ocr page 1
ocr page 2

428

J

33

........

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

quot;? EEN BUNDEL KINDERPREEKEN.

UIT HET EXGELSCH VERTAALD.

MET EEN WOORD VAN INLEIDING VOORZIEN

Dr. J. H. GUNNING J.Hz.

-OS—

G \\

a- Bibliotheek * j

LEIDEN, D. A. DA AM EN.

ocr page 8

BIBLIOTHEEK RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

ocr page 9

VOORREDE.

Dat eene kinderpreek tot de moeielijkste zaken behoort, waartoe een bedienaar des Woords geroepen wordt, is buiten twijfel. Zou het ook niet mede daaraan zijn toe te schrijven dat zoo weinigen er zich aan „wagenquot;, en deze hoogst gewichtige taak zoo menigmaal aan de broedersgodsdienstonderwijzers overlaten ? En toch, hoe weinig hebben z ij vaak gelegenheid tot kalme voorbereiding voor dit werk, die soms van 20 tot 30 uren in de week moeten catechiseeren !

Een kinderoor luistert scherp, en een kind verlangt veel, wil het waarlijk geboeid worden. Voor eene goede kinderpreek is het onmisbaar dat men goed „vertellenquot; kan, zonder ooit in dien ongewijden, snaakschen toon te vervallen, die helaas bij deze samenkomsten niet ongebruikelijk is, maar toch niet genoeg kan worden afgekeurd. Het is heilige geschiedenis, die men aan de kinderen verhaalt. Het is ook heilige grond waar ze bijeenkomen, en een „kinderkerkquot;, waar men herhaaldelijk gelach en aardigheden vernemen kan, is als volkomen mislukt, ja als schadelijk voor de zielen onzer kleinen te beschouwen. Wie slechts w a a r 1 ij k de onvergelijkelijke verhalen des Bijbels laat spreken, zal den verborgen grond des gemoeds bij de kinderen gewisselijk treffen.

Maar nog eens : hiertoe is rustige, biddende studie meer

ocr page 10

VOORREDE.

dan noodig! Ik herinner mij uit mijn Haagsche jeugd dat er eens plotseling eene beurt „bezwaardquot; moest worden; een der predikanten was onverwacht verhinderd op te treden. Op Vrijdagmorgen kwam de kerkeknecht bij den waar-digen van Koetsveld (wiens kinderpreeken in menig opzicht modellen waren), en vroeg hem : „W elke beurt Dominé nemen wilde : de Groote Kerk voormiddag of de Kinderkerk ?quot; En zonder aarzelen antwoordde hij : „d a n neem ik stellig de Groote Kerk, want voor de Kinderkerk is de tijd van voorbereiding mij te kort.quot; Wie Vader van Koetsveld en zijn onverdachten waarheidszin gekend heeft, weet dat hij dit woord volkomen meende. Wie onzer, die wel eens Kinderkerk heeft gehouden, voelt niet een weinig schaamte bij zich opkomen, als hij van zulk een nauwgezetheid in dezen hoort ?

Wellicht zijn deze Kinderpreeken, uit het Engelsch van Dr. Blake en Mark Guy Peerse vertaald, dezen of genen voorganger niet onwelkom, gelijk ik ze met blijdschap heb leeren kennen. Wij bezitten nog niet veel goede Kinderpreeken in onze moedertaal, en ik zou een bundel oorspronkelijke Hollandsche toespraken tot onze kleinen, eenvoudig van toon en waarlijk Schriftuurlijk van inhoud, een groote aanwinst achten voor onze homiletische literatuur. Wie bezorgt ze ons ? Voorhands zullen deze bloemen uit den vreemde ook op onzen bodem wel een plaatsje kunnen vinden, naar ik hartelijk hoop.

Niet zonder eenige aarzeling gaf ik aan deze toespraken den naam Kinder p r e e k e n. Men ontvangt hier zeer zekerlijk geene „preêkenquot; in den gewonen zin des woords, geene verkondiging van het geloof der Gemeente, waarop deze met haar „Amenquot; antwoorden kan. Zeer terecht

VIII

ocr page 11

VOORREDE.

IX

ontbreekt dan ook dit woord aan het slot dezer toespraken. Wie eene Kinderkerk houdt, verhaalt en vertelt meer, dan dat hij getuigt en predikt, al behoeft er, al mag er ook geene absolute tegenstelling in deze zijn. Ons kroost is gewisselijk met ons geroepen van tijd tot tijd voor \'s Heeren aangezicht te verschijnen, óók in de samenkomsten der Gemeente waartoe het behoort; en w i e zal den leeftijd aangeven waarop deze kinderen er „niets aan hebbenquot; of „w è 1 w a tquot; van kunnen meedragen ? Maar daarnaast acht ik toch eenvoudige, korte, bevattelijke kinderpreeken of kinderverhalen, liefst door de geordende dienaren der kerk en in de kerkgebouwen (zoo mogelijk), aan onze kleinen gebracht, van hoog belang, en mij dunkt dan vindt men hier in dezen Bundel iets dat tot zelfstandige navolging prikkelen kan. Wij Hollanders, zullen allicht wat deftiger, misschien ook wat dogmatischer spreken als onze in illustratie en verhaaltjes wel wat ove r-rijke Engelsche broeders, maar w i e, die hunne hartelijke boeiende taal leest, moet niet erkennen: dat pakt? dat zal ook onze jongens en meisjes boeien ?

De Heer legge eenen zegen in deze bladen, en geve allen, die de groote verantwoordelijkheid hebben onze jeugd te helpen vormen, steeds het rechte woord en den rechten zin om van H e m te getuigen, wien wij met ons kroost toebehooren !

J. H. GUNNING J.Hz.

ocr page 12

WÊmtmÊÊÊÊmsmÊm

mmgim

I

msmmm

STOj^Sg^agi^^^fta

H| H|

\'

jfi \\

■: .,

ocr page 13

INHOUD.

Bladz.

I. GROOT GEWIN..............................I

II. DE KLEINE MIRJAM........................14

III. ONZE VADER..............28

IV. DE JONGE DIENSTKNECHT DES HEEREN .... 44 V. JONGENS EN MEISJES, DIE OP DE STRATEN DER

STAD SPELEN..............58

VI. HET HEBREEUWSCHE MEISJE........./O

VII. EENE ERNSTIGE VRAAG...........8l

VIII. „IK HEB U VERLOSTquot;...........94

IX. EEN STERKE TOREN............lOQ

X. CHRISTUS ACHTERGEBLEVEN IN DEN TEMPEL. . 123

XI. EEN HEERLIJK WERK VOOR ALLEN......137

XII. JEZUS EN DE JOODSCHE KINDEREN......I50

XIII. EENE WANDELING IN HET VRIJE VELD . . . . IÓI

XIV. PAULUS\' NEEFJE..............171

XV. DES KONINGS TUINEN............IQO

XVI. TIMOTHEÜS................20I

ocr page 14
ocr page 15

GROOT GEWIN.

EEXE NIEUWJAARSPREEK.

„De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.quot; i TIM. 6 : 6.

Een gelukkig Nieuwjaar, jongens en meisjes — het beste en gelukkigste dat gij ooit gehad hebt, wensch ik u toe!

„Wat heeft men aan dat wenschen?quot; vraagt Willem knorrig. „Het brengt ons geen geluk aan. Ik heb honderden keeren iets gewenscht, maar het kwam tóch nooit!quot;

Maar ik zeg dat het dan toch maar aangenaam is, wanneer men gevoelt dat de menschen genoeg van ons houden om ons iets goeds toe te wenschen; het betee-kent dat zij ons gaarne zouden geven wat zij wenschen, indien zij dat maar konden. Ik wensch u dus een gelukkig Nieuwjaar toe; en daar ik het u niet kan geven, zal ik doen wat misschien nog beter is — ik zal u trachten aan te wijzen hoe gij het u zeiven kunt verschafifen. Nu is er ééne zaak, die ik u allen toewensch. Ik ben er benieuwd naar of gij het raden kunt. Als gij in eene groote stad woont, kunt

ocr page 16

ge \'s morgens aan alle kanten mannen en vrouwen, jongens en meisjes naar fabriek of kantoor zien gaan — hondorden menschen haasten zich naar hun werk om datgene te verkrijgen, wat ik u toewenseh. Buiten op het land ploegt de landbouwer er om, en de molenaar maalt er om, en de houthakker hakt er om, en de mijnwerker daalt er om neder in de donkere mijnen, en de visscher gaat naar zee om het te zoeken. Alle menschen zijn er begeerig naar. Zij willen gaarne veel geld verdienen, zij zoeken gewin — groot gewin. Dit is het nu wat ik u toewenseh — groot gewin.

Eens was er een schatrijke koning. Hij had een troon van ivoor met goud bedekt, en zes ivoren treden met een gebeeldhouwden leeuw op elke trede leidden er naar toe, en zijne voetbank was van goud. Bijna alles wat hij in huis had was van goud gemaakt. Paarden en wagens had hij zoovele, dat er vierduizend stallen noodig waren, waarin ze konden staan. Om de drie jaar kwamen zijne schepen binnen en voerden goud en zilver, en ivoor, en apen, en pauwen aan. Indien ooit iemand geweten heeft, wat men met goud kan doen, dan was het deze koning. Hij was even wijs als rijk, en hij zeide dat er een rijkdom is, die veel meer waard is dan het fijnste goud.

Jaren daarna leefde er een man, die afstand deed van alles wat hij had, en overal rondreisde om het Woord Gods te verkondigen. Hij was heel arm. Dikwijls leed hij gebrek. Hij liet zich door geene gevaren afschrikken; nu eens leed hij schipbreuk.

ocr page 17

dan weer viel hij in de handen van roovers of van wreede, hardvochtige menschen. En die man, die zoo arm was, zegt hetzelfde als die rijke koning. Hij zegt; „ Godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.quot;

Dit is het wat ik u allen toewensch — deze godzaligheid met vergenoeging welke een groot gewin is. Godzaligheid is een lang woord, dat gij misschien niet begrijpt; het beteekent, dat men zich gelukkig voelt in en door God, en dat is meer waard dan al de schatten en de weelde van den rijksten Koning.

Het is groot gewin, omdat het iets is dat in ons — in ons hart woont.

Stel u voor dat er iemand is, die zooveel geld bezit als hij maar met mogelijkheid tellen kan, maar dat hij geplaagd wordt door vreeselijke kiespijn. Arme man ! hij houdt zijne hand voor zijn gezicht, en loopt zuchtende en kermende zijne mooie kamers door, alsof hij de armste man op aarde was. Wanneer hij het raam uitkijkt en zijn oog laat gaan over zijne prachtige tuinen en zijne eigene vruchtbare landerijen, ziet hij den kleinen arbeidersjongen, die met de paarden naar het land rijdt. Hij fluit een vroolijk deuntje, en de hond springt naast hem voort. De leeuwerik zingt blijde in de heldere blauwe lucht. De nijvere bij gaat gonzend van bloem tot bloem. Zij zijn allen gelukkig behalve die rijke man zelf. Zij zijn gelukkig omdat zij het geluk in zich hebben. Groot gewin is iets dat in ons binnenste moet zijn — het is de zonneschijn en het zingen in ons hart. Om godzalig te zijn, moeten wij een rein hart hebben, moeten

ocr page 18

wij vriendelijk en goed, eerlijk cn trouw zijn. Dat is het eenige geluk — dat is een groot gewin.

Ik heb eens een sprookje gehoord, dat, ofschoon het natuurlijk nooit gebeurd is, ons toch op eene aardige manier eene groote waarheid leert. Het was in den tijd, toen er zoogenaamde „kaboutermannetjesquot; waren, die in de huizen der menschen woonden, en somtijds veel goeds, somtijds ook veel kwaads deden. Als zij er lust in hadden konden zij zoo vriendelijk en behulpzaam zijn als gij, jongens en meisjes, zoudt kunnen wezen als gij eens erg uw best deedt, en dan hielpen zij iedereen voort. Zij veegden den vloer aan, zij schuurden al het tin en het koper, zoodat de keukenmeid er zich in kon spiegelen, zij maakten dat de melk niet zuur werd, en ruimden alles netjes op. Maar als het hun in den zin kwam om de menschen te plagen, dan konden zij even lastig zijn als dit met kinderen óók wel eens het geval is, dan voerden zij heel wat katte-kwaad uit. Alles keerden zij \'t onderste boven; zij lieten de melk schiften, bedierven de boter, braken de eieren, maakten dat de schoorsteen rookte, in één woord, zij deden zooveel kwaad als zij maar konden.

Nu werd eens een boer zóó erg door die kaboutertjes gekweld, dat hij besloot zijn huis te verlaten en ergens anders te gaan wonen. De melkmeid had zooveel tegenspoed, dat zij niet kon blijven ; de arbeidersjongen liep weg en kwam niet meer terug; de knecht zeide dat er steentjes onder de haver van de paarden werden gedaan, en dat

ocr page 19

0

zijn melkemmer altijd om werd gegooid, en dat hij het niet langer uit kon houden, maar zijn dienst op moest zeggen.

De arme landbouwer dacht dus dat er niets anders op zou zitten, dan dat hij ook maar wegging. Hij pakte alles wat hij had bij elkaar, en deed het in den grooten boerenwagen, en sloot zijn ledig huis af. „Nu,quot; zeide hij, toen hij den sleutel omdraaide, „nu hoop ik toch dat ik er van verlost ben. Ik heb er genoeg verdriet van gehad.quot;

Hij klapte daarop met zijn groote zweep en sloeg den weg in naar zijne nieuwe woning. Hij moest eene steile hoogte over en hield even stil om zijne paarden te laten rusten. Toen hij zich bukte om een steen op te rapen, dien hij achter het wiel wilde leggen, hoorde hij een zacht piepend geluid als van een muis. Hij luisterde, en nu kwamen van uit de meubelen midden in den wagen de stemmetjes der kaboutermannetjes tot hem. Zij zeiden tegen elkander: „Daar gaan wij, daar gaan wij; is liet niet grappig? Hij denkt dat hij ons achter heeft gelaten, maar wij zullen overal met hem medegquot;aan.quot; En al de kaboutertjes vielen gezamenlijk in: „Wij zullen overal met hem medegaan.quot;

„Heb ik ooit van mijn leven,quot; zuchtte de boer. „\'t Is toch verdrietig. Zij gaan met mij mede naar mijn nieuwe huis, en ik zal er even akelig aan toe zijn als vroeger. Ik kan net zoo g-oed terugkeeren.quot; Hij liet dus zijn paarden omkeeren en ging weer terug met zijne kaboutertjes.

Ziet gij, jongens en meisjes, hij had een middel

ocr page 20

6

moeten weten om die kwade kabouters in goede te veranderen, waardoor zij hem tot hulp in plaats van tot last zouden geworden zijn. Xu is dit sprookje toepasselijk op honderden jongens en meisjes; zij denken dat, indien zij d/S of da/1 hadden, indien zij hier of daar konden gaan, zij dan volmaakt gelukkig zouden wezen. Maar de kaboutertjes, die het kwaad doen, gaan met ons mede. Zij zijn in ons — in ons hart; en alles wat wij van noode hebben is, dat ons hart veranderd wordt. Indien ons hart rein is, dan zijn wij gelukkig, dan hebben wij groot gewin; wanneer het kwade humeur een goed humeur wordt, de drift en het ongeduld in vriendelijkheid en zachtheid veranderen, dan is hot geheele huis daarbinnen zoo gelukkig als het maar zijn kan — dat is het groote gewin, vriendelijk en zacht, eerlijk en trouw, rein en goed te wezen.

Dit alles kunnen leij zijn. Omdat God, onze Heraelsche Vader, ons liefheeft, en zijn eeniggebo-ren Zoon Jezus Christus gegeven heeft om voor ons te sterven, kunnen wij Hem vragen dat Hij onze zonden vergeve ; en omdat de Heilige Geest gekomen is om ons allen een rein hart te geven, kunnen wij Hem ons onreine hart brengen. Laat dit voortaan onze bede zijn, laten wij met oprechtheid bidden; Schep mij een rein hart, o God! Dat is het groote gewin.

Eens was een lief klein vriendje van mij, dat nu in den hemel is, op een Zondagmiddag aan het praten met zijne moeder. Na een poosje sloop hij de kamer uit en bleef eenigen tijd weg. Toen

ocr page 21

7

hij terugkwam stonden zijne oogen vol tranen.

„Waar ben je geweest, beste jongen ?quot; vroeg zijne moeder.

„Moeder,quot; zeide hij, „ik voelde mij niet zoo heel gelukkig; ik ben in den laatsten tijd niet zoo vriendelijk en gehoorzaam geweest als ik had moeten zijn, en nu ben ik naar mijn slaapkamer gegaan, en ik heb den Heere Jezus om een rein hart gevraagd, en nu ben ik weer gelukkig.quot;

O, jongens en meisjes, dat is het beste wat er bestaat — het is een groot gewin.

Het volgende versje doet ons zien dat het geluk niet gelegen is in rijkdom en macht, in hetgeen wij hebben, maar in hetgeen wij zijn. Een meisje gaat voorbij het paleis; zij denkt aan de koningin en zegt:

Ken koningin te wezen,

Hoe heerlijk moet dat zijn !

Gekleed te gaan in zijde.

Fluweel en hermelijn ;

In een paleis te wonen,

Te zitten op een troon,

Versierd met diamanten.

Op \'t hoofd een gouden kroon.

Een koningin te wezen.

Wat gaf ik niet daarvoor!

In fraaie koets te rijden De heele wereld door ;

Den weg bezaaid met bloemen.

En dienaars zonder tal,

Op fiere rossen dravend.

Met luid trompetgeschal.

ocr page 22

8

Een koningin lc wezen,

Hoe heerlijk moet dat zijn !

Aan weezen brood te geven En kleeren, warm en rein ;

Om alle arme menschen Te helpen mild van zin ;

Alom te hooren juichen ;

„Lang leev\' de koningin !quot;

De koningin keek juist uit haar raam, en als zij het meisje ziet, zegt zij bij zich zelve ;

„Zoo dikwijls ik staar uit dit opene raam,

Op de woelige drukte der straat.

Op de meisjes daar trippleud en pratend te zaam Met een vroolijken lach op \'t gelaat;

„O, dan krimpt mij het harte van afgunst en leed En \'k benijd haar dat lachen zoo blij.

En ik haat het gezicht van mijn koninklijk kleed, Ik wensch jong weer te zijn zooals zij !

„O, kon ik weer kind zijn en vroolijk en vrij,

Kon ik lachen en spelen met lust!

Maar de herfst is gekomen, de lente is voorbij —

En mijn harte vindt nergens meer rust.quot;

liet groote gewin is een hart, waarin geen kwaad woont. Godzaligheid is een groot gewin. Maar godzaligheid is niet alles. Godzaligheid met vergenoeging is een groot gewin. Het is akelig, wanneer iemand ontevreden is, maar van iemand, die God liefheeft, is het nog veel erger dan van elk ander, omdat het zoo niet behoorde te zijn. liet is verkeerd, en hij kon het veranderen als hij wilde, leder, die een rein en liefhebbend hart heeft, moest verge-

ocr page 23

noegd wezen. Dit herinnert mij aan de geschiedenis van een rijken man, die niets te doen had, en zich nn verbeeldde, dat hij ziek was. Hij lag den geheelen dag in bed, nam allerlei drankjes in, en zuchtte en kermde over de kwalen, die hij meende te hebben, en dacht werkelijk dat hij zich heel ziek moest gevoelen en bijna op sterven lag. Eens kwam een knappe dokter, dien ik wel ken, hem bezoeken, en zag spoedig dat hem niets scheelde. Maar hoe zou hij dit den ingebeeldert zieke aan het verstand brengen? Eindelijk zeide hij: „Ik denk dat het u wel goed zou doen naar het Zuiden van Frankrijk te gaan.quot;

„Maar ik zou er nooit kunnen komen!quot; kermde de arme man.

„Nu, dan zal ik met u medegaan.quot;

De rijke man had het er gaarne voor over den dokter te betalen, en de dokter wilde wel eens vacantie nemen — zij gingen dus samen op reis. Zoodra zij in Frankrijk waren, liet de dokter zijn reisgenoot te zes uur \'s morgens opstaan, %vas voortdurend druk met hem in de weer, nu eens in spoortreinen, dan weer in rijtuigen, ook legde hij groote afstanden te voet met hem af. Hij was wel gedwongen het te doen, anders had de dokter hem in een vreemde, afgelegen plaats achtergelaten. De rijke man begon langzamerhand te voelen dat hij best tot alles in staat was — dat hij vroeg op kon staan, en lange wandelingen doen, en eten en werken evenals andere menschen. Evenzoo moesten alle vrome menschen tevreden en vergenoegd zijn

ocr page 24

IO

en zij zouden het kunnen wezen, indien zij er zich slechts toe zetten. Zij behoorden godzaligheid met vergenoeging te hebben.

Laatst hoorde ik het volgende verhaal van een man, die zich vroeger altijd heel ongelukkig had gevoeld. „Vele jaren,quot; vertelde hij, „heb ik gewoond in de stad Ontevredenheid (in de Klaagsteeg, denk ik, tusschen een kroeg en een pandjeshuis), en toen ik daar woonde, dacht ik dat alles verkeerd was, behalve ik zelf; mijne vrouw was niet zooals het behoorde, en mijne kinderen ook niet, en met het land ging het verkeerd, en de dominee was niet goed, en de kerk niet, en niets was naar mijn zin. Maar eens besteeg\' ik eene hoogte, en toen ik daar bovenop stond, vond ik dat het een bijzonder liefelijk plekje was. De zon scheen, en de vogels zongen, en ik begon te gevoelen dat alles goed was. Mijne vrouw was goed, en mijne kinderen waren goed, en het land, en de kerk waren goed, en alles ivas goed, , behalve ik zelf. Ik nam mij |dus voor een ander mensch te worden; en ik kreeg een rein hart en nu, zooals ik zeide, is alles goed. Daar op die hoogte ontmoette ik een man, en ik vertelde hem dat die plaats mij zoo mooi toescheen, en vroeg hem of hij mij kon zeggen hoe zij heette ?quot;

De man antwoordde: „Dit is het land levre-denheid.quot;

„Ik zou hier gaarne willen wonen. Zijn de huren hoog?quot; vroeg ik.

„Xeen,quot; zeide de man; „het zijn alle kostelooze ■woningen. Niemand kan er u iets voor laten beta-

ocr page 25

11

len, wanneer gij in het land Tevredenheid woont.quot;

„Maar er zijn zeker veel belastingen, niet waar?quot;

De man schudde ontkennend met het hoofd. „Neen,quot; antwoordde hij; „er zijn in het geheel geen lasten.quot;

„Dan kom ik hier wonen,quot; zeide ik.

„Maar hoe krijg ik eene woning?quot;

„O, ge behoeft er slechts recht op aan te loopen, den sleutel om te draaien en binnen te gaan, dan kunt ge er zoo lang in blijven als ge zelf wilt.quot;

„Dat is juist wat ik hebben moet.quot;

En ik ging naar huis om mijne vrouw en kinderen te halen, en sinds dien tijd heb ik in het land Tevredenheid gewoond, en alles is nu zoo goed als het zijn kan.quot;

Dit wensch ik u allen toe — Godzaligheid, met vergenoeging, hetwelk een groot gewin is. Nu kunt gij wel een of twee redenen bedenken waarom het grooter gewin is dan het kostbaarste goud. Wij kunnen dit gewin altijd bij ons hehben. Gij herinnert u de geschiedenis van dien Koning, die in verre landen oorlog ging voeren, en op zijne terugreis gevangen werd genomen, en zoolang opgesloten werd gehouden totdat iemand geld zond voor den losprijs. Hoe dikwijls zal die arme gevangene in zijn eenzamen kerker gedacht hebben aan zijn koninkrijk en aan zijne kroon, aan zijne juweelen en al zijne schatten — hoe menigmaal zal hij ge-wenscht hebben, dat hij ze toch bij zich had. Maar al die rijkdom was ver weg, en het hielp hem nu niets, dat hij dien bezat. Wanneer wij echter dien

ocr page 26

I 2

schat hebben van godzaligheid met vergenoeging, dan voeren wij hem overal met ons mede. Paulus, die deze woorden heeft gesproken, nam dat groote gewin met zich mede in de gevangenis, en hij zong er lofliederen, en gevoelde zich volmaakt gelukkig-, en in alle mogelijke vreemde plaatsen en moeilijke omstandigheden was hij steeds goedsmoeds. Vroeger spraken de menschen van een steen dor wijzen, die alles wat hij aanraakte in goud veranderde. Het „groote gewinquot; dat ik bedoel, is de ware steen der wijzen. Do tevredenheid, de vergenoeging welke in liet hart woont, verandert alles in goud.

In de tweede plaats is het een groot gewin omdat wy het -met ons mede kunnen nemen, wanneer -iüiy alle andere schatten achter moeten laten. Hebt gij wel eens gelezen van Willem den Veroveraar, dien grooten koning, die zooveel rijkdommen bezat en in zulk eenc weelde leefde? Toen hij in Frankrijk op zijn sterfbed lag-, verlieten al zijne vrienden hem om naar hunne eigen bezittingen om te zien, en zoodra hij dood was, namen zelfs de knechten alles wat zij machtig konden worden, en maakten dat zij weg kwamen. Het lijk van den grooten veroveraar bleef bijna ontkleed op den grond liggen. Hij, die duizenden volgelingen had gehad, vond ternauwernood een enkelen vriend, die hem met liefde begroef. Hij, die zulk een groot rijk had bezeten, kon ternauwernood een graf vinden. Hij was dood, en moest al zijne schatten achterlaten. Maar toen Paulus oud was, had hij deze godzaligheid met vergenoeging in zijn hart, en hij gevoelde dat hij dit

ocr page 27

13

groote gewin met zich mede kon nemen. Hij zeide: „Het sterven is mij gewin.quot; En dit was het gewin: „Voorts is mij weggelegd de Kroon der rechtvaardigheid, welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in dien dag geven zal.quot;

Jongens en meisjes, ik wensch u allen dit groote gewin toe. Wij knnnen het allen verkrijgen. Laten wij het als een Nieuwjaarsgeschenk van onzen Heiland afsmeeken. De Heere Jezus heeft ons lief en wil ons zoo gaarne zegenen. Hij wil Zijne hand op u leggen en tl zegenen met deze godzaligheid en vergenoeging, welke een groot gewin is.

ocr page 28

DE KLEINE MIRJAM.

„En zijne zuster stelde zich van verre „om te weten, wat hem gedaan zoude „worden.quot; exodus 2 : 4.

Deze geschiedenis is uitsluitend bestemd voor kinderen en ik hoop dat zij nu eens heel goed zullen begrijpen, wat er voor hoi uit te leeren is, en daarom zal ik zoo eenvoudig mogelijk tot hen spreken. Zonder een enkel woord tot vaders en moeders te richten, zal ik u, geliefde kinderen, vertellen, wat ik weet van een zeker meisje en van hetgeen zij gedaan heeft.

Zij leefde lang geleden in een land hier heel ver vandaan. Mozes spreekt over haar in het t\\\\ eede hoofdstuk van het tweede Bijbelboek, en het vreemdst van alles is, dat dit meisje zijn eigen zuster was. „Zijne zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zoude worden.quot; Maar wat kon hem dan gedaan worden, en waarom stelde zij zich van verre ?

Gij zult dit niet kunnen begrijpen, tenzij wij teruggaan naar het land en tot den tijd, waarin dat

ocr page 29

15

zusje en dat broertje leefden. Zooals ik zeide, is dat reeds lang geleden. Het gebeurde in Egypte, waar nooit eenige regen valt en de menschen bijgevolg zoo dicht mogelijk bij de eenige groote rivier moeten wonen; tevens was het nog in een tijd, dat de kleine jongens in de rivier geworpen werden en de meisjes het koren voor hun middagmaal moesten malen in kleine steenen handmolens; waarbij ze dan plat op den grond zaten en uren achtereen maalden.

Pharao, de koning, was een ondeugend, slecht mensch. Jozef, die het volk van den hongerdood gered had, kende hij niet. Hij was de vader, of misschien de grootvader van den Pharao, die in de Roode Zee verdronk. Deze wreede koning kon het gezicht van zooveel gezonde Hebreeuwsche jongens om zich heen niet dulden. Hij was bang, dat hun getal te groot en te sterk voor hem zou worden, en dat zij hem dan voor al zijn slechtheid van den troon zouden stooten. Daarom gaf hij bevel „hun leven bitter te maken met harden dienst, in leem en in tichelsteenen, en met allen dienst op het veld.quot;

Alle mannen, ook de jongens als zij groot genoesj-waren, moesten in de steenbakkerijen of ovens werken om die groote muren en tempels in Egypte te helpen bouwen, die ook nu nog- door vele menschen bezocht worden.

De slavernij van Israël was echter in de oogen van den boozen Pharao nog niet hard genoeg. Er waren nog veel te veel jongens en meisjes, die in

ocr page 30

i6

de straten der verschillende steden liepen te spelen. Hij vaardigde daarom een bevel uit, dat iedere jongen onmiddellijk na de geboorte zou gedood worden, alleen de meisjes mochten in het leven blijven.

De bloeddorstige koning dacht op deze wijze de Hebreërs te kunnen uitroeien. Het waren donkere en droeve dagen voor de Israëlieten. Het leven werd hun inderdaad zeer bitter gemaakt door harde dienstbaarheid.

Geen moeder durfde haar kleinen jongen mee naar buiten nemen, en groot was haar angst als hij begon te schreeuwen, daar allicht een Egyptenaar juist voorbij kon gaan, die hem dan zou meenemen en dooden. Geen vader wist of, als hij van zijn zware dagtaak huiswaarts keerde, hij zijn gezonden jongen, dien hij des morgens nog op den arm gedragen had, veilig in slaap zou vinden, in zijn wiegje. Het scheen waarlijk, alsof de God hunner vaderen hen vergat in hun harde slavernij.

Maar één moeder was er, die niet gelooven kon dat de Heer Zijn belofte zou breken. Zij had drie kinderen in haar kleine woning: een jongen van drie jaar, een meisje van zes, en nog een knaapje van slechts drie maanden oud. Van dit kleine meisje ga ik u iets vertellen. Zij heette Mirjam, wij zouden zeggen: Maria, of Marie, een naam, die meer gebruikt wordt, dan benige andere. Het is dan ook een mooie naam en zij, die hem dragen, mogen hem waarlijk wel in eere houden!

Het jongetje heette Ailron en het kleinste kindje had nog geen naam. Spoedig zou hij dien ontvan-

ocr page 31

I?

gen en wel op een vreemde wijze, zooals gij hooren zult. Zijn moeder was misschien te angstig voor zijn , leven om er nu juist over te denken, hoe zij hem noemen zou. Bovendien had zij hem drie maanden verborgen gehouden in huis — het is moeilijk te raden waar — maar zeker op een plaats, waar niemand hem zou zoeken. Hij had dus geen naam noodig gehad, en werd dan ook maar altijd „kleintjequot; genoemd. Ailron was zelf ook nog maar een kleine jongen; sprak dus de moeder bij ongeluk over haar kindje, dan konden de buren wel denken, dat zij het over Ailron had.

Hier dus woonde dit gezin, niet ver van een der vele Nijlmonden en van het paleis van een der dochters van Pharao. Zooals gij begrijpen zult, stond hun woning op een bijzonder druk bezocht gedeelte, waar zij niet mochten hopen hun kleintje nog langer te kunnen verbergen. Het was reeds drie maanden oud, een flinke, sterke jongen, die al dapper zijn stem begon te gebruiken en ongetwijfeld ook spoedig zijn voeten hun dienst zou laten verrichten. Van gevaar, voor hem aan levenmaken verbonden, had hij niet het minste begrip.

Dan was het ook een mooi kindje, dat stellig de opmerkzaamheid tot zich zou trekken, als het buiten kwam en vragen zou uitlokken, die den koning ter oore mochten komen en dan! . . . wee het arme jongske! Er moest gehandeld worden, en spoedig ook!

Wat zoudt gij wel gedaan hebben om zulk een geheim te bewaren: een knaapje van drie maanden

ocr page 32

i8

in huis te verstoppen? Do arme moeder dacht er over, en — ik twijfel er geen oogenblik aan — weende verscheidene dagen, eer zij zeker wist wat haar te doen stond. Maar zij herinnerde zich wat de Heer in vroeger jaren gedaan had, toen Hij Noach in de ark deed ontkomen aan den vloed; en hoe Hij Ismaël bewaarde in de woestijn, waar hij bijna omkwam van dorst; en hoe Hij voor Jozef gezorgd had, die eerst in den kuil en daarna in do gevangenis geworpen werd, waar men hem vergat, zoodat het wel scheen, alsof hij daar zou moeten sterven. Zij gevoelde in haar hart en g\'eloofde, dat de God harer vaderen op de een of andere manier haar jongen redden zou, ofschoon zij niet kon zeggen hoe? Misschien had zij nu en dan Pharao\'s dochter op straat voorbij zien gaan, dicht genoeg om in haar vriendelijk en zacht gelaat te lezen. Misschien ook had zij die prinses dikwijls met hare hofdames naar de badplaats zien wandelen, zooals dat toen de gewoonte was in Egypte, aan den oever der heilige rivier, daar vlak bij, te midden van het lange riet. Als het haar nu maar gelukken mocht de prinses een enkelen blik te doen slaan op het schoone Hebreeuwsche knaapje, dan, zij voelde het wel, zou haar vrouwelijk hart medelijden krijg-en met het kind en wel een middel vinden om het te redden, \'s Avonds bespraken vader en moeder de zaak nog eens terdege, baden om het leven van hun dierbaar kind en namen een besluit. Paulus zegt in zijn brief aan de Hebreen; „Hij werd drie „maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits

ocr page 33

\'9

„zij zagen, dat het kindeke schoonquot; (dat wil zeggen : mooi, lief) „was; en zij vreesden het gebod „des konings niet.quot;

Het boek Exodus vertelt ons, nog duidelijker en eenvoudiger dan ik dat kan, wat de moeder deed, toen zij hem niet langer verbergen kon:

„Zij nam voor hem een kistje van biezen, en be-„lijmde het met lijm en met pek; en zij leide het „knechtje daarin, en leide het in de biezen aan den „oever der rivier.quot;

Met lijm en pek kon de kleine ark waterdicht gemaakt worden, de biezen waren licht en zouden het jongske wel doen drijven. Als de moeder het kistje nu maar bevestigde tusschen de sterke waterplanten in de rivier, dan zou de kostbare lading niet wegdrijven.

Gij kunt er zeker van zijn, dat geen mandje door kinderen, in de vrije natuur uit gras en bloemen dooreengevlochten, met meer zorg en liefde werd vervaardigd en bekleed dan dit kleine biezen kistje. Het dochtertje plukte de dikste biezen, die zij aan den oever vinden kon, de moeder sneed ze overlangs door midden en vlocht ze daarna dooreen, juist zooals men tegenwoordig manden vervaardigt van takjes. Zij maakte het kistje groot genoeg, om er haar knaapje gemakkelijk in te doen liggen, en overdekte het zelfs gedeeltelijk om hem te beschermen tegen de heete zonnestralen en de lastige vliegen. Dit alles moest, zooals ge weet, in het geheim geschieden, opdat geen hunner buren hen met hun nieuwsgierige vragen zou lastig vallen. Verder

ocr page 34

20

moest het met lijm bestreken vernis dóór en dóór droog zijn, opdat het water er niet doorheen zou komen. Dit alles nam verscheidene dagen in beslag. Toen het kistje klaar was, moest het met zacht linnen bekleed worden voor het jeugdige knaapje, en gelooft gij niet, dat de moeder het beste linnen nam, dat haar schrale kast bevatte, om over het katoenen bedje te spreiden, dat zij op den bodem had neergelegd ? Gelooft gij niet, dat Mirjam en de kleine Aiiron er naar stonden te kijken, zich verwonderend waarom moeder toch zoo\'n vreemd wiegje maakte en het al dien tijd besproeide met haar tranen ?

Eindelijk was het gereed en op zijde gezet tot den volgenden morgen. Dat was een angstige nacht voor de arme moeder met haar kleinen jongen, en haar geloof werd weieens geschokt, als zij er aan dacht hem alleen in het water te moeten achterlaten, terwijl zij toch volstrekt met geen zekerheid wist, wat er van hem worden zou.

Ik geloof niet, dat zij veel geslapen, maar wel, dat zij veel gebeden zal hebben, dat de Heer haar kind wilde sparen, hun harde slavernij wilde doen eindigen en haar volk zou leiden naar het land, dat Hij haren vaderen beloofd had.

Eindelijk brak de morgen aan, evenals alle lang gevreesde dagen met angst tegemoet gezien. Het kind werd vroolijk, gelukkig en opgeruimd wakker, want het was het rustigste en bedaardste kind ter wereld, en groeide op om eenmaal de zachtmoedigste mensch op aarde te zijn. De moeder volbracht de moeilijke taak om haar jongske in de rivier te

ocr page 35

2 I

zetten. Zij hield hem bij zich en wiegde hem zoo lang zij durfde, vóór de menschen op de been kwamen, want het zou misschien de laatste maal zijn dat zij hem in haar armen had. Daarop wikkelde zij hem in een laken, legde hem op haar schouder (zooals toen de gewoonte was om kleine kinderen te dragen) en met het biezen kistje in de hand ging zij naar buiten, terwijl Mirjam en de kleine Ailron haar door het venster verwonderd nakeken. Langs een zijpad ging zij naar de rivier, naar de plaats waar de prinses gewoon was zich te baden, en na het kistje stevig bevestigd te hebben tusschen de waterplanten aan den oever, legde zij het kind, dat onder die wandeling in slaap was gevallen, zorgvuldig in zijn arkje, als een andere, kleine Noach. De klep van het mandje werd, na een laatsten blik op haar slapenden lieveling, gesloten, en de moeder snelde, zacht weenend, naar huis terug.

Maar het moederhart was niet kalm genoeg haar kleintje aan den lieer toe te vertrouwen, zonder er zelf een weinig acht op te slaan. Voor haar persoonlijk ging het evenwel niet aan, de wacht te houden om te zien, wat er met haar kind gebeuren zoude, want dan zouden de Egyptenaars dadelijk als zij het knaapje vonden, begrijpen aan wie het toebehoorde en dan --er was geen twijfel aan — zou het als een kleine Hebreër gedood worden. Maar het zusje Mirjam ! Zij is te klein om onder zooveel kinderen als daar aan het spelen zijn, de aandacht te trekken. Gelukkig, dat zij buitengewoon vlug en verstandig is. zooals dat later bij de

ocr page 36

Roode Zee blijkt. Daarenboven houdt zij veel van haar kleine broertje, en gaarne wil zij doen wat zij kan om hem te redden. Zij kan op den uitkijk gaan staan om het kostbare kistje tusschen de biezen te bewaken en te zien, wat er mee gebeuren zal. De moeder heeft het ware „geloof, dat door de liefde werkt,quot; en zij doet daarom al wat zij kan langs den zekersten weg. Daarom zendt ze Mirjam er heen. „En zijne zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zoude worden.quot;

Een eindje van de rivier, op een kleine hoogte, waar zij iedereen naar het riet kan zien gaan, staat do kleine Mirjam, waarschijnlijk achter eenige biezen, waar zij zich. zoo noodig, kan verbergen, en kijkt uit. Langzaam kruipen de minuten om en niemand komt dien zijweg langs. Heel lang duurt dit evenwel niet, want spoedig ontstaat er eenige beweging bij de baadplaats. De dochter des konings -— naar men zegt heette zij ïhermeuthis — komt met hare jonkvrouwen aan om haar gewoon morgenbad te nemen. Terwijl zij aan het baden is, „wandelden hare jonkvrouwen aan den kant der rivier.quot;

Hoe angstig klopt Mirjams hart, als zij die hofdames al nader en nader ziet komen. Zie 1 zij, die het dichtst bij de prinses staat, ontdekt het eerst den verborgen schat, en als ook de prinses het kistje bemerkt, zendt zij een harer hofdames om het te halen. Nu zit Mirjam het hart aan de keel. De prinses opent het kistje, bemerkt het kind en ach, het knaapje weende ! Dat was waarlijk niet te verwonderen — het arme kereltje, drie maanden

ocr page 37

oud cn opgesloten in zoo\'n donker bootje, dat veel op een mand geleek ! Maar dat weenen redde hem het leven. Het drong regelrecht door tot het hart van de prinses en zij kreeg medelijden met hem. Maar ook de verheugde Mirjam hoorde dien kreet. Nu wist zij opééns dat hij niet dood was, niet gestikt onder dat deksel, niet afgedreven met den stroom of opgegeten door de krokodillen, ook niet gevonden door de Egyptische soldaten om gedood te worden. Hij was in de vriendelijkste en veiligste handen gevallen, die men zich denken kon, want Pharao zou hem toch niet van zijn eigen dochter durven afnemen ! Wat een last was dat kleine meisje nu van het hart gewenteld! Zou ze nu maar niet regelrecht naar huis loopen en alles aan haar moeder vertellen ? Zoudt gij dat niet gedaan hebben? Waarschijnlijk wel, maar Mirjam was een bijzonder verstandig kind, zooals later bleek. Zij was ook vlug in het denken en daarbij zeer slim. Zij wist dat haar broertje iemand moest hebben om voor hem te zorgen, en wat kon heerlijker zijn, dan die plaats voor haar moeder te verkrijgen? Dan kon het knaapje weer thuis komen, zij en Aaron konden hem weer bij zich hebben en dan natuurlijk zonder vrees voor de soldaten, die hem niet meer zouden kunnen dooden. Het was een stoutmoedige onderneming, maar zij was voor zulke ondernemingen geboren en besloot spoedig het te beproeven. Zonder drukte naderde zij het gezelschap, dat zich om het kistje verdrong en den schoonen, kleinen schipper bewonderde, die uit het water

ocr page 38

24

getogen was. Dicht achter Pharao\'s dochter staande, zei ze zeer bescheiden: „Zal ik henengaan en u „eene voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die „u dat knechtje zooge ?quot;

Was dat nu niet een slimme vraag?

