ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

(V

J-

.Samp;__S-J

tl] |) n c in Ij i\' a it

Prijs 6 ct.: 25 ex. 5 ct.; 50 ex. 4 et.: 100 ex. 8 ct. per exemplaar.

uit den

O O O O O O O

O

4 t

i

i ,

tl

4

❖

! O

o

1 3oEK- COÜ RA XT- EX H A X I) E LSD RU K K E R IJ » T) E V EC UT.\'quot; Directeur A. (t. D. GERRITSEN, Hrei kelex. 1899.

o \'

# m m ® m li

• *^5 M

-6 -^5-

lt;amp;■

»Pilippus,« CXXV

ocr page 4

HET NEDERLANDSCHE VOLKSLIED:

Wilhelmus van Naraouwe.

r r I §11111

Wil-helmus van Naa-souwe Ben ick van Duytaqhen bloet ;

Ffö=\\

quot;1—1~

J ï ï\\

é m

I n j i

-3—I-

J J

rt-r-

4 »

Den Vader-lant ghe-trouwe Bigf ick tot in den duet.

0 ö f ^ / ffn a ^

L J ^ ,

i \'

| j J j

r=t

«J

4-1—

J—1—

-/-

O .

Een Prin-ce van 0 - rangiën Ben ick vrij, on-ver-veert;

F^=q

J J

H—r

n—;—x—

1—1—tquot;

fv

—

tto=4j

—Ö—•

J J J1 J

Den co - nincK van Higpaengiën Heb ick al-tijt gheëert.

In Godcs vrees tc leven

Heb ick altijt betracht. Daerom bon ick verdreven,

Om lant, om lnyd\' ghebracht. Maer Godt sal mij reg-heeren

Als een good instrument, Dat ick sal wedorkeeren In mijnen regiment.

Lijf ende goet al tsamon

Heb ick u niet vorsclioont; Mijn brooders, liooch van namen.

Hebbent u ock vertoont:

Graef Adolf is ghebleven

In Vrieslant in den slach; Syn siel in \'t eeuwicli leven, Yerwacht don jonghsten dach.

ocr page 5

\\

3|ei|

uit rlen

ORftMJEHOF,

DOOR ^

1 \' \\

J. P. I A/KI,AAR.

Predikant te Wi-csp. \' - ^

s\' i

HllKK- ( \'ol\' KAN1 - i;N H AM)ki,Ml)KI K K Klil.l » DlA\' i:( iii .quot;

Diuki i ki i! A. C. 1). (■ KKK\'ITsivN, IIki.i m.i.ia.

1 S\'.ti».

; ;Jb

ocr page 6

EET NEDERLANDSCHE VOLKSLIED: Wilhelmus van NuMKrawe.

jw .ui

Wil-helmn» van Naa-souwe Ben iek Tan Dnytwihen bloet;

P

Den Vader-lant ghe - trouwe Blgf ick tot in den doet.

Een Prin-ce van O - rangiën Ben ick Try, on- ver-TMri;

Dén có • ^nck Tan HispaengiBn Heb ick al-tgt ghefiert.

In Godes vrees te leven

Heb ick altijt betracht. ^ Daerom ben ick verdreven,

Om lant, om luyd\' ghebracht. Maer Godt sal mij regheeren Als een goed instrument,. Dat ick sal wederkeeren In mijnen regiment.

Lijf ende goet al tsamen

Heb ick u niet verschoont; Mijn broeders, hooch van namen.

Hebbent u ock vertoont:

Graef Adolf is ghebleven

In Vrieslant in den slach; Syn siel in \'teeuwich leven. Verwacht den jonghsten dach;

s

ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

e^.e_n_

Dit hoekje bevat enkele kernachtige uitspraken van Prinsen en Prinsessen uit het doorluchtig stamhuis van Oranje.

Het zijn goede ivoorden. Onvergetelijke ivoorden. Zij geven diepe Mikken in het hart en in het leven van hen, die ze hebben gesproken.

