Y. oct
■
NATUUR EN WET,
UITGAVE VAN DE VEREENIGING TER BEVORDERING VAN CHRISTELIJKE LECTUUR.
UIT HET HOOGDUITSCH
VAN
BO E DEL
AMSTERDAM. / • /• toorheen PRETORIA.
Bladz.
I. NATUURWETTEN..........................^
90
t
4
11. AARDE EN ORGANISMEN
III. DE MENSCH...............
IV. MAN EN VROUW.............274
Evolutie en emancipatie, dat is de leus van onzen tijd!
In een vorig werk: „Naturstudium und Christentumquot; (Natuurstudie en Christendom) heb ik getracht tegenover een materialistische natuur- en wereldbeschouwing, die met evolutie het raadsel van het heelal wil oplossen, aan te toonen wat van deze evolutie te denken is en hoe de Bijbel er over oordeelt. — In dit boek wensch ik het standpunt van den Christen tot het hedendaagsche emancipatie-streven toe te lichten; wensch ik aan te toonen dat de schepping Gods de wet in zich bevat, ja zelve de wet is, die wij moeten volgen, indien wij anders willen leven; en evenzoo, dat in deze natuur de kiem van die wet ligt, waarnaar wij eenmaal daarboven zullen leven
Ware evolutie en ware emancipatie ook het wachtwoord van den Christen. Een wassen en toenemen naar den inwendigen mensch, zoodat deze lichtmensch der eeuwigheid daar levensvatbaar staat, wanneer de uitwendige bij den dood uiteenvalt: dat noem ik evolutie. — Een vrij worden van de wet der zonde naar lichaam, ziel en geest, door den Geest der waarheid, die in alle waarheid leidt: dat noem ik emancipatie.
Stuttgart, Augustus 1896.
F. BETTEX.
ATUURWETTEN.
De Natuur! — Iets groots ! — In de allereerste plaats onze moeder, waarin wij leven, streven en zijn; waar zonder wij onszelven niet kunnen voorstellen, waar buiten g-een zijn noch bestaan te denken is. Wat de vochtige, warme, vruchtbare grond is voor het zaadkorrellje, wat het met voedingsstof vervulde zeewater is voor het vischje, dat is voor óns deze ons omringende, dragende, voedende Natuur. Aan haar ontleenen wij onze zielsindrukken en de beelden van ons denken en van onze taal; en onophoudelijk, zacht en stil en schier onmerkbaar oefent zij haren invloed op ons. Hoe donker en ondenkbaar zou ons leven zijn zonder deze Natuur, gesteld dat zoo iets nog den naam van leven verdiende!
Ook een raadsel is deze Natuur, ons tot peinzen en vragen en hoofdbreken gegeven. — Wat hebt gij mij te zeggen, gij Alpentop, die daar zoo scherp, zoo zuiver, als eene kopergravure en een lichtdruk van Gods hand in de koele morgenlucht verrijst, hoog boven ons getwist, onze erbarmelijkheid en onze ellende verheven; die \'s avonds in een huiveringwekkend schoenen gloed ontbrandt, en daarna vergrijst, wanneer de kille nevel uit hel dal opstijgt, en verbleekt als een menschengelaat,
2
•waarover de dood zijne Hjkverf spreidt? Spreken graniet en dolomietkalk ook eene taal; wordt er ook getreurd en gejuicht door sneeuw en gletscher, door de lucht en den lichtstraal? — Wat wilt gij mij zeggen, o Natuur, zoo stilzwijgend en toch zoo machtig?
Vertrouw haar niet, deze Natuur! — Zij glimlacht zoo vroo-lijk, de zee; vol lieftallige onschuld kozen de kleine golfjes met de glinsterende kiezelsteenen; onbezorgd steken de visschers van wal en laten zij ver van de kust hunne netten in de diepte zakken. Maar \'t is of de hemel met spinnewebben overspannen wordt; de wind begint te zuchten en te kreunen en te fluiten door het want. Nog slaan zij er geen acht op, want zij moeten het brood voor hun gezin langzaam en moeitevol uit de diepte ophalen ; maar donkerder wordt het aan den hemel; daar komt de bui loeiend opzetten; gillend, oorverscheurend huilt de storm; de zee raast en schuimt en aast reeds op hare slachtoffers ; vruchteloos is de worsteling, de strijd en de krachtsinspanning der visschers, en uitgeput, reeds halfdood, zinken zij, met bleeke gezichten en uitgestrekte armen, den wijdgeopenden mond vol zeewater, onder de zwarte golven weg, die zich schuimend boven hen sluiten. En den volgenden morgen glimlachen zij weer, de zee en de hemel; de golven kozen vol lieftalligheid, en spelen met scheepsplanken of met een lijk op \'t strand. — „Sterk is Aegir, de Reus,quot; zongen van de zee de Scandinaviërs, „en toch vroolijk als een kind ; maar zijne ega, de booze Ran (de roof), de vrouw zonder hart, vangt de mon-schen in haar net; haar ontsnapt niemand, en de verdronkenen worden haar buit!quot; — Wieg, boot en doodkist was voor den oermensch de uitgeholde boomstam; en ons allen zal de zee eenmaal aan den oever spoelen als een wrak, als een dood zeedier.
En vertrouw ook de schoone Alpenwereld niet! —Gij bewon-
3
dert het uitzicht, gij ademt met genot de zuivere berglucht in en gevoelt u éen met deze heerlijke Natuur; — gij wilt een
bloempje plukken, een genteaan of een edelweisz; maar..... gij
glijdt uit, gij valt, en met gebroken ledematen blijft gij liggen ; — en daar moet ge nu hulpeloos, verlaten, langzaam sterven! — En toch blijven de bergtoppen even heerlijk gloeien, en een paar voet boven u bloeit een prachtige Alpenroos; langs den helderen hemel drijven de wolkjes onverschillig voort; en heel deze schoone, groote Natuur bekommert zich volstrekt niet om u en uw lijden ! — Toch : kunt gij bidden tot Hem, die boven deze Natuur staat; en antwoordt Hij: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn !quot; dan is het genoeg.
Zoo is deze Natuur eene sphinx met glimlachend vrouwengelaat en groote, schitterende oogen; met voedende moederborsten en gruwzame, verscheurende klauwen ; zij liefkoost en vernielt ons, zij brengt ons groot en voedt ons en wil ons vernietigen ; zij is wijs en blind, goedhartig en doof voor onze beden ; zij ligt daar zoo klaar en eenvoudig en doorzichtig voor ons, en is toch zoo onnaspeurlijk; zij is zoo harmonisch en zoo vol tegenstrijdigheden ; zij is zoo doelmatig ingericht, en toch is zij niet zooals zij wezen moet.
Deze Natuur is dan ook iets drievoudigs. Aangezien het Al in God leeft, streeft en is, en aangezien dit gestadige goddelijke denken niet als het menschelijke, dat zich tot een beeld of een werk versteent, iets doods is, daarom waait er door deze Natuur in de eerste plaats een goddelijke geest des levens en der vreugde, die de oorzaak is, dat het bestaan, het exis-teeren van het kristal en de ster, van de bloem en den boom, van den adelaar en den leeuw reeds op zichzelf eene vreugde wordt. — en evenzoo een geest der liefde, die een welgevallen van de wezens jegens elkander en een vroolijk samenzijn van den vlinder en de bloem, van den vogel en den boom,
4-
eene moederliefde van den grooten walvisch en eene vriendschap van den wilden olifant jegens zijne makkers bewerkt, — en een geest van doelmatigheid, waar zonder het heelal reeds in de eerste uren van zijn bestaan had moeten instorten en uit elkander vallen.
Doordien er echter indertijd een groole scheur in het Al ontstond, en legioenen van engelen en aartsengelen, Satans roepstem gehoorzamend, voor eeuwig den hemel verlieten, weerspiegelen de gevolgen dezer gigantische daad zich in het stukje van het Al, dat wij bewonen ; en door deze onze natuur gaat er óok een adem van tweedracht, van wrok en van verderf. — Eens leefde er in de schoone, groote Natuur van het Opper-Sinaïtische schiereiland een zeer rechtvaardig man, die beter dan iemand anders het heerlijke, wettelijke denken Gods in zijne schepping begreep en bewonderde. Hij leefde en streefde en was van nature goddel^k in en met deze goddelijke Natuur, met zijne zonen en doch Leren, zijne dienaren en zijn vee, \'3n hij werd groot en rijk en gelukkig door den zegen Gods. — Maar nu verscheen de aanklager, de ongerechtige, die steeds gerechtigheid voor anderen eischt, voor den Eeuwige, en porde Hem aan om dezen man krachtens Zijne gerechtigheid te verderven ; want ook deze Job was stof en asch. Toen kreeg de vorst dezer wereld en de prins der lucht en der geesten die daarin rondwaren, verlof om te razen en te woeden in deze Natuur, en orkanen en aardbevingen en vuren Gods barstten los en verteerden Jobs kinderen en zijne kudden.
Zoo is de Natuur met Gods Geest bezwangerd en bezield, maar óok met Satans geest doortrokken — vandaar de moeilijkheden en de strijd en onbarmhartigheid.
Maar onder dezen strijd der geesten, zij het ook vaak er door bedekt en verborgen, liggen onbuigzame eeuwige, wijl goddelijke wetten. Even majestueus als de Finsteraarhorn, onbewe-
5
gelijk, onwrikbaar in en onder den storm, onverschillig of de heldere zonneschijn hem lieflijk omstraalt, of dat hij in nevelen gehuld is, of dat hij daar zwart en dreigend staat temidden van de stormwolken, die zich tegen hem te pletter stooten, — zoo blijft, ondanks deze gestadige geestelijke weersverandering in deze en boven deze Natuur, haar beender- en rotsengeraamte, de Wet, eeuwig vaststaan.
Nauwelijks landen wij op deze wereld aan, of heel onze existentie bestaat uit een voortdurend schikken en plooien en pasklaar maken volgens deze Wet, — de wetten van het zijn en het bestaan, van den tijd en de ruimte, van het lichaam en den geest, van het vaste, het vloeibare en het dampvormige, van de warmte en de koude, van het vallen en de zwaarte, van het groeien en toenemen, van de voeding en de stofwisseling, van het waken en het slapen, en nog andere meer; wij brengen geen lid van ons lichaam in beweging, wij openen den mond niet en spreken geen woord, zonder tal van wet en te vervullen. In de Wet alleen is en bestaat alle leven op de aarde en in den hemel, — want de Wet, dat is Gods eeuwig denken. Evenals er op aarde niets schooners is dan het denken van groote en goede mannen, zoo is er ook in het heelal en in de hemelen niets schooners dan dit uitnemende, absoluut wijze, rechtvaardige denken Gods, gelijk het zich uitsprak in de schepping, in lucht en water, berg en dal, zee en land en plant en visch en vogel, dier en mensch; waarvan God zelf zeide; het is zeer goed! en gelijk het nog altijd en immer in de geheele Natuur blijft doorklinken. Bewondert gij in stille beschouwing de majestueuze, verheven Alpenkolossen met hun stoute omtrekken, met hun mantel van ijs en sneeuw, dan bewondert gij daarin en daarmede het stoute, verheven. majestueuze denken Gods; graniet en kalk alleen hebben het niet gedaan,— evenmin als in den oceaan de losse druppelen van water- en
6
zuurstof. Slaat gij verbijsterd tegenover den bruisenden, schuimenden, donderenden waterval, of tegenover het gouden en purperen wolkenpaleis van den zonsondergang, dan staat gij tegenover de wetten der kracht en der schoonheid en der kleur, tegenover krachtige, schoone en kleurrijke gedachten Gods. En dewijl dit denken van den eenigen God éen is, daarom is deze Natuur zoo harmonisch, zoo uit éen stuk; daarom stemmen deze wetten zoo heerlijk samen tot éen groot aceoord des heelals.
* *
*
Nu staat het den mensch vrij, welke houding hij tegenover deze Natuur en hare wetten wil aannemen ; en deze zijne verhouding tot haar zal ook de eerste stap zijn tot het bepalen van zijne verhouding tegenover den Schepper dezer Natuur en den Gever dezer wetten. , Hier reeds zal het openbaar worden, of hij tot de koningsgezinde of tot de oppositiepartij behoort, de twee eenige fractiën in den grooten Rijksdag.
Met deze verhouding tot de Natuur bedoelen wij al dadelijk niet een meer aan de oppervlakte liggende, tegenwoordig hoe langer hoe veelvuldiger voorkomende liefhebberij voor de Natuur. Wel is de hedendaagsche natuurdweper meestal een door en door eerlijk man, zooals hij daar, met een stevigen natuurstok gewapend, begeleid door zijn hond, een luchtje gaat scheppen in bosch en veld en beemd, volstrekt niet afkeerig van een potje bier onder de groene hoornen, en dan heel mooi over de natuurlijke levenswijze en de koudwaterkuur preekt; hij is wel zelden een genie, maar bijna altijd een erg goedhartig mensch en als zoodanig ook lid van de Vereeniging tot bescherming van dieren; hij heeft eenige hebbelijkheden en eigenaardige gewoonten, begrijpt zelden of nooit iets van kunst, is niet persoonlijk met de wetenschap bekend, en deugt niet aan
7
\'t hof. Maar bij al zijne goedhartigheid en welwillendheid jegens dieren en planten, groeit hij toch gewoonlijk in \'t oog vallend langzaam wat zijn inwendigen mensch betreft, en na verioop van tien of twintig jaren kunt gij hem nog altijd, zoowel lichamelijk als geestelijk, op dezelfde bank temidden van zijn lievelingsplekje zien zitten. De „schoone Natuurquot; alleen doet het hem niet.
Dat de dichter en de kunstenaar voor en door de Natuur in geestdrift ontvlammen, is alom bekend. De krijgsman daarentegen, de met het denkbeeld van eigen macht en kracht vervulde veldheer, pleegt minder met haar te dwepen: de schoonheid van een gecoupeerd terrein of zelfs van een bergachtig landschap, waardeert hij slechts in zooverre het voor de verdediging gunstig of voor een aanval belemmerend gelegen is; evenals Alexander en Gesar bij het overtrekken der Alpen, zullen ook Hannibal en Napoleon diezelfde Alpen naar een geheel andere plaats der wereld verwenscht hebben. — En wat nog opmerkelijker is: zelfs wijs-geeren bewonderen nu en dan de godin Natuur niet naar den eisch. Zoo moet Socrates zich op een onvoegzame wijze over haar hebben uitgelaten. „Door wandelen gaan en hoornen bekijken wordt men niet verstandiger!quot; zeide hij. Maar de goede oude man was bij al zijne wijsheid toch een echte Athener, en had derhalve iets van den Berlijnschen straatslijper en den „badaud de Parisquot; over zich, wien het, naar men weet, nergens ter wereld beter bevalt dan „Unter den Lindenquot; of op den „Boulevard des Italiensquot;. Ook Kant moet zijn leven lang nooit buiten de gebiedpalen van zijn goede stad Königs-bergen gekomen zijn. — Het is dan ook iets schoons, wanneer men aan zijne schrijftafel de wereld en den mensch in elkaêr kan zetten, en niet — zooals wij, gewone stervelingen, — om zich eene wereldbeschouwing aan te schaffen, eerst deze wereld moet gaan beschouwen.
8
Het karakter en het zieleleven des menschen kenmerken, gelijk te verwachten is, zijn welbehagen in en zijne behandeling van de Natuur. Met dien man is het wel uit te houden, bij wien alle bloemen goed groeien en bloeien, die stukjes brood voor de vogels in de sneeuw strooit, en die de slingerplanten tegen den paal helpt opklimmen. Maar hem die onverschillig het wormpje of den vleugellammen vlinder onder zijn schoenzool vertreedt, — vertrouw hem niet, meisje! hij zou ook u vertrappen. De man die van de mooie, klimmende passiebloem en van de blauwe clematis houdt, zal ook de vrouw weten te begrijpen. Hij, wiens lievelingsbloem de roos of het viooltje is, zal een andere verloofde zoeken dan de minnaar van den prachtigen inlandschen cactus of van de uitheemsche orchidéën. — Ook eene wet!
Bij geheel tot het kwade vervallen menschen daarentegen komt dikwijls een afschuwelijke vernielzucht tot uitbarsting, die aan al wat leven en natuur is haar helsche woede zou willen koelen; aan het kind en aan de bloem, aan het onschuldige dier en aan het boompje in \'t bosch. Evenals zij God-zelf haten, dragen zij ook het werk zijner handen, zijne schepping, tot in het diepst hunner ziel een haat toe, en is de aanblik daarvan reeds eene kwelling voor hen. Welk eene straf, en welk een logische wet van het beginsel, dat zij dienen!
De Natuur komt tegenwoordig veel meer dan vroeger tot haar recht; de schrikwekkende toeneming van zenuwzwakteen zielsziekten, dezer kwalen der hedendaagsche beschaving, als gevolg van een onnatuurlijke levenswijze, dwingt ons om bij de natuur genezing te gaan zoeken. Maar wij doen het meestal slechts eenzijdig; de een denkt dat barrevoets loopen het ware is, een tweede wil slechts van koud water weten, de derde alleen v£.n warm, een vierde dweept met frissche lucht en een vijfde met dennengeur, — ja, een zesde weet zelfs binnenskamers met be-
9
hulp van allerlei machinerieën het roeien en het bergbeklimmen na te bootsen! Zulk een caricatuur-teekenaar der Natuur zou men wel willen aanraden, zijne „bergbeklimmingbewegings-machinequot; eerst eens naar den naburigen heuvel te dragen, om tenminste in zuivere, stof-, rook- en bacillenvrije lucht zijne manipulatiën ten uitvoer te brengen.
Laat ons in de geheele Natuur leven en al hare krachten op ons laten inwerken! Zij zijn alle heilzaam en gezond.
Maar twee reusachtige bronnen van kracht en gezondheid zijn het bovenal, waarvan eenigermate te hopen is, dat zij — beter erkend en gewaardeerd — onze nakomelingschap tegen totale ontzenuwing zullen beveiligen: de zon en de zee.
Dat de zonnestralen lichaam en ziel, nog veel meer dan de koude, sterken en stalen, weten de meeste menschen niet; zij ontwijken ze veeleer en pogen er zich angstvallig tegen te beschutten. En toch bewijst heel de planten- en dierenwereld, hoe weldadig, sterkend en verlevendigend, ja hoe onontbeerlijk het zonlicht en de zonnewarmte zijn. Maar óok de wereldgeschiedenis bewijst het! Wat hebben de met zonlicht er. zonneschijn doorgloeide volkeren al niet van oudsher uitgericht, zij die de echte bloem der menschheid waren, de steunpilaren der wereldgeschiedenis: de Egyptenaren en Assyriërs, de Joden en Babyloniërs, de Grieken en Romeinen met hunne wereldrijken en wereldsteden, Memphis, Ninevé, Babyion, Athene en Rome, met hunne Pharao\'s en Caesars, met de vier wereldmonarchieën en Nebukadnezar, het gouden hoofd ; met hunne patriarchen, profeten en apostelen, ja Christus zelf; zooals God ook den hof van Eden, en later, het beloofde land en Jeruzalem, zijn geliefde stad, in het van de zon doorgloeide zuiden, en niet in de donkere, sombere wouden van het noorden plaatste.
De zon van het zuiden, die het leven in de open lucht mogelijk maakt, bevordert daardoor een natuurlijk z ij n, waarom
10
dan ook alleen die in zonneschijn levende en badende volkeren zich de kunst wisten eigen te maken om klassiek è n natuurlijk te zijn. Want het klassieke is een klaar en helder beseften van de Wet, met uitsluiting van het leelijke als iels wetteloos; het romantische of het naturalisme is een photographeeren van de gezamenlijke verschijnselen, waaraan de geest blijft hangen en door het struikgewas de rotsen niet meer ziet. Dat er, hoe verder men noordwaarts gaat, bijvoorbeeld reeds in Engeland, Nederland, Noord-Duitschland, al meer en meer scheiding komt tusschen het publieke en het particuliere leven, tusschen de taal der wetenschap en die van het gewone verkeer, tusschen het klassieke en het alledaagsche, tusschen de kunst en de natuur, tusschen de wet en de verschijnselen, is in \'t oog loopend. Vergelijk Sophocles en Shakespeare eens, Zeus en Odin. de Odyssea en de Edda. En ook daarom verdraagt de mensch van het zuiden zooveel gemakkelijker de ellenden van het bestaan.
En nil nog staat, wat ontwikkeling der lichaamskrachten en zintuigen betreft, de Arabier, deze bewoner der heete zandwoestijnen, bovenaan. Met zijn stalen spieren draagt hij met gemak halve uren ver en door het diepe zand vrachten van vier tot zes centenaars; zijne stem reikt bij windstilte tot over de zee van Akkaba; zijn door het gloeiend-witte licht —-want ■de oogen zijn voor het licht geschapen — niet verzwakte, maar gescherpte valkenblik kan twee a drie uur ver in de Sahara een paard van een kameel onderscheiden, waartoe een Fransch reiziger met zijn uitmuntenden verrekijker niet instaat was, In het bewustzijn zijner kracht waagt hij geheel alleen, en volbrengt hij ook onvermoeid, een rit van verscheidene dagen op den rug van zijn drommedaris van Tomboktoe naar Kaïro, dwars door Afrika! Daarbij eet hij weinig, drinkt niets anders dan water en dan nog slechts matig (bij de karavanen rekent men voor een Europeaan op vijf liters per dag, en op slechts
11
anderhalven liter voor een Arabier) ; hij drinkt zijne koffie uit kopjes, die zoo groot zijn als een notedop, en ziet met trots en verachting op den zvvakkelijken en verwijfden Europeaan neer. — Want in tegenstelling van de koude, die, zooals aan de Eskimo\'s te zien is, veel toevoer van voedsel noodig maakt, wordt voor de omzetting der zonnewarmte in kracht door het menschelijk organisme — en dat bewijst de voortreffelijkheid er van ! — slechts een minimum van stof vereischt. Hoe matig leefden de Grieken in hun niet zeer vruchtbaar, door de zon verbrand land en op hunne rotsenlanden; zij aten honig en olijven, een weinig groente en visch, vleesch schier alleen bij feestvieringen en offers; eene matigheid waaraan Curtius terecht hun schoonheidszin en hun veerkrachtige levens- en geestes-frischheid toeschrijft. En ook nu nog zegt men op het eiland Samos: „Een handvol zwarte olijven is genoeg om een reus te voeden.quot; — „Waar de zon niet binnenkomt,quot; zegt een Italiaansch spreekwoord, „komt de dokter binnenquot;; want de alles bevruchtende en verlevendigende zon doodt daarentegen de bacillen en hoedt de verrotting tegen ; haar warme stralen desinfecteeren het door zorgen overstelpte gemoed en ook even krachtig de kamers en de kleederen van den zieke, en genezen spoedig de voor hun invloed toegankelijke wonden; en nergens is de lucht zoo zuiver en gezond als in de gloeiende Sahara.
Evenals Rusland in den majestueuzen Russischen winter, en de Noordpool met hare ijsbergen in de grootheid van den door het fantastische noorderlicht bestraalden poolnacht gesmaakt en genoten moet worden, — zoo ook de tropen- en zonnelanden, zoo Griekenland, Italië en Spanje in al hun zonnegloed en zonnehitte en zonnestof en zomerzweet en zomerpoëzie. De tourist die ze in den winter ziet, heeft ze niet gezien.
Ook de machtige werking der zee op lichaam en ziel wordt hoe langer hoe meer erkend. Het zeewater met zijn jodium en
zout en de zeegolven versterken ongelooflijk het geheele organisme; de zeelucht verfrischt het gemoed, de aanblik der zee werkt bedarend ; zij doet ons beseffen hoe totaal onvrij wij zijn, hoe klein en kleingeestig onze zorgen en werken zijn, en hoe wijzelven slechts kleine, spoedig verdwijnende golven zijn op den oceaan des tijds.
Maar ook hier moet de leus zijn: zelf mededoen, zwemmen, visschen, roeien, zeilen ; en ook volhouden in weer en wind, — niet bij de eerste de beste regenbui of zeewaterspatjes dadelijk de vlucht nemen naar het Kurhaus, om daar den tijd te vermoorden met rooken en kaartspelen ! — Ook een nacht in de boot zal ons volstrekt geen kwaad doen ! Een man heeft wel lust in den storm en mag gaarne met hem strijden. „Er bestaat,quot; zegt Ruskin ergens, „geen slecht weer, maar alleen verschillende soorten van goed weer.quot; Vooral is zeilen op eigen avontuur een uiterst gezonde en bovendien aantrekkelijke lichaams- en geestesoefening; het wordt dan ook door velen met hoe langer hoe meer ingenomenheid in Engeland, Frankrijk, Noord-Duitschland enz. beoefend. Naar wij hopen zal men weldra op elke bad- en zeeplaats zeilschuitjes voor éen persoon kunnen huren, die — met matig gaffel-of loggerzeil tegen zinken en practisch tegen omslaan beveiligd, al naar gelang van de kust met zwaarden of met een vaste kiel voorzien, — reeds met geringe zeevaartkundige bekwaamheden en kortstondige oefening te manoeuvreeren zijn, en zich uitstekend leenen tot kleine plei-ziertochtjes en ook tot het houden van zeilwedstrijden bij niet al te stormachtig weer. — Wie zulk een sierlijk bootje, waarmeê hij langzamerhand vertrouwd geworden is, geheel alleen, na een strijd van verscheidene uren met wind en golven, misschien tusschen klippen en zandbanken door, behouden en wel de haven heeft binnengeloodst, is nog wel geen zeeman, maar heeft toch in ieder geval allerlei genoegens gesmaakt, die lichaam en ziel
13
sterken en aan een „landrotquot; totaal onbekend blijven. — Al werken er ook nog andere oorzaken mede, toch draagt voorzeker de zee, haar bevaren en haar sport er toe bij, dat in het door de zee omspoelde Engeland de gemiddelde levensduur achtendertig jaar, en in het geheel uit vasteland bestaande Saksen daarentegen slechts twintig jaar bedraagt!
Vrij en bewegelijk en tot wereldburgers maakt de zee ook het volk, dat langs haar strand woont; zoo deed zij in vroeger tijd met de Grieken en de Pheniciërs, de Perzen en de Assyriërs, en zoo doet zij nu nog met de Engelschen, de Duitschers en de Russen. Pieusachtige vloten zijn de vleugelen van een Slaat, maken zijne uitzetting mogelijk, geven hem voeling met het wereldrond, en doen ook zijn machtwoord wijd en zijd weerklinken. — Laat ons het Duitsche rijk een krachtige vloot toe-wenschen!
* *
*
Zoo ziet deze Natuur ons aan, en roept zij ons toe: Weest ook gij natuurlijk! Weest natuurlijk, niet alleen omdat gij u daardoor het toch reeds zoo moeilijke leven vergemakkelijkt, en omdat gij dan anderen b^ter bevalt en gij ook zelf meer op uw gemak zijt; niet alleen omdat gij en uwe kinderen daardoor gezonder blijven, — maar omdat gij daarmede God gehoorzaamt, die ons temidden van deze Natuur geschapen heeft, om daarin natuurlijk te leven; omdat de wetten dezer Natuur een geestelijk beginsel tot achtergrond hebben, en wij niet in het minste of geringste onnatuurlijk kunnen zijn, zonder in leugens verstrikt te geraken. Onnatuurlijk is al het booze en de hel, natuurlijk is het goede en de hemel. — Natuurlijk zijn is niet, zooals de keus van een eenvoudig toilet, een quaestie van smaak; het is een plicht, en de schending van dien plicht wreekt zich onverbiddelijk op den mensch.
14
Maar om wijsheid uit de Natuur te putten, moet zij als de vrucht van het goddelijk denken erkend worden; niet als iets onbeduidends, dat ons alleen tot spelen en genieten is gegeven, maar als iets leerrijks en dat boven ons verheven is. Zoo prediken ook alle godsdiensten de achting voor deze Natuur, haar omzichtige en eerbiedige behandeling, de inachtneming harer wetten en de vrees van in strijd met deze Natuur te handelen. Zoo zegt Gods Woord: „Welgelukzalig is de mensch, die wijsheid vindt, en de mensch, die verstandigheid voortbrengt! Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en hare inkomst dan het uitgegraven goud!quot; — En de Schrift voegt er bij, als om er op te wijzen waaruit de mensch deze wijsheid te putten heeft: „Want de Heer heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid. Door zijne wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.quot; Zoo predikt het gansche boek Job, en God-zelf aan het slot daarvan, dat de mensch eerst de schepping moet beschouwen, om daardoor en daaruit de wetten van zijn bestaan, de geduchte grootheid, macht en wijsheid des Scheppers, en zijn volstrekt afhankelijken toestand van Hem te erkennen, als de voorwaarde die hij vervullen moet eer hij met een recht-streeksche openbaring van dezen God verwaardigd wordt.
Laat ons natuurlijk zijn ! Bovenal in onze vroomheid en onze godsvrucht! De mensch vergeeft het zijn medemensch eindelijk wel, wanneer hij aan het hof of als feestredenaar, in een toast of eene levensbeschrijving, op het tooneel of bij eene lijkrede, de kunst niet toont te verstaan om volkomen waar en natuurlijk te blijven ; maar op het stuk van godsdienst kan hij niets gekunstelds en onnatuurlijks verdragen ; daarvoor is de godsdienst hem te goed en te hoog, en de verachting, die de vrome huichelaar ook zelfs den goddelooze inboezemt, is een welsprekend getuigenis van de innerlijke achting, die hij den waren en echten godsdienst
15
toedraagt. Dat verwenschte kniezen en kwezelen en uitgestreken gezichten zetten, dat reeds in Jesaja\'s tijd mode was, en reeds destijds God zoo mishaagde (Jesaja 58:3); de zalvende, bloemzoete, gemaakte toon over „den lieven Heiland,quot; alsof men niet frisch en natuurlijk over den Heere zijn God zou kunnen spreken, hebben het Christendom reeds meer kwaad gedaan dan menige krasse zonde der Christenen. — Wie heeft daarentegen niet reeds opgemerkt, hoe bejaarde en beproefde Christenen natuurlijk zijn en worden, want het ware Christendom maakt natuurlijk. Zoo\'n oude Christen kan nu van de phrases en van het gekunstelde, van het koortsig jagen en jachten der groote stad en van haar veelvuldig schijn- en sleurleven, van de fabelachtige moeite en van de nijpende zorgen uitrusten; hij heeft meer liefde voor de Natuur, het licht en het water, de bloem en het kind; hij begrijpt den man uit de volksklasse en het huisdier; hij voelt in zijn binnenste de kiemen eener eeuwige, echt natuurlijke jeugd. De godzaligheid is bij hem in vleesch en bloed overgegaan, het geloof en het vertrouwen op het eeuwige leven weerspiegelen zich in zijne gelaatstrekken en weerklinken in zijne stem, ook al spreekt hij over onverschillige dingen ; maar ook zonder opzet, zonder inspanning, zonder een bepaalde stem of tongval, wanneer hij over de eeuwige dingen spreekt. — Want altijd is het de eerst-beginner, die overal nadruk meent te moeten aanbrengen en elk woord te moeten onderstreepen. — De verder gevorderde discipel laat de waarheid zelve spreken; hij weet, dat zij hem en zijne kunst niet noo-dig heeft.
Nooit is er een natuurlijker mensch geweest dan de Heiland. Hoe zouden wij ons, toen Hij na zijne opstanding met zijn geliefde discipelen aan het eenzame strand van het meer Gennesareth in den vroegen morgenstond weer samenkwam, op een wederzien a la Klopstock hebben gespitst: vol aandoenlijkheid en vreugde-
16
tranen cn hartroerende toespraken des Heeren. — Maar niets van dat alles. — Hij vraagt hun; „Kinderkens, hebt gij niet eenige toespijs —En als zij die vraag ontkennend beantwoorden, zegt Hij: „Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden!quot; en vervolgens: „Komt herwaarts, houdt het middagmaal!quot; en dan eet Hij zwijgend van die gebraden
visschen en het brood. — Maar..... vreugde en zaligheid was het
toch, ook zonder woorden, weder bij Hem te zijn. — Eens zullen wij er ons over verwonderen, hoe natuurlijk het leven in den hemel is.
Is onze godsdienst eenvoudig en waar, dan zal ook ons ge-heele leven zoo zijn. Wij zullen natuurlijk en dus ook doelmatig en verstandig zijn in ons eten en drinken, in onze kleeding en onze woning, in ons huisgezin en in de maatschappij. Wij zullen onze kinderen natuurlijk opvoeden, dus met juiste gebruikmaking op de juiste plaats, van de twee groote, veelbetee-kenende woordjes: ja, en neen! Wij zullen streng zijn tegenover de vergiften der kinderziel: ongehoorzaamheid bovenal, leugen, wangunst, hoogmoed ; toegevend daarentegen ten opzichte van gescheurde broeken, zoekgeraakte veters, dooreengeward haar en niet onberispelijk schoone handjes; wij zullen ze niet voor het salon, maar voor het leven en voor hunne mede-menschen opvoeden. Maken wij mannen van hen, dan zal het innerlijk gehalte hun den uiterlijken vorm wel geven: de echte man is altijd presentabel in een salon, — ja, het salon moet blijde met hem zijn.
Laat ons natuurlijk zijn in daden en woorden, en den moed hebben om ja, maar ook om neen te zeggen, en om voor hetgeen wij zeggen en schrijven geheel en met onzen vollen naam in te slaan, — kortom, den moed om onszelven te zijn en ons zoo voor te doen als God ons geschapen heeft, want natuurlijkheid en waarheid is éen en hetzelfde.
17
Wijl al hel zijn slechts door en krachtens de goddelijke wet mogelijk is, laat de geheele godsdienst, de verhouding van het schepsel tot God, zich uitdrukken in het éene woord: Wees gehoorzaam aan de Wet! Wij zijn Gods kinderen; de wet des kinds is gehoorzaamheid, gelijk dan ook van het kindeke Jezus niets anders verhaald wordt dan : „Hij was zijnen ouders onderdanig.quot; Gelijk alles in het Al in drie graden — positief, comparatief en superlatief — bestaat, moet de mensch, evenals elk ter wereld komend kind, deze gehoorzaamheid leeren, ten eerste aan de en in de voor de gezamenlijke menschheid algemeen geldige en algemeen ingerichte wetten der Natuur, onverschillig of zij wilden of beschaafden, Christenen of goddeloozen zijn, en hij lijdt allereerst aan zijn lichaam nadeel, wanneer hij het niet doet. Ten tweede moet hij een hoogere gehoorzaamheid aan een hoogere wet der ziel in de wet van den Sinaï leeren, met hel verbod: „Gij zult n i e thet levendmakende gebod: „G ij zult den Heer uwen God van ganscher harte liefhebben, en uwen naaste als uzelveuquot;, en met de onverbiddelijke straf: „De ziel, die dit niet doet, zal uitgeroeid worden.quot; Maar wanneer de mensch aan deze wet gehoorzaam wil zijn, dan bemerkt hij al spoedig, dat hij het niet kan. — Dan ontstaat het bewustzijn der zonde (Rom. IV: 15) en het zoenoffer komt tusschen-beiden, als een troostend en veelbeteekenend symbool. — Ter vervulling der Wet van den goddelijken tijd treedt eindelijk Christus in de wereld als Middelaar tusschen wet en zondaar op; „God was in Christus de wereld met zich zeiven verzoenend e.quot; Want wie of wat kon met haar Schepper een afvallig geworden wereld, die door dezen afval alle kracht om weder tot Hem terug te keeren, verloren had, verzoenen, dan deze God alleen? — Deze Jezus Jehova nu spreekt de hoogste Wet, den superlativus des geestes uit: „Gij hebt gehoord, dat..... Maar ik zeg u.....quot; en de straf op de overtreding dezer
18
lichaam, ziel en geest betreffende Wet is het eeuwig verderf van den geheelen raensch, naar lichaam, ziel en geest.
Hoe wonderbaar, dat deze geest, de vrijste der vrijen, die waait waarheen hij wil, zichzelven wetten schept, welke hij nooit of nimmer overtreedt, ja in welke en krachtens welke hij groot en machtig wordt! En hoe dwaas is daarentegen het gedrag der geesteloozen, die zonder wet sterk en groot en vrij willen zijn !
Waarom is aan den man de kracht, aan de vrouw de bevalligheid, aan het kind de onschuld en gehoorzaamheid, aan het water het stroomen en bruisen en schuimen en paarlen, aan het licht de glans, aan het vuur het verteren zoo schoon? — Dewijl dat de wetten van hun bestaan zijn; ja, het licht is niets anders dan de zichtbaarheid van het lichten, het vuur de zichtbaarheid van het verteren. „Het schoone,quot; zegt Plato, „is de glans van het warequot;, eene uitdrukking die haar bewijs in zichzelve bevat. — De wet is de hoogste schoonheid. Zoo is de wet van het geslacht schooner dan de schoonste vrouw, of liever: de hoogste vrouwelijke schoonheid is slechts de zichtbaarheid dezer goddelijke wet. De wet der plant en der bloem is schooner dan iedere bloem, want de wet is eeuwig, de bloem is vergankelijk; de wet wordt met den geest en in den geest, aanschouwd, de bloem slechts met de oogen des lichaams. — Wie dat verstaat, verstaat ook hoe in de hemelen de eeuwige, lichamelijke, werkelijke, hemelsche Natuur een eeuwig feest en gastmaal voor den geest zal zijn. — Hoe zal er dan een grooter, dieper, hooger genot voor den menschelijken geast bestaan, dan in God en met God te denken ? —Reeds de oude wijzen beschouwden als de hoogste zaligheid; het aanschouwen der eeuwige ideeën in de Godheid. Maar hun ontbrak de openbaring, dat deze Godheid onze Vader is en wezen wil in Christus, en dat deze allereerst verzoening wil doen van de zonde,
19
die een nevel vormt tusschen onzen blik en deze eeuwige schoonheden. — Dit zich verdiepen in de eeuwige ideeën Gods is een type en afschaduwing van het genotvolle, eeuwige aanschouwen zijner eeuwige Sophia, waarvan Salomo, door den Heiligen Geest gedreven, getuigt; „De Heere bezat mij in het beginsel zijns wegs, vóór zijne werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geene fonteinen waren, zwaar van water; aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen ben ik geboren. Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch den aanvang van de stofjes des wereld. Toen Hij de hemelen bereidde, was ik daar, toen Hij eenen cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; toen Hij de opperwolken van boven vestigde, toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte; toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde : toen was ik een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, te aller tijd voor zijn aangezicht spelende; spelende in de wereld zijns aardrijks, en mijne vermakingen zijn met der menschen kinderen.quot; „Welgelukzalig is de mensch, die naar mij hoort, dagelijks wakende aan mijne poorten, waarnemende de posten mijner deuren. Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den Heere. Maar die tegen Mij zondigt, doet zijne ziel geweld aan; allen die M ij haten, hebben den dood lief.quot; (Spreuken VIll: 22—36).
Laat ons deze groote Natuur en hare wetten eens bezien! — Zij gelijkt een majestueusen bergkolossus, wiens zijden met ontelbare gewassen bedekt, door ontelbare wezens bewoond zijn.
20
die zich al stouter en stouter, al hooger en hooger verheft, totdat de hooge top in de wolken verdwijnt.
De eerste, de grondwet, die zij ons doet zien, is die van het spits toeloopen naar boven: de verwijzing naar een groot Een. Evenals de waterdroppelen de oceanen, evenals de zandkorrels den berg, zoo vormen duizenden individuen éen stam, verscheidene staramen een geslacht, vele geslachten eene familie, de familiën allen een rijk, de rijken samen de schepping. En elk daarvan wijst op iets hoogers, op iets primitievers en oorspronkelijks, op een oorzaak en een oer-zaak. Niets is alleen datgene, vat men er aan ziet. Zelfs de kiezelsteen verhaalt: Ik ben het product van iets anders dan ik zelf, het voortgebrachte door hoogere krachten ; ik ben niet de oorzaak, maar de werking, het gewordene. — Evenals alle getallen zich tot de eenheid laten terugbrengen, zoo ook alle wetten der Natuur tot éen wet, alle verschijnselen tot éen oorzaak, alle krachten tot éen kracht, alle stof tot éen stof, alle beginselen tot éen hoogste beginsel, — dit wordt meer en meer door den natuuronderzoeker erkend. En zelfs waar de staat van zaken hem nog duister blijft, is het een gezonde philosophic om aan te nemen, dat deze geheele, zich als eene pyramide opbouwende Natuur op een top en een groot Éen, als kracht aller krachten, leven aller levens, oorzaak aller oorzaken, spits uitloopt. Daaraan moeten wij den voorrang boven alles, de opperheerschappij over alle anderen toekennen, en haar dus „Godquot; noemen, — zooals reeds de stervende Ro-meinsche wijsgeer uitriep : „c a u s a c a u s a r u m, miserere m i h i!quot;
Deze erkentenis, deze beschouwing, dit besef van de grondwet der Natuur is de grondgedachte, de wortel aller religiën. Alle bestaan zij in het geloof, dat al het eindige uit éen Oneindige, al het levende uit éen Leven, al het tijdelijke uit éen Eeuwige, al het wordende uit éen Zijn zijn oorsprong heeft.
21
Wel verklaart de materialist luide en driest dat de Natuur niets van een God weet; dat hij de geheele schepping doorzocht en Hem nergens ontdekt heeft, — ongeveer zooals die geneesheer, die verzekerde, dat hij reeds tal van lijken geopend, maar nog nooit de ziel gevonden had! — Gelukkig niet! — Maar tegenover deze bewering staan de getuigenissen van velen der voornaamste natuuronderzoekers: van een Copernicus, een Newton, een Kepler, een Cuvier, een Herschel, een Liebig, een Secchi, een Faraday, een Robert Mayer en anderen, die allen met Linnaeus uitroepen: „Wij hebben de voetstappen des Scheppers gezien!quot; Of met Liebig: „Het natuuronderzoek leert ons de geschiedenis der almacht, der volkomenheid, der ondoorgrondelijke wijsheid van een oneindig hooger Wezen in zijne werken en daden erkennen.quot; (Chemische Brieven, bladz. 41).
Laat ons eens voor een oogenblik aannemen, dat deze tweeerlei getuigenissen elkaêr over en weer neutraliseeren, dan blijft nog heel de overige menschheid, wier stem toch ook iets beteekent. Want wij behooren niet tot die voorvechters der humaniteit en die vertegenwoordigers der menschenrechten, die bij de uiteenzetting hunner denkbeelden beginnen met het be-wijs(?), dat deze van apen afstammende menschheid ontelbaar vele duizenden jaren achtereen in een toestand van dierlijke woestheid is blijven verkeeren, en daarna, door zwartrokken verdoemd en door tyrannen onder het slavenjuk gekromd, tot op den huidigen dag een erbarmelijk bestaan heeft geleid; — tusschen twee haakjes, een zonderlinge manier om ons voor deze menschheid en hare vatbaarheid voor kennen en oordeelen achting in te boezemen! —
Vraagt men aan deze menschheid en aan al de volken, wat zij in de Natuur en in het haar omringende heelal opmerken, dan antwoorden ook zij eenparig, ten allen tijde, van Oost naar West, van de Noord- tot de Zuidpool: Wij hebben
22
de voetstappen des Scheppers gezien! Nergens bevindt zich een volk, dat „god-loosquot; is, al wordt het door sommige reizigers, die niet bekend zijn met de taal der wilde volken, ook nu en dan beweerd. — „Er beslaat geen volk zonder godsdienst, zelfs niet onder de volken die op den laagsten trap van beschaving en ontwikkeling staan,quot; zegt Max Müller, de historieschrijver der godsdiensten. (Deutsche Rundschau, 1895).
Wel wordt door velen het Boeddhisme als een atheïstischen godsdienst voorgesteld. Maar dit Boeddhisme, waarvan de Orientalist Prof. Dr. Garbe zegt, dat het ver beneden de Brahmaansche philosophic staat, is geen oorspronkelijke natuurgodsdiensl, maar een eerst in de zesde eeuw voor Christus opgedoken rationaliseering van het Brahmanisme, zonder Brahma, zonder Veda\'s en zonder gebed; het geliikt dus op een modern Christendom zonder Christus, zonder Bijbel en zonder gebedsverhooring. Juist wegens dit gebrek aan positieven inhoud werd deze leer in Indië al spoedig weder door het Nieuw-Brahmanisme verdrongen. Zelfs in het overgebleven Boeddhisme zijn het alleen de geleerder, die dit vergroeide en verwaterde Pantheïsme en deze deugdenleer huldigen; het volk, zoo hier als overal, gelooft aan een god, aanbidt den gouden tand van Boeddha en zijne voetstappen op Ceylon, en brengt hem offeranden. In het Boeddhistische Tibet en in Mongolië roept de mensch van de wieg tot het graf zoo dikwijls mogelijk door middel van rozenkrans en gebedstrommel den Padmapani, den grootsten onder de drie goden van Mandschoerije, met het mystieke gebed aan: „Om m a n i p a d-inê! Hum!quot;, wat in onze taal ongeveer zeggen wil: Gij Alomvattende ! gedenk mijner. Amen! — Vierhonderd millioen Boeddhistische Chineezen smeeken in de ure des doods Dhyani-Boeddha om opneming in zijn „eindeloos lang durend,quot; dus eeuwig, paradijs van het Mitabha. — Zoo werd in den jongsten oorlog tusschen China en Japan bij de terechtstelling van verraders Boeddha
23
officieel gebeden, deze ter dood gebrachte misdadigers niet in zijn paradijs op te nemen. Een bewijs, dat — hoezeer de wijzen en verstandigen dezer wereld er steeds op uit zijn, om God uit zijne schepping en zelfs uit den godsdienst te verwijderen, de menschheid in haar gezonden eenvoud telkens weer bij Hem terugkomt. Alle volken gelooven aan eene schepping, aan de onsterflijkheid der ziel, aan goede en booze geesten, aan de macht van het offer, het gebed en den vloek, aan een gelukzalige en een rampzalige plaats in het geestenrijk. Zoo gaven reeds de holbewoners hun dooden wapenen, sieraden en levensmiddelen mede op de reis door de onderwereld, zooals E. Lartet ze in de grotten van Aurignac en Dr. Pruner-Bey in Solutré gevonden hebben. Zoo geloofden de Eskimo\'s reeds, toen er Europeanen tot hen kwamen, dat de goede god en geest (vgl. Joh. IV: 24) Tornarsoek alles geschapen heeft, en ook, hetzij persoonlijk hetzij door bemiddeling van goede geesten (Hebr. 1:4) op de tot hem gerichte gebeden antwoordt.
Want nog nooit heeft die God, die zich „Vader aller geesten en een God van alle vleeschquot; noemt, en die in zijn Woord betuigt, dat „in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaamquot; (Hand. X : 35), van wien Paulus den heidenen predikt, dat „Hij niet verre is van een iegelijk van ons, want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij,quot; — nog nooit heeft die God de menschen, zijne kinderen, zóózeer vergeten, dat Hij geen enkelen lichtstraal van zijn eeuwig licht voor hen zou hebben laten schijnen. „Ook de heidenen,quot; zegt Molitor, „zijn leden van het groote, algemeene, goddelijke Rijk ; maar zij zijn uitwendige leden, evenals in den tempel van Salomo, die niet voor Israel alleen, maar voor de geheele menschheid ter aanbidding Gods gebouwd was, de buitenste ruimte „het voorhof der volkerenquot; heette.
Naast het uitverkoren volk Gods waren er van oudsher nog
24
individuen, en wellicht ook geheele stammen, waaraan door God, zooals aan den raadselachtiger! Melchizédek, aan den profeet Bileam, aan Job en zijn drie vrienden en zeker aan vele anderen uit zijn volk, en ook aan de Wijzen uit het Oosten, zonder dat wij weten hoe of op welke wijze, een rechtstreeksche Godskennis geschonken werd. Nooit heeft deze God zijne menschheid zóózeer aan de dwaling overgelaten, dat hare godsdiensten en mythologieën slechts krankzinnigen-visioenen geweest zouden zijn van wilden, die sidderend terugdeinsden voor honger en koude, voor bliksem en donder, voor zeegolven en aardbevingen, en daarvoor steeds vreesden als louter openbaringen eener doode Natuur. Dat zijn die godsdiensten en mythologieën reeds daarom niet, omdat deze wilden en oermenschen, afgezien van enkele ontaarde en tot lager peil gezonken stammen, juist tegenover deze Natuur individueel een veel moediger en zelfstandiger houding aannamen, dan de verwijfde en lafhartige beschaafde mensch onzer dagen. Gelijk de Bijbel ons een Kaïn en een Lamech, en al de menschen van vóór don zondvloed, afschildert als vervuld met een woesten trots en fierheid, zoo ademen ook de oudste liederen der menschheid, b. v. die der Keltische barden, de Uslandsche sagen, het Nibelungen- en Gudrunlied en de Frithjofsage, ook de Ilias en de Odyssae, kortom al de oude heldendichten, zulk een oprecht, ongekunsteld, rechtstreeks uit het hart voortgevloeid welbehagen in het leven en in de Natuur, zulk een woesten, onbuigzamen moed, zulk een strijdlust ook tegen de elementen, zulk een stervensmoed en zulk eene levensvreugde, alles met pittigen, gezonden, vaak grimmigen, meest vroolijken humor gekruid, dat wij, moderne, angstvallige en omslachtige, onvrije kamergeleerden, bureau- en salonmenschjes, geweldig klein tegenover deze helden en krijgers staan, tegenover een koning Ragner Lodbrog, die, in den Slangentoren een hooghartig doodsbed dichtend, zingend onder zijne martelingen
25
sterft; tegenover deze in den winterorkaan onder de verschrikkingen der IJszee en der Poolstormen juichende Vikingen, die liever te gronde gingen, dan dat zij voor den storm de zeilen streken; tegenover deze Noorsche mannen van wapenen, die zich glimlachend bloedige runen in de borst sneden, om aan den stroodood te ontkomen en het Walhalla en der Walkuren waardig te zijn.
Als naakte reuzen, met een groot zwaard en armbanden van ruw goud, bewegen zij zich met groote schreden onbezorgd over de aarde, zien naar boven, wat de goden, luisteren naar beneden, wat de booze machten van hun doen zeggen, vreezen den toorn des hemels en den haat der hel, zijn zich bewust van schuld en van het vreeselijke noodlot; maar vreezen overigens niets, dan dat de hemel zal invallen; zij koesteren liefde voor het goud, de vrouw en den roem, en strijden om het bezit daarvan, maar verachten het gevaar en de smart en lachen nog in den dood. — Want het leven in en met de Natuur maakt sterk en moedig en onverstoorbaar kalm in leven en in sterven; maar al onze gekunstelde levenswijzen verzwakken ons naar lichaam en ziel.
Dat kunnen wij zelfs nog aan de tegenwoordige kleine en zwakke overblijfselen van wilde volkeren zien, die reeds lang door machtiger natiën naar de wildernissen zijn verdreven. Zoo leidt de Eskimo een onbezorgd leven, en maakt hij met zijn zelfvervaardigde wapenen den ijsbeer en den muskusos buit in den poolnacht en in de ijzige woestijnen en woestenijen, waar kostbare Noordpoolexpeditiën, al waren zij ook nog zoo goed met voortreffelijke wapenen en ruime voorraden levensmiddelen voorzien en door bekwame zeelieden en geleerden bestuurd, op de ellendigste wijze omkwamen, zooals die van Sir Franklin. — Zoo bewonderde George Kennan, die drie maanden temidden der Toengoezen vertoefde, de geestkracht en de ernstige zelf-
26
standigheid dezer menschen op hunne eenzame, maandenlang dichtgevroren plassen, onder ontberingen en omstandigheden, waartegen een Europeaan niet bestand zou zijn geweest, — en evenzoo de stoutmoedigheid der Kamschadalen, toen hij honderdjarige nederzettingen aan den voet van den bijna altijd werkenden, 16000 voet hoogen vulkaan Kloetschefski vond, welks dichte, zwarte rookwolken hij reeds uren ver gezien had, en welks hooge, vlammende vuurzuil \'s nachts wijd en zijd den omtrek daghelder verlicht. — En wat zijn de Arabier der woestijn, de Alpenbewoner van Tyrol en Zwitserland, en de geharde Noorman aan den woesten fjord en op de onstuimige zee niet een rotsvaste, koelbloedige, bedachtzame en daarbij door en door blijmoedige menschen; en ook hun sterven is meestal kalm en grootsch, vaak heldhaftig in den strijd met de elementen.
Wat blijft er daar over van dien natuurmensch, zooals hij door de moderne verlichting is uitgevonden ter verklaring der godsdiensten, die voor elke golf en wolk beeft, voor elke windvlaag of donderslag siddert?—Veeleer is het juist de verlichte, geciviliseerde cultuurmensch en stadbewoner, die voortdurenc\'. voor zijn dierbaar leven siddert, wien alle denkkracht en alle moed dadelijk begeeft, en die — zooals herhaaldelijk gezien is, b. v. bij den schouwburgbrand in Weenen, bij de ramp te Santander, bij den meteoor te Madrid, en bij alle ernstige schipbreuken, — radeloos en waanzinnig van angst wordt, wanneer de natuurkrachten zich slechts een weinig verheffen. Want zijn geweten slaat hem, en in den donder en den storm en het vuur hoort hij den God, dien hij haat, roepen; „Adam! waar
En evenals hun leven, even groot en krachtig was de natuurbeschouwing en ook het geloof dezer oude natuurvolken. Zoo bij de Kelten, wier Druïden, (Derhuid, de van God sprekende) — deze priesters, wetgevers en beheerschers huns volks — in prach-
27
tige triaden of driespreuken diepzinnige wijsbegeerte en godsdienst leerden. „Er bestaat drieërlei leven,quot; zeiden zij, „dat des afgronds, dat der aarde en dat des hemels.quot; — „Er zijn drie kringen in den mensch en in het heelal; de kring der vrijheid, der gelukzaligheid en des levens; de kring des gebreks, der behoefte en der begrafenis; de kring der onvrijheid, der rampzaligheid en des doods.quot; — „Drie dingen worden eenmaal in den kring des geluks, Gwynfyd, den mensch wedergegeven : de oorspronkelijke geest, de oorspronkelijke liefde en het oorspronkelijke geheugenquot;. r33ste Triade). En edel, zij het dan ook streng en zelfs wreedaardig, was hunne wet. — „Drieërlei mag van den vrijen man niet verbeurd verklaard worden: het boek, de harp en het zwaard.quot;
Schoon stemt het geloof dezer oude volken met den Bijbel overeen.
Tegenover de meening, dat dat geloof den Noorschen volken — van de Grieken en Romeinen weten wij het tegendeel — eerst later door het Christendom is bijgebracht, raadplege men : K. Simrock, „die Edda,quot; bladz. 339. „Veeleer,quot; schrijft hij ook op bladz. 319, „was in Dnitschland en Scandinavië de ijver der Christelijke priesters, helaas, met te groot succes in de weer om het heidendom tot zelfs in zijn laatste sporen te verdelgen. Naar IJsland ontvluchtten de vrijheidlievendste mannen van Noorwegen voor het despotisch geweld van Harald den schoonha-rige, en zij namen deze goden- en heldenzangen mede. — Zelfs aangaande de mythen der jongere Edda heeft Grimm reeds als zijn oordeel uitgesproken, dat zij ons nog reiner en oorspronkelijker zijn overgeleverd dan de Griekschequot; (bladz. 331). Over vele dezer oude liederen oordeelt Simrock: „In hun woest stoute verhevenheid schijnen zij mij hoog boven alles te zweven, wat tot op Goethe\'s Faust door een moderne litteratuur wordt opgeleverd.quot; (Idem). — Want diep in alle sagen en
28
mythologieën der volken weerklinken nog altijd de echo\'s der groote waarheden, die Noach en zijne zonen uit de wereld van voor den zondvloed overbrachten en die een gemeengoed van alle natiën bleven, ook toen deze in de vlakte van Sinear uiteengingen. Zoo geloofden deze volken aan hoogere vorsten des lichts, die bestendig krijgvoeren met de vorsten en machten der duisternis, doch zoo, dat God ook den laatstgenoemden eenige kracht en eenig recht toekent en zich de eindbeslissing voorbehoudt. Evenals in het boek Job komt in „Oegisdrckaquot; Odins drinkgelag, de booze Loki ongenoodigd op het feest der goden; hij beroept zich op zijn oud recht, doodt den dienaar Funafengr, als de Asen zijn goede bediening roemen, „want dat kan hij niet aanhooren,\'\' en werpt met waarlijk satanische driestheid dezen halfgoden hun oude schulden en zonden voor de voeten. — Eindelijk wordt hij gebonden, totdat de vlam het Walhalla verteert (vgl. Openb. XX : 2).
Op grootsche wijze wordt ons in deze Scandinavische mythologie het einde der dagen beschreven. — Odin, aan het woeden der uit de wereldzee opduikende, de gansche aarde omslingerende Miggardslang — hoe Bijbelsch! — en ook uit de runen (voorspellingen) afleidend, dat nu de laatste strijd op handen is, komt, op den regenboog rijdend, met zijn schitterende krijgers uit de vijfhonderd poorten van het Walhalla strijdlustig tevoorschijn (vgl. Openb. XIX: 11 —14), terwijl de wolf Fenris de maan verslindt, de bleeke Hela het vreeselijke hoofd uit de onderwereld opheft, en de drie Nornen weeklagend de profetische runenstaven in stukken breken, — want nu is er geen tijd en geen verleden en heden en toekomst meer, nu vangt de eeuwigheid aan. In een schrikkelijken strijd gafit de oude wereld met hare helden ten onder.
Daarvan zingt de Völuspa;
„Zij (de dooden) vreezen allen — In Heia\'s banden, — Vóór
T
J
29
hen Surtur\'s —VJam verslindt. —Zwart wordt de zon, — De aarde verzinkt in de zee, — Van den hemel vallen — De vroo-lijke sterren, — Gloeiende hoozen omwoelen — Den alvoedenden wereldboom, — De vurige Lohe — Belekt den hemel.quot;
Maar uit de vlammen ontstaat een onvergankelijke licht-wereld, en over deze wereld heerscht eeuwiglijk de eens dooiden boozen Loki gedoode, nu weer opgestane zonnegod Baldur.
„Daar zullen weder — De wonderbare — Gouden schijven,
— In het graf elkaêr vinden. — Daar zullen onbezaaid — De akkers vrucht voortbrengen, — Al het booze verdwijnt,—Baldur keert weder. — Weel gij wat dat beteekent?—Eene zaal zie ik, — Helder als de zon, — Met goud bedekt, — Op Gimils hoogten ; — Daar zullen waardige — Vorsten wonen,— En zonder einde
— De eer genieten. — Daar rijdt de machtige — Naar den raad der goden, — De sterke van boven, — Die alles bestuurt. — Den strijd beslist hij, — Hij beslecht twisten — En stelt eeuwige — Inzettingen in. — Weet gij wat dit beteekent?—quot;
Dat is poëzie, omdat het waar is; en dat is waar, omdat het poëtisch is! — Zulke concrete begrippen, — afgeleid uit goddelijke ingevingen omtrent het ware en uit een verhevene, ernstige beschouwing der Natuur door mannen, die in en met deze Natuur leefden, die oog in oog met haar streden en stierven, — zijn, de namen mogen daarbij luiden zooals zij willen, oneindig beter en van meer waarde dan de verwaterde en vernevelde denkbeelden van zoovele beschaafden in onze dagen, volgens welke de veronderstelling dat er mogelijkerwijze en onder veranderde omstandigheden, doch in ieder geval in een zeer verre toekomst, eenigermate ideale, voorshands niet nader te omschrijven toestanden van een betrekkelijk geluk, ook wel gelukzaligheid genoemd, zullen bestaan, niet zonder verdere overweging mag worden verworpen, — ja, dat daarbij de hypothese van een eventueel, meer of minder individueel ingrijpen
30
van een als hoogste oorzaak in het heelal te denken wezen niet absoluut en zonder voorafgaand zorgvuldig wetenschappelijk onderzoek als volstrekt onaannemelijk mag aangeduid worden, --enzoovoort!
Eén God erkent overal de menschheid uit de Natuur. „Omdat zij, God kennend e,quot; (Rom. 1:21). — Het Polytheïsme der Egyptenaren en der Grieken, en ook dat van de tegenwoordige Italianen en Spanjaarden, waarvan ieder tot zijn heiligen bidt, is slechts een desaggregaat-toestand van het oorspronkelijke geloof. Want veel te machtig is de drang van al het geschapene naar het groote Eén; te waarachtig is het woord: „Niemand kan twee heeren dienen— en zooveel logica bezit ook zelfs de wilde wel, dat hij erkent: Van twee goden kan slechts een de ware zijn. Deze oude goden der oervolken, die oorspronkelijk historische menschen waren, een Vul-canus. Nimrod, Hercules, Theseus, Osiris en Zeus, Odin en Thor, waren voor hen geen goden in onze opvatting van dit woord, zooals trouwens ook uit hunne mythologie duidelijk blijkt; maar deze halfgoden, waarvan ook in den Bijbel gesproken wordt (Genesis VI: 2 en 4). zijn uit de vereeniging der bovenaardsche, wellicht, zooals reeds de Druïden leerden, op de zonnen wonende zonen Gods (Job) met de dochteren der planeetbewoners voortgesproten, — levens een diepzinnig symbolische daad en voorstelling van de bevruchting der vrouwelijke aarde door de primaire en mannelijke zonnen. En terwijl zij voor hen slechts halve goden waren, en hoewel zij hen eenerzijds als de bewakers en vertegenwoordigers der gerechtigheid voorstelden, wat op zijne wijze ook zelfs een Nero was, schreven zij hun toch allerlei niet alleen menschelijke, maar ook zondige dingen toe, wat dan ook
31
volkomen overeenstemt met de voorstelling, die het Bijbelsche geschiedverhaal van hen geeft: „reuzen en helden, die van oudsher mannen van naam geweest zijnquot; en de aarde met den roem hunner geweldige daden vervulden. — Zoo leert de Kabbala, dat er buiten Israel zeventig volken op den aardbodem bestaan, waarvan ieder een hemelvorst of god, de zeventig sarim, boven zich heeft, in wier naam zij wandelen, terwijl het Israel alleen geoorloofd is, in den naam van Jehova te wandelen. — Maar boven deze goden, in denzelfden zin waarin de goddelijke zanger het uitroept en Christus het bevestigtIk heb het gezegd: „Gij zijt Elohim!quot; stond — dat wisten alle dieper denkenden onder deze oude volken zeer goed — de onzichtbare, absoluut goede, eeuwige, éenige God. — Evenals de Egyptische priesters den ingewijden den éenigen god Ptah, den „Vader van de vaderen der goden, den Schepper aller wezensquot;, openbaarden; evenals voor Zeus en alle goden van den Olympus de oude Demiurgos er geweest was, en de Scandinaviërs aan den Allfadur, die Odin en alle goden geteeld had, geloofden; evenals de Perzen Orrnuzd, Mithras en Ahrirnan vereerden, maar boven hen Zeruane Akherene, het hoogste wezen, stond, — zoo spraken Socrates en Plato, Marcus-Aurelius en Cicero altijd slechts van „de godheidquot; of van God als den éenigen ; en de oude mythologieën leerden den eindelijken zegepraal van éen God van het goede. Intusschen is ook in de Natuur deze God een „verborgen God,quot; want Hij heeft zich voorloopig van de zondige menschheid in den hemel der hemelen afgezonderd, of juister gezegd, deze menschheid heeft zichzelf door de zonde zoodanig van Hem gescheiden, zichzelf zoozeer verblind, dat zij Hem niet meer ziet, ook al staat Hij voor haar. Uit dien hoofde is dan ook van oudsher het schreien en roepen der menschheid, evenals dat der Atheners, „den onbekenden Godquot; gewijd, hoezeer Satan ook ten allen tijde zijn best heeft
32
gedaan om er zich in te dringen, het op zichzelf te richten, en zich hare aanbidding toe te eigenen. Intusschen neemt God als goedertieren Vader zijner schepselen ook gebeden aan, die onder een verkeerd adres tot Hem gericht worden, en zoo heeft Hij, gelijk door de feiten gebleken en bewezen is, millioenen geloovige gebeden om aardsche en geestelijke goederen, om hulp en uitredding tot Ormuzd en Osiris, tot Zeus en Allah, tot Odin en Baldur en tot den „Grooten Geest,quot; goedgunstig verhoord. „oZeus!quot; roept het koor in den Agamemnon van Aeschylus uit, „wie gij ook zijt, die de menschen door lijden tot denken brengt, wanneer deze naam u toekomt, zal ik u daarmede aanroepen !quot;—Want er staat geschreven : „Gij hoort het gebed, tot U zal alle vleesch komen\'\' (Psalm LXV : 3). En zoo zal Hij ook millioenen uit alle natiën eenmaal redden, die Hem hier op aarde niet persoonlijk gekend hebben. — Zie in Mattheus XXV het gericht der volkeren, niet der Christenen.
Niet alleen bestaat er geen volk zonder godsdienst, maar het leven zoowel van het individu als van de volken is godsdienst of öngodsdienst; de wereld, het bestaan, is godsdienst; de wereldgeschiedenis is godsdienst, in de steeds woedende strijd van het goede en goddelijke tegen het booze en satanische, — de strijd tusschen het geloof en het ongeloof, zooals Goethe het uitdrukte. Dat wordt nog niet begrepen door den jongeling, die nog midden in den roes van het duizendvoudige leven verkeert, maar wèl door den grijsaard, die reeds den levensavond bereikt heeft. Voor hem laat alles zich terugbrengen tot deze twee beginselen van het ja en het neen, en hoe langer hoe onbeduidender en eindelijk onverschillig wordt voor hem een physisch-chemische, atomistische of aetherische wereldbeschouwing. — Zoo ver hadden de oude volken het gebracht; hun geheele leven was godsdienst. Of zij aten of dronken, rustten of werkten, oorlog voerden of vrede sloten, zij deden het hunnen
33
goden, en dat was hunne kracht. „De religieuse cultus,quot; zegt Leopold von Ranke (W e 11 g e s c h i c h t e, le Band, bladz. 11), „is de voornaamste bezigheid der Egyptenaren ; er bestaat eigenlijk niets profaans in dit land !quot; De tempel, dat was de grondslag, het doel en het eindbegrip der bouw- en andere kunsten; het was bij hen een spreekwoordelijke uitdrukking: „Wat bekommer ik er mij om, of mijn huis klein en bekrompen is, indien Gods huis maar schoon is en rijk!quot; — Tegenwoordig dénken wij daar juist omgekeerd over.
Schoon is deze indrukwekkendste verschijning der wereldgeschiedenis, deze grootsche en verheven overeenstemming van alle volkeren, deze concensus g e n t i u m, waaraan reeds de ouden terecht zooveel waarde hechtten, en die ook wij voor gewichtiger houden dan spitsvondige bewijsvoeringen van enkele geleerden. Het heelal openbaart der menschheid een God! En zoo roept Paulus .uit: „Want zijne onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.quot; Intusschen laat hij er dadelijk opvolgen: „Omdat zij. God kennende. Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en bun onverstandig hart is verduisterd geworden,quot; zooals aan de latere en onzinnige ontwikkeling der mythologieën en aan
de handelingen der materialisten ten allen tijde te zien is.
* *
*
Dit boek der Natuur, dat ons Gods eeuwige kracht en godheid verkondigt, bezit evenwel volstrekt niet het karakter van een godsdienstig handboek, zoodat daaruit achtereenvolgens al
3
34
Gods eigenschappen en zijne daden tegenover de menschen gekend en bewezen zouden kunnen worden. De Natuur openbaart ons God als den Schepper des hemels en der aarde, maar ni e t al s V e r 1 o s s e r ; zij toont ons Jehova-Christus als den Plaatsvervanger en het evenbeeld des eeuwigen Vaders, maar niet als den menschgeworden Zoon. Van deze, niet volgens natuurwetten geschiede, maar geheel bovennatuurlijke mensch-wording en nieuwe openbaring Gods weet de Natuur niets af, en evenmin van den Heiligen Geest, hoewel Gods Geest door haar heen waait, en zij alleen door dezen adem des levens bestaat. Zoo kunnen wij de kern en de hoofdzaak des Christen-doms, de om- en bekeering des menschen lot God, de verlossing door\' den zoendood van Christus, de heiligmaking door den Heiligen Geest, en alles wat met deze hoogere raadsbesluiten Gods in verband staat, zijne leidingen en zijne trouw tegenover zijne kinderen, de gebedsverhooringen en de wonderen, net uit het boek der Natuur leeren, aangezien het er niet in staat. Stond het er wèl in, dan had de mensch volstrekt geen behoefte aan een andere openbaring. Ook zouden de wijze heidenen, waarvan er zoovelen met aandoenlijke trouw en eenvoud de Natuur bestudeerden, het er reeds lang in gevonden hebben, evengoed als zij er de openbaring van een éenigen en on-zichtbaren, almachtigen en alwijzen Schepper in vonden.
Dit feit, dat de Natuur evenals de kunst wel goddelijk, maar niet Christelijk is, veroorzaakt het gevoel van onvoldaanheid en onbevredigdheid, dat menig Christen bij hare beschouwing ondervindt. Want er zijn menschen, aan wie God zich meer als Schepper en Vader aller geesten, als Gever aller goede gaven openbaart, dan als de God, in wien wij leven, streven en zijn, en van wien gezegd wordt: „En God zal eenmaal alles ra allen zijn!quot; Voor dezulken is zijne schepping, de Natuur, meer dan alle andere dingen begrijpelijk en ook stichtelijk, d. w. z. zj
35
client hun tot leering en stichting des geestes in God. Aan anderen openbaart God zich bij voorkeur als het vleeschge-worden Woord, als redemptormundien dierbare Heiland, die alleen door de zijnen gekend wordt; anderen eindelijk zijn er, die in de macht en de kracht des Heiligen Geestes de wereld richten om der gerechtigheid en der zonde wille. Voor deze twee categorieën schijnt de beschouwing der Natuur, dei-schepping, vaak niet stichtelijk genoeg. Zij biedt hun geen overvloed van die geestelijke stof, die hun religieus wezen het liefst in zich opneemt. Zonder bier een beslissend oordeel te willen uitspreken, merken wij toch op, dat volgens onze meening de kennis des Vaders het granieten voetstuk vormt van de ontzaglijke pyramide der Drieëenheid, en dat die Christenen, die te voorbarig tot den Zoon en Heiland doordringen, zonder de eerste elementaire openbaring Gods, de wet der Natuur en de wet van Mozes, in zich te hebben opgenomen, dikwijls levenslang in angstige onzekerheid omtrent Gods Rijk en macht blijven voortleven. Christus is voor hen wel de subjectieve dierbare Heiland, maar te zeer dé door de wereld miskende en verworpene, te weinig daarentegen ook de God, door wien en tot wien alle dingen geschapen zijn, de groote Werkmeester, wien God de Vader opdroeg zijn scheppingsplan te volbouwen, de Eerstgeborene aller schepselen en het kort summier van al het geschapene, of — zooals de Kabbala den Maschiah noemt — „de Idéé des heelals.quot;
Wie voor zijn geloof het op de schepping en op de Natuur gegronde Oude Testament meent te kunnen missen, doet denken aan iemand, die het fondament en den onderbouw van een paleis afbreekt, omdat hij eerst in den bovenbouw de voleinde schoonheid aanschouwt, — of aan iemand, die heerlijke vruchten zou willen bewonderen en genieten, doch daarbij stam en wortel als overbodig beschouwt. De Bijbel doet ons den Christus niel
J
36
slechts kennen als den Heiland ziiner kleine kudde, maar als den waren Koning en Heer der zichtbare en onzichtbare schepping, als dengene, die alle dingen heeft geschapen, verlost heeft en eenmaal volkomen verlossen zal, als de Koning en Heer des nieuwen hemels en der nieuwe aarde.
De bovengenoemde wet der Natuur, dat alles in haar vereenigd in éen punt uitloopt, omsluit de reusachtige grootheid van het hoogste en laagste beginsel. Deze oorzaak aller oorzaken moet logisch tenminste even groot zijn als al deze oorzaken samen; deze kracht, die zich in millioenen krachtwerkingen openbaEirt, moet minstens het totaal dezer krachten evenaren. Dat wij evenwel niet alle oorzaken en hunne werkingen, en niet alle krachten en hunne openbaringen kennen, zegt het gezond verstand ons ieder oogenblik bij de beschouwing dezer Natuur. Derhalve moet het hoogste beginsel, de laatste oorzaak, de kracht aller krachten, de som onzer denkbeelden, d. w. z. onze geheele wereldbeschouwing, nog in aanmerkelijke mate teboven gaan, ja zij kan oneindig grooter zijn dan deze, — een indruk, die zich dikwijls met overweldigende kracht bij den sterrenkundige doet gelden, wanneer zijne denkkracht verlamt onder de pogingen om het heelal te omvatten.
Zoo bevat de Natuur de Wet der grootheid Gods. Zij is ons gegeven, opdat wij deze grootheid niet louter theoretisch ge-looven, maar er een levendige aanschouwing van zouden verkrijgen. Omdat onze God zoo klein is, zijn wij het ook. Maar een kleine God is geen God. Want óf er bestaat geen God : dan is alles toeval, alles onverklaarbaar en onbegrijpelijk, de wereld een cirkel zonder middenpunt, eene werking zonder oor-
37
zaak, eene vraag zonder antwoord, dan is het niet meer de moeite waard, over iets na te denken! O f er bestaat wèl een God: dan is Hij, zooals wij zeiden, oneindig, en hoe onnaspeurlijk groot zijn werk ook zij, toch is de Meester steeds veel grooter dan zijne schepping. Dan kan niets ter wereld ons zoo groot maken, als het geestelijk aanschouwen van deze zijne grootheid. Dewijl echter elk geestelijk begrip op een lichamelijk gegrond is, daarom vormen tijdelijke, plaatselijke en stoffelijke grootheden de noodzakelijke basis onzer denkbeelden en begrippen omtrent een grooten God. Had Hij de aarde in een eeuwigen, ondoordringbaren nevel gehuld, zoodat wij van zon, maan en sterren niets konden te weten zijn gekomen; hare oppervlakte als een groote weide met kleine boompjes gevormd; en eindelijk ons zoodanig geschapen, dat wij slechts honderd meter ver konden zien, dan zouden ons geestelijk leven en onze begrippen van Hem naar evenredigheid klein en gebrekkig zijn gebleven. Hoe groot is toch het doen Gods! Hij raakt de aardas even aan, en er ontstaan jaargetijden met onmetelijke, stoffelijke en geestelijke gevolgen. Hij richt drie assen in de stof op, en daaruit ontluikt de prachtvolle, onuitputtelijke wereld der kristallen. Hij hult de aarde in een zacht, onzichtbaar luchtkleed, en nu begint de geweldige cirkelgang van de wateren en het geluid en het woord. Hij strijkt met de vingertoppen over het beeld van den naar zijn beeld geschapen Adam, en er ontstaat een verrukkelijke variatie van: de vrouw! Want alles wat deze grootste Kunstenaar aanraakt, wordt met schoonheid overtogen. Zoo predikt zijne Natuur ons een onnaspeurlijk grooten Schepper, en verheft zij ons tegelijkertijd boven onze nederdrukkende kleinheid. Want wij zijn uit Hem geboren, en onze ziel dorst naar grootheid. Waar is er een mensch, een kind, een wilde of een beschaafde, die niet reeds in stoffelijke grootheid behagen vindt ?
38
Overal groot is deze Natuur, — ook in haar vaak min of meer zwaarmoedige eenvormigheid, en de onophoudelijke en toch niet vermoeiende herhaling van hetzelfde woord, in het gelijkmatig kabbelen der golven, of van de ritselende, murmelende beek. Groot is de zee, zoo eenvoudig, zoo oneindig, zoo afwisselend; of zij met schier hemelsche kalmte zich koestert in de zon, dan of zij woedend hare oevers geeselt en de met veel moeite en inspanning volbrachte werken der menschen verslindt; een geheimzinnige macht en wereld der diepte, wanneer bij een storm uit het zuidwesten, en geen land in \'t zicht, dagenlang kristalheldere, groene waterbergen met schuimende manen, vol woeste kracht en triomfeerend leven, als paarden van Neptunus, bruisend, ruischend, over elkaêr heen kantelend, met het grootste genot en de grootste haast rusteloos voortjagen. Groot is de woestijn, Bahr el Schaitan, de zee des Satans, zooals de Arabier haar noemt, wanneer aan den reeds heef.en hemel de witgloeiende zonneschijf boven de eindelooze gele vlakte opgaat, om haar met lichtgolven en zengende hitte te overstroomen, — en de wilde zonen der Sahara vallen neder en roepen aanbiddend: „Allah, In Allah! Rasallulah!quot; Groot is de in zesmaandschen nacht verstijfde Poolwereld, wanneer onder den prachtvollen sterrenhemel de fantastische kristallen ijspaleizen zich in de koude lucht verheffen, en de plotseling knetterende Noorderlichten, bliksemsnel wisselend, fantastische blauwe, groene en purperen lichtgewelven langs den hemel opbouwen. Groot is ook de woeste, kale steppe, wanneer \'s avonds boven de wijde zwarte vlakte de bloedroode maan langzaam opgaat, — en honderd mijlen in het rond verheft er zich niets dat ook maar een huis hoog is.
Maar nog majestueuzer en grootscher en indrukwekkender is het heelal, dat zich in heldere nachten voor den sterrenkundige ontsluit. Daar ziet hij ze dan, de door God geschapen reuzen,
39
zwijgend door aeonen voortschrijdend, misschien temidden van een slechts voor onsterflijke ooren hoorbare sferenharmonie; als in een kunstvollen dans voorwaarts snellend: den rooden Mars met zijn blauwe zeeën en onder sneeuw bedolven polen; den met wolken omgorden, in vaal rood onder wolken nog dof glinsterenden Jupiter, door manen omwenteld; den rijkgeringden Saturnus, Uranus en Neptunus, in majestueuze vlucht de zon nu eens sneller, dan weer langzamer omkringend. En op deze hunne koningin en moeder, op dezea gloedoceaan, waar in een onoplioudelijken, onbegrijpelijken levensstorm de krachten der Natuur woeden, ziet hij kleurige lichtstroomen als gouden aren, als rooskleurige palmboomen opschieten, om als een zonneregen, als lichtgolven weder neer te vallen.
En ver boven onze zonnefamilie ziet hij duizenden andere zonnen door de afgronden der ruimte zweven, purper en smaragdgroen, goudgeel en helderwit, afzonderlijk en tot twee en drie en vele vereenigd, in eeuwige reien zich draaiend en wentelend, sommige majestueus langzaam, andere onbegrijpelijk snel voortvarend door brandende wereldnevelen heen, voorbij half uitgebluschte, nog af en toe opvlammende roode zonnen, en voorbij andere, die hoe langer hoe feller ontgloeien; voorbij nevelsterren, in wier heete kern eene zon geboren werd, voorbij sterrengroepen, uit duizenden verwante zonnen bestaande, — al verder en verder, naar groote, onbekende bestemmingsplaatsen toe.
Maar al vliegt ook de reusachtige Regulus meer dan een millioen uren per dag voort, en al vloog ook de mensch even snel vijfhonderd millioen jaren en nog eens zooveel in een altijd rechte lijn voort, toch zou hij het einde van Gods heelal niets nader komen! Altijd is Hij er! Altijd: „alomtegenwoordig!quot; — In die ons onbekende verten, vanwaar zelfs de lichtstraal, vermoeid, ons geen tijding meer brengt, is Hij het, wiens willen de zonnen in de ruimte op hunne plaats doet
40
blijven, wiens adem hen voortstuwt, wiens warmte hen doorgloeit, wiens leven hun het leven heeft ingeblazen, die ook daar, evenals op de aarde, elk atoom en elke molecule ziet, weegt en regeert. En terwijl Hij den hemel dor hemelen, in een ongenaakbaar licht gehuld, doorwandelt, nieuwe werelden scheppend, bij welker aanblik de morgensterren jubelen en alle kinderen Gods juichen (Job XXXVIII: 4.-9), — en terwijl Hij spreekt: ,Het is zeer goed!quot; en de goddelijke vreugde opwelt van eeuwigheid tot eeuwigheid, en Hem lof wordt toegebracht door de sterke engelen in het licht en door de duivelen in den poel des vuurs, — ziet Hij ook op deze onze kleine, langs hare baan voortsnellende aarde u en mij en elk der vijftien honderd millioen menschen, die er op wonen. In het oogenblik dat gij dit leest, ziet Hij tot in de diepste diepte van uw hart neêr en kent Hij al uwe gedachten, maar evenzoo die van al uwe medemenschen, en al het droomen der millioenen, die thans in het beschaduwde deel der aarde in den slaap liggen. In dit oogenblik ziet Hij op de voortvliegende aarde al de zieken en ellendigen, de bedelaars in hun nood en de koningen in hunne pracht, de duizenden die elkaêr in den strijd van kant maken, de zeelieden die met den storm worstelen, de misdadigers die in den nacht op hun prooi loeren, de gevangenen en de waanzinnigen, de onder doodszweet en doodsgerochel wegstervenden, de pasgeboren kindertjes, en bovendien alle leeuwen in de woestijn, alle raven in de lucht en elk vogeltje in het nest. Geen kevertje in het gras, welks weg voor Hem verborgen is, geen vischje in het diepst der zee, welks doen Hem onbekend is, geen blad aan een boom op de gansche aarde, welks vorm en grootte Hij niet kent, of dat zonder zijn weten en willen verdord zou afvallen. — En terwijl Hij deze gansche wereld regeert, verzorgt, voedt en beheerscht, ziet Hij nog met onafgewende blikken in elk waterdruppeltje in de beek en in
41
den vijver, in de rivier en in de zee, de millioenen infusioren, die zich daarin rondwentelen, en geeft Hij elk hunner leven en voedsel; want in Hem leeft, streeft en is alles wat bestaat.
En ontdekt ergens de gespannen aandacht van een sterrenkundige door den verrekijker op Mars een nieuw vlekje of een dubbelkanaal, — of een micrograaf na lang zoeken in het microscoop aan hel pantser eener diatomee nieuwe dwarsstrepen, — dan wordt dat tegelijkertijd gezien door de vlammenoogen desgenen, die dezen Mars met krachtige hand op zijne plaats doet blijven, die de diatomeeën geteekend heeft, en voor wien de duisternis helder en de afgrond licht is.
En evenzoo hoort Hij alles wat op deze aarde klinkt en galmt en dreunt: de zeegolven en den storm, den wind en de bron, het leeuwengebrul en den nachtegaalslag, al het schreien, roepen, klagen en juichen van alle creaturen, al de galmen en klanken en geluiden, waarmede zij hun lieven cn hunne veten, hun angst en hun nood, hun verlangen en hun smeeken uitdrukken; al het lachen en weenen, het bidden en vloeken van alle menschen. — Dat alles hoort God de Heere, en dit onophoudelijk gezang der aarde, en dit eeuwige lied der schepping, dat van dag tot dag en van uur tot uur tot Hem opstijgt; en Hij herkent daarin al het denken en dichten en droomen zijner schepselen, en onmiddellijk staat het ook gefixeerd in den grooten phonograaf des heelals voor den dag des oordeels en der verantwoording. „De luchtquot;, zegt Böhme, „zal op den jongsten dag al de woorden wedergeven, die zij heeft helpen vormen.quot; — Wat zullen de muren en wanden van zoovele kroegen en schand-holen dan niet een vloeken en liederlijkheden en vuile praat, waarmede zij jarenlang doortrokken en verpest werden, moeten wedergeven, — en hoeveel ernstige gebeden, blijmoedige lofzangen en hartelijke dankzeggingen tot God zullen er weerklinken
42
uit zoo menige dak- en zieken- en weduwenkamer en uit door
Gods dienst geheiligde kerken!
* *
*
Deze Natuur openbaart verder de Wet der kracht. Het Al is kracht. Wat zou de stof zijn zonder kracht, zonder krachten? Onzichtbaar, onhoorbaar, onvoelbaar! Zij zou dood zijn, zij zou voor ons niet bestaan; want wat wij aan haar nog waarnemen, is niet haar z ij n op zichzelf, voor ons hier beneden eeuwig verborgen, maar de krachten die haar bezielen. En al deze krachten loopen in éen kracht samen, in een God der kracht, wiens krachten deze reusachtige schepping in stand en in wezen houden, zooals geschreven staat; „Opdat zijn eeuwige kracht gekend worde uit de werken der schepping.quot; Zijn willen, dal is de kracht, die het heelal doorstroomt en de zonnen in hunne banen beweegt; en wilde Hij morgen niet, dan werden zij plotseling uitgebluscht en hielden zij midden in hunne vaart eensklaps op; versterven zou alles wat adem heeft, en de werelden zouden langzaam verbrokkelen in den eeuwigen nacht en de doodsche stilte. — Wij, en ook wij Christenen, spreken veel over natuurkrachten, alsof een doode Natuur in en uit zichzelve krachten kan hebben. Wanneer er een God is, dan is het zijne kracht, en niet de zwaartekracht, die de wereldlichamen in hunne kringen doet blijven rondwentelen; dan is Hij het, die op de zonnen reusachtige, nooit uitdrogende krachtstroomen voortbrengt en in de wereldruimte uitzendt; en zijne kracht is het, die in zonnestralen voor onze aarde meer dan twee milliar-den paardekracht bedraagt! Onbegrijpelijke, onberekenbare krachten vloeien door het heelal, en alle zijn: Gods kracht! Ja, Gods kracht is het, o blinde mensch! die gras en koren omhoog doet schieten, door middel van brood en vleesch in u
4-3
het leven onderhoudt, en uw hart onophoudelijk laat kloppen, tot op het oogenblik dat Hij deze zijne kracht terugtrekt en het voor eeuwig stilstaat. „Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keeren weder tot hun stof\' (Psalm C1V ; 29).
Maar is dit nu zoo, en is deze God de onbegrijpelijk groote, boven alle menschelijke begrippen geweldige, eeuwig vlammende oergrond van alle zijn en alle leven, in wien en door wiens kracht de heelallen en de atomen beslaan, — vanwaar dan bij ons, die in Hem gelooven, die dagelijksche kleinmoedigheid en versaagdheid? Vanwaar die angstvallige menschenvrees, en dat zich buigen voor ieder woord en oordeel der menschen? Vanwaar dat eeuwige tobben over het beetje bestaan en voedsel? — Leven en bewegen wij ons en zijn wij niet in Hem ? — En zou Hij, die aan den hemel milliocnen zonnen en in den waterdroppel duizendmillioenen bacillen onderhoudt, niet ook ü, nietige zandkorrel en atoom in zijne schepping, kunnen verzorgen, ook zonder uw toedoen, en evenzoo, wanneer gij dezen nacht mocht komen te sterven, uwe kinderen na u ? —Of vertrouwt gij zijne goedheid niet? — Ziet gij dan niet hoe rijk, hoe overrijk, hoe edelmoedig die God zich in zijne schepping betoont ? Niet alleen strooit Hij als zand de zonnen langs den hemel; wat is Hem gelegen aan een paar millioen werelden meer of minder? Immers zijn alle volkeren der aarde voor Hem als de druppel, die aan den emmer hangt! — Maar alom en overal in zijne schepping ontmoeten wij een rijkdom, een overvloed van kracht en leven en levenskiemen, van kleur, vorm en ikheid, waarvan wij verbaasd staan. Niet een paar bloemen laat Hij langs den weg als staaltjes van schoonheid hier en daar opengaan: neen, bij millioenen en billioenen ontspruiten en ontluiken zij in het voorjaar, en kleuren zij wijd en zijd met rood en geel en blauw de oppervlakte der aarde, en „aan \'t bloeien komt geen einde\'\'.
44
Langs den Don rijdt de kozak dan over de vroeger zoo doode steppe, dagen lang, van den morgen tot den avond, door een oceaan van manshoogè varens en bloemen heen, en richt hij zich menigmaal hoog in de stijgbeugels op, om over de hem omringende bloemenzee naar een op hooge palen gevestigden militairen post uit te zien. — En in de noordelijke zeeën zwemt de walvisch, als een drijvende wereld, traag en langzaam door de met lallooze millioenen van de kleinste, slechts weinige millimeters groote medusa\'s gevulde golven, en verzadigt er zijn honger mede. Scorresby, die koene zeevaarder en ernstige Christen, berekent, dat alle menschen ter wereld tachtigduizend jaar lang te tellen zouden hebben aan de diertjes die in éen kubieke mijl zeewater aanwezig zijn. En toch voer hij drie dagen lang door den daarmee als sagosoep gevulden Oceaan! En toch wordt ieder meduusje wanneer het ontstaat op het ,creditquot; en wanneer het vergaat op het „debetquot; van het groote goddelijke kasboek ingeschreven!
Ja, een onbegrijpelijke overvloed van het goddelijke leven wordt ons door de schepping geopenbaard; zij toont ons, evenals in Ezechiëls gezicht, den Geest des levens, zooals hij gelijk een ruischende stroom in billioenen en nog eens billioenen van atomen en moleculen zich onophoudelijk uitstort, en ze dag en nacht in levenskiemen van tallooze planten en dieren herschept.
En welk een goddelijk groote blijdschap geeft zich daarbij dikwijls in de Natuur lucht! Al de pessimisten der wereld kennen er niets tegen doen, dat er in het voorjaar een millioenvou-dige levensvreugde door de wereld trilt, door woud en weide, in den visch en het vogeltje en het mugje, in boom en dier en bloem, in den jongeling en het meisje en den wegkwijnenden grijsaard. God is een God van vreugde en blijdschap. Hij, die bevel geeft dat zwarte, dorre, doode takken in de lente aan alle kanten moeten groenen en bloeien en vruchten dragen, zal ook
45
eenmaal bevelen, dat deze geboeide , lijdende, gebrekkelljke schepping om ons en in ons groene en toeneme, — dat ons dorre, koude, doode hart, dat niet weet wat ware vreugde is, in gejuich losbarste, — en aan het jubelen en de vreugde en het genot en het eeuwige bloeien en vruchtdragen zal geen einde komen. Want triomfeerende vreugde, dat is Gods karakter.
Maar meent gij nu, dat gij met dit goddelijke zien van al datgene, wat er geschiedt, van den versten sterrenkring af tot het kleinste afgietseldiertje in den waterdroppel, ja tot het chemische atoom toe; met dit goddelijke hooren der uiteenspattende zonnen en van het gonzen van een kevertje in \'t gras, — dat gij u daarmede intellectueel een juist, al is het dan ook nog zoo zwak besef van Gods grootheid veroverd hebt, geef dan den moed op en staak uw pogen bij den aanvang! Want heel deze zichtbare schepping, van het atoom tot de verste vaste sterren toe, dit afvallig geworden, in de harde banden der materie gevangen heelal, dit gebied en koninkrijk van den eertijds zoo machtigen Lucifer, deze schijn- en droomwereld des Satans, is toch — hoe eindeloos zij ons ook voorkomt — tóch slechts een onbeduidend hoekje van het goddelijk universum. Evenals in een prachtig park, van honderden bunders grootte, hier of daar een afgelegen plekje, dicht begroeid met brandnetels en onkruid, temidden van het grootsche plantsoen overzien en onopgemerkt gelaten wordt, zoo ook in de hemelsche en eeuwige schepping het beetje onder de zonde bedolven heelal, dat wij voor het goddelijk Al aanzien. Aan gene zijde van die honderd millioenen zonnen, die met zulk een huiveringwekkende majesteit door tijd en ruimte zweven, vangt eerst recht, onoverzienbaar, door de eeuwigheden der eeuwigheden zich uitstrekkend, eindeloos in ruimte en in tijd, een hemelsche schepping van den hemel der hemelen aan. En dat is de eigenlijke huishouding van den Heere onzen God. Evenals de huisvader,
46
hoewel de verloren zoon naar vreemde landen was getrokken, met zijn oudsten zoon en zijn dienstvolk rustig het bestuur zijner bezittingen bleef voortzetten, zoo heerscht ook onze God, terwijl Hij zijn gevallen schepping nog altijd verzorgt, toch hoofdzakelijk in den hemel der hemelen, over tronen en heerschappijen en vorstendommen en overheden, over serafijnen en cherubijnen, waarbij Hij hun en eindeloos velen anderen zondeloozen scheppingen steeds een eindelooze levensvolheid doet toevloeien. En zij roepen onophoudelijk: „Heilig, heilig, heilig is de Heere Zebaoth! Geheiligd worde uw naam!quot; En zij aanschouwen in den eenigen God het ware zijn - Gij die z ij t — en in de eeuwige schepping der heelallen het worden — uw naam worde geheiligd!— Zij worden niet ontroerd door den nood onzer ruwe aarde ! Zij bekommeren zich niet om den afval van Satan en zijne legioenen. Verleden en toekomst gelijkelijk erkennend in de godheid, zijn zij toch hoog boven alle vergankelijkhe\'d en eindelijkheid verheven, en aanschouwen zij eeuwiglijk een God, die heilig is in zichzelven, heilig in zijne schepping, heil.\'g in alle hemelen, heilig in alle hellen, heilig in al de vormen van zijn eindeloos bestaan, en in eeuwige, majestueuze rust hoog boven al het worden van het goede en kwade verheven. Terecht mogen wij er over treuren, dat wij van deze onze heerlijke broederen in het licht, van heel de ware, niet gevallen lichtschepping Gods, ja van onze in het geloof heengegane dierbaren, die nu ook in het licht leven en zijn, zoo volstrekt niets kunnen zien, maar — blind en doof voor het ware leven, gekluisterd aan en in hel stof — onszelven ziende wanen.
Het zich willen emancipeeren van de Wet der grootheid Gods heeft bij den mensch een onvermijdelijke geestelijke verachte-ring, een gestadig kleiner worden tengevolge. Heel de wereldbeschouwing van den atheïst verschrompelt en krimpt weg; ja, zooals wij in een vorig werk gezien hebben, hij komt er ten
47
slotte toe, het chemische, onzichtbaar kleine atoompje voor zijn god te houden! Zeg mij, hoe groot uw god is, dan weet ik, hoe groot gij zijt. Er bestaat voor den mensch slechts éen ware grootheid, namelijk: in een grooten, almachtigen, alwetenden,
alzienden, alhoorenden, algoedertieren God te leven.
* *
*
Stelt de schepping ons als grondslag de geduchte grootheid der Scheppers voor oogen, — niet minder zien wij die grootheid in de logisch met de schepping gegeven, het heelal doordringende, door menig Christen niet genoegzaam gewaardeerde Wet der kleinheid van alle schepselen en ook van den mensch. Ook een noodzakelijke basis van de kennis des Bijbels!
Eertijds schiep God in het spel zijner wijsheid tot zijne, niet tot onze eer planten en dieren zonder tal, de vogelen des hemels en de visschen der zee, en zag dat het goed was, ook zonder den mensch. Wel stelde Hij hem tot heerscher over de aarde en hare schepselen aan; maar alleen van Eva wordt gezegd: „want de vrouw is voor den man geschapen,quot; doch van alle andere voor hem geschapen wezens: „alle dingen zijn door Christus en voor Hem geschapen.quot;
Wanneer wij bedenken, dat meer dan twee derde gedeelten der aarde met oceanen bedekt zijn, waarin hoog boven elkander en op wier grond, in onderzeesche wouden zoo groot als geheele landen, billioenen en nog eens billioenen visschen, weekdieren, koraal-, spons- en nietig kleine zeediertjes zich bewegen en rondwentelen; dat op het land in de groote wouden langs den Orinoco, op de pampas, in de savannen en in de steppen ontelbare menigten wilde dieren weiden; dat in de Poolgewesten millioenen zeevogels, robben, walrussen en ijsberen lustig en rustig voortleven, — en wanneer wij dan daarbij de ongetelde
48
billioenen infusioren, bacillen en microben rekenen, die de wereldzee en de lucht, de sneeuw en de aarde vervullen, dan bemerken wij, dat verreweg de meeste schepselen op aarde nog nooit een ruensch gezien hebben, noch door hem gezien zijn geworden; dat zij buiten zijn invloed leven, zijn bestaan niet vermoeden, en er volstrekt niets van zouden bespeuren, wanneer heel het menschelijk geslacht plotseling te gronde ging. De schepselen zijn er niet om des menschen, maar om hun zelfs en om Gods wil. Dat wordt ons geleerd door de Natuur en den Bijbel, al leeren zij ook anderzijds, dat het zuchtende schepsel eenmaal deelhebben zal aan de verlossing des menschen.
