ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

I

ii ♦ ^

S 3 5 3

lïi

i j ♦ j. i i S 3 3 !* S 3 S (3 ■ \'■ :■ :■ :■: ■;• v e^-

; teK

.M i

* * * -*

• m

. •• til-gglt;-

; gt;♦-} -lt;— -gt;

lt; ^ ;■

lt;-;®lt;-

:• glt;-lt;■

^ »•)lt;-

^W-1-

■ w-

^

.-. gt;♦*}♦-

lt;■

;•.gt;gt;-w

■ïgt;lt;-lSglt;-

^ h-

: Ölt;-^g^-

\'■■■amp;;■*--\'■■:.*)*--

L x

-$£rquot;quot;

■ S^-i. }^

I :■: x-)^

igt;;S^-

Ö4lt;-

Iv^)^ i quot;■ OT »■■

I gt;:

Ic:^ iX ?S^-

§ ■.*)■•-i ^ 1 g^-

1^^-= • *gt;lt;-

I . *-)lt;-

|::H-h-r- g^-

i:-:

[;;;*^-

fXS^e-

: ; ■* ) -lt;-

;

: gt;

? ■; «.

1

-^gt;; —»^5\'\'x

-Hfe

■4fe -^S

quot;^Öxlt;

—vf-* V

;;;

-Kigt;gt;

:|? -gt;■gt;••

H$\'lt;

-►( :•:

-K x

Hffev

3|

-gt;-{*:■;

-^85 -^■■■gt;

-HgC-: :■:

gt;; v ;■

^-üüidüvt -* .■

ft tgt;T t r 11 - ^

t t t t T

■,■* * ^ * \'4 ; ^ ^ ^ v* * \'A * ■:* 1* 3 * •* 3 S-.* 5 ^5 55 * ^ 5

^*\':-; ■ \'■■■v\'\'-••• -• •\'■•• $.lt;«lt;• gt;■■ \'■•■ ^•:•■quot;:gt;: ••;■:■: :•;lt;:• • ;•: ;•;lt;:■; x,

-~*mk -

-fe:

—K gt;;

-gt;-( ■♦gt; ;:

—gt;-( ■■;

s1 D -^;---

P. A. DAUM.

Redadettr vc,n Jut Bataviaasih KianttUad

BATAVIA G. KOLFF A: Co.

1890

t tTtTt rTt tYTTTTYTVTtTt\'V

DOOR

(EEN STEM UIT INDIE)

ocr page 4

Erratum. Op nevensstaand titelblad komt voor, geheel onderaan, 1889; dit moet zijn 1890.

ocr page 5

Mi Dl illTi IlliS ïl

(EEN STEM UTT INDIE)

DOOR

P. A. DAUM

Redacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad

BATAVIA G. KOLFF amp; Co.

1889

ocr page 6
ocr page 7

Het artikel „Waarom de Minister Keuchenlus vielquot;, werd den 5n Februari door mij geschreven in het Bataviaasch Nieuwsblad; daags te voren was in Indië een telegram ontvangen, het aftreden van den Minister van Koloniën Mr. L. W. C. Keuchenius vermeldend, zoodat de loop der debatten in de Eerste Kamer welke rechtstreeks dat aftreden voorafgingen, mij geheel onbekend was.

Afgescheiden van mijn denkbeelden over de nederlandsche politieke toestanden en verhoudingen, heb ik het optreden van den heer Keuchenius, als Minister van Koloniën, destijds in het belang der nederlandsche koloniën met vreugde begroet Voor Indië verwachtte ik veel van hetgeen Indië noodig heeft, om naar zuiverder grondslagen bestuurd te kunnen worden.

Hoezeer ook met velen in die verwachting teleur gesteld, — stond tli.ins één overweging bij mij op den voorgrond, die n. 1. dat de politieke persoonlijkheid van den heer Keuchenius en de omstandigheden, waaronder hij in het openbaar als Minister van Koloniën optrad, een billijke en onpartijdige beoordeelin eischten.

