JC/
\'9-
VERTEGENWOORDIGING.
Hoog Geachte Vriend!
De welwillende belangstelling, welke mijn schrijven over de eischen van den dag bij eene hervorming van ons belastingstelsel zoo bij U als bij hen, aan wie het door U werd medegedeeld, vinden mogt, deed mij in de laatste dagen op uwe uitnoodiging nog eens doorbladeren wat ik verzamelde omtrent de verschillende staatsregelingen in den vreemde, toen de herziening van onze grondwet bad plaats gehad. De ons te wachten uitbreiding van het getal kiezers deed mij op nieuw daaraan denken, en de vraag bij mij opkomen of er in die ruime keus van voorschriften, door het staatkundige vernuft uitgedacht om den wil der volken tot zijn regt te brengen, ook misschien nog een enkele gedachte was, die onzen vertegenwoordigers bij hare ge-wigtige taak van nut kon wezen. Zijn deze door de aangenomen grondwet gebonden, en kunnen zij daarom niet vervuld zien, wat zij misschien met mij wel zouden wenschen of raadzaam achten, het uiten van het verlangde zoude welligt voor toekomstige herzieners bij het voortschrijden der gedachten een zaad kunnen strooijen, dat later vruchten droeg.
l
2
Dor was zeker het veld door mij in deze afge-loopen, zoo dor zelfs dat ik niemand mijner vrienden zoude durven uitnoodigen daarop mijne schreden te volgen. Het is dan ook slechts eene schets van wat ik daarop vond, een meer uitvoerige schilderij aan de meesters in het vak overlatende, zoo mijne enkele trekken belangstelling in het onderwerp hij hen wekten.
De aanteekeningen werden door mij verzameld kort nadat onze grondwet herzien was. Als een volkomen juiste voorstelling van al de tegenwoordige staatsregelingen in den vreemde durf ik ze U niet aanbieden; doch al vonden er later kleine wijzigingen plaats, die mij ook bij een nauwgezet nagaan van de veranderingen ontsnapten, bij de meeste staten kwamen deze weinig voor en bleven de voorschriften omtrent de vertegenwoordiging een zeer afwisselend tafereel opleveren van den strijd der gedachten omtrent de waarborgen, die noodig worden geacht om aan den uitslag der stemmingen van kiezers de zekerheid te verbinden, dat zij de uitdrukking zijn van de wenschen der volken.
Is het reeds in dit opzigt dat ik mij bij ü voor een genadig regt aanbeveel, vooral voel ik mij daartoe genoopt, waar ik het ten slotte waagde eenige denkbeelden omtrent de regten der volken bij het vertegenwoordigen van hunne belangen te ontwikkelen, al wist ik ook dat de grondwet, waaronder wij nu leven, het verwezenlijken daarvan niet gedoogde. Door hoogen leeftijd en zwakke gezondheid zoo aan staatkundig medewerken als zamen-
3
leving onttrokken werd ik misschien daardoor juist genoopt eens na te denken wat in het afge-trokkene meest regtvaardig kon worden geacht en onder zekere waarborgen voor bezadigdheid bij de keuzen aanspraak mogt maken op tevredenheid hij die gedeelten van het volk, waarbij de onvergenoegdheid welligt meer voortspruit uit de overtuiging van gemisten invloed dan van miskenning wat hun welzijn betrelt.
Moge mijn schrijven bij betwijfelbaar nut U althans eenige verpoozing te midden van meer ernstig lezen verschaffen!
i*
2
Dor was zeker het veld door mij in deze afge-loopen, zoo dor zelfs dat ik niemand mijner vrienden zoude durven uitnoodigen daarop mijne schreden te volgen. Het is dan ook slechts eene schets van wat ik daarop vond, een meer uitvoerige schilderij aan de meesters in het vak overlatende, zoo mijne enkele trekken belangstelling in het onderwerp bij hen wekten.
De aanteekeningen werden door mij verzameld kort nadat onze grondwet herzien was. Als een volkomen juiste voorstellincf van al de tegenwoordige staatsregelingen in den vreemde durf ik ze U niet aanbieden; doch al vonden er later kleine wijzigingen plaats, die mij ook bij een nauwgezet nagaan van de veranderingen ontsnapten, bij de meeste staten kwamen deze weinig voor en bleven de voorschriften omtrent de vertegenwoordiging een zeer afwisselend tafereel opleveren van den strijd der gedachten omtrent de waarborgen, die noodig worden geacht om aan den uitslag der stemmingen van kiezers de zekerheid te verbinden, dat zij de uitdrukking zijn van de wenschen der volken.
Is het reeds in dit opzigt dat ik mij bij U voor een genadig regt aanbeveel, vooral voel ik mij daartoe genoopt, waar ik het ten slotte waagde eenige denkbeelden omtrent de regten der volken bij het vertegenwoordigen van hunne belangen te ontwikkelen, al wist ik ook dat de grondwet, waaronder wij nu leven, het verwezenlijken daarvan niet gedoogde. Door hoogen leeftijd en zwakke gezondheid zoo aan staatkundig medewerken als zamen-
â
1
3
leving onttrokken werd ik misschien daardoor juist genoopt eens na te denken wat in het afge-trokkene meest regtvaardig kon worden geacht en onder zekere waarborgen voor bezadigdheid bij de keuzen aanspraak mogt maken op tevredenheid bij die gedeelten van het volk, waarbij de onvergenoegdheid welligt meer voortspruit uit de overtuiging van gemisten invloed dan van miskenning wat hun welzijn betreft.
Moge mijn schrijven bij betwijfelbaar nut U althans eenige verpoozing te midden van meer ernstig lezen verschaffen!
i*
I^__
EUROPA.
België.
De staatsregeling van dit land, zoo gunstig gelegen tusschen beschaafde volken, bespoeld door de zee, rijk aan mijnen, gezegend met een vruchtbaren grond, in het genot van een gematigde luchtsge-steldheid, en hierdoor als aangewezen om in den rij der staten een tooneel te zijn van voorspoed met staatkundig welzijn, dagteekent van 1831, het jaar, waarop het zich van zijne noordelijke broeders afscheurde, met wie het thans een rijk van bijna 11 millioen zoude hebben uitgemaakt, eene magt, waarmede de naburen bij hun naijverig twisten zeker hadden te rekenen ï).
Zestig jaren was die staatsregeling voor vele staten, die verrezen of zich hervormden, een voorbeeld, totdat het voorbijschrijden van vroeger op het gebied van volksinvloed achterlijke naburen ook daar gedachten deden rijpen en eischen stellen, die het bewijs leverden hoe het eens met vuur gewenschte
1) Dat bij eeue vermelding van het nu bestaande geeue plaats is voor het bespreken van de voorstellen in den laatsten tijd gedaan of aanbevolen, behoeft niet te worden herinnerd.
6
ook op staatkundig gebied bij langdurig genot verzadigt om heil te doen zoeken in het proeven van vruchten op vreemden bodem geteeld.
De dubbele vertegenwoordiging, door twee kamers of huizen, waaraan door vele staatkundigen nog groote waarde gehecht wordt, vindt men ook in België. De senaat wordt er evenals de kamer der afgevaardigden door het volk benoemd. De laatste wordt gekozen door alle burgers, 21 jaren oud, die f 20.â regtstreeksche belasting opbrengen, en het getal van kiezers bedroeg in 1889 ruim 20/0 van de bevolking, terwijl dat der afgevaardigden 1 op 40.000 inwoners was. Die afgevaardigden behoeven slechts 25 jaren oud te zijn, ontvangen f 200 maandelijks, indien zij buiten Brussel wonen, en worden voor 4 jaren gekozen. De senaat telt juist de helft van het getal leden der andere kamer, zeker in tegenspraak met hen, die heil zoeken in een groot getal vertegenwoordigers, indien men voor eene vergadering, waaraan men de laatste beslissing opdraagt, slechts half zoo veel hoofden noodig acht als voor haar, wier werk aan een nader oordeel wordt onderworpen. De senaat wordt gekozen door dezelfde kiezers als de kamer van afgevaardigden en wel voor 8 jaren. Zijne leden moeten 40 jaar oud zijn, minstens f 1000.â belasting regtstreeks opbrengen en zich vergenoegen met de eer van het land om niet te dienen. Merkwaardige vermenging van stelsels in eene staatsregeling met overhaasting opgemaakt en toch reeds bijna 60 jaren geëerbiedigd. Hooge âcensusquot; voor den kiezer en derhalve geringe
7
uitbreiding van het regt om invloed uitteoefenen op het bestuur van den staat; geringe leeftijd voor den afgevaardigde, waaraan een zware taak wordt opgedragen; dezelfde kiezers voor twee verschillende takken van wetgeving, waarvan de een het werk des anderen moet beoordeelen; geld als waarborg voor het verstand van de vergadering, die de laatste uitspraak doet. Wat aanbeveling verdient, is misschien de hoogere leeftijd, die voor den senator wordt vereischt, en waardoor de vergadering, waartoe hij behoort, werkelijk den naam van senatus waardig mag worden geacht.
Denemarken.
Bij de feitelijk in het staatkundige niet bevoor-regte Denen vinden wij ook twee takken van vertegenwoordiging in den Rijksdag vereenigd. Deze bestaat uit twee kamers, de Landsthing en de Volks-thing. De eerste, 6(5 leden rijk, zeker een groot getal voor een landje van 2 millioen inwoners, telt onder hen 12 door de kroon benoemden, terwijl de anderen met een trap gekozen worden door kiezersligchamen van hoogst aangeslagenen zoo op het land als in de steden. Op een senaat gelijkt de Landsthing weinig, in zoo ver leden van 25 jaren daarin worden toegelaten. Voor het Volks-thing, dat 402 leden telt, worden deze regtstreeks gekozen door kiezers, waarbij slechts wordt vereischt dat zij 30 jaren oud zijn en geen bedeeling hebben genoten, of, zoo dit al het geval was, die
8
terugbetaalden, een stelsel inderdaad, dat bij den waarborg van hoogeren leeftijd voor een bezadigde keus zich door groote vrijgevigheid onderscheidt, en het te meer doet betreuren dat een tegenovergestelde rigting bij de zamenstelling van den Landsthing tot een noodlottigen strijd tusschen de twee takken van wetgeving voortdurend aanleiding gaf. Moge de schikking, waarvan in de laatste dagen werd gewaagd, leiden tot eene wijziging van de staatsregeling, die meer overeenstemming tusschen die twee takken van wetgeving verzekert!
Het getal kiezers bedraagt omtrent 150/0 van de bevolking, en als een juist denkbeeld mag men beschouwen dat de vergoeding voor de leden der kamers volgens denzelfden maatstaf wordt berekend, zoolang de ijver ontbreekt om het vaderland kosteloos te dienen.
Duitschland.
De vertegenwoordiging in Duitschland is tweeledig. Vooreerst bestaat er eene van het Duitsche rijk als vereeniging van staten en ten andere eene voor ieder van deze afzonderlijk. Om de laatste beter te kunnen waarderen kan men de eerste niet voorbijzien. In den Bondsraad worden de verschillende staten, in den Rijksdag het Duitsche volk vertegenwoordigd. Tot den eersten zenden de regeeringen dier staten jaarlijks hare afgevaardigden, 58 in getal, terwijl voor de 397 leden van den Rijksdag het al-gemeene stemregt geldt. Merkwaardig is het hoe
9
Pruissen zijne magt hier op het algemeen stemregt heeft gevestigd. Zendt het ook slechts 17 afgevaardigden naar den Bondsraad, en heeft het daarin nog geen derde gedeelte der leden, voor den Rijksdag benoemt het 286 van de 397 of veel meer dan de helft. Liet het dus aan Beijeren, Wurtemberg, Saksen en Baden de eer van in dien Bondsdag gezamenlijk evenveel stemmen uit te brengen als het zelf alleen doet, het bragt die landen voor den Rijksdag in de kleine minderheid, en glimlacht misschien in stilte over de stemmen in de eerstgenoemde vergadering toegekend aan de onbeduidende staatjes, die het van nabij omringen doch staatkundig niet bedreigen. Was welligt de mildheid in het getal leden voor den Bondsraad bij de verheffing van een Pruisischen koning tot een Duitschen keizer slechts een middeltje âpour dorer la pillulequot; voor de overige staten ?
Het getal kiezers voor den Rijksdag in 1890 was ruim 10 millioen of 220/0 van de bevolking, waarvan bijna drie vierden hun regt uitoefenden.
Had een Lodewijk XIV, wien men het âl\'Etat c\'est moiquot; toeschrijft, niet kunnen denken, dat zijne eeuw nog een gemeenebest in Frankrijk zoude doen beleven op de puinhoopen van het koningschap, of een Fx-ederik de Groote kunnen bevroeden, dat een naneef binnen 100 jaren reeds zijne magt met het algemeene stemregt vereenigen zoude, merkwaardig was het dat de weidsche naam van Duitsch Keizer verkregen moest worden door eene overwinning op Napoleon III, die aan hetzelfde volks-
10
regt zijne opkomst danken wilde, een sterk bewijs voor de spreuk: âles extremes se touchentquot;. Eerzuchtige naturen zelfs, die gaarne op âde gratie Godsquot; zich uitsluitend zouden beroepen, worden haar ondanks genoopt den grondslag barer magt door een âvox popuii vox Deiquot; te verklaren.
In Pruissen deelt de koning de wetgevende magt met een Landdag, die uit 2 kamers, een Heerenhuis en eene van Afgevaardigden bestaat. De eerste is zamengesteld uit de leden van het koninklijke geslacht, de 16 hoofden der âgemediatiseerdequot; vorstenhuizen, booge adelijken, eenige âpairsquot; voor het leven of bepaalden tijd door den koning gekozen uit groote landeigenaars, fabrikanten, beroemde mannen en lieden, die om de eene of andere reden zich in zijn oog verdienstelijk maakten, vertegenwoordigers van de hooge scholen en burgemeesters der groote steden, eene niet onaardige verzameling derhalve van hooggeplaatste personen zittende onder één dak, doch met het zelfvoldoend bewustzijn voor sommigen dat zij van hunne âcon-tuberalenquot; kunnen zeggen: âils ne sont pas des nötresquot;, terwijl de stem des volks uitgesproken zoo men wil in de andere kamer, wanneer zij aan het oordeel dier heeren wordt getoetst, wel eenige kans heeft op hardhoorigheid aftestuiten, indien zij althans niet verstandig genoeg is geweest haar âdiapasonquot; zoo te stellen dat over de akoestiek in hoogere kringen niet valt te twisten, waarbij de burgervader van een uitgestrekte hoofdstad onmis-
11
kenbaar zijn nut kan doen, indien hij zijne gehoorvliezen wei weet te gebruiken.
