ocr page 1

■ ,■ •\': -1- :\';\'\'\'

WïiïÊï -

■ •\' •• - : v.-\'quot;

: - ^

■;...... ■ . f

ocr page 2

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

27631419

ocr page 3

Praetstatim vooi Smkeniet in West-Jaw te KagoHe^l,

METHODE

DER

BO ORDE REES TRIJDINGr,

Vademecum ten behoeve van tuinopzieners

DOOK

Dr. L. ZEHNTNER

gt; .ijl;

TWEEDE DRUK. Nadruk verboden).

(*, wm

\\y.

%Squot;*\'.


Semarang, G, C. T. VAN DORP amp; Co. 1898.

ocr page 4
ocr page 5

SOOT nil DEN TWEEDEN DRUK.

De ttvcrdo druk van de »Mi\'lhoilr der Boorderhe-xlrijdiiK/ oiii/crarhcidl zich ran drji eerste vooral door ile hij\'j/\'rnr\'i\'lr (irre jilaten, iradivp de eieren en de rnjisen ili,r Ijoorder* alsmede de besrliadigingen, die deze lualsle nan het riet toebreng en-, afgebeeld zijn. Ue liijHren I 9, /i. en van iilant li zijn aan KFiiÏGER ont-leeml; de overige zijn oveiyenomeii uit tn ijn eigen puhli-mlie.t in het Archief. De tekst is nagenoeg dezelfde gebleven. De belangrijkste verandering is de uitbreiding der del er n linalie tabel drr eieren, die men ge-woonlijk in riettuinen vindt.

ocr page 6
ocr page 7

INLEIDING.

Bij mijne veelvuldige pogingen om de boorderbestrij-ding meer algemeen ingang te doen vinden, is het mij herhaaldelijk gebleken, dat de tuinopzieners niet genoeg op de hoogte zijn van dit onderdeel hunner taak. Om echter de bestrijding met succes te kunnen doorzetten, is het absoluut noodig de maatregelen daartoe stipt toe te passen en daar deze laatste bij de verschillende boordersoorten eenigszins afwisselen, zoo is het ook een vereischte te weten, met welke soort men in elk afzonderlijk geval te doen heeft. De tot nu toe over dit onderwerp gepubliceerde mededeelin-gen zijn alle in zulk een formaat verschenen, dat men ze niet mede in de tuinen kan nemen en daarom heb ik de methoden der bestrijding te zamen gevat in een vorm. die bij wijze van een notitieboekje in den zak gedragen kan worden. Dan kan zich de practicus bij iedere gelegenheid ook in de tuinen de noodige inlichting verschaften en er bestaat zonder twijfel meer kans. dat de bestrijdingsmaatregelen zoo goed mogelijk zullen worden toegepast.

Aan deze overweging heeft dit boekje zijn ontstaan te danken en hoewel het zonder twijfel voor verbetering vatbaar is, zal het toch, naar ik hoop, aan de voornaamste eischen voldoen.

Over de in deze handleiding aangenomen nomenclatuur der hoorders valt evenwel nog een enkel woord te zeggen. Wie zich met deze insekten bezis gehouden heeft.

ocr page 8

zal opgemerkt hebben, dat de Hollandsche namen, die nu eens op de wijze dor beschadiging, dan op de kleur der vlinders of rupsen betrekking hebben, zeer dikwijls verwarringen doen ontstaan. De s Stengel boord er\'\' komt niet zelden ook in den top voor, terwijl de zoogenaamde sTopboordersquot; niet alleen in de toppen, maar ook in de stengel? gevonden worden. De namen AYitte-, Gele-, Grauwe-, Gestreepte Boorderquot; zijn wel voldoende om de vlinders van elkaar te onderscheiden; maar daar men echter gewoonlijk met de rupsen en slechts zeer zelden rnet de vlinders der hoorders te doen heeft, zoo geven ons de nu gebezigde namen niet veel uitsluitsel. Eene nomenclatuur naar de kleur der rupsen gaat evenmin op, omdat er twee soorten vuilwit, twee gevlekt en twee op den rug paarsrood zijn. Er blijft niets anders over. dan de wetenschappelijke namen te bezigen en nu treft het gelukkig, dat de hoorders (voor zoover zij gedetermineerd zijn en voor de praktijk in aanmerking komen) allen tot verschillende geslachten behooren. Indien men ze dus met den naam van het geslacht, waarbij zij behooren, bestempelt, dan is elke verwarring uitgesloten en daarom stel ik voor de praktijk de volgende nomenclatuur der hoorders voor:

Diatraea voor: Diatraea striatalis Sn. = Stengel-hoorder of Gestreepte Boorder.

Scirpophaga voor: Scirpophaga intacta Sn. = Witte Topboorder.

Chilo voor; Chilo infuscatellus Sn. = Gele Topboorder.

Graphoiitha voor: Grapholitha schistaceana Sn. = Grauwe Topboorder.

Sesamia voor: Sesam ia nonagrioides Lef.=lgt;aarsroode Boorder.

ocr page 9

3

De jBandongboorderquot; moet voorloopig nog dezen naam behouden, daar dit insekt nog te weinig bekend is om het te kunnen determineeren.

Om nu practici in de gelegenheid te stellen uit te maken, wanneer zij b. v. met Diatraea, Chilo enz. te iloen hebben, voeg ik aan het slot dezer handleiding eene determinatie-tabel bij. waarin echter alleen de meest in het oocr loopende kenmerken in aanmerking genomen zijn. quot;Wie meer van de hoorders weten wil, kan daaromtrent het noodige vinden in de uitvoerige beschrijvingen en afbeeldingen, door Krüger in »Me-dedeelingen van het Proefstation West-Java, Deel Iquot; en door mij zelf in ï Archiefquot; 1896 gepubliceerd.

Algemeeiie Opmerkingen.

De op riet voorkomende insekten, die men onder den algemeenen naam van »Boordersquot; samenvat, komen in vier verschillende toestanden voor:

I. Eieren-, daaruit komen na 6—8 dagen:

Hupsen, d. w. z. de eigenlijke boorders. Deze veranderen na 35 — 45 dagen, bij Sesamiana 20—25 dagen, in:

3. Poppen, waaruit na 8—12 dagen

4. l\'ünders komen, die paren en wederom eieren leggen.

De geheele ontwikkeling verloopt dus binnen twee

maanden.

Alleen in den rupstoestand zijn de hoorders direht schadelijk.

