ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

rfljS. ïï, IS-

IS DAT ZEDELIJK?

■ FTSiEIi^ui

De handelwijze

van liet Bestuur der Naamlooze Vennootschap: Maatschappij tot exploitatie van

„DE NEDERLANDERquot;,

DAGELIJKS YERSCHIJKEND KIEUWSBLAD,

TEGENOVER

den Drukker en Mede-Oprichter van dat Blad,

ter beoordeeling aangeboden.

Ter wille van den goeden gang zijner Handelsdrukkerij naar waarheid medegedeeld

DOOR

\\

A. TER WEEME.

v V* gt;\'•:

\\\\ . - /S/.

Kosteloos verkrijgbaar ter Drukkerij Open Rijstuin 16, Rotterdam.

inT

ocr page 4
ocr page 5

Het ontstaan van het Dagblad „DE NEDERLANDER.quot;

In het jaar 1883 werd mij opgedragen het drukken en uitgeven van het Blad „De Hoop,quot; Gereformeerd Kerkelijk en Maatschappelgk Weekblad voor Rotterdam en omstreken.quot; In 1893 werd dat Blad opgeheven, nadat vooraf bepaald werd, dat daarvoor in de plaats zou komen : „De Gereformeerde Kerkbode,quot; orgaan van de Geref. Kerk A en B en een Antirevolutionair Blad.

Bg inschrijving bleek, dat ,,De Gereformeerde Kerkbodequot; door mij het voordeeligst kon worden geleverd.

Voor het antirevolutionaire Blad werd mij door den Heer J. van dee, Kooy Jk. j), als Secretaris van de Antirevolutionaire Kiesvereeniging „Nederland en Oranjequot; alhier, gevraagd begrootingen te maken voor dergelijk Blad, één- en meermalen per week te verschijnen. Aan dat verzoek voldeed ik.

Kort daarna verscheen te Amsterdam „Het Recht,quot; Christelijk Democratisch Volksblad, onder medewerking van verschillende Hoofdonderwijzers aan Christelijke Scholen. Finantieel waren daaraan verbonden: de Heeren J. Th. Stakenburg en D. Vink.

De Heeren P. Biesterveld en J. van der Kooy Jr. maakten kennis met laatstgenoemde Heeren en spoedig werd men het eens, om „Het Rechtquot; op te heffen en in Rotterdam een Dagblad voor gezamenlijke rekening op te richten.

Mij werd in dien tusschentijd door de Heeren Stakenburg en J. van der Kooy Jr. gevraagd naar den prijs van een Dagblad formaat „Het Rechtquot; en formaat „De Hoopquot;.

Ik las toen de volgende vragen voor:

„Welke lettersoorten worden voor dat Blad gekozen ?

Wie zorgt voor de eerste correctie ?

Wanneer komt de eerste en wanneer successivelijk de laatste copie?

Wanneer eischt ge de eerste, hoe laat de laatste 1000 exemplaren?

Voor hoeveel jaren wordt er gecontracteerd ?

Als het Blad geen levensvatbaarheid heeft, wordt my dan schade vergoed ?

Voor wiens rekening komen de kostbare snelwerkende machines, voor dat Dagblad aan te koopen ?quot;

\') Lid van de firma C. Kraemer amp; Co., in Effecten, Wijnstraat 40.

ocr page 6

4

Den 13 Mei 1893 werd ik ter vergadering geroepen aan het adres van den Heer H. Dane, Gelderschekade 10, alhier.

Als Hoofdredacteur en Directeur van de sedert dien tijd opgerichte Naatnl. Vennootschap; Maatschappij tot exploitatie van het Dagblad „De Nederlanderquot;, werd mij voorgesteld: de Heer J. Th. Stakemburg; als Commissarissen, de Heeren: H. Dane, J. van der Kooy Jr., D. Vink, G. van den Boom, \') en als lid van de Commissie van Redactie; de Weleerw. Heer Ds. P. Biesterveld. Die vergadering werd met gebed geopend.

Aan de orde was het drukken van het Dagblad.

In eene vorige vergadering was er een voorstel geweest, naar ik vernam, om de helft van de uitgaven aan machines voor rekening van de Vennootschap te nemen. Dat werd afgestemd.

