MEER DAN MENSCH, MEER DAN EENE NATUURLIJKE VERSCHIJNING.
UIT HISTORISCHE BRONNEN,
DIE DOOR ALLE PARTIJEN
VOOR ECHT ERKEND WORDEN.
AANGETOOND DOOR
te Leerclam..
T I E L,
WED. D. R. VAN WERMESKERKEN. 1870.
E. oct.
—
JEZUS CHRISTUS.
MEER DAN MENSCH, MEER DAN EENE NATUURLIJKE VERSCHIJNING.
die dook alle partijen
AAKGKTOONU UOOK
J. C. DIE H L.
Predikant Ic Leerdam.
X 1 K b,
Wed. I), a. van WERMESKERKEN. 1870.
■ I1LIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
Muziekdrukkci\'ij vim A. van der Veen Oumkeiis, te Wnjjeniii
Voor allen, die de verschijning van Jezus Christus liefhebben is het eene ernstige vraag, wie is de Christus? Dat is immers ook in onzen tijd de belangrijke vraag; Is er in Jezus Christus eene onmiddellijke openbaring, of is Hij eene geheel natuurlijke verschijning op het gebied van de geschiedenis der menschheid? Terwijl vragen van minder belang, waarover vroeger zóó heet gestreden werd, vergeten worden en de scheidsmuren der kerkgenootschappen omvallen, wordt onze Protestantsche kerk hoe langer hoe meer van die vele partijen verlost, om in twee groote afdeelingen den strijd te strijden, voor en tegen het supernatureele in Jezus Christus.
Waar moeten wij echter het antwoord zoeken op de vraag: wie is de Christus? Is het ons genoeg, wanneer eene koele redeneering zegt, dat Jezus onmogelijk meer dan een mensch kan geweest zijn, of wanneer anderen, even kloek en stellig verzekeren, dat Jezus Christus is, zooals de geloofsbelijdenis van Athanasius Hem beschrijft? Of zullen wij als middelmannen zijne persoonlijkheid plaatsen tusachen den Jezus van Henan, den zoon van Jozee , of den onechteu zoon van Maria en den Christus der confessie? Zouden wij niet
VI
het verstandigst doen, wanneer wij eerst van eene verschijning op het gebied der geschiedenis vragen: wat zegt de geschiedenis?
Heeft het Christendom eene geschiedenis? Zoo neen, dan valt er over de geschiedenis van Jezus niet veel met grond te spreken. Dan is het .beter te zeggen, dat wij niet weten wie Hij geweest is. Als bijv. Renan verzekert, dat Jezus niet te Bethlehem geboren is, maar te Nazareth, dan moeten wij immers vragen: hoe weet Renan dat? Maar het zou toch zonderling wezen, indien het Christendom geene geschiedenis had. Terwijl het kleinste rijk, om zóó te spreken, eene historie had, zou de grootste historische factor van bijna achttien eeuwen in het geheel geene geschiedenis hebben!
Heeft het Christendom echter eene geschiedenis, waar moet ik die vinden? Want de Evangeliën en vele andere geschriften van onzen bijbel en van latere Kerkvaders zijn onecht, verzekert men. Maar als het Christendom eene geschiedenis heeft, dan moeten er ook
echte bronnen zijn. Nu heb ik al die bronnen aan wier echtheid ^
men te recht of ten onrecht twijfelt, aan mijne linkerhand gelegd en i de bronnen, die volgens alle partijen echt zijn, aan mijne rechterhand.
Wat geven die laatste bronnen ons van Jezus Christus? Ik heb die b
bronnen opgezocht, er uitgeput en wat van mijn onderzoek het resul- I
taat was, deel ik aan anderen mede. Ik hoop, dat het blijken zal, I(
dat ik daarbij zoo bedaard heb gehandeld, alsof ik op de oude manier sc
eene logarithmentafel wilde maken, door meetkunstige en rekenkunstige te middenevenredigheden te zoeken.
Maar wat ik u bidden mag, zegt het toch niet aan de Hoogge- ze:
leerden onder ons. Ik zal u mededeelen waarom niet. leder, die en
eenigszins bekend is met den strijd, dien het Christendom tegen- v«
woordig te kampen heeft, weet ook van hoe groote beteekenis het die
is, eene juiste bepaling te hebben van den sterfdag des Heeren. Ik ver
heb eene poging aangewend om te bewijzen, dat de 15c Nisan, ook die
volgens Johannes\' Evangelie, de sterfdag des Heeren was. Nog ben op
ik overtuigd, dat het zóó is. Ik heb, dit weet ik zeker, geen enkel kon
woord gebruikt, dat anderen hinderen kon. En wat gebeurde toen ik gesl
mijn werkje getiteld XV Nisan uitgaf, ten einde de echtheid van het ster
vierde Evangelie te verdedigen? Een recensent beschuldigde mij, dat eem
VTI
ik een bezwaar tegen dat Evangelie, als een hoofdbezwaar voorgesteld had, om de goede lieden te verschalken. De nuchtere onnoozelheid van dien recensent is toch wel zonderling. Zon die man nooit gehoord hebben, wat de voornaamste woordvoerders op het gebied der kritiek, zooals Baur en anderen, tegen het Evangelie hebben ingebracht? Kende de recensent van theologische beschouwingen misschien die mannen niet?
Ik bid u, zegt het vooral niet aan den Hooggeleerden professor K. want zijn Hooggeleerde zou wellicht in dezelfde (echt humane als van een apostel der humaniteit) geestdrift komen, als toen ik het durfde wagen om tegen de opinie van zijn Hooggeleerde een woord te spreken voor de echtheid van het Johannes-Evangelic. Toevallig was mijn werkje in handen gekomen van zijn Hooggeleerde, doordien zijn Hooggeleerde, even toevallig zeker, eene aankondiging van XV Nisan gelezen had in „Geloof en vrijheid.quot; Wat durft een eenvoudig dominé, die niet eens bij eene groote bibliotheek zit, ook meepraten, waar Hoogleeraars reeds meer dan eens gezegd hebben: zóó is het.
Ik heb dit werkje niet uitgegeven, om geleerdheid te etaleeren. Ik ben niet geleerd, zoo als een Ba.ur en Schwegler in Duitschland, een Pareau of een Hofstede de Groot in ons vaderland, voor wier geleerdheid ik, en duizenden met mij, eerbied hebben. En de professor K. heeft niet noodig een vraagteeken achter het woord geleerdheid te zetten, wanneer er over anderen gesproken wordt.
Ik stel het hoogste belang in het Christendom en er zijn duizenden in ons land, die met mij in het Christendom hunnen vrede en hunne rust zoeken. En het is daarom voor ons eene belangrijke vraag, ,,wie de Christus is naar de geschiedenis.quot; Ik heb getracht die vraag te beantwoorden. Het resultaat, dat ik verkregen heb, verheugde mij, en ondersteunde mijn geloof aan God, den Vader, die zich heeft geopenbaard in Jezus Christus , en bevestigde mijne hoop op een eeuwig leven, dat de gezant des Allerhoogsten ons kwam aankondigen. In dat geloof in Jezus Christus is een Paulus blijmoedig gestorven. In dat geloof zijn vele braven weggegaan, wier leven en sterven door de geschiedenis der kerk medegedeeld wordt. Uit dat eenvoudige geloof heb ik gezien , dat zoovelen op hun ziekbed kracht
VUT
putten, om het zwaarste lijden gelaten te dragen. In dat eenvoudig geloof heb ik zoovelen zien sterven met de zalige hoop op een eeuwig leven: waarom zou ik het willen verlaten? Waarom zou ik trachten het anderen te ontnemen? Ze zijn er die zeiden, dat zij van een kinderlijk geloof wilden opklimmen tot de wetenschap der volwassenen. Ik hoop en bid voor mijne laatste ure, als de rijkste gave der eeuwige Liefde en het hoogste waartoe de mensch hier opklimmen kan, „een kinderlijk geloof.quot;
§ 1.
In het begin van dit jaar ontmoette ik to Hotter dam een\' mijner vrienden, die van der jeugd af aan veel belangstelling voor het Christendom had. Hij woont in den zoogenaamden Aehterhoek en spreekt de taal, die men zoo gaarne van onzen Cremee hoort, en die mij ook altijd aangenaam in dc ooren klonk en daar mijn vriend maar zelden in deze provincie komt, had ik hem in lang niet gezien. Nadat wij zoo over alles gepraat hadden bracht hij het gesprek spoedig op den godsdienst. En plotseling vraagde hij mij „wat dunkt n nu van den Christus?quot; „Verwacht ge nu van mijquot; was mijn antwoord, „dat ik u precies het wezen van den Heiland verklaren zal? Achttien eeuwen hebben getracht antwoord te geven op uwe vraag. Alle stelsels van godgeleerdheid waren niet anders dan pogingen, om een duidelijk antwoord te geven op dc vraag: wie is de Christus?quot;
Corame toi, ma raison en ténèbres abonde Et ce n\'est pas a moi, de t\' expliquer 1c monde.
„Maarquot;, zoo hernam hij „wat heb ik aan Jezus Christus, als ik Hem niet begrijp, als ik mij geene voorstelling, geen begrip kan maken van zijne persoonlijkheid?quot;
„Dat kan ik u zóó niet toestemmenquot; zeide ik „want ik geniet het licht en do warmte der zon en toch begrijp ik
2
niet, wat het licht is, en hoe het van de zon komt. Ik eet het brood, schoon ik de vorming van de tarweplant uit de zaadkorrel evenmin als de groeikracht doorgronden kan. Zou ik nu daar buiten op de straat blijven staan, terwijl de wind zoo koud over het beursplein giert, en zou ik weigeren dit lekker warm vertrek binnen te treden, voor dat ik begrepen heb wat warmte is? Xeen, zoo moeten wij niet redeneeren.quot;
„Wat dan?quot; riep hij uit „in het geheel niet redeneeren misschien, want redeneeren is de poging om te begrijpen. Laat ons dan maar zeggen:
Nur der Irrthum ist das Leben Und das quot;Wissen ist der Tod.quot;
„Neen, mijn vriendquot; hernam ik „en gij weet ook wel, dat ik gaarne de dingen begrijp, maar ik beweer niet, dat ik alles begrijpen kan en moet. Zoo geloof ik in God en gij ook, maar van Zijn Wezen begrijpen wij niets. Ons verstand kan alleen begrijpen, dat is omvatten, wat begrensd is. Hoe zou ik den Oneindige omvatten? De God, dien ik begreep, zou niet de Oneindige, maar een afgod zijn. Alleen in de diepte van ons gemoed kunnen wij den Alomtegenwoordige gevoelen, of hoe zal ik dat uitdrukken? Want, wat er in ons gemoedsleven omgaat dat laat zich niet bepalen door juiste, logischebe palingen, als eene wiskunstige stelling.quot;
„Gij weet immers hoeveel moeite de wijsgeer Hegel heeft aangewend, om het zijn te bevatten. En hij was een man van denhen niet waar? In denkend vermogen stond hij boven zijne tijdgenooten, zooals koning Saul met zijn hoofd boven het gelieele leger van Israël uitstak. En toch heeft Hegel het zijn niet kunnen begrijpen. Zullen wij nu ons gemoedsleven afhankelijk maken vau de vraag: of ik alles begrijp, en uls grondstelling erkennen, oin niets anders aan te nemen.
3
dan wat ik begrijp? Zelfs het zijn van eene zandkorrel kan ik niet bevatten, want zeg ik, dat men door die te verdoelen eindelijk tot stofjes komt, die niet meer verdeelbaar zijn, dan heb ik stof die lengte, breedte noch hoogte heeft en dat is ondenkbaar — en zeg ik integendeel, dat men altijd aan liet verdeelen blijft, dan komt men nimmer tot de grondstof. Althans Hegel heeft het nooit begrepen, en als hij het meende te vatten dan was het op pantheïstische manier. En pantheïst wilt ge niet wezen.quot;
Moet ik daarom aan geene onsterfelijkheid gelooven, omdat ik niet begrijp hoe ik onsltrfdijk ben, en icat in mij onsterfelijk is, en hoe dat onsterfelijk deel in de eeuwigheid komt ? Ach, zoo zou ik allen grond onder mijne voeten wegnemen, en ik ken er ouder mijne vrienden, die den weg hebbon ingeslagen, door u aangegeven en nu in het geheel aan geen eeuwig leven gelooven. Plaatsen wij ons verstand niet te hoog.
Elle (Ia raison) n\'a comme 1\'ocil qu\'un ctroit horizon Dans ce cercle Tjornc Dieu t\'a marqnc ta place.
„Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat men in onzen tijd het verstand niet zelden te hoog plaatst, door het te beschouwen als den eenigen factor (beweegkracht) in ons zieleleven, en het is missehicn niet eens de voornaamste factor, want onze gemoedsbewegingen, neigingen, hartstochten, ons gevoel voor het schoone en goede, onze driften, in een woord, alle krachten van ons gevoel- en wil vermogen zijn zeker geene minder belangrijke factoren tot vorming van ons karakter, onze werkzaamheid, ons geluk, dan het verstand.quot;
Ik geloof dus niet, dat ik zeggen moet; ik neem Christus niet aan, omdat ik Hem niet begrijp. Of zou ik kunnen verklaren: ik neem de ruimte niet aan, omdat ik er mij geene voorstelling van vormen kan? Ik kan Christus hoog-
4
achten en liefhebben, zonder zijn innerlijk wezen te begrijpen. Toen Petrl\'s , door de geheele persoonlijkheid van Christus ingenomen, uitriep: gij zijt de Zoon des levenden Gods, zou hij zeker geene logische bepaling hebben kunnen geven van de uitdrukking „Gods Zoon.quot;
„Dat ben ik nu wel zoo wat met u eensquot; was zijn antwoord „en wat ik zoo even zeide was ook zoo ernstig niet gemeend. Maar ik zou gaarne van u weten, hoe gij over Jezus denkt, want ik ben gedurig met mij zeiven in de war. Nu eens ben ik geneigd Hem alleen voor een\' mensch te houdeu, maar dan kan die beschouwing mij weer niet bevredigen ; want dan denk ik, hoe weinig belang ik er bij heb, dat er voor achttien honderd jaren een\' Jood geleefd heeft, die beter was dan ik. Heeft God Hem zóó doen geboren worden, dat Hij boven alle andere menschen uitstekend was, of was dat niets anders dan eenc bijzonderheid in de geschiedenis , even natuurlijk te verklaren, als wanneer eens een appelboom tweemaal zooveel vruchten droeg als ooit vroeger? Of heeft Gods Voorzienigheid Hem zoo bijzonder geschapen of begiftigd? Wat zou dat anders zijn dan een wonder?quot;
„Ik geloofquot; hernam ik „dat er op uwe redeneering heel wat aan te merken is, maar ik begrijp zeer goed, dat de harten der menschen bij den strijd onzer dagen zeer geschokt worden. Doch, zoo als gij terecht opmerkt, is de hoofdzaak in den kamp deze vraag; Is er in Jezus Chkistus cene bovennatuurlijke Openbaring of niet?quot;
„Ja,quot; zoo sprak hij „dat is bij mij ook de hoofdzaak. En ik hel nu eens naar dezen dan naar genen kant over, maar gij blijft altijd vasthouden aan eene supernatureele Openbaring in Christus en daarom zou ik zoo gaarne uwe gronden hooren.quot;
„Die kan ik u maar zoo niet in een oogenblik zeggen,quot; hervatte ik; „gij zijt er wel eens bij tegenwoordig geweest,
5
wanneer wij in de studeerkamer van Ds. P. van der Willigen in Tiel, de bezwaren behandelden, die er bestaan tegen het geloof aan eene Openbaring.quot; Dat is nu bijna dertig jaar geleden en het is mij niet mogelijk zoo in een oogenblik al de factoren op te noemen, die mij in het geloof hebben versterkt. Ik kan er niet van spreken, hoe het God behaagde mij door zijne Voorzienigheid te leiden en mijn vertrouwen op Zijne macht en liefde te versterken. Mijn subjectief gevoel kan geene waarde hebben, om u te overtuigen.quot;
„Dat hebt gij recht gezegdzeide hij. „Ik weet wel, dat de moderne kritiek hare schokken voortplantte, ook onder uwe voeten. Zij heeft u wel doen wankelen, maar niet omgeworpen. Ik wenschte ook wel eene vaste overtuiging te hebben, maar het zien van uw geloof neemt mijne onzekerheid niet weg. Daarom vraag ik naar de gronden, waarop uw geloof steunt.quot;
„Goed, ik wil u daarop antwoorden, hernam ik en dan is mijne eerste vraag: Gelooft gij aan God, die, boven de natuur verheven, wonderen doen kanr\',
Dat is, gij vraagt „of ik supernaturalist ben. Het is echter bekend, hoe hevig het supernaturalisme wordt bestreden.quot;
„Zeker wel,quot; hernam ik „maar voor mij zclven ben ik er volkomen zeker van, dat ik moet kiezen of het materialisme d. i. eene wereld zonder God, of het pantheïsme d. i. God in de wereld of het supernaturalisme d. i. God boven de wereld. Eene wereld zonder God willen wij geen van beiden. Het pantheïsme heeft voor het denkend verstand ontzaglijk veel verlokkends, zoodat de sterkste geesten er door mede-gesleept werden, maar het behaagt u noch mij. Zoo blijft er dan niets anders over dan het supernaturalisme. Ik versta dat woord in den algemeenen zin, zooals het in de geschiedenis der wijsbegeerte voorkomt, niet zoo als sommigen van onzen tijd, die er een\' engeren zin aan geven.quot;
6
„Als ik geloof aan een\' God boven de natuur, dan versta ik daardoor niet, hoeveel voeten of mijlen de Allerhoogste boven de eindige Schepping verheven is. Dat is onzin. Maar ik vraag u, of gij gelooft aan een persoonlijk wezen, dat de wereld geschapen heeft en onderhoudt, en dat meer is dan de eindige natuur? Want zie, als gij tot beginsel aanneemt, dat God geene wonderen doen kan, dan kunnen wij niet verder praten, dan staan wij in ons Godsbegrip lijnrecht tegenover elkander en dan kunnen wij geene gelijke godsdienstbegrippen hebben, dan kan het bij u geene vraag wezen „of Christus meer was dan een gewoon mensch.quot; De vraag is dan reeds vóór alle geschiedenis door u beslissend beantwoord, omdat cene buitengewone persoonlijkheid bij u eene onmogelijkheid is. In dat geval zou ik moeten beproeven u aan te toonen, dat uw Godsbegrip niet goed is.quot;
„Neen, dat behoeft niet,quot; sprak hij „want ik geloof met u, dat God dc wereld geschapen heeft en dat Hij menschea heeft voortgebracht door eene daad van Zijn\' wil. Men heeft mij wel gezegd, dat God de natuurkrachten niet kan verbreken, die Hij zelf gemaakt heeft en dat een wonder in strijd is met Gods wezen en met de volmaaktheid der Schepping, maar, ik kan dat niet toegeven, ook omdat ik niet geloof, dat een wonder ooit was eene verbreking van natuurwetten. Ik stel mij voor, dat een klokkenmaker een volmaakt uurwerk vervaardigd heeft, dat nu van zelf goed loopt, maar indien nu iemand goedvindt den slinger stil te houden, dan moet dc klokkenmaker het werk weer aan den gang brengen door den slinger een\' duw te geven. Dat doet hij natuurlijk door eene daad van zijn\' wil. Ik zie niet in, hoe dat in strijd is met de wetten van het nurwerk, of hoe het de bekwaamheid van den klokkenmaker verdacht maakt. Als nu de menschen misbruik gemaakt hebben van hunnen vrijen wil, gezondigd
7
hebben en daardoor op een\' weg gekomen zijn, die van God afleidt, waarom zou Hij niet door eene wilsdaad kunnen of mogen herstellen, wat menschen bedorven hebben? Als de menschheid, zonder God levende, op dien weg voortgegaan was, dan zou zij het persoonlijke leven verloren hebben en meer en meer genaderd zijn tot het redelooze en onpersoonlijke , maar dat heeft God niet gewild. Hij kwam tussehen beiden — zie, dat is voor mij nu niet ondenkbaar. En daarom ben ik met u van gevoelen, dat eene supernatureele Openbaring niet onmogelijk is.quot;
„Ik zou u de woorden kunnen toevoegen,quot; zeide ik ,,die Mede a tot haren man sprak:quot;
Jason, gij hebt uwe rede schoon versierd.
„Maar uwe bedoeling begrijp ik goed, en wij staan dus beiden op een terrein, waar wij elkander verstaan kunnen. Nu eerst kunnen wij de getuigenis dor historie hooren. Want, als wij te voren vaststellen, dat Jezus niet anders geweest is dan een gewoon mensch, dan is het onderzoek naar de wording des Christendoms eene historische vraag, alleen voor geleerden van belang, die u weinig interesseert Wat zal de gemeente immer hebben aan zulke wetenschappelijke vertoogen?quot;
\') Het is bekend, dat de Tubingsche Godgeleerden beproefd hebben, om de wording van het Christendom natuurlijk te verklaren. Als die poging slaagde, dan zou men het geloof aan het bovennatuurlijke in het Christendom moeten opgeven. Immers, wanneer men het ontstaan der eerste menschen geheel natuurlijk verklaren kan, dan moeten wij ons denkbeeld van eene Schepping van den mensch door God, laten varen. Maar ieder, die de werkzaamheid der Tubingsche Godgeleerden op dit gebied opmerkzaam heeft gadegeslagen, zal erkennen, dat die poging niet geslaagd is en twijfelen, of hetgene zij zoeken, langs dien weg zal verkregen worden. Ik hoop in het volgende aan te tooncn, waarom ik niet kan denken, dat men er langs historischen weg immer in slagen zal.
„Ik ben ook van oordeelquot; hervatte hij „dat men te voren niet zeggen moet, wat de historie — al of — niet kan verhalen. Men moet haar objectief laten spreken. Kan ik niet weten, wat er na honderd jaren gebeuren zal, hoe mag ik verzekeren, wat er voor honderd jaren al of niet geschied kan zijn? Wat is de geheele Schepping wondervol en wonderschoon! Als men al die dingen niet gezien had, dan zou men te voren denken, dat ze niet bestaan konden. Toen ik eau paar dagen geleden te Leiden in het museum van Natuurlijke historie was en den ontzaglijken rijkdom der natuurvoortbrengselen zag, dacht ik met eerbied aan de Almacht, die dat alles voortbracht.quot;
„Juistquot; hernam ik „zoo denk ik er ook over. Wij moeten dus den weg der geschiedenis bewandelen. Gaan wij ons begrippen vormen buiten de historie, dan zijn het meestal subjectieve bespiegelingen, die, zonder den vasten bodem der geschiedenis, van korten duur zijn. Dan zal men in eens menschen leeftijd meer dan eens van begrippen moeten veranderen. Ik zou u mannen kunnen noemen met degelijk logische hoofden, die toch in hun leven hunne hoofdbegrippen geheel veranderd hebben. In den stroom van den tijdgeest liggen de ingestorte puinhoopen van vele menschelijke systemen. Telkens tracht men uit de verspreide overblijfselen weer een ander gebouw op te richten, dat ephter geene betere fondamenten heeft, dan de vorige en ook door den stroom wordt medege-sleept. Zóó dunkt mij dat het onmogelijk is, te zeggen wat God al of niet doen kan en wat al of niet met Zijne Goddelijke natuur overeenkomt, „Vondel zegt uitmuntend in zijn\' Lucifer:
Gij ijvert krachtig voor De glorie van Gods naam, doch zonder t\' overwegen,
Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen Veel beter kent dan wij.
9
„Er is echterquot; sprak mijn vriend „nog iets, dat tegenwoordig dikwijls gezegd wordt, en wel: dat alles vooruitgaat, en dat de godsdienst ook niet stilstaan zal. Dat denkbeeld heeft mij ook wel eens opgewekt, om den stroom van onzen tijd te volgen, die de begrippen en instellingen onzer voorouders wil te boven komen. Wij gelooven toch aan den vooruitgang der mensehheid. De geschiedenis is niets anders dan het verhaal van dien vooruitgang in beschaving, en die staat nooit stil.quot;
„Maarquot;, vroeg ik toen „moet nu alles veranderen? Veronderstel eens, dat de kunst in onzen tijd hooger stond dan in het classieke Griekenland, zou dan het idee van het schoone toch niet gebleven zijn, zoo als liet door Plato werd voorgesteld? Genieten wij niet hetzelfde zonlicht als onze voorouders vóór duizend jaren? Eten wij niet hetzelfde koren, dat de oude Germanen gebruikten, al bakken wij onze broodcn in een\' anderen vorm? Hebben wij nog niet dezelfde grondstoffen voor ons gewaad, al heeft het ook den vorm naar den smaak der eeuw, waarin wij leven? Zijn de wiskunstige grondstellingen nog niet dezelfde? Doch, laat ons niet afwijken van den gang onzer redeneering. Wij zijn met elkander ovcreenseko-nien, dat de geschiedenis ons moet zeggen, wie de Ciikistüs is.quot;
„Maar is het niet onmogelijkquot; riep Lij uit „om te weten wie Jezus Chrtstus , naar de geschiedenis, geweest is ? Waar vind ik de echte bladen der geschiedenis onder zoovele, die als onecht of als vervalscht worden gemerkt door de tegenwoordige kritiek ? Toen ik jong was, hoorde ik dikwijls verzekeren , dat de Openbaring van Johannes onecld was en nu wordt zij integendeel door de meeste geleerden voor echt gehouden. De een zegt, dat Mattheüs in het Hebreeuwseh geschreven heeft en de ander zegt in het Grieksch. Dat was reeds in onze jeugd zóó en nu, na meer dan vijf en twintig jaren, weten wij er nog precies even veel, of liever even weinig van.
10
Nu eens zeggen de mannen der wetenschap, dat het Evangelie van Markus het oudste is, dan valt de voorkeur weer op Mattheus. In onze jeugd twijfelde bijna niemand aan de echtheid van het vierde Evangelie en nu wordt het door vele geleerden verworpen.quot;
„Wat wordt er op die manier van geschiedenis? Hoe kan een ongeleerde als ik, ooit spreken van historie of van een\' Christus naar de historie ? Waar moet ik dan dc geschiedenis van Jezus vinden? In het Evangelie van Johannes? Daar iu het allerminst, antwoordt men mij, want dat is stellig zeker en heelenal onecht. Kom ik bij de drie andere, ja die zijn ouder, zegt men, en meer historisch, maar ze zijn toch ook of door de schrijvers zeiven met Legenden en Sagen versierd, of door anderen vervalscht. De een heeft er een kapittel voorgezet, de andere heeft er een paar hoofdstukken achter geschreven, of ze hebben er kleinere en grootere stukken ingeschreven, zoo als de letterzetter spatiën zet, waar hij wil. De Handelingen der Apostelen zijn gemaakt, om twee partijen in de oude kerk te verzoenen, en zij bevatten dus geene geschiedenis, maar eene fabel, om vrede te stichten, zooals de llomein Menenius Agrippa het oproerige volk, op den Heiligen berg buiten Rome verzameld, door eene bekende fabel wist te belezen, om vrede met de Aristocraten te maken.\'5 In wanhoop begeef ik mij naar de brieven van Paulus, maar de een is zeker van den Apostel niet oordeelt men, omdat hij precies op een\' anderen brief gelijkt en de andere is onecht, omdat er gnostieke bespiegelingen in gevonden worden, die eerst in lateren tijd zijn ontstaan.quot;
Toen hij die woorden met vuur uitgesproken had, vroeg ik:
quot;Was ist der langen Rede kurzer Siun? „Dat er dus eindelijk niets overblijft! hernam hij. Dat er
1]
van een\' Christus naar de geschiedenis niet kan gesproken worden, zoo lang het onderzoek der wetenschap geene vaste resultaten opgeleverd heeft.quot;
„Ik begrijp uwen toestand volkomenquot;, zeide ik „en ook, (lat gij door dit alles in de war gebracht wordt. Ik ben er ook dikwijls door geschokt, want, ik ben evenmin als gij onvatbaar voor de consequentie van eene wetenschappelijke redeneering. Ik ben niet in staat, om in al die zaken te beslissen en niet geleerd genoeg, om die massa van bewijzen en tegenbewijzen grondig te kennen en te beoordeelen. Er is inderdaad eene groote geleerdheid noodig, om dat alles duidelijk te overzien. Moet ik dan wachten tot die strijd beslist is, eer ik iets van Jezus weten kan? Moet ik wachten, tot de geleerden het eens zijn, ten opzichte van de echtheid of de onechtheid van het JoHANNES-Evangelie? Moet ik zoo lang twijfelen aan Christus , tot dat de beschouwing der drie andere Evangeliën vaste resultaten zal opgeleverd hebben? Dan zie ik wel, dat ik in mijn leven niet verder kom, dan ik uu beu.quot;
Jahre lang schöpfen wir schon in das Sieb und briiten den Stcin aus; Aber der Stein wird nicht warm, aber das Sieb wird uieht voll.
von Schiller.
„Zóó is het met mij gesteldquot; hernam hij ,,eii toch heb ik een innig vertrouwen op het Christendom. Die zaak is te groot, te heilig, dan dat zij verdwijnen zou. Wat moet er van de wereld worden als het Christendom moet ondergaan? De woorden van v. Schiller, door u aangehaald, die mij verzekerden, dat gij den lievelingsdichter onzer jeugd nog niet vergeten hebt, brengen mij andere verzen voor den geest uit hetzelfde treurspel, als ik mij niet vergis. Ofschoon v. Schiller een ander bedoelt, mag ik die echter hier wel toepassen op Jezus.
12
Deun dieser Königliche, wcun er fallt Wird eine Welt im Stürze mit sich reissen Und wie ein Schiff, das mitten auf dera Weltmeer In Brand gerath mit einem Mal und berstend Auffliegt, und alle Mannschaft, die es trug Ausschiittet plötzlich zwischen Meer und Himme.,
Wird Er uns alle, die wir au sein Gliick Befestigt sind, in seinen Fall hinab ziehen.
„Maar nogtans begrijp ik niet, hoe gij van een\' historischen Christus spreken kunt, en op welke gronden gij gelooft aan eene supernatureele Openbaring in Hem.quot;
„Ik weet niet,quot; zoo ging ik voort „of het u bekend is, dat vooral de Tubingsehe School beproefd heeft, om den oorsprong van het Christendom geheel natuurlijk te verklaren. Ik kan daarover nu niet spreken , want dan zouden wij ons op wetenschappelijk terrein moeten begeven, en dat is nu ons plan niet. Ik moest er echter melding van maken, om de volgende reden.quot; Toen ik onlangs eens nadacht over dat onophoudelijk kampen en strijden over de echtheid van vele Evangelieboeken kwam het mij, zooals ik zoo even zeide, voor den geest, dat wij moeielijk kunnen verwachten, dat er gedurende mijn leven vaste resultaten zullen verkregen worden, die bij alle partijen vaststaan. Toen dacht ik;
leh will auf kurzerm Weg mir Licht verschaffen.
„En wat ik toen deed zal ik u zeggen. Wanneer de Tubingsehe School — en zij is het, die de echtheid van vele schriften des N. T. het hevigst heeft bestreden — in hare poging niet geslaagd is, dan heeft zij nogtans eenen grooten dienst bewezen. Zij heeft de gedenkschriften, die er uit de oude kerk overgebleven zijn nauwkeurig gewogen. Zij heeft ons in staat gesteld, grondiger te oordeelen over de echtheid
18
of onechtheid van vele oude stukken, bijv. van de brieven van Ignatius. Zij heeft ons opmerkzaam gemaakt op de beteekenis der Clementinen 1) enz. Wat heb ik nu gedaan?quot;
,,Er zijn eenige schriften in het N. T. die nooit met eeiii-gen grond betwijfeld zijn, ja, wier echtheid met geene mogelijkheid kan ontkend worden. Zelfs de geleerde en buitengewoon schrandere, oordeelkundige Ferdinand Chiustiaan Batjb. en de scherpzinnige Schwegler hebben erkend, dat de navolgende schriften zeker echt zijn : 1e de brief aan de Eo-meinen; 2e de twee brieven aan de Corinthen; 3e de brief aan de Galaten; 4® de Openbaring van Johannes. De andere boeken van hetN. T. zijn, naar hunne verzekering , niet ouder dan de tweede eeuw. Als ik nu de grootst mogelijke concessie doe, de boeken aan wier echtheid eenige twijfel bestaat op zijde leg, en alleen die geschriften voor mij plaats, die door alle partijen erkend worden, dan heb ik toch, meen ik , een\' goeden historisch en bodem. Heeft het Christendom geene geschiedenis , dan is het een verschijnsel, dat evenmin te verklaren is als waarom het nu regent; maar heeft het cene geschiedenis , dan moeten wij haar in die bronnen en oorkonden vinden, die, door allen, als historische boeken erkend worden. Indien ik dan die schriften alleen als bronnen beschouw, die boven opgegeven zijn, dan heb ik zuivere bronnen, of ze bestaan er niet; dat is: dan bestaat er geene geschiedenis des Christendoms. In de brieven aan de Romeinen, aan de Corinthen, aan de Galaten en in de Openbaring heb ik dus een stevig historisch bolwerk, dat door geen enkel belegeringswerktuig der kritiek aangevallen wordt.quot;
„Maar,quot; hervatte mijn vriend „men heeft toch wel enkele deel en in die boeken voor onecht of verdacht gehouden.quot;
\') In het vervolg zal hierover uitvoeriger gesproken worden.
14
„Dat is ook zoo,quot; ging ik voort „maar hoe heeft men dat gedaan? Als ik te voren bepaal, wat de Apostel niet kan geschreven hebben en op zoo zuiver subjeotieven grond een woord van den Apostel uitveeg, dan kan zulk eene reden alleen gelden voor hem, die met mij erkent, dat er iets onmogelijks staat. — Zoo is het nu gebeurd; zij, die geen\' God boven de natuur erkenden, wilden uit de schriften van Paülus uitwisschen wat tegen hun gevoelen streed. Doch wij hebben het immers reeds besproken, dat wij niet eens behoeven te onderzoeken, wat de historie van Chmstus zegt, als wij te voren vastgesteld hebben, dal eene supernatureele Openbaring onmogelijk is. Daarenboven heb ik mijne resultaten nooit gebouwd op eene enkele plaats, maar op de overtuiging des schrijvers, die zich overal en duidelijk openbaarde.quot;
„Zoo heb ik dan ernstig gevraagd, welke gedachten had Paulds van den persoon des Heeren? En het antwoord op die vraag heb ik gezocht in zijne brieven, die door allen als echt erkend worden. Waar moest ik het anders zoeken?
