-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

U h l a n d s Har p.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

HLAN DS H ARP

DOOR

f3. VAN M E U R S.

KfiLENBl-KO, BLOM amp; OLIVIERSE, i88g.

-ocr page 10-

jrt-K LinRi^ *ju JrUNiVERSiTATiS t| [«ÜVIDMAQtMSiSj

lü\'. LUTKliC cv. CRANEN\'BURQ te \'i-licrtojgeui wi.

________________________

-ocr page 11-

1 NT11 O U 1).

amp;

Or.i.il ICverhards Hngedooni Kleinduimpje . . , Het Burgslot :ian het nicer Des Zangers vloek , De Wraak .... De Zoon der bergen Aan den Onzir.htbare Een Lied der Nonnen In het Bootje . . . De Rozenkrans . . De Leeuweriken . . Morgenlied .... Lenterust ....

Jlet kerkhof in de Lente Lof der Lente. . . De Lente der toekonis I.entedauw ....

Troost in de Lente .

In den Herfst. . . De Pelgrimstocbt.

Op een helderen morgen \'s Morgens ....

liet witte Hert . . 1 )e Zwaabsehe Ridder 1 )e verloren Kroon . Avondwolken . . .

Mijn Rustplaats . . De blinde Koning .

Jonker Reehberger .

Klacht..... r.ieil van een Gevangene

ir.

l(i is I1.)

\'.!/ \'2!t HO

:ii

:(:i at ar. ao ait

4o /ii

\'(i w

■K) 47

5(i

1) ante......

1 let Orgel .... De Lijster .... A vond-Miiziek. . .

Moeder en Kind . . N igedae.htènis. . .

Na den Dood mijner Moede Vi de Begrafenis. . . Het Clraf mijner Muedei 1 )e kleine Roeland .

Ken Droom.....

De verloren Kerk . . Pascal Vivas . . . . Jonkvrouw Julia . . ,

I )e ï\'elgrim.....

De Koning op den sloUo Bij een Grafzerk . Kt n Wintermorgen .

J let Lied van den armen De Herberg .... Het Vertrek .... I .astigc Buren ....

Lied van den duilscheii / Aan het Vaderland .

Mirkiéwii /.....

De brave Kameraad.

Het heil van Kdenhall . Des Zangers wederkom,--t


-ocr page 12-
-ocr page 13-
-ocr page 14-

! lij droeg het, op zijn helm gehecht,

Als zoete enuring mee,

llij droeg het in het heetst gevecht En over land en zee.

llij plantte \'t, toen bij wederkwam,

Met zorg in vruchtbren grond; hn wortels schoot lt;1lt;\' kleine stam En takjes in het rond.

En telkens als de lentetijd

Weer leven schonk en bloei. Zag dagelijks de Graaf verblijd Den doorn, vol kracht en groei.

I )e Graaf was oud en stram van leèn,

Het twijgje was een boom, I \'aaronder zal hij vaak alleen \\ erdiept in zoeten droom.

Dan schommelde de bn ede top

Al ruischend heen en weer,

I n riep hem al de, I gt;eei(len op Der tijden van weleer.

-ocr page 15-

-

L/ 1EG !£ 10 uy :£ ïyJ _F :; IE) a

Naar uw lot^ewillen

W ie kan \'l zonder tranen hüoren, i loe d\'nit^anu niet kondt \\ inden In dal bosch, waar woken huilden ()nder \'i loeien van de w inden.

\'t 1 larie klopt ook ons \\an bangheid, Als we ii baii!^ zien o\\crnachten In hel huis des meusclienelers,

I \'ie ii in (len slaaji wil slachten.

O KU\'iiKluimpjc ! () Ivlcincluinipjc ! Ximmcr zal uw roem vcrduistrcn I 0 \' ■-wj Jjh ygt; quot;k Zie hel kind, reeds in zijn \\\\ ie^it\',

istren.

-ocr page 16-

Maar gij hebt de zeven mutsjes Listig ruilend met de zeven Kroontjes van uw zestal broertjes Wonderbaar gered het leven.

1 oen de reus zóó lag te snorken Dat gij t rotshol voeldet schokken, I (ebt gij hem zijn groote laarzen Zachtjes zachtjes uitgetrokken

Als koerier bracht ge in den oorlog De overwinning aan uw koning, l\'.n die schonk u voor uw kloekheid Zijne dochter tot belooning.

O Kleinduimpje\' () Kleinduimpje ! Nimmer zal uw roem vermindren; Machtig stapt ge op reuzenlaarzen Door de wereld onzer kindren.

VM C\'- i

-ocr page 17-

-ocr page 18-

Xu eens schijnt het ;il te dalen In den spiegelheldren vloed,

1 )an weer statig op te stijgen In der avondwolken gloed.

ja, ik zag dat hooge burgslot Op de rots aan \'t blauwe- meer,

Maar het lag gehuld in nevlcn, »\'t Maanlicht scheen er droef op neer.quot;

I loordet gij de golfjes dartlen Met een klatereiukn klank,

Kn de hooge zaal weergalmen \\\'an nui/ick en feestgezang ?

-Niet ct-n golfje, /i-lfs geen windje Hoorde ik ruischen om mij heen;

.Maar daarbinnen klonk een treurtoon, J )ie mij drong door merg en been.quot;

Zaagt gij niet de koninginne Leunend aan des konings zij\';

Beiden schittrend van juweelen In hun [jurpren leestkleedij ?

i;

-ocr page 19-

Zaagt gij daar geen Jonkvrouw prijken,

Als een roos zoo schoon en friseh, Naast haar ouders, van wier krone Zij de rijkste parel is ?

Ja, de vorstlijke ouders zag ik.

Niet in purpren feestkleedij.

Maar in rouwgewaad gestoken...

lt; quot;k Zag geen Jonkvrouw aan hun zij\'.quot;

.

-ocr page 20-
-ocr page 21-

1 )aar woonde (m-ii trotsche koning

door maeht en krijgsroem groot I lij zat daar op zijn zetel

l.ileek, somber als de dood; \'t Was ijslijk wat er omging

in zijn barbaarsch gemoed, lln wat hij sprak was gruwel,

en wat liij schreef was bloed.

||cü n^crli vloeli.

r lag\' ( (ii prachtig burgsUit

in oxcroiKlcn tijd Met gulden torenspitsen

die blonken wijd en zijd, I e midden van waranden

vol bloeniengeur en praal, speelden

in dei* fonteinen straal.

-ocr page 22-

Kr toog eens naar dit burgslot

een roemrijk zangrenpaar: De een was reeds grijs van lokken

en de ander blond van haar; I )(■ grijze met zijn harpe

bereed een melkwit ros, l£n naast hem liep de jongling

in sierelijken dos.

liereid u - sprak de grijsaard

bereid u voor, mijn zoon! Ons teederst lied moet klinken

in diepgevoelden toon; X\'ereenig alle krachten

der vreugde beide en smart! liet geldt hier te vermurwen

des konings steenen hart.quot;

Zij treden in dc1 hofzaal,

de harpnaar en zijn zoon, i\'.n zien den trotschen koning

gezeteld op den troon :

Als \'t \\ oorderlicht zoo schittert

hij vreeslijk in zijn pracht; 1 h: koningin straalt naast hem

als maneschijn zoo zacht.

li)

-ocr page 23-

De grijsaard slaat de snaren

en roert ze meesterlijk; Een vloed ontspringt zijn speeltuig

aan zilvren klanken rijk; Daarin mengt hij de tonen

van \'l zware basgeluid,

Daar klinkt de hemelstemme

des jonglings boven uit.

Zij zingen van de lente,

van d\'ouden, gouden tijd, \\\'.m vrijheid, mannemvaarde,

van trouw en heilgen strijd; Zij zingen al het zoete,

dat \'s menschen harte treft; Zij zingen al het eedle

dat \'s menschen geest verheft.

1 )e wufte hovelingen

vergeten lach en spot, 1 )es konings fiere krijgers

xernedren zich voor (iod. 1\'aar werpt de, koninginni\',

zoo droef en blij te moê, 1 )e roos van haren boezem

den beiden zangren toe.

-ocr page 24-

Mijn volk hebt tWj 1 icdorvm

verleidt e\'lj ook mijn Zoo brult de koning woedend

en \'t weltsel brult hem na.

I lij werpt zijn /.waard, dat llikkrend

des jonglines borst doordringt , Waaruit \\ oor gouden zangen

een straal van bloed ontspringt.

De hovelingen gruwen

en vluchten van dit feest, i )e jongling geeft in de armen

des grijsaards /aeht den geest. I )(•(■/\' slaat om hem zijn mantel,

en draagt den dierbren last Luid snikkende de zaal uit,

en bindt op t ros hem \\ast.

l\'.n als hij voor de burgpoort

gereed ter afreis staat,

f.n aan een marmren zuilschacht

zijn harp aan splinters slaat Daar bromt een ijslijk wee uiquot;

tot driemaal uit zijn mond, I n galmt de muren over,

en klinkt den bury in \'t rond :

O

-ocr page 25-
-ocr page 26-

Mij gaat — in somber zwijgen;

zijn vloekbeê werd verhoord. Men pninhooi) vindt de pelgrim

in \'t eens zou heerlijk oord. l\'.rn enkle zuil nog staat er

en tuigt van de oude pracht, Ook de/e, reeds gebarsten,

kan vallen d\' eersten nacht.

In plaats van bloemengaarden,

een woestenij in \'t rond :

(ieen struik zelfs werpt er schaduw,

geen bronwel laaft den grond. Des konings naam verkondigt

geen lied, geen heldenboek. Verzonken lt; n vergeten!

dat is des Zangers vloek.