De tweede kamer bestaat uit 432 leden , waarvan er 80 of Vt gedeelte de later aangeworven gewesten vertegenwoordigen. Op elke 70000 zielen is er dus een afgevaardigde. Ieder ingezetene van 25 jaren oud en geregtigd tot het kiezen voor den gemeenteraad is Uhrwahler voor de kamer van afgevaardigden, terwijl de Wahlmann, die door den eersten benoemd wordt om voor dezen te kiezen, bij elke 250 zielen optreedt. Hier vindt men dus een stelsel van verkiezing met een trap, doch alle waarborgen missende voor een goede keus. De oorspronkelijke kiezer benoemt een ander, wien hij zijn regt overdraagt, doch zonder te weten wie in den smaak van dezen zal vallen of hem door omgang bij een lagere betrekking in de gelegenheid te stellen over de bekwaamheid van den aanstaanden afgevaardigde behoorlijk te oordeelen. Het is geheel iets anders dan wanneer een kiezer den man zijner keuze voor den gewestelijken of gemeentelijken raad benoemt, en dan aan dezen de benoeming van een afgevaardigde uit het midden dier lagere vergadering overlaat, waarbij hij de zekerheid heeft dat er niemand uitverkoren zal worden, in wien hij geen vertrouwen heeft, en bovendien de kans voor zich ziet, dat de beste uit het door hem zeiven zaamgestelde ligchaam genomen wordt.
Dit zoogenaamd verouderde stelsel van verkiezing met een\' trap gaat intusschen gepaard met eene groote vrijgevigheid, wat de vereischten betreft voor
42
hen, die tot afgevaardigden kunnen gekozen worden. Ieder Pruis, die 30 jaren oud is, geen vonnis tegen zich heeft en 3 jaren belasting aan het rijk betaalde, mag in het huis der afgevaardigden zitting nemen, en zich verlustigen in het houden van redevoeringen, waaromtrent de ondervinding tot dusver geleerd heeft dat bij een Heerenhuis als het zoo even vermelde en tegenover een geliefden Keizer gesteund door een krachtvollen kanselier het âverba volantquot; maar al te dikwijls van toepassing bleek te zijn.
De leden der tweede kamer alleen ontvangen reis en verblijfkosten volgens zekere schaal, die tot f 9.â dagelijks kan klimmen, doch voor die van het Heerenhuis heeft men dit beleedigend gevonden. Aan âheerenquot; geeft men ook geen âpour boire.quot; Merkwaardig is het voorschrift dat de afgevaardigden van hunne reis en verblijfkosten geen afstand mogen doen. Het is alsof men hen, die zooveel hebben te zeggen, toch wilde waarborgen tegen den waan van âheeren te zijn, die het moeten weten.quot;
Ook in Beijeren bestaat de vertegenwoordiging uit twee kamers. Het hoogere huis of de kamer der Rijksraden wordt zamengesteld uit de prinsen van koninklijken bloede, de waardigheidbekleeders, de aartsbisschoppen en de hoofden van eenige oude adelijke geslachten, allen erfelijk, den protestant-schen Oberconsistoriaal-rath met nog eenigen door den koning te benoemen. Het lagere huis bestaat uit afgevaardigden, die door Wahlmtinner, 4 op elke 500 zielen, worden gekozen en daartoe slechts
43
eenige belasting aan den staat behoeven te betalen bij een leeftijd van 30 jaren. Hun getal is 159 of 1 op 32,000 zielen.. De vergoeding hun toegedacht bedraagt f6.â daags.
Het hoogere huis in Saksen bevat de prinsen van van den bloede, leden der voornaamste adelijke geslachten, de burgemeesters van 8 steden, afgevaardigden van de hooge scholen te Leipzig en te Bautsen benevens eenige personen, die door den koning naar vrije keuze voor het leven worden benoemd. Het lagere huis bestaat uit 35 afgevaardigden van de steden en 45 van het platte land. Zij worden gekozen door alle burgers, die 25 jaren oud zijn en eenige belasting betalen of zekeren welstand bezitten. De leden van beide huizen mogen dagelijks ruim f 7.â gedurende de zitting in rekening brengen voor de moeite, welke zij zich in het belang van het vaderland wel willen getroosten.
In Wurtemberg draagt hel hoogere huis den naam van dat der Standsheeren, en daartoe behooren de vorsten van koninklijke bloede, de hoofden van de 20 âgemediatiseerdequot; adelijke geslachten en eenige leden, die door den koning voor het leven of een bepaalden tijd worden benoemd, doch wier getal niet meer dan een derde der vergadering mag uitmaken. Het lagere huis, dat der Afgevaardigden bestaat uit 43 adelijke leden door de ridderschap benoemd, 6 protestantsche en 3 katholieke geestelijken , den kanselier der hooge school en 70 verte-
14
genwoordigers, die door alle burgers boven de 25 jaren worden gekozen, zeker eene zonderlinge ver-eeniging van verouderde en vrijgevige voorschriften.
Bij de kleinere staten van het Duitsche rijk vindt men verschillende stelsels toegepast meestal in zeer behoudenden geest. Een treurig bewustzijn van eigen onmagt deed waarschijnlijk berusten in het voortleven van instellingen, die in magtiger staten reeds tot de geschiedenis gingen behooren, waar de be-bevolking de overtuiging had gekregen dat zij door haar aandeel in het bestuur niet alleen voor de belangen der naaste omgeving maar ook op het tooneel der wereld kon medespreken. Eene burgerij, levende te midden van vermogende vorsten of edelen, en van deze voor eigen bestaan afhankelijk, de ontwikkeling van een derden stand door handel of nijverheid nauwelijks kennende berust al ligt in een vrede, waar de strijd geen lauweren of winst belooft.
De vertegenwoordiging in deze kleine staten is veelal eene schaduw, om niet te zeggen een naapen, van de grootere, met uitzondering misschien van Mecklenburg-Schwerin, dat in lofwaardige opregtheid zich meent te kunnen stellen tegenover den geest der eeuw, en ons herinnert aan den tijd, toen men in kinderlijke eenvoudigheid nog dacht dat de zon om de aarde draaide. In de domeinen van den vorst is deze de eenige wetgever, en vindt men al een Landdag voor de overige gedeelten van het landje, zijne zetels worden inge-
15
nomen door de eigenaren van de riddergoederen met eenige burgemeesters van de stadjes, wier hoog standpunt, dat hun veroorlooft met groote heeren eenige uren onder hetzelfde dak te vertoeven, waarschijnlijk een zeer hezadigenden invloed heeft op hunne gemoederen, zoo het ongeluk wilde dat de flaauwste Ahnung tot verzet daarin mogt kunnen opkomen.
Aan de overige kleine staten hebben de vorsten afwisselend een of twee kamers toegestaan om met hen de wetgevende magt te deelen, waarin echter ook al weder aan den adel een groote invloed wordt toegekend, en de verkiezing van afgevaardigden meestal langs een trap geschiedt, die den Wahl-mann in de gelegenheid stelt om den Urwahler een vertegenwoordiger te bezorgen, wiens overtuiging de taak van vorst en ridderschap vermag te verligten.
Eene treffende tegenstelling met deze kleine staten levert de vrije stad Hamburg, wier grondwet het bestuur verdeelt tusschen twee kamers, den Senaat en de zoogenaamde Burger schaft. De senaat, waarbij de uitvoerende magt vooral zetelt, bestaat uit 18 leden, voor de eene helft uit wetenschappelijke mannen en voor de andere uit kooplieden zamengeroepen. Zij worden voor het leven benoemd door het huis der burgers, en hunne vergadering door den burgemeester geleid, die, door geheime stemming gekozen, niet langer dan twee jaren zijne betrekking mag beklee-den. De eer van het lidmaatschap in den senaat is
46
onvereenigbaar met elk ander ambt. Het huis der burgers telt 160 leden, in de daad talrijk genoeg voor een staatje van ruim een half millioen zielen. De helft van deze leden wordt gekozen bij geheime stemming door alle ingezetenen, die belasting betalen, en van de andere 40 door eigenaars van buizen boven de f 1800 waard. De laatste 40 leden zien zich door gilden of regterlijke instellingen afgevaardigd. De overtuiging echter dat een zoo groote vergadering te veel kostbaren tijd aan de bedrijvige ingezetenen zoude kunnen ontrooven, heeft misschien gebragt op de gedachte dat een achtste gedeelte der leden voldoende zoude wezen om over de handelingen van den senaat te waken en hun opgedragen daartoe geregeld zitting te houden. Merkwaardig is in deze regeling het veto, hier aan een senaat toegekend, omdat het uitvoerend bewind hem grootendeels werd toevertrouwd.
Even als in Hamburg vindt men te Lubeck een Senaat en een Bürgerschaft, waarvan de eerste met de uitvoerende magt is bekleed, en de tweede 120 leden telt, die door al de burgers worden gekozen, zeker alweder een groot getal voor een staatje, welks bevolking nog in 1890 minder bedroeg dan die der stad Utrecht of 76000 zielen.
Elzas en Lotharingen, die door de wet van 9 Junij 1871 voor altijd met het Duitsche rijk waren ver-eenigd, en waar zijne grondwet den 1. Januarij 1874 werd ingevoerd, staan onder een âStatthalterquot;, die door den keizer benoemd zijne magt uitoefent als
17
diens vertegenwoordiger. Hem staan drie ministers ter zijde onder een verantwoordelijken sekretaris met een staatsraad, zamengesteld uit de voornaamste ambtenaren der provincie en twaalf andere leden, die ook door den keizer worden benoemd, gedeeltelijk op aanbeveling van het âLandesausschussquot;. Ter loops wordt dit hier slechts vermeld, opdat men niet zoude denken, dat dit nog ongelukkige landje van ruim ilf2 millioen zielen was voorbijgezien. In een schrijven over stemregt zoude eene inrigting als de hier vermelde eigenlijk niet op hare plaats zijn, om de eenvoudige reden dat hier aan eenige vertegenwoordiging van het volk zelf niet kon worden gedacht.
Frankrijk.
In Frankrijk vinden wij het algemeene stemregt aangenomen voor de kamer van Afgevaardigden, waarbij in 1885 het âscrutin de listequot; werd gehuldigd om in 1889 alweder afgeschaft te worden. Door elke arrondissement wordt een afgevaardigde gekozen, tenzij het meer dan 100.000 zielen bevat, in welk geval het geregtigd is twee te benoemen. Hun getal bereikt thans 584. In 1889 waren er ruim 10 millioen kiezers, waarvan er bijna 80% hun regt uitoefenden. De 21jarige leeftijd en het burgerschap, door 6 maanden verblijf te verkrijgen, zijn de eenige vereischten voor een kiezer. Voor den afgevaardigde wordt alleen gevorderd dat hij 25 jaren oud en burger zij. Vreemd genoeg zag men in een gemeenebest oen . vierde van den - senaat^
2
18
die 300 leden telt, voor het leven benoemd, waarop dan ook in 1884 werd teruggekomen, en bepaald dat de openvallende plaatsen door gewone leden zouden worden aangevuld. Nu worden zij slechts voor 9 jaren benoemd uit burgers van den leeftijd, dien de Parijzenaar meestal beschouwd als de grens van het ongehuwde leven. De verkiezing geschiedt met een trap en wel door de raden dei-gemeente, vereenigd met die der departementen. Zeldzaam raderwerk inderdaad om den wil van het volk te leeren kennen, wiens uitspraak dan ook bij de verkiezing door de onderliggende partij vaak wordt betwist. Voor den senator wordt niets ver-eiscbt dan een 40 jarige leeftijd en de eer van Franschman te zijn, welk voorregt de deur van de achtbare vergadering evenwel nog niet opent voor vorsten uit huizen, die het vertrouwen van het volk op den troon van Hendrik IV verspeelden.
Vreemd mag het ook worden geacht dat, waar men door een kunstig raderwerk waarborgen zoekt voor een geregelden gang van zaken, de keus van den voorzitter in het gemeenebest wordt overgelaten aan eene vereenigde vergadering van afgevaardigden en senaat, en dus aan de eersten, wier woelige aard gevreesd wordt, op die benoeming door het getal een dubbelen invloed geeft.
Griekenland.
Griekenland, welks geschiedenis op het gebied van verkiezingen zoo menig waarschuwend voor-
19
beeld gaf, heeft zich van een algemeen steraregt daarom niet laten afschrikken. Van de 2 millioen inwoners waren er in 1881 reeds meer dan 460,000 als kiezers ingeschreven, zijnde 230/0 van de bevolking. Het vaderland van Solon en Sokrates brak zelfs met de overlevering der andere Europesche Staten omtrent de noodzakelijkheid van twee kamers, waarvan de eene geroepen heet om het werk der andere nog eens te bepraten en na het herhalen van bezwaren, waaraan elke nieuwheid moet ontbreken, nit vrees voor het verbeuren van volksgunst of het mishagen aan een der kroon welgevallig uitvoerend bewind, eindelijk goed te keuren. In zijne schoonsten naam voor een
vertegenwoordigend ligchaam, heeft Griekenland gemeend een einde te moeten maken aan de sparteling tusschen volksuiting en bolwerk van kroon of standen, maar al te dikwerf een bedriegelijke schanskorf gebleken. Een enkele kamer beslist over het lot van het volk, en zoude zeker zijne wenschen met de meeste juistheid aan de treden van een troon kunnen nederleggen, had geene noodlottige geschiedenis van eeuwenheugende verdrukking de oogen beneveld gelaten omtrent het ware heil van den staat.
Het getal der afgevaardigden, vroeger 245, is tot 150 teruggebracht. Zij ontvangen ieder voor elke zitting 2000 drachmen, die thans de waarde hebben van een halven gulden.
~ .........â â . **** «uyu
20
Groot Brittanje en Ierland.
In het Britsche rijk is de hoogste wetgevende magt geheel bij het Parlement, De tegenwoordige vorm der staatsregeling dagteekent reeds van het midden der veertiende eeuw, en doet ons twee kamers of huizen kennen, der Lords en der Commons. De leden van het hoogere huis verkrijgen daarin plaats door erfelijk regt, door benoeming van den vorst, door hunne betrekking, gelijk de bisschoppen, door eene keus voor het leven, zooals de lersche, of voor den duur van het Parlement, als de Schotsche peers. Het huis der Lords telde in 4891 reeds 559 leden, waaronder 5 van koninklijken bloede, 26 bisschoppen, 22 hertogen met nog 463 adelijken en 40 gekozenen zoo voor Schotland als Ierland zamen. Twee derden van deze âpeersquot; waren echter scheppingen van deze eeuw, zoodat de naam van lord in Engeland evenmin een waarborg is voor de oudheid van een geslacht als de hoedanigheid van hoogstaangeslagene in Nederland zekerheid geeft voor onbekrompenheid in geldzaken. De vier oudste âpeeragesquot; klimmen zelfs niet hooger op dan tot in het laatste gedeelte der dertiende eeuw en zouden dus in meer dan één Nederlandsch geslacht, wat de oudheid betreft, hun meester moeten eerbiedigen.
