ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Bijlade tot de-tOste Vergradering\' der. Xed. I5«f. Vereeniging, 26 JnlilSSi»

EENIGE MEDEDEELINGEN OVER PELORIËN

dook

Kr. J. H. WAKKEK.

(plaat x).

I.

LIK ARIA VULGARIS.

Den 29 Augustus 1887 vond ik op een grasland behoorende tot een buiten te Baarn en aan de Eem gelegen een groot aantal planten van Li nar ia vulgaris, waarvan de bloemen alle zonder uitzondering een afwijkenden bouw vertoonden. In tegenstelling met de gewone bloemen dezer plant bezaten zij namelijk drie sporen, waarvan de middelste altijd veel langer was dan de beide zijdelingsche. De zygomorphie zoowel als de overige eigenschappen van de bloem waren onveranderd (Fig. 3 en 4). Zij staan dus als liet ware in tussehen de gewone zygomorphe bloemen en de bekende aktinomorpbe peloria met vijf sporen en een bijna buisvormige kroon.

De planten, die ik het eerst ontdekte, stonden tussehen een sloot en een soort van voetpad. Bij nader onderzoek bleek mij dat aan de andere zijde der sloot zich eveneens drie-sporige Linaria\'s vertoonden, waarvan de bloemen echter constant, hoewel in ondergeschikte kenmerken, verschilden van de eersten. De verschillen zijn het best te bestudeeren aan de fig. 3 en 4. Het blijkt hierbij dat fig. 4 een grootere,

ocr page 4

2

breedere bloem met korter zijsporen en iets helderder kleuren voorstelt.

Xa den dag der ontdekking bezocht ik de groeiplaats meermalen en vond er nooit andere dan de afgebeelde bloemen. In de nabifheid, b.v. aan de andere zijde van het voetpad, waren tal van Li n a ria\'s te vinden, die gewoonlijk niets buitengewoons vertoonden : slechts eenmaal vond ik hier een plantje met een geringe aanduiding der zijsporen aan de bloemen.

Ook het volgende jaar bezocht ik de groeiplaats weder, en wel den IHden September. Er was toen juist gemaaid, wat het onderzoek natuurlijk bemoeilijkte, maar toch vond ik aan de afgesneden stengels dezelfde ongewone bloemen terug, terwijl ik één regelmatige peloria aantrof. Na dien tijd heli ik de groeiplaats niet meer bezocht.

Wanneer de stengels niet ontijdig afgesneden worden, brengen de driesporige bloemen vruchten met rijpe zaden voort. De eersten waren veelal kleiner en de laatsten minder talrijk dan bij normale bloemen.

De zaden zijn kiembaar en leverden in den zomer van 1888 in den Utrechtschen Hortus krachtige planten, die ook reeds enkele bloemtrossen voortbrachten. Door toevallige omstandigheden heb ik slechts een paar bloemen daarvan te zien gekregen. Zij vertoonden de monstrositeit duidelijk, hoewel in mindere mate dan de moederplant.

Door wortels laat zich de variatie uiterst gemakkelijk constant voortkweeken.

De oorzaak dat uit het wild opgezamelde zaden de afwijking minder duidelijk vertoonen. kan gelegen zijn in de omstandigheid, dat de bloemen bevrucht zijn door stuifmeel van normale bloemen.

lit een dergelijk zaadje vermoed ik ook dat hnt plantje afkomstig was. dat aan de andere zijde van het voetpad een aanduiding van de zijsporen aan de bloemen vertoonde. Een

ocr page 5

;!

verklaring van het ontslaan der beide rassen, die alleen dooide sloot gescheiden waren, is echter moeilijker te geven.

Het is niet aan te nemen dat zij beide uit den normalen vorm afzonderlijk ontstaan zijn en evenmin kan ik het waarschijnlijk achten, dat de sloot na het ontstaan der variatie dwars door de groeiplaats heen gegraven zou zijn. Door dit aan te nemen zou ook het constante verschil tussi-hen de beide vormen niet verklaard worden.