-ocr page 27-

aar stak eens een Hjl knaap zijn rkklcr Ier neer,

Ilij wilde niet langer een knecht zijn, maar lieer

1 lij (loodde zijn ridder; en \'t bcisch dronk het bloed, i\',n l uitgeschud lijk werd een [jrooi \\\'an den vloed.

1 oen stak zich de moorder in \'t pantser van staal, I -n zette zich fluks in het ridderlijk zaal.

1 lij vlucht in galop. Maar daar stuit voor een brug liet paard... en het steigert en trappelt terug.

1 lij spoort en hij teugelt en \'t dier wordt verwoec l .n springt met zijn ruiter in \'t diepst van den vloed.

1 lij worstelt en roert de geharnaste leèn I e zwaar was het pantser hij zonk en verdween.

-ocr page 28-
-ocr page 29-

Hier is de stroom nog zwak en klein, Ik drink hem \'t eerst zoo frisch, zoo rein Ginds schuurt hij breed der rotsen wand, Ik vang hem op hier — in mijn hand. Ik ben de zoon der bergen!

De berg hier is mijn eigendom,

I )aar trekt de stormwind buldrend om; Al raast hij wild van Noord of Zuid,

Toch klinkt mijn lied er boven uit: Ik ben de, zoon der bergen !

Snort onder mij het bliksemvicr,

Ik sta in \'t blauw des hemels hier ;

Ik ken den donder, en gebied :

Sla in het huis mijns vaders niet !

Ik ben de zoon der bergen !

En, als het bange noodsein schalt, \'t Geweervuur door de dalen knalt, I );in stijg ik af, schik me in den kring Der strijders, zwaai mijn zwaard en zing: Ik ben de zoon der bergen!

-ocr page 30-

Ian don |]n.gt;id]tban\\

* lt;1 ■gt; ^

Jf^A.

a V •/\'i

fpfct

[j^ |i5W 1 (gt;ij dien wij zoeken Dp duistere we^eii,

l /

W\'ien nooit hel vorschenct versland is genaakt, \' •i ns /,it \' quot;it luv heili-e wolke ^este^en ■ i 1 ii hebt voor de meiischen (\' /iehtbaar sjernaakt.

oe straalde toen heerlijk uw wezen hun tenen, 1 loe klonk hun toen zali^ het woord dat (dj spraakl hem. die met U aan den disch heeft gelegen, w liefde aan uw s/odcle-lijk hart heeft gesmaakt.

Ja, daarom zijn vroeger, door godsvrucht bewogen, ()ntelbare. jtelgrims ter beevaart getogen

I .n hebben zich ridders ten kruistocht gerust,

Om daar, waar Ge uw bloedigen strijd hebt volstreden \\Ol liefde, te brengen hun oilers en beden.

Te klissen den grond door uw voeten gekust.

-ocr page 31-

c V

Wgg^/-. • :iS$ÊÈs.ïI

int der A

quot; r» \'

o n n e n.

\' m ^•■V ^\' \' 11\' vromlt;: kloosterlinge \'% \'tó ^\'l 1 \'1(quot;iliK(\' iiaiulrilt hlt;\'nilt;-!waart amp; \':quot;-■ 35}^. 1 .n zweelt op «ruiden wolk^evaart\'! ,v\'\' T^f \'\'aal daar, in \'i reinste Zonne^loeien, \'ïÏ5 \' k;t lied ons uil de harten vloeien,

lgt;at, eeuw^e Liefde, 1 zal bezingen.

1 loe spoedig kwijnt de teedre bloesem \\ an aardsehe schoonheid en ^cneu^t\'! (\'.ij zijt een «•euw^e lente\\reuiL;tl I )oor niets ter wereld te vergoeden, (lij vlanniK!, die wc in stille voeden Aan \'t outer en in onzen boezem.

lt;) Liefde, die op aarde daalde, Als kindje lachend nederhuiL;!

In de armen van tie Moedermaagd ! Zij heelt uit uw zacht heldere oo^en I )eii ^lans der heemlen ineczo^\'en Tot haar uw glorie zelve omstraalde.

I\'.i

-ocr page 32-

Gij hebt met goddelijk erbarmen 1\' uitgestrekt op \'t folterkruis;

1 )lt;)()r de aarde rolde een dof gedruisch : Komt allen, komt tot Hem gevloden! Komt, breekt uw zerken los, gij dooden; 1 lij neemt u oj) met open armen!quot;

() onuitputbre Liefdebronne!

\'l Is nog een tijd van sluimring nu Der /iele droom is over U;

Maar eenmaal slaat de ontwakingsstonde, 1 )an word ik gansch in lr verslonden Cielijk een vonk in \'t vuur der zonne.

yo

-ocr page 33-

\'Jl

-ocr page 34-

Ken tweede verandert

Zijn stok in een fluit, Kn mengt hij den horen 1 laar trillend geluid.

Ken meisje, dat neerblikt Zoo bloo en zoo bang, Stemt mee in het deuntje M -t lieflijk gezang.

I )e roeiriemen kle|)[)en

1 )e maat van liet lied, Kn quot;t bootje snijdt dansend 1 )cn kabblenden vliet.

De reizigers treden

Aan wal bij bet veer...

W anneer zien we elkander In één bootje weer:quot;

-ocr page 35-

h |02e«liraits

{i \'f- Nietig schijnen hun die bloemen

. f \\ A ^

Bloeiend in de lustwarand, Maar onschatbaar nu /ij prijken In der Jonkvrouw teedre hand.

()nder \'t loox\'er /it. de Schoone

t W\'apenschouwspel aan te /ien, l\'.n voorspelt den overwinnaar,

\\\\ ien /ij dquot;eere|)rijs mat; bien. Geurge rozentakken wappren

Als een waaier om haar heen, 1 lloesemvolle, wijngaardranken Slinuren bogen om haar leên.

amp; ,s/ \'i

\' . K .lt;

-ocr page 36-

Op ren machtloos paard gezeten,

Treedt een oude ridder toe; \'t Grijsgelokte hoofd buigt knikkend

()[) de borst bc/waard en mot-Moeilijk draagt zijn arm de krijgsspecr i \'.n zijn hand houdt nauw den toom. Plotsling rijst hij op in \'t zadel, Als ontwaakt hij uit een droom.

: Wecst gegroet! — zoo klinkt zijn ste

Schoone jonkvrouw, Kedlen-schaar! Dat mijn onverwacht verschijnen U geen vrees of hinder baar\'.

Gaarne zou ik mededingen

In het breken van een speer,

Maar het faalt mijn arm aan krachten. En ik ben niet zaalvast meer.quot;

O, ik ken het edel steekspel,

l\'.n mijn koenheid is vermaard; \'k Hen in \'l harnas opgewassen

l.n vergrijsd bij lans en zwaard. Ik doorstond den strijd te lande,

kn op zee het stormgeloei.

Neryens heb ik rust gevonden Als één jaar in kerkerboei.quot;

-ocr page 37-

Ach, het zijn verloren jaren! \'t Schoone heeft mij nooit: verrukt Xooit heeft deze ruwe handpalm

[\'quot;.ene teedre hand gedrukt. Xcroens zag ik /.ulk een Jonkvrouw

Op mijn tochten heinde en ver\'. Als die heden voor mijn oogen Oprijst als een nieuwe ster.quot;

Was ik jeugdig nog van krachten, \'k Leerde tier Minstreelen kunst. Zoete liedren zou ik zingen,

1 )ingen naar der Schoone gunst, \'k Zou hier in het strijdperk treden

In der lente zonneglans,

Kampen met u allen, Kedlen, Om dien kostbren rozenkrans.quot;

Ach, te vroeg ben ik geboren! Nu begint de gulden tijd,

Xu èn liefde èn vrede treden

In de plaats van twist en nijd. Zij, de koningin van \'t Meifeest,

Voert in \'t, nieuwe rijk den stal. (iij moogt, Jongren, het l.)eleven ; Maar ik oude daal in \'t graf,quot;

-ocr page 38-

Opgetogen staan de ridders

Bij het klinken van die taal. Zie, des grijzen oogen breken En hij wankelt in het zaal. De hedlen komen toegeschoten, Leggen op het mos hem neer. Maar, wat middel ze ook beproeven, \'t Leven keert in hem niet weer.

Uit het loover treedt de Jonkvrouw

In der lente zonneglans,

Neigt zich treurig tot den doode, Siert hem met den rozenkrans: ■Hij zij koning van het Mcileest,

»Niemand is het beter waardI • Moge God hem in den hemel »Kronen, als wij doen op aard!quot;

»gt;;

Vt!

-ocr page 39-

|]c feciuuerilieit.

5^ clkom iccuwcrikcn \\ luchl \'

Hoe /.c ritslc.n door \'t plantsoen, Strijken over \'i wcidegrooll, Jublend steij^ren in de lucht! Hén belust op tierelier 1\'laddert in mijn binnenst\' hier.

T

Reeds heb ik, wandlend, o|) mijn luit I )it lied gespeeld, en doe, het luid Door woud en veld herhalen.

-ocr page 40-
-ocr page 41-

j en tem üf.

n\'icl1 m\'i t\'e (\'lt;)(K1 ht\'t leven af,

clt;)quot;dTO\'A

Leg mij dan niet in \'t donker graf

quot;TrfyYWWA

\'!lit, .(H Niet onder t ijroen der zode!

quot;sv/\' IMaar tusschen \'t welig scheutig gras, Len rustplaats die hem dierbaar was, Legraaf hem daar, den doode!

