ocr page 1

AardrijkskuDde van Nederland

met Kaartjes en Grafische Voorstellingen,^

DOOR

W. F. H. WUNDERLICH,

Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te Apeldoorn.

Z u t p ir e x, W. J. TH IE ME amp; Cic. 1894.

DEBDE DRUK.

ocr page 2

T. oct.

IS 86

GESCHENK

van

-;----s.-3_\'

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

Aardrijkskunde van Nederland

met Kaartjes en Grafische Voorstellingen,

ixtoi;

W. F. H. WUNDERLICH,

Lccnuir aan do noogerc Burgerschool to Apeldoorn.

DERDE DRUK.

Z IT F K N , W, J. TiriEME \\ (Mn. 1S!) 1.

ocr page 6

VOORBERICHT voor den eersten druk.

Dit (ipftchrift hefft zijn oufsfaa/i tr ddiikrn khh de weer jiri.tfr rnor.itrlliiu/oi , \'//V in ilcn hiiifstm li/\'I orer ecu hchun/-rijl: (ledeeltr rati on* In tul rerxpreid zijn (tour het hrt-eudc ircrlr run den Heer A. A. I\'eek m an : , Xi\'d/\'rlniid a Is PoldcrhiiKt.quot; (Irtijl: terecht door dien Heer is opi/emerkt, irorden herf/si/sfe-men in Azië en A frika en waterscheidingen in Dnitsehland met de meeste uitroeri(jhei(l op onze scholen l/ehditdeld, teririjl hijna in het (jeheel niet gerept wordt run onze polders, droogmnke-rijen , hunne rrnchtlnuirheid) htm woterhc.zmuir, htm wdter-afroer enz., otti niet eens te sprel\'en run de tp\'heel rerlreerde roorstellinip-n, die di/.-trijls rttn onze riri\'-rot ip\'tp-reti irordett.

II,\' heh in dit werkje (/etreieht dit heztr/Kir op te heffen , ett diiorliij steeds de meest treltrillende huilt (p\'.notett rttn ilett lieer Beekmax , die tijd noch moeite heeft ontzien om eenilt;p\' ottdrrtrrrpett nitroerir/ niet mij te hespref-en, wttttrroor U\' hent hier mijn hartelijlien dank lietHKi.

Bij de spelling ran de aardrijksknttdiip\' nutti ti rohjde ik de v U\'iKirdettlijst roor df spellinti der Ann/rijkskttitilitp\' iteiittett itt Xederland, somenip\'stel\'l door de Afdeeling „Xedetdnnilquot; ratt het Xt\'derlttndseh -1 ot\'drijl\'sktitttli\'i Genootstditip.\'\'

Mi sstflliii/p\'ti en fottten znllen nutnitrlijl\' hier ett ilaur roor-l\'otttett; de onrd der stof iniiiikf zidks hijnn ottrerinijdtdijk. \\roor teel tri tiende op- ftt ticittnierhingett hotel ik mtj dtmrotti (itinherolen.

Apeldoorn, NTei IS85.

\\V. I\'. II. wrviikiti.k\'h.

ocr page 7

VOORBERICHT voor den tweeden druk.

Kr zijn in dezwi tireedoi ilnik (\'eniiji\' i-erdudevinyon m nif-hreidinyen (unu/rhrarhf, dit\', zoo ih hoop, io\'f hoelje fcn f/ocr/f zullen komen. Zij hel then roorol hetrclskinfi op hef, oid^lntin run de Zuiderzee, op de Ziiidlndlondsclir iriiard en de Midchd-zee, op den ti^iemcoordiejen fucshntd run de II ndden m de ïjCiuirerszee, op de ronniny ran het i/roote huKjreen-yehied ran Holland en J \'frech t, oji de)i roonnnIójen loop ran de» Itijn , op terpen en irierden enz. Orer het ah/enieen ?ms het wijn strere)i door deze nithreidinyen eend/ (lenlheeld te (jeren om-trent rroeqere toestonden ran onx tand. 11 it men orer deze onderwerpen meerdere l/ijzonderhedeii ireten , don neme men de nit munten de irerlcen ran A. Stratiin/h, Stariin/, BI ink, Lorn\', Sehnilini/ en Beekimrn ter hand. Voorat „De strijd om het hestaanquot; ran den laatsten xelirijrer is in rele opzielden een onmisbaar hotd: rooi\' allen , die omtrent rroegere f/eoyrajisclte toestanden ran ons land nanirl:eni\'Kjer (lenkheeldeii irensehen te rertripp\'n.

Ten slotte mijn hartelijh\'en dan!\' roor de rele ijnnshi/e he-ooi\'deelini/en, die den eersten druk in omlerseheidene tijdsehi\'ij-ten en eonrnuten zijn ten deel (p/rallen , i)izo}iderhcid dan den sehrijrer in „f\'eteruian\'s MittheiInnr/en

Mot/e deze tweede druk een eren ipinsth/ onthaal einden.

Apeldoorn, Mei 181)0.

W. I;\\ 11. WrNiU\'.Ki.icn.

ocr page 8

VOORBERICHT voor den derden druk.

li ij de hctn-ri\'i ii\'i ran ilcii dcrdi\'u ilnil\' zijn yccii i\'crtivih1-rhiqcn in hef (itt/cintwii l-arlt;ii:tifr ran dit leci-hoel: aciiiijr-Lrariit. Oiiidiif fchfci\' zoorccl ondi\'nrijzcrs , dw. i\'oor de hoojdacio sf/i-ih\'cyoi. run dcza ]i(()\\dlcidu)(i (jdhruUc mulccn , hei) ik ijcincaiid de nnnwr];!iKjcii Ofcr de (/fsrlui\'di\'/lis rail OllZfll hodcjii mxj uirf ctil\'idi\' fc ntoefi\'ii rrrmrL\'rdci\'cn. ]\\uid(i(ii\' dat men het een en nndrr zul rinden neer oererafschHiei/ifi ri/ oiiderzeesclie 1,\'usf-rei\'deditjiit\'l , urcr hi\'t onfstiiuii der Xfritn^rjfe rit Xuid-Ifolland-srhe ei hinden uit kernen , aeer de liindddiiirinniin/ hij il est-Friettlirnd, nrer het ontstoiin run het ildiwleninienneer, de i/esehielt;/enis der reenftntil\'mnilKJ I\'IIZ. Teren* het) ,/,• hij het honjdtui: over de Ilirteren iets itieciiedeehl arer de Idoziiifj vent het Innnddfie-ivdter, teririjl ooi\' een heliinpt orerzteiif (met ludt\'tje) is ifeiieven van het jonastt- jdnn tot dj\'sliiiflne/ en dl\'IKt\'llilill\'inii der Zniderzee.

. I ts iitlds hij hi\'t i/éljriul\' run dif hoei: meen //■ hepiinld te moeten mmratlen die van de. Heeren Heekmnn en Sehnihng, voort!/ ilt liiidrten over vroeijere i/eoiirupsche toestiinden vein ons land, tevtrijt de fiijiivdtieve voorxtellini/vim ons I\'olderland en die von ren Zeemrsfh eihind eon den lieer lleelinnn nit-ninntenile diensten hunnen hcivijzen.

.\\f,:i/e oo],- deze drill\' ren even ijimstiii onthdiil vinden nts de hrtde voore/diindi\',

W. 1-\'. li. Wl N\'nKIMJCIt.

Apeldoorn, Viii;-iisriis ls!l4.

ocr page 9

I.

INLEIDING.

Vaamsoorspiong. Nederland liccft zijn naam te danken aan de lage ligging met betrekking tot naburige landen en ook met betrekking tot dc zee. In het westelijk gedeelte daalt de bodem tot beneden het niveau der zee af (in den Haarlcmmermeerpolder, Zuidplaspolder enz. wel 4 en 5 meters en soms nog meei), zoodatj indien duinen en dijken hem niet tegen het geweld der baren beschermden , een groot gedeelte spoedig in zeebodem zou veranderd worden. Op andere plaatsen ligt de bodem op gelijke hoogte met den zeespiegel, zoodat ook al weder zonder de beschutting van onze natuurlijke zeewei ingen, bij iederen eenigszins hoogen vloed een gedeelte in moerasland zou herschapen worden Alleen het oostelijk gedeelte van ons land ligt zóó hoog, dat zelfs dc hoogste vloeden het niet zouden bedekken. Slechts een klein gedeelte \\aii onzen bodem is meer dan 10 meters boven het oppervlak der zee verheven.

Ilegrenziii^. Nederland wordt ten noorden en ten westen begiensd door de Noordzee, tc;i oosten door dc Pruisische piovinciën Hannover, Wcstfalen en de Rijnprovincie en ten zuiden door d« Belgische provinciën Luik, Limburg, Antwerpen en Oost- en West-Vla anderen. De landgrenzen van ons Wl-ütderlich , Aardrijkskunde. j

ocr page 10

vaderland zijn bepaald bij onderscheidene tractaten met de mogendheden, wier grondgebied aan Nederland grenst, en kunnen alleen door de wet worden veranderd. De grensscheiding is met Pruisen geregeld bij tractaat van 1846 en 1S67, met België bij tractaat van 1843. In hoofdzaak zijn de tegenwoordige grenzen dezelfde als die van de Nederlandsche republiek.

Ligging. Ons land strekt zich uit van 50quot; 46\' N B. tot 53quot; 32\' N. B. en van 21quot; O. L. tot 24° 53\' O. L. van Ferro. De uiterste punten zijn; in het noorden de noordelijkste punt van het eiland Rottum, in het oosten een punt juist ten oosten van het plaatsje Boertange in de provincie Groningen , in het zuiden de zuidelijke grens van Limburg en in het westen een punt ten noordwesten van Sluis in het Vasteland van Zeeland. Men kan zeggen dat $2quot; N. R. de gemiddelde breedte van ons land is. De parallel van 520 gaat ongeveer over s-Gravenzande , Delft, Gouda , Vianen , Amerongen en Arnhem.

Men verstaat onder geografische breedte den afstand eener plaats van den equator naar het noorden (N. B.) of het zuiden (Z. B). De breedte wordt altijd geteld langs den meridiaan van oen equator tot aan de parallel , waaronder de plaats gelegen is. Op kaarten kan men de breedte aan den linker- en rechterrand aflezen.

Geografische lengte is de afstand eener plaats van den eersten of nulmeridaan. Zij wordt geteld langs den parallelcirkel der plaats en wel van den nulmeridiaan tot aan de plaats zelve. Op kaarten leest men haar altijd op den boven-of onderrand af. De lengte is oostelijk (O. L) of westelijk (VV. L) al naarmate de te bepalen plaats ten oosten of ten westen van den eersten meridiaan gelegen is.

Elke meridiaan kan als eerste of nulmeridiaan worden aangenomen. Dikwijls maakt men gebruik van ck:n meridiaan , die 30\' ten oosten van Ferro, een der Kanarische eilanden ,

ocr page 11

3

loopt; somtijds ook van dien, welke over Parijs of over Greenwich gaat.

Nederland is op dezelfde breedte gelegen als Zuid-Engeland, Noord-Duitschland, Middel-Rusland, Zuid-Siberie en Labrador. Op den 5 3S\'(\'11 graad zuiderbreedte liggen het zuidelijk deel van Patagonië en Vuurland. Met Amsterdam liggen bijna op dezelfde breedte O.snabruck, Frankfort a/O., Posen, Warschau , Orenburg en Irkoetsk.

Ons land maakt een deel uit der groote Europeesche laagvlakte , die zich langs de westelijke, noordelijke en oostelijke zijde van het Alpenstelsel uitstrekt; natuurkundig maakt het dus met Noord-Duitschland één geheel uit. Het gevolg van de lage ligging van Nederland met betrekking tot Centraal-Europa was, dat een aantal rivieren door deze gewesten haar loop naar zee namen en het land vruchtbaar maakten , wat, vereenigd met een betrekkelijk gunstig klimaat, eene dichte bevolking deed ontstaan. De beschaving ondervond daarvan den weldadigen invloed; waar toch de bevolking dicht is, ziet men de maatschappelijke ontwikkeling sneller vooruitgaan dan elders.

De oudste beschaafde staten , zooals Egypte, Babylonic , Assyriö, China en de rijken in het Indus- en Gangesdal , waren alle in laagvlakten gelegen en van rivieren doorsneden, Bovendien zijn de grondsoorten, waaruit de laagvlakten bestaan, behalve voor den landbouw, ook dikwijls gewichtig voor de nijverheid. De Po-vlakte, Chineesche vlakte en Indie zijn daarvan de sprekende bewijzen.

Het is zeer belangrijk dat ons vaderland aan de noordelijke en westelijke zijde door de zee bespoeld wordt. De zee speelt namelijk in het leven der volken eene belangrijke rol. Zij werkt het verkeer , en tengevolge daarvan ook de welvaart en de beschaving in de hand. Volken , die reeds een hoogen trap van ontwikkeling bereikt hebben, zien hunne beschaving door het oceanisch verkeer toenemen De zee oefent ook haar

1*

ocr page 12

4

invloed uit op het karakter der molken, die aan hare kusten wonen. Het zeeleven toch is met groote gevaren verbonden en liet onophoudelijk bestrijden dezer gevaren doet moed en sterkte geboren worden. De gedurige strijd tegen het \'.voedende element doet tevens op middelen denken om aan zijn vernielenden invloed paal en perk te stellen , waardoor de in-tellectuee\'.e krachten ontwikkeld worden.

Men kan gerust zeggen . dat de vorm van ons land bijna dagelijks veranderd wordt. Behalve den invloed der zee , die weer afhangt van de hoogte , de richting en de snelheid der golven , doen hier ook de zuidvveste winden en de aard van den bodem aan de kust zich gelden. Bestaat de bodem aan de kust uit harde gesteenten , dan zal de zee den kustvorm niet gemakkelijk veranderen. Is daarentegen de kustbodem uit zachtere gesteenten samengesteld , dan zal het vernielingswerk snel vorderen. De krijtkusten van Engeland en Frankrijk en de zandachtige kusten van ons land leveren hiervan een voorbeeld. De groote zeeboezems, zooals de Zuiderzee, de Lauwerszee en de Dollart ontstonden in betrekkelijk korten tijd.

C-rootte en vorm. De oppervlakte van Nederland bedraagt 3,299,000 Hectai\'en of bijna 600 □ geografisch.e mijlen. Het beslaat slechts 1300 van de oppervlakte van Europa. Frankrijk is 16 maal grooter, Groot-Brittannie en Ierland g maal, Oostenrijk-Hongarije 19 maal, Rusland 163 maal, Spanje 15 maal, Italië 9 maal en Turkije 11 maal. Bij deze oppervlakte is die van de Zuiderzee , den Dollart en de Wadden niet meegerekend.

De oppervlakte van de Zuiderzee met de Wadden bedraagt 525,000 Hectaren , die van den Dollart ruim 9,500 Hectaren. Door indijking werd sedert het midden der ió\'1\'\' eeuw bijna 300,000 1 lectaren aangewonnen, door droogmaking bijna 90,000 1 lectaren.

Door indijking en droogmaking wonnen wij dus een opper-

ocr page 13

5

vlak, dat ongeveer gelijk staat met het oppervlak van Zeeland en Limburg samen.

De landaanwinning door middel van indijking geschiedt op de volgende wijze. De zee spoelt op vele plaatsen tegen dc dijken van de Zeeuwsehe en Zuid-I lollandsche eilanden en van de Friesche en Groningsche kusten land aan. Deze aangewonnen gronden kan men in het algemeen aanwassen noemen. Men onderscheidt drie stadiën in dc vorming dezer aangewassen gronden: lo. dc gronden, die alleen bij eb droog liggen; deze noemt men in Groningen slijk- of zandgronden, al naar de bestanddeelen , waaruit ze bestaan; in Zeeland en Zuid-Holland heeten ze veelal slikken.

2o. de gronden van iets beneden tot iets boven de lijn van gewoon volzee; deze strook heet in Groningen meer in het bijzonder aanwassen.

3o. de landen , die bij gewone vloeden niet meer onderloo-pen (die dus slechts nu en dan eens bedekt worden). Deze landen noemt men in Groningen kwelders of kwelderlanden, in Zeeland gorzen of schorren, in Holland gorzen.

Gewoonlijk zijn deze landen met gras (kweldergras) begroeid. Men ziet er in den zomer den schaapherder met zijne kudde ronddwalen. In Zeeland leveren de gorzen ook de zeekraal, die als geneesmiddel en als voedsel gebruikt wordt, terwijl ze in Groningen wel eens als bouwland gebruikt worden

De kwelders en schorren kunnen gewoonlijk niet dadelijk ingedijkt worden. Dit geschiedt eerst wanneer het water op „natuurlijkequot; wijze , d. i. zonder hulpmiddelen , kan loozen , d. w. z.: niet alleen de oppervlakte van het land moet boven het gemiddelde ebniveau gelegen zijn , maar ook het water in de slooten (grondwater) moet gemakkelijk kunnen afvloeien. Gewoonlijk moeten dc gorzen daartoe 1,2 a 1,5 M. boven de nabijzijnde ebbe verheven zijn.

Zijn dc schorren rijp (geschikt) om ingedijkt te worden , dan sluit men ze door middel van een dijk van de zee af. De

ocr page 14

6

oude zeedijk , die nu natuurlijk geen dienst meer doet, krijgt den naam van drogen dijk of middeldijk. Het aldus bedijkte of ingedijkte land heet zeepolder.

De voornaamste op deze wijze gewonnen landen zijn : de polders van den Dollart en de Lauwerszee, de Groninger en Friesche Wadpolders, de Middelzeepolders en de landaanwinningen bij de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden.

Op vele plaatsen heeft echter de zee onzen bodem kleiner gemaakt. Zoo bestond bijv. in de eerste eeuwen na het begin onzer jaartelling de Zuiderzee nog niet. Het zuidelijk gedeelte van het land , dat toen hare plaats innam , bestond uit laag-veen , dat in het westen bij het Hollandsche, in het oosten bij het Overijselsche veen aansloot. Voor een aanzienlijk gedeelte lag dit veen op klei , die men dan ook op den bodem van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee nog aantreft. Het centrum werd ingenomen door een meer (Flevo , later Almare), waarin Vecht, Eem en IJsel uitliepen. Natuurlijk moest dat meer eene afwatering hebben en deze werd gevormd door het Vlie, een stroom , noordwaarts gaande langs Stavoren en Westwor-kum (toen belangrijke handelsplaatsen) en eindigende in het gelijknamige zeegat van den tegenwoordigen tijd. Het meer Flevo breidde zich gaandeweg uit, omdat de losgeslagen veen-stof gemakkelijk kon afgevoerd worden. Het schijnt dan ook dat het meer Almare reeds eene tamelijke uitgebreidheid bezat.

Ten noorden van dit veen lagen uitgestrekte zandgronden . waarschijnlijk met die van Gaasterland, Urk en Vollenhove een geheel uitmakende. Deze gronden konden natuurlijk niet weggeslagen , maar wel langzamerhand weggeschuurd en van geulen doorsneden worden. Van tijd tot tijd sloeg de Noordzee hier en daar duinen weg en drong dan dikwijls diep landwaarts in , zoo diep , dat zij het meer Almare de hand reikte en het hielp in het wegslaan van het veen. Zoo ontstond eindelijk de zuidelijke kom van de Zuiderzee. De noordelijke zand-

ocr page 15

«ronden werden eerst later geheel bedekt. Het wegslaan en uitschuren van de gronden , waar nu de Zuiderzee zich bevindt, geschiedde vooral tusschen het einde van de I2\'ie en do i5do eeuw. In elk geval werd de Zuiderzee niet door een enkelen vloed gevormd.

Het onstaan van den Dollart en de Biesbosch is gedeeltelijk te wijten aan de vele binnenlandsche twisten, die Holland en Friesland gedurende de middeleeuwen geteisterd hebben. Het verwaarloozen van dijken en dammen was daarvan het ongelukkig gevolg, zoodat in 1277 (1377 ?) een doorbraak van de Eems den Dollart. en in 1421 een doorbraak der dijken van de Groote waard de Biesbosch deden ontstaan. De slechte dijkbouw zal daartoe echter ook wel hebben bijgedragen.

^De Groote of Zuidhollandsche waard besloeg het tegenwoordige eiland van Dordrecht, de Biesbosch, het oostelijk gedeelte van het latere eiland Beierland en een groot gedeelte van het land van Strijen. Al deze landen waren met de Langstraat en de Landen van Heusden en Altena door eene reeks van dijken omringd gt; waardoor ze tegen de langsstroomende rivieren beveiligd werden. Het laagste gedeelte lag daar, waar zich nu het eiland van Dordrecht en de Biesbosch bevinden. Deze streek bestond , met eenige aangrenzende landen , ge. heel uit veen , dat, om den brandstof, op groote schaal werd uitijeveend of uitgemoerd zooals men toen zeide Het gevolg daarvan was, dat het land vol plassen en poelen stond, waardoor het later zooveel gemakkelijker een prooi der golven werd Toen nu 11 den bekenden St. Elizabethsnacht een der dijken (misschien bij Wieldrecht) doorbrak, stroomde het water niet alleen over het land , maar sloeg ook het overgebleven veen weg, zoodat de plek waar nu het eiland van Dordrecht en de Biesbosch ligt in een uitgestrekten plas veranderd werd. Natuurlijk deed men spoedig weder pogingen om het verlorene te herwinnen , wat dan ook op verschillende

ocr page 16

plaatsen gelukte; tot eene bedijking van het geheel kwam het echter niet meer. Xog in onze dagen worden bij het baggeren in de Nieuwe Merwede kluiten veen en boomtronken opgehaald , welke stellig overblijfselen zijn van het veen , dat zich weleer in deze streken uitstrekte.

Vooral Zeeland had veel van het geweld van het water te lijden. Braken hier ol daar minder sterke dijken door, dan werd het daar achter liggende land telkens bij vloed overstroomd en afgeschuurd, als ten minste de dijkbreuk niet spoedig hersteld werd. Men zei van zulk land dat het drijvende was of men gaf het den naam van bezouten land. Op deze wijze hebben vooral Zuid-Beveland , Schouwen ea Tholen aan de zuidzijde veel land verloren. Het oostelijk gedeelte van het eerstgenoemde eiland, waarop de eertijds bloeiende stad Reimerswaal lag, verdween door de groote watervloeden van de i6,,b en i/le eeuw geheel. Ook nu lijdt Zeeland door oeverafschuiviEgen en dijkvallen soms plotseling groote verliezen. Diepe stroomen langs de eilanden ondermijnen namelijk dikwijls de oevers en doen deze , soms met den dijk, naar beneden storten en voor goed in de diepte verdwijnen. Vermoedde men vroeger dat dit verschijnsel op handen was , dan legde men achter den bedreigden dijk een zoogenaamden inlaagdijk. De grond tusschen beide dijken . de inlaag (waarop soms dorpen en dikwijls vele huizen stonden) , ging vroeger of later verloren. Tegenwoordig worden de bedreigde oevers beschut door steenstortingen. Nietteeen-

o o

staande de aanzienlijke sommen , die de onderzeesche oever verdediging jaarlijks kost, komen er nog telkens vallen voor, vooral aan de noordkust van Noord-Beveland.

Ook de bij ons heerschende zuidweste winden hebben hun aandeel aan het kleiner worden van onzen bodem gehad. Volquot; gens oude overleveringen strekte ons land zich vroeger veel verder westwaarts uit dan tegenwoordig. Het verstuiven der duinen landwaarts in deed de kust naar het oosten oprukken ,

ocr page 17

9

waardoor natuurlijk de oppervlakte dezer gewesten aanmerkelijk kleiner werd. Tegenwoordig wordt dit verstuiven tegengegaan door het aanplanten van helm en zand haver, waarop we later terugkomen.

Xog eene andere oorzaak wordt voor het kleiner worden van ons land aan de westzijde opgegeven, n 1. het langzaam dalen van den bodem. Deze langzame dalingen , die eerst na verloop van een groot aantal jaren merkbaar worden, noem: men seculaire (saeculum = eeuw) dalingen. Het is niet geheel onwaarschijnlijk, dat deze oorzaak ook aan onze kusten is werkzaam geweest. Voor de noordelijke provinciën is het zoo goed als zeker.

Wanneer men het zuidelijk gedeelte van Limburg buiten rekening laat, dan vertoont de vorm van ons land eenigc overeenkomst met een scheefhoekig parallelogram, waarvan de hoekpunten zijn: de noordpunt van Vlieland, Delfzijl, Sluis en Roermond De langste diagonaal loopt van Delf\'.iji naar Sluis en heeft eene lengte van ongeveer 75 uren gaans. Ltrecht, dat bijna in het niiddelpunt des lands ligt, is van den Helder ongeveer 20 uren gaans verwijderd, van Sluis en Maastricht omstreeks 30 uren en van Delfzijl 40 uren De kleinste breedte van ons land, die van Scheveningen naar Nijmegen , bedraagt 24 uren gaans.

Aantal imvoners. De bevolking van ons land bedroee op den isten Januari 1893 (volgens de registers der bevolking) 4.669.000 inwoners. Het aantal inwoners van ons land wordt op twee verschillende wijzen berekend; door volkstellingen en uit de registers van don burgerlijken stand. Er werden 111 ons land 7 algemeene volkstellingen gehouden en wel in de jaien 1S30, \'40, 49 , 59 , 69, \'79 en\'85. In de registers van den burgerlijken stand , voor welker behoorlijke invulling de ambtenaar van den burgerlijken stand zorgt. worden de gebooiten , huwelijken, sterfgevallen, de vestiging in en het vertrek uit de gemeente nauwkeurig aangeteekend. Is men

ocr page 18

10

dus door ecne volkstelling op de hoogte van het aantal inwoners eener gemeente , dan kan men het volgende jaar hun octal berekenen door het aantal geboorten en vestigingen Tn de gemeente bij te tellen, en het aantal sterfgevallen en vertrokkenen af te trekken. Telt men de uitkomsten, die in alle gemeenten des rijks verkregen zijn, bij elkander, dan verkrijgt men bet totaal aantal inwoners.

Menquot; maakt onderscheid tusschen de volstrekte of absolute bevolking en de betrekkelijke of relatieve Door de absolute bevolking verstaat men het aantal inwoners, dat werkelijk op een6° zekere oppervlakte woont; door de relatieve bevolking het aantal inwoners , dat gemiddeld op eene vierkante maat (Hectare , vierkante Kilometer enz.) gevestigd is. Het is van groot gewicht op de dichtheid der bevolking te letten. Zij staat in het nauwste verband met de ontwikkeling en de welvaart.

Dc bevolkingsdichtheid der verschillende deelen van ons land hangt voornamelijk van de gesteldheid van den bodem , de ligging, den loop der rivieren en dc middelen van bestaan af. Zoo quot;heeft men op het onvruchtbare diluvium in de oostelijke deelen van ons land eene veel minder dichte bevolking dan op het vruchtbare alluvium van de westelijke deelen. En rreen wonder. Dc bevolking vestigt zich bij voorkeur in die streken. die door hare gunstige bodemsgesteldheid een ruimen oo-st beloven. Bij den eersten oogopslag kan men op gewone quot;kaarten van ons koninkrijk de vruchtbare van de onvruchtbare streken onderscheiden. In de eerste liggen de plaatsen dicht gezaaid, terwijl in de andere betrekkelijk wei-niquot; steden en dorpen worden aangetroffen. Men dient hier evenwel bij op te merken dat daar , waar men bijna uitsluitend van den landbouw en de veeteelt leeft, de bevolking minder dicht is dan daar, waar men hoofdzakelijk zijn bestaan vindt in de nijverheid , dc industrie en den handel. Bij den landbouw en de veeteelt heeft men namelijk eene grootc

ocr page 19

11

oppervlakte gronds noodig, terwijl bij de industrie cn den handel de bevolking op eene kleine oppervlakte is samengedrongen.

De rivieren , vooral de grootere , oefenen ook een belangrijken invloed uit op de dichtheid der bevolking, aangezien zij het verkeer bevorderen en de vruchtbaarhei J van het land verhoogen. De oudste plaatsen van ons land, zooals Maastricht, Nijmegen, Tiel, Arnhem, Wijk-bij-Duurstede , Dordrecht enz., liggen aan onze groote rivieren. Het land , dat door den Rijn, de Maas en de Schelde bespoeld wordt , is volkrijker dan andere gewesten, die ten noorden en ten zuiden van deze strooman gelegen zijn. Vooral bij den Gelderschen IJsel treedt dit duidelijk aan het licht. De Velu-wezoom is namelijk tamelijk sterk bevolkt, bloeiende plaat-sen liggen er kort bij elkander (Velp, Dieren, Brummen enz.), terwijl daarentegen de Veluwe en de Achterhoek zeer schraal bevolkt zijn. Ook in andere landen merkt men hetzelfde verschijnsel op. Men denke in Europa slechts aan de dalen van den Rijn, de Po, de Seine, de Rhóne en de Theems.

Ook de zee heeft in ons land , evenals in zoovele andere landen, eene merkbare aantrekking op de bevolking uitgeoefend. Behalve dat zij eene belangrijke bron van bestaan opent in de visscherij, bevordert zij ook den handel en het verkeer. In bijna alle beschaafde landen zijn de zeekusten met eene talrijke bevolking bezet

De bevolkingsdichtheid van het geheele rijk bedroeg per □ G M. in

IS89 1879 1869 1859 1849 1839 1829

7535 inwoners.

6696 5995 5548 5165

4833 4415

ocr page 20

12

It.

De bevolkingsdichtheid is in ons land srrootcr dan in do

O o

meeste Europeeschc landen. Alleen Bclgiö en Saksen staan in Europa boven Nederland. België heeft 10S40 inwoners op de □ G. M. en Saksen 11S50. Deze grootere dichtheid is in beide landen te danken aan de quot;roote vlucht, die de industrie

o \'

daar genomen heeft, en die altijd eene opeenhooping der bc volking veroorzaakt. In Azië worden wij overtroffen door Java. Dit schoone eiland telt 8750 inwoners op de □ G. Al.

De volgende tabel leert ons , hoe het met de bevolkingsdichtheid in de verschillende provinciën van ons land op den 1 sten Jan. 1890 stond.

inwoners op 1 □ (

1. M.

Noord Brabant

5776

Gelderland

Zuid Holland

17367

Noord-Holland

1656S

Zeeland

620S

Utrecht

87S8

Friesland

55S9

Overijsel

5001

Groningen

6409

Drente

2715

Limburg

Ö393

Uit deze tafel zien we , dat Zuid-Holland met zijn vruchtbaren bodem, zijne groote rivieren en zijne gunstige ligging aan zee de dichtste bevolking heeft ; dat Drente met zijn onvruchtbaar diluvium, zijn gebrek aan groote stroomen en zijne ongunstige ligging niet betrekking tot de zee het dunst bevolkt is; en dat Utrecht, Limburg, Groningen en Zeeland het naast bij het middelcijfer komen.

Belangrijk is het te weten welk gedeelte der bevolking in de steden en welk gedeelte op het platteland woont. Men denke hier slechts aan het onderscheid in beschaving, middelen van bestaan enz. tusschen de stad en het land. In

I

ocr page 21

13

N\'cderland bewoont 3 5 der bevolking liet platteland. In Engeland daarentegen maakt de plattelandsbevolking V2 der inwoners uit en in Frankrijk quot;/10. Engeland heeft dus eene kleinere, Frankrijk eene grootere plattelandsbevolking dan Nederland.

Evenals in andere Europeeschs landen gaat ook in Nederland het stedelijk element sterk vooruit. De totale bevolking van de 21 volkrijkste gemeenten van ons land bedroeg in 1830 (1 Jan.) 669,396 zielen, in 1893 (l Jan.) 1,506,703 zielen.

Verdeeling. Ons vaderland bestaat uit 11 provinciën , waarvan de noordelijke en de westelijke vroeger de Republiek-der Vereenigde Nederlanden vormden. Deze verdeeling heeft :;ich historisch ontwikkeld. Ieder dezer provinciën was oorspronkelijk een zelfstandige, onafhankelijke staat, die in 1579 door de Unie van Utrecht met de andere verbonden werd , maar toch zijne eigene souvereiuiteit, wetgeving, gewoonten en rechten bleef behouden. Van 1798 af, dus onder den invloed en het bestuur van Frankrijk, volgden vele nieuwe verdeelingen elkander op , maar na liet herstel van onze onafhankelijkheid in 1813 kwam men weer op de vroegere verdeeling terug. Voor deze indeeling pleiten , behalve den his-torischen grondslag, de zeden en gewoonten en de locale belangen der verschillende provinciën.

Gewoonlijk worden de provinciën in navolging van artikel I onzer grondwet in de volgende rangorde opgegeven : Noord-Brabant en Gelderland (vroeger hertogdommen), Zuid-Holland, Noord-Holland en Zeeland (vroeger graafschappen), Utrecht (vroeger bisdom), Friesland , Overijsel, Groningen , Drente en Limburg.

Eene andere volgorde is die naar de ligging: Friesland, Groningen , Drente , Overijsel, Gelderland , Utrecht, Noord-Holland , Zuid-Holland, Zeeland , Noord-Brabant en Limburg. Soms spreekt men ook van land- en zeeprovinciën.

Naar de grooite volgen de provinciën aldus ;

ocr page 22

14

□ g. ar.

Hectaren.

Noord-Brabant

93-1-5

512,832

Gelderland

92.

508,079

Overijsel

60 \'03

334,515

Friesland

59.476

332,044

Zuid Holland

54.8n2

302,163

Noord-Holland

49.382

276,977

Drente

48.307

266,268

Groningen

41.^

229,76 r

Limburg

41.030

220,426

Zeeland

32.054

178,506

Utrecht

25.U0

138,402

Uit bovenstaande tabel

volgt, dat Noord

Brabant en

derland bijna even groot zijn, evenzoo Overijsel en Friesland, verder nog Noord-Holland en Drente, en eindelijk Groningen en Limburg Noord-Brabant heeft de grootste oppervlakte, Utrecht de kleinste. De provinciën Friesland en Zuid-Holland hebben eene gemiddelde grootte.

Naar de bevolking op den isten Januari 1893 volgen de provinciën aldus:

Zuid-Holland

1,002,144

inwoners

Noord-Holland

877,896

Gelderland

523,039

Noord-Brabant

519,022

Friesland

336,296

v

Overijsel

302,508

n

Groningen

279,397

Limburg

261 853

1quot;»

Utrecht

229,054

Zeeland

202,709

jj

Drente

135 658

■n

Rangschikken we de provinciën naar de honderdduizendtallen van inwoners dan blijkt dat 1 provincie (Zuid-Holland) ruim 1,000,000 itnvoneis heeft, 1 provincie (Noord-Holland)

ocr page 23

15

ruim Soo ooo, 2 provinciën (Noord-Brabant cn Gelderland) ruim een half milliocn , 1 provincie (Friesland) ruim 300,000 , 3 provinciën (Overijsel, Groningen en Limburg) omstreeks 250,000, 2 provinciën (Utrecht en Zeeland) omstreeks 200,000 en 1 provincie (Drente) ruim 100,000 inwoners.

Wanneer men de toeneming der bevolking in enkele provinciën gedurende de laatste halve eeuw nagaat, dan bemerkt men dat de vier noordelijke gewesten , en daaronder vooral Drente , percentsgewijze veel sterker in zielental zijn toegenomen dan andere. De bevolking van Drente is ongeveer driemaal zoo sterk toegenomen als die van Limburg en Noord-Brabant. Het afgraven van hoogveen en vooral het graven van een groot aantal kanalen heeft daartoe zeker veel bijgedragen. In Overijsel dient ook nog de aanzienlijke ontwikkeling der nijverheid in aanmerking genomen te worden.

Rangschikken we de provinciën naar de bevolkingsdichtheid dan is de volgorde aldus: Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht, Groningen, Limburg, Zeeland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Overijsel en Drente.

Iedere provincie werd vroeger in een aantal landschappen verdeeld, waarvan we de namen , omdat deze nog altijd veel gebruikt worden , hier laten volgen.

Noord-Brabant (een gedeelte van het vroegere hertogdom Brabant) bevatte: de meierij (werd bestuurd door een meier, schout of baljuw) van \'s-Hertogenbosch, de Langstraat, de baronie van Breda , het markgraafschap Bergen-op-Zoom , de heerlijkheid Zevenbergen, het graafschap Megen, het land van Kuik, van Heusden en van Altena , het Peelland en het Kempenland.

Gelderland (zoo genoemd naar Gelder, het stamslot der graven, later hertogen van Gelder, bij het stadje Gelder aan de Niers) wordt in drie hoofddeelen verdeeld: de Veluwe {— vale ouwe = onvruchtbaar land), de Betuwe (— betouwe — goed land) en de Graafschap of de Achterhoek. De

ocr page 24

16

Vduwc wordt weder verdeeld in Opper-, Middel- en Beneden-Veluwe en Veluwezoom (fluweelen zoom van het vale kleed); de Betuwe in de Tielervvaard, de Bommelcnvaard en de graafschappen Buren en Kuilenburg. Verder spreekt men in Gelderland nog van de Over- en Neder-Bstuwe , bet rijk van Nijmegen, het land tusschen Maas en Waal en de Lijmers (het landschap tusschen den Rijn en den Ouden IJsel).

Zuid-IIolland (Holland — Holt- of Houtland) bevat; Rijnland , Delfland (het westelijk gedeelte van Delfland heet West-land) , Schieland , de Krimpenerwaard (een gedeelte van het land tusschen den Hollandschen IJsel en de Lek), het eiland van Dordrecht, de Hoekschewaard (een deel van het eiland Beierland), de Alblasservvaard (het land benoorden de Merwede), het land van Arkel, de Vijfheerenlanden (het land ten zuiden van de provincie Utrecht) en de landen van Voorne en Putten.

Noord-Holland bevat: Anntelland, Gooiland, Kennemerland

\'

West-Friesland (het land ten noorden en noordwesten van het Moornsche hop) Waterland en Zaanland.

In Zeeland spreekt men van Zeeuwsch Vlaanderen ( \'t vroegere Staats Vlaanderen) bewesten en Zeeuwsch Vlaanderen beoosten den Braakman. De eilanden tusschen de Wester- en Ooster-Schelde heetten vroeger Zeeland bewesten de Schelde (Bewesterscheid), de oude twistappel tusschen Holland en Vlaanderen.

Utrecht (trecht en tricht = veer of overtocht), vroeger Sticht genoemd, is een deel van het vroegere bisdom van dien naam. Het wordt verdeeld in Overkwartier, Nederkvvar-tier, het kwartier van Montfoort, de heerlijkheid IJselstein (Lopikkcrwaard) en het Eemland.

Friesland wordt verdeeld in Oostergo, Westergo (go = gouw) en Zevenwolden (wold = woud).

Overijsel, vroeger ook Oversticht genoemd , bestaat uit de landschappen: kwartier van Vollenhove, Salland (Sala = IJsel) en Twente (— tweede).

ocr page 25

17

Groningen (betcekent waarschijnlijk groene inge of groene weide) bestaat uit de oude landschappen : het Goorecht (de naaste omtrek van de stad Groningen) , het Oidambt (in het oostelijk deel der provincie), Hunsingo ( — gouw aan de Hunse), Fivelingo (= gouw aan de Fivel), Westerkwartier, Reider-land en Westerwolde.

Drente (— derde) bestaat uit: Zuidenveld (het oostelijk deel der provincie), de heerlijkheid Koevorden, Oostennoer, het Dicver-der dingspil, het Beiier dingspil, het Rolder dingspil (dingspil = rechtsgebied) en het Noordenveld (het westen der provincie).

Evenals het geheele land verdeeld is in een aantal gewesten , die ieder hunne eigenaardige belangen hebben , zoo worden de provinciën ook weder verdeeld in onderdeelen , gemeenten genoemd, die elk in het bijzonder eigenaar-digheden hebben , waardoor ze zich van andere onderscheiden. De gemeente bestaat üf uit eene stad, óf uit eene stad en e\'én of meer dorpen, óf uit één dorp óf uit een aantal dorpen. Gehuchten en op zich zelf staande woningen maken deel uit van de naburige gemeente. De oorzaak van deze samenstelling ügt gedeeltelijk in de nabuurschap , gedeeltelijk in vroegere verhoudingen.

Het aantal gemeenten bedraagt 1130, die op de volgende wijze over de verschillende provinciën verdeeld zijn :

Xoord-Brabrant 185 ; Friesland 43

Gelderland 116 | Overijsel 61

Zuid-Holland 192 Groningen 57

Noord-Holland 134 Drente 33

Zeeland 112 j Limburg 125

Utrecht 72

Uit bovenstaand lijstje merkt men dadelijk dat de gemeenten in het westen van ons land veel talrijker zijn dan in het oosten , wat volkomen overeenkomt met hetgeen vroeger opgemerkt is omtrent het verband tusschen de volksdichtheid en de vruchtbaarheid van den bodem , de ligging van het land WusDEltUCH, Aardrijkskunde. 2

ocr page 26

18

met betrekking tot de zee en den loop der groote stroomen.

Het is natuurlijk dat deze gemeenten onderling in grootte zeer moeten verschillen. De grootste oppervlakte heeft de gemeente Ede in Gelderland (ruim 32000 Hectaren), de kleinste Blokzijl (16 Hectaren); 49 gemeenten hebben meer dan 10,000 Hectaren oppervlakte, terwijl de volgende gemeenten ieder meer dan 20,000 Hectaren groot zijn: Ede, Emmen, Apeldoorn, Opsterland , West-Stellingwerf, Oost-Stellingwerf en Ermelo.

ocr page 27

ir.

Horizontale vorm.

CJeledlng «Ier kust. De zee maakt in ons land een aantal insnijdingen en bochten , die voor onze ontwikkeling als zeevarende natie van het grootste gewicht zijn geweest en no^ zijn. Een land , dat hoofdzakelijk rechte kustlijnen heeft, is moeielijk toegankelijk, want schepen kunnen geen geschikte havens vinden om te landen. Het gevolg daarvan is, dat de handel en het verkeer belemmerd , zoo niet geheel onmocre-

\'O Ö

lijk gemaakt worden. Heeft een land daarentegen diepe bochten , dan kunnen vaartuigen gemakkelijk naderen, want zij vinden eene veilige ligplaats. De vreemdeling brengt zijne schatten en ruilt die tegen de inlandsche producten. De welvaart wordt daardoor in het land verbreid en deze staat in onmiddellijk verband met de beschaving Alleen daar waar welvaart is kan de beschaving vorderingen maken. Wij zien dat bijv. in ons land in de zeventiende eeuw. De welvaart bereikte toen door de groote schatten, die van Oost en West ons toevloeiden , haar toppunt, en juist in dezen tijd leverden onze groote meesters op het gebied van schilder- en dichtkunst hunne onsterfelijke werken. De welvaart staat echter nog op eene andere wijze met de beschaving en ontwikkeling in verband. Wij zien in alle tijden en bij alle volken dat de vrijheid gelijken tred houdt met de welvaart. Alleen in landen , waar welvaart heerscht, kan de vrijheid groeien en bloeien. De

9*

ocr page 28

20

goede geleding van een land staat dus in het nauwste verband met zijne welvaart en tengevolge daarvan ook met zijne beschaving.

Het spreekt echter van zelf, dat de gevolgen eener goede geografische geleding doar verschillende oorzaken kunnen gewijzigd worden. Zoo kan bijv. het klimaat de voordeden van eene diep ingesneden kustlijn geheel vernietigen. We zien dat in Noord-Europa , dat eene gunstige geleding heeft, maar door het ongunstige klimaat er geen vruchten va.i kan plukken. Een land, dat vele riviermonden heeft, kan dikwijls eene gun-stige geleding ontberen. Vele rivieren, vooral wanneer zij goed bevaarbare monden hebben, zijn van dezelfde beteekenis.

De groote inhammen, door de Noordzee in ons land gemaakt , zijn : de Zuiderzee , de Dollart en de Lauwerszee.

De Zuiderzee heeft eene oppervlakte van ruim 500,000 Hectaren (zoo groot als Noord-Brabant). De diepte neemt van de kusten naar het midden langzamerhand toe. De grootste diepte bedraagt niet veel meer dan 5 Meters. Het aantal zandbanken en ondiepten is ontelbaar. In het noorden is zij met de Noordzee verbonden door het Marsdiep (tusschen N. Holland en Texel), het Eierlandsche gat (tusschen Texel, waarvan het noordelijk deel Eierland heet, en Vlieland), de Vliestroom (tusschen Vlieland en Terschelling) en het Amelander gat (tusschen Terschelling en Ameland). Om van uit de Zuiderzee het Marsdiep te bereiken, gaat men door den Texelstroom (20 M. diep), die ter wederzijde begrensd wordt door de zandbanken Balgzand en Jack-IJst. Wil men de Zuiderzee door den Vliestroom (20 M. diep) verlaten , dan passeert men eerst door een smal vaarwater, de Inschot, dat ook aan beide zijden door groote banken begrensd wordt.

De inhammen, die de Zuiderzee in het vasteland maakt zijn ; de Wieringermeer, ten zuiden van het eiland Wierin-gcn , het Hoornsche hop en het Zwolsche diep.

Het grootste gedeelte van de Zuiderzeekusten is zeer laag

ocr page 29

I

ocr page 30

20

goede geleding van een land staat dus in het nauwste verband met zijne welvaart en tengevolge daarvan ook met zijne beschaving.

Het spreekt echter van zelf, dat de gevolgen eener goede geografische geleding door verschillende oorzaken kunnen gewijzigd worden. Zoo kan bijv. het klimaat de voordeelea van eene diep ingesneden kustlijn geheel vernietigen. We zien dat in Noord-Europa , dat eene gunstige geleding heeft, maar door het ongunstige klimaat er geen vruchten va.i kan plukken. Een land, dat vele riviermonden heeft, kan dikwijls eene gunstige geleding ontberen. Vele rivieren, vooral wanneer zij goed bevaarbare monden hebben, zijn van dezelfde beteekenis.

De groote inhammen, door de Noordzee in ons land gemaakt , zijn : de Zuiderzee, de Dollart en de Lauwerszee.

De Zuiderzee heeft eene oppervlakte van ruim 500,000 Hectaren (zoo groot als Noord-Brabant). De diepte neemt van de kusten naar het midden langzamerhand toe. De grootste diepte bedraagt niet veel meer dan 5 Meters. Het aantal zandbanken en ondiepten is ontelbaar. In het noorden is zij met de Noordzee verbonden door het Marsdiep (tusschen N. Holland en Texel), het Eierlandsche gat (tusschen Texel, waarvan het noordelijk deel Eierland heet, en Vlieland), de Vliestroom (tusschen Vlieland en Terschelling) en het Amelander gat (tusschen Terschelling en Ameland). Om van uit de Zuiderzee het Marsdiep te bereiken, gaat men door den Texelstroom (20 M. diep), die ter wederzijde begrensd wordt door de zandbanken Balgzand en Jack-IJst. Wil men de Zuiderzee door den Vliestroom (20 M. diep) verlaten , dan passeert men eerst door een smal vaarwater, de Inschot, dat ook aan beide zijden door groote banken begrensd wordt.