Nog minder zijn voor den mensch en om zijnentwille de wereldlichamen geschapen, die aan het hemelgewelf fonkelen. Het gezonde menschenverstand zegt ons reeds, dat de millioenen voor het bloote oog onzichtbare zonnen, vele aanmerkelijk grooter dan de onze, die majestueus door de afgronden van het heelal vliegen, ze met licht en kracht en warmte en leven vervullend, niet louter geschapen zijn met oogmerk dat jan-en-alleman door zijn verrekijker aan het donkere hemelgewelf een lichtpuntje zou ontdekken. Want dan had God de verlichting van den nachtelijken hemel oneindig gemakkelijker, goedkooper en ook indrukwekkender door middel van eenige dozijnen naburige gekleurde manen en een paar honderd asteroïden kunnen bewerkstelligen! En wat zou de menschheid dan aan die sterren hebben, die eens menschen oog nooit gezien heeft, noch ooit zien zal, zelfs door den verrekijker, en welker bestaan eerst in den laatsten tijd door zwarte stipjes op de photographische plaat voor ons bewezen is geworden?
Er is iets beleedigends voor den Schepper in de veronderstelling, dat Hij in de eeuwigheden der eeuwigheden niets anders wist te bedenken, niets anders vermocht te scheppen, dan doode wereldlichamen, waarop niets Hem looft en prijst, niets Hem
49
huldigt, niets en niemand Hem voor zijn bestaan dankt, en die doelloos en waardeloos eeuwig door het luchtruim wentelen en zweven, — terwijl diezelfde God des levens toch op deze kleine aarde in elk waterdroppeltje en onder elk mosblaadje levende wezens geschapen, en in de lucht en het water millioenen levenskiemen heeft gelegd. — Weg met zulk een hoon van de wijsheid en majesteit des „levendenquot; Gods! met zulke armzalige begrippen van menschen, die gaarne alleen bij God goed af zouden willen zijn, alsof Hij niet „de liefdequot; ware, ondoorgrondelijk, oneindig, zich altijd vermeerderend, altijd grooter wordend, hoe meer zij liefheeft, evenals het vuur hoe meer het verteert.
Ja, klein en onbeduidend is en gevoelt de mensch zich in dit wonderbare, goddelijke heelal, en bij de beschouwing dezer groote Natuur zou hij wel evenals de visschers van Bretagne willen bidden: „o Heere mijn God, help my toch! Uwe zee is zoo groot, en mijn scheepje is zoo klein!quot;
De miskenning van deze Wet der kleinheid des menschen, en van zijne verhouding tot het heelal en tot de aarde, die hij bewoont, een verhouding welker oorzaak ons totaal onbekend is, doet den mensch zich tot een schijnbaar groot wezen opblazen, dat echter in waarheid hol, leêg, zonder inhoud en ook zonder vasten grond onder de voeten is: een colossus, maar die omvalt zoodra een muis er aan knaagt. Dit ver der te bewijzen, is overbodig.
De mensch is 1 i c h a m e 1 ij k klein, reeds in vergelijking van de aarde. Men heeft berekend, dat alle menschen werken en gebouwen, schepen en huizen, steden en dorpen, nog niet de ruimte van éen kubiek mijl zouden vullen, en de aarde bevat meer dan tweeduizend zeshonderd millioen van zulke kubiek mijlen! — Maar hij is bovendien nog kleiner dan zijne werken. Alle menschen op de wereld, laat ons eens
4
50
in een rond cijfer zeggen: zestien honderd millioen, zouden in een vierkant van veertig kilometer of acht uur lengte en breedte geplaatst kunnen worden, dus in een kanton van Zwitserland zooals Freiburg of Zurich, en de overige aarde zou ledig blijven. Als men hen wat dichter opeendrong, zouden zij allen op het meer van Gonstanz een plaatsje kunnen vinden. Nog verbazingwekkender is de eveneens gemakkelijk te controleeren, reeds meermalen gemaakte berekening, namelijk dat
— aangezien er gemiddeld vijftig kubieke decimeter inhoud op den mensch, kinderen en volwassenen dooreengenomen, komen
— bovengenoemde zestienhonderd millioen eene ruimte van tachtig millioen kubiek meter zouden beslaan. Daar nu de oppervlakte der Bodenzee vijfhonderdveertig millioen vierkante meter bedraagt, zou dus, wanneer het geheele mensch-dom daarin verdronk, de waterstand slechtsvijf-tien centimeter, dus ongeveer een halven voet, s t ij g e n! — En reeds dikwijls is dat meer in den tijd van vierentwintig uren tengevolge van zware stortregens in stilte zooveel gestegen! — Zoo klein is de menschheid tegenover de groote Natuur! — Ach, de grashalm en de zandkorrel en de waterdroppel zijn sterker dan de mensch; zij veroveren zijn sterkste vestingen, zij verwoestten Thebe, Ninevé en Babyion ! — Zoo weegt de volwassen mensch gemiddeld vijfenzeventig kilogram, dus slechts een achtenzeventig-sextillioenste deel van het gewicht der aarde, die zelve slechts een zandkorreltje in de wereldruimte is, en in grootte 1400000 van ^6 zon bedraagt. Ziet men in de ontzaglijke Alpenwereld of in de woestijn in de verte zulk een mensch als een nietig stipje zich langzaam en met groote moeite voortbewegen, dan denkt men onwillekeurig; Kan zulk een stofje en stipje in het Al de koning der schepping en een \'quot;iiwiare, de wereld eenmaal .overlevende ziel zijn?
51
Ook uit het oogpunt van tijd is de mensch klein. Hoe sterk en stevig staat en hoe lustig groeit nog zoo menige eik en linde, die hun loof reeds hoog en groot ten hemel verhieven, toen Luther nog op school ging; en hoe zijn sedert dien tijd de menschengeslachten en de rijken als bladenloof gegroeid en verwelkt! — En aan den hemel heeft een zon twintig millioen menschenjaren voor een omloop noodig! — En zoo kort als zijn leven is, zoo gering is ook zijne levenskracht. Bijvoorbeeld in vergelijking van infusioren en bacillen, die maandenlang een hitte en koude trotseeren, welke den mensch binnen weinig tijds zou dooden. En zulk een onzichtbare bacil vernietigt hem, den mensch!
Gering ook is zijn hooggeprezen macht over de Natuur. — Wel weet hij de Natuurkrachten aan zich dienstbaar te maken, en er verbazingwekkende gewrochten mede tot stand te brengen; maar slechts zoolang zij volgzaam en gewillig zijn. Verheffen de elementen zich slechts een weinig, of k\'omen de onderaard-sche krachten ook maar even in beweging en spuwen zij vuur en lava, dan siddert die gebieder der schepping van angst en radeloosheid, en ziet men hem en zijne werken van den aardbodem verdwijnen. Vrees is het karakteristieke kenmerk van zijn leren: vrees voor de Natuur, vrees voor het leven en vrees voor den dood, vrees voor anderen en vrees voor zichzelven! — Wij menschen vreezen voor alles, alleen voor God niet.
Zijn wij klein tegenover de schepping, even zwak zijn wij in onze pogingen om haar na te bootsen. Wat de Natuur met ontzagwekkende zekerheid, met onnavolgbaren zwier, met behulp van de allereenvoudigste middelen spelend en zwijgend tot stand brengt, doen wij haar na eeuwenlange pogingen altijd nog slechts kreunend en steunend, met veel rumoer en moeite, uiterst onvolkomen na. Zoo laat elke plant, elke vruchtboom, die zonder moeite en drukte in een behoorlijk leven uit humus en water
52
voedingsstoffen, welriekende geuren, geneesmiddelen van allerlei aard vervaardigt, al onze omslachtige, onder rook en geraas en stof werkende chemische fabrieken en weverijen ver achter zich. — Zoo blijft de zwemkever, de dytiscus, een voor den mensch onbereikbaar ideaal van een luchtballon of een oorlogschip of een duikerklok, — want hij beweegt zich, sterk gepantserd, met groote kracht en behendigheid op den bodem, zwemt schielijk op het water en onder het water, duikt dan en gaat even prac-tisch naar den grond met den medegenomen luchtvoorraad, ja hij vliegt bovendien nog snel door de lucht! Zoo spot elk in den zonneschijn onvermoeid op en neer dansend mugje met al onze zoogenaamd bestuurbare luchtballons en vliegmachines.
En evenzoo is het gesteld met onze kunst. Niet ten onrechte zeide Plato tot de groote kunstenaars van zijn tijd : „De aardsche Natuur is een slechte nabootsing der eeuwige Natuur, en gijlieden zijt slechte copiïsten van die slechte nabootsing!quot; Wie ooit de kunst beoefende, heeft het ondervonden, hoeveel jarenlange pogingen, hoeveel ook intellectueel zweet, welke uitgaven aan zenuw- en hersenkracht er toe vereischt worden, om een klein weinigje van de in de Natuur aanschouwde schoonheid in gips of marmer, met potlood of penseel, aan de piano of het orgel, plastisch, zichtbaar of hoorbaar te maken! En al maakte het scheppen hem ook gelukkig, toch staat de kunstenaar steeds voor zijn voltooide werk met het bittere gevoel: „ce n\'est pas ca!quot; — \'tis niet wat het wezen moest! Och, het ziet er niet zoo heel schitterend uit met onze genialiteit, en meestal zit er om den vonken spattenden vuursteen een ruwe, verstikkende korst. Dat ziet men liet best aan onze onmacht om nieuwe vormen te scheppen. Evenmin als de aarde zonder zon leven kan voortbrengen, evenmin kan zelfs de geniaalste mensch uit zichzelf een nieuwen vorra uitdenken. Want willen wij als ornament of symbool een nieuw dier uitvinden, dan zetten wij een
53
vrouwenhoofd op een stierenlijf en noemen dat dan een sphynx of chemere, of wij maken een dikke slang met vleugels, vogel-klauwen en driepuntigen staart, en noemen dat een draak, — en hebben daar dan ons vernuft zoo tamelijk wel mede uitgeput.
Hoe schoon en smaakvol en waarachtig origineel daarentegen de door God geteekende honderdduizenden bloemen in al hunne variëteiten!
En toen Hem, den grootsten Toonkunstenaar — want schepping is ook muziek — het thema „Scarabeusquot; of Kever inviel, zette Hij zich, menschelijkerwijs gesproken, aan het klavier, en na een kort praeludium, dat de grondgedachten van het nieuwe wezen uitdrukte — een klein schepsel vol vraatzucht en tot knagen en vermalen toegerust, met staal ompantserd en toch gonzend door de lucht zwevend, met het getal 6 tot wet, — improviseerde Hij slechts zoo spelend voor de verbaasde engelen meer dan honderdduizend — zoo veel keversoorten kennen wij — variatiën over het bovengenoemde thema; en hoe schoon, elegant, doelmatig, verrassend nieuw, zich overal karakteristiek bij de omgeving aansluitend deze zijn, en hoe er voor ieder werelddeel een ander type tot grondslag is genomen, zoodat b. v. de kevers van Afrika ware Negers zijn, kan ieder in een groote keververzamcling gemakkelijk zien.
Omtrent de menschelijke wetenschap hebben wij in een vorig werk gezien, hoezeer ook zij beperkt is. Want zij is binnen den kleinen kring der eindigheid besloten, de zaken onderzoekt zij, maar de oorzaken, of juister gezegd de „oer-zakenquot; blijven voor haar verborgen. Naar den wortel der dingen mag zij niet vragen, aan hun ware wezen mag zij zich niet wagen. Zoodra het oneindige optreedt, is ons denken verlamd; aan de grens van het eindige staan wij ook aan de grens van het bevattingsvermogen onzer hersenen. Maar aangezien het oneindige altijd
54
en overal het substract van het eindige vormt, de ondoorgrondelijke zee, waarop de kleine golfjes van het eindige voortkabbelen, kan de wetenschap ons wel omtrent veel moeilijke en verborgen dingen belangwekkende mededeelingen doen, maar niet het eenvoudigste en alledaagsche verklaren. Ja, wanneer verklaren zeggen wil: het wezen van een ding te begrijpen, dan heeft de wetenschap nog nooit iets verklaard. — Ach! wij zeggen het met weemoedige droefheid: de wetenschap weet niets! Zij weet niet, vanwaar wij gekomen zijn en waar wij heengaan, wat ons lichaam en wat onze ziel is, hoe het gras groeit en hoe het mugje sterft, wat goud is en waarom het geen ijzer is, wat de stof is en wat de kracht, wat het leven en wat de dood is, — en op die vraag aller vragen, eenige honderdmillioen malen gewichtiger dan heel de natuurkunde, en de scheikunde op den koop toe, namelijk: wat moet ik doen opdat ik den tweeden dood ontkome en eeuwiglijk leve? weet zij juist in \'t geheel niets te antwoorden!
Wel vertelt zij ons heel veel moois van hetgeen zij, half door toeval, half door vlijtig zoeken en nadenken, gevonden heeft, — maar altijd slechts van het „hoe,quot; nooit van het „waarom.quot; — Want die terreinen zijn voor haar verborgen, waarop de gronden van al datgene, wat wij zijn en zien en tasten, ontstaan: de ontzaglijke rijken des lichts en der duisternis, de hemelen der hemelen en de hellen der hellen, met hunne ontelbare bewoners, met hunne vorsten en hiërarchieën, met hunne wetten en hunne beginselen!—„Het zichtbare,quot; zegt de Apostel, „is vergankelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.quot;
Dus weet en erkent de Natuur niets groots aan den mensc\'n. Tegenover haar is hij een schepsel als ieder ander: aan tijd
55
en plaats gebonden, stoffelijk klein, die nu en dan de hand naar hare orde uitstrekt, maar dien zij in hare grillen en luimen even onverschillig, even spelend vernietigt, als het eerste het beste mugje of wormpje. Voor een niet-Christen een troosteloos denkbeeld ! — Dus nadat ik als blind product der eeuwige stof ontstaan ben, weinige jaren lang deze Natuur genoten heb, misschien met groote moeite en liefdevolle toewijding haar heb doorzocht en doorvorscht, doodt zij mij, onbewust en onbekommerd, misschien plotseling; hetzij dat een vergiftig mugje mij toevallig steekt, of dat een tochtvlaag mij een longontsteking berokkent; vervolgens ontleedt zij mij in mijn scheikundige bestanddeelen, gebruikt mij als mest voor de plantenwereld, of laat mij als water- en zuurstof in de lucht vervliegen, — en dat alles zonder dat zij zelve er het minste of geringste genoegen van heeft. — Ontzettend klein is de mensch bij zulk een wereldbeschouwing ! — Eerst de tweede openbaring Gods, de Bijbel, wijst hem zijn juiste plaats in het heelal aan. Als een ademtocht Gods, een schepsel naar den beelde des Scheppers, iets eeuwigs, dat heel deze Natuur overleven zal, staat hij daar op eenmaal groot en verheven, in weerwil van al zijne ellende: een verloren koningszoon, die de zwijnen hoedt, maar toch nog altijd een geboren koning. En hij keert tot zichzelven in, en hij staat op en gaat naar zijn Vader terug; dan komt deze hem tegemoet en herstelt hem weder in zijn koninklijke waardigheid; dan ziet hij wat de Vader doet; en doodt hem schijnbaar toevallig een schijnbaar blinde Natuur, dan weet hij, dat nu volgens het eeuwige raadsbesluit zijns Vaders de ure gekomen is, om uit deze eindige en vergankelijke Natuur juichend in de oneindige en eeuwige Natuur in te gaan. Ja, diezelfde zoon des stofs mag alsdan medespreken in de wereldregeering, en de almachtige Schepper des hemels en der aarde luistert naar zijne bede: „Ook deze zelve zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik
56
doen!quot; sprak Jehova (Exodus XXXI1I:17.) — Dienaangaande zegt de Kabbala : ,Jehovah spreekt — dit moet als een goedhartige scherts van den Alvader tegenover zijn zwak, maar geliefd kind worden opgevat: — de Rechtvaardige is grooter dan ik, want ik spreek straffen uit, en hij wendt ze af!quot; En de Apostel zegt: „Wij zijn medearbeiders Gods!quot; Wij mogen aan de verlossing van het heelal, aan de verwezenlijking der eeuwige gedachten Gods medearbeiden! Bestaat er voor het schepsel een hoogere waarde?
Het derde, dat ieder, die niet geestelijk blind is, uit de Natuur kan aanschouwen, is de Wet der tegenstellingen. Licht en duisternis, koude en warmte, leven en dood, goed en kwaad, ja en neen, zijn en bestrijden elkander in het heelal, — en slechts door het contrast van het een kennen wij het ander, bijv. aan de duisternis het licht, aan de koude de warmte, aan den haat de liefde. — „Een wezen,quot; zegt J. Böhme, „dat niet wordt tegengesproken, loopt steeds lijnrecht voort, keert niet tot zichzelven in en leert zichzelven niet kennen.quot; — Vanwaar deze contrasten? Is God niet de liefde? Is Hij niet een licht, waarin geene duisternis is? Vanwaar de strijd der twee beginselen van het goede en het booze, van het ja en het neen, van het kweeken en onderhouden en het verwoesten en vernietigen, dat ons bestaan uitmaakt, en waar zonder wij ons geen leven kunnen voorstellen? — Maar deze groote vraag heeft hare wortels in den afgrond, waarin geen uit de aarde geborene, zonder door een duizeling bevangen te worden, kan neerzien. En dit begeeren om er tóch in neer te zien, dat de ziel kwelt en martelt, is het willen eten van den boom des kennisse des goeds en des kwaads. Adam strekte de hand uit naar die
57
vrucht, en terstond werd zijn blik verduisterd; en nu zien wij als in nevel en schemering, dat er een Goed en een Kwaad bestaat, maar wij weten niet, wat goed en wat kwaad is. Bestaat er een God en Eerste Oorzaak van het Al, dat moet Hij goed, ja de Goedheid zijn; want dit beseffen wij allen: het zijn op zichzelf is goed; het zien en het licht is goed voor het oog, het geluid en het hooren is goed voor het oor; goed is de kracht en de liefde en het leven ; en het kwade is er eerst later bijgekomen. „Het zou schoon en goed zijn, zeggen
wij, als maar niet.....!quot; En dat het kwade als zoodanig ons
als een gestadige benadeeling van het goede aandoet, bewijst dat wij niet in het kwade en krachtens het kwade leven, ons bewegen en zijn.
Hoeveel moeite de ongeloovige zich ook moge geven, om dat worstelen en strijden als noodzakelijken en natuurlijken strijd om het bestaan, als evolutie, als werken der elementaire krachten enz. in een verzwakkend licht te plaatsen; hoezeer ook menig geloovige met de beste bedoeling van de wereld zich wapent om de doelmatigheid van al het bestaande, bijv. van den orkaan als luchtzuiverend enz. voor te stellen, toch straalt ons met schrillen gloed uit de geheele Natuur de vreeselijke waarheid toe: Wij leven temidden van een allesomvattenden tweestrijd op leven en dood tusschen twee ondoorgrondelijke oorzaken, wien het daarbij ieder oogenblik niet op een paar millioen existenciën aankomt. De eene, het beginsel van den dag, het licht en het leven, laat de zon aan den hemel schijnen, en evenals deze en door deze schenkt zij onophoudelijk en onvermoeid een ontelbare hoeveelheid leven, vreugde, geluk, zegen en onmetelijken levenslust, en alles ontkiemt en groeit en groent en bloeit en brengt vruchten voort, en de geheele schepping verheugt zich over haar bestaan. — De andere oorzaak, het beginsel van den nacht en van den dood, in de duisternis
58
voorlsluipend en rondvvoelend, verderft en vergiftigt, knaagt aan den wortel der wereldesch Ygdrasil, is de worm aan de levensvrucht, barst ook nu en dan loeiend, met razende woede in orkanen en vuurspuwende vulkanen los, heel de schepping met verderf en ondergang bedreigend. En aangezien ook dit beginsel met reusachtige macht aan het merg zelf der dingen knaagt en de oorzaken zelf vergiftigt, weerklinken er eindelooze jammerklachten door het heelal, en overal krommen de schepselen zich in pijn en smart. Bij het uitdrogen van een plas versmachten er millioenen wezens, en in het verdampende druppeltje ziet de microscopicus, hoe zoo\'n nietige cympris al angstiger en angstiger redding zoekt, het hart in haar doorzichtig lichaam hoe langer hoe banger klopt, totdat het onder stuipachtige trekkingen breekt: zelfs in den waterdroppel de verschrikkingen des doods! En aan den hemel schieten plotseling gloeiende sterren omhoog, spuwen verzengende vlammen, en vernietigen millioenen mijlen in het rond alle leven.
Geen wezen, dat zijn kwelgeest niet heeft. Woekerdieren knagen de tong van den walvisch af, onzichtbare wormpjes verslinden de oogen der zwaluwen, en de rups wordt bij levenden lijve door de sluipwespen verteerd. Niet alleen in de wereldzeeën wordt door de haai en de potvisch, de mureen, de grijsachtige rog en de afschuwelijke octopus dood en verderf verspreid; niet alleen in de Indische bamboewouden liggen de tijger, de luipaard en de giftige slang op den loer; ook in den waterdruppel ziet men het raderdiertje zijne slachtoffers rusteloos vervolgen en gulzig verslinden. Zoo loeren onder elk blaacje des wouds haat en moord in de insectenwereld. Ook de plant is vergiftig, en wie op het eiland Java barrevoets op het Satans-kruid (urtica urentissima) trapt, moet zijn voet verliezen of sterft onder de afgrijselijkste smarten. Zelfs het kristal wordt ziekelijk en sterft. — En wat is het leven van den mensch anders
59
dan een langdurig weenen? Al weenend treedt hij de wereld in, en al weenend gaat hij er weder uit; en terwijl gij deze bladzijde op uw gemak zit te lezen, kermen en kreunen er honderdduizenden ongeneeslijke zieken, die in de gasthuizen liggen en naar den dood verlangen; vrouwen brengen onder namelooze pijnen hare kinderen ter wereld, gekwetsten liggen met gapende wonden op slagvelden in Azië of Afrika te krimpen van de ondragelijke smarten, — en overal, onophoudelijk, gaart de altijd bedrijvige engel des doods onder koud zweet en doodsstrijd zijne slachtoffers bijeen.
Zoo weent de gansche schepping, omdat zij des Alvaders toorn op zich voelt rusten; en zoolang Jehova niet van zijn zetel oprijst en met machtige hand het leed afwendt, en spreekt: Zie, Ik maak alle dingen nieuw! — zoolang leven wij onder Gods toorn.
Ook hier gaat, wat in de Natuur natuurlijk was, in den mensch tot bloesem en vrucht voort. Heerschte deze tegenstelling, deze strijd der beginselen, slechts om en buiten ons! — Maar tot in merg en been dringt dit contrast in ons binnenste door; geen vezel en zenuw in ons lichaam, die niet gevoelig is voor welzijn en smart, voor goed en voor kwaad, geen hartslag waarin beiden niet om den voorrang worstelen, geen woord of zucht, waarin beiden niet met elkander kampen, ten innigste vermengd, eeuwig onverzoenlijk. En al wilt gij ook maar Óen seconde van ganscher harte tot den God des goeds smeeken, dan fluistert de volgende seconde u iets kwaads in \'t oor! Dit Nessuskleed, dat ons brandt, waarvan wij de stukken en brokken niet kunnen wegrukken, zonder dat het vleesch van de beenderen medegaat, en dat den Apostel den smartelijken kreet ontlokte : „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods!quot; zullen wij pas bij den dood uittrekken, eerst in het graf laten liggen.
60
Hoe heftig woedt dikwijls in den mensch, in dit evenbeeld Gods, de duivel met zijn haat tegen God, met zijn helschen wrok, met razende vertwijfeling, met gloeienden haat legen al het levende! Al de wreedheid, al de kwellingen en al de pijnen, die in de Natuur voorkomen, zijn als \'t ware niets in vergelijking van datgene, wat de mensch reeds tegen den mensch heeft uitgedacht. Maar het duidelijkst blijkt de heerschappij des Satans en de verblinding des menschen daaruit, dat deze mensch van zijn Schepper en Onderhouder niets meer weet, noch weten wil. «Deze Vader in den hemel,quot; zegt de Duitsche predikant Zahn, „begiftigt in de Natuur zijne kinderen met een menigte goudstukken, die allen zijn beeld dragen; maar zij bekijken ze hoofdschuddend en zeggen; „Dat is onze Vader niet!quot; Ja, de meesten roepen gramstorig uit: Wij hebben geen Vader, en willen er ook geen hebben! Wat bazelen die dompers en kwezelaars van een goedertieren Vader in het eeuwige licht! Als eeuwige weezen, ongeholpen, alleen en onbemind, zullen wij door de aeonen wandelen ; dat is ons licht en onze verlichting!
Zóo klaarlijk ligt in de schepping deze wet der tegenstellingen, deze strijd van twee beginselen, dat de menschheid er ten allen tijde mede bekend is geweest, — ja, dat daaruit hare wereld-en natuurbeschouwing, haar godsdienst, bestaat. Hoe laag de Bosch-jesman en de Toengees, de Eskimo en de Vuurlander, overigens ook staan mogen, toch beseffen zij het allen; er is in de wereld een iets, dat mij welwillend gezind is en poogt mij in stand te houden, maar ook een ander iets, dat mij voortdurend tracht te vernietigen en te verwoesten. Zoo geloofden reeds de Wen,ien aan den witten god Belbog, den god van het goede, en aan den zwarten god Zernebog, den god van het kwade. De strijd tusschen Ormuzd en Ahriman, tusschen den werelden-scheppenden Bra.ima en den allesverwoestenden Schiwa, tusschen een almachtigen, algoeden Allah en een alle zijn en leven ketenenden Schaïtan,
61
dat is het aan de Natuur ontleende gronddenkbeeld van alle Natuur-godsdiensten. Toen de Romeinen met Carthago den be-slissenden strijd om de wereldheerschappij en om hun bestaan aanvingen, hieven zij voor het uitrukken hunner legioenen, evenals die legioenen en hunne aanvoerders zelf, en ook evenals Scipio Africanus voor elke onderneming, vóór het begin van iederen veldslag de handen op tot de goden der hoogere wereld, smeekend om bescherming en zegepraal, en wijdden zij zich aan de goden der onderwereld en aan het eeuwig verderf, wanneer zij ooit het vaderland ontrouw mochten worden. En God schonk aan Zeus, die in ieder geval steeds de gerechtigheid en menschelijkheid beschutte, de overwinning over den van bloed druipenden Baiil, over den Moloch, in wiens gloeienden buik kinderen verbrand werden, Als de held Hannibal Rome ten val gebracht had, dan zou ook de hemel eeuwenlang boven de volken aan de Middellandsche zee verduisterd zijn geworden.
Ook dat leiden deze natuurvolken uit de Naluur af, dat het goede, scheppend, bezielend en zaligmakend, er het eerst geweest is, eer het kwade storend en verdervend optrad. Eerst ontkiemt de plant en ontluikt de bloem, en dan komt de knagende worm; want als er geen leven aanwezig is, wat zal er dan door den dood gedood worden? — Verder beseffen deze volken, dat het kwade, als eerst later tusschenbeide gekomen, ook eenmaal weder verdwijnen zal. Zij allen gelooven aan de laatste, beslissende overwinning, na een vreeselijken strijd, door Ormuzd, door Allah, door Balder; zij allen gelooven aan een paradijs, eenmaal verloren, maar eindelijk herkregen, — waarbij zij ook door goddelijke ingevingen worden verlicht.
Onze geblaseerde, geestelijk moede tijd, die zich derhalve het meest op haar gemak bevindt temidden van louter begrippen en abstractiën, die van elke krachtige, concreele individualiteit afkeerig is, mag zich nu in het twijfelachtig voorrecht verheu-
62
gen, door middel van sap- en krachtelooze begrips-constructiën uit de studeerkamer zoowel den levenden God als zijne antagonisten voor ons uit de schepping weg te cijferen, en ons het natuurlijke, gezonde, Bijbelsche geloof aan den duivel te ont-rooven, waarbij laatstgenoemde slechts winnen kan, zoodat Mephistopheles dan ook spottend uitroept: „Die luidjes merken nooit iets van den duivel, al heeft hij ze ook bij hun kraag te pakken!quot;
Bestaat er geen persoonlijke, levende Schepper en vorst des kwaads, die, van gloeienden haat tegen God vervuld, met zijne engelen des verderfs dag en nacht om de aarde rondwaart, onophoudelijk van uur tot uur den mensch tot het kwade verlokkend, om hem daarna, ofschoon zelf ongerechtig, aan de gerechtigheid Gods over te leveren, alle leven hatend en vernietigend, want „hij heeft het geweld des doods,quot;\' — dan hebben wij ook geen behoefte meer aan godsdiensten! Met een weinigje moraal zijn wij dan geholpen! — Dan is het kwade slechts een voorbijgaande beschaduwing van het goede, een booze bui, eene onpasselijkheid van het Hoogste Wezen, waarvan Hij wel weer spoedig, indien Hij tenminste bestaat, ook zonder ons toedoen, zal herstellen. En de hoogste en wijsste levensbeschouwing is dan deze: „Alles zal wel terecht komen!quot; — En zoo hebben wij ons, in tegenstelling van de ouden, bijv. van de Grieken en Romeinen, bij wie alles en alles in het leven aan de goden der boven- of der onderwereld gewijd was, en al het doen en laten des menschen onder hunne leiding stond, een neutraal, moreel onverschillig gebied van het dagelijksch leven, der kunst en der litteratuur, der aesthetiek en der politiek, der industrie en der coöperatie geschapen, waarop men noch godsdienstig, noch ongodsdienstig behoeft te zijn, dat noch God, noch den duivel iets aangaat, waarop men noch Gode, noch den duivel (tusschen twee haakjes: een barbaarsch, aan de donkere middeleeuwen
63
ontleend woord), maar louter naar en voor den mensch leeft. — Gemakkelijk zou het wel zijn, zulk een neutraal gebied! Maar..... Gods Woord weet er niets van! Want volgens
de Heilige Schrift zijn er in het heelal slechts twee rijken des bestaans, waarin de God van het ja en het goede en de god van het neen en het kwade zich zoodanig verdeeld en gescheiden hebben, dat wie den éen niet huldigt, ipso facto den anderen toebehoort. Al wat er van Gods tafel afvalt, wordt met onverbiddelijke logica door den duivel opgeëischt als zijn eigendom. Slechts in éen dezer beide rijken, slechts in dienst van éen dezer twee heerschers, is ons leven mogelijk. Evenals een soldaat in den oorlog overal en met alles wat hij doet, onverschillig of hij marcheert of rust, strijdt of slaapt, met zijne geheele existentie den opperbevelhebber van zijn leger dient, zoo dient ook de Christen God en de niet-christen den duivel, onverschillig of het bewust of onbewust geschiedt, of de een nu juist bidt en de ander nu juist vloekt, of dat zij de meest alle-daagsche en onbeduidende dingen verrichten. Want, en daaruit blijkt de goddelijke grootheid van den mensch, nergens en nooit en nimmer is ook zelfs de kleinste, de minste, de geringste onbeduidend, noch zijn doen en laten zonder beteekenis; steeds vloeien er van hem krachten uit, die, ook onbewust, op anderen in zijne omgeving hun invloed en werking oefenen; altijd en immer schemert door het lichamelijke en vergankelijke uiterlijk het onsterfelijke beginsel in zijn binnenste heen, waaraan hij zich gewijd heeft; steeds is hij de dienaar van een meester, en
verricht hij zijns meesters werk.
* *
*
Ten vierde leert de beschouwing der Natuur ons de Wet van het worden en het zijn : de veranderlijkheid en de ver-
64
gankelijkheid der stofvormen en de eeuwigheid der geesteswetten, waarnaar zij ontstaan. Dat de gedaante, d. w. z. de soort en de wijze, — juister volgens den grondtekst: de figuur — dezer wereld voorbijgaat, zal wel min of meer door alle menschen geloofd worden; maar slechts zeer weinigen hebben daarvan een zóo klaren en helderen indruk als juist de natuuronderzoeker. Geen grootte, geen vorm, geen hoeveelheid of hoedanigheid, geen verschijning aan den hemel en op de aarde, die niet onophoudelijk verandert, die onder en gedurende de waarneming-niet af- of toeneemt, die iemand niet om zoo te zeggen tusschen de vingers doorglipt. Aan den hemel veranderen bestendig in elke seconde zonnen en planeten hunne afstanden en snelheid en banen, hunne aantrekkingen en wederzijdsche krachten; en in het kleinste stofdeeltje veranderen evenzoo de atomen en moleculen hunne snelheid en nabijheid, vormen zij onophoudelijk nieuwe verbindingen, en ontbinden zij de oude. Het waterdrop-pellje deelt in elke seconde vele millioenen atomen door verdamping aan de lucht mede, en de zonnen en de aardbollen verkoelen en ontgloeien, trekken zich samen of zetten zich uit. Op de aarde is er onophoudelijk verandering in de vastelanden ; de zeekusten rijzen of dalen; de bergen brokkelen af en verheffen zich; er is verandering in den loop der rivieren; de meren worden voller en de moerassen drogen uit. Nergens rust en louter beslaan, overal slechts een gestadig worden. Evenals van een wolk, die schijnbaar onbewegelijk en onveranderlijk aan den hemel staat, nooit een nauwkeurige teekening ontworpen kan worden, omdat hare vormen steeds onmerkbaar in andere overgaan, zoo vergaan en vervloeien bij het waarnemen alle vormen en kleuren der stoffen. Wie is instaat den geur der bloem of het teedere dons der vrucht vast te houden? — Ja, zelfs bij dingen, die gewoonlijk als duurzaam beschouwd worden, weet de natuuronderzoeker maar al te goed, dat geene toebe-
65
j-eiding, geen voorzichtigheid, geen nog zoo scherpzinnige bewerking, geen preserveering noch bewaringsmethode ooit bij machte is, de zoo vluchtige verschijning tot een duurzame te maken. En zoo is het overal. Niet alleen de dagvliegen zijn vergankelijk, — ook het granieten monument verweert, de parel wordt door langzame oxydatie donker, en de diamant verbrandt langzaam in de lucht. — Ook ons lichaam is ieder oogenblik weer anders, en ondergaat een algeheele verandering binnen den tijd van weinige jaren; het is, scheikundig beschouwd, een middelpunt van kracht, waaromheen onophoudelijk tallooze millioe-nen atomen zich bestendig tot vloeibare en vaste vormen verdichten, terwijl er zich evenveel door verdamping of afslijting even onophoudelijk verwijderen. Ook dit bezit glipt ons door de vingers.
Zoo zien wij uit de stof rondom ons heen en in ons de wet van het onophoudelijke, nooit rustende worden. Al het kunnen, al de wetenschap, al de uitvindingen des menschen zijn niet bij machte om aan éen zandkorreltje of aan een waterdroppel het bevel te geven: Blijf, slechts eene seconde lang, wat gij zijt! — kunnen niet tot den een of anderen stoffelijken vorm roepen: Vertoef! gij zijt zoo schoon! In en achter deze stof, en als verborgen oorzaak van dit worden, staan de wetten van het zijn, van den Geest, eeuwig onveranderlijk.
En dewijl het Woord ze uitspreekt — „Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt isquot; (Joh. 1:3) — daarom is dit woord, dat weinigje trillende lucht, blijvender dan alle stoffelijke verschijnsels, dan het hardste en sterkste waarmede heerschers en machtigen getracht hebben hunne beeltenis voor de nakomelingschap te bestendigen. Tempels en paleizen, bustes en standbeelden zijn tot stof vergaan, of het weinige, dat er van is overgebleven, meldt ons niet eens den naam van den bouwer meer ; maar
5
66
nog altijd weerklinken de woorden van den ouden, armen, blinden Homerus, van den in zijn kerker stervenden Socrates, van den in ballingschap gezonden Dante. En hoe ruischen nog door de wereld de woorden, die Christus sprak: „Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan !quot; — Eeuwig en onveranderlijk zijn reeds de taalwetten, het zelfstandig naamwoord en het bijvoegelijk naamwoord, het werkwoord, het voorzetsel, het telwoord, — dat zijn bronzen rotsen. Eeuwig zijn de ideeën, harder dan diamant, duurzamer dan porphyr, onverwoestbaar, hoe diep ze ook geminacht worden door den dwaas, die slechts voor de aarde leeft. Lang nadat alle bankierskantoren en handelmaatschappijen, alle geld en goed tot stof zijn geworden, en zon en maan zijn uitgebluscht, zullen de ideeën of — wat hetzelfde is — de wetten der liefde, der gerechtigheid, der waarheid bestaan, en in éen woord alle ideeën; want alleen de gedachte kan onwaar zijn, de idee niet; God is Idealist.
Wij leeren uit de Natuur de wet des wordens in het stof en de wet des zijns in den geest kennen.
De Natuur leert ons verder de wet van het bij-elkander-be-hooren, van de solidariteit aller wezens. — Geen enkel wezen, welks welvaart of verderf geen invloed heeft op zijne medewe-zens ; geen enkel wezen dat uit eigen kracht alleen bestaat. Een Gode vijandig en daarom naargeestig en pessimistisch gestemd natuuronderzoek ontdekt in het wrochten en werken der Natuur slechts den grooten „strijd om het bestaan, waarin de zwakkere door den sterkere meedoogenloos vertrapt wordt, opdat laatstgenoemde des te meer lucht, ruimte en voedsel zou hebben.quot;
67
Dat er zulk een strijd door de zonde in de wereld gekomen is, en vooral onder de door donkere beginselen beheerschte lagere trappen van het dierenrijk woedt, onder de insecten, infusioren en microben, daarop hebben wijzelf reeds vroeger den nadruk gelegd. Maar evenmin mag over het hoofd gezien worden, dat de instandhouding der schepping op wederkeerige ondersteuning en solidariteit gegrond is. Zoo groeien vreedzaam bij elkaèr de bloemen der weide en de boomen des wouds, verleenen zij elkaêr wederzijds bescherming, en bevorderen zij elkaêrs leven. Ware hunne uitdamping en hun afval wederkeerig vergif, dan zou er reeds lang geen bosch noch weide meer zijn. Zoo vormen op ieder in \'t eerst nog kaal eiland in den oceaan de beginselen der vegetatie, eenvoudige mossen en kruiden, de grondlaag voor een nieuwen en menigvuldigen plantengroei, en deze maakt dan weder een rijk dierenleven mogelijk. Zoo leven tallooze dieren in de beste eendracht en vrede en gedeeltelijk in welgeordende staten, en beschamen zij den mensch. Zoo doen de mieren en de bijen en de bevers; zoo de zwaluwen, de ooievaars en de zwermen kraanvogels, de millioenen trekvogels en de ontelbare pinguinen ; de wilde eenden, meeuwen en duikers aan de noordpool, benevens de robben en walrussen. Zoo de mustangs op de pampas en prairieën van Zuid-Amerika; zoo in aandoenlijke vriendschap de wilde olifanten in Afrika, de buffels van Noord-Araerika, de muskus-ossen aan de noordpool, de gemsen in de Alpen, en de wilde schapen in het Himalaya-gebergte, waarbij de slieren en de bokken trouw de kudde beschermen en bewaken. Evenzoo zelfs in de diepten der zee trekken de haringen, de sardinen, de makreelen eendrachtiglijk bij millioenen her- en derwaarts; vreedzaam speelt en dartelt de dolfijnenschaar in \'t rond, en ook de reusachtige walvisschen leven in familiën en kudden ge-noegelijk bijeen, en offeren zich op om hunne jongen te redden.
68
De insecten zijn de bloemen behulpzaam ter bevruchting, en voeden zich weder met hun honig; vlinder en bloem, wingerd en olm behooren bij elkander, evenals men rondom de koffie-boomen andere, schaduwrijke boomen plant, om ze legen de hitte te beschuiten. Vele planten gedijen in gezelschap beter, bijv. de sorbeboom, en de schoonheid van den tuin en het park berust op het vriendelijk samenleven van zoovele bloemen, planten en boomen. En hoe innig is de solidariteit der familie; hoe trouw en teederlijk beminnen en verzorgen en beschermen alle dieren hunne nakomelingschap, die hun toch slechts smart en moeite berokkent; hoe onafscheidelijk zijn ook de roofdieren, bijv. de arend en de leeuw en zelfs de tijger, de panter, de luipaard, de grizzlybeer aan hunne jongen gehecht! Wanneer allen wezens niets dan wederzijdsche haat en wrok ware ingeplant, wanneer zij er slechts op uitgingen om elkander te vernielen, dan had het dierenrijk reeds lang zichzelf uitgeroeid. Vreedzaam en gezellig samenzijn vormt veeleer verreweg den regel en de voorwaarde van hun bestaan, — en alleen waar de door zijn egoïsme beheerschte inensch optreedt, verdwijnen spoedig zeerobben en olifanten, buffels en walvisschen.
En zoo is ook bij den mensch de solidariteit de grondwet van zijn bestaan. Wel spreekt men in onze dagen veel van overbevolking, concurrentie, overproductie, werkstaking, en leidt men daaruit den klassenhaat af en de treurige noodzakelijkheid voor het individu om door een voortdurenden strijd tegen allen zijn bestaan te verdedigen. Maar wie heeft den mensch bevolen, zich op zulk een ongezonde en onnatuurlijke manier opeen te hoopen? Nauwelijks een derde gedeelte der aarde is verstandig bebouwd en bevolkt. Wilden de volkeren als bijen vreedzaam samenleven, en de reusachtige krachten en sommen, die zij nu voor het onderhoud van staande legers uitgeven, aan verstandige bebouwing en bewatering van den aardbodem besteden, met
69
beleidvolle verdeeling van nijverheid, fabriekswezen en handel, — wie of wat zou hun dan beletten, als een eenig volk van broederen onder hun wijnstok en vijgeboom te wonen, zonder vrees of onrust, en brood te hebben in overvloed? — De Heere onze God zou het hun toch zeer zeker niet beletten!
Zulke toestanden belooft God ons in het duizendjarig rijk van Christus. Voorshands beveelt Hij: „Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven,quot; en kondigt Hij daarmede de natuurwet af; Een voor allen, en allen voor éen! — In-tusschen is er aan deze grondwet der schepping éene zijde, waarmede wij menschen vaak geen vrede kunnen hebben. — Dat God de zonden der vaderen tot in het vierde geslacht straft, een overigens aan volken en individuen niet te loochenen feit, vinden wij zeer streng, ja onrechtvaardig. Juist dat wij onzen naaste niet liefhebben als onszelven, maakt dat wij vragen : Waarom lijd ik straf voor vreemden ? Doch merkwaardig genoeg vraagt niemand ; Waarom heb ik genot van anderer verdiensten ? Waarom mag ik het vermogen, den adeldom, de talenten, de maatschappelijke voorrechten mijner vaderen erven ? Waarom mag ik ze aan mijne kinderen nalaten ? Waar is de zoon, die weigert het aanzienlijk vermogen zijns vaders te erven, omdat hij het niet verdiend heeft? Deze zijde der wet komt ons zeer natuurlijk en rechtvaardig voor! Dat wij van al het goede en groote, dat onze voorouders verricht hebben, ons aandeel ontvangen, komt ons billijk, rechtvaardig, natuurlijk voor, als iets dat volkomen vanzelf spreekt. Wij (Duitschers) kunnen niet genoeg roemen op hetgeen door hen, door ons volk gedaan is, en hoe de Germanen van oudsher helden geweest zijn; wij koesteren ons in het zonnetje hunner verdiensten en beschouwen onszelven als groot, omdat zij groot waren. Maar aan hunne schuld en hunne straf willen wij niet mededragen. Doch is het eerste rechtvaardig, dan ook het tweede. Zouden wij het goede
70
van God ontvangen, zegt Job, en het kwade niet ontvangen? Zekerlijk! Want de goddelijke wet der Natuur luidt: Elk wezen is verantwoordelijk voor allen, en allen voor het éene; ieder volk draagt mede aan de zonden en oogst loon voor de deugden zijner voorvaderen, ja is met en voor de geheele menschheid verantwoordelijk. De Natuur kent geen egoïsme, geen louter voor zichzelf willen leven. Of mijn broeder of ik lijde, zondige of strafbaar zij, of hij dan ik de straf onderga, is eenerlei. „Hij is vleesch van mijn vleesch, en been van mijn been.quot; Natuurlijk niet zoo, alsof de eerste de beste Chinees, die juist op dit oogenblik kiespijn heeft, op evenveel medelijden mijnerzijds aanspraak zou kunnen maken als bijv. mijne vrouw of mijn kind; want evenals in de stoffelijke wereld, heeft God ook in de geestelijke wereld een perspectief vastgesteld, tengevolge waarvan voor alle schepselen het nabijzijnde er groot en het verwijderde er klein uitziet. Alzoo moet — een goddelijke wet, die treffend in het woord „uwen naastequot; uitgedrukt is en welker miskenning tot een sentimenteele en onvruchtbare wereldsmart leidt, als tot een vruchtelooze en schadelijke poging van het individu — de schuld en het leed der wereld gedragen worden. Slechts een God kon dat, en stierf daaronder. Alleen Hijzelf, God, ziet niet perspectivisch; alleen Hij ziet ieder wezen in zijn ware grootte; en wordt er van ons gezegd: „Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven,quot;\' van God wordt er gezegd: „Hij heeft de wereld liefgehad.quot;
Deze solidariteit leert de Bijbel ons van den beginne at\'. Moeten wij niet allen sterven, omdat Adam van de verboden vrucht at? Werd niet om zijnentwille de akker vervloeki? Smachten niet alle kreaturen naar de heerlijke vrijheid der kinderen Gods, opdat ook zij van de ijdelheid verlost worden? Maar mogen wij niet ook daarom eenmaal eeuwig zalig worden, omdat Christus, de Eerstgeborene aller kreaturen, van zijne mede-
71
broederen getuigde; Uwe zonde is mijne zonde, uwe straf is mijne straf, uw dood is mijn dood! Ook mijn leven zal üw leven zijn! — Absolute solidariteit van alle schepselen en daarbij indi-vidueele vrijheid van elk schepsel op zichzelf, dat is de wet dor schepping! Dat zal eenmaal de grondtoon van de stemming in den hemel zijn!
* *
*
Ook de wet des tijds, aan hel firmament geschreven, door zon en maan beheerd, leeren wij uit de Natuur kennen. Alles geschiedt in den tijd en heeft zijn tijd, en draagt dezen zijn tijd in zich om. — Hun tijd hebben de zonnen en de manen, de kometen en de dagvliegen. Elk zaadkorreltje, dat gij bij den tuinier koopt, heeft in zich zijne tijdvvet in zonne-eenheden. Van het eene komt een slechts eenjarige plant, hoe groot en sterk dan ook, zooals de zonnebloem of de pompoen ; van het andere een tweejarige plant, soms zoo klein als de peterselie: van het derde een jarenlang levende, steeds voortwoekerende plant, zooals de meibloem, het thijm en vele soorten van erika, die eeuwen achtereen op de heide voortwoekert, telkens nieuwe spruiten schietend. Zoo leeft een lindeboom achthonderd jaar, een snoek ongeveer driehonderd, een kraai tweehonderd, een olifant slechts honderdvijftig jaar, en de koning der schepping zeventig en „wanneer wij zeer sterk zijn tachtig jaren.quot; — Waarom ? —
in deze wet des tijds ligt de oorzaak, dat de Natuur geen sprongen maakt. Ook hare slaglichten en knaleffecten en toornige uitbarstingen bereidt zij langzaam, nadenkend, doelmatig voor. Zoo stijgt langzaam het water; overdag en \'s nachts voegt zich stil en onhoorbaar droppel aan droppel, totdat plotseling met donderend gekraak de golven door de dijken heenbreken
en alles in het rond overstroomen. Zoo verzamelen zich in lange, zwoele uren en dagen de hoogere krachten in de luchtlagen, en barsten daarna los als onweders en orkanen. Zoo barsten wel in het voorjaar millioenen blad- en bloesemknoppen open; maar gedurende heel den langen winter heeft de boom zich met volhardende inspanning daarop toegerust; ja, de ooft-minnaar bespeurt reeds in den herfst aan zijne boomen, of zij het volgend jaar veel dragen zullen. — En zoo gaat het ook in \'t geestelijke. — Haasten is des duivels, zegt de Arabier, maar de bedaardheid is iets goddelijks. Niets geschiedt er plotseling. Uit kleine beginselen van wrevel en gevoeligheid hoopt zich de verbittering op, en groeit zij aan tot wrok en afkeer, die zich dan tot toom en een alles verterenden haat uitbreiden; en doet éen droppel het volle glas overloopen, dan breekt de lang ingehouden helsche woede los, — en eer de mensch er op verdacht is, ligt de doodgestokene, de verslagene, voor de voeten vaa
den verschrikten moordenaar neer........ en vallen de furiën op
hem aan.
En evenzoo gaat het, wanneer een Saulus op den weg naar Damascus tot een Paulus wordt. Reeds lang was voor deze bekeering in zijn binnenste de weg gebaand: de kiem ervan lag in zijn vurigen ijver voor de wet Gods; reeds lang „sloeg hij de verzenen tegen de prikkelsquot; en vroeg hij zich bang af, of hij met zijn satanischen ijver voor God toch niet op een verkeerden weg was.
Zoo moet al het groote, goede, ware en goddelijke eerst ontkiemen, daarna groeien, daarna bloesem en vrucht dragen. „De aarde,quot; zegt Christus, „brengt vanzelve vrucht voort; eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.quot; — „En het geschiedde !quot; — „Toen de bestemde tijd gekomen was.quot; — „Mijn tijd is nog niet hier,quot; zegt Christus; „maar uw tijd is altijd bereid.quot; O, gij blinden, die gelooft dat het
73
slechts van uw willen afhangt, te gaan of te blijven, te doen of te laten! „Het komt u niet toe,quot; zegt Hij tot zijne discipelen, „te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeftquot; (Handelingen 1: 7). Ook zegt Hij van de groote verdrukking: „En zoo die dagen niet verkort werden, geen vleesch zou behouden worden ; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort wordenquot; (Matth. XXIV ; 22). Dus ook hier een ons onbekende, daarboven gevolgde goddelijke tijdrekening.
Wie deze wet des tijds miskent, ijvert, maar zonder verstand. Zoo iemand denkt misschien, dat een veldheer zoo maar op zijn fleren schimmel voor zijn leger uitrijdt, totdat hij den vijand tegenkomt, dien hij dan met een paar behendige schaak-zetten een-twee-drie! verslaat, om verder van den eenen triomf naar den anderen te snellen; zoo iemand weet niet, hoeveel moeite en denken en rekenen en zweet en werkkracht en mannenmoed en bedachtzaamheid, overleg en voorzichtigheid, kunst en wetenschap er noodig is, om al is het ook nog zoo\'n klein leger slagvaardig te maken en te houden, en vooral om het ten strijde te voeren, en welk eene rol daarbij de schoenzolen en het ledergoed en de patroonhulzen en elke schroef aan het geweer enz. spelen. — Tot dat slag van menschen behooren de gevoelvolle philantropen en philantropinnen en sentimenteele zieltjes, die altijd in den waan verkeeren, dat men de wereld wel in éen nacht, of tenminste binnen den tijd van een jaar, zou kunnen verbeteren, zuiveren, ontwapenen, verzedelijken en bekeeren door middel van op zichzelf o, zoo goede voordrachten en traktaatjes, vereenigingen en comité\'s en vredes-con-gressen.
Deze lieden miskennen de groote wet des tijds; zij kunnen niet op de goddelijke klok kijken; zij begrijpen de wereldgeschiedenis niet. Want de wereldgeschiedenis, dat is het onop-
74
houdelijk rollen van het heelal; de met onverbiddelijke consequentie doorwerkende en zich daarbij niets om het wel of wee der individuen bekommerende ontwikkeling van alle geestes-wetten ; het opgroeien van alle kiemen, het rijpen van alle vruchten ; het zich wreken van alle schuld; het groote, goddelijke „Habeant sibüquot;; de voortdurende zegepraal van al het goede en ware, ondanks alle schijnbare nederlagen ; de logica en gerechtigheid aller dingen, la force des choses, zooals de Franschman het terecht noemt, welke door God bij het uitspreken van het scheppingswoord aan elk atoom werd ingeblazen. — En alles te zijner tijd, op Gods tijd ! — Wat in eeuwen is opgebouwd, vergaat niet in een ommezien, en bovenal geen geestelijke schuld en geestelijke zegen. Het oordeel van dom worden, dat op eeuwenlange geringschatting van geestelijke goederen, en het oordeel der verstoktheid en verblinding, dat op langdurige miskenning der waarheid en haar hoogmoedig meesteren volgt; het oordeel der verachtering, der zegenloosheid, dat over het door eeuwenlang onrecht, vechten of afpersen of door een hebzuchtigen wereldhandel verworven goed komt; de loodzwaar drukkende vloek der booze daad, zooals bijv. op Mexico en Zuid-Amerika de vloek der bloedige daden van een Cortez en een Pizarro, — deze wet van het langzame inoogsten van al hetgeen de individuen en de volkeren gezaaid hebben, wordt niet zoo maar dadelijk door een, al is het ook nèg zoo goed gemeend werken van den mensch opgeheven. — Het individu kunt gij, met Gods hulp, redden en tot God leiden; voor de volkeren is er, sedert de menschheid haar God vermoord heeft, geen hoop meer; zij verzinken langzaam in de zee des twijfels, der dwaling, der blindheid, der goddeloosheid, totdat „de tijden der natiënquot; verstreken zijn, totdat het mysterie der boosheid voleindigd is, totdat God de aarde en den hemel in puin heeft doen vallen, totdat Hij de lijden der menschheid afsluit, den
75
ouden hemel met zijne tijden als een perkamentrol afrolt, en z ij n t ij d, Gods t ij d, aan den nieuwen hemel schrijft.
Maar bij al haar strenge en schoone wet- en ordelievendheid houdt deze Natuur toch ook van paradoxen en ironie. — „Die in den hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten!quot; (Psalm II). — Deze God, die niet den machtigen Egyptenaar, noch den diepzinnigen mystieken Hindoe, noch den klassiek schoonen Griek, noch den wereldverwinnenden Romein tot zijn volk verkoor, maar eenige herders en hunne nakomelingen, die Hij allereerst tot een harde, vierhonderdjarige slavernij bestemde; die er later zelf de voorkeur aan gaf om niet in Memphis, niet in Babyion, niet in Athene, en zelfs niet in Jeruzalem, maar op reis in eene kribbe ter wereld te komen; die twaalf visschers en tollenaars zonder beschaving of wetenschap uitzond, om de wereld te veroveren met de prediking des kruises, den Grieken eene dwaasheid en den Joden eene ergernis; die zijne wijsheid voor de wijzen en verstandigen verbergt en ze den kinderkens openbaart, — die heeft in alle dingen zijn eigen logica, rekenkunde en boekhouding. Hij geeft dengene die heeft, en neemt van hem die niets heeft; Hij schenkt vele kinderen aan den arme en veel geld aan den kinderloozen rijke; Hij laat een werkman, vader van zes of zeven kinderen, uit de derde verdieping doodvallen, en een totaal nutteloozen, voor de zijnen lastigen, kindschen grijsaard eindeloos leven, — want zijne wegen zijn niet ónze wegen, en zijne gedachten zijn niet ónze gedachten. — En zoo houdt zijne Natuur er ook van, ons op ironische wijze te doen zien, dat het kleinste het grootst, het zwakste het sterkst, het nietige geducht, het onzichthaar-kleine onoverwinnelijk is. De waterdroppel holt de rots uit; microscopische diato-
76
meën vullen de oceanen met hunne schalen ; nietige koraaldiertjes en madreporen bouwen in de zee toekomstige vastelanden op. Een houtworm, door een oud schip uit Indië medegebracht, dreigde eenmaal Hollands zeemacht te vernietigen; en een takje van de waterpest ruïneert den wereldhandel van eene haven of een kanaal. Heeft de aanval van duizend leeuwen of wilde olifanten wel veel te beteekenen? Een regiment met repeteergeweren zou in korten tijd met hen afgerekend hebben; maar de tse-tse-vlieg blijft den mensch gansche landstreken betwisten. Ja, een inval van Frankrijks of Ruslands leger kan door Duitschen moed worden afgeslagen, maar niet de druifluis of de coloradokever ; en wil God ons straffen, dan komen zijne heirscharen, de onzichtbare bacillen, op de vleugelen des winds aanrukken, en de menschen zullen weder als vroeger bij tien- en honderdduizenden voor den zwarten dood of de cholera vallen, en al hunne macht en hunne wetenschap zal hen niet kunnen beschermen. — En wat is het einde van alle aardsche macht en grootheid ? — In de aarde zit het wormpje en verslindt daar welgemoed schoone vrouwen en sterke mannen, scherpzinnige koppen en geniale denkers, koningen en keizers, — en is ten slotte de alles overwinnende held!
Zoo is ook in het geestelijke het kleine groot en de zwakke machtig. Wat vermag de hoogmoedigste hoogmoed tegen volstrekten ootmoed? Wat de grimmigste toorn tegen volkomen zachtmoedigheid?—Tegen het zachte „neen!quot; der slavin Blan-dina stiet de macht van Rome en des heidendoms zich te pletter; tegen het bescheiden, maar standvastige: „Ik kan niet anders!quot; van een monnikje de macht van den paus en den keizer; ja, tegen het deemoedige, zichzelf vernietigende: „Moet ik den drinkbeker drinken, dan geschiede uw wil!quot; al het razen en woeden van Satan en de hel, — en er werd eene wereld verlost.
77
Ontelbaar zijn de weiten der Natuur! Geen mugje, geen bloem, geen steen, geen wolk aan den hemel, geen dauwdruppel, die ons niet eene menigte dezer wetten te aanschouwen geeft, die niet eerst krachtens vele wetten ontstond en bestaat. — Doch niet slechts deze of gene wet op zichzelve wordt ons door de Natuur verkondigd. Want overal waar wij gaan en slaan, roept zij ons toe: Ziet mij aan, want ik ben de Wet! Uit de goddel ij ke Sophia ontsproten, bevat ik al de wetten van uw bestaan, al de voorwaarden uwer existentie!
Alle zonde is önnatuur. En een onnatuurlijk, tegennatuurlijk leven is een ongoddelijk leven.
Daarom wordt door den anarchist, wanneer hij den staat, de familie, het wettelijk huwelijk, het maatschappelijk geslachts-onderscheid wil opheffen, allereerst tegen de Natuur gezondigd. Al is hij niet inslaat om uit de vogelen des hemels en de leliën des velds het regeeren van een Vader in den hemel te leeren kennen, dan kon en moest hij tenminste van de bij leeren, die een inonarchalen staat heeft ; van de mier, die standsverschil kent; van den leeuw en den tijger, van de vogels, van de tortelduif, den ooievaar en den zeearend, die den huwelijksstaat kennen en levenslang de echtelijke trouw houden ; van de ree en het hert, van de ooi en den ram, van de koe en den stier, kon hij de onderscheidene positiën en verplichtingen der geslachten leeren ; ja, aan den eersten den besten hond van een bedelaar of een blinde kan hij zien, dat er eene liefde en trouw bestaat, die niet op stoffelijke voordeelen berust, en een vrijwillig gehoorzamen, dat in deze liefde, in de erkenning van iets hoogers, geschiedt en zijn loon met zich omdraagt.
Wet alleen is kracht en macht; wet maakt sterk, onoverwinnelijk ; in de wet leven maakt gelukkig, geeft vrede, maakt ook wijs en verstandig. Evenals het bestaan, is ook de hemel zonder
78
wet niet denkbaar. Leven is het vervullen der wet door van God uitgesproken ikheden. De geheele Natuur is slechts de zichtbaarheid van wetten. De schepping is de vrucht van de wel. De sterrenkunde bevat de wet der persoonlijkheid, der ikheid; de scheikunde de wet der veranderingen binnen deze ikheid, en ook der keurverwantschappen van zulke ikheden jegens elkander; de natuurkunde regelt de verhouding dezer ikheden onder elkander en tegenover elkander. Het getal eindelijk is de oerwet, de wet dezer wetten, de letter waarmede zij geschreven is, haar vorm en gestalte.
Hoe grooter de meester is, des te meer leeft hij in de wet, beweegt hij er zich vrij in, en voltooit hij in en volgens de wet zijne meesterwerken, — ja, deze zijn niet anders dan de klaarst mogelijke openbaring dezer eeuwige wetten. — De groote man, een Aristoteles, Copernicus, Newton, Kapler, Herschel, Linnaeus, is daardoor groot, dat bij de wet vindt en haar aan zijne mede-menschen tot vasten grondsteen hunner wereldbeschouwing geeft. Welk een geluk het vinden en constateeren van deze wet aan zulke mannen verschaft, hebben zij dikwijls betuigd. Maar den stumperigen, kleinzieligen, geesteloozen nurks hindert en belemmert, evenals de menschelijke wet, zoo ook elke wet in het heelal; en aan deze wetten geeft hij dan de schuld, dat hij zoo machteloos en onvrij en onvruchtbaar is.
De sterke, eenvoudige, ware natuurmensch heeft, evenals het kind, nog geen behoefte aan de wet; hij leeft in de Natuur, als in een ommddeilijke uitvloeiing der Godheid, en is ook evenzoo in de waarheid, als voor de eerste Romeinen de boom en de bron goddelijk waren. Voor den waarachtig geestelijke is deze Natuur nog slechts geestelijke wet en tegelijkertijd goddelijk denken, waardoor hij met de eerstgenoemde overeenstemt. Het ergst is de arme goddelooze geleerde er aan toe, die wel zijn leven aan het opsporen der wet wijdt, aan welke wet de
79
wetenschap ook eenig en alleen hare waardigheid ontleent, maar die daarbij bekennen moet, dat hij de meeste dezer wetten niet kent, dat hem de grenzen der bekende toch onbekend zijn, en dat hij eigenlijk in \'t algemeen niet weet, vanwaar deze wetten komen, waarom en hoe zij ontslaan, en waartoe zij er zijn.
Uit zichzelven kan de mensch evenmin eene wet scheppen, als een nieuwen vorm of een nieuwen medeklinker uitvinden. Ziet hij echter met een oprecht gemoed in de hem omringende, door God geschapen Natuur rond, dan vindt hij daarin eene afstraling van al de hemelsche wetten in de Godheid. Zoo vindt hij daarin de vaderrechten, die van den eerstgeborene (gelijk zij ook in Christus geopenbaard zijn), die van de hiërarchie en van het erfgenaamschap, van den ouderdom, van het geslacht en van den staat, van het bezit, van den wasdom en van de voeding, van den echt en van de familie. Daarom kon Jakob Böhme ook zoo diepzinnig zeggen; „Wie in de Natuur leeft, heeft geen wet noodig,quot; en de zoo geniale Hippocrates: „Voor hem, die natuurlijk leeft, bestaat er niets vreeselijks.quot; Aangezien deze wet goddelijk en dientengevolge goed is, daarom is niet alleen elke overtreding ervan, elke poging om er zich van te willen emancipeeren, louter onverstand en dwaasheid, maar deze wet heeft in zichzelve macht om juist door hare wettelijkheid en goddelijke logica elke overtreding en elke emancipatie onmeedoogend en onverbiddelijk met absoluut rechtvaardige zelfkastijding te straffen; aangezien elke wet der Natuur een wijs doel beoogt en een absoluut noodzakelijke voorwaarde van het zijn vervult, is elk vergrijp daartegen een dwaze, schadelijke, haar eigen vernietiging in zich dragende overtreding. Want deze wetten zijn niet van buitenaf en eerst naderhand den wezens opgelegd, maar zij liggen in hen, zij zijn de formule hunner existentie, waarbinnen alleen hun leven bestaan en zich bewegen en ontwikkelen kan; zij zijn het door henzelf
80
ingestelde, — zij zijn en worden met en door het daarzijn tot wet.
God is niet een koning die zoo maar van tijd tot tijd een edict uitvaardigt, met het argument a Ia Lodewijk XIV: „Tel est monbonplaisir!quot; — Maar zijn absolute volkomenheid blijkt daaruit, dat elk zijner gedachten zoo goed en zoo volkomen geschikt is voor het welzijn en het innerlijkste. Hem welbekende, uit Hem voortspruitende wezen zijner schepselen; dal. het schepsel ook bij inspanning van al zijne wijsheid toch nooit ol\' nimmer iets meer doelmatigs en beters kan uitvinden, dan deze wet zoo nauwkeurig mogelijk op te volgen, en dat omgekeerd de overtreding daarvan voor het schepsel het toppunt van alle dwaasheid en bekrompenheid is, reeds uit het oogpunt van zijn eigen onderhoud, dus van een welbegrepen egoïsme.
Zoo leidt de emancipatie van de groote wet der ikheid tot het iklooze en ikvernietigende Boeddhisme. Uit de miskenning van de wet der heilige, eeuwige individualiteit ontstaat het Darwinisme. De eenzijdige bestudeering der lichaamswetten van de stof doet het materialisme geboren worden. Veracht de mensch de wet der zelfopenbaring, dan heeft dit een geestelijke verdorring en verschrompeling tengevolge. De overtreding van de wet der verbeelding, d. w. z. de verwaarloozing en het niet ontwikkelen van dezen aanleg, kweekt verveling; het niet in acht nemen van de wet des willens : krachteloosheid ; van den kringloop; ontaarding en verstikking; de emancipatie van de wet des geslachts : feminisme; van de wet der hiërarchie: socialisme ; der solidariteit: egoïsme; der schoonheid: de geestelijke melaatsch-heid van het leelijke; der gerechtigheid: de ziekelijke en verzwakkend, valsche humaniteit; der voeding: geestelijke tering; der in elk wezen liggende maat, der gematigdheid en der proportie: een verwilderen en het materieele en ook moreele alcoholisme, enz.! — Deze wetten zijn alle reeds, maar latent en nog onontwikkeld op de lagere trappen der schepping aan-
81
wezig, zoo b. v. de wet van het willen bij het laagste infusiediertje ; en zoo speelt krachtens de wet der verbeelding het poesje met den bal.
Des te meer is het in \'t belang der menschheid te bejammeren, dat er tegenwoordig een verachtelijk streven door de wereld gaat om zich van alle wet te emancipeeren ; waarbij ieder die gehoorzaamt als een onderdrukte en een martelaar wordt beschouwd, als iemand die het diepste medelijden waardig is, en ieder, die tegen eene wet in verzet komt, als een bewonderenswaardig held en een edele, in onwaardige boeien gekluisterde ziel. Alsof de vrijheid niet eenig en alleen in de wet te vinden ware; alsof niet alle bevel eerst daaruit kracht en macht putte, dat ook de bevelende aan een nog hoogere wet gehoorzaamt; alsof de ervaring niet leerde, dat alleen deze sterke en gehoorzame de kunst van bevelen verstaat, en niet de steeds weerbarstige zwakkeling. Tegen de wet des staats en der familie, der autoriteit, der hiërarchie en des bezits, van het geslachtsverschil en der individueele ongelijkheid; der geestelijke hygiëne, der ware en zedelijke aesthetiek, komen tegenwoordig ook herhaaldelijk zoogenaamd-christelijke, beschaafde philantropen in verzet. — Maar elke „emancipatie,quot; elke excen-triciteit is zwakte; elke poging om zich van de ware wet vrij te willen maken, is eene lafhartigheid, want daaruit blijkt, dat men niet den moed en niet het zedelijk materiaal er toe heeft om binnen de grenzen der wet groot, sterk en vrij te zijn. Van oudsher hebben de grootste, sterkste en vrijheidlievendste volken zich de strengste wetten gegeven, want daarin openbaarden zij hunne kracht; en dat wij geen wetten meer tegen de zonde, tegen godslastering, revolutie en onzedelijkheid verdragen kunnen, is een bewijs van de totale onzelfstandigheid en onvrijheid onzer kunst, onzer weienschap, onzer litteratuur, onzer geheele beschaving.
6
82
Van de gebrekkigheid onzes geestelijken levens getuigt de in éen woord karakterlooze verontschuldiging: met wetten kan men geen ware godsvrucht noch echte zedelijkheid aan enn volk octroieeren! — Welnu, laat ons dan ronduit de wet verwerpen, en nog slechts de politieverordeningen voor straatreiniging enz. behouden! — Waartoe nog den zoon te straffen, die in zijne dronkenschap zijn ouden vader beleedigt en mishandelt? Ware kinderliefde kan men immers den mensch niet met de wet inpompen? — Waarom dan de vrouw, die haar man vergiftigt, gevangen gezet? Het juiste begrip van echtelijke liefde kan men hier toch immers niet door middel van wettelijke bepalingen inprenten?
Maar hoe geheel anders de Heere onze God daarover denkt, ziet men aan z ij n e wetten. — De zwaarste misdaad, die met de zwaarste straf bedreigd wordt, is de beleediging van den Allerhoogste, onverschillig of de godslasteraar er al dan n,\'et berouw van heeft. Want wet en straf zijn er niet in de allereerste plaats opdat de mensch er door verbeterd zou worden, maar opdat het recht recht zou blijven en de grondzuilen van het heelal niet zouden wankelen. En van oudsher hebben rechte en groote volken niet lang naar doelmatigheid en resultaten gevraagd, maar zijn zij kort en bondig te werk gegaan naar het grondbeginsel van Salomo: „Het kwade moet gestraft worden met harde straffen, die men voelt.quot; En waren die volken, b, v. de eerste Romeinen, en ook de Puriteinen, de Albigenzen, de Hugenoten, de Republiek van Genève onder Calvijns ijzeren tucht en strenge godsdienst-, zeden- en weeldewetten, geen indrukwekkende en ondanks het kleine aantal van sommigen hunner, geen historische verschijningen van beteekenis? — Laat ons het ronduit bekennen; Wij zijn te verwijfd en te gemakzuchtig, te lafhartig en te traag, te genotlievend en te materialistisch, om nog strenge wetten te kunnen verdragen! — Voor
83
den mensch in den staat der rechtheid zou het een genot en eene vreugde geweest zijn, de wet van Sinaï te vervullen. Want na Gods liefde is Gods wet het schoonste in het heelal, — ja, zij i s zijne liefde.
Al zulke pogingen om zich van de wet te emancipeeren zijn dwaas en onverstandig, omdat zij geen uitzicht op slagen hebben. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar de wet des geestes niet. Of onze wetten streng of laks, rechtvaardig of onrechtvaardig zijn, Gods gerechtigheid komt er niets bij tekort. Hier beneden of daarboven zal zij den vermetelen zondaar weten te vinden. Maar dit neemt van ons de schuld niet weg. Het was Eli\'s plicht zijne zonen te straffen ; en omdat hij het niet deed, moesten hij en zij onverbiddelijk omkomen. In den grooten dag des oordeels zal menig misdadiger tot de menschelijke wetten evenzoo spreken als die jongeling op het schavot tot zijne moeder: ,Indien ge mij zwaar hadt gestraft, toen ik den jongen muschjes de oogen uitstak, zou ik hier nu niet staan!quot; En menig moordenaar, dien men hier het verbeurde leven geschonken heeft, wordt dientengevolge hierboven een prooi van den tweeden dood. De afschaffing der doodstraf is een groot, aan den moordenaar gepleegd onrecht, zoodat het dan ook wel gebeurd is dat hij voor de rechtbank als zijn goed recht eischte, door zijne terechtstelling, voor zooveel aan hèm stond, zijne schuld hier op aarde weder af te lossen.
En wie er in dit\'verband dan nog ten overvloede van bazelt, dat wij niet meer onder de wet, maar onder de genade leven, maakt zich aan een groote verwarring van denkbeelden en begrippen schuldig. — Toen Christus elk zijner discipelen toeriep : „Zoo iemand uwen rok wil nemen, laat hem ook den mantel,quot; heeft hij daarmede geen streep gehaald door de rechtvaardige straf op den diefstal. Wel zegt hij: „Zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toemaar als
84
hij voor de rechtbank staat, die recht moet spreken, en onrechtvaardig geslagen wordt, keert hij niet de andere wang toe, maar plaatst hij zich met volle recht op het rechtsstandpunt en antwoordt hij: „Indien ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij mij?quot; En zoo heeft hij door zijn sterven aan het kruis de doodstraf gewettigd; want was hij niet Gods Zoon, dan had hij zich volgens de wet Gods aan godslastering schuldig gemaakt en den dood verdiend. — De Christelijke staat, wanneer er een is, en zooals Calvijn er een poogde te vestigen, kan enkel en alleen op de basis der onverbiddelijke wet bestaan. Daarentegen is het de plicht van een iegelijk Christen in \'t bijzonder, zijn broeder zeventig maal zevenmaal vergiffenis te schenken; evenals een edelmoedig rechter een persoonlijke beleediging volkomen en van ganscher harte kan vergeven, doch haar om der gerechtigheid wille toch zwaar moet straffen. — Ook hier staat de wet van het individu hooger dan die der gemeenschap. — Want ieder mensch staat in de eerste, niet in de tweede plaats tegenover God als een goddelijke individualiteit, en is Hem krachtens de hoogste, de goddelijke wet verantwoording schuldig; maar in de tweede, en niet in de eerste plaats staat hij hier op aarde en tegenover zijne medemenschen slechts als onderdeel van een groot geheel: de menschheid. Als deel nu staat hij minder hoog dan het geheel, en heeft hij zich hier aan het door God den mensch gegeven recht te onderwerpen: Oog om oog, leven om leven. — Werd dit onderscheid tus-schen de onverbiddelijkheid der maatschappelijke en staatswet en de eindelooze vergeving en genade der individueele wet duidelijker ingezien, dan zou het al spoedig vrij wat beter gesteld zijn met recht en wet en ware menschenliefde in onze zoogenaamd Christelijke staten.
Voor de ouden was de staat daarom zoo eerwaardig en
85
groot, zoozeer boven den enkelen mensch verheven, omdat hij voor hen de goddelijke wet belichaamde. Voor ons is de staat een naamlooze vennootschap, een handelsvereeniging geworden, waarover iedereen ontevreden is, omdat hij niet genoeg dividend uitbetaalt. — „Overal,quot; zegt Leopold von Ranke, {Welt-gescMchte, Deel 1, blz. 212), „komt bij Sophocles de eerbied voor de wetten der goden aan het licht; uit het menschelijk verstand spruiten zij niet voort, nooit kunnen zij vergeten worden!quot; Voor ons is de wet niet alleen drukkend, pijnlijk en hatelijk, maar ook onverschillig geworden. Evenals er bijna geen Christen meer is, die zich veel bekommert om de op Sinaï gegeven vreeselijk prachtige wet van Jehova, zoo bekommert ook de tegenwoordige burger zich bijna niet meer om de wet en de wetten waaronder hij leeft, en — zoolang hij niet gestraft wordt — ook niet om hetgeen hem verboden is; en het gebod, groot en heilzaam en vruchtbaar, kent onze wet niet meer. Hoe verder de wet uit ons leven verdwijnt, des te hooger
schieten de „verordeningquot; en de „beschikkingquot; op.
* *
*
Maar boven alle wet staat de Maker en Gever der wet: Hij, wiens denken de wet der wetten is.
Te veronderstellen dat iets zoo levends en organieks, zoo kracht- en machtvols, zoo harmonisch en volkomens als de wet, uit de doode, onbewuste en willooze chaotische stof zou zijn voortgekomen, is in tegenspraak met het innerlijkste bewustzijn van den mensch, met dit hem evenzoo aangeboren gevoel voor waarheid, als het uitwendige gevoel voor het uitwendige licht, voor vorm en kleur. — De wet stelt zichzelve niet in, maar wordt door iemand ingesteld, die weet wat Hij daarmede zegt en wat Hij daarmede bedoelt, want een doellooze wet bestaat er niet.
86
Hoe schoon en goedertieren van God, dat Hij de vervulling zijner wetten voor al zijne schepselen onveranderlijk met het verwerven van geluk heeft verbonden. Ware het anders, dan moesten wij wel, om te bestaan, onszelven geweld aandoen om toch volgens de natuurwetten te leven. Want welk een vreese-lijke beproeving zou het zijn, wanneer het slechts tegenzin en afkeer opwekte; wanneer het eten iets walgelijks en het slapen iets martelends ware, wanneer het licht de oogen folterde, het geluid de ooren pijnlijk aandeed, de lucht onuitstaanbaar riekte, en het water afschuwelijk smaakte. — Daarover denken wij te weinig na. Maar het is dan ook juist de vloek van den gevallen mensch, dat hij bij alles „in \'t geheel niets denkt.quot;
Als zoodanig boven de wet staande, openbaart God zich somwijlen door het wonder. Want het wonder is noch wetteloos, noch onwettig, maar toont evenzoo de hoogere machten der wet aan, als de differentiaalrekening tegenover de gewone rekenkunde. Dat het wonder zijne wet in zichzelven heeft, een hooger peil der wet, en niet zooals in het sprookje een onbeteugeld en buitensporig handelen, kan men er duidelijk aan zien. Bijv. reeds daaruit, dat het een geestelijk einddoel moet hebben (Matth. XIII: 58), en ook daaruit, dat het in \'t getal geschiedt. Evenals de zeilsteen een hoogere trap van den anders geen aantrekkingskracht toonenden steen is, zoo is ook de mensch die op het water wandelt en in den vurigen oven niet verbrandt, een hoogere macht van den gewonen mensch; en de hier op aarde slechts tijdelijke verhooging tot dezen trap geschiedt door de kracht en den wil van dien God, die het met verdrinking dreigende water en het verterende vuur heeft geschapen, en die daarom dan ook ten allen tijde kan spreken: „Wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam
87
zal u niet aanraken.quot; (Jesaja XLIII; 2). — Uitgenomen waar als straf het tegendeel geschiedt, bewerkt het wonder eene verhooging en bevrijding, een levend maken van de stof en der organismen, en laat het ons das een blik werpen in eene wereld der heerlijkheid, waar wel alles evenzoo als hier, ja nog meer, volgens wetten geschiedt, maar volgens hoogere, en dus vrijere wetten. Zoo verhoogt Christus water tot wijn, doet hij de stoffelijke uitgebreidheid en de voedende kracht des broods en der visschen toenemen, en legt hij in zijn woord en in zijn speeksel genezende krachten, die wij wonderbaar noemen, omdat wij ze niet kennen of bezitten.
Den geest, die in onzelfzuchtigen ootmoed en zonder vooringenomenheid de prachtige wetten van het heelal heeft aanschouwd en bewonderd, wordt het gegeven^ hoog boven die wetten, schooner dan al het schoone, grooter dan al het groote, machtiger dan alle macht, in onuitsprekelijke verhevenheid en majesteit de Bron en den Gever der wet in den geest te aanschouwen: die Zon, die onophoudelijk over al het geschapene stroomen van goedheid en van liefde uitstort, en als hoogste, eenige, al het andere in zich sluitende wet tot het schepsel spreekt: „Gij zult den Heere uwen God liefhebben met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel en met geheel uwe kracht, en met geheel uw verstand; doe dat, en gij zult leven!quot; — Welk ideaal van de instelling eener wet: hare overtreding is de dood, de eeuwige dood ; hare naleving een nimmer ophoudend, een onoverwinnelijk leven, een onbegrijpelijk genot, een eeuwige zaligheid! En het gansche heelal is een symbool van God. De ware liefde verkwikt ons als een beeld en afstraling zijner liefde; ware grootheid is ons een zinnebeeld van een grooten God; ware rechtvaardigheid verzekert ons, dat Hij rechtvaardig is, — kortom, het arme, verweesde menschenhart zoekt steeds onbewust den
88
Vader en vindt Hem dan ook in zijne schepping, en met eiken dag groeit in hem het vertrouwen en de blijdschap der eeuwigheid, welke de Bijbel saamvat in dat onuitsprekelijk groote woord: ,Zij zullen God zien.quot;
Wij Christenen behoeven ons waarlijk niet voor zulke diamanten hoeksteenen onzer wereld- en levensbeschouwing te schamen; en wij hebben ook niet de minste of geringste reden om den atheïsten en Boeddhisten, den heidenschen en den modernen philosofen, den rationalisten en den materialisten, hun onzekere, gekunstelde en totaal troostelooze beginselen te benijden. — Zelfs wanneer wij van de waarheid onzer wereldbeschouwing wilden afzien, en aan haar en die onzer tegenstanders slechts eene waarschijnlijkheid van 1 = 1 wilden toekennen, zou het voor iedereen duidelijk moeten zijn, dat hij, wiens leven en streven op een individueele eeuwigheid gegrond is, geheel andere en grootscher beweegredenen voor zijn doen en laten bezit dan hij, wiens bestaansbegrip zich binnen de tijdruimte van weinige tientallen jaren en slechts op deze kleine planeet beweegt; en evenzoo dat die mensch, voor wien een allesbe-heerschend, levend en persoonlijk God de prima causa en de eerste factor en motor van het heelal is geworden, daardoor persoonlijker, grooter, vaster en sterker wordt dan een ander, die in de plaats van dien God een onpersoonlijk problematiek en levenloos iets stelt. — Neemt de mensch toe in verhouding tot de grootte zijner plannen, oogmerken en bedoelingen, deze waarheid is nog temeer op hem toepasselijk met het oog op een groot en krachtig geloof; zoo moeten groote verwachtingen hem als op adelaarsvleugelen over de ellendigste aardsche omstandigheden heenvoeren, en moet de blijdschap der eeuwigheid in zijn binnenste nu reeds het lijden dezes tijds overwinnen. Dat dit zoo is, hebben duizenden Christenen met hun leven, en — wat nog meer zegt — met hun dood op
89
schavotten en brandstapels bewezen; en dat bewijzen ook honderdduizenden niet-Christenen dag aan dag door den angst en de onrust, waarmede zij ten slotte in een lang betwijfelde, maar hoe langer hoe werkelijker wordende eeuwigheid overgaan.
Heel het volgens hoogere wetten verloopend leven van den Christen, — ieder Christen die zijn hemelschen Vader de zorg voor zijn aardsch bestaan en dat der zijnen volkomen overlaat, — die ziekte, armoede, smaad en schande met gelatenheid verdraagt, — die niet alleen zijn vijand vergiffenis schenken, maar ook van ganscher harte voor hem bidden kan, — is een mathematisch bewijs, dat hij door de verschijnselen heen tot de wet, en door de wet tot den Wetgever is doorgedrongen, — dat, zooals de prelaat Oetinger antwoordde: ,Hij, die hierboven woont, zijn goede vriend is.quot;
II.
y^ARDE EN ORGANISMEN.
Laat ons nu eens eenige wetten der goddelijke Natuur in de aarde, in de haar bedekkende wezens en in den mensch nader bezien.
Konden wij ons op de maan verplaatsen, dan zouden wij met bewondering een grooten zilveren wereldbol schijnbaar onbewegelijk aan het zenith zien zweven, vijftienmaal grooter dan de maan ons voorkomt, met sneeuwwitte, door het Noorderlicht omstraalde polen, en waarop onophoudelijk uit den nacht allerlei zonderling gevormde vastelanden en eilanden, half in wolkengordels gehuld, aan het licht komen en weder in den nacht wegwentelen. Dat deze wereldbol, onze aarde, ons onbewegelijk toescheen, zou een gezichtsbedrog zijn, daardoor teweeggebracht, dat de maan met dezelfde snelheid medegaat. Want in werkelijkheid vliegt deze wereld, en wij met haar, als een kolossale, altijd snorrende, eenigszins zijwaarts hellende tol, onvermoeid langs haar bijna cirkelronde baan rondom de zon. — Hoeveel maal zou zij wel in dien wijden kring reeds denzelfden rondedans om de zon gemaakt hebben? En hoeveel maal zal zij het nóg doen?
Ten nauwste zijn hare lotswisselingen met de onze verbonden,
91
met ons, die — uit den hemel er op gevallen, in hulseis van aarde, ons uit de aarde voedend — er een kort oogenblik op rondzien, totdat wij weder tot aarde worden. Toen deze aarde eenmaal, na lange licht- en nachtperioden, door God op wonderbare wijze met allerlei schepselen voorzien was, schiep God ons tot hare meesters en beheerschers. Toen wij van Hem afvielen, werd ook deze aarde om onzentwil door Hem vervloekt en draagt zij nu distelen en doornen. Ook zij zal den vuurdood ondergaan, en haar ontvlammen in den wereldbrand zal het einde der menschheid verkondigen. Maar ook zij zal uit hare asch herrijzen en als nieuwe aarde eeuwig leven.
Op wonderbare wijze wordt dit individu onder de vele aardbollen van het zonnestelsel door dezelfde grondwetten en beginselen geregeerd als haar bewoner, de mensch; eene wet die zekerlijk ook voor andere werelden geldt. — Diep in haar hart verbergt zij, evenals wij, een heeten, opgolvenden gloed, die nu en dan met een geweldig kloppen haar geheele lichaam doet schudden en beven. Uit vaste, vloeibare en luchtvormige stoffen bestaat ook, evenals het onze, dit lichaam. Evenals in den mensch het bloed, loopt onophoudelijk op en door de aarde de voedende, bevruchtende vloeistof rond, die alleen instaat is om alle leven mogelijk te maken. En met een diepe ademhaling rijst en daalt alle zes uren in de ebbe en den vloed de borst van den machtigen oceaan. Evenals het leven des menschen uit eene wisseling van waken en slapen bestaat, zoo draait ook de aarde altijd slechts éene zijde naar het licht toe, en -in een snelle omwenteling dompelt zij dien kant dan weder in den nacht, gedurende welken tijd zelfs de geheele plantenwereld slaapt en hare bloemen, ja gedeeltelijk ook hare bladeren sluit. Eindelijk zijn van oudsher de wisselende jaargetijden in den kring van \'t met het aardsche leven overeenkomend jaar, een beeld en symbool der menschelijke tempera-
menten. Sanquinisch vroolijk, met jeugdige blijmoedigheid, vol hoop en moed en levenslust, kinderlijk lachend en weenend, is de lente; millioenvoudig bloeit de aarde, en ook de mensch ontwaakt uit zijn winterslaap, en gaat zich weer bewegen, en schept en hoopt en lacht en zingt en bemint in de bloemenen minne- en vreugdemaand. Cholerisch sterk, in de kracht van den menschelijken leeftijd, is de zomer met zijn dikwijls benauwende hitte, met zijn zware onweders, als geweldige uitbarstingen van toorn, doch groote dingen voortbrengend, koren en wijn en olie en vruchten rijpend. Melancholiek reeds de bejaarde herfst, vol verlangen, wanneer de zwaluwen heentrekken, poëtisch als een schoone levensavond, vol van de vruchten van een werkzaam leven, doch onder alles den naderenden dood, den winter, voelende komen. En apathisch is deze, onder een wit kleed sluimerend: kaal en zwijgend het woud, levenloos de aarde, — en de mensch zit verborgen in zijne woning en rekt op kunstmatige wijze zijn bestaan.
Deze diepe analogieën tusschen aarde en mensch hebben de menschen ten allen tijde gevoeld. Toen de goden van het Walhalla, verhaalden de Scandinaviërs, den reus Ymir verslagen hadden, vormden zij uit zijn lichaam de aarde. Tot rotsen en gebergten werden zijn harde beenderen, — zooals nog op den huldigen dag de Italiaan het rotsgebergte zinrijk l\'ossatura, het beendergeraamte der aarde, noemt; — zijn vleesch werd tot aarde, met zijn bloed vulden zij de wereldzee, en zijne haren groeiden als donkere wouden op de bergen.
Kolossaal is tegenover den kleinen mensch deze were\'d, en evenzoo de haar door God medegegeven levenskracht, de impuls, waarmede zij langs haar reusachtige baan dagelijks t w e e-e n-half millioen kilometer in onhoorbare vaart afleg;, meer dan honderdduizend kilometer per uur, negen-en-twintig in de seconde! — Wat zijn, in vergelijking daarvan, al
93
onze „bliksemtreinen?quot; — Wat zelfs de loome, vijf-en-zeventigmaal langzamer kanonskogel? — Vijfhonderd elf millioen vierkante kilometer groot is de oppervlakte dezer wereld, en daarvan zijn driehonderd vier-en-tachtig millioen bedekt met diepe, zoute zeeën, waarover de mensch met levensgevaar heenzeilt of heen-stoomt, en van welker diepten en overtijk leven hij zoogoed als niets weet. Slechts honderd zeven-en-twintig millioen blijven er voor hem over, en daarvan laat hij meer dan de helft onbebouwd en bijna onbewoond!
Deze wereldbol is door haar nietigen bewoner, den mensch, gewogen. Onze aarde is zeer zwaar, vijf-en-half maal zwaarder dan wanneer zij geheel uit water bestond, tweemaal zwaarder dan een even groote granietbol; zij weegt in een rond cijfer: zesduizend quadrillioen kilo! Draaide zij zóo snel, dat zij tengevolge van de middenpuntschuwende kracht in elke seconde éen centenaar harer massa in de ruimte wegslingerde, dan zou zij toch eerst in drieduizend achthonderd vijf millioen jaarmillioenen zichzelve vernietigd hebben! (Th. Moldenhauer, Das Weltall.) — En met dezen reusachtigen weegsteen als gewichtseenheid weegt de sterrenkundige, dat kleine schepsel, de andere wereldlichamen aan het hemelgewelf: de zon, die driehonderd zeven-en-twintig duizendmaal, en Jupiter, die driehonderd negenmaal zwaarder is. Zelfs de ons zoo licht voorkomende luchtlaag, die volstrekt niet het gevoel van een last bij ons teweegbrengt, deze atmosfeer, die de aarde tot op een onbekende hoogte zacht omhult, drukt op de zeeën en vastelanden met een gewicht van honderdtienduizend billioen centenaars! Zóo zwaar is het lichtste, zóo groot het kleinste, zóo vol beteekenis het onbeduidendste postje in de groote, goddelijke huishouding!
Door schoone wetten wordt deze wereld geregeerd, en krachtens deze wetten bestaat zij; en die wetten spiegelen zich, zooals reeds is opgemerkt, in den mensch af.
94
Vooreerst de vooi\' alle schepselen gemeenschappelijk geldende wet van de concentratie des levens naar binnen. — Uit het hart zijn de uitgangen des levens. — Is er in het hart geen levenswarmte meer aanwezig, dan verstijft ook weldra het uitwendige, evenals een boom sterft, die rot in het hart is. Wel brengen de verlevendigende zonnestralen jaar aan jaar een wonderbaar en duizendvoudig leven op de aarde tevoorschijn, — maar wat baten zij aan een verstijfd wereldlichaam, evenals alle warmte bij een lijk niets baat, noch de goddelijke genade aan doode zielen! Dan had reeds lang de vreeselijke koude van het heelal de aarde doordrongen, en niet slechts driehonderd zestig voet diep. als in Siberië, ware de bodem eeuwig bevroren, maar door en door, tot in haar binnenste zou de aarde een dooden ijskogel gelijken. Ook lucht en water zouden reeds lang verdwenen zijn, zooals oogenschijnlijk bijna geheel het geval is op de maan ; zij zouden zich in het binnenste verscholen hebben, en waren daar chemisch gebonden gebleven; en levenloos, aan den eenen kant door de zonnestralen verschroeid, aan de andere zijde met eene koude van meer dan 250° onder nul, zou deze aarde doelloos en onbewoond door de wereldruimte zweven. — Dat dit niet zoo is, hebben wij aan de nog in heeten gloed levende aardkern te danken. Een zonnetje met eene korst er omheen is deze aarde. Indien God met een groot mes van deze harde wereld slechts een twintig a vijftig mijlen dikke schil, dus dunner nog dan die van een appel, afschilde, dan zou zij misschien nog vele duizenden jaren in de wereldruimte stralen en schitteren.
Tegenwoordig is het geloof aan een centraalvuur der aarde eenigszins uit de mode geraakt. Want ook op het gebied der wetenschap heeft men modes, tijdstroomingen, veranderlijke en voorbijgaande stemmingen. — Laat ons dit belangwekkend vraagstuk eens wat nader bezien.
Wat de theorie betreft, heeft de reeds door Kant besproken.
95
door Laplace met eenige verandering opgestelde en uitgewerkte cosmogonie een groote waarschijnlijkheid voor zich en komt zij hoe langer hoe meer in de sterrenkunde tot haar recht. Volgens die theorie zouden alle wereldlichamen uit een heeten of kouden wereldnevel ontstaan zijn, — zouden zij langzamerhand een kogelronden vorm hebben aangenomen en aanvankelijk, hetzij als gevolg en overblijfsel van hun oorspronkelijken toestand, hetzij tengevolge van de samentrekking, heet vloeibaar geweest of geworden zijn! Wij zien aan den hemel de verschillende, op elkander volgende trappen dezer bolvorming in talrijke exemplaren, en hebben evenzoo aan den ring van Saturnus het schoonste aanschouwelijk bewijs van de ringvorming om en uit het centraallichaam, waaraan Laplace het ontstaan der planeten uit de nog niet bolvormig geworden zon toeschrijft. Binnen ons zonnestelsel bevindt zich, in schoone overeenstemming met deze theorie, de zon nog in heeten, gasvormigen of vloeibaren toestand. „De geweldig borrelende, dampen uitstootende Jupiterquot;, zegt Leipoldt, „en ook Saturnus zijn ongetwijfeld op den huidigen dag nog gloeiend-vloeibare werelden; Mars daarentegen, zevenmaal kleiner dan de aarde, heeft reeds veel meer dan de twee eerstgenoemde zijn water verloren, en de nog kleinere maan geheel.quot; — Aangezien men nu vele duizend-millioenen tegen éen verwedden kan, dat al de planeten op een en dezelfde wijze ontstaan zijn, moeten wij met het oog op den toestand en de grootte der aarde aannemen, dat zij, hoewel met eene korst bekleed, in haar binnenste nog heet vloeibaar is.
Evenzoo moet er, volgens al de wetten der natuurkunde, wanneer de aarde eenmaal heet geweest is, door de toenemende afkoeling eene samentrekking en tegelijkertijd een hoe langer hoe zwaarder rimpelen van de aardkorst plaats gevonden hebben en nog altijd plaats vinden, — het best met de vorming van een vel op de afkoelende gekookte melk te vergelijken, en
96
daardoor het ontstaan van steeds hoogere bergen verklarend; en de Vogezen en het Jura-gebergte zijn dan ook inderdaad ouder dan de misschien nog steeds verrijzende, zoovele werkende vulkanen bevattende bergketen van de Cordilleras de los Andes. Door deze samentrekking moet, zooals dan ook zichtbaar geschiedt, het vloeibare binnenste naar buiten gedrukt worden. Gordier berekent, dat zulk eene verkorting van den halven kring der aarde met éen millimeter in de honderd jaren voldoende is om jaarlijks vijf van de grootste lavastroomen voort te brengen.
Daarmede stemmen de waargenomen feiten voortreffelijk overeen. Inplaats van op een groote en de grootste diepte een verstijfden en van de koude der wereldruimte doordrongen ijsbol te vinden, bespeuren wij bij het graven of bo.quot;en in de aardkorst overal eene toeneming der temperatuur. Zij bedraagt gemiddeld 1° Celsius per 27 meter of globaal 100 voet, is dus zeer aanmerkelijk, en zou bij tien mijlen diepte reeds 2500° bereiken, of de hitte van gesmolten ijzer overtreffen. Zoo arbeiden naakt en druipend van \'t zweet de mannen in de 3000 voet diepe mijn van Falun in Zweden, terwijl tien a twintig voet hooger de sneeuw den bovengrond bedekt. — Dat de temperatuur niet overal gelijkmatig toeneemt, en ook met de diepte misschien minder snel, was te verwachten, aangezien de dikte der aardkorst en evenzoo het warmtegeleidingsvermogen der onderscheidene steenlagen zeer afwisselend is. Op die plaatsen waar, zooals op den Skromboli of den Mauna Loa, de lava voortdurend naar buiten stroomt, is zij gelijk nul; waar, zooals in de Solfatara bij Pozzuoli, een groote steen, tegen den grond geslingerd, dezen in sidderende schommelingen brengt, en men met het oor op den grond het borrelen van den grooten ketel hoort, is de aardkorst slechts weinige meters dik; onder den Himalaya- of Alpenketen daarentegen, of in
97
landen die, zooals Groenland en Australië, geen vulkanen bezitten en ook nooit door aardbevingen geteisterd worden, zal zij wel vele mijlen bedragen.