Van zijn tegenstanders in Nederland was die moeilijk te verwachten; van zijn geestverwanten aldaar moest elke rechtvaardiging of wat daarop neerkomt, leiden tot verdachtmaking.

Het kwam mij daarom voor, dat het zijn nut kon hebben — ook met het oog op de a. s. verkiezingen voor de Staten Generaal — aan mijn kort geschrift in Nederland eenige opeabaarheid te geven.

P. A DAUM.

ocr page 8
ocr page 9

WAAEOM DE MINISTER KEUCHENIUS VIEL. (Een stem uit Indie)

DOOR

p. a. üaum:.

Redacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad.

De klachten over het weinige, dat op politiek gebied in Nederland tot stand kwam ia het jaar 1889, betroffen niet enkel het beleid van den Minister van Koloniën. De geschiedenis van het tegenwoordig Kabinet is van zoo recenten datum, en de klachten zijn zoo algemeen geweest in de organen van verschillende partijen, dat het overbodig mag hee-ten door aanhaMngen of citaten het bewijs te leveren, dat die wel verre van enkel den heer Ketichenius te raken, neér-kwamen op het Ministerie in zijn geheel.

Een conciliante schoolwetsherziening, hoofdzakelijk draaiende om het vraagstuk van subsidie voor het bijzonder onderwijs, een wetsontwerp tot regeling van den boterhandel, — ziedaar bijna de geheele actie van het Kabinet-Mackay, waarbij nog een regeling van den kinderarbeid mag gevoegd worden.

Overigens niets. Noch op militair of maritiem gebied, noch op dat van financiën, noch op dat van het kiesrecht, of naar welke zijde men ook het oog wendt, kwam iets tot stand.

En terwijl werkelijk in Nederland zelf een ontzaglijk ar-

ocr page 10

— 6 —

beidsveld braak lag, bleek het Ministerie niet in staat de spade krachtig in den grond te drijven.

De Minister van Koloniën, de heer Kenchenius, ging hierin samen met zijn collega\'s, en waarmerkte van zijn kant de solidariteit van het Kabinet, door zich, evenals de ambtgenooten met wie hij was opgetreden, van elke politieke daad van aanbelang te onthouden; door in den geest van het Kabinet-Mackay van elk voorstel ol\' wetsontwerp van eenigszins ingrijpenden aard af te zien.

Het zoo van alle zijden beschouwd Atjeh-vraagstuk trachtte hij commissoriaal te maken, welke poging afstuitte op een personenquaestie van -weinig beduidenden oorsprong; de zaak der gouvernements-koffiecultuur bracht hij mede in commissie, hetgeen tot een zeer „deskundigquot; maar weinig bevredigend rapport leidde, waarvan naar mijn meening geen belangrijke gevolgen zijn te voorzien.

Verder niets (1)

Dat men dit in Indië dezen Minister kwalijk nam, lag voor de hand. Als nederlandsch staatsman was hij de eenige, waarvan men voor Indië iets afdoends meende te mogen verwachten, tot wijziging van het verouderd, achterlijk en verderfelijk stelsel van bestuur, waaronder de nederlandsche koloniën gebukt gaan. Die verwachting had een dubbelen grond. Zij wortelde èn in hetgeen omtrent den politieken persoon van den heer Keuchenius uit zijn optreden in de Tweede Kamer bekend was, èn in de open principes der staatkundige partij, waartoe hij behoorde. De nieuwe Minister belichaamde als het ware in het Opperbestuur in Nederland de meeste beginselen op koloniaal politiek gebied, waar-

1

Dit slaat natuurlijk alleen op hetgeen in openbare behandeling kwam. Indien ik wel ben ingelicht, heeft de Minister Keuchenius verscheiden belangrijke onderwerpen ter hand genomen, uitgewerkt en om advies naar Indië gezonden, waar ze, bij zijn aftreden, meer in het bijzonder bij oen tweetal departementen van Algemeen Bestuur, nog aanhangig waren.

ocr page 11

voor hier reeds zulk een reeks van jaren vruchteloos was gestreden. (\') En toen later bleek, dat de heer Ke\'ichenius, ■wat dit betreft, in hoofdzaak niet meer was of wezen kon, dan de anderen vóór hem waren geweest; toen de hoekige, consequente politicus van gister in den vijzel der regeerings-partij werd omgestampt in een Minister van plooibare inactiviteit, — toen rees hier in Indië een billijke klacht, die zich omzette in een ernstig verwijt. Dat was recht.