De inhammen, die de Zuiderzee in het vasteland maakt zijn ; de Wieringermeer , ten zuiden van het eiland Wleringen , het Hoornsche hop en het Zwolsche diep.

Het grootste gedeelte van de Zuiderzeekusten is zeer laag

ocr page 31
ocr page 32
ocr page 33

21

en moet door stevige dijken , die aan de buitenzijde nog var» paalwerk en steenglooiingen van bazalt voorzien zijn, tegen het geweld der baren beschermd worden.

Het paalwerk heeft sedert 1731 kolossaal veel van den paalworm te lijden. Aan de zuidkust van Friesland bij het Roode Klif en Oudemirdum, bij de kaap van Vollenhove, tusschen Doornspijk en Putten (Gelderland), van Huizen tot Naarden en bij Muiderberg zijn door de aanzienlijke hoogte der kust deze dijken niet noodig.

Reeds sedert geruimen tijd heeft men over de droogmaking der Zuiderzee gedacht, ten einde daardoor vruchtbaren grond te winnen. Sedert de oprichting der Zuiderzee-vereeniging is dit vraagstuk meer op den voorgrond getreden. Uit meer dan 1000 grondboringen bleek, dat het gedeelte ten zuiden van de lijn Hoorn-Kampen goede klei bevat met lichtere klei, zwel en zand langs den noordelijken rand; dat ten noordwesten van de IJselmonden evenzoo een blok uitmuntende kleigrond ligt met slechts weinig zavel, zand en veen ; en dat eindelijk de bodem van de Wieringermeer ook in hoofdzaak-uit goede klei bestaat. Van de totale oppervlakte der Zui-derzee-kom is 51 pet. goede klei, 19 pet. lichte kleien zavel, 29 pet. zand en 1 pet. veen. De grootste massa zand ligt in het noordelijk gedeelte. Op deze feiten is het volgende plan gebaseerd , door de boven genoemde vereeniging aanbevolen. De zandbodem wordt niet ingepolderd, maar vormt het IJselmeer, waarop de JJsel en andere wateren moeten af-stroomen. De kleibczinking van de ieringermeer vormt de eerste indijking, groot 21.700 H A. of ruim zoo groot als de Haarlemmermeer. Noordwestwaarts van den IJsel ligt eene tweede inpoldering van 50.300 H. A. Het groote zuidelijk blok wordt in tweeën gedeeld door een breeden waterweg van Amsterdam naar het IJselmeer. Ten westen van dien weg ligt de inpoldering van het Hoornsche hop, ter grootte van S7-000 H. A. en ten oosten eene indijking van 103.000 H. A.

ocr page 34

22

Het geheel wordt afgesloten door een stevigen dam van Wie-ringen naar Piaam, waarin sluiswerken om het IJselmcer met de open zee in verbinding te kunnen brengen. De kosten van het geheele werk , waarover reeds door eene Staatscommissie gunstig geadviseerd is, zouden ongeveer 200 millioen gulden bedragen, terwijl het in 33 jaar gereed zou kunnen zijn. De voordeden door dit ontwerp aangeboden , springen in het 00/ : aanwinst van uitmuntende kleigronden ; vermindering der

CJ O * Ö

gevaren, waarmede de Zuiderzee-provincicn steeds bedreigd worden ; mindere uitgaven voor de zeeweringen; gemakkelijke verbinding van Holland met het noorden; en — werkverschaffing op groote schaal.

De Lauwerszee, tusschen Friesland en Groningen , loopt bij eb droog. Alleen eenige geulen of slenken blijven steeds met water gevuld. Zij vormen de afwatering van het Reitdiep en, het Dokkumerdiep.

De Dollart, die thans voor een groot gedeelte toegeslikt en ingepolderd is, staat door de Wester- en Ooster-Eems met de Noordzee in verbinding. De havens Termunten en Delfzijl, aan dit water gelegen, zijn van geen groote beteekenis.

De kusten van ons land zijn over het algemeen vlak. Zij dalen langzamerhand naar de zee af en zetten zich beneden den zeespiegel voort. Gewoonlijk liggen er eenige zandbanken voor , waardoor het naderen , dat toch reeds zeer moeielijk is-door het ondiepe vaarwater, nog meer bemoeielijkt wordt. Men vindt dan ook bijv. langs de kusten van Holland geen handelsplaatsen. Alleen visschersdorpen en badplaatsen worden er aangetroffen.

Duinen. Een opmerkelijk verschijnsel langs bijna alle vlakke kusten is de duinvorming De duinreeks van ons land maakt een deel uit van de groote duinvorming, die bij Calais-in Frankrijk begint, en de kusten van België en Nederland volgende tot bij kaap Skagen, de noordelijkste punt van Denemarken, voortloopt. Het duinzand wordt door de zee bij.

ocr page 35

.lUü\'H 11(1 (11 (j llHillllUlnl IKl

(Ill I\'d)!.

(1(1 vllKUTlCt.

ocr page 36

22

Het geheel wordt afgesloten door een stevigen dam van Wie-ringen naar Piaam , waarin sluiswerken om het IJselmeer met de open zee in verbinding te kunnen brengen. De kosten van het geheele werk , waarover reeds door eene Staatscommissie gunstig geadviseerd is, zouden ongeveer 200 millioen gulden bedragen, terwijl het in 32 jaar gereed zou kunnen zijn. De voordeden door dit ontwerp aangeboden , springen in het oog : aanwinst van uitmuntende kleigronden ; vermindering der gevaren, waarmede de Zuiderzee-provinciën steeds bedreigd worden ; mindere uitgaven voor de zeeweringen ; gemakkelijke verbinding van Holland met het noorden; en — werkverschaffing op groote schaal.

De Lauwerszee , tusschei? Friesland en Groningen , loopt bij eb droog. Alleen eenige geulen of slenken blijven steeds met water gevuld. Zij vormen de afwatering van het Reitdiep en. het Dokkumerdiep.

De Dollart, die thans voor een groot gedeelte toegeslikt en ingepolderd is, staat door de Wester- en Ooster-Eems met de Noordzee in verbinding. De havens Termunten en Delfzijl, aan dit water gelegen , zijn van geen groote beteekenis.

De kusten van ons land zijn over het algemeen vlak. Zij dalen langzamerhand naar de zee af en zetten zich beneden den zeespiegel voort. Gewoonlijk liggen er eenige zandbanken voor, waardoor het naderen , dat toch reeds zeer moeielijk is-door het ondiepe vaarwater, nog meer bemoeielijkt wordt. Men vindt dan ook bijv. langs de kusten van Holland geen handelsplaatsen. Alleen visschersdorpen en badplaatsen worden er aangetroffen.

nuiiien. Een opmerkelijk verschijnsel langs bijna alle vlakke kusten is de duinvorming De duinreeks van ons land maakt een deel uit van de groote duinvorming, die bij Calais-in Frankrijk begint, en de kusten van België en Nederland volgende tot bij kaap Skagen, de noordelijkste punt van Denemarken, voortloopt. Het duinzand wordt door de zee bij.

ocr page 37
ocr page 38
ocr page 39

23

vloed opgeworpen en wanneer de wind gunstig is, gelijk in ons land meest altijd het geval is (zuidwest), tot heuvelreeksen opgewaaid , waarvan de gemiddelde hoogte ongeveer 15 M is, maar die nooit boven de 60 M. stijgen. Het zand der duinen is kwarts/.and , evenals dat van de zandbanken. In den regel is het vermengd met wat kalk, afkomstig van de schelpdieren , door de zee opgeworpen. De breedte is natuurlijk zeer verschillend. Zij bedraagt op enkele plaatsen slechts 400 M. op andere ruim 4000 M. De oppervlakte bedraagt, wanneer men de geestgronden meerekent, bijna 100,000 Hectaren. Van den Hoek van Holland tot bij Scheveningen is de duinreeks zeer smal (bij \'s-Gravenzande 8 M.) en bestaat slechts uit e\'éne reeks; voor alle zekerheid heeft men daarom door het Westland een slaperdijk opgeworpen. Van Scheveningen tot Katwijk en Noord wijk vormen de duinen een aantal achter elkander liggende reeksen (binnen- en buiten-duinen), die te zamen ongeveer een uur gaans breed zijn. Van laatstgenoemde plaats tot in de nabijheid van Haarlem is de breedte zeer gering, om van daar weder langzaam toe te nemen. Dc duinreeks van Noord Holland heeft bijna overal eene doorsnede van ruim één uur gaans. De binnen-duinen worden van den strandlooper gescheiden door dc duindalen , die wel moeten onderscheiden worden van de duinvalleien of pannen. Bij Petten is voor eeuwen eene gaping in de duinen onstaan door het wegstormen van een aantal zandheuvels. Men heeft ze door stevige zeedijken, waaronder vooral de Hondsbosache dijk en de Pettemer zeewering moeten vervangen De eerste heeft eene lengte van 4500 M. en is 51/3 M. boven volzee verheven. Het landwaarts ins lui ven der duinen, dat door de konijnen , die er hunne holen in maken, bevorderd wordt, tracht men tegenwoordig te beletten door het plaatsen van rieten schuttingen en ook wel door het insteken van stroowisschen. Misschien zou het beplanten met dennen, zooals dat in andere landen plaats heeft, ook hier goede resultaten opleveren

ocr page 40

24

(proeven bij Schoorl). Aan de buitenzijde worden de duinen dikwijls door golfbrekprs tegen de baren beschut.

In vroeger tijden schijnt zich langs den geheelen binnenzoom der duinen een groot bosch uitgestrekt te hebben Volgens sommige overleveringen kon een eekhoorn van Vlaardin-gen naar Texel komen , zonder een oogenblik de boomen te verlaten. Van dit uitgestrekte bosch schijnen de boschrijke streken van Alkmaar , Bloemendaal , Haarlem , Wassenaar , \'s Gravenhage en Loosduinen nog overblijfselen te zijn. Het is bijna overbodig te zeggen, dat deze streken onder de schoonste van ons land behooren geteld te worden. De oude Holland-sche adel had hier bij voorkeur zijne sterke sloten. Willem II bouwde zich een lustslot, dat de oorsprong werd van den Haag; Floris V hield dikwijls zijn verblijf te Vogelenzang; venier noordelijk lagen de sloten van 1 gt;rederode, Teijlin-gen , Egmond en Heemstede. Ook de Oranje-vorsten hadden in deze streken dikwijls lustverblijven We herinneren slechts aan het Huis Honselersdijk, het Huis ten Bosch en het prachtige Huis de Pauw, Op die plaatsen waar het bosch verdwenen is, hebben zich de vruchtbare geestgronden gevormd. Door de zuidweste winden namelijk werd het duinzand over den vroegeren boschgrond (veenbodem) verspreid, bit zand, dat op zich zelf onvruchtbaar is , vermengde zich met de uit den veenbodem opstijgende moeraszuren en werd daardoor een geschikte bodem, vooral voor de teelt van aardappelen (duin-aardappelen) Op of nabij deze geestgronden ligt eene reeks van schoone dorpen, waarvan Oegstgeest, Rijnsburg, Sassen-hcim , Lisse , Hillegom , Rennebroek en Heemstede de voornaamste zijn (beteekenis van afzanderijen).

Over het algemeen zijn de duinen zeer rijk aan water. De overvloed , die voornamelijk ontstaat door het inzijgen van den regen, is zoo groot, dat Amsterdam, den Haag, Leiden, Middelburg en Vlissingen waterleidingen hebben kunnen aanleggen, die geheel door duinwater gevoed worden (reservoirs , water-

ocr page 41

25

toren en buizennet). Het water, dat zich in de lager gelegen deelen der duinen , de zoogenaamde duinpannen ) verzamelt, doet een weelderige» plantengroei ontstaan, die weder op zijne beurt aanleiding geeft tot het ontstaan van laagveen.

De duinen zijn natuurlijk slechts spaarzaam begroeid. Hier e:i daar vindt men echter struik- en dopheide, brem- en jeneverstruiken , helmgras, de duindoorn en duinroos , standel-kruiden , thym , gagel, kruipwilg , rendiermos enz.

De zandheuvels langs onze kusten werden door de veree-nigde werking van twee verschillende oorzaken opgeworpen : eene zeestroomirig en de getijden (eb en vloed). Stroom en vloedgolf naderen onze kusten van het zuiden. De laatste neemt echter gaandeweg in sterkte af, zoodat de gemiddelde hoogte, die bij Vlissingen nog 3,62 M bedraagt, bij den Hoek van Holland reeds tot de helft is verminderd. Aan de noordelijke kusten van ons land wordt deze golf echter versterkt door eene andere, die om de kusten van Schotland komt, zoodat bij Ameland de hoogte weer 2 M. , en bij Delfzijl zelfs 2,68 M. wordt. In het zuidelijk gedeelte van de Zuiderzee is de vloedgolf nauwelijks merkbaar.

De hooge vloeden veroorzaken den afslag der duinen. Om dit verschijnsel, dat natuurlijk niet quot;an gevaar ontbloot is, nauwkeurig te kunnen nagaan , heeft men van den Hoek van Holland tot den Helder en verder op de eilanden strandpalen geplaatst. De jaarlijksche veranderingen van den duinvoet kunnen daardoor met juistheid gemeten worden.

Keiquot;, langs de kult;4t. Maken we nu nog een reisje langs de kusten, om de merkwaardigste bijzonderheden na te gaan. Wc zullen daartoe beginnen bij de Scheldemonden in Zeeland.

Na de kusten van Zeeuvvsch-Vlaanderen gepasseerd te zijn, komt men het eerst aan den mond der Wester-Schel Ie of Honte, welke mond door zandbanken , die zich hier in den loop dei-tijden gevormd hebben, in vier deelen gesplitst wordt: Wielingen , Spleet, Deurlo en Oostgat. Verder noordwaarts gaande

ocr page 42

26

komt men aan het eiland Walcheren, dat aan de westzijde , waar de duinen zijn weggeslagen, door den sterken Westkap-pelschen dijk, die bijna 3300 M lang is en jaarlijks aan onderhoud meer dan 75000 gulden kost, tegen het geweld der golven beschermd wordt. Tusschen Walcheren en Schouwen (= Schelde) heeft men den niwiid der Ooster-Schelde, waarvan de toegang belemmerd wordt door de gevaarlijke zandbank de Banjaard, die zich tot ver in zee uitstrekt. Ook deze mond wordt door een aantal zandbanken, waarvan de Rodere-

\' 00

plaat en de Neeltje-Jansplaat de voornaamste zijn , verdeeld in het Westgat, de Roompot (van portus Romanorum = haven der Romeinen) en de Hammen.

Ten noorden van de Scheldemonden liggen de Maasmonden. Ze zijn : het Brouwershavensche gat, tusschen Schouwen en Goe-dereede ; het Goereesche gat, tusschen Goederecde en Voorne ; en de mond van de Maas , tusschen Voorne en den Hoek van Holland. Al deze monden leveren door de vele zandbanken , die er voor liggen , groote moeielijkheden voor de scheepvaart op. De bekendste van deze zandplaten zijn: de Hinder, de Hompel en de Bol. Men moet zich op een geruimen afstand van de kust begeven om eene diepte van 8 meters te vinden.

Aangezien de toegang tot onze zeegaten zoo buitengewoon gevaarlijk is, welk gevaar door het onophoudelijk verplaatsen der zandplaten nog vergroot wordt (redding-maatschappijen) , heeft men ze van tonnen en bakens voorzien, waardoor den zeevarende de weg gewezen wordt. Bovendien vindt men aan de monden van de Schelde en de Maas drie vuurtorens van de eerste grootte: bij Westkapelle op Walcheren, op Schouwen en op Goedereede. Zij zijn alle dioptriek, d. w. z. ze hebben slechts ééne lichtbron , die door terugkaatsende en brekende lensen versterkt wordt. Onze oudere vuurtorens waren meestal katadioptriek , d. i. ze hadden in den regel een aantal lampen met reflectors. Op gevaarlijke plaatsen liggen lichtschepen.

ocr page 43

27

Gaan we verder noordwaarts, dan passeeren we langs den Hoek van Holland en den Nieuwen Waterweg van Rotterdam ; verder langs de visschersdorpen Terheiden, Scheveningen, Katwijk-aan-Zee, Noordwijk-aan-Zee, Zandvoort, IJmuiden (= mond van het IJ) aan den mond van het groote Xoord-zee-kanaal , Wijk-aan-Zee, Egmond-aan-Zee , Kamp en Petten bij de Hondsbossche zeewering, Kallantsoog, Huisduinen en het fort Kijkduin , dat voor onze verdediging van gewicht is. Een niet onbelangrijk middel van bestaan langs de Hollandsche kust is de schelpvisscherij , die de grondstof levert voor de kalkovens langs den Ouden Rijn. Door hun vlak en breed strand zijn van de genoemde kusten als zeebadplaatsen bijzonder peschikt: Scheveningen , Katwijk , IS oord wijk , Zandvoort en Wijk-aan-Zee. Ook langs de Hollandsche kust staan een aantal vuurtorens, alle dioptriek. Men vindt er een bij Scheveningen, twee bij IJmuiden voor den ingang van het Nocrdzee-kanaal, twee bij Egmond en één bij Kijkduin voor het Gat van Texel. Het laatste licht is bijna 60 M. hoog en kan ruim 6 uren ver in zee gezien worden. Verder vindt men nog kustlichten op Texels noordpunt, op Terschelling, op Ameland en op Schiermonnikoog.

Onze reis vervolgende komen we aan de noordelijkste punt van Holland, aan den Helder. Tusschen Texel en den Helder bevindt zich het Marsdiep , voor hetwelk aan de buitenzijde de gevaarlijke banken Noorder- en Zuider Haaks liggen, die drie doorgangen naar binnen openlaten: het Noordergat, het Westgat en het Schulpegat. De kust langs gaande passeeren we door het Amsteldiep, tusschen Wieringen en de kust, en konijn dan in de Wieringermeer en aan het vruchtbare West-Friesland met de steden Medemblik, Enkhuizen en Hoorn. Voor Enkhuizen ligt het zoogenaamde Enkhuizerzand. Verder zuidwaarts vormt de Zuiderzee tusschen het eiland Marken en Monnikendam eene bocht, de Gouwzee Den uitersten hoek van Waterland omgevaren zijnde , komen we

ocr page 44

28

aan het IJ, dat echter sedert de doorgraving van Holland-opzijn-smalst door een dam is afgesloten. ,Van Muiden af tot de monden van den IJsel toe is de kust moeielijk meer te volgen , daar zij met talrijke zandbanken bezet is , waarvan de grootste den naam van Hardt nvijkerzand draagt. Na Harderwijk en Elburg rechts te hebben laten liggen komen we aan de monden van den IJsel met het vruchtbare Kampereiland , tegenover de stad Kampen. Ten noorden van het Kampereiland vormt de Zuiderzee weder eene bocht, het Zwolsche diep, waaraan Genemuiden en Vollenhove liggen, welker havens geheel verzand zijn.

Meer noordelijk komen we aan de zuidkust van Friesland, met den Lemsterhoek, waarachter de Lemmer. Voor Stavoren, waar de kust eene noordelijke richting neemt, ligt het bekende Vrouwezand. Langs de Friesche kust passeeren wij de weinig beteekenende plaatsjes : Hindeloopen , Workum en Makkum , welker havens geheel verzand zijn , tot we eindelijk bij het aanzienlijke Harlingen komen. Eene zandbank , de Pollen genaamd , welke vroeger voor de haven van deze stad gelegen was, is bijna geheel opgeruimd om het drukke scheepvaartverkeer , dat Harlingen met Engeland , Duitschland , de Oostzeehavens en Noorwegen heeft, te bevorderen. Ten noorden van Harlingen beginnen de Wadilen. Het zijn uitgestrekte zandgronden , die bij eb geheel droogloopen. Er winden zich eenige geulen door (ook wel balgen en slenken genoemd), die zelfs bij laag water gevuld blijven. Men onderscheidt gewoonlijk het Friesche wad, het Groninger wad en het Uithui-zer wad. De geulen van het eerste komen meest uit in het Pinkegat, eene zeer breede geul, die de oostpunt van Ameland van Engelschmanplaat scheidt. Aan den anderen kant van deze plaat, dus juist ten westen van Schiermonnikoog, bevindt zich het Friesche gat , eene noordelijke voortzetting van de Slenk. Dit laatste water is eigenlijk de verlenging van het Reitdiep. Links ontvangt de Slenk het water van eene

ocr page 45

29

andere geul, en wel van de voortzetting van het Dokkumer-diep. Om dit wel te begrijpen moet men zich de Lauwerszee niet, zooals gewoonlijk geschied, voorstellen als een groo-ten plas, maar als wadden, die bij eb droog liggen. De Slenk en het verlengde van het Dokkumerdiep zijn dan de voornaamste geulen, die tusschen deze wadden doorloopen. Reeds in 1845 begon men de mogelijkheid te onderzoeken om Ameland met de kust van Friesland te verbinden. Van wege het rijk en de provincie werd er hulp toegezegd , maar de concessionaris stond zijne rechten at aan de „Maatschappij tot landaanwinning op de Friesche wadden.quot; In twee jaar , van 1870 tot \'72 legde deze een dam van Ameland naar Hol-werd, welke 10 jaar later nog in vrij goeden staat was. Kort daarop werden er echter bij stormweer zulke groote gaten in geslagen, dat schepen weder gemakkelijk kunnen passeeren. Sedert heeft men dan ook van het geheele plan weinig meer gehoord.

Slaan we ten slotte nog eens het oog op do zandbanken , die aan al onze kusten en 1 iviermonden zulk eene aanzienlijke rol spelen. Ze zijn gewoonlijk bedekt met schelpdieren van allerlei soort, die, wanneer ze in grooten getale voorhanden zijn, door hunne schalen het zoogenaamde schelpzand vormen. Onder deze schelpdieren bekleeden, behalve de dunschalen, de hardschelpen en de strandschelpen, de oesters en de mossels eene eerste plaats. De oesters vormen soms, aan elkander vastzittende, geheele banken, de oesterbanken. Ze kunnen alleen op eenige diepte onder den waterspiegel leven. De mossels, die ook onbeweeglijk op de zandplaten vastzitten, leven alleen daar, waar de platen bij eb droog loopen. Wegens het vele gebruik , dat tegenwoordig ook in niet aan zee gelegen landen van de oesters wordt gemaakt, worden ze op verschillende plaatsen geteeld. De oester kan echter alleen daar gekweekt worden, waar de zee veel voedsel aanvoert, want aangezien deze dieren zich niet bewegen , meet het voedsel hun als het

ocr page 46

30

ware in den mond loopen; verder moet de zee op de oester-banken ook weinig slib aanvoeren , daar ze anders onder de aangevoerde stoffen zouden bedolven worden. Gewoonlijk brengt men op die plaatsen , waar veel oesters voorkomen, met kalk bestreken dakpannen (collecteurs) in het water , waaraan de oesters zich spoedig na het verlaten van de baarden der moeder vasthechten. De groote oesterbanken bij lerseke worden door het rijk verpacht, meestal aan visschers uit Bergen-op-Zoom. Vele jaren zijn de oesters zoo talrijk, dat van het station Kruiningen op Zuid-Beveland wei voor ruim een mil-lioen gulden wordt verzonden. Rijke oesterbanken worden ook in andere landen gevonden, bijv. in Frankrijk, Engeland, Italië, maar vooral in de Chesapeak-baai

De schelpen van kleinere schelpdieren worden bij eb door schelpvisschers \'schillerlui) van onze zandbanken gehaald. In Friesland en Holland gebruikt men ze voor de voetpaden en ook voor de kalkbranderijen , waar ze, met turf gebrand en daarna gebluscht, tot metselkalk verwerkt worden. Vooral langs de kusten van Friesland en langs den Ouden Rijn vindt men veel kalkbranderijen , daar én de schelpen én de turl bij de hand zijn.

ocr page 47

III.

Eilanden.

Nederland bezit drie eilanden-groepen : de Wadden-eilanden, de Zuiderzee-eilanden en de Delta-eilanden in het zuidwesten.

De Wadden-eilanden, Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland , Schiermonnikoog en Rottum , behooren tot de groote groep der erosie-eilanden. Het zijn van het vasteland afgescheurde eilanden. Ze worden aan de zijde van de Noordzee door duinen tegen het geweld der baren beschermd en vormen zelve een natuurlijken schutsmuur voor de daarachter liggende kusten van Groningen, Friesland en Noord-Holland De lage kusten van deze gewesten zouden misschien niet tegen het woeste geweld der zee bestand zijn , indien deze eilandenreeks er niet voor gelegen was. Door de onophoudelijke winden , waaraan deze eilanden blootstaan, is de plantengroei er niet welig. Boomen ontbreken er bijna geheel. De schaarschte van hout is op sommige eilanden zoo groot, dat de bewoners gedroogde koemest als brandstof gebruiken. In de lage gedeelten ver-

ö Ö O

bouwt men veel aardappelen ; op de meer afgelegen plaatsen \'eggen duizenden zeevogels hunne eieren , waardoor menigeen met het zoeken nog een goed bestaan vindt. Het noordelijk gedeelte van Texel, Eierland , vroeger een afzonderlijk eiland ,

ocr page 48

32

had aan den buitengewonen rijkdom aan eieren zijn naam te danken. De Wadden-eilanden hebben voor een groot gedeelte een diluvialen bodem. Aan de Zuiderzeezijde h eft zich evenwel een kleiranJ vastgezet, die voor den landbouw en de veeteelt bijzonder geschikt is. Het hoofdmiddel van bestaan is de visscnerij.

Texel (— Zuidland, volgens andere.i Ter IJsel) is door de fokkerij van Texelsche schapen (van Spaansch ras ?) bekend. De Texelsche kaas (groene kaas) en wol zijn tot in het buitenland bekend Een belangrijk middel van bestaan is de uitvoer van lammeren. Het maaien en drogen van wier houdt ook vele handen bezig. In het noordelijk gedeelte van het eiland vindt men veel eendenkooien.

Schiermonnikoog (— eiland der skire, d. i. grijze monniken) behoorde vroeger aan de monniken van het klooster Claerkamp te Rinsumageest. Tegenwoordig is het alleen door zeelieden bewoond. Ameland en Schiermonnikoog zijn voor zeebadplaatsen bijzonder geschikt. Ze hebben namelijk een hard , breed strand en een krachtigen golfslag.

Op al deze eilanden heeft men strandvonders en veerschippers ; de eersten om opzicht te houden op alles wat aan het strand aanspoelt (bergloon), de laatsten om de kommunicatie met de vaste kust te onderhouden.

De bewoners van alle Wadden-eilanden behooren tot den Frieschen stam. Hun uiterlijk en lichaamsbouw , hunne taal , zeden en gewoonten pleiten er voor.

Texel, Vlieland en Terschelling behooren tot Noord-Holland , Ameland en Schiermonnikoog tot Friesland en Rottum of Rottumeroog tot Groningen. Reeds vroeger gaven we op door welke wateren deze eilanden van elkaar gescheiden zijn.

De Zuiderzee-eilanden , overblijfelen van het land , dat door de zee verzwolgen werd, zijn: in het noordelijk bekken Wie-ringen , in het zuidelijk bekken Urk , Schokland en Marken.

Wieringen ontleent zijn naam misschien aan de groote hoe-

ocr page 49

m

ocr page 50

32

had aan den buitengewonen rijkdom aan eieren zijn naam te danken. De Wadden-eilanden hebben voor een groot gedeelte een diluvialen bodem. Aan de Zuiderzeezijde h eft zich evenwel een kleiranJ vastgezet, die voor den landbouw en de veeteelt bijzonder geschikt is. Het hoofdmiddel van bestaan is de visscnerij.

Texel {= Zuidland , volgens andere i Ter IJsel) is door de fokkerij van Texelsche schapen (van Spaansch ras ?) bekend. De Texelsche kaas (groene kaas) en wol zijn tot in het buitenland bekend Een belangrijk middel van bestaan is de uitvoer van lammeren. Het maaien en drogen van wier houdt ook vele handen bezig. In het noordelijk gedeelte van het eiland vindt men veel eendenkooien.

Schiermonnikoog (— eiland der skire, d. i. grijze monniken) behoorde vroeger aan de monniken van het klooster Claerkamp-te Rinsumageest. Tegenwoordig is het alleen door zeelieden bewoond. Ameland en Schiermonnikoog zijn voor zeebadplaatsen bijzonder geschikt. Ze hebben namelijk een hard, breed strand en een krachtigen golfslag.

Op al deze eilanden heeft men strandvonders en veerschippers ; de eersten om opzicht te houden op alles wat aan het strand aanspoelt (bergloon) , de laatsten om de kommunicatie met de vaste kust te onderhouden.

De bewoners van alle Wadden-eilanden behooren tot den Frieschen stam. Hun uiterlijk en lichaamsbouw , hunne taal , zeden en gewoonten pleiten er voor.

Texel, Vlieland en Terschelling behooren tot Noord-Holland , Ameland en Schiermonnikoog tot Friesland en Rottum of Rottumeroog tot Groningen, Reeds vroeger gaven we op door welke wateren deze eilanden van elkaar gescheiden zijn.

De Zuiderzee eilanden , overblijfelen van het land, dat door de zee verzwolgen werd, zijn : in het noordelijk bekken V\\ leringen , in het zuidelijk bekken Urk , Schokland en Marken.

Wieringen ontleent zijn naam misschien aan de groote hoe-

ocr page 51

quot;(r ■\'■it\'

gt; quot;iv-\' :: /«l-

quot;tÊmÊr ^:h ■

-_lt;• = I ■

J ; /

\'V ??

v-

L—

s

l: \': f

11 •V..

%§mr

V:y3r /

cp

y

■a ■\\

■5 ■ i.

\'■i-tj\'

,\'■. . \'n

ocr page 52
ocr page 53

veelheid zeewier, die hier groeit. Dit wier wordt gesneden en gedroogd en daarna in den handel gebracht om matrassen te vullen. Landbouw , veeteelt en visscherij zijn de voornaamste middelen van bestaan voor de bewoners van dit eiland. Vooral de schapenteelt is er zeer gewichtig (Wieringsche schapen) De bodem bestaat voor een groot gedeelte uit diluviale grint-gronden (Scandinavisch).

Urk ligt in het midden van het zuidelijke bekken. Het bestaat, evenals Wieringen, voor het grootste gedeelte uit diluviale gronden. De bevolking van Urk is van Friesche afkomst. Visscherij is het hoofdmiddel van bestaan. Aan de westzijde, bij het Val van Urk , staat een vuurtoren.

Marken wordt door de Gouwzee van den vasten wal van Noord-Holland gescheiden. Het eiland is zeer laag gelegen , zoodat sterke dijken het tegen de golven moeten beschermen. De huizen zijn daarom ook meest op hoogten, werven genoemd , gebouwd. De bevolking van Marken -is bekend door haar streng vasthouden aan voorvaderlijke gebruiken en gewoonten ; de kleeding vooral is eigenaardig. De voornaamste middelen van bestaan zijn visscherij en hooibouw. Aan de oostpunt van het eiland is een vuurtoren geplaatst.

Schokland is tegenwoordig bijna geheel onbewoond. In 1859 werd het gevaar voor overstrooming van het laag gelegen eiland zoo groot, dat de inwoners genoodzaakt werden hun geboortegrond te verlaten. Bekend zijn de Schokkers, eene soort van vaartuigen.

In het zuidwesten van ons land, tusschen de Schelde en de Maasmonden, liggen de Zeeir.vsche en Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Zij bestaan uit een bij uitstek vruchtbaren klei-bodem, zoodat dan ook\' de landbouw het hoofdmiddel van bestaan is. Zuid-Beveland wordt wel eens de graanschuur van Zeeland genoemd. De visscherij is niet minder belangrijk. De Zeeuwen zijn met het woeste element vertrouwd en bchooren tot de beste zeelieden ter wereld. Zij hebben hun land voor

WrxDKUi.irn, AnrdrijkH-imc/r. 3

ocr page 54

34

ccn groot gedeelte aan de golven ontwoekerd en moeten nog steeds alle krachten inspannen om het tegen doorbraken te bewaren. De zinspreuk onder hun wapen: luctor et emergo (ik worstel en ontzwem) herinnert ons aan dien zwaren strijd-De Zeeuwen zijn , evenals de bewoners van de overige Ne* derlandsche eilanden, aan voorvaderlijke zeden en gewoonten zeer gehecht. Het weinige verkeer, dat zij met het vasteland hadden , is daarvan de oorzaak.

Een aantal zeeboezems verdeelt deze eilanden in 5 rijen. In het zuiden , tusschen de Wester- en Ooster-Schelde, liggen : Walcheren, Zuid- en Noord-Eeveland. Deze drie eilanden vormen te zamen het vroegere Zeeland bewesten de Schelde , de groote twistappel tusschen Vlaanderen en Holland. I usschen de Ooster-Schelde en het Krammer en de Grevelingen liggen : Schouwen met Duiveland , Tolen en St. Filipsland ; tusschen de laatstgenoemde wateren en het Haringvliet: Goedereede en Overflakkee ; tusschen het Haringvliet en de Oude-en Nieuwe-Maas : Voorne met Putten, Beierland of de Hoeksche waard en het eiland van Dordrecht. De noordelijkste rij wordt gevormd door de eilanden Rozenburg en IJselmonde. In de Biesbosch ligt een groot aantal kleine eilanden, die door buitengewone vruchtbaarheid uitmunten.

Er bestaat een groot verschil tusschen het ontstaan van de Wadden-eilanden en die van Zeeland en Zuid-Holland. Werden de eersten in zijn geheel langzamerhand van het vasteland afgescheurd , de laatsten ontstonden uit de samenvoeging van vele honderden kleine bedijkingen , kernen genoemd. Bezien we bijv. eene kaart van Zeeland, die eene voorstelling geeft van den toestand omstreeks 1300. Toen liep er een handelsweg van Middelburg naar Antwerpen door de Arne en dwars door het tegenwoordige Zuid-Beveland. len zuiden van dien weg lagen eene reeks van eilandjes, waarvan Baarland en de beide Borselens de voornaamste waren. Schouwen was van Duiveland gescheiden door een breeden stroom, Walcheren

ocr page 55

35

bestond uit vier eilandjes , Tolen evenzoo cn Zeeuwsch-Vlaan-deren uit een groot aantal eilanden en schorren. Lang. zamcrhand werden de kleinere bedijkingen door aanslibbing tot grootere eilanden vereenigd , die geheel door dijken omgeven waren. De binnendijken, die daardoor ontstonden , nam men in de oudste tijden weg, maar Filips van Bour-gondiü verbood deze dijkvelling terecht, omdat daardoor bij de menigvuldige doorbraken groote gevaren ontstonden. Bij de jongere eilanden kan men daarom het net van bedijkingen om de kern of de kernen nog vrij goed waarnemen. In de oudste kernen vindt men de bekende vliedbergen of hillen, waarop de oudste bevolking (Germanen) zich waarschijnlijk tegen overstroomingen beveiligde. Ze liggen meest op Walcheren , Zuid-Beveland , Schouwen , Duiveland en Tolen.

Een enkel voorbeeld. Met tegenwoordige eiland Goeree en Overflakkee bestond omstreeks 1200 uit een klein eiland (kern), waarop Ouddorp lag. Oostwaarts lagen eenige schorren , die later, toen ze bedijkt waren , de dorpen Dirksland , Herkin-gen , Oude Tonge, Sommelsdijk en Middelharnis zagen ontstaan. Toen deze laatste eilandjes tot een enkel vereenigd waren , bestonden er dus twee eilanden , het tegenwoordige Overflakkee en Goeree. Omstreeks het midden der voorgaande eeuw werden de slikken en gorzen tusschen beide eilanden ingedijkt, waardoor het geheel ongeveer den vorm kreeg, dien het tegenwoordig nog vertoont. Met de overige eilanden

O O ö O

ging het op dergelijke wijze.

De Biesbosch ontstond, zooals we reeds verhaalden, in 1421. Onmiddellijk na de ramp stelde men pogingen in het werk , om de verongelukte dorpen weder te redden , wat dan ook met 38 vroeger of later gelukte. De overigen, 34 in getal, waren onherroepelijk verloren. Zij hadden meest gestaan op het veen , en dit was weggeslagen en door een vrij diepen plas vervangen. Spoedig begon hier echter eene merkwaardige aanslibbing, want het rivierwater, hier tot rust komende, legde er zijn

ocr page 56

36

slib neder. Het gevolg daarvan was, dat men in den loop der tijden telkens nieuwe eilandjes uit den schoot der wateren zag oprijzen, welke slechts door nauwe geulen, killen genoemd, van elkander gescheiden waren. Het veen , dat bij de ramp van 1421 verloren ging, werd dus langzamerhand vervangen door klei — zeker geen kwade ruil. Voegt men hier nu bij, dat de kolossale massa\'s grond, uit de Nieuwe Merwede gebaggerd, in deze killen werden gestort , dan kan men be* grijpen, dat de tijd niet ver meer is, waarop men zal kunnen zeggen , dat dit gedeelte van de Groote Waard weder geheel op de wateren veroverd is.

In het Haringvliet ligt nog het kleine eiland 1 ion-gemeten, de quarantaineplaats van onze zuidelijke havens.

Tot de delta-eilanden moet men ook nog brengen de eilanden tusschen de monden van den Gelderschen IJsel. Zij hebben uitstekende wei- en hooilanden.

ocr page 57

IV.

Verticale vorm.

Ons land is, wc hebben het reeds vroeger opgemerkt, over het algemeen zeer laag gelegen. Wanneer duinen en dijken plotseling werden weggenomen, dan zouden geheel Zeeland en Zuid-Holland, Noord-Holland behalve Gooiland, het westelijk gedeelte van Utrecht en een groot deel van Friesland en Groningen onderloopen, want de genoemde gewesten zijn óf lager dan óf gelijk met den gemiddelden waterspiegel der zee gelegen. In het algemeen kan men dus zeggen, dat het westelijk gedeelte lager gelegen is dan het oostelijk gedeelte, wat ons ook door den loop der groote rivieren geleerd wordt. Trekken we eene lijn langs de westelijke grenzen van het hooge gedeelte, dan gaat deze over Bergen-op Zoom, Ouden, bosch , Breda, Waalwijk en Heusden , verder langs Bommel , den Krommen Rijn, ten oosten van de Vecht, langs de kusten der Zuiderzee tot Elburg, voorts langs Hattcm, Zwolle, Staphorst, Meppel, Steenwijk en Leeuwarden . en eindelijk naar Groningen en Winschoten tot aan de oostelijke grenzen. Brak de zee dus onverhoopt de duinen en dijken door, dan zou genoemde lijn den kustzoom vormen van het niet ondergcloopen land. Texel, Wieringen en Gaasterland

ocr page 58

38

zouden nog als eilanden overblijven, terwijl het Gooiland als een schiereiland in zee zou vooruitsteken.

1 let oostelijk , hooger liggend gedeelte van ons land heeft eene golvende oppervlakte. Overal wisselen hoog en laag elkander af. De voornaamste dalen in dit gedeelte zijn : de Geldersche vallei, tusschen de Veluwe en het Utrechtsche heuvelland ; het dal van den Gelderschen IJsel; het dal van de Overijselsche Vècht ; de kom van Meppel en het land om het Bergumermeer gelegen. Eigenlijk gezegde heuvelreeksen treft men weinig aan De belangrijkste zijn : in Utrecht het Utrechtsche heuvelland , in Gelderland de Veluwsche bergen en in Overijsel de Overijselsche heuvels. De Hondsrug, die uit Duitschland komt, loopt door de provincie Drente, om reeds bij de stad Groningen te eindigen.

Men maakt onderscheid tusschen de werkelijke of absolute hoogte van een punt en de betrekkelijke of relatieve hoogte. Door de absolute hoogte verstaat men de verheffing boven het niveau van de zee. In ons land en ook soms wel daarbuiten neemt men echter meestal een ander vlak van vergelijking aan. Dit vlak is het horizontale vlak , liggende ongeveer op de hoogte van den gemiddelden stand van den vloed te Amsterdam , toen het IJ nog open was en wordt steeds aangeduid door A P (Amsterdamsch Pei]) 3. M. boven dit vlak wordt aangewezen door 3 A. P., 2 M. daar beneden door — 2 A. P. of : 2 A. P. A. P. is het nulpunt der peilschaal van het zoogenaamde stadswaterkantoor te Amsterdam. Door de relatieve hoogte verstaat men de hoogte boven den naasten omtrek. De relatieve hoogte van een punt kan dus zeer gering zijn , terwijl de absolute hoogte soms aanmerkelijk is. Zoo lijken bijv. de Alpen ons van de noordzijde ge/.ien , dus wanneer men zich op de Zwitsersche hoogvlakte bevindt , niet zoo hoog toe , als van de zijde der Povlakte.

\\\\ e laten hier de hoogte in nieters van eenige belangrijke punten met betrekking tot het Amsterdamsche peil volgen:

ocr page 59
ocr page 60
ocr page 61

39

in Limburg dc Krikelenberg (200) bij Gulpen, de Vaalserberg (19S) bij Vaals, de Sibberberg (150) bij Valkenburg; de St. Pietersberg (123) bij Maastricht en de Kruisberg (100) bij Meersen; in Gelderland de Imbosch (110) en de Filipsberg {107) bij Dieren, de Aardmansberg {107) bij Apeldoorn, de Hettenheuvel (105), de Montferlandsche berg (83) en de Muizenberg (96) bij \'s Heerenberg, de Hoenderberg (100) bij Ubbergen ; in Overijsel de Lemelerberg (81) bij Ommen, dc Tankenberg (So) in de nabijheid van Oldenzaal en de Hcllen-doornschc berg (50) bij Hellendoorn ; in Utrecht de Soestcr-berg (64) bij Soest, de Darthuizerberg (50) en de Heimenberg (40) bij Renen ; in Noord-Holland de Blinkert, een hoog duin bij Haarlem (60), de Tafelberg (30) bij Laren in het Gooiland.

Er bestaat een aanmerkelijk verschil tusschen het hooge ■en het lage gedeelte van ons land. Het hooge gedeelte bestaat meest uit zand- en grintgronden (diluvium) en hoogveen. Het is over het algemeen weinig vruchtbaar, behalve het zuidelijk gedeelte van de provincie Limburg, dat gedeeltelijk uit een bijzonder soort van diluvium bestaat. Het lage gedeelte van ons land bestaat daarentegen uit vruchtbare kleigronden en laagveen (alluvium). Het verschil in bodem veroorzaakt dadelijk een aanmerkelijk verschil in de middelen van bestaan. Heeft het westen een flinken landbouw en een kolossalen veestapel, het oosten levert slechts schrale oogsten en bezit voornamelijk schapen. Onze groote vee-, boter- en kaasmarkten heeft men dan ook in het westelijk gedeelte te zoeken. Het westen, dat in de onmiddellijke nabijheid van de zee gelegen is, heeft een grooten handel en vindt ook in de visscherij een gewichtig middel van bestaan. Het oosten heeft van dat alles bijna niets. Het heeft dus ook geen belangrijke handelssteden en bloeiende visschersdorpen, zooals het westelijk gedeelte die in zoo grooten getale kan aanwijzen.

Dat dit onderscheid ook op de ontwikkeling der bewoners beeft gewerkt, is niet te verwonderen. De bevolking van onze

ocr page 62
ocr page 63

39

in Limburg de Krikelenberg (200 bij Gulpen, de Vaalserberg (19S) bij Vaals, de Sibberberg (150) bij Valkenburg, de St. Pietersberg (123) bij Maastricht en de Kruisberg (100) bij Meersen; in Gelderland de Imbosch (110) en de Filipsberg .(107) bij Dieren, de Aardmansberg (107) bij Apeldoorn, de Hettenheuvel (105), de Montferlandsche berg (83) en de Muizenberg (96) bij \'s Heerenberg, de Hoenderberg (100) bij Ubbergen ; in Overijsel de Lemelerberg (81) bij Ommen, de Tankenberg (80) in de nabijheid van Oldenzaal en de Hellen-doornsche berg (50quot;) bij Hellendoorn; in Utrecht de Soester-berg (64) bij Soest, de Darthuizerberg (50) en de Heimenberg (40) bij Renen ; in Noord-Holland de Blinkert, een hoog duin bij Haarlem (60), de Tafelberg (30) bij Laren in het Gooiland.

Er bestaat een aanmerkelijk verschil tusschen het hooge en het lage gedeelte van ons land. Het hooge gedeelte bestaat meest uit zand- en grintgronden (diluvium) en hoogveen. Het is over het algemeen weinig vruchtbaar, behalve het zuidelijk gedeelte van de provincie Limburg, dat gedeeltelijk uit een bijzonder soort van diluvium bestaat. Het lage gedeelte van ons land bestaat daarentegen uit vruchtbare kleigronden

o o

en laagveen (alluvium). Het verschil in bodem veroorzaakt •dadelijk een aanmerkelijk verschil in de middelen van bestaan. Heeft het westen een flinken landbouw en een kolossalen veestapel, het oosten levert slechts schrale oogsten en bezit voornamelijk schapen. Onze groote vee-, boter- en kaasmarkten heeft men dan ook in het westelijk gedeelte te zoeken. Het westen, dat in de onmiddellijke nabijheid van de zee gelegen is, heeft een grooten handel en vindt ook in de visscherij een gewichtig middel van bestaan. Het oosten heeft van dat alles bijna niets. Het heeft dus ook geen belangrijke handelssteden en bloeiende visschersdorpen, zooals het westelijk gedeelte die in zoo grooten getale kan aanwijzen.

Dat dit onderscheid ook op de ontwikkeling der bewoners heeft gewerkt, is niet te verwonderen. De bevolking van onze

ocr page 64

40

ostelijke provinciën is veel meer gehecht aan voorvaderlijke zeden en gewoonten, kleederdracht enz., dan die van de westelijke provinciën. Dj bewoners van onze diluviale gewesten zijn eenvoudiger dan hunne landgenooten van het alluvium.

In ee\'n op^icht echter winnen de oostelijke deelen van ons land het van de westelijke, namelijk in natuurschoon. Het oosten met zijne afwisseling van hoog en laag, met zijne heerlijke bosschen en heiden, schenkt den wandelaar meer schoone gezichten dan het westen. Alleen het zuiden van Limburg vereenigt de schoone natuur van het oosten met dea vruchtbaren bodem van het westen.

ocr page 65

V.

Bodem.

De bodem van Nederland bestaat, eenige oudere gronden uitgezonderd , uit Diluvium en Alluvium. De diluviale gronden zijn de oudste. Ze vormen ongeveer 41 percent van de gcheele oppervlakte. Den naam hebben zij te danken aan de meening van oudere geologen (aardkundigen), die hun ontstaan in verband brachten met den zondvloed (diluvium = zondvloed). Men verdeelt onzen diluvialen bodem naar de plaats van herkomst in:

1°. Het noorder of Scandinavisch diluvium , 2°. Het gemengde diluvium,

3°. Het zuider of Rijn- en Maasdiluvium.

