ocr page 1
ocr page 2

I

;

•i

\\

I

\'1

ocr page 3

———

\'

-

Tl

) h I)

A A111) II

VüOE DE YÜLK8SCÏÏOOL,

P. R. BOS.

Ï.KK::AA!l AAN DK RIJKS ....................K\'.\',1:-( ift h i:, n, iilH gt;M M\'.KN.

! §

!

IE CiROXISGEX BI.T J. 15. VOLTERS • 1888. RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2200 9793

ocr page 4
ocr page 5

Dit boekje tracht te voorzien in de behoefte van die vele scholen, waar de kennis van Nederland hoofdzaak moet blijven en die van de overige deelen der aardoppervlakte zich tot een minimum moet bepalen. Zonder dat dit. minimum uit eene dorre lijst van namen en getallen bestaat, is het kenmerkende van ieder land en ieder werelddeel in groote trekken aangegeven. Aan onze overzeesche bezittingen is natuurlijk eene betrekkelijk groote ruimte afgestaan. Er is naar gestreefd, don leerling het werk zoo weinig mogelijk uit handen te nemen, doch hem, waar bet kan, zelf te laten zoeken en denken. Xatuurljjk moet aan \'t gebruik van dit boekje voorafgaan eene beschouwing van de woonplaats en hare omgeving.

Het zal mij aangenaam zijn de opmerkingen te mogen vernemen van hen, die dit boekje bij hun onderwijs gebruiken.

April \'78 P. R. BOS.

ocr page 6

li E K 1 C II \'V V O O U DE X Z E V E N I) E ^ D R ü K.

Iic/.e zevende druk is opnieuw nagezien\' en alleen op enkele plaatsen, waar liet mij noodig voorkwam, gewijzigd. De eenige verandering, die genoemd behoeit te worden, betreft Nederland. Van iedere provincie is n.l. eene beknopte beschrijving opgenomen, iets wat mij en, nanr ik verneem, velen met mij, wensobeljjk is voorgekomen. Een plaatje, voorstellende een gezictt op hot Nederlandsche strand, en een, dat een denkbeeld zoekt te geven van eene Droogmakerij, zullen waarschijnlijk niet onwelkom zijn.

April. \'88. BOS.

ocr page 7

I. y E D E R L A X D.

DE OMTREK.

§ 1. Ligying. Onze woonplaats maakt een deel uit van onze gemeente,;:

VJ

deze is een stuk van onze provincie, en onze provincie is een gedeelte vana ons vaderland, Nederland. ^

Zooals de naam reeds aanduidt, ligt Nederland laag. Het behoeft ons dani ook niet te verwonderen dat hier eene rivier en wel eene belangrijke rivierg naar toe stroomt, dat de Kijn dit hoekje van Europa, ons werelddeel, weet^ te vinden en er met breede mondingen in zee stroomt. Daardoor en door deS vele breede inhammen, die de zee gemakkelijk in het lage land kon maken,g. toen het nog niet door dijken werd beschermd, is de kust van ons vaderland die over \'t geheel anders weinig bochten vertoont, op sommige plaatsen vrijs onregelmatig. ï0

Xiet overal zijn dijken noodig om de zee tegen te houden. Laten we maar^ eens eene reis langs onze kusten maken. We beginnen in het zuidwesten (Z\\V.) en zullen eindigen in het noordoosten (IS\'O.); want aan de west- en de noordzijde, — zoo leert ons de kaart, — grenst Nederland aan de Noordzee, terwijl aan de oost- en zuidzijde landgrenzen zijn.

^ 2. hCustreis. In \'t ZW. van ons land (in Zeeuwsch Vlaanderen) zien we duinen langs de kust, die naar \'t ZW. zich langs Belgiës kust voortzetten, doch naar \'t X. door den breeden mond der Ifont of \\V est er-Schol de «orden afgebroken. Ten X. van dit water beginnen zo weer op Walcheren; quot;ji het westelijke deel van dit eiland worden ze echter vervangen door den !\'Ogen , breeden \\\\ es tk a p pe 1 schon d i| k. Gelukkig voor de beurzen dei Nederlanders, dat al gauw weer de duinen do rol van beschermers tegen dr

ocr page 8

6

zuü op zich nemen. De breede Ooster-Schelde voorbijvarende, waarin evenals in onze ^roote riviermonden en zeearmen zandbanken liggen, die gevaarlijk voor de schippers zijn, en vele tonnen, bakens en vuurtorens hebben loodig gemaakt, komen we bij Schouwen, dat evenals Gooree en Voorne

Eene steile kust. \\

1 I

aan de westzijde met duinen bezot is. Tusschen Schouwen en Goeree hebb(n we het Brouwershavensche Gat, tusschen (ioeree en Voorne liet Goe-reesche Gat en tusschen Voorne en den Hoek van Holland den Mond van do Maas. Met don Hoek van Holland begint de westkust van Holland,

die ons een duidelijk voorbeeld geeft van het tegengestelde van eene ingesneden of ontwikkelde; kust, n.l. van eene gesloten kust. Hollands

■

ocr page 9
ocr page 10

•westkust is ook het tegengestelde van eene steile rotaachtige kust, n.1. eene lage, vlakke kust. Door de zachte glooiing van den bodem is de zee langs Hollands westkust overal ondiep. Bij hoogwater nadert de zee den voefc tier duinen veel meer dan bij laagwater. Het bij eb droog- en bij vloed onder-loopende gedeelte heet strand. Het Xederlandsche strand is zandig. Groote schepen kunnen deze kust niet naderen; wel kunnen dit visschersschepen, die bij eb op het strand blijven zitten en bij vloed weer losraken. Yandaar dat op Hollands westkust geen groote handelssteden, maar visschersdorpen liggen. Bij eenige van deze heeft zich in lateren tijd eene nieuwe plaats, uit hotels en villa\'s bestaande, eene badplaats, ontwikkeld. Zoo is het b.v. met Scheveningen, Zandvoort, Wijk-aan-Zee, Domburg, Schiermonnikoog.

Op drie plaatsen wordt de kustlijn en worden dus ook de duinen afgebroken, waar nl. het Kanaal van Rotterdam of de Nieuwe Waterweg (langs Maassluis), het Kanaal van Katwijk (Oude Rijn) en het Koord-zee-Kanaal (bij I.Imuiden) zich in zee ontlasten. Verder noordwaarts, tus-schen Kamp en Petten, is eene gaping in de duinen, die men heeft moeten aanvullen door de kostbare Hondsboasche Zeewering. Bij het Mar s die p eindigt het vastland en worden tevens de duinen afgebroken, die zich in een\' boog op de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum of Rottumeroog en verder oostwaarts op de tot Duitschland behoorende Oostfriesche eilanden voortzetten. Al deze eilanden zijn Wadden-Eilanden. Zij vormen de hoogste deelen van de Wadden, d. ondiepe, slijkerige deelen der zee, die bij laag water ten deele droogloopen. Door de Wadden loepen geulen , die door strooraend water worden opengehouden, en waarlangs, tusschen tonnen door, de schepen hun\' weg moeten vinden. Tusschen deze Wadden-Eilanden door heeft het water der Zuiderzee en van het Waddengebied gemeenschap met de Noordzee door gaten. Van deze gaten zijn het .Marsdiep, hot Vlie, hot Friesche tiat en de Wester-Eems het best bevaarbaar.

De Wadden-Eilanden zijn door de zee van \'t vastland gescheurd, en toen deze overstroomingen plaats hadden, werden er groote en kleine inhammen gevormd, als de Doll art, de Lauwerszee en de Zuiderzee. De inham het IJ is drooggemaakt. Tegenwoordig is bet Noordzeekanaal met de Haven van 1.1 muiden de kortste gemeenschapsweg van Amsterdam naar zequot;.

ocr page 11

9

Het bijgaande plaatje geeft een gezicht van de (tuinen af op de groote steenen havenhoofden, die de buitenhaven van LI muiden insluiten. Op de uiteinden daarvan zijn havenlichten geplaatst, evenals op de uiteinden der kleine havendammen, die eene geul insluiten, welke de § verbinding vormt tussciien de haven \'3 en het kanaal. De kleine haven-2 dammen zijn 480, de groote 1530 = M. iang. De invaartwijdte tussehen quot; de groote hoofden bedraagt 2(i0 M. gt; De Haven van Umuiden beslaat eene oppervlakte van ongeveer 55 HA. \'S Op de duinen staan twee vuurtorens, S die zóó zijn geplaatst, dat een schip, quot;1 \'t welk de haven wil binnenloopcn, zijne koers zoodanig moet nemen, dat de beide lichten elkaar bedekken. 5 De duinen zijn heuvels en heu-quot;A velrijen, die door den wind op bet S droge zijn opgewaaid, \'t Zijn opge-g waaide zandbanken. De zee en de ^ wind hebben dus samengewerkt om ;5 de duinen te doen ontstaan, o De kusten der Zuiderzee, de west-^ en de noordkusten van Frieslanden de kust van Groningen moeten bijna overal door dijken worden beschermd. Op slechts enkele plaatsen maakt de vaste, boogere kust hier dijken onnoodig. Dat is namelijk, waar in Oaasterland de Friesche kust boogs-gewijze vooruitsteekt, de landpunt

ocr page 12

10

ocr page 13

11

ocr page 14

bodem, geen gebergten zijn. De kaart leert ons dus, dat Xederland niet alleen een lagen, maar ook een vrji vlakken bodem heeft, dat ons land een deel uitmaakt van eene laagvlakte. We noemen die met een zeer gepasten naam de Benedenrijnsche Laagvlakte.

Dat de Xederlandsche bodem echter niet overal even hoog is, doch naar\'t W. afbelt, leert de kaart ons ook. Zien we slechts in welke richting de groote rivieren stroomen. Dat we zoo vaak van bescherming tegen de zee spraken, doet ons reeds begrijpen, dat er gevaar van overstrooming is. De laagste deelen onzes lands liggen zelfs beneden de oppervlakte der zee. Waren er geen dijken en duinen, dan zou een eenigszins hooge vloed het geheele N. en W. van Nederland onder water zetten.

Alleen de duinen en enkele andere hooge streken zouden als eilanden of schiereilanden uit de wateren te voorschijn komen. Welke gedeelten van Nederland niet hooger dan de gemiddelde oppervlakte der zee of zelfs daar beneden liggen, leert ons eene hoogtekaart van Nederland. De drooggemaakte meren en veenplassen in Noord- en Zuid-Holland liggen 3 tot 6 M. beneden de gemiddelde oppervlakte der zee.

Het Z. en O. van Nederland zijn het hoogst; sommige heuvels in Limburg, Oelderlaiid, Utrecht en Overijsel dragen zelfs den naam van bergen, doch nimmer verheffen ze zich hooger dan 240 M, De hoogste top is de Kr i kelen-berg in \'t Z. van Limburg.

§. 5. Aard run den bodem. gt;\'iet alleen is er onderscheid in hoogte, maar ook in den aard van den bodem op verschillende plaatsen. Het lagere W. en N. bestaat grootendeels uit zeeklei, het hoogere Z. en O. is voor een deel zandgrond, op sommige plaatsen met grind, op andere (in Drente) tevens met zware keien vermengd. We zijn reeds gewend aan klei het begrip vruchtbaar, en aan zandgrond de begrippen dor, schraal en onvruchtbaar te verbinden. Ofschoon nu niet alle klei even vruchtbaar en niet alle zandgrond even onverbeterlijk dor en schraal en onvruchtbaar is, kunnen we toch met het volste rocht zeggen, dat over \'t geheel het lagere W. en X. veel vruchtbaarder is dan bet O. en Z. Op eéne plaats dringt eene vrij breede strook rivierklei (tusschen Rijn en Maas) tot aan de oostgrenzen door en verdeelt de oostelijke zandgronden in twee deelen.

Hquot;r W. en N. van Nederland bestaat evenwel niet uitsluitend uit kb\'i: we

ocr page 15

13

vinden langs de zee op de Zaeuwsche en de Zuidliollandsehe Eilanden, langs de westkust van geheel Holland en op de Waddeneilanden duinen, die met de daar onmiddellijk achter liggende gronden (geestgronden) uit zand bestaan. Op de zandstrook volgt op de delta-eilanden bijna alleen kleigrond, terwijl in Z.- en N.-Holland en in \'t W. van Utrecht de klei met laagveen afwisselt. Achter de Waddeneilanden is het land weggeslagen en strekken zich de ondiepe Wadden uit, die opgevolgd worden door de kleigronden van Friesland en Groningen. Ook in deze provinciën vinden we veen, en wel laagveen, naast de klei en verder naar \'t Z. en \'t 0. hoogveen.

Het O. en het Z. van ons land, het hoogere deel, is wel hoofdzakelijk, maar niet alleen zandgrond: er is ook hoogveen en langs vele rivieren en beken vruchtbaarder klei. \'t Meeste hoogveen vinden we in Drente en Overijsel, welke laatste provincie in \'t lage NW. laagveen heeft. Gelderland en het 0. van Utrecht bezitten weinig veen. Op de grenzen van jS\'.-Brabant en Limburg is een hoogveen, bekend onder den naam van Peel. Nog ééne grondsoort trgffen we in het hoogere Z. aan, nl. de vruchtbare Limburgsche klei in\'t Z. van Limburg. Is over \'t geheel het lage deel onzes lands vruchtbaar en vlak en het hoogere deel minder vruchtbaar doch afwisselend in hoogte, het Z. van Limburg vereenigt de vruchtbaarheid van het lagere met het golvende heuvelachtige terrein van het hoogere deel en munt dus uit in schoonheid.

§ 6. Strijd run dtu niensch met de ïcc. Weinig landen worden zóó voortdurend door de natuur en door den menscli veranderd als ons vaderland. Hier toch overstroomde de zee geheele stukken lands en sloeg ze weg (Wadden, Dollart, Lauwerszee, Zuiderzee, Biesbosch); daar brengt iedere vloed nieuwen voorraad slib aan, die telkens de slikken verhoogt en ze eindelijk tot k w elders, gorzen of schorren doet worden, waarop het vee kan weiden; ginds doen de rivieren het hare om zandbanken te vormen, die soms de vaarwaters vernauwen, soms ook met blijdschap worden begroet, omdat ze wordende eilanden zijn. De mensch werkt de natuur tegen of bevordert hare werking, al naar hem goeddunkt. Hij legt dijken aan om overstroomijig te voorkomen, maalt plassen en ineren]*droog (waar vooral\'r) ora vruchtbare landerijen te verkrijgen. Zelfs heeft men het voornemen opgevat, de Zuiderzee droog te maken en eene nieuwe provincie aan ons land toe te voegen. Men ruimt zandbanken weg, om aan de schepen beteren toegang te verleenen (de

ocr page 16

14

liaven van Harlingen!) en steekt de duinen door, om Amsterdam en Rotterdam een korten weg naar zee te versehafl\'en. Door het aanleggen van een\' vangdijk van Ameland naar den vasten wal zoekt men, evenwel nog met weinig resultaat, de aanslibbing te bevorderen om althans dat deel der quot;Wadden weer in land te veranderen. Waar de kwelders hoog genoeg zijn geworden, legt men er dijken om en verandert ze dus in vruchtbare zeepolders, zooals vooral in Groningen, Friesland, -N.-Holland en Zeeland is gebeurd en nog tegenwoordig geschiedt.

In welke der beide boven aangegeven deelen van ons land de mensch en de natuur het meest hebben samengewerkt of ook elkaar tegengewerkt, om het land te vervormen, is uit het voorgaande duidelijk.

§ 7. Veenkoloniën. De andere, minder vruchtbare helft lokte den mensch niet in zoo groote mate uit om den bodem te verwerken en te bewerken. Daar bleef de grond meer aan zich zeiven overgelaten, ofschoon daar toch vele hoogevenen zijn afgegraven, terwijl de overblijvende zandgrond met veen vermengd en bemest wordt en een goeden bouwgrond geeft. Dat zijn de streken der veenkoloniën, die we vooral vinden in Groningen en Drente, ook in Friesland, Overijsel en Noord-Brabant. Die veenkoloniën zijn meestal welvarende plaatsen, welke langs eene lijnrechte vaart zijn gebouwd, waarop dwarsvaarten uitmonden. Als men met de ontginning van een hoogveen begon, werd eene vaart gegraven, waarlangs de turfgravers hunne hutten bouwden. Naarmate men met het afgraven vorderde, werden dwarsvaarten gedolven. N\'aast de turfgravers vestigden zich handwerkslieden en kooplieden; de overgebleven zandgrond werd in gebruik genomen voor den verbouw van rogge, boekweit en aardappelen; de turfschipper, aan het scheepsleven gewend, werd buitenvaardér; er ontstonden scheepstimmerwerven; later werden er fabrieken opgericht. Zoo is in \'t kort de ontwikkelingsgeschiedenis der veenkoloniën, als Sappemeer, Hoogezand, Veendam, Wildervank, Oudeen Nieuwe-Pekela, Stadskanaal (in Groningen); Nieuw-Buinen, Hoogeveen, Smilde (in Drente); Heerenveen (in Friesland), Dedemsvaart (in Overijsel) en Helenaveen (in X.-Brabant).

De uitbaggering van laagveen riep geen groote, welvarende plaatsen in het loven; want na do uitbaggering bleef geen zand, maar slechts eene onbruikbare waterplas ove\', zooals we er b.v, in Holland en westeljjk Utrecht vinden.

ocr page 17

15

^ t; 8. Woeste gronden. De onvruchtbaarste zandstreken, de kwelders en de onvergravea hoogevenen liggen bijna ongebruikt; \'t zijn de zoogenaamde woeste gronden. Alleen vinden de heideschapen en de bijen hun voedsel op de heide; op de duingronden worden zeer goede aardappelen verbouwd, en op sommige kwelders laat men vee grazen.

Spreken we van ^feerlands vruchtbaren bodem, dan moeten we daarbij niet vergeten, dat dit hoofdzakelijk ziet op het lagere deel, \'t welk eerst goed bruikbaar is geworden, toen kanalen gegraven, dijken gelegd en sluizen gebouwd waren, toen de Nederlander, door te zorgen voor een voldoenden kunstmatigen waterafvoer, een bewoonbaar gebied uit de moerassige, bosehrijke landen had gemaakt.

§ 9. Huoy en Luay, Oorzaken en Gcvohjen. \'t I» zeer natuurlijk, dat de grond, waarop de mensch leeft, invloed op hem uitoefent. We zullen trachten de voornaamste invloeden, oorzaken en gevolgen te vinden.

Boven spraken we van woeste gronden. De tabel geeft de cijfers daarvoor. Bezie met deze cijfers vóór u, eens de kaart van Nederlands bodem en tracht die zoozeer uiteenloopende cijfers te verklaren.

We weten reeds, dat het W. van ons land rijker aan wateren is dan het O. Bovendien is het W. in het bezit van de riviermonden en heeft het de zee in de onmiddellijke nabijheid; \'t behoeft ons dus zeker niet te verwonderen, dat wij de meeste handelssteden en havens in \'t W, vinden. Onmiddellijk aan de westkust van Holland liggen echter, om redenen, vermeld in § 2, geen handelshavens, maar visschersdorpen en badplaatsen. De handelssteden liggen aan de breede riviermonden of aan de inhammen, die de zee in \'t land heeft gertiaakt.

Niet alleen handelssteden, ook vele dorpen en kleine steden, meer en grooter dan op het hoogere gedeelte, liggen op het lagere.

Waar de meeste kanalen om water af te voeren, de meeste sluizen en andere waterwerken worden gevonden, behoeven we wel niet te vragen, evenmin als waar de droogmakerijen zijn, of waar het meest aan scheepsbouw wordt gedaan.

De handel heeft goede en vele wegen, laad- en waterwegen, noodig; waar de handel niet druk is, heeft men daar niet zooveel behoefte aan. \'t Ligt dus voor de hand, waar we de meeste verkeerswegen, zoowel als het druknte verkeer: de meeste bewesintr moeten zoeken.

ocr page 18

16

ocr page 19

voor runderen, paarden en schapen. lioter- en kaasmarkten te Leeuwarden, Sneek, Mep pel, Hoorn, Alkmaar, Edam, Leiden, Gorinchem I Het hoogere deel heeft daarentegen vele kale zand- en grindgronden, waar de landbouw weinig oplevert, velf groote heidevelden, waar de schaapherder als koning zijner kudde rondtrekt. Een vruchtbare bodem, rijke opbrengst, daarenboven veel handel en met al die bezigheden gepaard gaande handworks- en fabrieksnijverheid, — dat alles heeft welvaart ten gevolge, -en waar welvaart heerscht, kan eene dichte bevolking wonen. We zullen nu eens eenige cijfers voor de dichtheid van bevolking gaan bekijken en daarbij de kaart ter hand nemen, terwijl we meteen naast deze getallen die van straks voor de woeste gronden op een stuk papier gaan schrijven. Zie de tabel I

Het lage W. van Nederland staat dus in vele opzichten boven het hoogere gedeelte. Geldt dit in \'t algemeen, we moeten daarbij niet vergeten, dat de veenkoloniën, die we in \'t hoogere deel aantreffen, eene uitzondering maken. Aan haar vooral heelt Drente het te danken, dat zijne bevolking in de laatste jaren sneller is toegenomen dan die van alle overige provinciën.

Staar het hoogere deel van Nederland over \'t geheel beneden het lagere, ten opzichte van natuurschoon is de verhouding echter anders. Het heuvelachtige O. en Z. met zijne bosschen en zijne vele wildgroeiende planten wint het over \'t geheel in schoonheid van het W. en X., dat in de volkomen vlakke, bijna boomlooze zeepolders van Groningen en Friesland wel de sterkste tegenstelling met de heuvellandschappen van Gelderland en Utrecht aanbiedt.

het water.

10. Meren, Rivieren en Kanalen. Het waterrijke Nederland heeft vele meren en had er vroeger nog veel meer, vooral in Holland. Zoek de meren van ons land op de kaart en let er dan meteen op, in welk gedeelte gij ze vindt.

De Nederlander heeft bij de rivieren van zijn land groot belang. Vooreerst toch is een deel van \'t land als klei en zand door de rivieren aangevoerd; zonder de rivieren zou een gedeelte, cn vooral het lagere deel, van Nederland niet bestaan; de rivieren bevorderden de vischvangst en zijn gemakkelijke verkeerswegen; het laatste vooral, omdat ze in ons vlakke land geen water-p. u. bos , Aardrijksk. 7e druk. o

ocr page 20

IS

vallen vormen, maar meesttijds rustig stroomen en iieur water met niet al te groote moeite langs eene andere bedding laten voeren, zoodat het kan worden gebracht, waar men verkiest liet te hebben. Xergens ter wereld misschien heeft de mensch den loop der rivieren zoozeer naar zijn goedvinden veranderd als in ons land. Dat de groote rivieren goede verkeerswegen zijn, zien we op de kaart; want zeer vele plaatsen liggen aan rivieren, dikwijls daar, waar de rivier zich vertakt, of waar zij eene bijrivier ontvangt.

Ook de kleinere rivieren zijn niet van belang ontbloot. Vaak toch hebben ze aan hare boorden een vruchtbaren grond te midden van een\' zandbodem doen bezinken. Soms ook worden zij voor \'t verkeer gebruikt of wordt haar stroomend water als beweegkracht voor molens (papiermolens en koperpletter jjen op de Yeluwe) aangewend.

Do rivieren veroorzaken den Nederlander soms groote moeilijkheden bij het aanleggen van spoorwegen en andere kunstwegen, daar de talrijke bruggen veel geld kosten. Hij moet vele sluizen bouwen en dijken opwerpen. De aangezwollen stroom bedreigt bij \'t kruien van het ijs den oeverbewoner menigmaal met gevaar voor leven en bezitting. Maar vergeten we niet, dat al die moeilijkheden en gevaren de vindingrijkheid van den Nederlander scherpten en hem tot een uitstekend waterbouwkundige hebben gemaakt. De spoorwegbrug over het Hoilandschdiep (1400 M. lang) is eene der grootste van Europa; bij die van Kuilenburg staan de pilaren wel 155 M. van elkaar af. Zulk eene spoorwegbrug moet aanzienlijk langer zijn dan de rivier bij zomerstand breed is; want de ruimte tusschen de (lijken, die de w i n t e r b ed d i n g insluiten, is veel breeder dan de z o m orbed d in g. Deze laatste wordt soms begrensd door zomerkadon. De uiterwaarden, tusschen do zomerbedding en den dijk gelegen, worden meest gebruikt als wei- of hooiland of voor de teelt van teenwilgen.

Hehoefte aan waterafvoer en aan verkeerswegen is de oorzaak, dat Nederland een buitengewonen rijkdom aan kanalen bezit, waarvan sommige vergraven rivieren, andere geheel nieuw gegraven wateren zijn. Zooals we reeds weten, fozit het lage deel van Xederland de meeste wateren. In de hoogere streken heeft de vermeerderde afvoer van turf de uitbreiding van het kanalennet in do hand gewerkt. — Zoek op de kaart de voornaamste kanalen op.

§ 11. If\'ate.riifrni r. Folder*, Droogmakerijen Reeds meer dan eenmaal is

ocr page 21

19

jn de voorgaande bladzijden sprake geweest van waterafvoer; tevens weten we echter, dat bijna het gehcele westen van ons land in of beneden den spiegel der zee ligt. lerwijl nu het water in hot oosten des lands, voorzoover liet niet in den bodem trekt, verdampt of wordt verbruikt, langs beddingen afvloeit, tengevolge van de natuurlijke helling des bodems, kan van eene afstrooming in de weathelft geen sprake zijn. Het grootste gedeelte van deze helft toch zou bij gewonen vloed onder water staan, indien do mensch dat niet verhinderde. Hoe heeft bij dat nu kunnen verhinderen? Dijken te leggen, om het zeewater te weren, zou niet voldoende zijn, daar het bij vloed de rivieren zou opkomen. En bovendien moet het overtollige water uit de laaggelegen voormalige meren, waarvan sommigo meer dan 5 M. beneden de gemiddelde oppervlakte der zee liggen, toch ook naar zee!

Kr is een tijd geweest, dat in do westhelft van Nederland bijkans alleen do streek der duinen en geestgronden bewoond werd. Om nu ook de toch zoo vruchtbare lagere kleistreken van Holland bruikbaar te maken, omgaf men kleine gedeelten door dijken, waardoor hot hinnenstroomen van water van de omgelegen landerijen wel werd belet, maar niet het invallende regenwater kon worden geweerd; dit werd uitgeschept. Zulke omdijkte gedeelten lands werden polders geheeten. Toen rte windwatermolens waren uitgevonden, kon men de polders grooter nemen. Tegenwoordig bedient men zich zoowol van windwatermolens als van stoomgemalen. Onder de polders vindt mon ook, die bijzonder laag liggen, nl. 4 a 5,5 M. beneden den zeespiegel. Dit zijn do zoogenaamde droogmakerijen. In § 7 is gezegd, dat na de uitbaggering van de Hollandsche en Utrechtsche lage venen slechts waterplassen overbleven. Op den bodem van vole daarvan wordt vruchtbare klei gevonden, waarom men het de moeite waard rekende zc droog te malen on met een\' dijk te omgeven. Zoo verkreeg men meerpolders of droogmakerijen, als de Schermer, de Beemster, de Purmer, do Wormor, de Ilaarleramermeerpolder, de Nieuw-koopgche droogmakerij, de I\'rins-Alex an der.sjiolder, e. tn. a. — Tegenwoordig is het geheele lage westen van Xederland een poldergebied.

Maar hoe komt nu liet polderwater in zeel- Afstroomen kan het natuurlijk met. Het moet integendeel worden opgemalen. Ligt de polder onmiddellijk aan zee ot hoofdrivier, dan gaat bij lagen stand van het buitenwater eene uitwa-teringsluis open, die in den djjk ligt. Het polderwater stroomt dan af, en bjj opkomenden vloed wordt do sluis weder gesloten. Maar niet alle polders lig-

ocr page 22
ocr page 23

gen aan de zee of aan eene hoofdrivier. Vele liggen er zelfs ver van verwijderd. In dat geval wordt het polderwater uitgeslagen, zooals men dat noemt, op een water, dat in sommige gevallen gegraven is, in andere reeds eene natuurlijke bedding was. Zulk een water heet boezem. Een boezem is afgesloten door eene sluis, waardoor men het water kan tegenhouden of doen afioopen naar zee, naar eene hoofdrivier of ook soms naar een1 tweeden boezem. Zoo wordt hot polderwater soms van den eenen boezem in den anderen gebracht, tot het eindelijk de zee bereikt, waarop het meestal bij ebstand geloosd wordt. Boezems zijn dus eigenlijk niet anders dan groote waterbakken, waarin en waaruit de mensch het water doet stroomen, of waarin hij het tijdelijk doet blijven. In het Nederlandsche polderland is het water of polderwater of boezem. Slechts de Rijn (d. w. z. Neder-Rijn — Lek — Nieuwe Maas — Maasmond), de Waal, de Maas, de Geldersche IJsel beneden den dam bij Gouda zijn daar stroomende rivieren. De Sc held emon den zijn eigenlijk zeeboezems, v/aarin de eb- en vloedstanden wel ongeveer 4 M verschillen. De Zaan, het Spaarne, de K romme Kijn (waarin men alleen, als liet noodig wordt geoordeeld, door eene duikersluis water binnenlaat uit den Rijn), de Gouwe, de Hollandse he IJsel boven den dam bij Gouda, de Rotte enz. zijn alle ongeveer stilstaande wateren, die alleen dan eenige beweging hebben, als hun naar de eeno of andere richting water wordt afgetapt. \'t Zijn alle boezems. Do Vecht ontvangt door eene sluis te Utrecht al het water van den Krommen en den Vaartschen Rijn en loost dit water en dat, wat zij zelve van de omgelegen polders ontvangt, door de sluis te Muiden. De Oude Rijn bestaat uit vijf bakken, waarvan de twee oostelijkste op de \\ echt loozen, de derde tot Amstellands boezem behoort en dus op de Zuiderzee loost, de vierde op don vijfden, terwijl deze laatste door de Kat-wijksche sluizen op de Noordzee loost. Natuurlijk is al het water in het polderland door dijken ingesloten, die het mogelijk maken, dat de waterspiegel van sommige boezems 1 a 5 M. boven het omgelegen land kan liggen.

Het zal nu goed zijn, de voornaamste rivieren in de oosthelft van Nederland, waar we een natuurlijken waterafvoer hebben, en de belangrjjkste wateren in de westhelft onzes lands, met kunstmatigen waterafvoer, op de kaart nauwkeurig na te gaan.

ocr page 24

HET KLIMAAT.

§ 12. Klimaat. quot;Wat het klimaat, de gesteldheid van den dampkring, aangaat, staat Nederland onder den invloed der zee. Nederland heeft een zeeklimaat, d. w. z. dat de gemiddelde warmtegraad of temperatuur van den zomer en van den winter niet zooveel verschilt als in landen, dieniet onder den invloed der zee staan. Het regent hier gedurende alle jaargetijden, het meest doorgaans in den zomer. Als het regenwater, dat hier valt, bleef staan, dan zou het in den loop van een jaar eene laag van 680 mM. dikte vormen. Ons land ligt in die streek der aarde, waar eene gematigde temperatuur heerscht, in de gematigde luchtstreek. We kunnen bijgevolg verwachten, dat de gemiddelde jaartemperatuur gematigd zal zijn: ze bedraagt dan ook 10\'Celsius. De koudste maand. Januari, heeft nog eene gemiddelde temp. van 1 C., terwijl in de warmste maand, Juli, de gemiddelde thermometerstand isl8 C. Hoewel de gemiddelde uitersten dus niet ver uit elkander liggen, kan de warmtegraad binnen kleine tijdruimten soms aanzienlijk veranderen. Daarom noemen we ons klimaat veranderlijk. Die veranderlijkheid en de vochtigheid hebben natuurlijk een niet bijzonder gunstigen invloed op den gezondheidstoestand; verkoudheid, jicht en koortsen komen nogal voor, vooral in het lagere gedeelte.

\'t Zou kunnen zijn, dat de zee op hot klimaat van ons land zeer weinig invloed uitoefende; dit zou nl. het geval zijn, als de heerschende winden niet uit het westen, maar uit het oosten kwamen. De meeste winden waaien hier echter uit den westhoek. De ZW. winden brengen regen en warmte, die uit het NW. regen en koude. Do winden uit den oosthoek zijn des zomers droog en warrn, terwijl ze des winters droog en koud zijn. \'t Zijn nl. landwinden (droogl), en ze strijken over landen, die des zomers warm, des winters koud zijn.

VOORTHUEMiSKLÉN i:.\\ liEZIGHEDEN.