Niets te zeggen van haar broertje of zijn moeder! Xeen, zij wil alleen de een of andere Hebreeuwsche vrouw halen, het komt er niet op aan, welke. Zij zal zeer blij zijn iemand te vinden, die de geliefde prinses ontheffen wil van den last om zorg te dragen voor dat kleine kindje! Zeker, het was een verstandig plan, dat opkwam in het hoofd van zoo\'n klein meisje. De dochter des konings zag haar in het eerlijke, vragende gelaat, glimlachte vriendelijk en zei enkel; „Ga henen.quot; En het meisje ging en riep „des knechtjes moeder.quot; Zoo kwam het knaapje weer veilig thuis na zijn korte reis, zonder cenig begrip te hebben, hoe dicht hij nabij den dood geweest was. Zijn aangenomen moeder zal hem wel dikwijls bezocht hebben, en toen hij oud genoeg was, nam zij hem bij zich in haar eigen paleis en noemde hem Mozes, omdat zij hem uit het water getogen had. Welken naam zijn ouders hem gegeven hadden, weten wij niet. Hij is slechts bekend onder zijn Egyptischen naam.

Maar was die zes- of achtjarige Mirjam niet een heldhaftig meisje ? Was zij niet zeer verstandig en een groote hulp en troost voor hare moeder? Er waren in dien tijd nog heel wat andere kinderen, Hebreeuwsche meisjes als zij, van wie ons niets verteld wordt. Zonder twijfel zullen ook zij wel

ocr page 39

25

iets gedaan hebben, wat hare moeders groote vreugde verschafte, maar ons is daarvan niets bekend. Zoo is het altijd geweest met duizenden en duizenden kinderen. Maar de machtige en goede Vader van allen, heeft toch gezien wat zij deden; zoowel het goede als het kwade; en Hij onthoudt het. Daar hebt ge nu het kleine Hebreeuwsche meisje: Mirjam, waar we over spreken; we zouden niets van haar geweten hebben als de Heer haar geschiedenis niet in onzen Bijbel had laten optee-kenen, opdat wij er nog eens over na zouden denken.

Op drie zaken zou ik u nog willen wijzen: de kleine Mirjam was gehoorzaam, geduldig en verstandig. Toen moeder haar vroeg alleen naar den oever der rivier te gaan en daar te zien, wat er met haar broertje gebeuren zou, zeide zij niet: „Ik wil niet,quot; zelfs niet: „Ik heb geen zin.quot; Zij ging ook niet achter het huis loopen spelen of zich verstoppen in den tuin. Zij mopperde of pruilde niet, zij klaagde niet over moeheid, of wilde niet iets anders doen. Want zoo doen sommige kinderen wèl als moeder hun iets vraagt. Mirjam deed niets van dit alles. Zij was blijde, dat zij voor haar broertje zorgen mocht, en zonder twijfel ging zij gehoorzaam en vriendelijk de deur uit om over hem de wacht te houden.

Zij was ook zeer geduldig, om daar op den heuvel te gaan staan wachten, voor — zij kon niet weten — hoe lang, het eene oog gericht op dat kostbare kistje met zijn enkelen passagier en het andere op iedereen, die maar in de nabijheid zou komen, tegelijkertijd met beide ooren luisterend

ocr page 40

20

uit angst, dat de kleine Mozes wakker zou worden en zou beginnen te schreeuwen. Het was een moeilijke en onaangename taak voor zoo\'n klein meisje; maar zij doorstond alles dapper en geduldig, terwijl de tijd langzaam voortkroop. Zij mocht geen leven maken, zij mocht niet spelen, alleen maar wachten en wachten, wat er het volgende oogenblik gebeuren zou. Was zij niet geduldig ?

En nog eens: zij was zeer verstandig en moedig. Toen de prinses naar de rivier kwam, liep zij niet naar huis om het aan moeder te vertellen, ook niet naar Thermeuthis, om te zeggen, dat het haar eigen broertje was, maar zij handelde zoo verstandig mogelijk — juist alsof zij toevallig daar langs ging en eens kwam kijken, wat er gebeurde. Daarop bood zij aan een voedster te gaan zoeken, en nu wachtte zij maar op een bevel. Zij had niets beters kunnen doen. Geen wonder dat zij een profetes werd en het groote triomflied maakte, toen Pharao en zijn soldaten in de Roode Zee verdronken waren.

Ten slotte bevat deze geschiedenis een les, die gij, kinderen, allen leeren moet. Zij is deze: kleine meisjes, en kleine jongens ook, kunnen enkele dingen doen, die hun moeder niet kan. Sommigen uwer hebben misschien een klein broertje of zusje thuis. Uw moeder kan daar niet altijd op passen. Wat zou er van u terechtkomen, als zij zich aanhoudend met den kleinste moest bemoeien, en hoe zou het geheele huis er uitzien, als zij niets anders deed, dan het kleintje zoet houden ? Gij kunt haar geducht helpen door deze zorg dikwijls van haar over te

ocr page 41

27

nemen. Gij kunt, wat zij niet kan. De oudere broertjes en zusjes klagen soms over dezen plicht of veronachtzamen hem wel eens, naar ik vrees. Zij loopen weg of verbergen zich voor den kleinste en doen hun moeder daardoor veel verdriet, \'t Is ondeugend! \'t Is stout! Dikwijls heb ik kleine kindertjes zien huilen, omdat de oudere ze niet mee wilden nemen of ze plaagden. De kleine Mirjam deed zoo niet. GV/\'toch ook niet? Gij vindt het soms niet prettig uw moeder te helpen, doch gij moet leeren uzelf te verloochenen. Dat zult ge uw geheele leven moeten doen; hoe, dat leert ge het best en het gemakkelijkst in uw jeugd. Denk eens aan, zou er wel iets zijn, dat voor uw vermoeide moeder aangenamer kan wezen, dan te hoeren, dat haar kleine jongen of haar klein meisje vraagt: „Kan ik iets voor u doen?quot; En zou iets u gelukkiger kunnen maken, dan de gedachte, dat gij een gedeelte van haar werk verricht, dat zij niet doen kan, zelfs op het oogenblik, dat gij liever zat te lezen, of uit wildot gaan of bij een ander kind op visite gingt?

Den een of anderen dag zal uw broertje of zusje u, evenals Mozes zijn zuster deed, al de zorg vergelden, die gij aan hen besteed hebt, en ook de Heer zal zich herinneren, hoe gij voor hen geweest zijt.

ocr page 42

OXZE VADER.

„Onze Vader, die in de Hemelen zijt.quot;

MATTH. 6 : 9.

Ik denk dat wij dit allen in ons gebed dikwijls zeggen. Misschien is het een van de eerste dingen, die wij geleerd hebben. Laat ons dankbaar zijn dat wij mogen nederknielen, en tot den grooten God in den Hemel mogen bidden als tot onzen Vader.

Gij weet dat er meer dan achttienhonderd jaar verloopen zijn sinds de Heere Jezus aan zijne discipelen leerde deze woorden te gebruiken, en toch is het slechts weinige eeuwen geleden dat het aan eene moeder niet veroorloofd werd het Gebed des Heeren haar kinderen te leeren bidden. De Roomsche priesters wilden het volk zoo onwetend houden als zij maar konden, en daarom mochten er alleen paternosters opgezegd worden, dat is het Gebed des Heeren in het latijn. Later was het wel is waar niet meer verboden, maar de onwetendheid van het volk was nog zóó groot, dat duizenden kinderen deze woorden nooit leerden. Laat ons daarom God dan-

ocr page 43

29

ken, dat wij geleerd hebben te zeggen „ Onze Vader, die in de Hemelen zijt.quot;

Maar het is niet genoeg het te zeggen. Gij weet dat, wanneer wij bidden, niet de woorden die uit onzen mond voortkomen ons gebed uitmaken, maar datgene wat ons hart zegt. Het is oneindig veel beter met gebrekkige woorden een gebed te stamelen dat ons uit het hart komt, dan zelfs deze heilige woorden uit te spreken, wanneer wij er met onze gedachten en ons hart niet bij zijn. Ik heb eens de geschiedenis gehoord van eon kleinen jongen, die op een Zondagmorgen zijne schapen hoedde. De klokken luidden voor de godsdienstoefening en de menschen kwamen over het land aanloopen, toen dit kleine ventje begon te bedenken dat hij ook wel gaarne tot God wilde bidden. Maar wat kon hij zeggen ? Hij had nooit oen gebedje geleerd, en toch gevoelde hij in zijn hart dat hij den Hemelschen Vader om een zegen wenschte te vragen, en om hulp tot het doen van zijn plicht bij het hoeden der schapen. Hij knielde dus neder. Juist liep aan den anderen kant van de haag iemand voorbij, die hoorde hoe het jongetje de letters van het A-B-C achter elkander opzeide. Hij keek door het struikgewas heen en zag het ventje met gevouwen handen en gesloten oogon geknield op het veld liggen terwijl hij zijn A-li-C opzeide.

„Wat doe je daar, mijn kleine jongen ?quot; vroeg de heer op vriendelijken toon.

Het jongetje keek op. „Ziet u, mijnheer,quot; antwoordde hij, „ik was aan het bidden.quot;

ocr page 44

3°

„Maar waarom zeide je dan het A-B-C op?quot;

„Och, ik ken geen enkel gebedje, en ik wilde toch zoo gaarne dat God voor mij zorgde en mij hielp, en daarom dacht ik, dat als ik alles opzeide wat ik wist. Hij de letters wel bij elkander zou zetten, en heel goed zou begrijpen wat ik Hem wilde vragen.quot;

„En dat zal Hij zeker, mijn beste jongen ; als er een gebed uit het hart voortkomt, dan kunnen de lippen het niet verkeerd uitspreken.quot;

Een gebed kan niet opstijgen naar den Hemel als het niet uit het hart komt. Gij weet dat er vroeger geen g-eweren bestonden, maar dat de menschen met pijl en boog schoten. Verbeeld u nu dat iemand wilde schieten, en den pijl alleen maar tegen het koord van den boog aanzette en dan liet vallen, dat zou immers niets geven? Alleen wanneer men dat koord vasthield en naar zich toetrok, zoover mogelijk terug tot aan zijn hart, dan vloog de pijl met kracht weg en deed den vogel of het hert of den wolf of den sterken vijand, ter aarde storten. Zoo gaat het ook met onze woorden; wanneer zij alleen van onze lippen komen, dan gaan zij nergens heen en doen geen goed. Maar wanneer onze woorden uit ons hart voortkomen, dan stijgen zij rechtstreeks op naar den Hemel, en doen den zegen nederdalen, dien wij noodig hebben.

Laten wij dus goed nagaan wat die woorden beteekenen — Onze Vader, die iu de Hemelen ztjt.

In de eerste plaats hebben wij het woord onze. Hoe gelukkig dat wij het allen kunnen uitspreken

ocr page 45

3i

en naar waarheid kunnen zeggen ! Wij hebben er allen het recht toe, en ik ben blijde dat iedereen met mij neer kan knielen en zeggen mag — Onze Vader.

Toen ik nog een heel klein jongetje was, had ik op zekeren dag mijn beste kleeren aan — een mooi fluweelen pakje — en ging ik met anderen wandelen. Hoe het kwam weet ik niet, misschien had ik bloemen geplukt in het bosch, of misschien was ik dom genoeg om te denken dat een jongen met zulke mooie kleeren aan groot genoeg was om voor zichzelf te zorgen, maar dit is zeker, dat ik verdwaalde. Ik zou zeker heel bang geweest zijn, als ik niet een armoedigen jongen tegen was gekomen, die er zoo uitgehongerd en akelig uitzag, dat ik niet meer aan mijzelf dacht, maar naar hem bleef kijken met tranen in mijne oogen. Hij zag-mij verbaasd aan, en was zeker nog meer verwonderd toen ik naar hem toe ging en zeide :

„Arme jongen ! waarom heb je niet zulke mooie kleeren als ik ?quot;

Hij vertelde mij dat zijn vader dood was en zijne moeder ziek lag, en dat zij geen eten hadden, en dat hij een beetje hout kwam sprokkelen om een vuurtje te maken voor zijne moeder.

Mijn hart was al aangedaan, maar nu vloeide het over. Ik hield den jongen bij een mouw van zijn versleten buisje vast en riep uit; „Je moet met mij meegaan; ja, ik meen het. Mijn vader zal voor je zorgen alsof het je eigen vader was, en je moogt wonen in ons huis alsof het je eigen huis was, en wij zullen je moeder laten verzorgen, tot-

ocr page 46

32

dat ze beter is, en je zult mijne kleeren dragen.quot;

Wij gingen naar huis, want hij was grooter dan ik en kende den weg. De menschen in de stad keken nogal verbaasd toen ik met zulk een have-loozen jongen door de straten liep. Ik bleef hem vasthouden bij zijne gescheurde mouw, bracht hem regelrecht naar ons huis en toen van de eene kamer naar de andere, totdat ik mijne moeder vond, aan wie ik de treurige geschiedenis vertelde. O, ik herinner mij nog best hoe hij wegging — hoe de mouwen van mijn kiel bijna tot aan zijne ellebogen kwamen; hoe hij een groote mand meekreeg met allerlei nuttige en lekkere dingen en de belofte er bij dat hij nog meer zou krijgen als het noodig was. Ik was heel blij — en toch gevoelde ik mij niet heelemaal voldaan. Ik had gewild dat mijn vader ook zijn vader was geworden, en dat hij de liefde en de zorg van mijn vader eiken dag had ondervonden evenals ik. Mijn groote wensch was geweest dat hij had kunnen zeggen: onze vader. Laten wij God danken, kinderen, dat wij allen tot Hem kunnen komen, en dat Hij Zijne zorgende liefde over allen uitstrekt. Ook de kleinste, ook de minste onder ons kan Hem onze Vader noemen.

Hoe jong wij ook zijn, wij mogen zeggen: onze Vader.

Ik ken een man, die in een aardig klein huisje woont aan den kant van een langen schaduwrijken weg. In de schemering staan de kinderen te wachten totdat hij thuiskomt. Zij drukken hunne neusjes plat tegen de ruiten, en eindelijk, als zij hem zien, loopen zij met gejuich het huis uit. Achter hen

ocr page 47

33

aan dribbelt het kleinste meisje op hare stevige beentjes en kraait ook, zoo goed als zij kan : „Paatje komt!quot; De grooteren zijn spoedig bij hem, maar denkt gij dat hij het kleintje vergeet? Neen, zeker niet. Hij bukt zich en neemt haar op zijne schouders, en terwijl de anderen aan zijne hand loepen en aan de panden van zijn jas hangen, heeft het kleintje de grootste pret. Al is zij nóg zoo jong, het is toch ook haar vader!

Laten wij het nooit vergeten. Wij zijn kinderen - klein, arm, zwak, onwetend, zondig en hulpeloos, en toch rnogen wij allen zeggen: Onze Vader ! Welk een voorrecht!

Letten wij nu ook in de tweede plaats op het woordeken: Vader.

God is onze Vader, daarom heeft Hij ons lief.

Met wolk eene groote liefde Hij ons liefheeft, kan ik u onmogelijk zeggen. Al denken wij zonder ophouden aan Zijne liefde, toch zullen wij nooit kunnen beseffen hoe groot zij is. Zij gelijkt op die zeeën en die meren, die zoo diep zijn dat men er den bodem niet van kan vinden, de menschen hebben niets waarmede zij die diepte kunnen peilen. Pau-lus dacht er dikwijls aan, en hij zeide dat zij de kennis te boven gaat. Ik zou wenschen dat gij maar heel dikwijls dacht aan hetgeen de Heere Jezus gezegd hoeft:

Alzoo hef heeft God de wereld gehad, dat ITj Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die iu Hem gelooft, niet verderve, maar het eeircoige leven hehbe.

3

ocr page 48

34

Eenige jaron geleden woonde er een rechter op korten afstand van de Indianen in Amerika. Zijne dochter, die weduwe was, woonde bij hem met haar zoontje, den lieveling van de familie. De rechter wilde gaarne op een goeden voet zijn met de Indianen, want cr waren weinig blanken in die streek, en hot was dikwijls gebeurd dat de Indianen de huizen der volksplanters in brand gestoken en al de bewoners vermoord hadden, om zich over de eene of andere beleediging te wreken. Sommige stammen waren heel vriendelijk jegens hem en schonken hem hun vertrouwen. Maar er was een oud Opperhoofd van een zeer machtigen stam, die niet te bewegen was om vriendschap met hem te sluiten. Eindelijk zond de rechter hem eene boodschap. Het antwoord luidde dat het Opperhoofd hem den volgenden morgen zou bezoeken. De rechter ontving het oude Opperhoofd zeer beleefd, en trachtte het hem zoo aangenaam mogelijk te maken. Hij liet zijne dochter en haar zoontje ook binnen komen. Toen begon hij te spreken over zijn wensch om vrede en vriendschap te sluiten. Het Opperhoofd luisterde aandachtig en zeide: — „Broeder, gij vraagt veel, en gij belooft veel. \\^\'elk onderpand kunt gij mij geven van uwe eerlijkheid .J Het woord van den blanken man kan goed zijn voor den blanken man, maar voor den Indiaan is het niets dan ijle lucht. Indien gij den Indiaan wilt vertrouwen, dan zal do Indiaan u vertrouwen. Hier is deze kleine jongen, do zoon uwer dochter. Laat hem drie dagen met mij modegaan naar hot

ocr page 49

3ö

kamp. Daarna zal ik hem terugbreng-en met mijn antwoord.quot;

Als een zwaard door het hart der moeder was gedrongen, zou zij geen heviger smart geleden hebben dan zij nu gevoelde. Zij klemde den jongen in hare armen en wilde met hem uit de kamer snellen. Het Opperhoofd fronste de wenkbrauwen en maakte zich gereed om weg te g-aan.

„Wacht, mijne dochter!quot; riep de rechter vriendelijk, en zijne lip beefde. „De jongen is mij dierbaar, evenzeer als aan u. Ik zou niet willen dat een haar op zijn hoofd gedeerd werd. Maar hij vwcf gaan ; God zal over hem waken. Hij moet gaan.quot;

Wie kan den zielsangst dor moeder beschrijven, toen zij het jongetje omhelsde en gereed maakte voor de reis, en naast het Opperhoofd plaatste, om daarna haar gelaat in hare handen te verbergen! Het Opperhoofd zeide geen woord, maar nam het verbaasde kind bij de hand en leidde het weg.

Drie dagen en drie nachten ! Het scheen de moeder toe alsof het even zooveel jaren waren. Rusteloos woelde zij des nachts in haar bed, of viel nu en dan in slaap om met schrik wakker te worden, daar zij den kreet meende te hooren van haar zoontje, dat om hulp riep. Zoo kropen de lange uren voort totdat de derde dag aanbrak. De morgen ging- voorbij, maar er kwam taal noch teeken van het Opperhoofd. En nu g\'ing de zon achter de groote boomen van het bosch onder. De moeder stelde zich de akeligste dingen voor, die haar kind mogelijk waren overkomen. De rechter liep bekommerd van de eene kamer

ocr page 50

36

naar de andere. Eindelijk, toen de dag bijna ten einde was, verscheen het Opperhoofd met den jongen bij zich, dien hij als een jeugdig Indianen-opperhoofd had gekleed, met een bevervel om zijne schouders, en arendsveeren in zijn haar, en leeren schoenzolen aan zijne voeten. Het kind zag er trotsch en gelukkig uit in zijne vreemde kleederdracht. De moeder snelde het huis uit en drukte het met onstuimige vreugde aan haar hart.

„Nu kunnen wij vrienden zijn,quot; zeide het oude Opperhoofd. „Gij hebt den Indiaan vertrouwd; de Indiaan zal u vertrouwen.quot;

Het was geen geringe zaak geweest, zoo iets te doen. Maar veel — oneindig veel meer heeft God gedaan. — Akoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggchoren Zoon gegeven heeft. Denkt er dikwijls aan, lieve kinderen. Denkt er aan wanneer gij er zeker van wilt zijn dat de Vader in den Hemel u liefheeft. Wij zijn Hem zóóveel waard, dat Hij Zijn eenigen Zoon, Jezus Christus, gezonden heeft om aan het Kruis voor onze zonden te sterven. Omdat Hij onze Vader is, heeft Hij ons lief. Maar dit is niet alles. Omdat God onze Vader is, zorgt Hij voor ons.

Eenigen tijd geleden liep ik op de straat en zag een paar jongens, die op het punt stonden samen te gaan vechten. „Ik zeg je,quot; riep de een. „dat mijn vader een verbazend knappe man is, en dat hij het veel beter kan dan iemand anders.quot;

„Niet beter dan mijn vader, daar verwed ik wat om,quot; zeide de andere jongen. Waarover zij het had-

ocr page 51

37

den, weet ik niet; maar ik had genoeg gehoord om tot hen te zeggen: „Dat is uitstekend, jongens, dat jullie het opneemt voor je vader, maar gaat er niet om vechten.quot;

Toen ik voortging herinnerde ik mij hetgeen David gezegd heeft: — „Mijne ziel zal zich beroemen in den Heerquot; en ik begon te bedenken hoeveel wonderbare geschiedenissen ik zou kunnen vertellen van Onzen Tader. Gij kunt er u ook verscheidene te binnen brengen. Denkt aan de geschiedenis van dien jongen, die in de woestijn, in de schaduw van een struik, van dorst versmachtte, terwijl zijne moeder zoo bedroefd bij hem zat, met het gelaat in hare handen verborgen. En wij lezen dat God de stem van den jongen hoorde, en een engel zond om de oogen der moeder te openen, en haar een waterput aanwees en voor het kind zorgde.

Gij herinnert u zeker nog wel eene andere geschiedenis van een moedigen kleinen jongen, die eens de schapen hoedde, toen een leeuw, die achter een rots verborgen lag, op een der schapen toesprong en het medesleurde. Dadelijk snelde de onverschrokken knaap hem achterna, en doodde den jongen leeuw, want zijn Vader in den Hemel hielp hem. Een anderen keer werd een van zijne schapen door een beer weggepakt, en hij doodde den beer ook. Zelfs toen de sterke reus het geheele leger kwam tergen, zeide deze moedige herder dat hij niet bevreesd was. Zijn Vader had voor hem gezorgd toen hij tegen den leeuw en den beer vocht, en zijn Vader zou hem nu ook wel helpen om den reus te ver-

ocr page 52

oS

slaan. O, jongens, wie zulk een Vader heeft, moest altijd moedig en onbevreesd zijn.

Of denkt eens aan Mozes, toen hij een klein kindje was, en aan de drie Hebreeuwsche jong-elingen in den vurigen oven, en aan de geschiedenis van Daniël te midden van de bloeddorstige leeuwen, hoe zij hem niet het minste kwaad deden. Misschien rustte hij met zijn hoofd tegen den eenen, en zette hij zijne voeten op den ander. Het was God, die al deze dingen deed. Hij is ook onze Vader. De uwe en de mijne. En omdat Hij ook onze Vader is, wil Hij o zoo gaarne voor ons zorgen. Denkt toch niet dat al die wonderbare geschiedenissen behooren tot eene wondereeuw, en dat er tegenwoordig niet meer zulke wonderen gebeuren. Door de zorgende liefde van onzen Vader hebben er eiken dag dingen plaats, die even wonderlijk zijn.

In de derde plaats is God onze Vader.

Daarom moeten wij Hem eer en. Gij kent Zijn gebod, het eerste gebod met eene belofte: „Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in hot land, dat u de Heere, uw God, geeft.quot; En indien wij aldus onze aardsche ouders moeten eeren, hoeveel te meer behooren wij onzen Vader, die in de Hemelen is, te eeren ! Laat ons altijd met eerbied aan Hem denken. De Heer is een groot en machtig God. en een Koning boven alle koningen. Laat ons daarom den Heer den lof en de aanbidding brengen, die Zijn naam toekomen. Wij zijn zondig en niet waardig voor Zijn aangezicht te naderen. Laat ons daarom tot Hem gaan,

ocr page 53

39

zooals Hij het ons in Zijn Woord geleerd heeft. De Heere Jezus zeide : Niemand komt tot den Vader dan door Mij. Wij moeten komen met het dierbare bloed van den Heere Jezus als onze offerande. Kaïn bracht den Vader alleen van de vruchten des lands en zijne offerande werd niet aangenomen. Abel bracht het bloed des lams, en God zag zijn offer aan. Het doelde op dat Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Hij is de groote, de heilige en de machtige God, en Hij neemt ons alleen aan wanneer wij door Jezus Christus tot Hom komen.

Er is nog iets dat wij niet moeten vergeten. God is onze Vader, imj\' moeten Hem dus liefhebhen.

Liefde moet altijd wederliefde ontvangen. Zij is met niets anders tevreden. Eens zeide de kleine Marie tot hare moeder; „Moeder, ik houd zooveel van Anna, maar ik geloof dat Anna mij alleen maar aardig vindt.quot;

„Hoe zoo? Is ze niet vriendelijk tegen je?quot; vroeg de moeder.

„O ja, moeder, ze is vriendelijk genoeg, daaraan ligt het niet. Maar ze is niet blij, wanneer ik kom, in het geheel niet zoo blij als ik ben, wanneer zij komt. Zij houdt lang niet zooveel van mij als ik van haar.quot; De kleine Marie gevoelde hetgeen ik daar zooeven zeide: dat liefde wederliefde verlangt.

De Hemelsche Vader wil niets anders van ons hebben dan onze liefde. Hij heeft ons lief, en wij moeten Hem liefhebben. Hoe denkt ge wel dat ik het vinden zou, als ik een kind had, dat altijd goed oppaste, en geen leelijke woorden gebruikte, en

ocr page 54

4°

vriendelijk en gezeggelijk was, alleen omdat het moest, en niet omdat het van mij hield en zijn best deed mij genoegen te doen ? Ik zou hot heel naar vinden en met de kleine Marie zeggen; Mijne liefde verlangt wederliefde.

Gij hebt missehien wel eens in eene oude kerk het graf van den een of anderen hertog of graaf gezien — daarop is dan somtijds een standbeeld in steen of in brons van den doodc aangebracht, in knielende houding, met gesloten oogen, gevouwen handen en eene vrome uitdrukking op het onbewegelijke gelaat. Maar alles is koud en dood. Daar zijn handen en oogen, maar daarbinnen is geen hart. Vele men-schen bidden juist op dezelfde manier. Ja, in den Bijbel kunt gij er van lezen, dat God een zijner profeten uitzond om het volk te zeggen, dat het Hem naderde met zijnen mond, en met zijne lippen eerde, maar dat hun hart verre van Hem was. Onze Vader wil ons hart hebben. Beste jongens en meisjes, tracht toch zooveel mogelijk bij alles te denken; Wat zal onzen Vader in de Hemelen behagen ? Houdt dit in gedachte bij uw spelen en onder uw werk, te huis of op school, in het ambacht dat gij leert, in de vriendschap die gij aanknoopt — laat het altijd uwe begeerte zijn, den wil van uwen Hemelschen Vader te doen. Vraagt Hem u te helpen. Laat ons Hem van ganscher harte liefhebben, omdat Hij onze Vader is.

Vervolgens: indien God onze Vader is, moeten wij Hem gehoorzamen.

Ik heb eens gehoord van een jongen, dien ecnige

ocr page 55

4i

makkers trachtten over te halen in den boomgaard van zijn vader te gaan en appelen te stelen. „Och kom,quot; zeide de een, „je weet heel best dat wanneer je vader het ontdekt, hij zoo goed voor je is, dat hij er niet veel van zal zeggen.quot;

„Ja,quot; zeide de jongen, „en juist omdat hij zoo goed is, wil ik het niet doen.quot; Hij gevoelde dat het eene schande zou wezen om zulk een goeden vader ongehoorzaam te zijn.

God is de Heer, en omdat Hij ons Zijne geboden gegeven heeft, moeten wij die gehoorzamen. Maar er is nog meer. God is ook onze Vader, en daarom is het nog veel meer onze plicht Hem te gehoorzamen. Laat ons Zijn Woord lezen, en zien wat Hij ons gebiedt, en liever alles verdragen, dan ongehoorzaam te zijn. Evenals de drie Hebreeuwsche jongelingen, toen zij voor den machtigen koning stonden, terwijl de vurige oven hen wachtte en de wreede mannen gereed waren hen te grijpen en in de vlammen te werpen, toch niet vreesden en hunnen God gehoorzaam bleven, zoo moedig en getrouw moeten ook wi/ de geboden van onzen Vader bewaren. Zij zeiden: „U zij bekend, o koning, dat wij uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden. quot;

Wij moeten ook hierin het voorbeeld van den Heere Jezus volgen. Hij zeide altijd — niet mijn wil, maar L w wil geschiede. Wij moeten gehoorzamen als de engelen, die altijd Zijnen wil doen. W eet ge wat een klein meisje eens antwoordde.

ocr page 56

toen men haar vroeg; hoe de engelen gehoorzaamden ? Zij zeide: „Ik denk dat ze het dadelijk gaan doen, zonder iets te vragen.quot; En dat bedoelen wij wanneer wij bidden: „Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.quot; Laten wij gehoorzamen zonder „maarquot; of „alsquot;. Ik ken kinderen, die eigenlijk moesten heeten: Jongeheer en Jongejuffrouw „Ja, maar —want zij gehoorzamen nooit zonder hiermede te beginnen. Laten wij dadelijk gehoorzamen.

En eindelijk ; Indien God onze Vader is, moeten -ivij op Hem vertrouwen.

Hoe dwaas en hoe slecht is het aan de liefde en de wijsheid van onzen Vader in de Hemelen te twijfelen! Wij mogen nooit aan Hem twijfelen. Hij vergeet ook den jongste niet, en Hij alleen kan ons op den rechten weg leiden. Ik herinner mij dat ik eens in het midden van den winter met de vacantie naar huis g\'ing. Ik moest met de stoomboot reizen; het was ruw weer, en ik lag ziek en akelig in mijne hut. Ik gevoelde mij eigenlijk diep ongelukkig, zoo geheel alleen, en zoo ver weg van iedereen die mij liefhad, ik dacht dat het met geen enkelen jongen zóó treurig gesteld was als met mij. Maar hoe dwaas was dit van mij! Want kort daarop kwam de stoomboot in de haven aan, en voordat ik op kon staan, voelde ik eene hand op mijn schouder, en toen ik opkeek zag ik mijn vader. Hij vertelde mij dat hij een heelen tijd op den uitkijk had gestaan, dat hij op eene hoogte was geklommen en uit de verte eerst den rook van de

ocr page 57

43

stoomboot als een klein streepje tegen de lucht had gezien; dat hij er steeds het oog op had gehouden, naarmate het grooter werd, en zich had voorgesteld hoe ik daar aan boord zou wezen. Zoodra de boot de kust naderde, was hij naar beneden geloopen om mij te verwelkomen.

Dwaze jongen, die ik was geweest, om mij zoo eenzaam en verlaten te gevoelen! Laat ons op God vertrouwen, lieve kinderen. Weest er zeker van dat Hij op Zijn heiligen berg staat, en met teedere liefde over ons waakt; dat Zijne zorgen ons omringen wanneer de stormen woeden en de zee onstuimig is, en dat Hij eenmaal staan zal aan de zalige kusten om ons welkom te heeten in het Huis des Vaders.

ocr page 58

DE JONGE DIENSTKNECHT DES HEEREN.

„Samuel diende voor het aangezicht des Heeren, zijnde een jongeling omgord met den linnen lijfrok.quot; — I SAM. 2 : 18.

In eene stad, op een der bergen van Efraïm gebouwd, woonde een man, Elkana geheeten, en zijne vrouw heette Hanna. Het waren vrome menschen, die God dienden. Maar Hanna had één groot verdriet, — zij had geen zoon; en zij beloofde dat, indien de Hemelsche Vader haar een zoon wilde schenken, zij hem aan den Heer zou wijden al de dagen zijns levens. God verhoorde haar gebed en Samuël werd geboren. Toen hij nog slechts een kleine jongen was, bracht zijne moeder hem bij den Hoogepriester, en liet hem daar achter om opgeleid te worden in den dienst des Heeren.

Het eerste wat ik u wil doen opmerken aangaande Samuël is dit, dat hij evenals de meeste vrome menschen den grootsten zegen had, dien een kind kan hebben wanneer het ter wereld komt, — eenc bid-

ocr page 59

45

(icndc moeder. Toen ik klein was, luisterde ik altijd met bijzonder veel genoegen naar de geschiedenis van een neger. Deze neger zat eens op het dek van een stoomboot, wachtende totdat hij verkocht werd. Hij gevoelde zich diep ongelukkig, en hield zijn gelaat in zijne handen verborgen, toen een vreemdeling bij hem kwam en hem vroeg wat hem scheelde. „Arme neger verkocht worden, massa,quot; zeide deze. „Waarom ?quot; vroeg de vreemdeling. „Ach, ziet gij, ik ongehoorzaam geweest aan bevelen. Ik te hardop bidden en massa mij verkoopen. Hij mij wel zachtjes laten bidden, maar als ik erg gelukkig is, ga ik schreeuwen en ik alles vergeten wat hij gezegd heeft.quot;

Er was iets in het voorkomen en de manieren van don neger dat den vreemdeling trof, en toen de meester daar juist aankwam, vroeg hij: „Wat moet ge voor dezen neger hebben ?quot; De prijs was achttienhonderd gulden. Hij was heel gezond, zeide de meester, en de beste arbeider van zijn plantage. Maar hij was vroom geworden, en nu was hij gewoon zóó luide te bidden, dat de meester hem liever kwijt wilde zijn. De vreemdeling overlegde bij zich zelf dat het misschien wel heel best zou wezen als hij een goeden neger kon krijgen, die voor hem en zijn gezin bad, en daarom kocht hij hem. „Heeft hij eene vrouw en kinderen?quot; vroeg de vreemdeling. „Ja,quot; zeide de vroegere eigenaar, „eene vrouw en drie kinderen, en voor nog eens achttienhonderd gulden kunt ge die er bij koopen.quot; De vreemdeling betaalde de drieduizend zeshonderd gulden, wendde zich tot den neger en zeide: „Ziezoo, Mozes, ik heb je ge-

ocr page 60

46

kocht.quot; „O, ik met massa meegaan?-\'quot; vroeg de arme neger en keek heel bedroefd. Hij dacht aan zijne vrouw en kinderen. „Ja, en je vrouw en kinderen ook,quot; zeide de vreemdeling. „God zij geloofd!quot; riep Mozes uit. „En hoor eens,quot; zeide de nieuwe meester, „je moogt zooveel en zoo lang bidden als je wilt, maar dan moet je altijd ook voor mijne vrouw en mijne kinderen bidden.quot; „God armen neger met zegeningen overladen,quot; riep Mozes uit, „ik zoo rijk is als Jozef in Egypte.quot;

Een jaar was voorbijgegaan, toen zijn vroegere meester hem eens op kwam zoeken. Mozes was bezig het koren af te meten en zag er heel gelukkig uit. „Ik wil Mozes wel terug koopen,quot; zeide hij tot den eigenaar, „ik kan het zonder hem niet stellen; alles loopt mij nu tegen, en ik voel mij diep ongelukkig.quot;

„Neen,quot; zeide zijn meester, „ik zal Mozes aan niemand verkoopen, maar ik zal hem zijne vrijheid geven, en hem, als hij wil, voor mij als een vrij man laten werken, want sedert hij hier is, hebben ik en mijne vrouw en mijne kinderen den Heiland gevonden, en ik heb altijd voorspoed gehad. Ik kan niet zeggen hoeveel ik aan dezen biddenden Mozes te danken heb.quot; — „O, massa,quot; riep Mozes met tranen in de oogen uit, „ik altijd voor u ook bidden. Ik ouden en nieuwen meester samennemen.quot;

Welnu, indien iemand over de drieduizend gulden wil geven voor een biddenden slaaf, wie kan dan de waarde schatten van eene biddende moeder? De grootste zegen is, dat de liefde van Jezus in onze harten woont, maar de zegen, die daarop volgt, is —•

ocr page 61

47

het bezit eener moeder, die voor ons bidt. Er wordt wel eens gezegd van een jongen, die schatrijke ouders heeft, of die de eenige erfgenaam is van vermogende bloedverwanten: „Die heeft het heerlijk getroffen — hij is onder een gelukkig gesternte geboren,quot; Doch, maar al te dikwijls was het voor hem de ongelukkigste zaak der wereld. De grootste schat, dien een kind kan hebben, is — de erfenis van de gebeden zijner moeder.

Ik zal u nu vertellen van dien kleinen dienstknecht des Heeren, van zijn kleeding en zijn linnen lijfrok. En ik bid God dat Hij mij helpe zóó te spreken, dat sommigen uwer aangespoord worden om evenals Samuël den Heer te gaan dienen.

Laten wij eerst even stilstaan bij dat dienen voor het aangezicht des Heeren van den jeugdigen Sanmcl. Samuël diende den Heer toen hij nog een kind tms. Zeker had Eli begrepen dat dit kind van God geroepen was. Maar zelfs al wist hij dit, dan moet hij toch een zeer vriendelijke en verstandige oude man geweest zijn, om zich door dien kleinen jongen in het Huis des Heeren te laten helpen. De meeste menschen zouden gezegd hebben : „Wat heeft men aan zoo\'n kind ? Wat voor goeds kan hij doen ? Hij is niet sterk en niet groot en niet knap genoeg om mij van dienst te kunnen zijn. Laat hem thuis blijven, en laat zijne moeder voor hem zorgen, totdat hij grooter is. Dan kan hij misschien helpen. Nu is hij nog te klein om ergens van af te weten.quot; Ik denk dat deze geschiedenis in den Bijbel staat om ons te leeren dat het heel verkeerd en heel

ocr page 62

48

onverstandig- is om zoo te spreken. De kleine Samuël diende voor het aangezicht des Heeren, en dat kunt gij óók doen. Uw kleine handjes kunnen Hem dienen en uw jonge hartjes kunnen Hem liefhebben. Laat niemand zeggen dat ge te jong zijt.

De Heere Jezus sprak heel anders. Hij zeide; „Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het koninkrijk Gods.quot; En een anderen keer zeide Jezus: „Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard ; ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U.quot;

Gij ziet dus, dat de Heere Jezus wil dat gij Hem nu liefhebt en dient. Hij wil niet dat gij wacht totdat ge groot zijt. Hij wil gaarne kinderen tot Zijne dienstknechten hebben. Ofschoon Samuël een kind was, toch was hij niet te jong om den Heer lief te hebben.

„Maar wat kan die kleine dienstknecht doen ?quot; vraagt gij. „Nu ja, hij kon bij den ouden Eli zijn, en veel goeds van hem leeren, en in Gods Woord onderwezen worden, maar Hij kon toch immers niets doen?\'quot; Wel zeker kon hij dat. Hij verrichtte allerlei diensten, zooals wij straks zullen zien.

Kinderen kunnen velerlei dingen doen. Vooreerst twijfelt niemand er aan dat kinderen veel kwaads kunnen doen.

Niet lang geleden werd er in een groot huis een belangrijke diefstal gepleegd. De menschen, die het

ocr page 63

49

huis bewoonden, dachten dat alles goed verzekerd was; er waren grendels op de deuren, en luiken met ijzeren bouten voor de ramen. Maar de meiden kwamen op een zekeren morgen beneden en zagen dat al hot zilver verdwenen was. Hoe waren de dieven binnengekomen ? Ziet, er was één klein raampje, zóó nauw, dat niemand het noodig had gevonden dat te verzekeren, maar de dieven hadden er een klein jongetje doorheen laten kruipen, en toen dit binnen was, kon hij de deur voor de anderen opensluiten, en op die manier werd alles weggepakt. Die menschen moesten dus ondervinden hoeveel kwaad kleine kinderen kunnen doen.

Het is echter genoeg bekend dat niet alleen de grooten en sterken, maar ook dc kleinen en zwakken veel goeds kunnen doen.

In een station zag ik laatst op een van de aanplakbiljetten eene voorstelling van een leeuw in een net, en een klein muisje, dat aan het touw knaagde. Dit is er de geschiedenis van: Een leeuw, die de koning van het woud is, kwam op de eene of andere manier in een net terecht, — hoe, weet ik niet, maar zoo is het gebeurd. Toon de andere dieren dit hoorden, schoten zij allen toe om- Zijne Majesteit te helpen. Do olifant wandelde er zoo statig mogelijk om heen, en keek heel bedroefd. Dc beer kwam ook en huppelde in het rond. De tijger brulde zoo luid als hij kon. Maar dat alles kon den koning niet uit zijne gevangenschap verlossen. Toen kwamen de hyena\'s en de jakhalzen en de wolven, en zij schudden heel verstandig met

4

ocr page 64

5°

den kop, en zeiden: „als dit maar gedaan werd, of dat!quot; Daar echter niemand met eenige mogelijkheid kon doen wat zij zeiden, gaf het niet veel. Het begon er dus naar uit te zien alsof de groote koning des wouds op deze treurige wijze in het net zou moeten sterven. Terwijl de leeuw met bittere droefheid over zijn lot jammerde, kwam er een klein muisje, en dit zeidc heel bescheiden dat het wel kans zou zien Zijne Majesteit te verlossen.

Natuurlijk vonden de olifant en de andere dieren het bespottelijk dat zoo\'n klein ding zou willen probeeren wat hun niet gelukt was. Maar de leeuw meende dat het geen kwaad zou kunnen de muis haar gang te laten gaan. Deze kroop nu naar het touw, waarmede het net was toegehaald, en begon er aan te knagen. Het eene vezeltje na het andere werd door de scherpe tandjes doorgebeten. Het was een lang en vermoeiend werk, maar de tandjes gingen steeds voort. Eindelijk was het touw stuk, en nu viel het den leeuw niet moeilijk uit het net te komen; de koning des wouds werd dus door eene kleine muis verlost. Zooveel goeds kunnen ook de kleinste wezentjes doen.

Ik zal u ook nog iets vertellen van een klein meisje, dat ik gekend heb. Ge moet weten dat ik vroeger buiten heb gewoond, en dat onze naaste buurman een boer was, die verscheidene kinderen had. De jongens werkten altijd onder het oog van hun vader en waren nog nooit van huis geweest. Nu was echter een van de zoons achttien jaar geworden en hij moest loten. Go weet misschien wel

ocr page 65

5i

dat op een dag, als er loting is geweest, de herbergen het erg druk hebben, en toen de vader zijn jongen naar de stad zag gaan, keek hij hem bezorgd na, en bad in zijn hart dat hij toch niet in verzoeking mocht geleid worden. Eenige uren verliepen, en de ouders hoorden in de verte de stemmen van de lotelingen, die terugkwamen. Spoedig zagen zij ook hun Barend, die druk pratend met zijne makkers op den weg bleef staan. Hij scheen veel lust te hebben met hen mede te gaan naar de naaste herberg, maar was nog niet geheel overgehaald. De ouders wisten eerst niet wat zij doen zouden; zij waren bang dat, indien zij zeiven gingen, de groote Barend boos zou worden, dat hij zoo als kind werd behandeld. Toen zeiden zij tegen het kleinste meisje, de lieveling van haar broer: „Toe, Gerritje, ga naar Barend toe.quot; En het kind dribbelde op haar kleine beentjes naar den weg, en stak haar kleine handje in Barend\'s groote hand, en toen was het alsof het goede de overhand kreeg in zijn hart, want hij ging met zijn zusje mede, en bleef het overige van den dag te huis. Zoo ziet ge dat kleine zusjes wel eens groote broers van veel kwaad af kunnen houden.

