11
\' VP
I kif
; V i/\' -\'i; ■ rn\'
■ ■ KW»
v\\t ^
v f.VK •, •• ■ ■ \\ i.;
v, h\' h
r-
) x.
.\'quot;W
:c«i %| i i
|
- | ||
|
..... | ||
|
\' | ||
|
Wquot;quot;- | ||
|
kr | ||
|
/ ƒ /■ |
w mmmiWi m
ÏH: gt; •)• • 1 . \'.\'J : ..\' „ l \' .-ao
JSi^A ■
// ■■■\' \'■|\' Ir\'\'\' X-
m mmM \'j\\i
■■ quot;S
\\ \'v x
\\ --i \\ ••.. ■ ■ } \' ik ^ w.
iiif; mmmmk IPS
■\' quot; ■ - y- \' .iÈ ■ ; ASS. SM .«My1
MM
gt; é tr\' yyXyM. \'
f/, : j i,»■11 v ■\'\'. gt; S. \\
\' lt;!■ \'1 /•\'\'/ ■■ y \' • \\ . v . Nnv
■\' -j .\'»V \\ £•,\'* \' \' / fiX\'i \\ Vquot;quot; .-v , *
l$ SFv^ê$b
il . V \' i;# «ife Mi
t vf ;.....
^»« -»^mmM
t. r\'u r A
r
iBJir,^
ÏS \'4:#^
•.■ ■ gt;rquot;-v/4\': \'t
\\r\\i i,.:- gt; i. / • • ;(ƒ\' \' ■- .w: ■ ■ gt;:■. ,
, ^: .«e ^ vgt;,v :; ^gt;|
y ^ - ■ -, v
ft. •■. ■ .c t\'^ • Iquot; / \'X ■ ■ ■ \' .\'t\'\'/\'.i ,■•\'» 1 k\'-iv. \'W- X \' ■ 1\'i
:--,ry \'\'!\\ji\'! v\'\'vS-,.:v- \\ 4 ..; v ■ \' , /| ^ I., i%
■
m- •.. \'R ■,. , p .\'U
\\: \';•• , i \' \'k
\\\\ . ? --k X \'•, \' ■:,•••■ ■\'■1 h
■ Mê :fV\'
\' \\ \' ■■. A i ^-V\'-v Vi ■ • , , A ■ ! •
-tt. i-.• i*:vV\\ IviP i1. V
. ■■■■ ■■\' ■ quot; 1 \' i i\'i ,,\' ■ //\' ! v- -4 ■\' \'■ ■■ ■
\\}\'\'1 r !\'■ ) ■■ ;• \': \\lf-h . ! \'1 \\ \'lt; ■-:\'■!lt;
méÈ\' . | i I llM. É
I\' Spi \' \'\'ïSWifc ipMp U Ij/,: 51; •
• ft, v • s: quot; \' u i/r v . gt;-. . ■ va \\ li} • • : / »; ?
mmMi
x\\: \'^.A• V -y:\', i. ; : W ! I
\',s •■■/ . ■•v- / nJy i
A v, ■• \'\' \' j %)•\' !
. ,;... ^
/.Sï\'
/v\'- \'
De Gouden Draad.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
04
_
_
(Twee eeuwen uit onze Familiegeschiedenis.)
DOOR
Oude herinneringen stijgt nogmaals op uit de zee der vergetelheid mot al uwe heldere kleuren.
UTRECHT — 1898.
Stoom Boek- en Steendrukkerij „dc Industriequot;.
■
-
\'
- :, . cif«- ■:■••••■
■ \' \'
: •
.
...... ^ :; ........■ - •
• ■ , \'■ ....... ^ ■ ■■■■ ■
8
M..,, • ....
■
■ ■ - -..... • -■ • .......
A talc of the talcs of old.
Ossian.
Er is wel eens geschreven, dat geen menschenleven zóó weinig beteekenend is, dat het geen stof zou kunnen leveren voor een boeienden roman. Dit moge in het algemeen waar zijn, maar nog zekerder is het, dat het nagaan der lotwisselingen van een familie, tusschen zekere tijdperken, meestal rijke bronnen ontsluit voor een geschiedenis, getuigende, dat de waarheid dikwijls vreemder is dan de verdichting. Waar men ook aanvangt, ontwaart men hoe het zaad reeds was gestrooid, waaruit vruchtbaar graan of schadelijk onkruid ontspruiten zal en tevens, hoe er door het familieleven even als bij (ten afzonderlijken mensch, een keten slingert, waarvan de schakels soms wonderbaar in elkander grijpen. De wijze, waarop dit plaats vindt, vormt dikwijls overleveringen, welke meestal door den lijd gekleurd en herkleurd, soms eeuwen lang blijven rondzweven en, door vertellingen in huis en vooral in de kinderkamers, van geslacht tot geslacht worden overgebracht. Vele menschen schijnen niet te vermoeden, hoe leerzaam en treilend deze familie-overleveringen kunnen wezen en hoe soms enkele regels, met door den tijd verbleekten inkt, geschreven op het geel geworden papier der schutbladen van een familie-bijbel, in verband met die overleveringen, vertellingen van hartroerende voorvallen bewaren. Oude brieven, ééns boden van vreugde of aankondigers van smart, en slechts bij toeval aan snippermand of vuurhaard ontkomen, kunnen ons op dezelfde wijs als terugtooveren in een ver verleden, waarvan wij in do jeugd hoorden vertellen, en laten dus den indruk na, als vernamen wij een echo van lang verstomde stemmen. Familiön zonder overleveringen, zou men schier kunnen vergelijken bij hoornen zonder wortels en slechts weinig gevoed door takken on bladeren boven den grond. Vele oude familie-vertellingen zijn bewaard gebleven in de sprookjes, waarmede ouderwetsche moeders, in de winteravondschemering, het jonge volkje soms zóó weten bezig te houden, dat de heugenis nimmer verloren gaat. Mijne beste moeder bezat, bij andere voortrelïijke eigenschappen, ook do
jiave om onderhoudend te vertellen. Mijn vader, een schrander, veelwetend man, met een helder hoofd en een warm hart, een indrukwekkende figuur, doch door de omstandigheden tot een eigenaardige persoonlijkheid gevormd, kwam nu en dan, meest des Zondagsavonds, in de huiskamer, met een lade, uit een loen reeds antiek kabinet of bureau, dat op een boven-achterkamer stond, afkomstig was uit den boedel van een oud-oom, dominee Ri.tnink, en door mij steeds met zekeren eerbied werd beschouwd, omdat ik wist hoe daarin perkamenten met zegels, oude papieren en andere geheimzinnige voorwerpen bewaard werden. Het was dus altijd een genot als vader een dier laden te voorschijn bracht; want bij het bezien van teekeningen, portretten, penningen, munten en andere voorwerpen, kwamen als van zelf de verhalen uit den ouden tijd, de vertellingen uit den lijd der omwentelingen van 1787, 1795 en zoo ai meer ter sprake, welke mededeelingen mij zóó boeiden, dat die heerlijke avonden als feesturen onvergetelijk in den geest zijn gedrukt. Toen ik mij, reeds jaren geleden, bezighield om een en ander op te teekenen over onze familie en daaraan verwante geslachten, en waarin ik niets wilde opnemen, dan wat onwankelbaar vast stond, welde de gedachte op, om ook de vele overleveringen samen te brengen en de vele flauwe lichtstralen als in een lichtbundel te vereenigen en te rangschikken, om de bovennatuurlijke verschijning, welke nu en dan in de familie gezegd werd Ie zijn voorgekomen. Mijne grootmoeder had, zoo beweerde zij, het droombeeld in 1777 te Naarden gezien, en de geest wees toen op een geliefden broeder, welke oom Hermanus Klad, als onder-koopman bij de O.-I. Compagnie, op een reis naar Japan in de Geele zee, op denzelfden tijd, gelijk later bleek, verdronken was. Mijn vader, volstrekt geen bijgeloovig man, sprak niet gaarne van dergelijke gewaarwordingen of droomen en het leek, dat hij wel eens iels van dien aard had ondervonden, wat in die dagen van sterk geprikkelde hartstochten door politieke gebeurtenissen, nog méér voorkwam dan in lateren rustigen lijd. Doch het is hier de plaats niet, om uit te weiden over dergelijke verschijningen. De geschiedenis van Isabeixe van Koningsmarck in dit verhaal, was slechts in enkele trekken bewaard; maar toevallig vond ik voor eenige jaren te Domburg, onder nagelaten papieren van mr. J. A. MonERA te Middelburg overleden, nagenoeg dezelfde geschiedenis verhaald, doch gebeurd in de familie van Gennep. Genoemde Isauelle, wier ouders woonden op een kasteel in Limburg of Noord-Brabant en negen domestieken hielden, was dienstbode bij den predikant van Gennep te Werkendam. Haar zuster Henriette was dienstbaar in Den Haag, en trouwde daar den koetsier van een Por-tugeeschen Jood. Het lot dier meisjes was een gevolg van overdaad, verwildering en verval, als een nasleep van den oorlog. De lotwisselingen van Digna Ra vest kun, waren in de zeventiende en zelfs ook in de volgende eeuw, niet zoo zeldzaam als enkele lezers misschien vermoeden. Er is meer
dan één boek uit ilie dagen, de lotgevallen verhalende van vrouwen in slavernij der Turken geraakt.
Do gebeurtenissen op Rotsoord, zooals van den knaap die, bij een kinder-twist, zijn broeder doodsloeg en later krankzinnig werd, en hot voorval met het loterijbriefje, werden rnenigmalen in onzen bniselijken kring besproken en waren, na anderhalve eeuw, nog levendig in het geheugen.
Uil de opgaven van wat tijdgenooten opteekenden, heb ik getracht het leven onzer vaderen zoo getrouw mogelijk te schetsen, op grond van nog bewaarde koopbrieven, inventarissen, testamenten, kasboeken, huishoudboeken en andere papieren, welke echter, uit den aard der zaak, slechts een dor geraamte vertoonen. Hel werk verschafte mij langer dan een jaar een aangename bezigheid; want het was werkelijk oen genot, vorm en kleur te geven aan, reeds lang mij in onbestemde trekken voor den geest zwevende tafreelen en wel te meer, toen mijne eenigszins geschokte gezondheid mij verhinderde voort te gaan met navorschingen en studiën over de oude geschiedenis van Zeeland. Het doel, dat ik mij voorstelde, zal bereikt wezen, als dit verhaal bij de bestaande en nog komende familieleden belangstelling wekt in den ouden stam, en een streven om de goede voorbeelden na te volgen der brave mannen en vrouwen, hier geschetst.
NACtTGLAS.
De Bilt, Villa „Annaquot;. \'25 Maart 1898.
Bid/..
Een Woord vooraf.
I. Vaandrig der Watergeuzen, 1572 ................5
II. Het gezin van den brouwer, 163G........
III. De Onderkoopman in Oost-Indië, 1639 ............57
IV. Wat Geertruid ondervond, 1640..................87
V. In het Gooi, 1640...............102
VI. Lijden en opbeuring, 1642...........129
VII. Tante Anna, 1643............................155
VIII. Familie in de verte, 1654 ......................164
IX. De Zeekapitein, 1655 ........................176
X. in Denemarken, 1660 ........................198
XI. De ontmoeting, 1672..........................215
XII. De Burgemeester, 1712............231
XIII. Jongelingsjaren, 1712............244
XIV. Een achterneef in Spanje, 1730 ..................256
XV. Een bruiloft op Rotsoord, ) 735 ..................280
XVI. Besluit, 1736—-1753 ..........................308
Korte geslachtslijst tot verklaring........327
I. De Vaandrig der Watergeuzen. (1572.)
Aan de zuidzijde van de Markt, om den hoek van de Kerkstraat te Veere; stond in het midden der zestiende eeuw een nette burgerwoning. Het benedenhuis was van baksteen opgetrokken, doch de bovenverdieping van, door den tijd en het weer donkergekleurd eikenhout. Een paar steenen stoepbanken werden niet gemist, doch wel ontbrak de beschermende luifel, aantoonende hoe het geen winkelhuis was. De eerste verdieping sprong met eenc door snijwerk versierde en door gebeeldhouwde balksluiters gedragen lijst, tot over den met zerken belegden, vrij breeden stoep. Aan de eene zijde van de stevige voordeur, waaraan een zware ijzeren klopper bevestigd was, waren de twee smalle, hooge, getraliede vensters van een ruim voorvertrek en aan den anderen kant een dergelijk raam, licht gevende in eon voorhuis met witte en blauwe plavuizen, schaaksgewijs bevloerd en waaruit een vrij breede trap naar de bovenverdieping voerde. De holle hooggezolderde vertrekken aldaar kregen aan do voorzijde licht door twee vrij groote vensters, halverwege door luiken gedekt en voorzien van kleine in lood gevatte ruiten, in de benedenverdieping vierkant, maar boven van mindere soort, ovaal en op flesschen-bodems gelijkende. Do zolder, ook weer uitstekende over de eerste verdieping, werd gedokt door een spitsdak van leien en de drie hoogste venstertjes waren aangebracht in een niet onbevallige houten boogsnijding. Boven hot middelste raam had op een voetstukje een beeldje gestaan van St. Thomas, \'t welk echter voor eonige jaren had moeten plaats maken voor oen vergulde zon, of nauwkeuriger uitgedrukt voor een stralendon karbonkelsteen. Al hot houtwerk boneden was beschilderd met een bruin, naar zwart overhellende kleur; over hot geheel een waas van ernst on deftigheid verspreidende. Van dit huis begint de familiegeschiedenis, wolke ik thans ga verhalen.
In het drie en dertigste jaar der zestiende eeuw, werd Hendrik
6
Jacobszoon Ravesteijn, waarschijnlijk afkomstig uit een linkerhandschen tak der heeren van Ravesteijn, die sedert de vorige eeuw machtig geworden waren in Zeeland, door het huwelijk van Adolf van Gleef, heer van Ravesteijn, met Anna van Rouhgondië, weduwe van Adriaan van Borssele, door de watervloeden des vorigen jaars gedwongen om zijne bezittingen onder Wissekerke en Orisande in Noord-Beveland te verlaten en aan de golven prijs te geven. Kort te voren was Hendrik Jacobs, gelijk hij meer genoemd werd, gehuwd met Neeltje Delia\'s, een schrander braaf meisje, maar van wier familie het gerucht ging, dat ze afstamde van een zeewijf, in oude tijden door visschers in zee gevonden en in het destijds nog bestaande dorp Iloecke aangebracht, waar dit zeekind werd opgekweekt, beschaafd en zelfs een echtgenoot en kinders kreeg. Niemand in deze omstreken twijfelde aan die overlevering, wellicht steunende op de redding van oen kind uk een schipbreuk; doch wie van de meerminne afkwam, werd door de dorpelingen meestal schuin aangezien en verdacht geheimzinnige tooverkrachten te bezitten. Toen een dertig jaren voor den aanvang dezer historie, do heksenvervolging scherper werd, hadden reeds een paar oude vrouwen die gewaande afkomst met den dood bekocht.
Hendriks Jacobs kocht het huis St. Thomas te Veere en liet dit tot een brouwerij inrichten, zooals zijn broeder Willem dat te Middelburg met een huis in de Noordstraat deed. De echt van Hendrik bleef lang kinderloos, doch op Allerheiligen avond van \'t jaar 1550 werd een dochter geboren, naar hare grootmoeder van moederszijde Dicna genoemd. Dit kind was nog zeer jong toen een pestilentieuse ziekte in Zeeland en vooral te Veere grasseeren kwam. Ook de brouwer werd aangetast en ondanks de onvermoeide zorgen van zijn vriend en Noord-Bevelandschen landgenoot, den kundigen apotheker Jan van Reigersberg, bezweek hij na enkele lijdensdagen. De fabriek werd nu aan kant gedaan, doch de weduwe bleef met hare dochter in het huis op de Markt wonen. De Nieuwe leer, gelijk de begeerte naar hervorming der kerk genoemd werd, had ook in Veere menig geweten geschokt en in 15G0 werd aldaar een ketter op den brand-stapel gebracht. Sommigen beweerden, dat vrouw Rave Neele, gelijk de „biesmaakquot; (de bijnaam) der weduwe onder de buren was, meer dan eens een verdacht medelijden met dien armen martelaar had uitgesproken; ook was zij in hare kerkplichten achteloos, zoo dat er wel aanleiding was om haar rechtzinnigheid te wantrouwen. Bovendien was de familie-
7
blaam in Veere niet onbekend en de stille, statige, strenge vrouw werd door enkele ketterjagers een tooverkol, meerminne of Vandoise gescholden, die schepen kon doen vergaan en menschen en dieren beschadigde. Zij verdiende, naar die vijanden beweerden, hetzelfde lot als de beide heksen, in \'t jaar \'65 builen do poort tot pulver verbrand; maar bij deftige burgers, zoo kalden de dweepers in de achterbuurten, werd de ketterij door do vingers gezien en men wist wel, hoe pastoor Heer Jan van Miggrode, die zelf niet pluis werd geoordeeld, een zoon van den Schout was en een huisvriend der familie Ravesteijn. Zoo leefde de weduwe als tusschen twee vuren van hekserij en ketterij en zelfs welgezinde naaste buren fluisterden wel eens tot elkander, hoe er in de vroegere brouwerij toch soms vreemde dingen schenen te gebeuren. Op ongewone uren hadden zij des avonds licht zien schijnen in de ledigstaande werkplaatsen en een buurvrouw had omstreeks middernacht twee donkere gestalten met snellen tred de achterdeur zien binnensluipen, waarbij zij dacht aan de booze geesten, waarvan ieder in do stad den mond vol had, toen de verbrande heksen in hare bekentenissen daarvan melding maakten. De bijgeloovige vrees der buren had echter aan do weduwe zekere veiligheid verschaft, want er waren in hare woning bijeenkomsten gehouden en zaken besproken, welke in die benarde tijden niet al te ruchtbaar mochten worden. Vrouw Ravesteijn was de beginselen der Hervorming werkelijk toegedaan en had in weerwil der plakkaten, predikanten der nieuwe leer geherbergd en zelfs toegelaten dat Gabriël Arnolds in de ledigstaande ruime werkplaatsen aan een aantal heilbegeerigen den bijbel in do landtaal verklaarde, en Gelein ue Hoorne zijne bekende predikatie hield over Hosea X1H vs. 3: „Daarom zullen zij zijn als een morgenwolke en als een vroeg komende dauw, die henengaat als kaf van den dorschvloor, on als rook uit den schoorsteen wordt weggestoomd.quot; Het aantal belangstellenden was dien tengevolge zóó toegenomen, dat in de laatste bijeenkomst besloten was om in het aanstaande voorjaar van \'OG openlijk in hot veld Ie gaan prediken. Vooral onder do visschers, meest eenvoudige, stoere, ernstige mannen, doch door bloedsvermenging reeds geboren vijanden dor goeie dweepzieke Maranen, vond de wonsch naar hervorming dei-kerk vurige voorstanders, waarom do magistraat de samenkomsten wol verbieden, doch niet verstoren durfde. Toon elders de geuzen zich meer begonnen te weren, was het te voorzien dat geweldige
8
onderdrukking volgen zou en pastoor van Miggrode, die acliter de schermen iiad gekeken, kwam de weduwe raden om, nu liet nog tijd was, de stad te verlaten. Een machtig leger kwam uit Spanje opzetten en als, gelijk gezegd werd, de strenge hertog van Alisa hielde teugels van het bewind in handen kreeg, zou bloedige wraak zeker niet achterblijven. In dergelijke onrustige dagen volgen de gebeurtenissen elkander snel op en nog geen maand later was de weduwe bekend met liet voornemen van Heer Jan van Miggrode om openlijk do partij der Hervormden te kiezen en naar Engeland over te steken; terwijl haar neef Ravesteijn uit Zierikzee naar Denemarken week. Die voorbeelden kon de weduwe niet volgen, en zij besloot daarom veiligheid te zoeken in cene kleine, haar toekomende hoeve onder de parochie Zandijk, niet ver van het verlaten slot Zandenburg en dicht bij do Kapel aldaar, aan de Heilige Drievuldigheid gewijd. De weduwe hoopte dat zij in dat huisje, als verscholen in een bogerd aan een eenzamen landweg, een rustig verblijf zou kunnen vinden. Zoo gebeurde het ook en in die stille afzondering gingen er maanden voorbij; en daar do beste vrienden naar Engeland waren vertrokken, hoorde de weduwe maar zelden een woord van troost of bemoediging. De moeder zou in deze steeds duisterder wordende tijden zeker nog meer ter neer geslagen zijn geweest, indien de dochter haar niet opgebeurd had door de voorspelling, dat er na komende stormen betere dagen in aantocht waren, waarvan zij met wonderbare voor-zienings-gave het gloren reeds meende te ontwaren. Digna, toen omstreeks achttien jaren oud, was altijd een zwak, stil ingetrokken kind geweest, schommelende, gelijk de gencesheercn beweerden, op den rand van het graf, maar bezield door eigenaardige geestesgaven, welke reeds voor vele jaren do aandacht hadden getrokken van den dichter Luoas ue Heeue uit Gent, wanneer deze bij zijn schoonvader don Veerschen burgomeestor Carbonieh logeerde en het als „wonder sneegquot; bekende kind toevallig leerde kennen. Sedert was zij opgegroeid tot een slank meisje van bijzondere teedere vormen. Haar ovaal gelaat was smal on bleek, neus on mond klein doch welgevormd, de wenkbrauwen fijn als met een penseel getrokken en de oogen blauw, met een donkeren weerschijn en cene uitdrukking, door den zooeven genoemden schilder-dichter bovennatuurlijk diepzinnig genoemd. Do als zijde zachte bruine lokken werden door een netje bijeen gehouden en de kruin was bedekt door een blauw met zilver bestikt
9
kapje, waaruit twee krullen, langs het hooge blanke voorhoofd golfden. Alles in haar uiterlijk was zedig en kalm, niet een trek van zachte droomerij, zoodat moeder Ravesteijn haar wel in godachte vergeleek hij het wonderdoende beeld der moedermaagd, in de Kapel te Vrouwenpolder bewaard. Do bevallige gestalte van Digna en haar stemmig schoon, kwam op den dag, waarop wij haar voor het eerst aan den lezer voorstellen, vooral uit door het grijze onderkleed met enge gepofte mouwen, waarover een ruim, donker, met zwarte zijde omzet bovengewaad hing. Moeder en dochter waren innig aan elkander verbonden en de eerste zou zich over den eigenaardigen geestestoestand van de laatste hebben verontrust, indien zij daarin niet een afspiegeling had gezien der gemoedsgesteldheid van Digna\'s grootmoeder en van eigen inborst in jonge jaren. Door aandoenlijker zenuwleven scheen echter bij het meisje, de onverklaarbare eigenschap van den geest om zich te verheffen boven de beperking der zintuigen, buitengewoon sterk; zoodat zich daaruit het vermogen ontwikkelde om het verwijderde in afstand en tijd waar te nemen. Nu en dan gebeurde het dat Digna in geen dagen voedsel nuttigde en dat haar geest omdoolde in wonderbare visioenen, waarin zij tevens scheen te luisteren naar geheimzinnige stemmen in do verte. Dan lag zij als een doode op haar legerstede en wat zij mompelde, kon zelfs niet altijd hare moeder verstaan. Zoo had zij reeds in \'t vroege voorjaar van \'tjaar \'GC gezegd, dat do Kapel van Zandijk zou worden ingenomen en geschonden; en toen de Koning van Spanje uit den boedel van den Markies de heerlijkheden van Veere en Vlissingen kocht, had moeder haar duidelijk in den slaap, hooren zeggen, hoe het klokluiden en feestvieren wel kon worden nagelaten, daar niet de Koning maar zijn ergste vijand na enkele jaren, hier het bewind in handen zou krijgen. De moeder vernam nog meer, doch bewaarde die woorden in haar hart, want het zou gevaarlijk geweest zijn om er met iemand over te spreken. Inmiddels werden de tijden steeds onrustiger. Het vervolgen, gevangen nemen en straffen wegens ketterij nam toe en de samenkomsten der Hervormden werden met geweld verhinderd. Do Spanjaarden brachten uit vrees voor de Watergeuzen, van wier stout bestaan de faam ongelooflijke dingen verhaalde en die in Walcheren door velen als vrienden zouden worden ontvangen, de steden in staat van tegenweer en dwongen de dorpelingen om die versterkte plaatsen
10
van levensmiddelen te voorzien. De uitvoering dier bevelen ging met afpersing en geweldpleging gepaard, waarbij het bezaaide land door woest krijgsvolk werd plat getreden en vernield, het vee zonder schadevergoeding weggedreven en dikwijls, uit louteren moedwil, huizen en schuren verbrand en de jammerende bewoners mishandeld en zelfs vermoord. Wie als voorstanders der nieuwe leer werden verdacht, gingen regeering en geestelijkheid zorgvuldig na en de weduwe en hare dochter moesten nauwgezet de uiterlijke kerkvormen in acht nemen, om het lot te ontgaan van een harer buren te Veere, die in dezen tijd voor zes jaren gebannen werd, omdat hij nagelaten had om met Paschen te biechten. Eindelijk scheen er licht te dagen, nadat Vlissingen den Gon April van \'tjaar \'72 door de Watergeuzen ingenomen was; doch door dien overgang werd het in Walcheren nog rumoeriger en onveiliger. Do weduwe beleefde angstige dagen, te meer daar Digna zeer onrustig was en in haar droomen een bloedigen tijd voorspelde. Moedor Ravesteun wist bij ondervinding hoe kleine wandelingen vaak heilzaam op den geest van het meisje werkten en stelde daarom, na een onrustigen nacht voor, om op een zonnigon zachton morgen, toen het vroegstuk genuttigd was, naar Veere te wandelen om in de stad boodschappen te verrichten en de laatste „nieuw marenquot; te vernemen. Dat moeten we stellig doen, moeder, antwoordde Digna levendig en terstond daarop mompelde zij als in gepeins verzonken: De winter is voorbij, de slagregen komt niet weer, de bloemen worden gezien in den lande, de zangtijd genaakt en zie ... . moedor, daar staat hij on zegt: Sta op mijne vriondinnc en kom; en al sprekende staarde zij onbewegelijk als naar één punt in de verte, fluisterende: Er zal gejuich zijn in de stad, overal gejuich! Toon even daarna die zinsverrukking voorbij was getrokken en hot meisje gewoon scheen, gingen moeder en dochter op weg. Zij wandelden door den Boschweg en daarna over het voetpad, kronkelende door de weilanden. Bij het voorbij gaan der tuinen van het ledigstaande en vervallen slot Zandonburg, vertelde moeder gelijk zij hier gewoon was, hoe zij in hare jeugd, do nu vervallen en met onkruid overgroeide tuinen nog in al hun glans had gezien en de tegenwoordig nauwelijks te onderkennen parken, prijkende met een keur van zeldzame en schoono bloemen, een waar reuk- en praalhof. Na het park te zijn doorgegaan, kwamen zij op het stoenen, naar de stad leidende voetpad en genoten van de fraaie uitzichten
11
op de reeds frissche weiden en de landerijen, waarop het wintergraan in halmen begon te prijken. Zoo kwamen zij sciiier ongemerkt aan de Warwicksche poort en bemerkten spoedig, hoe er in de stad iets bijzonders aan de hand moest wezen. In de Poortstraat was niemand te zien en zelfs de endjes uit het gasthuis, die anders zich gewoonlijk in de eerste warme zonnestralen zaten te koesteren, hadden de steenen banken voor het gebouw ledig gelaten.
Naarmate de beide wandelaarsters dichter bij de haven kwamen, werd het woeliger op straat, en op de Kaai stonden de nieuwsgierigen letterlijk schouder aan schouder, zich verdringende om een paar visschers, bezig opgewonden te vertellen, hoe zij in zee door de Watergeuzen waren aangehouden, maar vriendelijk behandeld en zonder losgeld ontslagen en hoe die stoute knapen hun hadden aangezegd, dat zij op weg waren naar Veere, om de vrome broeders in die goede stad te helpen om de verwenschte Maranen te verdrijven. Op de Kaai wist men te verhalen, dat er in den afgeloopen nacht reeds een bende Geuzen uit Vlissingen was gekomen, maar door den wankelenden en vreesachtigen magistraat, met schoone beloften gepaaid, in de Groote kerk werd opgehouden, waar de uit Middelburg verwacht wordende Spanjolen hen wel spoedig zouden aangrijpen, zoodat er groote gebeurtenissen op til waren. De gisting nam ieder oogenblik toe en het volk zou naar de kerk zijn getrokken om de Geuzen in te halen, indien de aandacht niet ware afgetrokken door een aantal kromstevens en vliebooten, uit het Veergat naar de stad opzeilende. Toen liet volk niet lang daarna de oranjevlaggen aan de stevens kon zien wapperen, nam het rumoer nog toe en klonk het verward mompelen van honderd stemmen als het bruisen der zee. Een oogenblik kwam er stilte, toen een algemeen bekende en geachte meer dan tachtigjarige visscher Job van IIoecke zijn karpoetsmuts afnam en met zware, nog krachtige stem sprak: Burgers! God zij geloofd en geprezen, daar komen de bevrijders. Vive de Geus! Er voer een rilling van ontsteltenis door de menigte; aller harten klopten sneller en na een oogenblik van stille klonk daverend en als uit één mond de juichkreet, welke de strijdleus der vrijheid worden zou. Onderwijl waren de vaartuigen voor de haven gekomen en honderde handen repten zich om de schepen aan de palen vast te moeren; terwijl onder luid vreugdegetier het krijgsvolk aan wal stapte. In goede orde trok de troep de stad door, spoedig vermeerderd door
12
hun makkers uit de kerk. De weduwe stond met hare dochter onder den broeden luifel van de apotheek, toen de soldaten voorbijtrokken. In den helderen zonneschijn was dit een schilderachtig, opwekkend schouwspel. Minstens waren het een honderdtal mannen van onderscheiden landaard en leeftijd, doch allen verstaald in het vuur van den oorlog; mannen vol geestkracht, die wisten wat zij wilden en Koning noch Paus ontzagen. Meerendeels waren het stoere, kloeke, stevige kerels, wier spierkracht zich teekende in hun forsche armen en beenen en wier regelmatige treden getuigden, iioe zij aan orde en krijgstucht waren gewend. Hun gewaad zag er versleten uit en sommigen waren wonderlijk toegetakeld met hier en daar geroofde kleedingstukken; doch stormhoeden, borstharnassen, musketten, pieken, bijlen en houwers lieten niets te wenschen over, en allen droegen als veldleeken een sluier of armband met de kleuren oranje, blanje, bleu. Aan het hoofd van den troep stapte hopman Jacor Symens de Rijk, in houding en voorkomen altijd nog meer gelijkend op een welgesteld korenkoopman dan op oen manhaftig krijgsman. Hij was lang van gestalte, haar en baard begonnen te grijzen, do grauwe oogen schitterden van vuur en er lag een trok van, aan somberheid grenzenden ernst op zijn door do zon gebruind gelaat, waarin de diepe rimpels zich schrikwekkend samentrokken wanneer hij Spanjolen voor zich zag, die van hem geen genade of barmhartigheid te wachten hadden. Do jongman, die nevens den hoofdman ging, fier het vendel omhoog houdende, door do vijanden als do bloedvlag gevreesd, was Pieter Jacobszoon, oen neef van de Rijk. Vroeger was hij kantoorknecht of klerk bij dien bloedverwant geweest; doch met dezen naar Dantzig uitgeweken, en hem gevolgd op het oorlogsschip, door de Rijk tegen den vijand uitgerust. In dien strijd had hij zich door onverschrokkenheid en beleid zóózeer onderscheiden, dat hom werd toevertrouwd het roemrijke vaandel met do spreuk: „Helpt God Orangniënquot; in menig bloedig gevocht de wegwijzer dei-Geuzen en de schrik der vijanden. Pieter Jacobszoon was een slanke, doch stevig gebouwde jongeling, mot eon welbesneden gelaat en gezond uiterlijk. Zijn heldere donkerblauwe oogen zagen onbeschroomd rond; de blonde haren krulden op den heldor witten halskraag en een schijn van knevel kleurde de bovenlip. Zijn voorkomen toekende den West-Fries en de Rijk placht te zoggen, dat zijn pleegzoon afstamde uit hot aloude geslacht Albout, dat lot hot begin der
13
zestiende eeuw in Noord-Holland gebloeid had, doch later vervallen was. Voor deze twee aanvoerders stapte de trommelslager zóó vaardig de stokken roerende, alsof hij ver in het rond wilde kenbaar maken, hoe de Geuzen gekomen waren, om de slachtoffers van Duo d\'Alve, den Spaanschen bloedhond, te wreken. Het volk dat met do soldaten medeliep, jubelde en juichte hel bekende liedje: „Slaat op den trommel van diere, dom, deine, vive de Geus, is nu de leusquot;.
Toen de krijgslieden over de Kaai voorbijtrokken, merkte de weduwe hoe hare dochter met starenden blik naar de voorgangers keek en zich tot tweemalen toe ontvallen liet: „Hij is het, ja, hij is hetquot;. De troep voorbij zijnde, gingen de vrouwen door de met vijzels, weegschalen, flesschen, kroezen en doozen gevulde apotheek naar de op den winkel uitziende woonkamer, waar moeder terstond in het oog viel hoe Diona nog afgetrokkener dan gewoonlijk leek. Rustig was trouwens niemand in Veere, ieder verwachtte bloedigen strijd, wat elke pols sneller kloppen deed. Nauwelijks waren de geuzen de Warwicksche poort uitgetrokken of men hoorde musketten knallen, nu en dan afgewisseld door het dreunen van kanonschoten, waaruit bleek hoe er buiten de stad heftig gevochten werd. Onder deze omstandigheden konden tie vrouwen onmogelijk naar Zandijk terug-keeren en moeder Tanneken Ketelaers, de vrouw van Jan Reijoers-berg, die bij afwezigheid van haar man den artsenijwinkel flink en pittig bestuurde, zorgde voor slaapplaatsen. Dit was echter niet gemakkelijk, daar do foerier der Geuzen ook voor den hopman en zijn vaandrig kwartier had besproken. Tegen den avond kwamen beiden, zeer vermoeid doch ongedeerd, terug en werden als vrienden, geloofsgenooten en bevrijders met blijdschap ontvangen. De hopman was niet uitgesproken over do onverschrokkenheid van zijn jongen neef, die het hem toevertrouwde vaandel hoog liad gehouden waaide strijd het vurigst was. Bij die verhalen zag moeder Ravesteijn, dat oen ongewone blos do wangen van Digna kleurde en haar blik zich als onwillekeurig naar den jongeling keerde, wiens oog ook telkens het hare scheen te zoeken. Toen het meisje des avonds met hare moeder alleen was, kon zij niet laten om de weduwe, voor wie zij geene geheimen had, in te fluisteren, hoo zij in de laatste nachten herhaaldelijk van dezen jongen man had gedroomd, die zich daarin een hulpvaardige vriend betoonde. Zij gevoelde duidelijk dat die vaandrig voor haar geen vreemde blijven zou.
14
Hoewel vrouw Reigersberg er sterk op aandrong dat de weduwe nog niet naar hare onveilige woning zou terugkeeren, meende deze niet langer van de vriendelijke gastvrijheid gebruik te mogen maken ; te meer daar de apotheker na den overgang der stad misschien wel spoedig zou terugkeeren en van elders uitgewekenen wellicht bij hem een schuilplaats zouden zoeken. Moeder en dochter vertrokken den volgenden morgen en bereikten zonder gevaarlijke ontmoetingen de afgelegen woning, welke waarschijnlijk door de vijanden niet was opgemerkt en dan ook als verborgen lag achter een vrij hoogen vliedberg. De volgende dagen waren echter vol angst en spanning, want telkens kwam Spaansch krijgsvolk de Geuzen verontrusten en werd er met groote verbittering geworsteld, waarbij gevangenen en gekwetsten onbarmhartig aan de boomtakken werden opgehangen. Gelukkig voor de vrouwen, hadden deze schermutselingen meestal plaats aan de andere zijde der stad, maar het was te vreezen, dat ook deze buurt niet vrij zou komen. Meermalen was er sprake van om naar Veere te verhuizen, doch ook daar was het onrustig en lang niet veilig, en bovendien had moeder Ravesteun hare eigenaardige begrippen, waarvan zij niet af te brengen was. „De Heere God, zeide zij, zou haar zeker bewaren en achter Zijn schild was zij veilig en geborgen.quot; Digna, wiens voorspellingen nooit faalden, had bovendien in den slaap gezegd, dat geen zwaard haar schaden zouquot;. Op een somberen avond, gelijk er in de Meimaand soms komen, zaten moeder en dochter in het zoogenaamde keukentje bij elkaar. De dagtaak was verricht en moeder las in den, in leder gebonden kwarto bijbel, tien jaren vroeger te Embden gedrukt en welk kostelijk boek zij meer dan eens met levensgevaar had moeten wegbergen. In de laatste dagen had men hier van de Spanjaarden weinig last gehad, daar Middelburg meer en meer ingesloten werd door het krijgsvolk van den Prins van Oranje en iederen dag het bulderen van het belegeringsgeschut klonk. Een paar dagen vroeger had alles in den omtrek gedaverd en gedreund door een woedend gevecht aan het einde van het Sloe, tusschen vier Spaansche oorlogschepen, welke Middelburg van levensmiddelen wilden voorzien en den Veerschen Admiraal Bastiaan de Lange ; welke strijd eindigde met eene ontploffing alsof hemel en aarde ineenstortte, daar de Lange, zwichtende voor de overmacht, de lont in het kruit had geslagen, welke ontzettende uitbarsting de vrouwen niet weinig had ontsteld. Daar het
15
platteland van Walcheren overal door roofzieke benden werd afgestroopt, had de weduwe haar geld en kostbaarheden meest, bij Reigersberg in bewaring gegeven en het overige in een afgelegen hoek van den bogerd begraven; en wie in het eenvoudige keukentje dien avond moeder en dochter bij elkander had zien zitten, had lien in het eenvoudige huisgewaad, de korte bouwen en gespannen kolder, eer voor eenvoudige huislieden dan voor welgestehle burgers aangezien. Zooals we zeiden, was het een stille sombere avond en de rust werd door niels gestoord dan door de vogels, sjirpende in het loof van een hoogen notenboom en „de puienquot;, zooals moeder zeide, kwakende in de naburige duiven. In de verte klonk een gerucht, misschien het suizen van den wind door het gebladerte, wellicht het bruisen van den in het Veersche gat opkomenden vloed, doch het kon ook wel het geroes van naderende menschen zijn. Niet lang daarna klom het gerucht tot woest getier, waartusschen musketschoten knalden. Plotseling werd de voordeur opengeworpen en de vrouw en dochter van een in de buurt wonenden boer stormden binnen, met bleeken doodschrik op het gelaat en angstig gillend: „De Spanjolen komen! De Spanjolen komenquot;! Deze wanhopige vluchtelingen werden op den voet gevolgd door vier kleine, maar forsche, onbehouwen, bruine kerels mot grimmige blikken en kennelijk beneveld door drank. De ijzeren stormhoeden stonden scheef op de hoofden en dreigend zwaaiden zij de bloedige rapieren, vloekend en op groven toon eetwaren en geld eischend. Terwijl de weduwe, aan wie de ontsteltenis koude rillingen door het merg deed varen, zich haastte pm aan de woestelingen alles voor te zetten wat zij voorhanden had, gingen de roovers het huis doorzoeken en bij het vinden van den bijbel, welke moeder in der haast niet voldoende liad weten te bergen, riep een der kerels, die Viaamsch scheen te verstaan, dat zij hier een ketterhol hadden gevonden en zij een aan God en alle heiligen beliaaglijk werk zouden doen, door zulk een verfoeilijk nest met vuur uit te roeien. De daad volgde de bedreiging en spoedig was een brandende lont aan het rieten dak bevestigd. Weldra begon het vuur te knappen, te knetteren en te suizen en glinsterden rijzende en slinkende rosse vlammen door zwarte, langzaam opwaarts golvende rookwolken. Do boerinnen, huiverend van angst, jammerden als vertwijfelden en poogden te vergeefs do, door de woestelingen toegeworpen on good verzekerde deuren en vensters
open te rukken. De weduwe, gedwongen om den booswichten den weg te wijzen, had zich na het vinden van den bijbel laten ontvallen, dat een geuzenvrouw den dood niet duchtte; waarop zij haar op zolder aan een gebint hadden gekneveld, haar toesnauwende dat zij straks wel anders piepen zou. Alleen Digna was bedaard gebleven en stond kalm midden in het vertrek, de kermende boerinnen moed in te spreken: Spaar dit misbaar, zei zij zacht maar duidelijk, want we zullen allen gered worden. Op hetzelfde oogenblik hoorde men buiten hot schateren van woest krijgsgeschrei, het kletteren van ijzer en staal en het lossen van zinkroeren. Oorverdoovende bijlslagen verbrijzelden de voordeur en Digna zag bij den gloed der loeiende vlammen den vaandrig naar binnen springen, met een gloeiend gelaat, fonkelende oogen en een opgeheven zwaard. Gode zij dank, nog bij tijds, riep hij op het meisje toesnellend, haar in de armen vattend en als een lichte last naar buiten dragend. „Red mijn moederquot;, riep Digna angstig, de booswichten hebben haar opgesloten en misschien is zij reeds omgekomen in de vlammen! Zijn dierbaren last aan een geuzensoldaat overgevende, ijlde de vaandrig terug. Schier bedwelmd door rook en verschroeid door vuur, drong do moedige jongeling andermaal in het brandende huis, stoof de krakende trap op en zag op den zolder de oude vrouw gebonden, doch reeds buiten kennis, liggen. De koorden lossnijden, haar op te nemen en weg te dragen was hot werk van een oogenblik. Op het erf stonden zijn trouwe soldeniers, die hun onverschrokken vendrig met den kreet: „Vive de Geusquot; verwelkomden, waarop nu echter niet meer „Espanaquot; volgde, daar de vijanden waren gedood of verjaagd en enkele lijkou huiveringwekkend bungelden aan de takken van den noteboom. Toon do vracht was neergezet, waren do krachten van den jongen man, die in bet gevecht een paar bloedige schampen had gekregen en bij de laatste redding deerlijk geschroeid was, uitgeput. Hij begon te beven en te klappertanden, wat nog nooit iemand der zijnen hom had zien doen. Wel poogde hij tegen Digna en hare moeder, wie de dankbaarheid uit de oogen straalde, te glimlachen, doch plotseling overtoog een lijkkleur zijn gelaat, hij wankelde en viel bewusteloos in de armen van het meisje.
Het duurde lang, zeer lang, eer de vaandrig tot kennis kwam,
maar toen hij met bewustzijn de oogen opsloeg, lag liij in de bedstede van een ruim boerenvertrek en nevens hem was Digna en hare moeder gezeten. Hij gevoelde terstond, dat zijne wonden verbonden waren en zijn, door koorts gloeiend gelaat, met koude omslagen werd verkoeld. Wat hij het eerst met kennis waarnam, was de stem van Digna, tot hare moeder fluisterende: Moeder, hij leeft! en toen voor zich zelf zacht sprekende: „O! mijn God, ik wist dat mijn bede zou verhoprd worden, maar toch dank ik U, Hoogheilige, uit den diepsten grond van mijn hart! Langzaam boog haar hoofd en zachtkens, heel zachtkens, drukte zij de lippen op zijne bruine hand, welke de hare had gevonden en omsloten. Met een zoete, genotvolle gewaarwording, bemerkte de jonge man hoe te gelijkertijd als een rooskleurige sluier voor zijn gelaat werd geschoven en hij weder insliep. Wat hij bij het ontwaken aanschouwde, heeft hij lang aangezien voor een hersenschim zijner ontstelde verbeelding, maar het visioen bleef levenslang diep geprent in zijn geheugen. Bij het wakker worden, zag hij Digna, doch nu alléén, voor zijne legerstede zitten. Hij kon geen teeken van bewustheid geven, maar overkeek toch duidelijk het vertrek, schemerend in het maanlicht, vallende door de kleine ruiten boven de klapvensters. Hij ontwaarde hoe een zijdeur langzaam werd geopend, waarvan het kraken hem waarschijnlijk had gewekt. Twee mannen, kennelijk Spanjaarden, slopen voorzichtig binnen met glinsterende dolken in de hand. Hoewel de vaandrig terstond begreep hoe zij booze voornemens in den zin hadden, kou hij noch roepen, noch zich verroeren. Hij zag ook, hoe Digna bij het openen van de deur had omgekeken en oen onbeschrijfelijke trek van ontsteltenis over haar gelaat gloed. Wat er nu volgde, was zóó vreemd zóó onverklaarbaar, dat Pieteu het in den eersten tijd beschouwde als een vrucht zijner verhitte verbeelding. Digna rees op, maar hoewel dezelfde van vorm en gelaatstrekken, scheen zij toch een andere persoonlijkheid te zijn geworden. Een wonderlijke glans, zachter en helderder dan het licht van de in de kamer schijnende maan, omhulde hare nu fiere gestalte. Terwijl zij zich verhief, zag zij met gebiedenden blik de mannen aan en sprak schier fluisterend, maar op een toon, zooals do vaandrig nooit een menschenstem had hooren spreken: Gaat henen, ellendige sluipmoordenaars! De kerels deinsden verschrikt terug en de een vluchtte haastig door de nog half openstaande deur; de ander, stouter dan zijn kameraad, frad met op-
De Gouden Draad. 2
18
geheven ponjaard op het meisje toe. „Terug, zeg ikquot; klonk het weder kalm. Den kerel sterk aanziende, wees zij op hem met den voorsten vinger der opgeheven rechterhand. De booswicht, die bij het eerste woord roerloos was blijven staan, liet nu den dolk vallen, wankelde en stortte, als door den bliksem getroffen, op den grond.
Het was klaar dag als do vaandrig ontwaakte en reeds lang teekenden de zonnestralen door het trillend gebladerte, donkere figuren op den witgokalkten muur. Hij zag hoe even als den vorigen avond moeder en dochter rustig voor de bedstede zaten en haar vreugde te kennen gaven, toen de jonge man verklaarde best te hebben geslapen en zich veel sterker te gevoelen. Later werd echter zijn aandacht gewekt, daar vrouw Ravesteijn, bij afwezigheid van Digna, de kamer aan kant makende, onder de kast een ponjaard vond, een zoogenaamde misericorde welke, naar zij meende, aan den vaandrig toekwam; doch die deze herkende te hebben gezien in de hand van den stoutsten der moordenaars. Do jonge man sprak echter nergens van en ook Digna scheen zich niets te herinneren, of het onderwerp te mijden. Na eenige dagen was Pieter zoover hersteld, dat hij den rotmeester ontvangen kon. Van dezen vernam hij, hoe de soldaten in den morgen na den brand, in een greppel achter hot erf, twee Spanjolen hadden gevonden, waarvan een met een verlamden arm. Deze hadden veel willen vertellen van eene verschijning der Moeder-Gods; doch de Geuzen wilden niet luisteren naar dat onzinnig geratel en waren reeds bezig om de vuile Spekken op te knoopen, toen het jonge maagdelijn naar buiten kwam en dringend smeekte om het leven der schelmen te verschoonen. Do soldaten wilden het lieve meisje, de zorgvuldige verpleegster van den beminden vaandrig, niets weigeren en daarom waren de schavuiten van den strop gespaard, maar lot op het hemd uitgetogen naar Middelburg gejaagd, üf zij er gekomen waren, kon de rotmeester niet verzekeren, want hel zou best kunnen wezen, dat de door plundering eu brandstichting verbolgen huisluiden met de weer-looze schobbejakken onderweg hadden afgerekend.
In de ruime woning van Jan Reigersberg, vond vrouw Ravesteijn een veilig verblijf en na enkele dagen werd ook de gekwetste daarheen gebracht. Deze beierde ook na korten tijd, wat de apotheker toeschreef aan de heelende kracht van zijn vermaarden wonderbalsem van taxatus
barbalus, maar Pieter zelf aan de toovermaclit der meer en meer ontluikende liefde voor Digna. Hij scheen nu weer tie oude kloekzinnige, onverschrokken jongman, wat de Spanjaarden meer dan eens ondervonden, onder anderen bij den strijd aan den noordkant van Veere, waar de burgers zich te vergeefs met een bolwerk van inderhaast opgeworpen vischtonnen verschansten, en door Pieteu met enkele gewapende sloepen werden ontzet, waarbij de schepen van den vijand werden verbrand en deze tot een haastigen aftocht gedwongen. Gelijk de Ruk later zeide; was hij ook haantje de voorste bij den welgelukten aanslag op Zierikzee, waarbij met de Walen aan de zuid-zelke fel gevochten werd. Onderwijl werd de Rijk aangesteld tot admiraal van Veere; een post meer eervol dan voordeelig, hoewel hem later wegens achterstallige soldij uit de verbeurd verklaarde geestelijke goederen het landgoed Duno onder Oost-Kappel werd toegekend. Pieter begon zich echter minder te huis te gevoelen in hel ruwe oorlogs-leven en snelde, zoodra de dienst het toeliet, terstond naar de woning op de Markt te Veere, door moeder en dochter weder betrokken. De omgang tusschen de jongelieden werd steeds vertrouwelijker en de „vrienden van de marktquot; kwamen schier lederen avond in do apotheek op de kaai, waar Pieter een kamer had. Onvergetelijk bleven enkele zomeravonden, als het gelukkige paar wandelde dooiden belommerden lauwerhof, welke dén tuin aan drie zijden omsloot. Op zulk een avond was de zoele lucht dikwijls vervuld met welriekende geuren van lavendel, rozemarijn, tijlozen, anjers en andere bloemen, bloeiende op regelmatige met palm omzoomde perken, aangelegd om den vergulden, op een steenen voetstuk geplaatsten zonnewijzer. Het gebeurde dan wel, dat de maneschijn trilde door het dichte loof en dat het in de natuur zóó kalm was, als of de geheele schepping rustig was ingeslapen en alleen daarboven bij die glanzende maanschijf en enkele flonkerende sterren, goede geesten waakten. Dan wisselden de twee gelieven fluisterend van gedachten, niet alleen over een rooskleurigen toestand hier op aarde, maar ook over hooger ver verwijderde dingen; want door den omgang met Di«na kwam er gaandeweg een groote verandering in het gemoedsleven van den vaandrig. Hoewel bij het meisje geen herinnering bleef van wat zij bij hare zinsverrukkingen zag en gevoelde, gingen, naar hel scheen, deze hersenschimmen toch niet spoorloos voorbij. Soms sprak zij met haar vriend over andere levenskringen en over groote, edele
20
gestalten, welke zij door de oneindige ruimte zag rondzweven. Naarmate dat hoogere bestaan aan Pikter geopenbaard werd, scheen hem liet aardsche zoeken en streven nietiger toe en kreeg hij vooral meer en meer afkeer van de gruwelen des oorlogs, waarin menschen tot geluk geschapen, elkander als wilde dieren verscheurden. Hoewel de verdediging van gewetens-vrijheid hem een on waardeerbaren schat toescheen, wel waardig om er het leven voor op te offeren, begon do bloedige strijd hem als beroep, meer en meer tegen te staan, en daarom besloot hij om als Middelburg voor den Prins van Oranje was veroverd en zoo een hoeksteen der vrijheid gelegd, den dienst te verlaten. De koophandel, waarvoor hij als knaap was opgeleid, trok hem het meest aan en wanneer hij eenmaal gevestigd was, bestond er geen bezwaar om te huwen en lang, heel lang, gelukkig te zijn. Maar als het paar zoo keuvelde en droomde, viel op dien zonneglans in zijn hart een zwarte schaduw, want hij gevoelde, hoe dat lieve, teere, fijn bewerktuigde meisje eigenlijk geen schepsel was voor deze koude, harde aarde, en een lang huwelijksleven waarschijnlijk wel nooit zijn deel zou worden. Ook in Digna ging dikwijls meer om dan zij uitsprak en met tranen in de stem, zeide zij wel eens: „Vergeet toch nooit, mijn lieveling, dat ik van de meermin afstam, voor wier nakomelingen het verblijf op aarde niet is het lot dei-gewone stervelingen.quot; „Dan zullen we maar, hernam haar vriend, haar tranen wegkussende, van het heerlijke heden genieten, en de toekomst aan God overlaten.quot;
Digna was dien zomer merkwaardig gezond; de zoogenoemde „overvallenquot; werden zeldzamer, en Pieter beweerde zelfs, dat er rozen op haar wangen begonnen te bloeien. Met den winter veranderde het echter en deed het wêer zijn verwoestenden invloed gelden. Daarbij kwam nog de onrust over haar vriend, die voor het beleg van het, door honger en ziekte schier uitgeputte Middelburg, soms lang afwezig moest blijven. De bezorgde moeder ontwaarde ook, hoe een sterretje in Digna\'s oog begon te flikkeren, dat niet veel goeds voorspelde. De nachten, lang rustig, werden nu ook minder kalm en haar geest scheen dan te leven in een wonderbare wereld, waar wezens in blinkende gedaante zich met haar onderhielden over andere werelden, waar vrede en liefde woonden, geen honger, dorst, koude of hitte kwelden en de zaligheid bestond om den Allerhoogsten te huldigen en te naderen, den Oneindigen voor wiens lichtglans de reinste
21
geesten zich het gelaat omvleugelen. Een enkele maal vertelde Di«\\a aan haar vriend een droom. Hoe zij stond aan het strand der zee, waar. gelijk zij sprak, de golven kwamen aanrollen met een geweld als een drom ruiters, rennende, naar den strijd en daarop zag zij eene schoone vrouw rijzende uit de baren en zij herkende de meerminne, waarvan de familieoverlevering gewaagde. Die vrouw sprak tot haar, teeder en liefdevol, gelijk een moeder spreekt tot haar kind, en ver in zee kwam een lichtende wolk aandrijven en toen deze haar omscheen, zweefden zij beiden weg in de oneindige ruimte, langs plaatsen, geheel verschillende van deze aarde en Digna fluisterde in haar sluimering hoe haar een heilig gevoel van zaligheid doortintelde en hoe zij volmaakt tevreden zou wezen, wanneer haar vriend en moeder iu die zaligheid konden deelen. Dan sprak de leidsvrouw, dat beiden als hun tijd vervuld was, waarschijnlijk het zelfde heil deelachtig zouden worden en dat het haar misschien wel gegeven zou worden om als een goede geest te waken over hem en zijn geslacht. Moeder Ravesteijn was gewoon, ingespannen naar die droomerijen te luisteren en beweerde boeken te kunnen volschrijven over de wonderbare dingen, door Digna in hare visioenen gepreveld. Wanneer het meisje ontwaakte, was zij alles vergeten, wat zij had medegedeeld, doch altijd erg vermoeid, zoo dat het koude zweet haar op het voorhoofd parelde. Toen Digna nog een kind was, had moeder met haar wel eens gesproken over die zonderlinge „reistochten in het schimmenrijkquot; gelijk de oude vrouw ze noemde, doch die zinspeling op haar hersenschimmen scheen het meisje zóó pijnlijk aan te doen, dat de weduwe er niet meer op terug kwam. Wanneer de vaandrig nu en dan Veere bezocht, fleurde Digna merkbaar op en geleek, zoo als moeder zeide, op een schier verdroogde bloem, welke begoten wordt. Met onvermoeide belangstelling luisterde zij dan naar het verhaal zijner krijgsbedrijven en verheugde zich van ganscher harte, als de zaak dei-vrijheid meer en meer veld won. Zij hoopte cciitor dat spoedig het zwaard voor goed in de schede zou gaan, maar het bevreemdde Pietek wel eens, dat hoewel het gevoelige meisje gruwde van de ijselijkheden des oorlogs, het sneuvelen op zich zelf haar minder trof, want zij beschouwde den dood slechts als een gebeurtenis in het leven, een overgang naar een ander tijdperk van ontwikkeling. In menige hevige schermutseling was Pieter in den laatsten tijd wonderdadig gespaard en schenen de kogels hem ongedeerd te laten. Er werd wel eens
onder de soldaten gefluisterd, dat do vaandrig zich door tooverpoeiers onkwetsbaar maakte, of dal er in de blauw zijden strik, door Digna indertijd aan bet gevest van zijn houwer bevestigd, een geheim behoedmiddel schuilde. Op den 20 Februari van \'t jaar \'74 kwam Pieteh met een blos van vreugde do huiskamer binnenstuiven, om de goede tijding mee te deolen dat de onderhandelingen met Lapken (gelijk Mondhagon genoemd werd) waren geslaagd en „do schoone bloomo Middelburgquot; door den Prins geplukt. De vreugde over die zegepraal word nog verhoogd door do hoop, dat Jacob Sijmens of de Rijk, die bij een aanslag op Tholen in April \'73 gevangen was genomen en hard behandeld werd, nu spoedig zou worden uitgewisseld of vrijgelaten. Een paar dagen later kwam broeder Ravesteijn, de brouwer in de Noordstraat, zijn schoonzuster bezoeken en had veel te vertollen van de ellende door pest, hongersnood en andere miseriën tijdons het beleg uitgestaan en hoe de koster Dries Mahieusz., den dag na do overgaaf zijn bruiloft had gevierd met. lijnzaadwafels en paardonvleosch. Daar er doorliet aanstaand vertrek van vele Spaanschgezinde burgers, oen tal van goede woningen voor weinig geld te huur kwamen, raadde do brouwer zijne schoonzuster om liever in Middelburg te komen wonen. Do geneesheer Reigeksberg, een zoon van den apotheker, achtte hot echter voor Digna beter om in Veero te blijven, daar zij de vermoeienis cener verhuizing waarschijnlijk moeilijk zou kunnen weerstaan, omdat zij „een zeldzaam zwakke deesemquot; was geworden.
De lente was gekomen. Vriendelijke zonnestralen vielen door de kleine, in lood gevatte ruiten der twee hoogo smalle kruiskozijnen, waarvan do bovonluiken tot tempering van het licht aanstonden, op do gekalkte muren van do hooggezoldordo, mot roode en goeie plavuizen bevloerde bovenachterkamer van hot huis op de Markt te Veero. Het midden des vertreks word ingenomen door een zware langwerpige tafel, gedekt door oen gekleurd wollen kleed. Tegen do wanden stonden eenige hooggorugde, met snijwerk versierde en met leer bekleodo stoelen, en op oen broeden schoorsteenmantel waren nevens glinsterende tinnen kannen, enkele gekleurde schalen en borden geplaatst van fijn aardewerk. Op hel haardijzer vlamden lusschen do lurven oen paar blokjes, welker flikkering glansde op een afbeelding van Abrahams offerande, voorgesteld op de ijzeren schouwplaat. In een met kussens gevuldon leunstoel was Digna gezeten, maar zij
23
was nauwlijks to herkennen en uitgeteerd tot een schaduw van wat zij verleden jaar nog was, zoodat do apothekersknecht haar terecht „een handjevol menschquot; noemde. Op een drievoet, nevens den stool stonden, behalve een fleschjo met geneesmiddelen, een paar ruikertjes met welriekende voorjaarsbloemen, door den vaandrig medegebracht. De krachtige jongeling, een beeld van bloeiende gezondheid, lag nu geknield voor het bleeke meisje en tesamen vertoonden zij hot beeld van het ontloken en het wegkwijnende leven; een vloedgolf opkomende uit do volle zoo; de ebstroom nauw merkbaar terugkeerende uit don wereldplas, waaruit zij was ontslaan. Zijn blik rustte mot een uitdrukking van innige liefde op haar teeder, vermagerd gelaat, waarop een afgescheiden blosje verried, hoe daar binnen oen worm knaagde aan don schoonen levensboom. Telkens boog Pieter zich voorover en drukte zijn frissche roode lippen op do tengere, fijne hand en dan openden zich haar groote glinsterende oogen en knikte zij den vriend dankbaar en liefdevol toe. Wat ieder duidelijk ontwaarde, scheen hij alléén niet te merken en nog steeds gaf hij voor, zich to vleien met horstel; doch wie zal zoggen, of hij zich die hoop niet opdrong, omdat reeds het vooruitzicht van haar te moeten missen, hem als oen scherp zwaard door do ziel snood. Er kwam zelfs tor sprake om het huwelijk te doen plaats hebben; doch hun trouwe vriend, de vroegere pastoor Jan van Migguode, die na zijn terugkomst uit do ballingschap, predikant te Veero was geworden, keurde deze kerkelijke plechtigheid af, met het oog op den zwakken staat van het meisje Toen de looraar kort daarna zijn lieve zieke weder bezocht, had hij fluisterend oen lang onderhoud met haar, waarvan het gevolg was, dat hij den volgenden dag terugkomende, moeder en Pieter verzocht neder te knielen bij den stool van Diona. Daarop sprak hij oen gebed uit, treffend en zielsverheffend, als alles wat uit het hart welde van dien vromen man. Hij liet de jongelieden elkander de hand reiken en in de zegenbede, toen over hen uitgesproken, noemde hij die verbintenis even nauw en even heilig als een volledige huwelijksvoltrekking in de kerk. Digna was na die inspanning zachtkens ingesluimerd en de jongeling zat mot don arm op de tafel geleund, zich te vermeijon in haar vriendelijk gelaat en daarbij altijd nog hopende op herstel, al begreep hij wol dat de levensdraad zijner vriendin, fijn als spinrag was. Na oen half uurtje rustens, ontwaakte het meisje. Met wijd geopende oogen zag zij eerst haar vriend en
vervolgens haar moeder aan en sprak met een stem, veel vaster en duidelijker dan in de laatste weken: „Hoort ge niet, hoe ik geroepen word en naar huis moét; maar daarom verlaat ik u toch niet, lieve vrienden!quot; Daarna zonk zij uitgeput in de armen van den jongen man, die met hare moeder was toegeschoten. Zij scheen te staren naar een voorwerp in de verte en over haar bleek gelaat zweefde een vriendelijke glimlach. Weder vestigde zij de oogen op moeder en Pieter, zaclit fluisterend, maar tocli duidelijk verstaanbaar: „Het reiskleed valt af; ik kom!quot; Een oogenblik volgde een zachte snik, en een ster, welke hier op aarde kort, maar lieflijk had geschenen was ondergegaan om elders haar licht te verspreiden. De jongman, die in den oorlog den dood had gezien in tallooze huiveringwekkende vormen, was nog nooit zóó diep in de ziel gegrepen geweest en zat als versteend nevens den leunstoel. Hij gevoelde wel, dat de hem zoo dierbare kleine hand, die hij tusschen de zijnen omklemde, steeds killer werd en verstijfde, maar hij kon die toch niet loslaten. Wezenloos bleef hij staren op het wasbleeke gelaat, waarvan de trekken reeds begonnen te ontspannen, waardoor de gelijkenis met een wit marmeren heiligenbeeld nog toenam. Eensklaps barstte hij in tranen uit, overdekte snikkende het koude gelaat met heeto kussen, en de oude moeder vergat eigen leed om den jongen krachtigen krijgsman te troosten.
De eerste dagen bleef Pieter als verpletterd onder het leed, waarvan de last hem steeds méér scheen te drukken. Uren lang zat hij in gepeins verzonken en als doof voor wat er om hem voorviel, en toen het stoffelijk overschot van Digna in het familiegraf in de Groote kerk bij dat haars vaders ter ruste werd gelegd, moest de anders zoo kloeke vaandrig der Watergeuzen als een kind geleid worden. Te vergeefs beproefden zijn vrienden en vooral de trouwe dominee van Miggrode, om een troostenden lichtstraal te doen vallen in zijn dicht omsluierd gemoed. Enkele dagen na do ter aardebestelling hadden zij in het boekvertrek van den predikant lang met elkander gesproken, maar het einde was, dat toen de jonge man opstond en zijn bejaarden vriend hartelijk de hand drukte, zijn laatste woord was: „Alles goed en wel, dominee, maar ik kan er niets anders op zeggen, als dat ik twijfelen blijf en alles heel duister daar binnen is; overal mysterie!quot; De minister, gelijk men destijds in Zeeland
25
de predikanten betitelde, veel van zijn jongen vriend houdende, was bekommerd over diens troosteloozen gemoedstoestand, en daarom niet weinig verheugd en verbaasd toen den volgenden morgen reeds vroeg Pieter bij hern kwam en met een opgehelderd gelaat sprak: „Beste dominee, de troost is gevonden. Heden nacht is mij Digna in den droom verschenen en heeft mij verzekerd met dezelfde lieve stem, welke ik zoo gaarne hoorde, hoe zij volkomen gelukkig is en dat ik haar niet op deze zorgvolle aarde mag terug wenschen. De gemeenschap onzer zielen, fluisterde zij; zoo ging de jongman met een door tranen schier stokkende stem voort; is door mijn heengaan niet losgescheurd; want waarachtige liefde is sterker dan de doodquot;. De predikant luisterde met groote belangstelling naar die mededeeling van zijn jongen vriend en antwoordde ernstig: „De wegen des Allerhoogsten zijn voor ons nietige menschenkinderen ondoorgrondelijk ; maar meermalen heb ik ervaren en vooral in deze prangende tijden, hoe droomen en gezichten aan jongeren en een-voudigen openbaren, wat voor ouden en Godgeleerden verborgen blijft. Waardeer, jonge vriend, deze lichtstralen uit het geheimvolle land over het graf en mogen zij uw geloof in Gods Vaderliefde versterkenquot;, en een hartelijke handdruk bezegelde dezen wonsch. De verhouding van den leeraar, die al deze vrienden overleefde, want hij stierf pas in 1627, zes en negentig jaren oud, werd na dit onderhoud zoo mogelijk nog inniger, en voor de weduwe bleef „de oude pastoorquot; levenslang een best raadsman en een trouw vriend.
Sedert den dood zijner geliefde was de woelige, levenslustige vaandrig een bezadigd man geworden. Het ruwe krijgsmansleven begon hem meer tegen te staan en bovendien achtte hij de zegepraal van den opstand verzekerd, nu geheel Walcheren, van Spanjaarden gezuiverd, in handen van den Prins van Oranje was gekomen. Hij oordeelde daarom het tijdstip gunstig om heen te gaan, doch besloot te wachten tot zijn pleegvader de Ruk uit den kerker te Gent was ontslagen. Toen dit na zeven maanden, vooral door tusschenkomst van Mondragon geschiedde, sprak Pieter er met zijn vaderlijken vriend over. Deze, wiens gezondheid in den eersten harden tijd der gevangenis had geleden en wiens gemoed, eertijds fel en strijdlustig, nu verzacht was, keurde het voornemen niet af, hoewel hij den vaandrig verzekerde van een spoedige bevordering. Indien de jongman den dienst echter verlaten wilde, raadde De Ruk aan om
zijn fortuin In het brouwersvak te beproeven, te meer daar bij goede gelegenheid had om zich daarin te gaan bekwamen bij een oom van Digna te Middelburg, een invloedrijk lid der nieuwe regeering aldaar; welke Willem Jacohse Ravesteijn een brouwerij in de Lange-noordstraat had en overdeken van \'t Gilde werd. Zoo gebeurde het, en Pieter ging bij zijn oom, gelijk hij hem beschouwde, in de leer, tot dat de oud-vaandrig gelegenheid kreeg om, kort na de otnkeering van Amsterdam in Mei 1578, in deze zijn geboorteplaats, een brouwerij te stichten op den Singel bij de Jan Rodepoortstoren. Deze fabriek, naar den gevelsteen van een der daarvoor gebezigde woningen „het nachtglasquot; genoemd, werd spoedig door Pieteh Jacobszoon\'s ijver een bloeiende zaak, wier gevelteeken zijn familienaam is geworden.
De brouwerij was moerendeels een groot somber gebouw, vroeger waarschijnlijk een klooster met slechts enkele zwaar getraliede vensters in den voorgevel, waarin een breede poort met stevige deuren en een zoogenoemd klinket, toegang gevende tot een ruimen bestraatten voorvloei-, waarin enkele vertrekken tot kantoor en woonkamers af-gemetseld waren. Sedert zijne vestiging te Amsterdam was de jonge eigenaar der fabriek in zijne vrije uren dikwijls bij zijn ouden patroon Jacob Symens de Rijk, wiens echtgenoote Grietje Hooft, voor den vroeg ouderloozen jongeling steeds als een tweede moeder was. De gezondheid van vader i»e Rijk had veel geleden, eerst in de vermoeienissen van den oorlog, maar meer nog in de gevangenissen te Vilvoorden en te Gent. Door ongeneeslijke doofheid was hij lichtgeraakt en knorrig geworden. Hem niet vriendelijk gezinde menschen beweerden wel eens, dat de onbarmhartigheid, waarmede de oude Watergeus den Spanjaarden hun bloeddorst had vergolden, de zielsrust van zijn ouderdom niet bevorderde en sombere herinneringen nu en dan zijn brein ontstelden. Vrouw en dochters poogden door liefdevolle zorgen, dien vaak duisteren levensavond te verhelderen, doch niemand wist den ouden man meer op te fleuren dan zijn vroegere vaandrig, dien hij als een zoon lief had. Moeder Ravesteijn had hare dochter slechts enkele maanden overleefd. Zij was op het laatst bijna blind en het vermaarde aqua Eufragiae of Oogentroost had niet gebaat; terwijl zij tijdelijk vertoefde bij haar zwager te Middelburg, had men haar des morgens dood op de legerstede gevonden en kennelijk was zij zachtkens ingesluimerd. Haar huis op de Markt
27
te Veere liet zij na aan haar vriend Jan Reigersberg, wiens hertrouwde weduwe daar later tot in het begin der zeventiende eeuw heeft gewoond. Overigens was Pietek de voornaamste erfgenaam, wat hom voor de vestiging der brouwerij goed te stade kwam.
Op een schemeravond, in den aanvang des jaars 1579, stond Pieter Jacobszoon voor liet smalle venster van zijn kantoor, met een paar treden in het voorhuis der brouwerij uitkomende. Het was een hoog langwerpig vertrek, waarvan het midden ingenomen werd door een plompen lessenaar, waarbij twee hooge, met donker leer overtrokken kantoorkrukken. Op het plat van dit meubel stonden een paar zware tinnen inktkokers en daarbij ganzenpennen van verschillende soorten, scharen, zandbakjes, vouwbeenen, lak, papier, perkament en dergelijke schrijfbehoeften. Tegen de gekalkte wanden waren kasten geplaatst, tamelijk gevuld met kantoorboeken en doozen van allerlei grootte en tusschen die kasten hingen lange liassen met zoogenoemde brouwbriefjes aan veterband geregen, welke in de schemering aan grauwe slangen denken deden. Op de ijzeren plaat van de ver in de kamer springende schouw, knetterde een takkenbos, kort te voren door een knecht geschikt, waarvan de beurtelings opflikkerende en wegstervende vlam een rossen gloed door het kantoor verspreidde, en naar buiten scheen door de in lood gevatte ruitjes van het in den gevel uitgebroken kruiskozijn.
De jonge man stond, zooals gezegd is, in gepeins verdiept en hij leefde voor een oogenblik weer in de dagen, toen hij met zijne Digna menigmalen van gedachten wisselde over het wondervolle leven, rijk aan zonderlinge lotsveranderingen. Ofschoon schijnbaar er naar ziende, ging werkelijk de menschenmenigte, krioelende over de naburige brug, hem onopgemerkt voorbij en evenmin schonk hij nu aandacht aan het zoo opwekkend schouwspel van de breede, kabbelende, stralende watervlakte, waarop tal van schepen en schuiten in bonte verscheidenheid wemelden, schilderachtig verlicht door de ondergaande zon, waarvan do laatste stralen zich spiegelden in de zoldervensters dei-trapgevels aan de overzijde van don Singel en de vergulde wind-vaantjes der torenspitsen in de verte als sterren schitteren deed. Dat het geen blijgeestige mijmeringen waren, welke den jongen man\'s geest kluisterden, zou te zien geweest zijn aan de donkere wolken, als het ware met tusschenpozen langs zijn gofronsd voorhoofd drij-
vende. Wat die zorgen waren, kon niet gezegd worden, maar uiterlijke omstandigheden konden daartoe geen aanleiding geven, want de brouwerij ging voordeelig, gaf een ruim bestaan en werd niet weinig gesteund door invloedrijke betrekkingen en verwanten. Pieter was in zijn woonplaats geacht en een der afdeelingen van de schutterij had hem de door velen begeerde eer toegekend om haar banier te dragen. Wanneer de schutterij voor monstering of wapenoefening optrok, was de vroegere geuzenvendrig nog te herkennen in den kloeken jongen man, die het vaandel ophief en met vasten manhaften tred den trommel volgde. Slechts kort vóór we hem nu in het kantoor aantroffen, had hij nog zijne schutterplichten vervuld en de hooge sierlijk gepluimde hoed, de breedgeplooide sjerp, de blinkende ringkraag, en het blauw fluweelen wambuis hingen nog over een stoel en daarnevens stond, bevestigd aan een geborduurden draagband, het trouwe rapier, reeds in menig gevecht geschaard. In den naasten hoek kon men zien staan het schuttersvaandel van blauwe zijde, met gouden franje omzet. In een bovenhoek van die banier bij den stok glansde het stadswapen met de kroon en de leeuwen, en langs den bovenrand een baan met do Amsterdamsche kleuren, rood, wit en zwart. De stroom dor gedachten voerde den jongen peinzenden man, gelijk zoo menigmalen, naar het huis op de Markt te Veere en ook nu was zijn geest als verzwonden in de rooskleurige dropmen, waarin hij zich dikwijls met zijne Digna verdiepte en waarvan slechts een weemoedige gedachtenis, een zoekende smart overbleef. Wanneer de vloed dezer dierbare heugenissen hoog steeg, welden soms bittere tranen en gevoelde hij als in toenemende mate, welk een heldere zonnestraal het innig geliefde meisje in zijn hart had doen schijnen. In dien jongen man. verloren in gepeins en met tranen in de oogen, zouden de ruwe krijgsmakkers uit den geuzentijd nauwelijks hun onverschrokken, beweeglijken vaandrig hebben herkend, altijd de voorste bij een aanval en de laatste bij een aftocht. Langzamerhand nam de schemering toe en werden de schaduwen scherper door het vlammende haardvuur, geteekend op den wit gekalktcn muur. Plotseling scheen het Pieter alsof er nog een ander licht in het vertrek begon te glanzen, een schijnsel, eerst blauw grijs, daarna violet, als een doorzichtige wolk zachtkens door de kamer drijvende en waaruit zich van lieverlede ontwikkelde het beeld eener vrouw. De jonge man, aangeraakt dooiden tooverstaf van het onverklaarbare, gevoelde zich niet ontsteld of
29
verbaasd, want hij begreep terstond wie daar tot hem kwam, en een onbeschrijfelijk zalige gewaarwording doortintelde geheel zijn wezen. Hij zag Digna voor zich, maar niet gelijk hij haar het laatst aanschouwd had, bleek en uitgeteerd in de ziekenkamer te Veere, maar zooals zij verscheen bij dien wonderbaren droom in het boerenhuis op Zandijk. Nu stond zij vóór hem als een glanzende, doorzichtige afspiegeling van een menschelijke figuur van onbeschrijfelijke fijnheid, reinheid en lieflijkheid, en de blik der stille, vriendelijke oogen drong tot in het diepst van zijn gemoed. Hoewel hij de lippen niet zag bewegen, hoorde liij als uit de verte haar bekende welluidende stem: Lieveling, zoo noemde zij hem altijd, klonk het zacht maar duidelijk verstaanbaar, „ons beider Hemelsche vader riep mij tot hoogeren werkkring waarin ik zoo gelukkig ben, dat ge mij niet beklagen moogt. Eens zult gij uwe Digna wedervinden. Blijf niet langer eenzaam, beste vriend, treurende over mij, maar kies op aarde een levensgezellin! Agatha de Rijk kan u gelukkig maken!quot; Toen begon de stralenkrans van haar voorkomen allengs te verdooven en de verschijning verdween, zooals een ademtocht wegwasemt van een spiegel. Bij het ontwaken, want de jonge man meende gedroomd te hebben, was het haardvuur op enkele spankels na uitgebrand en het vertrek duister. Pietkii stak een kaars aan en zette zich, nog geheel onder den indruk van het voorgevallene, op een stoel bij de tafel. Daar bleef liij een tijdlang met het hoofd op den arm rustende, zitten peinzen. Toen stond hij op, schoof den ijzeren grendel voor de deur, knielde neder en bad. Zooals bij ieder vurig, diep gevoeld gebed, bleef de hemelsche lichtstraal, waarom hij smeekte, niet uit en opstaande gevoelde hij zijn geest verhelderd en vol levensmoed. Na het rapier te hebben aangegord, wat te kennen gaf dat hij een deflig bezoek ging afleggen, en bovendien des avonds onmisbaar was voor de straatrabauwen, sloeg hij zijn mantel om en begaf zich naar een der burgemeesters, dien hij over schutterszaken dien avond spreken moest, en vervolgens naar de familie de Rijk. Daar bracht hij den verderen avond dooien verbeeldde zich hoe nicht Aagje bleeker zag en afgeti okkener was dan gewoonlijk en met zekére schuwheid telkens naar hem keek. Terwijl zij even uit de kamer was, vertelde haar oudere zuster Grietje, hoe Aagt, wat hoofdpijn hebbende, tegen schemeravond in een stoel op de slaapkamer was ingesluimerd, maar toon zóó zwaar gedroomd had, dat zij geheel ontroerd en van streek wakker was
geworden en nog steeds onder den indruk verkeerde. Tegen half tien nam Pieter ooi-lof en ging naar huis, maar in het kantoor zijn houwer afgespende, ontwaarde hij tot zijn spijt, dat de blauw zijden band, door Digna nog om het gevest gestrikt en welke voor hem eene geschiedenis had, verloren was. De bezoeken bij de familie de Rijk veranderden nu van aard en zelfs Jaantje, de jongste dochter, merkte spoedig op, hoe neef Piet kennelijk „een bekjequot; gelijk men destijds zeide, op Aagje had. Ageman, gelijk zij in den huiselijken kring genoemd werd, was uiterlijk een knap meisje, eenvoudig van aard en moeder Griet noemde dat middelmootje, het zachtste van haar zoet drietal. Het aanzoek van Pieter werd gunstig opgenomen en de oude hoer was vooral niet weinig in zijn nopjes, dat de trouwe vaandrig, lang zijn pleegzoon, nu ook zijn schoonzoon worden zou. Reeds kort na de verloving fluisterde Aagje aan haar vriend in, hoe zij in den laatsten tijd meermalen van hem had gedroomd. Zij zag dan Pieter en nevens hem een tengere, bleeke, jonge vrouw, die haar met vriendelijken blik aankeek, terwijl zij te gelijk in het diepst van haar hart een stem hoorde fluisteren, dat deze jongman haar gelukkig zou kunnen maken. De verloving had op ouderwetschen trant plaats, in tegenwoordigheid der naaste bloedverwanten. Na het wisselen der ringen, werd een beker wijn gevuld, waarna vader be Rijk een aanspraak hield, wat de oude doove man gaarne deed; doch waarvan hij soms niet gemakkelijk het einde vinden kon. Ook nu verdiepte hij zich en verdwaalde in het verledene bij het verhalen; hoe hij Pieter\'s familie van aver tot aver (van ouder lot ouder) als gequali-ficeerde luiden in West-Friesland had gekend en het éénige kind zijner brave, vroeg overleden ouders als een eigen zoon had lief gehad. Zoo als gewoonlijk bij dergelijke heildronken, eindigde de spreker met zijn zoete Griet, zijn dierbaar huiswijf en verhaalde, wat de aanwezigen reeds meermalen hadden gehoord, hoe zij op het eerste bericht der inneming van Den Briel, schreiende geloopen was naar haar oom Claes Willems (Hooft) op den Vijgendam, weeklagende dat haar echtgenoot in het veroverde stedeke nu spoedig door overmacht zou worden aangevallen, gevangen en opgeknoopt, waarop oom, een ruig, oud zeeman antwoordde: Spaar je tranen, zoet nichtje. Kerels, die zoo slim waren om de koe zóó stevig bij do horens te pakken, zullen zich nu ook wel van de galg vrij weten te vechten.quot; Deze vertelling diende als inleiding om te verzekeren, hoe Grietje de
31
beste vrouw van de wereld was en haar te zoenen dat hot klapte. De aanwezigen, do jongere ten minste, verheugden zich over dit goede voorbeeld en do allerjongsten zagen met verlangen het oogon-blik naderen, dat. de door de zusters gebakkon wafelkoeken zouden worden rondgediend. Veel gelogonheid voor heildronken kreeg dk Rijk in de bruidsdagen niet; want op aandrang van den bruidegom, die het loven reeds van eone zoo ernstige zijde had leeron beschouwen, liep verloving en bruiloft stil en zoo eenvoudig mogelijk af en slechts ter wille van liet jonge bruidje haddon er bij de echtverbintenis enkele feestelijkheden plaats. Daarvoor was de pronkkamer door de vriendinnen met groen en bloemen als in een tuin herschapen. Midden in het vertrek was een kroon gehangen, versierd mot waaiertjes on vlaggetjes van klatergoud en overal bestrikt met veelkleurige zijden linten. Ook de zetels dor aanstaande echtgenooten, waren niet sparrenloof en wilgentakken omvlochten, en boven don stoel van den bruidegom was, in een schild van azuur, een in goud gevatte zand-1 o op er te zien, met een zilveren ster als helmteeken gekroond; terwijl boven do zitplaats der bruid op een veld van zilver, een keper van rood, vergezeld van drie zwarte vogels, afgebeeld was. Hoewel Pieter zich ter wille zijnor lieve bruid nu en dan tot vroolijkheid opwond, vervulde toch weemoed zijn hart, want, zoo mogelijk, stonden hem nog levendiger dan ooit de laatste dagen van Digna voor den geest. Hij was dan ook recht dankbaar, toon hij do zoogenoemde Roode-deur in de Oude- of Klaaskerk, waar de trouwlustigen worden ingeschreven, achter den rug had en dominee Petrus Plancius, de huisvriend der familie, het huwelijk plechtig had ingezegend. Op do bruiloft, welke naar Amsterdarnschen trant feestelijk word gevierd, naderde men in den „opzetquot; zoo veel doenlijk tot den uitersten grens der verbodsplakkaten togen woelde en overdaad. Onder de vele gerechten werd echter kalfsvloosch gemist, welke spijs nimmer bij de Rijk op tafel kwam, sedert do admiraal in zijn harde gevangenis daar een walg van had gekregen. Hot was werkelijk hij dien maaltijd een treffend oogenblik, toen do oude doovo Jacob Sijmens mot zachte haperende stem de jongelieden heil toedronk, en in de bevende hand nauwelijks do zilver vergulde coupe-tasse houden kon, door don magistraat van Veero indertijd aan hun dapperen vlootvoogd vereerd. Gelijk destijds gebruikelijk was, besloot hij zijn toespraak met het oude liedeke:
O, wie willen jolijk handtieren,
En vroilijk feeste vieren,
Al met de coupe in de hand,
Naar den ouderwetschen trant.quot;
Waarna het geheele gezelschap onder het herhalen van den laatsten regel opstond, en ieder man aan zijn buurvrouw een eerlijk zoentje gaf. Volgens dien zelfden ouderwetschen regel, werd het overschot dei-gerechten den volgenden dag aan de armen der buurt uitgereikt. Pieter verheugde zich innig toen die feestdagen voorbij waren en hij ze bekroonen kon door met zijn lief wijfje de nette woning te betrekken, welke hij nevens de brouwerij, gezellig en netjes in orde had doen brengen.
Met ijver en nauwgezetheid behartigde de brouwer zijn zaken en die vlijt werd door voorspoed beloond. Bij de schutterij bleef hij een gezochte persoon en zijn portret komt voor op een der Doelenstukken, waar kloeke schutters elkander met joviale blikken aanzien, als waren zij bezig te verhalen van de heldenfeiten hunner jongelingschap en verzekerden, hoe zij weer met mannenmoed pal zouden staan, als het de veiligheid gold der wijd beroemde stad „welke als keizerin de kroon droeg van Europe.quot; De als degelijk en deugdelijk bekende brouwer werd in 1595 geroepen om de belangen van het hem dierbare Amsterdam ook op het stadhuis te behartigen en bewees jaren lang als Raad, Thesaurier en Fabriekmeester vele goede diensten. Des zomers bracht het gezin, want het huwelijk bleef niet kinderloos, door op eene hofstede aan den brouwer toekomende, onder Abcoude, waar op de toegangspoort zijn zegel was afgebeeld. Bij de zespuntige ster stond een zeemeermin met een spiegel, en tevens de voor hem verklaarbare spreuk: „Mij lacht die ster.quot; Toen véél later de hoeve in andere handen overging, de oorsprong vergeten was en de steen vernieuwd, werd er, om twee schildhouders te hebben, nog een meerman bijgevoegd.
In lüüi vierden Pieter en Grietje de zilveren bruiloft en bij die gelegenheid werd in hot anders zoo eenvoudig huishouden een schier kwistig familiemaal aangerecht, waarvoor het beste ammelaken en servietten uit de linnenkast, en de zilveren lepels en ander tafelgeraad uit de ijzeren kist te voorschijn kwamen. Bij het achtermaal, na het gebruik van fruiten, cremettes, confituren en andere gerechten, waarvan de namen zelfs nu vergeten zijn, vulde de zilveren bruigom een met
33
goud beslagen geuzennap, dien liij, dertig jaren vroeger, als belooning voor een heldhaftige daad te Vlissingen van den admiraal Ewoud Pieterszoon Worst had gekregen, met roode claret en dronk daarmede het heil zijner vier kinderen. Vervolgens gaf hij aan ieder hunner een eenvoudigen gouden ring, waarin gegraveerd stond: Denght verwint al. 1601; een spreuk, later door een der kleinzonen in het latijn vertaald onder het wapen geplaatst. Het merkwaardige dier ringen was, dat zij vervaardigd waren uit een gouden armband, sedert onheuglijke jaren in de familie Ravesteijn bewaard, en volgens overlevering door de meerminne uit zee medegebracht. Het familiewapen met de drie geheimzinnige karbonkelsteenen, was er echter later op gesneden. Op verzoek van Digna was deze band dooide weduwe aan Pieter vermaakt, en moeder Aagt vertelde hoe haar man herhaaldelijk had gedroomd, dat hij daarvan voor de kinderen ringen liet vervaardigen. Daar er predikanten op het feest waren, zou er dien avond niet gedanst zijn geworden, als die eerwaarde vrienden niet zoo verstandig waren geweest om tijdig te vertrekken; waarna er nog tijd voor een ronde-dansje overschoot. Het laatst stonden vader en moeder in den kring, die met vochtige oogen betuigden, hoe zij elkander sedert vijf en twintig jaren iederen dag, zoo mogelijk nog méér liefhadden dan den vorigen, welke verzekering onder het gejuich van kinderen en kinds-kinderen, bezegeld werd met een klinkenden kus.
Des avonds steeg, in het stille slaapvertrek, een dankgebed op tot God en Pieter dacht hoe wellicht op dit eigen oogenblik door een hoogeren geest, op duizelingwekkenden afstand maar toch getuige van wat er hier op aarde voorviel, dankbare hulde werd gebracht aan dezelfde Bronader van al wat was, is en zijn zal!
Niet lang na dien merkwaardigen gedenkdag, begon de gezondheid van Pieter te wankelen en een jaar later werd hij uit zijn werkkring opgeroepen. Van hem mocht worden getuigd, dat zijn leven nuttig was besteed, en dat hij zijn aardsche taak waardig had vervuld.
Het gezin van den brouwer, (1636.)
Het stoffelijk overschot van Pieter Jacobszoon Nagtglas rustte reeds meer dan twintig jaren in het familiegraf ten Heiligerstede, gelijk de
De Gouden Draad. 3
34
Nieuwe-Zijdskapel destijds nog doorgaans werd genoemd. Sedert dien sterfdag was er in het staats-, kerkelijk- en huiselijk leven heel wat veranderd. De boomen aan den singel, welke do oude brouwer in het laatst zijns levens had zien planten, begonnen de gracht reeds een vroolijk aanzien te geven, vooral als vriendelijke zonnestralen speelden door hun dicht gebladerte. Kleine kinderen, die eens belangstellend naar het planten hadden gekeken, waren opgegroeid tot mannen en vrouwen in den bloei des levens. Zoo was ook in die jaren de republiek der Verecnigde Nederlandsche Provinciën gewassen van een teere struik tot een krachtigen boom en Amsterdam was op weg om te worden een wereldstad, het Venetië van het Noorden. Wat ook in den loop der jaren was gewijzigd en verfraaid, niet alzoo de brouwerij bij do Jan Roode-poort, welke uiterlijk dezelfde was gebleven. Hoewel de eigenaar Jacoh Pieterszoon, evenals zijn vader, een vrijzinnig, vooruitstrevend man was, toonde hij zich sterk behoudend in de uiterlijke dingen van het gewone leven en daarom stond hij het liefst in het oude, ons bekende kantoor, aan denzelfden lessenaar als door zijn vader werd gebezigd. Slechts noode ging hij er onlangs toe over, om den voorgevel der brouwerij, een oude kloostermuur, welke dreigde in te storten, te doen vernieuwen en de holle openingen te vervangen door boogvensters, gesloten met kunstig gesmeed ijzerwerk, waar tusscben bloemen en knoppen zich slingerden om een zandlooper of nachtglas. Nevens die werkplaatsen was het woonhuis, waarvoor een netto trapgevel van frisch gekleurde baksteen was gebouwd, waarin zeven kruisvensters mot blauw en wit ruitvormig geschilderde linken, en een sierlijke spits mot genoemde zinnebeeld gekroond. Den eerzamen brouwer vinden we in hol weinig veranderde kantoor. Hij is een kloek, welgemaakt man van in de vijftig jaren, mot een blozend, goedhartigheid on welwillendheid teekenend gelaat. Zijn wenkbrauwen waren nog donker, oven als baard en haar en het daartusschon gesprenkeld grijs stond hem zelfs goed, want dit peper onzout deed de vriendelijke trekken, het open voorhoofd en de heldere oogen te moer uitkomen. Dat voorhoofd was echter reeds eenigszins gerimpeld, wat \'s mans vriend Joost uit den kousenwinkel in de Warmoesstraat, wol eens zeggen deed, hoe de eerlijke, bravo brouwer meer kronkels droeg in zijn gelaat dan in zijn geweten. Die rimpels waren vooral gegroefd sinds voor een paar jaren zijne echtgenoote Trijntje Glaasüochter was ge-
35
storven. Zij waren innig gelukkig met elkander en liij riep haar zich liefst voor den geest als omgeven door een heiligen stralenkrans. Sedert dat overlijden leefde hij nog meer afgezonderd dan vroeger en kwam weinig onder menschen, die hem een „stillen in den landequot; noemden.
Was zijn vader in het schoren van stad en kerk onvermoeid geweest, de zoon hield zich liefst buiten die beredderingen, nadat hij had waargenomen hoe partijhaat en kussenzucht, de uitnemendste voornemens vergiftigden en menige goede zaak bedierven. Daarom behartigde Jacob in de eerste plaats de belangen van zijn gezin en volbracht die taak met spreekwoordelijke nauwgezetheid. Zijn woord was in alles zijn zegel, doch nimmer gaf hij hot dan na kalm beraad. Door allen die met hem in aanraking kwamen, werd hij wegens hulpvaardigheid, eenvoudigheid en deugdelijkheid hooggeschat en in zachtmoedigheid had hij eene benijdenswaardige zielsrust gevonden, welke, als het ware op zijn kalm voorkomen afgespiegeld stond. De •brouwer was huiselijk van aard en niet ten onrechte beweerden enkele zijner vrienden, dat hij, als een slak, liefst, zijn woning zou willen meedragen. In zijn jonge jaren was hij oen belangstellend lid geweest der Kamer van Rhetorica: „In liefde bloeiendquot; welke tot blasoen een kruisbeeld had, mot een egelantier of wilde roos onder de doornen. Die vereeniging had hij verlaten, toen naar zijne meening de prikkels, waarmede vooroordeelen en misbruiken werden gekastijd, al te vlijmend werden en opgeblazen heethoofden soms in vuile grollen daar den toon gaven. Bij de Kloveniers had hij zijne schutterlijke plichten trouw vervuld, maar ook van daar had hij zich teruggetrokken. Die vredelievendheid werd hem door sommigen zijner geestverwanten wel eens euvel geduid en een vurig kunstbroeder had, naar beweerd werd, met het oog op hem gerijmd:
„Wie ons het meest verlakken,
Zijn niet de slechten, maar de zwakkenquot;.
Goedhartig en weldadig was Jacob in hooge mate. Wanneer zijn stoel des avonds in de huiskamer ledig bleef, wist zijne dochter wel hoe vader met zijn trouwen knecht, die een lantaarn droeg, op weg was om behoeftige gezinnen in de achterbuurten op te zoeken. Daar hij voor zich zelf weinig behoeften had, kon hij véél aan anderen meedeelen, en in dit opzicht was hij zijn tijd minstens twee eeuwen vooruit, door als stelregel aan te nemen, nooit aalmoezen uit te
30
reiken zonder persoonlijk onderzoek. In die dagen, loon de armenwijken meerendeels onbestraat en onverlicht waren en er voel gevaarlijk geboefte omzwierf, waren die wandelingen soms dreigend genoeg; doch de brouwer was in stegen en sloppen overal bekend en veilig. Vooral waren moeders en kinderen hem genegen, door „zoetequot; ervaring wetende, hoe nit den medegedragen buidel speelgoed en versnaperingen; zooals kapittelstokken, kabeljauwsoogen, suikerboonon en erwten te voorschijn kwamen.
Op een zonnigen morgen in de Meimaand, zouden wij den brouwer op het ons bekende kantoor hebben kunnen vinden. Pas scheen hij te huis gekomen; want op een stoel hing het donkere wambuis, waarvan de sneeuwwitte kraag met akertjes, door de vaardige vingers zijner éénige dochter gewasschen, gesteven en gestreken was. Aan een kapstok achter den lessenaar, had hij hoed en mantel opgehangen. Nu droeg hij een gemakkelijken huistabberd en de met rozen en strikken versierde schoenen van Spaansch leer, waren vervangen door vilten stillegangers of pantoffels. De koopman scheen verdiept in zijn door perkament omkleede kantoorboeken, en wanneer we over zijn schouders daarin hadden gekeken, zouden wij hebben opgemerkt hoe boven iedere bladzijde van hel Grootboek in sierlijke krulletters te lezen stond: God zij lof in al/ex. Indien we den stijl van boekhouding door Simon Stevin aangewezen en door Jan Coutereels uitgewerkt, kenden, of goed te huis waren in de boekhouding op de Italiaansche manier te Amsterdam in 1595 door Nicolaas Petri uitgegeven, zouden wij spoedig ontwaren, hoe ook hier vlijt en eerlijkheid waren gezegend; maar tevens kunnen opmerken, hoe deze koopman gewoon was, even als anderen zijner degelijke tijdgenooten, na afsluiting der jaarrekening, den tienden penning der winst voor de armen af te zonderen. Kennelijk was nu de oude heer, gelijk hij bij vergelijking zijner zonen genoemd werd, dien morgen wat onrustig, want. telkens staakte hij den arbeid om op te staan en door het venster te kijken. Daarbij lette hij er echter weinig op, hoe het Meizonnetje een vriendelijk licht wierp op het gewemel van menschen, voertuigen en schepen, en vroolijk speelde in het jonge groen van olmen en linden. Het was den brouwer aan te zien, dat hij iemand wachtte en na een poosje werd dan ook met een krachtige hand aan de deur geklopt en trad een jonge man het kantoor binnen. Het was een kloek, welgemaakt persoon, met oen gezonde kleur op
37
het ietwat verweerde gelaat en heldere schrandere oogen. Zijn bruin haar was kort geknipt, zijn bovenlip droeg een opgestreken kneveltje en zijn kin een spitsbaard. Wambuis en broek waren van zwart damast, hier en daar met fluweel afgezet en op do borst glinsterde een gouden draagpenning aan een oranjekoord. Zijn voorkomen toekende den krijgsman en bevestigde dat hij beter te huis was in het veld dan op een kantoorkruk. Den gepluimden hoed afnemend, drukte hij zijn vader, want het was Jacob\'s oudste zoon, hartelijk de hand, onder verontschuldiging dat hij wat laat komt, daar hij met een paar vrienden naar Zaandam zeilde om een nieuw uitgevonden zaagmolen te zien, waarvan wonderen worden verhaald. Bij het terugkeeren was echter de wind omgeloopen, en het weer verzuurd, zoodat zij steeds laveeren moesten. „Met verlof, beste vader, ging hij na een poosje voort, terwijl de brouwer met welgevallen zijn kranigen jongen bekeekquot;, maar uw voorstel om in de brouwerij te komen, heb ik rijpelijk overwogen; doch \'lis waarlijk -beter dat ik naar het nikkerland trek. Ik ben er wezenlijk de man niet naar, om mij hier in Holland in een bedompte stad gelukkig te gevoelen. Dat merk ik nu reeds, en ik gevoel me als een visch op het drooge, hoewel ik pas een half jaar onder de landkrabben verkeerquot;.
„Maar Pieter, hernam de vader, het zou toch passend en recht-veerdig wezen, dat gij als mijn oudste zoon de brouwerij voortzette. Bovendien hebt go al heel wat van de wereld gezien en met allerlei menschen loeren omgaan en je broer Claes is een bekwame, beste jongen, maar door zwakke gezondheid en ongelukkige gestalte kan hij niet alles zoo vaardig doen als hij gaarne wenschen zouquot;.
„Beste vader, antwoordde Pieteh, niet zonder eenige levendigheid, u is. God lof, nog een helder man, maar nu zou ik haast gelooven, dat of uw geheugen, of uw goed hart u parten speelt en blind maakt voor mijne gebreken; want waarlijk, niet zonder grond vrees ik, dat mijne onstuimigheid de nering spoedig in \'t honderd zou sturen. Herinner u maar eens het opstootje bij Sint Albaans, toen de Armi-nianen het moesten ontgelden, en ik bij dat tumult warm partij trok voor mijn goeden vriend Klaas Hasselaar, die onder het razende grauw ferm met scherp poffen deed.. Het heugt u wel, vader, hoe dominee Smout of een ander van die schelmenquot;, „stil, stil, mijn jongen, suste de oude heer met een bedenkelijk gelaatquot;, wees toch zoo hevig niet! „Neen, ging Pieteh voort, ik wil om uwentwil,
vadertje, maar niel zeggen, wat me over die schandelijke ketterjagers op liet hart ligt; lioewel ik ten slotte toch blij ben, dat ik dien anderen bemoeial Tiugland in zijn lompe, roode facie een opstoker van \'t janhagel heb genoemd, die den Bloedraad weer in\'t land zou willen halen. „Vadertje, ging de jongman op zachteren toon voort, terwijl hij de hand liefkozend op \'s vaders schouder legdequot;, go zult toch niet kunnen ontkennen, hoe u een pak van het hart viel, toen uw oudste woelwater het zeegat weer uit was. Ge begrijpt dat het de klandizie niel bevorderen zou, als ik telkens met die stootvoeten aan den stok raakte, wat toch niet uitblijven kon, want die kerels zijn haatdragend bovendien. Summa summarum, vadertje, mijn braaf zachtzinnig broertje is voor de zaken veel beter geschikt; terwijl een driftkop als ik eigenlijk in \'t peperland te huis behoort. „Dan moet het maar zoo gebeuren,quot; sprak de oude heer, met tranen in zijn stem, maar niettemin met zekeren trots zijn Hinken zoon aanziende, en daarbij denkende hoe de jonge man de sprekende trekken van zijn grootvader had en gelijk deze, bij ieder vermeend onrecht als buskruit ontplofte. „Wanneer ge geen zin in de fabriek hebt, is het verstandiger daarmede niet te beginnenquot;. Accoord, beste vader, riep Pieter met een opgeruimd gelaat, \'s vaders hand in de zijne klemmende, „broeder Claas zal dat werkje best klaren en ge zult van dien stillen jongen veel meer genoegen beleven dan van zulk een wildzang als ikquot;. Nog één vraag, mijn jongen, sprak vader, voor we deze zaak als afgedaan beschouwen. Zoudt ge niet liever in \'t Statenleger of op \'s Lands vloot een officiersplaats begeeren. Oost-Indië is zóó heet en zóó ver? „In geenen deel, cher père, klonk het vroolijke antwoord, u weet, hoe na de affaire op \'t Slaak, waar ik het geluk had een paar voorname signors te helpen inrekenen, admiraal Hollaer vroeg, of ik luitenant op zijn schip wilde worden, welk aanbod hij onlangs bij het uitreiken van den eerepenning herhaalde. Beide keeren antwoordde ik, wat ik thans tot u zeg, dat als er met de Maranen een rekening valt te vereffenen, de Heeren Staten dadelijk als vrijwilliger op mij bouwen kunnen, maar dat mij de lust ontbreekt om mij hier voor goed te verbinden. Bovendien vadertje, schijnt me de Hollandsche lucht te grauw en te guur, en ik houd te veel van zonneschijn en warmte, om het klimaat van over zee niet te verkiezen.quot; „Nu Pieter, antwoordde vader, ik bemerk dat je besluit onherroepelijk vaststaat; ik zal dus niet verder op verandering aandringen, en mijne
39
bekenden onder de Bewindvoerders om voorspraak verzoeken, doch laat ons nn naar Geerte gaan. met wie broerlief zijn voornemen waarschijnlijk reeds lang bekonkeld zal hebben; en \'L zou me niets verwonderen, als dat lieve kind met haar schrander bolletje den oudsten broeder van raad had gediend; waarop Pieteu het antwoord schuldig bleef. Vader opende te gelijk de deur, voerende naar de een paar trapjes hooger gelegen huiskamer. Dit was een ruim vertrek, licht krijgende door een paar kruisvensters met in lood gevatte ruitjes, omgeven van met een rand gekleurd glas. De houten vloer was hagelwit geschuurd, en zoowel onder de tafel als voor de deuren en meubelen, met fijn gevlochten matten bedekt. De zware balken der hooge zoldering, door kleinere gekruist, waren blauw geschilderd en afgezet door smalle vergulden lijsten en sterren; terwijl de sluitstukken in hout gesneden aangezichten van negers, turken en joden vertoonden. Onder den ver vooruitspringenden door steenen gedragen schoorsteen, stond een groot metalen vuurijzer met brandrooster en koperen banden, waarbij een glinsterend geschuurde tang, blaaspijp en een op het houten plat met figuren versierde blaasbalg. Op de gegoten achterplaat van \'t vuurijzer was de historie van Jonas afgebeeld in het treffend oogenblik, dat de groote visch den profeet te Ninive aan land spuwt. De breede schouwmantel, waarvoor een net geplooid groen rabat hing, droeg enkele groote plateelen en teljoren van koper en aardewerk, van dezelfde soort als op de gebeeldhouwde deurplank stonden. Boven den schoorsteenmantel was van blauwe Delftsche tegels een voorstelling te zien van het bierbrouwen, waaronder een toepasselijk rijmpje. De wanden van \'t vertrek waren helder wit gekalkt en van onderen tot manshoogte met wagenschot betimmerd. Daartegen stond een openslaande kast, op zware zwarte bollen rustende. Door de half openstaande deur kon men eene voor die dagen belangrijke verzameling boeken zien, waarbij de werken van Goudhoeven, Guicgiasdini, van Meteren, Si.eidanus en andere geschiedschrijvers. Over die kast stond een buffet of dressoir van notenboomenhout, waarin tafel en huisgeraad werden geborgen. Boven dit meubelstuk hingen in zwarte lijsten een viertal tafreelen of berdekens, zooals grootmoeder ze placht te noemen, waarop gezichten uit Middelburg, Oostkappel en Veere, door vader de Buk nog uit Zeeland medegebracht, en aan zijn kleinzoon en naamgenoot gelegateerd. Des avonds, wanneer er gasten waren, werd de kamer verlicht door een vrij grooten
hangenden koperen kandelaar of blakerkroon mot drie armen, en bevestigd aan de zoldering boven hel midden eener zware langwerpige tafel. Om die tafel stonden, ■ behalve de gekussende hooggerugde armstoel van het hoofd des gezins, een paar met bruin leer overtrokken stoelen, waarop bij feestelijke gelegenheden fulpen kussens werden gelegd; en bij den haard stonden een paar lage, met laken overtrokken scabellen of bankjes. Tusschen de vensters hing een fransch spiegeltje in gesneden lijst en daaronder stond een lezenaar, dragende een grooten in marokein gebonden bijbel met koperen sloten en hoeken.
Voor liet openstaande klapvenster zag men eenige potten met heerlijk bloeiende rozen en balsaminen, welke bloemen kennelijk zorgvuldig werden verpleegd door een jong meisje, dat we reeds meermalen genoemd, doch nog niet aan den lezer voorgesteld hebben-Wij kunnen dat nu doen, daar zij, na hare planten te hebben verzorgd, rustig plaats neemt aan een hangoortafel voor het raam, en met vaardige vingers de naald door het lijnwaad doet gaan. liet meisje, dat misschien een twintig jaren telde, was een echt Hollandsch kind, slank en welgevormd, met den frisschen blos der onschuld op het ovale regelmatig gelaat, met een hoog voorhoofd, een ietwat gebogen neus en helder blauwe oogen, door fijne wenkbrauwen overwelfd. Zij droog een eenvoudig grijs kleed, beschermd door een zwarte schort, waarboven een wit evaatje hing en half lange mouwen, waaruit kloeke, gevulde armen te voorschijn kwamen. Een breede heldere kraag bedekte haar netten hals en de krullen dei-donker blonde lokkon werden omsloten door een smallen zilveren oorband en gedekt door een sierlijk geplooid mutsje. Dit meisje van .duizend weken,quot; gelijk haar vader wel eens schertsend zeide, was eigenlijk de spil waarom het huishouden van den brouwer draaide. Zij was zeer huishoudelijk en werkzaam. lederen dag snorde het spinnewiel, dat in een hoek van de kamer stond, om te zorgen dat de linnenkast met eigen gereed lijnwaad, goed gevuld bleef met ammelakens, handdwalen, servietten, allerlei damastwerk en kleodingstukkon. Zij maakte echter dit alles niet met eigen hand, maar verschafte daardoor ook werk aan hulpbehoevende buren, die met onspoed moesten worstelen. Geertje was onder hare vriendinnen bekend als een zacht, stil meisje, met een warm hart en een helder hoofd; een „binnevotjequot;, gelijk broer Pieter haar wel eens noemde. Hoewel zij beweerde weinig aanleg voor muziek te hebben en de clavesimbel
41
slechts bespeelde, oru vader genoegen te verschaffen, paarde zij toch daarbij aan groote vaardigheid, een diep natuurlijk gevoel en wist ook door huar eenvoudig lied, de ziel van den ouden man op den stroom der tonen als weg te voeren naar een ver verleden of een schemerende toekomst. Hij zeide wel eens, dat bij haar spel dezelfde gewaarwordingen zijn gemoed beroerden, welke indertijd zijn overleden vriend Jacob Pietersz. (Sweelinck) door zijn orgelspel wist te wekken. Maar ook in \'t dagelijksch bedrijf was Geertje een „bolletje van het bovenste boordjequot;, gelijk vader haar noemde, als zij hem en do broeders bij noen of avondmaal met de een of andere versnapering verraste, en er waren zeker maar weinig jonge meisjes beter te huis in het: Koockboek door Brüijn Harmenszoon Schinkel in 1599 te Delft uitgegeven en sedert menigmalen herdrukt. Vader had bij het binnenkomen van de kamer zijn zoon Claes, die in de brouwerij toezicht hield, geroepen en kort daarna trad deze jonge man binnen. Hij had de trekken van zijn ouderen broeder, doch was van zwakke gezondheid, waarschijnlijk in verband met zijne eenigszins vergroeide gestalte. Op dezen jongen man was toepasselijk, hoe stille waters soms diepe gronden hebben; want de zedige, eenvoudige knaap had niet alleen een trouw gemoed, maar ook een zeldzaam scherpzinnig verstand en zijn vader kon zonder overdrijving roemen, dat er waarschijnlijk geen knapper brouwer en eerlijker koopman in geheel Amsterdam te vinden was. Het was dan ook meest op zijn aanraden, dat de zoon van zijn oom Cornelis zich te Naarden had gevestigd, waar de nijverheid, vooral na het droogmaken, van het Diemermeer in 1630 zich meer begon te ontwikkelen en waar de familie veel betrekkingen had. Een half uurtje later kwam ook Evert, de jongste zoon, te huis, die kantoorknecht of klerk, gelijk men nu zeggen zou, bij neef Blauwhui,k, eerst te Enkhuizen en tegenwoordig te Amsterdam was. Vader vreesde echter, dat dit kalme bedrijf den levendigen jongen op den duur niet behagen zou; want hoewel niet zoo woelig als Pieter, die in zijn jonge jaren slechts met moeite door een strengen, met plak en roede gewapenden schoolmonarch kon worden in toom gehouden, was Evert toch een lustige baas, er naar hakende om wat meer van de wereld te zien, dan Amsterdam opleverde. Het voornemen van den oudsten broeder werd in den familiekring besproken ; terwijl Geerte zorgde, dat er met een roemer Rijnschen bleekerd op het goede voornemen werd geklonken; want vader was het niet eens
met den predikant Cornells van Poeüekouen, dat het drinken van „santeenquot; zonde is tegen het zevende gebod.