De inrigting van het lagere huis is van jonge dagteekening. De wet van 1884 voerde een eenvormig vereischte in voor het regt van kiezer te zijn, rustende op het bewonen van een huis, zij het
21
ook gedeeltelijk, of het gebruiken van een stuk land, dat minstens f 120 huurwaarde heeft, en de daarop volgende van 1885 verdeelde de groote steden in zooveel deelen als er leden te kiezen waren. Het getal der leden klom hieadoor tot 670, waarvan 377 voor de graafschappen, 284 voor de burgten en 9 voor de hooge scholen. Een getal van 495 leden viel daarbij aan Engeland ten deel. Ruim 41/2 millioen Engelschen werden daarbij in 1888 met het geluk van kiezer te zijn bevoorregt, terwijl dit slechts aan \'/g of \'/s gedeelte daarvan te beurt viel bij hen, die den naam van Ier of Schot moesten dragen. In dit lagerhuis heeft de Engelsch-man derhalve een onverstoorbaar overwigt op zijne lersche en Schotsche broeders, ook al wilden deze zich tegen hem vereenigen; een toestand, die het te meer mag doen waarderen, wanneer thans het lot van Ierland de hartén der Britsche staatslieden zoo zeer doet kloppen, dat misschien onze over-maasche landgenooten in Noord-Brabant en Limburg , wier zielental tot dat van ons geh\'eele rijk in ongeveer dezelfde verhouding staat, hierdoor tot naijver konden worden opgewekt.
Vergelijkt men dit getal met dat der bevolking, dan vindt men een kiezer op elke zes zielen; en zoo komt de staatsregeling van Groot Brittanje en Ierland in deze dus het algemeene stemregt, dat een kiezer op elke vier zielen zoude aantreffen, nu reeds zeer nabij. Toch staart de vreemde staatsman met eerbied op een rijk van orde, waar de hartstogten der staatkundige leiders een rots ontmoeten in het
22
ontzag voor de wet, dat de hevigste aanvallen kan trotseren. Treffend voorbeeld wat een geliefd vorstenhuis, een ingewortelde afkeer van vreemden invloed, een eerbiedigen van het regt der meerderheid vermogen.
Te meer verdient dit de aandacht, nu sedert 1872 ook in Groot brittanje en Ierland de stemming voor het Parlement niet alleen door ongeteekende briefjes geschiedt, maar als enkel vereischte om daarin te worden opgenomen de zeer jeugdige leeftijd van 21 jaren voldoende wordt gerekend. De uitsluiting slechts van geestelijken, zoo Protestant-sche als Katholieke, als wilde een staat,, aan wiens godsdienstigen zin door niemand wordt getwijfeld, juist daarom een bewijs leveren van de juistheid der stelling dat âhet koningrijkquot; niet van deze wereld kan wezen mag bevreemden. Al is dit voorschrift in Albions staaitsregeling niet buitengewoon, zoo men ziet dat het ook in die van andere landen wordt aangetroffen, toch mag getwijfeld worden of de Brit daarin wel heeft gezien. Zij , die tot de bediening van den godsdienst geroepen worden, onder welken naam zij ook het Hoogste mogen verceren, behooren in den regel tot een stand, waarvan men eenige beschaving mag verwachten, en behoeven om hunne betrekking behoorlijk waar te nemen eene maat van kennis, die hen zeker zeer ver boven het peil van menigen kiezer verheit. Bedienaren van den godsdienst uittesluiten is een onregt gedaan aan lieden, wier ambt op zich zelf tegenover den staat niet vijandig
\'23
behoeft te staan, en het is zelfs de vraag of de strijd van de kerk tegen den staat niet juist wordt aangewakkerd, wanneer men noodeloos deze mannen togen zich in het harnas jaagt. De ondervinding heeft bovendien wel eens bewezen dat deze grijpende wolven voor den staat, indien zij in de vertegenwoordiging zitting hadden, beter in het schaapskleed pastten, dan men vroeger van hen zoude hebben gedacht. Toen aan een der vrijzinnigen in Nederlands Tweede kamer bij het daarin optreden van zekeren godgeleerde gezegd werd dat dit oen kameraad was, waarvan men last zoude hebben, was het antwoord; âlaat hem maar komen wij zullen hem wel klein krijgenquot;, en de uitkomst heeft bewezen dat die nieuwe staatsman buiten de vertegenwoordiging door een vergrootglas beschouwd, daarbinnen mikroskopische afmetingen bekwam. Voor het opwinden van de volksmenigte zijn zij op den leerstoel en achter den Bijbel verschanst veelal gevaarlijker dan op eene âtribunequot; of op de bank achter een stapel van zoogenaamde nota\'s, verraderlijke âcorpora delictiquot; voor den redenaar, die gewend is te spreken op plaatsen, waar tegenspraak strafbaar wordt gesteld, maar nu bloot staat aan de stift van een mededoogenlozen snelschrijver, gereed om als staatkundige zonde op te teekenen wat op den kansel zoo ligt als in het wel nagebootste âvuur der improvisatiequot; werd vergeven.
24
Italië.
In Italië vindt men weder de wetgevende magt aan twee kamers, den Senato en Camera de Deputati toegekend. De eerste bestaat uit de prinsen van koninklijk bloed en een onbepaald getal leden boven 40 jaren oud, die door den Koning worden benoemd uit hooge ambtenaren, geleerden of mannen, meer dan 3000 lire belasting betalende. De tweede wordt gekozen door alle burgers, die 20 jaren oud zijn, 19 lire belasting opbrengen en zoowel schrijven als lezen kunnen. Het getal der leden is ruim 500 of 1 op 60000 zielen en dat der kiezers bijna 2i/2 millioen of omstreeks 1 op 12 inwoners. De afgevaardigden moeten bO jaar oud zijn en mogen geen ambten of bezoldigde kerkelijke bediening be-kleeden. Officieren en ministers zijn benoembaar, mits dat hun getal in de kamer niet grooter zij dan 40. De afgevaardigden hebben evenmin regt op vergoeding als de senatoren, en al kunnen zij kosteloos van spoorwegen of stoombooten gebruik maken, zoo komt hun toch de eer toe van, wat hunne beurzen betreft, onschuldig te zijn aan den toestand der schatkist, die gedoemd is om bij een arm volk de eer op te houden van zesden staat in Europa. De staatsregeling van Italië is alweder geen voorbeeld, gelijk men dat welligt van een zoo jeugdig rijk zoude verwachten, maar slechts eene schaduw van voorschriften, die in de andere Staten worden aangetroffen, en wier nadeelen hierboven reeds zijn besproken.
25
Montenegro.
Montenegro wordt ook nog gerekend onder de staten, die zich op eene vertegenwoordiging beroemen. Deze bestaat echter alleen in een staatsraad van 8 leden, waarvan de eene helft door den vorst en de andere door de mannelijke inwoners wordt gekozen, die wapens dragen of getorscht hebben. Dat de vertegenwoordiging van het volk hier dus alleen in naam bestaat, zal wel niet behoeven aangetoond te worden.
Oostenryk.
Oostenrijk bestaat, gelijk bekend is, uit twee deelen, eigenlijk Oostenrijk en Hongarije, die wel onder eenen vorst vereenigd zijn en een gemeenschappelijk leger evenals dezelfde buitenlandsche gezanten hebben, maar elk zijne eigene vertegenwoordiging en ministers bezitten, terwijl de algemeene zaken behandeld worden door de delegation, eene vergadering van 60 leden voor ieder deel.
De nu bestaande staatsregeling van Oostenrijk, die van -1867 behoudens enkele wijzigingen dag-teekent, kent 17 gewestelijke vergaderingen van vertegenwoordigers en eene algemeene, Rijksraad geheeten. Deze rijksraad bestaat uit een hooger en lager huis. Het eerste (Herrenhaus) is zamengesteld uit 20 vorsten van het keizerlijke geslacht, 66 erfelijke edelen, 10 aartsbisschoppen en nog eenige door
26
den keizer wegens hunne verdiensten benoemde personen, eene regeling derhalve, die meer aan een bolwerk tegenover de wenschen van het volk dan aan eene vertegenwoordiging daarvan doet denken. Het lagere huis, dat der Afgevaardigden, 353 leden rijk, als 131 voor het platte land, 116 voor de sleden, 21 voor de kamer van koophandel en 85 voor de landeigenaren, waaronder ook de vrouwen in eigen bezit zijn opgenomen, wordt gekozen door alle ingezetenen, die 24 jaren oud zijn en zekere welvaart genieten of op eenige bijzondere onderscheiding aanspraak mogen maken. De afgevaardigden worden voor 6 jaren gekozen, en het getal der kiezers, die hen naar den rijksdag mogten zenden, bedroeg in 1885 bijna 1,700,000 of ruim 7o/0 der bevolking, terwijl 58o/0 van hun regt gebruik maakten.
Ook in Hongarije vindt men de twee huizen, een hooger en een lager, waaruit de rijksdag is zamen-gesteld. liet eerste heet het huis der Magnaten, het tweede dat der Vertegenwoordigers. Magnaten zijn de aartsbisschoppen of bisschoppen, aartshertogen, hoofden der hervormde kerk, erfelijke edele geslachten en hooge ambtenaren. Het lagere huis wordt gekozen door kiezers, die 20 jaren oud moeten zijn en eenigen, zij het ook geringen welstand, bezitten, voor geleerden zelfs in het geheel niet vereischt. Toch bedraagt het getal kiezers slechts ruim 50/0 van de bevolking.
27
Portugal.
In Portugal, waar wij de vier staatsmagten: vertegenwoordiging, uitvoerend gezag, regtspleging en den vorst als scheidsregter erkend vinden, treffen wij ook weder twee kamers aan, de Camara dos Pares en de Camara dos Deputados, die te zamen den naam van Cortes dragen. Het erfelijk regt op de betrekking van Par is afgeschaft, en die het genoten moeten uitsterven, waartoe de koning voor elk die komt te overlijden er een moet benoemen tot aanvulling van de honderd, aan welken hij die eer mag bewijzen. Tegenover dit honderdtal staan 50 Pares, die gekozen worden uit vermogende ingezetenen bij een leeftijd van 35 jaren, en waarvan er 5 door wetenschappelijke instellingen benoemd worden. De leden van de Camara dos Deputados worden regtstreeks gekozen door alle ingezetenen, die 22 jaren oud zijn en daarenboven schrijven kunnen, bij een inkomen van f 260,â. Voor de leden wordt een inkomen van ruim f 1000 ver-eischt, tenzij dat hun een geleerde titel ware toegekend. Het getal der kiezers bedroeg in 1883 bijna 900000 of 180/0 van de bevolking, en kwam dus vrij nabij de hoeveelheid, die bij een algemeen stemregt hare keuze zoude uitbrengen.
Rumenlë.
Ook Rumenië is het stelsel van 2 kamers blijven huldigen. Voor den Senaat, die 120 leden telt
28
waaronder 2 vertegenwoordigers van de hoogescho-len en 8 bisschoppen, wordt een inkomen van omtrent f 5000 en de leeftijd van 40 jaren vereischt. De leden van de kamer der Afgevaardigden, 178 in getal, behoeven slechts 25 jaren oud te zijn. Alle meerderjarige burgers, die belasting betalen, zijn kiezers, doch worden voor de keuze van den senaat in 2 en voor die van Afgevaardigden in 3 klassen verdeeld, waarin zij die lezen noch schrijven kunnen hunne stemmen slechts uitbrengen op niet-regtstreeksche wijze. De leden van de beide kamers ontvangen eene . kleine tegemoetkoming gedurende de zitting.
Rusland.
Rusland biedt te midden van Europa\'s volken eene merkwaardige uitzondering. De vorst, onbeperkt en erfelijk alleenheerscher, vereenigt in zich de wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt. Toch hebben de alleenheerschers zich eenige regelen gesteld. Zoo heeft vóór bijna eene eeuw Czar Paul bepaald, dat de erfopvolging zoude geschieden bij regt van eerstgeboorte en met uitsluiting van vrouwen, vernietigande alzoo de vrije keuze van den opvolger door Peter den Groote ingesteld, doch eerbiedigende den eisch dat ieder, die de kroon zoude torschen, met vrouw en kinderen lid van de Grieksche kerk moest wezen, en schreef Alexander I voor, dat zoo grootvorsten als vorstinnen de toestemming van den alleenheerscher behoefden voor het aangaan van een huwelijk. Waar
29
alle magt dus aan den eenigen heerscher werd toegekend, stelde deze zich zeiven perken, zoo het vragen gold van geloof en liefde.
Servië.
In Servië worden weder twee kamers aangetroffen. De eerste Staatsraad geheeten bestaat uit 16 leden, waarvan er 8 door den vorst en de overigen door de andere kamer worden gekozen: zonderlinge wijze van keuze bij trappen, waardoor de waarborg, die sommigen in een regtstreeksche verkiezing zoo hoog stellen, tot op de helft wordt verminderd, en een verschil tusschen de vertegenwoordiging van het volk en de raadslieden der kroon onoplosbaar wordt, zoolang aan het staken van de stemmen niet door sterfgeval of ziekte een einde komt. De tweede kamer of nationale vergadering wordt gekozen door het volk trapsgewijze, en in verhouding tot het getal der gewesten, waarvan er elk twee afgevaardigden benoemt. Elk mannelijk Serviër, die 21 jaren telt en fl.â belasting betaalt, is kiezer, en ieder, die 30 jaren oud werd bij eene opbrengst van f 14.â of een wetenschappelijken graad bezit, kan worden afgevaardigd. In buitengewone omstandigheden wordt de groote vergadering bijeengeroepen, die een dubbel getal leden telt. De leden der vergadering ontvangen bezoldiging en reiskosten. Is er dus in deze staatsvergadering veel, dat afwijkt van wat veelal wenschelijk wordt geacht, men make daarvan aan de Serviërs, die nauwelijks 2 millioen tellen,
30
geen te sterk verwijt, nu zij leven te midden van Rusland, Turkije en Oostenrijk, wier staatkundige inrigtingen ook niet van dien aard zijn, dat zij aan naburen een beschamend voorbeeld zouden kunnen stellen.
Spanje.