§ 13. Laudbouic. Landbouw, veeteelt, handel en njjverheid zijn de hoofdbezigheden in ons lund.

De landbouw is op de klei (vooral in Groningen, Zeeland, de Betuwe, \'t Z. van Limburg en in Friesland) meer ontwikkeld dan op het zand. Tarwe

ocr page 25

(vooral in Zeeland), gerst, haver (\'t laatste vooral in Groningen), koolzaad, erwten, boonen, aardappelen, vlas, meekrap (de meekraptenlt, in Zeeland uitgeoefend, is sterk achteruitgegaan) en suikerpeenen zijn de hoofdvoortbreng-«olen op de klei. Op de schralere zandgronden vinden we hoofdzakelijk rogge, boekweit (\'t laatste ook op veen!) aardappelen en een veevoeder, spurrie geheeten.

De landbouw is vaak in tuinbouw overgegaan ia de nabijheid van groote steden en andere dichtbevolkte streken, (waarom?) o. a. in het Westland (in 1t ZW. van Z.-Holland), de Streek (eene rij dorpen tusschen Enkhuizen en Hoorn), de Langedijk (eenigo dorpen bij Alkmaar, waar veel groenten voor Amsterdam worden gekweekt).

Boomgaarden vindt men veel in Limburg, de Betuwe, K.- en Z.-Holland en Zeeland, boomkweekerijen bij Utrecht, Aalsmeer, Boskoop en Oudcnbosch.

Tabaksteelt wordt uitgeoefend bij Nijkerk, Amersfoort, Benen, Wage-ningen en in de Betuwe,

De houtteolt, die het meest in het hoogere deel des lands wordt uitge-•oufend, neemt slechts eene geringe ruimte in beslag. Zooals blijkt uit de aanwezigheid der hoogevenen, die grootendeels uit mos en boomen zijn gevormd, eu uit de vele plaatsnamen op „woudquot; en „woldequot;, waren er vroeger meer bosschen dan tegenwoordig.

§ 14. Veeteelt. Meestal wordt in de landbouwende streken ook aan veeteelt gedaan. In stroken, die door hare ligging ongeschikt zijn voor landbouw , wordt uitsluitende veeteelt of hooibouw uitgeoefend: in \'t ZW. en in\'t midden van Friesland, in het NW. van Üverijsel, op de lage venen van N.- en Z.-Holland, in het ZW. van Utrecht en \'t NW. van N.-Brabant. Daar moet dus boter- en kaashandel wezen, waarvan Leeuwarden, Sneek, Meppel, Kampen, Alkmaar, Hoorn, Purmerend, Edam, Gouda, Delft en Gorinchem de marktplaatsen zijn. In deze lage streken en in de omgeving van groote steden bepaalt ze zich hoofdzakelijk tot rundertoelt. De meeste runderen vindt men in Friesland en Z.-Holland; de grootste uitvoer van vee heeft uit Harlingen en Rotterdam plaats (naar Engeland). Schapen treft men vooral aan in Holland en op de hooge zand- en veenstreken, voorzoover ze met heide zijn bedekt.

ocr page 26

■-\'4

§ 15. Delfstoffen. Uit liet d el fst o ffen r ij k levert IsederlanJ turf, steenkool (bij Kerkrade in Limburg), grind, keien (Drente), klei (die soms tot bemesting- van schrale gronden dient), leem, ijzeroer (in de beekklei van oostelijk Overijsel en Gelderland, Xoord-Brabant, Drente en Groningen), bouwsteen (uit den St.-Pietersberg bij Maastricht, en verder op verscheidsn plaatsen in het Geuldal) en schelpen.

|5 16. Vischvangst. De visehvangt houdt vele handen bezig, zoowel op de binnenwateren (zalm, paling) als op zee (haring, schelvisch, sciol). De haringvisscherij was vroeger van veel meer gewicht dan nu; Vlaardingen, Maassluis en Scheveningen hebben er het grootste aandeel in. De bewoners van Urk, Marken en de Zuiderzeestadjes, visschen meest op de Zuiderzee. Oestervangst in Zeeland en (veel minder dan vroeger) op ïexel; ansjovisvangst bij Bergen-op-Zoom en Monnikendam.

§ 17. Handel. De waterrijkdom van ons land, het bezit van breede riviermonden, de ligging aan zee in \'t midden van West-Europa tusschen andere minder voor scheepvaart geschikte landen, de dichte bevolking in een land, waar voor landbouw nog geen 30°/,, der oppervlakte in gebruik is, de uitgestrekte overzeesche bezitingen, moesten een levendigen handel doen ontstaan. Daarbij kwamen nog de menigte kanalen en \'t verschil in voortbrengselen op het hoogere en het lagere gedeelte, die den binnenlandschen handel in de hand werkten.

§ 18. Buitenlandsche haiuM. Hoewel ons land veel koren voortbrengt, halen onze schippers jaarlijks nog voor ongeveer 35 mill, gulden koren (rogge en tarwe) uit Rusland (de Oostzeehavens: Danzig, Koningsbergen en Riga, Archangel aan de Witte en Odessa aan de Zwarte Zee) en de Donauvorsten-dommen (dalats). Bovendien levert onze Oost voor bijna de helft van die som aan rijst.

Drie artikels, waaraan bij iiet toenemend gebruik van machines, het wassend aantal fabrieken, de uitbreiding van het spoorwegnet, het aangroeien der bevolking, steeds meer behoefte ontstaat, n.l. timmerhout, steenkool en ijzer, vinden we in ons land slechts weinig. Ze moeten dus worden ingevoerd,

ocr page 27

en wel hout uit Skandirmvië (Harlingen, Amsterdam, Zaandam, Rotterdam) en Duitschland (Dordrecht); steenkool uit Engeland en Duitschland, en ijzer uit Engeland, Zweden en Duitschland.

De Twentache katoenfabrieken krijgen de grondstof (ruwe katoen en katoenen garens) meest uit Engeland, dat op zijne beurt do ruwe katoen uit Britsoh-Indië en de Vereenigde Staten van Amerika ontvangt.

Xeemt de invoer van deze en andere artikelen voor binnenlandsch verbruik zeer aanzienlijk toe, ook de uitvoer is van belang. Het grootste aandeel in de artikelen van uitvoer hebben onze\'koloniale waren, vooral koffie, suiker tabak en tin. Deze worden uit Indië naar Xederland gevoerd, hier gedeeltelijk verwerkt (vooral suiker en tabak) en steunen dus onze nijverheid; vervolgens worden ze naar alle landen der wereld verzonden.

Xa de koloniale waren komen als artikelen van uitvoer zeer in aanmerking vee, boter en kaas (naar Engeland).

Ook de doorvoerhandel is aanzienlijk.

Onze voornaamste handelssteden zijn Amsterdam (met het meeste kapitaal), Botterdam (waar de meeste schepen worden in- en uitgeklaard), Harlingen, Dordrecht en Schiedam.

§ 19. Binnenlandsche handel. De binnenlandse he handel is om de boven opgegeven redenen ook zeer levendig. Bijna geen stadje, dat niet zijne drukbezochte weekmarkt heeft; geen kanaal, dat niet jaarlijks door honderden, ja duizenden schepen bevaren wordt; geen weg, bjj welks aanleg men niet op de passage van vele vrachtwagens heeft moeten rekenen. Menig stad of stadje vertoont op den „marktdagquot; eene buitengewone levendigheid door de aanwezigheid van honderden „buitenluiquot;, die hunne waren ter markt brengen en inkoopen doen. Groningen (het middelpunt van \'t Xoorden), Leeuwarden, Amsterdam, Botterdam, Utrecht (het middelpunt des lands), Zwolle (waar de handel van Noord en Zuid elkaar ontmoeten), Tiel (het centrum van de Betuwe), Middelburg (de markt voor Walcheren), Goes (het middelpunt voor den Zuidbevelandschen handel), Zuften (de uit- en invoer-plaats voor de Graafschap), \'s-Hertogenbosch, Meppel, Hoorn, Alkmaar en Sneek (de drie laatste met groote kaas- en botermarkten), — en nog veel meer plaatsen vinden voor een goed deel haar bestaan in een drukken binnen-landschen handel.

ocr page 28

26

Jj 20. De Nijverheid. Van minder beteekenis dan de handel, maar toch sterk vooruitgaande, is de nijverheid.

De scheepsbouw met bijbehoorende houtzaagmolens, touwslagerijen, zeil-doekweverjjen, ankersmederijen, raast- en blokmakerijen vinden we natuurlijk bijna uitsluitend in de lagere helft des land, langs Merwede, Noord en ^Nieuwe Maas, in Amsterdam, de Zaanstreek, Helder, Harlingen.

Ijzergieterijen vindt men te Deventer en langs den Ouden Usel. Aan metaal-industrie wordt verder vooral gedaan te \'s-Oravenhage, Arasterdam, Kotterdam, Utrecht, Zwolle, Hengelo en Haarlem. Delft heeft\'s Rijkswerkplaatsen voor oorlogsbehoeften.

De fabricatie van sterke dranken heeft op groote schaal plaats te Schiedam, Delftshaven, Kotterdam en Amsterdam; bier wordt vooral in N.-Brabant, Liraburg en Amsterdam gebrouwen. Zoutziederijen en kalkbranderijen komen meest voor in plaatsen dicht bij zee; de laatste ook in \'t Z. van Drente, langs de Dedemsvaart en bij Zwartsluis, waar turf in de nabijheid is; olieslagerijen vooral in Groningen en Friesland (koolzaad!) en in de Zaanstreek.

Stoelen- en hoepelmakerij en mattenvlechterij worden het meest uitgeoefend in lage streken, waar biezen en wilgen groeien: Kuilenburg, Vianen, IJsel-stein. Vreeland, Jutfaas, Werkendam. Soms echter, zooals in Oenemuiden, werden de benoodigde biezen van den Biesboscb aangevoerd; tegenwoordig worden de slijkerige streken aan weerszijden van het Zwolsche Diep met biezen beplant.

Kuiperijen vindt men in grooten getale, waar vele vaten noodig zijn ter verzending van boter, haring of dranken.

Steen- en pannenbakkerijen zijn onafscheideljjk van leem en kleistreken: langs Rijn, quot;Waal, Usel, Lek, in Twente, de Graafschap Zutfen, Groningen en Friesland.

Goud- en zilversmederijen zijn \'t meest, waar de welvaart het grootst is, dus in het \\V. en N., vooral in Schoonhoven. Voorschoten heeft eene stoom-goud- en zilverfabriek In de laaggelegen provinciën is het oorijzer volksdracht of is het tot op de jongste tijden geweest.

In de dorpen aan de Langstraat (N.-Brabant) wordt veel gedaan aan leerlooierij en laarzenmaken. Misschien is het stroomende water der beekjes de aanleiding geweest tot de papierfabricatie op de Veluwe. Verder wordt vee! papier vervaardigd in de Zaanstreek en in Maastricht. In de streek der

ocr page 29

Drentsche en Groningsche veenkoloniën (STieuw-Buinen, Stadskanaal), waar men turf in de nabijheid heeft, zijn glasblazerijen ontstaan. Bekend zijn de groote glas- en kristalfabriek te Maastricht en de glasfabrieken te Leerdam en Dordrecht. In Maastricht, Bergen-op-Zoom, Gouda en Delft zijn aardewerkfabrieken, in Gouda bovendien pijpenbakkerijen. De diamantslijperijen te Amsterdam geven aan 3000 mensehen werk. Tapijten en karpetten worden vooral gemaakt te Deventer, Delft en Hilversum. Gouda, Amsterdam en Schiedam leveren stearinekaarsen.

ïsergens heeft Nederland meer het voorkomen van een fabrieksland dan in Twente en in sommige streken van jST.-Brabant. Schier alle plaatsen van Twente (Enschedé vooraan) hebben katoenfabrieken. (Uitvoer van katoenen stoffen naar Oost-Indië!) Rijsen verwerkt jute tot zakken enz. Wollen stoffen worden vervaardigd te Tilburg en omstreken, verder ook in Leiden en Vaals. Ook vindt men in Eindhoven en omliggende dorpen, te Boxtel en bij Tilburg linnen weverijen.

§ 21. De middelen van verkeer nemen steeds toe. We tellen in ons land gelukkig vele kanalen, kunstwegen en spoorwegen. In § 9 hebt gij reeds gevonden, in welk gedeelte van ons land we de meeste gemeenschapswegen moeten zoeken. Ook weet ge reeds, dat de wegen niet alleen den handel, maar ook de ontwikkeling bevorderen. Het zal niet mosilijk vallen, de spoorwegen op de kaart te vinden en meteen er op te letten, waar de voornaamste kruispunten van de spoorwegen zijn, op welke plaatsen zij over de grenzen gaan en waar zij in het buitenland bij andere spoorwegen aansluiten.

DE BEVOLKING.

§ 22. De bevolking in ons land is betrekkelijk dichter dan in de meeste landen van Europa; zie de tabel! Hoeveel er in de verschillenden provinciën op elke KM:, wonen, weten we reeds (§ 9). De hoofdoorzaken voor liet uit-eenloopen die cijfers zijn wel te vinden.

§ 23. Het Nederlandsche volk heeft zyn eigen land grootendeels moeten scheppen. Een moerassig, met wouden bedekt, voortdurend door zout- en zoetwater bedreigd hoekje der aarde is door hem bewoonbaar gemaakt. Doch

ocr page 30

28

niet alleen dat, het is ook veranderd in een welvarend land, hetwelk in andere werelddeelen (Azië en Amerika) zijne macht heeft uitgebreid over eene oppervlakte, die wel 50 maal de oppervlakte van zijn\' bodem beslaat. De strijd, dien de Jsederlander tegen de elementen en ook tegen men-schenmacht had te voeren, heeft hem werkzaamheid, ernst, godsdienstzin, moed, volharding, liefde voor vrijheid, geduld, kalmte en zin voor \'t prac-tische geschonken. Maar de kalmte ontaardt wel eens in lauwheid en langzaamheid. De in \'t buitenland algemeen bekende zindelijkheid heeft de Nederlander zonder twijfel te danken aan den overvloed van slijk en water, die tot voortdurend schrobben, schuren en wasschen drongen. Misschien heeft de vochtige koude meegewerkt om den zin voor sterkedranken zoodanig te ontwikkelen, dat dronkenschap ongelukkig genoeg wel eene volksondeugd mag worden genoemd.

De Nederlanders belijden den Christelijken godsdienst, met uitzondering van slechts 20/0 Israëlieten. Telt in quot;t N. van ons land de Hervormde kerk de meeste aanhangers (3;5 van \'t geheel), in \'t Z. is de meerderheid Katlioliek.

HET BESIÜUK.

§ 24. J)e Staat. Aan het hoofd der regeering staat een Koning, die met verantwoordelijke Ministers de uitvoerende macht heeft. De Koning draagt aan de Volksvertegenwoordiging, de Staten Generaal, wetsontwerpen voor. Over de voorstellen, die hij aan de Volksvertegenwoordiging wil doen, moet de Raad van State worden gehoord, een raadgevend lichaam, waarvan de leden door den Koning worden benoemd. De wetgevende macht berust bij den Koning en de Staten (ieneraal, die uit Ie en 2e Kamer bestaan. De leden der 2e Kamer worden, ten getale van honderd, door de kiezers gekozen, d. z. meerderjarige Nederlanders, die eene zekere som in de directe belastingen betalen. De leden der Ie Kamer worden, ten getale van vijftig, door de Provinciale Staten gekozen. De wetsvoorstellen des Konings komen eerst in de 2e Kamer, die het recht heeft ze aan te nemen of ze te verwerpen en ook het recht om er wijzingen in aan te brengen. Is een wetsvoorstel in de 2e Kamer aangenomen met ot zonder wijzigingen, dan zendt ze het naar de le kamer, die het kan aannemen ofquot; verwerpen, doch niet het recht heeft er wijzigingen in te maken. Heeft de 2e Kamer een wetsvoorstel (les Konings verworpen, dan wordt

ocr page 31

29

het teruggezonden. De 2e Kamer heeft echter niet alleen het recht van wijziging boven de le Kamer vooruit, ze mag ook zelve wetsvoorstellen doen. Om tot lid der 2e Kamer te kunnen worden gekozen, moet men Nederlander zijn en den leeftijd van 30 jaar hebben bereikt. De leden der le Kamer moeten bovendien tot de hoogstaangeslagenen in de directe belastingen behooren.

§ 25. De Provincie. De vertegenwoordiging der provincie heet Provinciale Staten, waarvan de leden door de kiezers voor de 2e Kamer worden gekozen. Voorzitter der Provinciale Staten en vertegenwoordiger des Konings in de provincie is de Commissaris des Konings, die door den Koning wordt benoemd. De Gedeputeerde Staten, uit en door de Provinciale staten gekozen, hebben het dagelijkseh bestuur en de uitvoering van zaken met den Commissaris des Konings in handen.

§ 26. De Gemeente. De vertegenwoordiging van eene gemeente heet Gemeenteraad, waarvan de voorzitter. Burgemeester, door den Koning wordt benoemd. Burgemeester en Wethouders, de laatste uit en door den Eaad gekozen, vormen het Dagelijkseh Bestuur.

§ 27. De Rechterlijke Macht zorgt voor het stratl\'en van de overtreding der wetten. Het opperste gerechtshof is de Hooge Kaad. Verder heeft men vijf gerechtshoven, nl. te Leeuwarden, Arnhem, Amsterdam, \'s-Gravenhage en \'s-Hertogenbosch, dan Arrondisseraents Rechtbanken en eindelijk Kantongerechten.

TERDEELISG EX PLAATSBESCHJUJ VISG.

§ 28. Verdeeliny. Nederland wordt verdeeld in 11 provinciën. Iedere provincie bestaat weer uit gemeenten. Rangschik de provinciën naar de grootte; naar \'t getal inwoners; naar de dichtheid van bevolking; naar de woeste gronden; naar de oppervlakte, die voor landbouw wordt gebruikt; naar de oppervlakte, die de veeteelt en de hooibouw in beslag nemen.

§ 29. A oord-Uolla?id. Holland (— lloitland) was en is nog in vele opzichten het belangrijkste deel van Nederland. Dit gewest is vooral door

ocr page 32

3U

den zeehandel rijk geworden. Xoord-Holland wordt aan twee kanten door de zee bespeeld. De Noordzeekust is gesloten en met eene duinenreeks van afwisselende breedte bezet. Bij Haarlem en bij Schoorl is de duinstreek wel een uur breed. ïussclien Petten en Kamp ligt de Hondsbossche dijk ter lengte van ongeveer 1 uur gaans. De duinen zetten zich voort op de eveneens tot iS.-H. behoorende Waddeneilanden Texel, Vlieland en Terschelling. De Zuiderzeekust is laag en meer ingesneden; daarvoor liggen de eilanden Wie-ringen en Marken. Op het laatstgenoemde eilandje, dat zeer laag is, staan de woningen op hoogten. Verderaf ligt het hooge eilandje Urk. De Noordzeekusten kennen slechts visschers- en badplaatsen (Zandvoort, Wijk-aan-Zee, Egmond); IJmuiden is ontstaan aan den mond van het ten behoeve van Amsterdam gegraven Noordzeekanaal. Op de oostkust liggen verscheiden havens (Medemblik, Enkhuizen, Hoorn, Edam, Monnikendam), die echter alleen voor schepen met geringen diepgang toegankelijk zijn. Vele kustplaatsen doen aan visebvangst.

X.-H. buiten de duinstreek en het Gooiland is polderland en heeft dus kunstmatigen waterafvoer. Van de vele meren zijn nog slechts enkele over. Bijna alle zijn drooggemaakt (Schermer, Beemster, Purmer, Wormer, Haarlemmermeer) en dus in laaggelegen droogmakerijen veranderd. Ook de IJpol-ders, de Anna-Paulownapolder en meer andere deelen, vooral in het !N\'., ingedijkte aanslibbingen van de zee, liggen laag.

Op het zand der duinen en geestgronden volgt naar het O. zeeklei, vooral

c .

in West-Friesland, de IJpolders en de droogmakerijen. Voor \'t overige, in Waterland, de Zaanstreek en Amstelland is de zeeklei grootendeels met-laagveen bedekt.

Het grootste deel van N.-Holland (ö60/0, nl. de lage veenstreken en de droogmakerijen ten van \'t Noordzeekanaal grootendeels) is grasland. Hot noorden, de IJpolders en de Haarlemmermeer is bouwland. Tuinbouw vindt men in de Streek, den Langendijk, den omtrek van Amsterdam en op de geestgronden; op de laatste ten Z. van Uitgeest bloembollenteelt. De oostrand van de duinstreek en het Gooiland zijn Noord-Hollands schoonste streken.

De handel verschaft N.-H. de grootste welvaart. De hoofdzetel daarvoor is Amsterdam. De nijverheid is het drukst in Amsterdam, de Zaanstreek, het Gooi en Haarlem.

nn an

ee Di sc m

til Z8

N di h.

ocr page 33
ocr page 34

32

Amsterdam 380 000 i.), de hoofdstad des lands, ligt op een moerassigen veenbodem. Zij wordt door vele kanalen doorsneden, die haar het voorkomen van eene eilandenstad geven. Het Xoordhollandsch kanaal, de Oranjesluizen (naar de Zuiderzee), de Keulsche Vaart en het Noordzeekanaal, dat bij IJmuiden zich tot eene buitenhaven verbreedt, benevens 4 spoorwegen (welke?) brengen do voornaamste verbindingen met de buitenwereld tot stand. Deze verkeerswegen, groote kapitalen, goede dokken, entrepots, vele pakhuizen, de Nederlandsche bank, — al deze zaken doen den handel voortdurend bloeien. Geldhandel, handel in koffie, suiker, thee, tabak, graan. Ook de nijverheid vindt er vele beoefenaars: o. a. werktuigenfabr., suikerraffinaderijen, scheeps-tiimnerwerven, meubelfabrieken, diamantslijperijen, likeurstokerijen. Voor onderwijs wordt goed gezorgd: o. a. eene hoogeschool (atheneum illustre), eene handelsschool, eene kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen, een blindeninstituut. Het Rijksmuseum bevat eene hoogst belangrijke verzameling schilderijen onzer groote meesters. De dierentuin iS\'atura Artis Magistra (~ de natuur is de leermeesteres der kunsten) is eene der beroemdste van Europa. Op den Dam staat het Paleis, vroeger stadhuis, op het ïVederiks-plein het Paleis voor Volksvlijt, in het Vondelspark een standbeeli? voor Xeerlands grooten dichter. De pleinen en kerken van A. bevatten in vele gedenkteekenen menige herinnering aan Xeerlands roemrijk verleden

In of bij het (iooiland: Muiden met eene buskruitfabriek (Muiderslo;), Weesp met chocoladefabriek. Xaarden (vesting), Hilversum (11 000 i.t fabr. voor tapijten).

Bij den Haarlemmermeerpolder: Aalsmeer (teelt en uitvoer van aardbeziën).

In Kennemerland: Haarlem (48 000 i.), de lioofdst. v. N.-Holl. aan het Spaarne. De stad dankte vroeger het grootste deel harer welvaart aan de nijverheid, die echter niet is vooruitgegaan. Eene lettergieterij, eene fabriek voor spoorwagens en de linnenbleekerijen zijn nog tegenwoordig van belang. De handel in landbouwproducten is toegenomen na het droogmaken van de Haarlemmermeer. De omstreken der stad zijn mooi en doen veel aan bloembollenteelt. I\'eylers musetn en het Koloniaal Museum. Zandvoort (zeebad en viascherij). li lo e m en da a 1 (krankzinnigengesticht Meerenberg). Beverwijk (vervoer van groenten naar Amsterdam). Uitgeest (bloementeelt).

In do Zaanstreek: Zaandam (14 000 i.; molens en fabrieken voor olie,

ocr page 35

hout, papier). Koog, Zaandijk, Worm er veer. Krommenie, West-zaan (molens, chocolade- en stijfselfabr.).

In de streek der droogmakerijen: Broek (in Waterland, zindelijkheid!) Purmerend (handel in kaas, vee en hout), Rijp (vrij levendige binnenl. handel), Monnikendam met verzande haven, die evenwel voor visschers-schepen toegankelijk is; ansjovis- en haringvangst, Edam (kaas en houthandel).

In West-Friesland: Alkmaar (15 000 i.; grootste kaasmarkt vanNederl., veel vee en graan), Schagen (veemarkten). Helder (21 000 i., vóór de opening van \'t Noordzeekanaal de drukke voorhaven van Amsterdam: verdedigingswerken). Op het oostelijke schiereiland : Mederablik (achteruitgegaan, vroegere zetel der Friesche koningen), Enk huizen (achteruitgegaan, visch-vangst). Hoorn (11 000 i.; belangrijke vee-, kaas en groentemarkten; gouden zilversmederijen). Tusschen Hoorn en Enkhuizen eene rij dorpen, de Streek geheeten, waar veel aan tuinbouw wordt gedaan.

§ 30. Zuid-Holland. Zuid-Holland geniet het groote voordeel van den eigenlijken Rijnmond (Mond van de Maas geheeten, en nu ook de Rotterdam-sche Waterweg) benevens breede zeearmen (Haringvliet, Goereesche Gat, Volkerak, enz.), die het voorkomen van riviermonden hebben, doch zoutwater bevatten, te bezitten. Daarbij is het zeer gelegen voor den handel op Londen. De westkust is de voortzetting van Noord-Hollands westkust en evenals deze met duinen bezet, waarvoor zich een breed strand uitstrekt. Vandaar ook hier vissohers- en badplaatsen (Scheveningen, Katwijk, X oord wijk). Ook vele plaatsen op de eilanden doen aan visclivangst ter zee (Vlaardingen, Maassluis, Pernis). De duinen zetten zich voort op den Hoek van Holland, Voorne en Goedereede. Xamen en ligging der overige eilanden ?

Geheel Z.-H. buiten de duinstreek is polderland. De droogmakerijen (Nieuw-koopsche droogmakerij, Zuidplaspolder, l\'rins-Alexanderspolder) liggen meest zeer laag; de laatstgenoemde zelfs 6 M—AP.

De belangrijkste waterwegen zijn: 1. die van Gorkum naar zee langs Dordt, Rotterdam, Maassluis; 2. die van Rotterdam naar Antwerpen langs de Noord, de Dordtsche Kil, \'t Hollandsch Diep en het Arolkerak; 3. de Lek; 4. de waterweg van Rotterdam naar Amsterdam langs den Hollandschen Usel, de Gouwe, de Aar, de Drecht en den Amstel; de trekvaart van Rotterdam

i\'. n. üos, Aardrijksk. Tc druk. 3

ocr page 36

34

over Delft nnar Leiden en Haarlem. Al deze waterwegen loopen samen in Rotterdam. ■Sten ga verder den loop der Zuidhollandsclie wateren op de kaart na en vergelijke daarbij § 11. Op de rivieren wordt veel elft en zalm gevangen.

Op de duinen en geestgronden volgt naar liet O. grootendeels laagveen, behalve de droogmakerijen, die uit zeeklei bestaan, en langs deMerwede, de Lek, den IJsel en den Ouden Rijn, waar we rivierklei aantreffen. De eilanden hebben zware zeeklei.

Kuim de helft van Z.-H. is grasland, en wel \'t meest op het vastland. De eilanden en een aanzienlijk deel van de waarden worden als bouwland gebruikt. Tuinbouw vinden we op de geestgronden, in het Westland, om de groote steden, bij Boskoop en langs de Lek. De tuinbouwproducten van het quot;Westland en het ooft van de streken langs do Lek worden ook naar het buitenland gezonden.

Zeer belangrijk zijn handel en scheepvaart. Rotterdam, met eene handelsbeweging, grooter dan Amsterdam, en stoombootverbindingen met alle groote havens van Europa en de belangrijkste handelsgebieden der wereld, en Dordrecht, waar hét hout van de Duitsche Rijnstreken wordt aangevoerd, trekken het aanzienlijkste deel van den handel tot zich.

Hveneens van groot belang is de nijverheid in Rotterdam, \'s-Gravenhage,, Schiedam, Delft, Leiden, Dordrecht, Gouda, Voorschoten, Schoonhoven en langs de groote rivieren (scheepsbouw), langs IJsel, Lek en Ouden Rijn (steenbakkerijen).

Sporen we naar Haarlem naar \'tZW., dan vinden we op de geestgronden of op den oostelijken rand daarvan: Hillegom (warmoezerij en bloementeelt), Xoordwijk (teelt van geneeskrachtige kruiden). Leiden (45 000 i.; beroemde Rijksuniversiteit; lakenfabr., die vroeger aanzienlijker waren dan nu; marktplaats voor eene menigte omliggende dorpen; vandaar vrjj drukke markten voor de voortbrengselen van landbouw, veeteelt en tuinbouw). Het kanaal van Leiden naar Katwijk loost door eene groote uitwateringsluis bij Katwijk een deel van het water van Rijnlandsboezem. Zoo noodig doet een stoomgemaal hierbij dienst.

Aan den Ouden Rijn liggen Alfen en Woerden (het laatste stadje met vele steen- en pannenbakkernen).

Van Leiden naar \'t Z\\V. voortsporende, komen we langs Voorschoten (Van Kempen\'s stoomfabriek voor gouden en zilveren werken); \'s-Graven-

ocr page 37

35

hage (140Ü00 i., hoofd- sn residentie-stad, zetel van liet rijksbestuur, eene mooie stad met sclioone omstreken: het Haagsche Bosch met het Huis ten Bosch; de handel is niet geëvenredigd aan de grootte der stad; de nijverheid is er beter ontwikkeld; er zijn groote metaalfabrieken, meubel-, rijtuigfabrie-ken en werkplaatsen voor goud- en zilverwaren). Ten W. lie*; visschersdorp Scheveningen (druk bezocht zeebad).

De spoorweg brengt ons langs Delft (27 000 i.; Polytechnische School, Instelling voor onderwijs in do Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indië, \'s Rijks magazijnen cn werkplaatsen voor krijgsbehoeften, boter- en kaasmarkten , aardewerkfabrieken ; begraafplaats van de leden van \'t Koninklijke huis; standbeeld voor Hugo de Groot); Schiedam (25 000 i.; 314 branderijen , invoer van koren en steenkool, uitvoer van jenever en gist); Rotterdam, met Delftshaven eene gemeente van 190000 i. Gunstige ligging aan de breede Maas: verbinding met do zee langs \'t Voornsche Kanaal, maar nu korter langs den Nieuwen of Rotterdamschen Waterweg, gemeenschap met binnen- en buitenland bovendien door 3 spoorwegen en door waterwegen. Nieuwe havenwerken op Pijenoord; acht binnenhavens. Ruim : .. der handelsbeweging van Nederl., wat den inhoud der schepen betreft, komt voor rekening van R. De stad is bijzonder gunstig gelegen voor den doorvoer van Duitschland en België (de Maas is overbrugd voor den spoorweg!) naar Engeland. De nijverheid is ook van veel belang: vooral metaalfabrieken, branderijen, suikerraffinaderijen, tabaksfabrieken; Kralingen (13000 i.) ten O. van R., met buitens. Tegenover R. ligt Fijenoord (fabriek van stoommachines en ijzeren stoombooten).

Ten W. van R. liggen aan de Maas; Delftshaven (nu ééne gemeente met Rotterdam; de naam herinnert aan den vroegeron bloei van Delft als handelsstad); Vlaardingen (II 000 i.; baringvisschenj) en Mnasslui s (ha-ringvisscherij; het stadje proliteert bij den Nieuwen Waterweg, terwijl Helle-voetsluis er bij verliest; — vergelijk Helder).

Aan den IJsel : Gouda (19 000 i.; drukke kaashandel: Stolksche kaas; pij pen fabriek en; stearinekaarsenfabriek); ten N. Boskoop (boomkweekerij); Oudewater (kaas- en hennephandel).

Aan de Lek: Vianen en Schoonhoven (de laatste plaats met zalmvis-scherij en werkplaatsen voor goud en zilver).

Aan de Linge: Leerdam met paardenmarkten en glasblazerijen.

3*

ocr page 38

36

Ann do Merwede: Gorinchem of (iorkum (I I Ü00 i.; handel in graan, vee en hennep); verder westelijk Gtiesendam, Sliedreoht, en b.j de Xoord Alblaaserdara (Kinderdijk), alle woonplaatsen van aannemers en van polderlieden; verder vele scheepstimmerwerven).

Op de eilanden: Dordrecht (29 000 i.), rijke handelsstad, vroeger van meer belang dan tegenwoordig; nog aanzienlijke aanvoer van hout uit Duitsch-land; bovendien is de binnenl. handel van veel belang; Ridderkerk (vlas-senjen en scheepstimmerwerven); O u d-U ei er 1 an d (aanzienlijk dorp); Hel-levoetsluis (oorlogshaven); li r iel le (achteruitgegaan: verzanding van den Maasmond); Middelharnis en Sommelsdijk (visohvangst).