Doch wat hier tegelijk groote verbazing wekte, was de houding zijner tegenpartij in Nederland, zoo in als buiten de Kamer. Wel schreven de organen dier partij in het algemeen met geringschatting over de „werkloosheidquot;\' van het Kabinet Mackay, doch zij erkenden met zooveel woorden, dat het gedwongen was veel water te doen in zijn wijn. Men had de gematigdheid geprezen van het wetsontwerp op het Lager Onderwijs; men za^, dat ondanks die gematigdheid de Regeering bij de behandeling een half jaar later tot nog meer te krijgen was. Men gebruikte de ,werkloosheidquot; van het Kabinet nu en dan als politiek wapen en om invloed uit te oefenen op besluitelooze Kamerleden of voor te bereiden op de kiezers, maar men heeft er blijkbaar geen oogen-blik ernstig aan gedacht het Kabinet te doen vallen Daan-um. En toch wegen de nederlandsche belangen in Nederland het zwaarst. De belangstelling in indische aangelegenheden kan daarbij in geen vergelijking komen.

Voor hen die in Nederland wonen, en daar óf de toestanden altijd hebben waargenomen gelijk die zijn, óf er na terugkeer uit Indië wederom eenige jaren in mêegeleefd hebben,—treedt het besef van de waarde en het recht der indische belangen maar al te vaak op den achtergrond, en daarentegen dringt

ocr page 12

— 8 —

zich op den voorgrond het gevoel, dat men toch eigenlijk gerechtigd is van zulke schoone koloniën voordeel te behalen, en men ze metterdaad alleen heeft, ten dienste van het rechtstreeksch belang des lands.

Waar dit begrip domineert — en dat doet het bij verreweg de groote menigte van eiken stand en richting in Nederland —, daar ligt de conclusie voor de hand, dat als de „werkloosheid\'\' van het gansche stel nederlandsche ministers in noch buiten de Volksvertegenwoordiging aanleiding gaf tot pogingen om het van de baan te dringen, — dit wel in de allerlaatste plaats het geval moest zijn ten opzichte van een Minister van Koloniën, die geen ingrijpende maatregelen beraamde en voorstelde op het gebied der koloniale politiek.

Naar zulke maatregelen is in Nederland zelf nimmer ernstig vraag geweest. De liberale partij liet de belangrijke wijzigingen, die zij overeenkomstig haar politiek program had moeten invoeren, als regeeringspartij rusten; tijdens de periode van het „doode puntquot; met een Kabinet van zaken deed zij geen enkele poging om iets in dien zin uit te lokken.

De indische belangen dienden hoofdzakelijk slechts gelijk de stok, die altijd te vinden is, wanneer men een hond wil slaan; als zoodanig werden zij nu het laatst gebezigd tegen den heer Keuchenius.

Het is waar, dat hij zeer laat kwam met zijn begrooting in de Eerste Kamer. Hoe kundig de heer Keuchenius ook moge zijn, — hij is geen handig en vlug werkman op de bureaux. Zijn bureaucratische eigenschappen hebben, naar ons uit deu Haag werd geschreven, ook de klasse van ambtenaren tegen hem in het harnas gejaagd; zij zijn geen staatslieden, dat is zoo, maar hun invloed is niettemin groot en er bestaat een ontwikkeld esprit de corps in menig opzicht. Wanneer de heer Keuchenius zijn stukken van zijn disposities voorzien naar de bureaux zond^ maakten de ambtenaren de voorstellen, beschikkingen, antwoor-