De Cortes in Spanje bestaan uit twee kamers een Senaat en een Congres. De leden van den Senaat worden in drie soorten verdeeld; de senatoren volgens eigen regt (de derecho propio); 100 leden voor het leven, die door de kroon worden benoemd, welker getal 180 niet mag te boven gaan, en 180 anderen, die door gemeenten, gewesten, kerk, hooge scholen, hoogstaangeslagenen in de belastingen enz. worden gekozen. De leden van den senaat bij eigen regt zijn de koninklijke prinsen, grandes die een inkomen hebben van bijna f 30,000. â generaals, admiraals, aartsbisschoppen , de voorzitters van den Raad van State en den Hoogen raad. Het Congres bestaat uit afgevaardigden, waarvan er 1 op elke 50,000 zielen wordt gekozen. De kiezers moeten 25 jaren oud zijn, dus 2 jaren meer leeftijd hebben dan bij ons, iets wat vooral de aandacht verdient, wanneer men in aanmerking neemt dat menschen in zuidelijke landen spoediger ontwikkeld zijn dan in noordelijke. Zij behooren /quot;12 of /quot; 24 belasting te betalen, naarmate zij die van land of nijverheid opbrengen, wat echter niet gevergd wordt van mannen, die zekeren wetenschappelijke graad bezitten of in eenige
31
betrekking zijn. De leden van het Congres behoeven een leeftijd van 25 Jaren en dus denzelfden als de kiezers. Het getal der leden van het Congres, dat met de bevolking vermeerdert, is nu 431.
Turkije.
Turkije, gelegen in een hoek van Europa en slechts door eene smalle zeestraat van Azië gescheiden, mist nog allen schijn van vertegenwoordiging, zooals die in de overige staten van het eerstgenoemde werelddeel, behalve het aangrenzende Rusland, wordt aangetrolfen. De magt van den Sultan is onbeperkt, zoolang hij niet handelt in strijd met den Koran. Zij wordt uitgeoefend door twee dienaren, den Grootvizier, het hoofd van het tijdelijke gezag, en den Sheïh-ul-Islam, den opperpriester. Wel is er in 1856 en nog laatstelijk in 1876 eene poging gedaan om eene staatsregeling in te voeren naar het voorbeeld van westelijk Europa, maar zij bleef zonder gevolg bij een volk, dat elk bewustzijn van vrijheid mist onder onbeperkte dwingelandij en zedelijke ontaarding.
In de aan Turkije schatpligtige staten is intussclien iets van het vertegenwoordigende stelsel doorgedrongen. Zoo vindt men in Bulgarije, sedert 1886 met Oost-Rumelië vereenigd, ééne kamer, Nationale Vergadering geheeten, door algemeen stemregt gekozen , en wel met 1 lid op elke 10,000 inwoners, waaraan eene tweede volgens een daartoe in 1883 gedaan voorstel zouden worden toegevoegd.
32
Eene poging tot vertegenwoordiging werd ook gedaan in Egypte. Hier gaf de Khedive in 1883 eene wet tot instelling van vertegenwoordigende ligchamen, die op liet algemeen stemregt gegrond zouden wezen. Nu wordt er nog een wetgevende raad aangetroffen, die alle besluiten moet onderzoeken, doch aan wiens uitspraak de regeering niet is onderworpen.
Zweden en Noorwegen.
De vertegenwoordiging in Zweden bestaat ook uit twee kamers, die beide door het volk worden gekozen. De eerste kamer bestaat uit 147 leden of een op elke 30000 zielen, zoodat het gemakkelijk is in Zweden tot de hoogste betrekkingen op te klimmen. Zij worden of door de provinciale staten, of door de raden der groote gemeenten gekozen, en moeten 35 jaren oud zijn, in het bezit van een vermogen minstens f 50.000.â groot. Hunne diensten aan den staat worden kosteloos bewezen. De tweede kamer telt 222 leden, waarvan er 76 door de steden en de overigen door het platte land worden benoemd. Alle geboren Zweden die 21 jaren tellen en f 700.â bezitten of f 500.â inkomen hebben, zijn kiezers, leder, die dezelfde voor-regten heeft, maar nog 4 zomers ouder is, kan lid der tweede kamer worden. Het kiesregt wordt door 60/0 van de bevolking genoten, waarvan echter slechts Vs in 1887 gebruik heeft gemaakt, In de kleine steden en plattelandsgemeenten mag het
33
kiesregt door een trap of regtstreeks worden uitgeoefend, al naardat dit in den smaak van de bevolking valt, zoodat hier eene beslissing aan weinig ontwikkelden wordt overgelaten, waarbij de eerste beoefenaren van bet staatsregt hunne hoofden hebben afgetobt, en een Vreede in 1848 het zwaard met zooveel moed had getrokken. De leden der kamer ontvangen eene tegemoetkoming van omtrent Æ800.â met eene vergoeding van reiskosten, die in een zoo uitgebreid land als Zweden hoog kunnen stijgen, vooral bij de achterlijkheid, waarin de middelen van vervoer zich in dat uitgestrekte land nog bevinden.
De wetgevende magt in Noorwegen bestaat bij het Storthing of den Grooten Raad, vertegenwoordiger van het âsoevereinequot; volk. Wel heelt de koning nog een regt van veto, maar hij mag daarvan slechts twee keeren gebruik maken. Is een voorstel tot drie malen toe door de vertegenwoordiging aangenomen, dan wordt het wet, en de vorst moet daarin berusten. Het regt van velo beteekent er dus al zeer weinig, ook in den vorm, al moet erkend worden dat het nergens veel invloed kan hebben, omdat de vertegenwoordiging elders evenzeer middelen genoeg bezit om aan een bestuur het regeeren onmogelijk te maken, indien de vorst op haren raad een voorstel door zijn: âik verbiedquot; wil treffen.
Het Storthing komt jaarlijks uit eigene beweging bijeen. Kiezer kan elk Noor zijn, die 25 jaren telt, belasting van zijn inkomen betaalt, ambtenaar of
3
34
grondeigenaar is, en ieder, die dezelfde voorwaarde vervult, maar 5 jaren ouder is, mag gekozen worden. De verkiezing geschiedt echter door een trap. Het volk benoemt zijne afgevaardigden, 1 op 50 kiezers in de steden of 1 op 100 in de plattelandsgemeenten en deze kiezen de leden voor het Storthing. Komt dit bijeen, dan splitst het zich in twee huizen: Lagthing en Odelsthing. Tot het eerste behoort een vierde der leden, tot het tweede de overigen. Alle voorstellen komen eerst in he Odelsthing, en gaan van daar over in het Lagthing; maar worden zij hier verworpen, dan vergadert het Shorthlng in algemeene zitting, en zijn twee derden van de stemmen vereischt om ze tot wet te verheffen. De vertegenwoordiging heeft dus hier zooveel eigenaardigs, dat eene vergelijking met die der overige staten van Europa eene afzonderlijke beschouwing zoude wettigen, ware het met te vreezen dat het geringe getal der bevolking, naau-welijks 2 millioen, bij velen de belangstelling daarvoor verminderde.
Zwitserland.
Ook Zwitserland heeft in zijn gemeenebest eene vertegenwoordiging met twee kamers behouden. De eerste, Stiindes-rath genoemd, telt 44 leden, gekozen door de 22 kantons, dus 2 voor elk. De tweede, National-rath geheeten, heeft 145 leden, in verhouding tot de bevolking derhalve 2maal zoo-
35
veel als bij ons, die regtstreeks worden gekozen en wel 1 op 20,000 zielen, zoodat Bern 27 en Zug slechts 1 daarvan afvaardigt. Ieder burger, die 20 jaren oud is, heeft regt kiezer te zijn. Elk kiezer kan worden afgevaardigd, mits dat hij niet tot den kerkelijken stand behoort, In 4884 waren er ruim 640,000 kiezers of bijna 23 0/0 van de bevolking, waarvan ruim de helft stemde. De twee kamers ver-eenigd heeten de Bundes-Versammlung, uit welke de 7 leden gekozen worden, die den naam van Bundes rath dragen en met het uitvoerende gezag bekleed zijn, waartoe ieder kiezer geroepen kan worden. De voorzitter van het gemeenebest wordt door deze Bundes-Versammlung benoemd voor één jaar en is niet herkiesbaar. Valt het niet te ontkennen dat aan deze staatsregeling de eer toekomt van overeen te stemmen met eene opvatting, die den wil des volks in de eerste plaats wenscht te huldigen, al is de geschiedkundige zijde door het vertegenwoordigen van de afzonderlijke kantons niet geheel voorbijgezien , tevens moet worden toegegeven, dat het weinig waarborgen geeft voor een geregeld bestuur wegens den korten tijd, waarin de leiding van de zaken aan de eene of andere partij kan zijn toevertrouwd, die dan al ligt in de verleiding komt om door het bejagen van volksgunst zich een langer bestaan te verschaffen.
3*
3G
AZIÃ.
Azië biedt weinig merkwaardigs voor een stelsel van vertegenwoordiging. Waar vorsten worden aangetroffen , is hunne niagt meestal schier onbeperkt, en in de gewesten, die aan Europesche staten onderworpen zijn, vindt men wel raadgevende ligchamen, maar op de zamenstelling daarvan heeft het volk slechts bij uitzondering eenigen invloed.
Afghanistan.
In dit ongelukkige land, dat zijn bestaan nog slechts te danken heeft aan den staatkundigen wedijver van Engeland en Rusland, heerscht een vorst, wiens magt alleen door de luimen van zijn leger wordt beperkt.
Ceylon.
Op Ceylon wordt het bestuur voorgelicht door een raad van 15 leden.
China.
In China vereenigt de keizer de staatkundige en kerkelijke magt in zich, ook wat het geldelijke beheer betreft. Het bestuur van het naburige en afhankelijke Korea is een afbeeldsel van dat in China. Ook hier heerscht de vorst alleen.
37
Hong-kong.
In Hong-kong telt de raad 11 leden en is van eenigzins wetgevenden aard.
Engclsch Indië.
Engelsch Indië heeft even als Ceylon een raad van 15 leden.
Japan.
Japan bukte even als het vaste land van Azië voor een alleenheerscher, totdat deze in 4881 tegen 1890 eene grondwet beloofde, Eene vroegere poging daartoe in 1869 gedaan, waarbij de provinciën vertegenwoordigers zouden afvaardigen, was niet geslaagd.
In 1889 werd de staatsregeling afgekondigd, die den keizer voortaan de wetgevende magt met een landdag zoude doen deelen. In alles begeerig het Europesche na te volgen, hoe dikwijls door bewoners van ons werelddeel bedrogen, riep de keizer van Japan ook twee kamers in het leven, een huis van Pairs en een ander van Afgevaardigden. In het eerste vindt men prinsen van den bloede, hoogen adel en mannen van erkende verdiensten. De leden van het tweede huis zijn 300 in getal of 1 op 130.000 zielen. Zij worden benoemd door kiezers van 25 jaren oud, die eene zekere belasting betalen, en moeten zelve den 30 jarigen leeftijd bereikt hebben.
38
Hovelingen, ontvangers, regters, officieren en priesters zijn uitgesloten.
Zoo daagt dan ook in Azië het staatkundige licht uit het oosten. Is de staatsregeling van Japan in de oogen van den vrijgevigen staatsman nog niet zonder vlek, zij maakt althans een treffend verschil ten goede met al wat elders in Azië wordt aangetroffen. Moge zij wel slagen, den keizer van China nopen het voorbeeld van zijn Japanschen makker te volgen en zoo een oostelijk licht opgaan aan het rijk van den Czar voor westersche begrippen tot heden ontoegankelijk!
Perzic\'.
De regeeringsvorm van Perzië is gelijk aan dien van Turkije. De vorst is alleenheerscher, mits dat hij niet handele in strijd met den Koran. Zijn wil geldt als ware hij stadhouder van den Propheet.
In den laatsten tijd is echter het uitvoerende bewind in afdeelingen gesplitst naar het voorbeeld der Europesche ministeriën.
Siam.
Ook de vorst van Siam is alleenheerscher. De wetgevende magt wordt door hem uitgeoefend in vereeniging met een staatsraad, die bestaat uit 6 prinsen, de ministers en 10 leden, die door hem zeiven benoemd worden.
39
Strait-Settlements.
In de Strait-Settlements Singapore, Malacca en Penang vindt men weder een eenigzins wetge-venden raad. Deze bestaat uit 10 âofficieelequot; en 7 âniet-officieelequot; leden, waarvan er 5 door de kroon en 2 door de kamers van koophandel te Singapore of Penang benoemd worden.
AFRIKA.
Algeric.
Algerië was tot 1871 geheel onder krijgskundig beheer, toen de militaire goeverneur door een burgerlijken werd vervangen, en het land meer als gedeelte van Frankrijk dan als eene kolonie werd beschouwd. De kamers in Frankrijk oefenen de wetgevende magt over Algerië uit, wier besluiten door den goeverneur-generaal ten uitvoer worden gebragt, die door een raad wordt bijgestaan. Het land is verdeeld in departementen, die elk één senator en twee afgevaardigden naar de Nationale Vergadering te Parijs zenden.
Kaap de Goede Hoop.
Is aan de Kaap de Goede Hoop het uitvoerende gezag toevertrouwd aan den goeverneur en den raad, die uit ambtenaren bestaat, de wetgevende magt wordt uitgeoefend door een raad van 22 leden voor 7 jaren gekozen en eene vergadering (House
40
of Assembly) van 74 afgevaardigden voor slechts 5 benoemd. Voor de leden van den raad wordt ver-eischt het bezit van f 24000 vast of f 48000 roerend goed. De leden van den raad en de vergadering worden door dezelfde kiezers benoemd, die een huis van f 300 bewonen of een inkomen van f 600 genieten. Het getal dier kiezers was in 1888 ruim een vijfde der blanke bevolking. Merkwaardig is zeker het voorschrift dat de leden dier vergadering sedert 1882 zoowel van de Hollandsche als Engelsche taal in hunne redevoeringen gebruik mogen maken. Toch meenden de Boeren zich aan dit opperbestuur te moeten onttrekken om een eigen staat te vormen, die tot heden wel eens heeft doen twijfelen of zij tot zelfregeering nog wel volkomen geschikt zijn te achten.
Congo.
Berekend op eene oppervlakte zoo groot als een vierde van Europa, met eene bevolking van 17 millioen zielen, werd dit land op het verdrag van Berlijn in 1885 onzijdig verklaard onder de soevereiniteit van den koning der Belgen, die het in 1890 aan den Belgischen staat overdroeg. Het wordt door een goeverneur bestuurd, die weder aan de ministers te Brussel verantwoordelijk is.
Egypte.
Zie boven, onder Turkije.
41
Liberia.
