gekomen omstreeks 1 Januari, aldus in het begin van het derde jaar na Zijn doop in de Jordaan en heeft zich ten minste twee maanden opgehouden in de landstreken ten Oosten der rivier. Perea werd geregeerd door Herodes Antipas, den moordenaar van Johannes, later Jezus\' rechter en vormde de tweede kleinste „helftquot; (Mark XI ; 23) van zijn koninkrijk.

Perea was noch zoo vruchtbaar noch zoo dicht bevolkt als G-ali-lea. Ook was het landelijk karakter niet hetzelfde. Hier was niet, gelijk in Galilea elke morgen land bebouwd. Jezus vond op Zijnen weg vele bergwouden, die in Palestina niet voorkwamen. Bergstroomen moesten worden doorwaad, die in dit jaargetijde

Het plaatje vertoont achter de uitmonding van de Jordaan in de Doode Zee het Zuidelijk voorgebergte der provincie Perea, vanwaar Jezus steeds de Doode Zee voor zich zag.

ocr page 248

230

in het Jorclaandal nederstortten. Wegens dezen rijkdom aan water ontbrak het in Perea niet aan schoone, vruchtbare^ streken. Ook al waren in het dal de beken sinds lang opgedroogd, op de hoogten besloegen ruischende groene velden en ..boomgroepen, voornamelijk olijfboomen en bloeiende wijnbergen groote oppervlakten, terwijl, volgens Jozefus, op de lage gronden prachtige aanplantingen van palmen door frissche bronnen overvloedig werden gedrenkt. In deze vlakten, nabij de Doode Zee, in de vlakte van Jericho, zal Jezus zich in deze wintermaanden dikwijls hebben opgehouden, gelijk men nog heden ten dage in den winter gaarne het zachte klimaat van deze diepgelegene streken opzoekt. Toch vond men er ook vele woeste plekken, Jozefus zegt, dat het Zuidelijke gedeelte van het land onbevolkt, onvruchtbaar en voor landbouw te woest is.

Jezus had altijd nog een groot gevolg. Niet alleen waren behalve Zijne Apostelen, de 70 jongeren (Luk. X : 1) met Hem, maar bovendien een schare vrome, dankbare vrouwen, die afzonderlijk Hem volgden. De moeder van Johannes en Jakobus zullen wij nog in dit hoofdstuk ontmoeten en dat de moeder van Jezus en de andere vrouwen (Luk VIII: 3); Maria Magdalena, Johanna, Susanna en vele anderen medegingen, is nauwelijks te betwijfelen. Wij vinden ze dan ook op het einde der reis op Golgotha weder. Het moet een liefelijke tijd voor Jezus geweest zijn, die Hij hier in Perea met Zijn jongeren doorleefde, alvorens daarginds over de hooge bergen in het Westen de laatste storm voor Hem opsteken en Zijn leven op eens zou afsnijden. De evangelist Johannes karakteriseert dit met deze woorden (X ; 40—42): „Hij ging tot de plaats waar Johannes eerst Doopte. En velen kwamen tot Hem en zeiden : Johannes deed wel geen teeken, maar al wat Johannes van Dezen zeide, was waar. En velen geloofden aldaar in Hem.\'quot; Alzoo vond Hij daar een groot aantal geloovigen aan dezelfde plaats, waar Hij voor twee jaren Zijn ambt zoo vreugdevol had aanvaard. Maar de bodem was hier ook toebereid geworden door

ocr page 249

231

een trouwe hand; men hield nog in gedachte hetgeen de zoo vereerde Johannes de Dooper hier in het dal van Jezus gezegd had. Uit het te voren gezegde van de bewoners van Perea (Joh. X : -41) blijkt ons, welke de inhoud der prediking van den Dooper moet geweest zijn. Hij had hen veel van hetgeen Jezus doen zoude, voorspeld en in zijne prediking een zoo sprekend gelijkend beeld van Jezus ontworpen, dat diens toekomstige toehoorders Hem daaruit dadelijk zouden kunnen herkennen. Nu was Jezus persoonlijk gekomen en was met vreugde ontvangen. Ook deze provincie is ongetwijfeld, evenals Judea en Gali-lea, over hare geheele uitgebreidheid door Jezus doorwandeld, waartoe de twee maanden volkomen voldoende waren.

Jezus gebruikte dezen tijd ook om Zijnen jongeren en het volk vele gewichtige leeringen te geven. De evangelist Lukas geeft daarvan uitvoerig verslag. Vele gelijkenissen, b.v. die van het groote avondmaal, van den verloren zoon, van den armen Lazarus, over de gevaren aan rijkdom verbonden, zijne leerredenen over verzoening en vergeving, over aanhouden in het gebed, schijnen in Perea te zijn uitgesproken.

De stemming der jongeren schijnt nu eens opgewekt en hoopvol, dan weer gedrukt te zijn geweest. Ook hier zal het niet hebben ontbroken aan mannen, die, in overeenstemming met de volksleiders in Jeruzalem, optraden als verbitterde tegenstanders van Jezus. Toch waren de ondervindingen hier overwegend verblijdend. Dit scheen hun grond te geven voor hoopvolle verwachtingen en het groote gevolg, dat zich om den Heer verzamelde; de werkzaamheid van Jezus, die nu weldra de laatste provincie zou hebben voorbereid tot de eind-beslissing; het vooruitzicht met Hem en een talrijke schare Jeruzalem binnen te trekken, dat alles deed hen gelooven het morgenrood van het lang verwachte Messiaansche Koninkrijk te zien. De ernstige taal des Heeren over Zijn naderenden dood hielden zij dan voor zinnebeeld en gelijkenis, waarin Hy altijd zoo gaarne sprak.

Van de enkelvoudige gebeurtenissen gedurende dit verblijf in

ocr page 250

232

Perea is ons weinig gemeld. Een der liefelijkste trekken uit dezen tijd is het zegenen der kinder kens. Wij zien daaruit, hoe vertrouwelijk men met Jezus was; men bracht tot Hem, wat men het liefst had, nl. de kinderen, opdat de goede Profeet hun de handen zou opleggen. Men wist, dat de zegen door Izaak, door Jakob, in oude tijden gegeven, had doorgewerkt met de kracht eener profetie. Maar de Apostelen wezen de ouders terug; dezen moesten Jezus, die vermoeid was, met rust laten. Jezus hoorde, wat Zijne jongeren zeiden en zag, hoe de ouders, die zoo vol vertrouwen gekomen waren, zich bedroefd afwendden. „Laat,quot; zoo sprak Hij vriendelijk tot de ouders, „de kinderen tot Mij komen!quot; en tot de jongeren zeide Hij: „Weert ze niet, — o, mochten alle menschen zijn zooals deze kinderen, zoo eenvou-zoo bescheiden, zoo vrij van eigenwaan — zoo moeten zij zijn, die deel willen hebben aan het Godsrijk. Voorwaar, zeg Ik u, wie niet wordt gelyk zij, in wier hart de goede woorden nog zoo gemakkelijk worden opgenomen, die niet alles beter weten, maar die vragen en leeren willen, die niet meenen reeds alles te weten, maar zich alles willen laten geven, die komt dat Rijk niet binnen!quot; Daarop brachten de ouders de kinderen tot Hem, zij hadden zich dus niet bedrogen gevonden in hun vertrouwen. Jezus nam de kinderen één voor één in Zijne armen, drukte ze aan Zijn hart en zag hen zoo liefdevol aan, dat zij den grooten Profeet in Hem voorbijzagen en zich tegen Hem aan vlijden als tegen hun vader. Of deze ouders Hem zullen hebben kunnen vergeten? Of deze kinderen zich niet tot in hun ouderdom zullen hebben verblijd, over hetgeen hun wedervaren was? Het waren zaadkorrels, die Jezus hier uitstrooide in de harten ran jeugdigenen bejaarden. Hoe zij zijn opgeschoten en vrucht hebben gedragen, zal eens de eeuwigheid openbaren, alsook hoeveel duizendvoudige vrucht deze gebeurtenis zelf in de Christenheid zquot;l hebben opgeleverd.

Eene andere gebeurtenis uit deze dagen was de ontmoeting met den ri]ken jongeling. Hieruit zien wij, welken diepen indruk de

ocr page 251

233

verschijning van Jezus in Perea maakte, ook ouder de hoogere standen. Jezus had eene stad verlaten, waar Hij had gepredikt. Een nog jong, voornaam heer, had zich onder de hoorders bevonden en was machtig aangegrepen geworden door de persoonlijkheid van Jezus. Toen Jezus de stad verliet, was de jongeling het nog niet met zlchzelven eens. Hij ijlde Hem na, haalde Hem In (Mark. X : 17) en viel voor Hem op de knieën, met de vraag: „Goede Meester! dat Gij goed zijt, dat weetik; o, zeg mij, alvorens Gij verder gaat, wat ik doen moet om zalig te worden; noem mij eene groote daad, die mij het eeuwige leven verzekert, waarover Gij zoo schoon hebt gesproken!quot;

Jezus zag den jongeling met een verbaasden, beproevenden blik aan. Bedelaars, melaatschen, blinden had Hij menigmaal geknield voor zich gezien. Maar een zoo aanzienlijk man, die alles bezat, wat het leven kon veraangenamen, wellicht nog nimmer. „Gij meent,quot; zoo antwoordde Hij, „aan een doortrekkenden, „goedenquot; Rabbi den weg te moeten vragen om tot volmaaktheid te kunnen komen; maar daarin dwaalt gij. De stem van den volkomen „Goedequot; hebt gij reeds sinds lang vernomen uit de geboden. Niemand kan u iets beters zeggen.quot; — „Welke geboden?quot; Jezus noemde het gebod der liefde tot den naaste. De oogen van den jongeling schitterden van vreugde. „Al deze dingen,quot; antwoordde hij, „heb ik onderhouden van mijne jonkheid af!quot; Bij deze woorden van Jezus moet hij evenwel hebben gevoeld, dat hem nog iets ontbrak. Daarom ging hij voort: „Noem mij nu nog een bijzondere, een groote, schoone daad, zoodat mij daarna niets meer ontbreekt.quot;

Een glans van liefde moet in de oogen van Jezus hebben gelegen, toen Hij den jongeling vriendelijk zeide: „Welnu, Ik zal u het groote werk noemen, dat u nog ontbreekt. Ga heen, keer naar de stad terug, verkoop al wat gij hebt, geef het den armen, en kom dan en volg Mij, gelijk deze Mijne jongeren en wees gelijk zij er op voorbereid ter wille van het eeuwige leven het martelaarskruis op u te nemen!quot;

ocr page 252

234

De jongeling was treurig geworden. Met gebogen hoofd bleef hij zwijgend staan. Zijn geestdrift, zijn vrome moed om een groote daad te volbrengen, beslissend voor het eeuwige leven, was plotseling gebroken. Een inwendige zware strijd spiegelde zich af in zijne oogen. De eisch voor het eeuwige leven scheen hem te groot te zijn; deze kwam neer op het afstand doen van al het aardsche, en — hij was zeer rijk.

Wellicht kostte het den Heer, die zwijgend den jongeling tijd liet om de keuze te doen, ook moeite hem te hebben geleid op den zoo smartelijken weg van zelfbeproeving, maar Hij kon geen ander antwoord geven. De tien geboden waren den jongeling niet voldoende geweest, hij wilde meer doen. Wat hem nog ont-orak, kon hij slechts vinden in het volgen van Jezus. Wie Hem echter volgen wilde, Hem, die na weinige weken aan het kruis zou worden genageld. Wiens jongeren alsdan aan elke vervolging zouden blootstaan, moest wel letterlijk van alle aardsche goederen afstand doen. Wie dat niet kon, was niet geschikt Christus te volgen.

De jongeling ging bedroefd weg. Hij was gekomen met groote verwachting, hij ging weg geheel teleurgesteld.

Jezus was diep bewogen. Een gevaarlijke hinderpaal om in te gaan in het Godsrijk, de gouden keten van het aardsche, had zich op zijnen weg gesteld. Weemoedig sprak Hij tot Zijne jongeren: „Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het koninkrijk Gods inkomen!quot; En hieraan knoopte Hij vast dat waarschuwend gesprek over de gevaren van den rijkdom, waarvan de Evangelisten berichten.

Petrus had aandachtig toegeluisterd. Zij allen hadden eenmaal dezelfde beslissing moeten nemen, als die den rijken jongeling nu had teruggehouden. Petrus had zelfs vrouw en kind in Bethsaïda of Kapernaüm moeten achterlaten. Maar sinds de Heer dit besluit in het veelzeggende wonder van de rijke vischvangst voor hem zoozeer gemakkelijk had gemaakt, was hij Hem getrouw gevolgd, zelfs nu, terwijl Jezus als doel der reis hen telkens wees

ocr page 253

235

op het kruis. En toch menigmaal zal hij hebben gedacht aan zijne vaderlooze woning, aan de oevers van het meer Genesareth. De strijd van den jongeling had hem opnieuw daaraan herinnerd. Hij wendt zich tot den Heer, zeggende: „Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Wat zal ons daarvoor geschieden?quot; De jongeren luisterden toe. Gelijk reeds zoo dikwijls, had Petrus ook nu weder als uit hun aller hart gesproken. Jezus wist het, hoe zij droomden van de aardsche heerlijkheden van het Messias-rijk. Maar ook wist Hij, wat zij om Zijnentwil hadden verlaten. Daarom antwoordde Hij met majesteit: „Eens zal Ik. die thans in knechtsgestalte onder u verkeer, zitten op den troon Mijner hemelsche heerlijkheid. Ook gij zult dan zitten op koningstronen en oordeelen de twaalf stammen Israels, — maar eerst in de nieuwe wereld!quot; (Matth. X : 28.) „En,quot; aldus vervolgde Hij. met het oog op de vraag van Petrus: „zoo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers om des te vrijer en meer ongehinderd te kunnen werken tot verbreiding van Mijn Evangelie, die zal niet alleen op aarde reeds honderdvoudig ontvangen, maar ook, en dit is zeer verre het beste, het eeuwige leven beërven !quot; Toen de Apostelen weinige maanden later op het Pinksterfeest zich omringd zagen door duizenden Christelijke moeders, broeders, zusters, toen dezen hunne huizen en akkers schonken, toen zullen zij wel indachtig geweest zijn aan het eerste gedeelte van deze belofte.

In betrekking tot de vergelding in de nieuwe wereld antwoordde Jezus hen door eene gelijkenis, die Hij wederom ontleende aan de omgeving, de gelijkenis namelijk van den wijngaardenier en diens arbeiders. De betaling der arbeiders stelde de Heer in vergelijking van de „vergeldingquot; in die wereld, waarnaar Petrus had gevraagd. Des avonds betaalde de heer des wijngaards uit de gelijkenis aan eiken arbeider een penning, zoowel aan hen, die het- eerst, als aan hen, die het laatst gekomen waren. Bij een aardschen wijngaardenier zou dit vreemd zijn

ocr page 254

236

maar in de andere wereld zullen de onthullingen veel verrassends te aanschouwen geven. Want — en dit was de bedoeling van Jezus\' woorden, — meent niet. dat gijlieden de voornaamsten zijn zult, omdat Ik u het eerst heb geroepen. Verstaat Mijne woorden aangaande de koningstronen, die u wachten, niet verkeerd. Na duizenden jaren, zelfs kort voor den ondergang van deze wereldorde, zullen nog arbeiders in Mijnen wijngaard worden geroepen. En onder de laatsten zullen velen de eersten zijn.

Eene andere gebeurtenis stond met deze gesprekken in het nauwste verband. Een der medereizende vrouwen, Salome, de moeder van Johannes en Jakobus, trad eens op den Heer toe en voor Hem knielende zeide zij smeekend: „Heer! ik heb een verzoek aan U!quot; „Wat wilt gij?quot; vroeg Jezus. Toen antwoordde zij: „Laat deze mijne twee zonen Johannes en Jakobus mogen zitten de een aan Uwe rechter-, de andere aan Uwe linkerhand in Uw koninkrijk!quot;

Dit was de lievelingswensch haars harten. Rijkdom noch aard-sche eer wenschte zij voor hare zonen, maar zij ging uit tot hoogere dingen en begeerde voor hen, dat zij altijd nabij den Heer zouden zijn. Haar geheele gezin en deszelfs geluk, was door haar onafscheidelijk aan Hem verbonden geworden. Onder het kruis vinden wij de moedige Salome met hare zonen weder, getrouw tot in den dood. En zoo dikwijls wij het hoek van haren zoon Johannes opslaan en de diepe eeuwigheidsgedachten, die ons daarin gegeven zijn, overdenken, worden wij er aan herinnerd, hoe dikwijls bij groote godsmannen, de zegen, eene vrome moeder te hebben gehad, en vooral de zegen eener biddende moeder, beslissend moet hebben gewerkt ook voor dit leven.

Maar Jezus vond voorzeker ook vreemd vuur in de bede. Reeds in de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard had Hij aan het slot hun aangeduid, dat de voornaamste eereplaatsen niet werden bepaald door den tijd der roeping en ook nu moest Hij hun aanzeggen, dat de inwilliging van het verzoek met afhankelijk was van een gunstbewijs, geschonken in een bijzon-

ocr page 255

237

der onderhoud. Dit hing af van voorwaarden, die de zonen zelve hadden te vervullen. Om die reden wendde de Heer zich tot dezen en niet tot de moeder. „Gij wilt zitten aan Mijne rechter- en Mijne linkerhand!quot; sprak Jezus. „Maar dan moet gij denzelfden drinkbeker drinken, dien Ik drink. En Ik zeg u, dat die bitter is. Zijt gij bereid hem met Mij te deelen?quot;

„Ja!quot; riepen de beide Apostelen als uit één mond. Met welgevallen zag de Heer hen aan. „Mijne drinkbeker zult gij wel drinken,quot; aldus sprak Hij, „maar de twee hoogste plaatsen naast Mijnen troon, kan Ik u heden niet toezeggen. Dit heeft Mijn Vader zich voorbehouden.quot; Hiermede was de bede der drie familieleden beantwoord. Maar het blijmoedig „Jaquot; hebben de beide zonen gehandhaafd hun leven lang. Van Johannes kunnen wij het beter volgen dan van Jakobus. Het ja, in Perea uitgesproken, werd door een honderdvoudig ja gedurende zijn leven achtervolgd. Als wij eenige maanden later van al de jongeren hem alleen op Golgotha vinden, als wij in de geschiedenis der Apostelen lezen, dat hij zich verblijdde, ten bloede toe gegeeseld te zijn geworden ter wille van ziinen Heer, als hij later, toen zijn geboorteplaats te niet gegaan, zijn geliefd Jeruzalem verbrand was, uittrok om in Klein-Azië onder veel vervolging in den kring der geloovigen een nieuw vaderland te vinden en de gemeente van zijnen Heer te leiden, als hem zelfs het eenzame eiland Patmos ter woning werd gesteld, omdat hij juist in de eenzaamheid de vervulling zou vinden van de bede zijner moeder om het dichtst nabij den Heer te zijn, — dan is dit alles te za-men slechts de echo, de bevestiging van dat Ja, dat hij eens in Perea met zijnen broeder zoo blijmoedig zijnen Heer had toegeroepen.

Inderdaad leeren deze gebeurtenissen en gesprekken in Peréa ons duidelijk, dat de jongeren nog niet geleerd hadden de zoo dikwijls herhaalde doodsaankondigingen des Heeren woordelijk te verstaan, ofschoon Jezus deze juist in Perea met vollen nadruk had herhaald. (Matth. XX : 18; Mark. X : 33; Luk. XVIII: 82.)

ocr page 256

238

Deze doodsgedachten zochten zij steeds te ontwijken, steeds in beeldspraak oin te zetten (Luk. XVIII : 84), terwijl zij, zich tevens met al de kracht van hun Oostersche fantasie overgaven aan de groote verwachtingen van een Messiaansch koninkrijk, die door Johannes den Dooper reeds zoo krachtig waren opgewekt. Des te verschrikkelijker werden zij daarom verrast, toen niet langen tijd daarna, alles woordelijk vervuld werd, gelijk de Heer het had voorspeld, toen die vreeselijke gebeurtenissen te Jeruzalem elkander één voor één opvolgden en hun zoozeer alle kalmte deden verliezen, dat zij hunnen Meester alleen en verlaten Zijn laatsten gang lieten doen naar Zijne ergste vijanden. Alvorens echter dit alles geschiedde, alvorens deze verpletterende gebeurtenissen plaatsgrepen, zouden zij nog eenmaal worden opgeschrikt, nog eenmaal zich bewust worden van den vollen ernst van den toestand door een onverwachte reis, die hen. tot dicht voor de poorten van Jeruzalem bracht. (Joh. X.)

ocr page 257

1

Wij staan op de puinhoopen van het voormalige Jericho Hoe eenzaam is het heden ten dage in het eenmaal zoo Jj heerlijke dal! Aan de Westelijke grens der „groote vlak

te,quot; die zich langs de beneden-Jordaan tot aan de Doode Zee uit strekt, het diepste dal der geheele wereld, lag de stad Jericho. Eens het schouwtooneel van een bloeiend leven, is thans alle pracht en heerlijkheid van Jericho, die koningen en keizers haar benijdden, in het stof verzonken en begraven. Waar eens de laatste koningen en edelen van Jericho hunne schitterende villa\'s hadden, waar eens een opgewekt volk woonde of doortrok naar de feesten te Jeruzalem, — daar heerscht heden ten dage de stilte des doods.

Toen Jezus Jericho binnentrok was het anders. De oude schrijvers wedijveren in hunne beschrijvingen aangaande dit éénis\'.

i

11

ocr page 258

240

merkwaardig oord, zijn schoonheid roemende als het juweel van het Oosten. Herodes de G-roote had geen offers ontzien om Jericho tot een der schitterendste steden van Palestina te maken en nog nimmer had een koning zooveel gedaan voor den uit-wendigen glans van het land, zoodat zelfs de stad Jericho van den ouden tijd slechts is te kennen door haren koning, de schepper van haar heerlijkheid.

Hoe geheel anders echter is de vorst, Wiens intocht te Jericho wij heden, aan de hand van den Evangelist, zullen bij wonen. Reeds in Zijn eerste kindsheid had Herodes Hem naar het leven gestaan, omdat deze in Hem een mededinger naar den troon meende te zien. Maar hoezeer verschilde beider koningschap! Hem lokten geene rijkdommen noch paleizen noch eerekransen noch de grootheid eener aardsche dynastie. Dit alles was voor Zijne opperste Majesteit en voor Zijne heiligheid slechts een armzalig, hol vertoon. Neergedaald van den hemeltroon, was Hij gekomen om in knechtsgestalte de poorten van het goddelijk koninkrijk te openen, de verlorenen te redden en zondaren zalig te maken. Dat dit Zijn éénige bedoeling was, bewijst elke schrede, die Hij in Jericho deed. En toen Hij later, evenals Herodes, Jericho verliet, om op hetzelfde gebergte, weinige uren van Herodes\' graf, insgelijks in het graf te worden gelegd, toen was juist dit sterven voor de zonden der geheele wereld de bevestiging van Zijne koninklijke bedoeling, het grondvesten van een koninkrijk, dat ver boven die aardsche heerschappij en dynastie verheven, zonder einde zou voortduren tot in eeuwigheid.

Ten einde de beteekenis der in het Evangelie medegedeelde gebeurtenissen in Jericho goed te verstaan, moeten wij ons den uiterlijken stand van de zaak des Heeren kortelijk herinneren. Jezus was op weg naar Jeruzalem. Deze reis, reeds voor vijf maanden begonnen, liep ten einde. Wij hebben Hem vergezeld door het grensgebied van Galilea en Samaria en door het Oostelijk gebied van Perea. Nu heeft Hij het laatste station bereikt. Overmorgen zal Hij eindelijk opgaan naar Jeruzalem voor den laatsten

ocr page 259

241

beslissenden strijd. Er is een treurige achteruitgang in de bezoeken van Jezus te Jeruzalem waar te nemen. Twee jaren geleden kwam Hij voor het eerst op het Paaschfeest, om als den Koning-Messias den tempel binnen te gaan. Maar toen reeds wees Zijn volk Hem af (Joh. II : 18) en sprak Hij het uit, hoezeer niemand het toen begreep, dat Hij Zijn gewelddadigen dood voorzag. (Joh. II : 19.)

Het vorige jaar in Maart (Joh. V) was Hij gekomen als een eenvoudige feestpelgrim. Het geheime plan Zijner tegenstanders om Hem te dooden was reeds gerijpt. Later in October (Joh. VII) was Hij gekomen op het Loofhuttenfeest, welken tocht Hij nog in alle stilte kon volbrengen. Daarna in December was Hij in de stad gekomen in de dagen van het Kerstfeest; een snelle vlucht bewaarde Hem toen voor langdurige gevangenschap of den dood. Voor weinige weken was Hij nog eenmaal over de geliefde bergen rondom Jeruzalem heengetrokken naar Bethanië. Lazarus was gestorven.1) Dezen keer durfde Hij de poorten van Jeruzalem zelfs niet meer binnen te gaan. En toch had Zijn bezoek juist voor Jeruzalem de grootste beteekenis. De dood van Lazarus was niet eene vergissing der Voorzienigheid, die Jezus door de opwekking herstelde. Maar, zooals Jezus zeide, de ziekte van Lazarus was niet tot den dood maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods daardoor zou verheerlijkt worden. (Joh. VI ; 4.) Daarom verblijdde zich Jezus over den dood van Lazarus, waardoor Zijne souvereine macht, zelfs over het doodenrijk, zou blijken en al het volk tot geloof in Hem zou worden gebracht. (Joh. VI: 15—42.) Eene opwekking uit de dooden onder de muren der hoofdstad, die Hij niet meer kon bezoeken, was een geweldige prediking zonder woorden voor Jeruzalem. Verstond Jeruzalem ook deze niet — dan was haar tijd, dan was alles voorbij.

Deze daad van Jezus bleef ook niet zonder gevolg. Het bericht, dat Hij onder hunne muren een doode had opgewekt, die onder het geleide van alle dorpelingen vier dagen te voren be-

1) Zie „Kent gij het land?quot; hoofdstuk „Graf- en Lijkzangen.quot;

16

ocr page 260

242

graven was, riep in de hoofdstad eene ongekende beweging in \'t leven. (Joh. XI; 48; XII ; 17, 19.) Allen begaven zich naar het dorpje naar den zoom der woestijn om den levend opgestanen Lazarus en zijn graf te zien. Velen geloofden in Jezus. Maar welke waren de gevolgen in de toongevende kringen ? Johannes zegt (XI : 53): „Van dien dag af beraadslaagden zij te zamen. dat zij Hem dooden zouden.quot; De opwekking van Lazarus hakte de knoop door. Hetgeen de laatste, de krachtigste aanleiding tot geloof moest zijn, werd de beslissende aanleiding tot den dood des Heeren. In de volle vergadering van den Hoogen Raad verhief zich de hoogepriester en verkondigde onder goedkeuring van de vergadering, dat het noodig was, dat Hij stierf. Hij vermoedde niet, dat hij onwillens het werktuig was in Gods hand om het grootste feit, dat ooit plaats greep, te bevorderen. Ook de Evangelisc Johannes kon zich niet onthouden op de beteekenis van dit wereldhistorisch moment te wijzen, toen hij in aanknooping aan de woorden van den hoogepriester schreef; „Jezus moest sterven voor het volk; en niet slechts voor het volk alleen, maar opdat Hij alle kinderen Gods, die verstrooid waren, zou vereenigen.quot;

Elk verhoor, dat men Jezus nog zou doen ondergaan, zou slechts schijnvertoon zijn. Zijn dood was besloten. Maar „Zijne ure was nog niet gekomen.quot; Jezus had zich teruggetrokken naar de stad Efraïm in Judea.

De maand April van des Heeren sterfjaar was aangebroken. Het Paaschfeest was aanstaande en overal in den lande maakte men zich gereed om op te gaan naar het feest te Jeruzalem. Welk paaschfeest het zijn zoude, werd door niemand vermoed, hoewel Jezus het Middelpunt der gedachten was. Velen deden een bedevaart naar Bethanië als naar een heiligdom. Zelfs Lazarus was zijn leven niet zeker. De overpriesters in hunne blinde woede hadden hem wel willen dooden om aan de opwinding-een einde te maken. (Joh. XII : 10.) En wie maar in den tempel kwam, vroeg, alsof dit de hoofdzaak voor dit feest ware: of Jezus wel komen zou tot het feest. (Joh. XI : 56.)

ocr page 261

243

Jericho, alwaar van alle kanten de feestkaravanen, die naar Jeruzalem trokken, te zamen kwamen, was hoofdbrandpunt van de algemeene belangstelling in Jezus. Nieuwsgierigheid, begeerte, hoop en verwachting vervulden veler hart. De spanning was grooter dan ooit. Men wist, dat de vijandschap der heerschende kringen op het feest was overgegaan in doodelijken haat, tot het uiterste geprikkeld door de opwekking van Lazarus. Men wilde niet meer met Hem redetwisten, men wilde Hem slechts dooden. De Hooge Raad had op strafte van den ban bevolen, dat een ieder, die de verblijfplaats van Jezus kende, daarvan kennis moest geven. Daardoor was Jezus vogelvrij verklaard. Een ieder wist dit. De vraag, of Jezus tot het feest zou komen, was dus wel gewettigd!

Op zekeren avond, kort voor Paschen, verspreidt zich onverwachts het gerucht door de straten van Jericho: Jezus van Nazareth komt! Groot was het gejuich en de opgewondenheid. Het geleek een voorspel van den intocht te Jeruzalem. Met dezelfde algemeene vreugde, met dezelfde uitroepen werd Hij ingehaald. Dit wordt ons duidelijk uit het voorval met de beide blinden, die aan den weg zaten; duidelijker nog uit de geschiedenis van Za-cheüs. Nauwelijks was Jezus de eerste straten doorgekomen, toen reeds een groot gevolg zich bij Hem had aangesloten. Dat Jezus inderdaad de verwachte Messias-Koning was, — dit spraken de blinden met hun „Gij Zone Davidsquot; uit, vertolkende hetgeen de anderen dachten. Het volk bewoog zich tusschen het geboomte. Een man van aanzien, klein van gestalte, door zijne betrekking bij de inwoners van Jericho gezien, deed ver-geefsche pogingen om Jezus te zien. Het was een tolbeambte van hoogen rang. Hij kon over de hoofden der menigte niet heenzien: toch moest hij heden Jezus aanschouwen, tot Wien hij zich onwederstaanbaar aangetrokken gevoelde. Hij was niet een tollenaar van den gewonen stempel. Waren dezen berucht door hunne omkoopbaarheid of knevelarijen, hij bleef daarvan rein. Toen hij Jezus niet zien kon over de hoofden heen, liep hij vooruit naar

ocr page 262

244

een plaats, waar Jezus voorbij moest, beklom aldaar een boom en wachtte.

De stoet naderde meer en meer. De menigte verwelkomde den gevierden Gast met gejuich. Jezus ging zwijgend door het volk heen. Dat gejubel der nieuwsgierigen behaagde Hem niet; zij wisten niet wat zij deden, zij werden niet tot deze begroeting gedreven door het geloof in Hem. Acht dagen later zou menigeen van hen, andermaal opgewonden, achter Hem aanloopen, maar dan naar Golgotha. Plotseling slaat Jezus de oogen op en houdt die gevestigd op den boom, waarop Zacheüs zit. Deze ziet die oogen, vol goddelijke reinheid, medelijden en goedheid, in zijne eigene oogen blikken en lezen. Nu hoort hij zich bij name roepen, maar hij vertrouwt zijn ooren niet, want de Heer noemt hem bij zijn naam, alsof hij een oud bekende was: „Zacheüs, kom af! want Ik moet heden in uw huis zijn.quot; Het was avond toen de Heer aan het einde Zijner dagreize te Jericho kwam. Nog wist Hij niet, waar Hij zou vernachten. Nu wist Hij het. Daar zat de voorname, de rijke Zacheüs, begeerig om Hem te leeren ken-ken; zijn hart had gesproken: „Ik moet heden Jezus zien!quot; en uit hart en mond van Jezus weerklinkt het als een echo: „Ik moet heden in uw huis zijn!quot; Het woord in den oorspron-kelijken Griekschen tekst, dat door „moetquot; vertaald is, betee-kent letterlijk: het is mijn plicht. En op dit dubbel moet valt ook de nadruk van onzen tekst. Zacheüs voelde, dat het oog des Heeren tot in het diepst van zijne ziel las. „En hij kwam haastig af en ontving Hem met blijdschap.quot; Aan de zijde van den rijken, maar door de vrome Farizeën om zijne betrekking verachten Zacheüs, betrad Jezus, als een oud Huisvriend, diens woning. Hier evenwel scheidden zich de wegen van Jezus er-der goed-joodschgezinde menigte. Allen ergerden zich, dat Hij bij een tollenaar inging. Daarvoor achtten zij zichzelve te goed en te vroom en zij lieten Jezus alléén gaan. De hoogstge-lukkige Zacheüs echter bracht Jezus met blijdschap in zijn huis. Naar het in het Oosten heerschend gebruik, om bij het

ocr page 263

245

ontvangen van een gast zijn huis open te stellen voor een ieder, die dezen wilde komen begroeten, kwamen vele der collega\'s, vrienden en ondergeschikten van Zacheüs, die zich nederzetten bij den gevierden Gast. Voorzeker waren het allen tolbeambten, zoo gehaat door de strenge Joden. Maar Zacheüs bad een onbegrensd vertrouwen in Jezus en opende voor Hem zijn gan-sche hart. Ook deelde hij Hem mede, dat hij vierdubbel wedergaf, indien hij iets onrechtmatig mocht hebben verkregen, ja, dat hij de helft van zijne goederen aan de armen gegeven had. Wat verder gesproken werd, wordt niet medegedeeld, maar het resultaat is duidelijk. Hij werd een discipel van Jezus; hij en de zijnen namen het heil in Christus aan.

Allen waren dien avond blij te moede in het huis van Zacheüs; hijzelf wel het meest. Ook Jezus was vervuld met heilige blijdschap. Hij had het eerste Christenhuis te Jericho ingewijd! Gelijk een bouwmeester een groenen tak aanbrengt op een voltooid huis en daarbij een zinrijke spreuk uitspreekt, aldus sprak Jezus, de voormalige Bouwmeester, over dit eerste Christenhuis in de oude palmenstad deze woorden uit: „Heden is dezen huize zaligheid geschied!quot;

Den volgenden morgen nam Jezus afscheid en ging met Zijne jongeren door de woestijn naar Jeruzalem. Nu zou in vervulling komen, hetgeen Hij hun een half jaar geleden op den blinkenden Hermon gezegd had: ginds achter het gebergte zou Hij gewelddadig worden ter dood gebracht.

ocr page 264

Jezus had het programma van Zijn openbaar leven en werken voleindigd. Na de afwijzing van Zijn eerste Koninklijke aanspraken bij de tempelreiniging, nu twee jaar geleden, was Hij het geheele land doorgetrokken. Het geheele volk had Hij bezocht, een ieder in zijne eigene stad en dorp. De drie provinciën, Judea, G-alilea, Perea had Hij achtereenvolgens doorkruist. Geen

Het plaatje stelt voor den Olijfberg in den tegenwoordige)! tijd. Dwars over den Olijfberg loopt de teeg van den intocht van Jezus, die boven het dorp Siloah, op den middengrond zichtbaar, langzaam afvoert naar het Kidrondal om dan opteloopen naar Jeruzalem. Achter de rechterhoogte lag Bethanië, in de verte het Moabieten-gebergte.

ocr page 265

247

enkele vriend der waarheid kon dus meer in twijfel zijn aangaande Zijn ware persoonlijkheid. Een ieder was in de gelegenheid gesteld, een eigen oordeel te verkrijgen over de vraag, of de aankondiging van Johannes den Dooper, of de eerste Koningsproclamatie al of niet gewettigd was.

Aldus waren de toestanden riip voor de eindbeslissing. G-edu-rende twee jaren had Jezus op machtige wijze voor deze beslissing gearbeid. Hetgeen Hij tot nu toe, laatstelijk nog in October en in December, toen men hem steenigen wilde zoo zorgvuldig had vermeden: eene voorbarige beslissing door het volk, daarvoor behoefde Hij thans niet meer te vreezen. Integendeel, de beslissing wilde Hij thans niet meer vermijden, maar deze veelmeer uitlokken. Thans moest in Israel de teerling worden geworpen over leven en dood van den Messias, over leven en dood van het volk. Daarom was thans het oogenblik gekomen om nogmaals een stap te doen met meer openbaarheid, een stap, dien Hij voor twee jaren reeds had gedaan, namelijk zich in de oude Koningsstad als Koning te proclameeren, maar ditmaal duidelijker, meer openlijk.

Ook van den kant Zijner vijanden drong alles op beslissing aan. De spanning was sedert den laatsten herfst en winter op de spits gedreven. De beide laatste feestbezoeken in October en December hadden krachtig medegewerkt om ten slotte tegenover Jezus positie te nemen. Hetgeen Jezus teen van zich had getuigd, kon inderdaad slechts een goddelijk wezen van zich zeiven zeggen. Wie Hem als zoodanig niet wilde erkennen, moest on-voorwaardelijk scherp tegenover Hem staan. Het vreeselijke drama, dat in de weinige dagen der Goede-vrijdagweek is afgespeeld, hangt niet af van deze of gene toevalligheid, gelijk b.v. het verraad van Judas, de stormachtige zittingen van den Joodschen Raad, de gunstige gelegenheid, — neen, \'tis het onvermijdelijk einde der trapsgewijze ontwikkeling, lang vooruit gezien door Jezus\' diepziende blikken. De omstandigheden op zichzelve geven slechts den uitwendigen loop aan van deze onvermijdelijke

ocr page 266

248

ontwikkeling. Zij zijn als de laatste droppel, die den reeds ge-vulden beker doet overloopen.

Laat ons nog eens een vluchtigen blik werpen op den onmid-dellijk voorafgaanden tijd. In December moest Jezus zich door de vlucht aan Zijne vijanden onttrekken. Sinds was Hij niet meer in de hoofdstad geweest. Slechts eenmaal, omstreeks Maart, was Hij van Perea overgekomen tot dicht aan de poorten van Jeruzalem om in Bethanië Lazarus uit den dood op te wekken. Vermocht Hij niet meer binnen de stad te prediken, zoo deed Hij nog een laatste beroep op hare inwoners onmiddellyk onder hunne muren, opdat zij erkennen mochten, welk een Gast zich voor hunne poorten bevond. Het gevolg, ook van deze laatste aanmaning, die de verblinde stad nog op den weg des vredes had kunnen leiden, was zonder twijfel door Jezus voorzien. Hij begreep wel, dat deze ondubbelzinnige getuigenis van Zijne goddelijke zending slechts den laatsten en onstuimigsten uitval van hun haat zou bewerkstelligen. Dit was geschied. De hoogepries-terlijke partij, die reeds in December zichzeive bijna niet meer meester was, beschouwde dit wonder als den handschoen, hun ten strijde toegeworpen. Zij was besloten dien op te rapen. Een wonder van Jezus maakte op hen geen indruk meer. Zij onderzochten niet meer. Zij hadden reeds sinds lang uitgemaakt, dat deze zoogenaamde wonderen niets anders waren dan bedrog of tooverij. Dat deze gehate Jezus in eenigerlei innige betrekking tot Israels God kon staan, deze gedachte hadden zij onbestaanbaar verklaard.

Van hun standpunt beschouwd, hadden zij ook wel reden om over de opwekking van Lazarus uitermate vertoornd te zijn. Dit feit toch maakte op de geheele stad Jeruzalem een verbazenden indruk! Tegenover een daad, zoo ongehoord, zoo goddelijk, was twijfelen niet meer mogelijk. Velen, die tot nu toe weifelend en wantrouwend terzijde hadden gestaan, gaven alle tegenspraak op, en veler hart werd in die dagen diep bewogen door de vraag, als echo dezer laatste prediking zonder woorden, of Jezus toch

ocr page 267

249

niet was de verwachte Koning en Verlosser van Israel, ja, zelfs, gelijk Hij in December het hun ernstig had verzekerd, „Gods Zoon?quot; (Joh. X: 86.)