ocr page 13

den en;?, gereed, die er het gevolg van moesten zijn. De minuten kwamen terug zoodanig krioelend van renvooien, en zoo zwart van doorhalingen, dat een geheele omwerking onvermijdelijk was; en als de minuten nogmaals naar het Kabinet van den Minister gingen om geparafeerd te worden, dan kwamen zij veelal terug-, zooals zij de eerste maal teruggekomen waren. Iedereen beseft hoe onaangenaam dienen het was onder zulk een Hoofd van Departement; hoe ontmoedigend en ontstemmend dat op de chefs der afdeelingen en het verder ambtspersoneel heeft gewerkt; hoe zij een „hekelquot; kregen aan dezen Minister, en hoe de gansche ambtelijke wereld, dieper het onaangename van dit binnenkantsche feit gevoelend, dan wat ook op politiek gebied, den heer Keuchenius en horreur bad.

In de Eerste Kamer, nu, was bet de heer Muller, die tegenover den Minister van Koloniën den stok het eerst hanteerde-Moed was daartoe niet noodig. Zijn optreden droeg niet het karakter van dat van den heer Keuchenius in 1866 of van dat van den lieer Van Eees tegenover den Minister Van Golt-stein dertien jaren later.

Het Voorloopig Verslag der Commissie van Eapporteurs was in den geest waarin de heer Muller sprak, vooraf gegaan; het liet door een groot aantal leden een eerste grief\' formuleeren;

„Een eerste grief tegen \'s Ministers houding betrof zijn onvrnchibaarheid als hervormer van Indische toes t at der. Men bracht zich to binnen, hoe de Minister, ond Secietaris Generaal van het Departement van Koloniën, oud lid van d^n Raad vaa Jsederlandtch Indië oa van de Tweede Kmuer, bewezen had tofgerust te zijn met ern gruote mate van kennis omtrett onze Indische bezittingen, hoe hij ia zijn laatste qaaliteit op tal van hervormingen had aangedrongen en ielerea Minister van Koloniën, vsn welke richting ook, fel bestreden had en mcedoogenloos gecritiscerd. Van zulk een man was men gerechtigd veel te verwachten ea vooral, dat hij zijn vele woorden van vroeger tot daden zou maken, toen hij, als hoofd van het Departement van Koloniën, zitting Lam in een Ministerie, dat in het in do openingsrede van 1 Mei 1888 medegedeelde programma van werkzaamheden waarlijk niet karig was in de aankondiging van

ocr page 14

— 10 —

plannen, waarvan de uitvoering ten bate zou strekken van Indië. De Volksvertegenwoordiging in hare beide takken ontving den Minister met welwillendheid en toen zij ten vorigen jare den Minister interpelleerde over de vervulling van hetgeen door hrm was beloof 1, en hij lich op den korten tijd, die verloopen was sedert hij het bewind had aanvaard, beriep, legde zij zich bij dit actwonrd neder en verbeidde belangstellend hetgeen een niet ver verwijderde toekomst, oaar men grond had to verwachten, aanbrengen zon.

„Sedert is er eea jaar verstreken en waar zijn thans de vruchten van \'s Ministers werkzaamheid ? Het antwoord kan niet anders dan een betuiging van teleurstelling zijn. De Minister verdiept zich in bespiegelingen, maar hetgeen hij volbracht heeft is luttel en dat weinige gaf\' zoo als nader wordt aangetoond, tot ernstige bedenkingen aanleiding.quot;

Wij liebben reeds aangetoond, dat de liberale partij — en daartoe alleen kan het ..groot aantalquot; uit het Voorloopig Verslag hebben behoord — het recht miste den Minister in het bijzonder zijn onvruchtbaarheid te verwijten Zij had geen verwachtingen te putten uit den persoon van een tegenstander. Vooral geen verwachtingen, waaraan zij zelf verzuimde te beantwoorden, toen dat in een twintig maal langere periode, dan die den Minister gegund was, haar recht en haar plicht was.

In het algemeen genomen waren gedurende de laatste vijf en twintig jaren op de achtereenvolgende nederlandsche Kabinetten, wat gewichtige staatkundige maatregelen in het belang des lands betreft, de vier p\'s van Mr. Praed (1) van toepassing;

To promise, pause, prepare, postpone And end bij letting things alone;

In short, to earn the people\'s pay Bij doing nothing every day.