Naar de bestanddeelen, waaruit het diluvium bestaat, onderscheidt men;

1°. Grintgronden ,

20. Zandgronden ,

3°. Leemgronden,

4». Limburgsche klei.

ieandlnaviscli diluvium. Het zoogenaamde diluviale tijdperk kenmerkte zich door eene temperatuur, die in bijna geheel Middel-Europa zoo laag was, dat de gletschers tot

ocr page 66

42

aan den zeespiegel afdaalden Er gebeurde toen in Europa iets dergelijks als men tegenwoordig bijv. in Zuid-Amerika kan waarnemen , waar op eene breedte van omtrent 45quot; glet-schers tot aan den voet der gebergten voorkomen. Wanneer deze gletschers van het gebergte afschoven, dreven zij als ijsbergen in de zee, die de tegenwoordige Xoord-Duitsche vlakte bedekte, rond, en lieten bij het smelten natuurlijk de rotsblokken en het puin, dat ze meevoerden, zakken. De grootere blokken, ook erratische blokken genoemd (van errare =: dolen of omzwerven) woelden zich va?t in den grond, de kleinere stukken , het grint, werden over den bodem heen en weer geschuurd en kregen een afgeronden vorm , zooals we dien tegenwoordig nog bij grint waarnemen. Deze zeebodem verhiel zich langzamerhand boven den zeespiegel en vormde toen de Germaansche vlakte, waarvan ook ons land een onderdeel uitmaakt. (Drift-theorie).

Oppervlakkig beschouwd schijnt#deze verklaring zeer juist, maar er zijn gegronde bezwaren tegen aangevoerd. Vele geologen zijn ten minste, na nauwkeurige onderzoekingen . tot eene geheel andere meening gekomen. Zij veronderstellen, dat geheel Noord- en een groot gedeelte van Middel-Europa met gletscherijs bedekt was, zooals dat nu bijv. in Groenland het geval is. De zwerfblokken, het grint enz. zijn dan niets anders als de overblijfselen van de gletschers, want deze laatsten moesten natuurlijk bij het stijgen van de temperatuur verdwijnen. Gletscher-theorie).

Hoe het er gedurende den diluviaal-tijd in Europa uitzag kan natuurlijk niet nauwkeurig nagegaan worden. De verdeeling van land en water bijv. is nog geheel onzeker. De plantengroei verschilde met de tegenwoordige niet veel. Onder de

Ö 00

dieren leefden er nog verscheidene, die nu geheel of gedeeltelijk zijn uitgestorven. De mammouth en de holcnbeer bijv. zijn sedert geheel verdwenen, de eland komt nog slechts op ecnigc plaatsen voor, terwijl andere dieren, zooals het rendier, nog

ocr page 67

43

slechts in liet noorden worden aangetroffen. Ook de mensch was toen reeds op aarde verschenen. Talrijke voorwerpen, door ■menschenhanden vervaardigd, hebben het buiten twijfel gesteld, dat de mensch een tijdgenoot is geweest van den mammouth, den holenb;er en het rendier in Middel-Europa. Misschien bewoonde bij zelfs reeds vóór den aanvang der diluviale peri-o.le dit aarddeel.

Het Scandinavisch gebergte bestaat hoofdzakelijk uit graniet en gneis, twee zeer harde gesteenten. Het noorder-diluvium van ons land moet dus ook uit dat gesteente bestaan. De ondervinding leert dan ook werkelijk . dat én het grint e\'n dc keien en erratische blokken van ons noorder-diluvium voor het grootste gedeelte uit graniet bestaan , dat geheel gelijk is aan het Scandinavisch graniet. Het vele zand en leem, dat in het diluvium van onze noordelijke provinciën voorkomt, is waarschijnlijk zijn oorsprong verschuldigd aan het graniet, dat langzamerhand verweefde. Sommigen meenen echter dat het zand door rivieren is aangevoerd.

Reide stoffen worden op velerlei wijze gebruikt. Het leem wordt gebezigd bij het bakken van steenen , voor het maken van dorschvloeren en ook wel voor het bestrijken van muren. Het zand is van nog uitgestrekter gebruik. Men gebruikt het

ö Ö O O

bij het aanleggen van wegen , dijken en spoorbanen, bij het maken van porcelein , glas, aardewerk , dakpannen enz. De keien van ons diluvium worden gebruikt tot het aanleggen of versterken van zeeweringen en het maken van macadam-wegen. Vele inwoners van Drentsche dorpen vinden in het keienzoe-ken (steenroders) en keienkloppen een middel van bestaan.

De grenzen van ons Scandinavisch diluvium worden gevormd : in het noorden door eene lijn , die van Dokkum over Groningen naar dc oostelijke grens van ons land gaat; in het westen door eene lijn, die bij Dokkum begint en verder over Gorredijk , Heerenveen , Steenwijk , Meppel en Dalfsen loopt; in het zuiden door de rivier de Vecht; de oostelijke grens

ocr page 68

44

wordt buiten ons land gevonden. Vuór deze diluviale massa gre

liggen nog eenige afzonderlijke grintvlakten , die als diluviale Om

eilanden uit de veengronden van Friesland en Overijsel op- voc

rijzen. Het zijn de zand- en grintgronden van Kollum, het 0112

Gaasterland en de diluviale streek van Vollenhove. (Het is ber

noodzakelijk bij deze beschrijving eene geologische kaart van ziji

ons land te gebruiken). ge\\

Het cenuum van ons Scandinavisch diluvium is het Ellerts-veld in het midden van Drente. Het is een klein plateau, dc( waarvan het zuidoostelijk gedeelte de Drentsche heuvels heet Ac en het noordelijk gedeelte Hondsrug genoemd wordt. Aan den aiK rand van dit plateau vindt men de Hunebedden, grafplaatsen vai van oude bewoners (Kelten) van ons land. vai Een groot gedeelte van het diluvium is bedekt met de hei- afz deplant (dop- en struikheide) , die , wanneer ze in September mi bloeit, aan het geheele landschap een eigenaardig aanzien Uu geeft. De bijen zuigen in dezen tijd den honig uit de heidebloemen en geven zoodoende aan de bijenhouders (iemkers) no een niet onaanzienlijk voordeel (Drente 21000 korven, Fries- be land 12000 en Groningen 9000). he Gemengd diluvium. Het gemengde diluvium is niet va uitsluitend uit Scandinavië afkomstig. Een gedeelte is ook O uit het oosten en zuiden aangevoerd. In het algemeen kan ell men zeggen, dat het eene vermenging is van het noordelijk ee en zuidelijk diluvium en dus juist tusschen beide in moet gelegen zijn. Het noordelijk gedeelte vertoont overeenkomst , c|t met het Scandivavisch diluvium, het zuidelijk gedeelte met o( het Rijn- en Maasdiluvium. dlt; De grenzen worden gevormd: in het noorden door de rivier h, de Vecht; in het westen door eene lijn, die van Dalfsen la naar Elburg loopt, verder de Zuiderzee volgt tot Muiden toe, z; van daar op eenigen afstand ten oosten van de Utrechtsche V Vecht tot dicht bij Utrecht loopt, om van daar langs den T Krommen Rijn tot bij Renen voort te gaan ; de zuidelijke d

ocr page 69

grens wordt eerst gevormd door den Rijn en verder door den Ouden IJsel; naar het oosten loopt ons gemengd diluvium voort in de kom van Munster. Eigenlijk zijn de grenzen van onze diluvia niet scherp te trekken. Dr. Lorié vond bij Ub-bergen en op de Mookerheide Scandinavisch diluvium. Zelfs zijn deze gesteenten in het Maasdiluvium van Noord-Brabant gevonden.

De Geldersche IJsel verdeelt dit diluvium in twee groote deelen, waarvan het eerste of oostelijke gedeelte den geheelen Achterhoek van Gelderland, Twente en Salland inneemt, het andere of westelijke deel uit de Veluwe, het oostelijk gedeelte van de provincie Utrecht en het Gooiland bestaat. Ten zuiden van het gebied van het gemengde diluvium ligt nog eene afzonderlijke diluviale streek, een zand- en grinteiland te midden van heerlijke kleigronden: het diluvium van Montfer-land bij \'s-Heerenberg, door zijne schoone vergezichten bekend.

Het oostelijk gedeelte bevat een aantal grintheuvels en heuvelreeksen, waarvan de hellingen door hare boschrijkheid beroemd zijn (bosschen van Twikkel en Almelo.) Om de heuvels heen ligt het zand, dat hier, evenals in het noorden van ons land, voor het grootste gedeelte met heide bedekt is. Ook hier wisselen echter mastbosschen en akkermaalshout elkander af, waarom dan ook klompen, talhout, run en dennen een niet onbelangrijk handelsartikel vormen.

Het gedeelte ten westen van den IJsel wordt door de Geldersche vallei, op de grenzen van Utrecht en Gelderland gelegen en gedeeltelijk uit veenbodem bestaande, in twee deelen gesplitst, waarvan het oostelijke de Veluwe omvat en het westelijke uit het Utrechtsche heuvelland en het Gooiland bestaat. De Veluwe bestaat voor een groot deel uit zandgronden, die hier en daar tot heuvels zijn opgewaaid. Vroeger richtten de zandstuivingen groote verwoestingen aan. Tegenwoordig heeft men ze zoo\' goed als beteugeld. Hier en daar treft men uitgestrekte bosschen aan (Soerensche bosch ,

ocr page 70

40

Putter bosch enz.), waardoor, vooral sedert spoorwegen de Veluwe snijden , de houthandel belangrijk is geworden.

De Utrechtsche grintheuvels behooren door hunne bosschen en iraaie wandelingen tot de schoonste streken van ons land. Langs de hellingen is de tabaksbouw van gewicht. Aan den voet liggen de schoone plaatsen : Renen , Amerongen , Driebergen , Maarsbergen, Zeist, Soe^t en Baarn. Heidevelden vindt men vooral bij Zeist (kamp van Zeist). Het Gooiland is eveneens door zijne prachtige gezichten beroemd. Het aantal vreemdelingen . dat zich in de plaatsen van het Gooiland langs den oosterspoorweg en den stoomtram vestigt, wordt met den dag grooter (Bussurn).

Kijn- en 9faasdiluvliim Het Rijn- en Maasdiluvium beslaat bijna de geheele provincie Noord-Brabant, uitgenomen den noordelijken en westelijken zoom langs de Maas en de Schelde, en de provincie Limburg , behalve het Maasdal, dat uit rivierklei bestaat. In het noorden dringt ons Rijn- en Maasdiluvium tot nabij Nijmegen Gelderland binnen. Over het algemeen bezitten de diluviale streken van onze zuidelijke provinciën veel zandgronden. Heuvelreeksen worden er zelden aangetroffen. Het is dan ook dikwijls moeielijk de waterscheiding tusschen de verschillende rivieren te bepalen. Het zuidelijk gedeelte van Noord-Brabant , de Kempen , is bekend door zijne uitgestrekte heidevelden en zandstuivingen.

De bestanddeelen , waaruit het Rijn- en Maasdiluvium bestaat , zijn aangevoerd van het zoogenaamde leisteenplateau van den Rijn. Het wordt even ten zuidoosten van ons land in Duitschland aangetroffen. Het is moeielijk tusschen Rijnen Maasdiluvium onderscheid te maken , daar beide op dezelfde wijze ontstaan zijn en nagenoeg uit dezelfde bestanddeelen zijn samengesteld. Gewoonlijk noemt men het diluvium ten oosten van de Roer en de Maas Rijndiluvium. Het overige , dus het Noord Brabantsche, is Maasdiluvium. Het Rijndiluvium beslaat derhalve in ons land eene geringe oppervlakte. De

ocr page 71

47

kern er van wordt gevormd door de Mookerheide, waaraan zich ten noorden de grintgronden van Nijmegen aansluiten.

Een merkwaardig verschijnsel in Zuid-Limburg is de klei (Limburgsche klei), waarmede een groot gedeelte van het diluvium bedekt is. Deze klei schijnt van diluvialen oorsprong te zijn en is misschien van dezelfde geaardheid als het löss, dat in vele deelen van Europa , maar vooral in China voorkomt. Over den oorsprong van deze klei is men het nog niet geheel eens. Volgens Von Richthoven, den beroemden China-reiziger, die de uitgestrekte löss-vormingen van dit rijk onderzocht, danken zij hun ontstaan aan het stof, dat door den wind van de gebergten wordt meegevoerd , en hier en daar in dikke lagen wordt neergelegd. Het schijnt de jongste diluviale formatie te zijn en den overgang uit te maken tus-schen diluvium en alluvium. De Limburgsche klei is bijzonder vruchtbaar en zeer geschikt voor den graanbouw. Zuid-Limburg heeft er zijne welvaart en dichte bevolking aan te danken. Dat deze streek eene der schoonste van ons land is , hebben we reeds vroeger opgemerkt. Niet alleen wordt het oog hier getroffen door het vele natuurschoon, maar de welvaart , die daarmede gepaard gaat, geeft aan het geheel een nog aangenamer aanzien. Wij hebben slechts te herinneren aan de schoone dorpen Gulpen , Wijlre, Valkenburg en Meersen. Op de oudere gesteenten in dit deel van ons land komen we later terug.

Onze alluviale of aangespoelde gronden (alluvium — aanspoelsel) , die 59 pet. van de oppervlakte van ons land beslaan , bestaan uit;

iquot;. Zeeklei,

2°. Rivierklei,

3°. Beekbezinkingen of Groengronden ,

4°. Venen,

5°. Duinen en Zandstuivingen.

ocr page 72

48

Zeeklei. De zeeklei van ons vaderland is afkomstig van onze groote rivieren , vooral van den Rijn en de Maas. Reeds boven merkten wc op , dat beide stroomen door het leisteenplateau van den Rijn gaan. Ze nemen daar a.le verweerde bestanddeelei: mede (welke massa nog grooter wordt door de toevoer van de bijstroomen), om die eindelijk voor de monden in zee neer te zetten (sedimentatie) ) van waar ze vroeger over het land verspreid werden.

Het gebied van onze zeeklei wordt door de uitgestrekte veengronden van Holland en Utrecht in twee doelen verdeeld : een noordelijk en een zuidelijk deel. Het eerste gedeelte omvat het noorden van de provinciën Groningen , Friesland en Noord-Holland ; het zuidelijk gedeelte bestaat uit de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden, Zeeuwsch-Vlaanderen en het noordwesten van Noord-Brabant. Het noordelijk gedeelte wordt door de Zuiderzee in twee deelen gesplitst: het zeekleigebied van Noord-Holland en dat van Friesland en Groningen. Gewoonlijk brengt men tot de zeeklei van het noorden nog een derde gebied , n.1. de zeeklei van de Zuiderzeekusten.

De zeeklei van Friesland en Groningen vormt langs den Dollart en de Noordzee een gordel, die gemiddeld van 3 tot 5 uren gaans breed is. Het geheele gebied wordt door zware dijken tegen het water beveiligd. De oude bewoners dezer streken legden hunne woningen op heuvels , terpen of wier-den genoemd, aan om niet door den eersten den besten vloed verzwolgen te worden. Waarschijnlijk leveren deze heuveltjes, die niet veel meer dan 3 Meters boven den omlig-genden bodem verheven zijn , maar soms we! eene oppervlakte van 15 Hectaren hebben , een bewijs voor eene daling van onzen bodem in vroeger tijden. Onderzoekingen hebben namelijk geleerd, dat zij uit een mengsel van klei, zand en mest bestaan, waarin talrijke beenderen en overblijfselen van handenarbeid voorkomen. Zij rusten niet op het omliggende terrein , maar wel op den onderliggenden zandgrond, en juist

ocr page 73

49

ezc omstandigheid schijnt voor het zakken van den bodem tc leiten , waardoor de bewoners telkens meer en meer last van et water kregen en dus wel genoodzaakt waren hoogten op 2 werpen om beveiligd tc zijn. De zandbodem toch , die nu oo diep onder de klei ligt, moest, om bewoonbaar te zijn , oven den zeespiegel liggen. Nog waarschijnlijker wordt deze issing , wanneer men in aanmerking neemt, dat langs den oet dezer hoogten palen en planken werden gevonden , blijk-aar om den vernielenden invloed van het water te keeren, n dat zij niet in eens werden opgeworpen, maar langzamer-and verhoogd. De terpen en wierden waren reeds aan de lomeinsche schrijvers bekend , en toen moeten zij reeds zeer ud geweest zijn , want de bewoonbaarheid van het onder-ggende zand valt natuurlijk ver vóór den Germaanschen tijd. Je heuveltjes, die men later , in historische tijden , heeft opgeworpen , en die bij mogelijke overstroomingen dienst moesten oen , zijn bekend onder den naam van hornlegers.

Niet alle zeeklei van deze streek is even oud. In de drie latste eeuwen is heel wat aangeslibde kleigrond ingepolderd, \'ot deze nieuwere zeeklei rekent men de polders van den )ollart, van de Lauvverszee, de Groninger Wadpolders, de •riesche Wadpolders en de Middelzeepolders . hoewel de laatste edeeltelijk ouder zijn. De Middelzee, ook wel Borndiep ot iurdine geheeten , was gedurende de middeleeuwen een uitge-trekte waterplas in het westen van Friesland , die op sommige Jaatsen diep landwaarts indrong en door een aantal armen iet de zee verbonden was (men zie eene goede kaart). De gging en grootte van dezen zeeboezem zijn nog duidelijk te ennen uit de dijken , die hem begrensden , en die voor een root gedeelte nog aanwezig zijn. Het zuidelijkste stuk was óór de 13de eeuw reeds ingedijkt. Toen later de gemeenschap net het Vlie ophield , ging de toe.sübbing met reuzenschreden ooruit, zoo zelfs, dat in 1398 de eigenlijke Middelzee, tot an het tegenwoordige Bildt, reeds uit vette kleigronden

\\\\ USOEUi.lcii, Aardrijkskunde. 4

ocr page 74

50

bestond. Men noemt deze aanslibbingen de Nieuwlanden. Eerst later, in het begin van de 16de eeuw .begonnen eenige Hollandsche edelen, die daartoe eene overeenkomst hadden gesloten, eene nieuwe bedijking. Al spoedig zetten er zich bewoners uit Holland neer , die nog geruimen tijd daarna door de eigenlijke Friezen als kolonisten beschouwd werden. Er bestaat dan ook werkelijk nog eenig onderscheid in taal, zeden en gewoonten tusschen de Bildtbcwoners en de Friezen. Ook in de 17de en in de voorgaande eeuw werden nieuwe aanwassen ingedijkt.

De zeeklei van Noord-Holland vormt een breeden boog rondom de Wieringermeer en het Hoornsche hop. De kern er van wordt gevormd door West-Friesland. Dit kleigebied is over het algemeen zeer laag gelegen en moet dus door zware zeedijken tegen de golven beschermd worden De bewoners zijn Friezen van afkomst, gelijk nog uit een aantal woorden in hunne taal en uit hunne zeden en gewoonten blijkt. Ze hadden veel van de telkens terugkeerende overstroomingen te lijden en het is dan ook niet te verwonderen , dat de bevolking lang zeer dun bleef. Ze hebben zich van de vroegste tijden af door hunne vrijheidsliefde onderscheiden en hebben den Hollandschen graven daardoor het leven onaangenaam gemaakt. In 1572 behoorde Enkhuizen tot de eerste plaatsen , die van Spanje afvielen. De grond van dit kleigebied is bijzonder vruchtbaar en levert veel tarwe, rogge, gerst haver, boonen en erwten op.

Vooral de Streek, d. i. het land tusschen Hoorn en Enkhuizen , is beroemd door de warmoezerij en ooftbouw (aalbessen). De nieuwe spoorweg , die dit gewest doorsnijdt, heeft het vertier veel verhoogd.

Ook in dit zeekleigebied zijn niet alle deelen van denzelfden ouderdom. Slaan we bijv. een blik op eene kaart van West-Friesland , die eene voorstelling geeft vat1 den toestand omstreeks 1300, dan zien we dat de vorm van dit land toen

ocr page 75

cene geheel andere was dan thans. West-Friesland eindigde toen reeds bij Petten en Schagen en was daar door een ste-vi^en dijk tegen de woede van de golven beschermd. Tusschen beide plaatsen maakte de zee eene vrij diepe golf, de Zijpe, die echter bij eb gewoonlijk droog liep. Ten noorden van Petten lagen eenige zandplaten, waarop hier en daar, o a. bij \'t Oghe (Kallantsoog) en Huisduinen, zandheuvels voorkwamen , die echter niet verhinderden, dat bij hooge vloeden de zee over alles heen liep en de Zijpe tegen de dijken van West-Friesland opzette. Van groote beteekenis was het toen in 1597 de Zijpe, na vele voorafgaande vergeefsche pogingen, eindelijk werd ingedijkt. Wel won men daardoor slechts zandgrond , maar de zee kon toch niet zoo gemakkelijk meer het hart van W. F. binnendringen. Van grooter beteekenis was de bedijking van de Wieringerwaard (het land benoorden van Schagen), want daardoor won men een uitstekenden kleibodem (1610). In de beide volgende eeuwen werd er weinig land gewonnen. Alleen werd er in 1612 een dijk om Kallantsoog gelegd. Toen in 1817 door deze streken het N. H. kanaal werd gegraven, legde men tevens het Koegras, ten noordwesten van den Wieringerwaard gelegen , droog, waardoor goed weiland verkregen werd. In 1847 bedijkte men de Anna-Paulowna polder, die bouwland van vrij goede soort opleverde. Het noordelijk gedeelte van W. F. dagteekent dus uit den laatsten tijd. In het midden van W. F. lag in het begin van de 17de eeuw nog de uitgestrekte Heer-Hugowaard. Ook deze was in 1631 drooggemaakt, maar wierp geen groote voordeelen af, daar de verkregen grond niet van te beste soort is , en zelfs in het westen grootendeels uit zand bestaat.

Het derde zeekleigebied in het noorden, dat langs de kusten van de Zuiderzee, is zeer klein en bestaat uit eenige onsamenhangende deelen. Het grootste stuk is gelegen aan de monden van den IJsel. Veeteelt en hooibouw zijn daar lt;le belangrijkste middelen van bestaan. De andere stukken

4*

ocr page 76

52

vindt men in Overijscl bij Kuinre, aan den mond van de Eem en bij het dorp Bunschoten in Utrecht. De zeeklei bij Kuinre is eene smalle strook, die bij Kuinre begint en langs Blokzijl en Vollenhove tot Zwartsluis en Genemuiden voortloopt. Langs de Veluwe vindt men alleen kleine stukken zeeklei bij Harderwijk en Elburg.

Ons zuidelijk zeekleigebied (ten zuiden van de veengronden van Holland en Utrecht) kan in drie deelen verdeeld worden;

1°. De zeeklei van de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden,

2°. De zeeklei van Zeeuwsch-Vlaanderen,

3°. De zeeklei van Noord-Brabant.

De zeeklei van de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden is niet zoo laag gelegen als onze overige zeeklei. Alle eilanden van dit gebied moeten echter toch, behalve aan de Noordzee, waar ze door duinen beschermd worden, door zware dijken tegen het water beveiligd worden. Jaarlijks worden aan dit onderhoud millioenen besteed. Door den onophoudelijken kamp met het water werden de Zeeuwen een moedig en volhardend volk. De Spanjaarden en de En-gelschen hebben dat maar al te dikwijls ondervonden. Door hunne geheele afzondering van de buitenwereld hebben ze de zeden en gewoonten der voorvaderen nog voor het grootste gedeelte bewaard. Op de eilanden (Zuid-Beveland en Walcheren) , die door een spoorweg met Noord-Brabant zijn verbonden , zal dit echter spoedig anders worden. De klei van dit gewest behoort tot de beste van ons land. Landbouw is dan ook het hoofdmiddel van bestaan. Op de Zuid-Hollandsche eilanden verbouwt men . evenals op ce Zeeuwsche, voornamelijk tarwe , haver, aardappelen , erwten , boonen , vlas , koolzaad , beetwortelen en meekrap.

Het zeekleigebied van Zeeuwsch-Vlaanderen is eene voortzetting van liet Vlaamsche kleigebied. Het wordt door den Braakman in een westelijk en oostelijk gedeelte verdeeld.

ocr page 77

53

De aard van dezen bodem verschilt weinig van dien der ■eilanden. De grond is er even vruchtbaar. Gerst en aardappelen zijn de hoofdproducten van den landbouw. Gedurende de middeleeuwen behoorde dit land aan de graven van Vlaanderen. Frederik Hendrik veroverde het op de Spanjaarden, waarna het den naam van Staats-Vlaanderen (één der generaliteitslanden) kreeg. Nog in het midden der zestiende eeuw bestond het westelijke gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen uit een aantal eilanden, welke langzamerhand door aanslibbing met het vasteland verbonden zijn.

De zeeklei van Noord-Brabant vormt een breeden zoom langs de Eendracht, het Volkerak , het Hollandsch diep en de zuidzijde van de Biesbosch. Het geheele gebied wordt door zware dijken beschermd. De bodem is minder vruchtbaar dan die van de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden. Toch is de landbouw er hoofdzaak. Meekrap, vlas , tarwe, beetwortels en aardappelen zijn de voornaamste producten. De bevolking vertoont veel overeenkomst met die van de Zuid-Hollandsche eilanden , wat ook niet te verwonderen is , daar het grootste gedeelte van deze streek vroeger (vóór 1421) tot de Groote waard behoorde, die toen nog grootendeels een deel van Holland uitmaakte.

Kivierklei. De rivierklei wordt langs de groote rivieren van ons vaderland aangetroffen. In vroeger tijden , toen onze rivieren nog niet door dijken waren ingesloten, werd het land langs de oevers telkens overstroomd. Wanneer het water later wegzakte , bleef een laagje slib achter , waardoor, daar er dikwijls eene nieuwe hoeveelheid bijkwam , langzamerhand eene laag van aanzienlijke dikte gevormd werd. Dat deze laag eene groote dikte moet hebben, blijkt uit het feit, dat onze hoofdrivieren jaarlijks ongeveer 15 mill, kubieke meters slib naar de zee afvoeren. Tegenwoordig heeft deze slibafzetting natuurlijk alleen plaats op de uiterwaarden , d. i. op de gronden tusschen het zomerbed en de dijken gelegen. De bestand-

ocr page 78

54

deelcn, waaruit het rivierslib, en dus ook onze rivierklei r bestaat, zijn voornamelijk klei en zand (7o pet). Zij zijn afkomstig van het leisteenplateau van den Rijn. De rivierklei y die van denzelfden oorsprong is als de zeeklei, kan van deze onderscheiden worden door de overblijfselen van zoetwaterslakken , die er steeds in voorkomen. In de zeeklei komen alleen zeeschelpen voor

Men treft de rivierklei hoofdzakelijk aan in de provinciën Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. De grens wordt aan de noordzijde gevormd door den Rijn , aan de zuidzijde door den zoom van het Brabantsche diluvium. Twee smalle tongen of uitloopers gaan van deze centrale massa naar het noorden : het kleigebied van de Vecht en dat van den Gelder-schen IJsel. Langs de Maas in Limburg gaat eene smalle, hier en daar afgebroken tong naar het zuiden. Daar waar de rivierklei aan het diluvium grenst, zooals in het noorden van Noord-Brabant en langs den IJsel in Gelderland, heeft men de zavelgronden. Zij bestaan gedeeltelijk uit zand, gedeeltelijk uit rivierklei en zijn zeer geschikt voor den landbouw.

Het gebied van onze rivierklei wordt gewoonlijk verdeeld in ^

1°. De rivierklei van Utrecht, het geheele zuidwestelijke deel van de provincie Utrecht beslaande , met uitloopers langs-de Vecht, den Ouden Rijn en den Hollandschen IJsel.

2°. De rivierklei tusschen den Rijn , de Lek, de Noord , de Merwede en de Waal. De verschillende deelen van dit: gebied heeten van het westen naar het oosten: de Alblasser-waard , de Vijfheerenlanden (zoo genoemd naar de heeren van. Arkel, Vianen, Everdingen , Hagestein en ter Leede, die ia deze streek hunne bezittingen hadden), de Tielerwaard (ten zuiden van de Linge), het Land van Buren, het Land van Kuilenburg, de Neder-Betuwe en de Over-Betuwe.

3°. De rivierklei tusschen de Maas en de Waal. Dit gebied wordt door de rivieren zelve in tweededen gesplitst; het land tusschen Maas en Waal (het Maas-Waalsche) en de Bommelerwaard-

ocr page 79

55

4°. De rivierklei van de Lijmers, d. i. van het land tusschen den Rijn en den Ouden IJsel. Van dit gebied gaat eene smalle strook langs de oevers van den IJsel naar het noorden.

5quot;. De rivierklei van Noord-Brabant. Dit gebied vormt een smallen zoom langs den linkeroever van de Maas en bestaat o. a. uit het Land van I leusden en het Land van Altena.

De rivierklei van ons vaderland is bij uitstek vruchtbaar. Landbouw en veeteelt zijn hier dan ook de belangrijkste middelen van bestaan. De voornaamste producten van den landbouw zijn: tarwe, haver, gerst en hop (de beidelaatsten gebruikt voor het bereiden van bier, vooral in Noord-Brabant), aardappelen (stoelennaatters in de Betuwe), tabak (meest gebruikt voor snuif en dekbladen), erwten en boonen , koolzaad (raapolie en raapkoeken). Verder levert dit gebied ook nog vlas, hennep (hennepzaad en hennepolie) en suikerbieten (suikerfabrieken). Ooft en tuinbouw vindt men in de nabijheid van bijna alle plaatsen in deze kleistreek. Vooral de Betuwe is rijk aan kersen (Geldersche meikersen), pruimen, appelen , peren , frambozen , aalbessen en aardbeziën. Het grootste gedeelte van deze vruchten wordt in Nederland verbruikt; het overige gaat meest naar Engeland.

De veeteelt is in ons rivierkleiland ook aanmerkelijk. In sommige streken, zooals in Noord-Brabant, de Lijmers en het land langs de Lek en de Merwede is zij het hoofdmiddel van bestaan.

Bcekbuzinkingcn of Cirocngrundcn. Door beekbezin-kingen of groengronden verstaat men de vruchtbare gronden langs de oevers van onze kleine rivieren en beken. Zij ontstonden op dezelfde wijze als de rivierklei, maar zijn minder vruchtbaar. Plantaardige overblijfselen , vermengd met klei en zand , vormen de hoofdbestanddeelen der groengronden. Men treft ze in ons land veelvuldig aan. De voornaamste vindt men in Overijsel langs de Vecht, de Regge, de Dinkel en de Schipbeek ; in Gelderland langs de Berkel en de Vordensche

ocr page 80

5G

beek : in Xoord-Brabant lantrs de Dommel en de Aa , lanes

O 7 O

de Mark, de Steenbergsche vliet en de Zoom; in Limburg langs de Geul, de Geleen en de Roer. De groengronden worden dus , gelijk uit bovenstaande opgave blijkt, voornamelijk op het diluvium aangetroffen. Op vele plaatsen gebruikt men ze voor den vlasbouw , zooals bijv. in Overijsel bij Ommen, Mar-denberg en Gramsbergen (linnenhandel).

De beekbezinkingen bevatten gewoonlijk veel ijzeroer. In het bijzonder is dit het geval met de groengronden van het gemengde diluvium en van Drente en Groningen. Jaarlijks worden aan de stations Zwolle, Deventer, Almelo en Gorsel aanzienlijke hoeveelheden naar het buitenland, vooral naar Duitschland en België (Luik) vervoerd. De ijzersmelterijen op ons gemengd diluvium hebben aan dit ijzeroer haar oorsprong te danken. Men onderscheidt gewoonlijk zandoer en ijzeroer; in het eerste heeft het zand, in het laatste het ijzer de overhand. Het ijzeroer kan alleen gebruikt worden als gietijzer; in den regel maakt men er kachelpotten. raamgewichten en andere minder kostbare ijzerwaren van. De gronden, waarin oer voorkomt, hebben gewoonlijk eene bruinachtige tint. Ook het water in deze streken onderscheid zich door zijne bruine kleur. Reeds zeer vroeg hebben onze voorouders het oer bewerkt om er het ijzer uit te smelten. De slakkenhoopen, die men in vele oerhoudende bodems (vooral tusschen Apeldoorn en Hattem) aantreft, worden voor overblijfselen van hunne smeltproeven gehouden.

Venen. Het westelijk gedeelte van ons land was in vroeger tijden met bosschen , moerassen en stilstaande waterplassen bedekt. In deze stilstaande plassen heeft zich het zoogenaamde laagveen , de grondstof van de korte of baggerturf, gevormd. Het laagveen heelt zijn ontstaan te danken aan de ontbinding van zoetwaterplanten onder water , dus van de lucht afgesloten. In stilstaande wateren groeien namelijk altijd gewassen , zooals plompen, scheren of hanekammen, riet,

ocr page 81

57

dullen , walerzuring en kattestaart. Wanneer deze planten in het najaar sterven, zakken ze naar den bodem , waar ze verrotten en een dun laagje veen vormen. Daar dit afsterven zich ieder jaar herhaalt, wordt het laagje al dikker en dikker, tot het eindelijk eene sponsachtige massa is geworden. Deze massa is soortelijk lichter dan water en moet dus vroeger ol later bovenkomen. Is dit geschied, dan noemt men de op het \'water drijvende veenmassa til of drijftil, In verschillende provinciën heeft men er echter bijzondere namen voor. Zoo spreekt men in Holland van rietzodde, in Overijsel van kragge, in Groningen van ladde enz. De drijftillen hebben dikwijls een weligen plantengroei, welke meestal uit sekgras, drieblad en andere gewassen bestaat. Deze planten , jaarlijks afstervende, maken de til telkens dikker, totdat ze eindelijk de geheele tusschenruimte tot aan den bodem gevuld heeft. Het is duidelijk dat de drijftillen, die met het water rijzen en dalen, zoolang ze nog niet aan den bodem zijn vastgegroeid , gemakkelijk kunnen verplaatst worden. Een enkele storm is dikwijls voldoende om eene verplaatsing ten gevolge te hebben , of, wanneer er een doorbraak van dijken en dammen bijkomt, groote stukken weg te spoelen. Gedurende de middeleeuwen is dit in ons land herhaalde malen gebeurd. Zoo werden bijv. vroeger op de plekken, waar nu het zuidelijk bekken van de Zuiderzee en de Biesbosch gelegen zijn , uitgestrekte venen en waarschijnlijk ook drijftillen gevonden.

Ons diluvium was voor het ontstaan van deze wateren door een breeden gordel laag veen omringd Het laagveen , dat nu nog in Groningen, Friesland, Holland en Utrecht gevonden wordt, is het overschot van dien zoom.

Het laagveen rust gewoonlijk op klei of op zand. Enkele malen komt het voor dat er onder de zeeklei veen ligt. Dit saamgeperste en met klei vermengde veen noemt men darg of derrie. Van den ondergrond hangt het voornamelijk af oi men het veen uitgraaft om er de bekende korte turf van te

ocr page 82

58

maken, dan of men het Iaat gelijk het is. De kosten van het uitgraven zijn namelijk vrij hoog, niet alleen omdat het veel tijd en arbeid kost, maar ook omdat er dikwijls zeer goed weien hooiland mee verloren gaat; bovendien verandert het weer-

o \' a

gegraven veen dadelijk in een plas, die , wil men iets aan den ondergrond hebben, dadelijk droog gemaakt moet worden. Verkrijgt men na al deze werkzaamheden vruchtbare klei, dan worden de gemaakte onkosten gewoonlijk ruimschoots vergoed. Bestaat de ondergrond uit zand , dan zou men door de vervening aanzienlijke verliezen lijden.

Vroeger zijn verscheidene lage venen uitgegraven en daardoor in waterplassen veranderd. Een aantal meren in ons land zijn op deze wijze ontstaan. Later legde men den eigenaars de verplichting op om de verveningen droog te maken. Tegenwoordig is dit nog zoo. Worden de veenplassen en meren drooggemalen en door molens of stoomgemalen drooggehouden, dan ontstaan de zoogenaamde droogmakerijen. De droogmakerijen komen dus hoofdzakelijk op het alluvium voor. Later, in het hoofdstuk over de polders, zullen ze uitvoeriger behandeld worden.

Het moerasveen ontstaat in zeer ondiepe wateren en in moerassen. De drijftillen komen bij de moerasvenen niet voor. In den regel treft men het moerasveen aan langs de oevers van kleine riviertjes en stroomen, langs den zoom der lage venen en in duinpannen. Hunne uitgestrektheid is meestal zeer gering.

Het laagveen is door zijne vochtigheid bijzonder geschikt als wei- en hooiland (groenland\'. Holland heeft aan het laagveen zijne voortreffelijke weiden en bijgevolg zijn kolossalen veestapel te danken. Door de vele kleinere en grootere waterwegen werd de scheepvaart en dus ook de handel en de nijverheid bevorderd , terwijl de visscherij er mede tot bloei moest komen.

.Men onderscheidt in ons land drie laagveengebieden;

ocr page 83

59

1°. Het laagveen van Holland cn Utrecht,

2°. Het laagveen van Friesland en Overijsel,

3quot;. Het laagveen van Groningen.

Het Hollandsch-Utrechtsche laagveengebied grenst in het noorden aan de zeeklei van Noord-Holland , ten oosten aan de Zuiderzee en het diluvium van Utrecht, ten zuiden aan de Merwede , de Noord en de Nieuwe Maas, en ten westen aan de duinen. De rivierklei van de Lek, den Rijn en de Vecht ligt over het laagveen heen , waardoor het geheele terrein in vier hoofddeelen wordt verdeeld: het laagveen tusschen Merwede en Lek (in de Alblasserwaard), het laagveen tusschen Lek en Rijn , waarover de IJselklei als een band heenloopt, het laagveen benoorden den Rijn en het laagveen beoosten de Utrechtsche Vecht. Door de vroegere verplaatsing van de duinen naar het oosten ligt een gedeelte van dit gebied aan de buitenzij der duinen. Aan de binnenzij vormen de geestgronden den overgang tot het laagveen.

De veeteelt is in het Hollandsch-Utrechtsche veengebied het hoofdmiddel van bestaan Men vindt hier de voornaamste veemarkten van het geheele land (Leiden, Hoorn, Rotterdam enz.). De zuivelbereiding is niet minder belangrijk (Gouda , Alkmaar, Leiden , Delft enz.). In de nabijheid van de steden vindt men ook land- en tuinbouw, ooftboomteelt (Boskoop) en bloemkwee-kerijen (Haarlem).

Het aantal droogmakerijen in dit gebied is zeer groot. De voornaamste zijn: de Haarlemmermeerpolder, de Zuid-plaspolder, de Schermer, de Deemster, de Wormer en de Purmer. In de droogmakerijen van N. Holland wordt veel aan de veeteelt, in die van Z. Holland meer aan den landbouw gedaan.

Het Friesch-Overijselsche laagveengebied gaat in het noorden tot Dokkum , in het oosten loopt het in smalle tongen tegen het diluvium van Friesland op , in het zuiden gaat het tot aan den mond van de Overijselsche Vecht, terwijl het in het

ocr page 84

GO

westen door de zeeklei van Friesland en de Zuiderzeekusten begrensd wordt.

Het geheele gebied is rijk aan nieren en plassen , die alle op de eene of andere wijze met elkander in verbinding staan-Het aantal droogmakerijen is , daar het laagveen van Friesland op zand gelegen is, zeer gering De veeteelt is in dit gewest der weilanden het hoofdmiddel van bestaan. De zuivelbereiding is mede zeer belangrijk. Leeuwarden en Sneek zijn de hoofdmarkten van vee en zuivelproducten.

Het laa^vcenrebied van Groningen ligt in een breeden boog

O O O O cgt;

om de zuidzijde der hoofdstad van de provincie. Het rust bijna geheel op oude kleilagen, die op vele plaatsen worden opgedolven (kleidelven) en met den bovengrond vermengd , om zoodoende een vruchtbaren bodem voor den landbouw te verkrijgen. Het geheele gebied is zeer laag gelegen. Men noemt het wel eens het laagland van Groningen , in tegenoverstelling

O O 7 O £gt;

van de zeeklei, die iets hooger gelegen is, en daarom het hoogland van de provincie genoemd wordt.

Omtrent den oorsprong van ons uitgestrekt laagveengebied is men het nog niet gehee! eens. Volgens sommigen behoorden onze zeeprovinciën van Groningen af tot Vlaanderen toe weleer tot een uitgestrekt haf, d. w. z. zij vormden een zeeboezem, door eene landtong van de zee gescheiden, iets dergelijks dus als we tegenwoordig aan de kusten van de Oostzee opmerken (Stettiner-, Frische- en Kurische haf). In enkele gevallen verzandt de uitweg van zulk een haf en is de gemeenschap met het buitenwater dus afgebroken , in andere gevallen wordt de landtong tot eilanden verbrokkeld en stroomt het zeewater dus ongestoord binnen. Een haf bevat zout-, zoet- of brakwater, al naarmate het in- of uitstroomende water de overhand heeft. Het Hollandsch-Friesche haf (zoo zullen we voor een oogen-blik den veronderstelden zeeboezem noemen), waarin Schelde, Maas, Rijn en Eem.s uitliepen, schijnt oorspronkelijk vooral zoutwater bevat te hebben, want er zette zich eene laag zee-

ocr page 85

61

klei in af van ongeveer twee Meters dikte. Dat deze klei uit zeewater bezonk blijkt uit de omstandigheid, dat cr zeeschelpen in gevonden worden. Deze kleilaag strekt zich uit onder de tegenwoordige provinciën Zuid-Holland ten noorden van de Nieuwe Maas en den IJsel en Noord-Holland. Op deze kleigronden vormde zich later een uitgestrekt laagveen, waarschijnlijk (zoo meenen de voorstanders der haf-theorie) omdat de binnenzee geheel van het buitenwater werd afgesloten , en zij dus met zoetwater gevuld werd, eene onmisbare voorwaarde voor de vorming van laagveen. Oppervlakkig beschouwd geeft deze theorie van het ontstaan van ons laagveen eene zeer goede verklaring, maar dit neemt niet weg dat er een aantal bijzonderheden onopgelost blijven, die niet van belang ontbloot zijn. We wijzen hier bijv. alleen slechts op de afwisselende klei- en veenlagen , die o. a. bij Rotterdam voorkomen.

Anderen verwerpen de binnenzee-theorie en meenen alles te kunnen verklaren door eene daling van den bodem aan te nemen, zooals die werkelijk elders ook voorkomt, en waarschijnlijk het gevolg is van een inkrimpen der aardschors, die daardoor natuurlijk plooit, en dus hier zakt en ginder weder rijst. Vooral de derrie of darg, waarvan we boven reeds spraken, komt hun bij deze verklaring zeer te stade. Deze laag, welke slechts weinige decimeters dik is , ligt op sommige plaatsen onder de zeeklei, en komt het meest overeen met eene zekere laag in het hoogveen. Waar hier echter alles op aankomt is de omstandigheid dat de darg van ongezeer 5 tot 10 meters onder den gemiddelden zeespiegel gelegen is. Neemt men nu hierbij in aanmerking dat de derrie allerlei voorwerpen van handenarbeid (gereedschappen , bewerkt hout enz.) bevat, en dat vele overgebleven boomstammen nog in of onder deze laag wortelen, dan blijkt daaruit dat zij op eene oppervlakte, die ongeveer op gelijke hoogte met den zeespiegel lag, moet gevormd zijn, en eerst later door zakking op hare tegenwoordige diepte is gekomen. Ook de diluviale zandgronden onder de

ocr page 86

62

darg lagen eenmaal aan de oppervlakte Zij waren bedekt met boomen , heesters, struiken en andere gewassen , welke , toen de bodem zakte , en dus met water bedekt werd, in eene veenlaag (darg) veranderde. Ook de terpen staan, gelijk we boven reeds opmerkten , op de darg of zandlaag. Bij voortgaande daling van den bodem bedekte de zee langzamerhand de darg en het zand, en begon de vorming van de kleigronden, welke we nu nog in onze noordelijke en westelijke provinciën waarnemen. In Holland, Utrecht en Friesland ging deze klei-bezinking echter niet door, maar werd door de veenvorming gevolgd , waarschijnlijk door eene afsluiting van de zee.

Het is hier natuurlijk de plaats niet het voor en U\'gen van beide verklaringen uit een te zetten, maar wel moeten we nog opmerken , dat de laatste theorie de aannemelijkste is, aangezien zij van de meeste feiten eene vrij ongedwongen verklaring geeft. Ook op dit terrein blijft echter nog zeer veel te onderzoeken over.

In tegenoverstelling van de lage venen , die aan waterplanten hun oorsprong te danken hebben , ontstaan hooge venen uit boomen, mossoorten en heideplanten. Ons diluvium was vroeger voor een groot gedeelte bedekt met dichte eiken- , beuken- en dennenwouden. Deze wouden werden door de zware stormen uit het zuidwesten dikwijls vreeselijk geteisterd. Honderden zware boomen vielen om en sleepten andere in hun val mede. Ook de boschbranden hebben groote verwoestingen in onze diluviale wouden aangericht. Gewoonlijk worden bij een boschbrand (op de Veluwe komen ze, vooral langs de baan van den Oosterspoor, dikwijls voor) alleen de takken en het loof vernield ; de stammen en wortels worden zelden door het vuur aangetast, maar vallen later op den grond. Spoedig zakken de omgevallen stammen door hunne eigene zwaarte in den grond weg en worden dan door eene laag teelaarde overdekt, die bij eenige dikte weder spoedig met hout bezet is. Daar het met dit nieuwe bosch weder op dezelfde

ocr page 87

63

wijze gaat als met het voorgaande, krijgt men langzamerhand een aantal lagen in den grond , die uit omgewaaide boomstammen bestaan. De teelaarde. die telkens opnieuw gevormd wordt, gaat echter, daar ze gemakkelijk veel water opslorpt , tot veen over. Is deze veenlaag dik genoeg geworden , dan kunnen boomen er niet meer in groeien , daar veen min of meer zuur is. De boomen worden dan vervangen door lage struiken en mos (veenmos).

De hooge venen zijn meestal bedekt met heideplanten , soms ook met struikgewas, zoodat daardoor het eigenlijke veen aan het oog onttrokken wordt. In enkele gevallen ligt er ook eene laag zand over , die dan in den regel door zandstuivingen ontstaan is. De heideplant, waarmede onze hooge venen dikwijls bedekt zijn, geeft op hare beurt ook weder aanleiding tot nieuwe veenvorming. Het zijn de lage heuveltjes, de zoogenaamde belten, door het volk ook bulten genoemd, die uit heideveen zijn opgebouwd. De ondergronden der hooge venen zijn in ons land meest zandgronden. Het hout, dat in de venen voorkomt, noemt men kienhout. Het is uitmuntend brandhout.

