- /2gt; V/~ 23
lt;Aci7h mv/ ne Jêmvdofamp;nooten!
Het kiesrechtvraagstuk is nog niet tot oplossing gebracht; de ontbinding der Tweede Kamer stelt het thans voor ons geheele volk nadrukkelijker dan te voren aan de orde. Bij de nieuwe verkiezingen zullen de kiezers de candidaten voor het lidmaatschap der Kamer, afgescheiden van elk partijverband, slechts hebben te beoordeelen naar hunne overtuiging op dit punt.
In het belang van ons gemeenschappelijk Vaderland, acht ik mij genoopt het een en ander daarvan te zeggen; niet over het ingetrokken wetsontwerp zal ik spreken, maar over de oplossing van het vraagstuk. Waar zoo veel geleerde en hooggeleerde heeren, ministers en leden der Staten-Ge-neraal, in plaats van onze tegenwoordige wetgeving, die slechts weinige werklieden tot den kiesplicht roept, thans zonder eenigen overgang een nagenoeg algemeen stemrecht voorstaan, daar moet naar mijne meening een misverstand zijn. Om te trachten dit misverstand uit den weg te ruimen, vraag ik eenige oogenblikken van uwe aandacht.
Er is in den laatsten tijd veel gesproken en geschreven over een democratische strooming in het land — welnu, ik aarzel niet te zeggen dat ik op
jeugdigen leeftijd reeds democratische neigingen had — die mij ook nu nog zijn bijgebleven; namelijk in dien zin, dat ik een open oog heb gehad en nog heb voor wat men nu noemt »de nooden en behoeften van het volk.quot;
Ik heb in den kring waarin ik mij bewogen heb, mij veel laten gelegen liggen aan den arbeidenden stand en zooveel dit doenlijk was met de arbeiders omgegaan.
Reeds op de lagere school zat ik op de banken met sommigen van hen die later mijne arbeiders zijn geworden. Op mijn I4de jaar begon ik een kleine fabriek en ik durf gerust zeggen dat ik hart voor den arbeider had en dat mijn streven om zijn welzijn te bevorderen nog niet is verflauwd. Ik zeg dit om aan te toonen, dat ik gedurende mijn gansche leven veel met arbeiders in aanraking ben geweest, meer dan de meeste heeren professoren, advokaten, dagbladschrijvers, ministers en leden van de Staten-Generaal, die zoo bij monde als bij geschrifte over het vraagstuk hun licht hebben doen schijnen.
Het vraagstuk, hoever men op zeker oogenblik met uitbreiding van het kiesrecht moet gaan, is niet van theoretischen, maar van practischen aard, en als ik mij niet bedrieg, schuilt hierin het misverstand.
De geleerde heeren willen den arbeiders het kiesrecht verleenen, maar stellen alle arbeiders op één
w
mm
3
lijn ea willen alleen de officieel bedeelden en de veroordeelde bedelaars uitsluiten ; » Want,quot; zeggen zij, »men kan den arbeiders het kiesrecht niet onthouden!quot;
Zij kennen geen onderscheid tusschen twee categorieën van arbeiders, zooals die bestaan voor hen, die door den aard van hun bedrijf dagelijks met arbeiders in aanraking komen
Op grond mijner ervaring beweer ik, dat er twee soorten van arbeiders zijn, ie en 2e klasse laat ik ze maar noemen, goede en slechte, oppassende, spaarzame, en daarentegen andere, die door eigen schuld, door onberaden huwelijk, door slecht gedrag, altijd arm en ellendig zijn. Ik spreek nu nog niet eens van hen, die lui zijn en niet werken willen, maar liever van anderen leven, die duizenden en tienduizenden in de steden en op het land, die anderen tot last zijn; ik heb het oog alleen op de gewone arbeiders.
Wat moet dan het streven zijn?
Ik zou meenen; aan de goede, de iste klasse arbeidea als ik ze noemde, het kiesrecht te verleenen, door hen uit te zoeken, bij wie men, zooals de grondwet voorschrijft, kenteekenen van welstand en geschiktheid kan aanwijzen; dan blijven als van zelf de slechten als onwaardig of onrijp uitgesloten — de fout is, dat door de methode, door den minister gevolgd en door zijn vurige aanhangers verdedigd, het door mij geschetste doel niet wordt bereikt.
4
Er is bijna geen arbeider, die zijn vak verstaat en geen misbruik maakt van sterken drank, of wiens vrouw niet in hooge mate vuil, slordig en snoeplustig is, die niet zulk een kenteeken bezit.
Daar is er bijna geen van de goeden, die niet óf in eenige belasting is aangeslagen, óf wiens huis niet een geringe huurwaarde vertegenwoordigt, óf die niet iets heeft weten te besparen; daar zijn niet weinigen, die in de bedrijfsbelasting behooren te worden aangeslagen.
Natuurlijk, daar zijn enkele uitzonderingen Niet ieder, die zijn vak verstaat en oppassend is, heeft altijd voorspoed. Maar dat zijn ongelukkige uitzonderingen en moeten dan, om die niet te weeren, duizenden en tien dnizenden onwaardigen worden toegelaten ?