De staatregeling van Liberia is geschoeid op de leest van die der Vereenigde Staten. De vertegenwoordiging bestaat bij twee huizen: den Senaat en dat der Afgevaardigden. Het eerste telt 8, het tweede 13 leden.
Madagaskar.
In Madagaskar, sedert 1887 onder Franschen invloed, heeft de vorst nog onbeperkte magt, doch hij regeert met zijne ministers naar gebruiken, die kracht van wet hebben.
Mauritius.
Mauritius, eene Engelsche kolonie, staat onder een goeverneur met een raad, waarin 10 leden bij volkskeuze zijn opgenomen.
Marocco.
Marocco zucht onder een geheel onbeperkten alleenheerscher, die zich zelfs niet gelijk de sultan van Turkije om den Koran behoeft te bekreunen. Zijne zes ministers, welke hij slechts raadpleegt, wanneer hem dit gelieft, zijn alleen uitvoerders van zijn wil.
Natal.
Natal, vroeger behoorende tot de Kaap de Goede Hoop, is sedert 1856 eene afzonderlijke Engelsche
42
kolonie, en staat onder een goeverneur met een wetgevenden raad, waarvan 7 leden door de kroon en 24 door kiezers worden benoemd, die een klein bezit of inkomen kunnen aanwijzen.
Oranje-Yrijstaat.
De Staatsregeling van den Oranje-Vrijstaat dag-teekent van 1879. Zij bestaat uit een Volksraad van 57 leden, gekozen bij algemeen stemregt, t. w. van blanke inwoners. Zij ontvangen eene schadeloosstelling van Æ 24.â dagelijks, of drie malen zoo veel als onze leden der Eerste Kamer, waarschijnlijk om de boeren in staat te stellen als heeren tijdelijk te leven. De uitvoerende magt bestaat bij den Voorzitter, die ook door algemeen stemregt wordt gekozen en wel voor 5 jaren.
Transvaal of Zuid-Afrikaansche Republiek.
De Zuid-Afrikaansche republiek werd gesticht door de Boeren in 1835, doch hare tegenwoordige staatsregeling dagteekent eerst van 1890. De wetgevende magt wordt uitgeoefend door twee Volksraden, van 24 leden elk, die 30 jaren oud en protestant moeten zijn bij het bezit van vast goed. Het uitvoerend gezag is bij den Voorzitter, bijgestaan door een raad van 5 leden, waarvan 2 door den Volksraad worden gekozen.
43
Tunis.
De Bey, sedert 4871 vrij van schatting, is een vazal van den Turkschen Sultan, doch staat na den inval der Franschen in 1881 onder liunne bescherming. De vertegenwoordiger van Frankrijk heet Minister-President en bestuurt het land in werkelijkheid.
Zanzibar.
Zanzibar bukt onder een Sultan. Zijne magt, door geene kamers belemmerd, wordt slechts beperkt door Engelsche en Duitsche naburen, wier beschavende invloed hem vaak meer weldadig dan aangenaam is.
AMERIKA.
Argentynsche Republiek.
De Argentijnsche Republiek, gesticht door de staatsregeling van 1853 in 1860 gewijzigd, schrijft voor 2 Kamers, een Senaat van 30 leden, door de Provinciale Staten benoemd, en een Huis van Afgevaardigden, dat er 86 telt, door het volk gekozen. Voor de leden van den Senaat wordt een leeftijd van 30, voor die van het Huis van Afgevaardigden slechts 25 jaren vereischt. De leden van den Senaat moeten bovendien een inkomen van f 5000 hebben , indedaad geen hooge eisch en des te vreemder in verhouding tot de hooge belooning van /\'20000, welke zij met de Afgevaardigden nu voor hunne aan den staat bewezen diensten schijnen te ontvangen.
42
kolonie, en staat onder een goeverneur met een wetgevenden raad, waarvan 7 leden door de kroon en 24 door kiezers worden benoemd, die een klein bezit of inkomen kunnen aanwijzen.
Oran j e-V ry staat.
De Staatsregeling van den Oranje-Vrijstaat dag-teekent van 1879. Zij bestaat uit een Volksraad van 57 leden, gekozen bij algemeen stemregt, t. w. van blanke inwoners. Zij ontvangen eene schadeloosstelling van f 24.â dagelijks, of drie malen zoo veel als onze leden der Eerste Kamer, waarschijnlijk om de boeren in staat te stellen als heeren tijdelijk te leven. De uitvoerende magt bestaat bij den Voorzitter, die ook door algemeen stemregt wordt gekozen en wel voor 5 jaren.
Transvaal of Zuid-Afrikaansche Republiek.
De Zuid-Afrikaansche republiek werd gesticht door de Boeren in 1835, doch hare tegenwoordige staatsregeling dagteekent eerst van 1890. De wetgevende magt wordt uitgeoefend door twee Volksraden , van 24 leden elk, die 30 jaren oud en protestant moeten zijn bij het bezit van vast goed. Het uitvoerend gezag is bij den Voorzitter, bijgestaan door een raad van 5 leden, waarvan 2 door den Volksraad worden gekozen.
43
Tunis.
De Bey, sedert 1871 vrij van schatting, is een vazal van den Turkschen Sultan, doch staat na den inval der Franschen in 1881 onder hunne bescherming. De vertegenwoordiger van Frankrijk heet Minister-President en bestuurt het land in werkelijkheid.
Zanzibar.
Zanzibar bukt onder een Sultan. Zijne magt, door geene kamers belemmerd, wordt slechts beperkt door Engelsche en Duitsche naburen, wier beschavende invloed hem vaak meer weidadig dan aangenaam is.
AMERIKA.
Argentynsche Republiek.
De Argentijnsche Republiek, gesticht door de staatsregeling van 1853 in 1860 gewijzigd, schrijft voor 2 Kamers, een Senaat van 30 leden, door de Provinciale Staten benoemd, en een Huis van Afgevaardigden, dat er 86 telt, door het volk gekozen. Voor de leden van den Senaat wordt een leeftijd van 30, voor die van het Huis van Afgevaardigden slechts 25 jaren vereischt. De leden van den Senaat moeten bovendien een inkomen van f 5000 hebben , indedaad geen hooge eisch en des te vreemder in verhouding tot de hooge belooning van /quot;20000, welke zij met de Afgevaardigden nu voor hunne aan den staat bewezen diensten schijnen te ontvangen.
44
Bolivia.
Dc staatsregeling van Bolivia dagteekenende van 1826, gewijzigd in 18G3 en 1880, kent ook twee Kamers, een Senaat en een Huis van Vertegenwoordigers, die beide door algemeen stemregt worden gekozen.
Brazilië.
De door Brazilië in 1824 aangenomen staatsregeling, die in 1834 was gewijzigd, en naast den keizer twee kamers, een Senaat en Huis van Afgevaardigden had vastgesteld, is door de omwenteling op het laatst van 1889 vernietigd, om voor eene andere plaats te maken, die zeker al zeer voortreffelijk zal moeten werken om geheel de indrukken uit te wis-schen, welke eene langdurige en gezegende regeering van een welwillenden keizer heeft nagelaten. Aan het nieuwe âCongresquot; is deze zware taak toevertrouwd. Het bestaat uit een Kamer van Afgevaardigden en een Senaat, welker leden betaald zullen worden en dus alweder bewijzen waar âla charité bien ordonnéequot; begint. Op elke 70,000 wordt 1 Afgevaardigde gekozen, terwijl de Senatoren benoemd worden door de besturen van de staten of provinciën, en wel 3 voor elk.
Canada.
De staatsregeling van Canada, dagteekenende van 1867, is geschoeid op die van Engeland, welks
45
koningin wordt vertegenwoordigd door een goever-neur-generaal met een raad. Zij sclirijft voor 2 kamers, een Senaat en een huis van Afgevaardigden. De leden van den Senaat worden gekozen voor het leven. Er zijn 80 senatoren, die voor het leven worden benoemd in 30 jaren moeten tellen. Die van het andere huis worden benoemd voor 5 jaren, i op elke 20,000 zielen, zoodat er in 1885 reeds 215 werden gevonden. Zij worden gekozen door alle mannelijke ingezetenen, die den leeftijd van 21 jaren hebben en niet tot de Indianen of vreemdelingen worden gerekend. De eisch van gegoedheid om kiezer te zijn is verschillend, doch zeer gering. De leden ontvangen eene schadeloosstelling van f 25 dagelijks, doch nooit meer dan Æ2500 voor het geheele jaar, waarlijk een wijs voorschrift om hen tot zelfbeperking te nopen, waar aangeboren welsprekendheid of overvloed van wetenschap den staat op te veel kosten zouden kunnen jagen.
Chili.
Het gemeenebest van Chili, dat in 1818 zich van Spanje los maakte, onderscheidt in hare staatsregeling nog de wetgevende, uitvoerende en regtspre-kende magt. De eerste wordt uitgeoefend door twee vergaderingen, den Senaat in de kamer der Afgevaardigden. De Senaat telt 43 leden, gekozen voor 6 jaren, de kamer van Afgevaardigden 126 voor de helft van dien tijd benoemd, en wel 1 op elke 30.000 zielen. Zij worden door dezelfde kiezers be-
46
noemd, doch de leden van den Senaat naar gewesten, die van de kamer der Afgevaardigden naar gedeelten daarvan. De kiezers behoefden, zoo zij gehuwd waren, slechts 21 jaren oud te wezen, doch indien zij zich het geluk van een huisselijken kring ontzeiden, werd een leeftijd van 25 lenten voor hen vereischt, een voorschrift, dat omtrent het zedelijke leven der Chilianen veel te denken gaf, en leidde tot den argwaan alsof hunne schoonen ook zonder huwelijks-verbindtenis niet onverbiddelijk zouden wezen. Thans schijnt die onderscheiding dan ook niet meer gemaakt te worden. De voorgeschreven âcensusquot; is gering, evenals het vereischte inkomen voor de leden van den Senaat en die der kamer van Afgevaardigden. Voor de eersten wordt een inkomen van f 4800.â, voor de laatsten zelfs van f 1200 een voldoende waarborg hunner onafhankelijkheid geacht, en dat in een land op zoo weinig afstand gelegen van de schatten, die eens uit de ingewanden van Potosi werden opgedolven.
Columbia.
Nadat Columbia zich in 1819 had afgescheiden, onderging het vele veranderingen, totdat de verschillende staten door de staatsregeling van 1880 als provinciën van één land werden vereenigd. De wetgevende magt wordt uitgeoefend door twee huizen; den Senaat en dat der Afgevaardigden. De Senaat, die 27 leden telt, wordt gekozen door de 9 voormalige staten, nu provinciën, waarvan elk
47
er 3 benoemen. Het huis der Afgevaardigden, dat nu 66 leden vereenigd ziet, wordt door algemeen stemregt gekozen, en wel 1 op elke 50,000 zielen.
Costa lïica.
Het gemeenebest van dezen naam, dat in 1821 onafhankelijk werd, zag ook dikwijls zijne staatsregeling gewijzigd, totdat het in 1882 ééne kamer van Afgevaardigden aannam, waarin op elke 10000 zielen 1 lid zoude worden gekozen door kiezers, die in staat waren âfatsoenlijkquot; te leven. Indedaad een opmerkelijk vereischte, dat in een gemeenebest reeds bijna als een wanklank zoude kunnen beschouwd worden, maar te meer de aandacht trekt, zoo men bedenkt hoe uiteenloopend de meeningen zijn omtrent een leefwijze, die âfatsoenlijkquot; geacht mag worden, en door welke verschillende opvatting het werelddeel, waarheen Columbus ons den weg wees, zich vooral doet kennen.
Ecuador.
De eerste staatsregeling van het gemeenebest Ecuador dagteekende van 1830, sedert den burgeroorlog, die de leden van den Midden-Amerikaan-schen Vrijstatenbond deed uiteenspatten. Zij werd herhaaldelijk veranderd, o. a. nog in 1887, en heeft nu ook twee kamers aangenomen. De eerste beet Senaat en is zamengesteld uit 2 leden voor elk gewest, gekozen voor 4 jaren. De tweede is die
48
der Afgevaardigden, gekozen voor 2 jaren en wel 1 lid op elke 30,000 zielen. Voor het kiesregt wordt alleen meerderjarigheid, bekendheid met lezen en schrijven, benevens het belijden van den Roomsch Katholieken godsdienst vereischt, eene voorwaarde, die even als eene tegenovergestelde in de Zuid-Afrikaansche republiek zeker eene ongepaste uitsluiting van andersdenkenden mag genoemd worden in een staat, die den naam draagt van gemeenebest.
Guatimala.
Het gemeenebest van Guatimala, dat ook bij den Midden-Amerikaanschen Bond had behoord tot 1830, bezit eene staatsregeling, die in 1879 werd uitgevaardigd en in 1889 gewijzigd. Zij vertrouwt de wetgevende magt aan ééne vergadering, die door het algemeene stemregt voor 6 jaren wordt gekozen, een tijdperk, dat het midden schijnt te moeten houden tusschen de voorschriften daaromtrent in andere landen, die de bezadigdheid van een senaat met de uitspraak van den volkswil wenschen te vereenigen.
Haïti.
Haïti, vroeger eene Fransche kolonie, dagteekent als gemeenebest zijne staatsregeling van 1867. De wetgevende magt is in handen van twee kamers, den Senaat en het huis van Afgevaardigden. De leden van den Senaat, 30 in getal, worden voor 6 jaren benoemd door het huis van Afgevaardigden
49
uit eene lijst door het uitvoerende gezag en de kies-vereenigingen opgemaakt. Het Huis van Vertegenwoordigers wordt regtslreeks gekozen door de mannelijke burgers. De leden van beide kamers ontvangen loon voor de diensten door hen aan den staat bewezen.
Honduras.
Het gemeenebest van Honduras, dat sedert 18G8 bestaat, dagteekent zijne laatste staatsregeling van 4880, die aan een âCongresquot; van 37 Afgevaardigden de wetgevende magt opdraagt.
Mexiko.
Mexiko dagteekent als gemeenebest zijne staatsregeling van 4857, herhaaldelijk gewijzigd tot 4887. Het is een bond van oorspronkelijk 19, nu 27 staten, die, hunne eigene zaken besturen, doch onder eene gemeenschappelijke grondwet. De wetgevende magt is in handen van een Congres, dat uit een Senaat en een Huis van Vertegenwoordigers bestaat. De Senaat telt 54 leden, 30 jaren oud, 2 voor eiken staat. De Vertegenwoordigers, 4 op elke 40,000 zielen, worden gekozen door alle mannelijke âachtingwaardigequot; meerderjarigen, en moeten 25 jaren oud zijn. De leden van beide vergaderingen ontvangen eene schadeloosstelling van ruim f 7000.â jaarlijks, een bewijs dat de uitverkorenen des volks in het waarderen van hunne diensten niet altijd door bescheidenheid willen uitmunten.