Het hoogveen wordt afgegraven tot lange turf. Op enkele plaatsen wordt echter de veenbodem, nadat eerst de bovenste laag verbrand is (heirook of veenrook), waardoor hij met eenc laag asch bemest wordt, met veenboekweit gezaaid. De opbrengst van deze veenboekweit is soms niet onaanzienlijk (70.000 H. L.; Koevorden is de hoofdmarkt) Jammer dat enkele van onze schoone voorjaarsdagen door den veenrook bedorven worden.

7quot;ot het merkwaardigste van onze hooge venen behooren de

o o

veenkoloniën. Zij ontstaan op de volgende wijze. Zoodra een hoogveen zal afgegraven worden , begint men met een of meer kanalen aan te leggen , om zoodoende de turf te kunnen vervoeren. W egen kunnen moeielijk op het hoogveen aangelegd worden , en al was dit mogelijk , dan kan men de turf toch nooit per as transporteeren. Voor deze voorbereidende werk-

ocr page 88

64

zaamlieid is een groot aantal arbeiders noodig, die natuurlijk in de nabijheid van de plek waar gegraven wordt moeten wonen. De eigenaar van het veen (meestal eene compagnie) iaat daarom gewoonlijk voor de arbeiders kleine woningen bouwen in de nabijheid van het kanaal. Bij iedere wonin? behoort een tuintje, dat door de arbeiders vlijtig bebouwd wordt om althans in de eerste behoeften te voorzien. Het overige moet uit de nabijgelegen plaatsen aangevoerd worden Begint de bevolking zich uit te breiden , dan vestigen zich eenige boeren in de kolonie, die later door meerdere gevolgd worden. De mest, dien zij voor hun bodem (den schralen ondergrond van het veen , ook wel dalgrond genoemd) noodig hebben , wordt langs het kanaal aangevoerd (straatvuil uit naburige plaatsen). Met hen komen ook bakkers, slagers, kruideniers en handwerkslieden zich in de kolonie vestigen , waardoor de bloei op nieuw bevorderd wordt. Is het veen eenmaal afgegraven , dan heeft de kolonie in den regel levensvatbaarheid genoeg verkregen om te kunnen blijven bestaan. Do scheepvaart , die zich inmiddels ontwikkeld heeft, en de daarvan afhangende zeilmakerijen, touwslagerijen en smederijen zijn op zich zelf reeds voldoende om een betrekkelijk talrijke bevolking te onderhouden. Voegt men hierbij nog de kalkbranderijen , steenbakkerijen en glasblazerijen , de fabrieken van turfstrooisel en turfbriquetten, die in de aanwezigheid van lichte turf haar oorsprong vinden, en de aardappelmeel- en stroopfabrieken, die aan de voor ander gebruik bijna ongeschikte veenaardappelen haar ontstaan te danken hebben , dan kan men wel begrijpen, dat onze veenkoloniën tot de bloeiende plaatsen van ons land behooren.

De voornaamste veenkoloniën van ons land zijn: Oude- en Nieuwe-Pekela , Hoogezand , Sappemeer , Veendam, Wilder-vank en Stadskanaal in Groningen; Nieuw-Amsterdam, Nieuw-Dordrecht, Erica, Smilde, Nieuw-Buinen en Hoogeveen in Drente; lieerenveen in Friesland en Helenaveen in Noord-Brabant.

ocr page 89

05

Vóór het jaar 1600 was op de plaatsen , waar deze bloeiende gemeenten staan , nog niets te vinden. De meeste ontstonden eerst in deze eeuw. Oude en Nieuwe Pekela ontston-in het begin, Wiklervank in het midden der zeventiende eeuw.

De grootste hoogt venen van ons land zijn: het Hoer-tangermoeras in Groningen, de Oostermoersche en Zuidenveld-schc venen in Drente , de venen van Appelsga in Friesland, liet Almelosche veen in Overijsel en de Peel in Noord-Brabant en Limburg.

Reeds voor ongeveer zes eeuwen was het vergraven van hoogveen , om brandstof te krijgen , bekend. Vóór dien tijd gebruikte men, meest hout. Toen echter de bosschen begonnen te verminderen, was men door den nood gedwongen zijn toevlucht te nemen tot het veen. Hiertoe zal waarschijnlijk ook meegewerkt hebben de omstandigheid dat, toen op het einde der middeleeuwen de steenen huizen steeds talrijker werden, er ook meer steenbakkerijen en kalkbranderijen moesten komen , waarvoor de turf eene uitmuntende brandstof leverde. In het midden van de 13iki eeuw gaf ten minste de bisschop van Utrecht aan de abdij van Aduard het recht om turf door Groningen te vervoeren. Daardoor ontstonden waarschijnlijk de eerste veenkoloniën in het Gorecht. De eerstvolgende belangrijke veengraverij had plaats in de i6lle eeuw in het Westerkwartier. Nog ruim eene halve eeuw later ontstonden de boven genoemde bloeiende koloniën. Eerst in onze eeuw bes/on men de ontginning van het hoogveen in

00 o

oostelijk Drente , wat noodzakelijk was geworden, omdat de voorraad veen in Groningen grootendeels verbruikt was. Door al deze werkzaamheden zijn de ontoegankelijke veenwoestenijen, waar men nog hier en daar (o. a. bij Valtermond) de sporen aantreft van de houten wegen door de Romeinen voor het vervoer hunner troepen aangelegd, genaakbaar geworden. In het midden van de l6deeeuw was de hoogveenontginning in Friesland begonnen. Door toedoen van Van Dedem begon men in deze

Wckderlich, Aardrijhst umU. 5

ocr page 90

66

eeuw ook in Overijscl. De groote kanalisatie , die aan de afgraving van hoogveen verbonden is, zal zeker ook . door het in de hand werken van liet verkeer, de ontwikkeling der bewoners dezer gewesten bevorderd hebben.

Duinen en Kandstuivingen. De duinen , die vroeger bij de kustbeschrijving reeds besproken zijn, kunnen hier buiten behandeling blijven. De zandstuivingen ontstaan door liet opwaaien van het zand van onze heidevelden. Zij nemen in onze oostelijke provinciën eene nog aanmerkelijke , maar gelukkig langzamerhand verminderende, oppervlakte in. Vooral in Drente, Overijsel, Gelderland en Noord-Brabant komen ze veelvuldig voor. Alleen op de Veluwe telde men voor nog weinige jaren 10000 Hectaren. Tegenwoordig worden deze zandstuivingen, die aan den landbouw op het diluvium zooveel schade kunnen berokkenen, tegengegaan. Zij kunnen dikwijls door geringe oorzaken ontstaan , zooals : het kaal worden van plekken , die uil zuiver zand bestaan, of ook wel door sterk uitgereden wagensporen. De geheele oppervlakte van onze zandstuivingen bedraagt ongeveer 70 000 Hectaren.

Oudere ^romlen. De tot dusver behandelde gronden be-hooren tot het vierde of quartaire tijdperk. Het is het tijd perk , waarin de mensch op aarde verscheen en waarin het land de vormen aannam, die het op het oogenblik vertoont. Aan dit vierde tijdperk gaan drie andere perioden, de primaire secundaire en tertiare tijd., vooraf. In deze vier perioden hebben zich de aardlagen gevormd , die uit het water bezonken zijn (Neptunische gesteenten of Sedimenten). Voor deze lagen zich af/.etten, bestond er reeds eene vaste aardkost. Zij bestond uit plutonische of door vuur gevonnde gesteenten.

ocr page 91

67

Van de oudere Neptunische gesteenten komt in ons land -iveinig voor. Alleen Zuid-Limburg, het oosten van Gelderland en Overijsel en Zeeuwsch-Vlaanderen hebben formatiën . die ouder zijn dan het quartaire tijdperk.

Tot de primaire formatiën behooren in Limburg do steenkolen. Ze zijn van plantaardigen oorsprong (varens). Toen de versteende planten, waaruit deze steenkolenbeddingen bestaan, bloeiden, moet de temperatuur op hooge breedte tamelijk hoog geweest zijn , althans dezelfde of aanverwante gewassen komen tegenwoordig alleen in de heete luchtstreken voor. De Nederlandsche mijnwerkers van deze streek noemt men kolenduikers. De mijnen, hier kuilen genoemd, vindt men bij Kerkradeen Heerle. Dejaarlijksche opbrengst bedraagt ongeveer 50 millioen K. G. Het rijk heeft deze mijnen aan de Aken-Maastrichtsche spoorwegmaatschappij verpacht.

Tot de secundaire formatiën behooren in Zuid-Limburg de kalkgronden. Zij komen vooral voor bij Maastricht en loopen oostwaarts door tot bij Aken. De Limburgsche kalkgronden behooren tot de Krijtgroep. Merkwaardig is de St. Pietersberg. De gangen in dezen berg hebben haar ontstaan te danken aan het uitgraven van de kalk, die als bouwsteen ge • brui kt werd (steengroeven bij Valkenburg).

Tot de tertiaire periode behooren eenige zand- en leemgronden ten noorden van de Geul. Ook in Zeeuwsch-Vlaanderen , o. a. bij Aardenburg en St. Janssteen worden deze ieemgronden aangetroffen. Van tijd tot tijd vindt men in deze oudere gesteenten de overblijfselen van die vreemdsoortige dieren , die de aarde en de zee in dien tijd bevolkten.

De oudere gronden van Overijsel en Gelderland (bij Losser en Winterswijk) behooren ook tot de tertiaire quot;\'periode. Het zijn meest leemgronden, die rijk zijn aan fossielen (versteende overblijfselen van planten en dieren).

De volgende opgave geeft een overzicht van de oppervlakte der verschillende alluviale en diluviale bodems in ons land.

ocr page 92

68

Alluvium.

Zeeklei Rivierklei . Beekbezinkingen Hoogveen. Verveend hoogveen Laagveen . Zandstuivingen .

Diluvium.

Zanddiluvium . . . . • • 961828 H. Grintdiluvium ...... 327^79 quot;

Limbursche klei ..... 5214°

De volgende grafische voorstelling zal de verhouding van de oppervlakte van onze verschillende bodems nog duidelijker voorstellen.

753814 H,

348388 „ 63609 „ 91499 ,r 84593 ,r 434272 70000 n

ocr page 93

GO

Zeeklei.

= looooo Hectaren.

Rivierklei.

Beekbezinking.

Hoogveen.

Verveend hoogveen.

Laagveen.

Zandstuivingen.

Zanddiluvium.

Grintdiluvium.

Limburgsche klei.

ocr page 94

VI.

Ons Polderland.

Wij hebben boven reeds gezien , dat ons vaderland in een» oostelijk hoog en een westelijk laag gedeelte kan verdeeld worden. Dit lage gedeelte ligt op de meeste plaatsen zóó laag, dat het gelijk met den zeespiegel staat of soms nog aanmerkelijk lager. Waar de grond hooger gelegen is dan de waterspiegel, kan een geheel natuurlijke afvloeiing van het water plaats hebben ; waar hij gelijk of nog lager gelegen is, kan de afwatering niet meer natuurlijk zijn , maar moet op kunstmatige wijze plaats vinden. Alleen het oostelijk gedeelte kan eigenlijk gezegde rivieren hebben , want het water komt hier door de hoogere ligging en de natuurlijke helling van den bodem zonder eenigc kunstmatige hulp in de rivieren en verder in de zee. liet westelijk gedeelte behoudt al het water dat er op neervalt (voor zoover hst niet verdampt) en zou spoedig weder in uitgestrekte plassen veranderen , indien het niet onophoudelijk kunstmatig werd drooggehouden. Het spreekt van zelf dat dit gedeelte door duinen en dijken tegen de inbraken der zee en der rivieren moet beschermd worden. Geen enkel land ter wereld kan in dit opzicht met het westelijk gedeelte van Nederland, met ons Polderland, vergeleken worden»

ocr page 95

71

Ontstaan der Polders. Veenpolders. Nog in het

Romeinsche tijdperk van onze geschiedenis liep het lage gedeelte van ons land bij hooge waterstanden onder. De bevolking , die trouwens nog zeer dun was, woonde op de hooge plaatsen of op wierden en terpen , zooals die nu nog in Groningen, Friesland en Zeeland gevonden worden. Wanneer men de rivieren begon in te dijken is , uit gebrek aan berichten , niet met zekerheid te zeggen. Zeker is het dat in de eerste eeuwen van het grafelijk tijdperk hoofdzakelijk gewag gemaakt wordt van plaatsen op hoogere streken gelegen (Naaldwijk . \'s-Gravenzande, Voorburg, Rijswijk, Voorschoten, Rijnsburg, Bennebroek enz.), of ook van zulke , die aan de rivieren gelegen zijn , en reeds door de Romeinen op kunstmatig opgeworpen hoogten werden aangelegd (Dordrecht, Vlaardingen , Bodegraven enz.). Het land daartusschen gelegen vormde waarschijnlijk in den tijd van Willem II en Floris V nog eene moerassige massa veen, die \'s winters geheel of gedeeltelijk onder water stond.

Eerst later, toen onze meeste rivier- en zeedijken reeds waren aangelegd, begon men ook deze lage veengronden door kaden en dijken te omringen ; het water van buiten (het hemelwater uitgezonderd) kon daardoor in deze streken niet binnendringen , en men was in staat het zich daarbinnen bevindende water uit te werpen. In den beginne ging dit loo-zen van water natuurlijk zeer primitief, later, door het gebruik van molens, beter. Om de veeteelt, die juist door het welige gras in de lage veenstreken zeer belangrijk is , te bevorderen , moest het water beneden de oppervlakte van den grond (maaiveld) gehouden worden. De bovenste veenlaag werd daardoor droog , kromp ineet; (inklinken) , en deed den bodem nog meer dalen, soms 2 nieters beneden A. P. .Misschien is hierbij ook eene seculaire daling in het spel geweest

Uit het bovenstaande zien we dus dat een polder een stuk land is , door dijken of kaden omringd, die het buitenwater

ocr page 96

beletten in te dringen en het binnenwater afgesloten houden. Onze veenpolders liggen door het inklinken zóó laag , dat zij slechts kunstmatig kunnen droog gehouden worden. Het water moet, om naar buiten gebracht te worden , eerst omhoog gewerkt worden.

De eigenaardige ligging van wegen en dorpen in het IIol-] mdsche polderland verdient opmerking, omdat zij nauw samenhangt met het ontstaan der polders. De polderkaden werden in den regel tevens tot wegen gebruikt, terwijl men omgekeerd natuurlijk van vele reeds bestaande wegen gebruik maakte als polderkaden. Dwars door de polders worden zelden, ten minste ten zuiden van het IJ , wegen aangetroffen , want dan moeten ze de slooten snijden, wat bruggen en duikers noodzakelijk maakt, en dus nog al onkosten veroorzaakt. Bij groote plaatsen echter kon men er moeielijk buiten , evenals in de groote polders ten noorden van het IJ. De ligging dei-plaatsen hangt weder met die der wegen samen. Ten zuiden van het IJ liggen de dorpen steeds tusschen de polders, en wel tegen de polderkaden aan ; ten noorden van het IJ liggen ze ook in de polders , aan de groote wegen , die deze doorsnijden. Van wege de vochtigheid van den bodem wordt de grond , waarop huizen gezet worden , gewoonlijk opgehoogd. Daarom zijn zelfs groote plaatsen betrekkelijk dicht in elkander gebouwd. Plaatsen aan groote rivieren gelegen hebben zich soms aan de rivierzijde uitgebreid , natuurlijk op sterk aange-hoogden grond. Dit is bijv. het geval met Rotterdam en Dordrecht, waar de rivierdijk dus door de stad loopt.

Hroojjniakcrijen. In vele veenpolders heeft men vroeger , op dadelijk voordeel bedacht, de 3 a 4 meters dikke veenlaag weggegraven. Men heeft deze polders verveend. De turf, die op deze wijze verkregen wordt, geeft al dadelijk een aanzienlijk voordeel, terwijl de veenweiden slechts op den langen duur voordeel afwerpen. Het gevolg van deze afgraving was echter , dat de geheele polder, die nu zooveel dieper was ge-

ocr page 97
ocr page 98

beletten in te dringen en het binnenwater afgesloten houden. Onze veenpolders liggen door het inklinken zóó laag, dat zij slechts kunstmatig kunnen droog gehouden worden. Het water moet, om naar buiten gebracht te worden , eerst omhoog gewerkt worden.

De eigenaardige ligging van wegen en dorpen in het IIol-1 mdsche polderland verdient opmerking, omdat zij nauw samenhangt met het ontstaan der polders. De polderkaden werden in den regel tevens tot wegen gebruikt, terwijl men omgekeerd natuurlijk van vele reeds bestaande wegen gebruik maakte als polderkaden. Dwars door de polders worden zelden, ten minste ten zuiden van het IJ , wegen aangetroffen , want dan moeten ze de slooten snijden , wat bruggen en duikers noodzakelijk maakt, en dus nog al onkosten veroorzaakt. Bij groote plaatsen echter kon men er moeielijk buiten , evenals in de groote polders ten noorden van het IJ. De ligging der plaatsen hangt weder met die der wegen samen. Ten zuiden van liet IJ liggen de dorpen steeds tusschen de polders , en wel tegen de polderkaden aan; ten noorden van het IJ liggen ze ook in de polders , aan de groote wegen , die deze doorsnijden. Van wege de vochtigheid van den bodem wordt de grond , waarop huizen gezet worden , gewoonlijk opgehoogd. Daarom zijn zelfs groote plaatsen betrekkelijk dicht in elkander gebouwd. Plaatsen aan groote rivieren gelegen hebben zich soms aan de rivierzijde uitgebreid, natuurlijk op sterk aange-hoogden grond. Dit is bijv. het geval met Rotterdam en Dordrecht, waar de rivierdijk dus door de stad loopt.

Ilrnoxniakerijeii. In vele veenpolders heeft men vroeger, op dadelijk voordeel bedacht, de 3 a 4 meters dikke veenlaag weggegraven. Men heeft deze polders verveend. De turf, die op deze wijze verkregen wordt, geeft al dadelijk een aanzienlijk voordeel, terwijl de veenweiden slechts op den langen duur voordeel afwerpen. Het gevolg van deze afgraving was echter, dat de geheele polder, die nu zooveel dieper was ge-

ocr page 99
ocr page 100
ocr page 101

worden , volliep en zoodoende een plas vormde. Deze verveningen worden daarom plasverveningen genoemd. Tegenwoordig kunnen zij niet meer ontstaan, omdat ieder eigenaar, die veen afgraaft, de verplichting op zich moet nemen om den plas , die daardoor ontstaat, droog te malen. Om de onkosten, die dit droogmaken veroorzaakt, te bestrijden , moest vroeger dikwijls uit de opbrengst van de verkochte turf een slikfonds gevormd worden; bovendien werd ook wel een waarborgfonds gevorderd voor behoorlijke vervening, omdijking, op peil malen enz. gedurende den tijd dat het land langzamerhand in een plas veranderde. De veenplassen, die nog in ons land voorkomen , dagteekenen dus van vroeger. Tegenwoordig wordt verveend naar de Provinciale Reglementen desbetreffende of naar een bijzonder verveningsreglement.

Het vervenen van onze veenpolders is om verschillende redenen voordeelig ; in de eerste plaats levert de afgegraven turf een niet onaanzienlijk voordeel, en verder verkrijgt men na het droogmaken van den ontstanen plas een vetten kleibo-dem , die voor den landbouw uitmuntend geschikt is. Onze lage venen liggen namelijk , zooals reeds is opgemerkt, voor het grootste gedeelte op zeeklei.

In de twee laatste eeuwen zijn ook een aantal plassen en meren drooggelegd geworden , die in veel vroeger tijden, waarschijnlijk ook door vervening, ontstaan waren en dus ook niets anders waren dan piasverveningen. De drooggelegde streken noemt men droogmakerijen. Gewoonlijk ligt haar bodem van ongeveer 3,75 M. tot 5,5 M. beneden A. P. De droogmakerijen, die ontstaan zijn uit ecne vervening met verplichte droogmaking, noemt men ook veanmakerijon.

Onze meeste droogmakerijen worden gevonden in Noord- en Zuid-Holland. In Noord-Holland vindt men de oudste. Zij dagteekenen uit het midden der zestiende eeuw , de grootere echter uit de zeventiende eeuw. Zoo werd de Beemster drooggelegd in 1612 , de Purmer in 1622 , de Heer Hugo waard in

ocr page 102

7-1

1631, de Wormer ia 1Ó37, de Schermer in 1635 enz. I11 Zuid-Holland dagteekent de oudste droogmakerij, de Zoetermeersche meerpolder, van 1614. De meeste droogmakerijen in deze provincie — en er zijn er vele — dagteekenen van later tijd.

Hoe maakt uien meren en plassen droog f Het

droogleggen van plassen en meren geschiedt op de volgende wijze. Men begint met om den plas, ten einde hem van het omringende land en water af te sluiten , een ringdijk te leggen. De ringvaart, welke daardoor meestal langs de buitenzijde van den dijk ontstaat, dient om het uitgemalen water bij het droogmaken en verder drooghouden te ontvangen en verder af te voeren, soms ook om de verbroken communicatie te herstellen. Het uitmalen geschiedde vroeger door gewone watermolens, tegenwoordig gebruikt men cr echter krachtige stoomwerktuigen voor. Diezelfde werktuigen dienen later ook om den polder droog te houden.

Zoodra de bodem te voorschijn komt, begint men met het verkavelen , d. i. met het verdeden van. den polder door middel van slooten in deelen of kavels. Eerst graaft men de gemiddeld 10 M. breede molentochten, die het water naaide molens of stoomwerktuigen drijven ; de tochtslooten en kavelslooton voeren het water naar de molentochten. De schei-slooten of heinslooten verdeden de kavels van den polder in perceelen, terwijl de door iederen kavel gegraven greppen de perceelen in akkers verdeden en tevens het wegzakken van het water bevorderen. De oppervlakte van al deze slooten moet ongeveer 110 of 1 12 van den geheelen polder beslaan. Zijn deze werkzaamheden gereed, dan wordt de grond zwart gemaakt, d. w. z. er wordt, om bouwgrond te verkrijgen, het eene of andere gewas (meestal koolzaad) op gezaaid.

De groote Haarlemmermeerpolder is o.a. op deze wijze ontstaan (1839—\'52). Eerst groef men de groote ringvaart (11 uren gaans lang en 40 a 45 AI. breed), waarna van de uitgegraven

ocr page 103

I O

aarde cca dijk werd opgeworpen. Aan de westzijde gebruikte men voor dezen dijk ook nog duinzand (afzanderijen bij Ben-nebroek), aan de oostzijde kraggen uit de aangrenzende plassen. Op den ringdijk werden drie groote stoomgemalen geplaatst; de Leephwater, de Cruquius en de Lijnden, alle drie genoemd naar groote waterbouwkundigen. liet eerste stoomgemaal , de Leeghwater, werd geplaatst bij de plassen aan de Kaag, aan den zuidwestelijken hoek van het meer. Het water door dit gemaal uitgepompt, werd door de Warmonder Lee naar een kanaal gebracht (voor dit doel gegraven), dat regelrecht naar het kanaal van Katwijk liep. De Cruquius plaatste men aan de noordwestzijde bij Heemstede. Het water werd hier door het Spaarne naar het IJ gevoerd. De Lijnden werd aan de noordoostelijke zijde geplaatst , bij het Lutkemeer, dat meteen diende om het aan deze zijde uitgemalen water in de ringvaart en zoo verder in het IJ te brengen. Door deze stoomgemalen werd van 1849—quot;52 de ISOOO Hectaren groote plas (zoo groot als Walcheren) leeggcmalen. De hoeveelheid water gedurende dien tijd uit het meer weggemalen bedroeg ruim 800 millioen kubieke meters. Nog onophoudelijk zijn de stoomgemalen bezig het water, dat telkens opnieuw in den polder komt (grootendeels regenwater) te verwijderen.

Met recht noemden onze voorouders het Haarlemmermeer een waterwolf. In den aanvang van de 16de eeuw toeh lagen te dier plaatse vier kleinere meertjes : het Leidsche meer, het oude Haarlemmermeer, het Spieringmeer en het Oude meer. Deze meertjes waren onderling en met het Spaarne verbonden. Zij besloegen eene oppervlakte van bijna 9000 H. A , die op het einde van genoemde eeuw (de meertjes waren toen samengevloeid) , door den afslag der omliggende losse veengronden , reeds tot ongeveer 1 tooo H. A. was aangegroeid. Door deze

O Ö O

uitbreiding gingen belangrijke wegen verloren , o. a die van Hillegom naar Amsterdam, en werden geheele dorpen (Vijfhuizen , Mieuwerkerk en Rietwijk) verzwolgen. Schatten wer-

ocr page 104

den besteed om de oevers te versterken, maar niets hielp, en in 1840 was de oppervlakte reeds tot ruim 1S000 H. A. gestegen. Aan plannen tot droogmaking had het niet ontbroken. In de 17de eeuw maakte de ingenieur en molenmaker Adriaansz. Leeghwater in zijn sedert beroemd geworden Haarlemmermeer-boek er een bekend , dat steeds de aandacht bleef trekken. Toen nu in het jaar 1S36 bij geweldige stormen Amsterdam en Leiden bedreigd werden, toog eene Staatscommissie aan het werk om de noodige plannen ter droogmaking gereed te maken. In 1839 werd eene wet aangenomen , waarbij de vereischte gelden voor dit werk werden beschikbaar gesteld.

Zeepolders. Buiten de veenpolders heeft men in ons land ook nog zeepolders of bedijkingen. Zij ontstaan op de volgende wijze. Buiten onze zeedijken vormen zich, door de aanslibbing van de zee, gorzen en schorren. Door kunstmiddelen weet men deze vormingen te bespoedigen , bijv. in Zeeland door slikvangers ea plasbermen , die gedeeltelijk uit rijshout bestaan en bij eb het bezonken slib beletten weg te vloeien en tegelijk het wegzakkende water doorlaten. Hebben de schorren of kwelders de vroeger vermelde hoogte bereikt, en liggen zij dus, buitengewoon hooge vloeden uitgezonderd , droog, dan worden zij door eene kade omringd, die langzamerhand tot een dijk verhoogd wordt. Het onderscheid tusschen zeepolders en veenpolders is gelegen in de afwatering. De zeepolders wateren namelijk meestal natuurlijk af Dit komt omdat zij op gelijke hoogte (soms hooger) met het vloedniveau gelegen zijn. Bij eb kunnen ze dus op de natuurlijke wijze hun water loozen Vooral de jongere zeepolders, die meest nog aanmerkelijk boven het vloedniveau gelegen zijn, wateren op deze wijze af. De oudere zeepolders zijn doorgaans aanmerkelijk ineengeklonken en daardoor soms beneden het ebniveau gedaald. De afwatering moet hier dus kunstmatig zijn.

ocr page 105

77

l^oozlng van liet polderwatcr. Boezems. De polders, die alle laag gelegen zijn, en het best met bakken kunnen vergeleken worden, zijn altijd van water voorzien. Dit water komt cr in 1°. door de menigvuldige regens , die in ons land vallen, en 2°. door doorzijpeling van het buitenwater onder de kaden en dijken van den polder (kwelwater). Valt er gedurende eenigen tijd meer water in een polder dan er verdampt, dan wordt de polder met water bezwaard. Overtreft de verdamping den regenval , dan bestaat cr watergebrek , en men moet water inlaten. Van September tot Maart overtreft de regenval de verdamping en ontstaat er dus waterbe/.waar. In de overige maanden overtreft de verdamping den regenval en kan er dus watergebrek ontstaan.

De loozing van het regen- en kwelwater van onze polders moet, wegens de diepe ligging, kunstmatig geschieden. Het water moet , daar dc gemiddelde waterspiegel van de zee en de rivieren wel 5V2 meter hooger gelegen is dan de bodem van vele onzer droogmakerijen , opgemalen worden.

De zee en de rivieren , waarop ons polderwater geloosd wordt, noemt men het buitenwater. Het polder- en boezemwater noemt men het binnenwater. Het polderwater zakt in den polder tot op dc diepte , waar de grond van water verzadigd is, en vloeit dan zijwaarts uit naar de slootcn en molentochten. In deze slootcn moet het water , wanneer de polder uit weiland bestaat, ongeveer 40 c.M. onder het oppervlak van den bodem (maaiveld) gehouden worden; bestaat de polder uit bouwland, dan moet het 75 a 125 c.M. beneden den beganen grond blijven. De wortels der planten moeten namelijk voldoende vocht hebben , maar mogen volstrekt niet in het water staan. Vooral in den zaaitijd (het voorjaar) moet men zorgen den polder op dit peil te houden (zomerpeil). Het winterpeil is somtijds wat lager gelegen , omdat in de wintermaanden plotseling groeten aanwas van water kan ontstaan. Voor de meeste polders zijn dc peilen officieel vastgesteld.

ocr page 106

78

Begint het water in den polder boven het vastgestelde peil te stijgen , dan begint men uit te malen. Het water wordt dan uitgeslagen. Meestal brengt men dat water in een hoo-ger gelegen , stilstaand water, daar het maar zelden gebeurt dat men onmiddellijk op het buitenwater kan loozen. Deze iiooger liggende wateren, die het polderwater voorloopig moeten bergen , bestaan uit ringvaarten (bij droogmakerijen), kanalen en soms ook uit meren en voormalige riviertjes. Men noemt ze boezems. Al het land, dat zijn water naar denzelf-den boezem zendt, behoort tot dien boezem. Men zou dit land het gebied van den boezem kunnen noemen, evenals men van een rivier- en een zeegebied spreekt.

De boezems zijn ter wederzijde door boezemkaden ingesloten. Het land tusschen de kaden en den boezem noemt men ■vlietland. Met land , zóó hoog gelegen , dat het niet in polders gebracht is en dus op natuurlijke wijze op het boezemwater kan afvloeien , heet gewoonlijk boezemland. Het boezemwater wordt in den regel onmiddellijk op het buitenwater geloosd ; daartoe dienen de uitwateringssluizen. De natuurlijke waterloozing kan echter alleen maar bij eb plaats hebben y tiaar bij vloed het zee- of rivierwater soms even hoog of nog hooger staat dan het boezemwater.

Als de uitwateringssluizen geopend zijn , spreekt men van sluisgang. Soms helpen stoomgemalen het water uit den boe-zemloozen. Dit is vooral dan het geval, wanneer het boezemwater zeer hoog staat, of de uitwatering te langzaam gaat. In enkele gevallen wordt het boezemwater, voor het in het buitenwater wordt geloosd , in een hoogen boezem gemalen , welke dan onmiddellijk op het buitenwater afwatert.

Het kan gebeuren dat cr door een zeer hoogen boezemstand gevaar voor nabijgelegen polders ontstaat, daar de dijken of boezemkaden kunnen doorbreken Bestaat er kans voor zulk gevaar, dan mag het polderwater niet boven een bepaald peil, het maalpeil, in den boezem worden uitgeslagen. Boezems gt;

ocr page 107

79

die zulk een maalpeil hebben, noemt men besloten boezems , clie zulle een maalpeil niet hebben vrije boezems. Enkele polders bezitten ook bergboezems , die alleen dan gebruikt worden , wanneer het water in den polder te hoog wordt en de algemeene boezem gesloten is. In den regel zijn deze bergboezems stukken land , die omkaad zijn , en \'s zomers worden drooggemaakt om als bouwland te dienen.

Liggen de polders zeer laag en gebruiken zij geen stoom, dan kan het water niet in eens in den boezem worden opgemalen , maar wordt eerst in een of meer tusschenboezems gebracht, en van daar in het buitcinvater.

Bemaiini^wcrktuigoii. Wc hebben nu nog na te gaan, hoe het polderwater in den boezem w ordt gebracht. Reeds boven , bij de beschrijving eener droogmakerij, zagen wc, dat de polders door een aantal grooterc en kleinere slooten doorsneden worden. De grootste daarvan , de molentochten, loopen op de aan den boezem staande bemalingswerktuigen uit. Men verdeeld deze werktuigen in ■windwatermolens en stoomgemalen.

Sommige bemalingswerktuigen hebben nog een voorboezem, dat is een water, dat door sluizen van den boezem gescheiden is, en dient om het opgemalen water te bergen, indien er niet dadelijk op den boezem geloosd kan worden. Polders, die rechtstreeks op het buitenwater loozen, brengen het water nooit onmiddellijk buiten, maar eerst in een zoogenaamden molenkolk, die later afgetapt wordt.

Reeds in het begin van de veertiende eeuw werden er naar men zegt windwatermolens gebruikt. Gaandeweg werden zij verbeterd. Men heeft tegenwoordig vijzelmolens cn schepradmolens. De stoomgemalen beginnen echter meer cn meer

Ö O

in gebruik te komen. Dienen ze om het polderwater in den boezem te malen , dan noemt men ze polderstoomgemalen ; brengen ze het boezemwater naar buiten, dan spreekt men

ocr page 108

80

van boezemstoomgemalen. Het water opbrengende werktuig in de stoomgemalen is gewoonlijk de centrifugaalpomp.

Sluizen. Daar er dikwijls een aanmerkelijk verschil van waterstand tusschen twee aangrenzende boezems, of tusschen boezems en buitenwater , of boezems en polderwater bestaat, en de scheepvaart daardoor erg zou kunnen belemmerd worden , zoo heeft men, om van eene lagere in eene hoogere afdeeling, en omgekeerd, te komen, schutsluizen aangebracht.

De schutsluizen bestaan uit twee paar deuren, die eene ruimte, de schutkamer of schutkolk, tusschenbeide laten. Door het schutten komt echter altijd schutwater van het hoogere op-het lagere water. Mag dit niet gt-beuren, dan bepaalt men een peil (schutpeil), waarbij niet meer mag geschut worden. De schutsluizen zijn waarschijnlijk eene Nederlandsche uitvinding. Zij werden althans in ons land (voor 1300) het eerst gebruikt.

Kijnlaml. Wc laten hier, 0111 het bovengezegde toe te lichten, de beschrijving volgen van den grootsten boezem in Holland, den boezem van Rijnland. De oppervlakte van dezen boezem bedraagt 355c Hectaren, terwijl de polders, die tot den boezem behooren 75700 Hectaren beslaan; de boezem-landen hebben eene oppervlakte van 14 200 Hectaren. Het ge-heele gebied van den boezem van Rijnland heeft eene oppervlakte van ongeveer 100000 Hectaren.

De boezem wordt gevormd door den ouden Rijn van Bodegraven tot Katwijk, het kanaal van Katwijk, de Vliet van den Leidschendam tot Leiden, dc trekvaart van Leiden naar Haarlem en verder naar Halfweg, de Gouwe, het Spaarne, de ringvaart van den Haarlemmcrmeerpolder enz.

De loozing van den boezem heeft plaats bij Spaarndam met 5 sluizen op het Noordzeekanaal, bij Halfweg door 3 sluizen, bij Katwijk door de uitwateringssluis van het kanaal van Kat-

ocr page 109
ocr page 110

so

van boezemstoomgemalen. Het water opbrengende werktuig in de stoomgemalen is gewoonlijk de centrifugaalpomp.

Sluizen. Daar er dikwijls een aanmerkelijk verschil van waterstand tusschea twee aangrenzende boezems, of tusschen boezems en buitenwater, of boezems en polder water bestaat, en de scheepvaart daardoor erg zou kunnen belemmerd worden , zoo heeft men, om van eene lagere in eene hoogere afdeeling, en omgekeerd, te komen, schutsluizen aangebracht.

De schutsluizen bestaan uit twee paar deuren, die eene ruimteT de sehutkamer of schutkolk , tusschenbeide laten. Door het schutten komt echter altijd schutwater van het hoogere op het lagere water. Mag dit niet gebeuren , dan bepaalt men een peil (schutpeil), waarbij niet meer mag geschut worden. De schutsluizen zijn waarschijnlijk eene Nederlandsche uitvinding. Zij werden althans in ons land (voor 1300) het eerst gebruikt.

Kijulaad. We laten hier, om het bovengezegde toe te lichten, de beschrijving volgen van den grootsten boezem in Holland, den boezem van Rijnland. De oppervlakte van dezen boezem bedraagt 355c Hectaren, terwijl de polders, die tot den boezem behooren 75700 Hectaren beslaan; de boezem-landen hebben eene oppervlakte van 14200 Hectaren. Het ge-heele gebied van den boezem van Rijnland heeft eene oppervlakte van ongeveer 100000 Hectaren.

De boezem wordt gevormd door den ouden Rijn van Bodegraven tot Katwijk , het kanaal van Katwijk, de Vliet van den Leidschendam tot Leiden , de trekvaart van Leiden naar Haarlem en verder naar Halfweg, de Gouwe, het Spaarne, de ringvaart van den Haarlemmermeerpolder enz.

De loozing van den boezem heeft plaats bij Spaarndam met 5 sluizen op het Noordzeekanaal, bij Halfweg door 3 sluizen, bij Katwijk door de uitwateringssluis van het kanaal van Kat-

ocr page 111
ocr page 112
ocr page 113

81

wijk en bij Gouda door 3 sluizen op den IJscI. Bij ieder van deze punten staat een stoomgemaal om de afwatering te bespoedigen -De hoeveelheid water, die jaarlijks uit dezen boezem moet geloosd worden, bedraagt gemiddeld 500 millioen kubieke meters. Het inlaten van water, dat in droge zomers soms noodig kan zijn, geschiedt bij Gouda, Leidschendam of Bodegraven.

De zorg voor al wat dezen boezem , zijne polders , stoomgemalen enz. betreft, is opgedragen aan een hoogheemraadschap , dat vroeger eene aanzienlijke macht had. Om dit bestuur samen te stellen is Rijnland verdeeld in 16 districten. De grondbezitters van ieder district, ingelanden genoemd, kiezen een hoofdingeland en een plaatsvervanger. De 16 hoofdingelanden doen aan den Koning de voordrachten voor het dage-lijksch bestuur, uit 6 hoogheemraden en een dijkgraaf bestaande. De kosten van bestuur en onderhoud worden gedragen door de grondbezitters en wel naar evenredigheid van de oppervlakte hunner bezittingen (Heetarengeld).

Andere belangrijke hoogheemraadschappen in Holland zijn : het hoogheemraadschap van Delfland, van Schieland en van Amstelland. Zij worden alle op ongeveer dezelfde wijze bestuurd als Rijnland.

Waterstaat. Tot den waterstaat behoort alles, wat betrekking heeft op het beheer van zeeweringen, dijken, kaden, waterkeeringen , droogmakerijen , rivieren , verveningen enz. De Koning heeft het oppertoezicht, de Provinciale Staten oefenen het uit in hunne provincie.

Van de vroegste tijden af hebben de Nederlanders een hevigen strijd tegen het water moeten voeren. Onderling bekostigden zij de dijken, sluizen enz. en beraadslaagden over de gemeenschappelijke belangen, voor welker behartiging een bestuur werd aangesteld. Dit was de grond voor de waterschappen , heemraadschappen en polderbesturen.

De grondstelling van onze vaderen „dien \'t water deert, \'t water keert\'quot; wordt ook tegenwoordig nog gehuldigd , want Wükdeulich , Aardrijkskunde 6

ocr page 114

alle ingelanden betalen naar evenredigheid van de oppervlakte en diepte hunner bezittingen.

In alle waterschappen is een collegie van dagelijksch bestuur, dat gewoonlijk is samengesteld uit een dijkgraaf en hoogheemraden. Deze besturen ontstonden betrekkelijk vrij laat (13de en 14de eeuw); vóór dien tijd berustte het toezicht meest bij het bestuur van aangrenzende dorpen en ambachten.

Reeds voor de veertiende eeuw hadden eenige Hollandsche graven belangrijke waterstaatsbelangen door keuren enz. eenigs-zins geregeld.

Dc waterschapsbesturen hadden vroeger eene uitgebreide rechtsmacht. Zij gaven niet alleen wetten en bepaalden daarbij straffen voor overtreding, maar zij spanden tevens dc vierschaar , wezen vonnissen en deden die voltrekken. Vooral het bestuur van Rijnland sloeg dikwijls een zeer hoogen toon aan en wist door galg en rad aan zijne uitspraken kracht en klem bij te zetten.

Reeds onder Filips van Bourgondie werden de rechten der waterschapsbesturen eenigszins besnoeid. Toch bleef in hoofdzaak de toestand van willekeur en weinig eenheid bestaan , totdat eindelijk in 1795 , bij het uitbreken van de omwenteling in Holland . de rechtsmacht voor goed besnoeid werd. De

ö / o

reglementen enz. werden in vrijzinnigen geest gewijzigd en beul en schavot opgeruimd.

In het jaar 1841 werd de rechtsmacht der waterschappen geheel vernietigd. Dc grondwet van 1S48 verlangde reeds in art. 191 eene organieke wet tot regeling van het algemeen en bijzonder bestuur van den waterstaat. Deze wet bestaat evenwel nog niet. Alles , wat bij ons omtrent de organisatie van den waterstaat is vastgesteld , ligt in enkele wetten en eene groote menigte van Koninlijke besluiten verspreid. In 1855 werd eene wet tot stand gebracht bevattende „eene voorloopige voorziening in sommige waterstaatsbelangcn.quot;

ocr page 115

VII.

Rivieren.

Klvieren in het algemeen. Door cene rivier verstaat men de natuurlijke waterloozing van eene landstreek. Men Onderscheidt de rivieren, naar hare verhouding tot elkander, in hoofd- en noven- of zijrivieren. De zijrivieren zenden haar v.ater naar eene hoofdrivier. Alen spreekt ook van zijrivieren van den eersten. tweeden en derden rang enz. , al naarmate zij in eene hoofdrivier of in eene zijrivier van deze uitmonden. Zoo is de Berkel eene zijrivier van de eerste orde; de Slink, die in de Berkel valt, eene nevenrivier van de tweede orde.

Men onderscheidt ook continentale en oceanische rivieren. De eerste hebben haar mond op het vasteland, de andere loopen in de zee uit. Onze hoofdrivieren, de Rijn en de Maas, zijn dus oceanische rivieren.

Al het land, dat zijn water naar dezelfde rivier zendt, noemt men het stroomgebied van deze rivier. Het stroomgebied van den Rijn beslaat eene groote oppervlakte; het bedraagt 4000 □ geografische mijlen of 220000 □ kilometers.

Den loop der meeste rivieren kan men in drie deelen verdeden : den bovenloop, den middelloop en den benedenloop, De bovenloop gaat van den oorsprong tot daar, waar de rivier

G*

ocr page 116

84

■uit het gebergte treedt; de middelloop van het laatste punt tot daar , waar het laagland wordt bereikt of waar zij zich in takken verdeelt; de benedenloop bevindt zich in het laagland. De helling van het bed is in het laatste gedeelte van den stroomloop gewoonlijk zeer gering, de oevers zijn vlak. de stroom heeft neiging om zich te verdeden en zeer ondiep te worden. Het is vooral in dit gedeelte van den loop dat zich zandbanken vormen. Onze hoofdrivieren zijn in ons land reeds in haar benedenloop.

De bodem, waarover de rivier loopt, noemt men haar bed of bedding. Men onderscheidt een zomer en een winterbed-Het laatste is veel breeder dan het eerste.

De rivieren hebben verschillende mondingsvormen: de eenvoudige mond, de trechtermond of Estuarium (Elbe, Loire enz.), de hafmond (Weichsel en Oder) en de delta\'s. De laatste vorm komt in ons land voor. De Rijn , Maas en Schelde vormen namelijk in het zuidwesten van ons land eene uitgestrekte delta. De delta\'s bestaan uit tot het vasteland behoorende eilanden , welke in of voor den riviermond door aanslibbing ontstaan , en omgeven zijn door de takken , waarin de rivier zich gesplitst heeft. De delta\'s van den Nijl, van de Mississippi en van de Ganges zijn ongeveer zoo groot als ons land.

De hoofdrichting van eene rivier is de kortste lijn tus-schen den oorsprong en den mond ; de ontwikkelingsloop of stroomontwikkeling is de lengte van den stroom met al zijne krommingen. De ontwikkelingsloop is dus altijd grooter dan de hoofdrichting.

Punten, die nader bij den oorsprong liggen, zijn hooger dan die, welke meer in de nabijheid van den mond gelegen zijn. Men duidt deze betrekkelijke ligging aan door te spreken van boven en beneden. Het verschil in hoogte tusschen twee punten van de rivier noemt men het verval. Het verval wordt gewoonlijk uitgedrukt in meters per icco meters afstand. Men zegt bijv. dat het verval 0,5 op IDOO is, d. w

ocr page 117

85

unt I lt;_lat men gemiddeld 0,5 M. daalt voor iedere 1000 M., die

ich men de rivier afzakt. Verhang is de meetkunstige betrekking

ao-. van het verval tusschen twee punten tot hun afstand. In

/an bovenstaand geval is dus het verhang 5/10000. Naarmate het

^ verval grooter is, is ook de snelheid waarmede het water

{ep voortstroomt grooter. Hoe nader men bij den mond komt,

dat des te geringer wordt natuurlijk het verval. Onze Nederland-

ind scbe rivieren, de Maas in Limburg uitgezonderd, hebben zeer weinig verval, waardoor de stroomsnelheid ook zeer gering is.

• De stroomsnelheid is het gemiddelde der wegen , die de

e(j, waterdeeltjes uit eene dwarsdoorsnede van de rivier per seconde afleggen. De Maas heeft, wegens haar groot verval,

en- de grootste snelheid van onze Nederlandsche stroomen. De

)ire Rijn loopt het snelst bij zijne komst in ons land.

ste Het vermogen of de capaciteit (afvoer) van eene rivier is

or. het aantal kubieke meters water, dat per seconde langs een

I of ander punt stroomt. Het vermogen hangt natuurlijk weder

ide f f van den hoogeren of lageren stand van de rivier. Bij hoo-

|ng li gen waterstand toch zal de hoeveelheid water, die per seconde

\'ier I verplaatst wordt, aanzienlijker zijn dan bij lagen waterstand,

sis- If Wanneer men van het vermogen eener rivier spreekt, heeft

n(jf men altijd den gemiddelden rivierstand op het oog.

us. Alle rivieren voeren meer of minder groote massa\'s kiezel,

0f grint, zand en klei mede; bij vermindering van hare snelheid

jne laten zij deze bestanddeelen vallen, eerst de zwaardere en

]an 5 daarna de lichtere. Aan deze bezinkingen hebben de banken in de rivieren, en de verschillende vormingen aan de monden

ger haar ontstaan te danken. Door zoogenaamde kribben ofkrib-

ren J werken, die in den regel van rijshout worden opgebouwd,

irc. I trachc men het vormen van zandbanken in de rivieren tegen

ien te gaan. Men noemt deze werkzaamheden het normaliseeren

val : \'J0\'quot; rivieren. Het afsnijden van bochten in de rivieren geeft

af. men den naam van riviercorrectie.

z. : Om de gewesten, aan onze rivieren gelegen, tegen over-

_

ocr page 118

86

stroomingen tc beveiligen , heeft men zware dijken aangelegd. Deze dijken liggen gewoonlijk op eenigen afstand van het eigenlijke bed der rivier, waardoor natuurlijk bij zeer hooge waterstanden groote massa\'s water kunnen geborgen worden, zonder dat er groot gevaar voor het omliggende land ontstaat.