Evenzoo getuigen van een heete aardkorst de warme bronnen, die zoo rijkelijk op vele plaatsen uit de aarde ontspringen, — maar het allermeest de overal verspreide vulkanen. Uit 225 a 250 van zulke monden en kraters van werkende vulkanen, waarbij nog circa vijfhonderd meer of minder werkelooze, en duizenden geheel uitgebluschte komen, wellen heete dampen, aschwolken of gloeiende vloeibare lavastroomen op. Hoe machtig en kolossaal, hoe heet deze lava is, zullen wij later zien. De aarde is dus te vergelijken bij een grooten sinaasappel, waaruit bij eiken prik het sap naar buiten vloeit, toch zeker een krachtig bewijs voor de waarschijnlijkheid, dat de bol sap bevat. — De veronderstelling daarentegen, dat deze vulkanen aan locale oorzaken, b. v. aan legeringen van zwavelkiezel(!) hunne werkzaamheid te danken hebben, dat er dus vele honderden afzonderlijke vuurtjes aanwezig zijn, en dat er in vroeger tijd duizenden van dien aard bestonden, is in alle opzichten gedwongen, en wordt het nog meer wanneer men bedenkt, dat al de lavasoorten uit deze vulkanen, behoudens een onbeduidend verschil, op elkaêr gelijken: zij behooren alle tot de familie der trachy-ten of bazalten. (Ter verklaring van dit feit veronderstellen enkele tegenstanders van het centraalvuur het bestaan van diepe, de vulkanen onderling verbindende, dus onder de oceanen, van de Andes naar Europa en Kamschatka doorloopende aardspleten !)
Tegen de heet-vloeibare aardkern heeft men aangevoerd, dat de verbazend groote zwaarte der bovenlagen de innerlijke kern noodzakelijkerwijze tot een vaste massa moest samendrukken. — Inderdaad bedraagt deze druk volgens Zoppritz drie millioen atmosferen, met andere woorden: vijfenveertig millioen pond per vierkanten duim! — Maar wij weten, dat koolzuur b. v.
7
98
reeds bij eene temperatuur van 35° door geen druk meer vloeibaar gemaakt kan worden, en men mag veronderstellen, dat er voor ieder lichaam een „critisch puntquot; beslaat, waarop de warmte, die de moleculen uit elkander houdt, zich krachtiger betoont dan alle mechanische, haar samendrukkende kracht. Zoo zien wij op de zon, ondanks haar reusachtige aantrekkingskracht, vele duizenden kilometers hooge stofmassa\'s blijvend in gasvormi-gen toestand verkeeren,— ja, uit het binnenste der zon waterstofzuilen in uiterst verdunden gasvorm zich een weg naar buiten banen.
Sedert mannen als Alexander von Humboldt, Leopold von Buch, Elie de Beaumont en anderen, waarlijk met eenig verstand en zaakkennis, in de meest verschillende landen der wereld — Humboldt b. v. een half leven achtereen in Zuid- en Noord-Amerika, in Europa en Siberië — de aardkorst bezagen, is die aardkorst niet anders geworden; sedert dien tijd heeft de wetenschap geen nieuwe soort van vulkanen ontdekt, noch van nooit voorgekomen aardbevingen ; de verspreiding der beide verschijnselen over de geheele aarde, de toeneming der warmte met de diepte, bet voorkomen van heete bronnen, — al deze blijvende en onloochenbare feiten zijn duidelijke bewijzen voor den door de gansche cosmogonie en cosmogolie aangenomen vloeibaren of gasvormigen toestand van het binnenste der aarde. — En zoo wordt tegenwoordig, eenigermate als reactie tegen de bestrijders van het bestaan eener heete aardkern, door onderscheiden natuuronderzoekers, b. v. A. Ritter, Zöppritz, Molden-hauer e. a., aangenomen dat deze kern bij eene hitte van 100,000quot;, volgens anderen zelfs van 200,000quot; niet alleen vloeibaar is, maar bepaald uit heete gassen bestaat, die evenwel door den druk zoodanig gecomprimeerd worden, dat zij zeer zwaar zijn, en waarop eerst, er langzaam in overgaande, de lagen der heet-vloeibare lava rusten, die dan weer op hunne beurt door de verstijfde aardkorst met zeer afwisselende dikten bedekt zijn.
99
Dat deze kern of dit binnenste grootendeels uit metalen bestaat, en onze aarde dus een metalen kogel is, blijkt duidelijk uit het feit, dat de gesteenten, rotsen en veelsoortige gebergten, die de door ons bebouwde en bewoonde oppervlakte en aardkorst vormen, hoofdzakelijk uit de roest van verschillende metalen, d. w. z. uit hunne verbinding met zuurstof, bestaan; — b. v. het kalkgebergte uit calciumroest, graniet en kwarts uit selicium-oxyde, leem gedeeltelijk uit het aluminium, dat wij er door electrolyse weder aan onttrekken. Intusschen zijn ook de metalen slechts menschelijke begrippen; hoe deze, door ons elementen genoemde stoffen bij een druk van drie millioen atmosferen en 100,000quot; warmte, in het middelpunt der aarde er uitzien, en of zij niet in ons totaal onbekende toestanden van ontbinding geraken en nog slechts als oerstof bestaan, is een wel op te werpen, maar voor het oogenblik nog niet te beantwoorden vraag.
Wij hebben op een vroegere bladzijde van dit werk gezegd, dat er ook in de wetenschap modes bestaan. Men maakt wel veel ophef van hare onpartijdigheid, — maar evenals in den grooten kringloop der wateren de waterdroppels, zooals in den golfstroom de zeewateren en door moessons en passaatwinden ook de lucht zich steeds in eeuwige cirkels blijven bewegen, zoo gaat het ook in \'t geestelijke. De aarde in haar omloop om de zon is een beeld van den telkens wederkeerenden omloop der meeningen en zienswijzen onder de menschen. Er waaien door deze wereld geestelijke moessons en passaatwinden, waarop de mensch geen macht uitoefent, en deze zijn het, die bij de wetenschap van eiken tijd den grondtoon aangeven, en niet de wetenschap den grondtoon des tijds. Of hoe komt het anders — aangezien de philologen toch beweren dat de bestudeering van de klassieke schrijvers en hunne philosophie de ware bron van edele beschaving en idealiteit is, — dat deze
100
in de middeleeuwen zoo grondig en bijna alleen en uitsluitend beoefende studie dien tijd niet tegen het donkerste bijgeloof en de ruwste barbaarschheid heeft kunnen beschermen ? En waarom blijkt de moderne wetenschap, op welker beschavende werking de apostelen van den modernen vooruitgang niet genoeg roemen kunnen, totaal machteloos te zijn tegenover de omwentelingsmannen, die ons den aanstaanden ondergang in bloed en puin-hoopen van heel de tegenwoordige verrotte maatschappij op sarrend-smadenden toon verkondigen ?
Zoo waait er in onze dagen door de wereld een wind van geestelijke vermoeidheid, van atmatting en van laat-maar-gaan, van strijdschuwheid, van gelijkmaking aller hoogten, van aanvulling aller diepten en van uitwissching aller verschillen ; waarom wij, evenals eene opvoeding en eene politiek, ook eene wetenschap van verflauwing en verzwakking en van verzachtende omstandigheden hebben. Een hoe langer hoe meer aan zenuwzwakte lijdend geslacht heeft vooral van het wonder, dal onnaspeurlijk ingrijpen van een almachtig God, met wien men ieder oogenblik rekenen moet, een hartgrondigen afkeer. Maar ook in elke plotselinge uiting en openbaring van krachten, waarlegen-over dit zenuwzwakke geslacht zich ondanks alle wetenschap en allen vooruitgang totaal hulp- en radeloos gevoelt, vindt het iets griezeligs en antipathieks ; en daarom moeten die verschijnselen zoo mogelijk, ook in het verleden en de toekomst, afgeschaft of met behulp van niets kostende „talloos vele duizenden jarenquot; en desnoods „millioenen jarenquot; wegverklaard worden. Want dat alles is ons te plastisch en te drastisch, te benauwend; — het is nog altijd als de schaduw van den reus achter het gordijn. „Vooral geen voormalige plotselinge schepping!quot; roept deze wetenschap uit, „en geen scherp gescheiden, ook plotseling optredende soorten! geen geologische stuiptrekkingen en beroerten! geen wereldbranden of nieuwgeschapen sterren aan den hemel! —
101
Het zijn slechts veranderingen, met lange perioden! — Weg bovenal met een laatste, beslissende wereldcatastrophe, en niet minder met een wereldgericht! — Het heelal is heel onmerkbaar en zachtkens, rustig en langzaam en vanzelf ontstaan! — En ook die monsterachtige, in het geheugen van alle volken nog met zijne verschrikkingen en zijne vernietiging voortlevende zindof zondvloed, mag hoogstens nog eene overstrooming van het Eufraat- en Tigrisgebied geweest zijn, als welker oorzaak men aardbevingsgolven en cyclonen, zooals zij reeds herhaaldelijk in de golf van Perzië voorkwamen, moet beschouwen;(!) — heeft hoogstens verscheidene dozijnen leemen hutten weggespoeld en vele honderden palmboomen omgerukt!quot; Maar waarom weten dan alle volkeren der wereld slechts van éen zondvloed? — Die onschuldige, kleine, waterige oercel, waaruit alles onmerkbaar is voortgekomen, — dat is een beeld, waarmee men vrede kan hebben! — Maar de sterke Jehova, die op de vleugelen van den storm rijdt, en die de bergen aanroert, zoodat zij voor zijn blik rooken en bersten, en alles wat leeft en de visschen in de zee sidderen bij zijne verschijning, — wat al terugstoo-tende, oud-Hebreeuwsche begrippen! — „Het leven,quot; zegt de groote natuuronderzoeker en botanicus Schleiden, „heeft wellicht het allereerst als een gelijkmatig, slijmerig klompje zijne intrede in de wereld gedaan.quot; — Dat is eerst een liefelijke, geruststellende boodschap! — En op dezelfde wijze waarop het heelal ontstaan is, zal het ook weer, maar eerst over vele, vele millioenen jaren, heel zachtkens tengevolge van ouderdom of zwakte, of langzame afkoeling, voor altijd insluimeren. Bangmaken laten wij ons niet! roept de tegenwoordige wetenschap uit.
Maar God zorgt er voor, dat deze zijne menschheid den angst en het vreezen niet verleert, want die zijn gezond voor haar; zij zou hel anders besterven van hoogmoed en zelfzucht. Hij zorgt er vaderlijk voor, dat nu eens eene aardbeving hunne
102
paleizen en sterke muren als kaartenhuisjes omverwerpt, en dat straks weer hun met de nieuwste veiligheids- en reddingstoestellen voorziene pantserschepen door orkanen en cyclonen tegen de rotsen te pletter worden geslagen, of dat meteoren en lioozen hunne hoofdsteden met den schrik des doods vervullen, — opdat deze menschheid niet voor eeuwig verderve; want de zielen wil Hij redden, al ware het ook ten koste van de lichamen.
En evenals met de wetenschap gaat het met het individu, zij het dan ook onbewust. Het is een naïeve dwaling, wanneer men meent dat de mensch aanvankelijk objectief en onpartijdig deze wereld aanziet, en dan daarop zijn geloof en zijne wereldbeschouwing gaat bouwen. Het geloof of het ongeloof is er voor het weten. Dat omstandigheden, ervaringen, waarnemingen, gevolgtrekkingen en onderrichtingen het kunnen wijzigen, zien wij dagelijks; maar of de mensch zich de wereld in majeur of mineur voorstelt, — of hij haar optimistisch of pessimistisch, sceptisch of geloovig, godvol of goddeloos, doeltreffend of doelloos opvat, — dat hangt niet van de wereld af; want alles is er van den beginne af geweest en zal er tot den einde toe zijn. God stelt zijne wereld als object ter onzer beschikking, en laat het verder aan ons over er ons geloof of ons ongeloof in te leggen; en de mensch, die zich hardnekkig aan het goddelijk licht onttrekt, wordt langzamerhand en onherroepelijk blind.
Daarmede willen wij nu niet zeggen, dat een rechtschapen mensch en een Christen niet ook aan een koude, of slechts matig warme, of ook aan in \'t geheel geen aardkern gelooven mag. — Maar een feit, en een belangwekkend feit ook, is het, dat menigeen, en zooals wij vermoeden uit diepere en hern misschien zelf niet bewuste oorzaken, tegen dit denkbeeld van een centraalvuur zekere antipathie koestert. — Dat de aarde, die zoo vreedzaam lachend in den zonneschijn groent en glinstert, in werkelijkheid een reusachtig groote, drieduizend uur
103
diepe, gloeiende, onstuimige, razende vuurkolk is, onbegrijpelijk heeter dan al onze vuren, en toch in de boeien van eeuwige duisternis gekluisterd, is voor hen een pijnlijke herinnering aan de middeleeuwsche voorstellingen van de hel. Want men vindt ook zelfs nü nog ernstige mannen, die het geloof zijn toegedaan dat God in dit heete, donkere, dof rommelende hart der Terra de geesten des toorns en der grimmigheid heeft opgesloten; die deze in donkeren gloed kokende aardkern, dezen vuuroceaan van vele duizendmillioenen kubieke kilometers inhoud, — in vergelijking waarvan heel Duitse hland of Frankrijk er als nietige strookjes papier uitzien, — voor den Sjeool en den Hades houden; en die gelooven, dat op nog grooter diepte, waar de ondragelijke hitte tot zielenverzengenden gloed en buitenste duisternis stijgt, dat daar de Gehenna ontbrandt, in welker vlammen en pijnen de engelen, die hunne woonstede verlaten hebben, en de verdoemde zielen hun vonnis afwachten, welke — wanneer de aardkorst openbreekt en de wereldverterende lavastroomen zich uitstorten, en „de zee en de hel hare dooden wedergevenquot; — lot millioenen in vlammen zullen opstijgen, om „het oordeel te booren, dat door de eeuwigheden weerklinkt!quot;
Neen, dan is het inderdaad veel genoegelijker, zich daar beneden slechts groote massa\'s afgekoelden trachyt- en bazaltsteen voor te stellen!
Ook wij keeren de verstijfde korst van ons ik naar buiten, door allerlei invloeden van het leven en het lijden gevormd, gestremd en gerimpeld, waardoor slechts zelden eene huivering, eene aardbeving trilt, en waaruit zich slechts zelden een weinig lava een weg naar buiten baant. In het hart ongenaakbaar en onzichtbaar, anderen en hier beneden ook onszelf onbekend zijn de krachten, die voorkomen dat de doodelijke koude der wereldruimte ons langzamerhand tot een ijskogel zou vormen. Wien niet uit zijn binnenste levenswarmte toevloeit, wie in het
1Ü4
hart reeds verkoelt en verkoudf, wie nog slechts door middel van het uitwendige licht en de van buiten vallende warmte een oppervlakkig, anderen misleidend leven leidt, die is als een reeds verstyfd wereldlichaam den ondergang gewijd. Ook bij hem zullen weldra de geestelijke luchtkring en het allesverleven-digende water, het element van alle worden en groeien, in de reten en spleten wegzakken, daar opgeslurpt worden, — en dan drijft hij daar voort, als een doode slak, doelloos, dood, door de eeuwigheden heen, in de eeuwige duisternis.
Maar laat ons tot de aardoppervlakte terugkeeren.
* *
*
Groot en sterk zijn nog altijd de polsslagen dezer innerlijke levenskracht, al zijn zij ook niet met die van een nog jong, opbruisend wereldlichaam te vergelijken. „Aardbevingen en vulkanische uitbarstingen,quot; zegt Alexander von Humboldt, „zijn eene reactie van de vloeibare aardkern tegen de buitenste (zich altijd weer samentrekkende) aardschors.quot; Hij kan gelijk hebben en kunnen behouden, al zal ook menige zoogenaamd tectonische (van t e c t o n, dak) aardbeving wel onmiddellijk door het ineenstorten van onderaardsche holen teweeg zijn gebracht. Tot de zoodanige behooren de loodrechte, waarvan er eene in Chili den 7den November 1837 een dertig voet diep in den grond stekenden en met ijzeren haken bevestigden paal er zoo snel en krachtig uitwierp, dat er nog slechts een rond gat in den bodem achterbleef. Bij de andere soort, de ondulatorisch of golfsgewijs zich voortplantende aardbevingen heeft men meermalen, bijvoorbeeld in Calabrië, den grond en zelfs de toppen der heuvelen en bergen, afwisselend zien rijzen en dalen. Maar de gevaarlijkste zijn de kringvormige, waarbij ook electrische stroomen in \'t spel komen en allerlei zonderlinge verschijnselen teweeggebracht
105
worden. Zoo werden door zulk eene aardbeving in Italië de drie stammen van een palm als in elkander gevlochten, en de op elkaêr rustende hardsteenen blokken van een pilaar ieder een achtste verdraaid. Zeer groot is dikwijls de oppervlakte waarover zulk eene aardbeving zich uitstrekt, bijvoorbeeld die van Lissabon over zevenhonderdduizend vierkante mijlen, over Noord-Afrika, de Antillen, de kust van Noord-Amerika en geheel Europa, waarbij het Murtenmeer in Zwitserland ongeveer zes voet daalde. Zoo heeft volgens Lyall (Deel I, bladz. 72) éen enkele aardbeving de kust van Chili over eene lengte van bijna honderd mijlen wel vijf voet doen rijzen! Zoo werd den 16den November 1827 éen en dezelfde aardbeving in Columbia en tegelijkertijd negentienhonderd mijlen ver in Siberië waargenomen. De onderaardsche ontploffingen van den jongen, slechts vijfhonderd voet hoogen Coseguina in Midden-Amerika werden bij de vreeselijke uitbarsting in 1834 tweehonderddertig mijlen verder, te San Fé, als onmiddellijk onder den grond gehoord. Zulke feiten bewijzen hoe diep de eigenlijke zetel en oorsprong der aardschudding gelegen is.
Het verband tusschen de aardbevingen en de vulkanische uitbarstingen is bewezen. Zoo werd bij de aardbeving van Lissabon de Vesuvius plotseling rustig, en sloeg zijne rookkolom in den krater terug, terwijl in Zuid-Amerika op hetzelfde oogenblik een vulkaan een reusachtige zwarte rookzuil uitbraakte. De Zuid-Amerikaansche volksstammen vreezen geen zware aardbevingen bij geregelde werking van de vulkanen der Cordilleras de los Andes, zoodat de vuurspuwende bergen in dit opzicht als veiligheidskleppen schijnen dienst te doen. Ook lossen vele vulkanen elkaêr wederkeerig af; zwijgt de een, dan begint de andere te brullen en te spuwen. Zoo moeten de IJslandsche vulkanen en de Vesuvius reeds een in \'t oog loopenden onderlingen samenhang vertoond hebben.
106
Grootsch en majestueus zijn ook de werkingen dezer vuurspuwende bergen. Zoo de vorming van den zestienhonderd voet hoogen Jorullo in Mexico op éen dag in het jaar 1759; de uitbarsting van den Hekla op IJsland in 1783, die binnen den tijd van weinige uren een lavastroom ter breedte van vijftig Engelsche mijlen uitstortte, genoeg om den hoogsten berg der aarde te vormen. De Gunung-Temboro op Sumbawa wierp in April 1815 volgens Junghun\'s berekening minstens negen billioen kubiek voet asch uit, dus genoeg om acht a negen vierduizend achthonderd voet hooge Vesuviusbergen te vormen. Eindelijk hebben Uslandsche vulkanen in het jaar 1763 zooveel lava uitgeworpen, dat er zevenhonderd bergen als de bovengenoemde vulkaan Gunung uit gevormd konden worden (volgens O. Peschel, Physische Erdkunde, Deel I, bladz. 259).
Monsterachtig heet is dat hartebloed van ons aardlichaam! Nog na een loop van zes uren was in het jaar 1794 de lava van den Vesuvius in Torra del Greco heet genoeg om de door haar ingesloten, maar niet aangeraakte koperen voorwerpen te doen smelten, en zink en koper te ontleden, en liet laatstgenoemde in prachtige kristallen te veranderen (Roszmaszler, Geschichte der Erde, bladz. 164.) Tien jaar tijds had de in 1614 uit den Etna gestroomde lava noodig om af te koelen; ja, Berghaus verhaalt ons, dat de honderdzestig meter dikke lavalaag van den Jorullo na verloop van achtenzestig jaar nog gerookt heeft!
Klassiek grootsch was de uitbarsting van den Kraka-tau in het jaar 1883. Reeds den 203ten Mei steeg er met een driehonderdvijftig kilometer ver hoorbaar gedonder een elfduizend meter hooge rookkolom op, en een hagelbui van puimsteenen kwam wijd en zijd in zee neder en belemmerde de scheepvaart. Maaiden 26sten Augustus, na een langdurig onderaardsch gerommel, had er eene losbarsting plaats, die de gezamenlijke Sunda-eilan-den, de groote eilanden Sumatra en Borneo met schrik ver-
107
vulde en over een omtrek van drieduizend kilometer gehoord werd. Zelfs te Batavia werd het volslagen nacht. Vele vierkante kilometers land waren tegelijk met een duizend voet hoogen berg plotseling meer dan vijfhonderd voet diep in zee gezonken; de kaart der eilanden daaromheen was totaal veranderd. Een gedeeltelijk honderd voet hooge golf spoelde duizenden menschen weg, en de doodelijk ontslelde scheepskapiteins voeren lang tusschen lijken door en vonden de vanouds bekende eilanden niet meer terug. Die golf liep in den tijd van weinige uren om de gansche aarde heen, en verscheidene maanden lang was de dampkring onzer aarde met een fijn, vulkanisch stof gevuld, dat aan het luchtruim een merkwaardig roodachtige kleur verleende.
Hoe geducht, die toorn der aarde! Hoe nietsbeduidend ia vergelijking daarvan onze vuurwerken, buskruit- en dynamiet-ontploffingen! — En toch... hoe klein zullen deze schrikwekkende uitingen dor innerlijke kracht nog zijn, vergeleken met de vroegere; want ook de aarde gehoorzaamt, evenals al het organische, aan de wet der veroudering. Hoe moeten indertijd, toen de aarde in haar vurige jeugd nog inwendig brandde, de ingesloten krachten nog geheel anders gewoed hebben en vaak met een wijd en zijd in de wereldruimte hoorbaar gebrul, mot op de maan. Mars en Venus misschien zichtbare vlammenuit-barstingen, de nog dunnere aardschors hebben doen barsten, en de planeten in een honderdjarigen, door vlammen en bliksemstralen afgewisselden nacht gehuld hebben. Dat waren de geboorteweeën van de woonstede der menschen. — Toen op Gods bevel op den grooten derden dag het droge zich uit de diepte verhief, hoe „versmolten toen de bergen als was voor het aangezicht des Heeren!quot; Hoe ,rezen de bergen op en daalden de dalen ter plaatse, die God voor hen gegrond had!quot; Wat zal dat een onbeschrijfelijk grootsch schouwspel geweest
108
zijn, toen gansche vastelanden met duizenden vulkanen zich langzaam uit de diepte ophieven, en geheele bergketenen zich midden in den woedenden strijd tusschen vuur en water hoe langer hoe hooger vormden! — Men kan het nog aan de keten van de Cordilleras de los Andes zien, hoe zij uit een groote, van het noorden naar het zuiden zich uitstrekkende spleet der aardschors is opgeweld, en hare vulkanen zijn de bloedende, nog niet geheelde aardwonden. — Deze onnkeeringen en revolutiën, die zich volgens de natuurwet en Gods besluit op bepaalde tijden en met bepaalde tusschenruimten herhalen moesten, deden de scheppingsnachten ontstaan, zooals de Heere onze God ze aan Mozes — misschien in de veertig dagen, die hij tweemaal op den Sinaï, zonder te eten of te drinken, in de aanschouwing der Godheid verdiept, doorbracht — in visioenen der eeuwigheid toonde, opdat hij er ons bericht van zou geven.
Zoo verhieven er zich indertijd, al was het dan ook niet op eenmaal, uit de diepte, die de vroegere aarde bedekte, vastelanden met een totale oppervlakte van honderdvijfenveertig millioen vierkante kilometer, waarbij de boven de zeeën uitstekende massa\'s op circa honderdmillioen kubiek-kilometer met een onberekenbaar gewicht begroot kunnen worden. Welk een arbeid! — Indien alleen deze onderaardsche krachten aanwezig waren, zou de oppervlakte der aarde aan die der maan gelijk zijn. Een rijk aan kloven en tanden, in \'t wilde gescheurd, tienduizend voet hoog vertakt opstijgend gebergte! Ontoegankelijk, onbeklimbaar, alle verkeer ten uiterste bemoeilijkend, dikwijls onmogelijk makend! Welk een zonderlinge menschheidzou zich, indien het althans mogelijk geweest ware, daar ontwikkeld hebben! Vele duizenden mierenhoopen, die niets van elkander af-
109
wisten! — Maar zelfs zulk een leven zou ternauwernood mogelijk geweest zijn, want de aarde bood geen bebouwbare vlakten aan. Waar waren de landerijen, de akkers, de velden, de weilanden? Waar de losgewoelde bodem, de eigenlijke aarde, de humus? — Daarvoor heeft God gezorgd door den even ge-wichtigen kringloop der wateren, die den geweldigen arbeid van het inwendige vuur tegenwerkten, overeenkomstig de wet der circulatie bij alle organismen. — In de langgerekte vezels der plant stijgt het reeds door den wortel afgezonderde sap op, volbrengt zijn cirkelloop door al de deelen, en neemt dientengevolge allerlei vormen aan; bladeren, bloemen en vruchten,— en het overschot van dien levenden stroom vloeit tusschen bast en stam weer naar beneden. Evenals er zich in den mensch uit de zee des harten, zooals Dante het noemt, bloedrivieren in het geheele lichaam uitstorten, om onophoudelijk naar het hart terug te keeren, waardoor een gestadige groei en voeding van alle deelen mogelijk wordt gemaakt, zoo draaien en stroomen ook onophoudelijk de wateren der aarde en bestrijden het vuur, dat toornig voortstuwt en opheft en uitstoot, met een zachte, effenende beweging. Uit alle zeeën en meren en vijvers en plassen stijgen zij onophoudelijk en onzichtbaar op; de Amazone-en Mississippi- en Rijnstroomen, de riviertjes en beekjes hoog in de wolken, uit de Bodenzee of het meer van Constanz alleen meer dan een millioen tonnen water per dag! Stonden zij naast elkander geschaard, met kuipen gewapend, langs de zeestranden, al de vijftienhonderd-millioen menschen der wereld, en schepten zij onvermoeid voort, dan moesten zij zeventigduizend jaar lang werken, eer zij uit den oceaan zooveel water geschept hadden als de zon zonder de minste of geringste moeite door middel van hare stralen ieder jaar vele duizenden meters hoog oppompt; want in haar zijn krachten der Godheid. — En ook de door de zon geschapen winden verdeden het meestal on-
110
zichtbare water ook in dampen, nevels en wolken, en stuwen ze zacht en snel met engelenmacht daarheen, waar God over de dorre landen den vroegen en den spaden regen wil zenden. Dan druppelen, regenen, stroomen er naar omlaag millioenen emmers water in een nacht, binnen den tijd van een paar uur, en begieten de aarde, zoodat zij zich in een kleed van levend groen kan hullen. Van dat water zuigen de planten de helft op, en de andere helft kabbelt als beekjes en stroomt als rivieren weder zijn eindeloozen loop, spoelt het stof uit de lucht weg, neemt van de rotsen het verweerde en afbrokkelende mede, wrijft het tot fijn slib, en spreidt het in millioenen wagenvrachten over de vlakte, zoodat de mensch op het doorweekte aardrijk ploegen en zaaien en oogsten kan.
En omdat God een God der schoonheid is, heeft Hij uit dezen onontbeerlijken kringloop der wateren een eindelooze schoonheid geschapen. Hoe schoon zijn de wolken; de massieve, monumentaal zich ophoopende, onweer voorspellende wolkbanken ; de langge-strekte, verandering van weer en wind brengende stapelwolken; de als uitgepluisde wol het hoogst zwevende vederwolken; en zelfs de laag boven de aarde hangende, berg en kloof in een fantastisch gewaad hullende regenwolken! — Maar om die wereld te kennen en te bewonderen moet men tot haar opstijgen. Luchtreizigers verhalen ons, hoe in de hoogere luchtstreken, hun geboorteland, deze prachtige groepen zich nu eens als eene zee van sneeuwgolven onder hen uitbreidden, dan weer als magische bergketenen, too verachtig verlicht, zich hoog in den donkerblauwen hemel verhieven, steeds hunne vormen wisselend; als paleizen en tempels eener hoogere wereld boven het stof, het vuil en het gewoel der lagere zwevend, in zoo plechtige, absolute stilte als de oppervlakte des aardbodems er geene kent. Overweldigd door de schoonheid dezer wolkenwereld, barstte eens een medereizende dame in tranen uit en stamelde
zij snikkend: „Vergeef mij, o God! dat ik het gewaagd heb, reeds voor den dood dit uw heilig gebied te betreden!quot;
Hoe siert deze kringloop des waters de oppervlakte der aarde, en verrijkt hij ons geestesleven! — Bovendien arbeiden deze wateren onvermoeid aan de gelijkmaking der geheele aarde, spoelen zij bergen en vastelanden in de diepte, en verhoogen zij daarmede den donkeren, onbekenden bodem der zee, als wilden deze zeeën de trotsche hoogten, die zich eenmaal uit hen ophieven, weder verslinden. Zoo heeft de Chineesche Gele zee in historische tijden een delta van minstens tweehonderd vijftigduizend vierkante kilometer gevormd, — een der belangrijkste en vruchtbaarste provinciën van China. De Nijl heeft, zeiden de ouden reeds, Egypte geschapen. De Po vult jaarlijks met twee-en-veertig millioen kubiek meter slib de Adriatischo zee aan, heeft de vette Lombardische vlakte aan de Alpen ontrukt, evenals de Rijn de Nederlanden uit Duitschen bodem heeft gevormd, en voert, naar men zegt, bij haar hoogsten stand en bij troebel water in den tijd van vier-en-twintig uur voorbij Bazel vijfhonderdduizend kubiek voet aarde, dus eene vracht voor vijf-en-twintigduizend wagens met twee paarden. Uit de brokstukken en afvallen der Cordilleras heeft de reusachtige Amazonerivier gezamenlijk met de Madeira, de Tocantin en den Orinocco, in vergelijking met welke rivieren de Bijn slechts een beekje is, de nog dikwijls overstroomde vlakten van Zuid-Ame-rika gevormd. Wanneer de arbeid van alle rivieren, gelijk men berekend heeft, jaarlijks nagenoeg drie-en-twintig milliard kubiek meter aarde zeewaarts doet drijven, zou daardoor in den tijd van omstreeks vier millioen jaren de bovengenoemde circa honderd millioen kubiek kilometer bedragende massa der vastelanden afgespoeld en de oppervlakte der aarde in een groot moeras veranderd kunnen worden.
Merkwaardig stemmen met deze feiten de waarnemingen
112
omtrent de oppervlakte van Mars overeen. Niet alleen geeft deze planeet, die theoretisch wegens haar geringere grootte en vroeger ontstaan sterker afgekoeld moet zijn dan de aarde, ook een betrekkelijk veel kleinere zeevlakte te zien, — maar het schijnt hoe langer hoe duidelijker, dat deze zeeën gemiddeld zeer ondiep zijn en alleen gedurende den smelttijd der sneeuw groote landstreken overstrooraen. Daar begon dus de kringloop der wateren op de innerlijke krachten de overhand te krijgen, en zou hij reeds met de afgespoelde gebergten de zeeën ten deele gevuld hebben.
Zoo arbeiden en veranderen vuur en water onophoudelijk aan de gestalte der aarde.
* *
Het is eene wet der schepping, dat alles en iedereen een vorm, een omtrek, een aanschijn, een profiel heeft. Een vorm, een aanschijn heeft ieder boomblad ; geen twee bladeren zijn volkomen aan elkaêr gelijk en gelijkvormig ; ieder koraaldiertje, en ook zelfs het kleine kommabacilletje, heeft zijn aanschijn, waaraan men het uit vele andere soorten herkennen kan.
Ten tweede is het eene wet, dat elk aanschijn zijne geschiedenis en biographie bevat en den deskundigen verhaalt, wat het al heeft beleefd en medegemaakt, en door welke krachten, invloeden, tegenwerkingen en worstelingen het datgene is geworden, wat het thans is. Elke kiezelsteen verhaalt ons door zijne afronding of zijn hoekige vormen en de er doorheen loo-pende kalkspaatlijnen zijne levensgeschiedenis sedert den tijd toen hij nog zeeslib was.
Een derde wet is, dat dit aanschijn onophoudelijk, zij hei dan ook langzaam en allengs, verandert, om steeds de adaequate en volledige uitdrukking van het vroegere en het tegenwoordige, van het groeien en het afnemen te zijn.
113
Zoo ook de aarde! — De rots, de berg, het eiland hebben een aanschijn, een profiel; zoo bijvoorbeeld de Tafelberg en de kust van Spitsbergen, de eilanden Gapri en Teneriffe, waaraan de zeeman na eene reis van vele honderden mijlen hen onmiddellijk herkent, zoodat hij weet waar hij is. De eene berg ziet er niet uit als de andere; de Vesuvius niet als de Etna, de Jungfrau niet als de Mönch, en alleen hij die dit profiel, dit aanschijn ziet en begrijpt en treft, is een landschapschilder.
Ook het aanschijn der aarde verhaalt hare geschiedenis, en hoe eilanden en bergen ontstaan zijn, uit de diepte omhoog geheven, door het water afgewasschen, door den ouderdom gekloofd en gespleten, onder langzaam opgestapelde humuslagen bedekt, door reusachtige rivieren drijvend voortgestuwd, door golven afgespoeld, onder zand begraven. Elke rimpel, elke plooi, elke spleet en elke groef, inham of vooruitstekende landtong en kustlijn is een veelbeteekenend merkteeken; alle hebben zij hunne oorzaken en hun verleden. En het een oefent weder-keerig invloed op het ander. Als de kolossale bergreus er niet was, met zijn groote magazijnen van ijs en sneeuw, dan zou de groote rivier niet kunnen neerstroomen; en vloeide deze slechts langzaam en gelijkmatig over graniet en bazalt, dan bleef haar water schoon en rein, en zou zij niet door een goed bebouwde, door eerlijke, vlijtige en brave burgers bewoonde vlakte hebben gestroomd.
Daardoor vormt een aardrijkskundige kaart een aantrekkelijk en belangwekkend tafereel; zij verhaalt van oorzaken en wisselwerking, van heerschende winden en van de hoeveelheid regen, van het zachte en het strenge klimaat, van de diepte der zeeën, en van geologische en mineralogische neerslagen. Hare bergketenen en rivieren en kustlijnen en landomtrekken behooren bijeen en zijn in overeenstemming met elkaèr; als het een er niet was zou het andere er niet kunnen zijn. Niets is hier toe-
8
114
vallig. Dit wordt iemand terstond duidelijk, wanneer hij de phantastische landkaarten der ouden, tot nog in de vorige eeuw toe, met de prachtige van een Kiepert, een Andree, een Stieler enz. vergelijkt; de eerstgenoemde doen u onwillekeurig denken aan de menschengezichten, die de kinderen met een stuk krijt of potlood op den muur krassen; en deze overeenkomst tusschen die „teekeningenquot; en die „kaartenquot; is een natuurlijk gevolg van éen en dezelfde oorzaak, namelijk het gebrek aan samenhang en evenredigheid, aan de betrekkelijke positie en grootte van oog en oor en neus en kin, terwijl ook in den regel de achterschedel, die meer verborgen factor van het gelaat, daarbij niet tot zijn recht komt. En zoo is het ook met de oude kaarten gesteld. De reusachtige hoogvlakten en achterlanden, waarzonder er geen configuratie zou bestaan, vallen, als tamelijk onbekend, weg; de meer in \'t oog vallende gelaatstrekken, de meer bekende kusten, het eigen land en zijne koloniën, worden buiten alle evenredigheid vergroot. Daartusschen loopen er dan hier en daar rivieren, waar \'t het best uitkomt, en eenige toevallige, lijnrechte berggroepen krabbelen zonder reden of zichtbaren samenhang dwars door schiereilanden en vastelanden heen; een echte carri-catuur van het portret der goede oude Terra!
Maar aan welke geweldige krachten hebben de vastelanden der aarde hun eigenaardige vormen te danken?
Dat hunne ontwikkeling niet louter toevallig was, toont ons een blik op de wereldkaart. In de richting van de zuidpool loopt alles op lot hooge voorgebergten of schiereilanden, o. a. Amerika, Afrika, Indië, en ook de kleinere: Groenland, Zweden, Spanje, Italië, Griekenland, Arabië, Indië, Achter-Indië, Korea Kamschatka, Californië en Florida, — een merkwaardig verschijnsel ; alleen Denemarken maakt eene uitzondering. De bovenste vlakkere helft, zooals Rusland, Siberië, Noord-Amerika, met vele groote meren afgewisseld, maakt den indruk van een indertijd
115
overstroomd, thans half drooggelegd land. Deze vorming moet het gevolg zijn van nog onontdekte factoren in de ontwikkeling der aardoppervlakte. — Zooals reeds aan de overeenkomst der gestalte van Afrika met het omgekeerde Zuid-Amerika te zien is, vormt de kleinere en aan vormen armere nieuwe wereld een contrast met de grootere en rijker gelede oude wereld, een contrast dat, merkwaardig genoeg, ook in de dieren- en plantenwereld valt waar te nemen. Evenals de bison trekken van overeenkomst heeft met den aueros of oeros, de zilvergrijze beer met den bruinen beer, de puma en jaguar met den leeuw eu den tijger, de alligator met den krokodil, de vigunia en de lama met het schaap en den kameel, en de condor met den lammergier, zoo is er ook zichtbare overeenkomst tusschen het maïs en het koren, tusschen cacao en koffie, tusschen den aardappel en onze knolgewassen, tusschen tabak en hadschi, enz.; — en het is alsof er op deze nieuwe wereld een echo der goddelijke scheppingswoorden heeft weerklonken. — Evenals Zuid-Amerika en Afrika in hun vorm met elkaêr overeenkomen, zoo ook de Amazone-rivier en de Niger, de Magdalena-rivier en de Nijl, de landengte van Panama en die van Suez. Maken wij eene vergelijking tusschen Europa en Azië, dan vinden wij bij alle twee in het zuiden drie schiereilanden; allereerst Spanje en Arabië, beide tamelijk vierkant, rotsachtig en dor, daarna Italië en Engelsch-Indië, beide in het noorden door de reusachtigste bergketenen van het vasteland, door de Alpen en den Himalaya begrensd, vanwaar hier de Po en daar de Ganges neerslroomen. Met een bijzonder in \'t oog vallende overeenkomst loopt er door de beide schiereilanden over de lengte een bergketen, de Ghats en de Apenijnen, en zijn beide aan de zuidelijke punt voorzien van een eiland, waarbij de Adamspiek met den Etna overeenkomt. Voorts vindt men bij beide vastelanden een rijk aan bochten en inhammen, en met vele eilanden omgeven schiereiland: Griekenland en
116
Achter-Indië; en evenzoo, hooger op, dezelfde landwaarts inloo-pende bochten: de Golven van Biscaye en van Tongking; daarna de eilanden Engeland en Japan, de schiereilanden Denemarken en Korea, Zweden en Kamschatka. De Yantse-Kiang, de Hoengo en de Amur komen overeen met de Loire, de Seine en den Rijn. — Waartoe en vanwaar dit duidelijke parallelisme en deze herhaling van dezelfde gedachte? Wij weten het niet. — Maar wel zijn de geestelijke vruchten daarvan in de wereldgeschiedenis na te speuren. Trotsch, onafhankelijk, zelfgenoegzaam, oorlogzuchtig, afgezonderd van andere volken, hebben de Spanjaarden en de Arabieren zich op hun granieten en kwartszandigen bodem ontwikkeld; en de guerilla-oorlogen der Spanjaarden herinneren levendig aan Arabische toestanden. De hoofdrollen daarentegen vervulden gelijkmatig in Europa en in Azië de bewoners van Italië en van Indië: de Romeinen en de Hindoe\'s; zooals ook in de geschiedenis van beide volken invallen uit het noorden, hetzij over de Alpen of over den Hindoekoesch, een groote rol spelen. Al komen ook de Grieken in menig opzicht minder met de bewoners van Achter-lndië overeen, de kolossale tempelruïnes in het koninkrijk Siam getuigen toch van ontwikkelden kunstzin, en evenals de Grieken tot op den huidigen dag, zijn ook de Maleiers stoutmoedige zeelieden. Eindelijk heeft men reeds dikwijls de Japanneezen „de Engelschen van Aziëquot; genoemd, zooals zij dan ook tegenwoordig bezig zijn zich tot de voornaamste maritieme mogendheid van Azië te ontwikkelen. Zoo kweekt de woestijn evenals de zee rooversvolken; zoo ontstaan er groote rijken aan zee of langs groote rivieren, — want zonder water geen beschaving! Evenals Griekenland veel van zijne inteliec-tueele macht en bekwaamheid aan de heerlijke verdeeling des lands en de prachtige verhouding tusschén zee en land te danken heeft, in vergelijking van het massieve Spanje, — zoo is het ook geen toeval, dat het aan bochten en inhammen zoo rijke
117
Europa hoe langer hoe meer de leiding in de wereldgeschiedenis neemt.
Nooit ontstond er een machtig volk of een duurzaam rijk, dat niet op een geographische eenheid gegrond was; en als eene windvlaag op een dorre vlakte verging ook de vernietigende macht van de koningen der steppen; Attila, Tschingiskhan en Tamerlan.
Zoo staat met de aardrijkskundige configuratie der vastelanden de geschiedenis en de ontwikkeling der volkeren in verband; en deze geschiedenis, en derhalve ook die van het individu, staan weer in verband met geologische omwentelingen, die reeds lang voor de schepping van den mensch hebben plaats gevonden.
Zoo gelooven de volkeren in hun eigen macht en volgens hun eigen wil her- en derwaarts te trekken, door hun eigen moed, werkkracht en wijsheid groot, rijk en verstandig te zullen worden; en hun bestaan, hunne daden en hunne welvaart, hunne bestemming en hun karakter hangen van gedachten Gods af, die Hij in zijne Natuur legde, lang eer er Duitschers, Engel-schen, Noren en Franschen waren, —ja, eer Hij Adam schiep!
Hoe groot en schoon, wanneer men bedenkt, dat — toen God den zeeën beval zich te stellen in hunne plaats en zijn vinger de kusten teekende, zijne hand de eilanden uitstrooide als zand, en Hij den zeestroomingen beval her-en derwaarts te vloeien,— Hij reeds aan de volken dacht, die Hij hierheen en daarheen wilde zaaien, opdat sommige op hun granieten bodem gehard en trotsch en standvastig, andere in een zachte vlakte vergenoegd en fijngevoelig, en nog andere in het gebergte dapper en stoutmoedig, of aan het strand der zee handeldrijvend en rijk werden. — Evenals Jeruzalem reeds nu het middelpunt der oude wereld en der wereld in \'t algemeen vormt, zoo zal het in waarheid eenmaal op de nieuwe aarde zijn. „Uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem,quot; zegt de profeet. Dan
118
zullen er twaalf koningen en zeventig vorsten uitgaan van daar door de geheele wereld, doch niet meer zonder staf of buidel, maar met macht en heerlijkheid, en de natiën richten volgens de wet van Jehova!
* *
*
Volgens bovenbedoelde wel is er bestendig verandering in dit aanschijn des aardrijks. — Eens was het zacht en rond als het gezichtje van een klein kind, toen uit den tenminste nog lauwen, de aarde bedekkenden oceaan zich zacht en laag de eerste heuvelen verhieven. Golfsgewijze, koepelvormig, zacht afloopend; gebergten waren er nog niet; maar met het komen van den jongelings- en den mannelijken leeftijd werden de gelaatstrekken duidelijker en scherper, kregen zij meer kracht en energie; na de zachte Vogezen kwamen de stoere Pyreneeën en het Juragebergte, daarna de trotsche, koene Alpen en de nog rookende en van lava bloedende Andes. Nog altijd wordt dit gelaat des aardrijks ook door onmerkbaar voortgaande werkingen veranderd. Ook de voor oorlogszaken ontworpen typo-graphische kaarten, en de voor het aanleggen van spoorweg-en kanaalwerken benoodigde opmetingen leeren ons hoe langer hoe meer, dat er op heel het vasteland geen punt bestaat, dat niet bij een opwaarts- of nederwaarts gaande beweging betrokken is, en geen enkele kust die niet langzaam rijst of daalt.
Zoo rijst het Scandinavische schiereiland langzamerhand omstreeks zes voet in de honderd jaren, een onbegrijpelijk kolossale overwinning der zwaartekracht. Italië schijnt zich gedeeltelijk om de Apenijnen zoodanig rond te draaien, dat de westelijke kust, bijvoorbeeld bij Pisa, zich langzaam verheft, en de oostelijke, o. a. bij Ancona, gestadig daalt. Bij Pozzuoli daarentegen bewijst de bekende Serapis-tempel op ondubbelzinnige wijze met zijn
119
door pholaden doorboorde, thans weder boven het water uitstekende zuilen het afwisselend dalen en rijzen der kust te dier plaatse. Nog sterker rijst de westelijke kust van Zuid-Amenka, o. a. bij Peaco sedert honderdvijfenzeventig jaren met vierentwintig voet. De westkust van Noord-Amerika rijst, en de oostkust daalt; zoo zegt men dat de Delaware-baai jaarlijks zes voet oeverrand verliest. Evenzoo gaat het in Groenland, en nog meer in de Zuidzee.
Eer de Po met zijn reusachtige neerslagen de Lombardische vlakte vulde, waren de meren van Opper-Italië prachtige fjorden van de Adriatische zee, bijvoorbeeld de nog elfhonderdnegentig voet en zeventienhonderd voet beneden den waterspiegel der Adria liggende Como- en Maggiore-meren; en zelfs in het Garda-meer huizen thans nog twee zeevisschen (blennius en go-bi u s) benevens eene soort van garnalen. (O. Peschel).
Nóg merkwaardiger is het, dat — zooals uit zijne diepte (ligging beneden de IJszee tweeduizend-vijfhonderd voet) en uit de daarin nog huizende, thans aan zoet water gewende zeehonden is af te leiden, — het Baikalmeer ook als het overgebleven einde van een langen Siberischen fjord beschouwd moet worden: de reusachtige Jenitschei- en Lena-rivieren hebben hem met hare aanspoelingen van de zee afgesneden. Dat er vroeger geen straat van Gibraltar bestond, en de Middellandsche zee zich daarentegen ver in de Sahara tot bij de Syrten uitstrekte en met de Roode zee in verband stond, is tamelijk zeker. „Door de doorbraak der Zwarte zee,quot; zegt een oud, door Strabo aangehaald geschiedschrijver (Strabo I, I c. 3), „zwol de Middellandsche zee zoo geweldig, dat zij de lage landen van Noord-Afrika tot aan den tempel van Jupiter Ammon toe, en Egypte tot aan Pelusium overstroomde.quot;
Onophoudelijk verandert de oppervlakte en de gestalte der aarde.
120
Twee groote eenheden vormen de oppervlakte onzer planeet: het land en de zee; op het eerste de berg en de hoogte, inde tweede de vlakte en de diepte. — Tot het meest grootsche en majestueuze wat de aarde oplevert, behoort de zee. In \'t eerst verwekt zij bij den mensch, door de onmetelijkheid en eenvormigheid barer oppervlakte en door de zoo absoluut eenvoudige horizontlijn eenquot; gevoel van leegte en van teleurstelling, alsof zij hem te weinig te denken gaf; maar bij nauwkeuriger kennismaking geeft zij daarna hoe langer hoe meer den indruk van iets groots, van iets dat de ziel doet bedaren en uitrusten, van het eenvoudige en machtige, met een ernstige treurigheid gepaard. Want de zee is een bestendige, gezonde, bittere vernietiging der kleingeestige individualiteit, een nu eens lachende, dan weer toornige, steeds besliste ontkenning van de macht des menschen. Bergen die hem in den weg staan doorboort de mensch ; over afgronden, al zijn ze nog zoo diep, slaat hij eene brug; in het diepste moeras kan hij palen slaan en daarop bouwen; door het zand der Sahara graaft hij het Suez-kanaal; — maar de oceaan spot met zijne macht; op deze wijde, toch zoo zachte, schijnbaar vriendelijke en handelbare vlakte vermag bij met al zijne macht en zijne wetenschap tóch zijn spoor niet te teekenen, zijn naam niet te schrijven !
Ook door haar eeuwige jeugd is de zee groot; de aarde vertoont zoovele sporen van ouderdom en verweering. Het verweerde gruis, zand en puin van ingestorte gesteenten, zoo menige ruïne, zoo menige verdorde tak, — alles herinnert aan strijd, dood en vergankelijkheid. Maar de zee is op den huidigen dag nog even frisch, even blauw, even helder, even jong als op den eersten dag der schepping; de kleine golfjes vertoonen geen spoor van vermoeidheid en dansen nog altijd even vroolijk hun eeuwige reien! Ook het onbegrensde der zee maakt een weldadigen indruk. Op de aarde altijd muren, kloven, heiningen, hinder-
121
palen; op het wijde zeevlak niets dan zonneschijn en levenslusl; geen blijvende rimpels, noch groeven, noch litteekenen van oude wonden. Eeuwig jong en eeuwig vrij is de oceaan, want hij werd niet, zooals de akker, eenmaal vervloekt.
Doch de zee is niet oen groote, gelijksoortige watermassa, want ook hier vindt men allerlei bewegingen en geledingen. En ook zij gehoorzaamt aan de wetten des levens.
Ten eerste volgen de wateren gewillig de aantrekking van zon en maan, en vormen zij een hooge vloedgolf, die in den tijd van vierentwintig uren rondom de aarde loopt; tweemaal daags rijst en daalt als onder een zware ademhaling de boezem der diepte: een indrukwekkende levensuiting, die slechts eenigermate naar waarde geschat kan worden door dezulken, die haar met stille verbazing hebben gadegeslagen.
Maar veel grootscher en geweldiger nog is door alle oceanen heen de kringloop hunner wateren. Ook hier vertoont zich de groote, de allesbeheerschende wet, de terugkeer tot den oorsprong.
Aangezien er aan den aequator veel meer water verdampt dan aan de polen, stroomen de zuid- en noordzeeën steeds naar den aardgordel toe. Deze groote stroomingen worden zoowel door de winden als door den vorm van de vastelanden en den zeebodem herhaaldelijk tegengehouden en afgeleid, en zoo zijn de zeeën steeds in zichzelven terugkeerende, dikwijls snel vloeiende, boven alle beschrijving groote stroomen, met welker loop de zeeman goed bekend moet zijn, wil hij een snelle reis doen. Zoo vloeit er uit den Indischen oceaan in de richting van de Kaap de Goede Hoop een breede stroom warm water, loopt om de zuidpunt van Afrika den Atlantischen oceaan in, daarna naar Zuid-Amerika over, en eindelijk de Golf van Mexico binnen. In dezen ketel worden de wateren zoodanig verhit, dat zij zich met eene snelheid van zes kilometer in het uur, om de
122
zuidpunt van Florida heen, als een reusachtige stroom in den noordelijken Atlantischen oceaan uitstorten. „Er bevindt zich eene rivier in de zee,quot; zegt de uitstekende kenner der zee, luitenant Maury, „zoo breed en diep en groot als er op aarde geen is; die bij de strengste koude nooit dichtvriest, en ook nooit de haar gestelde grenzen overschrijdt; welker oevers en bodem uit muren van kouder en zwaarder water bestaan; rneeslee-pender dan de Amazone-rivier, wilder en woester dan de Mississippi, en duizendmaal waterrijker dan deze beide grootste rivieren samen,quot; zooals zij ook in lengte hun loop vele malen overtreft. Zelfs in de zoogenaamde „engtenquot; bezit deze reusachtige rivier nog altijd eene breedte van veertig mijlen en eene diepte van twaalfhonderd voet; zij is dus met verscheidene naast elkander voortstroomende Bodenzeeën te vergelijken, en stort gemiddeld per seconde achttien-millioen kubiek meter water van 21quot; Celsius warmte in den kouden oceaan.
Grootsch en indrukwekkend is voor den zeeman langs de oostkust van Noord-Amerika de plotselinge overgang van den kouden, dicht langs de kust vloeienden Poolstroom in den warmen Golfstroom. Heeft tusschen Newfoundland, Boston en New-York de bemanning zich afgemat en uitgeput in den strijd met mist en nevels, met de drijvende ijsbergen en met eene koude die vaak schip en tuig met een duimdikke ijslaag bedekt, — dan wijkt de kapitein nu en dan eenige mijlen van zijn koers af, en als door een tooverslag is alles veranderd: helder weder en vriendelijken zonneschijn vinden zij hier, en in het warme water kunnen zij nu hun verstijfde ledematen baden. Zoo verhaalt admiraal Milne dat zijn schip, bij den overgang uit de eene strooming in de andere, van achteren in geelachtig-groen water van slechts 4°, en van voren in indigo-blauw van 20quot; Celsius geweest is. In schilderachtig schooné bewoordingen beschrijft Maury, hoe de met den Noordstroom medezwemmende en aan
123
het ijswater gewende walvisschen den lieeten stroom zoo angstvallig als eene vlammenzee mijden.
Evenals de rivieren van het vasteland hunne oevers besproeien en gansche landen vruchtbaar en bewoonbaar maken, zoo ook, maar in veel hoogere mate, overeenkomstig de grootschheid en geweldigheid van haar karakter, deze reuzen-zeerivier. Van haar hangt voor het grootste gedeelte de welvaart van Europa, dit werelddeel dat heel de overige aarde beheerscht, en zijne geschiedenis af. Zóo machtig is deze stroom, door de Amerikanen „vaderquot; of „koningquot; der stormen genoemd — wegens de door het verschil van temperatuur aan zijne grenzen veroorzaakte stormen, — dat hij nog warm de westelijke kusten van Frankrijk en Ierland, daarna nog die van Noorwegen bespoelt, en tot aan het eiland Spitsbergen onder den zeven-en-zeventigsten breedtegraad lauwe waterlagen voortstuwt. Hoe gewichtig voor de totale temperatuur van Noord-Europa deze weldadige zeestroo-ming is, kan men daaraan zien, dat zoowel in Bretagne en Normandië als in Zuid-Engeland en Ierland vijge- en laurier-boomen in de open lucht groeien; terwijl op het op gelijke breedte, maar midden in den kouden Noordpoolstroom gelegen Newfoundland, slechts dennen en jeneverbessenstruiken gedijen, en acht maanden lang een vreeselijk strenge winter het land met sneeuw en ijs bedekt. Zoo hebben in de eerste plaats Frankrijk en Engeland aan den Golfstroom hunne wereldpositie en Noorwegen zijne bewoonbaarheid te danken. Aan hem zijn de bewoners van Bergen het verschuldigd, dat daar in de zoo lange dagen van den zoo korten zomer prachtvolle rozen, smakelijke en sappige groenten heerlijk gedijen, en — wat nog van veel grooter gewicht is — dat tnillioenen en millioenen zeebewoners, door het lauwe water aangetrokken, deze kust tot een der vischrijkste van de geheele wereld maken. Ja, zelfs op Spitsbergen levert het door den Golfstroom vaak vele voeten hoog
124
opgestapelde drijfhout den visschers, zeehonden- en walrussenja-gers een welkom bouw- en brandhout, en op het zeemanskerkhof aldaar zal wel menig matroos in eene doodkist rusten, die ruw in elkaêr is getimmerd uit de planken van een magnolia of een palm, waaronder eertijds op Florida eene Creoolsche haar kindje temidden van colibri\'s en lianen in een zoete sluimering zong. Zoozeer is de aarde een organisch geheel, vol van geheimzinnige, wonderbare wisselbetrekkingen.
En nóg machtiger zijn, overeenkomstig zijne grootte, — zij het dan ook voor ons minder bekend en gewichtig, omdat de invloed wordt geoefend op landen en volken die ons onverschillig zijn, — de stroomingen van den Stillen oceaan. Allereerst kennen wij den kouden Zuidpoolstroom, die van Vuurland af langs de kusten van Peru en Chili vloeit. Hij werkt daar, in tegenstelling van den Golfstroom, verkoelend, verfrisschend en bevochtigend; zonder hem zouden Chili grootendeels en vooral het zoo regen-arme Peru verzengde woestenijen zijn. Verderop wendt deze „Humboldtstroomquot; zich naar het westen, en vermengt hij zich daar met den reusachtigen Pacificstroom, die met eene snelheid van dertig kilometer per dag, vijfduizend vijfhonderd kilometer breed (!) (Dupeny) en gedeeltelijk meer dan vijfduizend voet diep (!), vijfentwintig graden w arm, van Amerika naar Azië onophoudelijk voortstroomt, zachtkens de schepen voortstuwt, en aan de eilanden van den Stillen oceaan hun heerlijk, steeds gelijkmatig klimaat, en een zoele warmte aan de kusten van China en Japan brengt. Daarentegen vloeit er een vijfhonderd kilometer breede noordelijke stroom naar Amerika terug, en heeft reeds tegen wil en dank Japansche barken naar de Sandwichseilanden gevoerd.
En zoo — want voor het water is het vloeien als het verteren voor het vuur — vloeien en stroomen in een eeuwigen kringloop de zeeën rondom den aardbol heen, brengen zij vrucht-
125
baarheid en warmte, maken zij het verschil tusschen de onderscheidene luchtstreken minder groot, en doen zij de vastelanden vruchtbaar en bewoonbaar worden.
Maar wij kenner, deze wereld der zee slechts oppervlakkig. Want haar eigenlijk wezen is de diepte; en eerst in de diepte — als wij tot haar konden afdalen — zouden haar geheimzinnig en verborgen leven, hare levenswetten en levensdoelen zich aan ons openbaren. Ook in dit opzicht vormt deze diepte een grootsch en harmonisch contrast met de bergen. Evenals op deze het leven overeenkomstig de hoogtelagen verandert, om in de reine, eeuwige sneeuw ten slotte op te houden, zoo is ook de zee naar gelang van de diepte in verscheidene zonen verdeeld. Driemaal dieper dan de top van den Montblanc is gedeeltelijk de Atlantische oceaan, en negen uren heeft men noodig om het peillood uit deze diepte van zevenenveertig duizend voet met machines op te halen. Langen tijd hebben wij er heel verstandig over gebazeld, dat er daaronder geen leven meer te vinden zou zijn, want daartoe was het er te donker en te koud, en hoe zouden er organismen kunnen leven onder een druk van de hoogere waterlagen, die volgens professor W. Thomson voor hot lichaam van een mensch reeds op tweeduizend vadem of twaalfduizend voet diepte het gewicht van twintig met ijzeren rails beladen goederentreinen zou evenaren! En toch zijn ook deze afgronden met leven vervuld.
Verwonderlijk schoon is de flora en bovenal de fauna der zee, zoo b. v. onder de tropen, bij de Antillen of in de Golf van Napels! — Doorzichtige, smaragdgroene en purperroode, vale, goudgele en bruine, fijngevederde, breedbladerige, touwvormige algen groeien er in weelderigen overvloed tusschen de rotsen en bedekken ze met een prachtig tapijt; en, daarvan dikwijls moeilijk te onderscheiden zoöphyten, dierplanten, zeeanemonen in menigte, met fijne roode punten ; en dieper, o. a. in de Roode
126
en de Stille zee, vormen bonte koralen en witte madreporen gansche onderzeesche landen met dierlijke weilanden, vleezige bloemen, voelende en etende struiken en bewegende kreupel-boscbjes. Daarboven en daartusschen schieten her- en derwaarts blauwgroen glinsterende, rozeroode of als tijgers zwart- en geel-gestreepte visschen, waaronder de murenen, die tijgers der zee, als alen zoo slank, met de vele scherpe, puntige tanden, met onverzadelijken honger rusteloos en onhoorbaar rondsluipend; de kleine, groteske zeepaarden, als potsierlijke duiveltjes in rechtopstaande houding dalend en rijzend, of met den gering-den staart aan een alg voor anker liggend; daartusschen zweven in kristalhelder water, langzaam als in een droom, de prachtvolle medusa\'s met hemelsblauwe of zilverblanke koepels, met lange, neerhangende, parelsnoerachtige, vreeselijk brandende vangarmen. Nog dieper bewandelen de volken van den oceaan jaar aan jaar hun onbekende wegen naar onbekende plaatsen van bestemming: de scharen der groote tongen, vreedzaam door zwaardvisschen geëscorteerd, dikwijls door den gulzigen haai aangevallen ; de millioenen sierlijke sardijnen en ansjovissen ; het groote heir der haringen; — zij komen jaar op jaar van de noordpool aanrukken, en marcheeren bij vele duizend-millioenen tegelijk, goed geordend op rijen en in gelederen, met de zoogenaamde ,haringkoningenquot; aan de spits, altijd op dezelfde, hun door God aangewezen banen ; zoo gaat de haring nooit in de Middellandsche zee, de sardijn niet naar het noorden, noch de tong in den Atlantischen oceaan; zij hebben hun reisplan, en verdwijnen ten slotte in de diepte, geen mensch weet waarheen.
En langzamerhand vertoonen er zich weerzinwekkende bewoners der lagere wateren. Op den grond gluurt en loert, half in het zand verscholen, de afschuwelijke, wel twintig voet groote en achthonderd pond zware rog, met bliktandende kaken
127
en groote, giftige rugstekels; evenzoo de duivelvisch; de engel-visch, met zijne groote, als reuzenvleugels slaande vinnen ; de lompenvisch, het oertype van een mislukte existentie, — zonderlinge of schrikbaarlijke gestalten! En de doodsche stilte, waarmede zij zich bewegen, verhoogt den afkeer dien zij inboezemen. Zijne woede verraadt de inktvisch alleen door het plotselinge, streepsgewijze zwart worden zijner groote, uitpuilende, wijd opengesperde oogen, met hun, zooals Cuvier reeds opmerkt, uiterst onaangenamen blik! Reusachtige dieren van dien aard verbergt de oceaan in zijne diepten ; wreedaardig en verraderlijk liggen zij ineengedoken op den rotsgrond, of sleepen zij met groote kracht zware steenen tot eene soort van nest bijeen, schieten plotseling daaruit tevoorschijn, dooden alle visschen, ook zonder ze te verslinden, ja, wagen zich zelfs op het land en maken zich daar van de vruchten meester. Plinius verhaalt reeds van zulk een monster, dat bij Carteja in Spanje \'s nachts in de visch-vijvers afdaalde en ze leegplunderde; slechts met de grootste moeite gelukte het, den roover te dooden. Zijne vangarmen waren dertig voet lang, en het overige gedeelte van het dier woog zeven centenaars! In volkomen overeenstemming daarmede zijn de nieuwe berichten van Olafsen, Steenstrup en anderen. In den Stillen oceaan, bij Teneriffe en op de bank van Newfoundland heeft men dergelijke afschuwelijke monsters gezien, waarvan vele, zooals met zekerheid werd waargenomen, met hun kolossale armen een uitgestrekter ruimte beheerschen dan de grootste walvisch. In het Britsch Museum te Londen wordt zulk een vang- en zuigarm, zevenentwintig voet lang, bewaard, dus een dier welks geheele lichaam een omtrek van ongeveer zeventig voet heeft! — Met gebaren van angst en schrik verhalen de Indianen van den Stillen oceaan, hoe zulke dieren af en toe uit eene kano menschen halen, om ze dan op hun gemak te kunnen uitzuigen... een allerontzettendste dood!
128
— Zoo heeft ook de door zijne onderzoekingen der zeeën alom bekende vorst van Monaco aangetoond, dat de potvisch, deze koning der wateren en tyran der zeeën, meermalen zulke groote sepia\'s of inktvisschen, waarvan er enkele met schubben bedekt zijn en tijgerklauwen aan de einden hunner lange armen hebben, met zijn vreeselijk gebit fijnmaak en verslindt. — Ook visschen en kreeften met monsterachtig groote oogen bewegen zich daar beneden, b. v. de drieentwintig centimeter lange bathynomus met vierduizend facetten-oogen, en de cysostoma, bij welken zij heel het groote hoofd beslaan. In strijd met de meening dat er zich in de donkere diepten van den oceaan geen kleuren kunnen ontwikkelen, prijken deze wezens zoodanig met purper, oranje en scharlaken, dat Schleiden ervan verklaart: „De diep-zee-dieren onderscheiden zich door hun levendige kleuren.quot;
Maar hoe dieper de wateren zijn, en hoe minder zelfs de roode stralen daarin vermogen door te dringen, des te meer beginnen deze wezens in hun eigen phospborachtig licht te glanzen, en zulk een groen en rood licht uit te stralen, dat zij, wanneer zij gevangen waren, minuten achtereen, eer zij stierven, de kajuitlamp aan boord van de Challenger inde schaduw stelden. „Een vier voet lange vuurvisch, die door het diepnet aan de oppervlakte was gebracht, straalde zulk een licht uit, dat Moseley zijn naam, dien hij met den vinger op den rug van het dier schreef, in vlammenschrift kon lezenquot; (Schleiden).
— Een huiveringwekkende wereld van glinsterende, zwijgende, grimmige, loerende roofdieren, zonder licht en derhalve zonder liefde; alleen hunne hartstochten onderhouden het koude vuur, dat hen bij hun moord en vernieling voorlicht.
En dieper nog, van tien- a vijftienduizend voet diepte af, beginnen en strekken zich die reusachtige waterrijken uit, die sedert de diepzee-onderzoekingen met den Challenger de Abyssal -streek genoemd worden, de gewesten des afgronds, de rijken
129
der eeuwige, ondoordringbare duisternis, der eeuwige, ijzige koude, van het eeuwige zwijgen en der doodsche stilte. Hier bestaat geen weer, noch jaargetijde, noch klimaat, noch onderscheid van breedtegraden. Of het aequator of pool is, of er boven de hoogere waterwerelden een tropische zon gloeit, of dat een dikke laag ijs ze bedekt, is daar beneden volkomen onverschillig, waar steeds eene koude van 0° heerscht, waarheen nooit eene tijding van alles wat daarboven leeft en streeft en lieft en lijdt in het licht der zon, kan doordringen. En temidden van deze duisternis weerlicht het steeds; als bleeke noorderlichten schieten er roode en groene stralen door dezen nacht, wanneer de grillig en spookachtig gevormde bewoners dezer afgronden alleen of bij groote troepen heen en weer trekken, als in kleurige vlammen gehulde schimmen, met hun groote oogen aan de einden van lange horens rondtastend, bliktandend, naar alle kanten klauwen uitstekend; enkele doorzichtig, drijvend, kronkelend, kruipend, ijzingwekkend schoon, akelig leelijk; meedoo-genloos loerend; in hun schrikkelijk eeuwigdurend zwijgen als zoovele schaduwen des doods en der hel.
In deze diepten valt vele uren lang, door alle waterlagen heen, onhoorbaar alles neer, wat de zee daarboven verzwelgt; een zakmes van den scheepsjongen of een verrekijker van den officier, overschotten van spijzen, ijzeren ankers en kettingen, vuilnis, geld- en goudstukken en juweelen. Langzaam valt door het zwarte water de ontelbare menigte kleine en kleinste schelpen, globigerinnen en diatomeeën, welker bewoners gestorven zijn, en die nu op den bodem een zachte, witte laag vormen; en ook grootere schalen, de omhulsels der argonauten en nautilussen. Nu en dan komen er geheele of door den storm aan stukken geslagen wrakken van boven, losgerukte planken en scheepsbrokken, ook schepen met de kiel naar boven of rechtop met groote, nog uitgespannen zeilen; barken, oude visschersboo-
9
130
ten, sierlijke jachten en stoomschepen, stoere kanonneerbooten, snelzeilende korvetten als de Duitsche Augusta, statige als de Italia bij Lissa; tijdens een zeeslag in den grond geboorde of in den storm met man en muis vergane pantserschepen met blanke stalen kanonnen, pas gepoetst koperen beslag en onberispelijk tuig, de doode kapitein zich nog aan de commandobrug vasthoudend; met honderden lijken bemand, nog na den laatsten doodstrijd zich krampachtig aan het touwwerk klemmend, of met nog door den doodsangst wijd opengespalkte oogen, met twee en drie tegelijk het hoofd door de te nauwe luiken naar buiten drukkend. En beneden aangekomen, legt de kolossus zich langzaam op zijde voor de lange rust. Dan komen de opgeschrikte monsters des afgronds van alle kanten aankruipen, omklemmen met hun lange, slijmerige vangarmen het wrak, halen daarmede de lijken er uit, zuigen hun gulzig de ingewanden, en het vleesch van de beenderen af, en splijten met hun hoornigen snavel den schedel der schipbreukelingen open, om hunne hersens op te slurpen; en strijden dan in onhoorbare woede met elkander om de overblijfselen.
En in die eindelooze gewesten des afgronds, die zich onder minder bevaren zeeën bevinden, daalt slechts nu en dan een drenkeling, en ook af en toe een tot aan den hals in zeildoek genaaide, met een kanonskogel aan de voeten bezwaarde doode van boven neer. Wanneer de kogel eindelijk den grond aanraakt, dan slingeren en schommelen de dooden een paar maal heen en weer, en blijven dan in het matte schijnsel der 1\'cht-dieren rechtop en onbewegelijk staan. De visschen knagen hun gelaat en hunne oogen weg, en met ledige oogholten, in zoutloog geconserveerd, blijven zij eeuwen door voor zich uitstaren; totdat van de bovenwereld, als uit een ver verschiet, de bazuin
der opstanding ook in deze diepste diepten weerklinkt......en de
zee en de hel hunne dooden wedergeven. Dan bewegen zich,
131
eerst als in een droom, de reeds lang gestorvenen, en stijgen zij al sneller en sceller door de hooge wateren op, sommigen hoe langer hoe zwarter wordend, met oogen die vurig gloeien van eeuwigen toorn, anderen al lichter en lichter en zaliger omhoog zwevend. — En daarboven versmelt in een wervelstorm de geheele aarde, en dan beginnen zich met groot gekraak en onder een vreeselijk gesis de elementen op te lossen (II Petrus 111: 10). Weldra staat er in de wereldruimte nog slechts een groote witte troon, en daarop zetelt Eén met blinkend gelaat en oogen als vuurvlammen, — en voor Hem de onafzienbare menigte der jammerende, klagende of juichende dooden, de volkeren en de natiën, de schepselen voor hun Schepper. Verdwenen is de wereld der vormen en der verschijnselen, uiteengewaaid het stof en zijn rijk. Nog slechts zielen en wetten!
De Bijbel neemt geen sympathieke houding aan tegenover de zee; hij stelt ons haar als een dreigende, door God tot straf en oordeel gebruikte diepte voor. Al dadelijk in den beginne treedt zij op als een in duisternis gehulde macht (Genesis I en II). Later barstten „de fonteinen des afgrondsquot; open, overstroomden de aarde en verdierven al wat leefde. In de Roode zee komt Pharao met zijn leger om. Tot zijne straf wordt Jona in de zee geworpen. Van Christus, hoewel Hij zoo in de onmiddellijke nabijheid er van vertoefde, wordt ons niet verhaald dat Hij ooit noch bij de Middellandsche, noch bij de Doode zee geweest is, maar wel zeer dikwijls aan de oevers van de zoetwaterzee of het meer van Gennésareth. En op de nieuwe aarde is de zee, het rijk des afgronds, niet meer aanwezig (Openb. XXI: 1).
Zoo levert onze planeet ons in reusachtige trekken twee beelden van de diepte, van de concentratie, van het vallen in
132
de eigen ikheid, naar het eigen middelpunt toe, als tegenstelling van het groote streven naar boven, naar lichte en oneindige hoogten. Het eerste is dat van den vurigen toorn in het wrokkende, hoe langer hoe heeter ziedende hart der gevallen aarde; het andere beeld is het vallen in de eeuwige, samentrekkende koude en gestadige afwending van de hoogere wereld der zon, des lichts en des geluids; en beide geschieden in de duisternis, en dringen hoe langer hoe dieper door in de binnenste duisternis des schepsels, welke is de buitenste, van God af.
Ook het land geeft ons twee groote eenheden te zien: de vlakte van het genoegelijk wonen en der vruchtbare oogsten, een kind des waters, ook de woestijn dezer wereld, waar de naar het beloofde land als pelgrim voorttrekkende ziel hongert en dorst onder de heete zon der aanvechting, temidden van de dansenden rondom het gouden kalf en de vurige slangen; en de bergen, deze kinderen des vuurs, deze altaren Gods en plaatsen des gebeds, der offers en der hemelvaart. — „In het laatst der dagen zal de berg Zion hooger zijn dan alle bergen.quot;
Met een wondervol leven is nu deze, vroeger door vreeselijke vulkanische krachten geteisterde Terra bedekt. Onophoudelijk verbinden en scheiden zich de stoffen; heet en koud, vast, vloeibaar en dampvormig, hard en zacht, werken zij nu eens snel, dan weer langzaam op elkander, en er bestaat niets op aarde, dat niet voortdurend naar zijn vorm en naar evenwicht streeft. Wij vergissen ons wanneer wij lucht en water, aarde en gesteenten, glas en ijzer, amorph of vormloos noemen. Onverbiddelijk gehoorzaamt elke stof aan de geen uitzonderingen toelatende wet; al wat bestaat, moet een vorm hebben, haar vorm, in een diepen, menigmaal eenigermate herkenbaren, meestal ondoorgrondelijken, maar onverstoorbaren samenhang met zijne levensformule, met zijne ikheid, met al zijne eigenschappen. Iedere stof heeft haar vorm, namelijk dien vorm en zijne afleidingen, waarin zij kristalliseert. Als er een voldoende koude ontstond, zou de lucht evenzoo in sierlijke kristallen van een bepaald, onveranderlijk systeem neerzweven als nu het water. Hoe krachtig dit streven om tot zijn vorm te komen, om te kristalliseeren, eigenlijk is, ziet men het best, wanneer bevriezend water een ijzeren kogel uiteen doet springen.
134
Het kristal is een de aarde bedekkende en vervullende levensuiting der stof. Bergen en rotsen bestaan uit gekristalliseerde gesteenten. In het graniet glinsteren drieërlei kristallen: kwarts, veldspaath en glimmer; zilverzand is uit gekristalliseerde glim-merplaton gevormd. De Sahara, tienmaal grooter dan Duitsch-land, is diep met kwartszand, dus met kristallen bedekt, en aan de polen nog grootere vlakten met billioenen en andermaal billioenen ijs- en sneeuwkristallen. De ijsbloemen op onze vensterglazen zijn kristallen; in een metalen staaf voegen zich door gestadige schudding de deeltjes tot kristallen saam, bijvoorbeeld bij de wielassen van spoorwagens en locomotieven, die tengevolge daarvan breken. Ook in de organische wereld, in ontelbare plantencellen, bevinden er zich honderden sierlijke, microscopische kristallen. Laat men bloed een tijdlang staan, dan ontwikkelen er zich kristallen in, en zelfs een gedroogde traan geeft onder het microscoop lal van kristallen te zien. — Het kristal is de origineele, oer-eigene vorm der stof. Wonderbaar is dit door God aan de stof verleende leven ! Neemt men een stuk steenzout, zwavel of kalkspaath, en slaat men het in duizend stukken, dan is ieder stuk toch weer een kristal met dezelfde assen en vlakken, en alle kanten gelijk en gelijkvormig. Want het kristal is onvernietigbaar; zijn lichamelijke gestalte, zijn gelaat, kan niemand het ontnemen. Met alle machines en apparaten, chemische en physische hulpmiddelen, met de grootste warmte en de sterkste electrische stroomen kunnen de men-schen een korreltje steenzout toch niet dwingen, anders dan in dobbelsteentjes te kristalliseeren.
Ook de stof, ook het kristal groeit, hoewel meestal langzaam en ongemerkt. Zoo in de bekende, vaak nog half niet moederwater gevulde bergkristal-, rooktopaas- en amethist-drusen der Alpen, waar kristallen van de grootte der fijnste naald of tot doorzichtige zuilen van acht centenaars zwaarte en meer
135
gevormd worden. Maar het eiland Madagascar, zegt Quenstedt, overtreft alles met zijn waterheldere bergkristallen van zes-en-twintig voet in omvang, die dikwijls op onbereikbare rotsen in den zonneglans wijd en zijd glinsteren. En wie weet, wat er diep in het binnenste der Alpen, van den Ural, den Andes oï van den Himalaya niet al onderaardsche paleizen met zuilen en gewelven van allerlei kristallen, amethist, smaragd of beryl, en muren van malachyt of koperlazuur te vinden zouden zijn!
Dat groeien van het kristal herinnert in velerlei opzichten aan de levensuiting van het dier. Breekt men van het kristal een hoekje af en legt men het weder in het moederloog, dan wordt, eer het kristal verder groeit, allereerst de beschadigde plek weer aangevuld, juist zooals bij een afgebroken zeekreeft de vangschaal weer aangroeit. — Hoe geheimzinnig! — De edelgesteenten, deze bloemen van het steenenrijk, mogen wij niet geringschatten, als zouden het slechts glinsterende kiezels zijn, waarmede ijdele menschen zich optooien ; zij zijn schoone pogingen der aardsche stof om in een hoogeren gekristalliseerden vorm de doorzichtigheid, de kleurenpracht en ook de hardheid en duurzaamheid der ware eeuwige stof meer nabij te komen, en zij zullen eenmaal in nooit geziene pracht de hoofdstad der nieuwe aarde sieren.
De wet van het kristal is eindelooze wasdom, symmetrisch volgens de assen.
*
* *
Maar schooner en helderder nog straalt het leven ons toe op den volgenden en hoogeren trap der schepping: in de plant. Bestaat er tusschen het kristal en de uit harmonische verbindingen der aanvankelijke hoofdgetallen tot een hoogere vergelijking ontstane plant een bij den tegenwoordigen toestand onzer
136
kennis en wetenschap niet te overbruggen klove, die wij als het onderscheid tusschen de onbewerktuigde en bewerktuigde schepping aanduiden, — toch beschouwen wij de plant als een kristal van hooger orde, symmetrisch naar rechts en links, naar voren en naar achteren, dissymetrisch daarentegen naar beneden en naar boven, al heerscht er ook menigmaal een in \'t oog loopende overeenkomst tusschen den wortelbouw en de geheele vertakking. En hoezeer de plant zich bij het kristal aansluit, ziet het maar op zeer verrassende wijze aan de „ijsbloemenquot;, gekristalliseerde figuren, waarbij de grondvorm der plant (zooals hij door de lagere algen wordt vertegenwoordigd) onmiskenbaar aan den dag komt, en zoo ook aan de als „boomenquot; in de mijnwerkerstaal aangeduide kristalvormingen van velerlei metalen, maar hoofdzakelijk aan het onder \'t microscoop waar te nemen groeien en schieten van vele varenkruidachtige kristallen, o. a. bij het salmoniak.
Wat is eene plant? Wij weten het niet, en sprakeloos van verbazing staan wij voor het feit, dat een geheimzinnig, onbegrijpelijk levensbeginsel, waaraan men bijna in verzoeking zou komen den naam van ziel toe te kennen, in een onaanzienlijk zaadje besloten, de macht heeft om onbezielde stofdeelen uit den bodem, uit het water en uit de lucht aan te trekken, tot merkwaardige en nieuwe lichamen te verbinden, en daaruit en daarmede een wonderbaar gebouw op te trekken, dat evenals wij eet en drinkt, ademt en slaapt, kinderen verwekt, ziek en oud wordt, en eindelijk sterft.
Groot is de wet dezer plant, en hare vervulling een van de schoonste daden der schepping. Hare taak is; groeien binnen vastgestelde tijden, hetzij in een enkelen kringloop, of in periodiek terugkeerende kringloopen, en met de voortbrenging der bloem en der vrucht ten besluite. Dit groeien bestaat daarin, dat de plant door haar leven onophoudelijk het doode levend maakt,
137
en het anorganische tot organismen verwerkt. Daardoor is de plant niet alleen een levend, maar een steeds levendmakend creatuur, in welk opzicht zij veel hooger staat dan het dier, dat steeds het levende doodt, om zelf in het leven te blijven; zij is een prachtig beeld van den Christen, en het dier een beeld van den natuurlijken mensch.
Zonder dezen arbeid der plant zijn dier en mensch onmogelijk. Van den landbouw kan de geheele menschheid leven; van nijverheid, handel, kunst of wetenschap alleen zelfs geen enkel mensch !
De mechanische grootheid van deze levenskracht der plant aanschouwt men reeds, wanneer de wortels van een wilden vijgeboom groote steenblokken uiteendrukken, of wanneer de stam en de wortels, ingesloten in een daar omheen gegoten gipsverband, dit met eene drukking van zes a twaalf atmosferen doen bersten. Wat al krachten worden er in \'t voorjaar bij het kiemen en groeien en bloeien ontketend, die zekerlijk reeds over eene oppervlakte van een paar dozijn vierkante mijlen bosch of weiland al de paardekrachten der door menschen gebouwde machines verre overtreffen!
Hoe onbewegelijk staat zij daar voor ons, deze geheimzinnige plant, als een werkelooze droomer, en van plaatsverandering weet zij evenmin iets af als van koortsachtig gejaagden arbeid. Aan de plant is de stem onthouden; alleen wanneer de wind, de geest, door het woud suist, doet ook de boom zijne stem weerklinken; dan ruischt de eik, dan zucht de berk, dan fluistert de populier, en met langgerekte orgeltonen zingt het dennenbosch.
Maar God heeft niets geschapen dat niet arbeidt en werkt. Deze zoo sprakelooze en onbewegelijke boom leert ons de wet der stille, onhoorbare daad; hij is een wonderbaar samenstel vol hoogst vernuftige chemische en physische apparaten, eene fabriek waarin dag en nacht stil en zonder eenig hoorbaar ge • druisch wordt gearbeid. Zien wij op het aantal gewassen en
138
hunne verspreiding over de gansche aarde, dan hebben wij alle reden om verbaasd te staan over de vervaardiging door de plant van bijna tallooze organische producten; een goddelijke industrie, die zoowel wat kwaliteit als wat kwantiteit betreft, de nijverheid des menschen eindeloos ver en hoog overtreft, ja waarvan al de industrie hier op aarde een bijna kinderachtige, hoogst onbe-teekenende nabootsing is. Deze goddelijke fabriek verrukt ons zoowel door schoonheid van proportiën en sierlijkheid van vorm als door kleurenpracht en welriekende geuren; haar werk gaat niet gepaard met allerlei afval, dat de lucht en het water verpest en de gezondheid der menschen benadeelt; zij hindert ons niet door geraas of rumoer, en onderscheidt zich van alle andere fabrieken door de goedkoopte en de ontwijfelbare echtheid harer voortbrengselen. Door middel van de zachte punten der wortelvezels zoekt de plant onvermoeid in den donkeren schoot dei-aarde hare grondstoffen, zuigt ze op, verbindt en verwerkt ze tot stengels en bladeren, neemt de beste en vormt daarvan fraaie bloemen, sappig ooft, voedzaam koren, en in wonderbare menigvuldigheid allerlei smakelijke, gezonde, versterkende vruchten, die zij netjes en sierlijk, in noten, schillen, hulzen, pitten of klokhuizen, in bast, katoen of schors, licht en doelmatig en toch waterdicht voor den uitvoer verpakt. Daartoe arbeidt deze goddelijke fabriek zonder storing in de exploitatie dag en nacht door, en sticht zij jaarlijks zonder verdere uitgifte van aandeelen een groote menigte levensvatbare filialen. Wie zou haar dat na kunnen doen?
De massa harer producten gaat ons begripsvermogen eindeloos ver teboven. In de verslagen van den wereldhandel staan zoo maar millioenen ponden en dikwijls centenaars aan plantaardige voortbrengselen genoteerd! — Zoo worden er alle jaren minstens vijftig millioen pond cacao voortgebracht en meer dan duizend millioen pond thee, waarvan Europa alleen tweehonderd-
139
dertig millioen verbruikt; en bovendien ruim negenhonderd-zestig milioen pond koffie! — En dat zijn dan nog de kleinere cijfers. — Want nu komen de vele lionderdmiliioenen centenaars graan, rijst, mais enz. Zoo bedraagt de wereldoogst aan tarwe alleen, voor zoover zij bekend is, vijfenzestig a achtenzestig millioen ton ieder van duizend kilogram. Van rijst leeft een derde gedeelte der menschheid, waarvoor dus ongeveer driehonderd millioen kilogram per dag noodig is. Bovendien meer dan zeshonderdtachtig millioen hectoliter mais, meer dan achthonderd-drie-en-zestig millioen hectoliter aardappelen, en nog groote menigten doera; geheele stroomen van vele billioenen liters pulque, maté, bier, wijn, appelwijn, — o. a. in Frankrijk alleen van het laatstgenoemde negenhonderd millioen liter \'sjaars.
De plant voedt echter niet alleen de menschheid en lescht niet alleen haar dorst, maar zij kleedt haar ook; zij spint daartoe jaarlijks meer dan tweeduizend millioen kilometer katoendraad, produceert driehonderdnegentig millioen kilogram hennep en vijfhonderdvijftig millioen kilogram vlas in Europa alleen, en ook over de driehonderd millioen kilogram alfagras, waarvan papier gemaakt wordt, en tot hetzelfde doel reusachtige massa\'s van meer dan achthonderdvijftig millioen kilogram houtvezels. Het vleesch en de melk van al de dieren, hunne wol of zijde, levert ook steeds de plant in voor ons totaal onwaardeerbare massa\'s.
En niet alleen onbegrijpelijke hoeveelheden voedsel voor mensch en dier en onberekenbaar veel dranken en onmetelijk veel kleederstoffen worden dag en nacht in deze fabriek Gods vervaardigd, — maar nog een verbazingwekkend aantal van allerlei chemische producten, die schadelijk of heilzaam, prikkelend of verzachtend, versterkend of verzwakkend op het lichaam en de ziel van den mensch werken. Zoo werd van het eiland
140
Cuba alleen in het jaar 1895 tweeduizend-millioen pond suiker uitgevoerd. Uit kalkgesteenten en verweerd graniet, moerassige bodems, slijk en zand worden vergiften en artsenijen, opiaten en verdoovende, pijn- en koortsstillcnde en bloedzuiverende middelen, vele oliën, vernissen en sappen, gummisoorten, kruiderijen en reukwerken gefabriceerd, waarvan wij Europeanen slechts weinige kennen of gebruiken. Zoo b. v. meer dan twintig mil-lioen kilogram Arabische gom, over de veertig millioen kilogram caoutchouc, negen millioen kilogram guttapercha, enzoovoort! Want deze fabriek gebruikt de zonnestralen als krachtmotor, en brengt slechts onder de tropen haar sterkste sappen voort; arak en ingwer, spaansche peper en muskaatnoot, mirre en wierook. Daar groeien ook de talkboom en de wasboom, uit wiens was men terstond goede kaarsen kan gieten, en de zeep-bootn (S a p i n d u s s a p o n a r i a); op dorre rotsen strekt de melkboom zijn lange, dorre, schijnbaar afgestorven takken uit, en geeft toch een massa voortreffelijke melk ; daar groeit de regenboom, waaronder gedurende de ergste droogte groote watervlakten ontstaan; de heerlijke broodboom, niet met den apenbroodboom (a d a n s o n i a) te verwarren ; de papierboom van China, de wolboom, de ivoorboom, de kamferboom, de olieboom, de kurkeik, enz. — Welk eene wereld vol geheimzinnige omzettingen, gedaanteverwisselingen, veranderingen en atoom-groepeeringen volgens onbekende wetten en individualiteiten! En met welk eene kunst geschiedt dit alles, onder fraaie, aantrekkelijke levensvormen, — want de plant is niet alleen eene fabrikante, maar ook eene kunstenares; zij kan schilderen en beeldhouwen en is niet gebonden aan kleur en vorm.
De plant voedt niet alleen alle dieren op aarde, en ook al de veel talrijker visschen en zeedieren, — want hoe langer hoe meer ziet men in, hoe in laatste instantie de kleine en kleinste zeeorganismen, waarmee de grootere zich voeden, door plant-
141
aardig voedsel in het leven worden gehouden, — en evenzoo voedt en kleedt zij niet alleen vijftienhonderd millioen menschen, maar zij levert hun nog bovendien onberekenbare hoeveelheden brandstof! Hoe zouden wij zonder haar ons beschutten tegen de koude, onze spijzen koken, en onze stoomschepen en locomotieven van stoom voorzien. Welke bovengenoemde hoeveelheden voedingsstof nog ver overtreffende massa\'s hout, turf, bruin- en steenkolen levert de plant niet jaarlijks aan de mensch-heid! Evenals de plant in de maag tot voedsel en leven verwerkt wordt, zoo ook onder den stoomketel tot kracht. Wonderbare herschepping !
Nog grooter hoeveelheden plantenstof worden niet onmiddellijk practisch verwerkt, maar zijn dienstbaar aan de vorming van humus, aan de reiniging der lucht, tot verfraaiing der wereld, tot bekleeding der bergen, tot opgaring van den regen, tot versnelling, regeling en vertraging van den kringloop der wateren.
En daarmede is de zegenrijke werkzaamheid dezer wonderbare organismen nog altijd niet uitgeput. „Wanneer,quot; zegt G. Buchner, „de planten jaarlijks, zooals men berekend heeft, negentig bil-lioen kilogram C O a afscheiden, dan worden daardoor zestig millioen kilogram zuurstof aan de lucht en de menschen en dieren ter inademing teruggegeven.quot; — Welke kolossale, bijna onbegrijpelijke verrichtingen dezer zoo stille, bescheiden, schoone plantenwereld!
* *
*
Maar het grootste en voornaamste wonder der plant is haar zaad. — Toen God haar schiep, beval Hij, dat „de aarde uit-schiele grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de
142
aarde!quot; (Genesis 1:11). — Ook dat is eene wet der plant.— Zij heeft haar zaad bij zich! — Wat ligt er al niet in dit goddelijk woord ! Dit haar vruchtje en haar kind is met een merkwaardige macht van voorwaarts komen en van plaatsverandering begaafd. Vast en gevestigd zitten de ouden; de kinderen fladderen heen en weder, vallen hier od den platgetreden weg, daar op een harde rots, nu eens onder de doornen, dan weer in een vruchtbaren bodem, en worden daar de stamvaders van nieuwe geslachten. De zaadjes van vele planten zijn voorzien van vleugels, andere zijn er met lange haren, met vederbossen of pluimen, met valschermen, ja zelfs met schroefvleugels. De wind voert ze van land tot land rondom de gansche aarde heen ; andere hechten zich met weerhaken aan de wol, aan het vel, aan de veeren der dieren, en worden door hen op die wijze ver medegevoerd; nog andere, zooals de kokosnoot, in een taaie, waterdichte bastschaal, drijven lang, als een kindeke Mozes in het biezen kistje, op de wateren, worden door zeestroomingen naar woeste, kale eilanden heengedreven, schieten daar wortel en groeien op tot boomen, opdat het organische leven overal den Schepper prijze.
Denken wij ons de aarde van alle planten ontbloot, de rotstoppen kaal en naakt, de vlakten overal vol zand en slik en steengruis: een treurig schouwspel, een woeste wereld! Hoeveel organische stof zou er noodig zijn om haar met leven te bezielen? — Wij hebben vroeger in een opstel over de arke Noachs (C h r i s t e n b o t e 1883, No. 31, Stuttgart), op grond van uitvoerige berekeningen aangetoond, hoe deze ark met een inhoud van ongeveer zes-en-twintig-duizend ton, dus grooter dan het grootste pantserschip, niet alleen voor exemplaren van alle bekende diersoorten, maar behalve voedsel en drinkwater voor hen, ook voldoende woonruimte voor Noach en zijn gezin aanbood. Bij plantenzaden gaat het natuurlijk over veel duizendmaal
143
kleinere grootheden. Indien wij eens geen gewassen kenden, en de Heere onze God ons uit den hemel de zaden van alle planten als een echte Kerstverrassing wilde schenken, dan zou voor die zending eene kist voldoende zijn van ternauwernood een kubiek meter groot en slechts eenige centenaars zwaar ! Een sterk paard zou haar kunnen voorttrekken! Want hoe groot menige vrucht ook zij, bijvoorbeeld de centenaars zware pompoen, bevat zij in haar binnenste toch een klein zaad, dit extract en essence des levens.
Al laten wij voor de grootere nootzaden ook de helft dezer kist over (in de tusschenruimten zouden reeds tienduizenden kleine zaadjes eene plaats kunnen vinden), dan houden wij nog altijd vijfhonderd-duizend kubiek centimeter over. De meeste zaden echter, bijvoorbeeld die der grootste boomen, zooals van eik of beuk, linde of den, der graan- en grassoorten, der bloemen en groenten, der linzen, der boonen, der erwten enz., zijn gemiddeld nog op verre na geen kubiek centimeter groot; en evenmin de pit waaruit alle pere- of appelboomen ontstaan, en ook zelfs niet de steen der abrikozen of pruimen; en bijna onzichtbaar zijn de zaden der vele mossen en boom- of leverkruiden. Bestaan er, zooals verondersteld wordt, driehonderdduizend soorten van zwammen, dan zouden hunne sporen nog niet eens een vingerhoed vullen; en de sporen van al de bacillen en bacteriën der wereld, ingeval ook deze medekwamen, zouden samen nog niet genoeg zijn om eene ruimte te vullen ter grootte van een speldeknop. Zoo zouden wij dus in bovenbedoelde kist voor vele millioenen zaden plaats hebben; en wij kennen toch slechts, met uitzondering der bovengenoemde zwammen, tweehonderdduizend soorten van planten. Dus zou uit zulke nietige omhulsels de geheele plantenwereld tevoorschijn kunnen komen: de tropische pracht der oerwouden, al het gras en de kruiden en bloemen aller steppen, alle vrucht- en woud-
144
boomen, alle plantjes en mossen, die met hun zacht, levend tapijt de aarde bedekken. En het zou snel in zijn werk gaan óok! — Want onbegrijpelijk groot is de voortbrengingskracht van zulk een zaadje ! Zulk een zacht papaverkorreltje, dat langen tijd onopgemerkt in het stof heeft gelegen, bezit de macht om in het tweede geslacht dertigduizend planten, en in het derde dus reeds negenhonderdmillioen voort te brengen. Bij den boletus subtomentosus vond W. Smith zeventienduizend poriën elk van tweehonderd cellen met talrijke sporen, die hij voor éene plant op vijfduizendmillioen schat, of driemaal meer kinderen dan er menschen op den aardbodem zijn, — wat in de tweede generatie een getal van achttien cijfers geeft. En zoo zou een tarwekorrel, die jaarlijks, zooals vaak in Syrië, honderd andere korrels voortbrengt, in het tiende geslacht reeds alle menschen der wereld een jaar lang kunnen voeden (Prof. Gaussen)! Welk een goddelijke levenskracht!