\'k Lig gaarne tusschen gras en kruid, Als \'k in de \\\'(\'rte een herdersllnit

I loor klinken langs de dreven, Ln aan den blauwen heineltrans liet 1( ntcwolkje in /ilvren glans Mij over \'t hoofd zie zweven.

t I ■ .• J

yV • iZ\'J /■

a

-ocr page 42-

•k en dorenluuren:

Ijct Ijiïhhof in do

\'i lille rustplaals onzer tlooden, ^ Scliii , den Iciitffccstdos aan,

IScr^ ii achter rozcblaan,

\'„i I )lt;;k uw orond met tn\'oenc /oden.

uw

Ach, ik vrees dat straks tie dood Naar uw vun/en donkren schoot 1 \'.en der mijnen weg /al dragen.

Opent gij voor mij uw zerken, O welaan, ik ben bereid!

.Maar der lente heerlijkheid Nooditrl me om nog veel te werken

\'I\'

30

-ocr page 43-

j[of dor jfenlc.

V J

, rocnc -weiden. Ijalscmlucht,

J.

\' -e\'-\'uwriksz.-mgcn, \\ linc1cr\\ lucht, hSièiKBldcscniretjcn, zonnelach

i. \'A\'e-, *

3 t

(■y

Grootschcr woorden hoeft men niet ()m te pn\'izen in een lied \'t Schoone van een lentedae.

j]e jfcnlc der toelinmüt.

r v;

\' ■,aar 7,|n 1

/iin korlc lente \'\'loren nlt; \'s ( r \'K\'sr\'1lt;,l\'i n\'

^^(Tp^nie niet geen eeuwen cndl

\'k 1 leb van haar heerlijkheden Reeds voorsmaak hierbeneden hn zal haar eenmaal ^enerzijds Genieten in het Paradijs.

n.

-ocr page 44-

J e n t e d a u ir,

\'MÉ\\

hrt eerste morgenstralen \' )oor \'lrt tintlencl hemelblauw -(llanst oi) velden en in dalen Zachte frissche. lentedauw:

J f

Schoone Mei, wel moogt ge roemen

Op uw wondre kleurenpraeht,

l\'ulp der bladren, geur der bloemen Alles dankt gij aan zijn kracht.

Dauw wordt, vallend in de ontsloten

Oesterschelp, een paarlenkroon ; In der eiken stam gevloten

Kweekt hij vlinders vlug en schoon, iiij de vooglen die hem drinken

l\'rengt hij nieuwen zanidusl voort, lt; )m ei-n lied te doen weerklinken, i \'at het ernstig woud bekoort.

-ocr page 45-

Met den dauw der lenteklokkcn

W\'ascht de jonkvrouw \'l aangezicht, Sprenkelt zij de gouden lokken ,

I\'.n zij straalt van hemelsch licht. Ook de roodbekreten oogen

\\ oelen zich door dauw verzacht, Tot straks aan de azuren bogen \'t Morgenlicht htm tegenlacht.

1 )aal dan gij ook op mij neder, Balsem voor der ziele smart;

Xall mijn oogleèn zacht en teeder;

i )renk, verkwik mijn dorstend hart Geef mij nieuwen lust tot zingen;

Sterk mijn blik, om \'t diepe blauw Van den hemel door te dringen, Zachte, frissche lentedauw \'

| roo\'it in de

//A.-4. \'T \' *

hart, wat vreest ge in deze dag •-i/^iNu zelis de doornen rozen drai\'cnquot;

W A» -

-ocr page 46-

Adenit o;i), mijn ziele, weer i .entclici Ircii frisch en teer\' Zie die j^cle dorre boomcn... Ach, het waren zoete droonicn !

f

34

-ocr page 47-

jji\' ]|eIi)rimfiloii|t.

cinnvcc 11( M)rslr()nm. !lt;•

liet hart \\aii cru peltn\'ini;

ZwcrvfinU* zocht hij

De hcinclsclic Stad Stad \\ an ^encu^lcn l\'.n Jul)lcnlt;lc zanden, I )j(\' eens ()()(ls cn^cl I icin toeijc/cijil

I Icldcrc stroomen,

lil \'t vlak uwer watren M\'ou\'l jn\'j weerkaatsen 1 laar lielelijk bcelci!

\' ilan/( nilc Igt;ci l;(\'n ,

Van verre reeds schouwt l;i| \'l Oord, dat mijn ziele Zoo aanlokt en streelt!quot;

-ocr page 48-

(iinds iKior ik klinken Als klccplcn daar klokken; \'t Avondrood flonkert

Door \'l woud mei zijn gloed O, had ik wieken!

Ik zweefde als een duive Vlug\' door de ruimte 1\', Stad, te gemoetlquot;

1 leilige weemoed X\'erteedert zijn ziele,

Brandende zuchten

Ontstijgen zijn hart;

Mat zijgt hij neder ()|) \'t Idoemige rusthed; Smaelitend doorboren Zijn oogen de \\erl\'.

Wijd, ach! te wijd is I )e ruimte der scheiding!

Lang is de reize,

le zwaar voor mijn kracht! 1 oovrende, droomen,

()ntsliiiert het lustoord,

(ieeft mij \'l genieten 1 \'er hemelsche prachl \' quot;

-ocr page 49-

\'l Blauwende welfsel (Jntsluit zich , , . een Kn^el Cihuizcnd als zilver

I )aalt vi-iendelijk af: •Zou (lod dus spreekt De kracht u onthouden, 1 lij die te voren

\'t \\\'erlangen u f^afquot;quot;

Stille verrukking In zoele heo-oochliiig INIoge het voedsel

i )es weekelinos zijn: \'l Rusteloos streven Is manlijk en edel,

\'t \\ oert naar hel dnrlw ii, Verwi\'rklijkl den schijn!

/achl als de geuren 1 )er liloenien \\crd\\\\ijnl hij. Oj\' springt de pelgrim,

\\ erslcrkt door zijn woon Moeilijke wegen Doorwandelt hij moedig l\'Jndlijk, daar schillert I )er 1 lemelen poort

-ocr page 50-

Ze opent haar vleu^lcn Als de armen der moeder, 1 )ie in verlangen

1 laar zoon heelt verwacht. Jublende zanden Begroeten den moede,

Maar die zoo moedig

Zijn tocht heeft volbracht.

-ocr page 51-

Dp m ^fldoren fljorgen.

wrir]

hcldrc lucht na sombre da*rc

c \\ (icni\'cst (gt;ij wat mijn hart doet klagen

liet x\'oiul wel baat bij yonneschijn, Als \'t: van den re^en krank zlt;iu zijn.

O hcldrc lucht na somlire dagen,

Joch lenigt gij wat mij doet klagen: Gij straalt een voorsmaak in het hart Van \'t zoet der vreugde na de smart.

II

t • ti

,yorgcnhicbt zoo rein en koel, 1 .alenis voor alle \\ olkcn , Zult gij u \\ an avond zoel Zamelen tot onweerswolken

oriUMiü.

-ocr page 52-

MBiiiSBwB^wiara lt;1 I\'ll»ii IHIIiAUgj

|jd uitte jlfl\'t.

ns trokken drie jagers ter jacht in

het l)()S(\'h,

Kr schuilde een wit hert, en daar ging het op los.

Zij legden zich neer aan den voet van een hoorn; I \'n sliepen, en hadden een wonderen droom.

I ) e eerste.

Mijn droom was : ik stond voor een struik sloeg er op, Kn \'t hert schoot er uit als een bliksem, hoep hop Iquot;

IJ e t w e e d e.

kn ik, toen het vluchtte voor \'t hondengeblaf, Lei aan en ik gaf het een kogel, poet pal !quot; De derde.

kn ik zag het wanklen, en stormde, het na;

Het viel en ik blies op mijn horen. traral \'

Zoo snoefden en pochten en leuterden /ij :

Daar rent het wit hert in galop hen voorbij,

Kn eer nog de drie van den schrik zijn hersteld,

is t wild over rotsen en kloven ontsneld.

1 loep hop ! Poet pat I l\'rara \'

10

-ocr page 53-

IScrg op berg af, niet moeite voort.

Hoe menig 1 hiitscher werd bekeerd

hn heelt toen \'t pimplen afgeleerlt;l !

hrg kreeg \'t de ruiterij te kwaad:

1 )e [)aarden vielen van de graat,

lm wie zijn klepper wou behonèn,

Di e moest maar zien hem voort te sjouwen.

1 )it was met zekren Zwaab \'t geval, ken forschen ritldcr groot van stal;

Hot; hij ook trok aan toom en stang,

Zijn knol ging maar den slakkengang;

Toch had hij \'t beest niet prijs gegeven, Al kostte \'t hem zijn eigen leven.

Terwijl hij eenzaam aan den staart Van \'t leger voorttrok met zijn paard.

-ocr page 54-

Daar kwamen plotsling in een draf, WCl Turken c)[) hem at.

Zij mikten — en een breetle vlucht \\\'au pijlen snorde door de lucht.

Dit bracht den Zwaai) niet uit den stap; Als ware \'t louter voor de grap,

Liet hij zijn schild met pijlen prikken Hn spotte mei dat Turksche mikken.

Toen stormde een Turk op snuivend ros

Met kromme sabel op hem los.

[lel bloed des üuitschers koud, bedaard,

Wordt warm, bruist op : daar maait zijn zwaard

Twee ponten af van \'s vijands paard,

Dat hinkepinkend /inkt ter aard.

Nu heft hij \'t zwaard een tweede, maal :

b.n \'l valt, gelijk een bliksemstraal,

Vi rplrttrend op den Turkschen kop,

Vlijmt door tot op den zadelknop,

Splijt ook het zadel nog vaneen

b.n stuit in \'t paard op \'t ruggebeen.

Toen viel van \'t ros aan eiken kant

Ken doorgehakte l urk in quot;t zand.

I ii de andren zien dit luiivrend aan

b.n vlieden naar de halve maan.

Ineengekrompen met tl» handen

Als schilden op bun tullebanden.