De boorders tasten zoowel het oude als het jonge riet aan, eu wel vindt men in het oude riet voornamelijk Scirpophaga en Diatraea, terwijl in het jonge riet ongeveer eene maand na het planten Chilo, Gra-pholitha en Sesamia optreden; later, in riet van twee

ocr page 10

4

tot drie maanden oud. ook Scirpophaga en Diatraea.

Het staat vast, dat de hoorders door de bibit naar andere streken kunnen overgebracht worden, verder dat zij van het oude op het jonge riet overgaan, hetzij doordat de jonge rupsjes door den wind overgewaaid worden alvorens zij zich in de stengels hebben geboord, hetzij dat de vlinders, die in het oude riet zijn uitgekomen, naar het jonge riet vliegen om daar hun eieren te leggen. Eindelijk vindt men de hoorders dikwijls ook in de afgesneden riettuinen. namelijk in de loten, die uit de achtergebleven gedeelten der wortelstukken der stokken (dongkellan) uitloopen. In deze gevallen heeft men meestal met Chile en Grapholitha te doen.

De hi hit (zoowel tophi bit als pUmtriet, eigen bibit of geïmporteerde), de oude riettuinen, de gesneden riettuinen, eindelijk het wilde riet zijn de bronnen der boor der plaag.

Alleen Sesamia is tot nu toe ook op een ander gewas dan riet ■waargenomen, namelijk op Maïs. De aangetaste maïs-planten zijn gemakkelijk te herkennen doordat tengevolge van de aantasting door de rupsen de bladkokers verdrogen. De bestrijding geschiedt in maïsvelden zeer eenvoudig door het uittrekken en vernietigen der aangetaste planten. Indien men de inlanders aan het verstand brengt, dat zulke planten meestal geen vrucht voortbrengen, en indien men hun voor hun werk eene kleine tegemoetkoming betaalt, zullen zij zeker tot de bestrijding over te halen zijn.

In de riettuinen geschiedt de bestrijding juist zooals bij Chilo en Grapholitha zie verder onder).

Uit hetgeen zoo even over de herkomst der hoorders gezegd wordt, volgt o. m., dat de eerstgeplante tuinen / het meest aan de infectie bloot gesteld zijn, vooral wanneer zij dicht bij oude riettuinen en voornamelijk

ocr page 11

5

als zij onder den wind daarvan liggen. De eerstgeplan te tuinen moeten daarom bijzonder goed in het oog gehouden en de bestrijding er met de meeste zorgvuldigheid doorgezet worden. Zoodoende is het mogelijk, de plaag in hoofdzaak tot enkele tuinen te beperken. Hoor eene (joede bestrijding in de eerstgeplante tuinen worden de later (jephmte voor besmetting ge v rij iv aard.

Indien men dus den aanplant van hoorders zuiveren wil. moet men in de eerste plaats zorgen, dat er zoo min mogelijk van elders in de tuinen komen, m. a. w. men moet voorbehoedmiddelen toepassen. Hieronder zijn te verstaan:

а. Bestrijding der hoorders in de bibittuinen en zeer zorgvuldige keuze van het plantmatei iaal in het algemeen. Er mag geen bibit met boorgangen uitge-

I plant worden.

б. Bij het oogsten zorge men, dat het riet zoo volledig mogelijk uit den grond gehaald wordt; daardoor voorkomt men de vorming van jonge uitloopers in de afgesneden tuinen. Voor het geval, dat zulke loten toch uitloopen — wat vooral in die tuinen zal voorkomen, die onmiddellijk na het snijden van het riet onder water gezet worden, teneinde ze met tweede gewassen te beplanten — moet men ze spoedig verwijderen, door ze onder den giond uit te snijden.

c. Uitroeien van het wilde riet in de nabijheid der tuinen.

Waar de voorbehoedmiddelen alleen niet werkzaam genoeg zijn, om de hoorders voldoende te decimeeren — t en dit zal in den beginne overal het geval zijn — daar moeten de eigenlijke bestrijdingsmaatregelen toegepast worden, namelijk:

ocr page 12

6

a. lift verzamelen en vernietigen der eieren.

Daardoor wordt het ontstaan der boorderrupsen. die alleen direkt schadelijk zijn, voorkomen.

Het vangen der vlinders, teneinde ze te dooden alvorens /.ij eieren gelegd hebben, is theoretisch ra-tioneeler, doch bleek praktisch niet uitvoerbaar te zijn. Voor zoover men ze echter in de tuinen vindt, verdient het natuurlijk de meeste aanbeveling, ze gelijktijdig met de eieren te verzaïnelen.

h. Daar het niet mogelijk is, alle eieren te vinden, moet men de rupsen en poppen zoo volledig mogelijk wegnemen om zoodoende het ontstaan van vlinders die wederom eieren zouden leggen, te verhinderen. Dit geschiedt door hel uitsnijden der aancjetaste stokken.

Hft verzamelen der eieren.

De vier gewone op Java voorkomende hoorders leggen hunne eieren, op enkele uitzonderingen na, op do rietbladeren. Men late ze daarom slechts op het riet zoeken en verspille zijn tijd niet met het afzoeken der heesters langs de tuinen, der onbebouwde plekken land, der tweede gewassen enz. Op al de genoemde planten vindt men wel is waar hoopjes eieren, die veel op die van Scirpophaga gelijken, doch die behooren tot vlinders, waarvan de rupsen wel eens rietbladeren vreten, maar niet zooveel kwaad doen, om eene bestrijding te rechtvaardigen. Voorzoover deze eieren in de riet-tuinen gevonden worden, is het natuurlijk goed. ze te za-men met de boordereieren te vernietigen; daar zij echter op de bedoelde planten buiten de riettuinen in groo-ter aantal kunnen gevonden worden dan in deze zelf. zoo bestaat er veel kans. dat het werkvolk de eieren

ocr page 13

Ijiiiten de tuinen zoeki en ze als in de rietminen go-vonden aflevert. Dit moet met alle middelen verhinderd worden en het is absoluut noodig, dat de planters zoowel als het werkvolk de boordereieren leeren kennen en onderscheiden. Oin dit te bereiken, zouden de fabrieken zich types van boordereieren moeten verschaffen, om ze aan het werkvolk te wijzen en aan ciit laatste begrijpelijk te maken, wat het eigenlijk zoeken moet. Beter nog zou het zijn, als in het begin iedere tuiuopziener monsters der verschillende hoopjes eieren naar de tuinen mede nam, om ze bij iedere gelegenheid ter beschikking te hebben. De hierachter volgende korte beschrijvingen zullen voldoen, om de boordereieren van elkaar te onderscheiden.