Bijna nog wonderbaarder is het, dat zoo\'n beetje zetmeel het karakter, de eigenschappen en de eigenaardigheden der plant in zich bevat. Men moge dan al het heliotropisme uit een door het licht veroorzaakte vertraging van den groei en daardoor ontstane concave kromming verklaren, — toch blijft het onbegrijpelijk, waarom bij een totale zonsverduistering de acacia hare bladeren dichtvouwt, terwijl de mirabilis jalapa hare bloemen opent; of waarom de „koningin van den nachtquot; slechts tusschen middernacht en éen uur bloeit? Nóg onbegrijpelijker is het, dat in het meelstof der boon reeds de absolute wet en levensbehoefte ligt om zich naar rechts te draaien, en evenzoo bij de windekelk en de kamperfoelie, terwijl een hopplant met even groote eigenzinnigheid alleen naar links wil groeien. Een boon slerft eer, dan zich naar den linkerkant te kronkelen, waarom zij dan ook in de Fransche taal spreekwoordelijk geworden is als zinnebeeld der koppigheid. Het s i 1 p h i u m
145
1 acini atum in Texas keert de bladvlakten naar oost en west, de randen naar het noorden en het zuiden, en doet op die wijze dienst als kompas. Ja, in Nicaragua groeit de Phytolacca e 1 e c t r i c a, die op zeven a acht schreden afstands de magneetnaald doet afwijken en aan de hand een even zwaren electrischen schok toebrengt als van een Ruhmkorff-toestel! Merkwaardiger nog, dat deze haar electrische kracht des nachts gelijk nul is, en zich daarentegen omstreeks twee uur \'s namiddags het sterkst doet gevoelen. Derhalve is deze plant instaat om zonlicht en warmte in electriciteit om te zetten. Maar hoe ? — Onbegrijpelijk is het ook, en niet door chemische of phy-sische kracht alleen te verklaren, dat de zoo robuste, eeuwen durende cypres, met zijn hard, harstig hout, bij eene koude van twee graden onder nul (Celsius) doodvriest, terwijl teedere bloempjes, sappige cochleariën, saxifragen en de sierlijke poolwilgen in den maandenlangen poolnacht eene koude van 30quot; a 50\'1 onder nul (Celsius) kunnen uithouden! Of waarom, om een eenvoudige vraag te stellen, groeien de cellen van den stengel in de hoogte en naar het licht toe, maar die van den wortel naar beneden en ontvluchten zij het licht? — Niemand weet het.
Zoo is ook de plantenwereld eene wereld van geheimen en verborgenheden. Deze wezens zeggen iets dat onze ziel beseft en toch niet recht begrijpt; want sedert Adam de plant, den boom der kennis, lot zonde misbruikte, zijn de oogen van onzen geest beneveld geworden, en zijn wij niet meer instaat om te zien wat de plant is en te hooren wat de bloem zegt! Ach, konden wij hem maar verstaan, den boom, terwijl hij daar zoo stil, in zichzelven gekeerd, en toch vol sap en leven, zijne wortelen in het donkere onderaardsche rijk doet dalen, het doode tot iets levends maakt, zich naar den hemel uitstrekt, volop en blijmoedig adem scheppend in den zonneschijn en den morgen-
10
146
dauw, standvastig onder stormvlagen en onweersbuien, terwijl hij onvermoeid en onverpoosd levende vruchten voortbrengt en God prijst met het ruischen van zijn gebladerte. Een boom des levens, die den toch veel hooger slaanden mensch het eeuwige leven verleent (Genesis 111:22), welk een mysterie! — Voeding, groeien, bloeien, vruchtdragen, wonderbare gebeurtenissen zoowel in het lichamelijke als in het geestelijke! Evenals de boom en de plant zelfs in den winter, wanneer zij schijnbaar in diepe sluimering verzonken zijn, rusteloos groeien en millioenen cellen tot blad- en vruchtknoppen verwerken, zoo ook de mensch. Of hij waakt of slaapt, niets of iets doet, — onophoudelijk groeit deze goddelijke plant, naar omlaag in de duisternis of naar boven in het licht; en zij zal groeien blijven in eeuwigheid, behalve wanneer in den „tweeden doodquot; al het groeien ophoudt, en de ziel voor eeuwig verstijft, versteent tot in alle eeuwigheden, en nimmer iets anders of iets meer kan worden dan wat zij is. In de plaats van een goddelijk, een onbeschrijflijk vree-selijk lot!
Hoe groot en grootsch dat woord was op den derden scheppingsdag; „En God zeide: Er zij plantengroei!quot; een woord dat donderend door de wereldruimte weergalmde en in de aeonen der toekomst weergalmen zal, zullen wij eerst hierboven inzien en begrijpen. Hier zien wij slechts de lichamelijke, inaterieele, harde, geboeide plant, haar stoffelijk omhulsel, maar niet de wonderbare, geestelijke, goddelijke plant; en evenals wij niet weten of begrijpen wat een „boom des levensquot; is, evenmin weten wij iets af van een „boom der kennisse des goeds en des kwaadsquot;! Maar evenals zij eenmaal in het paradijs bloeide en vruchten droeg, zal die plant, die boom, eenmaal in het nieuwe paradijs, als ook zij van den ban en den vloek der zonde verlost is, in ongekende pracht zich ontwikkelen, weelderig groenend, nooit verwelkend, heerlijk bloeiend en vruchten dragend; en wij
147
zullen van de vruchten des levensbooms de onsterflijkheid eten,
en Christus zal met ons van de vrucht des wijnstoks drinken.
* *
*
Komen wij aan het dierenrijk, dan treden ons, zooals wij reeds aan de zeebewoners gezien hebben, donkere machten tegemoet. Is in alle talen „bloesem en vruchtquot; iets schoons en goeds, — daarentegen is er geen enkele taal, die het woord „dierlijkquot; of ook wel „beestquot; en „beestachtigquot; niet als een grie-venden smaad voor den mensch beschouwt. De plant verwerkt en veredelt het doode tot iets levends, — het dier doodt en verteert het levende, om zelf in het leven te blijven. De plant is een beeld van edele vrijgevigheid: zij staat gewillig en onvermoeid hare vruchten aan iedereen af en sticht nut door haar leven. Het dier leeft slechts voor zichzelf, brengt geenerlei vruchten voort, maar reproduceert zichzelven slechts en wordt vooral eerst door zijn dood nuttig.
De wet van het dier is, tegenover die van het kristal en de plant, vrije beweging. Wel zullen wij zien dat zeer vele planten vrij bewegelijk, zeer vele dieren onbewegelijk en vastgegroeid zijn. Maar wanneer men de grondwetten eener klasse van schepselen wil onderzoeken en bepalen, dan moet men die — en dit wordt ook door de naturalistische litteratuur over \'t hoofd gezien, — in de hoogere en hoogste typen der familie zoeken. En uit dit niet aan de plaats gebonden zijn ontwikkelt zich bij gebrek van hoogere aandrift de tweede wet zijner natuur: het brutale egoïsme, de onverbiddelijke centralisatie, waardoor het dier zich dan ook kenmerkt. Men behoeft slechts een dier bij zijn eten te zien of, nog beter, te storen, om heel het onderscheid tusschen dit wezen en de edeler, geduldige, niet verslindende, maar zacht assimileerende en levendmakende plant in te zien.
148
Gelijktijdig en parallel met de plant loopend, — want de hoogste plant gaal niet, zooals dikwijls verondersteld wordt, in het laagste dier over, — zien wij de talrijke vormen van het dierenrijk, ook tot de grondvormen van het kristal terug te brengen. Welk een verrassende gelijkenis bestaat er bijvoorbeeld tusschen de gedaante van eene zeester en die van zoo menig kristal, waarbij in hun wasdom beide uit hun centrum uitstralen. Ook polypen en madroporen doen ons zeer duidelijk aan kristal-formatiën denken. Maar van grooter gewicht is het, dat ook hoogere dieren, ja zelfs de mensch, vormen te zien geven, welke beslist volgens drie assen zijn opgebouwd: naar voren en naar achteren, naar boven en naar onderen dissymetrisch, naar rechts en links symmetrisch, welker bouw uit milhoenen atomen steeds volgens deze assen proportioneel groeit. Zooals reeds gezegd is, kunnen wij thans het onderscheid tusschen dier en plant niet zoo gemakkelijk meer vaststellen. Het plantenrijk en het dierenrijk gaan onmerkbaar in elkander over, en zijn verbonden door liet reusachtig gebied der twijfelachtige, in den laatsten tijd tot een treurige beroemdheid geraakte microben en bacillen. Wij zijn gewoon, planten als uit zichzelf onverplaatsbare, vastgewor-lelde organismen te beschouwen. Dit is slechts bij de hoogere vormen van beide klassen waar. De bovenbedoelde plantvormen: diatomeeën en bacillen, zijn niet alleen niet vastgegroeid, maar bewegen zich door onbekende oorzaken vrij rond, zooals aan de pleurosigma- of navicul-soorten reeds te zien is. Neemt men bovendien de ontelbare, schoone, microscopisch kleine desmi-dieën, die in het voorjaar en den zomer vijvers en moerassen groen kleuren, en andere plantvormen, die met het plancton in zee drijven, dan moet men zeggen: de groote meerderheid der planten op aarde is niet vastgegroeid, maar beweegbaar. — En beschouwt men in het dierenrijk de vastzittende klokkediertjes, sponsen, zeeveeren en polypen, de koralen en de madreporen,
149
die in de Stille Zuidzee onderzeesche landen vormen, dan komt men tot de gevolgtrekking dat een belangrijk, ja voor ons onbegrijpelijk groot deel der dieren plantaardig ingegroeid en vast-geworteld is.
De levenskracht, die wij reeds bij de planten bewonderd hebben, vertoont zich ook bij het dier op verbazende wijze. O. a. reeds dan, wanneer de kleinste wezens, de voor het bloote oog onzichtbare bacillen, zulke krachtige, chemische reactiën teweegbrengen, dat hunne uitwerpsels het vreeselijkste vergif (toxin) vormen, waardoor wezens als de menschen, die in vergelijking met hen reusachtige wereldlichamen zijn, soms binnen den tijd van een half uur, en nog sneller, gedood worden. De voor het ongewapend oog onzichtbare paramaecium heft het negenvoud zijner lichaamszwaarte op. En zoo gaat het ook bij de insecten: éen levende meikever sleept tien doode voort; welke olifant zou ook maar twee exemplaren van zijne soort kunnen vervoeren! Een raderdiertje (call id in a symbiotica) was volgens K. von Marilaun vijf jaren verdroogd in een glazen doosje blijven liggen, en tóch weer tot het leven en de beweging teruggekeerd. Ja, de tyleuchus scandeus (het tarwe-aaltje) moet tot twintig jaren toe verdroogd in een staat van schijndood levend blijven. Welke alle begrip en voorstelling teboven gaande toestanden zijn dat! — Ook in de vlucht der insecten openbaren zich schier onbegrijpelijke krachten. Zoo volbrengen de vleugeltjes der bij in éene seconde vierhonderdveertig dubbele bewegingen, en die van de mug zevenhonderd. De vleugels der muskusvlieg trillen nog sneller, want zij brengt den hoogsten toon voort: de viergestreepte a. Dat zijn bewegingen, die onze armen en beenen terstond uit elkaêr zouden rukken, ook al waren zij van staal gemaakt.
Met deze kolossale spierkracht beheerscht het dier, — bovenal de vogel en de kleinste muggen, die ook tegen den wind in
150
urenlang op en neer dansen in den zonneschijn, — op zoodanige wijze de ruimte, dat wij er ons moeilijk een begrip van kunnen maken. Dolfijnen en haaien spelen dagen en weken lang zonder moede te worden rondom den snelvarenden mailstoomer. Nog sterker zijn de vogels, deze wonderbare vliegmachines; zelfs de kleine kap- of helmduiker kan al zwemmend eene stoomboot bijhouden. Onlangs zijn drie postduiven den Atlantischen oceaan overgevlogen! Zij legden dus een weg af van achthonderd uren, dikwijls tegen den westelijken stormwind in, zonder eten of drinken, en zonder een oogenblik uit te rusten! Een uit theoretisch-mechanisch oogpunt totaal onbegrijpelijk kunststuk! En de edelvalken bij een ernstige jacht, of de bezeilers der zee, bijv. de fregatvogels, vliegen volgens Brehm soms wel tweehonderdzestig kilometer of zestig uren afstands per uur. Met zulk eene snelheid van vlucht zouden zij de aarde van den aequa-toraf inhonderdvijftig uurkunnen rondvliegen, en er valt bijna niet aan te twijfelen, dat een fregatvogel en een albatros tegen die taak zouden zijn opgewassen, want de laatstgenoemde vliegt van de zuidpool, waar hij broedt, in April en in Juli over den aequator tot heel naar Kamschatka. De luchtzee die de aarde omgeeft is zijn vaderland en zijn gebied. — En toch worden deze koningen der lucht door kleinere, onaanzienlijke vogels in snelheid overtroffen. Zoo legt, blijkens waarnemingen op het Helgolandsche vogelhuis, de nevelkraai ook tweehonderd kilometer, en het roodkoppige blauwborslje zelfs driehonderdvierendertig kilometer per uur af, en zou het dus in twee uur tijds van Hamburg naar de Bodenzee kunnen vliegen ! Zoo vliegt ieder jaar de steenzwaluw van de Kaap de Goede Hoop naar de Noordkaap heen en weer; de regenfluiter en de steenroller leggen in het voorjaar vijftienduizend kilometer af, om uit Zuid-Afrika, Poly-nesië en Australië naar de poolgewesten te trekken, en doen
151
diezelfde reis in den herfst weder terug (Dr. Parrot). Welke onbegrijpelijke verrichtingen voor deze nietige, zichzelf stokende
en oliënde, willekeurige en leidzame vliegmachines!
* *
*
In het dierenrijk zijn de grondtrekken van het maatschappelijk leven, van de sociale wet der arbeidsverdeeling en associatie, gegeven, en zooals reeds is opgemerkt, konden en moesten juist vooral in onze dagen de menschen van die wijze en eeuwige natuurwetten leeren. — Ook een leerboek der vormen en der symmetrie is het dierenrijk, tot ontwikkeling van den zoo hoogst gewichtigen vormenzin den mensch gegeven. Deze komt overeen met het daar- en voorstellingsvermogen der ziel: wie de vormen juist opvat, beschrijft goed, en wie goed beschrijft, onderscheidt goed; et qui bene distinguit, bene docet. Treffend zegt Carlyle: „Zoek mij een man die met woorden een tafereel schildert, dan hebt gij een man gevonden die iets waard is. Een waardeloos mensch kan niet het beeld van een of ander voorwerp ontwerpen ; hij leeft temidden van nevelachtige uiterlijkheden en misleidingen; hij leeft in alle opzichten slechts van het banale hooren zeggen.quot; — Men vergelijke met de zoo menigvuldige en alle uit den cirkel zich ontwikkelende blad- en bloemvormen de tienduizend soorten van visschen, de duizenden vormen der schelphorens (spiralen), der zeesterren en zeeëgels (cirkeldeeling) enz.
Het is opmerkelijk, dat wij de oogmerken en einddoelen der dierlijke schepping minder duidelijk beseffen dan die der planten. Zoo weten wij niet, waarom er in de diepten van den oceaan, in het luchtruim, in de woestijn en op de savanna\'s en prairieën zoovele billioenen dieren leven die van geen nut voor den mensch zijn, die hij nooit gezien heeft, noch ooit zien
152
zal; en hier mislukken alle pogingen om dit doel ook maar bij benadering te verklaren. Dat eene vermindering van den plantengroei invloed zou hebben op den waterkringloop en dus op de levenseconomie onzer planeet, is ons duidelijk; maar wij begrijpen niet wat het hinderen zou, wanneer al de ontelbare landdieren en vogels en zeedieren en kleine diertjes, die aan de polen leven, eens niet bestonden.
Merkwaardig ook, dat nergens in het plantenrijk de persoonlijkheid, de individualiteit, er zoo verflauwd en zóo onherkenbaar en zóo niet te definieeren uitziet, als bij de lagere vormen van het dierenrijk : de polypen, sponsen, enz. En toch geven juist deze vormen blijk van een bijna onverwoestbare levenskracht. Zoo kan men het waterslangetje (n a i s) in twintig stukken snijden, en toch groeit aan elk stuk weer een kop en een staart. Nog merkwaardiger is de hydra v i r i d i s of groene armpolyp in onze vijvers. Men kan haar over de lengte en over de breedte naar verkiezing splijten: uit de stukken ontstaan nieuwe individuen ; ja, Grube verhaalt, dat hij haar een tijdlang in een vijzel heeft gestampt(!), en toch was zij, weer in \'t water gebracht, blijven voortleven.
In den bouw van het dier leeren wij de trapsgewijze ontwikkeling der zoo hooge wetten van het menschelijk leven kennen. Hoe belangwekkend is het bijvoorbeeld, dat lagere larven door middel van bladvormige kieuwen in den staart ademhalen; dat deze kieuwen, altijd nog bladvormig, zich bij hoogere insecten-vormen links en rechts verdeelen, altijd hooger stijgend, totdat zij zich bij de visschen in de ooren tot kieuwen ontwikkelen! Maar nog altijd is er geen geluid aanwezig; en eerst wanneer deze kieuwen, den vorm en de eigenschappen van inwendige longen aannemen, ontstaat de stem. Welk een schoone en verrassende waarneming is het, hoe het bij de sponsen uit volkomen identieke, onzamenhangende kalknaalden bestaande skelet
153
zich langzamerhand door alle diervormen heen hoe langer hoe meer samenvoegt, en hoe ieder been zich al meer en meer tot afzonderlijke doeleinden ontwikkelt, totdat het in \'s menschen lichaamsbouw een meesterstuk van onnavolgbare doelmatigheid en voltooiing vormt. — Wonderbaar is ook de menigvuldigheid der zintuigen. Welk een verschil tusschen de ocellen der spinnen en schorpioenen, waarmeê zij trouwens slechts tot op een duim afstands zien kunnen, en de met tal van facetten voorziene oogen der vlinders en vliegen, met wel zevenduizend lenzen en gezichtszenuwen, of de uit een zakje vol zwarte vloeistof zonder hoornvlies bestaande oogen, die bij de slekken aan het einde hunner voelhorens geplaatst zijn! Zoo bevinden de gehoororganen der dieren zich aan de meest verschillende lichaamsdeelen. De rivierkreeften hebben ze aan het ondereinde der voelhorens, de sprinkhanen aan de voorpooten, en de mysiskreeften aan het einde van den staart (E. Yung). Vele schelpdieren hooren met den voet, waarmede zij ook tasten en hun weg peilen; en zij hooren er blijkbaar zeer goed mede, want zij sluiten hunne schalen zoodra er in hunne nabijheid slechts wat luid gesproken wordt.
Evenals de plantenwereld is ook de dierenwereld vol lichamelijke en zielkundige geheimen en verborgenheden. Zoo treedt eerst bij het dier, in onderscheiding van de plant, het begrip van ,woningquot; op, o. a. bij de schelpdieren. Zoo kunnen de groote schildpadden, deze zoo stompzinnige dieren, die tamelijk lang zonder hersens kunnen leven, en wier dikke schalen de zwaarte van een beladen wagen dragen, het toch niet goed uithouden dat er regendroppels op deze zoo harde schaal vallen; en wanneer zij zich \'s morgens, al is het ook nog zoo mooi en helder weer, angstig verschuilen, dan weten de deskundigen dat het nog dien eigen dag zal gaan regenen. De bladeren der vergiftige euphorbieën zijn niet schadelijk voor de runderen.
154
maar veroorzaken onverbiddelijk den dood bij den zeebra; de neushoornvogel eet straffeloos de voor mensch en dier doodelijke strychnosnoot. De steek der tse-tse-vlieg, die pest van Zuid-Afrika, schaadt den mensch niet, maar doodt den os, het paard en den hond. — Ook merkwaardige sympathieën en antipathieën worden er gevonden. Zoo de eerstgenoemde volgens de wet der aantrekkende contrasten: tusschen prairiehonden en ratelslangen, kraanvogels en stieren, tusschen den haai en zijn trouwen begeleider den loodsvisch, enz. Hoort men in de bosschen van Gochinchina of Java het geschreeuw van den wilden pauw, dan weet men ook dat zijn vriend, de tijger, in de nabijheid is, — tusschen twee haakjes: een prachtige kleurenassociatie. Daarentegen vervolgen de raven den voor hen onschadelijken havik en den uil vaak urenlang met groot geschreeuw. Zoo is de zwaardvisch, hoewel zelf behoorende tot de familie der wallen of waldieren, een doodvijand van den walvisch, terwijl hij zich toch uiterst vreedzaam verdraagt met den grooten tong; doch voor den potvisch neemt hij, evenals de haai, verschrikt de vlucht, en hij durft het zelfs niet wagen een dood en aan strand gespoeld exemplaar dezer diersoort te naderen. Zoo wordt de wilde en kwaadaardige baviaan, die zelfs den luipaard angstig de wijk doet nemen, bij het zien van een kleine slang of een salamander met de vreeselijkste ontsteltenis vervuld.
Het geheimzinnigst, en het minst door het nietszeggende woord „instinctquot; te verklaren, zijn de zielsaandoeningen van den haat en van de liefde bij de dieren, die wij gewoon zijn te beschouwen als lage, ontoerekenbare organismen. De hermiet-kreeft strijdt en vecht wel verwoed met zijns gelijken, maar zijne genegenheid voor de op zijne schaal zittende actinie, eene soort van zeeanemoon, is bekend. Niet alleen wordt zij nooit door hem gehinderd of bezeerd, maar wanneer hij, zooals door Gosse
155
en anderen gezien is, een andere woning wil betrekken, neemt hij zijne vriendin behoedzaam op en brengt hij haar naar de nieuwe schelp over; en gelukt hem dit losmaken niet, dan doet hij liever afstand van de nieuwe schaal en blijft hij zijne actinia getrouw. Wel heeft men, geheel in den geest van onzen egoïsti-schen tijd, getracht dit door wederkeerig nut en voordeel te verklaren, maar hoe ontoereikend is deze zoogenaamde opheldering! Want tot het beseffen en waardeeren van een eventueel wederzijdsch voordeel wordt nog meer begripsvermogen vereischt, dan voor een louter wederkeerige genegenheid, zooals wij dan ook zien, dat het kleinste kind reeds genegenheid voor zijne moeder aan den dag legt, lang voordat de kleine berekenen of ook maar begrijpen kan van hoeveel nut zijne moeder voor hem is. En de hermietkreeft staat in dit opzicht niet alleen. Aristoteles kent en vermeldt reeds de vriendschappelijke verhouding tusschen de kleine krab pinnotheres (pinnenwachter) en de mossel pinna, waarin zij leeft; vandaar haar naam. Deze pinna komt reeds in Egypte als hieroglyph voor, en beteekent daar; een huisvader die van de hem verstrekte ondersteuning-zijner kinderen moei leven! (Schleiden, „Das Meer,quot; bladzijde 4.75).
Uit het dierenrijk zien wij verder, hoe overeenkomstig ons totaal onbekende wetten eene individualiteit zich uitwendig volkomen veranderen kan, zonder daarom toch teloor te gaan. Zoo bijvoorbeeld wanneer een en hetzelfde individu, gelijk bij vele insecten voorkomt, drie zoo verschillende levenstoestanden doorloopt als larve, pop en gevleugeld dier. De verandering van eene rups in een kapel, en die van eene larve in een libel, is een physiologische en psychologische leer van de grootste be-teekenis. — Deze gedaantewisselingen zijn wel waard iets nauwkeuriger bezien te worden! — Hoe zoo\'n rups zich nu eens lang uitstrekt, en dan weer saamtrekt, het eene oogenblik naar den
156
rechterkant en het volgend oogenblik naar den linkerkant draait, en daarbij den vorm, de lengte en de dikte van haar lichaam steeds verandert, dat heeft elk onzer wel eens gezien, — maar er misschien niet altijd over nagedacht wat dat zeggen wil. Eene villa met talrijke verwarmings-, waterleiding- en gasbuizen, zoodanig gebouwd dat zij zich ieder oogenblik zonder moeite en zonder gedruisch kon verlengen en verkorten, en naar rechts of naar links kon uitzetten, waarbij al de deuren en vensters, luiken en gordijnen, vloeren en zolders, benevens al de bovengenoemde buizen, zich uitrekten en inkrompen, zonder dat er ergens sprake was van scheuren of breken of bersten of verstoppen, — wel, wat zou dat een bewonderenswaardig bouwgewrocht zijn, zelfs voor den beroemdsten architect of ingenieur. En bij de rups hebben wij toch te doen met zulk een gebouw, vol talrijke, fijne, hoogst gevoelige buizenleidingen en inwendige inrichtingen. Lucht en bloed en maagsap en het verwerkte voedsel moeten ondanks de voortdurende verkortingen, verlengingen en verbuigingen ongestoord door honderden vaten circuleeren; want dit wonderbare diergebouw moet daarbij steeds ademen, verteren en voelen. Beenderen kunnen er hier natuurlijk niet zijn, maar de sterke en toch veerkrachtige huid houdt dit halfvloeibare lichaam bijeen. Konden wij met do oogen eener mier, of beter nog van een daphnis, die als een rood stipje in de plassen zwemt, het inwendige eener zich bewegende rups eens zien, — hoe zouden wij ons verbazen ! Als verrekijkers schuiven er honderden buizen uit en in elkander; zij worden nu eens zeer dik, dan weder zeer lang en dun, door spieren in beweging gebracht en met zenuwen doortrokken, die zich als spiraalveeren verkorten en verlengen. Halfvloeibare vleeschmassa\'s veranderen voortdurend van vorm; bij elke wending sluiten er zich eenige van de twaalf luchtgaten en geschutpoorten aan den eenen kant en gaan er even zooveel aan de andere zijde open, en in het volgend oogenblik heeft
157
juist hel omgekeerde plaats; nu eens ademt het dier met de linker- en dan weer met de rechterzijde. Daarbij zwellen en rekken de wijdvertakte, met lucht gevulde buizen, terwijl de luchtledige dichtgaan en zich samentrekken.
Daarvoor maakt de rups gebruik van een reusachtig aantal spieren; zoo heeft de wilgenrups er volgens Lyonnet achtduizend paar(!), terwijl de mensch er slechts tweehonderd-tachtig bezit: zij is dus te vergelijken bij een reuzenschip, waarop bij elke manoeuvre achtduizend matrozen en machinisten werkzaam moeten zijn. En niettemin hebben al de levensprocessen zoo rustig en volkomen plaats, dat zoo\'n rups, die op een koolblad eens om zich heen kijkt, volstrekt niets bemerkt van al hetgeen er in haar binnenste geschiedt. — Doch laat ons dit merkwaardige schepsel nog eens wat verder naspeuren. — Het houdt op met eten en zoekt in onrustige stemming naar een verborgen hoekje. Daar ontwikkelt het een volkomen nieuwe werkzaamheid: er komen andere spieren in functie, en andere chemische omzettingen hebben er plaats; het diertje spint voor zichzelf eene grafkamer, waarin het gedurende de wintermaanden onbewegelijk schijnt te slapen, en zoo leeft het zelfs bij strenge koude en totaal gebrek aan voedsel maandenlang voort, — óok iets verbazingwekkends! Maar in dit omhulsel gebeurt nu het wonderbaarlijkste van alles. Hier transformeert en transfigureert een lager dier zich tot een hooger! Onder en ondanks dit vasten verwisselen de harde kakebeenderen in lange, buigzame snuitjes, die met vele sierlijke zuignapjes voor het drinken van honig voorzien zijn. In deze duisternis veranderen de zes verschillende oogen in twee groote, dikwijls met zeventienduizend ooglenzen voorzien; en van de borstels en stekels der huid groeien glinsterend gekleurde waaierschubben. Zes pootjes verlengen zich in dien kerker, de andere gaan naar binnen ; ja, in dit graf groeien er uit de zijden groote, buigzame vleugels, dakpansgewijze met
158
duizenden schubben bedekt, met voor elke soort bepaalde, aan beide kanten nauwkeurig overeenkomende teekeningen. — Dus in de donkere groeve al de toebereidselen voor een hooger, dusver nooit gekend bestaan. Welk zieleleven zou wel met zulke kolossale veranderingen overeenkomen, ze veroorzaken en beheer-schen? — Want even groot als deze materieele verandering is, is ook de moreele. Komt deze vlinder uit zijn omhulsel tevoorschijn, dan heeft hij geheel andere neigingen en begeerten, verlangens en bedoelingen; hij denkt anders dan vroeger, gevoelt geen begeerte meer naar het koolblad, wil niet meer kruipen, maar vliegen en zweven en fladderen, om vrij en vroolijk in de lucht rond te zweven; zonneschijn, bloemengeur en honigzeem, dat is nu zijn lust en zijn leven. Een ware opstanding des vleesches; een ontzagwekkend zinnebeeld van de waarheid, hoe eene ikheid zich vervormen en veredelen kan en toch éen en dezelfde blijven !
Bijna nóg merkwaardiger is de minder in \'t oog vallende verandering van eene larve in een libel (juffertje of glazenmaker). Want rups en vlinder leven beide in de lucht, in den zonneschijn, en voeden zich met plantaardige stoffen. Maar hoe kan de smerige en terugstootende larve, die haar leven onder het troebele water, in het slik der moerassen doorbrengt, er iets van vermoeden dat er een hooger rijk des lichts en der lucht bestaat, en zich daartoe langzamerhand voorbereiden? En toch groeien diep onder in het moeras aan haar hoofd de twee kolossale, uit duizenden facetten samengestelde oogen voor het hoogere licht, en krijgt zij daar het glanzig donkerblauwe lichaam en de prachtige, nog dicht saamgevouwen vleugels, zoo licht en toch zoo sterk! En is de verandering volbracht, dan stijgt zij naar de oppervlakte; en sneller, zegt een waarnemer, dan een man zijn overjas uittrekt, doet zij haar omhulsel barsten, vliegt zij en gonst zij en wiegt zij zich in een nieuwe wereld van bloemen
159
en van zonneschijn. Maar bij en ondanks al hare schoonheid blijft zij toch altijd het onverzadelijke, wreedaardige en bloed ■ dorstige schepsel dat zij vroeger was.
En wat zullen wij ten slotte van de geslachtswisseling bij sommige zeedieren zeggen, waarbij er tusschen vader en zoon een even hemelsbreed onderscheid is als tusschen een kolibri en een kikvorsch, alsof twee geheel ongelijksoortige zielen in een zonderling wisselspel met elkaêr worstelden! Zoo\'n medusa b. v., die vrij in de zee als een melkwitte, halfdoorzichtige schaal met de schoonste laag neerhangende voeldraden rondzwemt, legt eieren waaruit geen medusen, maar veel kleinere, vastzittende polypen voortkomen. Deze polyp bevat dan honderden van kleine knopjes, die weldra uit zijne omhulsels uitvallen, en als vrij rondzwemmende medusa\'s een kolossale grootte verkrijgen, wier eieren weer een polyp voortbrengen zooals de grootvader was, enz. — Wat al geheimen en verborgenheden des levens!
Het mysterie van het dier is dan ook, evenals bij de plant, zijne individualiteit; voorts zijn zieleleven, de wereldbeschouwing dezer ikheid. Wat zou b. v. zoo\'n hond wel denken, die met een paar verstandige oogen vragend en bewonderend zijn meester aanziet, en een juichend geblaf aanheft wanneer het hem gelukt diens wil te begrijpen? Wat al eerbiedige denkbeelden en voorstellingen omtrent dit hoogere wezen, van zijne wijsheid en van de macht zijns woords, zouden er wel tot de hersens van het dier doordringen; en ook: welk een bewustzijn van zijn eigen scherpzinnigheid, en welk eene opvatting der Natuur? Of welk soort van geweten en plichtsbesef heeft het goedige werkpaard, dat onverdroten en ingespannen dag aan dag zijn
160
vracht bergopwaarts trekt ? Of welk gevoel gaat er om in zoo\'n kanarievogel, die van verdriet over zijn overleden meesteres sterft? Kortom, wat zijn dat voor verschillende vreemdsoortige geesten, die evenals wij onder smarten geboren worden, evenals wij lijden, haten en liefhebben, vreezen en hopen, zich herinneren en berekenen, voor een deel trouwe echtgenooten en teeder zorgende huisvaders zijn, en tot in den dood oprechte vrienden blijven; die onze luimen en grillen, onze mishandelingen geduldig verdragen, en zich gelukkig achten wanneer wij ze met eene liefkoozing of een vluchtig streelen beloonen? — En weer andere zijn als bezeten door booze geesten van woede en bloeddorstigheid, van vraatzucht en liederlijkheid en menschenhaat!
Wellicht zegt menigeen: Het dier handelt slechts uit instinct, het heeft geen bewustzijn van zichzelf, van de wereld, of van een god. — Dat is spoedig genoeg gezegd! Wat het laatstgenoemde betreft: wij zijn de god van het dier. „Uwe vrees en uwe verschrikking,quot; niet de vreeze Gods, „zij over al het gedierte der aarde,quot; zegt de Bijbel. Maar wie het dier zelf- en wereld-bewustzijn ontzegt, bewijst daardoor dat hij het dier niet kent. Waarom wordt dan menige leidkoe op de Alpen ziek van verdriet en wil zij niet meer eten wanneer men haar de schel ontneemt? Met welk een trots rijdt het paard den overste voor het front! Met welk eene trouw en nauwgezetheid van geweten bewaakt een hond het hem toevertrouwde, en hoe schaamt hij zich als hij zijn plicht heeft verzuimd! En hoevele dieren hebben hun leven voor hun soms slechte meesters opgeofferd! In Owen\'s Natuurgeschiedenis wordt verhaald, hoe in de rotsbekkens, die in het noorden van Schotland voor het bewaren van visch gebezigd worden, een blinde karper, „oude Tomquot; gehee-ten, zoodra de oppasser hem riep, steeds aan kwam zwemmen en zich door den man liet streelen; maar onmiddellijk weer weg-
161
zwom, zoodra de vreemde natuuronderzoeker hem aanraakte, om echter op het commando van den oppasser terstond weer terug te komen!
Met de wereld, met de schepping, met de natuur, staat het dier in veel intiemer betrekkingen dan wij. Op een vorige bladzijde hebben wij reeds gezien, dat het dier zintuigen heeft die ons onthouden zijn. Met deze zintuigen leeft het in een ons totaal onbekende wereld. Daartoe behoort niet alleen het steeds terechtkomen op de wijde wereld en in de diepten der zee, en ook het vooruit zien van de jaargetijden, van een strengen of zachten winter, en het daarnaar inrichten van zijn huis en zijne voorraden. Zij die het dier kennen, omdat zij met en van het dier leven; de herders, de jagers, de visschers enz., kennen allen het dier verstand, ja gemoed en ziel toe. Zoo vraagt Grube: „Indien alles instinct was, waarom sterven dan niet alle honden op het graf van hun meester?quot; — Vanwaar de zoo scherpgeteekende individualiteit, zoodat er geen twee honden of geen twee paarden hetzelfde zijn? Zoo zegt Sir Lubbock, de veeljarige waarnemer der mieren: „Wij hebben hier inderdaad met verstand te doen,quot; en hij plaatst deze insecten, wat intelligentie aangaat, boven den hond en het paard, en onmiddellijk na den mensch. En toch weegt het brein, waarmede een mier denkl, zich herinnert, gevolgtrekkingen maakt, berekent, liefheeft en haat, volgens Flammarion slechts het tienduizendste gedeelte van een gram! — waarom hij dit mierenbrein dan ook „het wonderbaarste atoom stof van de gansche wereldquot; noemt. Zelfs zoo onontwikkelde dieren als de oesters kunnen ervaringen opdoen en zich ten nutte maken. Wanneer deze dieren op banken leven, die bij eb droog liggen, leeren zij langzamerhand gedurende dien tijd hunne schalen sluiten; de uit dieper water gehaalde oesters openen zorgeloos hunne schelpen, en sterven dan tengevolge van de verdamping van hun water. Het bovenbedoelde
162
leeren sluit in zich, wat wij menschen herinnering, nadenken en logische gevolgtrekkingen noemen, — voor een oester toch reeds veel! — Zoo zal geen dier vergiftige planten eten; zelfs den door zijn verblijf onder de menschen verwenden aap kan men nog met volkomen zekerheid en gerustheid in de oerwouden als voorproever der vruchten gebruiken, waar hij de vergiftige met een luid geschreeuw verre van zich werpt. En ook bij de afzichtelijke bewoners der diepte vindt men sporen van een geheimzinnig zieleleven. Zoo herkent de monsterachtige inktvisch in het aquarium te Napels den man, die hem dagelijks zijn voedsel geeft. En zelfs bij de kleinste organismen, geen dier en geen plant: bij de ameuben, paramaeciums (pantoffeldiertjes), stentors, trompetterdiertjes enz., die slechts uit een behaarde cel bestaan, uit een zakje met een vloeibaren inhoud, vertoont er zich nog op wonderbare wijze een uitzoeken en kiezen van hun buit, een ontwijken van hunne vijanden, en een onderscheid in de geslachten! (Binet, „La vie physique des mier o-o r g a n i s m e s.quot;)
En dalen wij ten slotte af in de voor het bloote oog volkomen onzichtbare, in aantal onmetelijk groote, lucht en zee en aarde vervullende wereld der bacteriën, bacillen, vibrionen, microben enz., dan worden daar de mysteriën des levens hoe langer hoe ondoorgrondelijker. De mensch met zijn verschillende, voor onderscheidene functiën dienst doende organen is in zekeren zin veel gemakkelijker te begrijpen dan deze gedaanten, die zonder verdeeling, zonder vormen, zonder uitwendige of inwendige organen, scherp gescheiden soorten en krachtige levensuitingen vertoonen, en op het stuk van levenstaaiheid en schrikwekkende voortplantingskracht alle hoogere wezens verre overtreffen. „Een enkele bacterie (t e r m o) zou instaat zijn, binnen den tijd van drie dagen eene nakomelingschap van zeven en-ha\'if millioen kilogram voort te brengen, en in vijf dagen zou zij,
163
wanneer zij in hare voortplanting volkomen onbelemmerd bleef, de wereldzee vulien !quot; („Die Natur,quot; 1894-, No. 4). Hoe moeten wij ons bij deze uiterst kleine en absoluut eenvoudige wezens voortplanting en overerving voorstellen ? Waarin bestaat daar nog de individualiteit? Hoe bewerkt daar de levensstof bij sommige verschillende soorten van het vreeselijkste vergif: cholera-, typhus-, diphtertisstof, en bij andere voor den mensch nuttige processen van gisting enz? Waar schuilt daar het verschil in levensbeginsel? Wij mogen bijna niet hopen, deze onderwereld van ijzingwekkende wezens en donkere natuurkrachten ooit grondiger te leeren kennen.
* *
*
\' Geheimzinnig waren de dieren terecht in het oog van de
eerste menschen. „De dieren,quot; zegt Grube, „die zonder lange verzorging en verpleging zelfstandig worden, zichzelven helpen, eene beslissing vellen omtrent hetgeen hun al dan niet heilzaam en nuttig is, en in hun doen en laten zoo zeker zijn, moesten wel voor de eerste menschen een bovenmenschelijk verstand vertegenwoordigen.quot; Daarom werden zij dan ook door de natuurvolken als symbolen der godheid beschouwd.
Zoo merkt Brehm op: „Meer dan eenig ander dier heeft de os tot de beschaving en verzedelijking van den mensch bijgedragen.quot; En welk eene rol speelden niet van oudsher het edele paard, hoofdzakelijk bij kamp en krijg, en de hond als jachtgezel van den mensch? — Fijnere, ideale, wat wij psychische naturen zouden willen noemen, bemoeien zich gewoonlijk niet met dieren; zij houden meer van menschen, en voornamelijk van kinderen. — Menigeen wordt daarentegen door zijn leelijken, blaffenden keffer ongnnstig aangevuld, en op niet bedoelde en
164
niet begrepen wijze geïllustreerd. Want de verhouding van den mensch tot het dierenrijk is voor hem kenmerkend.
De bekende teedere verhouding der alleenwonende dames van rijperen leeftijd voor hare kat of katten, zullen wij hier niet op onteedere wijze aanroeren, noch er een symbolische beteekenis aan geven. De vrouw gevoelt meer neiging voor het poesje, de man meer voor den dog. Doch eene dame, die hare liefde aan een papegaai wijdt, kan daarom misschien een brave, eenigszins spraakzame huisvrouw en echtgenoote z\'jn, maar een Sappho is zij niet, en nog minder een heilige Theresia of Elisabeth. Idealer zijn reeds de betrekkingen tot een lyrischen, heet-bloedigen, warmhartigen kanarievogel, een in hartstochtelijk gezang zich lucht gevende dierenziel. Goed past de Tyras bij eene figuur als van Bismarck, evenals bij die van Melacs zijn twee wolven; de bekende hazewind van Sanssouci met zijn reusachtige springkracht en zijn typisch gezicht bij Frederik den Groote, de koningstijger aan een gouden ketting bij Nero, en bij den Raad der Tienen te Carthago de wakende Numidische leeuwen, die vrij in de raadzaal rondliepen. Tot het schoonste behooren de leeuwen van Ramses II, zooals zij — een waarlijk koninklijke lijfwacht, in het slaggewoel rondom den op een gouden wagen voortrijdenden koning geschaard, die met ont-bloote armen doodelijke steenen op de vijanden neerslingert — hun gebieder woedend verdedigen. „De leeuwen des konings,quot; zoo luidt de hieroglyphische inscriptie, ,verscheuren de vijanden.quot; — Want altijd en immer, van Nimrods tijd af, heeft de sterke man steeds iets van den dierentemmer in zich; en het dier erkent en gevoelt dat overwicht en die meerderheid van den sterke, en vreest voor den man die niet voor hem vreest, „üwe vrees en uwe verschrikking zij over al het gedierte der aarde!quot; — Zoo waren de sterke Romeinen beroemd als dierentemmers. Een luipaard, aan boord van een Engelsch oorlogsschip
165
gebracht en vrijgelaten temidden van zeshonderd krachtige matrozen, werd terstond tam en schuw. Het is niet louter legende, wanneer ons verhaald wordt, dat kluizenaars en hermie-ten en anachoreten in de woestijn nooit door wilde beesten werden aangevallen, maar veeleer met deze dieren op vriend-schappelijken voet verkeerden. In de allereerste plaats was het de macht van den in God staanden menschengeest over de dierlijke schepping, zooals ook kwaadaardige honden sommigen menschen nooit eenig leed doen, en de nauw daarmee verbonden liefde, die hen onbewust tot dierentemmers maakte. Maar ook hun door de eenvoudigste plantaardige voeding gevormde lichamelijkheid oefende geen prikkeling op de vraatzucht der wilde dieren uit.
De mensch die met het dier dweept, is vol inconsequentie, omdat hij de wet der hierarchie in de ikheid miskent. Dood ik een snoek, zalm of baars, die dagelijks veertig a vijftig vischjes verorbert, dan is dit echte dierenbescherming, en evenzoo wanneer ik een zwaluwenpaar van kant maak, dat voor zichzelf en zijne jongen ongeveer twaalfhonderd mugjes daags verslindt. Maar de zwaluw is toch nuttig en het mugje schadelijk ! — Zoo komen wij telkens weder bij het nuttigheids-principe terug, op grond waarvan de fijngevoelige dame, die zich over het dooden van kleine vogeltjes schrikkelijk verontwaardigt, kalm en goedsmoeds groote dieren, zooals kippen en ganzen, en ook gebraden ossen- en kalfsvleesch nuttigt. Zelfs de strenge vegetariaan is niet consequent, of hij moest, zooals sommige Engelsche dames, weigeren om zich van mof en boa, van laarsjes en handschoenen, en zelfs van eene portemonnaie te bedienen, omdat de huid van vermoorde dieren de grondstof tot al deze artikelen heeft geleverd. Laat ons dus niet alleen de nachtegalen en vinken en andere vogels, maar ook de arme ossen en paarden in vrijheid stellen! — Wat zouden w ij er wel van zeggen, als men ons
166
eens dagenlang voor den ploeg en den wagen spande, met een ijzeren gebit in den mond? — Op zulke doolpaden dwalen zij af, die de dierenquaestie louter op grond van het gevoel willen oplossen. Een dier is nu eenmaal geen mensch; en de Brahmien, die zich door het ongedierte schier laat opeten, om diertjes te voeden, handelt niet edel, maar dom en dwaas. — Laten wij ons liever aan den Bijbel houden. — De Heilige Schrift zegt: „De rechtvaardige ontfermt zich over zijn vee,quot; maar ook: „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijzequot; (Genesis IX : 3). Christus at visch en beval herhaaldelijk de vischvangst; en van de waarde des menschen tegenover het dier zegt Hij: „Gij gaat vele muschjes teboven!quot;
Hoe schoon bij den mensch het standpunt en het overzicht van het individu ook met zijne hoogte boven de zee der menigte strookt en overeenstemt, toch toont God ons in zijn Woord een veel hooger en zinrijker opvatting van het door Hem geschapen dier, dan de onze. De Bijbel wijst er op, hoe de twee groote beginselen van het goede en het kwade thans in deze, in vlee-schelijke banden gekluisterde zielen heerschen. Reeds bij Noach, dus op den drempel der tegenwoordige wereldontwikkeling, maakt de goddelijke zoölogie onderscheid tusschen reine en onreine dieren, en onderstelt dit verschil als bekend; niet louter beeldspraak en een redekunstige figuur, maar diep inzicht van een God, die de dieren schiep en die wezenlijk meent wat Hij zegt. Wel wordt herhaaldelijk met verwijzing naar Handelingen X beweerd, dat dit onderscheid slechts voor het Joodsche volk geconstateerd werd, doch voor den Christen niet geldt, en dan ook eigenlijk niet feitelijk in de natuur bestaat. Maar hoe oppervlakkig! Want vooreerst wordt daarbij de waarschuwing
167
over \'t hoofd gezien: „Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken!quot; Daarmede wordt toch bedoeld, dat deze op zichzelf onreine dieren een goddelijke reiniging noodig hadden eer zij voor Petrus rein werden; tegelijkertijd een treffend beeld van den door de Goddelijke genade van de gruwelen des heidendoms bekeerden Cornelius. Ten tweede wordt bij deze verklaring, dat „den reinen alles rein isquot;, dit aandeel aan het voorrecht van zoo hooggeplaatste Christenen als Petrus en Paulus, zonder aarzelen ook aan eiken nog zoo onontwikkelden Christen, ja naamchristen toegekend, wien het evenmin toekomt als het op een vurigen wagen naar den hemel rijden, het wandelen op het water, en de gave der wonderen in \'t algemeen. Evenals in de natuur bestaat er ook in het goddelijk leven een hooge en hoogste aristocratie; en wij, die ternauwernood den dorpel des tempels overschreden hebben, mogen ons niet aanmatigen met de insignes en prerogatieven der mannen Gods en der geestenvorsten te spelen. Ten derde let men er daarbij niet op, dat zulke hoogere geesteswetten de natuurwetten niet opheffen. Want al is ook den volkomen in God staande beloofd en door Bijbelsche feiten vastgesteld, dat zoolang hij in God staat, het vuur hem niet verbranden en het water hem niet verdrinken zal, dat hij op slangen zal treden en doodelijk gif zonder schade zal kunnen drinken, — niettemin brengt het vuur toch brandwonden toe, en verdrinkt men toch in het water, en doet de beet van giftige slangen wel schade. En zoo bestaan er reine en onreine dieren, ja ook reine en onreine planten, die de onreine zijde van den mensch prikkelen, waarvan Christus zelf uitdrukkelijk zegt: Een goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Ja, er bestaan ook reine en onreine metalen, zooals God zich dan ook de edelgesteenten, deze bloemen van het steenenrijk, geheiligd heeft in de urim en thummim. — Dit
168
wordt ons reeds geleerd door de ingeschapen natuurwet; en geen Christen zal dus, omdat den reinen alles rein is, zich in het slijk gaan rondwentelen, of het morsige, beestelijke varken, of de reeds op verren afstand naar aas en verrotting riekende ratelslang, die de neutrale stof tot het afschuwelijkste gif verwerkt, tot zijn lievelingsdier verkiezen! — Wanneer de Christus in de Openbaring onder de gedaante van een lam aanschouwd wordt, en de Heilige Geest in de gestalte van eene duif verschijnt, dan wordt hierdoor aan deze dieren een andere heteekenis en derhalve ook een andere innerlijke waarde toegekend dan aan den vos en den wolf, aan den hond en het zwijn (Mattheus VII : 6), of aan de slang en den otter. De beide grondbeginselen van goed en kwaad, van rein en onrein, zijn in de geheele schepping doorgedrongen, en wei veel grondiger dan wij het ooit kunnen denken of droomen. Dit had de oud-Joodsche wijsheid reeds uit het Oude Testament geleerd. Maar omdat wij ons meestal onnadenkend van bepaalde spreekwijzen bedienen, meenen wij dat dit ook met Gods Woord het geval is, en hebben wij geen oog voor de diepte der heilige Schrift.
Reeds bij de schepping der visschen en der vogelen vinden wij aangeteekend: „En God zeide: Dat de wateren overvloedig-lijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! En God schiep de groote walvisschen, en alle levende, wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haren aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijnen aard. En God zag dat het goed was. En God zegende ze, zeggende: zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën ; en het gevogelte v e r m e n i g-vuidige op de aarde!quot; Dus een levende, door God gezegende ziel is het dier, en wel met denzelfden zegen der vruchtbaarheid gezegend als de mensch. — Ook van heel zijn dierlijke schep-
169
ping zag God, dat zij zeer goed was; en zoo zien wij het dier in het paradijs als een rein, tot onsterflijkheid bestemd schepsel. ■— Zelfs na den zondeval acht God deze dieren waardig, met Hem een verbond aan te gaan. „Maar Ik, ziet. Ik richte mijn verbond op met u, en met uw zaad na u, en met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u: van allen die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe!quot; (Genesis IX: 9 en 10). En deze dieren zal God eenmaal ter verantwoording roepen: „Van ieder dier zal Ik uw bloed eischenquot; (Genesis IX : 5, grondtekst.)
Zoo getuigt heel de Mozaïsche wet van een diepzinnige, door ons weinig of gansch niet ingeziene beteekenis van den offerdood der dieren, en van de medewerking door dien dood aan de groote verzoening voor de menschenziel. Ook hier is het niet te doen om een blooten vorm van eeredienst. Eindelijk zien wij het dier in de Openbaring : Christus en de heiligen komen op witte paarden terug. Voor hem die van de majestueuze onveranderlijkheid Gods en de onverbreekbaarheid zijner gedachten doordrongen is, bestaat er niet den minsten of geringsten twijfel, dat ook het dier, deze „zeer goedequot; schepping, zooals het eenmaal in het eerste paradijs om den eersten boom des levens rondwandelde, zoo ook in het tweede paradijs (of in hetzelfde?)\' en op de nieuwe aarde in een heerlijke, gereinigde en geestelijk verhoogde gestalte zal optreden. Ook daar zullen de azuurblauw en purperrood glinsterende kapel, de witte duif en het edele paard, de fiere adelaar en de sterke leeuw ons verheugen, gelijk ook God zelf zijne vreugde over deze zijne schepselen te kennen geeft (vergelijk Job, hoofdstuk 39—41). Goddelijke gedachten kunnen niet vernietigd worden. — Maar of het dier individueel onsterflijk is? —Eene vraag die zich niet zoo gemakkelijk laat uitmaken. Want volkomen terecht wijst de materialist er op.
170
dat — wanneer de dierenziel, die blijkbaar denkt, liefheeft, haat, gevoelt, wil, herkent, zich iets verbeeldt, hoopt en vreest, droomt en zich herinnert, en hoe goed zich herinnert! ja, die een besef van recht en onrecht, van goed en van kwaad, van schuld en straf en plicht bezit, in den dood met het lichaam ophoudt, — daarmede dan ook het bewijs is geleverd, dat de stof alleen en op zichzelf reeds al deze zoogenaamde zielswerkzaamheden ten uitvoer kan brengen, en dat derhalve de hypothese omtrent het bestaan van een geest overbodig wordt. — Gegrond schijnt ook de eisch aan de goddelijke gerechtigheid, dat zoo menig trouw dier, paard of hond of ezel of dergelijken, dat met inspanning van alle krachten zijn plicht gedaan heeft, en als loon daarvoor slechts brutale mishandelingen of zelfs den dood geoogst heeft, daarvoor hierboven schadeloos gesteld zal worden. — En wat zou het groote, ons door Paulus geopenbaarde zuchten van het gansche schepsel beteekenen? En hoe zou zoo iets bij hen mogelijk zijn, indien alle schepselen met den lichamelijken dood volkomen en geheel ophielden? — Opmerkelijk is het, dat — terwijl diegenen die het dier kennen noch liefhebben, bovenbedoelde vraag meestal schouderophalend in ontkennenden zin beantwoorden, — de visscher, de jager, de boer, de herder, de mensch die met het dier leeft en het gadeslaat en liefheeft, haar dikwijls met volle overtuiging onderschrijft.
Zoo is het dierenrijk vol groote, belangwekkende raadselen. Ook het verheerlijkte dierenrijk zal ons eenmaal op de nieuwe aarde in verbazing brengen door openbaringen van diepe gedachten Gods.
III.
pE MENSCH.
Een mensch! iets alledaagsch, iets gewoons! Want overal waar wij gaan en staan, in de straten en buiten de poorten der stad, krijgen wij hem in allerlei exemplaren te zien: jong en oud, vroolijk en verdrietig, rijk en arm, mooi en leelijk, loopend en staand, sprekend en zwijgend; zij draven of slenteren ons voorbij; zij zien ons onverschillig aan, en wij hen; — immers, zij zijn voor ons en wij voor hen het allergewoonste wat de aarde bevat. — En toch is ieder mensch een wereld op zichzelf, en heeft hij zijn eigen wereld- en levensgeschiedenis, die hem hoogst gewichtig, ja alléén gewichtig voorkomt, en in zijne oogen de spil is, waarom het gansche heelal draait. — Evenals de Chinees, overigens met evenveel recht als de Engelschman of de Duitscher, zijn land als „het rijk van het middenquot; beschouwt; evenals op het Forum te Rome de vergulde mijlpaal stond, vanwaar alle afstanden tot aan het einde des rijks in drie werelddeelen gemeten werden, — zoo is iedere mensch dien gij ontmoet het middelpunt zijner wereld, een eigen wereldbeschouwing, ja, deze zijne wereldbeschouwing is voor hem „de wereld.quot;
Een zonderling wezen, die mensch! Wel mocht Klaudius van hem zeggen:
172
„Empfangen und genahret
Vom Weibe wunderbar,
Kommt er und sieht und höret
Und nimmt des Trugs nicht wahr;
Gelüstet und begehret
Und bringt sein Tliranlein dar;
Verachtet und verehret,
Hat Fraude und Gefahr.
Glaubt, zweifeit, wahnt und lehret:
Halt nichts und alles wahr ;
Erbauet und zerstöret,
Und quiilt sich immerdar.
Schlaft, wachet, wachst und zehret;
Tragt braun und graues Haar;
Und alles dieses wahret
Wenn\'s hoch kommt, achtzig Jahr.
Dann legt er sich zu seinen Vatern nieder
Und er kommt nimmer wieder.quot; \')
En tóch zijn aan hem de onverdelgbare grootheid en de onuitwischbare trekken van het goddelijk beeld, waarnaar hij eens geschapen is, nog altijd te herkennen. Wat is sedert zesduizend jaren, wereldgeschiedenis, kunst, wetenschap en godsdienst, poëzie en proza, al het oorlogvoeren en vredesluiten, al het regeeren en gehoorzamen, uitvinden en ontdekken, boeken schrijven en doceeren, leeren en prediken, akkers bebouwen en steden grondvesten, — wat is het anders dan de gestadige openbaring, het gestadig zich uitspreken van dat wonderbare ding, dat mensch heet, van het Sanskritische woord „manoeschquot;: de denkende! Waarom heeft dit wezen nergens rust of duur, moet het onderzoeken en naspeuren, moet het genieten en ontberen, moet en wil het lijden en zich verheugen, en komt
\') Eene vertaling dezer regels, zelfs een berijmde vertaling, zou te veel de typische gemoedelijkheid van het oorspronkelijke missen. Vert.
173
er aan zijn verlangen en begeeren geen einde? En het zou toch met een paar kilo voedsel dagelijks, evenals de os aan de gevulde kribbe, tevreden en verzorgd kunnen zijn. Waarom niet? Hierom niet: hij is Gods evenbeeld en kan en mag niet rusten voor en aleer hij, evenals het beekje in de zee, in den eeuwigen, oneindigen God rust vindt.
Deze vergankelijke, meestal gebrekkige, vaak erbarmelijke en beklagenswaardige aardsche verschijning, die mensch heet, is bij het licht bezien, een koninklijke majesteit. Ook de domste en bekrompenste mensch, de stamelende en stotterende, half kindsche grijsaard, — zij zijn de zichtbare vorm en uitdrukking van goddelijke wetten, zooals er geen hoogere in het heelal bestaan.
Want de formule en de wet van den mensch is het groot-sche woord: „Laat ons menschen maken in ons beeld en tot onze gelijkenisquot; (grondtekst). Dus deze mensch, deze drie-ëenheid van lichaam, ziel en geest, is een beeld, eene gelijkenis, een portret, een symbool van Jehova; alles aan hem is gewichtig en veelbeteekenend; zijn lichaam een type der goddelijke schepping, een microcosmos, zijne ziels- en geesteskrachten
eene afstraling der goddelijke ziel en der goddelijke krachten.
* *
De eerste goddelijke wet in het goddelijke denken is de groote Wet der Ikheid, van den Alleroorspronkelijkste, van de goddelijke individualiteit. „Ik zal zijn, die Ik zijn zalquot;, noemt Jehova zich.
Deze eeuwige, onveranderlijke, allesomvattende ikheid Gods is de noodzakelijke en onmisbare basis voor elke andere ikheid. Is God die, die Hij is, dan bestaat er een God en een niet-God, namelijk zijne schepping; een goed en derhalve ook een
174
niet-goed, een groot en een klein, een boven en een onder; dan heeft alles een absoluut zijn, en het bestaan verkrijgt kracht en leven en waarde. Zonder deze goddelijke ikheid als voorwaarde van alle zijn en alle weten, vervalt de mensch tot het nevelachtige Boeddhisme, het grenzelooze subjectivisme, dat juist het tegendeel is van de ware ikheid, waarbij het bloote begrip het wezen vervangt; de aarde wordt hem onder zijne voeten tot damp en nevel, de hemel boven hem tot een optisch bedrog, en zijn gansche leven tot een zelfbedachte abstractie. Wanneer een zoo verdienstelijk natuuronderzoeker als Schleiden zegt: „Kracht en stof zijn niets anders dan het product onzer zintuigen. Op en in zichzelf bestaan zij volstrekt niet, — de materie bezit op en in zichzelf geen eigenschappen,quot; — dan is daarmede aan ons bestaan alle zin, waarde en doel ontnomen, ea zijn wij eenvoudig fantasmen, die met zelfgemaakte schaduwbeelden en wezenlooze schimmen spelen!
De Christen daarentegen mag God nazeggen: „Ik zal zijn, die ik zijn zal.quot; Want ook hij is een eeuwige ikheid, naar het beeld der goddelijke geschapen, en hij heeft alle beginselen der hoogere in zich.
En evenals hij de hoogste individualiteit is op aarde, is deze mensch ook de hardste. Ruwe diamanten slijpen is niets in vergelijking van opvoeding, want de mensch is nog harder dan diamant. Noch met woorden als donderslagen, noch met het suizen der reinste, onbaatzuchtigste liefde, noch door bedreigingen met het Gehenna, noch met de beloftenissen des eeuwigen levens, vermocht de Christus zoo\'n farizeeërshart ook maar in het minste of geringste te treffen. — Zij bespotten Hem!
Deze wet der individualiteit bevat ook de wet der differen-tieering in zich. Hoe hooger een organisme, een schepsel is, des te individueeler is het, d. w. z. des te scherper doen zich niet alleen de verschillen tusschen de onderscheidene individuen
175
op, maar ook in het individu zelf individualiseeren zich verschillende organen zoodanig, dat elk hunner zich in toenemende mate met zijn eigen functie belast, en met niet meer danéene functie. Zoo schijnen de infusioren, zooals ameuben, met en door middel van de bloote huid alle levensfunctiën te verrichten, en de schaaldieren met den „voetquot; te voelen, te hoeren, en zelfs lichtindrukken op Ie nemen. Bij het hoogere dier zijn de verschillende werkzaamheden der zie! streng van elkaêr gescheiden, en eischen zij ieder een afzonderlijk orgaan. — Zoo omschrijft de hedendaagsche natuurwetenschap, o. a. Herbert Spencer, de evolutie van de laagste tot de hoogste organismen als ,a change through continuous differentiations,quot; (een aanhoudend overgaan van de eene wisseling tot de andere). — Zoo moet de mensch als hoogste schepsel reeds a priori het meest gedifferentieerde wezen zijn, en is hij dat dan ook. Geen twee onder de vijftienhonderd-millioen aardbewoners, die op dezelfde manier loopen of op dezelfde manier staan, die hetzelfde gezicht en dezelfde stem of denzelfden blik hebben; ja geen twee die eveneens hoesten! — Zoo is ook in het geestelijke de eenvormigheid de dood, en de verscheidenheid,-de veelzijdigheid en de contrasten zijn er daarentegen leven en ook schoonheid. Hoe hooger de geest, des te krachtiger de individualiteit, des te meer verschillend van anderen; en des te meer verschil bespeurt deze individualiteit bij hare medemenschen, des te meer differentieert zij. Voor den elementairen mensch zijn twee menschen dan ook eenvoudig niets dan men-schen, behalve dat de een een koopman en de ander een advocaat is, en de vrouwen zijn voor hem slechts getrouwde of ongetrouwde wezens. De begaafde schrijver, de psycholoog, de dichter, de dramaturg uit alle eeuwen, bijvoorbeeld een Dickens en een Thackeray, een Freytag en een Scheffel, een Victor Hugo en een Beranger, zijn daarom zoo groot, omdat bij hen de eene
176
mensch nooit is als de andere. Ieder is eene ikheid, eene ziel, een karakter, een unicum in hun oog; en niet louter een exemplaar van de groote editie, een monster van het fabriekwerk. Altijd en immer is rijke differentieering het kenteeken van een rijk geestesleven. Terwijl het kind, dat zich van de geheele wereld der verschijnselen meester moet maken, nog niet differentieert, maar de algemeene begrippen „kind,quot; „bloem,quot; „hondquot; enz. tracht te begrijpen, en alles wal het niet scherp onderscheidt, mei den naam van „dingquot; betitelt, kenmerkt de taal met groote diepzinnigheid het gebrek aan differentieering als indifferentie (in \'I Fransch en \'I Engelsch indifference), als eene onverschilligheid, een gebrek aan belangstelling en een geestelijke apathie, als een toestand van zwakte of ziekelijkheid der ziel.
Ook in de wereldgeschiedenis is differentieering hel kenmerk van voorname en aanzienlijke volken, en berust zij dikwijls (zooals in het tweede hoofdstuk van dit werk is aangetoond) op een schoone, natuurlijke differentieering en lopographische indeeling van hun land, binnen een geographische eenheid. — Bij de Joden, dit volk uit een stuk, met zijn bepaald vreeselijke cohesiekracht, had de geheele differentieering een godsdienstig karakter en vormde zij de kern der Mozaïsche wet. — Prachtige differentieeringen geven ons, evenals hun land, ook de Grieken te zien: Athene, Sparta, Corinthe, Thebe. Ook vinden wij er schoone bij de Italiaansche republieken der middeleeuwen, maar toch al te zeer, evenals de Duitsche toestanden, in scherpe tegenstellingen ontaardend. En toch is het buiten kijf, dat deze differentiën het Duitsche wezen verdiept en verrijkt hebben. Onder een gezonde en wijze regeering moest Frankrijk krachtens de prachtige verscheidenheid van klimaat, de geologische gesteldheid en de nationaliteiten het type eener schoone differentieering binnen een groote, harmonische eenheid vormen. Juist dit ontbreekt aan Engeland, dat als eilaud te zeer geïsoleerd,
177
door zijne afgeslotenheid sterk, maar eenzijdig blijft. Eindelijk is in China een oorspronkelijk grootsch gedifferentieerde hiërarchie tengevolge van ouderdom en verzwakking langzamerhand in een petrefact, eene versteening veranderd, die op bedenkelijke wijze begint af te brokkelen.
Noord-Amerika daarentegen vormt een belangwekkend voorbeeld van een land, dat het nog niet tot eene differentieering gebracht heeft. Dit jonge volk, dat nog overal generaliseert en veralgemeent, dat er zich met trots op beroemt, alle verschil en onderscheid af te schaffen en alles te nivelleeren, dat al de oude hiërarchieën en indeelingen wel zou willen opheffen, voor hetwelk man en vrouw, jongeling en grijsaard, schoenmakersjongen en president gelijkstaan, —• beseft niet, dat het zich daardoor volgens de bovengenoemde natuurwet als onrijp en onvoltooid kenmerkt, als een volk dat zich op een nog lagen trap van een ternauwernood aangevangen psychologische evolutie bevindt, wat zijn gansche habitus (voorkomen en gedraging) trouwens bevestigt. Zoo zijn de Duitschers, die hun halve leven in de Ver-eenigde Staten doorbrachten en er veel hebben rondgereisd, niet uitgepraat over de eentonigheid van de levenswijze en de menschen, van de landhoeven en de boerderijen, van het eten en de gesprekken, van de manieren en de gezelschappen, — waartegenover de bekende voorliefde van den Amerikaan voor adel en titels eer, onwillekeurige erkenning der hem ontbrekende differentieering in zich sluit, — en zelfs de woudloopers en Californiërs van Bret Harte enz. zijn niet moeilijk als de tweelingbroeders der beursmannen van Chicago en der geldmakers van New-York te herkennen.
Deze jonge natie, die ternauwernood een verleden, eene geschiedenis en eene literatuur, geen eigen godsdienst, behalve het Mormonisme, noch eigen kunst, noch eigen architectuur, noch ruïnes heeft, — bezit tegenover de wereld en het leven de naïe-
178
veteit van het kind, verbonden met de ongegeneerdheid, de oppervlakkigheid en het gebrek aan vereering, den vlegeljaren eigen, — wat den Amerikaan dien waaghalzerigen moed geeft, dien velen zoozeer in hem bewonderen; ook zijn flinke begaafdheid in het practische is een gunstige eigenschap, die ook bij sommige kinderen in \'t oog loopend op den voorgrond treedt. Maar voortreffelijke zeiljachten, groote ijzeren bruggen en een ontwikkeld spoorwegnet, een reusachtige vaardigheid in het houden van overigens zinledige openbare redevoeringen, een talrijke en middelmatige pers en voortdurende politieke geschillen en opstootjes, zijn nog geen bewijzen van geestelijke rijpheid. Nergens diep ingrijpende, veelbeteekenende en duizendjarige tegenstellingen en differentieeringen als in het niet grootere Europa zoo schoon tusschen Engelschen en Spanjaarden, Noren en Italianen, Turken en Franschen! Waarom Amerika dan ook nog lang niet instaat is, ons iels geestelijks te geven, maar zijne ideeën bij ons moet gaan halen. Aan de wet des tijds kan de mensch niets veranderen. De groei der volkeren telt bij eeuwen, evenals die van het individu bij jaren; en dat Alexander, Napoleon en Bismarck binnen den tijd van tientallen jaren wereldrijken konden stichten, kwam alleen doordat er daartoe duizendjarige elementen voorhanden waren.
God, de groote Schepper en Kunstenaar, is ook de groote Differentieerder. Telkens herhaalt Hij dezelfde eeuwige woorden, en nooit zegt Hij hetzelfde tweemaal; onvermoeid schept Hij op aarde volgens eenige grondtypen een eindeloos leven, en nog nooit heeft Hij zich gecopieerd. Daarom is ook in den godsdienst, zooals aan de profeten, apostelen en evangelisten te zien is, de krachtige differentieering, de uilgesproken individualiteit, een teeken van gezond leven. Alle en iedere uniformeering en nabootsing, alle methodisme en elke bijzondere soort van vroomheid ; elk dwingen en opleggen van uiterlijke vormen, is in de
179
godzaligheid het kenteeken eener geestelijke armoede, die schier onvermijdelijk een zich bewonderen in zijn eigen werk en de overschatting van het eigen doen tengevolge heeft.
Doel der verlossing is: dit verflauwde beeld van Jehova, deze bezoedelde ikheid, dit met zondenslik bedekte, door stof, bloed en zweet en rimpels misvormde wezen der eeuwigheid, dat mensch heet, weer tot een zuiveren, harden, geslepen diamant der eeuwigheid te herstellen. — Opdat en omdat de verloste in alle eeuwigheden zal mogen zeggen; „Ik zal zijn, die ik zijn zal,quot; moet hier beneden de valsche, kleine en kleingeestige, bekrompen, blinde ikheid afgelegd worden, al zouden ook huid en vleesch daarbij medegaan. De Rijken dezer wereld, hunne koningen en heerschers, hunne kronen en hunne schepters, zijn slechts zwakke zinnebeelden en nevelachtige voorstellingen van de waarheid, dat het \'s menschen roeping is, eeuwiglijk koning en priester te zijn en eeuwiglijk te regeeren in een rijk, welks stichting en grondvesting de Heere onze God op het oog had, toen Hij de wereld schiep; zooals er geschreven staat: „Beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereldquot; (Matth. XXV : 34).
*
* *
De tweede goddelijke wet van iedere goddelijke ikheid is de wet der openbaring. Leven is gestadige, zichtbare openbaring van het onzichtbare, — en dat zal het ook in den hemel zijn. Evenals een niet geopenbaarde God geen God zou zijn, is het wezen van het schepsel openbaring; wordt het daarvan beroofd, dan ontaardt en sterft het.
Evenals Gods eerste daad de schepping van een heelal uit zichzelven en van een mensch naar zijn beeld was, is het de eerste daad der goddelijke ziel, van dien goddelijken adem, die
180
nooit of nimmer werkeloos kan zijn, zich reeds in den moederschoot een lichaam te scheppen, dat met haar overeenkomt, eene zichtbaarheid, waarmede zij der gansche schepping kan toeroepen: „Ziet mij aan! Zoo zie ik er uit! Zoo hen ik! Verslaat gij mijn beeld en het opschrift?quot;
Wel is waar vergenoegen vele menschen zich met voorstellingen van lichaam en ziel, volgens welke de ziel in het lichaam als huurderes in een vreemd, door allerlei toevallige factoren gebouwd huis, tentje of villa zou wonen ; of op grond waarvan zij in het lichaam huist als een duiveltje in een doosje, dat slechts bij bijzondere gelegenheden boven den rand komt uit-gluren. — Dat allerlei invloeden medegeholpen hebben om ons lichaam te scheppen, is waar; maar de eerste en grootste factor zijn wij zelf; wij zijn de eigenaar en huisheer, en bouwen ons eene woning en meubileeren en veranderen haar volgens ons, zij het dan ook onbewuste, wezen en wenschen. En er bestaat bijna niets, dat van grooter geestelijke blindheid getuigt, dan de bewering, dat alleen de eigenaardige physionomische uitdrukking, maar niet de schedelvorm en de gelaatstrekken van een Goethe of Bismarck of Napoleon I, met zijn geestelijken aanleg iets te maken had.
Met dit lichaam zegt het kleinste kind reeds, wat het is en wat het zijn zal, en dat het niet is als een ander; reeds spreken zich daarin de twee groote tegenstellingen van mannelijk en vrouwelijk uit. De oogen, in de duisternis ontstaan, toonen de diep besefte aanwezigheid eener wereld van licht, kleuren en vormen; de ooren toonen de behoefte der ziel om in de door haar voorgevoelde wereld des geluids te leven; de mond en het daaruit ontstaande schreien toont de absolute behoefte der openbaring door het geluid, door het woord. De handen zijn een gematerialiseerde grondtrek der ziel, die de wereld wil vastgrijpen, die doen en maken en handelen wil; en de arm evenzoo
181
van hare kracht om vast te houden, tot zich te nemen, en te slaan. De voeten vertegenwoordigen ondubbelzinnig de macht dezer ziel om over de ruimte te heerschen, — enz. Zoo is de ziel voor het lichaam dienstbaar lot het beseffen dezer wereld, en tot het beheerschen van een met hare kracht overeenkomend stuk daarvan.
Wij leeren uit dat beeld Gods, dat God niet, gelijk zoovelen veronderstellen, louter een geest is, maar een hoogste en individueelste, meest zelfbewuste persoonlijkheid, van het Hem omringende, door Hemzelf geschapen heelal scherp gescheiden. Voorts dat dit lichaam, zooals ook de geheele Natuur, geen „zelfdoel,quot; geen verheerlijking van het menschelijke, maar van het goddelijke is, en zijn moet: een beeld en eene uitdrukking van Gods persoonlijkheid. „De mensch,quot; zegt Böhme, „is, als naar den heelde Gods geschapen, een microcosmos; het inwendige of holle in het lichaam eens menschen is en beteekent de diepte tusschen de sterren ; hel geheele lichaam beteekent hemel en aarde; het vleesch beteekent de aarde, en is ook uit de aarde aardsch ; het bloed beteekent water, en is ook van het water; de adem beteekent lucht, en is ook lucht. De aderen beteekenen de krachtgangen der sterren, en zijn ook de kracht-gangen der sterren; het ingewand beteekent de werking der sterren of de verlering van alles wat zij zeiven gemaakt hebben; wat uit hunne kracht geworden is, dat verteren zij zeiven weder. Het gansche lichaam is de schepping tot aan de sterren. Het hoofd is de hemel. Evenals de hemel alle sterren met zijne kracht ontsteekt, zoodat zij qualificeeren, elk naar zijn aard, alzoo ook het hoofd of brein des menschen het geheele lichaam.quot;
Zoo zijn de voeten van den mensch er niet in de eerste en voornaamste plaats toe geschapen, dal hij er mede loope, hoezeer wij dit ook gelooven, maar als eene openbaring voor de
♦
182
engelen van de beheersching der ruimte, die in God is, van Gods alomtegenwoordigheid. En Jehova zeide: „Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en dewijl hare zonde zeer zwaar is, zoo zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zoo niet, Ik zal het weten\'quot; (Genesis XVIII: 20, 21). — \'s Menschen handen en armen zijn in de eerste cn voornaamste plaats een beeld van Gods almacht en kracht, en ook van zijn doen en gestadig ingrijpen in liet universum, in de wereldgeschiedenis: „Mijne hand heeft al deze dingen gemaaktquot; (Jesaja LXVI: 2); en zoo zegt God ook lot Satan: „Zie, hij zij in uwe hand !quot; (Job II : 6). Het hoofd des menschen moet er ons een beeld van zijn, dat er in God een middelpunt der macht en des willens is, ja dat er evenals in \'s menschen hart en hoofd, zoo ook in God, twee groote polen van het willen en het beseffen zijn : eenerzijds van de gerechtigheid, anderzijds van de liefde, van het hartelijk ontfermen en van het genadig zijn, die door den zondeval, deze scheur in de schepping, in conflict met elkander geraakten, totdat God zich heerlijk in Christus openbaarde en de wereld daardoor met zichzelven verzoende, dat Hij zelf hare schuld op zich nam. Bij ons is het hoofd en zijn denken, zijn sophia, door het eten van den boom der kennis beneveld. Daarom mag hel hoofd niet meer uitsluitend het hart regeeren, en kan het niet meer door klaar en duidelijk besef aan hel hart stof tot beminnen en tot haten geven. Oorspronkelijk was het anders. Zooals niet het hart, maar het hoofd, in zinrijke S3\'mboliek de menschelijke gestalte overziet en beheerscht, zoo is in God hel beginsel, de idee, de wet, de sophia en eeuwige wijsheid als des Scheppers, en dus ook als de oorspronkelijke macht. Hij spreekt: „Er zij licht!quot; Dat is logos, taal, macht, hoofd. — Daarna ziet Hij, dat het goed is. Dat is gevoel, genot, hart. En de zintuigen van den mensch, deze poorten, waardoor
183
de ziel naar buiten ziet, zij zijn er een beeld en eene gelijkenis van, dat in den eeuwigen God de geesten (Openbaring IV : 5) van het zien en het hooren en het ruiken enz., lot in alle eeuwigheid vreugderijk en majestueus af en aan golven! „De oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun gebedquot; (1 Petrus III: 12, Psalm XXXIV ; 16). „Neig uw oor, mijn God! en hoor, doe uwe oogen op, en zie onze verwoestingen!quot; (Daniël IX: 18). En evenzoo: „Rook ging op van zijnen neus, en een vuur uit zijnen mond verteerdequot; (Psalm XVIII: 9). „En de Heere rook dien lieflijken reuk, en de Heere zeide in zijn harte : „Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wilquot;\' (Genesis VIII : 21). — Dat zijn geen beeld-sprakige uitdrukkingen, die ons een onbegrijpelijk en nevelachlig iels als een zien en hooren en ruiken en proeven van God moeten aanduiden, — maar onze zintuigen zijn een uiterst zwak en gebrekkig beeld van de ware, goddelijke zintuigen, gelijk David hel zoo majestueus uitspreekt: „Aanmerkt, gij onvernuf-tigen onder hel volk ! en gij dwazen ! wanneer zult gij verstandig worden ! Zou Hij, die het oor plant, niet hooren ? Zou Hij, die het oog formeert, niet aanschouwen ?quot; (Psalm XCIV : 8, 9). Wij mogen God niet verlagen en lot een mensch maken ; maar ons-zelven mogen wij in zijn licht beschouwen en er ons over verbazen, hoe groot wij in zijn beeld en zijne gelijkenis zijn, en hoe onbegrijpelijk ons zien, ons hooren, ons ruiken reeds zijn als een symbool, eene openbaring van hel goddelijke zien, hooren en ruiken.
Uit hel feit dat de mensch in stoffelijke grootte en gewicht tamelijk het midden houdt tusschen de levende schepselen, terwijl hij in harmonische ontwikkeling der zintuigen, in fijne bewerktuiging der gezamenlijke organen, bovenal van de hand, waarmede hij de wereld omvat en aanvat, haar overtreft, — daaruit zien wij, dal hij de ook materieele maatstaf der organi-
184
sche schepping is. Dat zijne grootte- en maatverhouding lot de aarde en tot andere organismen zinrijk en door de een of andere wet normaal is vastgesteld, is zeker; maar deze wet kennen wij niet, en dus weten wij ook niet, waarom de mensch niet honderd meter, of ook slechts éen centimeter hoog is. En evenmin kennen wij de wet van de corelatie tusschen den geest en de stof, en weten wij niet, waarom de mensch niet, evengoed als geestelijk, ook stoffelijk het grootste organisme is, — of waarom de mier den walvisch in verstand zeer aanmerkelijk overtreft, de olifant daarentegen evenzeer de schildpad. De stoffelijke grootheid en maat van een wezen, deze ons zoo bekende verschijning, behoort tot de raadselen dezer wereld. En niet minder het daaruit voortvloeiende, alom bekende feit, dat, wanneer een organisme „volwassenquot; is, het ondanks allen toevoer van voedsel nu eenmaal niet meer groeit. — Waarom ? Reeds dit is zonderling, dat de rijke, die toch weinig kracht uitgeeft en overvloedig eet, volstrekt niet altijd, noch in kracht, noch in lichaamsmassa, noch in statuur den arme overtreft, een bewijs uit vele, hoe onjuist de materialistische zienswijze is, die door chemische processen en stoffelijke wetten het leven verklaren wil. De mensch is geen smeltoven, die bij de consumtie van zoo- en zooveel meter zuurstof zoo- en zooveel gesmolten ijzer aflevert; geen stoommachine, welker aantal paardekrachten zich naar het kolenverbruik per uur laat meten, — waarom al die tegenwoordig zoo in de mode gekomen tabellen van de voedingswaarde der verschillende levensmiddelen nagenoeg waarde-looze liefhebberijwerkjes zijn. Menige plattelands boerenknecht wordt van meelpap en aardappelen ijzersterk, en menige rijke valt zichtbaar van dag tot dag af bij biefstuk, eieren en vleesch-extract-soepen. Men leze bijvoorbeeld eens, hoe galeislaven vroeger bij dertig boerenboonen daags, een weinig scheepsbeschuit, slechten azijn en water, ondanks vreeselijke inspanningen,
185
niet alleen sterk en krachtig bleven, maar tachtig en negentig jaar oud werden. — Lucht en zon en vele ons nog niet genoegzaam bekende, de aarde doorstroomende en omwaaiende efï\'lu-viën en krachten, zijn óok voedings- en krachtfactoren. Maar de gewichtigste factor is de goddelijke adem in den mensch, met zijne wils- en gevoelskracht, die de materieele voorwaarden der
existentie beheerscht en dikwijls overwint.
* *
*
Tweeërlei dingen gaan er van den mensch uit, die u doen bemerken wiens kind hij is: het licht en het geluid, de blik en het woord. Daartoe bezit hij het oog en den mond. Door de oogen straalt het uitwendige licht ons toe, en daardoor ook het inwendige, en onze wereldbeschouwing dringt door onze oogen tot ons door. Wij verwerken haar, en maken er blikken van, waarin, of wij het willen en weten of niet, juist diezelfde wereldbeschouwing zich afspiegelt. Er bestaan, evenals slechts tweeërlei menschen, ook slechts tweeërlei blikken. — „De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen; maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijnquot; (Mattheus VI : 22 en 23).
Met den mond eet de mensch, en met den mond looft hij God; dit is niet zonder bedoeling en samenhang, maar wel degelijk eene wisselwerking; ontvangst en uitgaaf is en moet zijn een in- en uitademen, een gestadige polsslag des levens. Wij eten het door God voor ons toebereide voedsel, en het wordt omgezet in levenskracht; deze brengt vruchten voort: des menschen woorden. Evenals de plant het doode anorganische in zich opneemt en tot een levend organisme verwerkt, zoo neemt de mensch dit organische en levende — want van het anorganische
186
en doode kan hij niet leven — in zich op en verwerkt hij het tot iiooger leven. Het voedsel, dat door den mond inging, moet in de spraak als vrucht door den mond uitgaan, en doet het ook. — „De vrucht der lippen, die Godsnaam belijden!quot; (Hebr. XIII: 15), die al het goede en groote en schoone, dat Hij in zijne schepping en aan de menschen doet, hoogelijk roemen.
En toch zijn er menschen, uit wier mond schorpioenen voortkomen, „wier angel in hunnen staart zit,quot; adderengebroedsels, of onreine geesten, „vorschen des afgrondsquot; (Openb. XVI: 13), en die eene zwavellucht der hel uitademen. Uit anderer mond stort het woord zich uit als een zwarte, modderige stroom, vuilaardig, bitter, zuur, bijtend, — uit den mond van anderen weer als een spoelwater van al het onbeduidende, laffe en domme, dat zij dagelijks hooren, ijverig in zich opnemen, en weder van zich geven. Uit anderer mond nog druppelt het woord als morgen frissche dauwdruppelen en honigzeem, gekristalliseerd tot goud, paarlen en edelgesteenten. Maar alleen een God was instaat om wat Hij at en dronk als „woorden des eeuwigen levens weder terug te geven; alleen by Hem zal eenmaal in den dag des oordeels het woord tot een vlammend zwaard worden, dat „het derde deel der menschheid doodt.quot;
* 5j«
*
Hoezeer deze mensch de maatstaf, de bloesem en de vrucht, het hoofd der aardsche schepping is, geeft hij door en met de spraak te kennen; hare hoofdbegrippen heeft zij van zijne lichamelijkheid en haar doen. Zoo ontleent hij aan het feit, dat hij rechtop loopt, de begrippen van oprechtheid en rechtop loopeii; aan zijne houding en bewegingen de honderdvoudige symboliek van het staan en het vallen, het goed en het slecht gaan, den levensloop, den vooruitgang en den ontwikkelingsgang, enz. Van
187
den arm en de hand komen ontelbare woorden over handelen en verhandelen, behandelen, onderhandelen en wereldhandel, van handreiking, van aanzoek om de hand doen, en van handopleggen. En welk eene rol spelen bovenal de woorden hart en hoofd in de taal! Van het eerstgenoemde komen zoovele zinrijke en diepzinnige uitdrukkingen, die ons leeren wat het hart is; want de taal spreekt niet op goed geluk af, en kiest hare woorden niet toevallig. Dagelijks spreken wij van hartelijk en harteloos en hartroerend, van het hart breken en aan het hart drukken, van harteleed en hartelust, van hartverscheurend en hartverheffend en hartstochtelijk, van hartsaangelegenheden en hartzeer en hartsgrond en hartebloed en hartsteek ; van ter harte nemen, aan het hart liggen, ter harte gaan, iets op het hart hebben, het hart vaneenrijten, éen hart en óene zie! zijn, een hart onder den riem steken, iemand in bet hart sluiten, van ganscher harte liefhebben. En hoeveel treffends en diepzinnigs weet de taal van het hoofd te zeggen; zooals wij dan ook ten teeken van toestemming met het hoofd knikken, d. w. z. ons buigen voor het meerdere inzicht, daarentegen het hoofd schudden om te ontkennen, om ons van een lastige bewering te bevrijden; en het hoofd ontblooten voor God of voor de grooten dezer wereld, enz. Zoo weet de taal schier ontelbaar veel van oog en oor, van den neus en van den mond, van de vingers en van den duim, nu eens symbolisch, dan weer humoristisch, ruw en innig, oprecht en spottend, in hare zinspelingen aan te duiden.
Maar van het bloed, waarvan de Bijbel ons zegt, dat de ziel er in huist, zooals ook Virgilius van den doodbloedenden krijgsman schrijft: „Hij stortte zijn purperen ziel uitquot;; van dit levenssap, dat onophoudelijk, in de stilte van den nacht hoorbaar, door uwe aderen vloeit en ruischt, spreekt de taal met schroom vallige achting en zegt zij: het is bloedgeld, bloedschuld! tot bloedens toe, bloedige ernst! — Bloedige tranen weenen is de
188
hoogste smart, en moet bij gemartelden zijn voorgekomen (denk aan Jezus\' bloedig zweet); bloedjong of piepjong, dan is het bloed nog niet recht tot vleesch en beenderen geworden; „bloedarm,quot; een even duidelijke als krachtige beeldspraak; bloeddorstig is, helaas, de mensch maar al te dikwijls; bloedverwant is de nauwste familiebetrekking tusschen twee menschen, enz.
Het bloed! Iets geheimzinnigs! Toen God den mensch uit een aardkluit maakte en hem een levende ziel inblies, ontving deze ziel de macht om zich uit water en een weinig ijzer een altoosdurend lichaam te scheppen en te hernieuwen. In deze vloeistof houdt zij zich op; „de ziel is in het bloed,quot; zegt de Mozaïsche wet, en wanneer gij brood en vleesch eet, dan vormt zij daarvan bijna onmiddellijk millioenen bloedbolletjes, de atomen van den mensch, de bouwsteenen voor het wonderbaarste gebouw der wereld, voor het menschelijk lichaam, — en kort nadat gij s middags gegeten hebt, slroomen er vele millioenen nieuwe bloedbolletjes door uwe aderen.
En indien gij niet gelooft, dat het bloed van Jezus Christus u verlost heeft van de bloedschuld, die ons in den afgrond neerdrukt, dan valt uwe ziel na den dood — evenals de man die naar Jericho, de stad des verderfs, en naar de Doode zee trok — in de handen van roovers, van de vreeselijke geesten der duisternis en van de eeuwig verdoemden, die nooit zalig worden; en zij zullen u verwonden en ontblooten, u het beetje weten en eerlijkheid en achtbaarheid ontrukken, waarmede gij op aarde gepronkt hebt, en in de eeuwigheid komt er geen Samaritaan om uwe wonden te verbinden en u naar de herberg te brengen, maar eeuwig moet gij in uw bloed in den eeuwigen nacht blijven liggen.
189
Deze mensch en microcosmos bevat in zich, zooals trouwens niet anders te verwachten is, al de organische vormen, dus ook al de wetten van zijne planeet. Zoo is hij, lichamelijk beschouwd, een drie-assige kristal, onsymmetrisch naar boven en naar beneden, naar achteren en naar voren, symmetrisch naar rechts en links, en groeit bij, evenals het kristal, overeenkomstig deze assen. Zoo blijft bijvoorbeeld de spanwijdte der beide armen steeds gelijk aan de totale hoogte. — Dat de mensch met eene plant vergeleken kan worden, is zonneklaar, waarom een groot natuuronderzoeker hem dan ook „een wandelende plantquot; heeft genoemd. Evenals de plant zich in een boven- en een onder-aardsch gedeelte naar boven en naar onderen splitst, zoo ook de mensch van den hartkuil uit, als de n o d u s v i t a e. De voeten met hunne teenen vertegenwoordigen onmiskenbaar de wortels, het lichaam den stam, de armen de takken, de handen de twijgen, de huid de schors, het bloed het sap, en op wonderbare wijze het hoofd de vrucht en het gelaat de bloesem. En ook hier is het niet eenvoudig om een dichterlijke vergelijking te doen, maar om ware en diepe betrekkingen, die, zoo zij juist onderscheiden en begrepen worden, ons de juiste behandeling der menschelijke plant, de ware paedagogiek, doen beseffen.
Nog minder behoeven wij aan te toonen, hoezeer de mensch de hoofdideeën der dieren harmonisch in zicli vereenigt, waarvan de geheele taal in honderden vormen van beeldspraak getuigt. Merkwaardig is het echter, dat de mensch hoogstens tijdelijk in de kindsheid de horizontale, het wonen in \'t stof aanduidende houding van het dier aanneemt. Weldra richt hij zich op tot de staande, loodrechte houding, die het streven naar boven en naar onderen uitdrukt. En dat dit streven normaal naar boven moet gaan, wordt duidelijk bewezen door de steeds grooter wordende, tot het hoofd als tot vrucht rijpende volkomenheid des lichaams naar boven.
190
Zoo staat de mensch daar dan als dat hoogste wezen op aarde, waarvan alle andere in de schepping voorafgegane wezens slechts symbolen waren, waarnaar zij alle als naar hunne voleinding verwezen; hij is de bloesem en de vrucht van den aardboom.
De mensch is eene wereld, reeds door zijne samenstelling, want in hem zijn hoofdelementen der aarde aanwezig: water-stol, zuurstof, stikstof en koolstof ademt hij uit en in ; ijzerroest kleurt zijn bloed zoo rood, kalk maakt zijne beenderen hard, phosphorus in de hersens en in de zenuwen verhoogt zijn. denkvermogen. Een mensch van zeventig kilogram moet vier-en-twintig kilogram zuurstof bevatten, = acht-en-twintig kubiek: meter. Dat geeft een denkbeeld van de ruimte, die een ontbonden mensch zal innemen. Van dit menschenlichaam schrijft Liebig: „De scheikunde heeft ons bewezen, dat de mensch van verdichte lucht leeft en zich in verdichte lucht kleedt, dat hij zijn voedsel met behulp van verdichte lucht toebereidt en daarmede de grootste lasten met de snelheid van den wind voortstuwt. Het zonderlingste hierbij is, dat duizenden dezer op twee beenen loopende bergplaatsen van verdichte lucht elkaêr somtijds wegens den toevoer en het verkrijgen van verdichte lucht, die zij tot voeding en kleeding noodig hebben, of ter zake van hunne eer en macht, in groote veldslagen door middel van verdichte lucht vernietigen.quot; (Chemische Briefe, bladzijde 69). — A. Buchner berekent, dat bij vijftienhonderd millioen aardbewoners op de wereld in den vorm van menschen wandelen gaan : zeven-en-zestigduizend millioen kilogram zuurstof, veertienhonderd drie-en-zeventig millioen kilogram stikstof, elfhonderd-vijftig millioen kilogram chloor, en bijna evenveel phosphorus; slechts honderddrie-en-veertig millioen kilogram fluor, en nagenoeg evenveel zwavel, maar zeventienduizend millioen kilogram koolstof, slechts honderdvijftien millioen kilogram kalium, en ook
191
natrium, een-en-zeventig millioen kilogram magnesium, maar tweeduizend-driehonderd millioen kilogram calcium. — Wij zijn dus grootendeels uit luchtsoorten en metalen saamgesteld. Nog beknopter, maar zonder aanspraak op absolute wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft een Engelschman den mensch als vijf-en-veertig pond koolstof en zuurstof in vijf en een half vat water opgelost! — En dag en nacht worden er in dit wonderbare lichaam allerlei chemische processen onophoudelijk voortgezet; zij ontleden en verwerken de opgenomen stoffen eti werpen ze uit, zonderen de beender- en hersenzelfstandigheden af, en veranderen allerlei voedingsstoffen in vleesch en bloed, in spieren en zenuwen. Evenals de drie grondvormen der stof in dit lichaam vereenigd zijn: vast, vloeibaar en gasvormig, zoo hebben ook in die vormen al de physische verrichtingen der ge-heele Natuur plaats: al het verdampen en koken, verbranden, vast worden en verstijven, absorbatie en moleculaire krachten, capillaire buizen, pompwerktuigen en stoommachines, electrische stroomen in de zenuwen, alle soorten van hefboomen, windassen en katrollen zijn in het lichaam vertegenwoordigd, en zelfs ook snaren en blaasinstrumenten ; een uitgesproken woord, een gebaar, het opnemen van een boek, zijn mechanische verrichtingen, zoo volkomen als geen door den mensch uitgevonden machine ze ooit ten uitvoer brengt. De spierkoorden, die in de beenderkatrollen loopen, oliën zichzelf; het pompwerktuig van het hart vervangt zelf zijn versleten kleppen. Ware het hart eene machine van staal en diamant, dan zou zij zeer spoedig versleten zijn, want het klopt gemiddeld vijf-en-zeventig a negen-en-tachtig maal in de minuut. Zijt gij vijftig jaar oud, dan heelt uw hart, zonder ooit op te houden, noch moede te worden, meer dan tweeduizend-millioen maal geklopt. Bij dag en bij nacht, of gij er aan denkt of niet, pompt uw hart het bloed door de fijnste aderen naar boven tot in de hersens, en voedt
192
hel uw gansche lichaam. Ook hebt gij op dien leeftijd reeds om en bij de vijftienhonderdmillioen maal geademd, en nog altijd zuigen uwe longen onvermoeid door duizenden cellen fris-sche lucht in, deelen haar aan het bloed mede, nemen het de onzuivere lucht af, en ademen haar uit. Ook heeft uwe tong verscheidene millioenen woorden gesproken. In uwe hersens zijn zeshonderd millioen cellen en verscheidene duizendmillioenen vezels (volgens Meynert, volgens Beale nog veel meer), dienstbaar voor uw onophoudelijk denken en droomen bij dag en bij nacht. Uwe maag heeft meer dan vijf-en-zeventigduizend pond vast en vloeibaar voedsel tot vleesch en bloed, tot beenderen, en haren en nagels verwerkt; en als ontelbare millioenen lichtgolven, — hoeveel beelden zijn er opgenomen door uw oog. dezen wereldbol van de fijnste zenuwen en spieren, die zich bij het zien in de verte naar de wetten van den verrekijker, bij het zien in de nabijheid naar die van het vergrootglas regelen. En evenzoo het oor, waarin drieduizend wonderbaar fijne zuiltjes (c o r t i) of harpsnaren den geest in het inwendige de wonderen van het geluid en van het woord verhalen. Naast deze organen van de voeding, van den bloedsomloop, van de ademhaling en van de zintuigen, is het lichaam nog met een net van fijne witte telegraaf- en telefoondraden doorsneden, waardoor de gewaarwordingen loopen en aan de hersens verhalen wat den grooten teen of de hand overkomt; snijdt men die draden door, dan komt er geen bericht meer aan het centraalstation, en geblinddoekt zou de mensch niet meer voelen en weten, dat men hem de hand afzaagt of den voet verbrandt.
Harmonisch, zacht en nauwkeurig grijpen al deze werkzaam -heden in elkaêr; prompt en stipt op tijd voorziet het hart de zenuwen en de hersens van het noodige bloed, en ontvangt het door de longen met zuurstof gereinigd bloed terug; van de maag uit wordt de geheele machine met water en kolen voor-
193
zien, en dat alles gaat zoo stil en zoo zachtjes, dat de gezonde mensch niet bemerkt, hoe al deze wonderbare verrichtingen zich vereenigen tot, die éene groote werkzaamheid, die wij leven noemen, en door en onder dit alles slechts een verkwikkend gevoel heeft! Intusschen groeien zij ongemerkt rustig voort, bij dag en bij nacht, als bosschen op de bergen, de honderdvijftigduizend haren op uw hoofd, en ook de nagels aan uwe vingers. Deze lichaamsdeelen gevoelen nooit pijn, en schijnen zich niets te bekommeren over hetgeen er in het inwendige voorvalt, welke gedachten er in het hoofd en welke wenschen er in het hart omgaan; en toch, wanneer de longen door tering worden aangetast, kan de ervaren geneesheer het aan de nagels zien; en wordt gij door hartzeer en verdriet gemarteld, dan vergrijzen uwe haren.