]k heb denzelfden weg bewandeld bij het lezen van de gedenkschriften uit den na-apostolischen tijd. De echtheid van eenigc dier eerwaardige overblijfselen der oudheid wordt ontkend, terwijl andere algemeen aangenomen worden. quot;Welnu, ik heb gevraagd: welke denkbeelden had men van Jr.zus in de oude kerk, onmiddellijk na de Apostelen? Wat hebben die vrome mannen van Jezus gezegd, die de Apostelen des Heeren nog gekend hadden? Ter beantwoording van die vraag heb ik alleen gebruik gemaakt van zulke geschriften die algemeen , door alle partijen, als echte stukken worden erkend. Elk boek of eiken brief, waaraan men twijfelt, heb ik ter zijde gelegd; zelfs wanneer er tegen een stuk maar bedenking gemaakt was door competente mannen, heb ik het met behoedzaamheid gelezen.quot;
15
„Sta ik nu op historischen bodem of niet? Is er geene geschiedenis van den eersten tijd der Christelijke kerk, dan is de kennis van Christus geheel onmogelijk, maar bestaat er historie, dan moet ik op deze wijze op vasten bodem komen.quot;
,,Dat is dunkt mij een goede wegquot; zeide hij „een weg ook voor mij misschien begaanbaar. Ach, ik heb zoo dikwijls met Jean Jacques gedacht: moet men dan eerst zoo geleerd zijn, om een geloovig Christen te zijn. Ik heb zoo dikwijls gedacht; toon mij een\' weg, dien ik bewandelen kan. En zulk een weg wordt mij door u gewezen, wanneer gij mij namelijk wilt mededeclen, wat gij bij uw onderzoek gevonden hebt.quot;
Pat kan ik nu waarlijk zoo uit mijn hoofd niet doenquot; was mijn antwoord, maar ik heb opgeschreven, wat ik langs dien weg gevonden heb, en dat wil ik n gaarne zenden, opdat gij het op uw gemak kunt lezen. Doch laat ons nu naar onzen vriend gaan, die ons zeker reeds wacht.quot;
Zoo eindigde ons gesprek. Te huis gekomen heb ik mijn manuscript naar den Achterhoek gezonden. Ik heb het terug ontvangen met de vermaning, om het uit te geven. Ik heb dat gedaan, hoewel met schroom. Voor wie ik het uitgaf en met welke bedoeling, behoef ik niet te zeggen.
Broeders en Zusters, die mijn boekje iu handen neemt, gij zult zien, dat ik het geheel voor mij zelven heb opgesteld, omdat mijne ziel verlangt naar een vast geloof. Ik heb geen doel gehad, om tegen iemand te kampen, of iemand te miskennen, want dat zou ik zeker niet geleerd hebben uit de eenvoudige, vrome werken der Christelijke oudheid. Ik spreek namelijk van den tijd der Apostelen en kort na de Apostelen, want later werd het, helaas, anders. Toen kwam \\\\t\\. dogma, in plaats van de vroomheid. Toen begon reeds een Victor,
16
bisschop te Rome, er aan te deuken, om Christenen die niet precies dachten als hij, die b. v. op den 14(0 Nisan avondmaal vierden, terwijl hij het op zondag deed te verbannen. Maar van de vrome mannen van den na-apostolischen tijd heb ik niet geleerd jegens anders denkenden onvriendelijk te zijn. Dat heb ik zelfs niet geleerd uit de schriften der Heidensche oudheid. Van een der groote Grieksche treurspeldichters heb ik hooren zeggen : In beleefdheid is weinig moeite. „Ik heb alleen voor mij zeiven naar waarheid gezocht, en omdat gij dat ook doet - - want daarom begint gij mijn werk te lezen — wil ik u gaarne mijne beschouwingen mededeeleu, niet, om u voor te schrijven, hoe gij denken moet, maar om u te zeggen „hoe en op welken grond men in onzen tegenwoordigen tijd kan gelooven, dat de Christus der geschiedenis meer was dan een gewoon mensch.quot;
I)e getuigenis van Paulus.
Het jaar waarin Paulus geboren werd is nergens opgegeven. De geschiedenis bewaarde zeer nauwkeurig het jaar, den dag en het uur der geboorte van mannen, die eene kroon en een\' purperen mantel gedragen hebben, al waren zij ook nietig en ondeugend.
„De geschiedenis is het wereldgericht,quot; heeft v. Schiller gezegd, maar in weerwil van dezen weidschen titel, was zij gansch niet vrij van ijdelheid en vleierij. Wanneer wij echter alles bijeenbrengen wat hier en daar gevonden wordt, dan zullen wij kunnen aannemen, dat Paulus geboren is omstreeks
17
denzelfden tijd toen Jezus Christus het lèvensliolit aanschouwde.
Terwijl de Heiland onbekend in Nazareth, leefde, was de jonge Saulus in Jeruzalem, om, naar de manier der Joden, eene zorgvuldige opyoediug te ontvangen van beroemde Eabbis. Toen hoorde hij natuurlijk nog niets van Jezus en hij keerde naar Tarsus weder, zonder iets van den Heer te hebben vernomen. Toen StÉfanüs stierf was Saulus weer in Jeruzalem. Stéfanus had het duidelijk uitgesproken, dat de tempel zou afgebroken worden en de Joodsche zeden zouden veranderd worden. Niemand had het nog zoo duidelijk gezegd wat het Christendom tegenover het Jodendom doen zou, en daarom waren de Apostelen ook nog niet hard vervolgd geworden. Men meende toch, dat de Nazareners eene secte zouden vormen, als Farizeën en Sadduoeën en wanneer zij den tempel bezochten, de offers brachten en de tienden betaalden, dan was er voor de priesterpartij van hen weinig of niets te vreezen.
Maar nu StÉfanus zoo duidelijk gezegd had, wat het Christendom bedoelde en uitwerken zou, toen was Jeruzalem in rep en roer. De diaken StÉfanus werd het slachtoffer van zijn woord. Saulus stond er bij, toen men den edelen man steenigde, die het eerst zijnen grootcn Meester volgde op den weg naar de kroon, die het hoofd dea martelaars siert. De tapijtwever van Tarsus was echter nog niet zoo ver gekomen, dat hij zelf steenen naar den Christen wierp, maar toch wilde hij ten minste iets medewerken aan de strafoefening over een\' man, die gevaarlijk scheen voor het Jodendom. Hij bewaarde de kleederen, die de getuigen moesten afleggen, om met te meer kracht de eerste steenen te werpen naar den gehaten man. Weldra greep Saulus echter zelf steenen tegen de Christenen op.
Doch het kan niet in mijn plan liggen u de geschiedenis van Paulus te herinneren. Gij zult mij vergeven, dat ik bo-
2
18
venstaande trekken nit het leven des Apostels aan het boek der Handelingen ontleende. Het doet niets af, bij de zaak, die wij te behandelen hebben. Gij weet ook, dat Paclus een zwak mensch was, klein en onaanzienlijk van gestalte, zoo als gezegd wordt. De A-postel spreekt zelf van zijne kwaal 1). Hij spreekt van een doorn in hel vleesch en van een ent/el des Satans, dat hij hem met misten slaan zou. Deze woorden zijn echter te duister, om ons een recht denkbeeld te geven van don aard der kwaal. De uitdrnkking doorn in hel vleesch geeft zeker een lichaamslijden te kennen, do mdsislayen des Satans, natuurlijk zinnebeeldig te verstaan, gelijk het ziften des Satans2) bedoelen iets geestelijks. Ik zou dus denken, dat lichaamssmart gepaard was met zielelijden, of met een\' gemoedstoestand, die aan Paulus zeiven niet goed scheen. Ik heb wel eens gedacht, of hij ook aan de oogen geloden had. Immers, hij zegt in den brief aan de Galaten: Zoo het mogelijk ware zoudt gij uwe oogen uitgegravm en mij gegeven hebben. Zij zouden hem dus hunne oogen willen geven. Hij had die dus noodig, zou men zeggen. Wie toch zal tot iemand, die goede oogen heeft zeggen: ik zou u mijne oogen geven, als ik kon. Dit komt eenigszins overeen met de getuigenis van een\' kerkvader, die zegt, „dat Padlüs geleden heeft aan liet hoofd.quot;
Na zijne bekoeling tot het Christendom te Damascus, ging hij naar Arahië, waar hij zich een\' tijd lang ophield. Doch liet behoort niet tot ons doel zijne geschiedenis verder te behandelen.
Paulus is dus een tijdgenoot van Jezus. Schoon hij den Heer op aarde niet persoonlijk heeft gekend, was hij toch volkomen in de gelegenheid, om alles van Hem te weten.
\') Lac. 22, 31. 3) Gal. 4, 15.
19
Kunt gij u eene zóó groote verandering van wezen en leven als in Paulus voorgevallen is, kunt gij u een\' zóó langdurigen en zóó vurigen ijver, om Christus te prediken, voorstellen, zonder dat hij goed wilde weten en goed geweten heeft „wie Jezus was? Zou een Evangelieprediker jaren lang Christus kunnen verkondigen met onverdroten en onverflauwden ijver, bij zooveel tegenstand tegen Christus, zonder te willen weten wie Jezus Christus was, wanneer hij in de gelegenheid was, om het juist te weten ? Zoo kan ik er geen oogenblik aan twijfelen of Paulus de competente man is, om van Christus tex getuigen.
Wat is Paulus nu voor een man? Laat ons eerst zijn karakter opmaken uit die brieven, aan wier echtheid niemand twijfelt. De Apostel is vooreerst zelf volkomen overtuigd van de waarheid, die hij predikt. Hoe sterk en krachtig spreekt hij zijne overtuiging uit! Jl ware het ook, dat wij, of een engel uit den Hemel u een Evangelie verkondigden huiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 1) En op eene andere plaats: wij prediken Chrislus, den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis en den Grieken eene dwaasheid, maar hun die geroepen zijn .... de kracht Gods en de Wijsheid Gods. 5) Ofschoon zijn godsdienst aan Romeinen en Grieken eene dwaasheid scheen en bijgeloof, schoon dc Joden hem daarom altijd vervolgden, blijft hij standvastig, zonder ooit te weifelen bij zijne overtuiging, tot dat hij er voor sterft. Hij is daarenboven in geen enkel opzicht een enthusiast, maar wel een man van bedaard en gezond nadenken. Toen hij zulk een\' hevigen schok in Damascus ontvangen had, gaat hij niet dadelijk Christus prediken, maar hij begeeft zich eerst naar Arabic in de eenzaamheid, om daar in stilte te overwegen
•) Gal. 1, 8.
2) 1 Cor. 1, 23 eu 24.
20
en in te keeren in de diepte van zijn gemoed. Zijne bedaarde houding en zijne nuchtere kalmte bij het spreken van vreemde talen in Corinthe, ^ bewijst hetzelfde. De brief aan de Romeinen getuigt, hoe gaarne hij zelf goed begrijpt, wat hij zegt, en hoe hij wil, dat anderen het ook zullen begrijpen. Daartoe herhaalt hij meermalen met andere woorden, wat hij reeds geschreven had, om het zoo duidelijk mogelijk te maken. 3) Nooit heeft hij zijne overtuiging opgeofferd, zelfs toen hij Petrus anders zag handelen dan hij goedkeurde, ofschoon Petrus zelf met den Heer omgegaan had. De wijze, waarop hij in den brief aan de Galaten over dit geval spreekt, leert ons den man kennen, die overtuigd is en voor zijne overtuiging kampt.8) Nooit heeft het aanzien van eenigen mensch bij hem uitgewerkt, iets te doen dat met zijn geweten niet overeenkwam. In onverschillige zaken gaf hij alles toe en dat doen juist menschen, die in hoofdzaken eene diepe overtuiging hebben.
Maar iemand kan vooroordeelen hebben, die zich in de plaats van eene diepe overtuiging dringen en die vooroordeelen kunnen zeer sterk zijn, ja, zoo sterk, dat zij ook hunne martelaren hebben gehad. Is het nu echter voor u denkbaar, dat Jezus voor Paulus eene hoogere persoonlijkheid zou geweest zijn, niet omdat Hij het werkelijk was, maar omdat het een vooroordeel van den Apostel was? Allerminst kan ik dat denken van een\' man, die van vele vooroordeelen vrij was, welke in zijn\' tijd andere en zeer goede Christenen aankleefden. Of zou hij de vooroordeelen, die hij vroeger had, zoo krachtig hebben bestreden, om andere vooroordeelen aan te nemen? Hoe hoog staat de Apostel boven alle vooroordeelen, die in zijn\' tijd bestonden! Wat is hij eoht liberaal ten opzichte
2) bijv. Kom. V.
Zie 1 Cor. 14.
3) Gal. 2, 11.
21
van vasten, spijzen, feestdagen. Paulus is niet godsdienstig op bepaalde dagen, of op zekere uren, maar altijd; ook wanneer hij tentdoek weefde, deed hij dat met een godsdienstig doel. Hij begrijpt het wezen der zaak door alle vormen heen. Geene vormen hoegenaamd kunnen de waarheid voor zijn oog omsluieren. Overal slaat hij het kleed der vormen, hoe oud en hoe geëerd ze ook zijn, op zijde, om tot de kiem door te dringen, die er in verborgen is. Het koningrijk der Hemelen is bij hem geen\' spijs en drank, maar waarheid en gerechtigheid, het is niet gelegen in woorden, mg,ar in kracht. En zijne beschrijving van de Liefde in het 13® hoofdst, van den eersten brief aan de Corinthen is eene schitterende getuigenis voor zijne van vooroordeelen vrije ziel. Voor den gloed van zulk een verstand en zulk eene liefde verdwijnen de vooroordeelen als spinrag. Hoe echt liberaal voor een\' Jood is hetgeen hij schrijft aan de Romeinen: want wanneer de Heidenen, die de zoet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze, de zoet niet hebbende, zijn zich zeiven eene wet. 1)
Is Paulus echter in staat, om over godsdienst en zedelijkheid te oordeelen ? „Door heiligheid tot geluk,quot; dat is zijn beginsel. Wie heeft ooit zoo ernstig en zoo diep gedacht over het wezen der zonde? Wie begreep ooit beter de liefde en heiligheid van God in haar verband en in hare eenheid? Wie had meer zuivere denkbeelden van Gods geestelijk wezen en van aanbidding in geest en waarheid? Wanneer wij de schriften van beroemde geleerden en wijs-geerige kerkvaders inzien, nadat wij de brieven van Paulus gelezen hebben, dan is het alsof wij uit den breeden en krachtigen Missisippi in eene der kreken komen, bij dien stroom
\') Rom. II. 1.4.
23
zuo menigvuldig, en zooveel minder in breedte en diepte.
Als godsdienstleeraar is Paulos groot en eenig, zooals ook door alle partijen toegestemd wordt. —
Een der beginselen, die hij meermalen en met kracht uitgesproken heeft, is, dat hij niet bouwt op menschelijk gezag. Hij noemt zich nadrukkelijk den Apostel niel van inenschen , noch door een mensch; want ik heb , zegt hij , het ook niel van een mensch ontvangen of geleerd, maar door de Openbaring van Jezus Christus. \')
Het gezag zelfs van Petrüs , die tot het drietal behoorde der meest geliefde jongeren, die altijd met Jezus omgegaan bad, was bij Paulus niet onvoorwaardelijk. Integendeel , keurde hij het gedrag van Petrus te Antioohié ernstig af. En hij zegt tot de gemeente van Corinthe: opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van menschen, maar in de kracht Gods. \')
Opgevoed in het strengste monotheïsme, even vast als wij, overtuigd van de absolute eenheid des Scheppers van hemel en aarde, zal hij toch niet licht aan een\' mensch meer toegeschreven hebben, dan aan een\' mensck toekomt.
Laat ons nu zien wat Paulus getuigt van Jezus Christus en wij houden ons daarbij alleen aan zijne ontwijfelbaar echte brieven.
De mau, die geen Apostel is van eenig mensch, of door eenig mensch, noemt zich een dienstknecht van Jezus Christus 8) en het woord, dat door dieustkneebt vertaald is, be-teekent eigeulijk slaal\'. Hij spreekt van Christus als van dcu Heer der Heerlijkheid 4). Hij noemt Jezus onzen Heer 6). i)e Chiisteuen, zegt hij, roepen den naam aan van onzen
\') Gal. 1, 1, 11, 12. 2) 1 Cor. 2. 5. 3) Rom. 1, 1. 4) 1 Cor. 2, 8. 5) 2 Cor. 8, 9.
Heer Jezus Christus Kunt gij nu gelooven, dat Paulus op deze manier van Jezus gesproken zou hebben, indien de Heer niet anders was dan een gewoon mensch? Kunt gij u bijv. van een\' man als Paulus denken, dat hij uitdrukkingen zou gebruikt hebben als deze: den naam tan Mozes aanroepen. Het is wel mijne subjectieve meening, maar toch kan ik mij niet voorstellen, dat de Apostel deze laatste uitdrukking ooit zou uitgesproken hebben. Wat verlangt Paulus nu van den mensch, die den naam van Jezus Christus aanroept? Zij moeten in Christus gelooven \').
Door gelooven wordt men zalig, dat is de hoofdstelling van den Apostel; niet door de wet, niet door weten, maar door gelooven. Dat gelooven is bij Paulus een vast en onvoorwaardelijk vertrouwen. Zooals duidelijk blijkt uit zijne beschrijving van Abrahams geloof. Abraham geloofde in God en het loerd hem toegerekend tot gerechtigheid. Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele tolken, wegens hetgeen gezegd was. JLn niet verzwakt
zijnde in het geloof.....heeft hij aan de belofte Gods niet
getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof8),
Paulus verstaat dus door geloof in Christus een onvoorwaardelijk vertrouwen in Hem, een zich overgeven aan Hem. In welk verband dat geloof in Christus nu staat tot geloof in God, kan ik hier niet verder behandelen. Kan de Apostel, van menschenverheerlijking af keerig, en niet steunende op mcnschelijke wijsheid, nu verlangen, dat men in Christus gelooven moet, indien Jezus niet anders voor hem was dan een mensch ? Niet alleen , maar het geloof in Christus is voor hem zulk eene hoofdzaak, dat wij geene kinderen Gods kunnen worden, zonder in Christus te gelooven. —
1 Cor. 1, 2. -) Rom. 3, 12. ■■\') Rom. 4: 3, 18, 19 en 20.
24
Misschieu zult gij opmerken, dat de woorden geloof in Jezus Chrkim ook anders kunnen vertaald worden. Wij hadden namelijk het oog op hetgeen Paulüs schreef aan de Romeinen in het derde hoofdst. het 22quot; vers, de rechtvaardigheid Gods door het geloof in Jezus Christus. Nu staat dat in den oorspronkelijken tekst zóó, dat men meende het ook anders te kunnen overzetten \'). Eenigen hebben daarom vertaald: door het geloof van Jezus Christus, of hetwelk Jezus Chrisins werhte. Anderen hebben die vertaling, en naar het mij voorkomt, met grond, bestreden. Immers, men beweerde, dat Paulus hier en op andere plaatsen zou gesproken hebben van geloof in God, zoo ah Christus het had, of heioerhte. Maar oordeel nu zelf. De Apostel heeft ons zeer duidelijk gezegd wat hij bedoelde in het 23quot; vers van het 1quot; hoofdst. van deu brief aan de Galaten. Daar zegt hij , dat hij het geloof verkondigde , dat hij eertijds verwoest had. Wat was dat nu voor een geloof, dat Paulds verwoest had ? Dat was niet het geloof in God, want al kende de Israëliet dat geloof niet goed, toch kon Padlus niet van zich zei ven zeggen, dat hij het geloof in God verwoest had. Het geloof, dat Paulus verwoest had, was toch geen ander dan het geloof in Chkistus.
Maar, al ware het zoo, dat Paulus op deze en een paar andere plaatsen onselcer spreekt, dan is de uitlegging niet toepasselijk en zij is ook nooit toegepast op andere plaatsen, zooals Gal. 2 ; 16. Wij hebben in Christus Jezus geloofd \'). Daar en elders staat, volgens aller gevoelen, niet anders dan, geloof in Jezus Christds. TJio geloof, zoo lezen wij elders, moet niet zijn in wijsheid der menschen, maar in
\') hta ïrfaTEtu; Xplvzou.
2) /-\'it TjiAEi!: «i; XptTrov \'[tjSoüv iTT.\'trre\'jact^ci\'.
25
de kracht Gods. (1 Cor. 2 : 5.) Maar zij, die niet mochten gelooven in wijsheid der menscJien, moesten kinderen Gods zijn door het rjeloof in Christus Jezus, (Gal. 3 : 26), en daarenboven vinden wij bij den Apostel ook nog; geloof in Zijn hloed, (Kom. 3 : 25).
Daarom dankt Paulds altijd zijnen God door Jezus Ciiiustus , want dat wil immers zeggen, dat datgene, waarvoor hij dankt in hem tot stand gekomen is door Jezus Christus. Chkistus is hem geworden wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. (1 Cor. 1 ; 30).
Zou nu PaULUS van allen, die kinderen Gods willen zijn, verlangd hebben, da; zij in Christus moesten gelooven, zou hij hu zóó van Jezus gesproken hebben, indien hij in zijnen Heer en Verlosser niets anders gezien had dan een geicoon viensch ?
Daarenboven is Jezus volgens den Apostel zondeloos. Paulus spreekt gedurig van den Heer als van een\' mensch, maar dan voegt hij er steeds bij naar het vleesch. Wil dat niet zeggen, dat Hij op eene andere wijze nog iets anders is ? Ja, opdat men de menschelijke verschijning van Hem niet verkeerd verstaan en gelijk achten zou aan eene gewone menschelijke verschijning, zegt hij, (Hom. 8:3.) God heeft zijnen Zoon gezonden in de gelijkheid des zondigen vleesches. Jezus kwam in het vleesch; naar den vleesche was Hij de zoon Davids; zooveel hel vleesch aangaat is Jezus Christus uit de vaderenzoo spreekt Paulus op onderscheidene plaatsen. Christus kwam dus in het vleesch, niet in de gelijkheid van het vleesch, maar icèl in de gelijkheid van het zondige vleesch. Is dat niet duidelijk gesproken? Is dat niet op deze wijze gezegd, opdat wij aan Christus geen zondig vleesch zouden toeschrijven ? Jezus was dus waarachtig menseh, maar in de gelijkheid des zondigen
26
menschen. Als de Apostel dat niet wilde zeggen, dan moet men wel aan elke uitlegging wanhopen. Want, als Paulus bedoeld heeft, dat Jezus geen gewoon zondig mensch was, dan kon hij het moeielijk stelliger zeggen dan hij het nu gedaan heeft. Wat hij op eene. andere plaats geschreven heeft, bevestigt dit. Dim, die getne zonde gekend heeft, heejt Hij zonde voor ons gemaakt. (2 Cor. 5 ; 21). De Apostel noemt alle menschen zondaren, omdat allen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven, maar Jezus heeft niet alleen geene zonde gedaan, maar zelfs niet gekend. En zou nu een zondelooze bij Paulus niet anders geweest zijn dan een gewoon mensch?
Maar de Apostel heeft ook bepaald onderscheid gemaakt tusschen Jezus en den gewonen mensch. Hij spreekt (Eom. 1 : 3 en 4) von zijnen Zoon, die geworden is uit het zaad Davids naar het vleesch; die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods naar den geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden. In zoo ver Jezus dus eene lichamelijk mensche-lijke verschijning was, is hij een afstammeling van David, maar naar den geest der heiligmaking is Hij de Zoon Gods. Nu laat ik u gaarne toe, om de uitdrukking unaar den geest der heiligmakingquot; te verstaan, zoo als ge wilt, maar toch zult gij mij toestemmen, dat er in elk geval door uitgedrukt worden zal, de andere tegenover het vleesch gestelde kant van zijn wezen, namelijk het innerlijke en geestelijke. Naar dien kant van zijn wezen is Hij van geene menschelijke voorouders, maar Gods Zoon, en dat is bewezen door de Opstanding uit den doode. Nu moogt gij deze plaats opvatten naar uwe eigene meening, ja, al wilt gij hier met Baur aan den Messiaanschen geest denken, toch zult gij niet ontkennen, dat Paulus een onderscheid wilde maken tusschen Jezus Christus en een gewoon mensch.
27
Moet gij dat ook niet besluiten, uit hetgeen Paulus aan de Galaten schrijft, dat de inwoners van die landstreek hem aangenomen hadden als een engel Gods (ja) als Christus Jezus. Zie, die woorden vloeien uit zijn hart, zoo geheel zonder plan om te dogmatiseeren, en gij zult met mij hier een climax zien en erkennen, dat Paulus den Hetr boven den mensch plaatst.
Geen twijfel kan er bij mij overblijven aan de bedoeling van Paulus met uitdrukkingen, als wij behandeld hebben, wanneer ik zie in welke betrekking hij Jezus Christus plaatst tot God. Die betrekking is zoo nauw, zoo eenig, zoo verheven gedacht, dat men die met geene mogelijkheid kan toepassen op een gewoon mensch, die hoe wijs en deugdzaam ook, bij den Apostel altijd een zondaar is. De betrekking tusschen God en een zondaar kan door Paulus nooit gedacht worden, zoo als de betrekking tusschen God en Jezus Christus beschreven wordt.
De Apostel spreekt van het Opperwezen als van den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus. De vier zeker echte brieven beginnen en eindigen alle met de woorden „de genade van onzen Heer Jezus Christus zij met u.quot; In den brief aan de Eomeinen lezen wij in het begin: Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heer Jezus Christus (Hom. 1:7) en hij eindigt met den wensch: de genade van onzen Heer Jezus Christus zij met u allen (Eom. 16 : 30). Geheel op dezelfde wijze beginnen de brieven aan de Corinthen en aan de Galaten (1 Cor. 1:3,2 Cor. 1 : 2 en Galaten 1 : 1). Die brieven eindigen ook met dezelfde zegenbede: de genade van onzen lieer Jezus Christus enz. (1 Cor. 16 : 23 en 2 Cor. 13 : 13 en Gal. 6 : 18). Wat de genade van onzen Heer Jezus is, zullen wij later behandelen.
Er is hier dus een standvastig gebruik van den Apostel,
28
dat in ouderscheideue tijden van zijn leven hetzelfde bleef. En wanneer gij nu leest, wat de Apostel aohrijft (1 Cor. 8 :
6), nogtans hebben wij maar één God, den Vader uit welken alle dingen zijn en wij tot Hem en éénen Heer Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door Hem, kunt gij dan twijfelen aan de innige betrekking waarin Jezus gedacht wordt tot God ? Ik laat u geheel vrij, om de woorden; „door toien alle dingen zijnquot; te verklaren zoo als gij wilt. Jezus Cukistus is, zoo als Paulus zegt, liet beeld Gods (2 Cor. 4; 4). Wat wil dat zeggen? Wanneer wij iemand zelveu niet kennen, maar zijn beeld aanschouwen, van hoedanigen aard dat beeld ook zij, hetzij een portret, hetzij iemand die op hem gelijkt, hetzij eene aanschouwelijke voorstelling, dan zien wij uit dat beeld meer of minder, wie hij is, die er door voorgesteld wordt. Zoo is de mensch naar Gods beeld geschapen, dat is niet zoo zeer, dat de mensch Gods beeld was, maar wel dat de mensch naar Gods beeld, als naar een ideaal, geformeerd was. In de redelooze schepselen kan men niets zien, dat eenigszins op God gelijkt, maar in den mensch zag men iets dat met het Goddelijke overeenkomst had, bijv. zijne persoonlijkheid, zijn verstand, enz. Kan men nu van den mensch zeggen, dat hij Gods beeld is, dat men uit hem zien kan, wie en hoedanig de Eeuwige is? Wanneer wij beleedigd worden en kwaad met kwaad vergelden , kan men dan in ons aanschouwen hoe God is? De He-melsche Vader doet juist het tegenovergestelde. Hij vergeeft en zegent ook den man, die Hem vergeet. Als wij een\' arme niet, of karig keipen, kan men dan in ons zien wie God is? O neen, zóó geeft Hij niet. Waren wij geene zondaren, was ons wezen rein en liefderijk, dan droegen wij Gods beeld. Nu moeten wij rein en liefderijk worden en langs dien weg het beeld Gods leeren dragen. Paulus
29
is daarvan overtuigd en daarom zegt hij ook, dat allen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven. Maar Christus is bet beeld Gods. Wordt Jezus Christus dan niet van de menschen onderscheiden en boven hen geplaatst?
Letten wij nu op de merkwaardige woorden van den Apostel in den tweeden brief aan de Corinthen: (hoofdst. 8 : 9) icant gij weel de genade onzes Heer en Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden: Ik weet wel, dat het Grieksche woord door onze overzetters vertaald door arm worden, zoowel beteekent ,,am zijn* als „arm worden?* Welnu, laat ons eens anders vertalen, dan lezen wij: wanl gij weel de genade onzes Heeren Jezus Christus, dat Hij om uwentwil arm was, daar Hij rijk was. Wat beteekent dat nn ? Hij was namelijk rijk aan genade, zeggen de Tubingsche Godgeleerden. Maar wat wil Paulus dan? Dat Jezus rijk aan genade toch arm was, d. i. geen geld had? Wat zal dat beteekenen bij een\' man als Paulus, die geen\' rijkdom bezat en niet begeerde? Zou dat voor hem iets groots geweest zijn, zou dat voor hem geweest zijn de genade van onzen Heer Jezus Christus , dat Jezus geen geld of bezitting had, of van nederigen stand was? En wat zou het beteekenen te zeggen: Jezus was rijk aan genade, maar arm om uwentwil? Zou Paulus gedacht hebben, dat Jezus ook rijk had kunnen zijn, maar dat Hij het niet wilde zijn? En waarom wilde Jezus dan niet rijk zijn? Niet omdat Hij uit zich zeiven dat niet verlangde, niet omdat Hij er geene waarde aan hechtte, maar om den wil van anderen. Zoo rijkdom voor Jezus eenige waarde gehad had cn Hij alleen om den wil van anderen arm was, dan zou Paulus den Heer beneden zich zei ven gesteld hebben.
Wanneer de Apostel overal van Jezus sprak als van een
30
gewoon mensch, dan zouden wij moeten beproeven te raden, wat hij eigenlijk bedoelde, maar nu kan ik mij op het godsdienstig standpunt van Paülus , die zoo weinig aan aardsche goederen gehecht was, niet begrijpen, dat hij zou gezegd hebben, dat Christus, zóó rijk in genade, toch zóó am was, d. i. gebrek aan aardsche goederen had, om den wil van anderen.
Neen, Jezus Christus was arm geworden. Dat was zijne genade. Hij heeft zich zeiven verloochend en vernederd, komende in de gelijkheid des zondigen vleesches. De genade van onzen Heer Jezus Christus , waarmede Paulus altijd zijne brieven begint en eindigt, heeft ongetwijfeld een\' dicpereu zin gehad, dan dat Jezus arm was om den wil van anderen.
Eindelijk verklaart Paums gedurig, dat Jezus Christus is opgestaan uit den doode. Vond men deze verklaring op eene enkele plaats en in strijd met zijne elders uitgesproken denkbeelden aangaande Jezus , dan zou men wellicht kunnen denken aan vervalsching van des Apostels schriften. Maar bij spreekt er dikwijls ran. Ten bewijze zal ik u die plaatsen opnoemen. (Rom. 1: 4; IV: 25; VI: 4; VI: 9 j VIII: 11; X: 9; XIV: 9. 1 Cor. VI: 14; 3 Cor. V.- 16; Gal. 1; 1). En behalve dat vinden wij eene uitvoerige behandeling over \'s Heeren verrijzenis in den eersten brief aan de Corinthen (hoofdst. XV). Daar verklaart hij, dat Jezus is opgewekt ten derden dage, dat Hij gezien is door Petrus, daarna door al de Apostelen. Nog door Jacobus en door meer dan vijf honderd discipelen op ééumaal, van welke de meesten toen nog in leven waren. En daarbij verzekert hij: indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel.
Moeten wij nu alles in dit hoofdstuk voor onecht verklaren, waar liet woord opstanding voorkomt. Maar als dat geen
31
„coup de Jcsespoirquot; in de letterkunde is, dan weet ik het niet. Doch daarenboven moeten wij ook nog al de bovengenoemde plaatsen wegnemen en wat blijft er dan over van de echtheid der Paulinische brieven? Haal die plaatsen eens door en zie dan wat er van die brieven wordt.
Doch dat doet geen bezadigd oordeelkundige, want die operatie is al te onzinnig. Men heeft dus beproefd den Apostel anders te verstaan. Paulus zegt namelijk dat Jezus door hem gezien is en dat was zeker in een gezicht of visioen. (1 Cor. XY; 8). Nu is Jezus ook gezien door Petrus, Jacobus, de twaalf en vijf honderd broeders. Nu moet men, zoo wordt er beweerd, het woord gezien, naar alle wetten van uitlegkunde op dezelfde wijze verstaan. Is Jezus gezien door Paulus in een visioen, dan is Hij door de anderen op dezelfde manier gezien, namelijk door visioenen. Zou dat waar zijn ? Het zal later blijken, wat hier ook schijnt verondersteld te worden, dat de Apostelen aan de Opstanding van Jezus geloofden , en zou dat geloof bij al die mannen gerust hebben alleen op visioenen? En hij is gezien door meer dan vijf honderd broeders op éénmaal. Zouden die vijf honderd menschen en allen op éénmaal, hetzelfde visioen gehad hebben? En van waar dat Paulus zegt, dat Jezus is opgestaan ten derden dage? zouden zij allen op denzelfden dag hetzelfde visioen gehad hebben? Indien Chrislm niet opgewekt is, zoo is ons ye-loof ijdel, zegt hij en wij zouden valsc/te getuigen Gods zijn, wanneer Christus niet opgewekt was (vers 15). Zou dan de grondslag van geloof en bekeering bij een\' man als Paulus niet anders zijn dan een visioen?
Maar waarom bewijst hij aan de gemeente van Corinihe deze gebeurtenis, wanneer die algemeen door de Christenen aangenomen was? Wanneer gij dit hoofdstuk wilt nalezen, dan zult gij zien, dat Paulus niet zoo zeer dit, als wel
32
door de waarheid van Jezus Opstanding, iets anders bewijzen wil.
Beschouw nu eens de plaatsen waar Paolus over de Opstanding van Jezus spreekt in verband met andere, die over de persoonlijkheid des Hoeren handelen en dan zult gij het met mij eens zijn, dat de Apostel aan de Opstanding vau Jezus gelooft, en dat hij overtuigd is, dat ook de andere Apostelen het geloofden.
Eindelijk willen wij er uog bijvoegen, dat God oordeelen zal door Christus. (Kom. II: 16; 2 Cor. V; 10).