Door.sncdc van ecu oiiïer groote rivieren.

A. Zomerbed.

t\'.. Slikkon (gewoonlijk met riet of grienthout begroeid).

Zomerkade (om de uiterwaarden in den zomer droog te honden), iUiterwaarden (staan in den winter onder water). K. Kivierdyken.

a. buitentalud.

h. kruin van den dijk.

c. binnentalud.

F. Bouw- ot\' weiland.

O. Kribbingen (tegen liet afspoelen der oevers).

De ruimte tussehen de dijken noemt men het winterbed ; de geul, waardoor het water zich in den zomer voortbeweegt, heet het zomerbed. De landen tussehen het zomerbed en de dijken gelegen (die dus alleen \'s winters overstroomd worden) noemt men uiterwaarden. liet zomerbed wordt gewoonlijk nog door lage kaden of dijkjes (zomerdijken) van de uiterwaarden ge-

ocr page 119

87

scheiden. Loopcn de eigenlijke dijken langs het zomerbed, da:» spreekt men van schaardijken. Daar, waar de rivieroevers zoo hoog worden, dat dijken overbodig zijn , heeft men hooge oevers. Legt men achter de hoofddijken nog andere dijken aan, die alleen bij doorbraak van de eerste dienst doen , dan noemt men deze slaperdijken.

De overstroomingen, die zooveel onheil kunnen stichten , zijn gewoonlijk het gevolg van hoogen waterstand of ijsgang. Staat het rivierwater zeer hoog, wat vooral \'s winters het geval is, dan worden de dijken dikwijls ondermijnd (vooral schaardijken), waarvan een doorbraak het gevolg is. Ook de doorkwelling, d. i. het doorzijpelen van water onder den voet van den dijk door , kan de dijken doen instorten, en tengevolge daarvan overstrooming veroorzaken. Dit heeft vooral dan plaats, wanneer de dijk op een slappen ondergrond staat, of zooals men het noemt op slecht staal rust. Hebben • r in den winter bij ijsgang verstoppingen plaats , dan hoopt i et water zich achter het ijs op en vloeit over den dijk heen. Dc ijsverstoppingen hebben natuurlijk meest altijd plaats bij de krommingen der rivieren. Zoodra het dooivveder invalt of het water buitengewoon rijst, worden langs onze rivieren posten betrokken door de ingenieurs en opzichters van den waterstaat. Ontstaat er gevaar, dan lost men seinschoten uit geschut , van afstand tot afstand langs de rivieren geplaatst. De dijken worden bij zulk eene gelegenheid opgehoogd door kistingen, d. z. dammen van aarde en puin opgeworpen op den dijk. Deze ophoogingen worden door houten beschoeiingen bij elkaar gehouden.

Bezien we nu onze voornaamste rivierdijken en de verwoestingen , welke hunne doorbraken kunnen aanrichten. De Rijn \'iceft aan den rechteroever, van Arnhem tot Wagen in ge n r hooge oevers en behoeft daar dus niet door dijken bedwongen te worden. Van Wageningen af ligt aan denzelfden oever ter lengte van een uur gaans de Grebbedijk, juist bij den ingang

ocr page 120

88

van de Grebbevallei. I\'reekt deze dijk door, dan loopt de ge-heele Geldersche vallei onder. Dit overstroomings- of inundatiewater moet door de Eem op de Zuiderzee geloosd worden. Verder wordt de Rijn weder tot Amcrongen door hooge oevers begrensd ; van daar echter tot aan den mond heeft men weder dijken. De linkeroever is overal door dijken ingesloten.

Onberekenbaar zou de schade zijn, wanneer de rechter Lekdijken doorbraken. Het beste gedeelte van Holland en Utrecht zou daardoor waarschijnlijk onder water gezet worden en de droogmakerijen , die zich in dit gebied bevinden , zouden opnieuw moeten leeggemalen worden. Men heeft natuurlijk de Lekdijken zooveel mogelijk opgehoogd cn versterkt, maar daar de grond, waarop zij rusten, op vele plaatsen van slecht staal is , is het gevaar niet veel minder geworden. Het inundatiewater van de Lek kan slechts langzaam geloosd worden.

Op sommige plaatsen heeft men dwars door het land , van de eene rivier naar de andere, dijken (droge dijken) aangelegd. om het in aantocht zijnde inundatiewater te keeren. Voor beelden zijn: de Diefdijk van de Linge naar de Lek, ongeveer van een punt tegenover Asperen tot even ten westen van Kuilenburg: de Bazel- en Zouwedijken , tusschen de Vijfhee. reulanden cn de Alblasserwaard ; de Meidijk , dwars door de Bommelerwaard. Breekt nu de linker Rijn- of Lekdijk door, boven den Diefdijk , dan zijn Over- en Neder-Betuwe, het land van Kuilenburg en dat van Buren weldra overstroomd , maar de Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard blijven waarschijnlijk nog gespaard. Het overstroomings water wordt nu op de hoogte van Asperen door overlaten en sluizen in de Tie-lenvaard gebracht , waar men het door een sluis bij Dalem op de Merwede brengt.

Loopen de Vijfheerenlanden onder door dijkbreuk in den Diefdijk of in den Lekdijk, dan zal, wanneer do Bazel en Zouwedijken houden , de Alblasserwaard gespaard blijven. Het inundatiewater wordt op de Linge en het Zederikkanaal geloosd.

ocr page 121

89

• De Alblassenvaard wordt aan alle zijden door het water bedreigd , wat des te erger is, omdat zij zoo laag ligt. Loopt deze waard door eene breuk in de haar omringende rivierdijken of in de Bazel- en Zouwedijk onder, dan vloeit het water westwaarts, dus in de richting van Elshout (tegenover Krimpen), waar het door stoomtuigen in de Lek wordt opgemalen-Staat het inundatiewater echter hooger dan het buitenwater, dan behoeft men de hulpgaten in de dijken slechts te openen, waardoor het dan naar buiten stroomt.

Wordt de Bommelerwaard geïnundeerd boven den Meid ijk, dan wordt deze doorgestoken en vloeit het water westwaarts, waar het door stoomtuigen en sluizen wordt afgetapt (1861). Gebeurt dit met het Rijk van Nijmegen of het Land van Maas en Waal, dan joost men het op het laagste punt van de Maas in deze streken.

Op enkele punten van de rivieren zijn de dijken aanmerkelijk verlaagd, om de rivier van water te ontlasten. Men noemt zulke lage gedeelten in de dijken overlaten.

Het gewone of dagelijksche onderhoud der dijken geschiedt gewoonlijk door de dijkplichtigen of gehoefslaagden (gedijk-slaagden). Zij hebben voor het onderhoud van een gedeelte (hoefslag) van den dijk te zorgen. Buitengewone werken worden uit het dijktonds of de kas van het waterschap bestreden. De waterstaat houdt op al deze werken toezicht.

Oroote Rivieren. De Rijn komt even boven Lobit in ons land , verdeelt zich bij Pannerden in twee armen , waarvan de eene met G/9 van het water onder den naam van Waal westwaarts stroomt, terwijl de andere onder den naam van Rijn , Neder-Rijn of Pannerdensch kanaal noord westwaarts vloeit tot bij Westervoort. Bij Lobit is een overlaat, waardoor bij hooge rivierstanden het water naar buiten stroomt. Het overstroomings-water vloeit dan door een ouden, droog liggenden tak van den Rijn , om tegenover Huissen weer in den eigenlijken Rijn ge-

ocr page 122

90

borgen te worden. Is do rivierstand buitengewoon hoog, dan vloeit liet inundatiewater zelfs bij \'s-Heerenbeig om de Montquot; ferlandsche heuvels naar der. Ouden IJsel, en komt dan bij Doesburg in den Gelderschen IJsel. Bij Westervoort heeft eene nieuwe splitsing plaats: een tak gaat met 1 ,j van de hoeveelheid van het onverdeelde Rijnwater onder den naam van Gelderschen IJsel naar het noorden , terwijl de andere den naam van Rijn blijft behouden. Bij Wijk-bij-Duurstede neemt de Rijn den naam van Lek aan. Vroeger liep hij hoogstwaarschijnlijk door naar Utrecht en Katwijk ; de groote massa\'s rivierklei op veen , welke men nog langs den Krommen en Ouden Rijn aantreft , schijnen daar ten minste op te wijzen. Waarom echter laatstgenoemde wateren ophielden een Rijnarm te vormen is tot nog toe niet met zekerheid uit te maken. Van eene verstopping bij Katwijk kan geen sprake zijn, want dan zou geheel Holland door het steeds toevloeiende water zijn onderge-loopen , en van zulk eene overstrooming is niets bekend. Waarschijnlijk is dus de afvoer van water langs dezen arm langzamerhand minder geworden , terwijl die langs de Lek toenam. Het is zelfs niet onmogelijk dat de Lek met den Rijn in verbinding is gebracht. Zij die aan een voormaligen Rijnmond bij Katwijk twijfelen, nemen gewoonlijk een arm aan door de Geldersche vallei, welke dan naar het meer Almare liep en verder langs het Vlie naar de Noordzee stroomde. Het is echter ook mogelijk dat beide armen bestaan hebben.

De tegenwoordige Kromme Rijn heeft met den Rijn nog slechts gemeenschap door een duiker, welke echter alleen geopend wordt als de eerste watergebrek heeft. In het belang van de verdediginer van de I lollansche waterlinie heeft men

ö O

voor eenige jaren den Krommen Rijn wat uitgediept en verbreed , waardoor hij geschikter is geworden om in oorlogstijd water aan te voeren.

De Oude Rijn staat bij Katwijk doormiddel van een kanaal (het kanaal van Katwijk), dat in 1807 gegraven werd , en

ocr page 123

91

uitwateringssluizen mot de Noordzee in gemeenschap, maar brengt — zooals uit het boven gezegde volgt — geen druppel Rijnwater in zee. Mij bestaat uit 5 boezems , die door schutsluizen met elkander in verbinding staan , en dienen om het water van de omgelegen polders op te nemen. De beide oostelijkste van deze boezems loozen op de Vecht, de volgende behoort tot den boezem van Amstelland , terwijl de beide laatste op de Noordzee loozen.

Ook op de Vecht is de naam rivier niet meer van toepassing. Zij is een boezem , die bij Utrecht door eene sluis het water van den Krommen- en den Vaartschen Rijn ontvangt en door eene sluis bij Muiden al dit water loost. Door dezen grooten toevoer en den vrij snellen afvoer is er steeds stroo-ming in de Vecht en heeft zij dus op het eerste gezicht het aanzien eener rivier.

Tegenwoordig gaat de Rijn van Wijk-bij-Duurstede onder den naam van Lek langs Kuilenburg, Vianen. Vreeswijk, Nieuwpoort en Schoonhoven tot Krimpen, waar z;j met de Noord in gemeenschap komt en dan onder den naam van Nieuwe Maas langs Rotterdam , Delftshaven, Schiedam en Vlaardingen voortloopt, na eerst het water van den Holiand-schen IJsel te hebben opgenomen. Even beneden Vlaardingen^ in de nabijheid van Maassluis, neemt de nieuwe Maas den naam van Scheur (Scheurdiep) aan , vloeit dan ten noorden van het eiland Rozenburg naar den Nieuwen waterweg (doorgraving van den Hoek van Holland) en loost dan door dezen nieuwen Maasmond haar water in de Noordzee. Een gedeelte-van het Maaswater loopt onder den naam van Botlek ten oosten van Rozenburg en stroomt bij Brielle in zee. Tot ongeveer bij Schoonhoven ontvangt het Rijnwater geen toevoer van water van Nederlandsch quot;rondlt;jebied ; maar van daar is de

O Ö

toevloed kolossaal; van de Alblasserwaard, van de Krimpener-waard, van Schieland , van Delfland en van IJselmonde en Rozenburg.

ocr page 124

92

De Waal, onze waterrijkste rivier en de belangrijkste weg van onze riviervaart, loopt van Pannerden langs Nijmegen , 1 iel, Heerenwaarden en Bommel naar Loevestein, waar zij links de rivier de Maas opneemt. Bij Heerenwaarden , even boven het fort St. Andries , stort de Waal bij hooge waterstanden door een aantal overlaten (Heerenwaardensche overlaten) een gedeelte van haar water op de Maas.

Nadat de Waal bij Loevestein de Maas heeft opgenomen , stroomt zij onder den naam van Boven-Merwede langs Wou-drichem en Gorinchem naar Werkendam, waar zij ruim de helft van haar water afgeeft aan de Nieuwe Merwede, die in zuidwestelijke richting naar het Hollandsch diep stroomt. Eerst in den laatsten tijd werd de Nieuwe Merwede tot flin-ken waterafvoer geschikt gemaakt , daar de groote opeen-hooping van water in de eigenlijke Merwede zeer gevaarlijk is. Van Werkendam tot Dordrecht heet de Merwede ook wel Beneden-Merwede Bij Dordrecht verdeelt deze stroom y,ich in de Noord en de Oude Maas. De laatste geeft beneden Dordrecht het grootste gedeelte van haar water aan de Dord-sche Kil, die zuidwaarts loopt en bij Willemsdorp in het Hollandsch diep komt, en stroomt zelve onder den naam van Oude Maas ten zuiden van IJsel monde en Rozenburg (waar zij de Botlek opneemt) naar zee. Het gedeelte ten zuiden van Rozenburg wordt ook wel Brielsche Maas genoemd. Bij het dorp Oud-Beierland geeft de Oude Maas een gedeelte van haar water aan het Spui, dat zuidwestwaarts tusschen de eilanden Beierland en Putten naar het Haringvliet stroomt.

De Boven- en Beneden-Merwede ontvangen door de Linge

O O

en het kanaal van Steenenhoek al het water van de Opperen Neder-Betuvve, de landen van Kuilenburg en Buren en de 1 ielerwaard. De Oude Maas ontvangt veel water van IJsel-monde . Beierland en Putten.

De Geldersche IJsel loopt van Westervoort langs Doesburg, Zutfen, Deventer, Hattem en Zwolle naar Kampen, beneden welke

ocr page 125
ocr page 126

92

Dc Waal, onze waterrijkste rivier en de belangrijkste weg van onze riviervaart, loopt van Pannerden langs Nijmegen, Tiel, Heerenwaarden en Bommel naar Loevestein, waar zij links de rivier de Maas opneemt. Bij Heerenwaarden , even boven het fort St. Andries, stort de Waal bij hooge waterstanden door een aantal overlaten (Heerenwaardensche overlaten) een gedeelte van haar water op de Maas.

Nadat de Waal bij Loevestein de Maas heeft opgenomen, stroomt zij onder den naam van Boven-Merwede langs Wou-drichem en Gorinchem naar Werkendam, waar zij ruim de helft van haar water afgeeft aan de Nieuwe Merwede, die in zuidwestelijke richting naar het Hollandsch diep stroomt. Eerst in den laatsten tijd werd de Nieuwe Merwede tot flin-ken waterafvoer geschikt gemaakt , daar de groote opeen-hooping van water in de eigenlijke Merwede zeer gevaarlijk is. Van Werkendam tot Dordrecht heet de Merwede ook wel Beneden-Merwede. Bij Dordrecht verdeelt deze stroom zich in de Noord en de Oude Maas. De laatste geeft beneden Dordrecht het grootste gedeelte van haar water aan de Dord-sche Kil, die zuidwaarts loopt en bij Willemsdorp in het Hollandsch diep komt, en stroomt zelve onder den naam van Oude Maas ten zuiden van IJselmonde en Rozenburg (waar zij de Botlek opneemt) naar zee. Het gedeelte ten zuiden van Rozenburg wordt ook wel Brielsche Maas genoemd. Bij het dorp Oud-Beierland geeft de Oude Maas een gedeelte van haar water aan het Spui, dat zuidwestwaarts tusschen de eilanden Beierland en Putten naar het Haringvliet stroomt.

De Boven- en Beneden-Merwede ontvangen door de Linge en het kanaal van Steenenhoek al het water van de Opperen Neder-Betuwe, de landen van Kuilenburg en Buren en de Tielerwaard. De Oude Maas ontvangt veel water van IJselmonde , Beierland en Putten.

Dc Geldersche IJsel loopt van Westervoort langs Doesburg, Zutfen, Deventer, Hattem en Zwolle naar Kampen, beneden welke

ocr page 127
ocr page 128
ocr page 129

93

stad hij door het Keteldiep in dc Zuiderzee uitloopt. Het Ketel-diep is door dammen en kribwerken tot in zee verlengd, om zoodoende een goed vaarwater te behouden. Om dit doel nog beter te bereiken, heeft men de andere mondingsarmen , het Ganzendiep en de Goot, beteugeld, d. i. gedeeltelijk afgesloten , waardoor bijna al het water nu door de Ketel gaat. Het gedeelte van den IJsel tusschen VVestervoort en Doesburg, de Nieuwe IJsel, schijnt niet, zooals men vroeger meende, door de Romeinen gegraven (Drususgracht), maar slechts door hen verbeterd te zijn.

De Oude IJsel, een klein riviertje, dat bij Doesburg in den Gelderschen IJsel valt, stond vroeger door middel van een arm met den Rijn in verbinding.

Twee rivieren , die wel is waar niet direct onder de groote stroomen kunnen gerekend worden , maar toch van groot algemeen belang zijn , zijn de Linge en de Hollandsche IJsel.

De Linge heeft haar oorsprong in het oostelijk gedeelte van de Opper-Betuwe, bij het kasteel Doornenburg. Zij loopt langs Asperen , Leerdam en Heukelom naar Gorinchem, waar zij vroeger door middel van sluizen in de Merwede viel. Het groote gewicht van deze rivier is daarin gelegen, dat zij bijna de eenige afwatering vormt van het land tusschen den Rijn en de Lek ter eene en de Waal ter andere zijde. Ontstaan er doorbraken in den Zuider Rijn- en Lekdijk of in den noorder Waaldijk, dan kan het inundatiewater nagenoeg alleen langs de Linge afgevoerd woeden. Tegenwoordig heeft de loozing van het Lingewater grootendeels plaats door het kanaal van Steenenhoek, dat bij Gorinchem uit de Linge komt, evenwijdig met de Merwede voortloopt en door middel van sluizen op de Beneden Merwede uitwatert, omdat op dit laatste punt de rivier bij eb veel lager afloopt dan te Gorinchem, Deze verlenging van de Linge werd noodzakelijk, toen men bij Asperen eene sluis moest maken, waardoor natuurlijk de afvloeiing van het water zeer bemoeieiijkt werd.

ocr page 130

94

De Hollandsche IJscl, die niet meer met den Vaartschen Rijn en de Lek in verbinding staat, loopt langs IJselstein , Montfoort, Oudewater en Gouda naar Krimpen, waar hij zich in de Nieuwe Maas stort. Bij Gouda is de IJsel afgedamd-In den dam is echter eene uitwateringssluis gemaakt. Het gedeelte van den IJsel boven Gouda is boezem geworden en heeft dus het karakter van rivier verloren. Beneden Gouda is de IJsel rivier gebleven.

De Maas komt even boven Eisden in de provincie Limburg, loopt in noordelijke richting langs Maastricht, Stevensweerd , Roermond, Venlo, Boksmeer en Gennep naar Mook, waar zij eene westelijke richting aanneemt.

Het verval is in dit gedeelte van haar loop zeer groot, vooral boven Roermond (van Maastricht tot Venlo 32 M.). Van het dorpje Mook gaat de rivier in westelijke richting langs Grave, Ravestein , Megen , het fort St. Andries , Crevecoeur en Bok-hoven naar Loevestein , waar ze zich met de Waal vereenigt. Boven Grave heeft men den linker Maasoever een eind weegs zeer laag bedijkt, zoodat bij hooge waterstanden het water Xoord-Brabant binnenstroomt en als het ware eene nieuwe rivier vormt, die evenwijdig ten zuiden van de eigenlijke Maas voort-stroomt (Beersche Maas). Het laag bedijkte vak heet Beersche overlaat. Bij Bokhoven, in de nabijheid van den mond der Dieze, is weder een overlaat (Bokhovensche overlaat), die dient om het water van de Beersche Maas te ontvangen. Werkt de Bokhovensche overlaat echter omgekeerd, d. w. z, stroomt ook hier, door den hoogen Waalstand, het water Noord-Brabant binnen , dan vereenigt het zich met het water uit den Beerschen overlaat en vloeit westwaarts, waar het op het Oude Maasje en den Amer wordt geloosd door den Baard-wijkechen overlaat. Door het werken der beide overlaten (Beersche en Bokhovensche) kan dus de geheele noordelijke zoom van Noord-Brabant onder water gezet worden.

Reeds vroeger merkten we op, dat bij zeer hooge water-

ocr page 131
ocr page 132

94

De Hollandsche IJsel, die niet meer met den Vaartschen Rijn en de Lek in verbinding staat, loopt langs IJselstein , Montfoort, Oudewater en Gouda naar Krimpen, waar hij zich ia de Nieuwe Maas stort. Bij Gouda is de IJsel afgedamd-In den dam is echter eene uitwateringssluis gemaakt. Het gedeelte van den IJsel boven Gouda is boezem geworden en heeft dus het karakter van rivier verloren. Beneden Gouda is de IJsel rivier gebleven.

De Maas komt even boven Eisden in de provincie Limburg, loopt in noordelijke richting langs Maastricht, Stevensweerd, Roermond, Venlo, Boksmeer en Gennep naar Mook, waar zij eene westelijke richting aanneemt.

Het verval is in dit gedeelte van haar loop zeer groot, vooral boven Roermond (van Maastricht tot Venlo 32 M.). Van het dorpje Mook gaat de rivier in westelijke richting langs Grave, Ravestein , Megen , het fort St. Andries, Crevecoeur en Bokhoven naar Loevestein , waar ze zich met de Waal vereenigt. Boven Grave heeft men den linker Maasoever een eind weegs zeer laag bedijkt, zoodat bij hooge waterstanden het water Noord-Brabant binnenstroomt en als het ware eene nieuwe rivier vormt , die evenwijdig ten zuiden van de eigenlijke Maas voort-stroomt (Beersche Maas). Het laag bedijkte vak heet Beersche overlaat. Bij Bokhoven, in de nabijheid van den mond der Dieze. is weder een overlaat (Bokhovensche overlaat), die dient om het water van de Beersche Maas te ontvangen. Werkt de Bokhovensche overlaat echter omgekeerd, d. w. z, stroomt ook hier, door den hoogen Waalstand, het water Noord-Brabant binnen , dan vereenigt het zich met het water uit den Beerschen overlaat en vloeit westwaarts, waar het op het Oude Maasje en den Amer wordt geloosd door den Baard-wijkschen overlaat. Door het werken der beide overlaten (Beersche en Bokhovensche) kan dus de geheele noordelijke zoom van Noord-Brabant onder water gezet worden.

Reeds vroeger merkten we op, dat bij zeer hooge water-

ocr page 133
ocr page 134
ocr page 135

standen de Waal bij de Heeremvaardsche overlaten een gedeelte van haar water in de Maas bracht. Vóór 1S56 kon dit ook geschieden door een kanaaltje bij het fort St. Andries. Dit kanaaltje is echter tegenwoordig afgesloten door eene sluis, zoodat het nu alleen nog in het belang der scheepvaart gebruikt wordt.

De Maas nam vroeger een geheel anderen weg dan tegenwoordig. Zij had toen bij het tegenwoordige slot Loevestein geen gemeenschap met de Waal, maar liep door het nu bijna opgedroogde bed van het Oude Maasje naar den Amer en dan verder noordwestwaarts. Deze oude loop verlamde echter langzamerhand en de Maas ging den weg volgen, dien zij nu heeft.

In 1882 werd een wetsontwerp aangenomen waarbij bepaald werd:

1. dat de Maas geheel van de Waal zal gescheiden worden;

2. dat een nieuw bed, ongeveer het Oude Maasje volgend, zal gegraven worden, waardoor de Maas zich dan verder in den Amer en het Hollandsch diep kan storten;

3. dat de overlaten van Bokhoven en Heerenwaarden zullen gesloten worden , en

4. dat het gedeelte van Heusden tot Woudrichem door middel van schutsluizen zal afgesloten worden.

Kortweg zou men dus kunnen zeggen , dat de Maas voor een groot gedeelte weder in haar oude bed zal teruggebracht worden. Naar men hoopt zal door deze separatie het gevaar bij ijsgang en bij hoogen waterstand aanmerkelijk verminderen.

De Maas ontvangt in ons land eene aanzienlijke hoeveelheid water ; links bijna al het Noord-Brabantsche water ; rechts dat van Limburg, het rijk van Nijmegen, het land tusschen Maas en Waal en de Bommelenvaard. In Limburg is zij echter niet waterrijk, vooral bij lanpe droogte. Na regenval komen er echter dikwijls plotseling groote massa\'s water afzetten. De hoogteverschillen zijn daarom op deze rivier zeer aanzienlijk.

ocr page 136

9G

Om zooveel mogelijk water in de Maas te houden, heeft nieit er in België stuwen in gebouwd, d. z. inrichtingen waardoor men het water in eene rivier kan ophouden. Deze stuwen zijn mede oorzaak dat de Maas in Limburg slecht bevaarbaar is.

Het water van de Dordsche Kil, de Nieuwe-Meiwede en den Amer vereenigt zich te zamen tot het Hollandsch diep , tusschen het Dordsche eiland en Beierland ten noorden en de vaste kust van Xoord-Brabant ten zuiden. In het belang van den handel en het verkeer tusschen Holland en België heeft men over dat water van 1868—\'71 een spoorwegbrug gelegd. Het Hollandsch diep verdeelt zich in het Haringvliet en het Volkerak. Het Haringvliet loopt tusschen Beierland , Putten en Voorne ten noorden en Goedereede en Overflakkee ten zuiden naar de Noordzee. Het Volkerak scheidt Overflakkee van Noord-Brabant; het onophoudelijk verplaatsen van de zandbanken maakt hier het vaarwater voor de scheepvaart gevaarlijk. Het verlengde van dit water heet tusschen Overflakkee en St. Filipsland Krammer en verder ten noorden van Schouwen en Duiveland Gre/elingen of Bieningen; bij den mond heeft men het Brouwershavensche gat.

De Schelde is eigenlijk geen Nederlandsche rivier. Zij verdeelt zich dadelijk bij hare komst in Nederland (bij het fort Bat) in de Hont of Wester-Schelde en de Ooster-Schelde. De eerste, eigenlijk een zeearm, evenals de bovengenoemde Z.-Hollandsche wateren , ligt ten noorden van Zeeuwsch-Vlaanderen , waar zij een paar inhammen, het Hellegat en de Braakman , maakt (de monden zijn reeds vroeger genoemd). De Ooster-Schelde behoort sedert 1867 , toen er een spoor-wegdam tusschen Zuid-Beveland en Noord-Brabant werd gelegd , niet meer tot de Schelde. Zij ligt ten noorden van de eilanden Zuid-Beveland en Noord-Beveland. Langzamerhand begint zij nu te verzanden.

De zeeboezems in het zuidwesten van ons land hebben eene eigenaardige bodemsgesteldheid. Zij bezitten namelijk vele on-

ocr page 137

97

diepten, waaronder er zelfs zijn, die bij eb droogvallen, en dan platen of hompels heeten. Tusschcn dezf ondiepten liggen geulen , die in de Wester-Schelde dikwijls van 30 tot 40 M. gt; en in de Ooster-Schelde zelfs ruim 50 M. diepte tellen. Dikwijls hebben ze eene breedte van ruim 3000 M., en niet zelden liggen er 3 naast elkander. Men kan zich daardoor eenigszins een denkbeeld vormen van de ontzaglijke hoeveelheden water, die bij eb en vlo^d langs deze zeeboezem-: op en afstroomen. Daar ze naar achter toe nauwer worden , loopt de vloed er iets hoo-ger op en de eb iets lager af dan aan dea mond.

Vloed en eb doen ook op onze rivieren bijzondere verschijnselen ontstaan. Vooreerst dringt het zeewater een eind weegs de rivier op , en hooger vloeit het rivierwater, omdat het niet kan afstroomen , terug. Gaat men nog hooger de rivier op dan stroomt het water wel altijd af, maar doordat het door de vloedverschijnselen in het lagere gedeelte niet geregeld afvloeit, bemerkt men eene opstuwing of verhooging van den waterstand. Natuurlijk zijn bij eb de verschijnselen juist omgekeerd. De opstuwing is bijv. msrkbaar tot bij Vianen , Beusichem , Bommel, Heusden en Zutfen.

De Zeeuwsche stroomen zijn : tusschen Walcheren en Zuid-Bsveland het Sloe, dat echter voor den spoorweg van Noord -Brabant naar Zeeland is afgedamd; tusschen Walcheren en Noord-Beveland het Veersche gat; tusschen Noord-Beveland en Zuid-Beveland de Zuidvliet of Zandkreek ; tusschen Zuid-Beveland en Noord-Brabant het Kreekrak. Tusschen de noordelijke eilanden van Zeeland vindt men : het Dijkwater, tusschen Schouwen en Duiveland ; het Keeten , Mastgat en Zijpe tusschen Duiveland en Tolen met St. Filipsland; de Mosselkreek , tusschen St. Filipsland en Tolen ; het Slaak, tusschen St. Filipsland en Noord-Brabant; en de Eendracht, tusschen Tolen en Noord-Brabant.

Onze rivieren zijn in den loop der tijden in het belang van den handel en het verkeer overbrugd geworden. Over den

Wundeklich , Aardrijkskunde. 7

ocr page 138

98

Rijn en de Lek heeft men drie spoorwegbruggen, en wel bij Rosande beneden Arnhem voor de lijn Arnhem—Nijmegen r bij Renen voor de lijn Amersfoort—Kesteren en bij Kuilenburg voor de lijn Utrecht —\'s-Hertogenbosch. Bovendien liggen op enkele plaatsen nog schipbruggen of gierponten.

De Waal heeft twee spoorwegbruggen, nl. bij Nijmegen voor de lijn Arnhem —Nijmegen en bij Bommel voor de lijn Utrecht-\'s-Hertogenbosch. Bij enkele plaatsen liggen nog gierbruggen.

De IJsel heeft spoorwegbruggen bij Zutfen voor het Oos-terspoor , bij Westervoort voor het Rijnspoor en bij Katerveer voor het Centraalspoor; verder nog een ijzeren brug bij Kampen en een aantal schipbruggen.

Over de Maas liggen niet minder dan zeven spoorwegbruggen en twee vaste bruggen voor voetgangers. De spoorbruggen liggen bij Maastricht, Roermond, Venlo , Gennep, Mook,

Ravestein en Hedel.

Dc spoorbruggen hebben in den regel eene aanzienlijke lengte, daar zij het geheele winterbed overspannen. Zij rusten op gemetselde peilers, die de brug in spanningen verdeden. Onze spoorwegbruggen bij Kuilenburg en Moerdijk zijn rneea-

terwerken van bruggenbouw.

Bij de punten, waar de rivieren het meest werden overgestoken en waar later ook gewoonlijk bruggen kwamen, ontstonden langzamerhand plaatsen. Sommige daarvan zijn tot belangrijke steden aangegroeid. De namen van deze plaatsen wijzen gewoonlijk nog op dien oorsprong. Zoo bijv. de plaatsnamen op brug of brugge, of op wade en waai (= waadbare plaats), of ook wel op veer, voort, vorde , voorde en foort (== waadbare plaats); eindelijk ook nog die op drecht, trecht en tricht (van het Lat. trajectum = overtocht).

Kleine Rivieren. Onze kleine rivieren zijn over het iiloemeen voor den handel en de scheepvaart van gering be-

£rgt;

ocr page 139

!)0

lang. Zij hebben dikwijls eene aanzienlijke lengte en wijzen door hunne richting de helling van den bodem aan.

Wanneer we het hooge of centrale gedeelte van Drente als uitgangspunt aannemen, dan zien we dat de riviertjes van daar naar drie zijden stroomen : naar den Dollart, naar de Lauwerszee en naar de Zuiderzee. Van de Drentsche hoogten gaan naar het noorden de Ruiten Aa en de Mussel Aa; beide stroompjes vereenigen zich tot de Westervvoldsche Aa , welke onder den naam van Buiten Aa in den Dollart valt. De Munze, ook wel Oostermoersche vaart of Drentsche diep genoemd , ontspringt op de Drentsche heuvels , vormt op de grenzen van Groningen en Drente het Zuidlaarder meer en loopt dan verder naar de stad Groningen , waar zij ten gedeelte van het Winschotcr- of Schuitendiep uitmaakt. Haar verdere loop gaat door het in 1874 gegraven Eemskanaal . tot zij bij Delfzijl door eene uitwateringssluis op de Eems loost.

De Boorn, bij haar oorsprong Koningsdiep genoemd, ontspringt in de nabijheid van de grenzen van Friesland en Groningen. Zij gaat naar het westen , vereenigt zich onderweg met de Wetering en loost in Frieslands boezem. Het vervoer van turf is langs dit riviertje zeer aanzienlijk.

De Kuinder of Tjonjer en de Linde (bestaat uit 3 boezems) ontspringen beide op de grenzen van Friesland en Drente, loopen door het zuidoosten van Friesland en vallen : de eerste in de Oude Schoterzijl, een der wegen waardoor de groote Friesche boezem op de Zuiderzee loost, de andere door eene sluis bij Kuinre in de Zuiderzee. De Tjonger vormt eene etnologische grens, want aan de noordzijde wonen echte Friezen, aan den anderen kant Friso-Saksen.

Het Vledderdiep en de Wapserveensche Aa vereenigen zich nog op Drentsch grondgebied, loopen dan te zamen onder den naam van Steenwijker Aa in zuidwestelijke richting door Overijsel tot Steenwijk, waar zij door eene schutsluis op het Steenwijker diep loost.

ocr page 140

100

De Beilerstroom en de Ruiner Aa (Wold Aa) verecnigen zich bij Meppel met de Reest (grens tusschen Drente en Overijsel) en ioozen dan op het Meppelerdiep (boezem), dat van laatstgenoemde plaats naar Zwartsluis loopt, waar het door eenc sluis in het Zwarte water afwatert.

Het Schoonebekerdiep , dat uit het hoogveen van Hannover komt, het Drostendiep en het Loodiep komen bij Koevorden te zamen, vormen daar de Kleine Vecht, die vervolgens in de Overijselsche Vecht uitloopt.

De kleine rivieren van het gemengde diluvium beoosten den Gelderschen IJsel ontspringen bijna alle in het heuvelland van Coesveld. De groengronden langs hare oevers zijn over het algemeen veel breeder en vruchtbaarder dan die langs de stroompjes van het Scandinavisch diluvium, welke meest uit moerassen bestaan.

De Overijselsche Vecht komt in de nabijheid van Grams-bergen in ons land, loopt langs genoemde plaats, Harden-berg, Ommen en Dalfsen en valt een uur gaans boven Hasselt in het Zwartewater. Zij wordt echter, sedert Overijsel zulk een groot aantal kanalen heeft gekregen , door de scheepvaart weinig meer gebruikt. Op Duitsch grondgebied neemt zij de Dinkel op , die door het oostelijkste gedeelte van Overijsel stroomt. De Regge , eene andere linker zijrivier van de Vecht, ontvangt door een groot aantal zijstroompjes en kanalen , waaronder de Aa en de Twikkelsche vaart de voornaamste zijn, bijna al het water van Twente. Zij loopt langs Goor, Rijsen en Nijverdal.

Het Zwartewater ontstaat uit een aantal weteringen (Sal-landsche weteringen), die bij Zwolle samenvloeien ; het loopt dan langs Hasselt, Zwartsluis en Genemuiden naar de Zuiderzee , waarin het tusschen kribwerken nog een eind voortloopt onder den naam van Zwolsche diep.

De Schipbeek , met uitgestrekte groengronden , die op sommige plaatsen met die van de Berkel samenvallen, vormt

ocr page 141

101

gedeeltelijk de grens tusschen Overijsel en Gelderland. Zij valt bij Deventer in den IJsel.

De Berkel, welke links de Slink (Slinge) opneemt, waaraan Groenlo gelegen is , vloeit langs Eibergen , Borkelo en Lochem en valt bij Zutfen in den IJsel.

De Oude IJsel komt uit Duitschland, neemt rechts de Slingerbeek op , en vloeit langs Terborg en Doetinchem naar den Gelderschen IJsel, dien hij bij Doesburg bereikt.

Het gedeelte van ons gemengde diluvium bewesten den IJsel heeft geen kleine rivieren van eenig aanbelang, maar wel een groot aantal beekjes, die op vele plaatsen , vooral in het oostelijk gedeelte van de Veluwe, de papiermolens drijven. De Grift, die bij Mattem in den IJsel valt, ontstaat uit een aantal beekjes in de nabijheid van Apeldoorn ; rechts neemt dit stroompje , dat gedeeltelijk gekanaliseerd is , nog een aantal weteringen op. In de nabijheid van Barneveld ontspringen eenige beken , die zich bij Amersfoort vereenigen tot de Eem , welke noordwaarts loopende in de Zuiderzee valt.

De rivieren van het Rijn- en Maasdiluvium vallen gedeeltelijk in de Maas, gedeeltelijk in de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche stroomen. Ze zijn in Noord-Brabant en Limburg quot;elegen. We beer innen met de Noord-Brabantsche. Dc be-

O O O

langnjkste zijn de Dommel en de Aa , die bij \'s-IIertogenbosch op den Diezeboezem loozen. De Dommel ontspringt in de Kempen uit kleine veenplassen en neemt links de Beerse op, die op de grenzen van ons land ontspringt. De Aa komt uit de Peel. Deze stroomen maken bij hoog water de streek om \'s-Hertogenbosch tot een moeras.

De Donge ontspringt ook op de Belgische grenzen , loopt naar het Oude Maasje, en vormt daarna den Amer.

De Dintel ontspringt even buiten de Noord-Brabantsche grenzen in België en heet in haar bovenloop Mark of Merk; bij Breda neemt zij links de Aa op en loopt dan verder naar het Volkerak , waar zij door eene sluis haar water loost.

ocr page 142

102

Li Limburg vallen links in de Maas; de Jeker of Jaar, die in het Belgische heuvelland ontspringt en bij Maastricht in de Maas valt; de Neer, die niet ver van het dorpje Neer

in de Maas valt.

Rechts vallen in de Maas: de Geul met de Gulp , welker dalen tot de schoonste streken van Limburg en van het ge-licele land behooren ; de Geleen, die in Limburg ontspringt, noordwaarts loopt en in de nabijheid van Stevensweerd uitmondt; de Roer met de Worm, waarvan de eerste van den Ei fel komt. heeft bij Roermond hare uitwatering; de Swalm en de Niers , die in het Noorden van Limburg in de Maas vallen.

De Geldersche en Overijselsche riviertjes, waarvan er vele in den zomer bijna geheel uitdrogen, zijn in natte tijden buitengewoon waterrijk. De oorzaak van dit verschijnsel i.^ te zoeken in de omstandigheid dat ze over ondoordringbare leem-banken loopen en de vele kronkelingen den waterafvoer belemmeren. Niet zelden zijn dan ook bij langdurigen regen of bij dooiweder de streken langs de oevers geheel geinundeerd. Vallen deze overstroomingen in den hooitijd of wanneer de oogst op het veld staat, dan lijdt de landman groot nadeel. De op deze wijze ontstane drassige gronden noemt men in Overijsel broeken en vlieren. Over het algemeen zijn ze tamelijk vruchtbaar. Men is in den laatsten tijd ernstig aan verbetering van deze toestanden gaan denken.

ocr page 143

VIII.

Klimaat.

Hliniaat in liet algemeen. Door het klimaat van een gewest of land verstaat men den gemiddelden toestand van den dampkring, vooral met betrekking tot de temperatuur, de luchtstroomen en de vochtigheid. De temperatuur is echter de belangrijkste factor van het klimaat, want van dien hangen de beide andere bijna geheel af.

De warmte, welke een punt op de aardoppervlakte van de zon ontvangt, is afhankelijk van den hoek onder welken de zonnestralen de aardoppervlakte treffen, en van de lengte der dagen, dus van de geografische breedte der plaats. De op deze wijze bepaalde temperatuur noemt men liet wiskunstig of ook wel het solair klimaat. Het werkelijke klimaat wijkt in de meeste gevallen van het zonneklimaat af. Het werkelijke klimaat noemt men gewoonlijk het natuurkundig klimaat. Dat het natuurkundig klimaat sterk van het zonneklimaat afwijkt, blijkt uit de omstandigheid dat plaatsen, die onder dezelfde parallel gelegen zijn en dus hetzelfde solaire klimaat hebben , geheel verschillende natuurkundige klimaten bezitten. Zoo heeft bijv. Hamburg eene gemidelde jaarvvarmte van S.i0 C; Barnaul in West-Siberie , op dezelfde breedte ge-legen, -f- o 2° C; en Nikoiajewsk aan de ^\\moer, ook op ongeveer denzelfden breedtegraad gelegen, — 2.6 C. De oor-

ocr page 144

104

zaken, die deze afwijking bewerken , zijn : de atmosfeer zelf de oceanische of continentale ligging eener streek , de hoogte boven den zeespiegel, de heerschende winden , de nederslag , de zecstroomingen, de aard van den bodem, het plantenkleed en de kleur en de helling van den bodem.

liet is vooral de ligging van een land met betrekking tot de zee, die een belangrijken invloed op de temperatuur uitoefent. Landen , in de nabijheid van de zee gelegen , hebben een zee-, oceanisch of maritiem klimaat, d. w. z. de zomers zijn er niet zoo warm en de winters niet zoo koud als meer landwaarts in. Landen, in het midden van de continenten rrele^en, hebben een vastelands- of continentaal klimaat,

O O /

d. w. z. de zomers zijn zeer warm en de winters dikwijls ondraaglijk koud. In continentale klimaten liggen de uiterste temperaturen dus verder uit elkander dan in oceanische klimaten.

Dat de zomers in oceanische klimaten koeler zijn dan in continentale , heeft zijn oorzaak in de sterke verdamping van het water gedurende dien tijd , waarvoor veel warmte noodig ;s. Deze warmte wordt aan de nabijzijnde lucht onttrokken, waardoor natuurlijk de lucht in de nabijheid van den oceaan koeler wordt dan die boven het midden der continenten. Dat de winters in landen met een zeeklimaat warmer zijn dan in die met een landklimaat is het gevolg van de eigenschap van het water om de eenmaal opgenomen warmte slechts zeer langzaam af te geven; het water , dat gedurende den zomer sterk verwarmd is , blijft dus in het najaar , tot zelfs ver in den winter , eene betrekkelijk zeer hooge temperatuur behouden en deelt deze aan de nabijzijnde lucht mede. Komen hier, zooals bijv. in den Noord-Atlantischen oceaan het geval is, nog warme stroomen bij (de Golfstroom), dan kan het niet anders of het klimaat van kustlanden moet in den winter zeer gematigd zijn.

Om het onderscheid tusschen het land- en zeeklimaat duide-

ocr page 145

105

Barnaul — 20\'J

De hoogte van een punt boven den zeespiegel oefent ook invloed uit op de temperatuur. Hoe hooger men zich nl. in den dampkring verheft, hoe lager de temperatuur wordt, want de lucht ontvangt het grootste gedeelte van hare warmte door mededeeling van de aarde ; de onderste luchtlagen verkeeren dus ten opzichte van de temperatuur in eene gunstiger positie dan de hooger gelegene.

De heerschende winden kunnen de temperatuur ook verhoogen of verlagen. Komt de heerschende wind- uit koude gewesten , dan zal de temperatuur dalen ; komt hij daarentegen uit warme streken , dan zal de temperatuur verhoogd worden. Zijn de

— IOquot;

— 15quot;

ocr page 146

106

hcerschende luchtstroomen vochtig, dan zal, wanneer de waterdamp gecondenseerd wordt, de daardoor vrij wordende warmte de temperatuur verhoogen. Het is dan ook gedeeltelijk aan de vele regens toe te schrijven, dat de westkusten van Europa eene hoogere temperatuur hebben dan de oostkusten van Noord-Amerika.

De hoeveelheid water, die jaarlijks in eene streek valt (nederslag), is van minder belang dan de verdeeling van den regen over de verschillende jaargetijden. Telt een land een zeer groot aantal regendagen, dan is het gewoonlijk vochtig en ten gevolge daarvan ook koud.

ö O

De aard van den bodem kan ook een zeer merkbaren invloed op de temperatuur uitoefenen, want daardoor ontstaat een groot verschil in vochtigheid en in opneming en uitstraling der warmte. Rotsvlakten bevorderen de verdamping , de droogte en de warmte ; daarop volgen de grint- en zandgronden. De kleigronden nemen de vochtigheid sterk op , behouden haar lang, en doen zoo een vochtigen en kouden bodem ontstaan.

Klimaat van Xederland. Tcmperatinir. Gaan we nu meer in bijzonderheden het klimaat van Nederland na en beginnen we daartoe met het zonneklimaat. Ons land ligt in de noordelijke helft der noordelijk gematigde luchtstreek (koud-gematigde zone). De hoogste stand der zon om 12 uur (op 21 Juni) bedraagt 62\' te Maastricht en 60 op het eiland Rottum; de laagste zonnestand om 12 uur (op 21 December) is te Maastricht 15\', n en op Rottum 13 \'. Onze langste dag duurt ongeveer 1lt;gt; Vü uur, onze kortste 7 Va uur.

Het natuurkundig klimaat van Nederland is in hoofdzaak hetzelfde als dat van de meeste landen van West-Europa. Men noemt dit klimaat het Atlantische klimaat, omdat de Atlantische Oceaan er den grootsten invloed op heeft. Het Atlantische klimaat heeft koele zomers en warme winters ; h.et

ocr page 147

107

is over het algemeen zeer vochtig, met veel regen, nevel en mist; de lucht is vooral in den winter sterk bewolkt en hare stroomingen worden dikwijls stormen. Door het groot aantal regendagen wordt bet klimaat van ons land dikwijls guur; de vele kleistreken van Holland, Zeeland en Friesland werken de vochtigheid en guurheid mede in de hand. De koudste tijd van het jaar valt in Januari; dikwijls wordt de koude in dien tijd nog verhoogd door de winden uit het oosten , die ons toewaaien over landen, die een continentaal klimaat, dus een zeer kouden winter hebben. In den zomer doen deze winden de temperatuur aanmerkelijk stijgen. De warmste tijd van het jaar valt op het einde van Juli en in het begin van Augustus.