Maar het beste van alles is, dat kleine handjes iets voor den Heere Jezus kunnen doen. — Verlang er toch niet altijd naar, dat ge dit of dat hebt. Wacht toch niet totdat ge groote menschen zijt. Samuël diende als kind voor het aangezicht des Heeren. Er waren allerlei dingen, die hij doen kon. Hij kon de olie in de lampen gieten, hij kon zorgen

ocr page 66

52

dat de pit goed brandde, hij kon den gouden kandelaar schoon houden, en zijne kleine handjes konden \'s avonds de lichten uitdoen. En den geheelen dag kon hij letten op hetgeen de oude Eli noodig had, en hem op allerlei manieren helpen en troosten. Denkt gij nu bij u zelf: „Wat kan ik voor den Heere Jezus doen?quot; Gij kunt Hem behagen, indien ge altijd vriendelijk en lief zijt. Kniel heden voor Hem neder en vraag Hem u te helpen. Wij kunnen allen ijverig zijn, en steeds de waarheid spreken, en gaarne wat aan anderen medegeven — uit liefde voor onzen Heiland ; en wij kunnen onze gedachten en onze woorden rein, en onze daden onbevlekt houden — voor Hem. Misschien moest Samuël met zonsopgang de dassen- en de ramsvellen, die den Tabernakel bedekten, wegtrekken, zoodat het schitterende zonnelicht overal binnen kon stroomen. Evenzoo kunt gij vreugde en zonneschijn in uw huis verspreiden als ge tracht allen, die u omringen, gelukkig te maken. Als ge dit doet zult ge, evenals de kleine Samuël, den Heer dienen.

Hier hebt ge de geschiedenis van eene jonge dienstmaagd des Heeren, welke u zal toonen hoe veel kinderen voor den Heere Jezus kunnen doen. Een klein meisje, Anna geheeten, had haar hart aan den Heere Jezus gegeven, en nu dacht zij er van den ochtend tot den avond aan, hoe zij wel het best Zijn wil zou kunnen doen. Maar op een morgen was zij erg terneergeslagen ! Een heer was haar vader komen opzoeken, en deze had er om gelachen toen hij gehoord had dat Anna bekeerd was.

ocr page 67

„Zij was altijd zoo lief en aardig geweest, dat zij niet beter behoefde te worden,quot; zeide hij. „Als de oude Jaap Mulder den Heere Jezus gaat liefhebben, dan eerst zal ik gelooven dat het iets te beteekenen heeft.quot;

Do kleine Anna was erg bedroefd; zij ging naar haar kamertje, viel op hare knieën en zeide: „O Heere Jezus, zij willen niet gelooven dat Gij mij lief-hebt, omdat ik zoo klein ben. O lieve Heiland, help mij toch om te maken dat Jaap Mulder U liefheeft, dan zullen zij gelooven dat Gij mij ook liefhebt.quot; Daarna ging Anna naar het huis van Jaap Mulder.

Nu was er geen twijfel aan of de oude Jaap was de knorrigste en de onaangenaamste man van het geheele dorp. Hij werkte den geheelen dag in zijne wagenmakerij, en pruttelde en bromde van den ochtend tot den avond. Nooit zette een arme vrouw haar voet binnen zijne werkplaats om wat krullen te vragen voor het aanmaken van haar kachel, of waagde een jongen het om een mandje spaanders te bedelen. Niemand kwam bij den ouden Jaap, of het moest bepaald noodig zijn. Dien morgen was hij druk aan het zagen, toen een vriendelijk stemmetje zeide: „Goeden morgen. Jaap.quot;

Het stemmetje was zóó vriendelijk, dat Jaap opkeek en vergat te brommen. „Toe Jaap,quot; zeide Anna, „ik wil zoo graag eens met je praten, en je zult niet boos worden, wel ?quot;

Het was lang geleden sinds iemand lust had gevoeld met Jaap een praatje te maken, en hij kon niet begrijpen wat dit kleine meisje hem te zeggen had; daarom zette hij zijn zaag neer, rolde zijn

ocr page 68

54

schootsvel op om zijn middel en ging op een boomstam zitten. Werkelijk, voor zijn doen zag oude Jaap er nog al vriendelijk uit!

„Nu, wat heb je me te zeggen, kleine meid?\' Hij sprak op barschen toon — dat was hij zoo gewoon, maar het was al veel voor ouden Jaap dat hij antwoord gaf, meestal bromde hij alleen maar.

Anna ging naast hem zitten, keek hem in zijn verweerd, gerimpeld gelaat, en zeide : „Zie je, Jaap, je weet dat de Heere Jezus my liefheeft, en dat ik Hem liefheb. Maar die mijnheer, die bij ons thuis is, zegt dat ik zoo klein ben, en dat ik wel Hef ben, maar hij wil niet gelooven dat ik er iets van weet. Maar hij zegt dat indien gij wilt beginnen den Heere Jezus lief te hebben, hij dan wil gelooven dat het iets beteekent. En dat wil je wel, niet waar Jaap ? want Jezus heeft je lief, dat is zeker;quot; — en Anna vatte Jaap\'s groote ruwe hand. „Hij houdt heel veel van je, Jaap. Je weet dat Hij voor ons allen aan het kruis gestorven is.quot;

Arme oude Jaap ! Sinds lange, lange jaren had niemand zoo tot hem gesproken, — nooit sedert zijne moeder naar den hemel was gegaan. En langs die rimpelige wangen begonnen tranen te vloeien, vele dikke tranen.

„Schrei niet. Jaap; want God heeft ons lief, al hebben wij gezondigd, en Hij heeft den Heere Jezus gezonden om ons te verlossen.quot;

Jaap\'s hart was gebroken. Hij kon niets anders zeggen dan „God wees mij — den grootsten der zondaars — genadig.quot; Terwijl Anna met hem sprak.

ocr page 69

03

werd alles hem duidelijk, — hoe Jezus voor hom was gestorven, en hem een rein hart en een vasten geest kon geven. Toen Anna hem verliet, was hij overvloeiende van dankbaarheid voor de groote liefde, die zijn T Iemelsche Vader hem bewezen had, en hot kleine meisje haastte zich alios aan don vreemden hoer thuis te vertollen.

„Nu, mijnheer,quot; zoido zij, „nu moet u toch geloo-von dat de Heere Jezus mij liefheeft, want de oude Jaap Mulder is begonnen Hem lief te hebben, en hij is heelemaal veranderd.quot;

„Onzin,quot; antwoordde deze ongoloovig. „Hoe kom je er aan, Anna ?quot;

„Nu, gij zult het zien.quot; En hij zag het, on iedereen op hot dorp was or ook getuige van. Zij zagen tevredenheid en opgewektheid op dat oude gelaat, dat vroeger zoo barsch en terugstootend was. Zij zagen hoe de knorrige oude Jaap zoo vriendelijk werd, dat iedereen hem genegen was, en wanneer gij zijne werkplaats voorbij moest gaan, kondt gij er zeker van zijn den gelukkigen man onder zijn werk te hooren zingen van Jezus\'wonderbare liefde.

Op die wijze diende kleine Anna den Heer.

Xu moet ik nog oven over iets anders spreken. „Samuël diende voor hot aangezicht des Heeren — omgord met den linnen lijfrok.\'quot; De linnen lijfrok was de kleeding, die door don priester word godragen. Gij kunt er over lezen in het acht-en-twin-tigste hoofdstuk van Exodus het zesde vers. Ofschoon nog een kind, mocht Samuël toch niet voor don Heer verschijnen zonder eene gepaste kleoding. Xiet

ocr page 70

56

in zijn eigen kleedoren, maar in de kleederen, die door God aangewezen en bevolen waren. Hierdoor geloof ik dat God ons wil leeren, dat wij Hem niet in onze eigen kracht en deug\'d kunnen dienen. Wij moeten op do rechte wijze gekleed zijn, en wel met het kleed, dat gewasschen en wit gemaakt is in het bloed van Jezus. Wij moeten Zijn Geest in onze harten hebben. Wanneer Hij onze zonden vengeven en afg-e\\vasschen heeft, en wanneer Hij ons heeft bekleed met Zijne liefde en zachtheid en waarheid en wijsheid, met Zijn standvastigheid en goedertierenheid, dan kan Zijn oog- met welgevallen op ons rusten. De lijfrok moest van goud, van purper, van hemelsblauw, van scharlaken en van fijn linnen gemaakt zijn. Wij moeten tot Jezus komen om eerst van Hem het kleed te ontvangen, het goud der liefde, den glans der deugden en het reinigende bloed. Lieve kinderen, eer gij een van allen voor het aangezicht des Heeren kunt dienen, moet gij bekleed zijn, zooals God het heeft aangewezen.

Dat begrijpt gij misschien nog niet geheel en al, maar gij zult het zeker meer en meer leeren verstaan, wanneer gij maar dagelijks bidt; „Genadige Heiland! ik ben een zondig, verloren kind U,

maar maak Gij mij zooals ik wezen moet, en geef Gy mij uit Uwe hemelsche schatten, wat ik in mij zeiven niet heb, en toch hebben moet om gelukkig te zijn!quot; — dan zult gij het later begrijpen, wat erin den Bijbel geschreven staat, dat God Zijn gehoorzame en geloovige kinderen bekleedt met de kleederen des heils en met den mantel der gerechtigheid.

ocr page 71

57

En eindelijk lezen wij dat zijne moeder een kleinen rok voor hem maakte. — Zij was acne verstandige moeder, en maakte kleeren voor hem, die hem pasten. Jongens en meisjes, denkt toch geen van allen dat, omdat gij den Heer wilt dienen, gij op moet houden kinderen te zijn, en groote menschen moet worden. Sommigen denken dat kinderen, die God dienen, nooit ^/Wcrkleeren mogen dragen. Zij maken lange deftige jassen en rokken, die veel te zwaar en te lastig voor de kleine dragers zijn. Onze Hemelsche Vader wil dat g-ij Hem dient, bekleed met den linnen lijfrok, maar gij moet ook den kleinen rok dragen. Weest eenvoudig, en vroolijk en gelukkig, lieve kinderen; en draagt uw kleinen rok, ook als gij dienstknechten zijt van uwen gezegenden Heiland.

ocr page 72

JONGENS EN MEISJES, DIE OP DE STRATEN DER STAD SPELEN.

„En de straten dier stad zullen vervuld worden met jongens (knechtjes) en meisjes, spelende op hare straten.quot;

ZACH. 8:5.

Eens was er een groote stad, eene der schoonste, die ooit bestaan hebben. Zij was door een hoogen muur omring\'d, die heel breed en heel sterk was ; groote poorten beschermden haar des nachts, en den geheelen dag waren de bergachtige wegen, die er heenleidden, bezaaid met menschen, die eene vreemde kleeding droegen en eene vreemde taal spraken, en welke gekomen waren om hare heerlijkheid te zien en kostbare geschenken te brengen aan den koning. Het prachtigste gebouw in die stad was de Tempel. Deze was opgericht uit ontzaglijk groote blokken marmer en uit welriekend cederhout; hij was geplaveid met kostbare steenen, versierd met goud en schitterende edelgesteenten, en overal waren nog fraaie, kunstig bewerkte voorwerpen aangebracht. Gods Tegenwoordigheid vervulde het heiligdom dag

ocr page 73

59

en nacht; eene schare van priesters deed dienst voor het Aangezicht des Heeren en het volk kwam hier om Gods zegen af te bidden.

Behalve de Tempel was er het paleis van den koning, met groote tuinen vol vreemdsoortige boomen, met bloemen en fonteinen, apen en pauwen. De stad was zoo rijk, dat het scheen alsof er overal goud was. De koning was zoo wijs, dat koningen en koninginnen uit verre landen kwamen om zijne wijsheid te hooren, en er waren zooveel menschen, en dezen waren zoo machtig, dat de naburige volken er trotsch op waren als zij goede vrienden met hen mochten zijn, en wèl oppasten om niets tegen hun zin te doen.

Maar nu begonnen de menschen uit de stad God te vergeten. Zij eerden en dienden Hem niet meer, maar aanbaden andere goden. Toen strafte God ze. Zij gingen onder elkander vechten. Andere volken vielen hen aan, namen hunne schatten weg, verbrandden hunne huizen, vernielden hunne mooie stad, en namen hen als slaven mede naar een ander land. Toen eerst bedachten zij hoe dwaas zij geweest waren, en zij wenschten de gelukkige dagen van vroeger terug. Wanneer zij werkelijk berouw hadden en van plan waren God weder te dienen, zond Hij hun zijne profeten met goede tijding. Sommigen waren reeds naar hunne stad teruggekeerd, maar zij waren heel zwak en hadden den moed niet om iets te doen. Nu verscheen Zacharia in hun midden met het woord des Heeren.

Stel u voor een eerbiedwaardigen grijsaard met

ocr page 74

6o

een sneeuwwitten baard, bekleed met een eenvou-digen, kemelsharen rok. Hij staat tusschen de gebroken pilaren en de verwoeste muren. Wanneer het volk, nu slechts een klein groepje arme Joden, zich om hem heen verzamelt, spreekt hij het Woord des Heeren. Laat ons samen lezen, wat hij zegt (vers 3—5): — „ A Izoo zcgf dc Heer: Ik brnivedcr-gekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen ; en Jeruzalem zal gchcctcn worden eene stad der waarheid, en de berg des Heeren der heir schar en een berg der heiligheid. Alzóó zegt de Heer der heirscharen: Daar zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem, en ieder zal zijnen stok in zijne hand hebben, vanwege de veelheid der dagen; en de straten dier stad zulle7i vervuld worden met jongens en meisjes, spelende op hare straten.\'\'\'

Dit waren de woorden, die de profeet aangaande Jeruzalem sprak. Maarniet alleen hadden zij betrekking op het aardsche Jeruzalem. God heeft nog altijd eene stad. Daarin wonen allen, die Hem liefhebben. Zijn volk woont in Zijne stad. Een muur, zóó sterk, dat niemand hem kan verwoesten — zóó hoog, dat hij tot den hemel reikt, omringt die stad — Gods liefde en Gods zorg vormen dien muur. In deze stad is ook de Tempel, waar allen dag en nacht Gods aangezicht kunnen zoeken, waar zij tot Hem kunnen bidden, met hunne zorgen en droefheid, met hunne dankzeggingen tot Hem mogen komen. Ook is in deze stad het paleis van den Koning — een Koning, machtiger dan David en wijzer dan

ocr page 75

6i

.Salomo. Hij is hun Vorst en hun Beschermer, en de menschen, die in Zijne stad wonen, doen altijd Zijn wil en dienen Mem. Evenals Jeruzalem is het eene stad van vrede; zij is liefelijk gelegen, eene vreugde voor de geheele aarde. Eene heldere rivier stroomt er doorheen en is een lust voor de oogen. De menschen uit de stad drinken van het water, en dit neemt al hunne droefheid, al hunne bezorgdheid, hunne zwakheid en hunne vrees weg. En nu zegt de profeet ook van deze stad: „En de straten dier stad zullen vervuld worden met jongens en meisjes, spelende op hare straten.quot;

Dc Hcmclschc Vader wilde dus dat Zijne stad vol jongens en meisjes zou zijn. Oude mannen en vrouwen zullen er wezen, krachtige en bedrijvige vaders en moeders. Maar ook nog anderen. De Heer wilde er ook jongens en meisjes hebben, spelende op de staten.

Laat ons eerst bedenken waarom God ons in Zijne stad wil hebben.

God wenscht, dat er jongens en meisjes in Zijne stad zijn, omdat Hij ze liefheeft.

Hebt gij wel eens opgemerkt, dat de Hemelsche Vader nooit wil, dat de kinderen buitengesloten worden, wanneer Hij iets aan zijn volk geeft?

De hof van Eden was, geloof ik, de eenige plaats op aarde, waar de Hemelsche Vader was, en groote menschen waren, en waar kinderen ontbraken. Als Eva niet geluisterd had naar de stem van den duivel, en niet ongehoorzaam was geweest aan Gods bevel, dan zou God ook daar kinderen heb-

ocr page 76

62

ben toegelaten. Aan al de feesten der Joden wilde de Heer dat kinderen deelnamen. Gij herinnert u dat Jezus in den Tempel mocht komen, toen Hij een jongen van twaalf jaar was, en dat Hij evenveel recht had om er neer te zitten als ieder ander. Het werk, dat de priester had te verrichten, was heel plechtig, en toch mocht de kleine Samuël met den ouden Eli opgaan en dienen voor het aangezicht des Heeren. Het Avas eene zeer moeilijke en gewichtige taak om koning te zijn en het volk te regeeren; toch mocht de kleine Josia, toen hij slechts acht jaar oud was, als koning gezalfd worden. Toen de Heere Jezus uit den Hemel op aarde was gekomen, om ons te leeren hoe lief de Vader ons heeft, zeide Hij: „ Ziet toe, dat gij niet een nan deze kleinen veracht; want Ik zeg ulieden, dat Imnne engelen in de heinelen altijd zien tiet aangezicht mijns Vaders, die in de hemelen is.quot; Welk een bewijs van groote teederheid gaf Hij, toen Hij zc „omving met Zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, ze zegende.quot; Ziet, beste jongens en meisjes, zooveel liefde is er ook nu nog in het hart van uwen Hemelschen Vader. Hij heeft u allen lief, en zoude u allen in Zijne Heilige Stad gaarne willen hebben. Hij vergeet zelfs de kleinsten niet. Hij vindt u niet te jong, niet te onwetend, niet te zwak. Hij wil er gaarne de oude mannen en de oude vrouwen hebben, die zóó oud zijn, dat ze met moeite voortstrompelen. Hij wil er de werkzame, bedrijvige mannen en vrouwen uit het Oosten en het Westen hebben. Maar Hij wenscht ook dat

ocr page 77

63

gij er zijt; de straten moeten „vervuld ïoordcn met jongens en meisjes.\'\' Het zal er niet in orde wezen, zoolang gij er niet zijt. De Homelsche Vader wil gaarne uw vroolijke stemmen en uw jubelend gezang hooren; Hij wenscht uw jonge ontvankelijke harten te hebben. En dat wenscht Hij nn. Als ge wacht totdat ge mannen en vrouwen zijt, dan zullen er nooit jongens en meisjes op de straten der stad zijn. Hij vraagt u om in de stad te komen, en om nu te komen.

Ook denk ik, dat de Hemelsche Vader de jongens en meisjes gaarne in Zijne stad zou hebben, omdat het daarbuiten zoo gevaarlijk is. Wilde beesten sluipen om de muren, jakhalzen en hyena\'s en misschien daalt er nu en dan ook wel een oude leeuw van de bergen af, om te zien of hij eene prooi kan vinden.

Een zendeling vertelde mij laatst iets van eene stad in Afrika, in de buurt waarvan hij gewoond had; op een zekeren nacht, toen de poorten gesloten waren, en een enkele man de wacht hield in de diepe duisternis, hoorde deze iets bewegen dicht bij de poort, alsof iemand beproefde over den muur te klimmen. Hij riep dien kant uit, maar na een oogenblik stilte hoorde hij het weer. Hij dreigde dat hij zou schieten, maar kreeg geen antwoord. Toen dacht hij, dat het misschien een bewoner van de stad was, die binnen trachtte te komen, en om hem te verschrikken liep hij zoo hard mogelijk in de richting van waar het geluid kwam en klemde den indringer in zijne armen. Maar even zoo gauw liet hij zijne prooi los en vluchtte, terwijl zijn gegil de

ocr page 78

64

halve stad uit den slaap opwekte. In plaats van een neger, had hij den kouden schubbigen rug van een grooten krokodil omvat!

Het is gevaarlijk om buiten de muren te zijn, als er zulke dieren rondsluipen. Ook waren er dikwijls roo-verbenden, bijna nog erger dan de wilde beesten, die den armen reiziger overvielen, hem alles afnamen wat hij had, en hem bloedend en half dood op don weg lieten liggen, als zij niet dadelijk een eind aan zijn leven maakten, of anders namen zij hem als slaaf mode. Zoo is het ook nu nog buiten de stad Gods. De oude leeuw gaat nog rond, „zoekende wien hij zal mogen verslinden.quot; Ook zijn er vele rooverbenden, die de menschen geheel uitplunderen en ze als slaven aan strenge meesters verkoopen of dadelijk dooden. Ik bedoel de zonden, als Dronkenschap, Oneerlijkheid en zoovele andere ondeugden. Geen wonder dat de Hemelsche Vader de jongens en meisjes gaarne veilig in Zijne Heilige Stad heeft!

Xu moeten wij eens nagaan hoe wij er in kunnen komen. — Ik zie de stad met hare sterke grijze muren en groote poorten. Dc poorten zijn gesloten om alle vijanden buiten te houden, en de wachters staan met spiesen op de muren om de stad te bewaken. Dc boogschutters houden hun boog klaar om alle vijanden af te weren. Op een grooten afstand van de stad staat een man, die o zoo gaarne binnen zou komen. Waarom kan hij niet ? Ach! hij is een vijand van den Koning geweest, hij heeft tegen zijne wetten gezondigd, en als hij het waagde te naderen, dan zou de wachter waarschuwen, en de

ocr page 79

0.5

tien boogschutters zouden hun boog spannen en hun pijlen op hem richten en hij zou sterven. Hij kan nooit langs dezen weg, door de poort der Wet binnenkomen. O, lieve jongens en meisjes, wij hebben de Wet overtreden, wij zijn tegen God opgestaan, — al de tien geboden veroordeelen ons. Hoe kunnen wij ooit de stad binnengaan? Het verwondert mij niet, dat de arme zondaar bitter bedroefd is, als hij aan al de vreugde en de heerlijkheid van de stad denkt, en dat hij niets liever zou wenschen, dan dat hij op de eeno of andere manier terug kon komen. Maar ik zie dat zij een nieuwe poort maken. Is het een bijzondere ingang voor den Koning, en voor de rijke en voorname menschen, en zal zij do Koningspoort genaamd worden? Neen, de poort is klaar, en zij hebben er deze woorden boven geschreven; „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Bij dezen ingang zie ik geen gewapenden wachter, en g\'een soldaten met pijl en boog; maar er staat Iemand, op wiens gelaat zóóveel liefde en medelijden te lezen is, dat men onmogelijk bevreesd voor Hem kan zijn. Het is de zoon van den Koning. En uit deze poort spoeden zich tal van dienstknechten, die aan alle overtreders en opstandelingen eene blijde boodschap gaan brengen. Voor allen is vergiffenis te krijgen. De Zoon van den Koning heeft hunne straf gedragen. Hij heeft in plaats van hen geleden, opdat Hij hun allen den toegang tot de stad Gods zou kunnen verschaffen. Nu mag een ieder binnengaan. O, laten wij niet achterblij ven, beste kinderen! Laten wij tot Jezus gaan. Hem onze zonden belij-

5

ocr page 80

den, ca op Hom vertrouwen als op onzen Verlosser, dan zullen wij door deze poort vrijen toegang hebben tot de stad. Geen andere poort zal voor ons opengaan, maar „Hij kan volkomen zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan.quot; Beproef toch niet u zelf goed genoeg te maken om binnen te gaan. Dat zal u nooit gelukken. Denk ook niet, dat ge moet blijven wachten, totdat ge geheel terneergeslagen zijt door het gevoel uwer zonden. Kom tot Jezus juist zooals ge zijt. Kniel voor Hem neder en vraag Hem u te helpen. Vraag Hem of Hij u wil verlossen en in Zijne stad brengen. Herinner u hetgeen boven de poort geschreven is:

„Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen* Laat ons eindelijk nagaan wat de jongens en de meisjes in de stad Gods doen. Zij spelen op de straten der stad. Dat wil zeggen dat zij heel gelukkig zijn. Jongens en meisjes gevoelen zich somtijds gelukkig als zij aan het werk zijn, en ook wel eens als zij hunne lessen leeren, maar wanneer zij spelen, zijn zij altijd in hun schik. Zoodra er iets aan hapert, scheiden zij uit met spelen. Wij zien dus dat zij volmaakt gelukkig zijn.

Zij zijn gelukkig, omdat hunne zonden vergeven zijn, en omdat zy nieten dat God hen liefheeft. Ik zal u iets vertellen van een kleinen jongen, die naderhand een groot en vroom man geworden is. Hij had met zijne broertjes en zusjes gekibbeld en zich heel driftig gemaakt. Hij was zóó kwaad, dat hij bij het najir bed gaan nog van streek was, en toen men hem er iets van zeide, scheen hij er niets

ocr page 81

6?

om te geven. Nauwelijks lag hij echter in bed, of zijn geweten liet zich hooren. Hij draaide zich van den eenen kant naar den anderen, maar kon den slaap niet vatten; hij gevoelde zich veel te ongelukkig. Eindelijk stond hij op en hij viel op zijne knieën en zeide: „O God, ik ben heel bedroefd, het was heel verkeerd van mij dat ik zoo driftig werd en het spijt mij erg. O God, vergeef mij en help mij om Jezus\' wil.quot; Toen ging hij weer liggen en het was alsof er een pak van zijn hart was genomen. Zoo is het ook met de jongens en de meisjes in de stad Gods; zij zijn gelukkig, omdat hunne zonden vergeven zijn.

Zij zijn ook gelukkig, omdat zij weten dat er een muur om hen heen is. — De muur van Gods zorgende liefde. Hebt gij ooit gehoord van dat oude vrouwtje, dat altijd bad: „O God, wees een muur om ons heen?quot; Het was in de vreeselijke dagen van Napoleon Bonaparte. Hij had uit Rusland moeten vluchten en word achtervolgd door woeste Russische soldaten. Iedereen was doodsbang dat de soldaten misschien zouden komen, om overal te plunderen, en wie weet of zij wel iemand in het leven zouden laten. Maar toen de oude vrouw er van hoorde, bad zij: „O God, wees een muur om ons heen!quot; Hare buren lachten haar uit, en zelfs haar kleinzoon zeide: „Wat bedoelt grootmoeder toch met dien muur?quot; — „O,quot; zeide het oude moedertje, „gij zult het wel zien; God kan ons bewaren en een muur voor ons zijn.quot; De soldaten moesten vlak voorbij haar huis marcheeren, maar des avonds bad zij tot

ocr page 82

68

God en ging als gewoonlijk naar bed. Dien nacht kwamen de soldaten voorbij, maar zij zagen hare woning niet. Er waren zware sneeuwbuien neergekomen en de sneeuw had zich zoo hoog tegen de schutting van haar tuintje opgehoopt, dat de soldaten er langs hadden geloopen zonder te weten dat er een huisje achter was. God had dus waarlijk een muur rondom haar opgericht. Hij had de lichte sneeuwvlokken uit den hemel doen neervallen en ze op een hoop doen samenkomen, om haar te beschermen. Zij kon dus den volgenden dag den een-en-negentigsten Psalm zingen; „ Want Gij, Heere, zyt mijne Toevlucht; den Allerhoogste hebt Gij gesteld tot uw Vertrek; u zal geen kwaad wedervaren en gecne plage zal uzve tent //aderen.quot;

En eindelijk zijn zij gelukkig, omdat zij kunne/t spelen in de stad. — Indien God Zacharia niet had geboden dit te zeggen, vrees ik dat sommige men-schen er iets geheel anders van gemaakt zouden hebben. Zij zouden gezegd hebben: de jongens en de meisjes zullen weggaan uit het land waar zij slaven zijn geweest, en zij zullen komen in de Heilige Stad; maar wanneer zij daar zijn, moeten zij heel stil wezen; men moet ze zien, maar niet hooren; zij moeten dikwijls naar den tempel gaan, en veel bidden en psalmen zingen.

Maar toen God de kinderen terugbracht naar Zijne stad, moest deze vol zijn van jongens en meisjes, spelende op hare straten. Omdat zij in de Heilige Stad waren, behoefden zij niet hun best te doen om mannen en vrouwen te zijn; zij moesten jongens.

ocr page 83

6g

en meisjes blijven, opgewekt en vroolijk; zij mochten spelen naar hartelust, en loopen en zingen. Meent toch niet, dat, omdat ge kinderen zijt van den Hemelschen Vader, draaitollen en knikkers en vliegers verboden speelgoed zijn. Meent niet, dat het zondig is hard te loopen, en touwtje te springen en te hoepelen. De Hemelsche Vader wil u gaarne in Zijne stad hebben, en Hij wil dat gij speelt op hare straten — steeds vriendelijk, liefhebbend en rein, omdat gij Hem toebehoort — eerlijk en trouw, omdat gij Zijne kinderen zijt — biddend dat Hij u helpe, omdat Hij uw Vader is — dikwijls aan u zelf vragend: wat zou de Heere Jezus willen dat ik deed? en uit alle macht beproevend het te doen. En toch, jongens en meisjes, zoo vroolijk als ge maar wilt, met hart en ziel bij uw spel, maar steeds spelende op de straten Zijner stad, vervuld met liefde en waarheid, rein van hart en met het oog op God.

Bedenkt echter dat, indien gij uitstelt tot fezus te komen, totdat gij mannen en vrouwen zijt, gij nooit jongens en meisjes kunt zijn in Zijne Heilige Stad.

0

ocr page 84

HET HEBREEUWSCHE MEISJE.

„En daar waren benden uit Syrië getogen, en hadden eene kleine jonge dochter uit het land Israëls gevankelijk gebracht, die in den dienst der huisvrouw van Naam an was.quot;

2 kon. 5 : 2.

Om te begrijpen, wie dit meisje was en wat zij deed, moeten wij ons trachten te verplaatsen in de dagen, waarin zij leefde, al is dat dan ook reeds lang geleden.

In een der dorpjes, ingesloten tusschen de hooge heuvels in het Noorden van Palestina, woonde zij in een klein huisje — wij zouden het een hutje noemen, — doch in die dagen waren de woningen niet grooter. Zij had een goeden vader en eene goede moeder, dat is zeker, anders zou zij zelf niet zoo\'n vriendelijk meisje geweest zijn; en als liefde tegenover elkander den toon aangeeft, is het thuis altijd gezellig. Zij leidde zulk een rustig leventje als al de Hebreeuwsche kinderen uit dien tijd. Nu eens ging zij naar Elia, Elisa of een ander profeet, die kwam om het volk te onderwijzen, dan weer was

ocr page 85

7\'

zij haar moeder behulpzaam bij het spinnen, of beklom met haar vader de heuvels, om daar met hem op de schapen te passen. Zij ging niet naar school en had weinig kans iets anders te leeren dan thuis lief en vriendelijk te zijn, en \'s avonds te hooron vertellen van de Syriërs en van de wonderen, die Elia en Elisa deden. Zij was erg bang voor de Syriërs, — een volk, dat ten Noorden van het hare-woonde, — omdat de Syrische soldaten gewoon waren in haar land te vallen, de huizen te verwoesten, het vee weg te voeren en soms de men-schen te dooden. Zij was dan ook heel blij, dat er zoo\'n goed man als Elisa in hot land woonde en zij geloofde, dat hij op de een of andere wijze voor hen allen zou zorgen, of dat Jehova, de God haars vaders, hen veilig zou bewaren.

Op zekeren dag buiten op het veld zijnde, zag zij over de heuvels in het Noorden een afdeeling van die mannen aankomen en onmiddellijk afgaan op het dorpje, waarin zij woonde.

Gewapend met lange speren vervolgden zij haastig hun tocht.

Dat moesten soldaten zijn. die uit Syrië kwamen! Hoe schrikte zij en wat liep zij hard naar huis! Maar toch nog niet hard genoeg om aan hun opmerkzaamheid te ontsnappen, want eenigen hunner zagen haar, zoodra zij het pad afreden, en namen haar gevangen vóór zij haar huis kon bereiken, of haar moeder een enkel woord van afscheid kon toeroepen.

Na haar de handen bij elkander gebonden to

ocr page 86

7^

hebben, droegen de soldaten haar weg. Als een wervelwind gingen zij door het dorp, grepen wat zij maar vinden konden en waren weer over de heuvelen verdwenen vóór de inwoners van hun schrik bekomen waren, en na konden donken over hetgeen hun te doen stond.

Tegelijkertijd met het meisje waren nog enkele andere personen geroofd. De Syriörs zetten haar op een der paarden achter een soldaat; en zooals de tekst zegt: „brachten zij haar gevankelijk uit het land Israels.quot;

Wij zouden het een verschrikkelijk lot vinden op zoo\'n manier van huis weggehaald te worden; en het was dan ook wel verschrikkelijk. Maar in oude tijden ging dat nu eenmaal zoo; menschen, ja zelfs kleine kinderen werden gestolen, om dan als slaven verkocht te worden.

Soms moesten de arme gevangenen mijlen achtereen over steenen en door struiken en wijngaarden gaan en als zij, uitgeput van vermoeienis, nauwelijks meer staan konden, staken de soldaten hen met hun speren en sleurden zo voort aan de touwen, waarmede zij in een lange rij te zamen gebonden waren.

Hoe dankbaar moeten wij ons gevoelen, dat die tijden voorbij zijn, omdat de Bijbel ons wel geleerd heeft, anders te handelen met onzen medemensch!

Maar laten wij dat arme slavinnetje volgen, dat door die hardvochtige, Syrische soldaten uit haar gezelligen huiselijken kring is weggerukt.

Wij weten niet, hoever zij moest reizen, in ieder geval was het oen heel eind; daarbij gingen zij voort.

ocr page 87

73

zoo snel zij maar konden, uit vrees achtervolgd te worden en hun prooi te moeten verliezen. Het overige deel van den dag en waarschijnlijk ook den geheelen nacht moest liet meisje verder gaan zonder eenig uitzicht op voedsel of nachtrust.

Eerst ging het door de dichte wouden van de Jordaansche \\ allei, toen over den Jordaan, verder door het woeste landschap aan de andere zijde, waar de ongelijke heuvels en de ongebaande wegen de reis zeer bemoeilijkten, en eindelijk over de hooge borgen van Hermon, waar het zoo koud was door de sneeuw; en van daar weer naar beneden in het uitgestrekte en vlakke land van Damascus, dat zij van den bergtop af voor een groot gedeelte overzien kon. Er werd bijna geen oogenblik halt gehouden, vóór men aan den voet der borgen g-okomen was. Hier rustte men een weinig uit en gaf haar wat grof brood te eten.

Wat een moeilijken en droevigen tijd moest ons kleine meisje doormaken! Waarschijnlijk schreide zij zich wel in slaap als zij dacht, hoe het haar arme moeder te moede moest zijn bij do gedachte, dat haar dochtertje gestolen was om misschien nooit weer terug te komen. Maar wellicht dacht zij, dat de profeet haar den een of anderen tijd wel vinden zou als hij op reis was, en dan zou deze haar wel bevrijden. Zij wist ook, dat haar vader tot God zou bidden, om voor haar te zorgen, waar zij zich ook bevond, en dat troostte haar eenigszins.

Eindelijk bereikten de soldaten de groote stad Damascus, waar de koning van Syrië woonde. Zij

ocr page 88

74

brachten- het meisje onverwijld naar hun generaal, die Naitman heette, en die juist thuis was toen de soldaten bij hem kwamen, en de kleine gevangene met zich in huis nemend, bracht hij ze bij zijne vrouw. Nooit te voren was het kind in zoo\'n groote stad en in zoo\'n groot huis geweest; zij was in het eerst dan ook zeer verschrikt. Maar de vriendelijke blikken en de welwillende stem dezer dame stelden haar eenigszins gerust, en toen zij dacht aan den God haars vaders en aan Zijn goeden profeet, die zulke wonderlijke dingen gedaan had, bijvoorbeeld: het maken van een pad door het stroomende water der rivier, en het weder levend maken van het jongetje, dat door een zonnestraal getroffen werd, — zie, toen was al haar vrees verdwenen, en nam zij het besluit zoo lief en vriendelijk te zijn als zij maar kon, zelfs nu zij een arm, gestolen slavinnetje was in een vreemd land en in het huis van een groot man. Zij wist wel, dat er niet één plaatsje was, waar zij ondeugend mocht wezen, zooals sommige kinderen denken, die, als zij alleen in een kamer zijn, maar toegeven aan allerlei stoutheden en vergeten, dat God hen daar even goed ziet.

Toen dan ook de echtgenoote van den generaal, zich tot haar richtte, (ofschoon in woorden, die het meisje niet verstond, daar de dame een vreemde taal sprak) begreep zij ze toch uit haar gelaat en antwoordde zoo vriendelijk mogelijk.

Het gevolg was, dat Xaamans vrouw het kind van de soldaten aannam als haar eigendom, met het doel zich door haar te laten bedienen en haar allerlei

ocr page 89

/5

kleinigheden te laten verrichten, telkens als dat noodig mocht zijn. Het slavinnetje viel dus in vriendelijke handen en had een gemakkelijken dienst, gedeeltelijk omdat zij besloten had zelf goed te zijn, en ik denk ook gedeeltelijk, omdat zij geloofde, dat God goed voor haar zou zorgen. En dat deed Hij, omdat God nimmer ons vertrouwen in Hem teleurstelt. Hij eischt ons vertrouwen en beantwoordt dat altijd. Herinnert gij u niet, dat Hij ergens zegt: „Ik heb lief, die Mij liefhebben,quot; en „die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden?quot;

Als gij ooit in moeilijkheden komt, welke dan ook, en gij kunt er dan aan denken, dat de Heiland altijd voor u zorgt, dan zal Hij ook voor u zorgen en kunt gij u veilig gevoelen ; gij zult dan ook veilig zijn !

Hebt ge nooit gehoord, wat eens een klein meisje zeide, toen haar moeder in zeer behoeftige omstandigheden verkeerde ? Zij hadden al het brood, dat er in huis was, opgegeten ; haar broertjes en zusjes schreiden van honger en er was bijna geen meel overgebleven om ander brood te bakken. De moeder was bedroefd en wanhopig, maar dit meisje herinnerde zich het medelijden van haar Hemel-schen Vader en zeide; „Moeder, denkt gij niet, dat „God het hoort, als gij den bodem van de pan „goed uitschrapt ?quot;

Er is niets, waar God zoo\'n behagen in schept, als een hart, dat vertrouwen stelt in den Verlosser.

Deze hoop op God was al de troost, die dat Hebreeuwsche meisje had in haar gevangenschap

ocr page 90

76

onder vreemden. Maar tot welke wondere dingen ■stelde haar deze hoop in staat! Laat ons haar een poosje volgen in haar nieuwe woning. Zij was nu het kamermeisje van de Syrische gen eraals vrouw. Ik zou wel willen, dat we haar naam wisten. Do oude Hebreërs noemden haar Naarah Ketannah, dat wil zeggen : „een klein meisje.quot; Wij zullen haar nu maar Nailrah noemen.

Xailrah had toch zoo\'n medelijden met haar meester, want deze leed aan eene vreeselijke ziekte, waarvan geen dokter hem genezen kon. Bij alle geneesheercn had hij het beproefd, maar er was niet één, die iets voor hem doen kon. Naast den koning was hij de grootste man van Syrië. Maar al zijn geld en al de eer, die hij genoot, waren niet in staat te verhinderen, dat langzamerhand de verschillende deelen zijns lichaams uiteenvielen, totdat hij eindelijk sterven moest aan de vreeselijkste melaatsch-heid. Xaiirah dacht dikwijls, of er toch niets voor haar meester gedaan kon worden, omdat hij zoo vriendelijk was voor haar en de andere bedienden.

lederen avond als zij naar haar bedje ging, bad zij voor hem tot Jehova. Haar vertrouwen op God was zoo sterk, dat zij er niet aan twijfelde of de profeet zou Naaman in haar eigen land kunnen genezen, als haar meester daar maar heen wilde gaan om Elisa even te zien. Dit geloof was op het laatst zóó vastgeworteld, dat zij op zekeren dag, toen er niemand anders in de kamer was en zij op haar meesteres stond te wachten, met tranen in do oogen tot deze zeide: „Och, of mijn heer ware

ocr page 91

/ /

„voor het aangezicht van den profeet, die te Sama-„ria is, dan zou hij hem van zijne melaatschheid „ontledigen.quot;

Zij zeide dit zoo ernstig en zoo dringend, en voegde daar nog zooveel woorden aan toe (want de Bijbel verhaalt ons waarschijnlijk niet alles, wat zij zeide), dat de meesteres zelf haar bijna geloofde, ïen minste toen de generaal binnenkwam, vertelde zij wat Naiirah gezegd had over het gaan naar den profeet, en hoe ernstig en herhaaldelijk zij daarop aangedrongen had. Zij wenschte dan ook, dat hij gaan zou om Elisa te bezoeken. Kwaad kon het in geen geval en misschien was het wel zooals Naarah vertelde; want veel had men gehoord van de wonderen, door den profeet verricht; en wat een vreugde zou het zijn hom genezen te zien terugkomen !

Naaman luisterde naar zijn vrouw, ging tot don koning en vertelde hem, dat hij graag eens naar Samaria zou gaan.

Oogenblikkelijk zond de koning hem met een rijk geschenk naar den profeet, en met een aanbevelingsbrief naar den koning van Israël.

De uitslag was, zooals gij allen reeds weet, dat hij volkomen genas en even gezond werd als een klein kind. En dat was nog niet alles! Hij kwam ook terug als een aanbidder van den waren God, en nog vriendelijker en beter dan te voren, omdat hij God vreesde en Zijn geboden onderhield; zie, dat was nu alles het gevolg hiervan, dat de kleine Naiirah aan haar God dacht, in Hem geloofde en niet bevreesd was voor Hem uit te komen.

ocr page 92

En wat denkt g-e wel, dat er van haar werd ? Zou haar meester niot veel van haar zijn gaan houden, haar vrijgemaakt en tot zijn eigen dochter aangenomen hebben? Of als zij liever weer naar huis ging, denkt ge niet, dat hij haar veilig naar haar moeder teruggezonden zal hebben, onder geleide van eenige soldaten, voorzien van geld en kleederen, genoeg om twee maal te betalen, wat zijne soldaten van haar vader geroofd hadden; en zou zij na dit voorval niet vaster dan ooit op God betrouwd hebben ? Ik zou het wel denken.

