ocr page 1

I

I

ocr page 2
ocr page 3

ïVv. iec|io,yii ,3V

IN DEN

BOOMGAARD.

VRIJ UIT HET DUITSCH

VAN

Prof. Dr. PAUL WAGNER,

met een hijvoegsel van X.

« i

►ojgoo*

UiTGEGETEN DOOR EN VEEKBIJGBAAE BIJ DE

MAATSCHAPPIJ „NEDERLANDquot; Landbouwkundig-, Handels- en Technisch Bureau,

GEVESTIGD TE DORDRECHT.

3^l-i3-6-*96.

ocr page 4

r*

CD lt;

CD

3. ö OQ CD

3

gt; gt;

H 0) O

HI gt;

T)

w

cT

c4-\' CD

3

O »

P-i CD

t-S

25

CD

a-

CD

go

3

OJ Ggt;

:r

50

ö: ^r

CO

O

w

GC O

w

w

25

H M

n

t-H

C/i O ffi

CD N

B-

s 4

« bd

w w

S «

g 5

w w

lt;

O O gt;4

cr ®

B

N

Ê® »

È-! w

PS H

£S

% Ü

I 0

I a

^ ii

tv Ü

s a

H

0 »

$

quot;1

Z M Ö W PO

r

gt;

z

w Ü

C -

M gt;

a

r gt;

a

w

o

c:

c

o

(—1

Q

X gt;

a w r

C/3

ocr page 5

Met welke stoffen voedt zicli de plant?

Onderwerpt men de bladeren, het hout of de wortels van ccnig\'o plant aan een scheikundig onderzoek, zoo vindt men daarin steeds aanwezig: water, koolstof, stikstof, pliospliorzuur, kali, kalk, magnesia, ijzeroxide, zwavelzuur, chloor, natron en kiezelzuur. Deze twaalf stoffen komen nu eens in grootere, dan weer in kleinere hoeveelheden in elke plant voor; maar zijn ze allo noodzalcélijk voor het plantenleven, d. w. z. is elke dier stoffen onontbeerlijk voor den plantengroei, of is eene volkomen normaio en weelderige ontwikkeling der plant ook mogelijk, wanneer do eene of andere dezer stoffen niet in den bodem voorkomt? Dit is een vraag van groote practische beteekenis, en het is der wetenschap gelukt een ondubbelzinnig antwoord op die vraag te vinden. Men heeft planten gekweekt in water, waarin nu eens allo bovengenoemde stoffen opgelost waren, dan weèr allo op ééne na; men heelt nagegaan, welken invloed het ontbreken van die ééne stof op de ontwikkeling der planten had, en men is daarbij tot hoogst interessante resultaten gekomen, welke wij hier in hoofdzaak laten volgen.

Brengt men alle stoffen, welke het scheikundig onderzoek als grondbestanddeelen der plantenmaterie heeft leeren kennen in behoorlijke hoeveelheid en behoorlijken vorm in de voedingsvloeistof, dan ontwikkelt zich de plant even weelderig als in den bouwgrond. Laat men echter b. v. b. het ijzeroxyde ontbreken, zoo verliest de plant hare groene kleur; zij wordt bleekzuchtig, en houdt op te groeien. Gelijk de roode kleurstof van het bloed niet zonder ijzeroxyde kan ontstaan, evenzoo is de vorming der groene kleurstof in hot sap der planten van de aanwezigheid van ijzeroxyde afhankelijk. Laat men verder do stikstof ontbreken, dan ontwikkelt de plant zich slechts zóólang normaal, als de in de zaadkorrel aanwezige organische