§ 31. Zeeland. Zeeland bestaat uit eilanden, die door de zee en de Schelde gevormd zjjn, en Zeeuwsch Vlaanderen, dat uit aaneengeslibde eilanden is ontstaan. Jfensch en natuur werken samen om ook eenige der tegenwoordige Zeeuwscbe eilanden met elkander te verbinden. Het water tusschen Schouwen en Duiveland is bijna verdwenen; een dam in hot Slaak verbindt St-Pilipsland met N.-I!ralianr,; een dam, waarbij steeds meer aanslibt, vereenigt Walcheren met Z.-Beveland en dit met X.-Brabant. De Ooster-Schelde is sedert de laatst vermelde afdamming geheel zeearm geworden en bevat zeewater; de Wester-Schelde kan nog in zekeren zin als Scheldemond worden beschouwd, maar bevat toch brak en bij Vlissingen zelfs zout \\vater. liet kanaal van Hans-weert— Wemeldinge, een deel van den handelsweg tusschen Rotterdam en Antwerpen, wordt druk bevaren, liet kanaal van Terneuzen naar Grent brengt de laatste stad in gemeenschap met de zee. Het kanaal door Walcheren dient grootendeels voor \'t verkeer tusschen de aangelegen plaatsen. (Kamen der eilanden en der wateren ?)

Op de Noordzeekusten komen duinen voor, met uitzondering van op de westkust van Walcheren (Westkappelsche dijk). Yoor ?t overige zijn overal dijken. Zeeland bestaat uit zeeklei. De bodem ligt overal ongeveer zoo hoog als de gemiddelde zeespiegel. Buiten de duinen is geheel Zeeland een poldergebied, waarvan het water meestal bij eb (do getijden zijn overal in de Wester- en Ooster-Schelde zeer duidelijk merkbaar) door sluizen afstroomt, zonder dat het, zooals in Holland, vooraf behoeft te worden opgemalen. Op menige plaats zijn oude wateren (o. a. Zwin, Braakman, Hellegat) geheel of gedeeltelijk dichtgeslibd, op menige plek ook heeft eene overstrooming groote

ocr page 39

uitgestrektheden lands weer doen verdwijnen (Reimernwaal, Verdronken land van Zuid-Beveland en dat van Saaftingen).

In geheel Zeeland is landbouw, hier en daar afwisselende met veeteelt, de hoofdbezigheid. ïarwe, gerst, erwten, boonen en vlas (ook aardappelen, suikerpenen en meekrap) zijn de hoofdvoortbrengselen. De visohvangst bepaalt zich tot de Zeeuwsehe wateren, lerseke is het middelpunt van drukke oesterteelt en oesterhandel.

De buitenlandsche handel was voorheen veel belangrijker dan nu. Vlissingen heeft uitmuntende havenwerken gekregen, doch het vermag tegen den handel van Antwerpen niets. Dichtslibbing van vaarwaters en verplaatsing van den handel naar Antwerpen, Rotterdam en Amsterdam zijn daar de oorzaken van. Gevolg: vele „doodequot; steden, terwijl de landbouw vele welvarende dorpen heeft doen ontstaan. De binnenlandsche handel op de week- en jaarmarkten is van belang.

De Zeeuwsehe nijverheid beteekent niet veel._ De meestoven en garancine-fabrieken kwijnen meest, waar ze nog bestaan; chocolade wordt weinig meer gefabriceerd; Vlissingen heeft scheepsbouw.

Op Schouwen: Brouwershaven (oorspronkelijk de haven, waar de Hol-landsche brouwers bun bier voor Zeeland aanvoerden; standbeeld voor Jacob Cats) en Zier ik see (de handel is achteruitgegaan, zoo ook de garancinefabricatie).

Op Duiveland: Bruinisse (voornaamste plaats voor do mosselvangst en andere visseherij, vertier).

Op ïolen: Tolen (handel op X.-Urab.; ansjovis).

Op Z.-Beveland: Ooes, de welvarende marktplaats voor de landbouwvoort-brengselen van bloeiende dorpen als Kloetinge, \'s-H eer-A r en d sk er ke, H ei n k e n s z a n d. Kunstmatige oesterteelt bij lerseke.

Op Walcheren: Middelburg (KJOÜO i.; vroeger eene belangrijke koopstad, — het fraaie raadhuis herinnert aan dat bloeitijdperk; - na een\' tijd van kwijning eenigszins herlevend: spoorweg naar Vlissingen en kanaal Vlissingen—Vere; bloeiende binnenl. handel in landbouwvoortbrengselen); West-kappel (sterke zeedijk, welks onderhoud jaarlijks /\'75 000 kost); Domburg (zeebad); Vlissingen (12000 i.; groote nieuwe havenwerken, spoorwegverbinding, toenemende handel, die echter behoefte beeft aan meer kapitaal om tot bloei te komen en met dien van Antwerpen te kunnen mededingen). Vere en Arnemuiden (beide sterk achteruitgegaan).

ocr page 40

38

^ In Zeeuwsch-quot;N laanderen : Sluis (vuur de verzanding* van het Zwin de haven van hrugge); Aardenburg, Oost burg en IJzendijke (welvarende landstadjes); Breskens (haven, veer); Biervliet (Willem Beukelsz.), Ter-neuzen, door een kanaal verbonden met Sas van Gent (Sas z= water-1 oozing; vroeger was S. v. ij. de haven van Gent, nu ligt het een eind van den Braakman verwijderd); Hulst (korenhandel).

§ 32. iïoord-lirahnnt. -Nederlands grootste provincie bestaat voor ^ uit zand- en grindgronden, die slechts zelden heuvels vormen. Het hoogst is het Kempenland, tegen de Belgische grens. De riviertjes, die door de zandgronden stroomen, hebben eene strook beekklei langs hunne oevers doen bezinken. Op de grenzen van Limburg strekt zich de Peel uit, een hoogveen, dat echter voor een groot deel reeds is afgegraven. Het NW. der provincie is kleigrond.

De Maas, die in \'t NU. en N. de grens vormt, is eene rivier, welke bij een tamelijk groot verval zeer ongelijkmatige waterhoeveelheid heeft; daarbij bemoeilijkt de bochtige loop eene snelle afstrooming. Daardoor hebben de aangrenzende gemeenten nogal eens te ijjden van doorbraken en overstroomingen. Bij St. Andries maakt eene schutsluis de gemeenschap voor de scheepvaart op Waal en Maas mogelijk. Bij Loevestein vereenigt de Maas zich met de Waai, om als Merwede westwaarts te stroomen. Deze rivier is zeer waterrijk, en om nu de afstrooming te bevorderen, heeft men de killen van den Bieschbosch door dammen afgesloten en tevens langs de oostzijde van Dord-rechtseiland een zwaren dijk gelegd. Zoodoende loopt nu een deel van het Merwede-water langs deze nieuwe bedding (Nieuwe Merwede) naar het llol-landsch Diep.

Om het gevaar van doorbraak te verminderen, heeft men den djjk tusschen Mook en Grave bij het dorp Beers lager gemaakt (Beersche overlaat), zoodat bij hoogen stand het water N.-Brabant ten Z. van de Maasdijken en ten N. van de hoogure zandgronden kan binnenstroomen. Westwaarts gaande stroomt dit ondiepe, maar breede water (Beersche Maas) naar de Dieze, om daarlangs bij Crevecoeur in de Maas te geraken. Wanneer dit echter door te hoogen stand van hef Maaswater niet kan geschieden, loopt de Beersche Maas ten Z. van \'s-Hertogenbosch om en tracht bij Bokhoven (waar eene overlaat is) op de Maas te komen. Kan ook dit niet, dan gaat het over den

ocr page 41

39

Baard wij kschen overlaat de Langstraat binnen en vloeit tusschen dijken door, als \'t ware eene verbreede bedding van bet Oude Maasje, naar den A.mer en in \'t Hollandsch Diep. Men wil nu evenwel de Maas bij Hedikhuizen afsluiten en een nieuwen Maasmond langs bet Oude Maasje graven. Daardoor houdt de vereeniging van Maas en Waal bij Loevestein op en wordt de Maasmond naar den Araer verlegd. De Maas zou zoodoende snellere afstrooming krijgen, bet gevaar voor doorbraak zou worden verminderd, en de overlaten zouden missobien kunnen worden gedicht.

Voor de kleine rivieren en de kanalen (het belangrijkst is de Zuid-Willemsvaart) zie men de kaart.

Ruim Vs van den bodem ligt woest. Meer dan \'/4 is voor landbouw in gebruik. Rogge, boekweit, haver zijn de hoofdproducten. Verbouw van hop. De Langstraat doet aan hooibouw. Bergen-op-Zoom doet aan visohvangst (ansjovis). Vele markten worden druk bezocht. Bij den doorvoerhandel van en naar België heeft is oord-Brabant zelf niet veel belang.

De fabrieksnijverheid is aanzienlijk, vooral die in wol (Tilburg, Geldrop, Oemert), linnen (Vechel, Eindhoven, Geldrop, Boxtel), verwerking van suikerpenen (Bergen-op-Zoom, Rozendaal, Oudenbosch en verder in \'t W.), lederfabricatie en -verwerking (dorpen aan de Langstraat), tabaks-en sigarenfabrieken (Eindhoven), bier.

Aan den spoorweg: Bergen-op-Zoom (11 500 i.; handel in hout, schors en ansjovis); Rozendaal (10 000 i.; kruispunt van de spoorwegen van Holland naar België en van Zeeland naar Duitschland; landbouw, handel en nijverheid); Breda (20 000 i.; handel niet België, bierbrouwerijen, Militaire Akademie, schoone omstreken: P r i n se nh age); Tilburg (32 000 i.; 180 wolfabrieken, verder vele leerlooierijen en fabr. voor werktuigen), Boxtel (kruispunt voor spoorwegen, damastfabrieken), Schijndel, S t.-O ed en r ode en Vechel (klompenmakerijen, levendige dorpen); Uden (aanzienlijke markten).

De hoofdstad VU er t ogen bo s c h (26 Ü00 i., drukke markten; aanzienlijke nijverheid). Verder in de Meierij\' S t.-Mich iel sges t el (doofstommen-instituut); Eindhoven (in het stadje en de omstreken vele fabrieken voor snuif, tabak, manufacturen) en Helmond (linnen-, katoen- en wolfabr. en ververijen).

ocr page 42
ocr page 43

41

Verder dienen nog te worden genoemd: Oudenboscli en Zevenbergen (beide met wortelauikerfabrieken); Moerdijk (grootste spoorwegbrug v»n Nederl.); G ee r t r u i d en b e r g (fabr.); Kaurasdonk, Waspik, Kapelle, Waalwijk (dorpen aan de Langstraat met vele schoenmakerijen, leerlooierijen en hooibouw); Werkendam (aannemers en polderwerkers); Woudri-chem of Workum (visscherij); Heusden (enkele fabr.); Oosterwijk (leerlooierijen en schoenmakerijen); Os (veemarkten); Grave; Kuik en Boxmeer (nijverheid).

§ 33. Limburg. Limburg is van alle Nederlandsche provincies liet verst van zee verwijderd, \'t Is tevens de hoogstgelegene, die in het Z. den overgang vormt tot de Ardennen. Vele punten stijgen tot 200 M. of daarboven: Krikelenberg, Bescheilberg, Vaalserberg. De St.-Pietersberg is 123 M. hoog. De Maas doorstroomt tusachen de hooge oevers de gansche provincie van het Z. naar het X. Zooals reeds bij X.-Brabant werd opgemerkt, lijdt de Maas aan zeer onregelmatige waterhooveelheid; bovendien is \'t verval in Limburg zeer groot en de weg langs de rivier naar zee lang. Vandaar dat de Maas voor den handel van niet zoo heel groot belang is. De bijrivieren, die van links en rechts komen, (welke?) hebben vruchtbare beekklei gevormd en brengen met haar snelstroomend water fabrieken in beweging.

In de schoone zuidhelft van Limburg komt de rotsgrond hier en daar aan de oppervlakte. Meestal is hij echter bedekt met eene zeer vruchtbare geelbruine grondsoort, die men hier Limburgsohe klei noemt. Op verscheiden plaatsen (St.-Pietersberg en Geuldal) heeft men steengroeven, waaruit een lichtgele steen wordt gehaald, die als bouwsteen wordt gebruikt. In \'t ZO. van Limburg (bij Kerkrade), wordt zeer goede steenkool gedolven. Het midden en X. van Liraburg bestaat uit zand, dat in de Peellanden met hoogveen, langs de Maas met eene smalle strook rivierklei en langs de beken met beek-klei is bedekt.

Landbouw is in Limburg de hoofdbezigheid; in \'t Z, tarwe en haver, op het zand meest rogge. In Zuid-Limburg zijn groote boomgaarden. De veeteelt levert zeer goede resultaten (Limburgsche kaas).

De handel wordt bevorderd door den aanleg van spoorwegen, doch blijft meest doorvoerhandel en binnenlandach verkeer.

Van meer belang is de nijverheid, vooral in \'t Z. Vaals en Roermond ver-

ocr page 44

werken wol; papier, glas, kristal en aardewerk worden in Maastricht vervaardigd; bier wordt bijkans overal gebrouwen.

Maastricht (31 000 i.; hoofdstad, mooie ligging aan den voet van den St.-Pietersberg; er is veel nijverheid: eene papierfabriek met 500 werkl;; fabriek van den heer Regout met 2500 arbeiders; de voorstad Wijk op den rechter oever); Meersen, Valkenburg (grotten). Gulpen, Vaals met lakenfabr.; Kerkrade met steenkolenmijnen; Beek (met appelstroop- en appelwijnfabrieken) en Sittard, alle plaatsen in het heuvelachtige, schoone en vruchtbare Zuid-Limburg. Roermond (11 000 i.; handel in landbouw-voortbrengselen en fabr., o.a. voor wollenstoffen en behangselpapieren), Venlo (10 000 i.: kruispunt van spoorwegen; de groote route Hamburg— Parijs loopt langs Venlo; levendige doorvoerhandel); AVeerd (drukke markten), Gennep en 31 ook.

§ 34. Gelderland. Gelderland bestaat uit drie stukken, door rivieren van elkander gescheiden: de hooge schraalbevolkte Veluwe met zand- en grind-grond, hier en daar rijk aan bosschen, elders met heide bedekt en met de schoone, steil afhellende Veluwezoom aan de zuid- en zuidoostzijde; in de tweede plaats de Graafschap Zuften met de Lymers, bestaande uit zand en grind, behalve langs de rivieren, waar, vooral in de Lymers, vruchtbare rivierklei ligt; in de derde plaats de Betuwe, de Tieler- en de Bommeler-waard en \'t Land van Maas en Waal (vruchtbare rivierklei). Ten O. van het Land Maas en Waal dringen de grindheuvels van Kleef tot aan de Waal binnen. Op het noordelijkste punt van deze schoone boscbrijke heuvelstreek (Nederrijkswoud) ligt het oude Nijmegen. De Kleefsche en Xijmeegsche heuvels ter eener en die van Montferland ter anderer zijde vormen de poort, waardoor de Rijn Nederland binnenstroomt.

Men ga den loop van den Rijn, de Waal, (die \' ;s van het Rijnwater meevoert), den Usel (een Rijnarm, die bij Doesburg het water van den Ouden l.Jsel ontvangt) en de Maas, met de kaart na. Op de groote rivieren wordt zalm en elft gevangen. Langs de Waal, den IJsel en den Rijn zijn vele steenbakkerijen.

Gelderland grenst met de onvruchtbare Veluwe aan de Zuiderzee, die hier ondiep is. Vandaar dat op deze kust, waar bovendien geen enkele rivier

ocr page 45

uitstroomt, geen belangrijke steden zijn ontstaan. Elburg en Harderwijk doen aan vischvangst op de Zuiderzee.

Ongeveer \'/4 van Gelderlands oppervlakte ligt woest; het meest verdienen de zandverstuivingen van de Veluwe den naam van woeste gronden. De Betuwe is eene vruchtbare landbouwstreek (tarwe, haver, rogge, aardappelen, tabak, suikerpenen); ook de Yeluwezoom en de Lymers zijn goede landbouwstreken. Bij Wageningen en Nijkerk wordt ook, evenals hier en daar in de Betuwe, tabak verbouwd. De veeteelt wordt meest met den landbouw verbonden uitgeoefend; de uiterwaarden worden als graslanden gebruikt. De ooftteelt in de Betuwe is van veel belang. Zutfen, Harderwijk en bijkerk verzenden veel boomschors uit do Graafschap en de Veluwe. Op deze laatste vindt men papiermolens en koperpletterijen.

In de Graafschap (Winterswijk, Aalten, Groenlo) en in Venendaal zijn katoenfabrieken. De handel met het buitenland is in Gelderland van weinig belang; de markten zijn echter op menige plaats zeer druk.

Arnhem (47 000 i.; hoofdstad niet schoone omstreken, daarom druk bezocht; vele buitens; in de nabijheid het buitengoed Bronbeek, nu een verblijf voor invalieden van ons Indische leger); Hui sen (steenbakkerijen); Oosterbeek (villa\'s); Wageningen (tabaksbouw. Rijkslandbouwschool met proefstation; het koninklijke Oranje-Nassauoord); K ui lenb urg (stoel-makerijen, kunstige spoorbrug); Zalt-Bommel (veemarkten); Tiel (graan-en ooftmarkten); Nijmegen (80 000 i.; op het noordelijke einde van eene strook hoogen grindgrond; oude stad op heuvels gebouwd, maar in den laatsten tjjd sterk uitgebreid en verfraaid; het Valkhof en de Heidensche kapel; mooie omstreken); Zevenaar (grensstation); Ter borg (ijzergieterij); Uoe-tichem (klompenmakerijen); Winterswijk (belangrijk fabrieksdorp); Groenlo; Borkelo; Lochem; Zutfen (16000 i.; veel toenemend vervoer, kruispunt van spoorwegen, brug over den IJsel); in de nabijheid Kederlandsch Mettray (eene inrichting ter opvoeding van verwaarloosde knapen); Bruramen, Dieren, Velp (mooie streken langs den IJsel, met vele buitens); Doesburg (handel in hout, boter en vee).

Op de Veluwe: Apeldoorn (groot, welvarend dorp met papierfabrieken en eene koperplettenj ; in de nabijheid Het Loo). Langs den noordrand der Veluwe: Xijkerk (handel in tabak, brandhout, schors en honig); Harder-

ocr page 46

44

wijk (depót van koloniale troepen; visscherij en bokkingrookerij); Elburg (bokkingrookerij); H a 11 etn.

§ 35. Utrecht. Utrecht ligt in het midden des lands. De oostelijke helft heeft eene meer of min Geldersche (Veluwsche), de westhelft eene Hol-landsche natuur. Op de grens van Gelderland en Utrecht is de Geldersche Vallei, waarop naar het W. een hoogterug volgt, waarvan de noordhelft met het Gooiland samenhangt. Deze Utrechtsche Heuvelrug, uit zand- en grind-gronden bestaande, heeft eene mooie natuur, te midden waarvan vele villa\'s en bekoorlijke dorpen. Ten W. van den heuvelrug volgt een lager gedeelte, waardoor de rij van versterkingen en inundatiën loopt, die samen de Utrechtsche linie vormen en moeten dienen om Holland te verdedigen Nog verder westelijk vinden we lageveen- en rivierkleistreken, die onmiddellijk met de Hollandsche samenhangen en polderland zijn. Langs de Eem ligt zeeklei.

Over den Krommen en den Ouden Rijn is reeds in § 11 gesproken. De aanwezigheid van breede strooken rivierklei langs hunne oevers, bewijst, dat zij vroeger, toen ze nog werkelijk Rijnarmen en dus rivieren waren, veel meer hadden te beteekenen. De Vecht loost bij Muiden het water van do omgelegen polders, van den Krommen en den Vaartschen Rijn en van een deel van den Ouden Rijn (zie § lij. Ook voor den IJsel zie men § 11. De Lek op de zuidgrens is nu de voortzetting van den Rijn. De Eem, uit de vereeniging van verschillende watertjes ontstaan, is van Amersfoort af voor kleine schepen bevaarbaar. De Keulsche Vaart (van Amsterdam naar Weesp en verder langs Vecht, Vaartschen Rijn en Zederikkanaal naar Gorkutn) wordt vrij druk bevaren.

Op de lage venen en de zeeklei van hot Kernland worden veeteelt en hooibouw uitgeoefend. De rivierklei is voor landbouw en veeteelt in gebruik.

Behalve de korensoortcn (meest rogge, boekweit, tarwe en haver, wordt tabak (Amersfoort, Renen) verbouwd. Het Utrechtsche ooft uit het Z. der provincie wordt naar de groote steden van ons land en naar Engeland uitgezonden.

, Op de Lek vangt men zalm ; Bunschoten vischt op de Zuiderzee.

Voor den binnenlandschen handel iade stad Utrecht het middelpunt. Dezelfde stad is ook de voornaamste plaats in InduStriëel opzicht; de werkplaatsen van

ocr page 47

do Ilijn- en de Centraal-spoorwegraaatschappij, eene fabriek voor stoomwerktuigen, tabaksfabrieken; Amersfoort, Utrecht, Venendaal en Zeist verwerken katoen en wol. Langs den Krommen en den Ouden Rijn, de Veelit en den TJsel zijn steen- en pannenbakkerijen.

üe hoofdstad Utrecht (80 000 i., middelpunt des lands, samenkomst van vele spoorwegen, — welke? — handel en fabr.; Hoogeschool; Observatorium van \'t Meteorologisch Instituut; Munt; Veeartsenijschool; gesticht voor ooglijders); Amersfoort (15 000 i.; nijverheid; fabrieken voor zoogenaamd Amersfoortsch en een voor tapjjten, tabaksbouw); Zeist (nijverheid, stichting van de Moravische broeders), Amerongen (handel in tabak en hout), Venendaal (katoen- en wolfabr); Kenen en Wij k-bij-D uu r st ed e (oude stadjes); Vreeswijk (drukke scheepvaart); Jutfaas (steen-en pannenbakkerijen); IJselstein (hoepelmakerij); Montfoort, Maarsen, Breukelen, Loenen en Vreeland (de vier laatste aan de Vecht); Soest (Soestdijk) en Baarn (mooie streken).

§ 36. Ooerijsel. Het oosten en midden van Overijsel (Twente en Salland) is een tamelijk hooggelegen gedeelte, dat op natuurlijke wijze grootendeels langs de bochtige Vecht op het Zwarte Water afstroomt. De bodem bestaat daar grootendeels uit zandgronden; in de heuvels bij de oostgrens en die ten W. van de Kegge komt de grindgrond aan de oppervlakte. Langs de rivieren en beken ligt beekklei, langs Usel (bij den mond bet Kampereiland) en Zwar-tewater rivierklei. Uit de Overijselsche zoowel als uit de (ieldersche beekklei wordt ijzeroer gedolven. Waar l\'ruisen bet verst naar het W. toe opdringt en in het N. langs de Drentsché grens, ligt hoogveen, dat reeds gedeeltelijk is vergraven. Dedemsvaart en Friezenveen zijn dan ook veenkoloniën.

Het NW. van Overijsel (Vollenhove) is grootendeels laagveen, waarin plassen en nieren. Dit is een poldergebied.

De kuststreek is voor Overijsel van meer belang dan die voor Gelderland bleek te zijn, hoofdzakelijk omdat de Usel en het Zwarte Water er verkeerswegen naar de Zuiderzee zijn. Dat her Keteldiep, de bruikbaarste mond van den Usel, en het Zwolsche Diep, de voortzetting van het Zwarte Water, tusschen dammen in zee worden gebrac!it, bewijst dat deze hier ook al ondiep is.

ocr page 48

46

Vóór het Zwolsche Diep ügt het lage eiland SchoklanJ, dat door zijne bewoners is verlaten, omdat het geeno zekere woonplaats meer aanbood.

De rivieren en kanalen op de kaart na te gaan!

Overjjsel behoort tot de provinciën, waar nog groote streken woest liggen.

In het \\V. wordt de grond meest voor veeteelt en hooibouw (Kampereiland) gebruikt; men houdt vele varkens; vandaar uitvoer van hammen en worst uit de streken van Wije en Olst. Voor bouwland zijn veel minder groote oppervlakten in gebruik dan voor grasland. Rogge en boekweit zijn er hoofdproducten.

De Zuiderzeestadjes en Kampen doen aan vischvangst.

De ligging tusschen het noorden en het midden des lands, alsmede tusschen Holland en Duitschland en de levendige industrie, hebben een vrij aanzienlijken handel doen ontstaan. De katoennijverheid van Twente werkt voor tropische gewesten in Azië en Afrika zoowel als voor het vaderland. Langs den IJsel zijn vele steenbakkerijen.

Zwolle heeft ijzerfabrieken. Kampen werkt in tabak, Deventer heeft ijzerindustrie, tapijteni\'abrieken en koekbakkerijen. In \'t XW. worden matten vervaardigd en zijn kalkovens (Zwartsluis).

Zwolle (25 000 i.; de nette hoofdstad aan de samenkomst van water- en landwegen, drukke markten en meest binnenlandsche handel; nijverheid); Wije en Olst (mooie omstreken, uitvoer van ijzeroer; worstfabrieken); Deventer (22 000 i.; oude stad met eene ijzergieterij en eene tapijten weverij); Kaalte, Xijverdal; Kijsen (jute-fabrieken); Goor (drukke markten), Almelo; Hengelo; Enschede (13 000 i.); Oldenzaal en Ootmarsum (alle fabrieksplaatsen, vooral katoenfabr.). Friezenveen (vele Friezenveners hebben winkels in .St.-Petersburg; handel in tuinzaden), Grnmsborgen en Hardenberg, Zwartsluis (kalkbranderijen, turfhandel); Genemuiden (mattenmakerijen); Hasselt (kalkbranderijen); Kampen (1800U i.; welvarende en rijke stad, de markt voor de voortbrengselen van \'t Kampereiland, dat grootendeels eene stedeüjke bezitting is; sigarenfabr.); Vollen hove (vis-scherij); Blokzijl (mattenmakerijen, handel in matten); Steen-wijk (markten en handel); Kuinre.

§ Dyenf\'i. Drente is eene landprovincie, die eerst laat tot ontwikke

ling is gekomen. De vooruitgang staat hier in nauw verband tot de vervening en de ontginning van de heidevelden.

ocr page 49
ocr page 50

48

Drente helt van het midden, het EUertsveld, naar alle zijden af, zooals is te zien aan de menigte riviertjes. Welke zijn daarvan de voornaamste? Het verkeer heeft er niet veel aan, doch er liggen te midden van de zand- en grindgronden, waaruit Drente grootendeels bestaat, meer vochtige en vruchtbare strooken grond lands, die als weiland worden gebruikt. quot;Waar men het oer er uit heeft verwijderd, begint men ze ook, wanneer ze althans niet betrekkelijk te laag liggen, voor korenbouw te gebruiken.

De Drentsche kanalen, die uitsluitend voor het binnenlandsch verkeer dienen, zijn oorspronkelijk meest voor \'t vervoer van turf en den waterafvoer gegraven. Welke zijn de belangrijkste?

In \'t O. en Z., ook in \'t W. ligt hoogveen, dat in menige streek reeds grootendeels is afgegraven. Daar zjjn vele veenkoloniën ontstaan: Hoogeveen, Smilde, Veenhuizen, Xieuw-Buinen, Nieuw-Amsterdam, Xieuw-Dordrecht, Erica. De Hondsrug bevat vele keien; hier is dan ook de streek der hunebedden.

Drente ligt nog voor ruim de helft van zjjne oppervlakte woest. De ontginning gaat langzaam vooruit. Urasland vindt men om Meppel (boter) en aan de stroompjes. De schapenteelt op de heidevelden is hinderlijk voor de ontwikkeling der bosschen. Onder de landbouwvoortbrengselen zijn de belangrijkste rogge, boekweit, aardappels.

Natuurlijk is do nijverheid in Drente nog van weinig belang. Te Assen is eene ijzergieterij, te Kieuw-Buinen eene glasfabriek; in de veenstreken zijn hier en daar ook kalkbranderijen.

Assen (8B00 i.; de nog jonge, in bloei toenemende hoofdstad); Xorg (paardenmarkten); Veenhuizen (bedelaarsgestichten met eenige nijverheid-i; Sm i 1de (bloeiende veenkolonie); Beilen; Hoogeveen (aanzienlijke veenkolonie, de volkrijkste plaats van Drente, drukke scheepvaart); Meppel (veel verkeer, handel in boter en vee); Koevorden (vroeger eene vesting); Dalen (mooie streek); Emmen, Borger, Ui et en en Zuidlaren (op den Hond srug). Het op do vorige blz. afgebeelde hunebed ligt in de heide dicht aan den spoorweg, bij Tinaarlo, ten /W. van Zuidlaren; het is wel niet het grootste, maar hot minst geschondene in Nederland. De grootste van de deksteenen is is l.-J M. lang. Het bestaat uit II steenen en is 5 51. lang en 2.5 M. breed. Hij de oostgrens de bloeiende veenkolonie Xieuw-Buinen (glasblazerij).

ocr page 51

49

^ 38. Friesland. Friesland bezit op den noordrand der quot;Wadden twee eilanden: Ameland, dat door een\' vangdijk met vasten wal is verbonden, en Schiermonnikoog\', een jong zeebad. Beide hebben duinen langs den Xoordzeekant.

In het O. en ZO. vindt men zand- en grindgronden, die verder westwaarts in het Z. nog herhaaldelijk uit het lageveen opsteken, n.1. bij Joure en in het sohoone, boschrijke öaasterland. Op den zandbodem ligt in het O. hier en daar hoogveen; men vindt er ook veenkoloniën. Het midden en ZW. bestaat uit laagveen, het If. en NW. nit zeeklei. Friesland is voor een groot gedeelte polderland. In \'t W. zijn enkele droogmakerijen (de Makkumer, Parregaaster- en quot;Workumer polders).

Riviertjes heeft Friesland weinige: de Boom en de Kuinder of ïjonger, die zich met de Linde vereenigt. Kanalen zijn er vele. In de oosthelft zijn veenkanalen, n.1. de drie Compagnonsvaarten (zie de kaart). In het lagere midden en westen ligt bijkans ieder dorpje aan oen kanaal of een kanaaltje. Enkele hoofdroutes zijn: Stroobos—Lemmer, Stroobos—Stavoren, Stroobos— Dokkum, Dokkumer Xieuwe-Zijlen—Leeuwarden—Harlingen, Leeuwarden— Sneek. Friesland is rijk aan meren (zie de kaart!).

Het bouwland ligt grootendeels ten N. van de lijnen Stroobos—Dokkum— Harüngen en in het O.; bovendien wordt in den driehoek Harlingen—Frane-ker—^lakkum meer aan landbouw dan aan veeteelt gedaan. Het overige deel van Friesland, met uitzondering van de woeste gronden (100/o in \'t O. en ZO.), is grasland. Men spreekt in Friesland van den bouw- en den greidhoek. Veeteelt (kaas- en boterbereiding) is de hoofdbezigheid. Van de landbouw-voöHbrengselen zijn de belangrijkste yfaardappelen, vlas, koolzaad en cichorei.

Op de meren en plassen wordt veel paling gevangen en ook op zee wordt door verscheiden kustplaatsen aan de visscherij deelgenomen.

De binnenlandsche handel is zeer druk, vooral in Leeuwarden en Sneek. Harlingen drijft aanzienlijken handel op Engeland, Lemmer op Amsterdam.

De industrie bepaalt zich meest tot steenbakkerijen op de klei, kalkbranderij, scheepsbouw, de vervaardiging van schaatsen en oorijzers.

Leeuwarden (29 000 i.; de nette hoofdstad met aanzienlijken vee-, boteren graanhandel); Fr an ek er (planetarium van Eise Eisinga); Harlingen (10 000 i.; belangrijke haven; invoer van Noordsch hout; uitvoer van vee, boter, kaas en visch, vooral naar Engeland); ilakkum; Workum; II in-

P. ii. nos, Aardrijksk. 7c druk. 4

ocr page 52

50

deloopen en Stavoren (achteruitgegaan); Lemmer (vaart op Amsterdam); Koudum: Balk (in het bekoorlijke Gaasterland); Joure (Friesche klokken); het nette Snoek (11 U00 i.; veel handel in boter en kaas); Ijlst (Friesche schaatsen); Bolsward (boterhandel); lleerenveen (drukke scheepvaart, in de nabijheid Oranjewoud); Gorredijk, Bee t s t er z w aag en Drachten (zeer welvarende dorpen); Bergum; Dokkum (oud stadje met handel in landbouwproducten); Vrouwen-, St.- Anna en St.- Jakobi-P ar och ie (welvarende landbouwdorpen in het Bilt).