Slechts de eieren van Chilo, Diatraea en Scirpophaga kunnen verzameld worden, daar zij in hoopjes bij elkaar gelegd en dus gemakkelijker en in grooter getal kunnen gevonden worden dan die van Grapholitha, welke afzonderlijk gelegd worden, waardoor het ver-zamelen praktisch onuitvoerbaar wordt.

Als men het eierenzoeken met vrucht wil doorzetten, dan moet men rietplant voor rietplant afzoeken. Men bekijkt deze eerst van boven, om eventueel op de bovenzijde der bladeren liggende hoopje? te verzamelen; daarna worden de bladeren een weinig opgelicht en aan de benedenzijde afgezocht. Deze werkwijze zal natuurlijk liet beste resultaat opleveren, zoolang het riet nog jong is, omdat er dan nog niet veel bladeren zijn.

Men moet nu echter niet verwachten, dat in alle tuinen evenveel en even gemakkelijk eieren zullen gevonden worden. In het algemeen doet men de ervaring op, dat het eierenzoeken in enkele, meestal vroeggeplante uf dicht bij oude tuinen liggende jonge tuinen goede

ocr page 14

8

resultaten oplevert en indien men hier bijtijds bij is, kan men de bestrijding in hoofdzaak tot deze tuinen beperken. Hiermede is echter niet gezegd, dat het eieren-zoeken in de tuinen, waar slechts weinig hoopjes gevonden worden, achterwege gelaten kan worden.

Vele der eieren zijn door sluipwespjes aangetasten het is in ons belang deze te sparen. Het eenvoudigste zou zijn, de aangetaste hoopjes eieren op de rietplanten te laten, opdat de wespjes er uitkomen en in de tuinen andere eieren opzoeken, om deze wederom aan te steken. Hiertegen bestaat echter het bezwaar, dat slechts bij Diatraea door de zwarte kleur, die de eieren verkrijgen, gemakkelijk kan geconstateerd worden, dat zij aangetast zijn, terwijl dit voor Chilo in de praktijk moeilijk, voor Scirpophaga geheel onmogelijk is.

Maar ook voor Diatraea kan ik niet aanraden, de aangetaste eieren op de bladeren te laten zitten, en wel om praktische reden. Zulke hoopjes eieren zullen telkens weer de aandacht der eierenzoekers tot zich trekken, ook wanneer men de bladeren, waarop zij liggen, van een kenmerk voorziet. Dit kenmerk, b. v. het doormiddenscheuren van de bedoelde bladeren, kan ook door den wind, bij de bewerking enz. ontstaan en bovendien ontdekt men de hoopjes af en toe door de schaduw, die op de andere zijde der bladeren ontstaat; deze schaduw nu is altijd donker, afgescheiden daarvan of de eieren aangetast zijn of niet. Verder worden vele eieren op een tijdstip gevonden. waarop de inlander niet uitmaken kan, of zij al aangetast zijn of niet. Door het wegsnijden en vernietigen van zulke eieren zouden dus ook vele sluipwespjes gedood worden; laat men de bedoelde

ocr page 15

9

eihoopjes op de bladeren, dan loopt men gevaar, dat er gave onder zijn.

Ik stel daarom voor. alle eens gevonden hoopjes eieren met een stukje van bet blad uit te snijden; komt men dan een tweede keer op dezelfde plek terug en vindt men een eihoopje. dan is men zeker, dat men het den laatsten keer over het hoofd gezien heeft of dat het intusschen gelegd is.

Om uit de aangetaste eieren de wespjes te laten uitkomen, ga men op de volgende wijze te werk;

Men vervaardigt vierkante of ronde blikken bakken van 40—50 cM. middellijn; de rand kan 8—10 cM. hoog zijn. In het midden soldeert men een kleineren baic van 20—25 cM. middellijn en met een rand van 5—8 cM. hoogte. In den buitensten bak giet men verdunde stroop of water met een laag petroleum, terwijl in den binnensten bak de stukjes blad met de eieren gebracht worden. Komen deze uit, dan kunnen de wespjes over de stroop heenvlie-gen en ontsnappen, terwijl de rupsjes op de siroop blijven kleven en sterven. In zulke bakken blijven de eieren 8—10 dagen, gedurende welken tijd alle wespjes zullen uitkomen. Het is dus noodig eene ge-heele reeks van dergelijke bakken te hebben, waarin om de beurt de dagelijksche vangsten geborgen worden.

Vroeger heb ik aangeraden, de bakken op de fabriek te plaatsen, daar er volgens vele administrateurs door de inlanders bedrog gepleegd zou worden, indien men ze naar de tuinen zelve bracht. Nu is echter op statischen weg dooi Kobus geconstateerd, dat de wespjes niet in voldoende aantal den weg naar de tuinen terugvinden. Men moet daarom de bakken naar de tuinen brengen met vermijding van hel gevaar

ocr page 16

10

voor bedrog. Dit kan gebeuren door de bakken met fijn doch sterk draadgaas te sluiten, waardoor het ontsnappen der wespjes niet. docli het wegnemen van eieren wel belet wordt. Het verdient aanbeveling, de bakken ia de schaduw en niet in de volle zoo te plaatsen.

Sommigen brengen de aangetaste hoopjes in den bladkoker der rietstokken. Dit is voortreffelijk maar paat alleen op voor Diatraea.

Ingeval men er op eene fabriek niet in slaagt, hoopjes eieren te vinden, dan verdient het de meeste aanbeveling een aantal geschikte inlanders voor een paar dagen naar eene andere fabriek te zenden, waar het eierenzoeken goed gelukt, en indien men niet zeker is. of de gevonden eieren werkelijk boordereieren zijn. dan sture men die ter determinatie naar het Proefstation en beware monsters van de gedetermineerde exemplaren.

Men beginne met het eierenzoeken reeds ongeveer ééne maand na het planten. Op dit tijdstip zal men vooral Chilo eieren kunnen vinden en men moet er bijzonder op letten, zoodra er in de tuinen van bedoelden leeftijd enkele door Chilo aangetaste plantjes opgemerkt worden.