ocr page 6

2

stof voor de vorming van bladeren en wortels toereikend is: is deze opgeteerd, zoo begint de plant te hongeren, en zendt zij allerwege wortels uit om stikstof te zoeken. Stoflen, welke zich uit de zaadkorrel naar de bladeren verplaatst hebben, trekken weer terug naar de wortels; de bladeren worden van week tot week dunner en slapper, zij teren uit, worden in waarheid uitgezogen, en drogen ten slotte geheel uit. De wortels ontwikkelen zich ten koste der bladmassa, en bereiken soms, zooals b.v.b. bij maïs, eene lengte van tot 2 M. toe, terwijl het bovenaardsche deel der plant slechts weinige cM. hoog wordt. Zulk eene plant kan 3 a 4 maanden in het leven blijven, waarna zij aan „stikstofhongerquot; sterft. Soortgelijke verschijnselen doen zich voor, wanneer men den planten eene voedingsvloeistof zonder kali, kalk en phosphorzuur biedt-De plant groeit niet, zij vormt geen organische stof: zij zet slechts de in de zaadkorrel aanwezige stoffen om in bladen wortelmassa, zendt hare wortels uit om de ontbrekende voedingsstof te zoeken, en sterft af, wanneer zij deze niet vindt. Maar niet élke der bovengenoemde stoffen is als eene voor de plant onontbeerlijke te beschouwen, wat tal van proeven hebben doen blijken. In iederen grashalm b.v.b. bevindt zich kiezelzuur; het gras echter groeit normaal, al geeft men het ook een voedsel, dat volkomen kiezelzuurvrij is. Hetzelfde is met het natron het geval. Ook het natron is eene stof, die men weliswaar in iedere plant aantreft, maar die de meeste cultuurplanten niet absoluut noodig hebben om zich normaal te ontwikkelen, waarom men het natron dan ook niet tot de eigenlijke voedingsstoffen der plant rekent. Alleen het water, het koolzuur, de stikstof, het phosphorzuur, het kali, de kalk, de magnesia, het ijzeroxyde en het zwavelzuur worden als werkelijke plantenvoedingsstoffen beschouwd: zij zijn voor het plantenleven ten eenenmale onontbeerlijk, want ontbreekt er ééne van, zoo is de voeding der plant, de vorming van organische stof, d. i. de eigenlijke groei, niet mogelijk.

ocr page 7

Welke stoffen zijn voor de bemesting der planten het gewichtigst?

Stikstof, phosphorzuur, kali, kalk, magnesia, ijzeroxyde en zwavelzuur moet de bodem bevatten, zal hij in staat zijn, planten te voeden; dit volgt uit liet in liet vorig hoofdstuk besprokene. Elk dier zeven stoffen nu heeft voor de voeding der planten dezelfde ivaarde. De plant kan het ijzer en de magnesia zoo min ontberen als het phosphorzuur en de stikstof, want zij leeft niet van afzonderlijke voedingsstoffen, maar van uit voedingsstoffen samengestelde voedingsmiddelen, en voor de samenstelling der laatste is elke der eerste noodzakelijk. Maar zijn dan ook met het oog op de bemesting alle voedingsstoffen even gewichtig? Wanneer de plant het ijzeroxyde evenmin kan ontberen als het kali, dan zal men toch wel evenzeer te zorgen hebben voor eenen genoegzamen voorraad ijzeroxyde als voor eene behoorlijke hoeveelheid kali? De volgende cijfers geven hierop een afdoend antwoord.

De mangelwortel b.v.b. heeft, om een vollen oogst op te brengen, per H.A. noodig:

250 K.G. kali, en 5 „ ijzeroxyde.

Daarentegen bevat de bouwkruin tot op eene diepte van Vs M. ongeveer per H.A.

5000 K.G. kali, en 150000 „ ijzeroxyde.

Dienovereenkomstig zou dus het gehalte van den botfem aan kali voor 20 oogsten mangelwortels, het ijzergehalte echter voor niet minder dan 30000 oogsten voldoende zijn, waaruit wel zonder meer duidelijk is, dat men met het oog op den voorraad ijzer in den bodem volkomen gerust zijn kan, en dat ten opzichte der behoefte van den bodem aan bemesting het kali eene veel gewichtiger voedingsstof is dan het