§39. Groningen. Tot Groningen behoort slechts één waddeneiland, het klein» Kottumeroog, dat alleen door een\' strandvoogd en de zijnen wordt bewoond.

Ten X. van Hoendiep en Eemskanaal en bovendien rondom den Dollart, op twee plaatsen tot ten Z. van het Winschoterdiep, is zeeklei. De ZO. driehoek bestaat grootendeels uit nog aanwezige of vergraven hoogevenen (veenkoloniën). Ten O., ZO. en Z\\V. van de stad Groningen is laagveen. De woeste gronden (15°/,)) vindt men \'t meest in liet ZO. De lage veenstreken aan de oostzijde van de stad Groningen, verder de omgeving dezer stad, en de landerijen, begrensd aan de oostzijde door het Boterdiep, aan de noordzijde door de lijn Onderdendam—Winsum en aan de westzijde door het Aduarderdiep,. worden in hoofdzaak voor veeteelt gebruikt. Het overige (ruim 500/0) is grootendeels bouwland, hoewel meestal gepaard met eenig weiland. Haver, aardappelen, boonen, koolzaad, gerst, tarwe en rogge zijn de hoofdvoortbrengselen van den landbouw. Groningen is de minst boschrijke provincie des lands. Zoutkamp en Delfzijl doen aan vischvangst.

De nijverheid is niet bijzonder belangrijk, het meest in de hoofdstad en in de veenkoloniën, in welke laatste aardappelmeel, stroop, brandewijn en gtroo-papier wordt gefabriceerd. De scheepsbouw is er achteruitgegaan. Op de klei treft men steenbakkerijen aan; hier en daar zijn kalkbranderijen; in Delfzijl en Zoutkamp portland-cementfabrieken.

De handel wordt door de vele kanalen (de hoofdkanalen — welke? — loopen op de hoofdstad uit) gemakkelijk gemaakt. De hoofdstad heeft een levendigen binnen- en buitenlandsehen handel, meest in koren; de weekmarkten zijn er zeer druk.

Groningen is bijna geheel polderland. liiviertjes zijn er slechts weinige, eu deze zijn in het benedengedeelte van hun\' loop gekanaliseerd. Ruiten A en

ocr page 53

Mussel A vormen do Westervvoldsche A. Do ITunze en de Drentsohe A zijn alleen in Drente nog riviertjes. Hot Scliildmeer behoort geheel, het Zuid-laarder- en het Leoksterraoer beliooren gedeeltelijk tot Groningen.

De welvarende hoofdstad (jroningen (52 000 i., op het einde van den Hondsrug, veel handel in koren en koolzaad; do fabrieksnijverheid staat niet op denzelfden trap met den handel; hoogeschool, doofstommen-instituut); A pp in ge dam (paardenmarkten); Delfzijl (haven, houthandel; portlandcementfabriek); quot;Winschoten (handel). De veenkoloniën Hoogezand, Sappemeer, Voendam (10000 i.), Wildorvank, Oude- en Kieuwo-Pekela, Stadskanaal zijn alle zeer welvarende dorpen met landbouw, scheepvaart en nijverheid. Zuid- en S oordbroek, Finsterwolde, Beerta, Stedum, Loppersum (ooft), Bedum, Onderden dam. Uithuizen, Warfum, Ulrum, Grjjpskerk zijn alle welvarende landbouw-dorpen; Zoutkamp is een visschersdorp met eene portland-cementfabriek.

II. E U B O P A.

ALGEMEEN OVERZICHT.

§ -40. Plaatsbepaling, Grootte, LU/yiny. Ons land is een klein deel van ons werelddeel. Europa. Het hoeveelste gedeelte? Zie de tabel! Xederland ligt ongeveer in \'t midden van westelijk Europa.

Over de kaart van Europa zijn lijnen getrokken, die elkaar snijden. Deze lijnen zijn hulpmiddelen om de ligging der plaatsen nauwkeurig te bepalen.

C

O

E

Wil ik de plaats van een punt in ee.i plat vlak nauwkeurig aanwijzen, dan trek ik in dat platte vlak eene rechte lijn, b.v. de lijn AB. In die lijn

4*

ocr page 54

52

neem ik een standvastig jmnt O aan. De plaats van alle punten, onverschillig of\' zij onder dan of zij boven de lijn AB worden gegeven, kan iic nu bepalen ten opzichte van het punt O. Tk wil b.v. de plaats van punt C bepalen. Daartoe laat ik eene loodlijn CD uit C op AB neer. Meet ik nu den afstand van D tot 0 en dien van C tot D, dan weet ik de plaats van het punt C: het ligt 1.5 cM. boven de lijn AB en 2 cM. links van het punt O. \'t Punt E ligt 1 cM beneden AB en 3 cM. rechts van 0.

De aarde is een bol. Om de plaats van een punt op de aardoppervlakte te bepalen, handelt men eigenlijk op dezelfde wijze, als we boven gedaan hebben. Xemen we eene globe voor ons, eene nabootsing van de aarde op zeer kleine schaal. Men heeft de uiteinden van de as, waarom de aarde draait, polen genoemd, en op gelijken afstand van die polen eene lijn, een\' cirkel, getrokken. Die cirkel (middellijn, linie, evennachtslijn of aequiltor) bewijst ons denzelfden dienst als straks de lijn AB: we meten er op af, hoe ver de voet van eene loodlijn, uit een of ander punt op den cirkel neergelaten, van een standvastig punt in don aequator verwijderd is. We meten hier niet met centimeters, maar met het jjj- deel van den cirkel of 1 graad (3:1°) en zijne onderdeden: minuten of \'/go graad (~1\') en seconden of \'/so minuut (=zlquot;). Wat we boven links en rechts noemden, heeten we hier westelijk en oostelijk. Ligt eene plaats A b.v. 24 graden 13 minuten en 8 seconden ten W. van het standvastige punt in den aeqnator, dan drukt men dit aldus uit: A ligt op 24; 13\' 8quot; WL. (= westerlengte). OL. ~ oosterlengte. De lengte van eene plaats kan ook worden afgelezen op de breedtecirkels of parallellen, die evenwijdig aan den aequator zijn getrokken.

De loodlijn, die door het standvastige punt (O W.- en OL.) wordt getrokken, en die, daar de aarde een bol is, een cirkel moet zijn, noemt men eersten meridiaan of middagcirkel. Als eerste meridaan wordt aangenomen de meridiaan van Ferro (een eiland ten W. van Afrika, die van Greenwich (spr. Orienitsj, bij Londen), van Parijs of van Amsterdam. Op de meridianen, die ook in 360 zijn verdeeld, meten we af, hoeveel graden ten N. of ten Z. van den aequator eene plaats ligt, of m. a. w. hoeveel noorder- of zuiderbreedte (NB. of ZB.) eene plaats heeft.

Zoek de grenzen van Europa op de kaart. — Zijn daar ook grenzen bij, die de natuur heeft gesteld (natuurlijke grenzen), of zijn het alle staatkundige grenzen ? — Zijn de natuurlijke grenzen van Europa onoverkomelijk of niet ?

ocr page 55

53

Sla de wereldkaart opl Europa ligt te midden van de grootste landmassa\'s. Met Azië is het onmiddellijk verbonden; het lijkt er wol een groot schiereiland van te zijn. Afrika keert het zijne meest ontwik-kelde zijde toe (Egypte, Sueska-naal: weg naar Indiö!) en de ha-venrjjkste kust van \'t belangrijkste deel van Amerika (de Vereenigde Staten van Amerika!) is door het betrekke-o. lijk smalle bed des Atlantischen Oce-^ aans van Europa _ö gescheiden. Naar quot; \'t minder uitlok-Z kende noorden heeft Europa slechts een klein gedeelte van zijne kusten gekeerd.

§ 41. Omtrek. Europa heeft veelvuldig en diep ingesneden kusten, dus een grooten rijkom aan loden, d. z. eilanden en

-------------—sksüj schiereilanden. Die

leden brengenden

romp door hunne golven en havens in gemakkelijker aanraking nn\'t de

\'■.t \'

:

ocr page 56

54

buitenwereld. — Zou do naam loden goed gekozen zijn\'r — Zoek wereld-deelen op do kaart, die minder rijk aan leden zijn.

Op twee plaatsen vooral dringt de zee diep in \'t werelddeel binnen; we zouden die beide binnenzeeën Middellandsche zeeën kunnen noemen. De noordelijke iw de Noordzee de daarmee in gemeenschap staande (langs welke wogen?) Oostzee. Aan liet begin van die binnenzee ligt Nederland; er vóór ligt Engeland, in \'t midden Denemarken. — De zuidelijke ia de Middellandsche Zoo, die uit een westelijk (tot Sicilië!) en een oostelijk gedeelte bestaat. Bij den ingang (Straat van Gibraltar) ligt het Pyreneesch Schiereiland, in \'t midden Italië; in den ZO. hoek leidt het Sueskanaal naar de Roode Zee en verder naar Indië.

Noem met de kaart vóór u de voornaamste eilanden, schiereilanden, zeeën, golven, .straten en kapen van Europa in orde op.

5 IJ. Hoogte. Ileeit Europa een allesbehalve eentonigen kustvorm, niet minder verscheidenheid biedt hot aan in zijne hoogte. Alle soorten van hoog-on laagland zijn aanwezig, zonder ai te krasse overgangen te vormen. Hoog-geborgten (hooger dan 2000 AI. gemiddeld), middelgebergten (boneden 2000 M. gemidd.), hoogvlakten (hooger dan 200 a 800 M.) terraslanden (meer of niindt! regelmatig at hellende hooglanden tusschen de hoogste gedeelten van t gebergte en de laagvlakten) en laaglanden vinden we hier.

Door eene lijn, van den Rijnmond naar den mond van den Dnjepr getrokken, wordt het vastland van Europa in een Z W\'. en Z., grootendeels hoog en bergachtig, en een NO. en ()., hoofdzakelijk laag en vlak, gedeelte gescheiden. De eenige gebergten toch, die de vlakten afbreken, zijn \'t Skan-dinavisch Gebergte, de Oeral en do Kaukasus, alle drie op den rand.

t)e kern van Europa\'s bergland is het hooggebergte der Alpen, die zich in een boog van t \\\\ . naar \'t O. uitstrekken in toenemende breedte en afnemende hoogte, liet hoogste punt is de Mont lilanc (4800 M.) De oppervlakte, die ze beslaan, is 7\' , maal die van Nederland.

Huiten de Alpen vinden we nog (gt; groote berglanden in Zuid- en Middel-Europa, en wel vooreerst 8 grospen middelgebergten: de Westelijke, de Noordelijke en de Oostelijke. De Westelijke Middelgebergten strekken zich uit van de Oaronne tot do Rhóne, de Saóne on den Rijn; de •Noordelijke van den Rijn tot de dier en de March; do Oostelijke van

ocr page 57

55

ocr page 58

56

Met de Waldaï-Hoogte hangt naar het ZO. de

Dumi-Donsclie Landrugof het Centrale Plateau samen , dat in liet 5i. samensmelt met de Zuidrussiache Plt-teau\'s. Deze sluiten zich weder aan. bij de lagere hooglanden aan den oostvoet der Karpaten. In dezelfde XW. . richting doorgaaa-ic de, zien we lager rz wordende breede — golvingen van den = bodem en wel het laatst in de Lune-burger heide.

Dan nog de Skandinavische Gebergten en de F i n s c h e K o t s-en il e e r v 1 a k t e en eindelijk de gebergten op de eilanden, waarvan de 1! r i t s c b e Gr e-berg ten om hunv rijkdom aan steenkool en metalen de

en om de Oostzee tot Kaap Skagen uitstrekt.

de Pyreneën strekt zich, atnemende in breedte, eene

morkwaardigste zijn. Van den Oeral tot

ocr page 59
ocr page 60

5b

grooto laagvlakte uit. De quot;Weichsel scheidt haar in een oostelijk en een-westelijk deel. De oostelijke helft, de groote Russische Laagvlakte, zet zich

naar t Z\\\\, voort als W ala c h ij sc h e Laagvlakte. Do westelijke lieitt Terdeeit men in drie hoofddeelen: do X o o r d d u i 13 c h e (Weichsel—Eems),

ocr page 61

59

ropa eene rijke he.-proeiiny

ocr page 62

60

is \'t een voordeel, flat de rivieren naar alle richtingen stroomen. (Twee hoofdrichtingen evenwel. Welke?)

De grootste rivieren gaan van twee middelpunten uit: do Waldaï-Uoogten en de Alpen. Geef in orde de voornaamste rivieren van Europa op, zeg, waar ze ontspringen en let op de richting, waarin ze stroo-

•f: men.

se

| De grootste rae-c; ren van Europa u kunnen we tot twee groepen brengen: JT een krans van me-2. ren rondom do Oost-j| zee (wolke\'r) en de g meren, waardoor de Alpenrivieren stroomen en die zoowel aan den noordelijken als aan den zuidelijken voet worden gevonden. (Welke \'r)

§ 44. Klimaat. Een groot doel van Kuropa geniet de

viiordeelf\'n van oen zeeklimaat:, daar het open ligt voor d\'gt; vochtige westen-

ocr page 63

61

■winden, en de zee horhaaldehjk diep in \'t land binnendringt. Geen hooge, van \'t N. naar \'t Z. loopende bergketenen Ijouden de van zee komende ■winden tegen. Dat Europa bijna geheel in de gematigde luchtstreek ligt, (alleen het kleine gedeelte ten N. van den noordpoolcirkel behoort tot de koude luchtstreek of zone) bevordert zeer de gelijkmatigheid van \'t klimaat. Hoewel Europa, zoowel ten opzichte van de temperatuur als van de verdeeling des regens, eene gulden middelmaat en eene vrij groote gelijkmatigheid geniet, bestaan er tegenstellingen (tusschen JC. en Z. en

tusschen O. en W. Deze tegenstellingen oefenen een sterken invloed op de bezigheden der bevolking uit.

Ten Z. van de Pyreneën, de Alpen en den Balkan is de zomer het droogste, bijna regenlooze jaargetijde: kunstmatige besproeiing moet dan overal de gekweekte planten in \'t leven houden. Daar die besproeiing niet gemakkelijk over groote uitgestrektheden kan plaats grijpen, zal de landbouw zich slechts tot kleine oppervlakten bepalen, doch daar zal hij dan ook bloeien. Do landbouw krijgt daar meer \'t karakter van tuinbouw; men heeft geen machines, ze)fs geen ploegen noodig: \'t land wordt met de spade bewerkt. Voorbeelden vinden ve in de Spaansche Vega\'s of Huerta\'a. (Iluerta, Hortus ~ tuin; Yega = ouw, veld). —

ocr page 64

In Middel- eti Xoord-Europa valt de grootste hoeveelheid regen Juist in den zomer, vandaar groote bebouwde perceelen, ploegen en machines; vandaar ook geheele provincies, zelfs landen, waar landbouw en daarnaast veeteelt op uitgestrekte weiden de booldbezighcid is.

Ook tusschen \'t O. en \'t AV. is een verschil in klimaat duidelijk merkbaar. Wel ontbreken woestijnen, maar toch valt aan de kusten van de Zwarte- en Kaspische Zee slechts weinig regen gedurende één\' tijd van \'t jaar. Ten gevolge daarvan vinden we daar steppen, waar de rivieren geen voldoende hoeveelheid water en dus geen kracht be-bezitten om naar zee te stroomen. (Steppenrivieren!) Daar\' vormt gras, dat in het heetste en droogste jaargetijde verdort, bijna de eenige bodembekleeding, en doen nomaden of zwervende herders aan de groote Aziatische steppen denken. — Oost-Europa beeft meer een vastlandsklimaat, dat zijn schadelijken invloed vooral doet gevoelen door zeer koude en langdurige winters.

Xiet weinig draagt de warme Golfstroom, die langs Europa\'s westkust strijkt, er toe bij om de temperatuur te verhoogen, vooral des winters.

§ 45. Beoolkin;/. De Europeanen behooren bijna allen tot het K a u-kasische ot blanke ras. Alleen de Samojeden en de Lappen in \'t IS\', van Rusland en van Skandinavië, do Finnen in Finland, de 31a-gyaren (spr. Madjaren) in Hongarije en Zevenburgen, en de Osmanen, het Turksche deel der bevolking van het Balkan-schiereiland, zijn Mongolen, menschen met eene meer gele gelaatskleur en eenigszins schoven oogstand.

Bijna de geheele bevolking beeft vaste woonplaatsen, waarmede gepaard kan gaan een rustig uitoefenen van landbouw, veeteelt, nijverheid en mijnwezen en eene geregelde en vruchtbare beoefening van kunsten en wetenschappen. Europa is dan ook een ontwikkeld werelddeel, dat do beschaving niet alleen binnen eigen grenzen, maar ook in andere werelddeelen zoekt aan te kweeken.

§ 46. Staatkundiye toestand. De kaart van Europa maakt het ons gemakkelijk genoeg, do verschillende staten, waaruit dit werelddeel bestaat, in de eene of andere orde naar de ligging te noemen, terwijl de tabel ons gelegen-

ocr page 65

63

heid geeft zo naar de grootte en ook naar de dichtheid van bevolking te rangschikken. quot;We zullen onze rondreis door de Europeesche staten beginnen met onzen oostelijken buur.

HET KEIZERRIJK DUITSCHLAKD.

§ 47. Ligging, Het Duitsche rijk strekt zich van den voet der Alpen tot de Xoord- en Oostzee, van don Rijn tot de Weichsel uit. \'t Ligt in het midden van Europa. — Aan welke landen grenst het ? — Heeft het ook natuurlijke grenzen?

§ 48. Hoogte, Rivieren. Duitschland bestaat uit een zuidelijk hoog en een noordelijk laag gedeelte.

Het noordelijke lage gedeelte van Duitschland, de Noordduitsche Laagvlakte, is eene voortzetting van de ons reeds grootendeels bekende Beneden-njnsche Laagvlakte. Die laagvlakte bestaat voor het grootste gedeelte uit dezelfde grondsoorten, die we ook in Nederland aantreffen. Landbouw en veeteelt in de eerste plaats, en daarna handel en nijverheid, zijn er de hoofdbezigheden. Evenals bij Nederland lokten de vruchtbaarste landerijen tot landbouw uit, terwijl in de vochtigste streken aan runderteelt, op de schrale heidevelden (de Lüneburger Heide b.v.) aan schapenteelt wordt gedaan. De vele bevaarbare rivieren en de nabijheid der zee, alsmede de ligging tus-schen Oost- en West-Europa met hunne zeer verschillende voortbrengselen en ontwikkeling, werkten den handel in de hand. De fabrieksnijverheid heeft zich van \'t Z. uit over de vlakte verbreid: in en langs den noordelijken rand der middelgebergten worden steenkool en vele ertsen gevonden. Door de laagvlakten strekken zich de in § 42 genoemde landruggen uit, de Noordelijke langs de Oostzee tot in Jutland, de Zuidelijke langs den noordvoet der Sudeten, en verder naar \'t NW., tot hij eindigt in de Lüneburger Heide.

§ 43. Het zuidelijke hoogere deel van Duitschland is de streek der middelgebergten. In het zuiden hangen deze door de Beiersche Hoogvlakte

ocr page 66

T

64

■samen met het hooggebergte der A.lpen. Deze hoogvlakte is vrij dor en heeft een ruw klimaat; zij helt naar \'t X. at\', en in dezelfde richting stroomen met onatuimigen loop de II Ier, de Liech, de Is ar en de Inn naar den Don au, die de hoogvlakte naar \'t X. begrenst. Deze rivier ontspringt op het Zwarte Woud, zoo genoemd naar zijne donkere dennenwouden. Eene schoone natuur gaat niet altijd gepaard met groote welvaart; zoo ook hier: de bewoners van het Zwarte Woud zijn over quot;t geheel arm en vinden hun bestaan in het hout hunner bergen, dat in vlotten zelfs tot in Nederland komt, en verder in het maken van klokken en snijwerk in hout. Naar het W. daalt het gebergte, evenals het ten X. van den Neck ar gelegen Oden woud (langs welks westvoet veel wijn en ooft wordt verbouwd) naar de Bovenrijnsche Laagvlakte af, waar de Rijn door stroomt, zonder dat tusschen Bazel en den Neckarmond groote steden aan zijne oevers liggen. (Straatsburg ligt een weinig ten W. van den Rijn!) Oorzaak is de omstandigheid, dat de Rijn hier vele grindbanken en eilandjes vormt. — Door de Vogezen, die zich aan de westzijde van de laagvl. verheffen, loopt ten W. van Straatsburg eene laagte, waardoor een kanaal is gegraven, dat den Rijn met de Fransche rivieren verbindt. De westvoet der Vogezen staat op het Plateau v. Lotharingen. Evenzoo staat ook de oostvoet van Zwarte en Oden woud op eene hoogvlakte, ■waarop naar \'t Z. langs den Donau zich de woeste Zwabische Jura vrij steil verheft. Ten O. van de oude koopstad Neurenberg treffen we den minder hoogen Frankisch en Jura aan.

S 50. Van den ilainraond (Mainz) af, zetten we onze reis langs den Rijn

1

voort. De zuidelijke helling van den Taunus is met wijnstokken bezet (de

schoone Rheingau), evenais de zuidelijke hellingen der nu verder volgende Leisteengebergten langs den Rijn: Hunsrücke, Ei fel en ^ esterwoud. Deze vier gebergten zijn vrij onvruchtbaar en steken met hunne grootendeels arme bevolking scherp af bij het schoone, drukbezochte Rijndal met zijn\' wijnbouw en zijne vele groote hotels. Het spreekt wel vanzelf, dat men zich in dezo streken bijna overal van leien bedient voor het bedekken der huizen. Even vóór Coblenz komt de Lahn van het O., terwijl bij genoemde stad en tegenover de bergvesting Ehrenbreitstein (zie de plaat op de volg. hlz.) de kronkelende Moezel een\' weg naar Frankrijk verschaft.

Bij Uonn buigen de gebergten reeds verder van den Rijn af en begint de

A

ocr page 67
ocr page 68

66

Ben eden rij n ach e Laagvlakte. Rechts komt nog de Si eg, daarna ü{gt; den linkeroever de handelsstad Keulen, en vervolgens weer rechts de Ruhr, die door eenc nijvere kolenstreek stroomt, waarna de „grootvorst van Europa\'s stroomenquot; Duitschland verlaat, om door Nederland naar zee te vloeien.

51. De hoogvlakte ten N. van den Donau en ten O. van het Zwarte Woud wordt in \'t O. begrensd door het woeste Bohemerwoud, dat met het erts-rijke Ertsgebergte en de gebergten, die mot elkander de Sudeten vormen (\'t Reuzengebergte met de Schneekoppe is er het hoogste van}, Duitschland naar den kant van Bohemen begrenzen. In \'t midden van Duitschland verheft zich het Fichtelgebergte (Fichte = pijnboom). Van dit kleine gebergte, dat den oorsprong geeft aan do Main en do Saaie, welke laatste, eene bijrivier van de Elbe, door het vriendelijke Thiiringen loopt, strekt zich naar het N\\V. het Th ü r i n gerw oud uit, dat door zijne schoone natuur zoowel als door de verfraaiingen, die de kunst hier heeft aangebracht, vele bezoekers trekt. Tusschen Main en Thüringerwoud vinden we twee berggroepen, Rlmn en Vogelsgebergte, die velo heidevelden vertoonen, waarop groote kudden schapen rondtrekken. Hier wonen de Hessen, die met weinig tevreden zijn, met de buitenwereld zelden in aanraking komen en dus nog vele oude gebruiken hebben bewaard. Op de Rhön ontspringt de Fulda, op het I hüringerwoud «ie Werra, welke twee rivieren zich bij Münden tot Wezer vereenigen, die verder noordelijk bij Minden door een dwarsdal in het W ezerge bergt e breekt en vervolgens langs de handelsstad Bremen naar zee gaat. I en Z. van het \\\\ ezergebergte is eene vruchtbare, nijvere streek, die naar t Z. door het Teutoburgerwoud wordt begrensd, waarop de Eems ont-springt. Bij Munster dringt de Noordduitsche Laagvlakte diep in het bergland op.

Ten X. van Fluiringerwoud en Ertsgebergte strekt zich een lager bergland uit. Bijna op den rand der laagvlakte evenwel verheft zicli de Harz, een gebergte met voel metalen en nijverheid en te gelijk eene mooie natuur. De hoogste top, de Broeken of Bloksberg (1140 M.), reikt tot aan do boomgrens. Ten O, van den Harz dringt bij Leipzig de Laagvlakte opnieuw in het bergland vooruit. Zou dat ook de reden kunnen wezen van den drukken handel van L. en van de vele slagen, die hier geleverd zijn? - De vlakte bij L. is vruchtbaar. — De plaat op de volg. blz. stelt de Steinerne Rinne voor, het rotsachtige bod van de Holzernme, een dor vele stroompjes in den Harz.

ocr page 69
ocr page 70

68

S; 52. Langs den noordvoet der Uuitsehe Middelgebergten strijkt de Zuidelijke Land rug, die zijne grootste hoogte bereikt in het kool- en ertarijke Plateau van Tarnowitz, later de Elbe noodzaakt, om bij Maagdenburg eene bocht te maken en in de Liineburger Heide eindigt. Tusschen den Noordelijken en den Zuidelijken Landrug strekken zich vruchtbare zoowel als onvruchtbare streken uit. Langs de Setze, de Oder en de Spree vindt men op sommige plaatsen moerassen. De minder vruchtbare, merenrjjke Is oordelijke Landrug neemt, evenals de Zuidelijke, naar het W. af in hoogte. De handel wordt bijna uitsluitend lang-s de vruchtbare dalen der rivieren gedreven, waar we dus ook de grootste plaatsen vinden.

■ \'J

De rivieren zijn: de Elbe, die van het Keuzengebergte komt, door een schoon, grillig gevormd zandsteengebergte, dat bouwsteen oplevert, het zoogenaamde Saksisch Zwitserland, brekende, Bohemen verlaat, om het dichtbevolkte

Saksen te betreden, voorbij Dresden de vlakte bereikt, de öaale links, de Ha vol met de Spree rechts opneemt en voorbij Hamburg naar zee stroomt. Langs de Oder dringt de Laagvlakte zeer diep in \'t bergland op, zelfs tot dicht bij de Oostenrjjksche greiin. iiober en X eis se links en War the rechts, zijn de voornaamste bijrivieren van deze rivier, die in het Stettiner Hat uitmondt. - De Weichsel komt van de Karpaten, stroomt door Polen

I

ocr page 71

69

en vervolgens door het oostelijke deel van Pruisen, waar zij bij Danzig in het Frissche Haf uitloopt. — Het Koersche Haf neemt het water van den Memel op.

§ 53. Staten. De voornaamste staten van het Duitsche Keizerrijk zijn: het Koninkrijk Pruisen (in de laagvlakte en het noordelijke gedeelte der middelgeb.), de Groothertogdommen Mecklenburg en Oldenburg, de Hertogdommen B runs wijk en An halt, de vorstendommen Lippe en Waldeck, de drie Vrije Steden Bremen, Hamburg en LU beek, de T burin g-sche Staten, de Groothertogdommen Hessen en Baden, de koninkrijken Saksen, Beieren en Wurtem berg en het Rijksland E 1 z a s-L o t ha ri n gen.

S 54. Plaatsbeschrijving.

PRUISEN.

In Brandenburg: Berlijn (1.3 mill, i., hoofdstad van het Duitsche rijk, in eene zandige vlakte aan dc Spree, schoon gebouwd, middelpunt van vele spoorwegen, veel handel en nijverheid); Frankfort a/O (veel handel).

In Pommeren; Stettin (100 000 i., de haven voor Berlijn).

In Pruisen (dat in het gebied der Weichselmonden zeer vruchtbaar is): Danzig en Koningsbergen (het eerste 115000, het tweede 150000 i., beide veel handel, uitvoer van koren en hout).

In Posen (met vele Israelieten): Posen (vesting tegen Rusland).

In Silezië (met veel landbouw en veeteelt in de vlakte, bergbouw en nijverheid in \'tbergland): Breslau (300 000 i., de tweede stad van Pruisen, veel handel en nijverheid).

In Saksen: Maagdenburg 114 000 i., vesting, handel).

In Sleeswijk-Holstein; Kiel (oorlogshaven). Aan de westkust liggen geen plaatsen van belang.

In het Jahde-gebied: de oorlogsbaven quot;Wil helmshafen.

In Hannover (vruchtbare kleigronden langs de zee; daarachter geestgronden, die veelal minder vruchtbaar zijn; in \'t Z. do Harz met bergbouw), Hannover (140000 in., handel); Kmden; Leer (handel en nijverheid); Goslar en Klaustbal (bergbouw).

In Hessen-Xassau : Kassei (met liet fraaie W i 1 h el ms h ö h e); Frank-

ocr page 72

70

fort a M. (155 000 i., geld- en lederhandel, missen), Wiesbaden (badpl.).

In West talen : Munster (handel); Bielefeld (linnenfabr.); Dortmund (vele fabrieken).

In de Rijnprovincie (met veel wijnbouw, landbouw, nijverheid en handel; daarnaast evenwel groote armoede op de Leisteen gebergten): Keulen (160 000 i., veel handel, ook met Nederland; eau de Cologne); Coblenz met devesting Lhrenbreitstein; Essen (bij de Ruhr in eene steenkool- en ijzerstreek, groote fabrieken voor gietstaal vanKrupp); Klberfeld en Barmen (gezamenlijk 210 000 i.j on Sol in gen, in de streek der Wüpper, (zeer vele fabrieken, waarin het stroomend water der Wüpper meewerkt; Solingen levert veel messen); Aken (lakenfabr.); Krefeld (zijde- en tluweelfabr.)

DE KLEINE NOORDDÜITSCHE STATEN.

In Oldenburg (landbouw en veeteelt); Oldenburg (paardenmarkten).

In Hrunswijk ; B r u n s w ij k (bier en worst).

In t groothertogd. Hessen, dat uit een noordel. deel (Vogelsgeb.) en een zuidel. deel (Odenwoud en Bovenrijnsche Vlakte) bestaat, de hoofdst. Darmstadt, het oude Worms en het handeldrijvende Mainz.

De vrije stad Lil beek (ouderwetsch, achteruitgegaan sedert den rijd der Hanze, nog vrij aanzienlijke handel).

De vrije stad Hamburg (300000 i., de grootste handelsstad van Europa\'s vastland, schoon gebouwd; voorhaven is Cuxhafenj.

De vrije stad I» romen (120 000 i., levendige handelsstad, voorhaven Bre-m lt;? r h a f en, landverhuizers naar Amerika). De 8 vrije steden zijn republieken.

SAKSEN.

Het koninkrijk S. is een goed bebouwd, dicht bevolkt land met veel berg-bouw en nijverheid. Dresden (245 000 i., de schoone hoofdstad met kunstverzamelingen), Meissen (porseleinfabriek); Leipzig (170 000 i., beroemde missen, boekhandel); Chemnitz (bergb. en nijverheid).

TIIÜKINUEX.

hvenals S. landbouw, veeteelt, bergbouw en nijverh. .De Thüringsche staatjes hebben vele kleine steden, dichte bevolking. Weimar (de stad der groote dichrers).

ocr page 73

ZUID-DÜITSCHLAXD.

Beieren bestaat uit 2 deelen; het westelijke, Rijn-Beieren, heeft wijnbouw, München 260 000 i., lioofdstad, vele kunstverzamelingen, bierbrouwerijen), Augsburg (achteruitgegaan, nog handel); Begensburg (aan de Donau-bocht); Neurenberg (115 000 i., oude stad met nauwe straten en gebeeldhouwde gevels, galanteriewaren, Faberpotlooden).

In Wurtemberg vormen de kale streken van den Zwabischen Jura en het rijke schoone Neokardal eene sterke tegenstelling. In \'t Neckardal ligt de hoofdstad Stüttgart (12b 000 i.)-

In Baden onderscheiden we de vlakte en \'t bergland. In de eerste landen wijnbouw, in \'t laatste houthakken, houthandel, klokkenmakenj en hout-snijdenj. De hoofdst. is Karlsruhe. Yerder Baden-Baden (badpl.); Mannheim (handel) en Heidelberg (schoone ligging aan den mond van het Xeckardal; zie de afb. op p. 58).