De gemiddelde temperatuur van ons land bedraagt ongeveer 10 0 C; in Januari is de gemiddelde temperatuur altijd nog ruim I 0 boven het vriespunt; in Juli stijgt zij tot bijna 19 0. De absolute uitersten van ons klimaat verschillen meer dan 50 0 , want op den 2 r,equot; Januari 1850 bedroeg de temperatuur — 21 0 en op den 4den Augustus 1857-{-34.4 0,

De gemiddelde jaarlijksche temperatuur is te den Helder 9.75 quot;

„ Leeuwarden 9.66 0 „ Groningen 9.39 0 „ Utrecht 9.82 0 „ Vlissingen 10.87 0 „ Maastricht 11.13 8

De temperaturen der koudste en warmste maanden zijn te den Helder 1.66°—17.90°

„ Leeuwarden 0.82 0—18.34°

„ Groningen 0.53 0—18.17°

„ Utreeht 1.18 0 — 18.67 0 ,, Vlissingen 2.27quot;—19.40°

„ Maastricht 1.42 quot;—20.69\'

ocr page 148

108

Maastricht heeft dus den warmsten zomer, den Helder den koelsten; Vlissingen heeft den warmsten winter, Groningen den koudsten. Men kan dit ook eenigszins aan den plantengroei merken ; Zuid-Limburg is door zijne hoogere zomertem-peratuur bijzonder geschikt voor den ooftbouw; Groningen heeft in het voorjaar geregeld iets later groene boomen dan Holland.

Gedurende de zomermaanden daalt de temperatuur in ons land nooit onder het vriespunt ; alleen boven grasvlakten, die, vooral bij helderen hemel, sterk uitstralen , komt het in dien tijd \'s nachts eene enkele maal voor. In het oostelijk gedeelte van ons land komen nachtvorsten , tengevolge van den minder bewolkten hemel , veel meer voor dan in het westelijk gedeelte. In den bloeitijd kan dit dikwijls aan de veldvruchten groote schade doen.

Wij laten hier eene grafische voorstelling volgen van den gang der warmte in ons land , gedurende de 12 maanden van het jaar.

Wij zien uit deze voorstelling, dat de temperatuur eerst zeer langzaam stijgt, in Maart en April zeer snelle vorderingen maakt, om van daar weer langzaam tot het hoogste punt in Augustus te stijgen ; van dien tijd af daalt de warmte zeer snel tot November om dan langzamer te dalen tot Januari.

Lachtstroomen. De Luchtstroomen of winden spelen in het klimaat van ons land eene aanzienlijke rol. Zij brengen

ocr page 149

109

warmte, koude en vochtigheid aan , al naar de streken T waarover zij ons toewaaien. Zoo zijn de westelijke winden , die over zee komen , vochtig; zij brengen gewoonlijk regen. De noordweste winden zijn vochtig en koud; die uit het noorden schraal en droog. Uit het oosten krijgen we in den zomer droge en heete winden , in den winter droge en koude. De zuidweste winden zijn vochtig en warm. In het algemeen kan men dus zeggen , dat de winden , die over zee komen , vochtig , en die over land komen droog zijn ; luchtstroomen , die uit noordelijker gelegen streken komen, zijn koud, die uit zuidelijker gewesten komen , warm.

De drukking der lucht wordt aangewezen door den barometer, de richting der luchtstroomen door de windwijzers (windvaan) en de kracht der luchtstroomen door den anemometer. De richting van den wind en de luchtdruk staan met elkander in het nauwste verband. Dc gemiddelde luchtdruk is gelijk aan dien van eene kwikkolom van 760 m M hoogte. Heeft een gewest of gebied een hoogeren luchtdruk, bijv. 765 of 770 m. M., dan noemt men het plejobaar (maximum- of maximaal-gebied); heeft het een lageren luchtdruk , bijv. 750 of 745 m. M. , dan heet het mejobaar (minimaal-gebied of depressie). Het punt of de plek met den hoogsten luchtdruk in het plejobare gebied noemt men het maximum; de streek met den laagsten luchtdruk in het mejobare gebied heet minimum. De denkbeeldige lijnen, welke de plaatsen vereenigen , die denzelfden luchtdruk hebben , noemt men isobaren.

De wind waait altijd van het gebied met den hoogsten druk naar dat met den laagsten druk, evenwel niet in rechte lijnen , maar in de richting van eene spiraallijn om het minimum heen. Deze beweging heeft op het noordelijk halfrond plaats tegen de richting van de wijzers van een uurwerk , op het zuidelijk halfrond juist tegengesteld. Men noemt deze beweging cyclonaal. De luchtmassa\'s, die zich van het maximum van luchtdruk verwijderen, gaan ook in de richting van eene

ocr page 150

110

spiraallijn, maar juist in tegengestelde richting als om een minimum, dus op het noordelijk halfrond met, op het zuidelijk halfrond tegen de richting van de wijzers van een uurwerk. Deze richting heet antieyclonaal.

Luchtbeweging om het minimum.

ocr page 151

De oorzaak van deze afwijkingen ligt in de aswenteling of rotatie der aarde. Deze veroorzaakt dat alle bewegingen op fcet noordelijk halfrond naar rechts , op het zuidelijk halfrond naar links worden afgeleid. Staat men in een barometrisch maximum en wendt men het gelaat naar het barometrisch minimum of de depressie, dan komt op het noordelijk halfrond de wind van de linkerhand, in het zuidelijk halfrond van de rechterhand. Deze regels, waarnaar de wind zich beweegt, noemt men, ter eere van den ontdekker, de wet van Buys Ballot.

De sterkte van den wind hangt af van de gradienten, waardoor men de vermindering van den luchtdruk verstaat van isobare tot isobare. Hoe nader de isobaren bij elkander liggen ,

Ill

Luchtbeweging om het maximum.

ocr page 152

112

hoe sneller dus de luchtdruk afneemt, hoe sterker de wind is. Door onophoudelijke waarnemingen heeft men geleerd, dat .zich gedurende den winter boven het noordelijk gedeelte van den Noord-Atlantischen oceaan een mejobaar gebied bevindt, dat zich in het voorjaar en in den zomer meer naar het oosten verplaatst. Ten zuiden van dit gebied , in de richting van den Golfstroom (stormking) ontstaan kleinere of secundaire minima , die zich naar het oosten en noordoosten bewegen , en wanneer de luchtdruk naar het minimum zeer snel afneemt stormen doen ontstaan. Het is vooral door deze stormen of cyclonen dat de westkust van Europa en ook van ons land , gedurende het najaar en den winter, zoo dikwijls geteisterd wordt. In den zomer bevindt zich iets zuidelijker, dus ten westen van Frankrijk en Spanje , een plejobaar gebied.

De hoofdrichting van den wind is in ons land , tengevolge van de ligging van dit minimum en maximum, bijna het geheele jaar door west, zuidwest of noordwest; alleen in het voorjaar zijn de noorde- en oostewinden gedurende langeren of korteren tijd heerschende. Van daar dat de lente bij ons zoo koud en schraal is.

In den zomer, bij bestendig weder , kan men een merkwaardig verschijnsel waarnemen. De wind draait dan gedurende een dag door alle windstreken, en wel ir de richting van de wijzers van een uurwerk (dus N. O. Z. en W.). De verklaring is eenvoudig. Gedurende den monren worden de landen ten

o o

oosten van ons gelegen verwarmd ; de wind gaat dan van de zeezijde naar het land (westewind). Op den middag heeft het land ten zuiden van ons eene hoogere temperatuur en waait dus uit het noorden. Tegen den avond echter, wanneer de zee nog meer verwarmd is dan het land , moet de wind uit het oosten komen. Den volgenden morgen begint deze kringloop weder opnieuw (draaiings-wet van Dove).

De winden zijn bij ons gedurende het winterhalfjaar veel sterker dan in het zomerhalfjaar. In Januari zijn ze gewoonlijk

ocr page 153

11:5

het hevigst, in September het zivakst. Op den dag zijn ze sterker dan \'s nachts, het sterkst van t tot 3 uur. In de nabijheid van de zee zijn de winden meestal sterker dan landwaarts in.

Vochflsiieid. De dampkring bevat altijd waterdamp , hoewel in verschillende hoeveelheden. De onophoudelijke verdamping van het water is de hoofdbron van het watergehalte der lucht. De hoeveelheid waterdamp, die de lucht kan opnemen, is afhankelijk van de temperatuur; hoe hooger de temperatuur is, hoe meer waterdamp de lucht kan opnemen. Heeft een bepaald volume lucht zouveel waterdamp opgenomen als het bevatten kan , dan is het verzadigingspunt bereikt. Wanneer de lucht ver van het verzadigingspunt verwijderd is, dan noemen wc haar droog, in het tegenovergesteld geval vochtig.

Door de absolute vochtigheid der lucht verstaat men dc hoeveelheid waterdamp, die de lucht werkelijk inhoudt. Door de relatieve vochtigheid verstaat men de verhouding tusschen de hoeveelheid waterdamp, die de lucht werkelijk bevat, en de hoeveelheid gt; die zij bevatten kan. De absolute vochtigheid is in den zomer het grootst, in den winter het kleinst. De relatieve vochtigheid is echter in den zomer kleiner dan in den winter, want door de hoogere temperatuur van den zomer is de lucht dan verder van het verzadiginspunt dan in den winter. Het is daarom dat de lucht in den zomer droger schijnt dan in den winter.

Wordt door te grooten toevoer van waterdamp het verzadigingspunt overschreden, of daalt de temperatuur van de lucht, waardoor zij niet zooveel waterdamp meer kan ophouden , dan ontstaat er nederslag. Deze vertoont zich in den vorm van regen , nevel, dauw, sneeuw en rijp.

In sommige aarddeelen valt alleen nederslag in vloeibaren vorm (heete gewesten), in andere zoowel in vloeibaren als in vasten vorm (gematigde gewesten) en eindelijk in nog andere alleen in vasten vorm (koude streken).

Wl\'SDERLICH, Aardrjkshunde. 8

ocr page 154

114

De hoeveelheid regen wordt bepaald door de hoogte, die regen en sneeuw (wanneer ze gesmolten is) gedurende een jaar zou bereiken. Deze hoogte wordt gemeten door den regen- of pluviometer en in m. M. opgegeven.

De grootere of kleinere hoeveelheid regen van een land hangt van verschillende omstandigheden af. De richting van luchtstroomen en bergketenen , de temperatuur, de meerdere of mindere nabijheid van de zee enz. kunnen hierop invloed uitoefenen.

De betrekkelijke vochtigheid is in Nederland het grootst in de maand December. Zij bedraagt dan ongeveer 92 pet. van de hoeveelheid, die zij in deze maand gemiddeld kan bevatten. In Mei is de relatieve vochtigheid het geringst, maar toch altijd nog 72 pet. Men kan dus zeggen, dat 82 pet. de gemiddelde vochtigheid van de lucht is in ons land. Deze vochtigheid is zeer aanzienlijk, vooral wanneer men haar vergelijkt met die van andere landen. De nabijheid der zee en het bijna onophoudelijk heerschen van zeewinden zijn hiervan de oorzaak. Hoe verder men zich van onze kusten verwijderd , hoe geringer de betrekkelijke vochtigheid wordt. Dat verschil kan voor Maastricht tot 11 en 13 pet. klimmen.

De regen is zeer verschillend over de maanden van het jaar verdeeld. Voor Utrecht zijn de regencijfers:

December 62.6 m.M. Juni 53.6 m.M.

Januari 49.5 „ Juli 74.1 „

Februari 448 „ Augustus 81.4 „

Maart 43.4 „ September 67 „

April 38 October 73.1 „

Mei 50 „ November 59.9 ,,

De gemiddelde jaarlijksche hoeveelheid regen bedraagt bijna 700 m.M. De meeste regen valt in Juli en Augustus, de minste in Maart en April. Het aantal regendagen bedraagt gemiddeld 150. De meeste regen valt natuurlijk bij het heerschen der zeewinden.

ocr page 155

115

Bij de grootc verdamping , die gedurende liet geheelc jaar in den Noord-Atlantisclien Oceaan plaats heeft, kan het niet anders of de landen , waarvan het klimaat onder den invloed van dien Oceaan staat, moeten een groot gedeelte van het jaar een bewolkten hemel hebben. Het aantal dagen met geheel helderen hemel is bij ons betrekkelijk zeer gering.

Onweders komen hier bijna alleen in den zomer voor, vooral in de maanden Juli en Augustus. Meestal vallen ze in den namiddag, slechts zelden in den nacht of voormiddag.

Een en ander samenvattende , kunnen we zeggen , dat ons klimaat verre van aangenaam is. Een groot aantal regendagen, een nog grooter aantal dagen met bewolkten hemel, een lange winter, een schraal voorjaar en een korte zomer zijn niet geschikt om den mensch vroolijk te stemmen. De Nederlander is dan ook ernstig, zelfs eenigszins somber. Zijne huiselijkheid is grootendeels een gevolg van het klimaat. Ook op de gezondheid van ons klimaat valt niet te roemen. De plotselinge afwisselingen in de temperatuur, de vochtige winden en de vochtige bodem veroorzaken verkoudheden, rheumatisme, jicht en hoest. Het oostelijk gedeelte van ons land, vooral Gelderland , verkeert in dit opzicht in eenigszins betere omstandigheden. De schadelijke uitwasemingen van de vele wateren in het westelijk gedeelte van ons land doen, vooral in Zeeland , dikwijls koortsen ontstaan (Zeeuwsche koortsen). In den zomer zijn de uitwasemingen van opgedroogde plassen en slikken zelfs gevaarlijk. Ze doen zoogenaamde malaria of moeraskoortsen ontstaan.

ocr page 156

IX.

Bevolking.

Kelten. De oudste bevolking van ons land, waarvan men met eenige zekerheid iets weet, behoorde waarschijnlijk tot den Keltischen stam, welke evenals de Germaansche, Slavische en Romaansche eene afdeeling uitmaakt van de Indo Germaansche volken.

Ter verduidelijking het volgende overzicht.

Germanen I Romanen 1 Europeanen lt; Kelten Indo-Germanen •\' 1 Grieken

Middel-landsche zee-volken

Letto-Slaven

Hamietenen Semieten )

[ Aziaten

) Kaukasische volken I Basken

De Kelten bewoonden onze diluviale streken (de alluviale waren toen nog onbewoonbaar) en hebben vermoedelijk in de hunebedden de sporen van hunne aanwezigheid achtergelaten; ook sommige plaatsnamen (Nijmegen en Walcheren) schijnen daaraan te herinneren. De oudheidkundigen leeren ons, dat deze hunebedden begraafplaatsen zijn. De oude bewoners van ons land begroeven evenwel niet als wij; zij verbrandden eerst de lijken, deden de asch in aarden potten of urnen , en

ocr page 157

117

plaatsten dan dikwijls de urne op een s\'eenen vloer, die later met inspanning van alle krachten met grootc granictblokken, die men op de heide vond, bedekt werd. Behalve de urnen vindt men in deze graven soms nog steenen, eene enkele maal ook metalen werktuigen en graflampen. De hunebedden komen bijna alleen voor in de provincie Drente, bij de dorpen Rolde, Gieten, Borger, Zuidlaren enz. Eene enkele treft men ook aan in het Gaasterland en bij het dorp de Vuursche. De hunebedden moeten niet verwisseld worden met de tumuli of grafheuvels , die hier en daar op de heide voorkomen, en waarschijnlijk vau de Gemianen afkomstig zijn.

Vóór de komst der Germanen schijnen de Kelten een groot deel van Europa bewoond te hebben. De Germanen drongen hen echter naar het uiterste westen, waar ze nu nog worden aangetroffen. Ook in ons land werden de Kelten door de Germanen verdrongen. Wanneer dit echter heeft plaats gehad, valt niet meer uit te maken.

Ciiermanen. De Germanen behooren , evenals de Kelten , tot de groote groep der Indo-Germaanschen of Indo-Europee-sche volken. De oudste berichten over de Germanen hebben wij te danken aan de Romeinsche geschiedschrijvers Caesar en Tacitus. Hetgeen zij ons omtrent hen meedeelen geldt natuurlijk ook voor de oude Germaansche bewoners van ons land.

De oude Germanen waren volgens hen een krachtig volk , met rosachtig blond haar en helder blauwe oogen. Zij waren krachtig van lichaam en aan koude en honger gewend. Zij sleten hun tijd het liefst in werkloosheid en krijgstochten. Drinkgelagen en dobbelspel waren bij hen zeer in trek; vooral het spel beminden zij hartstochtelijk, en als alles verspeeld was zetten zij hunne eigene vrijheid en ook die van vrouw en kinderen op het spel. De opvoeding der kinderen was in overeenstemming met het geheele leven der Germanen; naakt en morsig groeiden zij op en ontvingen alleen eenig onderwijs in het behandelen der wapenen. Hunne woningen waren zeer

ocr page 158

118

eenvoudig. Gewoonlijk werden zij van plaggen en boomstammen opgetrokken. In den winter leefden zij in onderaardsche holen.

Bij de oude Germanen bestond geen individueel grondbezit. De meeste landerijen waren gemeenschappelijk, of communaal bezit (onverdeelde mark), de meer vruchtbare daarentegen werden jaarlijks onder de markgenooten verdeeld (verdeelde mark). Nog tegenwoordig worden overblijfselen van dit gemeenschappelijk bezit op ons diluvium aangetroffen.

Den landbouw beschouwden de Germanen als hunner onwaardig ; deze werd aan de vrouwen en lijfeigenen overgelaten. Nijverheid was bij hen zoo goed als onbekend. De handel was slechts ruil van het eene voorwerp tegen het andere.

Mun godsdienst was natuurdienst, d. w. z. de natuurkrachten werden onder den een of anderen naam aangebeden. Wie zich hier beneden als een dapper man had gedragen, kwam na zijn dood in Walhalla, waar eeuwige drinkgelagen werden gevierd, en waar men dronk uit de schedels der verslagen vijanden.

Treurig was het lot van slaven en lijfeigenen. Zij werdep wel is waar niet wreed, maar toch zeer hard behandeld. Over gewichtige aangelegenheden moest de volksvergadering besluiten nemen. Alle vrijen hadden stemrecht in deze vergadering, die meest bij volle en nieuwe maan gehouden werd op eene gewijde plaats (dietsveld of thing). Van de volksvergaderingen gingen alle wetten uit; ook werden daarin aanklachten gedaan , twisten beslecht en misdaden gevonnist. De straf bestond gewoonlijk in eene boete (weergeld). Kon de boete niet voldaan worden, dan kon de beleedigde zich recht verschafdoor de bloedwraak. Soms liet men de beslissing over aan een godsoordeel (ordaliën).

Friezen , Franken en Saksen. Onze voorouders behoorden tot drie Germaansche stammen; de Friezen , de Franken en de Saksen. De Friezen woonden in den Romeinschen tijd

ocr page 159

119

van den mond van den Rijn bij Katwijk tot den mond der Eems. Ten oosten van de Eenis (in het latere Oost-Friesland en Noord-Friesland) en ten zuiden van den genoemden Rijnmond (in Zeeland en Vlaanderen) woonden aanverwante stammen. Nog tegenwoordig kan dat, vooral op Schouwen en Walcheren en in enkele deelen van Vlaanderen , aan eenige uitdrukkingen in de taal en aan zeden en gewoonten opgemerkt worden. De Franken hebben echter later op deze met de Friezen verwante stammen bezuiden den Rijn de overhand verkregen.

De Saksen woonden oorspronkelijk aan de oevers van de Elbe. Van daar drongen zij naar het westen door en vestigden zich in het oostelijk gedeelte van ons land, waar zij in Twente en den Achterhoek de Tubantcn en Chamavenin quot;.ich opnamen. In het westen van Drente stootten zij op de Friezen , waardoor aan de grenzen van Drente en Friesland eene vermenging ontstond, bekend onder den naam van Friso-Sasken. Op sommige plaatsen drongen zij zelfs het westelijk gedeelte van ons land binnen. Enkele plaatsen aan de duinen (Sassen heim = Saksenheim) schijnen ten minste van Saksischen oorsprong te zijn. De derde Germaansche stam, waarvan de Nederlanders afstammen, is de Frankische. De Franken werden verdeeld in Salische (Sala = IJsel) en Ripuarische (Ripa — oever) Franken. De laatsten woonden langs de oevers van den Rijn en drongen in het midden van de vierde eeuw veroverend westwaarts. Hunne stamgenooten in Nederland sloten zich bij hen aan en veroverden de streken, die nu de Betuwe, Noord-Brabant, Limburg en Zeeland uitmaken. Zij namen de Batavieren, die zich reeds vroeger in de Betuwe gevestigd hadden, en de MenapiCrs, die in Zeeland woonden, in hun verbond op. Ook Holland ondervond op groote schaal hun invloed.

De Friezen wisten altijd hunne vrijheid te handhaven. Wel hadden zij in den beginne te kampen met de Franken, die

ocr page 160

120

hen zelfs noodzaakten tot liet Christendom over te gaan , en later met de Saksen , die hun menigen gevoeligen slag toebrachten ; maar toch wisten zij zich altijd onafhankelijk te houden. Tot dat doel sloten de Zeven Priescbe Zeelanden dan ook een verbond. De jaarlijkscbe bondsvergaderingen werden gehouden onder den Upstalboom bij Aurich. Het ging daar geheel toe als op eene oude Germaansche volksvergadering. De rechtzittingen werden in de open lucht gehouden weerstallen). Verschillende oorzaken deden later dit verbond teniet gaan. Gedurende de republiek hadden de Friezen in den regel hunne eigene stadhouders, en nog tegenwoordig onderscheiden zij zich in vele opzichten van de overige bewoners ties lands. Lang behielden zij nog hunne eigene taal, maar sedert de zeventiende eeuw begon ook het uit het Hollandsche dialect onstane Nederlandsch ingang te vinden; toch wordt het echte Friesch nog op vele plaatsen, vooral op het platteland , gehoord.

De Saksische gewesten van ons land (Drente, Twente. Salland en de Achterhoek) onderscheiden zich in vele opzichten van de overige streken. De bevolking spreekt er eigenaardige dialecten , die nog slechts weinig door de Nederland-sche taal verdrongen zijn. De oorzaak hiervan moet natuurlijk-gezocht worden in de betrekkelijk groote afzondering, waarin de bevolking leeft. Ook de zeden en gewoonten zijn eigenaardig en herinneren ons in vele opzichten aan vroegere tijden i paaschvuren , spinmalen). Het is vooral in de Saksische streken dat zich het gemeenschappelijk of communaal bezit op vele plaatsen heeft weten staande te houden.

Het zuidelijk gedeelte van Utrecht en Gelderland en de provinciën Limburg en Noord-Brabant zijn zuiver Frankisch. In het zuiden van Holland en in Zeeland wonen Friso-Franken.

Op de Veluwe wonen de drie stammen bij elkander. De oostelijke deelen van de Veluwe , vooral langs de IJstloevers, zijn Saksisch; het zuidelijk gedeelte is Frankisch; en het

ocr page 161

121

westen, langs de Zuiderzee, is Friesch. Met is opmerkelijk dat juist op de Vel uwe, waar de bodem gemengd is , ook de bevolkingr uit verschillende bestanddeelen bestaat. Soms wor-den in eene enkele gemeente verschillende dialecten gesproken. Zelfs de kleederdrachten loopen in aan elkander grenzende plaatsen sterk uiteen.

De drie genoemde stammen hebben ieder hunne eigenaardige kenmerken. De Friezen zijn over het algemeen groot van gestalte, hebben blond haar, blauwe oogen en eene blanke huid ; de Saksen zijn kort en gezet, hebben ook blond haaien blauwe oogen , maar zijn veel minder blank van huid : de Franken eindelijk zijn niet groot, hebben dikwijls bruin haar en bruine oogen en eene donkere gelaatskleur. De Friezen zijn schrander en levendig , en hebben grooten zin voor de-exacte wetenschappen ; de Saksen zijn minder scherp van oordeel, maar ook zachter en goedaardiger; do Franken zijn gewoonlijk goedhartig en vriendelijk , maar zeer sterk aan het oude gehecht. Ook in de middelen van bestaan kan men het onderscheid tusschen de drie stammen opmerken , hoewel hier de ligging van het land en de gesteldheid van den bodem ook invloed hebben uitgeoefend. De hoofdmiddelen van bestaan zijn bij de Friezen : landbouw , veeteelt, visscherij en handel ; nijverheid en industrie worden door hen minder beoefend. Bij de Saksen is de landbouw hoofdzaak ; veeteelt , handel en visscherij treft men bij hen weinig aan ; de nijver-heid is echter zeer aanzienlijk (Twente en Westf\'alen). De Franken komen, wat de middelen van bestaan aangaat , in vele opzichten met de Saksen overeen. Men vindt onder hen een aantal beoefenaars van de kunstnijverheid.

Karakter der Xederlanders. Uit de samensmelting van deze drie stammen zijn de tegenwoordige Nederlanders ontstaan. De naam Bataven (van Batavieren), die men hun dik-

ocr page 162

122

wijls geeft, is dus onjuist. De Nederlander heeft eenige karaktertrekken, waardoor hij zich van zijne naburen en andere volken onderscheidt. Hij is in de eerste plaats geduldig. Onzegeheele geschiedenis is daar om dat te bewijzen. Godsdienstzin is van vroegere dagen af een sieraad van ons volk geweest. De strijd niet het woedende element en het gevaar , waarin men daardoor onophoudelijk verkeerde , heeft daartoe zeker bijgedragen. Liefdadigheid werd reeds vroeg beoefend. Men denke slechts aan de gasthuizen (later ziekenhuizen) van de Middeleeuwen , en aan de talrijke instellingen van liefdadigheid (waaronder de zoogenaamde hofjes eene eerste plaats bekleeden) van de 17de en 18de eeuw. Wanneer men echter voor deze instellingen de geslachtswapens en de titels der stichters ziet prijken, dan valt het niet te ontkennen , dat de ijdelheid aan onze voorvaderen niet vreemd was. Het „laat de linkerhand niet zien wat de rechter doetquot; werd door hen niet al te strene opgevat. Dit blijkt ook o. a. uit de dwaze kleederdrachten , welke men den kinderen der weeshuizen gaf, en waarmede men deze nog tegenwoordig ziet prijken. Ook in onzen tijd is de Nederlandsche liefdadigheid nog groot, maar toch niet grooter dan in andere beschaafde staten.

De Nederlander is, tengevolge van het gure klimaat, huiselijk. Daarom maakt hij zich dan ook zijn te huis zoo aangenaam mogelijk. De fraaie en gemakkelijke meubelen, de tapijten , de schilderijen aan de wanden , de zilver- en porcelein-kasten, die men in de woningen der gegoeden aantreft, kunnen daarvan getuigen. In meer zuidelijk gelegen landen, waar het klimaat gunstiger is, zoekt men iets dergelijks tevergeefs. Ook de wijd vermaarde Hollandsche zindelijkheid staat met het vochtige klimaat in verband. Zij beperkt zich echter tot de laagveenstreken, waar men wel genoodzaakt is, voor het hoofdmiddel van bestaan (zuivelbereiding) , de grootst mogelijke reinheid in acht te nemen. In de overige deelen onzes lands is men stellig niet zindelijker dan in andere landen; op de dilu-

ocr page 163

123

viale streken laat zij zelfs veel te wenschen over. Het aantal openbare badinrichtingen is zeer gering.

De praclische geest van ons volk is algemeen bekend ; wij vragen in de eerste plaats naar het nut en het voordeel eener zaak. Het gevolg hiervan is, dat menige goede instelling óf zeer laat, óf in het geheel niet tot stand komt. De ondernc-mingsgeest was vroeger (in de 17de eeuw) grooter dan tegenwoordig. Mannen als Heemskerck , Steven van der Haghen, Sebald de Weerd, Pieter Both , Cornelis de Houtman, Bontekoe , van Neck , Spilbergen, Matelief en anderen hebben dit door hunne daden bewezen. Het valt echter niet te ontkennen, dat het winstbejag dikwijls de perken te buiten ging, en tot daden leidde, die onze hoogste afkeuring verdienen.

Op het terrein van de kunst hebben wij welverdiende lauweren verworven. De Nederlandsche schilderschool van de 17de eeuw vormt eene afzonderlijke afdeeling in de geschiedenis vare de kunst, en dat deze hoog staat aangeschreven blijkt uit de duizenden vreemdelingen , die jaarlijks ons Rijksmuseum, het Mauritshuis, het museüm Boymans, het stadsmuseüm te Haarlem en in den Haag, het westfriesch museüm te Hoorn eit nog een groot aantal particuliere verzamelingen komen bezichtigen. Onze kunst was en is nog echt nationaal. De Hollandsche schilders kozeti in verreweg de meeste gevallen ons land ere ons volk tot onderwerp. De weiden van Potter, de landschappeic van Cuyp, de stadsgezichten van Ruysdaal, Van der Meer ere Van Goyen, de schutter- en regentenstukken van Hals ere Rembrandt, de voorstellingen van het huiselijk leven door Jaiï Steen, de schepen van Willem van de Velde, de kerken vait Saenredam en de paarden van Wouwerman zijn wereldberoemd. Door de weinige achting, die wij, tot voor korten tijd, voor deze meesterwerken hadden , zijn de meesten naar dc buitenlandsche musea verhuisd.

Het misbruik maken var; sterke dranken is van ouds in Nederland onder alle klassen der bevolking zeer sterk ; niet

ocr page 164

124

minder dan IO a 12 Liters wordt gemiddeld jaarlijks per hoofd gebruikt, wat eene waarde van ongeveer 40 millioen gulden vertegenwoordigd. Het gure en vochtige klimaat heeft zeker dit misbruik in de hand gewerkt.

De volksontwikkeling is in ons land, vergeleken met andere landen , vrij groot. In weinig landen wordt dan ook zoo veel voor het onderwijs gedaan als in Nederland, waaruit natuurlijk niet volgt, dat er reeds genoeg gedaan is. Vooral in dc laatste jaren is de algemeene ontwikkeling veel vooruitgegaan, maar toch laat zij nog onder dc minder gegoeden ontzaglijk veel te wenschen over. Het aantal schoolgaande kinderen is percentsgewijze veel vermeerderd. Het aantal miliciens , dat kan lezen en schrijven, neemt percentsgewijze van jaar tot jaar toe. Onder de gevangenen wordt het aantal van hen, die deze eenvoudige kundigheden niet bezitten , gaandeweg kleiner. Wanneer men het lezen en schrijven als maatstaf van ontwikkeling aanneemt, dan kan men zeggen, dat de noordelijke provinciën van ons land boven de zuidelijke staan.

Het grootste gedeelte van de bevolking van ons land belijdt het Protestantisme. Dc Friezen , Friso-Saksen en Friso Franken zijn grootendeels hervormd. De Saksen zijn gedeeltelijk hervormd en gedeeltelijk katholiek. Bij de Franken heeft het Katholicisme de overhand.

Het Frotestantisme heeft dus zijn zetel opgeslagen in onze kleistreken , het Katholicisme op het Rijn- en Maas-diluvium; het Scandinavisch en Gemengd-dilivium telt onder zijne bewoners zoowel protestanten als katholieken.

Men telt in ons land (1889);

Aantal, pet. der bev. Protestanten 2.728.810 60.5S R. Katholieken 1.596 48S 35-39 Israelieten 97.000 2.15

Overigen 94 000 1.96

ocr page 165

X.

Middelen van bestaan.

Landbouw. Voor we beginnen met het een en ander omtrent onze belangrijkste middelen van bestaan te zeggen, moeten \\vre eerst iets meededen omtrent het gebruik, dat men van den bodem maakt.

Voor den landbouw gebruikt men ruim 1/4 van onzen bodem, een stuk, dat ruim zoo groot is als de provinciën Gelderland en Overijsel bij elkander. Het wei- en hooiland (groenland) beslaat ruim 1/3 van onzen bodem, een stuk, zoo groot als Gelderland, Limburg en Noord-Brabant samen. Ruim de helft van onzen bodem wordt dus voor den landbouw en de veeteelt gebruikt. Ruim 15 van den bodem ligt nog woest: het overige wordt ingenomen door bosschen, warmoezerijen, dijken , wegen, rivieren en andere wateren. De warmoezerijen beslaan ecne oppervlakte, zoo groot als de ITaarlemmermeerpol-der ; de bosschen hebben te zamen eene oppervlakte als de provincie Groningen. We laten hier de indeeling van den bodem in 1S88 volgen, eerst in Hectaren, later in percenten van de oppervlakte.

ocr page 166

126

Hectaren.

percent.

Woeste grond

7i2000

21.6

Wateren

i26000

3-s

Dijken en wegen

44000

i.s

Onbelaste grond

92000

2.8

Beb, en lustgronden

37000

1.2

Bouwland

859000

26.1

Grasland

1144000

34-7

Tuinen

29000

O.9

Boomgaarden

24000

oJ

Bosch

226000

6.9

Grafische voorstelling van de oppervlakte der verschillende gronden.

woeste grond.

wateren.

dijken en wegen.

onbelaste grond.

beb. en lustgronden.

bouwland.

grasland.

tuinen.

boomgaarden.

bosch.

ocr page 167

127

Van de provinciën hebben de meeste woeste gronden : Drente (54%), Overijsel (34°/-,), Noord-brabant (380/0) en Gelderland (24%) ; de meeste bouwlanden ; Zeeland (5 $0/0), Groningen (52%) en Limburg (4i0/0); de meeste wei-en hooilanden : Friesland (60%), Noord-Holland (550/0) , Zuid-Hol-land (54%) en Utrecht (49%). Groningen, Gelderland, Zuid-Holland en Limburg hebben ieder dezelfde oppervlakte aan warmoezerijen en tuinen. Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg hebben de meeste boschgronden.

De belangrijkste middelen van bestaan in ons land zijn de landbouw en de veeteelt. Beide zijn in hooge mate afhankelijk van den bodem. De landbouw hoort voornamelijk thuis op de kleigronden, de veeteelt op de minder zware kleigronden en op de lage veenbodems. De diluviale gronden hebben echter ook landbouw en veeteelt, maar op veel kleiner schaal.

Het is bij de beschrijving van den landbouw gewichtig te weten of de bebouwer zijn land in vollen eigendom bezit of slechts in pacht heeft. Hij die zijn eigen grond bebouwt, zal er natuurlijk meer moeite aan ten koste leggen dan een ander, die zijn land slechts gehuurd heeft. De grondbezitter let niet alleen op het voordeel van het oogenblik, maar houdt ook het oog op de toekomst gevestigd; de pachter daarentegen tracht slechts oogenblikkelijk voordeel te behalen en put daardoor den bodem dikwijls uit. Toch hangt hier natuurlijk weder veel af van de voorwaarden, waarop het land gehuurd is.

Percentsgewijze is de verhouding tusschen eigenaars en pachters (1891) in de verschillende provinciën als volgt:

eigenaars.

pachters.

Groningen

77:9 pet.

22,1 pet.

Friesland

39,3 *

60/ „

Drente

6c

40 V

Overijsel

67,5 V

32,5 r

Gelderland

56,9 „

43,2 v

Utrecht

48,3 V

51,7 r

ocr page 168

pachters.

eigenaars.

Noord-Holland 53 pet.

Zuid-Holland 46,1 ,,

Zeeland 39,® ,,

Noord-Brabant 67,* „

Limburg 57,quot; „

Nederland 57,\'J „

Groningen, Noord-Brabant en Overijsel hebben dus eene gunstiger verhouding dan Zeeland en Zuid-Holland. In geheel Nederland is het aantal eigenaars ongeveer een derde grooter dan het aantal pachters.

Waar de grond verpacht wordt is het in het belang van den landbouw dat de pachttermijnen lang zijn. Is de pacht-termijn te kort, dan zal de huurder natuurlijk weinig of geen verbetering aanbrengen , want de pachttijd is te kort om er alle voordeden van te plukken. Het noodzakelijk gevolg daarvan moet zijn uitputting van den bodem en dus zeer schrale oogsten. In ons land is de pachttermijn zelden veel langer dan 10 jaar. Andere landen hebben in den regel veel langere pacht-contracten. In Zeeland duren de pachtcontracten 4 , soms ook 7 , eene enkele maal 14 jaren ; in Zuid-IIolland 4 , 14. of 20 jaren; in Utrecht 4, 6 en 9 jaren; in Friesland schijnt 7 jaren de gewone regel te zijn.

Een zeer gebrekkig stelsel van pacht was de zoogenaamde halfbouw, waarbij de eigenaar en de pachter de opbrengst gelijk met elkander deelden. Het was slechts zeer zelden dat de pachter onder dit stelsel besloot den grond te verbeteren. In Limburg en Noord-Brabant was het vroeger veel in gebruik. Sommige pachters in Limburg heeten nog halvers.

Een beter pachtstelsel bestaat in Groningen ; het \'s bekend onder den naam van beklemrecht. De pachter heet beklemde meier. Deze beklemde meier is bezitter van den grond tegen eene lage, nooit vervallende pacht; op het kadaster staat hij als eigenaar te boek. Het grootste voordeel van dit

ocr page 169

129

stelsel bestaat daarin , dat de pachter van alle verbeteringen , die hij in zijn grond brengt, zelf alle voordeden plukt. Hij wordt c\'us , evenals de eigenaar, onophoudelijk aangemoedigd zijn grond te verbeteren. In de bovenstaande opgave zijn de beklemde meiers als grondeigenaars aangemerkt.

1 Iet groote grondbezit, dat in vele opzichten zoo nadeelig werkt, is in ons land niet zeer uitgebreid. In 1891 had men in geheel Nederland slechts 126 eigenaars en So pachters, die meer dan 100 Hectaren bebouwden. Het aantal eigenaars van bouwgronden beneden de 5 Hectaren bedroeg in hetzelfde jaar 44000, het aantal pachters 32000. Het kleine grondbezit heeft dus kennelijk de overhand.

Verschillende landbouwstelsels zijn in ons land in gebruik. Het minst omwikkelde is de weidebouw, waarbij een stuk land bebouwd wordt tot het uitgeput is, en dan als weide blijft liggen , tot de grond zich weder hersteld heeft. In het westelijk gedeelte van ons gemengd diluvium wordt dit stelsel nog aangetroffen. Men noemt zulke landen daar driesland. Zij worden een jaar met rogge bebouwd en blijven dan weder een aantal jaren als schapenweide liggen.

Uit de weidebouw ontwikkelde zich langzamerhand de korenbouw met braak, d. i. het stelsel, waarbij men de akkers afwisselend met graan bebouwt en braak laat liggen. In sommige streken van onze zee- en rivierklei is dit stelsel nog in gebruik, maar op de meeste plaatsen is het vervangen, eerst door den drievelden-bouw en later door het drieslag stelsel. Bij den drievelden-bouw werd 1/3 met zomerkoren en I 3 met winterkoren bezaaid, terwijl het overige onbebouwd (braak) bleef. Het tegenwoordige drieslag-stelsel komt in verschillende vormen voor. Gewoonlijk wordt het derde gedeelte, dat vroeger braak lag , met boekweit of iets anders bc/.aaid. De Vlanmsche bouwerij komt meest in het zuiden van ons land, in Xoord-ISrabant en Zeeuwsch-Vlaanderen , voor. Zij is veel voordeeliger dan het drieslagstelsel. Dc hoofdzaak in dit stelsel

Wunderlich, AardrijksJciDidc.

ocr page 170

130

is zware bemesting van den grond, waarmede eene zorgvuldige bewerking moet gepaard gaan. Om niets van den mest te verliezen , laat men het vee in den stal.

Koppelbouw is het afwisselend gebruik van den grond als bouwland en weiland. Meestal gaat daar wisselbouw mede gepaard Men laat in dit laatste stelsel de gewassen , die op een akker gekweekt worden , elkander behoorlijk afwisselen. Eene nauwkeurige kennis van de bestanddeelen, die ieder voedingsgewas uit den grond trekt, moest voorafgaan , eer dit stelsel kon ingevoerd worden.

Gaan we nu onze verschillende bodems na en zien wc welke landbouwproducten zij opleveren. De zeeklei levert in de eerste plaats tarwe (Zeeuwsche) en verder haver, gerst en kanarie. De tarwe is in het westen van ons land het broodkoren, evenals de roctre het in het oosten is ; verder dient de tarwe nog

OO ö

tot bereiding van stijfsel en scheepsbeschuit. De gepelde gerst noemt men gort en parelgort, die als voedsel gebruikt worden; overigens speelt de gerst ook in onze bierbrouwerijen eene groote rol (gerstenbier). Van het stroo van tarwe en rogge maakt men stroopapier.

Zeer belangrijk zijn in dit gebied de peulvruchten : boonen en erwten , nl. tuin- of groote boonen , stamboonen , paarde-boonen en duiveboonen. Verder ook de oliezaden, nl. kool- en raapzaad , zwart en wit mosterdzaad en maankop (eene soort papaver). Het raapzaad wordt in de oliemolens uitgeperst om de raapolie te verkrijgen, die echter meer en meer voor de petroleum en het gas wijken moet, zoodat dan ook de teelt van dit gewas afneemt. Van de overblijfselen maakt men de bekende raapkoeken. Uit den maankop perst men de door schilders gebruikte papaverolie.

De belangrijkste wortelgewassen , die op de zeeklei geteeld worden, zijn: de aardappel, de suikerbieten, de penen en knollen , de cichorei en de meekrap. De aardappelen komen in verschillende soorten voor. De Geldersche stoelenmatters en

ocr page 171

131

dc Friesche jammen munten uit door voedzaamheid; de West-landsche aardappels en duinaardappels (van de geestgronden) zijn de aangenaamste. De aardappels uit de Groninger Veenkoloniën worden meest gebruikt in de branderijen en aardappelmeelfabrieken van die streken. Dc suikerbieten zijn eerst belangrijk geworden sedert het begin van devie eeuw (continen-taa!-stelsel). De meekrapteelt van Zeeland cn Noord-Prabant wordt gaandeweg minder door het toenemend gebruik van aniline.

Ons vlas wordt verbouwd in Friesland, Zeeland en Noord-Brabant De uitvoer is zeer aanzienlijk. Uit het zaad bereidt men de lijnolie en de lijnkoeken; van de vezels maakt men linnen , kant en batist.

De tuin- en ooftbouw bloeien voornamelijk in de nabijheid van de groote steden. Het Westland bijv. is bekend om zijn groententeelt. Bovendien hebben enkele streken nog het een of ander bijzonder product. Zoo bijv. kool en vruchten in het geheele noorden van Noord-Holland , uien op de Zeeuwsche cn Zuid-Hollandsche eilanden, koriander en komijn in West. Friesland, artsenijgewassen bij Noordwijk, sierplanten bij Boskoop, bloembollen langs de duinstreken van Kenncnicr-land , enz.

Op onze rivierklei verbouwt men bijna dezeltde gewassen als in het voorgaande gebied. Daarbij komt echter dc hop , vooral in het land van Heusden en de Bommelerwaard. Zij wordt veel in de Noord-Brabantschc bierbrouwerijen gebruikt. Minder belangrijk dan vroeger is in dit gewest de tabak, die meestal bij Amersfoort (sedert 1615), bij Wageningen, in dc Opper-Betuwe en in het land tusschen Maas cn Waal verbouwd wordt. Vlas en hennep komen meest voor in dc streken tusschen de Merwede en den Hollandschcn IJsel. De hennep ^evert, behalve de bekende vezelstof, waarvan zeildoek en touw gemaakt wordt, ook hennepolie en hennepzaad. Het laatste is als vogelvocder belangrijk. Aanzienlijk is ook dc

9 *

ocr page 172

132

tuin- en ooftbouw op onze rivierklei. Kersen, pruimen, appels peren , - frambozen en aardbeien vormen hier een belangrijk handelsartikel, dat ook in het buitenland zeer gezocht is.

Onze onvruchtbare diluviale gronden zijn natuurlijk slechts voor een beperkt aantal gewassen geschikt, en leveren meestal schrale oogsten. Men verbouwt op deze gronden : rogge, aardappelen , haver, zomergerst en een weinig vlas, vooral op de groengronden. Op het hoogveen ook veenboekweit. Als veevoeder verbouwt men ook knollen en spurrie. De bouwgronden van het diluvium liggen in den regel om de dorpen. Men noemt ze gewoonlijk esch. Deze eschgronden moeten sterk bemest worden , waardoor eene uitgebreide veeteelt noodzakelijk wordt. Ook plaggen worden als mest gebruikt. In de volgende tabel wordt de oppervlakte opgegeven, die onze voornaamste gewassen van den bodem innemen, benevens de opbrengst van den oogst (1891).

Oppervlakte.

Opbrengst.

Tarwe

58583 Hectaren

I234OOO

Rogge

183506

2918000

Wintergerst

19547

V

733000

Zomergerst

25706

842000

Haver

152709

77

6530000

Zandboekweit

39212

V

533000

Veenboekweit

4351

JJ

24000

Boonen

40/74

H

1056000

Erwten

28009

n

456000

AVinterkoolzaad 2249

11

46000

Aardappelen

149534

ii

16001000

Suikerbieten

22531

V

420910000

Cichorei

1095

1*

1S802000

Vlas

14433

1^

5984000

Tabak

Ö57

iquot;)

1087000

ocr page 173

133

Kent men de gemiddelde marktprijzen van onze landbouwproducten , dan is het niet moeielijk daaruit de waarde van onzen geheelcn oogst te berekenen. Berekent men hoeveel de opbrengst van onze belangrijkste landbouwproducten per hoofd bedraagt, dan verkrijgt men voor de tarwe bijna It Hectoliter, voor de rogge ruim Va Hectoliter en voor de aardappelen 4 Hectoliters.

Veeteelt. Onze veeteelt bloeit het meest in Friesland, Noord-Holland en Zuid-Holland. In deze provinciën vindt men dan ook de meeste wei- en hooilanden. Verder komen voor de veeteelt nog in aanmerking Groningen, de Betuwe , het noorden van Noord-Brabant, het westen van Overijsel en van Utrecht en bijna geheel Limburg.

Wij laten hier een overzicht volgen van het aantal Hectaren , dat iedere provincie aan groenland (wei- en hooiland) bezit (188S).

percent van de oppervlakte.

wei- en hooiland in Hectaren.

Groningen

Friesland

Drente

Overijsel

Gelderland

Utrecht

N. Holland

Z. Holland

Zeeland

N. Brabant

Limburg

59165 2CI357 66141 110139 142710 68433 153439 164768 36973 115723 25216

Nederland 1144c 66

34.\'

ocr page 174

134

In de lage veenlanden van Holland en Utrecht (de koepolders) is de veeteelt het belangrijkste middel van bestaan. Het Hollandsche vee, uit het noorden van ons land afkomstig r is zwaar en geeft veel malk. Het maken van boter en kaas-is in dit gewest dan ook eene; hoofdbezigheid. De voornaamste markten voor zuivelproducten (boter en kaas) in dit gebied zijn ; Leiden (Leidsche kaas), Edam (Edammer kaas) Gouda (Stolksche kaas), Delft (roomboter), Alkmaar en Hoorn.. De gewichtigste veemarkten in dit gewest zijn die van Hoorn,. Purmerend, Amsterdam, Leiden, Delft, Gouda, Rotterdam en Utrecht.