Met algemeene stemmen werd op 13 Mei 1898 besloten, dat mij zou worden verzekerd, het Blad twee jaar te zullen drukken; zoodra het bleek levensvatbaarheid te hebben; zes jaar\\ en mocht het geen twee jaar bestaan, dan de helft van mijne gemaakte onkosten te zullen vergoeden.

Ik liet de Prijs-Couranten zien van de noodige snelwerkende Dagbladmachines, die meer dan ƒ 10.000 moesten kosten; begrootte de schade, die ik loopen moest door verkoop van goede, maar te kleine machines, en verzocht een dag uitstel. Er werd toen nog gezegd, dat mijn prijs hooger was dan die van enkele Amsterd. drukkers, zoodat ik die ƒ 3.— per dag moest verminderen.

Den volgenden dag besloot ik, met het oog op de genomen en genotuleerde besluiten, het Dagblad tegen den verminderden prijs te aanvaarden; de machines voor eigen rekening aan te koopen; mijn Bovenhuis voor Redactie en Administratie in te richten, mits ook in het contract werd vermeld, dat: zoodra het blad levensvatbaarheid had, al bleek zulks binnen zes weken, de twee jaar werden verlengd met vier jaar, dus tot 30 September 1899.

Ik vertrouwde op het genomen besluit en op de belofte, dat de verlenging tot zes jaar ook in het contract zou worden vermeld.

Zonder verder bewgs, doch nadat ik vooraf den Heer J. van der Kooy Jr. bezocht had, kocht ik de vereischte machines, letters enz. Hij verzekerde mg dan ook, dat ik op de Vergadering vertrouwen en gerust de machines bestellen kon. Een som gelds werd mij door het Bestuur toegestaan tegen 5 0/0 rente.

Daarna werden door my nog wijzigingen in het Concept-contract gemaakt o. a.: de tijd van levering niet vroeger te stellen dan uur enz.

Alles werd naar genoegen geregeld doch het uur van levering bleef een struikelblok, zoodat ik het contract niet kon teekenen. Na 4 uur ontving ik de slotkoersen Effectenbeurs en dan ten 4è uur exemplaren te leveren, was eene onmogelijkheid.

\') Lid van de Firma Gebrs. van den Boom, Stoombootondernemers,Maaskade61.

ocr page 7

5

De Hoofdredacteur-Directeur lachte daar om en na verloop van eenige weken, zeide hi]; rgeef hier het contract, dan zal ik het onmogeliike mogelijk maken.quot;

Ik gaf de stukken, die ik toch niet teekenen kon, terug en zeer spoedig daarna bleek het Commissarissen, dat een Aandeelhouder niet wilde storten, wat hij in tegenwoordigheid van twintig andere Aandeelhouders beloofd had ; kort daarna, dat de Üirecteur-Hoold-redacteur niet voor die taak bekwaam was en quot;hi} dus eervol ontslag kreeg of nam en zijn gestortte geld terug ontving.

Middelerwijl waren eenige gegoede Aandeelhouders opgeroepen en werd ook mij gevraagd ter vergadering te komen ; ik vernam dat de Vennootschap in geldnood verkeerde ; mijn personeel, voor ,,De Nederlanderquot; noodig, was reeds te werk en had ik aangenomen voor twee jaar vast, met uitzicht op de mij toegestane verlenging tot zes jaar. Het Bestuur wekte mij op om zooveel mogelijk aandeelen te nemen, ook anderen daartoe te bewegen en voorloopig een jaar het Blad te drukken; „als gij helpt en ook anderen evenals wij nog aandeelen nemen, dan zal het genomen besluit ten opzichte van de contract-rechten, worden gehandhaafd ; de Statuten zijn niet goedgekeurd, de Heeren Stakenburg en Vink hadden u daarom drie maanden willen laten wachten met de uitgave, dus geef nu maar toe, alles komt later in orde.quot;

Ik beloofde aandeelen te zullen nemen en anderen daartoe op te wekken.

Kort daarop schreef ik zelf in voor twee duizend gulden en een vriend van mij voor vijfhonderd gulden.

Wel werd ik door een deskundige gewaarschuwd, toch niet te veel voor dat Blad in de waagschaal te leggen, maar ik had immers beloofd hel te zullen doen, en mocht dus die helofte niet breken.