-ocr page 55-

Hen Christenschaar, die moe en mat, \'i Heir ook niet bijgehouden had, Zag tot in merg en been geroerd Wat door den Zwaai) was uitgevoerd. ])(: keizer door hen ingelicht Heeft tot den held tic vraag gericht: Wie maakte n, ridder, zoo bedreven ()m iemand zulk een houw te geven

Hij had het antwoord daadlijk klaar: ■Zoo iets is in mijn land niet raar! bn wilt gij er den naam van weten sgt;J)at wordt een Zwabenhouw gehc

-ocr page 56-

44

-ocr page 57-

Bmcflen L;liint een vijver

Met schomlend riet omzet, I lij houdl een koniii^skrone

XCrbor^cn in zijn bed; I )ie laai in \'t inaanlicht spelen

Karbonkel en saffier; I );it doet zij al sinds eenwen, lui niemand zoekt zc hier.

.

-ocr page 58-

^ r o n (1 ii\'o 1 li

olken, op den clai; zoo /.wart,

Zweven aan den westertrans Schitterend van purperglans, ï! i \\\\ aar het goud der zon door Hunkert

/( •gt; wordt ook, voor/egt mijn hart, I\'lens der ziele, vroeg of laat, Als het leven ondergaat,

I leider wat nu is verdonkerd.

?

Is hij avondzonnestralen

. Gouden herpen, purpren dalen

Zwlt; vlt; n aan liet hlamv verschiet,

\'*quot;•gt; \' \'

J\'rrquot; Hlijlt mijn oog daar weenend hangen l \'.n ik vraag met zielsverlangen: Is daar ginds mijn rustplaats niet?

en,

10

-ocr page 59-

■ v

]]e blinde |[oni

o nin ii.

a

) a

^ oc staal die Xoorclsohc legerschaar ^no zwijgend op het strand! Wal wil die blinde koning daar

\' L*

Met uitgestrekte hand?

I )e forsche galm der woorden,

Ontvlogen aan zijn mond,

Klinkt zelfs op tie overhoorden \\ an t meer verstaanbaar rond :

(gt;eef, roo\\Ter, mijn onnoo/el kroost . Mijn liexc dochter, weer!

Zij was mijn ouderdom ten troost.

Zij zong zoo schoon en teer. (\'ij hebt uit mijne dreven

Haar heimlijk weggeroofd !

Mij kort gij \'t korte leven!

De vloek dal e op nw hoofd!quot;

n

-ocr page 60-

1 )a;uquot; treedt hij uit zijn hol op \'t strand,

1 )c roover woest en wiid; Len ren/czwaard vlamt in zijn hand En klikklakt op zijn schild:

1 rots uwe sterke wachten Maakte ik uw dochter buit!

Kom, red haar\' Toon uw krachten! k I )aa^ al uw dappren uit!quot;

De Noordsche krijgers blikken stom;

Geen durlt te voorschijn treèn. De blinde koning wendt zich om:

Sta ik dan gansch alleen?...quot; 1 )e jongste zijner telgen

i )rukt s \\ aders hand zoo warm :

-Laat mij den reus verdelgen, l \\v kracht voel \'k in mijn arm!quot; -—

Mijn zoon, reeds was zoo menig held Niet tegen hem bestand!

Maar toch, uw leeuwensterkte meldt

Mij \'t drukken van uw hand.

Ziedaar mijn zwaard, het stave

De glorie van den Scald!

k Zink hier met schand ten grave. Zoo gij daar ginder valt.quot;

is

-ocr page 61-

De blinde koning staat, cn hoort

Ken riemslag op het meer :

Een bootje roeit naar d\'overboord...

\'t Wordt stil. — 1 lij luistert weer...

Daar klinkt een schreeuwen, tieren.

Gekletter en geschal Van schilden en rapieren,

En dan — een doffe val.

«Spreekt!quot; roept de grijsaard blij en bang,

»\\\\at ziet gij? Deelt mij \'t mee!

Mijn zwaard, ik ken het aan den klank.

Gaf zulk een felle snee!quot; —

» De roover is gevallen,

Hij heeft zijn bloedig loon!

Heil, dappre boven allen,

Heil, dappre koningszoon!quot;quot;

\'t Wordt stil op de oevers, stil op \'t meer.

De koning staat, en hoort:

»\\Vie komt? \'k Verneem dm riemslag weer,

Men roeit van d\' overboord!quot; —•

»sZij komen aangevaren:

Uw zoon met zwaard en schild En, met haar blonde haren.

Uw dochtertje Gunild!quot;quot;

-ocr page 62-

• Weest welkom!quot; roept de grijze luid

Van \'t hooge meerstrand af --sNu leef ik blij mijn dagen uit,

En daal met eere in \'t graf.

Zoon, leg dan naast mij neder

Mijn zwaard van goeden klank! En gij, Gunild, zing teeder Uvvs Vaders lijkgezang!quot; —

GO

-ocr page 63-

m

-ocr page 64-

1 lij sloop cr bij \'t grauwen van d\' ochtend weer uit, l.ii ging op de jacht naar een kostlijken buit;

Want slim had hij weten te ontdekken,

Dat kooplièn door \'t woud zouden trekken.

Hij was met zijn knecht al een eind wegs van daar: gt;Terug!quot; — roept hij eensklaps — . rn zoek hij die baar, Waarop ik van nacht heb gezeten...

Mijn handschoenen heb ik vergeten!quot;

De knecht keerde weer, maar zoo bleek als een doek: ^Tw handschoenen, heer... dat de duivel ze zoek!

Zie \'t zweet van het voorhoofd mij stroomen... Zoo iets is mij nooit overkomen:

i ken spook in een doodshemd zag \'k dreigend daar staan \'t 1 lad oogen als vuur en nw handschoenen aan, Het spalkte zijn klapprende kaken...

Of ik me uit de voeten kon maken!quot; —

De jonker rijdt zelf nu terug in galop,

Kn vordert gebiedend zijn handschoenen op,

kn liet, toen het spook nog bleef sammelen, Het zwaard op zijn beenderen rammelen.

-ocr page 65-

gt;Toe!quot; — smeekt het skelet hem met knarsend gebit — »T()e! laat mij die dingen één jaar in \'t bezit;

Ge krijgt ze, als die tijd is verdwenen,

Weer eerlijk terug - \'l is maar leenen.quot; -

»Maar leenen? k\'.én jaar slechts?... Komaan, \'tis akkoord! \'k Wil zien of cle drommel is man van zijn woord I 1\'as op, hoor, \'l zou kunnen gebeuren —

Je hand is zoo dik dat ze scheuren!quot;

Rechberger, de Jonker zoo woest en zoo stout,

Trok toen met zijn knecht in het diepst van het woud. Het paard hegnt eensklaps te snoeven...

Zij hoeren getrappel van hoeven...

Een ruiterstoet toog in de verte voorbij :

Voorop reden ridders in zwarte kleedij

\'t Scheen aaklig bij \'l ochtendgellonker.

»Passeert maar!quot; zei zachtjes de Jonker.

1 -n achter den stoet liep een knecht dat was mal! J )ie hield aan den teugel een ros, forsch \\an stal. Met stijgbeugels, zadel en stangen,

lui met een zwart dekkleed omhaneen.

O

-ocr page 66-

Rcchberger kl;im|)t zoetjes dien niiterknecht aan, Ku vraagt welke herren vooruit zijn gegaan, Kn (wat wel het meeste hein waard is) Voor wien dat gezadelde paard is.

, 1 Iet is voor den tromvsten trawant van mijn lieer; R ec h b e r g e r, zoo wordt hij genoemd heinde en veer. Als heden één jaar is verdwenen,

1 )an rent hij naar de eeuwigheid henen.quot;

1 lij sprak en verdween met den stoet in de vert\'. 1 )(■ jonker gevoelt zich niet wel om liet hart,

Kn zei tot zijn knecht: vlloor eens, jongen. Mijn liedje is op één na gezongen.

Ts u niet mijn klepper te woest en te wild, Kn kunt gij ze dragen, mijn degen en schild, 1 )an wil ik dit alles u schenken.

Word braaf en blijf mijner gedenken!quot;

Toen stapte de Jonker een kloosterpoort in:

lieer Abt, zie ik ben voor een monnik te min. Neem me op als een Ie* k in uw midden, \'k Zal werken geducht en ook bidden. \'

54

-ocr page 67-

ïIk zie uquot; — was quot;t antwoord \'gelaarsd en gespoord, Gij lijkt wel een ridder! Leef hier als \'t behoort,

Ik zal ii de paarden vertrouwen.

Waarmede we onze akkers bebouwen.quot;

Eens kocht men aan \'t klooster een zwart, vurig paard; (\'lis juist dat de strijd met het nachtspook verjaart!) Dat beest moest Rechberger bedwingen,

Het deed niets dan steigren en springen.

Daar geeft het den temmer een hoefslag op \'t hart; 1 lij viel en bezweek in de hevigste smart.

Van \'t paard is geen spoor meer gevonden.

Het was als een nevel verzwonden.

Ie middernachtsure daar stijgt aan het graf Des Jonkers een sombere ruiterknecht af;

Ken ros houdt hij vast aan de stangen;

Aan \'t zadel twee, handschoenen hangen...

Rechberger verrijst trekt zijn handschoenen aan, f.n mompelt: »\'1 is drommels, maar eerlijk gedaan!quot; I -u zette zich fluks in den zadel.

Nu komt er een lesje voor d adel;

-ocr page 68-

O, Jonkers, — dit leert u mijn spookachtig lied — Tast op, en vergeet uwe handschoenen niet!

Wilt nooit, als in vroegere dagen.