Wij moeten natuurlijk de wijze waarop God oordeelen zal Gode waardig opvatten. In de H. Schrift wordt God vergeleken bij een\' rechter, die vonnis spreekt over schuld eu onschuld. Wij moeten niet aan het zinnebeeld blijven hangen en God niet te veel gelijk stellen aan een\' rechter op aarde. De voorstelling God oordeelt is eene menschelijke, even als God ziet en God hoort. Wij moeten dus niet denken, dat de Oneindige zijn vonnis zal uitspreken in den vorm of in de klanken eener menschelijke taal. God oordeelt op aarde ook en hoe ? Door ons geweten, door de gevolgen onzer zonden, door ons de waarheid te openbaren, die de nietigheid van den schijn der deugd eu de ellende der zonde openbaart, door het voorbeeld van anderen, die beter zijn dan wij en die ons beschamen. Zoo zal Hij ook in de eeuwigheid oordeelen, al kunnen wij het ons ook niet duidelijk voorstellen, hoe dat in het volgende leven gebeuren zal. Nu zal Hij oordeelen door Cumstus. Jezus was reeds een oordeel op narde en hoe ? Wanneer zijne rechtvaardigheid bleek tegenover Je schijnheiligheid der Parizeen, in welk licht kwam dan deze laatste ? Bleek het niet duidelijk, dat de deugd van den Farizeër niet anders was dan schijn, gelijk de bleekheid en koude van het maanlicht duidelijk worden, zoodra de zon opkomt. Zoo oordeelt, als het ware de zon, dat de maan
33
het ware licht aan de aarde niet geeft. Toen Jezus zijne zelfverloochenende liefde openbaarde door zijnen jongeren de voeten te wasschen, bleek van zelf het onvolmaakte van hunne liefde. Jezus behoefde niet te zeggen, dat hunne liefde de ware niet was. Zijne daad sprak sterker. — Zoo is zijn kruis het oordeel over het Joodsehe volk.
Chkistus maakte als rechter ook scheiding onder de men-schen gelijk een herder de sehapen aan zijne rechterhand plaatst en de bokken aan zijne linker. Eu hoe deed Jezus dat? Door zijne verschijning. Alle zonen Abrahams waren Israëlieten, maar niet allen waren oprechte en brave men-scheu. Toen kwam Jezus, en de Israëlieten, die waarheid zochten, werden Christenen, de andere bleven Joden. Zoo maakte hij eene scheiding tusschen Joden en Joden, gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt. Wat gebeurde bij de hervorming? Allen, die den doop ontvangen hadden, werden Christenen genoemd, maar toen Jezus Chuistus weer gepredikt werd, bleek het onderscheid. Ze waren er, die de waarheid liefhadden en naar liet Evangelie hoorden, doch zc waren er ook, die onverschillig bicven. Er ontstond weer eene scheiding tusschen protestanten en roomschen. Zijn nu alle protestanten Christenen? Neen, en dat zal blijken in de eeuwigheid als Christus zich daar aan hen openbaart.
Welke hooge en verhevene gedachten heeft Paulus dan van den Stichter des Christendoms, als hij zegt, dat God oordeelen zal door Chkistus. Wordt nu do zedelijke persoonlijkheid van Jezus niet zeer hoog geplaatst?
Ik zou nog meer kunnen aanvoeren, doch ik zal het er nu maar bij laten en gij ziet, dat ik niet gebouwd heb op het eene of andere woord van Paulus. Eene enkele plaats kon men onecht verklaren, of anders uitleggen. Maar ik heb gebouwd op de geheele overtuiging des Apostels, zoo
3
34
als die zich overal en op verschillende tijden uitspreekt. En ik vraag n hoe de Eomcinen en Grieken, die de brieven van Paulüs lazen hem moesten verstaan? Kunt gij het n voorstellen , dat die lezers iets anders uit des Apostels schriften konden opmaken, dan dat Jezus meer was geweest, dan een gewoon mensch?
Doch ik zal u een\' getuige brengen voor mijn gevoelen, die hier wel het meest onpartijdig zal zijn. Ik zal n tnede-deelen wat Ferdinand Chkistiaax Bauk van Paulus verklaart. Ik behoef u niet te zeggen wie Baur was. Hij was een der meest geleerde theologen van de Tubingsche School, eene school, die het meest gedaan heeft en nog doet, om te bewijzen, dat de Evangeliën en de Handelingen der Apostelen onecht zijn, om aan tc toonen, dat het Christendom langs natuurlijk historischen weg ontstaan is. Ik behoef niet te herhalen dat de meeste tegenstanders van het supernatureele, ook in ons vaderland, geworteld zijn in den zeker zeer geleerden bodem der Tubingsche School. En wat zegt Bauk?
„Christus is bij Paulus mensch als Adam , maar mensch in hoogeren zin 1). Jezus is volgens den Apostel de zon-delooze mensch en het voorbestaan van Christus wordt bij Padlus verondersteld 2). Wat de Opstanding van Jezus eigenlijk is, ligt buiten den kving van ons geschiedkundig onderzoek , hetwelk alleen dat heeft vast te stellen, dat de Opstanding van Jezus volgens het geloof der jongeren een feit was, dat onomstootclijk vaststond, hoe wij dat ook verklarenquot; enz. „Wij kunnen ons hiermede vergenoegen, dat in
P. C. Baur. Het Christendom en de Christelijke kerk der drie eerste eeuwen pag. 347.
Pag. 349.
35
hunne bewustheid de Opstanding van Jezus een feit was en voor hen alle realiteit van een geschiedkundig feit bezat, wat het dan ook moge geweest zijn, dat dit heeft kunnen te weeg brengen 1).quot; „De zondeloosheid van Jezus is eene noodzakelijke eigenschap van het begrip Christus. 2 Cor. V : 21 1).quot; „En het gevolg van deze voorstelling was, dat Christus voor Paulus een meer dan menschelijk, een bovennatuurlijk wezen worden moestquot; 2). „Voor Paulus is Jezus5\' zegt Baur elders „de Messias als zoon van David, maar een veel gewichtiger kenmerk zijner Messiaanschc waardigheid is de opwekking uit de dooden. Wat Christus als zoon Davids is naar het vlecsch, dat is Hij naar den geest door zijne Opstandingquot; 4).
Kan ik ecu geleerder en onpartijdiger man aanhalen dan Baur, om te bevestigen wat ik in de brieven van Paulus gelezen heb. Volgens Paulus is Jezus Christus dus meer dan mcnsch. Welnu, de eerste getuige, dien wij gehoord hebben uit den tijd toen Jezus op aarde verschenen was is Paulus. Hij is een bevoegd getuige. Hij is eerlijk en oprecht; hij stierf voor zijne overtuiging. Als wij de Evangelisten onverhoord laten, wie kan ons dan beter zeggen wie Jezus was dan Paulus?
Zoo hebben wij dan eene stem gehoord uit de Christelijke oudheid, aan wier echten en zuiveren klank niemand twijfelt en die stem heeft gesproken, dat Jezus Christus meer was dan een gewoon mensch. Nu moeten wij een\' tweeden zekeren getuige hooren, namelijk de Openbaring van Johannes.
2) Pag. 347. 4) Png. 349.
1) Aangehaald werk pag. 44.
Pag. 352.
36
§ 3.
De Openbaring van Johannes.
Dit werk is geschreven korten tijd voor de verwoesting van Jeruzalem, omstreeks den tijd van den Romeinschen keizer Galba. Wij vinden voor deze tijdsbepaling duidelijke aanwijzingen in liet boek zelf. Wij lezen in het 11e hoofdstuk: En mij werd een rietslok gegeven eene (meel) roede gelijk , en de engel stond en zeide: sta op en meet den tempel Gods en het altaar en degenen, die daarin aanbidden, en het voorhof, dat van buiten den tempel is, laat uit en meet dat niet, want het is den Heidenen gegeven en zij zullen de heilige stad vertreden twee-en-veertig maanden. Zinnebeelden zou de schrijver ontleenen kunnen aan den tempel, ook als die verwoest was, maar de voorstelling van het meten der heiligdommen is alleen denkbaar als zij nog bestaan. Was de tempel reeds verwoest, toen dit boek geschreven werd, dan zou de voorstelling in dit hoofdstuk bevat zeker uitvoeriger en vaster geschetst en behandeld zijn. Eene andere aanwijzing vinden wij in hoofdst. 17 : 11 enz. Het beest, door den schrijver geschilderd, had zeven hoofden (dit is een zinnebeeld van verstand) en tien hoornen (zinnebeeld van kracht 17 : 3). Die zeven hoofden beteekenen ook zeven koningen. Is het beest hier voorgesteld, het Romeinsche antichristendom, dan beteekenen de zeven koningen zeker wel de eerste zeven Romeinsche Cesars. Toen dit boek geschreven werd, waren er vijf gevallen (17 : 10) d. i. dood, en de zesde is aan de regeeriug. De zevende is nog niet gekomen. De vijf reeds gevallen keizers zijn: Augustus , Tiberius , Caligula , Claudius , Nero , en Galba is de zesde. Onder Galba is dus de Openbaring geschreven en dit komt juist overeen met de
37
vorige aanwijzing in het elfde hoofdstuk gegeven, dat het boek opgesteld is vóór de verwoesting van Jeruzalem.
Volgons aller toestemming heeft geen boek uit dien tijd zoovele getuigen van echtheid als de Openbaring. Waarschijnlijk heeft Papias, bisschop van Hierapolis, die in het jaar 100 na Christus geboorte leefde, er reeds van gesproken en Jestixus de Martelaar, die 130 jaren na Chiustus geboorte leefde, kende het zeker. Doch het kan mijn plan niet. wezen u te brengen op het gebied der kritiek, \'t Is genoeg, dat ook de School van Tubingen erkent, dat geen boek zooveel uiterlijke bewijzen van echtheid heeft. Het eenige bezwaar is, dat men moeielijk gelooveu kan, dat het Evangelie en de Openbaring, zoo verschillend van stijl, één\' schrijver zouden hebben. Wij hebben dat voor ons plan niet te onderzoeken, want, daar wij het Evangelie buiten onze beschouwing laten, kunnen wij de Openbaring zeker aannemen. Hetzij dat dit boek daarenboven geschreven zij door den Apostel Johannes of door een\' anderen Christen van dien naam, die in de oudheid voorkomt met deu titel van presbyter. Wij hebben in dit boek ongetwijfeld en volgens aller toestemming, de getuigenis van een\' Christen, die vóór de verwoesting van Jeruzalem geleefd en geschreven heeft.
Hoe beschouwt deze schrijver den Heer! Is zijne voorstelling van Jezus overeenkomstig met die van Paulüs? Laat ons zien.
De schrijver van de Openbaring spreekt al dadelijk over Jezus, (hoofdst. 1 : 5 enz.) Van Jezus Christus, die de ge\' trouwe getuige is, de Eerstgeiorene uit de dooden en de Overste der honingen der aarde. Hem, die ons heeft lief gehad en die ons gemaakt heeft tot honingen en priesters Gode zijnen Vader, Hem (zeg ik) zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid! Amen. Ziet Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien enz. En op eene andere plaats (hoofdst 17: 4).
Deze sullen teyen het lam krijyen en het lam zal hen overwinnen, want het is een Heer der Heer en, een Koning der Koningen.
In het vierde hoofdstuk beschrijft Johannes, op zinnebeeldige wijze, een\' blik in den Hemel: „Er was een troon in den Hemel en er zat een op den troon. En die op den troon zat was in aanzien gelijk den steen Jaspis en Sardius (de eerste is veelkleurig en naar het rood zweemend, de andere is vleeschkleurig en doorzichtig). De discipel van Jezus Chiustus die gezegd had, dat God een geest is, beproeft niet te beschrijven, Hem die op den troon zat. Hij ziet alleen den glans, die Hem omgeeft. En rondom den troon was een regenboog, dat is een zinnebeeld van Gods goedheid. En rondom den troon waren vier en twintig tronen en op die vier en twintig tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zitten, bekleed met witte kleederen en op hunne hoofden gouden kronen. Die ouderlingen stellen de zaligen voor twaalf voor Israël en twaalf om de toetreding der Heidenen. Zij dragen witte kleederen , als priesters en kronen als koningen , immers ze zijn priesters en koningen. En van den troon gingen uit bliksemen en donderslagen en stemmen, en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven geesten Gods. Wat dit beteekent ligt voor de hand. De teekenen van Goddelijke macht gaan uit van Gods troon en gelijk er in den tabernakel of in het Heilige des Heeren zeven lampen brandden, zijn er ook zeven lampen voor den troon, maar deze lampen zijn de zeven geesten Gods. Die zeven geesten komen daar voor als vertegenwoordigers of als persoonlijke voorstellingen van de alles belieerschende en alles overziende macht van Gods bestuur. En nu wordt Jezus genoemd, hij die de zeven geesten Gods heeft (3 : 1). En in het vijfde hoofdstuk lezen wij: (vers 13.) Hem, die op den troon zit
39
en het lam zij dankzeg ging en eer en heerlijkheid en kracht in alle eeuwigheid.
Johannes zag in de rechterhand van Hem, die op den troon zat) een hoek) dat is het boek der Goddelijke raadsbesluiten; het was van binnen en van buiten beschreven. Zóó rijk en gewichtig is het van inhoud, en het was van builen met zeven zegelen gesloten, zoodat niemand in Hemel of op aarde dat boek mocht openen (hoofdst. 5 : 1 enz.) Maar Jezus Christus opende de zegelen van dat boek. Niemand, in de gansehe wereld, zoo is de bedoeling, mag het raadsbesluit van God aan menschen openbaren, dan de Verlosser. Het is denkelijk in deuzelfden zin, dat Jezus voorkomt onder den naam van het woord Gods.
Zoo wordt Jezus immers genoemd in het 19® hoofdstuk, het 13® vers en zijn naam wordt genoemd het icoord Gods.
De uitdrukking woord Gods zal nog menigmaal voorkomen in onze beschouwing. Het is u bekend, dut die benaming voorkomt in het vierde Evangelie; ook bij Jusïinus en andere kerkvaders, vinden wij gedurig gesproken van het woord Gods, of den logos, en daarom zullen wij trachten het te verstaan.
Wanneer ik urenlang met een\' onbekenden mcnsch wandelde of reisde, zonder dat hij een woord sprak, of iets deed, dan zou ik van zijne ziel, of denkwijze, of karakter niets weten. Alleen dan als hij spreekt of handelt, dat is, als hij door woord of daad zich zei ven aan ons openbaart, kunnen wij hem leeren kennen. Zoo zouden wij van den Oneindigen en Onzichtbarcn Geest niets weten, indien Hij niet goedgevonden had zich te openbaren. Als God zich openbaart, dan spreekt Hij natuurlijk niet in de vormen en klanken eener mensehe-lijke taal, maar op Goddelijke wijze. Hij spreekt tot ons door werelden. Hij spreekt tot ons van Zijne macht door de
40
Schepping, door stormen en onweders. Hij spreekt tot ons van Zijne goedheid door Zijne zegeningen. En als wij nu die taal verstaan en tot God ook trachten te spreken, dan noemen wij dat bidden.
Het ruime Hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid.
God spreekt, dat is Hij openbaart zich. Zijn woord is dus Zijne Openbaring. Hij openbaarde zich in en door de Schepping en het woord werd, om zoo te spreken, natuur. Maar toen de menschen die taal niet verstonden, openbaarde Hij zich in eene menschelijke gestalte, in menschelijken vorm, in Jezus Christus. Het woord Gods werd toen vleesch. En Jezus Christus, die alleen waardig is, om ons Gods raad te openbaren, wordt dus genoemd het woord of de logos van God.
Gij zult mij wel willen toestemmen, dat ook de Openbaring, zoowel als de brieven van Paulus, ons Jezus voorstelt als ccne persoonlijkheid boven den mensch verheven. Zoo verklaart Baür de bedoeling van den schrijver der Openbaring ook. Immers deze geleerde zegt:1) ,,in de onmiddellijke nabijheid van God geplaatst is Christus niet alleen deelgenoot van Gods macht en heerschappij, aan wien dezelfde vereering moet worden toegebracht als aan Godquot; enz.
Bij het lezen van de Openbaring kan ik geen\' anderen indruk hebben en als ik mij plaats op den weg der geschiedenis , dan moet ik eerlijk verklaren, dat ook de tweede getuige uit den tijd des Heeren verklaart, dat Jezus Christus meer was dan mensch.
\') Zie Baur pag. 353.
41
§ 4.
de brief aan de Hebkeën.
Een derde getuige is de schrijver van den brief aan dc Hebreen. Laat ons toegeven, dat die brief niet door Paulus geschreven is, zelfs door geen\' Apostel, ja zelfs niet eens in den apostolisclien tijd. Als eenige kerkvaders den brief onder de schriften van Paclcs plaatsen, dan is dat toch wel een bewijs, dat men dien brief zeer oud achtte. Als gij zelf dit geschrift met aandacht leest, dan zult gij in zijn standpunt tegen over het Jodendom en in de manier waarop hij over de Joden spreekt, een\' schrijver erkennen, die ouder de eerste na de Apostelen moet gerangschikt worden. De schrijver leefde ten tijde van Timotheds, den broeder, (hoofdst. 13, 23). Is deze dezelfde als de vriend van Paulus , wat waarschijnlijk is, dan bewijst dit den hoogen ouderdom van dit werk.
Met grond kunnen wij er ook niet aan twijfelen, als wij opmerken, dat zelfs Balb het ook zóó vindt. ^
Wat getuigt dc brief aan de Hebreen? Daar de inhoud u bekend is, wil ik mij tot liet noodzakelijkste bepalen. Jezus Christus wordt genoemd Gods soon (hoofdst. IV. 14 enz.) Gods eenyeboren Zoon (1, 6). Hij ia hei afschijnsel t-«n Gods heerlijkheid en het uitgedrukte heeld zijner zelfstandigheid, die alle dimjen draagt door hel woord zijner kracht, (1, 3). Door wien Hij ook de wereld yemnakl heeft. Even als bij Paulus vinden wij hier ook het begrip van de zondeloosheid des Hee-ren. Want, zoo lezen wij (IV, 15) icij hebben rjee^ Hooejejiriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden , maar die in alle dingen gelijk wij is verzocht geworden, doch zonder zonde. — IVmt, zoodanig een Hoogepriester betaamde
\') Zie Baur pag. 123.
42
ons, heilig gt; onnoozel, onbesmet, afyescheiden van de zondaren en hoog er dan de Hemelen geworden. (7 : 26). Jezus is zooveel voortreffelijker geworden dan de engelen, als Hij uit-nemender naam boven hen geërfd heeft (1 : 4). Maar God had Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen enz. (Hebr. 2 : 7 en 9).
Ook de schrijver van dezen brief getuigt van de Opstanding (13 : 20) en herhaaldelijk maakt hij melding van \'s Heeren zitten aan Gods rechterhand. 1:3; 1:13; 8:1; 10:12.
Wat is dat zitten aan Gods rechterhand? De discipelen van Hem, die zoo ernstig had gepredikt, dat God (een) Geest is, wisten wel dat Hij noch rechter- noch linkerhand heeft. Zij bedoelen daar mede dus dat Jezus Christus meer dan ecnigc andere zalige geest, in de onmiddellijke nabijheid van God is. Maar ook zelfs de uitdrukking nabij God zijn is zinnebeeldig. Het is niet genoeg het eene zinnebeeld door een ander te verklaren. Het zeggen: nabij God zijn, is zoowel zinnebeeldig als zitten aan Gods rechterhand. Wat is dan nabij God zijn?
Het denkbeeld van plaats moeten wij geheel wegdenken, want het Opperwezen is alomtegenwoordig, niet ver van een iegelijk van ons. Een dichter heeft gezegd.
„Ins Innere der Natur dringt kein erschaffner Geist.quot;
En nog minder kunnen wij doordringen in het wezen van God. Om het wezen van een\' geest eenigermate te bevatten, moeten wij in ons zei ven inkeeren, ons zeiven kennen. Onze geest is ook in het geheele lichaam tegenwoordig, maar hij is vooral in het hoofd, niet omdat ons zicleleven juist aan die plaats tusschen onze schedelbeenderen is gebonden, maar, omdat daar de fijnste zenuwen liggen, die het meest geschikt zijn, om den indruk van het zicleleven te ontvan-
43
gen en er indrukken aan te geven. Zoo zijn onze hersenen het meest nabij den geest. En zoo zullen wij hiernamaals Gode meer nabij zijn dan hier, omdat wij daar een fijner en edeler organisme zullen hebben, of, omdat ons geestelijk wezen meer vatbaar zal zijn voor de openbaring van den Eeuwigen Geest. Wanneer er bijv. in de hand organen lagen even fijn als in het hoofd, dan zon de ziel daar ook op dezelfde manier zijn. Zoo wordt God gezegd in den Hemel te wonen, daar vooral te zijn, omdat Hij zich daar het heerlijkst openbaart. God is overal, maar niet overal op dezelfde wijze. Hij is anders tegenwoordig in het hart van den brave, dan in het gemoed van den booswicht. Hij is vooral in den hemel, omdat dc zaligen Hem daar beter kennen kunnen. De meest ontwikkelde, de reinste en liefderijkste geest is dus den Eeuwige het meest nabij. En nu zit Christus aan Gods rechterhand. Hij is Gode dus meer nabij dan eenig ander wezen en dit komt weer overeen met andere plaatsen, waar Hij wordt genoemd dc Eenige en Geliefde. Doch wij mogen dat onderwerp nu niet verder behandelen.
Zoo is dan de schrijver van den brief aan de Hebreen ook een getuige, die Jezus Christus hooger plaatste dan een gewoon mensch.
Wij hebben vier brieven van Paulus gebruikt, omdat er aan de echtheid van de andere getwijfeld wordt. Ik behoef u niet te zeggen, dat dit pleit nog niet beslist is. Er zullen ook nog wel andere brieven van Paulus zijn, maar wij konden er geen gebruik van maken. Zijn die brieven niet van Paulus, dan behooren zij toch zeker wel tot de oudheid en, zoo niet toch zeker eenige, tot den tijd na de Apostelen. Doch, omdat wij alles wilden op zijde leggen, waar eenige onzekerheid bestaat, hebben wij hunne getuigenis niet aangenomen.
44
Wij zullen nu andere getuigen hooren uit den eersten tijd der Christelijke kerk. Wij zullen echter alleen op die schriften bouwen, waarvan de echtheid door niemand bestreden wordt. Moeten wij wel eens opmerkzaam wezen op boeken van wier authentie wij niet zóó volkomen zeker zijn, dan zullen wij dat noteeren.
De getuigenis van Flaviüs Josefus aangaande Cheistus zullen wij ter zijde leggen, want het wordt door groote bezwaren gedrukt. En ofschoon die woorden in alle handschriften gevonden worden, moet ik echter twijfelen , of ze wel zóó door Josefcs geschreven zijn.
Anders is het met een eerwaardig stuk uit de oudheid aan de echtheid waarvan men zou kunnen twijfelen. Schoon ik er voor mij zelveu geene gronden voor gevonden heb. Ik wil er dus niet op bouwen, maar toch wil ik het voor u vertalen. De oudste historieschrijver der kerk is Hegesippus. Hij leefde in het midden der tweede eeuw. Zijn werk is verloren gegaan, doeh de kerkelijke historieschrijver Eusebiüs heeft een en ander van hem bewaard en ook het navolgende geval.
De Eomeinsche Cesar Domitianüs , wreed en achterdochtig van aard, leefde omstreeks het jaar 81 na Christus geboorte. Hij liet in Palestina onderzoek doen, of er ook nog bloedverwanten van Chkistos in leven waren. Er waren er zoo verhaalt Hegesippus , nog aanwezig van het geslacht des Heeren en wel klein-kinderen van Judas, die naar het vleesch de broeder van Jezüs genoemd werd. Men bracht hen bij den Cesar Domitianüs , want hij vreesde, even als Herodes, voor de toekomst des Heeren. Hij vroeg hen of zij afstammelingen waren van David. Zij antwoordden hierop toestemmend. Toen vroeg hij hen, hoevele bezittingen zij hadden en over
45
hoeveel geld zij konden beschikken. Toen hebben zij geantwoord, dat zij beiden slechts 9000 denariën bezaten en dat de helft daarvan aan ieder hunner toekwam. En dit hadden zij, zoo als zij zeiden, niet in zilver maar aan land, dat omstreeks 39 plethra (eene maat van 100 voet) groot was. Daar van moesten zij hunne belasting betalen en die akkers moesten zij zeiven bewerken, om er van te leven. Daarop toonden zij hunne handen, ten bewijze van hunnen arbeid en de ruwheid van hun lichaam en het eelt, door onophoudelijk werken in hunne handen ontstaan.
Toen zij ondervraagd werden over Christus en diens rijk, hoedanig dat was en op welke manier en wanneer liet zou komen, hebben zij geantwoord, dat het niet wereldsch was of aardsch, maar hemelseh en van engelenaard, dat het zou verschijnen in de voleindiging der eeuwen, als Hij kwam in heerlijkheid, om te oordeelen levenden en dooden en een ieder zou vergelden naar zijne werken.
Domitianus vond daarop niets aan te merken. Hij hield hen voor geringe en onaanzienlijke lieden en liet hen vrij, maar toch deed hij door een bevelschrift de vervolging ophouden. En zij, ontslagen zijnde, waren leidslieden der gemeenten als getuigen en bloedverwanten des Heeren, en bij den vrede, nu ontstaan, bleven zij in leven tot den tijd van keizer Trajanus. ^
Ook hier vinden wij dezelfde getuigenis aangaande Jezus Christus. Zijne bloedverwanten spreken over Hem als over een\' Hoogverhevene, die in heerlijkheid zal komen, om te oordeelen de levenden en de dooden. Zoo als bij Paulus is dus ook bij hen Jezus Christus de rechter, door wieu God oordeelen zal.
\') Eusebius. Hist. eccl. III: 20.
De brief van Plinius aa.n keizek Trajanus.
Nu ga ik u wijzen op den merkwaavdigen brief van een\' Romein, aan de echtheid van welk stuk niemand twijfelt, noch twijfelen kan.
Plixius minor, de neef van den beroemden natuurkundige Plinius major, die bij eene uitbarsting van den Vesuvius door te grootc weetgierigheid om het leven kwam, werd geboren in het janr 62 na Christus geboorte. Hij was een leerling van Quinctilianus en een vriend van den Romein-schen keizer Trajanus. Hij besteedde zijn\' van ambtsbezigheden vrijen tijd, even als Cicero, aan het schrijven van brieven, die ons door den zuiveren en sierlijken stijl een denkbeeld geven van den toon der samenleving in die dagen. Hij bereikte de schoonheid niet van de schrijvers uit de gouden eeuw, maar komt ei* dicht bij. Hij muntte boven zijne tijdgenooten uit, zoo als de Romeinsche dichter zegt:
„Gelijk de maan onder de mindere lichten des Hemels.quot; Plinius heeft zijne brieven in tien boeken uitgegeven. Onder die brieven vinden wij het stuk, dat wij noodig hebben. \')
Door Trajanus benoemd tot landvoogd in Bïlhjnie heeft Plinius een\' brief aan den keizer geschreven, waarin hij om raad vraagt, hoe hij handelen moest met de Christenen, die zich in zijn gebied sterk uitgebreid hadden. De brief is geschreven in het negende jaar van Trajanus, in het 107ae na de geboorte van Jezus Christus. Het stuk is van den volgenden inhoud.
Cajus Plinius aan Trajanus den Imperator heil!
Plet is mij eene ernstige zaak, Heer! om in alle gevallen,
\') C. Ptimus Cakcilhis seoundus Epistolaram Libr. X. 97.
47
waarin ik twijfel tot u te komen, want wie kan mij beter leiden als ik weifel of onderrichten, als ik het niet weet.
Ik ben er nooit bij tegenwoordig geweest als er gerechtelijk gehandeld werd over de Christenen. Daarom weet ik ook niet wat men gewoon is te straffen, of te onderzoeken en hopver men daarin gaat. En ik ben niet weinig in de onzekerheid, of men ook letten moet op het onderscheid van jaren en of teedcre en zwakke menschen moeten onderscheiden worden van de sterkere en of er vergiffenis moet gegeven worden aan het berouw, dan of het niet helpt, indien iemand ophoudt een Christen te zijn; of de naam (van Christen) reeds moet gestraft worden, ook indien hij vrij van misdaad is, of wel de misdaad, die met den naam verbonden is. Ondertusschen heb ik jegens hen, die als Christenen tot mij gebracht werden, deze manier gevolgd. Ik heb hun zeiven gevraagd of ze Christenen waren. Als zij het erkenden, heb ik hen voor de tweede en derde maal gevraagd en hen met doodstraf bedreigd. Als zij bleven volhouden, heb ik hen laten straffen, want wat het ook ware, dat zij beleden, was het nogtans voor mij ontwijfelbaar, dat hunne stijfhoofdigheid en stijve hardnekkigheid moesten gestraft worden.
Anderen, aan dezelfde dwaasheid schuldig, heb ik op de lijst geplaatst van hen, die naar de stad (Rome) gezonden worden, omdat zij Romeinsche burgers waren. Terwijl deze zaak in gerechtelijke behandeling was, en de misdaad zich uitbreidde, zoo als gewoonlijk gebeurt, vertoonde zij zich op verschillende manier. Er werd een rekest ingeleverd, zonder onderteekening, hetwelk de namen inhield van velen, die zeiden, dat zij geene Christenen waren en ook niet geweest waren. Terwijl zij, op mijn\' voorgang, de Goden aanriepen en wierook en wijn offerden aan uw beeld — hetwelk ik hiertoe naast de beelden der Goden had doen plaatsen, — en
48
daarenboven Christus vloekten — (en men zegt, dat zij, die waarlijk Christenen zijn tot niets van dat alles kunnen bewogen worden) heb ik gemeend hen te moeten loslaten.
Anderen , die door den aanklager waren aangewezen, erkenden dat zij Christenen waren en hebben het later weer ontkend. Zij getuigden, dat zij het wel geweest waren, maar dat zij er zich aan onttrokken hadden, eenigen vóór drie, anderen reeds vóór meer jaren, ook wel vóór twintig jaren reeds. Zij hebben allen uw beeld vereerd en de beelden der goden en zij hebben Christus gelasterd. Zij verzekerden echter, dat het voornaamste van hunne schuld of dwaling, hierin bestaan had, dat zij gewoon waren, om op een\' bepaalden dag voor Zonsopgang samen te komen en met elkander een lied te zingen, op Christus, als op een\' God, 1) dat zij zich door een\' eed verbonden niet tot eenig misdrijf, maar om geen\' diefstal, geen\' roof, geene echtbreuk te plegen, om bij hun gegeven woord te blijven en geen toevertrouwd goed te houden, als het teruggevraagd werd. En als dat afgeloopen was, dan plegen zij zich weer te scheiden en daarna weer samen te komen, om spijs te gebruiken, die echter gewoon en onschadelijk was 2). Zij hadden dut echter nagelaten, na mijn bevelschrift, waarbij ik naar uwe bevelen alle geheime vercenigingen verboden had 8). Ik heb het toen des te noodzakelijker geoordeeld.
\') Carmeoque Christo quasi Deo dicere.
) Plet is bekend, dat men de Christenen beschuldigde, dat zij Thyestische maaltijden hielden en kinderen aten. Deze maaltijden werden zoo genoemd, naar Thyestes, den zoon van Pelops, omdat Atreus, de vader van Agamemmon en de broeder van Thyestes, uit vreeselijke wraak, aan zijn\' broeder diens eigen kinderen voorzette om te eten.
49
om uit twee maagden, die dienaressen heeten ook door pijniging, te onderzoeken wat de waarheid was, maar ik heb niets anders gevonden dan een verkeerd en buitensporig bijgeloof.
Ik heb toen de verdere kennisneming van deze zaak uitgesteld, ten einde u te raadplegen, want deze zaak verdient eene ernstige behandeling, vooral om het aantal dergenen, die in gevaar komen. Want velen van allerlei leeftijd en van alle standen en van beide sexen komen in moeite en zullen in moeite komen. Want de besmetting van dit bijgeloof is reeds doorgedrongen, niet alleen tot alle staten, maar ook tot alle dorpen en vlekken. Toch kan het tot staan gebracht en verbeterd worden. Het is ten minste een genoegzaam uitgemaakte zaak, dat de bijna verlaten tempels weer drukker bezocht worden en dat lang verzuimde heilige plechtigheden weer gevierd worden , dat er hier en daar weer ofler-dieren verkocht worden, terwijl er anders maar zelden een kooper gevonden werd. Waaruit men gemakKelijk kan zien hoe eene groote menigte van menschen kan verbeterd worden, als er gelegenheid is tot berouw.
Het antwoord van Trajanus vindi men in hetzelfde boek van Plinius medegedeeld. Ofschoon het niet onbelangrijk is, heeft het voor ons doel gcene waarde.
van den grootsten Imperator. Hij zorgde voor onpartijdige rechtspleging, verzekert de Koraeinsclie historieschrijver, en hield beschaving in eer. Waarom vervolgde hij dan de Christenen ? Teajantjs had, zoo als de meeste alleenheerschers, een afkeer van geheime genootschappen Door een bevelschrift had hij alle geheime genootschappen en maatschappijen verboden. Met hetzelfde idee had ook Napoleon straf bepaald voor bijeenkomsten enz. Eene vereeniging van handwerkslieden, die zich in liome gevormd had, om bij brand te helpen, moest zelfs ontbonden worden. De Christenen werden nu beschuldigd van deelneming aan geheime genootschappen, en als zij daarmede niet ophielden werden zij gestraft.
4
50
In dèji brief van Plinius , een man, die geheel buiten het Christendom stond, als rechter de zaak onderzocht had en de resultaten van dat onderzoek officieel aan zijn vorst mededeelt, vinden wij een en ander op te merken.
De Christenen komen op een bepaalden dag samen. Hij zegt niet, dat het op zondag was, doch dit zal ons, zoo als wij later zien zullen, toch het waarschijnlijkst voorkomen. Zij vermaanden elkander tot een zedelijk leven. Zij hielden te samen maaltijden en dat ziet of op het avondmaal, of op de liefdemaal tij den, met het avondmaal verbonden, zoo als ook te Corinthe plaats had.
Het geloof der Christenen wordt door Plinius genoemd een verkeerd en buitensporig bijgeloof. Zoo zeide de Komeinsche geschiedschrijver Tacitus, dat de Christenen wegens hunne misdrijven in den haat der Grieken waren. Hij noemt den Christelijken godsdienst een verderfelijk bijgeloof. En ook Suetonius zegt, dat het Christendom „een snood bijgeloof was.quot;
Eindelijk zien wij uit den brief van Plinius , dat de Christenen liederen zongen ter eere van Christus als een God. Plinius heeft de getuigenis der Christenen gehoord en hij heeft er uit opgemaakt, dat zij liederen zongen ter eere van Christus als een God. Dit is toch wel een zeker bericht der geschiedenis, dat de Christenen in het laatst van de eerste eeuw of in het begin der tweede in Jezus Christus meer zagen dan een mensch.
De brief van Plinius werd geschreven, toen de Apostel Johannes pas overleden was. De Christenen konden dus van Johannes zeiven weten, wie de Heer geweest is.