Lees ze aandachtig.

Denk er ernstig over na.

Zij kunnen, onder den zegen des Heer en, u een leerschool zijn, hoe een mensch wel leven cn wel sterven kan.

-rs———5quot;

ocr page 10
ocr page 11

JULIANA VAN STOLBERG.

EN moet in alles meer hechten aan het

eeuwige dan aan het tijdelijke.

De zegen des Allerhoogsten is meer waard dan goud of zilver.

l

PRINS WILLEM I.

der Christenen en andere verdrukten in deze

LEER wij ooit deze zaak en de beschermenis

landen hebben aangevangen, hebben wij met den Alleroppersten Potentaat der potentaten alzulken vast verbond gemaakt, dat wij geheel verzekerd zijn, dat wij, en al degenen, die daarop vastelijk vertrouwen, door Zijne geweldige en machtige hand ten leste nog ontzet zullen worden.

Na den val van Haarlem. 1573.

Van droefheid weet ik nauwelijks wat ik doe. En desniettemin moeten wij ons altijd schikken in

ocr page 12

den wille Gods en in aanmerking nemen Zijne goddelijke voorzienigheid, dat Hij, die het bloed van Zijn Zoon gestort heeft om Zijne Kerk in stand te houden, niets doen zal dan hetgeen strekke tot Zijne eer en tot bescherming Zijner gemeente, ofschoon het der wereld onmogelijk schijnt. En al kwamen wij allen te sterven, en al werd dit arme volk geheel vermoord of verjaagd, behooren wij toch verzekerd te zijn, dat God de Zijnen niet verlaat.

Uit een brief aan Graaf jan, na de nederlaag op de Mookerheide. 1574.

Gijlieden wilt ons uitroeien, doch wij verkiezen dit niet.

In 1577 tot de afgevaardigden van Don Juan te Geertruidenberg.

„Wenschelijk ware het,quot; schreef de Piias in 1580, „dat Gods genade ons een goeden vrede schonk; doch ik heb er weinig hoop op, want men eischt het verlaten van Gods Woord, hetgeen, Gode zij dank, niemand doen wil, maar liever alles wagen dan dezen schat te verliezen.quot;

Ik ben in Gods handen, mijne goederen en mijn leven zijn reeds lang aan Zijn dienst gewijd. Hy beschikke daarover zooals dit Hem het beste dunkt — tot Zijne eer, tot mijne zaligheid.

Nadat Pilips II het banvonnis over hem had uitgesproken. 1580.

ocr page 13

Ik zie wel, dat ik het leven in arbeid en ellende doorbrengen moet, doch ik ben tevreden, daar het den Almachtige dus behaagt. Hij geve mij genade om alles met lijdzaamheid te dragen.

Dat is op God vertrouwen, als men de middelen gebruikt, die \'t Hem gelieft ons aan te bieden, en Hem te bidden, dat Hij zijn zegen daarover wil laten gaan.

Aldegonde, dat men ons vertrappe, mits slechts de kerke Gods bloeie.

Uit een brief aan Filips van Marnix,

God heett mij de genade geschonken openlijk te kunnen zeggen, dat ik altijd boven mijn eigen welzijn het welzijn des Yaderlands heb gesteld.

-[51ot51--

JAN VAN NASSAU.

j^IJ, die strijd voeren voor Gods Woord en de vrijheid des Vaderlands, behooren niet te zien op belooning, maar op Gods eer en het algemeen behoud.

Uit een brief aan Pkins Willem.

Deze zaak en dit werk zijn niet van de menschen, maar uit God. Gij hebt er u niet uit u sfelven in gemengd, maar de Almachtige heeft u geroepen,

ocr page 14

en als \'t ware bij de haren gesleept; en gij hebt in uw arbeid do zichtbare proeven van de hulp, de genade en de wonderdadige kracht des Hoeren gehad.