Ja, iets groots, eene wereld is ons lichaam! Laat ons het ons eens voorstellen onder een Engelsch microscoop met twintig-duizendvoudige vergrooting. Daaronder zou het veertig kilometer lang zijn, dus grooter dan vele der planetoïden tusschen Mars en Jupiter. Deze grootte en dit beeld zouden op zichzelf juist even waar zijn als het door ons geziene, ja voor een der infusi-oren, die wij met datzelfde microscoop nog kunnen waarnemen, en waarvan vele met oogen begaafd schijnen, het eenig juiste. Van enkele dezer wezens, de zoogenaamde monaden, weten wij, dat zij door onze hand heenzwemmen, zonder dat wij het bemerken: wij zijn voor hen een bewoonbare planeet. Beschouwen wij onszelven in den geest met hunne oogen! Dan zijn onze beenderen kolossale rotsmassa\'s en reusachtige kalkgeberg-ten ; daaromheen strekken zich groote vastelanden uit, en rondom deze, om die bergen heen en naar den schuimenden en bruisenden bloedoceaan van het hart toe, vloeien heete beekjes en rivieren en stroomen, en in die roode golven zwemmen als visschen millioenen en millioenen bloedbolletjes, in de aderen
13
194
van een volwassen mensch ongeveer zestig b i 11 io e n(!) van deze nu eens kleurlooze, dan weer oranjekleurige, gladde schijfjes met eene verhooging in het middelpunt. En aan hunne oevers zetten deze roode rivieren ieder oogenblik millioenen van zulke bolletjes af, als nieuwe steenblokken voor den lichaamsbouw ; zij spoelen evenzoo millioenen overschotten van verbruikte cellen weg en sleepen ze met zich mede naar het groote cen-traalvuur, naar de long. In dezen, door een aanbruisenden storm van zuurstof gevoeden smeltoven wordt al het onbruikbare en versletene verteerd, en van daar gaat het in wolken van koolzuur door den reuzenschoorsteen, de luchtpijp, weder naar builen. En in de hersens stapelen zich elke seconde duizenden cellen tot merkwaardige beelden en gestalten op, bijna zooals de jit duizenden woningen bestaande wereldsteden; en even onophoudelijk verzinken en verdwijnen er weer duizend andere. Deze cellen bewerkstelligen uw voortdurend denken.
Een kolossaal en rusteloos leven trilt er door deze werelo; zonder ophouden ontstaan er.nieuwe vormen; een zweertje, een puistje, een huiduitslag, is eene vorming van ganscho heuvelen en bergketenen; het blozen vertegenwoordigt eene overstrooming van geheele vastelanden, en het vcrbleeken een plotseling droogloo-pen van andere ; terwijl in het chemisch laboratorium, de maag, de stoffen zoo krachtig opgelost, afgescheiden en verwerkt worden, dat er zich een a twee uren na den maaltijd in elk druppeltje bloed reeds een a twee millioen nieuwe bloedbolletjes vertoonen! Maar ook fijne, onweegbare krachten verrichten groote dingen in deze wereld des lichaams, o. a. de reuk en de smaak. Verbieden deze koningen volgens hun oordeel aan de een of andere stof den toegang, dan komt de maag in opstand en verzet het geheele lichaam er zich tegen.
Daarom is de jeugd zoo aantrekkelijk, omdat de jonge ziel nog met schier onweerstaanbare lust en kracht de gansche
195
wereld aan hare lichamelijkheid poogt dienstbaar te maken. Daarom zegt de grijsaard, levensmoede, van het wezen dezer wereld: Met dit vergankelijke stof kan ik nooit of nimmermeer een voldoende afbeelding mijner eigen ziel opbouwen! — En toch wil God, dat wij het beproeven zoolang wij leven, en wie zich aan de vervulling dezer taak onttrekt, doet als zelfmoordenaar afstand van het recht op het stoffelijk voortbestaan, en mag toezien hoe het hem in de opstanding vergaat.
Hoevele duizenden ponden stof heeft een tnenschelijk wezen noodig, om zijne beeltenis zestig jaar lang in stand te houden; hoevele millioenen door alle poorten der zintuigen in zich opgenomen denkbeelden en voorstellingen en begrippen, om even lang zijn zieleleven te rekken! Ondanks deze bestendige stofwisseling in het lichaam, houdt de ziel merkwaardig vast aan haar eenmaal gevestigde opvatting en brengt zij telkens weder met versche stof de oude vormen voort, — ook de oude wonden en de litteekens willen niet verdwijnen. Ja, tot aan de overzijde des grafs gaat dit door. De Christus droeg aan het opgestane lichaam de sporen zijner kruisiging, — misschien onvergankelijke merkteekenen van zijne liefde en van der menschen haat.
Dus niet iets zijnds is ons lichaam, maar iets steeds wor-dends, iets voortvloeiends, een telkens veranderende atomenwen-teling, in welker centrum de machtige ziel zetelt en de om haar heen draaiende stoffen bijeenhoudt. Met zijn eigenaardige gespierde kracht zegt Carlyle daarom in den Sartor resar-tus: „Weg met de illusie van den tijd ! Laat ons vijf-en-zeventig jaren in drie minuten samenvatten! Wat zijn wij dan? Wat anders dan louter geestverschijningen? Uit niets worden wij, wij nemen eene gestalte aan, trekken door het stof, en verdwijnen weder. Gindsche krijgsman op zijn vurig ros, met zijn bliksemend oog, met kracht in den arm en kracht in het hart, wat is hij ? — Een visioen, een geopenbaarde kracht, anders
196
niets. — Nog een oogenblik, en hij is niet meer. — Duizend-millioenen geesten, tijdelijk in stof gekleed, bewegen zich thans over de aarde. Vóór weinige jaren waren zij niet; over weinige jaren zijn zij niet meer! Ongeveer vijftig hunner zullen verdwenen zijn van de aarde, en vijftig anderen er op verschijnen, eer uw horloge slechts tweemaal getikt heeft!quot;
Als bij den dood de gebiedster dezes lichaams, de ziel, uit haar omhulsel ontvlucht, dan houden terstond als luie knechten, wier meester vertrokken is, hart en longen op met bloed en lucht te pompen, en ook maag, hersens, lever en nieren staken onmiddellijk het werk. Ook de chemische organen arbeiden ieder slechts op en voor zichzelf, onafhankelijk van elkander; er ontstaan ontbindingsproducten, en al spoedig ontleedt dit lichaam zich in lucht, water en aarde, — want de ziel heeft de teugels der atomen losgelaten. In de opstanding zal zij uit de ware stof ware atomen tot zich trekken, ze geheel en al doorgloeien, evenals het vuur het ijzer, en daaruit een licht, eeuwig, treffend
en waar beeld van zichzelve opbouwen.
* *
*
Wonderbaar zijn ook de zintuigen van den mensch. Uit éen enkel: den tastzin, ontstaan — het éenige bij lagere organismen, die het licht en den klank, zooals boven gezegd is, met den voet voelen, — hebben zij zich, als zoovele hoogere geesten in den mensch, in hunne werkzaamheid en op hun gebied zóo afgezonderd, dat wy hen als onafhankelijke krachten van het stoffelijk bewustzijn beschouwen en er verbaasd over zijn, wanneer men ons zegt, dat het oog het licht hoort, en het oor het geluid ziet. Beide nemen echter stoffelijke trillingen waar, en ons brein construeert uit lichtgolven de zichtbare wereld, en uit geluidgolven den klank en het woord. Doch evenals de ether
197
zooveel millioen maal fijner en volgens de nieuwere theorieën zooveel krachtiger is dan de lucht, staat ook het geestelijk aanschouwen veel hooger dan het hooren. — Hier beneden roept God ons toe: „Hoort mijne stem!quot; Daarboven is het:,Zij zullen God zien!quot; Zoo is het oog ook door de fijnheid en den rijkdom van zijn bouw hoog boven het oor verheven. — Hoe kan het, zoo fijn en gevoelig als het is, toch de vreeselijke en onophoudelijke branding der ethergolven uithouden, die letterlijk met eene bliksemsnelheid van vijfenzeventigduizend mijlen in de seconde er op aanstormen, als razende zeegolven tegen eene rots? — In dezen brozen, zenuwrijken pupil beweren de geneeskundigen van den nieuweren tijd onbedriegelijke sporen van al de ziekten of onheilen te ontdekken, die den betrokken persoon ooit getroffen hebben, of waaraan hij nog lijdt. Het kan wel zijn, — immers. God doet, als tegenwicht van het vernietigende gevoel der vergankelijkheid, dat zich in den loop der eeuwen hoe langer hoe meer van zijne menschheid meester maakt, ons ook hoe langer hoe meer beseffen, hoe blijvend en onuitwisch-baar onze daden zijn, zelfs in het stof. Evenals de inkerving bij den boom en het litteeken bij den mensch ondanks alle stofwisseling en nog zoo veelvuldige hernieuwing van de schors en de huid levenslang blijft, zoo schijnt het ook, dat elk onzer daden zich in ons lichaam vastzet en daar een onuitwischbaar spoor en litteeken achterlaat, waaruit langzamerhand de physio-nomie van ons doen ontstaat, en de kniesoor dan ook juist zulk een mond krijgt, de dlepbezorgde man kleingeestige en kleingeloovige zorgrimpeltjes rondom de oogen, en de opvliegende roode, opgezwollen bloedvaten in den oogappel heeft. Is dat zoo, dan moot elke zinnelijke indruk, elke vorm en kleur, elke ook nog zoo zwakke aandoening onzer ziel, elk daaruit opwellend woord, een plotselinge schrik of verbazing, een vroolijke uitroep, een gevoel van afschuw of van verlangen, ja elke gedachte, aan onze licha-
198
melijkheid arbeiden en veranderen, zich in de honderdmillioen cellen van ons brein inprenten, en een stoffelijken indruk, een merkleeken achterlaten, eenige van de billioenen atomen, waaruit ons lichaam en microcosmos gebouwd is, anders stellen dan vroeger, herwaarts en derwaarts verschuiven, zoo of zoo draaien, en langzamerhand en blijvend deze architectuur veranderen en de facade onzer lichamelijkheid verfraaien of misvormen; lichtschuwheid kan de vensters vernauwen, kleingeestige omslachtigheid de fraaie localiteiten door allerlei schotjes en schutjes versperren; geestelijke oppervlakkigheid en onverschilligheid het ge-heele gebouw laten vervallen, geestelijke inspanning en oefening het hechter bevestigen en versterken. Onze ziel arbeidt dag en nacht aan de vervaardiging van een bij het ruw stoffelijke passende, goede of booze, hemelsche of helsche lichaam van den eigenaardigsten stijl, hoogst belangwekkend om eenmaal te zien en te doorzien. Het meest psychisch mysterieus onder de zintuigen zijn reuk en smaak; zij behooren lot de fijnere aando2-ningen der ziel, zijn een teeder gevoelen van het innigste zijn, van den wezenlijken adem, dien ieder wezen steeds van zich uitstroomt, en vertegenwoordigen den reuk en den smaak van den geest. Wie geen lichamelijken smaak- noch reukzin heeft, bezit ook geen geestelijk zintuig van dien aard; wie een grof zinnelijken of een fijnen en gevoeligen smaak bezit, heeft ook een zoodanigen op het gebied der ziel, voor kunst en literatujr, voor al het hooge en schoone en goede, ook voor goddelijke schoonheid en goedheid. En alles in de wereld heeft reuk en smaak, zooals aan de sensitieven, aan de somnambules, de zenuw- en andere zieken te zien is; alles trekt aan en stoot af, wekt op en prikkelt, of stemt tot kalmte. Zoo ruikt en smaakt ieder woord, en de toon waarop het gesproken wordt, naar den geest die er in huist. Zoo heeft zelfs metaal en steen zijn eigen smaak, en brengt het een anderen indruk op onze ziel teweeg.
199
Zoo behoort het tot het merkwaardigste in de wereld, dat mijn beste vriend, met wien ik éen hart en éen ziel ben, roode bieten niet kan uitstaan, en ik ze zeer gaarne mag ruiken — en eten óok, of waarom hij zoo gaarne lavendel ruikt, en ik niet; en zoo gaat het mij misschien ook ten opzichte van mijne vrouw; ja, ook zelfs ons eigen kind heeft een gansch anderen smaak dan wij beiden. — Waarom? En even diep en voor onszelf verborgen als de grondoorzaken van deze individueele eigenaardigheden onzer ziel zijn, even vast zijn zij gegrond ; geen leer en geen logica, geen voorbeeld en geen tucht, is instaat om daaraan iets te veranderen, en een mensch ooit zoover te brengen, dat hij smaak vindt in hetgeen hij nu eenmaal niet kan uitstaan. Maar waarom kan ik dit en dat niet uitstaan? — Daar weetik niet het minste of geringste van. Ik ken mijzelven niet; ik kan niet in mijn eigen ziel zien.
Dat deze zintuigen alle zoo stomp zijn, en slechts een beetje van het licht zien, nog minder van het geluid hooren, en zij de dingen om ons heen bijna in het geheel niet ruiken of smaken, is eene weldaad voor onzen verzwakten, zenuwzieken geest; want wij hebben toch bijna reeds te veel aan de door deze zintuigen tot ons overgebrachte indrukken! Wat moest er anders worden van ons eigen bestaan, en van het greintje zelfstandigheid ?
Konden wij ons lichaam goed begrijpen — de wetten waarnaar het gebouwd is, de krachten die het bezielen, en de beginselen die er in tot openbaring en aanschouwing komen — dan hadden wij geen andere studie noodig, want het is, reeds omdat het naar het beeld en de gelijkenis Gods is geschapen, in waarheid een microcosmos en bevat in n i; c e alle krachten en alle wetten, alle beginselen en ook alle verrichtingen van het heelal. In het heerlijke opstandingslichaam zullen wij ons-zelven aan- en doorzien, en met de hoogste bewondering en
200
verrukking in onszelven alle ideeën der aarde en der schepping vinden, inplaats van, zooals hier, ze eerst met groole moeite en onvolkomenheid van de uitwendige natuur te moeten leeren. Want niet het kristal bevat in de hoogste volkomenheid de wetten der symmetrische verdeeling, maar het menschelijk lichaam; niet de plant, maar de mensch, openbaart de volkomene wet van den wasdom; niet het dier, maar hij, de wet van het eten en de voeding.
Alle lichamen, dat leert de logica der natuurkunde ons reeds, zijn zelflichtgevend, hoofdzakelijk dc organische; dat getuigen ook vele somnambulen, waarvan er enkelen \'s winters de levende van de doode hoornen onderscheiden aan het licht, dat van de eerstgenoemde uitstroomt. Zoo geeft in volslagen duisternis ieder mensch meer of minder licht van zich af: de gezonde, volgens Reichenbach, een witachtig, de zieke een roodachtig „odlicht\', een licht dat ook met gesloten oogen (dus als de Röntgenstralen) en in éen geval door een blindgeborene gezien werd. Op dit ook reeds aan de ouden bekende uitstroomen van odlicht berust de voorzeker door enkelen werkelijk waargenomen aureool of stralenkrans bij Christus. Zoo wordt ook van den wijsgeer Proclus verhaald, dat gedurende zijne voordracht zijn hoofd door licht omstraald scheen (Zeiler, „Philosophie der Griechenquot;). Ook Alexander de Groote moet in de opgewondenheid van het slaggewoel een odisch licht hebben uitgestraald. (Zie Dr. Karl du Prei, in ,Der Zukunff 1896).
Na de opstanding zijn wijzelf middelpunten van licht en van kracht; wij oefenen daar invloed op de elementen, niet zij op ons; van ons gaan de wetten der organische en anorganische hemelwereld uit, inplaats dat wij hun onderdanig zijn! — Dat is het echte koning en priester zijn en met Christus rogeeren. — Deze menschelijke gestalte is schier onbegrijpelijk verhoogd en geadeld door het feit, dat God deze reeds van den beginne
201
naar 7.\\]n beeld en gelijkenis geschapen figuur heeft aangenomen tot zijn niet slechts tijdelijke, maar eeuwige openbaring in den Zoon. Of laat ons liever en juister zeggen; deze gestalte is van oudsher een wonderbaar symbool, een tempel der Godheid. De Bijbel leert ons, dat zij de vorm is, waarin de onzichtbare God, ,dien niemand ooit gezien heeftquot;, zich in den Zoon heeft geopenbaard, de gestalte waarin Hij ook de engelen en aartsengelen (Daniël VIII: 15, IX: 21 en X : 5), de vorsten des lichts en de kinderen Gods naar den beelde Gods, geschapen heeft. Hoe hoogst gewichtig in al hare bijzonderheden en onderdeelen doet zij zich dan aan ons voor! En de Bijbel spreekt dan ook inderdaad zeer dikwijls over de wonderbare beteekenis van al de gedeelten der menschelijke gestalte, en wijst er ook op, dat — zooals de mensch met zijn hoofd denkt en met het hart liefheeft of haat — hij ook met de oogen ziet en geestelijk aanschouwt, met het oor hoort en gehoorzaamt, met den neus den adem des levens inademt, van toorn en verontwaardiging briescht, en den lieflijken reuk des vredes in zich opneemt, met de ingewanden blijdschap en schrik gevoelt, met de nieren schift en zift en afzondert. „Wie heeft de wijsheid in het binnenste (in de nieren, volgens de Duitsche overzetting van den grondtekst) gelegd?quot; vraagt God aan Job; en David roept uit: ,Mijne nieren onderwijzen mij!quot; Geen deel, geen vezelt je of spiertje aan dit lichaam, dat niet zijn tegenbeeld in de ziel en zijn leven in het heelal, in de goddelijke beginselen, in de krachten der sterrenwereld en in de hemelen heeft. — Zoo wordt de wedergeboorte van den Christen ook lichamelijk tot een grootsche daad van den Heiligen Geest, die, zooals Hij eenmaal over de duistere diepte zweefde, om daaruit de tegenwoordige wereld der Terra te teelen, zoo ook boven een afvallig geworden, verduisterde, door giftige krachten van den eeuwigen dood doorwoelde lichamelijkheid als een heilige adelaar Gods broedend
202
neerzit, die krachten doodend, het ontbindingsproces tegenhoudend, deze doodsbeenderen weder verlevendigend en bezielend, en eeuwige krachten van eene wedergeboorte en van een nieuw leven door alle cellen en vezels en spieren tot in het merg barer beenderen doet vloeien, om daaruit weder een onverderflijk,
heerlijk, krachtvol lichaam te vormen.
* *
sis
Nog wonderbaarder dan het lichaam des menschen is zijne ziel. In haar dorst naar lichamelijkheid en openbaring, in haar scheppende macht der verbeelding, in haar zielenreddend en zielenverdervend, de gansche aarde beheerschend woord, in haar het verleden oproepende herinnering, in de magische kracht van haar willen, in haar bliksemsnel beseffen en doorzien van het ware, in de plastische kracht, waarmede zij de steeds voortvloeiende lichamelijkheid tot haar bewegelijke photographic maakt, — is deze „levende zielquot; in alle opzichten wonderbaar en een beeld, ja een stuk Gods. Want zij is zijn adem!
Deze ziel is niet hol en ledig, en ook niet een met proto-plasma gevulde oercel; want waarin zou dan hare persoonlijkheid bestaan? Maar reeds bij hare intrede in de wereld is zij een volle, met den goddelijken adem vervulde, in zichzelve bestaande ikheid, zich er wel van bewust, dat zij het omringende Al noodig heeft voor de lichamelijke en geestelijke openbaring, waarnaar zij streeft, maar dat zij iets geheel anders is dan deze, haar vaak hoogst onaangename en beperkende omgeving. Zij gevoelt zich van tevoren als een ik en een éen tegenover hst niet-ik en het vele dezer wereld, en tegenover andere zielen als een in hare soort éenige equatie en molecule met eigenaardige samenstelling, welker hoogste goed juist deze eigenaardigheid, dit karakter is. Elke aanval op deze haar gewaarborgde ikheid
203
is het hoogste onrecht, dat haar aangedaan kan worden, want haar hoogste recht is juist, die te zijn, die zij is. Evenals in het wonderbare éen alle getallen in de kiem verborgen liggen, zoo ook in dit bewustzijn heel haar toekomstige evolutie, waarbij de hoofdrol niet gespeeld wordt door de zich langzamerhand verzamelende voorstellingen, noch door het schoolonderwijs, maar door de gestadige toevloeiing van den goddelijken Geest als levenskracht der ziel. Zoo wordt de ziel niet tot iets, tot een karakter, tot eene persoonlijkheid, — maar i s zij dat van tevoren ; geen product, maar eene oor- of oerzaak, met oerkrachten begaafd. Vanwaar anders het reusachtige onderscheid tusschen het schoolwerk der leerlingen in éen en dezelfde klasse, bij éen en dezelfde methode van onderwijs, ja tusschen het werk van kinderen uit éen en hetzelfde huisgezin? Daarom zijn er van oudsher bij elke methode van onderwijs en van opvoeding, en evenzoo zonder onderwijs en zonder opvoeding, kleine en groote, goede en kwade menschen in de wereld geweest. De ziel is het zaad, de bodem is: tijd en plaats, familie, omgeving, omstandigheden en verhoudingen ; en dan komt eindelijk eerst de tuinman, die wel gieten en verzorgen en steunen kan, maar niet van wilde kers tarwe kan maken, en niet eens van een appel eene peer. En het enten van het edele rijsje, de bekeering, heeft God zich voorbehouden.
Het kind, zooals reeds door zijn zoo belangrijke hersenmassa wordt aangeduid, is losser, geestrijker en intellectueeler, dan de altijd meer verstijvende volwassene; en wie er niet tegen opziet, is nog geen paedagoog. Wanneer zullen wij weder leeren, met het kind eenvoudig, natuurlijk, menschefijk om te gaan? — Hoe meer onze paedagogiek tot methodische wetenschap wordt, des te geringer zijn hare resultaten. — Want heeft de groote Paedagoog, toen Hij tot de aarde nederdaalde, om ons, zijnen kinderen, te zeggen wat wij doen en laten moeten
■20é
en wat tot onzen vrede dient, zich wel met methodiek beziggehouden ?
Hoe zal wel de eerste, door geen zonde bevlekte, verzwakte en ontwijde menschenziel geweest zijn ? — Hoe waarachtig levend, hemelsch rein, hoe in zichzelve en in God zalig, hoe boven al het geschapene machtig, met hoeveel kinderlijke blijdschap het haar nieuwe paradijsleven juichend tegemoet gaande! Het kleine levensvlammetje en ademtochtje van den Almachtige, dat in den mensch trilt en flikkert en niet met volkomen zekerheid op de volgende seconde kan rekenen, is het hoogste wat de aarde oplevert, ja beheerscht deze aarde en zal haar overleven. Deze kleine ziel, onverschillig of het die van den grootsten staatsman of van den armsten daglooner is, weeft mede aan de wereldgeschiedenis, en speelt mede in dit groote drama, dat door engelen en duivelen met spanning wordt gadegeslagen, en werkt onvergankelijke dingen met onvergankelijke. Hoe beheerscht zij reeds de stof en bouwt zij daaruit hare woning, huizen, hutten en paleizen, bruggen en straatwegen, verbindt zeeën met elkaêr door middel van kanalen, gaaft tunnels onder rivieren en zeeboezems, omspant de aarde met een ijzeren net, waarop het vuur, dit element waarover zij alleen macht heeft, haar gehoorzaam van plaats tot plaats moet trekken; zij spant draden over werelddeelen heen en onder oceanen door, en zendt hare gedachten, hare woorden, van het eene einde der wereld naar het andere. En wil zij zich beschermen en verdedigen en den vijand vernietigen, dan roept zij al de natuurkrachten te hulp, en ook de verborgenste moeten aan haar toorn dienstbaar worden.
Ook het leven op aarde beheerscht zij! Zij verplaatst herwaarts en derwaarts elke plant, dresseert en temt, bedwingt en doodt elk dier, en geen enkel is er onder, dat haar zou mogen vragen: Waarom? „Uwe vrees en uwe verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels;
205
in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle visschen der zee; zij zijn in uwe hand overgegevenquot; (Genesis IX : 2). Een grootsch woord!
Door stemmingen, deze geestelijke weersveranderingen, wordt deze ziel in beroering gebracht.... ach, hoezeer!— Al wat haar omgeeft en aanraakt, wat zij ziet en wat zij hoort, de voorbijglijdende schaduw en de wegstervende klank, een verdord blad en een insect, alles treft en prikkelt haar, de arme, rustelooze, sensitief-eenzame psyche, die in ons binnenste altijd trilt en beeft en siddert en hoopt en vreest en wenscht en aarzelt, en nergens vrede vindt. — En daarbij komen de invloeden der geesten: nu eens wuiven zij ons vriendelijk en vreedzaam en vroolijk toe, en dan weer komen er anderen somber en de ziel verbijsterend aanstormen — „en de goden,quot; zegt Frithjof, „zenden van boven gedachten, die mijne ziel omnevelen en verduisteren!quot; — Maar evenals het jonge boompje, op een door de stormen bestookte hoogte geplant, onder en tengevolge van deze stormen vaster wortel schiet en den storm leert trotseeren, zoo moet ook de ziel, door al hare stemmingen heen, beheerscheres dezer stemmingen worden, want tot heerschen en regeeren is zij geboren. Maar hoe zal zij beheerschen, wanneer zij zichzelve niet be-heerscht; hoe zal zij anderen en iets anders regeeren, met éen enkelen blik de wereld overzien, en Gods groote stem hooren en verstaan, wanneer zij om een verloren stuivertje of een gebroken ruit, om een spottend woord of een vreemdsoortigen hoed dadelijk haar evenwicht verliest en eerst na langdurige schommelingen terugvindt\'? — In den eeuwigen wervelstorm der verschijnselen kan alleen de blik die vast en onafgewend gericht is op God, dit éenig rustige middelpunt des heelals, rust aan de ziel geven, en haar het vaste punt bieden, waarop een Archimedes met zijn hefboom de wereld uit hare voegen wilde lichten.
206
Evenals aan ons lichaam de goddelijke beginselen en wettea der stoffelijke schepping, zijn aan onze ziel die van het goddelijke ziel eleven kenbaar, zooals ook in den persoonlijken God op oneindig hoogere wijs zielswetten golven en bruisen; van liefde en van toorn, van gerechtigheid en van ijver, van barmhartigheid en van lankmoedigheid en geduld, van vreugde en van majesteit, en ook van droefheid over de zonden dermenschen.
„Niemandquot;, staat er geschreven, „heeft ooit God gezien. \' Ook dus in dit opzicht weder eene overeenkomst van de meu-schelijke ziel met de goddelijke. Het wezen der ziel is onzichtbaarheid. — En gelijk Gods ziel zich in de Natuur steeds openbaart, zoo openbaart de menschenziel zich onophoudelyk naar buiten. Evenals God het heelal schiep, om, voor zooveel wij daarvan begrijpen, zichzelven daarin te beschouwen, zoo is ook het leven des menschen niets anders dan de voldoening aan de behoefte der onzichtbare ziel om zich zichtbaar te maken. Böhme zegt: „Het inwendige gevoelt steeds den aandrang tot openbaringquot;; de menschelijke ziel dorst naar zichtbaarheid en lichamelijkheid. Heel de stoffelijke wereld moei haar dienstbaar zijn om haar innigste denken tastbaar en zichtbaar voor te stellen ; naar buiten en voor iedereen duidelijk aan te toonen, wat zij is en wat zij wil, en zich zoo schoon, zoo groot en zoo machtig mogelijk te vormen. Dat is de grondoorzaak van al het aardsche werken en streven; van al het bouwen en schilderen en schrijven en spreken. Daartoe hebben van oudsher de heer-schers en de machthebbers, de Pharaö\'s en Nimrods enNebu-kadnezars en Napoleons, paleizen en torens, burchten, kasteelen en steden gebouwd, tuinen aangelegd en vijvers gegraven; zij wilden zich daarin openbaren, en zich daardoor een grooter lijf en lichaam verschaffen. — Waar de mensch gaat en staat, en zooals hij gaat en staat, hoe en wat hij eet en hoe en wat hij drinkt, of hij spreekt of er het stilzwijgen bewaart, of hij iets
207
of niets doet, — elk onderdeel van zijne verschijning, van zijne kleeding, van zijne huishouding en van zijne kamer, is een altijddurend, onbewust zich-openbaren van zijn binnenste. Dit. streven der ziel is gerechtvaardigd, want God heeft haar deze wereld tot zelfopenbaring en zelfbewustzijn gegeven. — Heeft zij de wereld doorvorscht en doordacht, dan wordt het haar duidelijk, dat het hier beneden niet het ware z ij n, maar slechts een moeitevol, eeuwig worden is, waaruit zij kan afleiden, dat deze wereld, al is zij ook nóg zoo rijk, niet datgene is, wat zij zijn moet, en dat zij in deze openbaring harer ikheid dooien in de stof toch geen voldoening, geen vrede kan vinden. Dan dringt zij door de stof tot den geest door, door de gave tot den Gever, door de schepping tot den Schepper, en keert zij na langdurige omzwerving terug tot dien God, van wien zij is uitgegaan. Er is hier geen sprake meer van het gedeelte, maar van het geheel; nu wil zij niet meer zichzelve, maar God openbaren, en in Hem, als in het Al, ook haar volkomen openbaring vinden.
Gods eeuwige krachten moeten wij in de krachten onzer ziel beseffen. Uit de onmetelijke volheid van zijn willen, gevoelen, beseffen, verbeelden en scheppen, heeft de eeuwige God ons eenig willen en gevoelen en beseffen op onzen aardschen pelgrimstocht medegegeven.
Deze eigenschappen en krachten der ziel zijn ook hare wetten. Onze eigenschappen regeeren ons, en geven de grenzen van ons rijk en ons gebied aan. De eigenschap en de kracht der zwaarte is tegelijkertijd de wet der aantrekking. Wetten der ziel zijn haar willen, gevoelen, beseffen en verbeelden reeds daarom, omdat zij absoluut niet — al wilde zij het ook nóg zoo gaarne —
208
zonder willen, gevoelen, beseffen en verbeelden ook maar éen oogenblik zou kunnen bestaan.
Deze krachten komen overeen met die des lichaams. Zoo komt bet bewustzijn overeen met de zintuigen; het psychische gevoelen met het lichamelijke, de wilskracht met de lichamelijke levenskracht, en de verbeelding met de plastische, waarmede het lichaam zich een eigen gestalte en physionomie schept en er in \'t algemeen „uitzietquot;.
Uit Gods sterke willen is het heelal ontstaan; omdat Hij wil, bestaat het, en wanneer Hij wil, zal het vergaan! Zijn sterke willen houdt en beweegt de zonnen en wereldbollen in hunne banen. De wereld en wij daarin zijn niets anders dan de gekristalliseerde, zichtbaar en tastbaar geworden wil Gods; en als een klein kind vraagt, waarom het gras groeit, en zijne moeder hem ten antwoord geeft: ,Omdat God het wil,quot; dan heeft zij daarmede de quintessence van alle menschelijke wijsheid en den diepsten grond van het zijn uitgesproken. Verder brengen zelfs de cherubijnen in den hemel het niet, die aanbiddend uitroepen; „Gij, Heere! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen en door uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen!quot; (Openb. IV: 11.)
Al het willen van alle menschen is een schier onzichtbaar klein fragment van den heiligen en onweerstaanbaren wil Gods. En evenals het heelal door het gestadige sterke willen Gods, zoo wordt de geschiedenis der menschheid door het sterke willen van enkele menschen geregeerd, evenals op kleine schaal elk huisgezin door het ernstig willen van den vader. — Zoo wilde Columbus zestien jaren lang, door armoede en omzwervingen, langs den westelijken weg naar Indië doordringen en het gouden „Gypangoquot; ondanks alle tegenspraak ontdekken; want willen is gelooven. — Jaren lang wilde Keppler de door hem vermoede
209
wetten der planelenbanen ontdekken, en tot vier-en-zestigmaal toe begon hij zijn ingewikkelde en omslachtige berekeningen weer opnieuw, totdat hij door zijn sterke willen een grooten hoeksteen tot den geestelijken bouw der menschheid bijdroeg. En terwijl- millioenen Duitschers tientallen jaren lang in hunne bierhuizen een groot, vereenigd, sterk Duitschland bespraken, wenschten en hoopten, en over de ongunstige tijdsomstandigheden en toestanden en over de vorsten zuchtten en er duchtig op schimpten, wilde Bismarck zulk een Duitschland en heeft hij liet gereed gekregen ook; want de sterke wil maakt en regeert de omstandigheden, terwijl de zwakke ziel er zich, al is het dan ook zuchtend en tegenstrevend, onder buigt. Wie zegt: „Dat wilde ik nu eens,quot; weet niet, wat willen is; want wie wil, wil niet eens, maar altijd, bij dag en bij nacht, die wil zoolang hij ademt, zoolang hij leeft, en zet er niets minder dan alles voor op het spel; anders w i 1 hij niet, maar zou hij slechts gaarne iets hebben of zien gebeuren. Het werkwoord „willenquot; heeft geen verleden tijd en geen toekomenden, maar alleen een tegenwoordigen tijd. Zoo wil de slaaf van den Mammon rijk
worden. Zoo moet de Christen zalig willen worden.
* *
*
Een tweede wet en goddelijke kracht der menschelijke ziel is het gevoel, het vermogen om vreugde en smart te ondervinden. — Smart! Wat is dat toch, en hoe is het te onderscheiden van vreugde ? — Wij weten het niet; wij kunnen deze diepste gewaarwordingen onzer ziel niet nader doorzien, begrijpen, noch ontleden; met al de woorden waarmede wij iets dergelijks zeggen: droefheid, pijn, leed, verdriet, kommer, geluk, vroolijkheid, welzijn en genoegen, kunnen wij er geen verklaring van geven; daarom zeggen wij dan ook telkens weder: vreugde, smart! — Als eene reuzin met gesluierd gelaat gaat zij door de
210
wereld rond, en al wie zij aanraakt, krimpt ineen van pijn. — Ach, wat al soorten van smart zijn er op deze aarde, en wat al onuitsprekelijke folteringen naar lichaam en ziel hebben de menschen reeds geleden, en hebben zij hunne medemenschen reeds doen lijden! Wanneer men leest van tyrannen, zooals Ivan de Verschrikkelijke en anderen, van Inquisitie en de heksenprocessen, hoe menschen toen met satanische wreedaardigheid hunne medemenschen zóo uitgezocht, zoo onbarmhartig, dagen en weken lang met vuur en met ijzer martelden en hun niet den dood gunden, waarom de ellendigen in hunne wanhoop en vertwijfeling smeekten, ja hen intusschen zorgvuldig verpleegden en met goede spijzen sterkten, opdat zij andere en verfijnder martelingen konden verdragen; en hoe er uit verre landen beulen gehaald werden, die meesters waren in da vreese-lijke kunst om afgrijselijk te folteren, zonder te dooder., — dan gevoelt de benevelde ziel de tegenwoordigheid des Satans en smeekt zij tot God, dat haar geloof aan de eeuwige liefde niet moge wankelen. — In welke onbekende diepten moet de ziel van zulke rusteloos gemartelden afgedaald zijn en de vlucht genomen hebben, die het zoogenaamde maleficium t a c i-t u r n it a t i s deden blijken: wien geen enkele marteling, al was zij nóg zoo afschuwelijk, nóg zoo verfijnd, ook maar een enkel woord meer, een ja of een neen, kon ontrukken; — de ziel was van ontzetting doof en stom geworden, en staarde nog slechts met waanzinnige blikken hare pijnigers aan!
En toch is de smart, ook de lichamelijke, maar nog meerde zielesmart, iets groots en iets heiligs, en naar waarheid zegt de Duitsche dichter er van:
„Wie nooit zijn brood met tranen at.
Wie nooit in kommervolle nachten Al weenend op zijn leger zat.
Die kent u niet, o hemelmachten!quot;
211
De smart drukt den mensch neer en verheft hem tegelijkertijd ; zij verscheurt onbarmhartig de ijdele, zelfbehagelijke hulsels, die alle waarheid voor ons bedekt houden; zij verdrijft de ijdelheid en de zelfzucht, deze twee hoofdgebreken onzer ziel, deze twee spruiten uit denzelfden wortel; zij doet ons een blik werpen in de diepten onzer ziel en verheft ons als op adelaarsvleugelen boven het stof en het vuilnis, boven de nietigheden, gebrekkigheden en armzaligheden dezes levens; zij toont ons de holheid en de ledigheid van zoovele vormen en conventioneele sleurgewoonten, — helaas, ook maar al te dikwijls van zoovele menschenharten.
Wat is de mensch, die niet geleden heeft? Welwillend moge hij zijn, maar hij is niet goed; misschien scherpzinnig, maar hij is niet wijs; eerlijk moge hij zijn. maar hij is niet waarlijk waar. Als lot karakterontaarding leidende invloeden beschouwt de psychiater Prof. Flechsig al dezulke, die tijdelijk of blijvend het smartgevoel wegnemen, en dan voegt hij er bij : ,Het smartgevoel is een gewichtige, een fundamenteele zedelijke factor. Zonder eigen smartgevoel kunnen wij noch medelijden gevoelen, noch door ervaring leeren; de smart, op zichzelf de ruwste vorm van alle onaangename gevoelens, is de basis van een aantal der fijnste en edelste gevoelsschakeeringen, en deze gaan alle totaal verloren door de invloeden, welke de gewaarwording van smart in \'t algemeen wegnemen,quot; waartoe in de eerste plaats de morphine, en verder alle mogelijke narcotica, en ook de alcohol behooren. — Daarom zendt God de smart, deze bittere en kostelijke gave, aan de uitverkoren zielen, aan zijne kinderen, aan zijne heiligen, aan zijne profeten, aan zijn Zoon zelfs! — En toch blijft de smart zelfs voor diegenen, wier onafscheidelijke levensgezellin zij geworden is, een duister geheim. Eerst in de eeuwigheid zullen wij begrijpen en verstaan, waartoe God haar geschapen heeft; hier beneden moeten wij haar als een ernstige en heilige vriendin leeren beschouwen.
212
Van het tegenbeeld der smart, de vreugde, weten wij iets minder. Eens straalde zij in het paradijs op het gelaat van den nieuwgeschapen mensch met goddelijken glans, en weerspiegelde zij zich in de oogen van elk dier en in elke bloem. De vreugde was in de lucht, en vreugderijk en vreugdevol was destijds het leven. Maar toen Adam van God, in wien de vreugde eeuwig is, afviel, toen werd ook dit licht bij hem uitge-bluscht, en nu glimt hel slechts zoowat voort onder de asch in het tegenwoordige aardsche leven, en waar het meest en het luidst gelachen wordt, is zij dikwijls het minst aanwezig, — want de Romeinen wisten het reeds; ernst is de ware vreugde ! En als de menschen bijeenkomen en gaarne vreugdefeesten zouden willen vieren, dan is het meestal weldra zoo met hen gesteld, dat zij builen hel eten en drinken niet recht weten, waarover zij zich eigenlijk verheugen moeten. — Doch ook in dit opzicht heeft God zijne menschheid niet vergelen, en in het tamelijk vreugdelooze aardsche leven ligt er nog altijd een rijke bron van vreugde in het schouwspel der opgaande zon; vreugderijk is het licht en het kristalheldere water; de in het voorjaar bloesemende boom en hel groenende woud en de bloemen, hel gezichtje van hel kind, de onschuld en de moederliefde; vreugderijk is iedere schoone daad, elk edel woord, en elke spontane uiting van hartelijk medelijden. En een eeuwige vreugde heeft God ons geschonken, waarvan de engelen in den eersten Kerstnacht voor de herders zongen: „Ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dal uheden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids !quot;
Uit de gewaarwording van smart en vreugde beslaat het gevoel, een woord dat tegenwoordig een groote rol speelt. Maar het gevoelsleven is krachteloos en waardeloos, wanneer het niet met de noodige wilskracht en met hel juiste begrip gepaard gaat. Evenzeer als een ware philanlhropie, ter vervulling van
213
het groote gebod: „Gij zult uwen naaste liefhebben als uzel-ven,quot; schoon en goed is, zoozeer dreigt tegenwoordig een valsche, sentimenteele, uit „wereldsmartquot; voortspruitende phiian-thropie, die de waarde der ontbering en der smart miskent en voor eiken strijd en ieder kruis, voor alle leed en alle rampen, ten opzichte van zichzelf en van anderen lafhartig terugdeinst, tot een vloek voor de wereld te worden. Vroeger waren de menschen te hard, tegenwoordig zijn zij te week. Maar de goddelijke opvoeding, vooral die van groote mannen, bewijst, dat er bij hardheid wat meer en wat beters voor den dag komt, dan bij weekheid en weekhartigheid. „Word hard, landgraaf!quot; Wij meenen merkwaardig welwillend en humaan te zijn, omdat wij het niet meer kunnen verdragen, wanneer een ellendige landlooper, die aan vrouwen en kinderen zijn satanische woede heeft botgevierd, op staanden voet (zonder iets aan de rechten en eischen der justitie te kort te doen) vijf-en-twintig duchtige klappen krijgt. Wij maken gemeene misdadigers tol modehelden, en goedhartige, of liever weekhartige dametjes sturen aan een ter dood veroordeelden moordenaar bloemen en novelletjes, „opdat hij zich toch maar niet zal vervelenquot;! (s i c!) Maar wanneer bij de tijding van het een of ander groot ongeluk, — zooals toon vóór eenige jaren bij Ischia tweeduizend menschen door eene aardbeving verzwolgen werden, en andere duizenden, deels gewond, allen geruïneerd, jammerend tusschen de puinhoopen rondzwierven en hunne dooden zochten, — terstond in Parijs een schitterend „liefdadigheidsbalquot; werd aangelegd, waarop heeren en dames, met ridderorden en diamanten getooid, tot het aanbreken van den morgen lachten, dansten en champagne dronken, alles ten bate van de slachtoffers der ramp en tot welzijn hunner nagelaten betrekkingen, — dan is dat geen medelijden, maar onbarmhartigheid en hardvochtigheid! Er staat geschreven ; „Weent met de weenenden!quot;
214
Over \'t algemeen vervangt deze als sport beoefende weldadigheid het persoonlijke geven niet. Oog in oog en van hand tot hand, in éen woord : van hart tot hart moet de uitreiking der gave geschieden, anders ontbreekt er de lieflijke reuke aan, de onmiddellijke magnetische kracht, en schept zij geen zielsverband en geen ware dankbaarheid, zooals dan ook ondanks alle liefdadigheidsbals en bazars de ontevredenheid hoe langer hoe meer toeneemt, en elke gave slechts als een verplichte afbetaling en mindering van loopende rekening wordt beschouwd. — Van de sentimentaliteit, steeds een bewijs van zelfzucht, die tegenwoordig zoo\'n hoogen toon aanslaat, zegt de oude Claudius op zijn frissche, krachtige manier: „Gij hebt gelijk, neef! Er wordt in dezen tijd met gevoelens en aandoeningen een onhebbelijke drukte gemaakt, zoodat een eerlijk mensch zich bijna schamen moet, aangedaan te zijn ; intusschen zijn ware gevoelens eene gave Gods en een groote rijkdom : geld en eer hebben in vergelijking daarvan niets te beteekenen.quot; Ook ten opzichte van het gevoel moet de Bijbel onze leidsman zijn. Hij kent het woord „gevoelquot; niet als iets, dat evenals een snaar, om te klinken, eerst moet worden aangeslagen; maar in zijn prachtige en diepe zieleleer als eene gesteldheid en een aanleg des harten, een hartelijke ontferming, die als een nimmer opdrogende bron eeuwig vloeit, en als eene zon alles verwarmt en al het geschapene omvat. „Zoo doet dan aan,quot; zegt Paulus, „als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheidquot; (Col. Ill ; 12.) Ja, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid ! Vloeide er maar wat meer van deze olie in het raderwerk der levens- en wereldmachine, en ware er in de menschenharten maar niet zooveel zuurs, hoeveel lichter en gemakkelijker zou die machine loopen !
Intusschen belooft de Bijbel — doordien hij alle ware idealen
215
des menschen kent en hun hemel niets anders is dan de volkomen verwezenlijking van die idealen — ons óok eene wereld, waar het gevoel tot zijn absolute recht zal komen, en waar niet meer mede-lijden, maar slechts mede-vreugde gevoeld zal worden. „En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn,quot; (Openb. XXI : 4.) „Vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvliedenquot; (Jesaja XXXV : 10). In God alleen zijn de bronnen des gevoels, in Hem alleen waar gevoel, trouwe liefde, vernietigende toorn en een goddelijk ontfermen, zoo hoog boven dat van alle vaderharten, zooveel uitgestrekter dan alle moederliefde, als de hemel hoog is boven de aarde en het oosten van het westen verwijderd.
* *
*
De derde goddelijke wet der ziel heet: Onderscheiden. Aangezien de mensch uit lichaam, ziel en geest bestaat, is er ook een drievoudig onderscheiden. Allereerst het lichamelijk of zinnelijke : ik zie met mijne ongen dat de boom groen is, de hemel blauw en de toren hoog. Dit onderscheiden door middel van de zintuigen vormt den grondslag van alle onderscheiden, en is een beeld van het hoogere en volkomener aanschouwen en hooren in het opgestane lichaam. Het tweede onderscheiden, dat dei-ziel, of wat wij het intelligente zouden kunnen noemen, geschiedt door middel van het aaneenschakelen der feiten, van de gevolgtrekking en van het bewijs, en is dus het wetenschappelijke onderscheiden, waaraan tegenwoordig, in deze periode meer van \'t verstand dan van den geest, zooveel waarde gehecht wordt, en dat velen als het hoogste, ja éenig vertrouwbare roemen. Hoe practisch en nuttig, ja onmisbaar ook het bewijs voor het dage-lijksch leven is, moeten wij bij nauwkeuriger onderzoek deze
216
soort van onderscheiden als een slechts middelbare en onvol-komene beschouwen. Het wetenschappelijk bewijs is in het beste geval slechts de ladder om den boom der kennis te beklimmen ; de boom zelf is het niet, en nog minder de vrucht. Maar hoe grooter de mensch is, des te minder heeft hij behoefte aan de ladder. Wat is een bewijs anders dan eene deductie, in onze taal eene afleiding of slotgevolgtrekking van iets anders, dat als bekend en waar verondersteld wordt; dus slechts een logische verwijzing naar een hoogere waarheid, die volgens de eischen dei-wetenschap ook zelve bewezen moet worden, eer men haar gelooft. Klimmen wij nu op deze wijze de sporten der geestelijke ladder op, dan komen wij aan de grondwaarheden van het zijn, als daar zijn : tijd, ruimte, stof, geest, aantal, zijn en worden, ikheid en Godheid. Maar deze elementen van alle denken, deze uitgangspunten van alle bewijzen, kunnen niet bewezen worden. Wat zal het dus veel baten, met nog zoo\'n kunstige en aesthetische kroonlijst en zuilen den bovenbouw te sieren, terwijl de fondeering op zand, ja op lucht gegrond is ! — Daaruit straalt ons reeds de grootheid van den Bijbel toe, dat hij — inplaats van met een beroep op het geweten of op de zielsbehoeften des menschen, of met eene verwijzing naar de ons omringende Natuur aan te vangen — al dadelijk het groote en onbewezen woord voorop stelt; „In den beginne schiep God den hemel en de aarde.quot; — Zoo ook Christus! — Eeuwige waarheden zet Hij als rotsen neer, en Hij geeft zich geen moeite om ze te bewijzen : „Ik ben de weg, de waarheid en het leven ; niemand komt tot den Vader dan door Mij !quot; Zoo leeraart de Bijbel beslistelijk als bron van het ware en hoogere onderscheiden de verlichting door den Heiligen Geest, dien God belooft aan iedereen, die er om bidt.
Hoe beperkt het gebied van het wetenschappelijk bewijs is, blijkt uil den strijd der geleerden over de hoofdvraagstukken der wetenschap. Met verbazing ziet de leek, nadat hij de grondig-
217
held en het veelomvattende hunner onderzoekingen bewonderd heeft, hoe zij het ten slotte juist over de beginselen zoo onzeker en zoo oneens zijn. — Zoo b.v. de anthropologen over de eenheid van het menscheiijk geslacht; zoo de taalvorschers over de kwestie, of er verschillende, van elkaêr onafhankelijke taalbeginselen zijn, of slechts éene oertaal. — Zoo schommelt de geologie tusschen plutonisme en neptunisme; en evenzoo tusschen de theorie van groote periodieke omwentelingen en Lyell\'s theorie (overigens door de jongste vulkanische catastrophen wederlegd) van louter gewone, maar millioenen jaren achtereen werkende krachten. Klimmen wij hooger op, tot aan die vraagstukken, waarvan iedereen erkennen moet, dat zij de gewichtigste voor de menschheid zijn, o. a. de onsterflijkheid der ziel, het ontstaan van het heelal, en het bestaan van God, dan laat het bewijs ons hier volkomen in den steek, evenals een gids, die ons wel door de bosschen en moerassen der lage landen en ook door de struikgewassen der berghellingen veilig heen heeft geleid, maar voor de eeuwig onbereikbare, in het licht prijkende sneeuwtoppen van den Himalaya staan blijft, omdat hij daar zijne onmacht moet belijden. — Hier kan de mensch slechts aanschouwen en bewonderen.
In onze dagen hebben vele menschen den lust in onmiddellijke en onmiddelbare waarheid verloren, waarvan de Christus zegt: „Wie uit de waarheid is, hoort mijne stem,quot; en hun gansche zielsleven beweegt zich in een louter „wanneerquot; en „waaromquot; en „maar.quot; — „Hoe bewijst gij dat?quot; — „Wie heeft het u gezegd?quot; — „Hoe weet gij dat?quot; — Zonder zelfstandige geestelijke aanschouwing of zielewortels gelijken zij de algenmassa\'s, die nu eens langs de Afrikaansche kust drijven, en dan weer, door den golfstroom medegesleept, naar de Golf van Mexico of naaide kusten van Florida gestuwd worden, om bij Newfoundland aan strand te spoelen: zij zijn de speelbal van elke critiek, van ieder menschenwoord, van elk nieuw boek. Voor zulke blinden
218
is het iets waanzinnigs, wanneer men hun zegt, dat er, evenals een uitwendig oog, ook een inwendig bestaat, dat, voor de waarheid geschapen, haar ziet waar zij is. Immers, een dier heeft reeds zooveel waarheidszin, dat het inziet, wat voedsel en wat vergif is, hoe het zijn nest of zijne woning moet inrichten, hoe het zich tegen zijne vijanden moet verdedigen; dus wat doeltreffend, wat waar, wat goed en wat kwaad is. — „Zal niet,quot; vroeg Job reeds, „het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spyze smaakt?quot; (Job II : 11.)
Wij gelooven niet aan het veranderen der ideeën. „Overwonnen standpunt!quot; een geliefkoosde uitdrukking van dezulken, die er in \'t geheel geen hebben, en ieder jaar of na de verschijning van ieder nieuw boek hun zoogenaamd „standpuntquot; op het gebied van wetenschap, kunst en godsdienst met het grootste gemak overwinnen. — Er zijn geen overwonnen standpunten, maar slechts een zeker aantal ideeën, in welker banen de menschheid evenals de wereldbollen van het perihelium tot het aphelium bestendig en voortdurend in het rond draait, haar gegeven opdat zij daaraan hare denkkracht beproeve en vorme, en het goede van het kwade, het ware van het valsche leere onderscheiden. Ook zelfs een Copernicus heeft de oude wereldbeschouwing niet „overwonnen.quot; Hij heeft haar verruimd en gezuiverd en juister gemaakt; maar ons geocentrisch standpunt heeft hij niet overwonnen, omdat dit het eenig juiste is. Even waar als het is, dat de Terra om de zon draait, zal ook zoolang wij op aarde leven, deze aarde het rustende, vaste middelpunt van ons bestaan en ons doen blijven. De grootste sterrenkundige kan zich met den besten wil niet op Mars of Jupiter verplaatsen, om van daar, of uranocentrisch, het heelal te beoordeelen; evenals, uit zielkundig oogpunt beschouwd, de wereld van Bismarcks grootsten vereerder zich toch niet om Bismarck, maar om zijn eigen nietigheid draait.
219
Het wordt hoog tijd om het door de gansche wereldgeschiedenis weerlegde sprookje, alsof de aanleg der menschenziel, haar verlangen en haar denken, sedert zesduizend jaar in een of ander opzicht veranderd zou zijn, te laten varen.
Wanneer zullen wij, arme, trotsche menschenkinderen erkennen, dat onze rede, ons verstand, ons vernuft ons niet verlichten kunnen, omdat zij niet het licht zijn. , Waarheen,quot; zegt de groote chirurg Th. Billroth, „zullen wij nog afdwalen met de afgoderij, die wij met ons verstand drijven ?quot; Wij zijn nu eenmaal, dat is eeu natuurhistorisch feit, donkere, voor het licht ondoorschijnende lichamen, die, om te blinken, evenals de aarden en de manen, de bestraling eener zon behoeven, — die, om vruchtbaar te worden, de bevruchtende kracht dezer zon noodig hebben. Verlicht, verwarmt en bevrucht ons deze zon en dit middelpunt des heelals: God, dan kunnen wij in en krachtens deze zonnestraling ook lichten, verwarmen en vruchten dragen. Dan betreedt onze rede, niet meer een hoogmoedige koningin, maar de ootmoedige dienstmaagd van Hem, die haar geschapen heeft, ook geen dwaalsporen meer, maar dient zij ons om de bouwsteenen, het zand en de kalk aan te voeren, waarmede de goddelijke Geest in ons zijn heerlijk gebouw, een tempel Gods, wil optrekken. Al het andere is nevel, damp, luchtspiegeling; zal als damp en nevel vergaan, wanneer het onweder der straf, des doods en des oordeels over de aarde zal stormen; kan niet redden van het gehenna; kan niet voor de eeuwige wetten bestaan ; zal eenmaal vluchten als aarde en hemel voor het aangezicht desgenen, die op den grooten witten troon zit. Philosophieën en systemen en verklaringen van het wereld- en Godsbegrip: dorre bladeren, die de goddelijke orkaan eenmaal in het eeuwige niets zal zweepen, en hunne plaats wordt niet meer gevonden! Maar voor ons zal in eeuwigheid het eeuwige licht stralen, en in dat licht zullen wij het licht zien! — In den hemel zijn er geen donkere ondoor-
220
schijnende lichamen, want de geest ziet alles en zichzelven door en door, en voor hem is niets meer verborgen.
Evenals God Schepper is, zoo ook de ziel. Evenals God zich het heelal en zijne schepselen in oneindige menigvuldigheid denkt, en zij staan er, en aan de vorming der wezens is geen einde, — zoo bezit ook de menschelijke ziel eene kracht, die even vrij als de wind waait, waarheen zij wil, en zich telkens nieuwe werelden schept; de scheppende verbeelding, óok eene wet en eene verrijking van haar bestaan. Geringschattend stelt menigeen zich haar voor als een wezenloos en doelloos droomen over dit en dat; maar met recht spreekt Jakob Böhme dikwijls en veel over een „imagineerenquot; of verbeelden der ziel in het goede en het kwade, en over de groote macht, die daarin gelegen is. Wie heeft het niet reeds aan zichzelven beleefd, hoe de ziel zich in een opgevat idee verdiept, zich daar gedachten over vormt, en niet meer aan en uit die zelfgeschapen wereld ontkomen kan ; en hoe de gedachten dan tot woorden, en de woorden tot daden worden. Hoe diep werkt menigmaal een arme mensch zich met zijne verbeelding en zijne zorgen omtrent het dagelijksch brood in, en stelt hij zich dan voor, hoe het zijn zou, wanneer hij eens ziek en buiten staat tol arbeiden zou worden, en dan zijne vrouw, en al zijne kinderen! en hij ziet niets meer van den blauwen hemel boven zijn hoofd, en van de vogeltjes, die onbezorgó en vroolijk heen en weer vliegen, en van de leliën, hoe zij groeien en bloeien en toch niet zaaien en oogsten ; en de wanhoop maakt zich van hem meester, en hij neemt zijne toevlucht tot het vergif of den strop, en hij doodt zijne kindertjes en zichzelven, om toch niet van honger te sterven ! — In het geld verdiept de gierigaard zich met zijne verbeelding; hij weet wel, dat hij door ontberingen
221
van allerlei aard zijn leven verkort; hij weet evengoed, dat hij bij zijn dood zelfs geen balven cent kan medenemen; en toch verdiept zijne zie\' zich daarin, en kan zij die verbeelding niet loslaten ; en op zekeren dag vindt men hem op een zolderkamertje dood, uitgeteerd, verhongerd; en onder een hoop lompen en vodden in een hoek eene kous vol goudstukken, en in een oud boek een stapel bankbiljetten. — En weer een ander verdiept zich met zijne verbeelding in den toorn en den haat; indertijd heeft, misschien onbewust en onopzettelijk, zijn buurman hem een onbeduidende beleediging aangedaan ; hoe gemakkelijk ware destijds het vergeven en vergeten geweest, maar hij werkte zich met zijne verbeelding hoe langer hoe dieper in de kleine beleediging in; al grooter en grooter werd de zaak voor zijne ziel, en hij peinsde er dag en nacht over, hoe hij dien ander ook eene kool zou kunnen stoven ; en daarop antwoordde de ander, getergd, met weer andere beleedigingen ; en zoo groeide er uit het kleine zaadje een groote gif boom, die beider leven overschaduwt en verdonkert.
Dit verbeelden der ziel zien wij aan het pessimisme en het optimisme. Ieder mensch is, of hij het weet of niet, pessimist of optimist. Eerstgenoemde is niet noodzakelijk iemand, die, door het ongeluk gebogen of onder eigen schuld zuchtend, het leven somber en vreugdeloos vindt; maar, — en onverschillig of hij ziek of gezond, rijk of arm, ja naar zijn stoffelijke omstandigheden gelukkig of ongelukkig is, — de pessimist is iemand, die zich met zijne verbeelding in Gods toorn verdiept, zooals aan zwaarmoedigen vaak op aangrijpende wijze te zien is, en waarop dikwijls door een grooten en diepen ernst een juist besef van de ontzaglijke zonden en ellenden der menschheid wordt gelegd. — De optimist daarentegen verdiept zich met zijne verbeelding ook onbewust in Gods liefde, en tracht bij voorkeur deze in de schepping te zien.
Vraagt men, welke van deze beide zienswijzen de meest gerechtvaardigde is, dan kan het antwoord niet twijfelachtig zijn. Reeds de spraakmakende gemeente noemt de pessimisten „zwartkijkers doch God heeft zijne wereld niet zwart geschilderd, maar licht en kleurig, en van oudsher heeft men hem geprezen, die met een helderen blik in de wereld rondziet. Daarom is een waarachtig groot man dan ook nooit een pessimist geweest; hoe zou zoo iemand anderen kunnen leiden, sterken, troosten, zoo\'n generaal, die reeds van tevoren den slag als verloren beschouwt; hoe zou hij kunnen opvoeden, want het kind is in de allereerste plaats optimist: zijn jeugdige ziel smacht naar het positieve en het verblijdende, naar bevestiging, en niet naar ontkenning van het zijn, zij wil geen doods-, maar levensgedachten, zij wil ge-looven, hopen, liefhebben; en een pessimistische wereldbeschouwing is voor haar wat een kille nachtvorst voor een teeder plantje is. Wel kan misschien de optimist het kwade in den mensch en in de wereld te licht opvatten, maar hij heeft in zijn binnenste een opwekkende, ondernemende en scheppende macht, is tot leidsman, trooster en oprichter geschikt, en houdt de wereld aan den gang. De optimist alleen is ook humorist. — De ware humor, — geen koffiehuisgrappen of jeneverhumor, — zooals wij dien bij Socrates en Hannibal, Shakespeare, Cervantes, Dante en Luther vinden, is een bewijs van geestelijke gezondheid en van geestelijke meerderheid bovendien, en is zoo weinig aan het hartelijk medelijden en de ware ontferming vreemd, dat veeleer, zooals Ed. Paulus het zoo treffend uitdrukt, „de humoristen het diepsie, lijdendste en lachendste hart van alle aardbewoners hebben.quot;
Zoo heeft God de pessimisten geschapen, opdat voor de menschheid het ernstige van haar toestand niet verborgen zou blijven; maar de optimisten, opdat de wereld niet vol droefgeestigheid stil zou blijven staan.
Wel spreekt Gods Woord van den toorn Gods, maar het
223
roept uit: „God is de liefde!quot;—„een oogenblik is er in zijnen toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid.quot; „Dan zal de hand des Heeren bekend worden aan zijne knechten, en Hij zal zijnen vijanden gram worden!\'\' (Jesaja LXVI: 14). Hier hebben wij het! Pessimistisch is Gods Woord voor allen, die van God niets willen weten, Hem haten en verachten. Hunne vreugde zal in droefheid veranderd worden, hun rijkdom zullen de motten verteren, hunne eer en hunne pracht, hunne schoonheid en hunne raadslagen zullen door het graf verzwolgen worden, en eeuwige pijn zullen zij lijden. — Al denkt de wereld dus ook nóg zoo pessimistisch, zij heeft er het volste recht toe en kan het niet genoeg doen; want al vreest zij ook het allerergste, tóch zal haar einde nog erger zijn, en God zelf weet geen raad voor haar. — Maar hoe optimistisch daarentegen is de Bijbel voor de kinderen Gods!
— Daar is het louter zonneschijn. Geen vreeze of beving van het rnenschelijk lichaam, geen gesteldheid of omstandigheden des levens, waarvoor geen troostwoord voorhanden is; geen opwelling van het ongeloof, geen tegenstand der rede, des vleesches en des bloeds, geen spotternij der ongeloovige wereld, die door den mensch niet met het zwaard des Geestes kan neergeveld worden. Hoe zou een Christen dus geen optimist zijn! Kan hij nog meer verlangen, of zou God nog meer voor hem kunnen doen, dan Hij hem voor tijd en eeuwigheid in zijn Woord belooft? — Zoo is het dus de plicht van den Christen tegenover een terecht hoe langer hoe pessimistischer gestemde wereld, door een groot en grootsch, in alle dingen en omstandigheden des levens volhardend optimisme zijn rotsvaste geloof aan een God te prediken, die in zijne almacht en goedertierenheid eenmaal alle tranen van onze oogen wil en zal afwisschen !
— „Wie de blijdschap der eeuwigheid niet in zijn hart heeft,quot; zegt Calvin, „bezit den waren godsdienst niet.quot;
224
Ja, machtig is de verbeeldingskracht der ziel! En hierboven, wanneer dit zichtbare eenmaal ophoudt en de ziel de vruchten harer werken te eten krijgt, blijft deze wet in wezen, en juist datgene, waarop en waarin zij hare verbeelding heeft laten werken, zal haar voedsel zijn. „De mensch,quot; zegt Swedenborg, „blijft tot in alle eeuwigheid wat zijne liefde is.quot; — „Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.quot; — „Wat de ziel hier,quot; zegt J. Böhme, die machtige man Gods, „in dezen tijd doet, waar zij zich in ontwikkelt, wat zij in haar wil neemt, datzelfde neemt zij ook in haar wil mede, en ook na het sterven van het lichaam kan zij er niet weer van ontslagen worden, want hiernamaals heeft zij niets anders meer dan dat; en wanneer zij er als \'t ware invaart, en het ontsteekt, en het met vlijt zoekt, dan is het slechts eene ontwikkeling van datzelfde wezen, en moet de arme ziel zich slechts daarmede tevreden stellen; alleen in den tijd des lichaams kan zij een ding, dat zij in haar wil heeft gewikkeld, verbreken, zoodat het is als een gebroken rad en tot niets meer dient, waar geen ziel meer ingaat, en er ook niets meer in zoekt.quot; — De zalige geest, die reeds hier beneden op en in God hare verbeelding liet werken, zal dat hierboven ook verder blijven doen, en wat hij zich dan door sterk denken voorstelt, zal weldra tot een vreugdevolle daad worden, vorm en wezen hebben, als een nieuwe schepping tot Gods eer en tot eigen blijdschap in eeuwigheid; en ook hij zal het aanzien en zeggen: „Het is zeer goed!quot;
Maar de nienschenziel, die reeds hier op aarde de macht niet meer bezit om zich door middel van hare verbeeldingskracht in iets in te werken, die zich geen geestelijke wereld en woonstede kan scheppen, wordt een prooi van de verveling, dien zielstoestand van dorheid en doodschheid, van zwakte en onmacht, eene eigenaardigheid van den tusschen goed en kwaad zwevenden mensch; want de engelen en de duivelen kennen
225
haar niet. Niet een louter neutrale, wel onaangename, doch onschuldige toestand ; maar dit gebrek aan geestelijken eetlust is het kenteeken van dat erbarmelijke bestaan, waarvan Christus uitroept; „Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! Zoo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen !quot; (Openb. III : 15, 16). Deze, den modernen mensch in haar grauwen mantel hullende, hetn tot zelfmoord prikkelende verveling bewijst, dat voor hem de goddelijke schepping en alle gaven Gods laf en smakeloos zijn geworden, en zoo sterft hij aan maagverzwakking en geestelijke bloedarmoede temidden van eene wereld vol kracht en voedsel.
Evenals God een onveranderlijke God is, dezelfde gisteren, heden en in der eeuwigheid, zoo zijn ook deze wetten en grondkrachten der ziel eeuwig. — Zoo denken en gelooven velen, die u prediken, dat vooruitgang, verlichting en wetenschap de wereld uit hare voegen gelicht en een nieuwen tijd geschapen hebben. „Ziet,quot; roepen dezen, „het oude is vergaan; wij maken alles nieuw! Pas sedert de laatste twintig of vijftig jaren weten wij wat de natuurkrachten en de mensch, wat geest en wat stof, wat gezondheid en ziekte, weienschap, industrie en productie, philosophie en psychologie, staatkunde en staathuishoudkunde, ja, wat recht en godsdienst zijn! Een nieuw geslacht, een nieuwe menschheid wordt thans geboren. Wij zijn knapper en slimmer dan al onze voorvaderen!quot; — Maar dat is niet waar. Wie diep ziet, bespeurt hoe vast en onveranderlijk de krachten der ziel haar zijn ingeplant. Evenals de menschen aan hun lichamelijke grootte geen el kunnen toevoegen, evenmin kunnen zij iets aan hunne ziel veranderen of kunnen zij zich andere eigenschappen toeëigenen. Want zelfs in de eeuwigheid zal ieder dezelfde blijven: ook daar zal de ziel volgens haar individueele vorming willen, gevoelen, beseffen en scheppend imagineeren; van het
15
226
liooge en groote zal zij groote indrukken, van het kleine ook kleine indrukken bekomen; zij zal door het gelijksoortige aangetrokken en door het tegenovergestelde afgestooten worden; zij zal uit zichzelve als centrum en middelpunt het heelal rondom zich beoordeelen, het naar haar eigen grootte afmeten en volgens bare vatbaarheid tot genieten genotrijk vinden. Geesteswetten zijn eeuwig.
Zoo bezit deze menschenziel al de krachten der Godheid, waaruit zij geschapen is, en is zij in waarheid een beeld en eene gelijkenis er van. Evenals in God, en overeenkomstig dezelfde goddelijke wetten als in de Godheid zelve, ontstaat in haar het denken, vormt zich het woord, geschiedt de daad. Welk eene vrijheid en welk eene macht, wanneer eenmaal de zware ketenen en de banden afvallen, die haar schier onbewegelijk, verdoofd en stompzinnig in den donkeren kerker aan den wand kluisteren !
Evenals God uit drie verstelbare assen de oneindige wereld der kristalvormen schiep, zoo ook uit deze vier factoren in verschillend mengsel de eindeloos verschillende zielen. Grootte, hoeveelheid en verhouding van den eenen factor tot den anderen bepalen haar karakter, haar individueele formule, even onveranderlijk voor elke in het bijzonder als S O3 voor zwavelzuur,
X2 y~
of — — 1 voor de ellips; zoo hard als diamant, eeuwig, en a b
toch eindelooze, geestelijke evolutie mogelijk makend.
Maar ter onderscheiding tusschen Schepper en schepsel sprak God ook tot deze ziel, evenals tot al het geschapene: „G ij zult aanbidden!quot; — Ook de Zoon Gods werd op aarde voor dit alternatief geplaatst: „Indien Gij mij aanbidt,quot; s.egt Satan tot Hem; en Hij antwoordt: „Er staat geschreven: Gij zult den Heere uwen God aanbidden en Hem alleen dienen!quot;
En ook deze wet der ziel is haar leven. Alleen zoolang de
227
mensch iets méér roemt dan zichzelven, zich onder en voor iets of iemand buigt, heeft zijn beslaan zekere waarde voor hem. Kent hi] niets hoogers dan zichzelven, dan jaagt hij zich het liefst een kogel door het hoofd, want dan is het leven hem niet alleen doelloos, maar eene marteling.
En zóo was het van oudsher, en zoo is het en zal het zijn, zoolang de aarde staat. Reeds bij de menschen uit de steenperiode en in de paalwoningen bevinden zich amuletten en afgodsbeelden ; en de Franschen in de dagen van de groote revolutie hebben God wel „afgezetquot;, maar ,de godin der Redequot; voor Hem in de plaats gesteld. Evenzoo gaat het ook nog tegenwoordig; onverschillig of iemand de stol of de natuurkrachten of het vernuft, de wetenschap of „la gloirequot;, of het beroep, den plicht of de vrijheid, de humaniteit of den geldzak of de genotzucht eert, iets moet ieder mensch hebben, wat hij hooger acht dan zichzelven, waarvoor hij zich buigt, waarnaar hij opziet, en waaraan hij in ernstigen gods- of godendienst zichzelven, zijn tijd, zijne krachten, zijne gezondheid, zijn leven, ja zijne ziel ten offer brengt, wil zijn leven hem niet waardeloos en nietig voorkomen. Zoo spreekt de Amerikaan met oprechten eerbied van den „almachtigen dollarquot;; zoo noemt menig geleerde zich vol trots „een priester der wetenschapquot;; en in \'s mans lijkrede wordt er op geroemd, hoe hij op haar „altaarquot; zijn gezondheid en leven ten offer heeft gebracht; zoo zoeken alle jaren honderden vrijwillig den dood, omdat deze hunne afgoden: eer, geld, goed enz, hun ontnomen werden; en schier als heilige onnoozelheid klinkt het, wanneer in Parijs menschen, die in hun grimmigen haat aan elke religie en allen godsdienst den oorlog verklaard en het „n i Dieu ni maitre!quot; tot hun levensleuze gekozen hebben, op bepaalde dagen bijeenkomen, om voor een altaar, waarop de met lauweren omkranste bustes van Robespierre en Marat geplaatst zijn, eerbiedig de Marseil-
228
laise te zingen! Zoo weinig ontkomt de menschaan dezielewet: „Iets zult gij aanbidden !quot;
Ook deze wet is eeuwig. Ook in de eeuwigheid zal de ziel aanbidden; of vrijwillig God, en met de cherubijnen uitroepen : „Heilig, heilig, heilig is de Heere Zebaoth!quot; en in deze aanbidding haar einddoel en het doel barer schepping vinden en een volkomen zalig genot smaken; óf zij zal vol wanhoop en vertwijfeling met weening en knarsetanden den somberen hellevorst eeuwig moeten aanbidden. Want aangebeden te worden, dat is Satans hartewensch en einddoel. — „Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden!quot; — En dezen wensch van hem zal God inwilligen; het is de straf der verdoemden en verworpenen Satan te aanbidden. — „Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!quot;
* *
*
Tot het uitspreken van haar willen, gevoelen en beseffen, tot het hoorbaar en zichtbaar maken van al haar denken, bezit de menschelijke ziel, evenals God, een heerlijke openbaring, namelijk de taal. „In den beginne was het Woord.quot; — „En God zeide!quot; — Evenals alle plastische kunst op aarde daarvan haar oorsprong heeft, dat God eenmaal uit een kluit aarde den mensch vormde, zoo zijn alle toonkunsten daaruit voortgekomen, dat Hij hem een adem des levens in zijne neusgaten inblies. Wel disschen sommigen allerlei fabeltjes op, als zou de mensch zich langzamerhand de taal hebben moeten eigen maken! — Verbeeld u: een menschelijke ziel, die zich niet kan uitdrukken! Een ademtocht Gods, die zich niet weder zou kunnen uitademen! — Of laat ons maar liever ronduit zeggen; een licht dat nog eerst moet leeren stralen, een vuur dat nog niet weet hoe het branden moet!
229
Elk woord is een klank. — Deze grootste openbaring der ziel kan slechts docr bemiddeling van de lucht geschieden. Dat de almachtige God zich van de lucht bedient, om zijne stem te laten weerklinken (Psalm XXIX), is een schoon zinnebeeld en symbool van de waarheid, dat de luchtlaag of atmosfeer, waarmede Hij de aarde omringde, ook tot uiting van al de stemmen aller creaturen, tot versterking en overbrenging van alle klanken en geluiden op aarde dienen moet. Op de luchtlooze maan zou de ziel eeuwig stom zijn, en zou zij zich uitputten in vruclite-looze pogingen om op andere wijze al haar denken en verlangen uit te spreken, niet alleen ten behoeve van anderen, maar ook voor zichzelve ; — ook zelfs een Robinson Crusoe (Alexander Salkirch) op zijn eenzaam eiland sprak, weende, bad en zong overluid temidden der hem omringende stilte. — Hoe juicht en schreeuwt van vreugde, maar ook van smart en verdriet, zelfs reeds het kleinste kind! en waar is er op aarde eene blijdschap, die zich lucht kan geven en uitdrukken zonder klanken en geluiden? Waar en wanneer is er een feest ten allen tijde en bij alle volken, waarbij men niet, als onmisbare uitdrukking der blijdschap, gejuich, gezang, trompetgeschal, muziek, klokgelui of kanongebulder hoort? Met donderslagen en goddelijk bazuingeschal kondigt de Heere God op Sinaï zijne wet af; voor de bazuinen van Israel vallen de muren van Jericho; als het suizen van een zachte koelie openbaart Jehova zich aan zijn profeet op Horen, en eens zullen de zeven donderslagen en de zeven bazuinen den dag des oordeels aankondigen, en de „laatste bazuinquot; met schetterenden klank zelfs de dooden in het schimmenrijk wekken. Voorloopig is het geluid, dat van de door het wereldruim snellende Terra gestadig opstijgt, smartelijk, — is het klagen en morren en lastering, — en van onze wereldsteden kan men zeggen, zooals Dante zingt, wanneer hij de stad der eeuwige smarten nadert: „Er weerklonken door de sterren-
230
looze lucht zuchten, geween en groot gejammer, verschillende talen, schrikkelijke woorden, geluiden van smart, kreten van toorn; zware stemmen en zwakke woelden en krioelden zonder rust in deze droeve lucht, zooals zand dal door den storm wordt opgezweept.quot; (Inferno, Canto III).
Hoe wonderbaar dit geluid, wanneer het den vorm van spraak aanneemt! — Ik breng door middel van mijne tongspieren een weinig lucht in beweging; deze geluidgolven, eigenlijk louter luchttrillingen, slaan tegen de gespannen huid van het trommelvlies van iemand anders, en terstond ligt mijne ziel voor het oog zijns geestes open; zij verwekken in zijn binnenste liefde, toorn, hoogmoed, trots, vrees enz.; hij luistert, voelt zijne belangstelling geprikkeld of gedempt; hij weent, lacht, wordt getroffen, of verblijdt of verveelt zich; nieuwe, nog nooit gekoesterde gedachten komen er in hem op, nieuwe plannen en ontwerpen worden geboren in zijn brein, en diezelfde onzichtbare luchtgolven hebben misschien voor tijd en eeuwigheid aan ziin gansche leven een andere richting gegeven!
Evenals er van God bij de schepping der wereld het allereerst geschreven staat: „En Hij zeide: Er zij licht, en God n o e m d e het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht,quot; zoo was liet ook Adams eerste daad, aan de door God tot hem gebrachte dieren des velds en vogelen des hemels namen te geven. — Een groote daad! en eene aanstelling van den mensch tot plaatsvervanger Gods op aarde! — Het geven van een naam heeft groote beteekenis. Dit wordt reeds gevoeld door het kind, dat zijn pop bij een naam wil noemen. Welk een groote beteekenis wordt er niet overal in den Bijbel aan namen gehecht; hij bepaalt vooruit dien van Gyrus, van Johannes, zegt: „Jezus zal Hij genaamd worden!quot; en belooft den overwinnaar als groote loon „een nieuwen naam.quot; Tot het benoemen der wezens is in de allereerste plaats de taal dienstbaar: zij drukt — wij hebben
231
hierbij de ware taal op het oog — met en door den naam het geheele karakter van een wezen uit, trekt daarmede rondom hem een rnagischen kring en grens van zijn doen en zijn, en is voor hem, zoo hij zijn eigen naam begrijpt, een groote openbaring van hetgeen er in hem ligt, en van hetgeen waartoe hij instaat is, en wat hij worden kan en moet.
Derhalve is de naam het ,zelfstandig naamwoordquot;, substantief, van „substantiequot;; hij is de hoeksteen, de rocher de bronze, waarop de gansche taal zich opbouwt, de uitdrukking van het zijn; hij is niet aan ruimte- en tijdvormen gebonden, kent slechts de eenheid en de veelheid, en de twee groote tegenstellingen van mannelijk en vrouwelijk. Diep liggen de betrekkingen tusschen de taal en den geest, ja de taal is niets anders dan hoorbare geest; hare vormen hebben alle een ondoorgrondelijken achtergrond, en hare wetten waren vóór de grondlegging der wereld in het goddelijk woord aanwezig. Zoo vinden wij in het eerste hoofdstuk van den Bijbel, dat God zich daar als Schepper in het zelfstandig naamwoord openbaart. Daar treden zij achtereenvolgens op, de eerste, nog nooit beslaan hebbende zelfstandige naamwoorden en wezenheden. God spreekt ze uit, noemt ze, — en ziet! zij zijn er; hemel, aarde, afgrond, geest, wateren, licht, duisternis, lucht, droge, zee, gras, kruid, boom, zaad, zon, maan, sterren, visch, vogel, dier, mensch; en de engelen aanschouwen vol verbazing deze nieuwe scheppingen en aanbidden. Maar alle bijvoegelijke naamwoorden vat God in éen enkel samen. Hij zegt niet tot het licht; wees helder ! niet tot den leeuw; wees moedig! niet tot den boom; wees groen! — maar over al deze door hem uitgesproken zelfstandige naamwoorden en wezenheden spreekt Hij het éenige, alle eigenschappen in zich bevattende eigenschapswoord „goedquot; uit, en erkent ze daarmede als een deel van Hem, den éenig goede (Markus X:18). En zoo stond daar de schepping; een goed zijn.
232
Wie het zelfstandig naamwoord machtig is en alles bij den waren naam noemt, diens rede heeft zekerheid en vastigheid, eenvoud en macht. — „Gij zijt een man !quot; — „Dat is waarheid!quot;
De tweede zuil der taal is het werkwoord (in \'t Latijn verbum) ; dus het woord in \'t algemeen, de uitdrukking van het worden, dat te kennen geeft, wat deze wezens- en zelfstandige naamwoorden of namen doen en ondergaan. Is het zelfstandig naamwoord eeuwig : licht, kracht, plant, dier, mensch, duivel, — het werkwoord is bovenal tijdelijk. Christus, die niet als Schepper in de wereld kwam, die in zijn aardsche leven niet een enkel zandkorreltje, niet een enkelen grashalm schiep, heeft ook niet éen zelfstandig naamwoord in de taal gebracht. Want Hij, die in het tijdelijke kwam, om van het menschdom daarin en in de eeuwigheid te spreken, stelt wel allereerst vast, dat Hij is de opstanding, het licht, het leven, de weg, de waarheid; maar met en van de menschen spreekt Hij steeds met en in hst werkwoord. „Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke!quot; — „Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft, zal lever., al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat ?quot; (Johannes XI: 25 en 26). — En ook Hij brengt alle eigenschappen tot goed en kwaad, ja de geheele taal tot ja en neen terug. Als eigenschapswoord kent Hij het woord „schoonheidquot; niet, — een wenk voor onze aesthetici! Ben ik in de waarheid, dan volgt de schoonheid vanzelf.
Het werkwoord wordt verdeeld volgens verleden, heden en toekomst; ook volgens de groote drieheid: ik, gij, hij, die alle verhoudingen van den een tot den ander uitdrukken. In de onbepaalde wijs is het nog algemeen, ruim, vrij, oneindig, een zuiver begrip; leven, doen, liefhebben ! —Maar uit die kiem ontwikkelt zich de geheele boom! In de aantoonende wijs wordt het beslister, persoonlijker, en stelt het koud en onpartijdig het
233
feil vast: hij leeft, zij spreekt; in den voorwaardelijken tijd wordt het doen en zijn aan iels anders door het woordje „indienquot; verbonden en daaraan ondergeschikt gemaakt; uit de bijvoegende wijs spreekt al het wenschen, mogen, vreezen, hopen .enz. des harten; in de gebiedende wijs wordt de toon van het woord kort, hard, vast, bevelend; ga! neem! — Hoeveel door het werkwoord en het zelfstandig naamwoord alleen wordt uitgedrukt, bewijst de Latijnsche taal. Zoo bijv. in het schoone devies der familie Hope (hoop): „Orbe fracto, spes illaesa!quot; (In puin ligt de wereld, ongedeerd blijft de hoop!)
Aangezien er in den grond der zaak slechts éen zijn en éen doen bestaat, die beiden slechts in het ja of in het neen geschieden kunnen, bestaan er ook slechts twee formeele trappen voor het onderwijs der menschheid. Zij leere in de schepping van God den Vader de wezens en hun zijn kennen, en wel niet in gezochte aanknoopingen en gedwongen concentratie, maar voor zooveel van ons afhangt, in hun absoluut wezen. Daarna leere zij in het doen van God den Zoon, wat zij doen moet opdat zij het eeuwige leven hebbe.
Langs deze twee hoofdzuilen der taal: zelfstandig naamwoord en werkwoord, klimmen de andere als ranken omhoog en dienen zij hun tot verfraaiing, tot nadere aanduiding en tot begrenzing. Een hoogere taal zou slechts die twee noodig hebben. Noemt de Arabier den leeuw „den verterendequot;, dan vereenigt hij wezen, doen en eigenschap. In onze talen echter vormt het bijvoegelijk naamwoord het sieraad der taal, want het is individueel. Aan het zelfstandig naamwoord kan de mensch niets veranderen; licht, water, steen; maar de keuze van het bijvoegelijk naamwoord staat hem vrij; daarmede drukt hij zijn persoonlijke opvatting uit; zooals in\'t algemeen het eigenschapswoord, als omschrijving en nadere bepaling van éene zijde van
234
het zelfstandig naamwoord en van het wezen, er altijd ook eenebegrenzing, eene vernauwing en vaak eene verzwakking van beteekent, waarom Voltaire zeggen kon: „L\'a d j e c t i f est l\'ennemi du substantifquot;, (het bijvoegelijk naamwoord is de vijand van het zelfstandig naamwoord). Wie het weet te be-heerschen, geeft aan zijne voordracht licht en kleur, schildert met woorden, en spreekt zooals hij is: treffend, wijs, klaar, aanschouwelijk, opwekkend, roerend, juist, rechtvaardig, bijv. zooals Homerus, Dante, Shakespeare, Goethe. — Uit de verkeerde toepassing van het adjectief, uit de voortdurende herhaling van een enkel bijvoegelijk naamwoord, zooals: „afgrijselijk!quot; „bekoorlijk!quot; of wel „groolschquot;, „statigquot;, en in het verkwistend gebruik van den overtreffenden trap, blijkt het duidelijkst de armoede van geest.
Onveranderlijk, onbuigzaam, als een onverbiddelijke waarheid, staat het telwoord daar: elk daarvan is een in zichzelf afgesloten eenheid, is wet en vorm en maatstaf der geheele natuur, vangt zoo klein en onaanzienlijk aan, dat ieder kind het beheer-schen kan ; en groeit in ruimte en tijd, groeit boven het begripsvermogen der stoutmoedigste aardsche geesten tot in bet oneindige naar buiten en naar beneden en naar boven; en al zette een mensch ook van kindsbeen af tot in den grijzen ouderdom de eene nul naast de andere, dan zou hij nog geen stap nader zijn gekomen aan de grens van het getal, dat een voorbeeld is van de oneindigheid Gods.
Maar het korte voornaamwoord, in enkele talen slechts uit éen letter bestaande, beweegt zich door de spraak als een schim, als een geheimzinnig en spookachtig evenbeeld van het machtige zelfstandig naamwoord: „hijquot;, „zijquot;, waarop men vraagt: „wie dan?quot; En toch, hoeveel ligt er in dat „ikquot;! Ik zal zijn, die ik zijn zal! spreekt Jehova. Welk een maatstaf der geheele wereld voor ieder schepsel! —In het „gijquot; ligt de geheele plicht jegens
235
den naaste, de wet en de profeten, en in het „hijquot; en liet „zijquot; de menschheid als iets naast mij voortloopends.
En het schijnbaar onbeduidende bijwoord heeft de macht om de daad, en al het gebeurde, willekeurig in tijd en ruimte herwaarts en derwaarts te verplaatsen, ja ze te ontkennen, te vernietigen of te vereeuwigen : gisteren, heden, altijd, nooit, eeuwig ; het bespoedigt of vertraagt, prijst of veroordeelt ze: „Goed gezegd!quot; „Slecht gehandeld!quot; — En de voorzetsels rangschikken en regelen de dingen, stapelen ze op, werpen ze naar beneden, schuiven ze naar achteren, of trekken ze naar voren, of plaatsen ze in het midden. — De voegwoorden binden alles samen en zijn de koorden en louwen der spraak. In den Bijbel wordt de geschiedenis der menschheid met een doorloopend „enquot; verhaald, niet alleen als een Hebreeuwsche taalvorm, maar ten bewijze dat zij een samenhangend geheel is ; alles daarin tegelijkertijd uitwerking van het voorafgaande en oorzaak van het volgende. Het Sepher Thorah (Boek der Wet) zeggen de Kabbalisten, vormt als \'t ware slechts éen enkelen grooten volzin, waarom het dan ook zonder punctuatie en woordscheiding doorloopend geschreven moet worden, om voor de aanschouwing het karakter van zijne oneindigheid niet te verliezen. „De menschquot;, beweert Molitor, „zou in zijn gansche leven slechts een enkelen doorloopenden zin denken, en evenzoo slechts een enkel, in zichzelf samenhangend kunstwerk scheppen, ware hij niet uit de eenheid in de verbrokkeling gevallen.quot; — En het tusschenwerpsel levert het bewijs, dat er in de ziel aandoeningen bestaan en een onuitsprekelijk zuchten des geestes, waarvoor het aardsche woord ontoereikend is, en die zich slechts door de kleur en de muziek der klinkers eenigermate laten aanduiden.
Zoo is dus de menschelijke taal een diepzinnig symbool en evenbeeld van het Woord, dat in den beginne bij God was en zolf God was. — Hoe majestueus eenvoudig de middelen, hoe
236
weinig de steenen, waaruit dit reusachtige gebouw bestaat! Wat gaf God aan Adam, om aan alle wezens van het paradijs een naam te geven? Waarmede drukt sedert zesduizend jaren de gansche menschheid al haar denken uit, hare blijdschap en haar verdriet, haar haat en hare liefde, hare wetten, hare kunsten en wetenschappen, hare poëzie en hare verveling, haar bidden en haar vloeken, haar gansche willen, gevoelen en beseffen, in duizenden talen en dialecten, en waarmede zal zij dat tot aan het einde der wereld blijven doen? — Met ongeveer vijfentwintig medeklinkers en vijf klinkers! — Deeerstgenoemden vertegenwoordigen den vorm, den omtrek, de gestalte, het worden, en zijn de opnetners en bewaarders van den geest; de klinkers daarentegen vertegenwoordigen de kleur, de stof, den inhoud, het wezen; ze zijn krachten en beginselen Gods, en zij zijn tevens belangrijker, zelfstandiger (zelfklinkend), wezenlijker, dieper, wat ook daaraan te zien is, dat onderscheidene talen vele consonanten missen, waar zij alle al de vocalen bezitten; bij deze vijf kan de zooveel uitvindende mensch er nooit éen meer uitvinden: bewijs genoeg hoe diep hun oorsprong is ! — Groot zijn deze vocalen. De A is de actieve aanvang der daad en der levenskracht; de O, het groote, volle beseffen, is het beeld van het oog; oeil, occhio, ocho, enz. Altijd en overal beteekent de I, evenals reeds in hun uiterlijke gedaante de mensch en de opgeheven vinger, de puntige ikheid, terwijl de E meer aan de zwevende, golvende ziel doet denken; en terecht maakten de Kelten, die poëtische volksstam, die beter begrip van de vrouw had dan alle anderen, de stomme E tot symbool van het vrouwelijke. En de U is de donkere, lijdende oergrond, de kolk, de put.
En hoeveel combinatiën worden er al niet mogelijk gemaakt door deze paar rijen letters! Weinige dingen zijn zoo wonderbaar ais een boek. — Eenige bladen van vodden of houtvezels, waarop
237
telkens weder dezelfde zesentwintig teekentjes zwart op wit gedrukt zijn! Voor iemand die niet lezen kan slechts een pakje papier ; maar lees ik er in, dan begint het te leven: het vertelt mij, het leert en vermaant, het lacht en weent, en ik moet onwillekeurig medelachen en medeweenen; ik erger mij of zou luidkeels willen juichen; ik verblijd mij of ik word bedroefd; en mijn onsterflijke ziel voedt zich en groeit in mij, louter door het aanzien van deze zwarte hanepootjes. Ja, die zesentwintig wonderbare, mystieke teekens kunnen, al naarmate zij zus of zoo gerangschikt zijn, zielen verlossen van den tweeden dood, van de eeuwige verdoemenis, of er hen inwerpen! — Want zij zijn gekristalliseerde geest!
Neem ik deze zesentwintig kleine metalen staafjes uit eene zetterskast, dan houd ik in mijne hand — want alle talen der wereld zijn natuurlijk ook met Latijnsche of Gothische letters weer te geven — niet alleen alle papyrusrollen en inscripties, perkamenten en manuscripten, boeken en geheele bibliotheken, couranten, tijdschriften en artikelen en redevoeringen, die ooit in de een of andere taal op aarde gedrukt, geschreven, gelezen en gesproken zijn, maar ook al de toekomstige, die nog bedacht, door nog niet geboren menschen geschreven, gedrukt en gesproken zullen worden. Door een eenvoudige omzetting en verplaatsing dezer letters zouden wij ons even nauwkeurige beschrijvingen van alle nog niet uitgevonden machines en andere uitvindingen en ontdekkingen, besprekingen van maatschappelijke, staatkundige en beschavings-toestanden in alle rijken der wereld kunnen verschaffen, die wij niet beleven zullen!
Hoe onbegrijpelijk dat de menschen, die toch, bij alle schijnbare en oppervlakkige verschillen, zoo geheel dezelfden zijn, in
238
hunne liefde en in hun haat, in hunne dorst naar kennis eu in iiun genotzucht, en in al de krachten en eigenschappen hunner ziel, — dat zij, die toch allen met dezelfde vijf klinkers en met dezelfde een-en-twintig medeklinkers alle klanken hunner ziel uitdrukken, — wier spreken overal en van oudsher binnen de grenzen der tien bovengenoemde woordsoorten en hunner indeeling geschiedt en volgens dezelfde architectonische wetten wordt opgebouwd, toch zoovele en zoo velerlei talen spreken ; dat zij voor de eenvoudigste feilen, bijv. dat de hemel blauw en de boom groen is, of voor gij en ik, of voor een en twee, dat zij toch niet dezelfde, voor alle beschaafde volken begrijpelijke schriftteekens uitdrukken, niet ook éen en hetzelfde woord hebben! Daarover hebben zich dan ook werkelijk reeds vele denkers verwonderd, en daaronder juist de taalgeleerden het meest
Zoo zegt bijv. Herder, om slechts éen uit velen te nemen: „Het onderscheid der talen is een probleem, dal zich enkel en uitsluitend door de landverhuizingen der volkeren niet verklaren laat, ook wanneer ik klimaat, land, levenswijze en zeden mede als zoovele oorzaken van dit verschijnsel beschouw. ... Er moet iels positiefs voorafgegaan zijn, wat deze hoofden uit elkander wierp ; wijsgeerige gevolgtrekkingen zijn hier niet voldoende. („G eist der ebr. Poesi equot;). V. Eickhoff zegt in zijn „Pa ral-lèle des languesdel\'Europeetderinde: „De tot volkomenheid geraakte linguistiek zal na een zorgvuldig overziclit van alle talen de oorspronkelijke eenheid van het menschelijk geslacht bevestigen.quot;
Overal leidt de afdwaling van God, van den grooten Een, eenerzijds tot verbrokkeling en anderzijds in het duistere besef dezer rampzalige scheiding tot werktuigelijke gelijkmaking van al de goddelijke, gewilde, schoone, zegenrijke tegenstellingen. — Daarentegen wees de wonderbare gave der talen door den Heiligen Geest ten dage des Pinksterfeestes op de wederinvoering
239
der oorspronkelijke taal, der oertaal, en tevens op de eenheid van alle volken in Christus.
Evenals het volk Israel uit twaalf stammen bestond, en het zeventig zielen waren, die naar Egypte trokken, zoo koos de Christus twaalf apostelen en zeventig discipelen uit, en de Joden beriepen zich op het Schriftwoord in Deut. XXXII: 8 en leerden op grond daarvan, dat er op aarde zeventig volken zijn, met zeventig stamtalen, eene meening die men ook wel elders aantreft ; want dat de achttienhonderd a tweeduizend talen der wereld, en vooral het overgroote aantal der Amerikaansche en neger-dialecten, zich gemakkelijk tot een veel kleiner getal terug laten brengen, wordt door de voornaamste taalvorschers toegegeven. Aan de taal kan en moet de geest van ieder volk voortdurend arbeiden ; maar d e taal zelf kan hel zich evenmin geven, als een nieuwen klinker uitvinden. Zeer treffend zegt prof. Seb. Mutzl: De eerste straf over de menschen is door de aarde voltrokken geworden : de akker zal u doornen en distelen voortbrengen ; de tweede door het water: de zondvloed; de derde door de lucht: de draagster der spraak ; de vierde, toekomstige en laatste, door het vuur. — Babel (verwarring) heet de plaats waar dit geschiedde: een zinnebeeld van al het doen des menschen. Josephus schrijft uitdrukkelijk: „Want de Joden noemen de verwarring babel,quot; (Antiq. I u d, I, o) van het Chal-deeuwsche „bal bal,quot; verwarren of stamelen (verwant met ons babbelen, Fransch b a 1 b u t i e r, Engelsch to b a b b I e), en niet zooals Voltaire en op zijn voetspoor ook eenige Duitschers hel uitgelegd willen hebben: Bab bel, poort of stad van Bel.