De eieren vati Chilo worden meestal op lt;le omler zijde der hinderen gelegd, en wel bij voorkeur aan de basis der bladschijf, dicht bij de hoofdnerf. Men vindt ze zelfs met zelden op de eerstgevormde, slechts 6—8 cM, lange blaadjes. Zij zijn naakt, sterk afgeplat, gewoonlijk in 3—quot;gt; rijen gerangschikt, dekken elkaar dakpansgewijze. hebben een elliptischen omtrek en zijn 1,25—-4,30 niM. lang en 0,75—0,80 mM, breed. De hoopjes zijn 3—4 mM. breed, 6—I i mM. lang en

ocr page 17

11

bevatten meestal 30—70 eieren. Bij uitzondering zijn de eiereu in twee rijen gerangschikt en (ian liggen zij in de regel op de bovenzijde der bladeren. Zij vormen in zulke gevallen lange, smalle lintjes, die hoogstens 2 mM. breed zijn bij eene lengte van minstens 20 mM. en bevatten 50—75 eieren. Üt3 pas gelegde eieren zijn paarlernoerkleurig; daarna verkrijgen zij een rooskleurigen tint om ten slotte bruinachtig grijs te worden. De gavo eieren zijn met het bloote oog niet gemakkelijk van de door sluipwespjes aangetaste te herkennen.

Ongeveer twee maanden na het planten beginnen ook Diatraea en Scirpophaga eieren op te treden.

Diatraca legt de eieren, meestal op de bovenzijde der bladeren, pi. I fig. 1. Zij gelijken veel op die van Chile, onderscheiden zich echter daarvan door de volgende kenmerken :

Zij zijn zoodanii\' in twee rijen gerangschikt, dat de eieren der beide rijen elkander afwisselend gedeeltelijk bedekken; zij liggen in den regel ten getale van 7—30 bij elkaar, een smal liinje van 2—2,5 mM. breedte en 5—15 mM. lengte vormende; hunne lengte bedraagt 1,5—2 mM. de breedte 0,85—1 mM. De pas gelegde eieren zijn ook paarlernoerkleurig, later worden zij echter koperrood of zwart, In het laatste geval waren zij door sluipwespjes aangetast.

Scirjwphaga. De eieren liggen in de meeste gevallen op de onderzijde der bladeren, gewoonlijk vlak naast de hoofdnerf. pi. I fig. 3. Zij liggen ten getale van 6—50 bij elkaar, zijn in 2—4 rijen gerangschikt. afgeplat, van ellipiischen omtrek, 1.2—1.3 mM. lans en 1 mM. breed en dekken elkaar dakpansgewijze. In tegenstelling met Chilo en Diatraea zijn de

ocr page 18

eieren met eeu dicht, volumineus, kaneelbruia vilt bedekt, zoodat men van de eieren zelf niets zien kan. De hoopjes zijn met het vilt 3—G mM. breed en 3—15 mM. lang. Wanneer zij op de bovenzijde dei-bladeren liggen dan wordt het vilt door de zon gebleekt en verkrijgt meer een kleiachtig gele kleur.

Voor het determineeren zal de volgende kleine tabel van nut zijn. Daarin zijn ook andere hoopjes eieren, die men gewoonlijk in de riettuinen vindt, in aanmerking genomen.

\'1. Eieren gesteeKi. d. w. z. aan de punt van 7—8 mM. lange, wiue draden vastzittende, ten getale van 10—20 naast elkaar op de bladeren staande; eieren zelf eivormig 0,8 mM. lang........Ciirysopa diverse spec.

nuttig:

Eieren niet gesteeld, op de bladeren liggende of door een overlangschen spleet in het bladweefsel geschoven. . zie 2. Eieren in perkamentachtige hulsels besloten, die in een spinweefsel hangen.........(Spinnen eieren) zie 30.

2. Eieren in het bladweefsel liggende........zie 3.

Eieren op de bladeren liggende...........zie 5.

3. Eieren in de bladschijf en wel dikwijls in de hoofdrerf

liggende ........................zie 4.

Eieren ten getale van 10—20 naast elkaar in jonge hladscheeden ligizende; 1,5 mM. lang; de spleet waardoor zij in geschoven zijn, met een witte, broze, gladde zelfstandigheid bedekt . . Cicadeachtig insect, spec. I.

■i. Sterk afgeplat, elliptisch, ten getale van 4—8 van den rand der bladeren uit in het bladmoes geschoven. Lengte der eieren 4 mM......Eumoea chloris (De Haan.)

(\'Sabelsprinkhaan).

Spilvormig. op de oppervlakte der bladschijf in net bladmoes geschoven en ten getale van 10—20 naastelkaar liggende. Lengte der eieren 1,5 mM. Cicadeachtig 1 nsect spec. II.

5. In hoopjes naast-of op elkaar liggende......zie 15.

ocr page 19

Afzomierlijk of sleclits twee aan twee op de bladeren

liggende........................zie 20.

Eieren zelf niet of nauwelijks zichtbaar, omdat zij door een min of meer volumineuse, vilt-of wolachtige massa bedekt, of in een papier-, perkament-, kurk- of sponsachtig hulsel besloten zijn.............zie 7.

Eieren naakt, niet bedekt of hoogstens in een doorzichtig, glinsterend, droog schuim liggend.....zie 15.

Het bekleedsel is vilt- of wolachtig........zie 8.

liet bekleedsel is papier-, perkament-, kurk- of sponsachtig ...........................zie 13.

Het bekleedsel bestaat uit zijdeacntige, witte of goudglanzende spindraden......Diversen Spinne eieren.

nuttig.

Eieren (\'na verwijdering van het vilt) sterk afgeplat, elliptisch. dakpansgewijs op elkaar liggend en op elkaar

geplakt.............Scirpophaga intacta Sx.

Eieren meer bol-of eivormig.............zie 9.

In verscheidene lagen op elkaar liggend; eierhoopjes om :ieze reden tamelijk dik, volumineus; eieren bolvormig, middellijn 0.4 m.M; eierschaal met van pool tot pool

loopende ribbetjes.........Agroïis spec. II amp; III.

Slechts in 1 laag naast elkaar liggend, eierhoopjes om

deze reden plat....................zie 10.

Eieren bolvormig................ . . zie 11.

Eieren eivormig of bijna cilindrisch; hun bekleedsel is los, wolachtig, uit glanzende, witte of grijze wasdraden bestaande, die zeer gemakkelijk kunnen verwijderd worden. Lengte der eieren 1,25 m. M. . . ■ Flata spec. II Meestal in -2-5 rijen gerangschikt en ten getale van 10-30

naastelkaar liggend,................zie 12.