Toch werkte ik de eerste vier maanden zonder contract\', de heer J. vin Boven, toen Hoofdredacteur en Directeur, kon de eerste contracten nergens vinden, ook de notulen waren zoek, en de vorige Directeur had ze ook niet, dus eerst den 21 Februari 1894 kreeg ik dat geldnoodcontractje van een jaar in handen.

Begin der moeielijkheden.

Den 24 Januari daaraan voorafgaande droeg de Heer Van Boven mij, namens Commissarissen, op bijna al het zetsel plat en vele rubrieken uit kleiner letter te zetten, en de Effectenlijst over 5 in plaats 4 kolommen in te krimpen en aan te vullen.

ocr page 8

6

Het Blad had toen reeds levensvatbaarheid, maar er was nog, volgens het Bestuur, geldnood en door den Heer J. van der Kooy Jr. werd raij gezegd : uw priis is te hoog.

Ik liet hem zien, hoe de arbeid aan het Blad steeds vermeerderde; dat ik ieder Dagbladdrukker mijn prijs durfde te laten zien enz. Door den Heer J. van der Kooy Je., werd toen genoemd Utrecht en Goes: „daar zijn de prijzen van weekbladen lager en daar bood men aan om ook het Dagblad lager te drukken.quot; Ook de heer J. van Boven verzekerde zulks.

Ik zond een exemplaar van „De Nederlanderquot; naar een Dagbladdrukker te Haarlem en verzocht die firma eens met hun Chef op te willen maken den prijs van dat Dagblad en de vrijheid, dien, zoo noodig, aan het Bestuur te mogen toonen. Die Heeren deden zulks en hun prijs bleek hooger te zijn, dan de mgne.

In Mei 189-i werd op eene Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders als Hoofdredacteur van „De Nederlanderquot; benoemd; Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman en als Directeur de Heer Joh. T. de Lange.

Nieuwe Aandeelhouders waren toegetreden, anderen werden uitgekocht en ook mij werd verzocht 6 Aandeelen over te doen. \')

Een uur na die Vergadering vroeg ik reeds aan de Commissarissen J. van der Kooy Jr. en G. van den Boom 1): „herstel mij nu in mijn contract-rechten ; er is nu geen geldnood meer.quot;

Het antwoord was : „Even wachten, de Heeren hebben plannen, Bladen over te nemen; dan komt er meer werk voor u: Bijbladen op Zaterdag en Woensdag; dus zoodra dit in orde is, komt ook uwe zaak weer in orde.

Een maand later vond ik weder aanleiding beleefd te verzoeken, mij mijne oorspronkelijke rechten toch niet langer te onthouden, ook met het oog op kostbare uitgaven, die ik te doen had en wijl de gelegenheid zich voordeed een aangrenzend huis billijk te kunnen koopen.

Het antwoord van den heer J. van der Kooy Jr. was: „De koop van dat Blad gaat stellig door, maar ik durf u niet aan te raden, dat huis aan te koopen. Hebt nu nog even geduld. Er komt bepaald meer werk voor u. Nog maar een klein verschil in prijs en we hebben het Blad gekocht.quot; De heer G. van den Boom constateerde zulks door te zwijgen, doch te knikken.

1

) De Heer H. Dane was inmiddels afgetreden.

ocr page 9

7

Rechterlijke vervolging op last van de heeren 0. VAN SUN amp; ZOON van „De Nederlander,quot; het „Rotterdamsch Nieuwsbladquot; en „De Wachter.quot;

Bovengecoemde Bladen hadden in hunne kolommen ook de Predikbeurten van de Ned. Herv. Kerk te Rotterdam c.s. opgenomen.

Voor „De Nederlanderquot; werd ik gedagvaard, omdat mijn naam als Drukker onder het Blad stond en de Statuten nog niet goedgekeurd waren. Voor dat Blad volgde vrijspraak, ook voor het Gerechtshof te \'s-Gravenhage.

Destijds mocht ik voor die zaak advies vragen bij den Hoofdredacteur van „De Nederlander,quot; deelde hem tevens mede, wat ik al met dat Blad doorleefd had, hoeveel duizenden guldens ik er aan ten koste legde en, als het plan van uitbreiding doorging, nog duizenden uit zou moeten geven, alsmede hoe het Bestuur mij tot heden nog niet in mijne oorspronkelijke contractrechten herstelde, ofschoon het zulks beloofd had enz. enz.