Een week na bovengenoemd gesprek, begaf Jacob Pietersz. Nagtglas zich in den vroegen morgen met zijne zonen naar het Rolterdamsche schuitenveor. Zijn oudste zoon Pietek had te vergeefs beproefd, om op de voorjaarsvloot der Compagnie, le Tessel zeilree liggende, een plaats te krijgen, doch die gevonden op een der schepen, welke een maand later uit Zeeland vertrekken zouden. Om een en ander te regelen en vooral om den admiraal Hollaer, bij wien hij na den slag op het Slaak bijzonder goed stond aangeschreven, voor zijn steun le bedanken, ging hij voor enkele dagen naar Walcheren en vader had toestemming gegeven, dal broeder Evert naar Zeeland mocht meereizen.
liet was een heldere ochtend, toen de brouwer en zijn zonen van huis gingen en wandelden langs de statige grachten, in wier kabbelend water zich schilderachtig spiegelden de deftige huizen, op wier trapgevels wiegelende schaduwen werden geteekend door hel frissche groen der boomen aan den waterkant. Hier en daar lagen koopvaarders en binnenschepen voor de liooge pakhuizen, om le worden geladen en naarmate de wandelaars dichter kwamen bij de meer bezochte havens, nam hel gewoel toe en op den Amslol krielde het van schippers, matrozen, kruiers en sleepers, langs den breeden in den zonnescbijn flikkerenden stroom, waarop koggen, jachten, tjalken en schuiten van allerlei grootte en soort door elkander wemelden. Het was een levendig, opwekkend schouwspel en de eerzame brouwer kon niet nalaten in verrukking te zeggen, dat er toch maar één Amsterdam was, de stad der steden, de kroon der aarde. „Hoewel Pieteu die bewondering van zijn vader niet geheel deelde, zou hij toch voor geen wereldsch geld zijn zachtzinnigen, braven vader op dit punt hebben willen tegenspreken. De trekschuit lag gereed en de knecht had reeds een paar malen wanluidende lonen voortgebracht uil een gedeukten blikken hoorn, om het afreizen kenbaar le maken. Het vaartuig was een eenvoudig scheepje met een slokmast, waaraan de lijn bevestigd was, verbonden aan een oud, versleten paard, een bonkigen knol door het. zoogenoemd jagertje bestuurd. Het voorste gedeelte van hel vaartuig was met pakgoederen beladen, en de ruimte, waarin do passagiers op lage banken plaats namen, was overdekt door over
43
stevige teenen gespannen geteerd zeikloek, hier en daar opgeslagen tot verlichting en verluchting. De schipper, een bejaard man in een lang grof wambuis en met een stoppelbaard van minstens acht dagen oud, trad naar den brouwer toe, dien hij als een deftig burger kende en ontzag, en sprak, de karpoetsmuts eerbiedig afnemende: „Als meneer mee wil varen, is het tijd om in te stappen,quot; en zich daarop richtende naar de andere reizigers, die nog aan den walkant stonden te praten, klonk de schorre waarschuwing: „Mag ik de vrienden verzoeken om schoep te komen.quot; Nu werd de lijn gestrekt, waarvan tallooze in den zonneschijn als diamanten flikkerende waterdruppels aftrilden; het oude paard stelde zich in beweging en de scherpe voorsteven kliefde zacht klotsend de kabbelende golfjes. De broeders kregen, omdat de schipper aan den brouwer een goeden klant had, de beste plaatsen, beschut voor den wind. Het was als doorgaans een gemengd gezelschap; want edel en onedel, rijk en arm zaten destijds op dezelfde harde banken nevens elkander en de meeste reizigers kozen het zacht, nauwlijks merkbaar voortglijdend scheepje hoven de pas in gebruik gekomen, hotsende, rammelende bolderwagens. Pieter maakte van de voor hem bestemde plaats geen gebruik, daar beide broeders liet gezelschap van den schipper in den stuurstoel verkozen. Die schipper was een oude snaak met een verweerd gelaat, waarop de tijd in diepe groeven een ruwen levensloop had gegrift. Hij geraakte in vuur en zijn verdoofde oogen kregen weer glans, wanneer hij vertelde van zijn jonkheid, toen bij het kalfsvel volgde en van zijn Genade Prins Mauuits, van wien hij in do affaire bij Niéuw-poort een goedkeurend knikje kreeg, omdat hij met zijn musket een Spaanschen Hooge knaphandig van het paard had gelicht. „Ja, zoo besloot hij die mededeeling,quot; do oude Jochum kon, al zeg ik het zelf, de vervloekte Maranen ongemakkelijk peperen, maar sedert hij schipper is geworden en lid van \'t klein binnenvaarders-gilde, heeft hij geen vuurwapen meer in handen gehad. De aanvang der reis werd verlevendigd door een menigte naar de stad varende pooneu, boeiers, vracht- en beurtschepen; terwijl op den steenweg langs de vaart goederenwagens, karren en voertuigen van allerlei soort, elkander in eene onophoudelijke reeks volgden. Over dien weg en aan de andere zijde van de trekvaart, strekten zich in een ver verschiet welige weilanden uit langs heldere sloten door knotwilligen omzoomd, een luilekkerland voor doorvoede koeien, welke rustig liepen te grazen of
44
dommelend lagen te herkauwen. Tusschen de weilanden en korenvelden in de verte, wezen boomgroepen, torens en molens de ligging van een dorp aan. Nu en dan gleed de schuit langs boerenwoningen met hooibergen cn stallen. Op de schuurstoepjes aan den waterkant waren hier en daar blootarmige stevige deerns, meiden als melk en bloed, zooals de oude schipper Jociium zei, bezig met lijnwaad spoelen, en grinnikten van pret als het jagertje of de knecht haar een kluchtigen morgengroet toeriep en naar de gezondheid van den vrijer vroeg. Nadat het schuitpraatje met het weer begonnen was, stonden de meeste monden weinig meer stil, vooral toen een oudachtig mannetje met een hoogen schouder, een flets, pokdalig gelaat en flauwe vischoogen, het gesprek bracht op de ontstelde kerk en zuchtend sprak over de toenemende verdorvenheid van den eenigen waren godsdienst. Het kale wambuis, de smalle, niet zeer heldere kraag, de glimmende broek, de rosse kousen en het lage, vale hoedje wekten het vermoeden, dat het kereltje een schraal bezoldigd catechiseermeester, ziekentrooster of voorlezer was. Naar eigen zeggen, was hij goed te huis in de Schrift, wat ook eenigszins bevestigd werd bij diepzinnige gedachtenwisselingen met eene nevens hem gezeten bejaarde vrouw, die geheel het voorkomen van een hofjes-juffrouw had, over de donkere leerstukken van de praedestinatie en den immediatelijken invloed van den Satan. Het ventje wist te vertellen, hoe hij zelf als een verstokte zondaar op weg naar de verdoemenis, gelijk een andere Saulus, maar zittende op de kleermakers tafel, door den Heer gegrepen, en van een woesten woudezel tot een leidzaam lam was gemaakt; welke plotselinge omwisseling de hofjes-juffrouw niet scheen te bevreemden; want zij zelve was, gelijk zij nu omstandig begon te verhalen, op een maandag- of dinsdagmorgen, recht wist zij dat niet, maar terwijl zij in haar kamertje grijze kousen zat te stoppen, dat was zeker, door den Heere, Heere aangeraakt en in een ommezientje, zinnebeeldig gesproken, van een roet-zwarte verworpeling lot een sneeuw-blanke uitverkorene was omgezet, gelijk de zeer-eerwaarde Petrus Pockius, toen proponent, doch nu Bedienaar des Woords te Kudelstaart, zou kunnen getuigen. Een der andere passagiers, vermoedelijk een oude diensbode, had kennelijk al lang op de loer gelegen om in dit gesprek deel te nemen, en slaagde, na een paar mislukte pogingen, er in, om aan het gezelschap de belangrijke tijding kenbaar te maken, dat zij zich wat kwips-kwaps gevoelde, door
ontsteltenis, dat oen dezer dagen te Amsterdam overleden oud meutje niet haar, een eigen zusters kind, maar zekere Pietje in het Simpel-huisstraatje te Ter Gouw, een stekelig krengetje, die hot niemendal nooilig had, tot erfgenaam had benoemd; wolk verhaal eindigde mot een verzuchting over den boozen tijd, waardoor zelfs oude motjes onrechtvaardig werden. Het onderhoud werd gestoord door een schaterlach van een viertal matrozen, vroolijkc, stevige jongens met open baatjes, waardoor de bruine kloeke halzen en ruige borsten te zien waren. Onder elkander schenen zij veel pret te hebben, maar telkens keken zij naar den stuurstoel, waar de broeders met don schipper zaten te keuvelen. Eindelijk scheen een hunner het niet langer te kunnen hardon, daar liij don steeds eentonig voortredo-noerendon catechiseermeester niet een schorre zeoinansstom in do rede viel: „Oorlof, meester, dat ik oen kink in jo kabel stook, maar mot dien hoor daarachter heb ik oen appeltje te schillen!quot; Daarop zette hij zijn muts af, trok even aan zijn bovenste haartoppen en vroeg aan Pieter ; Hooft meneer nog heugenis aan mij ? De aangesprokene stond terstond op, groep de uit do verte toegestoken ruwe hand, en riep verrast: „Jan de Meeuw zou ik onder duizenden herkennenquot;. Met ietwat trilling in do stem, vervolgde liij tegen don schipper: „Hier zou ik niet zitten, als in don slag op \'t Slaak, toen drie Spanjolen me boot hadden, deze trouwhartige kerel de schelmen niet mot een enterbijl uit elkander had geslagenquot;. „Zeg er maar niemendal van, luitenant, hervatte de matroos, want u had eigenlijk den kolonel hot eerst bij don karkas gegrepen, waarvoor Jan de eer en \'t stapeltje pannekoekon (rijksdaalders) kroeg. Dat heb ik onzen braven admiraal zelf hooren zeggen, toon liij U te Vlissingon den draagpenning overreiktequot;. Evert herrinnerde zich, lioo zijn broeder dit voorval bij zijn tehuiskomst had verteld als een der kleine bijzonderheden van den strijd. In het heetst van het gevecht was Pieteh handgomoen met twee Spaanscho officieren, toon een derde hen poogde to ontzetten en den Hollander zou geveld hebben, indien niet eenige matrozen waren komen aansnellen, waarvan de voorste don laatsten aanvaller neersloeg. De twee Spanjaarden werden daarop gevangen genomen. Een dier bevelhebbers, blijkbaar een aanzienlijk hoor, liet den luitenant aan zijn levensroddor over, doch de andere reeds bojaardon man die van vrouw en kinderen sprak, schonk hij gelegenheid om lo ontsnappen. Later bleek, dat de door den matroos
40
gecloode vijand waarschijnlijk de Zeeuwsclie edelman Gillis van Wissekerke was, de verraderlijke aanlegger van dien scheepstocht. Nu waren deze matrozen op reis naar Vlissingen, om zich te laten aanmonsteren op een der commissie-vaarders, welke de heeren Lampsins tegen de Duinkerker roovers in zee wilden zenden, en het viertal brandde van verlangen, om weder eens aan den dans te gaan. Hot gesprek werd hier gestoord door den schipper met de meedeeling, dat do schuit aan de Lange Wetering lading moest innemen, waarmee een half uurtje zou wegloopen, zoodat de vrienden tijd genoeg hadden, om zich in De Roode Leeuw niet een lekker potje Delftsch, of een dropje brandemoris te verkwikken.
Het was kermis in het dorp, waarbij de schuit aanlag, en de drukste dag van het geheele jaar, en het scheen alsof al de naburige plaatsen een feestgrage, joelende menigte in het anders zoo stille plekje hadden uitgestort. Overal wapperden vaandels, rammelden trommels, schetterden trompetten en drentelden boerenjongens in ronde bombazijnen wambuizen, loshangende broeken en met smal gerande hoeden op de kort geknipte haren, hand in hand met opgedirkte kermisvrijsters, wier bolle roode wangen niet veel minder glansden, dan de gouden en zilveren sieraden, waarmede zij waren getooid. Andere boerenknapen, nog vrijsterloos, reden op met kleurige strikken en linten versierde paarden; terwijl een derde troep met vendel en trommel naar de Schuttersweide marcheerde, om de gaai te gaan schieten. Onder de breed getakte linde voor hot dorpshuis wemelden de kermisgangers dooreen en verdrongen zich om een Rad van A vonture en een Mallemolen; een nieuwigheid hier slechts bij gerucht bekend. Niet ver vandaar was een ruwe houten tent, waarvoor een hansworst of pekelharing allerlei potsen maakte, om de toeschouwers te bewegen, de twee grootste vogels der wereld, een struis en een casuaris, te komen bewonderen. Hij liet ook een ei zien en de ginnegappende boerinnen sloegen de handen in elkaar en gierden van pret, als Paljas vroeg, of zij een mand met een snees van zulke eieren tegen den gewonen marktprijs van twee duiten, wel naar de markt zouden willen dragen? Daarnevens stond een tent, waarin eene vrouw was te zien, zóó zwaar en vet als iemand ooit op aarde had aanschouwd, welke schoonheid op een grof geschilderd doek dan ook als een reusachtige vleeschbal voorgesteld was. Wal verder
stond oen sjees, bont geshilderd en verguld, waarop een als Turk uitgedoste kwakzalver zijn waren aanprees als onfeilbare middelen tegen allo gebreken en kwalen; terwijl hij beweerde, zieke kiezen en tanden als uit den mond te kunnen wegblazen. Een kraam, waar, door een vrouw met een blakend vuurrood gezicht, nieuwerwetsche poffertjes werden gebakken, deed dit jaar veel schade aan de stalletjes, waar naar ouden trant, boekende bolletjes te koop stonden. Op een der zijwegen was alles reeds voor do harddraverij in orde gemaakt. In een tent lag de mot zilver beslagen zweep en andere prijzen gereed, en daarvoor waren de keurmeesters bezig te onderzoeken of de paarden wel van zessen klaar waren. Tusschen dat gedruisch, gedrom, geratel en godoodel van babbelende, zingende, dansende en vrijende jongens en meisjes, van kinderen met rommelpotten, leurders met kordewagens vol zoete citroenen, oranjeappelen, dadels en vijgen, van vischwijven met alikruiken en garnalen, van getabberde Joden met marsjes vol messen, scharen, kammen en pijpen, moesten de reizigers uit do schuit zich een weg banen naar de herberg. De gelagkamer was erg benauwd en door tabakswalm als in mist gehuld, want er wasgeen enkel bezoeker, die bij het soopje Delftschen moozelaar of ander klein bier, niet een pijpje smooks gebruikte. De zandzak aan do knarsende deur ging voortdurend op en neer, om toegang te verschaffen aan koutende, balkende, hotsende kinkels en deerns. De catechiseermeester uit de trekschuit, die met zekeren schroom aan de schenktafel een glaasje smal bier bestelde, raakte tiaar toevallig een mes aan van de zoldering aan een koord hangende. Plotseling schoot een forsche, half dronken kerel met een puisterig boevengezicht, als een roofdier in hinderlaag liggende, naar voren en snauwde met een ruwen vloek tot het onthutste mannetje, dat deze zijn opsteker had aangeraakt en daarom met hem snijden moest, tenzij hij liever drie daalders boete betaalde. Het arme, reeds bejaarde ventje werd bleek van schrik en begon te beven als een riet, vooral toen twee andere kerels met even gomeene tronies, zich met de zaak bemoeiden, den sukkelaar voor een lamlendigen gortteller uitscholden en hem handtastelijk zóó in de maling namen, dat den armen bloed de waterlanders in de oogen stonden. Er vormde zich een kring van toeschouwers en hoewel velen zich blijkbaar ergerden over denlaag-hartigen aanval, stak niemand een hand uit om te helpen. Evert keek naar zijn broeder en zag de flikkering in diens blik komen.
48
welke Geerte altijd terstond opmerkte en schertsend het „boozo oogquot; noemde. Plotseling stond Pieter op, trad met haastigen tred op den voorvechter toe en stootte dezen zóó krachtig tegen de borst, dat de half dronken kerel al vloekende achterover in een hoek tuimelde. Daarop rukte hij het mes van het koord, stak het kalm in zijn zak en riep mol een stem, daverende door de kamer, waar het als bij tooverslag zóó stil was geworden, dat men een speld had kunnen hooren vallen: „Lage schelmen, schaamt ge je niet om een oud man en een rustig burger te tergen? Kom hier, vadertje, ik zal je beschermenquot;. „Dat is onze luitenantquot;, hoorde men achter in do kamer roepon, on in het volgend oogenblik stonden de vier matrozen, mot blinkend kortjan in de stevige vuisten, achter hun gewezen officier. „Bost zooquot;, riepen nu vele boeren en toen Pieter op vorgramden toon voortging: „Er uit, schurkenquot;, was er niemand die hun partij koos en slopen do kerels druipstaartend en als hoender-dieven weg. Juist kwam de schipper aankondigen, dat de vrienden verzocht worden om schoep te komen. Mot fleren tred verliet Pieter do herberg; aan zijn linkerhand ging Evert mot oen telhout in de hand, inderhaast gegrepen, om zijn broeder des noodig bij te staan, en met een gevoel van trots op zulk een kloeken broeder; rechts strompelde do catechiseermeester, nog erg onthutst en steeds nederig dankbetuigende, en daarachter kwamen de vier matrozen, die als van oitds hun kranigen officier mot voldoening in de weer hadden gezien on zich reeds verheugd hadden in het vooruitzicht van een flinke kloppartij. Op do overige reizigers volgden een aantal kermisbezoekers, welke deze onverwachte vortooning oen zeldzaam buitenkansje rokenden. De bekkensnijder en zijn kornuiten waren echter in geen volden of wegen te zien, en de eerste moot later gezegd hebbén, dat de kerel, die hem zijn mooiste mes afhandig had gemaakt, de duivel of diens maat moest, wezen, want nooit had hij een zoo sterke hand gevoeld of hadden zulke oogen liein aangekeken.
In de schuit zagen al de reizigers met zekeren eerbied op naar den jongen man, die het weggenomen mes aan Jan ue Meeuw tot oen gedachtenis schonk, mot aanbeveling, om het nuttiger te gebruiken dan do schavuit die het had opgehangen. De schipper vertelde onderwijl, hoe in deze buurt, het jonge vrouwvolk dit beksnijden aanmoedigde, door geen bruigom te begeeren, die geen schram in
49
zijn gelaat kon toonen, en als \'t pas gaf, een sneedje snijden dorst. Bij het voortzetten van de reis bleek, hoe enkele passagiers vertrokken waren en door anderen vervangen. Zoo had de keukenmeid, door een der matrozen Aveinig eerbiedig „een verlepte totebelquot; genoemd, plaats gemaakt voor eene bejaarde, maar stevige boerin, waarmee de catechiseermeester, hoewel altijd onder den indruk der ontsteltenis, geen gesprek aanknoopte. Het schuitpraatje liep gevaar te verkwijnen, doch de matrozen hielden het in leven. Zij hadden hun bonkesjes of kleine steenen pijpjes gevuld en onder het toebakken of rondgaan van het soopje, eerst onder elkander on later ook onder do andere passagiers, gaan opsnijden over hun zeetochten; mecrendeels plompe verzinsels, doch waarnaar de meeste reizigers met geloovige gezichten zaten te luisteren. De schipper fluisterde aan Pieter in, hoe het hem verwonderde, dat de kerels niet zwart werden van het liegen, vergetende, hoe hij zelf even te voren had verteld, dat bij zijn zuster te Sassenheim, waar de pest toen erg grasseerde, hij verleden jaar bijwoonde, hoe, na eene berooking met tabak, de pestilentievlam als een blauwe kronkelende slang van ruim een span lang, door het vertrek begon te zweven en eindelijk door de schouw wegschoot, waarna verder niemand meer door de plaag werd aangetast. Inmiddels gleed de schuit rustig voort door de stille, kabbelende vaart, langs akkers, waarop het wintergraan reeds begon te golven en uitgestrekte, grazige weilanden met weldoorvoed vee. Nu en dan kwam men voorbij boomgaarden met bloeiende, rijken oogst belovende vruchtboomen, en ook langs ridderhofsteden met kasteden, grijs van ouderdom en in hoog geboomte verscholen, of langs kloeke landhuizen, van baksteen opgetrokken, met statige oprijlanen, regelmatige bloemperken en sierlijke beelden om ronde of langwerpige vijvers. Van tijd tot tijd stroomde de vaart door welvarende dorpen) waar de menschen naar buiten kwamen, om de schuit te zien en zich meest vereenigden bij do ophaalbrug, waar het tolgeld in een klompje werd opgehengeld. Soms moest het vaartuig bij een schutsluis geruimen tijd stil liggen, en dan kwam het pas uit, hoe kalm het in zulk een dorp was. Men hoorde slechts nu en dan het knarsen van oen pomp, het hameren van smid en timmerman, het blaffen van een hond, het kraaien van een haan of het krijschen van om den kerktoren zeilende kauwen. In de gelagkamer der herbergen was doorgaans niemand te zien en stonden de flapkannen en meepotten
De Gouden Draad. 4
50
ongebruikt; daar, zoouls de waard verzekerde, geen besje bij het spinnewiel was gebleven en oud en jong naar de vermaarde naburige kermis waren getrokken. In een der pleisterplaatsen zagen de broeders in een aan de algemeene kamer grenzend vertrek, drie heeren aan een maaltijd zitten, welk gezelschap terstond hun aandacht trok. Kennelijk waren het aanzienlijke gasten die zoo goed mogelijk werden onthaald. Het beste ammelaken was gespreid, waarvan de helderheid te meer uitkwam door de daarover gestrooide palmtakjes, terwijl de handdwalen netjes in figuren gevouwen op de teljoren waren geplaatst geweest. Het scheen een vischmaal te wezen, en vermoedelijk waren de vreemdelingen roomschgezind. De waterbot, welke in een tinnen-schotel op tafel had gestaan, was nu vervangen door een plateel vol zalm waarnevens sausieren met botersaus. Dat de reizigers de visschen deden zwemmen, bleek uit de hooge enge fluiten met muskadel, welke spoedig plaats maakten voor roemers, gevuld met bourgogne. Torwijl do broeders in de gelagkamer een eenvoudig maal gebruikten, en zich het boerenbrood, de hartige kaas, de spekpannekoeken en de Nijtneegsche mol, naar de kastelein verzekerde, uit Patersvaatje afkomstig, goed lieten smaken, hoorden zij de drie vreemdelingen in het Fransch en soms ook in het Spaansch, druk redeneeren en merkten terstond, hoe er niet gunstig over de Hollanders werd geoordeeld en hun simpele zeden bespot. Van den waard vernam Pieter, hoe deze deftige heeren des morgens in eene overdekte koets uit Den Haag waren gekomen, welk lomp gevaarte bij het uithalen voor een hooiwagen omgevallen was en zóó beschadigd, dat de smid, wiens knechts naar de kermis waren, er wel den ganschen dag aan werken moest. De kastelein meende te hebben verstaan, dat de heeren voornemens waren, om verder met de schuit naar Rotterdam te reizen. Dit bleek ook zoo te wezen; want toen do schipper waarschuwen kwam, stond het drietal op en stapte naar de aanlegplaats. Blijkbaar waren het aanzienlijke personen, voor staatszaken reizende en misschien wel, gelijk Pieter meende, om over Vredes-voorstellen te handelen. Het deftig voorkomen der twee oudere heeren, boezemde onwillekeurig zooveel ontzag, in dat hun de beste plaatsen werden ingeruimd. Daar zij over de broeders kwamen te zitten, kon Pieter hun goed opnemen, maar daar hij verstaan had, wat over Holland was gezegd, flikkerde nu en dan het „booze oogquot;, en zag Evert hem zorgen, dat de Slaakpenning goed in het oog viel. De oudste van het drietal was
51
eon achtbaar grijsaard wiens gelaat den Spanjaard aantoonde. Zijn metgezel was jonger, doch had ook de vijftig reeds achter den rug en toonde een Vlaamsch voorkomen. Het was een welgemaakt man met fljnbesneden gelaatstrekken, buitengemeen heldere oogen cn een vriendelijke plooi om de door een krullenden knevel bedekte bovenlip, waarin even als in puntbaard en haar reeds grijze haren waren te zien. De twee oude heeren waren gekleed in zwart fluweel en aan de kragen van fijne Vlaamsche kant was blijkbaar veel zorg besteed. De broeken waren wijd en geplooid en met zijden linten vastgestrikt en de voeten staken in halve laarzen van fijn leder. De oude Spanjaard droeg een lagen hoed met smalle boorden; doch de Vlaming een schuinsstaanden met een breeden rand, waarom een gouden koord was gewonden. Het voorkomen van dezen laatsten vreemdeling maakte bijzonderen indruk en toen Evert later te Antwerpen den beroemden schilder Rubens werd aangewezen, meende hij daarin zijn reisgenoot uit de trekschuit te herkennen. De jongste der drie heeren scheen minder in rang dan de anderen en hoewel niet bepaald leelijk, was zijn uiterlijk toch terugstootend. Zijn lengte was middelmatig, zijn gelaat mager en bleekbruin, zijn kort afgeknipt haar en dikke knevel waren koolzwart, evenals de door zware wenkbrauwen overschaduwde, ietwat loensche oogen, waarmede zoo loerend werd rond gekeken, dat de voor indrukken licht vatbare Pieter terstond de Maranenhaat voelde opwellen. Naar het leek, had deze laatste zich den wijn goed laten smaken, waarvan een der gevolgen luid en onophoudelijk babbelen bleek te wezen. Hij scheen niet te merken, hoe dit aan de andere heeren weinig beviel; want alleen de oudste gaf nu en dan antwoord, doch zóó afgemeten en statig, als of hij iederen klank in het voorbijgaan nog even met de lippen streelde. Daar de secretaris, gelijk de jongste bleek te wezen, zich op honende wijs over Holland en de Hollanders bleef uitlaten, zag Everï, hoe er langzamerhand op het voorhoofd van Pieter donkere wolken rimpelden en de oogen dreigend begonnen te flikkeren. Eensklaps stond deze op en sprak in het Spaansch met een van gramschap trillende stem: „Als geweien officier in Staten-dienst wil ik niet verder dit smalen op ons volk en onze regeering aanhooren, en verzoek u, daarover te zwijgen.quot; Het bleeke gelaat van den terstond ook opstaanden Spanjaard werd bloedrood, zijn donkere oogen schenen vuur te schieten en hij zou
52
zekor met toornige stem hebben geantwoord, indien de ondste der beeren hem niet met vasten blik en achtbaar handgebaar het zwijgen had opgelegd. ,Ge hebt volkomen gelijk, meneerquot;, zeide hij in het Spaansch, zich beleefd tot Pieter wendende, „het gedrag van onzen schrijver is volkomen onbetamelijk. Wees zoo welwillend om onze verontschuldiging aan te nemen, en gij Don Manuelquot;, vervolgde hij ernstig, „zou verstandiger doen, om te gaan zitten en te overwegen, hoe uwe onbezonnenheid ons in groote ongelegenheid zou kunnen brengen.quot; De jonge Spanjaard zette zich neer, maar aan zijn gramstorig gelaat was te bemerken, hoe moeilijk hij zich inhield. De overige reisgenooten mengden zich niet in deze woordenwisseling, doch bootsman Jan kon niet nalaten, om zijn luitenant in te fluisteren, dat als hij dien vreemden snoeshaan buiten boord wilde gewerkt hebben, hij slechts te spreken had. Pieter maakte een buiging voor de beide oudere heeren en sprak in het Fransch: „De heeren zullen mij wel vergeven, dat ik overal voor mijn vaderland opkom en als krijgsman doe ik dat misschien wel wat forsch.quot; „Dat is braaf van u en dat hooren we gaarnequot;, antwoordde de Vlaming, hem vriendelijk de hand toestekende. Terwijl de schrijver zwijgend bleef zitten mokken, ontspon zich een gesprek met de andere heeren, een ge-dachtenwisseling zich kenmerkende door heusche hoffelijkheid. De Vlaming prees vooral de eigenaardige schoonheid van dit polderland en wees hoe, juist op dit oogenblik, de ten ondergang neigende zon, de onafzienbare velden van frisch mollig gras wonder lieflijk kleurde. Hij roemde ook onze jonge schilders, die met groot talent deze schijnbaar eenvoudige, maar toch treffende natuur zoo uitnemend wisten te vertolken. Hoe beleefd het onderhoud ook werd gevoerd, was ieder toch verheugd, toen de schuit te Rotterdam aan wal lag. Met groote wellevendheid namen de heeren afscheid, maar toen het drietal voortwandelde, keerde de jongste Spanjaard om, trad naar Pieter toe en zeide nijdig met opgetrokken bovenlip, waardoor een rij witte tanden zichtbaar werden: „Ik hoop meneer nog eens voor mijn rapier te zien, om die beleediging te betalen.quot; „Altijd bereid, Signorquot; antwoordde Pieter droogjes, en ging met Evert verder.
Na een wandeling door de stad, kwamen de broeders aan het Middelburgsche beurtschip, dat den volgenden morgen vroeg zou vertrekken. Spoedig gingen zij te kooi, en werden pas gewekt door
53
liet rumoer op het dek, vermeerderd door liet schor gezang dor matrozen uit de trekschuit, die; zoo als do bootsman aan Pietku vertelde, den ganschen nacht aan hot pierewaaien geweest waren. Op het bepaalde uur ging het vaartuig onder zeil. Het was een knap scheepje en op een bordje bij den mast stond geschilderd: „Ik vaar tor zee op Gods genade (11),
Dat Hij bewaart kan nimmer schaden;
Hetzij ik ga of wederkeer.
Ik zoek den zogen van den Hoor.quot;
Gedachtig aan hot oud-Hollandsch spreekwoord, dat hot goed is te bidden, maar tevens te waken, werd ook hier gezorgd, dat de ton met buskruit droog bleef, en do beide draaibassen, do musketten, de pieken on houwers in goede orde verkeerden. Dit was noodig, want de Duinkerker kapers waagden zich soms op de Zoeuwsche stroomon waar zij het vooral op do vaak rijk bevrachte beurtschepen voorzien hadden. Om in geval van nood een handje te helpen, mochten de vier matrozen vrachtvrij medevaren. Er gebeurde echter niots en het scheen dat do mastbozems der Zoeuwsche waakschepen do binnenwateren volkomen hadden schoon gevoegd. Reeds dos avonds voor de schuit langs verdronken Noord-Beveland, waar de hoogo toren van Cortgone eenzaam uitstak boven de bruisende baren. Na hier door oen plotseling opkomenden nevel een tijd to hebben geankerd, trok de mist bij het aanbreken van den dag op, on zagen de reizigers Walcheren schilderachtig schoon door de opkomende zon verlicht. Naar den zeekant, in het vollo licht, lag de stad Veere, mot de reusachtige kerk, het sierlijk stadhuis en een mastbosch van koopvaarders en vischschuiten in de haven. Niet ver van die stad, bij het prachtig beplant hof Wulpenburg, lieten de broeders zich aan wal zetten en wandelden langs den zeedijk naar do stad; terwijl do beurtman voorbij Arnoniuiden naar de Middelburgscho haven zeilde. Na zich in do vermaarde herborg De Campveersche toren wat verfrischt te hebben, gingen Pieter en Evert hun meer dan tachtigjarige nicht Reygersberg bezoeken, die op do Markt hot huis van overgrootmoeder Ravestein bewoonde. Door de oude mooie, gelijk zij haar noemden, werden zij hartelijk ontvangen en het bleek een genot voor de vriendelijke matrone om te kunnen vertollen van den hangen oorlogstijd, van hun knappen grootvader, den pittigen vaandrig, en diens lieve, zachte, maar zonderlinge vriendin Digna. „Nichtequot; drong er
54
op aan dat de broeders liet noenmaal mede zouden nuttigen, waarna zij de gasten met haar overdekten koetswagen naar Middelburg liet brengen. Voor dat zij door Zandijk reden, wees de voerman hun op een afstand de geblakerde muren en ingestorte torens van het oude vorstenhof Zandenburg, waarbij het huisje had gestaan, waarvan grootvader zonderlinge gebeurtenissen placht te vertellen, in de familie nog als overleveringen bewaard. In Middelburg was hun als een goede herberg aanbevolen de Florentijnsche Lelie in de smalle, maar drukke Bellingstraat, waar zij een goede kamer vonden. Kort na de aankomst ging Pieter naar de Abdij, waar admiraal Hollaeh verblijf hield, die mededeelde, dat hij voor hem reeds een goede plaats als assistent bij de Oost-Indische Compagnie had gekregen, doch dat hij den volgenden morgen voor den vorm nog eens bij de Bewindhebbers moest rondgaan. Verder bracht de admiraal nog een verzoek van de Heeren Lampsins over, dat Pieter hen te Vlissingen zou opzoeken, daar deze hem gaarne, als in de West bekend, over een voorgenomen kolonisatie wilde raadplegen. Nadat de nieuwe assistent dien avond en den volgenden morgen de noodige bezoeken had afgelegd, reden de broeders in een zoogenoemden Pietjeswagen naar Vlissingen, een stad hun lang zoo deftig niet schijnende, als het woelige, maar loch statige Middelburg. De oudste der heeren Lampsins, eigenlijk het hoofd van het wijdberoemde kantoor, was eenigszins ongesteld, maar had in de stad een boodschap achtergelaten, of de door den admiraal aanbevolen heer hem wilde bezoeken op zijne hofstede Lammerenburg op den weg naar Koudekerke, destijds nog eenvoudig, doch eenige jaren later een der prachtigste lusthoven van Walcheren.
Het was een warme morgen en de zonnestralen blaakten op den weinig beschaduwden zandweg. Eerst gingen de wandelaars langs het strand, om te genieten van het uitzicht over don onafzienbaren waterplas, waarvan de zacht ruischende baren fonkelden in het heldere licht. Dunne witte wolkjes wierpen vluchtige schaduwen over de woelige golven, welke door den opkomenden vloed naar het vlakke strand gevoerd, op rollen ontvlammend buskruit geleken en wegvloeiden, na in het vochtig strand en op de hier en daar verspreide derriebrokken zonderlinge op letters gelijkende figuren achter te aten, als wilden zij in geheimzinnig schrift de wonderen opteekenen door den oceaan in zijn diepen schoot verborgen gehouden. Do groen-grauwe duinen spraken hier ook in schilderachtige afbrokkeling van den strijd
55
door die trouwe wachters met feilen wind en woedende golven gevoerd. Over de zandheuvels heen en door een smal pad, kronkelend tusschen eikenhakhout, kwamen de broeders aan het in dicht geboomte liggend landhuis, waar de aanzienlijke koopman hen vriendelijk ontving. Terstond bleek, hoe de gedachtenwisseling van langen duur zon wezen, en dat Evert een gernimen tijd zou kunnen wandelen door de lanen, loofgewelven en doolhoven van den uitgestrekten, schoon aangelegden hof, of rusten in een der groene prieelen tusschen het lommer. De heer Lampsins zeide, dat de knaap zich zeker niet vervelen zou, daar hij hem reeds in gezelschap zag van een zijner beste stuurlui Mkihiei, Adriaans, die den jongen heer zeker aangenaam bezig zou houden, dooi\' te vertellen van een reis naar het hooge noorden, waarvan hij pas dezer dagen was terug gekomen. Niet lang daarna werd er aan de kamerdeur geklopt en trad de genoemde stuurman binnen, met de vraag, of de patroon er iets tegen zou hebben, indien hij met den jongen Amsterdammer even in zee plompte. Daar Pieten wist, hoe verzot zijn broeder op baden en zwemmen was, gaf hij gereedelijk zijn toestemming, vooral toen de koopman verzekerde, dat hij aan stuurman Michiel best was aanbevolen. Het was uitnemend weer voor een verkwikkend bad. De zee scheen alleen bewogen door de hooge deining van den kenterenden vloed. In de verte, waar lucht en water in een wazig verschiet samensmolten, klonk nu en dan een dof dreunen, door Evert gehouden voor het kanonvuur, waarmee Zeeuwsche kruisers de Duinkerker roovers bestookten; doch dat de stuurman verklaarde voor het gronden en poefen der zee, of het rollen der brekers op de zandbanken. De jongeling gevoelde in het boeiend gezelschap den lang gekoesterden wensch weer versterkt worden om te!\' zee te gaan varen, en hij geraakte geheel onder de eigenaardige bekoring, welke de onmetelijke, beweeglijke watervlakte op sommige jeugdige harten uitoefent. De stuurman merkte dit terstond op en sprak. Evert met zijn donkere oogen aanziende en zacht op den schouder kloppende: „Mic;h!El Adriaans zou zich al erg vergissen, als er geen hartige zeeman in je schuilt,quot; waarop de jongen aanstonds en met warmte antwoordde, hoe hij niets liever wenschte. Het verrukkelijk bad werd genomen en hoewel de stuurman aan Evert had geraden, om bij het invallen van de eb aan de landtong wat voorzichtig te wezen, zwom de goed ervaren jongen lustig voort, tot dat hij aan den kop van hot hoofd eensklaps in een sterken draaistroom geraakte. Een tijdlang
5G
worstelde hij niet alle macht tegen het hem wegsleurende water; doch hij bemerkte, hoe de kracht hem begon te begeven en een nevel zijn oogen beschoot. In dien mist zag hij vóór zich, tot in kleine bijzonderheden, de woonkamer te Amsterdam, waar liet gezin na het noenmaal nog aan tafel zat; terwijl vader nit den bijbel voorlas en Geertrui en de dienstbode Marijken toeluisterden. Deze kamer werd hom aangewezen door een tengere bleeke vrouw, die hem met doordringend, maar vriendelijk oog aankeek en met haar linkerhand zijn zinkond hoofd onderst eude. Tn hot volgend oogenblik greep hem eon sterke hand en hoorde hij tusschen het watergeruisch in de ooren, de stem van den stuurman, ontsteld roepende: „Kereltje, kereltje, daar was je waarachtig haast naar de haaien geweest en ik had je nog wel gewaarschuwd.quot; Na een paar krachtige bewogingen van zijn redder, stonden beiden op den vasten grond. Bij het aankloeden bemerkte Evert tot zijne groote vreugde, hoe de gouden familiering, welke hij kort te voren op zijn veertienden verjaardag van inoeie Trijntje Gerrrands had gekregen, gelukkig aan zijn vinger was gebleven. ITij vond geen woorden om den stuurman te danken en kon hem slechts aanzien met oogen, stralende van warme erkentenis. Van nicht Reijgersberg te Veere had de knaap een fraai gesneden niessonhecht gekregen, in welke kunst men destijds roods in Walcheren zeer ervaren was. Dit bood hij den stuurman tot een gedachtenis aan, die er eerst niets van wilde weten, maar het ton slotte, ook op aandringen van Pieter, met een stevigen handneep opstak, als ge-dachtonis, gelijk hij er glimlachend bijvoegde, van een ongezeglijken jongen. Niet voor tegen den avond werden de broeders mot den koetswagen van den heer Lampsins naar Middelburg gebracht on om acht uur waren zij aan boord van het beurtschip. Pieter moest nog in Den Haag wezen, zoodat Evert alleen in Amsterdam te huis kwam, juist op den tijd dat het middagmaal was afgeloopen, vader voorlas en alles er even zoo uitzag als hem in zee was voorgetooverd. Terwijl de knaap zich het door zusters zorg weer binnengebrachte maal good deed smaken, verhaalde hij van het groot gevaar, waaraan hij te Vlissingen zoo gelukkig was ontsnapt. Geerte vulde zijn nog nauwelijks geëindigde mededeeling aan door de vraag, of hij niet bij den arm was gegrepen door een kloek man met donkeren oogopslag, roodo verwoorde wangen en een zwarten opstaanden knevel. „Zoo zag do stuurman er precies uit, antwoordde de knaap, maar hoe weet
57
mijn lief zusje dat?quot; „Ik heb het gedroomd,quot; hervatte het meisje. „Den nacht na hol ongeval werd ik wakker, zoo meende ik, en zag half dommelend de nachtkaars op tafel staan, maar tevens, hoe van dat licht stralen in het vertrek schenen, welke zich in veelkleurige kringen vereenigden, waaruit eerst in flauwe omtrekken, als in weerschijn, maar later duidelijker een gestalte te voorschijn kwam, waarin ik terstond „grootmoedertjequot; herkende. Zij wees mij met een vriendeiijken blik op een spiegeltje, dat zij aan een steel in de hand hield. Daarin aanschouwde ik een woelend, bruisend water, waarin mijn lief broertje met een schuimenden draaikolk worstelde en dreigde weg te zinken. Gelukkig werd hij nog in tijds, door een krachtig man, er uitziende gelijk ik reeds zeide, vastgegrepen en op den vasten wal gebracht. Om vader niet te verontrusten, heb ik dien droom maar voor mij zelf gehouden. Tn onze familie zijn al meer zulke visioenen voorgekomen.quot;
Vader keek met betrokken gelaat en ernstigen blik, dochter en zoon beurtelings aan en zeide: „Het is maar goed, dat Geerteliefmij niet noodeloos angstig heeft gemaakt, maar toch zou ik er niet rouwig om wezen, als die wonderbare verschijnig er toe kon besluiten om onze familie niet langer te bezoeken.quot;
De Onder-Koopman in Oost-Indië. (1639.)
De zon als een reusachtige hel vlammende bol aan den grauwen zacht getinten hemel hangende, straalt op een boeten Decemberdag, haar oogverblindend licht op Batavia; welke stad, hoewel zij nog niet vele jaren dien titel droeg, terecht reeds genoemd werd: de Koningin van het Oosten. Zoo even heeft van het kasteel het middagschot geklonken en als bij tooverslag schijnt daarna de geheele stad verzonken in diepen slaap. De blakende middaghitte doet den dampkring trillen en gloeien, en geen windje rimpelt het water der statige grachten, waarin de gevels der onbewoond lijkende huizen zich spiegelen. Do breede rivier met haar duizend fonkelende oogen, kabbelt schier onmerkbaar voort en een tal van kleine schepen, schuiten, prauwen en roeibooten, pas nog levendig door oen woelige, schreeuwende en zingende menigte van bruine en blanke schippers, matrozen, sjouwers en leurders, zou men voor uitgestorven kunnen houden. Zelfs het
58
bruisen der zee in de verte is nauwelijks te hooren en men zou kunnen denken, hoe ook daar de slaap huisde, indien niet een machtige vloedgolf groene waterheuvels in langzamen regelmatigen gang naar de kust voerde en de groote schepen op de ree zaclitkens deed heen en weer schommelen. Inlanders, zoowel als vreemdelingen en zelfs de dieren zoeken beschaduwde plekjes tegen de felle stralen, in het Oosten als vijanden, in de gematigde luchtstreken als vrienden beschouwd. Batavia was toen nog op Europeesche wijs aangelegd met hoog opgetrokken gebouwen door pannen of leien gedekt, met smalle vensters en hooge stoepen, grenzende aan de zoogenoemde kleine steentjes, welke alleen door Europeanen en aanzienlijke inlanders mochten betreden worden. Het middelpunt der stad was het kasteel, door wallen, rondeelen en torens zóó sterk dat, naar deskundigen oordeelen, het de geheele macht, van het oosten zou kunnen weerstaan. Daarom is het ook bekend als de juweelen sterkte en de voornaamste bolwerken heeten Diamant, Robijn, Safier, Parel enz. Boven den hoofdingang is het wapen dor Compagnie uitgehouwen; alsmede het stadsblazoen, zijnde een staand zwaard met een lauwerkrans om de punt. De groote vlag van oranje, blanche, bleu, nu slap van den stok hangende, wappert vaak in den wind, en uit de dreigend over de wallen gapende kanonnen davert driemalen daags een schot, dat de waakzaamheid en tevens den tijd aanwijst. Naarmate de veiligheid in do binnenlanden toenam en overvallen minder te vreezen waren, werden kooplieden en ambtenaren overtuigd, dat do in de zon geblakerde huizen der stad in het heete seizoen ongezond en eigenlijk onbewoonbaar waren, en vestigden zij zich meer en meer buiten in woningen naar Oosterschen trant gebouwd, doch van Europeesche gemakken voorzien. Nu een jaar geleden, heeft ook de onderkoopman Pieteh Jacobszoon (Nagtglas) op een der fraai beplante erven aan den breeden weg door de Ommelanden, zulk een woning doen bouwen en inrichten, en we vinden hem na \'t middag-rustuur in een gemakkelijken stoel in de voorgalerij van dit huis. De keerkringszon heeft hem nog bruiner gekleurd, dan toen we hem laatst te Amsterdam zagen en hoewel haren, spitsbaard en knevel reeds hier en daar met grijs zijn doorsprenkeld, is de glans der oogen nog niet verdoofd, of zijn de opgenoemde trekken verdwenen. De mijmeringen, welke zijn geest bezighouden, schijnen dien naar vriendelijker oorden te voeren, want telkens glijden er glimlachjes over
59
zijn gelaat. Daar is trouwens ook wel reden voor, want zijn broeder Evert, die over hem is gezeten en met vriendelijken blik naar zijn nu en dan half indommelenden broeder kijkt, is gisteren uit het vaderland gekomen, met de beste berichten van de familie. Evert is oen flinke jongen van omstreeks twintig jaar, die zijn blauwe oogen helder opslaat en wiens donker blonde haren krullen over zijn hoog voorhoofd. Hij is stil en kalm van aard en dus van andere inborst dan zijn woelige en levendige broeder. Deze heeft belangstellend naar de reisontmoetingen zitten luisteren, tot dat de macht der gewoonte hem zachtkens voerde naar het gebied van den slaap. Evert is nog verdiept in de herinneringen, waarvan hij verhaalde en dacht er aan, hoe hij nu ruim zeven maanden geleden met het schip Eikenduinen, waarop, zooals men toen zeide, driehonderd eters waren, als adelborst uit Tessel vertrok; nadat het niet weinig tijd en moeite had gekost, van Amsterdam over Pampus heen te komen. Vader en Geerte hadden hem een eindweegs uitgeleid en hij had nog altijd vóór zich den smartelijken blik zijns vaders bij den laatsten handdruk, en hoe lieve zus, na zich lang goed te hebben gehouden, ten laatste toch ook uitbarstte in tranen, want zij was zoo innig aan de broeders gehecht. Het groote snelzeilende schip had een voorspoedige reis gehad, maar toch waren gotelingen en draaibassen nog gebruikt, toen bij stormweer de Eikenduinen van de vloot was afgedwaald en, hoewel maar kort, door een Duinkerker werd gejaagd. Een paar fregatten van \'t convooi op het schieten te hulp komende, lieten den roover zelf\' in de fuik loopen. Aan de Kaap had het schip een maand vertoefd voor schoonmaken en repareeren; alsmede tot het vullen der watervaten, het innemen van vleesch en herstel van niet weinigen der aan scheurbuik of schimmelziekte lijdende schepelingen. Evert had in de Kaapstad nog familie aangetroffen en een oude rijke neef had hem geraden om, zoo hij in fndië fortuin wilde maken, zijn conscientie aan de Kaap te vergeten en in het terugkeeren weer af te halen, een les welke de jonkman zeker niet dacht op te volgen, gedachtig aan een dor laatste woorden van zijn vader: „Mijn jongen, vergeet nooit dat God u overal ziet.quot; De reis van de Kaap naar Batavia was minder aangenaam geweest, niet alleen door hevige stormen, maar vooral, omdat er onder de te Kaapstad aangenomen Chineezen, muiterij smeulde, wat de dorde waak of stuurman toevallig was te weten gekomen. De schipper Hendrik Simons, in de wandeling
60
„rooie Heinquot; genoemd, was oen stoere, kordate kerel, die korte metten maakte, om de vonk te dooven, eer de vlam uitsloeg. Op een donkeren avond belegde hij krijgsraad in de kajuit en liet zes der voornaamste raddraaiers één voor één binnen brengen. Daar werden zij terstond gekneveld, den mond gesnoerd en zonder verderen vorm van proces door de achterpoorten in zee geworpen. Do drijvers dus onschadelijk gemaakt zijnde, was hot verzet gebroken en hot afloopen en uitmoorden van hot schip, waarvan voorbeelden waren, door het kloek beraad van don gezagvoerder voorkomen. Na deze mededeeling kwam er oen oogenblik van stilte, waaruit do dommelende en do peinzende broeder werden opgeschrikt door een ratelenden donderslag, lang voortdaverend over het naburig gebergte. Een paar bliksemstralen schitterden met verblindend licht en het daarop volgende rommelen deed het huis dreunen. Na een korten plasregen was de bui voorbij getrokken on kwam een frissche koelte de verzengende hitte matigen. Pieter zeide, hoe hot nu tijd was, om te gaan rijden en spoedig stond oen gemakkelijke wagen gereed met twee kleine, vurige paarden bespannen, bestuurd door een Javaanschen jongen in een rood baatjc, oen heldor witten broek en een puntig hoofddeksel van gevlochten stroo. In snellen draf ging het nu vooruit, eerst langs liet Ghineesch Kampement, waar taanklourigo, bleeke staartmannen, in hun zonderling huisol op vrouwen gelijkende, ijverig bezig waren on zich gereed maakten om den volgendon morgen vroeg, allerlei waren, zooals brandhout, vruchten, suikergoed, betel en gevogelte in manden, of aan jukken in do stad te gaan uitventen. In de daaropvolgende inlandsche-buurton wemelde eene bonte menigte, tusschen do lage, leomen, met riet gedokte woningen. Bruine vrouwen, moest in kleurige kleoding, waren daar met velerlei huiswerk bezig. Sommige zaten neergehurkt bij vuurtesten, om rijst te kooken, of sambal te bereiden, klappers te schillen of met gambir de sirih te maken, waarbij soms zuigelingen als een pakje op den rug werden gedragen. Niet weinige, nog vermoeid van het veldwerk, lagen te rusten op den harden grond, tusschen naakte, in het zand wriemelende kleine kleuters, hier en daar aan do zorg vertrouwd van gerimpelde besjes, die mot groote Chineescho brillen op den neus en de magere boenen onder hot lijf gekruist, voor do deuren zaten te naaien. Do mannon hurkten meestal op den grond voor de Warongs of inlandscho spijskramen, als echte Hollandschc baliekluivers. Zij hielden zich
61
bezig met betelkauwen, spuwen en mijmeren en wisselden slechts zelden een woord met hun makkers, tenzij over de kansen van een boontjes-spel, dooi\' enkelen gespeeld en door allen met groott belangstelling gade geslagen. De ingespannen aandacht werd echter nu en dan afgetrokken, wanneer een paar hanen, gevolgd door een „vrouwenhuisquot; van vrij rondwandelende kippen, aan het vechten raakten. Dan werd daardoor de wedlust zóó geprikkeld, en nu en dan zulke hevige woorden gewisseld, dat Evert vreesde, dat spoedig de scherpe krissen er aan te pas zouden komen, wat, naar Pieter verzekerde^ slechts zeer zelden gebeurde. Na die woelige buurt te zijn doorgereden, kwam de wagen op een breeden, goed onderhouden, maar stofligen weg, aan weerskanten beplant met palm en klapperboomen in wier gebladerte het avondwindje suizend ritselde. Links en rechts lagen uitgestrekte rijstvelden, in regelmatige vakken afgedeeld en daar tusschen erven, waarin eenige van leem opgetrokken woningen verscholen lagen tusschen dicbte bamboesboschjes. Hier en daar troonde een prachtige waringaboom als een vorst tusschen pisangs, waarvan de purperen trossen glansden in de stralen der avondzon, welke ook de toppen der in een blauwend verschiet nevelende bergen tintte met zacht violet en groen zóó betooverend schoon, dat geen schilder ze zou kunnen afbeelden.
In een smailen, het landschap doorkronkelende stroom, waren naakte visschers hun netten uitwerpende; terwijl nituwsgierige leegloopcrs van de hier en daar geslagen bamboebrugjes dit werk aanzagen. Elders stonden karbouwen van afschuwwekkend voorkomen in hot koele water te baden, welke reusachtige dieren zich met de meeste gedweeheid door kleine jongens naar de hier en daar opgeslagen buffelkralen lieten brengen. De weg nu door de Batavische Omlanden gevolgd scheen weinig bezocht en de gebroeders zagen slechts nu en dan van bet veldkomende inlanders, als ganzen achter elkander gaande, en bij het voorbijrijden stilstaande en eerbiedig buigende. Ook de door looine karbouwen voortgetrokken knarsende en piepende vrachtkarren, zorgden, voor het rijtuig tijdig uit den weg te gaan en stil te staan. Het was een verrukkelijke avond; de regenvlaag had de slof weggespoeld, een zacht koeltje ruischte door het geboomte, deed de breede palmbladen trillen en lieflijke geuren vervulden de zoete lucht. Te huis gekomen, keuvelden de bloeders in de voorgaanderij; doch spoedig kwamen kennissen van den onderkoopman den pas aangekomen adelborst
02
begroeten on als Ornng-haroe (nieuw mensch) verwelkomen, Er werden flesschen wijn ontkurkt en later door deze oud-gasten menig glaasje Schiedammer geledigd op de gezondheid van den nieuweling; vooral door sommigen, die geen gelegenheid lieten voorbij gaan om hun zwelg-roem te handhaven. Meerendeels waren die vrienden vroolijke snuiters, los in de kleeren, met de hoeden schuins op hot hoofd en in Indië „gefortquot;, zooals men dat noemde, of door verbintenissen als vastgelegd.
Eveht gebruikte, even als zijn vader, slechts hoogst zelden wijn en had een ingeboren afkeer van sterkendrank. Hij walgde van de dronkemanspraat en zat, gelijk Pieïer zeide, met een „gezicht van oude lappenquot;. Eindelijk wendde hij hoofdpijn voor, en verliet hot gezelschap om in een afgelegen hoek der gaanderij rust te zookon. Zeldzaam schoon was de avond. De maan, bijna vol, wierp haar zilverlicht op het ietwat wazige landschap, bezet met donkere schaduwen, doch haar glans was niet sterk genoeg om de hel schitterende sterren Ie verduisteren en boven de bergen in de verte glansde het Zuiderkruis. Vuurvliegen zwermden als levende vonken boven sterk geurende heesters en bloemen en vlinders en kevers gonsden in het rond; nachtvogels lieten klagend krijschen hooron en uit de verwijderde bosschen kwam die zonderlinge mengeling van geluiden aan do tropische wouden eigen en waarin de bewoners hot jammeren van betooverde geesten meenen te hooren. In een nabij gelegen kampong scheen feest gevierd te worden on klonk de zachte, weemoed wekkende inlandsche muziek der zilveren klokjes van den gamelan. De jonge man, staarde mot een gewaarwording als of hij droomde, in die wonderbare, voor hem zoo vreemde wereld, on hot was natuurlijk, dat hij aan de witte wolkjes, langzaam voorbij de maanschijf noordwaarts drijvende, oen groot mede gaf naar het verre, verre vaderland. Nadat hot gezelschap nog een hooien tijd „zeer vroolijk onzoetquot; bij elkander had gezeten, kwamen slaven als donkere gestalten, nauwlijks hoorbaar aansluipen om hun strompelende en zwaaiende meesters met toortsen naar huis te geleiden. Evert ging nu naar zijn broeder, die, gelijk hij zeide, ettelijke bottels borgen kon, maar nu toch ook een ziertje aangeschoten was, doch heldor genoog, om te kunnen meededen, dat hij don volgende morgen bij don Opporlandvoogd ontboden was, en dan te gelijk Evert zou voorstellen. Aan dat bericht knoopte Pieter nu op ietwat zonderlinge wijs een verhaal vast van een tijger, dien hij in een stillen helderen nacht als deze, verleden jaar op hot erf geschoten had en wiens gelooide huid in zijn slaapvertrek
G3
lag. Deze roofdieren waren met slangen, schorpioenen, muskieten en zoo voorts, niet aangename medeschepselen voor de bewoners dezer streken. Spoedig gingen de broeders ter rust.
De zon was niet lang te voren opgegaan en het morgenkoeltje ruischte nog door de kronen der palmboomen, toen do broeders, netjes opgedirkt, gelijk Pieteh het uitdrukte, in een tweebanks-wagen naar de stad reden. Hoe vroeg ook; was de bevolking reeds op de been en druk bezig, om, gebruik makende van de frissche morgen uren, op de Tijgers- en Kaaimansgrachten en andere kaden, schepen van allerlei soort te lossen en te laden, waarbij Europeanen, Javanen, Maleijers, Ghineezen, Arabieren en anderen natiën door elkander wemelden. In de stad kon het rijtuig door het gewoel slechts langzaam vorderen, en stapvoets werd de door een wacht bewaarde poort bereikt van het kasteel, waar de Oppeiiandvoogd verblijf hield, en reeds in den vroegen morgen aan de ontboden ambtenaren gehoor vei\'leende. De broeders kwamen door enkele gewelfde gangen op een ruim binnenplein, waarvan de eene zijde geheel ingenomen was door een reeks vertrekken, voor schrijvers en kantoorknechten bestemd. Terwijl daarover een aantal kamers en zalen waren ingericht als woning voor den hoogsten ambtenaar der Compagnie. Overal waren oen aantal inlandsche bedienden in roode, mot goud afgezette livrei-baatjes werkzaam, en in het voorhuis zat een deftig in het zwart gekleede hofmeester. Deze, een Europeaan, ging de broeders voor naar de wachtkamer, waaruit zij na korten tijd bij den landvoogd werden toegelaten. Deze ontving hen in zijne bijzondere vertrekken of in zijn kantoor, gelijk het kabinet werd genoemd. Dit was eene ruime, iiooge, luchtige zaal, geheel op vaderlandsche wijs ingericht, met een paar goed gevulde boekenkasten en daartusschen, tegen de net gekalkte wanden, enkele schilderijen in breede, zwarte lijsten; alsmede een groote bouwkundige teekening der nieuwe kerk, welke men voornemens was in Batavia te bouwen, daar, na het verbranden van het eerste bedehuis, de godsdienstoefeningen in eene openbare galerij of algemeene wandelplaats bij het Stadhuis moesten worden gehouden. In een der hoeken van de kamer hing een friesche klok met glanzende koperen gewichten, welke bij het binnenkomen der broeders met snorrenden slag zeven sloeg. Er was weinig verbeelding noodig, om zich hier te verplaatsen in de burgemeesterskamer eener Hollandsche stad, in plants van in de gehoorzaal van den machtigen Onder-koning van een groot
64
deel van Indië. Wat die zinsbegoocheling nog versterkte, was, dat men door de vier openstaande ramen op een geheel in Europeeschen stijl aangelegden tuin zag, waarop voornamelijk de echtgenoote van den gouverneur was gesteld en wat slechts met groote kosten werd onderhouden. Aan een langwerpige tafel, beladen met papieren, boeken en schrijfbehoeften, zat de gouverneur Antonie van Diemen, in \'t vorig jaar tot dien hoogen post bevorderd, en gedurende negen jaren een der voortreflijkste, zoo niet de eerlijkste en beste landvoogd die de Compagnie in Indië heeft gediend. Hij had een warm hart voor wetenschap en godsdienst, en stelde levendig belang in de zedelijke verheffing der inlanders. De gouverneur, uit een eenvoudigen kring te Kuilenburg geboren, had aan de gunst van generaal Koen een buitengewoon snelle bevordering te danken. Deze waardeerde zijn degelijk, ongekunsteld karakter en, naar gezegd werd, ook de nette en duidelijke manier van boekhouden, [waardoor de jonge man diens vertrouwen zóó zeer won, dat Koen hem over do gewichtigste staatszaken, raadpleegde, met onbeperkt vertrouwen in zijn rechtschapenheid en helder oordeel. Wanneer men Van Diemen in zijn „Gomptoirquot; aanschouwde, zou niemand in den eenvoudigen, van voorkomen ietwat burgelijken man, herkend hebben den Bestuurder van het onmetelijk Rijk van Insulinde; den man die pas de vruchtbare Molukken voor de Compagnie had gewonnen, en do vlag onzer Republiek in het rijke en scboone Taprohané (Ceilon) geducht had gemaakt. De Opperlandvoogd was iemand van middelbare jaren met een vriendelijken blik, getuigende van een blijgeestige levensopvatting. Zijn levendige oogen, gewelfde wenkbrauwen en hoog voorhoofd teekenden deugdelijkheid en scherpzinnigheid. Haar, spitsbaard en knevel begonnen reeds te grijzen en de zorgen hadden diepe groeven getrokken op zijn gebruind gelaat, doch niet te min sprak zijn uiterlijk van vaste gezondheid en ijzeren wil. Over de onverzettelijkheid van den landvoogd werd wel eens geklaagd, doch zelfs zijn enkele vijanden voegden er bij, dat tegenover dit zoo genoemd karakter-gebrek minstens een dozijn deugden stonden. De heer Van Diemen was nu gekleed in een kleurigen Japanschen rok, zijden onderkleeren, een dun kalotje op het hoofd en muilen van lijn bruin leer aan de bloote voeten. Toen de broeders door den hofmeester waren binnen gelaten, wenkte de landvoogd glimlachend de drie voorgeschreven buigingen af, waarvoor zij zich gereed maakten, stond op en reikte beiden gemeenzaam de hand, er bijvoegende: „Neemt
C5
plaats, vrienden, en zicli tot Pieter wendende, vroeg liij welwillend. „Is dat nu de broeder, waarover ge mij gesproken hebt? „Ja, Hoog Edelheid, antwoordde de aangesprokene,quot; deze, mijn jongste broeder is voor een paar dagen met de Eikenduinen uit Patria gearriveerd en ik reken mij gelukkig, hem in uwe hooge bescherming te mogen aanbevelen.quot; „Dan zal hij zeker wel het nieuws uit Amsterdam aan mijne echtgenoote willen meededen, die altijd belust is op de laatste nieuw-maren uit het Vaderland,quot; sprak de landvoogd vriendelijk, die met Pieteu waarschijnlijk een vertrouwelijk onderhoud wenschte. Na het klinken van een grooten zilveren schel, kreeg de hofmeester last, om aan mevrouw Van Dikmkn kennis te geven, dat zij bezoek had te wachten; doch terstond voegde de gouverneur er aan toe: „Blijf maar. Muller, ik zal meneer, er zelf heen brengenquot; en de Toewan Bezar (de Groote Heer), gelijk de inlanders hem met diepen eerbied noemen, stond weder op en opende de deur van een aangrenzende huiskamer. Dit was een ruim vertrek, rijk gestoffeerd met kostbare meubelen. Hoewel pas half acht, scheen de tijd voor een bezoek niet ongepast. Op een met licht blauw satijn overtrokken leunstoel van wit hout, was de vrouw van den landvoogd gezeten, een statige dame met innemend voorkomen. Nadat Evert was voorgesteld, stond zij op, reikte den jonkman de hand, heette hem welkom in Indië, terwijl zij hem een stoel aanwees. De gouverneur sprak zachtkens een paar woorden tot zijne echtgenoote in het maleisch, en keerde toen naar zijne kamer terug. Mevrouw knoopte terstond een vriendelijk gesprek met Evert aan, en vertelde, hoe zij in Amsterdam goed bekend was, en Evert\'s vader wel eens bij haar neef Barue te hebben ontmoet. Anna van Aalst, de gemalin van den landvoogd, kende ieder te Batavia als een eenvoudige, ernstige echt Hollandsche vrouw, die de verspreiding van beschaving, kennis en Christendom onder de inboorlingen zeer ter harte nam. Terwijl zij met belangstelling luisterde naar het laatste nieuws uit het Vaderland, drong zij er op aan, dat Evert een of ander zou gebruiken en op het schellen van mevrouw, kwamen twee not gekleede Javaansche slavinnen binnen, die, op zware zilveren bladen, banket en confituren aanboden, en vervolgens in kleine, ragfijne blauw porceleinen kopjes, een aan Evert onbekenden drank, door mevrouw van Diemen als gezond en smakelijk geprezen en, naar zij zeide, bereid uit een bezie ter grootte eener kleine boon, welke gedroogd, gebrand
De Gouden Draad. 5
G6
en lot pulver gestampt met kokend water overgoten en getrokken werd. Dit vocht moest zoo heet mogelijk gedronken worden en voor de liefhebbers mot melk of suiker gemengd. Terwijl Evert met samengetrokken lippen het bittere brouwsel prees, dacht hij bij zich zelf, dat deze wonderlijke drank in Holland wel nooit smakelijk zou worden gevonden, of als een vluchtige mode spoedig voorbijgaan, weinig vermoedende dat, na een paar eeuwen, de koffie een dei-kurken zou worden, waarop de inkomsten van Oost-Inclië dreven Mevrouw van Diemen was nog druk bezig, te spreken over het goede en éénige Amsterdam, toen Pieteu binnenkwam en na enkele hoffelijke woorden met de Landvoogdes te hebben gewisseld, aan zijn broeder te kennen gaf, dat het gehoor bij zijn Hoog Edelheid afgeloopen was en zij, na verlof van mevrouw gekregen te hebben, vertrekken konden. Toen Evert nog even van den gouverneur ging afscheid nemen, was deze zoo vriendelijk om hem mode te doelen, dat hij reeds oene betrekking voor hem had bestemd, waarover zijn broeder hom wel nader zou onderrichten. Bij het verlaten van het kasteel kwam do hofmeester berichten, hoe Zijn Hoog Edelheid bevolen had, om de bezoekers mot een koets te huis to brengen. Op hot voorplein stond do fraaie karos reeds gereed en hoewel hot nog druk in de stad was, konden de vier paarden lustig draven, daar ieder zich haastte, om de bont gekleurde voorrijders, wier bevlagde pieken, reeds in de verte zichtbaar waren, door te laten; terwijl allo inlanders eerbiedig neerhurkten voor de rijk versierde en van verguldsel glinsterende koets van den Toewan-Bozar.
Wat de Opperlandvoogd mot den onder-koopman besprak, vernam EvEirr vooreerst niet, doch zijn broeder deelde hem mede, dat hij op den gouverneur een gunstigen indruk had gemaakt en binnenkort eon goede betrekking zou verkrijgen. Met een soort van angst zag Evert deze aanstelling te gemoet, daar hij vreesde, geplaatst te zullen worden op een der kantoren, welke hij in het voorbijgaan in liet kasteel had gezien on waar een aantal jongelieden als zoo genoemde „pennistonquot; werkzaam waren, of beter uitgedrukt, den kostelijken tijd zaten te verluieren en to verbabbelen. Dit vooruitzicht liep, gelijk het doorgaans mot onze hersenschimmen gebeurt, geheel anders uit, dan hij zich had voorgesteld.
Eenige dagen na de audientle, stapte Pieter, van Batavia komend.
G7
met oen opgewekt, gezicht uit het rijtuig en riep Eveut reeds uit de verte toe, hoe hij hem nu pas oene goede tijdiug mocht openbaren. „Zijn Hoog Edelheid heeft mij als tweede persoon, ging hij voort, eene belangrijke zending opgedragen naar don Vorst van Obi, een eervolle taak, maar, onder ons gezegd, een drommels lastig akkevietje, en heeft tevens bepaald, dat gij mede zult gaan als tweede schrijver of secretaris, tegen een loon van honderd zilveren ropijon in do maand. Over veertien dagen gaan we met vier oorlogsschepen en de noodige soldaten op reis, want als de kerels veel kapsie maken, is het host mogelijk, dat we nog aan liet bakkeleien gaan en wij hun ongemakkelijk de broek opnestelen. Er volgden nu drukke dagen; want het was, zooals do gouverneur had gezegd, een delicate zonding, daar den vorst van Obi, bekend als een listig gierigaard, door Portugoosche Raadplegers werd ingeblazen, om do Compagnie door allerlei kwaadaardige speldeprikken te verbitteren, welke echter niet diep genoeg gingen, om door zwaardslagen te worden beantwoord. Men wil echter dien inlandschen heerschor do macht der Edele Maatschappij toonen on daarom worden als „vloot van defensie dor gezantenquot; vier zware schepen met een galjoot en eon adviesjacht uitgerust, met den Opperkoopman Hendrik van Loo als hoofd der zending, belast om zoo mogelijk met don Koning een verdrag te sluiten van handel en vrede. Van Loo was een braaf, maar weinig beduidend man, die echter niet goed kon worden voorbijgegaan, hoewel hij eens eene soortgelijke opdracht, naar de gouverneur zeide, t\' eenomale had verward en met blinde schoten „verlorrendraaid.quot; Daarom had van Diemen hom don onderkoopman Pieter Jacobs Nagïglas, bekend als oen wakker en abel man, als raadsman ter zijde gestold en aan dozen had do Opperlandvoogd de geheimste instruction gegeven, om er zooveel doenlijk do Portugeezon „uit te boenen.quot; Een veertien dagen later waren de geschonken gereed en lagen de schepen zeilree. Do Opperlandvoogd on de aanzienlijkste ambtenaren deden het gezant-scliap uitgeleide. Do rivier was schier verstopt door prauwen en booten van belangstellenden; zoodat hol geraas en gegons der menigte en het zingen en tieren van \'t bootsvolk bijna hot knallen overstemde der groetende kanonschoten, daverende van de bolwerken bij de Waterpoort. Toon de laatste boeren langs de statietrap van boord waren gegaan, en nadat bij don valreep een glas op \'t welslagen van den tocht geledigd was, begonnen de matrozen do zware zeilen naar
G8
boven te hijschen. Het geschut donderde een afscheidsgroet aan do booten, welke op de kabbelende golfjes, als in een krans van fonkelende diamanten naar land werden geroerd; terwijl de kleurige vlaggen helder uitkwamen tegen de tinten van water en lucht. Een frissche stoker bolde de witte zeilen,
„En \'t was een lust, ze na te staren.
Die schoone schepen, rad en slank,
Met zeilen op, zóó hagelblank.
Als of het zwanenvleuglen waren.quot;
Het laatste goed werd nu in de hutten weggestuwd, de onderlinge kennis vernieuwd of gemaakt en oude en nieuwe vriendschap met een roemer Frontignac of Rinschen bleekerd beklonken. Het gezelschap bleef lang aan tafel keuvelen en drinken, doch Evert was, toen hij zich welstaanshalve verwijderen kon, opgestaan, om van het dek het gezicht te genieten op de woelende bruisende zee, welke hem altijd met zekere toovermacht aantrok. Het was een zoele avond, de ondergaande zon wierp, tusschen een grauwe wolkenbank, zachte, kleurige lichtstralen over de golvende watervlakte, waar boven het uitspansel zich als oen omnotolijko koepel welfde. Hier en daar scliommeldo eene grooto half overdekte vlerkprauw tusschen eenige open vischschuiton, alle koers zettende naar de roede. Do invallende schemering duurde slechts enkele minuten, waarna terstond de sterren flikkerden mot oen glans, onbekend in do gematigde luchtstreken. Tegelijkertijd begon de zoo te lichten, en golven, overtogon met een bleekrooden gloed, braken schuimend tegen den boeg der vaartuigen. Hemel en zoo vertoonde eon schouwspel, diepen indruk makende op het gemoed van den Jongeling, wiens gedachten dwaalden naar de wondervolle bollen, zwevende in de oneindige ruimte, waarvan vader menig-malen sprak, die er dan bijvoegde, boe die nieuwe wereldbeschouwing^ waarbij de aarde slechts oen onderdeel was van \'l heelal, niet alleen door do grooto menigte, maar ook door de kerken word veroordeeld. Troostend scheen hom de gedachte door zijn vader uitgesproken, dat wellicht op een dier hemelbollen onze dierbare doodon bleven voortleven en bij peinsde, hoe misschien op dit zelfde oogenblik, op een dier sterren, zijn onvergetelijke moedor dacht aan haar lieve verwanten op aarde. Zoo voerde de stroom dor donkbooloen hom naar het ouderlijk huis te Amsterdam, en naar zijn braven vader en zorgzame zuster, wier belangstelling na het ongeval te Vlissingen hom diep in
69
de ziel had gegrepen. Dit alles trok zijn geest voorbij en hij kon zich verbeelden in de schaduwen, zwevende over het half donkere dek, bekende gestalten te zien. Het meest op den voorgrond ontwaarde hij bet vrouwenbeeld met de tengere vormen uit het droomgezicht der familie. Zeide die gedaante iets tot hem, of was het een windvlaag, ruiscbende door het touwwerk? Evert meende duidelijk een menschelijke stem te hooren, waarom bij aan den roerganger vroeg: „Zegt ge wat, stuurman?quot; „Neon, meneer,quot; klonk het schor bescheid, „maar ik zou wel hebben kunnen zeggen, hoe het handje vol wind, dat ons nu zoo gemakkelijk voortblaast, straks bulderen zal, of het uit de bel is losgebroken; kijk maar eens, welk een bui er uit het zuid oosten komt opzetten en hoe het water in de verte rimpelt en kookt.quot; Het duurde dan ook niet lang, of de sterren werden verduisterd, een windvlaag schoot uit, welke de groote lappen fladderen deed en ringen en touwen bengelen. Alle man werd om te reven boven geroepen; want de zee begon bol le staan en hooge, met glinsterend schuim gekroonde baren, deden de schepen schudden, kraken en stampen, terwijl nu en dan, na verblindende bliksemstralen, donderslagen knetterden boven bet rumoer der golven en het gieren van den storm door het touwwerk. De meeste heeren van het gezantschap lagen akelig ziek in de schommelende kooien; doch, zoo .als de schipper opmerkte, had Evert stevige zeevoeten, waardoor hij op het dek kon blijven en mot belangstelling gadeslaan den strijd tusschen vernielende natuurkrachten en menschelijk vernuft. De kapitein en de stuurman verklaarden dan ook later, hoe het doodjammer zou wezen, als zulk een rap, kordaat jongkerel zijn kostelijk leven als een pennelikker of landrat verslijten ging. Toen de zwarte duisternis voor schemering begon te wijken en een parelkleurige zachte glans, het aanbreken van den dag verkondigde, was de storm even spoedig als hij gekomen was, bedaard, en bleek, dat gelukkig geen der schepen belangrijke averij bad gekregen. Met verrassende snelheid dook nu de kust uit de groen blauwe watervlakte, waarvan de bulderende branding reeds in de verte was gehoord. Door een dunnen nevel werd een reeks van steile, donkere rotsen gezien, waarvan alleen de toppen door de lichtbundels der rijzende zon werden bestraald. De voet dier klippen was met vlokkend schuim bedekt en het geheel vertoonde een beeld van sombere verlatenheid. Langs deze gevaarlijke kust moest, de reis nog een paar dagen worden
70
voortgezet, over water zóó helder, dat de met koraal begroeide bodem op vele vademen diepte duidelijk te onderscheiden was en toeliet, een blik te slaan in een wonderwereld van planten en dieren. Eindelijk kwam er oen opening in de rotsenreeks en vertoonde zich een breede rivier, waarvan de boorden met zwaar boomgewas waren begroeid. Naderende ontdekten de schepelingen een menigte inlanders of naturellen, als in een mierenhoop dooi\' elkander wriemelende. Spoedig zag rnen in zee, een tal van booten, beladen met vruchten en snel voortgestuwd door naakte mannen, die nu en dan wilde kreten deden hooren, waaruit men maar moeilijk een vriendelijken welkomstgroet zou kunnen verstaan. Daar bet weer begon te verzuren en Neptunus de schepen met ruwe vlagen begroette, keerden de schommelende schuitjes onverrichter zake naar het strand terug; doch voor de vloot werd in den mond der rivier eene veilige ligplaats gevonden. Toen de ankers waren uitgeworpen, dreunden twintig kanonschoten, kennis-gevende van de komst der Hollanders en den koning van Obi een daverenden groet brengende, honderdvoudig door het hoog gebergte weerkaatst. Den volgenden morgen werd door twee inlandsche loopers, van wege den Gezant, een maleischen brief aan den genoemden vorst gezonden, met bericht, dat er brieven en geschenken van de Edele Compagnie waren over te geven, waarom verzocht werd, om te weten, wanneer de koning ontvangen kon. Twee dagen later werden de Nederlanders reeds vroeg gewekt door een oorverdoovend geraas van koperen instrumenten en knallen van musketschoten. Bij onderzoek bleek de luidruchtige naderende bende een bezending te wezen van den vorst, om de boodschap over te brengen, dat hij aangenaam verrast was door de vriendelijkheid der Edele Compagnie en hare afgevaardigden gaarne over drie dagen ontvangen zou. Nog had het hoofd der bezending in last om mee te deelen, dat er een behoorlijk logies of verblijf voor het gezantschap zou worden opgeslagen. De Opperlandvoogd had bevolen, dat de meest mogelijke luister aan het bezoek moest worden bijgezet en vooral een aantal goed gewapende soldaten veiligheid bezorgen, daar de vorst zich geheel liet leiden door oen paar sluwe, aan de Hollanders sterk vijandige Portugeezen. Den volgenden morgen trok de trein reeds vroeg op weg, om voor de verzengende zonnehitte onder het lommer te zijn. Op den smallen boschrand langs de rivier, volgde een dorre zandstreek, waar de heete lucht het ademen, en het zware pad bet
71
gaan bemoeilijkte. Deze vlakte word rlonr heuvels begrensd, welke glooiend opklommen lol een gebergte, waarvan in de verte de booge kruinen scherp afstaken tegen het azuur der lucht. Hier en daar wierpen groepen kokospalmen een weinig schaduw op den breeden, willen, slofflgen weg; welk pad uitliep op een natuurwond, dat a!s een muur van gebladerte den voortgang scheen te verhinderen. l)c wegwijzers kenden echter een smal voetpad, kronkelend door het bosch. De indruk van dit woud was aangrijpend, maar neerdrukkend tevens. Onder een dak van groen, door duizenden slanke zuilen gedragen, lagen overal vermolmde boomen, stronken en wortels, begroeid met uilloopers en klimplanten, zich met lissen en knoopen slingerende om stammen en takken, overal bloemen verloonende, welke mot levendige kleuren afstaken tegen het meerendoels donkere groen. Er waren geen twee boomen, welke op elkander geleken en overal werd hel oog getroffen door een gewirrewar van takken en bladeren van allerlei kleuren, van zacht groen lol donker bruin, en zóó dicht, dat do zonneschijn slechts mot gedokton glans door de schemering stralen kon. Hier en daar meenden do reizigers menschon-woningon te zien, wat naderbij komende rousachtigo mierennesten bloken te wezen. De stille werd verstoord door het ruischen en suizen van twijgen en bladeren, hot kraken van boomen on breken van takken, hot sjirpen en krijschon van vogels, hot krassen, gonzen en piepen van insecten en nu en dan het brullen van roofdieren en do angslkreten hunner prooi. Maakle dat rumoer bij don morgenmarsch reeds een eigonaardigon indruk op Evert, legen het vallen van den avond werden die boschgeluidon werkelijk angstwekkend en kon hij begrijpen, hoe do Javaansche dragers kondon sproken van geheimzinnige booze geesten, die hier jammerend rondwaarden, klagende over hot storen hunner rust. Togen den middag kwam do trein op oen boomlooze plok; een vlakte, omringd door torenhooge boomen. Hier waren op last dos Konings twee ruime loodsen opgeslagen en voor lijdelijke verblijven ingericht. Terstond werden er nu wachtposten uitgezet, vuren aangelegd en spijzen gereed gemaakt en mol het vallen van den avond begonnen tijgers ou jakhalzen rond te zwerven en kwamen soms zóó dicht bij het vuur dat de glinstering hunner roofzieke oogon kon worden waargenomen. Nu en dan klonk bovenhel boschgeruisch uit oen geluid als de knal van een kanonschol, wat volgens do wegwijzers, hot omstorten was van een half vermolmden reuzonboom.
72
Bij hel aanlichten van den dag verlieten de broeders hun legerstede in de logo, om op het grasveld te genieten van de ochtendkoelte. Terwijl zij heen en weer wandelden, luisterend naar hot in \'t gebladerte ritselend windje, merkten zij aan elkander, hoe de nachtrust niet zóó verkwikkend geweest was als zij bij het eerste ontmoeten hadden gezegd. ., Als ik er over nadenk,quot; begon Pieter, „heb ik eigenlijk een beroerden nacht gehad. Toen ik gisterenavond dacht te gaan rusten, gevoelde ik mij niets lekker, mijn borst was beklemd, het koude zweet parelde op mijn voorhoofd en koortsachtig verlangde ik eigenlijk zonder reden naar het aanbreken van den dag.quot; Evert verwonderde zich niet bijzonder over die gewaarwording van zijn broeder, omdat hij gezien had, hoe deze, als de meeste andere officieren, den eenvoudigen avondmaaltijd rijkelijk met roode baai en Schiedammer had besproeid. „Toen ik eindelijk toch insluimerdequot; ging Pieter voort, „werd ik gekweld door onrustige droomen, en daarin verscheen telkens, gij begrijpt wel wie. Ieder oogenblik stond Duddeldusje, zooals vader haar wel eens noemde, vóór mij en zag mij met haar zacht stralend gelaat en wonderbaar doordringende oogen aan, terwijl zij mij in een spiegeltje dat zij in de hand had, een gouden beker liet zien. Tegelijkertijd hoorde ik oen stem mij als uit de verte toefluiteren: „Drink uit dien beker niet.quot; Dan loste zich het droombeeld als in een nevel op, om kort daarna weder te verschijnen.quot; „Maar Pieter,quot; riep Evert in steeds klimmende verbazing uit, „het lijkt, of ik je mijn eigen droom hoor vertellen; alleen zag ik achter den beker als in een nevel onzen Opperkoopman en nog een ander lid van het gezantschap, maar akelig bleek en met verwrongen trekken. Ik zweeg er over,quot; ging de jongste broeder haastig en eenigszins gejaagd voort, „omdat ik mij wat schaamde over den schrik, waarmede ik wakker werd.quot; Do broeders kwamen nu overeen, van deze vreemde hersenschimmen met niemand te spreken, maar toch zooveel doenlijk te waken en te waarschuwen tegen verradelijke sluwe desseinen van inlandsche grooten. Ieder ging na deze afspraak zijns weegs en Pieter regelde met den Kommandeur den optocht, waarna een paar loopers naar de schepen werden gezonden. Onder het ontbijt van rijst en gevogelte» besloten met vruchten, op stevige boombladeren voorgediend en ruim begoten met wijn, bracht Pieter het gesprek op vergiftiging, in welk bedrijf de inlanders volleerd schenen en vooral wantrouwde hij de zoogenoemde inlandsche lekkernijen, vooral naarmate zij te rijker
73
werden voorgediend. Die vrees word volstrekt niet beaamd door den Kommandeur en de meeste andere officieren, die beweerden dat waar vergiftiging was voorgevallen of een ongelukkig toeval, of persoonlijke wraakneming in het spel was. „In ieder geval,quot; zeide de Gezagvoerder, „moest ieder hier op zijn tellen passen en zou het volk zooveel mogelijk van de naturellen worden afgehouden. Nadat het maal was afgeloopen zette de stoet zich in beweging en voeteerde verder. De weg door het woud, waar de droge djatieblaren als papier kraakten onder de naakte voeten der dragers, werd allengs ijler; vreemdsoortige hoornen verhieven hun hooge kruinen, waarin groote roode en paarse bloemen prijkten, in de lucht; wilde pauwen vertoonden hun kleurenpracht, en herten en reeën staarden hier en daar onbeweeglijk met uitgerekte halzen naar het ongewone schouwspel, niet opgosclnikt door het gebrul van verscheurende dieren, dieper in het bosch terug geweken. Binnen een paar uur kwam de trein in de vlakte, een breede vallei met veelkleurige rijstvelden, bebouwde heuvelklingen en donkere bosschen, tegen de glooing van \'t gebergte, waarvan de hoogste toppen door wolken omneveld waren. Van die bergen daalden een paar snelstroomende beken af, kronkelend tusschen groene oevers, waaraan hier en daar verzamelingen waren van kleine woningen, soms schilderachtig verscholen tusschen zwaar geboomte en omgeven door met bamboes afgeschoten ruime erven. Op de akkers waren overal menschen bezig en op de slingerende wegen rolden, krassend en krakend zwaar beladen karren, getrokken door karbouwen met forsche halzen en breede schoften, wier schoffelende gang wolken slofs deed opgaan. Enkele malen trok de trein langs bouwvallen van tempels met hooge verdiepingen en vooruitstekende daken; gebouwen in hun verval nog een schaduw vertoonende van een grootsch verleden en overblijfselen van eene ten onder gegane beschaving. Eindelijk werd in de verte een stad ontwaard met torens, wallen en grachten, en binnen die versterkingen verhief zich een groot, op palen gebouwd paleis, bont geschilderdquot; en verguld. Daarbij stonden een aantal in roode en blauwe zijde gekleede inlanders, die zich met eerbiedige buigingen kenbaar maakten als de gezanten van den Koning, belast om de geschenken, bestemd voor de Edele Compagnie, uit zijde, katoen en velerlei specerijen bestaande, welke in een der galerijen waien uitgestald, te overhandigen. Dit ruime gebouw was vrij koel en zindelijk en voorzien van een aantal slaapbanken, tafels en groote
74
en kleine kisten; terwijl in de keukens de gelegenheid niet ontbrak om te kooken en te braden, wat den cetlievenden Gezagvoerder niet weinig bolde en door hem als een kiesche en verstandige regeling van don Koning werd geroemd. Tegen den avond deden de hoofden van het gezantschap, onder geleide van eenige aanzienlijke hofbeambten, eene wandeling door de niet ver verwijderde stad. Wanneer men de ontramponeerde wallen en volgegroeide grachten niet was voorbij gegaan, zon men zich eerder in een bosch van klapperboomen dan in een sterk bevolkte stad hebben gedacht. De huizen, allen van één verdieping, waren echter niet veel meer dan op lage palen gebouwde hutten, en slechts de aanzienlijkste waren bont versierd met snijwerk, kleuren en verguldsel. Het huis van een der vermo-gendste hovelingen, waar de gezanten werden binnengenoodigd, scheen bij den eersten aanblik nog al net, maar bleek, op den keper bezien, even terugstootend morsig als do anderen, en de enkele europesche meubelen, alsmede spiegels en ander glaswerk, waren als verborgen onder een dikke stoflaag. In hot achterhuis, eigenlijk de woonvertrekken, waren slavinnen aan het rijststampen, in het blatend en kakelend gezelschap van hier hun gading zoekende geiten en hoenders. De meeste muren waren van bamboes en met klei besmeerd en de daken door bladeren van waterpalm ot atap gedekt. Zonder regel of rooilijn, stonden die woningen verward door elkander en de zoogenoemde straten geleken op vuilnisbakken of open riolen. Bij de breede rivier werden de palen hooger en stonden de woningen boven hot stroomende water gebouwd. Aan het einde der stad was do diergaarde des Konings, welke vluchtig werd bezichtigd; waar olifanten, tijgers en buffels werden bewaard en waarin hier en daar op hooge palen, houten tenten stonden, waaruit de vorst en zijn hofstoet veilig de dierengevechten konden aanschouwen en soms ook getuige waren, hoe ongewapende gevangenen en weerlooze vrouwen door uitgehongerde bloeddorstige tijgers werden verslonden. Do legerplaats bood in don stillen avond een schilderachtig schouwspel aan, In een ruimen kring vlamden en knetterden groote houtvuren, waar omheen bruine gestalten zaten neergehurkt, of rustig op den grond sliepen. Tusscben die vuren flikkerden ontelbare oliepitjes in halve klappernooten, bij wier wemelend en walmend schijnsel de soldaten bezig waren hun wapenen en uitrusting schoon te maken en in orde te brengen. In den omtrek van het kampement waren wachtposten
75
uitgezet, wier regelmatig geroep waakzaamheid toonde. Pieter had, namens den Kommandeur, aan de officieren verzocht hun onder-hoorigen den scherpsten uitkijk aan te bevelen, daar hij het gevaar voor een overval niet gering achtte en de houding der inlanders zijn achterdocht wekte. De vertrekken voor do officieren bestemd, waren voldoende van muskieten en ander ontuig gezuiverd, zoodat er nog lang gekeuveld werd, en geluisterd naar de onderhoudende vertellingen van den oudsten luitenant; een echte ijzervreter, dio in den afgrijselijk bloedigen oorlog met de Zweden, in Duitschland had gediend. Koning Gustaaf Adolf bij Lutsen in \'tjaar \'32 zag sneuvelen en beweerde, dat, als hij het geluk niet had gehad om den generaal Pappenheim van het paard te schieten, de krijgskans waarschijnlijk een andere wending zou hebben genomen. Eindelijk kwam de slaap de oogleden sluiten, maar vóór dat de zon als een gloeiende bol statig boven de kim kwam rijzen, en \'t morgenkoeltje in het gebladerte ritselde, was in het kamp alles in beweging. De manschappen stonden gereed en zagen er in bun blauwe, met roodlaken en zilveren passanten omzette montering, zeer krijgshaftig uit; terwijl de blinkende musketten en de scherp gewette klingen niets te wenschen overlieten. De trommelslagers, pijpers en trompetters waren reeds bozig alles voor te bereiden om zoo straks den vermaarden geuzenmarsch helder te doen klinken. Nadat het morgenstuk genuttigd was, liet de kapitein roffelen, als een sein om zich in orde te stellen, waarop enkele zwenkingen, handgrepen en andere exercitiën werden uitgevoerd, welke bewezen, hoe de verbeteringen door Prins Mauritius in de krijgsbewegingen tot stand gebracht, ook in het verre Oosten werden toegepast. De secretaris van den Kommandeur had zich ook in krijgsgewaad gestoken on ieder was het ééns dat hij er „braniquot; uitzag. Zijn blauw met goud omzet wambuis en broek deden de kloeke gestalte goed uitkomen, even als de witte halskraag zijn mannelijk bruin gelaat met donkeren spitsbaard en knevel. De kort geknipte haren werden gedekt door een ten deele opgenomen breed geranden hoed, versierd met twee liggende oranje en witte pluimen; onder de korte loshangende broek staken, aan de klinken met goud geborduurde kousen, in dunne met zijden rozen versierde schoenen. Beneden een bandelier van oranje-zijde, was hetzelfde zwaard gegord, dat in menigen strijd ook op op \'t Slaak, dienst had gedaan, aan welk gevecht ook de gouden penning herinnerde, aan een zijden koord op den wapenrok
7Cgt;
glinsterende. Na ecnigen lijd kwam ook deKommandeur te voorschijn, ter wiens eer de trompetters het Wilhelmus bliezen. De kleine, zwaarlijvige, reeds bejaarde man, die moeilijk ter been was, scheen zich in het statie, gewaad van rijk met verguld bestikt fluweel en kostbaar zwaar satijn, weinig op zijn gemak te gevoelen; terwijl een gouden degen zijn gang nog onvaster maakte, en de grooto penning met het wapen der Compagnie, aan een zware halsketen, hem kenlijk bemoeilijkte. Terwijl de Edele Heer Kommandeur langs de gelederen wandelde, omstuwd door eenige sierlijk uitgedoschte Commiezen, ondercommiezen en een drietal adelborsten, de laatste jongelieden uit deftigen stand, dikwijls veeleischend en brooddronken, waarom de grommige oude luitenant die heertjes voor „blomzoete doodetersquot; uitmaakte, voerde de secretaris een fluisterend en vertrouwelijk gesprek met de officieren, om te zorgen dat de troep ieder oogenblik slagvaardig bleet\' en niet minder te waken, dat het volk slechts spijzen, en dranken nuttigde, uit de schepen meegebracht, of door inlanders voorgeproefd, want men had, zooals hij zeide, hier te doen met een bende bloode schelmen, waaronder gewis ellendige verraders schuilden. Nauwelijks was alles afgesproken, of een ooiverscheurend geraas van trommels, bekkens en andere schelklinkende instrumenten liet zich hooren, en uit de dichte stofwolken van den muilen weg, kwamen een aantal zwaaiende en schreeuwende ruiters te voorschijn, gekleed in geele en blauwe zijde en met lange lansen gewapend. Vooruit reed een vaandrager met opgeheven saffraankleurige banier en in \'t gevolg dezer krijgslieden, kwamen eenige rijk versierde draagkorven, door stoere kerels getorscht. De in linie geschaarde onbeweeglijke krijgsmacht der Compagnie, maakte blijkbaar op de woelige inlanders diepen indruk, welke niet verminderde toen de stoet zich gezwind en ordelijk in beweging stelde. Vooraan reden de ruiters van den vorst; daarop volgden vijftig Hollandscbe muskettiers met den kapitein die tier voortstapte in de hand een rotting dragende met gouden knop. Achter deze soldaten kwamen de adelborsten, waarvan de voorste, aan een gekroonden vergulden staf, een groote zijden Prinsenvlag droeg. Dan volgden drie boden in roode livrei met zilveren bussen op de borst, waarop het wapen der Compagnie prijkte. Na deze beambten gingen de Commiezen en Onder-Commiezen en achter deze werd de brief gedragen van den Hoog Edelen Heer Opperlandvoogd; welk schrijven gesloten was in een gouden doos.
77
door Evert, als eerste adelborst op oen zilveren schaal gedragen en voor den zonneschijn door een schermdrager beschut. Hierop volgden naar rang de overige hooge leden van het gezantschap in de vernielde draagzetels, waarachter zich weder vijftig muskettiers aansloten. Deze krijgslieden gingen vooraf, twee door buffels getrokken kan-en, met de voor den Koning bestemde geschenken, bestaande uit rollen groen, blauw en rood laken, fluweel, kristalijnen spiegels en ander glaswerk, klokken, verrekijkers en enkele rijk versierde houwers. De trein werd gesloten door een paar honderd, in afdeelingen geschikte matrozen met roeren en enterbijlen gewapend. Na een groot kwartier was men aan de stad, langs rijen van nieuwsgierige inlanders of naturellen, die zwijgend en eerbiedig neergehurkt zaten. Spoedig was nu liet paleis bereikt; eigenlijk geen afzonderlijk gebouw, maar, gelijk Pieter het noemde, een rompslomp van wonderlijk vreemde huizen, door gangen verbonden, welke meerendeels uitkwamen op een ruim, doo,. hoornen beschaduwd plein, met een steenen vijver als middelpunt. Aan de vier hoeken van dit plein verhieven zich wachttorens, verbonden aan een broeden verwaarloosden wal, waarop een paar even versleten kanonnen stonden. Door een dubbele rij van met spietsen gewapend krijgsvolk, werden de hoofden der bezending, als do Kommandeur, de Oppercommies en do Secretaris, naar binnengeleid; terwijl de soldaten op het plein in slagorde bleven staan. Do Hofzaal of Koningskamer was een groot vertrek, met drie breede door tapijtwerk behangen toegangen. Vóór de vensters stonden papieren schuifwanden, gevat in smalle zwarte lijsten, waarop in witten grond waren afgebeeld sterk gekleurde figuren, als ruwe boomstronken, zwierende takken, fantastische bloemen, vliegende draken en bontgekleurde vogels. Tusschen de vensters waren kleine vergulde tafels geplaatst, waarop verlakte kommen van onderscheiden grootte en waterkannen, rijk met goud beslagen. Onder een, met goeie zijde omhangen zetel, zat op een kostelijke, fijn gevlochten mat, tusschen fluweelen leunkussens, de Koning van Obi. De reeds bejaarde man was kort en dik, leelijk van wezen, met een paar koolzwarte loerende oogen, een geelbruin gelaat en een stuwen trek om de dikke lippen. Een kostbare, blinkende zijden sarong bedekte zijn leden en de reeds grijzende haren waren verborgen onder een groen zijden kapje, omgeven door een breeden gouden band, versierd met edele steenen. De gouden gordel schitterde mede van diamanten, even als het gevest van den, in een gouden schede verborgen lijfkris.
quot;
78
Om den troon stonden de rijksgrooten geschaard, meerendeels kostelijk uitgedoscht, wat hun afstuitend voorkomen, gelijk Pieter zijn broeder influisterde, met veel lippen, overvloed van haar en weinig neus, geenszins kon verbetoren. Twee mannen onder deze naturellen waren, in weerwil hunner Indische kleeding en manieren, aan gestalte, gelaat en houding terstond als Portugeezen te herkennen, en het trok Pieters aandacht, hoe deze steeds met den Koning zachtkens fieselden. De Gezant had den Vorst reeds den vorigen dag doen weten, hoe zijn Hoog-Edelheid te Batavia, hem onthouding gelast had van de vernederende plichtplegingen, welke de Portugeezen zich aan Oostersche Hoven lieten welgevallen, maar dat hij en de zijnen zich, naar Hollandschen trant, bij een beleefde buiging zouden bepalen. Na deze ceremonie werd de Koning, namens de Compagnie, begroet en met nieuwe buigingen, de brief overgegeven van den Opperlandvoogd, waarin werd voorgesteld om een verbond van vriendschap te sluiten en daarbij aan de Hollanders dezelfde voorrechten toe te kennen, welke de Portugeezen tot dusverre uitsluitend genoten, en alzoo te vergunnen een factory of nederzetting aan de kust te vestigen. Mot de statige deftigheid der Oosterlingen, dood de Vorst door den tolk antwoorden, dat liij zich zeer vereerd gevoelde door do komst der gezanten en de vriendschap dor Edele en Machtige Maatschappij hoogschatte; zooals hij ook do medegebrachte geschenken, welke hij zoo straks zou gaan beschouwen, bijzonder waardeerde. Niet later dan morgen, hoopte hij het gezelschap weder te ontvangen, om dan don uitslag zijnor overwogingen te vernemen. Hij had echter wol gewonscht, dut de Edele Hoeren gunstiger oogenblik voor hun komst hadden gekozen, daar een hevige ziekte deze landstreek teisterde, waardoor vole menschon in korten tijd werden weggerukt, waarom hij de Edele bezoekers vooral aanraadde met zorg voor hun gezondheid te waken. De Gezant, tot nog toe niets van deze ziekte vernomen hebbende, dankte den Koning voor zijn goeden raad. Na nog enkele vragen; zoouls naar den wolstand van den Koning van Holland, gelijk de Stadhouder betiteld word, en naar dien van don Grooten Hoer te Batavia, liep het gehoor met eenige complimenten af. In statigon optocht trok nu do gohoole vergadering naar oen andere zaal, waaide geschenken stonden uitgestald; doch het trok de aandacht van Pieter, dat do beide Portugeezen, die don Koning tijdens hot gehoor tor zijde stonden, nu verdwenen waren on zich dus blijkbaar van de
79
Hollanders terugtrokken. Een volgende kamer was voor eetzaal ingericht. Dit was een ruim, koel vertrek, kunstig versierd met verguldsel en schel gekleurde zonderlinge figuren. Er waren eenige lage tafels tusschen zitbanken geplaatst, op welke tafels in zilveren schalen of rijk verlakte kommen van onderscheiden grootte, een vóórmaaltijd stond opgedischt van wel vijftig gerechten, zooala vleesch, gevogelte, visch, gebakken pisang en rijst in allerlei vormen en kleuren. De meeste dier spijzen waren voor Evert, wiens gehemelte nog niet gewend was aan Indische kost, ongenietbaar; doch des te meer deed hij zich te goed aan de heerlijke vruchten bij het nagerecht, als saprijke mango\'s, tamarinden, doezans, smakelijke mangustans enz. Tusschen den maaltijd werd uit fijne porceleinen kopjes thee aangeboden, waarvoor aan Portugeesche kooplieden minstens dertig zilveren ropijen voor het pond was betaald. Op raad van den Secretaris, gebruikten de meeste Europeanen slechts van de gerechten, waarvan zij de inlanders hadden zien voorproeven. Onder den maaltijd werd, met oorverdoovend geraas, op ronde platte trommels en metalen gongs geslagen met een akelig gehuil, dat voor gezang moest doorgaan. Rij het nagerecht kwamen zich een tiental meisjes ten dans schikken. Zij waren slechts luchtig gekleed in veelkleurige sarongs, welke alleen korte slepende passen vergunden. Het lange, golvende, gitzwarte haar was sterk geolied, hier en daar met bloemen versierd en van boven niet een gouden kam in een knobbel vastgestoken. De donkere, schitterende oogen volgden de bewegingen van den dans, welke meest bestond in het zwierig draaien der heupen en voeten, het wringen van hoofd, schouders en armen en het bevallig zwaaien met bloemruikers. Nu en dan kwamen ook eenige bronskleurige, schilden en zwaarden dragende mannen, de dan rustende meisjes vervangen, door krijgsdansen uit te voeren. De Kommandeur scheen zich bij deze vertooningen en vooral tijdens den maaltijd kostelijk te vermaken en nog méér toen hij later kwam onder het bedwelmend genot eener moorsche pijp. Do tijd begon te naderen om naar het kampement terug te keeren, toon een gouden beker werd binnengebracht, door de broeders terstond herkend als de drinkschaal, waarvan zij hadden gedroomd. Nauwelijks was er tijd om de nevens hen gezeten gasten te waarschuwen voor den gevaarlijken kelk en Evert, aan het lager eind der tafel, dicht bij de tapijtdeur gezeten, kon opmerken, boe de beide vermomde Portugeezen door een reet loerden en een glimlach op hun gelaat verscheen, toen
80
zij opmerkten, hoe de reeds half beschonken Kornmandeur de zoete Spaansche muskadel met volle teugen naar binnen sloeg. De meeste Hollanders hadden den waarschuwenden wenk tijdig begrepen en namen slechts den schijn van drinken aan; terwijl de beker aan de inlanders zelfs niet werd aangeboden. Met veel betuigingen van eeuwigdurende vriendschap nam hot gezelschap afscheid, waarna de Gezant en nog een paar anderen knikbeenend en suizebollend naar de draagkoetsen werden geleid. Onder luid gejuich en klinkende muziek, trok de trein, door den rossen gloed van fakkels verlicht, naar het kamp, en het meerendeel der Hollanders was niet uitgesproken over de vriendelijke bejegening, hot gul onthaal en den smakelijken wijn. Het ontging de aandacht van Pieter niet, hoe sommige dor uitleidende hof-grooten alweder begonnen te spreken over de heerschende ziekte, welke in de laatste dagen veel plotselinge sterfgevallen had te weeg gebracht. Zijn argwaan werd hierdoor nog méér gewekt, en hij kon niet nalaten om den gelukkig vrij nuchteren kapitein tot meerdere waakzaamheid aan te sporen. Bij het ter ruste gaan sprak hij fluisterend tot zjjn broeder: „Naar het mij voorkomt, heeft goed Duddeldusje ons weer een koslelijken dienst bewezen en als de brave, maar onbedachtzame Kommandeur nu iets menschelijks overkomen mocht, kunnen we binnen vier en twintig uren misschien nog wonderlijke dingen beleven. „Aan wien deed je die als inlander verkleode maraan denken; ik meende vent die achter den Koning zat en hem telkens wat inbliesquot;, vroeg Evf.rt aan zijn broeder. „Ja, hernam Pieïeh, het leek mij ook of ik die loensche schurkenfacie meer onder de oogen had, maar ik kan niet zeggen waar en wanneer? „Ik zou honderd tegen één durven wedden, sprak Evert, dat het dezelfde ruziezoeker is, mot wien ge in do Rotterdamsche trekschuit woorden hebt gehad.quot; „Je hebt gelijk, jongen, riep Evert triomfantelijk, maar als die geelo koes-koes-boef nu de minste rede tot klagen geeft, zullen wij sinjeur duchtig bij de kladden pakken.quot; Nadat de Secretaris, hoewel zelf niet afkeerig van een stevigen dronk, nog wat gegromd had over zwakkelingen, die zich in dienst niet wisten te matigen, stelde hij voor om te gaan slapen, daar frissche krachten misschien spoedig noodig zouden zijn. Tegen het morgenkrieken werden de officieren dan ook opgeschrikt door het bericht, dat de heer Kommandeur en twee der Commiezen plotseling hevig ongesteld waren geworden, naar de inlanders beweerden, aan dezelfde ziekte welke in de stad grasseerde. De wondheeler of lap-
81
zuiver, gelijk de geneesheer aan boord der schepen toen nog doorgaans genoemd werd, en die den rang bekleedde van onderofficier der muskettiers, was ontboden en had verklaard, dat het sterfuur van den nog niet uit zijn roes bekomen Gezant snel naderde; evenals van een der Commiezen, doch dat de andere den dood misschien nog ontglippen zou. Werkelijk was de zon pas boven de hooge bergen zichtbaar, of beide mannen hadden opgehouden te leven. Er ging als liet ware een rilling door het geheele kampement, toen bet gerucht werkelijkheid bleek en dadelijk aan vergiftiging werd gedacht. De ontsteltenis zou echter nog veel grooter zijn geweest, Indien Pieter Nagtulas iiiel terstond een besluit had kunnen toonen van den Opperlandvoogd, inhoudende dat zoo de Kommandeur, wat God verhoede, in het gezag verhinderd moge worden, het bevel zondei eenige beperking op den Secretaris zou overgaan. De nieuwe Kommandeur liet dadelijk „verzamelenquot; trommelen, en maakte in korte maar krachtige woorden aan het krijgs- en zeevolk bekend, hoe onverhoeds de brave gezagvoerder was weggerukt en dat Zijn Hoog Edelheid te Batavia hem als plaatsvervanger had aangewezen. Hij hoopte de oer en hot gezag der Edele Compagnie, met Gods onmisbare hulp, hoog te houden en rekende daarbij op de trouw en kloeke medewerking van beambten, soldaten, zeelieden eu bedienden. De forsche stem van don Secretaris beefde bij die toespraak, naar sommigen meenden van aandoening over het sterfgeval, maar wie Pieter goed kenden, bemerkten wel aan don fonkelenden blik en de kracht waarmee hij de hand sloeg aan het gevest van zijn degen, hoe hij trilde van met moeite ingehouden toorn. De soldaten en het overige dienstvolk juichten van harte, want zij gevoelden, als bij ingeving, dat de teugels van hot bewind in handen waren gekomen van een krachtig, voortvarend man. Het leek schier, of de vogels de doodsmare hadden verbreid, zóó spoedig was het bekend en geen uur later, kwamen reeds eenige hofbeambten in de legerplaats oin de deelneming des Konings te betuigen. Hoewel Pieter, gelijk hij aan zijn broeder zeide, volkomen begreep hoe men hem leelijke leugens in den kop wilde duwen en do zoogenoemde droefheid slechts „apenkooiquot; was, ontving hij die betuigingen mot koele hoffelijkheid. Toen do afgevaardigden bij het afscheid te kennen gaven, hoe, naar het oordeel des Konings, de onderhandelingen nu van zolt afgeloopen waren, kregen zij tot bescheid dat do Ópper-landvoogd te Batavia het geval had voorzien, zoodat er door het
De Gouden Draad. 0
82
overlijden van den Kommandeur niets veranderd was in het doel der zending, waarom de tegenwoordige Gezant op den vastgestelden tijd bij den Koning zou verschijnen. Op het bepaalde uur trok dan ook de stoet, op dezelfde wijs als den vorigen dag, naar het paleis. De Vorst scheen blijkbaar verlegen met de zaak en luisterend naar de inblazingen zijner Portugeesche raadgevers, trachtte hij de onderhandelingen zooveel mogelijk te rekken om, gelijk Pieter zeide, de kat uit den boom te kunnen kijken. De geslepen vos gevoelde echter spoedig, dat hij met een heel wat doortastender man te doen had en bij de samenkomst scheen de zich kalm voordoende Oosterling een oogenblik zijn zelfbeheersching te zullen verliezen, en wel toen de nieuwe Gezagvoerder, namens de Compagnie, niet alleen eischte het dadelijk tot stand komen van het voorgestelde verdrag, maar bovendien het uitleveren der beide vreemdelingen; wier veiligheid van lijf en goed echter door de Nederlanders werd gewaarborgd. De koolzwarte oogen van den Koning flikkerden van drift en de kleine, fijne, bruine hand greep krampachtig naar het gouden gevest zijner kris, maar de gezant liet zich door deze dreigende houding niet afschrikken en het scheen als of zijn rustige blik; den van toorn ziedenden inlander betooverde; terwijl de tolk eentoonig nasprak, dat het verlangen dei-uitlevering niet onredelijk was, daar Holland en dus ook de Edele Compagnie met Spanje en Portugal in oorlog waren. Er volgde een oogenblik van spanning en angstige kalmte, waarin niemand voorspellen kon wat gebeuren zou, daar de Vorst kennelijk op een tweesprong stond en iedere kleinigheid eene vreeselijke uitbarsting kon teweeg brengen.
De schier hoorbare stilte werd eensklaps afgebroken door den doffen dreun van een verwijderd kanonschot, waarop andere regelmatig volgden, schijnbaar als een groet aan den Koning, maar werkelijk als het afgesproken teeken, dat de oorlogsschepen voor de stad geankerd lagen. De Gezant, inwendig den hemel dankende voor deze tijdige uitredding, nam nu nogmaals het woord om den Vorst tot toegeven te bewegen „De Edele Compagnie, zeide hij, wenschte vrede en vriendschap, maar vreesde den krijg niet en was machtig genoeg om als de bloedvlag eenmaal was geheschen, in korten tijd deze geheele stad van den aardbodem als weg te blazen.quot; De Koning beproefde nog uitstel te verkrijgen, doch zijn tegenstand begon, waarschijnlijk onder den invloed van het steeds bulderend geschut, te verzwakken; waarbij nog kwam, dat op het plein het kletteren der geladen wordende musketten werd gehoord.
83
De Vorst zag naar de Portugeezen uit, doch deze, merkende hoe hun bot vergald was en zij in eigen net gevangen waren, hadden zich reeds uit de zaal verwijderd. Na een fluisterend beraad met eenige hovelingen, liet de Koning door den tolk weten, dat hij geen oorlog begeerde met de Compagnie en daarom hot verlangde inwilligde en het traktaat, reeds in behoorlijken vorm opgemaakt, terstond bezegelen zou, wat na eenige oogenblikken met de gewone ceremoniën van diepe buigingen en flauwe handdrukken geschiedde. De beide Portugeezen, met hun lot bekend geworden, kwamen nu weer te voorschijn; doch hadden hun vermomming afgelegd en maakten zich bekend als Don Manuel Diaz en Don Francisco de Maris. Onder geleide van een adelborst en eenige soldaten, werden zij met beleefde behandeling naar het Admiraalschip overgebracht. Evert, aan wion deze taak werd opgedragen, kon zich niet inhouden oin in slecht Portugeesch aan Don Manuel Diaz mede te deelen, dat hij meende hem vroeger ontmoet te hebben, doch dat zijn, nu als Gezant opgetreden broeder, de kennismaking in een Hollandsche trekschuit aangevangen, waarschijnlijk niet zou hegeeren voort te zetten. Het antwoord \'t welk volgde, ging vergezeld van grimmige blikken, en werd, misschien gelukkig, door Evert nauwlijks verstaan. Hij merkte echter dat de Nederlanders voor Viljacos, Boratos en Lutheranos werden uitgescholden, waarop de jongman kalm antwoordde, dat die woeste scheldwoorden hem koel lieten, doch dat do hoeren dankbaar moesten wezen dat zij goon kennis maakten met den hangman of knoopop, wat zij als opstokers voor hun listige lagen dubbel haddon verdiend.