51
Clemens Komanus,
Van het werk eens heidens gaan wij over tot dat van een Christen, namelijk tot een brief van Clemens , bisschop van Rome. Volgens eenigen bekleedde hij het ambt van opziener in de hoofdstad nog vóór de verwoesting van Jeruzalem (70 na J. C.), volgens anderen in het begin der regeering van Trajanus. Hij leefde dus zeker in het laatst van de eerste eeuw. Van zijn leven is ons weinig bekend. Vele schriften gaan er op zijnen naam door, die hij niet geschreven heeft, maar alle onpartijdige of liever alle deskundige critici hebben aangenomen, dat de brief door Clemens uit Rome geschreven echt is. Wel is waar heeft Schwegler eenige bezwaren opgeworpen, maar zoo ongegrond, dat zij gemakkelijk wederlegd werden. Deze brief is een der belangrijkste overblijfsels van de Apostolische vaders en een eerwaardig gedenkstuk uit de christelijke oudheid, hetwelk in de oude kerk zoo groot in aanzien was, dat het zelfs onder de heilige schriften werd gerangschikt. Wij zien uit dien brief hoe het er in Corinthe uitzag na den dood van Paulus en het is opmerkelijk, hoe dezelfde verkeerdheden nog in die gemeente bestonden, die door Paulus zoo ernstig bestraft waren, schoon zij een anderen vorm aangenomen hadden. En meer historische zekerheid, dan er voor de echtheid van dezen brief bestaat, kan men niet verlangen.
Clemens spreekt niet bepaald, niet duidelijk over den persoon des Heeren, maar toch blijkt het, dat Jezus Christus werd gehouden voor een hooger wezen dan de mensch is. Zoo spreekt hij in het 12e kapittel van verlossing door het bloed onzes Heeren Jezus Christus. Zijne beschouwingen
52
van het woord of den logos, hebben iets zwevends, maar toch erkent Bauk zelf, dat Jezds Christds door Clemens genoemd wordt „de scepter van Gods Heerlijkheid en het afschijnsel van Gods Heerlijkheid.quot;
Hermes, Ignatius en Barnabas.
Hermes was een Jood, die ten tijde van Clemens, dus ook nog in de eerste eeuw te Rome verkeerd heeft, en daar Christen geworden is. Hij heeft een werk geschreven onder deu titel vau herder. Dit boek is zeker zeer oud, want Irenaeus (177 na J. C.) Clemens van Alemndrie en Origenes halen het aan, en wel als een goddelijk boek. Volgens Euseuius werd het in de Oostersche gemeenten voorgelezen. AI kon men ook twijfelen of Hennes wel zeker de schrijver was, dan zal men toch ra oeten erkennen, dat het een boek is uit dien ouden tijd, zoo als algemeen aangenomen wordt. Ook Baur en andere Tubing-sche godgeleerden, halen uit dit werk aan wat zij noodig hebben.
De schrijver is een strenge momtheïst en hoe spreekt hij over Jezus Chbistds?
,.De Zoon Godsquot; zegt hij „is ouder dan alle schepselen. Hij heeft deu Vader met zijn\' raad ter zijde gestaan bij de Schepping.quot; De Zoon Gods wordt door hem genoemd „Heilige geest, in den zin waarin de Engelen in het algemeen heilige geesten zijn.quot; Hij denkt zich dus Jezds als een engel (eene voorstelling aan de oude kerk niet geheel vreemd.) \')
\') Hebmes, pastor. Similit. 9, 12; 5, 2 enz.
53
Onder de Apostolische vaders vinden wij nog een brief, dien wij veilig kunnen lezen, namelijk dien van Barnabas. Of hij van Barnabas is zouden wij kunnen vragen, want de naam des schrijvers wordt er niet in gevonden. De beroemde kerkvaders Clemens van Alexandrie en Origenes (200 na J. C). hebben ons medegedeeld, dat Barnabas hem geschreven heeft, maar al is de verzekering van die twee mannen, voor u niet zeker genoeg, dan zult gij mij toch toestemmen, dat die brief zeer oud is. Doch als Origenes , de geleerde en denkende Christen, het verzekert, is dit anders geen geringe grond, om den brief aan Barnabas toetekennen. Doch wat doet het er toe wie hem schreef?
De beschrijving der verwoesting van Jeruzalem in liet 4-c en 16c hoofdstuk , maakt op ons een indruk, als of die gebeurtenis nog niet lang geleden was. De manier, waarop de schrijver spreekt over de laatste dingen doet ons denken aan de Apostolische eeuw. Het wordt dan ook algemeen aangenomen , dat dit geschrift behoort tot de eerste eeuw en zeker niet jonger is dan het begin der tweede.
Wat vinden wij in dat oude, echte stuk der eerste kerk? In het 7C hoofdstuk wordt het goddelijke en menschelijke iu Jezus Christus onderscheiden als geest en lichaam. „Christus is mensch geworden en in het vleesch verschenen, want anders hadden wij Hem niet kunnen aanschouwen en levend blijven, zoo als wij niet eens kunnen zien in de stralen van de zon, die zijn werk is (Hoofdst. V).quot; Door besprenging met zijn bloed worden wij geheiligd (hoofdst. V en VIT). In plaats van den Sabbath is de achtste dar/ gekomen als blijde gedachtenis van de Opstanding van Jezus (hoofdst XV).
Onder de Apostolische vaders rekent men nog Ignatius. Ik zal zijne schriften niet gebruiken voor ons doel, maar toch kan ik hem niet met stilzwijgen voorbijgaan , want zijn naam is
54
zóó bekend, dat gij soms zoudt denkeu, dat hij vergeten was. Eu dat het is geval niet, maar zijne geschiedenis en zijne sebrifteu zijn te onzeker, dan dat ik hem als getuige mag roepeu.
Ignatius werd reeds geboren, zegt de overlevering, in den tijd toen Jezus nog op aarde was, ja men vertelde, dat hij het kind zou geweest zijn, dat Jezus eens in zijue armen nam en zegende. Hij was bissehop van Antioclië en zou nog een leerling van JoaiNNES geweest zijn. Omstreeks het jaar 115 na Chmstus kwam de keizer Tiiajanus zelf iu Anliochu, omdat hij tegen de Parthen getogen was, Ignatius werd door den Caesar zeiven verhoord en dat verhoor wordt ons wel medegedeeld, maar de aeteu er van zijn niet zeker genoeg, om er op te vertrouwen. Het vonnis van Tiiajanus was aldus: „Ignatius die verklaart, dat hij den gekruisigde in zijn hart draagt, veroordeel ik, om door soldaten naar Home te worden gebracht en daar voor de wilde dieren te worden geworpen.quot; Hoor tien soldaten bewaakt, ging Ignatius naar Home en toen hij het amphitheater moest binnentreden, vergeleek hij zich zeiven met het tarwegraan, dat door de tanden der wilde dieren moest gemalen worden, om een zuiver brood te worden voor God. En toen werd hij door de wilde dieren verscheurd, zoodat er bijna geen been van hem overbleef. —
Men heeft op dit alles aangemerkt, dat het ongeloofelijk is dat Tkajanus zooveel omslag zou gemaakt hebben met een man als Ignatius, om hem met zooveel zorg naar Rome te laten trausporteeren, daar hij hem gemakkelijk in Antiochiè had kunnen dooden. Anderen hebben gezegd, dat Teajanus hem niet in Anliochië liet ter dood brengen, om de geestdrift der Christenen aldaar niet op te wekken, of om op reis naar Rome aan anderen tot afschrik te zijn.
Even onzeker als de geschiedenis van Ignatius zijn ook
55
zijne brieven. Er bestaan namelijk zeven brieven van Ignatius in twee afdeelingen, eene grootere en eene kleinere. Bezadigde oordeelkundigen houden de kleine afdeeling voor echt. Nog niet lang geleden is er gevonden een Syrisch handschrift bevattende drie brieven van den Martelaar en dat heeft tot nieuw onderzoek opgewekt, zonder dat liet nog vaste resultaten gegeven heeft. Wij kunnen er dus voor ons onderzoek geen gebruik van maken.
Oordeelt gij echter, dat deze brieven, ook wanneer ze niet van Ignatius zijn, toch een beeld bevatten van de denkwijze der oude kerk, en wenscht gij dan nog kort de christologie van die schriften te kennen, dan kan ik licht daaraan voldoen.
Er wordt van Christus gezegd, dat Hij van den Eénen Vader is uitgegaan en tot den Eénen wederkeert, maar dat Hij zelf als de Zoon van God, in wien do Eene God zich heeft geopend-baard. Zijn eeuwige logos of zijn eeuwig Woord wordt genoemd.
DE BlllEP AAN DlOGNETÜS.
Wij komen nu tot de werken van Justin us den Martelaar en Polycarpus. Onder de schriften van Justin us wordt ge. vonden een hoogst merkwaardige brief geschreven aan een zekeren Diognetus. Geleerde onderzoekingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat Justinus zelf de schrijver van dat stuk nwt is. Hoe dit geschrift opgenomen werd onder de werken van Justinus is ons onbekend; dat kon licht gebeuren met een stuk van geringen omvang. De brief aan Diognetus is echter
volgens aller toestemming een der belangrijkste overblijfselen uit deu ouden tijd, geschreven zeker niet later dan in het begin der tweede eeuw, waarschijnlijker nog in de eerste. Baür erkende den brief ook voor een echt overblijfsel der oudheid. Schwegler spreekt er bijna niets van; hij handelt er ter loops over in een paar kleine aanmerkingen. De brief paste niet in het sijsteem vau den Tubinger Godgeleerde. Waarom toonde hij dan de onechtheid van dit boek niet aan, dat hem niet beviel? Dat is dus wel een bewijs hoe deze brief de kenmerken van echtheid als op het voorhoofd draagt. Hier staan wij dus ook op vasten, historischen bodem en voor mijn subjectief gevoelen is dit eerwaardig overblijfsel der oudheid wel een der eenvoudigste, die wij hebben en dat niet ver afschijnt van de Apostolische eeuw. Doch ik zal u zelf laten oordeelen. Ik zal u den brief hier en daar verkort mededeelen, en gij zult met mij den indruk ontvangen, dat gij een zeer oud stuk voor u hebt liggen. Het handschrift is wel hier en daar onleesbaar zoo als ik aanwijzen zal, maar dit doet weinig schade. Zie hier den brief, uit het Gricksch, vertaald.
,,Omdat ik bemerk, beste Diogxetus , dat gij veel verlangen hebt, om den godsdienst der Christenen te leeren kennen, en omdat gij zóó ernstig vraagt aan welken God zij toch gelooven en hoe zij Hem dienen, zoodat zij allen de wereld verachten en den dood niet vreezen, waarom zij de goden der Grieken niet eeren en het bijgeloof der Joden niet dcelen; omdat gij verlangt te weten, welke liefde zij voor eikanderen hebben en hoe het komt, dat deze nieuwe instelling nu eerst in het leven kwam en vroeger niet bestond. Zoo prijs ik uwe begeerte en ik bid van God, die het geeft te spreken en tc hooren, dat het aan mij moge gegeven worden, zóó te spreken, dat het voor u nuttig zij en aan u zóó te hooren, dat de spreker niet bedroefd worde.quot;
57
„Welaan dan, u zelvon gereinigd hebbende van alle denkwijzen, die vroeger uwe ziel ingenomen hadden en uwe dwalende levenswijze afgelegd hebbende en een nieuw mensoh geworden zijnde, (zoo als gij zelf gezegd hebt) om hoorder te worden, van een nieuw woord; zoo zie dan niet alleen met uwe oogeu, maar met uw verstand van welke zelfstandigheid of van welke gedaante zij zijn, die gij goden acht en noemt. Is deze niet van steen volkomen gelijk aan ecu anderen steen, waarop men den voet zet? En de andere is van metaal niet beter dan het huisraad, dat voor ons gebruik uit dat metaal vervaardigd wordt. De een (uwer goden) is van hout dat verrot, de andere van zilver en er is een wachter noodig om op te passen, dat liet niet gestolen wordt. De andere is van ijzer, dat door roest bedorven wordt, een derde van gebakken aarde, niets beter dan het leem, dat tot het onaanzienlijkst gebruik aangewend wordt. Is dat alles niet van vergankelijke stof? Wordt het niet door ijzer en vuur gesmeed? I)e beeldhouwer, de koperslager, de zilversmid en de pottebakker hebben ze gemaakt. Als ons huisraad, uit dezelfde stof gewerkt, in handen kwam van dezelfde kunstenaars zouden zij er immers dezelfde dingen van kunnen maken. En dat wat door u aangebeden wordt kan door menschen tot huisraad gemaakt worden.
Zijn ze niet alle doof? Zijn ze niet blind en levenloos? Zijn ze niet zonder gevoel en beweging? Zijn ze niet aan ven-otting onderworpen en vergankelijk? En die noemt gij goden, die aanbidt gij. En...... Daarom haat gij de Christenen, omdat zij deze goden niet eeren.. En, gij die hen eert en acht, veracht gij hen niet veelmeer ? Bespot en beschimpt gij ze niet? De goden van steen en aarde laat gij onbewaakt, maar die van goud en zilver sluit gij \'s nachts op en over dag zet gij er wachten bij, opdat ze niet gestolen worden.quot;
58
Op deze wijze gaat de schrijver voort met de goden der heidenen, doeh ik zal nu maar wat overslaan, ook omdat hier een paar woorden uitgevallen zijn. En daarna gaat hij voort.
„Vervolgens meen ik, dat gij gaarne zoudt hooren waarom wij niet denzelfden godsdienst hebben als de Joden. Wanneer de Joden zich van bovengenoemden eeredienst onthouden en één God willen eeren en Heer noemen, maar toch op dezelfde manier, als de heidenen hunne goden, dien Eenige vereeren, zondigen zij ook. Want terwijl wij het dwaasheid noemen, als de Grieken aan doove en ongevoelige goden offeren, zouden wij het natuurlijk evenzeer dwaasheid heeten, als de Joden dezelfde dingen aan den éénen God offeren, alsof Hij dit noodig had. Want die den Hemel en de aarde gemaakt heeft en alles wat daarin is, en die ons alles geeft wat wij noodig hebben, behoeft zelf van dat alles niets, want Hij geeft het zelf aan hen, die het Hem meeneu te offeren. Die Hem offers willen brengen van bloed en vet en van geheele runderen en Hem door deze eerbewijzen meenen te vereeren, schijnen mij niet onderscheiden te zijn van hen, die op dezelfde manier stomme beelden dienen, die voor de eere der aanbidding geen gevoel kunnen hebben. En de gedachte, dat men iets
geven kan aan Hem die niets behoeft.....quot; (Hier is Let
handschrift onleesbaar).
„Maar ook hunne vreesachtigheid ten opzichte van spijzen en hun bijgeloof omtrent den sabbath en hunne dwaasheid ten opzichte van de besnijding en hunne geveinsdheid met vasten en nieuwe manen zijn belachelijk en geen overdenking waardig, zoo als ik meen, dat gij van mij leeren wilt. Want het eene deel, hetwelk God geschapen heeft ten nutte der menschen, als goed geschapen te gebruiken en het andere deel als nutteloos en overbodig te weigeren, hoe zou dat niet on-
59
rechtmatig wezen? En van God te liegen, dat Hij ons zou beletten op sabbath iets goeds te doen, hoe zou dat niet Gode onwaardig zijn? En op de vermindering van het vleeseh te roemen, als op eene getuigenis van verkiezing, als of zij daarom bijzonder door God bemind waren, hoe zou dat niet belachelijk wezen? En dat zij volharden in het onderhouden van maanden en dagen en het bestuur van God en de afwisseling der tijden naar den loop van maan en sterren te......
(onleesbaar) den eenen dag tot feest en den anderen tot rouw. Wie zal dat niet veeleer een bewijs van dwaasheid vinden dan van godsdienst. Dat de Christenen zich van gemeene ijdelheid en van het bedrog en van de angstvalligheid en van de dwaasheid der Joden onthouden, hebt gij , naar ik meen, reeds duidelijk verstaan. Maar meen niet, dat gij de verborgenheid van de bijzondere godsvereering der Christenen van menschen zult leeren.quot; l)
De Christenen zijn noch door land, noch door taal, noch door gebruiken onderscheiden van andere menschen; want zij bewonen nergens hunne eigene steden; zij gebruiken geen vreemd dialect; zij beoefenen geene buiteugewone levenswijze. Zij staan geene menschelijke instellingen voor en zij bewonen de steden van Grieken en barbaren zoo als aan ieder ten deel gevallen is. De gebruiken der inwoners volgende in kleeding, spijs en andere dingen, toonen zij eene bewoordenswaardige en bijna ongeloofelijke levensmanier. Zij bewonen hun eigen vaderland, maar als bijwoners; zij nemen als burgers deel aan alles en als vreemdelingen dragen zij alles. Elk land is hun vaderland en elk vaderland een land van vreemdeling-
\') Wij bemerken, dat de schrijver wel wat gestomacheerd over de Joden spreekt; dat schijnt wel op den tijd te wijzen toen de Christenen nog zooveel moesten ondervinden ran den haat der Joden.
60
schap. Zij trouwen gelijk andere mensehen en zij verwekken kinderen, maar zij werpen de jonggeborenen niet weg. Zij
richten gemeenschappelijke maaltijden aan.....(weer een woord
uitgevallen). Zij zijn in het vleesch, maar zij Zewe» niet naar het vleesch; zij wandelen op aarde , maar hun leven is eigenlijk in den Hemel. Zij gehoorzamen aan de vastgestelde wetten, en zij overtreffen de wet door hun leven. Zij hebben allen lief en worden door allen vervolgd. Zij zijn onbekend en worden veroordeeld; zij worden gedood, maar levend gemaakt ; ze zijn arm, maar maken velen rijk, zij hebben aan alles gebrek en toch in alles overvloed; zij worden niet geëerd en in hun oneer worden zij verheerlijkt; zij worden gelasterd en toch gerechtvaardigd; zij worden bespot en zij zegenen; zij worden beleedigd en zij eeren. Goed doende worden zij als kwaden gestraft en gestraft wordende zijn ze verblijd als levend gemaakt wordende. Door de Joden worden zij als vreemdelingen bestreden en door de Grieken vervolgd en die hen haten, kunnen geene oorzaak van vijandschap opnoemen. Om kort te gaan, wat de ziel in het lichaam is, dat zijn de Christenen in de wereld. De ziel is verspreid door al de leden des liehaams en de Christenen door alle steden der wereld. De ziel woont in het lichaam, maar is niet uit het lichaam. Onzichtbaar waakt de ziel in liet lichaam en de Christenen worden gekend als wonende in de wereld, maar hunne godsvereering is onbekend. Het vleesch haat en bestrijdt de ziel, niet omdat het onrechtvaardig door haar behandeld is, maar omdat zij het vleesch verhindert in het genot en de wereld, die geen onrecht van de Christenen geleden heeft haat hen, omdat zij hare genietingen tegenstaan. De ziel bemint het hatende vleesch en de Christenen hebben lief degenen, die hen haten. De ziel is in het lichaam besloten en houdt het lichaam in stand en de Christenen zijn in de
61
wereld als in een kerker en zij houden de wereld in stand. De onsterfelijke ziel woont in eene vergankelijke tent en de Christenen zijn bijwoners van het sterfelijke, terwijl zij de on-verderfelijkheid in den Hemel verwachten. De ziel, door spijs en drank teleurgesteld, wordt beter en de Christenen, dagelijks gestraft wordende, nemen toe. Tot zulk een staat heeft God hen geroepen en het staat hun niet vrij dien te verwerpen.quot; „Want dit is hun niet overgegeven als eene aardsche uitvinding en zij willen ook geene overleggingen van stervelingen zóó zorgvuldig bewaren, want zij gelooven geene menschelijke stelsels van verborgenheden. Maar de Almachtige zelf, de Schepper en onzichtbare God heeft van den Hemel de waarheid en het woord, dat heilig is en door het verstand niet kan begrepen worden, in de menschen gelegd en krachtig in hunne harten bevestigd, niet, zoo als men zou denken, oen dienaar of engel of leidsman aan de menschen zendende, maar den bewerker van alles zelven, door wien Hij de Hemelen gemaakt heeft, door wien Hij de zee binnen hare grenspalen besloten heeft, aan wien de maan gehoorzaamt, terwijl Hij haar beveelt des nachts te schijnen, aan wien de sterren gehoorzaam zijn, terwijl zij den loop der maan volgen, door wien alles wordt geordend en bepaald, de Hemel en wat in den Hemel is, de aarde en wat op aarde is, de zee en wat in de zee is, vuur, lucht, afgrond en wat in de hoogte, en in de diepte, en wat tusschen beide is.quot;
,,Dezen heeft Hij tot hen gezonden, en deed Hij dit, zoo als men zou kunnen vermoeden, tot vrees en verschrikking? Neen, maar in zachtmoedigheid en liefde. Gelijk een koning zond Hij den Zoon tot Koning; Hij zond Hem als een God, reddende, als overtuigende, niet als dwingende, want dwang is er in God niet. Hij zond Hem niet om te veroordeelen, maar om te beminnen. Hij zal Hem zenden, om te oor-
62
deelen en wie zijne toekomst verdragen.....(onleesbaar). Ziet
gij ook niet, dat zij toenemen hoe meer zij gestraft worden en dat schijnt geen werk van den mensch te zijn, maar dat is de kracht Gods. Dat zijn de teekenen Zijner toekomst.quot;
„Wie toch der menschen wist wie God is, voor dat Hij gekomen was? Of neemt gij de ij dele en beuzelachtige woorden aan van wijsgeeren waarvan eenige zeggen, dat het Vuur en andere, dat het Water God is. En ze zijn er ook die andere elementen God noemen, welke door God gemaakt zijn. En toch, indien zulk eene redeneering kon aangenomen worden, dan zou elk der andere geschapene dingen ook God kunnen zijn. Maar dit zijn kunsten en bedriegerijen van Goëten.quot; „Maar God heeft zich zeiven geopenbaard. Hij openbaart zich door het geloof, door hetwelk alleen men God aanschouwen kan, want God, de Heer en Schepper van alle dingen, die alles gemaakt en alles in orde gebracht hebbende, niet alleen de menschen lief had, maar ook lankmoedig was. Maar zoo was Hij altijd en is Hij nog en zal Hij zijn, weldadig en goedertieren, niet geneigd tot toorn, en waarachtig en alleen liefderijk, en den grooten en onuitsprekelijken raad genomen hebbende, welken Hij alleen mededeelde aan den Zoon. Zoo lang Hij nu zijn wijzen raad in het verborgen hield en bewaarde scheen Hij zich om ons niet te bekommeren. Maar nadat Hij door zijn geliefden Zoon, hetgeen van den beginne bereid was, heeft geopenbaard en bekend gemaakt, heeft Hij ons alles gegeven, en deeltenemen in zijne weldaden
en te zien.....Wie onzer had het ooit verwacht ? Alles
wist Hij bij zich zeiven met Zijnen Zoon.quot;
„Gedurende den vorigen tijd liet Hij toe, dat wij mede-gesleept werden, zoo als wij verlangden, door ongeregelde gemoedsbewegingen, door vermaken en begeerten gedreven, zeker niet omdat Hij genoegen had in onze zonden, maar
63
omdat Hij ze verdroeg, geen welbehagen hebbende in dien tijd der onrechtvaardigheid, maar den zin voor gerechtigheid werkende, opdat wij in dien tijd uit onze eigene werken overtuigd des levens onwaardig te zijn, door de liefde Gods het leven zouden waardig gemaakt worden. En God getoond hebbende, dat de menschen, door zich zeiven niet kunnende ingaan in het rijk van God, het zouden vermogen door de kracht van God. Doch nadat onze ongerechtigheid vervuld en volkomen aan het licht gekomen was, werd de bezoldiging er van verwacht. En toen kwam de tijd, dien God bestemd had, om Zijne genade en macht te openbaren .. . (onleesbaar) Hij heeft ons niet gehaat, niet verstooten. Hij vergat, wat wij misdaan hebben en Hij was lankmoedig en verdroeg onze zonde. Hij gaf zijn eigen Zoon tot een losprijs voor ons, den heiligen voor overtreders, den zondelooze voor zondaren, den rechtvaardige voor onrechtvaardigen, den onverderfelijke voor stervelingen. Want wat anders kon onze zonde bedekken dan zijne gerechtigheid? In wien konden wij overtreders en goddeloozen gerechtvaardigd worden, dan in Gods Zoon alleen. O! onverwachte weldaad, opdat de ongerechtigheid van velen door een rechtvaardigen zou bedekt worden, opdat de rechtvaardigheid van ecnen, vele zondaren zou rechtvaardigen.
Daar Hij in den vorigen tijd aangetoond had, dat het voor onze natuur onmogelijk was, om het leven te verkrijgen, heeft Hij nu den Zaligmaker geopenbaard, die zelfs kan zalig maken, wat anders niet zalig worden kon. Daarom heeft Hij gewild, dat wij zouden gelooven aan zijne liefde èn Hem eeren als onzen opvoeder, vader, leeraar, raadsman, geneesmeester, wijsheid, licht, eer, heerlijkheid opdat wij niet bezorgd zouden zijn voor voedsel en kleeding.\'\'
„Indien gij nu dit geloof begeert en eerst aanneemt de kennis van.....(een woord uitgevallen). Want God heeft
64
de menschen liefgehad om welke Hij de wereld gemaakt heeft, aan welke Hij alle dingen onderworpen heeft, aan welke Hij zijn woord schonk en het verstand, welke Hij gemaakt heeft naar zijn beeld, aan welke Hij zijn eengeboren Zoon gezonden heeft, aan welke Hij het koningrijk in den Hemel beloofd heeft, terwijl Hij dat geven zal dengenen, die Hem liefhebben. En als gij dat beschouwt wiens blijdschap meent gij, dat er •vervuld wordt? Of hoe zult gij beminnen, die u te voren zoo lief gehad heeft? En als gij Hem lief hebt zult gij een navolger zijn van zijne liefde. En verwonder u niet, dat de mensch een navolger van God kan zijn! Hij kan het, als God wil. Want niet het heerschappij voeren over den naasten, niet, het meer willen bezitten dan de behoeftigen, niet het rijk zijn en het uitoefenen van dwang over minderen is gelukkig te noemen. En hierin kan niemand God navolgen. Dit alles is buiten Zijne Goddelijke heerlijkheid, maar die den last van den naaste draagt, die den mindere weldoet door hetgeen hij meer ontvangen heeft van God, die wordt als een God voor den beweldadigde, die is een navolger van God. Dan zult gij op aarde zien, dat God in den Hemel regeert, dan zult gij beginnen te spreken over de verborgenheden van God, dan zult gij hen beminnen en bewonderen, die gestraft worden, omdat zij God niet willen verloochenen; dan zult gij het bedrog en de dwaling der wereld leeren kennen, wanneer gij zult geleerd hebben waarlijk voor den Hemel te leven; wanneer gij verachten zult wat hier de dood schijnt te zijn, en den waren dood zult vreezen, die hen wacht, welke veroordeeld zullen worden tot het eeuwige vuur.quot;
,,Ik zoek geene vreemde dingen en spreek niet zonder rede, maar discipel der Apostelen geweest zijnde, werd ik de onderwijzer der volken. Met hetgeen mij overgegeven is bedien ik anderen, die ware discipelen der waarheid zijn. Want wie
65
die het goed geleerd heeft en uit het woord der.....(uitgevallen)
geboren is zoekt niet duidelijk te leeren, wat door het Woord klaar aan de discipelen getoond is, aan wie het Woord, toen het verschenen is, zich geopenbaard heeft, duidelijk sprekende door de ongeloovigcn niet begrepen, aan de discipelen medegedeeld. De geloovigen, door Hem geleerd, hebben de verborgenheden des Vaders leeren kennen. Waarom Hij het Woord gezonden heeft, opdat het aan de wereld verschijnen zou, hetwelk door het volk niet geëerd, door de Apostelen gepredikt, door de Heidenen geloofd is. Door het Woord is de kerk rijk, en de genade wordt uitgebreid en vermeerderd in de harten der geloovigen, gevende verstand, de verborgenheden openbarende, de tijden aankondigende, verheugd over de geloovigen, geschonken aan hen die het verlangen.quot;
Nu spreekt de schrijver nog een paar regels over den boom der kennis en den boom des levens. Kennis, zegt hij, moet niet zonder het leven zijn en het leven niet zonder de kennis. Hij eindigt met te schrijven: „Het Woord verheugt zich, terwijl het de heiligen onderwijst en door Hem wordt de Vader verheerlijkt, wien heerlijkheid zij tot in eeuwigheid.quot;
Ik heb u dit vrome en belangrijke stuk der oudheid bijna geheel medegedeeld, vooral ook opdat gij zelf oordeelen zoudt over deze getuigenis uit de eerste kerk.
Levendig en met vuur spreekt de schrijver over de begrippen van Heidenen en Joden, als iemand die nog leefde in den tijd toen ook de Israëlieten nog vervolgden. In dit geheele stuk vinden wij geen spoor van zecte of ketterij, zooals wij dat aantreffen in dc schriften van Justinus, die 130 jaren na Christus leefde. Vindt gij zelf niet, dat wij hier de eenvoudigheid der Apostelen ontmoeten, ofschoon de kunstige tegenstellingen en het opvoeren van titels voor het Woord ons evenwel leeren, dat het niet meer die kinderlijke eenvou-
66
dikheid was. Gij vindt in dit stuk ook geen spoor van latere dogmatiek. Het is, zou men zeggen, geschreven voor den tijd toen men philosophisch begon te redeneeren over de natuur des Zoons. Wat hij er van zegt is geen streven naar bepalingen , maar alleen naar redekunstige sieraden. Er is geen spoor te vinden, van latere leer, dat men alleen kan zalig worden door zekere leerstellingen aan te nemen. En als wij hier geen stuk voor ons hebben uit den oudsten tijd, dan moet ik twijfelen of er wel één bestaat.
Hebben wij in dit eenvoudig geschrift eene getuigenis van het geloof in de oude Kerk van de eerste eeuw, of zeker van het begin der tweede, dan zullen wij nu resumeeren, wat er van Jezus gezegd wordt.
God zond geen\' dienaar, bode of leidsman, maar den bewerker en maker van alle dingen, door wien Hij de wereld schiep. Gij ziet hoe dit overeenkomt met het begin van het vierde Evangelie. God zond hem (Jezus) als een koning, als een God: Wat is dat overeenkomstig met hetgeen wij in den brief van Plinius gelezen hebben, dat de eerste Christenen liederen ter eere van Christus zongen als een\' God. God heeft zijnen heiligen raad om menschcn zalig te maken, alleen medegedeeld aan den Zoon. God wist alles bij zich zeiven inet den Zoon. Hij gaf zijn eigen Zoon tot rantsoen voor ons. Die Zoon wordt genoemd, de heilige, de zondelooze, de rechtvaardige in tegenoverstelling der menschcn, ja, ook de onverderfelijke, in vergelijking met de sterfelijke menschen.
In dien eenigen rechtvaardige kunnen zondaren gerechtvaardigd worden. God, zegt hij, heeft aan de menschen gezonden zijnen Eengeboren Zoon.
Volgens het Christendom zijn alle menschen kinderen Gods, indien men onder dezen naam verstaat, dat de menschen door God zijn geschapen, worden onderhouden en bestuurd. Maar
67
is dit nu de hoogste beteekenis van de woorden „kinderen Gods? O neen, in Jezus kunnen wij zien wat het is, een kind van God te wezen. In Hem is de ware kinderzin. In Gods kinderen is immers de ware kinderzin, en daarom zondigen zij niet. Is nu ook die ware kinderzin van nature in alle menschen? Was bijv. Cajafas een kind van God, in die diepere beteekenis? Integendeel, hij was een vijand van God. Zoo zijn dan alle menschen van nature wel redelijke schepselen, met verstand en hart en geweten bedeeld, die allen door God zijn geschapen en onderhouden worden, maar van nature zijn ze geene kinderen Gods, in den waren zin. Dat worden zij eerst wanneer zij dien kinderzin ontvangen, dat worden zij dus, wanneer zij van Chutstus geleerd hebben kinderen Gods te zijn. Daarom is Hij in de wereld gekomen, om ons tot kinderen van God te vormen.
Wanneer nu menschen voor de eerste maal geboren worden, dan zijn ze menschen-, wafc uit vleesch geboren is, dat is vleesch, maar wanneer zij nu van kinderen der menschen kinderen Gods worden, dan worden zij, om zoo te spreken, voor de tweede maal geboren. Dan zijn ze wedergeboren, of uit God geboren, dat is, dan zijn ze kinderen Gods. Wederge-boren worden is dus volkomen gelijk aan ware Christenen worden. De Christen is de wedergeboren mensch.
Wie kinderen Gods zijn, hebben wij ons nu voorgesteld, en wij voegen er bij, dat er vele kinderen Gods zijn, in den Hemel en op aarde. Immers, die in Christus gelooven en in Christus ontslapen zijn, worden kinderen Gods genoemd. Zoo zijn ook de Engelen kinderen Gods. Onder die vele kinderen Gods is Jezus Christus de voornaamste, de eerste. Daarom wordt Hij genoemd de Eengeboren Zoon. Onder al de kinderen Gods is er geen zoo verheven als Jezus
G8
Christus. Daarom stelde Paulus hem boven de Engelen, zooals oo!c de brief aan de Hebreen doet.
Zoo vinden wij den schrijver van den brief aan Diogne-tus in eenigheid des geloofs met Paulds, ook hij stelt Jezus Ciitustus boven den gewonen mensch.
POLTCAKPUS.
Nog een andere getuige uit denzelfden ouden tijd zullen wij hooren, namelijk Polyoabpos. Hij leefde in het begin der tweede eeuw na Christus. Er is een brief van hem aan de Mlippensen overgebleven, die alle teekenen van echtheid draagt. Wel is waar heeft Schwegler aan dien brief getwijfeld, maar zijne gronden zijn niet belangrijk genoeg, om er eenig gewicht aan te hechten. De stem van een\' enkelen man, die geene bewijzen aanvoert, kan toch niet beslissend wezen.
Irenaeus was een discipel van Polycarpus en wat hij van zijnen leermeester gezegd heeft, is door Eusebius voor ons bewaard \'). „En Polycarpusquot; verzekert hij „was een discipel van de Apostelen en heeft met velen omgegaan, die den Heer gezien hebben. Wijquot; zegt Irenaeus „hebben hem gekend in onze vroege jeugd.quot; Hij heeft altijd gepredikt, wat hij van de Apostelen geleerd had. Er bestaat ook een brief van Polycarpus aan de Filippensen, waaruit wij den aard van zijn geloof en de prediking der waarheid hooren.quot; Welke
•) Eusebius H. E. IV, 14
getuigenissen zullen uit de oudheid nog overblijven, indien men hier niet tevreden is?