Het waarschijnlijkst lijkt het mij dat de eene vorm uit een over de sloot geraakt zaadje van de andere ontstaan is. De vermeerdering heeft dan hier evenals op de oorspronkelijke groeiplaats grootendeels door de wortelknoppen plaats gehad, waarvan de ontwikkeling door het afmaaien der stengels zonder twijfel in de hand gewerkt wordt.

Eenmaal op de variabiliteit van Linaria vulgaris opmerkzaam geworden, onderzocht ik gedurende denzelfden zomer van de ontdekking tal van andere planten van zeer uiteenliggende groeiplaatsen. Daar de plant in de omgeving van Baarn zeer algemeen is, gaf dit een onverwachten oogst van afwijkingen.

In de eerste plaats vermeld ik hier een tweesporige bloem (Fig. 5) aan een plant ontdekt, waarvan alle overige bloemen den gewonen vorm hadden. De bloem vertoonde zes kelkslippen.

In de tweede plaats de geheel spoorlooze bloemen ( Fig. 1), die niet zelden aan overigens normale planten voorkomen. Zij vertoonen gewoonlijk vier kelkslip|ien en geen middenslip aan de onderlip. De vorm van de kroon stemt overeen met Anti r r h i n u m.

Eindelijk een tros met geheel bleekgele bloemen, waar dus de oranjegele kleur aan de plooi van de onderlip ontbrak. •(Fig. 2).

ocr page 6

4

TT.

CYTTSUS LABURNUM.

Lang nadat de bloeitijd dezer plant voorbij was, namelijk den 15 Juni 1889, ontdekte ik in mijn tegenwoordige woonplaats (Alplien a/d Rijn) aan een kraclitigen Gouden Regen een tweetal bloemen, waarvan de eene al wat te ver heen was om nog onderzocht te worden, terwijl de andere een fraaie

peloria vertoonde. (Fig. 6).

Meeldraden en stamper waren, voorzoover dit nagegaan kon worden zonder de bloem op te offeren, normaal, doch de kroon was bijna zuiver regelmatig en stervormig uitgespreid. Hetzelfde was met den kelk het geval met uitzondering van een der slippen, die gedeeltelijk petaloïd ontwikkeld was. Eenige dagen later ontdekte ik een dergelijke bloem aan

een ander exemplaar.

Tevens kan ik er thans bijvoegen dat ook hier het verschijnsel zich herhaald heeft. Gedurende het voorjaar van 1890 bloeide de eerstgenoemde plant zeer rijkelijk met lange, fraaie trossen, waaraan verder niets op te merken viel. Den 21 Juni echter vond ik weder een fraaie peloria, die zich alleen door een geheel groenen kelk van de reeds beschrevene onderscheidde. Een tweede bloem was niet zeer fraai en eenigszins onregelmatig ; ook had deze reeds te veel geleden.

Alle waargenomen peloriën bevonden zich aan het einde van overigens reeds lang uitgebloeide trossen.

Alpheti, Nov. 90.

VERKLARING VAN PLAAT X.

Fig. 1. Twee bloemen van één tros van Linaria vulgaris, waarvan de eene zonder de andere md een spoor. Aan denzelfden tros bevond zich nog een tweede bloem zon-

ocr page 7

der spoor; de overigen waren alle normaal. Iets vergroot.

Op den dijk tusschen Baarn en Eembrugge 4 Sept. 87.

2. Een geheel bleekgele bloem. Ongeveer natmirlijkc grootte. Baarn 7 Sept. 87.

3 en 4. ïwee verschillende vormen van driesporige bloemen. Ongeveer natuurlijke grootte. Baarn 29 Aug. 87.

5. Een tweesporige bloem, uit een tros met overigens normale bloemen. Een gedeelte van de kroon frechtsj is af gevreten. Nat. grootte. Baarn 18 Sept. 87.

Ö. Peloria van Cytisus Laburnum. Iets vergroot. Alphen 15 Juni 1889.

ocr page 8
ocr page 9

k Arch\'H-r 2 . V

.A7akker, ad quot;nat.del.

ocr page 10
ocr page 11

. quot; \'\' ■■ •. \\ quot; ,quot; •• v