Beleefd verzocht ik hem mij daarin te willen helpen, omdat er nu geen geldnood meer was.

Hij antwoordde mij: „dat hy niet in de Administratie was, dus zich daar niet mede kon inlaten.quot;

Hoe de gedane beloften door het Bestuur in praktijk worden gebracht.

In September 1894 werd mij door het Bestuur opgedragen 20 ex. van „De Nederlanderquot; te drukken met kleiner letter en op te geven welk verschil in prijs dat zou geven. Tk maakte die afdrukken, schreef 29 September, „dat, zooals uit die proeven bleek, ik 400 regels meer plaatsruimte had gemaakt en toch zonder verhooging van mijn bedongen prijs zou blijven leveren, mits het Bestuur ray in mijne oorspronkelijke contractrechten herstelde en ik het Blad dus mocht blijven drukken tot 30 September 1899.quot;

Den 13 October ontving ik een antwoord van den Directeur waarin betoogd werd, „dat al wat er aan het geldnood-contract vooraf was gegaan, vervallen was door de veranderde {verbeterde) omstandigheden enz.quot; Zij boden mij aan het Blad voor ƒ 6.— per dag minder te drukken uit de kleinere letter en dan niet langer dan tot 1 October 1897. „Indien ik tot geen onderhandelen op dien basis bereid was, dan zouden zij gaarne vernemen op welke

ocr page 10

8

voorwaarden ik „De Nederlanderquot; tot 30 September 1895 wenschte te drukken met de kleinere lettersoorten; zoo niet, dan besteden we „De Nederlanderquot; uit.quot;

Den 15 October antwoordde ik het Bestuur, „dat, als de heer Directeur Jon. T. de Lange niet door hen wist, op welken grondslag ik „De Nederlanderquot; met al den aankleve van dien had aanvaard, ik hem toch de geheele zaak, in tegenwoordigheid van den heer J. van der Kooy Jr. had medegedeeld, en waar laatstgenoemde heer alles toestemde en van den beginne af het roer in handen had, er nu toch geen sprake kon zijn van vervallen-verklaring.quot; Ik herhaalde mijn beleefd verzoek om de gedane beloften na te komen en mij het Blad te gunnen tot I October 1899, zonder mijn destijds bedongen prijs te verhoogen.

Den 16 October schreef mij het Bestuur, „dat ik niet geantwoord had op hun vraag; de beloften van vroeger worden niet onfkend noch erkend. Het geldnood-contract is basis en daarin staat van die zaken geen woord. Dat ik gehoopt heb op de verlenging, is te verklaren, maar zekerheid heeft u niemand, die daartoe recht had, gegeven. Geef ons dus een afdoend antwoord op ons schrijven van 13 dezer en, zoo ge op dien basis of grondslag prijs op wilt geven, dan noodigen wij u uit op onze vergadering, ten einde de zaak verder te bespreken.quot;

Op dienzelfden datum antwoordde ik reeds: „dat het feit, waarop mijn schrijven berust, zeker door alle Heeren wordt erkend en dat die Heeren zijn : de Directie en Commissarissen van „De Nederlanderquot; en dat later die belofte werd herhaald door diezelfde Heeren in tegenwoordigheid van eenige Aandeelhouders.quot; (Allen zijn nog in leven en op één na [de Heer H. Dane Cz.] allen nog in functie).

Den 13 October moest ik 150 Prospectussen drukken, waarboven staat: Geheim \'), tot vermeerdering van het kapitaal. Bij de begrootingen werd voor 189-3/1896 een bespottelijk lage drukprijs uitgetrokken voor 3000 ex. ; voor de volgende jaren werden nog lagere prijzen genoemd.

Den 30 October werd ik ter vergadering van Commissarissen geroepen.

Opnieuw werd gezegd: uw prijs is veel te hoog. Ook de Heer J. van Boven beweerde zulks.