In 10-15 rijen, en ten getale van 2-300 naastelkaar liggend : eieren groenachtig, met van pool tot pool loopende ribbetjes, middellijn 0,45 m.M. Eierhoopjes dikwijls ook op de onderzijde der bladeren van postelein (krokotl liggende...................AgroïIS Spec. 1-

ocr page 20

14

\\\'2. Eierschaal glad en glanzend; eieren op de bovenzijde met een ondiepen cii kelvor migen denk: middellijn 0,65

m.M..................Eüproctis minor Sn.

Eierschaal netvormig geaderd; eieren op de hoven-zij\'ie zonder een cirkelvormigen deuk; middellijn 0.6

m.M................Syntomis iiübneri Boid.

13. Eierhoopjes zeer groot, bolvormig: ot\' cilindrisch, middellijn 12-25 m.M. Het hulsel, waarin de eieren besloten zijn, is perknmentachtig, glad. roodbruin, of spons-achtii: en geelbruin. . . . Hierodlt.a spkc.. Tenoüera spec.

Walang kerek of walang kodché) luerboopjes veel kleiner, meer platgedrukt, nooit bolvormig ........................zie 14.

tl- Van ter zijde samengedrukt, parallelopipedisch, 10-15 m.M lang. aan beide uiteinden van een spits uitsteeksel voorzien, waarvan liet eene op liet blad lint, terwijl liet andere vrij uitsteekt; kleur licht stroogeel .......

Tropidomantis spec, (Walang kerek of walang kèdéhé) Van boven platgedrukt, vooral aan «Ie uiteinden; lt;ie kurkachtige massa, waarmede de eiren bedekt zijn, is

roodbruin.............Veldsprinkhaan spec.

IT). Eieren sterk afgeplat, elliptisch, elkaar gedeeltelijk bedekkend........................zie 16,

Eieren niet afgeplat, maar bolvormiir, min of meer cu-bisch. ei-of spilvormig, naast elkaar en nooit dakpansgewijze op elkaar liggcmde....... .......zie 17^

10. Meestal in 1 r ij gerangschikt, dikwijls in net zelfde hoopje gedeeltelijk in I. gedeeltelijk in *2 rijen: hoopjes niet zelden schuin op de bladeren liggende. lgt;e eieren zelf zijn bijna doorzichtig, noch rood, noch zwart wordende . . . . ,.........Botvs coelesalis. Walk.

Altijd in 2 rijen gerangschikt, meestal op de bovenzijde -ier bladeren liggende en altijd juist in de lengterichting; van deze. Rijpende eieren rood, aangetaste zwart wordende ..............Diatra ea striata lis. Sn.

ocr page 21

15

In 3—5 rijen gerangschikt, meestal op de onderzijde der bladeren aan de basis der jonge bladschijf en naast

de hoofdnerf liggende......Chilo inkuscatellus Sn.

Bolvormig, min of meer cubisch of cilindrisch. . . zie 18.

Ki-of spilvormig...................zie 23.

In 5—20 rijer» en ten getale van 30—21)0 in enkele gevallen.

tot 500 naastelkaar liggende............zie\'19.

In 1—3 rijen gerangschikt en ten getale van 5—15. zelden

40—50 n nastel kaar liggende............zie 2*2\'

Bolvormig, wasgeel..................zie 20.

Cilindrisch of cubisch. ten minste op de bovenzijde afgeplat..........................zie 21.

Eierschalen glad en glanzend, middellijn der eieren 07. m.M.

PlIIrsSAMA INT F. li RU PT A A L . haer.-chalen niet glanzend, middellijn der eieren 1.2 mMj

Dueata petoi a Moore. Kieren even dik als breed, grijsgeel en in een glinsterend.

lialfdoorzichtig. droog schuim liggende.........•

Psalis s ecu ris fïübn. Kieren meer hoog dan breed, cilindrisch, met de korte zijde op de bladeren staande, zeer regelmatig in rijen

gerangschikt, eerst wasgeel, later steenrood.......

Wantseneieren spec. I (Lêmbing.)

Bovenzijde dei eieren regelmatig bolvormig, bij rijpe eieren met een roodbruin streepje, dat zjch over S/j van den rand uitstrekt; eieren elkaar niet rakende; kleur

licht geelachtig, middellijn 1.5 m.M.............

DlSCOPIIORA (\'KUNDE. STOLL. Bovenzijde der LrrijsLreie eieren elfen of een weinig concaaf, aan de kanten bruin: eieren, van hoven gezien, cubisch; meestal in 1 enkele rij en dient naast elkaar liggende

Procodeca aüara. Moore. Kieren met de lange zijde op de bladeren Uggende zie 2i. Eieren met de korte zijde op de bladeren staande zie 25. Blad rond om de eieren wit bepoederd en als met een

ocr page 22

IG

penseel bestreken, eieren 1,25 tnM. hing Flata spec. 1, Blad rond om de eieren tn meestal deze zelf met zijde-glanzemie. witte of grijze wasdraden bedekt; eieren 1.25 mM. lang..................Flata. spec. II.

25. Ten getale van slechts 0—30 naast elkaar, maar zoo, dat zij elkaar niet raken; kleur wasgeel, lengte, al tiaar de soort, i — 2 m.M. Eieren van Lievenheersbeestjes icoccixelliden i

(nuttig!)

Ten getale van vele honderden dicht aanelkaar geplakt en wel 3 of 4 lagen opelkaar. conische hoopjes van C)—8 mM. breedte en i—5 mM. lengte vormende.

Stratiomijs ? spec.

(Vliegeneieren. i

20. Eieren sterk afgeplat, elliptisch, grijs, in rijpen toestand met eenige roode vlekjes: meestal op de onderzijde van jonge bladeren, soms ook op jonge bladscheeden liggende.

GrAPHOI-ITIIA SCniSTACEANA. Sn. Eieren schijf—. half bol — of wigvormig.....zie 27.

37. Schijf—of halfbolvormig...............zie 28.

Wigvormig, doch de zijvlakten gewelfd; eierschaal in een bepaalde schuine verlichting goudglanzend: Lengte dei-eieren 1 mM...........Wantseneièren spec. II.

28. Eierschaal glad....................zie 29.

Schaal der schijfvormige eieren op den rand der schijf met loodrechte ribbetjes; middellijn 0,65 mM.......

Sesamia nonagrioides Lef.

29. Wit, bijna 3^ van een bol uitmakende; middellijn 1,35

mM..............Hesperia conjuncta H. Scli.

Grijsgeel, minder dan i/o bol uitmakende: middellijn 1,25 mM...............Piialera combusta Moore.

30. Hoopjes regelmatig bolvormig en met een aan het einde

vertakten steel....................zie 31.

Hoopjes niet bolvormig, meer plat.........zie 32.