Doch ik heb u dit nu maar niet alles verteld, alleen omdat het een mooie geschiedenis is, maar omdat ik u wilde toonen, hoeveel troost en hulp zelfs kleine kinderen bij God kunnen vinden. Naarah was een klein meisje, dat geen Bijbel had en niet naar de Zondagsschool ging. Zij wist alleen maar, wat zij oudere menschen had hooren zeggen, en toch geloofde zij, dat God alles doen kon, zelfs kleine dingen, zooals naar haar om te zien en voor haar te zorgen, voor haar: arm, klein, gestolen meisje, slavin in een vreemd land!

Gij kunt echter veel meer van den Heer weten dan zij, omdat na dien tijd de Heiland in de wereld gekomen is, en gij een Bijbel hebt, en naar de Zondagsschool gaat. Behoort ge Hem dan niet meer te vertrouwen dan zij deed?

Gij hebt niet met zulke moeilijkheden te kampen als de arme Naarah. Maar gij hebt dan toch wel eenige gebreken en stoutheden, die u veel verdriet veroorzaken, niet waar? Waarom zoudt gij den Hei-

ocr page 93

79

land niet vragen u daarvan te verlossen? Gij kunt er zeker van zijn, dat Hij u helpen wil, als gij u door Hem laat leiden en doet, wat Hij zegt.

Er was eens een kleine jongen, die graag veel wilde leeren; maar zijn vader was heel arm, zoodat hij zijn jongen niet naar school kon zenden, ja hem nauwelijks voedsel en kleeren kon koopen. Op zekeren dag vond het ventje een stuk papier. Hij wist wel, dat groote menschen elkaar brieven schrijven, die zij dan per post naar andere menschen zenden, en dat zij zoodoende krijgen, wat zij verlangen. Dat wilde hij nu ook doen. Hij had eenige woorden geleerd en kon wel zoo iets van een brief schrijven. Maar aan wien zou hij schrijven? Evenwel, de briefkwam klaar; hij vertelde er in hoe graag hij zou willen leeren en hoe arm zijn vader was; daarna vouwde hij het papier op eji adresseerde het aan don Heer Jezus Christus in den Hemel, waarop hij het in de brievenbus stak. Daar hij echter nog zoo klein was, kon hij het papier er niet geheel inwerpenquot;; toch geloofde hij, dat de Heer het op de een of andere manier wel krijgen zou en hem zou helpen.

En de Heer kreeg het ook, en wel op deze wijze: een rijke dame kwam kort daarop dien weg langs en zag het papier gedeeltelijk uit de brievenbus steken. Zij las het, deed onderzoek naar den jongen en zond hem naar school. Zoo werd zijn brief beantwoord.

De Heiland kan u altijd even gemakkelijk helpen en Hij wil dat ook, als gij Hem maar vertrouwt. Gij ziet, hoeveel een klein meisje doen kan door

ocr page 94

So

een heel kleine daad. Kleine Naiirah deed niet veel! Zij bad slechts hardop voor haar meesteres, dat haar heer den profeet zien mocht, en wat groote dingen kwamen daaruit voort?

Haar vriendelijkheid was oorzaak, dat de menschen veel van haar hielden en daardoor naar haar luisterden; en omdat zij zelf zoo vast geloofde in den Heer, waren zij ook daartoe geneigd, en deden wat Nailrah verlangde.

Gij kunt niet begrijpen, hoeveel goeds gij doen kunt door vriendelijk te zijn en uw Heiland lief te hebben en Hem te vertrouwen.

Hoe kunt ge uw vader opvroolijken als hij vermoeid thuis komt, en hoe kunt ge uw moeders hart verlichten als zij zich inspant om voor u te zorgen! En bovenal, wat kunt gij den gezegenden Heiland daarmede een vreugde bereiden. Hem, die in uw hart leest, en weet, wat gij denkt en doet!

Denk maar dikwijls aan de kleine Hebreeuwsche Nailrah!

ocr page 95

EENE ERNSTIGE VRAAG.

„Wat zal toch dit kindeken -wezen ?quot;

LUK. I : 66.

Deze vraag werd achttienhonderd jaar geleden gedaan betreffende een kindje, dat toen in het gebergte van Judea geboren was. De nienschen waren gekomen voor hetgeen wij het „doopenquot; zouden kunnen noemen, want wanneer het kindje acht dagen oud was, gaven de Joden het een naam, evenals gij uwen naam hebt gekregen bij uw doop. Die dag- werd altijd als een feestdag beschouwd. Do bloedverwanten kwamen er voor over, al moesten zij dikwijls een heel eind reizen, en zij, die het bekostigen konden, gaven een grooten maaltijd.

De „doopplechtigheidquot;, waarvan wij nu spreken, was eene bijzonder heuglijke gebeurtenis. De vader en de moeder van den pasgeborene hadden nooit kinderen gehad, en waren reeds hoog bejaard, toen deze kleine jongen met zijne heldere oogen hun als een zonnetje op hun ouden dag geschonken werd. Dit gevoelden al de bloedverwanten en daarom

6

ocr page 96

82

kwamen zij allen om zich met de ouders over de geboorte van het kind te verheugen. Er waren mannen en vrouwen uit Galilea, aan wier spraak men kon hooren dat zij van een ander gedeelte van het land waren, evenals dit met Petrus het geval was. Er waren oude, deftige mannen met witte baarden, die met veel wijsheid over de gebeurtenissen van den dag spraken. Er waren rijke bloedverwanten, voor wie al de anderen op zij gingen, en arme bloedverwanten, die een handje hielpen aan do voorbereidselen. Er waren priesters, die het kind zegenden in den naam van den God van Abraham. En natuurlijk waren er ook kinderen, die het kleintje een kus wilden geven, en zich groot genoeg vonden om het even op hun armen te mogen hebben.

Nu was er ééne zaak, waarover zij het allen zeer druk hadden — Hoe het kindje genaamd zou worden? „Natuurlijk Zacharias, naar zijn vader,quot; zeiden de oude bloedverwanten. Maar zijne moeder schudde het hoofd.

„Neen,quot; zeide zij, „Johannes zal zijn naam wezen.quot;

Laat elke Johan, die dit leest, denken aan hetgeen zijn naam beteekent, en aan hetgeen hij zou moeten zijn, — een geschenk van God (genadig Godsgeschenk).

De naam der moeder was Elisabeth, en gij wilt zeker wel gaarne weten wat dat beteekent. Alleen de zachtste en vriendelijkste meisjes behoorden dien naam te dragen. Het wil zeggen: een belofte van God.

De vrienden hadden veel aan te merken op dien naam Johannes, omdat er niemand in de familie was

ocr page 97

83

die zco heette. Misschien maakte de priester er opmerkzaam op dat Zacharias een zeer goede naam was ; die beteekende immers: dc man des Heer en.

Aan die geheele woordenwisseling kon de arme vader geen deel nemen. Hij had reeds sinds verscheidene maanden niet kunnen spreken. Zij wenkten hem nu, en hij maakte hun door gebaren duidelijk dat hij iets wilde schrijven. Zij brachten hem schrijfgereedschap en terwijl zij naar de hand van den ouden man keken, zagen zij dat hij schreef: „Johannes is zijn naam.quot;

Op datzelfde oogenblik kreeg de vader zijne stem terug en hij loofde God, zoodat allen zich verwonderden. Toen daarna de gasten weder naar huis gingen, werd er op de terugreis nog druk gesproken over hetgeen er gebeurd was, en de een zeide tot den ander; „ Wat zal toch dit kindeken wezen ?quot;

Dat kind werd de groote prediker, Johannes de Dooper; en de Heere Jezus zegt dat van degenen, die van vrouwen geboren zijn, niemand opgestaan was meerder dan Johannes de Dooper. Xu zou het wel goed zijn, indien elke jongen en elk meisje van zichzelf vroeg\' — 7vat zal dit kind wezen?

In sprookjes leest men dikwijls van menschen, die allerlei vreemde gedaanten krijgen, die in dieren veranderen of de meest verschillende dingen worden. Naarmate gij ouder wordt, zult ge zien dat er geen sprookje zoo wonderlijk is als hetgeen in werkelijkheid eiken dag gebeurt. Heeft het niet iets van een sprookje, als ge bedenkt dat dit kleine meisje, met hare zachte ronde wangen en goudblond haar in

ocr page 98

84

eene oude vrouw kan veranderen, die kuchend en hijgend voortstrompelt onder den last van hare tachtig jaren, gerimpeld en grijs en met ingevallen wangen ? Is het niet vreemder dan het vreemdste sprookje dat deze jongen, die geen twee minuten achter elkander stil kan zitten, misschien een oude man wordt met stijve knieën en krommen rug, die heel blij is als hij met behulp van twee stokken voort kan kruipen, en nauwelijks op kan komen als hij eenmaal zit ?

En nog vreemder dan dit alles is het, wanneer ge bedenkt dat die kleine kinderen, die dengehee-len dag vroolijk zijn, langzamerhand veranderen in allerlei mannen en vrouwen, goede en slechte, waarvan sommigen zeer veel goeds, en sommigen zeer veel verkeerds doen. Herinnert gij u de geschiedenis van het eerste kindje, dat op aarde geboren werd? Met welk eene verbazing en blijdschap zullen de vader en de moeder naar dat onschuldige wichtje, dat hun zoo vroolijk tegenlachte, gekeken hebben! Die kleine handjes zouden immers nooit kwaad kunnen doen, die levendige guitige oogjes zouden nooit van toorn kunnen fonkelen. Sommigen denken dat zij dat eerste kind Kaïn noemden, hopende dat hij hun van het kwaad hunner zonden zou verlossen. Maar helaas! jaren verloopen, en wij zien hoe het kind in een woesten hartstochtelijken man is veranderd. In die oogen flikkert wilde drift en, vol nijd en afgunst, werpt hij zich op zijn jongeren broeder en slaat hem dood.

Kaïn, de moordenaar, is dezelfde, die eens als

ocr page 99

een vroolijk gelukkig kindje op Eva\'s schoot lag.

Er is nog eene geschiedenis, die ik u wil vertellen. Eens ontstond er brand in het huis van een dorpspredikant. Er werd om hulp geroepen en de brandklok werd geluid. Het verschrikte gezin vluchtte halfgekleed naar buiten, en toen zij zich allen onder den rossen gloed der vlammen in eene schuur verzameld hadden, knielde de vader vol dankbaarheid neer om God voor hunne redding te prijzen; maar eensklaps zag hij dat een der kinderen er niet bij was, — een klein jongetje van zeven jaar. Het was onmogelijk het kind door middel van de trap te bereiken, deze stond geheel in brand. Op dat oogenblik zagen zij hem voor een raam van de bovenverdieping.

De vlammen knetterden en werden door den wind opgezweept. Van alle kanten vielen brandende stukken hout naar beneden en verspreidden eene zee van vonken tegen de zwarte rookwolken. Het kon slechts weinige minuten duren, of het vuur zou de plaats bereikt hebben waar het ventje stond. Toen verzocht een moedige man een zijner kameraads stevig tegen den muur te gaan staan, hij klom op diens schouders, strekte zijne beide armen naar het kind uit, lichtte het op en redde het uit de vlammen te midden van de toejuichingen der menigte. Stel u den kleinen zevenjarigen jongen voor. Zijne oogen kijken verbaasd rond, zijne wangen gloeien van de hitte van het vuur, met ontsteltenis ziet hij op de knetterende vlammen, op de halfgekleede menschen en op de algemeene verwarring, en drukt

ocr page 100

86

zich tegen zijne moeder aan, die met tranen van vreugde haren Hemelschen Vader dankt. Maar ziet! de tijd gaat met zijn tooverstaf voorbij, en de kleine jongen is een groot prediker geworden; uit alle oorden des lands komen de menschen naar hem luisteren en door Gods genade wordt zijne prediking voor duizenden harten gezegend.

Nu moet gij er eens over nadenken wat gij zult worden. Het hangt in het geheel niet van het toeval af. Gij beslist nu voor u zelf wat gij zijn zult. Dc vrucht komt uit den bloesem voort; do bloem uit den knop; de man uit het kind. Gij zijt nu reeds op weg de mannen en vrouwen te worden, die gij eens zijn zult. Gij moet uw eigen toovergodinnen zijn, en hier zijn eenige dingen, die gij kunt doen, of die voor u gedaan kunnen worden. Want wij kunnen om hulp gaan tot onzen lieer, die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken.

Tent eerste: Verbetert nu uiae kleine gebreken.

Eens waren twee mannen bezig een schip te bouwen. Toen zij een stuk hout doorzaagden, zagen zij dat een gedeelte er van wormstekig was.

„Wij moesten dit stuk liever niet gebruiken,quot; zeide de een.

„Och kom,quot; antwoordde de ander, „wij hebben er al zooveel moeite aan besteed, \'t Is jammer het weg te werpen. Niemand zal het zien en het is niet zoo erg.quot; Zij gebruikten het dus met het andere.

Korten tijd daarna was het schip klaar. Met de zeilen op, met vlaggen versierd, liep het van stapel

ocr page 101

«7

onder liet geklank van vroolijke muziek. Het deed eene groote reis en keerde terug met eene kostbare lading. Toen het bijna in veilige haven was aangeland, stak er een hevige storm op. Een tijdlang hield het schip stand, maar eensklaps maakte een doodelijke schrik zich moester van de bemanning. Er was een lek in de kiel. Hot water stroomde naar binnen door een gat in een der planken. Do matrozen trachtten het tegen te gaan, maar tevergeefs. Alle hoop op behoud was verloren, noodseinen werden opgeheschen, vuurpijlen opgelaten en nog juist bijtijds kwamen de moedige mannen van de reddingsboot om de bemanning van het zinkende schip af te halen doch zagen de kostbare lading in de golven verdwijnen. En dat alles door écne wormstekige plank! Let dus op kleine tekortkomingen. Naderhand zal hot te laat zijn om er iets aan te doen. En omdat God alleen al de kleine gebreken kent, en Hij alleen zo weg kan nemen, moeten wij tot Hem gaan on uit het diepst van ons hart tot Hem bidden, zooals David gebeden heeft: „UVf zoude de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen.\'quot; Bedenkt altijd dat Jezus in de wereld gekomen en gestorven is om ons van onze zonden en afdwalingen te verlossen. Hierop doelde de engel, toen hij zeide: — „Gij zult Zijnen naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden.quot;

ÏEX TWEEDE: Weest nu wat gij zoudl willen zi/n wanneer gij groot zijt.

Spreekt de waarheid. Het ergste wat gij ooit

ocr page 102

88

kunt worden is ccn leugenaar. Ik zou u honderdmaal liever over een jaar of twintig in lompen gekleed zien, zoo arm als de mieren, indien ik zeker wist dat ge nooit anders dan de waarheid spraakt, dan dat ik u als zoogenaamd fatsoenlijke menschen terug vond, en gij u, al was het maar uit gekheid, met leugens ophieldt. De groote vraag is: wat zal dit kind \'vezen ? Hoe het gekleed is, en hoe het den kost verdient, is van weinig belang. Wat gij zift, niet wat gij hebt, daarop komt alles aan. Misschien wordt gij rijk, — het is mij om het even of gij het wordt of niet. Maar indien gij voorgoed ongelukkig wilt zijn, dan behoeft gij slechts te spelen met de waarheid, er geen ernst mee te maken. O kinderen, laten wij toch recht door zee gaan, hoeveel het ons ook koste — laten wij eenvoudig de waarheid spreken, niets meer en niets minder. Twee jongens praatten eens samen op school, iets wat do meester altijd streng bestrafte. „Komt beiden hier,quot; zeide de meester vertoornd, en de twee bengels kwamen schoorvoetend naar voren. Daar zat de meester met een gezicht als een onweerswolk.

„Smit, heb je gepraat?quot; „Neen, meester, heusch niet,quot; zeide Smit op klagelijken toon. „Dan was jij het, Jansen; is het niet zoo?quot; „Ja, meester,quot; fluisterde Jansen, en keek bevreesd op. „Dan mag jij een uur school blijven, jongetje, om dat praten af te leeren.quot; En Jansen ging met een bezwaard hart naar zijne plaats terug, want hij had juist eene afspraak na schooltijd, en nu kon er niets van komen. Smit was al weer aan het werk, maar hij was er

ocr page 103

veel erger aan toe. Hij wist dat hij een laffe, ge-meene jongen was, en hij had een hekel aan zich zelf. Hij groeide op tot een leugenaar, terwijl Jansen spoedig de straf vergeten was, maar de overtuiging behield dat hij eerlijk gehandeld had, en een eerlijk, vertrouwbaar man werd.

]Vccst vriendelijk en tevreden. — Ik ken een ouden man en zijne vrouw, van welke gij nooit zoudt willen gelooven dat zij kinderen geweest zijn. liet is niet mogelijk dat zij ooit rondgesprongen hebben als andere kinderen ! — Neen, dat is iets ondenkbaars bij dat oude paar, den ouden heer Brompot en zijne vrouw. Ik heb nog nooit gezien dat zij met iets in hun schik waren. Met hun onvriendelijke oogen kijken zij door hun grooten bril, en trachten altijd iets te vinden waarover zij kunnen knorren. Zij laten altijd hun lip hangen en hebben zoo iets ontevredens en brommigs, dat men er bang voor wordt. Als hun kleinkinderen komen, krijgen zij knorren, omdat zij gekomen zijn; als zij wegblijven is het ook niet goed. Nooit is iets naar hun zin. Als de zon schijnt, is het zoo vreeselijk warm, en als de zon niet schijnt, is hot zoo vreeselijk somber. Als het westenwind is, dan is dat slecht voor hun rheumatiek, en als het oostenwind is, beginnen zij te hoesten. Als de wind uit het noorden waait, wil de schoorsteen niet trekken, en als er zuidenwind komt, zijn zij knorrig, omdat hij niet eerder is gekomen, of zij tobben er over dat hij wel spoedig veranderen zal. Ik zou liever op de Mookerheide zitten, dan met die oudjes samenwonen. Geen jongen of

ocr page 104

go

meisje zou wenschen op hen te g-elijkcn. En toch zijn zo eens jong geweest. Maar zoodra de kleine Brompot praten kon, werd het zijne gewoonte altijd te zeggen: „Ik houd daar niet van,quot; en dan een leelijk knorrig gezichtje te trekken. En Doortje Brompot was een ontevreden meisje, en werd eene ontevreden vrouw. Ge ziet dus dat zij hun eigen slechte toovergodinnen zijn geweest, en van zichzelf nare, onaangename ménschen hebben gemaakt. Indien gij vriendelijke en beminnelijke menschen wilt worden, moet ge als jongens en meisjes vriendelijk en beminnelijk wezen.

En TEN LAATSTE: neemt twee dingen mede, die u van meer nut zullen zijn, dan de wonderlijkste tooverstaf, waarvan gij ooit gehoord hebt. Het eerste is een gouden sleutel. Die zal gevangenisdeuren voor u openen, ijzeren tralies verwijderen en de zware ketenen zóó stil, zonder het minste geraas af doen vallen, dat de soldaten, die den gevangene bewaken, er niet eens wakker van zullen worden. Leest de geschiedenis in het twaalfde hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen maar eens na, en let wel op den gouden sleutel, waarvan in het vijfde vers gesproken wordt. „ Van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.\'quot; Draagt dezen gouden sleutel altijd bij u. Hij doet den Al-machtigen God u ter hulpe komen, en maakt den Heer, die in de hemelen woont, tot uwen vriend.

Behalve de sleutel is er een tooverkracht, en ik zou wenschen, dat deze altijd in uw hart woonde. Deze tooverkracht is: tracht steeds den Heere Jezus te

ocr page 105

behagen. Denkt er aan, bidt er om, en beproeft het, totdat het uwe grootste ■ begeerte wordt. Vraagt u zeiven voortdurend af; „Wat zou Jezus willen dat ik deed?quot; Nooit hebt gij van zulk een wonderbare tooverkracht gehoord. Door haar zult gij altijd weten wat gij moet doen. Door die kracht wordt gij bekleed met een kleed van zonlicht, dat in den Bijbel het geivaad des lofs wordt genoemd, en gij wordt zoo sterk, dat gij elk kruis zult kunnen dragen, dat de Heer u oplegt.

Nu heb ik nog niet van het wonderlijkste gesproken; het is dit: indien wij tot den Heer Jezus gaan en Hem zoeken als onzen Zaligmaker en Helper, ïoordt hef kind een engel Gods.

Niet lang geleden vertelde een heer, die dikwijls de armste wijken der stad bezoekt, mij hot volgende.

Nadat hij in een armoedig huisje verscheidene trappen hoog was geklommen, kwam hij bij een deur vlak onder de dakpannen. Hij klopte aan. „Binnen,quot; zeide een zacht stemmetje, en toen hot licht door de geopende deur naar binnen viel, zag hij een jongetje van tien of elf jaar, dat op een hoop vodden lag.

„Wat doe je daar?quot; vroeg de heer vriendelijk.

„O asjeblieft stil, mijnheer,quot; zeide het ventje verschrikt. „Hij zal mij hooren, en dan ben ik er bij. U zult het hem toch niet vertellen, mijnheer?quot;

„Waar verberg je je voor?quot; zeide de bezoeker.

„Vader slaat mij,quot; en hij hield zijn arm in de hoogte, waarop blauwe striemen zichtbaar waren.

ocr page 106

92

„Mijn arme jongen, waarom heeft hij je zoo ^

geslagen?quot;

Weder liet de jongen zijne blikken angstig ronddwalen, en toen fluisterde hij :

„Vader wordt dronken, mijnheer, en dan slaat hij mij, omdat ik niet meer wil stelen.quot;

„En waarom wil je niet meer stelen ?quot;

„ Omdat ik naar school ben gegaan, en daar leerden zij mij: „Gij zult niet stelenquot;. En vader mag mij doodslaan als hij wil, — verleden had hij het bijna gedaan, als de buren het niet verhinderd hadden — maar ik wil niet meer stelen. Wij kunnen niet in den hemel komen, als wij stelen, weet u,

mijnheer; en ik wil den Heere Jezus liefhebben.quot; ^

Weder keken de verschrikte oogen het donkere hoekje rond.

De bezoeker wist eigenlijk niet wat hij voor den armen jongen zou kunnen doen. Hij gaf hem een paar kwartjes, en beloofde dat hij den volgenden dag terug zou komen.

Het kleine ventje keek op met een dankbaren blik, en alsof hij toch iets daarvoor in de plaats wilde geven, zeide hij ; „Zal ik nu eens een liedje voor u zingen, mijnheer, dat ik altijd bij mij zelf zing ?quot; En toen liet hij hooren, wat gij zeker allen kent:

Lieve Jezus ! Gij alleen

Brengt ons naar den hemel heen ;

Want vergiffenis van zonden

Wordt slechts in Uw bloed gevonden ;

Ware vreugd en zaligheên

Schenkt Gij Heer en Gij alleen.

ocr page 107

93

Lieve Heiland ! zie ons aan,

Doe ons naar den hemel gaan.

Leer ons naar Uw stem te hooren,

Anders gaan wij wis verloren ;

Leid ons op de rechte baan,

Dat wij naar den hemel gaan !

„Ziet u, dat is mijn liedje, mijnheer; goeden dag.quot;

Den volgenden morgen ging de heer er weer heen, de hooge trap op, het nauwe gangetje door. Daar lag de jongen met de kwartjes in zijn hand. Maar hij zvas dood. In den nacht waren de engelen gekomen en hadden hem thuis gebracht. En toen kwam die wonderbare verandering. In plaats van lompen, het witte kleed, dat Jezus geeft, gewasschen in Zijn eigen kostbaar bloed; de gouden kroon op zijn hoofd, eene harp in zijne hand. In plaats van de donkere kamer, het land vol heerlijkheid en licht, en de stad met hare gouden straten en poorten van paarlen, en do rivier met het water des levens, en de boomen met de „twaalf vruchtenquot;. In plaats van het eenzame plekje, waar hij in angst en vreeze en door honger gekweld zijn liedje opzeide, is hij nu omringd door engelen met witte vleugelen, en Jezus brengt hem daar, waar geen verdriet en geen lijden meer is, naar de fontein der levende wateren, en met een rein, gelukkig hart zingt hij in dat gezegende land het nieuwe lied.

Ziet, lieve kinderen, al deze vreugde, al deze heerlijkheid wil God ook aan u geven !

ocr page 108

„IK HEB U VERLOST.quot;

jes. 44 ; 22.

Gij hebt zeker reeds dikwijls het woord „verlossenquot; hooren gebruiken, gij hebt hooren spreken van iemand, die uit de gevangenis, van de slavernij „verlostquot; is.

De Verlossing, waarvan ik u nu ga spreken, is echter zóó wonderbaar, dat, al denken wij er nacht en dag over na, wij nooit ten volle zullen begrijpen wat zij beteekent. Laat ons den Hemelschen Vader vragen ons met Zijn Heiligen Geest te helpen. In den Bijbel is eene belofte dat Hij wijsheid zal geven aan een ieder, die ze van Hem begeert, en dat Hij het nooit verkeerd vindt, indien wij, dwaas en onwetend als wij zijn, tot Hem komen. „/7y geeft milde lijk en verwijt niet.quot;

Wij worden verlost, wanneer de „losprijsquot; voor ons betaald wordt, wanneer wij „vrijgekochtquot; worden uit onze slavernij. Wij zijn „verkocht onder de zonde,quot; en God heeft ons teruggekocht door het kostelijke bloed van Zijn geliefden Zoon.

ocr page 109

95

Indien gij het vijf-en-twintigste hoofdstuk van Leviticus opslaat, te beginnen bij het drie-en-twin-tigste vers, dan zult ge iets lezen van dien losprijs en van de wet, volgens welke het land gelost kon worden, en van de lossing van die mensehen, die arm waren geworden en zich als slaven hadden verkocht. Ik zal trachten u alles in den vorm van een verhaal duidelijker te maken.

In een klein dorp in het gebergte van Judea woonde een vrome Jood, die twee zoons had. Hij had ze opgevoed in de vreeze des Heeren, en hun geleerd elkander hartelijk lief te hebben, en zij waren de troost en de vreugde van zijn ouden dag. Hij stierf toen zij nog slechts jongelingen waren, en zij begroeven hqm in het graf zijner vaderen. Toen reisde Benjamin, die de jongste was, naar verre landen om handel te drijven, en Jonathan, zijn broeder, bleef hot land zijner vaderen bebouwen. Het was een goed land; de wijnstok groeide er welig, de donkergroene olijfboómen verspreidden hunne schaduw om het huis, van waar men het gezicht had op de rijke korenvelden in de vallei. Op de vlakte weidden de kudden schapen en alles scheen goed te gedijen. In het geheele land zou er ook geen gelukkiger man geweest zijn dan Jonathan, indien hij niet één verdriet had gehad — dat zijn broeder Benjamin zoo ver weg was gereisd, tot aan het einde der wereld, zooals men zich dat toen voorstelde. Hij was op een schip naar Spanje vertrokken, en lange jaren had niemand iets van hem gehoord.

ocr page 110

g6

Zoo bleef het voortgaan totdat er eene groote droogte kwam over geheel Judea. De velden waren verschroeid en kaal; de olijf boomen verdorden; de wijnstok kwijnde; de kudde stierf weg. Al hetgeen Jonathan had opgegaard versmolt als sneeuw voor de brandende hitte der zon. Maand op maand-hield de droog\'te aan en toen er een einde aan kwam, moest hij van een rijken buurman geld leenen om zaad te koopen.

„Borgen baart zorgenquot;, zegt het spreekwoord en dat moest Jonathan spoedig ondervinden. De daaropvolgende oogst was hot inzamelen bijna niet waard, zoodat Jonathan zijn land aan zijn rijken buurman moest verkoopen, om een gedeelte van zijne schuld af te doen.

Het oude huis zijnor vaderen was niet langer het zijne. Somtijds liep hij er nog eens voorbij en dan werd zijn hart met droefheid vervuld. Dan hoorde hij het vroolijke gelach van vreemde kinderen, die op het ruime binnenplein speelden; dan zag\' hij den hardvochtigen eigenaar, die hem trotsch voorbij liep. Zonder eigen tehuis, zonder vrienden, kon de arme man slechts uit de verte een blik slaan op hetgeen het huis zijner vaderen was geweest. Hij durfde er geen voet in zetten, want hij was arm en broodeloos geworden, en er was niemand, die het voor hem terug zou kunnen koopen. Diep terneergeslagen beproefde hij nu op allerlei manieren aan den kost te komen, maar alles liep hem tegen. Hij bezat niets meer, en eindelijk zag hij zich gedwongen, gedeeltelijk om zijn schuld te betalen en gedeeltelijk om

ocr page 111

97

niet van honger te sterven, zich als slaaf te vcr-koopen aan zijn rijken buurman. Zijn meester moest hem te eten geven, en hem voorzien van eenige ruwe kleeren en van een slaapgelegenheid in de eene of andere schuur. Maar hij was het eigendom van zijn meester, en ofschoon de wet niet toeliet, dat hij behandeld werd zooals dat op andere plaatsen met slaven gebeurde, was hij toch werkelijk een slaaf. Hij mocht niet doen wat hij wilde, maar moest alles doen wat zijn meester van hem verlangde.

Volgens de wet mocht hij zich zelf /ossen, dat wil zeggen vnjkoopen. Maar hij zwoegde den geheelen dag in de zon voor zijnen meester en had geen kracht over om dan nog voor zich zelf te werken, en een weinig geld te verdienen, waarmede hij zich zou kunnen vrijkoopen. Hij moest dus wel voortgaan hard te werken, zonder troost, zonder hoop om ooit zijne vrijheid terug te krijgen.

Als gij het hoofdstuk in Leviticus nog eens overleest, zult ge zien dat er nogquot; eene andere manier was, waarop hij weder vrij kon worden. Als hij een rijken bloedverwant had, — een broeder of een zoon, of een oom, of een neef — dan was het mogelijk dat deze den losprijs betaalde en hem vrijkocht. Maar wanneer de arme Jonathan hieraan dacht, zuchtte hij droevig. Hij wist dat indien zijn broeder Benjamin nog- leefde en hem kon helpen, deze zijn laatsten penning zou uitgeven om het te doen. Maar jarenlang had hij niets van hem gehoord.

Beste kinderen, de Bijbel leert ons, dat wij „verkocht zijn onder de zonde,quot; dat wij „gevangen zijn

ocr page 112

98

in den strik des duivels tot zijnen wil.quot; Wij zijn „krachteloosquot; om ons zeiven vrij te koopen. Wij komen te voorschijn met onze goede voornemens en vrome wenschen, maar deze kunnen ons niet verlossen. Wij beproeven somtijds onze ketenen te verbreken en hard weg te loopen van onzen meester, maar het gelukt ons niet. Gij hebt zeker wel eens gehoord van slaven, die weg waren geloopen en zich aan de grootste gevaren hadden blootgesteld, om hunne vrijheid terug te krijgen. In den Bijbel is een brief, dien Paulus aan Filémon heeft geschreven over een weggeloopen slaaf. Maar wie kan weg-loopen van den wreeden meester, dien viij dienen ? Wie kan wegloopen van de zondel Dat zou zijn als die jongen, die op een nacht, toen de maan helder scheen, een spook meende te zien en zoo hard mogelijk wegliep. Hoe harder hij liep, hoe sneller het hem achtervolgde. Hoe hij ook keerde, overal bleef het bij hem, totdat hij eindelijk struikelde en viel, en toen bemerkte hij dat het zijn eigen schaduw was. En als een schaduw hecht onze zonde zich aan ons vast. Wij kunnen er niet vandaan loopen. Wat kunnen wij dan doen? Evenals Jonathan hebben wij niemand, die ons verlossen kan. Een onderwijzer kan zich zelf niet verlossen noch één zijner leerlingen. Een predikant kan zijne gemeente niet verlossen. Vaders en moeders kunnen hunne kinderen niet verlossen. Waarheen moeten wij dan uitzien?-1 Naar een rijken bloedverwant, die ons kan en wil verlossen.

Nu wordt mijne geschiedenis minder treurig. In het verre land, waar hij heen was gegaan, leefde

ocr page 113

99

Benjamin al dien tijd in grooten overvloed. Hij was een rijk koopman en bezat vele schepen. Zijn huis was een paleis, en koningen en prinsen vonden het niet beneden hunne waardigheid met hem om te gaan en groote sommen gelds van hem te leenen. Toch was Benjamin niet gelukkig; de prachtige tuinen van het paleis, zijn aanzien bij de voornaamste menschen en zijne vriendschap met de vorstelijke personen konden hem niet bevredigen. In zijne droomen zag hij dikwijls iets, dat hem zeer verontrustte. Het was een arme slaaf, die in de brandende zon werkte en zich afsloofde op het land, dat zijn vader had toebehoord, en als hij dien armen man in het gelaat zag, herkende hij zijn eigen broeder. Andere keeren droomde hij van het huis zijns vaders, met de vruchtbare wijnbergen en de donkere olijf-boomen, en dan kwam er iemand het huis uit, die er uitzag als de eigenaar, maar het was een vreemdeling voor Benjamin. En achter dien man aan kwam een vermoeide, uitgeputte slaaf, en dan herkende de koopman weder zijn broeder. Welnu, wat betee-kende al zijn rijkdom en zijne grootheid voor hem, indien zijn broeder werkelijk een arme slaaf was? Hij verliet dus zijn prachtig on weelderig huis, gingf aan boord van een zijner schepen en voer af naar het land zijner vaderen. Hij moest de Middcllandsche Zee over, werd door zware stormen heen en weer gedreven, en liep meer dan eens gevaar in de handen der zeeroovers te vallen, die de kust onveilig maakten. Maar dat schrikte hem niet af; zijn eenige wensch was zijn geliefden broeder weer te zien.

ocr page 114

IOO

Eindelijk landde hij aan en spoedde zich dadelijk naar het oude huis in het gebergte. Daar stond het — juist zooals vroeger. Wijnranken bedekten het, de olijfboomen waren er nog, en vroolijke kinderstemmen klonken hem tegen. Indien alles slechts een droom ware geweest! Met bevende stem vroeg hij naar Jonathan. Een vreemdeling trad op hem toe. Het was de eigenaar. Hij had te zeggen over het huis, over de wijngaarden en de kudden schapen.

„Leeft hij nog, die vroeger hier gewoond heeft?quot; vroeg Benjamin met tranen in de oogen. „Leeft Jonathan nog?quot;

„Jonathan,quot; riep de vreemdeling uit, „ja, hij leeft nog, maar —quot;

„God zij geloofd!quot; zeide Benjamin.

„Maar hij is arm geworden en achteruit gegaan, en hij heeft zich aan mij verkocht. Gij zult hem op het land aan het werk zien.quot;

„Dus juist zooals ik gedroomd heb!quot; zeidc Benjamin. „Ik zal hem gaan opzoeken; maar laat mij u eerst vertellen, dat ik zijn broeder ben en dat ik hier ben gekomen om hem te lossen.quot;

En hij gebood den dienstknechten de kist met zilver te brengen, die hij mede had genomen.

De meester had niet te kiezen. Hij moest het toestaan. Het werd alles duidelijk opgeschreven en het geld betaald. Jonathan was nu werkelijk verlost. Toch werkte hij nog daarbuiten op het veld alsof hij in het geheel geen rijken bloedverwant bezat.

„Xu,quot; zeide Benjamin, zoodra dit gereed was, „nu moet ik het huis, het erfdeel mijner vaderen lossen.quot;

ocr page 115

IOI

En weder werd er overlegd hoeveel het waard was, en weder telden de dienstknechten het geld af. Toen waren het huis en het land en de wijngaarden weder zijn eigendom.

„En nu,quot; riep Benjamin uit, en stond op van de tafel, „ga ik het hem vertellen.quot;

Hij lachte door zijn tranen henen, alsof zijn hart overliep van vreugde. Spoedig kwam hij bij een armen slaaf, juist zoo een als hij in zijn droomen gezien had; een bleeke, magere, uitgeteerde man, in eenige lompen gehuld, zoodat Benjamin nauwelijks gelooven kon dat het zijn broeder was. Hij veegde zijne tranen weg, trachtte zoo goed mogelijk zijne aandoening te verbergen en trad op hem toe. „Jonathan! kent ge mij nog?quot; De arme slaaf keek even op en schudde treurig met het hoofd. Reeds lang had hij alle hoop opgegeven.

„Ik ben Benjamin, uw broeder, en ik heb u gelost,quot; en de rijke koopman sloeg zijne armen om den hals van den armen slaaf en kuste hem al weenende.

„Mij gelost!quot; riep Jonathan verrast. „Gij Benjamin — en mij gelost!quot;

„Ja, mijn arme broeder, God zij geloofd! gij zijt weder een vrij man. En het huis uws vaders, en het land, dat g-ij geërfd hebt, het is alles weder uw eigendom.quot;

Toen richtte Jonathan zich als een vrij man op en zegende zijn broeder Benjamin uit den grond zijns harten, en kuste hem, en viel hem om zijn hals, en zegende hem nog eens, en zeide niets anders

ocr page 116

I 02

dan: — „Hij heeft mij gelost. Het is gebeurd. De losprijs is betaald, en ik ben verlost.quot;

Van dat oogenblik af was Jonathan vrijgekocht. Hij was vrij van allen slavenarbeid. Hij wierp zijne lompen weg, en deed weder fraaie kleederen aan. Hij ging terug naar het huis zijns vaders en eischte het op als zijn eigendom. Alles was weder van hem, wijngaarden en olijfbosschen, velden en kudden, ezels en koeien. Alles behoorde hem toe, want zijn broeder had hem en al het andere van de slavernij vrijgekocht. Zijn broeder had hem verlost.

Ook tot ons, lieve kinderen, komt de „verkondiging van groote blijdschap,quot; de verkondiging dat God ons wil verlossen uit de slavernij der zonde.

„Zoo, zoo lief had God de wereld,

Dat Hij Zijuen eigen Zoon Voor die afgevallen wereld Overgaf aan smaad en hoon;

Ja, toen wij nog zondaars waren,

Schonk d\'Ontfermer ons gena,

Stierf Zijn Zoon op Golgotha,

Stierf voor ons, die zondaars waren.

Hij is in ons midden geboren om voor ons allen een Broeder te worden. Hij komt ons losgeld betalen. Maar Hij gebiedt niet aan Zijne engelen goud en paarlen voor onze vrijmaking te brengen. Hij geeft Zich zeiven als een rantsoen voor allen. Wij zijn verlost „niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van Christus.quot; En nu komt Jezus tot ons als een liefheb-

ocr page 117

io3

bend Broeder, en Hij zegt: „Ik heb u verlost.\'quot; Laat ons nu de zonde niet meer dienen. — De Heerc Jezus heeft ons van dezen harden meester teruggekocht. Het zou den ouden meester niets helpen, indien hij met barsche woorden Jonathan op kwam jagen en hem gebood weer aan het werk te gaan. Jonathan zou uitroepen; „Maak dat gij wegkomt, heer ! Ik heb reeds al te veel met u te doen gehad. Mijn broeder heeft mij uit uwen dienst vrijgekoeht. Hij heeft tot den laatsten penning betaald, en denkt gij dat ik ooit nog iets voor u zal doen ?quot; Beste kinderen, wij zijn verlost, opdat wij nooit meer de zonde zouden dienen. De Heere Jezus heeft den vollen prijs betaald. Zoodra nu de oude meester, de zonde, ons terugeiseht, mogen wij het dadelijk aan den Heere Jezus zegg\'en. Wij zijn verlost, voorgoed verlost. Laten wij dus het oude slavenkleed afwerpen en het nieuwe kleed, dat ons toekomt, aantrekken. Geen hoogmoed meer, en knorrigheid en zelfzucht, maar het purper en het fijne linnen der liefde en der zachtheid, en het witte kleed der goedheid en reinheid. Jonathan behield geen oogenblik langer den ijzeren ring, die zijn pols omklemde; in plaats van boeien, droeg hij nu een gouden armband, dien zijn broeder hem geschonken had. Verwijdert gij ook alle kenteekenen van den ouden dienst, alles wat er iets mede te maken heeft. Laat onze harten vervuld zijn met liefde jegens onzen gezegenden Verlosser, en laat ons dragen het versiersel, dat Hij ons geven wil: een zacht-moedigen en stillen geest.

ocr page 118

I04

Wij kunnen cr zeker van zijn, dat Jonathan nooit genoeg blijken van zijne liefde voor Benjamin kon geven. Het was hem nooit genoeg, wat hij voor zijn broeder deed. Laten wij evenzoo onzen Verlosser liefhebben! Wij behooren ons zeiven niet toe. Wij zijn Jezus\' eigendom. Hij heeft ons verlost door Zijn dierbaar bloed. O konden wij Hem met ons geheele hart liefhebben, en Hem met al onze kracht dienen ! Wij kunnen met den ouden Zacharias zingen : „Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht Zijnen volke,.. .. dat wij verlost zijnde uit de hand onzer vijanden. Hem dienen zouden zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, alle dagen onzes levens.quot;

En onze Heiland heeft ons door Zijn dierbaar bloed niet alleen teruggekocht van den harden meester, de zonde; Flij heeft ook het huis des leaders voor ons gekocht. Hij hoeft ons in quot;t bezit gesteld van den hemel en do vreugde der gelukzaligen. Geen wonder dat duizenden van engelen Zijnen troon omringen en jubelend Zijn lof zingen in dit nieuwe lied: „Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.quot;

Indien nu dit alles waar is, lieve kinderen, zullen wij het dan alleen aanhooren en daarna alles weder vergeten ? Laten wij heden de Blijde Boodschap aannemen en onze vrijheid terugeischen in den naam van Hem, die gezegd heeft: „//(■ heh 11 verlost.quot;

In een dorp van Noorwegen is, in den gevel der kerk, een ooievaar gebeeldhouwd, en op vele huizen

i

ocr page 119

105

ziet men denzelfden vogel afgebeeld. Als ge vraagt wat dit beteekent? wordt u de volgende schoone geschiedenis verteld; — Eens woonde in dat dorp oen klein jongetje, Koenraad geheeten, met zijne moeder, die weduwe was. Eiken zomer maakte een ooievaar dicht bij het huis zijn nest. De kleine Koenraad en zijne moeder waren heel lief voor don ooievaar. Zij gaven hem te eten en zorgden voor hem, zoodat hij ze spoedig begon te kennen on aan kwam vliegen zoodra Koenraad floot, en uit zijne hand at. Elk voorjaar keken moeder en zoon naar hem uit, en het scheen wel alsof de blijdschap van het weerzien van beide kanten even groot was. De eene zomer na den anderen verliep, totdat Koenraad een opgeschoten jonge man was geworden. Hij zeide toon, dat hij op zee wilde gaan om zooveel gold te verdienen, dat hij zijne moeder op haar ouden dag zou kunnen onderhouden. Hij werd dus matroos en reisde naar een ver land. Alles ging een tijdlang goed, maar eens, toen zij dicht bij do kust van Afrika waren, werden zij omring\'d door eene menigte kleine bootjes met zeoroovers, die togen hun schip opklommen. Deze kapers maakten zich van alles meester, sloegen de geheele bemanning in boeien, en verkochten ze naderhand als slaven.