Nog dien zelfden avond werden de lijken van den Kommandour en den Commies plechtig en onder ratelende salvo\'s van geweervuur te1-aarde besteld, en den volgenden morgen in do vroegte, werd als in het voorbijgaan naar de schepen, een kort afscheidsbezoek aan den Koning gebracht, wat Pieter opzettelijk zoo had geschikt, om den sluwen oosterling zoo weinig mogelijk te huldigen. Zoodra het gezantschap ingescheept was, gingen de schepen met daverend kanonvuur onder zeil. De beide Portugeezen werden aan boord beleefd, doch zonder onderscheiding behandeld en aan de eerste factory hunner natie aan wal gezet. Door tegenwind duurde het enkele dagen eer de viool op de roede van Batavia de ankers liet vallen, waar de half gestreken vlaggen het sterfgeval kenbaar maakten. De Opperlandvoogd vernam mot leedwezen den dood van zijn vriend Van Loo, dien hij sedert
84
lang kende als een welwillend, goedaardig, eerlijk, doch besluiteloos man, die zich, gelijk, helaas, menigeen in Indië, veel door zinnelijke lusten deed beheerschen. Als hoofdambtenaar liet hij daarom te wenschen over; doch men had hem wegens zijn rang niet kunnen voorbijgaan. Gouverneur Van Diemen prees de kordaatheid, waarmede geheel in zijn geest, Pieter was opgetreden en de onderneming had uitgevoerd, doch stelde zich geen duurzamen vrede voor met deze schandelijke sluipmoordenaars, die bovendien door de Portugeezen werden opgezet. Het welslagen werd beloond door een gift in goudstukken, ieder naarmate zijn rang. Evert kon zich na dezen toclit nog bezwaarlijker dan vroeger, in het kantoorleven schikken, en ook de levenswijs en onderlinge omgang der Jongelieden van zijn jaren, trok hem weinig aan. Er waren veel verloopen sujetten bij, mei karakters, uit de riolen van allerlei ondeugden opgehaald; jonge mannen, slechts levende voor lekkere soopjes en schoone vrouwen en die hun soms aanzienlijke inkomsten versloerden met hoog dobbelen, waarbij de dukaten of geeltjes, als duiten over de tafels rolden. Evert fleurde echter altijd op, wanneer hij gelegenheid kreeg om een zeetocht te doen en zijn onverschrokkenheid op den zouten plas toonen kon. Daar, zoo gevoelde hij, lag zijn bestemming. Het verlangen naar een drukker, levendiger betrekking, werd gaande weg zóó sterk, dat de gezondheid er onder begon te lijden, waarom de gouverneur en zijne echtgenoote, die beiden den stillen onberispelijken jongen zeer genegen waren, hem aanraadden om naar het vaderland terug te keeren en daar den zeedienst tot beroep te kiezen. Hoewel Evert er tegen opzag, werd hem de noodzakelijkheid duidelijk, vooral na een afzonderlijk gehoor bij den Opperlandvoogd, die zoo goed was te zeggen, hoe het hem veel leed deed, om een zoo degelijk en deugdelijk jongman te zien vertrekken, doch dat hij de reis toch moest aanraden. Gaarne zou hij Evert in Indië voortgeholpen hebben, maar waar de gezondheid haperde, zou het doel toch niet bereikt zijn, en hij hoopte dat een aanbeveling aan de Admiraliteitsheeren hem in Patria van dienst zou kunnen wezen. Toen de Gouverneur bij het afscheid aan Evert vriendelijk de hand reikte en den zegen Gods toewenschte, voegde Zijn Edelheid er aan toe „vergeet vooral niet om mevrouw Van Diemen te gaan begroeten, want ge deelt zeer in haar gunst.quot; De adelborst wilde terstond dien plicht gaan vervullen, doch vernam aan het kasteel, dat Haar Edelheid in een dezer dagen
85
uit Parijs gekomen draagkoets, bezoeken was gaan afleggen. Op straat ontmoette hij de dame in den veelbesproken zetel; een voertuig rijk verguld, op een witten grond met bloemen en vruchten beschilderd, eu door vier stoere slaven gedragen. Hoewel deze draagkoets of chais door de meesten als een nieuw-modisch snuifje werd geroemd, dacht Evert toch, dat hij de ruime karos van den Gouverneur als reismiddel de voorkeur geven zou. Een paar dagen later, kon hij nog een oogenblik vinden om den wenk van den Gouverneur te volgen. Aan het kasteel gekomen, vernam hij echter van den sierlijk uitgedoschten hellebaardier, hoe mevrouw haar maandagsche bezoek van dames had, waarom de adelborst vermoedelijk niet zou worden afgewacht. Toen hij zich echter door den deftigen bode liet aandienen, kwam de boodschap terug, dal meneer binnen welkom zou wezen. Evert werd nu in een prachtige ontvangkamer gelaten, schitterend van zijde, fluweel, zilver en goud. Op de vele stoelen en rustbanken lagen zachte kussens van groen fulp, kunstig met figuren beslikt; de gordijnen waren van donker gaas van gelijke kleur, waarop in schitterende verven, bloemen en vogels geborduurd stonden. Het kleed op de groote langwerpige tafel was van rood laken, waartegen een paar sierlijk gedreven zilveren brieven-schalen scherp uitkwamen. Aan de wanden stonden drie buffetten, wonderschoone gewrochten van schrijnwerkerskunst en bezet met allerlei kostbaar tafelgeraad van goud, zilver, lakwerk en kristal. Een tiental, in zware zijde en satijn getooide dames, behangen met schatten aan parelen en diamanten, zaten hier, nevens en om de even rijk gekleede gastvrouw in druk gesprek, \'t welk aan Evert méér den indruk gaf van burgerlijk gemaakt, dan fijn beschaafd te wezen.
Op zware zilveren bladen werden zoogenoemde saffraanthee, confituren, vruchten en wijnen rondgediend. De pas uit China aangevoerde thee, van wier heilzame kracht men wonderen verhaalde, werd om het zeerst door het gezelschap geprezen^ hoewel toen enkele dwarsdrijvers voorspelden, dat deze lauw-water-zucht, als zooveel andere dergelijke malle modes, spoedig zou voorbijgaan. Evert was zoo voorzichtig om zijn oordeel niet uit te spreken, vóór dat de nieuwe wonderdrank hem in een keurig kopje van fijn Ghineesch porcelein ingeschonken werd, en deze hem beter smaakte dan de biltere koffie, waarmede hij vroeger had kennis gemaakt. Na een kort bezoek stond de adelborst op, en hel was niet slechts hoflijkheid, maar een woord
uit hel hart, toen hij aan mevrouw Van Diemen verzekerde, dat hij hare goedgunstige vriendelijkheid nimmer zou vergeten. Zij was ook nu y.oo beleefd om op te staan en den jongman tot aan de deur te geleiden en daar, met een zegenwensch, vriendelijk de hand te drukken; eene voorkomendheid, welke niemand der aanwezige dames ooit ondervonden had.
Enkele dagen later werd Evert door zijn broeder en eenige kennissen aan boord van De Zuiderburgh gebracht, een groote Oost-Jndievaarder, welke met de wintervloot naar het vaderland vertrok. Het was een schoone avond. Helder scheen de maan en haar zilverlicht wierp onafzienbare glinsterende strepen op de woelende, ruischende watervlakte. Talloo/e sterren, onderscheiden van kleur, flikkerden aan het donkere uitspansel. Op de zee fonkelden honderde lichtjes van visch-schuiten en booten, en daartusschen glinsterden de lantaarns der groote schepen, als de oogen van donkere reuzen. Op De Zuiderburgh bleef het gezelschap nog een uurtje samen. Toen werd er een glas wijn op de valreep gedronken, waarna Everï zijn dierbaren broeder den laatsten handdruk gaf. Onder eentoonig, weemoed wekkend gezang, werd het anker gewonden. De avondwind bolde de zeilen en de knal van een paar gotelingen, knetterend over de wijde watervlakte, bracht een laatsten groet aan het schoone Insulinde.
Met een beklemd hart en tranen in de oogen, zag de jonge man het land als een heldere, door de maan verlichte streep aan de kim wegzinken en het laatst wat hem er aan herinnerde, waren de vlammen der vuurtorens of brandarissen op twee der kleine eilanden. Toen werd alles duister in de verte, en ontwaarde hij slechts de donkere schaduw van het schip op de rijzende en dalende golven. Even duister was de schaduw, vallende in het hart van den jongman, want hij begreep wel, dat de hartelijke handdruk van zijn broeder, dien hij nog lang voelde, do laatste was en dat hij dien goeden broeder hier op aarde niet meer zou weerzien.
Met bekommering liet hij Pieter achter, daar hij wist, hoe bij diens vele uitnemende eigenschappen toch soms hartstocht den baas speelde en het onstuimig bruisende bloed, deze krachtige persoonlijkheid soms voerde op verkeerde wegen en tot handelingen bracht, welke een heldere toekomst wel eens konden verduisteren.
Het bleef evenwel voor Evert een heerlijke gedachte, dat de Zuiderburgh koers zette naai- het vaderland, en dat de schipper ver-
87
zekerde, hoe zij, met Gods hulp, binnen negen maanden in de Noordzee Holland\'s duinen zouden zien blinken.
Wat Geertruida ondervond, (1640.)
„Dat moeie Janneken je noodigt om een paar dagen te komen winterneven, of beter gezegd, te komen winternichten, vind ik heel vriendelijk en ge moogt dat, verzoek zeker niet afslaan,quot; zeide vader Nagtglas, de huiskamer binnenkomende met een brief in de hand, kort te voren door den Haarlemmerbode bezorgd, en dien zijn dochter hem op het kantoor ter lezing had gebracht. „Vaderlief,quot; antwoordde Geertruida, die als gewoonlijk om dit uur van den dag met haar naaiwerk op den schoot, voor het venster ijverig zat te pikken, „ik geloof niet dat ik gaan mag en mijn goed, best vadertje in\'t hart van den winter alleen latenquot; en zij keek hem met haar heldere oogen vriendelijk aan. „Kom, malle meid,quot; hernam de oude heer, een kus drukkende op haar blank voorhoofd. „Ben ik nu sinds kort zulk een versleten paai geworden, dat ik niet enkele dagen met onze zorgzame Maryken zou kunnen huishouden? Bovendien heeft neef Gerriï te Naarden gevraagd om eens een paar dagen bij hem te komen, en dat zou ik dan juist in uwe afwezigheid kunnen waarnemen. Mijn suikerzoete Geerte mag haren. God dank, nog krassen vader niet al te zeer bederven. Maar ik lees in moeie\'s brief, dat Baartje Blauwhulck ook is gevraagd, en voor ons lief nichtje van de Keizersgracht zou liet zeker een erge teleurstelling wezen, als er een kink in den kabel kwam.quot; Er volgde nu een edelmoedigheidskamp tusschen vader en dochter, waarvan het einde was, dat Geerte toegaf en de oude heer beloofde om de meisjes den volgenden dag met den overdekten koetswagen naar Haarlem te doen brengen. Na zijne lieve dochter nog eens langs de wangen te hebben gestreeld, verliet de brouwer het vertrek, om zijn wambuis van Oud-Testamentisch laken, gelijk Pieter het schier onverslijtbaar kleed placht te noemen, te gaan verwisselen voor een huistabberd, zijn zwaren vilten hoed voor een dun zwart zijden kapje en de laarzen voor een paar zachte slippers of pantoffels. Zóó terugkomende, nam hij plaats in den gemakkelijken leunstoel bij de schoorsteenplaat, waarop een turfvuur vonkte en een
88
paar beukenblokjes knetterden. Uit de boekenkast, waarin niet alleen deftige folianten en kwartijnen over geschiedenis of godgeleerdheid stonden, maar ook Nachtegaaltjes, Trompetjes, Mengelmoesjes, Tuin en Duinzangen en dergelijke liederboekjes, nam vader een in perkament gebonden werkje; en spoedig was lüj verdiept in de Minnebeelden van den Zeeuwschen dichter Jacob Cats, tegenwoordig pensionaris te Dordrecht, een boekje waardig, gelijk hij aan zijne dochter zeide, om door schoone geesten, zoowel als door eenvoudigen, hoog te worden geëstimeerd. Geerte zag met genot, hoe er reeds bij het lezen van de opdracht aan de Zeeuwsche Jonkvrouwen, telkens een behagelijke glimlach zweefde over het vriendelijk gelaat van haar vader en hoe de goede man waarschijnlijk dacht, dat hij wel eens mot zijn ouden vriend Joost uit „do Trouwquot;, over deze berijmde zedeleer van gedachten zou wenschen te wisselen. Dat zou echter waarschijnlijk geen plaats meer hebben, want de vroegere kunstmakkers waren in den laatsten tijd vervreemd en vooral, sedert Vondel in vlijmend scherpe verzen andersdenkenden hekelde. Onder een schijnbaar kalm gemoed, stroomde echter bij vader Nagtglas het vrijheidlievende geuzenbloed, en hij kon de singuliere vriendschap, met den eerwaarden pater van het Bagijnhot Leenaert van der Meer, Marius en pastoor Petrus Laurenszoon, bij zijn vriend Joost niet goedkeuren. Hij vreesde dat de geestige, licht bewogen dichter zich dooi\' die slimme priesters tot de oude Kerk zou laten terugbrengen, wat hem te méér griefde, daar hij eenigszins geloof, sloeg aan loopende geruchten, dat wereldsche belangen aan deze vertrouwelijkheid niet geheel vreemd waren. Als vader in Cats iets vond dat hem bijzonder trof, las hij het aan zijne dochter voor, en het gebeurde daarbij méér dan eens, dat die schijnbaar gelijk-vloersche, maar naïve opmerkingen, in de ziel van het meisje fijne snaren deden trillen.
Twee dagen later stond, na het ontbijt, de koetswagen voor de deur, waarmede een paar lustig trippelende, welgedane, zwarte brouwerspaarden, dadelijk als „eigen goedquot; te herkennen, beide meisjes naar Haarlem zouden brengen. Na, een kwakkelwinter was het even vóór Kerstmis, met een storm uit het noordoosten, eerst gaan sneeuwen en vervolgens gaan vriezen en wel zóó sterk, dat in een paar dagen de vaart was gestremd, en grachten en rivieren dicht lagen. Nu kwam spoedig de ijsvreugd opdagen, en hoewel de snijdende noordoosten wind oms neus en ooren in gevaar bracht, was Holland in beweging
89
en joelde en juichte oud en jong, rijk en arm op het ijs. Op den weg naar Haarlem was het druk met arren, handsleden, rijtuigen en wandelaars; de watergangen krielden van schaatsenrijders, niet alleen burgers en boeren, maar ook hoofsche jonkers en deftige jonkvrouwen. Het was aangenaam om uit het rijtuig dat vroolijke gewoel te aanschouwen en de flinke glanzende paarden draafden zóó vlug voor den lichten driehanks-speelwagen, waarvan de huif opgeslagen was, als of zij het voorrecht waardeerden, zulk een paar zoete, aanminnige jonge meisjes te mogen voorttrokken; en die juffers zelf, gedoken in warme pelsmantels, konden zich maar moeilijk begrijpen, hoe iemand over kou kon klagen bij zulk een klaren zonneschijn als op dezen dag. Toch was die klacht het eerste woord, wat zij van tante Janne vernamen, toen de meer dan zeventig jarige matrone haar in den ruimen voorvloei- van hare deftige woning in de Houtstraat, te gemoet kwam. Reeds sedert jaren had deze vermogende weduwe van den Amsterdamschen raadsheer IJsbrand Elbertszoon Ben, eene dochter van Jacob Sijmens de Rijk, de lieflijke bloemenstad tusschen duin en bosch, als woonplaats verkozen, boven het woelige steeds drukker wordende Amsterdam. „Janne meuquot;, gelijk de speelsche nichtjes de goede oude tante wel noemden, was gul en goedhartig van aard en kende geen grooter genot dan om aan jongelieden genoegen te verschaffen, waarom haar woning wel eens „de zoete invalquot; werd genoemd. Dienzelfden avond had zij dan ook reeds gasten genoodigd. Toen tegen vijf uur, de kaarsen ontstoken waren op de kronen en armblakers, had de ruime zaal, versierd met schoone schilderijen in breede zwarte lijsten en rijke meubelen, een deftig en feestelijk aanzien. Tante was in een stemmig gewaad van zware zwarte zijde, met een hagelwit weduwkapje op de eerwaardige grijze lokken. Hoewel ouder, geleek zij nog sprekend op het groot afbeeldsel, door haar kunstvaardigen stadgenoot Fhans Hals, breed gepenseeld; in warm koloriet op een doek aan den wand te aanschouwen gegeven en dat nog na eeuwen bewondering zou wekken. Do Amsterdamsche nichtjes vertoonden zich naar don laatsten zwier. De overkleeren met wijde mouwen waren van gebloemde zijde en de nette borststukken en halsdoeken omzet met echte kant. Het ondergewaad van wit satijn, was hier en daar met rozen en strikken opgesierd; de rok of bouwen werd door een wrong opgehouden om de fraaie keurs te doen uitschijnen; doch Geehte, afkeerig van opschik, liet de bouwen doorgaans afhangen. Hel kapsel
was eenvoudig en de lokken krulden vrij langs liet gelaat, tot op den helderen halsdoek. Waaijers van dik papier, opgeluisterd met kleurige veeren en verguldsel, en bevestigd aan een steel van ivoor, dienden zoowel tot tooi als ter verkoeling na den dans. De Heeren, die achtereenvolgens binnen kwamen en na de drie voorgeschreven statige buigingen voor de gastvrouw, spoedig in druk gesprek waren met de juffers, hadden weinig minder zorg dan deze, aan opschik besteed. De gekleurde satijnen wambuizen, bezet met een tal vergulde knoopjes, de wijde broeken met kleurige linten bevestigd, de roode zijden kousen, de hooggehielde schoenen en de breedgerande pluimhoeden, bewezen lioe zij de laatste tnode volgden. Meerendeels waren het jongelieden uit de stad, die broeder Pieter zeker modepronkers en ridders van de Pauwenveer zou hebben genoemd, doch er waren ook enkele studenten uit Leiden voor het gezellig avondje overgekomen. Het zou niemand zijner bekenden verwonderd hebben, als Claas Jasperse Panoras die reis vooral had ondernomen om aan Baartje Blauwhulok telkens toe te fluisteren, dat zjj het „zoetste dierquot; op aarde was, wat zijn vriend Geruit van Wilsum uit Zwolle ook gaarne aan Geertruid zou hebben verzekerd, indien hem daartoe de moed niet had ontbroken. Tante had voor een goed onthaal gezorgd. Er was een overvloed van taarten, rnarsepijn, beschuitjes, gladde en grove suikertjes, muisjes of keuteltjes en verscheidenheid van Fransche confituren, alles door nette dienstmeisjes op zilveren bladen of porceleinen schotels rond gediend. Voor de juffers kwam daarbij amandelmelk en IJpecras; terwijl dorstige heeren zich laven konden aan roode of geele clairet en Rhijnsche bleekert. De uren vlogen om met allerlei prettige spelletjes, waarbij ook het uilen of ganzenbord voor den dag kwam en daarna werd er pand verbeurd en elkanders gezondheid gedronken, waardoor Gerbit er in slaagde om hoogblozend met onze Amsterdamsche vriendin te klinken, met de opmerking, haast stamelend gedaan, dat Sint Geertens min hier juist te pas kwam. De klepperman had reeds lang gerateld en geroepen, dat de klok tien had geslagen en voorzichtigheid met vuur en kaarsen aanbevolen, eer het schaterend gezelschap met eene sarabande zou gescheiden zijn ; indien de goede gastvrouw nog niet een algemeen rondje had veroorloofd, met een zedig zoentje tot afscheid. Daarna ging het gezelschap uiteen, met de afspraak om elkander den volgenden dag, na het noonmaal, weder op het ijs te ontmoeten. Jongelieden uit onzen tijd met ietwat pessimistische neigingen, zouden
91
verbaasd hebben aangezien, hoe eenvoudig, maar vrij en blij, de jonkheid in de eerste helft der zeventiende eeuw met elkander omging.
Hoewel, bij omloopenden wind, het des nachts was gaan dooien, bevond zich het geheele gezelschap des namiddags van den volgenden dag op het Spaarne, waar een echte Hollandsche ijsvreugde werd genoten. Aanzienlijke magistraten, deftige raadsheeren, eerwaarde predikanten, eenvoudige poorters en eerzame ambachtslieden, gegoeden en behoeftigen, jeugdigen en bejaarden, wemelden door elkander op een ijsvlakte, welke reeds eenigszins begon te grauwen, liier en daar met scheuren dooraderd en waartegen de schoongeveegde baan helder afstak. Voor de tenten en kraampjes, reeds omgeven door donkere kringen van half gesmolten vuil ijs, krioelden de liefhebbers en werd gebabbeld, gekibbeld, gezongen, gerookt en gedronken, alles aangewakkerd door lieete anijs of saliemelk, warm Ijler, lavas of aangelengden brandemoris. Ter zijde van de baan gleden bakken en schuifsleden, waarin dienstvaardige vrijers, echte „goe jannenquot; pretlievende meisjes voortschoven. De andere kant van de baan werd meest gebezigd door arrensleden van velerlei vorm, zoo als booten, schelpen, zwanen en andere dieren, meestal fraai geschilderd, versierd met beeldwerk en verguldsel, en voortgetrokken door fiere paarden met rinkelend bellentuig. Geoefende schaatsenrijders, die klaverbladen, tulpen, spiralen en andere krullen in het ijs wisten te trekken, zwierden in bevallige schommelingen statig over de baan, of vertoonden proeven der ijlende vaart, waarmede zij zich konden bewegen; bevende beginners kwamen slechts worstelend vooruit en strompelden angstig uit den weg, wanneer lange slepen van vroolijke boerenknapen en kittige deerns in vliegende vlucht voorbijslierden. Aan de oeverkanten waren glijdbanen gemaakt, waarop straatbengels proeven gaven van behendigheid, of kleine kleuters zich in pikkers voortstuwden. Onder het jonge volk zweefde de speelzieke Amor rond en hoewel zelf onzichtbaar, was het best te merken, hoe hier en daar zijn pijlen doel troffen, Over land en ijs hing een doorzichtig neveltje, waardoor de zonnestralen schilderachtig werden getemperd en \'t welk bosschen en duinen in een blauwend verschiet hulde. Geerte en Baartje konden, als bijna ieder Hollandsch meisje, vlug voortglijden op schovelingen, zoo als moeije naar ouder-wetschen trant, de schaatsen nog noemde. De jongeheeren waren
92
in die dagen gewoon liet als een gunst te beschouwen om aan juffers de ijzers te mogen aanbinden, welke „Jonstequot; bij aanzienlijk en gering met een eerlijk kusje beloond werd. Toen Hendrik aan Geerte tleze hoflijkheid bewees, zeiden de oogen veel méér dan de lippen uitspraken, en het hart van den jongman sprong op bij de rijke vergelding voor den kleinen dienst. De student kon zijn oogen niet afhouden van de lieve Amsterdamsche met de rozenwangen, de zielvolle blauwe oogen en de blonde krullen, waarop het zwarte spitshoedje, bezaaid met kleurige en vergulde lovertjes, zoo goed kleedde. Al had Baardje niet gefluisterd hoe Van Wilsum kennelijk „de muts op haar hadquot; gevoelde het meisje ook reeds, dat zij eigenlijk veel liever met dien knappen, beleefden Zwollenaar ten ijs zou gaan, dan met den reeds aangenomen cavalier, neet Claes Pancras.
„Vooruit vriendenquot; klonk het van den baanbreker of voorrijder, waarna het geheele gezelschap zich met meer of minder spoed in beweging stelde. Do meesten streken lustig met forschen slag over het ijs, doch gaandeweg geraakte de troep uiteen. „Claes, die tot ergernis van Henric met nicht Geerte, een uitmuntende rijdster, voortzwierde, werd met haar opgehouden door het losgaan van een band. Toen deze was vastgestrikt, streefde het paar met alle krachten er in om de voorsten weder ih te halen. Claes verliet daarom de baan en lette er niet op, hoe een grauwe plek een gevaarlijk tochtgat bij een wetering aanwees. Plotseling kraakte het bommende ijs, het vak scheurde en met een doordringenden gil plompte het paar tusschen de ver spattende ijsscherven in het water. In een oogenblik stonden de toesnellende ontstelde vrienden en een tal van verschrikte menschen om den borrelenden donkeren plas. Claes had den afbrok-kelenden rand nog kunnen grijpen en werd spoedig opgetrokken; doch Geerte was hem ontschoten en onder het ijs verdwenen. Henric: drong driftig door de menschen heen, sprong met een plomp in het water en kwam geen halve minuut later te voorschijn, het bewusteloozo meisje met de linkerhand voor zich houdende. Onder een luiden juichtoon van dankbaarheid en een kreet van bewondering, waren tal van hulpvaardige handen gereed om de drenkelingen op het ijs te trekken en het meisje werd op een inmiddels gebrachten ladder gelegd, naar eene naburige hofstede gedragen en in do bedstede der pronkkamer onder de dekens gebracht. Claes vertelde onderwijl aan de omstanders, dat zijn vriend de beste zwemmer der academie was,
93
reeds meermalen drenkelingen had gered, en daarom bij zijn kameraden don bijnaam had van „den waterhondquot;. Gelukkig was ook een jong geneesheer bij het gezelschap, die aanstonds zijne kunst zóó goed toepaste, dat Gkeiite, na door de vriendinnetjes geknuffeld en gewreven te zijn, een half uurtje na het ongeval, met een diepen zucht en een flauwen glimlach op het bleeke gelaat, de oogen opsloeg en fluisterde „Ik dacht te sterven toen alles om mij verduisterde, en nu ben ik zoo dankbaar, dat ik voor mijn goed vadertje gespaard ben gebleven.quot; Het leek vreemd, maar het meisje schoen te weten, aan wien zij haar redding verschuldigd was; want nauwlijks had zij Van Wilsum in de kamer opgemerkt of zij riep hem, en stak hem do hand toe, met bewogen stem zeggende: „Henrik, aan jou dank ik mijn levenquot;, en toen de jongeling zich boog om met bevonden mond een kus te drukken op het bleeke kille handje, gevoelde Geeute wel, hoe er tranen op druppeldon, even warm als uit haar oogon.
Dos avonds kwam de ruime, nu met een bed belegden speelwagen van tante, de zieke afhalen en keerde deze naar Haarlem torug, waar zij na een paar dagen koestering en een recept uit tante\'s „Huismiddelen secroetboekquot; volkomen hersteld was. Levenslang onthield Geerte echter het oogenblik, lioe zij wegzonk in de donkere diepte, en toen in een onmeetbaar kort tijdsbestek, tallooze gebeurtenissen uit haar loven als schakels van een eindelooze keten, haar geest voorbij zweefden, tot dat alles verduisterde en stil werd. Vooral had zij aan haar vader gedacht en hoe eenzaam hij zich voelen zou, als hij zijn huishoudstertje miste; maar toch scheen een onzichtbare hand haar te schragen en fluisterde een, uit droomen bekende stom, dat zij gespaard zou blijven. Toen gevoelde zij een stevige groep, maar op dat zelfde oogenblik verloor zij haar bewustzijn. Spoedig na haar bijkomen op de boerderij, merkte zij een verlies te hebben geleden en wel den gouden ring van grootvader, een erfenis van oen kort geleden gestorven moei. Waarschijnlijk was deze na de redding, of in hot water, haar vinger ontgleden en lag nu wellicht op den bodem der rivier.
Toen zij don volgenden dag met moeie aan het noenmaal zat, kwam vader gelaarsd en gespoord uit Amsterdam. Sedert don vorigon middag was hij door een zóó pijnlijke onrust gekweld geweest, dat hij van morgen vroeg had laten opzadelen en naar Haarlem was gereden, waar zijn hart zeide, dat iets haperde. Tante, haar neet kennende, had het geval voor hem willen verborgen tot dat Geerte
04
volkomen hersteld zon zijn, doch dat ging nn niet meer en de onde niun verheugde zich hartelijk over de gelukkige redding. Het toeval wilde, dat kort na zijne komst Van Wilsum werd aangediend, die naar de gezondheid van het meisje onderzoeken kwam. Toen vader den Jongman een veelzeggenden handdruk gaf en er met schier stokkende stem bijvoegde, dat hij hom levenslang dankbaar zou blijven voorde redding van zijn kostelijksten schat, was er niemand in de kamer, bij wien de waterlanders niet te voorschijn kwamen. Dat Henric; gebruik maakte van vaders uitnoodiging om de familie in Amsterdam te bezoeken, zal later blijken.
De wintervorst was, na lang dralen, naar zijn zomerverblijf in het hooge noorden teruggekeerd en de lieve lente naderde. Onder den adem van een zoel zuidenwindje, begon de schijnbaar gestorven natuur te herleven en een fijn groen waas boomen en struiken te kleuren. De zoete maand was in aantocht en werd met blijdschap door al wat leefde verwelkomd. In steden en dorpen werden Mei-boomen geplant, waaromheen de jonge jeugd vroolijk het patertje danste, terwijl in grootere steden het klingelend klokkenspel ver in het rond verkondigde, hoe het minlijke seizoen overal met gejuich werd begroet. Het was een blijde dag in die blijde maand, toen vader Nagtglas bericht kreeg, dal de eerste schepen der Retourvloot uit Indië eerdaags konden worden gewacht, waarna een neef die Bewindhebber was, vader en dochter uitnoodigde om mede naar Tessel te varen en daar Evert te verwelkomen. Zoo geschiedde het ook; do Zuiderburgh kwam behouden binnen en toon zij Evert zagen, viel hot aan vader en zuster terstond in het oog, dat broerlief er bost uitzag. Hij was opgegroeid tot een kloek man en had, gelijk zijn zusje plaagde, iets zout-waterachtigs over zich gekregen, dat hom bovenst bost stond. Drie harten klopten sneller en in zes oogon blonken tranen, toen hot drietal voor hot eerst samenzat in de oude gezellige woonkamer te Amsterdam, en Evert kon zich verbeelden, dat hij een vriendelijken glimlach zweven zag over liet zacht gelaat dor lieve moedor, wier sprekend afbeeldsel door (j.aas Soutman met talent geschilderd, aan don wand hing en die, misschien ook daardoor nog altijd als een meolovond lid van hot gezin werd beschouwd. Er was heel wat te vertellen en hoewel de korte briefjes van Pieter en de uitgebreide epistels van Evert, meerendeols terecht waren gekomen,
95
ontbraken er toch enkele en bovendien bleven er natuurlijk vele dingen over, welke men beter bespreken dan beschrijven kon. Vader was nog steeds vervuld inet het ongeval van Geerte en daardoor bijzonder ingenomen met Henhic van Wilsum, die spoedig een bezoek had gebracht en dat meermalen herhaalde. De oude man begon te vermoeden, hoe daar méér achterstak dan louter beleefdheid, en dat de jongman een goed oog op het meisje had. Die gissing bracht hem in een eigenaardigen tweestrijd, daar hij wisthoe Geekte, uit een kloek, vastberaden gemoed, meermalen had betuigd, dat zij aan geen huwelijk denken wilde, zoo lang als zij hare huishoudelijke taak bij vader vervulde; en van die opvatting was zij bij meer dan één geschikt aanzoek niet af te brengen geweest, al redeneerde de goede man, gelijk hij verzekerde, even bondig als wijlen de bekende pater Brugman. De brouwer meende echter op te merken, dat hoewel het meisje zich in zijne tegenwoordigheid altijd blijgeestig voordeed, zij in den laatsten tijd veel afgetrokkener en minder opgeruimd dan vroeger was, waarom hij vermoedde, dat Henric misschien een vergeefsche poging had gewaagd, welke afwijzing dan aan Geerte zeker niet weinig zelfverloochening had gekost. Dit was ook werkelijk het geval geweest. Op een morgen, dat het meisje onder een lange huive met haar net gevlochten klepkorf in de hand naar de groentenmarkt ging inkoopen; gelijk destijds de voornaamste juffers gewoon waren te doen, had zij Henric daar aangetroffen, wat niet ongewoon was, daar ook jonge cavaliers menigmalen die zoogenoemde „knollenbeursquot; bezochten, terwijl de oudere heeren meer op de vischmarkten waren te vinden, waar soms belangrijke staats- en stadsbelangen onder het inkoopen werden behandeld. In het terugkomen van de markt, had Henhic haar zijn hart ontsloten en zeide in suikerzoete woordekens duizend lieflijke dingen, welke rechtstreeks naar haar hart gingen. Zij had wel luid willen uitroepen, hoe innig lief zij haar levensredder had, maar het was eene, wellicht eenigszins onbezonnen, maar toch dure belofte geweest aan hare stervende moeder, dat zij altijd bij haar vader zou blijven en voor zich zelf gezworen had, ieder huwelijksaanzoek gedurende vaders leven af te wijzen, al moest zij daardoor hare levensvreugde opofferen. Wanneer zij haar vader over dergelijk voornemen geraadpleegd had, zou hij haar stellig in bedenking hebben gegeven om te bewilligen in het aanzoek van Henric, omdat hij wist hoe zijn stervende vrouw slechts één wensch had uitgesproken
en wel een heilbede voor echtgenoot en kinderen. Hij zag in, hoe zijne dierbare Geerte niet scheen te gevoelen, dat zij door deze zelfverloochening, uit eon begrijpelijken waan van onmisbaarheid voortgesproten, eigenlijk haar vader meer leed dan genoegen deed, doch er zijn van die fijngevoelige vrouwenzielen, welke zich met welbehagen een zedelijke martdaarskroon voor den geest roepen. Eenige dagen later kwam Van Wilsum op zijn aanzoek terug en hadden de jongelieden een langdurig onderhoud, doch hoe hevig de worsteling ook bleek te zijn, was Geerte van wat zij haar plicht achtte, niet af te brengen. Eindelijk kwam, na lang heen en weer praten, toch het oogenblik van scheiden, en zij gingen van elkander met de belofte van eeuwige vriendschap, want de jongman was te kiesch om zelfs te zinspelen op den dood van vader. Haar lief, hartelijk gezichtje zag diepbewogen naai haar „levensredderquot;, gelijk zij den jongeling diep ontroerd noemde, die haar zachte hand aangreep en vurig, doch eerbiedig kuste. Toen hij langzaam heenging, staarde zij hem na en als hij omkeek, wat meermalen gebeurde, wuifde zij hem toe, tot dat hij eindelijk uit het gezicht raakte. Toen schoof er als een donkere wolk over haar gelaat en zij zou bewusteloos neergezegen zijn, indien niet een vloed van heete tranen haar overkropt gemoed lucht had gegeven.
Twee dagen na die samenkomst, zat Geerte naar gewoonte met haar naaiwerk voor het venster in de huiskamer. Peinzende over het gebeurde, dat de leidende gedachte worden zou van haar leven, zonk het linnen telkens op haar schoot en druppelden er tranen op het heldere lijnwaad. Zij bemerkte nauwlijks, dat Marijken binnenkwam met een klein pakje, zooeven aan de deur bezorgd. Bij het openen bleek het een sierlijk bewerkt doosje te bevatten, met de helft van een doorgezaagden dukaton, waarin gegraveerd stond I Corinth. XIII vs. 8a (De liefde vergaat nimmermeer). Er was een kort, innig hartelijk briefje van Henrik bij, dat zij in denzelfden toon beantwoordde en besloot met de vurige bede, neergeschreven onder tranen, dat hij zijn jong, zóóveel belovend leven, toch niet aan haar zou opofferen.
Hoewel Evert slechts enkele jaren afwezig was geweest, vond hij zijne geboorteplaats véél veranderd en zijn vader had hem reeds gezegd, hoe de Amsterdammers niet zonder grond beweerden, dat de gansche wereld bij hen kwam koopen en aan de boorden van den Amstel een stad verrees, welke het Venetië van het noorden mocht heeten,
97
een beroemde koopstad, de glorie van de steden en oen pilaar van den staat. Toen de jonge man met zijne zuster voor liet eerst eene wandeling deed, gevoelde hij de doorgaans geheel eigenaardige aantrekkingskracht der geboorteplaats, waar de allervroegste nevelachtige herinneringen, snaren in de ziel kunnen doen trillen met een zoete weemoedige melodie over zooveel liefs en dierbaars, dat onherroepelijk voorbij is. Tot zijn verbazing zag Evert, hoe sedert zijn afwezigheid tal van nieuwe buurten waren verrezen en anderen in de binnenstad, volkomen veranderd, üe gezichten op de lleeren- en Keizersgrachten waren nu veel schilderachtiger als vóór zijn vertrek, want er was meer afwisseling gekomen in de nieuw gebouwde kloeke huizen, sonimige van wel vier verdiepingen hoog. Hier zag men fraaie puien met spitsen, daar met trapgevels en in den regel met geele tufsteen, smaakvol tusschen de helder roode baksteen afgezet. Ook voor de beplanting werd meer en meer zorg gedragen en frissdie, goed opschietend en behoorlijk gesnoeide boomen spiegelden zich in het helder water. Wat de dichter Potgieter twee eeuwen later schreef, gevoelden broeder en zuster op dien schoenen zomermorgen.
„Zeer aardig was hel te aanschouwen,
Hoe \'t zonlicht speelde door het groen,
Hoe die zoo zedige gebouwen
Zich geestig wisten voor te doen.
De gevelspits, wier zachte trappen.
De voet verlokt werd op te stappen.
Getooid met beeldje of gulden vaan
De net gevoegde roode steenen,
Waartusschen witte wachten schenen
Der spreuk, die \'t midden mocht beslaan.quot;
Ook in de zoogenoemde winkelbuurten was er niet weinig gewijzigd en waren een menigte nieuwe nette huizen te zien, met vooruitstekende bovenverdiepingen, kruisvensters met tweekleurige luiken, breede luifels en winkelkasten; waaronder op aanrechten of toonbanken, tonnen, doozen en manden, gevuld met allerlei koopwaren stonden uitgestald en alles te koop was, wat rijk of arm begeeren kon, of noodig had. In enkele meer afgelegen wijken, herkende Evert nog den vroegeren tijd; daar zag hij als voorheen de gildebroeders in
De Gouden Draad. 7
08
liuimo pothuizen aan het werk en hoorde men uit kelders het klinken van smidshamers, het schaven van den kastenmaker, het klapperen van den kuiper en het gonzen van een draaibank. Op dezen zoelen dag stonden zelfs de deuren en vensters der scholen open en was te ontwaren, hoe de getabberde meester meer door hardhandigheid dan door zachtaardigheid, met plak en roede voor een troep onrustige, meest viaskoppige bengels, in een laag somber vertrek, den tempel der kennis ontsloot. Op de woelige kaden, waar een dun neveltje dien morgen de stralen der zon temperde, was een rijk gestofl\'eerd tooneel te zien, als een Tentoonstelling van verschillende aardbewoners en hoorde men een mengelmoes van onderscheiden talen en dialecten. Vreemdelingen uit alle wereldstreken, wemelden hier dooreen met Amsterdamsche kooplui, varensgezellen, burgers en boeren, terwijl luidschreeuwende venters en leurders met allerlei koop- en eetwaren, kijkers in koopers poogden te veranderen. Stoere koren- en bierdragers, kenbaar aan hunne hoofddeksels van onderscheiden kleuren, drongen door het gewoel en deze veemknapen moesten op hun beurt weer plaats maken voor zwaar beladen sleden, karren of karossen. De breede, heldere grachten werden verlevendigd door vrachtschepen, schuiten en booten en aan den waterkant was het een voortdurende drukte van laden en lossen, van sleepen en sjouwen, van aan boord brengen en van boord halen. Aan den Buitenkant zagen de wandelaars letterlijk een mastbosch van jachten, boeiers en koopvaarders, pronkende met een keur van vlaggen en wimpels; terwijl nu en dan kanonschoten, daverende over het breede glinsterende water, aankomst 01\' vertrek verkondigden. Overal vond Eveut stof tot verbazing en in de winkels boven de Beurs, een gebouw een vijf en twintig jaren geleden geslicht, vond hij vele voorwerpen, zoogenoemde kramerijen, welke reeds in Indië zijne aandacht hadden getrokken en waarvan hij er enkele als gedachtenis had meegebracht, o.a. een kleine opgezette kaaiman; welk gedierte aan Maruken een schrik op het lijf had gejaagd. Geerte voerde haar broeder over den Dam, waar men sedert een paar jaren bedacht was om een nieuw stadhuis te bouwen. De smid Geurtsen, dezelfde kunstenaar, die het getraliede lofwerk voor de brouwerij-vensters zoo sierlijk vervaardigd had, was reeds door den bouwmeester Daniël Stalpert over daarvoor noodige hekken en ander ijzerwerk geraadpleegd. Een nieuw Raadhuis was in het vooruitstrevende Amsterdam oen behoefte, want het oude begon erg bouwvallig te
99
worden en was reeds door den tijd beroofd van de eens sierlijke hoektorentjes. Zij wandelden ook langs den nieuwen schouwburg, tijdens broeders afwezigheid op kosten van het Oude-mannen en Weeshuis gebouwd. Toen het tooneel, niet lang geleden, met Vondel\'s Treurspel Gijsbrecht van Amstel werd ingewijd, was Geerte met vader ook uitgenoodigd, doch er niet geweest, ook al omdat de vriendschap met Joost uit den kousenwinkel aan het luwen was. Broeder en zuster, die zich wat hing hadden opgehouden en nu den naasten weg huiswaarts kozen, keerden terug door achterbuurten, sommigen nog onbestraat en waarin het krielde van havelooze armen, waaronder zeker niet weinig schuim van volk, huizende in oude vervallen woningen of ellendige krotten. Het meisje wist in de op doolhoven gelijkende stegen, sloppen en pleintjes, zonder zoeken een weg te vinden en ontving zelfs hier en daar een eerbiedigen groet, of een vriendelijk knikje. Zij was in deze buurt niet onbekend, want Geerte had van haar vader geleerd om geen aalmoezen uit te reiken zonder persoonlijk onderzoek en daarbij menigmalen ervaren hoe een goed woord weinig kost en dikwijls veel waard is; alsmede dat vertrouwen, meestal vertrouwen wekt. Op menigen kouden winterdag had men haar, vergezeld van een dienstbode, in deze wijk kunnen zien, met een klepmand onder de huik, waarin velerlei versnaperingen, op weg om troost te brengen aan veriatenen, lafenis aan zieken, en als een engel der liefde, lichtstralen te doen vallen op donkere wegen van zonde en ellende.
De aanbeveling van don Gouverneur-generaal Van Diemen, door Evert terstond na zijne aankomst aan de Admiralitoitsheeren bezorgd, had, gesteund door den invloed van neef Hooft, den aanzienlijken van Muiden, het gevolg dat Evkrt slechts eenige weken na zijne terugkomst een verzegeld perkament ontving, waarbij de stadhouder Frederik Hendrik, namens de Staten-generaal der Vereenigde Nederlanden, hom aanstelde tot Luitenant ter zoo onder de Admiraliteit van het Noorderkwartier, met al do verplichtingen en rechten, aan dien rang verbonden. Enkele dagen later volgde een lastbrief om zich te vervoegen bij de scheepsmacht, welke onder den kommandeur de Ruijter op de reede van Tessel lag. Een paar admiraliteits-heeren, goede bekenden van zijn vader, moesten toevallig aldaar worden afgehaald, waardoor Evert gelegenheid kreeg om met hot admiraliteitsjacht mee te varen.
100
Den volgenden avond brachten vader en zuster hem naar de Tesselsche Kaai, waar liet kostbaar ingericht, rijk vergulde scheepje, door vader „een klein wateipaleisquot; genoemd, zeilree lag. Kort na Evert\'s komst aan boord werden de touwen losgegooid, en niet lang daarna hobbelde het vaartuig, vlug als een zwaluw, waarnaar het genoemd was, over de golven der Zuiderzee. Toen onze jonge luitenant, na een rustigen slaap, bij \'t ochtendkrieken op het dek kwam, omhulde een grauwe mist het verschiet en schenen enkele vischschuiten in de verte als in de wolken te zweven. Langzamerhand worstelde de zonneschijn door don nevel heen en lichtbundels begonnen in kleurige tinten over de golven te glinsteren. In de verte schemerden de kusten, eerst van Holland en Gelderland en vervolgens van Overijssel en Friesland. Fluiten, galjooten, koffen, tjalken, pinken en andere vaartuigen gleden over het kalme water, waarin tal van witte, grauwe of bruine zeilen spiegelden, en waarboven blauw-grijze meeuwen cirkelden, om nu en dan bij \'t vervolgen hunner prooi, in de diepte weg te duiken; terwijl hun krijschen zich vermengde met het verwijderd stommelen van ankers en boeien en het schor opzingen der varensgezellen. In den namiddag kreeg men van het jacht de twintig „suffisantequot; oorlogsschepen in het oog, welke met de noodige advies-jachten en victualie vaartuigen op de reede ankerden. Zonneschijn strooide glinsterende diamanten over de hier meer woelige baren en flikkerde in de glasruiten der hooge scheepsspiegels, waarboven in kleurige banen, de Prinsenvlag wapperde. Het jacht, als bepareld door het schuim, dat haar scherpe steven in vlokken langs het watervlak joeg, zette, voortgestuwd door een frissche bries, koers naar het admiraalschip en een paar gotelingen brachten een knallenden groet aan de vloot. De barkas van het grootste schip werd gestreken en twee bejaarde, deftige heeren in zware reismantels gehuld, daalden in de schommelende schuit, na een statigen groet aan de scheeps-officieren, die eerbiedig aan den trap bleven staan. Toen de barkas afgestoken was, begonnen de zware scheepskanonnen te bulderen, waarvan de kruitdamp als een blauwe wolk langzaam over het water wegdreef. Evert, nog op het dek van het jacht, kon in dien nevel de officieren niet duidelijk onderscheiden, doch meende toch in een breed geschouderd, stevig man den Komman-deur de Ruyteu aan het hoofd zijner onderbevelhebbers te herkennen. Hij was benieuwd, of deze reeds beroemd wordende scheepsbevelhebber zich nog den jongeling zou herinneren, dien hij te Vlissingen het
i
leven had gered. Toen de admiraalsheeren liet jacht hadden bereikt, en de gewone deftige begroetingen afgeloopen waren, sprong Evert in de boot en werd naar het admiraalschip geroeid. De Kommandour was reeds naar zijn kajuit teruggekeerd, en toen de luitenant verzocht werd om naar beneden te komen, vond hij den gezaghebber bezig zich van zijn statiegewaad te ontdoen. De Ruyter trad aanstonds op den jongen man toe. drukte hem vriendelijk do hand en zeide met een glimlach, weerspiegelend in zijn heldere oogon „onder duizend jongelui, zou ik mijn Vlissingschen zwemmer dadelijk herkend hebben, en toen ik je bij de Wester-nol op het droge bracht, dacht ik weinig, dat ik je hier nog eens als luitenant aan boord zou krijgen. Heel blij ben ik om je weer te zienquot; en wederom greep hij de hand van den jongen man en schudde die hartelijk, „Uw Edelheid is wel goedquot;, hernam Evert getroffen, ,zich mijner te gedenkenquot;. Ga zitten, luitenant, ging de Kominandeur voort en erger je niet, dat ik even mijn dagelijksche plunje aanschiet. Met genoegen zie ik je komen, niet alleen uit oude bekendschap, zooals ik zeide, maar ook om wat zulk een respectabel man als Generaal Van Diemen over je geschreven heeft.quot; De Ruyter was destijds een man in do kracht des levens, kloek en sterk, met een blijgeestige uitdrukking om de roode lippen van zijn frisch blozend gelaat, nu en dan door een lichte zenuwtrekking bewogen. Een paar levendige donkere oogen weerspiegelden, hoe er achter het breede voorhoofd een rijk begaafde geest huisde. Naar ouden zeemanstrant, was de bovenlip gedekt door een zwarten opstaanden knevel en de lange haren achter de ooren weggestreken. Hoe eenvoudig de Kommandeur zich ook voordeed, gevoelde Evert toch terstond, dat hij hier voor zich had een buitengewoon man met een zeldzaam moedig hart, een helderen blik, een wonderbaar geheugen en een edel karakter. De Kommandeur gaf zijn wensch te kennen, dat de nieuwe luitenant dien middag bij hem zou „tafelenquot;, waarbij ook eenige andere officieren waren genoodigd. Nauwelijks gezeten en na het gebed, stak de Gezagvoerder zijn mes op, onderwijl de ontmoeting te Vlissingen verhalend, waarna hij glimlachend tot Evert zeide „Ge ziet, luitenant, hoe ik het geschenk van een onbezonnen jongen in waarde houd en dagelijks gebruikquot;. Daar men destijds zelden vorken bezigde, was een mes bij het eten onmisbaarder dan tegenwoordig. Hoewel de Ruyter liefst gewone scheepskost gebruikte, was er dien middag ook voor andere gerechten gezorgd; zooals pens met
erwten voor het eerste opdisschen; hutspot voor hot tweede opzet en gebraad niet boter en kaas tot besluit. Bij deze feestelijke gelegenheid werd ook wijn geschonken, ofschoon de Kommandeur zich bij een glas Delfts bier bepaalde. Het was een gezellig en aangenaam samenzijn en de gulle gastheer wist zulke grappige propoosten uit zijn vele omzwervingen te vertellen, dat de kajuit soms daverde van schaterend gelach, wat in die dagen nog niet onfatsoenlijk werd geacht. Na den maaltijd begaf Evert zich met de jongere officieren naar hun gewoon verblijf; een eenvoudig scheepsvertrek, waarvan de wanden behangen waren met hellebaarden, pieken, houwers, musketten, pistolen, enterbijlen en andere wapens. Hier werden hem de bijzonderheden van den zoogenoemden inwendigen dienst medegedeeld, die hij zich spoedig eigen maakte. Daar de vloot pas over drie weken zou gaan kruissen, stond de Kommandeur hem gaarne een verlof toe om voor zijne uitrusting te zorgen, waarna Evert een paar dagen later met een adviesjacht naar Amsterdam vertrok. Had de vlootvoogd op den jongen luitenant een gunstigen indruk gemaakt, ook wederkeerig scheen dit het geval te zijn, en de Ruyter was later wel eens gewoon te zeggen, dat hij zich weinig beter werken herinnerde, dan het op \'t droge halen te Vlissingen van den roekeloozen knaap, waardoor liij aan het vaderland een braaf officier had verschaft. Evert had dan ook juist een karakter om den grooten Admiraal aan te trekken. Hij was stil van natuur, trouw van hart, kloek van daad, een slaaf van zijn plicht, en deze geestverwantschap gaf aanleiding tot een vriendschappelijke betrekking met den beroemden Zeeuw, welke levenslang ongestoord heeft voortgeduurd.
Van het verlof, aan Evert toegestaan, werden enkele dagen afgezonderd om de familie te Naarden en te Muiden te bezoeken en dan tevens neef Pieter (Cornelisz.) Hooft nog eens persoonlijk te bedanken voor den steun van zijn invloed, om de aanstelling van Evert te verhaasten. Geertrui wilde haar broeder vergezellen, want waarschijnlijk zouden zij niet dikwijls meer samen reizen en het meisje was wel wat trotsch
op haar lieven, knappen broeder. Vader gaf gaarne zijne loestemming, want liet verheugde den goeden man altijd, wanneer hij zijne iieve Geerte een verzetje kon bezorgen; terwijl hij wist, dat het huisbestuur gedurende enkele dagen zonder bezwaar aan de oude trouwe Marijken kon worden overgelaten.
Op een helderen herfstmorgen stapten broeder en zuster naar de in den Amstel gereed liggende veerschuit. Menig voorbijganger bleef stilstaan om het hupsche paar na te kijken. Van Geertrui was echter niet veel meer clan de slanke gestalte te zien, want haar nette kleurige, met linten en strikken versierde tabberd en haar hoepelrok of bouwen, waren verborgen onder een huik van donker laken, met gebloemde voering en fijne plooien, en vastgehecht aan een net, trechtervormig kapje. Evert was op zijn best uitgedoscht in een wambuis van fijn zwart laken, door borduursel en een tal van vergulde knoopjes versierd; waartegen een zoogenoemde Fransche kraag met kanten punten, door Geerte\'s vaardige vingers opgemaakt, helder uitkwam. De wijde broek was van hetzelfde laken als het buis, met donkere figuren doorwerkt en met zijden strikken om de kniën bevestigd; de fijne witte kousen waren halverwege bedekt door kaplaarzen van Spaansch leer. Over het wambuis hing een korte mantel met fluweel omboord, welke Evert door zusters zorg, na eenige oefening nu „gracieuselijk en courtoiselijkquot; wist te dragen. Als officier was zijn breedgerande hoed, met lage bol van zwart kastoor met goud galon omzet en met twee liggende pluimen vau wit en oranje versierd. Evert was er volstrekt geen man naar om zich als een hoofsche jonker op te pronken, doch zus was een weinig hoovaardig op haar broeder, en beweerde dat hij bij een bezoek aan den deftigen neef Hooft, er niet minder net mocht uitzien dan de jonge kooplui van het zoogenoemde Hectors Vendel, die bij enkele gelegenheden, opgepronkt door de stad reden en waarvan de meesten heel wat minder verdiensten in de melk hadden te brokkelen als haar lieve broer. Volgzaam had hij zich naar den wensch van Geerte geschikt, maar was er niet af te brengen geweest om in stede van het, door de mode voorgeschreven sfnfie degentje, zijn flinke, nog uit Oost-Indië medegebrachte houwer om te gespen. Na een tijdlang in de gelagkamer van het veerhuis vertoefd te hebben, kwam de schipper aan de vrienden verzoeken om in te stappen. De gedeukte hoorn schetterde, het paard schreed voort en na korten tijd kwam het vaartuig van den broeden
si room in de stille vaart, waar de deining der beweging het liooge lisch aan de oeverkanten, bevallig schommelen en golven deed. De beste plaats in de schuit was bezet door een bejaard welgedaan man, wiens hooge smalgerande hoed, fijn linnen kraag met eikeltjes en kort manteltje hem kenmerkten als een deftig poorter, en daar de schipper hem Schout noemde, bekleedde hij vermoedelijk dat ambt in een der aan de vaart gelegen stedekens. Nevens hem zat een echtpaar uit Amsterdam. Hot bruine eenvoudige wambuis, de smalle effen kraag en de lage hoed toonden den winkelier, en zijne vrouw begon dan ook reeds spoedig aan den schipper en wie het hooren wilde, te vertellend dat zij maar zelden uit de bakkerij op den Nieuwendijk kwam, maar nu hun dochter gingen bezoeken, die met een kuiper te Naarden getrouwd, onlangs haar man een tweeling had geschonken, waarna, gelijk grootmoeders gewoon zijn, een omstandig verslag volgde van het binnenkomen dezer kleintjes in dit onder-maansche tranendal. Om niet mot ledige handen in de kraamkamer te verschijnen, had vader een groote „deuvekaterquot; gebakken met pruimen, krenten en rozijnen gevuld; welke versnaperingen in een mandje werd meegedragen. Verder waren er nog een paar boeren en schippers in de schuit, druk en luidruchtig redenerende over landbouw, visscherij en scheepvaart, en bij menig verschil van meening, toch in één punt overeenstemmende, dat liet een bitter slechte tijd was, waarin de roepende zonden van dit verdorven geslacht met de pauwenveer der hoovaardij op de muts, zich de oordeelen van den getergden Jehova in oorlog, misgewas, zeeverarming en pestilentien, in toenemende mate op den hals haalde. Deze menschen zouden zeker vreemd hebben opgekeken, indien men hun voorspeld had, dat een paar honderd jaren later, die slechte tijd als de „gouden eeuwquot; zou worden geroemd. Onderwijl vertelde de schipper aan Evert, die in den stuurstoel stond, hoe hier het vaarwater in den laatsten tijd verbeterd was, door het indijken van het Diemermeer, nu een jaar of tien geleden gekaveld en verkocht, welk woest water de stad (Amsterdam) soms leelijk in de pijn bracht. Nog was er in de schuit een schamel vrouwtje, met een dochtertje van een jaar of acht, welk kind er bleek, mager en ziekelijk uitzag. Zij trok terstond do aandacht van Geerte en deze luisterde belangstellend naar het verhaal van de moeder, hoe het kind sedert drie jaren eigenlijk nooit recht gezond was geweest. „Menschenlieve, zei ze, wij zijn de heele apotheek al rond geweest en hebben er heel
105
wal spaarpenningen aan verdoklerd, maar alles zonder baat. Het was wat te zeggen voor een timmermansgezel, die in den besten tijd niet meer clan twee zeshalven daags kon halen en in den wintertijd soms wegens ziekte bij het gilde had moeten aankloppen. Vroeger sprong een oud meutje nog wel eens bij, die een winkeltje op het Damrak had, maar die d\'r laatste duitjes waren door kwaden raad in den (tulpen) bollentijd weggevlogen en \'t oude zieltje was voor vier weken nog van den armen begraven. „De bakkerin bij ons orn den hoek, als de juffrouw die kent, ging de vrouw voort, zich tot Geerte richtende, „is uit Hilversum en had haar verteld, dat er te Bussnm in de herberg een oud wijf woonde, dat allerlei kwalen miraculeus genezen kon en nog onlangs een meisje van haar kennis volkomen had gecureerd, nadat de beruchte dokter Tulp er jaren lang te vergeefs over had gemeesterd. Sommige menschen zeiden wel, dat dit vrouw-mensch een heks was „die haar wijsheid van den boozen had; doch ook dat zou zij overzien, als de kleine Lijsbeth maar beterde en weeleen frissche kleur op de wangen kreeg. Onderwijl ging de schipper rond om de vracht op te halen. Toen de behoeftige moeder wilde voldoen, zei hij ; „Laat die dubbeltjes maar in \'t buideltje wijfje, \'t is al betaaldquot;; want de vrouw had niet opgemerkt, hoe Geerte aan haar broeder een terstond begrepen wenk had gegeven. Nadat eenige reizigers de schuit te Muiden hadden verlaten, duurde het niet lang of het scheepje werd de zoogenaamde haven van Naarden ingeboomd. Vóórdat de reizigers uitstapten, kon de arme vrouw, door denschip-per ingelicht, den officier vriendelijk bedanken en toen het kind aan de zoete juffrouw haar mager, klam handje toestak, stopte Geerte er een zesthalf in, waarop de moeder zeide, verlegen te worden over zulk een rijkelijke gave. Neef Gerrit stond op de kaai zijn gasten op te wachten en kort daarop zaten de vrienden in de achterkamer van de gezellige woning in do Turfpoortstraat. Genoemde neef was, gelijk wij reeds verhaald hebben, in 1G30 te Naarden gaan wonen, waar hij een molen had gekocht en een brouwerij gesticht. In October van \'t volgend jaar had hij: „tegen vijftig Garoli-gulden, voor hem en zijne wettige successeuren gekocht poorterschap der stad en volle veldslagen op het gebruik der heiden en weiden van Gooiland.quot; In het begin van \'t jaar \'32 was hij gehuwd met een welgesteld meisje uit Naarden, dat hem o.a. het nu bewoonde huis had aangebracht, welke woning door den tuin gemeenschap had met de werkplaatsen der brouwerij.
Gerrit Corneliszoon was een stil, ingetrokken man, in menig opzicht aardende naar zijn oom Jacob Nagtglas. Hij had dezelfde kloeke gestalte, dezelfde kalme, eenvoudige manieren, dezelfden werklust; en even als zijn oom, was hij gewoon te zeggen, lioe er geen vruchtbaarder dauw is, dan die van eigen inspanning. Hij bezat een goedhartig uiterlijk, oen bleek gelaat met vriendelijk glinsterende, blauwe oogen en, zooals alle familieleden, bruin haar. Zijne ecHtgenoote, iets jonger dan bij, was een levendig, opgewekt vrouwtje en gelijk haar man terecht roemde: een huishoudstertje van \'t bovenste boordje.quot; Zij waren nog eenigszins aan elkander verwant, want haar overleden oom Hendrik van Wouw, was getrouwd geweest met een zuster van Jacob Sumens de Rijk. Kleine Aagt, een éénig kind, was in haar jeugd bedorven en daardoor soms wat grillig en eigenzinnig. Toen de goede oom Jacob haar eens in znlk een bui aangetroffen had, noemde hij haar in een vertrouwlijk gesprek met Geerte „het beminlijkste ezeltje, dat ooit op de weiden van Gooiland gegraasd had.quot; Haar vader had zij vroeg moeten missen, doch zij was met hare moeder in Naarden blijven wonen. Die moeder was een eigenaardige vrouw, gestempeld met het zegel van den tijd waarin zij jong was geweest. Een harde levensschool had haar streng en stug gemaakt. Als klein kind was zij, door hare naakt uitgeschudde en schandelijk mishandelde moeder, op een kouden Decemberdag van \'t jaar \'72, toen Naarden werd uitgemoord, buiten de poorten gedragen; terwijl haar vader met verbrijzelden schedel in de ontvluchte woning lag. Nu de terugkomst had de weduwe dat huis nimmer weer willen betrekken, maar het ook niet vervreemden en het aan hare dochter als huwelijksgift meegegeven. Er was een klein achtervertrek, waarin de vader door bloeddorstige soldaten was van kant gemaakt en waar nog sporen van bloedvlekken in den vloer te zien waren. Dit keukentje werd nooit gebruikt en aan den gewitten muur hing een fragment van den rotting, waarmede de eerzame burger de dreigende zwaarden had pogen af te weeren. Het vertrekje zag er somber uit en werd alleen des morgens wat opgehelderd, als een zonnestraal door het, op don tuin uitziend kruisvenster, figuren teekende op de grauwe wanden en de enkele ouderwetsche meubelen. Op den eersten December van ieder jaar, gingen moeder en dochter, nabel noenmaal, naar het ledig staande huis. Daar namen zij in het keukentje plaats op een paar lage bankjes, tegenover de bekende prent, waarop het begin van
den moord in de Gasthuiskerk is afgebeeld. ZIJ spraken dan over den braven, laaghartig\' doodgeslagen vader en grootvader, en over diens zwager, den dapperen smid Huijbert Willemsz. (van der Eijken), die met zijn driestal zich verdedigende^ nog enkele zijner belagers neersloeg, eer hij zelf\' werd doorstoken. Wanneer de vroiuven een uurtje later het kamertje verlieten, droeg beider gelaat sporen van aandoening, en dat der moeder tevens van inwendigen strijd. Met bleek gelaat, strakken blik en angstwekkend kalm, drukte zij haar dochter de hand, zeggende; „Kind ! laat ons dezen ongeluksdag scherp in het geheugen houden, al moeten wij ter wille van Jezus onzen Heiland, trachten, de verfoeilijke moordenaars van zooveel brave burgers, weer-looze vrouwen en onnoozele kinderen te vergeven; verbeten kunnen en zullen wij het nooit.quot; Als menige vrouw uit die dagen, zouden moeder en dochter, wanneer de vrijheid der conscientie belaagd werd, met piek en musket vol geestdrift tegen de vijanden zijn opgetrokken. De anders zoo zachtzinnige Aa«t, die echter, volgens haar man klein, maar dapper was, schroomde niet te zeggen, hoe zij haar neven Pieter en Evert kon benijden, als in staat om in den oorlog aan die bloeddorstige „Spekkenquot; den moord van Naarden en andere gruwelijke wreedheden in de Nederlanden betaald te zetten. Dien haat tegen de gevloekte Spanjolen, van hare moeder geërfd, liet zij na aan hare nakomelingen en na ruim drie eeuwen, voelt de schrijver dezer geschiedenis, hoe de afkeer van de grimmige geele dwergen, nog tintelt in zijn bloed. Maar keeren wij tot het gezin van den brouwer terug. De lieve kleine jongen van vijf jaren, hun éénig kind Cornelis, leek zeker tot groote vreugde zijner moeder, al heel weinig op een Spanjaard. Hij was een echt Gooiers kind met roode wangen, helder blauwe oogen en een tot krullen geneigden vlaskop. Méér dan door de gasten, werd de knaap dien dag geboeid door het opslaan der kramen en tenten voor de naderende kermis, naar welke toebereidselen hij met een jongen uit de brouwerij telkens mocht gaan kijken, waarna hij aan zijne moeder wonderen kwam vertellen van al het moois, dat morgen op de markt zou te zien zijn. Aagt hield veel van de Amsterdamsche familie, en voor wie in haar gunst deelde, had zij véél over, en zoo was het ook nu, gelijk neef Geiuut aan Evert toefluisterde, toen hij nicht Aagt met Geerte in druk gesprek zag: \'t was botertje tot den boom (bodem). Na wat gerust te hebben en de huisvrouw tijd kreeg om de Amsterdamsche snufjes van haar nichtje te bewonderen, stelde neef voor om eens
in huis en hof te gaan rondkijken. In de woning getuigde alles van een goeden doen en een scherpziende, nette meesteres, met vaardige dienstboden. De groote tuin was wel een bezoek waard, daar neef Gerrit veel kennis had van bloemen, planten, vruchten, enten en occuleeren. Aan de zuidzijde was de onmisbare lauwerhof, zóó dicht en begroeid met wilde wijngaard en andere struiken, dat het daar binnen somber en vochtig zou zijn geweest, indien er niet hier en daar vierkante openingen waren gesnoeid, om lucht on zonneschijn toegang ie verleenen, en tevens uit te zien op den kleurrijken bloemhof met een vergulden zonnewijzer in het midden en in een aantal langwerpige en ronde perken, gevuld niet een groote verscheidenheid van rozen, leliën, riddersporen, goudsbloemen en vooral tulpen. Laatstgenoemde trokken de aandacht van Evert die opmerkte, hoe neef hier enkele jaren geleden, voor een heel sommetje in den grond had staan; waarop Gerrit meedeelde, dat tijdens den Tulpen-waanzin, in\'t jaar 37, meer dan één florist zijn verzameling bekijken kwam, en hoewel hij zich nooit tot dien schandelijken windhandel had laten verlokken, toch een aardig duitje had verdiend, door nu en dan een zwaren en zeld-zamen bol te verkoopen. Niettemin had zij zich hartelijk verheugd, toen dit schandelijk spel door de Staten werd verboden. De, aan den bloemhof grenzende moestuin was niet minder goed voorzien en de pippelingen, zijden hempjes en vooral de Aagten, volgens Gerrit de peetekinderen zijner vrouw, beloofden een rijken oogst; alsmede de fijne peren, welke treflijk hadden gebloeid. Hier zag Geerte voor het eerst de bloemkool, en eigen gekweekte knoesten en artisjokken, welke laatste groenten de brouwer had loeren kennen uit een hoek, hem indertijd door neef Jacob geschonken, waarin nu omstreeks twintig jaren geleden de eerwaarde Petrus Hondiüs, predikant te Ternouzen, zijn vermaarden tuin de Mouffen (moffen)-schans geheeten, in dichtmaat beschreef. De gasten zouden zich hier misschien nog lang hebben opgehouden, als het dienstmeisje niet was komen zeggen, dat het maal opgezet was.
Nadat Gerrit een gedeelte uit den bijbel had voorgelezen en hardop gebeden had, werd een reusachtige snoek voorgediend, op zoogenoemde Fransche manier gereed gemaakt, waarop een dijharst volgde, met kappersaus en andere moeskruiden, die begoten werden met een dronk fijn bier. Aan het beneden-einde der tafel, zat Zwaantje, de frissche stevige dienstmaagd, die opstond en vertrok, nadat zij het in eieren geweekt brood, het suikergoed en de vruchten had binnengebracht. Onder
100
het gebruik van een roemer Rhijnschen bleekert, bleef het gezelschap keuvelen en vertelde Evert van zijne avonturen in Indië, en Gerrit van zijne reizen naar de Oostzee, waar hij voor den graanhandel meer dan ééns had vertoefd. Van den maaltijd opstaande, stelde hij aan de vrienden een rijtoertje naar Bussum voor en niet lang daarna kwam de groen geschilderde en met verguld versierde driebanksspeelwagen voor de deur, bespannen met een koppel stevige brouwerspaarden. Na eene, met groote en kleine keien onregelmatig geplaveide straat te zijn doorgereden, kwam de wagen door een donkere bochtige poort en over een houten brug met afsluithek en ophaalklep, over een met kroos en riethalmen schier gevulde gracht, buiten het stedeke. Een singel met moeserijen en bogerden voerde naar een vrij breeden land- en kleiweg. Links zag men van hier op vruchtbare landerijen, waar het graan zachtkens golfde op den wind, en op uitgestrekte weiden, door sloten afgedeeld en afgewisseld door boomgroepen, boerderijen en kerkdorpen, waarachter in het verschiet de Zuiderzee glinsterde. Rechts vertoonde zich de heuvelachtige heide, waarop slingerende geele en grauwe zandsporen, aan linnen loopers deden denken, gelegd op een purper tapijt, hier en daar met groene plekken gekleurd. Zonnestralen en wolkschaduwen gaven aan de over \'t algemeen eentonige vlakte soms een levendiger aanzien ; streelende geuren van tallooze planten vervulden de lucht; bonte vlinders zweefden op hun strooptochten van bloem tot bloem, waaruit ook de gonzende bijen bezig waren honig te puren. Bij een kromming van den stoffigen weg, kwam het gezelschap de werkmansvrouw met het bleeke kind tegen, dien morgen in de schuit ontmoet. Op verzoek van Geerte werd stil gehouden om te vragen, wat de wijze vrouw te Bussum had gezegd. De moeder was nog al goedsmoeds; de oude blinde vrouw had een leefregel voorgeschreven en na een maand moesten zij terugkomen. Met een vriendelijk woord en een goede reispenning kon de vrouw haar wandeling voortzetten. Het gesprek in den wagen kwam nu van zelf op de wonderdadige genezingen door het blinde besje uit Bussum, waarover de menschen in deze omstreken den mond volhadden. Neef Gerrit was met het gezin van den herbergier, waaide vrouw bij haar schoonzoon inwoonde, goed bekend. De man had eenige kampen land van hem in pacht en kreeg zijn bier uit de brouwerij. Op de deugdelijkheid dier in den laatsten tijd veel besproken menschen, wist hij niets aan te merken en hij lachte om het lasterlijke
110
uitstrooisel van enkelo vuile klappeion uit do buurt, dat de oude vrouw met den duivel omging en dat, als meneer de Drost niet zoo zacht en barmhartig was, de oude tooverkol al lang achter de tralies zou zijn gestopt. Hoogbejaarde menschen wisten zich nog te herinneren, hoe in den goeden ouden tijd zulk »0011 heks tot pulver zou zijn verbrand. Deze lieftallige Christenen, die zich onder elkander nog wel hot „uitverkoren volk Godsquot; noemden, schreven alle ongelukken in de buurt toe aan den invloed van de tooverheks en haar duivelschen minnaar. Gelukkig waren er niet weinigen, die partij trokken vóór het blinde weerlooze schepsel, en die stoutweg beweerden, dat als de satan zulke wonderbare genezingen deed en menige ongelukkige zieke herstelde, hij lang zóó kwaadaardig en zwart niet moest wezen, als hij door sommigen werd afgeschilderd. Bovendien moest men niet vergeten, dat zij de zieken kosteloos hielp en alleen van gegoeden een klein geschenk aannam. Zij was gewoon te zeggen, hoe de Heere God haar deze gave had geschonken, om zonder winstbejagt en nutte van anderen aan te wenden. De brouwer vertelde van een zijner knechts, die na een val, lang met den apotheker gemeesterd had zonder baat te vinden. Toen hij den raad volgde, hem door de vrouw in haar slaap gegeven, was hij na korten tijd volkomen hersteld; doch kon slechts met moeite den herbergier overhalen om een klein geschenk aan te nemen.quot; Zeker, ging neef Geruit voort, was het een onverklaarbare zaak; doch het was den mensch niet gegeven om al de raadselen op te lossen, waartusschen wij hier op aarde wandelen en hij achtte het best mogelijk, dat de nakomelingen vele dingen klaar zullen doorzien, welke voor ons nog volkomen in het duister liggen; Evert stemde dat toe en kon het uit eigen ervaring bevestigen en Geerte zei er weinig op; verdiept als zij was in de herinneringen, welke haar geest voorbij zweefden. Aagt verklaarde volstrekt niet te gelooven aan een betooverde wereld; zoolang zij zelf niet iets van dien aard ondervonden had. Wel had zij ervaring, hoe verbeelding ons parten kan spelen en als iedere spookgeschiedenis, waarvan verhaald werd, nauwgezet en eerlijk onderzocht werd, schoot er doorgaans maar weinig van over. Zij zelf zou wel eens even een tooverkol willen wezen; alleen om de Spanjaarden te beheksen, die haar brave grootouders zoo deerlijk hadden mishandeld en nu nog bijna even ruw in Limburg en Vlaanderen huishielden. Gerrit, wetende hoe zijn vrouwtje doordraafde, als zij op dat stokpaardje in den zadel zat,
vroeg bij wijze van afleiding, of de vrienden soms genogen waren om met de wijze vrouw kennis te maken ; de herberg was in de buurt en zij konden er zonder bezwaar aanrijden. Dit voorstel vond terstond instemming en een oogenblik later wiegewaagde het gezelschap in een mul zandspoor, spoedig voerende naar een verzameling van lage met riet gedekte woningen, schilderachtig verspreid onder hoog geboomte, Tusschen die huisjes, dicht bij een vervallen kerkje of kapel, stond in de schaduw van een breed getakten lindeboom, de herberg, kenbaar aan het uithangbord, waarop geverfd was een rood dier, dat een leeuw moest verbeelden. Het gebouw was even laag als de andere woningen, met een spitsen geveltop, een rieten dak en rood en groen geschilderde klapvensters; doch het geheel getuigde van zekeren welstand. Toen de wagen stilhield, trad de waard naar buiten, nam met zijn groote, bruine, knokkelige hand eerbiedig de bonte muts af en groette den brouwer als een ouden bekende. Het was een forsch gebouwd man van een grof voorkomen, een verweerd, door de pokken geschonden gelaat, maar waarin een paar trouwe heldere oogen blonken, en aan houding en manieren was terstond de oudsoldenier te herkennen. Terwijl een knecht, die met de bloote voeten in grove holsblokken, de paarden op stal bracht, ging de waard het gezelschap naar de gelagkamer voor. Dit was een ruim, maar laag, donker geverfd vertrek, bevloerd met roode plavuizen, zóó zindelijk als waren zij pas geschrobd en in regelmatige figuren met wit zand bestrooid. Tegen de gekalkte muren, halverwege met hout beschoten, stond een groote spinde of spijskast en eenige bruine banken. Vóór den vooruitspringenden schouw was een zware langwerpige tafel, welke misschien een eeuw vroeger een ridderzaal had versierd, en waarop nu eenige pas geledigde grove kroezen, pimpels en glazen stonden, met de uitgebeten kringen van tallooze anderen er omheen. Op de glanzende vuurplaat bracht een knetterende vonkenspranke-lende takkebos het water in een ijzeren ketel aan de kook, waardoor het - een slaapzang scheen voor een mollige, zich bij het vuur koesterende poes. In een achterhoek van het vertrek, voerde een trap naar een opkamertje, waarvan de deur in „bibellettersquot; zoo als men dat noemde, hot opschrift droeg:
Die gecureerd wil wezen,
Kome hier en worde genezen.
Nevens dien trap stond de donker geverfde tapkast, waarin helder
geschuurde tinnon flapkannen, steonen kruiken en grof glaswerk. Tusschen die voorwerpen zat de baasinne, gelijk de waardin naar Vlaamschen trant, zich het liefst noemde, bezig met naaiwerk. Zij was een vrouw van middelbare jaren en, gelijk de brouwer in den wagen reeds verteld had, van aard kennelijk niet „van gisterenquot;, gewikst en duchtig bij de pinken. Zij was kloek maar welgevormd, wangen en voorhoofd waren gerimpeld en verweerd, de neus ietwat gebogen en sprekend, en de blauwe oogen door scherp geteekende wenkbrauwen overschaduwd. Er was iets in den opslag van dien doordringenden blik, wat Geekte meende wel eens meer te hebben gezien, zonder zich te herinneren wiiar en wanneer. De herbergierster scheen er op aangekleed om gezelschap te ontvangen. Zij droeg een donker pak en bouwen, een helder witte halskraag, korte mouwen, waaruit een paar bruine, sterk gespierde armen te voorschijn kwamen, een nette klapmuts, waaronder een zilveren oorband tegen een smalle donkere haarvlecht glansde. Toen de brouwer met belangstelling naar do oude moeder vroeg, werd hem geantwoord, dat de blinde vrouw dezer dagen „erg in de malingquot; was, wat hare dochter aan den overgang van het seizoen toeschreef. Doorgaans dommelde zij, doch wanneer zij, of haar man slechts fluisterend spraken, verstond zij alles en antwoordde zóó vaardig, dat ieder er verbaasd over was. In de laatste weken had zij weer menigeen met goeden raad geholpen, onder anderen een vrouw uit Laren, die geheel verlamd, op een kordewagen bij haar werd gebracht en die nu van haar dorp kwam voeteeren om het blinde besje persoonlijk te bedanken. De waard voegde er bij, dat hij het niet wagen zou, om deze wonderen, waarvoor het verstand der grootste geleerden stilstond, te verklaren, maar dat hij voor zich zelf overtuigd was, dat indien er door moeders mond geesten spraken, dit geen euvele, maar wel goede wezens waren, want zij was altijd een brave, zachtzinnige, godvreezende vrouw geweest. „Dat wist mijnheer de Drost ook wel, ging hij voort, die hier onlangs zelf kwam onderzoeken wat er van het gerucht waar was en bij zijn vertrek te kennen gaf, dat moeder gerust met genezen kon voortgaan, en dat hij haar tegen kwaadaardige tongen en smettenden laster in bescherming zou nemen.quot; Ik begreep wel, besloot de waard, „hoe die woorden zagen op den dominee van Hilversum, die reeds meer dan ééns in een predikatie schijnt te hebben gezegd, dat men eertijds de heksen, als vriendinnen des duivels, op den mutserd bracht, maar die satans-
113
boeleersters in deze verdorven tijden, door de groeten der aarde werden opgezocht en beschonken. Als het gezelschap soms moedor eens bezoeken wil, is daarvoor nu goede gelegenheid, maar zij is slapende. Veel menschen tegelijk zouden haar misschien met schrik doen ontwaken en daarom zal het beter wezen als de iieeren en juffers alleen ol in koppels wilden gaan.quot; Zoo geschiedde het dan ook, en de brouwer en Evert klommen het eerst de trap op. Het opkamertje was een kaal langwerpig vertrek, door een klein klapvenster maar weinig verlicht; te minder, daar de kleine op een appelhof uitziende ruitjes schier bedekt waren door de bladeren van een wijngaard. Wanneer de binnenkomende langzamerhand aan de groen getinte schemering gewend was, bemerkte hij pas hoe in een armstoel bij het raam een oude vrouw zat te sluimeren. Meer dan tachtig, dikwijls rampspoedige en meestal zorgvolle jaren, hadden rimpels go-trokken om mond en oogen en het voorhoofd diep gegroefd, maar toch waren er op het bleek gelaat nog sporen van een innemend uiterlijk op te merken, en te zien, hoe moeder en dochter op elkander geleken. Voorkomen en omgeving toonden, dat de oude moeder hier met liefde werd verzorgd en zekeren welstand genoot. De herbergierster verzocht nu fluisterend om den neusdoek van den brouwer en legde dien voorzichtig over de magere in den schoot gevouwen handen der slapende. Spoedig daarna begonnen zich hare lippen onverstaanbaar prevelende te bewegen. Het leek alsof zij de ooren spitste om te luisteren naar klanken in de verte wegstervende, en gestalten, aanschouwde, welke verdwenen als zij er de handen naar uitstrekte om ze te naderen. Toen dit eenige oogenblikken geduurd had, boog de dochter zich over de moeder heen en vroeg fluisterend: „moeder, kent ge die heeren?quot; Er volgde een oogenblik van stilte, waarin niets werd gehoord dan het sjilpen der vogels in den bogerd en het gonzen van een bromvlieg tegen de glasruiten. Het besje sluimerde bewegingloos voort; totdat na een pauze do bleeke lippen zich openden en zij zacht maar duidelijk verstaanbaar sprak met een blijmoedige uitdrukking op haar verouderd gelaat. „Of ik die hoeren kon? Ik ken zeeven goed als mijn eigen kinderen. Zij draagt mij op om u te zeggen, dat de nakomelingen van haar vriend aan Digna altijd dierbaar zullen blijven en zij zich verheugt in hun voorspoedquot;. Terwijl Evert verbaasd luisterde naar deze onverklaarbare openbaring van tastvermogen in het bovenzinlijke, gelijk Geerte dit genoemd had, ging de vrouw na een oogen-
Do Gouden Draad. y
114
blik met dezelfde toonlooze stem voort: „Fleer Nagtglas, met uw knecht blijft het goed gaan. Hij begint er weer kostelijk uit te zien en is nu bezig biertonnetjes te vullen, waarbij hij lustig zingt van „Margriet de schoone herderinquot;. Ook over uw bloemen hebt ge niet te klagen. Wat zijn dat mooie tulpen in uw tuin! Die admiraal van Duinkerken, waarvoor U nu niemand een Zeeuwschen rijksdaalder bieden zal, heeft U voor drie jaren toch een zoet sommetje opgebracht. Een zakje zesthalven voor zoo\'n klein bolletje, was toch nog al wel betaald.quot; De brouwer staarde met verwonderde oogen naar de vrouw, die hem dingen openbaarde, welke niemand weten kon. Zachtkens schoof zij den doek weg en haar dochter legde dien van Evert in de plaats. Na een oogenblik van stilte, fluisterde de oude: „Ge hebt ook geen reden lot klagen, manhafte luitenant! Zij houdt veel van U, en laat mij in oen spiegel zien, hoe ge in een breed water met de golven worstelt, en zij zegt me, dat de zeeman, die U vastgreep altijd uw vriend en beschermer blijven zal. Nu zie ik in den spiegel weer een ander kijkje. Het lijkt een schemerdonkere hut in een ver vreemd land, met een paar slaapbanken, waarop gij en uw broeder liggen te rusten. Ik hoor zoggen, dat ge tot uw geluk beiden naaide waarschuwing hebt geluisterd. Ik heb \'t —; maar wat de vrouw verder mompelde was niet verstaanbaar. Evert was stom van verbazing, en onlsleltenis stond op zijn gelaat te lezen. Hij had de nu binnenkomende Geerte en Aagt wel willen waarschuwen zich voor le bereiden om ernstige dingen te hooren, doch daartoe ontbrak de gelegenheid. Toen de zakdoek van Geerte op den schoot was gelegd, gleed er een blijde glimlach over het anders strak gelaat der oude vrouw en met opgewekter stem dan te voren, zeide zij: „Zoo, zie ik de zoete Geerteke ook eens bij mij.quot; Het meisje ontroerde, want met dien vertrouwlijken verkleinnaam, noemde haar nooit iemand anders dan haar lieve vader. „Zij zegt, vervolgde de blinde, dat ge haar dierbaar zijt; ook omdat ge zoo trouw zorgt voor uwen braven vader, wien ge niet lang geleden nog zulk een zwaar offer bracht.\'\' Hel meisje begon le beven en schrikte zóó, dat zij vreesde zich niet goed te zullen kunnen houden, en uit het diepst barer ziel ging tot God eene bede op tot hulp en steun! Alsof de vrouw het gevoelde, ging zij op een anderen loon voort: „Zijzegt, dat uw verloren gouden ring terug zal komen, en wel te Naarden zal gevonden worden. In haar spiegel, zie ik een boerenwoning bij een half bevroren stroom.
115
Vóór liet huis staat een huifkar met een mager wit paard en een paar limine vrouwen, er uitziende als ketelboeters of kermisvolk. Zij staan een klein goud voorwerp te bekijken, dat zij zooeven op dtn weg schijnen gevonden te hebben.quot; Na een kort oponthoud, vervolgde de zienster; „Nu ontwaar ik in den spiegel een herbergkamer, waar een der havelooze wijven van zoo even, aan een kort roodwangig vrouwtje een gouden ring schijnt te verkoopenquot; Weder volgde een pauze, waarna de blinde voortging. „Beiden die vrouwen zijn thans op de kermis te Naarden. De kleine met de roode koonen, staat in een rijfelaarskraam over de apotheek en ik zie den ring glinsteren aan haar middelsten vinger der linkerhand. Het wijf, dat haar het kleinood verkocht, is toevallig ook te Naarden en loopt met een beerenleider. Waarschijnlijk is de ring voor een redelijken prijs te koop, en mijne meesteres zou dien gaarne in uw bezit zien. Zij draagt mij ook op om haar lieve Geerteke te zeggen, goeden moed te houden en dat alles beter ■— veel beter, zal terechtkomen dan zich zij voorstelt, en dat — —, maar hier gingen de mededeelingen weer in een onverstaanbaar mompelen over. De oude vrouw scheen erg vermoeid te worden en toen de neusdoek van Geehte voor die van Aagt was verwisseld, duurde het geruimen tijd eer de lippen zich bewogen ; zoodat de dochter vroeg of moeder niets meer te zeggen had? Toen begon zij langzaam, maar op een droger en korter toon, „Juffrouw Nagtglas, U moogt wel eens naar den rug van uw zoontje laten zien, dien ik daar met de maagd langs de kermistenten zie drentelen. Het lieve ventje loopt krom en zou leelijk scheef kunnen groeien,quot; nu volgde weder een onverstaanbaar mompelen ; terwijl het hoofd van het blijkbaar uitgeputte besje op de borst zonk en zij nauwelijks scheen te bemerken, hoe de dochter haar voorzichtig en zacht in het kussen op den stoel goed lag. De vrouwen kwamen ontstemd beneden. Aagt met de betuiging, dat zij nooit meer iets te doen wilde hebben met deze spookachtige bovennatuurlijke dingen en Geerte door het gebeurde tot in het diepst van haar gemoed geschokt. Onderwijl had de herbergier voor zijne gasten een versnapering gereed gemaakt en de brouwer verzekerde, dat men nergens smakelijker dan in den Rooden Leeuw een zoogenoemd Prinsensóopje bereiden kon, dat bestond uit brandewijn, melk, eieren, honig en kaneel en waarvan de waard liet voorschrift nog van een heer van Brederode had meege-bracht, bij wien hij als onder-hofmeester diende. Onderwijl bleef de
herbergierster nog wat bij het gezelschap keuvelen, en toen zij toevallig het oog richte op Geerte, herinnerde deze zich terstond den oogopslag van de droomgestalte, aan wie zij ook in vorm, hoewel grooter en grover, denken deed. Toen zij dit aan Evert mededeelde, had deze reeds dezelfde opmerking gemaakt. Onderwijl verhaalde de vrouw, hoe moeder, zoolang als zij heugenis had, aan zulke vlagen van bewusteloosheid, en „van in en uilpratenquot; onderhevig was geweest, maar dat zij pas sinds een tiental jaren ontdekt hadden, dergelijke openbaringen te verstaan en als geneeskrachten aan te wenden. Zij had wel eens vernomen, dat baar grootmoeder dezelfde vizioenen had, en toen zij te Zierikzee onder de grooten diende, allerlei zins-verrukkingen bad en bovenaardsche woorden vernam, welke zij nauwelijks dorst na to spreken. Die grootmoeder, een braaf eenvoudig vrouwtje, had de predikanten gesmeekt om den geest uit te werpen; doch de pogingen waren niet geslaagd. Moeders grootmoedei was in de vorige eeuw te Veere gevat en als tooverheks treurig aan haar einde geraakt. De waardin had wel eens hooren vertellen, dat die wonderbare waarzeggerij in de familie was gekomen door een Zeemeermin voor onheugelijke Jaren bij Westen Schouwen gevangen; in Noord-Beveland opgekweekt en die daar zelfs was gehuwd en lt;gt;611 dochter, had gekregen. De waard kwam onder dit gesprek binnen met de boodschap dat moeder ontwaakt was en zich, gelijk altijd, niets herinnerde. Hij had den naam genoemd van den brouwer, waarop zij zeide zeer vereerd te zullen wezen met een bezoek, daar zij dien heer maar weinig kende. De gasten gingen dus nog even naar hoven, waar zij de blinde als een beschroomde boerin aantroffen, die op hun vragen slechts bedremmeld antwoordde.
Hij het terugrijden naar Naarden, was natuurlijk de vreemde ontmoeting bet onderwerp des gespreks. Gerrit schoot los, gelijk zijne vrouw lachend opmerkte, want even als zij in de Spanjolen, had hij bet bovennatuurlijke tot stokpaardje, waarop bij, vooral wanneer oom Jacob te Naarden logeerde, lustig kon door draven. Tot laai in den avond redekavelden zij dan over zielsverhuizing, dubbelzicht, zinsvermkking en dergelijke vraagstukken, welke de nuchtere Aagt bij een gerecht kreeften vergeleek, waaraan men lang kon knabbelen en zelfs de tanden stomp bijten, maar waaruit weinig voedsel was te halen. De mededeelingen der waardin over bare grootmoeder, brachten het gesprek ook op het boek van doctor Joannes Wier, waarvan Gerrit
117
onlangs door oom do Fransche vertaling van Simon Gollahd l,c lezen kreeg. Hij verheugde zich hartelijk dat de schandelijke heksenvervolging ook in het buitenland, meer en meer in onbruik was gekomen eu hoopte dat de mede door Wier afgekeurde bekentenissen op de pijnbank denzelfden weg zouden gaan; doch dat het vuur der vervolging nog smeulde, was uit de mededeelingen der herbergierster op te maken. Hoe er onverklaarbare krachten inwerken op den menschelijken geest, hadden zijdezen middag nog ervaren, maar het had tocli des brouwers aandacht getrokken, hoe door die droombeelden of visioenen meestal slechts betrekkelijke kleinigheden werden opgehelderd, maar de groote levensvragen onbeantwoord bleven. Evert beweerde dat liij geenzins bijgeloovig was en zich niet door ravengekraai of hondengehuil liet verschalken, maar toch in Vlissingen en in Indië dingen had ondervonden, waarvoor het verstand stil stond. Geerte was sterk onder den indruk van het gebeurde, waarbij haar hartsgeheim was besproken. Haar vader, zeide zij in den loop van het gesprek, keurde het af, dat sommige menschen, die zich nog wel vrijzinnigen bij uitnemendheid noemden, al het onverklaarbare, eenvoudig naar het rijk der leugenen verwezen; alsof het beperkt menschelijk kenvermogen niet stilstond voor de verklaring der meeste natuurverschijnsels, welke, naar hij vast geloofde, bij den vooruitgang der wetenschap gaandeweg zouden worden verklaard, zooals de beweging der aarde om de zon, lang ontkend, thans bijna zonder uitzondering door denkende mannen werd aangenomenquot;. De gastvrouw nam weinig deel aan het gesprek; maar dacht onderwijl hoe zij den mg van haar Gornelis eens door den vermaarden dokter Tulp te Amsterdam sekuur zou doen onderzoeken. Zij had die vergroeing ook al meenen op te merken, maar was niet te min, het blinde besje toch dankbaar voor den goeden raad, en stelde zich voor, om haar man over te halen bij de eerste bezending bier naar den Rooden Leeuw, een extra tonnetje uit patersvaatje als een erkentenis voor de moeder te voegen. De stad binnenrijdende hadden zij gezien, hoe er over Tijmon Schrieck den apotheker, werkelijk een rijfelaarskraampje stond, doch het zeil was reeds neergelaten; zoodat het onderzoek tot morgen moest worden uitgesteld. Onder bovengenoemde gesprekken en het gebruik van „het geschoteldequot; van dien middag, met toevoeging van een schaal koude rijst-en-brij, werd de dag gezellig besloten.
118
Den volgenden morgen kwam de kermis in fleur en werd het stille stadje wei tienmaal levendiger dan gewoonlijk, zoodat het leek alsof al de dorpen van Gooiland hun bewoners in Naarden hadden uitgeschud. Op de straten wemelde liet van pretzoekende, joedelende en doedelende burgers en boeren, wier aandacht bezig werd gehouden door kramen, waarin wollen- en linnenstoffen, lakens, ijzerwerk, zoete koek, Friesche wafels, Hollandsche lamsooren en Zeeuwsche reuzel-bollen werden verkocht. Hier en daar waren op de hoeken der straten tenten met zoogenoemde schavotten opgeslagen, waarop Hansworst, Jan Potagie en Pekelharing, onder tromgeroffel en trompet geschetter, hun potsen vertoonden, of met schorre stemmen zoutelooze grollen aan de ginnegappende en schaterende kijkers toeschreeuwden. Wat verder brachten kwakzalvers hun medicijnen tegen allerlei kwalen aan den man, en poogde een kiezentrekker met handen en tong aan de omstanders zijn vaardigheid te betuigen. Er wandelde ook een zoogenoemden Heiden of Zigeuner rond met een afgeleefden, kaal geworden beer aan een ketting, gevolgd door een opgetooid wijf, dat, als de beer danste, op een tamboerijn sloeg, en nu en dan in de tusschen-poozen uit de handlijnen aan burgers en boeren de toekomst voorspelde. Evert en zijn zuster waren reeds tijdig bij de rijfelkraam, waar schotels, koppen, lepels, messen en dergelijke kleinigheden, op een draaibord werden verloot. De kraam was echter door de vele gelukzoekende spelers moeilijk te naderen, doch Geerte zag terstond, hoe een kort gezet vrouwtje, achter den toonbank druk bezig, een gouden ring aan de linkerhand droeg. Des middags bij het kennis-maal, zijnde een gebraden runderhaas in een krans van grauwe erwten en later een taart van amandelen met rozenwater, werd de zaak besproken, en overeengekomen, dat de brouwer, zijn vrouws-oom, die Schout of Stedehouder van den Baljuw was, zou verzoeken tus-schen beiden te komen. Zóó gezegd, zóó gedaan, en de gastheer kwam met de boodschap terug, hoe hij den Schout nauwkeurig had ingelicht en de oude lieer zijn hulp had toegezegd; wat te gemakkelijker geschieden kon, daar rijfelen, loten en allerlei hazardspelen eigenlijk verboden waren en slechts bij oogluiking werden toegelaten. De praktische magistraat stelde zich van dit onderzoek echter niet veel voor, want in zijn oog waren, gelijk hij zeide, de grollen van het oude wijf te Bussum, niets meer dan bespottelijk boerenbedrog ; doch om zijn familie te verplichten, zou hij er terstond een paar
119
rakkers op afzenden. Des avonds scheen de oude heer minder vast op zijn stuk te staan, toen hij zelf den door allen terstond herkenden ring terug kwam brengen, welke voor een redelijken prijs was terug gekocht. Hij had het „frommes van den beerquot;, gelijk de straatjeugd haar noemde, ook ontboden, en op het stadhuis van haar vernomen, dat het vinden zicii werkelijk had toegedragen, gelijk neef hem liad Ingelicht. Oom was echter daarom nog niet af te brengen van de meening, dat de goê-gemeente in de herberg te Bussuin deerlijk werd verlakt, en die waard en waardin lagen misschien met liet kermisvolk, om zoo te zeggen, onder één deken. Hij kende sedert jaren zoowel land-loopers als tooverbeksen ; en quot;l was al dieven en diefjesmaat. Gerrit liet den ongebuwden en welgestelden grijsaard, die in de familie ontzien werd, maar stillekens grommen, en verheugde zich met nicht Gekrte, dat hot kleinood, waarschijnlijk verloren, toen het meisje van het ijs naaide hofstede werd gedragen, zoo wonderbaarlijk terecht was gekomen. Aagt kon dat genoegen nauwlijks begrijpen en vond dat er van dat onbeduidende ding veel te veel drukte werd gemaakt. Wanneer Geerte eerder van baar verlies had gekikt, zou zij, wat haar betrof, een gelijksoortigen ring hebben kunnen krijgen, die met ander klein goudwerk uit vaders boedel afkomstig, boven in de linnenkast lag.
Toen die ring werd gehaald, bleek hij dan ook volkomen gelijk; zoowel met dien van Geerte, als met het sieraad, dat Evert op zijn veertienden verjaardag van moeie Gerbrands gekregen bad. Gerrit had dat kleinood nog nimmer nauwkeurig bekeken, en vond de spreuk: „ Deught verwint alquot;, zóó aantrekkelijk, dat hij besloot, deze als devies te nemen, onder zijn tot familiewapen vervomid schepenszegel. Over die pas opgekomen begeerte, sprak hij dien avond met zijne scherpzinnige nicht, die, zoo als hij gekscherend zeide, van alles en dus ook van dergelijke dingen wel verstand zou hebben. Inderdaad had zij haar vader en een zijner vrienden, een kunstschilder, wel eens over wapenkunde booren spreken; wat destijds aan de orde was, daar de rijk geworden kooplieden, ook in blazoenen niet voor den adel wilden onderdoen. Zij kon dus haar neef aanraden om de zespuntige zilveren ster, reeds door grootvader te Amsterdam als zegel gebezigd, boven het azuren schild te plaatsen, waarin de zandlooper of het nachtglas stond; welk wapen dan door kleur en figuren zinspeelde op de plicht: om bestendig (azuur) te streven, van het tijdelijke (de zandlooper) naar het hoogere (de ster). Zij had den wapenkundigen vriend hooren
120
zegyen, hoe liet tegenwoordig gebruikelijk was om de deviezen of onderschriften in de taai der geleerden of het latijn, te plaatsen en naar hel haar toescheen zou de spreuk: „Virtus ahimi superat omniaquot; hier goed passen. Dat een welopgevoede jonge juffer in die dagen meer of min latijn kende, was volstrekt niet zeldzaam. Neef tieruit zon dan achter die spreuk, het jaartal 1030 kunnen plaatsen, als herinnering aan den tijd, toen een loot van den ouden stam naar Naarden werd overgeplant. Dit werd zóó vastgesteld, en in de volgende week, werd de bekwame verwer Aaht Aahtsen (Ruijsdaal). die in Naarden een winkel had, opgedragen om het op een houten bord te schilderen. Dit werkstuk heeft bijna anderhalve eeuw in den voorgang van het huis te Naarden gehangen. In den omwentelingstijd van het einde der achttiende eeuw, werd het vernietigd; doch een schets op papier bleef bewaard, waarnaar in 184G een nieuw bord is gemaald.
De schaduw op den vergulden zonnewijzer in den tuin van den brouwer wees negen uur, toen broeder en zuster door neef Gehhit vergezeld, naar de veerschuit wandelden en tot Muiden plaats namen. Er waren veel passagiers aan boord en daaronder niet weinigen, aan wier lodderige oogen het te zien was, dat zij den nacht meer aan Bacchus dan aan Morpheus hadden gewijd. Van overweldigenden slaap, scheen tusschen deze knikkebollende gasten, geen last te hebben, een in brillen handelenden Italiaan, die met zijn marsje naar Amsterdam terugkeerde; want de zwarte oogen van het kleine bruine kereltje glinsterden als gitten. Met een komiek gezicht, begon hij in gebroken Hollandsch allerlei grollen te vertellen en toen de leepert merkte, dat men naar hem luisterde, stelde hij voor, dat ieder van het gezelschap vier duiten zou geven, waarvoor hij zich verbond, om zoo lang als de vaart duurde, de reisgenooten met grappige vertelsels bezig te houden. Geerïe vreesde, dat het soms wonderlijk boerten wezen zou; doch het kereltje verzekerde aan Evert, dat hij niets verhalen wilde, wat eene zoete juffer niet hooren mocht. Hij begon met te zeggen, hoe hij lezen noch schrijven kon en dus niets uit boeken ontleende, maar alleen meedeelde, wat hij in zijn jonge jaren te Napels en elders in Italië had gehoord. Eerst begon hij te verhalen van zijn eigen leven en hoe hij van jongs af door vele landen had rond gezworven en daar geslepenheid en wereldkennis had opgedaan en zoo kwam hij gaande weg op eene vertelling, welke hij zoo onder-
houdend en levendig wist voor Ie dragen, dal zelfs de slaperigsten der aanwezigen hem aandachtig volgden. „Lang geleden, zoo begon hij het eerste verhaalquot;, in den lijd loen de dieren nog praten konden, of beter gezegd, door de mensehen verstaan werden, welke kunst gelukkig is verloren gegaan, want dan zou de wereld nog verwarder wezen dan tegenwoordig. In die dagen dan had sinjeur Reinlje de Vos in hel bosch een muilezel gezien en was zóó verbaasd over het vreemde, onnatuurlijke beest, dal hij die ontmoeting terstond vertellen ging aan zijn vriend Bruin of de beer. Toen deze meeging om te kijken en zij samen bij het muildier kwamen, vroegen zij den naam; waarop de ezel antwoordde, hoe hij te vergeefs beproefd had om dien te onthouden, maar dat een vriend dien achter zijn rechter-achterpoot geschreven had. Bruin zei, dat hij helaas, niet kon lezen, en droeg Reintje het onderzoek op. Ue ezel trok zijn poot hoog op en de vos zag onder den hoef werkelijk enkele, op letters gelijkende trekken staan; echter zóó onduidelijk, dat hij scherp turen moest. Toen strekte de ezel onverwacht de poot uit en vriend Rein kreeg zulk een klap, dat hij jankend achterover tuimelde. De oude Bruin, die zijn slimme kameraad nu eens leelijk had beet gehad, merkte op, dat het toch maar gelukkig was als men niet lezen kon; doch dat was maar domme beerenpraat, zoo eindigde de Italiaan, maar het geval zou nooit gebeurd zijn en de vos vier stevige tanden in zijn mond hebben gehouden, indien hij een bril had opgezet van Joseph Chispiani uit Venetië, met de klaarste glazen van de wereld, waarmee een mensch met gezonde oogen wel, op een afstand van zes voeten, de kleinste letter onderscheiden kon.quot; Eigenlijk, zoo besloot de leepe koopman, verkocht hij de brillen uit zuivere menschlievendheid; want het mocht immers wel niemendal worden genoemd, als een mensch zijn kostelijk leven voor vier schellingen bewaren en behouden kon; dat licht eigenlijk leven was, had de groote filosoof Plato reeds voor eeuwen geleerd. De onderhandelingen over deze wonderbrillen, welke enkele der aanwezigen goed aanstonden, waren nog niet afgeioopen, toen de schorre stem van den schipper kwam waarschuwen, dat de schuit te Muiden aan den wal lag. Broeder en zuster stapten uit en wandelden het stadje in ; \'t welk er veel vroolijker dan Naai den uitzag. Do nette huizen, met spitse trapgevels en schelgekleurde luiken en luifels, spiegelden zich in de breede, zacht naar zee stroomende Vecht, nu verlevendigd door een aantal tjalken, turfschepen vischschuiten en pramen. Van de zoogenoemde Hoeren-
gracht had men hier on daar het uitzicht in smalle straten, waarin niet onaanzienlijke woningen getuigden van een welvarende burgerij. Aan het einde der stad verhieven zich de hooge, zware torens van het eerwaardig slot, als een reus onder dwergen uitstekend boven de lage woningen. De beide wandelaars, den weg wetende, lieten den ijzeren klopper vallen tegen een achterpoortje van het zoogenoemde „hooge huisquot;, dat gemakkelijk toegang verleende tot de woonvertrekken, daar de stevige, met driedubbel ijzer beslagen voorpoort slechts zelden werd geopend. Een bejaarde dienstbode ontsloot het smalle deurtje en verwelkomde broeder en zuster als oude bekenden. Zij ging op haar slippers de gasten schier onhoorbaar voor, door een breeden, gewelfden, met plavuizen bevloerden schemerdonkeren gang langs een vrij ruim binnenplein voerende naar een voorhuis, waar een steenen galerij toegang verleende naar de woonvertrekken en ook tot de kamer waar de Drost werkte, wanneer hij niet het bekende torenkamertje bezigde. De kamer waar hij nu zat, was ruim, gewelfd en verlicht door vier groote kruisramen, waaruit men een verrukkelijk vergezicht had.
Stil en statig vloeide de rivier langs het oude gebouw, naar de Zuiderzee, waarvan de onafzienbare watervlakte, glinsterend en flikkerend in den zonneschijn, door vaartuigen van allerlei grootte en soort doorkruist werd, en waarvan de zacht schuimende golven als een witte rand op den vlakken, groenen oever wegvloeiden. Aan de linkerzijde lagen de dijken van Waterland, waarachter uit boomgroepen, enkele kerktorens staken; terwijl die van Amsterdam door den grauwen nevel welke over die stad hing, nauwlijks zichtbaar waren. Rechts vertoonden zich, over de frissche weiden van Gooi en Eemland, in de verte de dichtbegroeide heuvelen der Veluwe. Uit de vensters aan den overkant, had men vóór zich een golvende vlakte als een gebloemd veelkleurig tapijt; afgewisseld door de donkere heide, de bosschen van Hilversum en Maartensdijk en den domtoren van Utrecht, schemerend aan de kim. De vloer van de kamer was van grauwe en witte marmersteen; doch voor deuren en vensters, en onder de zware, met boeken en papieren beladen tafel, lagen fijn gevlochten moscovische matten. De wit gekalkte muren waren schier verborgen achter open kasten, gevuld met boeken van allerlei formaat; doch meest deftige, in leer en perkament gebonden folianten of stevige kwartijnen. Tusschen de vensters hingen twee kleine Venetiaansche spiegeltjes, in kunstig gesneden houten lijsten. Over die boekenkasten,
was de schoorsteen zóó ruim en groot, dat liij dagelijks met stroo-wisschen kon worden gereinigd. Op den breeden schouwmantel stonden enkele kostbare Oost-Indische schotels uitgestald, en daarachter hing in een breede lijst een paneel, bruin van ouderdom, waarop een ii) rood gekleeden ridder was afgebeeld, met een uitgetogen slagzwaard m de hand, gezeten op oen steigerenden strijdhengst. Volgens overlevering, stelde die „roode manquot;, gelijk hij door de slotbewoners genoemd werd, een der graven van Holland voor, wat echter uit het schier weggesleten opschrift niet te lozen was. Aan een tafeltje voor een der vensters, waarop een paar glazen bekers en roemers stonden, nevens een kistje mot stalen graveerijzers, zat een deftige juffer van middelbare jaren, stemmig, maar degelijk gekleed. Zij was van ranke gestalte, had fijne, edele gelaatstrekken en een lovendigon opslag van een paar heldere geestige oogon, waarin zoowel guitige schalksheid als diepe levensernst waren te lozen. Zij had oen graveerijzer in de hand en zag met voldoening naar een pas voltooiden glazen beker. Aan de eone zijde had zij daarop een zon gesneden, met de spreuk „Omnibus idemquot; en aan den anderen kant: drie lelien en de woorden: Par la grace de Dieu; zijnde de deviezen van den slotvoogd en zijne echtgenoote, hare goedgunstige vrienden; want deze kunstenares was de rijkbogaafde weduwe van Allard Grombalch, de „deugdrijke en allerliefste Tesseltjequot;, gelijk Hooft en van Baeule haar noemden, en een der sieraden van den wijdvermaarden Muiderkring. In een grooten, met donker leer bekleeden armstoel, zat, aan de genoemde middentafel, een deftig man van naar het scheen omstreeks de zestig jaren, te schrijven. Zijn scherpzinnig gelaat, doordringende oogen en geheel zijn voorkomen teekenden den aanzienlijken, fijnbeschaafdon man. Hij droeg een eenvoudigen grauwen tabberd, vilten slippers aan de voeten en een zwart fluweelen kapje op de grijzende lokken. Het adres op een breed gevouwen brief, dien hij pas had gelezen, wees hem aan als: Do Edele, Ernstfoste, Hooggeloordo, Wijze, Voorzienige ridder Pieter Gornelisz. Hooft, Baljuw van Gooiland, Hoofdschout van Woesp, Drost van Muiden, enz. Hooger dan deze titels werd door hem echter de onderscheiding geacht van bekend te zijn als het „Doorluchtig Hoofd der Hollandsche poëtenquot;. Toen de bedaagde maagd do gasten had aangediend, logde de Drost terstond de zwanenschacht op den, vóór hem staanden zwaron tinnen inktkoker, stond op en trad neef en nicht met een beleefden groot, besloten mot een vriondelijken handdruk, te
gemoet, waarna hij zijne zoete nicht Geekte met oen kus op het voorhoofd welkom heette. Evert begon met neef plichtmatig te bedanken voor de gunstvaardigheid, waarmede hij zijne aanstelling had verhaast, waarop de Drost op den zachten, eenigszins afgemeten toon, dien hij zich had aangewend, naar gezegd werd, om zekere schuchterheid te overwinnen, antwoordde, hoe hij gaarne genegenheid voor zijne verwanten toonde, en te liever, naarmate zij die gunst waardig waren, zoo als hier het geval was; gelijk zijn vriend do Gouverneur van Diemen hem had geschreven. Juffrouw Ghombalch verwelkomde de binnentredenden als oude bekende buurkinderen, want vader Roemer had ook op don Singel in het huis „De Kreeftquot; gewoond. Do vriendschap was altijd aangehouden on juffrouw Tesselschade had nog niet lang geleden aan Geertrui op haar twintigsten verjaardag, of duizendsten week-dag, gelijk zij schreef, oen kelk geschonken, waarop zij geëtst had: Quieto fuor, Gommoto dentro (van buiten stil, van binnen in beweging), oen spreuk, zoowel passende op een afgebeeld zakuurwerk, als op hot eenvoudige meisje; afkeerig van lof en aanzien, doch begiftigd met een zóó rijk besnaard gemoed, dat zij niet alleen een kostelijk en bekwaam huishoudstertje voor haren bojaarden vader was; maar bovendien in vrije uren met lust en vernuft, talen en letteren beoefende, en in fraaie handwerken ongemeen ervaren. Na de eerste plichtplegingen, waaraan de hoflijke Drost méér hechtte dan hij wel dood voorkomen, werd het gesprek op dagelijksche dingen gebracht, en moest Evert een en ander vertollen van het land „waar do peper groeitquot;. Neef Hooft luisterde blijkbaar met aandacht en gaf nu en dan door een knikje of kort woord zijn ingenomenheid te kennen. Do wijze en vernuftige Drost was altijd ongezocht do éérste in oen gezelschap, waar ook altijd tegen don beroemden man hoog werd opgezien. De eenvoudige vader Nagtglas, die den ridder wegens geleerdheid en karakter vereerde, sprak echter in den huiselijken kring met een glimlachje, over hoof(t)sche manieren en hoof(t)scho deftigheid, waarbij men zich soms in Spanje zoude wanen en vergeten, dat wij Amsterdammers toch eigenlijk van afkomst maar een volkje van schippers en boeren waren. Moer dan ééns had do slotvoogd er op aangedrongen, dat neef Jacob hem op het hooge huis lo Muidon zou komen bezoeken en zoo nader kennis maken met Cats, van Baerle en andere bekende letterhelden; doch de Amsterdamsche brouwer, „oen zachtgangerquot;, zooals Hooft mot spoelsch vernuft zoide, was daartoe niet te bewegen geweest.