31 Het bolvormige gedeelte geelbruin, op den grootsten omtrek met een reeks van grijswitte, driehoekige

ocr page 23

uitsteeksels................Gonggo spec. I.

(nuttig !)

liet bolvormige gedeelte glad. geel niet bruine, ongeveer

horizontaal loopende strepen......Gonggo spec. II.

(nuttig!)

3\'2. Driehoekig met afgeronde hoeken, in het midden opgezwollen: kleur lichtgroen.....Gahaxggatie spkc. I.

(nuttig!)

Schuit vormig, geelbruin.....Garanggatie spec. II.

(nuttig!)

ocr page 24

Het uitsnijden der aiin:ret:iste stoliken.

Bij het uitsnijden der aangetaste stokken moet men in het oog houden, dat het niet zoo zeef het doei is deze stokken te verwijderen, dan wel de hoorders machtig te worden. Al naar de boordersoort moet het uitsnijden op verschillende wijze gebeuren.

Chilo. Sesamia en Grapholitha. De aanwezigheid van deze hoorders in het riet kan pas opgemerkt worden, wanneer zij hel ergste kwaad gedaan hebben. De jonge rupsjes van Grapholitha namelijk dringen dicht bij de bibit in de stengeltjes en maken daarin een zeer fijnen boorgang, terwijl die van Chilo en Sesamia ongeveer 10 dagen achter of in de bladscheeden vertoeven. In beide gevallen is de vreterij gedurende dezen tijd gering en kan uitwendig niet opgemerkt worden. Daarna echter hebben zeer in het oog vallende beschadigingen plaats. Grapholitha. (pi. 1 fig. 6quot; boort in een onregelmatige spiraalvormige lijn van beneden naar boven \'pi, II fig, •!;. waarbij in zeer vele gevallen de jonge bladeren aan de plaats van inhechting af-gevreten en ten slotte het groeipunt vernield wordt. De jonge rupsen van Chilo en Sesamia dringen in den regel van achter de bladscheeden dwars in de spruiten binnen. Daarna maakt Chilo (pi. I fig 5) een zeer regelmatiger! rechtlijnig naar beneden ge-richten boorgang pl. 11 fig. 1), terwijl de boorgang van Sesamia dikwijls zeer onregelmatig is. Bij beide

ocr page 25

19

soorten wordt echter bijna zonder uitzondering het groeipuut vernield. Heeft men met Grapholitha te doen. dan wordt de infectie uitwendig zichtbaar doordat eerst het jongste, ontrolde blad rechtop staat en verdroogt, waarna ook do nog opgerolde bladeren (poepoes) verwelken; bij Chilo en Sesamia verdrogen de bladkokers vlugger, zonder dat het jongste, ontrolde blad verschijnselen van gebrek aan water vertoont. Het is echter niet altijd mogelijk, van te voren te zeggen welke soort de schade veroorzaakt, te meer daar ook Diatraea niet zelden in de toppen voorkomt. Voor de praktijk boude men zich aan dezen hoofdregel:

In alle gevallen, waar in het jonge riet tengevolge der boorderinfectie de bladkokers verdrogen, moeten de rietspruiten diep uitgesneden worden, zoo mogelijk dicht bij de bibit. Ook is het een vereischte, dat de bedoelde spruiten uitgesneden worden zoodra de aanwezigheid der hoorders kan opgemerkt worden. Wacht men er mede. totdat de bladkokers geheel verdroogd zijn en eene gele kleur aangenomen hebben, dan loopt men gevaar, dat de vlinders reeds uitgekomen zijn. Het beste is onmiddellijk uit te snijden, zoodra de bladkokers beginnen te verwelken en in elk geval er bij te zijn zoolang de verdrogende bladeren nog eene groene kleur hebben. De stokken kunnen als diep genoeg uitgesneden beschouwd worden, wanneer er aan het ondereinde een paar worteltjes mede uitgesneden zijn.

Het uittrekken dei\' verdroogde bladkokers heeft niet de minste waarde, omdat hierbij de \'ooorderrupsen bijna altijd in de spruiten terugblijven. De talrijke, geelwitte, priemvormige larven, die men op de uitgetrokken bladkokers vindt, hebben met de hoorders

ocr page 26

•JO

niets te maken. Het zijn vliegenlarven. «li.1 zich met de rottende plantendeelen voeden en geen kwaad doen.

In tuinen, die gebrek aan water hebben, komt het voor, dat het ongeoefende werkvolk gave stokken uitsnijdt, meenende dat het droogstaan ook in dit geval door hoorders veroorzaakt wordt. In zulke geval len is aan te raden, het uitsnijden in den heetsten tijd van den dag te staken.

Bij het uitsnijden moet men de secundaire spruiten lanakans) natuurlijk sparen; men ga hierin echter niet te ver, daar het m. i beter is i of 2 zijspruiten met den moederstok te verwijderen, dan deze niet diep genoeg uit te snijden. In het laatste geval zou men immers onnut werk verrichten.

De messen moeten zeer scherp zijn, opdat men de stokjes met een minimum van moeite en met ééne snede verwijderen kan en niet genoodzaakt is—zooals met botte messen het geval is — het mes onder groote drukking herhaalde malen heen en weder te trekken, waardoor de wortels der rietplantjes verscheurd en de zijspruiten dikwijls gekneusd worden.

Bij rietplautjes, die nog niet aangeaard zijn, bezigt men met voordeel kleine, spitse, rechte messen, omdat men daarmede diep genoeg komen kan en tevens de aangetaste stokjes gemakkelijk tusschen de nog kleine zijspruiten uit kan snijden. Is het riet reeds aangeaard, dan moet rnen eerst den grond verwijderen opdat men zien kan, waar de snede gemaakt moet worden. Men bezigt ia deze gevallen hel best de kleine jaritsquot; (of daarop gelijkende messen), die ook op de rugzijde over eene kleine uitgestrektheid scherp gemaakt zijn.