Van die spraakverwarring af waren er talen en volken en natiën, door talen van elkander gescheiden, die, zelfs wanneer zij hetzelfde willen, vijandig tegen elkaêr overstaan, want „e e n iegelijk hoorde de spraak zijns naasten niet.quot; Een ontzaglijk woord, en van hoogst ernstige beleekenis! Want
240
zulk eene spraakverwarring staat noodzakelijkerwijze met een groote begripsverwarring in verband en kan daaruit slechts zijn voortgevloeid. De oorspronkelijke, door God den menschen gegeven taal, waarin Adam aan alle dieren een naam gaf, was een groote spiegel, waar de geheele natuur, deze zichtbare openbaring van den onzichtbaren God, zich getrouwelijk in afspiegelde en voor den mensch zichtbaar en aanschouwelijk werd. Nu brak God den spiegel aan stukken, en thans bezit elk volk er slechts eene scherf van, het eene volk een groote, het andere een kleine, al naarmate het geestesstandpunt des volks hooger of lager is, en ziet het iets van \'t geheel, maar nooit of nimmer het geheel zelf. Daarom wijken de opvattingen der natiën op het gebied van wereldgeschiedenis, godsdienst en wijsbegeerte, kunst en wetenschap zoo van elkander af. 2\'oo is de spraakverwarring de historische wortel der volksoorlogen. Stellen wij ons eens tien broeders en zusters in éen en hetzelfde huis voor, die geen van allen elkanders taal verstaan, — hoe zou het daar gesteld zijn met den huiselijken vrede? — Daarom moesten dan ook de apostelen van den algemeenen wereldvrede in de allereerste plaats eene wereldtaal uitvinden, en haar aan alle volken, desnoods gewapenderhand, opdringen. Maar hoe jammerlijk en hoe spoedig hebben volapuk en pan- en pura-lingua schipbreuk geleden, die onverstandige pogingen om een levend organisme te fabriceeren! Maar ook binnen de grenslijnen van éen en hetzelfde volk verstaat de Duitscher den Duit-scher en de Franschman den Franschman niet; de boer verstaat de taal der geleerden en de kunstenaar die van den daglooner niet. De menschen verstaan elkaêr niet, komen bijeen en twisten urenlang bij bier en andere dingen over politiek, kunst en industrie, wetenschap en godsdienst, worden het nooit eens, en zijn niet instaat om elkaêr te overtuigen. En zoo gaat het ook in het huisgezin: hoe menigeen loopt mokkend, in zichzelf gekeerd,
241
vreesachtig en ongelukkig rond, en denkt dat hij toch een hart vol liefde en welwillendheid voor zijne medemenschen heeft, maar dezen begrijpen hem niet, willen hem niet begrijpen; de vader begrijpt den zoon niet, noch de man zijne vrouw of de vrouw haar man, noch de eene vriend den anderen, en zoo blijft er louter verkeerd begrip en misverstand onder de menschen beerschen. Dat komt doordat God eenmaal bij den torenbouw te Babel gesproken heeft: „Laat ons hunne spraak verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet h o o r e!quot;
En wij hebben ook zelfs aan onze eigen taal niet genoeg. Zij is een gebrekkig werktuig geworden, dat noch de uiterst fijne, noch de heftigste aandoeningen onzer ziel vermag uit te drukken. Wie alles wat hij denkt, ziet, gevoelt en doorleeft, onder woorden kan brengen, moet al een zeer onbeduidend, oppervlakkig mensch zijn. Het kopergeld onzer ziel mogen wij in het dage-lijksch verkeer op de markt des levens uitgeven, de kleine pasmunt en het groote zilvergeld in onze gezelschappen en ver-eenigingen, menig munt- en bankbiljet in den vertrouwelijken omgang met vrouw en vriend, — maar het echte, roode, ongestempelde goud, dat in de harde steengroeven des harten schuilt, kunnen wij hierbeneden smelten noch munten: daartoe is sedert den zondeval de spraak te zwak, en alleen de hemelingen
zullen dit kunnen volbrengen.
* *
*
Vanwaar komt deze mensch, en waarheen gaat hij ? Als een stormwind bruiste in den jongsten tijd het Darwinisme over de aarde, en zijne aanhangers leerden met de grootste geestdrift en opgewondenheid, dat wij allen van eene oercel afstammen. Reeds sterft de nagalm van dat rumoer weg, en zooals wij in
16
242
een vorig werk („NatursUidium und Christentumquot;) hebben aangetoond, wordt nu ook reeds betoogd en bewezen door geleerden, die volstrekt niet in den Bijbel gelooven, dat de zoogenaamde afstamming des menschen van apen en andere dieren niet met de feiten in overeenstemming is, dat het Darwinisme niet voelde rechtbank der geologie bestaan kan en een wetenschappelijk „overwonnen standpuntquot; is. — Het is merkwaardig, hoeveel kleingeestiger en gebrekkiger al de denkbeelden en begrippen des menschen worden, hoe al zijne ideeën en idealen verwelken en verdorren, wanneer hij van God, den Gever van al bet goede, afvallig wordt en niet meer uit deze bronader en oorsprong aller dingen put. Voor den ongeloovige schrompelt alles ineen, en verstijft of vervloeit het; het prachtigste marmeren standbeeld wordt voor hem tot een holle, gepolijste gipscopie, de welrie-kendste bloem tot een papieren, en zelfs het zwaard staat voor hem gelijk met een stuk hout; het leven ontwijkt, de geur vervliegt, de vlam dooft uit, de harmonieën der sferen zwijgen — voor hèm ! — en de arme denkt, omdat hij ze niet ziet en niet hoort, dat zij er niet zijn, dat zij er nooit geweest zijn; en deze kleurenblinde bespot en smaadt den lichtgeloovige, die hem van kleurenpracht en kleurengloed verhaalt!
Zoo weet hij van zijn grooten goddelijken oorsprong en zijn groote goddelijke herkomst niets meer af; zoo vermoedt hij slechts, want volkomen zekerheid verschaft al zijne wetenschap hem daaromtrent niet, dat hij een ontaarde, beschaafde aap is, die tengevolge van ongunstige omstandigheden en eindelooze teeltkeus zijn oorspronkelijke kracht en vlugheid ingeboet en zijn staart verloren heeft, en nu zulke zwakke en ongerijmde dingen omtrent zicbzelven en de wereld opdischt, als dagelijks te zien is. Aangaande het heden predikt hij onder veel twist en strijd, dat het lief en leed en het bestaan en het geluk der menschen van graan- en ijzerrechten en handelstractaten, van
243
lucifers- of tabaks- of alcohol-monopolie en nog meer industrie en nog meer handel afhangt, en hunne kracht en hun leven van de toepassing van het heilserum of van de waterkuur. Omtrent de toekomst weet hij alleen te melden, dat de electri-sche sporen eenmaal volgens een ongelooflijk goedkoop zonetarief de menschen van het eene eleclrisch verlichte en met liften voorziene Grand-Hotel naar het andere zullen vervoeren, en dat aan de reusachtig groole tables-d\'hóte misschien „brood, van heidezand vervaardigd, of een malsche biefstuk, uit turf gedistilleerdquot;(!) zullen opgedischt worden! — Ja, en wat wilt gij eigenlijk na dat diner aanvangen, gij arme menschen met uw ledig hart en uw moede hoofd? — Evenals tegenwoordig, om den last van uw bestaan te vergeten, urenlang met stukjes papier whist of ombre spelen? Of uw naaste belasteren, en allerlei flauwe, zure en bittere praatjes verder helpen rondstrooien? Of wilt gii over fondsen en staatsleeningen, over geldmarkten en beursspeculatiën, met een gewichtig gezicht en een eindeloozen woordenvloed doorpraten? — Wat baat u ten slotte al uwe wetenschap? Want immers, zelfs een geleerde als Renan legt de zwaarmoedige en droefgeestige bekentenis af: „De rest onzer deugd zijn wij verschuldigd aan formaliteiten, die wij afgewezen en verworpen hebben. Wij leven van eene schaduw, van den welriekenden geur die er opstijgt uit een ledig geworden vat. Na ons zal men van de schaduw eener schaduw leven.quot; Wat heeft uw wanhopige en vertwijfelende ziel, die wegkwijnt van ledigheid en verveling, aan den nog zoo volledigen, photogra-phisch ontworpen catalogus der dubbelsterren, of aan de tabellen over den hygrometrischen toestand der hoogere luchtlagen en over de windrichtingen? Zijt gij met dit uw weten gelukkiger dan de sterke Noach-stam, zooals hij indertijd de aarde bebouwde, wijn plantte en dronk, het vleesch zijner ossen at, zich met de wol zijner schapen en kameelen kleedde , en met
244
zijn vele sterke, gezonde kinderen onder zijn vijgeboom en zijn wijngaard zat? — En wat al armzalige beelden der toekomst goochelt gij ons voor? — Nog méér fabrieken, en nog méér machines? Nog méér spoorwegen en stoombooten en telephoons? Nog meer vuile romans en zedelooze tooneelstukken; nog méér geleerden, couranten, politieke tinnegieters, apostelen van den vooruitgang en geëmancipeerde vrouwen; nog méér theorieën en systemen, redevoeringen en phrasen ? — Ach, wij zijn er zoo moede en verzadigd van! Waar vinden wij rust voor onze zielen? — En nóg meer geblaseerdheid, ontevredenheid, zenuwachtigheid en krankzinnigheid,.... totdat de groote astronomische wereldverstijving aanvangt en aan allen vooruitgang en alle verlichting een langzaam, maar onvermijdelijk einde bereidt, — en alles voor eeuwig uit is! — en alles totaal tevergeefs is geweest!
Dat weet onze Bijbel beter! Toen God eene lichtwereld, de hemelen, geschapen had, vielen Lucifer en zijne heirscharen van Hem af; misschien, zooals de Engelsche dichter zingt, omdat zij den Zoon niet wilden aanbidden, voor wien eenmaal alle knie op de aarde en onder de aarde zich tóch moet buigen. Toen verschoonde God de engelen niet, „die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, en heeft Hij hen tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaardquot; (Judas : 6). En op hunne woonstede, die van dat oogenblik af „woest en ledigquot; was, „een chaos, dien ons de morgen na het slagveld te zien geeftquot;, zooals St. Martin zegt, schiep God iets nieuws; Hij plantte er een paradijstuin in, waaruit een nieuw wezen, „naar zijn beeld geschapen,quot; langzamerhand de gansche aarde als onderkoning Gods zou heroveren en innemen. — Maar hij viel, als een offer
245
van Satans grimmige woede en wangunst, en toen de cherub Adam en Eva uit het paradijs verdreef, verspreidde er zich weldra over de wijde wereld een hoogmoedig geslacht van giganten, die zich snel ontwikkelden en vermeerderden, en in de volheid hunner kracht acht a negenhonderd jaren lang het goede dezes levens genoten.
Hebben wij ook maar éen bewijs tegen de waarheid dezer opgaven? — Neen! — Weten wij eigenlijk wel, wat de normale levenstijd des menschen is? — Evenmin!—Kan de wetenschap ons daaromtrent iets zeggen? — Volstrekt niet! Maar wèl hebben wij daarentegen talrijke bewijzen in de overleveringen der meest verschillende volken; zoo bijv. wanneer de Perzen verhalen, dat Dschem-Schyd, de stichter van hun rijk (waarschijnlijk de Sem uit de Heilige Schrift), driehonderd jaar heeft geregeerd. Natuurlijk heeft de critiek deze feiten reeds met zoogenaamde „maanjarenquot; (dus jaren van ongeveer eene maand), waarmede die menschen toen gerekend zouden hebben, willen wegredeneeren en wegverklaren. Maar zij zag daarbij over \'t hoofd, tot welke onzinnige ongerijmdheden deze veronderstelling leidt. Want dan zouden volgens Genesis V Kenan reeds op zevenjarigen leeftijd en Mahalalel op zes-en-half-jarigen leeftijd zonen verwekt hebben; ja, de afstammelingen Noachs Arfachsad, Selah, Heber en Peleg, die vier- a vijfhonderd jaren leefden, zouden reeds toen zij dertig of vijfendertig maanden oud waren, dus op hun tweede of derde jaar, kinderen gehad hebben! (Genesis XI : 12—20). Daarbij komt de regelmatige afneming van den levenstijd, van Noach met negenhonderdvijftig jaren tot Rehu met tweehonderdnegenendertig jaren; en Jakob klaagt aan Pharao : „De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner
246
vreemdelingschappen.quot; Of zou hij nog met maanjaren gerekend hebben? Dan zou hy dus, toen hij dit zeide, een twaalfjarig knaapje zijn geweest! — Men blijve toch van den Bijbel af, wanneer men er niet aan gelooven kan of wil; maar men spare ons zulke kinderachtige pogingen tot „verklaringquot;!
Dus van Adam tot den zondvloed slechts negen geslachten, maar met vele millioenen afstammelingen. De bovenstaande cijfers en hunne geslachtsregisters doen zien, dat zij zich bijna even snel ontwikkelden als wij, daarentegen vele eeuwen in hunne kracht volhardden, en allen, door ziekte noch onheil weggenomen, nagenoeg de hun gestelde levensgrens, duizend jaren, bereikten. — Wanneer wij ons voorstellen wat eene eeuw in de wereldgeschiedenis beteekent, hoeveel zij brengt en oplevert en verandert, dan staan wij verbaasd over het voor onzen geest oprijzende beeld van een bijna duizendjarigen mensch, en kunnen wij er ons geen rechte voorstelling van vormen. Wat had zulk een man al niet ervaren, doorleefd, in gevaren en gevechten, aan lief en leed, aan daden en bezittingen! Welk een wijden en diepen blik had hij in de natuur, het leven en de menschheid geworpen! Hoe duidelijk, vast, rustig en zeker was voortaan zijn denken, hoe reusachtig groot zijne wereldbeschouwing! Hij was een geduchte, pittige, zelfgenoegzame, eerbiedwekkende, kolossale individualiteit met scherpe, eigenaardige, krachtig sprekende gelaatstrekken, zooals bijv. de Mozes van Michel Angelo. AI zijn weten eigen bezit, alles zelf doorleefd; zijne taal een groote, helder stralende kristallisatie eener wereld van gedachten er gewaarwordingen! Op zijn gemak keek zulk een vóór den zondvloed levende reus en held deze aarde eerst eens aan, liep er met groote stappen een paar eeuwen lang op heen en weer, koos dan volkomen vrij en naar eigen goeddunken eene woonstede en bezitting uit, kon een halve eeuw achtereen aan zijn sterken en hechten burcht bouwen, en bleef daar dan nog ette-
247
lijke eeuwen gevestigd, als een banaanboom sterke wortelen schielend en tallooze spruiten rondom zich verspreidend, duizenden en tienduizenden, wier vader en patriarch en heer en koning hij was, eene natie, uit zijne lenden voortgekomen, familie en staat tegelijk! Zoo hebben Silberschlag en anderen, op grond van den ouderdom der vóór den zondvloed levende patriarchen, en daarbij van een matige toeneming uitgaande — telkens na een en veertig jaren het dubbele aantal — het bestaan van verscheidene duizendmillioenen menschen voor den zondvloed berekend.
Ook onder deze menschen ontstonden zeden en gewoonten, waaruit zich langzamerhand wetten vormden, en evenzoo veeten en oorlogen ontwikkelden, met een aan hunne kracht geëven-redigde volharding en onverbiddelijkheid gevoerd. „Deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van naam!quot; Geweldenarij en verderf was het bedrijf der meesten, en onver-dragelijke tirannie, waarvoor zekerlijk de zwakkere en ontaarde stammen de vlucht namen naar de afgelegenste, minder vruchtbare en ruwere landen ; misschien waren dal wel voor een deel de holbewoners, wier overblijfselen tot op den huidigen dag nog steeds gevonden worden. Want voorzeker was niet heel de voor den zondvloed levende menschheid hoog begaafd, en waren niet allen uit hel oogpunt van geest en werkkracht mei elkaêr gelijk te stellen, maar bestonden er ook toen reeds wilde en bijna dierlijke volken. — En ook destijds reeds, zegt de Christus, aten en dronken de menschen, kochten en verkochten zij, huwden zij en werden zij ten huwelijk gegeven. Dal zijn de hoofdvoorwaarden van het menschelijk bestaan: daar kan geen beschaving en geen vooruitgang iets aan veranderen.
Eu toch was dal leven voor den zondvloed van een anderen aard en een ander karakter dan het onze. Niel alleen gaf hel bewustzijn, de aarde gezond en sterk en machtig en lang te
248
beheerschen, hun eene zekerheid en zelfstandigheid, een innig besef van zedelijke macht en grootheid, en ook een trots en eene doodsverachting, waarvan wij geen begrip hebben, — maar God liet hun ook uitwendig volkomen vrijheid, en gaf hun slechts deze éene wet: „We est vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar!quot; Dien hoogmoed en die door God nog erkende zelfstandigheid krijgen wij in de levensgeschiedenis van Kain te zien. Met al den trots van een „stalen voorhoofdquot; gaf de moordenaar ten antwoord: „Ik weet het niet! Ben ik mijns broeders hoeder ?quot; En hij brengt den Heere God als \'t ware onder \'t oog, hoe zwaar Hij hem straft; en God gaat daar op in en beschermt hem tegen het lynchrecht zijner medemenschen. Welk een teugellooze overmoed klinkt ons uit den krijgszang van Lamech toe: „Gij vrouwen van Lamech! hoort naar mijne woorden. Wil God Kain zevenmaal wreken, dan zal ik mij zeventigmaal zevenmaal wreken ! Voor een mij toegebrachte wonde zal een man sterven, voor een buil een jongeling !quot; — Even groot waren zij, volgens de wet der tegenstellingen, in het goede. Midden onder dit ruwe en onbehouwen menschengeslacht wandelt een Henoch driehonderd-vijfenzestig jaren niet alleen voor, maar met God, overziet hij in profetische visioenen de wereldgeschiedenis en haar afloop, en waarschuwt hij onversaagd de wilde horde: „Ziet! de Heere komt met zijn heilige duizenden, om u, godde-loozen, te oordeelen vanwege al uwe goddeloosheid en vanwege al uwe booze woorden, die gij, goddelooze zondaars, tegen Hem gesproken hebt!quot; — En hoe groot was zijn einde! — „Hij was niet meer, want God nam hem weg.quot; — Want nog bleef God in persoonlijk verkeer met deze zijne menschen en nog had Hij zijn aangezicht niet van hen afgewend. Nog was de Terra niet van de natuurlijke verbinding met hare zuster-aarden, in de eerste plaats Mercurius, Venus en Mars, uitgesloten, en diezelfde
249
kinderen Gods, van welken Hij zelf zegt, dat zij bij de grondlegging der wereld juichten (Job XXXVIII: 7), daalden nog altijd neder en bezochten de menschen (Genesis VI: 2), en wie weet, wat al invloeden en stroomingen er heen en weer vloeiden, want alle planeten zijn broeders en zusters, en kinderen van denzelfden Vader. Deze menschheid ging nog niet gebukt onder zesduizend-jarige schuld, en onder een op Gods Zoon gepleegden moord. Wel leidden zij in het gevoel hunner kracht een vrij, overmoedig, goddeloos leven ; maar die verzuurde en verbitterde en lafhartige haat tegen God, zooals wij dien in onze dagen aantreffen, was hun vreemd. Daarom doodde God hen wel, om hen tweeduizend jaren in ketenen der duisternis te laten versmachten, maar door water, niet door vuur; en zorgde Hij er voor dat Christus, na zijn groote zegepraal over dood en hel, hun de blijde boodschap der zaligheid bracht, eene prediking die zeker niet zonder gevolg is gebleven.
En hun aandenken leeft nog voort! — Overal, in het noorden en in het zuiden, waar wij de volkeren naar hunne voorouders vragen, waar wij naar eerwaardige sagen luisteren, in de Edda en bij de Hindoe\'s en Perzen en Grieken en Romeinen, overal staan aan de door den cherub met het vlammende zwaard bewaakte ingangspoort der wereldgeschiedenis reusachtige schim-min der dooden, groote, ver boven ons uitstekende gestalten van het trotsche geslacht der giganten, steeds de vijanden der goden, hen overmoedig trotseerend; van reuzen, een eeuwigen krijg met de Asen van het Walhalla voerend, van titanen, die den hemel wilden bestormen, maar door een vreeselijk Godsgericht vernietigd werden. Alle volkeren verhalen ons nog van deze „helden, die van oudsher mannen van roem zijn geweestquot; (Genesis VI: 4, grondtekst), van deze, zooals wij hierboven zagen, „halve godenquot; van alle mythologieën. Daarvan zingen alle oude dichters, en Homerus noemt naast de Cyclopen de Giganten
250
„een hoogmoedig volk van reusachligen bouwquot; (Odyss. VII, 59, 240).
Hun kolossale lichamen, hun sterke spieren, zijn reeds lang tot stof geworden. Maar zij leven nog. Terwijl gij dit leest, bestaan, denken, spreken daarboven met elkander nog de hooghartige Lamech en Ada en Zilla, Kenan en de oude Methusalem; herinneren zij zich zeer goed de voorgevallen feiten en den ondergang; overzien zij, zooals nooit of nimmer op aarde, hun gansche leven; en hebben zij zich sedert dien tijd met God verzoend en voor den Zoon de knieën gebogen, of zijn in hun norsche weerbarstigheid hoe langer hoe verder in de buitenste duisternis voortgedoold. En eens zullen wij, gij en ik. hen aanschouwen, en de indertijd driehonderd-vijfenzestigjarige, thans veelduizendjarige zanger en ziener Henoch zal voor ons in het ware Walhalla op een gouden harp, schooner dan ooit een Homerus het deed, van de groote wereld vóór den zondvloed zingen, van een groote measchheid, hoe hij haar waarschuwde en hoe zij viel en stierf, en hoe hij door God zonder dood werd weggenomen. En vol zalig genot zullen wij luisteren naar zijn lied.
Zoo uw leven, zoo uw sterven! Ook op de volkeren is dat woord toepasselijk! Groot en geweldig was het leven vóór den zondvloed; en groot en geweldig was het oordeel, dat er ean einde aan maakte. Groot, eenvoudig, vol zelfzucht en zelfbewustzijn leefden de reuzen van voor den zondvloed; verheven eenvoudig was ook, wat God van hen verlangde: „Vreest Goden geeft Hem de eere, en bidt Hem aan, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen!quot; Bovendien verkondigde Henoch, de profeet, het eindoordeel. En Noach
251
bouwde onverdroten, zonder zich le bekommeren om den spot der toeschouwers, met honderden van misschien tegenstrevende ondergeschikten, aan de reusachtige ark, grooter dan al onze pantserschepen! Maar de veelhonderdjarige reuzen sloegen geen acht op woord en daad, schreeuwden met luider stem, en raasden en tierden tegen elkander. Toen sprak God: „Het einde van alle vleesch is voor mijn aangezicht gekomen; de menschen willen zich door mijnen Geest niet meer laten gezeggen!quot;
Dag aan dag, uur aan uur, minuut na minuut verliep het tijdperk van honderdtwintig jaren. En nog altijd lachten de menschen, aten en dronken zij, bespraken zij vol zekerheid en goeden moed wat zij in de eerstvolgende eeuwen zoo al zouden doen en ondernemen; de jongeling vroeg de jonge dochter ten huwelijk, de man bouwde een sterk huis voor zich, de moeder drukte liefkoozend haar kind aan het hart, en zij allen wisten het niet, dat het einde van alle vleesch voor God gekomen was. Maar plotseling, op den zeventienden dag der tweede maand, in het zeshonderdste levensjaar van Noach, pakten er zich voor de eerste maal wolken saam aan den altijd blauwen hemel; van den kant der zeeën weerklonk in de verte een geweldig gebruis, en voor de eerste maal — want het had nog niet geregend op de aarde (Genesis II : 5 en 6) — vielen er van den hemel groote waterdroppels, als tranen der engelen over een ten ondergang gedoemde wereld. Hoe zullen toen, verbaasd en weerbarstig, de helden en de reuzen hebben opgezien, en in \'t eerst gedacht hebben, dat zij zich ook voor een weinigje hemelwater niet bevreesd behoefden te maken! Maar langs de zeekusten sloeg de branding der geweldige golven reeds met woeste onstuimigheid omhoog, en zij stegen al hooger en hooger, zij rolden hoe langer hoe verder landwaarts in, en stuwden weldra duizenden menschen- en dierenlijken en vele stukken en brokken van inge-
252
storte huizen en steden voort. En nu steeg het op ten hemel, het geschrei der vluchtende millioenen, want de wateren rezen geweldig en snel; en toen buiten adem geloopen vluchtelingen de tijding brachten, dat alle fonteinen des grooten afgronds waren opengebroken en de zeeën hen op de hielen zaten, en toen er van alle rotsen en bergen troebel schuimende, al meer en meer zwellende stroomen neerkwamen, toen grepen misschien de veelhonderdjarige reuzen met hun sterke armen vrouw en kind, beklommen de bergen, velden met de vuist de leeuwen en de beren neer, die hen in den weg stonden, meenden dat zij gered waren, en lachten weder met hun ouden trots en vermetelheid. En menige bijna duizendjarige grijsaard zal wellicht, als Methusalem, wiens sterfjaar met dat van den zondvloed saamvalt, levensmoede de vlucht versmaad hebben; liet zich willoos en weerloos door de wateren omspoelen, en stierf zonder klacht.
En schrikkelijk, in dusver nog niet gekende duisternis gehuld, waren de nachten voor de nog levende bewoners der hooger gelegen landen en hoogvlakten; onophoudelijk en onverbiddelijk bleef de ongewone, koude regen van boven neerstroomen; hoe langer hoe nader en duidelijker hoorde men het bruisen der aanstormende wateren, en verbeidde men met een van doodsangst kloppend hart de komst van het daglicht. Maar zoo dikwijls een grauwe schemering de met datnp vervulde lucht weder doordrong, was het water weder meer en het land minder geworden; geheele landstreken waren verdwenen, en uitgeput, kreunend en kermend, kwamen er van beneden duizenden vluchtende menschen en dieren. — En nog altijd geen genade, geen ontferming! Aan den loodgrijzen hemel geen enkel licht plekje! Al hooger en hooger stegen de wateren, nog altijd bleef de regen van den hemel neerstroomen, en met sidderen en beven besefte de menschheid, dat de dag des doods voor haar
253
gekomen was. Hartbrekend weerklonk boven den storm uit liet gejammer der stervende vaders, der verdrinkende moeders en der zieltogende kinderen; vurige smeekingen en woeste vervloekingen stegen elkaêr kruisend omhoog; maar van den grauwen hemel volgde op vloek en gebed geen slem of antwoord; want na een vijftienhonderdjarig geduld had God eindelijk zijn aangezicht afgewend, en de aarde aan de engelen des oordeels overgelaten. En nu spotlachten ook de reuzen en geweldigen niet meer; bleek en sprakeloos, half verstijfd van honger en koude, staarden zij elkander aan; wanhopig streden zij in den storm en den nacht om een reddenden boomstam of om een plaatsje op de nog niet overstroomde rots; meedoo-genloos stiet de sterke den zwakke neder in de loeiende golven, en voor de eerste maal verscheurden zij in razenden honger de dieren en dronken zij hun bloed. Maar onophoudelijk, onverbiddelijk stegen de wateren; weldra zonken ook de laatsten der sterken met een laatsten gil van wanhoop en vertwijfeling in de diepte. En nu werd het stiller op aarde; de millioenen waren gestorven, en tegelijk met hen waren verdwenen de sterke leeuw en de reusachtige olifant, het edele paard en liet snelle hert. Boven de thans rustiger geworden wateren staken nog slechts bergen als hoe langer hoe kleiner wordende eilanden uit; om de kale, doodsche toppen fladderden nog in een woeste, schichtige vlucht groote zwermen arenden en andere sterke vogels rond; en op de langzaam voortdrijvende stukken hout zaten gieren zich onder een schor en gulzig gekras te verzadigen aan hun aas. Maar nog altijd viel de regen; en nu duurde het niet lang meer, of ook de laatste bergtoppen verdwenen : loom en moede fladderden er nog eenige vogels rond, vielen daarna krachteloos in \'t water neer, klapten nog een paar maal werktuigelijk met hunne vleugels, en stierven.
Toen werd hel volkomen stil op de aarde, doodstil, als in
254
eene lijkenkamer. De storm was bedaard; onder den grauwen hernel strekte zich, onafzienbaar, oeverloos, een wijde, grauwe watervlakte uit, spiegelglad, want ook de winden rustten (Gen. VIII :1); en daarop dreef de ark a!s een groote zwarte lijkkist rond. — Eene wereld was in hare zonden gestorven! — De eerste periode der wereldgeschiedenis met haar groote patriarchale rijken, kolossale bevolkingen, eigenaardige beschavingen en wereldbeheerschende geslachten was voorbij. God had ze uit het boek der levenden geschrapt.
Maar tegen zulke Godsgerichten komt al de trots van den goddeloozen zondaar in opstand! — Dat een natuurverschijnsel, de staart van een komeet bijvoorbeeld, het gedaan zou hebben, dat ging nog aan ; maar dat een rechtvaardig God in zijn rechtvaardigen toorn op die wijze, al is het dan ook slechts tijdelijk, zijne schepselen vernietigt, daar wil hij niet van hooren ! — Zoo\'n arme zondaar en hoogmoedige dwaas meent, dat een h e ;ii toegediende oorvijg, ja een over hem gemaakte minachtende opmerking, bloedige voldoening eischt; alleen door het offer van een menschenleven zou zulk eene beleediging uitgewischt kunnen worden ! Dat is hij aan z ij n e eer verschuldigd ! — Maar om de millioenvoudig gehoonde, beleedigde, beschimpte, bezoedelde, driestweg vertrapte eer van den eeuwigen God bekommert hij zich niet; ja, hij weet zelfs in \'t geheel niet dat die God óok eene eer heeft! — Vijftien eeuwen achtereen zag deze lankmoedige God het aan, hoe deze zijne menschen, die Hij geschapen had, die op zijne aarde, in en van zijn zonneschijn, van de vruchten, van het koren en de olie en den wijn, die H ij voor hen liet groeien, in de kracht en de gezondheid en met de zintuigen leefden, die zij van Hem hadden, zijne gaven misbruikten, zijne rechten schonden, zijn woord bespotten, en Hemzelf hoonden en belachten. — Toen hoopte er zich een monsterachtig groote schuld op! — Dag en nacht groeide die schuld aan, evenals
255
de druppels van den onophoudelijk, regelmatig neervallenden regen, totdat de dalkom vol was, en de wateren de dijken en dammen deden springen, en over alles het verderf brachten. — Niet zoovele regendroppelen vielen er in den vloed, als deze duizendmillioen raenschen in vijftien eeuwen God dikwijls be-leedigd hadden! Wat kon Hij het helpen, dat zij toch voldoende waren om vijftien ellen hoog alle bergen te bedekken en de zondaars in de wateren der schuld te verdrinken ! —Want niet God, maar onze werken straffen ons. — Kon de Satan tranen van berouw weenen, dan zou God hem evenals den verloren zoon aan zijn hart drukken. Maar de bron der tranen is in zijn binnenste door zijn alles verschroeienden en verterenden hoogmoed opgedroogd; en komt hij met de kinderen Gods om zich voor den Heere te stellen, dan ontbrandt zijne woede al dadelijk bij het hooren van den naam des rechtvaardigen, en roept hij God met gebalde vuist knarsetandend toe; „Laat mij hem maar eens aanraken! Wat gebeurt er dan? Hij zal U nog in uw aangezicht vloeken!quot;\' Dan vlamt in hem de zelf ontstoken, zielen-verzengende hellegloed en hellepi jn op!
Maar nu zegt de rechtvaardige God: „De zonde der Kanaa-nieten is nog niet vol; nog vierhonderd jaren zullen zij haar blijven ophoopen en opstapelen, en daarna barst het oordeel los !quot; Een groot geheim, die wet van het ophoopen van schuld en zegen. Dat het er echter in waarheid zoo mede gesteld is, wordt bewezen door de geschiedenis der wereld, der volken en der individuën. En aan de verhouding waarin het individu tot schuld en straf staat, wordt het beginsel gezien, waarin hij leeft, en of hij voor God of tegen God ijvert.
Welk eene overeenstemming bestaat er ook hier tusschen den Bijbel — deze, zelfs afgezien van zijn goddelijke inspiratie, eerwaardigste en beproefdste oorkonde der menschheid — en de overleveringen van honderden volksstammen, van de noord-
256
tot de zuidpool, van oost tot west, uit de oude wereld en uit de nieuwe wereld! Geen enkel feit uit de wereldgeschiedenis is ons met zooveel beslistheid en algemeenheid overgeleverd, als de sint- of zondvloed en zijne bijzonderheden : in een groot schip werden acht personen, een man en zijn drie zoons, bij den ondergang eener zondige wereld gered, en ook de zeven soorten van dieren, benevens de geschiedenis van de raaf en de duif, ontbreken gewoonlijk niet. Noach is de met zijn huisgezin uit de wateren geredde Fohi der Ghineezen, de Man of Me-Nu en Satyavrata der Indiërs, de invoerder van het offer, de overgeblevene van den grooten vloed, van wien verhaald wordt: zijn drie zoons heetten Schem of Scherma, Gharma en Yapeti; hij dronk wijn en vervloekte Gharma; hij is de omstreeks den door den Bijbel aangegeven tijd levende Xisutros der Ghaldeeën, de tiende stamvader na Aluros (Noach, de tiende na Adam), de Indische Dew-Kali en de Deukalion der Grieken, de volgens de sage Arabië en Indië doorreizende, overal ploeg en wet verspreidende Osiris der Egyptenaren, de Dwiwan der Kelten, die met zijne vrouw Dwiwach in een schip zonder zeilen met een paar van alle dieren zich redde (M. de Serres, „Gosmogoni equot;), de Mexicaansche Kox-Kox, die met zijne vrouw Koxaguatl zich in eene boot op den berg Kolhuakan redde, en wier kinderen elk een verschillende taal van eene duif leerden! (Glavigero, „H i s t. del Mexico,quot; II, 6); hij is de Bergelmir der Skandinaviërs, de Mitschapu en Wessu van Noord-Amerika, — enz. Overal heeft hij den menschen den land- en wijnbouw geleerd. Overal verhalen de volken evenals de Bijbel: Uit de drie zonen van dien man is heel het menschelijk geslacht op aarde ontsproten. Uit dezen verdeelden zich de volkeren op aarde na den vloed (Genesis IX; 18 en 19, en X:32). De Irokezen en de Indianen van Florida, Guba en Mexico verhalen van den grooten vloed. — „Waarom twist gij met mij?quot; vroeg een Indiaan van den
257
slam der Alschagua\'s op Cuba aan een van de eersten der gelande Spanjaarden, aan Cabrera; „waarom twist gij met mij? Zijn wij niet broeders, en stamt gij niet, evenals ik, van dien man af, die het groote schip bouwde en ons geslacht redde?quot; En hij verhaalde van de groote boot, en hoe de grijsaard later den eenen, tegen hem in opstand gekomen, zoon vervloekte en de anderen zegende. Zij zeiven, verhaalden de wilden verder, stamden van den eerstgenoemde af en moesten daarom naakt loopen, terwijl de Spanjaarden zeker van den stam der gezegen-den waren. — Den regenboog vereerden de Peruanen als een herinneringsteeken aan het ophouden van den wereldvloed. „Uit het hol Pakaritaniboquot;, verhaalden zij, „zijn na den vloed zeven I n k a\'s tevoorschijn gekomen, en die hebben alleen hel menschengeslacht vernieuwdquot;. — En op de Sandwich-eilanden werd de visscher, die den wereldvloed veroorzaakte (hoe komen de bewoners van een eiland in den Groolen Oceaan aan deze schijnbaar onmogelijke voorstelling?), met zijne vrouw door den geest der wateren op den Mauna Loa overgebracht, waar hij hel vallen van het water afwachtte. Enzoovoort! — Altijd wordt de hoogste berg er bij tepas gebracht. En zelfs de datum is door de overeenstemming der volkeren bekrachtigd. Evenals de Ghineezen Fohi of Noach 23G0 jaren vóór Christus doen optreden, laten de Hindoe\'s hun Kali-juga, of tegenwoordige tijdrekening van den zondvloed af, 2380 jaren vóór Christus ontstaan; en de Chaldeeër Berosus berekent het tijdsverloop, tot zonnejaren teruggebracht, nauwkeurig gelijk met den Bijbelschen tijd: 2328 vóór Christus. Zoo zeiden ook de Egyptenaars, dat het rijk der menschen ongeveer 2400 jaren voor Christus was aangevangen; vóór dien tijd hadden de goden geheerscht. Over \'t algemeen klimt de geschiedenis van geen enkel volk tot hooger dan 2100 jaren vóór Christus op, dus tot globaal 2000 jaren 1 Over die grenslijn nemen de sagen der halfgoden een aanvang,
258
^egt Prof. S. Mutzl, („Die Urgeschicht e,quot; Landshut, 1843). Eindelijk herkent deze uitstekende kenner der oude geschiedenis typen van den zondvloed in de Chaldeeuwsche sterrebeelden van den Waterstroom (Eridanus) en de Ark (Argo), van den Centaur of Wolkenman, van den Beker, zinspelend op den wijnbouw en de dronkenschap van Noach, en van de raaf en de duif in de Plejaden der ouden.
Ook deze Noach en zijne nakomelingen zullen nog wel altijd ontzaglijke wezens, helden en reuzen geweest zijn. Misschien bouwden zij de over de gansche aarde verspreide, o. a. in Afrika en Klein-Azië, aan de Middellandsche zee en in Bretagne nog aanwezige, volkomen gelijkvormige, reusachtige gedenkteekenen van onbekenden oorsprong, bijvoorbeeld de Menhir en Dolmen (in \'t Keltisch eilandsteenen en hoogsteenen), evenals de twaalfhonderd obelisken van Karnac, hooge rotsblokken van een kolossaal gewicht, diep in den bodem gezonken, welker vervoer en plaatsing door middel van louter handkracht als bovenmensche-lijke arbeid overal door de volkeren aan de reuzen van den voortijd wordt toegeschreven. Zoo verhaalt Pierre Loti in zijn werk „La G a 1 i 1 é equot; omtrent de fundamenten van Balbeck (Heliopolis of Palmyra in Hauran): „Ontzaglijke steenblokken van wel zestig voet lengte(!) bij twintig en meer voet hoogte liggen er daar, die, rechtop gezet, alleen een hoogen toren zouden vormen. Andere monolieten, van wel vijfenveertig en vijftig voet hoogte, dus gelijkstaande met een huis van drie of vier verdiepingen, hebben blijkbaar dienst gedaan als deurposten. En van de bouwers is taal noch teeken meer te zien, geen spoor meer! Geen enkele sage, geen enkel lied, geen enkele overlevering geeft ook maar een wenk, vanwaar zij kwamen, wie zij waren
259
of hoe zij heetten!quot; — „Wanneer men voor de ruïnes van deze ontzagwekkende bouwgewrochten staat,quot; dus gaat hij voort, „begrijpt men niet meer, hoe de tijd ze bouwen noch hoe de tijd ze omverwerpen kon. Als eeuwig onbewegelijke rotsen staan zij daar nu. Men gevoelt zich gedrukt en zwaarmoedig gestemd door het besef, dat de tegenwoordige menschen niet alleen niets dergelijks zouden kunnen voortbrengen, maar ook niet instaat zouden zijn dezen chaos van schrikwekkende puinhoopen weder op te richten. — Op die ruïnes hebben de Romeinen in ons oog nog altijd reusachtige, maar toch veel kleinere bouwwerken opgetrokken, o. a. den weergaloozen zonnetempel, met zijn tachtig voet hooge marmeren zuilen, tweemaal hooger dan de huizen onzer groote steden. Daarna kwamen de Saracenen en bouwden er nog kleinere, maar toch altijd nog grootere dan wij. De afneming der rnenschelijke kracht is reeds aan de daarbij gebruikte steenen te zien. In vergelijking met de bovengenoemde grondmuren zien al onze paleizen, kasteelen, kathedralen enz. er kinderachtig en vergankelijk uit, en alsof zij van kittelsteentjes en broodkruimeltjes zijn gemaakt!quot; — Of zijn dat nog de overblijfselen der gebouwen van vóór den zondvloed? En hebben de reusachtige golven, de vreeselijke wervelwinden en stroomingen van den wereldvloed, deze zoo kolossale gebouwen half weggespoeld ?
Zeer belangwekkend zijn de onderzoekingen van den boven aangehaalden hoogleeraar in de geschiedenis Prof. Seb. Mntzl omtrent Noach en diens afstammelingen. Hij houdt het er voor, dat deze Noach, die in den Bijbel zoo plotseling na den zondvloed van het tooneel verdwijnt, hoewel hij nog tweehonderdvijftig jaren leefde, gedurende die twee en een halve eeuw wellicht met een menigte zonen en kleinzonen allereerst naar Egypte is gegaan, als de Osiris, van wien de Romein Tibullus zingt: „Kunstrijk heeft Osiris den ploeg, den eersten, geschapen, — En met het
260
ijzer aan den grond losse kluiten ontwoeld; — Deze leert aan den paal de slanke wijnrank te binden. — Voor hem ook druppelden voor de eerste maal, onder den voet getreden, — Rijpe druiven des wijns hun hartverheugend sap.quot; („Gartn.quot;, I, I el eg. 8).
Verder vindt Prof. Mutzl de sporen van Noach in China, werwaarts hij op het laatst van zijn leven, zooals ook Whiston, Bedford, Gatterer e. a. vermoeden, door Midden-Azië heentrok, cn waar hij misschien ook is gestorven, toen Abraham reeds achtenvijftig jaar oud was. Hij zou dan de bovenvermelde Fo-hi geweest zijn, „de zoon des regenboogs,quot; van wien de Ghineezen verhalen: „Hij had geen vader (een schoon beeld zijner afkomst uit een ondergegane wereld), maar de regenboog had zijne moeder omvangen. Hij bebouwde het land, e n plantte w ij n g a a r d e n. Hij was gewoon den hoogsten geest offers te brengen van zeven soorten van dieren; vandaar zijn naam, want Fo-hi beteekent: de offeraarquot; (verg. Genesis Vlll : 20). Zijn rijk onderscheidde zich door de reinheid zijner moraal, en ook daardoor dat alleen in Ghina tot het jaar 67 na Christus geen afgoderij en geen afgodsbeeld te vinden was en uitsluitend de éene God vereerd werd. Hij zou ook het eerste astronomische observatorium hebben opgericht. Eindelijk stemt, zooals reeds gezegd is, de Chineesche opgave omtrent zijn levenstijd nauwkeurig met de Bijbelsche overeen. Verder verhalen de Ghineezen van den val der engelen, van het paradijs, de vier rivieren, de gouden eeuw, en den val des menschen door onmatige begeerte tot weten, waarop de dieren oorlog tegen hen begonnen te voeren, en binnen den tijd van drie of vier uren de hemel veranderde en de mensch niet meer dezelfde was; en eindelijk van een boom des levens en van den zondvloed. (Zie ook Von Stolberg, „Geschic h te der R el i gi o n e n.quot;) Hoe zijn zij dit alles te weten gekomen? — En evenzoo viert
261
Japan jaarlijks tegen het einde van Augustus een doodenfeest wegens de in den zondvloed omgekomen menschen (M. de Serres, „Costnogorüe.quot;)
Vraagt men, uit welke menschen het rijk van Noach bestond, dan luidt het antwoord eenvoudig: uit zijne nakomelingen. — Van de ontzaglijke vermeerdering der menschheid, zoodra de dood haar niet tegenhoudt en de helft niet reeds beneden den zevenjarigen leeftijd wegneemt, kunnen wij ons geen duidelijk begrip vormen. Had Noach vijftig jaar na den zondvloed slechts tien kinderen, en elk hunner verwekte binnen de eerste eeuw zijns levens er weder tien, en zij bleven allen in leven, dan is het gemakkelijk uit te rekenen, dat wij na verloop van driehonderdvijftig jaren reeds tot eenige tientallen millioenen komen. Een schoone vervulling van Gods bevel aan Noach: Vermeerdert u en „wemeltquot; (grondtekst) op de aarde en vervult haar.
Iets eigenaardig aantrekkelijks heeft voor ons de veronderstelling, dat China, dit reuzenrijk, in ouderdom het eerwaardigste, een vierde gedeelte der menschheid bevattend, door den patriarch Noach gesticht zou zijn. Wel is het nu bijna nog slechts een mummie, maar toen de namen van Germanen, Kelten en Arigel-saksers nog niet bestonden, een duizendtal jaren voordat Romulus de plek gronds omploegde, waarop eenmaal Rome zou verrijzen, stond het daar reeds, van de overige wereld afgezonderd, machtig en groot en beschaafd, met een krachtige hierarchic en een vast verband, wijze staatsinstellingen en patriarchale wetten, eigen godsdienst en kunst, met groote weelde en pracht; het brandde reeds steenkolen, vervaardigde buskruit, en beoefende op voortreffelijke wijze den landbouw, de nijverheid en de vischvangst. — Waar zijn nu het oude Rome, Memphis en Babyion? — Peking staat nog altijd; en midden in deze reusachtige, naar de vier magnetische wereldstreken regelmatige ingedeelde, met sterke wallen ommuurde wereldstad, met haar eindelooze, streng
262
naar rang en stand en beroep gescheiden roode en gele wijken, verheft zich nog altijd achter lange, hooge muren in haar aloude pracht en fabelachtigen rijkdom het ontoegankelijke paleis van den „zoon des hemelsquot;, den vereerder van Fo-hi.
Volgens Mutzl zou Noachs zoon Sem, die eerst op zeshonderdjarigen leeftijd stierf, toen Izaak reeds honderdtien jaar oud was, zich naar het zuid-oosten hebben gewend, en zou hij de Dschem-Schyd (Schyd beteekent glans, en is dus slechts een toevoegsel aan den naam, evenals Ammon-Rha) der Perzen zijn, de Scherma der Hindoe\'s, van wien zij beweren, dat hij de holenstad Schem-Bamiyan heeft gesticht, het latere Buddh-Bamian, met twee, 120 voet en 57 voet hooge, in rotsen gehouwen standbeelden, misschien eene afbeelding van Sem. Zoo spreekt Flavius Josephus ook over een geschrift van Sem, dat in zijn tijd in Syrië nog bestond. Uitdrukkelijk verhalen de oosterlingen, dat Perzië nog onbewoond geweest moet zijn, toen de machtige Dschem-Schyd uit het noord-oosten derwaarts toog. Zijn rijk, zeggen zij, was zeer groot; hij groef metalen uit den grond op, bouwde steden, was de eerste die gegisten wijn maakte, en regeerde met kracht en wijsheid driehonderd jaren lang. — Wij weten uit den Bijbel, dat hij tot het jaar 182G voor Christus leefde. Toen hij, de man van vóór den zondvloed, de veelbereisde, de rijkenstichter, die de menschheid eeuwenlang onderwezen had, eindelijk op zeshonderdjarigen leeftijd stierf, bloeiden reeds Babyion, Assyrië en Sidon als machtige staten, in Griekenland was reeds Argos gesticht, in Italië waren bereids de Liguren, Etruskers enz. gevestigd, in Syrië stond Damaskus reeds, en de oude zoon Noachs had tallooze geslachten van kleinkinderen overleefd; zoo bijv. na elkander Arfaxad, zijn zoon, voorts Selah, Heber, Peleg, Behu en Serug, deze Semieten met deels vierhonderdjarigen levensduur; en zelfs Nahor, Terah en Abraham waren „tot hunne vaderen verzameld,quot; en Izaak reeds honderdtien jaar oud!
263
Cham wendde zich naar Egypte, zooals de naam: „bet land van Ghamquot; aanwijst (Psalm GV : 23 en 27; GV1: 22 enz.); bij Plutarchus heet Egypte Ghemia ; in het Koptisch Chemi, Memphis door Menu of Menes, Noach of een der zonen Noachs gebouwd. „De geslachtsregisters boven elkander geplaatst,quot; zegt Mutzl, „klimmen tot meer dan 5684 jaren voor Ghristus op ; ongeveer zoo, als wanneer wij de gelijktijdige regenten in de verschillende staten van Duitschland boven elkander gingen plaatsen!quot; Gham-pollion bewondert den hoogen graad van kunstvaardigheid, die zich in de alleroudste architectonische overblijfselen van Egypte uitspreekt. Dit raadsel lost zich op Bijbelsch standpunt vanzelf op, want de zonen Noachs waren geen geslacht „van gisteren of eergisterenquot;; Gham zelf was nog een zoon der oude of oerwereld, had hare steden en staten gekend, had zelf met zijne zonen aan den bouw van Babel deelgenomen, en van ruwe beginselen en een intellectueele kindsheid kan in zulke omstandigheden geen sprake zijn. Hoelang zullen wij ons nog verwonderen over hetgeen Egypte\'s oudste gedenkteekenen tot ons spreken; hoelang zullen wij nog het oude fabeltje blijven opdis-schen, dat de mensch hier op aarde oorspronkelijk in een staat van wildheid of woestheid heeft geleefd ? De sporen van Gham en van zijne nakomelingen weet Prof. Mutzl tot heel bij de Straat van Gibraltar aan te wijzen, en hij brengt velerlei bewijzen bij, die er voor pleiten dat Amerika het eerst door Ghamieten bevolkt is geworden. (Vergelijk de boven aangehaalde verklaring van den Gubaner.)
Zulke grootsche, verhevene en ontzaglijke beelden uit het ver-ledene geven de Bijbel en de wereldgeschiedenis ons te zien; van zulke groote mannen van naam, zoo verhalen eenstemmig de sagen en de overleveringen van alle volken, stammen wij af, en wij hebben ons dus volstrekt niet over onze afkomst te schamen. — Hoe laf en kleingeestig ziet er, tegenover deze
264
indrukwekkende overeenstemming van millioenen getuigen en verklaringen, de strijd der moderne geleerden uit over de vraag, of eenige vuursteensplinters reeds vóór vijftigduizend jaren door oermenschen geslepen werden, of dat zij, zooals andere geleerden beweren, slechts vijfduizend, of volgens nog weer anderen pas twaalfhonderd jaar oud zijn!
Schoon was het leven in die dagen nog. Deze menschen mochten de gevolgen hunner daden en handelingen beleven en genieten, den stempel van hun wil en hunne ideeën op de wereld, op hun geslacht en op hun volk drukken, en vele na hen komende generatiën volgens hun beeld vormen. —- W ij planten boomen, maar eten hunne vruchten niet; wij leggen wijngaarden aan, waarvan wij den wijn niet drinken ; wij bouwen huizen en wonen er niet in; wij kiezen eene vrouw, een idéé, een ideaal, maar een ander maakt er zich meester van. Wi] verwekken kinderen en laten hen op de wereld achter; en zij wandelen niet in onze wegen en drukken onze voetstappen niet; en eer het geluid uit onzen mond is weggestorven, zijn wij er niet meer! — Men vraagt naar ons, en krijgt te hooren dat wij reeds dood zijn. — Want hoe meer wij ons van het beginsel der eeuwigheid verwijderen, des te vergankelijker worden wij! Al spoedig zullen wij op zesjarigen leeftijd geen kinderen meer zijn, op ons twaalfde jaar nerveuse jongelingen, met het dertigste overwerkte mannen ; en als wij de vijftig halen, zijn wij uitgemergelde, levensmoede grijsaards. — En diit noemen wij vooruitgang! — Zoo\'n sterke zoon Noachs heerschte drie- a vierhonderd jaar lang over groote volkeren ; waar zijn tegenwoordig, na verloop van nauwelijks honderd jaren, de afstammelingen van een Napoleon? En dat noemen wij dynastieën!
Gelukkig dat ons een leven op de nieuwe aarde beloofd is, waarin wij niet meer voorbijglijdende schimmen zijn, maar nog gansch anders dan de zonen Noachs de Godswereld als ons vaste
265
en onbetwistbare eigendom in bezit zullen nemen, en volzaliglijk, aeonen achtereen, haar zullen beheerschen. — „Zij zullen het aardrijk erfelijk bezitten.quot;
* *
*
Wat zegt de Bijbel ons nu omtrent den tegenwoordigen toestand der menschheid? — Zij hoioben hunnen weg verdorven; zij zijn allen van God afgeweken; er is niemand die goed doet, ook niet tot éen toe! — De wereld ligt in het booze, en hare vriendschap is vijandschap tegen God ! — „Dat zijn harde woorden, wie kan ze hooren ?quot; — Maar laten wij eens in deze wereld onze oogen rondgaan, dan ziet de mensch er toch in alle opzichten zoo uit als een ziekelijke, verwelkende en verdorrende boom, wiens levenssap is afgesneden. Niet zoozeer wordt dit door ons. Christenen, gezegd, maar veel meer door de kinderen dezer wereld zelf, die zich de voorname wereld, de deftige kringen, 1 e grand monde, le beau monde, enz. noemen. Zijzelven roepen het luidkeels uit, dat zij niets meer liefhebben, niets meer gelooven, niets meer hopen; dat zij blind en doof en stom geworden zijn voor al het goddelijke; dat het hun slechts om de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens te doen is; dat de krachten der toekomende wereld hen volkomen koud en onverschillig laten ; dat de wereld voor hen eene machine is geworden, en zij zichzelven beschouwen als een oude houten klok, die stilstaat wanneer het gewicht afgeloopen of weggenomen is. Zij zijn het, die van zichzelven en tegen zichzelven getuigen. Waarom zullen wij hun getuigenis, dat op zoo in \'t oog loopende wijze met dat des Bijbels overeenstemt, niet aannemen ? — Daarbij spelen zij met de zonde, als een idioot met een ratelslang, die hem reeds doodelijk gestoken heeft, zonder dat hij het bemerkte. — En zij worden allen
266
twijfelmoedig en wanhopig, de Ibsenislen en de Sudermannisten, de naturalisten en de aesthetic], de sociologen en de wereldverbeteraars, de geavanceerden en de verlichten, de romanschrijvers en de tooneelauteurs. Hun lachen klinkt hol; hunne geestigheid is galgenhumor. Zij hebben geen vrede, — hoe zouden zij er óns dan aan kunnen helpen? Zij weten zelf geen raad; hoe zouden zij óns dan raad kunnen geven ? Zij zijn zelf bevreesd voor het wreedaardige noodlot; hoe zouden zij óns dan troosten? Zij gaan allen, evenals wij, onder eigen schuld gebukt; hoe zouden zij ons dan van de onze bevrijden? Zij fluiten ons een deuntje voor, dal ons een uurtje lang onze ellende doet vergelen ; en is de grap uit, dan zijn wij nog armer, leêger, vrede-en rusteloozer, twijfelmoediger jegens onszelven, jegens God en jegens de wereld, dan vroeger! — Loochene wie dit kan!
Daarbij noemen zij zich de „onpartijdigenquot; en „onbevoor-oordeeldenquot;, en toch zijn zij meer dan iemand anders met vooroordeelen vervuld, toch zijn zij vooringenomen tegen al vat met God en godsdienst in verband staat, tegen alle hopen en gelooven, tegen al wat duizenden jaren achtereen aan millioenen troost, kracht en vrede heeft gegeven; toch zijn zij gevangen en gebonden in geestelijke of liever geestelooze modes, in hardnekkige meeningen en overgenomen uitdrukkingen en strijdleuzen, en leven zij in het blinde, onfeilbare, zaligmakende geloof, dat er zesduizend — neen ! vijftigduizend of driehonderdduizend jaar lang, — zoo heel precies weten zij het niet, — louter domkoppen op aarde geleefd hebben, en dat wij thans eerst ontdekt hebben, dal het water nat maakt en het vuur brand veroorzaakt, dat hel gras groen en de hemel blauw is.
Doch zij vormen, Gode zij dank! slechts een, al is het dan ook velen om zich heen verblindende minderheid, hoe brutaal zij zich ook als „de menschheidquot; aanstellen. De vele millioenen, die in de wijde, wijde wereld wonen, bespeuren over \'t geheel
267
weinig en willen weinig weten van deze wijzen en hun Gode vijandige wijsheid, en God houdt hen door een dikwijls schijnbaar harde lucht van arbeid en gebrek in een gezonde aanraking met de gezonde natuur en haar gezonde wetten, in den eenvoud en de eenvoudigheid harer zeden, en in do vrees voor een God, dien zij echter meer slechts vermoeden dan dat zij Hem kennen.
En naast en temidden van deze millioenvoudige, steeds voortwentelende wereldgeschiedenis, die zich in een schijnbaar doellooze verwarring, door duizenden tegenstrijdige factoren in beweging gebracht, en tusschen diplomatische verwikkelingen, wereldhandel, koloniale en binnenlandsche politiek, uitvindingen en ontdekkingen, tusschen oorlogen en omwentelingen door, naar een onbekend doel voortsnelt, — boven dezen strijd om het bestaan en achter de coulissen van dezen chaos en dit gewoel op de markt des levens, — waart er een afschuwelijke en een heilige geestenwereld rond: boden en dienaren en machten des lichts en der duisternis oefenen hun invloed en leiding op de daden en de gedachten der menschen, trekken en weven aan de onzichtbare draden, die — door ons onopgemerkt en toch sterk als diamanten ketenen — ons herwaarts en derwaarts leiden.
In het vurige middelpunt en levenscentrum dezer Terra zetelt in het toornvuur van haar en zijn hart Diabolos, haar god, ais een vorst der duisternis en der lucht, en inspireert hij dag en nacht alle schepselen, die op aarde wonen; en dag aan dag, nacht aan nacht, omzweven zijne geesten de groeten en de kleinen, en trachten zij lichaam en ziel ten val te brengen. Zij prikkelen den hoogmoed, en verergeren de geestelijke blindheid, en fluisteren den menschen godslasteringen toe; en met uitgestrekte handen vliegen zij den mensch na en wachten op het oogenblik waarop de veer breken en de klok stil zal staan; want
268
zij zijn dienstknechten van hem, die de menschen in de harde bandfen der krankheid bindt en die het geweld des doods heeft!
— „Moest men niet,quot; zegt Christus, „deze dochter Abrahams losmaken, welke de Satan nu achttien jaren gebonden had?quot;
— Dan slaat er hier een den mensch met de vuist tegen het voorhoofd, zoodat hij achterover tuimelt en neervalt, of hij grijpt hem met een ijskoude hand in het hart, zoodat het ineenkrimpt en stilstaat, en hij neerstort en sterft, — en zijne mede-menschen zijn zeer ontsteld over dezen zoo onverwachten aanval van beroerte! — of daar blaast er een den mensch aan — zoodat hij verbleekt, zijne levenskracht is gebroken, hij kwijnt weg en sterft; de arts ontleedt hem en weet nauwkeurig te zeggen waaraan hij gestorven is; hypertrophie van het hart, of onderlijfstuberculose. — Ha! hoe spottend lachen die daemonen dan! En nog anderen woeden in de lucht, waaien steden om en richten schepen te gronde ; of in het onderaardsche vuur, en doen de aarde schudden en beven in de uitbarstingen van hun toorn, zoodat duizenden lijken het land of de zee bedekken. Dan redeneeren de menschen heel verstandig over blinde natuurkrachten, en over elementaire gebeurtenissen. — Met welk een grijnslach zien de onzaligen elkander dan aan!
Maar anderen zijn er, de dienstknechten van den levenden God, machtige vorsten des lichts, die eenentwintig dagen streden met de vorsten der duisternis, die rijken en volkeren in het verderf wilden storten (Daniël X: 13 en 20, XI: 1), en zij staan de koningen als helpers en beschermers bij; en zij leiden de lotswisselingen der natiën, en beslissen naar den raad der zienden in de hoogste hemelen, of het vrede dan wel oorlog op aarde zal zijn, of er rijken en hunne heerschers ontstaan of vergaan zullen, en al het woeden en woelen der volkeren is een zwakke echo hunner machtige daden, want zij zijn de ware staatsbestuurders en diplomaten.
269
En deze door de afgronden der ruimte vooiivliegende mensch-heid wordt ook begeleid door medevliegende scharen van dienende engelen, waaronder die der kleinen, die steeds het aangezicht des Vaders aanschouwen. Zij treuren er over, dat wij, hunne broeders, in onze blindheid en doofheid zoo ijverig zand en kaf verzamelen, op goudvliegen en roode vlinders jacht maken, en elkaêr om eenige vierkante voeten van de aardoppervlakte woedend bevechten, en de eeuwigheid vergeten. — Maar met trouw en liefde verrichten zij huns Vaders werk, en zweven zij in Gods vrede rondom de donkere aarde. Overal waar het evenbeeld Gods, de mensch, zich inspant en klaagt en weent, en bidt en hoopt en bemint, zijn zij ongezien tegenwoordig, troostend en sterkend, op het door stormen bedreigde schip en in de eenzaamheid van het gebergte, in de hutjes en op de zolderkamertjes dikwijls, in de paleizen zelden; en langs menig helder verlicht gebouw, waaruit muziek en gezang weerklinkt, gaan zij met afgewend gelaat voorbij, want reeds gloeit op den drempel het merkteeken van den tweeden dood. Maar hun hoofd- en lieve-lingstaak is, dezulken te dienen, die de eeuwige zaligheid beërven zullen, hun het hemelbrood te brengen, hen te sterken in de bangste ure, en op hun voorhoofd de letter Tau (Ezech. IX : 4—6) te teekenen, opdat zij in den orkaan des gerichts onaantastbaar voor de verderfengelen zullen staan!
Want steeds arbeidt de Heilige Geest onzichtbaar aan de bijeenbrenging en afzondering en heiliging der groote schare uit alle volkeren, natiën en tongen, die eenmaal in witte kleederen voor Gods troon zullen staan, voortgekomen uit de groote verdrukking. Tijdelijk gaan zij hier beneden rond in een eenvoudig of een slecht gewaad, meestal gebukt en gebogen, in menigte van zwakheden en vele dwalingen en gebreken, en van heel de toekomende heerlijkheid is nog niets aan hen te zien. Zij zijn dwazen en tóch wijs, armen en tóch rijk, zwakken en vol kracht.
270
zij zijn machteloos en tóch beschermen zij de wereld. Zij zijn
dood, en hun leven is in Christus verborgen.
* *
*
Waarheen gaat deze mensch, dit wonderbaarste van alle schepselen Gods op aarde, met zijn verdriet, met zijne blijdschap, met zijn hopen en vreezen, zorgeloos en moeitevol, gerust en wanhopig, alles en niets geloovend?
Evenals hij zich met verdichte en ontelbare duizenden eeuwen aangaande het feit zijner voor nauwelijks zesduizend jaren — eene seconde der eeuwigheid! — volbrachte goddelijke schepping tracht te misleiden en zou willen misleiden, omdat hij voor elke ontmoeting met God huiverend terugdeinst en zich achter alle boomen van den hof verschuilt, wanneer hij \'s Heeren stem hoort, — zoo zou hij zich door eenige ingebeelde millioe-nen jaren van toekomstig bestaan op deze donkere aarde de noodige kalmte en gerustheid willen opdoen voor de verschrikkingen van het toekomend oordeel. Al stelt de Bijbel ook geen tijdsbepaling voor den duur der aarde vast, toch zinspeelt Daniël met zijn vier wereldrijken, — in de voorzetting van het vierde, het Romeinsche, leven wij — „waarna de Heere God een eeuwig koninkrijk zal oprichten, dat nooit vergaan zal,quot; op een niet zeer ver meer verwijderden afloop der wereldgeschiedenis. — Ook hier zou de mensch aan een natuurverschijnsel de voorkeur geven boven het persoonlijk ingrijpen Gods. — In allerlei phan-tastische beschrijvingen wordt ons de verwoesting der aarde door de botsing met eene komeet geschilderd, eene voorstelling die wij bij onderscheidene volkeren, ook reeds in de oudheid, aantreffen. „Wanneer Ahriman eenmaal,quot; zeggen de Perzen, „de komeet Gurzcher op de aarde werpt, verbranden hemel, aarde en hel in een grooten wereldbrand. Maar daardoor zal
271
het heelal gereinigd worden.quot; — Evenzoo zeggen de vereerders van Schiva in Indië: Schiva zal met tien geesten der verwoesting eene komeet tussehen de maan en de aarde rollen, waarna de wereld in asch gelegd zal worden. — Is deze tegenwoordig zoo dikwijls terugkeerende voorstelling reeds een voorgevoel van het naderend einde? Want God kan zulk een astronomische gebeurtenis wel met zijn oordeel en met de verschijning van den Zoon des menschen in zijne toekomst laten samenvallen. Dan ziet Hij, en zijn sterke engelen met Hem, reeds van den beginne af dezen vlammenden dienaar, dien Hij ten oordeel en ter vernietiging schiep, hoe hij met de snelheid van den wind uit de onafzienbaar verre sterrenwerelden al schielijker en schie-lijker naar de aarde vliegt, waarop temidden van het gansche heelal Gods vinger hem wijst, voor ons nog onzichtbaar; en
toch....... wie weet of hij niet nog slechts twee eeuwen van
ons verwijderd is, of misschien nog slechts éen eeuw, aan den hemel eenige schreden, een paar seconden!
Ook aan dit einde der aarde door het vuur gelooven de meest verschillende volkeren. Zoo zeiden de Mexikanen: „Wij bevinden ons in het vierde tijdperk, dat met een algemeene uitbarsting van vuur uit alle afgronden der aarde eindigen zalquot; (Prof. S. Mutzl). Ditzelfde geloof hebben wij in de IJslandsche sagen gevonden. Ook Seneca en Ovidius leeren reeds den laat-sten, beslissenden wereldbrand, zooals zelfs de niet in den Bijbel geloovende Carus Sterne schrijft, dat de natuuronderzoeker dit evenzeer aanneemt als de Christen. Daaromtrent spreekt de apostel Petrus een ernstig woord: „In het laatste der dagen zullen er spotters komen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen, en zeggen ; Waar is de belofte zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzoo gelijk van het begin der schepping. Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van
272
overlang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water beslaande. Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddelooze menschen. Doch deze éene zaak zij u niet onbekend, geliefden ! dat éen dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als éen dag. De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk eenigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen. Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbrandenquot; (11 Petrus 111: 3—10).
Breedvoeriger wordt daarvan gesproken in de Openbaring, dit boek van het einde, dat met bet boek van den aanvang gemeen heeft, dat het zich door de menschen als een sprookje moet laten bespotten.
Is echter voleindigd wat daarin geschreven staat, dan is de aardsche geschiedenis afgeloopen, — een verleden, eene herinnering slechts, ja iets dat reeds totaal vergeten is! (Jesaja LXV : 17); een tusschenzin tusschen haakjes in de groote, einde-looze redevoering Gods, een kleine episode in het groote goddelijke blijspel, iets tijdelijks en vergankelijks tusschen twee onvergankelijke eeuwigheden, een wolkje, dat over de zon trok, een oogenblik van leed en van zonde. En nu is de mensch voor eeuwig datgene, als hoedanig hij eenmaal geschapen is; eene afbeelding van Jehova, diens onderkoning en plaatsvervt-nger op de nieuwe aarde, vol macht en wijsheid en pracht; niet meer een slaaf der natuur, maar haar onbeperkte gebieder. Voor hem blinkt nu tot, in alle eeuwigheid de eeuwige zon des levens in
273
oude en eeuwige pracht; vergeten zijn rouw en tranen, arbeid en dood; de sferen wentelen zich rond met eeuwig gezang, de dreunende harptonen der verlosten weerklinken eeuwiglijk; de sterke engelen vliegen in hunne kracht van zonnen tot zonnen en verkondigen Gods bevelen, en de cherubijnen en serafijnen bedekken aanbiddend hun aangezicht. — De naam Gods is geheiligd, zijn koninkrijk is gekomen; zijn wil geschiedt op de nieuwe aarde gelijk als in den hemel; en zijns is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, tot in alle eeuwigheid ! Amen !
18
IV.
JA AN EN VROUW.
Een van de schoonste en belangwekkendste der goddelijke natuurwetten is de wet der geslachten, weshalve het de moeite loont, hier zoowel deze wet als de hedendaagsche pogingen om zich er van te emancipeeren, wat nader toe te lichten.
De menschheid is, evenals alle organismen, in een vrouwelijk en mannelijk geslacht verdeeld : in dit parallelisme van twee overeenkomende en toch verschillende, en juist daarom elkaèr aantrekkende en aanvullende vormen. — Door de geheele wereld gaat deze scheiding, deze tegenstelling. Volgens waarnemingen op meer dan 20,000 planten door F. Heya te Halle, is de verhouding van het mannelijk geslacht hij het bingelkruid evenals bij den mensch een constant getal: 100 vrouwelijke tegen 105 mannelijke, en gaat dit dus volgens een innerlijke, van uitwendige invloeden onafhankelijke wet. Voorts is het geslacht der toekomstige plant reeds in de zaadkorrel beslist, en kan het niet meer veranderd worden. Eindelijk zijn de mannelijke planten ook nitwendig onderscheiden van de vrouwelijke, en is er ook verschil in hun toestand in den zonneschijn en in de schaduw. Evenzoo is bij de laagste organismen, ja zelfs bij de nog slechts uit eene cel bestaande infusioren, zoowel dit geslachtsverschil als
275
ook een wederkeerig opzoeken duidelijk merkbaar: wonderbare, geheimzinnige zielsaandoeningen van een bijna orgaanloos organisme. — Hoe hooger men in het dierenrijk komt, des Ie schooner en om zoo te zeggen menschelijker wordt zoowel de verhouding van de jongen tot de ouden, als van het mannetje en het wijfje. De ridderlijke gezindheid der steeds tot bescherming en verdediging hunner wederhelften gereedstaande stieren, rammen, herten enz., en zelfs van de roofdieren, die met hun buit hun gezin verzorgen, — de echtelijke trouw der tortelduif, van den ooievaar en den zeearend, zijn evenzeer bekend als de moederliefde van zoovele dieren, bijvoorbeeld van de ijsberen en de walvisschen; en met alle recht heeft eene leeuwenfamilie reeds dikwijls als een schoon motief voor een kunstenaar dienst gedaan. Schoon drukken de onderscheidene bestemmingen der geslachten zich reeds naar het uitwendige bij het zachtaardige, hare jongen voedende wijfje, en het sterke, trotsch met manen en horens gewapende, steeds strijdvaardige mannetje uit. Zoo verhalen de Romeinen (Leopold von Ranke, „Weltgeschicht equot;, Band 1, bladz. 347) hoe Romulus, met de toga volgens den Gabijnschen ritus over het hoofd geworpen (het donkere fatum aanduidend), den stier en de koe voor den ploeg spande, waarmede hij de muren van Rome uitbakende: den stier aan den buitenkant, om de weerbaarheid tegenover vreemden, de koe aan den binnenkant, om de vruchtbaarheid aan te duiden. Deze ouden waren groote symbolisten.
Waarom en vanwaar twee geslachten, en waarom slechts twee? Vanwaar deze tegenstelling? Bestond zij reeds van eeuwigheid af, of is het een later in het schepsel ontstane onvolkomenheid? — Oude wijzen wilden dit verschil van de even en oneven getallen, dus van het oorspronkelijkste, afleiden, en zoo spreekt ook de Joodsche Kabbala van iets vrouwelijks in God als Malchuth, de eeuwige wijsheid of de Heilige Geest. — De
276
Babyloniërs en Pheniciërs beschouwden de natuur als de vrucht van het wisselspel van het mannelijke en telende beginsel, Baal of de zon, en het vrouwelijke en ontvangende, Astaroth of Astarte, de maan, zooals ook de Chineezen tusschen twee oorspronkelijke beginselen der dingen onderscheiden: het mannelijke Yang en het vrouwelijke Yeng.
Vele theosophen daarentegen, bijvoorbeeld Böhme, St. Martin en anderen, zijn van meening, dat de verdeeling in geslachten bij den naar Gods beeld oorspronkelijk geslachtloos geschapen mensch, den eersten afval te kennen geeft, en beroepen zich hiertoe op de tegenstelling tusschen: „En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed,quot; en het Schriftwoord: „Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij.quot; — Zoo schrijft Culmann in zijne „Et h ik,quot; bladz. 45: „Wij zeggen, dat het den mensch, als goddelijk evenbeeld, alleen waardig geweest zou zijn, zijne zonen op volkomen dezelfde wijze voort te brengen, als de zonen en sterken Gods, de engelen, door God verder voortgebracht. Dit had de mensch kunnen doen, wanneer datgene bij hem gebleven ware, dat met de schepping der vrouw van hem genomen werd en door het woord ribbe (z e 1 a) geenszins volkomen duidelijk en volledig wordt uitgedrukt. Men moet waarlijk al zeer licht denken over de woorden ; „het is niet goed ; zeer licht over den slaap van Adam en de verdachte verwantschap tusschen slaap en dood; zeer licht over het gewelddadig ingrijpen van God in de oeconomie van het menschelijk lichaam, tengevolge waarvan een zijner „ribbenquot; als het ware anatomisch van hem gescheiden en de ontstane holte met vleesch gesloten werd; zeer licht over het feit, dat alles wat terwille van den mensch geschapen werd, voor hem het bestaan ontving, maar de vrouw, die eveneens om Adams wille het leven ontving, na hem ontstond; zeer licht ook over dai andere feit, dat heel het scheppingswerk tot
277
hiertoe in normale en trapsgewijze opklimming van het lagere tot het hoogere voortging, maar zich nu op het bereikte hoogtepunt van het dusver geschapene op eenmaal met de schepping der vrouw weer tot het lagere wendt en derhalve een achter-waartsche beweging begint te maken, —• over dit alles moet men al zéér licht denken, wanneer men beweren wil, dat de schepping der vrouw de voltooiing der schepping zou geweest zijn. Wij beschouwen dat feit juist veeleer als een terugtred tot hare niet-voltooiing; als een noodig geworden steun voor het reeds met instorting dreigende gebouw naar Gods beeld en gelijkenis.quot;
Hoe dit ook zij, — toch wijst het feit, dat Eva niet langs den natuurlijken, creatuurlijken weg ontstaan, maar als een goddelijke schepping omschreven wordt: „En de Heere God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot eene vrouwquot;, op een diepe oorzaak van haar ontstaan. In ieder geval hebben wij nu het feit der geslachten als een eenmaal bestaande en door God gewilde zaak te beschouwen; en is het nu onze taak om na te speuren, wat het Woord Gods en de natuur ons omtrent de onderlinge verhouding dezer twee geslachten zeggen, waarbij de grondslag onzer beschouwing blijft: „Wat God doet, dat is welgedaan!quot; Wat Adam en Eva buiten den zondeval gebleven en geworden zouden zijn; hoe vol goddelijke kracht hij hoe verrukkelijk en hemelsch schoon en bevallig zij geweest zou zijn; welke kinderen zij verwekt zouden hebben, — dat weten wij niet. Maar nu is de man bestemd om in het zweet zijns aanschijns den om zijnentwille vervloekten akker te bebouwen, totdat hij, de man, tot het stof wederkeert, waaruit hij gemaakt is; en de levenstaak der vrouw is, met smart te baren, en haar man onderdanig te zijn. Harde woorden ! — Maar wanneer God zulke woorden als rotsen aan den weg des levens plaatst, dan kan de mensch daar wel aan krabbelen en
278
peuteren, of met de ruwe oppervlakte en den kunsteloozen vorm den spol drijven, maar ze doen wankelen, dat kan hij niet; en met al zijn verzet en opstand er tegen oogst hij niets anders dan moeite, schuld en straf.
Alles naar zijnen aard, — zoo luidt de goddelijke wet der goddelijke schepping. — Zoo ook hier. — Het groote, ontzaglijk veelbeteekenende woord : „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; Ik wil hem eenehulpe maken, die hem aanvultquot;, (grondtekst), is de formule en de wet der vrouw. Dus eene „hulpequot;, niet zijns gelijke; en nog minder eene meesteres; „die hem aanvultquot;, dus niet die hem vervangt; die hem geeft wat hij mist, en van hem ontvangt wat zij niet heeft. Eene aanvulling is het tegendeel van eene gelijkheid, is alleen bij ongelijkheid mogelijk, en berust op verschil. En de man wordt zijnerzijds hier voorgesteld als aan hulp en aanvulling behoefte hebbend, en dus als in en op zichzelf niet volledig. — Dat de vrouw, als een andere en nieuwe individualiteit hier liooger staat dan wanneer zij slechts de herhaling en de verkleinde copie van den man ware, is een te waardeeren schoonheid. — „Eene hulpe,quot; want de man, door de zonde verzwakt, beeft behoefte aan eene helpster; „de man is niet zonder de vrouw, gelijk de vrouw niet zonder denman.quot; Oók een woord, dat de op verschil berustende wederkeerige aanvulling van man en vrouw doet uitkomen. — Want de God, die gezegd heeft: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal,quot; heeft — zooals wij in een vorig hoofdstuk opmerkten — de individualiteiten en het indivicueele lief. Hij haal de nabootsing en het fabriekwerk, de loutere her-baling, de copie; Hij teekent geen enkel blad aan den boom evenzoo als het andere, — dat is kenmerkend voor zijn doen in tegenstelling met dat van het schepsel, van den mensch. En deze door Hem geschapen tegenstellingen, deze verschillen en verscheidenheden zijn heilig; hel schepsel behoort er acht op te
279
slaan en ze in \'t oog te houden; ze uit te wisschen of ook maar te verzwakken is zonde. Dit beginsel loopt door heel de Mozaïsche wet heen, en door de Joodsche Kabbala wordt een roerende eerbiediging van den goddelijken vorm in acht genomen en aanbevolen. Zoo verbiedt de wet ten strengste, dat vrouwen en mannen ook maar elkanders kleeren aantrekken. „Wie zoo iets doet, is den Heere een gruwel.quot; Zulk een ernstig woord gaat dieper dan een eenvoudige verordening op de kleederdracht.
— Zoo zegt de edele Gudrun, als de helden de van koude rillende vrouw hunne mantels aanbieden: „Daar moge God mij voor bewaren, dat men ooit het kleedingstuk van een man aan mijn lichaam zie!quot;
Reeds de lichaamsgestalte der vrouw is een meesterstuk van den grooten Kunstenaar. Hoe wonderbaar heeft Hij, met behoud van al de grondwetten des menschen, louter door een zachte, lichte afronding van zijn model, uit het thema „manquot; een geheel oorspronkelijke, verrukkelijke variatie weten te scheppen!
— En evenzoo: als men ons eens zeide, dat wij ons een klein mensclije moesten voorstellen, met een onevenredig grooten schedel en voorhoofd, met zeer weinig neus en kin en bijna geen hals, zonder tanden en bijna zonder haar, met korte, stom-pige handjes en voetjes, dan zou er zich een bepaald leelijk beeld in onzen geest vormen. En toch..... hoe mooi is een kind!
Dat God met deze gewijzigde, vrouwelijke lichaamsgestalte iets heeft willen zeggen, en dat zij het symbool en kenmerk van een geheel andersoortige natuur en een van dat des mans verschillend zieleleven is, moet duidelijk zijn voor iedereen, die iets begrijpt van de wederkeerige betrekkingen van stof en vorm en geest.
Eene vergelijking van de prachtige Grieksche vrouwenstandbeelden, bijvoorbeeld dat der kuische, de echtelijke liefde voorstellende, spinnende Venus van Phidias, of dat der Juno Ludo-
280
•vici, met de heerlijke mannengestalten hunner goden en helden, deze idealen der kunst, die alleen daarom idealen zijn, omdat zij ware ideeën aanschouwelijk voor ons maken, doet ons zien, dat hier twee, wel uit zielkundig oogpunt gelijkwaardige, maar geestelijk verschillende, inwendige beginselen zich in het uitwendige klaar en scherp openbaren, twee naturen, die nooit dezelfde waren of worden kunnen.
Het is hier niet de plaats om op de diepe, zoo zinrijke symboliek der lichamelijke gestalte van beide geslachten verder in te gaan, — maar de mindere grootte en massa der vrouw wijst reeds op een minder gewichtige persoonlijkheid. Evenzoo, dat het middelpunt barer lichamelijkheid lager ligt dan bij den man, en dat de schoone, zachte, ronde, bevallige vormen ook van een zoodanig zieleleven getuigen, ■— terwijl de hardere vormen van den man, de breedere schouders en de duidelijk zichtbare spieren, op kracht tot den strijd en tot het volbrengen van zegevierenden, beheerschenden arbeid wijzen.
In de vrouw schemert de ziel nog meer door het lichaam heen dan in den man; het oog is sprekender; het spoediger blozen en verbleeken, lachen en weenen, het zichtbaarder ademhalen, de onbewuste en toch zoo veelbeteekenende gebaren, — deze samensmelting en harmonische eenheid van lichaam en ziel oefent een machtige betoovering uit; bij dit alles delerug-houding en edele schuchterheid, waarmede zij zich steeds slechts half te verstaan geeft, en de hoofdzaak niet zegt, maar die meer wil laten raden en begrijpen; wie de vrouw aan haar woord houdt, kent haar niet. De vrouw moet voor den man een zoet geheim zijn en blijven; want geheel en al wordt zij evenmin door hem gekend en begrepen als zij zichzelve kent. — De liefde van den man tot de vrouw en van de vrouw tot den man is een schoone gave Gods aan zijne menschheid. Hoe zij het leven verfraait, hoe zij den mensch boven zijn aangeboren zelf-
281
zucht verheft, en hoeveel groots en schoons zij reeds tot stand heeft gebracht, behoeft hier niet betoogd of bewezen te worden. Het schoone en goddelii\'ke dezer liefde is, dat zij een aan de geheele menschheid verleende gave is, die niet van ontwikkeling of beschaving, van wetenschap of vooruitgang afhangt. Trouw en krachtig en waar beminden de Egyptische en de Scythische, de Germaansche en de Keltische in het donkere woud en in de primitieve hut; de Tlascalanerische en de Indiaansche als een Dona Sol en een Poccahontas; de vrouwen in Tartarije en in China en Indië, en van Odysseus en Penelope, Hector en Andromache, Frithjof en Ingeborg, Siegfried en Kriemhilde, tot Herman en Dorothea toe, — hun trouwe liefde wordt bezongen en geprezen in het epos en het volkslied van alle natiën.
Eens hoorde ik door Russen een duet zingen. Schroomvallig vraagt de jongeling: Wilt gij niet mede in het bosch gaan? Ik zou u zoo gaarne de roode bessen willen wijzen, die zoo rood enz. — Schalks antwoordt het meisje: Och! wat geven wij om die roode besjes! — Ik zou u zoo gaarne de blauwe bloemen
willen wijzen, die zoo blauw.....— Och ! wat geven wij om de
blauwe bloempjes! — Ik zou u zoo gaarne de grauwe eekhorentjes willen wijzen, die zoo grauw......— Och! wat...... — totdat
de jongeling al zijn moed bijeengaart en zingt: Ik zou u daar zoo gaarne willen vragen of gij met mij gaan en blijven wilt zoolang uw leven duurt? — En diep en vol en warm en innig klonk het antwoord; „Ja, ik wil met u in het bosch gaan, ik wil met en bij u blijven, zoolang mijn leven duurt!quot; — Entoen ik naar de herkomst van dit juweel vroeg, hoorde ik tot mijne verbazing, dat het een Siberisch volkslied was! — Gode zij dank, dat de mensch mensch is en blijft, en dat de schatten in den diepen grond zijner ziel hem noch door den strijd om het bestaan, al is hij ook nog zoo zwaar, noch door de ijzige tundra, noch door den gloeienden samoem der woestijn
282
ontroofd kunnen worden, — hoogstens door den omgang met
totaal verdorven of zeer voornaam gezelschap!
* *
*
Verschillend zijn de mannelijke en de vrouwelijke ziel. — Is de man de vaak ongeslepen diamant der schepping, dan is de vrouw de parel er van. Over hare gratie en lieftalligheid, over haar ook psychische schoonheid, behoeft hier niet gesproken te worden. Wie kan, als zij, in een woord zooveel ziel leggen? Zoo fijn en teeder, zoo schalks en geestig schertsen, zoo tactvol afwijzen en beteugelen, ook tusschen tranen door nog glimlachen, tranen die als dauwdroppels de zon weerspiegelen? Wie kan gelijk zij, als zij bemint, zoo vergeven, en schuld met dubbele liefde vergelden, of het gejaagde ongeduld, de norsche antwoorden, het baloorige gezicht, alles geduldig op den koop toe nemen, als zij maar weet dat zij in den grond der zaak toch bemind wordt? — Want dubbel waar is hel bij de vrouw: uit het hart zijn de uitgangen des levens.
Het hoofd des mans en het hart der vrouw, dat zijn de twee polen der menschheid, zooals de Bijbel, die alles weet en alles zegt, dan ook getuigt: de man is het hoofd der vrouw; en van de vrouw: haar sieraad moet zijn de verborgen mensch des h a r t en! —Daaruit lalen zich de wederzijdsche aantrekking en aanvulling en ook de tegenstelling en de oppositie dei-geslachten verklaren. Geestelijk groot kan een harteloos man zijn, zooals een Caesar of een Napoleon I; maar de hartelooze vrouw is verachtelijk; en de man die zwak van hoofd en van wil is, is onbruikbaar. Deze prachtige, zich wonderbaar aanvullende tegenstelling, die — als wet en liefde opgevat — ook de twee groote beginselen der Godheid veraanschouwelijkt, is de grondslag van alle kunst en alle poëzie, van het drama en het
283
epos, van alle hoogere en hoogste dichtwerken der menschheid. Zonder Juno, het huwelijk, Minerva, het vrouwelijk aanschouwen, en Venus, de liefde, geen Olympus, evenals zonder Freya en Walküren geen Walhalla, zonder Helena en Andromache en Penelope geen Ilias noch Odyssa, zonder Kriemhildens wraak en Gudruns trouw geen Nihelungennood noch Gudrunlied. Faus is niet bestaanbaar zonder Gretchen, en Dante niet zonder Beatrice. De hooghartige werkkracht van den volgens wetten handelenden man, en het in liefde en haat en ijverzucht ontgloeiende hart der vrouw, dat zijn de krachten, die de wereld bewegen. Vullen zij elkaêr niet wederkeerig aan, dan is wet zonder liefde vreeselijk, en liefde zonder wet waardeloos.
Met het hart leeft de vrouw, oordeelt, lacht en weent, haat en bemint, gelooft en twijfelt zij. In het hart zetelt hare macht. Dat is haar door God gewaarborgde grootheid, haar wapen en verdedigingsmiddel. Wat hebben de liefde en de tranen eener vrouw al niet reeds weten uit te werken! — Toen Coriolanus, het hart vol bitteren wrok, met een wrekend leger, verzekerd van de overwinning, tegen Rome oprukte, zonden de ontstelde Romeinen hem...... zijne moeder tegemoet! — Bij hare smeekbeden, bij hare tranen, bezweek het hart van den held; bijgaf eer, roem en leven prijs, keerde zich om, en onderwierp zich zwijgend aan den bitteren, gruwzamen dood des verraders.
Aangezien het hart zich slechts met het levende bezighoudt, en zijne werkzaamheid met betrekking tot zaken slechts van zeer beperkten aard is, daarom is heel het denken en doen der vrouw, in tegenstelling van het meer zakelijke des mans, steeds persoonlijk: het heeft betrekking op personen, stelt zich met hen in verband, illustreert door persoonlijke voorbeelden zijne gedachten, en oordeelt over beginselen naarmate de personen zijn, die zich als dragers dier beginselen voordoen; terwijl omgekeerd de man de personen beoordeelt overeenkomstig de begin-
284
selen, waardoor zij zich laten leiden. Het persoonlijke der vrouw en het zakelijke des mans komt overal in hunne gesprekken uit, en is reeds aan het poppenspel der meisjes tegenover het bouwen der knapen merkbaar. De man vindt in zijn beroep en in de daarmede samenhangende vraagstukken, de vrouw in haar gezin en in hare familie tot het vierde geslacht en soms ook nog verder, de noodige denkensstof; tot haar vele en velerlei werkzaamheden behoort ook, de statistiek der familie bii te houden. Daar de man het liefst van en over zaken, de vrouw van en over personen spreekt, gevoelen beiden ten slotte de behoefte om zich in de uitgaande wereld in mannenvereeni-gingen en dameskransjes te splitsen.
De vrouw is meer concreet, de man meer abstract, de vrouw bij voorkeur intuïtief, de man deductief, de vrouw heeft gedachten, de man ideeën. De vrouw is meer impulsief, de man meer logisch; de vrouw arbeidt meer met hare zenuwen, de man \'meer met zijne spieren, wat duidelijk in \'toog valt als beiden oververmoeid zijn. De vrouw arbeidt met zenuwkracht; maar het genie is zóo weinig een nevrose (gelijk een zenuwzieke Franschman beweerd heeft), dat veeleer het tegendeel waar is. Zeer talentvol kan de nerveuse zijn; maar tot het genie worden zenuwen vereischt, zóo sterk en gezond, dat er geen zenuwleven ontstaat. Voor zulk een kolossalen Atlas, die onwrikbaar en onwankelbaar, jaren achtereen, temidden van storm en nacht op zijn sterke schouders den wereldbol draagt, wordt nog heel iets anders vereischt als de schitterende opvatting, de wondervolle losheid en lenigheid, en de buitengewone begaafdheid van zoovele hedendaagsche talenten. En deze kolossale denk-, arbeids-en wilskracht, deze hersenmacht van een Karei de Giroote, een Luther, een Peter de Groote, een Napoleon I, een Bismarck, — dat is het, wat bij de vrouw ontbreekt.
De man kan in het geestelijke onzelfzuchtig zijn, buigt zich
285
voor de idéé en het beginsel, en is vaak egoïstisch in de praktijk; de vrouw is dikwijls onzelfzuchtig en opofferend in het alledaagsche; doch haar leven blijft iets individueels, en verheft zich niet tot het groote wettelijke standpunt, waarop het ik tegenover de eeuwige beginselen verdwijnt. — In het Christendom vinden beiden het hun ontbrekende. — De man zoekt naar oorzaken, graaft naar wortelen ; de vrouw verlangt zichtbare resultaten, vruchten en uitkomsten; zij bezit een wonderbare fijnheid van intuïtie en van opmerken in kleinigheden; maar ook den begaafdsten ontbreekt het aan consequentie, ruimte van blik en grootsche gezichtspunten, zooals te allen tijde bij schrijfsters en in den laatsten tijd ook bij spreeksters te zien is.
Doordien de vrouw met het hart leeft, oordeelt zij met en naar het gevoel, vaak treffend, vaak voorbarig, meest partijdig; de man oordeelt meer met het hoofd volgens argumenten. De vrouw wordt door onwillekeurige stemmingen beheerscht; de man heeft bewuste luimen. De vrouw, men weet het, wil beminnen en bemind worden; de man wil kennen en kunnen. Liefde is haar ideaal; kennis en macht het z ij n e. Dewijl in hel hart het goede en het kwade zich verreweg meer openbaren en elkaêr ook meer bestrijden dan in het hoofd, zal a priori de vrouw rijker zijn aan tegenstrijdigheden en aan tegenstellingen dan de man ; daarom zal zij ook gemakkelijker in hel goede en in hel kwade tot uitersten overslaan. — Omdat het hart steeds sneller met zijne gewaarwordingen en stemmingen en indrukken bij de hand is, dan het hoofd met zijne besluiten en beslissingen, beheerschen de vrouw en hel meisje veel spoediger haar kleineren en persoonlijker kring, en rijpen zij dus spoediger dan de man; daarentegen verouderen zij ook schielijker. De blijdschap der ziel ligt bij de vrouw in het gevoel, bij den man in de daad; de jonkvrouw is trotsch op hare bekoorlijkheid, de jongeling op zijne kracht. Zielvol is de vrouw en vaak komisch;
286
geestvol is nu en dan de man en hij bezit humor, den waren, dit kenteeken van geestelijke macht, gelijk hij alle zijn en vergaan, en ook het eigene, voor een Divina Gomedia aanziet. — Die in den hemel woont, belacht hen ! — Spitsvondig en spottend is de vrouw, ironisch en sarcastisch de man. Voor hare liefde en voor haar haat, zooals voor al haar doen, vindt de vrouw steeds eene verontschuldiging. De man kan met een driest bewustzijn zondigen, en met Byrons Menfred uitroepen: „Reeds lang heb ik opgehouden mij wegens mijne handelingen te verontschuldigen; laatste zwakheid van den booze!quot;—of openlijk als Talleyrand, op de vraag of hij ooit verliefd is geweest, ten antwoord geven : „Bij de reusachtige liefde, die ik voor mijzelven koester, heb ik geen behoefte aan een andere!quot;
Dat de vrouw in hare medeminnares geen enkele deugd, en in den man dien zij liefheeft, geen enkele fout ziet, zullen vrouwen wel zelf willen toegeven. Evenals het de vrouw ook bij de verdediging aan „esprit de corpsquot; ontbreekt, geeft zij ook de voorkeur aan den verdeelden, indirecten aanval en aan de scheeve slaglinie; zij schiet, evenals de Parthen, hare pijlen al terugtrekkend af. De man heeft liever de bestorming in massa, met hoera-geschreeuw en gevelde bajonet. De vrouw houdt, gelijk alle nerveuse naturen, van beweging, van afwisseling en van gesprekken, — de man meer van het vaststaande, van de daad, van de wapens. Het ijzer, zegt Homerus, trekt den man aan ; en nooit, dat wist de sluwe Odysseus wel, zou een meisje in de plaats van den verkleeden Achilles onder de sieraöiën naar het zwaard gegrepen hebben! De vrouw is, zooals de natuur ons reeds zegt, meer passief ontvangend, gevoelend, gevoelig, in zich verwerkend, bewarend, sparend; de man meer actief, productief, uitvindend, navorschend, verwervend, veroverend, voortbrengend en verkwistend. Zoo is de vrouw bijv. muzikaal; doch waar is er een vrouwelijke Bach, Handel, Mozart, Beethoven
287
enz.; zij is poëtisch, zeer poëtisch zelfs, en toch eigenlijk geen dichteres; tegenover de lange lijst der groote dichters, van Homerus tot Uhland \') staat hoogstens een Sappho. De vrouw kan liefhebben, trouw en diep en met heel haar ziele, — wie zou dat durven betwijfelen ? Maar om meesterlijk over de liefde te spreken is er een man noodig: Homerus of Dante, Shakespeare of Goethe. Zij heeft vele en aardige en teedere en fijne invallen; maar zij vindt niet uit. Duizenden jaren lang hebben vrouwen zich met korenmalen en ook met naaien afgesloofd, zooals reeds in de Odyssea verhaald wordt; maar het kwam niet in haar op, den eenvoudigsten water- of windmolen, of de naaimachine uit te vinden.
En dit alles heeft zijn klaren, logischen grond. Want in bovengenoemde wet van het vrouwelijk leven in en met het hart ligt reeds de schijnbare tegenstrijdigheid, dat de vrouw, hoewel met een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, de wet niet begrijpt of liefheeft, die niet met het hart, maar met het hoofd doorzien en gesteld wordt, die van gevoel en persoonlijkheid niets afweet, maar zakelijk, voor verzoeken en smeekingen doof, en blind voor het aanzien des persoons, haars weegs gaat, onverbiddelijk, onbarmhartig. — Dieper nog is dit niet-liefhebben en niet-begrijpen van de wet daarin gelegen, dat de vrouw, niet zooals Adam een eerste en prima causa, maar een tweede en bijkomstige oorzaak is, waardoor zij minder instaat is om de éerste oorzaken, de nog abstracte wet, te doorzien, want zij ziet en mint veelmeer de daad en den persoon als resultaat. — Van Eva af heeft de vrouw in het bevel, in het gebod en nog meer in het verbod een tegenzin, en is de stille, heimelijke overtreding er van haar een lust. — Vrouwen, zeggen de tolbeambten, zijn geboren smokkelaarsters. Zoo kan ieder die terecht of ten onrechte gevangen zit, bij pogingen tot ontvluchting op vrou-
\') In Duitschland. (Vert.)
288
wenhulp of tenminste op vrouwensympathie rekenen. Zoo weet ieder, die jarenlang meisjes onderwezen en opgevoed heeft, hoe moeilijk haar de den knapen imponeerende wet is in te prenten: hoe zij het liefst voor elk bijzonder geval en voor elke bijzondere persoonlijkheid een nieuwe paragraaf zouden willen improviseeren, — en hoe gemakkelijk zij daarentegen door een beroep op haar gevoel te leiden zijn.
/00 is het gebrek aan logica bij de vrouw spreekwoordelijk; dit staat echter in geen verhouding tot hare begaafdheid; zelfs de intelligentste is instaat om zich in éen en denzelfden volzin tegen te spreken, tegelijkertijd het ja en het neen te gelooven, en op wonderbare wijze als van gelijke waarde en beteekenis voor te stellen. Want, heeft er eene eens gezegd, ik zeg u bij voorbaat, dal ik mij door argumenten niet laat overtuigen! — Ook in het huisgezin en ever \'t algemeen in haar kring en op haar gebied kent en mint de vrouw de wet niet, maar alleen de tijdelijke, op het oogenblikkelijke doel berekende, te allea tijde herroepbare beslissing. Het is des vaders zaak de wet vast te stellen, en het sleeds vergetene en overtredene, bijv. wat stiptheid van tijd betreft, steeds te herhalen. — Daarom kan de vrouw geen wetboek schrijven; evenmin begrijpt zij, juist door dit gebrek aan sympathie en begrip jegens de wet, de wereldgeschiedenis, deze gestadige vervulling van groote wetten. Deze is voor haar meestal slechts een min of meer in chronologische wanorde geraakte portretgalerij van enkele vereerde helden en van vele afschuwelijke menschen. Zij begrijpt niet den bouw des torens vaji Babel, noch den ondergang van Carthago, noch de toespraak van Attila tot zijne Hunnen vóór den grooten volkenslag, noch de capitulatie van Sedan, — zij begrijpt in \'t algemeen niet den wereldstrijd, maar alleen den tweestrijd. Om diezelfde reden beheerscht zij niet het fatum, de tragiek, maar wordt zij er door aangegrepen en verpletterd. Epos en drama zijn haar vreemd.