4
50
Nikaragua.
Nikaragua dagteekent zijne staatsregeling van 4858. Zij schrijft een Congresquot; voor van twee kamers, een Senaat, die 18, en een Huis van Vertegenwoordigers, dat 21 leden telt, allen door algemeen stemregt te kiezen.
Paragay.
Het gemeenebest van Paragay, in 1811 van Spanje afgescheurd, onderging allerlei wisselingen en leed een gevoeligen nederlaag na een vijfjarigen oorlog met Brazilië in 1870. Van dit jaar dagteekent zijne staatsregeling, die de wetgevende magt opdraagt aan een âCongresquot; van twee kamers, een Senaat en een Huis van Vertegenwoordigers, die beide regtstreeks door het volk worden gekozen. De eerste heeft 1 lid op elke 12000, de laatste op elke 5000 zielen, een gering getal, in verband met de weinige digtheid der bevolking. De uitverkorenen des volks laten ook hier hunne moeite ruim betalen en die vergoeden met een loon van f 6000.â jaarlijks.
Peru.
Peru viert zijne vrijverklaring van Spaansche over-heersching sedert 1824, en dagteekent zijne tegenwoordige staatsregeling van 1860. Zij rust op een bond van departementen, in provinciën onderverdeeld, en gelijkt veel op die der Vereenigde Staten.
51
De wetgevende magt is er opgedragen aan een Senaat zamengesteld uit afgevaardigden van de provinciën, en eene Kamer van Vertegenwoordigers, die gekozen worden door kiezers-vergaderingen.
Salvador.
Salvador, onafhankelijk sedert 1853, dagteekent als gemeenebest zijne tegenwoordige staatsregeling van 1886, die een âCongresquot; van 70 Vertegenwoordigers voorschrijft, waarvan er 42 of drie vijfden bezitters van goederen moeten wezen: eene niet onaardige bepaling in een land, waar het algemeene stemregt heerscht,
San Domingo.
Het gemeenebest van San Domingo dagteekent zijne vestiging van 1844 en zijne tegenwoordige staatsregeling van 1887, die de wetgevende magt aan een âNationaal Congresquot; van 22 afgevaardigden toevertrouwt. De leden worden gekozen regtstreeks door het volk, doch met een beperkt stemregt, en wel 2 voor elk gewest. Hunne magt strekt zich alleen uit tot de algemeene zaken, en de 11 afzonderlijke gewesten hebben verschillende wetgeving.
Uruguay.
Uruguay dagteekent zijne onafhankelijkheid van het jaar 1825, en zijne staatsregeling van 1830. Volgens deze is de wetgevende magt opgedragen
52
aan twee huizen, den Senaat en de Kamer van Vertegenwoordigers. De Vertegenwoordigers worden gekozen in verhouding van 1 op elke 3000 mannelijke meerderjarigen, die lezen en schrijven kunnen, zoodat hun getal in 1888 bedroeg 53. Voor elk gewest, 29 in getal, wordt een Senator gekozen.
Yenezuela.
Het gemeenebest van Venezuela dagteekent zijne onafhankelijkheid en staatsregeling van 1830. De laatste is, na herhaalde wijziging, die van 1881, en komt veel overeen met de bepalingen in de Vereenigde Staten aangenomen, doch met meer vrijheid zoo voor gewestelijk als gemeentelijk bestuur. De wetgevende magt is in handen van twee huizen, den Senaat en de Kamer van Vertegenwoordigers. In den Senaat worden 3 leden gekozen voor eiken staat, nu 8 in getal, en van de Vertegenwoordigers 1 op elke 35,000 zielen. De Senatoren worden benoemd door het bestüur van eiken staat, doch de Vertegenwoordigers regtstreeks. Voor de aangrenzende afzonderlijke staten geldt het alge-meene stemregt,
Vereenigde Staten.
De staatsregeling der Vereenigde Staten is gegrond op de voorschriften van 1787, die tot 1870 herhaaldelijk, en wel 15 malen, zijn gewijzigd. De wetgevende magt is in handen van een âCongres ,
53
bestaande uit een Senaat en eene Kamer van Vertegenwoordigers. De Senaat telt 2 leden voor eiken staat. Van SOjarigen leeftijd moeten zij 9 jaren burgers zijn geweest van de Vereenigde Staten en wonen in den staat, waarin zij zijn gekozen. Het huis van Vertegenwoordigers is zamengesteld uit leden, die gekozen worden door de mannelijke burgers, 21 jaren oud, maar de voorwaarden tot uitoefening van het kiesregt verschillen overigens in de onderscheiden staten.
Het getal Vertegenwoordigers, waarop elke staat regt heeft, wordt geregeld naar de tienjarige volks ⢠telling, en was naar die van 1890 reeds 356 of 1 op elke 174,000 zielen, zoodat een vijfde der bevolking dat regt uitoefende. De Vertegenwoordigers moeten den 25jarigen leeftijd hebben, 7 jaren burgers zijn en wonen in den staat, die hen koos, eene nog al zonderlinge bepaling in een land, dat zich verhoovaardigt op het voldoen aan de eischen van het gemeene best. Volgens eene wet van 1874 is de bezoldiging van een Senator of Vertegenwoordiger / 12,000,â, behalve de reiskosten, ten bewijze ook hier alweder dat zelfopoffering niet altijd de vrucht is van het vertrouwen des volks.
AUSTRALIÃ.
Het vijfde werelddeel levert voor de beoefenaren van het staatsregt weinig belangrijks. Slechts hier en daar eene kiem van staatsregterlijke ontwikke-
54
ling voor een teeder plantje te midden eener uitgestrekte woestenij.
In 1874 heesch een Robinson op Fyi Albions vlag en schonk het een onder den âGoeverneurquot; staanden Raad van 12 leden, voor de eene helft uit ambtenaren en voor de andere uit door Keizerin Victoria te benoemen leden bestaande.
Ook op de Fransche bezitting van Tahiti met zijne omgeving staat den bevelhebber een Raad ter zijde.
Nauwkeurige berigten omtrent de beraadslagingen over de vereeniging van de Engelsche koloniën, waarbij eene vertegenwoordiging met 2 huizen, een Senaat en eene Kamer van Afgevaardigden werd aangenomen, gaan niet verder dan tot het einde van 1891, en moeten dus het geduld van Europesche belangstellenden, wat het kiesregt hunner tegenvoeters betreft, nog eenigen tijd op de proef stellen.
Intusschen begint ook voor Australië eenig licht uit het oosten optegaan, zij het slechts nog schemerend, in de staatsregeling van Hawai, jongster dag-teekening, t. w. van 1887. Zij heeft twee kamers door het volk gekozen: die der Edelen, waarin ook de ministers zitting hebben, en die der Afgevaardigden. Reide tellen 24 leden, en met de 4 ministers vereenigd 52, die allen te zamen vergaderen. Is er in deze staatsregeling iets gezelligs of broederlijks, het vindt welligt zijn grond in den minderen afstand, die adel en burgerstand op de Sandwichseilanden van elkander scheidt.
Ziedaar eene schets van de verschillende voorschriften, die in bekende staatsregelingen worden gevonden. Noemde ik het veld door mij afgeloopen, dor, de blik door U in vogelvlugt daarop geworpen duurde U misschien reeds te lang, vooral waar ik het waagde mijne bedenkingen in het voorbijgaan tegen het bestaande te ontwikkelen, om in het een-toonige tafereel eenige schakeering te brengen, zoo de gelegenheid zich daartoe aanbood, en tevens te doen uitkomen dat mijne bezwaren meer tegen de stelsels gerigt waren, dan wel de wijze, waarop zij bij ons werden toegepast. De weg door de herzieners van onze grondwet ingeslagen was geen andere dan die, welken men elders heeft gevolgd, een allengs loslaten van de koorden, waarmede het bestaande werd vastgehouden, zonder zich aftevragen of niet bij het aannemen van meer vrijgevige voorschriften in het stelsel zelf bij volkomen gelijkheid van alle burgers waarborgen voor een verstandige toepassing van het regt te vinden waren.
Hulde brengende derhalve aan de pogingen ook bij ons gedaan om aan billijke eischen eener zich ontwikkelende maatschappij te voldoen, waag ik het nog eene enkele gedachte omtrent het onderwerp medetedeelen voor het geval dat eene uitbreiding
50
van kiesregt tot erkenning van algemeen stemregt, zoo niet terstond dan weldra of later leiden mogt, iets wat mij in den tegenwoordigen toestand van ons land niet geheel onwaarschijnlijk voorkomt.
Dat er in de opnoeming van voorschriften bij de verschillende staten omtrent de vertegenwoordiging van het volk niet veel nieuws te vinden was, kan een verwijt zijn tegen hem, die ze verzamelde, en zoude hem ook tot het inroepen van een verschoo-nend oordeel kunnen nopen, ware het niet dat hij meende juist eenig nut te doen met aan te toonen, dat op dit gebied in den vreemde, waarheen onze landgenooten zoo vaak worden verwezen, niet bijzonder veel te leeren valt.
Cij verschil in bijzonderheden treft ons de overeenstemming, die in de vele hierboven vermelde staatsregelingen wordt opgemerkt, terwijl het steeds wijzigen van het bestaande kan bewijzen, hoe dat ook in deze het laatste woord nog niet is gezegd.
Schier overal zien wij de Engelsche staatsregeling met hare twee takken doorschemeren, en waar de wil van het volk allengs de gewaande waarborgen voor eene goede keus sloopt, wordt vastgehouden aan een verouderd huis, gekozen op eene wijze, die bij het andere veroordeeld werd, terwijl men voorbijziet dat ook in Albion\'s staatkundige veste het werk der geschiedenis niet langer bestand blijkt te zijn tegen de eischen van den dag. Zoo een enkele staat het waagt te breken met deze overlevering, is het een Griekenland, waaraan echter door armoede, gemis van oorspronkelijk vorstenhuis
57
en voormalige, langdurige verdrukking de magt ontbreekt om de waarde van een beter stelsel te bewijzen. Geen wonder dan ook, dat bij toenemende beschaving van lagere standen en daardoor ontwakende begeerte naar Invloed het herzien van de staatsregeling, die dezen naar den waan des volks verhindert, eene zaak blijft, waarmede de gemoederen steeds worden bezig gehouden. Wrevelig over den gunstigen toestand van hoogeren kring wijt het volk zijn gering genot aan het gemis van minderen invloed, en zoekt in betere voorschriften eener staatsregeling waarborgen voor zijn geluk, vaak maar al te zeer vergetende, hoeveel dit door eigen ijver en voorzigtigheid kan worden bevorderd. In Amerika, waar te vergeefs naar vorsten wordt gezocht en van hunne dwingelandij derhalve geene spraak kan wezen, tellen de staatsregelingen naau-welijks enkele jaren om voor andere plaats te makeny en in het meer geschiedkundig ontwikkelde Europa zelfs is de herziening van eene grondwet eene zaak, waarmede elk menschengeslacht meent zich te moeten bezig houden.
Onze grondwet werd herzien. De vorige, grooten-deels ontleend aan die van België, overhaast op ons land toegepast, viel niet in den smaak van sommigen, en terwijl men in het anders woelige Zuiden aan de gedachten van 1830 lang getrouw bleef, hunkerden velen iri het meestal behoudende Noorden naar verandering, zonder regt te weten waar zij heen gingen, misschien wel zonder zich
58
bewust te wezen werwaarts zij wilden. Onder de leus van vaderlandsliefde waren er, die de verdediging van den geboortegrond in hun vlag voerden, met het wapen van godsdienst maakten anderen het bijzondere onderwijs tot hun shibboleth, en zij die een hooger eisch voor het krijgswezen als minder in den smaak van het volk kenden of vreesden voor de beschuldiging van aan geestelijken leiband te loopen, staken de banier op voor de regten der lagere standen, die door een in beginsel altijd on-bilüjken âcensusquot; verkort schenen, al konden zij oók niet ontkennen dat onder de werking der vorige grondwet de toestand der van stemregt uitgesloten ingezetenen aanzienlijk was verbeterd. Herziening had dan ook plaats. Over verdediging en onderwijs werd veel gesproken, al zag men daaraan ook nog weinig gedaan, en de eer der herziening kwam aan hen, die uitbreiding van het kiesregt voorstonden, omdat niemand zijn eigen stokpaardje door overdrijving âimpopulairquot; durfde maken.
Een grooter getal kiezers! Heeft dit beantwoord aan de verwachting van hen, die deze aanwinst uit een vrijgevig oogpunt verdedigden ? Waarschijnlijk niet. Het grooter getal kiezers heeft de regering eerst doen overgaan in handen van hen, die door de vrijgevige rigting zeker niet aan het bestuur werden gewenscht, tenzij dat zij zich vleide met de mogelijkheid van hare tegenstanders voor goed het veld te zien ruimen na een hopeloos streven naar bevrediging van sommigen, die geen vrede wenschten ? omdat zij alleen in twist reden van
59
bestaan vonden. Maar heeft dat grooter getal kiezers beantwoord aan de verwachting van hen, die daardoor aan het bestuur kwamen\'? Evenmin. Men lette slechts op de eigenaardige verhouding der vroegere vijanden, die elkander nog in 1853 zoo hevig bekampten, om later als vrienden schijnbaar zamen te gaan. In eene onbeduidende beleefdheid ziet de eigenliefde zoo gaarne een gereed middel tot eene verzoening, wanneer zij slechts den schijn voor zich heeft alsof haai1 haan koning kraaide. Den steun der katholieken, zonder welke de âantirevolutionairenquot; weinig vermogen zouden, besprak de Standaard, of die een noodzakelijk gevolg was van de magt, waarover zij zelve beschikte, en de woordvoerders der eens beschimpte maar nu gevleide tegenstanders streelden meesmuilend met een klaauwtje, waaruit van tijd een nageltje te voorschijn kwam, dat bewees hoezeer zij overtuigd waren, dat een meester als Leo XIII geene prooi helpt vermeesteren, wanneer hij de zekerheid niet heeft van eindelijk het deel des leeuws te behouden. Het was eene vennootschap tusschen grootspraak en overleg. Wie de meeste kans had in deze goede zaken te doen, zoude later blijken.