Er verliepen weken en maanden. De weduwe begon zich beangst te maken over haar zoon, het was zoo lang geleden sedert zij van hem gehoord had. Allerlei schepen waren in die buurt gekomen, maar geen van alle bracht bericht van haar jongen. Eindelijk wanhoopte zij er aan hem ooit weer te

ocr page 120

o6

zien, zij geloofde dat hij verdronken was en treurde om zijn dood, en het geheele dorp beklaagde de arme, eenzame weduwe. Het eenige, waarin zij nog belang scheen te stellen, was de komst van den ooievaar, in het begin van elk voorjaar. Ter wille van Koenraad verwelkomde zij hem, en gaf hem te eten, totdat de herfst aanbrak en hij naar het zonnige Zuiden wegvloog. Nu gebeurde het op een zekeren dag dat, toen Koenraad op een verlaten plaats onder zijn ruwen arbeid zwoegde, een ooievaar vlak bij hem neerstreek, en vol vreugde om hem heen fladderde. Oogenblikkelijk kwam de herinnering bij hem op van zijn ouderlijk huis en zijne moeder en hun jaarlijkschen bezoeker. Nauwelijks w-etende wat hij deed, floot hij zooals hij dat vroeger gewoon was als hij den vogel wilde roepen. Tot zijne blijdschap kwam de ooievaar dadelijk naar hem toe, alsof hij verwachtte dat Koenraad hem te eten zou geven. De eenzame slaaf verhief zijn hart tot God en met tranen in de oogen dankte hij Hem dat zulk een geliefde oude vriend hem hier gevonden had. Eiken dag bewaarde hij nu iets van zijn karig maal, om de vreugde te kunnen hebben den vogel uit zijne hand te laten eten. Maar Koenraad werd treurig toen de tijd aanbrak waarop de vogel weer naar het Noorden zou vliegen. Zou hij naar het huisje zijner moedor gaan ? Was het nest er nog, dat hij zich zoo goed herinnerde ? Was er iemand, die hem zou begroeten en te eten geven? Toen viel het hem in, dat deze vogel hem misschien behulpzaam zou kunnen zijn om uit deze akelige

ocr page 121

ID?

plaats verlost te worden. Het gelukte hem op een strookje papier een paar regels te schrijven, waarin hij vertelde waar hij was, en dat hij slaaf was, en daarop bond hij het stevig vast aan een van de pooten van den ooievaar.

Weder kwam het voorjaar en met de lente verscheen ook de ooievaar.

De blik der weduwe verhelderde toen zij den vogel zag, die haar den zoon, dien zij verloren had, zoo levendig herinnerde, en met liefde begroette en verzorgde zij hem. Toen hij uit hare hand at, viel haar oog op het vreemde briefje, dat aan zijn poot was vastgebonden. Haastig nam zij het weg —• stel u hare blijdschap voor, toon zij ontdekte dat het van haar zoon was! Dadelijk liep zij naar den predikant van het kleine dorp om hem het nieuws mede te deelen. Spoedig verspreidde het zich door het geheele dorp. Er moesten menschen uitgezonden worden om Koenraad te verlossen, dat zeiden allen, die het hoorden. Den volgenden Zondagmorgen brachten allen hun geld mede in de kerk, en ieder gaf wat hij kon voor den zoon der weduwe.

Toen werd een hunner naar den koning gezonden om hem het geval mede te deelen, en te maken dat er een oorlogsschip uitgezonden werd, waaraan de zeeroovers niet zouden durven raken. In die dagen was er heel veel tijd noodig voor eene reis naar Afrika en voor het verlossen van Koenraad uit zijne slavernij. Maar voordat de ooievaar weg was gevlogen, hadden de kerkklokken geluid en al de menschen uit het dorp hadden zich verheugd

A

ocr page 122

ioS

met groote vreugde, want de zoon der weduwe was verlost en was weder veilig bij zijne moeder thuis!

Dit is de geschiedenis, die van den ooievaar in Noorwegen verhaald wordt.

En wij, lieve kinderen, kunnen evenzoo uit de slavernij der zonde, en de ellende van ons hart, tot den Koning om hulp roepen. Het g\'ebed is de vogel met witte wieken, die onze boodschap regelrecht tot het Huis onzes Vaders kan brengen.

Jezus, de Zoon des Konings, komt ons verlossen. Bedenkt het wel! Hy heeft Zich zelvcn gegeven tot een rantsoen voor velen!

Laat ons tot Hem bidden met ons geheele hart. Laat ons Hem liefhebben. Hem dienen, die in Zijne wonderbare liefde tot elk in het bijzonder zegt: „Ik heb ii verlost.\'quot;

ocr page 123

EEN STERKE TOREN.

„Een sterke toren voor den vijand,quot; ps. 61 : 4.

Eenigen tijd geleden stond ik op de bouwvallen van een oud kasteel. De gewelven waren ingestort. De poort, die eens door forsche, geharnaste wachters bewaakt werd, was nu een puinhoop. De nauwe openingen, door welke de boogschutters vroeger hunne gevederde pijlen op den vijand afschoten, waren nu bijna onzichtbaar door de wuivende varenplanten, die de muren bedekten. De klimop hechtte zich overal aan de afbrokkelende steenen der vensters, waar eens lieftallige jonkvrouwen gezeten hadden, gebogen over haar kunstig borduurwerk. Beneden in de gracht vermaakten zich eenige kinderen met het plukken van de fraaie lichtroode koekoeksbloemen, en op het binnenplein, dat menigmaal gedreund had van de zware voetstappen der gewapende mannen, graasden nu do koeien. Verderop strekten zich vruchtbare weiden uit, met hier en daar eene boerderij, en nog verder, aan den gezichtseinder, smolt de lichtblauwe streep van de zee

ocr page 124

I 10

met het diepere blauw van de lucht samen, en scheen de uiterste grenzen tc vormen van het liefelijke landschap.

Maar terwijl ik er naar keek, veranderde zich het tooneel. Ik begon het mij voor te stellen, zooals het honderd jaar vroeger moest geweest zijn. Het oude kasteel verrees voor mijne oogen, met zijne sterke grijze muren en stevige borstweringen. De diepe gracht was met water gevuld. Krijgshaftige soldaten stapten heen en weer in hunne zware wapenrusting. Het land was met boomen bedekt. Ver weg, aan de kust, werd eensklaps een rosse gloed zichtbaar. De zwarte rook verspreidde zich, en dikke wolken rezen op met de kronkelende vlammen. Het is het teeken, dat de vijand geland is. Oogenblikkelijk maakt iedereen zich gereed om te vluchten. Vaders en moeders nemen zooveel mede als zij kunnen en ijlen met hunne kinderen naar het kasteel. Van alle kanten stroomen de vluchtelingen toe, zij gaan de gewelfde poort binnen — de brug wordt opgehaald, de groote deuren zijn gesloten en allen zijn veilig in het kasteel. Geen vijand kan hen hier bereiken. De diepe gracht omringt ze, en de boogschutters staan gereed om ieder, die zich in de nabijheid waagt, met hunne pijlen eene doodelijke wonde toe te brengen.

Zulk een tooneel zag David voor zijn geest toen hij dezen Psalm dichtte. Hij was dikwijls in groot gevaar geweest; vijanden hadden hem menigmaal omsingeld, en hij had ondervonden hoe God hem gered en in veiligheid gebracht had.

ocr page 125

111

„ Gij zijt mij een toevlucht geweest, een sterke toren voor den vijand.quot;

De Heer moot ook voor ons een sterke Toren zijn. Gij hebt immers gezien dat de kinderen evengoed zulk een toevluchtsoord noodig hadden als de groote menschen. Het zou er akelig uit hebben gezien, indien eene moeder haar kleinen lieveling, of een vader zijne jongens en meisjes had moeten achterlaten. De vijand zou ze als slaven weggevoerd of misschien gedood hebben. De kinderen hadden evenzeer een Toren noodig als ieder ander. En ook nu hebt gij er een noodig. Er is nog een Machtige Vorst met een groot leger, die oven wreed en strijdlustig is als ooit. Hij wordt do Vorst dezer wereld genaamd en gaat rond als een brieschcnde leeuw, zoekende wien hij zou kunnen verslinden. Het is zijn grootste genoegen jongens en meisjes over te halen om in zijn dienst te komen, en dan maakt hij er zijne slaven van. O, wolk oen wreede meester is hij! Hij is nooit tevreden. Zelfs wanneer zijne slaven alles voor hem gedaan hebben wat zij konden, en hun leven aan zijn dienst hebben besteed, sleept hij ze met zich mode naar zijn akelig verblijf. Voor dezen wreeden vijand wil de Heero Jezus ons bewaren. Hij wil de sterke Toren zijn waarheen wij kunnen vluchten, en wij moeten tot Hem gaan en bij Hom eene schuilplaats zoeken voor dien vijand.

Eens loefde er een vrome jongeling, Melanchton genaamd, die bij zich zelf hot besluit had genomen den Heero Jezus lief te hebben en Hem to dienen. Hij dacht dat hij dit wel zonder andere hulp zou

ocr page 126

I I 2

kunnen doen en beproefde het. Maar spoedig moest hij ondervinden dat de oude duivel te sterk was voor den jongen Melanchton. Daarom mislukken de pogingen van de meesten onzer. Wij trachten de aanvechtingen van den Satan in onze eigene kracht te bestrijden — en wij zijn te zwak. Wij moesten tot den Heere Jezus vluchten. Gij weet dat Hijzelf ook, toen Hij verzocht werd, Zijnen steun vond in het Woord Gods, en eiken zin begon met: — Daar ïs geschreven. Daardoor wilde Hij ons leeren dat wij dezen vijand niet in onze eigene kracht kunnen bestrijden. Zoekt de geschiedenis van Petrus eens op, daar waar Hij tot deri Heer, die hem zoo ernstig toespreekt, zegt:

„Ik ben bereid met u ook in de gevangenis en in den dood te gaan.quot;

De Heer zag den ouden vijand, die weder tegen Petrus optoog, en Hij wist welk een machtige tegenstander hij was; daarom zeide Hij:

„ Simon, Simon, zie, de Satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude.quot;

Hij wenschte dat Petrus besefte, waar zijji sterke toren was. Bedenkt toch, kinderen, dat, wanneer de verzoeking tot u komt, geen uwer den vijand uit eigen kracht kan bestrijden. Wij moeten dadelijk wegsnellen en onze toevlucht zoeken in den Heere Jezus.

Dit is niet de eenige vijand, die maakt, dat wij een sterken toren noodig hebben. Wij moeten dikwijls van ons zeiven wegloopcn. Toen ik daar op de bouw-

ocr page 127

i gt;3

vallen van dat kasteel stond, dacht ik aan nog- iets anders, waarvoor het gediend had. Behalve de vijanden, die uit de verre landen kwamen, waren er ook vlak in de buurt slechte menschen, die als roovers in de bosschen leefden, en dikwijls het vee en de bezittingen van de bewoners dier streken wegnamen, of wel de menschen doodden. Dan trok de heer van het kasteel uit met zijne ridders, om die wreede roovers in hunne, schuilhoeken op te sporen en hunne woonplaatsen te verwoesten en de ergste kwaaddoeners te dooden; of anders bracht hij ze terug, met ketenen beladen, en sloot ze op in een diepen kerker, zoodat ze geen kwaad meer konden doen. O, beste kinderen, gij weet dat er zulke slechte dingen in ons hart kunnen wonen — misschien zijn wij opvliegend van aard, onze drift, ons kwade humeur kunnen ons geheel verteren, evenals het vuur der roovers de hutten der landlieden verteerde. In ons hart wonen dikwijls boosheid en nijd, en brengen evenveel verwoesting te weeg als die wreede menschen in de bosschen. Hiervoor is ook de Heer een sterke toren. Hij strekt Zijne sterke rechterhand uit om dat rooversnest te verwoesten. Hij kan ze in boeien slaan en in Zijn diepen kerker opsluiten, zoodat ze niets meer kunnen vernielen. In het negentiende hoofdstuk der Openbaring beschrijft Johannes op wonderbare wijze hoe die machtige Heer met Zijn leger ten strijde uittrekt tegen Zijne vijanden. Laten wij tot Hem om hulp gaan tegen de vijanden, die het ons lastig maken. Hij zal onze sterke Toren voor den vijand zijn.

8

ocr page 128

ii4

Vervolgens moet ge goed bedenken dat — de poort altijd openstond voor kinderen. Somtijds zie ik, bij den ingang van sommige gebouwen, bordjes met de woorden — „kinderen worden niet toegelaten.quot; Ik ben er zeker van dat zoo iets nooit aan den ingang van den sterken Toren geschreven stond. Indien er voor iemand plaats was, dan was het voor kinderen. De kapitein, die het bevel voerde over de soldaten, stond altijd dadelijk klaar om een kind te helpen. Als de brug op was gehaald en de poort gesloten, en de vijand aanrukte, dan was het wel mogelijk dat een arme man aan den overkant van de gracht om hulp moest roepen zonder dat iemand eene poging waagde om hem te redden. Maar als er een kind had gestaan, dat smeekend zijne handjes had uitgestrekt, dan ben ik er zeker van dat ze de poorten hadden geopend en de brug neergelaten, en dat de een of andere moedige soldaat naar buiten was gesneld om het kind op te nemen, en het onder een regen van pijlen midden in den sterken Toren te brengen. Hier wordt niemand met meer vreugde ontvangen dan kinderen; bijna had ik gezegd — niemand is zoo welkom als zij. Elke jongen en elk meisje kan met den psalmdichter van den machtigen God in den Hemel medezingen; Gij zijt vlij een sterke Toren voor den vijand. Gij moogt binnenkomen — gij zijt niet te klein en niet te jong. Die poort wordt nooit voor kinderen gesloten. Ik heb eens gehoord van een landverhuizer, die, na jaren hard werken, met het geld dat hij verdiend had huiswaarts keerde. Op de

ocr page 129

\'15

stoomboot, waar hij zich bevond, ontstond eensklaps een felle brand. Gelukkig was de kust niet ver meer af, en onze landverhuizer bond zijn zak met geld goed vast om zijn middel, en wilde in zee springen om zwemmende het land te bereiken. Daar hoorde hij een angstig stemmetje, dat hem toeriep; — „Och toe, mijnheer, wilt u mij redden?quot; Een oogenblik keek hij naar de betraande oogjes. Hij moest zijn goud verliezen, of het kind aan zijn lot overlaten, beide kon hij niet redden. Hij bedacht zich niet lang, maakte zijn gordel los en liet den zak vallen; toen klemde hij het kind in zijne armen, sprong overboord en droeg het veilig naar den oever. Lieve kinderen, voor ons heeft de Heere Jezus Zijn leven opgeofferd; om ons te redden heeft Hij zich aan den vreeselijken kruisdood overgegeven. En nu ben ik er zeker van, dat wanneer wij Hem vragen of Hij ons wil redden. Hij ons in Zijne armen zal nemen en ons veilig zal dragen tot binnen in den sterken Toren Zijner liefde.

Laten wij in de tweede plaats bedenken quot;ivclk eene veilige schuilplaats wij hebben, wanneer de Heer onze sterke Toren is. Hij is de Almachtige. Niet lang geleden heb ik een groot kasteel gezien, dat niet door vijanden verwoest was geworden, maar waarvan de muren zich nog trotsch verhieven. Het was op een steile rots gebouwd, die recht neerdaalde in de zee, zoodat van dien kant niemand het kasteel kon bereiken. Verder zag ik tot in de bovenste muren schietgaten, waarachter kanonnen waren, die dadelijk op den eersten den besten

ocr page 130

116

vijand afgevuurd konden worden. Ik moest door overdekte gangen en groote poorten en over ophaalbruggen met diepe grachten, en voorbij reusachtige kanonnen en schildwachten gaan, totdat ik eindelijk het hoogste punt bereikt had. Toen ik naar beneden keek, en zag hoe sterk en goed bewaard alles was, begon ik te bedenken hoe oneindig veel sterker de Heer is, die David\'s Toren was. Hij houdt de zee in Zijne machtige hand. Hij heeft de bergen en de rotsen gemaakt door het woord Zijner almacht. Wij kunnen nergens veiliger zijn, dan wanneer de Heer onze Toren is. Gij herinnert u de geschiedenis van de kinderen Israels op hunnen tocht uit Egypte, die groote menigte mannen, vrouwen en kinderen? Zij konden niet vechten, want zij hadden geen spiesen en geen zwaarden. Achter hen aan kwam een groot leger met wragens en paarden, en flikkerende wapenen. De koning dreef met woede zijne paarden aan en zeide: „Ik zal ze inhalen en hen allen dooden!quot; Maar hij kon niet bij ze komen. De Heer was hunne toevlucht. Wij lezen dat de Heer op hen zag, niets anders. Toen zonken die wagens diep in het zand, en de wielen gingen er af, en er kwam angst en vrees over allen. Daarna blies God met Zijnen adem en in een oogenblik waren koning en ruiters en wagens, allen bedolven onder de bruisende wateren. Zijne zee bedekte hen.

Laten wij nog eene andere geschiedenis nemen. Hier in deze stad is een der profeten. Hij is niet gewapend ; een mantel hangt los over zijne schouders ; hij gaat blootshoofds en barrevoets. Daar toog

ocr page 131

117

een groot leger tegen hem op om hem gevangen te nemen. Eene gemakkelijke zaak, zou men zeggen - - die honderden gewapende mannen tegen den profeet en zijn jongen knecht! Neen, zeker niet, zij kunnen hem niet aanraken. De profeet heeft den Heer voor zijnen Toren en rondom hem zijn de vurige wagens en do vurige paarden; en plotseling wordt het geheele leger met blindheid geslagen en de profeet, dien zij kwamen dooden, wordt hun gids en leidt hen terug naar hunne eigene plaats. Dan is men het best bewaard, d;in is men in den sterksten Toren, die er bestaat, wanneer de wapenen van den Eeuwige ons omringen.

Lees nu eens het volgende vers, dan zult gij zien dat David den Heer zoo sterk achtte, dat Zijne hut veiliger was dan de sterkste vesting. Eene hut is geen stevig gebouw — een pijl kan gemakkelijk door hare wanden dringen, een stormwind kan haar doen invallen, in weinige oogenblikken is zij door de vlammen verteerd of door de stortvloeden mede-gesleept. Maar indien het de hut des Hccroi is, dan is zij veiliger dan het best verdedigde kasteel van den machtigsten mensch, en hier wilde David ïn eeuwigheden ■verkeer en. Welk kwaad kon hem hier genaken ?

In de dagen toen mannen en vrouwen gedood werden, wanneer zij God dienden zooals zij meenden te moeten doen, was een klein aantal men-schen ver weg naar de bergen gegaan om te zingen en te bidden. Maar de soldaten zaten hun op de hielen. Daar stond het kleine gezelschap op

ocr page 132

118

een kaal heideveld, zonder eenige verdediging-tegen de kogels en de zwaarden der vijanden. Zij zagen de soldaten naderen en baden of God hen in Zijne hut wilde verbergen. Terwijl zij baden kwam eene zware wolk uit de bergengten aanrollen, die zich om hen samenpakte en voor het oog verborg. De soldaten reden voort en hun voorbij, nu alleen vervuld met de gedachte, hoe zij in die duisternis hun weg zouden vinden. Zoodra zij uit het gezicht waren, trok de mist op en de zon liet weder haar volle licht vallen op de kleine schare der geloovigen, die hunne stemmen tot God verhieven, Hem dankende voor hunne wonderbare uitredding. Hoe veilig is hij, die den Heer tot zijn sterken Torenheeft voor den vijand !

Merk echter op, dat David niet alleen spreekt van de veiligheid, maar ook van de liefelijkheid zijner schuilplaats. Ik zal mijne toevlucht nemen in het verborgene U\'ver vleugelen. Daarin is men niet alleen veilig, men heeft het er goed, men is er gelukkig — het verborgene Uwer vleugelen.

Terwijl ik door dat groote kasteel liep, waarvan ik u verteld heb, dacht ik bij mijzelf — ziet, dat is nu eene zeer goede schuilplaats, maar ik zou er toch niet gaarne wonen. Toen ik de allerveiligste plaats had bereikt, stuitte ik op een aardig klein hutje; het rieten dak was met klimop bedekt, jasmijn en rozen hingen over den ingang, een vogeltje zong vroolijk boven de deur, en daarbinnen weerklonk het blij gelach van kinderen. Daar was niet alleen sterkte, maar ook liefelijkheid. Daar was veiligheid en liefderijke zorg. En zoo is het ook

ocr page 133

lig

met den sterken Toren van den Heer. De Almachtige omringt ons om ons te bewaken en de armen, waarin Hij ons houdt, zijn liefderijke armen. Laten wij niet alleen eene schuilplaats bij Hem zoeken, laten wij tot Hem gaan om Zijne teedere liefde te ondervinden. Xiet alleen om aan onze vijanden te ontkomen, maar voor onze eigene gelukzaligheid. Ik zal mijne toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Misschien ontleende David deze gedachte aan het nest van den arend. Hij had het boven op do hooge steile rotsen gezien, waar geen pijl het kon bereiken, en geen mensch kan doordringen, daar, geborgen in een spleet van de rots, beschut togen de hevige winden. De jonge arenden hadden een sterken Toren, die tot aan den Hemel reikte. Maar daar kwam de oude arend op zijne breede vleugelen neerstrijken, en toen hadden zij ook de koesterende warmte van zijn donzige borst en de bedekking van die krachtige wieken. Zij hadden een toevlucht in het verborgene der vleugelen. De Toren des Heeren is zoowel eene gelukkige als veilige plaats.

Dan is er nog iets, dat gij allen dadelijk zult begrijpen. Al was de toren ook nog zoo sterk, al was de liefde, waarmede men er omringd werd, ook nogzoo groot, dat alles gaf niets voor diegenen, welke er niet in waren. Wij moeten tot den Heer gaan, en Hem vragen onze Hulp en onze Schuilplaats te zijn. Het is niet genoeg wanneer wij veel van Hein hoo-ren en veel van Hem weten. quot;Wij moeten onze toevlucht bij Hem nemen. Bedenkt ook, dat er men-schcn waren, die nooit in den Toren konden komen.

ocr page 134

120

Dc vijand kon er gcenc schuilplaats in vinden, en wie de wetten had overtreden of opgestaan was tegen den koning, werd er ook niet toegelaten. Hoe kunnen wij er dan in komen, want wij hebben immers allen gezondigd? Wij zijn ongehoorzaam geweest aan do wetten van don Koning. Ja, maar deze zelfde Heer heeft Zich zelf voor ons gegeven. Hij heeft onze zonden gedragen. Hij heeft Zijn leven voor ons afgelegd. Voor ieder, die in Zijn naam en door Zijn dierbaar bloed wil komen, staat de toegang open. Hij kan volkomen zalig maken allen, die door Hem tot God gaan. Dat is alles wat wij noodig hebben. Wij mogen de poort binnengaan, ons wacht eene veilige schuilplaats, indien wij komen in den naam van onzen Heiland. Sommige menschen wachten totdat zij het gevoel hebben dat zij heel goed zijn en heel geschikt om te komen. Ik zou bang zijn dat wij op deze manier nooit zullen gaan. De landlieden ijlden naar het kasteel juist zooals zij waren. Zij maakten zich niet eerst netjes of deden een andere jas aan. Als zij iets deden, dan donk ik eerder dat zij hunne overtollige kleedingstukken wegwierpen, om niet in hun gang belemmerd te worden. Laait niets u terughouden. Haast u naar den Toren, waar gij alles zult vinden. De poort staat wijd open en de Heer heet allen welkom en zegt dat een ieder, die tot Hem komt, geenszins uitgeworpen zal worden.

Nu is er nog eene enkele zaak, waarop ik u opmerkzaam wilde maken.

In dat groote kasteel trof het mij dat, ofschoon

ocr page 135

I 2 I

er zooveel kanonnen waren en zulke sterke muren, en de rots zoo steil en ongenaakbaar en alles zoo goed verdedigd was, de schildwachten toch aan allo kanten heen en weer liepen. Hoe sterk het kasteel ook was, toch moesten zij, die er in waren, blijven waken ; dag en nacht, bij goed en bij slecht weer, het gcheele jaar door waren de schildwachten op hun post. Jongens en meisjes! laat ons bedenken dat wij ook moeten waken. De lieer is onze Toevlucht en Sterkte, maar wij moeten voortdurend op den uitkijk staan. Onze vijand is zeer waakzaam en zeer listig, en hij zal ons overrompelen indien wij niet waken en bidden. Toen ik een jongen was, luisterde ik gaarne naar de geschiedenis van een soldaat, Pieter Willems genaamd. Hij vocht mede in den oorlog teg\'en de Indianen in Noord-Amerika. Xu gebeurde het dat eiken nacht de schildwacht door een pijl werd getroffen. Er werd geen geluid gehoord, maar in den morgen vond men den eenen man na den anderen met een pijl in zijne borst. Eindelijk was hot Pieter\'s beurt om de wacht te hebben. Heel aangenaam was het niet, en hij nam zich voor terdege op te letten. Ik denk ook wel dat hij God bad hem te helpen. Hij begon zijne wacht onder het heldere schijnsel van de maan, keek overal goed om zich heen en besloot zijn geweer af te schieten zoodra hij slechts het ritselen van een blad hoorde. Daarna bedacht hij dat een Indiaan gemakkelijk in het kreupelhout voort kon kruipen, zonder gezien of gehoord te worden, en hem onverwachts met zijn pijl zou kunnen raken. Hij verzon dus de volgende

ocr page 136

122

list. Hij deed zijn soldatenmuts on jas af en bevestigde ze op oen boomstronk vlak in zijne nabijheid. Hij bleef in een donkeren hoek staan en hield het oog er op gevestigd. Een groot gedeelte van den nacht ging op die wijze voorbij. Toen de dag bijna aan zou breken, hoorde hij een zacht geritsel in de bladeren. Oogenblikkelijk legde Pieter zijn geweer aan. Maar dadelijk daarop zag hij dat het slechts een beer was. Hij was niet van plan op dat dier te schieten, tenzij het hem aanviel. Het liep onder de boomen door en werd door het struikgewas aan zijn oog onttrokken. Maar hoor! — daar snorde een pijl en bleef diep in den boomstronk zitten. Geen seconde later vuurde Pieter op den wegloopenden beer en deze viel neer met den kreet van een Indiaan. Gehuld in de huid van dit roofdier en onmerkbaar voortsluipende, had de listige Indiaan zich op die wijze onkenbaar gemaakt en de schildwachten gedood.

Evenzoo handelt menigmaal onze vijand. Hij verschijnt voor ons en ziet er uit alsof hij zeggen wilde: „Er steekt geen kwaad in mij. Niemand behoeft bang voor mij te zijn.quot; En de schildwacht vreest geen gevaar — totdat de giftige pijl hem ter aarde doet storten.

Gaat in den Toren, kinderen, den gezegenden Toren, en blijft goed uitkijken wanneer gij er in zijt. Waakt en bidt. Vergeet niet dat de vijand op u loert, en dat hij zeer listig is. Gij weet wat de Heere Jezus tot Zijne discipelen zeide:

„Hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik allen: waakt.\'quot;

ocr page 137

CHRISTUS ACHTERGEBLEVEN IN DEN TEMPEL.

„En toen Hij twaalf jaren oud geworden „was, en zij naar Jeruzalem opgegaan „waren, naar de gewoonte des feest-„dags,............lukas 2 : 42.

Heden, kinderen, wil ik trachten u te vertellen van een tweetal menschen, die opgingen naar Jeruzalem en hoe het bezoek van een twaalfjarigen knaap aan die stad afliep.

Het is eene groote gebeurtenis in het leven van een kind, als het voor het eerst een groote stad zal bezoeken. Lang voordat die dag aanbreekt is hij er mede bezig in zijn droomen, en eenmaal op reis, heeft hij geen oogenblik rust. In die stad gekomen, verwondert hij zich over alles wat hij ziet, en nog lang na zijn thuiskomst spreekt hij over al het vreemde, dat zich daar aan zijn blikken vertoonde.

Dit zal vooral het geval zijn, als dat kind altijd buiten gewoond heeft, waar lang niet zooveel menschen zijn als in de stad, en waar de eene dag zooveel gelijkt op den anderen.

ocr page 138

[24

Maar om naar Jeruzalem te gaan, zooals de knaap uit onzen tekst, was een veel grooter gebeurtenis, dan het bezoek aan eenige andere stad der wereld. De menschon gaan zelfs nu nog over groote zeeën, maanden lang van huis, opdat ook zij Jeruzalem mogen zien, waar onze Zaligmaker zoo wreed aan het kruis genageld werd.

De knaap, van wien ik nu spreek, ging daarheen voordat al die droeve gebeurtenissen plaats grepen. Het was voor de eerste maal, dat Hij daarheen ging, — neen, toch niet voor het eerst, want toen Hij nog een heel klein kindje was, had Zijne moeder Hem eens medegenomen. Hij herinnerde er zich niets meer van, maar nu, op twaalfjarigen leeftijd, kon Hij goed letten op alles, wat om Hem heen gebeurde; en dat deed Hij ook, zooals gij strakjes hooren zult.

Van Zijne geboorte af waren Zijne ouders elk jaar opgegaan naar Jeruzalem; dat was toen zoo de gewoonte. Hun zoon hadden ze evenwel altijd achtergelaten onder de hoede van den een of ander, die op Hem passen wilde, terwijl zij op reis waren. Doch nu was Hij twaalf jaar, en op dien leeftijd eischte de Wet, dat de knaap ook met Zijn ouders zou medegaan om het groote feest te Jeruzalem bij te wonen. Alle menschen, uitgezonderd de ouden van dagen, de zieken, en de kinderen onder do twaalf jaar, waren verplicht daarbij tegenwoordig te zijn.

Het was een lange weg naar Jeruzalem, (want hun woonplaats was meer dan 60 mijlen van de

ocr page 139

125

hoofdstad verwijderd) en er waren geen spoorwegen of iets dergelijks; alleen maar wandelwegen. Zij moesten dus wel loopen; doch daar velen hunner buren ook daarheen gingen, was het een groot en opgewekt gezelschap. De maaltijden werden genuttigd op het gras onder de boomen; de beekjes op den weg voorzagen hen van helder water om den dorst te lesschen, terwijl de reizigers zich te slapen legden, waar de nacht inviel.

De reis duurde twee of drie dagen en als zij dan Jeruzalem vóór zich zagen, werden Psalmen aangeheven, (die namelijk, welke zijn aangeduid met den naam van beurtzangen, liederen Hammaalóth).

Zoo gingen zij op naar Jeruzalem naar de gewoonte van het feest.

Om nu goed te begrijpen, wat er bij dit bezoek gebeurde, moeten wij over eenige bijzonderheden heenstappen en ons met de Tempelgangers huiswaarts begeven.

Het groote gezelschap, misschien wel uit eenige honderden personen bestaande, had zich in den vroegen morgen weer op weg naar huis begeven en den tocht voortgezet tot den avond toe. Reeds had men een begin gemaakt geschikte plaatsen uit te zoeken om de tenten op te slaan voor den komenden nacht; reeds kwamen de leden van hetzelfde gezin bij elkander, toen de menigte verschrikt werd door een jonge vrouw, die met een angstig gelaat en een door tranen verstikte stem door de verschillende groepjes heenliep, steeds zoekend naar haar zoon.

Hij was verloren geraakt!

ocr page 140

126

Den ganschen dag verkeerde zij in de meeningquot;, dat Hij met eenigen harer buren een eindje van haar af in het groote gezelschap Zijn weg vervolgde, en zij was in het geheel niet angstig over Hem geweest. Nooit te voren had zij zich ongerust over Hem gemaakt, en geen wonder ! Want Hij was een bijzonder Kind, verwonderlijk verstandig, wijs en voorzichtig voor Zijn jaren. Nooit was Hij ongehoorzaam geweest, nooit had Hij haar verdriet aangedaan, zelfs niet in de kleinste zaak. Nooit, voor zoover zij zich herinneren kon, had Hij het minste kwaad uitgevoerd ; geen enkele jongen in de stad was als Hij, — zoo bedachtzaam, zoo teeder en vriendelijk. Geen wonder, dat zij diep bedroefd was bij de gedachte, wat er met Hem gebeurd kon zijn! Geen wonder, dat zij en haar man Hem angstig zochten door het geheele kamp heen, en van groep tot groep, en van tent tot tent gingen met die ééne vraag, die nog niet beantwoord was: „Waar is onze goede, beste jongen ?quot;

Maar niemand had Hem gezien, niemand was in staat haar te zeggen, waar Hij wezen kon.

Hij was weg!

Maar dan moest Hij achtergelaten zijn in de groote stad! — Hij was daar geheel en al vreemd, slechts twaalf jaar oud — en dan niemand om voor Hem te zorgen !

Er zat niets anders op: de arme moeder moest met haar man teruggaan en trachten Hem onder de duizenden bij duizenden terug te vinden, die in de nauwe straten van Jeruzalem door elkander woelden. Zij lieten dus

ocr page 141

127

dc overigen van het gezelschap verder gaan zonder hen en keerden zelf terug naar de stad.

Luister, hoe droevig de Bijbel deze geschiedenis vertelt:

„Maar meenende, dat Hij in het gezelschap op „den weg was, gingen zij eene dagreize, en zoch-„ten Hem onder de magen, en onder de bekenden. „En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom „naar Jeruzalem, Hem zoekende.quot;

Wat een treurige dag was dat, en hoe verschillend van dien, waarop zij in vroolijke zangen over de heuvelen gekomen waren. Hoe kromp hun het hart ineen bij de gedachte wat er van dien lieven jongen in de groote stad geworden mocht zijn!

„Misschien,quot; zoo dacht de moeder, „was Hij een verkeerde straat ingeslagen cn meegeloopen met een ander gezelschap, naar de zee of naar de groote woestijn in het zuiden.quot; Mogelijk ook was Hij door roovers meegenomen om als slaaf in Egypte verkocht te worden (want in die dagen werden wel jongens gestolen). Misschien was Hij ziek of dood in het een of andere huis en zouden zij Hom nimmer wederzien ! O, hoe angstig koken zij uit, den geheelen weg over, en hoe gejaagd werd ieder gezelschap, dat zij tegenkwamen op hun haastigen terugtocht naar Jeruzalem, ondervraagd!

Drie dagen zochten zij Hem met angst; den eersten dag op hun weg naar huis, den tweeden in het terugkomen en nu, den derden, in de stad zelf. Het was reeds nacht toen zij daar, zonder Hem, binnentraden, maar de moeder kon niet slapen.

ocr page 142

28

Zoodra de morgen aanbrak, begon het zoeken opnieuw. Zij doorkruiste do stad in alle richtingen en vroeg naar Hem in elke straat, waar zij den eersten keer met Hem geweest was of slechts even had vertoefd ; maar niemand had haar geliefd kind gezien.

Eindelijk, toen haar hart bijna gebroken was en haar voeten den dienst begonnen te weigeren, waar denkt gij, dat zij Hem vond ?

Xiet op straat, rondslenterend mot ruwe, schreeuwende jongens, niet in den weg loopend op de markten, niet staande voor de herbergen, ook niet dwalend door de valleien van Josafat! — In geen van die plaatsen waar jongens van twaalf jaar zich zoo gaarne ophouden. Neen. door wat Hij vroeger geweest was, wisten Maria en Jozef wel, dat zij Hom daar nooit vinden zouden.

Zoo vroeg zij konden, haastten zij zich in den morgen na hun terugkeer door de nog drukke straten over de steile holling-en van den berg Moria, en door de poorten en het voorhof van den grooton tempel boven op dien berg. Onderzoekend richtten zij hun blikken over den weg, elk groepje, dat zij tegenkwamen, ondervragend of hun zoon soms daarbij was, of wel, of een hunner soms iets van hem wist.

Zoo voortzoekend, telkens teleurgesteld als zij een knaap van gelijken leeftijd zagen, klommen zij de breede trappen op en doorzochten de lange gangen van ieder gedeelte des tempels, totdat zij zich ten laatste op weg naar een der bijgebouwen bevonden.

De arme, vermoeide moeder werd bevreesd Hem als verloren te moeten opgeven. Zij kon alleen maar

ocr page 143

I2g

de lang\'e kleederen cn de grijze baarden zien der Priesters en Levieten, die langzaam over den marmeren vloer heen en weer ging-en. Maar zij moest verder zoeken, ofschoon zij dreigde in tranen uit te barsten, totdat zij het groote gebouw in alle hoeken en gaten doorzocht had. Zoo ging zij verder, van het eene gedeelte naar het andere, en van bijgebouw naar bijgebouw, totdat zij stond voor een, dat bijzonder vol scheen. Oude mannen, gesierd met de kroon der grijsheid, stonden aan den ingang, allen met den rug naar de deur gekeerd en den blik vol belangstelling gevestigd op iets in hun midden.

Zij moest zien wat daar gebeurde ; het kon immers zijn, dat het haar verloren zoon was, en dat men bezig was te onderzoeken, wie Hij was en waar Hij woonde ?

Hoe klopte haar het hart, alleen bij die gedachte, en hoe haastig drong zij naar voren ! En ja, waarlijk, daar zat Hij, te midden van al die Wetgeleerden, kalm luisterend naar hun vragen en daarop met zooveel juistheid antwoordende, dat al die oude, grijze mannen verwonderd waren over Zijn verstand en Zijn antwoorden.

Slechts een enkele seconde en de moeder stond in verbazing voor Hem. Zij wierp Hem geen scheldwoorden naar het hoofd, omdat Hij achtergebleven was, evenmin beval zij Hem op ruwen toon mee te gaan. Hoe zou zij ruw kunnen zijn tegen haar zoon, die nooit een ruw woord gesproken had en nooit ongehoorzaam was geweest! Xeen, tranen van blijdschap rolden haar over de wangen, omdat zij Hem

9

ocr page 144

13°

veilig weer had; zij vroeg alleen: „Kind, waarom hebt Gij ons zoo gedaan ? Zie, uw vader en ik hebben U met angst gezocht.quot;

Zij wist wel, dat was genoeg om tegen dat vreemde, wondervolle Kind te zeggen. Zij wist wel, dat Hij nooit iets verkeerds gedaan had, en dat zijn achterblijven van heden ook een goede reden moest hebben; zij wilde dan ook alleen maar weten, waarom Hij dat gedaan had.

Het antwoord van dien Zoon was even wondervol als Zijn daad ongewoon. Dit was Zijn antwoord:

„Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt?quot; „Wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen Mijns Vaders ?quot;

Hoe vreemd waren de dingen, waarin deze knaap zich bewoog! — te spreken met die oude Jeruza-lemsche geleerden! Wisten we nu slechts wat Hij vroeg en wat Hij antwoordde, hoe gaarne zouden we dat dan met elkander bespreken! Het was de vreemdste Zondagsschool, waarvan wij ooit gehoord hebben : een arme jongen van het land, slechts twaalf jaar oud, vragen doende; — en oude Joden uit de stad de leerlingen I — En hoe vreemd was het antwoord, dat het Kind aan zijn moeder gaf!

Zij begreep het niet, alleenlijk zij bewaarde het in haar hart, en overlegde het op haar weg huiswaarts.

Maar kunt gij het begrijpen ?

Hebf gij er ooit over nagedacht, wat dit twaalfjarige Kind meende, toen Hij zei: „Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders ?quot;

Laat ons hier aan de geschiedenis een eind maken

ocr page 145

13\'

en deze woorden overdenken. Ik begrijp ze niet zoo heel goed, maar twee of drie dingen zijn er, die wij wel kunnen begrijpen.

Dit wonderlijke Kind had twee Vaders. Eén vader was Hem kwijt geraakt en had drie dagen achtereen gezocht om Hem te vinden. Die vader was Jozef, die in Nazareth woonde, maar met Hem en zijne moeder naar Jeruzalem gekomen was. Hij was timmerman en in zijn woonplaats hielp zijn zoon hem bij dat werk. Maar die zoon was klaarblijkelijk nu niet bezig aan het werk van dien vader. Het waren de dingen van Zijn anderen Vader, waarin Hij zich bewoog, en die Vader was God!

Gij weet, dat de Heere Jezus zich in uw Bijbel nu eens de Zoon des menschen en dan weer de Zoon van God noemt. Gij kunt dus nu begrijpen, dat dit wonderlijke Kind zoowel God als mcnsch was, en dit is één van de redenen, waarom Hij door den profeet „Wonderlijkquot; genoemd wordt.

Hoe dit kan, begrijpen wij niet, maar dat het zoo is, zien wij duidelijk en dat was dan ook de reden, waarom Hij moest zijn in de dingen Gods en waartoe Hij in de wereld kwam.

Nu heeft ieder uwer, in zekeren zin, ook twee Vaders. Ten eerste: den vader, bij wien gij in huis woont, die voor uw voedsel en uw kleeren zorgt, dien gij zien kunt en met wien gij spreken kunt als hij thuiskomt; — en dan hebt ge uw Vader in den hemel, dien gij niet zien kunt, maar die u alles geeft, wat u innerlijk g-elukkig kan maken. Als gij warme winterkleeren of een paar laarzen noodig

ocr page 146

132

hebt, gaat g-ij naar uw vader thuis en vraagt er hem om, en als hij denkt, dat gij ze behoeft, koopt hij ze voor u. Ook geeft hij u heel wat mooie dingen, waar gij niet eens om vraagt; gij hebt hem dan ook lief en tracht op allerlei wijzen uwe dankbaarheid te toonen. Gij doet wat hem aangenaam is en zijt bedroefd als gij hem mishaagd hebt. En natuurlijk, dat is geheel zooals het behoort. Het Kind Jezus, waarvan ik hier spreek, deed dat ook en deed het zoo uitnemend goed, dat Hij nimmer iets verkeerd deed of zeide tegenover zijn vader en moedor, die in Nazareth woonden.