Vermaan toch degenen, die bij u raad vragen, tot boete, bekeering en gebed; dat zij aan Gode de zaak toebetrouwen, op Hem alleen hunne hoop stellen en niet op menschen: het zijn waarlijk dingen, waarbij aanhoudend gebed en ijverige voorziening onmisbaar zijn.

Uit een brief aan zijn broeder Louewijk.

PRINS MAURITS.

Heere, wat zijn wij arme, zondige menschen, 1 dat Gij ons heden, tot eer en glorie van Uw Naam, zoodanig geluk mededeelt. IJ zij de roem en de dank tot in eeuwigheid.

Na den slay bij Niemvpoort.

Het is met veel oratiën en verbloemde redenen niet te doen, maar (kloppend op het gevest van zijn rapier) hier, hiermede zal ik de religie, die mijn Heer Yader in deze landen geplant heeft, verdedigen, en ik zal eien, wie mij dat beletten zal.

Tot Yan Oldexbarnjjveld.

Dien godsdienst zal ik handhaven, zoolang ik leef!

ocr page 15

Ik heb gezondigd, ik heb grootelijks gezondigd. Ik neem mijn toevlucht tot de genade en de groote barmhartigheid Gods, en ik geloof, dat de Heere Jezus Christus ook voor mij aan het kruis gestorven is; hierop stel ik al mijn vertrouwen.

In zijn stercensure. ----

PRINS FREDERIK HENDRIK.

mijn zoon! mijn kind! mijn zoon! Is het zoo 1 geschied? Is het zoo? Zoo is het een louter werk Grodes en niet van menschen.

Na den val van Wezel-

Aan mijn Vader en mijn Vaderland.

Zinspreuk van Fkederik Hendrik.

Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden!

Ajialia. van Solms op den dag van haar huwelijk met Prins Feederik Hendrik.

Ik dank Uwe Hoogmogenden voor de eer, welke ik en de mijnen steeds van ü hebben genoten. Het land heb ik trouw gediend; thans kan ik het niet meer. Aan Uwe Hoogmogenden beveel ik het Vaderland, Gods Kerk, mijn Huis en mijne maagschap aan.

Fkederik Hendrik, op zijn sterfbed, sprekende tot de 11 eer en van de Staten, die rondom zijn ledekant ivaren geschaard.

ocr page 16

PRINS WILLEM li.

K kan niet langer lijden, dat eenige kwaadwilligen het land ten verderve voeren.

Tot den Raadpensionaris Jacob Cats, als hij gereed staat Amsterdam tot gehoorzaamheid te brengen.

--5SSS$--

PRINS WILLEM III.

P vijftienjarigen leeftijd trof Tuigland Prins Willem III eens aan geknield voor den Almachtige, van wien hij ootmoedig smeekte:

„Dat Hij hem toch sterken mocht, dat hij een pyinar der religie en een voedsterheer der Kercke mochte wezen.quot;

Toen Willem de Derde tot Stadhouder was benoemd, zonden onze vijanden een gezantschap met het voorstel om het land onder elkaar te verdeelen.

Maar \'t fiere antwoord van Oranje was:

„Ik laat mij liever in stukken houwen, dan zoo\'n voorstel aan te nemen.quot;

„Ziet gij dan niet, dat de Republiek verloren is?quot; vraagt de Engelsche gezant.

„Ik zie, dal zij in groot gevaar is,quot; herneemt de Prins, „doch ik ken een zeker middel om haar ondergang niet te aanschouwen.quot;

„En dat is?quot; vraagt de gezant.

„Het sterven bij de verdediging der laatste gracht!quot; antwoordt Ornje.

ocr page 17

Op den Heere alleen heb ik mijn vertrouwen gesteld en van Zijn genade verwacht ik alles.

Tot een zijner ley er aanvoer dérs, den Vorst van Waldeck, 6en der voorvaderen van onze Koningin-Moeder.

Mijn eenige troost is, dat de Heere weet, dat waarlijk geen eerzucht mij beheerscht.