De brief van Polycarpus is geheel practisch van inhoud. Hij zocht volstrekt geene leerstellingen of bespiegelingen. Hij munt ook in het geheel niet uit door oorspronkelijkheid, of rijkdom van denkbeelden. Des te meer moet ik aannemen, dat hij het geloof zijner kerk uitdrukt. En nu lezen wij bij hem: ,,In geloof aan Hem, die onzen Heer Jezus Christus uit den doode opgewekt heeftquot; (hootilst. 2) en „die ^niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is de antichristquot;, hoofdst. 7.
Al nemen wij nu ook aan dat deze brief niet van Poly-uarpus was, dan is hij toch zeker oud, want Irenaeus, die omstreeks het jaar 177 na Christus leefde, haalt hem aan, gelijk wij gezien hebben, als een werk van Polycarpüs.
Er bestaat nog een brief van de Christelijke gemeente te Smyrna over den dood van Polycarpüs. Eüsebius heeft ons een gedeelte van dien brief bewaard l). Doch het gehecle stuk is later gevonden door Jacob üssekius. Waarschijnlijk is dit geschrift opgesteld in het jaar 168 na Christus. Ook dezen brief moeten wij voor echt houden, gelijk hij ook door Baur aangehaald wordt. De inhoud is ook hoofdzakelijk overeenkomstig met hetgeen wij van elders weten. Ofschoon er eenige omstandigheden in voorkomen, die ons doen vermoeden, dat de marteldood van Polycarpüs min of meer met het gewaad der legende is omhangen, zijn toch de hoofdzaken historisch.
Ik zal met eenige verkorting dezen brief uit het Grieksch vertalen.
,,De gemeente van God te Smyrna aan de gemeente van
\') Eusebius; H. E. IV, 15.
70
God te Philadelphia en aan alle andere; vrede en liefde van God den Vader en onzen Heer Jezus Christus worde vermenigvuldigd.quot; De brief begint in het algemeen over de vervolging en de standvastigheid der Christenen te spreken, daarna gaat hij aldus voort:
„En de voortreffelijke Germanicus versterkte de Christenen door zijn geduld, terwijl hij heldenmoedig met de wilde dieren kampte. Want toen de proconsul hem wilde overreden en hem voorhield, dat hij toch medelijden zou hebben met zijne jonkheid, hitste Germanicus zelf het wilde monster tergend tegen zich op, om des te sneller te sterven. Entoen was de geheele menigte verbaasd over de voortreffelijkheid van het godvreezende en godsdienstige geslacht der Christenen. Men riep met luider stem: weg met de atheïsten, men zoeke Polycarpus. Een Christen, Quintus genaamd, en pas uit PhrygiÖ aangekomen, werd bang toen hij de wilde dieren zag. Deze man had zich zeiven aangegeven als een Christen en had anderen opgewekt, om het ook te doen, maar de proconsul hem toesprekende, haalde hem over, om te offeren. Daarom, broeders, kunnen wij het niet goedkeuren, dat men zich zei ven aangeeft, omdat het Evangelie het zóó niet leertquot; l).
„Toen Polycarpus hoorde, dat men hem zoeken moest, was hij niet ontsteld, maar hij wilde in de stad blijven. Doch men haalde hem over, om weg te gaan en hij vertrok naar eene landhoeve, niet ver van de stad gelegen; daar hield hij zich met weinig vrienden een dag en een nacht op, niet anders doende dan bidden voor allen en voor de geheele Kerk, zoo als hij gewoon was. En toen hij in een
\') Wij zien, dat voorbeelden van dweeperij in de eerste Christelijke kerk niet vreemd zijn, maar tevens dat bedachtzame Christenen zulks in het geheel niet goedkeurden.
71
visioen gezien had, dat zijn hoofdkussen verbrandde, zeide hij profetisch tot zijne vrienden, dat hij levend verbrand moest worden 1). Toen zijne vervolgers naderden, week hij naar eene andere hoeve, doch ook daar kwamen zij spoedig en hem niet vindende, namen zij twee knapen gevangen, waarvan dc een onder de pijniging bekende. Er waren er eenigcn, die zijn verblijf verraden hadden. Dc Eoineinsclie ambtenaar, die met de gevangenneming belast was, en Herodes heette, haastte zich om Polycarpus in het rcnperk te brengen, opdat deze zijn eigen deel ontvangen zou, als discipel des Heeren, en zijne verraders. het lot van Judas zouden hebben. Terwijl zij den gevangen knaap bij zich hadden, gingen de vervolgers uit door ruiters vergezeld, met hunne gewone wapenen, alsof zij op ecu1 roover afgezonden waren. Het was vrijdag en omstreeks het uur van den maaltijd. Het was reeds laat, toen zij hem naderden. Hij bevond zich op eene bovenkamer en kon nog naar eene andere hoeve wijken, maar dat wilde hij niet en zeide: de wil des Heeren geschiede. Toen hij zijne vervolgers hoorde komen, klom hij naar beneden en sprak met hen. Toen zij zijn\' hoogen ouderdom zagen en zijne bedaarde houding, zeiden eenigen: moest men zoo grooten haast maken, om zoo oud een man gevangen te nemen? Polycarpus beval dadelijk, dat men hun eten en drinken zou voorzetten, zooveel zij verlangden, terwijl hij verzocht, dat men hem een uur zou toestaan, om ongestoord te bidden. Dat werd hem gegeven en hij bad, vol zijnde van Gods genade, zoo dat hij in twee uren niet zwijgen kon, en zoo dat zij die het hoorden versteld stonden) en dat velen spijt hadden, dat zij gekomen waren, om zoo vroom een grijsaard in hechtenis te nemen.quot;
\'J Dit visioen kan men in dc omstandigheden van Polycarpus uiet onnatuurlijk vinden.
72
„Toen herinnerde hij zich alles, wat hem overkomen was, het geringe en belangrijke, het beroemde en roemlooze, en hij dacht aan de gansche algemeene Kerk op aarde. En toen hij zijn gebed geëindigd had, was het nnr gekomen, om te vertrekken. Zij zetten hem op een\' ezel en voerden hem naar de stad, terwijl het de groote Sabbath was. Op dienzelfden weg reed dc bevelhebber Herodes en zijn vader Nicetes. Toen zij hem inhaalden, plaatsten zij hem op hnnnen wagen en, naast hem zittende, trachtten zij hem over te halen, om te zeggen: Heer Caesar! 1) en om te offeren en aldus gered te worden. Hij antwoordde eerst niet, maar toen zij volhielden zeide hij: ik kan niet doen, wat gij van mij verlangt. Toen zij hem niet konden overtuigen, spraken zij harde woorden en wierpen hem toornig uit den wagen, zoodat hij zijn scheenbeen wondde. Maar hij ging evenwel goedsmoeds voort, terwijl men hem naar het amphitheater bracht. Terwijl er een groot rumoer in het amphitheater was, zoodat het slechts door weinigen kon gehoord worden, sprak eene stem uit den Hemel tot Polycakpüs, toen hij binnentrad: wees sterk Polycarpus en moedig! En niemand zag den spreker, maar velen onzer hoorden de stem. Toen het volk vernam, dat Polycarpus aangekomen was en voor den proconsul gebragt werd, nam het rumoer geweldig toe.quot;
„Zijt gij Polycarpus ?quot; vroeg de proconsul.
„Ja,quot; was het antwoord.
„De proconsul beproefde nu eerst hem over te halen, om het geloof te verloochenen. Denk toch aan uwen ouderdomquot; sprak hij, voegde er bij wat zij gewoon zijn te zeg-
\') Met dat woord „Heerquot; waarmede de Heidenen hunne goden aanriepen was het denkbeeld van iets goddelijks verbonden en de Christenen vonden er daarom bezwaar in den Caesar zoo te noemen.
73
gen en eindigde met hem te vermanen: ,,Zweer toch bij de fortuin des Caesars ^), kom tot inkeer en zeg: weg met de atheïsten.quot;
„En Polycarpüs met een hoog ernstigen blik over de menigte in het amphitheater ziende, de hand naar haar uitstekende en het oog naar den Hemel richtende, sprak: weg met de atheïstenquot; 1). Toen drong de rechter nogmaals bij hem aan, en zeide: zweer en ik zal u ontslaan, laster Christus.quot;
,,Zes en tachtig jaren dien ik Hem,quot; hernam Polycarpüs , en Hij heeft mij nooit iets kwaads gedaan en hoe zou ik mijnen Koning lasteren, die mij zalig maakt?quot;
„De proconsul bleef echter aandringen en zeide andermaal: Zweer bij de fortuin des keizers.quot;
„Indien gij meent, hervatte Polycarpüs , dat ik bij do fortuin des Caesars zweeren zal, als of gij niet wist, wie ik ben, zoo hoor duidelijk, dat ik een Christen ben en indien gij het woord des Christendoms wilt kennen, geef mij dan een dag en hoor.\',
„Overtuig het volk, was het antwoord des rechtersquot; s).
„U heb ik het woord waardig geacht, sprak de Christen, want wij worden vermaand, om aan de overheden en machten, door God ingesteld, de eer te geven, die betamelijk is, maar hen (op het volk wijzende) acht ik niet waardig mijne verdediging te hooren.quot;
„Tk heb wilde dieren, zoo ging de proconsul voort, en
Polycarpüs bedoelt natuurlijk, tegen de meening des Stadhouders , de Heidenen rondom hem.
74
ik zal u voor hen laten werpen, indien gij u niet verandert.quot;
„RoeP ze gt; hernam Polycarpus , want eene bekeering van het betere tot het slechtere wordt bij ons niet gevonden, maar het is schoon van het kwade tot de rechtvaardigheid te komen.quot;
„Ik zal u door het vuur doen temmen, zoo gij de wilde dieren veracht, zeide de rechter, indien gij niet van gevoelen verandert.quot;
,,Gij dreigt mij, antwoordde de Christen met een vuur, dat voor een tijd brandt en spoedig uitdooft, want gij zijt onbekend met het vuur des oordeels, en met de vergelding der goddeloozen. Maar wat toeft gij? Doe wat gij wilt.quot;
,,Terwijl hij zoo sprak, werd hij met moed en blijdschap vervuld, en zijn gelaat schitterde van genade 1), zoodat hij niet alleen niet bezweek van schrik over de woorden des landvoogds, maar dat deze integendeel verbaasd was.quot;
„De proconsul zond om den uitroeper en beval hem driemaal in het amphitheater aan te kondigen, dat Polycaii-pus had beleden een Christen te zijn. Toen de omroeper dit gezegd had, schreeuwde de gansche menigte van Heidenen en Jodeu, die te Smyrna wonen, met geweldige heftigheid en met groote stem: Hij is de leeraar van Azië, de vader der Christenen, de verwoester van onze goden, die het aan zoovelen leert niet te offeren, niet te aanbidden.
,,Zoo sprekende verlangden zij met luid geroep van Filip-pus , den bestuurder der dierengevechten, dat hij een\' leeuw op Polycarpus zou loslaten. Maar Filippus verklaarde, dat hij dit niet mocht toestaan, omdat de tijd voor de dierengevechten voorbij was. Toen begonnen zij allen, als een
Dat is die gesteldheid, waarmede iemand de gemoederen van anderen inneemt, zoo als ook van Jezus gezegd wordt. Luk. II, 25.
75
eenig man, te roepen, dat Polycaraus moest verbrand worden. En dit gebeurde met grooten haast. Dadelijk droegen zij hout en takkebossen bijeen uit de werkplaatsen en badinrichtingen, terwijl vooral de Joden raedehielpen, zoo als zij gewoon zijn.quot;
„En toen de brandstapel gereed was, legde Polycarpus zijne bovenkleederen af, maakte zijn\' gordel los en daarna wilde hij zich ontschoeien. Dit had hij vroeger nog niet gedaan, omdat zijne vrienden zich zoo haastten, om hem nog maar eens aan te raken. Daarna deed men hem het kleed aan, dat bij den brandstapel gebruikelijk is. Nu wilde men hem met nagels aan de paal vasthechten, maar toen sprak hij: Laat mij zóó, want die mij kracht geeft om het vuur te verdragen, zal mij ook geven, zonder hulp van nagels op den brandstapel vast te staan. Zij nagelden hem nu niet aan de paal, maar bonden hem vast. En hij, zijne handen naar achteren houdende, werd gebonden als een voortreffelijk dier, uit de groote kudde geofferd, gelijk als een slachtoffer aangenaam aan den Almachtigen God.quot;
,,Daarna sprak hij: O Vader van uwen geliefden en gezegend en Zoon, Jezus Christus, door wien wij de kennis van u ontvangen hebben! God der engelen en machten en der geheele schepping en van het gansche geslacht der rechtvaardigen, die bij u leven, ik dank u dat gij mij waardig geacht hebt dezen dag en deze ure, om deel te hebben aan het getal der martelaren en den drinkbeker van Christus tot de Opstanding des eeuwigen levens, naar ziel en lichaam in onverderfelijkheid van den H. Geest. Laat mij onder hen heden voor uw aangezicht aangenomen worden tot eene aangename offerande, gelijk gij te voren bereid, geopenbaard en vervuld hebt. O God! de waarachtige, die niet liegen kunt. Daarom, en om alles, prijs ik u, zegen
76
ik u, verheerlijk ik u door den eeuwigen Hoogepriester Jezus Christus, uwen geliefden Zoon, door wien aan ü, met Hem en den Heiligen Geest zij heerlijkheid, nu en tot in de komende eeuwigheid. Amen.
Toen hij het amen uitgesproken en zijn gebed geëindigd had, ontstaken de dienaren het vuur. Toen de vlam hoog opflikkerde zagen zij, aan wie het gegeven was te aanschouwen, hoe de vlam als \'t ware een nis vormde, of gelijk was aan het zeil van een schip, dat door den wind hol opgeblazen wordt en alzoo het lichaam des martelaars omringde, en hij stond daar niet als vleesch dat brandde, maar als goud of zilver, dat in den oven beproefd wordt. En wij ontwaarden een liefelijken reuk, als of er wierookgolven naar ons toekwamen. De ongeloovigen, ziende, dat het lichaam door het vuur niet verteerd werd, bevalen den confector (d. i. de man, die in het amphitheater de dieren ombracht) den martelaar het zwaard in de borst te stooten, en terwijl hij dit deed, stroomde er zooveel bloed, dat het vuur werd uitgebluscht.quot;
De schrijvers verhalen nu nog uitvoerig, wat er daarna gebeurd is. Na den dood van den grijsaard drongen de Joden er vooral op aan, dat het lijk niet aan de Christenen zou geschonken worden. Want misschien, zeiden zij, zou men den gekruiste verlaten, om Polycarpus te volgen. Zij wisten niet, voegen de schrijvers van den brief er bij, dat wij Christus nooit kunnen verlaten, die geleden heeft voor het heil van allen, die zalig worden, en dat wij niemand anders kunnen eeren. Want Hem vereeren wij als den Zoon van God. En de martelaren, als zijne discipelen en navolgers van den Heer, beminnen wij natuurlijk om hunne bewonderenswaardige genegenheid jegens hunnen eigen koning en leeraar.
77
Het lijk van Polycarpüs werd op Eomeinsche wijze verbrand , maar de overgebleven beenderen werden door de gemeente bewaard. De brief eindigt met eene nauwkeurige opgave van de maand, den dag en het uur, waarop Po-lycarpüs stierf. Aan het einde vinden wij nog den wensch, dat allen den Heer verheerlijken zouden, die ons kan zalig maken ,,door zijnen Eengeboren Zoon Jezus Christus ,quot; enz.
Gij ziet, dat er in dezen brief het een en ander voorkomt, dat vreemd klinkt. Men zal echter daarom de echtheid van dit stuk niet ontkennen, ofschoon men ook aan eenige versiering denken kan. Wanneer de vrienden van Polycarpus den dood des edelen grijsaards beschrijven, doen zij dat met hooge ingenomenheid, die wellicht een en andere omstandigheid wat overdreef. Dat Polycarpus in een droom kan gezien hebben, dat zijn hoofdkussen brandde en dat hij er naar denkbeelden, die in hem plaats kunnen vinden, eene profetie in zag van iets, dat zeer gemakkelijk gebeuren kon, zal ons zoo heel vreemd niet voorkomen. De reuk, die van den brandstapel kwam, kan ontstaan zijn door welriekend hout, dat men in drift uit de werkplaatsen gehaald had en de stem, die zij hoorden, kan ook natuurlijke oorzaken gehad hebben. Kortom, hoe gij dit nu ook opvatten wilt, en wat gij voor versiering wilt houden, toch zult gij wel toestemmen, dat de hoofdzaken eenvoudig en treffend zijn verhaald. En daar het ons te doen is, om te weten, hoe Polycarpus , de discipel der Apostelen, van Jezus dacht, is het niet onzeker, dat Jezus Christus ook voor dezen Christen meer was dan een gewoon mensch.
En was zijn geloof niet het geloof der Christenen te Smyrna en dat der geheele Kerk? Hoort nog hoe sterk hij zijn geloof aan de Opstanding van Jezus uitspreekt in den brief aan de Filippensen. „Iederquot; zoo schrijft hij daar
78
„die niet belijdt, dat Jezus in het vleesch verschenen is, is de antichrist en wie niet gelooft aan het lijden des kruises, die is van den duivel en wie de woorden des Heeren naar eigene begeerten verdraait, en niet gelooft aan de Opstanding en het gericht, die is de eerstgeborene des Satans.quot;
justinus.
De martelaar, wiens getuigenis- wij nu zullen hooren, is geboren te Ilavia Neapolis, tegenwoordig Naplous, vroeger Sichem in Samaria. Hij was van Grieksche ouders. Wetenschappelijk en wijsgeerig opgevoed, zocht hij ernstig naar waarheid. Hij begaf zich naar de scholen der Stoïcijnen, die hoog van hunne wijsheid opgaven en groote mannen onder hunne volgelingen telden. Van hen wilde Jüstinus leeren wie God en hoedanig het Godsbestuur was. Maar daarvan wisten zij hem niets te zeggen, dat zijnen geest bevredigen kon. Wij weten immers ook uit de schrijvers van dien tijd, welke de denkbeelden der wijsgeeren waren en dat zij eene ziel, die naar God vraagt, niet kunnen helpen. Droevig verliet dan ook Jüstinüs deze beroemde school. Een \'peripatetisch wijsgeer zou hem beter licht geven, dacht hij. Maar, wat droevige teleurstelling voor zijn hart, toen de philosoof hem eerst vroeg, hoeveel geld hij er mee verdienen kon? O, neen, bij dien man, zoo hebzuchtig, was de wijsheid niet, die hij zocht met een brandend hart. Nu bleef hem nog over de oude wijsbegeerte van Pythagoras. Daar zocht men geen geld, daar geloofden zij aan geen noodlot, daar wilde men boven-
79
zinnelijke waarheid. Maar om tot den tempel der wijsheid van Pythagoras door te dringen, moest hij eerst ont-zaehlijk groote voorportalen en voorhoven doorwandelen. Eerst moest hij de mathesis verstaan en dan nog andere wetenschappen leeren. En Justinus moest erkennen, dat liij niet wist wat een cirkel was; toen werd hij door den wijze met minachting bejegend. En toch meende hij, dat er voor den mensch zooveel geleerdheid niet noodig moest wezen, om de waarheid te vinden, die hem rust en vrede schonk. Nu begaf hij zich eindelijk naar de discipelen van den verheven Plato. Een schrander wijsgeer van deze richting woonde in zijne nabijheid. Justinus hoorde met onbeschrijfelijk genot naar de schoone en prachtige idéen van den dichterlijken wijze. En wij, die de spelonk van Plato kennen en de wijze, waarop hij. naar de legende van den ring van Gyges, de rechtvaardigheid schildert, en het met zeewier begroeide beeld van den zeegod teekent, wij kunnen ons de ingenomenheid van Justinus begrijpen. Terwijl zijn geest door de idéen van Plato eene meer verhevene richting ontving , begaf hij zich veel in de eenzaamheid.
Eens wandelde hij in zijne overpeinzingen verloren, aan het strand der zee. Daar ontmoette hij een grijsaard, met wien hij in gesprek kwam. Vriendelijkheid met eerwaardigheid verbonden, als liefelijke rozen om een eiken tak geslingerd blonken op zijn gelaat. Justinus had zich zeiven als een wijsgeer bij den ouden man geintroduceerd. Doch de onbekende toonde hem aan, dat het weten alleen ons nimmer bevredigen kan. Hij wees Justinus op den ootmoed als op den vruchtbaarsten grond, waarop de wijsheid groeit en bloeit en eindelijk zeide hij, dat hij een Christen was, sprak tot Justinus van Jezus en vermaande hem tot bidden.
80
„Ik heb hem nooit weer gezienquot; schrijft Jüstinüs , „maar er was eene vlam in mijn hart ontstoken en ik gevoelde mij getrokken tot de profeten en de vrienden van Jezus.quot; Hij onderzocht het Christendom en de blijmoedigheid, waarmede vele Christenen in zijn tijd den marteldood ondergingen, wekte zijn vurigen geest nog meer op. Hij wilde een christelijk wijsgeer zijn, zooals hij ook het gewaad van den wijsgeer bleef dragen. Hij heeft zijn leven doorgebracht met anderen te wijzen op de bronader des levens, waaruit hij zelf gedronken had. Hij hield zich op verschilleade plaatsen op, nu eens in Palestina dan in Egypte, ook in Efeze en ten laatste in Rome.
Jüstinüs heeft twee verdedigingen geschreven, voor de Christenen. De eerste apologie schreef hij omstreeks het jaar 138 na Christus en gaf ze aan Ceasar Antonius Pius. De tweede is wat later opgesteld. En eindelijk hebben wij nog van hem een gesprek met den jood Trypho.
Jüstinüs werd in het jaar 165 na J. C. met andere Christenen gegeeseld en onthoofd, nadat hij kloekmoedig den Heer beleden had.
In zijne schriften hebben wij zekere en ontwijfelbare historische gegevens uit het begin der tweede eeuw. Niemand twijfelt aan de echtheid der werken van Jüstinüs. Hier staan wij dus zeker ook op den vasten grond der geschiedenis. Wat Jüstinüs voor een man was, hebben wij reeds gezien en zijn uitnemend karakter blijkt ook uit zijne werken. Wij vinden wel bij hem hier en daar vreemde uitleggingen van de profetiën des ouden verbonds, wel komen ons in zijne schriften redekunstige wendingen en sieraden voor, die niet zijn naar den smaak van onze eeuw, maar dat kan geen\' invloed uitoefenen op de vraag, wie Jezus Christüs was, naar het gevoelen van Jüstinüs.
81
Laat ons dan zien wat hij van den Zaligmaker zegt.
Terwijl hij spreekt over de gebeurtenissen van zijnen tijd zegt hij: „Dat dit alles gebeuren zou heeft Hij voorspeld, die onze leeraar is en de Zoon van God, den Vader en Heer van allen en de gezant Jezus Christus, van wien wij ook onzen naam verkregen hebben en daardoor worden wij versterkt in het geloof aan hetgeen Hij gezegd heeft, omdat het door de uitkomst blijkt, dat alles geschiedt, wat Hij aangekondigd heeft, dat geschieden zou, en dit is het werk van God 1).\',
„Wij zullen aantoonenquot; zegt Justinus op eene andere plaats, „dat wij Hem, die onze leermeester in deze dingen geworden is en die daartoe geboren is Jezus Christus, die gekruisigd is, onder Pontius Pilatus, den landvoogd van Judea, ten tijde van keizer Tiberius , dat wij Hem hebben leeren kennen als den Zoon van den waren God, en dat wij Hem in de tweede plaats stellen en den prophétischen geest in de derde plaats, omdat wij Dien met het Woord vereeren. Daarom zeggen zij, dat het dwaasheid van ons is, dat wij na den onverander lij ken en eeuwigen God, den Schepper van alle dingen, de tweede plaats geven aan een\' gekruisteu mensch, terwijl zij de verborgenheid, die daarin gelegen is niet verstaan, waarop wij u echter opmerkzaam willen maken 2).quot;
Wanneer Justinus aan de Heidenen Christelijke leeringen wil ophelderen, die voor hen donker waren, dan maakt hij wel eens gebruik van hun godsdienstig geloof. Zoo wil hij aantoonen, dat de naam „Zoon Godsquot; niet zoo ongewoon voor hen is en daarbij schrijft hij: „Jezus Christus wordt Gods Zoon genoemd en indien Hij ook niet anders ware dan een
■2) Aang. plaats § 22.
\') Eerste apologie § 12,
6
82
gewoon mensch, zou Hij om zijne wijsheid Gods Zoon kunnen geheeten worden. Alle schrijvers noemen God den Vader van menschen en goden en, indien wij zeggen, dat het Woord Gods eigenlijk uit God geboren is, in vergelijking met de bij u gewone geboorte nit God, dan is dat overeenkomstig uwe denkbeelden, die van Meucdmus ook zeggen, dat hij het woord Gods is I).quot;
Gij zult mij toestemmen, dat deze redeneering steunt op de onderstelling, dat Jezds meer dan een gewoon mensch was. Op ecne andere plaats, later nog te behandelen, verzekert hij „dat Jezus Christus Gods Zoon is en genoemd wordt J). Want Jezus Christus is de Zoon en de gezant van God, terwijl Hij vroeger het Woord, de logon was — en nu is Hij door den wil van God voor het menschelijke geslacht mensch geworden
,,De eeuwige Godquot; zoo lezen wij elders, „heeft geen naam, want de namen Vader, God, Schepper, Heer, Opperheer , zijn geene namen, maar Imamingen aan Zijne daden en werken ontleend. Maar zijn Zoon, die alleen eigenlijk of wettig Zoon genoemd wordt, het Woord, de Logos, voor Zijne werken zijnde en ontstaan, toen Hij door hem alles voortbracht *).quot;
„Wij hebben geleerdquot; verzekert Justinus „dat Jezus Cheis-Tus is de eerstgeboren Zoon Godsquot;, zooals hij op meer dan eene plaats zegt 1). Gelijk Jezus volgens het Evangelie van Mattheus gezegd had, of zou hebben, verzekert ook Justinus, dat niemand den Vader kent, dan de Zoon en niemand den Zoon kent dan de Vader, en aan wien de Zoon
) 6 1* Apol, $ 46 , { 53 en § 63.
het openbaart. Wie ziet niet, dat een wijsgeerig denkend man als Jüstinus door deze woorden aan Jezus eene zeer hooge plaats geeft. Hij alleen kent God, en God alleen kent Hem.quot;
„Het Woord is,quot; volgens Jüstinus, „Jezus Christus. De eerste macht na den Vader en Heer van alles is de Zoon, het Woord, en hoe dat vleesch geworden is zullen wij later opmerken l). Het Woord van God is de Zoon. Want Jezus Christus is de Zoon en de gezant van God, vroeger het Woord zijnde 2). Die Logós is het eerste voortbrengsel van God, zonder vleeschelijke gemeenschap 8).quot; En welke gedachten Justinus had van dat Woord, kunnen wij uit het volgende opmaken: „Wij hebben opgemerktquot; schrijft hijdat Jezus Christus het Woord is, waaraan het geheele menschengeslacht deel had en die met het Woord geleefd hebben waren Christenen, al meende men, dat zij buiten God leefden, zoo als onder de Grieken Socrates , Hera-clitus en anderen aan hen gelijk — en onder de barbaren 1) Abraham en Ananias , Azaria , Mizael en Elia en vele anderen, wier namen en daden wij niet alle kunnen opnoemen. Zoodat ook zij, die vroeger buiten het Woord geleefd hebben, nutteloos en vijanden van Christus waren en moordenaren van hen, die met het Woord leefden. Maar de Christenen, die met het Woord geleefd hebben en leven, zijn zonder vrees en schrik. En om welke reden, door de kracht van het Woord naar den raad van God den Vader en Heer van alles, in eene maagd een mensch ontvangen is en Jezus genoemd werd, die aan het kruis gestorven zijnde
) Justinus spreekt tot een\' keizer, bij wien andere volken barbaren
84
opgestaan is en naar den Hemel gegaan, dat kan ieder begrijpen, uit hetgeen reeds gezegd is \')quot;
„Jezus is door eene maagd geborenquot; zegt hij ook elders !). „Hij heeft kreupelen, geraakten en verlamden genezen ; Hij heeft zieken gezond gemaakt en dooden opgewekts). Ja, schrijft hij, dat Christüs zieken heeft genezen, dooden opgewekt en blinden ziende gemaakt heeft, dat kunt gij, Romeinen, weten uit hetgeen met Hem gebeurd is ten tijde van Pontiüs Pilatüs v
Eindelijk verzekert hij op onderscheidene plaatsen, dat Jezus is opgestaan van den doode, dat Hij gekruist, gestorven, opgestaan en naar den Hemel gegaan is 5). Dat Jezus uit den doode opgestaan en door zijne vrienden gezien is, verzekert hij nog elders \'). „Op dien dagquot; vinden wij bij hem „op zondag is Jezus opgestaan, want op den dag voor zaterdag hebben zij Hem gekruisigd, en op den dag ua zaterdag, hetwelk is de zondag, is Hij aan zijne Apostelen en Discipelen verschenen
Ik heb mij niet bepaald tot eene enkele plaats uit de schriften van Jusiinüs, want dan zou men wellicht nog kunnen vragen, of die plaats soms onecht was, of anders kon verklaard worden. De beide apologiën, die ik voor mij heb liggen, zijn in klein octavo gedrukt en bevatten drie en zeventig pagina\'s. De vele plaatsen uit dat werkje aangehaald, bewijzen u, dat het hier niet te doen is ona eene enkele phrase, maar wel, dat wij hier de doorgaande begrippen van den schrijver hebben. Daarenboven is er geen enkel woord in te vinden, dat aanleiding zou kunnen geven.
1) le Apol. § 46. 2) Aang. plaats } 22. 3) Aang. plaats ( 22. 4) Aang. plaats § 48. 5) Aang. plaats ^ 21, § 31, i 45 en § 46. quot;j Aang. plaats § 50. Aang. plaats § 67, enz.
85
om te denken, dat Justinus anders oordeelde over den persoon des Heeren.
Laat mij er eindelijk nog bijvoegen, hoe wij door Justinus onderricht worden van de godsdienstige gebruiken der eerste Christenen
„Zij, die de waarheid erkennen van hetgeen door ons geleerd wordt, en beloven zoo te leven, worden door ons naar eene plaats geleid, waar water is en op dezelfde wijze waarop wij op nieuw geboren zijn, worden zij ook wedergeboren , want zij ondergaan in het water de afwassehing, den doop, in den naam 2) van God den Vader en Heer van allen en van onzen Zaligmaker Jezus Chmstus en des Heiligen Geestes.quot;
„Nadat wij hem, die geloovig geworden is gedoopt hebben, brengen wij hem naar de broeders, waar zij vergaderd zijn, om gemeensehappelijk te bidden voor ons zeiven en voor den gedoopte en voor allen, opdat wij de waarheid geleerd hebbende, een\' goeden wandel leiden en de geboden bewaren en alzoo het eeuwige heil verkrijgen. Na het gebed groeten wij elkander met een\' kus. Daarna wordt aan den voorganger onder de broeders brood gebraeht en een beker met water en wijn gemengd. En als hij dat ontvangen heeft, brengt hij lof en eer aan den Vader van alles, dooiden naam des Zoons en des Heiligen Geestes, en hij dankt hartelijk voor deze van God ontvangen gaven. En als hij deze gebeden en dankzeggingen geëindigd heeft, dan zegt de geheele vergadering: Amen. En dat Amen heteekent in het Hebreeuwseh, (dat Justinus echter zelf niet verstond) het zij zóó. Dan geven zij, die bij ons diakenen genoemd worden, aan ieder der tegenwoordigen van dit brood en van
•) 1\' Apol. $ 29. 2) i^\'dvófj-OTt
86
dien wijn met water, en zij brengen dat aan hen, die cr niet bij waren.quot;
Daarna spreekt Justinus over de beteekenis van het brood. (Hier is onze goede Kerkvader duister). Daarna gaat hij voort: „Bij alles wat wij genieten, loven wij den Maker van alles door zijnen Zoon Jezus Christus en door den Heiligen Geest. En op den dag, die zondag genoemd wordt is cr eene samenkomst van allen, die in de steden en op het land wonen, en dan lezen wij de gedenkwaardigheden der Apostelen 1) of de schriften der profeten , zooals de tijd toelaat. En als de voorlezer ophoudt, dan vermaant de voorganger door zijne woorden, om het Schoone, dat men gehoord heeft, na te volgen. Dan staan wij allen op en doen het gebed. De welgestelden, die daarbij ook welgezind zijn, geven naar hun believen aan de armen. Hetgeen verzameld is, wordt bij den voorganger gebracht. Hij geeft het aan weduwen en weezen, en aan hen, die door ziekte of andere oorzaken in nood zijn, en aan gevangenen en behoeftige vreemdelingen. Om kort te gaan, hij is de verzorger van allen, die in moeite zijn. Op zondag hebben wij onze gemeenschappelijke bijeenkomsten, omdat het de eerste dag is, waarop God duisternis en stof veranderd en de wereld geschapen heeft, en waarop Jezus Christus onze Zaligmaker is opgestaan.quot;
Zie, wanneer ik hier geen eerlijken en eenvoudigen Christen hoor spreken, dan heb ik er geen verstand van.
En nu zullen wij Justinus moeten vaarwel zeggen, doch
\') Men zou uit deze uitdrukking van Justinus opmaken, dat hij de Evangeliën kende, en die gedachte wordt versterkt door de vele aanhalingen uit de Evangeliën, die wij bij hem vinden, zoodat Baue ook zegt, dat Justinus zeker wel een of ander Evangelie gekend heeft. Anderen beweren echter, dat Justinus de Erapgeliën niet kende.
87
nog iets willen wij opmerken. Gij weet wat er in onzen tijd gebeurd is, met de doopsformule. Uit Jüstinus zien wij, dat het doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, meer dan 1700 jaar oud is. En waarschijnlijk was het toch ten tijde van Jüstinus niet iets nieuws en ongehoord». Het blijkt, dat de formule bij den doop reeds algemeen was, want Jüstinus spreekt er overals over iets dat algemeen was.