In Elzas: Straatsburg (112000 i.; vesting, handel; beteekenis van den naam ■quot;) In Lotharingen: Metz (vesting, handel).

DE REPUBLIEK ZWITSERLAND.

§ 55. Ligging, Natuurlijke gesteldheid, Bevolking. Zw. ligt in quot;tmidden van Europa en heeft grootendeels natuurlijke grenzen. Welke? Staatkundige grenzen? \'t Is geheel een hoogland, bestaande uit een gedeelte der Alpen, de Zwitsersche Hoogvlakte en den Zwitserse hen Jura. In de Alpen ontspringen de Rijn, de Rhóne, de Aar, de Reuss, de ïessino en de Inn, waarvan de dalen even zoovele verkeerswegen door het land en verbindingen met het buitenland vormen. De Rijn bij Bazel en de Rhóne bij Crenève zijn de voornaamste poorten van verkeer niet Duitschland en Frankrijk. Xaar Italië leiden wegen over den Pas van den (j r o o t e n St. Bernhard (2470 M), den Simplonpas (2000 31.), den (iothardpas (door den St. Gothard is een tunnel (14 900 Jl. lang) gegraven, waardoor een spoorweg, die uit het dal v. d. Reuss naar dat v. de Tessino leidt) en den ijplügenpas (2500 M.). Op en bij de grens van Zwitserland en Italië tretfen we eenige van de hoogste Alpentoppen aan; M o n t Blanc, Gr. St.-Bernhard, ülatterhorn en Monte Rosa. Waar de rivieren het bergland verlaten, ver-

ocr page 74
ocr page 75

73

breeden ze haar bed doorgaans tot een meer. Deze meren (welke?) zuiveren liet water der bergstroomen en zijn met de woeste gebergten en hunne ijs-en sneeuwvelden de meest bezochte en bewonderde plekken der aarde. ^ ooral de H i g i (bij \'t Vie r w ou d s t ed en m ee r) en liet Berner Oberland (met de Meren van Thun en Brienz) worden druk bezocht. Dat Zw. vele linteis heeft, en dat velen het beroep van gids hebben gekozen, is zeer natuurlijk.

Maar dit zijn niet de eenige bezigheden in de Alpen. Op de hellingen der bergen regent het vaak, waardoor zeer goede weiden ontstaan, zoodat veeteelt

Waterval bij Schatfhausen.

op de Alpenweiden mede eene hoofdbezigheid is (Zwitsersclie kaas)! Do Cen-rraal-Alpen, -waartoe de Zwitsersclie Alpen behooren, bevatten weinig ertsen, zoo lat aan bergbouw niet veel kan worden gedaan

In (\'e dalen en op de hoogvlakte wordt landbouw uitgeoefend en boven-

ocr page 76

74

dien (vooral in \'t noordel. deel der hoogvl.) nijverheid. Deze laatste bezigheid vindt ook vele beoefenaars in Geneva en den onvruchtbaren Jura (horloges).

Dat de Zwitsers grootendeels Duitschers zjjn, hooren we aan do namen van plaatsen, bergen en rivieren. In \'t W. wonen echter Fransehen, in \'t Z. Italianen. De Zwitsers zijn in den voortdurenden strijd om \'t bestaan moedig, volhardend en vlijtig geworden.

§ 56. Plaatsbeschrijving. Zwitserland heeft geen groote steden.

Bern (hoofdst. midden op de hoogvl.); Lucern (schoone ligging, vele hotels, weinig handel ten gevolge van de rotsachtige oevers); Zürieh (handel en nijverheid); Schaffhausen (waterval); Bazel (grootste handelsstad); Chaux-de-Fonds en Locle (horlogeraakerijen); Genève (handel, horlogemakerijen).

Het dal Davós wordt om de gezonde lucht veel bezocht door teringlijders.

H KT KEIZERRIJK OOSTEXRIJK-HOXGARIJE.

§ 57. Liyginy, Natuurlijke gesteldheid. O.-H. ligt gedeeltelijk nog in \'t midden van Europa, gedeeltelijk behoort het reeds meer tot Oost-Europa, terwijl het schiereil, Istrië en Dalmatië tot Zuid-Europa behooren. — Grenzen f

De Centraal- en de Oost-Alpen (de Brennerpas is de scheididg tusschen deze twee gedeelten) en een gedeelte der Noordelijke Middelgebergten, gescheiden van de Alpen door het Donaudal, vormen de westelijke helft der Monarchie, terwijl de Oostelijke Middelgebergten en de beide Hongaarsche Laagvlakten bijna de geheele oosthelft innemen.

De Alpen in Oostenrijk onderscheiden zich van de Zwitserscho Alpen door minder grooten rijkdom aan meren en (vooral de Oost-Alpen) door de aanwezigheid van metalen en zout, het laatste in Salzburg. Xaar \'t N. strekken ze zich tot Weenen uit, en naar \'t ZO. vormt de dorre, plateauvormige Karst den overgang tot de Turksche Gebergten. Xaar \'t O. worden de Alpen lager, tot ze naar den kant der Hongaarsche Laagvlakte in een laag bergland overgaan. De Brennerpas, 1350 M. waarover een spoorweg van Innsbruck naar Hotzen), brengt de gemeenschap mot Italië tot stand, terwjjl de spoorweg over den Sem m e r i ngpas (830 M.) Weenen aan den Donau nu. t Triest

ocr page 77

aan de Adriatiüche Zee verbindt. Voor \'t overige loopen de verkeerswegen door de Alpen langs de dalen van Inn , Drau en Sau. Van liet N\\ . naar \'t O. loopt midden door de gelieele Monarchie de Donau, die reeds daarom een voornamen handelsweg vormt, maar dat nog des te meer is, omdat zijne bijrivieren (welke? — zie de kaart!) van noord en zuid komen, en bijna de gelieele staat tot het gebied van den Donau behoort.

De lioheomsche en Moravische Gebergten behooren tut de Kuordelijke Middelgebergten. \'t Zijn het Bohetnerwoud, het Ertsgebergte (langs den zuidvoet badplaatsen), do Sudeten (langs den voet vele glasblazerijen) en de lioheomsche en Moravische Terrassen. Bohemen heelt langs de KJbe gemeenschap met Saksen, en Moravië langa den Oder met Pruisisch Silezië. Door liohemen stroomt de Elbe met de Moldau. Aan de March, in Moravië, liggen zeer vruchtbare streken, maar ook het minder vruchtbare Marchveld.

ocr page 78

76

Het oostelijke \'ieel Jer Monarchie omvat vooreerat de K I ei n e endeGroote II o n g-a a r se h e Laagvlakte. Vooral de laatste met haar vastlandsklimaat, hare onafzienbare grasvlakten of poesten, waarop kudden schapen , runderenen paarden onder halfwilde herders rondzwerven, hare kronkelende rivieren en hare moerassen (die beide het verkeer beraoeiljjken) en hare afgelegenheid, — vooral de Oroote Hongaarsche Laagvlakte heeft zeer veel eigenaardigs. De bewoners, de Magyar en, houden zich meest met landbouw en veeteelt bezig. Daar ze veel van een zwervend leven houden, maar de vrees voor de vroeger zoo machtige en oorlogziiGhtige Turken hen tot samenwonen in steden drong, is het niet te verwonderen, dat de Hongaarsche steden ver uit elkander zijn gebouwd, zoodat sommige eenige vierkante O. M. oppervlakte beslaan. —■ \'t V van Hongarije is bergachtig: \'t Hongaarsche Ertsgeb., de hooge Tatra en het eenzame woudgebergte der Karpaten, dat zich in\'t ZO. verbreedt tot het ertsrijke Hoogland van Zevenburgen (goud).

Tegenwoordig staan de vroeger Turksche provinciën Bosnië en Herzegówina onder Oostenrijksch beheer.

^ ós. Bevolhirxj, Voortbrengselen, Bezigheden. De Alpen en de Noordel. Middelgeb. worden grootendeels door Duitschers bewoond, die het meest ontwikkelde deel der bevolking uitmaken; de Boheerasche en Moravische Terrassen, Oalicie, het Hong. Ertsgeb., Slavonië, Kroatië en Daimatië door Slaven, die \'t grootste deel der bevolking vormen; de Hongaarsche Vlakte door den trotschen stam der Magyaren; het Etschdal, Istrië en Zevenburgen door Kornanen.

De Hongaarsche Vlakten, Galicië, Bohemen en Moravië brengen veel koren voort, Slavonië en Boekowina leveren veel hout, Hongarije heeft veel vee, Salzburg en Galicië leveren veel zout op, Hongarije brengt wijn, tabak en koren voort.

De westelijke helft der Monarchie (vooral Bohemen, Moravie en bet aarts-hertogdom Oostenrijk) doet het meest aan nijverheid; de oostelijke helft is daarentegen het groote voorraadmagazjjn van ruwe producten, \'t Westen heeft ook levendiger handel, meer spoorwegen, dichter bevolking en meer ontwikkeling dan het oosten. Het gebrek aan eensgezindheid, dat in de O.-H Monarchie beerscht, benadeelt zeer de ontwikkeling van \'t geheel.

5 59. I\'laatsbeirlirijL-ii.g. De hoofdstad Weenen (1.1 mill, i.) ligt aanbot kruispunt van de wegen: langs don Donau en van Triest door Moravië naar

ocr page 79

l\'ruisisoh rgt;iiezië en Boheraen. \'t Is eene vroolijke. groote liiindelsstad met veel nijverheid, met schoone gebouwen en drukke straten. Praag (160 000 i., hoofdstad van Bohemen in \'t kruispunt der verkeerswegen), Karlsbad (beroemde badpl.); Innsbruck en Botzen (sjir. uit Hootzen) aan de uiteinden van den spoorweg over den Brenner; Idria (kwik): Triest (135000 i.; veel handel, mededingster van Yenetië); Presburg (vesting bij den ingang tot Hongarije), Boeda-Pest (3G0 000 i., hoofdstad en middelpunt van Hongarije; Boeda is Duitsch, Pest Magyaarsch); Tokaj (wijnbouw), quot;SVieliezka (spr. uit Wielitsjka; groote zoutmijnen), Lemberg (110 000 i., handelsstad met grootendeels Israelietisohe bevolking). In Bosnië ligt Serajewo of Bosna Seraj (~ paleis aan de Bosna).

DE REPUBLIEK FEANKKIJK.

§ 60, Ligging. De republiek F. behoort tot West- en tot Zuid-Europa) zij ligt aan den Atlantischen Oceaan en het Kanaal zoowel als aan de Middel-landsche Zee. Zij heeft grootendeels natuurlijke grenzen. Welke \'r Staatkundige grenzou \'i

§ 61. Natuurlijke gesteldheid. F. bestaat uit: 1. een deel der West-Alpen, waardoor als belangrijkste verkeersweg met Italië de Mont-Cenistunnel is geboord (spoorwegverbinding tusschen Lyon en Turijn!); 2. een deel van den onvruchtbaren Jura; 3. de Bliónevlakte; 4. de Vi estelijke JI id del-ge berg ten en 5. de Franse he Laagvlakte. Naar \'t Z. vormen de Pvreneën eene natuurlijke grens, die alleen in \'t W. en \'t O. passen heeft.

Door het Khónedal stroomt do Rhone met onstuimigen loop naar zee. Vandaar dat de rivier weinig steden aan hare oevers telt. Bij Lyon komt et-de Saóne in (kanaalverbinding van de Saóne met den Rijn). De Illume-delta is vruchtbaar doch moerassig; \'t is daarom ook niet te verwonderen, dat, ofschoon de Rhone en de Saóne met den Rijn een drukken verkeersweg dwars door Europa vormen, aan den mond der Rhöne geen groote handelsstad ligt. Marseille ligt er evenwel dichtbij. — Vergelijk ten opzichte van de monding ■de Rhóne met den Rijn on Marseille met . . . \'r

In \'t JS*. hangen de Fransche Middelgebergten samen met de gebergten

ocr page 80

ten W. van den Rijn: do Ardennen met den Eifel, hot Plateau van Lotharingen met de Vogezen. Verder naar \'t Z. vinden we het Plateau

van Langrea

ocr page 81

79

De Jliddelgebergten zijn door eene laagte, waardoor het Zuiderkanaal ia gegraven (verbinding van (iaronne en Middell.Zee!), van do Pyreneën gescheiden.

Door de Fransche Laagvlakte stroomen de Garonne, de Loire en de Seine. De Garonne komt van de Pyreneën en stroomt vervolgens door wijnnjke streken (Bordeaux-wijnen!) langs Bordeaux, als eene breede rivier, Girondej in zee. Ten Z. van de^en mond strekken zich langs de kust duinen uit, waarachter uitgestrekte heidevelden, die door moerassen en moertjes worden afgewisseld. De herders loopen hier op stelten, om hunne schapen beter te kunnen overzien, wanneer ze zich achter laag struikgewas hebben verscholen. Deze heidestreek is met het Iloogl, v. Auvergne het armste en minst bevolkte gedeelte van Frankrijk.

De vlakte langs de Loire behoort daarentegen tot de vruchtbaarste gedeelten van Frankrijk.

De Seine js in meer dan één opzicht de belangrijkste rivier des lands, daar zij met hare bijrivieren door de dichtst bevolkte gedeelten van Frankrijk stroomr , goed bevaarbaar is en met een breeden mond in het druk bevaren Kanaal uitstroomt, dat bijkans in de onmiddellijke nabijheid van de nijvere en handeldrijvende Germaansche staten is. Bovendien is de Seine door kanalen raet de Maas, den Rijn, de Rhone en de Loire verbonden.

xaar \'t In\', stroomen de Schelde en de Maas.

§ 62. !\\l i ma ut, Voortbrengselen, Bcziyhrden, Bevolking. In de Alpen en de Pyreneën is \'t klimaat ruw; er valt veel sneeuw en regen. Ook sommige gedeelten van de middelgebergten hebben oen vrij ruw klimaat. ZO.-Frankrijk Provence, heeft een aangenaam, warm klimaat; sommige plaatsen (o. a. Xizza) worden om redenen van gezondheid bezocht. De Fransche Laagvlakte heeft een gematigd klimaat.

Landbouw en veeteelt leveren in Frankr. tamelijk goede resultaten; aan ooftbouw (Xormandië) en vooral aan wijnbouw (Champagne, Bourgondië, de streken bij Bordeaux) wordt veel gedaan. Voor den handel ligt Fr. zeer gunstig (zie de kaarten van Europa en Frankrijk!) en zelfs bemoeilijken de gebergten het binnenlandsch verkeer dikwijls slechts weinig, daar op vele plaatsen (waar?) laagten tusschen de gebergten door gelegenheid tot het graven van kanalen hebben gegevep. Op n, gebied van de nijverheid is de Franschman bij uitstek te huis; hij heeft er gelegenheid bewijzen te leveren

ocr page 82

SO

van een helder verstand en een zuiveren smaak, \'t Is dus ook niet te verwonderen, dat hij vooral uitmunt, waar het weelde-artikelen betreft.

De Franschman is levendig, vroohjk, welgemanierd, eer- en roemzuchtig-, maar bij zijne vlugheid ook wel eens vluchtig; zijne vroolijkheid ontaardt soms in lichtzinnigheid.

§ 63. Plaalsbeschrijving. Parijs (X,.: mill. i., hoofdstad van Fr., in \'t midden van het noorden. Gunstige lig-mg aan de goed bevaarbare Seine, middelpunt van vele verkeerswegen, levendige handel en nijverheid. F*, is eene wereldstad en biedt alles aan, wat kunst en smaak, weelde en mode kunnen uitdenken. Prachtige gebouwen versieren straten en pleinen. De vroegere vestingwerken liggen nu binnen de stad en zijn in breede straten met groote huizen en fraaie rijen boomen veranderd). In de nabijheid Versailles met groote waterwerken, en Sèvres (porseleinfabr.). Verder aan de Seine Rouen (ruim 000 i-) met vele katoenfabr.

In \'t N. Kijsel of Lille 1^.000 i., fabr. voor wollen en linnen stoffen).

Aan de Loire: Orleans (njjverb\'idj en gt;\'antes (12Squot;ÜOO i., handel-

Aan de Garonne; Toulouse (IC^OOOi., fabrieken jen Bordeaux (2\'\'0000 i., wijnhandel).

Aan de Rhone: Lyon (4s\'gt;000 i., tweede stad van Fr., vele zijdefabr.). Zuidwestel. St. Etienae (1: 000 i., ijzerfabrieken).

Aan de Middell. Zee: Nizzn badplaats in schoone omgeving). Toulon (oorlogshaven), Marseille (^.icOOO i., derde stad des lands, veel handel, vooral op de Fransche bezittin,. Aigerië in Afrika en op de Levant).

\'■ tn den Arl. Oceaan; Brest en Cherbourg (oorlogshavens); Havre (11 00m i., invoer van ruwe katoen voor Rouen); Calais (overvaart naar Engeland).

Tot Fr. behoort het bergachtige eiland Corsica.

HET KONINKRIJK BELGIË.

S 64. Ijigging, Natuurlijke gesteldheid, Bevolkinff, Bezigheden, Grenzen. België bestaat uit laagland, bergland (Ardennen) en tusschenbeiden gelegen

ocr page 83

81

heuvelland. Plet laatste was reeds vroeg een doortóchtsland tusschen Nederl. «n Duitschland aan de eéne, Frankrijk aan de andere zijde; als een gevolg daarvan moeten wij het beschouwen, dat er vele veldslagen zijn geleverd /Voorbeelden?) De vlakte is \'t gebied der zeer bevaarbare Schelde; het bergland heeft de minder breede en sneller stroomende Maas (met Sambre en Ourthe). In de zeer dicht bevolkte vlakte is veel handel en nijverheid (geweven stoffen) en een dicht spoorwegnet, in het bergland veel nijverheid (metaalwaren), vooral in de schilderachtige dalen van Maas en Sambre, waar veel steenkool en ook ijzer wordt gevonden. De landbouw behoort natuurlijk het meest in do vlakte te huis; minder vruchtbaar zijn de zandige Kempen in de provinciën Antwerpen en Limburg. In de vlakte wordt hoofdzakelijk Ylaamsch (Nederlandsch), in het bergland Waalsch (Fransch) gesproken. De kust is, evenals de westkust van Holland, met duinen bezet; vandaar dat «r geen belangrijke handelssteden liggen; alleen Ostende. De voornaamste zeestad is echter Antwerpen, dat evenmin aan zee ligt als Amsterdam en Rotterdam.

§ 65. Plaatsbeschrijving. Brussel (400000 i., de prachtige hoofdstad van B., in de provincie Brabant, wel eens ..Klein Parijsquot; geheeten. Die naam kan echter alleen van de nieuwe stad gelden; het oude gedeelte heeft nauwe straten en vele fabrieken); Waterloo in de nabijheid. Aan de Schelde: Oent (140000 i., de hoofdstad van West-Vlaanderen, linnenfabrikatie, vroeger meer welvaart door lakenfabrieken dan nu, toch weer opgekomen). Veel meer achteruitgegaan is Brugge, de hoofdstad van Oost-Vlaanderen. Antwerpen (200000 i., zeer belangrijke handelsstad).

Aan de Maas: Namen en Luik (de laatste 135 000 i.), evenals de verder naar \'t \\V. gelegen steden Charleroi en Bergen (hoofdst. van Henegouwen) , zeer vele ijzer- en geschutgieterijen, messen- en geweerfabrieken.

Ten O. van Luik Verviers (lakeufabr.) en Spa (badpl.). — Aan zee Ostende (handel en zeebad).

i*. r. bos, Aardnjksk. Tc druk.

ocr page 84

HET KONINKRIJK GEOOÏ-BEITANN1Ë EX IERLAND.

§ 56. Ligginy. Ur.-Br. en lerl. is eene eilandengroep ten W. van \'t vastland van Europa en wel tegenover de monding van do noordelijke middel-landsche zee. De ligging is zeer gunstig in de nabijheid van de belangrijkste landen van Europa. Daarenboven is dit koninkrijk als \'t ware een voorpost, tegenover Amerika. Grenzen?

§ (gt;7. Natutuiijke gesteldheid, a. Oroot-Britannië is in \'t Z. en O. laag; de vruchtbare vlakte wordt evenwel afgebroken door heuvelrijen. In \'t ZW. het Bergland van Corn wall is, dat rijk is aan koper en tin en in kaap Landsend eindigt, verder noordelijk het Bergland van Wales (spr. uit „oe-eelzquot;), dat in \'t Z. veel kool en ijzer bevat, in \'t N. evenwel op zjjne kale heidevelden slechts eene arme bevolking kan voeden (schapenteelt!). In \'t midden en \'t N. hot Peak Geb. (spr. uit „piek geb\'\'), met zeer veel kool en ijzer. Veel kool wordt ook verder naar \'t N.O. gevonden in de omstreken van New-Castle (spr. uit „njoe-kesslquot;). Op de grenzen van Schotland verheft zich het Bergland van Zuid-Schotland, ten N. waarvan door diepe insnijdingen aun weerszijden de kusten in de ijzer- en kolenrijke en dichtbevolkte Schotsche Laaglanden elkander naderen. De groote helft van Schotland wordt ingenomen door de woeste Schotsche Hooglanden. De westkusten van rSchotl. zijn steil en diep ingesneden (fjorden). Ten W. liggen de Hebriden, ten de Orkaden en nog noordelijker de Shetlands Eilanden.

De Engelsche rivieren zijn natuurlijk niet lang, maar hebben geen snellen stroom, omdat de bergen niet hoog zijn, en breede mondingen. Is dat voor den handel van behing\'r De grootste rivier is de Theems.

b. Ierland is in \'t midden laag, vaak moerassig en rijk aan meren, die hun\' afvoer vinden in de Shannon (spr. uit „sjènn\'nquot;). Langs de kust liggen lage berggroepen, waarvan die in t ZW. bekend zijn ora hare schoonheid. Ook lerlands kusten zijn van fjorden voorzien.

ocr page 85

83

§ G8. Klimaat, Voortbrengselen, Bezigheden, Bevolking. Gr.-Igt;r. on lerl. heeft een zeeklimaat. Gevolgen daarvan zijn b.v., dat het vee in\'t zuiden menigmaal \'s winters buiten kan blijven, maar de druif er niet rijpt, üe hoeveelheid regen is natuurlijk aanzienlijk; dientengevolge vele f\'msohe weiden, vooral in Ierland, dat daarom wel het smaragd-eiland wordt genoemd.

Ofschoon landbouw en veeteelt met veel zorg en goed gevolg worden uitgeoefend, moet eene groote hoeveelheid voedingstoffen worden ingevoerd , wat niet te verwonderen is, als we weten, dat Engeland eene zeer dichte bevolking heeft, die zich voor een groot deel met handel, nijverheid en bergbouw bezighoudt.

De bergbouw levert zeer groote voordeden en verschaft onschatbare hulpbronnen voor de nijverheid. Vooral is het van grootbelang, dat ijzer en steenkool hier doorgaans bij elkander worden gevonden.

De nijverheid is zeer bloeiend: beroemd zijn de ijzer-, katoen-, wol- en linixenfabrieken. Sheffield (messen), Birmingham (spr. uit „biirmingëmquot;, allerlei ijzerwaren), Zuid-Wales (spoorstaven) zjjn de voornaamste middelpunten voor de ijzerindustrie; Manchester (spr. uit „mi\'-ntsjsterquot;) is met de omliggende plaatsen de hoofdstad van de katoenfabrikatie; Leeds (spr. uit „liedsquot;), Dundee fspr. uit „dundiequot;) en Belfast zijn de steden der groote wolfabrieken.

Een land, zoo gunstig gelegen, met zoo goede en vele middelen van verkeer, zoovele schatten uit het delfstoffenrijk, met zoo drukke nijverheid, zoo -Tooten ondernemingsgeest en zoovele hulpbronnen in zijne overzeesche bezittingen (Australië en het Kaapland leveren wol, Yoor-Indië katoen), moet een drukken handel, hebben, \'t Verwondert ons dan ook niet, dat Nederland de heerschappij ter zee aan Engeland heeft moeten afstaan.

Do Engelschen zijn bedaard, ondernemend, volhardend en trotsch op hun land en zijne instellingen. Do Schotten zijn voor een deel moedige bergbewoners. De Ieren leven meest in armoede.

§ lt;59. PlauUbeschrijviny. a. Engeland. Londen (4 mill. i.). De drukte quot;P de straten is onbeschrijfelijk. Onder de middelen van verkeer bekleeden de gedeeltelijk onderaardsche spoorwegen eene eerste plaats; aaneen \'ier stations in de stad komt gemiddeld iedere minuut een trein aan of vertrekt er een. In het westelijke einde der stad is de zetel van pracht en rijkdom ; het oosteljjke deel is de havenstad

0*

ocr page 86

84

1

B»-

I |

t

---—

*

ocr page 87

85

b. Schotland. De groote Schotsclie plaatsen liggen in de Laaglanden: Kdin-burg (250 ÜÜO i., lioofdst. tegen de rotsen aan gebouwd); (jlasgow (spr. uit „gloskoquot;, 520 UOü i., veel handel en nijverheid); Dundee (140000 i.; jute- en wolfabr.).

e. Ierland. Dublin (350 000 1., handel); Belfast (200000 i., linnenfabr.), Cork (vele slagerijen, die de schepen van vleesch voorzien).

In Europa behooren nog aan Engeland: het rotsachtige Helgoland, de Normandische eil., de vesting Gibraltar en het sterk bevolkte Malta.

HET KONINKRIJK DENEMARKEN.

^ 70. Denemarken, de Fai-Öcr en IJsland, (j ren zen? - Denemarken bestaat uit een schiereiland. Jutland, en verscheiden eilanden, waarvan Zeeland en Kun en de voornaamste zijn. Denem, deelt de noordelijke mid-dellandsche zee in twee deelen: Noord- en Oostzee, welke twee zeeën door Skagerrak, Kattegat, Sont, Groote en Kleine Belt verbonden zijn. De ligging aan eene verbinding van twee zeeën is natuurlijk gunstig. Van de drie laatstgenoemde doorgangen wordt de Sont het meest bevaren. Het vruchtbare Seeland is het voornaamste deel van het koninkrijk.

Denemarken is geen bergland. Door Jutland strekt zich het uiteinde van den Noordduitschen Landrug uit, eene weinig vruchtbare hooge zandstreek. De westkust van Denemarken is van duinen voorzien en dus havenloos. Door bet noorden van Jutland loopt een breed water, de Liimfjord. Het oosten van Jutland is vruchtbaar en de oostkust is rijk aan inhammen, waaraan slechts kleine steden liggen.

Denemarken heelt natuurlijk een zeeklimaat. De Denen zijn van Germaan-schen oorsprong.

Aan landbouw en veeteelt wordt in Denem. zeer veel gedaan, bovendien aan handel en zeevaart. De voornaamste handelsplaats is de hoofdstad Kopenhagen (280 000 i., mooie ligging in eene vruchtbare streek, waar korenvelden en beukenwouden elkaar afwisselen).

ocr page 88

86

Aan Denern. behooren de grasrijke Far-Öer (schapenteelt en vischvangst) en het afgelegen IJsland, een hoog, woest eiland. Bezigheden^zijn visch-vangst, veeteelt en verzameling van eiderdons. Bekend zijn de vulkaan Hek la en de groote geiser, eene heete springbron. In den laatsten tijd zijn vele Uslanders verhuisd naar liritsch Noord-Amerika. De bevolking is van Oer-niaanschen oorsprong en betrekkelijk goed ontwikkeld.

Di: KONINKRIJKKX XOüKWKCfKX EN ZWKDKN.

$ 71. I, A aliturlij/:r yestchlhcid. Het schiereiland Skandinavië liangt niet Rusland samen; voor *r overige heeft liet natuurlijke grenzen. Welke? \'t Is voor het grootste deel een ruw hoogland, dat van het (J. naar \'t W. in hoogte toeneemt en uit woeste hoogvlakten met diep ingesneden dalen bestaat, t Hoogst is dit bergland in het Z\\V., waar de ruwe hoogvlakten den naam dragen van fjelds (zie de kaart!); verder noordelijk heeten ze kjölen. In Lapland en 1-in mar kon neemt de hoogte van \'t bergland vrij wat af.

De rotsachtige bodem maakt, dat de westkust zeer vele vertakte en diep indringende inhammen heeft, fjorden geheeten, waar reeds vroeg vischvangst werd uitgeoefend, en zeeroovers gemakkelijk eene schuilplaats voor hunne vervolgers kouden vinden. Vischvangst en zeeroof waren dan ook reeds vroeg geliefkoosde bezigheden van de bekende Noormannen. \\ .»ór de fjorden liggen vele rotsachtige eilandjes, scheren geheeten, en in \'t noorden treffen we de Lofod-den (levertraan en de kabeljauw!) aan. Op het noordelijkste der Noorweegsche eilanden vinden we de Noord kaap.

Do ruwheid van \'t gebergte en de nauwe dalen maken de gemeenschap tusHchon de west- en de oostkust zeer moeilijk. Naar de lagere oostelijke kuststreek stroomen vele rivieren, die hier elf worden geheeten , o. a. de L u 1 e-e 1 f, de Anger m a n-e 1 f en de

ocr page 89

87

Ü a l-o If, die ook al, tengevolge van pen roteaehtigen bodem, vele watervallen vormen. Voor \'t verkeer zijn zo dus . . .? \'t Zuidel. deel van Zweden , liet vruchtbaarste van \'t schiereiland, ia grootendeels vlak. Hier vinden we drio groote meren: het Mülar-, het Wener- en het Wetter-Meer. Door het tweede stroomt de Klar-elf, die het als Ootha-Elt\' weer verlaat en bij ïrolhiitta nog watervallen vormt, welke een kanaal met vele sluizen noodzakelijk hebben gemaakt.

§ 72. Klimaat, Voortbrengselen, Bezigheden, Bevolkiny. Noorwegen heelt meer een zeeklimaat dan Zweden. Waardoor? De westkust van Noorwegen, vooral Bergen, behoort tot die streken van Europa , waar de meeste regen valt. Langs de westkust en in de beschutte dalen is \'t klimaat, de hooge breedte in aanmerking genomen , zacht. Hammerfest is de noordelijkste bewoonde plaats der aarde. In het N. van Zweden zijn de winters veel kouder dan in \'t van Xoorwegen. In het bergland is \'t klimaat ruw.

Hout (dennen) en ijzer zijn de hoofdvoortbrengselen, die dan ook, benovens visch (haring en kabeljauw), in groote hoeveelheid

ocr page 90

88

worden uitgeroerd. Alle plaatsen op de westkust houden zich met visch-vangst bezig. Onder het kleine getal fabrikaten nemen de Zweedsche lucifers eene eerste plaats in. Landbouw wordt hoofdzakelijk in het zuidelijke meer vlakke deel van Zweden uitgeoefend.

De bevolking is van Germaansohen oorsprong. In het bergland woont de bevolking verstrooid en moet de boer dus zijn eigen brood bakken, zijne eigen kleeren maken enz. Hier trekken onderwijzers rond van gaard tot gaard (— hofstede, boerenplaats). In \'t hooge noorden leven Finnen en Lappen, wier hoofdbezigheid rendierenteelt is.

Noorwegen en Zweden hebben een gemeenschappehjken koning, maar zijn voor \'t overige staatkundig geheel gescheiden.

S 73. Plaatsbeschrijving, a. Zweden. Stok holm (2 6 000 i., hoofdstad, mooie ligging aan en in het Maiarmeer, handel); (iotenburg (de tweede handelsstad); Danemora (ijzermijnen), Falun (kopermijnen), Sundsval (spr. uit „sundswalquot;, uitvoer van hout).

b. Noorwegen. Christiania (130 000 i., hoofdstad aan de Christiania-Fjordji Bergen (visch- en houthandel); ürontheim (gedeeltelijk houten huizen); Hammerfest (noordelijkste stad der aarde).

HET KEIZERRIJK RUSLAND.

§ 74. Liyrjing. R. beslaat de grootste helft van Europa, \'t Is het over-gangsland van West- en Middel-Europa naar Azië; \'t ligt aan de Noordelijke IJszee en aan drie binnenzeeën. Welke? — Grenzen\'r

§ 75. Natuurlijke gesteldheid. In hoofdzaak is K. ééne groote vlakte, grootendeels laagvlakte, aan de oostzijde door den Oeral, aan den zuidoostkant door den veel hoogeren Kaukasus begrensd. We beginnen onze beschouwing van \'t land met den Oeral. Dit is een niet zeer hoog gebergte, dat we in drie deelon splitsen, den Woudrijken, den Ertsrijken en den Woesten Oeral. Deze namen spreken voor zich zelven. De grens van Europ. Rusl. wordt ten deele ten 0. van \'t gebergte getrokken, waardoor de-

ocr page 91

89

bergbouwdistricten van den Oeral nog bij Europa worden gebracht. Bij Jekate-rinenburg ia eene laagte in \'t gebergte, waardoor een weg, tegenwoordig spoorweg, uit Aziatiscb naar Europ. Rusl. leidt. De Kaukasus loopt van de Straat v. Kertsj naar do Kaspische Zee. Enkele toppen verheffen zich even

hoog of hooger dan de hoogste , ^__^ s=====s3======. Alpentoppen. Ten O. van dt\'n

V.v \' __Kasbek leiilt een ]gt;as uit Azië

jy

naar zuidoostel. Rusland.