Hij beweerde, volstrekt niet te passen in een kring van dergelijke hoogvliegende geesten. Ook Geertk zeide, zich weinig te huis te gevoelen in zulk aanzienlijk en uitgezocht gezelschap, en wanneer zij om haar vader te behagen op den clavesimbel speelde en hare innigste gedachten vertolkte in welluidende tonen, zou zij die melodien niet gaarne herhaald hebben in tegenwoordigheid van zulke vorstinnen in de kunst, als Tessel-schade en Druarti:, die, gelijk hun bewonderaar Hooft beweerde, orgeltjes in de keel hadden en als nachtegalen zongen. Het gesprek werd gestoord door het luiden eener bel, om te waarschuwen dat het middagmaal opgezet was, waarheen de Drost, juffrouw Crombalch opleidde. De eetzaal was een ruim vertrek, behangen met Atrechtsch tapijtwerk. Op een groot dressoir over de vensters, stond zilver en glaswerk uitgestald en schalen met vruchten en confituren gereed. De zorgende huisvrouw, de goede genius van \'t kasteel; zooals Hooft haar terecht noemde, wachtte hier hare gasten op. Het was eene achtbare dame, met een statig voorkomen en een welgevuld, goedmoedig gelaat. Zij droeg een eenvoudig gewaad van degelijke zwarte stof, een groote kraag van het fijnste kamerdoek, kunstig geplooid in nevens elkander geschikte buizen en een hagelwit net mutsje, waaronder een strookje glad gestreken, reeds grijzende haren te zien waren. Behalve de genoemden, waren er ook nog enkele andere gasten, die van de onbekrompen gastvrijheid op het slot gebruik maakten. Nadat het gezelschap aan de groote tafel plaats had genomen, werd nevens den, aan het boveneinde gezeten Drost, een lessenaar geplaatst, waarop lag een in donker marok-leer gebonden kwarto-bijbel, met. zilver beslag en sloten versierd. Staande en met indrukwekkende stem, las de gastheer een hoofdstuk voor, dat ook door de Roomschgezinden onder de aanwezigen aangehoord en mot een bekend formuliergebed besloten werd. De huisheer was zóó gewoon om zelf voor te gaan, dat zelfs de tegenwoordigheid van een predikant daarin geen verandeiing bracht. Dit was dien middag ook het geval, daar de jonge dominee Gerardus Havicius door zijn huwelijk met juffrouw Haegen een neef van Hooft en later een zwager van Gerrit Nagtglas, op het Hooge Huis ter maaltijd was genoodigd. Op den disch, waarbij het oud Vaderlandsche tin meer en meer plaats begon te maken voor nieuwmodisch porcelein, prijkte een reusachtige ossenrib en een schaal met grauwe erwten ; vervolgens werd opgezet kalfsschinkel met groen kruid en daarna hutspot, met roode en geele wortelen; een gerecht maar
12G
zelden bij het noenmaal ontbrekende. Onder het eten werd het oude spreekwoord toegepast, dat muizende katjes niet miauwen; docli de longen geraakten los, toen de nadisch was opgezet en de dienstboden vertrokken waren. Er kwamen nu op tafel een marmelade van kweeperen, waarvoor de gastvrouw beroemd was, verschillende confituren, geurige aardbeziën en versch geplukte aalbessen. De bierkannen waren weggenomen en er werd roode wijn rondgediend. Aan het levendiger wordende gesprek was het spoedig te merken, hoe de gastheer en zijn lieve Tesseltje geen alledaagsche menschen waren; maar door rijpheid van oordeel, scherpte van zinnen en klem van heugenis, boeiend, met speelsch vernuft en schalksche plagerij wisten to kortswijlen; wat nog meer uitgekomen zou zijn, als de bekende secretaris van Amsterdam Daniel Mosteut, altijd overvloeiende van geestige scherts en door Hooft de „saus van ieder goed gezelschapquot; genoemd, zich dien middag niet had laten wachten. Evert zag niet zonder inwendig genoegen, hoe zijn dierbaar zusje, dat zich bescheiden op den achtergrond hield, als \'t pas gaf, zóó snedig wist te antwoorden^ dat de gastheer door een goedkeurend knikje telkens zijne voldoening te kennen gaf. Het gesprek kwam op de genezingen, door de blinde vrouw te Bussum verricht, en Evert nam de gelegenheid waar om te zeggen, hoe hij den Drost had hooren prijzen, wegens diens verdraagzaamheid tegen die zoogenoemde tooverkol. Ue jongman verhaalde daarop wat hem dezer dagen overkomen was, waarnaar de gastheer met belangstelling luisterde. Terwijl een fijn glimlachje om zijn lippen speelde en hij zich met de welgevormde hand over den baard streek, merkte hij op, hoe neef den lof dezer tolerantie zeker niet van den Hilversumschen dominee had vernomen, die onlangs in een predikatie zou hebben gezegd, dat zoo hij op den stoel der heerschappij zat, dergelijke Belïals-kinderen den brandstapel niet ontgaan zouden. „Dien bloed-dorstigen herder, ging de Drost met eenige warmte voort „ontbreekt het, helaas, niet aan schapen, die zijn spoor gaarne zouden volgen ; want nooit handelde iemand zóó slecht, of er waren anderen die hem loofden ; zooals er ook geen mensch zóó eerlijk leeft, of sommigen belasteren zijn goeden naam. Wat echter het volk ook klappeien mocht, en kwawetteren,quot; zoo besloot hij, „de Baljuw van Gooiland zal die blinde oude stumperd de hand boven het hoofd houden, en tegen geen gewaande heksen procedeeren. Het is mijn leer, dat ieder van wonderen en mirakelen voor waar mag houden, zooveel als hij
verkiest on ik bon warsch van olke vervolging om der conscientio-wil.quot; En hierbij kook hij met een schalksch glimlachje zijne vriendin Tesselschade aan, die het begreep en wie een nauw merkbaar blosje even de wangen kleurde. „Maar ik heb het oordeel van mijn zoet nichtje over deze dingen nog niet vernomen, ging Hooft voort, zich tot Geerte richtende. „Neef is wel beleefd,quot; antwoordde het meisje zedig, „om naar mijn weinigbeduidend bedunken te vragen; doch toen neef daar sprak, kwam mij te binnen, wat ik onlangs met vader las in een tooneelspel van een Engelsch poëet, waarin een der hoofdpersonen, een prins van Denemarken, betuigt, „dat er méér dingen tusschen hemel en aarde zijn, dan onze wijsbegeerte zich droomen kanwelk woord op het eergisteren bijgewoonde, wellicht ook van toepassing zou kunnen wezen. Zoudt U dat ook niet denken, neef?quot; „Handig en vaardig, Geertelief,quot; zei de Drost met een goedkeurend knikje, „en ik speur tegelijk, hoe mijn lief nichtje op de hoogte blijft der buitenlandsche poëten.quot; „Maar Drost,quot; viel Tesselschade in; terwijl in haar scherpzinnige trekken te lezen stond, hoe zij het tikje van daareven terug wilde geven, „mag ik zoo vrij zijn u te herinneren, dat ge ons nog schuldig zijl gebleven de verklaring van het herstel van uw kreupel paard?quot; „Ge vergt véél, deugdrijke vriendin,quot; antwoordde de gastheer, „want ik kan het gebeurde wel vertellen, maar niet ophelderen; doch wie zou niet trachten te voldoen aan een verzoek van juffrouw Grombalgh. Do vrienden moeten dan weten, hoe mijn beste paard, een vlugge vos, den rechtervoorpoot had verstuikt, en reeds menige smid had door smeersels en zwachtels te vergeefs beproefd om het arme dier te genezen. De koetsier, oude Teunis, was buiten mijn weten, met een vlok haar uit den staart, naar Bussum gekuierd en had daar aan \'t zoogenoemde „wijze wijfquot; raad doen vragen. Naar hij vertelde, was het antwoord, dat zij het dier moesten brengen naar een dorp in het Sticht (van Utrecht), dat, volgens haar beschrijving, daar zij den naam niet kende. Westbroek moest wezen. Daar woonde een molenaar, die de kunst verstond om het dier te genezen. „Daar ik destijds, ging de Drost voort, in Amsterdam vertoefde, ging Teunis, altijd buiten mij om,quot; en weder ging een schalksche blik naar Tesselschade, „tot den aangewezen persoon. Nadat, gelijk de koetsier vertelde, de molenaar het kreupele paard had bekeken, betast en bestreken, onder het prevelen van onverstaanbare woorden, was de vos
128
volkomen hersteld, zoodat hij lustig en lenig naar huis draafde. Ik kan,quot; zoo besloot de gastheer, „dit raadsel niet oplossen, maar we zullen het eens in onzen kring ter sprake brengen, om het oordeel te vernemen van onzen hooggeleerden vriend Gerardus Vossius, in wiens hoofd alles bewaard wordt wat in boeken staat, over het zonderling geval van zijn naamgenoot.quot; „Misschien blijkt dan wel,quot; liet Tesselschade er glimlachend op volgen, „hoe het geloof aan wonderen, zóó innig is verbonden met de menschelijke natuur, dat geen redenering het ooit zal kunnen uitwisschen. Wij wandelen hier overal in raadselen, on ik denk wel eens, hoe in een handvol aarde en in een druppel water, een onnoemlijk aantal, voor den mensch nog onverklaarbare geheimen schuilen.quot; Dat is een onderwerp om lang over te redekavelen,quot; antwoordde de Drost, „en nu niet te beginnen; waarom ik de vrienden in bedenking wilde geven, om het tot latei1 te bewaren, en liever eens te luisteren naar het lied, dat onze talentvolle vriendin ons misschien wel eens zal willen voorzingen.quot; De gasten stonden op en de gastheer sprak een dankgebed uit, waarna het gezelschap zich naar een aangrenzende kamer begaf, waar de clavesimbel stond en guitaren en een viool de gambe bewaard werden. Tesselschade handhaafde haar roem; vooral in haar vermaard liedje van don nachtegaal met harmonieuse variatiën. De Drost, hoewel als altijd, door zijn kunstrijke vriendin bekoord, prees echter vooral de zedige en uitnemende manier, waarop de jonge nicht Geerte het onnavolgbaar gezongen lied op het instrument had begeleid. Na eene wandeling in den kasteel-tuin, waar schoone bloemen in regelmatige, kleurige perken gebloeid hadden en pedestallen met beelden aan de oudheid ontleend, het oog boeiden, keerde het gezelschap door een lauwerhot van latwerken naar huis terug, na alvorens van een begroeiden knnst-heuvel, de zon tusschen wolken van violet, purper, geel en rozenrood aan den westerkim prachtig te hebben zien wegzinken. Spoedig kwam nu de tijd voor den avonddisch, gekenmerkt door verscheidenheid van spijzen; doch waarbij eenige zeldzaam groote mooten zalm den hoofdschotel vulden en door hun schoon rood, dat het groen der pieterselie helder deed uitkomen, ook het oog verrukten. Dit gerecht zou bij hot noenmaal zijn opgezet, indien de schipper de visch niet te laat had bezorgd; doch de slotvoogd meende, dat het nu ook wel smaken zou. De witte muskadel, waarmede de Drost de gezondheid zijnor gaston dronk, deed in keurigheid voor de spijzen niet onder. Het gezelschap
bleef zóó lung en zóó gezellig keuvelen, dat Evert niet schrik op tie hangklok ontwaarde, hoe de laatste schuit slechts met moeite, zon kunnen worden gehaald. De Drost schafte raad, door in allerijl een knecht naar den schipper te zenden, met de boodschap om op de passagiers uit het slot te wachten. Broeder en zuster namen nu haastig oorlof en kwamen nog tijdig aan de schuit en met deze aan de reeds gesloten Mniderpoort, om door het klinket in de stad te worden gelaten. Te huis wachtte hen vader, die met belangstelling luisterde naar het verhaal der vriendelijke ontvangst en verdere ontmoetingen.
Enkele dagen na do terugkomst uit Naarden kon Evert nog van vader en zuster genieten, eer de verloftijd was verstreken en hij naar boord moest terugkeeren. Het afscheid was pijnlijker dan ooil te voren, daar hij opmerkte hoe vader allengs begon te verzwakken, al verzekerde deze met een vriendelijk glimlachje, dat hier verbeelding in het spel kon wezen en hij het „annus climactericusquot;, zooals de apotheker op den hoek gewoon was het drie en zestigste levensjaar te noemen, als \'t God behaagde, wel te boven zou komen. Toen hij bij het heengaan de hand van Evert drukte en met trillende stem zeide: „Tot weerziens, beste jongen, hier of elders,quot; bespeurde de scherpe blik van Geerte wel, dat er in het hart van den ouden man meer omging dan hij wel uitsprak. Het kort daarna ontvangen bericht, dat zijn jongste zoon goed was overgekomen, door den Kommandeur met hartelijkheid ontvangen was en zijne betrekking met lust en moed had aanvaard, fleurde vader weder op en wanneer hij met zijn zoon Claes over brouwerij zaken sprak, scheen hij naar lichaam en geest volkomen de oude; hoewel Geerte toch wel degelijk langzaam, doch gestadig verval waarnam. Het kon den ouden man soms erg verdrieten dat Pieter zoo weinig schreef, want hoogstens tweemalen\'s jaars liet hij iets van zich hooren en in zijn laatsten brief had hij meegedeeld, dat de familie nu in langen tijd niets van hem vernemen zou, daar de Gouverneur-Generaal hem eene gewichtige en voordeelige zending naar Tayowan of Formosa opgedragen had, van waar liij wellicht ook naar
De üouden Draad. 9
130
het geheimzinnig land der Japanners zou reizen, van wier ontwikkeling en kunstbeoefening allerlei wonderen werden verteld.
O]) een der donkerste dagen vóór Kerstmis van \'tjaar 1G41, nog verduisterd door een vochtigen mist, welke aan de straten een glibberig en somber aanzien gaf, was vader meer dan gewoon ongedurig, nu eens bezorgd over Eveht, mot de vloot zwalkende in de Noordzee, dan weder over Pieter, die in geen maanden had geschreven en eindelijk over de gezondheid van Glaes, die, naar een dokter onlangs gezegd had, maar moeilijk de vijftig halen zou. Voor Geerte was dat tobben der laatste maanden zorgwekkend, vooral omdat vader in den regel kalm en berustend was geweest. Op den bovengenoemden duisteren dag, kwam Marijken aan Geerte, die nog op haar slaapkamer was, meedoelen, dat de meester dien morgen niet op den gewonen tijd was opgestaan, wat, naar zij zich herinneren kon, nog nooit was gebeurd. De oude heer, want in die dagen werd iemand van drie en zestig jaar, een zeer oud man geacht, was altijd gewoon, gelijk de meeste goede huisvaders in dien tijd, des morgens het eerst uit zijn slaapvertrek te komen en ontsloot dan zelf de voordeur, opende de luiken en maakte doorgaans met de huren een morgenpraatje. Geerte verschrikte op dat bericht, schoot haastig enkele kleedingstukken aan en snelde naar vaders slaapvertrek. Op haar kloppen kreeg zij terstond antwoord en vernam hoe er volstrekt geen aanleiding was tot ongerustheid, daar de góede man zich slechts verslapen had en spoedig beneden zou komen. Aan de ontbijttafel bespeurde de dochter echter terstond, dat er iels ongewoons moest zijn voorgevallen en deelde daarom mede, hoe ook haar nachtrust veel te wenschon had overgelaten. Zoo kwam het uit, dat beiden reeds sedert eenige nachten door denzelfden droom waren bezig gehouden. Het ouderwetsche meisje, Duddeldusje, gelijk Pieter de verschijning placht te noemen, had zich aan vader en dochter vertoond. De geest had een droefgeestig voorkomen en wees op een nevelige gestalte op den achtergrond, waarin beiden broer Pieter hadden herkend; doch lijkwit, met. gesloten oogen en druipnatte kleederen. Vader kon zich niet losmaken van dien indruk en ook Geerte dacht er zonder veel te zeggen, het hare van. Eenige dagen na Nieuwjaar kwam er een briet van Pieter, ruim tien maanden oud. Hij scheen vroolijk en opgewekt en vol moed om in October met het schip Grol de reis naar Japan te aanvaarden. Ook van Evert kwamen er goede tijdingen;
doch dit alles deed de donkere schaduw niet ophelderen, welke den geest van den ouden man verduisterde en het was voor Geeute pijnlijk oin te zien, hoe haar goede vader zich inspande om de kalme opgewekte gemoedsstemming terug te krijgen. Meer en meer begon liij te gevoelen, dat de vijand van al wat leeft, langzaam maar gestadig naderde. Met zijne dochter sprak hij daar wel eens over en tooüde zich volkomen bereid, den altijd wijzen wil van zijn Schepper !e volgen, al had hij gaarne mot de zijnen nog wat willen leven en arbeiden, wat hij altijd als woorden van gelijke beteekenis beschouwde. Toen hij niet lang daarna huiszittend werd, toonde Geerte zich een onvermoeide verpleegster en hij zeide soms geen woorden genoeg te hebben om God te danken voor de blijmoedigheid, de liefde en de zelfverloochening, waarmede zijne dochter hem het soms zware kruis van lichaams- en zielslijden hielp dragen. Zoo werd de band tusschen die twee harten nog steeds hechter en ook Geerte gevoelde zoo mogelijk meer en meer, welk een uitnemenden vader zij bezat; een man bij wien verstand en vroomheid samen gingen, en dien zij niet slechts bewonderde om don eenvoud en de goedheid van zijn edel hart, maar ook om do schranderheid van zijn rijk begaafden geest. In zijne gesprokken tijdons de laatste ziekte, kwam treffend uil hoe deze nederige man met een, om zoo te zeggen, kinderlijk gemoed en zeldzame frischheid van hart, zich oen eigen zienswijs had gevormd over de hoogore dingen; oeno overtuiging hem vertrouwen en vastheid gevende, bij hot naderen van don Kaatsten mijlpaal. Hij dankte er God voor, placht hij te zeggen, dat liet boste en heerlijkste wat de ziel bezit, niet afhankelijk is van onze vordering in wetenschap of kunst, maar uit een geheel andere bron welt. Zijn zelfstandige opvatting zou een eeuw vroeger den braven brouwer wellicht als oen ketter op den brandstapel hebben kunnen brengen, en wanneer hij ook nu zijne gevoelens openlijk had uitgesproken, zou hij den smaad van onrechtzinnigheid niet hebben kunnen ontgaan en zou door do rochtgeloovige Calvinisten uit do kerkgemeenschap gebannen zijn. Daar liij er echter niet van hield, om wat er leefde in het diepst van zijn gemoed aan do klokreep te hangen, sprak hij zich alleen togen Geerte uit. Hij gevoelde zich gelukkig, voor zich zelf oen brug te hebben geslagen over do kloof tusschen wetenschap en godsdienst en alzoo gekomen te zijn tot een geloof, verheven boven de strijdende leerstellingen dor kerkgenootschappen, welke echter op één grondslag zijn gebouwd. Zijn eenigste
132
streven was toenemende gemeenschap met God en meermalen herhaalde liij op het ziekbed de treflende woorden, waarmede zijn vroegeren vriend Joost (van Vondel) de groot!leid van den Schepper had pogen te malen. De God, die zóó hoog gezeten, zóó diep in\'t grondelooze licht, dat geen verbeelding tong of teeken. Hem melden kan, gelijk Hij is, acht zich niet te groot om voor ons nietige schepselen een liefdevollen Vader te zijn, gelijk Jezus Hem voorstelde. Hij luistert naar ons als wij aan Hem de nooden onzer ziel opdragen on Zijn antwoord klinkt in de diepte van ieder Hem in oprechtheid zoekend menschenhart. Zoo is er een voor onverschilligen onmerkbare draad, welke ons met den Formeerder verbindt, en de oude brouwer wist te verhalen, hoe hij zelf meer dan eens, den machtigen invloed van het gebed had ondervonden en blijken had ervaren van levensleidingen, waarin het onmogelijk was een spel te zien van toeval of noodlot. De grootste der geloofs-Iiclden was in zijn oog de Christus, de edelste der kinderen Gods, die door woord en daad en vooral in de bekende Bergrede, de grondslagen aanwees, waarop de tempel der volmaking moet worden opgetrokken. De stelling dooi\' enkele geleerden pas schoorvoetend verkondigd; namelijk dat onze aarde niet is het middelpunt van \'t heelal, maar een der tallooze om zonnen wentelende hemelbollen, had deze eenvoudige, maar schrandere man reeds lang voor waar gehouden, toen zij nog door velen, ook op grond van den Bijbel, werd bestreden, en hij had die ontdekking vastgeknoopt aan enkele verschijnselen in het zieleleven en vooral aan zijn onsterfelijkheids geloof. Wij kortzichtige menschen, zeide hij wel eens tot zijn dochter, kunnen maar moeilijk heenzien door de nevelen, welke het aardsche leven omhullen en slechts zeer enkelen schijnt de gave geschonken om, altijd in de verte en onbestemd, een blik te slaan in andere levenstoestanden, welke gewaarwordingen dan nog door verbeelding en over-vertellen gewijzigd en vervormd tot ons komen. Hij hield het echter voor zeker, dat de menschheid in den loop der tijden op den weg der ontwikkeling nog vele verrassingen zou ervaren, en langzamerhand krachten leeren kennen en besturen, welke nu nog sluimeren in den geest of in de ruimte. De verschijningen of droomen in zijne familie, beschouwde hij als een dier nog onverklaarbare betrekkingen met andere levenstoestanden, en hij hield het er voor, dat naarmate door den tijd de afstand toenam tusschen dezen geest in het hoogere perk en haar aardsche betrekkingen, de openbaringen zeldzamer en zwakker zouden worden, en wellicht
133
eindelijk geheel ophouden. Hoe er eenig verband scheen Ie bestaan tusschen deze zonderlinge openbaringen en hot bezit der familieringen, waagde hij zelfs niet om te onderzoeken. Zooals gezegd is, sprak vader met niemand vertrouwlijker over deze dingen dan met zijne dochter; doch zijne beste vrienden wisten wel, hoe diep zijne gedachten in het gemoedsleven doordrongen; zoo dat zelfs Vondel hoog tegen hem opzag en hem naar hij eens zeide, de gave toeschreef om de ziel uit dit woreldsche moeras juichend omhoog te trekken. Vader was altijd eenigszins beschroomd om meoningen over geloofszaken aan anderen te openbaren, daar uit do wrijving dier opvattingen zoo licht botsing der harten voortkomt. Echter kwam, vooral in de laatste ziekte uit, iioe deze dingen soms ook met goede vrienden besproken waren. Toen „Joost uit De Trouwquot;, bij wien de oude betrekking sterker sprak dan de latere verkoeling, de zieke kort vóór zijn verscheiden bezocht, zoide hij bij het uitlaten togen Geeute, mot een stem waarin tranen trilden, dat vaders ziekbed een waarachtig kweekhof voor don hemel mocht worden genoemd.quot; De eenvoudige brouwer behoorde dan ook tot die zeldzame menschon, als geschapen om oen heilzamen invloed uit te oefenen op hun omgeving, en door hun zedelijk overwicht de omringende personen te verheffen. Zonder vrees zag hij den dood naderen, dien hij beschouwde als een bode uit het Vaderhuis, gezonden, gelijk hij zoide, om de kevie te openen, waarin de trekvogel zoo lang had geloefd en die nu den weg zou vinden naar eoiie andore wereld, waar alles volkomener en heerlijker dan hier op aarde wasquot;. De krachten van den zieke namen snel af, en de geneesheer meende dat de kranke nog wol eens onverwacht aan de zijnen ontvallen kon. Op een morgen in het begin van Maart zat Geeute naar gewoonte aan vaders ziekbed. Broeder Claes was pas vertrokken en vader had met hem vrij opgewekt over de zaken der brouwerij gesproken; waarna de oude man een weinig vermoeid was ingesluimerd. Bij het ontwaken viel er een zonnestraal in de kamer, wat Geeute aanleiding gaf om mede to doelen, dat er buiten reeds een teetlor lentetinije was te zien. Toen gaf de zieke zijn vreugde te kennen, dat de strengste wintermaanden voorbij waren; want hoewel hij dien gezelligen tijd voor zich zelf niet onaangenaam vond, leed hij onder de ontberingen der armen, waarvan hij op zijn avondwandelingen zulke droevige tafroelen had gezien. Den laatsten winter had Gus, zijn trouwen knecht, die bezoeken alleen gebracht; ook wel bij enkele oude klantjes door
Gf.eutr vergezeld en vader luisterde altijd met belangstelling naar het verslag.
De zieke lag nu rustiger dan hij sedert lang gedaan had en hot scheen, alsof hij volstrekt geen pijn gevoelde en zelfs de soms van smart getuigende trekken van zijn gelaat waren verdwenen. Zijn voorkomen leek verjeugdigd en nu en dan brachten zijn gedachten een glimlach op het bleek gelaat. Van tijd tot tijd drukte hij zijne dochter zacht de hand en fluisterde iets van een zonnetje, \'t welk het einde van zijn aardsche levensbaan vriendelijk had beschenen. Het was stil in de achterkamer. Er werd niets gehoord dan enkele vliegen, die den winter hadden overleefd, gonzende in de lichtstraal, vallende door het half gesloten vensterluik; het eentoonig tikken van een hangklok en in de verte het murmelend gerucht van de straat. Geerte gevoelde duidelijk, waardoor kon zij niet zeggen, dat het einde nabij was. Zij had Mauijken geroepen, die met een stoffer en een boendoek in de hand was komen aansnellen, en nu zacht snikkende achter hel bed van den geliefden meester stond. Vader scheen dat op te merken en sprak helder en duidelijk „Ik dank je, trouwe Marijken, voor al het goede, dat ge voor mij en de kinderen hebt gedaan.quot; Hij wilde er nog iets met verzwakkende stem aan toevoegen, en toen zijne dochter het hoofd voor over boog om hem te kannen verstaan, richtte hij zich in het bed op om haar een kus te geven.quot; De laatste, lieveling! fluisterde hij haperend, „ik ga heen, maar ik gevoel mij niet eenzaam of verlaten. De trouwe Vader heeft mijn gebed verhoord; een engel reikt mij de hand.quot; O! hoe heerlijk, riep hij na een oogenbiik van stilte uit,quot; ik zie moeder en ook onzen Pieter,quot; en met starren blik scheen hij naar iets in de verte te turen. De dochter die met liaar hand in de zijne, nevens de legerstede zat, voelde hoe die zacht werd gedrukt en hoorde schier onmerkbaar fluisteren: „Beste Geekteke.quot; Toen vielen de oogleden dicht; hij strekte de leden uit en een paar zachte snikken gaven te kennen, dat een braaf mensch tot hooger werkkring opgeroepen was. Zoo ging die goede man heen met den adelbrief der trouwhartigheid als gestempeld op zijn gelaat. In den kleinen kring waarin hij zich bewoog, was hij geliefd en geëerd en in menig hart zou hij voortleven lang nadat hij gestorven was. Dat de nalatenschap van den werkzamen en nauwgezetten brouwer volkomen in orde zou wezen, werd door niemand betwijfeld; maar geen mensch en zelfs de kinderen niet, wist hoe warmpjes vader er inzat.
en dat. in weerwil van belangrijke verliezen nu en dan door te goed vertrouwen geleden. De apotheker op den hoek mocht wel tegen Marijken zeggen, hoe hij vast geloofde, dat haar meester een dikken duit nagelaten had, waarop do goede sloof, die nooit uit het huis kalde, met een toestemmend glimlachje zweeg. Van alle uitgaven had de brouwer nauwkeurig aanteekening gehouden, doch nergens was opgeschreven hoe hij zijn aanzienlijk zakgeld had besteed. Kort vóór zijn heengaan, had hij Geehïe gezegd, hoe zijn trouwe knecht Gus over de uitreiking der aalmoezen de beste inlichtingen zou kunnen geven, cn in den uitersten wil waren do vrienden uit de achterbuurten niet vergeten. Ook het weeshuis en anderen liefdadige instellingen waren bedacht; doch sommigen verbaasde het, dat hij aan de Kerkbesturen niets had toegeschikt. Zijn naast bestaanden wisten echter wel hoo afkeerig vader was van het destijds vaak liefdeloos en onverdraagzaam drijven en vervolgen door de strenge Calvinisten, en hoe hij in zijn hart de liefdevolle beginselen der Remonstranten voorstond; doch er tegen had om zich van de heerschende Kerk af te scheiden. Een paar dagen na vaders dood kwam Evert te Tessel binnen, en kon dus nog tegenwoordig zijn bij de begrafenis, welke op uitdrukkelijke begeerte van den overledene zoo eenvoudig mogelijk moest wezen. Op den weg naar de Nieuwe-zijds-Kapel, stonden eenige beweldadigden uit stegen en krotten gekomen, om met smart in het hart en betraande oogen, den lijkstoet van hun vriend en raadgever te zien voorbij trekken; zeker de schoonste hulde door hem gewenscht. Kort daarop, terwijl broeders en zuster nog samen waren om de nalatenschap te regelen, kwam er een brief uit Oost-Indië, waarin namens den Opper-Landvoogd medegedeeld werd, dat het schij) Grol op de reis naar Formosa zeer waarschijnlijk niet man en muis was vergaan, in welk geval ook de onder-koopman Pieter Jaoorszoon Nagtolas bij die zeeramp omgekomen zou zijn. De generaal kon niet nalaten, om zoo dit bericht bevestigd werd aan de familie zijne deelneming te betuigen, met de verzekering, dat de Compagnie in dien wakkeren en eerlijken ambtenaar een zijner beste dienaars zou betreuren. Geerte had den nacht der droomverschijningen opgeteekend, en de datum kwam overeen met den tijd van de schipbreuk in den brief vermeld.
De familie besloot, dat Claes het huis naast de brouwerij zou betrekken, wat met het oog op zijne wankelende gezondheid wenschelijk
136
scheen, en dat Geerte eene nette woning in do buurt zou huren. Marijken zou daar bij haar blijven, want die oude dienstbode was, gelijk wij hebben gezien, een gewichtig persoon in het huishouden van den brouwer. Zij was reeds kindermeisje in liet gezin, toen Geerte geboren werd, had de moeder met zelfverloochenende liefde helpen verplegen en de kinderen zien opgroeien. Trouw als goud, zou zij zich voor de familie hebben doen verscheuren, welke innige toewijding een aantal minder aangename eigenschappen over het hoofd deed zien; grillen meestal voortvloeiende uit haar streng rechtzinnige gereformeerde opvatting en de vaste verzekerheid, dat zij een der weinige door het bloed des Lams vrijgekochte uitverkorenen was, en dus stellig op zaligheid rekenen kon. Dit verhinderde echter niet om in het dagelijksch leven, niet opzettelijk, maar als \'tpas gaf, hot met den drang des gewetens zoo heel nauw niet te nemen. Zij was bovendien erg bang en bijgeloovig, zoowel bevreesd voor spoken als voor den baarlijken duivel en was niet af te brengen van de meening, dat donderen het brullen van dien boozen geest was. Vader die zij met haar luimen, grommen en bedistelen soms verveelde, had haar reeds voor lang in een hofje willen koopen, of een zoogenoemde godswoning bezorgen; doch de bedaagde maagd verzette zich sterk tegen dat voornemen, vooral op grond dat het huis spoedig onbewoonbaar en de meubelen onbruikbaar zouden wezen, als zij alles niet met bezems, boenders en stoffers in orde hield. Zonder aarzelen was de oude echter terstond bereid om met haar kind, gelijk zij Geerte noemde, mede te gaan; al was het naar het einde der aarde, want het was voortaan hare roeping om voor dil „weeskindquot; vader en moeder te gelijk te zijn. Had Geerte reeds van jongs af voorliefde gehad voor een kalm huiselijk leven en dat steeds verkozen boven saletten en andere wereldsche afleidingen, nu had de ziekte en het heengaan van haar dierbaren vader, die neiging lot afzondering nog versterkt en zij wenschte niets liever dan rustig haar weg te vervolgen, zooveel mogelijk, in de voetstappen van haar vader, die tot levensleus had de treffende opwekking van den apostel Jacorus: „dat de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is, weezen en weduwen te bezoeken in hare verdrukking en zich zelf onbesmet te bewaren van de wereld.quot; Een vuur van onbaatzuchtige menschonliefde ontvonkte in haar hart, als zij dacht aan de liefdevolle weldadigheid van haar braven vader en zij dankte God, dat een wol gevulde beurs haar in staat stelde, hom oenigszins na te volgen.
137
De armoede deed zicli in die dagen veel morsiger en afzichtelijker voor dan in onzen tijd en er behoorde werkelijk moed toe om de schier verdierlijkte ellendigen, soms melaatschen of leprozen, in hun vuile krotten op te zoeken en met raad en daad hij to staan. Uoor oorlogen, oproeren, pestilentiën en andere volksrampen, waartegen voorzieningen ontbraken, werden soms rijke lieden letterlijk tot den bedelstaf gebracht en kwamen het getal van rampzalige hongerlijders in de achterbuurten vermeerderen. De brouwer had geen grooter genoegen gekend dan om don patroon te wezen van verarmde gezinnen en dergelijke behoeftigen zóó te steunen, dat zij geen hulp meer noodig hadden en gaande weg zich zelf konden bedruipen. Zoo had hij zich vele jaren geleden, een gezin aangetrokken, waarvan de vader denzelfden naam droeg als hij, hoewel het niet kon worden uitgemaakt, of hot een naar beneden gegroeiden tak van den stamboom was, of wel dat een gelijke gevelsteen aan meer dan ééno familie een toenaam had verschaft. Om dien naam ook, had de oude brouwer zich die menschen bijzonder aangetrokken en na lang pogen door zijn invloed kunnen bewerken dat de huisvader Abraham Pieterszoon Nachtglas in 1619 opgenomen werd in hot slepersgilde, wat hem een voordeelig en vast beslaan verschafte en waarvan de koperen penning in een muntkabinet verzeild lot heden bewaard is gebleven. Later schijnt een zoon den vader opgevolgd te zijn; welke zoon zich onderscheidde door walgelijke gulzigheid, gelijk in de Luifelschriften van Jeroen Jeroense (Hieronimus Sweerts) nog te lezen is. De vrouw van Abraham was een Brabantsche van afkomst, een vaardig, struisch vrouwmensch, die het geheele gezin onder den duim hield en gelijk zij zelf zeide, „een werkezel was van \'t bovenste boordjequot;, wat echter niet verhinderde, dat zij als afwisseling het soms niet scheen te kunnen laten om met de buurvrouwen eens heftig te krakeelen, waarbij wel eens de handen te hulp kwamen en de mutsen van het hoofd werden getrokken. Hare dochters had zij reeds vroeg loeren werken en in goede diensten bezorgd, wat zij de beste school noemde voor meisjes uit haar stand. Geerte vond in vrouw Bramse sinds lang een hulpvaardige tusschenpersoon, waardoor zij meer dan eens een verlatene de reddende hand had kunnen toesteken, of in armoede achter gebleven kinderen een tijdelijke schuilplaats bezorgen. Eenige maanden na het overlijden van haar vader bezocht Geerte een bejaarde weduwe, krom gegroeid door werken en die zich moederziel (met haar moeders ziel alleen, welk een treffende uitdrukking dacht het meisje, in
138
de wereld zou hebben gevoeld, indien zij niet gesterkt ware door het vaste geloof dat God nevens haar stond. Als iemand haar klagelijk sprak over een eenzaam leven, was zij gewoon te antwoorden: „Hoe kan iemand zich eenzaam gevoelen, die den Almachtige tot gezelschap heeft,quot; Zij bewoonde een achtervertrek van een armzalig huisje aan het einde van een sloh, uitkomende in een weinig geplaveide steeg, waar niemand meer een woninkje zoeken zou. Vader Nagtglas, die dat besje al sedert jaren zijn „oudjequot; noemde, had haar reeds dikwijs in staat willen stellen om beter te gaan wonen, maar moeder Goedhart, gelijk zij in de buurt genoemd werd, hoewel zij waarschijnlijk anders heette, wilde van geen verandering weten, Zij was in dat huisje geboren, jong geweest, oud geworden, had er man en kinderen zien leven en sterven en wilde nu ook zelf liefst in het oude „krotquot; den laatsten adem uitblazen. Het doorgaans half duistere vertrek, was bevloerd met roode meerendeels gebarsten plavuizen, de muren waren geel en groen uitgeslagen en de meubelen, zooals de oude tafel, de versleten stoelen, de vermolmde sponde en een kleerkist naast de holle bedstede, getuigden wel van armoede, maar toch ook van zindelijkheid. Hoewel het moedertje de zeven kruisjes reeds achter den rug had, was het spoedig te merken, dat de lust nog niet uitgedoofd was om het armelijke boeltje helder en knap te houden, en het oudje genoot vergenoegd van do schaarsche harde broodkruimels haar toebedeeld bij het gastmaal des levens. „Ik heb mijn tijd gehad, placht ze te zeggen en merk hoe de ouderdom met gebreken komt; doch dat is niemendal en in het Hemelsche Jerusalem zullen deze kwalen ons niet meer plagen. Het oudje kende, wanneer Geehtk haar bezocht, geen grooter genoegen dan om te spreken over den ouden brouwer, de boste man dien zij ooit had gekend, altijd zoo zacht, zoo vriendelijk, zoo rustig van gemoed. Toen het meisje op zekeren morgen bij vrouw Goedhakï kwam, merkte zij terstond eenige verandering en ontwaarde hoe er in een hoek van het kamertje een strooleger was gespreid, waarop onder een versleten paardendeken, een rillende gestalte lag. Toen Geerte het moedertje vragend aankeek, zei het besje: „De zoete juffrouw ziet, dat ik ook eens een logeergast in huis heb gehaald, maar, naar ik vrees, zal ik er niet veel eer mede inleggen, want de arme deern zal, eer het morgen is, door de koorts wel het hoekje zijn omgetrokken. U ziet hoe ze trilt en geschud wordt.quot; „De juffer moet weten, ging de oude voort, dat buurman Sijmen hier aan \'t einde
139
van do steeg, dagelijks met koopwaar het land in gaal, gisteren op den terugweg, een half uurtje buiten de stad, een havelooze meid in een greppel aan den weg vond liggen, zeker een bedelaarster die meer dan half dood was en als vergaan door de miserie. Die goede kerel, altijd vol compassie, heeft het doodzieke schepsel op zijn cordewagen naar de stad gekruid. In het gasthuis, waar hij ze bracht, had men, zooals de barsche binnenvader gromde, geen plaats vooi bedelboeven en dergelijk gespuis, en toen het barmhartige ventje hier met zijn vracht aankwam, wilde niemand het arme schepsel innemen en de rampzalige sukkel zou misschien van den ieval op straat zijn gecrepeerd, als ik niet toevallig had gedacht, wat je beste vader in zulke omstandigheden zou geraden hebben. Het leek of ik den goeden man hoorde zeggen: Goedhahtje, God stuurt je dat presentje, omdat je aan de buren zoudt kunnen toonen, hoe de weldadigheid de wereld niet uil is en de Heere Jezus niet te vergeefs van den barmhartigen Samaritaan heeft geleerd. Toen zei ik tegen een paar buurjongens: „Neem dat ongelukkig schaap maar van den cordewagen en legt ze op een paar bosschen stroo in mijn kamertje. Met hulp van God en goede menschen wil ik hot avonturen. Nu was ik juist begonnen ging zij voort, terwijl zij haar jakmouwen hoog opschortte, zoodat de rimpelige steenroode armen bloot kwamen, om de vervuilde meid wat af te poetsen; want de slik zit er wel een duim dik op, en daar komt nu als of ze geroepen wordt, het zoete vrijstertje uit de brouwerij, met een hengelmand vol kostelijke versnaperingen, welke ik zelf werenlig niet moer noodig heb, maar die deze arme bloed als hemelsch manna zullen verkwikken.quot; Tegelijk sloeg het besje de deken op en Geeute, hoewel niet beschroomd en wel gewend om menschelijke ellende in afzichtelijke vormen gade te slaan, huiverde nu verschrikt terug.
Op het stroo lag een rijzige jonge vrouw, wier magere groeselige gestalte nauwlijks bedekt was door eenige grove lompen. De uitgemergelde leden trilden van koorts en nu en dan, kromp zij sidderend in één. De verweerde ingevallen wangen gloeiden, en verkleurde rosse haarlokken hingen verward om een oorspronkelijk fijn besneden, doch nu gevlekt en met rimpels doorgroefd gelaat, waarin blauwe oogen in holle met donkere kringen omgeven kassen, met fletschen neerslachtigen blik, naar \'t leek, zonder veel bewustzijn de omstanders aanstaarden. De knokkelige, uitgeteerde handen en vooral de onder den deken uitstekende voeten, getuigden van ontbering, verwaarloozing
140
en ruw gebrek. Geertf, gevoelde terstond wat christen plicht haar hier gebood en hoe een goede engel haar dezen weg had gewezen. „We moeten ons best doen, moeder, zei zij tegen vrouw Goedhart, om deze anno stumperd er boven op te halen, maar tegelijk vreesde zij dat die zorg niet veel meer baten zouge moet haar liever dan haar af te schrobben, wat in lauwe melk geweekt brood te eten geven, want de ongelukkige deern is kennelijk uitgehongerd. In deze mand zult ge juist eenigo nieuw-bakken „duitjesquot; vinden. Tehuis zal ik wat kleeren gaan zoeken, en dadelijk onzen apotheker sturenquot;. Met een van innigen deernis getuigden oogopslag, nam zij afscheid van de zieke, met de stille bede in haar hart, dat God de pogingen zou steunen om deze rampzalige zwerveling tot zegen te zijn. Den volgenden morgen kwam de medicijnbereider reeds vroeg aan zijn buurjuffrouw vertellen, dat hij de patiënt gisterenavond en hedenmorgen had bezocht en dat zij op den weg naar beterschap was. De landloopster leed, \'naar hij zeide, aan uitputting en hongerkoorts en was juist nog bijtijds „uit de kaken des doods verlostquot;. Toen hij er gisteren kwam, was de oude vrouw bezig haar in melk geweekt brood te voederen, dat de deern als een hongerige wolvin naar binnen schrokte.
„De deern, ging hij voort,quot; naar zijne schatting, half in de twintig jaren, hoewel de ouderdom van dergelijk volk moeilijk te bepalen is, scheen een taaien bengel te wezen en als zij nu maar rustig word gehouden, goed gevoed en trouw innam van het kruid Ambrosianam, waarvan hij haar een krachtig aftreksel had toegeschikt, zou zij wel na enkele dagen opfleuren als een verdroogde plant, welke met frisch water begoten wordt.quot; Reeds voor dat de apotheker verslag zijner bevindingen kwam brengen, was Gus de huisknecht, met een pak op weg en konden de lompen, welke het arme schepsel nauwlijks dokten, voor degelijke kleedingstukken worden verwisseld. Geerte had al een plan beraamd tegen over deze ongelukkige, en zag verlangend het oogenbiik te gemoet, dat zij haar kon bezoeken. Toen de juffer de kamer binnenkwam, lag het meisje te slapen. Hoewel reeds beter dan gisteren, had zij toch een deerlijk verarmd voorkomen, de wangen waren nu wasbleek, do ruwe rosse haren weggestreken en onder eon hoofddoek verborgen, maar haar hals en verder zichtbare leden waren zóó uitgeteerd, dat zij, gelijk vrouw Goedhart het uitdrukte, zwart zag van „magertequot;. Dezelfde vrouw deelde aan Geerte mede, dat de arme zwerveling zeker een goed schepsel was, want zij sprak zoo vriendelijk en was
141
zoo gedwee on onderdanig, toen besje haar hel schrokken verbood; hoewel het bleek dat zij in geen twee dagen iets gegeten liad, en slechts wat gras en bladeren gekauwd om de pijn van feilen honger te verminderen. De ongelukkige ontwaakte, toon Geekte zachtkons haar leger naderde. Deze knikte haar vriendelijk toe en streelde zacht de bleeke ruwe wang. Nu kwamen er bruine magere vingers voor den dag, welke de hand van Geerte grepen, naar den mond brachten en vurig kusten. Uit de neergeslagen oogen begonnen tranen te vloeien, en toen de juffer een vriendelijk woord sprak, openden zich die oogen en blikten haar starend aan; een volgend oogenblik keerde de ongelukkige zich om en verborg luid schreiende haar gelaat in het stroo. Naar het scheen, had Geerte door een enkel woord de geheime veer aangeraakt, welke de diepste diepte van haar hart ontsloot; want ook de apotheker was het eens met vrouw Goedhart dat flink uithuilen recht heilzaam wezen zou. Niemand sprak, en het oude moedertje, zoowel als de jonge juffrouw, veegden in stilte, de opwellende waterlanders weg. Een paar dagen na dit bezoek, was Bella, zoo noemde zich de zwerveling, zoover hersteld, dat zij den ganschen dag op kon zitten. De gunst van de oude vrouw had zij geheel gewonnen, zoowel door zachtzinnigen vriendelijken omgang, als door allerlei kleine diensten, wat besje zeggen deed, dat de deern haai\' iederen dag tot een Zondag maakte en zij mooi op weg was om het werken te verloeren. Na een week was Bella geheel bijgekomen en door den apotheker genezen verklaard, doch de trekken van baai-gelaat spraken nog van veel doorgestane ellende, en het geheele voorkomen toekende diepe droefgeestigheid. Aan de oude vrouw scheen zij iets van haar lotgevallen te hebben verteld, en zoo kwam Geerte te weten, dat het meisje uit Brabant afkomstig was, dat baai-vroeger welgestelde ouders door den oorlog waren verarmd; zoodat de dochters moesten gaan dienen; doch bij do boeren werden zij als te zwak van krachten spoedig weggezonden. Met haar laatste meesteres was zij naar Nijmegen verhuisd, en toen deze vrouw door den rampspoed der tijden haar niet meer houden kon, werd haar geraden naar Amsterdam te gaan, waar, naar men zeide, voor ieder ruim werk te vinden was. Zij gevoelde zich door de wanhoop als met toovermacht getrokken naar de groote stad, hoewel zij vooruitzag, dat zij daar waarschijnlijk, als zoovelen andere jonge vrouwen, in een maalstroom van zedelijke en stoftelijke ellende zou ten ondergaan. Op de heide raakte zij het
142
spoor bijster en zoo word zij een eenzame zwerveling, over dag levende, ids \'t leven mocht heeten, van bedelen en de nachten doorbrengende in hooistapels, schuren en dikwijls in de open lucht. Eindelijk uitgeput door vermoeidheid en ontbering, was zij in een greppel aan den weg gaan liggen, om daar den dood af te wachten; en een voorbij komende marskramer had haar toen gevonden en gered. Dat de ongelukkige deern niet bij do oude vrouw blijven kon, sprak van zelf, doch voor een dienst scheen zij nog niet geschikt, waarom Geerte het goed achtte haar te besteden in het gezin van Bram den sleper, wiens vrouw Ceua haar spoedig tot een flinke werkmeid kon vormen. Bovendien werd Marijken oud, en zou misschien wel genegen zijn, eene jonge helpster nevens zich te dulden. Geerte had met hare gewone voortvarendheid dit alles spoedig beredderd; zoodat Bella, na eenige dagen reeds verhuizen kon. Moeder Goedhart zag haar met leedwezen heengaan en bij het afscheid biggelden dikke tranen over het gerimpeld gelaat der oude vrouw. „Bestiger meid, zeidezij, hadden haar oogen nooit aanschouwd, altijd even dankbaar en hulpvaardig en vol deemoed en nederigheid.quot; Zij geloofde vast dat het een burgermanskind was, want ze kon lezen en schrijven als een schoolmeester. Geerte zelf had echter nog niet veel niet het meisje kunnen spreken, want als de juffer binnenkwam, kreeg Bella een kleur als bloed en als ze niet wegsluipen kon, ging zij bevende en zachtsnikkende met de handen voor hel gelaat tegen den wand staan. Als Geerte baar dan vertrouwelijk de hand op den schouder legde en een vriendelijk woordje sprak, fluisterde hot meisje bedeesd, dat zij het niet helpen kon, maar altijd zoo ontroerd werd als ze zag, hoe zulk een voorname juffer zich wilde inlaten met een arm, ellendig en diep gezonken schepsel als zij was.
In het gezin van den sleper werd de nieuwe buisgenoote gaarne opgenomen en nog liever toen Celia aan den Brabantschen tongval merkte, dat het meisje een landgenoot was. Na een week reeds zei de vaardige huisvrouw onder vier oogen aan Geerte, dat het met de pas nog zoo verlepte deern best schikken zou. Bella scheen zich ook gelukkig en meer en meer tehuis te gevoelen en won aller genegenheid door voorkomendheid en hartelijkheid. De reeds bejaarde sleper hield van haar on noemde het meisje, dat een goede stem had en aardig zingen kon: „Zijn Brabantsche nachtegaalquot; en do pootige huisvrouw verklaarde dat haar eigen dochters, anders „reequot; genoeg, toch lang
143
zoo vaardig en verstandig niet werken konden en minder bij de pinken waren als deze magere scherminkel, die methaar fijne vingertjes iederen arbeid zoo vlug van stapel liet loepen of ze tooveren kon. „Maar ik voorzag wel, dat het zoo gaan zou, voegde zij er dan steeds bij, ik had het al weergaasch gauw in de gaten, dat de meid uit het Brabanlsche was; want al zeg ik het zelf, rapper onhandiger deerns zijn er niet, als die uit mijn land komen.quot; Tegenover de juffer bleef Bella nog steeds bedeesd cn zij kon deze soms met zulk een teederen veelzeggenden blik aanzien, dat er van beide kanten tranen in de oogen welden. Die vloeiden echter nog rijkeier, wanneer Bella „het begraien kostquot;, gelijk Gelia bet uitdrukte, om de hand van Geerte te vatten en vurig te kussen.
Toon alles dus naar wensch ging, sprak de juffrouw er met Marijken over, die reeds meermalen le kennen had geven, dat zij de Brabantsche gaarne lijden mocht en er niets tegen zou hebben haar in huis te nemen en wat netter werken te leeren, want zij had al dadelijk in den neus, dat Bella van zoo\'n moffriekaansche flodder als Gelia niet anders leeren zou als om er mot den Franschen slag over heen te loopen. Toen het meisje dit voorstel vernam, kon zij nauwlijks een woord uitbrengen en slechts slamelend dank zeggen. Later vertelde de slepersvrouw, hoe zij de zwerfster even daarna gevonden had liggende in een hoek van den zolder geknield en biddend. Maar dat was niet alleen in hel huisje van den sleper gebeurd; want ook Geerte had in haar slaapkamer de knieën gebogen om den Heere God te danken voor de vervulling van haar bede om deze rampzalige uit diepte van ellende op een veiligen grond te mogen brengen.
In de huizen op den Singel spon het leven rustig zijn alledaagschen draad met weinig afwijking ter rechter of ter linkerzijde. Broeder Glaes werd steeds ziekelijker en met toenemende zorg verpleegd door zijne in de buurt wonende zuster; daarin onvermoeid bijgestaan door Bella, die in ieder opzicht aan de verwachting beantwoordde en tegenover ieder even hulpvaardig en nederig bleef. Over haai- verleden sprak zij zelden en dan slechts ais in het voorbijgaan en Geerte was te kiesch om dien sluier te willen oplichten. In de lente van\'t jaar 48 werd de lijdende broeder nog onverwacht weggenomen in den ouderdom van bijna veertig jaren. Evert was toevallig juist te Amsterdam voor een feestelijke bijeenkomst van zeeofficieren, wegens den vrede niet Spanje in Louwmaand van dat jaar te Munster geteekend.
144
De overkomst van den jongsten broeder bracht altijd een helderen zonnestraal in de stille woning van Geerte; welke echter ook verlicht werd door den glans afstralende van stille liefdadigheid en werken van barmharligheid, waarbij Bella hare meesteres trouw ter zi jde stond en door hare bekendheid met arme kringen dikwijls goeden raad kon geven. Nu en dan ging Geerte eenige dagen bij de familie te Naarden logeeren en bracht dan ook een bezoek op het slot te Muiden. Neet Hooft, gaf bij een dier bezoeken, zijn bevreemding te kennen, dat oen meisje zóó welgesteld, zóó beschaafd en ontwikkeld en zóó goed, ongehuwd bleef, en Geerte kreeg daardoor eenige aanleiding om te vermoeden, hoe de Drost wellicht niet geheel onkundig was van een bezoek, haar kort te voren gebracht door een haar eenigszins bekenden hoofschen jonker, die groote vooruitzichten had, en meer dan eens een praatje kwam houden bij hot stoepbankje, waar Geerte des avonds nu en dan een luchtje schepte. Na een paar ontmoetingen volgde een zwierige brief, waarin hij om haar handen hart vroeg. Daar Claes destijds nog loefde en zijn toestand veel zorg eischte, schreef het meisje dadelijk terug, dat zij in de bestaande omstandigheden het vereerende aanzoek zelfs niet in overweging mocht nemen en hem daarom beleefd bedankte. Het was eene koele afwijzing en de jonker vermoedde zeker weinig hoe vurig het gevoelige gemoed van Geertrui behoefte had aan andere en inniger liefde clan vriendschap en dankbaarheid schenken konden. Wanneer zij des avonds in haar slaapvertrek was, gebeurde het nu en dan, dat zij uit een verborgen hoekje barer linnenkast, een zilveren doosje te voorschijn haalde, waarin de helft eener doorgezaagde dukaton. Op dat geldstuk drukte zij dan een kus, opstijgende uit het diepst harer ziel en tegelijk rezen allerlei herinneringen in bonte verscheidenheid voor haren geest. Zij gevoelde, dat zij nooit iemand met dezelfde vurige liefde zou kunnen beminnen als de jongeling die zijn leven gewaagd had om het hare te redden. Maar die man had gedaan, wat zij hem geraden had; hij was gehuwd en naar zij meende en innig hoopte gelukkig. Dan begon het te stormen in haar bewogen gemoed. Zij wierp zich op de knieën en smeekte snikkende aan God om haar alle zondige gedachten te vergeven. Als een boetvaardige en in eigen oogen schuldige, maar boetvaardige vrouw, begon zij den volgenden dag met een werk van barmhartigheid en zelfverloochening; het eenige wat de kalmte weer kon brengen in haar hevig geschokt gemoed. Hoewel de gc^de Bella niets meer verlangde te
145
wezen dan een trouwe dienstbode en haar hart steeds overvloeide van dankbaarheid, kreeg zij ongezocht toch een groote plaats in het hart barer meesteres. Met vrouwlijke scherpzinnigheid begreep zij wel, waaraan het bij haar juffer haperde, en zóó wist zij op baai-rustige en eigen manier het scherpste vlijmen der ziel smart te verzachten. Die steun zou echter niet lang duren, want toen Bella, die door onbezorgd leven de sporen van de doorgestane ellende geheel had verloren en zooals Gelia hot uitdrukte, een struisch en stevig vrouwspersoon was geworden, eens met de juffer bij de familie te Naarden logeerde, bemerkte neef Gerrit spoedig, hoe zijn flinke, brave meesterknecht lang niet onverschillig voor het Brabantsche meisje was, en boe, naar het leek die genegenheid niet onbeantwoord bleef. Bella sprak natuurlijk over dat aanzoek van Jan Uijttenbogaerde, zoo heette de knecht, met haar meesteres en deze raadde haar de verbindtenis aan, indien zij meende den onbesproken eerlijken kerel te kunnen liefhebben. Alles liep naar wensch en voor dat zij om te trouwen Amsterdam verliet, bad er tusschen meesteres en dienstbode nog een onderhoud plaats dat beiden diep ontroerde. Reeds had vrouw Goedhart aan de juffer verteld, hoe zij bij het eerste ontkleeden had opgemerkt, dat de deern vreemde blauwe figuren op den schouder had en Gelia had gezien, dat er letters en een wapenschild ingeprikt waren, even zulke figuren als bij haar oudsten Jongen, die ter zee voer en een anker met een jaartal op zijn arm droeg. Gelia had er Bella naar gevraagd, waarop deze met een kleur als bloed antwoordde, dat die telkens in een vroegeren dienst waren ingeprikt, door een baas die soldaat was geweest, en geen beteekenis hadden. Geerte had die nierken ook eens vluchtig gezien, bij gelegenheid dat Bella van een trap was gevallen en haar gekneusden arm moest worden omzwachteld. Zij had toen een wapenschild opgemerkt, en de letters I. ü. v. K Daar de juffer begreep, waarom Bella over die lidteekens niet gaarne sprak, zweeg zij er van. Nu Bella door haar huwelijk vertrekken ging, ontging hot Geerte niet hoe zij erg onrustig was en haar oogen steeds vol tranen stonden. Den voorlaatsten morgen kwam zij ongezocht in de kamer, waar Geerte bezig was, ging nevens deze staan, greep hare hand en kuste die even vurig als bij de eerste ontmoeting. Snikkend en haperend sprak zij: „Eigenlijk ben ik de liefde mijner beste juffrouw onwaardig, want ik heb een geheim in mijn hart besloten gehouden, dat ik vöo\'r mijn lieve meesteres, aan wie ik mijn
De Gouden Draad. 10
leven en geluk heb te danken, niet had mogen verzwijgen.quot; Zij viel Geerte om den hals en smeekte om vergeving, welke haar vriendin, lachende onder de tranen, gaarne gaf, het meisje tegelijk een overdreven malloot noemende van wie zij niets dan liefde en dankbaarheid ondervonden had. „De juffer heeft misschien wel vernomen van de merken op mijn schouder,quot; ging Bella haastig en stotterend voort, aangemoedigd dooi\' een vriendelijk knikje van Geerte. „Nu, die figuren heteekenen, dat ik niet heet Bella Meerbroek, zooals ik mijne goedgunstige juffer liet gelooven maar Isabella Digna van Koningsmark. O! de lieve juffer wil me immers wel vergeven, wanneer ik nu alles eerlijk opbiecht? De geschiedenis, waarvan het verhaal telkens door snikken afgebroken werd, kwam hierop neder: Haar vader, een vrijheer van Koningsmark, bewoonde het Kasteel te Meerbroek. Hij was gehuwd met Digna van Orisande, uit een aanzienlijk zeeuwsch geslacht, dat na de overstroomingen der zestiende eeuw naar Limburg was verhuisd. De moeder was gestorven, toen de kinderen nog zeer jong waren en bij het vermelden dier herinner ing biggelden er weder tranen over Bella\'s wangen en drukte zij zich vaster tegen haar meesteres, wier armen haar omsloten. Wij leefden weelderig, ging zij met gedempte stem voort, en zagen onze kinderluimen doorgaans inwilligen. Wegens den oorlogstijd, waren er altijd vele officieren op het slot in kwartier, waarvoor luisterrijke festijnen werden aangericht, meestal eindigende in woeste drinkgelagen. Er werd dan hoog gespeeld, en ik herinner mij hoe wij als kinderen menigmalen hoopen goudgeld op tafels zagen liggen. Plotseling stierf mijn vader, sommigen spraken van zelfmoord, anderen van een tweegevecht, maar de buren beweerden, dat de duivel den tegen pachters en daglooners harden landheer had weggesleept. Onze stiefmoeder, een Fransche markiezin, stelde zich eerst wanhopig aan, doch werd spoedig getroost door een der officieren, met wien zij na eenige weken spoorloos verdween. Van alle kanten kwamen na vaders dood, schuldeischers opzetten en het bleek hoe er (luizende guldens meer te betalen waren, dan waarde om te voldoen. De boedel was desolaat, en daar de oorlog destijds in onze streken hevig woedde, was er niemand, die zich de kinderen, twee zonen en twee dochters, aantrok. Toen het kasteel door een der schuldeischers overgenomen werd, hadden wij geen dak meer boven ons hoofd en waren letterlijk broodeloos. Barmhartige buren, zelf niet veel meer dan behoeftige daglooners, hadden medelijden met de verlaten kinderen
147
en verschaften een onderkomen. De jongens bleven niet lang bij die kostbazen, gingen spoedig naar de naburige stad onder de soldaten, waarmede zij de wijde wereld introkken. Wij meisjes werden opgenomen door een vrouw, vroeger in onze familie gediend hebbende, toen onze moeder nog leefde. De bewoners dezer streken waren in de laatste jaren door roofzuchtige krijgsknechten, zoowel vrienden als vijanden, geplunderd en uitgezogen, alsof een heirmacht vraatzieke sprinkhanen over bet land was getrokken. Toen verleden jaar in dit niet ver van hot slot gelegen gehucht, ziekte en groot gebrek heerschte, hadden wij toevallig dit gezin zooveel mogelijk ondersteund, weinig vermoedende hoe wij na korten tijd zelf hun barmhartigheid zouden moeten inroepen. De boerenvrouw die ons huisvesting verschafte, was niet kwaad, maar door allerlei tegenheden en rampen, hardvochtig en ruw geworden, en zij scheen het haar plicht te rekenen, om ons zoo spoedig mogelijk in haar kring omlaag te trekken. Natuurlijk was bij deze arme menschen schraalhans doorgaans keukenmeester, in tegenstelling der overdaad waarin wij waren opgevoed. Kleeding konden zij ons nanwlijks verschaffen, maar zij leerden ons met de handen werken, wat, verweekelijkt als wij waren, in den aanvang niet gemakkelijk viel. Pijnlijker nog was het toen de vrouw ons na een week of vier van ruw arbeiden, geschikt rekende om met haar op het slot te gaan werken en wij in kelders, keukens de taak der geringste dienstboden moesten verrichten. Zoo gebeurde het, dat we in een der parklanen kruipend met wieden bezig waren, toen de nieuwe bewoners voorbij reden. Gelukkig zagen wij het rijtuig, dezelfde speelwagen, waarin wij het vorige jaar nog hadden gezeten, slechts vluchtig uit het kreupelhout, waarin wij ons schuil hielden; want er was een streng bevel dat het werkvolk de familie zooveel mogelijk uit de oogen moest blijven, daar de freules er niet van hielden om door vuile half naakte daglooners te worden aangegaapt. Hel leed over dergelijke vernederingen ging echter spoedig voorbij en versleet met het juffersvel. Zoo ging het ook met de manieren. Otrze gedachtenkring werd steeds enger en na een paar maanden scheen ons het achterliggende leven van rijkdom en weelde een schoone droom en konden wij ons niet anders voorstellen of wij waren levenslang arme arbeiderskinderen geweest, die altijd uit de prolpot van grutten hadden meegeschept. De menschen in wier kring we verkeerden rekenden, dat we met de kleeren ook den stand hadden afgelegd en behandelden ons volkomen
148
als gelijken of eigenlijk als ondergeschikten, daar we minder sterk waren. Slechts enkele oude bedienden op het kasteel schenen ons te ontwijken, zagen ons met deernis aan en spraken bij toevallige ontmoeting een deelnemend woord. Dergelijke lotwisselingen, van rijkdom tot armoede en het vervallen tot oen lageren stand waren door den langen oorlogstijd toen niet zeldzaam. Zoo leefden wij ruim twee jaren en waren naar lichaam en geest andere menschen geworden. Toen stierf onverwacht de baas en de weduwe besloot naar Nijmegen te verhuizen, meenende aldaar een welgestelde zuster te hebben. Wij zouden bij een boer een dienst zoeken, maar dat gelukte niet, daar men ons wel willig genoeg vond, doch te zwak voor grof werk op den akker. Daarom kwamen we overeen oin onze vrouw te vergezellen en in Nijmegen naar een dienst onder de burgers uit te zien. Het was een vermoeiende reis, waarbij wij op den boer leefden, nu en dan bedelen moesten en in hooischelven of schuren overnachten. Na vijf dagen blootvoets geloopen te hebben, kwamen wij uitgeput in genoemde stad, waar de vrouw wel hare zuster vond, maar als een oud eenig meutje, weinig minder arm dan zij zelf. Mijne zuster en ik zochten overal werk, maar konden slechts nu en dan wat en dan nog van de minste soort vinden; terwijl wij ook te armelijk in cle kleeren staken om ons bij welgestelde burgers aan te bieden. Mijne zuster slaagde er eindelijk in om terecht te komen bij een Keulschen schipper. Zij verheugde zich zóó in het vooruitzicht van een goed onderkomen en voldoende voedsel, dat wij zonder veel opzien afscheid namen, toen zij met haar volk naar Duitschland trok, want ook die aandoening was verstompt en toch heb ik nooit meer iets van die lieve zuster vernomen. De buren zeiden dat ik in het arme Gelderland niet gemakkelijk zou klaar komen, maar dat een jong gezond vrouwspersoon in Amsterdam altijd wel door dienen aan de kost kon raken. Dat besloot ik dan te beproeven en de juffer weet, hoe ik als een schip zonder roer aan het dwalen ben geraakt, tot ik engelen vond, die zich over de zwerveling erbarmden en haar onuitsprekelijk gelukkig maakten. De laatste nacht van mijn dolen, zal nooit uit mijn geheugen gaan en tot heden heb ik er met niemand over gesproken. Het Avas guur weer, harde wind en nu en dan regenvlagen. Naar lichaam en geest afgetobd, verkleumd en hongerig, sleepte ik mijn lichaam voort en het scheen alsof dien dag geen sterveling meelijden had met de havelooze bedelares, die met bloedende voeten over de
149
slikkerige wegen ging. Hot eenige lichtende plokje in mijn ziel, waaruit soms als een stem scheen te komen, fluisterend : „Versaagniet. Ik zal U er doorhelpen,quot; scheen te vorduistoren, on ik gevoelde dat die donkerheid de zwarte schaduw van den dood was. Door en door vermoeid en mistroostig ging ik, toen de avond begon to vallen, in een greppel liggen met de bede, dat een in de verte dreigende donderbui los zou barsten, plasregens de grop zouden vullen en ik dan in den slaap do eeuwigheid zou ingaan, naar mijn goede moedei, die ik nauwlijks had gekond, maar waarnaar mijn hart, als naar een goede ongel, zóó innig verlangen kon. Ik zat nog op den rand van don grop en lette er op hoe van oen in do nabijheid staanden boom de dooreen gegroeide takken een kruis vormden, en zoo dacht ik aan den man der smartc, aan Jezus, die op het schandhout voor ons gestorven is. De regen had nu een oogenblik opgehouden en in het westen, waar de zou tusschen wolken wegzonk, zag ik als in den geopenden hemel, oen eindeloos verschiet van schitterende, fonkelenden en gloeiende kleuren. Op dit oogenblik hoorde ik in de verte een kerkklok luiden, en toen ik omkeek ontdekte ik tusschen de glanzende kim on do plok waar ik zat, twee donkere gestalten, die door het kronkelende karrenspoor naderden. Het bleken twee vrouwen te zijn; de oeno tenger en feeder, de andere rijzig en slank. Do kleinste zag mij aan met een blik, die ik nooit zal vergoten en wees daarbij tegelijk op de andere. Toen ik opzag om iets te zoggen, waren beiden verdwenen on ik heb nooit kunnen uitmaken, of die verschijning oen gewrocht dor verbeelding is geweest of werkelijkheid. De laatste klank door mij opgevangen, was \'t galmen van de klok. Wat er vorder gebeurde, weet ik niet on lijkt mij een verwarden droom; maar toen ik bij vrouw Goedhart te Amsterdam tot klare bewustheid kwam, zag ik naast mijn legerstede, dezelfde jonge vrouw staan, waarop ik gewezen was en dat waart gij; zoete, lieve, beste juffer! Er zijn oogenblikkon, waarin ontroering verstompt en hot overstelpte gemoed zich slechts door tranen lucht kan verschaffen. Zoo was het nu tusschen meesteres en dienstbode, en Geehtk kon slechts, terwijl zij het bevond meisje zachtkens langs de gloeiende wangen streek, haperend uitbrengen: „Arm, arm kind! Wat hebt go toch bitter geledenquot;. Toen do hevigste schok voorbij was, ging Bella met haastige stom voort: „Maar ik beloofde U heden alles to vertellen en dus ook van de merken op mijn schouder. Zooals do juffrouw misschien wol weten zal, is het onder de grooten
150
in Duitschland gebruikelijk om de kinderen reeds vroeg een gouden, zilveren of koperen penning met het familiewapen, om den hals te hangen. Dit was ook bij ons geschied, maar toen de boerin dit kleinood ontdekte, moesten we het terstond afstaan om te verkoopen. Zij scheen volstrekt niet te kunnen begrijpen, hoe we tranen stortten over het gemis van zulk een nest, en om ons te troosten beloofde de baas een veel duurzamer merk te zullen verschaffen, dat nooit iemand kon wegnemen. Toen hij in zijn Jonge jaren achter het kalfsvel liep, had hij zich in ledige uren toegelegd op de kunst om allerlei figuren en letters op de armen zijner kameraden te prikken, waardoor hij menig „soopjequot; verdiende. Hij wilde nu eens aan ons beproeven, of hij die kunst nog verstond, en op onze schouders afbeelden wat de penning vertoonde. Ons tegenstribbelen baatte niets, en reeds de eerstvolgende Zondag werd voor de kunstbewerking bestemd. Do baas. de oudste jongen en een buurman hielden ons stevig vast, de vrouwen stonden toe te kijken, en die geharde menschen schaterden van lachen, toen wij in één krompen en gilden van pijn en het bloed uit de wondjes druppelde. De boer had de vaardigheid nog niet afgeleerd en na met buskruit ingewreven te zijn, waren do prikken spoedig genezen en stonden leeuwen, sleutels en letters in heldere blauwe kleur onuitwisbaar op onze schouders. Later heb ik wel eens ondervonden, dat wanneer de menschen, waaronder wij verkeerden, die merken zagen, zij er zelden over spraken, waarschijnlijk omdat zij meenden, dat wij, als velen hunner, door de Roode Roede gekastijd waren en daarvan het schandteeken droegen. „En nu, zoo besloot Bella, is mijn biecht volkomen en weet mijn lieve juffrouw alles wat mij is wedervaren. Zij zal het haar dienstmaagd wel willen vergeven, dat deze haar nu pas met deze dingen durft lastig vallen. Geerte staarde haar vriendin met onbeschrijflijke deernis aan, en tegelijk kwam do gedachte op, aan een geschenk waarmede zij Bella bij haar vertrek verrassen wilde. Zij verzocht om de merken nog eens te zien en maakte daarvan een teekening, waarnaar een goudsmid een penning vervaardigde, overeenkomende met het sieraad waarvan het meisje gesproken had. Den laatsten dag van Bella\'s verblijf te Amsterdam, na het gemeenschappelijk ontbijt, overhandigde Geerte het geschenk en het zou onmogelijk wezen om de verrassing te schetsen, waarmede het werd aangenomen. De dienstbode kuste nu niet slechts de handen der meesteres, maar zij omarmden elkander als dierbare
151
zusters. Eenige dagen daania werd in de kerk te Naarden uit de zoogenoemde „lange boekenquot; afgelezen, dat voornemens waren zich, onder inwachting van den goddelijken zegen, in het huwelijk te verbinden: Jan Uittenbogaarde uit Naarden, oud 34 jaren, Bierbrouwers-knecht, en Isabella Digna van Koningsmahk, laatst uit Amsterdam, dienstbode, oud 31 jaren.
Wanneer op den vaak moeilijken bergtocht des levens, nu en dan een rustige vlakte bereikt is, wordt bij gevoelige menschen doorgaans de neiging sterk, om zich in het verledene te verdiepen en in de eenzaamheid daaruit beelden op te roepen, welke soms zonderling overeenstemmen met de werkelijkheid. Geerte gevoelde iets van aard, toen ze, in \'t schemeruur van een somberen voorjaarsdag, in haar woonvertrek droomerig te peinzen zat over de voorbij gegleden jaren en den heerlijken tijd voor den geest riep, toen zij met kinderlijke liefde alle zorg kon wijden aan haar lijdenden vader en ziekelijken broeder, maar haar verstand voegde er bij, hoe er toch ook alsem was in dien honigbeker. Nuquot;quot; scheen het leven voor haar te liggen als een eentoonige onafzienbare vlakte met een grafheuvel op den achtergrond. Het vertrek van Bei-la had groote leegte in huis en hart gegeven, veel grooter dan zij zich had voorgesteld, en met zekere goedaardige afgunst dacht zij aan hare vriendin, die hare kracht wijden kon aan een braven echtgenoot en wellicht later aan een gezin. Hare droefgeestigheid was dien dag bevorderd door een briet uit Indië, welke ook aan Maruken een vloed van tranen had ontlokt. Het Bestuur der Weeskamer te Batavia schreef namelijk, dat het overlijden van Pieter nu als zeker werd beschouwd, en dat gebleken was dat hij zijn niet onaanzienlijk vermogen grootendeels had medegenomen om in Japan handel te drijven, dat een deel van het overschot aan de moedor zijner twee kinderen was uitgekeerd, en dat die kinderen, een zoon Jacob Hendrik en eene dochter Anna, in het Weeshuis te Batavia waren opgenomen. Het is hier de geschikste gelegenheid om te vermelden, dat de zoon koopman is geworden en in 1661 voornaamste eigenaar van de galjoot „Het nachtglasquot;. Ook die zoon is vroeg gestorven, zijn nalatenschap is onder het beheer der Weeskamer gekomen, en drie zijner kinderen in het Weeshuis te Batavia gealimenteerd. De kleinzoon van dien koopman en reeder, was in 1710 Assistent te Suratte en een dochter trouwde met Hendrik
152
Rotteveel, begonnen als pennist, doch geworden een schatrijk koopman te Malabar, waarvan een kleindochter in 1703 te Utrecht de echtgenoote werd van Wouter van Oort. Keeren wij echter van dezen uitstap op genealogisch-gebied naar Geerte terug, die droefgeestig peinzende over haar zoo noodlottig omgekomen levenslustigen broeder in \'t schemeruur in het voorvertrek zit. Hot is stil in die kamer; de hangklok tikte regelmatig, zooals zij sedert jaren uren van vreugde en uren van smart had afgeteld; beneden in de keuken stommelde de oude Marijken, om de jonge dienstmaagd, de opvolgster van Bella, „thuiswijsquot;, zooals zij zeide, te maken. Op straat suisde de wind in de hoornen van den singel en klonk nu dan het stampen in den vijzel vaa den apotheker. Het geraas van do stad; duizende geluiden samengesmolten tot één toon, gonsde in de verte, als de banen der zee aanrollende, zwellende en wegstervende. Langzamerhand schijnt voor Geerte de stilte te gaan spreken en is het of zij zachte vriendelijke bekende stemmen hoort fluisteren. Zij geraakt van lieverlede in een toestand tusschen waken en sluimeren, op de grenzen der droomwereld, waar verbeeling en werkelijkheid in één vloeien. Geerte meent haar dierbaren vader voor zich te zien staan in onbestemden vorm en als in een lichtglans, maar toch duidelijk genoeg om den innig vriendelijken blik te herkennen, welke haar gemoed altijd verteederde. Zij gevoelde tegelijk die onbeschrijfelijke aandoening van zielsgenot, welke wij in onze beste oogenblikken soms waarnemen, en waarin we zouden kunnen gelooven, dat een goede geest uit hoogere gewesten om ons heen zweeft. Allengs vervloeide het beeld des vaders en werd vervangen door een andere gestalte, die zij, o! zoo gaarne zag; maar die zij niet wilde, niet mocht zien. Toen trilden do fijnste snaren van haar gemoed zoo sterk als of zij breken zouden, en bij het wakker schrikken bemerkte zij pas hoe ruim de tranen over haar wangen biggelden.
Een week daarna ontving Geerte een brief uit Zwolle en herkende als bij ingeving de hand van Hendrik van Wilsum. Toen zij bevende het geschrift opende, las zij het voornemen om haar den volgenden Zondag na kerktijd een bezoek te brengen. Geerte, die menigmalen in arme woningen getoond had, dat het haar niet ontbrak aan geestkracht en moed, ontroerde nu zoo geweldig, dat zij zich niet beheerschen en schreiende nederknielde om Gods hulp in te roepen. Zij wist dat Hendrik, haar Hendrik, zooals zij menigmalen in de stille eenzaamheid had gepreveld, tegelijk blozende over die zondige
153
opwelling, burgemeester zijner woonplaats was geworden en afgevaardigde ter Generaliteit. Van terzijde had zij ook vernomen, dat, nu ruim een jaar geleden, zijn eclitgenoote, na een langdurig ziekbed overleden was. Hoe zij van dien ouden bekende altijd bijzonderheden vernam, kon zij zich niet verklaren en het leek of de vogels die uitbrachten, want nooit durfde zij tegen iemand dien naam noemen, wetende lioo het bloed haar dan naar de wangen steeg. Natuurlijk begreep zij dadelijk wat dat onderhoud beteekende en met een onvaste hand werd geantwoord, dat zij met genoegen den ouden vriend zou afwachten. Om zich eenige afleiding te verschaffen, liet zij de woonvertrekken bijzonder goed schoon maken, want zij herinnerde zich nog, hoe Van Wilsum een op netheid gesteld man mocht worden genoemd, en gelijk in die dagen gebruikelijk was, gaf de juffer aan dienstboden en schoonmaaksters een voorbeeld in het borstelen en boenen. De tijd scheen na het lezen van dien brief den slakkengang te gaan en de oude hangklok tikte tergend langzaam. Wanneer Geerte dacht aan het naderend bezoek, \'t welk eigenlijk geen oogenblik uit haar gedachte was, begon zij zenuwachtig te beven, maar te gelijkertijd jubelde in haar hart een gevoel van blijde verwachting. Zij had alles wat zij bij zijne komst doen en zeggen zou, zorgvuldig overpeinsd, opgeschreven en wel twintig malen overgelezen en nu vooral miste zij de trouwe Bella voor wie zij geheel haar hart kon uitstorten. Eindelijk kwam dan toch de met vreugde en angst te gemoet geziene Zondag, maar Geerte had geen moed om wat zij anders zelden verzuimde, naar de kerk te gaan. Toen precies op den bepaalden tijd. de koperen klopper op de voordeur het bezoek afinkondigde, begon het hart van het meisje den stormmarsch te trommelen en in hetzelfde oogenblik was de met zooveel zorg samengesteld en van buiten geleerde aanspraak volkomen vergeten. Toen zij in de voorkamer kwam, stond Hendrik in het midden van het vertrek. Zij zag wel hoe jaren en zorgen hem niet ongemoeid hadden gelaten, maar overigens was hij toch geheel dezelfde, ook in de vertrouwen-wekkenden blik zijner vriendelijke oogen. O! wat gingen er in een onkel oogenblik tallooze herinneringen door haar hoofd en liet scheen alsof daar binnen alles in lichtglans vlamde en fonkelde. Ook zijn stem trilde, toon hij haar aanziende, haperend sprak : „Geerteke zal wel begrepen hebben, wat ik vragen kom en ik hoop vurig dat haar halve dukaton nog op do mijne passen zalquot;. Toen breidde hij
154
de armen uit. Geerte die er prijs op stelde, een kloeke vrouw le worden geacht, heeft later meermalen gedacht, hoe zij zich toen wel wat verstandiger had kunnen gedragen. Zij zag Van Wilsum aan, met den ouden helderen glimlach, maar dooi\' tranen heen en stotterde: Henrik, beste Hexrik, wat maakt ge mij onbeschrijfelijk gelukkig.quot; Er was zulk een roerende trilling in die stem, dat het tintelde in liet diepst van zijn ziel en zijn oogen begonnen te schemeren. Hij drukte Geerte aan zijn hart, tranen druppelden op het blanke voorhoofd van het meisje, en twee zielen, lang verbonden, smolten als het ware, samen en uit twee zalige harten steeg een dankgebed tot God!
Er bestond geen enkele rede om het huwelijk lang uit te stellen en de voornaamste moeilijkheid was eigenlijk de oude Marijke: een hinderpaal gemakkelijker uit den weg geruimd dan Geerte zich ooit had voorgesteld. Het bolde de bedaagde dienstmaagd best, toen haar een net woninkje in een deftig hofje werk verschaft, waar zij naar harte lust kon schrobben, vegen, schuren en haar eigen werkje betreuzelen. In haar gemoed, waarin een gevoel van werkheiligheid om den voorrang kampte met gewaarwordingen van zondige tekort komingen, was het beurtelings licht en duister, maar één zonnig plekje bleef altijd glansen, en wel de heugenis van haar jarenlang verblijf in de familie. Tot in hooge ouderdom bleef zij een „dankbaarquot; besje waarom Geerte, door ondervinding geleerd, haar wel eens een witte raaf noemde. Tijdens de bruidsdagen werd een bezoek gebracht aan Naarden, wat tot een voortdurende vriendschap tusschen Van Wilsum en neef Gerrit aanleiding gaf. Onvergetelijk bleven voor Geerte de bezoeken bij Bella ; eerst met haar bruidegom en vervolgens alleen. De „getrouwequot; bewoonde een knap huisje in de Voorstraat, was met haar brouwersknecht recht gelukkig en het liet zich aanzien dat de familie niet uitsterven zou. Met genoegen zag Geerte hoe gezond hare vriendin er uitzag en onwillekeurig kwam haar voor den geest, de uitgeteerde en vervallen gedaante, die zij op het strooleger bij vrouw Goedhart had zien liggen. Welke lieflijke snaren er trilden in het hart van Bella, toen zij haar innig dierbare juffrouw zoo gelukkig zag, is eenvoudig niet in woorden te brengen.
Geerte vond in haar echtgenoot alles en veel meer, dan zij zich had voorgesteld. Er heerschte stille zonnige vrede in en om haar huis; alsof weldoende engelen er zegenend omheen zweefden. Vielen er
155
ook nu on clan, als bij ieder meuschenkind, schaduweu op den weg, dan mochten die goede menschen ervaren:
„Wat nacht er moge dalen.
Wat immer wijk\' of zwicht;
Waar liefde\'s oogen stralen.
Daar straalt het eeuw\'ge licht.quot;
Sommige menschen schijnen universeele erfgenamen van de deugden hunner familie en anderen lijken de mindere loffelijke toebedeeld, of deugden, welke door overdrijving in ondeugden overgaan. Zoo liep ook de aard der kinderen van Pieter Jacobszoon (Nagïglas) ver uiteen, wat vooral opviel bij de jongste dochter Johanna of Anneken, gelijk zij meest genoemd werd. Bij veel der goede eigenschappen van haai ouders, was deze jonge dochter lichtgeraakt en opvliegend als buskruit en tot stijfhoofdigheid toe volhardend in eens opgevatte meeningen. De schalke goedmoedigheid, waarmede zij de na het vergrijp ontvangen welverdiende berispingen aanhoorde, bracht te weeg, dat bij haar altijd veel door de vingers werd gezien. Die vlagen beroerden ook slechts de oppervlakte, want dieper huisde een edel en trouw gemoed. Johanna was nog een kind toen hare ouders kwamen te stervenen als een „nakomertjequot; veel toegegeven en daardoor wat bedorven geworden. Na het overlijden der beide ouders kwam zij in huis wonen bij hare zuster Cathahina of Tkuntje, gehuwd met Claes Gehbrands, een aanzienlijk koopman op de Heerengracht wonende. De oudste en de jongste zuster liepen ver uitéén in aard en opvattingen. De oudste was het evenbeeld der moeder, kalm, tevreden, huiselijk, zonder verheven ideaal en in alles vertoonende, de degelijke en deugdelijke Hollandsche huisvrouw, en daardoor geheel passend bij haar rustigen echtgenoot, wiens denken en doen beperkt bleef, binnen den kring van zijn uitgebreiden handel. Johanna of Anneke, gelijk zij zich gaarne hoorde noemen, was veel levendiger van aard dan hare zuster; zij had een sterke verbeeldingskrachl en koesterde met voorliefde lederen bonten droom, rijzende in haar rijk besnaard gemoed. Voor vreemden
15G
was zij vriendelijk en voorkomend; doch in den huiselijken kring van haar zwager schoen zij weinig te passen en botsten de uitéénloopende meeningen vaak tegen elkander. Ook in uiterlijk verschilden de zusters niet weinig, de oudste was blank en blond met een rozenkleur, de jongste bleek, met bruine lokken en donker blauwe oogen. Naast Gehbkands haar zwager, woonde een deftige Spaansche familie, waarvan het hoofd, Don Rafael de Fuentes, bij oogluiking der regeering, de belangen zijner landgenooten behartigde. Zijne echtgenoote Clara de Vaele was uit Brussel afkomstig en het gezin beleed de Roomsche kerkleer. Hoewel de openbare uitoefening dezer eeredienst bij strenge plakaten verboden was, werd door sommige magistraten, ook door die te Amsterdam, toegelaten, dat er godsdienstige plechtigheden plaats hadden, waar pakhuizen, meest in achterbuurten, werden ingericht en door het wegbreken van vloeren en het aanbrengen van daklichten voor kerken geschikt gemaakt. Ook de Bagijntjes genoten er de volksgunst en zelfs werd er door de vingers gezien, als deze „klopjesquot; in vol kostuum met kraag, kap, sluier en bouwen gezamenlijk het lijk eener zuster in de kapel van haar hof ten grave brachten.
Toen de door geleerdheid en karakter algemeen geachte Goesenaar Leonardus Marius, pastoor van het Bagijnhof werd, ging er nog meer glans uit van die gemeente, waarbij zich ook nu eu dan protestanten aansloten. Niet weinig heldere hoofden en warme harten kregen namelijk afkeer van het onverdraagzaam drijven der Calvinistische predikanten, die bij voorkeur een God verkondigden, wreed en grillig als een Oostersch dwingeland en van den kansel bulderden, niet alleen tegen anders-denkenden, maar zelfs tegen onschuldige modevormen; lang haar en eenvoudige volksvermaken, üe kerk bekleedde toen in het huiselijk en nog meer in het maatschappelijk leven, de voornaamste plaats en de afwijkingen en twisten werden door ieder besproken. Ook in het gezin van Gerbrands had dit plaats. De huisvader liet zich daar niet veel mede in; doch tusschen de zusters kwam het soms tot vrij heftige woordenwisseling. De oudste verdedigde de steile rechtzinnigheid als onveranderlijk gegrond op Gods eigen woord, en noemde ieder een afvallige libertijn die een tittel wilde veranderen aan de vastgestelde belijdenis der Kerke Gods. De jongste koos partij voor verdraagzaamheid, streed voor vrijheid van geweten en had een afkeer van zemelknoopen en haarklovende falievouwers) die den kemel doorzwelgden, maar het mugje voorzichtig ter zijde
157
lagen. De Consul, gelijk Don Rafael meestal genoemd werd, had een dochter van gelijke jaren als Anneken en deze buurmeisjes, elkander reeds van kindaf kennende, waren steeds vriendinnen gebleven. Dit was voorbeen nauwlijks denkbaar geweest, maar naarmate de vloed afliep, waren de bakens verzet en de heftigheid tegen de Spanje en de Spanjaarden veel geluwd. Tijdens het Bestand, waren de betrekkingen levendiger geworden met de niet afgevallen zuidelijke provinciën, en waren niet weinigen, vroeger door kerkverschil los-gereten familiebanden, na vele jaren weder aangeknoopt. De gemalin van den Consul en hare dochter hadden mei paspoorten van de Algemeene Staten en de Landvoogdes, meermalen haar geboorteland bezocht, en zoo werd Anneken uitgenoodigd om met moeder en dochter in die vreemde streken eens een kijkje te gaan nemen. Zwager en zuster waren niet voor die reis naar Roomsche kwartieren, vooral misschien, omdat zij vreesden, hoe de rechtzinnigheid van het meisje reeds nu al wat te wenschen overliet; doch wanneer „zusquot; een voornemen bad opgevat, was zij daar niet licht af te brengen en zoo gebeurde het ook nu. Er werd dus toegegeven en op een vroegen morgen in Augustus werd de reis door de drie dames aanvaard in een zoogenoemden bolderwagen, waarmede men in twee of drie dagen naar Antwerpen reed. Die reis was zonder gevaar, hoewel omstreeks de grenzen eenige goed gewapende geleiders niet overbodig werden geacht, van wege de in die streken rondzwervende vagebonden en andere rabauwen. Do Consul had tijdig do beste plaatsen in den wagen besproken en twee vertrouwde knechten te paard medegegeven. Daar er slechts één medereiziger was, een bejaard hulpvaardig man en de postknecht met den brievenzak liefst op den bok bij den voerman zat, hadden do dames ruimte in overvloed. In den aanvang ontbrak het niet aan onderhoud, doch gaandeweg verflauwde het gesprek en werden de donkere huiken meer en meer dichtgetrokken. Zij begonnen te luisteren naar het dreunen en knarsen der breede wielen op den harden weg, het kraken van het onhebbelijke zwaar beladen voertuig, het rammelen der onderhangende kettingen, het blaffen van een waakhond aan de daaraan bevestigden bak, het rinkelende der bellen van de beide sterke paarden, in welke uiteenloopende geluiden, waarbij nu en dan ook zweepgeklap klonk, toch zekere toongang scheen waar te nemen, welke als een slaapdrank werkte. Van tijd tot tijd rolde het rijtuig door een dorp, meestal stil en als verlaten, doch waar
158
do bewoners uitliepen om den wagen na te kijken en te spreken over den vooruitgang, dat er dergelijke middelen van geregeld vervoer, waaraan voorheen niemand dacht, tegenwoordig in gebruik waren gekomen. Voor de herberg werd stilgehouden en kregen de reizigers gelegenheid om zich wat te verfrisschen, met brood, melk, een soopje brandewijn of wat zoogenoemde koude schaal. Een half uur later hotste de wagen weer voort door het diepe spoor van den vaak oneffen weg en soms langs een oude kerk, gewoonlijk lieflijk kalm staande op een met hoog hout begroeiden heuvel. Het gebouw met /waren toren, somber portaal en puntboogvensters, was omgeven door de begraafplaats, vol regelmatig opgeworpen grafheuveltjes, ais overstrooid met roode, witte en geele bloemen. Eindelijk begon de avond te vallen en flikkerden tallooze sterren aan den onbewolkten hemel. Bij liet voorbij rijden van een smidse, waarin een paar zwarte halfnaakte kerels de vonken van het gloeiende ijzer als een vuurwerk deden rondspatten, stak de voerman een lantaren aan, welk licht de schaduwen op den weg nog donkerder maakte en de boomen deed gelijken naar reuzen dreigend op den wagen neerziende. De klok van den Domtoren sloeg tien uur, toen de zware deuren van de bochtige Gatharijne poort te Utrecht, dreunend en knarsend voor den wagen werden geopend, welke voor het veerhuis, de herberg: De liggende Os, op het Vreeburg, stil hield. De juffers brachten daar een goeden nacht door, doch reeds vroeg sloeg het uur van vertrek, zoodat de zon nog niet geheel was opgegaan, toen het avond en morgenstuk met de slaaphuur aan een reeds aanwezige dienstmaagd werden betaald. Op den stads singel rijdende, rees de zonneschijf boven de kim. De meisjes, die nog nooit het uchtendkrieken aanschouwd hadden, genoten van het wonderschoone schouwspel. Zij zagen hoe een witte nevelstreek in het oosten, langzamerhand geel, blauw, purper en violet werd gekleurd, en hoe fijne rozenrood getinte wolken de schemering begonnen te verhelderen, waarna de dagvorstin als een gouden bol statig boven den gezichtseinder klom. Met haar schijnsel ontwaakte ook de natuur en de vogels begonnen te zingen, de arbeiders gingen naar het veld en hier en daar werd de ploeg gedreven door de van den oogst beroofde bouwlanden. De stadsmeisjes waren verrukt over het treffend schouwspel dat iederen dag herhaald wordt, doch wat de meeste menschen in al zijne heerlijkheid nooit hebben bijgewoond. Anneken werden de oogen vochtig bij het gezicht der wonderfraaie over alles heen golvende
150
tinten en zij was geneigd om opgewonden uit te roepen: Nog eens ! nog eens! Maar de gouden bol vervolgde rustig haar loop. Niet lang daarna stond do wagen voor een breeden stroom, welke in een grooten drijvenden bak werd overgezet. Vervolgens reden zij weder dooi- dorpen, maar ook door stille stedekens, omringd door vervallen wallen, bier en daar met wachttorens versterkt of grenzende aan een zwaar middeleeuwsch kasteel met transen en ronddeelen. Do oude verweerde puntgeveltjes in de slecht geplaveide straten waren dikwijls nog van hout en boven de deuren voorzien van houten luifels en stoepbanken, welke laatste des zomersavonden heel wat zouden hebben kunnen klappen van buurpraaljes en vrijages. Bij het voorbij hotsen van don bolderwagen waren zij echter onbezet, daar oud en jong nog aan den arbeid was. Op stille pleintjes werden soldeniers in de behandeling van piek en musket gedrild, en ook door ruiters hun paarden afgereden. Het was een lange dagreis en de nacht werd te Breda doorgebracht. Hoe verder het gezelschap in Brabant kwam, des te meer sporen werden er zichtbaar van den gewoed hebbenden oorlog. In vele dorpen had „de roode haan gekraaidquot;, wat puin-hoopen en door de vlammen geblakerde woningen getuigden. Van sommigen kerken, kapellen en kloosters langs den weg waren slechts bouwvallen te zien, met ledige vensteropeningen als de oogholten bij een geraamte ; tusschen neergeworpen muren, reeds overgroeid met onkruid, verhief zich hier en daar een gebroken boog of een geknotte zuil. Nabij de grenslijn waren nog veel akkers onbebouwd gebleven en had de heide reeds een deel van den vruchtdragende bodem ingenomen. Bruine heuvels, kale zandplekken en grauwe moerassen gaven aan deze streken een onherbergzaam aanzien en de weg was weinig meer dan een heidespoor vol gaten en putten. Bij het voorbij wiegelen van het rijtuig, verlieten de bewoners, verarmde mannen en vrouwen en meer dan half naakte kinderen, de lage ellendige van plaggen en oude planken opgeslagen hutten om den wagen bedelend te volgen. Nu en dan was het mulle spoor zoo vol gaten dat de vrouwen moesten uitstijgen en gelegenheid kregen om op te merken, hoe zelfs de eentoonigste heide nog veel bezienswaardigs biedt en welriekende fraai gekleurde bloemen hier en daar opschoten tusschen het kreupelhout of onder gevallen boomstammen en daar in stilte prijkten. Op den vierden reisdag zagen de juffers tegen den middag, aan het einde van een uren langen door olmen, eiken en
100
beuken beschaduwden landweg den hoogen toren der Lieve Vrouwe kerk. Niet lang daarna lag de groote stad voor haar, half verborgen in een grijs neveltje, dat zich onder den invloed der meer en meer doorbrekende zonnestrelen verdunde en verdeelde. Wat later reed de bolderwagen de poort van Antwerpen binnen. Aan het veerhuis bij hel Groene Kerkhof, werden zij door den Schepen de Vaele opgewacht en waren spoedig in diens deftige woning. Hoewel Antwerpen niet meer was als een eeuw te voren de rijke en weelderige Koningin der Schelde, bleef het toch altijd een aanzienlijke stad, slechts noode aan het stout vooruitstrevend Amsterdam, den naam afstaande van Venetië van \'t noorden te wezen. Overal bewonderde Anneken de sporen van den ouden rijkdom. Dit was ook merkbaar in de ruime woning van den welgestelden Schepen. Enkele vertrekken waren versierd met fraai beschilderde en rijk vergulde plafonds, de wanden behangen met kleurige fijn geweven tapieseriën of opgeluisterd door groote schilderijen met bijbelsche of mythologische voorstellingen. Ook de meubelen der zoogenoemde statie-vertrekken waren sierlijker en smaakvoller dan in Holland, en keurig bewerkte; dressoirs, kasten en stoelen bewezen de kunstvaardigheid der Vlaamsche schrijnwerkers. Waren de ontvangkamers in den regel te Antwerpen fraaier dan te Amsterdam, de woonvertrekken waren eenvoudiger en de manieren der bewoners minder beschaafd; doch opgewekter, levendiger en hartstochtelijker dan in het noorden. Anneken of Jeanne, gelijk zij hier genoemd werd, gevoelde zich spoedig tehuis in een kring van zulke gastvrije menschen, dat ieder bezoeker zich spoedig beschouwde als een lid van het gezin en de lustige omgang trok het meisje veel meer aan, dan de afgemeten koelheid hij haar zwager te Amsterdam. Ook in de Belgische stad, met haar rustige straten en kalme pleinen had zij meer behagen dan in haar woelige geboorte plaats, waar hooren en zien verging van het rumoer en de stille wandelaar telkens haast omver-geloopen werd door zeegezellen, schuitenvoerders, kruiers en dragers. De fraaie kerken maakten diepe indrukken in het weeke gemoed van het meisje en vooral bleef onvergetelijk de herinnering aan het eerste bezoek in de prachtige Kathedraal. Een nimmer nog zoo gevoelde verrukking vervulde haar gemoed bij den blik in de ontzachlijke ruimte geheimzinnig beschenen door het wemelend veelkleurig licht der schoon geschilderde glazen. De marmeren gedenkteekenen leken haar wonderen van beeldhouwkunsten niet minder de sierlijk gesneden, koorbanken, biechtstoelen
101
on slagdeuren, de kunstig gosmeedde koperen en ijzeren hekwerken en nl\'sluiiingen, ma.ar bovenal do menigte scliilderijen, sprekende van Gods glorie en goedheid. Zij kon geen woorden vinden om haar hart aan hare vriendin Virginie uit te storten en do bekoring WM\'d nog versterkt door orgoltoonen, zacht en lieflijk ruischende langs de hooge gewelven van hot Huis Gods, gelijk hare vriendin de Kerk noemde. Onwillekeurig dacht Anneken aan de godsdienstoefeningen der gerofbrmeordon te Amsterdam, in gebouwen, meerondoels oven kil en somber nis (ie langdradige, vervelende preekon en wanluidende gezangen; waarmede men in Holland beweerde God te loven; welke eoredienst oenvoudigon verstandsmonschon zonder diep gemoedsleven, zooals zuster Thi.tnt.ie door Anneken werd beschouwd, misschien voldoen kon, maar levendige, geestdriftige naturen weinig bevredigde. Toen do vriendinnen kort daarop do Kathedraal weder cmmis bezochten, werd de aandacht vooral getrokken door een schilderij bij bot hoog-altaar, oen moostorstnk van opvatting en uitvoering: als oen homolsch vizioen golijkond, mot stralend licht, heerlijke kleuren en afbeeldingen van bovonaardsche wezens. Toon de juffers dit, nog niet lang geleden, door den heroomdon Rurens als geschapen kunstwerk stonden te bewonderen, worden zij aangesproken door oen jong, not man, een bekende van de familie de Vaei.e. Hij was klein van gestalte, doch welgemaakt, met. zorg gekleed in oen gekleurd wambuis van fluweel mot satijn belegd, en mot gepofte mouwen, zijden kousen on oen korten bevallig opgeslagen mantel. Zijn innemend voorkomen, vriendelijk woord en boschaatde manieren kenmerkten terstond don welopgovooden hoffelijken man. Toon, bij het diep afnemen van don gepluimdon grijs kastoren hoed, het wolbosnedon gelaat meer zichtbaar word, bleek aan do geole kleur, hot ravenzwart haar en de donkere oogen, dat hij geen Nederlander was, maar oen zoon van het lauwe Zuiden, üox Alviionso de Lomela, gelijk hare vriendin hom aan Anna voorstelde, was werkzaam op hot consulaat van Spanje, on verkeerde in de aanzienlijkste kringen der stad. Mot Vihginie sprak hij in zijne moedertaal, maar toen hij bemerkte, dal hare vriendin oeno Hollandsche was, richtte hij tot haar hot woord in gebroken Vlaamsch. Op een uitstapje naar Brussel om don „Groeten ommegankquot; te bezien, wat Anneken een berisping van den Amsterdamschen korkeraad op don hals had kunnen halen, was Don Ai.phonso weder van het gezelschap en blijkbaar voelde hij zich aangetrokken dooi\' hot vroolijko, levendige Hollandscho meisje.
De Gouden Draad. 11
dat met grooto ingenomenheid luisterde naar zijn onderhoudende gesprekken, vooral wanneer liet poezie en schilderkunst betrof en de uiting van diepe gedachten in bekoorlijke vormen. Zoo verhaalde hij veel van zijn omgang met kunstenaars en hoe zijn vriend Rubens de hoofdtrekken ontworpen had van een groot schilderstuk, voorstellende de afneming van het kruis, bestemd voor de Lieve Vrouwe kerk en waarin zeker het wonderbare talent van den genialen meester zon uitblinken. Gaandeweg ontkiemde ook in het hart van Anneken een soort van teeder gevoel voor den vriendelijken jongen man, die aan een helder hoofd, een edel ridderlijk gemoed en zeldzame heuschheid paarde.
Hoewel er in brieven uit Amsterdam steeds werd aangedrongen, dat Anneken naar huis moest komen en hare zielsrust in het Roomsche land niet langer in gevaar mocht brengen, maakte het meisje zich van die vermaningen met een „Jantje van Leidenquot; af en werd het vertrek van week tot week uitgesteld. Toen de oudste zuster een heftiger toon begon aan Ie slaan en de jongste schier als een kind toesprak, vlamde het lichtbewogen gemoed van Johanna op, en schreef zij aan hare zuster, hoe zi j als meerderjarig en door de goede zorgen van haar brave ouders stoffelijk onafhankelijk, zich door niemand wilde laten ringelooren en volstrekt geen plan had om Aulwerpen vooreerst te verlaten. lu den familiekring te Amsterdam werd dit besluit met onlsteltenis vernomen en zuster Trijntje ging terstond bij de broeders haar nood klagen. Beiden oordeelden het bericht onrustbarend; doch meenden, dat hij het bekende karakter van „zusquot; aan haar voornemen niet veel te veranderen zon wezen. Thuntje noemde haar oen eigenzinnig nest, altijd halsstarrig volgende haar eigen wil en zich bovendien malle grollen in het hoofd halende. Zij zou zich zeker spoedig door de paapsche superstitiën laten meesleepen en liet zou Thuntje niets verwonderen, als het dwaze kind reeds op den een of anderen Roomschen Belg of Spanjool verliefd was. Broeder Cornelis was er de man niet naar om zich over dergelijke dingen erg warm te maken en beweerde, dat iedere inmenging olie in het vuur zou gieten. Allen drongen er bij den oudsten broeder op aan, om aan Anneken een ernstigen brief te schrijven, want ook hier was er, gelijk in de meeste gezinnen, een bijzondere moederlijke betrekking van den oudsten broeder tot de jongste zuster. Hoewel Jacob „het zusjequot; innig lief had, was bij toch niet blind voor hare gebreken. Even als
1C3
ieder onzer, was het meisje een mengeling van goed en kwaad, van deugd en ondeugd en de vroege ouderloosheid en onafliankelijkheirt waren zeker niet gnnstig geweest voor haar karaktervorming. De oudste broeder was van gevoelen, hoe het meisje ongetwijfeld reeds spoedig de gevolgen van verkeerde en overijlde handelingen ondervinden zon, gelijk zij ook de geestelijke zegeningen harer deugdelijke werken zou bekroond zien. In het diepst zijner ziel, kon die goede oudste broeder volkomen den strijd begrijpen, in dat jong, hartstochtelijk vrouwenhart gevoerd. Hij schreef haar spoedig wat ziju liefdevol en deelnemend gemoed hem ingaf, maar sprak daarbij niet, van wat door de familie werd vermoed. Hij raadde zijn lieve jongste zuster ernstig aan, om gelijk bij ieder gewichtig besluit in het leven, onder biddend opzien tot den Allerhoogsten haar geweten nauwlettend te onderzoeken eu zich zorgvuldig te wachten voor onberaden handelingen. Spoedig kwam er een hartelijk woord van Anneken terug, maar waaruit bleek hoe zuster Trijntje terecht gegist had, dat liefde in het spel was. Nadat zij de broeders en zuster voor de belangstelling had dank gezegd, deelde zij mede, ten huwelijk gevraagd te zijn door een vriend der familie de Vaele, een jongman onbesproken van gedrag, van zeer deftige afkomst en met de beste vooruitzichten; en dat zij er toe neigde om het vereerend aanzoek van Don Alphonso de Lomei.a aan te nemen. Wat zij niet meldde, maar wat ieder begreep, was dat uit die verbintenis een verandering van Kerkgemeenschap voor haar volgen zou. Dal deze zoogenoemde bekeering eigenlijk zou omgaan buiten haar innigste zieleleven, werd misschien alleen door oom Jacob vermoed, die beter dan iemand begreep, wat er in het hart van zijn nichtje omging. De Roomsche Kerk was in die dagen bij overgangen zeer toegevend. Zij beschouwde Don Alphonso als een trouw zoon dei-Kerk, in weerwil • dat hij de kerkelijke voorschriften volstrekt niet stipt in acht nam. zelden de mis hoorde en van vrijzinnige denkbeelden werd verdacht. In besloten kring was hij er wel eens vooruitgekomen Ie gelooven aan eene Godsvereering boven Kerk-verschillen en den vorm van den niterlijken eeredienst voor ontwikkelde en denkende menschen van weinig waarde te rekenen. Het kwam er slechts op aan, zoo beweerde hij, of in het hart leefde liefde tot God, besef van verantwoordelijkheid, geloof aan onsterfelijkheid, en of de daden overeenstemden niet de grootsche roeping van een navolger van Christus Ie zijn, waartoe de mensch hier op aarde, als een deel zijner eeuwige
1G4
bo,stemming geroepen is. Hoe gelukkig Anneken met haar vriend ook was, die na niet langen tijd haar echtgenoot werd, kwam er toch een ledige, soms pijnlijke plaats in haar liart door do verhouding mot de familie; want alleen oom Jacob bleef, doch met steeds langere tusschen-pozen, de briofwissling aanhouden. Zóó word langzamerhand de kloof breeder, welke baar van de bloedverwanten scheidde en na verloop van jaren stonden deze betrekkingen slechts als schimmen der herinnering voor baren geest.
Toen Columbus in October 1402 het eiland Cuba had ontdekt, meldde bij aan zijne vorstelijke beschermers, dat do monscbolijko taal niet rijk genoog was om de heerlijkheid van dil wonderland te beschrijven en geon hand vaardig genoeg om do schoonheid te schotsen. Terecht werd dit eiland niet lang daarna geprezen als do Koningin dor Antilles en vergeleken bij oen aardsch paradijs, waarin do pracht, van bet landschap wedijverde mot do vrnclitbaarbeid, waar boscbrijke bergen schilderachlig afwisselden met bekoorlijke dalen, waarin heldere stroomen kronkelden, waar slanke palmen zich torenhoog verhieven boven bot donkore loof van mango\'s en oranjeboomon, waar ananassen en bananen groeiden in rijken overvloed en waar zelfs geon gevaarlijke dieren voorkwamen om hot natuurgenot voor don monsch te verstoren. Op oen der bekoorlijkst e plaatsen van het eiland, stond in het midden der zeventiende eeuw, op een bergvlakte een vorstelijk landhuis, gelijk rijk geworden Spanjaarden zich meermalen in deze kolonie lieten bouwen. Achter het ruime, doch lage buis waren wondorscboone tuinen met berceaux, bloembedden, grasperken, kunstig geschoren hagen, waterwerken, fonteinen oir cascades en aan het einde van dat park, verhief zich als een hooge muur van gebladerte oen ongerept gebleven woud, oen tempeldak door (luizende zuilen gedragen, waarin een geheimzinnige schemering beersebte tusschon do hooge boomon en een doordringende reuk uitging van bloemen, kruiden en mos. Hier stonden palmen van honderde vaten boog, gekroond met sierlijke kruinen van lange glimmende bladeren eu daar tusschon:
165
Geboomte, boschaadjes,
Van wisselend plantsoen.
Gekransd met pluimaadjen
Van \'t zuiverste groen.
Mot parken en lanen.
Van lommer verkwikt,
Door duizend luanen Te samen gestrikt.
welke bladeren en festoenen van slingerplanten behangen waren met bloemen, ranken en trossen van verschillende kleuren. Hier en daar had een bosclibrand verwoesting aangericht en waren open plekken, waar zwart geblakerde stammen spookachtig oprezen uit het weergaloos rijke tapijt van bloemen en frisch groen, waarmede de bodem was bedekt; elders lagen omgevallen stammen met veelkleurig mos overkorst, waarop blauw-giijze zonnestralen vielen, waarin millioenen stofjes schemerden, wiegelden en wemelden. Het bosch liep uit op met laag hout begroeide heuvels, welke allengs overgingen in een gebergte, waarvan de grijze toppen, als zij niet verscholen waren in mist, helder afstaken tegen de azuren lucht; terwijl bij naderende weersverandering, nevels en wolken in den zonneschijn, als gouden stralenkransen, om die kruinen glinsterden.
De voorzijde van het landhuis zag uit op een vérstrekkend landschap, voor den geest roepend een golvend groen tapijt met goud, zilveren rood geborduurd. Donkere boschaadjes wisselden in die, zacht naar beneden glooiende vallei, af met de zorgvuldig onderhouden gronden der plantages, waarvan de witte gebouwen scherp afstaken tegen de groene boorden van een snelstrooinenden vliet, welke als een zilver lint grillig door het landschap slingerde. Nog dieper naar beneden lag, dikwijls als achter een dunnen blauwen nevel, de groote handelstad, waarvan kerken en huizen in de verte op kinderspeelgoed geleken, even als de vele schepen in de ruime baai, aan notendoppen deden denken. Daar weder achter glinsterde en straalde de eindelooze zee, waarvan men op deze hoogte, de schuimende branding als een lichtstreep tegen den rotsigen oever kon zien breken. Hoewel slechts één verdieping hoog, was het huis op deze bergvlakte vorstelijk aangelegd en daaraan blijkbaar geene kosten gespaard. Het middelpunt van het ruime voorplein was een kom, in wit marmer gevat, met helder water gevuld
166
waarin een fontein klaterde en waaromheen perken waren vol tropische planten, even schitterend van kleuren als de bonte vlinders en de, als edele steenen fonkelende insecten, welke er in den zonneschijn fladderden en gonsden, tusschen reusachtige magnoliaas, bananen, cactussen en oleanders. De vertrekken van het gebouw waren ruim, luchtig en weelderig gemeubeld. De wanden prijkten met kostbare schilderstukken. waaronder eenige levensgroote portretten door beroemde Vlaamsche meesters; de vloeren waren meest van veelkleurig marnier, kunstig ingelegd en voor iedere deur hingen fijn geweven tapijten. In het midden der zaal stond, op een kostbare mat, een zware ovale tafel van toon nog zeldzaam mahoniehout, doch schier geheel bedekt door een laag afhangend, met goud en zilverdraad bewerkt kleed van blauw fluweel. Om die tafel en tegen de wanden stonden eenige schabellen en stoelen met hooge ruggen, prijkende met gesneden familiewapens, meesterstukken van schrijnwerkers kunst. Aan de, in verguldsel fraai beschilderde zoldering, hingen drie groote zilveren lichtkroonen niet beeldwerk en klaverkruisen, waarvan hot kunstig smeedwerk bewees, iioe schoon destijds in metaal kon worden gewrocht. Aan de wanden zag men eenige, voor die dagen buitengemeen groote spiegels in glazen en vergulden lijsten en daaronder stonden kasten en buffetlen van ebben- en mahoniehout, met porcelein en glaswerk en andere kleinigheden van huiselijk gebruik of versiering, allen in eigen soort, ware pronkstukjes van arbeid. Een groote plaats onder de meubelen was ingenomen door een dressoir of aanrechttafel, waarop zilveren en vergulden kannen, kruiken coupetassen, nappen, bekers en ander drinkgeraad, meerendeels met kunstig drijfwerk versierd. Daarop stonden ook schalen vol ananassen, oranje-appelen en andere vruchten benevens velerlei confituren, gebakken en gebraad, wat aanwees, dat er gasten werden gewacht, ook op te maken uit de, van zilveren galon schitterende livreien der bedienden, meerendeels mulatten, die met de gerechten heen en weer liepen. Aan de beide smalle kanten was de zaal koepelvormig uitgebouwd en de daardoor ontstane vertrekken met fijn gevlochten koperdraad afgesloten. Hierin praalde een overvloed van zeldzame heesters en bloemen, schitterend door kleurenpracht en meerendeels zonderling van vorm en zich ontwikkelend uit vleezige, soms gedrochtelijke bladeren. Er waren bloemen bij, gelijkend op gouden ot purperen kwasten, ook wel op zilveren klokken, scharlaken trossen, of karmozijn roode kelken. Tusschen die eigenaardige
167
plantenwereld, zweefden een tal van vogeltjes, sommige ongelooflijk klein en zóó kleurig, dat zij in hun snelle vlucht om glinsterende insecten ot\' veelkleurige vlinders te bemachtigen, aan voortschietende roode, geele ol\' blauwe vlammen deden denken.