Maar juist daarom gaf, naar Johannes ons bericht, de opwekking van Lazarus den laatsten stoot tot de eenige weken later volgende terdoodbrenging op den Goeden Vrijdag. Hoe luider en hoe meer en algemeen de stem des volks zich voor Jezus verklaarde, des te meer verwenschten zij deze opwekking. Hierdoor toch ging het voordeel, op de beide laatste feesten behaald, gansche-lijk verloren. Toenmaals hadden zij het weifelende volk op hunne hand kunnen brengen. In October was Jezus bijna gesteenigd geworden, in December had Hij de vlucht genomen. Nu wederom klopte Hij geheel onverwacht aan de poorten van Jeruzalem aan. De volksstemming was geheel veranderd, steeds meerdere stemmen verklaarden zich voor Hem. Men had berouw Hem zoo lang te hebben miskend en hieruit volgde zoo gemakkelijk ingenomenheid en opgewondenheid.

Bij dit alles was ongelukkigerwijze het Paaschfeest zeer nabij. Had men Jezus reeds bij vroegere feesten met groote verwachting tegemoet gezien, thans hadden deze verwachtingen hun toppunt bereikt. Men kon zich nauwelijks voorstellen den Man te zullen zien, die in een naburig dorp een doode uit het graf had opgeroepen, Wiens bevel gehoord en opgevolgd werd zelfs in het geheimzinnig doodenrijk. De opwekking uit den dood had gewerkt als een stoot uit een bazuin en juist voor het feest de oogen van gansch Israel wederom op Hem gevestigd. Men behoefde dan ook geen Profeet te zijn om te voorspellen, dat op dit Paaschfeest alles zich rondom Jezus zou bewegen, dat de opwinding zich ook zou mededeeien aan de feestgangers, te zamen gestroomd uit de gansche wereld, dat de macht en de invloed van den Galileër op den dag, waarop Hij weder verschijnen zou onder de duizenden in den tempel, zoo groot zouden zijn, dat Hi] met het volk zou kunnen doen wat Hij wilde. Maar dan was het gedaan met de macht en den invloed der overpriesters,

ocr page 268

250

die zich tot nu steeds tegenover Hem hadden gesteld. Ea mocht Hij zich venneten den koningstitel aan te nemen, dan zou aan hun eigen volksregeering alle staatkundige zelfstandigheid ontnomen zijn. Het was dus meer dan tijd om te handelen, geen dag mocht meer verloren gaan. Op zekeren dag spoedden zich daarom de dienaren van den Hoogen Raad door de stad om de leden op te roepen tot een dringende samenkomst. De vaders van het volk vergaderden in de raadzaal aan den tempelhof. (Joh. ■\\i W: 47.) De zitting nam een aanvang. Daarover was men het volkomen ééns, dat, als lïien nu niet doortastende maatregelen tegen den Volksverleider nam, binnen weinige weken alles verloren zoude zijn. Men mocht niet langer talmen, het Paaschfeest stond voor de deur. Maar hoe éénstemmig men ook was aangaande dit beginsel, voor de vraag: „wat zullen wij doen?quot; stonden allen als radeloos. Eindelijk nam Kajafas het woord, die spijtig deze angstvalligheid en radeloosheid had aangezien.

„Gij verstaat niets, gij overlegt niet,quot; aldus viel hij uit. „Wat hebt gij te beraadslagen en te overwegen? Reeds te lang hebt gij getalmd en de handen in den schoot gelegd. Ziet gij niet, dat door dezen Mensch het geheele volk met ondergang wordt bedreigd. Er is slechts een middel om dit gevaar af te wenden: Hij moet sterven! het is beter dat één mensch sterft, dan dat de geheele natie verloren gaat!quot;

Deze woorden, die meer profetisch waren dan Kajafas vermoedde, vonden algemeene instemming. Niemand, ook zij niet, die gelijk Nicodemus en Jozef van Arimathea het er niet mede eens waren, durfden tegenspreken. Wellicht vonden zij het verstandiger te zwijgen. Hun tegenspraak zou hen van het voornemen om Jezus te dooden toch niet hebben teruggehouden en ook zwijgend konden zij den geëerden man nuttig zijn, door Hem kennis te geven van het genomen besluit.

Van dien dag af was de dood van Jezus een uitgemaakte zaak (Joh. XI : 53). Het was niet de eerste zitting, die over deze zaak gehouden werd. In October hebben wij er ook eene bijge-

ocr page 269

251

woond, toen Jezus onder hunne vensters was leerende en zich het licht der wereld noemde. Van nu aan werden de zittingen meer menigvuldig; over het doel was men het eens, ten opzichte der uitvoering was nog veel te overleggen. Men moest rekening houden met den machtigen aanhang van Jezus, om niet door een verkeerde stap. Zijne zaak te bevorderen en hun eigen nadeel te bewerken.

Eene mislukte poging om Jezus te dooden zou erger zijn dan er geene te doen. Om die reden gebood de voorzichtigheid zich van eiken geweldöadigen aanval te onthouden voor het Paasch-feest. Onder het oog der van alle kanten toegestroomde aanhangers, kon onmogelijk iets worden ondernomen. Toch moest, zoo mogelijk, het verschijnen van Jezus op het Paaschfeest worden voorkomen. Hiertoe bedachten zij een middel, dat goed overlegd was, daar het tot tweeledig doel moest leiden. Het zou Zijne verschijning op het feest en dus ook de vermeerdering van Zijn invloed verhinderen en het onthief hen van de noodzakelijkheid om voor Paschen op te treden. Zij gaven namelijk een gebod (Joh. XT : 57), waaraan algemeene bekendheid werd gegeven, dat Jezus ambtshalve strafrechterlijk vervolgd werd, zoodat ieder, die wist, waar Hij was, hun dit moest zeggen op straffe van den ban.

Dit scherpe gebod, uitgaande van de hoogste autoriteit in Israel, moest Jezus in de oogen der twijfelmoedigen verdacht maken en Zijn aanhangers vrees aanjagen. Bovendien hoopten zij, dat Jezus, die op het laatste feest de vlucht genomen had en die voor eenige weken wel naar Bethanië, maar niet in de stad zelve had durven komen, gedurende het Paaschfeest wel afwezig zou blijven. Dat Hij den moed zou hebben, zich in den leeuwenkuil te wagen, dit geloofde geen hunner. Als Hij maar tot het Paaschfeest, waarop hondderdduizenden zich in Jeruzalem verzamelden, wegbleef! Later zouden zij met Hem wel klaar komen. Gedurende den stillen zomertijd zou zich gemakkelijk eene gelegenheid voordoen om Hem zonder rumoer uit

ocr page 270

252

den weg te ruimen en alzoo die geheele zoo gehate volksbeweging te onderdrukken, die voor 2 Va jaar met Johannes den Deeper was begonnen, wien men ook wel het zwijgen had opgelegd — ondanks zijn groot aanzien onder het volk.

Wij kunnen ons voorstellen, hoe de dienaren van den Hoogen Raad het bevel verspreidden door de stad en onder allen, die op den tempelhof waren, waar Jezus, nog kort geleden zich „het Licht der wereldquot; had genoemd. Het scheen, dat Jezus vernietigd was. Hoe zou Hij het ook hebben durven wagen nogmaals in den voorhof te komen ? Ook tegenover het volk scheen de maatregel doeltreffend te werken. Niemand sprak één woord in Zijn voordeel. Van de jongeren zag of hoorde men niets en Hijzelf was sinds de opwekking van Lazarus spoorloos verdwenen. Hij had zich dus lafhartig teruggetrokken en zelfs in de verte durfde Hij niet meer te prediken of wonderen te doen, want van Zijne werken hoorde men niets meer, terwijl er vroeger steeds zulke opgewekte mededeelingen van inkwamen. Eeeds wreven de wijze vaderen des volks tevreden hunne handen over hun meesterlijk besluit. Alles ging naar wensch, alles zou wel gelukken.

Waar was Jezus echter gebleven? Van Bethanië had Hij zich in alle stilte teruggetrokken te Efraïm, een dorp, gelegen bij Bethel volgens het Oude Testament, Noordelijk van Jeruzalem volgens Hieronymus en Eusebius. Deze getuigenissen wijzen ons op de plaats van het tegenwoordige Tavjibe 4 of 5 uur van Jeruzalem verwijderd. Hier vertoefde Jezus nog eenige weken, alvorens Hij opging tot den laatsten tocht. Hier bereidde Hi1 Zijne jongeren in de stilte voor op de aanstaande stormachtige dagen te Jeruzalem. De jongeren waren wel bevreesd, want zij wisten hoe de zaken te Jeruzalem stonden, maar zij wilden Jezus op deze donkere wegen, die zij niet begrepen, toch niet verlaten; liever wilden zij met Hem sterven. (Joh. XI: 14—16.) Een hunner gevoelde zich echter meer en meer teleurgesteld — Judas Is-kariot. Twee jaren van zijn leven had hij er aan gegeven om

ocr page 271

253

bij Jezus, die zoo grootmachtig door Johannes den Dooper was aangekondigd, zijn geluk te beproeven, — en zou hij nu mee schipbreuk gaan lijden! Alles had hij er aan opgeofferd en door dat ongelukkig jongerschap was hem voor de hoogste kringen des volks alreeds alle hoop benomen. En als hij dacht aan het bevel van den Hoogen Raad, dat te Efraim ook was bekendgemaakt, dan kwamen donkere overwegingen in hem op. Zwarte wolken van moedeloosheid en woede werden op zijn gelaat zichtbaar. Jezus merkte ze op.

Intusschen had men te Jeruzalem niet stilgezeten. Het bevel tot gevangenneming was in de stad en omliggende plaatsen op hoog bevel afgekondigd geworden. De gevangenneming werkelijk uit te voeren en daardoor juist op het Paaschfeest een gevaarlijken storm onder de aanhangers van Jezus uit te lokken, dit wilde men niet. Het bevel had de gewenschte uitwerking gehad, Jezus was gevlucht en hield zich verborgen. Ongetwijfeld zou Hij zich wachten om onder zulke gevaarvolle omstandigheden op het feest te komen.

Toch hadden de wijze mannen zich in elk opzicht bedrogen. Reeds dit was eene ijdele inbeelding, dat zij meenden eene zoo grootsche verschijning, als Jezus was, door een afkondiging uit de harten des volks te kunnen verdrijven. Zij verkregen slechts deze uitkomst, dat zij meer dan ooit de aandacht op Jezus vestigden. Hoe moeilijker hun toestand werd, hoe meer de verwachtingen gespannen werden. Inderdaad was den vrienden van Jezus door de openlijke vijandige maatregelen vrees aangejaagd. De stad gevoelde zich als in den ban gedaan. Zij waagden het niet, hunne meening vrijuit te zeggen. Zelfs de nieuwsgierigen, die naar Bethanië gingen om Lazarus te zien, deden dit in het geheim. (Joh. XII: 9—11.) Maar des te meer verkeerde men in spanning, hoe Jezus zelf zich zou gedragen. De vraag of Hij komen zoude, werd dagelijks herhaald onder alle feestgangers, op de straten, in den tempelhof en onder de zuilengangen. (Joh. XI : 56.) Allen wachtten op de aankomst van Jezus. Die dagen des wachtens

ocr page 272

254

waren het beeld van den vollen duur van den Israelietischen godsdienst. De geheele geschiedenis van Israel was sinds anderhalf duizend jaar een wachten, een wachten op den beloofden Heiland. Nu wachtten zij voor het laatst. En nu Hij kwam, erkenden zij Hem niet. Hem, naar Wien de vaderen sedert eeuwen hadden uitgezien. Dat is het treurige in de geschiedenis van Israel.

Voorwaar, nog scheen alles zich ten goede te kunnen schikken. Nog scheen het volk geneigd den verwachten Verlosser met blijdschap aan te nemen. Juist door de bemoeiingen Zijner tegenstanders was Jezus, nog eer Hij aankwam, het voorwerp der algemeene belangstelling geworden. Het scheen, alsof Hij alléén het Middelpunt zijn zoude van het geheele Paaschfeest. Niemand vermoedde, hoe in den diepsten zin dit inderdaad zou blijken waarheid te zijn! Op dit feest zou de wereld gekomen zijn aan het keerpunt harer geschiedenis.

DE INTOCHT OP MAANDAG.

Onverwachts dringt op zekeren avond het gerucht in de stad door, dat Jezus met vele volgelingen Jericho heeft verlaten, te Bethanië bij den opgewekte Zijn intrek heeft genomen en morgen, trots alle vijandschap, de stad zal binnentrekken. De talrijke aangekomenen uit Jericho bevestigen dit gerucht. Dit was als een bliksemstraal uit een helderen hemel. De tegenpartij zag ai hare berekeningen omvergeworpen — de vrienden daarentegen werden vervuld met nieuwe geestkracht. De onverschrokken moed, de manlijke houding van hun grooten Meester wekte in hen de schitterendste verwachtingen. Nu moest Hij toch eindelijk den verwachten stap doen, want dit was iedereen duidelijk, dat na alles, wat gedurende de laatste weken te Jeruzalem was voorgevallen, nu de eindbeslissing moest komen. Het was Zondag („zes dagen voor Paschenquot; — op Sabbat kon Jezus naar

ocr page 273

255

de wet de reis van Jericho naar Bethanie niet doen) toei: Jezus te Bethanie aankwam. Den volgenden dag, des Maandags (dus niet op eenen „Pahn-Zondagquot; werd Hij in de stad verwacht. De opperpriester en de raadsheeren hadden door hun bevel tot gevangenneming er toe bijgedragen, dat de intocht thans luisterrijk zou zijn. Elke nieuwe afkondiging van het bevel had de verwachtingen, de nieuwsgierigheid sterker gespannen. Was het dan wonder, dat den volgenden dag groote scharen naar buiten stroomden naar den weg, waarlangs Jezus van den Olijfberg door het Ki-drondal komen moest? De bewoners der stad, gewoon zich steeds te regelen naar den wind, die in de hooge kringen waait, zullen wel zijn achtergebleven, maar die van het land, waar Jezus algemeen bekend was, - vooral Zijne vrienden uit Perea, Galilea en Judea — en de vele nieuwsgierigen, allen stroomden naar buiten en zetten zich langs den weg neder. Zij moesten lang wachten. Zooals de Evangelist Markus mededeelt, kwam Jezus eerst des namiddags in de stad.

Plotseling klinkt het langs den weg: „Hij komt! Hij komt!quot; En inderdaad op den Olijfberg zag men de welbekende gestalte te midden der juichende schaar Zijner jongeren aankomen niet te voet maar rijdende en daardoor boven alle anderen uit de verte zichtbaar. Toen begon het volk te wedijveren om den Aankomende door een reeks van geestdriftvolle ovatiën hulde te brengen. Sommigen hadden reeds de kleederen op den zadel gelegd, nu ontdeden zij zich van hunne mantels en hoofddoeken en spreidden die uit als voor een koning op den grond der koningsstraat, opdat de hoeven van Zijn rijdier 1) het stof der aarde niet zouden aanroeren. Het was een van die heldere schitterende voorjaarsdagen, waaraan wij in het heilige land gewoon zijn in het begin van April. Het volk brak takken van de boomen, strooi-

11 Over het gebruik van den ezel door hoogïeplaatste ]iersiineii zie: „Kent gij het landVquot; hoofdstuk: De intocht te Jeruzalem.quot;

ocr page 274

254

waren het beeld van den vollen duur van den Israelietischen godsdienst. De geheele geschiedenis van Israel was sinds anderhalf duizend jaar een wachten, een wachten op den beloofden Heiland. Nu wachtten zi] voor het laatst. En nu Hij kwam, erkenden zij Hem niet. Hem, naar Wien de vaderen sedert eeuwen hadden uitgezien. Dat is het treurige in de geschiedenis van Israel.

Voorwaar, nog scheen alles zich ten goede te kunnen schikken. Nog scheen het volk geneigd den verwachten Verlosser met blijdschap aan te nemen. Juist door de bemoeiingen Zijner tegenstanders was Jezus, nog eer Hij aankwam, het voorwerp der algemeene belangstelling geworden. Het scheen, alsof Hij alléén het Middelpunt zijn zoude van het geheele Paaschfeest. Niemand vermoedde, hoe in den diepsten zin dit inderdaad zou blijken waarheid te zijn! Op dit feest zou de wereld gekomen zijn aan het keerpunt harer geschiedenis.

DE INTOCHT OP MAANDAG.

Onverwachts dringt op zekeren avond het gerucht in de stad door, dat Jezus met vele volgelingen Jericho heeft verlaten, te Bethanië bij den opgewekte Zijn intrek heeft genomen en morgen, trots alle vijandschap, de stad zal binnentrekken. De talrijke aangekomenen uit Jericho bevestigen dit gerucht. Dit was als een bliksemstraal uit een helderen hemel. De tegenpartij zag al hare berekeningen omvergeworpen — de vrienden daarentegen werden vervuld met nieuwe geestkracht. De onverschrokken moed, de manlijke houding van hun groeten Meester wekte in hen de schitterendste verwachtingen. Nu moest Hij toch eindelijk den verwachten stap doen, want dit was iedereen duidelijk, dat na alles, wat gedurende de laatste weken te Jeruzalem was voorgevallen, nu de eindbeslissing moest komen. Het was Zondag („zes dagen voor Paschenquot; — op Sabbat kon Jezus naar

ocr page 275

de wet de reis van Jericho naar Bethanie niet doen) toer; Jezus te Bethanie aankwam. Den volgenden dag. des Maandags (dus niet op eenen „Palm-Zondagquot; werd Hij in de stad verwacht. De opperpriester en de raadsheeren hadden door hun bevel tot gevangenneming er toe bijgedragen, dat de intocht thans luisterrijk zou zijn. Elke nieuwe afkondiging van het bevel had de verwachtingen, de nieuwsgierigheid sterker gespannen. Was het dan wonder, dat den volgenden dag groote scharen naar buiten stroomden naar den weg, waarlangs Jezus van den Olijfberg door het Ki-drondal komen moest? De bewoners der stad, gewoon zich steeds te regelen naar den wind, die in de hooge kringen waait, zullen wel zijn achtergebleven, maar die van liet land, waar Jezus algemeen bekend was, — vooral Zijne vrienden uit Perea, Galilea en Judea - en de vele nieuwsgierigen, allen stroomden naar buiten en zetten zich langs den weg neder. Zij moesten lang wachten. Zooals de Evangelist Markus mededeelt, kwam Jezus eerst des namiddags in de stad.

Plotseling klinkt het langs den weg: „Hij komt! Hij komt!quot; En inderdaad op den Olijfberg zag men de welbekende gestalte te midden der juichende schaar Zijner jongeren aankomen niet te voet maar rijdende en daardoor boven alle anderen uit de verte zichtbaar. Toen begon het volk te wedijveren om den Aankomende door een reeks van geestdriftvolle ovatiën hulde te brengen. Sommigen hadden reeds de kleederen op den zadel gelegd, nu ontdeden zij zich van hunne mantels en hoofddoeken en spreidden die uit als voor een koning op den grond der koningsstraat, opdat de hoeven van Zijn rijdier 1) het stof der aarde niet zouden aanroeren. Het was een van die heldere schitterende voorjaarsdagen, waaraan wij in het heilige land gewoon zijn in het begin van April. Het volk brak takken van de boomen, strooi-

1) Over het gebruik van den ezel door hooggeplaatste personen zie: „Kent gij het landVquot; hoofdstuk: ,.De intocht te Jeruzalem.quot;

ocr page 276

256

de die op den weg of wuifde er mede als met vlaggen en hief een jubelzang aan, die wellicht door een enkele aangegeven, spoedig door anderen werd overgenomen, totdat de geheele menigte juichend mede instemde en het koorgezang duizendstemmig van den Olijfberg weerklonk. Het volkslied, dat toen gezongen werd, ontleend aan het feestgezang van het Loofhuttenfeest en dat sinds in de Christelijke Kerk over bijna de geheele wereld als liturgie behouden is, luidde aldus: „Gezegend zij het koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!quot; (Markus XI : 10.)

Spoedig verdeelden zich de troepen in koren en zongen deze op de maat hunner schreden het vroolijke lied, dat door handgeklap en het zwaaien der takken werd begeleid. Hoe meer in den laatsten tijd de volksstem was onderdrukt geworden, des te sterker sprak zij zich nu uit. „De Koning! De Koning!quot; (Joh. XI: 13) klinkt het voortdurend door de rijen. Nimmer nog was een koning zoo glorierijk verschenen voor de koningsstad, nimmer nog werd de vorstelijke veldheer na behaalde overwinningen met grooter blijdschap ingehaald! Weliswaar bedekte geen harnas Zijne borst, kletterde geen zwaard aan Zijne zijde en in plaats van wapen-geflikker zag men slechts een bosch van palmtakken, maar de geestdrift was groot, zij sleepte ook de bloot nieuwsgierigen mede en velen kwam het voor, alsof men nu rechtstreeks toeging op den troon van Koning David. En altijd meer opgewekt klonk het den heiligen tempel tegen: „Gezegend zij het koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den naam des Heeren!quot;

Welk een heerlijke dag zou voor Jeruzalem en Israel zijn aangebroken, indien eindelijk ook de hoofden en de leiders des Israelietischen volks zich hadden gebogen voor den binnen-trekkenden Koning. Maar helaas! als snijdende tegenstelling met deze schitterende uiting Zijner aanhangers (Luk. XIX : 37) stonden de Farizeën met ijzig koude en sombere blikken langs den weg en de eerste groet, waarmede zij Jezus ontvingen, was

ocr page 277

257

een hatelijke beschuldiging der menigte. „Hoort Gij niet,quot; aldus riepen zij Hem toe, „wat het domme volk uitroept? Gij wilt U toch niet als Koning doen uitroepen? Verbied hen toch!quot;

„Indien dezen zwegen,quot; antwoorde Jezus kortaf, „dan zouden de steenen roepen!quot;

En nu overmeestert Hem het gevoel, dat alles is verloren voor de ongelukkige stad. Een welwillend volk bracht Hem hulde — maar de stad en haar oversten volhardden in een onheilspellend stilzwijgen. Hoezeer had Hij in liefde en in ernst getracht hen te bewegen; — maar het was alles tevergeefs geweest. De smart van een vol leven van onbegrepen en versmade liefde doorvlijmde in dit oogenblik Zijn hart en overmeesterde Hem. In het gezicht der feestelijk getooide stad met haren tempel, waarover Zijn profetisch oog reeds de donkere wolken van het Godsgericht zag zweven, gaf Hij uitdrukking aan Zijne smart te midden van de juichende menigte. Tranen sprongen uit Zijne oogen en rolden over het gebruinde gelaat van den „sterken Heldquot; die moedig, onbevreesd den vloekdood te gemoet trad. Weeklagend breidde Hij Zijn beide armen met onuitsprekelijk smartgevoel uit naar de verblinde stad, die haar verderf tegensnelde en weenend sprak Hij: „Och, of ook gij (niet alleen deze feestgangers) bekendet ook nog in dezen uwen dag (den laatsten), hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogen.quot;

Weinigen slechts merkten in de algemeene vreugde dit too-neel op, dat getuigde van een adel der ziel, waarvoor alle menschelijke grootheid moet verbleeken. Het gejuich hield inmiddels aan, totdat de schare kwam aan de poorten des tempels en de geheele stad in beweging medesleepte. (Matth. XXI : 10.) In hutten en paleizen hoorde men van den grootschen, koninklijken stoet. De naam van Jezus was op aller lippen.

Niemand was over dezen onverwachten ommekeer zoo verbitterd als de Joodsche machthebbenden in Jeruzalem. Als door een donderslag waren zij getroffen door den intocht, door de al-

17

ocr page 278

258

gemeene hulde des volks. Het zoo fijn gesponnen weefsel van hun overleggingen was plotseling verbroken. Ondanks al hun ambtelijke maatregelen was Jezus meer populair dan ooit. En het meest verontrustte het hen, dat zelfs de inwoners der hoofdstad tot Hem overliepen. (Joh. XII; 11.) Wie had dit nog gisteren kunnen denken, toen men het niet waagde in de stad op luiden toon één woord te Zijnen gunste te spreken! Wie van hen had Hem den moed toegekend om, ondanks de grootte van het gevaar, midden in het leger der vijanden zich te begeven en zich te laten begroeten als Israels Koningl (Joh. XII: 13.) Drie maanden geleden slechts was Hij gevlucht op de vraag: „Zljt Gij de Messias, zeg het ons vrij uit!quot; (Joh. X : 24.) — heden gaf Hij Zijn antwoord met een duidelijkheid, die niets te wenschen overliet.

Jezus was met Zijne begeleiders binnengetreden in het Hem toebehoorende rijks-paleis, den tempel. Hij was nu daar, waar men Hem gedurende de laatste weken zoo dikwijls van ketterij had beschuldigd. Geen hoogepriester waagde\'het zich heden tegenover Hem te plaatsen. Jezus ging door de voorhoven in de zuilengangen. In den voorhof der heidenen bleef Hij stilstaan en zag het marktgewoel aan, dat met het oog op het aanstaande feest hier gevestigd was. Alles herinnerde Hem aanZijn bezoek op het paaschfeest voor twee jaren. De herinnering was treurig. De handeling, toen door Hem verricht, had geen enkel spoor nagelaten, evenmin als al wat Hij overigens voor de stad had gedaan. Ook nu mocht Hij deze ontheiliging niet toelaten. Daarom besloot Hij na de openlijke uitroeping van Zijn koninklijke waardigheid op heden Zijn huis ten tweede male te zuiveren. Iedereen zou daardoor gedwongen worden, terugziende op Zyn tweejarigen arbeid, te erkennen, dat Hij ook heden nog, Dezelfde was als voor twee jaar, dat al Zijn werken niets anders was geweest dan wat Hij heden ten tweede male had verricht, namelijk tempelreiniging. Begin en einde van Zijn werk zou voor een ieder blijkbaar in elkander sluiten.

ocr page 279

259

Heden echter was Hij daartoe al te zeer aangedaan. Nog waren Zijne oogen gevuld met tranen, die het aanschouwen der stad Hem had ontperst. Daarop wierp Hij slechts een blik vol diepe smart op de kramers en kooplieden — en ging heen. De zon begon in het Westen aan den gezichtseinder te verdwijnen, toen Hij met de twaalven — ook Judas was er bij — zich voor de laatste maal naar Bethanie begaf. (Mark. XI : 11.)

DE DINSDAG DER LIJDENSWEEK.

Des Dinsdagochtends (Mark. XI: 12) vinden wij Jezus op weg van Bethanië naar Jeruzalem. Treurige gedachten vervulden Hem, toen Hij te midden Zijner jongeren langs den vijgenheg van Bethfagé ging. De tinnen des tempels en der paleizen en de trotsche muren van Jeruzalem blonken in de stralen der ochtendzon. Maar hoe glansrijker dit alles zich aan Zijn oog vertoonde, des te meer smartte het Hem, dat de stad reddeloos verloren was. Nu was het te laat. Zij waren zoo verblind, dat zij de waarheid, den eenigen weg der redding, niet meer erkennen konden. Die was nu voor hunne oogen verborgen. Dit hadden de tranen en de klachten van Jezus den jongeren gezegd, dit zeide hun ook heden de vervloeking van den vijgeboom.1) Te gelijkertijd wilde Hij hiermede het geloof Zijner jongeren versterken, over wier hoofden het onweder zich meer en meer dreigend samentrok. Daarbinnen in de stad toch loerde de dood op hun Meester en het was Zijn voornemen na den grootschen intocht van gisteren door een daad van souvereiniteit Zijne tegenstanders tot de uiterste consequentie van hun duivelschen haat te drijven. Alles was rijp voor de eindbeslissing. Jezus kon niet anders — en Zijne vijanden dachten evenzeer niet anders te kunnen handelen, dan zij deden.

1

Zie SchnolI\'T „Kent «rij hitland?\' hoofdstuk - De vervloeking van «lenVijgeboom.

ocr page 280

260

Zoo zien wij dan Jezus op dien ochtend langs den ons welbekenden weg van den Olijfberg afkomen, gelijk een veldheer midden door het vijandelijk leger gaande. Den avond te voren had Hij bij vernieuwing de ontheiliging van den tempel aanschouwd. Was Hij gisteren voor het eerst als Messias, als de verwachte Koning uit het huis van David, binnengetrokken, heden kon Hij deze waardigheid niet met der daad verloochenen door te dulden, dat dit onrecht jegens Zijn huis voortging. Hij had besloten heden de tempelreiniging te herhalen met denzelfden geweldigen ernst als voor twee jaren. Jezus betrad het terrein van den tempel. Het marktbedrijf en getier was in vollen gang. Op geen markplein in Jeruzalem ging het in die dagen voor het feest meer rumoerig en profaan toe, dan hier in het voorhof der heidenen. Volgens Jozefus werden er meer dan 250,000 paaschlammeren verhandeld. Veekoopers en geldwisselaren maakten, ook al betaalden zij den geesteüjken heeren van het Godshuis procenten, goede zaken. Toornig laat Jezus, die bij het binnenkomen door een schaar van aanhangers omringd was geworden. Zijn blik in het rond gaan, plaatst zich op een hooger liggende stoeptrede en beveelt met luidklinkende stem, dat alle handelaren het heiligdom onvoorwaardelijk moeten ontruimen. En evenmin als voor twee jaren baatte hier verzet. Zij wisten, dat hun winzucht een doorn was in het oog der menigte, dat Jezus op deze daad van zuivere piëteit jegens den tempel, de goedkeuring van eiken vromen Israeliet oogstte. Zij wisten zich omringd door al het opgewonden volk, dat Hem gisteren zoo jubelend had ingehaald en dat slechts wachtte op een wenk van den gevierden Profeet om eigen rechter te zijn en de tempelschenners op onzachte wijze te verwijderen. Ook gevoelden zij zeiven een onverklaarbare vrees voor den Man, die zoo indrukmakend voor hen stond, van Wien gedurende de laatste weken de geheele stad sprak, die voor de machtige overpriesters niet vreesde, Wiens gebiedende, hoogernstige figuur. Wiens bliksemend oog tot gehoorzaamheid dwong. Hoe het ook zij, zij ontruimden, zij het ook morrend,

r

ocr page 281

261

het tempelplein en binnen een kwartieruurs had het markt-bedrijf opgehouden, was het groote voorhof der heidenen teruggegeven aan zijn eigenlijke bestemming om ook andere volkeren uit te noodigen tot aanbidding van Jehovah. Alleen had het volk zich in des te grooter aantal rondom Jezus verzameld. Verbaasd zagen allen op tot den moedigen Hervormer, die, sinds vele weken reeds in den ban gedaan, zoo onversaagd binnen het bereik Zijner machtige, doodelijk verbitterde vijanden stond en tegenover hen vrijheid van geweten en de waardigheid en heiligheid des tempels verdedigde.

quot;Woedend en knersetandend zagen de heeren des tempels het aan. De stoutmoedigheid en aanmatiging van den nog jeugdigen G-alilëer, die nu nog meer aanhang had dan voor twee jaren, toen Hij nog een Onbekende was, bracht hen buiten zichzelve. Zij zeiden echter geen woord. Zij zwegen. Dit zwijgen was de onheilspellende stilte voor den storm. Jezus liet zich hierdoor niet van Zijn stuk brengen, maar sprak voor de talrijk toegestroomde, verbaasde menigte als gewoonlijk over Zijne leer (Mark. XI : 18, Luk. XIX : 47). De vrijmoedigheid en de onbevangenheid, waarmede Hij sprak, alsof er niets gebeurd ware, alsof niet uit elk raam der raadzaal de dood Hem aangrijnsde, alsof Hij niet wist, dat sinds weken de ban over Hem was uitgesproken, bracht het volk in verbazing. De koninklijke intocht op gisteren, de tempelreiniging op heden was de geweldige inleiding Zijner prediking en in aansluiting hieraan herhaalde Hij voor hen nog eens, hetgeen Hij op de feesten in October en December reeds nad gezegd nl. dat in Hem alléén redding en heil te vinden was; dat Hij het licht der wereld was; dat, wie dit licht niet volgde, in duisternis, dood en verderf moest sterven; dat het eeuwig wel of wee afhing van de verhouding tot Zijn persoon. Ook Hij had geen tijd te verliezen; Hij wist, dat Zijn dag ten einde spoedde. Zijn uren waren geteld. Langen tijd en steeds aangrijpender, zal Hij hebben gesproken over dit verheven onderwerp : de verklaring van Zijn verheven levenstaak. Zijn god-

ocr page 282

262

delijke zending, Zijn Messiaansche waardigheid, Zijn intocht van gisteren, Zijn tempelgericht heden. Zijn toekomstige macht als wereldrichter en wereldbeheerscher.

Zwijgend stond het volk rondom Hem, toen Hij eindigde. Hunne harten waren geweldig aangegrepen door Zijne woorden, waarin Hij eiken toon deed hooren, zoowel dien van de noodiging eener smeekende, eeuwige liefde als dien van waarschuwing en bedreiging met het toekomstig oordeel. Treffend was het te zien, hoe op ééns uit de omstanders de ellendigen, de blinden, de kranken tot Jezus naderden en Hem smeekend omringden. En ziet, de gestrenge Rechter, die kort te voren den tempel had gereinigd in vollen toorn, betoonde dezen armen nog altijd dezelfde barmhartige, deelnemende vriend te zijn. Niemand was tevergeefs tot Hem gekomen. Medelijdend groette Hij hen; en terwijl het volk zwijgend toezag, legde Hij hun de handen op en genas hen.

Dit merkwaardig besluit Zijner werkzaamheid van heden vervulde den geheelen tempelhof met den lof en den dank der gelukkigen. Het volk intusschen was getroffen door het sombere, op wraak bedachte zwijgen der aanwezige tempelheeren. Men zweeg en menigeen vreesde, dat uit deze benauwende warmte een vreeselijk onweder zou voortkomen. Maar de kinderen op den voorhof bemerkten daarvan niets. Gisteren hadden zij gezien, hoe vroolijk men Jezus had ingehaald; zooeven hadden zij de wonderen gezien, door Jezus verricht — ziet, daar staan de genezen kreupelen, lammen en blinden, dankbaar opziende naar hun redder. Zij moesten den Man liefhebben, die gisteren door het volk was toegejuicht, die heden de arme kranken zoo liefderijk genas. Terwijl dus de volwassenen schroomvallig zwegen, zongen de kinderen, echt kinderlijk, vroolijk, met heldere stem, jubelend den psalm, dien zij gisteren zoo schoon gevonden hadden. En voor het verwonderde volk, tot groot welgevallen van Jezus, weerklonk uit kindermonden over de voorhoven en langs de zuilengangen tot de tinnen van den hoogen tempel het lied: „Ge-

ocr page 283

263

zegend zij het Koninkrijk van onzen Vader David, hetwelk komi in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!quot;

Dit „dwaze kindergeschreeuwquot; vonden de overpriesters, de wet- en schriftgeleerden en de oversten der Farizeën toch wel wat te erg. Reeds bij de tempelreiniging waren zij persoonlijk toegesneld (Matth. XXI: 15). Nu echterwashun toorn tentop gerezen. Zelfs de onnoozele kinderen waagden het, hen op hun eigen terrein te bespotten. Verwoed traden de hooge heeren op Jezus toe en riepen; „Hoort Gij dan niet, wat dezen zeggen? Gij laat IJ zelfs door straatjongens als Messias en Koning begroeten!quot;

„Zeker hoor Ik het,quot; antwoordde Jezus rustig. „Ergert u dit kindergezang zoozeer? Hebt gij dan nog nimmer dit woord in de psalmen gelezen: „Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid!quot;

Hiermede keerde Hij zich van hen af en ging na volbracht dagwerk buiten de stad. (Mark. XI : 19.) Deze Dinsdag was begonnen met den donder des gerichts, hij eindigde met een liefelijk avondrood, het vroolijk lofgezang der kinderen als in het gezicht van den laatsten storm op den volgenden dag.

ocr page 284
ocr page 285

265

wereld, nog eenmaal schijnt de Levenszon in haar vollen luister over den alouden, heiligen tempel. En niemand vermoedde, hoe nabij Haar bloedroode ondergang was.

Jezus had den nacht doorgebracht in G-ethsemané. Langs denzelfden weg, waarop Hij des Maandags was binnengetrokken, ging Hij ook nu, quot;Woensdagochtend, met Zijne jongeren stadwaarts. Ondertusschen heerschte in den tempel reeds grootte drukte. In de voorhoven en onder de zuilengangen zag men reeds Joden uit alle landen bijéén. In deze dagen vond de geheele wereld zijn rendez-vous te Jeruzalem. Wel was de staatkundige beteekenis dei-stad verloren gegaan, omdat de landsregeering haren zetel had te Cesarea, maar de godsdienstige beteekenis was des te eigenaardiger. Gelijk de Roomsch-Katholieken der geheele wereld hun geestelijk middelpunt hebben te Eome, zoo hadden de Joden der geheele wereld het hunne te Jeruzalem. En gelijk de onfeilbare paus gezag heeft voor de geheele Roomsch-katholieke wereld, zoo was de hoogepriester met het sanhedrin, de hoogste geestelijke macht voor de Joden in de geheele wereld.

Wie echter op dien Woensdagochtend de opgewonden groepen in de voorhoven had kunnen beluisteren, zou spoedig hebben bemerkt, dat overal, in de ruime voorhoven des tempels een onderwerp van gansch andere strekking dan het algemeen belang werd behandeld. De merkwaardige gebeurtenissen der beide laatste dagen, waarvan Jezus van Galilea het Middelpunt was, werden besproken. Reeds het uiterlijk aanzien van den grooten voorhof der heidenen getuigde van Hem. De kramen der ver-koopers en der wisselaars, die anders hier stonden opgeslagen, waren verdwenen. Personen, zooals de jongeling te Naïn, Jaïrus en anderen, die uit eigene ervaring konden getuigen van Zijne wonderdaden, werden met verbazing aangezien. De naam van Lazarus was op aller lippen. Jezus\' onversaagdheid, ondanks de dreigende maatregelen van den Hoogen Raad bij Zijn intocht betoond, werd openlijk bewonderd. Men verwachtte elk oogen-blik Hem den tempel te zien binnentreden om voor de

ocr page 286

266

geweldig groote feestgemeente te leeraren. Het was niet onopgemerkt gebleven, dat de overpriesters en hun aanhang Hem gisteren bij de tempelreiniging met geen enkel woord hadden tegengestaan. Zelfs de vrienden van den Hoogen Eaad konden het zich niet verhelen, dat het zwijgen en wijken van gisteren een openbaar bewijs van zwakheid was tegenover den koenen, onverschrokken Profeet van (lalilea.

Alle tegenstanders van Jezus waren dan ook besloten heden den aanval te doen. Heden zouden zij met elk wapen, dat wetenschap, redeneerkunst en twistgesprek hun bekwaamste redenaars kon in de hand geven, de ongeletterde tegenpartij in de war brengen en hem voor het volk ten spot stellen — anders was hun aanzien vernietigd, ten aanschouwen der uit alle landen toegevloeide natie. Ook voor Jezus zou het dus heden een beslissende strijd zijn op de oude tempelplaats. Nog eenmaal zien wij Hem als op de beide laatste feesten alléén staan tegenover de gansche schaar Zijner vijanden. Voor het laatst stond Hij daar. Dit wist Hij. Het was er dus om te doen geen haarbreed af te wijken van hetgeen Hij op deze plaats met klimmende duidelijkheid had onderwezen, laatstelijk de onomwonden erkenning van zijn Zoonschap Gods. Het was er om te doen om voor het laatst alle getuigenissen Zijns levens saam te vatten. In deze dagen van de hoogste opgewondenheid en vijandschap Zijner tegenstanders zien wij Hem op dezen Woensdag met overweldigende helderheid het vaandel Zijner Messiaansche waardigheid en zending onbeweeglijk hoog houden, terwyl Zijne vijanden uit alle partijen op Hem aanstormen als op eene vesting, die nog eens van alle zijden wordt berend en ingesloten; dan, ten laatste zullen zij zich zien teruggeslagen, doch met den gloeienden haat nog in het hart en Jezus met den uitroep van „ach en weequot; over de onoverwinnelijkheid van hun ongeloof het strijdperk zien verlaten om dat nimmermeer te betreden. Dit is de beteekenis en de uitslag van dezen laatsten Woensdag.