De groote Russische Laagvlakte strekt zich van de Xoordcl. IJszee tot de . Zwarte Zee uit. In liet uiterste noorden treffen we toendra\'s aan, bevroren mossteppen, waar de Samojeden hunne ren-dieren weiden. Daarop volgen verbazend groote dennenwou-Sumojeed in eene rendierslede. den tot op den Jlt; o o r d e-

lijken Landrug, die het ontstaan aan de bronrivieren van de Dwina geeft, Tusschen den Xoordel. Landrug en do Waldaï-Hoogte is eene laagte, waardoor de verkeerswegen loopen tusschen Wolga en Newa. Met de Waldaï-Hoogto hangt het Centrale Plateau of de Duna-Donsche Landrug samen, terwijl deze in het Z. in de Zuidrussisohe Plateau\'s overgaat. Ten , van de Waldaï-Hoogten verheft zich de Westrussische Landrug, waardoor de Duna breekt, en die in den Noordduitschen Landrug zjjne voortzetting vindt. Langs den noordkant der Zuidrussische Plateau\'s vinden wij de vruchtbare korenrijke streek der Zwarte Aarde. Ten \\V. van het Centrale Plateau zijn in het gebied van de Dnjepr uitgestrekte moerassen, waarvan men tegenwoordig het water begint af te voeren, ora ze in bruikbaar land te veranderen. Ten N. van het Centrale Plateau ligt het Centrale Bekken, waar betrekkeljjk veel nijverheid wordt uitgeoefend.

De Russische rivieren, die tot het /.wartezee-gebied behooren, breken alle met stroomversnellingen door de Zuidelijke Plateau\'s en stroomen met breedo maar verzandende monden in zee. Langs de noordkust der Zwarte Zee treffen we steppen aan, waar veeteelt natuurlijk hoofdbezigheid is. Tusschen de

ocr page 92

ÖO

Zuidel. Plateau\'s en den Kaukasus is eeno laagte, die de steppen van de Zwarte Zeo met de zeer laag liggende Kaspische Zoutsteppen verbindt. Hier is het zoutrjjke Elton Meer. In \'t gt;\'\\V. des lands moeten we nog noemen het Rota- en Meren plateau van Finland, ten ZO. daarvan het Ladoga- (half zoo groot als Nederl.) en het Onéga-Meer, welker water door de Newa wordt afgevoerd.

Vooral de Wol ga, de grootste rivier van Europa, brengt raet hare groote bijrivieren. Oka en Karna, verbinding tusschen ver van elkaar verwijderde ïtreken tot stand. Bovendien hebben de Russen vele kanalen gegraven, die aan do scheepsvaart goede diensten bewijzen. Vergeten we echter niet, dat de bevaarbaarheid der Russische wateren zeer beperkt wordt door den langen winter, en dat de Dnjopr, de Boeg en de Dnjestr zich met moeite een\' weg banen door de plateau\'s van het zuiden, stroomversnellingen vormen en ondiepe mondingen hebben.

S 76. Klimaat, Voortbrengselen, Beziy/ie\'len, Bevolking. R. heeft natuurlijk een vastlandsklimaat. — Dus . .? üat ondervond Xapoleon 1 tot zijne schade; dat ondervindt tegenwoordig nog de scheepvaart op de Russische wateren. In \'t noorden, langs de Xoordel. IJszee, heerscht groote koude; op de zuidkust van de Krim heeft men des zomers eene Italiaansche warmte.

R. levert veel hout, koren, hennep, vlas, pelsdieren, huiden, wol en talk. Uit wat boven reeds is gezegd, kan worden opgemaakt, in welke streken des lands we ieder dezer voortbrengselen moeten zoeken. De Russische handel heeft met zeer groote moeilijkheden te strjjden , nl. de verbazende groote afstanden en de strenge en lange winters. Om beide zooveel mogelijk te overwinnen, heeft men in de laatste jaren vele spoorwegen aangelegd. Dat men evenwel in R. niet zoo spoedig een dicht net van spoorwegen kan krijgen als bij ons, leert ons eort^blik op de kaart van Europa. Vergelijk b.v. maar eens den afstand van Groningen tot Maastricht met dien van .Moskou tot Petersburg, of met dien van Archangel tot de Krim. In \'t oostelijke deel van Rusland wordt nog karavaanhandel gedreven. Een en ander maakt het ons duidelijk, waarom de missen of groote jaarmarkten in K. de voornaamste gelegenheden zijn , waar de handelaren samenkomen.

ocr page 93

IM

Du nijverheid i3 in R. niet sterk ontwikkeld.

■■--1 ■ M .

M\'

Boven merkten we op , dat R. liet overgangs-land is van West- en Middel-Europa naar Azië. Dit geldt niet alleen van de ligging, maar ook van handel en nij-iquot; verheid. R. ■S levert aan S West- en Mid-J: del-Europa _ groote massa s vu ruwe produc-S ten en voe-5 dingstolfen. ^ terwijl het ^ tevens de — markt is voor vele voortbrengselen van Azië; omgekeerd echter ontvangt U. van West- en

Middel-Eu-ropa vele bewerkte stoffen, terwijl zijne eigene fabrie

ken hoofd/.ukelijk voor eigen gebruik en voor Azië werken.

ocr page 94

De bevolking- van R. is niet zeer dicht. Ze bestaat grootendeels uit vele Slavische stammen. Bovendien wonen er eenige duizenden Duitschers in de Oostzee-provinciën, Samojeden in \'t XO., Lappen in \'t X\\V., Kalniukken tussehen beneden-Don en beneden-Welga, terwijl de zwervende Kirghiezen hunne tenten van dierenhuiden ook nog ten W. van de rivier Oeral opslaan. De volksontwikkeling is niet groot. Tot 1863 waren bjjna alle boeren nog lijfeigenen. De heerschende godsdienst is de Orieksch-Katholieke, en de Russen erkennen den Tsaar als hoofd der kerk.

§ TT. Flaatsbeschrijcing. St.-Petersburg, •amp;3Ü-000 i., is door Peter den Orooten juist daar gesticht, om Rusland eene poort van gemeenschap met West-Europa te verschaffen. De stad is ruim en regelmatig gebouwd en heeft veel handel. Vóór de stad, op een eilandje,, de vesting Kroonstad. Verder aan de Oostzee de handelsstad Riga ft-tö 000 i., uitvoer van hout, koren, lijnzaad en hennep), Warschau (amp;ö 000 i., hoofdstad van het vroegere koninkrijk Polen;. Aan de Zwarte Zee is Odessa (2T0 000 i.) de grootste handelsstad, die nu de voordeden van het Sueskanaal geniet. Aan den mond der Wolga de handelsstad Astrakan. Verder stroomop ]S\'i ezj ni-X o vgo-rod, bekend door hare groote missen, waarop eenige honderdduizenden men-schen uit Azië en Europa waren koopen en verkoopen; de invoer van thee uit China is verminderd sedert de opening van het Sueskanaal. In \'t midden des rijks de oude hoofdstad Moskou (töOOOO i.), de voornaamste fabriekstad; veel handel; met K i\'j o v (12TOOO i.) de stad van kerken en kloosters. Aan de Witte Zee de handelsstad Archangel.

DE KOXIXKRMKEX SPAJf.JK EN PORTUGAL.

§ T8. Lii/ijinj, yutuurlijke lt;1 eHteldheid. Het Pyreneesche Schiereiland is alleen met frankrijk verbonden, maar die verbinding staat bijna gelijk met eene scheiding, daar de Pyrenoën niet gemakkelijk zijn over te trekken.

ocr page 95

93

Van Afrika is liet gescheiden door de smalle Straat van Gibraltar. I)e ééne zijde van \'t schiereiland is naar de Middell. Zee, de andere naar den Atl. Oceaan gekeerd.

De omtrek is weinig geleed. Bijna \'t gelieele schiereiland is hoogland. Het midden wordt ingenomen door de Castilisohe Hoogvlakte, die door het Casti-lisch S oh ei d ingsgeb er g t e in de Hoogvl. van Leon en Oud-Casti-1 i ii en die van Ni eu w-C as t i 1 i ë wordt verdeeld. Op den noordrand der

noordelijke hoogvl. vinden wo het woeste Cantabrische Gebergte; op den zuidrand van liet zuidelijke hoogland is het A n d a 1 u s i sclie Oebergte^ waarvan de betrekkelijk woudrijke Sierra Mo re na een deel is. Naar het oosten vormt het Iberische Bronnenland den rand. ïen Z. van het An-

ocr page 96

94

dalusische üeb. troffen wjj de An dal u si sche Laagvlakte aan; bjj den Ebro ligt de niet heel vruchtbare Vlakte van Arragon, ten X. waarvan de steile Pyreneën zich verheffen. In do oostelijke helft van dit gebergte ligt de oude republiek Andorra. In \'tZ., langs de Middellandsche Zee, de hooge Sierra Xevada (— sneeuwgebergte).

De rivieren munten niet uit door bevaarbaarheid; vier groote (welke?) stroomen naar den oceaan, de Ebro zendt hour water naar de Middellandsche Zee.

S 7!». Klimudt, Voortbrengselei), Beziyhcden, Bevolking. De hoogvlakte heeft door hare hooge ligging een vastlandsklimaat; heete zomers en koude winters, warme dagen en kouiie nachten, en bovendien weinig regen. Op de westkust van Portugal valt veel regen. Langs,de Middellandsche Zee heerseht over \'t algemeen eene hooge temperatuur.

De dorre hoogvlakte brengt natuurlijk weinig voort, maar levert voedsel aan groote kudden merinoschapen; de zuidelijke en oostelijke streken van Spanje daarentegen leveren, kunstmatig besproeid, rijke oogsten. Wijn en zuidvruchten behooren mede tot de hoofdvoortbrengselen. In \'t 0 wordt veel gedaan aan zijdeteelt. Ofschoon de bodem veel delfstoffen bevat, wordt door de bewoners des lands de bergbouw verwaarloosd.

De Spanjaard heeft oen overdreven gevoel van eigenwaarde, en de ernstige trots die hem bezielt, belet hem menigmaal te zien, hoeveel hij bij andere volken nog in ontwikkeling ten achteren is. De stierengevechten zijn nog altijd geliefkoosde volksvermakelijkheden.

§ SO. PldUtsbéschTtjving. 1 - Spanje. Madrid (^JOOOO i-, hoofdst. raidden op de hoogvlakte). Toledo (wapensmederijen). Almadén (kwikmijnen). Córdova (prachtige omgeving), S e v i 11 a (spr. uit „Sevieljaquot;, met groote sigarenfabrieken, in eene korenrijke vlakte: 134*000 i.), Granada (in de nabijheid de ruïnen van het Alhainbra^ het paleis iler Moorache vorsten I. Aan de kust C ad i /. (handel op de Spaan-sche koloniën), Oi brult ar (sterke vesting, Kngelsche bezitting), .Malaga (wijn t-n vjjgen), Alicante (havenstad voor Madrid); Valencia (150000 i.^ zijde-industrie); Uarcelona (\'250000 i., veel handel en nijverheid).

h. Portugal. Lissabon (270 000 i., de schoone, handeldrijvende hoofdstad), Oporto (wijnhandel, 100 000 i.).

ocr page 97

In de Middellandsehe Zee liggen de aan Spanje behoorende Pi thy user» en Balearen.

HET KONINKRIJK ITALIË.

§ 81. Ligginy. Het Apennijnsche Schiereiland ligt in het midden der Middellandsche Zee; die ligging, gevoegd bij den krijgsbaftigen aard der oude Romeinen, maakte, dat deze achtereenvolgens alle landen rondom de Middellandsche Zee konden veroveren. Evenals bij Spanje \'t geval is, ligt ook hier een hooggebergte ten X. des lands; do Alpen hebben echter vele passen, die tegenwoordig de gemeenschap met Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk gemakkelijk maken. — Grenzen ?

§ 82. Xatuurlijk\'- gesteldheid, \'t Koninkrijk Italië bestaat uit het Apennijnsche Schiereiland en de vruchtbare, dichtbevolkte Povlakte, welker water naar \'t O. wordt afgevoerd door de I\'o met hare bijrivieren. Deze rivier stroomt, evenals de meeste Kederlandscho rivieren, in haren benedon-loop tusscben dijken door, en evenals bij ons zien wo ook daar het verschijnsel, dat de waterspiegel hooger staat dan het bijgelegen land. (Denk bij de verklaring hiervan aan de slib, die de rivier meevoert}. Ten X. van de Podelta mondt de Adige (Duitsch: Etsch) uit.

Het eigenlijke schiereiland wordt door do holenrijko Apennijnen doorsneden, die beginnen bjj do Col di Ten da, eerst langs de kust strijken, om die daarna te verlaten en ruimte aan twee rivieren, Arno en Tiber, te geven, om naar de westkust te stroomen. Spoedig daarop vertakken ze zich en vormen het ruwe, holenrijko bergland der Abruzzen, waar de reiziger nog altjjd niet geheel veilig is voor roovers. In \'t woeste schiereiland Oalabrie eindigen ze schijnbaar, maar zetten zich op Sicilië voort. Het schiereiland Apulië is minder hoog dan Oalabrië. Tusscben de twee schiereilanden dringt de Golf\' van Tarente binnen. Ten quot;\\V. van de Apen-

ocr page 98

96

§ 83. Klimaat, Voortbrengselen, Bezigheden, Bevolking. Het Apennijnsche Schiereiland is smaller dan \'t Py-reneesche en heeft

dientengevolge meer een zeeklimaat ; de Po-vlakte heeft evenwel een vastiands-klitnaat. Aan den zuidvoet der Alpen valt veel regen, vandaar dat er vele rivieren ontspringen. De temperatuur is in Italië vrij hoog: in \'t zuiden is

ocr page 99

97

De waterrijke Povlakte levert veel rijst, wijn en zijde. Bij Genua groeien olijt\'boomen; daar, zoowel aU verder zuidelijk, wassen nog vele andere zuidvruchten. In de bergstreken, in de moerassen en in Apulië wordt aan veeteelt gedaan. Uit het delfstoffenrijk levert Italië marmer (bij Carrara), ijzer (op Elba) en veel zwavel (bij de vulkanen).

Onder de bezigheden komen verder vooral in aanmerking de zijde-industrie in de Povlakte en de stroovlechtenj van ïoskane. Yóór de ontdekking van den zeeweg naar Oost-Indië was Italië het verbindende lid voor den handel van Azië en Europa. Maar de wereldhandel verplaatste zich naar \'t Pyre-neesche Schiereiland, later naar Nederland en Engeland. Italiës handel verviel, maar is in den lateren tijd, na de opening van het Sueskanaal, weder tot bloei gekomen.

De Italiaan is levendig en geestig, heeft zin voor het sohoone in natuur en kunst, maar is voor het overige weinig ontwikkeld.

550

§ 84. Plaatsheschrijviny. In de stedennjke Povlakte: Turijn (250.000 i., spoorwegverbinding met Lyon door den Mont-Cenistunnel); Milaan (•^ï\'tOOO i., handel); Venetië ( ^000 i., eene eilandenstad, waar het verkeer hoofdzakelijk met gondels plaats heeft, veel handel). ^

Op het Apennijnsohe Schiereiland; Gre^nua (iSÖ 000 L, schoone liggiug, handel, o. a. in olijfolie); Florence (?Stl000 i., schoone ligging, groote kunstverzamelingen); Home (SÓii-OÜO i., hoofdstad met zeer vele historische herinneringen: bouwvaUen van tempels en paleizen; op het Vaticaan zetelt de lJaus); Xapels (^SiitfciiOO i., zeer schoone ligging, handel); ten Z. van den Vesuvius het verwoeste, maar gedeeltelijk opgegraven Pompeji); Brindisi (opkomende stad, waarover de kortste overlandweg naar Oost-Indië gaat), Ancóna (met de vorige de belangrijkste handelsstad op de oostkust van \'t schiereiland); Bologna Jmet eene zeer oude iioogeschool, lÜOOOO i.).

Op Sicilië Palermo (ItuS 000 i., handel) en Messina (126000 i., sinaasappelen).

Sardinië is sterk achteruitgegaan en heeft geene enkele belangrijke srad.

Het dichtbevolkte Malta met de hoofdstad Valetta, is eene Engelsche bezitting.

^ \\ \' \\ \\A ■ ^ fl öfl : -*/1/3.

i*. r. hos , Aardri/ksh. 7e\' druk.

ocr page 100

98

DE STATEN VAN HET BALKAN-SCHIER EILAND.

§ 85. Ligging. Het Balkan-Schiereiland is slechts door smalle wateren (welke?) van Azië gescheiden. Door zijne ligging komt het meer met Oost- en Zuid-Europa en met de Levant in aanraking dan met West-, Middel- en Noord-Europa.

§ 86. Natuurlijke gesteldheid. Evenals de beide andere zuideljjke schiereilanden is ook het Balkan-Schiereiland grootendeels hoogland, evenwel meer bergland dan hoogvlakte. De kleinere westbelft vormt eene voortzetting van de Oostenrijksche Karstgebergten. Evenals daar vindt men hier woeste, sterk verweerde berglandschappen met verdwijnende rivieren en meren, die soms over-vuld zijn, dan weer moerassen vormen. Het zijn de gebergten van Bosnië, Montenegro, Albanië en Griekenland. De voornaamste gebergten van de oosthelft zijn de Sjar-dagb, de I\'indus, de groep van den Olympus, de woudrijke Des pot o-Da gh en de Balkan (— dagh = gebergte).

Evenals ten N. van het hoogland in de beide andere zuidel. schiereilanden wordt ook hier ten N. van \'tbergland eene laagvlakte aangetroli\'en, nl. de vruchtbare quot;SValachjjsche Laagvlakte, waardoor de Donau naar de Zwarte Zee loopt, en die zich tot aan den voet der T ranss ylvaansc he Alpen voortzet.

Het schiereiland is in \'t N. zeer breed, maar vertakt zich naar\'tZ. in steeds toenemende mate. In Griekenland bereikt die vertakking het toppunt. Morea is door de landengte van Korinthe (waardoor nu een kanaal \'PMÜ gegraven) met Roemelia of Livadiö verbonden. In den Griekschen Archipel liggen de Cycladen als voortzettingen van de Grieksche schiereilanden. Ten O. van Roemelia het langwerpige eiland Negropont. In \'tZ. het eiland Kreta of Can dia, dat aan Turkije behoort. Ten \\V. van Griekenland de .Ionische Eilanden, die veel krenten leveren.

Behalve de Donau en de Save munten de rivieren van dit deel van Europa niet uit door bevaarbaarheid. De grootste er van is de Maritza.

gt; ST. A liiii\'ial, l\'ooi tbmii/selen. Hezigheden, Bevolking. Ten N. van den Balkan heerscht het vastlandsklimaat van Oost-Europa met vrij koude winters, ten Z. daarvan treilen we in de dalen en vlakten het warme klimaat en de voortbrengselen van Zuid-Europa aan. \\S\'ie b. v. op het hoogste punt van den Sjibkapas staat, zset aan de ééne zijde een geheel Oosteuropeesch, aan

ocr page 101

99

de andere zijde een Zuideuropeesch landschap. Ten N. van den Ualkiin zijn korenbouw (Roemenië levert zeer veel koren!) en veeteelt hoofdhezigbeden; ten Z. daarvan wordt in de laagten rijst verbouwd; in bet dal der Maritza zijn do beroemde rozentuinen, waar de ingezamelde bloemen en bloemknoppen

voor \'t maken van rozenolie moeten dienen. Verder worden wijn, katoen (bij de Vardar) en zuidvruchten aangekweekt. Paros levert marmer.

De nijverheid was vroeger van veel meer belang dan nu: ook de handel is

ocr page 102

100

achteruitgegaan, vooral die van Griekenland; dit laatste landje spant zich tegenwoordig echter behoorlijk in om vooruit te komen.

Van dien achteruitgang hebben de \'l urken hoofdzakelijk de schuld, die in 1453 het land veroverden en zich vijandig toonen tegen de Westersche beschaving. Zij onderdrukten de andere bewoners, als Grieken, Serviërs, Koemenen, en wisten tot voor korten tijd, ofschoon slechts de kleinste helft der bevolking uitmakende, de heerschappij te handhaven.

§ 88. Plaatsbcschrijvinf/. a, Turkije. IConstan t i nope l (Jt^ö UOOi., hoofdstad , zetel van den sultan , groote handel, prachtige ligging, maar inwendig onzindelijk); Adrianopel (handel en nijverheid); Gallipoli en Saloniki (handel).

U. Koe menuquot;, d. i. Moldavië en Walachije met het steppen land Dobroedsja. Boekarest (hoofdstad, aefci 000 i.); Gal at s (handel in koren).

c. Servië. Belgrado.

Montenegro (een woest bergland). Taettienje.

Boelgarije. I irnova (oude hoofdstad). Sofia (tegenwoordige hoofdstad, handelsstad in \'t bergland aan den weg van Ivonstantinopel naar lgt;elgr«\'ido); Ph i 1 i pp op e 1, in Oost-Koemelië, (zijde en rozenolie).

/\' Griekenland. Athene (hoofdst. met vele bouwvallen uit den ouden tij_d).

III. DE \\VKREL1JDEKLKN KN DE WEKKLDZEEKN.

ij S0. De Aardoppervlakte bestaat voor 1 , uit land, \'t welk zoodanig verdeeld is, dat het noordeljjke halfrond meer dan het zuidelijke, het oostelijke meer dan het westelijke bevat. Het reeds beschouwde werelddeel Europa behoort tot de groote landmassa, die op het, oostelijke halfrond ligt, on vormt met de werelddeelen A /.it\' eii A frika «\'\'\'n gcjheel, de zoogenaamde Oude Wereld. Ten ZO. daarvan ligt A ustralii\'. dat met Amerika, \'t welk op het westelijke halfrond zich uitstrekt, lt;!lt;» Nieuwe Wereld vormt, zoogeheeten, omdat deze deelen der aarde eerst later in de wereldgeschiedenis en het wereldverkeer zijn opgetreden.

S •♦0. hf \\\\ crehlzeeën. De groote samenhangende watermassa der aarde wordt verdeeld in o oceanen: lt;le Noordelijke IJszee, den Atlantisch en Oceaan, den G r o o t e n Oceaan, den I n d i s c h e n Oceaan en de Z u i d e-1 ij k e IJ s z ee.

ocr page 103

101

1. De Noordelijke IJszee lieoft linre zuidgrenzen in de noordkusten van Azië, Europa en Amerika en voor \'t overige in den noordpoolcirkel. Mot dim (irooten Oceaan staat zij in gemeenschap door de Beringsstraat, met den Atlant. Oceaan door eeno breede ruimte tusschen Europa en Amerika.

2. De Atlantische Oceaan vormt eene breede straat tusschen Amerika aan den eenen , en Europa en Afrika aan den anderen kant. In\'t Z. strekt deze oceaan zich tot de Zuidelijke, in \'t N. tot do Noordelijke IJszee uit.

3. De Oroote Oceaan beslaat \'/s van (le oppervl. der aarde en beeft onder den aequator eene breedte van den balven aardomtrek. Naar \'t -X. wordt hij smaller en staat door do Beringsstraat met de Noordel. IJszee in verbinding. Do zuidgrens wordt door den zuidpoolcirkel gevormd.

-t. De I ndische Oceaan wordt door Azië, Afrika, het vastland Australië en de Zuidel. IJszee begrensd.

5. Inde Zuidelijke IJszee, die tot grens heeft den zuidpoolcirkel, liggen waarschijnlijk vele eilanden; een vastland toch heeft men er nog niet ontdekt.

Vormden de oceanen vóór het begin dor nieuwe geschiedenis schijnbaar onoverkomelijke hinderpalen voor \'t verkeer, nu is dat geheel anders. Zeilschepen en stoombooten toch bevaren langs vaste wegen do zee. Natuurlijk wordt de Atlantische^ Oceaan, en vooral het noordelijke deel daarvan, bet drukst bevaren, \'t Mintt bezocht is de Zuidelijke. IJszee, die dan ook het meest afgelegen is.

8 91. De Werelddeelen zijn eveneens in getal: Europa, Azië, Afrika, Amerika en A u s t r a 1 i ë.

Twee daarvan verdoelen zich naar \'t Z. in drie schiereilanden, twee andere loopen naar \'t Z. in eeno spits uit; het vijfde bestaat uit het kleinte der vastlanden en eeno menigte kleine eilanden. Afrika heeft den moest massieven vorm, daar hot zeer weinig inhammen vertoont. Eene volkomen tegenstelling met Afrika vormt Europa, dat de grootste kustontwikkoling heelt, een go-volg van de vele en diepe insnijdingen, die do zeo in het land maakt, en van de vele eilanden, die hot bozit. \\ziö heeft veel overeenkomst met Europa, wat den bouw der loden betreft, maar de veel grootore oppervlakte, die door don romp wordt ingenomen, doet de kustontwikkoling en daarmede den wol-dadigen invloed, dien do zee op het klimaat, do voortbrengselen en de bevolking kan hebben, van minder belang zijn dan bij Europa \'r geval is.

ocr page 104

102

Amerika bezit den slunksten vorm door zijne jjrootc uitbreiding in de richting der meridianen. Eene smalle landengte vereenigt de beide doelen, waaruit dit werelddeel bestaat. Australië behoort met Zuid-Aineriku en Afrika tot de streken der aarde, die het verst van de gewesten, waar de beschaving\'t meest ontwikkeld is, afliggen. Dit nadeel wordt echter minder groot, naarmate het verkeer ter zee zich uitbreidt.

Europa ligt in de noordelijke gematigde luchtstreek en slechts voor een zeer klein deel in de noordelijke koude. Azië strekt zich in dezelfde zonen uit en bovendien nog in de hcete. Afrika behoort grootendeels tot het gebied der heete luchtstreek, terwijl slechts kleinere deelen in de beide gematigde luchtstreken liggen. Australië ligt verspreid in de noordelijke gematigde, de heete en de zuidelijke gematigde luchtstreek. Amerika ligt ten gevolge van zijn gerekten vorm in vier zonen: de noordelijke koude, de beide gematigde en de heete.

IV. A Z I Ë.

S 1(2. Grenzen ? Natuurlijke gesteldheid, liet kolossale Azië strekt zijne meeste schiereilanden naar \'t Z. en \'t O. uit. Aan die zijden vindt men ook de meeste eilanden. \'t Werelddeel bestaat vooreerst uit twee hooglanden, nl. het kleinere en lagere Vooraziatische, dat door den H i ndoe-Ko h met bet grooteenhoogere A c b-teraziatische wordt verbonden. Het middelste gedeelte van die twee hooglanden is ver van de zee verwijderd; men vindt dan ook in 1\'erziëen op het Achter-aziatische Hoogland woestijnen, op het laatste de Gob i. Deze woestijnen worden bewoond door roovers. De handel is hier natuurlijk karavaanhandel. Men vindt hier vele steppenrivieren, d. z. stroompjes, die soms uitdrogen en in een meer of een moeras uitloopen. Steppenrivieren wijzen den weg niet naar zee. Dat de volken, die steppen en woestijnen bewonen, geen zeevarende volken zijn geworden, behoeft ons dus niet te verwonderen.

De beide groote hooglanden worden omzoomd door randgebergten, waarvan de voornaamste zijn; do Himalaja (m woning der eeuwige sneeuw), het hoogste gebergte der aarde, met den Mount Kverest (8840 M.), den boog-sten top der aarde; do Altai en het Daoerisch Alpenland, beide zeer metaalrjjke gebergten. .Naar bet O. slaat het Achteraziatische Hoogland in

ocr page 105

103

verbinding raet het Alpenland van Mantsj oenje, het Ohineesche Alpenland en het Bergland van Ac h t er-In d ië.

Ten N. van het Achteraziat. lloogl. strekt zich de groote Siberische Laagvlakte uit, die in \'t Z. rijk aan koren, in \'t midden rijk aan wouden en pelsdieren is, maar in \'t N. uit bevroren mosstejipen, toendra\'s, bestaat. Jsaar \'t N. stroomen drie groote rivieren: Ob, Jenisséï en Lena. Ten W. van hetzelfde hoogland vinden we het Toeransche Laagland, dat zeer geschikt is voor \'t nomadenleven, doch daar waar het land door eene rivier of kunstmatig besproeid wordt, goede landbouwproducten levert. Hier vinden wij het Aralmeer, waarin de Syr en de A moe uitstroomen. Ten O. van het Chineesche Alpenland is de zeer vruchtbare, volkrijke Chineesche Laagvlakte aan de oevers van den benedenloop van Hoang-ho en Jang-tse-kiang. Ten Z. van den Himalaja ligt, evenals ten Z. van de Europee-scne Alpen, eene beschutte, vruchtbare en dichtbevolkte vlakte, de Ganges-Laagvlakte, en ten Z. van deze het Plateau van Dekan. Van den Himalaja stroomen Ganges en Brahmapoetra met eene delta in de golf van Bengalen uit, terwijl de Indus naar de Perzische Zee stroomt.

Het Vooraziatische Hoogl. wordt door de Sy risch-Arabische Laagvl., waardoor de tweelingstroomen Euphraat en Tigris naar de parelrijke Perzische Golf hun\' weg vinden, van het dorre Arabische Hoogland gescheiden.

Het westel. deel van \'t Vooraziat Hoogl. dmagt den naam van Kleinazia-tisch Hoogland, het oostelijke dien van Plateau van Iran.

§ 93. Aziatisch Rusland. Dit verbazend groote gebied bestaat uit;

a. Siberië, waarheen de Russen het eerst zijn gelokt door de pelsdieren, en waarheen ze nu staatsmisdadigers verbannen. De bevolking is natuurlijk zeer dun. In \'t Z. zijn landbouw en veeteelt, in den Altai en het Daoerisch Alpenland is bergbouw de hoofdbezigheid; verder naar t N. jacht op pels-tlieren, langs de rivieren vischvangst.

De plaatsen vindt men meest in t Z.: Kjachta (handelsplaats aan de Chineesche grenzen; ten N. daarvan net Baikal Meer), Barnaul (in de mijndistricten van den Altai\'), Tobolsk (pelshandel), Jakoetsk (handel in mammoetstanden, die in de toendra\'s worden gevonden).

I\'. Toe ran of Turkestan raet de hamlelsstad K hok and. Het voor

ocr page 106

m

104

Si 84. Het Chineesche /\'ijl: bestaat voor \'t grootste dool uit het Hoogl. van Achter-Azië, dat geheel een vastlandsklimaat beeft. In de woestijn Gobi treedt het karakter van vastlandsklimaat hot sterkst op den voorgrond. Kene sterke tegenstelling met de (iobi maakt de zeer vruchtbare Chineesche Laagvlakte. Zquot; ) dicht is hier de bevolking, dat ze zelfs op vlotten op de rivieren woont. In de groote steden heef: men tuinen op vlotten aangelegd. De Chinees is in de eerste plaats landbouwer: hij gebruikt ieder vruchtbaar plekje en leidt het

è

ocr page 107

105

ocr page 108

1 OH

voortbrengselen 13 de thee. De Chinees is zeer vlijtig en spaarzaam, zoowel in zijn land als in het buitenland, waarheen zich velen begeven, om door ingespannen arbeid zoo spoedig mogelijk rijk te worden. Vele takken van nijverheid worden met goed gevolg beoefend, als \'t vervaardigen van zijden stoffen, porcelein, lakwerk en papieren voorwerpen. Reeds vroeg zjjn zij tot eene betrekkelijk hooge ontwikkeling gekomen, maar ze hebben zich lang tegen quot;VVesterschen invloed verzet. Eerst in den laatsten tijd is daarin cenige verandering gekomen, nu steeds meer havens voor \'t verkeer met het buitenland worden geopend en telegraaflijnen worden gespannen.

Peking, de groote hoofdstad, met 500000 i. banking (450000 i.). Sjanghai met 350 000 i.. Kanton en A ra o y (groote handelssteden). Niet ver van Kanton, met misschien , mill, i., de handeldrijvende Engelsche bezitting Hongkong en het minder bloeiende Portugeesche Macao.