De vertegenwoordiging moest in 1891 worden vernieuwd. Stille weerzin tegen bondgenooten, welke men niet vertrouwde, deed velen achterblijven, die de zege der kerkelijke partijen bij getrouwen wederzijdschen steun in hunne handen hadden, en door hare tegenstanders werd eene kleine meerderheid verkregen. Zal deze meerderheid blijvend
60
wezen? Groot was welligt de kans, had de zoogenaamde liberale partij geen âprogramquot; gegeven, waarin de uitbreiding van het kiesregt op den voorgrond werd gesteld, welker uitslag altijd onzeker is, en was daarmede niet verbonden geworden eene hei-vorming van het belastingstelsel, die vele gematigden onder haar verontrust en met het oog op eigen beurs den stillen zucht deed slaken, dat de rustige voorganger maar niet door een zoo ijverigen opvolger ware vervangen! Wie verzekert ook dat de steun der nu beweldadigden zal opgewassen zijn tegen de teleurstelling van den tot kiezer te bevorderen werkman, die door eene overhaaste verplaatsing van belasting en daardoor gedwongen spaarzaamheid bij den gegoeden stand meer nog dan vroeger te vergeefs zich zal aanmelden om door arbeid zich het brood te verschaffen?
De voordeelen dier hervorming toch zullen door den arbeider weinig worden bespeurd: de vermindering van den aksijns op zout wordt opgewogen door de verhooging van dien op jenever, en het voordeel van den vrijdom voor zeep verkregen zal meer in gemak dan in het uitwinnen van geld bestaan. Reeds lang wist de spaarzame vrouw van den werkman dien te ontwijken door het gebruik van de bekende âsurrogaten.quot; Van de vermindering van het regt op den overgang van eigendommen of de grondbelasting zal de arbeiderstand weinig voordeel trekken om de eenvoudige reden dat hij in den regel geen vaste goederen bezit. De aanzienlijke hoogte, waartoe de belasting op het ver-
G1
mogen wordt gebragt, bij het voorzigtig belegde met omtrent 4 tot 60/0 op hel inkomen overeenkomende, zal de meer gegoeden tot spaarzaamheid noodzaken, die zich reeds te veel gewenden aan het gemak van alles uit te geven wat zij verkregen. De tijd der voorvaderlijke spaarzaamheid is voorbij. Leefden oud-hollandsche rijkaards vroeger als burgerlieden, nu leven burgerlieden maar al te vaak als rijkaards. Menschen die opleggen zoude Diogenes thans met zijn daglantaarntje moeten zoeken. De onverwachts sterk opgevoerde belasting zal de hoogere standen tot zuinigheid dwingen, tijdelijk zeker de vraag naar arbeid in sommige bedrijven verminderen, en dan valt het aan volksleiders gemakkelijk den ledig loopenden werklieden te beduiden dat zij door eene regeering van de âbourgeoisie saüsfaitequot; op droeve wijze bedrogen zijn geworden, te eer wanneer die daarbij steun vinden bij de verslagen partijen, zoo ligt genegen om den hengel uit te werpen in een water van verdachte zuiverheid.
Uitbreiding van de kiesbevoegdheid kan ook wel eens niet lot bevrediging leiden, omdat de uitsluiting daarvan te hatelijker wordt, naarmate de weldaad tot lagere kringen wordt uitgestrekt. Wie dan geen kiezer is, zal zich te meer verongelijkt achten. Is het regt om te kiezen slechts voorbehouden aan hen, die in den regel gezag over hunne ondergeschikten uitoefenen, deze zullen hierdoor minder geërgerd wezen, omdat zij gewoon zijn genen te gehoorzamen. Wordt het kiesregt aan werkbazen
62
toegekend wegens het betalen van zekere belasting, dan zal dit aan hunne knechts minder hatelijk toeschijnen, dan wanneer deze eenigen hunner medewerklieden als kiezers moeten begroeten, omdat deze beter kunnen schrijven of een ruimer huisje bewonen. Bevindt men zich in een gezelschap van een twintigtal personen, waarvan er twee of drie kiezers zijn, dan ziet men nog in deze omgeving eene meerderheid van zeventien of achttien lotgenoten ; maar is men te midden van twintig mannen, waarvan er b. v. vijftien of drie vierden kiezers zijn, dan zal de minderheid der vijf over-blijvenden zich als paria\'s der maatschappij beschouwen.
Hoe dit zijn moge, de belofte van uitbreiding in het kiesregt is gedaan. De verkregen meerderheid stelt in staat haar te verwezenlijken. Aan het gegeven woord moet voldaan worden.
Wat echter, zoo de volkspartij, die een algemeen stemregt begeert, met de uitbreiding van het getal kiezers nu eens niet tevreden wil zijn; indien zij nog altijd in den eisch van welstand een zeker voorregt ziet toegekend, dat niet geheel kan worden tegengesproken, een voorregt, dat zelfs hatelijker is geworden voor de nu nog uitgesloten burgers dan vroeger ? Hoe lager ook men den eisch stelt om kiezer te wezen, des te smadelijker is het als zoodanig niet te worden toegelaten. Men wil liever overreden worden door een koets dan dóór een kar, zeggen de Stichtsche boeren. Geen wonder dan ook dat de eisch van een algemeen stemregt zich luider
63
zelfs doet hooren en niet zal worden bezworen, zoolang er, op welken grond dan ook, eene soort van burgers leeft, die een regt bezit, waarvan anderen blijven uitgesloten. Voor hen, die uit den wrevel van de minst gerekende standen des volks voor hun doel munt willen slaan, is er geen prachtiger aanleiding dan te kunnen wijzen op voorreg-ten d. i. op regten, die aan hunne beschermelingen worden onthouden.
Blijft deze partij minder voldaan over den toestand, door de herziening van ons kiesregt in het leven te roepen, dan is het te wachten dat de wensch naar eene herhaling van het pas afgeloopen werk zich al spoedig met kracht zal doen gelden, en de nu nog uitgesloten burgers niet zullen rusten, zoolang het vermeende onregt van kracht blijft.
Algemeen stemregt! Schrikbeeld nog voor velen, ook al begint men zicb allengs daaraan te gewennen. Zoowel in het Duitsche rijk, dat onder een keizer staat, als in het Fransche gemeenebest wordt het aangetroffen, en waar de naam daarvan nog niet bestaat, gelijk in het koningrijk Groot-Brittanje en Ierland, daar komt de wet van 1884 het zoo nabij, dat zij , die van het stemregt worden uitgesloten, naauwelijks in getal voldoende zouden zijn om eene partij van invloed te kunnen vormen. Terwijl het getal kiezers bij algemeen stemregt in Duitschland 21 % en in Frankrijk 260/0 van de bevolking bedraagt, is dit met beperking voor Groot-Brittanje en Ierland reeds 140/0,
64
Dat velen tegen een algemeen stemregt groot bezwaar hebben, is zeker niet ongerijmd. Veel is daartegen in te brengen, minder omdat de lagere standen zooveel woeliger zouden zijn dan de meer bevoorregte â in ons land zijn zij meestal zelfs zeer koningsgezind â als wel omdat zij de kennis missen om over de geschiktheid van iemand te kunnen oordeelen, die zich als vertegenwoordiger opwerpt, of hun door staatkundige raddraaijers wordt opgedrongen. De werkman, die den geheelen dag moet arbeiden om voor zijn gezin het brood te verdienen, heeft geene gelegenheid de waarde van den zich aanmeldend en of aanbevolen âkandidaatquot; behoorlijk na te gaan, en loopt dan groot gevaar misleid te worden door hen, bij wie het azen op zijne driften of zwakheden gewoonte werd om hun doel te bereiken. Vooral is dit het geval in een land als het onze, waar in het godsdienstige groot verschil van meening bestaat, en de naam van dwee-per of godloochenaar voldoende is, om den meest achtenswaardigen man verdacht te maken. Den eenvoudigen werkman is het ook niet mogelijk na te gaan tot welke beslissingen de aanstaande afgevaardigde zal worden geroepen, en waarbij de godsdienstige richting, welke hij is toegedaan, naauwe-lijks een enkelen keer op den voorgrond behoeft gesteld te worden.
Bij het bespreken van een algemeen stemregt, doet zich natuurlijk ook de vraag voor of vrouwen daarin zullen deelen. Wat de ontwikkeling en dus de geschiktheid van de vrouw tot het uitbrengen
G5
van een oordeel befreft , kan daartegen zeker geen bezwaar wezen. In geen geval zullen zij daartegen zich verklaren die de âexamensquot; voor hoofdakten hebben afgenomen, en waarin de meisjes voor twee derden overwinnend uit het strijdperk traden, terwijl dit slechts aan één derde der mannelijke onderzochten te beurt viel, tenzij dat die regters zich zeiven een oordeel van overdreven âgalanteriequot; op den hals halen.
Met het oog op den huiselijken vrede heeft men doorgaans vele bezwaren ingebragt tegen het stem-regt van gehuwde vrouwen. Onmogelijk is het niet, dat verschil van staatkundig inzigt daarop nadeeli-gen invloed heeft, en te betreuren zoude het zeker wezen, indien harten âgloênde aaneengesmeedquot; door uiteenloopende meening omtrent \'s lands welzijn van elkander werden verwijderd. Tegen het toekennen van stemregt aan ongehuwde vrouwen is zeker veel minder te zeggen. Gevraagd mag zelfs worden of men bij vrouwen, die spoediger ontwikkeld zijn dan mannen, den eisch van den leeftijd niet lager zoude kunnen stellen. Zal daarvan echter veel gebruik worden gemaakt? Dit valt misschien te betwijfelen, vooral indien men als waarborg voor eene verstandige keus aan allen den leeftijd van 30 jaren voorschrijft. Ondenkbaar is het niet dat het der jonkvrouw aangeboren zwak voor een jeugdig voorkomen de zege behaalde op haren staatkundigen eerzucht, en de lust van op den leeftijd te smokkelen weerhield van zich te vertoonen tegenover een âstem-bureauquot;, waar hare
66
verschijning tevens een âdiplomaquot; was van 30 lenten in onschuld doorleefd.
In het algemeene stemregt is iets zoo onmiskenbaar billijks, dat men het eens eindelijk zegevieren van dit stelsel zeker mag verwachten. Het komt er slechts op aan zekere waarborgen voor eene verstandige keus van afgevaardigden te vinden. Ten onregte heeft men dien gezocht in eene bezadigdheid, waarvan het hebben van een gezin of vaste woning het bewijs zoude leveren. Hoe weinig toch het hebben van een gezin dikwijls pleit voor bezadigdheid leert de ondervinding. Maar al te dikwijls is een vrolijke kermisavond de eenige oorzaak van een huwelijk, en zoolang onze wetgeving dit aangeeft als een middel om de gevolgen van dwaze stappen te herstellen, zoude menig in armoede wegkwijnend gezin de aanspraak op het benoemen van een afgevaardigde al op zeer onvoegzame wijze verkrijgen. Geeft het bezitten van eene vaste woning iels meer waarborg, het valt niet te ontkennen dat juist dit voorregt de ergernis van hen opwekt, die daarvan verstoken zijn, en niet alleen reden hebben om dit bezit op zich zelf reeds te benijden, maar vooral ontstemd worden, wanneer zij zien dat een benijdenswaardige toestand nog bovendien aanspraak geeft op invloed bij het bestuur, waaraan de onvergenoegde zoo ligt geneigd is al het kwade te wijten, dat hem doet klagen.
Een beter waarborg zoude zeker te vinden zijn in eene bepaalde maat van kennis, welke men voor het uitbrengen van eene keus onmisbaar acht,
07
en onze Belgische naburen hadden daarop dan ook reeds hunne aandacht gevestigd. Hoe schoon het echter in beginsel schijne, blijft er toch nog altijd iets onbillijks over in de gedachte aan iemand een regt te ontzeggen, omdat hij eene kennis ontbeert, welker gemis dikwijls meer aan zijne ouders dan hem zeiven te wijzen is. Het ergste bezwaar is daarbij om aan te wijzen welke maat van kennis er noodig geacht moet worden om te oordeelen over de keus van een afgevaardigde, aan wien de moeijelijkste vraagstukken kunnen voorgelegd worden. Het afnemen van een âexamenquot; aan een millioen kiezers, het vermoedelijk getal bij algemeen stemregt in ons land, indien de leeftijd van 23 jaren blijft aangenomen, is waarlijk ook geen ligte taak, en wordt dit opgedragen aan mannen uit een stand, die eenige welvaart geniet, zooals onvermijdelijk is, dan loopt men gevaar bij de afgewezen lieden den argwaan optewekken dat hun âbrevetquot; van onbekwaamheid het gevolg is van een streven om aan minder bevoorregten de gelegenheid te ontnemen mannen in het bestuur te brengen, die aan elke ongelijkheid een einde zouden maken.
Bij het zoeken van waarborgen voor eene goede keus komt het er vooral op aan deze zoo te stellen, dat zij voor allen gelijk kunnen zijn en eiken schijn van voorregt jegens eenigen stand wegnemen.
Een zoodanige zoude misschien te vinden zijn in den leeftijd. Nu wordt elk meerderjarige tot het uitbrengen van eene keus rijp verklaard, en het valt niet te ontkennen, dat een leeftijd, waarop
5*
68
men geschikt kan worden geacht zijn eigene zaken te behartigen, daarom nog geenszins dezelfde is als die, waarvan eene beslissing omtrent de belangen van den staat wordt verwacht. Welligt ware een leefujd van 30 jaren voor deze bevoegdheid te verkiezen. Honderd vijftig duizend kiezers zouden daardoor aan de stembus ontvallen, maar wat nood? De leden der gemeenteraden, die tot het âstembureauquot; veroordeeld worden, zouden over dit mindere bezoek geene tranen storten, en waar de uitsluiting allen trof, zonder eenig onderscheid van stand of welvaart, zoude misschien menig jonge burger zich verheugen, dat hij eene aangenamere wandeling kon maken dan in de rigting van het stadhuis. Er is ook niets beleedigends in dat men van hem, die afvaardigt, denzelfden bezadigden leeftijd vergt als van hem, die gezonden wordt. Beweerd zoude misschien zelfs kunnen worden, dat de zender minstens even bezadigd als de gezondene
wezen moet.
De naam van algemeen stemregt schrikt velen af door de gedachte aan de groote menigte, die daardoor op de beenen gebragt kan worden. Bij het aannemen van den SOjarigen leeftijd zoude deze echter weinig verschillen met het getal kiezers, dat volgens het pas aangeboden ontwerp der regeering zijn regt zal uitoefenen. De mannen, die in ons land den genoemden leeftijd van 30 jaren te boven gaan, bedragen 40o/o van de geheele mannelijke bevolking, en dus zoude het getal kiezers, zoolang vrouwen tot het stemregt niet waren toe-
69
gelaten, even als bij het voorstel der regeering op omstreeks een vijfde van het geheele zielental ne-derkomen.