Wij vinden wel is waar bij kerkvaders gesproken van doopen in den naam van Jezus, maar nergens, zoover mij bekend is, van doopen in den naam van God alleen. En natuurlijk, want zulk een doop zou het karakter des Christendoms missen. Gedoopt in den naam des Vaders, of zooals in het Evangelie staat, tot den naam des Vaders, beteekent afgezonderd of geroepen tot belijdenis van den naam des Eenigen Gods, maar ook Jood en Mahomedaan zijn verbonden tot belijdenis van één God. Zijn wij nu niet onderscheiden van Jood en Mahomedaan, is onze godsdienst niet anders, dan een monolheisme waarbij wij Christus onnoodig achten, dan kan er gesproken worden van een doop in den naam des Vaders. Wij zijn echter van Jood en Mahomedaan onderscheiden, omdat wij God aanbidden, zooals Hij zich in Christus geopenbaard heeft, en dus worden wij Christenen niet alleen gedoopt in den naam des Vaders, maar ook in den naam des Zoons. Doch het ligt buiten ons bestek, dit onderwerp verder te behandelen. Dat eenigen een ander doopsformulier zouden willen invoeren, is ook al niet vreemd in de geschiedenis. In het werk van Suicekus kunt gij lezen, dat men het in vorige dagen ook al beproefd heeft, doch zonder dat zulke proeven ooit geslaagd zijn.
88
§ 12.
Atiienagokas , Tatianus , Polycrates eu Irenaeus.
Ik zal over deze mannen kort zijn, denvijl ik alleen met een enkel woord heb te bewijzen, dat zij omstreeks in deuzelfden tijd als Jüstinüs levende, niet van hem verschilden in het geloof aan het bovennatuurlijke in den persoon des Heeren.
Athenagoras leefde in het jaar 176 na Christus1 geboorte in Athene. Hij was een wijsgeer eu hij las de Heilige schriften alleen om de Christenen te wederleggen, maar hij werd er integendeel door overtuigd. Hij werd C/tristen, maar bleef, even als Jüstinüs , den mantel van een wijsgeer dragen. ,,üe Zoon van Godquot; zoo leerde hij „is het Woord, de logos des Vaders, in denkbeeld en werking, want door Hem is alles gemaakt, omdat de Vader en de Zoon één zijn. Naardien nu de Zoon in den Vader en de Vader in den Zoon is in eenheid en kracht des Geestes, is de Zoon van God het ver* stand en de rede des Vaders. Hij is de eerste geboorte des Vaders. —• Wie zou ons nu langer voor ongodisten houden, wanneer hij hoort, dat wij God den Vader en den Zoon van God en den Heiligen Geest roemen, en aantoonen, hoe zij in kracht één, maar in orde onderscheiden zijn.quot;
Tatianus was ook een leeraar uit dien tijd, die vele aanhangers had, om zijne strenge levenswijze. Hij sprak ook op dezelfde wijze van Jezus , maar twijfelde, of de Heer wel een waarachtig lichaam gehad had.
Er is nog een brief uit de tweede helft der tweede eeuw van zekeren Polyokates, bisschop van Smyrna. Aan de echtheid van dat stuk twijfelt niemand, ja de Tubingsche school en de theologen van die richting hebben op berichten
89
uit dezen brief hunne hoofdbatterij geplant tegen de echtheid van het JoHANNEs-Evangelie. Wij vinden in dat geschrift echter niet veel wat ons helpen kan, maar toch iets. Er was een strijd over den dag, waarop het Pasohen moest gevierd worden tusschen den bisschop van Rome en de Christenen in Azië. Hierover handelt ook deze brief van Polycrates , bisschop van Smyrna. En bij die gelegenheid wordt er gesproken van de toekomst des Heeren, wanneer Hij met heerlijkheid uit de wolken komen zal, en de heiligen zal opwekken.
Omstreeks het jaar 170 na Christus geboorte werd Irenaeüs geboren, een man die zich door zijne vroomheid, zijnen ijver en zijne schriften bekend gemaakt heeft. Hij was bisschop van Lion, maar in zijne jeugd was hij in Azië geweest. In Smyrna was hij een discipel van Poltcaupus. Wij hebben reeds van hem vernomen, dat zijn leermeester met de Apostelen omgang gehad had, en de waarachtige waarheid kende en predikte. Wat hij van dezen edelen man hoorde, prentte hij zich diep in den geest, zooals hij ons verhaalt. Vooral uit zijn werk tegen de ketters, kennen wij zijn gevoelen.
Irenaeus wil zich niet inlaten in bespiegelingen aangaande de betrekking van den Vader tot den Zoon; hij heeft een afkeer van dogmatiek. Hij wil alleen de eenvoudige waarheid prediken, zoo als hij die van zijne jeugd af aan uit den mond van de leerlingen der Apostelen heeft vernomen. „Indien iemand ons vragen wilde,quot; schreef hij „hoe is dan de Zoon van den Vader voortgebracht? Zouden wij hem antwoorden: Deze voortbrenging of geboorte benaming of openbaarmaking, of met welken naam men ze moge noemen, zijnde eene onuitsprekelijke geboorte, kent niemand, dan alleen de Vader, die voortgebracht heeft en de Zoon, die voortgebracht is.quot;
90
„De Kerkquot;, zoo spreekt hij, „heeft van de Apostelen en hunne leerlingen het geloof in God den Vader, die Hemel en aarde en al wat daarin is geschapen heeft en in den éénen Christus Jezüs, den Zoon van God, die om onze zaligheid mensch geworden is, als ook de geboorte uit eene maagd en het lijden en de Opstanding uit den doode en de lichamelijke opneming van den Heer in den Hemel enz.quot; „Want hij is de Zoon zelfquot; vinden wij elders „die nedergedaald en opgevaren is, om het heil der menschen. Door den Zoon, die in den Vader is en den Vader in zich heeft enz.quot;
Hagenbach heeft het gevoelen van Ikenaeüs zeer goed voorgesteld, als hij zegt: „Jezüs Chkistds is bij Irenaeus het onzichtbare des Vaders, zoo als het voor ons zichtbaar wordt, zooveel als het aangezicht Gods naar ons toegewend. Christds is voor Ikenaeüs de Godmensch, die het goddelijke en menschelijke, dat in ons door de zonde gescheiden is, in zich vereenigd heeft en die op eiken trap van ontwikkeling het volkomen beeld der mensehheid in goddelijke verheerlijking vertoond heeft. Hij is geworden wat wij zijn, opdat wij zouden worden wat Hij is, en wij door Hem tot God zouden komen 1).quot;
Doch het is onnoodig hier meer aan te halen, omdat het door allen erkend wordt, ook door de Tubingsche Theologen, dat Jezüs Christus bij Irenaeus een wezen was boven de menschelijke natuur verheven.
Verder behoefden wij het getuigenverhoor eigenlijk niet voort te zetten, want het is algemeen bekend en aangenomen en het staat hidomch bij alle partijen volkomen vaat, dat in den tijd na Irenaeus, de leer van \'s Heeren hoogere
\') Hagjenbach. Kerkgeschiedenis der eerste drie eeuwen II pag. 3.
91
iiatuur reeds de heerschende was en de duidelijke leer der
algemeene en rechtzinnige Kerk.
Wij zouden nu ook de getuigenissen der vier Evangeliën
kunnen hooren. Want, al waren ze onecht, dan zouden zij
toch zeker niet later dan dezen tijd geschreven zijn, en ons
bewijzen wat het geloof der Kerk was. Doch daar de leer
der Evangelisten u bekend is, behoef ik dat niet te be-0 i
handelen.
Ik wil alleen nog uwe aandacht vestigen op een paar beroemde leeraren in Egypte, omdat door hen zal bevestigd worden wat wij gevonden hebben.
Clemens Alexandrinus.
Het Christendom, door eenvoudige menschen gepredikt, eischte geene geleerdheid of wetenschap, zoo als blijkt uit de eenvoudige schriften, die wij gelezen hebben. Eenvoudig, als de Apostelen, waren ook de eerste Christenen en de Discipelen der Apostelen. Maar hoe meer nu de prediking van Christus in aanraking kwam met de wetenschap en de beschaving; des te meer werd het voor den prediker noodig, om het Christendom ook op wetenschappelijke manier te behandelen. Als het toch aangevallen werd door mannen, zoo schrander en zoo wijsgeerig als een Celsus, dan waren er ook mannen noodig, om tegenover de vijanden van het Christendom te kunnen spreken. Zoo ontstond er dan ook reeds vroeg in Alexandrië eene Christelijke school, als eene kweekschool. Twee discipelen van die schooi zijn ons goed
92
bekend, namelijk Clemens Alexanbmnüs , zoo genoemd in onderscheiding van Clemens Somanus, en Okigenes.
Deze mannen kwamen gedurig in aanraking met de beoefenaars der wetenschappen en der philosophic in hunnen tijd. Voorzeker, in die dagen waren er ook denkende hoofden, zoo wel als nu. In natuurkunde stonden de geleerden van die eeuw ver achter die van de negentiende, maar in logica waren zij niet minder bedreven dan wij. Men behoeft alleen Celsus te kennen, om er van overtuigd te wezen. Het is waar, dat dc geleerden van dien tijd vooroordeelen hadden, eigen aan die eeuw, maar zouden de menschen van onze dagen van alle vooroordeelen vrij zijn?
Maar al waren de schrijvers van dien tijd met de natuurkunde ook weinig bekend, toch was bijv. de Opstanding van Jezus bij hen met dezelfde bezwaren omringd als bij ons. Ook iij hebben nooit iemand zien opstaan; ook zij gevoelden hoe moeielijk het was anderen daarvan te overtuigen. Voorzeker, ik durf mij niet vermeten te zeggen, dat ik veel te hoog sta boven een Clemens en een Okigenes , om te gelooven wat zij geloofden. Neen, het is mij onmogelijk om de overtuiging en het diep geloof dier mannen zoo maar voor bijgeloof te verklaren, en als Jezus niet anders geweest is dan een mensch, dan was hun geloof in Hem niets anders dan bijgeloof. En zij leefden in een tijd, toen men het nog zoo goed kon onderzoeken en weten. Is Jezus Christus niet opgestaan, dan moet zich het bijgeloof, dat Hij opgestaan was, langzaam hebben uitgebreid, en zouden mannen als Polycahpus die met den Apostel Johannes heeft omgegaan, en Justinüs, die zelf in Paleslina geboren was, en Irenaeus , die weer een discipel van Polycarpus was, aan de Opstanding van Jezus geloofd hebben, indien
93
dat niet van den beginne door de Apostelen was verzekerd? En op welken grond zouden zij aan de Opstanding zóó vast geloofd hebben? Alleen, omdat zij het van den een of anderen Jood gehoord hadden, die discipel van Jezus geweest was en zich verbeeld had in een visioen of droom den herrezene gezien te hebben. Doch, laat ons zien wie Clemens Alexandmnus was. Titds Flavius Clemens had te Athene kennis gemaakt met de wijsheid „der Grieken — of hij er ook geboren werd is onzeker. Hij heeft zijne geleerde oefeningen voortgezet te Alexandrië, waar hij de leerling was van Pantaenüs , die leeraar was aan de Chris-lijke school, aldaar in het midden der tweede eeuw opgericht. Clemens was te Alexandrië omstreeks het jaar 190 na Christus geboorte. Eene vervolging heeft hem genoopt, naar Jerusalem te vluchten, waar hij, zoo als Eüsebius verhaalt, zeer nuttig was. Clemens was bekend met de schriften der klassieke wijsgeeren. Ook de onechte schriften, die er ia zijnen tijd bestonden, had hij gelezen.
Clemens was waarlijk een vroom Christen, die goed zijn verstand had. Wie had in de Oude kerk meer zuivere en echt liberale denkbeelden van het huwelijk dan hij ? Hoe rationeel is zijne beschouwing van het gebed. „Als wij ook zonder de lippen te bewegen, tot God sprekenquot; zegt hij, „dan bidden wij, want God verhoort de innerlijke richting naar Hem heen. De Christen bidt overal en op alle wijzen in de stilte en bij het lezen en in den omgang, en als hij verstandig handelt en als hij aau God denkt in eenzaamheid, dan is God nabij.quot;
Volgens zijn gevoelen had God de wijsbegeerte aau de Heidenen gegeven, gelijk aan de Joden de wet, opdat zij niet geheel zonder godsdienst zouden zijn. Op alle mogelijke wijzen tracht hij de verhevene natuur van den Zoon
94
Gods te begrijpen. Hij spreekt er soms zonderling over, en soms vervalt hij tot het gevoelen der docetisten, die aan Jezus slechts een schijnlichaam toekenden. In latere eeuwen is hij niet zelden als een warhoofd veroordeeld, omdat hij over Christus niet sprak zoo als de Katholieke kerk eerst jaren daarna heeft vastgesteld. Al die pogingen echter, om de hoogere natuur van Christus te verstaan, al die wendingen van zijnen geest om Christus te begrijpen, hoe zijn ze te verklaren? Was het hem mogelijk geweest te kunnen denken, dat Jezüs een mensch geweest was als wij, dan zou een man als Clemens zich niet zdó hebben afgetobd. Dat zou hij vooral niet gedaan hebben, wanneer het geloof, dat Jezus een gewoon mensch geweest is, het oorspronkelijke was, zoo als eenigen nu meenen. Neen, die voortdurende inspanning van zijn denken getuigt van zijn streven, om het historisch gegevene te verklaren. Anders moet ik zeggen, dat ik een\' man als Clemens volstrekt niet begrijp. Wat kon hem weerhouden te zeggen, dat Jezus een mensch geweest was als de andere? Had hij daarvoor grond in de geschiedenis gevonden, hoeveel gemakkelijker zou het voor hem geweest zijn! Hij heeft er, zoo als van hem gezegd wordt, het hoogste belang in gesteld , om omgang te zoeken met menschen, die de leerlingen der Apostelen gekend hebben, en zoo moet men dan wel vooronderstellen, dat Clemens nooit iets anders gehoord heeft, dan dat Jezus Christus meer dan een gewoon mensch geweest is.
Hoe spreekt hij nu over Jezus Christus? „Het woord de Logos, van den Vader van alle dingen,quot; zoo schrijft hij, „is geen woord dat uitgesproken wordt, maar de wijsheid en de blijkbare goedheid van God, Zijne Almachtige en waarlijk Goddelijke kracht, Zijn Almachtige wil.
95
De natuur des Zoons is de volmaaktste en heiligste en die het allernaast komt aan den Eenigen Almachtige of aan den Albeheersoher. De Zoon beschikt alles naar den wil des Vaders en Hij vergist zich nooit in Zijn bestuur. Hij is geheel vaderlijk verstand en licht, geheel oog, alles ziende, alles hoorende, alles wetende. Aan hem is het gansche heir van engelen onderworpen.quot;
Clemens was een Christelijk wijsgeer en daarom zocht hij de feiten der historie voor zijn denken duidelijk en doorzichtig te maken en bekend met alles, wat de wijsbegeerte van zijnen tijd hem aanbood, trachtte hij op die wijze de hoogere natuur van Christus te begrijpen. Dat hij den Oneindige niet bevatten kon, wist hij, maar daarom poogde hij het Woord te begrijpen, hetwelk de Openbaring van den Oneindige is. Maar dat Woord werd bij zijne bespiegelingen van dien aard, dat het moeielijk kon gedacht worden als vleesch geworden. Zoo is dan de menschheid van Jezus bij hem ook geene ware menschheid en zijn gevoelen komt overeen met dat der docetisten, die meenden, dat Jezus slechts iu schijn mensch geweest was. Hoe licht men bij zulke bespiegelingen daartoe kwam, heeft de geschiedenis der It-oomsche kerk geleerd. Door al de dogmatische bepalingen en bespiegelingen in die kerk werd hare leer ook overhellend naar het docelime. Immers in de Katholieke kerk wordt geleerd, dat het lichaam van Christus in de mis tegenwoordig is. Dat lichaam is dus op meer dan ééne plaats tegenwoordig, als er op hetzelfde uur mis gevierd wordt. En zoo is uw en mijn lichaam niet. Jezus Christus heeft dus ook geen waarachtig menschelijk lichaam gehad. Van daar, dat zij den waren Middelaar wegnemende bij andere middelaars troost gingen zoeken. Hoe nu ook Clemens moge overgeheld hebben naar liet gevoelen van
96
hen, die meenden dat Jezus alleen een schijnlichaam gehad heeft. Zeker is het, dat hij in Jezus Christus meer zag dan een\' gewoon\' mensch.
Origenes.
Deze kerkvader werd in Egypte geboren in het jaar 185 na Jezus Christus. Hij was de zoon van Leonidas, een Christen en redenaar, die te Alexandrië leefde en onthoofd werd. De geschiedschrijver Eusebius verhaalt ons het navolgende uit de jeugd van Origenes ,}Severus regeerde reeds tien jaar over het Romeinsche rijk. Toen ontvlamde eensklaps het vuur der vervolging ook in Alexandria. Leonidas werd met vele anderen gevangen genomen. De zeventienjarige Origenes had een hevig verlangen om zijnen vader te volgen op den weg naar de martelaarskroon. Zijne moeder, reeds zoo diep getroffen door het lot van haren echtgenoot, en nu te meer nog bekommerd over haren zoon, trachtte te vergeefs hem te bedaren, en van zijn voornemen af te brengen. Toen zij met haar smeeken hem niet weerhouden kon, verborg zij zijne kleederen, zoodat hij niet uitgaan kon. Toen hij op die manier gedwongen was, t\'huis te blijven, kon hij evenwel niet rusten bij de gedachte aan zijnen vader en hij zond hem een\' brief, waarin hij onder andere schreef: o laat u toch om onzentwil niet afbrengen van uwe gezindheid.quot;
Hij was door zijnen vader opgevoed en onderwezen
tj Eusebius H. E, VI. 1, 2, 3 enz.
97
in de voornaamste wetenschappen van zijnen tijd, maar vooral ook geoefend in het lezen van de Heilige schrift van zijne jeugd af aan. Als jongeling was hij al niet tevreden met de eenvoudige verklaring des woords. Hij zoeht liet altijd dieper op te vatten, zoodat hij het dikwijls zijnen vader moeielijk maakte hem te antwoorden. Leonidas moest hem dikwijls vermanen, toch niet dieper te willen navorschen, maar nogians verheugde hij er zich hartelijk over en hij dankte God, den Gever van alle gaven , dat hij vader mocht zijn van zulk een\' zoon. Na den dood van Leonidas was de familie arm, want haar vermogen was verbeurd verklaard. Zij werden echter door eene vermogende vrouw geholpen en spoedig wist Origenes de kundigheden, die hij in zijne jeugd opgedaan had, te gebruiken, om het onderhoud to verdienen.
Later werd hij leeraar aan de Christelijke kweekschool te Alexandria, waar hij zich zoo uitnemend van zijne taak kweet, dat meer dan een Heiden Christen werd. Toen er later weer eene vervolging ontbrandde, bezocht hij de gevangenen en vergezelde de martelaren tot aan de strafplaats, terwijl hij zelf het gevaar ontkwam. Toen hij dertig jaar oud was, heeft hij zich nog toegelegd op het leeren van de Hebreeuwsche taal, ten einde de schriften des Ouden Verbonds in het oorspronkelijke te lezen. In het jaar 215 was er een oproer in Alexandria en Origenes heeft zich daarom eenigen tijd te Cesarea in Palesiina opgehouden. Yan daar teruggekeerd werd hij vijandig bejegend door Demetrius , den bisschop van Alexandria, en door hem beschuldigd van onzuivere leeringen. Vrijwillig verliet Origenes zijne vaderstad en zette zich weer in Palestina neder. Na een werkzaam leven werd hij in den kerker geworpen onder de regeering van keizer Dechts. Er was toch weer eene hevige vervolging
7
98
uitgebarsten. Men deed een ijzeren keten om zijn\' hals en sloot hem in het blok. Dat was een werktuig tot pijniging. Het bestond uit twee blokken op elkander gesloten. In dc voege dier beide blokken waren gaten in welke de enkels werden gelegd. Ver van elkander werden de voeten opgesloten en gedrukt.
Origexes bleef standvastig, zooals hij reeds als Jongeling was. De vuurdood, waarmede men hem dreigde, kon hem niet ontrouw maken aan het geloof hem van zijne jonkheid af aan zoo lief. Doch Decids stierf, de vervolging eindigde en Okigenes werd vrijgelaten. De oude man had echter zooveel geleden, dat hij spoedig daarna stierf, 69 jaar oud.
Bij een druk en werkzaam leven heeft hij zeer veel geschreven. Ik zal u evenwel niet bezig houden met eene opgave zijner werken. De voornaamste er van zijn; Eene uitlegging des O. T., die in haar geheel niet meer hestaat, een boek over de leer des Christendoms en een boek tegen Celsus , den bestrijder des Christendoms.
Origenes was een man van onderzoekenden geest, wijsgeerig gevormd, even als Clemens, en vroom van zin. Dat hij opzettelijk de Hebreeuwsche taal leerde, toen hij reeds dertig jaar oud was, bewijst ons hoe hij alles zelf wilde onderzoeken en kennen. Bij zijne waarheidsliefde liet hij zich nooit besturen door gezag; zijne denkbeelden en begrippen spreekt hij vrijmoedig uit, al zijn ze niet overeenkomstig met de leer van anderen. Dat hebben wij in zijne levensgeschiedenis gezien.
Zoo las hij veel in het Oude Testament, dat hij niet letterlijk opvatte. „Er wordt,quot; zoo zeide hij ,,op mcnschelijke wijze van God gesproken en dat moeten wij Gode waardig uitleggen, door eene geestelijke verklaring van den letterlijken ?,In.quot; Zoo verstaat hij de Scheppingsgeschiedenis niet eigenlijk. Hij vindt daarin alleen beelden. om de Schepping der wereld
99
zinnelijk voor te stellen. Hij kon zich zelfs geene Scheppink in den tijd denken. Hij dacht: Als de wereld eens geschapen is, dan was er een tijd, dat zij nog niet was en dan was er reeds eene eeuwigheid voorgegaan, dat God zich niet openbaarde, dat Hij niets voortbracht en niets gelukkig maakte. Hoe is dat mogelijk? Dat kan niet wezen, was zijn antwoord, dat strijdt tegen mijn logisch geweten. En hij trachtte een antwoord te geven op die moeiclijke vraag. En dat antwoord was, dat er eene oneindige reeks van Scheppingen vóór de ouze geweest was. De oplossing was voorwaar niet minder onbegrijpelijk dan het vraagstuk.
Wie kan zulke vragen oplossen? Eene eeuwige wereld, zonder God, kunnen wij niet denken en ecu God, die reeds eene eeuwigheid bestaan had, voor dat Hij de wereld schiep evenmin. En zoo zou er niet anders overblijven dan een eeuwige God, cn eene eeuwige wereld, dat is liet pa.nihe-wme. Wij moeten evenwel een duidelijk onderscheid maken tussehen hetgeen abstract waar is en hetgeen wij ons kunnen voorstellen. Zóó bestaat bijv. de ruimte, maar wie kan zich eene oneindige ruimte voorstellen? Dat 3 oneindig groot is, moet noodzakelijk aangenomen worden, toch kan ik het mij moeielijk voorstellen. Evenmin kan ik mij eene lijn voorstellen, die eeuwig eene andere nadert, zonder haar ooit te bereiken en toch leert dc wiskunde, dat er zulk eene lijn bestaat — doch wij mogen niet te ver afwijken van onzen weg.
Ortgenes had bij Plato gelezen, dat onze ziel reeds vóór onze geboorte zou bestaan hebben, en dat denkbeeld had voor hem veel bekoorlijks, zoodat hij het ook aannam. Het is bekend dat Okioenes eene herstelling van alle dingen verwachtte. Zoo verklaarde hij de woorden van Paüius, (1 Cor. 15 ; 28) opdat God zij alles in allen, dat hier
100
eene herstelling van alle dingen werd bedoeld. „God,quot; zoo dacht hij, ,,zal alles in allen zijn, niet met betrekking tot levenlooze en redelooze dingen; maar alles, wat de nu van ondeugden geheel gezuiverde geest gevoelen, verstaan en denken kan, zal alles God zijn; hij zal dan niets anders zien en bevatten dan God. Er zal ook geen onderscheid meer plaats hebben tusschen goed en kwaad, omdat er nergens kwaad wezen zal.quot; 1) Photius getuigt dit ook van Obigenks. 2)
God zal alles in allen zijn. God kan echter volgens zijn idee niet alles in allen zijn zoo lang er nog zondaren bestaan, in welke God niet is. Wanneer God in allen alles is, dan bestaat er dus ook geen zondaar meer. De zonde heeft geen eeuwig bestaan, verzekert hij, anders zou er een eeuwige strijd zijn tusschen licht en duisternis en het Evangelie leert, dat die strijd niet eeuwig is, maar dat het licht overwinnen moet. De zonde wordt eenmaal overwonnen en dus vernietigd, en waar geene zonde meer is, daar bestaat ook geene verdoemenis; zoo was zijne redeneering.
Ouigenes veronderstelde zelfs, dat de boozc geesten tot God konden wederkceren 3). Om deze en andere vrijzinnige denkbeelden is Okigenes later door velen veroordeeld. Er waren theologen in de Eoomsche kerk, die vast verzekerden dat hij in de hel was. De Jeznit Eienne Bkinet gaf in 1029 een werk uit over de zaligheid van Omgenes. Hij durfde den Kerkvader slechts met schroom gelukkig noemen. Daarom gaf hij aan zijne beoordeeling den vorm van een
De princip. Lib. III. Cap. 5. Contra Cëlsum VI p. 324. VIII p. 424.
2) Epist. T. ÏI. Theophil. ad. Matth. III. 12.
3) Photius. Epist. I pag II. Leontinus de sectis. Act. X p. 550.
101
rechtsgeding. Hij liet getuigen hooren en voor en tegen pleiten. Eindelijk liet hij dit vonnis vellen: „Veu tont ce qui a eté dit de part et d\'autre et les conclusions des gens du roi du ciel, il a eté dit, que l\'affairc sera appointee au conseil secret de Dien et a lui reservée la sentence definitive. Et néanmoins par provision et au profit d\'Origene a eté dit, que tout bien balancé, les preuves qui ie san vent sont plus fortes et mieux concluantes que celles, qui le damnent, partant il y a plus d\'apparence de le croire sauvé que damné ^1). Misschien heeft Klopstock aan deze gedachte van Origenes zijn karakter, van Abba-donna. ontleend. Gij herinnert u nog hoe Abbadonna ons belang inboezemde als wij in onze jeugd de Messias van Klopstock lazen. Wij meenden toen, dat er op het geheele gebied der poezie geene karakterschildering was zoo nieuw, zóó interessant, als van dien verleiden en rampzaligen hemelgeest, die in zijne wanhoop God om vernietiging smeekt, en eindelijk van Gods troon de roepstem hoort: „Abba-donna , kom tot uwen Ontfermer!quot;
Ik heb dit alles aangemerkt, om u te bewijzen dat Origenes een zelfdenker was, die geenszins afhankelijk wilde zijn van het gezag van anderen, maar vrij en open zijne eigene denkbeelden mededeelt. En wat is nu zijn gevoelen over Jezus?
Zijne belijdenis is aldus geformuleerd „dat Jezus Christus, die gekomen is voor alle schepselen, uit God geboren.is. Nadat Hij in de Schepping van alle dingen den Vader gediend had (want door Hem is alles gemaakt) heeft Hij zich in de laatste tijden vernederd en is Hij mensch geworden. Hij is vleesch geworden daar Hij God was en is God gebleven, wat Hij te voren was. Hij nam een lichaam
\') Zie Baijle, diet. hist, et erit. op het woord Origenes.
103
aan gelijk het onze en daarin alleen onderscheiden, dat Hij uit eene maagd en van den Heiligen Geest geboren is. Deze Christus is waarlijk en niet alleen in schijn geboren. Hij heeft derhalve geleden en is zeker den gewonen dood gestorven. Want Hij is waarlijk opgestaan en na zijne Opstanding, met de Discipelen omgegaan hebbende, opgenomen.quot;
Wanneer wij andere plaatsen in de schriften van OlUGENES met deze geloofsbelijdenis vergelijken, dan zullen wij zijn gevoelen beter begrijpen en volkomen overtuigd zijn, dat Jezus Chkistus, volgens Origenes, was eene Goddelijke persoonlijkheid, van den Vader onderscheiden en aan Hem ondergeschikt.
Doch, opdat het bij u aan geen twijfel onderworpen zij, zal ik u mededeelen, wat Baur in do schriften van Origenes gevonden heeft. „Het stondquot; zegt hij, „bij Origenes vast, dat de Zoon persoonlijk van den Vader onderscheiden was, maar Hij staat beneden God en is van Hem afhankelijk. De Zoon is gegenereerd, maar niet in den tijd, niet op een bepaald tijdstip, maar van eeuwigheid. Zijn bestaan is ook zonder begin. De Zoon is eeuwig met den Vader.quot;
Hoe gij nu ook over de bespiegelingen en wijsgeerige redeneeringen van den beroemden Kerkvader oordeelt, is mij ouverschillig, maar gij zult het toestemmen, dat Origenes duidelijk bewijst wat het geloof van zijn\' tijd en van zijne kerk was.
Ik belioef het getuigenverhoor niet verder voort te zetten. Het is u bekend en het is algemeen erkend, dat na den dood van Clemens en Origenes het geloof aan \'s Heeren hoogere natuur in de orthodoxe Christelijke kerk algemeen aangenomen was.
Wij hebben al de getuigen uit den eersten tijd des Christendoms gehoord, wier schriften als echt erkend zijn
103
door alle partijen. En wie Jezus Christus is, naar de zeker echte schriften, die er bestaan uit den besten tijd van de wording en uitbreiding des Christendoms af aan, kan wel niet twijfelachtig wezen.
Volgens alle ware en echte bronnen der geschiedenis was Jezus Christus meer dan mensoh.
Allee wies den eingeweihten Blieken Alles einea Gottes Spur,
Schilleb.
Wij kunnen evenwel ons onderzoek hier niet eindigen. Er zijn er onder de Christenen geweest, die niet overeenstemden met de leer en de gevoelens van die mannen, wier getuigenis wij gehoord hebben. Er waren tegenstanders van de Christenen en zoogenaamde ketters. Wij willen hen ook hoeren. Wij willen onderzoeken, wat de vijanden op het Christendom aan te merken hadden, want het is mogelijk, dat wij van hen dingen vernemen, die ons anders doen oordeelen over het geloof der Oude Kerk. Wij willen de dimnlers hooren, omdat wij niet zeker weten of niet de kleinste partij het meeste recht van bestaan had. Wij willen hen gaarne hooren, want het is bij u noch bij mij een parti prls. Het was bij u en bij mij altijd streven naar waarheid, want alleen waarheid kan ons helpen. De dwaling en de schijn bedriegen ons en waarom zouden wij bedrogen willen zijn?
Neen, ik wil nimmer voor de waarheid terugtreden. Ik wil, zooals de jongeling te Laïs, den sluier wegnemen, als
104
ik kan. Want gelijk Schiller het voorstelt, kau het onmogelijk wezen. De waarheid kan niet ongelukkig maken.
De priester van het beeld te Laïs raadde den jongeling ernstig af den sluier weg te nemen, die het beeld der waarheid bedekte. Dat begrijp ik niet, sprak de jongeling in zijne vurige begeerte naar waarheid. Zou ik niet durven.
Wenn von der Wahrheit
Nur diese düune Scheidewand mich trenate!
Doch op de herhaalde waarschuwing des priesters ging hij weg maar kon toch niet rusten.
Ihm raubfc des Wissens brennende Begier Den Schlaf.
En hij ging weer naar het beeld met een moedig hart en sprak:
Sei hinter ihm was will!
De jongeling nam den sluier weg en wat hem toen overkomen is, zegt de dichter, weet niemand, maar de vreugde van zijn leven was weg.
Neen, dat kan ik niet gelooven. De waarheid kan geen ware levensvreugde wegnemen. Zij verdrijft alleen den schijn en het bedrog der zinnelijkheid, den schijnvrede en de schijn-rust. Neen, ik hoor liever naar Plato, als hij zegt, dat de waarheid, als zij door ons kon aanschouwd worden, zoo bekoorlijk is, dat wij haar brandend zouden beminnen.
Wij zoeken waarheid alleen, en wij zullen dus de andere getuigen ook hooren en denken:
Sei hinter ihm was will!
Ik zal beginnen met iemand, die buiten de kerk stond, met een\' Heiden en wijsgeer, die het Christendom hevig aangevallen heeft. Ik bedoel Celsls. Hij leefde ten tijde van Hadrianus, omstreeks het jaar 117 na Christus. Hij was een Epicurisch wijsgeer en een stout aanvaller van het Christen-
105
dom. Gelijk aan een zwaardvisch, had hij wel een zwaard, maar geen hart. Zijn werk tegen het Christendom is verloren, maar Origenes heeft in zijne wederlegging van Celsus zooveel aangehaald, dat het meeste ons bekend is.
De philosoof kleedt zijn aanval in een dramatisch gewaad. Een Jood wordt sprekende ingevoerd. Die Jood zegt, dat eene arme moeder van echtbreuk beschuldigd en door haren man verstoeten, Jezus gebaard heeft. Het is u zeker wel bekend, dat Celsus verhaald heeft, dat de vader van Jezus een soldaat zou geweest zijn, die Panthera. heette. In den Talmud wordt gezegd, dat de vader van Jezus den naam droeg van Pandora. Jezus was, zoo verhaalt de Jood bij Celsus verder, in Egypte, daar leerde hij verborgen kunsten en van daar teruggekeerd, in Palestina, wist hij het zoo ver te brengen, dat hij zich zeiven een God noemde. Wordt hierdoor niet bevestigd, wat wij in den brief van Plinius gelezen hebben, dat de eerste Christenen liederen ter eere van Christus zongen, als van een God?
Vervolgens drijft die Jood den spot met de vlucht van Jezus naar Egypte. //Kon God zijnen Zoon dan niet beschermen?quot; vraagt hij. „En Jezusquot; vervolgt hij ,,doet nooit iets. Wanneer de Joden hem in den tempel uitdagen, om te bewijzen, dat hij de Zoon van God is doet hij niets.quot; Die Jood weet dus, dat Jezus zich Gods Zoon genoemd heeft.
„Van waar,quot; vraagt hij „hebben de Christenen de wetenschap , dat alles wat door andere volken gezegd wordt, mythe is? En bij hen zou iemand, die zich zei ven niet kou helpen, terwijl hij leefde, na zijnen dood opgestaan zijn en zijne doorboorde handen aan zijne discipelen getoond hebben ! Als Jezus zijne Goddelijke macht had willen openbaren, dan zou hij aan zijne vijanden verschenen zijn.quot;
Als gij nu ziet wat Celsus bestrijdt, wat het geloof is,
106
dat hij aanvalt, dan is het niet onzeker wat oen in de gemeente van Christua beleed. En wat wij van de Christenen gehoord hebben, dat vernemen wij nu ook nit den mond van deu vijand des Christendoms. De Christenen geloofden dat Jezus Chkistus de Zoon van God was, en opgestaan uit den doode.