Het was nog vroeg in den voormiddag, toen Jezus den tem-

ocr page 287

267

pelhof betrad. Onmiddellijk zag Hij zich omringd door de schare Zijner vrienden, die Hem luide begroetten. Het scheen, of Hij door Zijne onkreukbare heiligheid en de onverwrikbare standvastigheid van Zijn wezen, aller harten had veroverd. Lukas toch zegt (XIX : 48) „al het volk hing Hem aan en hoorde Hem.quot;

Maar ook de tegenstanders waren gereed. Gisteren hadden zij zich laten overrompelen. Heden waren zij goed uitgerust. Heden zou men het gewaar worden, dat hunne hoogeschool nog mannen bezat, die met hun kennis dezen vermetelen ongeleerden Gali-leër het hoofd durfden bieden. Zij hadden daartoe hun beste redenaars uitgekozen. Hun optreden op dezen Woensdag was stelselmatig ; de eene partij loste de andere af om Jezus door strikvragen in het nauw te brengen en Hem aan de kaak te stellen.

Jezus was reeds midden in Zijn onderwijs, toen zij aankwamen. Gelijk Lukas (XXI: 38) duidelijk zegt, was Jezus door een groot getal toehoorders omringd, die om Zijnentwil reeds zoo vroeg tot den tempel waren opgekomen. Plotseling naderen, in plechtigen optocht, de hoogste regeerende heeren uit Jeruzalem, de hoogepriesters Annas en Cajafas in eigen persoon, de medeleden van den hoogen staatsraad in grooten getale en vele weten schriftgeleerden (Matth. XXI: 23; Mark. XI ; 27 ; Luk. XX: 1). Het volk maakte eerbiedig ruimte. Daar kwamen zij, de voornaamste mannen onder hun volk, om in gesloten gelederen, met vertoon van hun ambtelijke waardigheid, van Jezus rekenschap te vragen aangaande den stap, dien Hij gisteren hier, op hun terrein, zich had veroorloofd. Heden moesten zij tegen Hem optreden, als zij niet tegenover het gansche volk zich belachelijk wilden maken. Zij zijn tot den aanval gereed.

Van dit oogenblik af is het gedaan met het rustig onderwijzen van het volk en treedt daardoor in de plaats een onafgebroken strijd. De eene aanval volgt op den anderen en met verheven kalmte verslaat Jezus de eene partij na de andere, totdat niemand meer iets te zeggen heeft en Jezus ten slotte zelf tot den aanval overgaat.

De eerste aanval was, als naar behooren, den overpriesters

ocr page 288

268

overgelaten. Zij vroegen Jezus op een toon, die den rechter tegenover den aangeklaagde voegt: „Krachtens welke volmacht hebt Gij gisteren gehandeld bij Uw meesterachtig optreden en verdrijven uit den tempel en wie gaf U die volmacht?quot; Zij verwachtten, dat Hij antwoorden zou: „Godquot; en zij waren er op gewapend Hem en het volk, dat nog steeds den grootsten eerbied had voor zijn hoogepriesters, de aanmatiging en de onwaarheid van deze bewering aan te toonen.

Maar tot hunne verbazing verscheurde Hij dit weefsel dooreen wedervraag, die zij niet durfden beantwoorden. Het was algemeen bekend, hoe nauw de arbeid van Johannes den Dooper met dien van Jezus samenhing: de eerste was slechts het begin van den laatsten. Een ieder wist met welken diepen eerbied Johannes dezen zoo bitterlijk vervolgden mensch duidelijk had aangewezen als den door God gezonden Verlosser. En sinds zijn hoofd met de martelaarskroon versierd was, vereerde het ge-heele volk hem als een heilige. Dat hij een door God gezonden profeet was, stond bij allen vast en wie dit bestreden had, zou dadelijk het geheele volk tegen zich hebben zien opstaan. Daarom zeide Jezus kalm: „Laat Mij u eerst een vraag doen, met welker beantwoording gij dan tevens uw eigene vraag zult beantwoorden. De doop van Johannes, diens heenwijzen op Mij, was die van den hemel hem opgedragen, of was die een eigenmachtige handeling? Antwoordt Mij — dan zal Ik u ook antwoorden; want met den Dooper sta en val Ik. Dezelfde, die Johannes zond, zond ook Mij!quot; De groote heeren bewaarden verlegen het stilzwijgen. Zij moesten öf reeds bij den eersten aanval het volk tegen zich opzetten öf indirect de goddelijke zending van Jezus voor het volk erkennen. Reeds berouwde het hun hunne vraag te hebben gedaan, welker scherpte zoo onverwachts tegen henzelve gekeerd was. In dezen pijnlijken toestand wisten zij niets anders te zeggen dan de kleingeestige, voor geen der omstanders ernstig gemeende verklaring af te leggen: „Wij weten het niet!quot;

ocr page 289

269

Jezus echter antwoordde, terwijl Hij met vlammend oog de huichelaars aanzag: „Dan zeg Ik het u ook niet; — want gij moet het weten!quot; En nu, als Hij den eersten aanval even meesterlijk als bondig had afgeslagen, richtte Hij zelf zich tegen hen en deed Hij Zijnerzijds ook eene vraag. Hij stelde hun voor de gelijkenis van de beide ongelijksoortige zonen. (Matth. XXI ;28 —32.) En met al den afkeer, dien Hij van hunne sluipwegen gevoelde, besloot Hij, nadat zij in hun antwoord zichzelve hadden veroordeeld met een woord, dat de heeren, die verwend waren door vleierij, wel nooit zullen hebben vergeten: „De tollenaars en de hoeren zullen u voorgaan in het koninkrijk Gods; want dezen hadden berouw en bekeerden zich op de prediking van Johannes den Dooper — en tot op den huldigen dag wilt gij nog niet erkennen, Wie hem gezonden heeft!quot;

Terwijl zij nog bleven staan zonder de woorden te kunnen vinden, waardoor zij Hem zouden kunnen bewegen heen te gaan, sprak Jezus voort en legde hun de gelijkenis voor van den wijngaardenier. In den vorm van gelijkenissen, zeer geliefd bij de Oosterlingen, kon veel worden gezegd, dat men nog niet openlijk wilde uitspreken. Hij vertelde hun op kalme wijze, als eene da-gelijksche geschiedenis, hoe de landlieden de gezanten van hun heer mishandelden, hoe zij onderling overlegden zijnen zoon te dooden, hoe zij het voornemen ten uitvoer brachten. De gelijkenis intusschen bevatte voor hen zeer treffende aanwijzingen. Wat hadden zij, die zooeven uit hun raadzaal kwamen, waar zij over Zijn dood hadden beraadslaagd, er niet bij te denken, toen Hij zoo kalm sprak over de landlieden, die te zamen overlegden, hoe zij den zoon zouden dooden! Was het niet, of Hij hunne zitting had bijgewoond? Zij gevoelden zich als knapen, die betrapt werden, toen deze onbevreesde Mensch in volkomen gemoedsrust sprak over Ziin dood als een vaststaand feit, dat Hij duidelijk te gemoet zag. En wederom deed Hij hun aan het slot eene vraag, in welker beantwoording zij hun eigen oordeel zouden uitspreken. „De heer des wijnbergs,quot; aldus antwoordden zij, „zal

ocr page 290

270

den kwaden een kwaden dood aandoen en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op zijn tijden zullen geven.quot; „Welnu,quot; antwoordde Jezus en sprak daarmede wederom een mannelijk woord, dat zij Hem nooit zouden kunnen vergeven, want het beteekende de ontbinding van hun eigen Godsstaat, de opheffing der eeuwenoude godsdienstinstellingen in Israel, den val van den tempel, de bevoorrechting der onreine heidenen en afgodendienaars, die zij in hunne schijnheiligheid zelfs niet wilden aanraken; „welnu, Ik zeg ulieden, dat het koninkrijk Gods van u zal worden weggenomen en een volk gegeven, dat zijne vruchten voortbrengt.quot; (Matth XXI: 43.)

De overpriesters en hunne begeleiders waren aan de kaak gesteld. Al Zijne woorden, ook hun eigene, waren op henzelve terruggevallen. Zij waren woedend en toch moesten zij zwijgen. Jezus had hun den mond gestopt. Onderling slechts hoorde men sommigen fluisteren: „Waarom zouden wij nog langer met Hem twisten! Laten wij Hem gevangennemen!quot; En inderdaad zouden zij niets liever gedaan hebben. Elk uur, dat Hij nog onder het volk vertoefde, scheen het gevaar te verdubbelen. Zij waren echter verstandig genoeg om het bij woorden te Jaten. (Matth. pXXI : 46.) Zijne gevangenneming kon slechts heimelijk in den nacht geschieden; zij moesten dus nog geduld hebben en trokken zich terug.

Jezus keerde zich nu weer tot het volk. Daar stonden zij, die gekomen waren uit Palestina, uit Egypte, uit Griekenland, uit Rome en luisterden naar Zijn indrukwekkende rede. Heden, den laatsten dag van Zijn prediking voor het volk, lag er een bijzondere ernst in Zijne woorden. Hetgeen Hij gisteren Zijn jongeren in de vervloeking van den vijgeboom had gezegd, hetgeen Hij den hoogen heeren in Zijn laatste woorden had aangeduid, dit alles weerklonk met toenemenden ernst door de gelijkenis, die Hij nu voor het volk uitsprak. In de gelijkenis van de koninklijke bruiloft klinkt het doffe klokgelui van het naderend gericht over Jeruzalem. Zonder twijfel stootte Jezus de halfge-

ocr page 291

271

loovigen van zich af; want toen Hij hun zeide, dat Jeruzalem verwoest en verbrand, hare inwoners gedood zouden worden, dat de lage afgodendienaars in het buitenland voortaan het rijk Gods zouden bezitten, \'t welk volgens de profeten slechts op den berg Sion zijn middelpunt kon hebben — toen zal menigeen wel tot zichzelven hebben gezegd: Als dit Israels toekomst is, ons door dezen geroemden Volksredder voorspeld, als Hij ons niets beters kan brengen, dan wenden wij ons af van zulk een Messias.

Terwijl Hij nog sprak, kwamen de oversten der Farizeën te zamen om een tweeden aanval op Hem voor te bereiden. Nu hadden zij een zoo goed bedachte vraag tot Hem te richten, dat Hij ongetwijfeld het veld zou moeten ruimen. Het was, of een vroom Israeliet schatting moest betalen of niet. Hiermede zouden zij den strijd overbrengen op staatkundig gebied. Antwoordde Hij daarop „Ja,quot; dan was het met Zijn populariteit gedaan. Het was een vreemdsoortige opvatting in Israel, die dikwijls aanleiding gaf tot revolutionaire bewegingen, dat men het betalen van schatting aan Rome als een hoon beschouwde. Mocht Hij echter antwoorden: „Neenquot;, zoo kwam Hij in botsing met de landsre-geering en zouden zij gedurende het feest van Hem bevrijd zijn, zonder tegenover het volk daarvan de verantwoordelijkheid te dragen. Zeker van de zegepraal, deden zij triomfantelijk hunne vraag ten aanhooren van het volk, dat gespannen het antwoord verbeidde.

Jezus doorzag hen. Zonder een enkel oogenblik in de war te geraken, sprak Hij tot hen, die Hem zoo deemoedig om voorlichting vroegen (Matth. XXII : 16), hunne geheime bedoeling ontmaskerende : „Gij geveinsden!quot; en wederom lag in Zijn woorden de onbeschroomde openbaarmaking en bestraffing hunner arglistigheid: „Wat verzoekt gij Mij? Toont Mij den schattingpenning?quot; en op de beeltenis des Keizers wijzende, zeide Hij kortaf: „Geef den Keizer, wat des Keizers is en Gode, wat Gods is.quot; De tweede aanval was wederom even meesterlijk als snel afgeslagen.

De derde aanval kwam van de tegenstanders der Parizeen.de

ocr page 292

272

Sadduceën, die zich in hunne waanwijsheid overigens weinig bekommerd hadden over Jezus en Zijne leer. Maar heden werden alle strijdkrachten in het krijt gebracht. Zij legden Hem een geval voor, naar hunne meening zeer ingewikkeld, dat het geloof aan de opstanding belachelijk maakte en te gelijker tijd het aanzien hunner partij in de oogen des volks zou verhoogen. Maar Jezus gaf hun een antwoord zoo afdoend, dat zij geen tegenspraak durfden opperen, om niet de Schrift in \'t aangezicht te slaan. Zij waren zoodanig verslagen, dat het volk niet kon nalaten, onverholen zijn bewondering aan den dag te leggen. (Matth. XXTT : 23—83.)

Waarschijnlijk vervolgde Jezus Zijn rede tot het volk over het opgeworpen onderwerp, dat zoo nauw samenhing met Zijne zending, toen de Farizeën naderden voor een vierden aanval. Nog gaven zij den moed niet verloren. Een hunner zou Jezus de vraag voorleggen naar het grootste gebod. Maar nu verging het hun nog slechter dan te voren; want de aangewezen vrager zelfs werd door de persoonlijkheid en de wijsheid van Jezus zoo zichtbaar aangegrepen, dat Jezus hem toevoegde: „Gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods!quot; (Mark. XIII : 34) en deze, door zijn openlijke verklaring de zegepraal van Jezus over alle aanvallen der Farizeën ten volle bezegelde.

Aldus was de eene aanval na den anderen met steeds groo-ter nederlaag voor de vereenigde tegenstanders van Jezus geëindigd. Het was een merkwaardige strijd, die op dien laat-sten Woensdag gestreden werd onder het oog der duizenden, die op den tempelhof waren verzameld. Alle geestelijke machten van het toenmalig Israel hadden zich op dien dag opgemaakt om voor het uit alle deelen der wereld samengestroomde volk, de nederlaag van gisteren te herstellen, hadden de hoogste staatkundige en wetenschappelijke autoriteiten onder het volk zich aangegord om den ongeleerden Galileër te verslaan. En nu staan zij allen daar als beschaamde schooljongens en erkennen door hun zwijgen, dat zij voor Hem de wapenen hebben moeten neerleggen, dat zij in Hem hun meester hebben gevonden.

ocr page 293

273

Dat zij Hem dezen hunnen misslag niet zouden vergeven, dit zag Jezus\' diepblikkend oog wel terdege.

Maar al zwegen zij, Jezus mocht heden niet zwijgen. Hy was den soldaat gelijk, die, moedig strijdend, op zijn post blijft, ook al ziet hij duidelijk, dat de zege hem ontgaat. Hij gunt zich geen rust. Van alle kanten wordt Hij bestormd en als een stofregen vallen Zijne woorden vol goddelijke kracht in het rond neder. Wonderen doet Hij niet meer — die deed Hij genoeg en nog was men niet overtuigd. Heden gaf Hij nog een bewijsvoering des geestes en der kracht. Toen Zijne tegenstanders den strijd hadden opgegeven, ging Hij zelf over tot den aanval. In tegenstelling met hunne tactiek door schijnbaar eenvoudige vragen langs sluipwegen Hem in een strik te lokken, gaat Hij onversaagd en rechtuit op Zijn doel los en werpt hun de brandende vraag voor de voeten, waarom het hier te doen is en naar aanleiding waarvan men daarginds reeds dikwerf over Zijn dood had beraadslaagd: „Is Christus Gods Zoon of niet ?quot; En daarmede brengt Hii den strijd van het terrein der huichelachtige vragen door eene krachtige en snelle wending over op het eigenlijke oorlogsveld, op de hoofdvraag, waarbij man tegen man open en rond zijne meening moet kenbaar maken. Eergisteren had Hij zich openlijk laten begroeten als den verwacht wordenden Christus en dat Hij Gods Zoon was, dit had Hij sinds het Purimfeest, nu een jaar geleden, in dezen voorhof met klimmende duidelijkheid verklaard. Voor niemand onder de talrijke toehoorders kon alzoo het doel Zijner vraag twijfelachtig zijn.

En toen zij ook nu ontwijkend antwoordden en zich Zijn onwederlegbare uitlegging hunner heilige schriften moesten laten welgevallen, toen werd Jezus, — Wien het bekend was, — dat Hij heden voor de laatste maal hier stond en dat Hij reeds morgen als Gevangene zou terechtstaan voor dit huichelachtig gezelschap, aangegrepen door smart en toorn over deze listige leidslieden van het arme volk. Hij houdt op met Zijn onderricht en sluit voor altijd den schat van hemelsche wijsheid, waaruit Hij voor

18

ocr page 294

274

het volk gedurende twee jaren zoo rijkelijk heeft geput en meegedeeld en haast zich naar het einde. Dit einde is oneindig treurig, een vreeselijk ernstig slot aan het goddelijk onderwijs van Jezus op aarde, een lang en bang wee, waaruit toch het bloedende hart van Hem, die het uitriep, nog duidelijk spreekt. Wee! roept Hij uit over de aanwezige Parizeesche leiders en leeraren des volks, die op den stoel van Mozes zitten. Hun wijt Hij het, dat voor dit volk de deuren van het hemelrijk wederom gesloten zijn, nadat zij twee jaren lang wijd open hebben gestaan. Hen stelt Hij verantwoordelijk voor de verblinding en voor de ontzettende ellende, die Jeruzalem thans te gemoet snelt. In een lange rede opent Hij, ten aanhooren van het gansche volk, dat hen als heiligen aanzag, geheel hun zondenregister (Matth. XXIII en Lukas XX). En gelijk de onthoofde Dooper voor twee jaren deed, noemt ook Hij hen adderengebroed, giftige slangen, witgepleisterde graven, lieden, die den menschen vanbuiten wel rechtvaardig schijnen, maar vanbinnen vol geveinsdheid en ongerechtigheid zijn, terwijl Hij eindigt met duidelijk te wijzen op Zijn kruisiging, zeggende: „Daarom ziet. Ik zende tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden en uit hen zult gij sommigen dooden en kruisigen..., opdat op u komen al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af!quot; Hij wist, dat, al mochten zij Hem al het andere vergeven, zij Hem nimmer vergeven zouden, dat Hij heden in het openbaar hen zoo scherp gegeeseld had; Hij wist, dat zij niet rusten zouden, voor zij ook Zijn bloed zouden vergoten hebben. Hij wist het, dat deze verbaasd toeluisterende menigte, die schijnbaar met geestdrift voor Hein vervuld was, door de tegenwerking van deze Farizeën, niet zouden komen tot het ware geloof in Hem en derhalve, wanneer het goed gevolg Zijn vaandel verliet, zich tegen Hem keeren zoude. Hij wist het. dat Hij overmorgen om dezen tijd zou nederliggen in de stille rotsspelonk.

Maar heden, nu Hij zich naar het einde spoedt, breekt nog

ocr page 295

275

éénmaal Zijn hart, diepgewond over Zijn versmade liefde op aangrijpende wijze los in smartelijk weeklagen. Hij gaat voor altijd. Nog éénmaal roept Hij zich de vele dagen en uren voor den geest, die Hij hier, maar tevergeefs in dezen tempelhof heeft doorgebracht om Jeruzalem te redden. Voor twee jaren was Hij op het Paaschfeest verschenen als de Koning en had Hij door de tempelreiniging te verstaan gegeven, dat het schoonste sieraad aan Zijne kroon heiligheid was; — men had Hem afgewezen. Voor een jaar, in Maart, was Hij van Naïn afgekomen en schitterde voor de eerste maal in Zijne kroon, het symbool van de macht zelfs over den dood — men had Hem afgewezen en van dien tijd af Zijn dood besloten. In October was Hij teruggekomen op het Loofhuttenfeest, toen reeds, sedert de dagen op den Hermon, de martelaarskroon naast den stralenkrans der verheerlijking op Zijn geliefd hoofd werd gezien door Zijne jongeren. Als het licht der wereld had Hij zich in dezen tempelhof geopenbaard; als antwoord daarop poogde men Hem te steenigen. In December was Hij voor het laatst gekomen en had toen met de vriendelijke stem van den „goeden Herderquot; hen nog eenmaal genoodigd, — het antwoord was een hernieuwde poging om Hem te dooden en toen deze mislukte, een aanslag op Zijn leven en op Zijne vrijheid, waaraan Hij zich slechts door de vlucht kon onttrekken. Alles, alles, deze geheel eenige, onvermoeide liefde was vruchteloos geweest. Met diepe droeiheid ziet Hij neer op de groote menigte, die voor Hem staat. Nu restte nog de doornenkroon. Maar als wilde Hij nog eenmaal beproeven de harten van deze trotsche Farizeërs te roeren, deze harten van graniet te vermurwen, breidde Hij Zijne handen uit over de inwoners van Jeruzalem en over de stad zelve, die in den gloed der avondzon voor Hem ligt en roept Hij uit: „Jeruzalem, Jeruzalem ! gij, die de profeten doodt en steenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen en gijlieden hebt niet gewild! Ziet, uw huis (deze tempel) wordt

ocr page 296

276

u woest gelaten! Want Ik zeg u: gij zult Mij van nu aan (op de pulnhoopen van deze verloren stad) niet zien, totdat gij zeggen zult, gelijk de jubelende scharen eergisteren en de vroolijke kinderscharen gisteren gezongen hebben: „Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren!quot;

Met deze aangrijpende klacht besloot Jezus Zijn openbaar leeraarsambt en nam Hij voor altijd afscheid van Jeruzalem.

Jezus wendde zich af om met een bloedend hart dit tooneel van den gewichtigsten en toch vergeefschen arbeid Zijns levens voor altijd te verlaten. Het was een der smartelijkste uren van Zijn leven. Maar ziet, daar treden eenige bezoekers van den voorhof der heidenen, eenige Grieken, op Hem aan met de bede den grooten Profeet van nabij te leeren kennen. Gedurende de drie laatste dagen hadden zij van Zijne daden gehoord en nu begeerden zij den grooten Man persoonlijk te ontmoeten. Jezus ziet verblijd op. Hij begreep, wat Zijn hemelsche Vader Hem daarmede zeggen wilde in dit uur des afscheids van de Israëlitische priesterregeering. Hun begeerte, juist in dit uur, was voor Hem een straal der zaligste hope. Zij waren boden uit de heidenwereld, die Hem moesten zeggen, dat, als Israel het Licht der wereld verwierp, duizenden in de wijde, wijde wereld dit hemelsch licht dankbaar zouden begroeten en aannemen. Ja; buiten Israel was er nog een wijde wereld van naar Gods beeld geschapene, verlangend uitziende zielen, — en Zijn dood zou voor hen het leven aan \'t licht brengen. Gelijk een zaadbol, die verbroken wordt, zijn honderden zaadkorrels naar alle windstreken verspreidt, al-zoo zou het ook gaan met het verbreken van Zijn lichaam. Vreugdevol erkende Hij den wenk. Hem door Zijn Vader gegeven. En evenals Hij bij de aanvaarding van Zijn ambt aan de Jordaan, sprak ook in dezen stond van diep smartelijk afscheid de stem van den Hemelschen Vader het goddelijk Amen op deze heilsverwachting als een veelbelovend slot van dezen beteekenisvol-len dag.

Nog eenmaal wendde Jezus zich tot Zijne aanhangers, die nog

ocr page 297

277

rondom Hem stonden en riep hun toe. als kon Hij, die nog slechts twee dagen te leven had, hen niet ernstig genoeg waai-schuwen: „Nog een kleinen tijd is het Licht bij nlieden, wandelt er in, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet be-vange! Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn!quot;

Met deze woorden ging voor Israel de Zon onder, die hier zoo lang als het Licht der wereld had geschitterd. En gelijk in het Oosten de avondzon bij het ondergaan met haar laatste stralen den hemel m gloed zet en in haar laatsten groet aan de aarde nog eenmaal haar ganschen rijkdom aan schoonheid en kleurenpracht doet zien, — alzoo had ook Jezus heden, den laatsten Woensdag, nog eenmaal Zijn ganschen rijkdom van liefde, majeB-teit en ernst als saamgevat. En toen werd het nacht. De Zon was ondergegaan en de duistere nacht begon hare donkere vleugelen uit te spreiden over den tempel en over de schitterende, doch diep ongelukkige stad.

Woensdagavond.

Matth. XXIV : 15-28.

Aan den avond van dezen veelbewogen dag met zijn hee-ten strijd, die Jezus naar lichaam en ziel had afgemat, vinden wij Hem met Zijn jongeren daarboven op den Oliifberg. Vermoeid had Hij zich met hen op de rots neergezet. Boven Zijn hoofd ruischten de olijfboomen; aan Zijn voeten bloeiden de laatste voorjaarsbloemen. Van hier af was de tempel in zijn geheel zichtbaar. Jezus en Zijne jongeren beschouwden hem in diep gepeins verzonken. Het ernstige woord van Jezus: „Ziet, uw huis wordt u woest gelaten!quot; weerklonk in hunne ziel. Dit laatste afscheidswoord aan den tempel, waarin reeds de klinkende bazuin van het naderende gericht gehoord werd, had hen diep geschokt. Dat deze gouden tempel, deze onneembare stad, door zulke trotsche torens en sterke en on-

ocr page 298

278

beklimbare muren omsloten, verwoest zou worden, zij konden het niet gelooven. De muren rondom den tempel, dien zij zooeven hadden verlaten, schenen voor de eeuwigheid gebouwd. Nog heden staan wij vol verbazing voor de overblijfselen van deze muren aan den Zuid-Oost- en Zuid-Westkant van den tempelhof. Zij liggen daar voor ons, die ontzaglijke, wonderbaar schoon bewerkte en kunstig ineengevoegde steenbrokken van den eenmaal 54 Meter hoogen muur. Op eene hoogte van 26 Meter boven de voeting des muurs liggen geweldige blokken van 12 Meter lengte, zoodat wij niet begrijpen, hoe die reuzen-gevaarten daarheen zijn gebracht, noch hoe het mogelijk was deze wonderwerken van den ouden tijd te verwoesten. En als wij met het oog hierop ons twee duizend jaar terugdenken, dan begrijpen wij niet alleen de bezielde beschrijving, die Joze-fus van deze muren geeft, maar dan verstaan wij ook de jongeren, wien de zooeven door Jezus voorspelde verwoesting van dit bouwwerk bijna ongelooflijk voorkwam en die dientengevolge tot Hem zeiden; „Meester! zie, hoedanige steenen en hoe-danige gebouwen!quot; (Mark. XIII; 1.) En de voormalige Bouwmeester, die deze heerlijkheden wel op hun waarde wist te schatten, antwoordde; „Ziet gij deze groote gebouwen? Voorwaar zeg Ik u. er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet zal worden afgebroken!quot;

Deze vreeselijke uitspraak had de jongeren in hun binnenste geschokt. Gisteren pas hadden zij het aan den vijgeboom aanschouwd, dat, hetgeen Jezus zeide, ook geschiedde. Het plotseling verdorren van dien boom had hen sinds hedenochtend veel te denken gegeven. Zij waren niet meer in twijfel. Zwijgend gingen zij aan Zijn zijde. Ook Jezus sprak niet. De ondergang der geliefde stad, sinds eeuwen in hunne psalmen bezongen. hun trots, hunne heerlijkheid van kindsbeen af, bewoog hunne ziel, terwijl zij zwijgend den oploopenden weg naar den Olijfberg bewandelden, waarop wij hen hier reeds meermalen stadwaarts hebben vergezeld.

ocr page 299

279

Zij waren aangekomen; het was avond. De aanblik van den schitterenden tempel, werkte na de laatste woorden van Jezus overweldigend op hen. Dit wonderwerk, de roem van Israel, de zetel Gods, zou te niet gaan? Dan ging alles te niet. Dit kon slechts geschieden, als de jongste dag, de dag van het al-gemeene wereldgericht aanbrak. Waarheen zouden de ongeluk-kigen vluchten, die dat zouden beleven? Zouden zij anderelanden, andere werelddeelen opzoeken? Dit was werkelijk de toekomst der jongeren. Weinige jaren later zien wij hen op Romes trotsche galeien den oceaan bevaren om de wereld te veroveren voor hunnen Hemelkoning. Zoo ver echter dacht thans nog niemand hunner.

Eindelijk verbreken enkelen het stilzwijgen en vragen: „Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teeken, wanneer al deze dingen voleindigd zullen ziin?quot;

En Jezus zat onbeweeglrik stil en blikte op den tempel, die Hem reeds van Zijn twaalfde jaar af als Zijn huis had toegeschenen. Diepe weemoed lag op Zijn ernstig gelaat, toen Hij in een lange rede hun bange vraag beantwoordde. Wat Hij tot nochtoe bijna niet gedaan had, deed Hij nu door als Profeet te spreken van de gebeurtenissen der toekomst. Zijn geest verdiepte zich in verschrikkelijke dagen der toekomst. Donkere wolken aanschouwde Zijn geestesoog. Jeruzalem werd belegerd. Verschansingen werden opgeworpen. Vijandelijke legers omsloten de stacl. Vuur en rookwolken zweefden boven het heiligdom. De tempel gaat op in rook en vlammen. En over deze verschrikkelijke strafpleging heen, dringt Zijn oog door, ver, zeer ver, tot het laatste einde, wereldondergang en wereldbrand.

Laat ons in den geest Zijn blik volgen. Dit is ons niet moeie-lijk, want de geschiedschrijver Flavius Jozefus heeft met groote aanschouwelijkheid het vreeselijk drama geschilderd, dat veertig jaren later werd afgespeeld als tastbare vervulling van de woorden van Hem, die hier op den Oliifberg was gezeten tegenover de stad, welker aanstaand gericht Hij voorspelde. Eers^

ocr page 300

280

dan, als wij den inhoud van de berichten van dezen ongewijden schrijver ons voorstellen, krijgen wij een recht begrip van hetgeen Jezus in den laatsten nacht voor Zijne gevangenneming heeft gesproken. Indien Christenen die berichten hadden gegeven, dan zouden zij niet ontsnapt zijn aan de verdenking, dat ze overdreven waren, ten einde de vervulling van Jezus\' voorspelling zoo letterlijk mogelijk te doen zijn. Het zijn echter geen Christenen maar hun tegenstanders, Joden en heidenen, die de berichten over die dagen ons hebben nagelaten.

Reeds de plaats, waarvan Jezus de voorspelling deed, is opmerkelijk. Juist hier toch. aan den Olijfberg, had veertig jaren later, bij den afweg naar het Kidrondal, het eerste heete gevecht plaats tusschen het tiende legioen van Titus en de belegerde Joden. Zelfs scheen de tijd, waarop de gebeurtenis plaatsgreep, de Nemesis van de goddelijke wraak aan te duiden; want hetzelfde feest, waarvoor men thans toebereidselen maakte, een zelfde Paaschfeest, als waarvoor men zich thans gereedmaakte, een zelfde Paaschfeest, als waarop zij hun Koning kruisigden, was later het begin van den vreeselijken ondergang, die over de stad kwam.

Gelijk de Heer op dien Woensdagavond Zijnen jongeren had voorspeld, dat teekenen aan den hemel zouden gezien worden, alzoo bericht de Romeinsche geschiedschrijver Tacitus: „Won-derteekenen verschenen, die dit bijgeloovige volk hield voor aanwijzingen van onafwendbare rampen. Aan den hemel werden gezien strijdende legerbenden, flikkerende wapenen en een tempel, in vlammen opgaande, in de wolken. De poorten des tempels sprongen onverwachts open en een bovenmenschelijke stem werd gehoord, zeggende; „De Goden trekken van hier weg!quot; Daarbij hoorde men het geruisch van wegtrekkenden. En Jo-zefus bericht: „Zeldzame verschijnselen vervulden het geheele volk met angst. Onheilspellend gesternte stond boven de stad en een komeet was een jaar lang aan den hemel zichtbaar. Toen het volk, nog vóór het begin van den Joodschen krijg, eens op het

ocr page 301

281

Paaschfeest omtrent de negende ure des nachts bijeen was, omstraalde een helder licht gedurende een half uur het altaar en den tempel. De lichtzinnigen vonden dit teeken gunstig, maar de schriftgeleerden verklaarden, dat het den brand des tempels beteekende. — De Oostelijke poort van den binnenhof Nikanor, die van metaal was en van buitengewone zwaarte en die des avonds door twintig man gesloten en met ijzeren staven dicht-gegrendeld werd, zag men te middernacht zich vanzelf openen. Gedachtelooze lieden legden ook dit uit als een gunstig verschijnsel, maar wederom verklaarden de geleerden, dat dit geen andere beteekenis had, dan dat de poort voor de vijanden geopend was en de verwoesting was aangekondigd. — En eenige dagen na het Paaschfeest, den 21 April, zag men een verbazingwekkend verschijnsel, dat aan het fabelachtige grensde, maar toch door ooggetuigen aan mij is medegedeeld, — men zag namelijk voor zonsondergang, in de geheele landstreek wagens en gewapende troepen door de stad en daar vandaan trekken en de stad omsingelen. — Op het Pinksterfeest betraden als gewoonlijk de priesters des nachts met fakkels in de hand het binnenste heiligdom om den goddelijken dienst te volbrengen. Luide vernamen zij volgens hunne getuigenissen, eerst een geruisch en gedruisch en daarna het geroep, door vele stemmen herhaalt: „Laat ons van hier trekken!quot; — Een onbeschaafde landbouwer, Josua genaamd, kwam eenige jaren voor het begin van den oorlog, toen de stad nog in vollen vrede was, op het Loofhuttenfeest te Jeruzalem en begon eensklaps te roepen: „Stemmen (des gerichts) aan den ochtend, stemmen aan den avond, stemmen uit de vier windstreken, stemmen over Jeruzalem, stemmen over den bruidegom en de bruid, stemmen over het volk!quot; Aldus roepende, trok hij door alle straten der stad dag en nacht. Men ergerde zich aan dezen onheilsprofeet, greep hem en geeselde hem. De man echter ging voort met zijn geroep. De oversten der Joden brachten den man voor den Romeinschen Procurator. Hij werd gegee-

ocr page 302

282

seld, totdat zijn lichaam ontvleesd was; hij weende niet, hij smeekte niet, maar bii eiken slag riep hij met een doordringende, klagende stem: „Wee, wee over Jeruzalem!quot;

Aan deze mededeelingen heb ik niets toe te voegen, dan alleen de woorden, die Jezus veertig jaren vroeger op dien Woensdagavond gesproken heeft: „En er zullen teekenen zijn in de zon en maan en sterren en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen!quot; (Luk. XXt : 25, 26.) Bovengenoemde voorbeelden teekenen deze woorden. Hoe het zij, deze merkwaardige berichten geven ons een blik in een ontrust, angstig, openbaar geweten, dat zich rijp gevoelde voor het gericht.

En toch kwamen er steeds weer valsche profeten, die het volk beroerden, gelijk de Heer op dien Woensdagavond voorspelde: „Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan en zullen teekenen en wonderen doen om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.quot; (Mark. XIII: 22.) De vervulling hiervan vinden wij wederom in de berichten van Jo-zefus vermeld. Ja, zelfs op den laatsten dag der verschrikking, dat de zon onderging over Jeruzalem, stond op de rookende zuilengangen des tempels een valsche profeet, die den vertwijfelenden met de grootste beslistheid verkondigde, „dat heden de Heer beval den tempel te beklimmen om het teeken der verlossing te aanschouwenquot;, waarmede hij bedoelde de komst van den Messias.

En toch naderden de gebeurtenissen met vasten gang. Niet de Romeinen, niet eene fatalistische voorbeschikking, maar de reeks der gruwelijke zonden van Israel veroorzaakten naar de ijzeren wet der geschiedenis, naar de eeuwige wetten van den Alregeerder, de laatste vreeselijke dagen, die over Jeruzalem kwamen. De oorlog brak uit, toen de laatste stadhouder, Gessius Plorus, het hartstochtelijke Jodenvolk door gruwelijke maatregelen tot blinde woede had gebracht. De bedrogenen, die beloofd hadden rustig te zullen blijven, verbraken hun woord en verstoutten zich

ocr page 303

283

een gedeelte der Romeinsche bezetting te dooden. Als antwoord hierop werden op dienzelfden dag in Cesarea 20.000 Joden ter dood gebracht. Van dien dag af bezoedelden bloedige gruweldaden, het eertijds zoo gelukkige Heilige land. Het was, alsof alle booze geesten der wereld waren losgelaten en zich gezamenlijk op dit ongelukkige land hadden gestort. De Joden konden zich niet meer bedwingen. De bloeiende steden door het gansche land lagen vol onbegraven lijken. De siddering des doods greep het geheele volk aan, verspreid over de gansche wereld. Te Alexandrië rukten de Romeinsche colonnes in stormpas het Jodenkwartier binnen. Toen zij aftrokken, lagen er 50.000 lijken. In andere steden ging het evenzoo.

Van alle zijden echter pakten de donkere onweerswolken samen boven Jeruzalem en de bergen, die rondom de stad liggen. Een onheilspellend onweder zweefde al drukkender en banger boven de eenmaal zoo vroolijke stad. Spoedig genoeg zou het zich ontlasten. De veldoverste Cestius trok van Lydda tot voor Jeruzalem, op het gebergte alles verbrandende en door het vuur vernielende. Op den Skopus, de Noordelijke voortzetting van den Olijfberg, lag het Romeinsche leger. Op den laatsten October, deed Cestius een eersten aanval op de stad. Reeds had hij de nieuwstad in het Noorden, Bezetha, in brand gestoken; reeds rukte hij op naar de bovenstad en stond tegenover den Koningsburcht, en — hadde hij dien dag storm geloopen, dan ware de vesting gemakkelijk in zijn handen gevallen. Maar tot aller verbazing brak hij onverwachts het beleg op en trok af.

Het was, — en velen leggen het aldus uit, - alsof aan de Christengemeente in de stad daardoor de sinds langverwachte waarschuwing werd gegeven, waarvan Jezus op dien Woensdagavond op den Oliifberg had gezegd (Luk. XXI: 20); „Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan, dat hare verwoesting nabij gekomen is. Alsdan, die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op het

ocr page 304

284

veld zijn, dat zij er niet in komen!quot; Het was in November, aldus in den tijd, dat de eerste stormachige vroege regens reeds konden vallen enquot; ontvluchten bijna onmogelijk was. En nu verstaan wij ook de woorden, die Jezus nog volgen liet; „Maar bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters!quot; Dit zal dus het tijdstip geweest zijn, waarop de Christenen in de stad den raad van hun verhoogden Meester indachtig, Jeruzalem verlieten om naar Pella de wijk te nemen.

Nu werd Jeruzalem in eene groote wapenfabriek omgezet. In alle straten dreunde het gehamer van hen, die wapenen en wapenrustingen smeedden. De jonge mannen oefenden zich allerwegen in den wapenhandel. Overmoedige lust tot strijden vervulde de onbezonnenen, terwijl diepe neerslachtigheid zich meester maakte van de meer ervarenen.

En was het volk nu maar eendrachtig geweest! Maar twistende over de opperheerschappij en de leiding der zaken, was het verdeeld in verwoede partijschappen en wroette in eigen ingewanden, nog eer de vijand kwam. Zelfs in den heiligen tempe. brachten zij hunne bloedige partij veeten over, „den gruwel der verwoesting.quot; Voor de eerste maal werd de tempel verontreinigd door de gruwelen van den burgeroorlog. En toen de Christenen dit tweede kenteeken zagen, dat hun Heer op dien Woensdagavond aan zijn Apostelen had aangekondigd met de woorden: „Wanneer gij dan zien zult den gruwel der verwoesting, staande in de heilige plaats; dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen!quot; (Matth. XXIV: 15) toen zullen zij wel ijlings gevlucht zijn. Lang was hiertoe ook de gelegenheid niet meer open, want weldra durfde niemand meer de stad verlaten. Wie ontvluchten wilde, werd aan de poorten der vesting neergesabeld, zoodat de dooden opgestapeld en in de stad verspreid lagen en de honderdduizenden, die tot het Paaschfeest waren opgegaan, door de grootste vertwijfeling werden aangegrepen. Velen verwachtten het ergste, want, zegt Jozefus, in die dagen herinnerde men zich in de stad eene oude sage, dat de stad ingenomen en het hei-

ocr page 305

285

ligdom zou verbrand worden tijdens een oproer en strijd in eigen boezem, die het huis Gods zou ontheiligen.