Ik liet toen al de Heeren van het Bestuur en ook den Heer J. van Boven zien de uitgaven, die ik iedere week voor „De Nederlanderquot; moest doen. „Dan kunt ge niet lager leveren,quot; werd er toen gezegd. Tevens liet ik hun de beredeneerde prijsopgave zien van de Haarlem-sche Dagbladdrukkers. Zij verklaarden echter, dat er een Rotterdumsche

\') Deze Prospectus is bij mij dus alleen voor H.II. Aandeelhouders; alle andere Correspondenties en bewijzen liggen voor ieder belangstellende ter inzage.

ocr page 11

9

Drukker was, die een lager bod gedaan had, en als die firma het Blad mocht drukken, kocht ze onmiddelliik een Rotatiepers. Ik stelde voor, mii nu niet lanofer te martelen, maar aan iedere Dag-bladdrukker, die zijne werkkrachten niet onder jongens zoekt, dcch een loon aan zetters en drukkers betaalt van/quot;9. — ,/10.—,/11.— en ƒ 12.— per week, mijn prijs te laten beoordeelen.

\'t Mocht niet baten.

Toen stelde ik voor, om gedurende 3 maanden 1000 ex. per dag extra kosteloos te leveren voor de exploitatie, mits het Bestuur woord hield ten opzichte der beloften bij de vestiging van het Blad aan mij gedaan.

Bij mijn vertrek gaf de Heer Va?ï der Kooy mij een briefje mede, waarin hij eenige cijfers met potlood geschreven had ; „hier hebt ge den prijs, waarvoor we ons Blad gedrukt kunnen krijgen te Rotterdam,quot; zeide hij.

Den 15 Nov. \'94 schreef ik aan het Bestuur, „dat mijn prijs onmogelyk lager kon gesteld worden, dat nieuwjaar voor de deur stond en ik dan zeker van eenige zetters het weekloon nog eenigszins verhoogen zou ; dat ik dankbaar was, dat mijn aanbod, om gedurende 3 maanden aan de exploitatie deel te nemen, door het Bestuur was gewezen van de hand.quot;

In Januari 1895 werd de Jaarvergadering belegd. De Heer Mn. C. J. A. Bichon van IJssei,monde was in de vacature van den Heer H. Dane als Commissaris benoemd en nam op de gecontinueerde Vergadering het presidium waar.

ïoen het agenda afgewerkt was, sprak hij over den drukprijs van „De Nederlander,quot; noemde een lageren prijs van een Hervormde Drukkersfirma hier ter stede; wees er op, hoe die firma bladen had, waar vele advertentiën in stonden, dat het blad dus ook kans had op meer advertentiën, als die firma het drukte, dat „De Nederlanderquot; geen kerkelijk blad was en dus de Drukker geen lid van Kerk B behoefde te zijn, zooals Ter Weeme.

De Aandeelhouders, die zich lieten hooren, drongen er bijna allen op aan, mij het blad toch niet af te nemen ; de prijs niet meer te beknibbelen, waar zooeven ƒ 3000 salaris was toegestaan aan den Hoofdredacteur. Als het Bestuur daarnaar geluisterd had, zou het zeker niet verder met een anderen drukker zijn doorgegaan; maar het was reeds sedert September 1894 met de Hervormde firma te Rotterdam aan het onderhandelen.

Den 22 Februari ontving ik een schrijven van het Bestuur, waarin mij werd aangeboden, „De Nederlanderquot; te drukken gedurende één jaar tegen een lageren prijs.

Mijn antwoord was: „Geloof me nu toch, dat ik, ook door de meerdere uitgaven aan arbeidsloon na 1 Jan. \'95, niet lager kan werken. Ik liet u zien, wat ik uit moet geven, als ik alles zuinig bereken. Telkens kreeg ik meer arbeid te verrichten door de rek-

ocr page 12

10

baarheid van het later opgedrongen contractie. Bijna alles staat nu plat gezet; de kop is ingekrompen, de Effectenbeurs naar blz. 4 verhuisd, enz.quot;

Den 7 Maart werd mij het tusschentijds door mij aanvaardde geldnood-contractje opgezegd tegen 30 Sept. 1895 en een afschrift der voorwaarden van inschrijving gegeven, waarop „De Nederlanderquot; voor 3 of 5 jaar zou worden uitbesteed. \')

Mijn antwoord daarop was, d.d. 7 Maart, „dat ik met een gevoel van verhoogde teleurstelling hun schrijven ontvangen had; als gevolg daarvan zal dan tegen dien datum bovendien de huur van het bovenhuis vervallen zijn? Maak mij dat even duidelijk.quot;

Eea paar dagen daarna kwam een van de door het Bestuur aangeschreven Drukkers, die ook een Dagblad op de pers heeft, mij bezoeken. Hij vroeg mij, wat er gebeurd was, dat het Bestuur mij losliet. In korte trekken deelde ik de lijdensgeschiedenis mede. Hij noemde een vermoedelijken drukprijs en daar die veel hooger was dan de mijne, had ik vrijmoedigheid dien te noemen.