De Zeeuwsehe runderen, die in den laatsten tijd met Engelsch vee gekruist zijn, stammen waarschijnlijk af van het roodbonte Vlaamsche ras, dat nog veel in Zeemvscb-Vlaan-deren voorkomt. Het Priesche en Groningsche vee, waarvan het laatste ook met Engelsch vee gekruist is, geeft ved melk. Ook hier is de zuivelbereiding zeer belangrijk. Onder het Geldersche vee verdient vooral dat van de IJselstreken van de Betuwe en van de Lijmers genoemd te worden. In Limburg en Noord-Brabant wordt de os als trekdier gebruikt.. Het rund van de diluviale streken is gewoonlijk mager.

Onder de paarden van ons land verdienen vermelding: het Friesehe en het Groningsche paard. Beiden worden als koetspaarden gebruikt , het eerste bovendien als harddraver (harddraverijen in Friesland), het laatste als werkpaard. De Zeeuwsehe paarden zijn minder mooi dan dc Friesehe , maar veel sterker. De Geldersche paarden zijn zeer sterk (artillerie-paarden) en bij uitstek geschikt om de zware klei van de Betuwe te bebouwen. In het zuiden van ons land, in Noord-Brabant en Limburg, gebruikt men de zoogenaamde roodschimmels van het Ardenner ras, die zeer sterk zijn, als werkpaarden..

De schapenteelt is het belangrijkst op het diluvium. Op-bijna al onze heidevelden, maar vooral op die van Drente-en Overijsel , vindt men de langstaarten , die om hun wol em

ocr page 175

vlecsch gehouden worden. Om niets van den mest te verliezen , laat men ze \'s nachts in de stallen : over dag zijn ze onder het opzicht van den scheper en zijn hond (schepershonden) op de heide.

Het Veluwsehe Schapenras (markt te Rarneveld) heeft veel wol. Dikwijls worden deze schapen vet gemest en dan naar Engeland verzonden Ook in Noord-Holland, vooral op Texel, is de schapenteelt aanzienlijk.

Ook de varkensteelt is in Nederland belangrijk. Zij worden het meest op het diluvium gefokt.

Belangrijke paardenmarkten worden gehouden te Utrecht, Deventer en Zwolle; schapenmarkten te Purmerend , Leiden , Alkmaar, Barneveld, Hoorn, Rotterdam, Groningen en Leeuwarden ; varkensmarkten te Tiel, Amsterdam , Groningen en Venlo, biggenmarkten te Arnhem en Roermond.

De bijenteelt behoort ook op onze heidevelden t!.iuis. Waaneer in Augustus en September onze heideplanten bloeien , halen de bijen den honig uit de bloempjes (heidehonig), wat zij reeds vroeger in het jaar hebben gedaan op de boekweiten koolzaadvelden. Veel bijenhouders (iemkers) wonen in Drente (Emmen , Hoogeveen en Borger), op de Veluwe (Bar-neveld en Apeldoorn), in het heuvelland van Utrecht (Venen-daal), in het Gooiland (Hilversum) en op de heidevelden van Noord-Brabant (Tilburg) en Limburg.

Onze veestapel bedroeg in 1851 :

271.900 1.532.100 810.600 187.000 987.900

Paarden

Runderen

Schapen

Bokken en Geiten Varkens

llanilcl en Scheepvaart. Nederland drijft nog altijd een zeer uitgebreiden handel, die echter niet zoo groot meer is. als in de zeventiende eeuw. We kunnen echter zeer moeielijk

ocr page 176

136

nauwkeurige vergelijkingen maken , daar men gedurende den bloeitijd der republiek weinig werk maakte van statistische tabellen. Zeker is het dat ons vaderland toen den eersten rang innam onder de handeldrijvende mogendheden , terwijl het nu tot den zevenden is afgedaald. Toch zijn wij in r\'e laatste 25 of 30 jaren aanmerkelijk vooruitgegaan ; in de eerste plaats door de aanzienlijke vermindering van alle invoerrechten en de geheele afschaffing van alle uitvoerrechten en verder door de groote uitbreiding , die ons spoorweg).et heeft ondergaan. De waarde van den geheelen invoer , die in 1850 nog slechts 184 millioen gulden beliep, was in 1891 reeds gestegen tot ongeveer 1400 millioen gulden ; de waarde van den uitvoer beliep in 1850 ongeveer 132 millioen gulden en was in 1891 tot bijna 1200 millioen gulden gestegen. On/.e koloniale artikelen spelen nog altijd eene aanzienlijke rol bij den uitvoerhandel.

De voornaamste invoerartikelen zijn : tarwe uit Rusland en de Vereenigde Staten ; rijst van Java ; timmerhout uit Noorwegen , Zweden en Rusland ; ijzer, staal en koper uit Engeland , Zweden en Duitschland : steenkolen uit Engeland en Duitschland : ongesponnen katoen en garens voor de katoenspinnerijen uit Engeland ; hennep uit Rusland ; petroleum uit Amerika ea Engeland ; pek , teer en terpentijn uit Zweden. Bovendien ontvangen we uit het buitenland nog grootere of kleinere hoeveelheden talk en vet, wol, zijde en zijden stoffen , wijn, papier, tabak, koffie , thee, krenten . goud en zilver , glas, porcelein , aardewerk enz.

Onze belangrijkste uitvoerartikelen zijn : vee, boter en kaas, vlas, gedistilleerd , raap- en lijnolie, versche en ingemaakte groenten-, enz.

Onze uitvoerhandel is echter vooral belangrijk door de koloniale waren. Wij leveren aan het buitenland : suiker , koffie , tabak en sigaren, tin en indigo.

De voornaamste landen, die invoeren , zijn : Engeland ,

ocr page 177

137

Pruisen , Java , Belgic , Rusland , Noord-Amerika en Frankrijk. De uitvoer heeft meestal plaats naar Pruisen, Engeland, Belgie, Java, Italië en Hamburg.

Behalve de reeds behandelde in- en uitvoerhandel , heeft Nederland ook een niet onaanzienlijken doorvoer of transitohandel. De meest gewone wegen zijn : van België naar Engeland , van Frankrijk naar Hamburg en omgekeerd, van Pruisen naar België en Engeland.

O

Onze voornaamste handelssteden zijn : Amsterdam , dat op bijna alle deelen van de wereld handel drijft, en door zijne kanalen en spoorwegen met alle streken van het land in gemakkelijke verbinding staat; Rotterdam, eene niet minder drukke handelsstad , maar met veel minder kapitaal; Harlin-gen , dat zijn handel voornamelijk tot Engeland en het noorden beperkt; Vlissingen, dat door den aanleg van de nieuwe havenwerken en de spoonveglijn Bergen-op-Zoom—Vlissingen veel vooruit zal gaan. Verder zijn voor onzen buitenlandschen handel nog van gewicht: Dordrecht. Schiedam , den Helder Groningen , Delfzijl en Zaandam.

Onze binnenlandsche handel is, tengevolge van de groote

7 O O O

menigte kanalen en waterwegen en ook door het uitgebreide spoorwegnet, zeer belangrijk. Iedere provincie telt een grooter of kleiner aantal plaatsen, waar zeer drukke weekmarkten worden gehouden , en waar de bewoners van den omtrek zich van al hunne behoeften kunnen voorzien. In geen land heeft men tot in de kleinste plaatsen zooveel winkels als in ons land-De omvang van ons binnenlandsch verkeer kan eenigszins afgemeten worden uit het aantal schepen , dat jaarlijks enkele van onze kanalen en kleinere rivieren passeert. Langs den Hollandschen IJsel bijv. passeeren elk jaar ongeveer 35000 schepen , langs het Winschoterdiep 30000, langs de (Jtrecht-sche Vecht 24000 , langs het Meppelerdiep 22000, langs de Willemsvaart 120C0, langs de Dedemsvaart 1 lOOO en langs het Merwede-kanaal 23000. Bovendien zijn er nog een groot

ocr page 178

188

aantal vaarten , waar jaarlijks niet minder dan 5000 vaartuigen passeeren.

Instellingen, die met onzen handel in verband staan, zijn : de Nederlandsche bank, de Nederlandsche handelmaatschappij en de Kamers van koophandel en fabrieken. De Nederlandsche bank is eene credietinstelüng, die aan onzen handel de grootste diensten bewijst Zij brengt bankpapier in omloop (circulatiebank), disconteert wissels, beleent goederen en effecten en is bovendien agent van \'s rijks schatkist.

De Nederlandsche Handelmaatschappij, in 1S24 opgericht, heeft het uitsluitend recht om alle aan de regeering geleverde Indische producten naar het vaderland te brengen. Sedert 1874 wordt het contract met den staat telkens voor 5 jaren verlengd , indien niet een der beide partijen het 2 jaren voor het einde van dien termijn opzegt. Zij brengt tevens tegen een vast loon de aangevoerde goederen ter markt (veilingen) en wel meestal te Amsterdam en Rotterdam , soms ook te Middelburg, Dordrecht en Schiedam. De opbrengst der verkochte artikelen (koffie , suiker , indigo , tin , specerijen enz ) bedroeg in 1892 ruim 21 mill. gld.

De kamers van koophandel en fabrieken , die men in bijna alle plaatsen van eenig belang aantreft, dienen om de regec-ring omtrent de belangen van den handel voor te lichten.

In het belang van onzen groothandel zijn ook in de voornaamste zeeplaatsen rijks-entrepöts opgericht, waar de aan invoerrechten onderhevige waren kunnen opgeslagen worden. De belasting behoeft dan eerst betaald te worden als de goederen het entrepot verlaten ; gaan zij naar het buitenland , dan behoeft in het geheel niets betaald te worden.

De Nederlandsche koopvaardijvloot telde in het jaar \'92 597 schepen, waaronder 447 zeilschepet; en 150 stoomschepen , samen inhoudende 829000 M3. De bemanning bedraagt ruim 19000 koppen.

In een land, waar handel en scheepvaart ten allen tijde

ocr page 179

139

zoo belangrijk zijn geweest als in het onze, kunnen een aantal inrichtingen en werkplaatsen, die daarmede in verband staan, niet gemist worden. Zoo heeft men veel houtzaagmolens te Dordrecht, Dubbeldam , Amsterdam , de Zaanstreek en in Friesland en Groningen ; touwslagerijen te Moordrecht, Kralingen , Lekkerkerk , Dordrecht, Gorinchem , Amsterdam , Maassluis enz.; taanderijen in de visschersplaatsen langs onze kusten; verder nog mast- en blokmakerijen, zeildoekweverijcn, kuiperijen enz.

Tisscherij. In een land , zoo rijk aan water als het onze , moet de visscherij een niet onbelangrijk middel van bestaan zijn. Men onderscheidt on?c visscherij in rivier- en zeevisscherij. De riviervisscherij is wel eens in bloeiender toestand geweest dan tegenwoordig, maar men zoekt haar toch weder te verbeteren , o. a. door de kunstmatige vischteelt of piscicultuur. Men vangt in onze rivieren en binnenwateren : zalm , paling , snoek, baars enz. De zalm, die veel minder talrijk is dan vroeger, komt voor op de Lek en de Merwede; de paling vooral in de Friesche meren; de snoek in de Hollandsche binnenwateren. De aanvoer van zalm aan het Kralingsche veer bedroeg in \'92 65000 stuks , tegen 104000 in \'85.

Dc zeevisscherij is veel belangrijker dan de riviervisscherij. Men onderscheidt haar nog weder in binnen en buitenvis-seherij; de eerste heeft plaats in on^e zeegaten (binnengaats) en op de Zuiderzee, de laatste in het ruime sop (buitengaats).

De visscherij in onze zeegaten, d. i. voornamelijk op dc /.eeuwsche en Zuid-I lollandsche stroomen , gebruikt ongeveer /64 schepen. De voornaamste plaatsen dezer visscherij zijn : Arnemuiden, Bergen-op-Zoom, Bruinisse en Tolen. Men vangt in bovengenoemde stroomen : oesters , mossels, ansjovis, gar-11 alen, panharing enz. Vooral de oestervangst is zeer belangrijk. In 1892 werden afgeleverd aan

ocr page 180

140

Kilogram stuks

versch. Ned. markten Duitschland België en Frankrijk Engeland 125126 — 1564100

397900 = 4973750

202896 — 253620c

295270 — 3691000


totaal 1021192 — 12765050

De ansjovisvangst bedroeg in datzelfde jaar 7000 ankers. Deze vangst is editor zeer ongelijk, daar het voorkomt dat er 25 maal zooveel gevangen wordt. Dat ook dc garnalenvis-.scherij niet onbelangrijk is , blijkt uit liet feit dat in \'88 voor 2426000 kilogram naar het buitenland verzonden werd. De visscherij op de Zuiderzee is vooral gevestigd te Edam, Marken, Volendam , Huizen , Bunschoten , Harderwijk , Monnikendam . Elburg en Vollenhove. Men vangt hier haring , meestal panharing genoemd, ansjovis, bot en garnalen. De panharing wordt gedeeltelijk gerookt (bokkingrookerijen), gedeeltelijk versch verkocht. In \'92 hielden zich 2800 schepen hiermede bezig. Zij brachten 61 mill, haringen aan wal, d. i. voor eene waarde van bijna 900,000 gld. De uitvoer van bokking was in datzelfde jaar zeer aanzienlijk.

De buitenvisscherij wordt nog verdeeld in kust- of schrob-netvisscherij en zeevisscherij. De kustvisscherij levert schol, tarbot, tong, rog, scharren enz. Er worden tegenwoordig 261 vaartuigen voor gebruikt, waarvan 192 te Scheveningen en 55 te Katwijk. Onze meeste versche visch gaat naar het buitenland. In 1892 bijna 2V2 mill, kilogr. naar België en 539000 kilogr. naar Duitschland. Dc eigenlijke zeevisscherij legt zich liet meest op de haringvangst toe. Deze, vroeger de groote visscherij genoemd , in tegenstelling van de walvischvangst of kleine visscherij , is nog altijd zeer aanzienlijk. In 18SS werden er niet minder dan 221 schepen (hoekers, sloepen, loggers , kotters en bomschuiten) uitgerust door Vlaardingen, Maassluis, Scheveningen, Amsterdam, Harlingen en IJmui-

ocr page 181

141

den. De waarde van onze zoutharingvangst bedroeg in hetzelfde jaar 5V2 mill. gld. Een groot gedeelte gaat naar het buitenland, vooral naar Duitschland , België, Rusland, Hamburg en de Vereenigde Staten. Niet onbelangrijk is de kabel-jauwvisscherij of de beug raar t; vooral het dorp Middelharnis vindt hierin een middel van bestaan. Onze Groenlandsvaart, die vroeger zooveel te beteekenen had, is langzamerhand zoodanig verminderd , dat nu alleen nog maar een enkel schip ter robbenvangst gaat.

De geheele Nederlandsche visschersvloot telt ongeveer 4600 schepen, die bemand zijn met 16000 koppen.

Nijverheid. Onze nijverheid, hoewel in de laatste halve eeuw sterk vooruitgegaan , kan niet vergeleken worden met die van andere landen. Nederland bezit weinig grondstoffen van eenig aanbelang en bijna geen steenkolen. Alles wat dus voor de industrie noodig is , moet van buiten aangevoerd worden. De prijzen worden daardoor hooger en men kan met het buitenland niet concurreeren. Alleen door het verbazend lage loon , dat den arbeiders uitbetaald wordt, is het mogelijk dat sommige takken van industrie het hoofd boven houden.

Onze nijverheid bewerkt bf grondstoffen tot nieuwe grondstoffen (trafieken), of zij fabriceert onmiddellijk uit de grond, stoffen bruikbare voorwerpen (fabrieken). Worden de grond, stoffen alleen met de handen bewerkt, dan spreekt men van handwerken.

Onze voornaamste fabrieksdistricten zijn : Twente en de Meierij van \'s-Hertogenbosch. Reiden zijn belangrijk door de textielnijverheid. Oorspronkelijk iiad men op onze diluviale streken, tengevolge van den vlasbouw op de groengronden, eene niet onaanzienlijke linnenindustrie. Gewoonlijk was dit echter huisindustrie (spinnewiel). Toen echter in het begin van deze eeuw de nijverheid zulk eene groote verandering

ocr page 182

142

onderging, cn dientengevolge de huisnijverheid geheel te niet ging, verdween ook onze linnenindustrie op het diluvium. Daarvoor ontwikkelde zich echter in Twente eene uitgebreide katoenindustrie, waartoe de grond reeds gelegd was in de voorgaande eeuw door Wouter ten Cate (Hengelo) en Barend van Loehem (Enschede). Eerst na de afscheiding van België nam deze inJustrie aanzienlijk toe, vooral door den grooten uitvoer naar Indie, waar de waren van vreemde mogend heden , die dikwijls veel goedkooper konden leveren , door de diffdrentieele rechten geweerd werden. Sedert deze rechten evenwel zijn afgeschaft, moet onze Twentsche industrie ook in andere landen afzet trachten te verkrijgen. Nevens de katoen gebruikt men ook als grondstof de jute, de bast van een Indischen heester. De grondstoffen voor de Twentsche industrie komen uit Engeland en worden te Harlingen , Rotterdam en Amsterdam ingevoerd. Een gedeelte komt ook over Breinen en Antwerpen. De voornaamste centrums der Twentscho industrie zijn : Enschede met stoomkatoenspinnerijen, weverijen, drukkerijen en ververijen; Hengelo met katoen en ijzerindustrie; Almelo met damastfabrieken ; Oldenzaal, ijverdal cn Goor. Enschede noemt men wel eens het Nederlandsche Manchester.

In de Meierij van quot;s-Hertogenbosch is wol de hoofdzaak en daarnevens katoen. Men fabriceert in dit district: dekens, boezels, damast, pellen {=: geruit damast) en linnen. De voornaamste middelpunten van het district zijn: Tilburg , het Nederlandsche Leeds, met laken- en flanelfabrieken ; Eind-hoven met fabrieken voor linnen, damast en kousen; Helmond met katoen en kousenweverijen; verder nog Uden, Boxtel, Woensel en Veldhoven.

Het fabriceeren van tapijten en karpetten (meest van koe-haar) geschiedt te Hilversum, Deventer, Delft en Kampen.

1 wee andere districten, waar de nijverheid op groote schaal wordt uitgeoefend , zijn : de Langstraat in Noord-Brabant en de Zaanstreek in Noord-Holland.

ocr page 183

143

Dc Langstraat is het gebied van de leerlooierijen en schoenmakerijen. De meeste heeft men in Waalwijk , Oosterwijk, Oosterhout, Loon-op-Zand en Dongen. De Zaanstreek is het gebied der papierfabrieken van ons land Ook de streek om Apeldoorn op de Veluwc heeft eenige papierindustrie.

Dc overige takken van onze nijverheid staan gewoonlijk niet de plaatselijke gesteldheid in verband. Zoo hebben onze zeesteden : scheepstimmerwerven, touwslagerijen, zeilmakerijen, taanderijen, ankersmederijen en kuiperijen. Scheepstimmerwerven vindt men voornamelijk tusschen Rotterdam en Dordrecht , verder te Amsterdam, den Melder, Harlingen , in de veenkoloniën van Groningen en in Vlissingen. De houtzaagmolens komen meest voor in de Zaanstreek,

Verder behooren in ons land ook nog thuis die takken van nijverheid, waarvoor de grondstof hier gevonden wordt. Zoo bijv. de steen-, pannen- en pottenbakkerijen langs dc rivieren cn de kalkbranderij langs de kusten. Steen- en pannenbakke-rijen heeft men langs den Ouden Rijn , tusschen Harlingen cn Leeuwarden, bij Delfzijl cn Winschoten en verder nog bij Enschede , Rijsen , Zwolle cn Winterswijk.

Fabrieken van potten en fijn aardewerk heeft men te Maastricht , Bcrgen-op-Zoom, Delft (vroeger beroemd in dit opzicht) en Gouda (ook pijpenfabrieken). Kalkovens heeft men vooral langs de kusten van Groningen , Friesland en Over-ijsel. Glasindustrie vindt men te Leerdam, Kuilenburg en Zwijndrecht. Zoutziederijen worden meest in de kustplaatsen aangetroffen.

De fabrikatie van sterke dranken heeft hare middelpunten te Schiedam , Delftshaven en Rotterdam. Schiedam is door zijne jeneverstokerijen ook in het buitenland bekend.

Bierbrouwerijen heeft men meest in Noord-Brabant en Lim-burg (gerst en hop), vooral in \'s-Hcrtogenbosch, Breda, Heus-den en Maastricht.

Olieslagerijen heeft men daar, waar veel koolzaad verbouwd

ocr page 184

144

wordt, dus in Friesland e:i Groningen ; ook de Zaanstreek heeft vele oliemolens.

Stoelen- en hoepelmakerijen worden gevonden in die streken , waar veel biezen en wilgenboomen voorkomen. Kuilenburg is de hoofdplaats voor de stoelenmakerij ; Os, Raamsdonk, jutfaas, Vreeland , IJselstein en Harmeien zijn de voornaamste plaatsen voor de hoepelmakerij. M.ittenmakerijen heeft men in waterrijke en moerassige streken , bijv. te Gene-muiden, Avereest en Blokzijl. Op onze heiden worden veel bezems gemaakt, vooral in den omtrek van Apeldoorn en Nijkerk.

De meekrapteelt in Noord-Brabant en Zeeland heeft de garancine fabrieken doen ontstaan, die men in Middelburg, Goes en Zierikzee vindt. De aniline verdringt echter meer en meer de garancine , zoodat deze fabrieken wel langzamerhand zullen verdwijnen.

be suikerraffinaderijen en tabaks- en sigarenfabrieken hebben haar ontstaan te danken aan belangrijke producten uit onze koloniën. Suikerraffinaderijen heeft men in Amsterdam , Rotterdam , Dordrecht en Groningen ; beetvvortelsuiker-fabrie-ken vooral in Noord-Brabant te Zevenbergen, Oudenbosch en Bergen-op Zoom; tabaks- en sigarenfabrieken te Eindhoven , Arnhem, Kampen , Breda , Amsterdam , Rotterdam en Maastricht.

Fabrieken van kerksieraden vindt men meest in onze katholieke provinciën , vooral te \'s-Hertogenbosch , Grave , Kuik y Helmond , Roermond en Nijmegen.

Goud- en zilversmederijen komen meest voor in onze welvarende streken , dus vooral in het westen des lands. Friesland heeft er een groot aantal (hoofdijzers). De diamantslijperijen van Amsterdam zijn door de geheele wereld beroemd , maar gaan achteruit. Ook de fabriek van goud- en zilverwerken te Voorschoten geniet in het buitenland eenige vermaardheid.

Eindelijk heeft men in ons land nog een grooter of kleiner

ocr page 185

145

aantal rijtuigmakerijen (den Haag), stijfsel- (Zaanstreek) en chocoladefabrieken (Weesp), metaalgieterijen (IJselstreek), spelden- en naaldenfabrieken (Noord-Brabant), kaarsenfabrieken (Gouda), klokkengieterijen , uurwerkmakerijen, lettergieterijen enz.

]()

üjtdeulich , Aardrijkskunde.

ocr page 186

XI.

Middelen van verkeer.

Spoorwegen. Een goed spoorwegnet is van het hoogste gewicht voor een land. De handel en het verkeer worden er door bevorderd , de prijzen van een aantal artikelen dalen aanmerkelijk; goederen, die vroeger bijna niet te krijgen waren , zijn nu om zoo te zeggen bij de hand ; het isolement van een aantal streken is opgehouden en heeft de uitbreiding der beschaving in de hand gewerkt; zeden en gewoonten worden door het geheele land gelijk. De spoorwegen hebben dus ecne nivellcercndc werking ; zij doen op vele plaatsen de oude toestanden verdwijnen en maken voor de nieuwe plaats. Met spoorwegvervoer is evenwel betrekkelijk duur, en daarom zal het goederentransport te water nog wel lang blijven bestaan, vooral omdat de prijzen van dit vervoer veel lager zijn en omdat er grootere massa\'s tegelijk kunnen vervoerd worden.

Sedert 1S39, toen de eerste spoorweg in ons land, die van Amsterdam naar Haarlem, werd geopend, heeft ons spoorwegnet zich kolossaal uitgebreid. De lengte van ons geheele net bedroeg in 1891 2633 Kilometers, tegen 14SS in 1871. liet

ocr page 187

147

aantal vervoerde reizigers bedroeg in 1891 ruim 22 Mill, personen, tegen 10 mill, in 1875. Het gewicht der vervoerde-goederen bedroeg in 1891 ruim 8000 mill. Kilogram , legen 2500 mill. Kilogram in 1S75. Het goederenvervoer is dus in een betrekkelijk korten tijd verdrievoudigd.

De volgende opgaven dienen om ons spoornet met dat van andere landen te kunnen vergelijken.

Op iedere 100 □ Kilometers heeft ons land bijna 8 Kilometers spoorweg. Op iedere 10000 inwoners telt men bijna 6 Kilometers spoorweg. In andere Europeesche landen waren deze cijfers (1882) als volgt:

op 100 □ Kil.

België

Groot-Brittannië

Zwitserland

Duitschland

Frankrijk

Oostenrijk

op lOOOO inw.

14.36 9.40 6.52 636 5.40 3.10

7-59 8.42 9.49 7-55 7-59 S.20

Alleen I3elgic en Groot-Hrittannië hebben dus een uitgebreider spoornet dan Nederland.

Van het hoogste belang voor een land zijn de aansluitingen van het spoornet met het buitenland. Ook voor ons land is dit eene zaak van het hoogste gewicht, daar Antwerpen en Bremen onophoudelijk met ons concurreeren om de Engel-sche goederen naar Duitschland te vervoeren. Wie dus het snelst en het goedkoopst vervoert , heeft de meeste kans in den kamp overwinnaar te blijven.

De aansluitingen met Duitschland zijn ;

Bij Nieuwe Schans in Groningen , vooral belangrijk voor i ladingen ;

Oldenzaal — Salzbergen ;

Enschede — Gronau ;

interswijk — Gelsenkirchen ;

ocr page 188

148

Arnhem — Emmerik en Kleef;

Nijmegen — Kleef;

Gennep — VVesel;

Venlo — VVesel;

Venlo — Creveld;

Venlo — Viersen;

Roermond — Gladbach;

Maastricht — Aken ;

De aansluitingen met België zijn :

Maastricht — Luik ;

Maastricht — Hasselt;

Eindhoven — Hasselt;

Tilburg — Turnhout;

Rozendaal — Antwerpen ;

Terneuzen — Mechelen ;

Terneuzen — Gent.

De voornaamste centrums van ons binnenlandsch spoorwegverkeer zijn : Utrecht (lijnen in 6 richtingen), Zwolle, Zutfen( Amersfoort, Apeldoorn , Venlo , \'s-Hertogenbosch en Amsterdam (ieder met lijnen in $ richtingen); Rotterdam, Haarlem, Rozendaal, Tilburg , Boxtel, Maastricht, Roermond , Nijmegen , Hengelo, Leeuwarden, Groningen en Geldermalsen (ieder met lijnen in 4 richtingen).

We laten hier de voornaamste lijnen volgen:

Utrecht — Hilversum.

Utrecht—Zwolle (Centraalspoor, verbinding met het noorden); Utrecht —Arnhem verbinding met Duitschland); Utrecht—\'s-Hertogenbosch (verbinding met het zuiden); Utrecht—Amsterdam (verbinding met onze eerste handelsstad); Utrecht — Rotterdam.

Van de laatste lijn gaan twee zijlijnen uit: een van VVoer den naar Leiden , die door het vruchtbare Rijnland loopt, en een van Gouda naar den Haag voor de snellere verbinding van de hofstad met het middelpunt des lands en Duitschland.

ocr page 189

149

Zwolle—Utrecht;

Zwolle—Kampen ;

Zwolle—Meppel —Leeuwarden;

Zwolle—Meppel — Groningen.

De beide laatste lijnen verbinden het centrum des lands met liet noorden.

Zwolle—Almelo (verbinding met Twente);

Zwolle—Deventer —Zutfen—Arnhem (verbinding met het zuiden , loopt door de vruchtbare IJselstreek).

Zutfen—Zwolle;

Zutfen—Hengelo (verbinding van Amsterdam en Twente); Zutfen—Winterswijk ;

Zutfen—Arnhem ;

Zutfen—Amersfoort—Amsterdam (Oosterspoor).

Amersfoort—Zwolle;

Amersfoort—Zutfen ;

Amersfoort—Kesteren ;

Amersfoort—Utrecht;

Amersfoort—Amsterdam.

Apeldoorn—Hattem ;

Apeldoorn—Deventer •

Apeldoorn—Zutfen;

Apeldoorn—Dieren;

Apeldoorn—Amersfoort.

Venlo—Wesel i

Venlo—Creveld verbinding met Duitschland ;

Venlo — Viersen |

Venlo—Roermond—Maastricht (loopt door het Maasdal) ;

Venlo— Helmond.

\'s Hertogenbosch—Utrecht;

quot;s-Hertogenbosch —Nijmegen ;

\'s-Hertogenbosch—Moerd ij k ;

\'s-Hertogenbosch-Eindhoven 1 , •

i it t quot; i , T..,, verbinding met BelgiC.

-s-Hertogenbosch—Tilburg j ö

ocr page 190

150

Amsterdam—Uitgeest (aangelegd voor den handel van Amsterdam en de Zaanstreek);

Amsterdam — Haarlem—Leiden—den Haag—Delft —Schiedam—Rotterdam (Hollandsche ijzeren spoorweg); Amsterdam—Utrecht;

Amsterdam—Hoorn—Enkhuizen ; Amsterdam—Hilversum—Zutfen (Oosterspoor). Rotterdam—den Haag ;

Rotterdam—Gouda ;

Rotterdam—Dordrecht;

Rotterdam—Hoek van Holland.

Haarlem—den Helder ;

Haarlem—Amsterdam ;

Haarlem—Leiden ;

Haarlem—Zand voort.

Rozendaal—Moerdijk—Dordrecht—Rotterdam (verbinding met Holland);

Rozendaal—Breda ;

Rozendaal—Antwerpen (verbinding van Holland met België); Rozendaal—Vlissingen (aangelegd voor den handel van Vlissingen).

Tilburg—Breda ;

Tilburg—\'s-Hertogenbosch ;

Tilburg—Boxtel;

Tilburg—Turnhout.

Boxtel—Tilburg ;

Boxtel—\'s-Hertogenbosch ;

Boxtel—Gennep ;

Boxtel—Eindhoven.

Nijmegen—Arnhem ;

N ij megen—Kleef;

Nijmegen-—Venlo—Roermond ;

Nijmegen—\'s-Hertogenbosch.

ocr page 191

151

Hengelo—Almelo

Hengelo—Oldenzaal I

t T , r- . , iwentsche spoornet.

Hengelo—Enschede i

Hengelo—Zutfen

Leeuwarden—Harlingen ;

Leeuwarden —Groningen ;

Leeuwarden—Meppel;

Leeuwarden—Stavoren (in aansluiting aan de lijn Amsterdam—Hoorn—Enkhuizen).

Groningen—Leeuwarden ;

Groningen—Delfzijl;

Groningen—Winschoten—Nieuwe Schans ;

Groningen—Meppel.

Geldcnnalsen—Utrecht ;

Geldermalsen—\'s-Hertogenbosch :

Geldermalsen—Gorinchcm—Dordrecht;

Geldermalsen—Eist.

Huiten onze spoorwegen beginnen in den laatsten tijd ook de tramwegen eene belangrijke rol te spelen in het binnen-landsch verkeer. De lengte van ons geheele tramnet bedroeg in 1891 860 Kilometers, waarlangs bijna 38 mill, reizigers vervoerd werden. Ook onze kunstwegen , die in vele opzichten in beteren toestand verkeeren dan die in het buitenland , zijn voor ons verkeer niet onbelangrijk. De meeste heeft men in het westen des lands en in de Betuwe. Op het diluvium vindt men nog veel zandpaden , die echter in den winter bijna onbegaanbaar zijn.

Kanalen. Onze kanalen zijn met verschillende doeleinder gegraven. Er zijn kanalen , die alleen dienen om den handei en het verkeer te bevorderen ; anderen doen alleen dienst als

ocr page 192

152

uitwateringskanalen ; het grootste getal echter werd in den laatsten tijd gegraven om den afvoer van turf uit ons hoogveen te bevorderen. De beide eerste \'groepen komen meest voor in het westen, dus in het alluviale gedeelte van ons land ; de veenkanalen in het oosten, dus op het dilu\'/ium.

Onze groote scheepvaartkanalen werden gegraven in het belang van den handel %\'an Amsterdam en Rotterdam. Dc gewone waterweg naar Amsterdam ging vroeger door het Marsdiep, de Zuiderzee en den mond van het IJ. Deze mond, waarvan de ondiepste plaats, het Pampus genoemd, gewoonlijk slechts ongeveer 3 M. water had , werd langzamerhand voor de zwaar geladen Oost-Indievaarders ongeschikt, en men

ocr page 193

153

besloot een kanaal te graven, ten einde Amsterdam direct met den Helder en het Marsdiep te verbinden. Dit kanaal, dat onder de regeering van koning Willem I van 1818—\'25 gegraven werd, heet het Xoord-Hollandsch kanaal en loopt langs Purmerend naar den Helder en het Nieuwediep. Spoedig bleek het echter dat dit kanaal voor de toenemende scheepvaart van Amsterdam onvoldoende was, en men besloot eindelijk een kanaal door Holland-op-zijn-smalst te graven , waardoor Amsterdam direct met de Noordzee in verbinding zou komen, in 18Ó5 werd het reuzenwerk begonnen en in betrekkelijk korten tijd was het voltooid. Het IJ werd voor het grootste gedeelte ingepolderd, zoodat alleen een breed scheepvaartkanaal overbleef Aan beide uiteinden werd het kanaal door sluizm van de zee afgesloten ; de sluizen aan de Zuider-

o \'

zee-zijde heeten de Oranjesluizen, die aan de andere zijde de Noordzeesluizen.

Aan den mond van het kanaal , bij IJmuiden , werd eene diepe haven gemaakt door twee groote en twee kleine hoofden. De lengte van de groote hoofden bedraagt ongeveer 1500 M. De koppen der groote en kleine havendammen zijn van havenlichten voorzien. Bovendien heeft men op de duinen twee vuurtorens , die zoo gebouwd zijn , dat ze, wanneer men de haven binnenkomt , elkander bedekken.

Een derde waterweg van Amsterdam was de Keulsche vaart, die in de eerste plaats diende om Amsterdam met den Rijn te verbinden. Deze vaart ging van Amsterdam langs den Am-stel , de ringvaart van de Diemermeer, de Weespertrekvaart . de Vecht, den Vaartschen Rijn (van Utrecht tot Vreesivijk) en het Zederikkanaal (van Vianen tot Gorinchem) , waarvoor de beneden-Linge gekanaliseerd was. De gewone waterweg van Amsterdam naar Rotterdam is de Amstel. de Drecht, de Aar, de Gouwe , de Hollandsche IJscl en de .Nieuwe Maas.

Reeds sedert geruimen lijd voldeed de Keulsche vaart niet meer aan de eischen , die aan een belangrijk scheepvaartka-

ocr page 194

154

naai konden gesteld worden : de sluizen waren te nauw , de diepte onvoldoende, de breedte op vele plaatsen te klein en bovendien hier en daar te sterke bochten. Amsterdam deed daarom voor eenige jaren het voorstel om een kanaal door het Gooi en de Geldersche vallei te graven tot bij Dodewaard aan de Waal. Nu is het zeker waar dat de hoofdstad des rijks daardoor eene vrij korte verbinding met den Rijn zou hebben verkregen, maar de bezwaren tegen dit ontwerp waren toch van dien aard , dat een geheel ander plan op den voorgrond kwam, en eindelijk ook door de Staten-Generaal werd aangenomen, nl. een kanaal van Amsterdam naar Gorinchem (Merwede-kanaal).

De loop van dit nieuwe kanaal is de volgende; van het Noordzee-kanaal ten oosten van Amsterdam over Nichtevecht cn Breukelen naar den Uuden Rijn; van daar met een sterkeu bocht ten westen vau Utrecht om naar den Vaartschen Rijn , die tevens behoorlijk verbreed en uitgediept is ; in de nabijheid van Vreeswijk verlaat het kanaal den Vaartschen Rijn,, om later (na de Lek gesneden te hebben) in het Zederik-kanaal uit te komen , dat daartoe eveneens verruimd is; van dit kanaal uit is een nieuw kanaal gegraven naar het kanaal van Steenenhoek, waardoor de nieuwe verbinding van Amsterdam met den Rijn voltooid is.

Ook Rotterdam had , door het onophoudelijk verzanden der zeegaten, met allerlei hinderpalen te kampen om de zee te bereiken. Daarom besloot men , óók onder de regeering van koning Willem I, een kanaal te graven door het eiland Voorne, van Heenvliet naar I lellevoetsluis. Dit kanaal, het Voornsche kanaal genoemd, en van 1827—\'29 gegraven, bleek ook al zeer spoedig niet meer aan de behoeften te voldoen , vooral door den slechten toestand van het Goereesche gat. Op voor-stol van den waterbouwkundige Galand werd toen een kanaal gegraven door den Hoek van Holland.

O O

Dit kanaal, de Nieuwe Waterweg genoemd, moest eerst

ocr page 195
ocr page 196

154

naai konden gesteld worden : de sluizen waren te nauw , dc diepte onvoldoende, dc breedte op vele plaatsen te klein en bovendien hier en daar te sterke bochten. Amsterdam deed daarom voor eenige jaren het voorstel om een kanaal door het Gooi en de Geldersche vallei te graven tot bij Dodewaard aan de Waal. Nu is het zeker waar dat de hoofdstad des rijks daardoor eene vrij korte verbinding niet den Rijn zou hebben verkregen, maar de bezwaren tegen dit ontwerp waren toch van dien aard , dat een geheel ander plan op den voorgrond kwam, en eindelijk ook door de Staten-Generaal werd aangenomen, nl. een kanaal van Amsterdam naar Gorinchem (Mcrwede-kanaal).

De loop van dit nieuwe kanaal is de volgende: van het Noordzee-kanaal ten oosten van Amsterdam over Nichtevecht cn Breukelen naar den Ouden Rijn; van daar met een sterkeu bocht ten westen van Utrecht om naar den Vaartschen Rijn , die tevens behoorlijk verbreed en uitgediept is; in de nabijheid van Vreeswijk verlaat het kanaal den Vaartschen Rijn. om later (na de Lek gesneden te hebben) in het Zederik-kanaal uit te komen , dat daartoe eveneens verruimd is; van dit kanaal uit is een nieuw kanaal gegraven naar het kanaal van Steenenhoek, waardoor de nieuwe verbinding van Amsterdam met den Rijn voltooid is.

Ook Rotterdam had , door het onophoudelijk verzanden der zeegaten , met allerlei hinderpalen te kampen om de zee te bereiken. Daarom besloot men , óók onder de regeering van koning Willem I, een kanaal te graven door het eiland Voorne, van Heenvliet naar Hellevoetsluis. Dit kanaal, het Voornsche kanaal genoemd, en van 1827—\'29 gegraven, bleek ook al zeer spoedig niet meer aan de behoeften te voldoen, vooral door den slechten toestand van het Goereesche gat. Op voorstel van den waterbouwkundige Galand werd toen een kanaal gegraven door den Mock van Holland.

Dit kanaal, dc Nieuwe Waterweg genoemd, moest eerst

ocr page 197
ocr page 198
ocr page 199

155

onophoudelijk met behulp van excavators op eene behoorlijke diepte gehouden worden. Tegenwoordig is dit gebrek verdwenen.

Door de afdamming van de Schelde werd het noodig een kanaal door Zuid-Beveland te graven. Het loopt van Hans-weerd (naar welke plaats het genoemd is) naar Wemeldinge. In Zeeuwsch-Vlaanderen heeft men een scheepvaartkanaal voor de verbinding van Terneuzen en Sas-van-Gent. Ook Walcheren bezit een dergelijk kanaal van Vlissingen naar Vere. Dit laatste kanaal werd noodzakelijk door de afdamming va» het Sloe.

In Noord-Brabant en Limburg heeft men de 22 uur lange Zuid-Willemsvaart van 1822—\'26 gegraven. Deze vaart dient tot verbinding van \'s-Hertogenbosch en Maastricht, en heeft twee veenkanalen tot zijtakken : de Helenavaart en het Eind-hovensche kanaal. Beide zijkanalen dienen tot afvoer vau turf uit de venen van de Peel.

De stad Groningen vormt het middelpunt van een groot kanaalnet. Het Reitdiep (reit = riet) gaat van Groningen naar Zoutkamp , waar het met de Lauwerszee in verbinding staat. Het Boterdiep loopt van Groningen naar het noorden , waar het zich nog in eenige takken verdeelt. Het Damsterdiep, gedeeltelijk het oude riviertje de Fquot;ivel, loopt van Groningen naar Appingedam en Delfzijl. Dit kanaal is echter tegenwoordig minder belangrijk, daar Groningen het Groot-Scheepvaartkanaal of Eems-kanaal heeft gekregen , dat deze stad met de .Noordzee verbindt. Het Schuitendicp of Winschoterdiep loopt naar het oosten van de provincie en ontvangt een groot aantal veenkanalen uit Drente, zoodat de afvoer van de Drentsche turf over Groningen plaats heeft.

In de provincie Friesland is Leeuwarden het centrum van een aantal vaarten. Bijna alle Friesche plaatsen van eenig aanbelang zijn door kanaaltjes en vaarten verbonden.

Drente, waarvan het oostelijke gedeelte om den buitengewonen rijkdom aan hoogveen ook wel Californië of Nieuw-

ocr page 200

156

Californie genoemd wordt. heeft een aantal belangrijke kana-5en (meest veenkanalen). Van de hoofdstad Assen gaat een kanaal naar Groningen, het Noord-Willemskanaal. Van dezelfde stad gaat naar Meppel de Drentsche hoofdvaart of de Smildervaart. Op de Smildervaart komen weder een aantal veenkanalen uit, waarvan de voornaamste zijn: het Oranjekanaal , de Beilervaart en de Hoogeveensche vaart. Alle drie gaan naar liet hoogveen van Oost-Drente.

In Overijsel zijn de voornaamste kanalen : het Overijselsch kanaal met zijtakken , rechts naar Deventer en links naar de Vecht; de Dedemsvaart van de Vecht bij Gramsbergen tot het Zwartewater bij Hasselt, met een zijtak naar het zuiden, het Lichtmiskanaal; de Willemsvaart van Zwolle naar den IJsel. Het Meppelerdiep en het Steenwijkerdiep zijn reeds vroeger genoemd. In Gelderland is alleen het Griftkanaal, van Hattem tot Dieren , van belang.

ocr page 201

XII.

Plaatsbeschrijving.

Wanneer we op de verspreiding der plaatsen cwer ons land letten, dan blijkt het dat deze zeer ongelijk is; in sommige gedeelten liggen ze opgehoopt, in andere heeft men er zeer weinig. We hebben slechts de Betuwe en de Veluvve tot voorbeeld te nemen, om dadelijk van het verschil overtuigd te zijn. Het spreekt van zelf dat de aard van den bodem daarop den grootsten invloed uitoefent; daarom liggen dan ook in het vruchtbare westen veel meer plaatsen dan in het veel minder vruchtbare oosten. Hierbij komt nog de bijzonder gunstige ligging van de westelijke deelcn van ons land aan de zee, waardoor natuurlijk de handel en dikwijls ook de nijverheid kan bloeien. In de nabijheid van de Noordzee- en Zuiderzee-kusten zijn ook een aantal plaatsen te vinden , die aan de visscherij haar oorsprong verschuldigd zijn.

Verder ontstonden in ons land plaatsen langs de rivieren , aan de monden van rivieren , aan de monden van zijtakken , bij meren , in het hoogveen nog in den laatsten tijd) enz.

Ook langs de grenzen werden cenige plaatsen geboren uit de noodzakelijkheid om het land tegen een binnendringendeu vijand te verdedigen.

ocr page 202

158

FKIK§Ij4XD. Inden kleihoek; Leeuwarden, spoorwogmid-tlelpunt, grootc veemarkt, handel in boter en kaas, gouden zilversmederijen (oorsprong der Friesche hoofdijzers) nijver heid , groote gevangenis.

Sneek, middelpunt van vee-, boter- en kaashandel. Har-lingen stoomvaart op Londen , Huil en Amsterdam ; invoer van Noordsch hout, Engelscbe kolen , katoen voor Twente : uitvoer van slachtvee, boter en paling (uit de Friesche meren) Bolsward, handel in vee, boter en kaas. Ijlst, Friesche schaatsen. Workum, uitvoer van paling naar Engeland. Hin-deloopen , eigenaardige taal, zeden , gewoonten en kleederdracht. Stavoren , vroeger eene bloeiende plaats , verzande haven (V rouwezand). Dokkum, vlas- en wolhandel, cichoreifa-brieken. Franeker , eenige industrie, handel in landbouwproducten , krankzinnigengesticht (vroeger hoogeschool), planetarium van Eise Eisinga. Molkwerum, het Friesche doolhof. Makkum, kalk- en plateelfabrieken. St.-Jacobiparochie, St. Annaparochie (in de gemeente het Bildt) . Witmarsum , Rau-werd , Wirdum , Weidum , Wiewerd , Menaldum , Berlikum , Stiens en Hallum , allen min of meer bloeiende landbouwdor-pen. \\\\ ierum , Pacsens en Moddergat, visschersplaatsen.

In het laag^eengebied; Heerenveen, het Friesche Haagje (Oranjewoud) Joure, Friesche staartklokken, de Lemmer, vaart op Amsterdam, turfvervoer, bokkingrookerijen. Bergoim, Buitenpost, Kollum, Akkrum en Grouw , bloeiende plaatsen. Heeg , palingvisscherij op het Heegermcer.

Op het diluvium (wouJstreek). In dit gedecite van Friesland wisselen prachtige boschstreken , vruchtbare bouwlanden, groene weiden en heuvelachtige landschappen elkander in bonte reeks af. \\ ooral het schoone Gaasterland is om zijne Vieerliike boschnatuur dubbel waardig bezocht te worden. Jammer dat deze streken zoo weinig bekend zijn in ons land. Balk, schilderachtige omgeving. Wolvega, handel in boter. Noordwolde, matten- en rietenstoelenmakerijen. Gorredijk,

ocr page 203

159

Drachten en Bcetsterzwaag, aanzienlijke dorpen. Het laatste heeft eene schoone omgeving.

De Friesche gemeenten droegen voor 1848 nog den ouden naam van grietenijen en de burcjeineesters dien van grietmannen. Overal treffen we in Friesland nog de staten (verblijven) en stinsen (kasteelen) der oude Friesche geslachten aan.