Maar gij hebt nog een anderen Vader, behalve dien hier beneden.

Hoe staat gij tegenover uw Vader in den Hemel ? Gij zaagt Hem nimmer; niemand op aarde heeft Hem ooit gezien; maar Hij ziet u altijd en overal en Hij geeft u: — ik weet niet hoeveel! lederen nacht ziet Hij neder op uw bedje, waarin gij ligt te slapen, en behoedt u veilig in de dikste duisternis. Hij zorgt er voor, terwijl gij er niets van bemerkt, dat uw hartje steeds blijft kloppen en dat uw ademhaling door niets verstoord wordt. Des morgens doet Hij de zon opgaan en als Hij oordeelt, dat gij genoeg geslapen hebt, opent Hij uwe oogen weder en zie, de nacht is voorbijgegaan en de zon zendt hare stralen neder op het aardrijk, opdat gij u bij haar licht zoudt kleeden: en gij wist daar niets van of deedt er volstrekt niets voor. Uw andere vader kan zoo iets in het geheel niet doen. Hebt gij daar wel ooit over gedacht ? En denkt gij \'s morgens, als

ocr page 147

gij goed geslapen hebt, wel eens: mijn Hemelsche Vader heeft den ganschen nacht over mij gewaakt; ik heb Hem lief en wil trachten vandaag zijn wil te doen? Moest gij eigenlijk niet iederen morgen zoo denken?

Het Kind Jezus had twee dingen te betrachten. Ten eerste het beroep van vader Jozef, die naar hem zocht. Dit was het nederig ambacht van timmerman. Als zoodanig bouwde Hij huizen in Galilea, en nadat Jezus met Zijn ouders huiswaarts gekeerd was, werkte Hij nog achttien jaar met zijn vader, totdat Hij dertig jaar oud was.

Wisten we nu, dat er nog eenige huizen stonden, waaraan de Heer Jezus meewerkte, wat zouden wij er dan gaarne heengaan om ze te zien! —

Maar Zijn andere werk was dat van den Hemel-schen Vader, en waarin dat eigenlijk bestaat, kan ik u nu niet verklaren. Gij moet uw moeder maar eens vragen, waartoe de Hemelsche Vader Zijn Zoon in de wereld zond!

Hebt ge nu begrepen, dat ieder uwer ook twee dingen te doen heeft?

Vooreerst dat, wat uw aardsche vader en uwe aardsche moeder u tc doen geven; — ik wil dat uwe huiselijke plichten noemen. Zij bestaan hierin, dat gij uw ouders gehoorzaamt in den Heer, en dat gij uw vader en uwe moeder eert. Gij zijt oud genoeg om te begrijpen wat dat beteekent.

De Heer deed dit zoolang Hij thuis was. De Bijbel zegt: „En Hij ging mot hen af, en kwam te Naza-„reth en was hun onderdanig.quot;

ocr page 148

134

Liefdevol hielp Hij hen, waar Hij maar kon en-maakte hen gelukkig door zijne nabijheid; alle buren zeiden dan ook, dat zij nog nooit zulk een wonderlijk, lief en vriendelijk kind gekend hadden als Maria\'s zoon.

Denken en spreken uw ouders ook zoo over u? Luistert gij altijd en onmiddellijk naar hen? Tracht gij steeds voor hen uit den weg te nemen en te doen wat hun behaagt ? Want dat is uw werk, ziet ge! Denkt gij, dat de buren, wanneer zij u zien, zullen zeggen : „wat een lief, goed, hulpvaardig kind is dat! Hoe goed voor zijn moeder! Hoe gehoorzaam aan zijn vader ?quot;

Ik ben wel in huizen geweest, waar de kinderen zaten te pruilen en leelijke woorden spraken, en ik kon niet nalaten te denken: deze kinderen doen niet als Jezus. Zij vervullen hun huiselijke plichten niet blijmoedig en vroolijk zooals Hij ; stellig konden zij niet van harte zingen ;

„Ik wensch te zijn als Jezus,

„Zoo needrig en zoo goed ;

„Zijn woorden waren vriendlijk,

„Zijn stem was altijd zoet.quot;

Ik ben bevreesd, dat ouders niet altijd Jezus als voorbeeld stellen in het huisgezin, te oordeelen naar hetgeen zij hun kinderen bevelen voor eigen gemak en genoegen. Daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat hun kinderen dikwijls haat, in plaats van liefde tegenover Gods geboden wordt ingeprent. Vaders en moeders! het is wel de moeite waard,

ocr page 149

135

daarover eens na te denken. Hoe gemakkelijk kunt gij het uw kinderen maken met blijdschap te doen, wat gij van hen verlangt! —

Maar, kinderen! nu blijven nog die andere plichten over, die van uw Hemelschen Vader! Weet ge, wat Hij van u wil en welke plichten gij tegenover Hem hebt ? Het schijnt mij eigenlijk zeer wonderlijk toe, dat al die kleine kinderen God kunnen helpen, — dien grooten, onzichtbaren God ! Wonderlijk niet waar, dat Hij zulk gering werk heeft, dat gij dat voor Hem doen kunt. Maar toch is het zoo, hoe klein gij ook zijt! Alles is werkzaam in den dienst van God. Ieder vogeltje, elke bloem en elk dier heeft iets voor Hem te doen, en zou Hij dan geen werk kunnen vinden voor Zijn kinderen ? In den Bijbel maakt Hij u bekend, wat dat is; en als gij het niet begrijpt, moet gij er Hem naar vragen, met dezelfde woorden, waarmede die oude apostel dat deed : „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?quot; En als gij dat waarlijk weten wilt en gewillig zijt dat werk te volbrengen, dan zal uw Hemelsche Vader u dat ook wel duidelijk maken. Er zijn twee verzen in don Bijbel, die God daar juist liet neerschrijven om aan kinderen te zeggen, wat Hij van hen verlangt. Het eene staat in Exodus 20: 12: „Eert uwen vader en uwe moedor, opdat „uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de „Heere uw God geeft.quot; Het andere vindt ge in Ephese 6:1; „Gij kinderen, zijt uwen ouderen ge-„hoorzaam in den Heere, want dat is recht.quot;

Hot is opmerkelijk, hoe de twee zaken, die gij

ocr page 150

136

te verrichten hebt, overeenkomen ; zeker omdat gij nog zoo klein zijt. Als gij grooter wordt, zullen ze wel wat meer verschillen, maar nu bestaan de plichten, die gij voor uw Hemelschen Vader te verrichten hebt, hierin, dat gij uw ouders gelukkig, en uw huis vroolijk en prettig maakt.

Hij ziet ten allen tijde in uw huis en hart, of gij bezig zijt met het vervullen dier plichten. Zijt gij ondeugend en zelfzuchtig, koestert gij booze gedachten in uw hart, Hij ziet alles en is bedroefd, omdat gij geen moeite doet Hem te behagen. Doch denkt gij aan uw Vader daarboven, en beproeft gij om zijnentwil goed en lief en vriendelijk te zijn, dan geeft Hij u vreugde in het hart en helpt u sterk te zijn in het volbrengen van zijn wil.

En dit is niet alles.

De eens twaalfjarige knaap in Jeruzalem is nu onze gezegende Heiland in den Hemel, die zich nog wel terdege herinnert kind te zijn geweest; Hij heeft alle kinderen lief, die hun best doen te zijn als Hij ; — vergeet dit nooit, en denkt er dagelijks aan, gelijk uw lieve Heiland het nooit vergat, altijd te verkeeren „in de dingen uws Hemelschen Vaders.quot;

ocr page 151

EEN HEERLIJK WERK VOOR ALLEN.

„Jongelingen en ook maagden, gij ouden met de jongen: dat ze den naam des Heeren loven.quot; ps, 148 : 12.

Verleden zomer stond ik aan den oever van een beekje, dat het begin van eene groote rivier was. Ik reisde toen in een land, waar hooge bergen zijn, en kale rotsen, en groote vlakten, geheel bedekt met heidekruid en mooie varens. Het beekje kwam onder de rotsblokken te voorschijn, on vloeide voort tusschen de wuivende varenplanten, en de vogels kwamen van het kristalheldere water drinken. Maar daarna scheen het zich te verliezen in een poel, eene moerassige plaats, waar men tot aan de enkels inzakt, en groote moeite hesft de voeten weder naar boven te trekken, waar alleen riet en hooge dichte grasplanten groeiden. Maar hier en daar kwam het water toch weer uit de modder sijpelen, en vormde een klein stroompje, en andere kleine stroompjes voegden er zich bij, en de beek begon nu voor goed haren loop. Somtijds verbreedde zij zich en kabbelde

ocr page 152

138

over de ondiepe plaatsen; dan weder kromp zij samen tot een smal stroompje, dat wild bruisend tusschen de steile oevers voortvloot. Daarna vertraagde zij haren loop langs de met mos bedekte rotssteenen, en het scheen alsof zij ging eindigen in een poel van stilstaand water. Maar neen ! daar stroomde het beekje weder voort, bijna verscholen onder de bremstruiken en de vergeet-mij-nietjes. En zoo liep het verder tot aan het vlakke land, steeds grooter wordende, totdat het genoeg kracht had om eenig werk te doen, en het bruisende en spattende om het druipende molenrad plaste om koren te malen voor hongerige menschen. En voort, steeds verder voort ging het boekje, en werd dieper en grooter, totdat het vele mijlen verderop een groote ri%\'ier werd en in de zee uitliep, tusschen boschrijke hoogten — een breede, statige stroom, uitmondende in de onmetelijke, schitterende zee.

Ziet, beste kinderen, zoo iets is het Boek der Psalmen. Het is ontstaan in de eenzaamheid, in een peinzend gemoed, in de diepe schuilhoeken van het hart. Het gaat voorbij donkere plaatsen, dikwijls tot in de diepste diepte bewogen, en somtijds bijna geheel in droefheid verzonken. Nu eens snelt het voort over den oneffen grond, dan weder bruist het met het geweld van een bergstroom. Maar naarmate het einde nadert, doet de zanger diepere en vollere en heerlijker tonen weerklinken. Gij zult opmerken dat elk dezer laatste psalmen begint met Halleluja, Looft den fleer! Zij zijn alle van het begin tot het einde lofliederen. In dezen psalm roept

ocr page 153

139

de zanger zijn koor bijeen. De engelen zingen voor; hunne liefelijke klanken dalen neder uit den Hemel, — en van de zon en de maan en de lichtende sterren. Daarna komen de diepe bastonen — „Looft den Heere van de aarde, gij walvisschen en alle afgronden; V7mr en hagel, sneeiiïu en damp; gif stormwind, die Zijn tvoord doet.\'quot; Dan voegen zich daartusschen de stemmen der koningen en vorsten en zij doen alles samensmelten tot zachtere klanken. Maar nu worden de kinderen opgeroepen. De psalmdichter kan ze niet missen. „Jongelingen en ook maagden, gif ouden met de jongen — dat ze den naam des Heer en loven.quot;

Ja, jongens en meisjes ! gij moet ook medezingen. De Heer hoort gaarne de liefelijke muziek van kinderstemmen. Weet ge wel, dat toen eens de kinderen den Heere Jezus prezen, de overpriesters boos werden en hun het stilzwijgen wilden opleggen? Maar Jezus vroeg hun of zij nooit gelezen hadden wat in de psalmen geschreven staat; — „ Uit den mond der fonge kinderen en der zuigelingen hebt Gif U lof toebereid.quot; Laat zwijgen wie wil, maar vergeet gij niet den Heer te loven.

Laat ons in de eerste plaats bedenken waan\'?/ dat loven van den Heer bestaat.

Het beteekent niet dat wij voortdurend moeten zingen. Ik hoop dat gij veel zingt — dat gij vroo-lijk rondspringt en uw blijde juichtonen doet hooren. Maar men kan den Heer óók prijzen zonder te zingen. Zeer dikwijls wordt de Heer \'t luidst en het liefelijkst geprezen, zonder dat de lippen zich bewegen.

ocr page 154

140

Hobt gij wel eens bedacht dat God meer naar onze harten dan naar onze lippen hoort? Wanneer wij altijd een dankbaar gevoel in ons hart hebben, dan loven wij Hem.

De lof- en de danktonen moeten in ons hart zijn, dan prijzen wij waarlijk den Heer. Ons hart moet zien en gevoelen hoe goed onze Hemelsche Vader is, en moet Hem voor al die weldaden liefhebben.

Eens zag ik aan den weg een grooten hoop telegraafdraad opgerold liggen. In groote kronkels was het daar op elkaar gepakt, zwaar en onbewegelijk, en niemand zou ooit verwacht hebben, dat daaruit eenige klank voort zou komen. Niet lang daarna liep ik dienzelfden weg met mijn dochtertje. Op eens blijft zij stilstaan en zegt: „Hoor eens, wat is dat voor muziek?quot; Ik wees naar den telegraafdraad — denzelfden draad, die eerst in doodsch stilzwijgen opgerold had gelegen. Nu was hij van den eenen paal naar den anderen gespannen, en gonsde en snorde den geheelen dag. Zoo is het ook met ons, beste kinderen. Wanneer onze liefde niet verder gaat dan ons zeiven, wanneer zij alleen ons eigen ik omsluit, dan zijn er geen liefelijke klanken te hooren. Maar wanneer onze liefde zich uitstrekt tot den Heere Jezus, dan kan zij het niet laten voortdurend de heerlijkste muziek te doen weerklinken. Het deed er niet toe, waar de telegraafdraad gespannen was, over groene weiden of kale duinen, door bosschen of langs rivieren, zonder ophouden liet hij zijn gegons hooren. En wanneer wij aan den Heere Jezus zijn verbonden, wanneer ons hart zich vol

ocr page 155

I4i

liefde tot Hem opheft, dan zal er altijd blijdschap in ons zijn — zoowel te huis als op school, onder het werken of bij het spelen. Het maakte voor den telegraafdraad ook geen verschil uit welken hoek de wind waaide, of de zuidenwind warmen zonneschijn bracht, of de noordenwind nijpende koude, het was alles hetzelfde; hij gonsde maar door, en indien wij den Heere Jezus liefhebben, dan looft en prijst ons hart Hem voortdurend — want Hij bewaart ons in voorspoed en in tegenspoed, in gezondheid of ziekte, in leven of dood. Zoo stijgt ons loflied telkens op, wanneer ons hart aan den Heiland verbonden is.

In de tweede plaats wil ik u eenige redenen opgeven, waarom wij allen den Heer moeten loven — „Jongelingen en ook maagden, gij ouden met de jongen.quot;

Ongetwijfeld is de eerste en de beste reden, dat Hij ons heeft liefgehad en zich zeiven voor ons heeft gegeven.

Jk heb eens een mijnwerker gekend, van wien ik u het volgende zal vertellen. Toen ik met hem in aanraking kwam, verkocht hij thee, en reisde van de eene plaats naar de andere met een pak op zijn rug; maar vroeger was hij mijnwerker geweest. Eens, toen hij beneden in de mijn aan het werk was bij het licht van de kaars, die elk van hen vóór op zijn hoed bevestigd had, waren er toebereidselen gemaakt om een rots te laten springen. Hij en zijn kameraad hadden het gat geboord voor het kruit. Daarna legden zij de lont neer, welke het

ocr page 156

142

moest doen ontploffen en staken deze aan. Nu weet ge zeker wel, dat wanneer eenmaal de lont brandt, de vlam langzamerhand voortgaat tot aan het kruit, en dat ieder, die in do nabijheid is, zoo hard mogelijk weg moet loopen om geen ongeluk te krijgen. Onze twee mannen haastten zich ook naar de plaats, waar zij naar boven getrokken konden worden. Een groote bak, aan een ketting bevestigd, was neergelaten, maar toen zij er beiden in wilden gaan, riep de man, die boven aan de opening der mijn stond, dat hij ze onmogelijk tegelijk naar boven kon trekken. Zij hoorden het sissen van de brandende lont. Zij wisten dat de ontploffing elk oogenblik kon volgen. Zij keken elkander aan — wie zou zich het eerst naar boven laten trekken? Toen trad de een terug en zeide ; „Gij hebt kinderen, ik heb er geen. Ga er in ; over een oogenblik zal ik in den Hemel zijn.quot;

De man, dien ik kende, stapte in den bak en werd naar boven getrokken. Dadelijk daarop volgde er een donderend geraas en het groote rotsgevaarte spatte in honderden stukken uiteen — één klein stukje werd naar boven geslingerd en trof mijn vriend tegen zijn voorhoofd; als hij de geschiedenis vertelde, lichtte hij gewoonlijk zijn hoed op en liet de plaats zien waar hij geraakt was. Daarna, toen de rook was weggetrokken, daalden verscheidene mijnwerkers in de mijn neder om naar de verminkte overblijfselen van den man om te zien.

„Gij kunt u niet voorstellen, wat ik toen gevoelde, mijnheer,quot; zeide de mijnwerker mot tranen in de

ocr page 157

143

oojjen. „Hij had immers zijn leven voor mij en mijne kleine kinderen opgeofferd\' Ik had hot hem nooit kunnen vergelden.

„Welnu, wij gingen aan het zoeken met onze bijlen en houweelen, schoven do steenen op zij, en ziet, toon wij oen groot rotsblok oplichtten, vonden wij hom geheel bedekt door eon stuk, dat tegen don wand van de mijnschacht was geslingerd on hem had beschut, zoodat hij niet het minste letsel had bekomen. Begrijpt gij, dat ik goene woorden genoeg vond om hem te danken, en mijne blijdschap te betuigen over zijne wonderbare redding?quot;

O, jongens en meisjes! hoe kunnen wij ooit den Heero Jezus genoeg liefhebbon? Voor ons heeft Hij Zijn leven gquot;egeven. Hij heeft onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout godragen. De vloek der wet heeft op Hem gerust, en hoe zouden wij Hem genoeg lief kunnen hebben ? Kunnen wij ooit genoeg voor Hem doen ? Ziet, dit is do heerlijke taak, die iedereen is opgelegd. Jongelingen en ook maagden, gij ouden met de jongen — dat ze den naam des Hoeren loven!

Hiervoor is nog een goede reden. — IV/j zijn dc ecnigc schepselen op aarde, die Hem kunnen loven. Indien wij den Moer niet loven, wordt Zijn Naam op deze schoone aarde niet geprezen. Dit is ons voorrecht, dit is onze roem, dat wij den Heer kunnen loven, want eigenlijk gezegd kunnen de wal-visschen en de afgronden Hem niet prijzen, evenmin als de zon of de sterren. Het is hetzelfde geval als met den telegraafdraad. Wanneer de wind door de

ocr page 158

44

draden blaast, dan komt er geluid uit. De lucht, welke in het kerkgebouw is, wordt in het orgel gedreven, maar zij geeft niet eer geluid dan wanneer zij in de orgelpijpen komt. Evenzoo is alles op Gods groote aarde stemmeloos, totdat hot tot ons komt. Wij zijn do harp en het orgel, waardoor de lof van alles wat op aarde is ten Hemel stijgt. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe het een na het ander ons tot nut en ten voordeel is, en door ons en in ons den lof des Heeren moet verkondigen? Daar hebt ge de aarde, de vuile zwarte aarde van de velden. Gij weet hoe zij hare kracht geeft aan de zaden, die er in gezaaid zijn, en aan de planten; uit haar komen voort de wortels, en het kruid, de bloem, de boom en de vruchten. En al deze gewassen, het koren en alles wat op het veld groeit, en de boom en en alles wat in het bosch groeit, zij dienen tot voedsel voor ons en voor de dieren, die wij om ons hebben, of zij worden door ons gebruikt voor het bouwen van schepen en huizen en voor honderd andere dingen.

En de dieren, waartoe dienen zij? Bedenkt eens, hoeveel nut wij er van hebben. Zij voorzien ons van kleeding en van voedsel, zij werken voor ons, zij bewaken ons huis, of verkwikken ons door hun liefelijk gezang. Zoo is het ook met de metalen —het ijzer ligt nutteloos onder den grond, totdat de mensch het smeedt, en het goud is zonder waarde, totdat het door den mensch wordt opgedolven.

En moet het hierbij blijven? Neen, zeker niet. „Jongelingen en ook gij maagden, gij\' ouden met de

ocr page 159

Hó

jongen — dat ze den naam des Heer en loven.quot; Wij moeten met dankbare liefde den Hemelschen Vader prijzen voor alles wat Hij gemaakt heeft. Wij moeten allen priesters zijn — in het gewaad des lofs moeten wij tot Hem ingaan, en Hem de dankzegging brengen van al het geschapene om ons heen. Wij moeten een open oog hebben voor de schoonheid en de liefelijkheid van deze aarde, voor al de zegeningen, die zij ons schenkt, en Hem danken, die alles zoo goed en zoo schoon heeft geschapen. Daar niemand anders dan de menschen dien dank kunnen brengen, mog\'en wij wel zeggen ; „Laat ze voor den „Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonder-„werken voor de kinderen der menschen!quot;

Dit is een heerlijk werk voor jong\'ens en voor meisjes. Wij moeten hetzelfde doen voor onzen Hemelschen Vader, als de bloem voor ons doet. Ga in uw tuin en zie op dat stukje zwarten grond. Er is waarlijk niets schoons aan. Hot licht, het kleur-looze zonlicht, dat gij niet kunt zien, ofschoon gij zonder dat licht niets zoudt kunnen onderscheiden, schijnt er op. Daaraan is ook niets schoons. De zachte koelte, eene koelte, die geen zoete geuren met zich mede voert, strijkt er over heen. Hier hebben wij dus aarde en lucht, waaraan niet de minste schoonheid is. Maar ziet, daar komt de bloem te voorschijn en deze verandert alles. Uit de zwarte aarde groeit de sierlijke stengel en de liefelijke bloem op. Aan het licht, het heldere kleurlooze licht heeft zij hare schoone tinten en prachtige schakeeringen te danken, en uit de onzichtbare geur-

io

ocr page 160

146

looze lucht heeft zij zich zelve hare zoete geuren bereid. Op die wijze moeten wij hot schoone en het liefelijke en het aangename van alles wat geschapen is gebruiken, en het doen strekken tot verheerlijking van onzen Hemelschen Vader.

Er is nog- eene derde reden waarom wij den Heer moeten loven. Lof is het coiigc \'vat wij\' den Heer kunnen geven. Alles wat er in de wereld is, behoort den Heer toe. Hij heeft het gemaakt. Alles wat wij hebben, heeft Hij ons gegeven. Wat is er dan, dat wij Hem kunnen geven ? Niets anders dan de lof en dank van een hart, dat Hem liefheeft. In eene der armste wijken van eene groote stad vond een predikant eens eene oude vrouw, die heel ziek was en bijna van honger omkwam. Zij had geen vrienden, geen eten, geen brandstof; niemand dacht aan haar, behalve de huisbaas, en deze vergat haar niet, omdat hij geregeld zijn huur wilde hebben. Toen de predikant met haar sprak, bemerkte hij dat zij het eens heel goed had gehad ; hij wist het een cn ander van hare familie af. Dadelijk nam hij de noodige stappen om haar te hulp te komen. Hij vertelde het geval aan anderen, en verzamelde genoeg geld om haar flink te kunnen ondersteunen. Voor hare kamer, waarin het noodigste ontbrak, zond hij eenig huisraad; hij stuurde haar voedsel en kleeren, en bezorgde haar ook werk, waardoor zij de huur kon verdienen. De arme vrouw was geheel overweldigd door al zijne goedheid, maar zij kon hem niets geven. Alles wat zij bezat, had hij haar gegeven. Indien gij echter op den een of

ocr page 161

47

anderen morgen in haar kamertje waart gekomen, dan zoudt gij gezien hebben, hoe zij nu en dan naar haar raampje liep, en zorgvuldig iets verzette, waarop het beetje zonneschijn scheen te moeten vallen, dat eiken dag niet langer dan een uur het nauwe poortje binnendrong. Daar, in dien gebroken bloempot, kweekte zij eene bloem op. Zij had een stuiver gespaard om het plantje te koopen en wanneer het op zijn mooist was, wilde zij het als een bewijs van dankbaarheid brengen aan hem, die zooveel voor haar gedaan had. Lieve kinderen, wij hebben ook niets, dat wij onzen Heer kunnen geven. Maar dit kunnen wij doen, en laten wij er ons toch met hart en ziel op toeleggen — wij kunnen die liefelijke bloem der dankbaarheid in ons hart aankwee-ken. Laten wij haar zóó verzorgen, dat wij haar in al de pracht harer kleuren en geuren aan Hem kunnen geven, die ons alles gegeven heeft.

De vierde reden is deze, — dat niets anders dan de lof van een liefhebbend hart onzen liefderijken Fleer kan behagen. Laat ik u, evenals Simson, een raadsel opgeven. Wie weet het antwoord? Dit is het raadsel : — Wat kan de liefde dooden ?

Door hard werken wordt de liefde niet gedood. Jakob moest hard genoeg werken voor den inhaligen Laban, en toch werd zijne liefde voor Rachel er niet minder om. Hier is eene moeder, die hard werkt voor haar arm ziek kindje, zij tobt en zwoegt den geheelen dag en moet \'s nachts nog dikwijls haar bed uit. Maar al die moeite en al dat verdriet dooden de liefde niet. Zij maken de liefde dikwijls krach-

ocr page 162

148

tiger en reiner dan te voren. Wat kan dan de liefde dooden? — Dit: — indien de liefde nooit een enkel woord van dank ontvangt, dan gaat zij kwijnen en zal eindelijk sten-en. De vader zag den verloren zoon van verre, en hij liep hem tegemoet en viel hem om den hals en kuste hem. Hij nam zijn zoon met zich mede naar huis en gaf hem een ring voor zijn vinger en schoenen voor zijne voeten en het beste kleed en het gemeste kalf. Toen daarna het hart van den zoon overvloeide van dankbaarheid, en zijn oog van vreugde schitterde, toen was de vader voldaan. Maar stel u voor dat de zoon op dat alles geen acht had geslagen en onverschillig was gebleven voor die schoenen, en dien ring en dat gemeste kalf, dat hij op ontevreden toon was gaan klagen, — dan denk ik toch dat het den vader zeer bedroefd zou hebben, en dat zijne liefde zeer geschokt zou zijn geworden. Niets kan de liefde bevredigen, dan dat wij ons in haar verheugen en haar danken voor alles wat zij geeft. Bedenkt dit, kinderen; onze God is een God van liefde en ons leven moet eene voortdurende lofzegging zijn.

Nu nog een enkel woord over de vijfde reden. Wij allen moeten den Heer nu loven, omdat dit het heerlijke werk is, dat ons in den Hemel wacht. Gij weet dat niemand dadelijk geheel op de hoogte van zijn werk is. Voordat een jongen zijn ambacht verstaat, moet hij eerst een paar jaar in de leer gaan. En wij, kinderen, zouden immers niet onze plaats in kunnen nemen onder de engelen, die Hem dag en nacht loven, indien wij niet wisten hoe wij

ocr page 163

149

moesten beginnen ? Laten wij ons dus hier oefenen ! Ons leven hier beneden moet de leerschool zijn, waarin wij ons voorbereiden om Hem daarboven in Zijn heiligen tempel dag en nacht te prijzen. Wel, ik hoop hartelijk dat als wij eenmaal onze groote oefenschool hier afgeloopen hebben, tien, twintig, veertig, tachtig, honderd jaar op zijn hoogst — en als ge zoo oud worden moogt, zult ge later eens zien hoe snel die tijd is voorbijgegaan! — dat wij dan met onze ouders en broertjes en zusjes en vrienden den heerlijken, stralenden hemel in mogen gaan, en dat het dan blijken moge dat wij het lied des lofs goed hebben geleerd. Vergeten zullen we \'t dan wel nooit meer !

ocr page 164

JEZUS EN DE JOODSCHE KINDEREN.

„En Hij omving ze met Zijne armen en de „handen op hen gelegd hebbende, zegende „Hij dezelven.quot; markus io : 16.

Kinderen, gij herinnert u toch wel de geschiedenis van den Heere Jezus en de Joodsche kinderen? Waarschijnlijk hebt ge wel eens een schilderij gezien, waar de Heer omringd is door kleine jongens en meisjes, terwijl moeders, met haar kleintjes op den arm, staan te wachten, totdat de Heiland die van haar zal overnemen.

De discipelen staan daarbij op den achtergrond en begrijpen in het geheel niet, waarom hun belangrijk gesprek met den Meester moest worden afgebroken door de plotselinge tusschenkomst van dat kleine volkje.

Het moet een heerlijk gezicht geweest zijn, te zien hoe die kleintjes, die nauwelijks konden loopen, op den schoot van onzen Heiland klommen en hoe Hij ze uit de armen der moeders nam, zijn handen op hen legde en ze zegende.

Hoor wat een dichter daarvan zegt:

ocr page 165

i5i

„Laat de kindren tot mij komen,quot;

Was des Heeren vriendlijk woord.

Kindren ! hebt gij dat gehoord?

Komt dan tot Hem, zonder schromen !

Jezus — o, waardeert gij dat ? —

Heeft u allen liefgehad.

Wzïgehad? Nog alle dagen Let Hij op uw teere jeugd;

Ziet uw spelen en uw vreugd ;

Ziet uw zoete en stoute vlagen.

\'t Zij gij arm moogt zijn of rijk.

Voor den Heer zijt gij gelijkquot;.

Dikwijls dan tot Hem gekomen.

Die u immer tot Zich noodt !

Hij is even goed als groot;

Zijn bescherming is volkomen.

Gelukzalig is het kind.

Dat Hij zegent en bemint!

De moeders schreiden vreugdetranen cn niemand harer vergat ooit Hem, Wiens hand op het hoofd van haar kind gelegd was. Zij spraken er met haar kinderen over bij het naar huis gaan, cn nog dikwijls daarna, en als die kinderen later bij het opgroeien ondeugend waren, herinnerden do moeders hun. Wiens zegen zij op hun donkcrgcloktc hoofdjes droegen.

Toch konden deze Hebreërs niet weten hoeveel het wel zeggen wilde: de handen opgelegd te zijn door den Heiland. Zij wisten, dat liet een oude gewoonte was in hun land, het teoken van ccn bede of van goede wenschen van oude menschen en voor jonge.

Gij weet wel, dat toen Jakob een oud man was.

ocr page 166

152

Jozef zijn twee zoons medebracht om hun grootvader te bezoeken. Zij waren nog zoo klein, dat de oude Jakob ze beiden tusschen zijn knieën kon nemen. De bijna blinde grootvader legde zijne handen op hun hoofd en kruiste die, zoodat de rechterhand. waaraan men moer geluk verbonden dacht, op den jongste kwam te ligg-en. Hun vader trachtte dit te veranderen, maar Jakob wilde daar niet van weten, omdat, zeide hij, „zijn kleinste broeder groo-„ter (machtiger) zal worden dan hij.quot; Verder sprak Jakob: „Die Engel, die mij verlost heeft van alle „kwaad, zogene dezen jongere.quot;

Evenzoo ging het toen Mozes te oud werd om het volk te leiden, en de Heer hom gebood Jozua te nomen on hem de handen op te leggen; alsof hij iets van zijn eigen eer op zijn opvolger moest overdragen. Zoo word Jozua generaal over Israël in Mozes\' plaats.

Dit was de oude Hobreeuwsche manier om te zegenen. Men dacht, dat al het goede, dat do Heer schenken wilde, op de een of andere manier door de hand in het hoofd en in het hart kwam.

Deze Joodsche moeders geloofden, dat als Jezus Zijne hand maar op het hoofd dor kinderen leggen wilde, zij waarlijk gezegend zouden zijn, en wol: voor eeuwig. Zij brachten dan ook haar kleintjes, opdat Hij hon mocht aanraken.

Zonder twijfel waren die moeders daarover met elkander aan hot spreken gegaan, toen zij hoorden van de wondervolle genezingen van zieken en lammen, blinden on stommen, die Jezus door een enkele

ocr page 167

153

aanraking Zijner handen volbracht. Daarop waren zij met elkander overeengekomen al haar kleinen tot den Heer te brengen om gezegend te worden, den eersten den besten keer dat Hij weer in de buurt zou zijn.

Misschien waren enkele kinderen zwak en teer, en vreesden de moeders hen te moeten verliezen; maar, dachten zij, als die machtige Heiland ze maar eens aangeraakt had, dan zouden ze wel gezond en sterk worden. Zoodra hoorden zij dan ook niet, dat „de Meesterquot; over de Jordaan gekomen was, of zij snelden met hare kinderen naar Hem toe, de kleinsten op den arm en de grooteren huppelend aan haar zijde.

Daardoor kwam het, dat zoovele moeders en kinderen tegelijkertijd bij Hem kwamen, om de gezegende aanraking Zijner handen op het hoofd mee te dragen zoolang zij leefden.

O, zij willen, moeten \'t wagen !

Wat haar dierbaarst is op aard

Moeten zij Hem tegenvoeren,

Die zoo vriendlijk op hen staart !

Daar verstouten zich de vrouwen,

En de kleenen aan haar hand

Zien met oogjes vol vertrouwen Naar den goeden Godsgezant.

Heerlijkst schouwspel, dat op aarde Sterflijke oogen mochten zien;

Hem, wien God Zijn Zoon verklaarde,

Met de onnooz\'len op de kniên !

ocr page 168

154

Maar zegende de Heer nu enkel die donkere kopjes der Joodsche kinderen, of legt Hij nog op de een of andere wijze Zijne handen op alle kinderen, die thans leven, en zegent Hij ook hen, evengoed?

Natuurlijk kunt gij nooit Zijne lichamelijke handen op uw hoofd gevoeld hebben, want deze gezegende en zegenaanbrengende handen van Jezus werden aan het Kruis genageld, en daarna nam Hij ze met Zich, — nog met diezelfde teekenen der nagelen — in den Hemel, waar Hij nu woont.

Maar ook zonder de aanraking Zijner handen, kan Hij zegeningen doen nederdalen op de hoofden der kinderen. Hij kan gebruik maken van andere handen, en ik geloof, dat Hij dat werkelijk doet ook. Zal ik u vertellen, waarom ik dat denk ? Omdat Hij kleine kinderen tot het voorwerp van bijzondere zorg en liefde gemaakt heeft, overal waar zijn Evangelie verkondigd wordt. Gij weet niet half, welk een hard lot de kinderen in de Heidenwereld hebben, waar men geen Bijbel en geen Heiland kent. De moeders hebben haar kinderen lief, o ja, maar zij weten niet, hoe hen te verzorgen. De Indiaansche moeders binden haar kinderen op een plank, zoodat zij zich niet bewegen kunnen. Die plank zetten zij overeind tegen een boom of een rots, ook wel tegen een hut, waar de kinderen dan door de vliegen of door de zon gestoken of geblakerd kunnen worden, terwijl de moeders aan haar werk gaan. De arme kleintjes hebben geen begrip van vreugde en vrijheid, totdat zij groot genoeg zijn daar zelf voor te zorgen, en dan nog

ocr page 169

bestaat al hun speelgoed uit pijl en boog, waarmee ze zich in de bosschen vermaken. Zij leeren volstrekt niets van onzen God of van den Heiland, maar worden bang gemaakt met geesten en spoken.

Hoe hard en onaangenaam moet het leven van zulke kinderen zijn, en hoeveel harder zou het nog wezen, indien er geen Heiland was, die medelijden met hen had en hun zijn Evangelie zond !

Maar de Heiland, die de Hebreeuwsche kindertjes in Zijne armen hield, laat ook van dien zegen neerdalen op de veronachtzaamde kinderen over de gan-sche aarde, in de ruwe en onervaren moederliefde, zelfs al begrijpen ze volstrekt niet, waar die liefde haar oorsprong vindt.

Zijne liefde omvat, evenals twee groote armen, alle kinderen in de gansche wereld, en terwijl zij in hun jeugd daar niets van bemerken, draagt Hij ze veilig door vele gevaren heen. Sterven ze, dan neemt Hij ze, zoo dragende, bij Zich op in zijn Hemelsch Koninkrijk.

Dat de teederminnende Jezus de kinderen zoo liefheeft, is misschien wel de reden, dat de helft hunner sterven, voor zij oud genoeg zijn er iets van te weten. Do Heiland ziet, dat zij groot gevaar loopen op te groeien tot slechte mannen en vrouwen, tot menschen, die zich zeiven ongelukkig zullen maken door onwetendheid, zonden en verkeerdheden, en Hij neemt ze weg voor het komende kwaad, opdat zij gelijk mogen worden aan de Engelen.

Zoo bevolkt Hij den Hemel met kleine kinderen, die spelen in de straten der Godsstad.

ocr page 170

156

Toen Hij Zijne handen uitstrekte over do hoofdjes der kleine schare Joodsche kinderen in do velden van Galilea, zegende Hij eigenlijk al de kinderen der aarde met Zijne teedere liefde en Zijn vriendelijk medelijdon. En ieder uwer kroeg zijn deel in die liefde, die tot u komt in Vader of Moeder en op duizend andere wijzen. Het is de Heiland, die hen beweegt zoo vriendelijk voor u te zorgen, on die u leert Zijn geboden te houdon, opdat gij waarlijk Zijn kinderen zoudt worden, ja reeds nu zoudt zijn. En als gij er aan denkt, zult ge zien, dat eon zogen op u nederdaalt, als gij altijd doet, wat uw geweten daarbinnen zegt, dat good is.

Als gij verkeerd handelt (en ik geloof dat zoo iets wel eens gebeurt); als gij, bijvoorbeeld, een lipje trekt tegen vader of als ge zachtjes tegen moeder zegt: „Ik doe het niet,quot; weet ge niet meer, dat het dan altijd juist was, alsof een donkere wolk zich plotseling voor de zon geplaatst had, waardoor ge u onaangenaam en onpleizierig voeldet? Dan nam do Heiland Zijn liefdevolle hand u van het hoofd en liet u zonder zegen. Maar als gij naar uw moeder gingt en haar zeidet, dat gij waarlijk berouw hadt, herinnert gij u dan niet, dat een heerlijke kalmte weer in uw hartje terugkeerde, alsof de zon weer begon te schijnen en de donkere wolk voorbijdreef? Dan daalde \'s Hoeren hand, die eens aan het Kruis genageld word, weer zegenend neder.

Als gij Jezus\' kind wilt wezen, moet gij dicht bij Hem blijven, steeds onder Zijn bereik, zoodat Zijn heilige aanraking altijd door u gevoeld kan worden.

ocr page 171

Waarlijk, die zegen omvat meer dan ik u nu kan vertellen, of dan gij thans kunt begrijpen.

Maar dit kunt ge \\vel vatten: De kleine Hebreërs, die niet tot Jezus gingen, konden ook niet Zijne handen op hun hoofdjes voelen. De Heer had hen ook wel lief, maar zij kwamen niet tot Hem omdat te vernemen en er van te genieten, en dus kregen zij den zegen niet, dien ze ontvangen zouden hebben als hun moeders beter nagedacht en ze tot Hem gebracht hadden.

Ofschoon de Heere Jezus de wereld nu verlaten heeft en wedergekeerd is naar den Hemel, zoodat gij niet in letterlijken zin naast Hem kunt gaan staan, om Zijn zegen te ontvangen, toch is er een plaats, waar Hij het dichtst bij ons komt; en die plaats is: Gods huis. Bij Zijn heengaan beloofde de Heer te zijn, waar Zijn Gemeente vergaderde; daarom is Hij ook, ofschoon gij Hem niet zien kunt, eiken Zondag in de kerk tegenwoordig. Dat vooral is de plaats, waar gij Hem ontmoeten kunt. Kinderen behooren naar de kerk te gaan, zoodra zij kunnen stilzitten en luisteren, zelfs al maken zij nog een beetje leven. Misschien begrijpt gij er in het begin nog niet veel van, maar de gewoonte naar de kerk te gaan. kan noch te vroeg begonnen, noch te geregeld volgehouden worden. Ik geloof, dat de Heiland vriendelijk neerziet op de moeders, die haar kinderen naar Zijn huis brengen, en zoodoende onbewust een stillen zegen doen nederdalen op de hoofdjes van haar kleinen, in het volbrengen hunner godsdienstige plichten.

ocr page 172

158

En dit is nog niet alles. De Heiland heeft een bijzonderen weg aangewezen, waarin kleine kinderen zeker tot Hem gebracht kunnen worden om een zegen te ontvangen. Het zou te lang duren u dit nu te vertellen, maar als de ouders in de middaggodsdienstoefening hun kindertjes voor den preekstoel brengen om den Heiligen Doop te ontvangen, leggen zij hen werkelijk in des Heilands armen, opdat Hij hun de handen moge opleggen en ze zegenen; en dat doet Hij ook. Zij doen zoo goed mogelijk wat de Joodsche moeders vroeger deden.

Sommige menschen zien, evenals de discipelen vroeger, de noodzakelijkheid van den Doop niet in, zij begrijpen niet, waar hij goed voor is; maar wij w-eten, dat er een zegen in ligt. Gelooft gij, dat de Heiland, die zoo aan kinderen dacht, toen Hij op aarde was, hen nu vergeten kan of geen belang meer in hen stelt? Neen waarlijk, onze Heere Jezus Christus is niet zoo vergeetachtig! Johannes zegt:

„Alzoo Hij de zijnen, die in de wereld waren, „liefgehad had, zoo heeft Hij hen liefgehad tot het „einde.quot;

Toen Hij begon de kleinen lief te hebben, ging Hij daar ook mee voort en Hij heeft ze lief tot nu toe; want „Hij is Dezelfde, gisteren en heden en tot in „alle eeuwigheid.quot;

Vele eeuwen geleden, toen God Abraham tot zijn knecht verkoos, gaf Hij hem een teeken, met het bevel, elk zijner kinderen en kindskinderen dat teeken te doen dragen, als het zegel van Gods belofte, opdat zij allen Zijn kinderen zijn zouden, als Abraham

ocr page 173

159

hun ten minste wilde leeren den Heer te gehoorzamen. God zeide, dat dit een eeuwige overeenkomst was, die nooit vergeten mocht worden. Toen de Heiland in de wereld kwam, herhaalde Hij diezelfde oude belofte, en gaf een nieuw zegel ten teeken dat diezelfde belofte ook voor ons en onze kinderen geldt, ofschoon wij geen nakomelingen van Abraham zijn. Dat zegel is de Doop onzer kinderen.