De tempel, dien zij niet hadden willen laten reinigen door den Eenige, die hen had kunnen redden, die op straffe des doods niet mocht worden ontheiligd door de aanwezigheid van een vromen heiden, werd spoedig het tooneel van den bloedigsten strijd, hij werd een oorlogsvesting, een wapenplaats; krijgsgeschreeuw weerklonk van de tinnen en onder de galerijen, waar Jezus eenmaal leeraarde. In hun eigen heiligdom vermoordden de zonen van hetzelfde volk elkander. Stroomen bloeds vloeiden over den prachtigen tempelvloer in de heete gevechten tusschen de partijen. Menigeen, die gekomen was om zijn offer op te dragen op het Paaschfeest, viel zelf als offer en besprenkelde het altaar met zijn bloed. In de heilige voorhoven ontstond een Roode Zee van bloed der verslagenen, op dezelfde plaats, waarop voor veertig jaren de stem van Jezus dit volk zoo vriendelijk gewaarschuwd en deze gebeurtenissen had voorspeld.

Maar er was meer. In dolle woede vernietigden zijzelven een groot gedeelte van de stad, dat hun bij den aanstaanden strijd als bolwerk had kunnen dienen. De omgeving des tempels werd in de asch gelegd. G-eheele stadsgedeelten werden, nog eer de belegeraars voor de muren waren verschenen, ten gevolge van den burgeroorlog verwoest en tot een wildernis gemaakt, zoodat ter plaatse der verwoeste huizen de legers konden worden opgesteld. En, wat het ergste was, de voorraad levensmiddelen, die jaren had kunnen strekken, ging op in vuur en vlammen. Zoo haalden zijzelven den grootsten vijand binnen n.1. dm honger. Maar ook dit bracht deze ongelukkigen niet tot bezinning ; de verbitterde partijen konden maar geen vrede sluiten, ten einde gemeenschappelijk den vijand van buiten het hoofd te bieden. Joden tegen Joden keerden zij het zwaard tegen elkander, de overige inwoners, die niet onmiddellijk deelnamen aan den inwendigen strijd, waren weerloos prijsgegeven aan de woestelingen. Zooals de Man, dien zij voor veertig jaren naar Golgotha

ocr page 306

286

hadden gevoerd, had voorspeld, verlangden zij naar den dood. Grijsaards en vrouwen smeekten God de zege af voor de vijandelijke Romeinen om maar te ontkomen aan de woede van hun eigene landgenooten. Het geschreeuw der strijdenden weerklonk dag en nacht, vermengd met het weeklagen der jammerenden. De partijen bevochten elkander staande op een berg van lijken en stervenden.

Nu verscheen ook de vijand van buiten voor Jeruzalem. Op zekeren dag zag men plotseling op den kruin van den Skopus, vanwaar de twaalfjarige Jezus voor de eerste maal den tempel aanschouwde, het Romeinsche leger in slagorde aanrukken, voetvolk en paardenvolk, met de trompetters aan de spits. Zij kwamen uit het Noorden van Emmaus. Spoedig daarna werden op den Olijfberg, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jezus op dien Woensdagavond gezeten had, de schitterende wapenen zichtbaar van het tiende legioen, dat van Jericho kwam en nu nog slechts door het diepe Kidrondal van de stad gescheiden was. Drie Romeinsche heirlegers stonden plotseling, als uit den grond verrezen, kalm en slagvaardig voor de stad. Nu, in het aangezicht des gevaars, scheen men binnen Jeruzalem zich te willen vereenigen. Zij deden een uitval tegen het 10e legioen, langs denzelfden weg, waarlangs Jezus Zijn intocht had gedaan. Als wilde dieren wierpen zij zich op de Romeinen. Zij vochten als leeuwen en sloegen den geoefenden vijand op de vlucht. Het was een slachting te noemen, niet een slag. Maar door de krijgskunde der Romeinen en den onwederstaanbaren heldenmoed van keizer Titus, werden zij eindelijk met groot verlies in het Kidrondal teruggeslagen. Het anders zoo vreedzame dal weerklonk weder van het kreunen der stervenden en werd vervuld met lijken en bloed. Dit waren de hartverscheurende tooneelen, die op dien Woensdagavond voor de bedroefde oogen van Jezus zichtbaar werden.

Ook het geschut der Romeinen volbracht van de hoogten des Olijfbergs een vreeselijk werk. De werpmachines slingerden stee-nen van een halven centenaar op de dappere strijders, die op de

ocr page 307

287

tinnen des tempels en op de muren stonden. Met één worp werden geheele liniën geveld. En toen eindelijk op bevel van Titus, stormrammen aan drie zijden te gelijk tegen de vestingmuren waren gericht, hoorde men een vreeselijk gekraak rondom de geheele stad en een ontzettende jammerkreet der inwoners steeg uit het ongelukkige Jeruzalem ten hemel.

Daarenboven woedde de honger en trok als een spook door de straten der stad. Met holle oogen waggelden de uitgeteerde gedaanten door de straten. Tegenover dezen gruwelijken vijand scheen elk menschelijk gevoel verstompt. Vrouwen ontrukten hunnen mannen, kinderen hunnen ouders, moeders hun eigenen kinderen de beten uit den mond. Folteringen, die de mond niet kan uitspreken, werden uitgedacht om de aanwezigheid van voedsel uit te vorschen. Eene vrouw van gene zijde van het Jordaangebied, uit Perea, waar Jezus zich het laatste had opgehouden, groot door geboorte en rijkdom, die met anderen naar Jeruzalem gevlucht was (zie de waarschuwing Luk. XXI: 21), beging in waanzinnige vertwijfeling een onzettende gruweldaad. Al hare schatten en kleinoodiën had men haar ontroofd. Van alles, wat zij in de zonnige dagen van haar geluk had bezeten, was haar eenig kind, een zoontje, haar overgebleven. Toen de honger bij haar woedde in merg en ingewanden, toen, meer nog dan de honger, verbittering haar tot vertwijfeling bracht, greep zij haren zuigeling aan en sprak: „Ongelukkig kind! waarom zal ik u nog opvoeden onder oproer, hongersnood en oorlog? Van de Romeinen wacht u slechts de slavernij, maar voor de slavernij heeft de honger u reeds aangegrepen. En gruwelijker nog dan beide zijn onze eigene volksgenooten! Daarom, sterft! Wees mij tot spijze, den onmenschelijken woestelingen in deze stad tot een geest der wrake, der wereld tot een huiveringwekkend gillend lied. — want dit alleen ontbrak nog aan de ellende der Joden!quot; Met deze woorden doodt zij haar kind, braadt het, eet de eene helft en bewaart de andere voor hare pijnigers. En toen de krijgsknechten naar binnen stormden, aangelokt door den geur van

ocr page 308

288

iiet gebraad, roept zij onder waanzinnig lachen uit; „Komt! ik heb een stuk voor u bewaard!quot; en discht zij het overgeblevene op. De soldaten gevoelden afgrijzen, ja, waren verstijft van ontsteltenis. Slechts voor dezen gruwel nog waren zij zwak. Zij vloden henen. Jozefus verhaalt, dat de geheele stad vervuld was van deze gruweldaad.

Ook hieraan heb ik niets toe te voegen, dan de woorden in herinnering te brengen, die Hij, die op dien Woensdag dit alles vooruitzag, twee dagen later op den weg naar Golgotha gesproken heeft tot de vrouwen van Jeruzalem, die Hem volgden en Hem beklaagden: „Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen. Want ziet! er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de on vruchtbaren en de buiken, die niet gebaard hebben en de borsten, die niet gezoogd hebben. Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: „Valt op onsquot; en tot de heuvelen: „Bedekt ons.quot; Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?quot;

Het getal menschen, door den hongersnood weggemaaid, was ontelbaar. Geen traan of klacht volgde de gestorvenen. Zij werden niet meer begraven. Op de hoeken van de straten, op de pleinen lagen de ongelukkiger] te zieltogen. De geheele eens zoo heerlijke tempel, was eew gruwel der verwoesting: hij geleek op een doodenakker. Met uitgedroogde oogen en open wonden prezen de stervenden diegenen zalig, die voor hen tot de ruste des doods waren ingegaan. Waar niet gestreden werd, heerschte een diepe stilte in de stad, een doodsnacht gelijk. De dooden werden, als de verpestende lucht te erg werd, over de stadsmuren, in de dalen geworpen. Bij een rit om de stad vond Titus alle kloven om Jeruzalem vol lijken in staat van ontbinding. Hij zuchtte, strekte de handen ten hemel en riep God tot getuige aan, dat dit alles niet zijn werk was. Door een enkele poort werden van 14 April tot 1 Juli 115880 en in het geheel (bok door de andere poorten) 600.000 lijken buiten de stad geworpen.

ocr page 309

289

Zóó zag het er uit binnen de stad. Maar intusschen stond daar buiten nog de vijand, de Komein. De menschlievende Titus zag zich door de hardnekkigheid der Joden gedwongen tot harde maatregelen. Wie op strooptochten om proviand werden gevangengenomen en weerstand boden, werden onder de muren en in \'t gezicht der bezetting gekruisigd, Titus zag het met smart, dat op éénen dag 5000 Joden gekruisigd werden, — en dit was zeer nabij de plaats, waarop datzelfde volk zijn Messias had gekruisigd.

Zal ik deze ontzettende schilderi] nog verder afwerken! Zij is afschuwelijk genoeg. Eeeds deze enkele penseelstreken toonen genoegzaam aan, hoe vreeselijk deze lange, bange tijd was, waarvan Jezus op dien Woensdagavond op den Olijfberg zeide: „Alsdan zal een groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook niet zijn zal!quot; en waarvan later Flavius Jozefus, zelf een Jood, te Rome schreef: „In het kort, geen stad had immer zooveel te lijden en geen geslacht had het ooit in boosheid zoover gebracht, als dit.quot;

Ik spring over naar het einde der belegering. De laatste dagen braken aan, toen de walmuren geslecht waren, toen de strijd der Romeinsche legioenen binnen de stadsmuren woedde en zich geheel tot den tempel bepaalde. Met ongekende doodsverachting, met een heldenmoed zonder voorbeeld in de geschiedenis vochten de laatste stervende Joden voor datgene, wat hun meer waard was dan het leven, hun aloud heiligdom. De meest beproefde troepen der Romeinen werden telkens weer teruggeslagen. Geen enkele Jood smeekte om genade. Zij wilden geen genade, zij wilden strijden en sterven.

De Joden staken met eigen hand den brand in een der zuilengalerijen, die den toegang der Romeinen tot den tempel scheen te zullen gemakkelijk maken. Van dit gewichtig oogenblik af was er een vijand te meer: het vuur. De Joden waren begonnen, de Romeinen vervolgden. Op bevel van Titus wierpen de soldaten brandende fakkels binnen de poorten, die door de galerijen toegang gaven tot de voorhoven. Het goud en het zilver smolt

19

ocr page 310

290

van de prachtige poorten en viel op de tinnen, de vlammen deelden zich mede aan het houtwerk en aan de aangrenzende zuilenzaal. Nog niet echter aan den tempel zelf. Maar toen de Joden den brand zagen, zoo nabij hun geliefd heiligdom, lieten zij den moed zinken. Verslagen staarden zij in de gloeiende vlammen. Verstijfd van ontsteltenis stak niemand een hand tot blus-schen uit. Van de uitgestrekte, schoone zuilengalerijen, die Jezus op dien Woensdagavond in den laatsten purpergloed van het avondrood voor zich zag liggen, verzonk de eene na de andere in asch, eerst de Westelijke, toen de Noordelijke en ten laatste de schoonste van alle: die naar het Oosten, waar de gewelven zich tot duizelingwekkende hoogte op de reusachtige muren verhieven boven het diepe Kidrondal. De tempel bleef intusschen nog ongedeerd. Twee dagen raasde daar rondom de vurige vlammengordel en de gloed verspreidde zich wijd en zijd over de stad vol onzalig wee, vol onuitsprekelijken jammer en ellende tot over den Olijfberg, waarop Jezus eens had neergezeten, — tot in het verwoeste Kidrondal.

Nog eenmaal ontbrandde voor het laatst een heete strijd. Voor de Joden woedde om den heiligen berg Sion nu niet slechts het vuur maar ook den dood voor Israel, voor de laatste getrouwen, zoo het scheen, door de vlammen zichtbaar. Aan redding dachten zij niet meer. Eindelijk was hij aangebroken, de betee-kenisvolle 10e Augustus, waarop reeds eenmaal de tempel door de Babyloniërs was verwoest geworden, waarop nu ten tweeden male de heerlijkheid van het oude Verbond zou ondergaan in een vuurzee, in een brandend graf. De Romeinen waren door de verbrande zuilengangen de tempel voorhoven binnengdrongen. De strijd werd met woede gestreden op de tempelplaats zelve. Daar grijpt een Romeinsch soldaat tegen den wil van den veldheer, alsof hij een werktuig van den Goddelijken toorn was, een fakkel en slingert dien door de gouden deur. die aan de Noordzijde toegang verleende tot de vertrekken, die het eigenlijke tempelgebouw omgaven. Nu verheffen zich de vlammen en bedreigen den tem-

ocr page 311

291

pel zeiven. Een kreet van smart, ontzetting en jammer stijgt hemelwaarts. Keizer Titus en al zijne veldheeren snellen toe. Nog brandde de tempel zelf niet. Nog hoopte hij het prachtige gebouw te behouden. Luide weerklonk zijn bevel over den voorhof, den tempel te sparen, den brand te blusschen; — doch tevergeefs. Niemand hoorde dat bevel. Het geschreeuw, het getier, op den tempelberg was onbeschrijfelijk. De soldaten moordden als wilde dieren. Het zwaard, in verbond met de vlammen, maakte een onmetelijken buit. Rondom het altaar verhief zich een berg van gesneuvelden. Heden was de tempel zelf het altaar, dat werd aangestoken, de ongelukkige Joden waren de offeranden, die er op verbrand werden en het offerlied daarbij aangeheven, was de gillende krijgsroep der razende Romein-sche legioenen. In dezen woesten chaos hoorde niemand de stem des Cesars. In het vreeselijk gebrul gingen zijne bevelen om te redden en te blusschen verloren. Heden werd het opperbevel niet gevoerd door den veldheer, maar door de woede. Achtereenvolgens werd fakkel op fakkel geslingerd in de ruimte, die het tempelgebouw omgaf. Nog was het heiligdom ongedeerd. Titus en zijne veldoversten treden er binnen. Hetgeen de faam hem in het vergelegen Rome van deze plaats en hare wonderen had bekend gemaakt, was niet overdreven geweest. Vol verbazing liet hij zijn blik weiden over de ongelooflijke, meer dan vorstelijke pracht, die als in een sprookje in onmetelijken rijkdom, van alle kanten op hem neerzag. Toen kwam de begeerte nogmaals in hem op om dezen éénigen tempel, die nog niet brandde, te redden. Hij ijlde naar buiten en gaf zijne bevelen. Maar de soldaten hoorden niet. Woede, Jodenhaat, buiten roofzucht, wilde krijgsmoed hadden heden de overhand boven de zoo beroemde krijgstucht van het Romeinsche leger en terwijl nog het commando des Keizers over de voorhoven heen-vliegt, steekt een der binnengedrongen soldaten der, brand in den tempel zei ven.

Nu stegen de vlammen omhoog uit het aloude heiligdom.

ocr page 312

292

De Joden schrikten \' op vol woeste smart, toen zij hun geliefd, hun éénig, hun met doodsverachting tot vertwijfeling toe verdedigd heiligdom zagen vergaan. Een duizendvoudig herhaald geweeklaag uit de stad beantwoordde de jammerkreten op den tempelberg. Duizenden, wier mond reeds door den honger voor Immer gesloten scheen, braken opnieuw los in jammergeklag bij den aanblik van den brandenden tempel. Toen de vlammen uit den tempel opstegen, trok Titus met zijne veldoversten zich terug; redding was niet meer mogelijk; men liet alles aan zich zeiven over. Woedend verspreidde zich het vuur. Een vlammenzee overdekte den heiligen berg. Dichte rookwolken verhieven zich langzaam uit den ouden zetel der heerlijkheid, verspreidden zich over Jeruzalem en verdeelden zich over het Kidrondal en den Olijfberg tot over de woestijn. Alsof zij den wereldbrand en het wereldgericht aanschouwden, alzoo stonden de Joden in sprakelooze smart, totdat eindelijk Israels trots, de heerlijkheid van vele eeuwen, Sions krone, de wereldberoemde tempel, zijn kruin ter aarde boog en met groot geraas inéénstortte te midden der vlammen, onder zijn puinhoopen eene groote menigte Joden, onuitsprekelijke ellende en een ontzaglijke schuld begravende. Een stuk wereldgeschiedenis, ja, een stuk eeuwigheidsgeschiedenis ging met den tempel — in het vuur ten grave.

Het feest was een Paaschfeest, — hetzelfde feest, als waarop Israel eenmaal in Jeruzalem zijn Messias verworpen had, — dat Israel van alle oorden had doen samenkomen tot de belegering, tot het Godsgericht. Uit dien hoofde was de stad tijdens de belegering zoo overvol. Het aantal dooden binnen Jeruzalem gedurende het beleg bedroeg 1.100.000.

Korten tijd daarna vierde Titus met zijn geheele leger een schitterend overwinningsfeest in het Noorden des lands, in Ce-sarea Filippi, alwaar de eerste aankondiging van Jezus\' lijden had plaats gehad. Op dit feest werd Romes pracht en heerlijkheid tentoongespreid. Duizenden Joodsche krijgsgevangenen werden bij de kampspelen voor de wilde dieren geworpen, of moes-

ocr page 313

298

ten in het circus troepsgewijze tegen elkander vechten op leven en dood. De overigen werden bij duizenden als slaven verkocht. Dit was de eindelijke vervulling van de woorden, door Jezus gesproken op dien Woensdagavond: „Alsdan zal er grooten nood zijn in het land en toorn over dit. volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.quot; lt;Luk. XXI : 24.)

Wie eenige weken na den aftocht der Romeinen te Jeruzalem kwam, kon op de verbrande puinhoopen nederzitten en weenen over den ondergang der prachtige wereld- en godstad, die veel-bezongen, veel geliefd, moedig verdedigd, doch alsnu van den aardbodem weggeveegd was. Het was vervuld, wat haar beste Vriend op dien Woensdagavond had gezegd: geen steen was op den ander gebleven van den eens zoo wereldberoemden tempel. Het eenmaal voor het menschelijk oog verborgen Heilige der heiligen lag open, zoodat de dieren des velds er in konden doordringen. En rondom lagen de drie heuvelen, waarop Jeruzalem gestaan had, waarop vele geslachten geluk en ongeluk hadden gesmaakt, waarop profeten, ja zelfs de Zoon Gods zoo menigmaal de stem der waarheid had doen hooren, — maar nu eenzaam en verlaten. Jeruzalem had opgehouden te bestaan. De stad zoowel als hare muren was geslecht. Slechts de drie torens Hippi-kus, Phasaël en Marianne op den westelijken heuvel had men laten staan tot een monument voor de Romeinen. De beide eersten zijn nog aanwezig en zien als reuzen verachtelijk neder op het armoedige, erbarmelijke Jeruzalem, dat heden ten dage staat op de plaats van de heerlijke, vorstelijke stad van weleer. Als vreemdelingen uit een ondergegane wereld afkomstig, staan deze stomme getuigen van een groot verleden met een tragisch einde en verkondigen tot op onzen tijd met verschrikkelijken ernst zwaarwichtige lessen der geschiedenis.

En nu leze men nog eens na, wat Jezus volgens Matth. XXIV,

ocr page 314

294

Mark. XIII en Luk. XXI op dien Woensdagavond tot Zijne jongeren gesproken heeft en de lezer veile dan zelf een oordeel, hoe Jezus toen reeds deze droeve gebeurtenissen vooruitzag, hoe merkwaardig letterlijk Zijne voorspellingen vervuld ziin geworden.

Het ergste was voor de Israelieten ondertusschen het eindigen hunner priesterheerschappij, aan hun rijksbestaan en hun godsdienst op het geliefde Sion; geen tempel meer, geen priester, geen tabbaard — zoodat het hun zijn moest, alsof het gansche volk Israel was begraven in den eeuwigen doodslaap, waardoor nog heden dit volk, ondanks zijn uitwendige welvaart, zonder vrede, zonder vaderland is verspreid over de gansche aarde. Dit alles moest voor de jongeren des Heeren juist dienen tot krachtige versterking van hun geloof. Zij konden opmerken, hoe hun Meester met den cirkel der eeuwigheid mat, hoe Hij als uit een hoogen wachttoren de geschiedenis van hun volk overzag en dat ook in betrekking tot alle andere volkeren, alles moest gebeuren, gelijk gebeurd was, wat Hij van Israel had voorspeld.

WOENSDAGNACHT.

Blik op liet einde der wereld.

Bij de laatste rede van den Heer hebben wij onzen blik bepaald tot de verwoesting van Jeruzalem, Jezus echter bepaalde zich niet tot dit eene punt. Zijn oog zag op dien avond veel verder. Ver over den val van Jeruzalem, ver over den loop dei-eeuwen in de wereldgeschiedenis, zag Zijn oog in de verste toekomst tot het einde der dagen. Op den achtergrond van den brandenden en inéénstortenden tempel van Jeruzalem, ziet Hij een beeld, nog aangrijpender, nog meer ontzettend. Een geheel andere tempel schudt op zijne grondvesten, gaat op in wereldbrand en stort in met ongehoord geraas. Het is de majestueuze

ocr page 315

295

tempel dezer wereld. En gelijk de tempel van Israel viel om plaats te maken voor een veel heerlijker — alzoo verschijnt ook in de plaats van de oude wereld, een nieuwe, oneindig veel heerlijker.

Daarover sprak Jezus op dien Woensdag tot diep in den nacht met Zijne jongeren. Nog zat de Heer met hen op die welbekende plaats op den Olijfberg. De zon was sinds lang ondergegaan; de volle Paaschmaan lichtte over berg en dal. Het diepe Kidrondal alléén lag in de schaduw aan hunne voeten. Den jongeren was het, aandachtig toehoor ende, als werd hun hedenavond een blik gegund in den geheimen Raad omtrent het Goddelijk wereldbestuur.

De Heer zocht als het ware dezen laatsten rustigen avond, dien Hij in hun midden doorbracht, uit om hun mede te deelen, hetgeen Hij hierover voor het afscheid hun nog te zeggen had. De volgende avond zou geheel andere dingen brengen: de instelling van het avondmaal, de afscheidsrede, Gethsemané en vervolgens: gevangenneming, verhoor, kruisiging. Jezus wilde hen en Zijn toekomstige gemeente door Zijne woorden voorbereiden niet alléén op de stormen van den volgenden dag, niet alléén op de verwoesting van Jeruzalem, maar op alle stormen, die hen wachtten, zelfs op den allerlaatsten. Maar achter al deze stormen, toonde Hij hun het verheven einde van het Goddelijk wereldplan. Daarom volgde Hij de richting, aangegeven door hunne vragen, die, al werden daarin ook twee verschillende onderwerpen doorééngemengd, — als in eenen adem, den ondergang van Jeruzalem en dien der wereld noemden. (Matth. XXIY; 3.) Ook Jezus had de verwoesting van Jeruzalem en het einde der wereld niet zoo duidelijk uit elkander gehouden, als wij getracht hebben te doen. Gelijk Hij, opziende naar het Oosten, spreekt zoowel van het nabijliggend Bethanië, als van het op tien mijlen afstands gelegene Moabietengebergte, als van een en dezelfde landstreek, alzoo spreekt Hij van de ophanden zijnde verwoesting der stad en het nog ver verwijderde einde de wereld als van een en dezelfde toekomst, die voor Hem open ligt.

ocr page 316

296

Met betrekking tot hetgeen nabij is, zegt Hij: „Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn!quot; (Luk. XXI : 32) en met betrekking tot Zijne wederkomst zegt Hij om alle misverstand weg te nemen: „Maar van dien dag en die ure weet niemand noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon dan de Vader.quot; (Mark. XIII ; 32.)

Het was voeldoende, dat de jongeren de hoofdzaak verstonden, dat Hij den loop der geschiedenis helder overzag, dat Hij zou wederkomen, dat zij eiken dag op Zijne wederkomst moesten voorbereid zijn. Aandachtig luisterden zij toe, als Hij van al deze dingen sprak met eene majesteit, die slechts den souve-reinen Wereldregeerder toekwam, toen Hij sprak, wijzende op de bergen rondom Jeruzalem en op den sterrenhemel: „De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.quot; (Mark. XIII : 81.) De eene gelijkenis volgde op de andere. Vooral Mattheüs heeftze voor ons bewaard. Slechts twee er van wensch ik meer van nabij te beschouwen namelijk die van het laatste gericht en die der tien maagden.

1) De tien maagden. (Matth. XXV: 1 —13.) De Heer had gesproken over Zijne wederkomst. Ten einde Zijne jongeren te doordringen van de noodzakelijkheid om te waken, sprak Hij: „Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit den bruidegom te gemoetquot; enz.

Het is bekend, dat in het Oosten de bruiloft een feest is, waaraan een veel grooter aantal belangstellenden deelneemt dan bij ons. Honderden feestgenooten volgen dansend, zingend en springend de bruid, gezeten op een paard of kameel. De vreugde des nachts is steeds grooter nog dan de vreugde overdag.

In Bethlehem en Bet-Djala wordt nog heden ten dage des nachts bruiloft gehouden, uitsluitend door meisjes bijgewoond; dit herinnert dus aan onze gelijkenis. Als de zon is ondergegaan en na de korte schemering de sterren zich vertoonen, dan komen de meisjes te zamen en gaan zingend en met fakkels in de hand in optocht naar de jonggehuwden.

ocr page 317

297

Ook onze gelijkenis spreekt van lampen. Wij kunnen daarbij niet denken aan de gebruikelijke olielampen, die voor het doel zeer ongeschikt zouden geweest zijn, maar moeten veeleer het Grieksche woorc\'. lampas woordelijk vertalen door „fakkelsquot;, die nog in dezen tijd door de jonge vrouwen bij soortgelijke gelegenheden worden gebruikt.

Welk soort van fakkels zijn dit nu? In geen geval pekfakkels, die eene vulling met olie niet behoeven, maar zulke fakkels, als nog heden in Palestina bij bruiloften worden gebruikt. Deze bestaan uit lange staken aan wier boveneinde lappen, in olijfolie gedrenkt, zijn bevestigd. Deze lappen, die slechts een kwartier-uurs kunnen branden, moeten derhalve om lang te branden, dikwijls opnieuw met olie worden verzadigd. Om deze reden moest elk der maagden uit de gelijkenis een kleine kruik met olie bij zich hebben teneinde de vlam telkens opnieuw te kunnen voeden. Van deze kruiken (niet van een gedeelte der lampen) wordt gesproken, als vers 4 zegt: „Maar de wijzen namen olie in hare vaten, met hare lampen.quot; Toen de dwaze maagden uitgingen, waren hunne fakkels even lichtgevend als die van de anderen. Zij verzuimden echter nog een kruik met olie mede te nemen. Aangezien nu hunne fakkels onvermijdelijk moesten uitgaan, indien de bruidegom langer vertoefde dan zij verwachtten, was het voor de toehoorders van Jezus duidelijk, hoe dwaas deze maagden handelden.

Als nu de bruidegom vertoefde, zetten allen zich neder in de open lucht en vielen in slaap. En ter middernacht geschiedde een geroep: „Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!quot; Ook de tien maagden stonden op. Met schrik grepen zij hunne fakkels, waaraan het laatste vonkje was uitgedoofd. Onmiddellijk begonnen zij hunne fakkels in orde te brengen. De wijzen hadden hun oliekruik bij zich. Spoedig begoten zij het boveneinde der fakkels met olie en ontstaken ze. En toen de bruidegom kwam, gaven hunne fakkels helder licht, zoodat de wijze maagden zich vroolijk konden aansluiten aan den stoet der feestgenooten.

ocr page 318

298

De dwazen echter bevonden zich in groote verlegenheid. In plaats van een lichtgevende fakkel hadden zij slechts een lange staak met zwarte, halfverbrande lappen. Hoe gaarne zouden zij gebruik gemaakt hebben van de olie harer vriendinnen, maar dezen hadden slechts genoeg voor zichzelve. Ontevreden over zich zelve konden nu de dwaze maagden den verlichten stoet nazien. Wel spoedden zij zich nu naar de oliehandelaren om olie te koo-pen, maar tevergeefs. Het was te laat. Toen zij aan het huis kwamen, waar de bruiloft gehouden werd, vonden zij het gesloten en werden zij niet meer toegelaten tot den kring der feestvierenden.

Voor de in dit land wonende Apostelen was dit inderdaad een treffende gelijkenis om hen aan te manen tot onafgebroken waakzaamheid. Geen andere soort van lamp toch heeft zoo.-zeer eene onafgebroken verzorging noodig als deze fakkels. De Heer nam voor Zijne gelijkenis voorbedachtelijk niet een lamp, die voor den geheelen nacht kon worden gevuld, maar wel deze fakkels, die voortdurend nieuwen toevoer van versche olie noodig hadden. Het is niet genoeg om bij het uitgaan goed gedrenkte fakkels te hebben, het gevulde olievat moet steeds aanwezig zijn. Het is voor den Christen niet genoeg bij den aanvang van zijn loopbaan goed te beginnen, voortdurende waakzaamheid en gereedheid worden vereischt. Wie meent, dat, daar zijn fakkel op zekeren tijd goed gebrand heeft, hij daarom de noodige voorzorgen wel kan nalaten, diens fakkel zal gewis uitgaan. Men kan niet bii voorbaat gelooven; ook niet voor elkander gelooven. Men kan de waakzaamheid en de gereedheid voor den Heer niet aan anderen overlaten; men kan het noodige ook niet aan anderen ont-leenen. Een ieder moet voor zichzelven een bron van nieuwe kracht bezitten, anders wordt de vroeger helder brandende fakkel een zwarte verkoolde spits en het einde zal dan zijn: „Ik ken u niet.quot;

De geliikenis paste ook op het uur, waarin Jezus haar uitsprak. Hij sprak van middernacht en het zal wel niet ver van middernacht af zijn geweest. Binnen de stad sliep men gelijk de dwaze maagden. De Bruidegom was gekomen en de Dooper

ocr page 319

299

had Hem als zoodanig aangekondigd (Joh. Ill: 29), maar men had bij Zijn komst geslapen. Ja, overmorgen reeds zou men het bloed van den grooten Miskende vergieten.

Nog zou een tweede komst van den Bruidegom in de verre toekomst plaats hebben. Ook dan zou het middernacht zijn. Maar wie dan Hem niet met een weltoebereide fakkel zal begroeten, dien wacht de donkerste nacht, een laatst en allerverschrikkelijkst: „Ik ken u niet!quot;

2). Be vergadering van alle volken en het wereldgericht (Matth. XXV : 31 — 46.) In deze tweede gelijkenis ontwerpt de Heer voor Zijne jongeren een beeld van het wereldgericht: „En wanneer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt,quot; enz.

Twee vergelijkingen liggen aan deze gelijkenis ten grondslag. De eerste is ontleend aan de gebruiken van het herdersleven, de tweede aan de zeden en gewoonten van aanzienlijke stamhoofden in het Oosten.

a). Allereerst vergelijkt de Heer zich met een herder, die de schapen van de bokken scheidt. De schapen zijn de goeden, de bokken de slechten. Waarom onderscheidt men de schapen en de bokken aldus? Omdat men in het Oosten altijd de bokken uitkiest om te slachten, terwijl de meer gewaardeerde inelkdieren altijd worden gespaard. Onze gelijkenis herinnert evenwel nog aan een gansch bijzonder voorval in het herdersleven. Omstreeks het begin van den regentijd werpen de meeste schapen lammeren. Zijn deze dan groot en krachtig geworden, dan heeft van tijd tot tijd een verkoop op groote schaal plaats. De bokken worden dan verkocht om het vleesch en de wol. In de hoofdstad Jeruzalem, met hare behoefte aan offerdieren en voedsel, kon de veehouder steeds gemakkelijk honderden bokken verkoopen.

Hiertoe moest dan de herder de kudden vaneenscheiden.

ocr page 320

300

De schapen, die hem voedden met hun melk, die de kudde vergrootten met hunne lammeren, werden dan aan de eene zijde, de bokken aan de andere zijde geplaatst. Dezen werden dan ter slachtbank geleid en de schapen teruggevoerd naar de grazige weiden der bergwoestijnen. Dit gebruik verklaart de eerste vergelijking van onze gelijkenis, die de boozen door de uitdrukking „bokkenquot; als voor het gericht bestemd, aanduidt.

b.) De tweede vergelijking doet ons den Menschenzoon kennen als een machtig vorst, die plaats genomen heeft in den kring zijner helden. Voor Hem worden menschen gebracht, die ten aanzien van Zijne stamverwanten goed of slecht hebben gehandeld. Overeenkomstig hunne daden oordeelt Hij hen.

Het is bekend, dat in het Oosten de stamverwantschap zeer innig is. De leden van één stam maken eene groote familie uit, welker medeleden elkander moeten bijstaan. Hetgeen een va.n hen wordt aangedaan, geldt allen. Als een van hen gedood wordt, is de geheele stam verplicht, den moordenaar of diens verwanten te dooden, waar men hem ook moge vinden.

Evenzeer werden bewijzen van vriendschap, die aan één werden betoond, aangemerkt als betoond te zijn aan den geheelen stam. Wie in de woestijn een gevreesden stam ontmoet en bij machte is den Bedoeïenen op geloofwaardige wijze een Salaam (vredegroet) over te brengen van een be vrienden stam, die is veilig. Ikzelf heb dit in de gebergten van Juda ondervonden. Indien een aanhoorige van een stam op reis gaat, voorziet hij zich niet van vele kleederen; hij rekent op de algemeene groote gastvrüheid der vrienden van zijn stam en niet tevergeefs. Voor den vreemdeling wordt de eigen tent ingeruimd, de eigen mantel afgestaan tot dekking des nachts of kleeding des daags. Bij ziekte zetten alle vrienden zich bij hem neder om door hunne tegenwcordig-heid, zij het ook al rookende, koffiedrinkende en babbelende deelneming te bewijzen. Zelfs stervenden worden op deze wijze bezocht.

Komt hij dan weder bij zijn stam terug, dan verhaalt hij: „Ik ben hongerig geweest en zij hebben mij te eten gegeven.

ocr page 321

301

Ik was een vreemdeling en zij hebben mij geherbergt. Ik was naakt en zij hebben mij gekleed. Ik was ziek en zij hebben mij bezocht. Ik was gevangen en zij zijn tot mij gekomen.quot; En de hoofdman, als hij dit verneemt, rekent dit alles zichzelven aangedaan, zichzelven en den geheelen stam, waarvan zelfs de geringste wordt gerekend tot de broederen te behooren. Maar ook, wie het heilige recht der gastvrijheid niet eerbiedigt, heeft een dubbele wedervergelding voor zijne trouweloosheid te duchten.

Ook de Apostelen moesten als reizigers uittrekken door de wereld. Hun Stamhoofd was ver van hen verwijderd. Maar vriendschap of onaangenaamheid, die hun zou worden aangedaan, zelfs den geringste hunner, zou Hij, volgens onze gelijkenis, beschouwen als Hemzelven bejegend. Het beeld echter wordt belangrijk uitgebreid. Niet slechts geldt het voor den kleinen kring, dien de Apostelen zullen ontmoeten, maar voor alle volkeren der wereld, die zich als eene kudde verzamelden rondom den Zoon des menschen. Dan zal het openbaar worden, hoe nauw Jezus zich één gevoelde met Zijn geringste broederen, het hoofd met de leden, de hoofdman met den geheelen stam. De gelijkenis was een vermaning en eene waarschuwing voor de wereld, die de jongeren van Jezus zou vervolgen of onverschillig bejegenen; ook voor de Christenen zelve, dat zij liefde zouden hebben onder elkander.

Hoe aandachtig zullen de jongeren hebben toegeluisterd, terwijl de Heer in de stilte van den nacht op den Olijfberg al deze beelden hun voor oogen stelde! Maar het verhevenste voor hen was, dat dit alles eenmaal zal worden gelegd in de handen van Hem, die daar naast hen was gezeten. Zij stelden zich al de volkeren voor, die bij hen bekend waren, de joden, de Syriërs en Feniciërs, de bewoners van Dekapolis, de Samaritanen, de Arabieren, de verstandige en de kunstminnende Grieken, het groote Eomeinsche volk met zijne Cesars en Stadhouders en te midden van die allen hun Heer als Wereldrechter, die te

ocr page 322

802

beschikken had over hun eeuwig lot. Het was hun, alsof zij droomden, als zij een blik sloegen in deze groote, verhevene verborgenheden en alsof hemelsche majesteit straalde om het hoofd huns Meesters, die zich zoo vriendelijk aan hen openbaarde, hen als Zijne stamgenooten wilde beschouwen, die zoo vertrouwelijk met hen sprak als een vriend tot zijne vrienden.

Met deze gelijkenis een blik gevende op het laatste oordeel, op de eeuwige pijn en op het eeuwige leven, besloot de Heer.

Jezus stond op om zich te verwijderen. Hij had het laatste, het verhevenste onderwijs gegeven in het nachtelijk uur in den kleinen kring, na het laatste, verheven onderwiis des daags aan het volk, eene bloemlezing over de wereldgeschiedenis uit het oogpunt der eeuwigheid. En terwijl zij in den stillen nacht aan Zijne zijde \' gingen, verwijlden zij met hunne gedachten voorzeker in de toekomst. Met grooten weemoed aanschouwden zij den tempel, door de volle maan verlicht. Van dezen dag af zagen ook zij er met hun geestesoog rookwolken en vuurgloed boven hangen, totdat hij ineenstortte en verzonk in een zee van vlammen. En dan waren zij indachtig aan die verre toekomst, waarvan Hij had gezegd: „En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen en dan zullen alle geslachten der aarde weenen en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier winden, van het eene uiterste des hemels tot het andere uiterste deszei ven!quot; En in den geest meenden zij het reeds te zien aan den nachtelijken hemel dat teeken van den Zoon des menschen, de verlichte wolken. Zijn wederkomst in heerlijkheid en met hun geestelijk oor vernamen zij daarbij in den stillen nacht het bazuingeschal der engelen, het weenen van alle geslachten der aarde, den juichenden welkomstgroet Zijner getrouwen.

De jongeren volgden Hem naar Gethsemané, Het was reeds

ocr page 323

303

laat. Lang reeds was de laatste purpergloed aan den Westelijken horizont verdwenen. De maan, bijna vol, stond hoog aan dei; hemel, te midden der sterren. Een diepe stilte lag over Jeruzalem en de omliggende bergen. En terwijl de kleine schare, — die aan deze in duisternis gehulde wereld, als in zonneglans, het heil zou brengen, — voorttrok op den korten weg naar Gethse-mané, zag Jezus in den zilveren maneschijn op een verafliggend land neer. Hij blikte in het diepe Jordaandal en zag daar den weg, die naar Bethlehem leidde, die in zekeren nacht, 30 jaren geleden, betreden werd door wijzen uit het Oosten, die den jong geboren Koning der Joden gingen aanbidden.