OROXIXCilS*. Op het diluvium: Groningen, belangrijke markt voor landbouwproducten, goud- en zilversmederijen, suikerraffinaderij, vlasspinnerijen , touwslagerijen, scheepsbouw (vooral toegenomen sedert het graven van het Eemskanaal), hoogeschool, doofstommen instituut, middelpunt van kanalen en spoorwegen.

Haren en Noordlaren , op den Hondsrug.

In het hoogveengebied; Hoogezand, Sappemeer, Zuidbroek , Veendam , Wildervank , Oude en Nieuwe Pekela en Stadskanaal , bloeiende veenkoloniën , aardappelmeelfabrieken , stroopfabrieken , branderijen , scheepsbouw , houtzaagmolens , glasblazerijen, fabrieken voor briquetten enz. Op de diluviale gronden , op den rand van het hoogveen of de klei gelegen ; Finstenvolde, Schildwolde , Beerta , Winschoten , Scheemda en Noordbroek, alle welvarende plaatsen. Heiligerlee, klokkengieterij , fabriek van brandspuiten.

Op het laagveen ; Slochteren , paardenmarkten.

In het zeekleigebied: Delfzijl, voorhaven van Groningen , invoer van hout uit het noorden , houtzaagmolens, steen- en pannenbakkerijen. Termunterzijl. houthandel. Appingedam , paardenmarkten, fabriek van bewerkt timmerhout. Bedum, Stedum , Loppersum , Warfum , Onderdendam , Middelstum . Uithuizen en Ulrum, bloeiende landbouwdorpen. Zoutkamp, visschersplaats , stroopapier. Grijpskerk , Zuidhorn , Noordhorn en Aduard.

I»UK\\TE. Drente is de diluviale provincie bij uitnemend-

ocr page 204

160

hcid. De onafzienbare heide- en zandvlakten worden alleen afgebroken door de groengroenden lan^s de riviertjes. Gewoonlijk worden ze als weiland gebruikt. De plaatsen van Drente liggen meest op of bij deze groengronden , want weiland is hier voor den landbouw onmisbaar , daar slechts door sterke bemesting iets van den barren grond te verkrijgen is. Het groenland heet hier gewoonlijk made of mate. Aan de van het groenland afgekeerde zijde van het dorp ligyen de esschen of bouwlanden. Zooals alle Saksische dorpen hebben ook de Drentsche een groot plein of brink in het midden.

Assen , middelpunt van kanalen , schoone omstreken , aard-appelmarkt , ijzergieterij.

Borger, grootste hunebed. Tinaarlo, best bewaarde hunebed. Gieten en Zuidlaren, welvarende plaatsen. Vledder, kolonie i van weldadigheid: Frederiksoord (fabriek van verduur zaamde levensmiddelen, boschbouwschool van Van Swieten), Wilhclmina\'soord (in Friesland) en Willemsoord (in Overijsel). Veenhuizen. rijksbedelaarsgesticht. Meppel (Urentsch Rotterdam) , drukke botermarkten (Meppeler kluiten) , veemarkten , handel in varkens en varkenswaren , verkeer met Amsterdam. Beilen en Dwin^elo, groote dorpen Koevorden , vroeger eene sterke vesting, handel in boter, vee en veenboekweit. Emmen en Odoorn , belangrijke bijenteelt. In het voorjaar brengt de bijker of ijmker zijne korven op lange bijenwagens naar de in de nabijheid zijnde kleistreken van Groningen , waar dan de klaver en het koolzaad in vollen bloei staan. Zoodra echter de boekweit in Drente begint te bloeien, worden ze teruggehaald, en als ook deze van den akker verdwenen is, dan is het de heidebloem, die den bijen den honig verschaffen (boekweit- en heidehonig).

De Drentsche veenkoloniën zijn: Hoogeveen, Smilde, Nieuw-Buinen, Nieuw-Amsterdam, Nieuw-Dordrecht, Erica, Schoonoord en Oranjedorp Vooral de eerste plaats , de volkrijkste in Drente , is zeer bloeiend. Men heef; er allerlei fabrieken : voor machinale turf, voor turfstrooisel , houtwol enz.

ocr page 205

161

OVKKUSEL. Op de klei en het laagveen; Zwolle, boter-, kaas- en veehandel, industrie , oliemolens , houtzaagmolens, belangrijk middelpunt van verkeer.

Kampen , tabaksfabrieken , stroopapier en stoomwerktuigen i looierijen , hooihandel (de stad is in het bezit van het Kampereiland) , instructie-bataillon, theologische school. Hasselt en Genemuiden, mattenvlechterijen, kalkbranderijen , doorvoer van turf, hooibouw. Zwartsluis, kalkovens, turfhandel, mattenvlechterijen. Blokzijl en Giethoorn.

In het hoogveen ten noorden van de Vecht: Dedemsvaait, kalkovens , glasblazerij. Staphorst, eendenkooien (bij quot;t laagveen).

Op het diluvium.: Steenwijk , veemarkten , graanhandel , vervoer van keien, leerlooierijen. Steenwijkerwold. op den rand van \'t laagveen. Deventer, belangrijke markt, handel in tapijten, koek en bier, ijzergieterij, leerlooierijen, steen-en pannenbakkerijen , houthandel, kruispunt van spoorwegen. Wijhe en Olst, handel in spek en saucis de Boulogne. Delden, het prachtige landgoed Twickel met het Twickelsche boscb. Kaalte , in den omtrek het beste oer.

De Twentsche industrieplaatsen zijn: Enschedé met Lonne-ker, Hengelo, Oldenzaal, Almelo , Borne , Goor , Rijsen , Nijverdal, Haaksbergen en Ootmarsum. Alles wat tot de katoenindustrie behoort wordt in deze steden aangetroffen: spinnerijen , weverijen, ververijen, drukkerijen enz. Almelo heeft eene chemische wasscherij, Rijsen en Oldenzaal bewerken ook jute voor zakken en gordijnen, Hengelo heeft eene machinefabriek. Friezenveen, handel in tuinzaden. Ommen en Dallsen, handel in vlas. Losser, zandsteen. Tubbergen , papiermolens.

fgt;El^nKKlgt;A\\l». Op het Veluvvsche diluvium liggen: Arnhem, schoone omstreken, waaronder vooral de Velperweg het in-valiedenhuis, het buitengoed Sonsbeek , het kasteel Rozendaal en de beroemder wandeling „Ondcrlangs en Bovenoverquot;; Rijnvaart , industrie.

Wlxderlich , Aardrijkskwi e. 11

ocr page 206

162

Langs den oostelijken voet van het Veluwsche heuvelland: Velp, Kozendaal , de Steeg , Ellecom , Dieren en Brummen , allen bekend om hunne prachtige omstreken , die tot de schoonste van ons land behooren (Middachter-laan). Laag-Soereo , koudwaterinrichting voor zenuwlijders. Eerbeek, Loenen cn Beekbergen, eenvoudige plaatsjes. Apeldoorn , vorstelijk buitenverblijf het Loo , Soerensche bosschen , papierfabrieken , inkt, houthandel. Epe, Heerde en Hattem, fraaie wandelingen in den omtrek. Voorst en Twello liggen tegen de IJselklei . fraaie dorpen.

Langs den zuidrand: Oosterbeek, heerlijke omstreken (Oorsprong , Hemelsche berg, Duno). Renkum. Wageningen, koninklijk lustoord Oranje-Nassau, Wageningsche berg niet prachtige wandelingen , Kijkslandbouwschool en proefstation.

Langs den westelijken voet der Velmvsche bergen : Benne-kom, Prins Alexanderstichting voor jeugdige blinden. Ede en Barneveld, schapen- en bijenteelt. Nijkerk, tabaksteelt, eikenschors , wolkammers. Putten en Ermelo, houthandel. Harderwijk , koloniaal werfdepot, houthandel, visscherij, bokking-rookerijen. Elburg , visscherij. Alilligen , vroeger kamp , thans remonte-depot (bij het Uddeler meer en Garderen). Oldebroek, artilleriekamp.

Op het diluvium van de Graafschap liggen de meeste plaatsen weder op of aan den rand der groengronden ; Zutfen (=: Zuidveen), belangrijke weekmarkten, steenbakkerijen , leer- en lijmindustrie ; in de nabijheid Nederl. Mcttiay, een opvoedingsgesticht, in navolging van het Fransche Mettray bij Tours. Lochem, houthandel , schoone omstreken (Lochemer berg). Borkelo, Winterswijk en Groenlo, katoenindustrie. Vorden, Ruurlo en Lichtenvoorde , schoone omstreken en wandelingen. Aalten, katoenfabrieken. Ulft, Gendringen en Terborg , ijzer-industrie. Doetichem en Doesburg, handel in mosterd , run cn klompen. Hoog-Keppel, Laag-Keppel en Hummelo , fraaie omstreken. In de nabijheid van Doetichem ligt de Kruisberg,

ocr page 207

168

ocnc strafgevangenis voor jongens. \'s-Hcercnberg en Zevenaar, schilderachtige omgeving; het eerste aan den voet van het prachtige Montferlandsche heuvelland.

Op de rivierklei: Nijmegen, schoone omstreken, oudheden uit den Romeinsciien tijd en uit dien van Karei den Grooten (Valkhof), handel langs de Waal, belangrijke markt, kweekschool voor onderwijzers. Langs den rand van het Nederrijks-woud liggen de prachtige dorpjes Hees , Neerbosch (wees-inrichting) , Beek, Übbergen , Croesbeek en liet bekende hotel Berg en Dal. Tiel , groote ooftmarkt (vooral bessen en kersen) , handel in aardappelen en graan , papierindustrie , landbouwwerktuigen. Wamel en Dreumel, aanzienlijke land-bouwdorpen, tabaksteelt. Zalt-Bommel , hooihandel. Buren en Kuilenburg, stoelen- en klompenmakerijen. Geldermalsen, beetwortelsuiker-fabrieken. Lent en Eist, ooft- en tuinbouw , tabaksteelt. Hemmen en Zetten, filantropische inrichtingen van Heldring. Beuningen en Druten , ooftbouw en tabaksteelt.

ITRECHT. Op de rivierklei; Utrecht, middelpunt van spoorwegen , belangrijke marktplaats voor de geheele provincie , industrie (ijzer , tapijten , tabak en sigaren), Munt, Hooge-school, Veeartsenijschool , musea , enz.

Wijk bij Duurstede (het Dorestadum uit den tijd der Ro rneinen), oude stad. Vreeswijk, scheepvaart. Jutfaas, aanzienlijk dorp. IJselstein , hoepelmakerijen. Montfoort, veemarkten, gesticht voor jonge vrouwelijke veroordeelden. Harmeien , belangrijke spoorwegverbinding. In de Vechtstreek liggen ; Zuilen , Maarsen , Breukelen , Loenen en Vreeland . schoone dorpen met vele buitenverblijven van Amsterdammers. In de voorgaande eeuw viel dezj streek echter meer in den smaak dan tegenwoordig (Mennistenhemel).

Op het laagveen: Abkoude (op de grenzen van de klei). Mijdrecht, Vinkeveen, Oud en Nieuw-Loosdrecht, veeteelt ea zuivelbereiding.

11 *

ocr page 208

164

Op het diluvium. Aan den oostelijken voet van het L\'trecht-sche heuvelland : Baarn, schoone omstreken, koninklijk lustverblijf Soestdijk (in de nabijheid van Soest), sanatorium. Amersfoort (foort = doorwaadbare plaats) , katoenfabrieken, bierbrouwerij , in den omtrek tabaksteelt, die echter van jaar tot jaar minder wordt. Woudenberg, vroeger tabaksteelt. In de Geldersche vallei; Veenendaal , katoen- en wolindustrie, belangrijke bijenmarkt. Scherpenzeel en Renswoude , lief gelegen dorpen.

Aan den westvoet van de heuvels; Renen, tabaksteelt, graanhandel, schoone omstreken. Amerongen, tabaksteelt. Doorn , Driebergen , Zeist en de Bilt, prachtige dorpen met schoone omstreken. Zeist is verder bekend door zijne bosch-rijke streken , waarachter het Kamp van Zeist ligt; de Moravische broedergemeente , de heuvel van Austerlitz , fabriek van porseleinen kachels.

Op de Utrechtsche zeeklei liggen de dorpen ; Bunschoten met de visschersplaats Spakenburg , Eemnes-binnen en Eemnes-buiten.

VOOKi»-IIOI.I.AM». Op hetlaagveen; Amsterdam (hctVe- | netie van het noorden) , hoofdstad des rijks , schoone grachten en pleinen , groot aantal belangrijke inrichtingen van onderwijs , dierentuin Xatura Artis Magistra, kunstverzamelingen, rijkswerf, dokken, beurs, handel in koloniale waren, in graan, katoen , hout, petroleum enz. ; bierbrouwerijen , suikerraffinaderijen , diamantslijperijen.

NieuwerAmstel, eene voortzetting van Amsterdam. Ouderkerk , Uithoorn en Amstelveen , veeteelt. Aalsmeer , aardbe-ziëntealt, boom- en bloemkweekerijen. Watergraafsmeer, tuinbouwschool. Schellingwoude, Oranjesluizen. Monnikendam en Edam, kaashandel en ansjovisvangst. Broek , vermaarde zindelijkheid. Volendam, eigenaardige kleederdracht. Purmerend , veehandel. Zaandam, Koog a d Zaan, Zaandijk, Wormerveer,

ocr page 209

165

Krommenie, Oost- en Westzaan, druk stoomboot- en spoorwegverkeer met Amsterdam, centrum van onzen oliehandel (raap- en lijnolie), houthandel, scheepsbouw, houtzaagmolens, fabrikatie van Hol-landsch papier, van chocolade en van stijfsel en blauwsel.

Op de geestgronden en aan de kust : Haarlem , hoofdstad der provincie, schoone omstreken, bloemkweekerijen (bollenteelt) , bleekerijen , handel in vee en zuivelproducten , nijverheid , vele groote buitenplaatsen , kunstverzamelingen : in de middeleeuwen belangrijk door de lakennijverheid, in de 18Je eeuw door de zijden stoffen.

In den omtrek van de bloemenstad liggen: Bennebroek, Heemstede, Over/een , Bloemendaal, alle in eene schoone boschrijke omgeving gelegen , bollenkweekerijen (tulpen , hyacinten , crocussen enz.). Bij Bloemendaal ligt het gesticht Mcerenberg en de bekende ruïne van Brederode. Zandvoort. badplaats. Velzen , aan het kanaal. IJmuiden , voorhaven van Amsterdam Beverwijk, groenten- en ooftteelt voor Amsterdam. Uitgeest, grens der bollenteelt. Wijk aan zee. badplaats Hgmond aan zee, Egmond binnen , Egmond op den Hoef Kastrikum, onbeteekenende plaatsjes. Alkmaar, oude hoofdplaats van Kennemerland , belangrijke kaashandel, graan- en veemarkten , drukke winkelnering, fraaie wandelplaatsen , cadettenschool. Heilo , Willebrordsput. Bergen , Schoorl, Kamperduin en Petten , zeedorpjes, den Helder met de haven het Xieuwediep , belangrijk punt van verdediging van ons land (forten)) instituut voor de marine, droogdok, marinewerf, handel in versche zeevisch.

Op de zeeklei; Hoorn , handel in vee, warmoezerij. stoomvaart op Amsterdam. Enkhuizen , vroeger belangrijk door de haringvisscherij , tegenwoordig vervallen. Tusschen deze beide plaatsen ligt de streek, waarin de dorpen Wester- en Ooster-Blokker , Westwoud , I loogkar.-.pel , Lutjebroek , Grootebroek en Hovenkarspel, tuinbouw\', ooftteelt (bessen) , mosterdzaad. In den Langendijk: Broek op Langendijk , Noord- en Zuid-

ocr page 210

Scharwoude, Oudkarspel, belangrijke tuinbouw. Schagen, groote veemarkten.

Op de rivierklei: Muiden, buskruitfabriek , Muiderslot , het schoon gelegen Muiderberg (badplaats). Weesp, beroemde fabriek van Van Houten , kalkbranderijen.

Op het diluvium van het Gooiland ; Hilversum , vele buitenverblijven , Trompenberg, industrie van tapijten van koe-haar. Onder dc schoone dorpen in den omtrek behooren geteld te worden : Laren , \'s-Graveland en Bussum. Maarden, vesting.

Zl7IIgt;-HOL.LAXD. Op dc geestgronden en aan de kust: \'s-Gravenhage , residentie , fraaie grachten en pleinen , schoone wandelingen (Haagsche Bosch , Scheveningsche weg, enz.), belangrijke openbare gebouwen , historische merkwaardigheden , paleizen , kunstverzamelingen , bibliotheken , ijzergieterij, meubelfabrieken , rijtuigniakerij.

Scheveningeii, druk bezochte badplaats, visschersdorp Voor. burg , fraai dorp, tuinbouw en veeteelt. In het Westland: Naaldwijk, Honselaarsdijk, Poeldijk, Loosduinen en \'s-Gra-venzande, schoone tuinbouwstreek , groementeelt, vroege aardappelen , ooftteelt, druiventeelt, kool, aspergies , opkomende bollenteelt, mandenmakerij. Voorschoten, beroemde fabriek van goud- en zilverwerken. Wassenaar, schoon gelegen in het bosch (huis de Pauw). Katwijk binnen (groot dorp) en Katwijk aan zee , visschersdorp , badplaats. Noordwijk binnen , teelt van geneeskruiden. Xoordwijk buiten, badplaats. Warmond , Sassenheim , Lisse en Hillegom , schoon gelegen dorpen , bollen- en bloementeelt.

In het rivierkleigebied : Leiden , bloeiende hoogeschool en inrichtingen , die daarbij behooren ; handel in vee, boter en kaas (Leidsche kaas); wol- en sajetfabrielcen (wollen dekens) , vroeger bloeiende lakenindustrie. Rijnsburg en Oegstgeest, bloeiende tuinbouw, bloemkool. Leiderdorp, Koudekerk, Alfen, Zwammerdam en Bodegraven, bloeiende landbouwdorpen

ocr page 211

167

steen- en pannenbakkerijen. Woerden , steenbakkerijen. Oude-water, hennepteelt, lijnbanen. Vianen , Schoonhoven , Nieuw-poort, Lekkerkerk en Krimpen a/d Lek, zalmvisscherij, gouden zilversmederijen (in Schoonhoven) , stoelen-, klompen- en hoepelmakerijen , steen- en pannenbakkerijen. Leerdam, Aspcren en I leukelom, weinig beteekenende plaatsjes. Gorinchem, handel in graan, hennep en vee, beetwortelsuiker fabrieken, scheepsbouw. Slicdrecht, Papendrecht en Alblasserdam, scheepsbouw, hoepelmakerijen.

Op het laagveen : Gouda , drukke markten (Stolksche kaas), pijpenfabrieken, steenbakkerijen, stearine-kaarsenfabriek, garen-spinnerijen , wasschcrijen en bleekerijen. Boskoop, beroemde boomkweekerijen , ooftteelt. Waddingsveen , papierfabrieken , kaasmakerij. Haastrecht, Moordrecht, Ouderkerk en Krimpen a/d IJsel , bloeiende dorpen.

In het zeekleigebied; Rotterdam , tweede stad in Xeder-land , bloeiende koopstad , veel handel op Duitschland, Engeland en het Noorden ; stoomvaartlijnen , nijverheid , scheepsbouw , musea ; op het eilandje Feienoord bloeiende ijzerindustrie; groot aantal inrichtingen voor onderwijs , kunst en wetenschap, delftshaven, nu met Rotterdam vereenigd. Schiedam , groot aantal jeneverstokerijen , korenaanvoer, spoeling , gisthandel, korenmolens, scheepsbouw. Vlaardingen , groote haringvisschenj uitvoer van haring naar Duitschland, België en deVereenigde Staten , kabeljauwvisscherij. Maassluis , visscherij Delfc , oude stad, drukke vee- en botermarkten , Delftsch aardewerk , tapijten van koehaar, \'s rijks constructie-winkel, Politechnische school, Instelling voor Indische taal- , land- en volkenkunde. Dordrecht, oudste stad van Holland, houthandel, scheepsbouw , touwslagerijen , fabrieken van stoomwerktuigen , aan • zienlijke wijnhandel, petroleum. Brielle, vroeger bloeiende plaats , tegenwoordig vervallen , torpedodienst, asyl voor zeelieden. Oud-Beierland , \'s-Gravendeel en Numansdorp, landbouw en veeteelt. Hellevoetsluis , belangrijke vestingwerken ,

ocr page 212

168

marinemagazijnen. Zwartewaal, landbouw. Zvvijndrccht, scheeps. bouw. Middclharnis en Sommelsdijk, kabeljauwvisscherij. Pernis , vissclierij.

XEEI^AXl». Op de zeeklei van de eilanden: Middelburg , vroeger (l7lle eeuw) bloeiender dan tegenwoordig, groot aantal gedenktcekenen uit dien bloeitijd , prachtig stadhuis , voormalige abdij, graan- en houthandel. Vlissingen , uitgebreide havenwerken, geregelde stoomvaart op Queensborough (een der voorsteden van Londen), scheepsbouw, loodswezen. Vere-vroeger zeer bloeiend, thans geheel vervallen. Arnemuiden, vervallen visschersdorp. Domburg, opkomende badplaats, oudheden (afgodsbeelden) uit den Romeinschen tijd. Westkapelle, bekende zeedijk. Op Noord-Beveland zijn Kortgene , Colijns-plaat en Wissekerke de voornaamste dorpen. Op Zuid-Beve-land liggen : Goes , in den omtrek veel land- , tuin- en ooft-teelt, handel in graan en kersen, garancine. Kloetinge en Wemeldingen, kersenteelt. Meinkenszand, \'s-Heer-Arendskerke, \'s-Gravenpolder, Ellewoutsdijk en Kruiningen , bloeiende land-bouwdorpen. Icrseke, door oestercultuur van belang. Hans woerd, aan het kanaal. Op Schouwen : Zierikzee , bloeiende landbouw in den omtrek, handel in meekrap, garancinefabriek zoutkeet, visscherij. Brouwershaven , veilige recde , meekrapteelt , scheepvaart, vroeger lakenfabrieken. Haamstede, Se-rooskerke en Kerkwerve, bloeiende landbouw. Op Duiveland is Bruinisse de belangrijkste plaats , mosselvangst, oesterput, ten , meestoven. Tolen , op het eiland van dien naam , heeft landbouw cn ansjovisvisscherij. In de nabijheid Maartensdijk , aardappel- en uienteelt, vlasbouw , touwslagerijen.

Op de zeeklei van Zeeuwsc\'n-Vlaanderen , ook wel het vasteland. van Zeeland genoemd : Sluis , vroeger bloeiend , sedert de .\'■luiting der Schelde en van het Zwin (1648) vervallen. Oostburg en Aardenburg , vroeger bloeiende havens van het Zwin, thans vervallen. Breskens, overvaart naar Vlissingen.

ocr page 213

169

IJzendijke en Biervliet, vroeger belangrijker dan tegenwoordig , landbouw en veeteelt. Tcrneuzen, Sas-van-Gent, Axel en Mulst^ graan- en vischhandel, bierbrouwerijen en klompenmakerijen.

IVOOR D-BK VB VXT. Op het diluvium ;\'s-Hertogenboscb, markt voor vee en landbouwproducten , bierbrouwerijen , spel. den- en naaldenfabriek , schoone hoofdkerk. Tilburg, het Xe. derlandsche Leeds, belangrijke industrie van laken , flanel en andere stoffen , fabrieken voor stoomwerktuigen , bierbrouwerijen, steenbakkerijen. Helmond, Eindhoven, Gemert, Vechel, Geldrop, bloeiende industrie van linnen , katoenen en wollen stoften. De beide eerste plaatsen hebben bovendien sigarenfabrieken , Eindhoven ook lucifersfabrieken. Boksmeer , vervaardiging van kerksieraden. Os, veemarkt, kunstboterfabriek* Uden, leerlooierij. St. Oedenrode, boterhandel. Boxtel, da-mastfabrieken, boterhandel. St Michielsgestel , doofstommen-instituut. Vucht, schoone omstreken , tapijten en karpetten. Oorschot , industrie. Oosterhout, biljartfabrieken , boomkwee-kerijen. In de Langstraat liggen; Waalwijk, Waspik, Raams. donk, Kapelle, Baardwijk en Vlijmen, leerlooierijen en schoenmakerijen. Breda, bierbrouwerijen, leder en tapijten, militaire academie, prachtige praalgraven. In den omtick liggen Prinsenhage met het Liesbosch en \'t Ginneken met het Mastbosch, beiden schilderachtige ligging. Oudenbosch, boom-kweekerijen. Rozendaal, grensstation, suikerfabrieken, leerlooierijen. Bergen op-Zoom , ansjovisvangst, potten- en pannen-bakkerijen.

Op de rivier- en de /eeklei; Grave , Ravestein en Megen . kleine plaatsen. Heusden, stoombootverkeer. Werkendam , woonplaats van aannemers. Woudrichem, tegenover Loeve-stein. Geertruidenberg, leerlooierijen, suikerfabrieken. Hooge en Lage-Zvvaluwe, landbouwdorpen. Moerdijk, spoorwegbrug. Zevenbergen, Klundert en Willemstad , van weinig beteeke-nis. Steenbergen , papier- en beetwortelsuiker-fabrieken.

ocr page 214

170

LlTIBl\'Kf». Op de diluviale klei liggen: Maastricht, marktplaats van Zuid-Limburg, kruispunt van spoorwegen , fabri-katie van glas-, kristal- en aardewerk (fabriek van Regout) gt; bierbrouwerijen , behangsel papier-fabrikatie , kopergieterijen ? ijzerfabrieken , steengroeven , St. Pietersberg.

In het schoone Geuldal liggen de dorpen : Valkenburg , Gulpen en Meersen , bekend om hunne prachtige omstreken. Kerkrade, steenkolenmijnen, cisden, schoone omstreken, ooftbouw. Vaals, wolfabrieken. Rolduc, Katholiek opvoedingsgesticht.

Op het zand- en grintdiluvium : Susteren, steenbakkerijen, handel in leer, bierbrouwerijen. Stevensweerd , oude plaats-Roermond , kruispunt van spoorwegen , industrie van behangselpapier en van wollen en katoenen stoffen , veemarkten. Tegelen , pottenbakkerijen, ijzergieterij. Venlo , spoorwegmiddelpunt , bierbrouwerijen , varkensmarkten. Maasbree , ijzerindustrie. Gennep , kleine plaats. Weert, industrie Sevenum . heidebezems. Venraai, leerlooierijen.

ocr page 215

XIII.

Verdediging van Nederland.

Verdediging van ons la ml in lielt; algemeen. Eer.c beknopte schets van de verdediging onzes lands in een aardrijkskundig leerboek zal misschien velen verwonderen. Toch is de zaak minder vreemd dan men oppervlakkig wel denkt i aangezien onze defensie op het allernauwst samenhangt met de seocfrafische quot;esteldheid des lands. Nederland , ten minste

o o \'

het westelijk gedeelte , bezit in het water zulk eene kracht, dat het daardoor in staat gesteld wordt een binnendringenden vijand eenigen tjjd te bestrijden. Door het onder water zetten (inundeeren) worden wij in staat gesteld den vijand het rijkste gedeelte van ons land te betwisten , indien wij ten minste tevens kunnen beschikken over een goed geoefend veld- en vestingleger.

Zien wij nu hoe wc ons polderland kunnen inundeeren. In de eerste plaats kan men dikwijls reeds volstaan mot dras zetten of wel o.i a 0.5 M. onder water zetten. Het is voor den vijand zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk, vooral wanneer hij bovendien nog door geweer- oi geschutvuur bestookt \\vordtt

ocr page 216

zich op zulk een terrein te bewegen. Neemt men hierbij nog in aanmerking dat bijna alle terreinen in Holland met slooten en greppen doorsneden zijn, die natuurlijk door het onder water zetten onzichtbaar worden , en dat zulk eene inundatie eene breedte van ongeveer twee uren kan hebben, dan be-grijpt men dat het voor den vijand zeer moeielijk wordt er over te komen.

Eene andere manier van onder water zetten bestaat daarin dat men eene rivier aftapt, öf door middel van eene sluis . bf ook door een gat in den dijk. Heeft men met een schaar-dijk te doen en ligt het land lager dan de waterspiegel der rivier (het laatste is trouwens in Holland altijd het geval) , dan stroomt het water door de opening onmiddellijk over het land. Zijn er echter uiterwaarden, dan dient men daardoor eerst een kanaaltje te graven. Is het omliggende land hooger gelegen dan het waterniveau , dan moet de opening in den dijk op een hooger gelegen punt der rivier gemaakt worden 5 waarbij men dan vooral te letten heeft op de diepte die de inundatie moet hebben

Hot bedoelde punt, vanwaar men het water verkrijgt, noemt men prise d\'oau. De aanvoer van het water uit de opening in den dijk geschiedt door kanalen en rivieren , die op de hoogte van liet te inundeeren terrein worden opgehouden, waarna men het water over het land iaat loopen. Het ophouden van het toestroomende water in de geleidingskanalen geschiedt meestal door zoogenaamde schotbalksluizen. Moet het overloopen slechts aan e\'éne zijde van het toeleidingskanaal plaats hebben, dan moet de tegenoverliggende kade zóó hoog zijn , dat zij het water blijft keeren. Ook heeft men te zorgen . dat geen landen geïnundeerd worden , waarvoor liet niet hoog noodzakelijk is. Bestaat deze mogelijkheid, dan werpt men, indien ze alreeds niet bestaan , inundatiekaden op, die het niet te inundeeren terrein beveiligen Moet men terreinen onder water zetten , die eene ongelijke hoogte hebben ,

ocr page 217

173

dan zouden, om het hoogste gedeelte op de bepaalde diepte te inundeeren, de lagere gedeelten te diep onder water staan , waardoor ze bevaarbaar zouden worden. Het laatste moet echter zooveel mngelijk voorkomen worden, want eene goede militaire inundatie moet zoowel ondoorwaadbaar als onbevaarbaar zijn. In dit geval wordt de geheele inundatie door dwars-kaden of komkeeringen in kommen verdeeld. Het geheel noemt men dan eene kominundatie.

Eene derde wijze van onder water zetten bestaat in het inundeeren van polders (polderinimdatiën). Het kan op verschillende manieren geschieden: ten eerste door de boezemkaden door te steken, waarbij men dan vooral te letten heeft op de noodzakelijkheid om ieder oogenblik de kaden weder te kunnen dicht maken, en ten tweede door het water door de poldermolens weder naar binnen te laten stroomen.

Eindelijk kan men ook uit de zee inundeeren , hetzij door bij vloed , wanneer het zeeniveau dikwijls hooger is dan het boezemwater, de sluizen open te zetten , waardoor de boezem wordt opgezet en het water over het land loopt, hetzij door de zeedijken door te steken. In het laatste geval moet men weder zorgen het gemaakte gat in den dijk ieder oogenblik te kunnen dichten.

Hel is eene zaak van het hoogste gewicht de gestelde inundatiëa te onderhouden Men heeft te letten op de verdamping van het water, op den regenval, op de inzuiging van den bodem , en vooral op de aftapping door den vijand. Eene onophoudelijke oplettendheid en sterke bewaking wordt hierbij natuurlijk in de eerste plaats vereischt. Het doorsteken van eene enkele komkeering, waardoor natuurlijk de hoogere terreinen droog kunnen komen te liggen, kan de oorzaak van onzen val worden.

En nu eene andere questie. Er loopen n. 1. door de inundation meestal wegen, dijken enz. (aecessem, die niet onder water staan. Deze worden door eenvoudige werken, die hen

ocr page 218

174

met gesdiut bestrijken, verdedigd. Bovendien heeft men hier het voordeel dat de vijand er slechts eene geringe macht ontwikkelen kan. Hoe grooter de vijandelijke macht is, hoe meer verliezen zij lijdt. Gaan er rivieren door de inundatie-lijn , dan worden deze door geschut uit de werken aan den oever, door versperringen in het water en door gewapende schepen , uitleggers genoemd, verdedigd. Zulke rivieren geven bovendien nog het voordeel dat zij de communicatie tusschen de verschillende deelen van het vijandelijke leger zeer bemoei el ij ken.

Gedurende den winter kan zich de moeielijkheid voordoen , dat het water bevriest. In een dergelijk geval kan men reepen van 10 a 15 M. breedte openhakken of doen springen. Bij sterke vorst zal men het best doen deze open vakken onophoudelijk te bevaren. Een ander middel , dat bij vorst kan te baat genomen worden, is het levendig houden van het water, li. i. het ^edurifT wegmalen en weder inlaten van het water

c_ ö O

onder het ijs. Het ijs geraakt daardoor in beweging , breekt, en wordt onbegaanbaar. Toch zal men geduren:le den vorst dubbel op zijne hoede moeten zijn.

De verdediging van Holland In het bijzonder.

De verdediging van Holland (het oostelijk gedeelte van ons land kan moeielijk tegen een sterken vijand verdedigd worden) geschiedt aan de oostzijde door de Nieuwe Hollandsche waterlinie , zoo genoemd in tegenstelling van de oude , die meer westwaarts gelegen was. Het belangrijkste voordeel van deze nieuwe linie boven de oude is daarin gelegen , dat nu eene grootere uitgestrektheid land aan den vijand betwist wordt dan vroeger. De Hollandsche linie volgt tot in de nabijheid van Utrecht de Vecht , verder den Vaartschen Rijn , dan de Lek tot aan den Diefdijk (op de grenzen van Holland en Gelderland) ; langs den Diefdijk gaat zij tot de Linge, verder langs den linker-Lingedijk tot Gorinchem , en van daar door

ocr page 219

het land van Altena naar het Steurgat, De Lek , de Linge en de Waal loopen dus bijna loodrecht door de Hollandsche waterlinie. Langs de geheele beschreven lijn wordt het land geïnundeerd, en wel, aangezien het terrein eene ongelijke hoogte heeft, in kommen. Men heeft hier dus te doen met eene kominundatie.

Het gedeelte van deze linie tusschen de Zuiderzee en de Lek is verdeeld in vier kommen :

de eerste kom van den Zuiderzecdijk tot den Klopdijk (in de nabijheid van Zuilen) ;

de tweede kom tusschen den Klopdijk en den Maartensdijk-schen weg;

de derde kom tusschen den Maartensdijkschen weg en den Centraalspoorweg;

de vierde kom van het Centraalspoor tot den noorder-Lekdijk. De vier kommen worden gevoed uit de Lek , en bij hooge noodzakelijkheid ook uit de Zuiderzee. Het Lekwater wordt aangevoerd door het openen der sluhen bij Wijk-bij-Duurstedc» Honswijk en Vreeswijk. Het water , dat bij Duurstede is binnengelaten , stroomt langs den Krommen Rijn naar Utrecht, wordt daar door eene damsluis hoog opgezet en vloeit dan over de kaden , waarbij men het zooveel mogelijk naar het noorden leidt. Aangezien de inundatiesluis bij Wijk-bij-Duur-stede echter buiten onze verdedigingslinie ligt, zal de vijand haar spoedig nemen en zij kan zeker geen dienst doen om de inundatie te onderhouden. De inundatiesluis bij Honswijk brengt het Lekwater in een inundatiekanaal en van daar komt het in weteringen, waarvan er een in den Vaartschen Rijn uitkomt. De Vaartsche Rijn wordt door al het toevloeiende water (ook uit de inundatiesluis bij Vreeswijk) opgezet, waardoor men in staat wordt gesteld de landen ten oosten van dit kanaal te inundeeren.

Het gedeelte van de Hollandsche waterlinie tusschen de Lek en de Waal is verdeeld in drie kommen ;

ocr page 220

170

de eerste kom tusschen den zuider-Lekdijk en den noorder Lingedijk ;

quot;de tweede kom tusschen de Lingedijken;

de derde kom tusschen den zuider-Lingodijk en den noordei-Waaldijk.

De eerste wordt gevoed uit de Lek en wel door twee sluizen : eene aan de noordput van den Diefdijk bij het fort Evcrdingen , en eene een weinig oostelijker Lij het Spoel. De derde kom ontvangt haar water uit de Waal f 3 sluizen).

In het land van Altena heeft men nog twee kommen

r

waarvan de oostelijke gevoed wordt uit de Maas, de westelijke uit de Bakkerskil en bij noodzakelijkheid cok uit de Maas.

Üoor de beschreven inundatie voeren eenige accessen, d z. wegen , dijken enz., die natuurlijk verdedigd moeten worden , opdat de vijand daarlangs niet door de linie kome. De Zui-derzeedijk , in het noorden van de waterlinie, wordt beschermd door de Vesting Muiden met het Kasteel en de Westbatterij, Ook de vesting Naarden met het Eonduit is \\an het hoogste gewicht voor de verdediging van dit gedeelte der linie en voor Amsterdam.

De Oosterspoorwesj wordt bestreken door de vesting Weesp en het fort Uitermeer. Ten oosten van de Vecht tot in de nabijheid van Utrecht liggen de forten : Kijkuit, Spion, Tienhoven , Nieuweraluis en de Klop.

Tot de stelling van Utrecht rekent men de forten : Gagel Ruigenhoek, Blauwkapel, Voordorp, de Bilt, Vossegat, Rijnauwen en Vechten. De Utrechtsche stelling is minder sterk dan het noordelijk gedeelte van onze waterlinie. Enkele verdedigingswerken liggen niet oostwaarts genoeg, waardoor de stad al spoedig aan een bombardement blootstaat.

Het volgende acces is dat van de beide Lekdijken en dat van de Lek zelve. De Noorder-Lekdijk wordt verdedigd door het fort bij Honswijk met de Lunet aan de Snel. Dc Zuider-Lekdijk wordt hoofdzakelijk beschermd door het fort bij

ocr page 221

Bverdingen Dc Lingedijken worden bestreken door het werk bij Asperen en het fort aan de nieuwe Steeg.

De Waal- en Maasdijken beschermt men door het slot Loevestein, het fort bij Vuren en de batterijen onder lirakei en Poederooien. De vestingen Gorinchem en Woudrichem zijn niet volgens dc cischen van den tegenwoordigen tijd ingericht.

Ten oosten van de Hollandschc waterlinie heeft men de weinig betcpkenende voorpostënstelling van de Geldersche vallei en de Neder-Betuwe. Zij dient hoofdzakelijk om den van het oosten binnendringenden vijand zoolang op te houden, totdat de Hollandsche linie geheel in orde is. Langs dc vicr spoorwegen , die door deze linie loopen , kunnen onze troepen zich dan binnen Holland terugtrekken.

De Zuider waterlinie doet denzelfden dienst in het zuiden. Zij loopt van den Amer door de Langstraat en het land van Heusden en verder langs dc Maas tot het fort St. Andries waar zij zich bij dc voorgaande voorpostenstelling aansluit. Men verdeelt haar in vier deelen ;

de stelling St. Andries- Heusden ;

de stelling van Heusden;

de linie van de Langstraat;

de linie van de Donge en den Amer.

Ook hier worden kominundatiën op groote schaal toegepast. Tot de laaLste linie behoort ook dc vesting Geertniidenberg.

Langs de boven-Waal en den Gelderschen IJscl bestaan ook ecnige verdedigingswerken, die vooral dienen om de spoor- en waterwegen zoolang mogelijk te versperren. Een der belangrijkste forten is zeker dat bij Pannerden, daar de vijand hier onze rivieren behcerschcn kan. Ook het fort bij quot;Wester-voort is gewichtiV.

Onze zeegaten worden verdedigd: de Wester-Schelde in liet zuiden door de vesting Terneuzen, in het noorden door het onbeduidende fort Ellewoutsdijk (op Zuid Boveland); dc WrxDKiii.ifit, Aaydrijkshmdr. 12

ocr page 222

zoogenaaniJc Maasnioiiden door dc vostingon Ilellovootsluis on Briollo ca de stolling van het oiland Voorne. Bij den

nieuwen Waterweg van Rotterdam en bij IJmuiden zijn forten gebouwd.

Do stelling van don Helder dient hoofdzakelijk om eene landing van den vijand in dit doel des lands te beletten. Een aantal forten en batterijen bestrijkt het gehcele vaarwater tusschen Texel en den Holder. Ue voornaamste zijn : het fort bij kijkduin, het fort Erfprins en het fort op do Hars sens, benevens een aantal batterijen. Tegen een aanval van de landzijde zijn ook een aantal verdedigingswerken aangelegd. Eene aanzienlijke macht zal echter noodig zijn om deze stelling te verdedigen.

Een onzer belangrijkste stellingen is die van Amsterdam. Is de vijand o/er dc Hollandsche waterlinie gekomen, dan trekt het leger zich in deze stelling terug. 1 Iet terrein om de stad, dat zeer laag is, kan zeer gemakkelijk geïnundeerd worden , maar de verdedigingswerken benoorden het Noord-;;eckanaal (noorderfront), ten westen van de stad (woster-front) en ten zuiden van de stad (zuiderfront) zijn no^ niet gereed.

Wc hebben uit bovenstaand overzicht gezien , dat dc ver-deiiging van het rijkste gedeelte van ons land door zijne eigenaardige gesteldheid mogelijk is. Men houde echter in het oog, dat daartoe eenen voldoende troepenmacht, waarover men bovendien bijna onmiddellijk moet kunnen beschikken, noodzakelijk vereischt wordt. Van harte hopen we echter dat het vaderland nog lang , zeer lang voor den inval van een buitenlandsclien vijand moge bewaard blijven

ocr page 223

IN HOUD.

Inleiding .......

Naarnsoorsprong .....

Begrenzing ...

JJggiiii .......

Grootte en vorm .....

Aantal inwoners .....

Verdeeling......

Horizontale vorm ....

Geleding der kust

Duinen ... . .

Reis langs de kust

Eilanden ......

Vorliealo vorm ....

Bodem .....

Scandinaviscli diluvium

Gemengd diluvium

Rijn- en 3Iaasdiluviuin

Zeeklei ......

Rivierklei ...

I Seekbezinkingen ... Venen ....

Duinen en Zandstuivingen .

Oudere gronden .....

Ons Polderland ...

Ontstaan der polders. Veenpolders Droogmakerijen ...

Hoe maakt men meren en plassen droog Zeepolders ......

Loozing van het polderwater. Roezems Demalingswerktuigen ....

Sluizen .......

Rijnland ......

Waterstaat ....

ocr page 224

INHOUD 11

VII Bivioren.........88

Rivieren in liet algemeen.....8:5

Groote rivieren.......8!(

Kleine rivieren.......98

VIII. Klimaat.........lOi)

Klimaat in liet algemeen.....108

Klimaat van Nederland. Temperatuur . lOH

Luchtstroomea ....... 108

Vochtigheid........118

IX Bevolking.........11G

Kelten.........1HJ

Germanen........117

Friezen, Franken en Saksen . . . .118 Karakter der Nederlanders.....121

X Middelen van bestaan ......12ö

Landbouw........125

Veeteelt........188

Handel en scheepvaart.....135

Visseherij........189

Nijverheid........141

XI. Middelen van verkeer . . . . .14(3

Spoorwegen........140

Kanalen . . . . • . . .151

XII. Plaatsbeschrijving. .157

Friesland........158

Groningen........159

Jlrente . . . . . .159

Ovcnjsel........1GI

Gelderland........161

Utreciit........168

Noord-Holland.......164

Zuid-Holland.......166

Zeeland........168

Noord-Brabant ....... 169

Limburg........17(J

XIH. Verdediging van Nederland ..... 171 Verdediging van ons land in het algemeen ■ 171 Verdediging van Holland in het bijzonder • 174

eiz/z.

ocr page 225
ocr page 226
ocr page 227
ocr page 228

,ste van aanstaande o3tóe en Kweekscholen Aardrijkskunde vai .

ste van M. U. L. onf, ï kl. v H. B. Si , Gymnasyr

^ „ \' Aardrükskttnde vaihL__v,.

. en hoogere klassen van H. _____

, » ^ Schoolatlas van XTedmttd, lt;-lh _,

lt;n •

bevattende roim 50 kaiarten^ %e ^

Bolderman, Verzameling vim Vooratellen gfaff3lnafqj-^ :\'■ de Algeba, iquot;, 2ëgt;n 3e suifcjffl\'..» quot; -ü ■-* Aanteekenlngeit bij d»beoef. der ICeótk

, \' Bosfrijk en W. Walstra, Het IiOvendè

\'* le stukje, ^e dr. / 0,75 2e gt, Sfe

ft \' 19 gt;5 1».-1 AC\'\'quot;\'\'-\'

%amp;l--v: ■ ,»r » ; Boawstbir

-v .:-. * C

amp;.\'

...-• ft??. **£**\' •v V3t;

quot; ■ \'.r - • *. Nedörl. s|

nns, Hist. Atlas der Vad Geschied* ■* • g^^ft^iBche TubeBen f. ^ ,

■ h- de Brum, Duitsch Woordenb. 8 dln. in een band Eng^ch ,

[ A in linnen b:gw» «\' ii irf

t. iiÜ-. 4 - „ let!eren \\ *

„ Fraasch „ * 2 dln. in «n band\\ C .«,90 •

D-ozjfe en Brugtóa», Pr., Hist. Atlas , 2e dr.,, £ 2.60» gehfc, ( Kat. Wdderlandsche Spraakkunst ae-dlott#-\' v ... Oefeningen bij Idem . JiB- ,

Schmling, Beknopt Leerboek der Aasdrijkskundo,quot; \\èe-r~\'S 2,\'j6 • r I „ -\'T „ , «ebondSSuF/\'^éo /

J\' J\' I - en J. A. Vermeulen, De Fransche Taal. . » k

* *gt;■ «... «Voorbereidende cursus. gt;! \' amp;• \'

. ? 1 (Uitspraak) ; . . . . .^s. i\'

^ ideni»^ idem \' r II 4Qramm)iii$. Dltspraató\'fS^.^

•CJ|m j JH (Grawmaftê én Uitspraak) \'

idem idem IV 1 Gram maf re en Uitspraak) , 05ft\'^

#■ , i\';\'\'quot;1 idem V (Grammaire, Uitspraak en Woordvoïni\' quot; quot;\' \' ^

•, . idem ^ idfm VI (Grammaire, Uitópr^k én WoordVor quot;

quot; .. i, H. B. S. en Gymnasia

V.V ...idem Iftem O^Rpfa-»». —j,.... i-rtjK \' ---■

* • jc.xercise ec ^jrram^ - ^

... . maire, Srtie partie 2iiBe série . . . . . . 185 *

j. o^Wfnu \'r: rn-. ■■ p

« - »« niiwuMtwii»-.« ^

jytefquot;.Hquot; ■geb- \'r.CtT

gt; Iquot;- ^

v *

5:\' r?

^aaa^jgg^* :.\'il

\'V;\'~

E SR\' •

.... SffuïS