Klopstock in zijn „Messiasquot; zegt. dat als de Engelen de zieltjes der kleine kinderen uit don hemel brengen, om ze in hun aardsch lichaam te plaatsen, zij op hun weg daarheen langs het Kruis van Christus gaan, opdat zij daardoor te gemakkelijker voor indrukken vatbaar zullen zijn om later den Heiland te ontvangen, en dat is misschien de roden, waarom de kinderen zoo gaarne van God en Christus en den Hemel hooren vertellen. Hun hartjes hebben in verbinding\' gestaan met het Kruis. Inderdaad, wij moeten deze kleinen tot dat zuivere water brengen, dat het toeken is van de belofte Gods, opdat hunne zonden afgewasschen worden in het bloed van het Kruis; als het ten minste ons doel is de kinderen daarheen te leiden op hun weg door dit leven.

Het water van den Doop op de hoofdjes dor kinderen is reeds duizenden malen geweest als de aanraking van des Heilands hand, omdat Hijzelf dezen weg aanwees om kleine kinderen tot Hem te brengen om Zijn zegen te ontvangen. Hij neemt het kind in Zijn armen als vader of moeder het ten Doop houdt; Hij raakt den kleine aan als de waterdroppels op zijn voorhoofdje vallen, en Hij volgt dat

ocr page 174

i6o

kind met een zegen, gereed om dien over hem uit te storten, als het er in latere jaren naar vragen zal.

Door dezen dienst des Doops heeft Christus zijne liefde voor u, boste kinderen ! uitgedrukt; Hij vraagt u daardoor tot Hem te komen, opdat Hij onzichtbaar zijne handen op u moge leggen voor een waren zegen des harten.

En nu, lieve kinderen! als gij ooit behoefte hebt aan een zegen, geen zoo kostelijk en zoo gemakkelijk te vorkrijgen als de zijne. Hebben uwe ouders u niet tot Hem gebracht in de kerk, welnu, gij kunt heel goed uit uzelvcn komen. Want God zeide eens vele, vele jaren geleden: „Ik heb lief, die Mij „liefhebben, en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij „vinden.quot; En op Gods woord kunt gij altoos staat maken!

ocr page 175

EENE WANDELING IN HET VRIJE VELD.

„Een zaaier ging uit om te zaaien.quot;

LUK. 8:5.

Ik weet dat gij allen veel van het buitenleven houdt, van de mooie bosschen en de groote velden met koren en bloemen, met de vroolijke vogeltjes, en het heerlijke gezicht op de heldere blauwe lucht en de donzige wolken. Iedereen geniet van eene ■wandeling in het vrije veld.

Maar voordat wij naar buiten gaan, moeten wij eerst bedenken Wie de woorden van onzen tekst heeft uitgesproken. Het was Jezus Christus. En gaat nu ook eens na hoe de preekstoel was, waaruit Hij sprak. Er is somtijds zeer goed gepreekt van zeer vreemde preekstoelen. Jaren geleden leefde er een vrome predikant, John Nelson geheeten. In dien tijd was het heel gevaarlijk Gods quot;Woord te verkondigen, want het land was bezaaid met vijanden, en wie zich te ver waagde, liep veel kans gevangen genomen te worden. Maar John Nelson ging van plaats tot plaats, en bracht het Evangelie aan honderden, die gretig naar zijne woorden luis-

ocr page 176

102

terden. Eindelijk werd hij gevangen genomen en wilde men hem dwingen als soldaat te gaan dienen; hij werd in de gevangenis gezet totdat hij naar het leger kon worden gezonden. Maar de menschen, die van zijn prediken hadden gehoord, verzamelden zich om de gevangenis, en verlangden de stem te hooren van dien prediker, die binnen die steenen muren zat. Hij ontdekte eene kleine getraliede opening in een hoek van zijn kerker, waardoor het daglicht binnenkwam; hij greep de tralies, trok zich in de hoogte, en riep tot de menschen, die buiten stonden. Spoedig hoorde men zijne stem en eene groote menigte kwam onder de muren bijeen.

„John Nelson preekt!quot; riepen zij van alle kanten. De overheden, die hem in de gevangenis hadden laten zetten, hoorden er van. „Dat is niet mogelijk,quot; zeiden zij, „hij zit goed en wel achter slot.quot; Toen zij er heen zonden, bemerkten zij dat het de waarheid was. De gevangenismuur diende John Nelson tot preekstoel, de ijzeren tralies lieten het geluid zijner stem door, en de onvermoeide prediker verkondigde de Blijde Boodschap aan de honderden, die daarbuiten stonden.

De Heere Jezus had echter eene veel schoonere plaats, van waar Hij de scharen leerde. Het was op een meer. Indien ge eene kaart van het Heilige Land neemt, zult ge daarop eene uitgestrektheid water vinden, die de zee van Galilea genaamd wordt. Aan de eene zijde van dit water is eene zachte helling, die in Jezus\' dagen bezaaid was met kleine steden en bedekt met vruchtbare tuinen, vol citroen-

ocr page 177

163

boomen en dadelpalmen en smakelijke vruchten, en tot aan den waterkant omzoomd was met veelkleurige bloemen. Op dezen oever stond de Heere Jezus; de overkant was rotsachtig en woest — daar woonden de Gadarenen. De menschen in deze dorpen leefden voornamelijk van de vischvangst, en gij kunt u voorstellen hoe de witte en bruine zeilen in het blauwe water werden weerkaatst, en de netten op den oever lagen te drogen en tal van bootjes den Heiland volgden als Hij van de eene plaats naar de andere reisde. Dan ging het volk op het gras zitten, en Hij zette zich neder in een scheepje en predikte aldaar. De uitgestrekte blauwe hemel was het dak, en de liefelijke oevers waren de muren, en het doorschijnende water vormde den vloer van dien „tempel, die niet met handen gemaakt was.quot; Het scheepje was de preekstoel, en terwijl het water tegen de kanten aankabbelde, en de menigte aandachtig luisterde, vertelde de Heere Jezus hoe „Een zaaier uitging om te zaaien.quot; Dat had iedereen, die daar aanwezig was, dikwijls gezien — den landbouwer met zijne mand op den arm, het zaad uitstrooiende terwijl hij voortging over het geploegde land. Onder het gaan viel een gedeelte van het zaad aan den kant van den weg, en de menschen liepen er over en de vlugge vogels pikten het op; een gedeelte viel op de steenen en werd verschroeid; een gedeelte viel tusschen de doornen en werd verstikt: en een gedeelte viel in de goede aarde, en schoot op en bracht vruchten voort.

Het zaad is het Woord Gods — alles wat gij uit

ocr page 178

64

den Bijbel loert; en zij, die u onderwijzen, zijn de zaaiers. Maar het land, waarop gezaaid wordt, wat is dat? Wel, gij zift dat land.

En laat ons nu onze wandeling beginnen. Wij verlaten de stad, gaan den weg op en komen al spoedig aan een groot veld.

DE HARDE GROND.

„Ach,quot; zegt de landbouwer, wien het toebehoort, met een zucht tot ons, „ik kan niets met dit stuk land aanvangen, de grond is zoo hard,quot; en hij slaat er op met zijn stok en het klinkt alsof het steenen zijn. „En toch weet u niet hoeveel moeite ik er aan besteed heb. Ik kan er niets in krijgen, het heeft meer van een harden weg dan van bouwland.quot;

Ik denk dat ge zulk land wel kent, jongens en meisjes. Op de Zondagsschool en in de kerk en te huis heb ik dikwijls zulk land gezien. Er wordt voortdurend zaad op uitgestrooid, het ééne goede woord na het andere, en toch schijnt niets er in door te dringen. De liefde van God, de geschiedenis van den Heere Jezus, de verkeerdheid van de zonde, niets schijnt indruk te maken. De hardheid van het hart is zóó groot, dat geen enkel zaadje onder de oppervlakte kan komen.

Dit is zeer treurig. „Zal het altijd zoo hard blijven ?quot; vraagt gij met belangstelling aan den landbouwer, Hoort nu wat de landman antwoordt: „Neen, ik hoop dat het anders zal worden. Gij herinnert u wat David in den vijf-en-zestigsten Psalm

ocr page 179

165

zegt — Gij maakt het \'Meck door de droppelen. Alleen de regen, die uit den hemel neerdaalt, kan den harden grond zacht maken en de aarde toebereiden, zoodat het zaad er in doordringt en blijft leven. Wij moeten onzen Vader in do hemelen vragen ons dien regen te zenden.quot; Het is dus nog mogelijk dat de harde grond van onze harten veranderd wordt. Als God er Zijn Heiligen Geest in doet neerdalen, verdwijnt alle hardheid. De harde grond wordt dan goede aarde en brengt vele vruchten voort.

Wij verlaten nu dit stuk land, en komen bij een hek, waarachter zich een ander veld uitstrekt. „Dit,quot; zegt do landbouwer, „is mijn

LAND VOL ONKRUID.quot;

Dat lijdt geen twijfel, overal groeit er onkruid. Bij de sloot gekomen, geraken wij verward in een bosch brandnetels, en een eindje verder prikken wij ons aan de stekelige bladeren van de distel, met hare paarse en roode bloemen. Maar er is nog ander onkruid, dat niet zoo onaangenaam is. Daar staan de blauwe korenbloemen, en de vuurroode klaprozen, en de winde, met hare mooie witte kelken, die alles met hare fijne ranken omstrengelt. Ja, het is alles onkruid. Zij behooren daar niet thuis, en zij verhinderen het goede zaad op te komen.

„Ge zoudt niet willen gelooven hoeveel zaad ik op dat land uitgestrooid heb,quot; vertelt de landbouwer ons. „En zie nu eens aan! Als ik er geen

ocr page 180

166

enkele graankorrel in had laten vallen, zou hot er niet erger kunnen uitzien.quot;

Ach, wie kent zulk land vol onkruid niet? Jongens en meisjes, die met de grootste zorg zijn opgevoed, aan wie altijd de hand is gehouden, en die toch niets anders dan onkruid voortbrachten. Deze jongens, in wier hart juist het goede zaad gezaaid was, begonnen dadelijk daarna te kibbelen en er kwamen doornen en brandnetels op in plaats van korenaren. Dit meisje heeft het goede zaad in haar hart, maar zij geeft toe aan leelijke gedachten, zegt misschien onvriendelijke woorden, en er komt een stekelige distel op in plaats van het goede zaad.

En deze bloemen — zij zijn onkruid, omdat zij op dc verkeerde plaats groeien. In een tuin zouden zij op hare plaats wezen, maar hier verstikken zij een groot gedeelte van het goede zaad en doen veel kwaad. Lachen is heel goed, maar lachen als het niet te pas komt is onkruid. Praten is goed, en ik ben het in het geheel niet eens met de menschen, die zeggen dat kinderen wel gezien, maar niet gehoord moeten worden. Indien God u ooren en eene tong gegeven heeft — let wel, twee ooren en ééne tong — dan is het niet zijne bedoeling dat gij doof en stom zoudt zijn. Maar praten als het niet te pas komt, maakt dat er nog meer onkruid opschiet op het land.

Terwijl wij voortgaan, zien wij echter een stukje land, dat er geheel anders uitziet. Het koren komt er op en belooft een overvloedigen oogst. AVij vragen den landbouwer hoe dit komt ? Hoort zijn ant-

ocr page 181

löy

woord : „Ik liet zooveel jongens en meisjes halen als ik maar krijgen kon, en zij gingen hier op hun knieën liggen en trokken al hot onkruid er uit. Hier zal ik dus eenige vrucht zien van mijn arbeid.quot;

Dus, jongens en meisjes! laten wij aan het werk gaan en het onkruid uittrekken. Bedenkt, dat wij niet veel kunnen doen als wij niet op onze knieën liggen. Wij moeten God vragen ons te helpen, en Hij wil dit doen. Laten wij al dat onkruid opruimen : die distels en die netels van ons slechte humeur, onze onoplettendheid en vergeetachtigheid, en al die dingen, die op verkeerde plaatsen voorkomen —-tracht het alles uit te rukken.

Ik heb een meisje gekend, dat heel driftig en dadelijk uit haar humeur was. Hare moeder zeide eens tot haar: „Maria, ik heb zitten te bedenken hoe verschrikkelijk het naderhand met je zijn zal als je groot bent. Welk een knorrige, onaangename vrouw zal je worden.quot;

Daaraan had Marie nooit gedacht. Zij gaf toe dat zij driftig was, maar zij had altijd gemeend dat zij vanzelf wel zoo zacht en vriendelijk zou worden als hare moeder. Zij keek eenigszins verschrikt op ; toen maakte hare moeder er haar opmerkzaam op dat, indien zij dat stekelige onkruid op liet groeien, het eindelijk zóó vast in den grond zou zitten, dat het niet meer uitgerukt zou kunnen worden. Het meisje begon daarop te bidden of God haar wilde helpen, en zij rukte aan het onkruid, en ging- voort met rukken zoodra het zich weer vertoonde, en nu is zij de vriendelijkste vrouw, die ik kon. Wij kunnen

ocr page 182

i68

mot Gods hulpo het land van onkruid zuiveren; maar dan moet het ook dagelijks onze bede zijn: „Schep mij een rein hart, o God!quot;

Toen wij dit veld verlieten, zeide de landbouwer fluisterend: „Loop nu zachtjes, en als ge het pad oversteekt en bij het hek komt aan de overzijde van die greppel, dan zult ge wat vreemds zien. Dit is

HET VOGELENVELD.

Zoodra wij ons vertoonen vliegen allerlei vogels op. Grijze houtduiven, die snel wegvliegen; luie kraaien, die een kring in de lucht beschrijven en klapwiekend haar gekrijsch laten hoeren, alsof ze wilden zeggen : „ge hebt ons nog niet!quot; De spreeuwen vluchten al piepend, en eene menigte kleinere vogels stijgt als een wolk boven hot veld op.

En terwijl wij over het hek leunen en naar hot gezang van den leeuwerik luisteren, komen ons als vanzelf zooveel andere akkers voor den geest, waar het even slecht gesteld is.

Hoeveel jongens en meisjes zijn er niet, bij wie al het goede zaad door de vogels wordt opgeg-eten, en wie kont niet do namen van verscheidene dier vogels?

Een vlug en brutaal vogeltje pikt veel goed zaad weg; hot heet onoplettendheid. Ook hebt ge de praatzieke ekster, die o zooveel rooft; nu is ze hier, dan daar, altijd druk in de weer, altijd iets vernielend en bedervend.

Dan is er een vogel, die bijna nóg meer kwaad doet dan al die andere. Hij steelt veel goed zaad

ocr page 183

i6g

en bederft evenveel als hij steelt. Kunt ge raden hoe hij heet ? Hij zingt nooit. Somtijds hoort hij do andere vogels uit de verte zingen, maar hij zelf is zoo stil als een muis — zijn naam is tc laat, hij komt nooit bijtijds voor het zingen.

Er is nog een vogel, dien ik dikwijls op de Zondagsschool heb aangetroffen. Op sommige plaatsen hebben de menschen zulk een hekel aan hem, dat zij overal rondgaan en hem dooden waar zij hem tegenkomen. Hij maakt dat er in het geheel geen goed zaad op den akker valt. Zijn naam is: afwezig-. Past op, heb nooit iets met hem te doen !

Eens liep ik door het veld en zag een flink aardig jongetje midden op hot land staan. In elke hand hield hij een stok en sloeg die zoo hard mogelijk teg\'en elkander. „Klik-klak! klik-klak,quot; zoo ging het steeds voort. „Wat doe je daar, ventje?quot; vroeg ik. Hij maakte zooveel leven, dat hij niet kon hoo-ren wat ik zeide. Een oogenblik hield hij op, en toen herhaalde ik mijne vraag. „Wel, ik jaag de vogels weg, mijnheer!quot; riep hij uit. Een kraai zette zich juist op het eind van het veld neer, en hij liep er naar toe met zijn klik-klak, klik-klak, en joeg haar spoedig op de vlucht. Ziet, dat moeten wij allen doen. Wij moeten de vogels verschrikken, die het goede zaad willen opeten. O, lieve kinderen, denkt er maar goed over na welke van die leelijke, gevaarlijke vogeltjes u op ditzelfde oogenblik bedreigen, en er zoo straks op uit zullen wezen het goede zaad van den akker uwer harten weg te pikken. Onze lieve Heiland is er zoo bedroefd om wanneer Hij

ocr page 184

lyo

opmerkt hoc velen van Zijne kinderen niet willen luisteren en niet willen gehoorzamen, terwijl Hij hen toch zoo gaarne gelukkig wil maken!

Nu zijn wij aan het laatste veld gekomen. „Hier,quot; zeide de landbouwer, „is mijn stukje

goede grond.quot;

Wij begrijpen niet dat het zoo verschilt van het overige gedeelte. Maar de landbouwer vertelt ons dat de regen uit den hemel het week heeft gemaakt, en dat hij er alle onkruid uit heeft laten verwijderen, en er goed zaad in heeft gezaaid, en de vogels verjaagd heeft; en nu is er een rijke oogst opgekomen. Het zaad viel in de goede aarde en bracht vele vruchten voort.

En nu, beste kinderen, dankt God dat wij allen goede aarde kunnen zijn. God kan de steenachtige plaatsen uit onze harten wegnemen, en door Zijn Heiligen Geest kan Hij in ons binnenste goede aarde scheppen. Laat ons neerknielen en onzen He-melschen Vader vragen of Hij om Jezus\' wil goede aarde van ons wil maken. „De goede aarde zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.quot;

„Schep mij een rein hart, o god!quot;

ocr page 185

PAULUS\' NEEFJE.

„En als Faulus\' zusters zoon deze „lage gehoord had, kwam hij daar, „en ging in de legerplaats, en „boodschapte het Paulus.quot;

HAND. 23 : 16.

Heden is het weer de Zondag van onze kinderen, waarop ik al de ouderen vergeten en mij onmiddellijk en uitsluitend richten mag tot de kleinen. Maar natuurlijk, gij moet een tekst hebben voor uw preek; en na eenig zoeken kon ik geen beteren vinden, dan dien, welke mij juist onder de oogen kwam over het kleine neeije van den grooten apostel Paulus. Ik noem hem klein, omdat hij stellig nog jong was, toen hij zijn oom in de gevangenis ging bezoeken. Zijn naam weten wij niet, ook niet hoe hij toen juist in Jeruzalem kwam. Maar hij was er — als een der kinderen van Paulus\' eigen zuster — en hij deed nog al iets bijzonders ook, hoewel hij toch, evenals dat met zooveel kleine jongens het geval is, ons zijn naam niet achtergelaten heeft om wat meer van hem te kunnen vernemen. Misschien

ocr page 186

was zijn grootmoeder in Tarsen overleden, en was hij met zijn moeder in Jeruzalem komen wonen, waar alle Joden het liefst waren. Misschien ook was hij hier naar toe gekomen om de school te bezoeken, juist zooals zijn oom Paulus dat eenige jaren geleden gedaan had. In ieder geval, hij was er om de een of andere reden, en evenals andere jongens liep hij op straat om eens te zien wat daar voorviel. Hij moet een kleine jongen geweest zijn, anders kon hij niet gehoord hebben, wat hij hoorde ; — zoo klein, dat de priesters hem geen opmerkzaamheid waardig keurden.

Het kan wel zijn, dat hij de menigte zich zag verdringen voor het paleis van den Romeinschen bevelhebber, en er heen ging om de oorzaak te vernemen van zooveel drukte, getier en geraas.

Dicht genoeg er bij gekomen, zag hij zijn oom Paulus, staande op de trappen, met soldaten om zich heen en een menigte vertoornde menschen vóór zich. Sommigen trachtten hem op den grond te werpen, anderen hieven de vuist tegen hem op, en nog weer anderen wierpen handen vol aarde in de lucht, terwijl zij allen schreeuwden, zoo hard ze maar konden: „Weg met hem!quot; Daarop zag hij hoe de soldaten uit hot kasteel toesnelden, eenige der rumoerigste en dichtstbij zijnde Joden neersloegen, terwijl zij Paulus uit hunne handen rukten en hem haastig in het kasteel droegen.

De jongen, nieuwsgierig te weten wat zijn eigen oom toch wel met dit oproer te maken heeft en met een onverschrokkenheid, die zooveel op Paulus\' moed

ocr page 187

173

gelijkt, dringt door tot in het midden dezer vertoornde mannen en luistert scherp, als een echt nieuwsgierige jongen, naar hetgeen zij zeggen.

Een groep van minstens veertig personen, bestaande uit de meest vertoornde Joden, kwam bij het krieken van den dag te zamen; zij waren zóó boos en hadden hot zóó druk, dat zij geen acht sloegen op den kleinen nieuwsgierigen luistervink in hun midden. Door verschillende uitdrukkingen, die hij opvangt, begrijpt hij, dat ze elkander beloofd hebben niet te eten of te drinken, totdat ze zijn oom Paulus gedood zullen hebben. Het slimme kereltje blijft nu goed opletten, totdat hij ook begrijpt, hoe zij van plan zijn dat te doen. Zij willen de priesters aan den bevelhebber laten vragen Paulus nog eens in den Raad te laten komen, opdat zij hem nogmaals kunnen ondervragen, en op zijn weg daarheen zullen zij dan uit de een of andere schuilplaats te voorschijn komen en hem midden op de straat overvallen, juist zooals de samenzweerders dat gedaan hadden met Julius Cesar. Zeker, slechts één ding blijft den armen jongen over te doen. Hij moet onmiddellijk zijn oom in kennis stellen van dezen aanslag op zijn leven. Voorzichtig sluipt hij het hoekje van de straat om, uit het gezicht der Joden, en loopt dan, zoo hard hij maar kan, naar het kasteel waar zijn oom bewaard wordt.

De Romeinsche bevelhebber, Lysias heeft, vriendelijk genoeg, Paulus\' vrienden toegestaan hem in het kasteel te bezoeken, zoo dikwijls zij dat wenschen, en misschien is het neefje er dan ook al reeds vroe-

ocr page 188

174

ger geweest. Maar in ieder geval, dezen keer snelt hij den wachten haastig voorbij, die hem — misschien wel met een vriendelijk „goeden morgenquot;—laten gaan, en loopt regelrecht de trappen op tot voor de kamer, waar zijn oom Paulus zich bevindt. Binnentredend ziet hij eerst zorgvuldig rond of niemand hem beluisteren kan, en dan fluistert hij Paulus het geheele plan in het oor; „dat de Joden om hem zenden zullen, opdat hij zich nog eens verantwoorden zal, en dat veertig hunner in een hinderlaag zullen liggen om hem op zijn weg daarheen te dooden.quot;

Ik zou hier met de geschiedenis kunnen eindigen, omdat uw preek hier begint, maar misschien zijt gij verlangend te weten, hoe het verder ging; daarom wil ik nog even voortgaan. Het zij genoeg te zeggen, dat Paulus den knaap gebood niemand iets te vertellen, maar onmiddellijk naar den bevelhebber te gaan. Ook riep hij een soldaat, die er den jongen moest brengen, en^evens den bevelhebber zou zeggen, dat zijn neefje hem iets mee te deelen had.

Maar de Bijbel kan u dat beter verhalen, dan ik; daarom wil ik u voorlezen : Handelingen 23 ; 17—35.

„En Paulus riep tot zich een van de Hoofdman-„nen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling „henen tot den Overste, want hij heeft hem wat te „boodschappen. Deze dan nam hem en bracht hem „tot den Overste, en zeide: Paulus, de gevangene, „heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik „dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat „heeft te zeggen. De Overste nu nam hem bij de „hand en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij:

ocr page 189

„Wat is het, dat gij mij hebt te boodschappen ? „En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om „van u te begeeren, dat gij Paulus morgen zoudt „in den Raad afbrengen, alsof zij iets van hem „nader zouden onderzoeken. Doch, geloof hen niet; „want meer dan veertig mannen uit hen leggen „hem lagen, welke zich zolven met eene vervloe-„king verbonden hebben, noch te eten, noch te drin-„ken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben en „ze zijn nu gereed, verwachtende de toezegging „van u.

„De Overste dan liet den jongeling gaan, hem „gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks „geopenbaard hebt.

„En zekere twee van de Hoofdmannen over hon-„derd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt „tweehonderd krijgsknechten gereed, opdiit zij tot „Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehon-„derd schutters, teg\'en de derde ure van den nacht; „en laat hen zadclbeesten bestellen, opdat zij Paulus „daarop zetten, en behouden overbrengen tot den „stadhouder Felix. En hij schreef eenen brief, heb-„bende dezen inhoud:

„Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder „ Felix: groetenis. Alzoo deze man van de Joden „gegrepen was, en van hen omgebracht zoude „geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het „krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht „zijnde, dat hij een Romein is. En willende de zaak „weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik „hem afin hunnen Raad; welken ik bevond beschul-

ocr page 190

176

„digd te worden over vragen hunner Wet, maar „geene beschuldiging tegen hem te zijn, die den „dood of banden waardig is. En als mij te kennen „gegeven was, dat van de Joden eene lage tegen „dezen man zoude gelegd worden, zoo heb ik hem „terstond aan u gezonden, gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen „hem hadden. Vaarwel. — De krijgsknechten dan, „gelijk hun bevolen was, namen Paulus en brachten hem des nachts tot Antipatris. En des anderen „daags, latende de ruiters met hem trekken, keer-„den zij weder naar de legerplaats. Dewelke, als zij „te Cesarea gekomen waren* en den brief den Stad-„houder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus „voor hem gesteld. En de Stadhouder den brief „gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij „was ; en verstaande, dat hij van Cilicië was, zeide „hij : Ik zal u hooren, als ook uwe beschuldigers „hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in „het rechthuis van Herodes zoude bewaard worden.quot;

Zoo ontkwam Paulus, de groote Heidenapostel, dan nog gelukkig aan een groot gevaar, en dien veertig slechten Joden schoot niets anders over dan hun belofte te breken of van honger te sterven ; het laat ons tamelijk onverschillig wat zij kozen.

Laat ons nu met onze opmerkzaamheid weer teruggaan naar den jeugdigen held van het verhaal. Ik geloof niet, dat hij zich verbeeldde iets groots te doen, en toch was hij het middel om het leven te redden van den grootsten Heidenapostel. Hij deed slechts wat elke andere goede, flinke jongen gedaan zou

ocr page 191

hebben, en wat vele flinke jong\'ens en meisjes na dien tijd ook deden. Hij hield van zijn oom Paulus, verfoeide do lage, wraakzuchtige samenzwering\' der priesters en besloot ze te verijdelen, zooals hij dat dan ook deed. Hij wist niet, ja kon zelfs niet vermoeden welke groote g\'evolgen een zoodanige daad met zich zou brengen, maar al had hij dat ook geweten, hij zou toch niet verstandiger hebben kunnen handelen.

Als hij zijn geheim niet goed bewaard had, totdat Paulus het wist, zou hij óók gedood zijn, en dan had het best kunnen gebeuren, dat wij nooit iets van hem in den Bijbel gehoord hadden, in elk geval zouden we de laatste helft van Paulus\' brieven niet in bezit hebben. Was het dus niet der moeite waard zulk een daad op te teekenen in den Bijbel, en den knaap, die zulks deed, te herdenken, zelfs al weten wij noch zijn naam, noch iets anders van hem? Stellig, hij deed iets goeds en wel voor de geheele wereld.

Ik heb dikwijls gedacht of deze kleine, onbekende knaap niet een goede los geeft, beiden aan ouden en aan jong-on, en daarom stel ik hem u dezen morgen voor als een voorbeeld hoe jongens en meisjes goede en groote ding-en voor den Heer kunnen tot stand brengen.

Sommige menschen, - het spijt mij, dat ik het zeggen moet — verwachten niet veel van kinderen. Zij denken, dat ze niets anders doen kunnen dan eten en drinken en hun kleeren verslijten. Zij beschouwen hen als geschenken, die aanhoudend veel

ocr page 192

78

uitgaven noodzakelijk maken en, onverstandig genoog, gewoonlijk toegezonden worden aan hen, die zo het slechtst bekostigen kunnen. Zij houden niet van het leven, dat kinderen maken, hun aanhoudend gebabbel kunnen zij niet uitstaan ; met blijdschap zien ze hen naar bed gaan. Ruw stooten zij hen af en gaarne zouden ze hen op een stoel vastbinden, buiten hun gehoor en buiten hun gezicht.

Ik heb eens een man gekend, die zeide, dat het eenige wat kinderen konden doen, was: ondeugend zijn. De Heer gaf er hem slechts twee om het hem lastig te maken 1 Sommige menschen denken waarlijk dat kinderen niets dan kwaad kunnen doen, dat zij zorgeloos zijn en alles vergeten, behalve hun spel; zij behandelen ze, alsof zij geen gevoel hadden; geen innerlijk gevoel van recht, geen begrip van onrecht. Schijnbaar zonder reden kunnen zij hun een verzoek weigeren, of hun speelgoed afnemen, zonder er bij te denken, dat kinderen daar hartzeer van kunnen hebben. Andere menschen schijnen waarlijk te denken, dat kleine kinderen weinig meer zijn dan dieren, zonder eenig verstand of eenige teerheid van geweten, wier wenschen ruw veronachtzaamd en wier kinderlijke hulpvaardigheid met volkomen onverschilligheid over het hoofd gezien mogen worden. Als een klein kind valt en begint te schreien, is al wat sommige menschen zeggen, een onvriendelijk hard bevel: „op te staan en toch stil te zijn!quot; Anderen zullen verder gaan zonder een enkelen medelijdenden blik voor den omgevallen wagon of het gebroken tuig.

Zulke ongevoelige menschen zijn vergeten, dat zij

ocr page 193

179

ook eens kleine kinderen waren, en ook wel degelijk hun verdriet hadden, dat zoo zwaar te dragen scheen. Of misschien werden ze ook zoo onverschillig behandeld, en gelooven het nu hun plicht evenzoo te doen teg\'enover hun opvolgers.

Maar ik geloof, dat zij groot ongelijk hebben en dat dit heel verkeerd is. Het kleine volkje heeft wel terdege een gevoelig hartje en een zeer teeder geweten. Spoedig genoeg weten zij, wie hen waarlijk liefheeft. Zij oordeelen niet naar het aantal geschenken, waarmede sommige voorgewende vrienden hen tegenkomen. Er is een betere sleutel noodig om een kinderhart te openen dan een zakje klontjes. Het is een oprechte, warme waardeering van den kleine zelf.

Ik bewonder die eene daad van den ouden Romeinschen bevelhebber, Lysias, tegenover het jeugdige neelje van Paulus. Hij moet stellig zelf jongens gehad hebben. Hij gaf den soldaat geen bevel den jongen weg te jagen. Hij vroeg niet op ruwen toon: „Wat moet jij hier zoo vroeg doen?quot; Neen, hoe eenvoudig en waar wordt ons dit in don Bijbel verhaald: „De Overste nu nam hem bij de „hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat „is het, dat gij mij hebt te boodschappen?quot;

Misschien zal de kleine Paulus de tweede — of hoe hij dan ook heeten mag — het hoofd verlegen hebben laten hangen, toen hij pas bij den Romeinschen bevelhebber kwam, maar Lysias wist wel wat er bij het knaapje omging en nam hem bij de hand. Dat dempte de kloof en bracht den grooten man en het kleine ventje bijeen. Ik zie haast hoe zij te

ocr page 194

i So

zamen naar een hoek van de kamer gingen en met elkander fluisterden, zoodat geen der soldaten, die buiten stonden, een woord konden opvangen van het groote geheim, dat de kleine jongen kwam vertellen. Hij was een teerhartig man, die bevelhebber Lysias, en hij verstond jongens heel wat beter, dan menigeen heden ten dage, al was hij ook een stoer Romeinsch officier en een Heiden. Hij dacht dat het wel der moeite waard was naar hun boodschappen te luisteren, en de heele wereld is hem dank verschuldigd, dat hij heeft willen hooren naar het verhaal van dien eenen jongen.

En tot u, groote jongens en meisjes, moet ik eens even zeggen, dat als een klein kind naar u opziet met een ietwat angstig vragende uitdrukking, die van verlegenheid getuigt, het u wel iets kon te vragen of te zeggen hebben, dat de moeite van eens bedaard en vriendelijk naar hem te luisteren best waard kon blijken te zijn.

Als gij het aanhoort, moge het n niet veel bijzonders toeschijnen, voor hen is het dat wel en het zou toch voor « óók van groote waarde kunnen wezen. Want zelfs een kind kan de ontwerper zijn van groote plannen.

Hebt gij de fabel vergeten van de muis, die eens bijna vertrapt werd door den zwaren poot van een leeuw, en die zoo smeekend vroeg heen te mogen gaan, terwijl ze beloofde op den een of anderen tijd hem wederkeerig van dienst te zullen zijn?

De leeuw liet ze gaan, enkel om haar onbedui-endheid, maar niet lang daarna raakte hij verward

ocr page 195

181

in een net, waaruit geen ontkomen mogelijk was.

De muis hoorde zijn gebrul en haastte zich de knoopjes één voor één door te knagen, totdat de koning der dieren vrij was — nu met heel wat hoo-ger dunk van het verachte knaagdiertje! Zie dan wel toe „dat gij niet een van deze kleinen veracht. „Want ik zeg ulieden, dat hunne Engelen, in de „hemelen, altijd zien het aangezicht mijns Vaders, „die in de hemelen is.quot;

Maar kinderen denken zelf ook wel eens, dat zij niets doen kunnen en niets beteekenen. Moeilijk kunt ge u meer vergissen. Gij zijt uwen vader en uwe moeder zooveel waard, dat ze u niet zouden willen missen, nog niet voor (?/het geld der wereld! En gij weet niet, hoeveel goed gij ze iederen dag doet, en hoeveel meer gij nog doen kunt, als gij er u op toelegt, goed te zijn. Als uw moeder vermoeid is van al het werk, wat kunt gij ze dan niet opfris-schen onder hare vermoeienis door uw vroolijk gelaat en vriendelijke woorden en vluggen stap! Als zij hoofdpijn heeft, is er geen hand, die haar zoo weldadig aandoet als die van haar liefhebbend kind. Als uw vader thuiskomt van de drukte en van de beslommeringen van zijn werk, doet uw gezichtje, dat voor het venster naar hem uitziet, hem veel aangenamer aan, dan het opgaan der zon aan den morgen van een nieuwen dag, en uw heldere, hoopvolle oogjes zijn lichter dan sterren in een donkeren nacht. Uw lief, vroolijk karakter, als g\'ij dat ten minste altijd toonen wilt, zal uw huis de prettigste en gelukkigste plaats op aarde maken. Gij, kinderen, zijt de

ocr page 196

82

bloemen, die het huis versieren en welriekend maken, en het geluk van uw huis is ten naasten bij wat gij het maakt. Gij kunt nu wel denken, dat het noch goed, noch kwaad doet als gij de huisgenooten bedroeft en plaagt, of als gij aanhoudend wat te klagen hebt, maar het is een wanklank, even knarsend als het geluid van een slappe zaag, of even onwelluidend als het uitschrappen van een leege pan. Ofschoon gij dus niet bepaald iets goeds of groots tot stand brengt, kan en zal toch het karakter, dat gij hebt, de toon. waarop gij spreekt, ja zelfs de wijze, waarop gij wandelt of loopt of lacht, een gezegende troost óf een last in uw huis wezen. Als gij vroolijk, vriendelijk, lief en hulpvaardig zijt, zijt gij een zonneschijntje en een zegen, grooter dan iemand zeggen kan. Dit alles kunt gij zijn, zonder al te veel moeite, en gij zult het ook wel wezen, als gij op de juiste wijze geholpen wordt.

Maar de kleine Paulus Jr. uit onzen tekst toonde iets meer dan een vriendelijk humeur. Hij deed iets, dat uitliep op een zegen voor de gansche wereld.

Gij hebt misschien geen oom in de gevangenis ; nu, ik hoop, dat gij dien nooit hebben zult ook, maar er zijn heel wat kleine dingen, die gij doen kunt en die een groote zegen kunnen blijken te zijn. Zoo was het met andere kinderen en dat wel met zóó vele, dat ik nauwelijks weet van wie u te vertellen, te meer daar hetgeen zij deden soms zoo geheel verschillend was.

Ziehier een zeer kleine daad van twee meisjes.

ocr page 197

183

iets wat gij heel goed kunt nadoen. Het had plaats in de stad Boston.

Een hoog bejaarde heer wandelde langzaam en alleen door de straten ; angstig keek hij rond, alsof hij verdwaald was. „Wat ziet hij er vermoeid uit,quot; zeide een dier meisjes, terwijl ze beiden wat dichter bij hem kwamen. „Konden wij hem maar helpen,quot; zei de ander. Plotseling liet hij zijn stok vallen. Eén hunner sprong vooruit, raapte hem op en reikte hem den ouden man over. „Dank u, mijn kind,quot; zei hij. „Ik kwam vandaag naar de stad om mijn zoon te bezoeken. Ik wilde hem verrassen, daarom liet ik hem niets van mijne komst weten. Maar ik heb nu al een heel eind gewandeld, zonder dat ik verder kom. Kunt gij mij ook den weg wijzen naar — straat nommer 16?quot;

„O, daar zullen wij u wel brengen,quot; zeiden de meisjes tegelijk. „Moeder heeft gezegd, dat we een uurtje mochten wandelen.quot;

„God zegene u, lieve kinderen,quot; sprak de oude man, „het spijt mij u lastig te vallen.quot;

„Maar gij valt ons niets lastig,quot; was het antwoord. „Wij doen iemand wel gaarne een pleiziertje!quot;

En zij brachten hem tot vlak voor de deur van het huis zijns zoons.

Bij het afscheid zei de heer: „Als gij ooit in Berkshire komt, vraagt dan naar de woning van John B. en gij zult zoo hartelijk welkom geheeten worden, als dat in eenig huis in ^Massachusetts mogelijk is.quot;

Was dat, hoewel een kleine, toch geen goede daad?

ocr page 198

184

Laat mij u ook nog iets vertellen van een ander kind, eveneens een meisje. Het is weer heel iets anders, en meer gelijkend op hetgeen Paulus\' neetje deed.

Generaal Washington was in New-York, kort na de onafhankelijkheidsverklaring. De Tories, de vijanden van Amerika, vormden een samenzwering om den generaal te vergiftigden en huurden daarvoor een zijner bedienden, die wat arsenicum (rattenkruit) in zijn middagmaal zou doen. Een klein meisje echter hoorde, wat daaromtrent besproken werd en vertelde alles aan Washington. Zoo werd zijn leven gespaard om de vrijheid der Amerikanen te herwinnen. — Den naam van dat meisje weet ik niet, maar door haar kleine daad, waarvan de gevolgen doorwerken nogquot; tot op heden toe, werd voel goeds veroorzaakt.

Toch was zij in die bange tijden niet de eenige, die zulk een vaderlandsliefde aan den dag legde. Drie andere meisjes, allen beneden den leeftijd van zestien jaar, toonden ter zelfder tijd te Martha\'s Vineyard haar moed, ook slechts in een kleine daad.

Een der Engelsche schepen, die voor dat eiland geankerd lagen, had een mast noodig om er zijn zeilen aan te bevestigen. Er was een bijzonder fraaie stok, de eenige, op het eiland, die er voor gebruikt kon worden; maar dat was de vlaggestok. De commandant zei, dat hij dien hebben moest en er den volgenden morgen wel om sturen zou. Deze drie meisjes beloofden elkander, dat hij hom niet krijgen zou, want dat zou een schande zijn voor hun vaderland. Verbeeld u dat do vlag- niet meer waaien kon. In den nacht gingen zij gezamenlijk

ocr page 199

■85

daarheen, boorden verscheidene gaten in den groeten vlaggestok en vulden die met buskruit.

Toen staken zij een lucifertje aan en liepen weg zoo hard zij konden. Het buskruit deed den stok uiteenspringen en in stukken op den grond vallen; en het schip kon vertrokken zonder den mast. Dit is wel een bewijs, dat kleine meisjes tot groote dingen in staat zijn, als zich do gelegenheid maar voordoet.

De daad zelf behoeft niet altijd van zooveel belang te zijn, de gevolgen kunnen toch groot wezen.

Het was \'niets bijzonders, dat het kleine meisje in den vuurtoren naar boven klom en daar de lamp opstak, toen haar vader door hevigen storm de kust niet kon bereiken, maar een g\'root schip werd daardoor toch gedurende don nacht van do rotsen afgehouden, en zijne bemanning van een zekeren dood in de golven gered.

Het was voor dien kleinen jongen slechts het werk van een oogenblik de spoorbaan langs te rennen mot de noodvlag en daardoor den trein te beletten een brandende brug tegemoet te snellen; maar dat verhinderde toch het verongelukken van omstreeks honderd menschen.

Het is niet veel bijzonders een klein zaadje in den grond te leggen, een eikel te planten in een gaatje, dat gij met den vinger in den grond maakt; elk kind kan dat doen; maar na eenigen tijd zal daar de krachtige eikeboom uit g\'roeien en honderden vogels zullen in de takken heen en weer springen, en er hun vroolijk lied doen hooren, terwijl later

ocr page 200

186

de stam op een schip de wereld zal rondreizen.

Waarlijk, al wat groot is, had eens een klein begin, dat door elk kind gemaakt kan worden.

Een kleine jongen, die bij den haard zat te kijken hoe de stoom uit zijns moeders ketel kwam. toen deze over het vuur hing, vatte het denkbeeld op van de stoomkracht, waardoor tegenwoordig bijna de geheele wereld in beweging wordt gebracht.

Het zoontje van een brillenmaker, dat zich in zijns vaders winkel vermaakte met twee glazen op verschillenden afstand voor de oogen te houden, zag den weerwijzer op een kerktoren onderst boven en zeer vergroot. Dit vertelde hij aan zijn vader en uit dit spel kwam men tot den telescoop en tot veel, wat wij van het groote heelal weten.

Het kleine, dat een kind doet, moge langen tijd zonder waarde schijnen, ja, misschien zal de juiste waarde nooit duidelijk zichtbaar worden, maar dat komt dan enkel, doordat wij de geheime schakels niet kennen, waardoor alle dingen met elkander verbonden zijn. Somtijds evenwel komen deze uitkomsten onverwachts aan den dag.