289
Want ook de meester in de kunst is slechts door het kennen en verstaan der wetten groot, en meesterwerken bestaan in de klare voorstelling dezer wetten. Daardoor is het nu begrijpelijk, waarom de vrouw, hoewel zij kunstlievend, zoo dichterlijk van aanleg en met een zoo fijnen smaak begaafd is, nooit of nimmer op het gebied der kunst baanbrekende en imponeerende werken schiep als Homerus, Michel Angelo, Bach en anderen. Daartoe ontbreekt haar de wet. Ook kan zij geen groote natuuronderzoekster worden, want dat wil zeggen: als Aristoteles, Newton, Linnaeus enz. de wetten der natuur op te sporen en te vinden. — Ook daarom juist, en zooals gemakkelijk is in te zien, kan zij geen uitvindingen of ontdekkingen doen. — Zoo kan geen enkele vrouw voor de machine, al is het er ook eene van tienduizend paardekracht, in geestdrift geraken; zij vindt niets geestelijk schoons aan deze prachtige en zakelijke illustratie van de wet der krachten en hunne veranderingen. De man kan urenlang toezien, hoe deze stof zich volgens wetten, die hij haar heeft ingegeven, zoo machtig, harmonisch en doelmatig beweegt; hij gevoelt zich als \'t ware de schepper van dit geweldige organisme!
Deze wetteloosheid en on wettelijkheid der vrouw vormt op e 1 k gebied des levens een weldadig tegenwicht tegenover het steeds in \'t systeem en in de theorie, in het wettelijke, in de verordening en in den sleur, in het deductieve en abstracte vallende geestesleven van den man; zij brengt telkens weder, zooals reeds aan de zoo veelsoortige vrouwenkleeding en de zoo wisselende en wisselvallige mode te zien is, het frissche, spontane, onverwachte en onberekenbare element tot zijn recht; zij is voor de ontwikkeling en het gedijen van het kind en van de geheele menschheid onontbeerlijk. — Maar evenzoo sluit zij de vrouw van de wetgeving, hetzij in den staat of in de kerk, uit; en waar zij er zich toch in mengde, heeft het van oudsher aan ernstige, groote, sterke wetten ontbroken.
19
290
De vrouw, zich bewust van hare zwakheid, schuwt strijd en gevaar. Zoo tracht elke moeder uit de nabijheid van haar zoontje al het gevaarlijke, hinderlijke en moeitevolle te verwijderen; zij wil met roerende liefde altijd slechts helpen en helpen; zij zou den levensweg steeds effen en glad voor hem willen maken, en de vrucht dezer opvoeding is het overigens vaak heel brave en bescheidene en lieve, maar niet de wereld veroverende „moeders kindje.quot; De vader daarentegen, en in dit opzicht volgt hij de goddelijke opvoeding na, legt zijn zoon zwarigheden in den weg, opdat hij zich daaraan en daardoor sterke; hij brengt hem in het gevaar, opdat hij het niet leere ontwijken en vermijden, maar het leere trotseeren en overwinnen; en hij verheugt er zich in, wanneer zijn zoon de proef doorstaat. En toch — of veeleer juist daarom — mint de vrouw den al te goeden, zachten, goed-hartigen en ordelievenden man niet, en kan zij vooral den „braven Hendrikquot; niet uitstaan. Een hartstochtelijke Dante met gloeiende liefde en gloeienden haat is haar liever, ofschoon hij voor huiselijk gebruik en in het huishouden dikwijls héél lastig kan zijn.
De vrouw houdt van bloemen, en weet voortreffelijk een salon te arrangeeren; maar scheppend blinkt zij noch bij het aanleggen van tuinen, noch in de architectuur uit. Want zij kan wel het gegevene en het zichtbare harmonisch en smaakvol rangschikken en met verstand beheeren, maar niet bij voorbaat het nog niet bestaande in den geest overzien en regelen. Daarom, en ondanks haar ten volle erkende spraakzaamheid en haar beproefde woordenrijkheid, is der vrouw het gevleugelde woord, het spreekwoord en het machtwoord onthouden. — Het uitwendige neemt haar geheel in beslag. — „En de vrouw zag, dat die boom een lust was voor de oogen.quot; — Zij kan bijna niet nalaten, meer bewondering te koesteren voor den knappen en geestigen salonheld, al is het dan ook een zedeloos en harteloos man, dan voor den oprecht en eerlijk goeden man en
291
Christen met linksche manieren, onbevallige gelaatstrekken, en wiens woorden er met horten en stooten uitkomen. — Dat ook zij behagen wil, is haar recht bij de gratie Gods, want daartoe heeft God haar schoonheid en bevalligheid verleend. Ook de lust in opschik, in een mooi toilet, het welgevallen in sieraden en juweelen, het fijne begrip der vrije, persoonlijke symboliek en psychologie van de kleeding en den hoed op zichzelven, en hunne be- en veroordeeling bij anderen, staan onafscheidelijk met het wezen der vrouwelijke ziel in verband en hebben hun diepe en op zichzelf volstrekt niet zondige beteekenis. En evenzoo haar reeds zoo oud als de wereld zijnde neiging en aanleg tot magie en tooverij, en haar zoozeer ontwikkeld, reeds door de Kelten en Germanen erkend vooi\'gevoel. — Een aardige psychische trek is het, zooals reizigers aangaande wilden verhalen, dat — terwijl de mannen hen somber dreigend aanstaarden — de vrouwen om hun vreemdsoortig voorkomen lachten.
Dewijl de ware beschaving uit het hart voortkomt, heeft de vrouw minder behoefte aan vormelijke beschaving dan de man; en wie veel gereisd heeft, vooral door Zuid-Europa, is daar in de gelegenheid geweest om de fijne en edele welvoegelijkheid, de innemende gratie, het klare begrip en daarbij den schalkschen humor te bewonderen, waarmede vrouwen uit het volk zich bewegen en spreken, die dikwijls lezen noch schrijven kunnen.
Eindelijk is de vrouw, evenals in het materieele een factor van het behouden en samenhouden, zoo ook geestelijk een geboren conservatieve. Evenals zij, ondanks zoo wisselende stemming, toch in de liefde zoo trouw is, blijft zij — ondanks de veranderlijkheid van hare modes en haar smaak — toch sterk aan het oude hangen. Terwijl de man vaak een demagoog of een tiran of wel beiden tegelijk is, vereert zij in alle dingen de bestaande orde, het traditioneele, de zeden en gewoonten, de
292
oude familie, de voorname afkomst, den titel, de kaste, den adel en de geestelijkheid.
Verschillend is dan ook de geheele wereldbeschouwing der beide geslachten. De vrouw denkt en oordeelt, spreekt en schrijft, verhaalt en schetst anders, is anders ziek en anders gezond, anders vroom en anders goddeloos, anders goed en anders slecht, bemint en haat anders dan de man. — De heldin gaat met zachtmoedig geduld en met engelachtige zelfopoffering in den dood voor de haren; de held lacht met titanisch genot, wanneer in den krijg honderden om hem heen vallen en werelden ineenstorten. De moeder offert blijmoedig druppel na druppel haar bloed voor haar zoon ; Brutus veroordeelt zijn beide zonen ter dood en ziet ze met droge oogen terechtstellen, — want het welzijn van den staat eischt het zoo. Augustus biedt zijn doodvijand Cinna zijne vriendschap aan; Elisabeth laat hare mededingster Maria Stuart en haar gunsteling Essex van kant maken, en treurt er zich daarna dood over. Lady Macbeth verwijt haar man lafhartigheid, omdat hij Duncan niet vermoorden wil; doch nadat de moord gepleegd is, sterft zij aan gewetenswroegingen, — enz.
Intusschen zijn ook hier, evenals in heel de goddelijke schepping, de tegenstellingen niet door een scherpe, harde grenslijn gescheiden, maar vloeien zij grootendeels in en met elkander saam. Zoo zijn er ten allen tijde, ook onder de Duitsche vorstinnen vrouwen geweest, die in benauwde tijden met mannelijke vastberadenheid, zooals Gatharina de Heldhaftige, zooals de vrome Sibylle van Wurtemberg, hare rechten verdedigden, of haar rijk zelf en zelfstandig regeerden. Toch beantwoorden dergelijke uitzonderingen minder aan het vrouwelijke t3pe dan een heilige Elisabeth of een edele koningin Louise. En evenzoo zijn er ook wel mannen geweest, die — gelijk de met een zoo fijngevoelig en jonkvrouwelijk rein gemoed, met een zoo
293
innig zieleleven begaafde Heinrich Suso — met hun aard en wezen grootelijks het eeuwig-vrouwelijke naderden. — En toch verloochent ook de verborgen mannelijke of vrouwelijke grondtrek zich nooit geheel, gelijk zoo duidelijk aan de bovengenoemde, overigens mannelijk optredende Elisabeth van Engeland te zien is.
Prachtig vullen de beide geslachten elkander aan. En ook hier, evenals bij alle vraagstukken die den mensch bezighouden, spreekt de Bijbel eenvoudig klinkende, groote, diepe, fundamen-teele woorden; „De man is niet zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man.quot; — De man is geen man, wanneer niet de vrouw, als tegenstelling en tegenbeeld, het hem doet beseffen. De vrouw zou niet weten dat zij eene vrouw is, als zij den man niet zag. En hoe onvolkomen, eenzijdig, treurig en ongelukkig zouden zij zonder elkaêr zijn! Hoe en wat de vrouw alleen zou wezen, hoe onbeduidend en angstvallig en zonder bepaalde plannen en bedoelingen haar bestaan zou zijn, en zonder bevruchtende krachten haar leven, ziet men aan de nonnenkloosters en vrouwengestichten, — en de vrouw gevoelt het ook zelve wel. Vandaar haar openlijk uitgesproken weerzin tegen alle damescoupés in het openbare en het particuliere leven, zooals een geestige vrouw eens opmerkte; reeds de zware voetstap van den man op de trap oefent een weldadigen invloed op het familieleven uit. Wat de man zonder vrouw zou zijn, ziet men maar al te duidelijk overal, waar hij — zooals de walvischvangers in de Zuidzee — jarenlang zonder vrouw en kinderen leeft; daar worden zulke mannen norsch, somber, stroef, ruw, brutaal, en antwoorden zij elkaêr met een vloek of een slag. Drinken is hunne poëzie, en vechten met messen hun grootste vermaak, want zij minachten hun eigen leven en dat van anderen. — Eene aarde zonder vrouwen of kinderen zou spoedig een ondragelijk vagevuur, ja een hel dreigen te worden.
294
Hoe belangwekkend zou het zijn, als het kader van dit werk het ons veroorloofde, deze schoone, teedere, steeds min of meer raadselachtige en daarom des te aantrekkelijker persoonlijkheid in al haar doen gade te slaan! Van oudsher hebben de dichters en auteurs bij de gratie Gods zich con amore daarmede beziggehouden; en aan hunne vrouwenfiguren hebben dan ook een Homerus, een Sophokles, een Dante, een Shakespeare, een Racine, een Goethe en tallooze anderen de helft van hun roem te danken. Overigens pleit het niet voor Goethe, dat zijne hoofdfiguur Gretchen een goed meisje is, dat echter niets groots heeft dan haar berouw; want hoezeer Goethe de vrouw ook liefhad, schatte hij haar niet hoog genoeg. Anders deed Racine in Alhalia en Phedra. Nóg meer waarheid, en grootheid ook, is er in Shakespeare\'s vrouwen, bijv. in een Desdemona, een Ophelia, een Lady Macbeth, en zelfs in een Portia, een Jessica en anderen. Maar ook boven dezen verheft zich een Penelope, een Andromache, een Antigone, een Iphigenia, en eindelijk Dante\'s Beatrice, trouwens geen louter aardsche schepping meer.
Uit de hierboven vastgestelde tegenstelling tusschen hoofd en hart, wet en liefde, blijkt reeds voor iedereen, die iets van wetenschap afweet, dat de vrouw niet wetenschappelijk van aanleg is. Dit is voor haar evenmin een verwijt, als wanneer wij zeggen dat het hout van den edelen wijnstok en van de welriekende roos niet voor den bouwmeester bruikbaar is. Wetenschap, hebben wij in een vorig werk („Na turs tu diu m und C h r i s t e n t u mquot;) gezegd, brengt nu en dan iels groots tot stand, maar kan den mensch beter noch gelukkig maken, want zij is, evenals het geld of de stoom, eene kracht, die ieder volgens hel in hem wonende beginsel ten goede of ten kwade
295
besteedt. Elke tijd heeft zijne afgoden. Zoo hadden de middeleeuwen de geleerdheid en de theologie, en zoo heeft de negentiende eeuw de verlichting en de wetenschap. De plicht van den Christen is het, tegen allen afgodendienst op te treden; en wij beschouwen het als een door God aan de vrouw verleend voorrecht, dat zij niet wetenschappelijk van aanleg is en haar spontane, fris-sche, intuïtieve wezen en oordeel een gezond tegenwicht tegenover ons droge, deductieve geestesleven vormt. Want wat zou er toch van de menschheid moeten worden, wanneer haar gan-sche leven wete nsch appel ij k werd ?
De wetenschap berooft de vrouw, die zij bovendien altijd voor hel uitstalvenster zet, — den man daarentegen in het magazijn, reeds om den grooteren voorraad —, van het onmiddellijke gevoelen, gewaar worden, denken en oordeelen, dat daarom op ons mannen een groote bekoring uitoefent, omdat wij gevoelen, hoezeer wij in het leven deze kalmeerende, weldadig werkende tegenstelling noodig hebben bij onzen voortdurend meer inspanning van ons eischenden hersenarbeid. De wetenschap is een wapen, dat de vrouw in den strijd om het bestaan niet gebruikt of weet te gebruiken. Het gaat haar daarmede als David in Sauls prachtige wapenrusting. — Gladde steenen uit de beek, en een slinger er bij, dat zijn hare wapenen. Daarmede heeft zij reeds menigen onbehouwen Goliath neergeveld. — Met het voortreffelijke gezond verstand, dat hem kenmerkt en een goed deel zijner grootheid uitmaakt, laat Molière zijne Glitandre reeds zeggen:
Je consens qu\'une femme ait des clartés de tout;
Mais je ne lui veux point la passion choquante De se rendre savante afin d\'être savante.
J\'aime qu\'elle ait du savoir sans vouloir qu\'on le sache Sans citer les auteurs, sans dire de grands mots,
Et clouer de l\'esprit a ses moindres propos.
(Les feinraes savant es. Acte I, Sc. IV.)
296
Willen wij nu hiermede aan onze vrouwen haar rechtmatig aandeel aan het schoone, geest en ziel verfrisschende weten der menschheid ontzeggen? Volstrekt niet! Wij zouden veeleer den hedendaagschen vrouwen wat meer geestelijke en alzijdige belangstelling toewenschen, betere, leerrijker lectuur, en bestendiger nadenken over het gelezene en gehoorde, een ijveriger verwerken daarvan, en een krachtiger medeleven met al wat voor de menschheid goed en gewichtig is. Wij zouden haar al het werkelijk wetenswaardige en waardevolle, de resultaten van zoovele nasporingen en onderzoekingen en van zooveel arbeid, als bloemen en vruchten willen toebrengen. — Wel hebben zij tot recht begrip daarvan gezonden hoofdarbeid noodig, maar geen eigenlijke wetenschap. Wetenschap in \'t algemeen is al het weten der menschheid; wetenschap in den engeren zin is — evenals kunst en industrie en politiek — een afzonderlijke factor in het leven: zij heeft haar eigen taal, hare methode, hare werktuigen en hare techniek. In deze vaak stoffige, muffe, somtijds ongezonde werkplaatsen der wetenschap behoeft de vrouw-niet af te dalen; zij mag er eens een blik in werpen, om te zien hoe men wetenschap maakt, maar zij moet er niet in wonen, omdat de lucht er niet gezond voor haar is, of er in werken, omdat zij er de kracht niet toe heeft en ook de werktuigen niet weet te hanteeren, wat zij trouwens ook niet leeren kan. — Eene vrouw, eene koningin, mag zich met diamanten sieren, en er zich in verlustigen; maar het is daarom nog niet noodig dat zij ze zelve geslepen hebbe; zij kan bloemen verzorgen en vruchten kweeken en den huistuin in orde houden ; maar zij behoeft geen boomen in \'t bosch te gaan rooien, te ploegen en te zaaien, te draineeren en te rioleeren; zij kan in de schoone resultaten der geologie en der aardrijkskundige ontdekkingstochten veel welgevallen vinden, maar daarom behoeft zij niet in de mijnen te gaan werken, of een Noordpool-
297
expeditie meê te maken. Zoo mag en moet zij met genot Rousseau\'s „Brieven over botaniequot;, Littrow\'s „Wonderen des hemelsquot; of Flammarion\'s „Astronomiequot;, Fraas\' „Vóór den zondvloedquot; en Tyndall\'s werken lezen, en evenzoo zich in schrijvers als Mommsen, L. Von Ranke en Lübke, in Culmann\'s „Ethiekquot;, in de Geschiedenis der Hervorming door Merle d\' Aubigné, enz. enz. verlustigen, en de vruchten der wetenschap plukken. Maar zélf iets van beteekenis, iets baanbrekends op dit gebied tot stand te brengen, grootsche uitvindingen en schitterende ideeën over de wereld te verspreiden, is haar ondanks herhaalde pogingen en gunstige omstandigheden nog nooit gelukt.
Wij hebben menige zuster, dochter en vrouw gekend, die onder de vriendelijke en verstandige leiding van haar broeder, haar vader of haar man een trap van degelijke en voor haar nuttige ontwikkeling bereikte, — anderen daarentegen, die bij alle studie en zelfs diploma\'s van buitenlandsche hoogescholen zich door onverteerde kennis, verstandelijke misvorming en geestelijken hoogmoed belachelijk maakten. De ware hoogeschool voor de beschaafde vrouw, die tot haar zestiende jaar op een goede meisjesschool met de grondelementen der kennis voorzien is geworden, is en blijft: de omgang met soliede boeken en degelijke mannen, vaders en broeders, en met haar echtgenoot, en bovendien in besprekingen over al hetgeen „den mensch aangaatquot;. Ook hier is in algemeenen zin het gezegde toepasselijk: „Wil de vrouw iets weten, dan vrage zij het haar man tehuis.quot; — Dat zoo menig echtgenoot boven deze schoone taak der intellectueele opvoeding zijner vrouw de voorkeur geeft aan het eeuwige zitten in het café, is in het belang zijner eigen lichamelijke en verstandelijke gezondheid diep te betreuren. — Maar de mensch kan nu eenmaal slechts geven wat hij heeft. — Toch mag, om jegens beide partijen rechtvaardig te blijven, ook niet verzwegen worden, dat vele vrouwen in hare kransjes,
298
op visites en in haar dagelijksch gesprek zich het bedaarde luisteren en alle belangstelling voor diepgaander en ernstiger vraagstukken totaal afgewend hebben, en dat er misschien evenveel zijn, die het werkelijk belangwekkende en leerrijke niet meer kunnen en willen aanhooren, als mannen die zóo spreken, dat het de moeite niet waard is naar hen te luisteren.
De vrouw staat oneindig nader bij de kunst dan bij de wetenschap, en dit stemt reeds daarmede overeen, dat wij de kunst als een individualiseering opvatten, want welke grootere individualiseering bestaat er, dan de voortbrenging van het kind, ten allen tijde het ware meesterstuk der vrouw. De man zou meestal slechts een systematisch, theoretisch wezen en, indien hij een Ilegeliaan is, hoogstens slechts een menschenbegrip ter wereld brengen. Maar evenzoo is het in overeenstemming met haar steeds persoonlijke opvatting en met bovenstaande opmerkingen over epos en wereldgeschiedenis, dat zij noch het mausoleum bouwt, noch -den torenbouw te Babel van Kaulbach, noch de wegvoering der Joden van Bendemann schildert, noch architectuur, noch heroïeke beeldhouwkunst, noch het groote landschap a la Calame, noch de historische schilderkunst met succes beoefent, daarentegen in de buste en in het portret voortreffelijke dingen ten uitvoer brengt; en evenzoo dat zij, die zelve eene bloem is, als een Therese Heek uitnemend de kunst verstaat om deze welriekende, bijna onnavolgbaar fijne vormen op papier en doek blijvend weer te geven. Evenzoo uitmuntend is haar talent voor decoratieve kunst, vooral in het elegante en sierlijke. Doch wij kunnen de vrouw hier niet op elk gebied barer vaak zoo fijnvoelende kunst volgen ; en evenmin op dat der muziek, waar zij, hoewel geen uitstekende componiste, den
299
man in zielvol gezang verre overtreft, — maar gaan tot een ten allen tijde meer door de liedendaagsche vrouw beoefend gebied, dat der letterkunde, over.
Ook hier spiegelt het boven gekarakteriseerde onderscheid der geslachten zich treffend af. Terwijl de man zich op het geheele gebied der litteratuur beweegt, en ter vervulling van het bevel: „Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk etenquot;, alle letterkundige genres en gewassen aankweekt, als daar zijn: epos, drama, blijspel, wereldgeschiedenis, wetenschap en alle soorten van vakwerken, bepalen de vrouwelijke auteurs zich bijna geregeld tot de bespreking van het gezegde: „Het is niet goed, dat de man alleen zij!quot;\' Voortdurend wordt deze interessante tekst van nieuwe kanten toegelicht, en gepast of ongepast geïllustreerd. Met andere woorden; De liefderoman is het hoofdthema der vrouw, zelfs wanneer zij voorgeeft, gelijk Madame De Stael in „Corinnequot;, een soort van poëtische aardrijkskunde te beoefenen. Daarbij wisselen vaak bekoorlijke landschapsbeschrijvingen, uitnemende psychologische schetsen en uitstekende karakterschilderingen elkaèr af; doch meer in den aanvang, — zoodra de held en de heldin optreden en het hart warm wordt, loopt het boek ongemerkt uit op een hoe langer hoe persoonlijker, hoe langer hoe minder groote gezichtspunten toelatende levens- en liefdesgeschiedenis, waaruit ten slotte niet veel anders meer te leeren valt, dan dat indertijd zekere Louise zekeren Karei gekregen of niet gekregen heeft. — Trouwens, ook hiervan wordt tegenwoordig gezegd: „Nous avons changé tout cel a!quot; In den modernen roman heeft Louise haar Karei reeds, maar alleen om weldra tot de ontdekking te komen, dat zij toch liever Victor von X. had willen hebben, die echter niet te krijgen is, omdat hij van zijn kant met de ook reeds bezette Clara von Y. dweept, een voormalig liefje van den bovengenoemden Karei, — waaruit zulk een overvloed van
300
ongezonde toestanden voortspruit en van zoo Gordiaansche verwikkelingen, dat aan het slot twee of drie der medewerkende personen zich, om wat ruimte en lucht te krijgen, voor den kop moeten schieten. — Maar dat zijn slechts tijdelijke afdwalingen van den smaak, die vroeger of later weer voor de eenvoudige, ware, trouwhartige, stokoude en toch altijd nieuwe liefdesgeschiedenis plaats zullen maken. En zoo is de kring der vrouwen-schrijverij, evenals haar overige werkzaamheid, tamelijk eng beperkt. Afgezien van nu en dan zeer goede geschriften voor de jeugd, van huiselijke tafereelen k la Frederika Bremer en Ottilie Wildermuth, en het voortreffelijke kookboek van Löffler, kan elke vrouw, als Ouida hare „Story of two little wooden shoe squot;, ons als eerste en beste werk hare liefdesgeschiedenis verhalen, onverschillig of zij die beleefd of slechts gedroomd heeft; hoogstens nog éen of twee variatiën daarop; maar dan legge zij de pen neder en leve zij verder in geluk en vrede!
Vergelijkt men deze vrouwelijke producten met den manne-lijken roman, dan komt het onderscheid terstond aan den dag. De laatstgenoemde vat het leven zakelijk op, en de avonturen der helden zijn voor hem slechts eene aanleiding om groote ideeën te bespreken, of groote tijden of daden te schilderen. Zoo bijv. in den volksroman „Robinson Crusoë, deze belichaming van den ondernemenden, commercieelen, maritiemen en kolonialen geest van den Engelschman, of in Dickens\' on Thackeray\'s onovertroffen schilderingen van Engelsche toestanden en En-gelsche types; zoo bijv. in „Gil Biasquot;, deze revue van maatschappelijke toestanden en misstanden; in „Don Quichotquot;, dat slotwoord van den riddertijd; in de„Promessi sposiquot;, dat Lombardische epos; in „S i m p 1 i c i s s i m u squot;, „Titanquot;, „Soll und Habenquot;, en de „Ahnenquot;; in „Ekkehardtquot;, in de „Do ode zielenquot; van Gogol, en zelfs in het schetsmatige „Dagboek van een jagerquot; van Turgenieff, en het eenzijdige
301
,Oorlog en Vredequot; van Tolstoi, — waarom deze boeken duurzamer zijn dan vrouwenwerken.
De vrouw schrijft, zooals zij alles doet: met haar vaak ruime en warme hart. Maar in deze wereld is het goede hart niet voldoende: men heeft er óok het heldere hoofd noodig. Het goede hart der vrouw gaat meestal met haar op hol. Zoo bijv. in „U n c 1 e Toms G a b i nquot;, misschien een der schoonste door vrouwen geschreven boeken. Welk een uitstekende physionomie! Welk een psychologische fijnheid, hoe plastisch de schildering en hoe levend de figuren! En bij wijze van uitzondering treedt hier de liefde tegenover de hoofdquaestie op den achtergrond. Maar hoe wordt ook hier het wereldschokkende vraagstuk der slavernij louter persoonlijk en individueel opgevat, en slechts toegelicht door de uitwerkselen, die zij nu op dezen, dan op genen rnensch teweegbrengt. In haar edele verontwaardiging en bezield met den wensch, om de zoo schandelijk onderdrukte slaven recht belangwekkend voor te stellen, bespeurt zij het onlogische van haar boek volstrekt niet. — Want, zoo redeneeren wij, zijn helden als Oom Tom, vurige, edele, energieke naturen als een George Harris, echt vrouwelijke als eene Elisa en anderen, de gemiddelde producten der slavernij, en bovendien ook heeren als St. Glaire, de heer en mevrouw Shelby, en Evangeline, — dan is deze slavernij, hoe hard zij voor menigeen ook zijn moge, over het geheel een voortreffelijke instelling, want hare vruchten zijn goed: zij maakt menschen tot rechtschapen menschen, en wat wil men meer in dit arme leven ? Zijn deze figuren echter — zooals feitelijk het geval is — uiterst zeldzame uitzonderingen, dan heeft Mevr. Beecher-Stowe het recht niet, algemeene gevolgtrekkingen uit hen af te leiden; en daarom wordt haar boek met recht eenzijdig en onrechtvaardig genoemd. — Schilderen daarentegen Gh. Sealsfield en andere mannen, meestal met minder talent en hart dan de bovengenoemde
302
schrijfster, ons de toenmalige toestanden in de zuidelijke Staten, dan straalt ons uit hunne beschrijving zonder tendenz of pathos met vreeselijke klaarheid het feit toe, dat de slavernij de slaven e n de meesters zedelijk en geestelijk zóódanig te gronde richt, dat er met dit menschenmateriaal niets meer is aan te vangen; en uit deze grootte der ellende blijkt met onweerstaanbare logica de monsterachtige grootte der schuld.
En de geschiedenis heeft ons gelijk gegeven. Niet op éen dag en door een „Act of Congressquot; heeft God, deze wonderbare Paedagoog, aan deze millioenen slaven de vrijheid gegeven; maar door een vierjarigen oorlog, met al zijn jammer en ellende, met al zijne verschrikkingen en wreedaardigheden, heeft Hij allereerst de bezitters en de slaven tot eenige zelfstandigheid opgevoed. — En tóch!..... waar nü, zoo vragen wij, de duizenden edele Oom Toms, en tienduizenden intelligent vurige George Harris, waarop mevrouw Beecher-Stowe ons het vooruitzicht opende, zoodra men hunne boeien zou verbroken hebben ? Waar speelt de voortaan vrije neger thans een buitengewone, veelbeteekenende, wereldhistorische rol in Amerika? — Veeleer schreef (in 1894) een geloovig Christen, die hen reeds vóór den oorlog op katoenplantages gekend had: „Sedert de vele jaren der emancipatie heeft de neger geen geestelijke vorderingen gemaakt; Noachs vloek schijnt eeuwigdurend op hem te rustenquot;.
Schrijft de vrouw bij wijze van uitzondering eens niet over de liefde en ook niet met het hart, dan heeft haar boek, al is het ook nog zoo goed geschreven, gewoonlijk weinig waarde. Zoo beschrijft in de bekende „Reis met de Zonnestraalquot; de auteur vlug en vlot en sierlijk, hoe zij op een doelmatig en rijk ingericht, talrijk bemand en onder bevel van haar man varend stoom- en zeiljacht eene reis om de wereld doet. Daarbij ziet en geniet zij veel, waardoor haar boek een onderhoudenden
303
indruk maakt; maar aan \'t slot vraagt men zich toch af: Wat is tegenover zulk een massa tijd en geld en menschenkracht het daaraan beantwoordende resultaat? Waar is er ook maar éen uit zoovele aanrakingen met allerlei menschen en volken voortgevloeide ernstige leering, — waar eene bedoeling, die verder en hooger gaat dan de loutere zucht naar vermaak ? — Lady B. vindt het blijkbaar capital sport, rondom deze planeet een groote s h o p p i n g-t o u r te maken, waarbij haar man eenvoudig als reiscourier fungeert, onderweg hier eens dit en daar weer wat anders tot opsiering van haar boudoir te koopen, en aan allerlei ,p ar tiesquot; mede te doen, waarop zij gevierd en bewonderd wordt. Maar de totaal-indruk, dien zi] in haar boek op ons maakt, is die van een onbeduidende persoonlijkheid met een groolen voorraad welbehagelijk egoïsme. — Men vergelijke daarmede eens Pierre Loli\'s grootsche opvattingen in zijne reisbeschrijvingen, bijv. in „Le désertquot; en „La G a 1 i 1 éequot;.
Niet veel beters brengt de vrouw voort, wanneer zij, ook met de beste bedoelingen, godsdienstige en wijsgeerige vraagstukken wil behandelen. In het bekende boek „Robert Els-merequot; — wij kiezen zoo hier als elders buitenlandsche voorbeelden, om enkelen Duitschen schrijvers en schrijfsters, bijv. de auteur van „E rit is Si cut Deusquot; en anderen, niet te na te komen — lijdt na een schoon begin de begaafde schrijfster ten slotte jammerlijk schipbreuk op de zandbanken van een lafhartig rationalisme en een waterig philanthropisme, inplaats van met volle zeilen in de groote, veilige haven van het Bij-belsch geloof, dat de wereld en het critische ongeloof overwint, binnen te loopen. Want zoodra de vrouw met en over haar geloof begint te redeneeren, raakt zij nog veel spoediger dan de man den grond onder de voeten kwijt, verzeilt zij in stroomingen en draaikolken, en gaat zij reddeloos te gronde. — Of zij wil
304
in Ghristelijk-wijsgeerige theosophie gaan doen, en schrijft zulke prullen als mevrouw Blawatzky\'s werken, of als het boek „Christian Sciencequot;, waarvan in Amerika reeds de 92ste druk is verschenen.
* ♦
*
Dat bij zulk een ingrijpend contrast der geslachten zoowel de positie der vrouw in de wereld als hare levenstaak anders zullen zijn dan die van den man, is reeds a priori te verwachten. Wanneer God twee wezens lichamelijk en geestelijk zoo verschillend toerust, dan heeft Hij met elk hunner ook verschillende plannen en bedoelingen. — Ook is uit het dusver vastgestelde gemakkelijk af te leiden, in hoeverre de vrouwelijke levenstaak verschillen zal van de mannelijke. Moet de man met inspanning van al zijne spierkracht hinderpalen uit den weg ruimen, den akker beploegen, het ijzer smeden, huizen bouwen, en de weiten van het heelal opsporen, berekenen en daarop zijn eigen wetten gronden, — daarentegen moet de vrouw met hart en geest, zacht en teeder, en toch ook krachtig en diep, invloed oefenen op hare omgeving; zij moet opvoeden en verplegen en verzorgen, zij moet bekeeren en veredelen, waarschuwen en beschutten, troosten en bemoedigen.
Dewijl het hart alleen rechtstreeks en op personen door aanraking van hart tot hart werkt, zal heel haar doen iets persoonlijkers en on middellijkers dan dat van den man zijn, en zal het noch over een verren afstand, noch over een langen tijd werken; niet het verleden, niet de toekomst, maar het heden is haar gebied, en haar heden is de hoofdfactor harer werkzaamheid. En omdat het hoofd kennis, maar het hart mysterie is, zal het mysterie, het contrast en het onverklaarbare in het leven en doen der vrouw een grootere rol spelen, dan in het
305
leven en doen van den man. — Eindelijk, en zooals de natuur het in prachtige symboliek afbeeldt, dat, terwijl het des mans eere is, met een goed geweten het hoofd hoog en vrij te dragen, het hart der vrouw daarentegen diep in haar boezem zijn leven en kloppen en slaan verbergt, gelijk de apostel schijnbaar paradoxaal en toch waar en diepzinnig van de vrouw zegt: haar sieraad is de verborgen mensch des harten, zoo zal natuurlijkerwijze het doen des mans iets openbaars, dat der vrouw iets bijzonders en verborgens zijn. De openbaarheid doet der vrouw steeds nadeel. Of zij „op de plankenquot; optreedt, of in het openbaar spreekt, onderwijst of bidt, steeds verdwijnt al spoedig, evenals bij een in het marktstof uitgestalde bloem of vrucht de fijne geur, het zachte dons, als uitwendig kenteeken dat haar innerlijk leven schade lijdt; want zelfs de Kirgisen zeiden : „de blikken der menigte verslijten het gelaat der jonkvrouw.quot; Zij verliest het kostelijke aan de vrouw, den weeken, diepen, rijken blik en de zielvolle, inelodieuse stem, en ook in gang en houding komt een ongunstige verandering. „Alle edele zielen zijn schuchterquot;, heeft een Franschman reeds gezegd. En dat is dubbel waar van de vrouw. Kan en moet de man dikwijls deze schuchterheid der ziel overwinnen, die bij hem veel vaker voorkomt dan de vrouwen wel denken, — daarentegen is eene vrouw, die alle schuchterheid heeft afgelegd, een door en door onsympathieke verschijning, bij wie schier onvermijdelijk de den man goed staande zelfbewustheid in een overspannen, opgewonden of aanmatigend optreden ontaardt.
* *
*
Groot en grootsch, goddelijk en fundamenteel voor den man en voor de geheele menschheid zijn de levensplichten en levensbestemmingen der vrouw; zij zijn tegelijkertijd, evenals bij alle
20
306
menschen, hun ware rechten; zij zijn zoo groot, dat zi] al hare krachten in beslag nemen, en zóo schoon, dat wij mannen er haar om bewonderen en bijna zouden kunnen benijden.
De allereerste en voornaamste bestemming is de lichamelijke en geestelijke voorschepping van den mensch, de stoffelijke voortplanting der menschheid. Van deze der vrouw toevertrouwde taak, de door God gelegde kiem tot mensch te rijpen, hangt het voortbestaan der wereld en der menschheid af. Hoe diep en geheimzinnig zij is, zullen wij hier op aarde nooit doorgronden. In bewondering daarover noemde Adam zijne Eva: „de moeder aller levenden.quot; Is er op aarde wel een grooter wonder te vinden, dan deze gestadige voortbrenging van Gods beeld, en heeft het God zelf niet behaagd, in den maagdelijken schoot van Maria tot mensch te worden? Van oudsher, bijv. bij het volk Gods, maar ook bij alle natiën der oudheid, werd het moederschap door de echte vrouw als de hoogste plicht en waardigheid beschouwd; en hoeveel spot de menschen ook reeds over alles ter wereld hebben uitgegoten, het moedetschap en de moederliefde zijn hun ten allen lijde eerbiedwaardig, ja heilig geweest!
In vroeger tijden, toen de menschheid nog niet zooveel stof tot denken had verzameld, toen het leven eenvoudiger was, maar daarentegen en daarom de groote beginselen van het bestaan, de groote gedachten Gods, de groote omtrekken en lijnen en wetten des levens veel duidelijker uitkwamen, heerschte nog bij de vrouw het diepe bewustzijn, dat zij verleid was geworden en „de overtreding en daardoor den dood in de wereld had gebrachtquot;, — gelijk over \'t algemeen in de oudste en nog tot op onzen lijd bewaard gebleven geschriften der menschheid; de Veda\'s, de oud-Babylonische liederen, in Homerus en in de koren van Sophocles de diepe ernst van het schuldbesef en van de vreeselijke gerechtigheid Gods vaak op aangrijpende wijze wordt uitgedrukt. Daardoor ontstond bij de vrouw een gestadige be-
307
geerte en een pijnlijk verlangen, om deze schuld op een diepe, geheimzinnige wijze door het baren van kinderen weder goed te maken, eene moeder der levenden te zijn, met God aan de voortbrenging van levende zielen te arbeiden, en met Hem aan de verwezenlijking van zijn wereldplan mede te werken. „Geef mij zonen, of ik sterf!quot; roept Rachel uit. En hoe weent en bidt eene Hanna voor den Heere, totdat de smaad der kinderloosheid van haar genomen wordt! Zijn prachtige, door God gegeven vervulling vond dit verlangen in het baren, in en door de maagd Maria, van den Godmensch, den tweeden en waren Adam, die temidden van den dood weder het leven brengt. — Hoe ver zijn wij van deze groote en ware opvattingen afgedwaald! Hoe wordt tegenwoordig, zelfs door dezulken die voor Christenen willen doorgaan, do kinder q u a e s t i e(!) uit een louter mensche-lijk, materieel, oeconomisch, egoïstisch, vaak helaas, ook uit een letterlijk gemeen of wonderlijk verdwaasd oogpunt beschouwd, besproken en beslist! Deze blinden weten niet welke tijdelijke en eeuwige zegeningen zij lichtvaardig verwerpen, evenals Ezau zijn eerstgeboorterecht. Niets kan den mensch beter opvoeden dan het kind. Hier kan hij, als hij oogen heeft, al de wetten van het ontstaan en van het groeien van lichaam, ziel en geest be-studeeren, en in den prachtigen cirkelgang ook datgene opmerken, waartoe hij weder worden moet. — „Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan !quot;
De wereld kan zonder den staat, maar niet zonder het huisgezin bestaan; en de grondzuil van het huisgezin is de vrouw: zonder haar is de staat, maar niet het huisgezin denkbaar. Hoe groot en gewichtig de verplichtingen en bestemmingen van het huisgezin zijn, behoeven wij hier niet te bewijzen. Maar op éen punt wenschen wij toch de aandacht te vestigen. De statistiek toont aan, dat de helft der menschen vóór het zevende jaar
308
sterft. Zeggen wij, om volkomen zekerheid te hebben, voor het tiende. Dus een geheele helft der menschheid leeft slechts als kind, sterft als kind, treedt met haar kinderlijke indrukken de eeuwigheid binnen! Van deze helft de lichamelijke en geestelijke verzorging op eenigerlei wijze te verkorten, staal gelijk met op nooit weer goed te maken wijze de rechten van de helft aller inenschen te schenden. Hoe nemen zij uit dat oogpunt dus lot in het reusachtige loe, de taak en de verantwoordelijkheid der vrouw, deze wachteres aan de poort des levens, deze bewaakster en verzorgster van deze kleine majesteiten en lievelingen Gods en plantingen van hel Paradijs! — Want de vrouw staal tot het kind, deze geenszins in de hoofdzaak onvoltooide mensch, maar evenzoo een eigen type der menschheid, evenals de vrouw tegenover den man, in nadere betrekking; zij is er nader aan verwant dan de man, en daarom komt het haar in de eerste plaats toe, zoowel deze kleine lichamen als deze jeugdige zielen le verzorgen, en hun zoowel de lichaams- als de zielemelk tce te dienen. En hoeveel groole en niet groote mannen schrijven heel hunne levensrichting aan deze geestelijke moedermelk loe? — „De zedelijke opvoeding van den menschquot;, schrijft Jos. de Maistre, „is misschien met het tiende jaar voltooid; en geschiedt zij niel op den schoot der moeder, dan is dat een groot ongeluk voor het kind; niets kan deze moederlijke opvoeding vervangenquot;. — Ook wij beschouwen deze opvoeding door de moeder en door hel huisgezin tot hel tiende jaar als gewichtiger, fun-damenleeler en duurzamer dan de latere van het gymnasium en de hoogeschool. — Zoo rust op de schouders der vrouw hel grootste gedeelte der taak, de eene helft der menschheid lol den hemel voor le bereiden, en aan de andere helft in haar aanvang schatten van lichamelijke en geestelijke kracht en gezondheid mede le geven, waarvan, zooals de ouden zeer wel inzagen, hel welzijn en de kracht der natie afhangen. — Hel
309
is iets ergers dan kortzichtigheid, zulke plichten licht en luchtig op te vatten, en verachtelijk over een „poppenkraamquot; te spreken. Even goed zou men kunnen beweren, dat alleen het ploegen en het oogsten ernstig opgevat behooren te worden, maar dat hel zaaien en de keuze van het zaad een onwaardig en kinderachtig bedrijf voor den echten mensch is. Wij zeggen veeleer: Voor het kind is het beste juist goed genoeg! En hoe loonend is deze taak! Met welk eene innigheid en begeerte, met welk een rotsvast geloof, hangt het kind aan de lippen der moeder! Hoe dankbaar is het, in \'t gevoel zijner hulpeloosheid, voor de hem verstrekte hulp; hoe vol liefde en vereering is zijn hartje voor zijne moeder, en welk eene wanhoop en radeloosheid, wanneer hij haar ook slechts voor korten tijd moet missen! Waarlijk, zulk een trouwe en reine liefde is in een zoo liefde-arme wereld niet gering te achten, — evenmin als zulk een voor al het ware rijke, ontvankelijke, vruchtbare bodem tegenover den harden, rotsigen en dorren grond, waarop wij mannen later meestal moeten ploegen en zaaien.
Evenals elke taak, die van een middelpunt uitgaat, zich in concentrische kringen verbreedt en verruimt, zoo ook deze. De vrouw die aan het kind van hare kindsheid af geleerd heeft, wat een kind is, en hoe deze teedere, rijke en grootsche natuur moet opgevat worden, verkrijgt daardoor het vermogen en het recht om ook het kind in \'t algemeen op te voeden. Daaruit blijkt ook verder hare roeping voor de school, als uitbreiding van het huisgezin opgevat. — Toch moet de vrouw het ook daaromtrent met zichzelve eens zijn, waar deze taak en het daartoe geldende recht ophouden. De onderwijzeres is bij het kind op haar plaats, zoolang het geestelijk geslachtsonder-scheid nog niet op den voorgrond treedt. Maar zij is niet meer voldoende voor den knaap, zoodra hij zich voor het mannelijk leven moet voorbereiden. Dat de onderwijzeres ten opzichte van
310
plichtsbetrachting, opoffering en kinderliefde minstens met den onderwijzer gelijkstaat, — dit tegen te spreken komt geen oogen-blik in ons op; het meisje, de jongedochter, zal zij steeds als trouwe raadgeefster mogen begeleiden; maar van \'s meisjes twaalfde jaar af, is de onderwijzeres niet meer voldoende, noch voor haar uitsluitend onderwijs, noch voor hare opvoeding. Want meestal wordt zij door de leerstof, door de methode en het leerboek min of meer beheerscht; meermalen wankelt zij tusschen een angstvallige, pedante opvolging van het leerboek en een woordenrijke verwatering der leerstof; terwijl de onderwijzer, wanneer hij is wat hij zijn moet, alle drie in zijne macht heeft en de beide laatstgenoemde missen, of ze steeds uit zichzelven nieuw scheppen kan. Het vrouwelijk onderwijs is derhalve slechts zoo lang voldoende, als de leerlinge zich de leerstof meer mechanisch moet eigen maken, en er zich door moet laten beheer-schen. Zoodra zij, wat toch bet einddoel van het onderwijs is, leeren moet, bijv. op het gebied van de moedertaal, de letterkunde of den godsdienst, zelf de leerstof te beheerschen, heeft bet meisje een onderwijzer noodig. — Ook hier is de natuur de wet. — Zij bepaalt, dat een meisje door moeder en vader tege-lijkertijd moet opgevoed worden. God beware onze zonen voor echtgenooten, die alleen door vrouwen, maar evenzoo voor dezulken, die alleen door mannen zijn opgevoed! Want beide geslachten moeten harmonisch samenwerken. Op den leeftijd van zes tot zestien jaar, in die opgewonden „dwaal-, zwerf- en vlegeljarenquot;, waarin het haar zoozeer aan lichamelijke en geestelijke kalmte ontbreekt, waarin zij zoo groote behoefte aan de wet beeft, moet het meisje de standvastige, bedaarde, mannelijke leiding bij hare opvoeding en haar onderwijs hebben, zooals dan ook juist op dezen leeftijd door begaafde en vlijtige leerlingen aan het mannelijk onderwijs beslist de voorkeur werd gegeven. Daardoor is echter volstrekt niet uitgesloten, dat op meisjes-
311
scholen voor uitgebreid lager onderwijs en op hoogere-burger-scholen voor meisjes grondig ontwikkelde en karaktervaste onderwijzeressen als klassen-gouvernantes orde en tucht, goeden toon en aangename manieren, en in \'t algemeen een echt vrouwelijke atmosfeer verspreiden, en ook nauwlettend en bij wijze van repetitie de uitvoering dor opgegeven werkzaamheden toeziend en helpend leiden.
De mogelijke gevolgtrekking, dal knapen ook gedeeltelijk van onderwijzeressen onderricht en opvoeding mogen ontvangen, is onlogisch. Want het meisje krijgt tehuis een vrouwelijke opvoeding, en wordt daar bijna angstvallig aan allen mannelijken invloed onttrokken. Komt daar nu nog een enkel vrouwelijke school bij, dan vereenigen zich in haar vrouwelijke deugden, maar óok vrouwelijke gebreken. De knaap daarentegen, die evenzoo tehuis door moeder, tantes en zusters voldoende opgekweekt en opgevoed wordt, heeft bij wijze van tegenwicht de uitsluitend mannelijke opvoeding in de school noodig, die voor hem, niet als voor het meisje eene uitbreiding van het huisgezin, maar een voorbeeld van den staat moet zijn. Niet alleen de leerstof en hare behandeling, maar ook de paedagogische opvatting moet bij hem anders zijn, — waarom dan ook de Amerikaansche gezamenlijke opvoeding a priori mislukt is.
Met de kinderverzorging is ook de verpleging van alle zieken en zwakken, naar geest en ziele lijdenden, het troosten van alle weenenden, en de weldadigheid jegens alle armen verbonden. Welk een schoone, aan Christus\' zegenend weldoen op aarde herinnerende taak!
Hoe deze taak, van het huisgezin en de verpleging der familieleden uitgaande, zich voor de vrouw overvloedig vertakt tot in de zolderkamertjes der veriatenen en de ziekenhuizen der wereldstad en op de slagvelden, wordt tegenwoordig met steeds toenemende dankbaarheid erkend, en vormt een natuurlijk beroep
312
voor vele dier vrouwen, wien God geen eigen huis heeft gegeven. Maar ook hier vooral geen te ver gedreven beroeps- of dienstijver! Zoodra de vrouw te zeer volgens officieele en wetenschappelijke sleurmodellen arbeidt, is de fijne geur van haar doen af! Over de socialistische machinaalmaking der weldadigheid en der menschenliefde kan men zich slechts bedroeven: God zij den kinderen en zieken der toekomstkazerne genadig!
Zooals vanzelf spreekt, moet deze verpleging des lichaams ook met die der ziel gepaard gaan, en wel op zoodanige wijze, dat heel deze vrouwenarbeid door de Christelijke liefde gedragen moet worden. Dan zal haar werk ook een Christelijken invloed uitoefenen, wanneer het met bescheidenheid en edele matiging verricht wordt. Want alle op- en indringende propaganda slaat voor eene vrouw al dubbel leelijk. — Hoe voortreffelijk de vrouw voor deze werkzaamheden geschikt is, en wat zij op dit gebied reeds tot stand heeft gebracht, behoeft hier niet nader in het licht gesteld te worden. Daarom is dan ook de beste ziekenverpleger ternauwernood met de eenvoudigste diakones te vergelijken. Evenzoo is het een noodzakelijk vereischte voor de verpleging van kinderen en zieken, voor het aanknoopen en onderhouden van een geestelijke betrekking met hen, dat de vrouw niet op mannelijke, pedant redeneerende, wetenschappelijk deductieve, strenge gevolgtrekkingen makende manier en wijze denkt en leeft, maar dat zij aanschouwelijk en rechtstreeks en omtrent menschen en dingen oogenblikkelijke, frissche en opgewekte, steeds wisselende indrukken ontvangt en mededeelt. Geen enkele zieke heeft lust of vatbaarheid om naar een logisch redeneerend vertoog te luisteren.
313
Een tweede, wel stoffelijke, maar toch ook voor de welvaart zoowel van het individu als van de staten fundamenteele werkzaamheid der vrouw is hel haar door de natuur toebedeelde, diep met haar wezen samenhangende huishouden, het bijeen doen blijven en beheeren, het wijselijk verdeelen en spaarzaam uitgeven van wat de man verdiend heeft. Hoe slecht de man daartoe instaat is, ziet men aan soldaten en zeelieden, wanneer zij hun door maanden- en jarenlange ontberingen verdiende soldij in handen krijgen. De man alleen is in den regel een gierigaard of een verkwister; hij rekent er op, dat hij het altijd wel weer terugverdienen kan, of hij zou reusachtige sommen willen opstapelen.
De vrouw is er om het „verloren gaanquot; te voorkomen; zij moet de rol van die weldadige plantjes en mossoorten spelen, die langs de berghellingen de regendruppels opzamelen en ze beletten om zich in overstelpende en verwoestende bergstroomen uit te storten en verloren te gaan. Zonder de vrouw zou de menschheid telkens weder failliet gaan.
De huishouding en de voedingsquaestie liggen ons nader aan \'t hart, gaan ons meer rechtstreeks aan en zijn gewichtiger voor ons, dan de politieke en de defensie-quaestie, en men zou er werkelijk van schrikken, als men de honderden millioenen guldens eens bij elkaêr kon zien, die er elk jaar verloren gaan, en de duizenden ziekten en de benadeeling der algemeene gezondheid, die jaar op jaar door onverstandige inkoopen, slechte toebereiding der spijzen en verwaarloozing der overschotten veroorzaakt worden. — Zooals wij hierboven gezien hebben, schenkt God ons alle jaren honderden millioenen ponden koren, rijst, maïs, thee, koffie, cacao en ontelbare hoeveelheden aardappelen, groenten en vruchten, en ook wijn en mosl. Dat zijn de provisiën uit zijn voorraadschuur, en daarover heeft Hij de vrouw tot rentmeeste-resse aangesteld. Zij moet ze met beleid en verstand beheeren;
314
zij moet „de huisgenoolen uitlokken om zich neder te zetten en te blijven tafelenquot; (zonder de vrouw geen geregelde huishoudelijke tnaallijden); zij moet verder zorgen, „dat zij allen eten en verzadigd wordenquot;; ten derde moet zij er acht op geven, dat „do overgeschoten brokkenquot; verzameld worden, „opdat er niets verloren gaquot;, — en wanneer Gods zegen er op rust, zullen het twaalf korven vol zijn. Is het een geringe, of zelfs verachtelijke taak, krachtens opdracht van den Heere God het dagelijksch brood dagelijks uit te deelen?
Deze werkzaamheid der vrouw in de huishouding is even noodzakelijk, nuttig en uit dien hoofde achtenswaardig, als die van den bankier, den ingenieur of den officier, — ja, zij is eigenlijk onmisbaarder. En nu dit werk dus eenmaal gebeuren moet, waarom zou het niet met bekwaamheid, vlijt en liefde door vrouwen verricht worden? Waarom zou de vrouw niet haar trots en haar eer stellen in de opgewekte, blijmoedige en godvruchtige vervulling dezer taak? — Waarom zou zij niet haar man daarin en daarmede willen dienen, die toch ook haar dient, wanneer hij dag aan dag in zijn studeerkamer of op zijn kantoor, op het veld of in de werkplaats met vaak nog veel eentoniger werk en zwaarder inspanning het geld voor de huishouding bijeenbrengt? — Dat niet te willen, is hoogmoedige zelfzucht. Want dienen is iets schoons en iets loonends, iets dat dankbaarheid, achting en eerbied afdwingt, dat aanzien en gezag verleent. Zoo heeft Bismarck Duitschland gediend; zoo dienl de soldaat zijn vaderland, de predikant zijne gemeente, de onderwijzer zijne leerlingen.
Met de huishoudquaestie staat de kleedingquaestie in nauw verband. Ook hier is aan de vrouw het beheer der millioenen centenaars vlas, linnen, katoen, wol en zijde toevertrouwd, die God jaar aan jaar voor ons doet groeien. Zij kan daarvan vee! ijdelheid en veel dwaasheid weven en naaien, tot begeerlijkheid
315
des vleesches en begeerlijkheid der oogen eu grootschheid des levens voor zichzelve en voor anderen, want zij geeft den toon aan op het gebied der mode, — of zij kan er een doelmatig en smaakvol gebruik van maken. En evenzoo bij het meubileeren, stoffeeren en versieren van haar huis. Ook hier is de stille werkzaamheid der vrouw van groot belang. Veel gewichtiger en beslissender dan het archilectonische uiterlijk, is voor het welzijn en de gezelligheid van een huis, voor het goed humeur, de opgeruimdheid en het levensgeluk der bewoners van een huis de prettige, zindelijke, aantrekkelijke inrichting, stoffeering en verzorging door de vrouw. Het is een van de verplichtingen der vrouw, een eenvoudige, kuische, lieflijke schoonheid rondom zich te verspreiden. Want de schoonheidszin is iets goddelijks, en de ware smaak is onafscheidelijk van een diep en teeder innerlijk leven.
Daaruit vloeit de verdere verplichting voort, om in den kring-van het huisgezin den juisten en rechten invloed te oefenen. Vertegenwoordigt de vader de wet en het gezag, de vrouw moet binnen de grenzen dezer wel deze beginselen vruchtbaar maken, ze in het dagelijksch leven overbrengen, en ze met al den tact en de liefde der vrouw toepassen, — en daardoor den waren toon in het huisgezin aangeven. Wie kan afmeten, hoe ver de kracht reikt van dien dagelijkschen, onophoudelijken invloed ! Hoe doet bij het binnentreden van een huis die invloed zich reeds gevoelen, en onzichtbaar doordringt hij de wanden, de meubelen, de spijzen, de keuken en de huis- en de slaapkamer, het dienstmeisje en de kinderen. Hoeveel huisgezinnen heeft hij reeds ongelukkig gemaakt en te gronde gericht! — maar ook: hoevelen een stil geluk bereid en op den rechten weg doen blijven!
Maar het huisgezin bestaat niet enkel en alleen voor zichzelf. Als eene stad op den berg en als eene kaars op den kandelaar werkt het op zijne omgeving, en is het met haar door bezoeken
310
en gasten en door de banden van het gezellige leven in \'t algemeen verbonden. Een verdere werking van het huisgezin naar buiten is, een middelpunt en eene centraalzon te zijn, waarvan welwillendheid en weldadigheid en de wetten van een zedelijken en zedigen, hart en geest verfrisschenden omgang uitstralen. Der vrouw is het gegeven, door hare inwerking, ja door hare tegenwoordigheid alleen, harmonie, fatsoen, orde en tucht en goede zeden te scheppen en te handhaven, en — evenals de bloem — een hoofdbestanddeel van de vreugde en de schoonheid in het menschenleven te zijn. Zonder de vrouw is er geen sprake van fatsoen of van goede zeden, ja bijna niet van zedelijkheid. — Terecht zegt Goethe in een zijner rijmlooze verzen (T a s s o, tweede bedrijf):
Wilt gij nauwkeurig weten, wat betaamt.
Richt dan tot eedle vrouwen uwe vraag, —
Want haar is er het meeste aan gelegen.
Dat alles wel betame, wat geschiedt.
En wilt gij \'t aan de beide seksen vragen:
„Naar vrijheid streeft de man; de vrouw naar goede zeden !quot;
Wij overdrijven tegenwoordig in velerlei opzichten de betee-kenis van ons doen, en begrijpen te weinig de beteekenis van ons zijn. Het licht straalt, het water kabbelt, de wind blaast, het edelgesteente en de parel en de bloem zijn schoon, en de vrucht is goed, ook zonder dat men haar bewondert of proeft. Het meisje en de vrouw zijn schoon, evenals het kind en de bloem, door haar bestaan, louter door hare tegenwoordigheid, ook zonder woord of daad tóch eene weldaad. Van de teedere, als eene Aeolusharp bij den minsten ademtocht medeklinkende, bij ruwe aanraking ineenkrimpende vrouwenziel gaan, liefst zonder dat zij er zich bewust van is, imponderabiliën (onweegbare dingen) uit, die hare omgeving doorgeuren, ja, zoo de vrouw rein is, die omgeving dynamisch beheerschen. — En door dit
317
alles is de vrouw, die haar huiselijken kring tot een warm beschuttend en beschermend dak, tot het gezellige en aantrekkelijke „huis en haardquot; der haren heeft gemaakt, bekwaam en gerechtigd om haar weldadigen invloed ook tot de maatschappelijke kringen uit te breiden. Hier, in een op de schoone en harmonische ontmoeting der geslachten gegrondveste maatschappij — al blijft er in dit opzicht ook tegenwoordig nog veel te wenschen — moet de vrouw met haar deelnemende belangstelling in en haar invloeJ op alle de menschheid interesseerende vraagstukken en quaestiën optreden. Van hier uit kan zij er ver-zedelijkend op inwerken. — Want de vrouw geeft middellijkerwijze den toon in het leven van een volk aan; zij regelt de wetten van den omgang, van de maatschappij, van het gezellige verkeer; zij geeft volgens haar onbewusten symbolischen aanleg de mode en de modes aan, overeenkomstig de taal en de geschiedenis, den volkssmaak en zijne individualiteit; zij heeft het Gretchen-kostuum en de oud-Duitsche huiskamer geschapen ; zij zorgt door de veranderlijkheid dezer modes voor gestadige opwekking, voor steeds nieuwe uitwendige vormen van het volkskarakter. Kortom, zij brengt smaak en voorname gratie tevoorschijn waar de man zwaartillend, doctrinair en theoretisch verkondigt en vaststelt. — Welk een ten deele voortreffelijken invloed heeft niet de Fransche salon, deze vrouwenschepping, reeds van den tijd der „Précieusesquot; af, op der Franschen geest en karakter, op taal, litteratuur, zeden en gewoonten, en zelfs op de staatkunde en de geschiedenis des lands uitgeoefend! — Mochten alle vrouwen met dergelijke vastberadenheid en fijnen tact haar huis hoe langer hoe meer tot het middelpunt van een intellectueel, gezond zedel\'jk, smaak-vol, voor al het goede, ware en schoone ontvankelijke leven maken, waarin een ieder niet alleen volgens zijn titel en zijn maatschappelijke positie, maar volgens zijn echte waarde geschat en genoten wordt.
318
Kunst wil gunst! Zelfs in de wetenschap — dat hebben groole geleerden als Tyndall volmondig erkend — is de dilettant even noodzakelijk, als de kunstliefhebber in de kunst. Der mannen is de kunst, der vrouwen is de gunst.
Maar menige vrouw, zoo klaagt men, kwijnt geestelijk weg onder de altoosdurende, onbeduidende beslommeringen van het huishouden, onder het afstoffen harer meubelen, onder het strijken en naaien en verstellen, de spil waarom zich heel haar leven beweegt! — Zeer zeker, evenals zoo menig man op zijn kantoor en zijn bureau. — Wie geen hooger leven en geen intellectueele belangstelling in en met zich omdraagt, en niet bij zijn dagelijkschen arbeid ook nog geestelijk brood voor zichzelf en de zijnen weet te verkrijgen en uit Gods Woord te halen, — wie, niet door den Geest Gods verlicht, uit zijn arme hoofd en uit het op zichzelf armoedig en onbeduidend alledaagsche zijne wereld en zijn leven gebrekkig en nietig genoeg tracht cp te bouwen, verdort en verwelkt geestelijk, onverschillig of hij het doet aan de bankschroef, of aan de bier-, of de kantoor-, of de studeertafel, aan de waschlobbe of aan de naaimachine, of op het bal, op de soirée of in den schouwburg, of onder het uitspreken van een al is het ook nog zoo doorwrochte rede.
Eindelijk valt der vrouw een weinig opgemerkte, weinig be-grepene en gewaardeerde en toch hoogst gewichtige taak ten deel: die taak welke de Bijbel onder het „in stilheid zijnquot; verstaat. Evenals een uit louter zuurstof bestaande atmosfeer ons spoedig verteren zou, en de stikstof dienst moet doen om de zuurstof te neutraliseeren en tot rust te brengen, zoo ook de vrouw in haar passieve rol bij de meer en meer koortsachtige
319
en afmattende werkzaamheid van den man, het hoe langer hoe feller en persoonlijker strijden en concurreeren op industrieel, wetenschappelijk, sociaal, politiek en religieus gebied. Het is van de hoogste waarde voor de geheele menschheid, dat de vrouw, inplaats van aan het wiel van den reeds te snel rollenden wagen mede te duwen, als een weldadige regulator en kalmeerende rem werkt, en dat zij met haar rustige en vreedzame v i s i n e r t i a e post vat tegenover de onophoudelijke uitvindingen, den zichzelf omver loopenden vooruitgang, de koortsachtige gejaagdheid bij het zoeken naar de nieuwe en nieuwste nieuwigheden. — En zij is instaat en bij machte om dat te doen, doordien zij de eerste en laatste taak van elk schepsel vervult, namelijk: voor God te staan en te bestaan zooals Hij het geschapen heeft. Elk bestaand wezen heeft ons iets te zeggen, zeiden wij boven reeds; elke vrouw, die bestaat zooals God wil dat zij is, werkt reeds enkel en alleen door het feit barer aanwezigheid. De onbewuste prediking is altijd de beste, de ongezochte taak is altijd de ware, de onwillekeurige daad is altijd de invloedrijkste. Maar wanneer de vrouw — inplaats van den man tot rust te brengen, hem kalmer te stemmen en voor verdere worstelingen te sterken door tehuis met belangstelling zijn wrevelige klachten aan te hooren en onder de heftige uitbarstingen van zijn ongeduld steeds kalm en geduldig te blijven, evenals een stil, donkerblauw meer tegenover den toornig bruisenden bergstroom, — óok naar helm en speer grijpt, en met haar persoonlijke indrukken, hare vooringenomenheid, hare hartstochten en luimen in het worstelperk afdaalt, — wanneer zij, inplaats van conservatief, zooals God haar geschapen heeft, liberaal en geavanceerd wordt, dan ontkomt de menschheid nooit meer aan de veranderingen en de wisselvalligheden, aan den strijd, aan de verwarringen, aan de revolutiën! — De vrouw oefent den weldadigsten en gezegendsten invloed op wetenschap.
320
staatkunde en kerk, wanneer zij zich niet met den strijd over die onderwerpen inlaat.
Want prachtig en doelmatig heeft God zijne wereld ingericht, toen Hij door de schepping der vrouw de menschheid in twee, elkaêr harmonisch aanvullende helften verdeelde. De eene moet doen, en de andere moet zijn; de eene moet spreken, en de andere hooren ; de eene voort- en medeslepen, en de andere volgen ; de eene uitvinden, en de andere gebruiken; de eene moet vooruitsnellen, en de andere wachten; de eene planten, en de andere de vruchten en de bloemen begieten; de eene moet het huis bouwen, en de andere het verfraaien, Wij mannen moeten het heden onzer kinderen beschermen en met Gods hulp voor hunne toekomst den weg banen; de vrouw moet ze op haar schoot groot doen worden. — Zij heerscht op de soirée, wij in de politieke clubs en kiesvereenigingen en in de gemeenteraadszittingen; zij in de kinderkamer, wij op het gymnasium; zij over linnengoed en kleederen, wij over fabrieken en weverijen; zij in de keuken, wij in het laboratorium ; zij in de ziekenkamer, wij in de wetenschappelijke geneeskunde en chirurgie. Aan ons den staat, aan haar liet huisgezin en het gezelschap te regeeren. Vergelijkt men beider rijksgebied, dan wint het vrouwelijke aan belangrijkheid en intensiteit, wat het aan uitgebreidheid schijnbaar verliest. Het huisgezin is van grooter gewicht dan de staat, de keuken is belangrijker dan het laboratorium, de inwendige inrichting van het huis belangrijker dan de bouw er van, de moederlijke en de huiselijke opvoeding belangrijker dan het gymnasium. De kleeder- en de linnengoed-quaestie, het beheer en de toebereiding van eten en drinken, zijn er van oudsher steeds geweest, lang vóór de stoomweverijen;
321
en eveuzoo was de ziekenverpleging er vóór de gedesinfecteerde-ziekenhuizen en het heilserum. Ook de gezellige toon en de goede smaak, de in het gezin heerschende zeden en gewoonten, die zich onder den dagelijkschen invloed der vrouw ontwikkelen, beheerschen het leven evenzeer als alle politieke beraadslagingen. Dit besturen en bestieren aan den huiselijken haard is fundamenteeler voor de menschheid, dan handel en nijverheid, kunst en wetenschap.
Op ons mannen rust de plicht, den grooten levensstrijd te strijden; op haar de plicht om olie en wijn in de wonden te gieten; ons deel is het strenge, onverbiddelijke bevel, de vreese-lijke logica der feiten en der cijfers; haar deel is het geduldige, zachte, troostende, vervroolijkende woord. Aan ons de taak, in de gemeente de rechte leer te verkondigen; aan haar de taak, de heiligen gastvrij te dienen. En daarom zeggen wij, en wij zeggen het gaarne: Wat do grootte en het gewicht harer levenstaak betreft, en de geschiktheid om die taak te vervullen, is de vrouw de evenknie van den man.
Deze verplichtingen der vrouw zijn groot, omdat zij zwaar zijn. Er is waarlijk iets toe noodig, om dag aan dag, jaar aan jaar, zooals duizenden brave vrouwen ook onder het volk doen, onverdroten en gewillig aan den dagelijkschen arbeid te gaan; na half en geheel aan het kinderziekbed doorwaakte nachten reeds vroegtijdig weer voor man en kinderen te zorgen; misschien door kiespijn en andere kwalen bemoeilijkt, de telkens weer gescheurde broeken telkens weer te lappen, het telkens weer noodige eten zorgvuldig gereed te maken; daarbij altijd zuinig te moeten zijn, en toch nooit den moed te verliezen, maar altijd opgeruimd en vriendelijk en geduldig met man en kinderen te zijn en te blijven. — Den hoed af voor zulke vrouwen! Haar loon zal eenmaal groot zijn in den hemel!
Deze werkzaamheden der vrouw zijn schoon, belangwekkend,
322
aantrekkelijk en van eeuwigblijvende waarde, wanneer zij in de vreeze Gods door eene Christin verricht worden; maar zij zijn vergankelijk en nietig, klein en vervelend, wanneer zij — terwille van de wereld — door dochteren der wereld worden gedaan.
Ook van deze verplichtingen en werkzaamheden der vrouw, evenals van andere, kan men zeggen: de wereld is er vol van voor hen, die oogen hebben om ze te zien. Te klagen dat men geen levenstaak heeft en er ook geen vinden kan, staat gelijk met te beweren, dat men reeds alles heeft geleerd, alles onderzocht, alles bezien heeft; dat men met God en de wereld en zichzelven gereed is; dat men tot geen verbetering, geen groei en geen heiliging meer instaat is; dat do wereld reeds vo] liefde, troost en goedheid is ; dat zij geen behoefte meer heeft aan het getuigenis der waarheid, aan het voorbeeld van ootmoed en geloof, aan daden van barmhartigheid en zelfverloochening; dat er nergens meer zwakken, ongetroosten, weenenden en onwetenden zijn !
Ook van deze werkzaamheden kan men zeggen : ziet gij een mensch, die geringschattend over zijn werkkring spreekt en er zich te goed voor acht, onverschillig of eene keukenmeid haar koken te licht opneemt, of een generaal er van spreekt, hoe hij een promenade militaire naar de vijandelijke hoofdstad wil maken, — dan hebt gij een knoeier voor u, en al droegt gij hem ook nóg zulke hooge en grootsche dingen op, dan zou hij ook deze toch verknoeien. Het kenmerk van den waren mensch is, dat hij zijne plichten en werkzaamheden nooit te laag schat, ja dat hij veeleer zichzelven te gering acht tegenover deze plichten.
Ook van deze dingen is het eene waarheid, dat slechts hij instaat is om er over te oordeelen, die ze volbracht heeft. Wilt gij er een goed oordeel over hooren, vraag het dan aan de huisvrouwen, echtgenooten en moeders, die gedurende een lang leven
323
haar huis goed geregeerd hebben, haar man trouw hebben liefgehad, hare kinderen goed opgevoed en de weldadigheid beoefend hebben, en in deze plichtsbetrachting het loon voor haar arbeid en hare trouw vonden, en zich daardoor den eerbied en den dank van alle mannen verwierven, bij wie het hart op de rechte plaats zit. — Maar de vrouw die niet met hare dienstbode en haar onopgevoede kinderen overweg kan, is onbekwaam voor de uitoefening van staatkundige rechten ; zij, die het beneden hare waardigheid acht haar huishouden stipt, spaarzaam en doelmatig te besturen, moet niet over het beheer en de finantiën van de stad en den staat medespreken; de vrouw die de verzorging harer kinderen als een te geringe taak beschouwt, heeft het recht niet om over opvoeding te spreken en in schoolcommissies zitting te nemen; zij, die haar man zoo weinig voldoet, dat hij van haar of zij van hem wegloopt, mag zich niet aanmatigen, de vrouwen aangaande haar huwelijksplichten en rechten te onderrichten; en zij eindelijk, die door God niet met een man en niet met kinderen bedeeld is, mag zich wel dubbel in acht nemen ora een oordeel uit te spreken over levenstoestanden, die zij niet uit eigen ervaring heeft leeren kennen.
Maar zegt eene vrouw nu, dat zij het een met het ander wil verbinden: de heilige, kuische, ernstige bezorging van het gezinsleven, dat slechts in de stilte tot bloei en ontwikkeling komt, met de netelige publieke en politieke werkzaamheid, dan vertrouwt zij te veel op hare krachten en gaven. Geen vrouw heeft het nog ooit zoover gebracht, beide te vereenigen ; geen vrouw zal het ooit zoover brengen, voor haar man en hare kinderen, hare ouders en broeders en zusters, hare familieleden en hare omgeving datgene te zijn, wat zij voor hen zijn moet, en bovendien in het openbare leven, in de staatkundige en de kerkelijke wereld eene rol te spelen. De vrouw kan het minst, zoowel in de liefde als elders, twee heeren dienen.
324
Hoe schoon daarentegen deze drie door God geschapen typen, wanneer zij samen in duidelijk belijnd verschil en toch in schoone eendracht en heerlijke liefde verbonden, het huisgezin vormen! Hoe staan zij daar als prachtige tegenstellingen, en trekken zij elkaèr toch prachtig en onweerstaanbaar aan! De vader is de wet, de moeder is de liefde, en het kind is de bloesem, de bloem, verheugd en verrukt, eer het tot vrucht rijpt, die, zich van den stam losmakend, zich tot het hoofd van een nieuw huisgezin ontwikkelt. Hoe schoon deze harmonische wetten van het zijn! — Welk een schoonen klank heeft in alle talen het woord; een man, mannelijk, mannelijkheid; hoe lieflijk klinkt: echte vrouwelijkheid; wat ligt er al niet in den naam; kind! — Hoe hebben van oudsher reeds de natuurvolken, en daarna de ernstige, sterke volken der oudheid dit gezin steeds heilig gehouden, en elke aanranding zijner rechten, elke schending zijner plichten onverbiddelijk gestraft. Wat hooge beteekenis hechtten zij aan het door de wet omschreven en begrensde gezag des vaders, aan de waardigheid en de reinheid der vrouw, w;er beleediging als eene doodzonde beschouwd werd, en zoo ook aan de onverbreekbaarheid van het huwelijk, die eerste Romeinen, onder wie er, naar men verzekert, driehonderd jaar lang geen echtbreuk en geen echtscheiding is voorgekomen! Hoe streng werd er gehoorzaamheid van het kind geëischt, en hoe zorgvuldig werd het in zijne plichten jegens de goden, zijne ouders en den staat onderwezen! — En hoe staat het met dit alles tegenwoordig bij ons, Christelijke volken? — Wee onzer ten dage des gerichts! De heidenen zullen legen ons optreden en ons veroordeelen.
Vroeger rezen er met do zon in het oosten bij de menschbeid groote, zonnige en als zonnen stralende ideeën op, die met de zon tot ons kwamen. Thans doemen er in het westen zwarte wolken op. die langzamerhand over Duitschland heendrijven en zich in de steppen van Rusland of van Tartarije verliezen, voorshands nog zonder China te bereiken. — Hoe langer hoe scherper waait uit het westen de wind van het feminisme, die wel eens spoedig ook voor Duitschland tot een matigen storm zou kunnen aanzwellen. — Met dezen in het buitenland, bijv. te Parijs, alom bekenden naam, die echter in Duitschland nog geen burgerrecht verkregen heeft, wordt het totaal van het emancipatiestreven bedoeld, dat — krachtens het dogma van de gelijkheid der geslachten — hun volkomen gelijkstelling verlangt; dat dus voor de vrouw denzelfden rechtstoestand, dezelfde maatschappelijke en kerkelijke positie, dezelfde staatkundige en burgerlijke rechten als voor den man eischt; een medespreken en medewerken op alle plaatsen en bij alle gelegenheden: in den Rijksdag zoowel als in de Kamers, in de wetgevende en gelden toekennende lichamen, in de binnenlandsche en de buitenlandsche politiek, in de admiraliteit en bij den generalen staf, in de sj\'no-des en kerkeraden en schoolbesturen, op den katheder en op den kansel; — zoo zijn er immers reeds in Amerika vrouwelijke
326
advocaten (de taal heeft nog geen woorden voor deze dingen), directrices van theologische scholen voor mannen, en een menigte vrouwelijke predikanten (haar aantal is gedurende de laalste vijf jaren van 720 tot 1235 gestegen), ook dames, in een keurig kerkelijk toiletje, die aanzienlijke tractementen onl vangen!
De besliste en consequente aanhangers en aanhangsters van liet feminisme zullen wij — om de vervelende herhaling van toch niet geheel op de zaak toepasselijke uitdrukkingen als „apostelen der vrouwen-emancipatiequot;, „voorvechters en voorvechteressen1\' der vrouwenrechten enz., en evenzoo om het leelijke woord „vrouwenrechtstrijdstersquot; te vermijden—kortwegmet de trouwens hoe langer hoe meer bekend wordende uitdrukkingen „feministenquot; en „feministinnenquot; aanduiden. Wij herinneren hier nadrukkelijk, dat dit namen zijn, die niet door hunne tegenstanders zijn uitgevonden, maar die zij vol trots en fierheid zich-zelven toekennen, zooals onlangs honderden malen te hooren en te lezen was op het Congrès feministe te Genève. Wij zullen zelfs, ook al tenville van de kortheid en bondigheid, wanneer wij „de feministquot; zeggen, ook de feministin en de „modern womanquot; van den Engelschman daaronder begrijpen en bij insluiten, wat dezen krachtens hun standpunt slechts aangenaam kan zijn.
Dit feminisme onderscheiden wij scherp van het loffelijke, maar veel oudere streven om, evenals aan alle kwaad en onrecht ouder de zon, ook aan de ellende der arme of eenzame vrouwen en meisjes, aan hare werkeloosheid en vaak ook zedeloosheid helpend en verbeterend tegemoet te komen, en in \'t algemeen behulpzaam te zijn aan de voorspoedige ontwikkeling en de juiste toepassing barer eigenaardige gaven en krachten binnen de grenzen van het haar toekomende gebied, — een streven, dat, wij behoeven het waarlijk niet te zeggen, onze volste
327
en warmste sympathieën heeft. — Doch aangezien wij hier nu geen staathuishoudkundige, of politieke, of zedelijk-maatschappe-lijke studie schrijven, zullen wij hier ook niet de „honderdhoof-digequot; vrouwenquaeslie bespreken, maar het beginsel van de gelijkheid der geslachten ten opzichte van zijne overeenstemming met natuur en wet onderzoeken, en zijn logische gevolgtrekkingen toelichten. Het is hoog tijd, dat ook tegenover dit vraagstuk door ernstige mannen en Christenen een beslist standpunt wordt ingenomen.
* *
*
Reeds de leuze „gelijkheid der geslachtenquot; is eene tegenstrijdigheid en, ronduit gezegd, eene ongerijmdheid. Want geslacht beteekent: ongelijkheid, onderscheid, en bestaat slechts daardoor. De schoonheid er van berust op de tegenstelling. De wet van het geslacht is verschil en overeenstemming. Vóór en aleer de vrouw geschapen werd, bestond er geen geslacht; en zijn beide geslachten eenmaal gelijk, dan bestaat er geen geslacht meer. — De feminist streeft er dus naar, een door God geschapen en gewilde onderscheiding en tegenstelling uit den weg te ruimen. Hij zou willen, dat de man niet meer mannelijk, de vrouw niet meer vrouwelijk was; hij ontkent, dat, hoe vrouwelijker eene vrouw en hoe mannelijker een man is, — dus: hoe verschillender de geslachten zijn, — hoe beter elk hunner aan zijne levensbestemming voldoet. En doordien hij de grondwet van het geslacht ontkent, loochent hij ook datgene, wat reeds door de uitwendige gestalte en verschijning, houding en gang, gebaren en stemmen der beide geslachten bewezen wordt, — wat door wereld- en Bijbelsche geschiedenis, door dagelijksche ervaring, door zeden en gewoonten, volkslied en volkshumor, kleeding en kinderspel, taal en spreekwoorden, en evenzoo door natuurgeschiedenis en geneeskunde, kunst en litteratuur, door alle dramaturgen en alle
328
dichters, en ook door de statistiek der misdaden, zelfmoorden en krankzinnigheid geleerd wordt: man en vrouw zijn totaal verschillende wezens.
Men mag er zich terecht over verwonderen, dal zulke dwaze en bekrompen denkbeelden bij vele ontwikkelde mannen en vrouwen onzer dagen nog ingang en sympathie hebben gevonden. — Maar wij leven in een tijd, die er behagen in schept, de eenvoudigste en goddelijkste waarheden omver te werpen. Volgens de nieuwere schrijvers staat egoïsme of zelfzucht gelijk met kracht, is weldadigheid schadelijk (Herbert Spencer), is het huisgezin een tirannieke en nadeelige instelling, en de onzedelijkheid het voorrecht en sieraad der vrouw. Met het oog op al zulken wind van leering is het hoog noodig, dat men ook zelfs de eenvoudigste waarheden en hoeksteenen eener gezonde wereldbeschouwing telkens weder vaststelt. Wij hebben er reeds elders den nadruk op gelegd, dat wij niet aan het verouderen der ideeën gelooven, en evenmin aan „overwonnenquot; standpunten; en de bewering, dat nü eerst het wezen der vrouw en hare verhouding tegenover den man goed en juist begrepen wordt, doet ons denken aan de woorden van den dokter in een van Molière\'s blijspelen, die in antwoord op de bescheiden tegenwerping van een leek, dat het hart toch altijd aan de linkerzijde zit, met aplomb te kennen geeft: „Nous avons changé tout cela!quot;
De algemeene oorzaken en de kiemen van het feminisme zitten, zooals wij reeds hebben opgemerkt, in de lucht. Vermoeid en verbijsterd door de te groote massa feiten, indrukken en tnededeelingen, die ons uit het buitensporig toegenomen wereldverkeer en de wereldpers kaleidoscoopachtig en onophoudelijk toestroomen, zijn wij niet meer instaat om temidden van al de verschijnselen nog de wet op te sporen, temidden van al de vormen het wezen te ontdekken, of om het groote en gewichtige van het kleine en bijkomstige te onderscheiden. Wij verliezen
329
de wet en de wetten hoe langer hoe meer uit het oog, en op elk gebied des levens beginnen wij al meer en meer te vragen, sceptisch of weemoedig, spottend of aarzelend: Wat is waarheid ? Door al de theologie gelooven wij niet meer aan den Bijbel; door al de kunst en aesthetica weten wij niet meer wat mooi en wat leelijk is; door al de wetenschap en al het vrije onderzoek kunnen wij niet meer nagaan wat nog waar en wetenswaardig is. En nu is het reeds zóóver met ons gekomen — wie zou het gelooven? — dat wij niet meer weten of een man een man en eene vrouw eene vrouw is. — En het fraaist, of liever het treurigste van dit alles is, dat wij ons op deze verflauwing en verwatering van al onze begrippen nog heel wat lalen voorstaan !
De meer bepaalde oorzaak van het feminisme daarentegen is de ontaarding der mannen. — Evenals de zwakke en onbekwame regeeringen zelf de schuld der revolutiën dragen, hebben de zwakke en onbekwame mannen het aan zichzelf te wijten, als de vrouwen eindelijk tot haar eigen schade en schande de teugels ter hand willen nemen. — Naast waarlijk groote mannen zooals een Mozes, Elia, Johannes de Dooper, Paulus, en evenzoo naast een Nebukadnezar, Alexander, Mahomed, Caesar, Attila, Karei de Groote, Barbarossa , Luther , Calvijn , Frederik de Groote, Napoleon I, Bismarck, Moltke en dergelijken kan de vrouw zich niet op éene lijn plaatsen, kan zij geen openbare rol spelen. Maar des te meer en te beter naast gevoelvolle utopisten en sentimenteele idealisten, philantropen met een groot hart en een klein hoofd, sectenstichters en sectenleiders, met een krachtig geloof in...... zichzelf!
Eene hoofdoorzaak van het feminisme is dus het niet vervullen van die goddelijke natuurwet, die den man den plicht oplegt om aan de vrouw, welke hem onder het hart heeft gedragen, hem in zijne kindsheid trouw7 heeft gekoesterd en verpleegd, en
330
hem nog dagelijks verzorgt, niet alleen het dagelljksch, het lichamelijk, maar ook het geestelijk brood te verschafien. Tegenover een rechtschapen, goed, ernstig, karaktervol man en Christen, zooals hij behoort te zijn, denkt de vrouw niet aan emancipatie, en wil zij zich niet vrij maken. — Want waarvan zou zij zich willen ontslaan? — Wellicht van zijn trouwe liefde of zijn omzichtige, welbeproefde leiding ? Of van de bezorgdheid, waarmede hij uit den weg ruimt wat te zwaar voor haar is, en hel liever zelf draagt? Of van de liefderijke toewijding, waarmede hij haar alle dagen, alle avonden, al het schoone, goede en ware, tot een bouquet voor haar saamgebonden, aan haar voordraagt en verhaalt? — Of misschien wel van het recht om, wanneer hij moede en gewond van den\'strijd om het bestaan, opgewonden en verbitterd tehuiskomt, hem tot kalmte te stein-men en te verfrisschen, en hem door warme deelneming en een verstandig inzicht in zijne belangen, klachten en grieven den last des levens te helpen dragen? Hij moet een edele vrouw, zooals er, Gode zij dank ! vele zijn, al zeer slecht kennen, die niet weet, dat zij dit integendeel als een harer schoonste ,vrouwenrechtenquot; beschouwt! De echte vrouw koestert zich in de stralen baars mans, verheugt zich meer over zijn welslagen en lijdt meer onder het mislukken van zijn streven dan hijzelf; zij gelijkt op de aarde, die — door de zon bevrucht — wonderbare bloemen en vruchten voortbrengt. De man is haar als norm gegeven, en zij staat tot hem in verhouding als hij tot liet heelal, waarin hij de wet naspeurt. Zonder hem verliest zij eiken maatstaf voor hare wereld- en zelfbeschouwing, in zooverre zij dien niet in Gods Woord terugvindt; daarom doet zij telkens weder een beroep op zijn gezag en zijn oordeel.
Omgekeerd zijn juist die mannen, die — zooals een Luther, een Bismarck, een Moltke — der vrouw alle inmenging iu de openbare aangelegenheden ontzeggen, de beste echtgenooten.
331
Want de vrouw wil, evenals een rank, slank en snelzeilend jacht, met zachte hand en sterken arm gestuurd worden; en al laat zij zich ook nu en dan — waarom niet? — in boeken, voordrachten, congressen en conferenties heel veel moois omtrent haar miskende rechten en de tirannie der mannen aanleunen, tóch kiest zij, wanneer het op liefhebben aankomt, een man uit een stuk, van wien zij vertrouwen mag dat hij haar tegen de wereld en het leven en haarzelve beschermen kan en zal. Want van oudsher heeft zij aan den heerscher de voorkeur gegeven boven den hoveling, en zelfs aan de tirannen boven de lakeien. De man die de vrouw niet acht, bemint en vereert, is ternauwernood nog een man te noemen; maar de man die zich vrijwillig onder haar juk kromt, is al niet veel beter en begaat de in der menschen oogen geringe, maar in Gods oogen groote zonde van Ezau, toen hij zijn eerstgeboorterecht verachtte. Het slaat niet aan ons, ons grooter of kleiner te maken dan God ons gemaakt heeft; en alleen de lafaard doet afstand van zijne rechten, en daarmede óok van de daaraan verbonden plichten, werkzaamheden en verantwoording.
Dus bewijst het feminisme in die landen, waar het zich uitbreidt, dat de mannen daar niet zijn wat zij behoorden te wezen, en dat zij hun vrouwen niet meer het geestelijke brood verstrekken, dat dezen het recht hebben van hen te eischen en te verwachten.
Dat er overal, ook in Engeland en Amerika, vele edele, begaafde, voor hunne medemenschen werkende en levende mannen .en óok zulke vrouwen zijn, — het komt niet in ons op dit tegen te spreken. Maar wij hebben nu met de groote meerderheid, met het gemiddelde type van den man aldaar rekening te houden. Van dezen moet men zeggen: het egoïsme van den Angelsakser is spreekwoordelijk. — Heeft hij een volk of een mensch niet noodig, dan zijn zij voor hem eenvoudig als niet bestaande.
332
Heeft hij ze wèl noodig, dan denkt en doet hij alsof zij alleen voor hèm bestaan. En wil hij hen gelukkig maken, dan bekommert hij zich volstrekt niet om hunne wenschen en behoeften, maar begiftigt hij hen uitsluitend met het Engelsche goede, als het éenige dat voor lichaam en ziel geschikt en bruikbaar is. Dit paalvaste en bekrompen geloof aan zichzelf en aan zijne zaak maakt hem sterk en onbemind. Deze zijn groote ,1quot; be-heerscht zijn leven en zijne politiek, zijn handel en zijn sport; en de laatstgenoemde stort hem in het verderf, omdat hij haar als zijne levenstaak beschouwt. Zijn doel is, rijk te worden; zijn ideaal, een gentleman te zijn, die zijn brood niet verdient, die niemand noodig heeft, die slechts doet wat hij wil, d. w. z. gewoonlijk in \'t geheel niets; die slechts voor zichzelf en voor zijn sport leeft, en overal slechts zijn gemak zoekt. Zulke idealen kunnen geen rijk, geen gezond leven voortbrengen; en hoe laf, zouteloos en eentonig de conversatie en het ,gezelligquot; onderhoud vooral der jonge Engelschen is, daar maakt zelfs hun eigen litteratuur zich vroolijk over, — vandaar dan ook het gebruik om de gasten door „professionalsquot; (praters van beroep) aangenaam bezig te laten houden! En hoe kenschetsend en bedroevend is niet de uitdrukking: Die en die man is zoo-en zooveel duizend pond waard ! Zoodat dan ook de correcte Engelsche roman met zijn meestal totaal onbeduidende helden, zooals zelfs een Walter Scott met zijn Waverley e. a., per slot van rekening niets anders weet te beginnen, dan hem five, or better still ten thousand a year (vijf- of nog beter tienduizend pond\'s jaars) te laten erven of aantronwen. Geen wonder dat de vrouw daar volgens den stelregel: „zoo gij mij, zoo ik uquot; meermalen ook harerzijds en zeer dikwijls ook in het huwelijk haar leven egoïstisch inricht, zich nog slechts om haar gemak en haar sport bekommert, hetzij dan liefdadigheid of fashion (mode) of wat anders, en nog slechts bestaat volgens den armzaligen stelregel:
333
„1 like this, I don \'tea re for that!quot; (dit bevalt mij, en dus kan dat mij niet schelen !)• Dat zij daarmede niets wint, bewijst de trek van onrust en onvoldaanheid, die het karakteristieke kenmerk der Engelsche vrouw is, haar vaak kolossale onwetendheid en onverschilligheid, evenzoo de met elk jaar toenemende stortvloed van hoe langer hoe waardeloozer, slechls sport, genot en geld roemende, dikwijls zeer onzedelijke romans,
— en met het schrijven en lezen van die dingen trachten duizenden Engelsche vrouwen en meisjes zichzelven omtrent de holheid haars levens te misleiden. — Bewijs genoeg, dat de emancipatie voor de vrouw niet gelijkstaat met hoogere geestelijke ontwikkeling. — Doch dat deze indruk in het buitenland niet de overhand verkrijgt, daarvoor zorgen door woorden, geschriften en daden eenige honderden vaak zeer begaafde, rumoerige, door de Engelsche koloniale en andere toestanden lot buitengewone wilskracht, zelfstandigheid en zelfbewustzijn gekomen vrouwen, uit wier doen de op het vasteland wonende toeschouwers, die Engeland niet met eigen oogen hebben leeren kennen, dikwijls maar al te zeer geneigd zijn verkeerde gevolgtrekkingen ten opzichte van de Engelsche vrouwen in het algemeen af te leiden.
Gansch anders is het in Amerika! — De Amerikaan hecht niets aan den g e n 11 e m a n, maar alleen aan den s el f m a d e man. Daar speelt niet de sport de hoofdrol, maar de business (de „zakenquot;), trouwens ook als sport opgevat, waarbij men ieder oogenblik den hals kan breken, wat er juist de rechte bekoring aan verleent. Deze soort van sport geeft den mensch meer sluwheid en werkkracht, en óok meer volharding en rusteloosheid dan de andere, maar verslijt hem ook vroeger, en maakt hem nóg eenzijdiger en ongeschikter voor al het hoogere.
— Men kan dan nu ook eenmaal niet God, het goede, het ware, het schoone, en tegelijkertijd den Mammon, het met tranen en
334
zweet, met leugen en bedrog bezoedelde geld dienen. — En daartegen baten geen, al zijn het ook nóg zoo rijke en alom uitgebazuinde legaten en giften aan universiteiten en scholen, kerken en zendingsarbeid! Wel riep een Romeinsch keizer bij het in ontvangst nemen der rioolgelden : „non obet!quot; fhet riekt niet!), — maar het riekt wèl! — Ook lafhartig maakt de eeredienst van het geld, en wij hebben deze arrogante millionairs van Walstreet het hoofd en duizend millioen dollars in een drie-daagsche paniek zien verliezen, omdat president Cleveland zich een paar ondoordachte woorden had laten ontvallen. En hoe wordt tegenwoordig met bespottelijke hartstochtelijkheid en pathos de muntquaestie behandeld, alsof het geluk en het ongeluk dor menschheid er van afhing of zij een zilveren of een gouden dollar heeft! Geen wonder, wanneer de Amerikaansche vrouw volstrekt niet dweept met zulke zaak- en dollarmenschen, die van niets anders meer dan van de beurs en de business droo-men en spreken, die hun lederen ziel op hun kantoor achterlaten, en steeds in doodsangst verkeeren over hun arme lie^e geld, — en dat zij veeleer met onverholen minachting op hen nederziet. — Maar dan moest zij toch ook met echt vrouwelijk gebrek aan logica, evenals in Engeland, juist die verachte mannen in alles trachten te copieeren, en haar uiterste best pogen te doen om zooveel mogeljik op hen te gelijken. — Doch dat Amerika ondanks de verhoogde werkzaamheid en de vrije ontwikkeling en opvoeding der vrouw, ondanks rijke stichtingen en prachtige schoolpaleizen, toch intellectueel ver bij het oude Europa achterstaat, blijkt uit de schaarschte van groote meesterstukken op het gebied van de wetenschap en den geest, uit den materi-eelen grondtrek van Amerika\'s gansche staats- en maatschappelijke leven, uit de oppervlakkigheid zijner litteratuur, uit den gelijkvloerschen humor der Amerikaansche dagbladpers, en evenzoo uit het gebrek aan idealiteit en aan verheven bedoelingen
335
bij Amerika\'s staalkundige mannen. De vaderlands- en wereldbeschouwing van den eersten den besten Romeinschen consul maakt den geheelen Senaat te Washington beschaamd. En hoezeer hem de rijke differentieering ontbreekt, die steeds de vrucht der ware diepte van geest is, hebben wij reeds vroeger aangestipt. Vandaar ook zijn gebrek aan veneratie.
In Denemarken, Zweden en Noorwegen vinden wij een andere oorzaak van het feminisme. Daar spruit het namelijk voort uit de aankweeking der vrijgeesterij, door de werken van Björnson, Ibsen, Strindberg en hunne aanhangers verspreid. Een Fransch paedagoog schreef onlangs na een schoolinspectiereis door Noorwegen : „Het gronddenkbeeld der scholen hier te lande is, elk kind zoo op te voeden, alsof het later een Robinson Crusoe moest worden. Men wil het instaat stellen om alleen, zonder hulp of bijstand van anderen, te leven, zichzelf te helpen, en zichzelf zijne altaren te bouwen.quot; Zóóveel is duidelijk : men geeft het kind geen godsdienst mede, en gewoonlijk wil het er zich dan ook later liever zonder godsdienst doorheen zien te slaan. Het heeft geen beginselen ; de sterkste en de held is hij, die op eigen beenen staat, die alle geloof, alle vooroordeel, alle traditie heeft afgeschaft, die alle gebruiken en alle zeden en gewoonten trotseert. Strindberg hoopt, dat wij het nog eens zoover zullen brengen om van alle gevoel, alle medelijden, alle deelneming afstand te doen. van die ongezonde overblijfselen uit een weinig ontwikkelden tijd; en Ibsen, naar men weel óok een Zweed, beveelt in Hedda Gabler der vrouw den moed tot den zelfmoord aan, wanneer het leven haar niet meer bevalt, d. w. z. wanneer zij het door haar eigen schuld bedorven heeft. — Wij behoeven niet aan te toonen, welk een invloed zulk een litteratuur op de vrouwen en meisjes dier landen moet uitoefenen. — Over \'t algemeen bespeurt men dan ook aan deze Noorsche volken en aan hun meestal door een trek van
336
weemoed gekenmerkte moderne litteratuur, hoe de ook den mensch en het geslacht rijpende zon hun ontbreekt.
In Frankrijk is het de beuzelachtigheid en zedeloosheid van mannen, die geen enkel godsdienstig stand- en steunpunt meer hebben, waardoor zij hoe langer hoe meer worden prijsgegeven aan de grillen en (ie wenschen van steeds begeeriger vrouwen» die — omdat zij niets beters weten — in weelde en genot willen zwelgen, en als echtgenooten of maitressen al meer en meer geld van de mannen eischen, waaraan de Figaro onlangs, misschien niet geheel ten onrechte, een groot deel der steeds veelvuldiger voorkomende geldschandalen toeschreef.