§ 95. Jiijian is een eilandenrijk. Zoo sterk zich de Chineezen tot nu toe tegen den VTesterschen invloed ver/.etten, even begeerig zijn de .lapaneezen naar \\\\ estersche beschaving en wetenschap.

Tokio of Je do (900 000 i.) en Kioto of Miako (250000 i.) zijn de grootste steden. Jokohama heeft stoombootvaart op Sjanghai en op Amerika. Bij Nagasaki ligt het eilandje Decima, dar in onze geschiedenis bekend is.

§ 96. Aziatisch Turkije bestaat uit Ivlein-Aziö, het gebied van Euphraat en Tigris, Syrië (d. i. de landstreek langs de Middellandsche Zee) en de westelijke strook van Arabië. Het grootste deel van Klein-Azië is weinig vruchtbaar; het Mesopotamië tusschen Euphraat en Tigris daarentegen heeft vruchtbare weiden. In het vroeger zoo vruchtbare, Een Chinees. maar nu verwaarloosde Palestina, dat

een deel van Syrië uitmaakt, stroomt de bekende Jordaan in de Doode Zee

ocr page 109

107

uit. Het zuiden van Arabies westkust is zeer vruchtbaar. Aziatisch I urkije is onder de heerschappij der Turken achteruitgegaan.

Smyrna (150U00 i., handel: tapijten, vijgen); Damascus {150000 i., plaats van samenkomst voor vele karavanen); Jeruzalem (vervallen); Medina en Mekka (bedevaartplaatsen voor do Mohammedanen); Aden (handelsstad) is eene Engelsche bezitting. Aan den Tigris Bagdad (handel, zeer achteruitgegaan). In deze streken de bouwvallen van Babyion, bij Mos-soc! die van Ninivé.

§ 97. Onafhankelijk Arab Ut is grootendeels eene woeste, wuterarme hoogvlakte, waar de Bedoeïnen eeuw uit eeuw in hun zwervend leven leiden. Dé opbrengst aan koffie is verminderd; deze is raet verschillende harsen en dadels het voornaamste product uit het plantenrijk. Het Arabische paard, beroemd om zijn sierlijken vorm, zijne snelheid en volharding, is met den kameel voor den woestijnbewoner van het grootste belang

ij lts. I\'c/ zii\', Afyhanistdn en Btloed-sjistnu beslaan liet plateau van Iran, dat in hot midden grooto overeenkomst met Arabic vertoont. In de zuidwestelijke dalen evenwel heersclit een heerlijk klimaat en ontwikkelt zich een weelderige plantengroei; daar zijn de rozentuinen van Sjiras.

De twee grootste steden van Ferzië zijn Teheran (140 000 i., hoofdstad, kruispunt van vele karavaanwegen) en de handelstad Tebris (170 000 i.}.

In Afghanistan de handelsstad Kaboel (weg naar Voor-Indië door den engen Kaiber-pas^.

Beloedsjistan w.jrdt door roofzuchtign nomaden bewoond.

S \'üt. Vnor-IndiK bestaat uit de zuidelijke helling van den Him.Uaja, de Oangesvlakte en \'t Plateau van Dekan. \\ ooral de beschutte en goed

ocr page 110
ocr page 111

109

besiii-oeide Gangesvlakte is zeer vruchtbaar; ze levert rijst, katoen, indigo en suiker in overvloed. Uekan bevat diamanten en is tevens zeer vruchtbaar, \'t Is niet te verwonderen, dat Europeanen zich naar zulk een rijk land voelden aangetrokken. Tegenwoordig behoort het bijna geheel aan de Kngelschen. De Ganges, die door de inboorlingen, de Hindoes, ais een heilige stroom wordt beschouwd, vormt met de Hrahmapoetra eene reusachtige delta, die met dichte wouden, de geliefkoosde verblijfplaatsen van tijgers, zijn bedekt. l)e Indus stroomt langs de oostzyde van \'t Plateau van Iran en vormt met eenige bijrivieren de vruchtbare Pandsjaab (~ vijfstroomenland). De Indus-delta is onvruchtbaar.

Door de laagvlakte loopt een belangrijke handelsweg, nu spoorweg, waaraan de grootste plaatsen liggen; Calcutta (800 000 i., hoofdstad van En-gelsch Indië, groote handelsstad); Benares (heilige plaats der Hindoes,

200000 i.); Dellii (170000 i., vroeger grooter en grootscher dan nu). Van hier leidt de weg door Pandsjaab naai Kaboel.

üp de steile westkust van Dékan (Malabaari de groote handelsstad Bom-

ocr page 112

110

bay (T7Ü000 i., katoen); op de vlakke oostkust (Coromantiel) de hamlelsstad Madras (400000 i.).

Tot Engelsch Indië tiehoort ook liet rijke eiland Ceylon (tuneell). Point de Ualle (aanlegplaats voor stoombooten).

^ 100. Achter-1mlie\' is bijna geheel bergland, doorsneden door lengtedalen, waardoor rivieren stroomen. De dalen dezer rivieren en ook de vlakten bij hare mondingen zijn zeer vruchtbaar, \'t Westeljjke deel behoort aan Engeland, dat zich hierheen voelde getrokken door den overvloed aan rijst en timmerhout. Ook een goed deel van het binnenland, nl. Birma, is tegenwoordig Engelsch.

Akyab en Rangoen zijn de voornaamste rijsthaveng. Het raondingsge-bied van eene der grootste Achterindisehe rivieren, de Kambodsja, behoort, onder den naam Neder-Kambodsja, aan Frankrijk. Hoofdstad is de belangrijke handelsstad Saigoen. In het gt;quot;0. ligt het gebied van Tonkin, dat ook aan Frankrijk behoort. Van de steden der onafhankelijke staten is Bangkok, met 500 OüO i., de voornaamste.

Van \'t schiereil. Malakka slechts door eene smalle straat gescheiden, ligt het eiland Singapoer met de belangrijke handelsstad van dien naam (100 000 i.); zeer gunstige ligging ten opzichte van Voor- en Achter-Indië, de eilanden van den Indischen Archipel, Australië, China en Japan. Er hebben zich vele Chineezen gevestigd.

O O S T-I N D I Ë.

S 101. rjiyijiny, Bestaruldechn. Oost-Indië, het eilandenrijk van den Indischen Archipel, tusschen het vastland van Azië en dat van Australië gelegen, verdient wol eene eenigszins uitvoerige beschouwing, omdat het grootste gedeelte er van aan Nederland behoort, lielegenin de heete zone, ondervinden de Indische Eilanden de nadeelen van de hooge temperatuur slechts in geringe mate, daar winden van den zeekant verkoeling aanbrengen en een groot deel van de oppervlakte hoogland is.

De Indische eilandenwereld bestaat uit de volgende groepen: de F hi lippijnen, de vier Grooto S oe n d a-E i 1 a n d en (Sumatra, Java, F.nrneo en Cel\'■ bes), de Kleine S oen d a-K i I a n d en en do Mo luk ken.

ocr page 113

Ill

§ 102. Klimaat. O.-I. heeft maar twee jaargetijden; den drogen en den natten moeson. Oedurende den eersten waaien in het grootste deel van den Archipel oosten-, gedurende den laatsten westenwinden: de eerste duurt over \'t algemeen van April tot October, de tweede van November tot Maart. Zoo althans is \'t in het zuidelijke deel; in \'t N. is het andersom. De tijd, waarin de wind van richting verandert, heet kentering. Dan is het weer ongestadig: stormen en windstilten. Os\'er \'t geheel heeft de westelijke helft van O.-I. een vochtiger klimaat dan de oostelijke.

§ 103. Voortbrengselen. In een nauw verband met het genoemde verschil in klimaat staat het verschil in planten, quot;Westelijk O.-I. heeft meer bladrijke planten en schaduwrijke -wouden dan de oostelijke helft. Ook in de dierenwereld is verschil merkbaar: die van de oostelijke helft komt veel overeen met die van Australië en Xieuw-Guinea, die van de westelijke helft is meer Aziatisch. De scheiding tusschen Aziatisch en Australisch Oost-I ndie vinden we ongeveer in eene lijn, die tusschen Bali en Lombok en verder tusschen Borneo en Celebes, de Philippijnen en de Molukken wordt getrokken.

ocr page 114

5a walls {natte rijstvelden) worden kunatmatig onder water gezet. Rijst

op de westelijke Soenda-Eil. het hoofd voedsel der bevolking. De koffie wordt in groote hoeveelheid aangekweekt, vooral op Java, Sumatra en Celebes.

In één jaar levert onze Oost soms wel 11;4 mill pikol koffie (1 pikol— 61 ^ KG.)

Suikerriet wordt ook zeer

De Peperplant. h Peperkorrel; c peperkorrel in doorsnede.

veel gekweekt.

De thee, uit China, de kina, uit Zuid-Amerika, de tabak, uit Amerika overgebracht, worden met goed gevolg verbouwd. Peper wordt op de Ciroote Soenda-Kil. en in den Archipel van Kiouw in groote hoeveelheid aangekweekt. Kruidnagels en muskaatnoten behoo-ren op de Molukken te huis. Gember leveren Java, Sumatra en de Jloluk-ken. Van de palmsoorten zijn de voornaamste de sago-palm , die in tie oostelijke helft van O.-I. in zijn merg den inboorlingen hun\' hoofdschotel verschaft, en de nuttige kokospalm.

Het delfstoffen rijk levert tin op Banka

ocr page 115

113

en Billiton; ijzer op alle eilanden, maar \'t best op Burneo, goud op Burneo

en Sumatra, diamanten op Borneo, steenkolen op het Engelsche eiland Laboean (bij de Noordkust van Borneo), op Sumatra en Borneo. Zout wordt door uitdamping van het zeewater verkregen.

104. Bevolking. Deze bestaat in de westelijke helft uit Mal ei er 8, in de kleinere oostelijke uit Papoea\'s. De Maleier is licht roodachtig bruin met eene olijfkleurige tint; hij heeft zwart en sluik haar, weinig baardgroei, een eenigszins breed en plat gelaat en zwarte oogen. Hij is in zich zeiven gekeerd, bedachtzaam en schroomvallig; daarbij is hij zeer beleefd en zal hij niet licht iemand plagen of voor den gek houden. Wordt hij evenwel opgewonden, dan kan hij woest, meedoogen\'oos wreed zijn. De Papoea heeft zwart kroos haar en is bijzonder levendig. Verbergt de Maleier zijne gemoedsaandoeningen , de Papoea loopt er mede te koop.

p. r. bos, Aardrijksk. 7e druk.

ocr page 116

114

De Mohammedaansche godsdienst wordt in Oost-Indië vrij algemeen beleden.

. • - - - Behalve ^laleiers en I\'apoea^s

treft men er aan de werkzame i (.\' hineezen , die overal zijn, waar iets valt te verdienen, Arabieren en Europeanen. Tan d(fh§r millioen nienaclien, die Xeder-landsch O.-I. bewonen (\'t leger buiten re\'ie^.V.(r^^lten) sleclits ruim*J(3uü(^T3uroj)eanen.

§ 105. Staatkundige tuesl\'uid. Slechs een klein gedeelte van Oost-Indië is onafhankelijk van Kuropeeschemogendheden. Jsoor-delijk Borneo stond onder den on-afhankelijken Sultan van Broe-nei, die voor enkele jaren het noordoostelijke deel van zijn gebied aan eene Kngelsche maatschappij heeft verkocht De sultan van Soeloe voegde daarbij zjjne bezittingen op de noordoostkust Ken Maleier. van Borneo. Al het overige be

hoort aan Europeesche staten. Aan öpmsjj boiiooren de Philippijnen, Palawan en do Soeloe-Eilanden; Engeland heeft liet vroeger zoo kolenrijko eiland Laboean in bezit genomen; Portugal gebiedt over \'t noordel. gedeelte van Timor. Sera wak op den NVi. kust van liürneo, staar onder Brooke, een\'Radjah (~ vorst) van Kngelsehe afkomst, \'t Overige behoort, met de kuststreken van westelijk Xieuw-Ouinea, meer of minder rechtstreeks aan Nederland.

De Koning/van Nederland heeft het opperbestuur der koloniën en bezittin-gen van het rijk in andere werelddeelen. In Xederl. Indië wordt de regeering in naam dy^ Koning^uitgeoefend door een\' Gouverneur-Generaal, die alleen aan dei^ Ivoninif^Werantwoordelijk is.

In gehe3l Xederl. indii* rust het burgerlijk bestuur op het beginsel, lt;le

ocr page 117

115

^ 106. Sumatra is 1 Smaal zoo groot als Nederland. Eangs de westkust loopt een gebergte, Boekit Barisan, dat naar bet \\V. het steilst afbelt. De oostkust is grootendeels laag en vlak. JS\'aar\'t O. loopen dan ook de grootste rivieren, als de Indragiri, do Dj am bi en de Rivier van Pal i\'m bang. Do oorlog met het noordei. deel Atjeh, heet geëindigd, en het rijk is als een gouvernement bij de Xoderl. bezittingen ingelijfd. In \'t westen vinden wc \'t Gouvernement van Sumatra\'s Westkust en do Residentie 1\'enkoelen; in\'toosten de Residentie Sumatra\'s Oostkust en do Residentie Pab\'mbang: iti \'t zuiden de Residentie

8*

ocr page 118

116

Lampoug. Onder de voortbrengselen van het rjjke eiland verdienen vooral vermelding- peper, koffie (op de hooglanden van Padang), kamfer, getah pertsja, katoen, kaneel, ivoor, goud en steenkool. Het laatste wordt gevonden in dc nog onontgonnen O mb i li en-kole n velden (op de hooglanden van Padang).

De voornaamste haven» op de westkust zijn Padang (hoofdmarkt van het goud op S.; koffieveilingen) en Benkoelen. In \'t binnenland Fort-de-Kock. Langs de ondiepe oostkust liggen geen havens van belang. Deli

(tabaksbouw); P alom bang (handelsstad, die uit eene aaneenschakeling van kampongs bestaat: de huizen staan meest op palen, de bevolking woont gedeeltelijk op vlotten in de rivier van Palèmbang).

§ 107. Bank a tn Billiton zijn de tineilanden. De mijnen op het eerste eiland (200 a 250 in getal) worden van regeeringswege door Chineesche maatschappijen bewerkt, terwijl op Billiton of Blitong (ruim 100 mijnen) de ontginning in handen der Billiton-maatschapprj is.

S 108. Javn is ongeveer 4niaal zoo groot als Nederland, \'t Is het best bekende en tot dusverre rijkste deel onzer bezittingen. De noordkust van het eiland is rijk aan havens, die echter, daar de kuststreken meestal laag en vlak zijn, last hebben van verzanding. De zuidkust is grootendeels steil.

ocr page 119

Ten opzichte van de lioogte valt or ook vor.sclii! tussohen West- en (lost-Java op te merken. De westelijke helft bestaat uit een samenhangend bergland ; Blauwe Bergen, Uoenong IC end eng, Goenong IJrengbreng — „Goenongquot; = berg of gebergte —, dat wel hier en daar grootere of kleinere plateau\'s vormt (nl. die van Banilong en van Garoet) en door diepedalen is doorgroefd, maar dat nergens door breedere lagere deelen wordt afgewisseld. Aan den noordvoet van het bergland strekt zich in het breede westelijkste deel eene vrij breede lage vlakke strook uit, die in \'t midden des eilands smaller wordt. Door dat smallere midden loopt tot aan de vulkanen Merapi en Merbaboe het 1) i ëng-G e be r g t e, ten Z. waarvan ook eene smalle strook laagland. Verder naar \'t O. begint de eigenaardige bodemvorm van Oost-Java, ul. afzonderlijk staande vulkanen, die door breede vlakten gescheiden zijn, waardoor de grootere rivieren (de Solo en de Br an tas) des eilands loopcn. Langs de N.- en de Z.-kust loopen lagere ketenen.

■lava bezit vele vulkanen, die meest alle liggen in de lengteas des eilands, o. a. de Salak, de Gedeh, de Slamat, de Soembing, de Merbaboe, de Merapi, de La woe, do Keloet, de Smeroe en de Rawoen.

quot;West-Java is vochtiger dan Oost-Java, en dientengevolge heeft het eerste ook weelderiger plantengroei dan het tweede. lu \'t westen groeien meer loof-boomen, in \'toosten is meer naaldhout; in\'t W. meer koffie (Pteanger Regentschappen), in \'t O. meer suikerriet, indigo on tabak.

Ook ten opzichte van de bevolking bestaat er verschil. West-Java ten W. van de Tji Losari en de Tji ïandoewi („Tji\'\' is in het Soendaneesch „rivierquot;; in het Javaansch is „rivierquot; ~ „Kaliquot;) wordt bewoond door de S o end a nee-zen, die meer boerscb en eenvoudig zijn, terwijl de groote oostelijke hellt van Java wordt bewoond door Javanen, die meer onder den invloed dei-uit Voor-Indië overgekomen Hindoes hebben gestaan, en door een kleiner getal .M a d o e r o e z e n , die om hunne krijgshaftigheid bekend zijn.

i; 109. De voornaamste plaatsen op Java zijn: Anjer (verversehingsplaats voor aankomende schepen, bij gelegenheid van de laatste vreeseljjke uitbarsting van Krakatau geheel verwoest); Bantam; Ba t a v i a. (J#Ü 000 i., de handeldrijvende hoofdstad in de.lage, ongezonde kuststrook; nieuwe havenwerken bij Tandjong (~ kaap) l\'riok; naar \'t /. liggen hooger en gezonder voorsteden); Buitenzorg (prachtige ligging aan den voet der Blauwe

ocr page 120

118

Bergen, buitenverblijf van den Gouverneur-Generaal; de stad is door een\' spoorweg1 verbonden met Batavia); Tjeribon met eene goedereede; Sama-rang (de stapelplaats voor de voortbrengselen der zuidwaarts gelegen landen; 70000 i.); spoorweg naar Ambarawa en langs Soerakarta naar Djokjo-karta (de beide laatste zijn de hoofdsteden dor gelijknamige vorstenlanden , die nog bunue eigene sultans hebben, welke echter onder Nederlandschen invloed staan). Rembang heeft scheepsbouw. Tegenover het eiland Madoera Grissee (handel en scheepsbouw); Soerabaja (120000 i , levendige handel, fabrieken en scheepstimmerwerven, spoorwegverbindingen).

Behalve de enkele reeds genoemde liggen nog in het binnenland: Ma lang in eene mooie streek, mot koffie en tabaksbouw; Magelang in eene prachtige omgeving; Ban dong in de heerlijke Preanger-Regentschappen.

Aan de zuidkust de handelssteden 1\' a t j i\' t a n en T j i 1 a t j a p.

Op de rotsen van Xoesa Kembangan worden eetbare vogelnestjes met levensgevaar duor de inboorlingen voor het Gouvernement verzameld. Deze nestjes worden meest naar (\'hina uitgevoerd.

Woningrn der Dajak.s.

ij 110. li\'nnnt, het grootste der Indische eilanden, is 22mnal zoo groot als Nederland. De kusten zijn aan de west- en de zuidzijde laag en moeras-

ocr page 121

119

en de kronkelende rivieren hebben vaak zandbanken voor hare mondin-gi,\'n. Het weinig bekende binnenland is bergachtig.

Ongeveer 3/1 van B. behoort aan Nederland, \'t Eiland is rijk aan voort-brengselen: sago, kamfer, getah-pertja, steenkolen, goud en diamanten.

De bevolking der binnenlanden, de Dajaks, vindt haar bestaan in landbouw, visscherij, jacht, het bewerken van ijzer en ruilhandel met de kustbewoners. Hunne woningen staan op palen en zijn voor vele t\'arailiën ingericht, zoodat een dorp soms bestaat iiit één of twee huizen, die door eene hooge heining van palisaden zijn omgeven.

Pontianak ligt juist onder den aequator; in \'t Z. B anj ar masin; in \'t ZO. de O ranje-Nassau-steen kolenmijnen , die nu echter gesloten zijn.

§ 111.quot;Celébes, een eiland, dat bijna geheel uit vier schiereilanden bestaat, is 5\'/., maal zoo groot als Jfederland. \'t Welvarendst is het noordelijke gedeelte, de Minahassa, waar do grootendeels Christenbevolkinir (AHoeren)

Het wassdien der sa^o.

zich met kofheleelt bezig houdt. Hier is Jlenado de belangrijkste handelsplaats. In \'t Z. ligt Makassar met aanzienlijken handel.

§ 112. De vulkanische Kleine Soenda-Eilanden liggen meest alle in óéne

ocr page 122

120

rij ten O. van Java, Timor, het grootste, behoort alleen voor liet zuidelijke deel aan Nederland: hoofdstad is Koepang.

§ 113. De Mol ukken hebben, evenals Timor, een droog klimaat. Hoofd-voedsel der inboorlingen is sago; de voornaamste handelsproducten zijn specerijen, en wel kruidnagels, muskaatnoten en foelie. Het eiland Halmaheira of Djilólo vertoont in zijn\' vorm overeenkomst met Celebes. Torna te en Ti dó re zijn weinig meer dan twee vulkanen. Ceram ia zeer rijk aan sago, Ambon aan kruidnagelen, de Band a-E il and en aan muskaatnoten en foelie.

ij 114. De PIiilijgt;pjiien, eenebezitting, leveren veel tabak , rijst, suikerriet en indigo. De hoofdstad is Manila met Me-000 i. (sigaren!)

V. A FRIK A.

^ 115. Liyyiny. A. ligt voor ■4,5 deel in de heete luchtstreek, voor \'t overige in de noordelijke en do zuidelijke gematigde zone. Zijne noordkust keert het naar Zuid-Europa; naar \'t Z. loopt het in eene spits uit, die ver in den eenzamen oceaan vooruitsteekt. De ligging is voor een groot deel van A. niet gunstig. — Grenzen?

116. Natuurlijke gesteldheid. De omtrek van A. is zeer weinig ingesneden, waarvan een gevolg is, dat de binnenlanden van liet werelddeel niet gemakkelijk te genaken zijn en lang buiten aanraking met de buitenwereld zijn gebleven. Op de noordkust dringen de Dolf van Da bes en de Golf van Sydra binnen; op de westkust maakt de Golf van Guinea eene groote bocht. Eilanden heeft A. ook niet, veel. quot;Welke? — Madagaskar, het grootste, is door de ;S t r. van Mozambique, waardoor eene snelle strooming gaat, van \'t vastland gescheiden.

Is de omtrek niet veel geleed, ook de bodem vertoont niet zooveel afwisseling in hoogte als Europa of Azië.

Afrika bestaat bijna geheel uit hoogland , dat in terrassen naar de kusten afdaalt. Ken gevolg daarvan is, dat de moeste Afrikaansche rivieren (Xij 1, Niger. Kongo, Oranje Rivier en Zambezi zijn de grootste) slechts een korten loop door het laagland bezitten, en dat ze, vóór ze dit bereiken, water-

ocr page 123

121

vallen vormen. Dat deze watervallen de waarde van de Airikaaneohe rivieren als gemeenachapswegen mot hot binnenland sterk vermindoren, spreekt vanzelf. Eeno uitzondering maken de veel kleinere Senegal en de Gambia, die voor een grooter deel door laagland stroomen. Daar bovendien S e n e-gambië (dit is de naam van hun stroomgebied) een rijk land is, behoeft bet ons niet te verwonderen , dat Portugeezen, Engelschen en Pranseben er koloniën hebben. — In de laatste jaren heeft Afrika, dat rijk is in allerlei voortbrengselen, maar nog goede verkeerswegen naar de kusten mist, de aandacht getrokken van meer dan ééne Europeesche mogendheid, vooral van Duitschers, die reeds-eenige nog niet bezette kuststreken, vooral in Zuid-Afrika, in bezit hebben genomen.

\'t KW. van Afrika is een hoog bergland, de Atlas, ten Z. waarvan in Tunis eenige meren zijn in een gebied, dat beneden den zeespiegel ligt hs

Tripolis koml de woestijn bijna tot aan zee. Ten O. van de Golf van Sydra verheft de kust zich steil j verder oostwaarts vinden, we de lage Nijldelta, die, zooals de kaart ons leert gt; als \'t ware in zee vooruit-

is gegroeid. Ten Z. van het nu beschouwde gebied strekt zich de Sahara uit, de groote woestijn, die eebter niet zoo eentonig vlak en laag is, als men vroeger meende. Ze is grootendeels hoogland; alleen in \'t westen is laagland. Op vele plaatsen, vooral in \'t midden * verheffen zich boomlooze gebergten ter hoogte van de Europeesche Middelgebergten. Een gedeelte der Siihara schijnt vroeger een zeebodem te zijn geweest; men vindt er althans zout, dat daar een gewichtig handelsartikel is. (ieluk-

kig, dat de woastijn bij haren onvruchtbaren bodem, haar heet klimaat, hare heete winden en hare zandstormen, ook hare oasen heeft, waar het uit den

ocr page 124

122

grond opborrelend water vruchtbaarheid schenkt, en planten, vooral dadelpalmen, ontkiemen, die het mogelijk maken voor mensch en dier, daar te leven. De oase-bewoners bouwen hunne steden op den rand der woestijn, om van den vruchtbaren bodem zooveel voordeel te trekken als slechts mogelijk is. Om tegen liet stuifzand beveiligd te zijn, bedekt men de straten, zoodat zulke steden er somber uitzien. De oasen zijn de stations voor de karavanen.

Door het oostelijke gedeelte slingert zich de reusachtige N ij 1, die als Witte N ij 1 zijn water ontvangt van het Victoria- en het Al bert-N ia nz a, bij Khartoem toevoer krijgt van den Blauwen N ij 1, die op bet hooge

Bovenloop van den Xijl.

Abessynische Alpenland ontspringt, later nog van den At ba ra, die dicht bij den Blauwen Nijl zijn\' oorsprong neemt. Verder zet de Xijl zonder eenigcn toevoer zijn\' weg voort. In zijn\' benedenloop schenkt hij, door zijne geregeld terugkeerende overstroomingen, vruchtbaarheid aan het Nijldal, dat als \'t ware óéne groote oase is. Ten O. van deze merkwaardige rivier verheft zich een bergland tot aan de Roode Zee, dat den ouden Kpyptenaren steen leverde voor hunne obelisken. De piramiden bouwden zij van steenen, die gebakken werden van de Xijlslib.

Ten Z. van de Sahara strekt zich Belad es Soedan (~ het land der Zwarten) uit, gewoonlijk Soedan genoemd.

ocr page 125

123

Het westelijke dee), H oog-S oed a n , waarin zich het Kong (— gebergte

ocr page 126

124

verheft, is liet gebied van den Niger. In de andere helft, Laag-Soedan geheeten, vinden we het Tsaad Meer, in welks omgeving verscheiden dichtbevolkte negerstaten liggen.

Geheel Zuid-Afrika is hooogland, met uitzondering van smalle kuststrooken. In de oostelijke helft van liet midden zijn vele groote meren, waarvan we liet Vietoria-en het Albert Xianza, die water aan den Nijl verschaffen, reeds noemden. Het zuidelijker gelegen Ta n ga nj i k a-M ee r levert water aan den Kongo, het Ni as sa-Moer aan de Zambezi. Ten N. van de Oranje-Rivier treffen we de woestijn Kalahari aan In het oosten, een weinig ten Z. van den aequator, verheffen zich de hoogste bergen van Afrika, nL de Kilimandsjaro en de Kenia (beide ö a 6000 gt;1.)

§ 117. Marokko, Alyiers, Tunis, Tripolis, Egypte en Abessynië vormen met elkander N.- en NO.-Afrika.

-Marokko is gunstig gelegen aan MiddelI. Zee en Atlant. Oceaan en de grond is in het noordelijke en het westelijke gedeelte vruchtbaar. Toch bloeit de staat niet, waarvan luiheid en trotsehheid der Mohammedaansche inwoners naast een slecht bestuur de hoofdoorzaken zijn. De handel is meest in handen van Kngelschen en Israëlieten. Fes (100 000 i., nijverheid) en Marokko zijn de voornaamste plaatsen.

Algiers is oene Fransche bezetting. In het zuiden, de Algerijnsohe Sahara, hebben de Kranschen, door het boren van jiutten, gedeelten der woestijn ontgonnen. Algiers, de hoofdstad, drijft meest handel met Frankrijk.

Tunis staat onder Fransch beschermheerschap. Het is gunstig gelegen tegenover Sicilië, aan het middelste gedeelte der Middell. Zee. He hoofdstad Tunis (150 000 i.,) drijft aanzienlijken handel.

1 ripolis en Fezzan en verder Egypte zijn Turksch gebied, maar beschouwen zich al zeer weinig afhankelijk van Turkije.

He stad Tripolis is nogal van beteekenis als eindstation voor den karavaanweg naar het Tsaad-Meer. In Moerzoek, de hoofdstad van Fezzan, wordt slavenhandel gedreven.

Het Egyptische Gebied strekte zich voor kort tot aan de groote meren uit. He jongste gebeurtenissen doen vermoeden, dat in dit rijk nog gewichtige veranderingen voor de deur staan. In het vruchtbare Nijldal en de Xijldelta is landbouw de hoofdbezigheid. Egypte heeft sedert de opening van het Sues-

ocr page 127
ocr page 128

12f)

Kanaal zeer aan belangrijkheid voor flen handel gewonnen, (laar de meeste stoombooten den veel korteron weg naar Indië verkiezen. Xaar het zuiden heeft Kgypte het zijne gedaan om den slavenhandel in het gebied van den Witen Xijl en in Darfoer tegen te gaan.

Waar de Xijldelta begint, ligt Kaïro (370 000 i.), de hoofdstad des lands, een zetel voor handel zoowel als voor wetenschap, door een\' spoorweg verbonden niet de handelsstad Alexandrië (227 000 i.), zoowel als met Sues aan de Roode Zee. .-Van den noordelijken mond van het Sueskanaal ligt Port ■iaid, waar door wijlen Prins Hendrik een handels-etablissement is opgericht met bet doel de handelsbetrekkingen tusschen Kgypte en Nederland en zijne koloniën te bevorderen; dit etablissement is later door Kngeland gekocht. Aan den Nij 1 ligt Kartóem (handel en ivoor).

Abessynië, het Afrikaansche Zwitserland, is een bergland met schilderachtige dalen, hooge toppen, dichte bosschen, lieflijke meren en schuimende woudbeken. Op de bergen en de hoogvlakten wordt veel aan veeteelt gedaan, liet land lijdt onder voortdurende woelingen en oorlogen.

g 118. In de Sdhara wonen meestal zwervende stammen, in \'t W. de Moor en, in \'t midden de Toearegs, in \'t O. de 1 ibboes. De laatsten zijn weinig ontwikkeld en weinig krijgshaftig, zoodat het hunnen westelijken buren gemakkelijk valt, hun zout en vee te ontrooven. Nu eens bieden de woestijnbewoners den karavanen hun geleide aan, dan weer zoeken ze hun bestaan in het berooven van reizigers en kooplieden. — In de woestijnen

treffen we vaak roovers aan: in de Sahara de Toearegs, in Arabië de Bedoeïnen, in de Gobi de Khalka-Mongolen. He Sahara vormt zoowel voor planten en dieren als voor den menscb eene natuurlijke grens, die, hoewel ze scherper scheidt dan de zee, toch niet meer onoverkomelijk is, sedert de kameel in Afrika is ingevoerd, en dat is hij al eeuwen.

§ 11:\'. Senegmnhië wordt door Negers bewoond. De Fransche en de Kngelsche bezit-

tingen bloeien hier, de Portugeesche zijn vervallen. Karavanen van het N\'igerge-bied bereiken hier do kust en verruilen ivoor en goud tegen Kuropeesche waren.

ocr page 129

§ 120. Soedan strekt zich uit ten Z. van Abessynië tot Senegambië. Hoog-Soedi\'m , het westen, heeft eene dichte bevolking. Waar de Niger het meest de woestijn nadert, ligt de stad Timboektoe, met karavaanhandel. Öókoto (handel en nijverheid) en Kano zjjn verder de voornaamste plaatsen.

In Laag-Soedan liggen rondom het Tsaad-Meer verscheiden negerstaten, o. a. Bornoe, een vruchtbaar land met dichte bevolking. Hoofdstad is het handeldrijvende Koeka

§ 121. Onder Opper-Guinea verstaat men \'t land ten Z. van het Kong. 31en onderscheidt hier de Peperkust (zoo geheeten naar de vruchten van het Paradijszaad, dat eene naar peper smakende specerij levert), de Ivoor-, de Goud- en de Slavenkust.