Voor den Protestantschen Godsdienst en de vrijheden van Engeland. ■— Ik zal handhaven.

Opschrift der groote vlag van „ De stad den Beiëlquot; het schip, dat den Stadhouder naar Engeland overbracht.

De dood jaagt mij geen schrik aan. Ik ben bereid voor God te verschijnen. Om de verdienste van Zijnen Zoon, geloof ik, dat Hij mij in genade zal aannemen.

Makia, gemalin van Willem III in hare laatste ure.

JOHAN WILLEM FRISO.

EERE, behoed ons, wij vergaan!

Toen hij bij de Moerdijk in de diepte wegzonk.

-xwmi-

ocr page 18

MARIA LOUISE.

^|e Heere doe, wat recht is in zijne oogen.

Maria Louise, gemalin van Johan Willem Friso, toen zij de verpletterende tijding vernam, dat haar echtgenoot was verdronken.

Mij schort niets dan dankbaarheid.

Levensspreuk van Makia Louise. -__

PRINS WILLEM IV.

j^K ben een mensch, en zonder God kan ik niets doen; maar onder afsmeeking en inwachting van den Groddelijken zegen, zal ik tot den laatsten avond mijns levens al mijn vermogens aanwenden ter bescherming en behoudenis van ons lieve Vaderland en van deszelf\'s dierbare panden: de Godsdienst en de vrijheid.

Tot zijn moeder, nadat hij Stadhouder wan geworden.

PRINS WILLEM V.

-

S|*E ware bron onzer ongelukken ligt niet in de onverantwoordelijke handelwijs van zoovele Nederlanders, of in de kwade trouw der bond-genooten, maar in de nationale zonden en ongerechtigheden;

ocr page 19

God heeft een twist met Nederland. Wie zal oprichten als God ter neer werpt?

Bij het afscheid van de Staten vóór zijn vertrek naar Engeland.

Deze vernedering heb ik als mensch dubbel verdiend, en zij zal mij zeker tot zaligheid strekken.

Aan boord van de visscherspinle, die hem als een verstootene naar Engeland bracht.

In TJ, o mijn God, vind ik mijn sterkte bij al het woeden mijner vijanden. Gij zijt de Rotssteen, op Wien ik bouwe. O, Bron mijns levens, wat verkwikt mij Uwe vertroostende invloed; had ik Uw Woord moeten missen, ik ware in mijn druk vergaan.

KONING WILLEM III.

N de liefde mijns volks vind ik mijn schoonste loon.

Nederland en Oranje onder Gods zegen één, krachtig en vrij.

Op den gedenkdag zijner veertigjarige regeering.

ocr page 20

H. M. KONINGIN EMMA.

OGE de Almachtige God de gebeden verhooren, die tot Hem opgezonden worden voor Koningin Wilhelmina. Hij neme haar onder Zijne heilige hoede en bescherming.

Uit de Proclamatie als Regentes van het Koninkrijk.

In dagen van smart en rouw trad Ik op als Regentes van het Koninkrijk, thans schaart zich het geheele volk in vreugde om den troon zijner jonge Koningin. God heeft Mij in deze jaren gesteund, Mijn dierbaarste wensch is vervuld.

Moge het ons Land met zijne Bezittingen en Koloniën onder do regeering van Koningin Wilhelmina welgaan! Het zij groot in alles, waarin een klein volk groot kan zijn!

Dat op Koningin en Volk te zamen, door de nauwste banden vereenigd, Gods zegen blijve rusten.

Uit de Proclamatie hij het aftreden als

Regentes van het Koninkrijk. ----

H. M. KONINGIN WILHELMINA.

^HANS, nu Ik gereed sta de schoone, doch t zware taak, waartoe Ik geroepen ben, te aanvaarden, gevoel Ik Mij als gedragen door Uw trouw.