De goede arbeiders zullen het stemrecht kunnen verkrijgen bij een wet die, volgens den heer Mees *), rekening moet houden met de verscheidenheid van het maatschappelijk leven, door verschillende ken-teekenen op te nemen.
En wil men mij dan smadelijk tegenwerpen, dat ik censuskiezers wil maken, och, die naam doet zoo weinig ter zake; ik wil alleen trachten hen te vinden, die belang hebben bij den goeden gang van zaken.
Of zie ik verkeerd, zijn werkelijk alle niet bedeelde of veroordeelde inwoners van ons land rijp
*) Zie Handelingen 2de Kamer St. Gen. bl. 974, 1893/94.
5
voor het kiesrecht? Aan de werklieden zeiven zou ik dit willen vragen.
Naar mijne overtuiging voorshands zeker niet.
In mijn leven heeft weinig mij dieper teleurgesteld dan dat zoo veel menschen zulk een gering besef van verantwoordelijkheid bezitten.
De meesten vragen zich niet af, welke de gevolgen zijn hunner daden, zij handelen oppervlakkig naar indrukken van het oogenblik, en praten anderen na, in de politiek meestal het dagblad, dat zij geregeld lezen.
Dit geringe besef van verantwoordelijkheid voor onze daden treft vooral waar het de keuze geldt van hen, die de belangen van ons gemeenschappelijk vaderland als volksvertegenwoordigers zullen moeten behartigen.
En welke deugden de werklieden ook mogen bezitten, dit gebrek is bij hen zeker niet geringer dan bij de andere standen en het zal zich bij hen nog des te sterker doen gevoelen zoolang zij de politieke ontwikkeling missen die hun op den duur zal leeren, dat niet de woorden door den Candidaat in de Volksvergaderingen gesproken en de voorspiegelingen daar gedaan, den doorslag moeten geven, maar dat op de keuze van den Volksvertegenwoordiger den grootsten invloed moet uitoefenen de beginselen, de kennis, de toewijding aan het algemeen belang, de onafhankelijkheid, in één woord het karakter van hem die hun vertrouwen
6
vraagt. Bij eene plotselinge sterke uitbreiding van het kiesrecht is dit gevaar te grooter, naarmate de meeste nieuwe kiezers niet alleen geen politieke ontwikkeling bezitten, maar ook niet beseffen hoeveel kwaad zij door een verkeerde keuze kunnen doen.
Zullen wij dit gevaar nog vergrooten door behalve de werklieden, die kunnen voorzien in het onderhoud van hen zelf en van hun gezin en van wie men mag verwachten, dat zij belang hebben bij de maatschappelijke orde, ook nog te gelijk met hen, in den kring der kiezers te trekken diegenen, die elk waarneembaar kenteeken van welstand en geschiktheid missen, volstrekt geen belang stellen in hetgeen de Staat doet en wier stem allicht voor den meest biedende veil zal zijn. De moed ontbreekt mij dit te doen en ik zou den kiezers — ook hun die het meest uitgebreid stemrecht voorstaan — in gemoede willen vragen welke noodzakelijkheid er bestaat om ons volk bloot te stellen aan de groote schokken, die uit de ontzaglijk groote uitbreiding in ééns, voor de economische en maatschappelijke ontwikkeling van ons land kunnen voortspruiten. Blijkt het op den duur wenschelijk het algemeen stemrecht in te voeren, zij behoeven zich niet bevreesd te maken dat het zal uitblijven.
Aan de methode, die ik, met vele liberalen, zou wenschen gevolgd te zien, is nog een voordeel verbonden.
Bij gelegenheid van de behandeling (.Ier Staats-
begrooting over het loopende jaar in de iste Kamer, heeft in een welsprekende rede, de Heer Pynappel 1) o. a. betoogd, dat hij in de strafwet zag een groote opvoedende kracht.
Welnu, een kieswet kan opvoedend werken als goede arbeiders kiesrecht kunnen deelachtig worden. Als het een eer is kiezer te zijn, zal dit voor velen een prikkel worden om te trachten de kenteekenen te verkrijgen, die het kiesrecht geven.
Waarom niet getracht in dien geest werkzaam te zijn?
Engeland is steeds beschouwd als het meest constitutioneele land van Europa Toen ik vóór ongeveer 50 jaren mijn eerste bezoek aan Engeland bracht, waren de Engelsche arbeiders politiek meer ontwikkeld dan onze arbeiders nü, en de Radicalen of vooruitstrevende Liberalen verlangen nu reeds verder te gaan dan Engeland, waar het kiesrecht geleidelijk is uitgebreid, terwijl onze Regeering, onbegrijpelijkerwijze naar mijne meening, halsbre-dende toeren wil laten doen!
Oldenzaal, 27 Maart 1894.
C. T. STORK.
Zie Handelingen le Kamer Stat. Gen. 1893/94 bl. 169.