Op een sierlijk gevlochten rieten armstoel zat de heer des huizes, een grijsaard van omstreeks zeventig jaren, maar die er nog goed uitzag. De jonge man Don Alphonso de Lomela, met wien wij, nu vijf en veertig jaren geleden,, te Antwerpen kennis maakten, is nog goed in hem te onderkennen. De regelmaat zijner trekken, de kalme uitdrukking van den blik en het geheele voorkomen, kenmerkten den man van rang, aanzien en fijne beschaving, die in de hoogste kringen op zijn plaats was. Hij droeg nu een overrok van zware donkere zijde, kwistig met goud geborduurd; een satijnen vest, omzoomd met kantwerk en boven zijden kousen een korte gegalonneerde broek. Een lijn bewerkt statie-degentje, met gouden gevest, duidde aan, dat er bezoek werd verbeid. Over den ouden heer, was zijne ecbtgenoote gezeten, die ons waarschijnlijk meer belang inboezemt en in wier innemende trekken en donker blauwe, nu door grijze wenkbrauwen overschaduwde oogen, terstond te herkennen is Joha.nna Pietehsdoouter Nagtglas, wat ook merkbaar is, bij vergelijking van een der levens-groote portretten, welke de zaal versieren en de echtgenooten iu middelbaren leeftijd voorstellen. De dame droeg nu een kleed van zware grijze zijde, met Vlaamsche kant omzet en een snoer kostbare parelen om den nog welgevulden hals. Overigens was zij met geen kleinodiën getooid, behalve een eenvoudigen gouden ring; welke zij dien morgen uit haar rijk voorziene juweelkist had genomen ; een sieraad dat, als bij tooverslag, allerlei half vergeten herinneringen verlevendigde, nu in heldere kleuren weer zwevende voor haren geest. Gedachteloos schijnbaar, speelde de dame met een kostbaren waaier, want haar geest toefde in verre landen en lang vervlogen tijden. Zij denkt ook aan het te verwachten bezoek en gevoelt sterker dan ooit, dat de zoogenoemde stem des bloeds geen hersenschim is, gelijk sterke geesten dezer dagen beweerden, maar dat ei werkelijk een geheimzinnige band bestaat, welke menschen van hetzelfde geslacht, in mindere of meerdere mate omslingert. IJox Alphonso, na den onder-Koning het aanzienlijkste ambt op Cuba bekleedende, had onlangs in het paleis te Havana de bevelhebbers ontmoet van drie oorlogsschepen der Nederlandsche Republiek, welke heeren niet weinig verwonderd
168
waren, loon eon deftige Spanjaard hen in \'l Vlaamsch aansprak. Bij de voorstelling\' bleek hoe een der olïieieren, Evert Nagtglas, gezagvoerder op hot fregat de Vreede, na verwant was aan genoemden Spaanschen edelman, die gehuwd was met de jongste zuster zijns vaders, wat aan den kapitein trouwens niet onbekend was. Die persoonlijke ontmoeting had natuurlijk eene uitnoodiging ten gevolge en Don Alphonso stolde de noodige muildieren, rijtuigen en geleiders ter beschikking, oin de gasten naar zijn landgoed over te brengen. De oude lui zaten nn dit bezoek af te wachten; terwijl hun kleindochter op het voorplein naar de gasten uitkeek. Dit was een meisje van omstreeks twintig jaren, slank en wel gevormd van gestalte. Haar gelaat was gevuld, doch bleek: met zachte regelmatige trekken, een schoon voorhoofd, oingoltd door donker haar. De diepe blauwe oogen herinnerende aan die barer grootmoeder waren vol stralende goedheid. Zij was gekleed in een gewaad van bleek-blauw gebloemd satijn en een eenvoudige strooien hoed met zwarte veeren deed de zachte krullende lokken goed uitkomen, evenals een paar breede gouden banden de welgevulde armen; een klein zijden zonnescherm werd nu door haar gebezigd om het uitzicht in het. dal le vergemakkelijken. Aan de komende gasten zal de grootvader het meisje voorstellen als Donna Elvire de Lomf.la, het éénige kind van zijn overleden oudsten zoon Don Fehdinanij, als bevelhebber eener Spaansehe vloot tegen de zeeschuimende Boucaniërs gesneuveld; welk verlies zijn jeugdige echtgenoote maar kort heeft overleefd. Jonkvrouw Elvihe is nu het liefelijk zonnetje in het huis barer grootouders, dat zij niet wil verlaten, hoewel de hand dezer schatrijke erfgename door Spanjaarden uit de hoogste kringen en zelfs door den Koning aanbevolen, reeds meer dan ééns was begeerd. De drie Nederlandsche officieren hadden de hoogvlakte bereikt, waar zij bij het eerste bloemenperk afstegen en geleid door den secretaris van Don Alphonso naar het huis wandelden, waar de gastheer hen op den, door de etiquette voorgeschreven afstand te gemoet kwam en begroette. Hij ging nu mede om de vreemdelingen aan zijne gemalin voor te stellen en met voordacht den Kapitein Evert Nagtgi.as het laatst. Reeds lang te voren was het hart der oude dame onrustbarend gaan kloppen bij de gedachte hoe zij een zoon stond te ontmoeten van haar broeder Jacois, een kleinzoon van baar eigen dierbaren vader. In hare eenzaamheid had zij bij zich zelve besloten om de heeren vriendelijk, maar toch met zekere
169
courtoisie, zoo als het een aanzienlijke dame paste te ontvangen en clan pas later haar neef afzonderlijk te spreken. Geheel gelijk zij voornemens was, slak de dame statig een paar vingers toe aan de beide eerste Kapiteins, die op de fijne, met amandelbrood gcwasschen hand, waaraan de nette handschoenen onttogen waren, met een hoffelijke buiging even de lippen drukten. Toen echter haar echtgenoot sprak: „Uw neef, mevrouw, de zoon van uw broederquot; en zij den knappen welgevormden man vóór zich zag, kreeg zij een gewaarwording a!s of haar vader, haar innig geliefde vader, uit het graf was herrezen en haar aanzag, liet keurslijf der etiquette scheurde van een; zij kon zich onmogelijk inhouden, breidde de armen uit, drukte snikkende den kloeken man aan het hart, kuste hem op de wangen en riep tusschen haar tranen door, in het Hollandsch: „Mijn jongen, mijn lieve, mijn kostelijke jongen.quot; Daarop wenkte zij de kleindochter en sprak, ook ul in strijd met de hoofsche vormen van het huis: „Ei.vihe, geef dien heer nu eens recht hartelijk de hand, want hij is mijn eigen broeders zoon. lJo.\\ Alphonso, innig gelukkig met zijne vrouw, sloeg met ontroerd gelaat dit tooneel gade. Het ijs was nu gebroken, de stroom van vriendelijke betrekking vloeide lustig en hel gesprek werd ongedwongen. Nog eenmaal, later op den dag, werd de aandoening te machtig en wel toen mevrouw aan den arm van Evehï doorliet park wandelde. Haar hand rustte op de zijne en toevallig viel haar aandacht op den ring, welken hij droeg, geheel overeenkomende met het sieraad, aan haar vinger glinsterende. Op dat oogenblik werd zij als terug-getooverd in de huiskamer harer ouders en gevoelde zij vluchtig en ras voorbijgaand, nog even dezelfde gewaarwording, als toen haar vader, de oude geuzem aandrig, diezelfde ringen schoof aan de vingers zijner kinderen. De oude, deftige dame bemerkte hoe haar hart trilde en haar oogen zich vulden met tranen en wat er toen omging in de diepste diepte van haar gemoed, heeft niemand, zelfs haar biechtvader, ooit vernomen. Evert bemerkte haar aandoening. Zij stonden bij een vijver bedekt met waterplanten, vol groote glinsterende bladeren en komvormige bloemen wit en geel, welke Evert bewonderde en, naar tante zcide, haar herinnerden aan een kommetje op de hofstede van haar vader onder Abkoude, welke heugenis haar werkelijk ontroerde. Evert verrukte zijne tante door allerlei kleine bijzonderheden van de familie te vertellen, waardoor het uitkwam, dat van de brieven door broeder Jacou aan zijne geliefde zuster geschreven, slechts zeer
170
enkele waren terecht gekomen. Hel sprak van zelf, dat de gaston dien dag niet mochten vertrekken en alles aangewend werd om hel verblijf te veraangenamen. Natuurlijk was hel ook, dal de oude dame en haar neef van de familie, waarover zij zooveel gesproken hadden, dien nacht droomden; maar toch was hel vreemd, dat beiden in den slaap het bekende bleeke meisje in oudenvelsche kleeding ontwaarden, dal hen met vriendelijken blik aankeek en de handen als zegenend uitstrekte.
Toen de officieren den volgenden dag de terugreis aannamen, hadden zij geen woorden genoeg om de nobele ontvangst te prijzen; en bij het afscheid zei Don Alpuonso, dat indien de vlag der Nederlandsche Republiek door dergelijke officieren opgehouden werd, het niet te verwonderen was, dat haar roem de wereld vervulde. Vóór dat Evert afscheid nam, had zijne tante hem nog in hare afzonderlijke vertrekken genoodigd. Daar schonk zij hem twee kostbare diamanten en een welgevulde goudbeurs, met opdracht dat geld te besteden voor behoeftige familie-leden en zoo er geen mochten zijn, voor do armen in haar vaderland, dat zij nooit opgehouden had lief te hebben. Een paar dagen later verlieten de Nederlandsche schepen de haven. Op hot terras voor hot landhuis, stonden de twee dames, ieder voorzien van een, toon nog kostbaren verrekijker of bril. Zij zagen de drie fregatten, als in wolken van zeilen, langzaam de baai uitstevenon, nadat eenige gebruikelijke saluutschoten met do batterijen gewisseld waren. De vrouwen ontwaarden, hoe in zee gekomen, van het laatste dor schepen al de vlaggen plotseling weer naar boven gingen en twintig zware kanonschoten bulderden, waarvan de dreun tegen den berg weerklonk, liet was de beloofde afscheidsgroet van don broeders zoon, wiens onverwachte komst het hart der oude dame had beroerd en wiens vertrek een pijnlijk ledig naliet in haar gemoed; een ledig, slechts gedeeltelijk aangevuld door tallooze, meest weemoedige herinneringen, welke als echo\'s van het verleden en stemmen uit de verte lluistordon over de onbezorgde kinderjaren en van het vriendelijke onvergetelijke ouderlijk huis.
Twee jaren zijn verloopon sedert het bezoek, hiorvoren beschreven en sedert dien tijd is er op deze immer wisselende aarde weder veel voorbij gegaan. De oude mevrouw de Lomela is een jaar na de kennismaking met haar neet, zacht ontslapen. In haar laatste visioenen
171
zweelde haar voor den geest de, dikwerf bij stervenden voorkomende hersenschim, dat zij in een kleine boot over een breed, kalm water langzaam wegdreef naar een bekoorlijken oever van het land waar zij geboren was. In haar ijlen sprak zij meest Hollandsch en doorgaans over haar ouders en broeders, die haar stonden op te wachten aan het strand. Maar als die droombeelden voorbij waren gegleden, drukte zij de hand van haar echtgenoot, zacht snikkend nevens haar legerstede gezeten en sprak fluisterend, maar toch duidelijk verstaanbaar in het Spaansch: „Ook U heb ik immer innig lief gehad, beste, beste Alphonso. Ge hebt mij altijd gelukkig gemaakt.quot; Toen stierf zij. De verlaten echtgenoot wenschte, dat de uitvaart zijner dierbare gemalin plaats had met schier vorstelijke praal. De hoofdkerk der stad werd voor een groot deel met zwart laken behangen, afgezet met zilver en in breede plooien hier en daar opgehouden door reusachtige fluweelen kwasten. Nauwlijks was de dag aangebroken, of het dompig gelui van vele gewijde klokken deed de lucht trillen in vérstrekkende galmen om de booze geesten voor de opstijgen de ziel te doen wijken. Door die klokken gewekt stroomden de geloovigen naar het ruime bedehuis, niet slechts gedreven door nieuwsgierigheid, maar vooral door belangstelling om een laatste hulde te brengen aan de gemalin van den algemeen geachten Onder-Gouverneur; eene vrouw, wegens haar vriendelijkheid, weldadigheid en deugdelijkheid door rijk en arm bemind en geëerd, en hoewel, naar het geruclit ging, van kettersche afkomst, toch als een heilige overleden. Het was een indrukwekkende stoel, welke in den vroegen morgen te voorschijn kwam uit de breede voorpoort der deftige woning op den voornaamsten stand. De gevel van dat huis was geheel behangen met dof zwart laken, waarop hier en daar wapenschilden, met krip omwonden, prijkten. Op het plein schikte zich de optocht en geleek, van den toren der Kathedraal gezien, op een veelkleurige reuzenslang, zich langzaam kronkelend door de, met belangstellende toeschouwers gevulde straten. Voorafging het garnizoen der sfad, in statigen tred, met gestreken pieken en musketten; daarop volgden een tal van geestelijken: Augustijnen, Karmeliten en Kruisbroeders gebeden prevelend en grafliederen zingend, dragende kruisen en banieren, waarop in gouddraad sierlijk gewrochte Heiligenbeelden. Daarna kwam de lijkbaar, omstuwd door la! van koorknapen met brandende kaarsen. De met zilver beslagen doodkist stond onder een rijk geborduurd fluweelen kleed en was gedekt door een groot zilveren
172
kruis uit den schat der Kerk, waarin hoogheilige relequien verborgen waren. Achter het lijk gingen de echtgenoot en de naaste betrekkingen, omhuld iu rouwmantels. J)ün Ali\'honso merkte nauwlijks iets van al die praal, want de geest van den grijsaard toefde in de verre Schelde stad, waar hij, omstreeks een halve eeuw geledon, het meisje had leeren kennen, dat hem innig gelukkig had gemaakt en wier ziel als samengesmolten was niet de zijne. IJij lette er dan ook niet op, dat alles wat aanzienlijk mocht lieeten in de stad en omstreken, met den vertegenwoordiger des Konings aan het hou I\'d, zich achter de rouwdragende verwanten had geschaard. Bij de plechtigheden in de Kerk kreeg de geest van den bedroefden echtgenoot weder bezinning der werkelijkheid. Door droefstenunende zachte orgeltoonen, als engelen liederen uit de verte begeleid hieven, de geestelijken het: De provundis aan, den psalm des doods, welke sedert eeuwen hel menschenhart trillen doet door gedachten aan sterven en eeuwigheid. Toen werd de kist langzaam, lieel langzaam in den donkeren kelder neergelaten. Dat zag de weduwnaar duidelijk en de herinnering aan het met druppels wijwater besprenkelde deksel, bleef tul in de kleinste bijzonderheden levenslang in zijn geheugen. Opziende, bespeurde hij in een opstijgenden nevel van blauwe wierookswalmen, hoe het gebouw door belangstellenden was gevuld, meerendeels geknield en biddende voor de rust der ziel van de beminde vrouw. Maar die indrukken waren bij Don Au\'uonso slechts vluchtig; want zijne gedachlen werden sterker geboeid naar het voorwerp van al die praal; de dierbare, wier geheiligde geest reeds den oever bereikt had, waarmede zij in hare laatste dagen steeds bezig was, en wie weet, dacht hij, of die liefdevolle gade uit hooger kring nu niet reeds terugzag op deze plaats, waar haar versleten aardsche reiskleed tot slof koeren zou. Na het vertrek der voornaamste rouw-gangers, werd de Kerk spoedig ledig; het veelkleurig leven riep ieder tot werkzaamheid en de sombere rouwfloersen werden lol een volgende gelegenheid opgeborgen. Eenige maanden later werd een nieuwe koperen grafplaat gemetseld in de kapel, waarin het marmeren monument stond, door bedroefde ouders indertijd opgericht voor hun oudsten zoon en zijne weduwe, en waar ook nu hel stol der moeder werd bijgezet.
„Requiescat in pace.quot;
Elviue bleef bij haar grootvader wonen en verhelderde het eenzame, als in toenemende schemering wegvlietende leven van den ouden man
173
en haar zorg bewees lino vele vrouwen to meer lichten, naarmate de duisternis om haar hoen zwarter wordt. Zooals reeds gezegd is, ontbrak hot niet aan de gelegenheid om een huwelijk te doen, doch zij wees die al door de verzekering, dat zij haar grootvader niet wilde verlaten. Den meesten tijd bracht do familie op het landhuis door, waar Elvire zich het gelukkigst gevoelde, wanneer zij naar het voorbeeld barer grootmoeder, de behoeftigen en noodlijdenden in de buurt met raad en daad kon bijstaan. De heugenis aan die goede grootmoeder leefde ook nog voort in de buurten der arbeiders en de gedachtenis aan „de zegenende Engelquot;, gelijk zij in de volkstaal werd genoemd, werkte niet weinig mede om de inlanders op de plantages van Don Alpiionso gelukkiger en tevredener dan elders te maken.
Op zekeren dag dat grootvader en kleindochter nil de stad kwamen, ontmoetten zij onderweg oen renbode, die een geneesheer ging halen, en vernamen, hoe in hun landliuis was gebracht, de jeugdige Kolonel van een regiment muskettiers, de markies ue Solair zoon van den hertog van dien naam, die door een ongeval op de jacht deerlijk gekwetst was. Don Alpiionso, hoewel verschrikt door de tijding, verheugde zich in het vooruitzicht om een goed werk te kunnen doen dooi\' den hem niet onbekenden jongen man, naar zijn rang gastvrijheid te verleenen. Een paar heelmeesters kwamen spoedig uit de stad en verklaarden, dat de wonden aan hoofd, armen en beenen wel zeer ernstig waren, doch dat volkomen rust en goede verzorging den jongen man waarschijn lijk zouden kunnen redden. Bij onderzoek bleek, dat de markies een koppel zeldzame vogels had willen schieten en daarvoor een steile rots achter het park had beklommen. Aan den rand eener diepte had hij losgebrand doch de loop van bet jacht roer was gesprongen en had hem deerlijk aan den arm gekwetst. Door den schok was hij van de helling naar beneden gestort, had hoofd en beenen gekneusd en slechts een toeval bad hem bewaard voor het neervallen in de diepte, waar bij verpletterd zou zijn geworden. Bewusteloos en in deern is waardigen toestand was de jonkman naar de woning zijner bekenden gedragen, waar gelukkig alles kon worden verschaft wat vooreerst noodig was. Weken lang schommelde de jonge man tusschen leven en dood en vreesden de geneesheeren voor een ongunstige uitkomst; doch zijn krachtig gestel, geholpen door nauwlettende verpleging, kwam de dreigende gevaren te boven en bracht hem op den weg der beterschap. Don Alpiionso en zijn
174
kleindochter beloofden soms angstige dagen, daar de laatste met onverpoosde zorg den zieke verpleegde. Soms kwelde liaar echter wel eens het denkbeeld, dat sommigen deze toewijding aan mindere edele drijfveeren zouden toeschrijven; doch dan zag zij naar den eenvoudigen ring, door de stervende grootmoeder aan haar vinger geschoven en waarop in het Hollandsch te lezen stond, hoe een deugdzaam hart zich over dergelijke bezwaren, soms door lastertongen vergroot, moet heenzetten. Dan scheen er weer nieuwe kracht te vloeien in haar geest, om met opgewektheid de taak der verpleging voort te zetten.
Op een morgen, in het begin van den regentijd, verhaalde Elvire bij het morgenmaal aan grootvader, hoe zij een droom had gehad zóó levendig, dat zij van de herinnering niet vrij worden kon. In den slaap scheen het haar toe, dat een jonge vrouw, een tengere gestalte in ouderwetsche kleederdracht voor haar legerstede was verschenen en haar met vriendelijken, doch doordringenden blik had aangezien. Daarna had zij haar een spiegel voorgehouden, waarin zij het landhuis duidelijk herkende, maar plotseling werd het gebouw verwoest en gedeeltelijk tot een bouwval gemaakt. Tegelijk hoorde zij, of meende te hooren, een zachte stem als komende uit de verte, welke fluisterde, dat de familie terstond dit huis verlaten moest en verwisselen voor een lager, op den berg gelegen woning, door Don Alphonso niet lang geleden gekocht. Dit zonderlinge huis werd door het volk het „narrenhuisquot; of den mallentoren genoemd, omdat de eigenaar niet ver van de eigenlijke woning een klein gebouw van twee kamers had doen optrekken, bestemd als schuilplaats tijdens de geweldige wervelstormen, nu en dan deze streken teisterende. Dox Alphonso glimlachte over die meedeeling en sprak van een ontstelde verbeelding; doch de markies, die hoewel nog zwak, langzaam vorderde op den weg der beterschap, verwierp de zonderlinge waarschuwing niet volkomen, vooral, nadat de geneesheer had medegedeeld hoe men in de stad voor een naderenden orkaan vreesde, daar hot bekende wolkje, bij het volk als het booze oog bekend, sedert enkele dagen aan de kim was bespeurd. Des avonds zeide de huisheer, dat indien de bedlegerige markies er op gesteld was, de verhuizing diende plaats te bobben en de zieke in een draagstoel kou worden overgebracht. Toen Elvire den volgenden morgen aan het ontbijt verscheen, was zij geheel van streek, daar zij denzelfden droom had gehad, wat grootvader
175
lieel natuurlijk vond, tiaar zij gisteren bijna over niets anders hadden gesproken. De oude Indiër meende echter nu ook aan enkele verschijnsels in den dampkring te merken, dat er een wervelstorm in aantocht was, waarom de maatregelen om te verhuizen werden verhaast, zoodat de gekwetste reeds spoedig kon worden overgedragen. Men was hier nog mede bezig, toen in do verte reeds het rommelen van den donder werd gehoord en niet lang daarna begon het te regenen; de eerste druppels der stortvlagen, welke dergelijke stormen vergezellen. Tegen het vallen van den avond brak de orkaan in volle woede los en bij de eerste windstooten gevoelden mensch en dier den aanvang van een ontzettend natuurverschijnsel. Met den nacht, een stikdonkere nacht, begon het heviger te onweeren en waren de rosse bliksemflitsen geen oogenblik van de lucht. Het huilen en loeien van den orkaan was ijzingwekkend en do aarde scheen te sidderen, toen de verwoester over haar heen trok. De brullende zee, welke reuzengolven, in een woelige werveling van ziedend schuim donderend tegen de klippen joeg, het oorverdoovend gieren van den wind, het gekraak van vallende hoornen, instortende daken en muren, overstemden zelfs het ratelen der voortdurende donderslagen. Nn en dan scheen er een oogenblik te komen van matiging, maar terstond daarop barstte het tempeest als met hernieuwde krachten in wilde vaart los. Bij deze ontzaglijke openbaring der natuurkracht, gevoelde de mensch hoe zwak en nietig hij was, en kon slechts steun zoeken bij den Almachtigen Beheerscher van al wat was, is en zijn zal en Wiens stem ook in den orkaan gehoord werd. Met het aanbreken van den dag, waarbij de zon lang worstelde met do woeste wolken, begon de wind te minderen en kon de schade reeds eenigszins overzien worden. Vele menschen hadden in dien vreeselijken nacht het leven verloren en in de baai was het meerendeel der geankerde schepen te gronde gegaan; een nog onberekenbaar aantal kleine visschersvaartuigen door de baren verzwolgen en zelfs booten en sloepen, als in een sneeuwjacht van lillend schuim over het strand heen, in het land gestormd. Een paar kanonnen der batterij waren door de kracht van den wind verplaatst; er was geen gebouw in de stad, dat door de woedende vlagen niet min of meer geleden had; terwijl in achterbuurten en buiten de stad de meeste woningen reddeloos waren gehavend of ingestort . Overal waren tooneelen van verwoesting en ellende. De vruchtbare en bloeiende omstreken der stad en van enkele uitgestrekte plantages waren slechts
17G
bouwvallen on oenige bladerlooze boomstammen overgebleven. Veelbelovende akkers zagen er uit, als of er een vuur over heen gegaan was en alles verzengd bad en jaren moesten er verloopen, eer de overweldigende groeikracht van dezen bodem de iu één nacht toegebrachte schade had hersteld. Daar (te landwegen overal door neergestorte rotsblokken en omgewaaide hoornen versperd waren, verliep er een geheelen dag eer Don Alphonso tijding kreeg, hoe do orkaan zijn landgoed had geteisterd. De beide zijvleugels met de logeerkamers waren ingestort en door gevallen hoornen verwoest, doch hot hoofdgebouw was gespaard gebleven, zoodat de portretten, door den ouden heer op onwaardoer-bai en prijs gesteld, niets hadden geleden. Het huis, waarin de familie met den gekwetsten officier, tijdens den storm oen toevlucht had gezocht, bleek nu geen „malligheidquot; te wezen. Hel had door don ronden vorm hoegenaamd geen schade geleden en terwijl alles buiten dreunde en daverde, kon do nog zwakke markies op zijn legerstede rustig en veilig sluimeren. Niemand der „groote wereldquot; te Havana was verwonderd, toon eenige maanden na het volkomen horstel van don Kolonel, de verloving openbaar word van den Markies de Solar, éénigo zoon van don Hertog van dien naam, met Donna Elvihe de Lomela, do éénige kleindochter van den schatrijken Onder-Gouverneur.
Na het hmvolijk bleef het jonge echtpaar te Havana wonen, maar toen in 1658, Don Alphonso in acht en zeventig jarigen ouderdom stierf, en kort daarna ook de Hertog de Solak overleed, werd de Kolonel, nu Grande van Spanje, door den Koning terug ontboden. Hij nam ontslag uit den krijgsdienst en vestigde zich op het kasteel, door zijne voorvaderen sedert onheuglijke tijdon bewoond.
Het Staatsche oorlogsschip „Het wapen van Alkmaarquot;, bewapend mot (gt;2 kanonnen en 250 schepelingen, had in last om de vlag dor machtige republiek van de Voroenigde Nederlanden in do Middellandsche zoo te doen wapperen, vooral om de steeds stouter wordende zeeroovers af te schrikken, fn de welbotimrnerde, vrij ruime kajuit vinden wij don gezagvoerder Kapitein Eveht Nagtglas. Hij is kloekor en donkerder
177
van gelaat geworden sinds wij hem in West-Indië aantroffen en tijd en zorgen hebben enkele rimpels gegrift in zijn voorhoofd, dat als overschaduwd wordt door een rijkdom van bruine lokken, welke in krullen tot de schouders afhangen en waarin reeds enkele grijze schemeren. De uitdrukking der heldere blauwe oogen onder de ruwe en gebogen wenkbrauwen, schijnt een blijmoedige levensopvatting aan te wijzen en het geheele voorkomen spreekt, zoo wel van een vast karakter als van een warm hart. De Kapitein werd algemeen gehouden voor een degelijk en deugdelijk zeeman, die reeds vele jaren de reuk der zoute wateren had opgesnoven en die bij zijne kameraden, maar bijzonder bij den Admiraal de Ruiter hoog stond aangeschreven. Enkele, hem minder genegen officieren beweerden wel eens, dat Evert dezen Opperbevelhebber te voel tot voorbeeld koos; doch overeenstemming van aard en innige gehechtheid gaven daar als van zelf aanleiding toe. De Kapitein was een stil, rustig man. Wanneer er gevaar dreigde, bleef hij uiterlijk volkomen kalm, doch wie hem goed kenden, zagen in de trekken van het gelaat en in \'t flikkeren der oogen, hoe hij volkomen bereid, met zijn wakkere jongens den strijd aanvaardde, zoowel met den gierenden storm als togen den sterksten vijand. In hot gevocht zelf, bleef hij onverschrokken en als het kanongebulder alles deed dreunen en daveren en overal verminking en dood dreigde, stond de bevelhebber bedaard op hot achterdek, doorgaans met don houwer in de schede, en gelijk sommige zijner schepelingen hadden opgemerkt, met de rechterhand den middelsten vinger van de linker omvattende, waaraan oen eenvoudige ring glinsterde. Niets ontging aan zijn scherpziend oog, en het leek, alsof hij iedoren schepeling in het bijzonder naging en van eiken misslag van den vijand aanstonds partij wist te trekken; terwijl wanneer de nood prangde, ook van hem kon gezegd worden, dat hij gezagvoerder, stuurman en matroos te gelijk was. Ruw of zelfs driftig had niemand hem ooit gezien, en de ergste berisping, welke een telkens misschietend kanonnier hooren moest, was: „Gonstabel. Jan of Piot. Vergoot niet, dat een voet of een mijl mis, precies het zelfde is.quot; Op nauwkeurig treffen was de kapitein bijzonder gesteld; vooral voor de Nederlandscho schepen, welke in don regel vaster te water lagen, dan die van andore volken. Slechts in onvermijdelijke gevallen ging hij tot enteren over, daar hij afkoerig was van zulk een wroode, bloedige worsteling. Do Kapitein was innig gehecht aan zijn tegenwoordig schip, dat niet alleen op don hoogon spiegel
De Gouden Draad. 1\'2
178
draagt liet kleurig wapenschild der stad, met burgt en lauwerkrans; doch ook den naam Alkmaar in groote vergulde letteren van den boeg schitteren doet. Een braaf zeeman, placht hij daarop wijzende, te zeggen, schaamt zich nooit zijn eerlijken naam en toont dien liever op zijn borst dan op zijn rug. Daar hij bekend stond als een kloek en rechtvaardig bevelhebber, ontbrak het hem nooit aan geschikte onderofficieren en bevaren matrozen, meerendeels ferme zeebonken, die heel wat hadden bijgewoond in gevechten met getaande Spekken of Spanjolen; valsche staarten of Engelschen, Turksche honden, en menigen Duinkerker de voeten hadden gespoeld en het rooven voor goed verleerd. De meesten dier kerels gingen als echte Jan Kordaats met kortjan in den broeksriem even lustig in het gevecht, als of zij in een taveerne voor den vitel gingen dansen. Kapitein Nagtglas was van natuur een vredelievend man; geen wilde „houwdegenquot;, maar een rustig, bezadigd krijger. Onder de zeeofficieren nam hij eene eigenaardige plaats in. Do gezagvoerders dier dagen waren meerendeels ruwe kerels, door moed en beleid van zwabbers en matrozen tot dien rang opgeklommen; sommigen waren echler afkomstig uit verarmde adelijke geslachten en zeer aanzienlijke familiën; maar slechts enkelen kwamen als Evert voort uit den deftigen burgerstand, en voeren, om zoo te zeggen, uil roeping en genoegen, daar zij welgesteld genoeg waren, om desverkiezende, rustig aan wal te blijven.
Wij vonden dan den Kapitein van de Alkmaar in de kajuit; in gezelschap van zijn vriend Cornelis Jacobszoon de Boer, mede uit het Noorderkwartier en den kloeken gezagvoerder van het fregat: De Hollandsche Tuin. Ook andere officieren vereenigden zich daar, want het was een vergadering om te bespreken, hoe eenige Barbarijsche roovers, die de zee, tot zelfs buiten de „straatquot; (Gibraltar) onveilig maakten, zouden worden achterhaald en getuchtigd. Er gingen onder het scheepsvolk allerlei overdreven verhalen rond van de stoutheid en wreedheid dezer kapers en de sluwheid, waarmede zij sterkere vervolgers wisten te ontglippen. Een groot aantal koopvaarders, waaronder vele Nederlanders, waren reeds door deze schelmen afgeloopen en de bemanning, soms na gruwlijke mishandeling, voor slaven verkocht. Ook de kuststreken van Europa werden door deze roovers in onrust gebracht. In Italië en elders werden vaak dorpen overvallen; wie zich verweerde, vermoord en mannen, vrouwen en kinderen in slavernij medegevoerd. Men verhaalde dat het Opperhoofd dezer roovers een
179
renegaat was, een nog krachtig grijsaard van bij de zeventig jaren, die geen grooter genot scheen te kennen dan gevangen Christenen te vernederen en te mishandelen, waarvan schier ongelooflijke voorbeelden werden verhaald.
De uitslag van den Krijgsraad in de kajuit was, dat de bevelhebbers het als een zaak van eer beschouwden om den roover te pakken en niet te rusten, vóór dat de zee van deze pest was verlost. Dat besluit onder algemeene toejuiching genomen, werd door handslag bekrachtigd en met een dronk Griekschen wijn bezegeld. De gelegenheid om dit voornemen uit te voeren, wilde zich echter maar niet voordoen. Telkens wanneer de Kapiteins meenden den zeeschuimer bij de kladden te zullen krijgen, bleek hij ontsnapt, en vond men een verlaten Spaansch galjoen, een Italiaansche brigantijn of een Grieksche felouk, en toch hoorde men in iedere haven van, door den roover opgebrachte schepen en in slavernij weggevoerde menschen. Op het onmetelijk vlak dei-zee zijn dan ook geen wegen gebaand, of kunnen voetsporen den weg wijzen, zoodat de vluchteling ontelbare paden voor zich open zag.
Het was een zoele morgen in het begin van September 1G53. Een hemel van azuur welft zich over den blauwen reuzenspiegel dei-oneindige watervlakte en beiden schijnen te wedijveren in stralende helderheid. Slechts nu en dan werd het zonnelicht even onderbroken door kleine, witte wolken, vluchtige schaduwen werpend op de woelende, zwalpende, glinsterende, witgetopte golven, zich ophoopende aan den horizont tot een gebergte van blinkende, ronde, koppen en grauwe afgronden. Het goede schip: \'t Wapen van Alkmaar hobbelt langzaam en statig door de baren, voortgedreven door een zacht koeltje, dat de witte zeilen volblaast en een streep borrelend kielwater achter het roer schuimen doet. De Kapitein stond op het achterdek en liet den blik gaan over den wijden, aan de kim wegschemerenden waterplas. Wanneer iemand in de ziel van dien man had kunnen lezen, zou hij bespeurd hebben, hoe hij op dit oogenblik minder dacht aan het roofschip, dat hij opspoort, dan aan een herhaalden droom, of beter een visioen, \'t welk dien nacht en den vorigen, hem machtig had aangegrepen. De wereld van zijn verleden, was daardoor om zoo te zeggen in beweging gebracht, zoodat tallooze, schier vergeten en verbleekte herinneringen weder in heldere kleuren getooverd werden voor zijn geest. De kajuit scheen met een dunnen nevel vervuld, waarin een licht grauwe wolk langzaam langs zijn kooi dreef. Uit die wolk out-
180
wikkelde zich, eerst in onbestemde vormen, doch vervolgens duidelijker en scherper, een menscheiijke gestalte, fijn van vormen en als geïdealiseerd en in de jonge vrouw, in ouderwetsch gewaad, herkende Evekt terstond de bekende familie-verschijning. Zij zag hem aan met een blik die in de ziel drong; doch tevens met een trek van zachten weemoed en wees tegelijk op een gedaante, die gekromd, in deemoedige houding neergehurkt met gebogen hoofd en gevouwen handen, zich nevens haar vertoonde. Dit scheen een vrouw van middelbaren leeftijd en wegens donkere huidskleur en armelijke kleederdracht, zou Evert haar voor een Spaansche of Grieksche bedelaarster hebben aangezien, als ijzeren ringen om enkels en polsen niet op slavernij hadden gewezen. De fletsche blauwe oogen teekenden neerslachtige wezenloosheid en het geheel gaf een diepen indruk van ellende. Even spoedig als die beelden waren gekomen, smolten zij weg en was de nevel verdwenen. De Kapitein trachtte zich le vergeefs los te maken van den invloed der verschijiniig, welke hem bijbleef, toen hij op het dek zijn dagtaak aanving. Daar zijnde, klonk een kreet van den uitkijk in he t kraaiennest aan den voortop: Schip vooruit! Met den scherpen blik, eigen aan zeelieden, werd een nauwlijks merkbare stip. Hauw opdoemende aan de ietwat heijige kim, spoedig als een vaartuig verkond, waarin de oüicieren meenden den gevreesden roover te ontwaren. Binnen een kwartier was het fregat slagvaardig. Het dek werd bevochtigd en tegen de gladheid met zout bestrooid: do enter of boevennetten werden gesteld; de timmerlieden namen met lijnen, planken en balken hun posten in; de frater of barbier bracht zijn tafels en instrumenten in gereedheid; de veertig ijzeren kanonnen en de twintigsteenstukken weiden nagezien en geladen; de kruitkamer geopend; de kardoezen gevuld en donderbussen, musketten, karabijnen, pieken, bijlen en zwaarden op de bestemde plaatsen gereed gelegd. Na een paar krachtige slagen op de scheepsklok, richtten zich aller blikken naar den, op het achterdek staanden Kapitein: „Courage, mannenquot; sprak hij met een niet luide, maar toch overal verstaanbare stem, „de admiraal rekent er op, dat we allen onzen plicht doen en hel is braaf om voor het Vaderland te strijden, te winnen of te sterven. God zij met ons!quot; Dat was alles wat hij zeide, maar het waren woorden met haken, die in de ziel bleven zitten. De oude stuurman, een echte zeerob van een korte in-een-gestruikte gestalte en een verweerd, knobbelig gelaat, antwoordde, even de karpoetsmuts lichtende, Amen, Kapitein ! welke woorden door
181
hot scliocpsvolk als uit één mond werden herhaald. Do nianschappen kregen nu oen goeden slok wijn als oorlam, waarna drie slagen op do klok ieder op zijn post riepen. Daarop ging de Kapitein langs do batterijen om to herinneren, geen kostbaar kruit en kogels te vorspiljen tegen ontering te waken en vooral bedaard te blijven. Met de officieren werden nu de noodige maatregelen besproken, waarna do gezagvoerder met een verrekijker in de hand, welk instrument do matrozen destijds nog een bril noemden, op het achterdok bij het roer ging staan: Stuurman PiF/r, zegt hij bedaard, ge ziet den schelm, wij moeten hem pakken! „Aan mij zal \'t niet liggen, meneer, antwoordt een schorre stem. Overeen kwartier kan do Kapitein hom peilen.quot; Alle zeilen zijn nu bijgezet en bevochtigd, en met zijn fraaie golvende lijnen, snijdt het schip, een verbolgen zwaan gelijkende, snel de baren. Toen do Staten-vlag, „Ons Prinsjequot;, zooals de matrozen die noemden, naar boven ging, kon niemand verhinderen dat het volk donderend „Oranje bovenquot; riep en de beide trompetters, met oogluiking van don ook Prinsgezinden Kapitein, hot Wilhelmus van Nassauen deden hooren. Niet lang daarna, toen zekerheid was gekregen, dat men den roover nazette, werd do bloedvlag geheschen en minuutschoten gelost, om misschien in de buurt zijnde Nederlandsche oorlogsschepen te waarschuwen. Het was dnidelijk te merken, hoe de Alkmaar het vreemde schip steeds nader kwam. „Peil hom, constabel Dries, sprak do Kapitein en oen schot knalde, waarvan de kogel ver over het water huppelde. Hot vervolgde schip liet nog altijd de Deensche vlag wapperen. „Hij liegtquot;, zeido de Kapitein tegen don eersten officier, „we zullen den hondsvot loeren eerlijk te zijnquot; en wederom getuigen een paar scboten van de vaardigheid der kanonniers. De Turk, nu begrijpende hoe list niet baten kon, strijkt de valsche vlag en toonde de roodo, met de halve maan en de kromme sabel. Nu zijn de schepen zóó dicht bij elkander genaderd, dat men zien kan, hoe het dek van den roover krielt van gewapend volk. Met minstens veertig stukken, begint do vijand zóó hevig te schieten, dat hooren en zien verging van hot dreunen der kanonnen, het gieren dor kogels, het knetteren der musketten on het woest getier der in den rook verborgen roovers. Onder dit wild rumoer en wellicht door die luchtbeweging, begon do wind op te steken en het volk dit merkende, zegt: dat „de doodswindquot; begint te blazen. „De schurk wil ons aan boord klampenquot;, spreekt de Kapitein tot don oudsten luitenant, „maar dat zal niet gebeuren. Mot Gods hulp zullen we
182
den schobbejak vóór dien tijd naar den kelder zenden. Laat bij maar schieten en schreeuwen, straks komt de beurt aan onsquot;. Aan boord van het Staten-schip bleef alles angstwekkend stil; gezagvoerder en matrozen vertrouwen elkander en de eerste weet door kalmte en eenvoud het ruwe hart van Janmaat te raken. Van de Alkmaar werden slechts enkele schoten gelost; er werd geen kreet gehoord en de bemanning is, zooveel mogelijk verdekt, opgesteld. Dat spookachtig zwijgen van het groote schip, scheen de Turken te beangstigen, liet leek of het toen reeds gevreesde spookschip: De vliegende Hollander op hen afkomt en die vrees cloot hun geraas toenemen; terwijl hun gezagvoerders onwillekeurig de overmacht gevoelen van strenge tucht boven stoute bandeloosheid. Plotseling bliksemen en bulderen aan stuurboord van do Alkmaar, dertig zware kanonnon als met één slag, en door de geoefende bediening zóó goed gericht, dat de vijand terstond door-nageld en reddeloos geschoten was. Door een behendige sturing, gelukte het Do Alkmaar dwars achter don roover te komen, zijn spiegel in te schieten, zijn dek leeg te blazen en zich op genoegzamen afstand te verwijderen om met een dubbele volle laag, zóó gezwind geschoten als of de kanonnen musketten waren, den genadeslag toe te brengen. Toen de kruitdamp langzamerhand opwolkte, kon van De Alkmaar worden gezien, hoe de masten van den vijand overboord lagen en in zijn spiegel een gat was, waarin wel een stuk geschut met rolpaard en al, een plaats kon vinden. De Turk, welke naar gissing wel driehonderd man aan boord had, deed wanhopige pogingen om het al schietend langzaam afdeinzend Staten-schip te naderen en vast te klampen doch spoedig bleek de kaper een wrak geworden, dat sterk overhelde en snel begon te zinken, wat stuurman Piet de opmerking ontlokte, dat hij de vermaledijde krornbeenen als magere biggen hoorde schreeuwen. De Kapitein gaf last om zich zoover mogelijk van het zinkende vaartuig te verwijderen en de booten tot strijken gereed te maken, teneinde de schipbreukelingen te redden, wat enkele ruwe gasten hem als een zwakheid aanrekenden. Eensklaps scheen hot, of een vulkaan in vlammen uitbarstte, waarop een knal volgde, als of heel de aarde werd uiteengeslagen en een regen kwam van balken, planken, blokken, splinters en bouten. Gelukkig was De Alkmaar ver genoog verwijderd om geen groote schade te boloopen, en slechts enkele schepelingen worden in den strijd en de daaropvolgende ontploffing gedood en gewond. Toen de wieling van
het gezonken vaartuig niet gevaarlijk meer was on de sduiimendo maalstroom eenigzins tot rust kwam, werden de sloepen te water gelaten on konden nog een veertig vijanden aan den dood worden ontrukt. Ook werd een gedeelte opgevischt van het verscheurde lichaam van den admiraal, die zooals de gevangenen verzekerden, zelf den brand in de kruitkamer had gestoken. Het bleeke, met bloed bemorste hoofd, de loensche, half geopende oogen en de booze, bittere trekken om den mond, kwamen Kapitein Evert niet geheel onbekend en nauwer toeziende meende hij tot zijn uiterste verbazing in die trekken den portugees Manuel Diaz te herkennen, die eerst in een Holiandsclie trekschuit en vervolgens in Oost-Indië zijn levensweg had gekruist. Een uur daarna daagde een schip aan de kim, \'twelk spoedig bleek te wezen het fregat: De Holiandsclie Tuin, onder bevel van Kapitein de Boek, die het schieten had gehoord en nu zijn vriend ter hulp snelde. Toen de gevangen roovers, meest woestelingen met echte galgtronies, aan boord waren gebracht, werden zij verbonden en verkwikt en vervolgens in het vooronder opgesloten, waarna de beide schepen naar Tripoli koers zetten. Hier was een Holiandsclie Consul, die als tusschenpersoon op kon treden bij de uitwisseling der gevangenen. Deze liet terstond in de stad en omstreken bij bekkenslag bekend maken, dat hij genegen was om Christenslaven tegen goede prijzen te koopen. De losprijs werd daarna door den Dey teruggegeven, waarna de gevangen Turken in vrijheid zouden worden gesteld. Eenige dagen later werden de Kapiteins uitgenoodigd om de koopjes te komen zien, die op de binnenplaats van het consulaat waren bijeengebracht, waarna zij bij loting onder de beide Kapiteins zouden worden verdeeld, opgepoetst en aan boord bezorgd. Het waren vijftien deerniswaardige, schier verdierlijkte menschen, door jaren lange slavernij. Met starren dwalenden blik, getuigende van een verstompten geest, staarden zij wezenloos rond. Hun bruine, leerachtige huid was nauwlijks bedekt door onoogelijke lompen; hun gelaat verweerd, gerimpeld en doorgroefd en armen en enkels droegen de sporen dei-boeien, waarmede zij gekluisterd en der slagen, waardoor zij getuchtigd waren. Er was ook een vrouw bij het, op den grond zittende troepje, wier voorkomen Evert ontstellen deed, omdat hij terstond in het bruine havelooze schepsel de gedaante herkende, hem in den droom verschenen en die hij voor een bedelaarster had aangezien. Op zijn vraag aan den Consul, vernam de Kapitein, dat deze bet wijf voor
184
den geringen prijs van een genovina of genueesch goudstuk had kunnen koopen van een ouden Turk, die verzekerde dat het ver-sclirompelde, afgewerkte wezen een christin was en uit Noord-Europa afkomstig; wat haar fletsche oogen schonen te bevestigen, hoewel haar donkere huid er aan zou doen twijfelen. De Turk had medegedeeld, hoe hij haar voor acht of tien jaren, als een destijds reeds versleten slavin had gekocht en dat het suffe schepsel tegenwoordig nergens anders meer voor gebruikt kon worden, dan om hout te sprokkelen en water te putten. Zij was zóó stram en zwak, dat alleen de zweep er nog wat schijnkracht in kon brengen. De Consul voegde er bij, hoe do slimme eigenaar zeker voorzien had, dat hij de vrouw spoedig in den grond zou moeten stoppen en het daarom voordeelig vond om zijn eigendom voor een prikje van de hand te doen. Van haar zelve had de Consul niets kunnen vernemen, want zij scheen volkomen verstompt te zijn en van do vrijwording niemendal te begrijpen. Dit was echter ook het geval bij het meeren-deel der vrijgekochte slaven, die allen vele jaren in harde dienstbaarheid hadden doorgebracht. In botte onderdanigheid wierpen zich deze ongelukkigen, met opgeheven handen, voor do heeren op de kniën en kusten hen in slaafschen deemoed de schoenen. Vooral de vrouw, hurkte angstig ineengekrompen op den grond, met die hondsche onderworpenheid, welke Berbers van de minste soort hun slaven weten in te slaan. De schrale hoekige leden, weinig meer dan vel over been, zichtbaar onder een grof en goor hemd, getuigden van uitputtenden arbeid; de wezenlooze oogen van gemis aan levenskracht en levenslust en de ijzeren banden om enkels en polsen, van slavernij. De vrouw was zóó schuw, dat zij het groeselig verweerd gelaat, met diep gerimpeld voorhoofd, nauwlijks dorst opheffen en, naar het scheen, begreep zij volstrekt niet wat er met haar gebeurde en meende zij slechts van eigenaar te veranderen. Evert, wiens belangstelling opgewekt was voor deze zoo deerlijk vervallen ongelukkige, wier grauwe ontkleurde stoppelharen zichtbaar waren tusschen de scheuren van een ouden hoofddoek, kon zich niet voorstellen dat deze menschelijke bouwval misschien eens een min of meer beschaafde vrouw zou zijn geweest. Hij deed haar in het Turksch toespreken ; zij antwoordde eerst niet, doch hare angstige oogen spraken voor haar en op herhaalden aandrang antwoordde zij haperend en in een schier onverstaanbaar dialect. Naar Everï kwam te weten, werd zij
185
IsTA genoemd en was, zoolang als haar heugde, slavin geweest van een nu ouden Turk Mustapha geheeten, een hard meester, die haaien zijn hond soms onbarmhartig kastijden kon. Van vroeger dagen wist zij niets te zeggen, maar zij geloofde niet, dat zij ooit jong was geweest. Rillend van vrees, smeekte zij de nieuwe meesters haar niet te willen tuchtigen, omdat zij zich niets herinneren kon, en als ware de bullepees reeds opgeheven, wrong zij zich angstig op den grond inéén, en bedekte het gelaat met do grove, ruwe door eelt misvormde handen. Tranen kwamen er echter niet, en het leek zelfs als of de bron dezer smart-heelende druppels geheel uitgeput was.
Een zóó uitgemergeld; vervuild en diep gezonken menschelijk wezen, was een afzichtelijk schouwspel, dat een steenen hart week zou maken, en nadat de Kapitein had gepeinsd over de onverklaarbare betrekking, welke hem aan die vrouw scheen te verbinden, kwam de gedachte op, hoe gaarne hij met de twintigponders van het goede schip Alkmaar een roofnest te gruizelen schieten zou, waar helsche booswichten, duivels in menschengedaante, eerlijke blanke christen-vrouwen tot dergelijke rampzalige schepsels wisten te vernederen.
Bij de loting viel de losgekochte slavin aan den Kapitein van De Alkmaar ten deel. De bevrijden werden bij den Consul gereinigd, van behoorlijke kleeding voorzien en aan boord gebracht, waar voor de vrouw eene afzonderlijke hut afgesloten was. Bij Evert stond nu het besluit vast, om de hem zoo zonderling opgedragen taak moedig te aanvaarden, en daar zijn schip bestemd was om, na een bezoek bij den Admiraal, naar het vaderland terug te keeren, stelde hij zich voor, om bij de verzorging dezer ongelukkige, tie hulp in te roepen zijner lieve, verstandige zuster, die heel wat beter dan een onbeholpen zeeman, zoo mogelijk, weder eenig menschelijk gevoel zou kunnen wekken in dit diep gezonken schepsel. In de eerste dagen was de vrouw, wier voorkomen aan zestigjarigen ouderdom denken deed, hoewel Mustapha verzekerde, dat zij pas veertig was, zóó stompzinnig en wezenloos, dat Evert meende, hoe er nooit meer iets menschelijks in te brengen zou wezen, en zijne zuster waarschijnlijk wel raden zon, om haar in een gesticht voor welgestelde zinloozen, of goed dolhuis te bestellen. Het gevoel van menschenwaarde scheen zij geheel verloren te hebben, en wanneer iemand haar zelfs met een vriendelijk woord naderde, begon zij terstond te sidderen en slak de magere, overal geschramde
ISO
on gelilteckcnde armen omhoog, als om gevreesde slagen af te weren_ Op een vraag, die de Kapitein haar liet doen of Musïapha een goed meester was, bleef zij uit vrees het antwoord schuldig, maar langzamerhand kwam Evert toch een en ander te weten en wel door tusschenkomst van een der bevrijde slaven, voor welken lotgenoot zij minder schuw bleek te zijn en die haar ook beter verstaan kon. Zoo vernam hij, dat zij dagelijks in de verzengende hitte naar het bosch moest om hout te sprokkelen en vrachten naar huis te sleepen en iederen morgen en avond, aan de ver verwijderde put, twee zware waterkruiken moest gaan vullen. Alleen dos nachts, wanneer zij met haar kameraad on eenigen vriend, oen hond, aan \'s meesters voeten op den grond lag, kon zij rusten; doch reeds bij het krieken van den morgen ving de dagtaak aan. Veel voedsel kreeg zij niet, daar de oude man zelf niet voel had, doch barmhartige buren zorgden nog al eens voor do afgebeulde christin. Zij kon lang niet meer zoo vlug werken als vroeger en als zij naar den zin van den knorrigen ouden man te lang talmde, moest zij hom, daar hij niet goed ter been was, zelf de zweep brengen, waarmede zij slagen kreeg. Mustapha merkte echter wel dat zij uitgeput raakte en de krachten ontbraken, waarom hij haar nu en dan een pil liet slikken; welk middel wol opwekte, doch de hersens benevelde. Vóórdat zij naar den Consul werd gebracht, had zij wel drie of vier van die pillen moeten innemen, welke haar geheugen schier geheel hadden weggevaagd. Zij wist nu alleen, dat zij Ista heette en altijd slavin was geweest. Eerst, dat kon zij zich nog flauw heugen, had zij voor de vrouw van haar moester moeten werken, en toen deze gestorven was, voor den strengen nooit voldanen ouden man. De Consul had gesproken, dat zij een christonmeid was en dat kon wel waar wezen, want dagelijks word zij daarvoor honend uitgescholden, maar dat zij ooit een blanke vrouw zou zijn geweest, kon zij onmogelijk gelooven. Van haar ouderdom Avist zij niets, dat zou haar moester beter weten en zij hield hot er voor dat zij een slavenkind was, gelijk zij er zelf tor wereld had gebracht, waarvan zij een onbestemde heugenis had. Meer dorst zij niet vertellen, want zij vreesde nog altijd, dat Mustapha zou terug komen en zijn snaterende slavin duchtig afrossen. Na enkele dagen aan boord vriendelijk te zijn behandeld en zorgvuldig verpleegd, scheen de verdoovonde invloed dor pillen, waarmee de Turk zijn werkezel had geprikkeld, langzamerhand to verzwakken; doch daarop
1,87
volgde een wegzinking van lichaamskracht en zóó sterke afmatting, dat Evert meende en misschien wel hoopte, dat het dunne draadje, waaraan haar ongelukkig leven hing, spoedig zou afknappen. Dat gebeurde echter niet, want na een paar weken, begon zij naar het lichaam aan te sterken en scheen er nu en dan ook een flauwe lichtstraal te vallen in den donkeren neerslachtigen geest. De schichtige blik werd kalmer; de arm werd niet meer als een schild opgeheven, en als de Kapitein binnenkwam, overglansde een soort van fletsche glimlach haar bleek gelaat. Weder een veertien dagen later, was Evert verbaasd, toen hij Ista des morgens bezocht en zij hem in haai brabbeltaal stamelend toevoegde „Goede meester, ik begin waarlijk te gelooven, dat mijn geheugen aan het terugkomen is. Toen uwe slavin van morgen wakker werd en zoo zacht, rustig en gemakkelijk lag als of zij een der vrouwen van den Dey was, wist ik, dat ik toch niet levenslang Mustapha had gediend. Wel herinnerde ik mij reeds vroeger, hoe ik voor zijn vrouw had moeten wasschen, spinnen, hekelen en op het land werken, maar van morgen kwam mij pas te binnen, hoe hij mij op de slavenmarkt had gekocht, nadat ik was bekeken, betast en voor hem had moeten draven, buigen, gapen en lachenquot;. Na een paar dagen scheen de nevel in haar hoofd weder méér opgeklaard en wist zij te vertellen, hoe zij zich een vorigen meester heugde, wiens slavenmeid zij vele jaren, o! zoovele jaren, was geweest. In dien dienst had zij zwaar moeten werken, maar zij was toen nog jong en sterk. Die meester had nog een slaaf, een grooten neger, forsch van leden. In het eerst vond zij dien roetzwarten kerel afschuwelijk leelijk, doch spoedig wende zij zich aan zijn voorkomen en werden zij beste kameraden. Wanneer zij doodvermoeid was door rijst stampen, of beiden het lichaam hadden kromgedraaid om de steenen van den graanmolen in beweging te brengen, wist de zwarte haar altijd te bemoedigen en op te vroolijken. Dikwijls benijdden zij dan den ezel, die in den stal mocht gaan uitrusten; terwijl zij zich moesten gaan reinigen van het opgestoven meel, om daarna met een zware kar het brood bij de klanten te brengen, onder opzicht van een zoon des meesters, een ondeugenden bengel, die van jongs af geleerd had om zoowel bij den ezel als bij de slaven, de zweep niet te sparen. Als de jongen bij zijn vader over onze luiheid klaagde, mocht hij ons in het bijzijn van het geheele gezin tuchtigen en bovendien werd ons dan, soms twee dagen, het gewone voedsel, brood en
188
meelsoep, onthouden. Nu mij dit alios weer voor den geest komt, ging [sta voort, weet ik ook hoe ik bij dien meester gekomen ben en zij rilde, terwijl zij sprak: Tk herinner mij nu goed, dat ik op de slavenmarkt stond, met de handen aan een lijn gebonden. Het was een rumoerige koopdag; hooren en zien verging van het gerucht van menschenstemmen, het geschreeuw van marskramers, het geschuifel van bloote voeten, het rinkelen van kettingen, het blaffen van honden, het loeien van koeien en blaten van schapen en nu en dan het knetteren van zweepslagen en het gillen der geraakten. Ik staarde als in een droom naar dat gewirwar; want het duurde een geruim en tijd, oer er zich liefhebbers opdeden om slaven te koopen. Eindelijk kwamen er, en ik was toen zeker nog nooit openlijk te koop gesteld, want ik schaamde mij om door ruwe kerels als een stuk vee te worden bekeken en gekeurd. Eerst was ik gedwee en keek stil vóór mij, maar eensklaps scheen mijn bloed te gaan kooken; mijn hoofd gloeide en klopte; ik gaf een schellen gil, jammerde huilende om hulp, poogde mij los te rukken en het leek of het rammelen der kluisters mij nog doller maakten. De slavinnen, nevens mij aan de lijn staande, zwarte en bruine, schenen dergelijke uitbarstingen gewend te wezen. Zij keken even naar mijn zinneloos worstelen en kermen; maar spoedig ginnegapten zij weder onder elkander, gelijk ik misschien later zeif ook heb gedaan. Een der marktknechts raakte mij slechts even mot zijn knoopgoosel aan, wat mij nokkend, sidderend en klappertandend deed stilstaan, waarna ik volkomen willoos was. Een bruine forsch gebouwde Turk mot een gebogen neus, een zwarten baard en fonkelende oogen, gekleed in een grauw gewaad en mot geborduurde muilen aan de bloote voeten, trad langzaam naar mij toe, bekeek mij van boven tot onder, knoop mij onbarmhartig in wangen, armen en boenen; zoodat overal blauwe plekken kwamen, en onderzocht nauwlettend handen, voeten en tanden; terwijl ik bevende inéénkromp voor zijn kouden, onmenscholijken blik. ik hoorde hem den markt-knecht opdragen den vendumeester te waarschuwen, dat hij wel lust zou hebben om dien huilebalk te koopen; welke er nog al stevig uitzag; waarop de knecht verzekerde, dat er nog heel wat arbeid uit die schroeuwleelijk zou te kloppen zijn. Do bieder zou zeker wel opgemerkt hebben, hoe do meid daareven dolzinnig tegenspartelde, maar dat deed het blanke Christenvee altijd, wanneer zij voor het eerst te koop stonden; doch nadat malle woelen werden zij de ge-
willigste werkezels die men wenschen kon. De Turk zei, dat liij bakker van zijn ambacht was en als hij het schepsel kocht, zou hij het wel met haar klaarspelen, en al was de meid hard als ijzer, zou hij haar week als boter kneeden. Onderwijl kwam de vendumeester langzaam aandrentelen en na wat loven en bieden, werd de koop gesloten. Zonder een woord te spreken, trok de knecht mij de handboeien af en sloeg mij een louw om den hals, waaraan ik mijn nieuwen meester gedwee volgde. Op de markt kocht hij nog een paar geiten, die ik vasthouden en een mand met gevogelte, welke ik dragen moest. Vermoeid aan zijn huis gekomen, werd ik door de vrouw en de kinderen bezien en betast, die zich verheugden, dat vader, de oude afgewerkte slavin van de hand had gedaan en een nieuwe sterke meid gekocht, die zij naar hartelust konden afsloven. De vrouw des huizes scheen bijzonder dom, ijdel en wangunstig. Zij was de gezetste vrouw uit de buurt, waarom zij voor een groote schoonheid doorging. Hare ijdelheid kon niet dulden, dat de nieuwe slavin, hoewel reeds gekleurd door zon en weer, toch nog blanker was dan de meesteres, waarom zi j terstond zeide, dat een slavenmeid bruin behoorde te wezen. Reeds daags naar mijne komst, moest de neger mij met een drabbige bruine olie insmeeren; welke spoedig aan mijn huid de donkere kleur der arme inboorlingen gaf; zoodat ik mijzelf in de waterput spiegelende, nauwlijks herkende. Ik was toen reeds te diep gezonken, dat deze vernedering mij deeren kon, en kreeg zelfs een onbestemde gewaar, wording, als of deze huidskleur een soort van kleedingstuk was, dat de naaktheid beter bedekte. Mijn zwarten kameraad scheen die verandering goed te bevallen. Hij grijnsde vriendelijker dan eerst tegen mij, werd gemeenzamer, vond dat ik nu meer van zijn soort was geworden en zijn ruwe goedhartigheid was een zonnestraaltje in al de duisternis. De bakker hield woord en de nieuwe slavin werd door het geheele gezin zóó gekneed, dat zij reeds spoedig begon te beven als iemand van het huishouden haar aankeek en de kinderen hoorde aanmoedigen en africhten om „de bruinequot; voor een voetveeg en klapvang te houden. Die gevoeligheid was echter voorbijgaande en na een veertien dagen was ik een willoos werktuig geworden, altijd zwoegend en, zooals het een slavin paste, voor ieder deemoedig onderworpen. „Wat er met mij gebeurd is, vóór dat ik op die markt werd verkocht, zoo besloot Ista met angstige gejaagdheid in haar stem, kan ik mij nog niet duidelijk voorstellen en ik weet niet, of wat mij onzeker voor
190
den geest zweeft, akelige benauwde droomen zijn of vreeselijkc werkelijkheid, maar, goede meester, zoo eindigde zij hare hortend en stootend gedane mededeelingen, mag uwe gehoorzame slavin nu gaan rusten? Haar hoofd wordt zoo moe en verward! Wel zeker, Isïa, antwoordde de Kapitein, haar goedhartig op den schouder kloppend. „Gij moet toch niet vergeten hoe ge geen slavin meer zijl, maar eene vrije vrouw, onder bescherming der machtige vlag, welke hier hoven ons hoofd wappert.quot;
Toen, eenige dagen later, de Kapitein zijn „kweekquot; gelijk hij haar noemde, weder bezocht, vond hij haar helder, maar wegsmeltend in tranen. Hem aanziende met onbeschrijflijke droefheid in baar blik, smeekte zij roerend: „Meester, beste meester! verschaf mij het middel van Mustapha, wat ik U bidden mag, om de schrikkelijke dingen te vergeten, welke mij nu steeds klaarder voor den geest komen. O! ik was niet ongelukkiger dan nu, toen ik als een geestelooze slavin zwoegde, maar niet gekweld werd door de afgrijselijke herinneringen, welke mij nu pijnigen.quot; Terstond daarop viel zij berouwvol voor den Kapitein op de kniën, bedekte zijn hand met kussen en smeekte snikkend om vergeving voor hare schandelijke ondankbaarheid.
Zij begon allengs meer en meer Deensch te spreken en het scheen als of, met het geheugen, ook de kennis der moedertaal teruggekomen was; alsmede een gevoel van menschelijkheid en vrouwelijke kiesch-heid, dat door geleden ellende afgestompt scheen te zijn. De Kapitein liet haar dagelijks van het verledene vertellen, vooral om de veerkracht van haar neergedrukten geest zooveel mogelijk op te wekken. Hoe verward ook die meedeelingen waren en doorgaans onder tranen verteld, waarvan de bronnen weder geopend schenen, waren zij toch voldoende om haar beschermer een overzicht der lotwisselingen te geven. Haar vader heette Petek Raafsteen en was predikant op een dorp, niet ver van Kopenhagen. Naar zij wel eens vernomen had, was hij uit het Nederlandsche Zeeland, tijdens de bloedige geloofsvervolging, naar Emden gevlucht en zoo naar Denemarken geraakt. Digna, gelijk de tegenwoordige Ista naar een Hollandsche grootmoeder genoemd werd was de oudste dochter. Gezond, stevig en opgewekt van geest was zij de lieveling barer ouders, en toen zij er bijvoegde hoe zij bekend stond als een vroolijke, frissche deern, gevoelde de Kapitein als een pijl in \'t hart, met het oog op de bruine, magere, verschrompelde gestalte, die hij vóór zich had. Meermalen werd het knappe meisje ten huwelijk begeerd, maar de rechte vriend kwam pas, toen zij vier en twintig
191
jaren oud was. Harold Steffenson was een braaf, degelijk jongman niet wien zij op hetzelfde dorp opgegroeid was. Hoewel haar ouders wel eenig bezwaar hadden tegen zijn beroep van koopvaardijschipper, werd het huwelijk toch toegestaan. Het jonge paar ging in Kopenhagen wonen en er scheen niets aan hun geluk te ontbreken; ofschoon het verdrietig was, dat Digna soms maanden lang een onbestorven weduwe bleef, als haar echtgenoot naar zee was. Daarom drong zij er sterk op aan om hem te vergezellen; doch hij wees haar op de gevaren aan die reizen verbonden, niet alleen van stormen en golven, maar ook van roovers, die vooral de Middellandsche zee, het doel zijner tochten, onveilig maakten. Do jonge vrouw beweerde echter, dat zij die gevaren véél liever met haar man wilde deelen, dan de schier onlijdelijke onrust weder te moeten doorstaan eener troostelooze eenzaamheid aan den wal. Eindelijk gat de man toe en wel te eer, daar er nu juist een nieuw schip voor hem op stapel stond, dat keurig voor het verblijf eener vrouw kon worden ingericht en waaraan de reeders, ter eere van hun trouwen schipper, den naam van: Do Vrouw Digna gaven. Daarmede werd een reis naar Messina ondernomen. In de eerste weken ging alles naar wensch. Nauwelijks was echter de straat (van Gibraltar) achter den rug, of een verdacht zeil kwam aan de kim opdagen. Het gelukte echter dien brigantijn to ontzeilen, maar juist daardoor liepen wij een grooter roofschip als in den mond. Alles werd in het werk gesteld om weg te vluchten, maar eer de avond viel, was de koopvaarder genomen en afgeloopen. Later heb ik van Turksche matrozen vernomen, dat mijn beste man zich wanhopig verweerd had, doch zwaar gewond en bewusteloos, met den eersten stuurman in zee geworpen werd; zoodat hij gelukkig het lot der overigen ontkwam, die in het ruim opgesloten werden om op de markt te Algiers als slaven verkocht te worden. Bij het binnen stormen der woeste roovers in de kajuit, waar ik in een hoek geknield lag, kreeg ik een gewaarwording, als of een ijskoude hand mijn hart greep en viel ik in zwijm van ontsteltenis. Tot bewustheid komende, lag ik op een zachte sofa in een ruime kajuit, rijk gemeubeld en weelderig versierd met goud, zilver en andere kostbaarheden. Vóór mij stond een man van korte gestalte, maar bruin van kleur en sterk gespierd. Hij droeg lange zwarte knevels en een langen spitsen baard. Onder de ruige wenkbrauwen fonkelden donkere oogen en een rilling van ontzetting voer mij door de leden, toen hij mij met loenschen
192
blik en ecu boosaardigen judaslach scherp aankoek. Verbijsterd van schrik, smart en schaamte, poogde ik op te staan; doch bemerkte hoe ik aan handen en voeten gebonden was, waardoor ik bevestigd werd in de meening, dat tlie man mij tot zijne slavin had bestemd. Met forsche hand duwde hij mij op de rustbank terug en toen ik in het Deensch snikkend om erbarming smeekte, antwoordde hij mij in dezelfde taal, door hem gebrekkig gesproken, boe mij geen leed zou weervaren indien ik gehoorzaam en gedwee was en dankbaar voor de eer dat hij, de Admiraal, zich verwaardigde op mij, zijn wettig eigendom, liet oog te laten vallen. Terwijl hij dat zacht, kort en eentoonig sprak, staarde hij mij aan met een blik, als waarmede een kat een muis kan betooveren en gevoelde ik mijn laatste geestkracht wegvloeien. Op een tafel in de kajuit stond een kristallen kelk, welke hij uit een zilveren kan met wijn vulde, waarna hij er uit een klein flechje eenig vocht in liet druppelen. Hij gelastte mij te drinken, waaraan ik werktuigelijk voldeed en terstond daarop zonk ik in bedwelming weg. Tot kennis komende, lag ik ontboeit! op dezelfde rustbank en nevens mij stond een forsch gebouwde negerin, met een huid, glanzig als ebbenhout. Zij beduidde mij onderdanig, dat ik de kostbare Oostersche kleeding-stukken en gouden sieraden, welke zij had medegebracht, moest aantrekken. Nadat zij mijn kloppend hoofd en glooiend gelaat mot een verkoelend mengsel had besproeid, liet ik mij wezenloos optooien en ik was nog niet geheel gereed, toen do Admiraal binnenkwam en zijne tevredenheid over mijn voorkomen te kennen gaf, want reeds lang had hij naar een blauwoogige, blonde slavin verlangd. Hij kwam nevens mij zitten en dwong mij vijgen, amandelen en Spaansche wijn met hem te gebruiken, waarvan ik gretig dronk. Zoo volgden dagen op dagen. Hoewol inwendig verteerd door doffe zielesmart, met een gevoel van knagende pijn en smachtend verlangen naar mijn dierbaren echtgenoot, wiens lot mij onbekend was gebleven, en bij wijion zóó moedeloos dat ik vreesde krankzinnig te zullen worden, gewende ik mij toch allengs aan de schande en diepe vernedering. Wat rijkdom verschaffen kon werd mij geschonken, maar die zoete woelde vermocht hot kille hart niet te verwarmen; evenmin als de bedwelming, waarin ik wel eens mijn leed poogde te vergeten. Als een flauwe regenboog tegen oen donkere lucht, bleef de hoop glanzen, dat ik misschien nog eens zou worden gered. Het eenige wat mij destijds afleiding verschafte, was borduurwerk, waarin ik mij vroeger goed had geoefend, en ik hoopte
193
daardoor het hart. van mijn meester wellicht tot vrijlating\' te kunnen vermurwen, indien ik met zorg een Iraaien, breeden draagband voor zijn zwaard vervaardigde. Toen ik hem dat geschenk aanbood, gleed de schemering van een glimlach over zijn norsch gelaat, wat mij het verzoek schoorvoetend deed wagen om ergens aan land gezet te worden, zoodat ik, al was hel bedelend, naar mijn vaderland on bejaarde ouders kon terugkeeren. Met een boosaardigen blik, welke mij sidderen deed, keek hij mij aan, drukte de armen over de borst als wilde hij zichzelf verhinderen mij vast te grijpen, en bromde zacht, maar op een schrikwekkenden toon: „Dat nooit.quot;
Er verliepen eenige maanden, hoeveel weet ik niet, want ik hield geen rekening moer met den tijd en leefde schier zonder hoop, zonder doel en zooveel mogelijk zonder gedachten, toen de negerin mij grijnzend kwam vertellen, dal mijn plaats spoedig zou worden ingenomen door een jong llaliaansch meisje, dat een andere roover had buit gemaakt en aan den Admiraal verkocht. Het was dan ook geen verrassing, toen een paar dagen later, de negerin \'s morgens, terwijl ik nog in de kooi lag, binnenkwam cn mij gelastte haar terstond te volgen, daar zij mij naar de hut van den stuurman moest brengen. Een oogenblik hoopte ik mijn meester te hebben vermurwd en dat hij inij de vrijheid zou willen hergeven; doch nog onverwacht vernam ik, dat de stuurman n\\ij van den Admiraal ten geschenke had gekregen, en dat ik dus van meester verwisseld was. De stuurman was een ruwe, onbeschofte kerel, die mij terstond meedeelde, dat ik hem met lijf en ziel toebehoorde en om zijn macht te toonen mij zóó sterk vastgreep, dat ik in tranen uitbarstte en de blauwe plekken dagen lang in mijn armen bleven staan. Was mijn leven tot nu toe, uitwendig zacht en zoet geweest, bij dien barbaarse!len meester loerde ik ondervinden, hoe zwaar en scherp het juk der slavernij is en hoe de eerste slagen nog pijnlijker de ziel treffen dan het lichaam zéér doen. Slechts eenige weken bleef ik in het bezit van dien harden meester, die mij in mijn bijzijn aan den bootsman verdobbelde. Deze was een niet minder ruige zeebonk, maar met een medelijdend hart en aan zijn tusschenkoinst had ik het te danken, dat mijn leven gespaard bleef, toen de stuurman mij in zee wilde doen werpen, daar de Admiraal gelast had, dat er behalve zijn bijzit, geen wijven aan boord mochten zijn. De bootsman bewerkte, dat ik in een matrozenpak gestoken, als koksjongen mocht blijven. Ik stond onder de negerin,
De Gouden Draad. 13
194
die mij eerst gediend had, en nu hardhandig onderdanigheid wist in Ie prenten. Door onafgebroken vermoeiend arbeiden, waren die laatste weken minder smartelijk als het vei\'blijf in de hutten; het duurde echter slechts kort, want toen het schip, na nog wat gekruist te hebben en eenige Grieksche visschers te hebben gevangen genomen, te Tripoli binnenliep, werd er bevolen, dat al de gevangenen terstond moesten worden verkocht. Reeds den volgenden dag kwam de marktknecht mij en de anderen afhalen. Ik was reeds zóózeer verstompt, dat ik zonder veel aandoening het armelijk matrozenpakje verwisselde voor een versleten, grove, grauwe slavinnenkiel. Hoeveel ellende ik ook reeds had uitgestaan, dreigde mij het hart te breken, toen ik door den knecht zonder eenig mededoogen als een stuk vee, met een touw om den hals, naar de gevangenis werd gebracht. Na door den vendumeester bekeken, betast en gewaardeerd te zijn, werden mij ijzeren ringen om de polsen gesmeed; alsmede om de enkels mijner, door liet gaan over ongelijke scherpe straatkeien, pijnlijke voeten. De gevangenis was een vunzig, donker hol met vuile, vochtige muren. Op het stroo, waarmee de steenen vloer hier en daar bedekt was, zaten eenige half naakte bruine en zwarte lotgenooten, nu eens luidruchtig kermende, vooral wanneer de marktknecht met de zweep klapte, dan weer vroolijk snaterende met een vijftal, aan den muur geketende negers. Na een paar dagen in dit hol, vol smerigheid en ellende vertoefd te hebben, werd ik naar de markt gebracht en, zooals verhaald is, aan den bakker verkocht. „Nu kan ik mij nauwlijks voorstellen, zoo besloot Ista haar meest wonderlijk verwarde meedeelingen, hoe alles mij zoo volkomen was ontgaan; terwijl het mij nu zóó helder voor den geest staat, als of het verleden week gebeurde. Nog verhaalde zij, hoe zij in de slavernij drie kinderen had. Het oudste, een meisje, was op het roofschip geboren en had maar enkele dagen geleefd; toch meende zij daarin de trekken te herkennen van haar armen, vermoorden echtgenoot. De beide anderen kwamen ter wereld tijdens zij den bakker behoorde. Het waren stevige, halve negerknapen, vast van vleesch en kern gezond. Zij mocht die lieve nikkertjes die nooit eenig kleedingstuk aan het lijf hadden, bij zich houden tot zij loopen konden; toen werden zij verkocht en de moeder zag ze zonder veel leedwezen voor de markt weghalen. Zij belemmerden haar in het werk, bezorgden haar menigen klap en zij was reeds zóózeer vervreemd van iets te bezitten, dat zij het natuurlijk vond, hoe een
slavin haar meester wel kinderen niochl schenken, doch geen moedervreugde duurzaam genioten. De bakker, doorgaans barsch togen zijn onderhoorigen, prees, toen liij van de markt kwam den neger en mij en ik hoorde hem tot zijn vrouw zeggen, hoe hij voor dal koppel jong kroesvee een goeden prijs had gemaakt. Bij dien meester was mijn geheugen nog goed en nu herinner ik mij, hoe ik destijds nog een zag die bij mijn man aaii boord had gevaren. De man was voor een ploeg gespannen, gewoonlijk de laatste taak voor een afgo-werkten slaaf. Met den broodwagen, waarvoor de neger trok en ik duwde, kwamen wij langs het veld waarop de Deen arbeidde. In weerwil van mijn veranderd voorkomen en bruine kleur, scheen hij mij te herkennen en knikte even. Als ik met de hand weerom groette, werd dii opgemerkt door den dertienjarigen zoon van onzen meester, die nevens den wagen ging, en striemde er een zweepslag, welke mij dagen lang deze ontmoeting pijnlijk herinnerde. Toen de slaaf mij hoorde gillen, zag ik hoe hij verbleekte van ontsteltenis en nooit zal ik den blik vergeten, waarmee hij mij aankeek, eer hij door zijn meester werd vooitgedreven. Lang bleef de hoop op verlossing leven in mijn hart, doch die ster begon eindelijk meer en meer lo verflauwen. Nu en dan kwam mij voor den geest, doch allengs ook in bleeker kleuren, de ouderlijke woning in Denemarken, waar men mij zeker verdronken waande, wat zeker gelukkiger was, dan dal zij wisten van mijn tegenwoordige ellende. Verbeelding bracht mij soms voor de oogen, het gezellige woonvertrek in de pastorie, waar mijn grijze eerwaardige vader voorlas uit den grooten huisbijbel, meest van den Zaligmaker, die voor een zondige wereld had geleden en aan een kruis den slavendood gestorven was. Dan klonk mij weder de melodie in de ooren van het lied, dat wij in den huiselijken kring dikwijls zongen: Een vaste burgt is onze God. Een toevlucht vooi de Zijnen.quot; Uit oen dergelijken droom tot bezinning komende, snikte ik wel eens met hemelwaarts\'geheven handen. „Blijf, o! blijf heerlijke herinneringen!quot; Maar het vizioen loste zich op, de kleuren verbleekten en in de plaats kwam de kille werkelijkheid: de schemerdonkere bouwvallige stal, het harde strooleger, gedeeld met den ezel en de geiten en de grijnzende lach van den neger, die mij goedhartig maar ruw wakker schudde. Een enkele maal is ook gebeurd, dat mij in den droom voorbijzweefde de gestalte eener jonge bleeke vrouw, die mij vriendelijk, doch weemoedig aanzag en wier blik en trekken
196
wonderlijk lang in mijn geheugen bleven gegrift. Zachtkens, als nit de verte, hoorde ik haar fluisteren: „Het leed dat ge dragen moet, kan niet afgekeerd worden. Eens zult ge inzien, hoe het lot uw bestwil heeft gestrekt. Houd moed; er zal uitkomst komen.quot; Langzamerhand werden die bemoedigende verschijningen zeldzamer. Misschien was ik te stompzinnig om ze op te vangen en sedert ik aan Mustapha was verkocht, heb ik niets meer van die droomen ondervonden. Ik gevoelde mij toen nauwlijks een mensch, zwoegde gedachteloos voort en alleen vervuld met de hoop om mijn honger te kunnen stillen ; de vrees om afgestraft te worden en het uitzicht, om in don slaap van vermoeienis uit te rusten.quot; Dagelijks klaagde Ista den Kapitein over de smart dezer herinneringen; deze trachtte haar dan in die sombere vlagen te troosten pijnlijke met de verzekering dat alles wat menschen verrichten konden, zou worden aangewend om haar liet ondervonden leed zooveel mogelijk te vergoeden.quot; Zou de arme slavin waarlijk nog gelukkig kunnen worden, vroeg zij soms haperend en het scheen dan als of er een sterretje der hoop flikkerde in haai fletsche oogen; terwijl een paar dikke tranen biggelden over de bruine, diepgegroefde en verweerde wangen. „Vrees daarvoor niet,quot; antwoordde de Kapitein met bewogen stem. „Ik weet, dal mijn lieve zus haar broeders pleegdochter met groote liefde zal te gemoet komen en als een hartelijke vriendin ontvangen zal. Daar kunt ge gerust op slapen. Digna liefquot;, bij welken doopnaam hij haar meer eu meer begon te noemen. Hij begon nu ook op te merken, hoe er van hem jegens die ongelukkige, deerlijk vervallen vrouw, een onverklaarbare kracht uitging, welke haar opbeurde en het diep gezonken als begraven leven te voorschijn riep. Dan gevoelde hij, hoe een geheimzinnige band hein aan deze rampzalige verstooteling verbond en in zijn eenvoudig, trouw zeemanshart ontkiemde een vaderlijke genegenheid voor zijn ongelukkig pleegkind.
In de haven van Gadix trof de Kapitein den Nederlandschen Vice-Admiraal aan, die reeds met zijne overwinning bekend was en het verdelgen van den gevreesden roover aan de Admiraliteit en de Generale-Staten had bericht. Na enkele dagen werd er koers naar het vaderland gezet en de Kapitein had het genoegen te zien, hoe de toestand van zijn pleegdochter naar lichaam en geest verbeterde en zij langzamerhand een meer gewoon, zij het dan ook een weinig ontwikkeld mensch werd. Hoewel de groeven en sporen
197
van een vroegtijdiger! ouderdom niet verdwenen, kwamen er tocii ook zachtere trekken op haar meer gevuld gelaat; de blik der oogen word levendiger en de buien van clroefgeestigheid en moedeloosheid zeldzamer; terwijl oen onkel vriendelijk woord van don Kapitein terstond de verstoei de kalmte terugbracht. De gesprekken haddon nu ook doorgaans in het Hollandsch plaats; welke taal, gelijk de Kapitein beweerde, zijne „kweekquot; zich met verwonderlijke schranderheid, spoedig eenigszins eigen had gemaakt.
Een paar weken later liet De Alkmaar op do roede van Tessel het anker vallen. Diona word door eene bekwame naaister als oen Hollandsche juffer gekleed, in welk gewaad zij eerst oen wonderlijke vertooning maakte op vooral hot dragon van schoeisel was haar vreemd en pijnlijk geworden. Toon zij daaraan eenigszins was gewend, reisde de Kapitein met haar naar Zwolle, om de verdere leiding toe te vertrouwen aan do verstandige en liefdevolle zorg zijner zuster Geerïe of GeehtuUi, gelijk zij door haar echtgenoot meestal werd genoemd. Den eersten avond, nadat Digna lor ruste was gegaan, spraken zwager en zuster nog lang over do toekomst en over het zonderlinge spel van het toeval, gelijk sommige monschen misschien zouden zeggen, hoewol Geerte in don geest van liaar vader denkende er anders over oordeelde, on het merkwaardig vond, dat eerst aan do zuster, en vervolgens aan den broeder, oen ongelukkige schipbreukeling op d(! levenszee, om te helpen en te redden was toegoschikt. Evert en van Wilsum zagen in die onverklaarbare leidingen de beschikking der hoogero macht, die \'s monschen lotgevallen regelt. Voor ons raadselachtig lijden, kan wellicht, zoo bepraken zij, voortvloeien uit oen wet der vergelding, noodig voor de eeuwige opvoeding der ziel, het eigenlijke dool van ons bestaan. Geerte trok zich mot de haar eigen geestkracht het lot van Dkina aan. Bij brave, eenvoudige burgerlieden werd oen geschikt kosthuis voor haar gevonden, waar zij met liefde werd ontvangen en behandeld en als het ware opgekweekt voor het gewone huiselijk loven, waaraan zij als \'t ware, vreemd was geworden. Kosten voor die hernieuwde opvoeding behoefden niet te worden ontzien; want de Kapitein stelde zich voor, ten bate zijner beschermeling, te gebruiken het aanzienlijk prijsgeld, hem voor de vernieling van don roover toegekend, waarbij door de Admiraliteit nog oen gouden eerepenning en oen getuigschrift word gevoegd. Bovendien wist van Wilsum, als invloedrijk regeeringslid te bewerken, dat aan Dkina, als oorspronkelijk van Nederlandsche
198
afkomst, een toelage werd verstrekt uit de, door collecten, ook in het Noorderkwartier bestaande Slavenkas, bestemd om dergelijke ongelukkigen vrij to koopen of na verlossing te ondersteunen. Een maand na zijn bezoek te Zwolle, was do Kapitein op zijn oud goed schip, dat inmiddels gekalefaterd en uitgerust was, gereed om de vloot in de Oostzee te versterken. Kort voor zijn vertrek ontving hij een brief van zijne zuster. „Met üigna, meldde zij, ging het naar wensch. üo beschermeling was nog wel niet een gewoon mensch, doch dat zou zij waarschijnlijk nooit meer worden; want daarvoor was de slavernij te langdurig en te menschonteerend hard geweestquot;; jaren lang, zoo schreef mevrouw van Wilsum, had deze ongelukkige schier onlijde-lijken hoon, kwellingen en bittere smaadheden moeten uitstaan en was nog erger dan een, lastdier geslagen en verschopt. „Toch was onder al die vernederingen het menschelijk gevoel in haar gemoed niet uitgedoofd en Geertrui hield het er voor, dat er zelfs eer aan die tweede opvoeding zou te behalen zijn. De sporen van geestelijk en lichamelijk lijden zouden wel levenslang te bespeuren zijn; eu de vroegtijdig verouderde zou een stumperd blijven, maar mevrouw van Wilsum hield het er voor, dat zij, na niet langen tijd, wel in staat zou zijn, om met behoorlijke hulp. een klein rustige huishouding als die van den Kapitein, gepast te besturen.
Met wisselende kans had de oorlog tusschen Zweden en Denemarken reeds jaren geduurd en was de Oostzee onveilig door de eerzuchtige voornemens van den woeligen en heerschappij-zoekenden Zweedschen Koning Karei, Gustaaf. Nederlandsche en Engelsche vloten waren in de Oostzee vereenigd, niet alleen om de handelsbelangen te beveiligen, maar ook om het politiek evenwicht tusschen de Noorsche Staten te handhaven, en de Admiraal der Vereenigde Nederlandsche Provinciën Jacob van Wassenaar-Obdam had reeds moer dan ééns de Zweden met geweld beteugeld. In Mei 1659 zeilde eene aanzienlijke versterking, onder den vice-Admiraal Michiel de Ruuïer naar het noorden; welke vlootvoogd na het huiswaarts keeren van den Admiraal Obdam het opperbevel erlangde. De nieuwe opperbevelhebber drong er echter hij de Admiraliteit
199
op aan, om nog eon paar kloeke oorlogsschepen mol ervaren bevelhebbers te zenden, en voegde er bij, dat hij gaarne de Kapiteins Evert Nagtglas en Cornelis de Boer bij zijne scheepsmacht zou zien. Do fregatten: Hot wapen van Alkmaar en Do Hollandscho Tuin lagen bij Tessol zeihoe on vooral Kapitein Evert verheugde zich hartelijk, dat hem ongezocht oene gelegenheid word geschonken om in Denemarken naar do familie van Digna onderzoek te doen. Het duurde nog tot in het begin van November, eer de schepen vertrokken 011 zuster Geertrui was met haarman in liet Genoralitoits-jacht overgekomen om den vertrekkenden broeder vaarwel te zeggen. Evert bracht ook oen bezoek op het jacht, een keurig net, vlug scheepje, even rijk betimmerd en verguld als een prinsen-woning. Toen do twee grooto oorlogsschepen statig naar zee zeilden, bracht liet Jacht een terstond beantwoordden daverenden afscheidsgroet. Het was een winderige morgen en een bleeke najaarszon wierp tusschen grauwe, gerafelde, sneldrijvende wolken, glinsterende lichtstrepen op de woelige golven, welke elkander met toenemende vaart vervolgden, om ten laatste, mot schuim gekroond, om te tuimelen. Maar dat dreigend zwalpen der waterbergen, verhinderde de schepen niet om, mot half gereefde marszeilen, stoolend en stampend koers te richten naar het Noorden. Van boord zag men do duinonreeks langzamerhand wegduiken aan de kim en verdween tevens do strook sneeuwwitte branding, door do golven op het strand goteokend. Nadat de Kapitein op het dek was gebleven tot het schip zonder tegenhoden in het ruime sop was gekomen, werd bij hot afschepen van don loods, een laatston groot meegegeven aan het vaderland. Hot weer begon moer on moor te verzuren en voor de stortregens en do overspattonde zeeën, trok het wachtvolk de wijde oliepakkon en hooge waterlaarzen aan, terwijl do glimmende zuidwesters diep in de oogen gedrukt, stevig worden vastgestrikt. Door tegenwind en storm opgehouden, waren de schepen pas don 25 November tor hoogte van Helgoland en hoorde men hot ver verwijderd dreunen van geschut, wat later bleek te zijn do strijd bij Nyborg op Funen, waar de Zweden de nederlaag leden. Niet lang daarna was de Sont bereikt en een paar dagen later Kopenhagen; welke stad door do Zweden belegerd on lederen dag mot bestorming bedreigd werd. Daar de Nederlandscho vloot bij het invallen van de vorst hier zou moeten overwinteren, en de overgave dor stad wel eens het verlies dier vloot zou kunnen tengevolge hebben, word in don krijgs-
200
raad der Hollanders besloten, om de stad mede to helpen verdedigen. Van ieder schip werden kanonnen met de noodige bediening geligt en aan do Kapiteins de noodige alarmposten aangewezen. Toen in Februari door de Zweden werkelijk oen aanval werd gedaan, bloken de constabels van De Alkmaar werkelijk do beste treffers te zijn, die het meest haddon toegebracht om den vijand tot een haastigen aftocht te dwingen. Als de Admiraal dit aan zijne officieren meedeelde, kreeg Eveht het bekende „oogjequot;, waarmee de Ruijteh zijne vrienden wist te begunstigen. De aftocht der Zweden werd door eere-schoten, klokluiden, trompetgeschal en andere feestelijkheden gevierd; terwijl de hulp der Nederlanders dankbaar werd erkend. In liet begin van Januari was het reeds gaan vriezen cn spoedig zóó hevig, dat de schepen geheel in het ijs besloten raakten. Toen liet de* Admiraal de vloot door een bijt beveiligen; een werk zóó belangrijk, dat de Koning van Denemarken hot kwam bezien en verbaasd was over de liandigiioid, waarmee do Hollandsche hagjes; deze meer dan veertig voeten breede gracht in het ijs uitsloegen. Den volgenden dag was Zijn Deenscho Majesteit met de Engelsche, Fransche en Nederlandsche ge-zanten, de gast van don Admiraal de Ruijteh, bij welke gelegenheid ook een paar der oudste Hollandsche Kapiteins waren genoodigd. In do zoogenoemde kerk van hot Admiraalschip: Het huis te Zwieten, versierd en opgetooid met keur van vlaggen en wimpels, werd oen tafel ingericht in den vorm van een hoefijzer. Zij was bedekt met een kleed van bost Haarlemsch damast, waarin voorstellingen van belegeringen, gevechten, en jachttafereelen geweven waren en dat nog helderder en glansrijker scheen door de groene palmtakjes daarover gestrooid. De servetten waren kunstig gevouwen en dolphijnen voorstellende, op de borden geplaatst. Hoewel de Admiraal voor zichzelf uiterst eenvoudig was, wist hij toch de eer van den Staat, als \'t pas gaf, luisterrijk op te houden en ook nu schitterde do tafel van keurig en kostbaar zilverwerk uit do voornaamste werkplaatsen te Amsterdam, verlicht door het heldere schijnsel der kaarsen op vier sierlijk bewerkte koperen kroonen en tal van armluchters. Do gerechten: hoenders, kalkoenen, kreeften, runder- en kalfsvleesch, waren niet talrijk, maar de erwten, boonen on verschillende koolsoorten vooral, naar Hollandsche wijs degelijk en met zorg bereid. Bij het nagerecht van Hoornsche tweebak. Edammer kaas, Delfsche boter, Fransche confituren, Italiaansche oranjeappelen en andere schotels, gingen de
201
kelken, roemers en bokalen, met Fransche en Rijnsche wijnen, druk en lustig rond. De Koning was in een eenvoudig gewaad van zwart fluweel, bezet mot kleine gouden knoopen, en om den hals glinsterde de keten zijner orde; ook de Raadsheeren en hoogwaardigheidsbekleeders waren, even als de vreemde gezanten, in donker laken of fluweel, wat de helder witte kragen en de gouden gedenkpenningen en eere-teekenen levendig deed uitkomen. De Admiraal en zijne officieren droegen donkerkleurige, tot over de knieën hangende rokken met korte mouwen tot aan de ellebogen voorzien van breede omslagen, waaruit een hagelwit overhemd te voorschijn kwam. Onder, of beter tusschen de witte linnen kraag schitterde een gouden ringkraag, welke den rang aanwees. De, tot de kuiten reikende broek was breed geplooid en de gekleurde kousen staken in stevige, met rozenstrikken versierde schoenen; terwijl de meeste officieren den trouwen houwer aan een geborduurden bandelier droegen, sommigen als protest tegen het Stadhouderloos bewind, rijkelijk met oranjekleur versierd. Over den Koning zat de Admiraal, kenbaar aan zijn blozend, mannelijk en eerlijk gelaat, waarin een paar helder bruine oogen glansden en het nog donkere haar zichtbaar was onder den breed geranden, stemmig gepluimden hoed, dien hij even als de andere gasten, na des Konings vergunning, ophield. De Ruiter droeg de gouden keten met eerepenning, hem onlangs door den Koning geschonken. Kapitein Nagtglas was geplaatst nevens den Gezant Pieter de Huibert, den staatsman, die kort voor deze Ambassade tot griffier der Staten van Zeeland was benoemd. Met dezen schranderen man was de Kapitein, die veel had gelezen, maar nog meer had opgemerkt, spoedig in belangrijke gedachtenwisseling; vooral nadat de Koning zijn stokpaardje had bestegen en het gesprek gebracht op de verwisseling der metalen en andere verborgen kunsten der alchimie. Zoo kwam het onderhoud ook op zeemeerminnen, aan wier bestaan toen slechts zeer enkelen twijfelden; en welke nog, ruim een halve eeuw later, door den kundigen predikant Francois Valentin in zijn bekend werk over Oost-Indië, ids werkelijk levende werden afgebeeld. De Gezant verhaalde toen de overlevering van den meerman te Westen-Schouwen, en hoe aan diens wraak over het vangen zijner vrouw, de ondergang dier sterk bloeiende koopstad, waaruit de familie de Huibert afkomstig was, werd toegeschreven. Hij voegde er bij, hoe indertijd bij zijne grootmoeder Genoveva Vierling van der Lisse te Zierikzee, een meisje diende, dat geesten zag en meedeelingen
202
ontving uit de onzichtbare wereld. Meer dan ééns voorspelde zij iemands overlijden en verzekerde, zijne begrafenis te hebben aanschouwd. Als kind was hem meermalen verteld, hoe, naar men zeide, dat kind afstamde van het bij Westen-Schouwen gevangen zeewijf, dat in Noord-Beveland was opgekweekt, een echtgenoot gevonden en kinderen nagelaten had. Hoe het met dit dienstmeisje verder was gegaan, wist de Huibert niet met zekerheid; doch hij meende wel eens vernomen te hebben, dat grootmoeders Digna, gelijk zij haar noemden, met een visscher was gehuwd en naar Bunschoten in Holland verhuisd. Evert, bij wien dit verhaal natuurlijk groote belangstelling wekte, deelde aan zijn tafelgenooten enkele zijner eigen ervaringen mede, onder anderen het voorgevallene te Bussum, waarop de Huijbert glimlachend antwoordde, dat dergelijke geschiedenissen hem altijd voor den geest roepen het gerecht, dat nu juist door de hofmeesters op tafel werd gebracht, namelijk schotels met kreeften, aan welke dieren men lang, lol pijn-wordens toe, knabbelen kan, zonder er veel voedsel uit te halen. De maaitijd liep verder genoeglijk af en de Kapitein had toen reeds den indruk, dat de acht en dertig jarige gezant buitengemeen begaafd was met een zeldzaam verheven verstand. Niet lang na dit feest, viel er een donkere schaduw op de Vloot. Een hevige ziekte, meestal in zoogenoemde rotkoortsen eindigende, brak op de schepen uit, waardoor vele matrozen en ook enkele Kapiteins werden weggerukt. De schepen echter van de Boer en Nagtgi.as bleven schier wonderbaarlijk gespaard en de gezagvoerders schreven dit, naast Gods bewarende hand, vooral toe aan een goeden raad van den heer de Huijbert. Deze, wiens scherpzinnig oordeel op ieder gebied donkere zaken wist te verhelderen, meende, dat de ziekte ontsproot uit de bedorven lucht van het bedompte volkslogies, dat om de felle koude meest gesloten bleef en waar de bemanning in schemerlicht en ledigheid zich zat te vervelen; eene verklaring, welke ons tegenwoordig heel natuurlijk zou voorkomen, maar waaraan toen niemand dacht. Deze schrandere vingerwijzing was door de genoemde Kapiteins opgevat en toegepast, en in weerwil der hevige vorst werd er dagelijks gelucht en hot volk door allerlei oefeningen bezig gehouden. Daar niet altijd met musketten of pieken kon geëxerceerd worden, zorgden de Kapiteins voor afwisseling, door het loopen op schaatsen, of ook kaatsen en balwerpen op het ijs; welke spelen en wedstrijden door prijzen werden aangemoedigd. De lange avonden werden gebezigd
203
om, voor rekening van de Kiipiteins, kleine volledig nitgeruste scheepjes te vervaardigen, waarin enkele matrozen eene opmerkelijke handigheid verkregen. Die miniatuur-vloot is naderhand in het vaderland verloot en heeft de schepelingen geen gering voordeel verschaft. Sommige dier scheepjes zijn nog bewaard gebleven en enkele kan men, dooiden tijd gehavend in kerken, raadhuizen of op rommelzolders zien hangen. Om zelf ook den kostbaren tijd niet nutteloos te doen voorbijglijden, of dien met rooken, drinken en dobbelen te verdroomen, kwam aan de heide genoemde Kapiteins uitnemend te stade de kennismaking met dokter Lars Knutson, een der voornaamste stads-geneesheeren te Kopenhagen. Zij waren hem gaan raadplegen over de heerschende ziekte aan boord, waar destijds de verzorging alles te wenschen overliet, daar de fraters of wondheelers, in den regel, onopgevoede en onbekwame menschen waren. Dokter Knutson was een verlicht man, die den raad van de Huijbert goedkeurde eu door wiens invloed ook afzonderlijk ziekenoppassers werden aangesteld en geoefend. Een recepten-boek van die dagen, waarin voorschriften o.a. door den Admiraal de Ruiter tegen . het graveel gebezigd, wordt nog in de familie bewaard. Ook op de voeding der schepelingen werd, van toen af, beter toezicht gehouden. Het onderhoud was aan do Kapiteins opgedragen, aan wie daarvoor zeven of acht stuivers per hoofd door de Admiraliteit werd uitgekeerd. Sommige gezagvoerders zochten uit die aannemingen „duiten te slaanquot;, doch de beste bevelvoerders noemden het, schandelijke lorredraaierij om voordeel te bejagen uit do magen van trouw en eerlijk zeevolk. Bij Nagtglas en dk Boer waren clan ook de voornaamste levensmiddelen; zooals stokvisch, haring, erwten, boonen, tweebak en bier, van de beste kwaliteit. De kennismaking tusschen den Gezant en den Kapitein, aan de tafel bij de Ruiter begonnen, werd voortgezet en de scherpzinnige en geleerde secretaris der Staten van Zeeland scheen zich bijzonder aangetrokken te gevoelen door den rustigen, helderdenkenden, eenvoudigen zeeman. Menigen winteravond brachten zij gezellig door, gedachtemvisselend over de groote vraagstukken, welke destijds hoofden en harten beroerden, en pennen voor dikwijls vinnige geschriften in beweging brachten. Nog was de strijd niet beslist over de nieuwe beschouwing van het zonnestelsel, waardoor onze aarde, vroeger het middelpunt van al hot geschapene geacht, terug werd gebracht tot een nietig stipje in het heelal. De Kapitein, die de
204
ruime opvat ting van zijn vader deelde, verschilde hierin met. den Gezant, die de leer der Gereformeerde Kerk, met hare gevolgen, oprecht aankleefde. Niet minder stof tot onderhoud leverden de Staatsver-wikkelingen in het toen zeer verward Europa, waarin toen niet weinig-vrees bestond voor de Turken, die Weenon bedreigden. Ook in Engeland woelden de partijen heviger en na het overlijden van den Lord Protector lieten de Koningsgezinden zich krachtiger gelden. De gebeurtenissen in onze Republiek werden door de officieren der vloot met zekere behoedzaamheid besproken, vooral op Do Alkmaar, waarvan de Kapitein den naam had van een Prinsman te wezen, wiens scheepsvlaggen meer oranje dan rood getint waren en die zich niet ontzag om, als \'t pas gaf, zijne matrozen aan te moedigen, door den scheeps-trompetter het Wilhelmus te doen blazen. Door zijne bekendheid met den gezant, kroeg Evert gelegenheid om de kunstkamer des Konings in het vorstelijk paleis te bezoeken, waarin oen merkwaardige verzameling van voorwerpen, aantoonende de geleidelijke ontwikkeling der beschaving van de Noorsche rijken en het geheimzinnige IJsland. Er waren te zien een tal van bewerkte steenon, wapenen en sieraden uit den grauwen voortijd, maar nog méér uit de dagen, toen de tochten der Noormannen Europa deden sidderen en uit hutten en paleizen de bede opsteeg: Heer! Verlos ons van die vijanden! Men vond in de kunstkamers scboone beeldwerken en sieraden, geroofd uit kerken en kloosters; alsmede allerlei soort van oorlogstuig, in veroverde steden en kasteelen buit gemaakt. Opmerkelijk was ook het fraaie houtsnijwerk aan kasten, banken, stoelen en bruidskisten; alsmede sierlijke tapijtwerken, in Vlaanderen en Holland geweven. Kapitein Naotglas schonk vooral zijne aandacht aan een volkomen uitgerust scheepje van ivoor, welk keurig voorwerp hem op de gedachte bracht van de hiervoren beschreven vaartuigjes. Dat de Kapiteins veel verschuldigd waren aan omgang met don beschaafden en kundigen Zeeuw, hebben zij levenslang erkend.
Het onderzoek naar de bloedverwanten van Dkina, kon tijdens de insluiting der stad door Zweden, maar weinig vorderen. Wel kwam Evert door dokter Knutson te weten, hoe er te Oland, een dorpje niet ver van Kopenhagen, een predikant Raafsteen was werkzaam geweest; maar tevens hoe deze al sedert jaren overleden was; doch naar de berichtgever meende, woonden aldaar nog zijne weduwe en kinderen. Toen tegen het einde van den winter de Zweden aftrokken.
wier woelige en strijdlustige Koning Kaarl Gustaaf uit teleurgestelde eerzucht den 23 Februari onverwacht gestorven was, besloot onze Kapitein, vergezeld van een zijner jonge luitenants, die liet Deonsch als de taal zijner moeder volkomen sprak, om een persoonlijk onderzoek te gaan instellen. Het was een mooie morgen in het laatst van Maart, en het heldere blauw van \'t uitspansel werd slechts dooi- enkele witte schaapswolkjes onderbroken, toen de Kapitein en zijn luitenant zich in een rammelenden tweebanks, op riemen schommelenden wagen op weg begaven. Eerst hotsten zij door de smalle, slecht geplaveide straten der stad, waar de meeste huizen nog gesloten waren en de bewoners nu zonder Zweden-vrees rustig sliepen. Vervolgens kwam het rijtuig aan de wallen, vooruitgeschoven ravelijnen en andere vestingwerken en door donkere poorten, onderaardsche gangen en over smalle ophaalbruggen, iu een, tijdens het beleg deerlijk geteisterde voorstad. Hoe meer de reizigers vorderden, des te slechter werd het verwaarloosde pad en hier en daar zonken de wielen diep in modderpoelen. Eindelijk kwam men op een muilen zandweg, kronkelende door weilanden, waarop het malsche gras reeds begon uit te schieten. Hier en daar kon men zich verbeelden in Holland te zijn en lagen tusschen goed verzorgde graan- en grasvelden, netle hoeven, omringd door groepen oude beuken, linden en esschen; terwijl de boomgaarden en tuinen omsloten waren door, in dit voorspoedige voorjaar, reeds groenende heggen. Na een paar uren was Oland bereikt, dat uit verspreide hofsteden bestond en enkele bijeenstaande woningen als kerkbuurt. Op een verhevenheid aan den weg, midden op het door een laag muurtje omgeven kerkhof, vol rijen van grafheuveltjes, verhief zich het oude, meest van tufsteen gebouwde bedehuis. Zes kleine boogvensters wierpen schemerlicht in het kale gebouw; de hoofdingang was in het westen, onder den zwaren toren, tot aan de galmgaten met klimop begroeid en naar Deenschen trant met een gewoon huisdak gedekt. Achter dien kerkheuvel stond de eenvoudige pastorie, des zomers als verscholen onder het loof van eenige, nu nog kale berken. De reizigers stegen voor de predikantswoning af en deze kwam hen aanstonds vriendelijk te gemoet. Hij was reeds vrij bejaard, forsch gebouwd, met een open, vriendelijk gelaat, gekroond door lange, grauwe, krullende lokken. Toen het gezelschap in de zeer zindelijke, maar schier armelijke huiskamer gezeten was en de predikant had gezegd, hoe de gasten het eenvoudige voor lief moesten nemen,
206
daar de Zweden in deze buurt deerlijk hadden huisgehouden, deelde de Kapitein het doel zijner komst mede. De geestelijke antwoordde, dat do oude, eerwaardige pastoorsche sedert jaren onder zijne beste vrienden behoorde, waar hij dagelijks mede verkeerde; te meer daar bij weduwnaar was en met een huishoudster woonde. Evenals ieder in deze streken was de familie Raafsteen door den inval der Zweden, welke als een zwerm roofzieke sprinkhanen door het land waren getrokken, deerlijk verarmd; doch als kloekhartige, brave menschen had het gezin zich door arbeid en soberheid in die donkere dagen staande gehouden. Toen de Kapitein zijne ontmoeting met Digna in korte woorden verhaalde, verklaarde de predikant, hoe hij de weduwe meermalen van hare lieve oudste dochter had hooren spreken, die vele jaren geleden met haar man, een koopvaardij-schipper, in de Middellandsche zee was verongelukt. De oude, eerwaardige dominee, gedacht in zijn laatste levensjaren nog zoo gaarne zijn lieve roodwangige, blauwoogige, blonde en blijgeestige Digna, maar als hij daarvan sprak, dan stokten hem de woorden spoedig in de keel en besloot hij met tranen in de stem: „God had ons die lieveling geschonken. De Heer heeft haar tot Zich genomen, Zijn naam blijve geloofd.quot; De dorpspredikant nam nu op zich, om de meer dan tachtig-Jarige pastoorsche voor te bereiden op de groote verrassing, en de Kapitein zag, door het raam, den leeraar een niet ver van de pastorie gelegen huisje binnengaan. Het scheen een nederige, lage woning, meest van hout opgetrokken, en omgeven door een ert, met moesgroenten en vruchtboomen beplant. Terwijl hij staarde naar dat huisje, ging er heel wat om in het hart van dien zeeman, en voerde herinnering hem terug naar de Middellandsche zee, den strijd met den roover, de zonderlinge ontmoeting op het binnenplein van het consulaat te Tripoli en wat daaruit was voortgevloeid. Veel tijd kreeg hij niet om zich in het verledene te verdiepen, want spoedig kwam de predikant terug met de boodschap, dat de oude pastoorsche verlangend was om den Hollandschen Kapitein te ontmoeten. De oude zeerob placht naderhand te zeggen, dat hij op dat oogenblik een gewaarwording kreeg, hern herinnerende aan zijn eersten zeetocht, toen hij in een stik-donkeren nacht, bij vliegenden storm, in de Noordzee zwalkte. In een keukenkamer, door zindelijkheid en gerieflijkheid een aangenamen indruk makende, vond hij de eerwaardige moeder. Het hoekbuffet, de bont geschilderde trouwkist, gelijk een groote gewelfde, met koper
207
beslagen, op vier gebeeldhouwde poolen rustende koffer genoemd werd, de aanrechtbank, de biczen stoelen en do heldor wit geschuurde vierkante tafel, waren eenvoudig, maar net. Bij die tafel zat de oude vrouw in een leuningstoel. De predikant, die medegegaan was, stelde de beide Hollandsche officieren aan liaar voor. Zij wilde opstaan, doch de Kapitein drukte haar zachtkens neer, met bewogen stem en schier fluisterend zeggende: „Lieve Juffrouw, ik dank God dat ik U ontmoeten mag en goede tijdingen overbrengen.quot; Hij zag de vrouw deelnemend aan en lette er op, hoe zij een feeder gebouwd moedertje was, met nog welgevulde trekken en zachte vriendelijke oogen; sneeuwwitte haren waren half verborgen onder een helderwit mutsje. Haar kleine handen getuigden, hoe zij groven arbeid niet ontzien hadden, en de fijne vingers trommelden, als gedreven door een snellen hartslag, op de grove tafel, waarop haar breiwerk lag; nevens een groote, in koper gevallen bril en een in leer gebonden, maar kennelijk veel gebruikten kwarto-bijbel. Achter het moedertje stond, met de forsclie handen geleund op den armstoel, een stevig gebouwde vrouw van middelbaren leeftijd, met een, op den eersten aanblik grof, strak en koud gelaat, maar waarop bij nader toezien goedheid en trouw te lezen waren. Later bleek, dat zij de oudste dochter was en weduwe van een burgemeester van Oland, een welgesteld landbouwer en broederszoon van den, uit Noord-Nederland geweken Ravesteijn. Na hot overlijden van dien burgemeester, had zij, gesteund door haar oudsten zoon, het bestuur der hofstede op zich genomen, in buis geholpen dooi\' hare beide dochters, toen aankomende meisjes. In den voor-laatsten oorlog was de oogst door de vijanden vernield, het vee weggeroofd en de bewoners zóó uitgeplunderd en verarmd, dat al de dienstboden moesten worden weggezonden en het werk, ook de grove veldarbeid, door de kinderen werd verricht. De jongste zoon, geen lust in den landbouw hebbende, was liever naar Kopenhagen gegaan en daar kantoorknecht bij een aanzienlijk houthandelaar.