Daarna aanvaardt Celsus den strijd in eigen persoon. Wat in latere dagen tegen het Christendom ingebracht is en in het algemeen tegen de mogelijkheid eener Openbaring, wordt, voor een groot gedeelte reeds door Celsus aangevoerd, „Welk eene redelijke voorstellingquot; zoo vraagt hij „kan men zich maken van eene nederdaling van God? Waarom kwam hij uit deu Hemel? Om te zien hoe het met de meusehen was ? De Christenen meenen, dat God een sterfelijk lichaam kan aannemen en zich veranderen, maar dat is onmogelijk.quot; Dat Celsus niet begreep wat de leer van het Evangelie was, is duidelijk, maar wat was, volgens Celsus , het geloot der Christenen in het jaar 117 na Christus? Zeker dat Christus meer dan mensoh was.
„De Christenen bewerenquot; zegt hij „dat de Zoon van God gezonden is, om de zonden der Joden.quot; Hij verwacht dat de Christenen hem zouden te gemoet voeren, dat God, omdat Hij moeielijk kan gekend worden, Zijn eigen geest heeft doen nederdalen in een lichaam aan het onze gelijk, opdat wij Hem zouden kennen. „Als Godquot; zoo vraagt hij „zijnen Geest wilde zenden, moest Hij dien dan blazen in het lichaam eener vrouw? Maar als de Goddelijke Gee^t in een lichaam gewoond heeft, dan moet het uitgemunt hebben in grootte en schoonheid en Jezus was klein en leelijk.quot; Hij zegt „dat de Christenen niet begrijpen, dat zij alleen God zullen zien, die de zinnelijke oogen sluiten en met den geest omhoog zien, en dat de Christenen daarom vleeschelijke verschijningen
107
noodig hebben. Zij eeren een\' God die een lijk is. Zij maken een\' man tot God, die zich berucht gemaakt heeft gedurende zijn leven en daarna een\' smadelijken dood gestorven is. Maar het is hun alleen te doen, om don stichter van hunnen godsdienst Goddelijke eer te bewijzen.quot;
„De jongeren,quot; gaat hij voort „waren bedriegers van den crgsten aard en de aanhangers van Jezus waren Goëten (toovenaars) die met opzet hebben getracht, om de leugen in de wereld te verspreiden, dat Jezus uit den dood opgestaan is.quot; Wat hebben dus de Apostelen gepredikt, volgens de getuigenis ook van Celsus? Natuurlijk de Opstanding van Jezus. „Maar van Jezusquot; zegt hij „is de bedriegerij het eerst uitgegaan. In Egypte had Jezus de tooverkunst geleerd en daardoor heeft hij zooveel opzien gemaakt iu Judea.quot; Zouden de Joden dan niet geweten hebben, o wijsgeer! dat de Egyptenaren konden looveren?
Doch genoeg. Celsus getuigt vooreerst, dat de Christenen geloofden , dat Jezus wonderen gedaan had, en vervolgens ontkent hij volstrekt niet, dat Jezus bijzondere dingen zou verricht hebben. Alleen schrijft hij het toe aan tooverij, zoo als ook de Joden volgens de Evangeliën gedaan hebben. Waren de historische getuigenissen voor de wonderen te sterk, zoodat zelfs Celsus ze niet kon ontkennen?
Celsus beweert, dat zondenvergeving onmogelijk was cn dat er dus in Christus geene vergeving van zonde kon zijn. Die geheele voorstelling van zondenvergeving is, volgens hem, niet te vereenigen met een rationeel godsbegrip, want naar de denkwijze der Christenen zou God zich laten verteederen.
De vijand qxMnd-mhie van het Christendom, begrijpt niet wat vergeving van zonde is. Vergeting van sonde is bij hem niet anders dan kwijtschelding van straf en zoo is de Evangelische voorstelling niet. Straf is het gevolg der zonde.
108
De straf, door God aan liet kwaad verbonden, is tot verbetering, en dus tot zegen. Zoo kan God dan ook de straf, die noodzakelijk was, niet wegnemen. Alleen dan wanneer de zondaar oprecht berouw en een heilig en ernstig voornemen heeft, om het kwaad na te laten, dat hij bedreef, dan is de straf onnoodig, omdat het doel bereikt is, dat de bestraffing uitwerken moest. Is de straf tot verbetering, en dus tot zegen, dan kan met vergeving zeer zeker kastijding gepaard gaan. Wanneer een vader denkt: het is alles te ver-geefseh wat ik aan mijn kind doe, en ik zal er dus uitscheiden met bestraffen en geven, hem aan hem zeiven over, dan heeft die vader zijn kind niet vergeven. Maar indien hij zich voorstelt, dat hij vader is en blijft en dus met de bestraffing moet voortgaan, dan heeft hij vergeven. Dat God vergeeft zegt, dat Hij Vader is en blijft, ook wanneer de menseh Hem vergeet en ongehoorzaam is.
Kortom, gij ziet uit de getuigenis van Celsus, aangaande het geloof der Christenen, hetzelfde wat wij bij de boven behandelde Christelijke schrijvers gezien hebben. En wiens getuigenis kan onpartijdiger wezen dan dat van Celsus. Het is duidelijk, dat de heidensehe wijsgeer wist, dat de Christenen geloofden aan Jezus als aan eene persoonlijkheid boven den menseh verheven, dat zij aannamen, dat Jezus wonderen gedaan had en opgestaan was uit den dood.
Het Christendom had nog een vijand in Luoianus, wiens spotternijen ons echter niets geven, wat wij verlangen. Ook hij zegt, dat de Christenen aan een gekruisigden sofist gelooven.
109
Thans moet ik uwe aaudaclit nog verzoeken voor de zoogenoemde ketters. Keeds in de eerste tijden der kerk waren er secten zooals Ebionieten, Gnostieken, Monarcbianen enz. Wij mogen ben niet onopgemerkt voorbijgaan. Hunne gevoelens waren natuurlijk ouderscbeideu van die van Jbstinüs, Clemens en anderen. Het gevoelen van deu laatsten noemde men het ecU christelijke en orUiodoxe. De secten zijn verdwenen, omdat de Katholieke kerk de meerderheid bad in macht, maar dat is voor ons geen bewijs, dat de dxstmlen ongelijk hadden. Wanneer de Hussieten geheel overwonnen waren door de beerscbende kerk en verdwenen waren, dan is dat nog geen bewijs, dat zij niet iu bet bezit der waarheid waren. Wij nemen integendeel aan, dat juist bij eeuigc secten iu de middeleeuwen, meer waarheid was dan bij de Katholieke kerk, die toen bijna alleen heerschte. Bij eene oordeelkundige behandeling van de geschiedenis moeten wij de getuigenissen meer wegen dan lellen.
Wij moeten dus de dissenters ook hooren. Ik kan mij echter bier niet wikkelen in eene breedvoerige behandeling van Ebionielen of Gnoslieken. Gij weet boe de Tubingsehe school zich verdienstelijk beeft gemaakt door de aandacht te vestigen op de zoogenaamde Clemenlineu. Men geeft dezen naam aan geschriften, die den naam van Clemens , den bisschop van Home droegen, maar volgens aller toestemming unecld zijn. Vroeger bad men met deze onechte schriften niets op. Ze werden als niets beteekenende ter zijde gelegd. Ik zou te uitvoerig worden, indien ik wilde voorstellen, welk gebruik de Tubingers van de Clementinen gemaakt hebben. Ik wil alleen booren, wat zij van Jezus Christus zeggen. Ik kan mij ook niet verdiepen in de wijsgeerige
110
beschouwingen der dissenters, evenmin als ik beproeven zal al die zinnebeeldige uitdrukkingen te verklaren, die wij bij eenige secten vinden. Ik geloof, dat wij eenvoudiger tot ons doel kunnen komen. Ik zal het ten minste beproeven. Wij zullen die dissenters vragen, wie naar hun gevoelen Jezus Christbs was, en dan zien in hoe ver hunne getuigenis overeenkomt of in strijd is, met dat dei-anderen.
Ebionitek en Nazakeëbs,
Ten tijde van Paülüs waren cr Joodschgezinde Christenen, die de Mozaïsche wet verbindend achtten, zelfs 7.66, dat er niet zelden twist ontstond, gelijk ons bekend is uit de brieven aan de Galaten en aan de Corinthen. Zij formeerden toen geene secte of partij, maar zij vertegenwoordigden eene andere en wel eene behoudende richting, in tegenoverstelling van het Paulinisch Christendom. Die Joodschgezinde richting bleef nog lang bestaan. De kerkvader Justinus verhaalt ons, dat er nog verschil bestond onder de Joodschgezinde Christenen. Eenigen hielden de wet, zonder die onvoorwaardelijk noodig te houden tot zaligheid, anderen meenden, dat de wet wel degelijk noodzakelijk was. Men wil de leerstellingen dezer Joodschgezinde Christenen of Ebioniten opmaken uit de bovengenoemde Clementinen. Men heeft dien naam gegeven aan een paar schriften, die den naam dragen van homilim en recogniliones van Clemens den Eomein, die in het jaar 91 leefde. Gelijk reeds gezegd is, zijn deze boeken niet van de hand van Clemens, maar eerst
Ill
later geschreven, misschien omstreeks het jaar 140 of 160 na Christus geboorte.
In deze Clementinen wordt Paüll\'s geheel ter zijde gezet, juist zooals men dat van Joodsohgezinden verwachten zou, naar de berichten, die wij over hen in de brieven van Paulüs vinden. Petrus is hun voornaamste Apostel. In deze boeken vindt men nu, zooals men beweert, de leer en de voorstellingen der Joodschgezinden, die, waarom weet men niet zeker, den naam van Ebioniten dragen.
Volgens de Tubingsehe school is de leer der Ebioniten, zooals wij die vooral in de Clementinen vinden, de oorspronkelijke leer des Christendoms. Men voert daarbij aan dat Hegesippüs de oudste geschiedschrijver der kerk, wiens werken niet meer bestaan, ook een Ebioniet was. Immers hij had gezegd , dat de Wet, de Profeten en de Heer in Corinthe gepredikt werden. Er wordt, zoo zeggen de Tubingers, door Hegesippüs niet gesproken van Apostelen, en de Wet en de Profeten worden boven den Heer gesteld. Dus, zoo concludeert Bauk, was Hegesippüs een Ebioniet.
Zoudt gij die gevolgtrekking ook maken? Ik niet, want er bestond toen nog geen canon en gij weet hoe Paülus ook het O. Testament waardeerde. En ik zie daarom niet in, waarom de Christenen zelfs de Paulinische, niet konden spreken van Wet, Profeten en den Heer. Doch het kan mijn oogmerk niet wezen hierin dieper door te dringen en u voor te stellen, hoe de Tubingers op deze en dergelijke beschouwingen een stelsel gebouwd hebben, ter verklaring Van de wording des Christendoms.
Weinige jaren na den schrijver der Clementinen spreken Irenaeus en Tebtclliakus over dc Ebioniten als over eene partij buiten de kerk. Zij weigerden, zegt Ikenaebs deu Apostel Paülus te erkennen, en gebruikten alleen het
112
Evangelie van Mattheus. Zij erkenden de besnijding en volhardden bij de gewoonten, die naar de wet zijn. Eene halve eeuw later geeft Origenes den naam van Ebioniten aan Joden-Christenen, buiten de kerk.
Eüsebius, de geschiedschrijver onderscheidt ook twee soorten van Ebioniten, naarmate van hun min of meerder verhevene beschouwing van den Christus, maar hij spreekt over hen op cene manier, alsof zij toen reeds tot het verledene behoorden.
De Ebioniten achtten dus de wet van Mozes noodzakelijk voor zichzelven en voor alle Christenen en zij klaagden er vooral over, dat eenige Christenen, de wet op reine en onreine spijzen niet wilden houden. Zij hielden Paülls voor een\' afvallige van de wet en brachten allerlei lasteringen tegen hem uit.
De Ebioniten zijn echter verdwenen en als men oordeelen mag naar eenige wenken, die men over hen vindt, dan zijn er velen van hen tot het Jodendom teruggekeerd.
Kunt gij u nu voorstellen, dat deze Ebioniten, zooals men beweert, het oorspronkelijke Christendom hadden, en dat Paülus derhalve buiten het oorspronkelijke Christendom zou gestaan hebben, en wel zóó, dat deze echte Christenen, die het levenswater uit de ware bron gedronken hadden, hem beschouwden als hun vijand en een apostaat? Is dan het oorspronkelijke Christendom met de Ebioniten verdwenen? En als het waar is, dat velen van hen tot het Jodendom wedergekeerd zijn, hadden zij dan het beginsel en het wezen des Christendoms in zich opgenomen ? Waren zij , die geen onrein vleesch durfden aanraken, de eerste en oorspronkelijke Discipelen van Jezus? Doch het behoort niet tot onze taak dit verder te ontwikkelen.
Er wordt ook nog gesproken van Nazareërs. Zij leefden
113
in het Oosten en hielden de wet. Zij achtten Paulus meer dan de Ebioniten en zij treurden over hun volk, terwijl zij met verlangen den tijd te gemoet zagen, dat hunne ongeloovige broeders zich tot den Heer zouden be-keereu. Zij waren ook joodschgezinde Christenen en zijn later met de Ebioniten verward. Men meent in het Oosten nog sporen van hen te vinden. Zeer weinig is ons bekend van hunne gevoelens.
Wat hebben nu de Ebioniten van Jezus gezegd? Wat was het oordeel van hen, die volgens Tuhingen de oorspronkelijke Christenen waren, over den Heiland ?
De Clementinen willen niets weten van een\' Zoon, die zelf God is. ,,De Heerquot; zoo zeggen zij \') „heeft zich zeiven evenmin God genoemd, als Hij ons geleerd heeft, dat er nog andere goden zouden zijn, behalve den Schepper, maar Hij heeft hen zalig gesproken, die Hem noemden Zoon van God, Zoon van den Schepper des Heelals.quot; Het verschil tusschen Vader en Zoon wordt opgegeven als te bestaan in het voortgebracht zijn en niet voortgebracht zijn. Het is wel ontwijfelbaar, dat Jezus voor de Ebioniten een wezen was van eene hoogere orde. Eenigen onder hen ten minste beweerden, dat de Goddelijke natuur zich aan Jezus medegedeeld had bij den doop. Toen was de Hemelsche Christus op den mensch Jezus nedergedaald. Wilt gij een\' onpartijdi-gen getuige hooren over de leer der Clementinen? Welnu, Baur zegt. 2) „De voorstelling die in de oude Kerk zeer populair was, is ook aan het Ebionitisme eigen, namelijk, zich het subject, het wezen, dat na zijne prseexistentie, {voorbestaan), als Jezus verschenen is, als een engel te denken.quot; Was Jezus dan bij de Ebioniten een gewoon mensch? Zeker niet. Had-
\') Hom. 16, 15. quot;-) Baur. Aangeh. werk pag. 370.
8
den zij andere denkbeelden dan vele of de meeste Christenen van hunnen tijd, konden zij zich niet vinden in de bepalingen die men wilde geven van de natuur des Heeren, toch hielden zij Jezus voor een wezen boven de gewone menschheid verheven en erkenden dus het supernatureele in den persoon van Jezus Christus.
Over Simon den toovenaar, die de vader der ketters genoemd werd, spreek ik niet. Hij was eigenlijk geen Christen , en zijne geheele geschiedenis is zoo onzeker en fabelachtig, dat wij hem geheel op zijde moeten zetten en daarin zijn allen het eens.
Cerinthus,
Deze man leefde omstreeks het jaar 95 na de geboorte van Jezus , doch zijne geschiedenis is door zooveel nevelen omringd, dat men moeielijk tot zekerheid komen kan. Met een woord wil ik u herinneren, wat er van hem verhaald wordt.
Hij was, zoo vertelt men, een Jood, die in Egypte bijzondere dingen geleerd had. Daarna is hij in Jeruzalem gekomen en zou den Apostelen veel moeite aangedaan hebben. Johannes, de Apostel, was, zoo als men verhaalde, eensin een bad en toen hij vernam, dat Cerinthus er ook was, zou hij gezegd hebben: Laat ons vlieden, opdat het bad niet instorte, aangezien Cerinthus een vijand der waarheid is.quot;
Doch wat hiervan ook zij, zeker schijnt het, dat Cerinthus leefde toen de Apostel Johannes nog niet gestorven was. En de leerstellingen van dezen man, zijn ons beter bekend dan zijn leven.
f
i
115
Ikenaeus zegt van hem; „En een zekere Cemnthcs in Azië, heeft geleerd, dat de wereld niet door den hoogsten God gemaakt was, maar door eene kracht, die zeer onderscheiden is van de verhevenheid, die boven het heelal is, en die den God niet kende, die boven alles is.quot; \') Cekinthds veronderstelde, dat Jezus niet uit eene maagd geboren was, want dit scheen hem onmogelijk, maar dat Hij de zoon is geweest van Jozef en Maria, evenals alle andere menschen en dat Hij meer vermocht dan anderen, door rechtvaardigheid en wijsheid. Hij geloofde, dat Christus na deu doop in de gedaante van eene duif op Hem nedergedaald is van die Verhevenheid, die boven alles is en dat Hij toen den onbekenden Vader heeft verkondigd en de deugd voleindigd heeft, maar dat Christus eindelijk van Jezus weer weggegaan is, eu dat Jezus geleden heeft en opgestaan is, hoewel de Christus geestelijk zijnde, zonder lijden gebleven is.
Hat dit het gevoelen van Ceuinthus was, blijkt ook uit een geschrift, dat nog niet lang geleden gevonden is, en dat, ofschoon ten onrechte, den naam van Origenes dragende, zeker oud is. s)
Cerinthus wilde dus de verschijning des Heeren begrijpen. Daarom ontkende hij immers de geboorte van Jezus uit eene maagd, omdat hij dat onmogelijk achtte. Had hij dus maar ecnigszins kans gezien, om Jezus voor een gewoon mensch te houden, dan zou hij dat zeker wel gedaan hebben. Maar dat kou hij niet, en zoo bleef hem niet anders over dan eene verklaring te zoeken van hetgeen hem onbegrijpelijk was. Cerinthus leefde, zoo als wij zagen, in het jaar 95 toen
!) Irenaeus. Adv. haerea, 1, 25.
2) Philosophoumena of weerlegging van alle ketterijen. Uitgegeven door Emanuel Wilier.
116
Johannes denkelijk nog op aarde was. Wat was dan in dien tijd het algemeen gevoelen aangaande Jezus? Had Johannes de Apostel, Jezus voor een gewoon mensch gehouden, waarom zou Cerinthus datzelfde gevoelen niet gehad hebben? Hij leefde ook in het Oosten, en zoo iemand, dan kon hij het weten of Jezus al of niet voor een gewoon mensch gehouden werd. En zoo men in Jezus Christus niets bovennatuurlijks zag, dan had Cerinthus niet noodig zulk eene vreemde verklaring te zoeken van een raadsel, dat niet bestond, of niet behoefde te bestaan.
Gnostieken.
In het Romeinsche rijk regeerde de Caesar Hadrianus van het jaar 117 tot 138 na J. C. en in den tijd van zijn bestuur waren er in de Christelijke kerk eenige mannen, die den naam hadden van gnostieken. Zij werden door de Kerkvaders ketters genoemd, omdat hunne voorstelling van het Christendom afweek van het algemeen of meer algemeen aangenomen gevoelen, of als gij liever wilt van het gevoelen , dut overwonnen heeft. Het is geen gemakkelijk werk, om de leer der gnostieken duidelijk te begrijpen, en hen van elkander te onderscheiden. Dat is echter voor onze bedoeling onnoodig, maar toch kunnen wij hen niet onopgemerkt voorbijgaan.
Wij vinden die mannen vooral in het Oosten, schoon er eenigen van hen in Rome geweest zijn. In het beoordeelen van de leer dier menschen moeten wij voorzichtig zijn, omdat de Kerkvaders, die over hen spreken, gewoonlijk zeer ontevre-
117
dcu zijn op allen, die naar hun gevoelen afweken van de zuivere leer des Christendoms. De voornaamste dier mannen zijn Satubninüs, Basilides van Alemndrie (12 5 na J. C.) Valentinüs ook in Alexandria (in het jaar 140 kwam hij in Rome) en Marciox. •
Ik zal u niet vermoeien met u de stelsels dier mannen op te geven. Zij zochten iets vreemds en zonderlings, zij schaamden zich,
S\'ils peiisaient, ce qu\'un autre a pu penser commc eux. En hunne bespiegeling is voor mij zoo onwijsgeerig, zóó ondichterlijk, bij die massa vau beelden, dat ik nooit iets gelezen heb, dat zoo vervelend is.
Toch moet ik u een enkel stelsel zoo kort mogelijk voorstellen , opdat gij zelf zien kunt hoedanig hunne denkbeelden van Jezus waren. Dewijl ze op dit punt in hoofdzaak allen hetzelfde resultaat geven, zal cén voorbeeld genoeg zijn. Verveel u dan eens een oogenblik, omdat het niet anders kan. Daar Hagenbach op eene populaire wijze het stelsel van den gnosticker Valentinüs geschetst heeft, mag ik mij wel van zijne woorden bedienen
„Het stelsel van Valentinüs is meer nog dan dat van Basilides uitgewerkt. Het wordt aldus voorgesteld: Uit den Goddelijken grond (Urgrund) die niet verandert, en eeuwig jong blijft, ontwikkelt zich het leven door eene reeks van uitvloeiingen, in welke het mannelijke en het vrouwelijke gepaard voorkomt. Men meent een wijsgeer uit de nieuwe school te hooren, wanneer Valentinüs bewijst, hoe de onbegrijpelijke God, het zuiver absolute, zich zeiven beschouwt, hoe Hij door eene verdeeling van zijn wezen zich zeiven eerst begrijpelijk wordt, daar zijne eigene gedachte hem tegenkomt
\') Hagenbach. Geschiedenis der drie eerste eeuwen enz. I. 179.
118
als het eeuwig zwijgen, waarin Hij zijn eigen wezen weder erkent. Zoo komt uit den eersten grond (Urgrund) de hoogste Godsgeed voort, die zich vereenigt met de waarheid. Uit dit hemelsch huwelijk (van den mannelijken geest met de vrouwefijke waarheid) ontspruit dan weer de logos (het woord), en de gemalin daarvan is de levensziel en nu komt weer uit dit huwelijk de ideale mensch voort, die zich met de kerh verbindt. Zoo gaat het verder voort, tot er dertig zoogenaamde levensgeesten zijn, die zij Aeonen noemen, en die maken te zamen de volheid des Goddelijken levens uit. Al die levensgeesten, of Aeonen, uit den eersten oorspronkelijken grond gevloeid, verlangen nu en streven er naar om zich met den eersten grond (Urgrund) te verbinden en de jongste dier Aeonen, d\'. toijsheid, wordt door deze begeerte zoozeer mede-gesleept , dat zij met den eersten grond een huwelijk aangaat. Uit deze onnatuurlijke verbintenis ontstaat echter een wanschepsel, de aardsche wijsheid, een onrein, jammerlijk wezen, dat hulpeloos omdoolt en verloren gaat, zoo niet eene hoogere Macht zich er over ontfermt.quot;
„De zoon dezer aardsche, lagere wijsheid is de Schepper der wereld en zoo is dan ook de wereld als zijn maaksel zeer onvolkomen en ellendig, vol kommer en gebrek. Enkele hoogere geest- en lichtvonken zijn er nogtans in deze wereld uitgestrooid, als zoovele zaadkorrels van den Eeuwigen, maar zij kunnen niet tot ontwikkeling komen , zoo lang de logge stof haar belemmert. Om nu de harmonie des heelals, door de valsche wijsheid verstoord, te herstellen, verschijnt een hoogere levensgeest, een Aeon, Christus, die zich met den Heiligen geest verbindt en uit dezen hemelschen echt ontstaat de mensch Jezus. Opdat Jezus de menschen zou kunnen verlossen, d. i. hen tot het liehtrijk terug brengen, mag Hij zelf niet met de stof in aanraking komen. Daarom had
119
Hij ook geen stoffelijk, maar een hemelsch , zooveel als een aetherisch lichaam. Hij werd wel uit Maria geboren, maar Hij had toch niet de ware menschelijke natuur, maar deze was hem alleen tot een hulsel. Alle wezens, die nu met hem in verbintenis treden, worden geestelijk, dat zijn de ware Christenen, de gnostieken — de wetende. Volgens hen is het Jodendom alleen een dienst der ziel, terwijl het Heidendom van zinnelijken aard is. liet Christendom echter is de godsdienst des geestes. De voleindiging van alle dingen zal daarin bestaan, dat alles verslonden wordt door het geestelijk leven, dat alles opgenomen wordt in het eeuwig-licht, waar eeuwige zaligheid heerscht.quot;
Gij ziet, dat vreemde en excentrieke gevoelens niet in onzen tijd alleen zich vertoonen. En om u te overtuigen, dat de andere gnostieken het eens waren in de beschouwing van Jezus, wil ik u nog mededeelen wat een ander van die wijze mannen gezegd heeft. Basilides gelooft, dat de hoogste der uit God gevloeide geesten zich heeft vereenigd met den mensch Jezus. Dit had plaats bij de Jordaan. Tot dien tijd was Jezus een mensch, maar nu kwam Gods geest op hem; nu was Hij de Zoon Gods, zooals God dan ook nu eerst verklaarde; deze is mijn geliefde Zoon, in welken ik mijn welbehagen heb.
Epiphanius verzekert ons, dat het lichaam van Jezus , volgens Valentinus, door Maria was heengegaan, gelijk water door eene waterleiding en dat Jezus idt Maria niets ontvangen had. 1)
De gnostieker Basilides schijnt ook te blijven bij de geboorte van Jezus uit eene maagd. Ook in het onlangs gevonden oude geschrift, dat ten onrechte den naam van Origenes
\') Epiph. Haeres. XXXI. pag. 79.
120
draagt, wordt Jezus door Basilides de zoon van Maria genoemd.
Jezus had dus, naar hun gevoelen, slechts een sehijn-lichaam. Men noemde dat gevoelen docelume, dat echter reeds veel vroeger bestond. Immers in den eersten brief van Johannes waarschuwt de schrijver tegen deze dwaling. En alle geest die met belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet. (1 Joh. 4, 3.)
Toen Valentinds omstreeks liet jaar 140 in Rome kwam, was daar reeds een zekere Maecion. Deze laatste was de leerling van Cerdo, wiens begrippen hij aangenomen had. Hij had in Rome vele aanhangers, die tot zelfs in de zesde eeuw nog niet verdwenen waren. Marcion behoort ook tot de gnostieken, zoo als ons bekend is uit Justinus, die te gelijk met hem in Rome was. ^
In tegenstelling met de leer der Ebioniten in de Clemen-tinen wordt door Marcion aan het Jodendom alle godsdienstige waarde ontzegd. Hij verwierp het gansche Oude Testament en wist niets van eene voorbereiding voor Christus. Jezus is, volgens hem, de Zoon van den goeden God, die met een schijnlichaam in de wereld gekomen is, om de menschen te verlossen en tot den hoogsten God weer te brengen. Christus heeft in schijn geleden, en is in schijn gekruisigd, en ter helle gedaald, heeft Hij daar Kaïn en allen, die inliet O. T. goddeloozen genoemd worden, verlost, maar die als godvreezenden in het O. T. beschreven zijn, moesten in de hel blijven.
Volgens Marcion is de verschijning van Christus niet anders dan schijn. Hij is onmiddellijk uit den Hemel gedaald en niet uit eene vrouw geboren. Hij is in een schijnlichaam
x) Justinus. le apolog. cap. 26.
121
te Kapermum gekomen, zoo uit den Hemel, en heeft den God geopenbaard, dien de menschen vroeger niet kenden.
Jezus Christus was dus bij de gnostieken meer dan mensch, ja hij was eigenlijk in het geheel bij hen geen mensch.
Vraagt gij nu of dit het gevoelen was van al die gnostieken van dien tijd, dan zal ik u zeggen, wat ons Baur mededeelt, een man, die uitnemend bedreven was in de kennis van al die stelsels en die jaren achtereen die mannen bestudeerd heeft. ,,De gnostische Christus,quot; zegt hij ,,is een wezen, dat te onstoffelijk is, om op aarde te kunnen blijven en als mensch opgenomen te worden in het organische leven der menschen, een wezen, dat het zwaartepunt van zijne zelfbewustheid in de bovenaardsche streek der Aeonenwereld heeft en eensklaps van boven komt nederdalen, om voor korten tijd in de gedaante van een mensch te leven.quot; l)
Wij zien nu duidelijk, wat het streven was der Ebioniten en der gnostieken, der Joodschgezinden en der wetenden. Bij de eersten bestaat een streven, om het Goddelijke in Christus minder krachtig op te nemen, bij de anderen daarentegen loopt alles uit op de vernietiging van het waarachtig menschelijke in den persoon des Heeren. De overtuiging der mcesten was, dat het Woord vleesch geworden is, en zoowel de leer der Ebioniten als die der gnostieken was op een weg, die uit-loopen moest tot verloochening dezer prediking.
Wat heeft de Kerk toen gedaan? Ik versta nu onder to/-de vereeniging van hen, die, of de meerderheid uitmaakten, of van hen, wier gevoelen de overhand heeft\'behouden. Zij waren overtuigd van het Goddelijke en menschelijke in den persoon van Jezus. Zoo was de wet ook Godmenschelijk. Het gebod; Wees heilig, want ik beu heilig, was te Godde-
Baur. Aangehaald werk. pag. 256.
123
lijk, te hoog voor ous en de menschelijke, de burgerlijke wet was weer te laag voor \'s menschen roeping. De wet door Chkistüs gegeven is echter Goddelijk en voor menschen geschikt. Het Christendom is ook Goddelijk en menschelijk. Het is gedurende eeuwen voorbereid en dus menschelijk van oorsprong, maar toch kon het alleen uit menschelijken oorsprong niet verklaard worden. Dat was het gevoelen van mannen als pixilus, Justinus, Clemens en Ouigenes enz. Wat moest nu de Kerk doen? Zij beproefde de waarachtige menschheid van Christus te handhaven tegen over de gnostieken en het supcrnatureele in Hem te behouden tegen over de Ebioniten. Zoo is de kerk gekomen tot haar leer aangaande den persoon des Heeren. Die leer is dus maar zoo niet in eens ontstaan door de uitspraak van den een of anderen bisschop, of het goedvinden van een concilie. Die leer is een historisch verschijnsel, waarvan wij de factoren duidelijk zien. Zóó begrijpen wij de wording van de leer der Kerk. Hoe wij nu ook oordeelen over de wijze waarop de Kerkleer het supernatureele in Jezüs Chkistüs geformuleerd heeft, toch zullen wij moeten zeggen, dat de kerk gedaan heeft wat zij kon.
Doch wij zijn nog niet ten einde. Met een enkel woord heb ik echter slechts over Montanus te spreken. Die man leefde omstreeks 157 na Christus. Hij hield zich voor geïn-spireerd door den H. Geest. De Heilige Geest zou zich van nu af aan meer openbaren en de Kerk hervormen. Hij reisde rond met profetessen, die beweerden, dat zij spraken door onmiddellijke ingeving van Gods Geest. Het Monlan\'wne komt overeen met de secten der wederdoopers, der puriteinen en andere. Hun gevoelen was, dat de Openbaring in Christus niet voleindigd was, maar dat er nieuwe zouden komen. Doch daar deze man zich nauwgezet hield aan de algemeen
123
aangenomen gevoelens in de Kerk, en hij in de leer aangaande Christus volstrekt geene bijzondere denkbeelden had, kunnen wij ons niet verder met hem bezig houden.
Theodotus.
Deze man was een looier uit Conatantinopel en leefde omstreeks 192 na Christus. Epiphanius verhaalt ons van hem „Er was eens eene vervolging tegen de Christenen uitgebarsten en ook Theodotus was met eenige anderen in hechtenis genomen, doch toen hij verhoord werd en de anderen bij hun geloof volhardden en Christus beleden, heeft hij Christus verloochend, is van de waarheid afgeweken, en door schaamte gedreven, omdat velen hem daarom verachtten, heeft hij zijn vaderland verlaten en zich naar Some begeven. Toen hij daar door iemand herkend werd, en ook schande inoog-sten moest, dat toch voor zoo een geleerd man treurig was, zeide hij; Ik heb God niet verloochend, maar een mensch. En toen men hem vroeg: welk een mensch, antwoordde hij, den mensch Christus. Toen maakte hij voor zich zeiven een leerstelsel, dat door eenigen zijner volgelingen ook aangenomen is, dat Christus een gewoon mensch geweest, en van een man geteeld was. Hij beriep zich op de woorden des Heeren (Joh. S; 40). Nu zoM gij mij te dooien* een mensch, die u de waarheid gezegd heb. Gij ziet, zeide hij, dat Jezus een mensch is.quot;
„Hij beweerde ook, geene zonde gedaan te hebben door
\') Epiph. Haeres. 54.
124
Christus te verloocheiieu. Immers de Heer zelf had gezegd: die een noord spreekt tegen den Zoon des niensclten, het zal hem tergeven tcorden, maar die gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest) dien zal het niet vergeven worden1. En zoo noemt de rechtziuuige Kerkvader nog andere bijbelplaatsen op, die Theodotus zou aangevoerd hebben, als Dent. 18, 15. Jerem. 17: 9. Jesaia 53: 3. Hand. 2: 23 en 1 Tim. 3: 4.
Tot nog toe hadden wij geen enkelen Christen gevonden, noch onder de orthodoxen, noch onder de ketters, die het supernatureele in Christus niet aannam. Nu eerst, in het jaar 192 na de geboorte van Jezus, anderhalve eeuw na den dood des Heeren, nu eerst komt er een man op het gebied der historie, die meende, dat Jezus een gewoon mensch geweest is. Zou dat ons verwonderen? Zouden er in al de eeuwen na de versebijning des Verlossers geene mensehen geleefd hebben, die Jezus voor een natuurlijk mensch hielden? Maar opmerkelijk is het zeker, dat wij tot nog toe van geen enkelen leeraar, van geen enkelen Christen, van Ebioniet, noch Gnostiker gehoord hebben, dat hij het bovennatuurlijke in Christus ontkende. Veronderstel eens dat Jezus inderdaad niet meer geweest was dan een wijs man, zouden wij dat nooit van den een of anderen Ebioniet of Gnostiker vernomen hebben? Zou dan niet de een of andere wijsgeerige of oordeelkundige Christen, zooals Clemens van Alexandria of Origenes, er van gesproken hebben?
Maar kortom, eindelijk hebben wij iemand op het gebied der geschiedenis gevonden, die verklaarde, dat Jezus een gewoon mensch geweest was.