De hof Gethsemané was bereikt. Het gezelschap zocht rust in het huis binnen den hof gelegen. Jezus vond den laatsten, rus-tigen slaap op aarde. De dag van morgen zou een stormachtigen nacht brengen, den stormachtigsten van geheel Zijn leven.

ocr page 324

WITTE DONDEEDAG.

Het was Donderdag, twee dagen voor Paschen. Voor den Olijfberg was de nacht verstreken. De lichtende Aprilochtend spreidde na een zeer korte schemering zijn vleugelen vroolijk uit over het Heilige land. Rondom Gethsemané, waar Jezus met Zijn jongeren den nacht had doorgebracht, ruischten de zilveren bladeren der olijven in den frisschen morgenwind, terwijl de talrijke vijgeboomen van het gebied Beth-fagé met licht voorjaarsgroen prijkten.

Men had hier een ruimen blik. De spiegel der Doode Zee, ginds in de verte, scheen door de reine doorzichtige lucht, als ware hij nabij. Ernstig stak hij af tegen de donkere bergen van Moab, die nog niet door de stralen der zon, waren verlicht. Boven de lange zeestreek, die als mat zilver in de diepte lag, verhief zich in een lange, rechte lijn het gebergte van Perea en Moab, gehuld in ochtendwolken. De donkere boschpartijen, die zich tot aan de Doode zee uitstrekten, gaven den loop der Jordaan aan. In die bosschen had Jezus in de lente van voor twee jaren voor Zijn jeugdigen, bezielden „Vriendquot;, Johannes den Dooper en de hem omringende menigte, den eersten dag van Zijn openbaar leven gevierd. Heden was de laatste dag aangebroken.

Terwijl Zijn jongeren naar de stad gingen — twee van hen

i

v fl, \'\' \' r

ocr page 325

305

om met de overpriesters te onderhandelen, anderen wellicht naar hunne vrienden of naar Bethanië — bleef Jezus eenzaam achter op den Olijfberg, in of nabij Gethsemané; Hij had behoefte aan de eenzaamheid, voordat de storm zou losbreken. Evenals Hij bij de aanvaarding van Zijn ambt zich in de woestijn had teruggetrokken om met Zijn Vader alléén te zijn, alzoo bracht Hij ook deze laatste uren alleen door met Zijnen Vader. Evenals toen, zal Hij zich hebben verdiept in den wil Zijns Vaders in het heilig doel, waartoe Zijn ten einde loopend werk deze arme wereld moest voeren. De dag, waarover Hij zooveel gesproken had, was aangebroken. De woordenstrijd met Zijn verbitterde vijanden was gestreden. Zij wilden Hem niet langer bestrijden, zij wilden Hem dooden. Juist wordt daarover beraadslaagd in de feestelijk gestemde stad en in den geest ziet Jezus een welbekende met de uitdrukking van een kwaad geweten op het gelaat door de straten van Jeruzalem sluipen, zich spoedende naar de overpriesters om voor geld zijn Meester te verraden.

De jongeren, althans Petrus en Johannes, waren ook de stad ingegaan. Terwijl zij den Olijfberg afgingen naar het Kidrcndal, kostte het hun moeite, hunne oogen af te wenden van den won-derschoonen aanblik der stad. De weg, dien zij betraden, was dien dag niet eenzaam maar als bezaaid met pelgrims uit de Jor-daanstreek, uit Perea, ten deele ook uit Galilea. Hoe meer zij de stad naderden, hoe meer hun weg liep door lange rijen tenten, waarin de feestgangers verblijf hielden. Het meerendeel der gasten was reeds aangekomen. Zelfs de Romeinsche stadhouder Pontius Pilatus was reeds in de stad en had den trot-schen Koningsburg, op de Westelijke hoogte der stad, betrokken. Ook zijne gemalin was medegekomen. Zij vermoedde niet, welk een ontzettend feest zij mede zou bijwonen, — hoe haar gemaal door de gebeurtenissen op dit feest op treurige, op rampzalige wijze, — zij zelve in het zachte licht eener vrome, medelijdende ziel, over de geheele wereld zou bekend worden.

20

ocr page 326

306

Te midden der feestmenigte gingen op dien Donderdagochtend, de beide onaanzienlijke Galüeesche mannen rustig hun weg. Petrus en Johannes hadden op de markt hunne inkoopen gedaan voor den aanstaanden avondmaaltijd. In een bevrierfde woning bereidden zij het pascha.

Ter zelfder tijd schreed ook een ander uit de twaalven dooide straten, Judas Iskariot. Door den menschendrom op de tempelstraat heen, begaf hij zich naar de zalen, waar de hoogepries-ters te vinden waren. Hij werd binnengelaten. Zijn plan was gerijpt. Niet den persoon van Jezus had hij liefgehad en gezocht, maar de macht en de heerschappij, die hij van Hem verwachtte. Hij had zich vergist in dezen Jezus. Als aanhanger van den ge-haten Galileër waren voor hem in de toekomst de deuren der machthebbenden te Jeruzalem gesloten. Nog kende hij evenwel een middel om alsnog bij hen in de hooge gunst te komen. Hij wist, hoezeer zij wenschten, Jezus zonder rumoer in hunne macht te krijgen. Zonder rumoer — want op den tempelhof, te midden van het volk, durfden zij Hem niet gevangennemen. Judas kwam als een redder in nood. Keeds des Dinsdags had hij, wrevelig geworden door een woord des Heeren bij den avondmaaltijd in Bethanië, onderhandelingen met de overpriesters aangeknoopt. Gisteren gedurende den grooten redestrijd, had hij bij vernieuwing de geheele diepte van hun onverzoenlijke vijandschap gepeild. Wie nu de oversten te Jeruzalem tot hun doel kon brengen, moest wel door hen worden geëerd als een man, die de geheele natie aan zich had verplicht.

Het voorstel van Judas was den overpriesters hoogst welkom ! Liet men Jezus nog langer Zijn leer verkondigen, dan zou Hij — Zijn intocht op Maandag, Zijn indrukwekkend optreden bij de tempelreiniging op Dinsdag, Zijn zegevierende strijd gisteren waren er even zoovele waarborgen voor, — op dit feest het geheele volk nog tot zich kunnen trekken. Indien men het waagde Hem nu te grijpen bij Zijn openlijk optreden, dan zou de volkswoede zich tegen henzelve keeren en daarbij zou

ocr page 327

307

alles op het spel staan. Sinds lang was Paschen de gevaarlijkste tijd van het jaar om reden, dat onder de menigte hartstochtelijke en onrustige Joden alle revolutionaire grondstoffen uit het gansche land aanwezig waren, waardoor een stoutmoedig en geschikt volksleider, gemakkelijk het volk zou kunnen overhalen tot elke dwaze onderneming. En in hun moedwillige verblinding hielden zij Jezus voor zulk een demagoog. Juist Zijn intocht, op een zoo gevaarlijken tijd gehouden, scheen hun hiervoor het klaarste bewijs te zijn. Aan hun gloeienden haat paarde zich dan ook groote angst voor den koenen Man des volks. Wij begrijpen het dus, als het Evangelie zegt: „En zij, dat hoo-rende, waren verblijd.quot; (Mark. XIV ; 11.) Hoe zullen de aangezichten der hooge heeren zijn opgeklaard, toen — voor hen bijna ongelooflijk — terwijl onder het volk geen enkele verrader te vinden was — een der twaalven in levenden lijve voor hen stond met het aanbod, Jezus, zonder oproer, „ver van het volk,quot; in hunne handen te leveren. Deze onverwachte hulp, die zij wel als een vingerwijzing der Godheid zullen hebben aangemerkt, opende hun geheel nieuwe uitzichten. Indien Jezus in hun macht was, dan zouden zij groote haast maken om Hem terecht te stellen, nog voordat iemand daarover behoorlijk kon hebben nagedacht. De zaak werd beklonken. Judas nam dertig zilverlingen op afrekening, overtuigd dat de oversten des volks hem, na het volbrengen van de daad, nog wel een vorstelijke belooning zouden schenken. Hij ging naar buiten in het feestgedruisch, waaronder hij de stem van zijn geweten wist te smoren.

Jezus kwam tegen den avond in de stad. Zijn jongeren, die met uitzondering van Petrus en Johannes zich weder bij Hem gevoegd hadden, gingen met Hem door de feestelijke straten van Jeruzalem. Zij kwamen bij het aangeduide huis aan. Zij traden den hof binnen en beklommen, langs de woonkamers dei-bewoners, de trap naar het platte dak. Want de eetzaal was, zooals Lukas (XXII : 11 grondtekst) zegt, op het dak. De zaal besloeg de ééne helft, terwijl de andere een vrij terras aan-

ocr page 328

308

bood. De zon ging juist onder en de volle maan bescheen het vrije dak, waarop eene opening toegang gaf tot de eetzaal, waarin Jezus met de jongeren voor de laatste maal zouden aanliggen.

Jezus trad binnen en begroette de discipelen hier aanwezig. Het was een laatste rijksdag van een Koning, alvorens Hij ten strijde trok, waarin Hij zou vallen. Daar stonden zij, de getrouwen, die huis en hof, goed en bloed hadden verlaten om Hem te volgen. Daar stonden ook zij, de dankbare en getrouwe vrouwen, die evenzoo hunne woonplaatsen in Galilea hadden verlaten om bij Hem te vertoeven tot aan Zijn laatsten ademtocht. Een diepe ernst lag op het gelaat van Jezus, toen Hij binnentrad. Kon het ook anders ? Gisteren op den dag, de laatste heete strijd met de ongeloovigen; gisteren in den nacht, de treffende rede over de toekomst; dezen nacht, nog in te gaan — de laatste gang, de martelaarsweg, — de ernst dezer dingen kon den jonger niet worden verborgen. Hoe ernstig en toch feestelijk klonk heden zijn groet! Al konden zij niet vermoeden, dat heden voor het laatst de zon voor hun Meester was ondergegaan, toch waren allen beangst om Zijnentwil. Alleen Judas bleef ongeroerd. Een stille weemoed, een adem des afscheids, lag heden, niet alleen over de woorden van Jezus, maar ook over al Zijne daden. Hij alleen wist het, dat Hij in dezen tijd nimmer weder met Zijn jongeren zou aanzitten. Daarom zocht Zijn liefde altijd weer naar een uitdrukking, naar een gelegenheid om zich zoo innig mogelijk aan hen te openbaren. Daarom greep Hij de gelegenheid aan om hen allen achtereenvolgens de voeten te was-schen, als ware Hij hun dienstknecht. Het was, als wilde Hr, in deze handeling Zijn liefde doen overstroomen, als zocht Hij slechts een nieuwe gelegenheid om hun oog een bewijs Zijner liefde te geven. En als Zijn testament klonk Zijn vermaan, neen, zijn gebod, aan het einde der voetwassching, dat zij elkander voortaan even lief zouden hebben, als Hij hen steeds had liefgehad.

Buiten was het volkomen nacht geworden, toen zij aan tafel

ocr page 329

309

gingen. Door de geopende deur zag men de stad met hare ver. lichting. Ook in de eetzaal waren de lampen aangestoken.

Toen allen aanlagen, sprak Jezus diep geroerd; „Zoo is dai; de wensch Mijns harten, nog eens dit Pascha met u te eten vóór Mijnen dood, vervuld. Want, Mijne vrienden, de tijd, waarvan Ik u zoo dikwijls gesproken heb, is nu gekomen. Ik zal niet meer niet u eten, totdat Ik het doen zal in het koninkrijk Mijns Vaders.quot; En telkens weer weerklonken, terwijl zij aten, de meest verschillende uitspraken betreffende de aandoeningen, die Zijn hart vervulden, — weemoed daarover, dat Hij Zijn jongeren voorloopig moest alleen laten; vreugde. Zijn werk te zullen voleindigen; de blijde hope, weder te keeren tot Zijn eigenlijk te huis. Aandachtig werden Zijne woorden aangehoord. De gedempte toon der gesprekken wekten een voorgevoel van zware beproe. vingen. Ook de vrouwen uit Galilea namen ongetwijfeld deel aan den maaltijd. Maria, de moeder van Jezus, zat met bleek gelaat mede in de zaal. Ofschoon Maria in Bethanië de aankondiging van Zijn dood reeds met ernst had vernomen, een moederhart luistert scherper en zij zal wel het meest voor Hem hebben gebeefd. Maar zij had geleerd zich te beschouwen, niet meer als Zijn moeder alleen, maar als discipelin, als lid van Zijn geestelijke familie, die zich rondom Jezus had verzameld. Daarom treedt zij, gelijk de andere discipelinnen, in de evangelische berichten op den achtergrond. Eerst aan den voet van het kruis komt zij weer heldhaftig te voorschijn.

De maaltijd werd in den aanvang in den gebruikelijken vorm van het paaschmaal gehouden. De aanzittenden onderhielden zich na het gebed en de psalmen groepsgewijze met elkander. Daar begon Jezus onverwachts te spreken met bijzonderen ernst. Reeds sedert eenigen tijd had Hij besloten aan de gebruiken van den gemeenschappelijken maaltijd een plechtigheid toe te voegen ter bevestiging van de eeuwigdurende gemeenschap met de Zijnen, door Zijn dood aangebracht. Hij wilde met hen een nieuw, onverbreekbaar verbond sluiten en, gelijk in het Oosten

ocr page 330

310

ook nog in onzen tijd, het sluiten van elk verbond steeds werd bezegeld door een gemeenschappelijken maaltijd, waarop het geslachte lam niet mocht ontbreken, alzoo werd ook deze vorm de vaas, waarin het hoogste en het meest ontastbare, voor alle eeuwen werd saamgevoegd. Hetgeen Hij heden Zijnen jongeren te zeggen had, was zoo gewichtig, dat enkel woorden door Hem niet voldoende werden geacht. Hij gebruikte daartoe, zooals reeds eergisteren bij de vervloeking van den vijgeboom, eene handeling als gelijkenis. Zoozeer was Hij vervuld met gedachten des doods, dat zelfs de maaltijd voor Hem een gelijkenis van den dood was. Hij nam een der platte, dunne brooden en zegende het. De jongeren zagen dit aandachtig aan. Hij brak het brood in tweeën en zeide: „Ziet, alzoo zal Mijn lichaam nu worden verbroken!quot; Neemt en eet dit gebroken brood, want aldus zult gij de vrucht van dit verbreken van Mijn lichaam genieten. Voor u geschiedt het. Vergeet het nimmer! Komt ook later te zamen, gelijk wij heden te zamen zijn en herinnert elkander dan, dat het lichaam van uwen Meester, voor u is verbroken geworden.quot;

Dood! Over den dood sprak Hij telkens weder. Reeds eergisteren had Hij zoo ernstig op Zijn naderenden dood gewezen en hedenochtend had Hij openlijk gezegd, dat Hij op het Paaschfeest, dat morgen aanving, zou worden gedood. (Matth. XXVI: 2.) Nu, na deze aanwijzing, — nog duidelijker en meer aanschouwelijk, — dat Zijn lichaam zou worden verbroken, werd de stemming der jongeren steeds ernstiger en angtiger. Dat dit voedsel, dat zij uit Zijn hand ontvingen, dat dit brood en die wijn, die in uit-wendigen zin voor hen in vleesch en bloed overging, alsnog de grootste, de diepste beteekenis moest verkrijgen, in zooverre Hij zelf met Zijn hemelsche, zonde en dood overwinnende levenskracht, in geestelijken zin, vleesch en bloed in hen zou worden, dit begrepen zij in deze bange ure nog niet. Dit vertelde hun Gods Geest eerst later. Voor het oogenblik werden zij geheel be. heerscht door deze enkele gedachte, dat Hij, die hen zoo kalm

ocr page 331

311

aanzag, zóó vast besloten, zóó onbevreesd voor Zijn verschrikkelijk lot, voor hen moest sterven en dat Hij dit zoo vrijwillig zou doen.

Jezus zag ook diep geroerd Ziin kleine gemeente aan, met welke Hij, en — Hij wist dat het gebeuren zou — de wereld wilde veroveren. Hij gaf toch Zijn lichaam niet alleen voor hen, maar achter deze weinige jongeren aanschouwde Hij reeds de duizenden en millioenen in de Christelijke Kerk de eeuwen door. Daarom zeide Hij later; „Voor u en voor velen.quot; Jezus bleef Judas aanzien. Deze aanblik ontroerde Hem diep. Ook dit laatste bewijs van liefde, liet Judas koud, onaangedaan. Het was niet meer mogelijk hem te redden. Nu kon Jepttg* den verrader, die daar te midden Zijner jongeren zat, — onbeschaamd, spionneerend, zelfs door Jezus\' liefde zich nog niet ontmaskerd gevoelende, — in deze laatste uren niet langer in den kring dulden. Aan dezen onzuiveren toestand moest een einde worden gemaakt. Daarom vervolgde Hij met diepen weemoed: „Gij, Mijne jongeren, zult het niet kunnen gelooven. maar Ik zeg u, dat Ik heden door verraad sterven zal en — de verrader is onder ulieden!quot;

Doodelijk verschrikt zagen de jongeren Jezus aan. Wel wisten zij, hoe in deze dagen de toestand was; dat het, naar menschelijk inzicht, dolzinnig zou zijn, indien Jezus zich openlijk in den tempel waagde; dat Hij in den ban was gedaan, dat Zijn dierbaar hoofd aan eiken verrader was prijsgegeven. Maar dat de verrader in hun midden zich zou bevinden, dit trof hen als een onverwachte donderslag. Geen van hen achtte een ander tot deze boosheid in staat. Zij twijfelden niet aan een ander, slechts aan zich zeiven. „Ben ik het? Ben ik het?quot; riepen zij van alle zijden tot hun Heer, die rustig Zijn jongeren aanzag en wellicht den angstig vragenden door hoofdschudden ontkennend beantwoordde.

Een hunner had aanvankelijk gezwegen. Het was Judas, voor wien dit tooneel uiterst pijnlijk was. Voor zichzelven had hij wel zekerheid. Hii ging nu bergopwaarts, — de Galileër, op Wien hij

ocr page 332

312

eens zijn hoop gevestigd had, ging bergafwaarts. Om die reden had hij dan ook zijn vaartuig losgemaakt van het zinkende schip. En daarvan was hij zóó overtuigd, dat hij alsnog geloofde, dat Jezus hem nog niet doorgrond had. dat Deze er nog onbewust, van was, dat hij als spion in dezen vertrouweliiken kring verkeerde en hij slechts toeschouwer van de voetwassching en van de zinnebeeldige breking des broods was geweest. Hoe pijnlijk deze laatste openbaring van Jezus dan ook voor hem was, toch wilde hij zijn masker nog niet afleggen. Nu allen spraken, kon hij niet zwijgen. Ook hij vraagt dus aan den Heer, koud en schaamteloos: „Ben ik het, Rabbi?quot; Toen antwoordde Jezus zacht, opdat de anderen het niet zouden hooren, met een ernstigen, treuri-gen blik: „Ja, gij zijt het!quot; Ook aan Johannes en Petrus had de Heer Zijn verrader door een teeken aangeduid. Judas voelde, dat zij hem vol ontzetting aanzagen. Tot nu toe had hij met hen het Godsrijk gepredikt! Nu werd het zelfs Judas ondragelijk in dezen kring. De vloer brandde onder zijne voeten. Hij gevoelde, dat hij hier niet meer te huis behoorde. Was hij maar buiten! Jezus kwam hem hierin te hulp. Luide zeide Hij hem, zoodat allen het verstaan konden: „Wat gij doet, doe dat haastelijk.\' Toen stond Judas op en ging terstond uit. Hij nam geen afscheid van zijn Meester. Het was avond omstreeks half acht. Zijn weg leidde naar den hoogepriester. Deze was nu zyn nieuwe meester. Indien Jezus hem doorgrond had, dan moest hij spoedig handelen. Nog hedennacht, zoo mogelijk aan den paaschmaaltijd, moest Jezus worden gevangengenomen, anders zou de geheele aanslag mislukken.

De avondmaaltijd was afgeloopen. Diepe ernst toekende het gelaat der dischgenooten, zoowel als de gesprekken. Toen nam Jezus nog eenmaal met beteekenisvollen ernst den drinkbeker, waaruit men gemeenschappelijk gedronken had, Hij vulde dien en dankte. Eene diepe stilte ontstond in de eetzaal. Toen sprak Hij: „Neemt dezen drinkbeker en drinkt allen daaruit. Ziet, gelijk Ik dezen wijn heb uitgegoten, alzoo zal nu Mijn bloed worden

ocr page 333

313

vergoten. Drinkt dien, alsof het reeds Mijn vergoten bloed ware. Want dat wordt vergoten voor u en voor vele anderen.quot; En wederom zag Hij die ontelbare schare van hen, die in den loop der eeuwen, door de kracht van Zijn vergoten bloed, zich zouden aansluiten aan dezen kleinen kring. Daarna zag Hij Zijn jongeren aan en sprak; „Voor u wordt Mijn bloed vergoten. Vergeet dit nimmer ! komt ook later te zamen, gelijk wij hedenavond samenkwamen. En als gij dan uitgegoten wijn zult drinken, denk dan aan Mij en aan Mijn vergoten bloed, aan Mijn dood te uwer verlossing!quot;

De inzetting van het avondmaal had den geest aangegeven, iu welken Jezus verder den geheelen avond met Zijne jongeren sprak. Het was de taal van een vader, die van zijne kinderen afscheid neemt. Toch zal Hij hen niet alles hebben gezegd, wat Hij te zeggen had, — hier in de opperzaal midden in de stad. Indien Judas Hem hier niet zou overvallen, dan moest Hij vroeg vanhier gaan en wel niet lang na 8 uur. Indien Hij hier in de stad zou worden gevangengenomen, zou het den schijn hebben, alsof Hij overrompeld ware geworden en Hij zich had geschikt in het onvermijdelijke. Daarna wilde Hij de gerechtsdienaren afwachten in Gethsemané, de plaats vanwaar Hij gemakkelijk had kunnen ontvluchten, waardoor alzoo de vrijwilligheid van Zijn lijden voor vriend en vijand een ontwijfelbaar feit moest zijn.

Zij verlieten aldus het huis, waarin zij zich bevonden en vervolgden op straat hun gesprek, dat bijna uitsluitend door Jezus werd gevoerd. Duidelijk had Hij het uitgesproken, dat Hij ging sterven, dat zijn lot nog hedennacht zou worden beslist; Hij liet niets onbeproefd om hen te overtuigen, dat de vreeselijke gebeurtenissen, die reeds binnen een paar uur zouden plaats vinden. Hem niet onverwachts overvielen, maar dat alles door Hem was vooruitgezien, dat alles was opgenomen in het goddelijk plan. En hoeveel vertroostends, hoeveel bemoedigends had Hij hun te zeggen! Hij verklaarde hun Zijn heengaan van de heuglijkste zijde. Hij verzekerde hun, dat dit heengaan hoogst

ocr page 334

314

gewenscht was en veelmeer een oorzaak was tot blijdschap dan tot droefheid. De verheven kalmte, de vertroostende vriendelijkheid van Jezus was zoo groot, dat zij niet konden gelooven, dat Hi] den dood te gemoet ging. Hij sprak met dezelfde gewisheid tot hen van het koninkrijk, dat Hij voor hen had weggelegd, waarin Hij voor hen vorstelijke plaatsen had bereid, als van het feit, dat nog in dezen nacht zij allen Hem zouden verlaten. Hij verkondigde hun met dezelfde kalmte de ontwijfelbare voleinding van Zijn wereldheerschappij, zoowel als het feit, dat acht tot veertien dagen na het ophanden zijnde feest, als de storm zou hebben uitgewoed, zij allen in Galilea Hem zouden wederzien. Want al wist Hij ook, dat in dezen nacht in de eerste verwarring allen Hem zouden verlaten en allen aan Hem zouden geërgerd worden, Hij wist even zeker, dat hun geloof, door dezen storm zelf, zou toenemen. Eeeds een half jaar geleden had Hij er van getuigd aan Petrus, die dezen nacht het diepst zou vallen en aan de overige discipelen, dat hun geloof zóó vast stond, dat zelfs de gevreesde poorten des doods, die Hij nu op het punt was door te gaan, de kerk, die daarop zou worden gegrondvest, niet zouden overweldigen. Op deze blijde gewisheid van Jezus berusten al de heerlijke woorden, die Hij op dezen tocht tot afscheid sprak en die Johannes in zijn XVe en XVI® hoofdstuk voor ons heeft opgeteekend. Daarom is ook het slot van al die redenen, die gehouden werden op den stillen, nachtelijken tocht, vol beteekenis en verhevenheid. Voor Jezus en de Apostelen beiden was het de verhevene afsluiting van het Jon-gerschap. De jongeren besluiten dan ook, na de openbaringen aangaande Zijn dood, het ontvangen onderwijs met de verklaring1 „Wij gelooven, dat Gij van Gfod zijt uitgegaan!quot; en Jezus plaatst daarachter, diep maar blij geroerd, zijn laatste point final: „Ja, nu gelooft gij!quot; (Joh. XVI : 30 en 31.)

Onder deze redenen was Jezus aangekomen aan den voet des bergs, in de nabijheid van de beek Kidron (Joh. XVIII : 1). Hier bleef Hij staan, gelijk een vader bij het afscheid nog eens uit

ocr page 335

315

de diepte van zijn gemoed met zijn kinderen bidt, alzoo bidt Jezus nog eenmaal met Zijn jongeren. Daar staat Hij met hen in het zilveren maanlicht, vóór zich het diepe, stille Kidrondal, terzijde van zich de Olijfberg en de tempelberg, boven zich Gods heldere hemel; daar doet Hij dat heerlijke hoogepriesterlljke gebed, waarbij wij ons buigen in aanbiddelijken eerbied en waarin wij neerblikken als in de onmetelijke diepte van de zee der goddelijke liefde. Het is als een Psalm, die vol kalme majesteit klinkt uit de diepte der eeuwigheid, alvorens de donkere poorten van lijden en dood zich voor Jezus openen. Het is, alsof de schrille wanklanken dezer arme aarde reeds zijn opgelost in de zalige harmonie des eeuwigen vredes, alsof de poorten der eeuwige heerlijkheid zich reeds openden om na den stormachtigen loop der wereldgeschiedenis, het verloste, verheerlijkte menschdom op te nemen in de onuitsprekelijke vreugde der volle gemeenschap Gods. Het was het aangriipend besluit van het leeraarsambt des Heeren, het lang — naklinkende amen, dat den jongeren, hun leven lang, door de ziel trilde als een stem uit het Paradijs.

Gethsemaué.

Zwijgend ging Jezus met Zijn discipelen over de beek Kedron (Joh. XVIH : 39). Zwijgend beklommen zij daarbij den Olijfberg en gingen naar Gethsemané. (Luk. XXII: 39.) Langs denzelfden weg, waarop Jezus des Maandags met zooveel gejuich was ingehaald geworden. De ommuurde tuin, waarin een huis stond, was zeer uitgestrekt en gemakkelijk konden twee groepen van jongeren op verschillende plaatsen zich nederzetten, zonder iets van elkander te bespeuren. Zij traden binnen door de poort in den ringmuur.

Tot nu toe had Jezus nog niet aan zichzelven gedacht. Zijn jongerental. Zijn arbeid, had Zijn ziel geheel vervuld. Hiermede had Hij nu afgedaan. Hij had hun alles gezegd, wat Hij had voorgenomen hun te zeggen. Hij had hun aanbevolen in de hoede

ocr page 336

316

van den Hemelsclien Vader. Nu eerst had Hij tijd aan zich zeiven te denken. En nu eerst in deze nachtelijke eenzaamheid viel op Hem de volle zwaarte van de gedachte aan Zijn naderenden dood. Ook Hij moest den cijns betalen aan Zijne men-schelijke natuur. De jongeren zagen Hem verschrikt aan. De indrukwekkende kalmte was plotseling geweken. Hij begon te beven en angstig te worden als een ongelukkige, die terugschrikt voor een dreigend gevaar. Ik ben „zeer beangst,quot; zeide Hij tot Zijn drie meest getrouwe leelingen en verzocht hun, met hen terzijde te gaan. Spoedig verlaat Hij hen weder en begeeft zich eenige honderden schreden verder. Als een verbroken, hulpeloos man knielt Hij neder, met het aangezicht ter aarde. Zij hooren duidelijk Zijn gebeden en smeekingen, met sterke roeping en tranen. (Hebr. VI: 7.) Zij hooren de woorden: „Vader! indien het mogelijk is. laat dezen drinkbeker voor mij voorbijgaan!quot;

Nu was het met de rust der jongeren gedaan. Kinderen kunnen bij een ongeluk lang opgeruimd blijven, maar als de vader begint te weenen, dan zijn zij hun steunpunt kwijt. Aldus was het ook met de jongeren. Ondanks de bange voorspellingen hadden zij zich goed gehouden, ziende op de volkomen kalmte en zielsrust van hun Meester. Toen echter Jezus neerzeeg, liep ook bij hen de maat van jammer en ellende over. Sterven? sterven? Als een centenaarslast lag deze vraag hun op het hart. Een onoplosbaar, duister raadsel was het hun. G-een enkele lichtstraal viel in dien nacht in hunne ziel om hen te doen gevoelen, waarom hun Meester, van wien zij zooveel gehoopt hadden, sterven moest. Hoe kon Hij nu de Verlosser van het volk worden? Hoe kon Hij Gods Zoon zijn, als God Hem in het hachelijkst oogen-blik aan Zijn lot overliet? Alles, alles, was voorbij. Er is een zekere verdooving der smarte, die gedachteloos maakt, die nog slechts dommelend voortwoekert en de golven van het vreeselijk lot, zonder verzet over zich laat rollen. quot;In zulke uren van troos-telooze vertwijfeling worden de ledematen zwaar als lood, totdat het lichaam wegzinkt in eene onrustige, bange sluime-

ocr page 337

317

ring. In zulk een slaap vielen ook de jongeren (Luk. XXII: 45).

Inmiddels streed Jezus alleen den zwaren zielestrijd. Jezus bad en bad al ernstiger. Het gold hier, na een leven vol miskende en versmade liefde, zich te vereenigen met het goddelijk besluit der hoogste liefde, het gold hier, het laatste besluit te nemen, vrijwillig te sterven. In Gethsemané dronk Jezus niet den drinkbeker zeiven, maar Zijn besluit moest worden genomen, om dien beker morgen te drinken, vrijwillig en gehoorzaam.

Vrijwillig! Dit moest het opschrift zijn boven elke schrede tus-schen Gethsemané en Golgotha. Daarom mocht Hij niet in de stad worden gevangengenomen, maar in Gethsemané. Hadde Hij daar willen ontvluchten, dan stonden alle wegen voor Hem open. Maar dit wilde Hij niet en zoodoende trad de vrijwilligheid van Zijn zelfovergave in het helderste licht.

Deze vrijwilligheid kostte Hem echter veel. Hij moest die op Zijn menschelijke natuur bekampen. Menigmaal in Zijn leren zal de derde bede van het „Onze Vaderquot; Hem zwaar gevallen zijn, — voorzeker nimmer zoo onuitsprekelijk zwaar als in dezen nacht. Waarin bestond deze strijd, die Zijn geheele persoonlijkheid als op hare grondvesten deed schudden? Zou het slechts de sombere vrees voor den dood zeiven zijn geweest? Maar dan zou menig soldaat, die voor het vaderland zijn leven waagde, Hem in onverschrokkenheid hebben overtroffen. Neen, het was de zwaarste strijd der liefde en de zwaarste strijd des geloofs, dien Hij in Gethsemané te strijden had.

Wie voor zijn vaderland sterft, weet dat zijn dood niet tevergeefs zal zijn, weet, dat hij door den inzet van zijn leven, bijdraagt tot de redding van zijn vaderland. Achter zich ziet hij een dankbaar juichend volk, voor zich den heerlijken prijs des vredes. Had ook Jezus in die uren, in Gethsemané doorleefd, zulk eene schoone verwachting? Naar den mensch gesproken, — en Zijne menschelijke natuur moest dezen twijfel bestrijden — geen zweem of schaduw daarvan. Achter Hem lag de Sisyphus-arbeid van een

ocr page 338

318

vruchteloos leven. Het volk, tot welks redding Hij gekomen was, maakte zich gereed Hem ter dood te brengen. Zijn getrouwe jongeren waren op het punt om als verbijsterd Hem te verlaten; hun woordvoerder was op het punt met eedeu en zelfver-vloeking zijne gemeenschap met „dezen menschquot; te loochenen; één van hen was op weg om Hem over te leveren in de handen Zijner vijanden. Dit was dan het resultaat van Zijn leven vol grootheid van geest, vol onbaatzuchtige liefde en opoffering. De ellendigheid van het menschdom in haar geheele diepte, stond Hem in die uren voor oogen. En daarvoor zou Hij sterven? Was dat nu iets van den zoeten dood voor het Vaderland? De meest ge. vaarlijke beproeving, die groote geesten dikwijls ondervinden, namelijk om de menschen te verachten in plaats van hen lief te hebben, zal in die ure Zijn hart wel hebben bestormd. Neen, het gold niet de overwinning op het natuurlijke beven voor den gru.w-zamen dood. Het was de strijd der liefde. Zijn liefde zou haar grootste zedelijke waarde hetben gemist, als Hij in haar slechts de natuurlijke neigingen had gevolgd, als Hij niet eerst in den moeielijksten strijd dit had veroverd: liefde te hebben ook tegenover de zwartste ondankbaarheid, liefde tot in den dood, zelfs tegenover de grootste zonde.

Maar het was ook een strijd des geloofs. Al het werk Zijns levens scheen mislukt te zijn. Waar waren nu de groote beloften en verwachtingen, die reeds boven Zijn kribbe waren bezongen? Was het niet Zijn bestemming geweest het geslacht der menschen te verlossen en tot het einddoel te voeren? Was dit nu de weg om daartoe te komen? Hoe grooter de aanleg eens menschen is, hoe grooter de verzoekingen zijn, die hij te weerstaan heeft. Hij toch was de grootste Geest, die ooit in een sterfelijk lichaam heeft gewoond. Hij was voorzeker de Man om over „alle koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheidquot; te heerschen. Dit was Hem voor twee jaren reeds gezegd door den verleider, daar buiten op de bergen der woestijn, daarboven op de tinne des tempels. (Matth. IV ; 8 en 9.)

ocr page 339

319

Hij had de geniaalste heerscher kunnen zijn. die de wereld ooit had aanschouwd. Grooter dan een Alexander en Caesar, had Hij den schepter kunnen zwaaien. Hij had bewezen de schitterendste gaven, de diepste menschenkennis te bezitten. Dit alles stond Hem alsnog ten dienste, tot dit alles stond Hem alsnog de weg open — maar als Hij nu morgen sterven zou? Dezelfde verleider van weleer beproefde het in dezen nacht nog eens, Hem afvallig te maken van Gods wegen. Heden gebruikte hij andere wapenen. Vroeger waren het zoete vleierijen, toezeggingen van een gouden toekomst in den tooverglans van aardsche heerlijkheid. Heden waren het de sombere aanvechtingen van den twijfel aan de eenige goedheid en wijsheid van den wil Gods. De oude ^tem uit het Paradijs werd wederom gehoord; „Zou God dit hebben gesproken? Zou God inderdaad niet een anderen weg kennen om de wereld te redden, dan dezen bloedigen, gm-welijken weg? Moet Uw dood de weg zijn om het menschdom zalig te maken? En Gij, de meest begaafde, de grootste Geest onder dit armzalig geslacht, Gij weet niets beters te doen, dan U als een dienstknecht te bukken, U als een lam te laten slachten, terwijl Gij als Koning over allen en alles zoudt kunnen heer-schen! Zult Gi], zonder iets te hebben bereikt, zonder Uwe bestemming te hebben vervuld, smadelijk het tooneel verlaten, met smaad en hoon overdekt te gronde gaan, als iemand, die door God verlaten is — zou God inderdaad . ?

Deze strijd des geloofs was nog grooter dan die der liefde. Want met gene, was ook deze beslist. De gansche macht dei-duisternis stormde op Zijn ziel los. De nadering van dat vree-selijk rijk der duisternis gevoelde Hij op gruwzame wijze. (Luk. XXII : 53.) Het kostte Hem Zijn laatste kracht om Zijn geloof onder deze aanvechtingen staande te houden. (Luk. XXII : 43, 44.) Al duisterder en duisterder spreidden vreeselijke twijfelingen hunne schaduwen uit over Zijn worstelenden Geest en dreigden de helderheid Zijner ziel te verstoren. Het gevaar werd reusachtig groot, dat het gansche verlossingswerk nog ter elfder

ocr page 340

320

ure zou falen, dat de zedelijke strijd, door Jezus Zijn levenlang zoo heldhaftig gestreden, om zich volkomen te onderwerpen aan den wil des Vaders, op het laatste oogenblik nog werd losgelaten. Hij zocht ernstig naar de mogelijkheid om een anderen wil dan den wil Zijns vaders te volgen. Langs dezen vree-selijken afgrond werd de groote strijd in Gethsemané gevoerd.

Als Hij nu eens niet overwon ? Als Hij zich nu eens niet onderwierp aan den wil Zijns Vaders? Eerst als wij een blik durven slaan in de gevaarlijke diepte van dezen afgrond, dan gevoelen wij, dat de strijd van dezen „Sterken Heldquot; zoo ontzaglijk zwaar was, dat hij den Strijder ook lichamelijk zoozeer afmatte, dat diens zweet als bloeddroppelen ter aarde viel. Eerst als wij denken aan de mogelijkheid eener mislukking, dan gevoelen wij dat aan die oogenblikken geheele werelden hingen, dat de strijd in Gethsemané aan den vooravond van het lijden voor den geest nog veel meer aangrijpend was, dan aan het kruis zelf. Gansch de onzichtbare wereld was in ademlooze spanning over den uitslag van dezen strijd, gedurende welken het vraagstuk der wereldgeschiedenis korten tij d onopgelost bleef. Hemel en hel waren de toeschouwers van dien zielsstrijd in Gethsemané. De vertegenwoordigers dier beide werelden vinden wij dan ook in het strijdperk.- (Joh. XIV : 80; Luk. XXII : 43.)

Eerst als wij denken aan de mogelijkheid eener mislukking van het geheele verlossingswerk, dan verstaan wij ook den juichtoon, die niet alleen de onzichtbare, maar zelfs de rede-looze, zichtbare Schepping doortrilde, toen op den volgenden dag de zege werkelijk behaald werd, toen de Gekruisigde Zijn verwinnend; „Het is volbracht!quot; uitriep, het hoofd boog en den geest gaf. Het gedruisch der sidderende aarde, het gekraak der scheurende rotsen is als het kanongebulder na den gewonnen slag, dat aan de verloste wereld de zegepraal aankondigt, terwijl de overwinnaar zelf in andere sferen zich ophoudt. Eerst met het oog op den geweldigen ernst van dezen strijd verstaan wij den juichtoon van die liederen der overwinning in de Open-

ocr page 341

321

baring van Johannes (V : 5, 9—14): „Zie. Hij heeft overwonnen, de Leemv, die uit den stam van Juda is. Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging in alle eeuwigheid!quot; Men kan de beteekenis van „het Lam, dat de zonde draagt,quot; op zeer verkeerde manier overdrijven. Juist omdat Hij in heldenmoed een leeuw was, daarom was het voor Hem des te moeilijker en kostte het des te meer strijd om zich, stemmeloos als een lam, ter slachtbank te laten leiden. Juist omdat Hij de dapperste onder de dapperen was, daarom is het zoo aangrijpend. Hem later zoo zwijgend, zoo zonder tegenspraak, zachtmoedig en overgegeven te zien op Zijn lijdensweg.