Misschien leert uw moeder u graag versjes. Het is lang geen gemakkelijk werk u een goed versje zóó voor te zeggen, dat gij het altijd goed kent, wanneer men er u maar naar vraagt; het versje zou u niet kunnen bevallen; gij zoudt wel kunnen denken, dat het leeren daarvan tot niets diende. En toch, gij kunt niet begrijpen, welk een grooten zegen het leeren van een versje voor uw volgend leven hebben kan.

ocr page 201

iSy

Herinnert gij u de geschiedenis van Regina ? Het gebeurde zóó lang geleden — voor meer dan honderd jaar — dat gij er wellicht nog niet van gehoord hebt. Het is een bewijs, dat het leeren en herinneren van een enkel versje ontzaglijk veel goed kan doen. Regina was een Duitsch meisje en ongeveer acht jaar oud. Zij woonde in de bosschen van Penn-sylvanië, waar tegenwoordig- Carlisle ligt.

De Indianen deden een inval in dat land, verbrandden de huizen hunner naburen, doodden velen der inwoners, en namen er nog veel meer gevangen. Regina\'s vader en oudste broeder werden gedood en zijzelf werd meegevoerd. Haar moeder was op dat oogenblik met een ander kind niet thuis en vluchtte in de bosschen van Canada.

De kleine Regina viel in de handen van eene Indiaansche vrouw, die haar tien jaar lang zeer wreed behandelde, totdat Regina alles van vroeger vergat en zelve bijna een Indiaansche werd.

Vele jaren later ging Canada uit de handen der Franschen weer over in die der Engelschen, door wie kolonel Boyet met eenige soldaten naar deze Indianen gezonden werd om de gevangenen weder op te eischen. Omstreeks vierhonderd personen werden uitgeleverd. De goede kolonel bracht deze arme, beklagenswaardige wezens zoo spoedig hij kon naar Pennsylvanië, waar de meesten hunner vandaan waren, en adverteerde in de couranten, dat allen, die hun vrienden en voornamelijk hun kinderen verloren hadden, naar Carlisle moesten komen om te zien of zij hen konden herkennen uit die

ocr page 202

i88

woeste menigte in Indiaansche kleederdracht.

Aan die oproeping gaven heel wat menschen {fehoor, en onder hen natuurlijk ook de arme moeder van Regina, met een door verdriet gebroken hart. Zij durfde nauwelijks hopen, dat haar lang verloren kind daarbij zou zijn. Langzaam liep zij de rij der gevang-enen voorbij en opmerkzaam beschouwde zij ieder gelaat. Maar er was er niet een, waarin zij haar dochter herkende. Dit was volstrekt niet vreemd, want haar klein achtjarig meisje was opgegroeid tot eene jonge, negentienjarige wilde.

Terwijl zij heenging, bitterlijk weenend over het ineenstorten van haar laatste hoop, werd de kolonel zóó getroffen door haar smart, dat hij de moeder vroeg of er niet eenig kenmerk of teeken was, w-aaraan zij haar kind kon herkennen. Doch zij kon niets bedenken.

„Maar wat waart gij dan gewend uw kind te leeren ?quot; vroeg kolonel Boyet.

Helaas, het was al zoo lang geleden, dat de moeder zelf het bijna vergeten was. Al wat zij zich herinneren kon was een versje, dat zij meermalen voor haar kinderen zong en dat haar kleine meisje vooral gaarne hoorde, ja, zelfs van buiten gekend had. Maar zij kon niet gelooven, dat haar dochter zich dat nog zou herinneren, aangenomen dat zij daar te midden dier menigte stond.

„Wel, komaan,quot; zei de kolonel, „ga nu eens hier op dit heuveltje staan en tracht dan eens het versje te zingen.quot;

Zonder hoop in het hart begaf de moeder zich

ocr page 203

iSg

daarheen, en met bevende stern hief zij het lied aan, dat zij zich nog herinnerde uit haar woning-in het bosch:

„Alleen en toch niet verlaten,

„Schoon eenzaam, droef te moe,

„Voel ik de nabijheid mijns Heeren,

„Hij wenkt mij steeds vriendelijk toe.

„Ik ben met Hem, Hij is met mij —

„Neen, \'k ben niet eenzaam: hier is Hij!quot;

Nauwelijks had zij de eerste twee regels gezongen, of een slank Indiaansch meisje sprong als een ree uit de gevangenen, snelde den heuvel op en sloeg de armen met een kreet om haar moeders hals.

De lang verloren dochter was gevonden!

Was dat versje het leeren niet overwaard ?

Waarlijk, kinderen, de kleine versjes, die gij leert, en de kleine vriendelijkheden, die gij bewijst, zullen later misschien verrassende uitkomsten opleveren. Gij kunt het niet weten, maar de Heer weet het cn herinnert Zich altijd wie gij tracht te zijn. Hij zal niet nalaten Zich den kleinsten dienst te herinneren, dien gij voor Hem verricht hebt, indien het uw streven is Hem te behagen.

Hij zal u nooit vergeten, maar ach, vergeet gij Hem toch óók maar niet!

ocr page 204

DES KONINGS TUINEN.

„Des konings hof.quot; neh. 3 : 15.

Komt, jongens en meisjes, gaat met mij mede om eenige groote en schoons tuinen te zien ! Dat zal u wel bevallen, en ik hoop dat het niet alleen aangenaam, maar ook nuttig voor u wezen zal.

Laat ons beginnen met den eersten tuin of hof, die ooit gemaakt is; schooner en heerlijker plaats is er op aarde wel nooit geweest. God liet er alle mogelijke boomen groeien, die de smakelijkste vruchten droegen, en fraaie, veelkleurige bloemen; heldere rivieren kronkelden er door heen, — nu eens kabbelden zij voort als liefelijke beekjes langs de rotsen en de wuivende varens, of stortten neer in bruisende watervallen; dan weder verbreedden zij zich tot vijvers, wier oevers met bloemen waren bezaaid, en naar wier effen vlakte de boomen hunne bladerrijke takken heenbogen, tot zij hun eigen beeld, dat in het water weerspiegeld was, bijna aanraakten. Allerlei watervogels zwommen er in of vlogen er boven, en op de oevers waren vreemdsoortige dieren, die zich overal vrij konden bewegen.

ocr page 205

jgi

en nog nooit voor hunne vcilig-hoid hadden behoeven te vreezen. Dit was het verblijf van den eersten monsch, Adam. Hier woonde hij met Eva, zijne vrouw; hier, te midden van de zoete geuren der bloemen en de gouden vruchten, waar een altijddurende lente heerschte, en alles jong en onbezorgd en gelukkig was, waar alles prijkte met ongekende schoonheid. Ge kunt zeker wel raden waarom het er zoo heerlijk was: omdat God dien tuin geschapen had, en omdat er geene zonde was, maar Gods zegen er op neerdaalde als liefelijke zonneschijn en verkwikkende dauw.

Ge herinnert u, dat, toen de zonde er was binnengedrongen, alles bedorven was, en de mensch uitgedreven werd om het kruid des velds te eten, en er doornen en distelen groeiden in plaats van bloemen.

Nu wil ik u naar een anderen tuin medenomen. Wij moeten er heengaan in den nacht, wanneer de maan haar zilveren schijnsel laat vallen op de knoestige oude boomstammen en de kronkelende takken, die zwarte schaduwen werpen op den grond. Laat ons stil en eerbiedig binnengaan, want Jezus is daar. Hij bidt, en terwijl Hij bidt, drukt het lijden, dat Hij om onzentwille draagt. Hem zóó terneder, dat, in Zijn namelooze smart en ang^t, het zweet als droppelen bloeds wordt. Hij buigt terneer onder den vloek van de zonde der wereld. Zooals dus in den hof van Eden de eerste zonde was gepleeg\'d, werden de last en de vloek van onze zonde door Jezus in den hof Gethsémané gedragen.

Wij lezen in den Bijbel van nog- een anderen

ocr page 206

ig2

tuin, die schooner dan de hof van Eden, heiliger dan Gethsémané is. Het is de hof, waarvan Johannes schrijft. Evenals in den hof van Eden is er eene heldere rivier met het water des levens, en in het midden er van en aan beide kanten der rivier is de boom des levens. Het geheele jaar door zijn er vruchten, twaalf soorten van vruchten; elke maand brengt de hare voort. En evenals in Gethsémané zal Jezus er zijn, maar niet in angst en lijden. „Het Lam, dat in het midden des troons is, zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren.quot; En terwijl in den hof van Eden en van Gethsémané de toegang voor ons gesloten was, mogen gij en ik hier vrij binnentreden, want Jezus zegt: „Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.quot;

Er is echter nog een tuin, waarvan de Bijbel ons veel meer verhaalt dan van dien, welken ik genoemd heb. Het is een hof, dien wij den tuin des Ko/nngs zullen noemen, — een tuin, waarmede wij allen te maken hebben. Heel dikwijls, wanneer ik door een tuin wandel, kom ik bij een plekje, dat door paaltjes of stokjes van het overige gedeelte is afgescheiden, en dan neemt gewoonlijk een aardige kleine jongen of een lief meisje mij bij de hand en zegt; „Dat is mijn tuin, daar mag ik in doen alles wat ik maar wil.quot; Xu hoeft elk van ons een tuin, een eigen tuin, en toch moet het de tuin van den koning zijn. Gij begrijpt wat ik bedoel, — het is de tuin van onze ziel, de tuin van ons hart.

ocr page 207

193

Eerst wil ik u herinneren dat tuinen van ivocste plaatsen worden gemaakt.

Ge zijt misschien wel eens in een bosch geweest, en dan weet ge hoe er overal varens en andere planten opschieten tusschen de hooge boomen, terwijl sommige plaatsen geheel bedekt zijn met brandnetels, en aan den kant van het water het riet welig groeit. Of ge hebt wel eens op de duinen gewandeld, op plaatsen zoo dicht bezet met braamstruiken, dat het u moeite kostte er door heen te komen ? Ik zeg niet dat er niet veel goeds en moois is, — er zijn madeliefjes, en viooltjes en duinrozen. Maar er is geen tuin — in een tuin moet hot er niet zoo woest uitzien, moet geen onkruid groeien. Nu is elke tuin eerst juist zulk eene wildernis geweest — vol distels en struiken, vol planten, die wild door elkander groeiden. Zoo is het ook met den tuin van den Koning. Wij zouden gaarne willen dat ons hart rein en goed was, en zooals de tuin eens konings behoort te zijn, maar als wij dan al het onkruid zien, dat er in groeit, worden wij wel eens bang, dat het nooit een tuin zal worden. „Ik zal nooit een zoete jongen of een lief meisje worden,quot; zegt gij. „Ik zal nooit worden zooals die of die.quot; En dan denkt gij aan uwe moeder, of aan iemand anders, die heel goed is, en go vindt dat hot vergeefsche moeite is te beproeven ooit zóó te worden. Toen ik een kleine jongen was, leerde ik teekenon, cn eens, toen ik heel lang getobd had met eene teekening, en ik haar niet goed kon krijgen, wierp ik eindelijk mijn potlood weg en zeide op knorrigen toon; „Ik zal nooit

ocr page 208

194

kunnen teckencn.quot; De meester was een vriendelijke en verstandige man. Plij glimlachte en zeide; „komaan, nooit is wel een beetje veel gezegd. Toen ik zoo oud was als gij, kon ik het ook niet beter.quot; Dat gaf mij nieuwen moed. Hij, die alles kon teekenen wat hij wilde, die slechts even zijn potlood op het papier behoefde te zetten en alles dadelijk goed kreeg, — hij had eens niet beter kunnen teekenen dan ik! Ik ging weer aan het werk, en was later nooit meer geneigd om het op te geven. En zoo is het met de beste menschen geweest, die ooit geleefd hebben. Paulus en Johannes en al die vrome mannen, van wie gij zoo vaak gehoord hebt, hadden óók veel te doen aan den tuin van hun hart, veel onkruid te wieden, veel distels en dorens op te ruimen, vóórdat het de tuin eens Konings werd. Laat ons dus den moed niet opgeven, omdat wij nog niet zijn wat wij wenschen te worden. De tuin des Konings was eerst eene woestenij.

Nu denkt gij misschien dat ge moet beginnen met er alles uit weg tc ruimen. Maar daaraan moet nog iets anders voorafgaan. Stel u voor dat ge naar een bosch of naar de duinen gaat, en zegt: „Hier is grond in overvloed, ik zal een tuin maken ;quot; en dat ge alles begint uit te rukken en om te spitten. Heel spoedig zou er iemand op u atkomen en u vragen welk recht gij hebt dat te doen? en dan zoudt ge ondervinden dat, eer dat gij een tuin kunt aanleggen, gij recht moet hebben op den grond. Eer dat de koning een tuin kan maken, moet hij den grond in eigendom hebben. Eens was er een slechte

ocr page 209

95

koning, die zijn eigen tuin grooter wilde maken, en hij stelde zich voor een stuk land te koopen van een man, die in de stad woonde. Maar de man was zeer op dat stuk land gesteld; het was al jaren lang in zijne familie geweest, en hij wilde het daarom niet verkoopen en ook niet verruilen voor een ander stuk. De koning was heel boos en de koningin ook, toen het haar verteld werd; en zij nam zich vast voor, dat de koning het moest hebben. Zij schreef toen een brief aan de voornaamste menschen van de stad, en gebood hun eene valsche beschuldiging tegen Naboth in te brengen en hem daarna te steenigen. Spoedig kwam het antwoord terug: „Naboth is doodquot;, en de koning wilde bezit nemen van zijn tuin. Toen hij daarheen ging, ontmoette hem de profeet, en deed de aankondiging van Gods vreese-lijke straf in zijn ooren weerklinken: — „Alzóózegt de Heere: In plaats dat de honden het bloed Na-boths gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, o koning Achab.quot; Voordat de koning er een tuin voor zich van kan maken, moet het zijn eigendom zijn.

Zoo is het ook met de wildernis, waarvan wij een tuin voor den Koning willen maken. De Heere Jezus zegt ons: „Mijn zoon, geef inij uw hart.quot; Hij wil het nooit met geweld van ons nemen. Maar als wij het Hem geven, wil Hij het van ons aannemen juist zooals het is, woest en zonder eenige waarde, zonder vruchten en zonder bloemen, met niets anders dan onkruid, doornen en distels. Hij wil gaarne ons hart hebben, niet omdat het een tuin is, maar

ocr page 210

ig6

omdat Hij er eens konings tuin van wil maken ; een tuin, vol vruchtdragende boomen, en mooie bloemen, en heerlijke geuren, een tuin, waarin Hij kan komen om met ons te spreken, evenals Hij in den hof van Eden met Adam sprak. O lieve kinderen, valt dus op uwe knieën, en zegt tot den Heer; „Hier is mijn hart, Heere Jezus ; Gij vraagt er mij om ; zoo woest en zoo dor als het is, geef ik het U. Maak er eens Konings tuin van, waar Gij wilt komen.quot;

Daarna moet er gewied en geplant worden. Het spreekt vanzelf dat in den tuin des Konings geen onkruid, geen wilde struiken, geen woeste plaatsen mogen zijn. Het onkruid moet worden uitgerukt en verbrand, de woeste plaatsen moeten veranderen in bloemperken. Er zullen rozen en anjelieren en lelies zijn ; de reseda zal hare zoete geuren verspreiden en de perken zullen omzoomd zijn met mooie, bonte bladeren. Er zullen heesters zijn en vruchtboomen, alle goed gesnoeid en verzorgd, eerst bedekt met witten bloesem, daarna beladen met de smakelijkste vruchten.

„Ach!quot; zegt gij, „het is zoo moeilijk alles gewied en beplant te krijgen.quot; Het onkruid groeit weer zoo snel op, al is de grond omgeschoffeld, en dan zijn er andere dingen, die bijna niet te verwijderen zijn. Daar is bijvoorbeeld die stekelige doornstruik „de onvriendelijkheid;quot; hoe moeilijk is het haar zóó af te snijden, dat zij niet meer opgroeit, en de lelie der vriendelijkheid in hare plaats kan geplant worden; hoe moeilijk is het „de luiheidquot; geheel te verwijderen.

ocr page 211

197

dat leelijke onkruid, dat alles bederft. „De ongehoorzaamheidquot; gelijkt op die wilde ranken, die overal tegen opklimmen, waar zij niet moesten zijn, en groeien, waar zij niet moesten groeien. Het is een zwaar werk die alle uit te rukken! Maar indien er nu eens iemand was, die andere aarde in onzen tuin kon brengen, zoodat er geen onkruid, maar bloemen en vruchten in groeiden? Ja, er is iemand, die dat wil doen. De Heere Jezus is gekomen om ons een rein hart te scheppen. Hij leert ons dat ons hart uit zich zelf niets anders dan verkeerde dingen voortbrengt, — leugen, en liefdeloosheid, en diefstal, en onvriendelijkheid, en wreedheid, en doodslag. Maar Hij wil ons hart vervullen met den Heiligen Geest en ons een nieuw hart geven; dan zullen daarin opbloeien al de vruchten en bloemen, die er eens Konings tuin van maken. Zie hier wat wij er moeten vinden: — De liefde zal als een zoete geur de lucht vervullen. Vreugde, als het gezang der vogels, zal er in wezen. Vrede zal er in opwassen, en liefelijkheid en rust om zich heen verspreiden. Geduld zult gij er vinden als een stille, nederige bloem; en zachtheid, als het lelietje der dalen; en vriendelijkheid en goedheid zullen welig groeien als een boom, geplant aan den oever eener rivier; en geloof zal den tuin als een vaste muur omringen; en matigheid, wel, laat ons zeggen dat zij als een heldere fontein zal verkwikken en verheugen.

Waar gij dit alles vindt, daar is de tuin des Konings. Gij ziet dus dat wij aan den Heere Jezus

ocr page 212

i98

den tuin van ons hart moeten geven, en Hem vragen ons een nieuw en rein hart te scheppen.

Wij moeten echter ook dezen tuin voor den Koning\' onderhouden. Al is het een nieuw hart en een rein hart, toch moeten wij er zorg voor dragen. Indien ge let op de geschiedenis van het Paradijs, dan zult ge zien, dat, ofschoon de Heer de aarde boomen en bloemen voort liet brengen, die „zeer goedquot; waren. Hij toch den mensch in den tuin plaatste om dezen te onderhouden en er zorg voor te dragen. Wij moeten zorgen dat onze harten voor den Koning bewaard blijven.

Ten eerste moeten wij er in planten en zaaien, opdat hij steeds betere bloemen en meer vruchten voortbrenge. Er is een voorraadschuur van zaad, waar al de tuinlieden des Konings het hunne vandaan halen, en wij kunnen er ook heengaan en nemen wat wij noodig hebben, — het zaad is Gods Woord. Dan moeten wij ook minstens tweemaal daags gieten — het gebed is het water, dat wij moeten gebruiken; het verfrischt den tuin des Konings en houdt de planten levend. Indien wij niet bidden, zal de tuin spoedig verwelkt en dor zijn. Ook moeten wij de wacht houden tegen vijanden. Toen ik een kleine jongen was, maakte ik kleine hoopjes graankorrels om de slakken te lokken, en als het donker was kroop ik stilletjes met een lantaarn het huis uit, om die lastige beesten te vangen, die anders veel kwaad aan de vruchten en de bloemen zouden gedaan hebben. Wacht u voor die indringers — voor slechte gewoonten, die de vruchten

ocr page 213

i gg

bederven; voor kleine verzuimen en vergeetachtigheid, die den tuin des konings schade aandoen. Er zijn echter nog meer dingen, die wij af moeten weren. De rozestruiken worden des winters met stroo bedekt, om ze voor de koude te beschutten; over de kerseboomen wordt een net gehangen, of wel worden er jongens bij gezet in den tijd, dat de vruchten rijp zijn, die door hun geschreeuw de vogels moeten verschrikken. Wij moeten ook op onze hoede zijn tegen alles wat den tuin des Konings zou kunnen benadeelen. De nachtvorst komt dikwijls onverwachts en doet alles verwelken; een makker, een boek, do een of andere verkeerde invloed kan, als een ijskoude wind, alles bederven. En de vogels, die de vruchten stelen, de kleine tjilpende rondvliegende musschen en spreeuwen, zijn dat niet de onbedachte woorden, de onvriendelijke manieren, de verkeerde gedachten en gevoelens, die zich nestelen in den tuin des Konings en de vruchten rooven ?

En eindelijk — a/s het dc tuin des Konings wit zijn, dan moet de Koning Zelf er in koine)!. — De Heere Jezus Zelf wil komen in het hart, dat Hem gegeven is en voor Hem wordt onderhouden. Hij komt er gaarne en wil daar met Zijn kind wandelen en spreken. Ik zal u vertellen waarom Hij er zoo gaarne komt. Eens was er een machtige koning-, Cyrus genaamd, die een prachtigen tuin had, waarop hij zeer was gesteld. Hij besteedde er veel zorg aan, en schepte er zooveel behagen in, dat de men-schen er zich wel eens over verwonderden. Dan

ocr page 214

200

zeide hij echter: „Ik stel zooveel belang in mijn tuin, omdat ik er elk boompje geplant, elk bloempje gezaaid heb.quot; Om diezelfde roden heeft de Heere Jezus zooveel liefde voor Zijn tuin. Hij heeft van eene wildernis een tuin gemaakt; Hij heeft het goede zaad gezaaid en de boomen geplant; het is ztju tuin.

Beste kinderen, liet hart, dat des Konings tuin is geworden, is ee)i gelukkig hart. De zon schijnt er altijd, en de vogels zingen er het geheele jaar door, en er zijn des zomers en des winters rijpe vruchten. Ik heb eens gehoord van een ouden man, die in een klein afgelegen hutje woonde. Op een zekeren dag kwam iemand hem bezoeken, en toen hij de gebroken ruiten en de kale muren en den kouden steenen vloer zag, en bedacht hoe ver die man van alle andere menschen af woonde, zeide hij : „Mijn goede vriend, ge moot u hier heel eenzaam gevoelen.quot; De oude man keek verwonderd op, alsof hij nog nooit daaraan gedacht had. „Eenzaam?quot; zeide hij, en zijne oogen straalden van vreugde, — „ja, dat zou mogelijk wezen, als ik Jezus niet bij mij had, maar Hij is het beste gezelschap, dat iemand begeeren kan.quot; Hij had in den tuin des Konings gewandeld met den Koning, en was zoo gelukkig dat hij al het andere vergat.

Laten wij dus ons hart aan den Heere Jezus geven, dan zal Hij Zich aan ons geven. Laat ons maken dat ons hart nu Zijn tuin zij, dan zal Hij ons eenmaal noodigen in Zijn Paradijs, waar wij met Hem in witte kleedoren zullen wandelen en waar wij eeuwig zullen blijven.

ocr page 215

TIMOTHEÜS.

„En dat gij van kinds af de Hei-„lige Schriften geweten hebt.quot;

2. TIM 3 : 15.

Ik wil beproeven u te vertellen, wie deze knaap was en wat wij van hem weten, om daarna een vergelijking te maken tusschen u en hom.

Zijn naam was Timotheüs. Daardoor weet ge echter nog niet veel van hem, want er zijn heel wat jongens geweest, die Timotheüs heetten, en een naam beteekent niet veel. Gij zoudt dezelfde jongen zijn als uw naam Samuel of Johannes was. Om dus iets van dien jongen — van Timotheüs — te vernemen, dat de moeite waard is, moeten wij nagaan, waar hij woonde en wat hij zooal deed. Want alles wel beschouwd, kan men toch maar alleen uit de daden besluiten met welken jongen, en ook mot welk meisje men te maken heeft. „Goed is, die g-oed doet,quot; zegt een oud spreekwoord. Onze Heiland zeide : „Aan hunne vruchten,quot; dat is aan hun daden, „zult ge ze kennen.quot;

Als Timotheüs niet gedaan had, wat hij deed, zou

ocr page 216

2C2

zijn naam niet in den Bijbel gekomen zijn, en wij zouden nooit geweten hebben, dat er zoo\'n knaap geleefd had, evenmin als wij de namen kennen van de jongens met wie hij gewoonlijk spoelde.

Neen, niet door uw naam, maar door uw daden wordt ge bekend. Sommige namen klinken schooner dan andere; maar als stoute kinderen mooie namen hebben, dan is dat voor hen zooveel te erger. Niemand heeft ooit zijn zoon Kaïn, Herodes of Judas genoemd; niet, omdat die namen op zichzelf niet goed genoeg waren, maar omdat de dragers dier namen ze door hun boosheid bedorven hebben ; niemand zal ze dan ook ooit weer willen gebruiken.

Timotheüs is evenwel een mooie naam, evenals Johannes en Jozef, omdat zij, die eerst zoo heetten, goede menschen waren, en het beteekent toch wel iets naar een goed man genoemd te worden.

Laat ons nu eens over dezen Timotheüs spreken. Om wat meer van hem te weten te komen, moet ik u medenemen naar een ver land, dat waarschijnlijk niemand onzer ooit zien zal, of het moest zijn op de kaart van Klein-Azië, — in Lycaonië. — Gij kunt u toch wel voorstellen, daar te zijn ? Het is een zeer hooggelegen, maar vlak land ; ten oosten wordt het begrensd door woeste rotsen en donkere wouden, maar ten westen is de aanblik liefelijker ; zachtglooiend gaat het daar bergafwaarts, zoodat gij over de ver verwijderde heuvels, de plaats kunt zien, waar zich de Middellandsche Zee bevindt. Voor u uit, naar het noorden, kunt gij misschien een groot meer ontdekken, daar achter die boomen.

ocr page 217

203

slechts drie mijlen van u verwijderd; — maar vlak achter u, tegen het zuiden, verheft zich een vrij hooge bergketen, eens uit vuurspuwende bergen bestaande, nu afgebrokkeld door de zwartgeworden rotsblokken, die verstrooid liggen over de hellingen der omliggende heuvels. Daarheen waagden de kinderen zich somtijds om wilde bessen te zoeken, doch door de woestheid der streek durfden slechts de grooteren dit doen.

Rondom deze vlakte waren verschillende dorpjes gebouwd en in één daarvan was Timotheüs geboren en, gedurende eenigen tijd zijns levens, opgevoed. Lystra heette het. Nog staan er enkele oude huisjes uit dien tijd, maar thans zóó vervallen, dat niemand daar meer in wonen kan, ja niet eens kan aanwijzen welk aan Timotheüs\' vader toebehoord heeft.

Daar speelde de kleine jongen des daags, om een van die nu oude huizen, en \'s avonds, als hij naar bed ging, zag hij uit zijn klein venster neder op die donkere, woeste bergen. Dan ook zeide hij het gebedje op, dat zijn moeder hem bij het schijnsel der maan geleerd had, vóór hij ter ruste ging.

Het gebed des Heeren had hij nimmer geleerd, omdat het toen nog niet opgeschreven was, maar ik denk dat hij den 2 3stc,, Psalm — „De Heer is mijn Herderquot; — wel kende en misschien ook wel opzei, zooals vele andere Joodsche kinderen in die dagen gewend waren. In ieder geval, zijn moeder leerde hem enkele gebeden, want zijzelf was eene vrouw, die bidden geleerd had; — of, als zij het te druk had, of niet thuis was, kon men er zeker van zijn.

ocr page 218

204

dat zijn goede grootmoeder, die bij hen woonde, cr zorg voor droog, als hij zich ter ruste legde.

Ik heb het altijd vreemd gevonden dat de Bijbel zoo weinig namen van vrouwen en vooral van meisjes opneemt. Maar in die dagen dachten zo niet zooveel aan meisjes. Het was toen oen ruwe, wreede tijd, toen de sterke heerschte over den zwakke, en het heldere licht des Evangelies nog niet op de wereld geschenen had om er de ware schoonheid van te doen uitkomen.

De moeder van Timotheüs heette Eunice en de naam van zijn grootmoeder was Loïs, beide schoone namen, die echter, onbegrijpelijk genoeg, tegenwoordig niet dikwijls meer voorkomen. Beiden waren Jodinnen, die in den Bijbel geloofden en dien Bijbel liefhadden. Vele jaren geleden hadden hun voorvaderen Judea verlaten en zich in deze landstreek nedergezet, maar hun godsdienst brachten zij mede, en ook in dit vreemde land trachtten zij den God hunner vaderen te aanbidden. De grootmoeder moet wel een vriendelijke, goede vrouw geweest zijn, anders toch zou haar dochter Eunice niet getrouwd zijn met een Griek, een inboorling van dat land. De naam van Timotheüs\' vader wordt ons niet genoemd, we hooren van hem niets anders, dan dat hij een Griek was, een heiden, die niets gaf om den waren God.

Wilt ge echter van den kleinen Timotheüs iets meer weten, dan moet ge u voorstellen, hem den een of anderen dag in zijn woning een bezoek te brengen. Gij zult dan zien, dat het een steenen huis

ocr page 219

205

is met een plat dak, waarin enkele nauwe openingen den dienst doen van ramen. Door de smalle voordeur treedt ge een donkere gang binnen, die toegang verleent tot een ruime plaats of hof, waar gij den helderen hemel boven u hebt en waarop aan alle zijden, deuren en ramen uitkomen. Achter deze groote plaats bevindt zich nog een andere, namelijk die, waarop de kinderen bij mooi weer spelen, en waar de zon haar stralen loodrecht op hen nedcr-zendt. Den kleinen Timotheüs zult gij echter boven bij zijn moeder vinden, mogelijk beiden op het platte dak, waar zij de frissche lucht kunnen inademen en neerzien cp den ruwen, woesten berg Taurus, daar vlak bij. Waarschijnlijk is zij bezig vlas te bereiden op een spinnewiel, terwijl zij tegelijkertijd met haar vingers do draden tot een streng windt. Zoo werden toen alle kleedingstukken gemankt en zoo moest ook moeder Eunice de kleederen maken, die de kleine Timotheüs droeg. Dat waren er niet veel, slechts twee; een lang wollen hemd met een gordel, en een opperkleed. Verder droeg hij kleine sandalen of houten plankjes, die met riemen onder zijn voetzolen bevestigd werden als hij uitging. De mode veranderde nooit en zoo duurden zijn kleederen geruimen tijd. Timotheüs was nu niet zoo\'n heel gezond kind, en meestal zal hij wel met zijn moeder en grootmoeder thuis gebleven zijn.

Door hetgeen Paulus van hem zegt, weten wij, dat hij zeer weekhartig was en nog al spoedig aan het huilen te brengen. De andere jongens, die sterker waren, zullen hem wel meer dan eens geplaagd

ocr page 220

2o6

hebben, als hij zich buiten vertoonde; want toen waren er, evengoed als tegenwoordig\', onnadenkende en hardvochtige jongens.

Kunt ge u hem niet voorstellen, dat kleine kereltje, met zijn smal gezichtje, omlijst door ravenzwart haar, waaruit u een paar scherpe, zwarte oogen helder toeschijnen — juist zooals gij dat bij Jood-sche kinderen aantreft — blootsvoets, en met zijn langen, wollen rok bekleed, die door den gordel werd opgehouden, om hem in het gaan niet te bemoeilijken ?

Komt gij nu op den rechten tijd, dan zult ge hem boven vinden, staande aan de zijde zijner moeder of grootmoeder, en met haar lezende in de Heilige Schrift. Juist daardoor is Timotheüs zoo\'n bijzonder kind, want Paulus spreekt van hem in den tekst als iemand, „die van kind af de Heilige Schriften geweten heeft.quot;

Hoeveel kunnen we uit dit eene feit leeren! Het is opmerkelijk, hoe wij soms iemand leeren kennen, uit een kleine daad. Het is er precies mee, als met het uithangbord van een winkel, waarop te lezen staat, wat daar verkocht wordt. Als ik dus een kleinen jongen leelijke woorden hoor zeggen, of als ik een meisje zie, dat twee, drie ringen aan den vinger heeft met groote, glinsterende steenen, of haar uit een winkel zie komen met een paar romans onder den arm; of als ik een familie zie, die met de kinderen op een Zondagmiddag uit rijden gaat; of een troep jongens, die zich vermaken voor een herberg, of een jongen man, die daar uitkomt, dan

ocr page 221

207

denk ik.....nu, misschien is het maar beter niet

te zegg-en, wat ik denk, doch klaarblijkelijk zijn dit alle dingen, die, zoo we ze al moeten aanzien, toch niet juist de dingen zijn, die wij het liefst zien. Maar de kleine ïimotheüs kende de Heilige Schrift; daaraan was hij te herkennen.

Misschien weet gij niet, hoe Timotheüs\' Bijbel er uitzag. In vele opzichten geleek hij niet op den uwen. In de eerste plaats was hij niet zoo groot, en bevatte alleen het Oude Testament; want het Nieuwe Testament was nog niet geheel g\'cschreven ; eerst lang na Timotheüs\' dagen werd dit gedeelte er aan toegevoegd. Bovendien bezat men zijn Bijbel niet gedrukt, zooals tegenwoordig; de boekdrukkunst toch werd eerst 1500 jaar later uitgevonden. Neen, Timotheüs\' Bijbel was geschreven met een vreemd soort pen, in letters, die ons zeer hoekig en vreemd toeschijnen. Maar ik twijfel toch niet of do kinderen daar, zullen ze wel even vlug geleerd hebben als gij hier de onze.

Ook was Timotheüs\' Bijbel niet zooals de uwe bij elkaar gebonden, maar bestond uit minstens drie of vier verschillende pakjes, die, wat nog het vreemdst van alles was, er in het geheel niet uitzagen als een boek, maar meer als een rol behangselpapiet of linnengoed!

Vervaardigd van schapenvacht en slechts aan één zijde beschreven, moest men ze uitrollen om ze te kunnen lezen, en wilde Timotheüs nu de een of andere plaats in zijn Bijbel opzoeken, dan moest hij eerst de juiste rol ter hand nemen en die dan afrollen, tot hij de gewenschte plaats gevonden had.

ocr page 222

2o8

Ook waren deze Schriften niet in hoofdstukken en verzen verdeeld, die hem op weg konden helpen; hij moest de plaats maar onthouden, of zijn moeder vragen, die voor hem op te zoeken. Dan kon hij ook niet zijn Bijbel met zich meedragen, want er was er maar één in huis. Het kostte heel wat tijd zoo\'n Bijbel te schrijven, en men moest er dan ook heel wat voor betalen. Alleen rijke menschen konden er zich een aanschaffen. Hoeveel verschilde Timotheüs\' Bijbel van den uwen, en hoeveel gemakkelijker kunt gij de Heilige Schrift kennen dan hij! Gij kunt uw Bijbel in de hand meedragen, hem in uw kamer bewaren, er alle plaatsen in opzoeken, die gij hebben wilt, en hem lezen in even heldere, duidelijke letter als waarin uw schoolboeken gedrukt zijn. Ondanks al die moeielijkheden kende dat kleine kereltje die geschiedenissen, ook reeds toen hij een kind was, o zoo goed!

Hoeveel dagen zal hij daar wel op doorgebracht hebben! Hoeveel vragen zal hij wel gedaan hebben! Hoe dikwijls zal zijn goede grootmoeder de geschiedenissen van dat oude boek hebben oververteld! Hoe geduldig zal zijn moeder hem onderwezen hebben in de hoekige Grieksche letters en de lange, moeilijke woorden! Zeker, Timotheüs was een bijzonder kind, vergeleken met de tegenwoordige jongens; en het is niet vreemd, dat hij zijn Bijbel liefhad, waarin hij zoo vroeg en zoo dikwijls las; en dat hij opgroeide tot den bijzonderen jongeling, waarvan wij lezen. Zie hoe hij dit werd:

Er was een man, — ik vermoed een oud man —

ocr page 223

209

in de stad waar Timotheus woonde, die nooit had kunnen loopen. Hij was een arme kreupele, en gewoon bij mooi weer buiten aan den weg te zitten, en wel daar waar zijn vrienden hom brachten. Op die plaats moest hij blijven tot zij bereid waren hem weer thuis te brengen.

Op zekeren dag kwamen twee vreemdelingen, vermoeid en bestoft van een lange voetreis de stad binnen. Onder het voortgaan begonnen zij tot het volk te sproken over Jezus van Nazareth, die gekruisigd en weder levend geworden was. Dit nieuws verbreidde zich spoedig, ook Timotheüs hoorde er van, en ging de straat op om zelf eens te zien, wat er plaats had, en juist naderde hij de plek, waar de arme kreupele zat, toen ook de twee mannen daar aankwamen. Eén hunner stond plotseling stil en zeide — sterk ziende op don arme, die daar aan den weg zat — zóó hard, dat iedereen, die er om heen stond en dus ook Timotheüs, elk woord verstaan kon: „Sta recht op uwe voeten.quot; En de kreupele stond op en liep, hij, die nog nooit in zijn leven een enkelen stap gedaan had!

Zou Timotheüs dien avond niets te vertellen gehad hebben aan zijn grootmoeder vóór hij naar bed ging ? Zullen zij hun Bijbel niet ter hand genomen hebben met een nieuw en wonderlijk begrip van hetgeen de profeet Jesaja bedoelde, toen hij sprak over iemand, die komen zou om onze krankheden op zich te nemen en onze smarten te dragen ?

Dit was een belangrijke dag in Timotheüs\' leven, dien hij nooit vergat, en den eersten don besten keer,

14

ocr page 224

2 IO

dat Paulus weer door Lystro kwam, nam Timotheüs afscheid van zijn moeder om als zendeling te gaan arbeiden onder de Heidenen in zijn eigen land. Paulus beminde hom steeds als zijn zoon, en schreef hem twee brieven, die bewaard zijn gebleven, en die gij vinden kunt in uw Nieuwe Testament. Het zijn schoone brieven, uwe moeder zal u de moeilijke gedeelten wel willen uitleggen.

Nu heb ik u Timotheüs zoo in bijzonderheden beschreven, dat gij daardoor wel eenig begrip zult hebben van de Grieksche jongens uit den ouden tijd, en zien kunt hoeveel beter gij gelegenheid hebt de Heilige Schrift te lezen, dan zij. Niets is beter voor een kind, dan don Bijbel to kennen. Van u, jong volkje! kan niet verwacht worden, dat gij reeds nu de waarde van zulke kennis zult begrijpen, omdat gij ze nu nog niet zóó gebruiken kunt. Thans kent gij do waarde van een slede, gedurende don winter, en altijd door die van een zakmes of een schaar, omdat gij deze dingen telkens gebruikt. Maar wij, oudore menschen, weten, wat gij later noodig zult hebben en dan bezitten moet.

De Bijbel is Gods Woord, dat u dingen leert, die gij nergens anders loeren kunt; voornamelijk hoe gij moet leven om ten slotte in den hemel te komen. Dat kunt gij niet te goed noch te vroeg leeron.

Op do grooto schepen is er achteraan een kastje, waarin een doosje is vastgemaakt. In dat doosje is niets anders dan een rondo kaart van bordpapier, die veel gelijkt op een theeschoteltje; en daarop een lang, dun stukje ijzer. Gij zoudt er niet veel

ocr page 225

2 I I

verwachting van hebben, maar als het schip dat voorwerp verliezen moest, of als de kapitein er nooit op keek, dan zou hij niet kunnen zeggen, waar hij was of welken weg hij uit moest; het schip zou dan wel tegen de rotsen kunnen loopen en verbrijzeld worden. Het eerste, wat men te doen heeft om een goed en degelijk zeeman te worden, is: alles te weten van dat reepje in de doos en er nauwkeurig acht op te geven. De Bijbel nu is Gods kaart, u gegeven als kompas door deze wereld, en als gij niet wenscht tegen de rotsen verpletterd te worden, moet gij dat kompas goed bestudeeren en nauwkeurig zijn aanwijzingen volgen. Timotheüs deed dat, en daarom hield Paulus zooveel van hem. De beste tijd om in den Bijbel thuis te geraken is nu, terwijl gij nog jong zijt. Gij hebt nog weinig anders te doen dan te loeren — zoo wordt ge voorbereid voor uw later leven. De boste hulp om den Bijbel te begrijpen staat u ten dienste — uw ouders en de Zondagsschool. — Wat gij nu leert, kunt gij u beter eigen maken, dan wanneer gij ouder zijt, en uw geest vol is met allerlei andere zaken. En bovenal: uw Hemelsche Vader verwacht dat gij Zijn Woord wilt lezen om Zijn wil te doen, en zijn bevelen te volbrengen. Tracht gij Zijn Heilige Schrift te verstaan, dan is Hij verheugd en Zijn Geest zal u helpen de moeilijke plaatsen te begrijpen, als gij cr Hem om vraagt; en de Heiland zegt: derzulken is het Koninkrijk der Hemelen.

Een kind, dat ernstig de Schriften onderzoekt om Gods wil te leeren kennen, biedt een schouwspel

ocr page 226

212

aan, waarop de Engelen met blijdschap nederzien; en als er één plaats is, waar zij gaarne vertoeven, dan is het wel rondom de klassen, vooral die der kleinste kinderen onzer Zondagsscholen, hun zacht-kens influisterend de woorden des eeuwigen levens. O, laat ons toch in dezen boozen tijd, waar zooveel menschen ongelukkig zijn, omdat zij den lieven Heiland verwerpen, veel en biddend lezen in dat heilige, heerlijke Woord van God, waar voor iedereen troost en bemoediging in te vinden is, en laat ons maar vast verzekerd zijn, dat nooit, nooit éénig mensch, jong of oud, geleerd of dom, rijk of arm, bedrogen uit zal komen, die eenvoudig en volkomen de Heilige Schrift geloofd en gehoorzaamd heeft.

ocr page 227
ocr page 228
ocr page 229
ocr page 230

.•* . ^ Jk

J N \'- - i

?. r fquot;; ••quot; ^ gt; \\ . -/-t

h \\ • \\ ^ i

amp; \'.^ir\'\'* ■

1 n. v. ■ ....

-gt; / ^

gt;vC r , »f

. ^ s- - 2 - ^ gt;quot; • *■ ,* r\'

. v 3S ^\'-VV

:.^ \'

* .r\'\' ^

gt; ^ lt; i.

* •gt;

te/ •

jgt;: lt; V l\'4 L K \'

4?quot;\' / quot;

r **- ^ „ » - ; v, .»■

-■ ■ ^ \\ s quot; ; : * Y% f \' V A V-, 4 V i ^

V gt;/v

ïff ; ^4. -X ^

^. gt; X.lt;f*

j, -y V ,gt; — i

lA *quot;• H . c -.: J ^5 -

t A \'vv ^ \'v

T - ^ r *- , v / , v

L r*

A ^

A «\' - x . -- . A \' f .

\' \'ƒ ;i\' - ^ ^ • vy

^Sw -,

rf - -*•