Des nachts u onedel gedragen!

lacljt.

en grave levend dalen Geen ramp kan daarbij halen! —

__________— Ach, vriend, ik weet er één

V Ni\'^t minder groot, naar k meen

Als een gevoelig harte,

\\ol levenslust en moed,

Door kommernis en smarte Reeds vroee veroudren moet.

■ ;T-\'

•v-

r.i;

-ocr page 69-

iicd ran een (IjCvangene.

eeuwerik, die tierelierend Op uw rappe vlerkjes zwierend

A» Hooger stijft in vrije lucht,

\' •

jryZingen wij te zaani koralen 1

k Stijg me(; u \'n en stralen.

Aan mijn kerkcrboei ontxlucht.

Leeuwerik, uw zangen zwijgen;

\'k Zie u vr ooi ijk nederzijgen

In het dal, aan bloemen rijk. Ook mijn stem zal niet meer klinken; Treurig ga ik nederzinken In het hol vol nacht en slijk.

4?

-ocr page 70-
-ocr page 71-

jlant t

\'■\'S ^

as \'t een poort der stad Florence, Of was \'teen der Hemelbogen, Waar, in \'t gouden licht der lente , Schaar bij schaar komt uitgetogen

Kinderen met Knglenkopjes,

\'t; I laar versierd met bloemenkransen, Tripplen naar het dal der rozen,

Waar de reien feestlijk dansen.

Onder een laurierboom stond daar Dante, knaap van negen jaren. 1 toe zijn zwarte lonklende oogen Op lt;■\' nc uit die kindren staren !

-ocr page 72-

Ruischten niet dlt;; lauwertakken Waar de lentewind door zweefde ?

Zong niet I )antes jonge ziele

Toen zij \'t eerst van liefde beefde?

ja, in \'t hart is sinds die stonde De ader van het lied ontsprongen;

In sonnetten m canxoncn

Werd Beatrix\' deugd bezongen.

Als, tot Jonkvrouw opgewassen,

Zij hem weder trad voor de oogen,

Stond ook als een boom vol bloesem », Dantes dichterlijk vermogen. —

Uit de poort der stad Florence

Komt weer schaar bij schaar getogen,

Maar nu —- onder treurgezangen Langzaam en het hoofd gebogen.

Onder \'t golvend zwarte doodkleed, Met het: witte kruis doorweven.

Wordt IVatrix we\'^edraeen

I\'it den rozengaard van \'t leven.

-ocr page 73-

Stil en eenzaam hoorde Dante

\'t Doodklok-brommen in de verte, En hij bon.;quot; zich in zijn mantel Overheerd door zielesmarte.

\'lquot;(j(\'n klonk van den droeven Zander ,

In een donker woud verloren,

\'t Lied y.oo somber als de doodklok Die nog nadreunde in zijn ooren.

Daar, door woeste wegen dwalend, In een droef gepeins verslonden. Werd hem onverwacht een leidsman Door Beatrix toegezonden.

Aan de hand van dien geleider

Treedt hij in de Stad der Klachten, W aar de pijnen der verdoemden Al zijn aardsehe smart verzachten.

I \'it die duistre folterholen

In het reine licht gestegen.

Zweeft hem uit de poort des I lemels Zijn Beatrix glanzend tegen.

(!!

-ocr page 74-

1 loog en hooger zweefden beiden Door het ruim der hemelzalen: Zij in \'t licht der glorie schouwend, Dal der zonnen Zon doet stralen;

1 lij \'t omsluierd oog gevestigd

( )[) der zaalge schittrend wezen, 1 )at hem \'t eeuwig licht der Godheid In een weerschijn gaf te lezen.

In zijn goddelijke, zangen

Schreef de dichter alles neder. Onver1\'anklijk of \'t in rotsen

o J

1 leeft «re\'Tift des bliksems veder.

O •gt;

quot;t Past voorwaar, dat wij dien Zanger

Als den ^godlijkenquot; vereeren, Dante, die in hemel liefde

Aardsche liefde zag verkeeren.

-ocr page 75-

mtfrnmr

rrVB:, .

Jldi

I]ft ijrjfl.

„Och, sped not; ccns een lied voor mij,

(lij oude, brave man ;

HcprocT eens of een zoet akkoord Mijn hart verkwikken kan.

De zieke bidt; de grijsaard speelt —

Nooit speelde hij zoo teer,

Nooit zoo verrukkend — neen, hij kent /ijn eigen spel niet meer.

Daai\' trilt een hemelsei) zoet akkoord...

1 )es ouden hart ontroert...

Met orgel zwijgt — de ziel van t kind Is aan deze aarde ontvoerd.

(;:!

-ocr page 76-

tji\' I ij:■ Iff-

Men \\\'aiigl den vogel in een kooi

Kn zet hem bij het wicht;

Maar \'t dier betreurt de vrije lucht Kn houdt zijn bekje dicht.

Hij zingt niet, schoon het zieke kind

1 lem om een liedje smeekt.

1 )och hoor I daar slaat hij \'t kinderoog (danst voor het laatst en breekt.

G 4

-ocr page 77-

^ u o n (l - j)| u i i e !i.

al; zingt mij, moeder, uit den slaap ^•i Daar buiten op de straat? ^f / Och, 7.H\'. eens even wat het is... ^ Muziek, en dat zoo Iaat...

»\'k Hoor niets, mijn kind, ik zie ook niets:

»Och, sluimer rustig voort 1 »i)e koorts, die in uw hoofdje gloeit, »Maakt dat Lre zoo iets hoort.quot;

Neen, moederlief, het is geen droom!

Hoor, \'t klinkt weer zoet en zacht... Gods Kngien roepen zingend mij. C), moeder, Hoe den nacht!

j/ ij/\'

-ocr page 78-

o c (1 c r o ii ^ i n (l

7 vraagt, waar zich zusje bevindt:

Daarhoven bij de bugelijcs, kind.

Zij mocht al zoo vroeg naar het Hemeltje gaan Omdat ze mij nimmer verdriet heeft gedaan

I let broertje geeft moeder een zoen bn fluistert: »Zoo zal ik niet doen! Och, moederlief, zeg me: hoe doe k u verdriet, Dan ga ik zoo vroc-g naar het Hemeltje niet.quot;

v A x

V V

\'• (•\' \'is lt;, .

1

m;

-ocr page 79-
-ocr page 80-

/aij ik den straal des ] lemels blinken.

de Ijegrafenifi.

j.an \'t somber vrome grafgezang\'

Sliertquot; langzaam weg de laatste toon; Maar uwer stemme zoete klank \'•O Zwijgt nooit in \'t harte van uw zoon.

-ocr page 81-

Met eiken trek des vredes eii der smart;

Daar keert ook \'t leven tot u weer: I )at graf heb ik gegraven in mijn hart.

,w

(it)

-ocr page 82-
-ocr page 83-

O koning Karei, broeder, ach! Waarom ontvlood ik u ? \'k Verzaakte uit liefde pracht en eer Mij haat en vloekt gij nu!quot;

•Gij, Milon, dierbare echtgenoot,

Vondt in den vloed uw graf! Nu laat de liefde mij alleen,

Mij, die haar alles gaf.quot;

»Mijn Roeland, lieve hmvlijksspmit,

Wa arin \'k mijn ga hervind.

Wees gij mijn vreugd en toeverlaat! Kom bij uw moeder, kind!quot;

■ Begeef u naar de stad, en vrang-

Ken bete broods, mijn zoon! Zeg hem, die u een aalmoes reikt: Dat God uw mildheid loon!quot;

1 )e koning Karei zit ten disch

In zijne ridderzaal;

Vazallen loopen af en aan Met schotel en bokaal.

-ocr page 84-

] )c toon van harp en feestgezang Streelt aller hart en oor;

Maar de echo dringt niet tot de grot Der droeve Bertha door.

Ken dichte drom van beedlaars staat Op \'t ruime plein geschaard :

1 hm is wat op den feestdisch prijkt Meer dan de feesttoon waard.

1 )e koning schouwt op \'t woelig plein Door de openstaande poort,

Zijn oog blijft rusten op een knaap, 1 )ie door de schare boort.

1 loc vreemd staat hem dat bont gewaad Van vierderhande kleur!

1 loe vrij schouwt hij met helder oog i )oor de openstaande deur 1

1 )aar treedt de knaap de hofzaal in Neemt, zonder spraakgeluid,

Ken /ilvren schotel van den disch Kn spoedt de zaal weer uit.

-ocr page 85-

De koning denkt: /ie ik daar wél?

Dat is een stout bestaan!quot;

Maar wijl hij woord noch teeken geeft,

Laat elk den knaap begaan.

Hn Roeland, na een korte poos.

Treedt binnen andermaal,

lui neemt van \'s konings eigen plaats I )en gouden leestbokaal.

1 lolquot; roept de xorst »dat gaat te ve (iij ongenoode gast!quot;

De kleine staart in \'s konings oog,

.Maar houdt den beker vast.

De koning, eerst vergramd, breekt nu In schatrend lachen los:

(\'.ij dringt hier in mijn opperzaal Zoo vrij als in een hosch,quot;

(lij rooft mijn schotels van den disch Als applen van den boom ;

(üj haalt hier van mijn plaats den wijn Als water uit den stroom.quot;

-ocr page 86-

gt;»Een appelboom, een waterstroom — \'t Mag voor boerinnen zijn!

Mijn moeder voegt slechts lijn gebraad lin keur van rooden wijn!quot;quot;

»Is uwe moeder, kleine knaap. Zoo edel als gij zegt,

Dan heeft zij wis een prachtig slot Ln menig trouwen knecht.\'\'

»\\Vie is dan wel haar hofkok Spreek Wie mag haar schenker zijn\'quot; —

gt; Mijn linkerhand dient haar als kok, Mijn reclUer schenkt haar wijn!quot;quot; —

Wie zijn, o knaap, haar wachters dan

Mijn oogen telken stond!quot;quot; -Haar meesterzanger,- wie is dat.quot; — Dat is mijn rozenmond!quot;quot; —

- t Zijn Ihnke dilt;quot;naurs dit; der \\ rouw, I w moeder staan ter zij\'!