„Ik weet reeds wat meneer zoo goed is om te komen berichten, sprak het moedertje met een ietwat trillende stem; doch met een vrij kalm gelaat.quot; Onze Digna zou nog leven. „Zij zag den Kapitein met een vriendelijken blik aan, haar fijne vingers trommelden nog sneller op tafel. „Uwe dochter Digna, antwoordde de Kapitein, leeft niet alleen; maar ik kan er aan toevoegen, dat zij zoo gezond is als een visch en zóó tevreden als men slechts wenschen kan. Mijne
208
zuster on ik houden van haar als van een zuster en ik acht het een voorrecht, U en de uwen haar vriendelijken groet ovei\'te brengen. Door haar langdurig verblijf in het Oosten, had /.ij verleerd Deenscli te schrijven, waarom zij geen brief medegaf. „Twintig jaren, sprak de oude pastoorsche haperend, hebben wij dat dierbare kind beschreid. Als meisje was die blonde blauwoog het zonnetje in huis, en toen zij met Haroi.d Steffenson trouwde, kregen we als het ware, nog een eigen zoon in haar besten echtgenoot. „Het zal voor mijn goeden dominee, ging de oude voort, met meer en meer tranen in de stem, een teleurstelling zijn geweest, toen hij zijn lieveling in den hemel niet aantrof; want op zijn vredig sterfbed sprak die brave man nog de hoop uit haar spoedig te zullen aantreffen. Digna, onze lieve, dierbare Digna is dus niet gestorven? Al sprekende, begon gevoel, de kalmte en zelt-beheersching te overwinnen; de trek van vastberadenheid om den ingevallen mond verdween; het pas nog rustig gelaat trilde zenuwachtig, de vingers hielden op met kloppen, en tranen begonnen te biggelen over de bleeke wangen. Het besje zat daar als een beeld der smart. De oudste dochter ondersteunde vriendelijk hare moeder en kuste de tranen weg. De Kapitein nam de kleine hand in de zijne; in zachte woorden onderwijl verhalende van de verlossing van Digna uit de gevangenschap, gelijk hij de slavernij noemde. Wanneer hare eenigszins geschokte gezondheid zich bleef verbeteren, bestond er wellicht nit-zicht dat zij Denemarken nog wel eens bezoeken zou, hoewel de Kapitein bij zich zelf dacht, hoe eene dergelijke ontmoeting maar bitter weinig aan het doel beantwoorden zou en de vroeger opgewekte, maar nu neergedrukte dochter zeker weinig zonneschijn in huis zou brengen. Terwijl de Kapitein nog aan het vertellen was, kwamen de kleinkinderen van den akker terug. Een flinke jonge man, met een gebruind gelaat, dat vastheid van geest, openhartigheid en eenvoud teekende en een paar frissche, gezonde, blonde deernen, meisjes als melk en bloed die, bij de ongunst der tijden, niet klagend bij de pakken waren gaan neerzitten, maar kloek als echte Deensche vrouwen, de stevige armen uit de mouwen hadden gestoken en onvermoeid voor liet vee en de vruchten zorgden. Door hartelijkheid en zekere, spoedig merkbare blijgeestige zelfverloochening, viel het den gasten in het oog, dat de predikant terecht van een voorbeeldig gezin had gesproken.
Aan den eenvoudigen, maar smakelijken maaltijd, gastvrij en zonder woordenlof aangeboden, nam ook de predikant deel, en de enkele
209
uren, in gezelschap dozer brave menschen doorgebracht, bleven dieper gegrift in het gemoed van don Kapitein, dan de luisterrijke feestmaaltijd in het vorstelijk paleis. Ook de jonge zeeofficier, die vlot Deonsch sprak, scheen zich in dezen vriendelijken kring terstond als thuis te gevoelen en zich met de lieve, resolute meisjes bijzonder te vermaken, zoodat hij verklaarde nimmer iets lokkerder geproefd te hebben, dan de koeken door de dochters, bij afwisseling onder het samenzijn gebakken. De Kapitein beloofde aan de goede grootmoeder, dat hij den jongsten zoon te Kopenhagen terstond bij zich ontbieden zou en mocht de jongen er genegen toe zijn, hem wellicht in staat kon stellen om Holland te bezoeken en daar mot zijn moei kennis te maken. Hoewel de luitenant, zijn bevelhebber trachtte over te halen om nog wat to toeven, kwam de tijd om te vertrekken want de avond begon reeds te vallen eer de wagen voorkwam en de gaston instapten, na een hartelijk afscheid en met den indruk, dat de banden, dien dag vaslgestrikt, niet licht zouden worden losgemaakt. De weg bood weinig bezienswaardigs aan en kronkelde langs onafzienbare weilanden, hier en daar afgewisseld door boomgroepen, waartusschon de lichten in de boerenwoningen als sterren aan de kim flikkerden. Een zwart-blauwe wolkenbank in het noorden, kreeg echter langzamerhand een koperkleurigen glans, welke steeds helderder werd, lot de maan als een gouden sikkel daarboven te voorschijn kwam. De oude Kapitein en zijn jonge luitenant zaten zwijgend in gedachten verdiept, naast elkander in het rijtuig, totdat de laatste het stilzwijgen brak door de ietwat binnensmonds gemompelde opmerking: „Binnenkort zal ik den hoer Kapitein waarschijnlijk weer eens verlof vragen om naar Oland te gaan. Hot meisje, waarnaast ik van middag aan tafel zat, is waarachtig het liefste zusje dat ik ooit heb ontmoetquot;, voegde hij er stotterend bij. Hoewel de oude heer het in de schemering niet zien kon, begreep hij wel dat een bloedkleur de wangen blozen deed. „Beste Meganck, antwoordde hij goedmoedig, den jongen man op de schouders kloppende, dacht ge nu waarlijk, dat ik niet reeds bespeurde, boe de speelzieke Amor uw hart pakte en ik heb bij mij zelf reeds overlegd, hoe mijn jonge vriend wel slechter kous had kunnen doen; maar bande! niet onberaden en schrijf er eerst uw moeder over, ging hij op vaderli jken toon voort. „Dat zal gebeuren, heer Kapitein, antwoordde de jongman, waarna beiden een tijdlang het stilzwijgen bewaarden. Onderwijl was het geheel donker geworden, de maan was ondergegaan, doch
De Gouden Draad.
210
eon vreemde glans begon langzamerhand in het rijtuig te schijnen. Uitziende, ontwaarden zij in het noorden een luchtverschijnsel, dat hoewel niet onbekend, zich thans zoo treffend openbaarde, dat de reizigers er werkelijk van ontstelden. Tegen het donkere uitspansel slak een breede, lichtgeele boog af, welke steeds glansrijker werd en van kleur veranderde; nu purperrood, dan smaracht groen, doch altijd overstraald door een gouden gloed. Donkere strepen werden in dien lichtenden boog zichtbaar en daarna openbaarde zich, over de geheele lengte, oen soort van opbruising als van veelkleurige golven, waardoor de boog begon te gelijken op een gloeiend, sterk door den wind bewogen gordijn, waarachter fonkelende bundels en stralen als vuurpijlen ia de lucht stegen. Eindelijk leek de hemeltop een groote koepel, welke aan het toppunt blauw en beneden groen en violet was; terwijl tal van andere kleuren zich daarin afwisselden en de prachtigste schakeeringcn vormden. Boven in den koepel schitterden sterren en overal dreven rozenroode wolken, met gouden en zilveren randen, langs het uitspansel. De reizigers staarden een tijdlang sprakeloos van verbazing, naar deze zeldzame luchtspiegeling en de voerman verzekerde, dat hoewel een dergelijk luchtvertoog of noordschijn in Denemarken dikwijls voorkomt, hij dien wonderbaren gloed toch nog nooit zóó sterk had aanschouwd. Toen de wagen niet lang daarna de stad binnenrolde, stonden de menschen op de straten nog naar het noorderlicht te staren en niet weinigen verdiepten zich in de zeker droevige voorbeduidenis dezer onheilspellende, bloedige en vlammende luchtbeelden. Aan boord gekomen, was het licht dezer teekenen reeds aan het verflauwen en kon men niets meer bespeuren van den rooden leeuw, dien de matrozen duidelijk, hoog in de lucht, met een vurigen adelaar hadden zien strijden. Langzamerhand verdween de gloed geheel en werd alles donker. Bij het afscheid nemen kon de oude zeeman niet nalaten tol zijn jongen vriend te zoggen; „Ik hoop, mijn waarde Melanck, dat hellicht, \'t welk heden uw hart doet blaken, van langer duur zal wezen, dan het lucht-vuurwerk, dat we heden zoo schoon aanschouwden.quot; Daar is geen vrees voor. Kapiteinquot; antwoorde de jongman ; hoe hij werkelijk aangegrepen was, bleek, dal de Kapitein reeds lang rustig was ingeslapen, toen de luitenant nog in de kooi woelde, wakker gehouden door een dwarreling van genotvolle gedachten en visioenen uil het huis der oude pastoorsche, als een illuminatie in zijn hoofd flikkerende. Den volgenden morgen liet de Kapitein den
211
jongen Raafsteen opzoeken en liet duurde niet lang of deze verscheen aan boord. De blonde knaap, met een paar trouwe eerlijke oogen en een voorkomen, getuigende hoe er bij hem in een stevig, gezond lichaam een gezonde ziel woonde, maakte op den ouden zeerob een zeer gunstigen indruk en Hendrik was bijzonder ingenomen met het voorstel om, als schrijver of pennist, kosteloos naar Holland te reizen.
In Kopenhagen werd destijds veel gesproken over de welvaart der Nederlandsche Provinciën, waar ieder oppassend jongman spoedig een onbekrompen bestaan kon verwerven. In het, dooi\' den krijg uitgemergelde Denemarken, waren op handelsgebied slechts weinig vooruitzichten, daar ook landbouw en fabrieken deerlijk kwijnden en de beste werkkrachten door den oorlog waren verslonden. Het kostte Kapitein Nagtglas weinig moeite om van den Admiraal eene aanstelling als scbeeps-schrijver voor den jongen Doen te verwerven, welke jongeling spoedig door toeleg, vlijt en eerlijkheid de goede verwachting, van hem gekoesterd, nog overtrof.
Na het sluiten van den vrede op 3 Juni 1660, ging het fregat Alkmaar reeds spoedig onder zeil, met den Gezant de Huibert en gevolg aan boord, daar deze zijn verlangen had te kennen gegeven om aan boord van zijn vriend de reis te doen. De terugtocht werd gekenmerkt door tegenwind en holle baren, waardoor de zeezieke heeren menig-malen, gelijk men toen zeide, de visschen moesten spijzigen. Ook word er door de jonkers der ambassade wel eens zuinig gekeken, als do spijslijst voor vroegkost, noenmaal en avonddisch niets anders to schaften gaf als grauwe en groene erwten, met haring of stokviscli en hot gewone gortrantsoen; waarbij dan bruine jorisson of scheepsbeschuiten, hard als bikkels, moesten geknabbeld worden. Die magere maaltijden brachten teweeg, dat de goed gevulde wijnkisten van den Gezant het soms duchtig ontgelden moesten en menige „boateljequot; gekraakt werd.
Kort na de aankomst en nadat het schip op de lielling was getrokken en nagezien, ging de gezagvoerder met zijn schrijver naar Zwolle, waar hij do familie gezond aantrof en ook Digna, naar wie hij verlangend had uitgezien. Het deed haar merkbaar veel genoegen den bloedverwant te ontmoeten en door hem in het Deensch als „moeiquot; to worden toegesproken; alsmede een brief te ontvangen van hare moedor, die zij lang gestorven waande. Dat alles nam zij aan zonder veel opgewondenheid of zonder vreugde; kennelijk gingen de indrukken
212
niet heel diep en nimmer gaf zij den wensch te kennen, om hare familie in Denemarken te bezoeken en uit dit alles bleek, hoe de zoolang neergedrukte geest, de veerkracht had verloren om zich weer te verheffen. Wat hare vriendin Geertrui haar opdroeg, volbracht zij zonder dralen en nauwgezet, doch langzaam, en altijd in dezelfde zachte, meegaande stemming. Het ging niet gemakkelijk om haar tot eenig gesprek te bewegen en met zekere angstige zorgvuldigheid ontweek zij te antwoorden, als op haar verleden werd gezinspeeld. Liefst zat zij verwijderd van het gezelschap, soms in een hoek van het vertrek, onopgemerkt te breijen. Wanneer de Kapitein dan binnenkwam, fleurde zij plotseling op, ging hem met een vriendelijk gelaat en glanzende oogen tegemoet, en sprak; terwijl zij zijn hand tusschen de hare drukte, altijd eenigszins met gejaagdheid in haar wonderlijk Turksch. „1sta is zoo innig verheugd, als zij bij haar meester is. Hoe vriendelijk ieder haar hier ook behandelt, ziet zij hem toch het liefstquot;. De toon; trillende in haar stem, en de blik waarmee zij hem in de oogen keek, gingen den ouden, zeeman zóó tor harte, dat er waterlanders biggelden over zijn verweerde wangen.
In 1(102 deed de Kapitein een reis naar de Middellandsche zee, waar hem de vereerende taak werd opgedragen, om den Nederlandschen Consul, voor Cairo bestemd, naar Alexandrië over te brengen. Opdien tocht, viel hij bij stormweer van den kajuitstrap, een ongeval, wat hem in het gaan bleef bemoeilijken. Daar hem ook, gelijk de meeste bejaarde zeelieden dier dagen, nu en dan het graveel kwelde, vroeg hij ontslag uit den dienst. Hij vestigde zich te Alkmaar, wellicht in verband met den naam van het goede schip, waarop hij zoolang had gevaren. Het huis dat hij er kocht, is nog lang naar hem genoemd. Ook werd hij eigenaar van een boerderij te Koedijk, welk dorpje om de een of andere onbekende aanleiding, het familiewapen van den Kapitein, dat in hardsteen gehouwen, boven het hok der hofstede stond, als dorpszegel aannam. Zijne huishouding werd, met behulp coner flinke dienstmeid en een knecht, een gewezen matroos, die den Kapitein jaren lang aan boord gediend had, door Dig na, zoo het heette, bestuurd. Sommige zijner bekenden, gaven wel eens „achterbaksquot; zoouls de oude heer gromde, hun verbazing te kennen, dat die goedige, maar half suffe vrouw eene dergelijke taak behoorlijk vervullen kon; want voor het oog van vreemden scheen zij soms als wezenloos en lag de sombere schaduw van een droevig verleden als rouwfloers
213
over haar, nog altijd bruin on gorivnpeld gelaat te liggen. De Kapitein was op clil punt echter niet erg he.st, te spreken en zeer prikkelbaar. Hij werd dan knorrig on bewoordo eenigszins heftig dat zij, die zoo oordeelden, zijne Digna niet kenden. Zij mocht stil en ingetrokken wezen, zoide hij dan, maar zij was drommels gaar en hij de pinken; doch men moest den slag hebhon om met haar om te gaan. Nooit was do oude hoor moor in zijn nopjos, dan wanneer hij haar opgeruimd en tevreden zag; zijne genegenheid scheen volstrekt geen oog te hebben voor hare tekortkomingen en een altijd passende sleutel op het hart van den ouden zeeman, was een woord van belangstelling in zijn pleegdochter, gelijk hij Dïgna noemde. Er was nog een huisgenoot, die des Kapiteins familienaam droeg. Mon had den ouden heer medegedeeld, dat oen der kleinzonen van Abkaham den sleper, zekere Matthijs Nautüi.as, een zwakke, scheefgegroeide jongen, veel aanleg scheen te hebben voor schilderkunst. Kapitein Eveht, die geen grooter genoegen kende dan wèl te doen, vond do proeven welke hem onder de oogen werden gebracht, verrukkelijk mooi; doch bekende tegelijk, dat hij van de kunst niemendal verstand had. Uij trok zich dezen jongeling terstond aan, en daar er te Alkmaar eene goede gelegenheid was om zich verder te bekwamen, nam hij den jongen in huis om voor de opleiding te zorgen. Hot doel werd echter niet bereikt, daar de veelbelovende kweekeling, in don bloei der jaren, aan tering gestorven is. Voor zijn voormaligon schrijver Hendrik Raafsteen die, ook torwille zijner moei, een der gunstelingen van den Kapitein was, werd spoedig een plaats gevonden hij een voornaam houthandelaar te Rotterdam, waar de jonkman zoo goed voldeed, dat hij na eonigo jaren, gesteund door den Kapitein, deelgenoot werd in de bloeiende zaak van zijn bejaarden patroon. Toen Hendrik zonder voel moeite den schakel had gevonden der Zeeuwsche afkomst, nam hij don ouden familienaam Ravesteijn weder aan; doch zegelde met drie zonnen, waarvoor de drie stralende karbonkelsteenen, door onwetende stempelsnijders, waren aangezien. Aan boord had Hendrik den Gezant de Huibert door net schrijfwerk enkele kleine diensten kunnen bewijzen en deze bekendheid met den invloedrijken Raadpensionaris van Zeeland, werkte niet weinig mede om zijne handelszaken te bevorderen. Hendrik werd mettertijd een welgesteld man en, gelijk in een gedicht op zijn zilveren bruiloft verzekerd wordt, door ondernemingsgeest en degelijkheid: „Een zuil van \'t kooprijk
214
Rotterdam.quot; In dezelfde stad kwam ook wonen, de dochter zijner zuster, getrouwd met Kapitein Mathijs Megang of Meganck ; een der verdienstelijkste gezagvoerders dor Admiraliteit op de Maas. Die lieve, frissche eehtgenoote lachte nog wel eens met haar besten man over de eerste ontmoeting te Oland, toen zij ids een arbeidster uit hot veld kwam, maar niettemin het hart van den jongen luitenant met storm veroverde. Dat ook dit paar te Alkmaar altijd welkom was, en moei Dkina haar zusters dochter gaarne zag, is overbodig om te vertellen. De oude Kapitein loefde, gelijk hij zeide, zoo regelmatig als zijn oude scheepsklok, welke in het huisvertrek likle. Reizen deed liij zelden; doch ééns in \'t jaar, doorgaans in Augustus, hiolp hij Digna om zijn groot lederen, veel gebruikt valies in te pakken. Den volgenden dag voerde de trekschuit den ouden heer naar Rotterdam, waar hij enkele dagen hij Hendrik of bij Melanck vertoefde. Dan reisde hij met het beurtschip naar Zierikzee, waar zijn vriend de Huijbert hem met een speelwagen kwam afhalen, op wiens fraai buiten Crayestein, bij de schoon begroeide duinen van Schouwen, hij enkele genoeglijke weken doorbracht. Zijn tot tweemalen gelukkig getrouwde vriend schertste dan wel eens met den bejaarden vrijer, dien liij gekscherend vergeleek bij een schoen; welke slechts als een paar, zijne bestemming zou hebben bereikt. De goedhartige Kapitein glimlachte dan even, maar, zooals hij in zich zelf dacht, op de manier van een boer, die kiespijn heeft, want de diepte van zijn gevoelig gemoed werd soms omdoersd door innigen weemoed. Hij stelde zich voor hoe Digna, waarmede hij zich door een onverklaarbaren band vereenigd gevoelde, in haar frissche, jonge jaren hem wellicht tot een gelukkig echtgenoot had kunnen maken en misschien met bloeiende spruiten aan den ouden stam. Die gedachte bleef echter achter een stevig slot in zijn trouw hart, want niemand zou zich van lachen hebben kunnen onthouden, bij het denkbeeld van een huwelijk tusschen den werkelijk nog knappen ouden zeeman en de verrimpelde, bouwvallige en vergroeide Digna. Met den Admiraal de Ruiter bleef de vriendschap stand houden en menig uurtje werd keuvelend doorgebracht in de woonkamer vuu het eenvoudige huis aan den Buitenkant op het W aals-eiland.
Evert was een der weinige oude vrienden, die den tocht met oen zwakke vloot naar de Middellandsche zee aan den Admiraal hadden afgeraden, maar moest het woord hooren: „Waar de Heeren Staten
hun vlag vertrouwen, schroom ik niet mijn ouden kop te wagenquot;. Evert zweeg daarop, want hij was in tegenstelling met den vlootvoogd, geen vriend van de Staten en beschuldigde die eigen helangzoekers van allerlei schandelijke verzuimen. Hoewel eenigszins aan die familie verwant, kon hij hevig uitvaren tegen de Witte duivels, die den Prins er onder hielden. Hij heeft hun val beleefd; maar ook de droeve mare, dat de groote Admiraal, zijn levensredder, beschermer en vriend, den 22 April 1G7G sneuvelde. Enkele dagen na die tijding, stierf ook de oude Kapitein.
Dezelfde woning te Naarden, waarin wij Gkkkit CIohneuszoon Nagtcnas voor het eerst hebben aangetroffen, is nu bewoond door zijn zoon Gobneus Gerritzoon Nagtglas, President van \'t Gollege van Schepenen der stad. Achter dat huis, aan het eind van den tuin, staat de bloeiende bierbrouwerij, waarvan eenige jaren later door dokter Reinieu de Lover getuigd werd:
Zeg aan Burgemeester Nagtglas,
Dat zijn bier bijzonder zacht was.
Niet alleenlijk voor den dorst,
Maar bijzonder voor de borst.
Het ons bekende huis is weinig veranderd. Toen vader Nagtglas was gestorven, had do weduwe eene andere, haar toekomende woning betrokken en kwam de zoon, waarmede wij als zesjarig knaapje kennismaakten, in het ouderlijk huis. In Mei 1GG7 huwde hij met Gathahina Reckers, welke hem spoedig ontviel; waarna hij in Juni 1G7I hertrouwde met Annetje Hagen of Haegen uit Muiden, een nicht van hem en een stil, zachtaardig en godvruchtig meisje, gelijk van haar in een familleregister werd aangeteekend.
Het was nu in het voorjaar van 1072. Een donkere toekomst bedreigde de Republiek der Vereenigde Nederlanden; want vier vijandelijke buren hadden zich aangegord om deze bloeiende gewesten ten onder te brengen. De roepende zonden, zoo daverde het van de
21(5
preekstoelen, hadden den Heere-Zebaoth in grimmigheid ontstoken en het uur der wrake naderde snel. Aan onze zeekusten werden schrikwekkende wolk- en luchtverschijnselen gezien; welke een vreeselijke toekomst, voorspelden 011 stemmen vernomen, vergezeld van een ge-druisch als van optrekkende krijgsbenden; en dat lang vóórdat de legers van Frankrijk, Munster en Keulen tegen ons optrokken en een Fransche en Engelsche vloot op onze kust verscheen. Het scheen een hopelooze toestand, en naar geschreven werd, was de rogeering radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.
Den 19(lrn Juni werd Naardon door de Fransche troepen uit Amersfoort opgeeischt en toen des vijands nadering bekend werd, riepen de burgemeesters den stadsraad samen. In die vergadering ging het rumoerig toe en werden harde woorden over lafhartigheid en overmoedigheid gewisseld; alsmede over het verwaarloozen der bolwerken en het gemis van de noodige soldaten om dezen belangrijke post te verdedigen. Terwijl de regeering kibbelde en elkander de mantels uitveegde, waren de Fransche dragonders, onder den markies de Rochefort, reeds te Laren en toen dit den heeren werd aangediend, gingen zij lang niet zachtzinnig uiteen, de stad overlatende aan den vijand.
Cornelis Gerhitzoon Nagtglas had zich reeds vroeger als voorzittend Schepen krachtig geweerd en voorgesteld Staatskrijgsvolk uit Muiden te ontbieden en do stad moedig te verdedigen. Mocht men dit niet wenschen, dan verlangde hij do poorten te sluiten, de bruggen op te halen en eene bezending uit den Raad af te vaardigen om goede voorwaarden bij een overgave te bedingen. Zijn kloekhartigheid word dooide meerderheid niet. gedeeld en hij kwam opgewonden uit de vergadering to huis. Wij vinden hem in de, ons bekende achterkamer, met het uitzicht op den tuin. Cohnelis was een man in de kracht des levens, met een tlink voorkomen, oen gewelfd voorhoofd, vriendelijke oogen, zachte trekken en lange bruine haren. Kennelijk was hij nu ontsteld en verstoord, want zijn breede witte halskraag, met eikeltjes vastgestrikt, was losgeraakt en verschoven op zijn donker wambuis en een lok haar hing verward over zijn nu gerimpeld voorhoofd. Onrustig draaide hij zijn armstoel heen en weer, sprong op, stapte do kamer rond, alles mot een hevigheid, welke men van den doorgaans zoo rustigen en kahnen man niet zou hebben verwacht. Nevens hem, met de hand op zijn schouder, stond zijne vrouw, die hem door zachte woorden tot bedaren trachtte te brengen; terwijl moeder Aagt, die den dag
bij haar kinderen doorbracht, meer geneigd scheen om zijn gramschap te prikkelen en zoodoende olie in het vuur te gieten. „Die benauwde, lafhartige ellendelingenquot;, bromde Gornelis, met de vuist op tafel slaande, dat kopjes en glazen rinkelden. „Ik vreeze, dat het onze goede stad Naarden weer zal vergaan als vóór honderd jaren. De kerels beefden als juffershonden, toen ik voorstelde ons met soldaten uit Muiden te verweeren en de vervloekte kikvorschenvreters met ijzeren kool en looden boonen te ontvangen. Maar ik kan toch waarachtig niet alleen met buurman Atten, die ferme resolute vent, op de buitenbrug gaan staan om de vijanden tegen te houden. „Wij moeten weggaan, Gornelisquot;, zeide zijn vrouw liefkozend en met bewogen stem. „Waarlijk, wij moeten de stad verlaten en zoo spoedig doenlijk naar Hoeckenburch verhuizen. Volg den raad van uw vrouwtje, beste man en het zal U zeker niet berouwen. Uw onstuimigheid zou U en ons allen hier in moeielijkheden brengen.quot; Eerst hoorde de driftige man haar voorstel met verontwaardiging aan; doch toen zij, zooals vrouwen dat kunnen, liefkozend bleef aandringen, begon hij meer en meer te luisteren naar de eenvoudige, nuchtere redeneeringen zijner verstandige echtgenoote. Zij wist hem te betoogen, hoe van vluchten geen sprake was, daar hij in de buurt der stad bleef, waar hij even goed en beter zelfs, de belangen der burgerij kon behartigen. Zij hield het voor zeker, dat in de eerste opgewondenheid der bezetting door de gehate vreemdelingen, zijn opstuivende drift hem licht in moeielijkheid brengen kon, waarvan de gevolgen, zoowel voor zijn persoon als voor de stad, niet waren te overzien. Moeder Naotglas gaf als hare meening te kennen, dat nu de stad lafhartig, zonder slag of stoot in \'s vijands handen zou vallen, het de plicht van Gornelis en andere kloekhartige mannen was, om na hun gezin in veiligheid te hebben gebracht, zich te gaan aansluiten bij de gewapende burgerij, die te Amsterdam vereenigd werd, om het land te verdedigen. Terwijl zij sprak, begon bij de schoonmoeder het oude geuzenbloed te koken en met uitge-strekten arm en fonkelenden blik, riep de oude vrouw uit: „Had ik maar krachten genoeg, dan zou ik graag medevechten om dat vileinig paapsch gebroed uit ons goede land te houden.quot; Anneken was verstandig genoeg om op dien heftigen uitval barer schoonmoeder te zwijgen; ofschoon het haar op de lippen kwam om te herinneren, hoe moeders ergste vijanden, de Spanjolen, waarschijnlijk onze bondgenooten in dezen strijd zouden wezen. Door lang en mooi praten, kreeg het
218
vrouwtje tocli gedaan, dat de vurige opgewondenheid van moederen zoon bedaarde en het einde der beraadslaging was een besluit, om zoo spoedig mogelijk naar do bouwhoeve onder Bussum te verhuizen en het toezicht over hot huis te Naarden op te dragen aan Bella, die als weduwe van den brouwersgast, sedert enkoio jaren bij hare kinderen te Naarden inwoonde. Do oude Bklla werd ontboden, en niet lang daarna trad een bejaarde, maar nog frissche en fiksche burgervrouw in de kamer, nadat zij haar hoog gehielde muilen in den voorvloei\' had laten staan. Haar voorkomen was in de vele jaren, dat wij haar niet ontmoet hebben, verouderd, doch haar gelaat had nog dezelfde trekken van vastberadenheid, trouw en goedheid. Deze vrouw, reeds sedert jaren beschouwd als een lid der familie, was zonder aarzelen terstond bereid, om de waarschijnlijk niet gemakkelijke laak te aanvaarden. Zij lachte om de bezwaren, door de juffrouwen in het midden gebracht en was niemendal bang voor de vreemde soldaten, die een bestemoer als /.ij, wel mot vrede zouden laten. Bovendien kon zij nog koeterwaalse!i genoeg babbelen, om zich door die kerels te doen verstaan; maar toen zij dit zeide, kleurde een vluchtige blos haar bleeke wangen. Er werd toon afgesproken, dat Bella mot haar oudsten zoon hot huis terstond zouden betrekkon, doch dal schoondochter en kinderen in haar eigen woninkje blijven zouden. De toebereidselen tot hel vertrok der familie gingen mi, door Bella geholpen, spoedig van de hand, .zoodat het gezin reeds na een paar uren, in den zwaar bepakten huifwagen de Amersfoortscho poort kon uitrijden. Hoewel Cornblis dien weg natuurlijk talloozo malen was gegaan, had het landschap zelden zulk een diepen indruk op hem gemaakt, misschien wol omdat hij de gedachten poogde af te leiden van de sombere indrukken, welke zijn borst beknelden. De reeds dalende zon kleurde mot zachte tinton do malsche weilanden als tot een groen fluweelen kleed, hier en daar afgewisseld door boomgroepen en met het glinsterend vlak der Zuiderzee tot achtergrond. In het Zuid-Oosten verhieven zich de golvende heuvels om Amersfoort, van welke stad do hooge toren schemerde tegen de ietwat benevelde kim. Wat meer zuidwaarts strekte zich de bruin-roode heide uit, waarop groepen van kromgewaaido witte berken en grijze eiken, de verloren on zich opofferende voorposten schenen van de verder gelegen bosschen. Die doodsche vlakte werd hier en daar verlevendigd door laag kreupelhout, waartusschen de witte zandsporen helder
219
afstaken. Na over een dergelijk heidepad geschommeld te hebben, kwam hut rijtuig in een meer bebouwde streek, waar een smalle landweg schraal belommerd werd door mismaakte, half vermolmde knotwilgen, zich spiegelende in een vrij breeden watergang, waarin langs de kanten hooge groene biezen, met bruine en grauwe veeren gekroond, stengel aan stengel op het avondwindje golfden. Aan die vaart stonden hier en daar boerenwoningen, geheel of gedeeltelijk van steen; doch de meesten van hout en alle met riet gedekt, üo schuren en andere bijgebouwen, waren zonder uitzondering vat; geteerde planken getimmerd, en enkele zelfs bestonden uit met leem bestreken vlechtwerk, als de hutten der voorouders, waarmee in afgelegen streken de heidebewoners zich nog tevreden stelden. De erven der hofsteden waren doorgaans gestoffeerd met een verwaarloosden steenen waterput, met paalwerk en planken gelapt, welke van de boomen er omheen, meer schilderachtig voorkomen dan lommer ontving. De lange houten zwengel werd nu en dan in beweging gebracht door stevige, gezonde deernen, met schuren en plassen bezig, en die er in grauwe jakken en roodbaaien korte onderrokken, meer teekenachtig dan bevallig uitzagen. Op de bouwlanden begon het graan te rijpen en golfden gerst, rogge en haver, zacht beademd door het opkomend koeltje. De vogels begonnen reeds hun nesten op te zoeken, doch in de bosschen liet de bastaard-nachtegaal zich nog hoeren. Do schemering ving reeds aan, toen de wagen een witgeverfde boomsluiting binnenreed, waarop met zwarte, ingewikkelde krulletters te lezen stond: Het Hof Hoeckenburch. Een begrinde, harde weg, tusschen geschoren olmenhagen, voerde naar een ruim erf, in het midden zacht glooiend opstijgend. Op die hoogte stond achter eenige gladgeschoren lindeboomen, een boerenwoning, kennelijk niet vele jaren geleden gebouwd. In oude tijden verhief zich op dien lieuvel een kasteel en bij ontgravingen werden dikwijls op dat erf, steenen kogels, verroeste gebroken wapenen en vele menschenbeenderen gevonden. Volgens overlevering zou hier een sterk slot hebben gestaan, dat in het laatst der vijftiende eeuw in een oorlog tusschen Utrecht en Holland was belegerd, verbrand en tot een bouwval gemaakt. Voor een vijf en twintig jaren had Gerrit Gornelisz. deze hofstede gekocht; de nog ijzersterke bouwvallen verder doen sloopen en alleen een drietal nog staande gebleven vertrekken behouden, waaruit men sclioone uitzichten had over akkers, boomgaarden en de, door bosschen geschakeerde heide. Tegen deze
220 lt;
weder bewoonbaar gemaakte kamers, was toen een knappe boerenwoning gebouwd en liet daarbij gelegen land, meestal nog dorre heide, langzamerhand ontgonnen en in bouwgrond veranderd. De oude brouwer placht er dikwijls te vertoeven en verheugde zich hartelijk,
wanneer hij den, door zijne voorschotten gesteunden pachter Geurtsen zag slagen en de afgeperkte kampen in vruchtbaarheid toenemen.
Zijn zoon Cornelis Gerrits had ook een voorliefde voor dit hof;
hoewel hij aan de A msterdamscho vaart een veel grooter en vruchtbaarder hoeve bezat, de Stolp geheeten. Des zomers verbleef hij met zijn gezin ge rui men tijd op Hoeckenburch, doch zeker had hij zich nooit voorgesteld, daar nog eens do wijk te zullen nemen, om des vijands benden te ontvlieden. De pachter, door een boodschap gewaarschuwd, stond niet zijn gezin buiten oin den lanter (de landheer) te ontvangen; zoodat do medegebrachte goederen spoedig in huis waren gedragen en een zware, met robbenvel overtrokken en met ijzer beslagen kist, geborgen was in een moeilijk te vinden keldertje, waarboven takkenbosschen werden gestapeld. Een uurtje later, zat de familie in de zoogenoemde huiskamer, bij het licht van twee vetkaarsen.
Dit was een hoog, ruim vertrek, overal nog sporen toonende van den 1
ouden tijd. De gekalkte muren waren manshoogte met, door den tijd donkergekleurd eikenhout betimmerd; de zware moerbalken ondersteund door gebeeldhouwde klossen, wonderlijke wanschepsels voorstellende.
De zware deur was gevat in een breede lijst, met een sterk vooruit springend kapwerk. Door een korten gang kwam men uit de kamer aan de overal met ijzer versterkte voordeur, waarin een getralied kijkraampje was, bestemd om te gebruiken, als de zware klopper op ongewonen tijd bezoek aankondigde. De eenvoudige meubelen waren van later dagen, zooals een groote geschilderde kast, zware stoelen en de niet minder stevige tafel nog uit het huishouden van grootvader afkomstig waren. Aan de wanden hingen een paar schilderijen op paneel,
stillevens voorstellende van vruchten, kreeften, bokalen en glazen, en tusschen de vensters een uit drie stukken samengestelden spiegel in 1
een smalle gebeeldhouwde vergulden lijst. De brouwer en zijne echt-genoote en moeder begonnen om zich te verkwikken met zoogenoemde „koude schaalquot;, een gerecht van bier en brood dat, als een verfrisschende versnapering, toen veel werd gebruikt, waarna de vruchten werden genuttigd door vrouw Geurtsen binnengebracht. De genoemde pachter op Hoeckenburch gewonnen en geboren, beschouwde zijn landeigenaar
221
als zijn besten vriend en er was als een vaderlijke betrekking tusschen beiden. Gkuutsen stond nu, met de grove knuisten op de tafel rustende, druk te redeneeren over den droevigen en vervallen staat van liet Vaderland en voor den boer stond het vast, als een paal boven water, dat overal verraad in het spel was en de boeren ten slotte het gelag zouden moeten betalen. Alle geruchten van der vijanden overmoed, doordringende naar deze afgelegen streken, werden door de faam nog vergroot en Geurtsen had voor zeker gehoord, dat Jan üe Witt, of de Witte Duivel en zijn aanhang omgekocht waren, om de Republiek aan de Franschen in handen te spelen. Dat wilden die schelmen bovenal, om den Prins te weren, de ware Gereformeerde Kerk len onder te brengen en de Roomschen als van ouds de macht in handen te geven, met de daarbij behoorende brandstapels en schavotten. Wanneer men den schandelijk weggestooten Oranjetelg reeds vroeger had vooropgezet en beter voor de soldaterij had gezorgd, zou men, gelijk Geurtsen omslachtig betoogde, de vijanden best uit het land hebben kunnen houden, en zou men niet beleven, gelijk hij gisteren voor waar had hooren zeggen, dat de Domkerk te Utrecht aan de papen zou worden terug gegeven. In „de stadquot; (Amsterdam), waaide baas gisteren geweest was, had men echter de courage niet verloren en overal hoorde hij zingen:
De Prins er op, de Witt er onder.
Die \'t anders wil, dien sla de donder!
Te Amsterdam had hij ook den ouden neef van den landheer gesproken. Deze was uit Alkmaar overgekomen en liep in een ouderwetsch ofïicierspak rond. „Toen hij me in \'t vizier kreeg, ging Geurtsen voort, kwam hij dadelijk naar mij toehinken.quot; „Baas, zei hij; ik ben weer in functie. Als de nood aan den man komt, mag een eerlijk patriot niet thuis blijven, en daarom moet je aan de familie vertellen, dat ik een uitlegger op de Zuiderzee heb aangeslagen en met een paar tienponders den vijand, als hij het waagt op den dijk te komen ongemakkelijk zal peperen. „Zeg aan mijn neef, riep de oude Kapitein weghimpelende uit, dat we hier vol moed zijn en dat, met wat hulp van Boven, nog alles best terecht zal kunnen komen.quot; Dat willen we hartelijk hopen, Teunis, antwoordde de brouwer, terwijl hij zijn pachter de hand toestak en goeden nacht wenschte. Niet lang daarna
*
222
ging ook de familie, waarvan moeder en dochter reeds vroeger de witte diemetten nachtjakjes hadden aangetrokken, ter ruste. De brouwer was gewoon vroeg op te staan; gedachtig aan het spreekwoord: De morgenstond heeft goud in den mond. Vóór de zoogenoemde huiskamer waren eenige, door palm omzette perkjes met angelieren, maagdeliefjes, vergeet-me-nietjes, rozen en muurbloemen en daarachter was een lommerhuisje of prieel; waaruit men over een roggeveld en een sparrenbosch, op de heide zag. Het was een rustig plekje, waar als van zelf lieflijke gedachten in iemand opkwamen, zonder door wanklanken te worden verstoord. In dat prieel zat reeds in den vroegen morgen de brouwer in zijn huistabberd; het hoofd gedekt met een zwart kalotje, rustig den rook van geurige varina-tabak in blauwe kringen wegkronkelende uit een lange gouwenaar, na te staren. Dicht bij stond een groote notenboom, waarvan de knoestige stam door glanzende slingerplanten omwikkeld was. Tusschen het dicht gebladerte kirden een paar houtduiven en sjilpten en kwinkeleerden velerlei klein gevogelte den frisschen morgen tegemoet, en aan den voet van dien boom kakelden iioenders en snaterden eenden, elkander de broodkruimels betwistende, die de brouwer rondstroooide. In deze kalme omgeving kon men zich nauwlijks voorstellen, hoe in de nabijheid het oorlogsvuur vlamde; gelijk dat omstandig beschreven werd in: De Hollandsche Mercurius, van welk te Haarlem uitgegeven weekblad hot laatste nummer op tafel lag. Spoedig kwam de pachter zijn heer goeden morgen wenschen, en tevens vertellen, dat hij bij het krieken van don dag op een akker zijnde, langs den Amersfoortschen weg een talrijke bende ruiters had gezien, kennelijk op weg naai\' Naarden; later volgden voetvolk en wel vijftig karren en wagens. Terwijl zij nog aan het spreken waren, meende de brouwer het in de verte te hooren donderen; doch daar de lucht koel en bijzonder klaar was, begrepen zij, dat het waarschijnlijk kanongebulder zou wezen in de omstreken van Woerden. Toen de brouwer een paar uren later in zijn phaëton naar do stad reed, bleek de vesting door de Franschen te zijn bezet. Den vorigeu avond waren, gelijk hij vernam, do twee burgemeesters naar Amersfoort gegaan om, zoo mogelijk, nog eenige gunstige voorwaarden te bedingen. Zij waren door don Franschen Generaal gunstig ontvangen, en reeds vroeg in den morgen waren een honderdtal dragonders en een paar kompagniën voetvolk binnengekomen, welke bij do burgers waren ingekwartierd. Do President
vond zijn huis dan ook vol volk, maar de oude Bella trouw op haar post. Op het stadhuis sprak hij den kommandant, den Markies de Rochf.kout, een hoffelijk edelman, die hein dringend verzocht dagelijks in de stad te komen, teneinde met de Schepenen het recht onder de burgers te blijven handhaven, daarbij de meeste medewerking beloofde en een reispas of sauve-conduit ter hand stelde.
Het is eenige weken later. De President Schepen reed dagelijks naar de stad om met den Stedehouder van den Baljuw de loopende zaken af te doen. De vrouwen bleven dan op Hoeckenburch, wat gelukkig was, daar de onbesuisde Vaderlandsliefde van moeder Aagt haar wel eens in moeilijkheden had kunnen brengen. Bella bewaarde de orde in het huis en had daar vaak te kampen met de veeleischendo soldaten; terwijl de brouwer dikwijls verbaasd was over de kordaatheid, waarmede de bejaarde weduwe met een tiental ruwe gasten wist om te gaan, en hoe „la bonne morequot; gelijk de soldaten haar meest noemden, het huis wist te doen ontzien, door in de brouwerij eettafels en slaapplaatsen in te richten. Op zekeren dag vond de brouwer haar in woordenwisseling met een paar ruiters, die Vlaamsch spraken en over de voeding hadden geklaagd. „Heb ik van me loven, hoorde hij Bella zoggen, terwijl zij met do handen op de heupen, de kerels scherp aankeek,quot; ooit zulke ventors gezien als jelui. Ik dacht waarentig dat je la bonne mere kwamen bedanken voor den schapenbout met rapen, gisteren opgedischt, en welke zóó goed schijnt gesmaakt te hebben, dat er slechts wat boenen en schonken overschoten. Van middag zal het niet minder wezen, en krijgen jelui hutspot van roode on witte wortels, en dan nog lederen morgen vorsch brood, met rijkelijk boter en kaas; waarbij een glas Keulsche genever en \'s avonds brood met scharretjes en een excel-lonten dronk best bier. Ik lees het al op je malle facies, dat go je eigenlijk schaamt, ging do oude lachend voort, en verzeker je plechtig, dat mijn jongens het nooit zóó goed gehad hebben. lederen dag is het hier vetpot.quot; Haar rappe tong en zekere aangeboren goedmoedigheid, blokon ook nu overwonnen te hebben, want een der drie jonge soldaten, vatte haar om den middel en danste juichend met haar in hot rond; terwijl do anderen schaterend lachend, een Vlaamsch liedeken zongen:
224
„Een ruiter kust graag schoone vrouwen,
Een ruiter drinkt graag goeden wijn.
Een ruiter houdt niet veel van trouwen,
Een ruiter wil graag vroolijk zijn.quot;
Waarna allen invielen: Vive, Vive la bonne mère! „Vroolijk zijn is best voor jonge kerels, riep Bella lachende, „maar goede ruiters als jelui, kunnen gelijk nu weer blijkt, best blijgeestig wezen, zonder onbeschoft te worden.quot; Enkele dagen daarna was het weder mis en wel met een paar dragonders, die eiken dag erg beschonken in het kwartier kwamen, steeds driester en brutaler werden, de huishoudster bedreigden en haar zoon, die zijn moeder voorsprak, met den sabel te lijf wilden. Daar deze woestelingen niet met goede woorden tot rede waren te brengen, besloot Bella er den Kommandant over te gaan spreken. Den volgenden morgen ging de weduwe in haar zondagsche kleeren, reeds vroeg naar het stadhuis, waar het hoofdkwartier gevestigd was. Daar werden de klachten der burgerij aangehoord; want er waren strenge bevelen gegeven, dat de soldaten het aan de burgers niet lastig mochten maken en deze zooveel mogelijk moesten worden ontzien. Bij het raadhuis komende, bemerkte Bella hoe de toegang tijdelijk door een wacht afgesloten was, om een opperofficier, die met een paar ruiters aan kwam rijden, het afstijgen gemakkelijk te maken. De vrouw zag, dat de van Amersfoort komende Kolonel, wegens den motregen in een grooten grauwen mantel gehuld, een reeds bejaard maar nog kloek man was. De afsluiting werd spoedig opgeheven en in het voorportaal van het stadhuis stond een officier, die de schriftelijke klachten der burgers aannam, inzag en daarna deze al of niet persoonlijk bij den Kommandant toeliet. Nadat hij het bezwaarschrift van de weduwe had gelezen, vroeg hij beleefd in het Fransch: „Is U zeil Isabella Digna van Koningsmahok weduwe van Jan Uuttenbogaarde, en toen zij toestemmend knikte, ging do luitenant naar binnen en kwam aanstonds met de boodschap terug, dat zij toegelaten was. De Raadzaal was een ruim, hoog vertrek, met keurig bewerkt eikenhout beschoten en door enkele groote schilderijen versierd. In het midden der zoldering hing eene bijzonder fraai bewerkte koperen lichtkroon, waaronder een groote eikenhouten tafel stond, met een groen lakensch kleed bedekt, waarop nu een menigte papieren, kaarten, teekeningen, boeken (gt;11 geschriften lagen. Aan die tafel zaten op hooggerugde met donker
leer bekleede stoelen eeni^e opperofïicieren in blauwe rokken, met goud gegalonneerd en met breede voode opslagen, daaronder droegen zij zijden, rijk geborduurde camisolen, koi-te witte,broeken, hooge stevels en klinkende zilveren sporen; terwijl de zware pallascben of ruiter/, waarden aan sierlijke draagbanden waren bevestigd--» De Kolonel, want de Generaal de Rochefort was naar Utrecht vertrokken, was kenbaar aan een gouden ringkraag en eeu met gulden lellen geborduurde wit satijnen sjerp, welke zijn borst omplooide. Hij scheen eeu man van ruim zestig jaren, met een buitengemeen achtbaar voorkomen, witle haren en knevel, en donkere sprekende oogen. De officier, die naast hem zat, wenkte de weduwe om niet achter de balie of afslnithekje te blijven staan, maar voor de tafel te verschijnen. Bij het naderen gevoelde Bella een nooit zóó ontwaarde hartklopping, zoodat de kloeke vrouw dreigde inéén te zinken en slechts met inspanning op de beenen bleef. Zij merkte echter; hoewel zij alles als in een nevel zag bewegen, dat de Kommandant, de ridder nu Pas, gelijk zij hem had hooren noemen, haar verzoekschrift aan den Kolonel overreikte en hoe deze oude krijgsman eensklaps bloedrood werd en terstond daarop verbleekte, terwijl hij op de grijze knevels beet. „Uw verzoek is toegestaan, madame, vervolgde hij met haperende stem, maar volg mij.quot; Hij stond op, fluisterde den naast hem gezeten Kommandant een paar woorden in het oor en begaf zich met haastigen tred naar de aan de zaal grenzende burgemeesterskamer, waar de vrouw hem met wankelende schreden volgde. Daar stonden zij over elkander, broeder en zuster, want dat voelden beiden terstond. „Digna, lieve dierbare Dionaquot;, riep de Kolonel in het Fransch; terwijl groote tranen biggelden over zijn krijgshaftig gelaat. „Beste Orroquot;, schreide Bella, haar broeder in de armen drukkend en beiden kusten elkander snikkend, als een paar kinderen. „Zusjeliefquot;, sprak de Kolonel na een poos, „gewichtige zaken roepen mij elders, doch na een half uurtje, ben ik bij U. Het huis, dat ge bewoont, kies ik tot mijn kwartier en de soldaten zullen zich ten spoedigste verwijderen.quot; Toen Bella met waggelende schreden van het stadhuis kwam, zeiden een paar toekijkers: „Men kan wel zien, hoe Jans-weeuw daar binnen van de taart heeft gehad; haar oogen zijn dik van \'t schreien en dat ligt anders niet in den aard van \'t meutje.quot; Nog geen uur later, zaten broeder en zuster in de achterkamer van het aan hare zorgen toevertrouwde huis, hand in hand; af en toe schreiende of lachende, maar met belangstelling
Do Gouden Draad 15
226
luisterende naar elkanders lotgevallen. De Kolonel wist, dat de oudste broeder als officier in Duitschland was gesneuveld; doch van de jongste zuster hadden beiden nooit iets rneer vernomen. Naar een hem toekomend erfgoed zijner overleden echtgenoot, liet de Kolonel, zich inliet leger, ridder de Charleville noemen; omdat zijn neef von Ko.ningsmark jn dienst der Staten was en dus in de vijandelijke gelederen streed. Natuurlijk drong de Kolonel er sterk op aan, dat zijne zuster mede naar Frankrijk zou gaan en bij hem aan huis optreden in den haar toekomenden rang; doch deze wilde daarvan niets weten, want, naaizij beweerde, lag liet verledene onherroepelijk achter haar en ook met het oog op haar kinderen en kleinkinderen kon van eene dergelijke verhuizing niets komen. Zij gevoelde zich volkomen gelukkig in haren tegenwoordigen stand, en zou er niet aan kunnen denken om eene familie te verlaten, waaraan zij naast God, alles te danken had en die haai van den rand des afgronds hadden gered. Toen den Kolonel de gouden penning werd vertoond, door mevrouw van Wilsum haar geschonken en deze hare geschiedenis vernam, werd de ontroering den ouden soldaat weder te sterk en drukte hij zijne zuster snikkend aan zijn hart. liet was voor Bella een genotvol oogenblik, toen zij haar dierbaren broeder dit kleinood om den hals kon hangen, daar ook zijn penning in den loop der jaren was verloren geraakt. Onder tranen glimlachend, voegde zij er bij, hoe zij eene afbeelding op haar schouder bewaarde, welke zij met zich in het graf zou nemen. Meer dan ééns gaf de Kolonel dien morgen aan zijne zuster te kennen, dat hij haar beschermer of patroon, den President-Schepen, gaarne ontmoeten zou, wat door eene toevallige omstandigheid nog eerder gebeurde, dan hij zich had voorgesteld.
De avond na den bovenbeschreven dag, was een der lieflijkste van zomermaand. In gewone omstandigheden zou ieder genoten hebben van het zoele, zachte weer; in de laatste nachten door zeer ge-wenschte regenbuien wat afgekoeld; doch iu dezen tijd van spanning waren er maar weinig menschen, wier pols regelmatig sloeg en die gelegenheid of genegenheid hadden om de kalme schoonheid der natuur te waardeeren.
Op Hoeckenburcli was echter het dagelijksch leven nog betrekkelijk vrij rustig, hoewel dien avond de bewoners met beklemd gemoed hadden geluisterd naar den doffen dreun van verwijderde kanonschoten.
247
Tegen half elf besloot het gezelschap het voorbeeld te volgen der boerenfamilie, die reeds met de schemering „in de kooiquot; waren gekropen. Nauwlijks was Gornelis, lang wakker gehouden door de overal dreigende zorgen, in den nanacht ingedommeld, of allen werden gewekt dooiden klopper der voordeur, met zóóveel geweld geslagen, dat de dreun door het geheele huis klonk. De President was terstond uit het bed, nam een geladen zakpistool, of zoogenoemd poffertje,, uil een kast en haastte zich naar de voordeur, waar ook baas Geurtskn en zijn jongens, half gekleed, maar met hooivorken en jachtroeren gewapend, kwamen aanloopen. Door het getraliede kijkgat bemerkten zij spoedig, dat er geen onraad was en er slechts een jongen voor de deur stond met een boodschap van den herbergier te Bussum: of meneer de President eens dadelijk komen wou, daar het met de Franschen erg aan\'t spoken was en de noodkorf zou worden geheschen.quot; Vrouw Anna raadde haar man aan om stillekens tliuis te blijven, want het was gevaarlijk om zich in dergelijke wespennesten te steken en in baar schatting was „bloomanquot; te verkiezen boven „doomanquot;; doch moeder Aagt, die inmiddels ook was opgestaan, zette haar schoondochter nog al heftig te recht, zeggende „dat zij haar zoon liever zag begraven, dan hulp weigeren aan noodlijdenden en terecht als een lafaard te worden nagewezen.quot; In dat geval was Gornelis het met zijn moeder ééns en geen kwartier later stonden er twee, door Geurtsen onderwijl gezadelde paarden voor de deur, met zware lederen holsters, waarin zoogenoemde wolvenpistolen staken. De President gespte een stevigen hartsvanger om, welk wapen nog vijf geslachten lang in de familie is bewaard gebleven. De pachter nam den jongen boodschapper, als Ahjaan de (luiter bekend, achter zich op het van-de-handsche paard en in den draf ging het nu den zandweg naar Bussum op. In hel Oosten begonnen de sterren reeds eenigszins te verbleeken en over de sombere beide gleed een onzekere schemering. Even te voren was er een korle regenvlaag gevallen en van de boomen druppelde bet nog op het rijpad. Wat verder in den Boschweg was het echter droog, want daar reden zij onder het dichte lover van prachtige eiken, zware beuken, hier en daar met hoogstijgende pijnboomen afgewisseld. De wind suisde door de kroonen; uilen en andere nachtvogels keerden krassend terug naar hunne, in het hout verscholen nesten en in de verte sloegen do honden aan op de verspreide hofsteden. Een fl uiwe lichtstreep in het Oosten begon langzaam te verhelderen, en plotseling glee.1 een roos-
228
kleurige gloed over de donkere vlakte, waarna langzamerhand, als uit een bed van veelkleurige wolken, met liellen glans de zon boven de kim begon te rijzen en over bosch en veld de warme tinten van den kriekenden dag wierp, door vogels van velerlei gezang jubelend begroet. Te gelijkertijd scheen de geheele natuur in beweging te geraken en met betooverend schoon kleurenspel kondigde zich de morgen aan. Het was een tafereel zóó overweldigend treilend, dat de brouwer niet laten kon om er de aandacht zijner reisgenooten op te vestigen; doch bij dezen was de indruk kennelijk niet diep, want baas Geuhtsen antwoordde slechts: „Meheer eit gelijk; \'t zei van dage mooi weertje worden; de zun lekt al het water opquot;. Wat verder klonk nu en dan de knal van een musket en toen de ruiters het dorp naderden, hoorden zij een dommelig gerucht als van veel inenschenstemmen. Spoedig zagen zij nu, hoe bij de Kerk of het Kapelletje, een troep van misschien wel honderd opgewonden, pratende, schreeuwende boeren stond, gewapend met knuppels en griepen en enkele met musketten, welke nu en dan werden gelost. Zij verdrongen elkander bij de kerkdeuren, welke zij met bonzende slagen trachtten te openen. Op dit oogenblik kwamen eenige kerels met ladders aandragen, om zoo door de vensters in het gebouw te komen. De waard uit den Rooden Leeuw, wiens ouders wij reeds vroeger hebben leeren kennen en wiens vrouw een dochter van Bella was, had een eindweegs van het dorp de komst van den, door hem genoodigden President afgewacht, en hem de aanleiding tot dit opstootje medegedeeld. Er was namelijk gisteren, even na den middag, een bende Fransch krijgsvolk in het dorp gekomen, die zich meer hadden aangesteld als struikroovers dan als eerlijke soldaten. Zij hadden schandelijk huisgehouden en met vreeselijke dreigementen zóóveel afgeperst, dat zij letterlijk gebukt gingen onder de gestolen goederen. Wagens vol graan en tal van koeien, paarden en schapen hadden zij meegevoerd, en tegen den wel gewapenden troep was aan geen weerstand te denken. Nu wilde het toeval, dat een uurtje na hun vertrek, terwijl de samengescholen menschen, die de plunderaars morrend nakeken, nog niet uitéén waren gegaan, een op de heide verdwaald Fransch officier, door zijn knecht vergezeld, kwam aanrijden en aan de door elkander wemelende, radeloos mopperende boeren, den weg vroeg naar Utrecht. De dorpelingen, nog verwoed over het gebeurde, wilden de Franschen te lijf; doch gelukkig werd men niet handgemeen en slaagden de afgestegen vreemdelingen er in
om door do openstaande deur in de Kapel Ie komen en de toegangen te grendelen, waar zij nu, als hel ware werden belegerd. De kastelein, voor de gevolgen duchtende, had te vergeefs beproefd om de woestelingen waarvan niet weinigen allengs erg bestoven raakten, te beduiden aan welke verschrikkelijke weerwraak zij zich blootstelden; doch de verwoede kerels waren volkomen onvatbaar om naar rede te luisteren en hadden zich nu eenmaal in hel hoofd gezet, dat zij de twee Franscben moesten gevangen nemen, te Muiden aan het Staatsche garnizoen overleveren en bij tegenweer eenvoudig doodslaan. De waard besloot zijn verslag met de meedeeling, dat zijn laatste hoop gevestigd was op den invloedrijken en algemeen geachton President. Deze begreep terstond het dreigende van den toestand en bet gevaar, waaraan deze dolzinnigen de omstreken blootstelden. Hij reed op den troep aan, welke hem met een daverend; Hoezee en Oranje boven! ontving; terwijl enkele der opgewondenste, hunne jaebtroeren afschoten. „Mannen broeders, sprak de President, langzaam maar krachtig en staande in de stijgbeugels. „Ge moest je waarachtig schamen om met wel vijftig stevige, kloeke, Gooische kerels, twee verdwaalde reizigers aan te vallen. Denkt er aan, dat dit straatrumoer de Franscben zeker hierheen zal lokken en als ge hun landgenooten krenkl, zij ongetwijfeld deze omstreken zullen komen plunderen, verbranden en uitmoorden, gelijk zij elders hebben gedaan.quot; Na een oogenblik van stille en spanning riepen een paar stemmen; „De President eit recht; volkomen geliek.quot; Mannen, ging deze voort, gevoelende hoe liij vorderde op den weg der bevrediging, „volgt nu mijn raad en gaat rustig naar huis. Ik zal jelui belangen behartigen en wie weet, of ik je nog geen schadevergoeding zal kunnen bezorgen voor de plundering van gisterenquot; en eene beweging, alsof de rechterhand aan de linker geld betaalde, vertolkte zijne meening. Langzamerhand; eerst enkelen, toen meerderen, begonnen de boeren af te druipen en na niet langen tijd stond de President met baas Geurtsen en den herbergier alleen. Gohneus steeg nu van het paard, ging naar de kerkdeur en riep in \'t Fransch tegen den opgesloten officier, wie hij was en hoe alle gevaar als geweken kon worden beschouwd. Deze, blijkbaar een beleefd en beschaafd man, begreep, na den President te hebben aangehoord, volkomen de verbolgenheid der boeren en was dankbaar, aan hun niet ongegronde wraakzucht te zijn ontsnapt. In den Kooden Leeuw vonden de vreemdelingen hun paarden, door den kastelein reeds
230
terstond in veiligheid gebracht; docii zij vertrokken niet dan na een ontbijt, iiun duor den President met do meeste gulheid aangeboden. Do officier zou zeker vreemd hebben opgezien, indien hij te weten was gekomen, dat de knappe frissche waardin, die ving en vaardig bediende, een zustersdochter was van den Kolonel Ridder ue Chahi.kville, gezegd van Koningsmahck. Na het ontbijt, door baas Geurtsen en den Franschen bediende in de gelagkamer gebruikt, stegen allen weder te paard, en de President geleidde zijne gasten lot aan de poort van Naarden, waar hoffelijk een dankbaar afscheid werd genomen.
Enkele dagen bleef de brouwer, dooi- overspanning wat ongesteld, buiten en was daarna, in de stad komende, niet weinig verbaasd de ontmoeting van Bella met haar broeder te vernemen. Zij was nog aan het vertellen, toen het rinkelen eener sabelschede en een zware tred, in den gang den Kolonel aankondigden. Bij Bella begonnen de waterlanders weer rijkelijk te vloeien, toen zij de beide hoeren aan elkander voorstelde. Do poortwacht had den kommandant gewaarschuwd, dat de President in de stad was, waarvan do Opperbevelhebber terstond kennis had gekregen, die zich had gehaast om zijn vriendelijken gastheer een bezoek te brengen; niet alleen, omdat hij vurig wenschte den weldoener zijner dierbare zuster dankbaar de hand te drukken, maar ook, omdat bij zijne erkentelijkheid bad to betuigen voor de moedige tusschenkomst, om eon zijner officieren het leven te redden, op een wijs zóó nobel, gelijk hij verzekerde, dat niemand der Franschen dit ooit zou vergeten. Wanneer de Kolonel, die Naarden slechts tijdelijk tot hoofdkwartier bad, de vesting later bezocht, nam hij steeds intrek bij zijn nieuwen vriend en was daar den tijd, dien hij r iet bij zijne zuster doorbracht. De stem des bloods sprak ook hier duidelijk en het was op te merken, boe innig de liefde was, welke deze twee weergevonden harten samensnoerde. Toen broeder en zuster een dag op Hoeckenburcli doorbrachten, dood de innemende beleefdheid van den Franschen edelman zelfs de ijslaag wegsmelten, die het hart van moeder Aagt voor iederen paapschen vijand gesloten hield. Wanneer de stad Naarden weinig had te lijden van de Fransche overheersching, was zulks niet weinig te danken aan do gebeurtenissen, hiervoren gemeld. Zooals bekend is, werd de vesting op den 12 September 1()73, na een kort beleg en hevige beschieting door do krijgsmacht der Staten, onder den Prins van Oranje uit Brabant
231
gekomen, veroverd ; wat den loenmaligen Franschen Oppcrbovelliebber Filips de Phocé, Heer van du Pas, nog in moeiüjklieid zou hebben gebracht; indien deze niet kort daarop voor Grave gesneuveld was.
Do dienst, door den flinken herbergier aan zijne dorpsgenooten bewezen, werd pas later, vooral na hot gebeurde te Zwammordam, gewaardeerd. Zijne bekenden gaven hem toen, naar den Franschen oflicier, don bijnaam van don „majoorquot;; welke toenaiim, tot familienaam geworden, naar ik meen, nog bestaat.
Het oude huis in de Turfpoortstraat te Naarden is in de laatste zestig jaren slechts weinig veranderd. Hot hoeft in dat tijdperk twoo geslachten dor/elfde familie zien komen on zien gaan. Het is getuige geweest, hoe achter dien oudenvetschon gevol kinderen worden geboren en hoe dankbare ouders zich met schier afgodische liefde neerbogen over die rozige wichtjes in do wieg en tranen weenden van geluk. Het oude huis heeft enkoio van die kinderen zien opgroeien tot rustige mannen en vrouwen; zuilen van Kerk en Staat. Hot hoeft bittere tranen zien schreien, toon sommige van die kinderen in hunne prille jeugd, andere in don bloeilijd des levens, eenigen in de kracht des bestaans en enkelen gesloopt door ouderdom, werden uitgedragen naar de familiegraven onder do geschilderde gewelven der Sint-Vitus Kerk en hoe, langer nog dan de namen gebeiteld in do zerken, de gedachtenis van enkele dier dooden leven zal bij hunne nakomelingen; want geen menschelijk brein kan berekenen, hoeveel voortblooiendo deugden ei\' ontkiemen uit de stille graven der voorouders.
De trapgevel bleef dezelfde, doch van do twee rijen vensters, waarvan do bovenste slechts ronde lichtgaten waren, nevens een zolderdour, zijn die der onderverdieping door drie nieuwenvetsche schuiframen met grootero ruiten vervangen. Achter dien gevel is echter méér gewijzigd. Het salet met twee venstors, waarvoor groene sergien gordijnen hangen, was even als bet spreekkamertje aan do andore zijde van de voordeur, behangen met leer, waarop gouden vlinders, vogels en bloemen, levendig uitkwamen tegen een azuur-blauwen grond. Do
232
balken van de grauw geschilderde zoldering waren met smalle vergulde bandjes afgezet. De vloer was van glad eikenhout en onder de stevige vierkante tafel, bedekt met een kleurig trijp, lag een rood en grijs gestreept karpet. Tegen den wand stond een pronkkast van noten-boomenhout, rustende op zwarte bollen en versierd met vijf gedraaide pilasters; welk meubelstuk te meer in het oog viel door bet daarop geplaatste stel van twee hooge blauw porceleinen pullen en drie kommen met deksels. De zware stoelen hadden gevulde ruggen van groen trijp, waarin zwarte figuren geplet waren. Tusschen de vensters hing een smal spiegeltje van twee stukken, in verguld hout gevat en nevens genoemde pronkkast hingen, in breede zwarte lijsten, de geschilderde afbeeldingen van t wee personen, door ons vroeger in ditzelfde huis ontmoet. Het waren beiden mannen met flinke koppen, wier onbevangen blik den beschouwer overal volgde; wier bruine haren in lange lokken afhingen op de met kwasten saamgebonden witte kraag, helder afstekende togen het donkere wambuis. Een paar kleinere schilderijen daarnevens, gaven te aanschouwen rustende jagers in een zonnig landschap met oude hoornen, spiegelend in een waterplas. Gornelis Geruits Nagtglas, de vader van den tegenwoordigen eigenaar, had die schilderijtjes gekocht van een behoeftig schilder te Haarlem, die beweerde nog eenigszins van „de parentagequot; te zijn en vermoedde zeker weinig, evenals nu nog zijn zoon, dat deze boschgezichten door Jacob van Ruijsdael ieder, na een paar eeuwen minstens zooveel geld zouden waard zijn, als nu huis, tuin, brouwerij en wat er bij behoorde. Over die kunstwerken was een groote vooruitspringende schoorsteen, waarvan de breede, houten mantel drie vrij groote schotels droegen eenige borden, waarop in kleuren en verguld, de wapenschilden van Nagtglas en Tiedeman stonden afgebeeld, van welke borden er nog een bewaard is gebleven. Onder dien schouw was een ijzeren vuurhaard, hielen daar mot koperbeslag en daarboven hing een groot paneel, waarop een boerenkermis in hot Gooi was geschilderd. Daarover stond een fraai bewerkt, met koper ingelegd kastje en door een glazendeur van vier ruiten gesloten. Welke bergplaats was gevuld met zoogenoemd kraakporcelein, zilver kinderspeelgoed, zeldzame horens en schelpen, en dergelijke snuisterijen. De tuinkamer, achter het beschreven salet, was eenvoudiger. Aan de helder gewitte muren hingen de gegraveerde portretten van neef den Drost Pieter Gorneuszoon Hooft en van oud-oom Gerardus Havicius, in Hl\'M) als predikant te Amsterdam overleden; waartusschen een
233
paar penteekeningen van de hofstede Hoeckonburch, zoouls deze was on werd; een merklap uit moeders jeugd en een lofdicht op wijlen vader Nagtglas, in sierlijke krulletters. Aan de overzijde bij het venster stond een, voor die dagen welgevulde boekenkast, waarvan de Imis-heer alleen in den wintertijd gebruikt maakte; als hij in de gemakkelijk leuningstoel van rozenhout, waarvan zitting en rug met groen trijp overtrokken waren, aan de groote klaptafel bij het haardvuur zat. Het zoogenoemde Spaansche kamertje, aan \'t einde van den gang, was tot kantoor ingericht sedert 1709, toen blijkens de nog bewaarde aanstelling Jan Nagtglas door de Staten van Holland tot Notaris werd benoemd. Het vertrek was minder somber geworden door oen venster, uitziende op den tuin, welke vergroot was geworden door liet afbreken der ledigstaande brouwerij.
De Friesche hangklok had met snorrenden slag zes uren geslagen, toen de huisheer reeds in de achterkamer heen en weer wandelde, terwijl hij zijn eenvoudige vroegkost nuttigde, bestaande uit een paar sneden grof tarwebrood, met een hompje komijne-kaas en een glas versche melk. De Burgemeester maakte zich onderwijl gereed om op de jacht te gaan, waartoe het weer goed diende. Voor Grietje zijne vrouw, was het nog wat vroeg om op te staan; doch haar naaikist stond gereed op een tafeltje in een hoek, waar zij gisteren bezig was een lakensche huik of vrouwenmantel mot gekleurde stof to voeren. Er werd aan de voordeur geklopt, wat Kobus de polsdrager bleek te wezen, die de honden Turk en Snol reeds had losgemaakt, welke nu in den gang hun meester blaffend on kwispelstaartend te gomoet sprongen. Deze riep zijn echtgenoote aan don trap nog een groot toe, hing de weitasch om on ging de voordeur uit.
Jan Nagtglas, de jongste der drie zonen van Cornelis Geruits, was reeds sedert eoiiige jaren, evenals zijn broeders. Burgemeester van Naardon. Hij was in de kracht dos levens, dertig jaren oud on een welgemaakt, kloek gebouwd man van middelbare lengte, met regelmatige trekken, een wolgevormdon, ietwat gebogen neus, donker-blauwe oogen, blozende wangen en bruine, roods hier en daar met grijs doorspronkelde haren. In het lange, groene wambuis en mot don lagen, breed goranden hoed op het lioofd, zou hij oen geschikt figuur zijn op een der jacht-taferoolon, door Ruijsdaal voor zijn vader geschilderd. Er is wel eens beweerd, dat in Naardon alles „naarquot; is, doch op dezen frisschon helderen herMmorgen zou zeker niemand dit staande houden. Het stadje
234
had nu werkelijk een teekenachtig voorkomen. Achter een doorzichtig ochtendneveltje, kwamen de stemmige geveltjes, meerendeels goed in de verf en de bouwregels van minstens twee eeuwen vertoonende, in al de reinheid eener Hollandsche stad, vroolijk en vriendelijk uit. Vele woningen waren in dit vroege morgenuur nog gesloten en de bewoners in de rust; gelijk ook liet groote en deftige huis bewoond door den schoonvader des burgemeesters, den bejaarden heer Matthms Tiedeman, gehuwd met Grietje Loenensd. Bos, uit een vermogende Noord-Hollandsche familie. De ambachtslieden, met het lederen schootsvel over den rooden of blauwen hemdrok en hot grove neuswarmertje tusschen de daardoor afgesleten tanden, gingen reeds naar hun werk en sommigen stonden te keuvelen met vrouwen, in schamel ochtend-gewaad, met lollepot of hengselstoof, naar water en vuurwinkeltjes op weg. De deuren der Groote Kerk stonden open, en door hot hek dat den toegang afsloot, kon men oen paai1 schuursters bezig zien, om van de, met wapens en opschriften voorziene zerken, misschien het stof der voorgeslachten af te schrobben. Flauwe zonnestralen wierpen door beschilderde ruiten veelkleurige tinten op de witte muren, de bonte verven der wapenborden en de eikenhouten regeerings-banken, waarvan de kroonlijsten met, wapens waren versierd; terwijl zonlicht ook figuren toekende op de witte muren en zware zuilen, en glinsterde op het koper der groote lichtkronen. De kraaien, door de twee jachthonden gestoord in hun vroege straatwandeling, cirkelden lustig en krassend in breode kringen om den, in het zonnelicht schitterenden windwijzer van den hoogen toren. Op de straten heerschte nog de vriendelijke geest van don vroegen uchtend, en er was geen voorbijganger, oud of jong, die niet met den Burgemeester een vriendelijk woord of minstens oen groet wisselde. Bij het verlaten van do stad, had do wandelaar met ergernis kunnen opmerken, hoe door de zorgeloosheid dor Goneralileit, in weerwil van veelvuldige klachten, do vestingwerken weder schandelijk werden verwaarloosd; zoodat poorten en ophaalbruggen vervielen, de bekleedingsmuren afbrokkelden en do grachten niet allerlei onkruid volgegroeid waren. Ditmaal lette de Burgemeester weinig op dezen, hem dikwijls hinderondon aanstoot, daar zijne gedachten bezig worden gehouden door een droom in den vorigen nacht, waarvan de herinnering hem maar niet los wilde laten. Hij kon niet uitmaken of hij sliep of waakte, maar duidelijk had hij, bij het weifelend licht der nachtkaars, do verschijning voor zijne
235
legerstede ontwaard, wanrvan in de familie sprake was. Het slanke meisje, van een fijne als doorzichtige gestalte, had hem met doordringende blikken aangekeken en gewezen op een hem onbekend boerenmeisje van een jaar of twaalf, dat als in een nevel gehuld, flauw nevens haar zichtbaar was. Het gezicht duurde slechts een oogenblik, waarna de kleuren verbleekten en de beelden zich oplosten. De heugenis bleef echter en scheen zelfs sterker te worden, terwijl de Burgemeester in zichzelf gekeerd, nevens zijn polsdrager voortstapte. De jagers gingen door een laan van hoogrijzende slanke populieren langs een weg, waarnevens zich in onafzienbare verte de nu helder groene weiden van Gooiland en verder Eemland uitstrekten. Aan het einde van dien weg stond toen, aan de linkerhand, een eenvoudige boerenherberg als Jan Tabak bekend, Welke, naar de polsdrager snedig opmerkte, beter Jans Tabak mocht heeten, daar de waardin, een schommelende schoonheid van minstens tweehonderd pond en in de buurt bekend als , vettle Jaanequot;, schier den ganschen dag uit een grof steenen pijpje rookte. Aan de overzijde van den weg stond een verweerd houten schuurtje, overal bespijkerd met onoogelijke lapplanken, en onder het, met huislook begroeide dak, was een witgebleekte paardenschedel bevestigd, om de daar gestalde dieren voor nachtmerrie te beveiligen. Nevens deze schuur sloegen de jagers een berkenlaan in, waarvan de witte stammen helder afstaken tegen de donkere akkers, waarop koppels stevige paarden voor den volgenden oogst reeds nieuwe voren trokken. Wat verder langs den weg, stonden boomgaarden met rijpe appelen en peren, afgesloten door hagen, waarin de roode bessen der meidorens levendig uitkwamen tegen het door den herfst reeds verkleurde groen. Zoo bereikten de jagers door een rul zandpad het eigenlijke bosch, waarschijnlijk een overblijfsel van het natuurwond, vroeger geheel Gooiland bedekkende. De stammen der opgaande boomen werden gaandeweg statiger en hooger, zoodat hier en daar de samengevlochten takken als een gewelf vormden, gedragen door dnizende slanke zuilen en schier ondoordringbaar voor de zonnestralen. Eeuwen-oude eiken met ruwe stammen, bedekt met korstmos of verborgen onder glanzend klimop, verhieven zich nevens zware beuken met gladde grauwe stammen, witte berken en stroeve esschen, allen fier opstijgende tusschen varens, woudkruid en bloemen, geurend en kleurend op den klammen bemoschten bodem. Nu eens werd het heuvelachtig pad bruin gekleurd door dennennaalden en
236
kronkelde door een bosch van pijnboomen, zich verheffend in stille schemering. Wat verder, waai- het geboomte ijler was, schoot hier en daar een zonnestraal door het loover, als een blauwachtige dampstreep, wemelend van stofjes en goudkleurige plekken op de rosse stammen teekenende. Het was slil in het woud, af en toe suisde een kooltje door de kroonon der hooge boomen, en deed verdorde bladeren schuifelend naar beneden vallen; nu en dan klonk hetkrijschen van een roofvogel, hot wiekgerucht van houtduiven of hot kirren van tortels, of een dier geluiden, welke men tusschen boomgroepen steeds vol loven en beweging, altijd verneemt. Enkele koeren zagen de jagers oen eekhoren vlug on bevallig van boom tot boom springen, maar niemand zou het gewaagd hebben om deze, als door oen geheimzinnige macht, evenals de ooievaars, beschermde dieren te vervolgen of leed te doen. De Burgemeester, fijn besnaard van gemoed, kwam gaande weg meer en meer onder den machtigen indruk van het bosch, wat gevoelige menschen soms zoo wonderbaar aan kan doen. Afgetrokken verzonk hij steeds dieper in gedachten en luisterde dus nauwelijks naar den steeds babbelenden polsdrager, die jammerde over de tegenwoordige schaarschte van wild; terwijl in den tijd van zijn grootvader hot hier krielde van hazen en konijnen. Toen joegen hier de groote hoeren op horten en reeën, en werden de huislieden des winters dikwijls door klokgeklep opgeroepen om onder hun rotmeesters, drijfjacht te houden op uitgehongerde wolven, die \'s nachts in troepen om do hoeven zwierven; doch zijn grootvader had nooil last van die bloeddorstige gasten, omdat hij den staart van een gedooden wolf ouder don staldrompol begraven had. Langzamevhand word hot geboomte minder dicht en voerde hot broeder-wordende zandige pad langs kreupelhout van eiken-opslag, waarboven bier en daar een enkele spar uitstak of oen paar kromgewnaido, schier bladerlooze berken. Zoo naderden zij do heide, waar het geel-grauwe wagenspoor zich scheidde in oen aantal kronkelende bijwegen en schapenpaden. Do zonnestralen, pas ontworsteld aan den morgennevel, beschenen een opwekkend tafereel, zich voordoende van een onmerkbaar opgeklommen heuvel. Tot in hot wijde verschiet rijzonden dalend in tallooze golvingen, strekte zich de eenzame, stille heide uit. Hier en daar werd de eentoonig bruine, met purper getinte kleur, afgewisseld door geolo zandlagen of door groene plokken van hoigras, waartusschen donkere brem met haar gouden bloemen glansde. Overal slingerden schapensporon als
237
grauwe linten grillig door liet landschap. Aan de eene zijde werd de wazige kim begrensd door de boschrijke heuvelen der Velnwe; aan den anderen kant zag men tot aan de in damp gehulde torens van Amsterdam en ter zijde liet glinsterend vlak der Zuiderzee. Op de heide was, tot luidruchtige vreugde van den polsdrager en niet minder van Turk en Snel, de jacht voorspoediger en kon Kouus niet een drietal hazen worden belast en een koppel patrijzen in de weitasch bergen. „Wat is dat voor een geluid?quot; vroeg de burgemeester aan den achter hem gaanden drager. „Het lijkt of\' ik in\'t kreupelboschje hier naast, om hulp hoor roepen.quot; De polsdrager, die wat hardhoorig scheen, had niets vernomen en meende, dat meneer het krassen van een krem misschien had misduid. „Gekheid, hernam de Burgemeester, we zullen de opgejaagde steiloors maar laten loopen, want ik hoor duidelijk een vrouwenstem angstig kermen; er moet daar ginds een of ander schorten.quot; Nu had Kouus het ook gehoord en de jagers stapten met snelle schreden naar een, niet ver afgelegen boschje, waarin enkele dagloonerslmisjes verscholen lagen. Een smal voetpad tusschen de struiken, voerde naar een soort van pleintje, waarop de lage woningen stonden. Daar de bewoners naar het veld waren, waren de huisjes gesloten; doch één was open en in het deurgat zagen de jagers een aankomend meisje staan, bijna nog een kind, dat angstig om hulp gilde en zich tegelijk, met een tang, wanhopig verdedigde tegen een paar pootige kerels, havelooze landloopers, die haar te lijf wilden. Op hetzelfde oogenblik dat de Burgemeester uit het geboomte te voorschijn kwam, sloeg een der aanranders het meisje met een knuppel op het hoofd; zoodat zij met een hartver-scheurenden angstkreet ineenzakte, waarna de vagebonden, de jagers ontwarende, haastig op den loop gingen. Kobus, die de hazen had neergelegd, wilde hen met de honden nasnellen, doch de Burgemeester wenkte hem terug; terwijl te gelijkertijd zijn schot knalde en in het boschje weergalmde. Kennelijk was het doel getroffen, daar een der wegdravende schavuiten een schellen schreeuw gaf\', de hand aan het been sloeg en zijn makker volgende, in het kreupelhout weghinkte. „De boef is gemerktquot;, zei de Burgemeester tot Kouus, „reppen we we ons nu om het kind te helpen, als zij door dien schelm niet doodgeslagen is.quot; Het had er allen schijn van; want het arme schepsel lag bewegingloos op den drempel en uit een diepe hoofdwond druppelde bloed. Terwijl de Burgemeester met zijn bediende, het kind op een
238
paar stoelen legden, met het hoofd op een uit de bedstede genomen kussen en het bloed afwischten met een, naast den wateremmer liggenden doek, zag hij tot zijne onuitsprekelijke verbazing hetzelfde meisje; waarop de verschijning hem in den droom had gewezen en dat den ganschen morgen levendig voor zijn geest had gestaan. Het kamertje, waarin dit voorviel, zag er schamel maar knap uit en hammen, worsten en spek in het rookhok van den schoorsteen, getuigden zelfs van eenige welvaart. Een drietal kinderen waren daar aan hun lot overgelaten. Een nauwlijks gekleede jongen van een jaar of drie was bezig met een op tafel staand pannetje uit te likken; op den rood steenen vloer zat een nog kleiner meisje met haar klompjes te spelen, i\'ii in een houten verveloozen schommelwieg lag de kleinste, een bol-bleeke zuigeling, rustig te slapen. Een paar mannen, die met een vrouw op de naburige heide aan het plaggen-steken waren, werden door Kobus geroepen en een hunner werd door den Burgemeester terstond naar den Onder-schout of Roode-roe te Naarden gezonden, met last oin door \'s Heerendienaars, de rakkers of kwaaddoeners op te sporen; tevens werd dien bode opgedragen om naar een wondheeler te gaan en dezen te verzoeken, om zoo spoedig mogelijk met het rijtuig van den Burgemeester mede te komen. Onderwijl werd do klink van de onderdeur opgelicht, en traden de van den akker komende bewoners binnen, die eerst van den toestand niets begrepen. De vrouw, het méést bij de pinken, herkende den Burgemeester, die haar in weinig woorden op de hoogte bracht. Fluks was nu de takkebos in een hoek gelegd; het werkpak uitgetrokken, schoon water geput en het nog als doodliggend meisje gewasschen en gereinigd, wat haar bruine, vereelte werkhanden heel wat vaardiger deden, dan toen de Burgemeester even te voren dat werk had beproefd. Onderwijl verhaalde de vrouw, hoe het deerntje hare dochter niet was, maar het kind eener arme op de heide wonende weduwe, die aan meneer misschien niet onbekend was. Het was de nagelaten vrouw van den vroegeren waard uit den Rooden Leeuw, een broeder van den tegen-woordigen; Piet Uijttenbouaerd had van zijn brave ouders een mooien stuiver geërfd, maar die duiten waren met veehandel en drinken als sneeuw voor de zon weggeteerd; zoodat de kerel, anders een kalf van \'n vent, zich ten lange leste, zooals meneer de Burgemeester misschien nog wel weten zal, in de gracht van Naarden tekort heeft gedaan. De weeuw woonde nu in een heihut en ging uit dagloon en haar oudste
239
meisje kwam bier in de bimrt op de kleine kinderen passen, als de ouders naar het veld moesten. „Het was een ree ding,quot; zoo besloot de vrouw haar omslachtige tneedeeling, dat bovenst best de handen kon reppen en een goed, lief kind ook en dit zeggende, druppelden er een paar groote tranen op het bleeke gelaat van het meisje, door de stoere vrouw neerbukkende weggekust. Dat het kind knap en handig was, bleek uit het helder waschgoed, droogende aan een lijn op het pleintje, \'t welk /.ij dien morgen gewasschen had, den zindelijk geschrobden vloer, het glimmende kannenbord en den netten haard, waarop het middagmaal boven het plaatvuur hing te pruttelen. Inmiddels keek de Burgemeester telkens op zijn horloge, berekenend hoelang de chirurgijn nog uitblijven kon. liet scheen echter, dat de toestand van het nog altijd bewustelooze kind niet verergerde en de vrouw meende zelts, dat de vale doodskleur der wangen wat optrok. Na lang wachten knarsten wagenwielen in het mulle zandspoor en tot zijn groote verrassing zag Nagtolas in het rijtuig niet den gewonen heelmeester uit Naarden, maar zijn vriend, den vermaarden chii\'urgijn iieinier de Lover uit Amsterdam, die toevallig enkele dagen vertoefde bij zijn neef, den eersten Burgemeester Fallus Guijking en daar, door den bode, van \'tongeval vernomen had. Ook de Onder-schout was door den arbeider op \'t stadhuis aangetroffen en deze was op last van den Stedehouder van Gooiland, neef Gansneb Tengnagel, terstond met de dienaars op zoek gegaan. De vaardige geneesheer bekeek en peilde de wond, welke hoe erg ook, naar het hem voorkwam, niet dadelijk levensgevaarlijk was. Volstrekte rust en zorgvuldige verpleging waren echter noodzakelijk, en er was geen sprake van dat Wiesje, gelijk het meisje genoemd werd, naar hare moeder kon worden vervoerd ; en deze was bovendien in een bakerdienst op een ver afgelegen hofstede. Vóór dat de heeren in den wagen stegen, gaf de Burgemeester aan de vrouw eenige zeshalven en droeg haar goede zorg op, met de verzekering, dat hij morgen zou terugkomen en alle kosten op zijn rekening nam.
Op den avond na het boven verhaalde, zat Jan Nagïglas over zijne vrouw in de ons bekende achterkamer van het lans in de Turfpoort-straat. Het avondmaal was afgenomen en op aandringen zijner echtgenoote had de Burgemeester daarbij een roemer wijn genuttigd, wat de matige, ingetogen man maar zelden deed; doch, na de inspanning
^40
on aandoening van den dag, voor opwekking wel noodig had. Ineen grauwe Japonsche rok en met vilten stille-gangers aan de voeten, genoot hij van welverdiende rust. Zijne vrouw, nu bezig om den avonddisch aan kant te doen, was van middelbare lengte, blond van haar, blauw van oogen en frisch van voorkomen. Zij was vriendelijk en goedhartig, maar ook gevoeliger en diepdenkender dan men oppervlakkig zeggen zou. Margareta of Grietje was het kind van vermogende ouders, die haar echter niet hadden bedorven. Nog zeer jong was zij gehuwd met Lamhert Houtwijck, een braaf man, maar van zwakke gezondheid, die stierf, na een paar jaren aan een uitteerende ziekte te hebben geleden, waarbij zijne vrouw hem met zorgzame toewijding verpleegde. Na ruim twee jaren weduwe te zijn geweest, hertrouwde zij in Januari 1712 met Jan Naötglas, met wien zij als buurmeisje opgegroeid was, en dezen avond was het haar aan te zien, dat er, na niet langen tijd, een kinderstemmetje in dat huis kraaien zou. De huisvader had, naar gewoonte, den kwarto-bijbel van don lessenaar gekregen, dien opengeslagen en gelezen, waar zijn oog op viel of wat, naar men toen zeide, de Heere God aanwees. Het was nu het vijf en twintigste hoofdstuk van Maïtheus, een kort. begrip van de Christelijke leer in de betooging, hoe iedere weldaad, aan de minste noodlijdenden bewezen, zal gerekend worden als aan den Heer zelf gedaan. Toen de, bij liet lezen tegenwoordig zijnde dienstbode vertrokken was, zei Ghiete, gelijk de huisvrouw doorgaans van haar echtgenoot werd genoemd. „Onder het lezen. Jan, mocht ik zoo denken, of wij het ongelukkige kind, dat U heden zooveel zorg en bemoeiing gaf, maar niet bij ons aan huis zouden nemen. Onzen vriend Reinier heb ik hooren zeggen, dat het meisje zeker sterven zal, of krankzinnig worden, als zij niet met de uiterste zorg wordt verpleegd, wat onmogelijk bij die arrne menschen gebeuren kan.quot; „Hoe drommel, giucte-lief, sprak do Burgemeester opstaande en zijn vrouw een kus gevende, kunt ge zóó in mijn hart kijken; want terwijl ik las, dacht ik er over, wat onze Heer en Zaligmaker in een dergelijk geval zou doen. Ik sprak er echter niet van, bedenkende hoe de zwaarste last der verpleging op de schouders mijner beste Grietje neer zou komen.quot; Malligheid, antwoordde de vrouw. Na alles, wat ge mij van avond verteld hebt, ben ik overtuigd geworden, dat God ons deze taak heeft opgelegd. Het kind is bovendien, naar het schijnt, een achterkleindochter der goede oude Bella, waarover wij in onze jonge jaren, zooveel hebben
241
hooren spreken. Als ons „Hansje uit den kekierquot; komt, zou ik oen vaardig meisje van die jaren bost kunnen inschikken.quot; „Aldus geresolveerd, beste/\' hernam de Burgemeester, met een komiek gezicht en op een toon, alsof hij een raadsvergadering presideerde, maar waarin Margareta toch duidelijk nog fijnere snaren hoorde klinken. Dat beiden dien nacht van het gekwetste meisje droomden, was geen wonder.
Den volgenden morgen was dokter de Loover reeds vroeg bij zijn vriend, echter niet eerder dan de Onder-Schout, die kwam meedeelon, hoe zijn dienaars reeds gisteren avond de vagebonden op de heide bij Hilversum gegrepen hadden, waar de een bezig was, het met hagelkorrels gepeperde been van den ander te verbinden. Het waren zwervers uit Kleefsland, die beweerden, dat zij de meid niet zouden hebben geslagen, als zij niet zulk een vervaarlijke keel had opgezet en dreigend een tang gezwaaid, toon zij slechts om een paar worsten bedelden. „De schelmen zitten nu secuur geboeid in \'t donkere gat, meneer de Burgemeester, besloot de gerechtsdienaar en zullen do verdiende straf niet ontgaan,quot; welke uitspraak verduidelijkt werd, door dat de Onder-Schout met den rechter wijsvinger een denkbeoldigen halven cirkel om zijn eigen hals trok. Het rijtuig werd nu spoedig ingespannen en op last van don dokter werd een draagbaar medegenomen en een paar sterke knechts, daarliet vervoer van de gewonde, in een schokkend rijtuig, gevaarlijk werd geacht. Toen de wagon voor hot huisje te Bussum stilhield, zagen de reisgonooten mot genoegen, hoe de luiken openstonden en er nog geen stroobosson nevens de deur lagen. Het meisje leefde dus nog, maar de vrouw, die naar buiten kwam, zei dat de deern miserabel erg was, in een harde koorts lag en altijd maar wezenloos voor zich uit staarde. Dokter de Looveu vond den toestand, hoewel nog altijd zorgelijk, toch iets minder bedenkelijk en naar beterschap neigende, en oordeelde dat hot kind wol met de noodige voorzorgen naar de stad zou kunnen worden vervoord. Het kostte niet voel moeite om de onderwijl ontboden moeder do wenschelijkhoid dor overbrenging te doen inzien; want deze, door de spilzucht van haar echtgenoot, zeer behoeftige weduwe, begreep dat zij in haar armoedig stulpje hot kind onmogelijk behoorlijk verplegen kon, terwijl het meisje evenmin bij de arbeiders-familie kon verblijven. Onder toezicht van don geneesheer werd nu do lijderes voorzichtig op de baar gelogd, waar do beide hoeren nevens gingen
De Gouden Draad M
24-2
on hel rijtuig volgde. Dooi-Grietjes zorg was een rustig bovenkamertje ingericht en toen het kind op het zachte bod lag, zóó netjes als zij zeker nooit had beslapen, en de oude chirurgijn haar don volgenden morgen, na een kalmen nacht, geheel koortsvrij vond, wreef hij van genoegen do handen, nam daarop oen snuifje uit oen zware, geribde zilveren doos en sprak, zijn vriend vortrouwlijk op don schouder kloppende „Jan liof, met Gods hulp zal zich dat zaakje wol weer schikken. Naar mijn inzien is hot ergste geleden on kan ik morgen gerust naar Amsterdam torugkoeron.quot;
Wat do heelkundige had voorspeld, gebeurde. Langzamerhand geraakte Wies of Louwiesje, zooals juffrouw Grietje het meisje noemde, op don weg van horstel, en toon zij hot eerst tot bezinning kwam, begreep zij volstrekt niet, waar zij zich bevond en vroeg onnoozel of het hier de hemel was, van wier schoonheid oen oude buurvrouw haar wel eens had verteld. Eindelijk begon zij zich iets van het gebeurde te herinneren en wist te zoggen, hoe de roovers haar bevolen hadden al do worsten en het spek uit, den schouw te geven, onder bedreiging haar anders te zullen doodslaan. Zij had toen om hulp geroepen en do tang gegrepen om zich te verwoeron togen de met knuppels zwaaiende kerels. Of alles wat zij sedert dien hevigon slag ondervonden had, werkelijkheid was of droom, kon zij niet vertollen, want allerlei gebeurde zaken schemerden haar verward door hot hoofd. Eén ding wist zij echter zeker en wel, dat oen ongel uit den hemel, waarvan de oude Marrigje verhalen kon, zich niet gelukkiger gevoelde dan zij, in de vriendelijke, kalme rust van het gezin des Burgemeesters. Na eene maand was Louwiesje volkomen hersteld en zou zij naar hare moedor le Bussum hebben kunnen teriigkeoron; doch do Burgemeester en zijne vrouw wilden haar noodo missen en gaarne nam het meisje hot aanbod aan, om als dienstbode in het herbergzame huis to blijven. Haar juffrouw begon nu ook moor te letten op do verwaarloosde opvoeding van het kind, maar was niet minder verbaasd over haar vlug leervermogen en de snelheid barer ontwikkeling. Wiesje had oen fijn gevoelend hart, was zacht en teeder van aard, maar kon, gelijk zij bij den aanslag getoond had, ook beraden en moedig zijn. Uiterlijk gaf zij niets bijzonders te zien, doch soms flikkerde er iets in haar blik, wat don Burgemeester herinnerde aan zijn zonderlingen droom. Des Zondags was hot voor haar een heerlijk
243
genot om hare moeder te Bussum te gaan bezoeken, en jiifïromv Nagt-glas zorgde, dat de ruime sluitmand dan steeds goed gevuld was. Toen in Januari 1713 in de Turfpoortstraat een zoon was geboren, waarvan we later te vertellen zullen hebben, hechtte Louwiesje zich met al do kracht van haar trouw hart aan dat kind; een genegenheid, welke, zoo mogelijk, nog toenam, nadat haar juffrouw in 1729 werd weggenomen. Margaretha\'s diep bedroefde echtgenoot schreef op een nog bewaard doch geel geworden blad van den huisbijbel: „dat zij elkander altijd met do teederste liefde hadden bemindquot;; ook voor Louwiesje was het sterven dier goede meesteres een onmetelijk groot verlies, en zij placht te zeggen, „dat indien er iets goeds in haar ware, zij dat aan haar brave juffrouw was verschuldigd.quot; Kalm en in vrede met God en menschen, had de huismoeder den dood zien naderen, welke haar verlossen zou van een langdurig, smartelijk lijden; een leed, grooter clan iemand wist, en dat zelfs haar trouwe dienstbode in al zijn felheid nauwelijks bevroedde. Met schier bovenmcnschelijke wilskracht, had zich deze eenvoudige vrouw weten te beheerschen en toonde haar huisgenooton dikwijls een opgeruimd gelaat, in weerwil der snerpende pijn eener haar sloopende kwaal. Zoo wordt in den stillen huiselijken kring dikwijls méér waarachtige heldenmoed betoond, dan op een bloedig, rumoerig oorlogsveld. Met een als verjeugdigd voorkomen, lag de beminlijke en beminde vrouw op haar bed, en het leek Louwiesje toe, alsof de doodsengel langzamerhand bij de stervende al de rimpels wegstreek, door het lijden gegroefd.
liet dienstmeisje, of beter zou men hebben kunnen zeggen de pleegdochter, werd nu huishoudster bij den eenzamen echtgenoot en loonde in die betrekking dezelfde trouw, dezelfde liefde en dezelfde zelfverloochening als vroeger, waarom de oude heer haar wel eens noemde „de goede engel van zijn huisquot;. In Januari 1749 was ook zijn taak liier op aarde volbracht. Verzwakking maakte hem bedlegerig en naarmate de lichaamskrachten afnamen, schenen zijn gedachten terug te gaan naar de kinderjaren. Dikwijls meende hij bij zijn moeder Ie zijn en het laatste verstaanbare woord dat hij uitte, was: „Moeder, geef me een kus.quot; Op den drempel der eeuwigheid, zag Louwiesje den hem eigen innemenden glimlach weder op zijn gelaat postvatten, dien zij er zoo gaarne aanschouwde. Toen zag hij het meisje met de, als verglazende oogen aan en een nauw merkbare zucht was het teeken, dat de ontbonden ziel wegvoer naar een anderen werkkring. Toen vier
244
dagen later de lange lijkstoet, waarvan de „Leoscedullequot; nog bewaard is gebleven, door de straten van het stille stadje naar hel familiegraf Irok, werden daarbij niet alleen bittere tranen geschreid door dierbare betrekkingen, maar ook door vele armen en behoeftigen, die hun stillen weldoener zagen wegdragen. Nergens echter doorvlijmde grooler droefheid een gevoelig gemoed, dan op een der bovenkamers van het sterfhuis, waar Louwiesje geknield lag en van den Algoeden Ciod troost en kracht smeekte in do bange ure; terwijl tallooze herinneringen aan ontvangen weldaden en aan goedheid en liefde, haar bedrukten geest voorbijzweefden.
De schrijver moet don vriendelijkon lezer uitnoodigen op den stroom des Tijds terug te varen tol de maand Januari 1713, toen Louwiesje Gusbertsdociiteu Uijttenbogaerd, gelijk het meisje heette, nog niet lang in het huis van don Burgemeostor woonde, doch vlug en schrander als zij was roods veel goeds had opgenomen en veel ruws had afgelegd. Zij was dien dag met haar kameraad, do keukenmeid, druk bozig geweest; want or word eon groote gebeurtenis in buis gowacht. Nu was hot avond en zóó stil in don gang, dat men de oude hangklok kon hooron tikken. Eindelijk kwam de bejaarde gonoes-heer, neef Duurkant, naar benedon om moe te dooien, dat er een stamhouder was geboren en de 19c\'0 Januari voortaan een „met een sterretjequot; gemerkte dag wezen zou. Do dokter bleef mot den gelukkigen vader nog keuvelen bij den gozolligen haard, onder het genot van glaasjes warmen wijn en boschuitjes mot kaas, en zij babbelden zóólang, totdat do kaarsen in de pijpen begonnen te branden en de nachtwacht zijn bekend liedje zong, waarvan, na oen goede waarschuwing om met vuur om licht voorzichtig te wezen, hot slot was, dat de klok elf had geslagen, iiij het uitlaten, riep do geneesheer aan zijn vriend, dal het bitter kond en spiegelglad was; welke laatste meening misschien eenigszins in verband stond met \'s mans ietwat haperende schreden; want het had don gansclien avond donzig gesneeuwd en sedert dat
245
opgehouden had, lichtte de maan vol en heldor aan den hemel en omzoomde de wegdrijvende, grauwe wolken met glinsterende randen; terwijl de boomen, slechts hier en daar met zilver bestrooid, aan zwart geworden geraamten denken deden. Den eersten Zondag na de geboorte werd de kleine Gornelis „over den vond gehoudenquot;, zooals doopen doorgaans genoemd werd, want hoewel de gereformeerden dier dagen wars waren van paapsche superstitiën, was de zaligheid dei-ongedoopte kinderen nog een onopgelost vraagstuk; al begon het geloof te verzwakken, dat hun arme zieltjes als dwaallichten over de aarde bleven zweven. Na de plechtigheid van den doop, werd de kleine aan de grootouders, ooms en aan tante Alida vertoond, waarna de met zilver beslagen fluilbeker rondging, welke toen reeds langer dan een eeuw in de familie was bewaard en die alleen bij dergelijke gelegenheden voor den dag kwam. Hij was gevuld met besten Rhijnschen bleekerd, waarin de suiker met een, met groen en zijden stukken versierden kaneelstok werd omgeroerd. De doop had te Weesp plaats en bij den daaropvolgende!! maaltijd ging het heel wat deftiger en minder jolig toe dan vroeger bij dergelijke gelegenheden, waarom menschen klaagden, dat de oud-IIollandsche blijheid uil de wereld was geweken. Louwiesje placht le vertellen, dat zij bij die gelegenheid voor het eerst gekartelde anijssuikerljes, spoedig muizen-keutels genoemd, had geproefd. De kleine wereldburger werd bij zijne komst op aarde met zwachtels, doeken en wollen luiers ingebakerd als een oude Egyptenaar na het verlaten dezer planeet, en slechts langzamerhand en met allerlei voorzorgen werd de zuigeling ontpopt en begon op een gewoon menschenkind te gelijken. Toen de jongen wat ouder werd, staan kon en aan een zelfkanten leiband vooii-strompelde, kreeg hij een hoogen, zwaren, zwart fluweelen valhoed op, twee toestellen, weinig passend voor het beoogde doel, evenals de klepjes, door de baker aangeraden, om hoofd en ooren beter aanzien le geven dan de natuur had gedaan. Gohnelis bleek reeds vroeg een aardig kind, met schrandere oogen en een vluggen geest, en door de baker een snugger lachebekje genoemd, met moeders proper mondje en vaders neus en oogen; maar bij zijn opgroeien begon hij uit den aard le slaan en in plaats van een stevig Coolers kind, bleef hij lang een schrale bleekneus, die soms een tijdlang, zoowel in lichamelijke als geestelijke ontwikkeling, scheen stil te slaan, om daarna, als het ware door snel opschieten, het verlorene in te halen. Soms twijfelden
246
deskundigen of hel jongslee niet onverwacht uit dit ondermaansche zou wegglippen, en de oude dokter Duurkant was gewoon te zeggen, dat het ventje soms meer op een kaboutermannetje leek, dan op een (linken jongen, maar, voegde hij er bij, als \'t kereltje maar uit den kinderstoel is en aan het doorgroeien gaat, zal hij die „pierigheidquot; wel te boven komen. Deze voorspelling kwam meer en meer in vervulling, waartoe zeker niet weinig medewerkte het zomerverblijf op Iloeckenburch, waar hij met de boerenjongens naar hartelust ravotten kon. Nu en dan ging hij ook met zijn vader naar de boerderij de Stolp aan de Amsterdamsche trekvaart, waar met vrucht te hengelen viel; een uitspanning, welke den knaap wegens de wreedaardige pijniging der verschalkte visschen, spoedig begon tegen te staan, want hij had een uiterst gevoelig gemoed. Hoewel Cohnelis scherpzinnig genoeg was, waren de vorderingen op de school van meester Calavon niet bijster groot. In geschiedenis en aardrijkskunde was de jongen dikwerf haantje de voorste, maar bij taalkennis en vooral cijferen, waarin zijn vader hem gaarne had zien uitblinken, hinkte hij meestal achteraan en evenmin kon hij zich de fraaie krullen en trekken eigen maken, waarvoor de meester als schoonschrijver bekend stond. Niet minder tobde de jongen met de fundamenten der ware Christelijke religie, welke destijds bij het lager onderwijs de éérste plaats innamen en legen vertrouwde vrienden, zei de meester wel eens, dat het zoontje van den Burgemeester hem soms een geboren „libertijnquot; leek, en de Twaalf Artikelen (des Geloofs) maar niet scheen te willen onthouden. Levendig van aard, kon Cohnelis nooit lang achter elkander stilzitten, en liep daardoor wel eens gevaar, kennis te maken met de plak, welke naast \'s meesters lessenaar hing; geen gewone boerenplak, maar een nette, ovale, met gedraaiden steel, sierlijk bewerkt met knoppen on ringen, en welke, naai\' verteld werd, nog van den vermaarden Comenius atkomslig was. Gelukkig voor de woelwaters op school, kwamen er nog al eens oogenblikken van ontspanning en wel als de gevreesde „mesjeuquot;, want er werd ook aan enkelen „franchoysquot; onderwezen, nu en dan zijn taak neerlegde om een zijner vele andere betrekkingen waar te nemen; want om zijne schrale inkomsten te verbeteren, was hij ook Voorlezer in de Groote Kerk, afslager op verkoopingen, collecteur van \'t kloin-zegel, bode van de Burgerwacht, bedienaar der begrafenissen en /,00 al meer. Bij ontstentenis van den schoolmonarch, gelijk de Burgemeester hem wel eens noemde, kwam de matros de plaats van
247
haar echtgenoot innemen, wat den kinderen aangenaam werd gemaakt, door eene buitengewone uitdeeling van koekjes en suikerballetjes. Dat de naam van Gornelis maar zeer zelden voorkwam op het zoogenoemde ezels-bord en hij maar eens „geplaktquot; word, had hij waarschiji;lijk meer te danken aan de burgemeesterlijke waardigheid van zijn vader en drie ooms, dan aan eigen trouwe plichtsbetrachting, on het Jaaiiijkfech geschenk van een tonnetje bier en een tonnetje pekelharing, deed door den onderwijzer vele kleine pekelzonden door de vingers zien. De gevoelige knaap bezat een sterke verbeelding en leefde reeds vroeg in een drooni-wereld. Vooral de sprookjes van Louwiesje boeiden hem en met opgespalkte oogen, trillend hart en doof voor al het overige, zat bij te luisteren, wanneer zij vertelde van Mozes, Josua, David en andere geloofshelden uit het oude Israël. Nog méér aandacht schonk de Jongen echter aan de, toen nog in den mond des volks levende sprookjes van Genoveva en ridder Siegfried; van Rosa van Tannenburg en de avonturen der vier Heemskinderen. Het meisje kon zeldzaam levendig vertellen. Zij was geheel vervuld met haar verhaal; haar wangen gloeiden, haar oogen schitterden, en vooral wanneer zij verhaalde hoe een oude boer uit Bussum haar eens had meegedeeld, dat haar overgrootmoeder, die in den Rooden Leeuw woonde, een tooverheks was geweest, die op een bezemsteel door de lucht reed en, naar in de buurt geklapt werd, van een zeemeermin afkomstig was. Dat vond de kleine Gornelis een wonderbaar mooie geschiedenis, want het bovennatuurlijke trok hem altijd bijzonder aan. Hij was reeds vroeg, zooals Louwiesje het noemde, een vroom kind en pas zes Jaren oud, scheen zijn hart een zachten drang te gevoelen om iets hoogers te zoeken; terwijl het vertrouwen op gebedsverhooring, levenslang de kern is gebleven zijner godsdienstige opvattingen. Een bovenkamer van het huis des Burgemeesters droeg den weidschen naam van het boekenvertrek, omdat daarin twee groote kasten stonden, waarin vader zijn boekerij bewaarde. Hoewel hij zelf door drukke bezigheden voor staat, stad en kerk, notariaat, landbouw, veeteelt en tabakskweek, weinig tijd had om te lezen, was liij toch een liefhebber van boeken en bracht vooral van erfhuizen dikwijls stapels boeken mede, welke dan te Amsterdam netjes werden ingebonden en, als soldaten in diverse monteringen, regelmatig in die beide kasten werden gerangschikt. Hoewel het heette dat de deuren gesloten waren, kon door een torn in het groene saai hel binnenknipje zonder veel moeite geopend worden en
248
op deze heimelijke wijs kreeg Corneus reeds vroeg gelegenheid om zijn onverzffielijken leeslust te bevredigen. Zoo maakte hij kennis met het Martelaarsboek; de Historiën van Pieter Cornsz. Hooft, de werken van JacoB Cats, Bhedeho, Vondel, de Betooverde wereld van Bai.thasah Bekker en anderen. Als vader voor zaken naar buiten was en moeder ongesteld, werden die boeken in het slille bovenvertrek als verslonden, en het gebeurde wel eens dat een reken-som niet uitkwam een schoonschrift mislukte of een briefdichting weinig slaagde, omdat hoofd en hart van den knaap vervuld waren door een pas gelezen, boeiend boek. Alleen Louwiesje was in het geheim van de kastdeur en het viel wel eens voor, dat de jongeheer en de dienstbode zóó verdiept raakten in een wereld van weemoed en wonderen dat de harten er mede gemoeid werden en tranen langs de wangen biggelden.
Toen Corneus twaalf jaren oud was, verklaarde meester Calavon hem volleerd, zoodat er, voor verder onderwijs, tegelijk aan eene beroepskeus kon worden gedacht. Vader wenschte, dat zijn óénig kind naar de Latijnsche School zou gaan en vervolgens in de Bechten studeeren, om hem daarna in zijne betrekkingen te Naarden op te volgen; maar do zoon had daar weinig zin in en wilde liever koopman worden. Hij had ook wel eens gedacht over predikant, welke begeerte door zijn vader niet sterk werd aangemoedigd, afkeerig als deze was van den bitteren strijd, welke destijds de heerschende of zoogenoemde „staandequot; Kerk beroerde en Voetianen en Coccejan en en lal van andere anen en isten, slijve en rekkelijke gereformeerden, ook wel libertijnen genoemd, elkander hartelijk verwenschen deed. Die begeerte van den Jongen was echter slechts vluchtig en waarschijnlijk meesteengevolg der vriendsdiap met een ietwat jongeren schoolmakker Paxjlus Bonnet, evenals zijn broeder, de latere hoogleeraar Gijsbert, zeer deelende in de gunst van den Burgemeester, die hun onbemiddelden vader Ti.i.mon Bonmet geldelijk steunde bij de geleerde opvoeding zijner veelbelovende zonen. Eer Cornells zijn wensch zag ingewilligd om in den handel „te gaanquot;, vonden zijne ouders het raadzaam, hem op een bekende kostschool in vreemde talen en deftige manieren te doen onderwijzen, (leen school had destijds meer naam dan die van monsieur Laurier op de Prinsengracht te Amsterdam, waar een bordje uithing: Lscole Franchoyse; terwijl een, voor die dagen hooge som van drie honderd gl. voor mondkost, onderwijs, boeken, papier, pennen en andere noodwendigheden, werd gevorderd. Daar werd Cornelis besteld.