En toch moet ik vragen of Theodotus wezenlijk aangenomen heeft, dat Jezus een mensch was zooals wij. Kunt gij er aan twijfelen, zult gij mij toevoegen, na hetgeen de kerkvader Epiphanius zoo duidelijk gezegd heeft? Toch moet
125
ik er nog aan twijfelen, en ik zal u zeggen, waarom. Vooreerst , omdat de rechtzinnige kerkvaders meest zeer ontevreden waren op Christenen, die anders durfden denken dan zij. Immers zij hebben van alle zoogenaamde ketters histories verhaald, die deze menschen in minachting moesten brengen. Zoo zou ik u kunnen verhalen, wat men al van Marcion wist te zeggen. Wat werd er later niet verzonnen van den beroemden en waardigen Origenes ! Hij zou zich zei ven ontmand en eens zijn geloof verloochend hebben. En waarom werd dit van Origenes verspreid? De oorzaak is ons bekend. Doch, wij zijn boven die partijzucht verheven en vragen, of ons ook van elders nog iets van Theodotus bekend is.
Een ander oud schrijver bij Tertüllianus aangehaald 1) zegt, dat Theodotus aannam, dat Jezus geboren was uit eenc maagd. En de Schrijver van het onlangs gevonden werk, dat ten onrechte aan Origenes werd toegeschreven \') deelt ons mede, dat Theodotus geleerd heeft, dat Jezus mensch was en dat eerst bij zijn doop in de Jordaan Christus in de gedaante van eene duif op Hem neergedaald is, dat het Goddelijke vroeger in Hem niet gewerkt had, maar eerst toen de H. Geest in Hem was gekomen. Theodotus en Artemon, die van hetzelfde gevoelen was, hadden vele discipelen in Rome. Deze beweerden, dat hunne leer aangaande Jezus Christus het gevoelen geweest was van alle Christenen tot aan den tijd van den E-oomschen bisschop Victor en dat het tegenwoordige dogma van \'s Heeren hoo-gere natuur, eerst opgekomen was onder den opvolger van Victor, den bisschop Zephirinus in het jaar 202 na Christus geboorte.
\') Tertüllianus. De praescript. haer. Cap. 53. -) Zie pag. 115.
126
Een onbekende heeft een werk geschreven tegen Aktemon, hetwelk niet meer bestaat, maar waarvan wij fragmenten vinden bij Eüsebius \'). „Zij zeggen,quot; zoo schrijft deze onbekende, van de aanhangers van Theodotüs en Abtemon „dat al de vorige Christenen, en zelfs de Apostelen geleerd hebben, wat zij geloofden en dat de waarheid der prediking bewaard is tot den tijd van Victor, den bisschop van Home.
Wat zullen wij nu van Theodotüs en Abtemon deuken na zoo onzekere en onvolledige berichten? Zij beweerden, dat hunne leer, de leer geweest is van de Apostelen t. van alle Christenen voor den tijd van Victor. Zouden zij dan bedoeld hebben, dat alle Christenen voor dien tijd Jezus voor een gewoon menseh hebben gehouden? Maar dat is onmogelijk, want dan zouden zij geheel onbekend geweest zijn met de geschiedenis, geheel onbekend met mannen als Justinüs, Ibenaeus en alle anderen. Clemens van AUxan-drië en Tebtcllianus , die in denzelfden tijd leefden als Theodotüs , hebben ons immers gezegd, wat de leer der Christenen was. Neen, het is duidelijk, en vele geschiedschrijvers van de Oude Kerk hebben het ook zoo begrepen, dat Theodotüs en Aktemon zoo spreken van de leer waarbij Christus abso-luut God genoemd werd: die leer, beweerde Hij, was niet de oorspronkelijke.
Nemen wij nu dit alles bij elkander, dan zien wij wel dat Theodotüs en Abtemon afweken van de leer aangaande Christus , zooals die in hunnen tijd werd geformuleerd, maar toch schijnen zij in Jezus Chbistus meer gezien te hebben, dan in een gewoon menseh. Deukt gij soms dat ik, coute gid coule, het supernatureele in Chbistus op het gebied der geschiedenis wil handhaven, dan zou ik u kunnen antwoor-
\') Eusebius. H. E. V. 28.
137
den, dat dit mijn streven niel is. Ik wil alleen onderzoeken, wat de historie zegt. En zie, Baük, wiens streven zeker niet was, zoo als ge van mij denken moogt, heeft gezegd, dat Theodotüs de eenheid van Vader en Zoon wilde begrijpen door bemiddeling van den H. Geest. En uit de oppositie van Theodotüs tegen de leer van den toenmaligen tijd, waarbij hij de menschheid van Christus chargeerde tegenover de absolute Godheid, konden eenigen denken, vooral als men niet gunstig jegens hem gezind was, dat hij in Jezds niets anders dan een menseh gezien heeft.
Doch ik wil geheel aan uw eigen oordeel overgeven wat li het waarschijnlijkst voorkomt. Wat doet het er ook toe of Theodotüs Jezus voor een menseh hield ? Joden en Heidenen erkenden het Goddelijke in Christus ook niet. En het zou volstrekt niet te verwonderen zijn, dat er ook onder de Christenen , die midden onder de Heidenen leefden, mannen gevonden werden, die aan het bovennatuurlijke in Christus niet geloofden. Vooral wanneer Theodotüs en Aetemon , zoo als van hen verhaald wordt, de wiskunde van Euolides en de wijsbegeerte van Aeistoteles meer beoefenden dan het Evangelie.
Praxeas.
Omstreeks in den zelfden tijd als Theodotüs leefde Praxeas (192 na J. C.) die ook in de oude Kerk den naam van ketter droeg. Wij mogen hem niet vergeten.
Men begon al meer en meer te philosopheeren over het Goddelijke in Christus. Er ontstond nu vooral wrijving en strijd, omdat men de persoonlijkheid van Jezüs wilde bren-
128
gen onder zuiver afgeronde logische definities. De strenge Monotheïsten wilden de Eenheid van God op alle mogelijke wijze behouden en die zuiver en rein bewaren. Toen men het Goddelijke in Christus zóó begon te verklaren, dat Hij volkomen gelijk aan den Vader werd, zoodat er geen onderscheid meer overbleef tusschen den Allerhoogsten, Oneindigen God en Jezus Christus, den Zaligmaker der wereld, vreesden eenigen, dat men, zoo voortgaande de Eenheid van het Opperwezen zou verliezen. Op verschillende wijzen beproefde men de hoogere natuur van Christus duidelijk te verklaren, zonder dat de Eenheid van God er schade bij leed. Dat was het streven van Theodotus en Artemon, die in overeenstemming met de Ebioniten het menschelijke in den Heiland op den voorgrond plaatsten. Anderen sloegen een\' te-genovergestelden weg in, zooals Praxeas.
Het is moeielijk om de denkbeelden van mannen als Theodotus en Praxeas goed te beoordeelen, omdat wij hunne eigene geschriften niet meer bezitten. Wij kennen hen alleen uit hunne tegenstanders. En zij, met hun eigen gevoelen ingenomen, begrepen niet altijd even goed de bedoeling van andersdenkenden. In het vuur van den strijd bezwaarden zij de zoogenaamde ketters wel eens met gevolgtiekkingen, die niet juist waren.
Kortom, wij weten hoe dat gaat. Wat zou men van de leer der Hervormers moeten denken, indien wij haar alleen kenden uit de schriften der Eoomschen. Wij moeten dus in de beoordeeling der zoogenaamde kdiers op oüze hoede zijn.
Praxeas kennen wij uit een boek, dat de kerkvader Ter-tullianus tegen hem geschreven heeft. 1)
„Praxeasquot; zoo verhaalt hij „heeft het eerst deze verkeerd-
\') Tertulliakus adv. Puaxeam.
129
heid uit Azië herwaarts gebracht. Hij was toch een onrustig man. Hij liet zich veel voorstaan op zijn martelaarschap, alleen omdat hij het verdriet van eene korte gevangeuschap gehad had. Hij heeft den Bisschop van Home, die de Monta-nisten reeds niet meer ongenegen was, en die daarom reeds vriendelijke brieven geschreven had aan de gemeenten vau Aziè, ongunstige denkbeelden van deze Christenen (de Mon-tanisten die door Teutüllianus , zeer gewaardeerd werden) weten in te boezemen, zoodat de brieven teruggevraagd werden. Aldus heeft Praxeas iu Rome twee werken des Satans ingevoerd. Hij heeft de profetie (van Montanus) verdreven en de ketterij medegebracht; hij heeft den paracleet (den trooster, den H. Geest, zooals Montanus dien voorstelde) verjaagd en den Vader gekruisigd.quot;
Wij zien hoe onvriendelijk Tertulliauus over Praxeas oordeelt, waarschijnlijk, omdat hij zelf een montanist was, en ontevreden, om hetgeen Pkaxeas bij den bisschop uitgewerkt had. „Praxeas heeft geleerdquot; zegt de ontevreden Kerkvader, dat de Vader is nedergedaald in eene maagd, dat Hij zelf uit haar geboren is, dat Hij zelf geleden heeft, eindelijk dat Hij zelf Jezds Christus is.quot; Van daar werden zijne aanhangers Patropassianen genoemd. Het is voorzeker moeic-lijk uit deze woorden op te maken, wat Praxeas eigenlijk wilde. Toch blijkt het wel duidelijk, dat hij het Goddelijke in Jezus Christus niet alleen erkende, maar zóó verheven mogelijk wilde denken; Jezus Christus is hij hem God zelf.
Eeuige jaren later leefde Noetus , die bijna dezelfde gevoelens had als Praxeas. Christus was volgens hem de Vader zelf en de Vader is geboreu, heeft geleden en is gestorven. „Er isquot; zoo leerde hij „maar één God en Vader, de quot;Werkmeester van alles, wel ongeboren van het begin, maar geboren, wanneer Hij uit eene maagd wilde geboren
9
130
worden, niet kunnende lijden en onsterfelijk, maar wederom kunnende lijden en sterfelijk.
Volgens een ander oud schrijTer zeide Noetus: „Zoo lang de een nog niet de Vader was geworden van den Zoon droeg Hij met recht den naam van Vader der wereld, maar toen het Hem behaagde geboren te worden, werd Hij de Zoon van zich zeiven.quot; 1)
Het komt mij voor, dat die mannen dieper dachten, dan hunne woorden letterlijk schijnen te beteekenen, maar het behoort nu niet tot onze taak dit te onderzoeken.
I\'raxeas had zich den toorn van Tertdllianus op den hals gehaald, maar eenige jaren later, moest Noetus het nog erger ondervinden. Hoe stijver het keurslijf der dogmatiek toe-geregen werd, des te meer werden zij gehaat, die een ruimer gewaad zochten, omdat zij in dat nauwe niet konden ademen, Noetus werd door de oudsten der gemeente van Smyrna tot verantwoording geroepen. Eerst ontkende hij de beschuldiging , maar later stemde hij toe, en vroeg „wat kwaad doe ik er mede, dat ik Christus verheerlijk?quot; Hij werd echter buiten dc Kerk gesloten en toen hij spoedig daarna stierf, lieten de Christenen zijn lijk en het lijk van zijn\' broeder, onbegraven liggen. Het ging dus niet vooruit met het Christendom.
Beryllus.
Omstreeks het jaar 300 na Cheistüs leefde er ook nog een man, die zich met het gevoelen der Kerk niet veree-
*) Zie Baur, Aaugeh. werk. pag. 380.
131
nigen kon. Hij heette Beryllus en zijne meening was, dat Jezus Cheistus voor zijn leven op aarde geen voorbestaan als persoon gehad had. Hij beproefde het voorbestaan van den Heer te verklaren als een voorbestaan in de bewustheid van God. Die poging van Bekyllüs , om het voorbestaan van Jezus te verklaren, bewijst dat het in zijn\' tijd aangenomen werd. Hij kon niet gelooven, dat de aiuohde Godheid in Jezus gewoond had, hoewel de Godheid des Vaders gedurende zijn verblijf op aarde in Hem gewoond had \').
Berylius heeft later zijn gevoelen opgegeven en zieh ver-eenigd met de denkbeelden van Oeigenes. Het idee van Bekyllus sehijnt geweest te zijn, dat eene vrije, geestelijke werkzaamheid van God in Christus geweest is, die op zedelijke eenheid rustte.
Nu geloof ik, dat wij verder geene getuigen behoeven te hooren. In den tijd van Clemens, Origenes en Tertuliianus, waartoe wij nu gekomen zijn, is de leer, dat de Zoon één was met don Vader, en persoonlijk van Hem onderscheiden, de algemeen heersehende.
Tertullianus zegt ons, wat de algemeene en reehtzinnige leer in zijn\' tijd was. „Wij geloovenquot; zegt hij „aan één God, zoodat de Zoon van den eenigen God liet Woord is, dat uit Hem is voortgekomen , door wien alles gemaakt is en zonder hetwelk niets geworden is; dat deze door dcu Vader gezonden is in eene maagd: dat uit haar geboren is menscb en God, de zoon des meusehen en de Zoon Gods; dat Hij genoemd is Jezus Christus; dat Hij geleden heeft, gestorven en begraven is en opgewekt door den Vader; dat Hij in den Hemel opgenomen, zit aan de rechterhand des Vaders; dat Hij zal komen, om te oordeelen levenden ei, dooden.quot;
182
Ik zou hier kunnen eindigen, want dat de Christelijke Kerk van dien tijd af aan eene supernatureele Openbaring van God in Christus geloofd heeft, behoeft geen bewijs. Later heeft men wel gedurig beproefd, dat supernatureele te verklaren, maar het supernatureele algemeen erkend. Reeds korten tijd na Tertüllianüs poogde Sabellius de zaak op te helderen en anderen na hem. Ik heb feiten medegedeeld en, zoo ver mij bekend is, heb ik alles opgenomen, wat ons maar eenigszins dienen kon, om te weten, wat de historie gezegd heeft van Jezus Christus. En nu is ons resultaat, dat alle echte schriften, die van het Christendom gesproken hebben, in de eerste en tweede eeuw, zonder uitzondering, Christus voorstellen als een wezen, dat meer was dan mensch. Van de vroegste tijden af aan had de gemeente geen ander geloof. Wij hebben er ten minste geen spoor van gevonden.
Het zal u misschien verwonderen, dat ik niet gesproken heb van de geloofsbelijdenis der twaalf Artikelen. Ik zal u de reden daarvan zeggen. Wanneer ik dat stuk beschouw, dan komt het mij voor, dat het in ouden tijd opgesteld is, en wel vóór dat er een meer bepaald dogma vastgesteld was aangaande de natuur des Heeren. Doch dit is eene geheele subjectieve zaak. Immers ik ben niet in staat u te zeggen, wanneer die belijdenis vervaardigd is. Het is geheel onbekend wie de schrijver is en de gevoelens over dat stuk zijn zeer verschillend: daarom heb ik, naar onze afspraak, er niet op willen bouwen.
Nog is er een merkwaardig feit, dat wij niet kunnen voorbijgaan , namelijk de viering van den Zondag.
Is de Zondag van de vroegste tijden af gevierd? Wij hebben gezien, dat de echtheid van de Openbaring ^an Johannes door Tubingsche Godgeleerden aangenomen is. En Baur zelf erkent, dat er in de Apocalypse gesproken wordt van de
133
viering van den Zondag. Openbaring 1: 10. Paulus schrijft in den eersten brief aan de Corinthen, (die ontwijfelbaar echt is): op eiken eerden dag der weke leg ge een iegelijk van u iets hij zich zeiven weg enz. In den brief van Barnabas hebben wij gevonden: wij vieren den achtsten dag met blijdschap op welken Jezus is opgestaan uit de dooden \').
Jüstinus de Martelaar, getuigt het navolgende, zooals wij reeds gezien hebben: „En op den dag, die zondag genoemd wordt, komen de Christenen in steden en dorpen bijeen en lezen de gedenkwaardigheden der Apostelen, of de geschriften der Profeten. Want het is de eerste dag, waarop God de duisternis en de stof veranderende, de wereld gemaakt heeft en op den zelfden dag is Jezus onze Heer en Zaligmaker opgestaan en aan Zijne discipelen verschenen.quot;
Hoe kunt gij nu het vieren van den Zondag verklaren, zonder dat er iets op dien dag gebeurd is? Is het denkbaar, dat zoovele brave en godsdienstig gezinde menschen elke week een\' bepaalden feestdag vieren, zonder dat die dag door iets bijzonders onderscheiden is van de andere dagen der week? Is niet de jaarlijksche feestdag, onder een volk gevierd, tot gedachtenis van de eene of andere gebeurtenis, een bewijs van die gebeurtenis? Zou zulk een feestdag denkbaar wezen zonder een feit, waarbij het geheele volk belang had? Wat kan er dan op zondag gebeurd zijn? Wanneer Padlus in zijn\' brief aan de Corinthen, dien wij allen voor echt erkennen, zegt dat Jezus ten derden dage opgestaan is j wanneer die gebeurtenis later door de Christenen erkend is; wanneer tot gedachtenis van dat feit de zondag altijd gevierd werd, hebben wij dan historie of niet? Ongetwijfeld is het ten minste, zooals ook Baur zeide, dat de Christenen aan de Opstanding
*) Zie pag. 35.
134
van Jezüs geloofd hebben, als aan eene waarachtige gebeurtenis, waaraan geen Christen twijfelde. Wanneer het Griek-sche volk bijv. een\' gedenkdag gevierd had ter gedachtenis van de overwinning bij Salamis, van het begin af aan, cn die zegepraal door hunne geschiedschrijvers werd medegedeeld, dan is dat toch wel geschiedenis.
Paüws van Samosate.
Het was mijn plan, ons onderzoek niet verder uit te strekken dan tot den tijd toen do hoogere natuur van Jezos algemeen door de kerk erkend werd. Maar korten tijd latei-leefden er twee personen, die in deze zaak de bijzondere aandacht getrokken hebben, en die ik u dus nog wil voorstellen. Ze zijn Pauiüs van Samosate en Saeellius. En wij willen ten overvloede onderzoeken, of wij soms bij die raenschen ook sporen vinden die ons grond geven, om te denken, dat men vroeger Jezds anders beschouwd heeft, dan wij gevonden hebben. Wij zullen met den eersten beginnen. Paulus van Samosate, aldus genoemd naar eene stad in Syrië, waar hij geboren is, werd omstreeks het jaar 360 bisschop van Antioohië. Hij stond in groot aanzien bij de beroemde en toen in het Oosten veel vermogende koningin Zenobia. Padlüs bekleedde bij den titel van bisschop in AntiocJiV\', nog een burgerlijk ambt, dat hem een zeer groot inkomen bezorgde, zoodat hij zich ruim bewegen kon.
Eusebius verhaalt ons wat er met Paulüs gebeurd is en deelt ons een\' brief mede van de kerkvergadering te Antio-clnlt;~ aan den bisschop te Rome, Dionïsius, en aan andere
135
opzieners in andere plaatsen. Ik zal u met korte woorden mcdedeelen wat Ebsebiüs bericht\').
„De bisschoppen van Rome en Alexandria droegen beiden den naam van Dionysius en leefden ten tijde der keizers Aükelianus en Pkobus. In hunne dagen was Padlus van Samosate bisschop van Anliocldé. Hij leerde lage en aardsche dingen van Jezüs Chkistus, alsof de Heer van nature niet anders geweest was dan een gewoon mensch. Den bisschop van Alexandriê werd verzocht, om naar Antiochië te gaan, doch hij beriep zich op zijn ouderdom en zijne zwakheid en schreef in een\' brief, wat hij van de zaak dacht. Ondertus-schen kwamen er vele bisschoppen te Antiochië te zamen, foemiliakus van Caesarea, Gregokius en Athenodoeds van Ponlus, Helenus van Tarsus, Hymenaeüs van Jeruzalem en andere opzieners, met vele Presbyters en Diakenen.quot;
„Dikwijls kwamen deze mannen te zamen, ten einde de leer van Paulus te onderzoeken, maar hij trachtte zijne ware gevoelens te ontveinzen. Ondertusschen stierf Dionysius en Maximus volgde hem op. Toen werd eindelijk de heterodoxie van Paulus bewezen en hij werd gebannen uit de geheele Katholieke kerk ouder den Hemel. Het was vooral een zekere Malcuion, die aan het hoofd stond van de school voor Grieksche wetenschappen te Antiochië en Presbyter bij de gemeente was, een zeer scherpzinnig man, die de ketterij van Paulus klaar aantoonde. Dat onderzoek had plaats in tegenwoordigheid van snelschrijvers en dc debatten zijn nog tot heden overgebleven,quot; zegt Eusebius.
„Toen hebben de in Antiochië vereenigde herders een\' brief geschreven aan den bisschop van Rome, aan Maximus bisschop van Alexandria, over het leven en de leer van Paulus
\') Eusebius. H. E. VII. 27—30.
136
van Samosate. Die brief was van den volgenden inhoud.
„Aan Dionysiüs en Maximus en aan alle bisschoppen, Presbyter? en Diakenen en aan de geheele Katholieke Kerk onder den Hemel, aan onze broeders in den Heer wenscheu Helenus en Hymenaeus, Theopiulcs enz. heil.quot; (De bisschoppen , in Antiocliië tegenwoordig, worden allen genoemd).
„Wij hebben vele bisschoppen uitgenoodigd, om naar Antiocliië te komen, ten einde de gevaarlijke leer van Pau-lus te beoordeelen, zooals ook Dionysiüs van AUxandrii en Fokmilianus van Cappadociè\'. En de eerste schreef een brief naar Antiochié\', hem zijne tegenwoordigheid onwaardig achtende en hij schreef daarom niet aan hem, maar aan de gemeente; wij hebben er een afschrift van.quot;
„En Fokmilianus, tweemaal gekomen zijnde, begreep dadelijk de nieuwe stellingen, zooals ons allen bekend is. Hij kondigde Paülds aan, dat hij berouw hebben moest, geloovende en hopende, dat de zaak zoo zou geschikt worden , maar hij werd bedrogen door den man, die zijnen God en Zijnen Heer verloochende en het geloof, dat hij vroeger had, verliet. Later wilde Pormilianus nog eens komen en hij bereikte Tarsus, doch spoedig daarna stierf hij.quot; Daarna beschrijven zij het leven van Paulus. Zij zeggen, dat hij vroeger arm en behoeftig was, dat hij van zijne ouders niets geërfd heeft, dat hij ook nists verkregen had door eenige kunst of wetenschap, en dat hij nogtans nu rijk was door bedrog en allerlei streken. „Hij ging gaarne in het gewaad van zijn wereldseh ambt langs de straten. Dan had hij een groot gevolg bij zich, terwijl hij verzoekschriften van de menschen aannam, zoodat het geloof in minachting kwam door zijn\' hoogmoed en praal. Hij had zich een hoogen predikstoel laten maken, gelijk een rechterlijken zetel en niet gelijk een\' discipel van Christ üs paste. Hij had een
137
geheim kabinet, als de heerschers der wereld. Als hij predikte sloeg hij met de hand op de heupen en stampte met de voeten op het spreekgestoelte. En zijne toehoorders moesten ook in de handen klappen, toejuichen en met hunne zakdoeken toewuiven. En als zij dat niet deden, bestrafte hij hen. De liederen op onzen Heer Jezcs Cheistus schafte hij af, als werken van een nieuweren tijd en van jongere leeraren, en hij wilde, dat vrouwen op den grooten dag van Paschen liederen in de kerk zouden zingen op hem. Als iemand het hoort moet hij er van rillen, want hij wil niet toestemmen, dat de Zoon van God uit den Hemel gekomen is. En dit zal door ons niet alleen gezegd, maar bewezen worden uit de stukken, die wij hierbij overzenden, niet het minst waar hij zegt; Jezcs Christus is van beneden, en zijne vleiers zeggen, dat hij als een engel uit den Hemel gekomen is en hij hoort het zelf aan, als men dat van hem zegt. Hij heeft vrouwen bij zich en staat het ook aan zijne presbyters en diakenen toe.quot; (Eenige geestelijken hadden vrouwen bij zich, onder den naam van zusters, en ofschoon dat zeker wel dikwijls Platoniaohe liefde zal geweest zijn, was het ook wel eens aanleiding tot de zinnelijke, en daarom werd deze gewoonte later afgekeurd).
„Waarom schrijven wij dat?quot; Zoo vervolgen zij in hunnen brief. „Omdat een bisschop voor de gemeente een voorbeeld zijn moet van alle goede dingen. En door die levenswijze werden sommigen verleid en anderen verdacht. En al veronderstellen wij ook, dat er bij hem niets onzedelijks voorgevallen is, dan moest hij zich toch wachten, voor erge-nis te geven. En toch heeft hij twee vfouwen bij zich, die schoon van uitzicht zijn. In de gemeente hebben ze er over geklaagd, maar zij vreesden hem te veel, om hem te durven beschuldigen.quot;
138
„Wij zijn dus genoodzaakt geweest, hem van zijne waardigheid te ontslaan en een anderen bisschop te benoemen en wel Domnus , die versierd is met al wat een opziener betaamt en wij hebben u daarvan kennis gegeven. Laat hem (Pau-lus) aan Ariemon schrijven, want deze kan zijn vader genoemd worden. En die met Abtemon overeenstemmen, laat die met hem gemeenschap houden.quot;
Ik heb u deze brieven verkort medegedeeld, om u in die tijden te verplaatsen. Gij zult mij zeker toestemmen, dat, in dien brief een toon van bitterheid heerscht, die ons pijnlijk aandoet. Ze waren toen ook menschen van gelijke beweging als wij, en wij hebben het reeds meer opgemerkt, hoe prikkelbaar zij waren tegenover de ketters, zoodat wij dan ook zeer voorzichtig moeten wezen, om uit hunne woorden op te maken, wat eigenlijk het gevoelen was van de menschen, die niet overeenstemden met de leer der Kerk.
De bisschoppen en rechters bewijzen eigenlijk volstrekt niets onzedelijks. Dat hij rijk geworden is, misschien door Ze-nobia, die hem zeer begunstigde, was wellicht zonder oneerlijkheid. Dat hij, als wereldsch overheidspersoon zich ook wel eens in zijn ambtsgewaad vertoonde, beteekende al zeer weinig. Dat men zijne leerredenen toejuichte was ook al niet heel vreemd, immers ten tijde van Ciirysostomls deed men zulks ook, zoodat deze gevierde redenaar het dikwijls verbieden moest. Dat Paulus in zijn gezelschap vrouwen had, was ook al geene bijzonderheid. En het blijkt, dat men hem niet bepaald van onkuischheid durfde beschuldigen. Het blijkt ook, uit de debatten van zijn proees, dat men hem met rust zou gelaten hebben\', indien hij zijn gevoelen had herroepen; hetwelk ook door een anderen schrijver gestaafd wordt. \') Men
\') Theodoeetus. Haeret. Fab. 11. 9.
139
zou hem dus om zijn\' wandel denkelijk niet ontslagen hebben. En het is daarenboven geen ongunstig getuigenis voor den gebannen bisschop, dat Ltjcianüs een Presbijter te Anliochië en ook uit Samomte geboortig de procedure tegen zijn stadgenoot niet schijnt goedgekeurd te hebben. En deze Lücianus was een braaf en geleerd Christen, die veel tijd besteed heeft aan de verbetering van de Grieksche overzetting des Ouden Verbonds. De martelaarskroon, die het hoofd van Lücianus versiert, bewijst daarenboven zijne trouw aan het geloof.
Toch schijnt Padlus door zijne wereldschgezindheid aanstoot gegeven te hebben, eu hij getuigde tegen zich zeiven, omdat hij niet durfde uitkomen voor zijn geloof.
Wat was dan toch het gevoelen van Paulus? Wij hebben gezien, dat wij geen volkomen vertrouwen kunnen schenken aan de acte van beschuldiging, opgemaakt door de bisschoppen, die hem veroordeelden. Audere schrijvers vermelden, dat Jezus, volgens Pauius van Samomte wel een mensch was, maar dat het Woord, de logos, of de wijsheid van God, terstond bij Zijne ontvangenis, in Hem gewoond en door Hem gewerkt heeft, zoodat Hij in zekeren zin „Zoon van Godquot; kon genoemd worden, maar dat deze logos bij Zijn lijden tot den Vader teruggekeerd is.
Zoo heeft dan ook Paulus van Samomte niet aangenomen, dat Jezus een gewoon mensch geweest is, zonder iets super-natureels in Hem. Wellicht zoudt gij ook hier denken, dat ik mijn uiterste best doe, om ook die mannen, welke als ketters bekend zijn, zoo te laten spreken, dat zij ook het supernatureele in Jezus Chkistus erkenden. En dan zou er eindelijk in dc geheele Oude Kerk niemand geweest zijn, die Jezus voor een gewoon mensch hield. Ik zal u daarom het oordeel van Baur mededeelen, dien het daarom volstrekt niet te doen was.
140
„Even als Theodotus en Artemonquot; zegt hij \') .,ging ook Paülüs uit van het beginsel, dat Christus, niettegenstaande zijne bovennatuurlijke geboorte, toch bepaald mensch was. Hij ontwikkelde deze theorie echter door het eerst te spreken van een Christus, die God geworden was. Is Christus niet God van nature, dan moet Hij, hetgeen Hij als Goddelijk wezen is, geworden zijn. Maar hoe is Hij dat geworden? Eene geheele uitwendige vereeniging, zoo als Theodotus zich dacht, kon Paülus niet bevredigen. Er bleef voor hem niet anders over, dan den band tusschen het Goddelijke en menschelijke te knoopen op zedelijk gebied. Alleen door zedelijke ontwikkeling en volmaking is Christus , de mensch, zooals hij van nature is, God geworden en Zoon van God. Dit zedelijke echter, dat als middel dienen moest, om het menschelijke te verheffen tot het Goddelijke, kon men zich niet denken als iets zuiver menschelijks. Men kon de Goddelijke medewerking niet missen. Paulus liet den logos wonen en werken in den mensch Jezus, maar het bleef bij hem eene Goddelijke inwerking, waardoor de krachten van het menschelijk verstand en den menschelijken wil moesten toenemen, zonder dat hij ooit dacht aan eene substantieële vereeniging van den mensch met God.quot;
Ook van Paulus van Samosaie kunnen wij dus niet zeggen, dat hij in Jezus Christus niets anders zag, dan een mensch als wij. Laat mij toe er nog bij te voegen, dat Paulus zijn bisschoppelijken zetel nog niet dadelijk verlaten heeft. Hij was nog in Anliocltië toen Zenobia overwonnen werd door den Caesar Aurelianus. Maar na den ondergang van Zenobia hebben de Christenen van AntioMé zich tot den Caesar Aurelianus gewend met verzoek, om in deze zaak te
\') Baur. Aang. werk pag, 392.
141
beslissen. Treurig gevolg van der Christenen onderlinge twisten! Aükelianüs bemoeide zich niet met theologische vraagstukken, maar besliste, dat het bisdom toekwam aan den man, aan wien de bisschop van Rome het toewees.
Nu moet ik nog van Sabellius spreken, doch slechts met een enkel woord, want Sabeiliüs heeft, zooals algemeen bekend is, het Goddelijke in Christus nooit ontkend. Sabellius wilde alleen het leerstuk der Kerk wetenschappelijk voorstellen. De absolute God, zoo is zijn gevoelen, blijft dezelfde, maar Hij openbaart zich in verschillende vormen, naarmate er behoefte aan is; nu openbaart Hij zich als Vader, dan als Zoon, dan als Heilige Geest. De consequentie van zijne leer is pantheïsme.
Ik heb mijn onderzoek geëindigd. Heeft het Christendom geene geschiedenis, zijn er geene echte bronnen van over, dan is elke poging, om den oorsprong des Christendoms te kennen, onmogelijk. Dan zou ons niets anders overblijven dan raden en gissen, dan bespiegelingen en theoriën, gelijk wanneer men het raadsel tracht op te lossen, hoe de eerste menschen in de wereld gekomen zijn, indien men geene schepping van den mensch door God erkent. Maar heeft liet Christendom eene geschiedenis, dan is zij zeer zeker vervat in de echte bronnen, daaruit moeten wij haar kennen. Dat hebben wij nu immers gedaan. Wij hebben alleen die geschriften gebruikt, alleen die getuigenissen gehoord, over wier echtheid bij alle partijen overeenstemming bestaat. Alles hebben wij ter zijde gelegd, wat met maar eenigen grond betwijfeld werd. Hadden wij werken willen gebruiken en
142
getuigenissen willen hooren, wier echtheid waarschijnlijk is, al wordt die ook door eenigen bestreden, dan zouden wij te meer bevestigd zien, wat wij bij onze behandeling gevonden hebben.
En wij hebben geene enkele stem gehoord, geen\' enkele bron gezien, waaruit wij iets anders konden opmaken dan, dat men in Jezus Cheistus een wezen zag boven den gewonen mensch verheven. Zoo ver ons.bekend geworden is, heeft nooit eenig Christen in de eerste eeuwen anders gedacht. Jezus Christus is dus, naar de zekere bronnen der geschiedenis, altijd gehouden, voor Gods Zoon in wien eene super-natureele Openbaring van God woonde. Hebben wij dan wel reden om de Evangeliën te verwerpen, alleen omdat zij hetzelfde ons verkondigen? De getuigenissen in de Evangeliën zijn overeenkomstig met de geheele geschiedenis. Als ik uithoofde van mijne wijsgeerige denkbeelden, of van mijne bijzondere verstandsrichting eene supernatureele Openbaring onmogelijk acht, dan is toch mijne overtuiging lijnrecht in strijd met de geschiedenis.
Wat moet er echter op die manier van de geschiedenis worden ? Als wij te voren vaststelden, dat het onmogelijk was, dat de Grieken ooit een zoo machtig volk als de Perzen konden overwinnen, wat blijft er dan van de geschiedenis over?
Plaats ik mij op geheel onafhankelijk gebied, buiten en boven de historie, dan zijn mijne ideën onafhankelijk van de geschiedenis, maar zoo lang ik mij niet geheel van haar losmaak, moet ik aannemen, dat er in Jezus Christus eene bovennatuurlijke Openbaring was.
Wanneer het de hoofdvraag in onzen tijd is, of er eene supernatureele Openbaring in Christus is, dan kan het niet onverstandig wezen te vragen, wat de geschiedenis zegt. En wat zij getuigt hebben wij gezien. Zij heeft op onze vraag duidelijk eu zeker geantwoord: „Ja.quot;
143
Hoe men nu dat supernatureele in Jezus Christus heeft begrepen, wat men er eigenlijk onder verstond, is eene andere vraag, waarvan ik mij de beantwoording nu niet voorstelde. Wij hebben gezien, dat onderscheidene mannen reeds in zeer ouden tijd, beproefd hebben, om zich dat Goddelijke in Christus duidelijk te denken. Bij vele zoogenaamde ketters bestonden de dwalingen in niets anders dan in de poging om de stof te begrijpen, die de historie aanbood. Hadden zij Jezus voor een gewoon mensch kunnen houden, hadden zij eenigen grond in de geschiedenis gevonden voor dat gevoelen, dan zouden zij natuurlijk zulke vreemde wegen niet ingeslagen hebben, om een vraagstuk op te lossen, dat in de werkelijkheid niet bestond of niet behoefde te bestaan.