In Gethsemané echter streed Hij nog om deze overgegevenheid. Hij streed een goeden strijd. quot;Wel zocht Hij met siddering een anderen weg, zooals wij zien uit Zijn gebed. Zijn volkomen zegepraal bestond daarin, dat Hij geen enkel oogenblik er aan dacht dien anderen weg te zoeken huiten God. Wel zocht Hij naar de mogelijkheid, of er niet ook een andere weg bestaan kon om het menschdom zalig te maken, maar Hij zocht dien slechts binnen den kring der goddelijke mogelijkheden. Twee dingen hielden Hem in die ure staande, de Schrift en het Gebed. „Opdat de schrift vervuld worde,quot; hiervan week Hij geen haarbreedte af, gelijk ook Zijne woorden tot de discipelen en tot de gerechtsdienaren bewijzen. In de Schrift toch vond Hij den wil des Vaders, als den eenigen wegwijzer voor Zijn leven. Hij moest immers zijn in de dingen Zijns Vaders; dit had Hij reeds als twaalfjarige Knaap daarboven in den tempel gevoeld. En wie in de Schrift zoekt, die vindt. Den Zoekende zal langzamerhand het licht uit de profeten vertroostend zijn opgegaan. Als Hij dacht aan Zijn smadelijken dood, zal dit woord uit den ouden tijd Zijn weg plotseling zonhelder hebben verlicht: „Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een Man van smarten en verzocht in krankheid. Wij achtten Hem, dat Hij geplaagd,

21

ocr page 342

322

van God geslagen en verdrukt was. Maar de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing gewordenquot; (Jes. LUI). En aldus kwam Schriftwoord op Schriftwoord aan Hem voor den geest, totdat de geheele gouden sterrenhemel van lichtgevende G-odswoorden door den donkeren wolkensluier heenbrak en Hij Zijn weg wederom helder en afgebakend voor zich zag.

Het ander middel, dat Hem staande hield, was het gebed. Onbepaald klemde Hij den staf vast, met welken alleen Hij dit donkere pad kon bewandelen, n.1. het gebed. De jongeren hoorden daarvan niet veel. Zij sliepen. Slechts toen Jezus bij hen kwam en onder grooten quot;angst en zielesmarte hulp en troost bij hen zocht, ontwaakten zij en hoorden de eerste woorden van Zijn gebed. Hetgeen zij hoorden, gaf hun den diepsten indruk eerst voor later. Nog lang daarna verhaalden zij in den kring der jongeren, hoe Hij luide bad en smeekte, terwijl Zijn tranen stroomden. (Hebr. V : 7.) De, evangelist Mattheüs doet ons op het lui-delijkst zien, hoe Jezus in Zijn gebed verzonken was en hoe Hij in de vrijwillige overgave aan den onfeilbaren wil Zijns Vaders, helderheid, kalmte en vastheid van geest terugvond.

Aldus bevocht Hij in zwaren strijd de heerlijkste overwinning. De eerste verzoeking der eerste menschen had eens de poorten van het Paradijs voor het menschdom gesloten. De laatste verzoeking van Jezus Christus en Zijne overwinning ontsloot de poorten van het paradijs weder. Hetgeen eenmaal het eerste menschen-paar in eigen kracht zonder God door ongehoorzaamheid hadden verloren, dat herwon Hij nu door Zijn volkomene, heldhaftige gehoorzaamheid. In den hof van Eden had den mensch zijn grootsten schat verloren, in den hof Gethsemané werd die herwonnen, in den hof van Jozef van Arimathea op den heerlijken Pamp;ascli-morgen wederom in bezit genomen.

Na de laatste vreeselijke crisis naderde dan het wonderbare werk der verlossing, dit geheim, waarin de Engelen „begeerig waren in te zien,quot; — zijn volmaakte voltooiing. De aanslagen

ocr page 343

323

van den Vorst der duisternis werden verijdeld. Het meesterstuk der zonde, dat door de moordplannen der menschen jegens den Zone G-ods, de laatste band tusschen God en mensch zou zijn verbroken, werd nu door Gods hand, door het meesterstuk der Goddelijke liefde, de vrije overgave Zijns Zoons voor de verlorene wereld, de zelfovergave van den goeden Herder voor Zijne schapen, vernietigd. Te gelijker tijd gaf Jezus in dien nacht voor alle eeuwen aan Zijne volgelingen het volmaakte voorbeeld tot overwinning van alle aardsche machten. Biddende nam Hij het vaste besluit te gelooven zonder te aanschouwen; den weg Zijns Vaders te gaan ook zonder dien te begrijpen.

Wonderbaarlijk gesterkt door het gebed, stond Jezus op. Zijn gebed was verhoord geworden. Hij had ervaren, wat duizenden Zijner discipelen na Hem ondervonden hebben, dat het zwaarste gedeelte van het kruis reeds is afgenomen, als het besluit is genomen, dat kruis aan te nemen uit Gods hand. Hij had ondervonden, hetgeen duizenden Zijner discipelen na Hem ondervonden hebben, dat de staf des gebeds, zelfs in het grootste lijden een wonderstaf wordt, die den moede nieuwe kracht geeft en de zekere gewisheid schenkt, dat, zoolang wij rusten in Gods hand, de dreigendste toekomst ons ten slotte het beste en begeerlijkste brengt. Hij was verhoord geworden, want Hij had gebeden, dat de wil Zijns Vaders geschieden zou en Hij had de inwendige vreugde gesmaakt, die het gevolg is van de onderwerping aan dien heiligen wil.

Toen Jezus voor de laatste maal tot de slapende jongeren ging, vernam Hij waarschijnlijk reeds in de verte stemmen en het geluid van vele voetstappen. Van den kant van Jeruzalem naderde fakkellicht, dat zijn gloed op den ringmuur van den hof wierp. „Slaapt nu voort en rust,quot; sprak Hij; „de ure is nabij gekomen en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.quot; Nog zagen de ontwakende jongeren slaapdronken hun Heer aan, toen plotseling het welbekende gelaat van Judas, die menigmaal hier met hen den nacht had doorge-

ocr page 344

324

bracht, zich aan hun oog vertoonde. Toen hij Jezus niet meer in de opperzaal vond, had hij zich hierheen begeven, waar hij zeker wist Hem te zullen aantreffen. Niet slechts de soldaten van de hoogepriesterlijke tempelwacht, maar ook eene afdeeling der Romeinsche escorte van Pilatus, met een officier, waren met Judas meegekomen, (Joh. XVIII : 12.) De verschrikte pas ontwaakte jongeren zien zich plotseling door gewapende mannen omringd. De brandende fakkels verlichten flikkerend de olijfboo-men, de geheele groep en het kalme gelaat des Heeren. Met indrukwekkende majesteit treedt Hij den troep te gemoet en maakt zich bekend. Een deel dezer lieden had voorzeker reeds in de laatste Octobermaand de opdracht gehad Hem gevangen te nemen. Maar door de macht van Zijne persoonlijkheid aangegrepen, hadden zij zelfs niet één poging daartoe durven wagen. (Joh. VII: 45.) Ook dezen nacht ging het hun evenzoo. Toen Jezus hun te gemoet trad met eene koenheid, die zij bij een gevangenneming nog nimmer hadden zien toonen, zullen zij zich ie vroegere opdracht, den overweldigenden indruk Zijner woorden en alle groote dingen, die Hij in het land gedaan had, wel hebben herinnerd — althans zij weken verschrikt terug, als durfden zij zich niet aan een zoo verhevene verschijning vergrijpen. Het kon-stondig wapengekletter, dat Petrus veroorzaakte, riep hen echter tot hun plicht als soldaten. Ook zullen de soldaten der Romeinsche cohorte wel vrij zijn gebleven van den onwillekeurigen inwendigen schrik der Joodsche manschappen van de tempel-wacht. Zij omringden Jezus en bonden Hem. De inwendige kalmte en de zekerheid van inzicht in de Schrift, die Jezus in het gebed had verkregen, spiegelt zich duidelijk af in de laatste woorden, waarmede Hij van Zijn jongeren afscheid neemt en hen nog eenmaal wijst op de Schrift: „Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het aldus geschieden moet!quot; (Matth. XXVI : 54.)

Toen liet Jezus zich de handen binden. De gerechtsdienaars hadden zeker nog wel nooit iemand in hechtenis genomen.

ocr page 345

325

wiens gevangenneming zoozeer den stempel droeg van vrijwillige overgave. Terwijl zij Hem bonden, zeide Hij rustig tot hen: ,;Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar met zwaarden en stokken om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u leerende in den tempel en gij hebt Mij niet\' gegrepen!quot; En dan nog eens hoorden de jongeren een woord, dat ons leert, door welk licht Jezus in dien nacht innerlijk verlicht werd, dat Hij ook voor hen nog eenmaal wilde doen lichten: „Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden.quot;

Toen vluchtten al de discipelen Hem verlatende. Jezus Was gebonden en werd weggeleid. Judas bleef alleen in Gethsemané achter als door een electrischen schok verlamd. Die laatste zachtmoedige woorden van Hem, in Wiens nabijheid hij zoo menige zalige ure had doorleefd, brandden als hellevuur op zijn geweten. Hij zag, hoe de fakkeloptocht den Olijfberg verliet en zich voortbewoog in het Kidrondal, den weg nemende naar het Zuid-Oosten der stad. De worm begon aan zijn hart te knagen, aan het hart van hem, van wien Jezius, zijn voormalige Meester, weinige uren geleden, met droefheid gezegd had: „Het ware dien mensch beter geweest niet geboren te zijn.quot; Het moeten vree-selijke uren zijn geweest, waarin elke flauwe schemering van hoop op genade werd beantwoord door het hoongelach der hel, totdat hij het den volgenden morgen niet langer kon uithouden en heenging „naar zijne eigene plaats.quot;

IN HET PALEIS DES HOOGEPMESTERS.

In het hoogepriesterüjk paleis, ten Westen van den tempel gelegen, vinden wij in het late avonduur den Joodschen raad bijeen. De vergadering was nagenoeg voltallig. Jozef van Arimathéa (ontbrak Luk. XXIH: 5). Ernstige beraadslagingen werden gehouden betreffende de vraag, wat men doen zoude met Jezus

ocr page 346

326

van Nazareth. Tot nu toe was het wachtwoord geweest: „Niet op het feest!quot; Maar een allergelukkigste wending, een tastbare wenk der Voorzienigheid had dit voornemen onnoodig gemaakt. Nu werd het wachtwoord: „Nog heden!quot; Er had zich een ongezochte en onverwachte gelegenheid aangeboden om Jezus nog dezen nacht gevangen te nemen en deze mocht niet ongebruikt worden gelaten. Judas had hun verzekerd, dat niemand anders bij Hem üijn zoude, dan de elf Galileërs. Om mogelijken tegenstand van dezen krachteloos te maken, was de uitgezonden schare meer dan voldoende gewapend. Het overbrengen van den G-evangene werd elk oogenblik verwacht. Tot aan dit tijdstip had men dus nog tijd om tot éénstemmigheid te komen. Spoed werd intusschen vereischt, als zij nog vóór het feest hun doel wilden bereiken. Morgenavond begon reeds de paaschsab-bat. Om Hem dan reeds te kunnen hebben begraven, mocht geen oogenblik meer verloren gaan. Na rijp beraad trachtten zij dit doel te bereiken. Hun wet schreef voor, dat een doodvonnis eerst mocht worden voltrokken, wanneer het een dag na de eerste uitspraak nog eenmaal werd bekrachtigd. Om die reden moest Jezus nog dezen nacht worden veroordeeld. Daarom deze nachtzitting. Ook hierover moesten zij het eens worden, dat de zaak aldus werd geregeld, dat de veroordeeling van Pilatus, uitging om daardoor de geheele schuld van hun bedrijf op dezen te kunnen wentelen. Alles was hun gunstig, omdat Pilatus juist in de stad was, anders hadden zij eerst nog een of twee dagreizen moeten afleggen om te Gesarea van hem de bekrachtiging van hun vonnis te bewerken. Mocht het hun echter gelukken, hem daartoe morgenochtend in zijn paleis te bewegen, dan was alles in orde en dan ook zou van het volk niets te vreezen zijn. Tegen Rome durfde het volk zich niet te verzetten_ Bovendien zou de verrassende spoed bij de terdoodbrenging elke mogelijkheid van tegenstand van de zijde der vrienden van Jezus afsnijden; want nog eer dezen zouden hebben gehoord van de gevangenneming van Jezus, zou Hij reeds in den vroegen och-

ocr page 347

327

tend, — aldus was hun voornemen — zijn gekruisigd. Daarna kon men dan eindelijk, eindelijk weer eens vrij ademhalen, eindelijk weer eens rustig het Paaschfeest vieren, als de sinds twee of drie jaren door Johannes den Dooper in het leven geroepene, vervloekte volksbeweging zou zijn onderdrukt.

Aan een eigenlijk verhoor werd heden niet meer gedacht. Hun besluit was reeds in October van het vorige jaar genomen, waarbij alléén Nicodemus voor Jezus had partij getrokken. Toen reeds (Joh. VII) evenals in December (Joh. X) had ook het dikwijls schijnbaar geestdriftvolle volk tot verwerping, ja tot doode-lijke vervolging van Jezus zich laten medesleepen. Enkele bezwaren stonden intusschen de terdoodveroordeeling nog in den weg. Eenerzijds mocht een doodvonnis alleen door Pilatus worden vol trokken: anderzijds bestond er geen wet, volgens welke iemand kon worden ter dood veroordeeld, omdat hij als Messias optrad. Van kwaad kon men Hem niet beschuldigen. De veroordeeling zou dus een rechtskundig kunststuk moeten zijn, als men de rechtsvormen wilde bewaren. Om dit nu te volbrengen, was deze nachtzitting uitgeschreven. En Kajafas wist raad. Het vonnis moest voor beiden, het volk en Pilatus, gerechtvaardigd worden. Voor het volk moest Jezus worden beschuldigd als Godslasteraar, voor Pilatus als Oproermaker, waartoe de titel Messias, dat is, in het Latijn overgezet, Koning, uitstekende diensten zou kunnen bewijzen.

Het zal tusschen 10 en 11 uur geweest zijn, toen de aandachtig luisterende heeren van den Hoogen Raad plotseling soldaten-voetstappen en wapengekletter op den voorhof vernamen. Jezus werd gebonden binnengeleid. Eerst werd Hij gebracht voor Annas, die waarschijnlijk de hoogste rechter voor onderzoek was, eerst daarna voor den hoogepriester zelf. Zwijgend trad Jeeus voor Zijne vijanden, die Hem met blijkbare boosaardige blijdschap opnamen. Zoo dan was Hij nu eindelijk in hunne macht! Het onderzoek en het getuigenverhoor nam een aanvang. Voor den vorm had men in allerwljl eenige getuigen te hulp geroepen. De

ocr page 348

328

schijn van een onderzoek moest worden bewaard, al stond de uitspraak reeds van te voren vast.

„quot;Waartoe verzamelt Gij aanhangers? quot;Waarom zendt Gijlieden in het land rond om een nieuw Koninkrijk te verkondigen? quot;Waarom hebt Gij TJ als Messias, d. i. als Koning, laten begroeten? quot;Welke is Uwe leer?quot; Dit ongeveer waren de vragen, die de hoogstgeplaatste man onder het Joodsche volk tot Hem richtte. Alsof hij niet wist, welke Jezus\' leer was! Gisteren nog, op dien veelbewogen Woensdag, hadden hij en de meesten der hooge heeren, die nu als rechters tegenover Jezus stonden, dezen Gevangene uren lang op den tempelhof bestreden. Gisteren nog had Jezus hen op de vraag naar Zijn Zoonschap Gods in de grootste verlegenheid gebracht. En sinds het Loofhuttenfeest in October, had Hij met steeds klimmende duidelijkheid en zekerheid zich geopenbaard als Gods Zoon, het heil des menschdoms uitsluitend aan Zijn Persoon alléén verbindende. Jezus gaf dus op de vraag naar zijn leer geen antwoord. Dit had Hij hun reeds sinds lang gegeven. Hij zeide op kalmen toon: „Ik heb vrij en in het openbaar gesproken. Ik heb al den tijd geleerd in de synagogen en in den tempel, waar al het volk samenkwam. quot;Waarom ondervraagt gij Mij nu daarover? Ondervraagt diegenen, die Mij aldaar hebben gehoord!quot;

Men zag het rustig aan, dat een der tempelwachters, die de bijzondere gunst van zijn meesters wilde verdienen, Jezus voor dit antwoord een slag in het aangezicht gaf en men ging door met het getuigenverhoor. Aangezien men geen tiid had gehad om de getuigen vooraf behoorlijk voor te bereiden, stemden de verschillende getuigenissen niet overeen. Een vormelijken rechtsgrond tot veroordeeling werd dus niet gevonden. Maar toch moest het doodvonnis nog worden uitgesproken. De schrandere Kajafas wist hiervoor raad, hij wist hoe men spoedig zou kunnen slagen. Het getuigenverhoor, dat niet meer tot het gewenschte gevolg kon leiden, liet hij geheel los en deed — het zak ongeveer middernacht zijn geweest, — aan Jezus de ernstige vraag:

ocr page 349

329

„Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Messias, de Zoon van God?quot;

Jezus had op al de tegenstrijdige getuigenissen der beschuldigers gezwegen. Hij had geen enkele poging gedaan om Zijne vrijspraak te bewerken. Het scheen, alsof Hij niet wilde vrijgesproken worden. Zijn rustig zwijgen tegenover hunne opgewondenheid was voor hen al pijnlijker geworden en had hun ongeduld slechts verhoogd. Doch toen Kajafas deze beslissende vraag deed, toen was het oogenblik gekomen, waarop Jezus op de duidelijkste wijze een verklaring moest afleggen tegenover de hoofden van Israel. Een luid en overtuigend „Ja!quot; klonk door de zaal. Voor de eerste maal openbaarde Hij zich tegenover de hoogste macht van Zijn volk, in Zijne Messias waardigheid, ondanks de tegenstelling naar het uitwendige. En vol wonderbare majesteit voegde de Gebondene er aan toe: „Weldra zult gij Mij niet meer zien. Ik ga heen. Maar als gij Mij zult wederzien, dan zult gij Mij zien zittende aan Gods rechterhand en komende op de wolken des hemels !quot;

De hoogepriester sprong toornig op van zijn zetel. Hij had geluisterd met open mond. Deze waanzinnige laatste uitspraak overtrof alles, wat men immer van Jezus\' lippen gehoord had. Gelijk ook nog tegenwoordig de bewoners van Palestina doen op het vernemen van een schokkende tijding of gebeurtenis scheurde hij de borstzoom van zijn kleed op. En op een toon van gruwende ontzetting, — waardoor hij welberekend alle nog onbesliste gemoederen in de vergadering medesleepte, — riep hij uit, terwijl hij den kring rondzag; „Hij heeft God gelasterd! Gij hebt het gehoord! Wat hebben wij nog getuigen van noode! Gij hebt Zijne Godslastering gehoord! Wat dunkt ulieden ?quot;

Van alle zijden werden nu stemmen gehoord. „Hij is des doods schuldig ! Hij moet sterven!quot;

Jezus had hun dit vroeger reeds herhaaldelijk gezegd. Reeds in October en in December hadden zij daarom getracht Hem te steenigen. Deze uitspraak was hun derhalve niet nieuw, maar

ocr page 350

330

zij grepen nu alles aan, wat Hem naar hunne meening des doods schuldig maakte. De vermetele waagde het, zich te stellen naast de Majesteit Gods. Er viel niet meer te twijfelen aan hetgeen hun te doen stond. En menigeen onder de grijze vaderen des volks, die tot nu toe nog besluiteloos had gestaan („Velenquot; uit de oversten zelfs geloofden nochtans in Hem, Joh. XH : 42) kon nu gemakkelijker partij kiezen. De geschondene Majesteit Gods moest door hen worden gewroken. Dit behoorde tot hun ambt.

Het lot van Jezus was nu beslist. Verder beraad was heden niet meer noodig. De raadsheeren spoedden zich huiswaarts om de noodige rust te nemen. Vooraf werd nog besloten tegen den volgenden morgen zeer vroeg een voltallige zitting van den Hoogen Eaad op te roepen. De Heeren gingen zeer voldaan uit elkander. Deze enkele nacht had hen, dank zij de onverwachte hulp van Judas, verder gebracht, dan het geheele laatste jaar met al zijn vruchtelooze zittingen en pogingen. Alles hing nu af van hun snel en krachtig optreden op den volgenden ochtend, om tot de onmiddellijke terdoodbrenging over te gaan.

Jezus verbleef nog een half of een heel uur in de handen der ruwe knechten en soldaten. Dezen schepten er vermaak in, den zoogenaamden profeet, die gisteren nog door duizenden omringd was en als een gevallen grootheid door bespotting en mishandeling zijn val goed te laten gevoelen. De geschiedenis geeft meer voorbeelden van soortgelijke laagheid. Zij spuwden „den Zoon Godsquot; in het aangezicht. Zij wierpen Hem, alsof zij profeet met Hem speelden, een doek over het hoofd, sloegen Hem in het aanzicht en vroegen Hem, of Hij nu wist wie Hem geslagen had. En daar Hij zweeg, /al wel een luid gelach door de zaal hebben geklonken tot buiten in den donkeren voorhof. Zijn profetenkunst was dus niet groot. En een stroom van scheldwoorden werd uitgestort over den zwijgenden gevangene, aan hunne ruwheid prijsgegeven. In Gethsemané toch had Hij besloten te lijden als een hulpelooze en weerlooze.

ocr page 351

331

Het zal omstreeks één uur in den nacht zijn geweest, toen zij Hem met rust lieten. Zij waren vermoeid en wilden gaan slapen. Jezus werd goed gebonden in eene kamer gebracht. Slecht gehuisvest, met gewond gelaat, bracht Hij aldaar het verdere gedeelte van den nacht in de eenzaamheid door. Hij zal zich aldaar opnieuw hebben versterkt in Zijn besluit, in Gethsemané opgevat, om dezen weg te beschouwen als eene beschikking des Vaders, ondanks den haat Zijner tegenstanders, en Dezen toch lief te hebben tot in den dood, met een verhevene goddelijke liefde. Toen heeft Hij misschien in een laatste sluimering Zijn smart vergeten tot den volgenden morgen. Niet het spuwen in Zijn aangezicht, niet de vuistslagen, hadden Hem het diepst gekrenkt veeleer die welbekende stem, die intusschen met verheffing van stem en onder eede had betuigd: „Ik ken den mensch niet!quot;

De jongeren doorleefden een verschrikkelijken nacht. Sommigen dwaalden door de stad; Johannes zocht ongetwijfeld de moeder van Jezus op; Petrus liep, als een gebroken man, weenend door de kille straten; Judas gruwelijk vervolgd door de furiën van het booze geweten. De anderen zullen op den Olijfberg nabij Gethsemané of te Bethanië hebben vertoefd. Allen verbeidden met angst en vrees den volgenden morgen. Zij sidderden, als zij er aan dachten, wat de dag zoude brengen. Dat de dag van ramp zou verkeeren in een dag van heil, dat die dag juist den hoofdinhoud van de heerlijke prediking der verlossing voor de geheele wereld zou aanbrengen; — wie van hen kon dat vermoeden?

ocr page 352

schitterde op den Westelijken heuvel van Jeruzalem in de gouden stralen der Aprilzon. Dit paleis was in elk opzicht een koninklijk

Het plaatje stelt voor een oud rotsgraf, nog heden ten dage nabij Jeruzalem te zien. Hoewel van kleinere afmetingen, zal het graf van den patriciër Jozef van Arimatbea er aldus hebben uitgezien. Onderaan de voorzaal, als groot portaal, ziet men links de deur tot het graf, waarheen eenige traptreden toegang geven, ovenals den steen tot afsluiting der grafruimte. De onderste afbeelding geeft te zien, op welke wijze de steen voor de grafdeur werd gewenteld. Zulk een steen moet het .geweest zijn, dien de overpriesters aan den rotswand verzegelden.

ocr page 353

833

bouwwerk. De oude Herodes had voor 50 jaren kosten noch\' moeite ontzien om dit vorstelijk slot, op het hoogste punt der Koningsstad gelegen, den hoogsten glans van uitwendig schooi; te geven. Zelfs de heerlijkheid van den wereldberoemden tempel verbleekte voor dit prachtvolle werk van Herodes den Grooten.

Al deze heerlijkheid is thans van den aardbodem weggevaagd. Slechts de beide massieve torens Phasael en Hippikus staan nog overeind en verheffen zich trots en somber, hoog boven de armzalige huizen uit latere eeuwen. Enkele goedmoedige Turk-sche schildwachten loopen slaperig heen en weer voor de toeganggen der beide torens, door welker poorten de prachtlievende en krijgshafte Herodes zoo dikwerf was binnengetreden en die eens op dien Goeden Vrijdag in bevallige pracht zwijgend neerzagen op een woeste, hijgende volksmenigte, die een rechtvaardig Man vergezelde naar de gerechtszaal van den Romeinschen stadhouder.

Het was op den veertienden der Paaschmaand. Een purperen ochtendstond, zooals wij dien in de maand April in het Heilige land gewoon zijn, was over Jeruzalem opgegaan. De zon was achter den Olijfberg uit de kimmen gerezen. Hare stralen verlichtten niet alleen den koningsburcht met zijn heldere daken en hooge torens, zij overgoten ook met den tooverachtigen glans van den nieuwen Aprilmorgen de geheele zee van huizen in Jeruzalem,, den tempel, de paleizen, de villa\'s en het uitgebreide tentenleger der feestgasten. Op de straten, die van de omliggende plaatsen naar de stad liepen, bewogen zich talrijke bezoekers, de laatsten, die toestroomden naar het feest, dat hedenavond een aanvang nam. Reeds van verre begroetten zij blijde den geliefden, heerlijken tempel. En de trotsche torens der stad zagen hen zoo fier en zehbewust aan, dat de feestgangers wel indachtig moesten worden aan den bezielenden Jeruzalemspalm uit vroegere dagen..

„De Heer is groot en zeer te prijzen In de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid I Schoon van gelegenheid is de berg Sion,

Eene vreugde der gansche aarde.

ocr page 354

834

God is in hare paleizen,

Hij is er bekend voor een hoog vertrek.

Gaat rondom Sion en omringt haar!

Telt hare torens!

Zet uw hart op hare vesting, beschouwt hare paleizen.

Opdat gij het aan een volgend geslacht vertelt!quot; (Ps. 48.)

Pilatus dan, had zijn intrek genomen in het paleis, „de Koningsburcht,quot; terwijl Herodes, die almede in de stad vertoefde, verblijf hield in het oude paleis der Hasmoneërs.

Pontius verwachtte reeds vroeg in den ochtend de voornaamste mannen uit de onderworpen natie. Reeds den vorigen avond had men gewapende macht aangevraagd om een gevaarlijken oproermaker te helpen gevangennemen, die des Maandags onder grooten toeloop van volk de stad was binnengetrokken en die aanspraken, gevaarlijk voor de heerschappij van den staat, wilde doen gelden. Deze buitengewone ijver der hooggeplaatste Heeren voor de rechten des Keizers te Rome zal Pilatus zeker wel verdacht zijn voorgekomen. Hij kende de Joden te goed om slechts een oogenblik te gelooven aan de oprechtheid van deze koningsgezindheid. Dientengevolge zal den vorigen avond in den kring van familie en gasten, het gesprek wel geloopen hebben over den Galileër Jezus, tot Wiens gevangenneming Pilatus een afdeeling Romeinsche soldaten had uitgezonden. Men verhaalde het een en ander van Zijn intocht, van Zijn leer, van Zijn wonderdaden en, hoewel dit alles van Romeinsch standpunt wel spottenderwijze werd opgedischt en aangehoord, gaf het Pilatus toch een goeden indruk aangaande Jezus. Zelfs de gemalin van den stadhouder was er zoozeer mede vervuld, dat zij nog in den droom zich met den zeldzamen Man bezig hield.

De hoogepriesters hadden het voorbrengen van den gevangene op heden aangevraagd op een zeer vroeg ochtenduur, want in den regel werd de rechtszitting eerst om negen uur geopend. Pilatus was overtuigd, dat de zaak meer van godsdienstigen dan van staatkundigen aard was. Juist t. o. v. dergelijke aangelegenhe-

ocr page 355

335

den had zijn anders onbuigzaam karakter (volgens Philo) voorzichtigheid geleerd, wel wetende dat de voorvechters dezer fanatieke natie, in godsdienstzaken veeleer hun hoofd waagden, dan toe te geven. Om deze reden trachtte hij dan ook heden, op alle mogelijke wijze, onzijdig te blijven. Hierin had hij buiten den waard gerekend. De Joden toch hadden er heden het grootste belang bij, dat niet zij, maar hij de zaak zou uitvoeren, onverschillig, of hij het al of niet gaarne deed. Het plan, hiertoe waarschijnlijk door den behendigen en meedoogenloozen Kajafas ontworpen, was sluw genoeg bedacht.

Reeds zeer in de vroegte, kopt na zonsopgang, had deze eene voltallige zitting in het ambtslokaal nabij den tempel samengeroepen. Langdurig overleg was niet meer noodig. Tot den dood van Jezus was sinds lang besloten. Door de onverwachte hulp van Judas was men plotseling het doel meer nabij gekomen, dan men had durven hopen. Met medewerking des stadhouders was Hij in hunne macht, het doodvonnis was gisterenavond uitgesproken en moest, volgens de wet, dus den volgenden dag, heden noch slechts worden bekrachtigd. Thans moest men het nog eens worden over de wijze, waarop men Pilatus tot de voltrekking van het vonnis zou kunnen dwingen, niet alleen omdat hij de éénige daartoe bevoegde was, maar ook om eiken tegenstand van het wispelturige volk onmogelijk te maken. Nadat Kajafas zijn plan onder algemeenen bijval had ontwikkeld, werd Jezus binnengebracht. Kalm overzag Hij den kring der ongeveer zeventig raadsheeren, die allen hunne oogen op Hem gevestigd hielden. De hoogepriester verhief zich van zijn zetel.

„Jezus!quot; aldus sprak hij, „hier voor den vollen Raad, vraag ik nogmaals, of gij ook heden nog betuigt, dat gij de Messias zijt?quot;

En Hij, die wel wist, dat de moeilijke weg van heden, de eerste schrede was op den weg naar Zijn eigenlijk te huis, antwoordde rustig: „Ik zeg dan nogmaals, dat de Zoon des men-

ocr page 356

336

schen, die thans voor u staat, juist door uw doodvonnis vanheden er toe gebracht wordt om de Hem toebehoorende plaats aan de rechterhand der kracht Gods in te nemen.quot;

„Hoe?quot; riepen de vele stemmen te gelijk (Luk. XXII : 70), verbaasd over Zijne hardnekkigheid en dat Hij door dit antwoord hun den grond tot Zijne veroordeeling in de hand gaf, „gij blijft er alzoo bij? Zijt gij dan de Zoon Gods?quot;

„Jaquot;, antwoordde Jezus luide, zoodat allen het verstaan konden, „ja, die ben Ik!quot;

Nu hadden allen Zijne godslastering gehoord. Onmiddellijk stond, zooals Lukas dit aanschouwelijk zegt, de geheele menigte van hen op en leidde Hem tot Pilatus. Zij hadden haast. Hedenavond reeds nam het feest een aanvang. Alles hing nu af van hun spoed en vastberadenheid.

Eerste Terhoor voor Pilatus.

Met allen spoed deed men den tocht naar de bovenstad. Kajafas ging vooraan. Zijn gang was vastberaden. Zijn gelaatstrekken waren hard en streng. De weg liep door de tempelstraat, over de brug nabij het raadhuis, die over het Tyropöondal leidde, langs het theater en het Hasmoneër paleis. Tegen 8 uur naderde men het koninklijk paleis. Jezus, met koorden gebonden, bevond zich midden in den stoet. Op den ruimen voorhof hielden de hoogepries-ters en de leden van den hoogen raad stand voor een met veelkleurig marmer bevloerd terras, Gabbatha geheeten. Hier werd. gelijk ons ook van den lateren stadhouder Gessius Florus wordt verhaald, de rechterstoel geplaatst, als de stadhouder zijn rechtspraken hield. Slechts op dezen rechterstoel kon een rechtsgeldig vonnis worden uitgesproken. Voor dit terras bleven de hooge-raadsleden staan. Naar hun ceremoniëele wetten mochten zij heden voor het feest hun voet niet zetten in het huis eens heidens. Jezus echter werd met de soldaten naar binnen gezonden. Het was voor het eerst, dat Jezus den beroemden Koningsburcht betrad, waarin Herodes de Groote de wijzen uit het Oosten had

ocr page 357

337

ontvangen. Een onuitputtelijke rijkom van goud, zilver en marmerwerken omringde den gebonden Jezus, die ongetwijfeld zal hebben gedacht aan „den Dooper,quot; wiens intrede in het koninklijk paleis ook werd gevolgd door den dood en die aldaar zoo getrouw getuigenis voor de waarheid had afgelegd.

Pilatus trad binnen. Hij liet den Gevangene staan en trad naar buiten om de aanklacht te hooren. Het verwonderde hem, dat niet slechts eenige gevolmachtigden, maar de geheele raad met de hoogepriesters was opgekomen. Met de voorname, rustige houding, den Romeinschen rechters eigen, beval hij hun, hunne aanklacht tegen den man te doen hooren.

Het lag echter in hun plan om een gerechtelijk onderzoek door Pilatus te ontwijken. Zij verwachtten, dat het eenparig vonnis der oversten van hun nationale rechtbank, die bovendien in corpore verschenen was, voldoende zou zijn om Pilatus van verder onderzoek te doen afzien en zijn placet aan hun vonnis te geven. Daarom onthielden zij zich van eiken naderen uitleg en riepen: „Hij is een uitgeworpen Man, een Verrader! Ons aller persoonlijke tegenwoordigheid strekt daartoe ten bewijze. Ware Hij dit niet, dan zouden wij voorzeker Hem niet tot u hebben gebracht!quot;

„Goed,quot; hernam Pilatus en trachtte daarmede zich van de zaak af te maken, „zoo veroordeel en bestraf gij zelf Hem dan naar uwe wetten. Gil zelf hebt als Hooge Raad strafmiddelen genoeg.quot;

„Maar Hij is des doods schuldig,quot; riepen zij. „Onze straffen zyn voor verraad niet zwaar genoeg. Alleen gij moogt een doodvonnis doen voltrekken.quot;

Toen zij zagen, dat Pilatus niet voornemens was hun doodvonnis zonder onderzoek te voltrekken, besloten zij de aanklacht te gieten in een vorm, passende voor een Romeinsch rechter. Zij waren daarop geheel voorbereid. Zij wisten, hoe men zelfs een Pilatus gedwee kon maken. Zijn keizer Tiberius, die hem gezonden had, was een ijverzuchtig en achterdochtig meester.

22

ocr page 358

338

Een schaduw van verdenking, dat een zijner stadhouders niet streng genoeg optrad tegenover revolutionaire bewegingen, was reden genoeg, om dezen zijn ambt te ontnemen, ja zelfs zijn hoofd te eisehen. Hierop hadden zij hun plan gebouwd. Over den eigenlijken grond van het doodvonnis, die van godsdienstigen aard was, zwegen zij, maar brachten tegen beter weten in de zaak op staatkundig gebied over. Reeds dikwijls had in den laatsten tijd, de Romeinsche landsregeering het optreden van zekere volksleiders, die fanatieke, gewapende vrijscharen tegen Rome om zich heen verzameld hadden, bloedig te keer gegaan. Als zulk een onruststoker, die naar de oppermacht in het land stond en daartoe aanhang onder het volk zocht, stelden zij nu Jezus voor. De bewijsgronden voor deze aanklacht waren gewichtig genoeg. Zijne jongeren hadden op Zijn bevel feitelijk door het geheele land gepredikt, dat het koninkrijk met Hem gekomen was; Jezus had feitelijk des Maandags Zijn intrede gedaan in de oude koningsstad, Hij had zich feitelijk als koning doen uitroepen. Hij had zich feitelijk voor den hoogen raad als koning aangekondigd. De aanklagers bedienden zich van den kunstgreep om het He-breeuwsche woord Messias, eenvoudig te vertolken door het Romeinsche rex (koning). Nog voegden zij aan deze bewezen feiten een leugen toe, die een bijzonderen indruk op Pilatus moest maken, wiens regeering buitengewoon gehaat was wegens talrijke ambtsmisdrijven, samenhangende met de belastingen. Om die reden kon niets Pilatus meer tegen Jezus opzetten, dan de aanklacht, dat Hij het volk had aangeraden, het betalen van schatting eenvoudig te weigeren. Alles te zamen, duidelijke bewijzen te over, dat het streven van dezen man was gericht op de vernietiging der Romeinsche overheersching.

De behandeling van al deze aanklachten behoorde ongetwijfeld voor den rechterstoel van Pilatus. Hij kon zich dus niet aan de zaak onttrekken. Hij trad wederom binnen en deed Jezus voorbrengen. Vol deelneming zag hij Hem aan. In Zijn gezicht droeg de Heiland de onmiskenbare sporen van ruwe mishandeling. Ook

ocr page 359

339

was Hij uitgeput — niemand had er heden aan gedacht Hem iets te eten te geven. Er lag iets edels in deze nog jeugdige Gestaite. Op Zijn open gelaat lag, zelfs in de diepste vernedering, iets, wat achting afdwocg en uit de ernstige oogen sprak een macht, aan welks invoed een Pilatus zelfs zich niet kon onttrekken. De aanklacht van hoogverraad nam hij niet ernstig op. Een spotachtige trek zal zich wel op zijn gelaat hebben vertoond, toen hij Hem meer van nabij beschouwde en daarbij bedacht, dat deze onschuldige Mensch de macht van het groote Rome zou in gevaar brengen. Hij zeide spotachtig:

„Welnu, mijn Vriend, hoe is het? Zijt Gij innerdaad de Koning der Joden?quot; Jezus antwoordde kalm met ernstige stem. waaruit geen angst merkbaar was, met een wedervraag: „Vraagt gij dit, omdat gij als stadhouder staatkundige zorg voedt, of omdat Mijne aanklagers u dit hebben gezegd ? want dien overeenkomstig moet Ik Mijn antwoord inrichten.quot;

Pilatus, die wel begreep, dat de Beklaagde zou gaan spreken over de bijgeloovige Messias-ideeën der Joden, antwoordde barsch: „Wat gaan mij Uw Joodsche droomerijen aan! Natuurlijk hebben Uwe landslieden het mij gezegd. Alles ter zake! Welk verraad hebt Gij gepleegd? Wat is er van den Koningstitel aan, dien Gij U aanmatigt?quot;

Jezus antwoordde: „Bij Mij is van een staatkundig koninkrijk geen sprake. Indien dit zoo ware, dan zou Ik wel een leger verzameld en in het veld gebracht hebben, dat voor Mij het zwaard zou hebben getrokken, alvorens Ik werd gevangengenomen. Zoo iets zult gij van Mij niet hebben gehoord. Neen, Mijn koninkrijk is van een andere wereld.quot;

„Hoe,quot; riep Pilatus verwonderd uit en nam den Gevangene van het hoofd tot de voeten op — „zoo zijt Gij dan toch een koning ?quot;

Daarop hernam de Man, die daar zonder eenig uiterlijk tee-ken van macht voor hem stond, met onbeschrijfelijke majesteit — het was Zijn koningsproclamatie in de diepste vernedering voor

ocr page 360

340

den hoogsten man in den lande: — „Ja! Ik ben een koning! Daartoe ben Ik geboren en uit een andere wereld hiergekomen om u de waarheid te brengen. Een ieder, die de waarheid liefheeft, is Mijn onderdaan.quot;

Pilatus brak af. In dit antwoord lag de eisch, dat ook hij, de stadhouder, zich moest buigen voor zijn G-evangene. tenzij de waarheidsliefde nog niet in hem was. Dit kwam hem wel wat avontuurlijk voor. Hij was nog ver verwijderd van die onwillekeurige hoogachting voor Jezus, die wij bij het tweede verhoor waarnemen. Alles wat hij van deze dwaze Jodengodsdienst gehoord had, kwam hem voor den geest. Dit moest ook dezen goeden Man hebben aangetast en Hem die ideeën hebben aan de hand gedaan. Deze nu, zou gevaarlijk zijn voor den keizer te Rome? Deze een Revolutionair en een mededinger voor Romes ijzeren macht? Dit was belachelijk. Een dweper was Hij en dit vond Pilatus dwaas; maar om Hem ter wille van Zijn dweperij te dooden, daartoe vond hij geen reden. Hij antwoordde dus slechts: „Ach, waarheid! wie weet tegenwoordig, nu een ieder er een afzonderlijke waarheid op nahoudt, wat waarheid is?quot; Hiermede liet hij Jezus staan en ging naar buiten, vast besloten zich van de aanklagers te ontslaan en Jezus los te laten. Hij trad voor den burcht en zeide tot hen: „Ik zeg u, de Man daarbinnen is onschuldig!quot;

Maar nu brak onder de raadslieden en hun aanhang een storm los, d^e Pilatus niet had verwacht. „Hoe?quot; riepen zij „deze zou onschuldig zijn? Weet gij dan niet, dat Hij jaren achtereen het land heeft doorkruist en opruiend is opgetreden, het volk op-zweepende en de oproervaan zwaaiende van stad tot stad, van dorp tot dorp, van Zijn geboortegrond Galilea tot hier?quot;

Pilatus werd opmerkzaam. Hij kreeg een goede gedachte, om langs een anderen weg zich deze onaangename zaak van den hals te schuiven. „Is Hij dan uit Galilea?quot; aldus vroeg hij.