Toch werd nimmer, voor zoover mij bekend, een Minister in het nederlandsche parlement ten val gebracht om hetgeen hij naliet te doen, terwijl in dit nalaten juist altijd de grootste te-

1

W. E. Uladstone. The Melbourne Government,

ocr page 15

— 11 —

kortkoming heeft gelegen, ook op het gebied der zuiver neder-landsche staatkunde, van eiken Minister van eenige beteekenis.

Het argument tegen den heer Keuehenius van liberale zijde aangevoerd hetzij in, dan wel buiten de Kamer, valt als zoodanig, (want van indisch standpunt is het juist) niet anders te qua-lificeeren, dan als onwaardig en valsch.

Zoo dit geldt voor het Voorloopig Verslag, — het doet dat evenzeer voor \'t betoog van den heer Muller, die in de Eerste Kamer den strijd aldus inleidde:

„Mijoheer de Voorzitter! Ik zal da VereadetiDg niet lang ophoulen. De klok wijst aan dat van de vier dagen die ons van dit jaar nog resten, deze dag reeds voor meer dan de helft verstreken is. Toch moet de uitslag onzer overwegingen omtrent deze wet, krachtens den constitutioreelen eiscb, vóör het einde van het jaar in onze verafgelfgen Oost-Indischo bezittingen hekend zijn. Zoo wordt de Eerste Kamer andermaal gedreven tot een haastige behandeling van oen wet, zoo gewichtig van beteekenis als de begrooting van Nederlaodseh Indie. waarmede thans in ontvangst en uitgaaf de kleinigheid van ruim 272 millioen gemoeid is.

„Mij is het vaak voorgekomen, dat zulk een behandeling niet in goede harmonie was met de uitnemende gedachte die ten grondslag ligt aan de gelukkige bepaling, dat de begrooting van Indië bij do wet moet worden vastgesteld.

„Ditmaal echter vorkeeren wij ia gelukkige omstandigheden daaromtrent. Blijkens het Verslag der Commissie van Rapporteurs toch betreften de opmerkingen, in de afdeelingen gemaakt, niet direct de djftrs van de begrooting, maar golden alle overwegicgea het politiek beleid van den Minister.

„Waar wij nu binneokort het voorrecht hnpen te hebben om Zijn Excellentie den Minister van Koloniei andermaal ia deze Vergadering te ontmoeten ter behandeling van hoofdstuk X dor Staatsbegrooting, daar komt het mij met alle boBcheidenheid voor — ea wanneer ik op het woord druk, kan ik er bijvoegen, dat ik weet, hier de gedachte uit te drukken van een zeer groot aantal mijner geachte medeleden, — laat ik dus zrggen; daar komt het ons verstandtg voor, ditmaal geen politiek debat over Nederlandrch Indië te houden, maar dit uit te stellen tot da behanJeling van genoemd hoofdstuk, en om dus heden de administratieve cijfers van deze begrooting zonder meer te voteeren en Zijn Excellentie

ocr page 16

— 12 —

alzoo in de gelegenheid te stellen om van do aaimeming dezer begrootiag aan den Gouverneur Generaal van Nederlandtch lodië spoedig kennis te geven.quot;

Zonder discussie, zonder hoofdelijke stemming werden daarop de vier hoofdstukken der indische begrooting aangenomen. De indische begrooting voor 1890 stond van dat oogenblik buiten de zaak. Zij was erdoor, onherroepelijk.

De dienst, welke men haar in de Eerste Kamer toch nog verder heeft laten doen, als lioofdstuk X der Staatsbegrooting, behoort volkomen bij den bedenkelijken aard van het dienstbetoon.