Op de Peperkust ligt de Jfegerrepubliek Liberia, een toevluchtsoord voor vrijgeworden Negers. Op de Goudkust hebben de Engelschen vele bezittingen. Daar van de Slavenkust geene slaven meer worden uitgevoerd, maar de handel in palmolie steeds toeneemt, zou de naam van Oliekust tegenwoordig gepaster zijn dan die van Slavenkust. Waar de Golf van Guinea het diepst in het land opdringt, ligt Kameroen, dat. aan Duitschland behoort.

§ 122. Op de kust van Neder-Guinea, waar de Portugeezen bezittingen hebben, heeft de Rotterdamsche Afrikaansche Handelsvereoniging factorijen, waarvan de voornaamste te Banana aan de Kongo-monding.

§ 123. Zuid-Afrika. Uit het Kaapland, oorspronkelijk eene Nederlandsche bezitting, nu aan Engeland behoorende, worden hoofdzakelijk wol, wijn en diamanten uitgevoerd, \'t Is een station op weg naar Indië en door zijn gezond klimaat tevens een herstellingsoord voor Engelschen, die in Indië ziek zijn geworden. Do voornaamste plaats is Kaapstad.

In Transvaal, tegenwoordig Zuida frikaansche Republiek geheeten, dat zijne vrijheid in een moeilijken strijd met glans heeft bevochten, do steden Potchefstroom en Pretoria.

De Oranje Vrijstaat werd gesticht door Hollandscho boeren, die, ontevreden met het Engelsch bestuur, de Oranje Rivier overtrokken en ten X. daarvan eene republiek stichtten mot de hoofdstad Bloemfontein.

ocr page 130

128

§ 124. Afrik\'s oostkust behoort voor een deel (Sofahi en Mozambique) aim Portugal. Verder noordelijk ligt Zanzibar, de voornaamste handelsplaats op de oostkust.

Aan weerszijden van den evenaar wijst nog altijd eene steeds kleiner wordende opene plek op onze kaarten de onbekende binnenlanden aan. Ten Z. daarvan, in \'t gebied van Kongo en Zambezi, vinden we eene menigte rijken, waar de regen minder regelmatig over \'t jaar is verdeeld dan in Soedan. Terwijl daar landbouw de hoofdbezigheid is, treedt in de Zuidafrikaansche binnenlanden veeteelt meer op den voorgrond. Voorkort is hier, vooral door de bemoeiingen van den Belgischen koning, de nieuwe Konyo-Staat geschapen, die ongeveer het geheele Kongo-gebied, omvat, dat in sommige deelen rijk is aan velerlei voortbrengselen, maar nog behoefte heeft aan goede verkeerswegen. Tot koning van den Kongo-Staat is gekozen Leopold II, koning van België.

In den zuidhoek wonen de vrijwel ontwikkelde, krachtige Negerstam der iv a f 1 e r s en de uitstervende Hottentotten en Bosohjesmannen.

§ 125. Van de Afrikaansche eilanden noemen we Madagaskar, het grootste, gel leel onder Franschen invloed; Mauritius, eene Engelsche bezitting met eene zeer dichte bevolking; St. Helena (Engelsch), eene aanlegplaats op weg naar Indië; de Kanarische E i 1. (Spaansch) met het eilandje Ferro; Madeira (Portugeesch) leverde vroeger veel wijn,, nu meest suikerriet.

VI. AMERIKA.

?! 126. Liyying en Omtrek. Amerika is het langste der werelddeelen; het «trekt zich door vier zonen uit. Welke? — Grenzen? —- Het bestaat uit twee driehoekige deelen, die met de spits naar \'t Z. zijn gekeerd: Noord- en Zuid-Amerika, die door de landengte van Panama zijn verbonden.

Ten N. van \'t vastland liggen vele eilanden en één nog slechts ten deele bekend land, Groen\'and, die door vele baaien en straten van elkaar zijn ge-

ocr page 131

129

scheiden. In \'tis, van N.-Am. dringt de Hudsonsbaai binnen, die, doordien ze alleen naar \'t N. open is, water uit de poolgewesten en dnjfijs bevat. Ze beteekent dus voor \'t verkeer al heel weinig. Op dezelfde breedte treffen we in Europa ook eene binnenzee aan, die van meer belang voor \'t verkeer ia. Welke?

\'t Schiereiland Labrador heeft een koud klimaat. Ten O. daarvan Kew-Foundland (spr. uit: „njoe-faundlendquot;), waarbij we de Oroote Bank aantreffen. Deze bank is de geliefkoosde verblijfplaats van kabeljauwen, die de vissehers, vooral Franschen en Engelschen, daarheen lokten.

De schiereilanden F 1 o r i d a en Y u c a t a n sluiten ten deele de warme O olf van Mejico in, waaruit de Golfstroom te voorschijn komt. De Oroote p. r. ros, Aardrijksk. 7c druk. ?

ocr page 132

130

en de Kleine Antillen begrenzen de Caribische Zee aan de noorden de oostzijde.

Zuid-Amerika is zeer arm aan golven en schiereilanden en vertoont in dit opzicht en ook in vorm overeenkomst met...? In \'t Z. wordt Vuurland van \'t vastland gescheiden door straat Magelhaens (spreek uit: „mageljènaquot;).

Moeras in Florida.

Op de westkust van K.-Amerika scheidt de Golf van Gali-fornië het vingervorrnige schiereiland Californië ten deele van \'t vastland. Verder noordelijk liggen eenige bergachtige eilanden langs de kust, en eindelijk strekt zich het schiereiland A IJ a ska met de voortzetting (laarvün, de Aleoetische Eilanden, naar \'t W. uit en

ocr page 133

131

begrenst de Beringszee, die door de B e r i ngs s t rna t met de Noordel. IJszee in gemeenschap staat.

§ 127. Natuurlijke gesteldheid. N.- en Z.-Amerika vertoonen, wat de hoogte des boderas aangaat, in hoofdtrekken veel overeenkomst; in \'t W. hoogland, in \'t midden laagland en in \'t O. weer hoogland, dat minder hoog is dan het westelijke.

\'t quot;Westelijke hoogland in JT.-Amerika bestaat uit eene hoogvlakte, op welker oostrand zich het Rotsgebergte verheft. Naar de zeezijde verheft zich de Sierra Nevada met het daarvoor liggende lagere Kustgebergte. Mejico is grooterldeels eene hoogvlakte met heete en moerassige, dus ongezonde kuststreken. In Mejico treffen we eene rij vulkanen aan, evenals langs de westkust van Middel-Araerika.

De noordelijke helft van de Noordamerikaansche Vlakte is rijk aan meren, waarvan het water naar bet N. door de Mackenzie, naar het O door den St. Laurens wordt afgevoerd. De laatste is de afvoerbedding van de vijf Canadasche Meren, de grootste zoetwatervlakte der aarde. Tusschen de beide laagstgelegene, het Erie- en het Onta-rio-Meer, treffen wij de groote Niagara (r= donder der wateren) aan. Naar \'t Z. stroomt de Mississippi, die o. a. het water ontvangt van de Missouri en de Ohio. Ten W. van den Mississippi strekken zich de Prairiën uit, onafzienbare grasvlakten, die op sommige plaatsen reeds ontgonnen en voor landbouw geschikt gemaakt . \'n.

Het oostelijke hoogland zijn de kolenrijke Al leghanies, langs welker oosthelling een kustzoom loopt, die naar \'t Z. breeder en lager wordt, ora in het moerassige schiereiland Florida te eindigen.

N.- en Z.-Am. worden verbonden door het vulkanische Middel-Amerika.

In Z.-Am wordt het westelijke bergland gevormd door de C o r d i 1-1 é r a\'s (spr. uit: „cordieljéra\'squot;) de los Andes. Dit uitgestrekte erts-rijke bergland telt vele hooge toppen, o. a. don Aconcagua, den Cotopaji, den Chimborazo, de Sorata en de lliimani. Detweeeerst-noemde zijn vulkanen.

Van het N. naar \'t Z. strekken zich in het midden groote vlakten uit, steppen, die door groote kudden buffels en verwilderde paarden worden

9*

ocr page 134

132

bewoond en alleen

eilanden door, die Een Eskimo. ten X. van N.

Am. liggen, zou de X oord westelijke Doorvaart (Laneaótersont enz.) een\' weg aanbieden van Europa naar N.-Azië, als ze niet bijna altijd bevroren was. De eerste ontdekkers in deze streken waren walvischvaarders. Do westkust van Groenland wordt door E s k i m o\'s bewoond , die van visch en zeehonden leven. Het drukste leven heerscht op deze kusten, als walvischvaarders de havens binnenloopen. Groenland behoort aan de Denen, die op de westkust eenige kolo-nigt;quot;n hebben.

langs de rivieren met dichte wouden zijn bedekt. De vlakten bij den O r i n o k o dragen den naam van Llano\'s (spreek uit; „Ijano\'squot;); die bij den Amazonenstroom, misschien de grootste, maar zeker de waterrijkste stroom der aarde, heeten S e 1 v a\'s en die ten W. van de Rio de la Plata zijn Pampa\'s.

In het O. van Z.-Am. treffen we twee berglanden aan van zeer ongelijke grootte: dat van Guyana en het Braziliaansche Bergland.

XOORD-A1IEUIKA

Sj 129. S\'oonl-Amerika omvat het noordel. deel van N.-Amerika,

ocr page 135

133

met uitzondering van het gebied Aljaska, dat tot de Vereenigde Staten behoort.

Het middelste gebied, dat. der meren, wordt in \'t X. door Eskimo\'s, verder zuidwaarts door Indianen bewoond, die de pelzen der door ben gedoode dieren aan de Engelsohen verkoopen. \'t Klimaat is koud en ruw. Canada levert veel hout; Quebec (spr. uit; „kwibekquot;) en en Montreal (180 000 i.; spr. uit: „montriëlquot;) zijn de voornaamste plaatsen.

^ e w-F o u n d 1 a n d is een belangrijk station voor de walviseb- on de kabeljauwvangst.

In \'t verre westen, in Britseh Columbia, wordt goud gevonden.

g 130. I)c Vereenigde Stalen ran Amerila of de lirpubliih Amerika is bijna zoo groot als geheel Europa. De oorspronkelijke bevolking, de Indianen of Roodhuiden, zijn naar het binnenland teruggedrongen; hun getal is zeer verminderd. De blanken, vooral Germanen en wel in de eerste plaats de Engelsohen, vormen tegenwoordig het hoofdbestanddeel der bevolking. Do slavenhandel bracht er de Negers, en het goud van California lokte de Chineezen aan. Do Negers zijn sedert 1865 geen slaven meer, maar vrije mensehen. Landbouw, bergbouw, nijverheid en handel zijn in de Republiek Amerika zeer spoedig tot grooto ontwikkeling gekomen. In het N. zijn onze korensoorten, mais en hout de voornaamste voortbrengselen; verder naar \'t Z. tabak, rijst, suikerrieten veel katoen. Runderen en varkens worden in menigte aangelokt en vooral te Cin-oinnatti en te Chicago (spr. uit; „tsikégoquot;) geslacht. Het westen levert veel goud, zilver en kwikzilver; het Mississippi-gebied en de Alleghanies (spr. uit: ,elligénnies\'\') hebben overvloed aan steenkolen en ijzer; petroleum levert het Ohio-gebied (spr. uit: „oluiioquot;).

Sedert een vijftigtal jaren is men begonnen zich met kracht op verschillende takken van nijverheid toe te leggen , en binnen eenige jaren streefde Amerika Engeland op zijde. Alle /oerwaarden voor eene snelle en krachtige ontwikkeling zijn dan ook aanwezig: overvloed van grondstoffen en brandstof, vele spoorwegen en kanalen, groote kapitalen en een stoute ondernemingsgeest. De noordoostelijke staten, bet zoogenaamde Nieuw-Engeland, zijn do hoofdzetels voor «Ie nijverheid.

ocr page 136

134

Do rijkdom aan voortbrengselen en fabrikaten, de gunstige ligging en de ondernemingsgeest der Kngelsche Amerikanen of Vankees (spr. uit: ^jenkiesquot;) hebben Am, na Engeland tot de eerste bandelsmogendheid der aarde gemaakt. Natuurlijk is de naar Europa gekeerde zijde, de oostkust, het bost van spoorwegen voorzien. Reeds brengen eenige spoorwegen de verbinding tusschen de oost- en de westkust tot stand.

Doordien het O. zich het meest heeft ontwikkeld en het W. nog slechts begonnen is tot ontwikkeling te komen, is het zeer natuurlijk, dat van het

Eene stoomboot met katoen geladen op den Mississippi.

O. naar \'t W. hoofdzakelijk bewerkte stoffen worden gezonden, terwijl in omgekeerde richting ruwe of halfbewerkte jjroducten of voedingstoffen gaan. Hoe is het in dit opzicht in Europa?

De Vereenigde Staten zijn een bond van zelfstandige staten, die alleen de gemeenschappelijke belangen aan het Bondsbestuur overlaten. Dat bondsbe-stuur bestaat uit het Congres en den President.

Boston (360 000 i., grootste stad van Nieuw-Engeland, veel handel en nijverheid). Ne w-Vork (spreek u;t „njoe-jork1\', 1.2 mill, i , na

ocr page 137

135

Londen de belangrijkste handelsstad der aarde, waar de meeste landverhuizers aankomen; vroeger als Nieuw-Amsterdam eene Nederlandsche (lezitting.) Brooklyn (spreek uit „broeklienquot;, 57UOOO i., vroeger Hreukelen). P h i 1 a d e 1 p i a (850 000 i., vele metaalfabrieken en handel, ook boekhandel). Pittsburg (160 000 i.; evenals de vorige stad in den staat Pennsylvanië, midden in de kolen- en ijzergewesten en bij de rijke petroleumbronnen; groote fabrieken.) Baltimore 330 000 i., drukke handel in tabak, meel en oesters). Washington (150 000 i., de bondsstad met het Kapitool, waar het Congres vergadert, en het Wite huis, de woning van den President). Charleston (uitvoer van katoen en rijst). Xew-Orleans (spr. uit „njoe-orliensquot;, 220 000 i., bij \'t begin van de Mississippi-delta, de uit- en invoerhaven van\'t Missiasippi-gebied; uitvoer van katoen, suiker, meel en maïs).

In \'t midden: Cincinnati (256 000., handel in meel, sterke dranken en ijzerwaren; jaarlijks worden er honderdduizend varkens geslacht). Dicht bij de vereeniging van de Missouri met den Mississippi S t. Louis (350 000 i., oorspronkelijk slechts een station voor pelshandelaars , nu de voornaamste handelsstad van \'t Mississipi-gebied, met veel nijverheid). Chicago (500 000 i. ; vóór 50 jaar was er nog geene plaats aanwezig, nu is het de grootste koren- en veemarkt der aarde; groote slagerijen).

Calii\'ornië is tot bloei gekomen sedert bet midden dezer eeuw, toen er goud ontdekt werd. Later is de bodem er met goed gevolg bebouwd, zoodat de opbrengst aan koren en wijn reeds aanzienlijk is. De handel wordt bijna alleen over San Francisco gedreven (240 000 i.). In Calitornië wonen vele Cbineezen.

§131. De. Republiek Mejico bestaat uit een vruchtbaar en zilverrijk hoogland, dat een gematigd klimaat heeft, en heete, moerassige en dus ongezonde kuststrooken. Cochenille, cacao, suiker, katoen, mahonie- en ebbenhout zijn naast de Europeesche korensoorten, in de koelere gedeelten, de hoofdvoort-brengelen. Voortdurende woelingen, slechte wegen, onveiligheid en geringe ontwikkeling des volks belemmeren tot dusver den bloei van landbouw, handel en nijverheid. Op de hoogvlakte de hoofdstad Mejico (300 000 i.), aan de kust de haven Vera Cruz.

ocr page 138

186

Evenals Mejico stonden ook de tegenwoordige Republieken rem Middet-Amerika vroeger onder Spaanache heerschappij. De bodem is hier even woelig (aardbevingen en uitbarstingen van vulkanen!) als de bevolking. Ilooldvoort-brengselen zijn dezelfde als in Mejico, bovendien nog carapêche-hout. De voornaamste stad is Guatemala.

De Britsehe bezitting Brit ach Honduras levert mahonibout en verfhout.

§ 132. West-Indië bestaat uit 3 groepen: de B a h a ra a-E i 1 a n d e n (Engelsch), de Groote Antillen en do Kleine Antillen. Hoofdvoortbrengselen dezer vruchtbare eilanden zijn suiker, koffie en tabak.

Cuba en l\'ortorico ziju Spaansch. Op het eerste de hoofdstad Havana (200 000 i., sigaren).

Haïti bestaat uit twee republieken, eene van Xegers en eene van kleurlingen.

Jamaica behoort aan Kngeiand.

De meeste KI. Antillen behooren aan Engeland. Nederland bezit een gedeelte van St. Martin, verder Saba en St. Eustatius, daarenboven Aruba, Curacao en Bonaire.

De Antillen worden vaak geteisterd door orkanen.

ZL\'tD-AMEKIKA.

§ 133. Venezuela, Xieuic-Vranada, Ecuador, Peril, Bolivia, Chili, Argentina, Paraguay en Uruguay zijn alle Republieken, die door omwentelingen en opstanden veel hebben te lijden. Het rustigst en welvarendst is Chili; hoofdstad San .lago met 200 000 i.; haven Valparaiso, dat uit het dorre kustgebied Atacama, hetwelk het op Bolivia heeft veroverd, veel salpeter en koper wint. 1\'atagonië en Vuurland, welker verspreide bevolking van jacht en veeteelt leelt, is door Chili en Argentina onderling verdeeld. Bolivia levert zilver (hooidstad La l\'az). De mijnen van 1\'erü brachten vroeger veel meer op dan tegenwoordig. HooJdvoortbrengsels zijn guano (vogel-

ocr page 139

137

mest), schapen en lama\'s. Hoofdstad Lima (100 000 i.) met de haven Cal-lao (spr. uit; Caljao). Ecuador omvat de schoonste deelen der Andes; \'t land levert veel kinabast (hoofdstad Quito onder den aeijuiitor tusschen twee rijen vulkanen). Jueuw-Granada (hoofdstad Bogota) is rijk aan edele metalen en steenkolen. Over de landengte van Panama is een spoorweg aangelegd,, die twee oceanen verbindt. Als het Panama-Kanaal gereed is, zal de verbinding meer onmiddellijk zijn. Venezuela levert koffie, cacao en tabak (hoofdstad Caracas).

Argentina, dat tegenwoordig ook flink vooruitgaat, is een groot steppen-gebied, waar veeteelt de hoofdbezigheid is. Vleesch, vleeschextract en woi zijn de voornaamste artikelen van uitvoer. De hoofdstad Buenos-Aires (370 000 i.) heeft vele slagerijen; verkeer met Nederland. Ook in Uruguay is veeteelt de hoofdbezigheid. Montevideo 115 000 i.), de hoofdst., voert veel vleesch uit. In Paraguay wordt naast veeteelt nog land- en bergbouw uitgeoefend,

§ 134. Guyana is grootendeels niet wouden bedekt, vooral in\'tZ. Engeland bezit de westelijke helft, terwjjl het overige aan Nederland en Frankrijk behoort. Langs de rivieren zijn suiker-, koffie-, katoen-, cacao- en tabaksplantages aangelegd. De kuststreken zijn moerassig en voor een groot deel met bosschen bedekt. De hoofdpl. van \'t Engelsche gedeelte is Georgetown; die van Suriname, \'t Nederl. gedeelte, is Paramaribo aan de Suriname; van \'t Fransche deel is het Cayenne. Fransch Guyana is een ongezond verbanningsoord; hoofdvoortbrengsel is peper.

In do laatste jaren wordt ook uit Nederlandsch Guyana goud uitgevoerd, tfet aantal cacao-plantages neemt gedurende de laatste jaren in Suriname sterk toe. De slaven zijn na de afschaffing van de slavernij door Chineesche en Indische koelies vervangen.

Suriname wordt bestuurd door een\' Gouverneur, die bijgestaan wordt door een\' Raad van Bestuur, liet Surinaamsche volk wordt vertegenwoordigd door de Koloniale Staten, welke gekozsn worden door de schatplichtige Ingezetenen, die 25 jaar oud zijn en minstens 40 gulden directe belasting betalen. Op 200 kiezers wordt één lid gekozen.

§ 135. lUt Keizerrijk Brazilië is de eenige monarchale staat van Z.-Amer, Het bestaat uit een bergland, dat in de aan zee gelegen streken do zetel der

ocr page 140

138

Kuropeesehe bevolking en van landbouw en handel is, en eene laagvlakte, die door jagende Indianenstammen wordt bewoond.

Bijna geen land der aarde is zoo rijk aan voortbrengselen als B., maar slechts 30/0 der oppervlakte wordt bebouwd. Het levert tegenwoordig ruim 3-van de koffie der aarde, verder suiker, katoen, cacao, tabak, verfhout en diamanten. De njjverheid beteekent nog weinig De wegen in \'tbinnenland en de veiligheid laten veel te wenschen over, zoodat de handel zich meest tot de kusten bepaalt. In \'t binnenland is het muildier bijna het eenige middel van vervoer. De Araazonenstroom wordt in den laatsten tijd door stoombooten bevaren en belooft raet zijne groote bijrivieren voor Zuid-Amerika eon allerbelangrijkste verkeersweg te worden.

Rio Janeiro (357 000 i.), hoofdstad met eene aan alle zijden beschutte baai, eerste handelsstad des lands; Bahia (140 000 i.), tweedeen Pernam-buco (130 000 i.) derde handelsstad.

VII. AUSTRALIË.

§ 13fi. higying. Australië ligt ten ZO. van Azië en grootendeels op het Zuidelijke halfrond, \'t Bestaat uit een vastland, Australië, vroeger JSIeuw-Holland goheeten; vier groote eilanden, nl. K i e u w-G u i n ea, Tasnianië en de twee eilanden, waaruit N i e u w-Ze el an d bestaat, en eene groote menigte kleine eilanden, die in den Orooten Oceaan verspreid liggen en wel eens onder den naam Polynesië worden samengevat.

§ 137. Natuurlijke gesteldheid van H vastland Australië. De omtrek van Australië is zeer eenvoudig; alleen in het N. en in \'t Z. maakt de zee een paar belangrijke bochten in het land; de Car pen t ar i a-Gol f en de Australische Bocht. Ook de oppervlakte des lands is tamelijk eenvormig, in quot;t raidden (voorzoover het ontdekt is) vond men meest vlakland, dat óf woestijn, óf met een ondoordringbaar struikgewas bedekt, óf weideland is, waarop alleenstaande boomen. \'t Hoogst is het bergland in \'tZO., waar dan ook de grootste rivieren ontspringen, nl. de JIurray (spr. uit: „miirreequot;) met hare bijrivieren. Langdurige droogte, afgewisseld met hevige stortregens,

ocr page 141

139

maken echter, dat de Australische rivieren soms bijna geheel droog zijn, verdwijnen zelfs, op andere tijden in moerassen en plassen verloopen, om na geweldige regenbuien echter aan te zwellen tot verwoestende stroomen. Voor de scheepvaart beloven ze dus al zeer weinig. Daar ten gevolge van den massieven vorm des lands de afstanden naar de kust menigmaal zeer groot zijn, zal Australië, bij meer ontwikkeling, groote behoefte aan spoorwegen krijgen.

§ 138. Klimaat, Voortbrengselen, Bezigheden, Bevolking van V vastland

Australië. Australië heeft grootendeels een zeer ongunstig vastlandsklimaat. De oorspronkelijke voortbrengselen zijn zeer eigenaardig, maar worden door ingevoerde steeds meer verdrongen. Dieren, die men tot huisdieren zou hebben kunnen temmen, waren er niet; de springende kangaroe levert wel smakelijk vleesch en eene zeer bruikbare huid, maar kan niet als trek- of lastdier worden gebruikt. Schapen, runderen, paarden en kameelen ontbraken. Daarenboven waren er oor-spronkeljjk geen korensoorten aanwezig, en de wouden met hun schralen bladertooi geven weinig schaduw, \'t Is dus niet te verwonderen , dat de inboorlingen te midden van eene zoo weinig hulp biedende natuur het niet ver in ontwikkeling konden brengen.

Omtrent het midden dezer eeuw werd in \'t ZO. en dadelijk stroomden toen duizenden gelukzoekers naar deze streken, welke tot dien tijd door Engeland slechts als strafkolonie werden gebruikt. Uit die ordeloos samengestroomde troep ontwikkelde zich met horten en stooten eene geregelde maatschappij, die nu niet meer in de eerste plaats zich met goudzoeken bezighoudt, maar, sedert onze huisdieren daar zijn ingevoerd, landbouw en veeteelt aan bergbouw, handel en nijverheid paart. Wol in de eerste plaats en verder vleesch, wijn, goud en verschillende landbouwproducten zijn nu de hoofdvoortbrengselen van de bloeiende Engelsche koloniën Victoria, N i eu w-Z u i d-Wa 1 es, Zuid-Au-

van Australië goud ontdekt,

ocr page 142

140

sir

, kwienalendquot;). Ook V

l.?%

\'est-Australië bfijint zich goed te ontwikkelen.

M e 1 b o u r-n e aan de ruime Port

Philip (4j)0 00Ü i.) en

Sydney (2damp; 000i.) S zjjn steden i meteen geheel p Europeesch _ voorkomen. ^ Daarbij sluiten £ zich aan A d e-= laïde, Bris-bane (spreek I uit: „bris-beenquot;) en het = opkomende

3 Palmerston g in \'t NW. aan

D

4 Port Darwin.

§ 140. De Eilanden van . { ustfalië. Ten Z. van \'t vastland Australië, daarvan

gescheiden door do Bass-sfraat, li^t

ocr page 143

141

Tasmanie, (Engelsoh) zoo geheeten naar onzen beroemden ontdekkingsreiziger Abel Tasman. De oorspronkelijke bevolking is geheel uitgestorven.

De Torres-straat, die door koraalriffen gevaarlijk wordt gemaakt , scheidt het groote eiland N i e u w-G u i n ea, met zijne Papoeaansche bevolking, van Australië. De kusten zijn meestal laag en moerassig, het binnenland is bergachtig. Het westeljjke deel des eilands behoort aan Nederland.

Nieuw-Z ee 1 an d (Engelsch) bestaat uit twee eilanden, door de Cook\'s straat gescheiden. In de nabijheid van Auckland, op het Noord-eiland, worden rijke goudvelden gevonden; ook het Zuid-eiland bezit ze. Bovendien levert het \'t nuttige Nieuwzeelandsche vlas. De kleinere eilanden zijn hoog (en dan zijn ze van vulkanischen oorsprong) of laag (dan hebben ze hun ontstaan te danken aan koraaldieren). Vele van de laatste zijn, evenals de NO. kust van Australië, moeielijk te naderen door do sterke branding, die het gevolg is van de aanwezigheid van koraalbanken. Vele ook bestaan uit een\' rand, waarbinnen zich eene lagune bevindt. Zie de afbeelding.

De belangrijkste van , de kleinere eilanden zijn de Sand wi ch-Eiland en (onafhankeljjk), die door hunne ligging een gewichtig handelsstation zijn geworden tusschen Amerika (San Francisco) aan de eene, Australië, China en Japan aan de andere zijde. Het grootste eiland, Hawaiiquot;, is zeer vulkanisch. De hoofdstad der eilandengroep is Honoloeloe.

Zonder den potvisch of cachelot, die tusschen de keerkringen in den Groo-ten Oceaan in menigte wordt gevonden, en die eene begeerlijke buit is voor den walvischvaarder, en zonder guano, die in vele eilandjes in groote hoeveelheid voorhanden is, zoude zeker menig eilandje in deze streken nog onbekend zijn gebleven.

ocr page 144

142

E D

E R

L A

N D

Woeste

Bouw

Wei

- en

Bevolking

Grootte

P K O V Jf C I Ë If.

op

gronden.

land.

hooiland.

1 KM2.

KM5.

Groningen ....

16

0/

0

51

O \'

0

27

0/

0

120

2300

Friesland ....

1 1

n

16

60

V

100

3320

Drente.....

55

13

V

24

V

50

2660

Ovenjsel.....

. 34

18

V

33

„

90

3350

Gelderland ....

.1 24

25

28

n

100

5080

Utrecht.....

9

rt

20

V

4S

r,

150

1380

If.-Holland ....

11

14

56

V

280

2770

Z -Holland ....

4

V

23

v

54

300

3020

Zeeland.....

7

n

59

21

V

110

1790

-Brabant ....

. 28

28

23

100

5130

Limburg.....

• 21

n

41

11

r)

110

2200

Kederland ....

. 21

0/ \'O

26

t)

0

34

O

\'0

130

33000

DE WERELDDEELEN.

Grootte

W ERELDDBELE N. * in

KM5.

Europa (zonder IJsland en Nova-Zembla) . 9 730 000

Azië..............................44 580 000

Afrika..............................29 820 000

Amerika..... ..................s^fo\'ooo

Australië............................8 950 000

Poolutreken..........................4 480 000

Totaal............ 13fi000 000

Bevolking op 1 KM5.

34 18 7 2.6 0.5

10.5

ocr page 145

143

EUROPA.

LANDEN.

Grootte

in Bevolking.

KM1.


Nederland.......

DuitschlaDd.......

Zwitserland.....

Oostenrijk-Hongarije ....

Frankrijk........

België.........

Groot-Brittanniö en Ierland .

Denemarken.......

IJsland........

Noorwegen.......

Zweden........

Rusland ........

Spanje.........

Portugal........

Italië.........

Turkije........

Roemenië. ......

Servië.........

Montenegro.......

Boelgarije (met Oost-Roeraelië) Bosnië en Herzegówina. Griekenland.......

Kuropa

33 000

4

CO CO

O

000

540 000

46

850

000

41 000

2

840

000

625 000

38

000

ooo

528 000

38

200

000

29 500

5

900

000

315 000

37

000

000

38 300

1

970

000

104 800

72

000

325 000

1

913

000

450 000

4

720

000

5 000 000

86

000

000

500 000

17

230

000

89 ÜOO

4

300

000

290 000

30

000

ouo

165 000

4

500

000

130 000

5

376

000

48 600

1

970

000

9 000

236

000

100 000

2

980

000

61 000

1

500

000

65 000

1

980

000

9 730 000

337 ÜOO 000


i

ocr page 146

uitoaves VAN J. li. wolters, te groxinoen.

1\'. r bos, De landen en volken der geheele aarde, ii) hunne ontwikkeling en hun tegenwoordigen toestand. Handboek voor landen volkenkunde, I, II, get), a.............f 3,75

r. r. hos., Leerboek der Aardrijkskunde, geb. . . . Zesde druk - 3,75

P. r. bos, Bekn. leerboek der Aardrijkskunde. . . . Zesde druk - 1,50

p. r. bos. Schoolatlas der geheele Aarde.....Achtste druk - 3,75

p. r. bos. Atlas voor de Volksschool......Achtste druk - 1,00

p. r. bos, Natuur- en Staatkundige Atlas..........- 2,90

p. r. BOS, Kleine Atlas voor de Volksschool .... Derde druk - 0,50

r. K. BOS, Eerste Atlas voor de Volksschool .... Vierde druk - 0,35

P. r. BOS, Atlas der geheele Aarde, le afl..........- 0,60

p. r. bos. Leiddraad bij het onderwijs in Aardrijkskunde .... - 0,90

p. r. bos. Aardrijkskunde voor de Volksschool . . Zevende druk - 0.40 p. r. bos, Nederland en zijne Overzeesche bezittingen. Kleine Aard-

rjjkskunde voor de Volksschool........Derde druk - 0,quot;25

p. r. bos. De plaats der Aardrijkskunde in het systeem der wetenschappen ...................... - o,40

p. r bos. Platen voor aanschouwelijk onderwijs in Aardrijkskunde . - 0,60 p. r. bos, Aardrijkskundige Schoolplaten voor Aanschouwelijk Onderwijs, 13 l\'laten (met handleiding)............- 9,75

p. r. bos. De Globe. Aardnjksk. schetsboek.........- 3,00

i\'. R. BOS, Schetsen en beelden uit Nederland en Nederlandsch Indië,

leesboek voor de school . . .............- 0,35

p. r. bos, Schoolkaart van Groningen in 9 bladen.......- 10,00

p. K. Bos, Wereldkaart voor schoolgebruik..........- 8,75

v. r. bos en a. i;. kijkens, Kaart van Nederlandsch Oost-Indië, met Java natuur kundig en Java staatkundig. In 12 bladen (niet handleiding)......................- 15,50

r. n. RUK\'EXs en p. K. BOS, Aardrijkskunde in Schetsen en Beelden . - 5,25

ocr page 147