„Ja,quot; riepen zij, „uit Nazareth in Galilea.quot;

ocr page 361

341

„Zoo,quot; zeide Pilatus, „dan behoort deze zaak niet voor mijn rechterstoel maar voor dien van Herodes.quot;

Hij gaf den soldaten bevel, Jezus en Zijne aanklagers naar Herodes te geleiden, keerde zich om en ging het paleis in, verheugd zich zoo gemakkelijk van deze zaak te hebben afgemaakt en hopende er niet meer mede te worden lastig gevallen.

TWEEDE VERHOOR VOOR PILATUS.

De weg naar het paleis der Hasmoneërs, waarin de uit G-alilea gekomen Tetrarch gedurende het Paaschfeest verblijf hield, liep over de bovemnarkt naar het Tyropoöndal, hetwelk de stad dwars doorsneed. Het paleis stond tegenover den tempel naast den Xystus, de met zuilengalerijen omringde plaats voor volksbijeenkomsten, vanwaar de brug over het genoemde kleine dal naar den tempel leidde. Daarheen werd Jezus gevoerd. Het verhoor echter, door Herodes gehouden, bracht, ondanks den grooten ijver der aanklagers, ondanks het bijna beleedigend zwijgen, dat Jezus volhield tegenover den overspeligen moordenaar van Johannes den Dooper, niets aan \'t licht, dat hem, die zich gestreeld voelde door de schijnbare attentie van Pilatus, aanleiding kon geven om een ander oordeel te vellen dan deze. Op echt oos-tersche wijze, door eene handeling als gelijkenis, betuigde hij Pilatus, wien hij den G-evangene terugzond, omhangen met een witten mantel, dat hij het volkomen eens was met diens uitspraak „onschuldig.quot;

De hoogepriesters en de hooge raad moesten nu opnieuw zich gereedmaken om, hoe ongewenscht zij dit ook vonden nogmaals met den Gevangene de halve stad door te trekken, waardoor het geheim van Jezus\' gevangenneming voor de geheele stad openbaar werd. Zij hadden gehoopt het volk voor een voldongen feit te stellen en als Pilatus hun eenstemmig vonnis eenvoudig had bekrachtigd en uitgevoerd, dan had Jezus omstreeks tien uur reeds aan het kruis kunnen hangen. Nu, door deze

ocr page 362

34:2

vertraging, waarbij zij van Pontius naar Herodes en van Herodes naar Pilatus gestuurd werden, was de stad, die zij moesten doortrekken, in volle beweging gekomen. Het was heden een rustdag, alle straten waren bevolkt, heden was alles op de been. Bovendien bewogen honderdduizenden zich door alle deelen der stad. In den vroegen ochtend verbreidde zich als een loopend vuur, het gerucht door de stad: Jezus is gevangengenomen! De G-alileesche Profeet, van Wien ieder sprak, die eergisteren nog zoo koen en machtig in den tempel leerde, is gevangengenomen — Pilatus heeft Hem reeds verhoord, zooeven zijn zij met Hem naar Herodes gegaan! Dit onverwacht bericht trof allen als een donderslag. Alles begaf zich naar het paleis der Hasmoneërs. Jezus trad naar buiten. Zijn handen waren gebonden. Als een verrader werd Hij aan koorden geleid. Hij sloeg een hoogernstigen blik op de groote menigte, waardoor ongetwijfeld eene doodelijke stilte zal zijn ontstaan. De stoet g;\'ng zijns weegs, de welbekende hoofden des volks, Kajafas en Annas, voorop, Jezus en de soldaten achteraan.

De stoet, die door de nauwe straten der stad zijn weg moest nemen, werd van minuut tot minuut grooter en toen hij de marktplaats naderde, zich aankondigende door het gegons van verwarde stemmen en het wapengekletter der Romeinsche legionarissen en Jezus in het midden der massa zichtbaar werd, sloot een ieder zich aan den tierenden volkshoop aan.

De koningsburcht was wederom bereikt. De zon was intusschen brandend heet geworden. Een zee van licht scheen op de witte huizen van Jeruzalem, zoo hel, dat de oogen der toeschouwers pijn leden. Vooral op den koningsburcht met zijn marmerbeklee-ding had de zon de meest verblindende uitwerking. Ook de drie maehtige torens Phasael, Hippikus en Marianne glansden helder in den middaggloed, toen de optocht, door de hoogepries-ters geleid, aan den voet dier gebouwen was teruggekeerd.

Pilatus was binnen in het slot. Reeds van verre hoorde hij het naderen der woelige volksmenigte. Nu verneemt hij een

ocr page 363

343

gedruisch van stemmen vlak voor het slot. Een hoofdman treedt binnen en geeft verslag van de uitspraak van Herodes en het dreigend aangroeien der menigte. Of het volk, waaronder Jezus een zoo grooten aanhang zou hebben, vóór of tegen Jezus parti] koos, dir. was Pilatus nog onbekend. De omstandigheden waren voor Jezus zoo gunstig mogelijk, de beide hoogste rechters van het land hadden Hem verhoord en beiden hadden Hem onvoorwaardelijk vrijgesproken.

Ook de hoogepriesters erkenden het kritieke van den toestand. Nu of nimmer! zeiden zij. Voor elke rechtbank vrijgesproken, zou Jezus, na hetgeen gisteren in het nachtelijk duister had plaatsgegrepen, voor het geheele volk verheven zijn tot het toppunt van roem en aanzien, terwijl zij zelve tegenover het volk geheel onmogelijk waren geworden. Hij moest sterven, het kostte wat het wilde!

Pilatus trad naar buiten en zeide: „De zaak is afgedaan, Heeren! Ook Herodes heeft Jezus vrijgesproken! Wij hebben niets gegrond bevonden van al hetgeen, waarvan gij Hem beschuldigt!quot; Pilatus kende echter de hardnekkigheid der Joden te goed om niet te begrijpen, dat het verstandig zou zijn ten minste eëne concessie te doen. En de dreigende houding der overpriesters, het geraas der stemmen van het steeds aangroeiende, hartstochtelijk gesticuleerende volk, dat achter hen stond, deed hem zoozeer den schrik om het hart slaan, dat het den karakterloozen man niet langer mogelijk was te blijven op den rechten weg, hem door recht en plicht, overtuiging en geweten voorgeschreven. Daarom vervolgde hij: „Het doodvonnis kan ik aldus niet laten voltrekken — maar ik zal u in zooverre te ge-moet komen, dat ik Hem bloedig zal laten geeselen. Daarna laat ik Hem los.quot;

Pilatus zou echter ondervinden, dat, wie eenmaal zich laat dwingen, den eersten noodlottigen stap te doen, afvoerende van den zuiveren bodem des rechts, reeds verloren is en spoedig den tweeden en derden, ja den laatsten stap zal doen. Zijn toegeven

ocr page 364

344

maakte de Joden slechts te overmoediger. Zij bemerkten, hoe zij den wederstrevende ten slotte tot hun gedwee werktuig zouden kunnen maken. Zijn nieuwbedachte, diplomatieke uitweg om Jezus vrij te spreken, op grond dat, volgens oud gebruik, op elk Paaschfeest een verrader werd losgelaten, kon hem dus ook niet baten. Als verrader was Jezus dus reeds erkend, alleen de straf ontbrak nog. Hiermede en met de toegezegde bloedige geeseling konden de overpriesters reeds tevreden zijn. Pilatus verwachtte dat het volk, waarvan hij veronderstelde, dat het op Jezus\' hand zou zijn. Dezen zou voorspreken, als Hij het de keus liet tusschen Jezus en een beruchten moordenaar, Barabbas genaamd. Om deze beslissing rechtsgeldig te doen zijn, moest hij den rechterstoel beklimmen, die op het terras G-abbatha was opgesteld.

Terwijl hij zich daartoe gereedmaakte, kwam een zijner bedienden uit het paleis tot hem. Het was een bode van zijn gemalin, die reeds partij gekozen had, toen Jezus voor de eerste maal verhoord werd. Toen Hij tot Herodes geleid werd, zal zij gedacht hebben, dat de zaak afgedaan was. Nu staat Hij echter weer ginds in het paleis. Van uit de hooge slotvensters ziet 2:ij den steeds grooter wordenden oploop, de sombere, vastberaden aangezichten der overpriesters, hoort zij het duizendstemmig geraas der volksmenigte. Haar angst is klimmende. Zij herinnert zich wellicht, hetgeen den vorigen avond van dezen Man is gezegd. Een droom, een wondervolle, ernstige droom, die in den afgeloopen nacht een diepen indruk op haar had gemaakt, spreekt opnieuw, waarschuwend tot haar. De vrees maakt zich van haar meester, dat haar gemaal door den drang der menigte zich zal laten medesleepen om zich aan den Man te bezondigen. Daarom zendt zij een dienaar naar beneden met de dringende waarschuwing : „Heb toch niets te doen met dezen Rechtvaardige! Ik heb heden nacht veel geleden in den droom om zijnentwil!quot;

Het oponthoud, hierdoor veroorzaakt, maakten de hoogeprie-sters en de volksleiders zich ten nutte om de menigte te bewerken. Terwijl Pilatus met den dienaar spreekt en de zaak

ocr page 365

345

overweegt, terwijl hij zich gereedmaakt om den rechterstoel te beklimmen, hitsten zij het Jodenvolk uit Jeruzalem amp;p, herinneren zij het aan de wetsverachting, Sabbatschending, godslastering van hun offer en stellen de noodlottige gevolgen in het licht, die eene overwinning door dezen Godsdienstverachter behaald, zou na zich sleepen. En zij bedrogen zich niet in de massa, die gewoon was, hen blindelings te volgen. Steeds meer werd de haat opgewekt en gevoed. Steeds dreigender drong het geroep der menigte in de ooren van Pilatus en van zijn angstig toeluisterende gemalin.

Pilatus had plaats genomen op den rechterstoel op Gabbatha. Eekenende op Jezus\' aanhang onder het volk, sprak hij nu; „Ik heb u de keus van vrijlating gegeven tusschen twee, den Joden-koning, die daar voor u staat, en Barabbas — wien kiest gij ?quot; En door duizenden stemmen wordt geantwoord: „Barabbas! Barabbas!quot; — „Hoe?quot; sprak Pilatus, „wat zal ik dan doen met Jezus, den zoogenaamden Christus?quot;

Daarop barstte de menigte nog meer verwoed los, waarbij de dreigende stemmen der hoogepriesters den boventoon hadden, roepende: „Kruis Hem, kruis Hem!quot;

Zoodanigen woesten haat had Pilatus niet verwacht. Nadat Jezus voor twee rechtbanken was vrijgesproken geworden, had hij de zaak niet meer zoo ernstig opgenomen. Maar nu kwam het vuur der geestdrijverij boven, die hij reeds meermalen bij dit volk had waargenomen. En hij wist, waartoe zulk volk in staat was. Hij verkeerde in een pijnlijk geval. Eenerzijds een oproer, dat wellicht in Rome voor hem een leelijk naspel hebben kon, anderzijds een Onschuldige, dien hij, tegen recht en geweten in, moest laten ter dood brengen. Het verdroot hem, dat hij, de stadhouder, zich door dit volk aldus moest laten tyranniseeren. Daarom zeide hij toornig:

„Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? Ik vind geen dood-waardige schuld in Hem!quot; En, vastbesloten zich niet verder te laten dwingen, voegde hij er bij: „Aldus blijft het — ik zal Hem laten geeselen en dan laat ik Hem los!quot;

Pilatus bedroog zich echter, als hij meende bij dit droevig

ocr page 366

34:6

besluit op den ingeslagen weg te kunnen voortgaan. Die zich dwingen liet, een onschuldige half dood te geeselen, liet zich ten slotte ook dwingen, dezen ten laatste te dooden. Dit wisten de hoogepriesters maar al te goed. Intusschen hoopte Pila-tus met zijn tusschenweg klaar te komen. Dadelijk gaf hij bevel Jezus, die rustig op die onstuimige zee had neergezien, naar binnen te brengen om te worden gegeeseld. Pilatus zelf kon het niet aanzien en ging heen. De soldaten ontdeden den Gevangene van Zijn kleederen en bonden Hem met gekromden rug aan den geeselpaal. Bij den eersten slag sprong het bloed uit den ontvleesden rug. De arme Gevangene kromde zich onder de vree-selijke pijn, maar de beulsknechten waren aan dit werk gewoon en lieten zich in hun handwerk niet storen.

Eindelijk hielden zij op. Jezus werd opgericht. Nu was Hij inderdaad een toonbeeld van smarte. Druipende van bloed, met verscheurden rug, stond Hij daar, nog aan den paal vastgebonden. De opgehaalde wonden brandden, elke beweging veroorzaakte hevige pijn. In Zijn trekken teekenden zich de grievende smarten af. De zwijgende Lijder wekte evenwel den spotlust der soldaten. Zij hadden gehoord, dat Hij voor koning spelen wilde en zij zagen nu hoe slecht Hem dit bekomen was. Nu wilden zij de grap hebben, hem ten minste eenmaal in Zijn leven koninklijk te tooien. Een bijzonder geestig man ging naar den slottuin, brak van de in Palestina veelvuldig voorkomende doornheg Epina Christi eenige lange gedoomde takken af en vlocht er een krans van. Dezen zetten zij Hem als een kroon op het hoofd. Om het opengereten lichaam hingen zij een rooden soldatenmantel; als schepter gaven zij Hem een rietstaf in de hand. Nadat Hij dus vorstelijk was uitgedost, bogen zij de knie voor Hem en riepen uit: „Zijt gegroet. Gij, Koning der Joden!quot; En toen Hij daarop zweeg, hield plotseling hun scherts op, naderden zij Hem, spuwden Hem in het aangezicht, sloegen Hem op de wangen, rukten Hem den rietstaf uit de hand en sloegen Hem daarmede de doornen dieper in het hoofd, zoodat de bloeddroppelen als robijnen aan de kroon hingen. Toen

ocr page 367

347

zij op deze wijze hun ruwe vermaakzucht eenigszins hadden gekoeld, gingen zij Pilatus zeggen, dat de geeselstraf was afge-loopen.

Nu trad Pilatus nog eenmaal met den Gevangene voor het slot. Het was een deerniswaarcüg schouwspel. De Man, die een kwartier geleden ongedeerd en rechtop was binnengebracht, was nauwelijks herkenbaar. Druipend van bloed met opgereten rug en gelaat, de doorntakken in de verwarde haren, een roo-den mantel over de schouders, zoo stond hij daar, ten aanschou-we van het volk.

Getroffen door dit gezicht, riep Pilatus, rekenende op het medelijden van het volk en vooral op dat van Jezus\' vroegere aanhangers: „Ziet den Mensch, — hoe medelijdenswaard! Is het nu nog niet genoeg? En opnieuw verklaar ik, dat Hij naar mijne overtuiging onschuldig is!quot;

Maar hij sprak als tot harten van graniet. Als uit één mond brulde de menigte, alsof het zien van bloed haar nog bloeddorstiger had gemaakt, hem het eenige parool van den dag toe: „Kruis Hem! kruis Hem! kruis Hem!quot;

„Kruisigt gij Hem dan!quot; riep Pilatus half vertwijfelend uit. „Ik kan en wil het niet doen, want Hij heeft niets gedaan, wat des doods waardig is!quot;

„Niets des doods schuldig?quot; klonk het hem tegen. En in de hitte van den strijd laten zij hun gehuichelde staatkundige aanklacht geheel los en openbaren zij plotseling den grond van hun godsdiensthaat, uitroepende : „Gij, Romeinen, hebt ons toch, evenals allen onderworpen volkeren onze wetten laten behouden — en wij hebben een wet, naar welke Hij sterven moet! Want Hij heeft zichzelven Gods Zoon genoemd!quot;

Gods Zoon?! Dit merkwaardige woord deed Pilatus verstommen. Hij hoorde het voor de eerste maal. quot;Was er in het optreden van dezen Mensch, in Zijn eenvoudigen, ernstigen blik, in zijn indrukwekkende kalmte niet iets onverklaarbaars, iets ge-heim^nnigs ? Had men niet gesproken van wonderen, die Hij ge-

ocr page 368

348

daan had? Zou een der onsterfelijken in menschengestalte zijn verschenen ? Was dat stilzwijgen, dat fier gedrag, niet een zoon der Goden waardig? Ondanks al de smart boog Hij niet voor hem, Hii verloor Zijn waardigheid niet, zelfs niet door een en\' kei woord, veel minder nog smeekte hij Hem door eenig gebaar om medelijden of vrijspraak. Met onverstoorbare kalmte wachtte Hij een rechtvaardig oordeel af en liet Hij de onrechtvaardigheid den vrijen loop. In het geheele woeste tumult, was Hij de eenige Kalme geweest. Hoe — indien de goden nu eens zijn gemalin in den droom hadden gewaarschuwd — hoe zou het gaan, als hij zich had vergrepen aan een godenzoon en hii de wraak des hemels op zich had geladen!

Zijn onrust werd hoe langer hoe pijnlijker. Hij zegt niet meer spottend : „Ben ik dan een Jood ?quot; Een inwendige vrees voor dezen „Koning der waarheidquot;, zooals deze zich had genoemd, doet bij hem den wensch ontstaan Hem nog eenmaal onder vier oogen te spreken. Wederom gaat hij met Hem het slot binnen. Jezus, half dood gegeeseld, staat voor hem en ziet hem rustig aan met een blik, dien hij nauwelijks kan verdragen. Onrustig vraagt Hij hem: „Vanwaar zijt gij? — Van de aarde of van de goden?quot;

Geen antwoord. Pilatus voelde, wat in dit zwijgen was opgesloten. Deze vraag had Jezus reeds bij het eerste verhoor beantwoord, toen Hij zich genoemd had de Koning uit een andere wereld. In dit zwijgen sprak echter ook veroordeeling van den lafhartigen rechter, die telkens vrijsprak en zich toch van de eene onrechtvaardigheid tot de andere liet medesleepen.

„Ha!quot; aldus stoof Pilatus op, „Gij waagt het mijn vraag onbeantwoord te laten? Weet Gy niet, dat het geheel van mij afhangt, U te kruisigen of los te laten?quot;

„Gij zoudt geen macht over Mij hebben,quot; antwoordt nu de Gevangene kalm, een onuitsprekelijke majesteit sprak zelfs uit zijn -zoo ontzettend mishandelde gestalte, „indien die u niet van bo-ven gegeven ware. Hoe gij deze macht gebruiken wilt, zult gij

ocr page 369

34:9

te verantwoorden hebben voor den geheimzinnigen rechterstoel daarboven, al is uwe schuld minder groot, dan die van hen, die buiten staan.quot;

Pilatus werd steeds onrustiger. Wederom geen woord, dat om gunst vroeg, wederom die edele trots, die niet wilde smeeken om het leven, die recht verwachtte of niets, die zelfs sprak, algof Hij niet beklaagde, maar rechter was, die de mate der schuld van den stadhouder en van de Joden daar buiten had te bepalen, die hem voor den rechterstoel daagde — wie toch was deze Mensch? En wederom ijsde hij bij de gedachte, dat hij een onsterfelijke in menschengedaante tegenover zich kon hebben. „Van toen af,quot; zegt de Evangelist (Joh. XIX : 12), „zocht Pilatus Hem los te laten.quot; Onder deze onwederstaanbare indrukken nam hij een besluit. Hij wilde gehoor geven aan de luidsprekende stem van zijn geweten, aan zijn kloppend hart, aan zijn waarschuwende gemalin trots het woeste gepeupel daarbuiten. Hij trad naar buiten. Er- ontstond groote stilte onder de menigte. Zij luisterde met ingehouden adem naar hetgeen de Procurator ging zeggen. Deze nu sprak: „Hij is onschuldig! Zoo zal ik Hem dan vrij laten heengaan, waarheen Hij wil!quot; Zijne stem klonk vastberaden, als die van een man, die van verdere onderhandelingen niets meer weten wil. Reeds kregen de vrienden van Jezus nieuwen moed. Reeds scheen hij van plan te zijn, dadelijk het bevel te geven, den Gevangene te ontbinden en te laten heengaan.

Maar toen brak de storm met razende woede los. Dit kon, dit mocht niet geschieden, opdat niet een stoutmoedige omkeering in de stemming des volks bii het eerste wederoptreden van Jezus op de tempelplaats, de overpriesters en hunne partij zou vernietigen. Voor dezen was het een strijd op leven en dood! En voor dit oogenblik hadden Kajafas en zijne advocaten (Schriftgeleerden) hun zwaarste geschut bewaard, dat, zooals zij maar al te wèl wisten, op een Pilatus onfeilbaar zou werken. Dit bestond in een we-deropnemen der vroeger losgelaten politieke aanklacht, de bedreiging namelijk, dat zij hem bij den Keizer te Rome zouden aanklagen.

ocr page 370

350

„Dan zal de keizer het weten, dat gij gemeene zaak maakt met een oproerling, die naar de koningskroon grijpt !quot; aldus riepen zij.

Pilatus verbleekte. Dit enkele gezegde wierp al zijn goede voornemens in duigen. Zoodanige aanklacht bij den achterdoch. tigen Tiberius beteekende voor hem \'t verlies van zijn ambt of zelfs van zijn leven. De Joden bemerkten, welken geweldigen indruk hun woorden op den stadhouder maakten, die zoo vastberaden uit het paleis was getreden. Ten einde raad ziet hij op de menigte neer. Hoevele Joden uit Rome konden zich niet onder hen bevinden, die met een volgend schip terugkeerende, het bericht klakkeloos naar Rome zouden overbrengen! En zij waren machtig in de hoofdstad der wereld. De menigte wordt steeds woester en stemt steeds heviger in met de bedreigingen der hoogepriesters. Het oproer neemt elke minuut in omvang toe. De hoogepriesters en de hooge raad, hunne deftigheid vergetende, schreeuwen zoo luid zij kunnen — de menigte schreeuwt mede, het oorver-doovend gebrul klinkt als waanzinnig den besluiteloozen Pilatus in het paleis tegen. De zee raast en eischt haar offer. En steeds woester en dreigender verneemt Pilatus de woorden: „Kruis Hem! kruis Hem! of gij zijt des keizers vriend niet!quot;

Toen was Pilatus verloren. Hij zeide niets. Maar langzaam 311 zwijgend beklom hij andermaal den rechterstoel op Gabbatha. Hij gaf den soldaten een wenk. Dezen verwijderden zich en brachten Jezus voor, die na het laatste verhoor binnen het paleis was gebleven. Hij kwam. Rustig weidde Zijn blik over de geweldige, tierende volksmassa. Hijzelf was een toonbeeld der smarte.

„Ziet, uw Koning!quot; roept Pilatus met tegenstrijdige gevoelens.

„Neem weg!quot; schreeuwden zij, „kruis Hem! kruis Hem!quot;

„Zal ik uw Koning kruisigen?quot;

„Wij hebben geen koning, dan den keizer!quot;

De gevaarlijke naam des keizers wordt weer uitgesproken.

Als zij hem bij dezen aanklaagden, konden zij nog van andere dingen gewagen en dan was hij verloren. Hij moest dus toegeven en Jezus ter dood overgeven. Alvorens dit te doen, wilde

ocr page 371

361

hij evenwel, volgens hei gebruik van dit oostersche volk, door een vergelijkende handeling, op plechtige wijze de schuld van het slachtoffer van hun haat bevestigen. Hij laat zich een wasch-bekken brengen en daarboven water op zijn handen gieten. Hii wilde daarmede de Joden herinneren aan hun oud volksgeloof en bloedwraak, naar hetwelk onschuldig vergoten bloed onfeilbaar de bloedige wraak des hemels na zich sleepte. Daar staat hij nevens den rechterstoel en in het aangezicht van Gods schitterende reine zon, wascht hij zich de handen, alsof hij de bloedige misdaad, die voortaan daaraan zou kleven, met water kon afwas-schen en spreekt: „Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige!quot; Daarop juicht de woeste hoop en niet wetende, welk vreeselijk getuigenis zij afleggen, roepen zij den karakter-loozen man en den gebonden Jezus toe : „Wij vreezen de bloedwraak niet! Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!quot;

Aan terugireden kon Pilatus nu niet meer denken. Hij zette zich op den rechterstoel en sprak ais hoogste rechter in den lande, in behoorlijken vorm, het vonnis uit: Barabbas ontvangt genade, Jezus worde onverwijld gekruisigd.

Nu verhief zich een duizendvoudig triomfgeroep, dat dreunend opging tot het paleis en de angstig luisterende gemalin des stadhouders en terugsloeg tot den gouden tempel, beneden in de stad, die van het slot af in de stralen der middagzon in volle pracht zichtbaar was. Het gejuich en het gejubel verkondigde ook aan den verst verwijderde, die de woorden van Pilatus niet had kunnen verstaan, dat het proces geëindigd was: aangeklaagd wegens een verraad, waaraan niemand der aanklagers geloofde; vrijgesproken bij herhaling door de beide hoogste rechters van het land; veroordeeld om binnen een half uur aan het kruis te worden gehangen.

ocr page 372

352

OP GOLGOTHA.

De fraaie, goed onderhouden tuinen, ten Noorden van Jeruzalem, nabij Golgotha lagen rustig in den gloed der middagzon. Het was hier de eenige kant van Jeruzalem, overigens omgeven door diepe kloven, waar de patricische familiën, hunne zomerverblijven onmiddellijk aan de stad, konden bouwen. De tuinen prijkten in deze maand nog met de schoonste bloesems der lente en van den pasbegonnen zomer. Golgotha was voorwaar een sombere plaats, die in deze wereld der lente, weinig op haar plaats scheen. Hier, dicht aan den weg, (Joh. XIX: 20; Mark. XV : 29) werden de galgen opgericht, waaraan de misdadigers werden gekruisigd.

Op den weg naar deze plaats bewoog zich omstreeks 12 uur een groote opgewonden menigte. Yan het paleis des stadhouders, den trotschen koningsburcht af, alwaar een kwartier geleden vonnis was geveld, had de menigte zich door de nauwe straten der resting heengedrongen en zij bevond zich nu op den open weg naar Golgotha. In haar midden zag men drie veroordeelden, door Romeinsche krijgsknechten begeleid, hunne kruispalen in de gloeiende middaghitte achter zich aansleepen. Slechts een der gevangenen, Jezus, die met een bleek, bebloed aangezicht, doodelijk vermoeid, maar met een uitdrukking van vastberadenheid en ernst op het gelaat, tusschen de soldaten voortschreed, had men het kruis afgenomen. De Romeinsche hoofdman, die de terdoodbrenging moest doen uitvoeren, een man met mensche-lijk gevoel, had een voorbijkomenden landman bevolen het kruis voor Jezus te dragen. Half Israel, dat in deze feestdagen bij honderdduizenden in de stad bijeen was, scheen heden naar Golgotha te stroomen, mannen en vrouwen, ouden en jongen. Naar •de beide andere ongelukkigen zag niemand. Een ieder had het oog gevestigd op Jezus alleen en aan hetgeen in het binnenste omging werd gedurig uitdrukking gegeven nu in beschimpingen en verwenschingen, dan in betuigingen van medelij-

ocr page 373

353

den. Het volk van Israel geleidde aldus zijn Messias, die gekomen was om het te verlossen, ter dood.

Zij hadden Golgotha bereikt. De hoofdman gaf de noodige bevelen. De drie kruispalen werden opgericht en voorzien van het gebruikelijke opschrift, de misdaad aanduidende, die met de doodstraf werd geboet. Het volk stond rondom, wachtende op de terdoodbrenging. Ook Jezus stond en wachtte. Het treurige feit, dat zij in waanzinnige verblinding hun eenigen Verlosser ter kruisdood overgaven; de zekerheid, dat zij daardoor den ondergang en het strafgericht overhunns natie brachten, vervulde ongetwijfeld zijn ziel. Hoe meer het Hem vroeger had aangedaan, dat de medelijdende vrouwen der stad door het aanheffen van weemoedige treurzangen en het storten van oprechte tranen Hem hadden beklaagd, des te meer moest Hij nu denken aan die verschrikkelijke dagen, waarin ten gevolge van deze onzalige beslissing van het volk na weinig tientallen van jaren, duizenden Joden hier, nabij Golgotha, aan het kruis genageld, Jeruzalem verwoest en het gansche „volk Godsquot; verstrooid zoude worden. Daar ginds lag de stad en haar tempel en voorzeker zal Hij er nog eenmaal aan hebben gedacht, hoe menigmaal, doch tevergeefs, Hij om haar had geworsteld, sinds den tijd, dat Hij als twaalfjarige Knaap hier bij Golgotha had vertoefd en Hij vanhier was heengesneld naar het geliefde huis Zijns Vaders. In het verre Oosten zag Hij, als in nevelen gehuld, de bergen van Moab. Daar rustte Zijn ,vriendquot; Johannes, die twee jaren geleden Hem aan het volk had voorgesteld als den Bruidegom aan Zijn bruid (Joh. I : 29; IH : 29). Heden werd de bloedbruiloft gehouden.

De soldaten brachten een bedwelmenden drank; dit was een schijn van medelijden in de overigens zoo gruwzame Romeinsche rechtspleging. Vrouwen uit de eerste familiën van Jeruzalem bereidden dezen drank om de pijnen der aan het kruis gefolterden te verlichten. De beide anderen namen er van, Jezus wees den beker terug. Hij wilde helder bewust lijden en sterven.

Nu werd Jezus ontkleed. Mantel, rok, hemd, voetzolen, hoofd-

23

ocr page 374

354

bedekking en tulband werden Hem afgedaan. Het lichaam werd met koorden gebonden, aan het kruis opgetrokken en met nagelen daaraan bevestigd. Hamerslagen dreunden door het hout en door het geheele lichaam. Pijnlijk trok dit inéén bij eiken slag. Jezus hing zwijgend aan het kruishout.

Kondom het kruis moet een groote, ruime plaats zijn geweest, die een groote menigte volks kon bevatten. (Luk. XXIII: 35 — 48; Joh. XIX : 20.) Onder het kruis stonden de hoogstgeplaatste mannen onder het Joodsche volk. De hooge heeren, Kajafas en Hannas, de geheimraden van den Hoogen Raad, de leeraren in het Joodsche staatsrecht hadden zich in grooten getale voor den Koningsburcht bij den stoet aangesloten. Anders te voornaam om een rechtspleging bij te wonen, hadden zij het zich ditmaal niet kunnen ontzeggen, zich te verlustigen aan het zien der doodssmarten van hun eindelijk gevallen Slachtoffer. Hunzelf moet het als een droom zijn voorgekomen, dat zij reeds zoover waren gekomen. Met ongeloofelijken spoed hadden zij in de laatste twaalf tot vijftien uren hun doel bereikt. Gisteren om dezen tijd dacht nog niemand er aan en nu reeds hing Hij stervende aan het kruis. En hoe voorspoedig was alles gegaan! Het wufte volk had zich geheel aan hun zijde geschaard; Pilatus had toegegeven ondanks zijn meest onvoorwaardelijke vrijspraak en hetgeen zij een jaar lang zoo dikwijls hadden besproken en behandeld was door een zichtbaar welgevallen der Godheid des nachts hun in den schoot geworpen.

Met voldoening zagen zij scharen bij scharen uit het overbevolkte Jeruzalem toestroomen om den tot voor korten tijd nog zoo gevierden „Profeetquot; aan het kruis te zien. Uit de hoonende uitingen en geheel de houding der menigte zagen de hoogeprieiters en staatsraden met tevredenheid, dat al het volk hun partij koos. Wel stond behalve die treurende vrouwen nog menigeen ontroerd toe te zien, verbaasd over den onverwachten val van deze kortelings door duizenden gevierde Grootheid; eergisteren nog voor het geheele volk onversaagd den hoogepriesters het hoofd bie-

ocr page 375

355

dende, heden reeds aan het kruis gehangen! Maar niemand waagde het voor Hem partij te trekken. Slechts de vijanden van Jezus hadden gesproken.

Voor hen, die de geschiedenis des Heeren, Zijn omwandelen en Zijn weldoen door het geheele land met opmerkzaamheid hebben gadegeslagen, moet het steeds een raadselachtig feit zijn, dat gedurende het stormachtig proces voor Pilatus en bij de terechtstelling cp Golgotha, het geheele volk zoo eenparig Zijn dood begeerde. Ook wij verwijlen eenige oogenblikken onder het kruis om deze merkwaardige, treurige gebeurtenis in het leven van Jezus en van het volk van Israel te overdenken. Toongevend voor de beslissingen van dezen dag waren de medeleden van den staatsraad, aan wier spits de hoogepriester Kajafas stond. Als in het voorbijgaan noemt Mattheüs ons de voornaamste drijfveer van hun daden. Het was de nijd (Matth. XXIII: 18), die nijd, wien het reeds een doorn in het oog is, als iemand het gepeupel en de middelmatigheid boven het hoofd is gegroeid, die door het vernederend gevoel van eigen geringheid tegenover een grooten geest zich beleedigd acht en die onmiddellijk in doo-delijken haat verandert, als bovendien eigen belangen, macht en gezag worden bedreigd, die geen rust vindt, voordat de meerdere is gevallen en de middelmatigheid weer op den troon is gezeten.

Toch was de nijd in dit geval ondergeschikt aan een meer verborgen vijandig beginsel en dit was het algemeene ongeloof, waarop de verschijning des Heilands was gestuit. Wel is waar had Hij in den loop der beide laatste jaren vele vereerders gevonden; dit bewees de schitterende verwelkoming, toen Hij voor eenige dagen uit Bethanië kwam. Wij willen aannemen, dat deze Provincialen onsteld waren door het bliksemsnel optreden tegen Jezus door de groote eenstemmigheid der geheele stad en wegens Romes macht, in welker naam het proces was gevoerd. Toch was het inderdaad schande, dat niemand den moed had, met vrijmoedigheid op te komen voor den Onschuldige, te meer

ocr page 376

356

daar het bekend was, dat een revolutionaire beweging door niemand meer werd afgekeurd dan door Jezus. Maar aan de veroordeeling hadden zij geen schuld. En toch moet Pilatus den indruk hebben gekregen, dat gansch Israel, zonder uitzondering, Jezus voor een doodschuldig Verachter van den godsdienst en Vijand van den Staat hield, aangezien de groote massa van het volk op de meest besliste wijze zich voor Jezus\' dood verkaarde. Men zou kunnen tegenwerpen, dat zij door den ongehoord snellen gang van zaken verrast waren en door het oproepen der volkshartstochten waren geleid tot een daad, die zij bij behoorlijk nadenken nimmer zouden hebben goedgekeurd. En gaarne wil ik toegeven, dat hieraan een greintje waarheid ten grondslag ligt. Heden morgen wist bijna niemand uit het volk iets van de voorvallen, die gedurende den laatsten nacht zoo in het geheim, zoo snel hadden plaatsgegrepen. Het volksbesluit van hedenochtend had intus-schen geen meerdere waarde dan zoo menig besluit der meerderheid, wanneer die meerderheid bestaat „uit een klein getal voorgangers uit schelmen, die het onderling eens zijn geworden, uit zwakkelingen, die zich bij elkander voegen en uit de massa, die volgt, zonder in het minst te weten, wat zij wil.quot; En van al degenen, die dien voormiddag op het groote slotplein voor den koningsburcht hadden medegeschreeuwd, waren er maar zeer weinigen, die tot den loop der dingen in kleinen kring hadden kunnen medewerken.

En toch zou het een dwaling zijn geweest, hier te denken aan onbezonne overijling van het volk. Twee jaren lang had Jezus het geheele volk een ieder in zijn woonplaats opgezocht, opdat een ieder op den beslissenden dag in staat zoude zijn een geldige stem uit te brengen. En hoe verrassend de gebeurtenissen, elk op zich zelf, elkander heden ook mochten zijn opgevolgd, over het hart der vraag kon een ieder een overtuiging hebben, waar het er op aankwam Jezus te verwerpen of te erkennen. Groote wereldgebeurtenissen als die, welke op Golgotha voldongen werd, komen nimmer door toeval of overijling tot stand. Zij komen tot stand naar

ocr page 377

357

eeuwige wetten, zij volgen als eisch der noodzakelijkheid. De beslissing door Israel op Golgotha was een vrucht van de toenmalige geschiedenis van het volk. Daarom hadden ook de profeten dit einde sinds eeuwen vóórzien en Jezus zelf had het reeds aanstonds bij Zijn eerste verschijning te Jeruzalem als onvermijdelijk voorspeld. (Joh. II : 19.) Dewijl het Israel aan geloof ontbrak, daarom verwierp het Jezus. Men make toch niet de tegenwerping, dat Hij na de herhaalde getuigenissen van Johannes véle geloovigen vond. Het was zelfs een geloof, dat niet rustte op ware bekeering en geheele zinsverandering; daarom was het niet proefhoudend. Het was een geloof, dat slechts berustte op eene geestdrift voortspruitende uit het aanschouwen der wonderdaden en daarop had Jezus van den beginne af geen vertrouwen (Joh. 11: 24). Ook in de hoogste kringen tot in den staatsraad toe geloofden „velenquot; in Hem.quot; (Joh. XII; 42). Maar het was hetzelfde onvaste geloof, dat ten dage der beslissing zich plaatste aan de zijde, waar het tehuis behoorde, namelijk aan die van Jezus\' vijanden, die zoowel Hem als de door Hem zoo streng gevorderde (Joh. III : 3) bekeering haatten. Aangezien dit soort van geloof onder het ge heele volk geen inwendigen grond had, bleef het een aanbidding van het uitwendig goed gevolg. Zoo lang Jezus als Maandag, Dinsdag en Woensdag van deze week, zoo het scheen, wel slaagde, stonden zeer velen aan Zijn zijde; zoodra echter „het gelukquot; Hem verliet, verlieten zij Hem dadelijk. Dewijl hun geloof niet op een inwendige, zedelijk gegronde overtuiging rustte, konden zij op Vrijdagmorgen aan de meest dwaze geruchten geloof slaan, die aangaande Hem door de stad liepen, hoe onzinnig deze ook zijn mochten met het oog op het algemeen bekende karakter van Jezus, zooals b. v. dat Hij eindelijk voor den Hoo-gen Eaad als een Zwendelaar was ontmaskerd, enz.

En aldus kwam het dan tot dit treurig, schuldig misverstaan van God, dat Wij op Golgotha aanschouwen. Zij hadden zoo lang de stem Gods in Zijn profeten en ten laatste in Jezus niet willen hooren, dat zij het thans niet meer konden. Zoo ver waren

ocr page 378

358

zij van God afgeweken, dat zij in den naam van G-od den Zoom van God ter dood brachten in de meening den God van Israel daardoor den grootsten dienst te bewijzen. Geen van hen had in Jezus waarachtig den Heer der heerlijkheid erkend, anders zouden zij Hem niet hebben gekruisigd. Zij handelden allen in verblinding en onwetendheid. (Hand. III: 17; 1 Cor. 2 : 8.)