Zooeven is door mij gesproken van den „strijdquot;, doch dat was alleen par manière de dire. Voor de Eerste Kamer was het alleen de vraag of men, ja dan neen, den Minister zou afmaken, door hem dood te stemmen; met 36 stemmen der tegenpartij tegen 14 van eigen combinatie was de uitslag vooraf vrij zeker, en zoo men zich over iets mag verwonderen, — tenzij men met afgesproken werk had te doen — is het \'t feit, dat de nederlaag van den Minister slechts voortkwam uit de helft plus één, daar volgens een telegram, dat Reuter ons door een verzuim niet te bekwamer tijd toezond, bleek, dat de stemming in de Eerste Kamer sloot met e«n meerderheid van een enkele stem; het kan zijn, dat de verdeeldheid onder de liberalen, die bij de herziening der wet op het Lager Onderwijs bleek, tegenover den Minister van Koloniën in de Eerste Kamer nawerkte, dan wel dat de ongewisheid der uitkomst bij een eventueele Kamer-ontbinding, sommige fractiën heeft teruggehouden

Daar het nu naar logische redeneering niet mogelijk is, dat den heer Keuchenius in de Eerste Kamer de kool werd gestoofd, omdat hij niet met kracht optrad als koloniaal hervormer, en dit als niet meer dan een voorwendsel valte beschouwen, rijst vanzelf de vraag: waarom dan?

En het antwoord ligt voor de hand: De heer Keuchenius is gevallen om zijn openbaar als minister zoo in de Kamer als in zijn Ministerie beleden en op den voorgrond gesteld

ocr page 17

— 13 —

calvinisme. De liberalen, die op enkele uitzonderingen na, niet-geloovers zijn, lamnen het niet verdragen, dat er van de groene tafel gepredikt wordt; uit den mond van een minister des Konings willen zij niet in \'s lands politieke vergaderingen hooren van het „Koninkrijk Godsquot; en „Onzen Heere Jezus Christusquot;. De andere Ministers hebben zich daarvan onthouden; maar de heer Keuchenius, die het niet laten Icon en niet laten ivïlde, begon er telkens over. D;it was voor de liberalen te veel, en al zou de onderste steen zijn boven gekomen, zij zouden het op den duur niet hebben kunnen en willen verdragen.

Het was ook bijna onvermijdelijk, dat op deze eigenschap de homogeniteit van het Kabinet gevaar moest loopen te stranden. Hoezeer de katholieke partij voortkomt uit en wortelt in den christelijken godsdienst, — in partïbus infidelium is de geest der accomodatie vaardig over haar politiek; daar laat zij bij openbare aangelegenheden den godsdienst er zooveel doenlijk buiten; daar kan zij, als in casu, met een andere religieuse staatspartij samengaan, zelfs een gecombineerde regeerings-partij ermee vormen; maar gezamenlijk zitting nemen in een Ministerie met een staatsman, die van de banken, waarop goed-katholieke ministers zitten, telkens de leer van het orthodoxsch-protestantisme luid laat weerklinken, — dat moet de katholieke partij te machtig wezen, en ongetwijfeld mag men het antwoord zoeken op de vraag, waarom bij den val van den Minister Keuchenius het Ministerie zich niet homogeen heeft verklaard, in de omstandigheid, dat de heer Schaepman de heeren Mackay en De Savornin Lohman aan het verstand heeft gebracht, dat men om de politieke combinatie te sauveeren, den heer Keuchenius moest loslaten.

Er zal door de tegenstanders van den heer Keuchenius worden betoogd — zonder eenigen goeden grond overigens, doch ter rechtvaardiging eener handeling, welke ik uit een

ocr page 18

— 14 —

politiek oogpunt niet aarzel infaam te noemen—, dat men alles van den Minister zou voorbij zijn gegaan, had men slechts gemeend van hem een oplossing te mogen verwachten der hangende koloniale vraagstukken. Het is echter niet mogelijk daarmede ook slechts den schijn te redden. Of heeft men zulke verwachtingen wellicht van den Minister van Oorlog ter zake van \'s lands defensie, dan wel van dien van Financiën wat een zoo dringend noodige herziening van net Rijksbelastingstelsel aangaat ?

Voor de liberalen, zoowel als voor de regeeringspartij leidde onder de gegeven omstandigheden de eenige weg om zich van den heer Keuchenius te ontslaan, via de Eerste Kamer der Staten Generaal. Maar dat men dien weg heeft gevolgd, stelt een vreemdsoortig antecedent daar; een antecedent dat bij een homogeen ministerie zou zijn uitgeloopen op Kamerontbinding.