249
Huiskamers on schoolverlrekken waren ruim, luchtig en goed verlicht, wat toen in do moeste scholen, gemist word. De moestor die zich gaarne „[nstituteurquot; hoorde holilolon, was oen buitengemeen lang, mager man, met een hleek, bol gelaat, flauwe oogon, ongezonde landen en meest klam-koudo handen. Ilij had dei! naam van zoor bekwaam te wezen en vooral „un grand plumotourquot;. In de school zat hij, gekleed in oen bruine huisjapon of labbord en oen zwaron zilveren bril op don neus, van acht lot elf en van één tot vijf uur, in een stevig gestoelte, lessen van wijsheid uil te doelen, of bet gedane werk na te zien. Zijne echlgonoolo, een kleine, tanige, levendige Francaise, was tevens „marchande do modesquot;; in wier „besloten winkelquot;, waarvoor het salet ingericht was, een papier hing waarop de mosjou mei gekleurde en verzilverde krullolters sierlijk goscbrovon had:
„Hier leert men ook servetten vouwen;
Tot sier van de tafel en lof der juffrouwen.quot;
De meestor dezer deltige school was er opgosleld, dal de kostleerlingen, ook wel pensionnaires genoemd, zoo nel mogelijk gekleed gingen; zoodat men lederen Zondag oen tienlal knapen in paren naar de voor- en namiddag godsdienstoefeningen in de Waalsche Kerk zag gaan, uitgedoschl volgens den laalslon smaak in zoogenooinde\'apenrokjes, korte broekjes, omboorde steekjes en haarzakjes, die aan dwergen deden denken; onder geleide van een eveneens gekloeden reus, een mager man, door de jongens onder elkander „de lantaarnpaalquot; genoemd en die ten toeken zijner waardigheid en om hem le onderscheiden van de beide, nevens hem gaande Ondermeesters, oen lange, goud geknopte rotting in do hand droeg. Hot onderwijs had voornamelijk ton dool om vloeiend Fransch le loeren spreken, waarvoor oen winderig Parijzenaar was aangenomen, wiens taal, zinspelingen en daden, juist niet strekten om reine, eenvoudige zeden lo bevorderen, en wiens verregaande ijdelhoid bom diets maakle, dat hij een toongever was in hoofscho manieren. Dezelfde vlugge Franschnum ontsloot ook voor do jongens de geheimen van do kunstige sierlijke sarabande en van do meer eenvoudige, maar niet minder bevallige menuet, in die dagen de moest gezochte modedansen. Op de vorming van hel karakter word op die school weinig gelet en bij de gangen en amourelles der oudere
250
leerlingen vóél door de vingers gezien. Van menigen daar uitsluitend opgevoeden knaap is dan ook weinig terecht gekomen. „Hij schopte eer en deugd, en zoo kwam doze kwant, op \'t holle zeepaard dat hem voert in \'t warme land)quot;; gelijk meester Calavon te Naarden op een zoogenoemd exempel voor schoonschrift rijmde. De Zaterdag was altijd een vreugde-dag voor Cornelis, die zich weinig aangetrokken gevoelde door den op schooi heerschenden geest. Gaarne gaf hij er de Zondagstractatie aan van marsepein, een toen pas uitgekomen gebak van zoete en bittere amandelen, met gelei overgoten en met gekleurde suiker bestrooid. Hij vertrok dan doorgaans met de namiddagschuit naar Naarden en werd des Maandags morgens door zijn vader, die wekelijks in de stad „marktenquot; ging, in de fourgon teruggebracht. Na twee jaren waren de lauweren bij mesjeu Lauiueu geoogst en Louwiesje kon niet nalaten te meesmuilen, als zij in den naar den laatsten smaak uitgedoschten „pronkepinkquot; gelijk zij hem noemde, die zijn gesprek met Fransche woorden sterk peperde, nauwlijks den een-voudigen, trouwhartigen Cornelis herkende. Zij vertrouwde echter, dat die edele zwier er maar losjes boven op zat, en wist wel dat de jongen geen veertien dagen in huis zou wezen, of het glinsterend vernis was weggesleten en de knaap onopgesmukt als vroeger. Met den 1 Januari 173G zou Goknelis op het kantoor van de neven Ploos van Amstel werkzaam worden en hij was dus nog te huis, toen drie maanden vroeger de lang verwachte slag viel en zijne lieve moeder stierf. Hiervoren is van dat overlijden gewag gemaakt, en de sombere dag der begrafenis liet onuitwischbare indrukken na in het hart van haar éenig kind. Toen de betrekkingen en vrienden waren vertrokken en ieder zijns weegs ging, zonderde vader zich af in zijn stil kantoor en daar smeekte hij van God berusting, troost en sterkte op zijn, zoo donker geworden levensweg. Ook de zoon zocht de eenzaamheid zijner kamer, knielde neder en bad vurig, veel inniger dan hij ooit do Fransche formuliergebeden op school had nagesproken, van den Schepper kracht om waardig te leven den braven vader, door God hem geschonken en steeds de gedachtenis in eere te houden der voortreffelijke vrouw, wier stoffelijk omhulsel heden aan de aarde was teruggegeven. Dat in stilte gedragen lijden en kalm sterven liet bij den zoon onvergetelijke indrukken na. Zoo ontluiken, gelijk gezegd is, in de voetstappen van den schijnbaar alles vernielenden doodsengel, lieflijke en reine gedachten, welke zijn macht tarten en
251
con donkeren weg vaak maken lol een naar den hemel voerend pad van lichl.quot;
Bij de neven Ploos zou Cornelis in de geheimen van den koophandel worden ingewijd. Voor den knaap was dat een duisler gebied, en eigenlijk ook eenigs/ins in lellerlijken zin; wanl er was nog nooil een zonnestraal doorgedrongen in het vertrek of „comploirquot; gelijk te lezen stond op een deur, aan het eind van een half duisteren gang in een lang niet vroolijk huis op de Keizersgracht te Amsterdam. Genoemd kantoor ontving schemerlicht van een binnenplaats door twee hooge, maar smalle vensters, waarvan, om hel inkijken te beletten, de onderste ruiten met papier beplakt waren. Onder den grooten vierkanlen lessenaar lag een mat op den bruin geschilderden vloer. Op dien lessenaar stonden twee zware looden inktkokers en lagen pennen, vouwbeenen, messen, scharen, lak, kloenen garen en louw; waartusschen een paar groote koperen kandelaars met half afgebrande vetkaarsen, zoogenoemde zessen. Aan de gekalkte muren hingen hier en daar planken-rekken, achter gordijnen van verkleurd groen saai, geheel of gedeeltelijk gevuld met in perkament gebonden kantoorboeken. Daarnevens waren liassen te zien van grauw, bruin besloven billetten en brieven, welke, evenals de recepten bij de apothekers, aan grijze slangen deden denken. Onder een dier rekken, stond een groote ijzeren geldkist, met landschappen en bloemen beschilderd en rustend op een fraai besneden houten voet. Vooi de balie, welke het eigenlijke kantoor afsloot, lagen een aantal voorwerpen van onderscheiden aard, zooals pakken met verschillende soorten van ruwe en bewerkte wol, waarin de broeders grooten handel dreven, een paar kaplaarzen, een mandje, half gevuld met Gouwsche pijpen, enkele blikken trommels en zoo al meer. Om den lessenaar stonden vier hooge kantoorstoelen met matten zittingen, waarvan die het naast bij de vensters, voor de patroons bestemd waren. Die heeren waren twee kleine, verschrompelde oude kereltjes, waarschijnlijk weinig gelijkende op hun beweerden stamvader, waarvan het geslachtswapen, niet het geschaakte St. Andrieskruis, boven de kantoordeur hing. Beide heeren droegen grauwe kamerjaponnen met blauwe sjerpen, over damasten onderkleeding; terwijl de kaplaarzen binnen \'s huis voor nette groene muiltjes waren verwisseld. In dit sombere vertrek, werd aan neefje Counelis het a. b. c. der koopmans kennis of het houden der dagelijksche boeken opgedragen, een taak
250
leerlingen véél door de vingers gezien. Van menigen daar uitsluitend opgevoeden knaap is clan ook weinig terecht gekomen. „Hij schopte eer en deugd, en zoo kwam deze kwant, op \'t holle zeepaard dat hem voort in \'t wanne land)quot;; gelijk meester Galavon te Naarden op een zoogenoemd exempel voor schoonschrift rijmde. Do Zaterdag was altijd een vreugde-dag voor Cornelis, die zich weinig aangetrokken gevoelde door den op school lieerschenden geest. Gaarne gaf hij er de Zondagstractatie aan van marsepein, een toen pas uitgekomen gebak van zoete en bittere amandelen, met gelei overgoten en met gekleurde suiker bestrooid. Hij vertrok dan doorgaans met de namiddagschuit naar Naarden en werd des Maandags morgens door zijn vader, die wekelijks in de stad „marktenquot; ging, in de fourgon teruggebracht. Na twee jaren waren de lauweren bij mesjeu Laurieu geoogst en Louwiesje kon niet nalaten te meesmuilen, als zij in den naar den laatsten smaak uitgedoschten „pronkepinkquot; gelijk zij hem noemde, die zijn gesprek met Fransche woorden sterk peperde, nauwlijks den een-voudigen, trouwhartigen Cornelis herkende. Zij vertrouwde echter, dat die edele zwier er maar losjes boven op zat, en wist wel dat de jongen geen veertien dagen in huis zou wezen, of het glinsterend vernis was weggesloten en de knaap onopgesmukt als vroeger. Mot den 1 Januari 1730 zou Goknelis op het kantoor van de neven Ploos van Amstel werkzaam worden en hij was dus nog te huis, toen drie maanden vroeger de lang verwachte slag viel en zijne lieve moeder stierf. Iliervoren is van dat overlijden gewag gemaakt, en de sombere dag der begrafenis liet onuitwischbare indrukken na in het hart van haar éénig kind. Toen de betrekkingen en vrienden waren vertrokken en ieder zijns weegs ging, zonderde vader zich af in zijn stil kantoor en daar smeekte hij van God berusting, troost en sterkte op zijn, zoo donker geworden levensweg. Ook de zoon zocht de eenzaamheid zijner kamer, knielde neder en bad vurig, veel inniger dan hij ooit de Fransche formuliergebeden op school had nagesproken, van den Schepper kracht om waardig te leven den braven vader, door God hein geschonken en steeds de gedachtenis in eere te houden der voortreffelijke vrouw, wier stoffelijk omhulsel heden aan de aarde was teruggegeven. Dat in stilte gedragen lijden en kalm sterven liet bij den zoon onvergetelijke indrukken na. Zoo ontluiken, gelijk gezegd is, in de voetstappen van den schijnbaar alles vernielenden doodsengel, lieflijke en reine gedachten, welke zijn macht tarten en
251
oon donkeren weg vaak maken lot een naar den hemel voerend pad van licht.quot;
Hij de neven Ploos zou Corneus in de geheimen van den koophandel worden ingewijd. Voor den knaap was dat een duister gebied, en eigenlijk ook eenigszins in letterlijken zin; want er was nog nooit een zonnestraal doorgedrongen in het vertrek of „comptoirquot; gelijk te lezen stond op een deur, aan het eind van een half duisteren gang in een lang niet vroolijk huis op de Keizersgracht te Amsterdam. Genoemd kantoor ontving schemerlicht van een binnenplaats door twee hooge, maar smalle vensters, waarvan, om het inkijken te beletten, de onderste ruiten met papier beplakt waren. Onder den grooten vierkanten lessenaar lag een mat op den bruin geschilderden vloer. Op dien lessenaar stonden twee zware looden inktkokers en lagen pennen, vouwbeenen, messen, scharen, lak, kloenen garen en touw; waartusschen een paar groote koperen kandelaars met lialf afgebrande vetkaarsen, zoogenoemde zessen. Aan de gekalkte muren hingen hier en daar planken-rekken, achter gordijnen van verkleurd groen saai, geheel ol\' gedeeltelijk gevuld met in perkament gebonden kantoorboeken. Daarnevens waren liassen te zien van grauw, bruin bestoven billetten en brieven, welke, evenals de recepten bij de apothekers, aan grijze slangen deden denken. Onder een dier rekken, stond een groote ijzeren geldkist, met landschappen en bloemen beschilderd en rustend op een fraai besneden houten voet. Vóoi de balie, welke het eigenlijke kantoor afsloot, lagen een aantal voorwerpen van onderscheiden aard, zooals pakken met verschillende soorten van ruwe en bewerkte wol, waarin de broeders grooten handel dreven, een paar kaplaarzen, een mandje, half gevuld met Gouwsche pijpen, enkele blikken trommels en zoo al meer. Om den lessenaar stonden vier hooge kantoorstoelen met matten zittingen, waarvan die het naast bij de vensters, voor de patroons bestemd waren. Die heeren waren twee kleine, verschrompelde oude kereltjes, waarschijnlijk weinig gelijkende op hun beweerden stamvader, waarvan het geslachtswapen, met het geschaakte St. Andrieskruis, boven de kantoordeur hing. Beide heeren droegen grauwe kamerjaponnen met blauwe sjerpen, over damasten onderkleeding; terwijl de kaplaarzen binnen \'s huis voor nette groene muiltjes waren verwisseld. In dit sombere vertrek, werd aan neefje Cohnelis het a. b. c. der koopinans kennis of het houden der dagelijksche boeken opgedragen, oen taak
252
door hem zoo goed mogelijk vervuld; doch dikwijls niet zonder groote inspanning om er zijne gedachten bij te bepalen en te waken, dat deze niet afdwaalden naar de dennenbosschen en geurige boekweitvelden achter lloeckenburch, of de malsche frissche weilanden in don Keverdijkschen polder achter De Stolp. De patroons, brave menschen, maar dor van hart, konden zulk een gemoedsstemming eenvoudig niet begrijpen, en moeilijk vatten, hoe iemand, oud of jong, verlangen kon, om behalve voor zaken, een voet te zetten builen Amsterdam, de stad der steden, waar alles te vinden was, wat een mensch hier op aarde gelukkig kon maken. Vroeger was echter alles nog beter geweest, want de neven waren echte „mijn tijdersquot; gelijk de oude heer Nagtolas hen nu en dan schertsend noemde.
Ruim vier jaren was Cornelis bij de heeren Ploos geweest, zonder echter veel smaak te kunnen vinden in het bedrijf dat hij gekozen had, daar hij zich het koopmansleven afwisselender en opwekkender iiad voorgesteld. Deze teleurstelling verhinderde echter niet, dat hij ijverig ploeterde in journalen, cognossementen, wissels, credietbrieven en zoo al meer en dat do patroons hem prezen als een vlugge en stoere werker en zeer mot „neefjequot; ingenomen waren. Hij bleef echter niet minder dan vroeger op school, altijd vurig verlangen naaiden Zaterdag, om dan tot Maandag naar Naarden te kunnen gaan, en vooral naar de veertiendaagsche zomervakantie, wanneer hij met zijn vriend Pauw Bonnet voetreisjes deed door Utrecht, Gelderland of Noord-Brabant, of met den boeier van de neven Ploos, die er zelf nooit gebruik van maakten, watertochtjes op liet Haarlemmermeer of de Zuiderzee. Gelijk dokter Duurkant voorspeld had, groeide Cornelis op tot een slanken, maar flinken jongen, met een innemende uitdrukking op het ietwat bleek gelaat. De blauwe oogen werden overwelfd door fijne wenkbrauwen en de vrij groote gebogen neus, het hooge voorhoofd en het loskrullende donker blonde haar, gaven aan den jonkman een aantrekkelijk voorkomen. Maar niet slechts in uiterlijk, doch ook in karakter waren hem veel goede gaven verleend. Hij was vlug van bevatting, verbonden met een helder versland en oen opnierkzainen blik om menschen en zaken le doorzien. Van zijne zachte en gevoelige moeder had hij de neiging geërfd om over de groote levensvragen na te denken en dat streven was niet weinig versterkt door zijne gedachlenwisselingen met Louwiesje en de lezingen in de boekenkamer. De gesprekken met zijn rijk
253
begaafden vriend Bonnet, waren ook meestal in die ricliting, al kwamen zij in opvatting der godsdienstige vraagstukken niet geheel overeen. Vader Nagtglas hoorde de besprekingen der jongelieden wel eens hoofdschuddend aan, onder opmerking hoe het gelukkig was, dat zijn zoon geen predikant was geworden, daar hij waarschijnlijk wegens libertijnsche gevoelens spoedig uit de Kerk zou zijn gebannen. Door zeldzame vlijt en geregelde tijdsverdeeling, waardoor geen oogen-blik verloren ging, verzamelde Cornelis zich zóóveel algemoene kennis, dat zijn genoemde vriend, hoewei zijne levensbeschouwingen, gelijk wij gezegd hebben, niet altijd deelende, hoog togen hem opzag en een schoone toekomst voorspelde. Een beletsel voor die ontwikkeling van den jongeling, was de gezondheid, welke soms te wenschen overliet en waarvoor het zittend kantoor leven minder heilzaam scheen te wezen. Wellicht zou hij van die loopbaan hebben moeten afzien, indien niet een samenloop van omstandigheden aanleiding had gegeven tot eene zeereis, wat, naar do meening der genoesheeren, een krachtig versterkingsmiddel worden kon. De patroons hadden namelijk besloten om lum handel in Spaansche wol uit te breiden en daarom werd overeengekomen dal Cornelis eenigen tijd naar Bilbao de stapelplaats van dien handel, zou gaan om zich op de hoogte te stellen en den correspondent aldaar Don Antonio Panto persoonlijk te loeren kennen.
Vóór zijn vertrek bracht de jongman nog een week Ie Naardon door, waar Louwiesje de uitrusting in orde maakte. Op oen stillen voorjaarsavond vinden wij vader, zoon en huishoudster in de ons bekende achterkamer, welke echter in den loop der jaren allengs een ander aanzien hooft gekregen, gelijk uil do nog bestaande inventarissen o]) te maken is. De vroeger gekalkte muren boven de lambrisering zijn nu bespijkerd met donker bruin geschilderd leer, waarop tusschen breede grijze lijsten, roode, goeie en groene bloemtakken elkander in schuinscho richting afwisselden. Do kasten hadden plaats gemaakt voor een noten-houten kabinet en een bureau van donker mahoniehout, \'I welk nog gedurende eenigo geslachten in de familie is gebleven. De vloer was gedekt door fijn gevlochten matton en onder een vierkante tafel van suiker-kistonhout, deslijds zoor gezocht, lag een kleurig karpet. De stevige stoelen waren overtrokken mot groen trijp; terwijl de schilderijen van voorheen plaats hadden gemaakt voor zoogenoemde Engelsche prenlen, jachttafreelen voor-stollende, in smalle vergulden lijsten. Een staand klokje ol horloge
254
ook al uit Engeland afkomstig, sloeg vijf uur. Louwiesje zat aan de tafel voor oen bruin houten blad, waarop kopjes en schoteltjes van fijn porcelein stonden, een glazen melkkan, een trekpot, pas met Ihoe gevuld en een klein rood Oost-Indisch schenkpotje met getrokken saffraan, toen behoorende bij het theegebruik. Vader, die heel wat ouder voorkomen had, dan toen wij hem met neef Duurkant, op een wereldburger wachtende, aan den haard zagen zitten, leek nu een bejaard man, hoewel hij pas even vijftig jaren telde. Hij was in gesprek met zijn zoon over de aanstaande reis en ofschoon uiterlijk zeer kalm, kon de huishoudster, die haar meester door en door kende, best merken, dat diens zenuwen bewogen waren en het hart onrustig klopte. Met zekeren haast schcon hij den korten, nog overigen tijd te willen bezigen om zijn zoon de ons bekende familie-overleveringen mede te deelen. Ook van eigen ondervinding kon hij op dat gebied gewagen, zooals van den zonderlingen droom vóór de komst van Louwiesje welke hem nog altijd helder voor den geest stond. In een der laden van een, op \'s vaders slaapkamer staand kabinet, werden onderscheiden documenten bewaard, door vader schertsend zijne „schattenquot; genoemd. In die laden lagen oude brieven, lang, hooi lang geleden, met een kloppend hart geschreven of verwacht en welke, hoewel door den tijd geel geworden en verbleekt, toch nog altijd met een bevende hand werden aangevat, met trillende lippen en met tranen in de oogen gelezen en herlezen; want zij bezaten het vermogen om het sluimerend verleden in heldere kleuren voor den geest te tooveren; een pakje, dat nu editor zwijgend ter zijde werd gelogd. Een groote spanen doos bevatte verschillende voorwerpen, nog afkomstig van grootvader en diens ouders. Daarin lag een gouden fluitje, dat Jacob Sijmens (de Rijk) van een Engelsch Admiraal had gekregen en door zijn Vaandrig in den geuzentijd was gebruikt; evenals een paar zilveren halve-maantjes met de spreuk: „Liever Turks clan Paussquot;. In die lade werd ook bewaard het eenvoudige zakmes en vork van den voorzaat, in ditzelfde huis door de Spanjaarden vermoord; de gildepenning, in 1619 door de weduwe van Abraham Nachtglas aan zijn patroon afgestaan; de perkamenten brief van 20 October 1031, waarbij Gerrit Corneliszoon (Nagtglas), tegen zestig Garolijnen voor hem en zijne successeuren, koopt Poorterschap van Naarclen en volle veldslagen en gebruik der heiden en weiden van Gooiland; een zakboekje, afkomstig van oom Evert den zee-kapitein; alsmede een zilveren truffelIje aan
255
oon groen zijden lint, mede uit diens nalatenschap, doch waarvan vader de beteekenis niet kende, maar dat in verband scheen te staan met een geheim genootschap in het buitenland. In oon afzonderlijk doosje lagen drie der reeds besproken familieringen. „Deze, mijn jongen, door oom Evert altijd gedragen, zeide de oude lieer, „heb ik voor U bestemd en ik hoop dat bevestigd mag worden, wat do beste tante Geerte, naar ik hoorde, placht te zeggen, dat deze ringen aan den drager geluk brengen.quot; De brave man schoof, dit zeggende, hot eenvoudige sieraad aan den vinger van zijn zoon, dio heel goed voelde, hoe \'s vaders hand trilde. Onder die familie-verhalen vloog de tijd voorbij en de oude hooi\' was nog druk aan het vertellen, toen de gangklok met ratelenden slag tien uren sloeg. Te bed zijnde, lag Cornelis nog lang te peinzen over al het gehoorde en de eigenaardigheden van zijn familieleven. Het was dus niet te verwonderen, dat vreemde droomen zijn geest kluisterden. Half sluimerend, zag hij de volle maan langzaam rijzen boven de boonion in den tuin on merkte hoe haar zilverlicht, na \'t binnenvloeien, beweeglijke figuren toekende op de witte kalkmuren der kamer. Uil die zonderlinge schaduwen ontwikkelde zich langzamerhand de nevelige, als doorzichtige gestalte van het ouderwotsche meisje, in do familie als liet spookvrouwtje bekend, en waarover den vorigon avond niet weinig gesproken was. Zij zag don jongeling vriendelijk aan en wees hem op een landschap, \'t welk zich uit oen mistwolk schoen te ontwikkelen. ITij ontwaarde glooiende heuvels met talrijke kudden schapen en daarvoor uitgestrekte akkers met golvend graan, waartusschen een heldere stroom glinsterde. Over die smalle beek, lag een oude gekantelde boogbrug en daarachter, op een zacht naar boven rijzonden grond, een grauw kasteel met torens en transen. Nauwlijks had Cornelis dit bekoorlijk landschap gezien, of de kleuren begonnen Ie verbleeken en na een oogenblik was alles verdwenen. Hij was nog onder den indruk van het als weggesmolten visioen, toen hij door kloppen op de kamerdeur werd gewekt en de stem van Louwiesje hem vertellen kwam, dat het tijd was om op te staan, daar vader klokke half acht den wagen had besteld om naar Amsterdam te rijden.
250
Do twocmasthookor „Goede Verwachtingquot; van Amsterdam schommelde op de baren der Noordzee, kabbelend, schuimenden glinsterend in den zonneschijn, onder den invloed van een frissche bries, welke fok, gaffel en bramzeil volblies en do kleurige vlag vroolijk wapperen deed. Een vloot van oud-Hollandsche pinken en Zeeuwsche hoog aarsen, met witte, grauwe en bruine zeilen, verlevendigde hot wiegelend waterveld, door tie wolkschaduwen een eindelooze wisseling ver-toonende van tinten en kleuren. Hier en daar dobberde oen Noorscho houthaalder, mot groven romp, breeden boeg en reusachtig razeil; een vaartuig, \'1 welk denken deed aan een logge, waggelende gans, vergeleken met een paar adviesjachten, die scherp van snob en breed van vlucht, als meeuwen over het water streken. Corneus, die met den schipper of kapitein, zooals do oude zeerob, die misschien reeds een halve eeuw lang, do lucht der zoute zee ingesnoven had, zich gaarne hoorde noemen, op hot achterdek stond, zag met beklemd gemoed, hoe de vadorlandsche kuststreek en do grauwe duinen in het verschiet wegnevelden, en luisterde dus maar half, als de gezagvoerder hom vertelde, hoe hij Spanje oven goed kende als ons eigen land on in Bilbao zoo goed tehuis was, als in do zeemans-buurton te Amsterdam en te Rotterdam. De oude zeeman staakte echter zijn verhalen om meer to letten op de loodgrauwe wolkon, welke zich allengs meer en dichter schoven om het blauwe uitspansel. Onze jonge reiziger verlangde oenigszins om do zee in flinke beweging t\'j zien, al was het door een gereefde marszeilskoelte, waarvan de schipper gesproken had; maar hij wist ook, hoe stormweer in de Noordzee do schrik van iedoron zeeman is. Togen zonsondergang barstten de lang dreigende buien los en kleurde don waterspiegel met tinton van zilverwit tot donkerpaars; terwijl korte, steeds heviger windstooten de golven krullen en schuimen en het schip trillen deden. Spoedig gevoelde do jongeling, dat hier geheel andere baron liepen als op het Haarlemmermeer of op het IJ ; waarmede hij met don boeier wol ,00ns geworsteld had. De hoeker begon steeds moor te slingeren en te stampen, en de oeno schuimende golf na do andere, rolde donderend mot hot voor don wind wegloopende vaartuig moe en soms plofte met gewold zulk een stortzee op het dok, rukte water-
vaten en andere voorwerpen los en spoelde die mcl schrikbarend gekraak over boord. Met de duisternis werd bet gezicht angstwekkend, daar de maan tnsschen vliegende wolken door, een onheilspellend rood schijnsel wierp op de kokende watermassa, bruisend en schuimend been en weer zwalpende. Onderwijl ratelde de donder in do laag hangende wolken, doch was nauwlijks te hooien dooi- het geweld van wind en baren, maar kenbaar aan liet verblindend schijnsel van bleeke, blauwe bliksemflitsen.
Cornelis was zoo lang mogelijk op dek gebleven, in bewondering ovor bet onvergelijkelijke schouwspel en doelende in den strijd van het scheepje met do razende baren. Op raad van den schipper en wegens bet gevaar om weggeslagen te worden, dook hij eindelijk neer in do boclompte kajuit, schemerend verlicht door een slingerenden lantaarn, en waar alles zóó geweldig kraakte en hoog, dat hij het er stellig voorhield, dat do hoeker spoedig in de dioplo zou verzinken. Hot leven scheen hem in dit vreeswekkend oogenblik bijzonder vriendelijk loe te lachen en hij vond het een verschrikkelijk denkbeeld, bet zoo vroeg te moeten verliezen. Gelijk gezegd is, nam do godsdienst altijd een groote plaats in, in hot gemoed van don gevoeligen jongeling. Hij wierp zich op do knieën en smeekte God, altijd do rots van zijn ziel, om uitredding uit dit dreigend gevaar. Daarna strekte hij zich op een bank uit en ofschoon golven en wind oorverdoovend raasden en loeiden, schijnt hij toch ingeslapen te zijn. want sluimerend ontwaarde hij duidelijk het oudenvetsche meisje, dat hem onlangs te Naarden verschenen was. Hij gevoelde, als het ware, haar tegenwoordigheid en er kwam een gevoel van veiligheid en kalmte in zijn gemoed. De fijne, schier dooizichtige gestalte stond vóór hem en fluisterde; „Wees gerust! Het gevaar zal voorbijgaan.quot; Toen vloeide het beeld weg en hij vernam niets meer dan liet kraken van het, met de golven worstelende vaartuig. Doch spoedig viel bij in slaap en toen hij wakker word, scheen het daglicht in de kajuit en zag hij weder iemand voor de slaapbank staan, doch nu do oude schipper, die hom was komen opkloppen, met de blijde boodschap dat de storm aan het bedaren was. Do bejaarde zeerob voegde er bij dat hij maar zelden zulk weer had bijgewoond en dat do hoeker, door Gods goedheid, ter nauwernood „door do mazen was gekropen.quot; Toon Cornelis op hot dek kwam, zag hij hoe er in de nog grauwe, lucht langzamerhand blauwe plokkon kwamen, waardoor flauwe zonnestralen kleurige tinten on schaduwen wierpen op de
De Gouden Draad. 17
258
nog\' onsluimigo golven on do matrozen boschomvdon hot als oen goocl voortoeken, toon er aan hot nitspansot een sclioone regenl\'-oog aanving to pralen. Na een paar dagen worstelen met togomvind en nadat do krijlborgon van Engeland, helder afslokende tegen do nn blauwe lucht aan do westorkim, waren verdwenen, klonk de kreet van den uitkijk in de voormast „Land vooruit! oen roep, ieder aan boord als doortintelend en welke ieder hart sneller kloppen doet.
Op do roede van Bilbao golfden nog do waterbergen uit don Atlan-tischen oceaan, maar hoewel er veel schepen lagen, welke er een sclnhl-plaals voor hot noodweer hadden gezocht, kon do hoeker oen goede ankerplaats vinden. Toen don volgenden morgen Cornelis de zon zag rijzon boven de borgen, was hij verrukt door het treffende schouwspel. Op don voorgrond ontwaarde men do zee, waarvtm de reuzengolven mot donderend gewold wogplasten op hot strand, als omgeven door oen rand van bruisend zilver. Daar achter, togen do helling der bergen, verhief zich do stad aan den broeden havenmond. Lange rijen witte huizen, mot platte daken, flikkordou in don zonneschijn en daarboven vorhievon zich grootscho, sombere kerken en oude donkere kloostergebouwen. Hier on daar was het lommer zichtbaar van beplante pleinen on achter do stad roos oen veelkleurig gebergte, waarvan de bochtige rosroode toppen schol uitkwamen togen do heldere azuren lucht. Nadat de hoeker do Hollandscho driekleur oen halt uurtje had lal en waaien, kwam oen stevige zoilschuit aangieren, welke den correspondent des ITeoren lYoos aan boord bracht. Don Antonio Fanto was oen man van korte gestalte, donker van uitzicht, zwart van oogon en baard, en in hoogo mate hoffolijk on beleefd; doch niet zonder zekere Spaansche fierheid, welke, gelijk CIornklis later merkte, wel eens tol lichlgoraaklheid en opvliegendheid aanleiding gaf. Daar do jonge Hollander op zijn kantoor werkzaam zou worden, hield Don Antonio niet op, of hij moest beginnen in zijne woning intrek te nemen. Zij voeren dus naar de stad, waar het aan Cohnklis bij de aankomst op de drukke kade look, alsof hij in oone andere wereld was getooverd. Schilderachtig schoon was de ligging der rijke en bloeiende hoofdstad van Biscayo. Om de voorname buurten te bereiken, voorde de weg van do kaai door slingerende en steil stijgende stegen, soms zóó eng dat, gelijk Don Antonio opmerkte, een verliefd paar overburen elkander uil de venstors een zoen konden geven. Daarna kwam zij over een tookenachtige oude brug, welke oen snelstroomond riviertje overspande, in oen laan van cactussen.
259
olofinders on andtrc, voor Counrus vreemde gewassen, mei woiulerlijke gevormde, nu dik bestoven bladeren. In de aanzienlijke wijken zagen zij ruime winkelhuizen en magazijnen en in do voornaamste buurten plompe, op kaslcelen gelijkende gebouwen, waarvoor rousaclilige steenen wapenschilden boven de toegangspoort van het aanzien der bewoners moesten getuigen. Enkele der meorendeels slecht geplaveide stralen waren met plalle, vierkante steenen bevloerd, waarover nu ook geen zware voertuigen mochten rijden, maar alleen lichle carossen en chaisen, zijnde de laatste niet veel anders dan kleine, door muilezels getrokken karren. De correspondent woonde in een der buitenwijken, aan een sierlijk aangelegde wandelplaats, waardoor hot genoemde riviertje kronkelde en waarin perken waren aangelegd, vol rozen, zóó geurig en groot als Cornelis ooit gezien had en welke frisch en stofvrij werden gehouden, door hier en daar in kommen en tusschen rots-brokken aangebrachte fonteinen. IToewol onze jonge reiziger zich ijverig in hot Spaansch had geoefend, werd hel gesprek in do eerste dagen in hol Fransch gevoerd; doch na een week kon hij de statige en welluidende landstaal voldoende verslaan, en behoefde hij slechts nu on dan hulp te vragen, waarop altijd hot vriendelijk antwoord volgde: „a la dispocion do usledquot;. Hel gezin van don welgestelden koopman bestond uit zijne echtgonooto en twee nog jonge kinderen. Mevrouw was een dame van afgemeten vormen en met een schrikwekkend langen naam. Zij was niet groot van gestalte, had gitzwarte oogon en oen bruine matte gelaatskleur, waartegen de dikke, glanzende, donkere lokkon scherp uitkwamen. Op straal kon men van dat uiterlijk weinig ontwaren, daar gelaat en vormen gehuld waren in een dichten, gazon sluier. Streng kerkelijk, sprak zij reeds spoedig haar innig medelijden nit met haar jongen huisgenoot, die, als hij keiler bleef, de eeuwige verdoemenis niet zou kunnen ontgaan. Er verliep oen geruime lijd oer Cohnelis zich voegen kon naar het huiselijk leven, en menigmalon dacht hij, hoe de kraak-zindelijke Louwiesje hier dagelijks, ook in letlerlijkon zin, slof lol ergernis zou vinden, en zeker kippenvel zon hebben gekregen als zij Donna Fhanciesca, tusschen dik bestoven meubelen, sigaretten had zien rooken, oven lustig, als de ruwste doorn uil Gooiland haar pijpje „loebakquot; lurkte. Dit was een voorname bezigheid van do dame, die hoewel uit een deftig geslacht, nauwlijks kon lozen en schrijven; want aan do opvoeding der meisjes werd in Spanje loon niets gedaan, en op de kloosterscholen leerden zij
200
slechts gobedon prevelen en verdere kerkelijke plichten. Om 12 uur was mevrouw ecliler gekleed en regelde het middagmaal, waaraan CoiiNEus zich niet spoedig wennen kon, daar de meeste gerechten met olie, uien of knoflook toebereid, hem weinig smaakten en de ingezouten steurkuit of caviaar, voor een groote lekkernij gehouden, zijn Ilollandsch verhemelte aandeed, alsof hot met groene zeep bestreken word. Na het middagmaal kwam voor allen de siesta, waarbij door arm en rijk het werk werd gestaakt en de drukke stad als uitgestorven scheen ; doch een uur later ging Cohnelis weder met zijn patroon naar het kantoor op de allengs weder woelig wordende haven. Soms liep Don Antonio in het voorbijgaan een kerk binnen; meerendeels prachtige gebouwen, rijk getooid mot kostbare altaren, marmeren beelden, goud en zilver vaatwerk; fraaie lampen, gebeeldhouwde biechtstoelen, koorbanken en andere sieraden. Daar vond men monniken en nonnen van velerlei soort, grauwe, bruine, zwarte, witte, sommige van voren, andere van achteren gekruisd. Don Antonio schold die geestelijken voor een (roep lompe lediggangers, zich vetmestende met bet zweet en het bloed dos volks; welke verzekering niet verhinderde, dat hij diep boog en eerbiedig den hoed lichtte, wanneer hij een dier luibuiken tegenkwam. Vooral in de kerkportalen waren scharen bedelaars, sommige kruisbeelden dragende, welke de voorbijgangers tegen een aalmoes mochten kussen. Aan de hoeken der meeste straten hingen leelijke, wonderlijk toegeiakelde poppen, waarvoor locji doorgaans eenige vrouwen geknield lagen, met kwijnende, blikken opziende naar het overoude bruine beeld. Soms waren het groepen om uil te schilderen; de mooie vrouwen, veelkleurig getooid in donker gekleurde zijdon rokken met gekleurde franje, waartegen een licht, kleurig lijfje helder uitkwam. Het hoofd was schier geheel omsluierd door oen zwarte mantille, de kousen van roode stof en de nette voetjes staken in fluweelen pantoffels. Somwijlen lagen naast die vrouwen geknield, echtgonooten of broeders, gewoonlijk korte maar stevig gebouwde mannen van donkeruiterlijk, omhangen met een zwarten mantel en don groeten driekantigen hoed nevens zich op den grond. Als op straat oen in het rood gekleede knaap, een kruisbeeld dragende, door schellen den priester aankondigde, die in wit koorhemd met paarscben stool gekleed, in een om den hals gehangen tasclije van blauw fluweel met goud geborduurd, de Heilige Hostie met haastigen, maar doltigen tred naar een stervende bracht, zou niemand
261
liet gewaagd hebben om te blijven staan, maar bogen man en vrouw, jong en oud, rijk of arm eerbiedig de knie. Het kantoor werd in den regel gesloten ais bet vesperklokje der Hoofdkerk begon te luiden. Na een korte tusscbenpoos volgden dan al de klokken der stad en een tijdlang was de luebt, als bet ware vol van lieflijke harmonische klanken. Op den weg naar het kantoor lag een ruim plein, ingericht voor stierengevechten en vermoedelijk een kampplaats uit overoude tijden, want de hooge muren waren overal afgebrokkeld en do steciiquot;U zitplaatsen gescheurd, verweerd en geschonden. Slechts ééns geduromu; zijn verblijf in Spanje, was Coiineus in de gelegenheid zulk een schouwspel bij te wonen; hetwelk met groote pracht en onder voorzitting-der hoogste magistraats-personen vertoond werd. Tot groote verbazing der familie Fanto ging de Hollander verontwaardigd heen, nog vóór did do matador zijn stootdegen gebruikt had. Pe buis gekomen, kon zi jn gastheer nauwlijks begrijpen, lioe hij die zoogenoemde uitspanning, een afgrijselijke onnuttige dierenmarteling noemde en naar zijne meening, do dames beier deden zich in lezen en sclnijven te oefenen, dan naar zulke bloedige vertooningen te kijken. Niemand van het gezin kon bogrijpon, lioe liij een stier, die zich in weerwil der prikkelingen der banderilloros niet tot vechten wilde laten bewegen, nog den verstandigste der aanwezigen noemde. Des avonds bleef de familie doorgaans huiselijk samen en werd er muziek gemaakt of kaart gespeeld, gewoonlijk een ingewikkeld spel „el hombrequot; genaamd. De winst werd door de vrouw des hnizos aan haren biechtvader ter hand gesteld, om daarvoor missen te doen lezen, en arme zielen uit het vagevuur te verlossen. Wanneer er gasten waren, werd er ook gedanst en zag onze jonkman de bevallige bolero en de luslige fandango uitvoeren, met begeleiding van zang, guitaarspel en „klepperboutjesquot;, gelijk Louwiesje later de medegebrachte castagnetten noemde. Het onderhoud had meestal weinig te beteekenen en met dames werd slechts over beuzelingen gesproken.
Op kantoor was het druk en werden belangrijke zaken gedaan. Do fijne, zijde-achtige wol der merinos of dwalende schapen was wereldberoemd en in sommige streken van bet land woonden eigenaars van fabelachtig talrijke kudden. De handel werd echter op dit Spaanscbe kantoor geheel anders opgevat, dan op het kantoor der firma in I iolland, en de ouderwetsche hoeren Ploos zouden zich vaak geslooten hebben, hoe hier dikwijls werd toegepast, dat het doel de middelen heiligt. Voor ontwikkeling van kennis, karakter en vorstand, scheen in deze
262
bloeiende en volkrijke stad weinig of niets gedaan te worden en er was slechts een nog zeer schraal voorzien boekwinkeltje, waarop de geestelijkheid streng toezag.
Onder de handelsagenten, die het kantoor dagelijks bezochten, was een der voornaamste Don Peduo Guzman, een zeer beleefd en beschaafd kereltje. Ui) kwam daar als zaakgelastigde van den Hertog de Solar, een der weinige grandes van Spanje, die liet privilegie had, om in tegenwoordigheid des Konings den hoed te mogen ophouden en door den Vorst als „neefquot; werd toegesproken. Deze aanzienlijke edelman was schatrijk en werd gerekend wel vijftig duizend schapen te bezitten. Op zekeren morgen richtte zich de agent met bijzondere reverentie tol Gohnelis. Hij was namelijk hij genoemden Hertog geweest en had toevallig den naam genoemd van den jongen Hollander, die bij zijne vrienden Fanto vertoefde. De Hertog was terstond opmerkzaam geworden, had naar véél gevraagd, dat Don Peduo niet kon beantwoorden en had hem bij het vertrek opgedragen, om aan den Hollandschen heer mee te deelen, dat de I lertog vereerd zou wezen hem persoonlijk te leeren kennen, en het hem aangenaam zou zijn, als de agent den vreemdeling op het Kasteel kwam voorstellen. De patroon keek, evenals zijn vriend, vreemd op over deze uitnoodiging, waarin in een land als Spanje, met scherp gescheiden standen, hooge waarde word gehecht en Corneus zou vermoedelijk niet minder verrast zijn geweest, indien zijn vader hem kort voor zijn vertrek, niet iets van die familiebetrekkingen had vei leid. O]) het nog bewaard schutblad van den ouden folio-bijbel, was daarover echter niets aangeteekend; want zoowel door Gereformeerden als Roomschen werden de afvalligen der Kerkleer als apostaten beschouwd, onwaardig om in de registers der familie te worden opgenomen. Niet lang daarna kwam Don Pedro mededeelcn, dat de Hertog hen deze week zou afwachten en Corneus stelde zich véél genoegen voor om op zulk een ongezochte wijs een deel van het land te zien. Don Peduo had een rijtuig gehuurd, dat een fourgon werd genoemd, maar niet veel meer was dan een lompe, smakelooze kar, door twee muilezels getrokken. Het was nog vroeg in den morgen, toen zij op reis gingen om de ruwe dorre bergstreek, welke zij moesten doorrijden, vóór de lieete uren achter den rug te hebben. Gaandeweg kregen de reizigers tusschen hooge, donkere rotsen door, verrukkelijke uitzichten op uitgestrekte valleien, als bezaaid met dorpen, afgewisseld door hossellen
263
van eiken en olijven en onafzienbare korenvelden, vruchtbaar gehouden door een smal riviertje, nu eens kalm vlietende langs bloenirijko oevers, dan weder bruisend-klotsend over rotsblokken en hier en daar zóó ondiep, dat men er van steen op steen stappend, droogvoets over heen kon gaan. Af en toe zagen zij langs den weg een kruis staan als een blijk, dat hier iemand op een ongelukkige wijs omgekomen was en soms op een zoogeiioenulen bidheuvel drie kuisen, ter gedachtenis aan Golgotha; waarvan vooral het Christusbeeld smakeloos met schelle kleuren beschilderd was en een krans van meestal verwelkte bloemeu op het hoofd droeg. Dan volgde gewoonlijk spoedig een armoedig vervallen dorp met een middeleeuwsch voorkomen en waarvan do bewoners uitliepen om naar liet voertuig te kijken, dat met oorverscheurend piepen en knarsen over den ongelijken weg hotste. In de vento of herberg, werd in het voorbijgaan een of ander genuttigd, wat Don Peuho zeer smakelijk roemde, vooral een gerecht van uitgebraden spek met geroosterd brood, knoflook en roode peper; alsmede eene zonderlinge groente, met olijfolie toebereid. Cornelis vond dit poespas zóó walgelijk machtig, dat hij er maar weinig van gebruiken kon. Ook de wijn, ofschoon vurig en koppig „monddequot; hem, gelijk bij naar huis schreef, heel weinig, door den vunzigen smaak er aan medegedeeld door de zakken van bokkenvel, waarin hij wordt vervoerd en de met schapenvel gedekte potten voor bewaring bestemd. De vruchten, vooral de oranje-appelen, waren echter overheerlijk van smaak. De avond begon reeds te vallen, toen het stadje werd bereikt, voor nachtverblijf bestemd en door Don Peoko als een aardsch paradijs afgeschilderd. Reeds in de verte zagen zij gevels en daken glanzen in bet door avondgoud doorvloeide westen. Een gewelfde, kromme, donkere poort door vervallen bolwerken, voerde naar een sterkstijgende straat, waarin enkele sombere, oude kloostergebouwen stonden, naar een ruim, met lommerrijke lindeboomen beplantmarkt plein; waaraan een paar kerken, het raadhuis en de aanzienlijkste woningen. Vele dier woningen waren van hout op steenen onderbouw en plompe gevels met ver over de straat stekende bovenverdiepingen en zware luifels. Op het plein waar, gelijk schier overal in Spanje gebruikelijk is, het gras welig tusschen de ongelijke keien opschoot, drentelden enkele wandelaars op en neer, en voor een oud bouwvallig armhuis, zaten op steenen banken, zwart van ouderdom, grijsaards en besjes een verkwikkend avondluchtje te scheppen. Van do vroolijkheid op dit plein.
264
waarvan Don Pedro hoog had opgegeven, on van mnziek en dansende paren, was althans dien avond weinig te nierkeu; vermoedelijk ook omdat, wat in Spanje rneer gebeurt, een koude wind was opgestoken. In de, met roode plavuizen bevloerde gelagkamer der possado: liet gulden Vlies, werd hot zóó kil, dat Don Pkdho een brassero brengen liet, zijnde een groote koperen bak, vol gloeiende houtskolen; een verwarmingstoestel, waarbij men van voren verzengde en van achteren verkleumde en bij dat genot nog, op den koop toe, lioofdpijn kreeg van den giftigen walm. De goede Don Pedro, die oen merkwaardig radde tong had en een zeldzame verbeeldingski acht, had dien dag, onder het roeken van ontelbare sigaretten, alles in zijn vaderland hemelhoog geprezen en dit Gulden Vlies geroemd als de voortreffelijkste aller heibergen; eenc ineoning waarop, naar Cornelis oordeelde, wel iets viel af te dingen. De vertrekken waren, zonder uitzondering, bedompt en donker, ongezellig, vuil en bevloerd met grauwe, meorendoels gebarsten plavuizen. Een duistere smalle bij iedere schrede krakende trap, voerde naar oen somberen bovengang, waar, in iederen hoek, geslachten van spinnen de voorvaderlijke netton bewoonden. Op die galerij kwamen een aantal kale vertrokken uit, met holle bedsteden, half vermolmde slaapbanken en lang niet zindelijke matrassen en dekens. Het duurde goruimen tijd oor Cornelis in dien vunzigen boel, den slaap vatten kon en hij hoorde nog, hoe do nachtwacht het middernachtelijk uur aankondigde, met de in Spanje gebruikelijke bijvoeging; Ave, Maria purissima! Ook had hij liggen luisteren naar een fraaie tenorstem, welke door een guitaar begeleid, heldor over hot stille plein klonk en waarmede waarschijnlijk oen minnaar zijne uitverkorene eene serenade bracht. Eindelijk kwam de slaap toch en de jongeling ontwaakte pas door de zonnestralen, ongestoord in do kamer vallende. Uit hot venster ziende, was hij verrukt door het landschap, \'t welk zich in het bekoorlijk licht der morgenzon, voor zijn blik uitstrekte. Over de schilderachtig vervallen stadsbolwerken, zag men in een lieflijk dal, waar golvende graanvelden en bosschen afwisselden met frisscho weiden, doorkronkeld, van een heldoren stroom en ids gevat in oen, nu wazig purperkleurige lijst van rotsen en bergen. Onwillekeurig herhaalde hij hot Spaansche spreekwoord, gisteren door Don Pedro menigmalen uitgesproken „De inoiischen bouwden de steden; maar God schiep de natuur.quot;
De tlerlog de Soi.ar had aan Don Pedro medegedeeld, dat hij do
265
reizigers in deze stad zou doen afhalen, en nog was de zon niet. hoog boven de hergen, of de rust op het stille plein werd gestoord door do rinkelende hollen van zes muilezels in lang span, „tiros largosquot; zooals do horhergier zoido, voor een zwaar rijtuig. Die koets was een wonderlijk gevaarte; smakeloos lomp en met snijwerk, kleuren en verguldsel overladen. De holle zoldering prijkte met een groote Hertogskroon en op de witte portieren glansdon bontgekleurde blazoenen. Deze karos look ochtor nog moor dan zij was, want op de keper en met Ilollandsche oogon beschouwd, droog liet gehéél don stompol van ouderdom, vorwaarloozing on verval. Don Pedro schoon zoor vereerd zich te mogen neerzetten op het stollig zilverlaken van het rijtuig van oen der grandos van Spanje, die door don Koning als verwant werd toegesproken en ridder der Vliesorde was. Gonmus, opgevoed in Republikeinsche begrippen, gevoelde niets van die eerbiedige gewaarwording, want in zijn oogon was een Burgemeester van het machtig Amsterdam, een heel wat deftiger personage, dan de hoogste buiten-landsche edelman, en hij ergerde Don Pedro niet weinig door te vragen, of de Vliesorde ook soms met de schapen-negotie in verband stond. Slechts krakend en langzaam, kwam het logge, zware voertuig in beweging, en na wat rihhestooten over do ongelijke keien, geraakten do reizigers buiten de stad en op een vrij goeden zandweg door een bokooiiijko streek van korenakkers en wijnbergen. Wat vorder word het eenzaam, on do kleine boerderijen met huisjes, niet voel moor dan hutten, zeldzamer. Gaandeweg kwam men in oen uitgestrekte heiwoestijn, waarvan de mooie kleuren van purper en paarsch, doorslingerd van geelo, mulle zandsporen, hot oog aangenaam aandeden, en waarop witwolligo schaapskudden op de heuvels en in de verte zichlbaar waren. Do dorpen, gewoonlijk omgeven door schoon boomgewas van eiken, populieren, olijven en kastanjes, lagen tusschen akkers, beplant met komkommers, meloenen en ajuin. Do huizen, vervallen, vuil ou kleurloos, waren meestal voorzien van getraliede venstors en versterkte deuren, wat niet voorde veiligheid en vieedzaamheid pleitte. Aan de waschplaats buiten ieder dorp, omstreeks een groote steenen put gelogen, was het doorgaans levendig door snappende, zingende en lachende vrouwen, met schreiende, kibbelende, juichende kinderen, blaffende, magere honden en kakelende kippen. Bij do meeste dorpen vond men één, soms meer kloosters, zware sombere gebouwen met kapellen, stallen, bottolarijon, keukens en kelders; alles verscholen achter
200
hoogo muren, met enkele stevig getraliede openingen. Aan kerken en bidplaatsen ontbrak het op den weg niet. Enkele bezochten zij; liet waren oude gebouwen, karig verlicht door hooge, smalle boogvensters en waarbinnen de grauwe wanden bedekt waren door oude, soms half vermolmde wapenborden, wier vroegere eigenaars rustplaatsen hadden gevonden onder de rijkversierde grafzerken, waarmede het gebouw bevloerd was. Tussc.hen de schilderijen aan de muren, meestal sombere talereelen uit het leven dei\' martelaren, aan wie do Kerk was gewijd, vond men doorgaans ook een voorstelling van de plaats der verdoemenis, vol arme zielen, door afgrijselijke, slangachtige monsters gefolterd. Na een uur of drie te hebben gereden, kwamen de reizigers in een scliilder-aclitige heuvelstreek, waar een heldere stroom hier en daar overspannen word door overoude, met klimop begroeide boogbruggen. Bij een dier bruggen verhieven zicli, op een daarachter stijgende hoogte, de grauwe muren van een kasteel, met spitsdaken, ronde gekantelde torens^ door driekantige, vergulde, nu in de zou flikkerende windvanen gekroond. Langs een zacht glooienden weg kwam de karos op een plein, door een reusachtigen lindeboom schier geheel overschaduwd. De zijkanten van dit voorhof waren aan beide zijden bezet met koetshuizen, stallen, hekken en ander getimmerte. Üe achterzijde van het plein werd geheel ingenomen door den voorgevel van het slot, waarin slechts enkele, door ijzeren spijlen verzekerde, smalle vensters. De zware deuren der hooge rondboogpoort stonden open en daarboven prijkte een uit hardsteen gehouwen, reusachtig wapenschild. Cohneus kreeg dit huis en omstreken ziende, een gewaarwording alsof hij dit alles meer had aanschouwd en het hem uit een droom bijlag. Hij kreeg echter geen tijd om er lang over na te denken, daar zich voor de poort drie deftige bedienden vertoonden, waarvan één in zwart fluweel en de beide anderen in een ouderwetscho, geele livrei, mei het familiewapen 021 kraag en knoopen. De in het zwart gekleede majordomo of hofmeester, ontving in naam van den Hertog de gasten met statige buigingen en geleidde hen naar het hoog gewolfd voorhuis, rijk versierd met snijwerk en waarvan de balksleutels met familiewapens prijkten. In de wanden waren marmeren gedenktafels bevestigd, waar in gulden letters de namen en daden van roemruchtige voorouders waren vermeld. Over den ingang hing een levensgroot Christusbeeld, vermoedelijk door een grootkunstenaar gebeeldhouwd, want het diepdenkend gelaat toonde in treffende trekken, zoowel smartelijk
267
lichaamslijden als verheven zielsadel. Nadal allen diep voor dit beeld hadden gebogen (en Cohnelis had geen gemoedsbezwaar om hel voorbeeld van Don Pedro te volgen,) opende de hofmeester, al voetstrijkende, een der kamerdeuren, in een sierlijk met beeldwerk voorziene plint gevat, schoof een zwaar tapijt terzijde, en kondigde met plechtigen ernst, gelijk een Spanjaard dat vermag, de namen en titels der gasten aan, hoewel er niemand in dat vertrek scheen te wezen. Toen de heeren hem volgden, zagen zij hoe de wanden dezer zaal behangen waren met fraaie doch verscholen tapijten, waarin geweven waren, medaillons met afbeeldingen uit hot leven van Heiligen, even als een paar donkere paneelen boven de slagdeuren. De hooge smalle vensters waren schier verborgen achter zware damasten gordijnen; lusschen de penanten glansden, in glazen lijsten, kleine ronde spiegels en daarvoor stonden op vergulde consoles, reusachtige zilveren luchters, met door ouderdom geel geworden waskaarsen. De zoldering was beschilderd met sterk gekleurde voorstellingen uit de gewijde geschiedenis en de houten vloer kunstig ingelegd met sterren en andere regelmatige liguren. De, met een zilverlaken kleed bedekte tafel was evenals de stoelen, zwaar en log; maar een paar schrijnen of kasten aan de wanden waren zorgvuldig bewerkt; de een met ebbenhout, schildpad en zilver ingelegd, en de andere met wapenschilden en miniatuur-teekeningen op koper en ivoor versierd. Het aan deze voorkamer grenzend vertrek was veel ruimer en had een eikenhouten lambrisering met talrijke nissen, waarin beelden van Heiligen, omgeven door zinnebeelden en lofwerken. Boven dit beschot was de zaal behangen met meerendeels levensgroote familie-portretten, in zwarte breede lijsten: sommige ridders, admiralen en generalen, in volle wapenrustingen, als gereed tot den strijd; andere in rijke, kleurige hofkleeding en enkele in effen geestelijk gewaad. Behalve do achtbare abdissen en nonnen, waren de vrouwen in zijde en fluweel getooid met goud, parelen en diamanten. Die oude portretten zagen er zóó somber uil, dal opgeruimdheid in hun tegenwoordigheid een beleediging zou hebben geschenen; geen spiegels helderden hel vertrek op en zelfs een zonnestraal leek hier ongepast. De blikken der beelden volgden of schenen te volgen de ruslverstorende vreemdelingen, die onder den aangrijpenden indruk, zoo zacht mogelijk over den blauw en wit geruilen marmeren vloer traden. Na deze zaal te zijn doorgegaan, schoof de hofmeester een zwaar hangtapijt wegen riep in het volgend
2G8
vertrek, mot dezelfde grafstem en dezelfde statigheid, de namen dei-gasten af. Gorneus en zijn vriend kwamen nu in een ruime kamer, met vier breede, openslaande glazen deuren, uitziende op een park. t)e vloer was sierlijk met onderscheiden houtsoorten ingelegd en spiegelglad geboend, de wanden bedekt met geschilderd behangsel van lijn leder, waarop een paar groote portretten in vergulde lijsten. Twee gebeeldhouwde aanrechten of buffetten, op sierlijke voetstukken, droegen kostbare voorwerpen van goud, zilver en kristal; zooals drink-horens, bekers, kannen, koppen, kroezen en waschvaten. Aan een, door een groen laken kleed bedekte tafel, was de Hertog gezeten op liet fulpenkussen van een fraai, kunstig uitgesneden leuningstoel en over liem, had op een iets lager zetel, zijne bejaarde zuster plaats genomen. De edelman, naar het uiterlijk do zevenlig jaren reeds achter den rug hebbende, was klein en schraal van persoon, met een geel, door de pokken geschonden gelaat en levendige donkere oogen. Zijn kort geknipt haar, spits-baard en knevel, ééns kool-zwart, had de tijd nu sneeuwwit gekleurd. De markiezin, gelijk de zuster werd betiteld, was nog tengerder dan haar broeder en, zoo mogelijk, ook taankleuriger. Op het scherpe, als geraspte wipneusje en voor de donkere oogen, droog zij een bril van schildpad en goud, met groote ronde glazen-Broeder en zuster waren stemmig, maar degelijk gekleed en het éénige sieraad, door beiden gedragen, was oen met edele steenen versierd gouden kruis, waarin een snipper besloten was van het kruishout, waaraan de Zaligmaker gestorven was. Bij het binnenkomen der verwachte gasten, stonden beiden op en deed de Hertog de, door do hofgebruiken drie schreden, wat hem bracht voor een aan den wand geplaatst Moeder-Godsbeeld, waartegen hij eerbiedig boog, prevelende: Ave, Sanctissima mater! waarop al de aanwezigen Amen, zeiden. Daarop deed hij nog een schrede vooruit en beantwoordde statig en vormelijk den diepbuigenden Don Pedro; doch aan Gohnelis reikte hij de hand, waarmede een grande van Spanje familiebetrekking toont te erkennen. Ook de zuster stak Gohnelis de hand toe, welke deze kon aannemen en aan den mond brengen mocht, doch waarop Don Peduo buigende, slechts even de lippen mocht drukken. De Hertog begon terstond over de familiebetrekking te spreken en hoe hij zijne zalige moeder meermalen had hooren gewagen van de voortreffelijke Hollandsche grootmoeder; zelfs had iiij in zijne kinderjaren hooren vertellen, hoe een Noderlandsch zee-officier, aan haar verwant, op Guba
2G9
een bezoek luid afgelegd. De Hertog en zijne zusier waren verbaasd over den merkwaardigen familietrek van den jonkman en meer dan ééns moest Gornelis gaan staan nevens het in de kamer hangend portret, om de onmiskenbare gelijkenis te bevestigen. Het trof gelukkig, dat de jonge neef door de laatste meedeelingen van zijn vader oenig-zins op de hoogte der familieomstandigheden was, zoodat de Hertog herhaaldelijk zijne vreugde uitsprak, dat de oude grootmoeder ook in haar vroeger vaderland niet geheel vergeten was. Na door het gebruik van brood, gebak, vruchten, confituren en wijn verkwikt le zijn, stelde de Hertog voor om zijne kunstkamers te gaan bezichtigen. Daar de gastheer moeilijk ter been was, steunde hij bij die wandeling op den arm van zijn hofmeester; een invloedrijk persoon der huishouding, daar hij niet alleen de „halsvriendquot; ot barbier van den ouden heer was; maar ook de plaats van een dagblad vervulde, door al de nieuwtjes uil den omtrek le verzamelen en aan zijn meester over le vertellen. De schilderijen in de aangrenzende zaal, verlicht door bovenvensters, slechls in het voorbijgaan vluchtig bezien, werden nu met meer aandacht beschouwd. Vele dier stukken waren uil den bloeitijd der Spaansche en Italiaansche scholen, zooals een paar porlretlen van Velasques, een heilige familie van Murillo en een madonna van Rafaël; een paar doeken van Rubens herinnerden, gelijk de Hertog verhaalde, aan het verblijf van zijn voorvader Don Alpiionso de Lomela te Antwerpen. Na de schilderijen, waren de oud-en zeldzaamheden aan do beurt; zooals altaar en geloftesleenen, beeldwerken, potten, koinmen, scherven, ringen en naalden, meest uit den Romeinschen lijd en in landerijen van den Hertog opgedolven. Ook werd er een zwart gekleurd stuk hout bewaard, dat van de Ark afkomstig zou wezen en door een pelgrim uit deze omstreken, van den berg Ararat was medegebracht. Merkwaardiger scheen aan Gornelis de welbewaarde wapenrustingen van ridders uit de midden-eeuwen, voorvaders van den Hertog met helmen, borslharnassen, urm- en scheen-st ukken en nog, in de ijzeren handschoenen, het groole slagzwaard gevat. Bovendien was in dezelfde zaal een uitgebreide verzameling van ijzeren hoofddeksels, malienkolders, schilden, haak-en handbussen, degens, dolken en ponjaarden; sommige met edele steenen of metalen ingelegd en versierd; vele uit werkplaatsen van beroemdeMilaneesche mesters. Een volgend vertrek bevatte meubelen en kostbaarheden meerendeels van arabischen en moorschen oorsprong en door de
270
voorouders van don edelman buitgemaakt. Daarna kwamen de bezoekers in een kamer met huisraad, kleedingstukken, borduurwerk en andere voorwerpen, opgesierd met paarlen en andere edele steenen. Aan de wanden stonden kasten, gevuld met Ghineescli porcelein en Japanscb lakwerk en tal van de zonderlinge voortbrengselen dier, in geheimen gehulde landen; afbeeldingen van onmogelijke dieren en boomen met fantastische bladeren en nog vreemder bloemen. Er waren hier ook merkwaardige voorwerpen uit Cluba en liet vaste land van Zuid-Amerika, meerendeels door \'s Hertogs grootvader Don Alonso de Lomei.a bijeengebracht. Een klein zwaar, gewelfd vertrek, bevatte in ijzeren kisten liet familie-archief; waaronder behoorde een zilveren doos met een aantal voorvaderlijke gouden ringen. De Hertog liet er een aan Corneus zion, met een Hollandsch opschrift: „Deugclit verwint al (1G01)quot; en toen de jonkman dit had verklaard, liet hij tot verbazing van den ouden heer, zijn eigen ring kijken, aan dezen volkomen gelijk. Onderwijl werd er welbereide chocolade aangeboden, waarbij een bolado of sluk sponssuiker met vanille behoorde, en waarna een glas koud, kristal-helderwater gedronken werd. Nog lang niet was alles in oogenschouw genomen, toen de etensbel luidde en tegelijkertijd een rijk gegalonneerde bediende mot een sombere, gedempte stem den maaltijd kwam aankondigen. De Hullandsche neef genoot de eer de markiezin Ie mogen opleiden, en was nu voor het eerst dank baai\', dat de winderige Parijzenaar bij monsieur Laurier hem de vormen der beau-monde zóó goed had ingeprent, dat de markiezin nog lang daarna de hoflijkheid van haar jongen neef prees. De tafel was aangerecht in een fraaie, op hel park uitziende kamer, waarvan het eikenhouten beschot zinrijk uitgesneden was, met figuren en wapenschilden; terwijl de ledige vakken met goeie zijde waren behangen. De maaltijd ving aan met een krachtige soep, rijkelijk voorzien van knoflook, uien en brood, dat een geliefd gerecht scheen te wezen; daarop volgden onderscheiden soorten van visch; schapenvleesch, in verschillende vormen bereid; de welbekende olla podrida, een mengelmoes van onderscheiden vleesch-soorten en groenten, en daarna velerlei gebakken en confituren. Don Pedro verzekerde later, dat er zeldzame en kostbare gerechten «aren opgedischt, maar niettegenstaande werd de smaak van den Hollandschen gast weinig bevredigd. De vrachten waren echter overheerlijk en de vurige wijn, meestal van druiven, gewassen op landerijen van den Hertog, onverbeterlijk. Op den maaltijd, waarbij ook de huispriester
271
en de secretaris aanzaten, volgde de onmisbare siesla, en na dil rusluur werd in een licht, laag rijtuig, bij uitzondering door een levendig Andalnsie\'s paard getrokken, een tocht door het park gedaan. Deze hof was verrukkelijk aangelegd met schilderachtige boomgroepen, waarin overal de sierlijke Spaansche eik en de schoone wilde vijgenboomen prijkten. Van de toppen der zachtglooiende heuvels had men uitgestrekte vergezichten op bloeiende valleien en hier en daar waren heldere vijvers, waarin kleine watervallen bruisten ol\' fonteinen kletterend sprongen, in wier helder vlak planten en struiken hun veelkleurig gebladerte spiegelden en de onbewolkte hemel werd weerkaatst, nu en dan slechts even gerimpeld door zwanen en andere statig voortdrijvende watervogels. Elders in het uitgestrekte park waren dichte loofgewelven, als sterren uitloopend op rondo grasperken, met een beeldengroep als middelpunt. Nabij het woonhuis had de natuur voor de kunst moeten plaats maken en waren do tuinen in don nieuwen Franschen stijl aangelegd, met regelmatige parterres en terrassen. In de, door palm omzoomde perken bloeiden roode, witte en geele rozen, zóó vol en zacht als slechts in Spanje schijnen voor te komen en bij wier kleuren, de vederpracht verbleekte van een paar pauwen, op den steenen rand van een goudvischkoni, mot pralende staarten langzaam rondwandelende. Toen Cobnelis dil, alles beschouwde, in het lieflijk kleurende licht eener dalende zon, was hij schier bedwelmd door den machtigen indruk van zóóveel schoons en kon hij in de vreemde taal schier geen woorden vindon om zijne bewondering uit te drukken. Het duurde een lijd-lang oor hij zichzelf weder meester werd, en hij kon zich nauwlijks voorstellen hoe menschen, die dergelijke natuurtaforoelen dagelijks onder de oogen hebben, nog belang kunnen stellen in de golijkvloersche dingen van het gewone leven, wat toch nietigheden zijn. Toch gaf in hot rijtuig do gastheer, die er eerst zijn rustuurtje had voortgezet, te konnon, hoe hij verlangend naar het oogonblik uitzag, waarin hij zoo straks met zijn jongen neef een partij toccodille kon spelen en benieuwd was, of deze hom kon overwinnen. Tehuis gekomen, had de oude heer spoedig de voldoening eener zegepraal, want Cornelis, die hot spel pas onlangs te Bilbao had geleerd, was er lang geen heksenmeester in. Onderwijl vermaakte zich het overige gezelschap mot een ingewikkeld kaartspel, \'t welk de welgedane biechtvader nu en dan stof gaf tot luidruchtige vroolijkheid vooral als de bedrevenheid dor markiezin werd toegejuicht, üit spel vorderde van de hersons der
272
oude dame nog de meeste inspanning; want als eone cclile grandezza voerde zij weinig nit. Nu en dan knutselde zij aan een kleurig, rijk met goud en zilverdraad opgesierd altaarkleed, dat ecliter een kamervrouw meestal afbordunrde en de tijd word vooral doorgebracht mol bet afbidden van oen kostbaren rozenkrans, liet spelen met oen paar mopshondjes, hot spreken loeren aan oen „lorrequot; on hot kijken naar do potsen van een aap op een staak. Toen de groote vergulde pendule tien uur had geslagen, kwam een kamenier binnen om do Markiezin af te halen, die buigende het vertrok verliet; daarop kwam do hofmeester, waarna de Hertog met een afgemeten groet, na zijn neef de hand te bobben gereikt, heenging. Vervolgons werden de gasten door bedienden naar voor hen bestemde vertrekken gelold. Cornei.is volgde don knecht, die eon lamp droeg, langs oen grauwen steenen wenteltrap en daarna dooi- gewelfde gangen en hoogo portalen, waar de avondwind op woemoedigon toon suisde door smalle lucbt-spleton of schietgaten. Na een vrij langen tocht, werd door don geleider in een galerij een lage deur geopend en een daarvoor hangend tapijt schuifelend terzijde geschoven, waarna hij, na do kaarsen te hebben aangestoken, mot een zwierige buiging en nachtwonsch, mompelend afscheid nam. Het was oen ruime gewelfde torenkamer. Voor do beide vensters hingen gordijnen van zwaar, doch verscholen geel damast, een, naar Cornelis al eens moor was voorgekomen, in Spanje zeer geliefde kleur. Do vloer was bekleed met platte, goeie en groene plavuizen. Aan de gekalkte muren hingen groote, donkere paneelen mot voorstellingen dor martelingen van den Heiligen. Laurentius. Een der wanden was schier geheel verborgen door oen geschilderd tafereel van do afkomst en voorlzetting van bot geslacht des edelen eigenaars, met wapenschilden en kleine afbeeldingen, en hot gaf aan Cornelis een gewaarwording van gezelligheid, onder die vele wapens ook den wolbekenden zandlooper te zien. Midden in de kamer stond een rensachlig ledikant, bijna een vertrek op zichzelf, waarop een dekbed van roodo zijde, met zilveren borduursel moer versierd dan gemakkelijk gemaakt. De gedraaide stijlen en do kroonlijst waren met boelden, bloemen en figuren bewerkt en alles omliangen door zware gordijnen van een oudtijds kostbare stof, maar nu verkleurd en versleten. Nevens deze slaapstede stond oen reusachtige ziekenstoel on twee keurig bewerkte bidstoeltjes voor een grooton vooruitspringenden schoorsteen. Boven de zware vierkanten tafel hing een gesmeed ijzeren
273
lichtkroon en op een waschtafel waren nu de waskaarsen aangestoken op een paar ouderwetsche zilveren luchters. Op een hoekkastje knetterde heel zacht het vlammetje eener kleine lamp en telkens als het opflikkerde, kwam er een zwakke glans op het kleurige gewaad van het daarachter geplaatst Heiligenbeeld. Alles toekende grooten rijkdom; maar niet minder, door ledigstaan en verwaarloozing vergane pracht, zooals menschen, lang in gevangenissen buiten zonneschijn en frissche lucht gehouden, langzamerhand verbleeken. Gornelis kon niet nalaten te denken, hoe de puntige Louwiesje uit Naarden hier alles wel eens met vegers, stofdoeken en zeemen zou willen kuischen. Hier was de zorg echter geheel aan do, niet zeer propere dienstboden overgelaten en hoe ingenomen Don Pedro met zijn vaderland ook was, had hij den vorigen dag toch erkend, dat de boden in dergelijke hoogadelijke huizen in den regel onhebbelijk en inhalig waren. Dit alles en do ongezellige omgeving verhinderden echter niet, dat onze jonge reiziger dien nacht heerlijk sliep en pas gewekt werd door de zonnestralen, langs de gordijnen in het vertrek vallende. Daardoor uitgelokt om op te staan, zag hij in het uitgestrekte park, waar een blauw-grijs morgenneveltje het verschiet omsluierde. Om half acht luidde de klok voor de godsdienstoefening in de kapel, welke Gornelis echter niet ging bijwonen; waarna de familie zich in de ontbijtkamer vereenigde. Toen het voormaal genuttigd was, noodigde de gastheer zijn neef naar zijne bijzondere vertrekken en liet hem in het voorbijgaan de slotkapel zien. Dit was een oud gebouw, verlicht door boogvensters, waarvan de kleine, in lood gevatte ruiten met tal van familiewapens beschilderd waren. De wanden waren bedekt met gedenkplaten, meerendeels van marmer en enkele van koper, met zulke pronkende opschriften, dat die oude heeren en dames ieder minstens zoo trotsch schenen te zijn geweest als tien pauwen. Tusschen die roemborden hingen in schrille tegenstelling, schilderijen, met tafreelen uit het leven van den Zaligmaker, die de nederigheid zelf was. Biecht- en bid-stoelen leken eenvoudig, maar waren door kunstvaardige handen met zinnebeelden, bloemen en bladeren bewerkt. Het sierlijke, gewelfde gebouw was als ingericht om zachte aandoeningen te wekken en kalmte te geven aan een, tot God zich keerend gemoed. Op het, door eenvoud deftige altaar, toonde de hertog de zilveren beelden der naamheiligen van vroegere familieleden. De oude heer wees op die zijner moeder en grootmoeder, en verhaalde met ontroerde stem, hoe bij haar sterven, \'s middags omstreeks den tijd van het
De Gouden Draad. 18
274
Angelus, de kerkklok van zelf was gaan kleppen. Het greep Cornelis in het gemoed te vernemen, hoe van die eeuwenoude glans en glorie, deze nietige, gerimpelde, zwakke grijzaard de éénige erfgenaam was. Nadat de hertog met zijn neef in de bijzondere vertrekken alleen was, kwam het uit, hoe de eenvoudige, bescheiden Hollander, reeds het hart van den Spaanschen bloedverwant gewonnen had; zoodat deze den dag hunner ontmoeting een heilvollen dag noemde, waardig om inut een bijzonder steenlje op den levensweg te kenmerken. Met een onverklaarbaar vertrouwen, schoof de grijsaard voor zijn jongen vriend het voorhangsel weg van zijn veelbewogen leven. Hij verhaalde van zijn, helaas, kinderloos huwelijk en van het langdurig lijden en sterven eener dierbare echtgenoote; van zijn krijgsmansleven in de jeugd, van de aanzienlijke ambten aan het Hof bekleed, tijdens Kardinaal Alberoni daar alvermogend minister van Koning Filips den V. was. Met diens opvolger, den beruchten hertog van Ripperda, kon de Solar het echter niet vinden en trok zich naar zijne landgoederen terug. Toen deze „aarts-schelmquot;, gelijk de grijsaard hem noemde, wegsloop, om zich met Spanje\'s erfvijanden, de Mooren, te verbinden, had de Koning veel moeite aangewend om zijn ouden, beproefden dienaar weer tot zich te trekken. De welwillende vorst had zelfs het bekende zwakke punt van den edelman aangeraakt en niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe hij zelf bereid zou wezen om te besluiten, dat naam, rang en bezittingen aan een, door den hertog aan te wijzen familielid zouden mogen worden overgedragen, opdat zijn anders uitstervend geslacht in wezen bleef; eene familie, die eeuwen lang, een hechte steun was geweest voor kroon en kerk. Dit zeggende, zag de hertog zijn neef veelbeteekenend aan, en kwam er eindelijk met trillende stem voor uit, hoe hij er over had gedacht om hem als zoon aan te nemen, indien hij zich in Spanje wilde vestigen en tot de ware Kerk terugkeeren. Cornelis was verrast en ontsteld over dit onverwacht aanbod. Terwijl hij de hand van den grijsaard greep en met vuur aan de lippen drukte, betuigde hij zijn innige dankbaarheid over zooveel goedheid en belangstelling maar verzekerde dat hel verzaken zijner Kerkleer zeker zijns vaders dood zou wezen. Wat hij echter niet uitsprak, maar diep gevoelde, was, dat hij véél liever het aardsche leven wilde slijten als een gezeten en vergeten burger te Naarden, dan als een deftig Spaansch edelman, altijd en in alles gekneld in een ijzeren keurslijf van hoofsche vormen; een leven, uiterlijk zoet en schoon,
275
maar op de koper bezien, akelig kil en koud. Do oude heer vor/ocht hom, mot schier stokkende stom, om hot voorstel nog eens ernstig in beraad te willen nomen en hom dan later don uitslag zijner overwegingen mede te dooien. Toen niot lang na dit onderhoud hot oogenblik van scheiden kwam, bracht do hertog, met verzaking der etiquette, zijn gaston zelf naar de karos on kon zijn tranen niot bedwingen bij don laatston veelzoggenden handdruk en hot afscheid: üios guarde a Vostra Merced Viva ustod muchos anos. (God beware U en doe U vele jaren leven.) Do zware koets met het zesspan was roods in bewoging. toen do hofmeester kwam aanloopen met een pakje voor don jongen signor; doch tevens verzoekende dit niot te openen, voor men in Bilbao was teruggekomen. De vergulde en kleurige koets, die rammelend en krakend hotste over do ongelijke steenen en putton van oen slecht onderhouden weg, scheen aan de voorbijgangers toch eerbied in te boezemen, want ieder bleef diep groetend stilstaan. De zon neigde ton ondergang eer de reizigers hot stadje, waar zij overnachten zouden, bereikten. Don Pedro had bijna geen woorden, om zijn verrukking uit te sproken over het vriendelijk onthaal en dat bij een Grande van don eersten rang, en hij zou zeker nog méér verbaasd hebben opgekeken als hij vernomen had, welk aanbod zijn reisgenoot dien morgen had afgeslagen. Toon bij do tehuiskomst to Bilbao de spanen doos ontsloten word, vond GorneliS daarin oen gouden, mot edele steenen ingelogde tabatièro on tot oen gedachtenis don bekenden familiering.
Tijdens de afwezigheid waren brieven uit Holland gekomen, waaruit bleek dat vader zich zéér eenzaam begon to govoolen, to moer daar hij nu en dan onpasselijk was. Daarom drong hij or op aan, dat Cornelis hot verblijf buitenslands niot lang rokken zou, daar hot hom steeds bezwaarlijker werd om zijne bezittingon behoorlijk te besturen. Hierin meende Cornelis don wensch lo lezen om uit don handel to gaan en zich geheel te wijdon aan het ter zijde-staan van zijn vader, wat voor don jongen man geen grooto opoffering zou wezen, daar het koopmansbedrijf hem weinig aantrok. Hij besloot op die berichten niet langer in Spanje te toeven en de dag van hot vertrek was reeds vastgesteld, toon eon onverwachte gebeurtenis het verblijf verlengde. Op oen morgen kwam Don Pedro Guzman, die voel reizende was, op kantoor vertollen, hoe hij den vorigon dag in tie herberg van oen afgelegen dorp, oen vreemden reiziger had aan-
276
getroffen, waarschijnlijk van Madrid komende, en in liet gebergte door roovers overvallen en beroofd. Ezeldrijvers hadden hem, deerlijk verwond, aan den weg gevonden en naar do herberg van het naaste dorp overgebracht. Naar het scheen, was het een jonkman van deftigen stand, die na de kwetsuren zich moedig had verweerd, doch voor de overmacht had moeten zwichten. Toen Don Pedro vertrok, was de vreemdeling nog altijd buiten kennis, en sprak nu en dan verward in een voor allen onbekende taal maar welke, naar Don Pedho geloofde, Hollandsch was. De toestand liet zich niet gunstig aanzien, en de dorpsbarbier, die de wonden had verbonden, noemde het een kritiek geval. In een der weinige kleedingstukken, door de roovers hem gelaten, was het fragment van een brief gevonden in de Hollandsche taal; welk stuk Don Pedro had medegebracht. Gornelis zag, dat de letteren uit een huis. Rotsoord bij Utrecht, gericht waren aan den WelEdelen Heer Bernard vak Oort, verblijf houdende in een der voornaamste herbergen te Madrid. De jonkman begreep dat plicht gebood om zich den ongelukkigen landgenoot aan te trekken en geen uur later was hij dan ook op weg naar het dorpje, vergezeld van een der voornaamste geneesmeesters van de stad. Het was een moeielijke, door bergen kronkelende weg en de avond was reeds gedaald, toen de reizigers in een hotsende kar en door toortsen voorgelicht, het tusschen hooge, ruwe, afgebrokkelde rotsen als verscholen dorpje, bereikten. Zij vonden den gekwetste in een armelijke, vuile, voor muilezeldrijvers bestemde kroeg of venta. Het vertrek waar hij lag, was met gebarsten, grauwe plavuizen bevloerd en de meubelen bestonden slechts in een waggelende tafel en oude banken langs de geel en groen uitgeslagen wanden. In de hoeken der kamer waren eenige slaapsteden getimmerd, waarin schaapsvellen en een oude paardendeken voor kussens en lakens op het stroo dienden. De vreemdeling, die een Hollander bleek te wezen, was sedert den vorigen dag meer bijgekomen, en had kunnen meedeelen, hoe het rijtuig, dat hij te Madrid had gehuurd om hem naar Bilbao te brengen, door een rooverbende aangevallen en geplunderd was, en dut hij niet wist, wat er van den voerman en zijn Spaanschen knecht geworden was. De Gorrigidor of ambtenaar van politie, in de herberg tegenwoordig, was van meening, dat de reiziger zich daarover niet behoefde te bekommeren, daar beiden er waarschijnlijk alles van wisten om hun vrienden, de roovers, dit buitenkansje in handen te
277
spelen. De dorpsbarbier luid, gelukkig nog tijdig, verbloeding dei-wonden kunnen voorkomen, en de heelmeester uit de stad verklaarde, zoo bloemrijk en omstandig als Spanjaarden dat gewoon zijn, hoe zijn geleerde ambtgenoot niet beter had kunnen handelen; welke lof de borst van den baardschrabber van fierheid zwellen deed. Bij een nu volgend nader onderzoek, bleek het rechterbeen erg gekneusd te zijn, en dat een slag op het hoofd zwaar was aangekomen; doch verscheiden dolksteken waren wel diep in het vleesch gedrongen, doch zonder levensgevaarlijke wonden toe te brengen. Na behoorlijk gereinigd en verbonden te zijn, kon Gohnelis zich enkele oogenblikken met zijn landgenoot, onderhouden, die niet weinig blijdschap toonde in zijne moedertaal te worden aangesproken. Het was een welgevormd man van omstreeks dertig jaren, met een door de zon gebruind gelaat, heldere oogen en lang, donker blond haar. Aan te zien was het hem, dat hij tot een deftigen stand behoorde, en het bleek, dat bij alleen uit reislust een groot deel van Europa doorgetrokken was en nu op weg om naar zijne ouders terug te keeren, die niet ver van Utrecht woonden. Het verlies zijner goederen schoen hem weinig te deren en een bekend bankier te Madrid zou spoedig de noodige fondsen verstrekken. Meer dan geld en goed, speet hem hot onherstelbaar verlies van een, met teekeningen gevuld schetsboek. De medegekomen heelmeester achtte het wenschelijk om den lijder naar de stad over te brengen, en nog dienzelfden avond werd er een bode gezonden naar Don Antonio, om naar een geschikt verblijf uit te zien. In een stootend rijtuig kon de gekwetste onmogelijk worden vervoerd, en een draagkoets, destijds in Spanje veel gebezigd, kon nu evenmin dienen; waarom besloten werd, een mand van stroo te doen vlechten, waarin de dorpelingen dezer streken verbazend handig zijn, en deze op een berrie, door vier kloeke Basken te doen dragen. Bij het vertrek en nadat een schandelijk hooge rekening aan den hospes betaald was, stond de helft der bevolking bij de herberg toe te kijken, en hoorde don Alcade of Schout, een mooie schrandere kerel, maar met een echt schelmen-gezicht, verzekeren, dat hij alles zou aanwenden om de roovers in handen te krijgen, die dan do gerechte straf niet zouden ontgaan; eene belofte, even spoedig afgelegd als vergeten. Een tal van nieuwsgierigen volgden uog oen eindweegs den stoet en het was werkelijk een schilderachtige groep, waarvan van Ooirr later voor zijn vriend een teekening heeft gemaakt, welke
278
lang in de familie, als rle rooversprent, bewaard en bekend is gebleven. Zij behoorde toen aan Hendkik Willem Nagtglas Versteeg, getrouwd in 1788 met Heniuette Maria van Oort. Een smal bergpad, nu als naasten weg gekozen, kronkelde tusschen dorre als verschroeide geelachtige rotsen, welke in grillige vormen zich niet zelden, meer dan honderd voet hoog, rechtstandig verhieven. Hier en daar stroomde aan den voet een smalle beek, meest klotsend en bruisend over kale klippen, en kleine watervallen vormend. Achter die rotsen verrees een bergland, waarvan do bochtige kruinen helder afstaken tegen de azuren lucht. De Basken droegen do mand met zeldzame vaardigheid en wisten den, op hun schouders rustenden last in een zachte, gelijkmatige wieging te houden. Het waren krachtige, kloeke kerels, langer dan men gemeenlijk in Spanje aantreft, voorttredende mot een sterk gevoel van eigenwaarde in gang, houding en gelaatstrekken. Zij droegen, zooals schier alle Spaansclio boeren, donkerbruine overkleeding, gesloten door een breeden gordel van heldere kleuren. De zwarte haren waren door een strik samengestrengold en gedekt met een rooden muts; aan de gespierde beenen waren stevige voetzolen met smalle riemen stevig bevestigd. Achter de mand met den gekwetste, reed de kar of fourgon, waarin de geneesheer en Gornelis plaats genomen hadden en daarnevens ging de drijver der beide muilezels, wiens zweepgeklap zich paarde aan de rinkelende bellen. Hot pad was ruw en eenzaam en slechts zelden kwam men een boer tegen, met een echte bandietentronie, of havelooze halfnaakte vrouwen, zware lasten op het hoofd torschende. Nu en dan trokken de reizigers langs hutten, waar menschen en beesten in hetzelfde vertrek huisden en waar alles even akelig en vuil was, tot zelfs de berookte prentjes van heiligen, welke, om zoo to zeggen, nog een soort van schakel vormden met hoogere behoeften. Bij oen gehucht, waar ongekleede kinderen in het zand wriemelden, zagen zij weinig beter gekleede vrouwen, als trekdieren voor een ploeg gespannen, wat Cornelis de opmerking ontlokte, dat een volk met dergelijke manieren, niet tehuis behoorde in het beschaafde Europa, maar in het nog barbaarsche Afrika beter op zijn plaats wezen zou. Het gezelschap bracht den nacht door in een dorpslogement, een gruwelijk dure en onzindelijke herberg, waar nog op het uithangbord een „Fontano doroquot; uithing; welk zinnebeeld meer voor den waard can voor de gasten toepasselijk was. Den volgenden dag werd Bilbao bereikt, waar de bode tijdig genoeg aangekomen was om den patroon in staat
279
te stellen een goed kosthuis voor den zieke te huren. Door zorgvolle verpleging, waarvoor geen kosten worden gespaard en waarbij Corxei.is zijn landgenoot, nu ook een vriend geworden, trouw ter zijdo stond, was, na eenige dagen, het gevaar geweken en kon een maand later de zeereis naar Nederland worden aangenomen, daar een terugkeer over Frankrijk wegéns de vermoeidheid en onveiligheid was opgegeven. Zonder groot leedwezen namen de vrienden van Spanje afscheid; ofschoon Gornelis erkennen moest, daar veel vriendschap te hebben ondervonden. Het bezoek bij den ouden hertog lag hem vooral als een droom bij; dolt; li hij had nimmer berouw, de hem voorgespiegelde glansrijke vooruitzichten, als een geheim doof hem bewaard, te hebben afgewezen. Eenige weken later had hij dit, in een brief van dankbetuiging voor de ondervonden gastvrijheid, herhaald; met de verzekering van diepe erkentelijkheid voor zoo groote onderscheiding. Spoedig volgde een door den hertog geteekenden, zeer welwillenden, maar hoffelijken brief, waarin van het voorstel zelf geen gewag werd gemaakt, maar zijne ouderliefde om naar zijn verzwakkenden vader te gaan, bijzonder werd geprezen.
Met zijn vriend werden nu plaatsen genomen op een galjoot, als een buitengewoon snelzeiler bekend, welk vaartuig zijn goeden naam ophield en door wind en weer begunstigd, de reizigers in korten tijd en zonder merkwaardige ontmoetingen, op de reede van Texel bracht. Bernard van Oort vertrok naar Utrecht, door zijne betrekkingen afgehaald en Gornelis naar Naarden, waar hij zijn vader in redelijken welstand aantrof, ofschoon sinds zijn vertrek veel verouderd. De oude heer was innig verheugd zijn zoon weer te zien, maar niet minder de goede Louwiesje, die den jongen heer zoo gaarne zijn eigen, door haar steeds net in orde gehouden kamer zag betrekken. Menigen nacht had die goede trouwe ziel den slaap niet kunnen vatten. Als het in huis door de ongesteldheid van den burgemeester vaak somber was, lag de trouwe huishoudster vaak slapeloos te luisteren naar den wind, welke uit zee kwam aanstormen, loeide in den schoorsteen, ruischte door de bladerlooze boomen en den regen kletteren deed tegen do ruiten. Dan gingen hare gedachten naar het verre, verre land, waar haar dierbare jonge vriend, dien zij zoo gaarne verzorgde en steunde, nu zoo eenzaam vertoefde onder een volk, waarvan zij van nature oen afkeer had. Dan gingen er uit dat eenvoudige achterkamertje, vurige gebeden op om den jonkman, dien zij als het ware had opgekweekt, op te dragen in de bescherming van God Almachtig.
280
Nu was dat leed ook al weer geleden, en toen Cornelis haar bij het naar bed gaan de hand drukte en vriendelijk zeide: „Goeden nacht Louwiesje, nu reeds ondervind ik, dat het nergens beter is dan tehuisquot;, biggelden er een paar tranen over het gelaat der zorgzame, liefdevolle vrouw.
Een bruiloft op Rotsoord. (1735-)
Een kwartier wandelens buiten Utrecht stond aan den zoogenoemden Vaartschen Rijn, in den aanvang der achttiende eeuw, een deftig gebouw, \'t welk altijd veel bekijkers vond en menigmalen werd afgebeeld. Door kunstrechters dier dagen werd liet geprezen „als een schoon bewijs van welbedachte verkiezing en zorgzame uitvoeringquot;, gelijk in van Berkheij\'s Natuurlijke Historie van Holland te lezen slaat. Zeker vermogend heer Adriaan van Oort, afkomstig van een oud, waar-scliijnlijk uit Orthen in Brabrant afstammend geslacht, bezat in deze buurt veel eigendommen, waaronder ook steenovens. Hij had ondervonden hoe, bij buitengewone verhitting, de steenen samensmolten tot harde, glasachtige, roskleurige, hier en daar geaderde bonken, hard als keisteen, vonkende door staalslag en volkomen op rotssteen gelijkend. Genoemde heer van Oort liet voor ieder zijner drie zonen een deftig huis in de stad bouwen, alsmede aan den Vaartschen Rijn; de laatste van genoemden steen, welke huizen daarom Rotsoord, Rotswijk en Rotsenburg werden genoemd. Vooral het eerste was een eigenaardig voorbeeld van dien bouwtrant. Het ruime huis was geelbruin van kleur, onregelmatig van vorm, voorzien met borstweringen en trapgevels, en gekroond door een torentje. Aan den eenen kant spiegelde het zich in den levendigen stroom en ter zijde grensde het aan een tuin van glad geschoren taxis en gelijkmatig gesnoeide olmen, uitkomende op perken, met in figuren geknipte heesters, waartusschen hier en daar een steenen, barsche Hercules of een mollige Cupido uitkeken. De gevel aan de landzijde zag met vele vensters uit op een ruim plein, ingesloten door een half rond, van niet oker geel gekleurde muren, waartegen zuilen, ronden, vazen en festoenen van donkeren, purperkleurigen rotssteen scherp uitkwamen. Boven den toegangspoort stond een groot, door twee engelen vast-
281
gehouden familiewapen, zijnde in een veld van goud, drie zoogenoemde molenijzers van sabel. De breede geveldeur voerde naar een met marmoren platen bevloerde vestibule, verlicht door twee smalle getraliede vensters. In dit voorhuis werd de aandacht vooral getrokken door een bank met een lioogen sierlijk gebeeldhouwden rug, waarop in verguld en kleuren de wapenschilden van Van Oort, de With, de Rheder en de Haze. Boven die bank hing een groot schilderij, voorstellend een landschap aan de Waal, in de omstreken van Gorkum, waar, gelijk uit een opschrift uit het begin der zeventiende eeuw op te maken was, de familie was gevestigd geweest. Nevens die bank was geplaatst een zoogenoemde Engelsche klok met beweegbare figuren. Aan de linkerzijde van dit voorhuis waren huis en zitkamers, en aan den réchterkant de keukens en de daarbij behoorende vertrekken. Over de voordeur brachten drie breede, wit marineren treden aan de vleugeldeuren der zoogenoemde zaal. Dit ruim vertrek was beschoten met eikenhout en de vakken daartusschen met roode zijde behangen. In ieder dezer zes vakken hing in een smalle gouden, met wapenschild versierde lijst, een groot familie-portret, forsch en kleurrijk geschilderd en waarop men van achteren had kunnen lezen, dat het de afbeeldingen waren van Adriaan van Oort en Johanna de Rheder, mr. Frans van Oort en Catharina Kohl en Bernard van Oort en Clara de With. De beschilderde zoldering vertoonde een afbeelding der vier elementen en als middelpunt in een rond raam, een, in zacht getinte, glansrijke wolken opstijgenden engel. De groote schoorsteen prijkte met een door vergulde lofwerken omkransden spiegel en een schilderstuk in het grauw, voorstellende bellen-blazende cherubijnen. Tusschen de drie groote vensters, waarvan het middelste een op het bordes uitkomende deur was, stonden twee op vergulde halve adelaars rustende trumeau-tafeltjes, met marmer gedekt. Beiden droegen zware zilveren kandelaars, met snuiters en bakjes van hetzelfde metaal, en daarvóór was op het eene tafeltje geplaatst een zilveren vaas, door den vermaarden Paulus van Vianen met beelden en bloemen kunstig gedreven, en op het andere, het nog bewaarde, in China of Japan vervaardigde statuet van een aanzienlijk O.-I. ambtenaar, vermoedelijk mr. Jan van Strijen, advokaat-fiskaal der Oost-Indische Compagnie, aan de familie van Oort nauw verwant. Nevens de kamerdeur, waarboven een schilderstuk met bloemen en vogels, stond aan de eene zijde een palissander houten kast met kunstig bewerkte ebbenhouten
282
kolommen, waarvan kap cn deuren met uitgesneden vruchten en figuren waren versierd; aan den anderen kant zag men een vleugeipiano of clavesimbel, waarvan de poolen verguld waren en het deksel sierlijk beschilderd met tusschen bloemrijke ranken dartelende engelen. Daarnaast stond een evenzoo bewerkt kastje voor demuziekboeken. Een net buffet droeg twee knikkende Japansche beelden, waar-tusschen een klein, maar sierlijk bewerkt Engelsch klokje. Aan de zoldering hing een glazen kroon boven een donker gekleurde tafel, gedekt door een groen fluweel kleed. Een zwart en grijs geblokt en gestreept karpet, maakte een deel onzichtbaar van het smirnaasch tapijt dat den vloer bedekte. Aan de tafel stonden twee leuningstoelen en tegen de wanden gewone stoelen van zwart bewerkt hout, met gevulde ruggen van groen trijp, waarin donkere borstbeelden en lofwerk. Door de vensters had men het uitzicht over een smalle strook bloemtuin, den altijd levendigen Rijn, den daar langs gelegden straatweg en den overtuin, een lusthof op zichzelf. Aan de voorzijde van die gaarde, geurden in groote langwerpige, met palm omzoomde perken, een zeldzame verscheidenheid van rozen en andere bloemstruiken. Vandaar voerden donkere berceaux naar een sterrenbosch, waarvan zes rechte lanen uitliepen op een grasplein, waarvan hel middenpunt een goudvischkom was, voor een grotwerk samengesteld uit steenbrokken en veelkleurige koralen. Daarnevens stonden steenenbanken en hier en daar op het grasplein, op voetstukken van graniet, wit marmeren borstbeelden van Romeinsche Keizers. Uit de lanen van het sterrenbosch had men vérstrekkende uitzichten, aan de eene zijde over wei- en bouwlanden, door bosschen afgewisseld en met do torens van IJsselstein en onderscheiden dorpen in het verschiet. Aan den anderen kant lag de stad Utrecht, als verscholen in het geboomte van singels cn wallen, waarboven do hooge daken en kerken, molens en torens uitstaken. Een dier gewelflanen van het bosch liep uit op een klein doolhof van, op manshoogte gesnoeide eiken en olmenhagen, doorgaande en doodloopende gangen vormende. Daarachter lag bogerd en moestuin, waarbij de woning van den tuinman en een ruime schuur, waarnevens een eendenpias, hoenderkotten en pauwennest. Doch, om tot het huis terug te keeren. De beneden-vertrekken, meest gewone huiskamers, gaven niets bijzonders te zien: een der vertrekken was met goudleer behangen en een ander met landschappen en
283
stadsgezichten beschilderd. De meubelen waren eenvoudig; in ieder der kamers stond een grooto kast met beeldhouwwerk aan deuren en kap, en rustende op zware, zwarte bollen. Op die kasten stonden pullen en kommen van blauw porcelein. De vloeren der vertrekken waren van geschilderd hout, de zolderingen gekruisbalkt, de tafels en stoelen zwaar en eenvoudig, met zwart trijp overtrokken en een paar zetels voor den heer en vrouw des huizes. Op den avond dat we den lezer op Rotsoord binnenleiden, vinden wij het echtpaar in het zoogenoemde salet, uitziende op het voorplein. Johannes van Oort was een man van half de vijftig jaren, met een rond blozend gelaat, goedige blauwe oogen en een vrij grooten mond, welke zicli plooien kon tot een vriendelijken, gullen lach. Hoewel hem een geletterde opvoeding ontbrak, had een bekwame „pietegoogquot;, gelijk de dienstboden den huisonderwijzer noemden, hem voldoenden lust voor de wetenschap meegedeeld. Vooral de scheikunde trok hem aan en reeds meer dan ééns had hij hare voorschriften met goed gevolg in zijn steenfabrieken toegepast. Begaafd met een levendige verbeelding en neiging tot het onbegrijpelijke, verdiepte hij zich wel eens in de droomen van alchimisten en occultisten en voor zijn ovens, retorten en andere werktuigen had hij een kantoor of laboratorium nevens de fabriek doen bouwen, waaide boeken van Jan Baptist van Helmond en de niet lang geleden uitgekomen folianten van Emanuel Swedenborg niet gemist werden Dat enkele kleingeestige buren den bewoner van Rotsenburg en zijne onderzoekingen voor goddeloos hielden, hem een duivelskunstenaar noemden en zijn woning een spookhuis, lag in die dagen voor de hand. Op het oogenblik dat wij binnentreden, zijn \'s mans gedachten echter niet verdiept in zijne lievelings studiën, maar toch bezig met een onverklaarbaar onderwerp. Het boek waarin hij las, heeft hij op tafel gelegd en zit nu, peinzende met de kin op de hand en den elleboog rustende op de leuning van den armstoel. De oude heer droeg een kamerkleed van grijze stof, gesloten door een blauwe sjerp, zijden onderkleeren en groene, zacht leeren stillegangers over zwarte kousen. Over hem is zijne, enkele jaren jongere vrouw gezeten, zijne nicht Geertruida van Oort, nu druk aan het breijen. Zij is in het zwart gekleed, eenvoudig van snit, maar van degelijke stof, en muts, kraag en halsdoek door echte kant omzoomd; terwijl diamanten oorknoppen haar kenmerken als een welgestelde vrouw. Uiterlijk lijkt zij, ook door haar voorkomen, een statige dame, doch werkelijk
284
was zij zeor eenvoudig, een voortreflijke huisvrouw en een liefdevolle zorgende moeder. De staande klok in hot voorhuis, sloeg na een contre-dans te hebben geklingeld, vier uur, waarom het verlakte theeblad op de met een groen laken kleed bedekte tafel stond. De schoteltjes, welke daarnevens stonden, werden echter in den gewonen huiselijken kring niet gebezigd; doch slechts als er gasten waren, daar zij voor confituren dienden en de dagelijksche versnapering in zoogenoemde Vreelandsche beschuitjes bestaande, geborgen was in een zilver trommeltje, nevens het theeblad geplaatst. De stilte in het vertrek word op dit oogenblik door niets onderbroken dan door het eentonig tikken van een kleine vergulde pendule op den schoorsteenmantel, hot zacht ruisschende theewater, het snorken van een welgedane)! mopshond in zijn strooien mand, en nu en dan eenig ver gerucht boven in huis, waarnaar moeder met bezorgden blik telkens luisterde. „Lieve, sprak de oude heer, na een poosje stilte ; ik zit nog altijd na te denkon over die wonderlijke geschiedenis van gisterenavond en het wil mij maar niet gelukken een draad in dien doolhof te vinden. Hebt ge nu al de booion wel goed ondervraagd? „Wel zeker, manlief, antwoordde mevrouw, niet alleen de beide meisjes en den knecht; maar ook den koetsier en den tuinman, wiens jongen de kaarsen bij Iterson had gehaald! „Volkomen onverklaarbaar, hor-vatte haar man, terwijl hij zijn uitgerookten gouwenaar opnieuw met varinas vulde uit oen tabakskistje van gevlamd, met koper en ivoor ingelegd hout. Wat was er den vorigen avond gebeurd, \'t wolk aanleiding gaf tot deze gedachtewisseling? De oude heer zat dien avond in don huiselijken kring te lezen en had een der boide vetkaarsen, zoogenaamde vieren, wat nader tot zich getrokken. Toevallig trok het papiertje zijn aandacht, waarmee de kaars in den zilveren kandelaar bevestigd was en toon hij het or afnam en ontrolde, bleek het eon vijfde-lotbriefje te wezen in de Generalitoits-loterij. Van Oort had een ver gedreven afkoer van iodor dobbelspel en duldde dat ook niet bij zijne huisgonooten, waarom hem deze ontdekking niet weinig verbaasde. Zooals wij gemerkt hebben, kon niemand het raadsel oplossen en de binnenmeid wist alleen te vertellen, dat zij dit papiertje met andere uit den gewonen kaarsenbak had genomen. Nadat het onderzoek bij de huisgenooton te vergeefs was geweest, had de oude heer het loterijbriefje naar zijn Commissionair in de stad\'gezonden en de verbazing steeg nog, toon bij onderzoek bleek.
285
dat het nummer kort geleden, hooger met een prijs van twaalf honderd gulden was uitgekomen, om aan toonder te betalen. Aan de theetafel, waar twee der zonen het gezelschap kwamen vermeerderen, de beide dochters waren voor enkele dagen naar de familie in Amsterdam, werd de onverklaarbare vonst weder besproken en vader gaf zijn voornemen te kennen om het geld voor den rechthebbenden te bewaren. Mocht er zich echter niemand opdoen, dan wilde hij die som bezigen voor behoeftige gezinnen onder de steenovens-gasten, die \'s winters, vooral bij besloten water, dikwijls lang werkeloos waren en veel armoede leden. Terwijl dit onderwerp in den huiselijken kring werd besproken, willen wij geen gebruik maken van ons octrooi als luistervinken, maar liever de bovenverdiepingen van het huis bezoeken. Boven de zoogenoemde zaal, met het uitzicht op de vaart en overturn, was het slaapvertrek der oudelui en nog twee andere ruime kamers. De slaapkamer had witte muren en een gewelfd plafond; onder de vierkante, met groen wasdoek bekleede tafel, lag een fijne gevlochten mat op den donker geschilderden vloer. Op een met ebbenhout ingelegde eikenkast, stond tusschen twee porceleinen pullen, een vierkant klokje, waarvan de witte wijzerplaat in zoogenoemde Bijbelletters tot opschrift had: „Una ex bis hora mortis (Een van deze is uw doods-uur). Onder en op den schoorsteen stond nog meer porcelein, grootendeels door de grootouders gekregen en geërfd van een ongehuwden oom Justus Heurnius in Oost-Indië. Over den schouw was het ruime ledikant, omhangen met zware gordijnen van groen saai. Daarnevens was een waschtafel geplaatst, waarboven een kleine ronde spiegel, in met trossen, bloemen en lofwerk besneden rand. Aan den muur hingen in zilveren binnenlijsten, met wapens en zinnebeelden versierd en omvat door ebbenhouten buitenlijsten, de miniatuur-portretten van Johannes van Oort en echtgenoote, geschilderd kort na hun, in 1702 aan de Bilt gesloten huwelijk, dus in de dagen, toen het groote buikkabinet over de vensters, nu opgevuld met kostbaar linnengoed, slechts bevatte het rijkelijk uitzet der beide jongelieden. Naast de logeerkamer waren de vertrekken dei1 afwezige beide dochters; Clara, geboren 1707, en Maiigareta in 1712 ; welke nette kamers nu stevig gesloten zijn, om die heiligdommen voor nieuwsgierig inkijken te bewaren. Aan de overzijde van liet portaal waren de kamers van de zoons, zóó ingericht, als welgestelde jonge mannen zich mochten veroorloven. Vooral die van Bernard, onder zijne bekenden „le grand voyageurquot;
28Ü
genoemd, bevatte een tal van merkwaardige voorwerpen uit vreemde landen medegebracht, door vader geprezen, maar door moeder wel eens schrikbarende stofnesien genoemd; zooals beeldjes van pleister; porcelein oi\' marmer, Italiaansche mozaiëkarbeid, proeven van fijne Spaansche vlechtwerken, Turksche sabels en dolken en zell\'s Indiaansche kleedingstukken en knotsen. Een der wanden was, nevens een groote kast met teekeningen, prenten en boeken, behangen met twee rekken : het eene bezet met snaphanen, jachtroeren, pistolen en karabijnen; liet andere met houwers, floretten, maskers en schermhandschoenen. In de zoogenoemde zitkamer was in de verwarring, toch ook eenig opzet en smaak en zekere regelmaat, welke in het aangrenzende slaapvertrek ontbrak, waar alles schilderachtig door elkander lag. Op de stoelen waren schier evenveel kleedingstukken verspreid, als aan de kapstokken ophingen; op den vloer lagen laarzen, schoenen, stille-gangers en muilen door elkander, en evenzoo op do groote waschtafel een verzameling van borstels, schuiers, kammen, poeierdozen, pomade-potjes en fleschjes reukwater. Als de jonge meneer uit was, stuurde moeder de oude Stuntje weieens met een veger en stofdoek naar boven om den verwarden winkel, zooals zij het noemde, wat op te redderen en werd, gelijk de meid verklaarde, „het vertrek van meheer Naus, zoo schoon als een brandquot;. Dan zette deze den volgenden dag, eerst een erg zuur gezicht, maar eindigde toch met het oudje voor haar vegen, boenen en bederven een paar zesthalven in de hand te stoppen. Op de tweede verdieping was een klein vertrek, door den heer des huizes zijn wachtkamer genoemd en waarin, behalve een welgevulde boekenkast, ook een kabinet met laden, gevuld niet horens, schelpen, zeegewassen en ertsen; alsmede een verzameling van dooiden eigenaar uit de rups gekweekte en opgezette kapellen. Uit deze kamer voerde een trap naar het tuintje, waar op houten drievoeten, een paar groote verrekijkers lagen, van wier aantrekkingsvermogen de eigenaar wonderen verhaalde en waarvoor hij dan ook vijf\' en twintig dukaten het stuk had betaald; er lag een scheepsroeper bij, bestemd zoo het heette, om aan de arbeiders in den overtuin bevelen te geven, welke geraasmaker door de kinderen „burenschrikquot; word genoemd. Uit de zooeven genoemde wachtkamer was een spreekbuis naar de kamers beneden, dat destijds voor een merkwaardige nieuwigheid werd gehouden, passende voor een zonderling buiten-model man, waarvoor de lieer van Oout door enkele zijner bekenden gehouden
287
werd. De achterzijde dier verdieping was grootendeels van den voorkant door stevig- latwerk afgesloten en de twee ruime kamers aldaar geheel ingericht voor de verpleging van den acht en twintig jarigen zoon Adriaan, die krankzinnig was, welke zielsziekte zich nu en dan op vreeselijke wijs openbaarde en wel het eerst, nadat hij, nu twintig jaren geleden, zijn jongeren broeder Jan, bij een kindergekinbel in den tuin, met een hark doodsloeg. Doorgaans was de ongelukkige jonkman ingetrokken en stil, en zat uren achtereen schier onbeweeglijk vóór zich te staren,; nu en dan angstig om zich heenziende en onophoudelijk prevelend: „Jantje is dood; dood is Jantje.quot; Zonder eenige aanleiding stoof hij echter soms op, sloeg dolzinnig om zich heen, zoodat de twee oppassers, welke hem beurtelings bewaakten, verplicht waren hem door een dwangbuis onschadelijk te maken.
Na de terugkomst uit Spanje bezochten de vrienden Bernard en Cornells elkander menigmalen. Gelijk in den regel plaats heeft, kende Bernard, hoewel hij een groot deel van Europa had doorkruist, Palestina en Egypte had bezocht en zelfs in West-Indie was geweest, weinig van zijn eigen vaderland en had onder anderen het in de buurt liggende Gooiland nooit gezien. Toen hij bij zijn vriend te Naarden logeeren kwam, gingen zij enkele dagen op Hoeckenburch doorbrengen en werden de omstreken te voet en te paard, soms met het jachtroer in de hand, bezocht. Bernard was verrukt over het schilderachtige land, vooral bekoorlijk, nu het groen van olmen en beuken reeds met de goud-geele tinten van den herfst werd gekleurd en ia den verflauwenden zonneschijn, het gladde donkere eikenloof scherp uitkwam tegen de bruinroode, met paarschen gloed overtogen heide. Gornelis had het kantoor te Amsterdam opgegeven, hoewel de vriendschap met de neven Ploos bleef, en zelfs nog was toegenomen door de uitnemende wijs, waarop Gornelis de belangen van hun kantoor in Spanje behartigd had. De oude patroons begrepen, dat de jonkman verplicht was om zijn vader bij te staan in het besturen zijner uitgebreide zaken, zooals zanderijen, vetweiderij, tabaksplantagiën als anderszins, waarvan de rekeningboeken nog voorhanden zijn. Bovendien werd Gornelis spoedig benoemd tot diaken, regent van \'t Weeshuis en lid van Gollegie van Schepenen, welke betrekkingen hij, naar \'s vaders voorbeeld, met ijver en toewijding waarnam,
288
Vader en niet minder Louwiesje, waren recht gelukkig den gezelligen en steeds goed gehumeurden jongeling weer bij zich te hebben en de trouwe huishoudster placht schertsend te zeggen, dat de Spaansche Don eenige zakken vol zonneschijn naar huis had medegebracht. Menig-malen dwaalden nog zijne gedachten naar dat verre land, peinsde hij over het oude kasteel, den goeden hertog en diens glansrijk aanbod. Het klonk hem lieflijk in de ooren, als vader betuigde, hoe hij het zeker niet zou overleefd hebben als zijn eenig kind, vaderland en godsdienst voor aardschen rijkdom en glorie had verzaakt. De ouders van Van Oort toonden dat zij den onschatbaren dienst, door Gornelis aan hun zoon bewezen en waaraan deze zijn leven dankte, hoog waardeerden. Doordat deze veel op Rotsoord vertoefde, kwam hij ook met de familieleden op Rotsenburg, Rotswijk, Liesbosch, Caesbergen en aan de Bilt in kennis. De oudste broeder van Bernard van Oort was Frans, een welgemaakt man van even in de dertig jaren, van een stil, ingetrokken, eenigszins stroef karakter. Hij bestuurde met zijn vader de steenbakkerijen en was verloofd met zijn nicht Maria Hofkens de Gourbelles, de jonge bevallige weduwe van den heer Pieter Meijsenheim, met wien zij maar zeer kort gehuwd was geweest. Daar de ouders der bruid overleden waren, zou het huwelijk op Rotsoord worden gesloten. Ofschoon er, zoowel bij de bruid als bij de familie van Oort aanleiding was om geen glansrijke festijnen te geven, wenschten de oudelui toch dat de verbintenis van den oudsten zoon, naar van ouds in de familie gebruikelijk was, degelijk en deugdelijk zou worden gevierd en was Gorneus uitgenoodigd om met zijn vriend Bernard daarbij als „ceremonie-meestersquot; op te treden. Natuurlijk was hij dus als gast verzocht, maar daar de gewone logeerkamers door oudere naastbestaanden van de bruid ingenomen waren, had onze jonkman er niets tegen, om zich voor die enkele dagen te behelpen met een klein vertrek op de tweede verdieping. Toen Bernard den eersten avond zijn vriend daarheen geleidde en zij liet hekwerk voorbijgingen, gevoelde Gornelis een rilling door de leden varen, bij het zien van een flauw lichtschijnsel uit een der achterkamers, waaruit hij ook meende een sombere schorre stem eentoonig te hooren mompelen. Het kamertje was klein, maar voldoende om in te slapen. Er stond, behalve een zoogenoemd tombeau-ledikantje een waschtafel, een kofferrek en nog een groote open kast vol kleedingstukken, wapenen en andere voorwerpen, door Bernard van reizen meegebracht, maar
289
waarvoor op zijn kamer plaats ontbrak. Hoewel niet bevreesd van natuur, had Gornelis toch voor indrukken licht vatbare zenuwen, zoodat liet lang duurde eer hij den slaap vatten kon en toen nog gekweld werd door onrustige droomen, waarin de „dollemanquot;, gelijk hij Adkiaan door den tuinman had hooren noemen, telkens voorkwam; een hersenschim, zich parende aan de vreemde voorwerpen, m de kast bewaard. Af en toe klaar wakker wordende, meende hij in de verte stemmen te hooren, doch wellicht was dat het suizen van den wind door do boomen en over de zolders, want het was een onstuimige nacht en nu en dan kletterden regenvlagen tegen de ruiten. Daar de deur van het kamertje niet sloot, had hij er, naar gewoonte, een stoel voorgezet. Eindelijk was hij in slaap geraakt, doch hij werd eensklaps helder wakker door oen oorverscheurend gillen, waarna schaterend lachen volgde; een geluid; zóó vreeselijk en bovennatuurlijk, dat hem het bloed in de aderen scheen te stollen. Daarop volgde gekraak en gestommel en het klinken van een snel bewogen tafelschel. Terwijl Gornelis zich in het bed oprichtte, ontwaarde hij bij liet schijnsel eener flauw brandende nachtkaars, hoe de stoel voor de deur langzamerhand werd weggeschoven en een lange, witte gedaante met wijd opgesperde oogen naar binnen staarde, met grove stem brommende „Jantje is dood, dood is Jantjequot;. In het volgend oogenblik was Gornelis het bed uit, en drukte de deur dicht, daar hij terstond begreep, dat het de ontsnapte krankzinnige was. Onder een akeligen schaterlach werd er met zóóveel kracht tegen de deur gedrongen, dat de jongman gevoelde hoe hij spoedig voor dien drang zou moeten zwichten. Van vluchten was geen sprake, maar hij dacht er aan om achteruit te springen, een der ponjaarden, welke in de kast hing, te grijpen en den zinne-looze, wiens warmen adem hij voelde en wiens oogen hij flikkeren zag, in zelfverweer neer te stooten. Een oogenblik kan soms lang duren en zoo gingen tallooze gedachten, in enkele seconden, voorbij zijn geest. Terwijl hij de deur nog tegenhield, voelde hij een hand door de opening komen en hem aangrijpen, een kille magere hand, maar met een greep als van ijzer. Op dat tijdstip hoorde hij menschen den trap opstuiven; de hand verdween en hij vernam hoe de zinnelooze grommend werd weggesleurd, waarna alles stil werd. Een kwartier later werd er zacht aan de deur getikt. Het was Bernard. „Beste kerel, fluisterde deze, zijn vriend trouwhartig de hand drukkende, „dal gij nu treffen moet, wat nog nooit gebeurd is! Ge kunt echter
Do Gouden Draad. lü
290
gerust gaan slapen; morgen vertel ik U allesquot;. Toen zijn bezoeker heengegaan was, schoof Gornelis, hoewel het gevaar geweken scheen, niet alleen stoel, maar ook de tafel en alles wat vertilbaar was, voor de deur, legde zich toen tor ruste en sliep, wat hem later verbaasde, gerust in, terwijl hij pas ontwaakte, toen de zon helder in de kamer scheen en het gebeurde hem een droom leek. Onder het ontbijt, deelde de broeder mede, maar waarschijnlijk verzachtend om de ouders niet te ontrusten, hoe de zaak weinig te beduiden had en alleen het indommelen van een vermoeiden waker aanleiding gaf dat Aduiaan was weggeslopen. Toen Bernard echter daarna met zijn vriend wandelen ging, sprak hij geheel anders over het gebeurde. Bij een plotselingen aanval van woede, gelijk hem nu en dan overviel; als hij meende, dat zijn broeder Jan dreigend vóór hem stond, had de waanzinnige zijn wachter bij do keel gegrepen, die slechts even den tijd had om de schel te roeren. Toen in de daaropvolgende worsteling, de oppasser struikelde, was de sleutel van hot hek op den grond gevallen, waarvan Adbiaan zich meester had gemaakt en op een onverklaarbare wijs het hek had geopend. Gelukkig waren de broeders, door het rumoer gewekt, spoedig toegesneld en konden den half bewusteloos geknepen waker helpen, waarna do ongelukkige dwaas stevig gekneveld, in een daarvoor bestemde bedstede opgesloten werd. In huis was van dit ongeval weinig gemerkt en werd er maar zelden over Adriaan geproken. De broeders en zusters oordeelden het, zoowel vo )r de huisgenooten als voor den lijder, beter, indien de ongelukkige in een gesticht werd verpleegd; doch roerden dit onderwerp nooit meer aan, sedert de goede moeder zich daar sterk tegen had verklaard en zeide het niet te zullen overleven, dat haar ongelukkig, maar daarom dubbel dierbaar kind, naar een dolhuis werd gebracht en daar misschien geslagen en mishandeld werd. Het gezin was in den loop der jaren ook zóó gewend geraakt aan den droevigen toestand, dat daardoor, misschien alleen in de ouderharten, een donkere schaduw vallen bleef op de aanstaande feestelijkheden. Om hun ongelukkigen zoon mochten zij de andere kinderen niet vergeten; zoo had vader van Oort zijne vrouw getroost.