ocr page 8

4

ijzcroxj\'dc. Van de magnesia, het zwavelzuur en de kalk geldt vrijwel hetzelfde als van het ijzeroxyde. Al zijn er ook tal van gronden, die zóó weinig kalk bevatten, dat zij in do behoefte der planten aan deze voedingsstof niet kunnen voorzien, zoo is toch de noodzakelijkheid ecner kalkbemesting, zoowel als van eene zwavelzuur- en magnesia-bemesting, op verre na niet eene zoo dlrjemeene, als gebleken is hot geval te zijn ten opzichte van die drie voedingsstoffen, welke men niet recht als voor de bemesting het gewichtigst pleegt aan to duiden; het klaverblad stikstof, phospliorzuur en kali n.1 Zelden zal men eenen bouwgrond aantreffen, die stikstof, phospliorzuur en kali genoeg bevat, om de planten zoo volkomen als mogelijk is te kunnen voeden; betrekkelijk zelden zal men oenen zelfs met stalmest geregeld bemesten bodem vinden, waarvan door bemesting met phospliorzuur of kali, of stikstof, of een mengsel dezer drie, niet nog aanzienlijk rijker opbrengsten te verkrijgen zijn dan zonder do aanwending van hulpmeststoffen. Met het oog op de bemesting zijn dus do genoemde drie verreweg de gewichtigste van alle planten voedingsstoffen; zij zijn in betrekkelijk geringe hoeveelheden in den bodem aanwezig en moeten in de oerste plaats daaraan worden toegevoegd. De meststoffen-fabrikanten en handelaren garandeeren dan ook in hunne artikelen slechts een zeker gehalte aan stikstof, phospliorzuur on kali, en de marktwaarde der handelsmoststoffon hangt uitsluitend af van haren rijkdom aan do drie voornaamste plan ten voedingsstoffen.

ocr page 9
ocr page 10

De bemesting der ooftboomen.

De ooftboomen bevinden zich in het algemeen in eenen slecht ge voeden toestand; zij geven dientengevolge niet alleen slechts betrekkelijk schrale opbrengsten, maar hebben tevens ook van te groote droogte en te groote vochtigheid, van insecten en allerlei ziekten veel meer te lijden dan bij betere voeding het geval zou zijn. Hoe krachtiger een boom gevoed wordt, hoe werkzamer zijne verschillende organen zijn, des te grooter weerstand vermag hij allen storenden invloeden te bieden, en des te beter zal hij in staat zijn, hem toegebrachte schade te herstellen.

Maar niet slechts do gezonde ontwikkeling en het weerstandsvermogen der ooftboomen worden door eene rijkelijke voeding bevorderd, ook de opbrengst stijgt en de kwaliteit der vruchten verbetert. Voor tal van gevallen heeft de ervaring dit als een feit leeren kennen. Zoo was b. v. b. het resultaat eener bemesting van leiboomen met salpeterzure en phosphorzure kali, dat slechts weinig atval van jonge vruchten waargenomen werd, en dat, bij een gezond uiterlijk en een woligen groei der boomen, de volwassen vrachten door gaafheid, grootte, zwaarte, eene dunne schil, en uitlokkende kleuren uitmuntten. De smaak der vruchten had in geen enkel opzicht geleden; integendeel hadden zij aan sappigheid, zoetheid en lijn aroma gewonnen, en in vele gevallen viel eene vermindering der meligheid te constateeren. Ook was eene gunstige ontwikkeling der vruchtknoppen voor het volgende jaar waar te nemen.

Deze resultaten toonen aan, dat eene uitsluitende bemesting met stalmest — hoe voordeelig en noodzakelijk deze voor de verbetering van den physischen toestand van don bodem ook zijn moge, — niet voldoende is, om eene zoo hoog mogelijke

ocr page 11

7

opbrengst aan ooft, cn ceno zoo goed mogelijke kwaliteit der vruchten te verkrijgen.

Als het doelmatigst is de volgende wijze van bemesting voor boomgaarden te beschouwen: ])

500 K.G. superphosphaat van 14 %,

(of 160 K.Gr. dubbelsuperphosphaat,) 160 „ chloorkalium of zwavelzure kali, en 200 „ zwavelzure ammoniak;

of:

70 „ salpeterzure kali, en 180 ,, phosphorzure kali,

150 „ zwavelzure ammoniak.