Niemand erkende dit dan de groote Kruiseling zelf en Deze met de innigste overtuiging. Daarom waren Zijn eerste woorden, die Hij aan het kruis sprak, woorden van verontschuldiging voor de razende menigte aan Zijne voeten: „Vader, vergeef het hun! Zij weten niet wat zij doen!quot; En des te vaster stond Zijn besluit om deze uiterste grens van schuldig misverstaan te verzoenen door de verstgaande liefde door Zijn leven voor hen te geven.

Hiermede zijn wij voorwaar nog niet doorgedrongen tot den diepsten grond der catastrophe op Golgotha. Achter de zonde, hartstocht en boosheid der menschen lag volgens de uitdrukkelijke getuigenissen des Heeren nog een booze macht. De eersten waren de figuren op het tooneel; achter de schermen speelde deze macht, gebruik makende van hunne zonden en hartstochten, naar een ander, een duivelsch plan haar rol. Het is een strijd tusschen twee rijken, tusschen twee werelden, die op Golgotha volstreden wordt, waarvan de overwinning na den dood van Jezus, aan gene zijde van de poorten des doods in de onzichtbare wereld wordt gevierd. De vijanden van Jezus op Golgotha begrepen het niet, welken strijd hier feitelijk werd gestreden. Op Golgotha hadden gebeurtenissen plaats, die ook wij niet in staat zijn te beschrijven, omdat onze blik niet vermag door te dringen in de verborgenheden der onzichtbare wereld. Een geheimzinnige sluier zal altijd uitgespreid blijven over deze verhevene uren, die eeuwigheden bevatten. Want indien ergens, dan zijn hier de gebeurtenissen in den tijd maar het voorhangsel, waarachter het eeuwige Godsplan is verborgen. (Col. II: 15.) Achter het zichtbare slagveld bevindt zich het onzichtbare, achter de uitwendig razende vijanden, onzichtbare toornende boosheden uit de geestenwereld, die al hun

ocr page 379

359

macht verzamelen om een laatsten beslissender» slag te leveren, om door overmacht van zonde de breuk tusschen God en mensch onherstelbaar te maken. De memchen wilden dit niet. Dezen wilden niet hunnen Messias kruisigen; zij hielden Hem feitelijk — zoo onbegrijpelijk groot was hun verblinding — voor een Bedrieger en Duivelskunstenaar.

Maar boven al deze werkende personen en oorzaken, die zoo duister en zoo somber zijn, staat zoo klaar en verheven het alles duidelijk makende, alles beheerschende goddelijk raadsbesluit. „Opdat de Schrift vervuld worde!quot; Deze sleutel had Jezus sinds de dagen op den Hermon ook in de donkerste leidingen Zijn jongeren altijd weder in de hand gegeven. Nijd, haat, ongeloof, macht der duisternis, alles, zelfs het meest ongewilde en het meest vijandige moest op Golgotha daartoe dienen om het eeuwige plan van den oversten Regeerder der wereld te volvoeren. Het meesterstuk van boosheid, dat door het dooden van Christus de kloof tusschen God en de menschen onoverkomelijk moest maken, beantwoordde God met het meesterstuk van eeuwige liefde door juist dezen dood te maken tot de gouden brug, die God met het verloste menschdom eeuwig zou verbinden. En juist deze dood, die als uitdrukking van de doodelijke vijandschap der menschen tegen God, het menschdom had moeten doen wegzinken in den eeuwigen dood, was bestemd om voortaan het schitterendste bewijs te zijn, dat uit den lichamelij-ken dood als overmijdelijk gevolg der zonde, een eeuwig, onsterfelijk leven zou geboren worden, indien men slechts verzekerd was van de hulp van dezen Overwinnaar des doods.

De bonte menigte, die aan den voet van het kruis stond, dacht gewisselijk niet aan deze verhevene Godsgedachten. Integendeel, het kwam haar voor, dat Jezus nu voor alle tijden veroordeeld was. Hoe schitterend gerechtvaardigd stonden zij daar nu, die bij het kruis vergaderde groepen van hooge heeren in lange, kostbare gewaden, die hoogepriesters en leden van den Hoogen Raad. Menig eerzaam burger van Jeruzalem boog dieper dan ooit voor

ocr page 380

360

hen. Hoe hadden zij opnieuw zich betoond de verstandige en voorzichtige Vaderen des volks te zijn, die in de algemeene Messias-beweging, die nu als zwendelarij was gebrandmerkt, een helderen blik hadden gehad. De Godheid zelve had nu voor hen beslist. Zijn rol was afgespeeld. Heden avond zou Hij onderden grond liggen. Het was nu gedaan met den dwazen droom van een Koninkrijk Gods, dat Hij onder hen had willen oprichten. Het was nu voor altijd gedaan met Zijn bezwering, dat Hij Gods Zoon was, daar Zijn Vader, zooals Hij God noemde, Hem zoo volkomen had losgelaten.

Nu dit alles klaar en duidelijk bewezen was, ontbrak het ook bij het gepeupel, bij aanzienlijken en geringen, niet aan bijtenden spot, dien Jezus door Zijn tweejarige werkzaamheid zich op den hals scheen te hebben gehaald. Had Hij nog niet getracht nauwelijks vier of vijf uur geleden indruk te maken door de verklaring voor den Hoogen raad afgelegd, dat Hij nu Zijn plaats zou gaan hernemen ter rechterhand der majesteit Gods en nu hing Hij aan het kruis. Allen, die voorbij het kruis gingen, wilden den stervenden Leeuw nog eenmaal sarren. Menig woord van grootspraak kwam hun voor den geest uit de dagen van Zijn voorspoed. In het bijzonder dat gezegde aangaande den tempel wierpen zij Hem voor de voeten.

„Ha!quot; riepen zij uit, „Gij wildet den wereldberoemden tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen! schande over U, Gij Grootspreker! Toon nu Uw macht! Ginds staat de aloude tempel, schitterende in den glans der zon, toon nu Uw kunst — kom af van het kruis!quot;

Anderen herinnerden zich Zijn wonderen, vooral de opwekking uit de dooden in Bethanië, waarvan nog slechts een paar weken geleden zooveel beweging werd gemaakt. Nu toch was het voor den eenvoudigste uitgemaakt, dat alles op zwendelarij of too-verij berustte — hoe zou Hij anders zoo smadelijk den dood ondergaan! Dezulken wezen lachend naar den gemartelden, zwijgenden Man aan het kruis, zeggende: „Anderen heeft Hij ver-

ocr page 381

361

lost, zich zeiven kan Hij niet verlossen. Kom nu af van het kruis, Gij machtige Koning, die ons allen verlossen wildet!quot;

Ook de overpriesters en raadsleden, die nu, het geheele volk aan hunne zijde ziende, zich schadeloos gesteld voelden voor menige ure van zorg en onrust, zeiden tot de menigte; „Ziet gijlieden nu wel, dat wij gelijk hadden niet in te steramen met u, gij lichtgeloovigen, toen gij in den tempel Hem als den Messias uitriept ? Heden wordt Godsgericht gehouden. Laat God nu voor Hem tusschenbeide komen. Hoe menigmaal heeft Hij God Zijn Vader genoemd — waarom zwijgt Hij nu? Waarom hooren wij niet meer een enkel woord van al die gezegden, waarvan Hij vroeger den mond zoo vol had? Waarom laat die „Vaderquot; Hem nu zoo ellendig sterven zonder Hem in het allerminst te hulp te komen? Indien God alsnog eenig wonder voor Hem doen zal, is het nu meer dan tijd. En voor het geheele volk betuigen wij hier, dat, als God inderdaad nog een wonder aan Hem doen zal, zelfs wij, — overpriesters en hooge raadsleden — de knie voor Hem zullen buigen en Hem zullen aanbidden. Heidaar!quot; aldus eindigden zij, zich naar het kruis keerende, ,.kom af van het kruis! alsdan zullen wij in U gelooven!quot;

Zelfs de soldaten deden mede om hun gefolterd Slachtoffer te beschimpen. Zij bevonden zich het dichtst bi] het kruis. „Hoera!quot; schreeuwden zij uit volle borst, „hoera! voor den Koning dei-Joden ! Hij heeft voor Koning willen spelen. Hij wilde meer zijn dan wij — daarom hangt Hij nu aan het kruis!quot; En hun luide lach, die tegen het kruis weergalmde, vond honderdvoudigen weerklank onder het volk.

Jezus hoorde dit alles aan en zweeg. Voor bijna allen was dit zwijgen als eene erkenning van schuld. Zelfs Zijn vrienden vroegen zich met een beklemd hart af: „Waarom zwijgt Hij zoo geheel? Waarom spreekt Hij niet een enkel woord om te zeggen, dat Hij onschuldig sterft?quot;

Wellicht hebben velen zich geërgerd aan dat zwijgen. Maar Jezus zelf. Hij gevoelde ze diep, dien overloop van smaad, de alles

ocr page 382

362

te boven gaande smart, door God verlaten te zijn. De hoon, dien zij Hem aandeden door de verklaring, dat God Hem klaarblijkelijk aan zich zelf overliet, was inderdaad de smart Zijner ziele. Hemzelf was het inderdaad, zooals Zijn uitroep later bewijst, een raadsel, dat God Hem zoo geheel kon verlaten. Hij ging door het duisterste dal en de eenige staf, waarop Hij steunen kon, was de overtuiging, „dat het Gods wil wasquot; en het geschiedde, „opdat de Schrift vervuld zou worden.quot; De verschrikkingen van den vorigen avond bevingen nog eenmaal Zijn ziel. Zoo angstig, zoo verlaten, zoo zonder troost uit den Hooge, had Hij zich nog nooit gevoeld. Toen had Hij den zwaarsten heldenstrijd des geloofs en der gehoorzaamheid alléén uitgevochten. Het betrof het behoud van het geloof aan God, zelfs waar Deze een Schuldelooze op gruwzame wijze scheen te straffen; — het vasthouden aan de oneindige wijsheid en liefde Zijner bedoelingen, zelfs waar zij ondoorgrondelijk schenen; het behoud van het geloof ook daaraan, dat deze schimpende, woedende menschheid aan Zijn voeten door dit laatste bewijs Zijner liefde zich nog zou laten redden en alzoo nog een rijk van heerlijkheid en liefde zou worden gesticht. En als wij de zeven kruiswoorden beschouwen, die dikwerf als een bliksemstraal in een donkeren nacht van lyden ons oog verlichten, dan zien wij, dat ook in de grootste duisternis twee zaken bij Jezus onomstootelijk vaststonden, ten eerste het geloof aan Zijn Vader, ten tweede het geloof aan een heerlijk einde van Zijn verheven Verlossingswerk.

Ook een schaar van vrienden stond onder het kruis. In stomme smart aanschouwden zij den doodstrijd van hun Meester. Ongetwijfeld stemden velen onder het volk niet in met de lasteringen der woordvoerders. Velen behoorden tot degenen, die Hem des Zondags zoo vroolijk juichend hadden ingehaald, tot hen, die Hij had genezen; tot de dankbare toehoorders uit vroegere dagen; tot de tollenaren, die bij Hem wederom achting voor zichzelve en een streven naar hoogere dingen hadden teruggevonden. Dezulken stonden daar zwijgend en durfden niet onder het oog der Romeinsche

ocr page 383

363

oppermacht en der overpriesters uitdrukking geven aan de gevoelens, die hen vervulden. In deze richting verhaalt ons het Evangelie slechts iets van de vrouwen, die waarschijnlijk de groote meerderheid uitmaakten van hen, die in Jezus geloofden. Vrouwen gevoelen dikwijls instinctmatig beter de waarheid dan de mannen en vooral als dezen, door partijschap verblind, meenen het recht aan hun zijde te hebben. De vrouwen hadden voorzeker een meer eervol aandeel in de gebeurtenissen op den Goeden Vrijdag dan de mannen, van de edele gemalin van Pilatus tot de vrouwen van Jeruzalem, wier harten braken bij het zien van den mishandelden Weldoener des volks en die daarbij in klaagtonen uitbarstten, ja, tot die getrouwe discipelinnen, die bij Jezus stand hielden, toen bijna alle jongeren vreesachtig van het kruis waren gevloden.

Daar stond zij, die kleine sidderende schare van edele vrouwen, die Hem gevolgd waren van Galilea, die ook in den laatsten, vree-selijksten storm hun Heer niet konden verlaten. Angstig wachtten zij het af, of God niet nog in den hoogsten nood een wonder zou verrichten om Hem te redden, ten einde de oprichting van Zijn zoo dikwijls aangekondigd Messiaansch Koninkrijk nog in de laatste uren mogelijk te maken.

Nog meer nabij stond een groep der innigste vrienden. Het kruis was niet hoog, de voeten reikten nauwelijks eene spanne boven den grond. Zij konden dus elk woord, eiken zucht van Jezus hooren, ook al sprak Hij niet luide. Voor allen stond hielde arme Maria, die voor 38 jaren, als maagd zoo gelukzalig had geroemd: „Van nu aan zullen mij zalig spreken alle geslachten!quot; Gelijk eens in den Kerstnacht, in het zaligst uur haars levens, door hemelglans en engelenkoren omgeven, geen enkel woord over hare lippen kwam, maar zij al deze dingen in haar hart bewaarde (Luk. II : 19), zoo is ons ook geen enkel woord van haar in deze uren van nameloos lijden overgeleverd. De diepste smart uit zich evenmin in woorden als de hoogste vreugde. Het is, alsof wij de zwijgende Maria, onder het kruis staande,

ocr page 384

364

■een nieuwe beteekenis zien geven aan dezelfde woorden, die zij voor •ruim dertig jaren sprak; „Zie — de dienstmaagd des Heeren! Mij geschiede, gelijk gij zegt!quot; Naast haar stond hare zuster, ■de tante van Jezus, en de getrouwe Magdalena, die den dubbelen Eedder van haar leven zag bloeden aan het kruis. En bij hen stond Johannes, de geschiedschrijver van Golgotha, de discipel dien Jezus liefhad, die van de twaalven de eenige was, die bij zijn Heer bleef tot in den dood. Zwijgend stond hij daar en leed mede, wat Zijn Meester lilden moest. Wellicht sprak hij nu ■en dan een woord van het diepste medelijden en de vurigste liefde tot Zijn Meester. Mets vermocht zijn geloof aan den persoon van Jezus te doen wankelen. Niemand op Golgotha voorzeker zag zoozeer als hij door den oneindigen smaad heen, de grootheid en heerlijkheid van zijnen Heer. Niemand voorzeker gevoelde als hij den polsslag der eeuwige liefde, waarvan dit nameloos lijden getuigde. Nu begrijpen wij, waarom hij later niets anders wilde prediken ■dan de liefde Gods! Eenerzijds een hel van haat en boosheid, anderzijds de hemelsch reine, onbaatzuchtige verbloedende liefde; «enerzijds schijnbaar slechts bewijzen van goddelijken toorn, die den zondaar in den nood laat, anderzijds toch dezelfde taal des geloofs van den Zoon tot den Vader, zooals hij die gedurende twee jaren vernomen had; Iemand, die den dood eens misdadigers sterft en daarbij het paradijs toezegt, — dat waren contrasten, die Johannes slechts kon overeenbrengen door het geheim der eeuwige liefde, die in deze woelende, hatende menigte de toekomstige kerk der verlosten reeds aanschouwde, voor wie straks in de zwartste duisternis, reeds de poorten van het paradijs zouden worden ontsloten. De onvergetelijke indrukken van deze uren voor de poorten van Jeruzalem bleven als in vlammenschrift in de ziel van Johannes bestaan en weerklinken altijd en altijd weer in zijne brieven, (b. v. I Joh. IV : 9 enz.)

Niet lang na de kruisiging vertoonde zich een onrustbarend verschijnsel in de natuur. Duisternis bedekte de aarde. Als een wolk

ocr page 385

365

van rouwfloers lag zij over Jeruzalem en Judea. Waarscnijnlijk; was het een zandwind, die in April somtijds opkomt, die dezeduisternis veroorzaakte. 1) G-ewoonlijk vertoont zich dan de zon als een doffe spiegelschijf. Het is mij zelfs gebeurd, dat ik daarbij tevergeefs uitzag naar den stand der zon. Alzoo geschiedde het ook toen. De zon verloor haar glans. Het omliggend gebergte was aan het gezicht onttrokken. Zelfs de nabijliggende stad\' was als in nevelen gehuld. Al was dit verschijnsel meermalen voorgekomen, toch werd een ieder door angst aangegrepen.. Wat men niet durfde uitspreken werd des te meer gevreesd r dat God daarmede Zijn ongenoegen wilde te kennen geven over de uitgevoerde gruweldaad, waarin allen hun aandeel hadden. Zij hadden zoo koelbloedig een teeken van boven gevraagd;-— was dit niet een teeken? Zelfs vele raadsheeren werden onrustig bij deze sombere taal des hemels. Vragen rezen bij hen op, die zij niet durfden beantwoorden, maar die zij ook niet uit hun geest konden verbannen. Welk kwaad had hun deze Rechtvaardige gedaan ? Waarom brachten zij Hem zoo gruwelijk om het leven? Zij herinnerden zich de waanzinnige vertwijfeling-van Judas in den voormiddag. Hun geweten begon hun te verwijten, dat zij Hem slechts door een schandelijken leugen aan het kruis hadden gebracht. Geen hunner toch geloofde aan hun eigen aanklacht van opstand tegen den keizer. — Indien deze duisternis, hoewel niet zonder voorbeeld, eens een bewijs ware vanden Goddelijken toorn? Indien zij eens het eerste woord ware van dien geheimzinnigen rechterstoel uit de onzichtbare wereld, nu de menschelijke rechtbank haar laatste woord had gesproken ?\' De spotters verstomden. Rondom het kruis werd het hoe langs zoo meer ledig en stil, hoe meer de in het geweten gegrepenen zich verwijderden van het tooneel hunner boosheid. Hoe het zij, de hoogepriesters en de raadsheeren verlieten spoedig dezeplaats.

1) Zie hierover Schneller : „Keut gij het Land?quot; hoofdstuk „Woede Vrijdag.\'

ocr page 386

366

De drie uren duisternis waren voor Jezus de laatste uren van arbeid, van strijd. Zijn geest was vervuld met Zijn dood en diens beteekenis voor de wereld, waaraan Hij geloovig moest vasthouden. Hij zweeg gedurende bijna dien ganschen tijd. Het verhevenste op Golgotha geschiedde in diep stilzwijgen. Hoe donker het uitwendig was, nog donkerder werd het van binnen in het hart. De smarten van het gevoel door God verlaten te zijn overvielen Hem en werden al pijnlijker. Gekomen op het toppunt van zelf-overgave, deed Hij angstig de ontzettende vraag naar den Hooge: „Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; Maar dit was ook de grootste diepte van Zijne zelfvernedering. Van nu aan vindt Zijn hart meer en meer licht, totdat Hij onverwachts tot verbazing der omstanders, niet meer met de smartvolle stem van zooeven, maar met een machtig geluid, dat door duisternis en wolken ja, als over de geheele wereld weerklonk, uitriep: „Het is volbracht!quot; Het was een kreet der overwinning op bijna blijden toon, na al de smarte, met opgeheven hoofd en verhelderd gelaat uitgeroepen, ten bliike dat Hij na een zware worsteling een groot, wereldomvattend vraagstuk had opgelost.

8nel naderde nu het einde. Jezus gevoelde, dat de dood nabij was. Zijn krachten begaven Hem. Johannes, — de ooggetuige onder de Evangelisten, — het laatste hoopje Zijner getrouwen, de drie Maria\'s, Nicodemus, Jozef, de drie Galileesche vrouwen, wellicht het huisgezin uit Bethanië, namen duidelijk de verandering op Zijn gelaat waar. Geen enkele beweging ontging hun. Zij zien, hoe Zijn kleur verandert, hoe de bleekheid des doods zich over Zijn aangezicht uitspreidt. Nog één blik van afscheid en dankbaarheid richt Hij op hen, want tot het laatste oogenblik heeft Hij het bewustzijn behouden. Nu roept Hij met luide stem: „Vader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest!quot; en toen Hij dit woord gezegd had, het slot van dit Godgewijd leven, dat eens in het twaalfde jaar met een soortgelijk woord was aangevangen, — toen zonk Zijn edel hoofd, dat steeds op-

ocr page 387

367

geheven was gehouden, neder op de borat en bleef aldus onbeweeglijk hangen.

Plotseling gevoelde de kleine schare nabij het kruis een dof gerommel. Alsof de natuur eindelijk opwaakte na lange, angstige beklemming, brak een aardbeving uit onder Jeruzalem en Golgotha. Nog heden bevinden zich Noordelijk van Jeruzalem, nabij de poort van Damascus, geweldige rotsblokken en rotsmuren. Deze afgebroken en gescheurde blokken stortten naar beneden.

Het volk, dat nog aanwezig was, vlood vol schrik van daar en ijlde de stad binnen. Schreeuwende, vloekende, tierende, spottende en hoonende was het drie of vier uren geleden uitgetrokken in den helderen zonneschijn, — zwijgende, ontdaan, met den zichtbaren angst, dat Gods onzichtbare arm zich reeds ter straf uitstrekte over hunne stad, slopen zij nu binnen achter de donkere vestingmuren.

De hoofdman echter, die de doodstraf had laten voltrekken, bleef, diep ontroerd, staan. De grootheid van ziel, waarmede Jezus Zijn lijden gedragen had, waarbij elk woord, elke beweging scheen te zeggen tot het droevig lot, dat Hij dragen moest: „Ik ben meerder dan gij!quot; had Hem voorzeker reeds herinnerd aan een gezegde in Eome gebruikelijk: Si fractus illabatur orbis, im-pavidum ferient ruime. Maar toen hij zag, hoe de Gekruisigde met een overwinnengskreet deze aarde verliet; toen hij hoorde, hoe Deze Zijn geest vol vertrouwen in Gods handen stelde; toen zelfs de Hemel het voor Hem opnam door duisternis en aardbeving, toen werd het hem plotseling duidelijk, dat men een verschrikkelijke misdaad had gepleegd door Hem te dooden, die zich „Gods Zoonquot; had genoemd! Deze getuigenis moest waarachtig zijn. En aangedaan wendde zich de krijgsman tot zijn soldaten en sprak tot hen deze woorden, die wij het beste onderschrift onder de geschiedenis van Golgotha achten: „Voorwaar! deze Mensch was rechtvaardig. Hij was Gods Zoon!quot;

DE BEGRAFENIS.

Het groote Paaschfeest was op handen. Met zonsondergang

ocr page 388

368

zou het beginnen. Gansch Jeruzalem maakt zich daartoe gereed. In den tempel werden tusschen 4 en 6 uur de paaschlammeren geslacht, volgens Jozefus te dien tijde meer dan 250.000. En in de woningen werd alles gereedgemaakt voor den feestelijkenr sinds eeuwen geheiligden maaltijd.

En toch, heden wilde de rechte feestvreugde zich niet openbaren in de duizenden woningen en tenten binnen en nabij Jeruzalem. De onzalige stilte van een kwaad geweten was over de stad uitgebreid, over het paleis der hoogepriesters, zelfs over den trotschen koningsburcht van Pilatus. Sombere geruchten vlogen door de stad. Judas, zeide men, had zich opgehangen. Het voorhangsel van het allerheiligste was in het stervensuur van Jezus doormidden gescheurd van boven naar beneden, en de priesters hadden met ontzetting gezien, hetgeen hunne oogen nimmer hadden mogen aanschouwen. Jezus was onder den aanroep, dien men herhaaldelijk van Hem in den tempel gehoord had, gestorven met een blijmoedig gebed op de lippen. En nu Hij gestorven was, gevoelden velen, dat Hij hun nimmer iets kwaads gedaan had. De worm van het kwade geweten begon aan hunne harten te knagen.

Daarbuiten, op Golgotha, was de zware, heete strijd volstreden. De koele avondwind was opgestoken. Een zachte, verzoenende avond daalde neder, na de vreeselijke gebeurtenissen van dezen dag. De duisternis was voorbij. De glans der ondergaande Aprilzon vergulde de stad en den Olijfberg, alsmede het in het verre Oosten tooverachtig verlichte Moabietengebergte. In het Westen ging de zon als een vurige bol in het midden van purperen en gouden wolken in de zee onder. Het was op dezen avond, alsof een stille vrede de geheele natuur omarmde na voorafge-ganen storm en aardbeving.

Het lichaam van Jezus hing nog aan het kruis, door de gouden avondzon als met een gloriekrans omstraald. Onder het kruis-toefden nog de getrouwe vrouwen uit Galilea, onder namelooze^ droefheid de betraande oogen van tijd tot tijd opslaande naar-

ocr page 389

369

het aangezicht van den geliefden Doode, dat door de zon verlicht werd. Zij vormden de lijkwacht, totdat de beide aanzienlijke mannen uit den Raad terugkwamen, die voor de begrafenis zouden zorgen. Onder het kruis was het schroomvallig geloof van deze mannen gerijpt tot een onverschrokken, mannelijk geloof. Spoedig gevoelden zij zich zoo nauw verbonden aan deze Clalileesche vrouwen, alsof zij haar reeds sedert jaren gekend hadden. Dit was het eerste kenmerk van het gemeentelijk leven door de kracht van het kruis van Christus.

De beide patriciërs uit Jeruzalem kwamen achtereenvolgens ter plaatse, de een met de vergunning om Jezus te begraven, de ander met een lastdier of wel eenige dienaren, die honderd pond specerijen medebrachten van de benedenmarkt, aromatische mirregom en welriekend hout der aloë, beide tot poeder gemalen. Nicodemus zag op naar het edele, bleeke gelaat. De herinnering aan zekeren duisteren nacht, nu twee jaren geleden, zal wel bij hem zijn opgekomen, toen hij met den nu Gekruisigde zat bij het licht eener altaarlamp in de stad en hij van Dezen aan het einde van een langdurig gesprek de woorden hoorde, die hij destijds niet begreep: „Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet ook de Zoon des menschen verhoogd worden.quot; Nu verstond hij dit.

Voorzichtig en zacht, gelijk men een zieken vriend, dien men geen pijn wil veroorzaken, behandelt, verwijderden de mannen de nagelen uit handen en voeten, ondersteunden de slappe ledematen en namen den geliefden Doode van het kruis af. Daarna brachten de beide getrouwen het lichaam naar een nabijligg enden tuin. Deze was het eigendom van Jozef. Sinds hij uit Ari-mathea naar Jeruzalem was gekomen, had hij niet alleen zijn patricisch huis in de stad gebouwd, maar ook daarbuiten, in den stillen hof, zijn laatste woning laten uithouwen in den rotswand. Daarheen droegen zij den Heer. De vrouwen volgden. De dienaren droegen het oramatisch poeder, voor het balsemen bestemd.

24

ocr page 390

370

De hovenier zal hen bij het binnenkomen in den ommuurden tuin wel hebben ontvangen. Maria Magdalena zag hem wel, maar keek hem niet in het gelaat. Onder het in den avondwind ruischende geboomte ging zwijgende, van tijd tot tijd slechts zachtjes zuchtende, de kleine lijkstoet langs de tuinpaden tot aan het graf. Daar voor hen werd het zichtbaar in de opgaande rots. Een portaal leidde naar de kleine, lage deur, die toegang gaf tot de grafkamer.

Hier legden zij den Doode op den rotsgrond. Met het water uit den put, vermengd met hunne tranen, wischten de teerhartige vrouwen het bloed van het aangezicht en van de wonden, ontwarden het bebloede hoofdhaar en brachten dit in orde, maakten het lichaam van hun geliefden Heer gereed voor de lange rust en namen een hartverscheurend afscheid. Daarna zagen zij met weemoedige blijdschap, hoe de twee ernstige mannen hun diep-betreurden Meester eene begrafenis bereidden, zooals geen vorst meer eervol kon worden gegeven. Het heerlijk riekend aloëpoe-der werd in overvloed met de mirre tusschen het hagelwitte linnen gelegd, waarin zij Jezus\' lichaam wikkelden. Het overblijvende der specerijen verspreidden zij in de grafkamer op den koelen rotsbodem. Toen legden zij Hem in het nieuwe graf, dat nimmer door eenig bederf was aangeraakt geworden. Aldus behoorde het te zijn voor den Vorst des levens.

Nu traden zij vol droefheid naar buiten. Zij zagen op naar de zon, want voor zonsondergang moesten zij in de stad zijn. Alsdan begon de Paasch-sabbat. Juist neigde zich de zon ten ondergang en zij gevoelden met diepe smart, dat het tevens de ondergang der zon in hun eigen leven was, dat de zon was ondergegaan, die zij niet waardig waren geweest te aanschouwen.

Sprakeloos en troosteloos ging de groep stadwaarts, langs denzelfden weg, waarop men des middags Jezus had weggevoerd, te midden eener zoo groote, woelige menigte. Nu was het hier buiten doodstil. Zij hadden het geloof in Hem niet verloren, zij waren niet geschokt in hun vertrouwen op de goddelijkheid

ocr page 391

371

en de waarheid van Zijn getuigenis en hun liefde was grooter dan ooit. Maar de hoop had hen begeven en Gods weg was voor hen verborgen als in stikdonkeren nacht. Wel moest de wereld een zoo blijde hope niet waardig geweest zijn. Daarom had God die heden van hen genomen. Ook daarom weenden zij. Zy geloofden, dat hun Heer iets droevigs had ondervonden. Ook zij dachten, evenals alle menschen, dat de dood het grootste ongeluk was. Dat de dood onder sommige omstandigheden het hoogste goed kon zijn, dat verstonden zij nog niet. Met gebroken hart traden zij de stad binnen.

Nauwelijks een uur na zonsondergang, kwam achter den Olijfberg, de zilveren volle maan op, rustig, helder schijnende. En zij lichtte over Gethsemané, alwaar zij gisteren een heeten strijd had aanschouwd en over Jozefs graf, waarin de laatste, zware doodstrijd geëindigd was.

De Sabbatnacht was gedaald. En uit het stille rotsgraf in Jozefs hof, waarin het lichaam van den getrouwen Strijder met diens Paaschgeheim rustte, breidde een nieuwe Sabbat zijn vleugelen uit over de verloste aarde en in den hof van Jozef van Arimathea begon die zeldzame wonderbloem langzaam te ontluiken, van welke de sagen der volkeren verhalen, dat zij alle wonden geneest bij allen, die haar vinden, n.l. de zalige hoop des eeuwigen levens.

ocr page 392

voelde ^ niet reeds in zijn \' hart! Bij het lezen van onzen Bijbel toch wandelden wij in den geest langs de oude eerwaardige paden van het Beloofde land! In bijzondere beteekenis is aan dit land voor ons bewaarheid geworden de oude spreuk,

ocr page 393

373

„ex oriente lux!quot; Uit het Oosten is voor ons het licht opgegaan, dat nu reeds langer dan duizend jaren ons geliefde Vaderland verlicht.

En daar in het Oosten zelf? Ach, daar is het sinds lang weer duistere nacht geworden! De stormen van den Islam zijn heen-gewaaid over de eenmaal zoo bloeiende Christelijke Kerk, die de Middellandsche Zee van Noord-Afrika tot Constantinopel omgaf, als een tuin G-ods. Toen zonk ook het geliefde Heilige Land, de geboortegrond der heilige geschiedenis en der openbaring, deze parel van het oude en nieuwe Verbond, in duisteren nacht terug. Onze voorvaderen beproefden in de kruistochten door zwaard, schild en lans den Jodenban te verbreken. Echter vonden zij zelve den dood, duizenden vonden in het Oosterland een ver verwijderd graf, maar het Heilige Land te bevrijden van zijn droevige ketenen, dit vermochten zij niet.

Voor onze zendingseeuw was het weggelegd, met het zwaard des Geestes, het woord van God, den echten, Godewel-gevalligen kruistocht te ondernemen. Toen de Kerk zich van haren zendingsplicht weder bewust werd, herinnerde men zich ook de oude, niet verjarende schuld van liefde en dankbaarheid jegens dat dierbare land der Heilige Schrift, dat eenmaal de draagster was van kruis en krib. Ook in Duitschland ontwaakte op vele plaatsen de wensch om het Evangelie van Jezus Christus wederom over te planten in zijn oude, eerste bakermat. Als gevolg daarvan zien wij heden tendage, als wij onzen blik naar het Oosten richten, niet meer enkel diepe duisternis, maar uit den eeuwenouden nacht van den Islam schitteren als vriendelijke sterren een reeks van evangelische zendingswerkzaamheden ons tegen.

Eene hiervan, die na BOjaren van ernstig streven en dikwijlszwaren strijd van rijken zegen mag gewagen, is het Syrische Weeshuis te Jeruzalem. 1)

1) Het Bestuur van dit Weeshuis heeft zijn zetel te Keulen. De schrijver is Se-cretaris van dit Bestuur.

ocr page 394

374

Het Syrisch Weeshuis, oorspronkelijk naar aanleiding der bloedige Christenvervolging op den Libanon in 1860 gesticht tot redding der kinderen, die wees geworden waren ten gevolge van het bloedbad aldaar aangericht, heeft de enge grenzen der stichting reeds sinds lang uitgezet en is uitgebreid tot de grootste zendingsstichting van geheel het Heilige Land. Kinderen uit alle standen van Dan tot Berseba, ja, van den Nijl tot den Eufraat worden daarin opgenomen en in den regel gedurende den leeftijd van 8 tot 18 jaar tot Evangelische Christenen opgevoed. Dit geschiedt niet alleen in de achtklassige school en het Seminarie voor Onderwijzers, maar ook in de 10 werkplaatsen, waarin elke jongeling na het verlaten der school, na doop en belijdenis, een ambacht kan leeren, waardoor hij bij het verlaten der Inrichting, als een zelfstandig man het leven kan intreden. Het bezoek in die ruime werkplaatsen met hare 180 bewoners, geeft een opgewekt, vrooiijk en levendig tooneel te aanschouwen. Er wordt genaaid, gehamerd, geschaaft, gevijld in de werkplaaten der kleedermakers, schoenmakers, timmerlieden, smeden, slotenmakers, pottenbakkers, draaiers, boekdrukkers, enz. En als wij het land doortrekken, dan zien wij in menige plaats in Judea en Galilea, die anders geen spoor van den Evangelischen geest zou te zien geven, op verblijdende wijze de vruchten rijpen van dit jaren lang voorgezet opvoedingswerk. In Sichem vinden wij een Evangelischen pottenbakker, in Jaffa een aantal handwerkslieden, in Jeruzalem flinke evangelische kooplieden en ambachtslieden, in Betdjala en Kaïro een evangelisch predikant, in Bethlehem, Hebron en Betdjala evangelische onderwijzers, in Tiberias, Nazareth, Tyrus, Sidon, op den Libanon en den Hermon talrijke evangelische handwerkslieden en landbouwers, — allen geboren Arabieren, die hun evangelisch geloof hebben meegebracht uit het Syrisch weeshuis en die allen, een iegelijk naar geloof en talenten hem geschonken-ka»-, als zendboden van het Evangelie in hunne woonplaatsen werkzaam zijn. Reeds zijn meer dan vijfhonderd van deze kwee-kelingen uit het Syrisch Weeshuis door het land verspreid

ocr page 395

375

/

en met blijdschap kunnen wij de verzekering geven, dat het moeie-IMk werk in het Beloofde Land niet tevergeefs is geweest. Ook voor den overigen Duitsch evangelischen Zendingsarbeid in het Heilige Land heeft deze uitgebreide stichting groote beteekenis als baanbreekster. Zoo wordt b.v. het werk der Berlijnsche Jeruza-lems-vereeniging, die in het Zuiden des lands, in Bethlehem, Bet-djala en Hebron kleine gemeenten gesticht heeft, grootendeels verricht door voormalige kweekelingen van het weeshuis (leeraren, onderwijzers, zendelingen.)

Is reeds de inwendige omgeving van onzen Zendingspost liefelijk en aangrijpend, hoeveel meer is dit de* aanblik, die ons in geestelijken zin hier gegund is over het geliefde land. Het is hartroerend in deze kinderoogen, in de oogen dezer jongelingen, landgenooten van Profeten en Apostelen, ja van onzen Heer zelf te blikken en daarbij te bedenken, dat allen geroepen zijn om éénmaal als zóóveel getuigen van het Evangelie, als heilige voorposten dienst te mogen doen in het geheele Beloofde Land. Zelfs de blinden, die wij in de blindeninrichting aantreffen, den blindenbijbel, in het Syrische weeshuis zelve gedrukt, — ontcijferende, of wel manden, matten en soortgelijke voorwerpen vervaardigende, zelfs dezen moeten naar hunne krachten, eenmaal medewerken om hunne blindgeworden landgenooten wederom de oogen te openen.

Een belangrijke schrede voorwaarts is in 1891 gedaan door den aanleg der kolonie Ramle. Het landbouwende gedeelte der kweekelingen had tot nu toe tot zijn verspreiding over het land, of niet een geestelijk verband, öf geen voldoende vooruitzichten op vooruitkomen in de wereld. Daarom heeft de bejaarde stichter der Inrichting, onvermoeid als hij is, „Vader Schnellerquot;, niet gerust, alvorens hij na tien jaren aanhoudende inspanning met behulp van het Duitsche rijk, ongeveer een halve kwadraatmijl land van de Turksche regeering had verkregen, tot vestiging van deze kweekelingen, die December 1890 aldaar hun veldarbeid hebben aangevangen. Deze kolonie verdient in hooge mate de belang-

ocr page 396

376

stelling en medewerking van alle Zendingsvrienden. Krachtige hulp is zeer noodig.

In Jeruzalem heeft zich een toenemend aantal voormaüge kweekelingen gevestigd, deels voor eigen zaken, deels in dienst van anderen werkzaam. Hun gezinnen zullen zich waarschijnlijk in school en kerk aansluiten aan het Moederhuis, dat behalve den directeur, nog een eigen leeraar heeft, den predikant-inspector Th. Schneller. Om intusschen ook de, over het geheele land verspreide kweekelingen niet zonder verpleging te laten, trekken de Evangelisten van het weeshuis tweemalen Js jaars het geheele land door, van stad tot stad, van gehucht tot gehucht.

Voor dezen wijdvertakten zendingsarbeid in het oude Beloofde Land, vraag ik den vriendelijken lezer, uit den grond mijns harken, belangstelling en hulp. Ook het kleinste steuntje kan bijdragen tot bereiking van het groote, het heeriijke doel: weder-opbouwing der vervallen muren van Sion. Om zoodanige deelneming mogelijk te maken, geeft het Syrisch weeshuis sinds 6 jaren een eigen driemaandelijksch tijdschrift uit: „de Zionsbode,quot; dat te Jeruzalem gedrukt, direct van daar uit, aan eiken vriend der Inrichting wordt toegezonden. Ik ben gaarne bereid voor een ieder, die mij daartoe zijn adres opgeeft, de toezending te bezorgen.

Alzoo dan snellen de voeten dergenen, die den vrede verkondigen, weder over de bergen van het Beloofde Land ! Des Heeren zegen ruste op onzen arbeid. Mogen velen, aan wier deur ik bij dezen aanklop als een pelgrim uit het Beloofde Land, bereid zijn, plaats te nemen in den kring der vrienden en begunstigers van het geboorteland onzes Heeren, opdat wij, als met duizend liefdehanden, het arme, verlorene kind der Christelijke Kerk terugbrengen tot Hem, die op deze bergen voor ons he: eeuwige heil heeft verworven.

Men wordt verzocht giften en mededeelingen betreffende het Syrisch Weeshuis te zenden aan het adres van den schrijver, Secretaris des Bestuurs, Pastor L. Schneller, Qrosze Witschgasse 9In Köln a/R.

ocr page 397
ocr page 398

\' £

■

.

■

. 1

ocr page 399

jtM

_

ocr page 400