„Hoe kunt ge daaraan iets verdienen, of werkt ge met jongens?quot; was zijn vraag.

„Op de 22 werklieden heb ik er vierquot;, was mijn antwoord.

„Ik wil en mag niet inschrijvenquot;, was zijn antwoord, „want gy hebt u daarvoor anderhalf jaar geleden geheel ingericht, dai; heb ik gezien; dus \'t is, volgens mijne overtuiging, een zedelijke misdaad, die u door het Bestuur wordt aangedaanquot;.

Hij vroeg de namen van de Commissarissen en beloofde mij een van hen 2) te zullen bezoeken, raadde mij aan mede in te schrijven enz.

Hij hield woord, bezocht een der Commissarissen, wees hem op de onchristelijke handelwijze enz., doch zonder succes.

„Ga zelf ook nog eens naar dien Heerquot;, zeide hij, nadat hij mij gehoord had.

Ik deed zulks, maar neen, de inschrijving ging voort, ook na mijn bezoek, en den 30 April kreeg ik bericht, dat besloten was, „De Nederlanderquot; van af 1 October 1895 te gunnen aan de laagste inschrijvers, de Heeren D. van Sun amp; Zoon, alhier. •*)

Ik spoedde mij naar de zooeven bedoelde Drukkers, die niet

\') Voor de mannen van het vak diene: dat uit die voorwaarden blijkt, dat „De Nederlanderquot; van af 1 October moet geleverd worden zonder interlinie behalve het hoofdartikel en er minstens zes vaste rubrieken uit Nonparel letter gedrukt moeten worden.

\') De Heeren J. van der Kooy Jb. en G. van den Boom waren hem niet bekend.

!) Vier drukkers waren uitgenoodigd. Een nam geen deel aan de inschrijving; een was niet in staat aan de eischen te voldoen en de laagste, die ik zes jaar mocht dienen als meesterknecht over zestien jongens en twej knechts, maakte bezwaar gereed te zijn tegen 1 October 1895.

ocr page 13

n

ingeschreven hadden, deelde hun den uitslag mede en vond hunner-zgds ernstige deelneming, volgde hun raad op: toch nog middelen in het werk te stellen, om het Blad te mogen behouden.

Zij lieten mij zien, wat sz}\'aan bet Bestuur van ,,De Nederlanderquot; geschreven hadden, n.1.: „dat zij wisten, dat ik mij door zeer kostbare uitgaven voor dat Blad bad ingericht; dat mijn prijs uiJertt billijk was; dat niemand dat lager kou doen, dan ten koste van het werkloon der gezellen of het gehalte van dien, enz.quot;

Den 2 Mei schreef ik zes brieven: aan ieder lid van het Bestuur, aan den vorigen Directeur en aan den Hoofdredacteur Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lokman en waagde ik het, den Heeren voor te stellen, mij ,,De Nederlander1\' te laten behouden zonder verbinding, zonder schadevergoeding, zoo lang of zoo kort het Blad bestaan mocht, tegen den laagsten prijs, die in mijn inschrijvings-billet vermeld stond, om zoodoende in staat gesteld te worden, zooveel mogelijk van mijne voor „De Nederlander1\' uitgegeven gelden terug te verdienen.

Jhr. Me. A. F. de Savornin Lokman zond mij onmiddellijk een antwoord, raadde mij aan nog eene poging te wagen bg het Bestuur, gaf zijn spijt te kennen enz.

Dadelijk antwoordde ik hem, „dat ik reeds een onnavolgbaar aanbod gedaan bad en dat mij verzekerd was, dat de Heeren Van Sun amp; Zoon aan het Bestuur geschreven hadden, dat zij vreesden tegen 1 October 1895 niet gereed te zijn, enz.1\'

Ook de Heer J. van Boven berichtte mij dat hij er niets aan kon doen. De andere Heeren gaven geen antwoord op mijn schrijven.