Ze houdt veel van den regenboog, I\'w kleeding zegt het mij.quot; —

-ocr page 87-

\'k X\'oc.ht xicrinaal tc^cn knapen hier, AlUV\'ii ik tegen aeht!

Ik overwon zc, en kleurig doek Werd mij als cijns gebracht!quot;quot; —

(reen Vrouwe had ooit zulk een knecht, Zoo wakker en vertrouwd!

Ze is vast een beedlaars-koningin 1 )ie open tafel houdt.quot;

Wel, zulk een N\'rouwe voegt een plaats 1 lier aan mijn hofgezin!

Drie Juffers en drie Ridders... gaat En leidt haar bij mij in!quot; -

\'t Geschiedt. 1 )e beker in zijn hand

1 reedt Roeland statig voor, 1 )e Juffer- en de Ridderstoet

Volgt dra den knaap op \'t spoor.

1 gt;e koning keek door \'i vensterrond

.Met ongeduld in \'l hart... Xa korte wijl ziet hij den stoet (\'icnaken uit de vert\'.

_

-

-ocr page 88-

1 lij staroogt en verbleekt van schrik

Wat zie ik? Groote God!

!k heb daar straks in \'t openbaar Mijn eigen stam bespot!quot;

■Zij is het! Zuster Bertha is \'t!

In \'t grauwe pelgrimskleetl... Ken bedelstaf omklemt beur hand. Vermagerd van het leed!quot;

Zij nadert schuchter, bleek als krijt,

Hn werpt zich aan zijn voet; Hn Karei voelt weer d\'ouden wrok 1 lerleven in \'t gemoed.

Zijn oog rolt grimmig. Bertha slaat

1 laar blikken neer vol schroom; Kn Roeland ziet stoutmoedig op, Kn noemt hem luid zijn Oom.

1 )at maakt d\'-s konings harte week :

■ Rijs Zuster!quot; klinkt het nu -Om wille van uw lieven zoon Vergeef ik alles u!quot;

-ocr page 89-

l \'.n IVrtha rijst en spreekt verheugd :

Mijn broeder, dank! Welaan,

Mijn dierbaar kind vergclde u eens Met goedé aan mij gedaan!quot;

Hij wordgt; \'t toonbeeld van een held, Ken koning n gelijk;

1 üj voere in standaard en in schild 1 )i kleur van menig rijk !quot;

Hij sla aan menig koningsdisch 1 )e vrije forsehe hand ;

1 ,n brenge tot den hoogsten bloei Zijn ^uehtfiid \\\'aderland \' \'

V|/ Vgt;

r r -I i^i\'quot;

/■ gt;.

VT . ff . . r v •: ■ ,, ^ S . - ■\'

-ocr page 90-

{,. j

i crnciMn ual i\'x kortlin^s ^fdroomd heli: rX quot;N \'aU quot;P (\'(\'n lu-uvcltop neer,

■\' Mijn blik lid ik licurtelin^s dwalen

Xu over de groenende dalen,

I gt;an over hel blauwende meer.

ben scheepje, welks wimpel zich krulde

Op d\'adem, die stroomde van \'t land, bag wieglend aan d\'oever te wachten; i )e schipper, verdiept in gedachten,

Stond dicht bij het scheepjen op strand.

Op eenmaal daar daalde in de verte. Van \'l bergpad een lustige stoel: .Ms I .ngelcn zag ik /e glanzen,

Zij wuifden nu t bloemige kransen bn naakten al dichter den vloed.

room.

-ocr page 91-

Een schare van dartiende kindren

loog lladdrend als vlinders vooruit; Ln de ouderen volgden bij paren Al /innend bij \'t rnischen der snaren bn dansend op \'t klinken der luit.

Zij groetten den schipper en vroegen;

\'Ontvangt ge ons wel garen aan boord? Wij zijn de geneugten en vreugden,

1 )gt;\'(\' de aarde \\-erk\\viklen, verheugden, Nu spoeden van de aarde we ons voort.quot;

1 lij liet de geneugten en vreugden Wel garen aan boord gaan en zei:

Ziet, eer ik van land wend den steven, ()f niemand is achtergebleven In t woud ol de groene vallei!quot;

Zij zeiden: (leen onzer ontbreekt er!

Steek af! (iee| bel scheepje nu vaarl ! \' De bries bolde \'l zeil daar ontvlogen Al verder en verder mijn oogen 1 )e vreugden, geneugten der aard\'.

-ocr page 92-
-ocr page 93-

jje iTi\'Iorrn jjerli.

stond in \'l grijs verleen

^ l\'.en kerk met koepeldak en toren;

Het kerkpad zelfs, weleer betreen

Door tal van pelgrims, ging verloren.

1

Laatst doolde ik onder \'t dicht geblaart.

Door zucht naar eenzaamheid gedreven; Onttrokken aan \'t gewoel der aard,

Voelde ik mijn hart tot God verheven. Daar in het woud, waar alles zweeg.

Deed weer het klokgebrom zich hooren ; 1 loe honger mijn verlangen steeg, Te voller dreunde \'t in mijn ooren.

n \'t diepe en donkre woud — daar bomt En bromt het, of er klokken luiden;

?\'M(jeen stervlinu\' weet vanwaar dat komt

De Sage kan het nauwlijks duiden.

zegt men

quot;K

.-1

-ocr page 94-

Die toon klonk mij zoo wonderbaar Ln ziel en zin betoovrend tegen,

Dat \'k nog het raadsel niet verklaar Hoe ik zoo hoog ben opgestegen, t Scheen, of mij in dien zoeten droom

Meer dan een eeuwkring was verstreken, 1 oen \'k plotseling een breeden stroom \\ an licht de nevlen door zag breken.

Door \'t donkerblauw van \'s hemels trans Schoot hel de zon haar middagstralen. En zie, daar stond, van gulden glans

Omschitterd, trotsch een Dom te pralen. Hoe statig scheen hij voor mijn oog-

Op wolkenvleugelen te zweven.

En met zijn ranke spits omhoog Naar t rijk der zaligheid te streven!

1 )e klokken in den torenwand

Weergalmden door de wullselbogen; Zij werden door geen menscherthand;

Maar door een heil^en storm be w oer en Die heiige storm, dat klokgebrom

1 )oortrilden huiverend mijn leden.

Zoo trad ik in den hooiren 1 )om

o

Met kloppend hart en wankle schreden.

-ocr page 95-

Wat mij daar oinging in \'t gemoed ---Geen woorden kunnen \'t openbaren, \'k Zag in der venstren donkren gloed

Een breede rij van Martelaren. Het was als gaf \'t veelkleurig licht Het leven weer aan al die lijders, ben wereld rees voor mijn gezicht

Van vrome Maagden, trouwe Strijders.

Ik knielde neer op de outertreèn

Vol liefde en eerbied. ()pgetogen Zag ik des Hemels heerlijkheèn

(reschilderd in de koepelbogen. \\\\\'eer sloeg quot;k mijn blikken naar omhoog Maai\' zie — de koepel was verdwenen De sluier viel toen drong mijn oog Door Sions open deuren henen.

De glorie die mij tegenblonk

In vurig, stil gebed verloren. Het feestlied dat mij tegenklonk

1 \'ij \'t luirpgeruiscb der I\'.nglenkoren — Dat drukken nimmer woorden uit.

Die l wil ervaren, stemm\' /ieh zeiven b.n hoon\' aandachtig naar \'t yeluid.

o *

Dat omzweeft door de woud^ewel ven.

-ocr page 96-

iuitul ||ir:i5,

klonk in San-Stcphans veste Der trompetten krijg-sgeschal, Waar lernandi /, \\an (quot;astilic Legert achter muur en wal.

Alman/.or tl(ïr Mooren koning

Stormt, verwoede-r dan de orkaan, Met zijn horden van Cordova Op San-Stéphans wallen aan.

.\\I de ridders van Castilie

Staan slagvaardig rij aan rij; ku de dappre graal Fernandez Rent hen op en neer voorbij.

8 t

-ocr page 97-

»Pascal A\'ivas! Pascal \\\'ivas!quot; —

Roept hij vorschend om zich heen »Gij, de bloem van Spanjes adel, »Gij ontbreekt nog, gij alleen!quot;

»Gij, altoos het eerst in \'t zadel,

»In het veld de voorste altijd — gt;Gij beantwoordt niet het teeken,

sDat u oproept tot den strijd?quot;

«Weigert gij uw zwaard den (quot;hristne

»In deez\' hachelijke kans3 »Laat ge uw lauweren verwelken, fTanen al uw s/lorielt;dansrquot;

O O

Maar hij hoort niet, Pascal Vivas;

Hij is verre, diep in \'t woud, Ter kapelle van Sint juris,

I )o()r de ridderschap gebouwd.

Aan een boom slaat daar zijn klepper

Hangen pantser, zwaard en speer-, Hn de ridder ligt gebogen Voor het heilig outer neer.

85

-ocr page 98-

Diep in vroom gebed verzonken, Hoort hij niet het krijgsgedruisch

Gonzen door de woudgcwelvcn Als het doffe windgeruisch;

Hoort hij noch zijn waapnen rinklen Noch den hoefslag van zijn paard.

Veilig mogen zij zich achten,

Die Sint Joris\' schild bewaart;

Zijn Patroon daalt uit den Hemel, (quot;lordt des ridders waapnen om,

Stijgt te paard en vliegt en werpt zich Midden in der Mooren drom.