De meststoffen moeten in het voorjaar gelijkmatig uitgestrooid, en door omspitten met den grond vermengd worden. Men geve vervolgens omstreeks halt Mei nog ceno bemesting van 300 K.G. Chili-salpeter per H.A. Tegen het einde van Juni of het begin van Juli herhale men deze salpeterbemesting, of (cn dit verdient nog meer aanbeveling) men brenge ongeveer 300 K.G. „bloemenmestquot; per H.A. in den grond, om de ontwikkeling der vruchten en van het vruchthout te bevorderen. Men dient den mest gelijkmatig uit te strooien, cn met hak of hark even onder te brengen. Aanzienlijk werkzamer nog dan de uitstrooiing van het droge zout is eene begieting met eene oplossing van 1 gram Chili-salpeter oi „bloemenmestquot; op 1 L. water; op laatstbedoelde wijze verkrijgt men vaak inderdaad verrassende resultaten, vooral dan, wanneer de boomen rijk dragen. Het afvallen der vruchten, en de onvolkomen ontwikkeling van deze cn van het vruchthout bij zeer overvloedig dragen der boomen, is door eene doelmatige bemesting, en met name door een herhaald begieten met eene oplossing van „bloemenmestquot; ^

1) Hier. gelijk in het vervolg overal, geven, waar verJer niets gezcgJ wordt de cijfers de per H.A. aan te wenden hoeveelheid aan. De voor eene kleinere oppervlakte bènoodigde Iioeveelheid is daaruit door eene eenvoudige beeijfering gemakkelijk genoeg te berekenen.

ocr page 12

8

grootondccls tc voorkomen. Hoc ovorvloedigor do boom draagt, dos tc krachtiger moet men liem bemesten, want niet alleen de vrucliten, maar ook do voor het volgend jaar zich zettende vruchtknoppen moeten voldoende gevoed worden, opdat een rijke oogst niet altijd door een mislukten worde gevolgd.

ocr page 13

Algemeene Nederlandsehe Onderlinge Hagelverzekering-Maatsehappü

gevestigd te DORDRECHT.

opgericht door wijlen francois van der elst.

COMMISSARISSEN.

Mr.W. H. E. Baron VAN DER BORCH, Voorzitter,

Burgemeester van Ginneken.

E. VAN DER GIJP BARENDREGT,

Administrateur te Dordrecht.

H. P. DE KAT VAN HARDINXVELD,

Lid van het Hoofdbestuur van de Holl. Mij van Landbouw, te Dordrecht.

W. R. A. C. Graaf VAN RECHTEREN LIMPURG,

Grondeigenaar te Scheveningen.

Mr. A. VAN RIJCKEVORSEL,

Lid van het Hoofdbestuur van de Nederl. Heide-Maatschappij te \'s-Hertogenbosch.

JOB VAN DER HAVE,

Directeur der j^Iaatschappij van Weldadigheid te Erederiksoord.

Mr. H. J. M. TIJSSENS,

Secretaris der Afdeeling Dordrecht van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw, te Dordrecht.

L. OVERWATER,

Lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en Rentmeester te Strijen.

W. A. COOLEN,

Notaris te Helvoirt.

Honorair Adviseur.

W. H. VAN BIT.DERBEEK,

Nptaris en Administrateur te Dordrecht.

Directeur. JOHs. DE JONGE, te Dordrecht.

ocr page 14

MAATSCHAPPIJ „NEDERLANDquot;

LandboutvlinndUj- Handels- en Technisch Hnremt. GEVESTIGD TE DORDRECHT.

Telegram-Adres : LANDBOUW DORDRECHT. Intercommunaal Telephoon 272 - 170.

On.d.er IRijlssccntrcle

levert de Maatschappij alle soorten van Stikstof-. Phosphoezuur-Kali-, Magnesia-, en Kalkhoudende

MESTSTOFFEN voor LAND- en TUINBOUW.

SPECIALITEIT Echt Duifsch Thomasslahkenmeel.

Kraehtvoeder voor Vetweidery, Melkvee, enz.

^Dersheki cofgens taricj adtiezer^ ioi onfcjiuiiincj cat^ ivoes/e gronden; maakl hegroolinger^ vor^ kosten; laxeert lancierijer^.

Aan de Maatschappij zijn verbonden een praetisch Landbouwkundige en een gediplomeerd Tuinbouwkundige en Tuinarchitect.

Behandelt in haae

LACTOLOGISCH LABORATORIUM

wetenschappelijk de

ZUIYELBEREICIHG, LACTOLCGIE, BACTERIOLOGIE^ enz-

Onder leiding v?gt;n den heer C. J. KRIEBEL.

Bevoedert de

Aigemeene deelname in de Onderlinge Hagelverzekering

Prospectussen, Brochures, enz kosteloos op franco aanvraag te verkrijgen.

ocr page 15
ocr page 16