Zij, die het bezitten van een gezin voorstaan als waarborg voor de geschiktheid van den kiezer, zullen zeker geen grief hoegenaamd hebben tegen den hoogeren leeftijd. Men vindt toch dit vereischte ligter op 30jarigen leeftijd dan op dien der meerderjarigwording. En wat den wensch naar bezadigdheid betreft, ook deze heeft meer kans bij eenig-zins rijperen leeftijd bevredigd te worden. Moet worden toegegeven dat de bezadigdheid bij velen wet wat laat intreedt, doorgaans zal men die toch eer mogen aantreffen, wanneer het verstand door een ruimere ondervinding van 7 volgende jaren is gelouterd. Gaan wij na, onder welke omstandigheden de meerderjarigwording zich zelfs bij de hoogere standen voordoet, op een leeftijd, waaraan jaren voorafgingen, die geheel door vermaak of zorgen voor examens werden ingenomen en geen tijd lieten om aan vragen van staatkundigen aard zich behoorlijk te wijden, dan kan de voor den kiezer noodige voorbereiding waarschijnlijk nog minder verwacht worden bij dien der werklieden, wier eerste zorg in de jeugd is het aanleeren van een vak, dat hun later het dagelijk-sche brood moet verschaffen, en hen noodzaakt van den vroegen morgen tot den laten avond met handen-arbeid zich bezig te houden.
Een tweede waarborg zoude misschien ook gevonden kunnen worden in het geheel onbezoldigd
70
laten van de diensten door den vertegenwoordiger bewezen. Nimmer ontaarde de eervolle taak der afgevaardigden in een werk om des loons wille gezocht. Wel heeft men door den naam van schadeloosstelling voor de leden van onze Tweede Kamer daaraan den blaam van bezolding getracht te ontnemen, in de werkelijkheid ontaardde de hun toegekende f 2000 voor velen in eene niet onaardige verhooging van het bijzondere inkomen, die dooide in de hofstad woonachtigen dikwijls zeer gemakkelijk werd verdiend. Schadeloosstelling moet haren naam getrouw blijven, en waar die aan elders wonende leden wordt verstrekt, mag zelfs niet worden voorbij gezien dat de uitgaven van eigen huishouding worden verminderd, zoo de verblijfkosten het vertoeven in eene vreemde plaats vergoeden. Eene matige vergoeding voor hen, die elders woonachtig zijn, met vrijdom van vervoer op de spoorwegen van den staat, is misschien de beste vorm, waarin men den afgevaardigden de werkelijk gemaakte kosten vergoedt, en voorkomt dat de zoo eervolle betrekking van vertegenwoordiger ontaarde in een âbaantjequot;, dat ook om geldelijke redenen met gretigheid verlangd zoude kunnen worden.
Vooral bij eene groote uitbreiding van het kies-regt is achting voor den afgevaardigde een eerst vereischte om tegenover het volk in zijn werkkring wel te slagen, en niets doet daaraan meer afbreuk dan wanneer de kiezer in de meening verkeeren kan, dat de door hem gezondene ook uit een gel-
71
delijk oogpunt verpligting heeft. Bedroevend is het daarom wanneer van zoogenaamde radikale zijde op eene bezolding van de afgevaardigden wordt aangedrongen, gelijk nog in deze dagen door het âcongresquot; der âtrade-unionsquot;, dat daarmede den wensch verbond onbemiddelde vreemdelingen uit Engeland te weeren, een treurig voorbeeld hoe uitsluiting van minder begunstigden kan zamengaan met eischen van gelijkstelling voor zich zeiven tegenover meer bevoorregten.
Voor hen, die zich nog altijd van het algemeene stemregt een schrikbeeld vormen, is er verder een waarborg voor eene voorzigtige keus te vinden in het opdragen van deze aan de vergadering van een bestuur, die uit reeds gekozen leden bestaat, gelijk thans bij het benoemen van de leden onzer Eerste Kamer door de Provinciale Staten geschiedt. Is men niet zeker dat eene zoodanige vergadering boven minder gewenschte bewerking verheven moet worden geacht, toch kan worden aangenomen dat hierbij niet zoo zeer op de hartstogten zal worden gewerkt, als wanneer het volk in menigte naar de stembus wordt gedreven. De ondervinding heeft bovendien in ons land geleerd, dat de keuzen, die door zulke vergaderingen geschieden, veelal zeer verstandig zijn. Bij benoemingen van wethouders of leden van Gedeputeerde Staten moet men de keuzen doorgaans billijken. De benoeming zelfs van de leden der Eerste Kamer, waarbij men aan de minst beduidende aller waarborgen, aan eene zekere hoeveelheid geld gebonden was, zijn in
72
den regel zoo uitgevallen, dat zij weinig aansloot gaven, en waarlijk den toets wel konden doorstaan tegenover die der Tweede, voor welke men in zijne keus veel vrijer was.
Een groot voordeel van een zoodanige verkiezing met een trap, namelijk indien de hoogere afvaardiging door eene vergadering van reeds gekozen bestuurders geschiedt, en niet zooals b. v. in Duitschland door een aantal Wahl-manner, die alleen door Uhr-Wahler tot het uitbrengen van eene keuze benoemd worden, is de meerdere bekendheid tusschen hem, die de opdragt doet en den ander, die ze ontvangt. Bij onze verkiezingen voor de Provinciale Staten was de gekozene doorgaans iemand, die in zijne streek bekend mogt heeten door zich daarin op de eene of andere wijze te onderscheiden, en heeft zich bij de laatste bewegingen op kerkelijk gebied wel eens het geval voorgedaan dat een man buiten het zoogenaamde district werd aanbevolen op grond van zijne godsdienstige rigting, of omdat hij elders door eene vijandige partij werd uitgestoten, men mag aannemen dat dit meestal tot de uitzonderingen zal behooren. Voor het behartigen van belangen, die in zekere streek op den voorgrond treden, moet doorgaans wel het oog vallen op hem, van wien men kan vertrouwen dat hij daarmede bekend is en zich in zijne betrekking a1.s ijverig voorstander zal doen kennen.
Wil men intusschen den waarborg van bekendheid wel zien gehandhaafd, dan ligt het voor de hand dat de gekozene voor de hoogere vertegen-
73
woordiging genomen worde uit de vergadering van mannen, die regtstreeks door de kiezers worden aangewezen. De kiezer heeft dan de zekerheid dat geen vreemde door die vergadering wordt afgevaardigd, en behoeft dus minder te wenschen dat hij regtstreeks daartoe medewerke. De keuze door de van zijnentwege gekozen vergadering geeft hem de waarschijnlijkheid, dat uit hen, tot wier benoeming hij zelf medewerkte, de bekwaamste zal worden aangewezen voor de hoogere vertegenwoordiging. Is hij bewust dat niemand daarheen wordt gezonden, die hem onwelgevallig is, hij heeft bovendien de kans dat de uitverkorene zijner vertrouwden wordt afgevaardigd.
Geldt hiertegen het bezwaar dat zoodoende sommige staatslieden, b. v. afgetreden ministers, tijdelijk worden uitgesloten, niets belet dat deze zoo spoedig mogelijk tot lid eener lagere vergadering worden gekozen, en daardoor weder uitzigt op een nieuwen zetel in de hoogere verkrijgen, terwijl het uit een staatkundig oogpunt dikwijls nog zoo nadeelig niet kan worden geacht, dat een afgetreden minister eenigen tijd van bezinning heeft om den strijd tegen den opvolger te aanvaarden.
Van één trap bij verkiezing is hier slechts gesproken. In beginsel is er echter tegen twee geen bezwaar. Uit het oogpunt van meer bekendheid met den benoemde zoude daarvoor zelfs veel pleiten. De kiezer is doorgaans nog meer bekend met de leden van den gemeenteraad dan met die der provinciale staten, en vooral geldt dit voordeel op het
74
platte land. Bij den tegenzin, die nog altijd bij velen bestaat ten opzigte van âgetraptequot; verkiezingen is aan een hernieuwen van een stelsel met twee trappen waarschijnlijk niet meer te denken, terwijl moet worden toegegeven, dat er bij de uitvoering wel eenige moeijelijkheid is wegens het groote verschil in zielental tusschen de verschillende gemeenten. Wilde men de leden der provinciale staten door de raden der gemeenten laten kiezen, dit zoude niet anders kunnen geschieden dan in verhouding tot hare grootte. Doch gesteld dat men op eene bevolking van de provincie Utrecht, ruim 200,000 zielen, 40 leden voor de staten wilde benoemen of 1 op de 5000, dan zoude dit zeer gemakkelijk zijn voor Utrecht en Amersfoort, die er 17 en 3 te kiezen hadden, maar de kleinere gemeenten, die een minder zielental bezaten, konden haar regt niet anders uitoefenen dan door zamen-voeging, en deze zoude moeijelijk met billijkheid zijn te regelen. Werd eene gemeente b. v. van 3000 zielen met twee andere, elke van 1000 zamen-gevoegd, en aan hare vereenigde raden de benoeming opgedragen, dan verkregen de twee gemeenten , die te zamen slechts 2000 ingezetenen hadden, in die bijeenkomst meer invloed op de keuze dan de eerste, die er 3000 tellen mogt.
Bij een zoo eenvoudig stelsel als het hier boven ontwikkelde, spreekt het van zelf dat er geene plaats kan zijn voor een Heerenhuis, Senaat of Eerste Kamer als tweede tak van vertegenwoordiging, en dit zoude juist een voordeel zijn.
75
Er is geen ongelukkiger gedachte op staatsregterlijk gebied dan het scheppen van twee kamers, waarvan de eene het werk van de andere kan te niet doen. Moet men b. v. bij ons verwachten dat het werk der Tweede Kamer niet in den geest is van het volk, dan is de wijze, waarop zij wordt gekozen, ontwijfelbaar verkeerd, en verdient het wel goedkeuring, waarom behoeft een andere tak van wetgeving het dan nog eens na te zien? Onbe-duidenheid in den droevigsten zin van het woord is dan ook doorgaans het kenmerk van heerenhuizen of senaten. Die onbeduidendheid wordt echter in het oog des volks een hatelijk struikelblok, zoodra die tweede tak zich laat gelden om het werk af te breken, dat zijne vertrouwelingen tot stand bragten, des te meer verfoeid, wanneer het bezit van geld de voorwaarde is om daartoe de magt te bezitten. Het merkwaardigste in deze is dat de voorstanders van regtstreeksche verkiezingen in 1848 een getrapt stelsel toelieten voor eene Eerste Kamer, waaraan zij dus de magt gaven om het werk van den anderen tak af te keuren, dat tot stand gebragt zoude worden door vertegenwoordigers, die volgens een naar hunne meening beter stelsel waren gekozen. Kluchtige tegenrtrijdigheid voorwaar, ten zij dat die staatslieden bij zichzelven van de onbeduidendheid der Eerste Kamer, voor de schepping van welke zij toch altijd aansprakelijk bleven, ten volle overtuigd waren.
Het eenige nut, dat misschien een senaat of heerenhuis wel eens heeft aangebragt, is dat hij
76
door afstemming van een voorstel der vertegenwoordigers of van een door ingrijpende wijziging bedorven regeerings-ontwerp, aan een koning de onaangenaamheid bespaarde van zijn regt tot veto
gebruik te maken.
Daargelaten echter dat een zoodanig verschuilen achter een senaat weinig moed of overtuiging van vertrouwen bij eene regeering verraadt, blijft het toch voor niemand een geheim, wanneer de raadslieden der kroon tot zulk huismiddeltje de toevlugt nemen, vooral niet wanneer de voorzitter door hen benoemd is, en door herderlijken omgang met zijne kudde zoo gemakkelijk ingang vindt voor het beweeren dat een teeken van leven waardigheid aanbrengt, of de ijdelheid weet te streelen door het bewustzijn van als wachters om een troon aan dezen
glans te ontleenen.
Meer waarde heeft zeker een senaat, die het regt van wijziging bezit en daardoor een in over-ijling genomen besluit der vertegenwoordiging kan voorkomen, al valt het ook hier niet te ontkennen, dat een terugzenden van een ontwerp al ligt ontaardt in eene dading tusschen de twee wetgevende takken en aan het denkbeeld van eenheid bij het vervullen van \'s volks wenschen eene groote afbreuk
wordt gedaan.
Vinden de hierboven ontwikkelde gedachten wei-ligt bestrijding bij hen, die daaruit een herleven van het vroeger zoozeer geduchte âprovincialisme verwachten, zij zullen ook wel willen toegeven, dat dit onder de grondwet van 1848 slechts afnam,
77
indien dit al geschiedde, om voor een distriktisme in nog k\'eingeestiger toepassing plaats te maken, en zich dit laatste al spoedig bij den aanleg van de staatsspoorwegen op het hevigste openbaarde. Maar al mogt een sterker zich aaneensluiten der bewoners van hetzelfde gewest, die onmiskenbaar vele belangen gemeen hebben, worden waargenomen, zeker is dit nadeel van minder gewigt dan het uiteenrukken van gedeelten der bevolking, die zich verstaan of het zamenvoegen van anderen, tusschen welke geen enkele band wordt aangetroffen, en die alleen bij elkander werden gevoegd om het noodige zielental te verkrijgen. De versnelde middelen van vervoer, waardoor de meest afgelegen bewoners in één dag de gróote middenpunten van beschaving of handelsverkeer kunnen bereiken, hebben met het verminderen van de gewestelijke eigenaardigheden ook allengs den naijver tusschen de verschillende gedeelten van het land doen afnemen. Met het verdwijnen der scheldwoorden , waarmede vroeger de bewoners van de onderscheiden gewesten elkander bejegenden, zijn ook de âdia-lektenquot; verzacht. Ãén fatsoenlijke toon beheerscht het gesprek der beschaafde gezelschappen uit de meest van elkander verwijderde streken verzameld, en geen meisje is er, dat de taal der liefde van een jonker aan de meest afgelegen âzathequot; ontsproten niet zoude verstaan.
Genoeg, hooggeachte vriend, van de gedachten, die mij invielen onder het opteekenen van de hoofd-
78
punten der verschillende staatsregelingen wat de eischen der vertegenwoordiging betreft. Schijnt U de vermelding daarvan reeds eene ongerijmdheid bij het bewustzijn hoe eene pas aangenomen grondwet de verwezenlijking van den meest bescheiden wensch nu zelfs onmogelijk maakt, wil het aan een grijsaard vergeven, dat de vriendschap, welke hij op aarde genoot, bij hem eene aardsgezindheid opwekte, die hem ook aan latere geslachten deed denken, voor wier hoogere ontwikkeling bereikbaar zal worden wat ons ongenaakbaar bleef.
___
-
â