De dag der eerste huwelijksafkondiging, of het zoogenoemde „vallen van den preekstoelquot; begon te naderen en enkele dagen te voren, werden de vriendinnen voor het „groenen of kroonenquot; genoodigd. Reeds te vijf uren in den middag waren een twintigtal Jonge dames
291
in do zaal vereeiiigcl, en niet lang daarna werden do waskaarsen op de groote koperen hangkroon on de vele glazen arnilucliters ontstoken. Zoogenoemde baliemanden vol maagdonpalm, mos, sparrei;takken en bloemen, stonden gereed bij oen groote tafel, waarop het schakoeren, samenvlochten en binden geschieden moest; welke slingers daarna aan deuren, vensters en schilderijen werden opgehangen. Ook de zetels van bruid en bruidegom werden naar „ oudojaarsclion trantquot; om do, op karton geschilderde familiewapens met bloemen en sparrenloof getooid, wat liet genot van het zitten juist niet verhoogde. Dergelijke „kroonavondquot; in de bruidsdagen was altijd een jolige samenkomst, waarin do zoogenoemde werkzaamheden door allerlei grappige spelletjes werden afgewisseld en de vreugde nog hooger klom, toen rondgediend worden op zilveren bladen, marsepain en andere gebakken; alsmede kelken met goud-geole en helder-roodo hijpocras of bruidstranen. Enkele der spoelgonooten, op stoelen of trapjes met aanklinken bezig, hielden van dat hooge standpunt niet minder hoogdravende en hoogvliegende feestdronken, welke steeds daverend werden toegejuicht. Onderwijl had de bruidegom met een paar vrienden, zich in een aangrenzende kamer beziggehouden met het invullen, vouwen en met zoogenoemd goudlak, sluiten der communicatiebrieven; een werk dat niet gemakkelijk was en waarbij allerlei vormen, om ongenoegen en familietwisten te vermijden, nauwkeurig moesten worden in acht genomen. Nadut de klok in het voorhuis acht uren had geslagen, mocliten de heeren binnenkomen, wat de vroolijkheid ten top deed stijgen, vooral toen de smaakvolle versiering bewonderd was en de bruigom voorstelde om de gezondheid te drinken der lieve helpsters, wat mot langdurige toejuiching werd begroet. Daarna begonnen do gezelschapsspelen. De meorendeels roodwangige, blauwoogige jonge meisjes vormden daarbij een kring om den bruidegom, zingende: „Onze Frans krijgt zeven zonen, bij zijn lieve Lekatje. Zij eten wel en drinken wel, maar doen toch ook nog zóó — en dan volgde een komieke figuur, welke ieder, op verbeurte van een pand, moest nadoen. Vervolgens werden de panden ingelost, waarvoor allerlei onmogelijke dingen werden gevergd, zooals de zoldering kussen en dergelijke en menig eerbaar kusje klapte, natuurlijk onder vroolijk gejoel. Do bruidegom had, gelijk pastte, dien avond bijzondere zorg aan zijne kleeding besteed. Zijn lichtroode fluwoelon rok en geel zijden onder-kleeding, was als aan de welgevormde gestalte gegoten, en de grijs-
292
zijden kousen deden do gespierde beonon knap uUkornon. Zijn opon gelaat, met helderen blik, zou nog boter indruk hebben gemaakt, indien de kinderziekte er haar vernielend werk, minder sterk op gedrukt had. De bruid was lang en slank, on hare donkere lokken, slechts luchtig gepoeierd, krulden onder een eenvoudig kapsel. Haar gelaat was bleek, maar regelmatig en haar helder bruine oogen nog getuigende van zuidelijke afkomst, straalden nu van vreugde en levenslust. Als weduwe, was zij met minder zwier opgetooid, dan anders op dit feest het geval was; doch het kleed van donkere damastzijde was daarom niet minder kostelijk. Bernard, die in uiterlijk voorkomen op zijn ouderen broeder geleek, hoewel zijn gelaat bewees, dat het door heeter zonnestralen dan de Nederlandsche gebruind was, had echter levendiger aard en was dien avond bijzonder opgewekt. Cornells merkte spoedig op, hoe zijn vriend dien avond slechts oogen had voor Mietje Dubois, een nichtje der bruid en een der bevalligste „speelnootjesquot;. Bij het pandspel was zij meest zijne uitverkorene, wat Cornelis best begrijpen kon, want zij was een prettig deerntje, met blonde, naar het rosse zwemende haren, gezonde blozende wangen, heldere oogen en om den mond een gullen glimlach van blijmoedigheid en scherts. Hier en daar waren op wangen en voorhoofd enkele zomersproeten zóó gelegd, alsof de natuur haar met de toen in de mode komende mouches had willen versieren. Zij gaf den indruk van een landmeisje, zooals zij zich ook gaarne hoorde noemen, daar haar vader, ofschoon nu in Amsterdam wonende, in vroeger jaren lang op een dorp in Gelderland predikant was geweest. Toen Cornells de zaal binnenkwam, merkte hij terstond, hoe zijn vriend terecht had gezegd, dat hij hier een tal van lieve vroolijke meisjes bij elkander zou zien, en het was dan ook een uitgezochte kring van meer clan twintig bruine en blonde, bleeke en blozende, lange en korte „zoete maagdekensquot;, gelijk oude heeren zich nog veroorloofden te zeggen. De zusters van den bruidegom, Clara en Grietje, zachte, eenvoudige meisjes, hielden zich schijnbaar op den achtergrond, maar sloegen toch, gelijk Bernard haar werkzaamheid uitdrukte, de maat in dit lieftallig concert. Zij stelden Cornelis als den vriend baars broeders, aan de kameraadjes voor en onder deze was een meisje, dat terstond zijn aandacht trok, hoewel hij daarvoor geen enkele rede zou hebben kunnen opgeven. Zij toonde niets, waardoor zij bijzonder in het oog viel, was niet groot, maar welgevormd; lange donker-blonde krullen
293
vormden een bevallige lijst om een goed gevuld gelaat, waaraan een kleine mond, maar vooral een paar vriendelijke, zachte oogen een innemende uitdrukking gaven. Zij was netjes gekleed, maar eenvoudig zonder veel strikjes of kwikjes, doch deugdelijk. De rok en het onderkleed waren van zware blauwe zijde en de doek van sneeuwwit neteldoek, met echte Valenciennes-kant omzoomd en met een keurig nette, kleurige strik aan den boezem gesloten; terwijl de diamanten oorhangers van een goedgevulde beurs getuigden. Toen Gorneus na de voorstelling, haar moest aanspreken, gevoelde hij, hoewel anders nog al rap van tong, een nimmer zoo ondervonden beschroomdheid, zoodat hij haar naam niet verstond en eigenlijk ook teveel geboeid werd door het vriendelijk gezichtje, het propere mondje, de frissche roode lippen en bet lieve glimlachje, dan om daarnaar te luisteren. Eindelijk kwam het toch tot een gesprek, maar nauwlijks was het haperen overwonnen, toen de klok in het voorhuis tien uren sloeg en niet lang daarna een knecht aankondigde, wat Cornelis als een jobstijding in de ooren klonk, dat „de koestenquot;, gelijk hij ais een echte „Tolsteeg-poortenaarquot; dier dagen sprak, vóór waren. De tijd van afscheid naderde en hel feest zou met een oud-vaderlandscben ronde-dans en het zingen van een pater, die in de zoete meimaand langs den kant ging, besloten worden. Cornelis slaagde er in om de lieve, nauwlijks bekende juffer tot buurvrouw te krijgen, en verbeeldde zich later nog lang den zachten druk te gevoelen barer ontschoeide hand, waaraan reeds de gedachte zijn hart sneller kloppen deed. Des avonds bij hel naar bed gaan, dankte hij God voor deze ontmoeting, welke, naar hij voorzag, een lichtstraal op zijn levensweg kon doen vallen. Hij drukte een kus op den gouden familiering, met de gedachte dat zijne bemin-lijke buurvrouw bij den dans dat kleinood in de hand moet hebben gevoeld. Zonderling, maar terwijl hij gisteren na den nachtelijken schrik spoedig was ingeslapen, kon hij thans met het beeld van het meisje voor oogen, de gewenschte rust en het vooruitzicht op licllijke droomen, niet vatten. Als hij even indommelde, verscheen zij voor zijn geest en wat nog vreemder was, ontwaarde liij nevens haar, maar onduidelijk en als in een wolk, het ouderwetscbe familie-vrouwtje, dat hij het laatst gezien had tijdens dien hangen stormnacht in de Noordzee. Den volgenden morgen deed hij reeds vóór het ontbijt met zijn vriend Bernard een wandeling en deze deelde hem terstond mede, dat Mietje Dubois een drommelsche lieve meid was, een zoet deerntje, dat hem den
294
kop op hol had gebracht en die hij gaarne zou „oppassenquot;, gelijk men destijds een verloving noemde. Gornelis kon zich toen niet inhouden om te vertellen, hoe smoorlijk verliefd hij was, maar dat Bernard zijne uitverkorene zeker niet spoedig raden zou! O! Signor sukkel, schaterde deze uit; houdt ge mij nu heusch voor zóó onnoozel, dat ik en ieder niet zou hehhen opgemerkt, hoe ge de oogen niet afhieldt van Keetje Ravestemn. Nu, ge hadt wel minder keus kunnen doen, want mijne zusters en wij allen houden veel van dat zoete bekje.quot;
Vertel me er toch iets meer van ? vroeg Gornelis met een klem-als vermiljoen.
„De familie uit Rotterdam, hernam Bernard, is al vele jaren met de onze bevriend. Haar vader is in die stad een welgezien man, die een voordeelig ambt bekleedt. Haar grootvader en oom waren er lang in de regeering. De vermaarde predikant Henrikus Ravesteijn is, zooals onze dominee te Naarden zegt, een „monstrum eruditionisquot; of een wonder van geleerdheid en deze oom van haar zal, zooals ge misschien reeds vernomen hebt, het huwelijk van mijn broeder komen inzegenen. Toen Gornelis nog verder onderzocht, kwam hij te weten, hoe Beiinard wel eens van ter zijde had vernomen, dat Keetje enkele jaren geleden, haar zinnen had gezet op een kantoorbediende haars vaders, niet alleen een jongman van minderen stand, waarin de oude heer wellicht minder bezwaar had gezien, maar een lichtmis bovendien, haar onwaardig en die haar stellig ongelukkig zou maken. Het was, zooals de zusters van Bernard hadden gezegd, voor het lieve meisje te wenschen, dat iemand haar die malle zaak uit het hoofd en uit het hart kon praten. Gornelis met zijn licht bewogen ridderlijk gemoed, vatte terstond het voornemen op om dien „iemandquot; te zijn en nu begonnen medelijden, gemengd met zekere ijverzucht, de hartstocht der liefde steeds sterker aan te blazen; want hij achtte het een edele, heerlijke roeping om zulk een lief meisje te behoeden voor de rampzalige gevolgen eener onberaden verbintenis. Aan gelegenheid om de beminde te ontmoeten, ontbrak het in die dagen niet en een voorval, dat een week later plaats had, versterkte nog de toegenegenheid. Een der namiddagen in de bruidsdagen, werd bestemd voor een watertochtje en het bezoek van een, aan den hoer van Oort toekomende boerderij. Toen, na het vervroegde middagmaal, de beide roeibooten bijzonder net opgeknapt en met vlaggen getooid, uit het schuitenhuis kwamen, hoorden de gereedstaande gasten de klok van den
295
Utrechtschen Dom duidelijk drie uren slaan, wal op Rotsoord voor een aanduiding van goed weer werd gehouden. Do oude heer en mevrouw van Oort namen inet hun bejaarde logés in het eerste bootje plaats en in het tweede, ietwat grootere, zaten bruid en bruidegom, Bernard met Mietje Dubois, Cornems met Keetje en do beide zusjes, als „in een potje met pierenquot; zooals de bruigom zeide, bij elkander. Het was een heerlijk genoegen, om op zulk eeu verrukkelijken namiddag zachtkens voort te glijden over de stille vaart. Een schier onnierkbaar koeltje ontplooide de vlaggen, en heldere zonnestralen deden bij iedereu riemslag van den stoeren steenovensgast, de rondspattende waterdruppels als diamanten flonkeren. Wanneer de stemmen een oogenblik staakten, wat echter niet dikwijls gebeurde, hoorde men slechts de regelmatige roeislagen en hel welluidend kabbelen der golfjes tegen den boeg. Af en toe kwam men een groote Rijnsche aak of Keulenaar voorbij, met gezellige kamertjes boven boord en uitstekjes vol planten en bloemen, of een langzaam voortgetrokken houtvlot, niet opgeslagen woningen, quot;t welk aan een drijvend gehucht deed denken. De bewoners der, door hoog geboomte belommerde buitenplaatsen aan den steenweg, zaten op dit uur meest in de uitstekjes over het water. Grijsaards in kamerjaponnen en soms dampende uit gouwenaars, hengelden in de zacht voortvlietende vaart, en deftige matronen verbroddelden vaak haar breiwerk, als de heer gemaal met een juichtoon een blanke voorn ot\' een happig baarsje verschalkte. Na een half uurtje te hebben geroeid, werd oen vrij breede wetering ingestuurd, voerende naar de hofstede, het doel van den tocht. Het was een mooie boerenplaats, met een, voor enkele jaren nieuw gebouwde woning. Bij het hek aan den kleiweg, waarop in wonderlijke krulletters Weizicht geschilderd stond, stapte het gezelschap bij de breede spoelstoep uit, onder hot geweldig blaffen van den grooten werfhond. Spoedig was men aan het huis, waarvan de gekalkte gevel, het donkei bruin rieten dak, en de naar het familie-wapen, geel en zwart geschilderde vensterluiken, schilderachtig uitkwamen tegen het zachte groen der net geschoren lindeboomen voor deur en zijmuren. De voordeur, ter gelegenheid van dit deftig bezoek ontsloten, bracht door een smullen gang naar twee ruime vertrekken, welke met kale, witte muren en slechts schaars gemeubeld, er ongezellig uitzagen. Daarachter was de keuken, waar het gezin des winters huisde en waar voor deze gelegenheid de roode plavuizen met figuren van wit zand waren
200
bestrooid. Voor de groote, wijde schouw, hingen in een rek twee ganzenroeren en in en om dien schoorsteen kransen van worsten en stukken spek om te rooken. Aan deze keuken grensde de koele-merkwaardig zindelijke melkkelder, en even buiten de woning stond een ruime, nu echter ledige stal voor het beestiaal, waarop de zegen-aanbrengende huislook welig groeide. Voor den ouden heer van Oort was het een genol om deze knappe hofstede, waarop hij niet weinig boogde, aan zijne gasten te toonen en alle aangebrachte verbeteringen door den pachter te hooren uitleggen. Deze was een stevige, weldoorvoede boer van middelbare jaren, wiens witgebloemd vest van blauw damast, ruim uitgesneden rok van grauw serge of gekeperde wollen slof en groote zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij mocht gerekend worden onder de wel geste! den van zijn stand. Nadat het huis was bekeken, werd de veelbelovende bogerd bezocht, alsmede de ruime moezerij en de kleine bloemhof met vele, door palm omplante perkjes, waarin nu zonnebloemen en stokrozen de uitgebloeide violieren, papavers en muurbloemen hadden vervangen. In dit tuintje was een prieel of lommerhuisje, een waar spinnen-paradijs, waaruit men echter een mooi vergezicht had over een paar kampen bloeiend bouwland en op frissche geurige weiden, waarin een aantal koebeesten voedsel vonden, meest van de toen veel gezocht wordende witdekken of lakenvolders. Terwijl de oudere gasten kalm rondkuierden, was „\'t jongvolkquot; gelijk de baas het jeugdiger gezelschap noemde, met hengelroeden naar de grift gegaan, waarin het volgens den boer, stikvol met visch zat, doch die zich dien avond niet vangen liet, wat waarschijnlijk meest aan de woeligheid der hengelaars te wijten was. Onderwijl plaatsten do boerin en haar stevige roodwangige bloot-armige dochters, onder het lommer van een breedgetakten notenboom, een groote tafel, waarover een schoon bedlaken werd gespreid. Daarop plaatsten /.ij een schaal met overheerlijke Hangebast, een karnemelkspijs, ook Drup m \'t zakje genoemd; benevens borden met eigengebakken brood, goudgele boter, beste zoete-melksche kaas, gerookt vleesch en zacht gekookie eieren, waarbij moeder van Oort nog de versnaperingen voegde, in blikken trommels medegebracht. Onder babbelen, kortswijl en vroolijk rumoer, bleven de gasten een uurtje tafelen, tot groot genoegen zeker van een bende welgedane eenden en hoenders, welke snaterend en kakelend om de tafel liepen en van de overschotten genietend. Op voorstel van den bruigom en
297
nadat niet een kelk bessenwijn de gezondheden waren gedronken, werd het maal, naar oudejaarschen trant, besloten met een rondedans, waarin ook de meisjes van den pachter mede huppelden en op hare beurt menig eerlijk zoentje op de blozende kaken kregen. De oudelui oordeelden het tijd om aan terugkeeren te denken, daar het lengen der schaduwen den naderenden avond aankondigde. Er werd besloten, dat de jongelui door do weilanden naar huis zouden wandelen, terwijl de ouderen naar Rotsoord werden teruggeroeid. Onder scherts en gezang werd de tocht aanvaard. Het was een mooie, zachte avond. De ten ondergang neigende zou wierp tusschen grauwe wolken mot purper, zilver en goud omzoomd, lieflijke tinten op het helder groene gras der malsche weilanden, als bezaaid met roodbruin en wit en zwart geteekend rundvee. Die vlakke velden werden afgewisseld door boerenhoeven, omringd door boomgroepen met bogerd en schuren, omsloten door groene hagen en over dat alles welfde zich, behalve in \'t westen, een blauw uitspansel tot een wazig verschiet. Frans zeide hoe hij bij dit schoon lafreel herinnerd werd aan de zonderlinge uitdrukking onlangs door een vermaard predikant in de Klaaskerk te Utrecht gebezigd, en wel van de malsche groene weiden in den Hemel, waarover de zielen der geloovigen als schoone vlinders zouden zweven; eene uitdrukking, welke hij op den keper beschouwd, als oen groote „holle bolligheidquot; afkeurde. Langs het slingerend voetpad, bewijzende hoe het ook in letterlijk zin voor menschen moeilijk is om recht vooruit te gaan, lagen overal koeien rustig te herkauwen en keken liet voorbijgaande gezelschap met groote, goedige oogen, dommelend aan. Minder kalm nam in een volgend kamp een forsche, aan een paal bevestigde stier de rustverstoorders op, vooral toen het gezelschap stil stond, en het norsche dier vergeleek met de beroemde schilderij door Paulus Potter, welke de meisjes onlangs in het vorstelijk kabinet in Den Haag hadden bewonderd. Met woesten blik zag het ruige dier de voorbijgangers aan en toen zij rustig voortwandelden, poogde hij zijne verbolgenheid te koelen door snuivend en blazend om den paal te draven, met de horens in den grond te steken en de graskluiten ver weg te werpen. De bruid en bruigom gingen vooruit; dan volgden Bernard, Mietje en de zusters en Cornelis en Keetje waren gaandeweg achtergebleven. In zachte vertrouwlijkheid gingen zij hand in hand, van die streelende woordekens wisselend, welke voor onverschilligen onbeteekenend,
298
hun uilersl gewichtig schenen, welk zoet gesprek gepaard ging met hel plukken en ontbladeren van boterbloemetjes, waarvan Keetje al gaande een aardig kransje wist te vlechten; welke bedrevenheid door Cornelis niet weinig bewonderd werd. Zóó naderde het gezelschap een hek, waarvoor een smal bruggetje over een breeds sloot naar een kleiweg voerde. Het eerste paar was reeds over de plank en de tweede groep dichtbij, toen Frans toevallig omziende, tot zijn groote ontsteltenis bemerkte dat de stier zich had losgerukt en met uitge-strekten staart en steeds meer geprikkeld door den hem nasiependen rammelenden ketting, woest kwam aanhollen. Hot tweede gezelschap was spoedig door liet hek, maar het laatste paar nog ver verwijderd. Cornelis hoorde met schrik den dreunenden draf, het wilde snuiven en het korte gebrul van het woedend beest. „Loop! Loop! riep hij het voortijlend meisje toe en in een oogenblik stond zijn voornemen vast en had hij zijn gekleurden rok uitgetrokken. Frans en Bernard waren zwaaiend met afgerukte boomtakken de wei weder ingeloopen en poogden, door geschreeuw en weipen met kluiten, het razende dier af te leiden. Met verbazing ontwaarden zij hoe Cornelis den rok heen en weer slingerend, kalm staan bleef. Ook de stier stond een oogenblik stil, als bereidde hij zich op oen aanval; maar spoedig sprong hij, met neergebogen kop, luid loeiend vooruit. De jongeling trad vlug een schrede ter zijde en wierp, toon het woeste beest voorbijsprong, den rok tusschen de horens, zoodat de panden het zien verhinderden. Terwijl het dier brullend zich trachtte te bevrijden en het kleedingstuk dat hem om den kop wapperde, poogde te verscheuren, snelde Cornelis ter zijde naar de grift en daar het hok aan den anderen kant lag, sprong hij plompverloren in liet water, waar zijn vrienden hem ter hulp snelden. Onderwijl hadden do meisjes zich met Keetje moeten bezighouden, dio met den uitroep: O mijn God! die lieve Cornells ! bewusteloos in de armen van Klaartje was gevallen. Gelukkig kwam zij spoedig weer bij en nooit heeft de jongman vergeten, hoe zij hem aankeek met een blik, waar in haar liefdevol hart glinsterde, toen zij hem zenuwachtig schreiende de hand drukte en hem haar levensredder noemde. De jongelui hadden geen woorden genoeg om den moed en de kalmte van Cornells te prijzen, waarop deze antwoordde, dat de afgrijselijke stierengevechten te Bilbao toch eenigo vrucht voor hem hadden afgeworpen en dat hij de gelukkige gedachte had, om toe te passen
wal hij in dat strijdperk afgekeken had. In jeugdige gemoederen gaan do indrukken in ;t eerst doorgaans niet diep en griffelen zich later pas sterker in den geest, en zoo keerde het gezelschap met den druipnatten „bullenkampioenquot;, zooals Bernard zijn vriend betitelde, als in zegepraal en welgemoed naar Rotsoord terug. Alleen Brrnard was niet in zijn schik en zelfs de vriendelijkheden van Mietje Dubois brachten haar Nars in geen beter humeur. Hij bleef steeds mopperen over hot onhebbelijke, kwaadaardige beest, dat nog in do weide bleef rondloopen, na een rustig gezelschap in levensgevaar te hebben go-bracht. Gornelis zag op het gelaat van zijn vriend een trok vorschijnon, dien hij vroeger ook wel eens oen enkele maal had opgemerkt, getuigende van inwendigen toorn en dien hij daarom het „booze oogquot; noemde. De oude heer van Ooiit was ook verstoord op den boer, die niet had gezorgd, dat het woeste dier stevig bevestigd was en ten minste do wandelaars niet had gewaarschuwd; welke opvatting aanleiding gaf tol oen fluisterend gesprok tusschon Bernard en zijn vader.
Don volgenden morgen waren allen van den schrik bekomen en toon Gornelis aan hel ontbijt kwam, vond hij nevens het bord zijn aan-teekeningboekje uit den verscheurden rok, waarop Bernard meedeelde, dat do vrienden het slotloonoel van dit drama konden aanschouwen, indien het gezelschap do moeite wilde nemen om hem straks naar den stal le volgen. Dit gebeurde en men zag den stier dood liggen, met afgezaagde horens, en boven hot cadaver stond in grooto letters, mol houtskool op den gokalklen muur geschreven: „Straf voor de belagers onzer vriendenquot;. Het kwam nu uit, dat Bernard dien morgen vroeg was opgestaan en mot vergunning zijns vaders, don nog altijd losloopenden slier, dooi\' zijn zelden missend schol had neergeveld. Hij achtte echter hot boost onwaardig oin eervol door een kogel to sneven, waarom hij naar de hofstede was gewandeld om hol dier van den, door het ongeval zeer onthutsten boer te koopen. Dit was geschied onder voorwaarde, dal een paar knechts den stier vorder zouden afmaken, de horens afzagen en naar een dor stallen van Rotsoord slepen. Verder was hij, op last zijns vaders, met den pachter overeengekomen, dat dit stuk weiland, voortaan „do stierenkampquot; zou hooien en lol bouwland moest worden omgelegd, wat, hoewel wat laag on broekig, met zorg en geduld wel geschieden kon. Gornelis kon niet nalaten aan zijn vriend op te merken, dat hem deze wraak-
300
oefening; wat geweldig scheen, daar hot stomme dier eenvoudig zijn natuurdrift had gevolgd, waarop Bernard antwoordde, hoe hij over sommige dingen eigen meeningen had en oordeelde, dat dieren en menschen, die zich onwaardig toonden om in eene rustige maatschappij te leven, daaruit moesten worden verwijderd. Dat was zijn strafrecht, beweerde hij, en zou in beginsel veel beter aan het doel beantwrorden, dan de zeker menschlievende pogingen waarover men, in deze beschaafde eeuw, meer en meer begon te spreken, om het kwaad te verminderen, door de boosdoeners zedelijk te verbeteren. Ofschoon Bernard een veelwetend en iu wetenschappen en kunsten belangstellend man was, met een peinzend gemoed, kon hij vreemde inzichten hebben. Zoo kon hij heftig uitvaren tegen de toestanden in onze Republiek, waar gewesten en steden schandelijke broeinesten waren van familieregeering en berooving van \'s landsgelden en waarbij het bestuur van sommige barbaarscbe staten, door hem bezocht, nog prijzenswaardig mocht heeten; en toch noemde bij zich een vrijheidlievend patriot, die voor het volk alles zou over hebben, maar het gemeen buiten do regeering wilde houden. Do oude heer van Oort had ook, gelijk wij reeds opmerkten, eigenaardige beschouwingen en het was daarom niot te verwonderen, dat zoogenoemde „nuchtere menschenquot; beweerden, hoe er door de geheelo familie eigenlijk een „streep liepquot; en hoe zij als bij erfopvolging, buiten-model menschen waren, welke neiging bij den ongelukkigen Adriaan in volslagen zinneloosheid uitliep. Doch dit daargelaten, vernam ieder in de buurt met groot genoegen, dat de booze bul, de zwarte duivel, zooals velen, die hij beangstigd had, het kwaadaardige beest noemden, voor goed onschadelijk was gemaakt, en het méést verheugden zich daarover de arme gezinnen, waaraan hot vloesch werd geschonken.
Den dag vóór do huwelijks-voltrekking, had er op Rotsoord oen zoogenoemde huiselijke assemblee plaats, moest om do aanstaande bruilofsgasten in kennis te brengen mot den predikant Hënrikus Ravesïeijn, een oom van de bruid, clio het huwelijk, te Houten, zou komen sluiten on inzegenen. Een leeraar dor heerschende of staande kerk, was destijds als van zelf hot middelpunt van ieder gezelschap, en te meer een man als Ravesteijn, die genoemd werd een sieraad der Kerk, oen man die de gemeente verrukte on vervoerde, niet alleen door groote preekgaven, maar ook door de zeldzame konnis, neergelegd
301
in zijne veelgelezen boeken. Hij was een fijn beschaafd, hoffelijk man van even in de veertig jaren, met. een vriendelijk, maar waardig uiterlijk, gelijk op zijn, door J. Hoobraken in 17211\' gegraveerde afbeelding te zien is. Ook nu was de predikant, als het brandpunt van \'t gezelschap, vereenigd in een der zijkamers van Rotsoord, uitziende over den gi\'ooten en fraaien bloementuin, op de vaart en den overkant. De dames waren in een halven kring gezeten om de theetafel, waar de vrouw des huizes het keurig Ghinavocht van wel tien gulden het pond, uit een zwaren zilveren trekpot in ragfijne porceleinen kopjes schonk; terwijl nette dienstmeisjes, meest aardige vrijstertjes, op zilveren bladen, confituren voordienden en Utrechtsche theerandjes uit den vermaarden winkel, eenige jaren te voren door Jurriaan Pieterson in de Schouten-steeg gesticht. Later in den avond, bij den rooden en rijnschen wijn, werden deze versnaperingen vervangen door krakelingen, beschuitjes en hompjes zoete-melksche kaas. De, allen deftig zwart gerokte bejaarde heeren, die eerst buiten hadden gezeten, kwamen na zonsondergang binnen, nadat de dominee te kennen had gegeven, hoe hij deze buurt voor ongezond hield en in zijn jonge jaren er eens een anderendaagsche koorts had opgedaan. Toen de heeren binnenkwamen, verklaarden de dames als uit één mond, dat tabaksrook uit een gouwenaar haar meer aangenaam dan lastig was, zoodat de pijpen niet behoefden te worden weggelegd. Er werd druk gekeuveld over het nieuws van den dag, door de Oprechte-Haarlemsche-Gourant en de Hollandsche Mercurius meegedeeld. De oude heer de Gourgelles, een klein, levendig, pokdalig mannetje, dat langdradige vertellingen kon doen, begon een verhaal, hoe hij verleden jaar in de Meierij van Den Bosch bij vrienden logeerende, de ontsteltenis had bijgewoond, verwekt door de sinistere profetie, dat de aarde op den Sacrementsdag zou vergaan en hoe de kerken vol liepen, toen een lang dreigend onweer begon te rommelen; men zeide zelfs, dat er enkele mcnschen van angst waren gestorven. Zoo kwam het gesprek op een voorspelling over don krijg, nu in Italië en in Duitschland gevoerd, wat den gastheer aanleiding gaf om zijn hart te luchten over onze erfvijanden, do Franschen. Terwijl wij, zeide hij, te land en ter zee tegen den F ran ^o is hebben gekampt en moest victorie geblazen, is do oude vijand nu bezig ons te overwinnen, door weelderige dartelheid te brengen en wulpsche modes, welke, indien niet tijdig beteugeld, onze Republiek langzaam, maar zeker, naaiden ondergang zouden voeren; een gevaar, door zijn vader roods voorzien)
302
toen deze, nu meer dan twintig jaren geleden, zijn gedicht Vrede-toorts op Rot uw ijk ontstoken, drukken liet. Misschien zon de oude heer op dit stokpaardje nog verder zijn doorgedraafd, indien de predikant niet had gevoeld, dat deze vaderlandsche ontboezeming den heer de Gourgelles, wiens vader een refugié was en die zelf in de omstreken van La Rochelle was geboren, niet aangenaam kon wezen. Hij leidde daarop do redewisseling af naar een destijds veel besproken onderwerp, en wel de aanvallen en stoutigheden der Algerijnsche zeeroovers, welke onze droevig vervallen zeemacht niet scheen te kunnen beteugelen, en waarvan in de laatste nouvelles weer rooverijen en het in slavernij wegslepen van menschen werden verhaald. Zoo kwam hij te vertellen, hoe in zijne familie de heugenis bestond, dat omstreeks hel midden der vorige eeuw, een zijner oud-tantes door dergelijke zeeroovers gevangen was genomen en in slavernij gevoerd. Na vele jaren van onuitsprekelijk lijden, was zij verlost en vrij geworden door een zeekapitein Nagtglas, misschien wel verwant aan den jongen man, die hem zoo even als een vriend des huizes was voorgesteld en wiens naam hem deze geschiedenis te binnen bracht. De jonkman zelf kon het verhaal op dit oogenblik niet bevestigen; want terwijl de oudelui aan \'t keuvelen waren, was de jeugd, na eenige kopjes thee Le hebben gebruikt, naar den overturn overgezet. De monden der bejaarde dames hadden onderwijl niet stilgestaan en de gesprekken waren soms als de klontjes, welke zij bij de thee nuttigden; van buiten zoel, maar van binnen meteen ietwat bittere kern, vooral in het beoordeelen van modes en dienstboden, door enkele stekelige kwaadspreekslerljes achterklap gelardeerd. Hoewel de vensters tegen schemering dicht waren geschoven, hoorde men nu en dan hel vroolijk rumoer in den overtuin, vooral toen ter eere van bruid en bruidegom zonnetjes, draaijers, lichlkaarsen en andere kleine vuurwerken afgestoken werden, wier kleurige glans spiegelde in den stillen waterspiegel en wier knetteren en knallen door de echo\'s van hel huis werden teruggekaatst. Onderwijl wandelde Cohnelis met zijne lieve Keetje, aan wie hij den vorigen dag zijn hart uitgestort had, in een der lanen van het sterrenbosch, waar hel rustig en slil was en men slechts uil de verte hel joelen van hel vroolijke gezelschap vernam. De zon was ondergegaan en enkele violetkleurige doorzichtige wolkjes boven een wazig neveltje,, wezen de plaats aan waar zij weggezonken was; terwijl een koeltje, zacht ritselend door hel gebladerte, haar nachtgroet scheen
303
over to brengen. Aan de overzijde rees langzaam en statig de maan aan den onbewolkten hemel en haar zilverglans trilde door het loof. In de harten der beide jongelieden straalde ook een nieuw licht, dat een wonderschoone wereld in het gemoed te aanschouwen gal\', een toekomst, tot heden nog nooit ontsluierd. Toen zij, de ziel vervuld met lieflijke gewaarwordingen van levenslust en levensgenot, voort-wandelden, werd hun aandacht getrokken dooi\' de lichtschemering uit een paar vensters op de tweede verdieping. Beneden glansde helder kaarslicht uit de kamer waar de oudere gasten zaten; op liet voorplein vermaakten zich nu de jongeren onder vroolijk gejuich, met allerlei spelletjes; maar bij dat (lauwe licht daarboven, waakte, iu schrille tegenstelling, de ongelukkige dolleman, steeds mompelend over broedermoord.
Toen Gornelis en Keetje binnenkwamen, vroeg de predikant belangstellend of de jongman ook bekend was met de geschiedenis der in slavernij weggevoerde vrouw. Gornelis kon bevestigen, hoe hij van zijn vader deze gebeurtenis wol eens had hooren verhalen, maar tot verdere verklaring kwam het dien avond niet, daar op hetzelfde oogenblik de koetsen werden aangediend.
Ofschoon de torenklok der St. Nicolaaskerk, ten gerieve der veerschippers, altijd minstens tien minuten den gewonen tijd vooruit was, had hij in den morgen van den huwelijksdag nog geen tien geslagen, of een aantal koetsen reden het voorplein van Rotsoord op en door de groote, met sparrengroen, palm en bloemen versierde eerepoort, welke de steenovensgasten den vorigen nacht hadden opgetooid. Uit die rijtuigen vulden zich langzamerhand de benedenkamers met familie en vrienden, allen in pronkgewaad. De bóeren in gegalonneerde rokken van blauw, groen of purper fluweel, met zilveren of gouden knoopen; zijden of satijnen onderkleederen, kanten dassen en lubben en fijne sierlijke degentjes, meer geschikt voor pronk dan voor verweer. De gepoeierde pruiken waren onberispelijk, en de driekante, met goud omzette hoedjes waren meer bestemd om onder den arm te worden gedragen dan om het hoofd te bedekken, zoodat de oude heer van Oort, niet ongegrond, over de dolzinnige Fransche modes uitgevaren had. Eer dat de dames in de zaal verschenen, werd in een aangrenzend vertrek, met behulp van een paar kamermeisjes, de laatste hand gelegd aan liet statiegewaad. Aan de kostbare damastnu
304
of triomfanten overkleederen of hel satijnen ondergewaad viel licht nog wat te veranderen; de hooge handschoenen moesten worden afgestreken, de mouches verplaatst en vlokjes en lokjes in de hooge, min of meer gepoeierde kapsels worden vastgelegd. Als eindelijk alles gereed was, streken de dames; zoo snel als de hooge roode hielen der satijnen schoentjes toelieten, met diepe buigingen de zaal binnen, om daar door de reeds aanwezigen te worden bewonderd, berispt, benijd en vergeleken met de laatste modepoppen, welke toen maandelijks uit Parijs naar de voornaamste marchahdes de modes werden gezonden en voor de vensters tentoongesteld. Er schoot echter niet veel tijd over om de fontagnes, strikken en opnaaisels, keurslijven en hoepelrokken te bekijken, want de stoet of statie zou tegen elf uur vertrekken. Vooraan in een reeks van rijtuigen stond de zoogenoemde familiekoets, nog afkomstig van grootvader Adriaan van Oohï; een lomp, witgeschilderd, met verguld lofwerk versierd voertuig, waarvan op de portieren het wapenschild prijkte. Een paar „soldaten uil het regiment van den regenboogquot;, gelijk de steenovensgasten de bont gekleede liverij-bedienden noemden, waren op den hoogen bok en de achtertrede op hun post. De vier zwarte paarden, als uit één vorm gegoten, wel doorvoed en met sierlijk gewelfde halzen, trappelden van ongeduld, als of zij er behagen in schepten oin te doen zien, hoe fraai zij met geborduurde dekken, glanzend lederwerk en zilveren knoppen waren opgetuigd. In dat rijtuig vonden bruid en bruidegom ruim plaats. De laatste was gekleed in een rok van zacht rood fluweel, rijk met goud geborduurd en met knoopen van hetzelfde metaal; liet vest was van geel satijn, met bloemen doorwerkt, de broek van wit laken en de wit zijden kousen met vergulde klinken doorweven. De schoenen droegen gouden gespen en de net opgemaakle en gepoeierde pruik kon onmogelijk gedekt worden door het kleine, met goud galon omboorde hoedje. De bruid, aan wier coiffeure een bekende haarkunstenaar uren had besteed om het hooge kapsel in orde te brengen^ droeg een wijd kleed van wit atlas, met keurige en kleurige bloemen ou ranken geborduurd. Haar onderkleederen en sleep waren van hemelsblauwe zijde en de sierlijke, met zilver doorwerkte écharpe of sjerp was een geschenk des bruigoms. De fonkelende diamanten, waarmede de strikken aan borst en armen prijkten en de dubbele parelsnoer om den hals; waren slechts voor een deel haar bijzonder eigendom, maar een soort van familiegoed, door den zoogenoemden stamhouder,
305
als hoofd van het geslacht bewaard. Hoewel op uitdrukkelijk verlangen van den heer van Oort alle kleedingstukken en versieringen, alsmede het geheele uitzet in Amsterdam en Utrecht was gemaakt, voldeed het toch niet minder en was hiermede ook wel eenigszins de hand geligt. Op de familie-koets volgden de andere rijtuigen, waarin de verwantschap der aanwezigen nauwkeurig bij de plaatsing werd in aciit genomen, leder lieer geleidde de hem aangewezen jutfer naar het, door de ceremoniemeesters Coknelis en Bernard aangewezen rijtuig. Het was een lange rit eer de stoet, onder veel bekijks, voor de eenvoudige kale kerk van Houten stil stond. Hier word het huwelijk door dominee Ravesïeijn ingezegend en voor moeder van Oort, die voor een serieuse, fijn oordeelende vrouw doorging, was do toespraak na het formulier zóó innig dierbaar en roerend, dat door de beving der harten bij haar en vele dames de oogen overliepen en hier en daar de met zorg gelegde mouches in gevaar brachten om weg te druppolen. Het anders stille dorp was dien morgen in roere; de kerkklok luidde; hier en daar wapperde een vlag, wat destijds nog niet, veel gebruikelijk was; alle mensclien liepen uit om de statie te zien en de armen verheugden zich in het vooruitzicht eener buitengewone bedeeling, waarvoor diakenen na een dergelijke plechtigheid werden in staat gesteld. Ook bij de terugkomst verdrongen zich de nieuwsgierigen bij het hek van Rotsoord en waren jongens met levensgevaar in hooge boomen geklauterd om goed te kunnen zien, hoe de jonggetrouwden, door net opgetooide kleine meisjes, uit met bloemen, groen en linten versierde mandjes met maagdenpalm en zilveren en gouden loovertjes werden bestrooid. Na nog een oogenblik in de zijkamers te hebben vertoefd en daar, onder het gebruik van confituren en morgenwijn, en vele buigingen en plichtplegingen het echtpaar te hebben geluk gewenscht, werd het gezelschap tegen half drie naar den feestdisch in de zaal genoodigd, waar ieder door de coremoniemeesteiy de voor hem bestemde plaats aangewezen werd. De in hoefijzer-vorm aaneen-geschoven tafels waren bedekt met tafelkleeden van schitterend blank damast, waarin kunstig geweven jachttafreelen en ooiiogsbedrijven en waarvan de helderheid nog levendiger uitkwam, door de daarover met zorg en smaak gestrooide geurige bloemen en frissche palmtakjes, tusschen allerlei schotels en schalen van kostbaar kristal, porcelein en zilverwerk. Boven hot hoofd der jonggehuwden hing aan festoenen van groen en bloemen, naar voorouderlijken trant, nog de bruidskroon
De Gouden Draad, 2U
300
van hulstgroen, tusschen kleurige linten en zilveren strikken. In het. midden der tafel stond, op spiegelglas, een groote, kunstig vervaardigde praaltempel met vazen, groepen en zinnebeelden fraai uit suiker geboetseerd en daarnevens een aantal kleinere zoogenoemde dessert figuren, voorstellende herders, nimfen, vruchten en dieren. Het eetservies was van Saksisch porcelein, waarop in een bloemenkrans het familiewapen geschilderd stond. Aan het gebruik der vele gerechten van vleesch en visch, van wild en gevogelte, van groenten, pasteijen, gebak, taarten, confituren en vruchten, zou men hebben kunnen merken, dat het onzen voorouders evenmin aan eetlust als aan eetkracht ontbrak. De witte, roode en Rijnsche wijnen waren van de beste soorten en de heer van Oort was de ouderwetsche leer toegedaan, dat de vaatjes met wijn waaruit getapt werd, steeds gevuld moesten worden gehouden. Aan do feesttafel zaten een dertigtal gasten, een kring van bloeiende jonge juffers en eerwaardige bedaagde vrouwen, van krachtvolle jongelingen en deftige mannen, een bonte verzameling van blonde, bruine en grijze hoofden, bleeke en blozende gelaatstrekken, en een schakeering van kleurig fluweel, fijn laken, glanzende zijde, blinkend satijn en zilveren of gouden sieraden, alles schitterende in het licht van tallooze waskaarsen. Bij het nuttigen van het eerste gerecht werd weinig gesproken en bleek de waarheid van \'t oude spreekwoord der muizende katjes. Onder de tweede opdissching werd de stemming opgewekter en levendiger, begonnen de oogen vroolijker te stralen, vloeiden de lippen over van scherts en bleek hoe onder pruiken, keurslijven en fontagnes toch ook echt jongleven schuilde. I Iet feestmaal duurde niet lang en werd door dominee met een lang gebed geopend en met een korte dankzegging gesloten. De conditiën, met „een dokter Snelquot; aangevangen en met „een glaasje op den Valreepquot; gesloten, werden zooveel doenlijk beperkt, daar de oudelui van Oort, met liet oog op den ongelukkigen Adriaan, alles wilden vermijden, wat op uitbundige feestvreugde geleek. Er werd dan ook slechts tweemalen gezongen, eerst een feestzang op het huwelijk, voltrokken op Rotsoord, waarvan ieder der gasten een gedrukt, in goud papier genaaiden afdruk ontving, en ten slotte uit het juffersboekje of mopsje, waarvan de meeste dames een net gebonden deeltje bij zich hadden. Na de dankzegging begaf zich het gezelschap naar de zijvertrekken, waar geurige koffie en verschillende fijne likeuren werden aangeboden eu de jongelieden verkleed eenige voorstellingen zouden geven. Spoedig
307
kwamen een aantal vermomden in optocht de kamer binnen en brachten bedelmonniken, harlekijns, ridders en vischvrouwen. Turken en herderinnen, morianen en bloemenmeisjes, in toespraken en gedichten hulde aan de jonggehuwden. Gokmrlis ontstelde niet weinig, toen hij in een der gemaskerden zijn lieve Keetje herkende, geheel gekleed in het ouderwetscb gewaad van het spookbeeld der familie. Toen de jonkman haar vroeg, hoe zij tot die verkleeding gekomen was, vertelde zij, tot tweemalen toe, een dergelijk vrouwtje in een droom te hebben ontwaard en, voegde zij er haperend bij, de verschijning wees mij telkens met vriendehjken blik op zeker iemand. Gij begrijpt wel wie? Toen de jongman daarop met vuur hare hand greep, viel zijn oog op een ring, welke, tot zijn aan ontsteltenis grenzende verbazing, op den zijnen geleek. Naar den oorsprong van dit sieraad vragende, vernam Cornells, dat zij dit kleinood slechts nu en dan aandeed. Zij had veel zwak op dien ring, als afkomstig van haar moeder, die, naar zij wei eens had hooren vertellen, dit versiersel in hare jonge jaren had geërfd van een oude, half kindsche moei, die uit de slaverni j der Algerijnsche zeeroovers was verlost, over welke geschiedenis dominee Ravesteijn gisterenavond gesproken had.
Terwijl de paren, op de tonen van den clavesimbel, schuifelvoetend de kamers doordrentelden, want van eigenlijk dansen mocht, in tegenwoordigheid van twee predikanten, geen sprake zijn, slopen de jonggetrouwden weg en reden naar hun woning in de stad. Om tien uur kwamen de koetsen en eindigde de zoogenoemde bruiloft, daar de ouders, met het oog op hun ongelukkigen zoon, die deze dagen erg onrustig was, geen laatdurende feestelijkheden wenschten.
Toen Gornelis, onder het wisselen van zoete woordekens het meisje naar het nabijgelegen Rotswijk had gebracht, waar zij nachtverblijf hield, wandelde hij nog een eind den, door het land kronkelenden kleiweg op. Het was een stille avond. De sikkel van de afnemende maan, wierp, tusschen enkele schitterende sterren door, een schemerend, tol kalmte stemmend schijnsel over het rustige landschap. Over de sloten dreef de nachtdauw in dunne wazige nevels, welke bij tusschenpozen ook boomgroepen en huizen in mist hulden. In het verschiet, glansde hier en daar een vuurgloed, welke aan een verren brand denken deed, doch die voortkwam uit een der vele steenovens en andere fabrieken aan den Vaartschen Rijn gelegen. De stilte was als voelbaar en slechts uit de verre stad gonsden nu en dan onbestemde geruchten,
308
zich parend aan kikkergekwaak in de sloten en waterplassen, het kr ij sollen van roofvogels of hot blaffen van honden op afgelegen boerderijen. Cornelis, van nature tot peinzen geneigd, liet ook onder dezen machtigen indruk der nctnur, zijn geest zweven als in een droomleven. Hij dacht aan hot eenvoudige lieve meisje, waarvan hij zooeven afscheid had genomen, dat hom reeds zoo dierbaar was geworden en waarmede bovendien een onverklaarbare band hem scheen te veroenigen. Hij zag op naar de sterren, waarvan enkele helder als juweelon glinsterden aan het onbewolkte uitspansel en zóó kwam hij als van zelf om te denken aan do dierbare overleden moeder, die hem misschien van een dier glinsterende bollen gadesloeg te gelijk verheugde hij zich in de gedachte, hoe heerlijk het was, dat hij nu voortaan de innigste gevoelens van zijn gemoed medodoelen kon en bespreken mot een liefdevolle, trouwe, hom volkomen begrijpende vrouweziel. Hij dankte God voor dien zegen en, stralende van geluk, richtte zicli oog en hart naar omhoog, peinzende over do onverklaarbare wijs, waarop vaak de lotgevallen der menschen worden geleid, wat hij nu roods, hoe jong ook, ondervonden had. Terwijl liij zoo mijmerde, scheen hot alsof hij, snel voorbijgaande, als bij hot licht oenor voortschietendo bliksemstraal, voor een oogenblik don gouden draad zag flikkeren, welke ook door zijn familieleven heenslingerde.
liet was in de donkere weck vóór Kerstmis, den tijd dat de dagen, om zoo te zoggen, maar even open- en toegaan. Lang achtereen was do natuur in nevelen gehuld geweest, maar gisteren was do wind „uitgeschotenquot; en begonnen dikke, donzige sneeuwvlokken te dwarrelen. Buiten was hot donker en koud, maar in do achterkamer van hot ons bekende huis in do Turfpoortstraat te Naardon, warm en gezellig. Zware gordijnen van groen saai hingen voor de gesloten blinden on op don broeden, ijzeren, mot koper beslagen haard knetterde een v uurtje van regelmatig geschikte turven en boukonblokjes, welker gloed het vertrek zóó helder verlichtte, dat de vlammen dor beide „vierenquot; die in verlakte kandelaars op het bontgekleurde tafelkleed stonden,
309
er door verduisterd werd. Tusschen die kaarsen was hol theegoed klaargezet eu de huishoudster Louwiesje bezig om den, reeds burgerrecht verkregen hebbenden en algemeen gebruikten drank gereed te maken. De oude heer Nagtglas zat in een armstoel van notenhout, met gevlochten rieten zitting, bij den haard. Hij had een gemakkelijke kamerjapon aan, en zijn aandacht scheen verdeeld tussclien de blauwe rookwolkjes, zachtkens omhoog kronkelende uit den langen gouwenaar en de nu eens rijzende, clan weder slinkende vlam van het vuur, waarvan de vonken in den schouw sprankelden. Buiten was het zóó stil als bij dichte sneeuw dikwijls gebeurt, wanneer de rijtuigen niet hoorbaar zijn en de inenschen zich zooveel mogelijk van de straat houden. Daardoor vernam men ook in de kanier niets dan het „zingenquot; van het suizende theewater, het regelmatig tikken van een Engelsch klokje op de bureaukast en het knetteren in den haard. Dat de oude heer, in weerwil van zijn kalm voorkomen, eenigszins onrustig en onthutst was, had Wiesje reeds lang opgemerkt en te méér, daar ook haar pols sneller clan gewoonlijk klopte. Vader had reeds meer dan eens een paai\' krakelingen genomen uit een voor hem staand trommeltje, wat hij anders nooit gewoon was en, eten onder theegebruik, bederven noemde van dien kostelijken heildrank, door velen toen geacht boven alle kruiden en aftreksels, uit de apotheek te slikken gegeven. De onrust scheen gewekt door een brief, in den vooravond ontvangen en door den ouden heer reeds meer dan ééns gelezen en herlezen. De inhoud werd met de, geheel als familielid beschouwde huishoudster besproken en toen zij daarover in gesprek waren, hoorden zij de voordeur krakend opengaan, laarzen afstampen op de vloermat en een be-sneeuwden schanslooper uitslaan. Daarna trad Couneus binnen, met wangen, gelijk Wiesje zeide, zoo rood als bellefleurs. Hij begon met te vertellen, hoe hij naar de Stolp was geweest om met den pachter de laatste stormschade op te nemen en morgenochtend tijdig dit ook in Hoeckenburch wilde gaan doen. Vader hoorde zijn zoon belangstellend aan, maar brandde toch kennelijk van verlangen om aan het woord te komen. „Ik denk niet, viel hij hem in de rede, terwijl hij met den weder toegevouwen brief op de tafel trommelde, „dat ge morgen naar Bussum zult gaan, als ge dezen brief gelezen hebt, vóór een uurtje uit Rotterdam ontvangenquot;. Met bevende hand nam Cornelis den brief aan en las eerst zucht, maar daarna met haperende stem hardop, hoe de heer Ravesteun op een brief van vader Nagtglas
310
o
meedeelde, dat hij ^con bezwaren had tegen de verloving zijner dochter Cornelia met den jongen heer Nagtglas, en hoe het meisje er zelve over dacht, zou uit den ingesloten brief kunnen blijken. Het sprak , van eigensquot;, gelijk Louwiesje zeide, dat de jonge meneer, gelijk hij genoemd werd, nu besloot om zoo spoedig mogelijk naar de Maasstad te reizen en vader voegde er bij ; dat als het niet „in\'t pitje van den winterquot; was, hij wel lust zou hebben om morgen in den fourgon mede Ie rijden, daar hij in Utrecht een paar boodschappen had te doen. Cohneus voelde zijn hart kloppen en werd beurtelings bleek en rood. Hij tintelde van levenslust en liefde en had een gewaarwording als of er een schitterende illuminatie van honderden kaarsen in zijn hoofd was ontstoken, welke alles glanzen en glinsteren deed. Ook de oude heer was bewogen; hij greep de beide handen van zijn zoon, drukte die tussclien de zijnen en sprak met ontroerde stem. „Geluk, beste jongen, met die goede tijding. Ik kan U niets beters wensclien, dan dat ge in Keetje Ravesteun een even boste huisvrouw moogt vinden, zooals God rnij in uwe lieve moeder zaliger schonk\' ; tegelijk druppelden enkele tranen, geweld uit de diepte van het gemoed, op de vereenigde handen. Louwiesje\'s breiwerk werd dien avond erg verbroddeld, en hel werd er niet beter op, toen „de kweekquot;, gelijk zij wel eens schertsend zeide, haar na den zegen-wensch een harteiijken zoen gaf, welke lieflijke herinneringen aan zijn kinderjaren nu het trouwe hart beven deed van genoegen. De knecht kreeg last om morgen in de vroegte den jongen meneer naar Utrecht te brengen, vanwaar hij dan, hetzij met de schuit, hetzij met den bolderwagen, naar Rotterdam kon reizen. Den volgenden morgen was Louwiesje nog heel wat vroeger op dan de zou, om te zorgen dat Cornelis uit een verwarmd vertrek en na een hartig vroegstuk op weg kon gaan. Tranen stonden in de oogen van de bezorgde huishoudster, toen zij hem aan de voordeur de hand reikte, sprekende: „Ge zult een gure reis hebben, beste jongen, want er ligt dik-op sneeuw en \'t is nog pik donker, maar het verlangen naar uwe Keetje zal alles dubbel vergoeden. Om uwentwil, beste Keesje, is zij ook reeds mijn lieve Keetje geworden.quot; De Jongman beklom den wagen en knikte zijn vader toe, die van de reis had afgezien en voor het venster van de slaapkamer stond. Alles was dik besneeuwd. Kerk en toren, huizen, straten, wallen en boomen waren bedekt door een nog smettelooze laag. Ook buiten de stad lagen hoogten en diepten
311
onder die witte wade en knarsend rolden de wielen van het schommelend rijtuig door het nauwlijks vindbare spoor. Takken en twijgen bogen onder een kantwerk van rijm en de minste beweging, zelfs van een opstijgenden vogel, deed de sneeuw als een wolk naar beneden stuiven-Hier en daar trippelden, als zwarte stippen op een wit veld, eenige kraaien, die bij het naderen van het voertuig, krassend wegzwermden, als redekavelend over den koers, welken zij klapwiekend gingen volgen* De heide, een onafzienbaar sneeuwveld, was grijs en grauw, doch in het Oosten daagde de schemering. Allengs werd het lichter en eindelijk rees de glanzende zonneschijf als oen reusachtige vuurbol boven de kim. ïooverachtig schoon, maar oogverblindend was het licht, dat tusschen wolken van goud, violet en rozenrood over de wijde vlakte straalde en de besneeuwde boomen en struiken met diamanten overstrooide. De lucht was nu zóó helder, dat de adem en damp der zwoegende paarden als rook opsteeg, want de weg was zwaar en moeielijk. Er verliep meer dan anderhalf uur, eer men den kerktoren, den molen en de daken van Hilversum ontwaarde, lang verborgen gebleven, achter een uit het Zuid-Westen opkomenden nevel, voorspellende hoe het weer aan liet kenteren was en dooi te verwachten. Het dorpje, destijds onbeduidend, leek uitgestorven. Hier en daar scheen een lichtgloed dooi\' do kleine ruiten der boeren-stulpen, van het op de plaat gloeiende en smeulende plaggenvuur, waarvan de blauwe rookwolken kronkelden boven de lage stroo-daken. Nadat hel dorp achter den rug was, werd de sneeuwlaag dunner en vooral Gooiland scheen bezoek van den Winterkoning te hebben gehad. Aan alles bleek hier meer en meer het doorkomen van \'t dooien en zwaar hingen de met regen bezwangerde grauwe wolken over de uitgestrekte, nu sombere velden. Reeds onder Blauwkapel schenen sloten en watergangen als donkere strepen tegen de hier en daar nog vlekkig besneeuwde weilanden. Spoedig hadden dO reizigers nu de stad Utrecht vóór zich en zagen in een dunnen mist, huizen, molens, kerken en torens, waarboven die van Sint Maarten of den Dom, als een reus uitstak. In de stad had de fraaie witte wereld reeds plaats gemaakt voor zwarte, drabbige en modderige straten. Het bleek nu dat de morgenwagen naar Rotterdam reeds vertrokken was en evenzoo de schuit, waarvoor het zwakke ijslaagje geen beletsel was geweest. Er schoot voor Cornelis niets over, dan geduldig op de nachtschuit Ic wachten. Hij ging dus zijne
312
vrienden van Ooht opzoeken, maar in weerwil van dit goedo gezel-scliap deed verlangen naar Keetje den tijd langzaam voortkruipen. Ten slotte kwam er ook aan die geduldsbeproeving een einde, on het uur om buiten de Catharijneu-poort. langs een smal, donker en vochtig trapje af te dalen in de voiksschuit en plaats te nemen in de roef. toenmaals door velen, als eeu nieuwigheid om hoogmoedige mensehen te behagen, afgekeurd. Bij het schijnsel van een walmende vetkaars in een koperen kandelaar op een smal tafeltje staande, waarop een paar lange pijpen lagen en een komfoor met een echt Hollandsch turfkooltje, ontwaarde de jonkman de medereizigers. Een paar burgerjuffrouwen gaven bij het ophalen der vracht aan den schipper te kennen, dat zij „heel naar ter Gouw moestenquot;, wat een forsch man met een bijna purperkleurig, grof, doch goedig gelaat, terstond aanleiding gaf om te vertellen, dat hij naar Woerden ging, doch te Arum (Arnhem) in de Rijnstraat een welbeklante slagerij had. Er waren nog meer „ roefgangersquot; doch van deze, verborgen in het half-duister, waren slechts omtrekken te zien. Toen do klok van den Jacobi-kerktoren acht uur sloeg, schetterde liet jagertje op een gedeukten hoorn een paar valsche tonen, waarna de schuit allengs in beweging kwam, langs de nog half besneeuwde oevers van den Ouden Rijn, welke, bij zijn oorsprong zoo dartel en bruisende Groot-Vorst van Europa\'s stroomen, hier, als een schier kindsche grijsaard, zachtkens voortkabbelde naar zijn graf in het zand van Katwijks duinen. Het bleek dat een der hoekplaatsen van de roof bezet was dooi\' een predikant, vermoedelijk van oen dorp en gelijk toen gebruikelijk was, in ambtsgewaad, onder een wijden mantel. Over don loeraar zat, in den anderen hoek, een jong heerschap in oen sierlijken, met bontgevoerden schanslooper; de eerste rookte, de laatste scheen to slapen. De reeds genoemde slager begon terstond een gesprek met de twee vrouwen, moeder en dochter, die heel naar „ter Gouwquot; moesten. Het weer, echt hondenweer, gelijk de vleeschhouwor het noemde, was gelijk bij alle ontmoetingen, de vonk welke de praatlust deed ontbranden. Daarop vloeide, als van zelf, een gesprek voort over den wakken winter, den duren en slechten tijd, de rijzing dor graanprijzen, do veepest en andore oordeelon, waarmede de Heere Zebaoth in Zijn grimmigheid over Spinozisten, Hattemiston en andere Goddelooze libertijnen, de krijtende on om wraak roepende zonden van dit verdorven geslacht wilde kastijden, vau welken geweldigen
313
toom de bloedige en vurige teekenen, aan onze zeekusten in de lucht gezien, als een flauwe afspiegeling waren. De oudste der vrouwen, die heel naar ter Gouw moesten, scheen op dit stuk een buitengemeen helderen blik te hebben en bet leek Cornelis, die toeluisterde en zich niet mengde in bet gesprek, dat de slager neiging gevoelde om met die streng, en naar zij beweerde, lang niet rekkelijk geloovige een loopje te nemen. Diep zuchtend zeide zij; hoe zij vast geloofde, dat de wereldbrand op handen was en bet groote, afgrijselijke beest, waarvan de apostel Johannes in do (Apo) calypsis profeteerde, eerdaags ontklnisterd zoude worden. Hoe de oordeelen reeds in aantocht waren, bad zij verleden week van een recht geloovige vrouw uit Zeeland vernomen; want daar werden reeds de palen van dijken en dammen door wormen doorknaagd en bedorven, tot zelfs de steenen toe ; zoodat bet niet lang kon duren of do wateren zouden inbreken en als in een nieuwen zondvloed het bewoonde land overstelpen. „Ja, menscblievequot; hernam de slager, een komiek oogknipje gevende aan den tegenover hem zittenden Cornelis, „van wat do juffrouw daar gelieft te zoggen, kan ik meepraten. Voor veertien dagen heb ik op de Nijmeegscho kermis zoo\'n zeewurm met mijn eigen oogon gezien. Een gedierte, kan ik je verklaren bij de zaligheid van mijn grootmoeder, nog een boel eind langer als hier de roef, en nog dikker als de vetste paling; twee horens van „bob ik Jou daarquot;, had hij op zijn kop, oogen als kolen vuurs en een staart met oen ratel als \'n klepperman. Ongelukkig was bet griezelige beest den vorigen dag doodgegaan, omdat hij te voel keisteenen gevreten had, waarvan hij er tien naar binnen bad geslagen, die in Gelderland nog al niet duur waren.quot; „Och! heden, heden Baas, wat je zegt,quot; riepen de verschrikte vrouwen te gelijk. Men moet wel blind wezen, om daarin geen oordeelen te zien en de sprinkhanen, door Johannes voorspeld, zullen nu spoedig volgen, beesten zoo groot als paarden. „Wat \'n tijdenquot; kreunde zij zachtkons. De slager liet nu de oudste aan hare droefgeestige mijmeringen over en begon aan de jongste mododoeling te doen van zijn huiselijke omstandigheden. Vooral schoen baar belangstelling gewekt door het bericht, dat hij sedert kort weduwnaar was, met twee jonge kinderen. Hij had jarenlang met een brave, maar ziekelijke vrouw getobd en was zelfs uit do gilde-kas geholpen, maar nu was hij er door zegen van God en goede monschen weer bovenop. Hij had bovenst best zijn brood en van zijn onlangs gestorven motje te Rhenen een paar duiten
314
als erfenis getrokken. Zij zat er best in, en was over de negentig jaar geworden. „Een reehtveerdige ziel was zij ging de slager voortquot;, maar een wonderlijk vrouwspersoon. Zoo had zij bij den notaris beschreven, hoe er een harde zerk op haar graf incest worden gelegd, waarop de steenhouwer met groote letters beitelen moest:
„Hier ligt Anneke Pot.
Wees du haar genadig. Heere God!
Doe Dij aan mij.
Wat ik zou doen Dij,
Als Gij waart Anneke Pot,
En ik was de Heere God.
„Wel! wel!quot; heb ik van me leven, riepen de beide vrouwen als uit één mond, „wat \'n grappig perceel was dat oudjequot;, en een der juffrouwen begon een verhaal van een zonderlinge dame, bij wie haar nicht had gediend, toen er een hoofd, met een korpoetsmuts op, de deur binnenkeek en met een schorre stem geroepen werd. „Passagiers voor Woerden, als \'t de vrienden blieft.quot; De slager stond op, keek met een vriendelijk knikje in het rond en ging met een „verder goeie reis samenquot; hel smalle deurtje uit. Er kwamen eenige nieuwe reizigers binnen en bij het schikken der plaatsen kwam Cornelis nevens den heer te zitten in den nieuw-modischen schanslooper. Hij zag nu dat zijn reisgenoot een jong man was, bleek en schraal, maar met scherpzinnige trekken en sprekende oogen. De vertellingen van den slachter gaven vanzelf aanleiding tot gedachtenwisseling, waaruit Cornelis spoedig bemerkte, hoe hij te doen had met een man van beschaving, smaak en kennis. Te Gouda konden de reizigers in een herberg wat verpoozen en zich met een hartsterking verkwikken en toen zij weder instapten, was de roef met een matras belegd en in een bed herschapen, waarop het gezelschap zich eendrachtelijk naast elkander neerlegde en het meerendeel indommelde, wat ook onzen Cornelis gebeurde, die spoedig zweefde in een wonderwereld van lieflijke droombeelden, en niet ontwaakte, vóórdat hij, bij het afwrijven van \'t beslagen schuif-venstertje, de stadslantarens van Rotterdam in dien grauwen morgennevel schemeren zag. In den loop van het gesprek had Cornelis opgemerkt, dat zijn medereiziger in de Maasstad goed tehuis was.
31.5
waarom hij aan dezen naar een geschikte herberg vroeg, liefst niet ver van de Zuid-Blaak? „Dut zal me niet veel moeite geven, antwoordde de reisgenoot want ik moet juist dien kant uitquot;.
Toen zij samen op weg waren, sprak Gornelis : „Als t\'niet ie onbescheiden is, zou ik dan mogen vragen of u ook soms weet, waar meneer Ravesteijn de waagmeester woont? De vreemdeling keek Gornelis met een grappig gezicht aan, greep zijn hand, schudde deze hartelijk en riep lachende: Wel! wel! Mijn vermoeden is clan toch gegrond, dat ik den vrijer voor mij heb van mijn zoet zusje Keetje.quot; „Accoord, hernam Gornelis, den handdruk beantwoordende en ik had niet vermoed, dat mijn vriendelijke en hulpvaardige medereiziger kon wezen meester Hendrik Ravesteijn advokaat en secretaris van Rijswijkquot;. Zij namen vóór de herberg afscheid, kortswijlend over de toevallige ontmoeting, waardoor de broeder den vader in de kennismaking voorging. Een half uurtje later, stapte onze vriend Gornelis, zoo net mogelijk uitgedoscht, naar de aangewezen woning. Hij vond de familie in de voorkamer of salet van het deftige huis, waar alles getuigde, dat de bewoners er warmpjes inzaten. Vader Ravesteijn, die voor den haard bleef staan, zeide kort en krachtig, op zijn oud-zeemans, gelijk hij er bijvoegde, dat als de jongelieden het met elkander konden vinden, hij tegen de verbintenis geen bezwaren had en aan zijn aanstaanden schoonzoon het bezit verzekerde van een kostelijken schat in een lief, zacht, huishoudelijk meisje. Ook broeder Hendrik wenschte het paar even hartelijk geluk als zijn vader; maar hoewel onopgemerkt en eenvoudig, toch onwillekeurig in meer uitgezochte bewoordingen, gelijk van een kundig en geoefend rechtsgeleerde te verwachten was. Gornelis verzekerde zijn dankbaarheid aan vader en broeder; doch ik kan niet zeggen, wat hij daarna aan Keetje toefluisterde, ofschoon ik wel weet, dat een goed voornemen, van weerskanten met een stevigen kus bezegeld werd.
De heer Jacob Ravesteijn was een man van ruim half de zestig jaren, breed van borst en schouders, lichamelijk een reus, maar, gelijk men meer ziet, in zijn hart, goedmoedig als een kind. In zijn jonge jaren had hij ter koopvaardij gevaren en was zelfs opgeklommen lot Kapitein, zooals men de schippers toen reeds begon te betitelen. In voorkomen, woorden en daden was de oude, weinig aan vormen hechtende zeeman, terstond te herkennen. Zijn groot, breed, rood gelaat was kort ge-
310
schoren en had, door een paar vriendelijke oogen, innemende trekken. Zijn kort gesneden, bruin pruikje stond doorgaans scheef en de kanten lubben ouder zijn grijzen rok met stalen kuoopen, had hij dienzelfden morgen, als onuitstaanbare vodden, naar de maan en het peperland verwenscht. Hoewel, gelijk wij weten, de familie eerst uit Zeeland en vervolgens uit Denemarken afstamde, was de oude heer lot in merg en been een Rotterdammer en kon dan ook niet nalaten om dienzelfden morgeu, tegenover Gornelis de bedrijvige en woelige Maasstad te prijzen, tegenover het stille en statige Amsterdam met zijne, door het Pampus schier toegeslibde havens. liet trof gelukkig dat de aanstaande schoonzoon het zeegat uit en in Spanje was geweest, daar de oude heer dat land meermalen had bezocht en lustig bulderen kou, met al de registers van zijn stemgeluid uitgehaald, tegen dat vunzig apenland, nog eer te ruiken dan te zien. Toch sprak hij gaarne over de oude dagen, toon zijn levenszon nog aan het opkomen was. Hoewel hij, even als zijn jongste broeder Jan, die Schepen was, gemakkelijk in de stads-regeering had kunnen komen, zeide hij altijd meer kuslust dan kussenzucht te hebben gehad en daarom den voordeeligen post van Waagmeester verkozen had boven de zoogenoemde eere-ambten. Sedert eenige jaren weduwnaar van Johanna van Lange-veld, werden de belangen zijner huishouding waargenomen door mejuffrouw Aafje Grootsghoen uit Edam. Dit was een bedaagde matrone, die nu in een zwart zijden samaar, een stemmig mutsje, een dun laagje poeder op \'t voorhoofd en een breeden schoot, voor de koffietafel zat, waarop een kostbaar servies stond en een waterketel van zwaar zilver, dampte. Aafje noemde zich een ouderwetsche vrouw met manieren en denkwijs uit de vorige eeuw, waardoor het niet vreemd was, dat haie meeningen wel eens botsten met de zienswijs van Hendhik en Keetje; doch vader, haar hartelijkheid en toewijding hoog waardeerende, hield zijn Edammertje (kaasje), gelijk hij haar wel eens noemde, altijd de hand boven het hoofd. Zooals we reeds zeiden, getuigde alles in dit huis van onbekrompenheid en een welgevulde beurs. Gierig was Ravesteijn niet, en in de schamele buurt achter zijn woning waren niet weinigen, die verzekeren konden, dat de oude waagmeester „goed annschquot; was en niet zooals menig rijk man, op zijn duiten bleef zitten. Die buren hoopten hartelijk, dat zij den, ook in zijn ambt meegaanden en goedhartigen man, nog lang tegen etenstijd door de steeg zouden zien gaan, ietwat laveerende, zoowel als oud-
317
zeeman als dooi\' enkele „kloddertjesquot;, zooals een glaasje brandewijn met suiker genoemd werd, in het koffiehuis, waar hij iederon middag eenige pijpen tabak ging rooken en waar zijn gulle schaterlach luid klonk, als een der „oome\'s van \'t collegiaquot; een grap uithaalde.
Te Rotterdam bracht Cornelis gelukkige dagen door en genoot van den zonneschijn, waarmede innige liefde zijn gemoed verwarmde en bij welk licht hij iederen dag nieuwe bekoorlijkheden opmerkte in zijne zachtzinnige, eenvoudige Keetje. Ook in de familie werd hij vriendelijk ontvangen en de stille rustige knaap, die niets had van een bestrikten en bepoeijerden saletjonker, maakte overal een gunstigen indruk. Bij de goedhartige tantes Betje en Kaatje Ravesteijn, die een groot huis in de Hoogstraat bewoonden, waarin, gelijk uit een nog bewaarden inventaris blijkt, ook een bijzonder goed gevulde ijzeren kist stond, werden sterke aanvallen gedaan op de magen der jongelieden; wat niet gebeurde op de deftige assemblees bij oom Jan Bavesteijn, gehuwd met Maria de Vos. Deze was een vermogend man, die een fraai buiten aan de Maas bezat, Schepen was en in de eerste kringen der stad verkeerde. In een gedrukt gedicht op diens zilveren bruiloft in 1743, rijmde zijn broeder „De Gevers, Leuvens zijn ook van onzen stam. De naam wordt zeer geroemd in \'t kooprijk Rotterdam.quot;
Toen de zomer was gekomen, ging vader Ravesteijn met zijne dochter kennismaken te Naarden. Ofschoon de oude heer beweerde dat hij boomen het liefst zag als scheepsmasten, geraakte hij, bij het rondrijden in een gemakkelijken speelwagen, toch onder de bekoring der schoonheden van het heuvelachtige, boschrijke Gooiland. Met Burgemeester Nautolas was hij spoedig op een vriendschappolijken voet en deze stille, rustige man vergeleek in stilte zijn woeligen Rotterdamschen bezoeker soms bij een ongeslepen diamant; maar prees hem tevens als een der trouwhartigste menschen, die liij ooit had ontmoet. Te Naarden werden natuurlijk allerlei tamiliebetrekkingen besproken en zoo kwam het uit, hoe de in de vorige eeuw door Kapitein Nagtglas uit de slavernij verloste vrouw, waarschijnlijk eene zuster was van Keetje\'s overgrootvader. Dat goede, half suffe mensch was heel oud geworden en had haar weldoener nog vele jaren overleefd. Zij was te Botterdam, bij haar broederskinderen, gestorven.
Na een veertien dagen in Naarden vertoefd te hebben, ging Ravesteijn zijn vrienden van Oort te Utrecht bezoeken en van daar naar
Zwolle bij zijn broeder Hendrik logeoron. Wellicht, was dat langdurig te gast gaan, waarbij iederen middag en avond de bonteille flink aangesproken werd en menig glas roode baai, gelijk hij den wijn wel noemde, genuttigd, niet gunstig voor het volbloedige gestel van den zeer gezelten man. Te Rotterdam terug gekomen, begon hij te klagen over duizelingen, en enkele weken daarna werd de forsche man op zijn kantoor onverwachts door een hevige beroerte getroffen, welke hem terstond geheel verlamde. Met moeite werd hi j naar zijne woning vervoerd en lag daarna nog enkele dagen als in diepen slaap, met snorkenden adem, doch zonder bewustzijn, waarop schier onmerkbaar, de dood volgde. Dit overlijden bracht te weeg, dat het huwelijk van Gornelis den 30sto11 October 1736 in alle stilte te Rotterdam door dominee Hendrik Ravesteijn werd ingezegend. Daar Gornelis vreesde dat zijn jong vrouwtje, gewend aan het drukke leven in de woelige koopstad, zich maar moeilijk schikken zou in het stille Naarden, vestigde hij zich te Amsterdam, waar twee kinderen, een zoon Jan en eene dochter Jagoba Johanna geboren werden en in de Nieuwe Zijds-Kapel gedoopt. Vader Nagtglas begon echter de lasten van den naderenden ouderdom meer en meer te gevoelen en dikwijls ongesteld, kon hij den steun van zijn zoon niet ontberen, waarom deze, op aandrang zijner echtgenoot, in Naarden kwam wonen, waar hij spoedig in de Regeering gekozen, en Burgemeester werd. Wijlen de oude heer Ravesteijn had naar waarheid gezegd, hoe Gornelis aan zijne dochter eene beste echtgenoote krijgen zou en, als door een tooverslag al de huizen in het stadje doorzichtig waren geworden en een wonderbril had vergund om in de harten te lezen, zou men in Naarden geen gelukkiger gezin gevonden hebben. Toen er eens gesproken werd van zonderlinge droomverschijningen, waarvan de overlevering in beide familiën bewaard bleef, verhaalde Keetje, hoe hare moeder in de laatste jaren van haar leven nu en dan droomen had, welke diepe indrukken nalieten. Zoo was die moeder eens aan het ontbijt gekomen, geheel vervuld door een droom van den vorigen nacht. Zij wandelde, gelijk zij meende, door een tuin, welke de familie aan de Schie bezat. In een der paden kwam zij een slank, bleek meisje tegen, mol een zacht, vriendelijk voorkomen, maar in ouderwetsche kleederdracht. Voortwandelend eu de bloemen bewonderende, had het meisje naar een perkje gewezen, waarop een rozenstruik stond, met drie heerlijk bloeiende bloemen. Terwijl zij
319
die bezagen, kwam er een onvergetelijk weemoedige trok op het gelaat der geleidster, en moeder ontwaarde, hoe de middelste der drie frissche rozen plotseling begon Ie verwelken en verdord van den stengel viel; waarna zij ontsteld wakker werd. Moeder had altijd verband geloofd tusschen dien levendigen droom en de ramp, welke dienzelfden dag volgde; want des avonds moest de dokter worden gehaald en bleken de drie kinderen roodvonk te hebben, waardoor de middelste, een buitengemeen aanvallig meisje van zeven jaar, naar vader het uitdrukte, voor allen het gelag betaalde. Moeder was dien slag eigenlijk nooit te boven gekomen, en in haar laatste ziekte verwijlde haar geest nog altijd bij dat dierbare kind, haar oogappel, gelijk zij placht te zeggen. Toen vader zijn vrouw den eersten dag onder den indruk van dien droom zag, lachte hij over haar bijgeloof. maar later sprak hij zelden over zijn lieve kleine Digna, en als hij dien naam hoorde noemen, moest de man tranen wegpinken.
In het volgend jaar was Cornelis voor zijn vader naar een houtveiling op Hoeckenburg gegaan en daarna de zoogenoemde Nagtglas-vaart gaan schouwen. Toen hij tegen het vallen van den avond te huis kwam, merkte Keetje terstond, dat er iets schortte. Hi j vertelde dan ook hoe, hij na afloop der verkooping, verschrikt was door het missen van zijn gouden familie-ring. welke hem waarschijnlijk bij het aanvatten van een takkenbos van den vinger was gegleden; terwijl alle pogingen om het sieraad terug te vinden, vruchteloos waren gebleven. Dat een ongeval zelden alléén komt, bleek ook hier weder, want geen veertien dagen later was ook Keetje haar ring kwijt en kon niet anders vermoeden,dan dat deze haar bij hot handonwasschen was ontglipt en inet het water weggeworpen. Cornelis meende, dat zijn vader nog een paar van die ringen in de bekende bureaulade bewaarde, maar toen het er op aankwam om ze voor den dag te halen, waren zij nergens te vinden. Zoo waren dan al de ringen verdwenen, dooi- don ouden geuzenvaandrig en Agaatje de Rijk op do zilveren bruiloft aan hun kinderen uitgereikt. Honderd zestig jaar daarna, zagen de nakomelingen in, hoe dergelijke ringen ook den ouderlingen familieband kunnen bevestigen. Op den Oden Juli 18G0 had, na vele beroeringen en stormen in de familie, op den 86stcn verjaardag van Cornelis Johannes Nagtglas te Nunspeet eene samenkomst der familieleden plaats, Cornelis Johannes Marius Nagtglas, toen met verlof in Nederland als KolonelGouverneur der Nederlandsche bezittingen tor AVestkust van Afrika, zorgde, dat do herinnering aan
320
dien feestdag levendig bleef door aan ieder der aanwezigen een ring te schenken, vervaardigd uit een gouden armband, hem gegeven door een negerkoning aan de Goudkust.
Do tijd ging voort. De kastanjeboom, geplant op den huwelijksdag van Gornelis in den tuin van het oude huis, begon reeds schaduw af te werpen en als grootvader bij de kinderen kwam, zat hij soms onder dien boom en vertelde aan zijn lieven kleinzoon en naamgenoot, van \'de oude dagen en de verleden geschiedenissen, aan onze lezers meest bekend. Langzamerhand begon do goede grijsaard te verzwakken, maar hij toonde zich ook hierbij een voorbeeld, hoe men braaf kan leven en waardig sterven. Gelijk hiervoren gezegd is, ging hij den 23st(;n December 1749 heen. Zijn zoon en schoondochter stonden met Louwiesje voor de sponde van den stervenden man, loon een matte straal van de ondergaande zon in de kamer viel. De zieke merkte dat oj) en sprak iets van een glinsterend pad naar den hemel. Toen kwam er een glimlach op zijn goedmoedig gelaat en fluisterde hij met zwakke slem: „Zoo straks hoop ik bij mijn God glansrijker licht te aanschouwen, dan dit flauwe schijnsel.quot; Daarna ging hij stil liggen en het laatste wat men van hem hoorde, was: Overmorgen Kerstmis! Kort daarop volgde do laatste snik. Bij zijn testament had hij voel hulpbehoevenden bedacht. Do trouwe huishoudster Louwiesje kon in do woning blijven en kreeg bovendien oen voldoend jaargeld.
Zijn zoon kende geen grooter eerzucht dan do voetstappon te volgen van zijn, hem zoo dierbaren vader en diens wenschen zoo getrouw mogelijk na te komen. De achting en liefde der burgerij was hem ook oen prikkel om haar belangen mot ijver te behartigen, want hij wist hoe na deze aan hot hart van zijn vader lagen. Rustig en gelukkig gingen oenige jaren voorbij en de Burgemeester zag zijn onvermoeid streven bekroond in toenomendon bloei dor stad. lederen Woensdagmorgen, als hot dagelijks bestuur vergaderde, kwamen er verzoekschriften ter tafel om nieuwe woningen te mogen bouwen of vervallen huisjes te herstellen. Het gilde dor metselaars en timmerlieden had daardoor geen roden lot klagen; ook dat der zijdewevers of fluwoelworkers, lang kwijnende, begon weer wat op te fleuren en diontongevolge dat dor kleermakers. In do touwbaan achter do wallen en do schans, snorde het wiel den ganschen dag en de korenmolenaar vertelde wel eens in vertrouwen aan zijne vrienden, dat iiij boste jaren had. Het getal der oudjes in hot in 1747 gestichte Diakenhuis, nam dan ook
niet zorgwekkend toe en het in grondeigendom men rijke Burgerweeshuis had slechts vier kinderen te verplegen. Er was dan ook vrede in onze Republiek en de gevolgen van den oorlog met Frankrijk werden in deze streken weinig gevoeld. Na den vrede te Aken, begon de Regeering spoedig weer in te slapen en werden, gelijk gebruikelijk was, de landmacht zoowel als de vloot, schandelijk verwaarloosd. Sedert 1749 was de last der bezetting dezer belangrijke vesting, wel eens de sleutel van Amsterdam genoemd, gelegd op de zwakke, wankelende schouders van omstreeks tachtig bevende, incest invalide grijsaards met knikkende kniën en roode neuzen, oude krijgers en sommigen tijdgenooten van in Tristam Shandy vereeuwigden korporaal Trim. In de ouderwetsche hoofdwacht, bij de Amsterclamsche-poort, werden soms nog verhaald overleveringen van de veldslagen Oudenaarden en Malplaquet. Hoewel de betere omstandigheden niet alléén aan den Burgemeester waren te danken, had zijn vooruitstrevende geest toch velen bezield en ook hier bleek weer de waarheid van den ouden, maar nooit verouderden regel, hoe zelfverloochenende en volhardende toewijding dingen tot stand brengt, oppervlakkig wonderen schijnende. In de woning van den President-Burgemeester straalde een vriendelijk zonnetje van liefde, vrede en voorspoed en Keetje bleek den, voor een vrouw onwaardeerbaren slag te bezitten om liet huiselijk leven, door eenvoud en goedheid, gezellig en aantrekkelijk te maken. De beide kinderen groeiden naar wensch op, en den 3(ton Februari 1753 werd weder een zoon geboren en naar zijn oom te Rijswijk, Hendrik genoemd. Eenige maanden later begonnen, na een wakken winter en een warm voorjaar, in de omstreken van Naarden gevaarlijke rotkoortsen te heerschen of te grasseeren, gelijk men toen zeide. De stedelijke regeering, voorgelicht door twee kundige geneesheeren, begreep terecht, dat het opruimen van vuilnishoopen, varkenskotten en stinkende sloten, maar vooral het bevorderen van zindelijkheid onder de schamele gemeente, veel kon toebrengen om het voortwoekeren der vreeselijke ziekte te beperken. Niemand kon ijveriger zijn om de lijders te bezoeken en van goeden raad te dienen dan de President-Burgemeester, die zich dagelijks persoonlijk overtuigen ging, dat de heilzame verordeningen getrouw werden opgevolgd. Na een zoodanig bezoek in de achterbuurten, kwam hij, in het laatst van Juli 1753, vermoeid te huis en daar hij zich wat lusteloos gevoelde, ging liij vroegtijdig naar bed. Den volgenden dag was hij niet beter
De Gouden Draad. 20
322
en zooals Louwiesje liet uitdrukte „plat ziek.quot; Aan den geneesheer bleek spoedig, dat de Burgemeester door de heerschende besmettelijke koortsen aangetast was. De ziekte had den gewonen loop; hitte en koude, ijlhoofdigheid en helderheid, neerslachtigheid en opgewondenheid wisselden elkander af; na enkele dagen kwam er rust, maar als een voorteeken van hot einde, dat de brave man onverschrokken naderen zag. i)c kunst der artsen, de smeekgebeden der burgerij, de toewijding van echtgenoot en kinderen en de onvermoeide, oplettende zorgen der trouwe Louwiesje konden don langzaam aansluipenden doodsengel niet afweren. De erge zieke in huis, drukte op alles een eigen-aai\'digen stempel en het leek of de lucht bezwaard was en de ademhaling bemoeilijkte. Maar in de ziekenkamer heerschte een stille rust en de predikanten, die in weerwil der besmetting, niet ophielden hun vriend te bezoeken, verzekerden, nog nooit aan zulk een kalm sterfbed te hebben gestaan. Roerend was, kort voor zijn heengaan, het afscheid van do dierbare vrouw, zoo innig dooi1 hem bemind; van zijn vijftienjarigen zoon, voor wien hij reeds zoo menig luchtkasteel opgetrokken bad; van de lieve Jacoha, zijn veertien-jarige dochter, in wie hij het evenbeeld barer moeder zag en die hij als zijn oogappel, gelijk hij haar wel eens noemde, liefhad. Naar zijn Jongste kind, nog geen zes maanden oud, toonde hij geen begeerte, wellicht gevoelende, hoe de aanblik van den kleinen Hendrik, die reeds zóó vroeg de zorg van pen vader zou moeten derven, de kalmte van zijn gemoed verstoren kon. Met Louwiesje, die haar meester, als hot ware, had zien geboren worden en opgroeien, sprak hij in heldere oogenblikken nog veel en vertrouwlijk, en droeg hij de zorg op voor vrouw en kinderen; want het scheen ais of hij reeds doorzag, hoe de taak der opvoeding voor zijne weduwe te zwaar zou blijken. In het ijlen der koorts vervulde hem meest de gedachte aan zijne moeder, en als een hulpbehoevend kind scheen hij steun te willen zoeken bij die trouwe verzorgster zijner eerste Jaren. Het laatst verstaanbaar woord, door hem in den morgen vau den Augustus gefluisterd was: „Ik ben moe en
ga rusten bij mijn (jod.quot; Toen trilden voor een oogenblik de reeds gesloten oogleden, de neusvleugels trokken samen en een glimlach nalatend op het bleek gelaat, verliet do edele geest het door koortsen afgetobd, stoffelijk hulsel.
Acht en dertig Jaren na dit overlijden, schreef zijne dochter Jacoha Johanna Nagtglas nog over dien voortreffelijken vader. Zij was gehuwd
T
i L
323
met Jan Hendriks Runink uit Purmerend, eerst prediknnt te Schelling-woude en vervolgens te Bergen-op-Zoom. Deze was een vermogend man en woonde des zomers op do, hem toekomende buitenplaats Zoomrust. De brief was gericht aan hare nicht van moederszijde Antoinette van Erbeufelt, gehuwd met dhr. Janssaud de Grand Clary te Etten in Noord-Brabant. „Menigmaal, liefste Nktjf,, zoo schreef de dochter, denk ik nog aan dien besten vader, dien gij in al de beminlijkheid van zijn degelijk en zacht karakter hebt gekend en gewaardeerd, als ge bij ons wekenlang te Naarden of op Hoeckenburch doorbracht. De dagen van zijn ziekte en sterven liggen meer dan een menschenleeftijd achter ons en toch staan mij die uren nog zoo duidelijk voor den geest, alsof het pas was voorgevallen. Nog zie ik mijn lieve moeder, als verpletterd door den slag, van de ééne flauwte in de andere vallen en ons wezenloos aanstaren: ei: wanneer broeder Jan niet zoo flink ware opgetreden, zouden er zeker allerlei verwarringen zijn ontstaan. Do geheele bevolking van Naarden scheen in ons leed te deelen en er lag als een rouwfloers over het stadje, als gevoelde ieder hoe groot het onherstelbaar verlies van ons goed vadertje was, geacht en bemind door rijk en arm, door oud en jong. Moeder was er op gesteld, dat de begrafenis zoo statig mogelijk zou wezen en dat geen kosten moesteii\' worden ontzien, wat gelukkig ook niet noodig was. Zij wilde, gelijk te Rotterdam gebruikelijk scheen, eenige rouwkarossen uit Amsterdam doen komen; van welk voornemen broeder Jan, met het oog op de vele volgers, haar wist terug te brengen. Zij bleef echter vasthouden aan don wensch, dat de ter aardebestelling dos avonds zou plaats hebben; welke sombere dag en droevige avond nimmer uit mijn geheugen zullen gaan en waarvoor ik het dagboek dat ik toen, nog op aanraden van vader hield, niet eens behoef na te slaan. Tegen schemeravond kwamen do meeste vrienden reeds bij ons aan huis. In de benoden-kamers waren de kaarsen ontstoken, de meubelen aan kant gezet, spiegels en schilderijen omgekeerd en met krip omfloersd. Behalve onze naaste verwanten, kwamen daar do leden, de regenten van het weeshuis en de officieren van hot garnizoen. Om negen uur begon de groote kerkklok dof-bonzend te luiden, als verkondigde zij ver in het rond de smart dor stedelingen over don vroegen dood van den braven Burgemeester. Terwijl ik nevens het bed zat mijner, aan koortslijdende moeder, zag ik den rossen gloed dor fakkels weer-
T
L^mt
324
kaatsen tegen de gevels aan de overzijde der straat. Aan het gestommel en mompelen beneden, bemerkte ik wel dat mijn goed vadertje werd uitgedragen en toen de kist op den stoep kwam, vlijmde er als een zwaard dooi\' de ziel. Ik kon niet laten, even door een reet van het gordijn te gluren en zag op straat, bij den rooden walm der flambouwen, donkere gestalten door elkander wemelen. De hij-zondere vriend mijner ouders, dominee van Loo, kwam boven om moeder en mij moed in te spreken en ons biddend aan God op te dragen. Terwijl wij geknield lagen, hoorde ik duidelijk, hoe Gkoen de iijkdienaar met doffe stem de rouwceel aflas, waarna do stoet zich in beweging stelde. Den volgenden dag vernam ik van Louwiesje de bijzonderheden. Vooraan gingen de twee stads-boden met om-floersde wapenbussen en daarop volgden de bidders. Achter de lijkkist kwamen oniniddelijk broer Jan en oom de advokaat uit Rijswijk en dan wel tweehonderd paren van familie, vrienden en belangstellenden, meest allen in rouwmantels. Ter zijde gingen bedienden met brandende lantaarns, en de statie werd door vijf fakkeldragers geopend en door vier gesloten; zijnde niet meer dan drie malen drie gebruikelijk. Vóór het stadhuis werd de baar een oogenblik neergezet en dacht zeker menigeen, hoe ons goed vadertje zich voor de belangen der stad had afgesloofd en eigenlijk op het veld van eer gestorven was. Vervolgens, zoo verhaalde Louwiesje, trok de stoet naar de kerk, waar de kaarsen op kronen en armblakers ontstoken waren en een schemerlicht wierpen op een donkeren zandhoop bij de geopende groeve. Toen de kist was neergelaten en de statie nog eens langzaam langs het graf trok, kreeg broer Jan het te kwaad en hij zou ineen gezakt zijn, als oom Ravesteijn hem niet had ondersteund. Om tien uren waren de naaste vrienden weer in huis, waar wijn en krakelingen werden rondgediend. Ik ging naar beneden, doch moeder kon niet volgen en zij had ook nooit de toespraken kunnen aanhooren, waarmede vader geroemd werd. Geen oog bleef droog, toon dominee Kneppelhout treffend schetste, de vluchtigheid van hot aardsche leven als een morgennevel welke optrekt, als kaf dat van den dorschvloer wegwaait, als rook, vliegende uit oen venster ; maar hoe dat korte leven rijk was te maken, had de man getoond, wiens stof dien avond bij het stof zijner vaderen was bijgezet en de predikant toekende vervolgens, wat die brave man was geweest voor de stad, de kerk en voor zijn gezin. Dat mijn best vadertje na vele
jaren niet vergelen is, bleek mij nog verleden jaar, toen ik niet mijn man onze landerijen onder Naarden be/.ocht. Een der pachters, een hoogbejaard man, sprak nog met liefde en belangstelling van den algemeen geachten en beminden Burgemeester Nautclas, en verklaarde dat hij zijn welstand en levensgeluk aan dien goeden man grooten-deels te danken had. Die baas Koopmans liet ons nog den gouden rijder zien, als drager van het lijk na de begrafenis gekregen, welke gedenkstuk in een lade van het kabinet werd bewaard, en dat hij voor geen zak zesthalven zou willen afstaan. Dat was hem een kostelijk aandenken aan dien braven landheer. Wat wij allen, beste Netje, zoo eindigde mijne over-oudtante haar brief, aan dien trouwen zorgzamen vader hebben verloren en vooral mijn broeder Hendrik, heb ik pas later kunnen inzien.quot; Dit schreef in 1791 zijne dochter, toen zij met een vriendin van gedachten wisselde over herinneringen uit de jonge jaren en zij half verbleekte beelden van het verleden opriep uit een schemerend verschiet.
Bij het graf van dezen rechtschapen man neemt de schrijver afscheid van zijn lezer. Wellicht; dat een na mij komend familielid later genegenheid en gelegenheid zal hebben om deze geschiedenis te vervolgen, waarvoor het aan bouwstoffen niet ontbreken zal. In de hier besproken twee eeuwen, voer de boot, die het veelzeggende wapenschild der familie draagt, op een nog kalmen stroom ; maar spoedig na het sterven van Cornelis Nagtglas Janszoon en vooral toen na eenige jaren, de zonen naar de Hooge School te Utrecht gingen, ontstonden er stormen, ook door de woelingen in do, ten ondergang neigende Bepubliek. Na lange worsteling geraakte het vaartuig zwaar geteisterd, maar toch boven water, kort na het midden der negentiende; eeuw, in rustiger golven. Wanneer ik de familie-geschiedenis van die laatste honderd jaren voor mijn geest roep, schijnt de werkelijkheid soms vreemder, dan verdichting zou hebben durven droomen, maar tusschen dat bonte, veelkleurige vlechtwerk der gebeurtenissen, zag ik toch overal don gouden draad flikkeren, welke het zichtbare met het ongeziene vereenigt.
de Bilt, 22 Maart \'98.
■
....... .. .... . ... Ï\'W . . , . ^.
,,
■ j \'. \'.i ;. Wtó
■ \'r:^.-- j i,,,;.,|i\',.:,. ... .■;-
tot verklaring.
Eerste Geslacht.
PIETER JAGOBZOON. Vaandrig onder Jacob Sijinons do Rijk, verloofd te Veere met Digna Ravesteijn (de verschijning). Hij wordt later brouwer in \'t Nachtglas te Amsterdam en Raad der stad. Hij huwt Agatha de Rijk, dochter van Jacob Symens en Margareta Hooft, wier zuster Janneke, wed. is van IJsbrand Elberts Ben on te Haarlem woont.
Tireede Geslacht.
Kinderen van Pieter J/.
1. JACOB PIETERSZ. Ir. 1599, huwt Trijntje Lambertsd.
2. Catrijntje getr. met Glaes Gerbrands.
3. GORNEL1S PIETERSZ. N. brouwer te Amsterdam.
4. Anneke, tr. te Antwerpen Don Alphonso de Loinela, wier dochter
Elvire huwt den zoon van den hertog de Solar. (Verdicht.)
Derde Geslacht.
Kinderen van Jacob Pieters.
1. PIETER, gest. in Oost-tndië.
2. GLAES, brouwer te Amsterdam, ongeh. gest.
3. GEERTRUID, tr. Hendrik van Wilsum burgemeester te Zwolle.
4. EVERT N. Zeekapitein, ongeh. overl. Redder tiil do slavernij
van Digna Raafsteen (Ravesteijn).
Kinderen van Cornells Pietersz. N.
1. PIETER GORNELIS N.
2. GERRIT CORNELISZ. N. verhuisde in 1G31 naar Naarden,
overl. 16G7.
Vierde Geslacht.
Kinderen van Gerrit Gornelisz.
GORNELIS GERRITS N. Burgemeester te Naarden, overl. 1718. Hij huwt Anna Gornelisd. Haegen (overl. 170!)).
Vijfde Geslacht.
Kinderen van Cornelis Gerrils N,
O.a. de jongste zoon.
JAN N. Burgemeester te Naarden (1G83—1749), huwt Jan. 1712 met Margareta Tiedeman (1G82—1729).
Zesde Geslacht.
Eenig kind van Jan N.
CORNELIS N. Jansz. (1713—1753) Burgemeester te Naarden, tr. 1730 met Cornelia Joh. Ravesteijn, dochter van Jacob R. waagmr. te Rotterdam en Joh. v. Langeveld. Zij was de eenige zuster van mr, Hendrik Ravesteijn te Rijswijk. De bekende predikant Hendrik R. te Zwolle, was de jongste broeder van haar vader.
Zevende Geslacht.
Kinderen van Cornelis N. Jansz.
1. Mr. JAN N. (1737—1761) tr. Jacoba Versteeg, waaruit HENDRIK
WILLEM NAGTGLAS VERSTEEG, (1761—1831); getr. in 1788 met Henriette Maria van Oort.
2. Jacoba Johanna (1749—1812), tr. den predikant Jan Hendriks
Rijnink, overl. te Utr. 1815. Begr. te de Bilt.
3. Mr. HENDRIK N. (1753—1797) tr. 1773 Aletta Maria Klad
(1753—1823),
Achtste Geslacht.
Eenig kind van Mr. Hendrik N.
CORNELIS JOHANNES N. (1774—1861), trouwde Maria Ruijg-hart (gezegd van den Eedo) (1779—1855); ouders o.a. van F. NAGTGLAS, geb. 1821.
Negende Geslacht.
Mr. FRANS JOHANNES NAGTGLAS VEBSTEEG, (1791—1848) tr. Johanna de Heus, waaruit o. a. HENDRIK WILLEM MARINUS NAGTGLAS VERSTEEG (1828—1876), tr. J. M. E. de Heus, waaruit CORNELIS DIRK NAGTGLAS VERSTEEG, geb. 1861.
Vgl. de genealogie, voorkomende in A. A. Vorsterman van Oijen, Stam- en Wapenboek van aanzienlijke geslachten, Gron. 1883, hier ter wille der verdichting, eenigszins gewijzigd.
. \'jjhf. .
■ ■ \'V \\ lt;
§ m ■ % j- ■ ■lt;:
v.; i Sj .
i ■
■ ..vMlt; f S \' ■
:m;
.m
vgt; ( V T lt;
\\ ■ \'\\ \\ )
,)/■\' X f\'V
I/-Y
-
•■gt; i
H
• v V- - • ■ ■ ■ V j»
i\' y * \\ \\j
■A .V i
\'\' /
ƒ
w
■ /•\'
:iï \'
■/ï
.,«5 ,
y- v
3v, v gt;, fegt;vv^, A - \' lt;v
V »
è \\
\\v \\r$
%Kf\': .
\'\' I
/V
,......
v / \\ -7/\' i /gt;7? . ,. | / . ■
; .. ;/ \' !v.\' ;gt; - y. ■
Jf
v\\ ?
/
\'■ ■X-iï tr^ . m f
. .rV U ■ • \' /=
- vi\'vr - • | ♦ \'■•si1 \' . ■
I mï amp; i I /v - fquot;/
11 w f gt; jk; IÉ V
v\'(A fclt;r \'. ie»# wi jf amp;«a.. .
X y V \'\\| i • ■•■• lquot;, \'
■v / v rlt;\\ tlt;: . ■
- \' .V
\' ■ gt;ogt;.. •.
i •, ! , V quot; .\'V V
M -
l\'wU 1
^ ï |
/.
/ ■:■/;:\'■ J^;.. - \' /
-•:V - .f :, . .
V quot;ir • : :/ \' • \'
S\':l .
k-m
n f\'ijquot;
-
\'■ j 1 ^ ■ \'f ■ •1
; A f- if)quot; \' \' \' \'W \' \' /
I ^;ï r y.. \'*1-M ■ 1-t ■\' t \'-l
J, V V\' ■JM «-»»■---7.■-• ■ jrS\'. i A \'V\' v \'
NVil. ^ t
: .k^j. quot; ■■\' \' /\'• \'\'i i ■ ■■
•r; \\.
\\l
m
-V \' -\'i . -. v , . ■■ .. . ; -■ -i \' ■ quot; . !
. ■■ ^ / \'
•- \'V x. :: fa f/Vv •
v• ( Vt. .r\'y v.■ .-■■ ■! V- \' •.
V\'- ■ . ... .■ - V\'.vK t ;-W quot;V . \' - i ■
..... -\'i i. rJ.m
.//
I //•
■ - .... , . .. -
•H.v Vlquot; •• \' \'• ■
.,s \' i
8 w A.
. (-\'V
#ilp |p |
5, «IÉ I
■ 4r
r.-\'i iü v-! -
1 1;.-
quot;V\' ■ h \' \'
\\ quot;kh- . . - \'i\'-1 V -H quot; .
Wtlii H» .
\'■• yfl: \' y . . •
:Ai/. v lt;gt;
■ ■
■ J ■ .jv gt;
.\'t,
r gt;lt;-
■■
• /.■: Ii.fr
f ? 1
; 7/1
, ^7
i\' «v gt;,«. •-•\' /
^ h
ft. . ,-Va : ■ \'■ i \'quot;v.
l; ïJWi // . ;•
m
« i1\'11/
... ,. .. • •«S 1
\'¥■
.r^ 1 É
1
f
ii
V\\
.iU\'; -Xw ■ -j ■ ■ ■
\'lt;4
■1 :(■ . ■\'VS.:.
lt; i U-
\'!!i \\ii. t/ ^
;¥
IV
p: \' m
■v
. ■. 1
a ■
(
gt;Xi
•\'i| ,1 ^ v V^v-
- V.
T\'t\':
\'■ \'m*
.-ïi-\'/\'\'\'
/. ay
/. jVlt;H .
■ \\ :.. \\ I I
i \\
,f yp\' f Vv.
\' l.\' v\'
J •\'\' ■
-
xfxm-) v :^v \'Viv\'. \'••».. ,v 1/ , {/ ( ; v |i
\'v.quot;\' 1 .•■\'u.v} \\ \'■ ■■\', •St-w:- A.- ■ \' K , l\\ ■\'
■ i . ,,,■ - \' H • . /; ;f v:
gt; i /■ t«
■v : m quot; mv1/ ■ ■ s
■■ \' tik kf
\' ., H/j.
4, lt; .v ,
;\'k ; „......-T\' I . \'Vquot;\' ■■
£\\ ; \' i ^^5. quot;\'ft
: .\'i-V ■ • i-:
\\ ■ V-■ ■ ,
\' 1 ft 1 i p i \' quot;V\'T ■ .:
^ - Mêm- éiMkw
*. vvr\\ ■ ■■m -
. ■ ;■ \' vv;
• \\ \'Af V:m :\'f\'■ ^
■ V, % . ■-.! ••■■ ,i
\' ;• \'V\'x / ■ v ■ \' ■ \'
rnf^. ;V, , . ,
A,\' tl %
/ \'v \' f./; y\' \'U\'
J I H \'• S~..
■\' V !\' \'
\' V ■ ■ \' .vv
\\\'S,. . 4 \'■ -Vv/,.
-\'Wm\' i\'
-W\' , ■ % \' ■\'? \' ■ ^
\' -ll ■
\'v . % : \\ {
. ■■ : : . \' M, •
. . ■ Xv
\\ X, \\ . A
i ,
i: ;
v-r gt;gt;
■.i r.
_
ï
\' V\'
--
• M-\' V i
\'gt;\'■ ï\' VS , .
m» \\v ■■■;--
gt;-/ ■ ^\'mii \'
\'f.f /VV-\' \' A • X , \'\'
\' • • ■ * v ■
-^■VV :XV. v ï». \'quot;\'fc.,-
v. ■ • \\ \'. ■ I ■ , ^ \'
a \\ sp
. J ■ V A 4\' : 1 v\'ife
.
: .\'•. S
. ■M. •
quot;i? .v ^ vi- :
tl tit %£^ h.
U\'% v/o1/. M \\ ■gt;:, ;
y» jiv ■ .V^- N m
J \\^h/y
MÈ
•! . d V
. t j. .: my . 7
V-j, i
\\
tóf: r \'•quot;J- , • . \'\' • quot; M .-■ I / Av„ \'
1 ^ I \'■ i}• I; \'/-v ■
■ \'lt;: lt; fi. \'\\ •- \' \' \'-Ty\' •
, ó, /, - i--
BIHSt ( ^ ^v-:■:• v:^Vgt;»-r
f-\'ï\'-S :■
y / /
r \' \' ■■ X/ T*\'. \'
, ■ ■ ■ .. \'Vy■■■ ; ■/
., \'%I ia ■
: ; \'v ,
i ^A-a. , \'i ■.
\'\'Agt; SS;. V
Xt ■. \\ n . ;i- ;• f\'1
\\ \'.•//. li.\' • /v v quot; ■■ • i (; i J; :
\'ï;M \'■ l- r ■,■\'■\'
\' M :/ : ■. /. i \'.
-• \' i N\\V ..
■\' /\' vÉ
■ /\'V\' ■1: ■■ ij ; quot;v \\ /.
y ■-:• •\'/ ÖOEKBlHiDew^
^ OELLER3
■ , . , :;/,! Wnb^
■ / \' . •/•V J
: \'■.••■ ■; gt; •
\' \\ \'Ij, ■/\'; ■ • Vyv Vi i\'
^ pi ^
S\\v li /) \' \' $ *HW\'ys \'\'
. , V\\.;-. ■•■■ . , Vgt; ■ \' \' \', V \' ; \' 1 \'■■i \' /
i; \'■ • \'\' ^ \' S-V.v?* : - \' v r.è.\' fcr- \'■ . i.
it\'i
WÊÊÊk
\'quot; :■.......\'1...... ■
\' 111 r émé \\\\ . i ■\'
I I , f Uk %
mtgÊmM fc i \\
.....mm \\Mj r
■ ■ v ;(h: •.•■•• i- h ■ , ; ■ 7 j I.
[. M i ::yr/\'\\r kjr.
r\'r\' ï:lt;: y}P^ÊUMfÊiB \\
■ -••quot; \'X\' \'
i v I ■■ l ■,
/ 1 \' , / \' : \'i .\'V\'
•:// -\\ ! 1 / ■ ; Iquot;\'■■\'■: \'\'■\'\'\' ■ • \'
©OEKBI^DEH^ ^ oellehs
7 ■
;quot;V\'\'
1 W\' / K\'