Als een bliksem treft en plet hij. Zoo heeft nooit een held gestreèn!

Almanzor verliest zijn standaard, En zijn heir stuift wild uiteen. —

Pascal Vivas treedt naar buiten. Na \'t voleinden van \'t gebed.

Neemt zijn pantser weer en waapnen Pn zijn hinnikend genet.

-ocr page 99-

Peinzend rijdt hij naar het leger.

Maar wat of die kreet bediedt, 1 )al geschetter der trompetten En dat davrend zeeelied?

O

Pascal \\ ivas! Pascal Vivas!

»HeiI u, nooit volprezen held! »(-fij ontnaamt den Moor zijn standaard ïhn behieldt het bloedig veld!quot;

»Hoe gedeukt, met bloed besjjrenkcld

Zijn uw pantser en uw zwaard! Hoe bedekt met schuim en wonden Is uw moedig oorlogspaard !quot;

Fe. vergeefs wenkt Pascal Vivas:

Niet aan mij dit eerbetoon!

P.n zijn oog gericht ten Hemel Üankt der riddren Schutspatroon.

gt; 7

-ocr page 100-

S S

-ocr page 101-

Vlucht met dVcdlcn roof in \'t zadel Heel den nacht\' de wouden door; Twintig Moeren, zwaar gewapend, Volgen trouw huns Meesters spoor

l!ij het schecmren van den morgen

Dringen ze in clat heilig woud, \\\\ aar een hcdcplaals door ridders ( )[gt; den heuvel is gebouwd.

Julia slaat reeds van verre

Op een beeld haar schreiend oog, Levensgroot in steen gehouwen. Prijkend voor den tempelboog.

\'t Is de beeltnis van Sint Joris,

Moedig kampend met den draak En de lans geweldig stootend In zijn opgespalktc kaak.

Weenend en de handen wringend

J\'mlt zij \'t vurigst smeekgebed. Dat de Schutspatroon der ridders Haar uit \'s monsters klauwen redd\'.

-ocr page 102-

Zie, wie komt op \'t witte strijdros Toctjesneld in xiuij-n-en draf:

O •» O

Gouden lokken, roode mantel (quot;.olven hem de sclumdren af.

Krachtig\' is zijn speer geheven, Die met goed gemikten stoot hatiman ter aarde slingert

Kn, zijn borst doorvlijmend, doodt.

Al de Mooren worden plotsling Overweldigd door den schrik, En verdwijnen in de wouden Met de snelheid van een blik.

Jonkvrouw Julia knielt neder

Biddend \'t vurigst dankgebed. Dat de ridderlijke Heiige

I laar van \'t monster heeft gered.

90

-ocr page 103-

Q^vJ

1 111.

n

4gt;A

:in de noorderkust van Spanje

heft /ifli op crii steile rots l:\'.cnc bedevaartska[)cll(!,

heiligdom der Moeder Ciods. \\roor den zondaar, den verdoolde,

is \'l een oord van rust en vrer \\\'oor den seliee|gt;lin^ in het noodweer

is die piek een veilde ree.

j] O |1 C t 0

-ocr page 104-

Als daar \'t An^\'his klokjc klepelt

in den stillen avondstond,

Klinkt van kerk- en kloostertoren

\'t Ave driemaal in het rond-, Kn de bulderende golven

zwijgen aan der rotsen voet,

Kn de sdieepling\' knielt bij \'i roer neer,

zachtkens bitklend: Wees gegroet.

Als de Christnen \'t leesttij \\ieren

van Maria\'s I lemelvaart, 1 oen (nnls Zoon zijn heiige Moeder

opwaarts voerde van deze aard. Dan toont zich de Lieve Vrouwe

mildelijk in \'t wonderbeeld,

Kn aan bc vaartsjanirers worden

lal van gunsten toegedeeld.

Kruis en vaandel trekken statig

door de velden, langs het strand; \\ lag en wimpel wappren feestlijk

aan de masten, in het want; Als een volle hemelladder

toont de rots zich aan het oog: Duizend pelgrims klimmen zingend

naar het heilisjdom omhoos/.

-ocr page 105-

Op dien feeststoet volden andren

zwijo\'cnd, bicldeiKl, «\'én voor één, lilootsvoets, \'t hoofd bestrooid met assche,

\'t haren boetkleed om de leen. X.m de ( hristensehciar gescheiden,

staan /ij buiten \'t kerkgelxnnv, Om lum misdriil uil te delgen

door geleed en boete en rouw.

\'t Laatst van allen vol^t een peltrrim

overluxird door /ielesmart,

l.an^e baard en han n banden

C.)in /ijn bleek gelaat verward; b.n een ring van roestig ijzer

draaft hij om het lijf gesmeed, l.n om |)()ls en enkel keetnen,

randend als hij voorwaarts treedt.

Van het /waard, waar bij /ijn broeder

in een drift mee had geveld, Smeedde bij den ring der boele,

die /ijn middel nauw omknelt, boen verliet hij huis en dierbren,

doolde rustloos wijd en zijd, \\ ol vertrouwen dat een wonder

van die kluisters hem bevrijd\'.

-ocr page 106-

Wie landen heeft de pelgrim

roiul^ew.indeld barrevoets, Xirgens heeft hij heul gevonden,

nergens \\ rede des gemoeds;

I lij heeft alle bcèvaartplaatsen,

ieder wonderbeeld bezocht, Ncr^-\'-n^ is hem hulp geboden

of een wonder hem gewrocht.

lt;\'[) di pots klept weer het klokjen

\'t Angelus /00 zilverhei,

lm de pelgrim ligt nog biddend

bij den drempel der kapel; 1 )aarin troont het liefld der Zoete

schitterend van licht en glans, Door het goud der zon beschenen,

die reeds duikt aan d\'avondtrans.

Welk cn gloed ligt uitgegoten

over land en zee alom!

Blelt; f de gouden hemel open

sinds Maria opwaarts klom r 1 )ra^\'-n nog de purpren wolken

\'t spoor van hare laatste schreên Schouwt de. 1 lemelkoninginne

van haar zet\'d naar benei\'n?

01

-ocr page 107-

Alle pelgrims keerden huiswaarts,

vonden (roost en heul en baat, 1 lij alleen bleef bkldend lilden

met de bleekheid op \'l gelaat : \\ ast nog knelt om lijf en leden

zijner keetnen zwaar gewiebt. Maar zijn ziel bevrijd van kluisters

zweelt omhoog in reiner licht.

i .quot;i

-ocr page 108-
-ocr page 109-

Gezorgd heb ik immer

Voor aller geluk, Gedronken den beker In kommer en druk. De nacht is gevallen,

] )e hemelboog gloort: \'k Verlang naar de rust, die Mijn ziele bekoort.

O tintlende starren,

Geschrift van Omhoog, Moe wekt gij en trekt gij

Vol liefde mijn oog! lietoovrende klanken

\\ an \'t hemelsche koor. Nauw hoorbaar, toch streelt Verkwikkend mijn oor.

Vergrijsd zijn mijn lokken.

Verdoofd is mijn vuur; Mijn wapenen hangen

Vol roest aan den muur. \'k Heb recht steeds gesprokc

l\'.n recht ook gedaan; Wanneer /al de stonde Der rust voor mij slaan r

-ocr page 110-

O rust, waar mijn idelc

Zoo vurig- naar smacht! Toef, toefquot; toch niet langer,

(quot;iij zalige nacht.

Dat \'k sterren mag schouwen

Van heerlijker glans. En klanken vernemen Veel luider dan thans!

Ü

-ocr page 111-

Ij ij |)r;if:crh.

wee handen met elkaar vereend ■Zilt;\' \'k afg-ebeeld op \'t graf^cstccnt\':

let spreekt mij van een aardsch verbond I gt;at liartlijk, maar te kort bestond; \\ an d allerlaatsten afscheidsgroet, Den stommen tolk van \'t droef o-emoed •

r~) 7

\\\'an \'i weerzien in de heerlijkheid Hierboven, waar men nimmer scheidt.

-ocr page 112-

I en ||| inter morden.

Door \'i waas der nevlen boren.

Hoe toonloos klonk lt;lie éene klok I

Men klepte haar maar even.

Maar even werd met heesehe stem I ,en lijkzans^ aangeheven.

en sninlirc w intermorgen \\v:is \'i,

jSlfi 1 Iet zonlicht wou niet yloron; ■Hiy Bij pooxcii kwam een cloodkloktoon

Het was een oude en arme man Die grafwaarts werd gedragen: Naar, toonloos ak zijn uitvaart was,

/00 waren eens zijn dagen.

li)0

-ocr page 113-

\\u hoort hij in Gods ^lorielicht

Der I\'.iiglen koren /ing^-n, l\'.n jubelend met \\\'(illlt;;n klank I )(• werelden doordringen.

k ben een arm en stokoud man, J Alleen met al mijn smart; Och, of nog eenmaal lust en vreugd Vervullen mocht mijn hart!

t ; J \' i. gt; ■ gt; i

iet jied ran den nnucn jj|;iii.

Ik speelde, in \'i ouderlijke huis •/ ^ ^ Zoo onbezorgd en blij;

Vquot; Sinds (rod mijne ouders lot zich nep

üleel mij steeds kommer bij.

101

-ocr page 114-

Ik zie der rijken hof in bloei, Hun veld vol rijpend oraan : Ik wandel op den harden weg,

W aar niets dan doornen staan.

Met stillen weemoed toef ik graag

Waar nienschen zijn vereend; \'k Wensch iedereen dan goeden dagquot; Zoo hartlijk welgemeend.

Barmhartig (iod! toch laat Gij mij

Niet met mijn smart alleen: Uw zoete troost daalt van omhoog Zoo mild voor iedereen.