Met het uitsnijden hegint men reeds 4-~(i weken na het planten. Op dit tijdstip vindt men meestal

ocr page 27

21

iet Chilo en Grapholitha en daar er nog zeer weinig m. Marleren gevormd zijn, kan men de aangetaste planiet v tjes gemakkelijk en reeds uit de verte waarnemen, en Zijn bij eenoogschen aanplant op den bedoelden leeftijd lit de moederstokken aangetast, dan verdient het aanbe-al veling, zulke plantjes direkt door andere te vervangen en en hetzelfde geldt voor den tweeoogschea aanplant, indien beide moederstokken aangetast zijn. Op dezen en leeftijd is er immers nog geene of slechts eene k\'eine er uitstoeling voorhanden, die na het uitsnijden van den en moederstok niet goed doorgroeien zou. Laat men iet de moederstokken staan totdat zich de uitstoeling ou ontwikkeld heeft, dan kunnen ondertusschen de vlinders uitkomen en een groot aantal andere rietplantjes de infecteeren.

ne Het uitsnijden in den zeer jongen aanplant heeft

ils | het voordeel, dat de grond door de te verwijderen

er plantjes slechts in zeer geringe mate onnoodig uitgeput

te wordt, dat de ingeboete planten (soelamans) de overige

rd spoedig inhalen en de tuin dus gelijkmatig wordt, en eindelijk dat men den strijd tegen de boorderplaag veel

igt gemakkelijker bijhouden kan.

lat Heeft men een tuin van hoorders gezuiverd en is de het te voorzien, dat men de bestrijding gedurende ne eenige dagen kan staken, dan verdient het aanbeve-•d, ling den tuin zoo mogelijk water te geven, waardoor lat de plantjes, die bij het uitsnijden beschadigd mochten ;n. zijn, vlugger weder bij zullen komen. Even vóór het ;squot; uitsnijden geve men geen water, omdat daardoor het de werk moeielijker zou gemaakt worden, daar de natte jn. • aarde minder gemakkelijk van de plantjes kan veren wijderd worden.

tal Diatraea en Scirpophaf/a. In tegenstelling met

ocr page 28

oo

Cliilo en Grapholitha is bij Diatraea en Scirpophoga de infectie reeds in een vroeg stadium uitwendig ie zien. namelijk reeds voordal de hoorders de rietstengels zelve beschadigd hebben. Daarom is het dan ook mogelijk. deze hoorders uil het riet te verwijderen, zonder de stokken ie moeten uitsnijden. Daar dit bij de twee stoorten niet op dezelfde wijze geschiedt, moeten wij ze afzonderlijk bespreken.

be infectie dooi- Scirpophaga wordt merkbaar door één of meer dwars loopende rijen fijne, ronde, scherp-begreusde gaatjes in de bladschijven en een fijnen, geelbruinen boorgang in den hoofdnerf der bladeren (pi. II fig. 5.) Het jonge rupsje namelijk doorboort in dwarse richting eerst den bundel der vast opgerolde jonge bladeren, waardoor de dwarse reeksen gaatjes in de bladschijven ontstaan; daarna boort het zich in een hoofdnerf van de bladeren naa?quot; beneden, waarbij het telkens van een ouder blad op een jonger overgaat. In het binnenste der spruit aangekomen, boort de rups (pi. I fig. zich meestal rechtlijnig naar beneden, vernielt zoodoende de jongste bladeren zoowel ais het groeipunt en voert ten slotte den boorgang in een horizontale richting tot aan de oppervlakte der spruit (pi. II fig. 4). De bedoelde, op zich zelf zeer onbeduidende, beschadigingen der bladeren worden pas na het ontrollen dezer laatste zichtbaar, echter op een tijdstip, waar het rupsje het groeipunt van het rietstengeltje non niet bereikt heeft. Hoever het rupsje al in de spruit is binnengedrongen, kan met zekerheid alleen in dier voege uitgemaakt worden, dal men de spruit op verschillende plaatsen dwars dooi snijdt, eerst vlak boven of beneden het onderste groene blad. vervolgens dieper en dieper, op afstanden van \'2 — 3

ocr page 29

23

cM. totdat óf de rups doorgesneden wordt, óf op de snijvlakte de boorgang niet meer kan gezien worden. Ontdekt men de infectie in een vroeg stadium, dan groeien de aldus behandelde spruiten meestal door.

Hel is nu echter niet noodig, bij iederea stok afzonderlijk te probeeren, hoe diep men snijden moet. Wanneer men namelijk een door Scirpophaga aangetasten stok vindt, dan kan men zeker zijn. er in de buurt nog een aantal méér te vinden (soms 20 — 30\\ Deze zijn gewoonlijk alle aangetast door hoorders, die uit één hoopje eieren komen, dus even oud zijn en ongeveer even diep in de spruiten zijn in gedrongen. Heeft men nu bij een stok door probeeren uitgemaakt, hoe diep men snijden moet, dan kan men de overige direkt op dezelfde hoogte afsnijden. Natuurlijk moet men bij het vinden van elke andere groep door Scirpophaga aangetaste stokken op nieuw bepalen, hoe diep de rupsen al geboord hebben.

Bij eenige oefening van hot werkvolk in het opzoeken der aangetaste stokken in een vroeg stadium kunnen door de aangegeven behandeling veel rietplantjes gespaard worden.

De infectie door Dlatraea gt;pl. I ftg. 2) bemerkt men door talrijke langwerpige, witte vlekjes op de bladeren (pi. II fig. 3). De jonge rupsjes leven namelijk )0—14 dagen uisschen de nog opgerolde bladeren, waar zij het bladmoes op de bovenzijde plaatselijk afschaven, zoodat daar slechts nog de opperhuid der onderzijde van de bladeren overblijft. Bij het verdrogen wordt de opperhuid op deze plaatsen wit en de bladeren doen zich als met witte vlekjes bezaaid voor. (1) Meestal

(!) .Men moet deze beschadiging niet vei warren, met die

ocr page 30

vindt men op zulke bladeren ook nog boormeel. en dit is altijd het geval, zoolang de bladeren nog niet ontrold zijn.

Zijn de rupsjes ongeveer 14 da^en oud, dan verhuizen zij naar beneden in de rietstokjes. Zij kruipen achter de bladscheeden en boreu zich van daar dwars iu de stokken oiunen. waar men er meestal meer dan één (soms 10 — 15) vindt. Indien men dus vroeg bij de hand is. kan men Diatraea bestrijden door eenvoudig de bladkokers uit te snijden en wel zoo diep, dat de 2 - 4 oudste bladeren blijven staan Wel is waar kan men aan de aangetaste stokken niet altijd zien.

of de rupsjes zich nog in de bladkokers bevinden; maar de ondervinding leerde, dat dit tot op enkele uitzonderingen na wel het geval is, wanneer hoogsten één der op de kenmerkende wijze beschadigde bladeren ontrold is. In twijfelachtige gevallen trekke men de ( onderste bladscheeden van de spruit af en wanneer men daarachter boormeel vindt, dan is dit een teeken, dat de rupsen al naar beneden verhuisd en in de stokken binnengedrongen zijn De slokken moeten dan beneden de boorgaten afgesneden worden.