1

ocr page 21

Mijn innig geliefde Moeder, aan quot;Wie Ik onuitsprekelijk veel verschuldigd ben, gaf Mij het voorbeeld van een edele en verhevene opvatting der plichten, die op Mij rusten.

Ik stel Mij tot levensdoel dat voorbeeld na te volgen, te regeeren zooals van een Yorstin uit het Huis van Oranje wordt verwacht.

Op God vertrouwende en met de bede, dat Hij Mij sterke, aanvaard Ik de regeering.

Uit de Proclamatie hij de Troonsbestijging.

Thans is de ure gekomen, waarin Ik Mij te midden van Mijne trouwe Staten-Greneraal, onder aanroeping van God, zal verbinden aan Mijn dierbaar Volk, en zoo bevestig Ik heden den hechten band, die tusschen Mij en Mijn Volk bestaat, en wordt de aloude band tusschen Néderland en Oranje opnieuw bezegeld. Het is een schoone roeping, een schoone taak, door God Mij op de schouders gelegd, maar Ik ben gelukkig en dankbaar om over een Volk te regeeren alshetNeder-landschc, dat hoewel klein in zielental, groot is in deugd en krachtig in aard en karakter.

De woorden van Mijn overleden Vader maak Ik tot de Mijne: „Oranje kan nooit, ja nooit genoeg doen voor Nederland.\'\'

Uit de rede hij de Inhuldiging uitgesproken.

yw__

ocr page 22
ocr page 23

V.wi . \'i/.

ma

W

mm

mmm

Edel- en Hooch gheboren, Van Keyserlicken stam, Een Vorst des Rijcks vercoren, Als een rroom Christen-man, Voor Gfodes Woort ghepresen

Heb ick vrij, onversaecht, AJs een helt sonder vreezen, Mijn edel bloet gewaecht.

MirnM

:mmm -■ ■ \' -

^MSÊIBê

quot;■ 5 \' quot;\' - •;

gt;- --t »1 ■ ï

•-vïjè\'quot;-: r\'Pquot; \'.*• ,*■.\' j\' v

■quot;-7

V \'

■ .

Mijn schilt ende betrouwen

Syt ghy, o Godt, mijn Heer! Op U so wil ick bouwen;

Verlaat my nimmermeer! Dat ick doch vroom mach blijven,

ü dienaar talier stont, Die tyranny verdrijven,

Die my mijn hert doorwont.

Oorlof, mijn arme schapen.

Die zijt in grooten noot; U Herder zal niet slapen,

Al zijt ghy nu verstroit. Tot Godt wilt u begheven,

Sijn heylsaem Woort neemt aen, Als vrome christen leven;

\'tSal hier haest zijn ghedaen.

. M

mmm

, \' \' :\' ,v

■

ocr page 24
ocr page 25

Edel- en Hooch gheboren, Van Keyserlickon stam, Een Vorst des Rijcks vercoren, Als een vroom Christen-man, Voor Godes quot;VVoort ghepresen

Hob ick vrij, onversaecht,

Als een helt sonder vreezen.

Mijn edel bloet gewaecht.

Mijn schilt ende betrouwen

Syt ghy, o Godt, mijn Heer! Op U so wil ick bouwen;

Verlaat my nimmermeer!

Dat ick doch vroom mach blijven,

ü dienaar talier stont. Die tyranny verdrijven.

Die my mijn hert doorwont.

Oorlof, mijn arme schapen.

Die zijt in grooten noot; ü Herder zal niet slapen,

Al zijt ghy nu verstroit. Tot Godt wilt u begheven,

Sijn heylsaem Woort neemt aen. Als vrome christen leven ;

\'t Sal hier haest zijn ghedaen.

ocr page 26

fiEN

/n zaaier ring l. uit om tl/.aaien, £: matth. 13.3. ^ /amp;: het zaad is het

\'g wooi;ügods,luc.8.ii

s fil. h et l a ni) dooil-gaande, verkon-vgt; digde het ^ evangelie. ^

ocr page 27
ocr page 28