In ieder dorpje prijkt in \'t groen

hen kerkje irisch en schoon,

Daar voel ik hart en geest verkwikt Hij z.ing en orgeltoon.

Het maanlicht schijnt, de sterre straalt

*

Zoo lieflijk op mij neer;

F.n als het avondklokje klept.

Spreek ik met U o ! leer I

-ocr page 115-

Geopend slaat uw hemeldeur

\\ oor wie hier deugdzaam is: l\'.eiis kom ik ook in leestjrewaad lm zet mij aan uw diseh.

l(i:i

-ocr page 116-

Jc Ijcrhrg.

• wj quot; \'V\'r0 )

aatsl nam \'k mijn intrek nij een waard Wiens (niklheid me is oebleken.

, u I \' H gouden appel aan een tak, I )at was zijn uithangteckon.

1 )ie waard zoo gastvrij en zoo gul

Wordt appelboom geheetcn ; 1 lij liet mij van zijn rijken disch Naar welijfevallen eten.

1 )aar kwam een Hadtierende troep

lid groenhuis ingesprongen: Zij aten zich het buikje dik Kn schaterden en zonlt;ren.

iHl

-ocr page 117-

Het was de waard, die vriendlijk mij

Met koele schaduw dekte,

Toen ik op \'t zachte bed van mos Ter rust mij nederstrekte.

»Xeenlquot; schudde \'t breed ^ewellde hoofd,

Zoodra ik wou betalen.

Wees, gulle, wees van top tot teen Gezeofencl duizend malen!

O

C

10,quot;)

-ocr page 118-

|d \\\\nM.

no heb ik nu de stad ver laten, i i\' Waarin \'k /00 incnl\'j jaartje sleet.

Ik trok alleen door leè^e straten,

Xiet (\'■én die me uitgeleide deed.

Niet één bleef aan mijn kleeren hangen

Mijn jaspand kreeg clan ook geen scheur \' )ok beet mij niemand in de wangen t it louter -ipijt en dol getreur.

(jeen sliep er om het den klx\'dd minder,

1 Jat \'k \'s morgens vroe^ \\-ertrekkeii zou, \\ an de andren lieb ik weinig; hinder,

I

Maar van die eene vind ik \'t flauw!

IOC

-ocr page 119-

i

■41

aarslig woeker ik met de uren —

\'l W erk naai toch den sukkeldraf \'k Zit me op letters blind te turen, Maar geen bladzij krijg ik af:

l lupschc buurvrouw hoor ik zingen,

Buunnan spelen o|) de fluit... ! leisa I mijn gedachten springen I it den band en \'t venster uit.

-ocr page 120-

j[ie(l ran den dniifidifn j/aniier.

k heb in vroco-cr cla^cn Gezongen zonder rust Van oude, vrome Saeen,

o 1

\\\'an Minne, Lentelust:

Xu inoog mijn harpe zwijgen,

ISestuiven aan den wand,

Xu ik alom lioor stijgen

Den kre( t: \\ oor \'t \\\'ader!and !\'.

Men zegt, de Katten droegen Ken ring, om \'t lijf gehecht Zoo lang tot zij versloegen Ken vijand in \'t gevecht; ik leg mijn geest aan banden,

Ken zegel op mijn mond 1 ot ik met eigen handen Kamp voor der vadren grond.

103

-ocr page 121-

Doch, ben \'k niet uitverkoren

Tc strijden als een held, Zoo \'t lied, mij aangeboren, Xoj;\' in mijn boexitm welt: I )an hoop ik toch tc zingen.

Als aller harten tolk, I )er vrijheid zetrening\'iMi,

\'l I riumllied van mijn volk.

r

^an l|et jjaderl;

\'f\'.

^ L

wil ik de/e liedren wijden,

Mijn overdierbaar X\'adcrland;

\' lT, \\ rij van slavcnjnk en lijden,

^ \'

%

blijft heel mijn hart en /iel verpand.

. gt;1 ri , j

u t

, \\ oor n \\loot \'t edelst bloed der helden, i\'e/wack de jcu^d \\ ol bloei en kracht W at kunnen n mijn liedren gelden Xa zooveel offers u ^ehracht ;

100

-ocr page 122-

Met de leus der krijgsgezangen: • Nog is Polen niet verloren!quot;

Kn wij luistren en wij staren

Doodsche stilte heerscht alom: Ruischen nog de trage baren,

\'t Onafzienbaar veld is stom. Als \'t gekerm der stervenssponde, \'t Windgezucht door oude hallen. Klinkt een klaagtoon in het ronde: 1\'olen, Polen is gevallen!quot;

j]|idiima.

110

-ocr page 123-

Onder \'t somber uitvaart-vieren

W ordt een lorsche harp besnaard Hoort de liedren die er gieren, Luider, voller over de aard! Daar, waar zulke geesten spreken, Wordt het doode opnieuw herboren Ja, deez\' Bard is mij een teeken. Nog is Polen niet verloren!

-ocr page 124-

I^C l\'vauc KtVitcrj,}^

9

/ /gt;—

^■yli

(/

rj

v;gt;

Ik had een braven kameraad, i Die alles voor mij was: De trom riep ons ten strijde, Mij liep aan mijne zijde \'J rouw in denzelfden pas.

-ocr page 125-

Het flikkert en — een kogel komt,

W\'ien geldt het, hem of mij? Hem doet hij nederploffcn;

Ik voel mij zelf getroffen.

Nu hij valt aan mijn zij.

1 lij reikt mij voor het laatst de hand.

Terwijl ik juist weer laad :

»Ik kan geen hand u geven,

Blijf tot in \'t eeuwig leven Mijn brave kameraad!quot;

-ocr page 126-

Ij el I|cil van | denhall.

et aadlijk slot van lulenliall Wfcri^almt van vreugd- lt;\'n fccst^cschal.

o O

I,r jonge Lord rijst uil zijn stoel, \' ^ j-.n roept te midden van \'l gejoel:

Hreng mij het heil van Edenhall!\'

De schenker siddert bij dat woord... (Mij was een oud en trouw vazal) En haalt een kelk van kristallijn Met /org gewikkeld in satijn:

Dat was het heil van Edenhall.

De Lord beveelt: Vul de bokaal

Met de erlste druif van Portugal!quot; De grijsaard schenkt het purpren bloed ) 1 )al met een tintelenden gloed Straalt door het heil van Edenhall.

I I I

-ocr page 127-

Nu heft de Lord liet glas omhoog Eu spreekt: Dcez\' beker van kristal »Kreeg eens mijn voorzaat van een fee: Indien hij breekt, zoo sprak ze, wee Wee dan het heil van Kdenhall!quot;

Ken wijnglas \'t beeld van mijn geslacht -Voorwaar, dat is geen vreemd geval ! »\\\\ ij plengen graag het druivenbloed; I )al wekt den lust, dat sterkt den moed! Klinkt pp het heil van Kdenhall!quot; —

De gastheer zwijgt - een juichtoon stijgt Kn davert door de ruime hal;

Men klinkt met hem nu zacht, dan schel, Als waar \'t een klinglend klokkenspel, Op \'t heerlijk heil van Kdenhall.

Men koen geslacht kreeg tot zijn schuts Ken brozen beker van kristal 1... \'t /al langer dan dit glas bestaan 1 - Stoot aan I Stoot aan 1 Stoot krachtig aan »Ik tart het heil van Kdenhall!quot; - -

-ocr page 128-

! )aar springt de beker rinklencl stuk — Daar scheurt het welfsel met een knal — I )e vlam breekt door de klove heen — I )er gasten kring springt wild uiteen, Gelijk het heil van Kdenhall.

De vijand stormt met moord en brand I let slot in, over muur en wal:

De jonge Lord wordt neergeveld,

Terwijl zijn rechter nog omknelt \'t Gebroken heil van Edenhali.

Hn \'s morgens doolt de schenker rond Doorzoekt de puinen overal;

hn vindt in de asch \'t verkoolde lijk Des jongen Lords, en in het slijk Een scherf van \'t heil van Edenhali.

1 lij spreekt: De hechtste muur bezwijkt, gt;De hoogste pijler komt ten val,

sZoo broos als glas is \'t aardsch geluk; gt;l:ens splintert ook de wereld stuk »(ielijk het heil van Edenhali!quot;

ik;

-ocr page 129-

^angcr\'j luedcrhoiiifit.

I

aar li^t hij in zijn en^e woon, 1 )c Zander, bleek en zwijg-end neer; Het voorhoofd, door een lauwerkroon Omschaduwd, peinst en schept niet me

De hand omklemt een rol papier. De laatste tonen die hij /onjr;

In de armen rust de stomme lier. Waaraan der liedren stroom ontsprong.

1 lij sluimert voort, de ontslapen ISard. Nog trilt zijn lied in aller ziel,

Maar \'t wekt tie erinnerin^ der smart. Dat hij den zijnen vroeg ontviel.

117

-ocr page 130-

Kn jaar op jaar verzonk in \'t niet; Cypressen rezen op zijn ^raf;

Zij, die hij schreiende achterliet, Zij daalden mee ten grafkuil af.

Doch zie — gelijk de lente keert Verjeugdi^d en met nieuwen gloor, Zoo wandelt ook verjongd, vereerd De Zanger een nieuw tijdperk door.

Weer niet de levenden vereend Is \'t, olquot; hij nooit was heengegaan; \'t Geslacht zelfs, dat hem heeft beweend, Is in zijn lied weer opgestaan.

-ocr page 131-
-ocr page 132-
-ocr page 133-

■r\'.r.

quot; ;-3i\' : 8 quot; is

\'\'\' /V..\'-» fiBHKA i

1:\' r \' i i i i

-

M H

-ocr page 134-
-ocr page 135-
-ocr page 136-
-ocr page 137-