Drie weken later werd ik ter vergadering van het Bestuur geroepen.

De Heeren vroegen mij toen nog, hoe zij mijn prgs hadden te verstaan en :k gaf daarvan nadere verklaring.

Toch bleek mij later, dat het alleen nieuwsgierigheid geweest was, mij zulks te vragen. De Heeren D. van Si.in amp; Zoon waren aangeschreven; „er was niets meer aan te doen; — ik had mijn tgd voorbij laten gaan.quot; ^

.,Of ik, waar ik zooveel schade beliep, mijne machines niet over kon doen aan mijne opvolgers,quot; vroeg de Heer Mr. B. v. IJ.

Ik maakte hem duidelijk, dat met het afbreken en weer opbouwen zooveel weken weggingen, dus dat dan al dien tijd „De Nederlanderquot; veel te laat gereed zou komen en ik daaraan niet meê mocht werken, maar daartegen moest waarschuwen. De Heer G. van den Boom was dat met mij eens.

Zaterdag daarop kwam de Heer Mr. B. v. IJ. mij weder dezelfde vraag doen, en zeide: „ik heb mijnheer Van Sun gesproken en

\') Al het loven en bieden in September, October en November iS\'Ji gepasseerd, werd dus ook als niet gedaan beschouwd.

ocr page 14

12

die wil gaarne over de mogelijkheid van overname (sic) met u spreken.quot;

Ik herinnerde toen nog eens, wat een leed, schade en schande het Bestuur mij berokkende en zeide, „dat ik zoo iets aan mijne opvolgers kon mededeelen, maar dat zij zulks zeer goed wisten, want toen zij een paar jaar ereleden voor de Roiterdamsche Kerkbode hooger inschreven dan een ander, zij alle middelen aangewend hadden, die bron van ivelvaart, waar zij een tal van jaren schatten gelds aan verdiend hadden, te mogen behouden. Dat gelukte hun.quot;

Ik vroeg den Heer B. v. IJ. er nog eens ernstig over te mogen denken tot dien avond.

Daarop schreef ik hem, „er geen heil in te zien, om over die onmogelijke overname van machines met de Heeren Van Sun te spreken en dus alleen tegenover hen mijn leedwezen uit kon spreken, dat die Heeren als zij even waarschuwden, mij iederen avond na 8 uur spreken konden.quot;

De Heer B. v. IJ. antwoordde ,,dat ik blijkbaar de bedoe ing van zijn bezoek ten mynent niet goed begrepen had. Hij had niet anders op het oog dan mijn belang, dat wellicht kon medebrengen dat de Firma van Sun mijne drie machines overnam.\'\'

Die wonderlijke dingen deelde ik ook aan Jhr Mr. A. F. de Savornin Loiiman mede.

Hij dacht, dat ik vroeger reeds in schikking had moeten komen, dat mijn prijs te hoog was enz.

Den 4 Juni antwoordde ik hem op een en ander, wel breedvoerig maar zóó, dat hij de geheele zaak kon overzien, dus ook, hoe ik in Sept Oct. en Nov. \'94 alle mogelijke voorstellen had gedaan en wat het Bestuur daarop antwoordde.

Die brief aan Jhr. Mr. A.. F. dk Savornin Loiiman, kwam later in handen van Commissarissen en ik verzocht hun, dien te plubliceeren, want dat er nu hunnerzijds geroepen werd: „TER WMEJIE is te duur,quot; en ik daardoor niet alleen die groote schade moest dragen, maar dat door hen de goede gang van mijne zaak belemmerd werd. Ik schreef: „Als die kost te zwaar is, om Uwerzijds te publiceeren, annonceer dan den brief van de Rotterdamsche firma, dien gij, in plaats van haar inschrijvingsbiljet ontvangen hebt. Wilt ge dat niet, dan zal ik genoodzaakt aijn, ter wille van mijn zaak, uwe handelwijze publiek te maken, zóó waar, dat ik het beëedigen kan.quot;

15 Augustus schreef mij het Bestuur een door de Commissarissen en den Directeur onderteekenden brief van den volgenden inhoud : „Met leedwezen namen wij kennis van uw brief, dd. 13 dezer. Op dit onwaardig schrijven zal door ons niet worden geantwoord.quot;