Het is wel nergens bij de wet bepaald, dat de Eerste Kamer zich behoort te houden buiten beoordeelingen als waaraan zij thans den Minister van Koloniën heeft onderworpen, maar het is een algemeen gedeelde staatkundige meening, dat dit niet tot haar eigenlijken werkkring behoort. Zij wordt geacht te zijn een bolwerk der bestaande constitutie, een remtoestel voor het geval de Tweede Kamer, rechtstreeks gekozen, tot politieke buitensporigheden mocht overslaan en mocht te kort doen aan de rechten der Kroon of de belangen der natie. Het is dan ook een ongehoord feit, dat de Eerste Kamer een minister laat vallen naar het heet op een begrooting, die feitelijk reeds door Haar en dus ook door de Tweede Kamer is goedgekeurd, en waarnaar reeds wordt ga-werkt, om redenen geheel buiten die begrooting gelegen, en onder de valsche leus, dat de Minister geen ingrijpende voorstellen doet op koloniaal politiek gebied.

Het feit op zichzelf — afgescheiden van den persoon van

ocr page 19

— 15 —

den heer Keuchenius — bewijst, dat men in Nederland nog steeds bezig is de eindelooze periode door te maken eener politieke immoraliteit, waaraan men reeds zulk een lange reeks van jaren lijdende is en waarvan — de Eerste Kamer heeft het thans bewezen — het einde helaas! nog niet is te voorzien.

Ifl plaats van een bolwerk te zijn voor de rechten der Kroon, is tegenover een Harer raadslieden, den heer Keuchenius, die Kamer juist het tegenovergestelde geweest, en randde Zij metterdaad die rechten aan, door Haar meerderheid tot het werktuig te maken van een minderheid in de Tweede Kamer.

Nu ik getracht heb een zuivere voorstelling te geven van de ware oorzaken, die tot den val van den heer Keuchenius hebben geleid, moet ik mijn oprecht leedwezen erover uitdrukken, dat hij zich om welke uit Kabinets- politiek voortvloeiende beweegredenen dan ook, gedurende zijn bijna tweejarig ministerschap heeft laten terughouden van onmiddellijk ingrijpende voorstellen tot reorganisatie van het stelsel van koloniaal bestuur.

Hij zou ermede gevallen zijn, — dat staat bij mij vast.

Zij, die thans in Nederland het hardst klaagden over het feit, dat die voorstellen zicii lieten wachten, zouden er de hardnekkigste oppositie tegen gevoerd hebben. Aan breed uitgemeten bezwaren zou geen gebrek zijn geweest.

Maar de heer Keuchenius zou gevallen zijn met eere, en de staatkundige nederlaag ware een zedelijke overwinning geweest.

Hij zou — nu ja! — de betrekking van Minister hebben verloren, zoo goed als thans; iets vroeger alleen. Doch zijn défaite ware geëerbiedigd, en zelfs zijn tegenstanders zouden tegen hem hebben opgezien.

Thans zien wij den bejaarden man, die op het terrein der nederlandsche en koloniale staatkunde zoo lang en zoo hard heeft gewerkt; van wien men in Indië en voor Indiö bij zijn

ocr page 20

— 16 —

optreden in April 1888 zulke vérstrekkende verwachtingen koesterde, na een bijna twee-jarigen arbeid zonder noemenswaardig resultaat, roemloos yallen, in een Eerste Ka-Tiier; op een onderwerp dat geen onderwerp meer was; om een reden, die daar geen reden wezen mocht en die op zichzelf niet meer kon heeten dan een voorwendsel.

En zoo hij alleen is moeten heengaat, dan is het ongetwijfeld met den schralen troost, dat, om met de anderen te kunnen samenwerken, hij zich eerst heeft moeten opoiferen, en daarna als het ware is uitgestooten om het herhaaldelijk en hoog houden der vaan, waaronder ook de anderen zijn binnengeloodst.

P. A. Dauji.

ocr page 21
ocr page 22
ocr page 23
ocr page 24