Vindt men achter de oudste bladscheeden geen boormeel, dan mag men aannemen, dat de rupsen zich nog in den bladkoker bevinden.

De uitgesneden bladkokers moeten dadelijk een paar keer opgevouwen, het zoo verkregen bundeltje met de toppen der bladeren vastgebonden en in een mandje

.

welke de sprinkhanen veroorzaken. Van deze vreten enkele soorten onregelmatige gaten in ile bladeren. Deze komen dan wel eenias/.ins overeen met, zeer oude. door Diatraea beschadigde bladeren, waar de bedoelde witte opperhuid door den invloed van regen en wind verdwenen is.

ocr page 31

of trommeltje door het werkvolk meegenomen worden. De rupsjes blijven Jau rustig doorvreten, terwijl zij wegloopen en zich verspreiden zouden, indien men de bladkokers zonder ze op te vouwen zou bewaren.

Niet in alle gevallen, waar de rupsen volgens den stand der beschadigde bladeren reeds naar beneden verhuisd zijn, worden ze ook teruggevonden. Dii kan echter pas na het uitsnijden geconstateerd worden en het is daarom niet te vermijden, dat er af en toe een stok uitgesneden wordt, die had kunnen blijven staan. Hierin kan alleen verbetering gebracht worden, doordat men zich alle moeite geeft om het werkvolk zoo af te richten, dat het de infectie opmerkt, alvorens de rupsen achter de bladscheeden verhuisd zijn.

Bij stokken, waar men de bladkokers uitgesneden heeft, knippe men ook eventueel ontrolde, op de kenmerkende wijze beschadigde bladeren af, opdat later de aandacht van het werkvolk niet onnoodig tot rietplanten getrokken wordt, die al van hoorders gezuiverd zijn.

De uitgesneden rietstokken of bladkokers, onverschillig met welke boordersoort men te doen heeft-moeten zoo min mogelijk door de tuinen gedragen worden. Worden zij bijeenverzameld, dan moet dit buiten de tuinen geschieden onder inachtneming van den voorzichtigheidsmaatregel, dat zij niet door de zon beschenen worden. Tengevolge van de verhoogde temperatuur zouden namelijk de rupsen wegloopen, vooral die van Grapholitha en Diatraea, en er bestaat kans, dal zij op andere stokken zomien overgaan.

ocr page 32

26

Om de rupsen te vernietigen, worden de uitgesneden slokken op de fabriek verbrand, wat gedurende den maaltijd zeer goed in de ovens kan gebeuren. Ook kan men de rupsen uit de stokken halen, nadat, deze gespleten zijn, en ze daarna dooden. Het splijten wordt buiten op het veld of op de fabrieK gedaan. In het eerste geval is het gevaar, dat er rupsen zullen wegloopen, gcrinirer; in het tweede geval daarentegen zal de controle beter uitgevoerd kunnen worden. Overigens moet ik deze kwesties aan de practici overlaten.

Met de bestrijding moet men doorgaan zoo lang men in de tuinen kan komen, op zijn minst echter tot aan de laatste bewerking toe. Dit is noodig, omdat zich anders de weinige, voor het invallen der regens overgebleven hoorders gedurende den Westmoesson zoodanig kunnen vermenigvuldigen, dat tegen den maaltijd de tuinen er wederom vol van zitten en een groot gevaar voor besmetting van den jongen aanplant opleveren.

De volgende tabel kan dienen, om de boordersoor-ten naar de wijze der beschadiging en naar het voorkomen der rupsen te determineeren. Volledigheidshalve is ook de nog onvoldoende bekende Bandongboor-der vermeld.

ocr page 33

Errst staat het jongste ontrolde blad drooc, daarna verdroogt de bladkoker meestal in zim ceheel. Slechts 1 (ongevlekte) rups in eike spruit; de boorgang dicht bij de bibit beginnende en in een onregeimatisre spiraalvormige iijn naar dei» stengeltop opstijgende . Gri\'apliolitlia..

Opvullende I verdrc-I gmgsver-I S\'chijnselen } van »ie blad-i kokers

De blad-koker verdroogt di-rekt in zijn geheel

Kups geblekt, d. w z «net minstens 4 min of . meer duidelijke overlan^sche rijen van donkere vlekken op den rug.

Rups niet gevlekt, on den rug gelijktnatig naarsrood.

I Gewoonlijk slechts 1 rups in eiken stok; rups met een fijne, donkere, overlanu\'sche iijn op het midden van den rug; boorgane zeer regelmatig, rechtlijning naar bene-

Ohilo.

Meestal verscheiden rupsen in eiken stok; ruusen ( zonder donkere oveilangsche iijn op het midden van den ig ; boorgang zeer onretrel-niHtig, naar alle rientingen gaande JDiatiraea.

Halsschild glad, de paars-ronde kleur strekt zich op de yijden niet beneden de ademhalinesopeningen uit; deze zwart . Sesam ia.

Halsschild met schubvormi-ge verhevenheden, de paars-roode kleur streKt zich op de zijden tot aan de basis der pooten uit; ademhalingso-peningen geelachtig met een roodbruinen rand- .

Banciongbooirder.

] den

enclit


Dwarse reeksen van fijne, ronde, scherpbegrensde paatjes in de bladschijven en een fijnen, geeloruinen, overlangschen boorgang in de hoofdnerf dier bladeren ; bij oude gevallen van infectie verrotten de «ilerjongste bladeren (niet zeer m het oog vullend) en lonpen 4-—(gt; oogen onder den top uit. Slechts 1 ongevlekte, geelwitte rups in eiken stengel,

iScirpopliajga •

De bladsrhyven met plaatselijk afgeschaafde opperhuid, waardoor zij talrijke, witte vlekjes vertoonen; boormeel op deze blaaeren aanwe:ig, tenminste wanneer zij nog niet geheel ontrold zijn. Meestal verscheiden «evlekte rupsen in elke spruit...........Diatraea^

lt;*epn opval-lende ver-drogines-verschijnse-len van de bladkokers. daa rentegen plaarselijke beHchacii-gingi-n der bladeren.

ocr page 34
ocr page 35
ocr page 36
ocr page 37
ocr page 38

am

.. . if

g

ocr page 39
ocr page 40
ocr page 41
ocr page 42
ocr page 43
ocr page 44
ocr page 45
ocr page 46
ocr page 47
ocr page 48
ocr page 49