Tien van de twaalf werklieden, die aan „De Nederlanderquot; verbonden waren, had ik Zaterdag vóór Pinksteren aangezegd, dat ik ze niet langer dan tot 30 September aan het werk kon houden.

ocr page 15

13

Zij boden zich successivelijk allen aan bij de Heeren van Sun, die beloofden er wel een gedeelte te zullen nemen, maar dat zij wel schrijven zouden. Later zeiden zi]: „wij moesten dat Blad zoo goedkoop aannemen, dus het loon, wat gij nu hebt, kunnen wij U nier geven.\'

Den 24 Augustus stond in de Rotterdamsche Kerkbode de volgende advertentie:

„Eeniffe Halfivas-Letterzetters kunnen geplaatst worden aan de Drukkerij van dit blad.\'quot;

Den 27 Augustus schreven de Heeren D. van Sun amp; Zoon aan mijne trouwe flinke zetters, onderstaanden brief, dien zij mij afstaan ter publiceering.

„Rotterdam, 27 Augustus 1895.

Den heer J, H. Meeusen, c. s..

Alhier.

M.

Ingevolge afspraak zouden wij U en de 9 overige gezellen die zich hebben aangeboden, voor \'t eind dezer maand berichten of Gij al dan niet op plaatsing bij ons rekenen kondt; en om U nu niet langer dan noodig is optehouden, deelen wij U mede dat wy besloten hebben „De Nederlanderquot; uit te voeren met ons tegenwoordig personeel. Wanneer wij dat aanvullen met enkele jongmaatjes voor het vele platwerk, dat bij ons voorkomt, is het sterk genoeg, terwijl daardoor anderen ook beter gelegenheid krijgen om wat vooruit te komen.

Er kon natuurlijk geen sprake van zijn U allen aan te nemen; mocht er dus teleurstelling zijn dan is die voor U allen gelyk. Wij hopen intusschen dat Gij spoedig elders eene plaats zult vinden en teekenen met vriendelijken groet,

Uwe dw.

(w. g.) D. van Sun amp; Zoon.quot;

Zie nu toch de gevolgen, niet alleen voor mg maar ook voor die in alle opzichten aanbevelenswaardige werklieden.

Zij zijn zeer teleurgesteld, omdat de Heeren Van Sun hunne beloften niet zijn nagekomen.

Ik vraag nu, na deze getrouwe mededeeling der feiten, aan allen, die daarover kunnen oordeelen, is zulk eene handeling der Directie van een Christelijk Dagblad zedelijk ?

ocr page 16

u

Een blad van christelijk historische richting, dat geroepen is en zegt naar oplossing te streven van het sociale vraagstuk, maakt zoodanige conditiën met zijn drukker, dat hij genoodzaakt is zijne leerlingen, wanneer zij het loon van een werkman eenigszins naderen, te ontslaan en daardoor hen buiten de gelegenheid te stellen hun vak, dat ze leerden, te blijven uitoefenen.

Is het te rechtvaardigen voor de rechtbank van Gods Woord en der consciëntie, aan een werkbaas het werk te ontnemen zonder restitutie der uitsluitend voor dat werk door hem gemaakte belangrijke kosten, en dat alleen omdat hij (jeene vrijheid vond voor een prijs te werïeen, die hem noodzaken ttou aan deze sociale ongerechtigheid medeplichtig te worden ? ^

\') Aan den onbekende, die mij het Nummer van „Argusquot; dd. 24 Augustus den 7 September jl. toezond, mijn dank. De inhoud van het bewuste stuk over „De Nederlanderquot; was, zooals hij uit deze Brochure ziet, niet in alle opzichten correct, en ook dienen hij en anderen, die genoemd stuk mochten gelezen hebben wel te weten, dat het buiten my om en zonder mijn voorkennis geplaatst is.

ocr page 17

A. TER WEEME,

OPEN BIJSTÜ1N 16, ROTTERDAM,

Stoom Boek-, Courant- en Handelsdrukkerij,

blijft zich bij voorlduririg beleefd aanbeveleii

VOOR DE LEVERING VAN

ALLE DRUKWERKEN,

tegen vooraf bepaalde prijzen.

Hfrmti mark Tfugijc

ocr page 18
ocr page 19
ocr page 20