Ook de mannen in Fransch Zwitserland hebben er schuld aan, dat het maatschappelijk en het godsdienstig feminisme daar een gunstigen bodem vindt. In dit kleine, sedert geruimen tijd niet door oorlogen geteisterde land, waar ieder door arbeid, orde en spaarzaamheid niet alleen bestaan kan, maar ook eenig vermogen kan bijeenbrengen, hebben zij zich dit tot levensdoel gesteld en orde en spaarzaamheid als de hoogste Cliristelijke deugden geprezen, wat zij evenmin zijn als beleefdlieid of zindelijkheid; want de grootste heidenen hebben ze dikwijls in hoogen graad beoefend, en laaghartige woekeraars brengen ze tegenwoordig nóg in praktijk. Ook kan men niet, al is men ook nog zoo eerlijk, als hotelhouder, pension- of pensionaatbestuurder, gids, kellner, enz., jaarlijks millioenen aan vreemdelingen verdienen, zonder er iets van de onafhankelijkheid en zelfstandigheid zijns karakters bij in te schieten; en zoo zijn wij Zwitsers wel vriendelijk, beleefd en dienstvaardig, arbeidzaam en ordelievend, maar ook prozaïsch, oppervlakkig, kleingeestig en praatziek geworden: de grand diseurs de petites c hoses (grootsprekers over kleinigheden), arm aan ideeën en sceptisch tegenover alles wat hoog en diep is; wij vinden veel schoons o zeker! maar óok veel onpractisch in groote geestdrift, groote,
337
toewijding en groote opoffering, groot leven en groot sterven . wij zoeken bovenal ons gemak, en vreezen bovenal ons vermogen te verliezen. Dit alles wordt door de vrouw, die ons onbewust op de rechte waarde taxeert, niet bewonderd, en daar heeft zij gelijk in. — Uit dien hoofde is het natuurlijk, dat de vrouwen zich daar emancipeeren, eerst in den geest, daarna in de praktijk, in de maatschappij, in de zaken en in de kerk. „No us n\'avons plus d\'hommes,quot; zeide eene dame te Neulchatel; „voila la cause du feminisme!quot; (Er zijn geen mannen meer; dat is de oorzaak van het feminisme!)
In al die landen is de vrouw niet hooger gestegen, maar de man is lager gedaald. Daarvan kan men zich overtuigen, wanneer men onze Duitsche vrouwen met de Amerikaansche of Engelsche, of het tegenwoordige geslacht met onze voorouders, de mannen en vrouwen uit de vorige eeuw of uit den tijd van Calvijn en Luther, vergelijkt.
Ook gij Duitsche mannen zult u meermalen op de eigen borst moeten kloppen, wanneer het in Duitschland pas aan den horizont opdoemende feminisme het u te lastig begint te maken. De Duitsche vrouw, zoo bescheiden in hare eischen en aanspraken, zoo onzelfzuchtig en opofferend en liefderijk, zoo vlijtig in haar huishouden, altijd en immer bereid om anderen te dienen, hare gasten te verkwikken, en die er hare levenstaak in zoekt en vindt, allen rondom haar tevreden en gelukkig te maken, heeft waarlijk wel wal beters aan u verdiend, dan zoo herhaaldelijk — al is het dan ook niet bepaald onvriendelijk — toch als natuurlijk zonder oordeel of stem terzijde geschoven te worden, zoodra er dingen van algemeen gewicht, grootte en belang worden besproken en verhandeld. Juist de Duitsche vrouw bezit een merkwaardige gave om ook zonder voorafgaande kundigheden zich door luisteren te ontwikkelen en zich in iets in te leven. Ook is het geen gering kwaad, dat zij zoo dikwijls,
22
338
wanneer \'s avonds de lasten en moeiten van den dag voorbij zijn, en zij op een onderhoudend en opwekkend gesprek met haar man aanspraak mag maken, alleen moet blijven zitten, terwillle van een eindeloos gerekt verblijf aan de biertafel, met onafscheidelijke bierconversatie, bierpolitiek en bierhumor. —-Wel is voor menig man de vrije toon en de gedaciitenwisseling van de societeit af en toe eens behoefte; maar gezond kan dit slechts zijn, evenals de sport, zoolang het niet tot eene gewoonte wordt.
In zuidelijke landen, bijvoorbeeld in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië, heerscht nog tengevolge van hun zooveel helderder en zonniger wereld- en natuurbeschouwing en van hun natuurlijker leven, de juiste diiïerentieering tusschen man en vrouw, en daardoor ontstaat er bovenal onder de volksklassen een heerlijk en in den regel gelukkig vrouwenleven; terwijl in noordelijke landen de door arbeid en zorgen gedrukte vrouw des volks verkwijnt, en haar type meer in den middenstand en de zoogenaamd beschaafde kringen te vinden is.
Maar meer nog dan deze nationale en ondeugdelijke eigenaardigheden der hedendaagsche mannen, maakt hun verzanden en verloopen in stoffelijke belangen hen onbekwaam om hunne positie tegenover de vrouw te handhaven; want negen tienden der mannen in onze groote steden zijn inderdaad en in waarheid grove materialisten, al willen zij het ook niet weten, en al zijn zij het in theorie ook niet; zij kennen geen andere zorg dan voor het stoffelijk bestaan, geen ander genot dan het lichamelijke. En juist daarom zijn zij in geestelijk opzicht armzalig, kunnen zij niets geven, zijn zij onderhoudend noch opwekkend, niet verrijkend in het geluk, niet leidend of besturend in het leven, niet troostend of oprichtend in het ongeluk. — Wat wonder, dat de vrouw voor hen geen groote achting koestert I
339
Maar de overtreding van nog een andere natuurwet en van hare consequentiën doet het feminisme ons zien. — Deze wet heet: de contrasten trekken elkaêr aan. Zoo hebben gelijksoortige metalen zeer weinig neiging om zich met elkander, maar zeer veel om zich met de geheel verschillende zuurstof le verbinden. Zoo trekken de positieve en de negatieve polen elkaêr aan, maar ook alleen zoolang zij dit blijven. Zoo is het ook met het geslachtscontrast gesteld; en de door God aan de vrouw geschonken kuische terughouding en schuchterheid moet tegelijkertijd èn hare aantrekkingskracht vermeerderen, èn verhinderen dat zij le vroeg de schatten en de lieflijke reukwerken van hare ziel en haar gemoed zal verkwisten en aan alle winden prijsgeven. In Engeland en Amerika is daarentegen het verkeer (usschen de geslachten naar men weet aanmerkelijk veelvul-diger, vrijer en ongegeneerder dan in onze continentale landen, — ja in Amerika is het bijna onbeperkt. Dagenlang, ook in de school, zijn jongelingen en meisjes bij elkander, en houden zij zich ook gemeenschappelijk met allerlei vaak geestelooze sport en beuzelarijen bezig. Het geslachtelijk onderscheid wordt afgestompt. Zoo schreef een buitenlandsche dame bij gelegenheid van haar bezoek aan Engeland: „Hier hebben de dames in vele opzichten iets heerachtigs, de heeren daarentegen iets damesachtigs over zich.quot; — Er vormt zich een karakterloos, neutraal geslacht. Ongelukkigerwijs leert de wet der imitatie, dat bij het copieeren van een mensch veeleer de gebreken dan de deugden nagebootst worden, en zoo wordt de feminist tot een vervrouw-den man, terwijl de geëmancipeerde vrouw het niet verder dan tot een slechte copie van den man brengt. — Nu doet er zich oververzadiging voor: men kent elkaêr wederkeerig te goed. dan dat men elkaêr nog belangstelling zou kunnen inboezemen. De chemische oplossing is verzadigd; de polen stooten elkaêr af, en de modern woman en de feminist staan, ondanks hun
340
gemeenschappelijke theorie over de gelijkheid der geslachten, volkomen koel en onverschillig tegenover elkander.
De mensch snijdt zich dan ook altijd in zijn eigen vingers, wanneer hij aan Gods wetten iels wil „verbeteren.quot; Juist omdat hij de vrouw niet meer als een aanvullende hulpe des mans beschouwt, die hem brengt wat hem ontbreekt, en van hem ontvangt wat zij niet heeft, maar als eenzelfde georganiseerd wezen, dat even mismoedig als hij in den tredmolen van het bestaan blijft loopen, houdt de schoone aanvulling en zelfs de wederzijdsche liefde en achting op. De geringschatting, ja de verachting van den man is een grondtrek der vrouwenemanci-patie. In dit opzicht verrichten de Engelsche en A-merikaansche dames in de pers ongeloofliike dingen, en prediken zij gedeeltelijk overluid niet meer de gelijkheid der geslachten, maar de meerderheid en de heerschappij der vrouw. — Volgens de onverbiddelijke wet der wederkeerigheid wordt evenzoo de geëmancipeerde vrouw den man hoe langer hoe antipathieker, wat c\'an ook door tal van begaafde en geleerde mannen in de Engelsche pers betuigd wordt. -— En evenals de door God gewilde aanvulling van man en vrouw als heerlijke vrucht het lieftallige kind moet voortbrengen, kweekt daarentegen het feminisme een koele geringschatting ook van het kind, dat in woord, schriften leven der geëmancipeerden ten allen tijde slechts een geringe of in \'t geheel geen rol speelt. „ Wij willen niet meer trouwen,quot; schrijft zulk een modern w o m a n in een der voornaamste Engelsche reviews, die trouwens ook een repliek opnam, „want wij willen onze vrijheid handhaven; maar nog minder komt hel in ons op, onze gezondheid en schoonheid aan hel moederschap ten offer te brengen.quot;(!) Droevige grondbeginselen, en ook hoogst onpraclische; want wij althans kunnen niet inzien, op welke wijze alsdan het prachtige ras dezer moderne vrouwen zich verder zal voortplanten.
341
Dat eindelijk de geëmancipeerde vrouw den godsdienstigen grond onder de voeten verliest, was te verwachten, en wordt door de ervaring bevestigd. Evenals de vrouw, hoewel een echt poëtische natuur, het niet tot het groote, geweldige dichten van een Homerus of Shakespeare brengt, is zij ook, ofschoon zeer godsdienstig van aanleg, geen theologe, — maar ook hier moet de man haar voorgaan en haar naar de door hem opgespoorde wet verwijzen. Op die wijze, en terwijl de uiterste socialistische en anarchistische linkerzijde der geëmancipeerde vrouwen tot het krasse atheïsme en den vinnigen en giftigen haat tegen allen godsdienst vervalt, huldigt al meer en meer het gros dier vrouwen, in het meer of minder duidelijke besef, diit de Bijbel rechtstreeks tegen hun streven en pogen in verzet komt, een hen als kleingeestig, verouderd, overwonnen standpunt met den nek aanziende verlichting, terwijl de meer gevoelvolle, zooals eene A. Besant, mevrouw Blawatzky en anderen, zich in de armen van onduidelijke mystieke theosophieën, van het spiritisme of van het Buddhisme werpen.
En zoo wordt het feminisme nu reeds door zijn langzamerhand duidelijker aan het licht komende resultaten veroordeeld.
Een boom, die zulke vruchten draagt, kan geen goede boom zijn!
* *
*
Over alle zijden en takken van het feminisme hier te spreken, gaat — zooals boven reeds opgemerkt is — niet aan; maar wij hebben hier met de beginselen er van te doen. Daarbij komt het bij een zoo diep in de lotswisselingen der menschheid ingrijpende quaestie niet op de persoonlijke meening en de eigenwijsheid van eenige moderne, bovendien meestal onchristelijke sociologen, schrijvers en dichters aan, zooals Emmerson, Stuart Mill, Herbert Spencer, Ch. Secretan, en ook niet van dezooge-
342
raamde naturalisten, zooals Ibsen en de gansclie trits zijner navolgers; maar hier moeten wij naar hoogere en beproefder autoriteiten omzien.
God heeft den mensch drieërlei gegeven, waaruit hij kan en moet leeren, en waarvoor hij zich moet buigen: zijn Woord, de wereldgeschiedenis en de natuur. De laatstgenoemde vormt met hare, het stoffelijke en lichamelijke beheerschende wetten den breeden grondslag voor hel geheele gebouw; de wereldgeschiedenis, ook als ervaring in het heden, veraanschouwelijkt ons de wetten der ziel of van het verstand; en de Bijbel geeft ons de hoogste wetten des geestes. Wat zich op de eene of andere wijze naar deze drie autoriteiten schikt en regelt, is goed, is waar, is gezond en zal proefhoudend blijken; wat er zich niet aan onderwerpt, is juist het tegendeel van dit alles.
Het feminisme is met den Bijbel, met de wereldgeschiedenis
en de ervaring, en ook met de natuur in tegenspraak.
* *
*
Dat het feminisme met den woordelijken inhoud en den geest van den geheelen Bijbel in tegenspraak is, moet men een Christen niet nog eerst behoeven te zeggen. Wel is er in Christus noch man, noch vrouw, noch kind; maar wanneer het schepsel voor den Schepper, de zondaar voor den Verlosser staat, dan verdwijnt alle individueele onderscheid. Het is dan slechts eenvoudig een geschapen wezen, dat gehoorzaamheid, lof en aanbidding verschuldigd is. — Maar dit groote en grootsche woord is evenmin in strijd met de positie der vrouw in de wereld en in de kerk en met de daarop duidelijk betrekking hebbende bevelen van Gods Woord, als het ooit de Christelijke vrouw van het baren met smarte bevrijden zal.
De zienswijze van het Oude Testament omtrent de vrouw
343
hebben wij reeds besproken, en hare positie volgens de Mozaïsche wet is eiken Christen bekend. Maar om ons te bewijzen, dat deze wet haar geestelijke ontwikkeling volstrekt niet belemmerde, hebben wij, zooals vroeger Sara, Rebekka, Lea en Rachel, nu onder de wet Mirjam, Deborah, en in bet laatste hoofdstuk der Spreuken een prachtige beschrijving van de Joodsche vrouw, geacht door haar man en hare zonen, hare dienstmaagden regeerend, als een ware koningin haars huizes! (Spreuken XXXI : 10—31).
Jezus treedt op als de vervulling der wet. De in ieder men-schenhart geschreven wet (Rom. II: 15) was de positivus, het goede; die van den Sinaï de comparativus, het betere; haar laatste ontwikkeling door Jezus is de superlativus, het beste. Men had kunnen verwachten, dat Christus ook hier met betrekking tot de positie der vrouw een ontzaglijk, verbeterend; „Gij
hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is......, maar Ik zeg
u........quot; zou hebben uitgesproken. Maar Hij doet het niet; Hij
neemt hare positie onder het Joodsche volk als normaal aan, en beperkt slechts het recht van scheiding tot het enkele geval van overspel.
Jezus had Martha en Maria lief, zooals Hij ook — wie zou daaraan willen en durven twijfelen? — zijne moeder en zijne broeders en zusters diep, innig en oprecht heeft liefgehad. Ook liet Hij zich door vrouwen bedienen en verzorgen, en heeft Hij ze dikwijls liefderijk getroost en verkwikt; maar van het Christelijk priesterdom sluit Hij de vrouw uit. Zoo ook op den Tabor, waar Hij tusschen de wet en de profeten verschijnt; zoo ook bij de instelling van het avondmaal, en het hoogepriesterlijk gebed, en het bevel: „Gaat dan henen in de geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle creaturen!quot; en ook bij de hemelvaart. Zoo heeft Hij noch vrouwen tot apostelen of discipelen gekozen, noch ze tot prediken uitgezonden, en evenmin heeft Hij
344
liaar de gave der wonderen verleend, — zoodat wij dan ook uit den Bijbel niet zien, dat eene vrouw ooit een boek der Heilige Schrift heeft geschreven of ooit een wonder heeft verricht.
De strenge bevelen van Paulus, dien stichter en organisateur in de kracht des Heiligen Geestes van de eerste Christen-gemeenten, zijn bekend. Wel verre van de Oud-Testamentische bepalingen aangaande de vrouw, als louter wettisch en dus in het rijk der genade en in de Christelijke gemeente niet meer geldend, op te heffen, verscherpt hij ze op onverwachte wijze. Welk Christen zou het tegenwoordig wagen, wanneer het niet geschreven stond, te zeggen: „Gij vrouwen! weest aan uwe eigene mannen onderdanig, gelijk aan den Heere!quot; (Efeze V : 22), en als rotsen zet hij de woorden neer; „Doch ik laat de vrouw niet toe, dat Z ij leer e, noch over den man heersche, maar wil, dat zij in stilheid z ijquot; (1 Tim. II; 12). „Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen: want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.Want het is schandelijk voor eene vrouw, in de vergadering te spreken. (Grondtekst 1 Corinthe XIV: 34 en 35). Deze zijne zienswijze en bevelen grondt Paulus niet op eene verwijzing naar de toenmalige toestanden of naar Romeinsche, Grieksche en Joodsche zeden, doch daarop, dat de vrouw niet eerst, maar na den man, en dat niet de man terwille van de vrouw, maar de vrouw ter-wille van den man geschapen werd; en eindelijk, dat „Adam niet verleid is geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.quot; — Is dat op den huldigen dag minder waar dan destijds?
Wel spreekt hier menigeen van een historische ontwikkeling der Christelijke kerk, van een vooruitgang, en beweert dan dat wij thans verder zijn dan Paulus, — doch van zulk een
345
vooruitgang weet de Bijbel niets af. Maar in de zendbrieven van Christus aan de zeven gemeenten worden ons verschillende, zoowel naast elkander als achtereenvolgens voorkomende toestanden der kerk geschilderd, die niet op geestelijken vooruitgang, maar veeleer op gestadigen afval wijzen. En de historische ontwikkeling, wanneer men dan al van zoo iets wil spreken, heeft ons geen Christelijken vooruitgang, maar een achteruitgang gebracht, zooals door den staat van zaken en feiten duidelijk bewezen wordt. — Er wordt véél zelfverheffing of verblinding toe vereischt, om de gedeeltelijk zoo treurige toestanden onzer staatskerken boven die van een aan heerlijke geestes- en won-dergaven en aan martelaarsblijmoedigheid zoo rijke, de gemeenschap der goederen niet alleen duldende, maar ook van harte toepassende eerste gemeente met hare apostelen en profeten te stellen, — en zichzelf wijzer te achten dan den met den Heiligen Geest vervulden, door Christus tot apostel der volkeren verordineerden Paulus!
De Bijbel, die steeds naast de leer ook de practische toepassing plaatst, doet ons zien dat de moeder van Jezus, deze eerste van alle Christelijke vrouwen, gezegend boven allen, nooit in het openbaar optrad, hoewel zij meer dan alle andere menschen het recht zou gehad hebben om den Joden toe te roepen: „De Messias is geboren! Komt tot Hem ! Halleluja!quot; — En dat het haar daartoe niet aan de noodige gaven ontbrak, bewijst haar prachtige lofzang ten huize van Elisabeth. Maar: „zij bewaarde deze woorden alle tezamen, overleggende die in haar hart.quot; — En wil zij zich eens vooreen enkelen keer, al is het dan ook slechts zijdelings, met het werk van Jezus bemoeien, dan ontvangt zij een scherpe terechtwijzing. Na den dood van den Christus treedt zij geheel op den achtergrond; stilte omringt haar, en in de stilte, onopgemerkt en onvermeld, sterft zij. — Niet minder afdoend is het voorbeeld
346
van de vrouwen der apostelen. Hoe zouden wij hedendaagsche Christenen, met onze voorliefde voor luidruchtigheid en woordenpraal en openlijk optreden, met onze geringschatting van de stille, in God verrichte daad, — hoe zouden wij verwacht hebben, dat zulke vrouwen, die hare mannen op hun evangelisatiereizen vergezelden, een min of meer koortsachtige zendingswerkzaamheid ontwikkeld hadden, met toespraken tot de heidensche vrouwen, stichting van jongedochters- en weduwenvereenigin-gen, uitdeeling van roerende tractaatjes enz. enz. Maar van dit alles geen woord in de Heilige Schrift! — en hadden wij niet de éenige opmerking desaangaande van Paulus, dan zouden wij niet eens weten dat zij bestaan hebben. Dat zij goed deden, gelooven ook wij; maar zij deden het in stilte. Welk een verschil met het drijven van zooveel hedendaagsche feministinnen, en haar roemen op hetgeen zij al niet voor Jezus doen! — Welk eene dwaling, het Koninkrijk Gods met rumoer, met reclame, met sensatiemakende nieuwigheden te willen opbouwen! Weldra vermoeit het rumoer, de reclame maakt geen indruk meer, de nieuwigheden beginnen te verouderen, — en wat blijft er dan over van al dat stroo en die stoppelen?
Tegenover zoo duidelijke bevelen en evenzoo duidelijke feiten uit Gods Woord zien al de pogingen van welmeenende, maar onwetende of eigenzinnige Christelijke feministinnen om ze krachteloos te maken, er als machtelooze kleine golven legen een rots uit. Niets bewijst beter hare dwaling, dan de zwakheid barer argumenten.
Bijvoorbeeld wanneer zij zeggen: De vrouw mag wel zingen in de gemeente, wTaarom mag zij dan ook niet spreken? — Antwoord: Omdat Gods Woord haar wèl het spreken, maar niet het zingen verbiedt. — Hoe kan men het medezingen van een gegeven tekst, deze collectieve daad, met het individueele spreken vergelijken? (Naar men weet, verbiedt de Roomsch-
347
Katholieke kerk terecht don solozang der vrouwen in de bedehuizen). Ook kindertjes van zes tot acht jaar mogen in de gemeente den lof des Heeren medezingen. Zullen wij hun daarom ook het recht tot spreken, tot leeren en tot prediken toekennen, en ons daarbij bijvoorbeeld beroepen op het Schriftwoord: Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen heb Gij U lof toebereid?
Volkomen zwak, of liever een onwaardige verdraaiing der Schrift is het, wanneer zij uit het aan Jezus\' voeten zitten en aandachtig toeluisteren van Maria de gevolgtrekking afleiden, dat eene vrouw haar huishouden in den steek moet laten, om in de gemeente te gaan leeren ! — Of dat, dewijl de Heere Jezus Maria Magdalena met de boodschap der opstanding naar de discipelen zond, Hij haar daarmede het recht tot prediken verleende, --enz.
Zoo zijn ook de pogingen om uit Romeinen XVI munt te slaan voor een openbare werkzaamheid der vrouw, uiterst gedwongen. ,Mijne medewerkers,quot; vers 3, wil evenzeer zeggen „mijne verzorgersquot; (vgl. den Elberfelder Bijbel), gelijk in \'t algemeen destijds het arbeiden voor den Heere terecht en volgens Christus\' opvatting ook de stille daad en niet enkel de openbare evangelisatie, maar het verplegen der zieken, het bezoeken der gevangenen en den beker water omvatte, dus al het dienen der gemeente aan de reizigers, de martelaars, de weezen, gelijk het zoo rijkelijk in een vervolgde gemeente aan de vrouwen ten deel moest vallen. Zien wij niet, hoe in Mattheus XXIV eenmaal menschen uit alle volkeren der wereld zooveel v o o r den Heere gedaan zullen hebben, zonder Hem ooit te hebben gekend? Inplaats van onze modernismen in de Heilige Schrift te leggen, moesten wij ze liever volgens haar verbeteren.
De Bijbel kent de in \'t openbaar evangeliseerende, leerende en predikende vrouw niet. Maria, de moeder van Jezus, alles in
348
haar hart bewarend en overleggend; Maria, de zuster van Lazarus, aan de voeten van Jezus zittend en stil toeluisterend; Maria Magdalena, de berouwhebbende zondares; Tabitha, die vol goede werken was en vele kleederen voor de armen naaide, — dat zijn de Christelijke vrouwenbeelden, die de Bijbel ons te zien geeft.
Dit Christeli)k(?) feminisme is niet alleen eene overtreding van den Bijbel, maar het is ook eene beleediging van Christus en zijne apostelen. Want is de emancipatie der vrouw en hare gelijkstelling met den man eene waarheid en een plicht; ligt daarin en in haar openlijk optreden en werken een beteekenisvolle kracht voor de bekeering en de verbetering der menschheid; en is het, zooals velen zeggen, te betreuren, dat dit niet vroeger werd ingezien en begrepen, — dan is de Bijbel minstens zeer onvolkomen en verouderd, en dan waren Jezus en zijne apostelen, met eerbied gezegd, slechts onwetende lieden, die al het bovengenoemde niet alleen niet wisten, maar in hunne blindheid deze emancipatie en deze gelijkheid bestreden, inplaats van ze te prediken en voor te schrijven, zooals hun plicht zou geweest zijn! Dan had Jezus dus zes mannelijke en zes vrouwelijke apostelen moeten kiezen, en evenzoo zeventig vrouwen, twee aan twee, voor de prediking van het Koninkrijk Gods moeten uitzenden. — Hoeveel goeds is er verzuimd geworden, hoevele zielen zijn er verloren gegaan, tengevolge van deze treurige nalatigheid ! — Evenzoo wordt meermalen door de Christelijke feministen geleerd, dat die vrouwen die niet in \'t openbaar den Heiland belijden, hun plicht als Christin niet vervullen en ook eenmaal door Hem verloochend zullen worden ! Derhalve zouden sedert ruim achttienhonderd jaar alle Christelijke vrouwen haar God en Heiland verloochend hebben, omdat zij Hem niet op den kansel, op straat en op de markt verkondigden! Welk een aanmatigende en önbijbelsche bewering! Hoevele
349
duizenden trouwe Christenen en kinderen Gods hebben nooit in \'t openbaar of in de gemeente gesproken of gebeden! — Tot zulke gevolgtrekkingen komt men, wanneer men Christelijker dan de Christus wil zijn en zichzelven wijzer acht dan Gods W oord !
* *
*
Maar bezien wij het feminisme over \'t geheel en \'t algemeen in de wereld. Wij zullen daarbij ruimschoots gelegenheid hebben om op te merken, dat het ook hier met de geschiedenis, de ervaring en de natuur in tegenspraak is.
Op zijn onwaar dogma van de gelijkheid der geslachten bouwt de feminist gansche luchtkasteelen van kinderachtige en onware beweringen, waarvan wij er hier enkele met een kort woord willen toelichten.
Zoo beweert hij bijvoorbeeld, dat de vrouw van oudsher en overal tot dusver een door den man geëxploiteerde, door hem opzettelijk in onwetendheid gehouden slavin is geweest. Hooren wij den Zwitserschen vrouwen-emancipator Charles Secretan, door G. Gerok aangehaald (F r a u e n a b e n d e, bladz. 1(H): „De werkzaamheden der vrouw zouden, indien zij werden uitgebreid, gezonder worden, terwijl tot dusver de vrouwelijke invloed, waar hij zich doet gelden, veeleer schadelijk schijnt, als die van een ijdel, tot berstens toe met vooroordeelen vervuld, van gerechtigheid absoluut niets afwetend schepsel, — gebreken die het eigen werk der mannen zijn, en waarzonder de vrouw geen dag lang bestand zou zijn tegen het leven, dat de mannen voor haar geschapen hebben.quot; Wat al onuitstaanbare overdrijvingen ! — En bovendien : welk een onwaardige verguizing dei-vrouw ! — Men behoeft echter slechts de Bijbelsche en de wereldgeschiedenis te doorbladeren, om te zien hoe onwaar dit alles
350
is. — Beide toonen ons door alle tijden heen duizenden hoogge-eerde en zelfstandige vrouwen en honderden koninginnen en keizerinnen, wien reeds in de grijze oudheid en zelfs bij wilde volkeren duizenden krijgslieden op het woord gehoorzaamden, zooals nog in den jongsten tijd in China de keizerin-moeder, op Madagascar eene koningin, op Tahiti de vorstin Pomare, en evenzoo \' in het Britsche rijk vrouwen de kroon dragen. De geschiedenis toont ons reeds in den beginne eene Helena, om wier wille de stad Troje tien jaren lang belegerd werd, eene Andromache, Iphigenia en Electra, eene Penelope, wie geen harer minnaars ooit door woord of blik durfde beleedigen, de vorstin Dido in Carthago, de koningin van Egypte, die haar gemaal Amenemha III bij wijze van zakgeld de zesduizend gulden daags bedragende vischbelasting van het Merommeer schonk, een echt koninklijk geschenk! Zij doet ons de fiere vrouwen van Sparta en van Perzië zien, alwaar zelfs een Cambyse bij liet binnentreden zijner moeder van den troon opstond, en een diepe buiging maakte, om haar vervolgens naar een hoogeren troon dan den zijnen te geleiden (denk hier ook aan Salomo, 1 Kon. II : 19), en zoovele andere prachtige, edele vrouwengestalten en koninginnen des huizes door alle tijden heen en bij alle volken, zooals in den Bijbel een Sara en een Mirjam, de profetes Debora, de door Lemuels moeder geschilderde vrouw, en de koningin van Scheba; voorts de Keltische priesteressen, de Vel-leda\'s, de Germaansche Thusnelda\'s, Kriemhilde en Brunhi\'de en Gudrun en zoovele andere heldinnen der Duitsche sage, tot op Luthers „Herr Kathe,quot; koningin Louise en de vorstin von Bismarck, van wie haar man, op haar wijzend, openlijk getuigde: „Zonder deze vrouw zou ik niet zijn geworden wat ik nu ben.quot; — Zijn dat louter arme, onwaardig behandelde en mishandelde slavinnen ? — En zoo waren er en zijn er ook nog tot den huldigen dag op de wijde wereld millioenen vrouwen, die door hare mannen bemind en
351
door hare kinderen geëerd worden, en wier woorden niet zonder invloed of uitwerking blijven ; en zoo is er ook — en zelfs onder negerstammen en wilde volken even goed als in het Duitsche rijk — een niet onbelangrijk aantal, die hare mannen onder een zachte pantoffelregeering houden, en hen door krachtige en herhaalde „bedsermoenenquot; tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden opleiden.
Over \'t algemeen kent het rijk des geestes geen verontschuldigingen. Men is wat men is, men kan wat men kan, men wordt hetgeen waarvoor men deugt, en oogst juist zooveel succes, waardeering, aanzien en vrijheid, als men verdient. Alleen zwakke en lafhartige, door eigen schuld mislukte menschen geven aan de omstandigheden en hunne medemenschen, hunne opvoeding en hunne ouders, de wereldorde en de ordinantiën Gods, de maatschappij en de rotte toestanden hunner eigen erbarmelijkheid de schuld van al hunne ellende. De rechte mensch neemt geheel en volkomen de verantwoordelijkheid van zijn z ij n en zijn doen op zich, en roept dan uit : „O God! wees mij zondaar genadig!quot;\' — Dat is ook toepasselijk op de vrouw. Niet door de wetten, niet door de omstandigheden, niet door den man is zij onder het juk gebracht, maar zijzelve heeft zich van oudsher hare positie geschapen, heeft hooge eer of verachting, liefderijke behandeling of onverbiddelijke strengheid verdiend. Ook zij heeft steeds geoogst wat zij gezaaid heeft. Zoo ging het in Rome en in Sparta, in Mexico en in China, in Egypte en in Assyrië. De beminnenswaardige wordt bemind, de achtbare wordt geacht, de edele bewonderd, de goede met erkentelijkheid gedankt, en de reine wordt ook zelfs door den onreine niet aangeroerd. Ook dat is wet en recht in het rijk des geestes.
De feministen beweren verder, dat ook nog in onzen tijd de intellectueele ontwikkeling der vrouw wordt belemmerd en
352
onvruchtbaar gemaakt door de wet. — De geschiedenis leert, dat — evenals de sterkste volken zich van oudsher de strengste wetten gaven — zoo ook de vrouwen den grootsten en besten invloed daar uitoefenden, waar zij onder de strengste tucht stonden, bijvoorbeeld in Sparta en in de Piomeinsche republiek. En wel zonder kiesrecht of wetenschappelijke opleiding. Want het geheele werken der vrouw is iets zoo rechtstreeks en persoonlijks, wij zouden kunnen zeggen iets zóo magnetisch, dat het alle wetten doordringt. Zoo kon de vrouw bij de oude Germanen wel is waar wettelijk verkocht en verspeeld worden,
— hoe zelden het ook in werkelijkheid gebeurde, — en tóch oefende zij daar den bekenden grooten en heilzamen, zedelyken en maatschappelijken invloed, die door Tacitus zoo geroemd en bewonderd wordt.
Maar wordt in den tegenwoordigen tijd de vrouw niet even goed door de wet en de politie beschermd als wij? Mag zij niet over elke verongelijking even goed eene aanklacht indienen ?
— Geldt haar getuigenis niet voor de rechtbank\'? Zoo scarijft de advocaat Mainzer (,S c h w a b. M e r k u r,quot; 1896): „Sedert het jaar 1828 geldt de stelregel, dat de vrouw privaatrechtelijk met den man gelijkstaat, en zij in elke rechtszaak een geldige beslissing kan nemen. Op geen enkel gebied sluit het recht de vrouwen van de concurrentie met den man uit. De vrouw wordt beschouwd als in het volle bezit van haar privaatrechtelijke hoedanigheden, hetzij zij getrouwd is of niet. Zy geniet zelfs afzonderlijke rechten. Zoo wordt de man eerst met het eenentwintigste levensjaar meerderjarig, de vrouw in Wurtemberg bij het aangaan van een huwelijk, wat haar van den zestienjarigen leeftijd af geoorloofd is.quot; — Zoo bepaalt inderdaad en met recht het burgerlijk wetboek in Duitschland, dat de man, wien het herhaaldelijk den plicht oplegt, „aan zijne vrouw het noodige onderhoud te verstrekkenquot; (§ 1360), daarentegen zijnerzijds het recht heeft om
353
de gemeenschappelijke woonplaats te bepalen; maar zelfs aan deze beslissingen van den man „is de vrouw niet verplicht gevolg te geven, wanneer hel blijken mocht, dat de beslissing met misbruik van zijn recht gelijk staatquot; (§ 1354). — Zoo wordt in \'t algemeen bepaald, dat het verinogen der vrouw aan het beheer en het vruchtgebruik van den man, „die de huishoudelijke uitgaven te dragen heeft (§ 1389) — onderworpen wordtquot; (§ 13G3). (Omtrent dit ordelijk te voeren beheer rnoet hij op verlangen der vrouw inlichtingen verstrekken [g 1374-]). — Maar terstond wordt bepaald (§ § 13Gi—-1371), dat de voorbehouden goederen niet aan zijn beheer onderworpen zijn. En onder voorbehouden goederen wordt verslaan: al wat bij en door de huwelijksvoorwaarden als zoodanig verklaard is (§ 1368); voorts wat de vrouw door haar arbeid of door middel van nering en negotie verkrijgt (§ 1367); wat zij erft of wat haar vermaakt wordt als zoodanig (§ 1369); wat tot haar persoonlijk gebruik dient (§ 1366). Over al dit aan de vrouw geheel en volkomen, met kapitaal en rente, toebehoo-rende voorbehouden goed komt den man noch het b e-heersrecht, noch het recht van vruchtgebruik toe! — Over \'t algemeen gaat het Duitsche wetboek—zooals § 1359 dan ook zegt, dat de echtgenooten de wederzijdsche verplichtingen met dezelfde zorgvuldigheid moeten nakomen, waarmede zij altijd hun persoonlijke belangen behartigen, en daarbij den man de verplichting oplegt om de kosten van de verdediging der vrouw in een tegen haar aanhangig gemaakte strafzaak te dragen (§ 1387) — van de humane en billijke veronderstelling uit, dat de door de vrouw vrijwillig gekozen man haar natuurlijke vriend en beschermer is, en niet, zooals een ophitsende en verbitterde troep meestal ongetrouwde feministen naar alle kanten uilbuldert, haar gezworen vijand en onderdrukker.
Wat voogdijschap betreft, is ook de ongehuwde moeder als
23
354.
voogd voor den grootvader verkiesbaar (§ 1900), ja, „eene echlgenoote kan tot voogd over haar man ook zonder diens toestemming, worden aangesteldquot; (§ 1409). Evenzoo erkent het wetboek het volle recht der handeldrijvende vrouw om zaken af te sluiten en processen te voeren.
Maar wij kunnen, inplaats van in steeds onverkwikkelijke discussiën over rechtsquaestiën te verloopen, den staat van zaken met open oog en gezond verstand overzien, en vragen : Waar is er op den huidigen dag eene wet, die der vrouw verbiedt haar man lief te hebben, hare kinderen in de vreeze Gods op te voeden, trouw haar huishouden te beheeren, weldadig en gastvrij te zijn, voor de huisgenooten, in den vriendenkring en in de maatschappij een waarlijk goeden en beschaafden loon aan te geven, hare woning te verfraaien, bovendien haar geest en haar gemoed te ontwikkelen, ja ook kunsten en wetenschappen te beoefenen, kortom alles te zijn, wat Gode en den menschen welgevallig is? —Of wil zij dat niet, dan kan zij wel (wart dat verbiedt haar, helaas, ook geen enkele wet) even slecht en liederlijk zijn, als welke man ook. Zij kan haar man door hare verkwistingen of door haar slechte manier van huishouden ruïneeren, of door hare eigenzinnigheid of hare grilligheid, hare lichtzinnigheid en hare coquetterie hem het leven verbitteren, — daartegen beschermt hem geen enkele wet! Zij kan voer hare kinderen het ouderlijk huis onbewoonbaar maken, en ook zelve wegloopen; zij kan onzedelijke romans, en laffe eri domme no-velletjes schrijven, openbare voordrachten, zooals Annie Besant, of brandstichters-redevoeringen houden en laten drukken, zooals madame Severine, Louise Michel en anderen, of zich in den schouwburg en het circus laten kijken, of op de beurs en te Monte Carlo mededobbelen, en zich, waar en op welke wijze zij maar wil, te koop aanbieden! — Wie of wat verhindert de
355
vrouw te trouwen of ongehuwd te blijven, of met een landverhuizersschip naar Amerika of Australië te gaan, of — als zij geld heeft, en daarzonder kunnen wij mannen het ook niet — uitsluitend voor haar eigen genoegen, zooals vele dames tegenwoordig doen, overal waar zij wil, te Nizza of te Napels of op Madeira, de prachtigste villa met park en tuin aan te leggen of te koopen, of als freule Alexandrine Tinne met groot gevolg eene reis door Afrika te doen, of als sommige Engelsche dames zelve het commando over haar stoomjacht te voeren en daarmede op alle zeeën der wereld rond te varen? — Kan men nog vrijer zijn ? — Of zij kan als Elisabeth Frey de gevangenissen bezoeken, als Kate Marsden de melaatschen in Siberië verplegen en er door middel van openbare voordrachten geld voor inzamelen, of, als een andere dame, voor eigen rekening in Thibet als zendelinge werkzaam zijn. — Wie verbiedt de vrouw, salons te openen en daarin zoo exclusief te regeeren als zij wil, of alle soorten van sport of kunst te beoefenen, te schilderen als Rosa FJonheur of mevrouw Parlaghi, en gouden medailles en ridderorden te verwerven, of te zingen als eene Patti of Lucca, en op éen avond meer te verdienen dan duizenden mannen en huisvaders op een geheelen dag; of scholen en gasthuizen te stichten, of alle mogelijke vakken en beroepen uit te oefenen, en daarmede — of door den handel, zooals de stichteres van de Bon Marché te Parijs en andere Fransche vrouwen — millioenen te verdienen en ze naar verkiezing weer uit te geven? — Wat blijft er dan nog over van de arme slavin, van de getiranniseerde! rechtelooze! geplunderde ! vrouw, zooals de met woorden schermende en onzinnige feministen en sentimenteele feministinnen haar afschilderen?
Denken dezulken dan, dat wij mannen vrij zijn om te doen en te laten wat ons in het hoofd komt, en dat wij zoo maar spelend en naar ons goeddunken voor onszelven en ons huis-
356
gezin het brood verdienen? — Neen, maar millioenen dag en nacht onder de onverbiddelijke militaire tucht staande soldaten en matrozen in Europa; en evenzoo millioenen burgerlijke, spoorweg-, post- en staatsbeambten, door eed en plicht, discipline en hierarchie gebonden; millioenen arbeiders in steenkolen- en ijzermijnen, dag aan dag aan het reglement en de werkorde onderworpen, zijn veel minder vrij dan de tehuis over kind en dienstbode, in kamer en keuken tamelijk naar willekeur heerschende vrouw. En duizenden vrouwen zouden, wanneer zij heden met ons mannen ruilden, al zeer spoedig uit den zoo eentonigen arbeid op het kantoor en het bureau, in de werkplaats en de studeerkamer, naar haar vroegeren, vrij-eren werkkring terugverlangen.
Wal de vaak met schromelijke overdrijving als hulpeloos en verlaten geschilderde ongehuwde vrouwen betreft, merken wij allereerst op, dat de meesten derzulken de haar aangewezen positie en levenstaak hebben als zusters, dochters, tantes, of ook als diakonessen, en daar vaak onmisbaar zijn, bijvoorbeeld bij ouders die niet meer instaat zijn om te werken, in huishoudens met veel kinderen, of met zieken en gebrekkigen. Vele anderen zijn vermogend of tenminste onafhankelijk, en leiden dientengevolge een allesbehalve beklagenswaardig bestaan. Dat voor het over het geheel kleine aantal der overigen naar een geschikte bezigheid en ook in ieder opzicht naar eene verbetering en veraangenaming van haar lot gezocht wordt, is voorzeker een loffelijk streven, waaraan wij van ganscher harte het beste welslagen toewenschen; maar dit vraagstuk is niet de vrouwen-quaestie, en zal dat ook nooit worden. Het als zoodanig te willen stempelen is even onjuist en onwaar, als het arbeidsvraagstuk met dat der invalide arbeiders of het familievraagstuk
met dat der weezen te vereenzelvigen.
* *
*
357
Vooral door Engelsche en Amerikaansche „modern womenquot; wordt beweerd, dat de vrouw intellectueel hetzelfde kan verrichten als de man. (Dat zij psychisch even veel en dikwijls méér tot stand brengt, gelooven ook wij.) Ook hier zijn zij in naïeve, verpletterende tegenspraak met alle feilen der wereldgeschiedenis en der ervaring. Wanneer zij gelijk hadden, hoe zou het dan komen, dat wij in geen enkel land en geen enkel tijdperk eene dichteres als Homerus, Sophocles, Virgilius, Dante, Shakespeare, Byron of Goethe aantreffen? Waar ter wereld is er eene schilderes als Michel Angelo, Leonardo de Vinei, Poussin, Murillo, Titiaan, Albrecht Durer enz.? Waar eene natnuronderzoekster als Aristoteles, Copernicus, Linnaeus, Newton, enz., enz.? Waar eene philcsophe als Plato, Kant of Jakob Bohme? Waar is er eene vrouw van de wereldhistorische beteekenis—wij willen niet zeggen van Mozes of Elia of Johannes de- Dooper of den apostel Paulus — maar slechts van Confucius of Boeddha of Mahomed of Socrates of Luther of Calvijn? — Waar heeft er ooit éene een duizend jaren geldend wetboek of een wijsgeerig systeem of een nieuwe architectuur of een nieuwe kunstrichting geschapen, of een wereldhistorische uitvinding of ontdekking gedaan? — Want hoe hoogbegaafd en intelligent de vrouw ook zijn moge, aan haar doen ontbreekt de voortbrengende kracht, de scheppende macht. — En mocht men willen beweren dat de wetten, de verhoudingen, de omgeving haar het voortbrengen van zulke dingen tot dusver onmogelijk gemaakt hebben, dan wordt ook deze tegenwerping door de geheele wereldgeschiedenis gelogenstraft. Want daartoe hebben van oudsher bovengenoemde duizenden rijke, zelfstandige en onafhankelijke vrouwen en vorstinnen ruimschoots tijd en gelegenheid, geldelijke en andere hulpmiddelen gehad; terwijl de grootste en voornaamste mannen op intellectueel gebied vaak met de moeilijkste bezwaren, met gebrek en ontbering van
358
allerlei aard te worstelen hadden, voor en aleer zij hunne denkbeelden konden verwezenlijken, zooals bijvoorbeeld een Stephenson, die op zijn dertigste jaar nog een arme mijnwerker was, die lezen noch schrijven kon, maar zich toch tot den eersten ingenieur der wereld wist op te werken. Wie verbiedt het der vrouw, of heeft het haar ooit verboden, om evenals de oude blinde bedelaar Homerus, of als de ketellapper Bunyan in zijne gevangenis, of als Thomas a Kempis in zijn eenzame monnikscel, of als Johannes Böhme bij zijn zwaren schoenmakersarbeid, ■wereldberoemde, eeuwenlang invloed oefenende werken te vervaardigen, of de boekdrukkunst, of het buskruit, of ook maar de photographie uit te vinden? Waarom kunnen zij op letterlijk niets van dien aard wijzen? Hoe zijn zij er toch toe gekomen, sedert de wereld bestaat, haar licht zóo onder de korenmaat te zetten?
* *
*
In strijd met hun dogma van de volkomen gelijkheid der geslachten beweren de feministen, dat de vrouwen zedelijker zijn dan de mannen, en dat zij — tot mederegeeren toegelaten — de wereld zedelijker zouden maken. Dit zou slechts koren op onzen molen zijn; ja, wij zouden het zonder wangunst aanzien, wanneer de vrouwen in dit en in alle andere opzichten nog beter werden dan zij reeds zijn, evenzeer als wij met hart en ziel zouden wenschen, dat de geheele menschheid een zedelijken levenswandel mocht leiden. Ook geven wij gaarne toe, dat de vrouwen meestal zachtmoediger en vriendelijker, bijna altijd dienstvaardiger, geduldiger, deelnemender en weldadiger zijn, kortom meer hart, gevoel en gemoed hebben, dan wij. Maar dit alles is nog geen zedelijkheid; ja, juist datzelfde goede of goedige hart, of liever wat men daaronder verstaat, heeft reeds menig Gretchen aan haar val geholpen!
359
Het gaat hier niet over den gunstigen indruk, dien eenige ons bekende edele en reine vrouwen op ons maken, maar over heel de objectieve waarheid. Ook dit vraagstuk moet volgens fundamenteele beginselen, op grond van den Bijbel, de geschiedenis en de natuur, beschouwd en behandeld worden.
De Bijbel weet niets van een bijzondere zedelijkheid of goedheid van het eene geslacht tegenover het andere. Voor de rechtbank van Gods Woord zijn wij allen zondaars en is het gedichtsel van \'s menschen harte boos van zijne jeugd aan. De Heilige Schrift leert, dat, evenals voor Adam het woord: „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert,quot; hoofddoel en wet zijns levens is, zoo ook voor de vrouw het woord: „Met smart zult gij kinderen baren.quot; Het geslachtsleven vormt derhalve volgens Bijbel en natuur stoffelijk en lichamelijk het middelpunt der vrouwelijke existentie, •terwijl het bij den man slechts een ondergeschikte rol speelt. En dat evenzoo hare verhouding tegenover man en kind een harmonisch deel van haar zieleleven uitmaakt, blijkt zonneklaar uit heel de vrouwelijke litteratuur, uit de gesprekken der vrouwen en hare huwelijksgedachten, uit de statistiek van de zelfmoorden der vrouwen en evenzoo van die harer geesteskrankheden. Dat zijn onloochenbare feiten. Maar de duivel, die groote psycholoog, pakt ieder mensch juist daar aan, waar hij het meeste vat op hein heeft; het is dus logisch, wanneer reeds bij voorbaat verwacht wordt, dat hij de vrouw nog meer dan den man van dezen kant zal aanvallen, en dat —terwijl hij de mannen tot bloedzuigende woekeraars, wat bij vrouwen zelden of nooit voorkomt, tot moordenaars uit louter moordzucht, tot twijfelaars uit geestelijken hoogmoed, tot godslasteraars uit satanischen haat maakt — hij de vrouw door het sexueele ten val zal trachten te brengen. — Dat de zaak inderdaad zoo staat, wordt door de geschiedenis en de ervaring bewezen.
360
Hoeveel prachtige, reine, kuische vrouwenfiguren de geschiedenis ook voor ons heeft doen bewaard blijven, getuigt zij toch over \'t geheel niet ten gunste van een hoogere zedelijkheid der vrouw. Van de vrouwen van Babyion en het keizerlijke Rome, de beruchte Messaüna en Poppea en Theodora van Byzantium, tot Catharina 11 van Rusland en Isabella van Spanje, zijn vorstinnen, koninginnen en keizerinnen vaak even onzedelijk als koningen en heerschers geweest, hebben zij zich evenzeer door hare lusten en gunstelingen laten beheerschen, als de mannen door hunne maitressen, en hebben zij evenmin hare rijken zedelijker gemaakt. — Over \'t algemeen zijn er voor onzedelijkheid twee noodig; en het is een groote leugen met voorbedachten rade, dat alleen de man de schuld draagt van de onzedelijkheid der vrouw. — Waren alle vrouwen rein en zedelijk, dan zouden de mannen het óok moeten zijn. Wanneer de vrouwen elkaêr niet meer, zooals in Engeland en Frankrijk, verdrongen hij pror cessen over echtbreuk en liederlijke vergrijpen tegen de eerbaarheid en goede zeden; wanneer zij geen schandelijke vertelsels volijverig verder colporteerden, en geen onzedelijke romans meer lazen, en geen ,dubbelzinnigequot; komediestukken meer gingen zien; wanneer zij van onkuische schilderijen-tentoonstellingen wegbleven, tegen de trouwens onzinnige vertooning van naakte Venussen, Galathea\'s en Phryne\'s op onze straten en markten protesteerden, en in de gezelschappen van alle verdachte f.ardig-heden of elke piquante schandaalgeschiedenis verschoond verlangden te blijven; wanneer zij den kinderzegen niet meer als een last, ja als een soort van schande beschouwden, — kortom, wanneer zij eens ernst maakten met de ware zedelijkheid, dan zou het spoedig met eerbaarheid en goede zeden in de litteratuur, in de kunst en in de maatschappij heel wat beter gesteld zijn.
Nu wij toch eenmaal bij dit onverkwikkelijk onderwerp zijn
361
aangeland, zullen wij ook den op het program van het feminisme geschreven eisch: „Eenzelfde moraal voor beide geslachten!quot; kortelijk toelichten. — Ook al een fraaiklinkende, maar waardelooze strijdleus! — Wel bestaan er eeuwige beginselen des rechts en dus ook der moraal, die van het welgevallen noch van de intellectueele ontwikkeling des menschen of der volkeren afhankelijk zijn, en waarin „vooruitgangquot; en „verlichtingquot; niet de minste of geringste verandering brengen. — Maar even waar is het, dat de verantwoordelijkheid en gevol-gelijk de schuld van den mensch zich zoowel naar zijn intellectueel standpunt, zooals bij het kind en bij den idioot, als naar de waarde en de grootte van het toevertrouwde goed regelt, onverschillig of het éen of tien pond is. Zoo bestaat er voor eiken stand, en, in den grond der zaak beschouwd, voor eiken mensch een andere en verschillende „moraal,quot; wanneer men daaronder zijne verantwoordelijkheid en de mate zijner schuld verstaat; en hier is dan ook in overeenstemming met den Bijbel het Latijnsche spreekwoord van toepassing: „Al doen twee hetzelfde, daarom is het toch nog niet hetzelfde.quot; — Zijn de zoon die zijn vader mishandelt, de moeder die haar eigen kindje om het leven brengt, de soldaat die zijn generaal gehoorzaamheid weigert, de rechter die een onrechtvaardig vonnis velt, de priester die het hem toevertrouwde heilige met voeten treedt, niet dubbel strafbaar? Waarom en vanwaar dit onderscheid, dat door niemand geloochend zal worden? Waarom zegt men ook niet hier: Eenzelfde moraal, eenzelfde verantwoordelijkheid en eenzelfde straf voor allen! — Antwoord: Omdat aan het kind de wet des eerbieds, aan de moeder die der moederliefde, aan den soldaat die der gehoorzaamheid, aan den rechter die des rechts, aan den priester die des heiligdoms gegeven is, opdat zij ze door hun leven aan de wereld prediken en aanschouwelijk maken zouden.
362
Der vrouw nu is de wet des geslachts en der generatie — zooals door heel hare lichamelijkheid en ook reeds door de haar aangeboren schaamachtigheid voldoende bewezen en door den Bijbel bezegeld wordt — ter heilige bewaring en bediening toevertrouwd. Zij is de priesteres dezer beginselen; zij is, evenals de moeder aller levenden, rechtstreeks het geslacht, gelijk er vóór hare schepping geen geslacht bestond en de Franschman dan ook van haar als ,1e sexequot; spreekt. Het geslachtelijk leven, de echt en het voortbrengen van kinderen beheerschen heel hare existentie, naar lichaam en ziel; terwijl zij bij den man slechts een ondergeschikte rol spelen. Wanneer nu de vrouw deze haar toevertrouwde belangen en levensbestemmingen misbruikt, en deze haar hoogste waardigheid met voeten treedt, dan is het logisch, natuurlijk en bijbelsch, wannser zulk een vergrijp zich strenger aan haar wreekt dan aan den man; en de natuur en de ervaring leeren, dat, evenals het voor haar lichamelijke gevolgen heeft en voor den man niet, zoo ook haar zieleleven er oneindig meer door wordt aangedaan en veranderd. — Terecht wordt in dit opzicht van oudsher door alle volken een onderscheid gemaakt, en beschouwen zij als den grievendsten hoon, dien men eene vrouw kan aandoen, het woord : „hoer!quot; — maar voor den man: „een laffe, eerlooze kerel!quot; —
Ook hier leidt het valsche beginsel van gelijkheid der geslachten tot valsche gevolgtrekkingen. Ook hier is differentieering het gevolg en het kenmerk van het hooger zedelijk standpunt, nivelleering daarentegen van onwetendheid en achteruitgang. Treurig genoeg, dat het juist de voorvechters der vrouwenrechten zijn, die tegenwoordig — inplaats van de prachtige, kuische vrouwentypen der oudheid — ons slechts zinnelijke, liederlijke, door hare lusten en begeerten her- en derwaarts gedrevene, of nog erger, geeslelooze en hartelooze, in koelen bloede de zonde bedrijvende figuren te zien geven, zooals (wij doen blindelings een greep uit
363
de massa) eene Hedda Gabler, Magda, freule Julie, Edith, mevrouw Felicitas, Regina, en hoe de heldinnen der hooggeroemde heden-daagsche tooneelstukken en romans al verder heelen. Nooit of nergens in de moderne emancipatie-litteratuur het ideaal eener schoone, zedige, reine vrouw! En evenmin in de geëmancipeerde kunst. Want uit echtbreuk met het lichaam en met de gedachten, uit zinnelijke lusten en verachting van alle goddelijke, mensche-lijke en zedelijke wetten, met een zelfmoord tot besluit, worden tegenwoordig de romans en tooneelstukken hoe langer hoe meer opgebouwd.
Het ergste van al die strijd- en levensleuzen is hunne leugenachtigheid. Zoo bestond de „vrijheidquot; der Fransche revolutionairen daarin, dat zij onverdragelijke despoten als Marat en Robespierre blindelings gehoorzaamden, en hunne „broederschapquot; daarin, dat zij iedereen een pak slaag gaven, die het niet met hen eens was. — Zoo ook hier. — De verdedigers en verdedigsters van bovengenoemde strijdleus bedoelen meestal met dezen zoo deugdzaam klinkenden kreet in waarheid: „eenzelfde onzedelijkheid voor beide geslachte n!quot; Geen oogenblik komt bij deze geavanceerde emancipators de eisch op, dat mannen eu jongelingen rein en kuisch moeten leven, als zedige jonkvrouwen, zooals dan ook een schrijver van dat gehalte ergens opmerkt; „De Jozefs zijn ten allen tijde belachelijk geweest!quot; Maar het ouderwetsche begrip, als zou datgene, wat geen schande voor den man is(?), wèl schande voor de vrouw zijn, moet men, zeggen zij, overboord werpen, en haar veroorloven om even ongegeneerd en in \'t openbaar onzedelijk te zijn als de man. Het is overbodig, met de hoe langer hoe talrijker wordende Engelsche, Fransche, Zweedsche, Noorsche en Duitsche producten van dien aard in de hand, deze treurige „moraal voor beide geslachtenquot; nader toe te lichten.
Maar is dan de gansche levensbeschouwing der geavanceerde
364-
feministinnen zedelijk; hare verachting van het Christendom, haar woeden tegen den man, de geringschatting van het kind, van het huisgezin en van het huwelijk, en hef verlangen naar vrije liefde, d. w. z. naar bandelooze onzedelijkheid? — Is het zedelijk, wanneer het huwelijk, die hoek- en grondsteen van het menschelijk geslacht, dat zelfs door wilde volksstammen als heilig en onverbreekbaar wordt beschouwd, hoe langer hoe meer door de vrouwen als een verouderd standpunt belachelijk wordt gemaakt, en door de geëmancipeerde George Sand en na haar door vele anderen „de meest barbaarschequot;(!) en door nog anderen „de onzedelijkste(!) instelling der beschavingquot; wordt genoemd? Of wanneer op het Vrouwencongres zekere mevrouw Cauer van de wetgevende machten eene vergemakkelijking der echtscheiding verlangt ? — Welk eene verblinding! Want de geschiedenis der oude en nieuwe volkeren bewijst, dat, hoe vaster het echtverbond gesloten is, des te beter staat het met de vrouw en de zedelijkheid. — Of wanneer Klara Muche een boek uitgeeft, waarin als aanhangsel op schaamtelooze wijze de middelen besproken worden, om bij den echtelijken omgang de bevruchting te voorkomen ?! — Of wanneer, om uit vele Noorsche slechts éen voorbeeld aan te voeren, de Zweedsche mevrouw Edgren Löfler ons heldinnen voorstelt, een Nora Helmer, Aria, of Ulla Falk, die allen van haar gezin, man en kinderen weg-loopen, omdat zij het „in dien kinderrommelquot; niet langer kunnen uithouden en „het huwelijk niet met de individueele ontwikkeling der vrouw harmonieertquot; ? — Of wanneer Ralph Iron (pseudoniem voor Miss Olga S.) in een door de Engelsche vrouwen met geestdrift ontvangen werk, waarvan nagenoeg honderdduizend exemplaren verkocht zijn, de leer predikt: Het huwelijk is onaannemelijk voor de geëmancipeerde vrouw, want zij kan zich geen boeien laten welgevallen. Harer alleen waardig is de vrije keuze van iederen man, die haar bevalt, en het samenleven
365
met hem, zoolang hij haar aanstaat en zij het goedvindt(!), waarbij zij op walgelijke wijze den spot drijft met zwangerschap en moederschap! — En wij zouden nog tal van dergelijke boeken kunnen opsommen, zooals het treurige, fin Engeland en bovenal in Amerika met geestdrift ontvangen Trilby of Th. Harvey\'s „Jood.quot; Met welk een toorn en afschuw zouden zelfs de Grieken zich hebben afgewend van zulk eene onteering dei-onder bescherming van de huwelijksgodin Hera en van Zeus staande heilige verbintenis tusschen man en vrouw ! — Wat de geëmancipeerde Franqaise en de Russische Nihiliste onder „eenzelfde moraal voor beide geslachtenquot; en onder hare vrouwenrechten verstaan, komen wij tegenwoordig hoe langer hoe beter te weten, en zij geneeren zich hoe langer hoe minder om het overluid te zeggen. Over het Vrouwencongres te Berlijn schrijft de Reichsbote in een ernstig artikel: , De in Bei-lijn gehouden vrouwenvergadering heeft met hare verklaringen omtrent het huwelijk een waren afgrond voor onze voeten ontsloten!quot; En verder: „Waar zij zedelijke dingen aanroerden, geschiedde het bij de meesten op een waarlijk schrikwekkende wijze, die duidelijk bewees in welke mate deze vrouwen het sieraad der vrouw — de schaamte — hebben afgelegd. Van werkelijk zedelijke oogpunten was er volstrekt niets te bespeuren, — alles werd beschouwd en beoordeeld in verband met het materieel en physiek belang.quot;
Zoo sleept de emancipatie van éen natuurwet altijd en onverbiddelijk de miskenning van andere na zich; want zij staan in organisch verband met elkaêr en vormen éen geheel: de wet!
En zoo gelooven wij rechtvaardig en volgens den staat van zaken te oordeelen, wanneer wij zeggen: De emancipatie der vrouw heeft tot dusver de zedelijkheid niet bevorderd, maar bedreigd en verminderd. Haar consequente toepassing zou een
366
groot gevaar zoowel voor de instandhouding van het huisgezin,
als voor de zedelijkheid der wereld zijn.
* *
*
Vele voorstanders der vrouwenemancipatie beweren verder, dal al de oorlogen zouden ophouden, wanneer de vrouwen het kiesrecht bezaten en mederegeerden. — Sancta simplici-tas!—Want vooreerst: gelooven die goede zielen dan werkelijk, dat wij mannen ons levenlang niets liever doen dan oorlog voeren, en niets vuriger wenschen dan in het bloedige slik der loopgraven nachten achtereen te bibberen, of — door granaatsplinters bijna aan stukken gescheurd — weken- en maandenlang in de hospitalen te liggen, en daarna als zieke kreupelen rond te strompelen ? — Neen! maar wij mannen houden evenmin van den oorlog, ja om goede redenen nog wat minder dan de vrouwen, want wij zetten daarbij ons leven op het spel, wat zij echter niet doen!
Doch waarom dan toch telkens weder oorlogen en oorlogen? — Omdat, evenals het individu, zoo ook de menschheid „niet het goede doet, dat zij wil; maar het kwade, dat zij niet wil, dat doet zij.quot; Ook zij, evenals het individu, voert geen heerschappij over hare lotswisselingen, maar hare daden, hare zonden en hare schuld heerschen over haar en stuwen haar heren derwaarts; en al zwoeren morgen den dag alle mannen en ook alle vrouwen een eed, nooit meer oorlog te zullen voeren, dan zouden zij overmorgen, wanneer God de geesten des strijds losliet (i Koningen XXII: 20—22), toch reeds weer naar het zwaard grijpen en de vrouwen naar het mes, de brandfakkel en de petroleumflesch, gelijk reeds dikwijls gebeurd is bij burgeroorlogen en tijdens de Fransche revolutie, bij de Commune en andere gelegenheden. — Hier openbaart zich een der tegen-
367
strijdigheden in de vrouwelijke natuur. — De vrouw schuwt de gevaren en verschrikkingen van den strijd en den oorlog, en in zooverre is zij een waarborg voor het behoud van den vrede. Maar dewijl zij steeds persoonlijk blijft en alles persoonlijk opvat, wordt zij telkens weder, ook tegen haar wil, in den twist en den strijd gewikkeld; ook dit wordt bewezen door de dagelijksche ervaring, de nonnenkloosters en de vrouwengestichten, door de geschiedenis van zoo menig hof, en op treffende wijze door de gedragingen van zoovele feministinnen. Zoo blijkt de bewering gerechtvaardigd, dat de mannen vredelievender zijn en beter met elkaèr overweg kunnen dan de vrouwen.
Evenzoo wordt ten tweede door de wereldgeschiedenis bewezen, dat — wanneer de vrouwen de macht hebben—zij juist even strijd- en oorlogzuchtig en bloeddorstig zijn en bovendien menigmaal wreedaardiger dan de mannen. Niet zonder reden bezongen de Grieken de mannenverdelgende ,Pallas Athenaequot; met den vreeselijken blik, de lans en het schild. Hoevele oorlogen — van de schoone Helepa af en Gudrun. om wie zooveel bloed vergoten werd, en Brunhilde en Kriemhilde, wier haat de Nibelungen in zoo grooten nood bracht — zijn er niet reeds door vrouwen veroorzaakt geworden! Daaromtrent schrijft Leopold von Ranke bij de geschiedenis van Sophonisbe, deze onverzoenlijke vijandin der Romeinen: „Bij de hooggeplaatste vrouwen komt de nationale haat gewoonlijk het levendigst en het onverbloemdst aan den dag.quot; (W e 11 ge s c h i c h t e, Band I, bladz. 4-70). — Hoevele oorlogen zijn door koninginnen en keizerinnen bevolen, en hoeveel bloed werd er door haar vergoten, van Semiramis en koningin Tomyris af; van koningin Jezebel en koningin Athalia af, die alle koninklijke kinderen ombracht; van de Frankische koningsvrouwen Fredegunde en Brunhilde af, van wie de geschiedschrijver Bedenbacher zegt; „Zij woedden in den burgeroorlog met onbeschrijflijke wraak-en moordzucht tegen elkander
368
en tegen de leden van haar geslacht,quot; tot op Maria de Bloedige en Catharina van Rusland en anderen. — En hoe hebben op edeler wijze de vrouwen van Sparta en die der Germanen en Kelten, Kimbren en Teutonen hare mannen tot den strijd aangespoord ! Van oudsher heeft de echte vrouw den krijgsman, den held, den strijder bewonderd en bemind, zooals de Grieken het in de liefde van Venus voor Mars en de Germanen het in hunne Walkuren schilderden. Van oudsher heeft zij gaarne het tweegevecht en het steekspel bijgewoond en hel zich als de hoogste eer aangerekend, wanneer de mannen om haar streden.
Volgens de wereldgeschiedenis, de ervaring en de natuur der vrouw moet men dus met meer juistheid zeggen: de vrouwenheerschappij zou veeleer eene vermeerdering van de intriges, den strijd en over het geheel van den oorlog tengevolge hebben.
Ook hier ligt het goede zoo voor de hand. — Wanneer, inplaats van tegen den oorlog te declameeren, de vrouwen met een goed voorbeeld voorgingen, en begonnen met onder elkander een eeuwigen vrede te sluiten; wanneer zij het zoo ver wisten te brengen, dat zij geen kwaadaardige en lasterlijke praatjes meer verspreidden, maar inplaats van woorden van ontevredenheid slechts woorden van vrede spraken, en nergens meer den haat aanbliezen, maar overal de liefde bevorderden, dan zou er leeds veel, zooal niet voor den wereldvrede, dan toch voorden vrede in de wereld gewonnen zijn.
Er wordt een groote mate van onnoozelheid toe vereischt om van een eeuwigen vrede op de tegenwoordige aarde te droomen, of te gelooven dat er tengevolge van vrouwenboeken als „De wapens neergelegd!quot; of „Pax mundiquot; ook maar een enkele compagnie in Europa zou worden afgedankt. Daartoe moest, zooais Mahomed zegt, de engel Gabriël allen menschen het zwarte droppeltje reeds uit het hart geperst hebben! — Het is waarlijk zeer kortzichtig om te veronderstellen, dat mogendheden
369
als Frankrijk of Duitschland zich ooit aan de uitspraak van vrederechters zauden onderwerpen, wanneer hunne eer, hunne belangen en hun bestaan als groote mogendheden op het spel stonden. Vooral het voorstel om door de redeneeringen of bedreigingen van een vredebond Engeland of Rusland van verdere veroveringen in Azië of elders af te houden, ziet er uit alsof een haasje een leeuw bedreigde: Als gij nóg eens een antilope opeet, krijgt gij met mij te doen! — waarom men zulk een vredebond niet genoeg kan aanbevelen zich in de allereerste plaats een leger van een millioen flinke soldaten aan te schaffen, om desnoods door middel van een krachtdadig gevoerden wereldkrijg den vrede te verzekeren.
De oorzaak van den krijg ligt dieper dan deze welmeenende, maar kortzichtige menschen denken. De menschen moeten zich tot natiën groepeeren, en dat is goed voor de bestrijding van hun egoïsme en hunne onverschilligheid, en voor de ontwikkeling van hun maatschappeliiken aanleg. Maar de natiën — zoo luidt een andere natuurwet — moeten zich, wanneer zij levensvatbaar zijn, individueel eigenaardig ontwikkelen, en al spoedig zijn de tegenstellingen aanwezig, die, zoodra zij diep genoeg doordringen, onvoorwaardelijk aanleiding geven tot den strijd. Ook de natiën lijden aan de erfzonde en worden, evenals de individuen, door hun hoogmoed, hunne zelfzucht en hebzucht en eerzucht tot twist en strijd gedreven. De zonde is de oorzaak van den krijg, en daarom bestaat er op zijne afschaffing even weinig uitzicht als op die van den dood. Beiden hebben zij ésn en denzelfden wortel; en de diepe oorzaak van den strijd inde wereld wordt gevormd door den zielestrijd in ieder individu, waarvan zelfs een apostel klaagt: „Maar ik zie een andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds,quot; en waarvan de Christus getuigt: „Ik ben niet gekomen om den vrede in de wereld te brengen, maar het zwaard.quot; — Evenzoo
24
370
profeteert Hij: „Het eene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het eene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.quot; Onze oorlogen zijn alle slechts een beeld, eene uitwerking en een gevolg van de gestadige groote worsteling en kamp der geesten in de hemelsche gewesten, waarvan de Bijbel ons verhaalt (vergelijk Jozua, Daniël en I Kon. XXII : 20—2^), en waaraan eerst dan een einde zal komen, wanneer Michael en zijne engelen den laatsten strijd met den draak en zijne engelen strijden ; „en zij hebben niet vermocht, en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemelquot; (Openb. XII: 7—9).
Wat eindelijk de wetenschappelijke ontwikkeling der vrouw betreft, óok een hoofdeisch van de emancipatie der vrouw, hebben wij het reeds hierboven uitgesproken: de vrouw is niet wetenschappelijk van aanleg. Dat onze dochters tegenwoordig onderwezen worden in vele vakken en talen, waarmede hare grootmoeders onbekend bleven — al waren dezen ook bij lange na zoo dom en onwetend niet als men het gaarne pleegt te doen voorkomen, adres aan Goethe\'s moeder en anderen, — is een eisch des tijds, waartegen wij niets hebben in te brengen; veeleer wenschen wij aan alle vrouwen een goede dosis degelijke en bruikbare schoolkennis toe. Maar dat alles is nog geen wetenschap. Het meisje is in den regel even intelligent en begaafd als de knaap; zij leert even gemakkelijk, begrijpt dikwijls nog spoediger, en vergeet minstens even snel; doch haar intel-lectueele aanleg is anders. — Wel overtreft te Chicago het aantal vrouwelijke studenten aan de hoogeschool meermalen het cijfer der mannelijke studenten, een bewijs dat de jonge Amerikaan hoe langer hoe beter begint in te zien, dat men om geld te maken geen wetenschappelijke of andere vorming noodig
371
heeft, zooals ook mannen als Vanderbilt en James Gould het hem trouwens practisch bewezen hebben. Doch waar zijn de voortbrengselen dezer geleerde vrouwen? Wel leggen tegenwoordig tal van vrouwen een examen af, of gaan zij zelfs uit dokteren, d. w. z. zij doen datgene wat jaar in jaar uit tienduizenden vaak tamelijk onbegaafde jongelingen doen, zonder dat er een haan naar kraait; en omtrent de duizenden en nogmaals duizenden vrouwen en meisjes, die blijkbaar voor de studie onbekwaam zijn, bewaren de feministinnen voorzichtigheidshalve liet stilzwijgen. Doch daarmede is de wetenschappelijke bekwaamheid en begaafdheid der vrouw nog niet bewezen. Het studeeren en het afleggen van een examen is slechts het begin; de school is hel leven niet, en dat louter academische studie nog geen geleerden en nog minder mannen der wetenschap voortbrengt, ziet men aan de meeste bovengenoemde studenten, tien of twintig jaar later op het bureau en in het bierhuis. De vraag is niet, wat een mensch zoo al in zijn hoofd kan saampakken, maar wat hij er mede doen kan. Menige vrouw heeft misschien reeds een fraaie en belangrijke hoeveelheid kennis bij elkaèr geleerd. Maar al zijn de vrouwen ook nu en dan door intellectueele gaven en geleerdheid meer of minder bekend geworden, zooals een Hypatia, of een Olympia Morata, of een Jane Grey, de sterrenkundige mevrouw Sommerville of de wiskundige Sonja Kowalevsky, toch heeft geen van allen haar weten dynamisch productief toegepast; geen van allen heeft ons een nieuwen wetenschappelijken, philosophischen of religieusen horizont geopend, of is door de wetenschap groot en beroemd geworden ; geen van allen heeft met hare wetenschap den wereldbol iets verder gestuwd, of de ontwikkeling der menschheid bevorderd. — Behoudens zeer enkele uitzonderingen, zal de vrouw op het gebied der wetenschappen nooit met goed succes tegen den man kunnen concurreeren.
372
Overigens wordt de weienschap door de feministinnen meestal slechts als voorwendsel gebruikt. Wat de geëmancipeerde „n ew womanquot; wil, is niet wetenschap, of verstandelijke ontwikkeling, maar genot en aanzien, vrijheid en sport, en de bevrijding van alle lastige werkzaamheden en plichten. Want de eigenlijke grondslag en hoeksteen van alle emancipatie is de zelfzucht. Denkt men bij geval, dat deze ladies in hare clubs en overal elders onder elkander groote. wereld en menschheid schokkende vraagstukken behandelen ? — 0 neen ! maar over wiel- en andere sport praten zij breedvoerig en eindeloos, en welk kostuum daarbij het mooist staat, en hoe de volgende modehoed er uit zal zien, en over five o\'clock teas, en over de etiquette, en wat die rijke mevrouw X. toch ijdel en hare toiletten toch smakeloos zijn, en hoe coquet en behaagziek die miss Z. toch is! — Eene vrouw is en blijft nu eenmaal eene vrouw.
En ook voor het overige staat de geëmancipeerde Engelsche of Amerikaansche niets hooger dan bijvoorbeeld het veel bescheidener Duitsche meisje. Een brutale manier van meepraten en veroordeelen heeft zij zich aangewend; zij laat zonder blikken of blozen al den poespas drukken, die haar in het hoofd komt en overbluft er de onnoozelen mede; doch haar harts-, gemoeds- en zieleleven is des te armoediger en gebrekkiger.
Vruchteloos zoekt men in de geschriften dezer geëmancipeer-den en op vrouwencongressen naar nieuwe, bezielende, krachtige deeën, naar grootsche, praclische voorstellen; naar een juiste opvatting van groote problemen, en een doeltreffende, heldere oplossing der bestaande moeilijkheden. Een massa woorden, meest hartstochtelijk, vaak dwaas, menigmaal ook kalm en verstandig, en een ware toonladder van gevoelens: van den hoogmoedswaanzin af tot het fanatieke socialisme toe! En overal oneenigheid, behalve op dit éene punt; vooral geen Chrislendom meer! — En op dit alles is het bekende gezegde toepasselijk:
373
„Het ware er in is niet nieuw, en het nieuwe is niet waar.quot;
„De tegenwoordige ontwikkeling der vrouwen van den middenstand,quot; schrijft een ontwikkelde vrouw, „is voldoende; een hoogere zou slechts tot verwikkeling en verwarring aanleiding geven!quot;
Eene „moderne vrouwquot; beveelt den Duitschen vrouwen aan, zich wetenschappelijk te ontwikkelen, om op gelijken voet met mannen te verkeeren en „hare echtgenooten en zoons ook daardoor te imponeeren.quot; — Tusschen twee haakjes: wie do wetenschap beoefent om daarmede een ander te overbluffen, toont reeds niet te beseffen wat wetenschap is. — Maar ook overigens getuigt dit voorstel niet van het practisch begrip der geëmancipeerde vrouw op het stuk van sociale vraagstukken. Zonder eene studie van het achtste tot minstens het een en twintigste jaar is er, bij de zich zoo snel uitbreidende wetenschap, tegenwoordig van een wetenschappelijke ontwikkeling volstrekt geen sprake. Zulk een algemeene studietijd voor meisjes zou den ondergang van het gezinsleven, van het tehuis en van de opvoeding der kinderen tengevolge hebben, de totale ontbinding van het huishouden, zeer dikwijls ook de ruïne van de gezondheid dezer meisjes, en bovendien voor vele ouders onoverkomelijke kosten, aangezien zij voor deze hunne dochters toch ook een uitzet moeten bijeenbrengen. Laat ons echter veronderstellen, dat deze vrouwen eerst na afloop harer studiën (en wel zonder de minste of geringste kennis van het huishouden, van het koken en het naaien, want de tijd daarvoor blijft er bij een ernstige wetenschappelijke studie niet over) in het huwelijk treden, dan zou er voor een voortdurenden wetenschappelijken omgang ook een voortgezette studie vereischt worden, om zich aanhoudend op de hoogte der steeds — en hoe snel! voortschrijdende wetenschap te houden. — Stellen wij ons een dokter of professor of op zijn gebied bekwamen amblenaar voor; de oudste zoon
374
studeert theologie, de tweede scheikunde, en de derde wil ingenieur worden ; en nu moet de goede vrouw en moeder niet alleen op de school reeds zooveel geleerd hebben, maar ook na dien tijd en bij de huishouding, die toch niet vanzelf voortloopt, zóo goed de loopende nieuwigheden in de onderscheidene vakken, of al is \'t ook maar in het algemeen bijhouden, dat zij haar man en zoons daarmede overbluffen kan ! — Het overbluffen, zelfs bij gymnasiasten, gaat tegenwoordig niet meer zoo gemakkelijk. Ook zou het bezwaar moeilijk uit den weg zijn te ruimen, dat een meisje nooit vooruit wist, op welk vak van wetenschap zij los moest studeeren om op den man, die in aantocht is, den gewenschten overbluffendeu indruk te maken. — In goed vertrouwen op de omstandigheid, dat haar vader en baar broeder juristen zijn, verdiepte zoo\'n goed kind zich in het
Romeinsche en Duitsche erfrecht en..... kreeg een architect! —
Of een andere gevoelt zich na vele jaren studie, hoofdpijn en bleekzucht goed tehuis in de nieuwere scheikunde, haalt er den
doctoralen graad in,..... en nu komt er een theoloog en doet
aanzoek om hare hand, en t is toch juist zoo\'n bijzonder nel inensch ! Voor predikantsdochters moeten de kansen evenwel gunstiger staan, weshalve haar met het oog op den toekom.sli-gen candidaat niet te warm kan worden aanbevolen, zich van kindsbeen af met dogmatiek en exegese vertrouwd te maken.
Ongelukkigerwijs staat ook bij dit prijzenswaardige wetenschappelijke streven der moderne vrouw het treurige feit in den weg, dat waarlijk ontwikkelde en geleerde mannen, ja, volgens de Engelsche statistiek juist de geleerdsten het meest, een onver-Llaarbaren, maar diep ingewortelden weerzin tegen geleerde vrouwen koesteren, en boven een uitgestudeerde, in alle opzichten gezette en solide dame onvoorwaardelijk aan een onervaren, onwetenschappelijk, levenslustig en opgeruimd juffertje de voorkeur geven; zoodat het ernstig te vreezen is, dat reeds de enkele
375
poging tot een algemeene wetenschappelijke ontwikkeling der vrouw de vraag naar laatstgenoemde categorie verbazend zou doen toenemen. — Hier kan slechts welwillende en toch krachtdadige, suaviter in modo, for titer in re gehouden terechtwijzing en onderrichting van den kant der wetenschappelijk gevormde vrouwen verandering aanbrengen, waartoe wij weke-lijksche kostelooze voordrachten voor mannen over toepasselijk gekozen onderwerpen, zooals: „De beteekenis der wetenschap voor hart en gemoed,quot; of „Geen echtelijk geluk zonder acader mische opleidingquot; aanbevelen. Ook zouden wij den wetenschap-pelijken vrouwenvereenigingen de uitgave van goede en toepasselijke vlugschriften zeer aanraden, bijvoorbeeld van: „Gemakkelijke vooroefeningen in het voeren van wetenschappelijke gesprekken voor aanstaande echtgenooten.quot; — „Chemische en physische gedachtenwisselingen voor man en vrouw.quot; — „De theorie van het chroomzure kwikzilveroxydule (Hga C2 O.) voor gezellige avondjes in den besloten familiekring.quot; — „Korte ge-ognostische en kosmologische bedsermoenen.quot; — Enzoovoort!
Maar scherts terzijde! Hier en voor de ware zielsgemeenschap tusschen man en vrouw baten geen gymnasia voor meisjes of hoogescbolen voor vrouwelijke jeugd ; want alleen het Christendom, met zijn opvoedenden ernst, met zijn lange reeks van de grootste, diepste, voor man en vrouw gelijkelijk geldende vraagstukken, met zijn reusachtige eischen aan den geheelen mensch, kan een gemeenschappelijken bodem voor een waarlijk innige geestelijke vereeniging der geslachten vormen. — Alleen in het geloof in den Christus is een geestelijke echt mogelijk; elke andere verbintenis, al is zij ook op nog zoo gelijke en wetenschappelijke ontwikkeling, op nog zoo identieken aanleg, op nog zoo gloeiende liefde gegrond, moet met logische noodzakelijkheid eenmaal aan gene zijde des grafs, maar ook reeds hier na volkomen verzadiging, als chemische atomen, in even krachtige
376
afstooting en tegenzin, ja somtijds in bitteren haat veranderen, gelijk zoo vaak bij huwelijken van geniale kunstenaars met even geniale vrouwen te zien is, en zooals in tal van moderne romans, bijvoorbeeld G. d\'Annunzio\'s „Triunfo del la mortequot; met ijzingwekkende waarheid geschilderd wordt. — En daartegen baat geen wetenschappelijke ontwikkeling der vrouw ; gelijk men dan ook juist in de kringen der geleerden ruimschoots gelegenheid heeft om op te merken, hoe weinig een bloot wetenschappelijke opleiding den mensch veredelt of, zelfs in hetzelfde vak, de harten nader tot elkander brengt!
Ja, zegt menige man of vrouw, die met meer goedhartigheid en welwillendheid dan scherpzinnigheid en logica begasfd is, dat is alles heel mooi en kan misschien heel waar zijn ; maar waarom mag dan de vrouw, die ook de helft der menschheid uitmaakt, die hare helft van den levenslast draagt, ook niet dezelfde kies- en andere rechten genieten ; waarom mag zij, die toch ook bezit en beheert, ook niet over de belastingen beslissen ; waarom mag zij, die toch door de wet geregeerd wordt, ook niet bij de wetgeving hare stem uitbrengen ? — Antwoord : Omdat het onrechtvaardig zou zijn. — Hoezoo? — In zooverre de vrouw dan op het zusje zou gelijken, dat, na de helft, van broertjes sinaasappel te hebben gekregen, nog de helft van de overblijvende helft begeert, zoodat zij drie vierden zou krijgen, en haar broeder slechts éen vierde. — Een ieder het zijne! — Wij hebben hierboven gezien, dat de vrouw ten volle éene helft der wereld, des levens en der menschheid als haar schier onbestreden gebied beheerscht. Boven en behalve deze taak, die haar tijd en hare krachten volkomen in beslag neemt, haar
377
ook nog de helft van onze werkzaamheid op de schouders te leggen, zou onverstandig en onrechtvaardig zijn.
En aangezien de vrouwen tegenwoordig, wat ook haar goed recht is, zoo den mond vol hebben over hare „vrouwenrechten,quot; zullen wij hier ook eens een woordje over onze „mannenrech-tenquot; zeggen. — Want wij mannen stuwen den aardbol voort! — Wij bebouwen in het zweet onzes aanschijns de aarde en den door God vervloekten akker; wij rooien bos-schen en maken moerassen droog; wij ploegen, zaaien en oogsten brood voor vrouw en kind, koloniseeren vreemde landen, en hebben uit verre oorden de tarwe, den aardappel, het maïs en de rijst aangevoerd ; wij halen met groote moeite en inspanning de thee, de koffie en de cacao, die gij vrouwen drinkt, en ook de katoen en de zijde, waarmede gij u kleedt. En zijn het brood en de kleeding er, dan zijn w ij het, die het huis, die de woning bouwen, eenvoudig of schoon, hut en villa, dorp en stad, waarin vrouwen en kinderen wonen; wij halen bovendien uit de rotsgroeven de steenblokken, en houwen bovendien in het woud de reuzenstammen om. Wij zijn de uitvinders en samenstellers der machines, waarmede de stoffen gesponnen en geweven worden, die de vrouwen voor kleeding of in het huishouden gebruiken, en ook van de naaimachines, het kookfornuis en de waschtoestellen, waarvan zij zich bedienen ; wij halen met moeite en gevaar uit de diepte steenkolen, waarmede gestookt en gekookt wordt, en de metalen, waarzonder alle beschaving onmogelijk zou zijn, en de diamanten en edelgesteenten, en uit de zee vol haaien en andere verslindende gedierten de paarlen, waarmee de vrouwen zich opsieren. Wij bouwen schepen en ontdekken onder duizenden gevaren en schipbreuken Indië, Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië, en maken temidden van storm en ijs aan de Noord- en de Zuidpool jacht op den walvisch en den potvisch ; wij visschen in alle zeeën, bij IJsland en Newfoundland,
378
millioenen kabeljauwen en andere visschen. Wij stoken dag en nacht de verzengende smeltovens, en gieten bronzen standbeelden en kolossale scheepsschroeven. Wij overbruggen snelstroo-111 en de rivieren, doorboren de gebergten, leggen straatwegen en kanalen en spoorbanen aan, en bouwen prachtige en gemakkelijke reuzenstoombooten met vorstelijk ingerichte damessalons. Wij spannen electrische kabels door de oceanen, en stevenen de branding in, en redden de schipbreukelingen. En evenals wij dagelijks ons leven wagen op zee en te land, zoo zijn wij het ook, die ons bloed vergieten op de slagvelden, om het vaderland en onze vrouwen en kinderen te beschermen, zooals wy u vrouwen van den aanvang der wereld af reeds vele millioenen malen tegen wilde dieren en rooverbenden, gevaren te water en te land, brand en watersnood, beveiligd en geborgen hebben!
En daarom staat het aan ons, te beraadslagen en te besluiten, welke spoorwegen en oorlogsschepen en zeehavens wij willen bouwen, welke handelsverdragen wij willen aangaan en welke tol-wetten wij willen invoeren, welke koloniën wij willen aanleggen en welke landen wij willen veroveren, welke oorlogen wij willen voeren en welken vrede wij willen sluiten, — en zoo ook, wat onze zonen leeren en worden zullen. En omdat wij het zijn, die in verreweg de meeste gevallen ons eigen vermogen en het vermogen van oen staat en het wereldkapitaal verdienen en vermeerderen; dewijl, gelijk van de honderd vrouwen er zich negen en negentig met den titel van haar man sieren, zoo ook van de honderd welgestelde vrouwen negentig haar vermogen aan den arbeid van haar vader of haar man te danken hebben, daarom staat het aan ons om te bepalen, welke en hoevele belastingen wij willen betalen.
Waren wij mannen er niet, dan zoudt gij vrouwen, afgezien van eenige kleine kibbelarijen, in liefde en eendracht nog altijd als de bewoonsters van Tahiti aan den oever zitten; gij zoudt
379
vruchten plukken, en u bevallig met bloemen en schelpen opsieren ; gij zoudt tamme papegaaien en spinnende katten liefkoozen, want kinderen zoudt gij natuurlijk niet hebben ; gij zoudt vroo-lijke en verlangende liederen zingen; maar de wereld zoudt gij niet verder gebracht hebben ! — Wilt gij dezelfde rechten als wij bezitten, brengt dan ook hetzelfde tot stand. — Eerst wanneer gij alleen en volgens eigen plannen en berekeningen en met zelf uitgevonden machines de granietmassa\'s van het Simplongebergte doorboort, of het Panamakanaal uitgraaft, of zooals eenmaal de Venetiërs midden in een moeraspoel op een reusachtig paalwerk een prachtige stad sticht, daarna arsenalen en oorlogsschepen bouwt, u eeuwen achtereen tegenover veel machtiger vijanden weet te handhaven, een eigen kunst en een eigen architectuur, sterke wetten en een groote politiek maakt, en door middel van den wereldhandel u onmetelijke rijkdommen vergadert en een wereldinvloed verwerft, — dan zullen wij aan de gelijkheid der geslachten gelooven.
En evenals wij u sedert duizenden jaren woning en kleeding en het stoffelijke brood verschaft hebben, gelijk wij trouwens als Christenmenschen verplicht en verschuldigd zijn, zoo verstrekken wij u ook het geestelijke brood. Gij leeft van onze ideeën, van onze ontdekkingen en uitvindingen, van onze klassieken en dichters, van de woorden onzer profeten, evangelisten en apostelen, en van de Godsmannen, die God zijn Woord liet schrijven, en evenals naar het lichaam, blijft gij ook naar den geest zonder ons onvruchtbaar, steriel. Wij zoeken en vinden, doorvorschen en verstaan de wet en de wetten, in de natuur en in de kunst, in de wetenschap en in den staat en in den godsdienst; wij vinden kunsten en wetenschappen uit, en stichten staten, kerken en godsdiensten; en uit dien hoofde staat het aan ons, op het gebied van kunst en wetenschap, van staat en kerk de wet voor te schrijven, af te kondigen en toe te passen. Aan óns
380
staat het, de wereld te regeeren. Weest tevreden met uw schoone rijk en met uw invloed op ons, en weest koninginnen van het huisgezin, echtgenooten en moeders, zusters en dochters, kweek-sters en opvoedsters der mensehheid in haar eerste beginselen, hare verzorgsters en verpleegsters op haar rijperen leeftijd, hare troosteressen in het leed ; trouwe helpsters, die met ons harmo-nieeren en ons aanvullen.
* *
*
Het is eene dwaling wanneer men gelooft, dat de mensch alleen dan gelukkig en zelfstandig is, wanneer hij de wetten helpt maken en zijne begrippen van recht en onrecht in toepassing brengt, en evenzoo, dat alle burgers daaraan medewerken In alle landen der wereld is het een vaak geringe meerderheid, die de wetten maakt; en de vaak sterke minderheid moet er zich in schikken, en sterft er niet van; dikwijls heeft ook in de geschiedenis een kleine, maar krachtige minderheid lang over de meerderheid geregeerd. Zoo is er nog zelden in den\'üuit-schen Rijksdag eene wet aangenomen, waaromtrent niet door onderscheidene leden in de hartroerendste bewoordingen en m naam hunner kiezers verklaard werd, dat zij door die wet m hun dierbaarste belangen werden benadeeld; maar deze heeren noch hunne kiezers gevoelen zich dientengevolge zóo ongelukkig, dat zij op staanden voet besloten om als landverhuizers naar Amerika te vertrekken. Al kreeg de vrouw ook het kiesrecht en andere staatkundige rechten, zou zij zich toch telkens moeten laten welgevallen, door anderen „wettelijk getiranniseerdquot; te worden.
Koevele staatsburgers zijn er niet, die nooit of nimmer aan de wetgeving deelnemen, of van hun kiesrecht gebruik maken, en die zich daarom toch niet verbeelden, dat zij „onderdrukte\'
381
uitgebuitequot; menschen zijn, maar flink en vlot hunne zaken drijven en een behoorlijk gevoel van eigenwaarde bezitten. En ziet men niet in elk land duizenden vreemdelingen, die daar genoegelijk en ongedwongen vertoeven, en tot den bloei en de materieele en intellectueele welvaart van het land bijdragen, hoewel zij door de wet zijn uitgesloten van het kiesrecht, van alle deelneming aan de wetgeving, en van alle openbare ambten en bedieningen, zoodat zij derhe.lve even „rechteloosquot; als de vrouwen zijn?
Want de wetten grijpen niet zoo diep in het particuliere leven in als menigeen gelooft. Dat een absoluut onrecht zich niet als wet laat handhaven, daarvoor zorgt de goddelijke Voorzienigheid. De groote rechtsbeginselen zijn onveranderlijk, en nog nooit is door eene wetgeving moord, diefstal, valsche getuigenis, echtbreuk of onzedelijkheid bevolen of beloond geworden. Maar ten allen tijde en bij alle volken kon de mensch zich onder de meest verschillende wetten gelukkig of ongelukkig, vrij of onvrij gevoelen, en evenzoo arm of rijk, traag of vlijtig, god-vreezend of goddeloos zijn, en zich zoowel aan zijne zaken als aan zijn particuliere liefhebberijen wijden. En het is een naïeve waan, als men zich verbeeldl, dat eenige paragrafen in het Burgerlijk Wetboek de positie der vrouw aanmerkelijk veranderen en haar levensloop en levenslot gelukkiger maken zouden !
* *
*
En de feministin schijnt zich dit mederegeeren ook veel te gemakkelijk voor te stellen. Ons parlementaire leven is geen kinderspel. Het is er daar niet om te doen, in den kring van vrienden en vriendinnen telkens weder met warmte en overtuiging mooie voordrachten over vrouwenrecht en mannenonrecht
382
voor te dragen. Maar is de vrouwenquaestie eenmaal aan de orde gesteld en in behandeling genomen, dan moet „ons geachte medelid mevrouw X of mejuffrouw Qquot; zich in langdradige, geestdoodende, schijnbaar onbelangrijke sectie-vergaderingen met stalen vlijt door bergen van cijfers en eindelooze reeksen van
dioge statistische Gn andere gegevens heenwerken, om vervolgens
uren- en dagenlang even vervelende redevoeringen aan te hooren of zelve te houden: over drank- en belastingwetten, over de teelt van suikerbieten, over handelstractaten en over de vaststelling van invoerrechten voor honderden verschillende soorten van goederen, of over de quaestie van margarine en boter; eindelijk over het budget van den staat, van de rijksambtenaren, van de pantserschepen, van de haver voor de cavallerie, enz. enz. En wil zij eens een enkelen keer haar overkropt hart lucht geven en prachtige voorstellen tot wereldverbetering en tot wegneming van allen nood en alle ellende ter tafel brengen, dan wordt zij met een ironisch glimlachje begroet, door ervaren sprekers met onverwachte tegenwerpingen wederlegd, en door staatkundige tegenstanders met persoonlijke opmerkingen, met onverbiddelijken spot, met bijtende ironie overladen, of met een flauwe grap tot het mikpunt van „groote en algemeene hilariteit gemaakt! — En hier, waar zelfs mannen als een Disraeli, een Gavour of een Bismarck hun geduld en bijna hunne kalmte hebben verloren, zoudt gij vrouwen ze willen bewaren?!
Daarom: laat u niet misleiden of ophitsen! Het is er ons niet om te doen, u onder een onwaardig juk gekromd te houden, dat behoeven wij, Gode zij dank! niet te doen, en wij zijn voor uwe heerschappij noch voor uwe concurrentie bevreesd, maar ook wij trachten het ware welzijn onzer vereerde moeders, onzer trouwe echtgenooten en onzer lieve dochtertjes te bevorderen. En juist daarom roepen wij u toe: Verkoopt toch met uw geboorterecht voor een schotel linzenmoes! —
383
Zoudt gij zooveel met het kiesrecht en andere rechten kunnen uitvoeren? Wat zoudt gij er aan hebben, dat gij eenige malen per jaar voor een man of eene vrouw, die gij bijna of in \'t geheel niet kent, uwe stem moogt uitbrengen? Of dat, wanneer gij zelve tot lid van den gemeenteraad gekozen zijt, gij op het raadhuis gansche middagen achtereen over den bouw van nieuwe wijken, over den aanleg van riolen en afvoerkanalen, over breedte van trottoirs en onteigening van huizen, over electrische trams en electrische verlichting moogt medepraten en medetwisten?
Bovendien zouden bij de invoering van het kiesrecht der vrouw juist die vrouwelijke elementen, die er het minst toe bekwaam en geschikt zijn, zich er van bedienen, terwijl de betere en bedachtzamer vrouwen het evenals tot dusver aan hare mannen, vaders en broeders zouden overlaten, haar politieke gevoelens toe te lichten en te vertegenwoordigen. Een droevige bevestiging onzer zienswijze vinden wij in het volgende bericht van de Deutsche Reichspost (2S Februari 1895); „Slechts korten tijd is het thans door de politie opgeheven „Comité van agitatie onder de vrouwenquot; werkzaam geweest. Het orgaan van dit comité, „Die Gleichheitquot; (Degelijkheid) was misschien het in den ruwsten toon geschreven blad van geheel Duitsch-land(!). Deze korte tijd is echter voldoende geweest omtecon-stateeren, hoezeer ruwheid en onzedelijkheid in de hand worden gewerkt, wanneer vrouwen of „oude vrijstersquot; als politieke agenten optreden; wanneer zij met haar eigenaardige hartstochtelijkheid en heftigheid publieke redevoeringen houden, en in hare vrouwenvergaderingen, die echter hoofdzakelijk door twijfelachtige mannen bezocht worden, de waardigheid der vrouw in de waagschaal stellen.quot;
Niet door vrouwenrechten te bepleiten en openbare voordrachten te honden, of naar het kies- en burgerrecht te jagen, hebben de vrouwen der Germanen en der Kelten, die der Perzen, van
384
Sparta en van de Romeinsche republiek zulk een wereldhisto-rischen en heilzamen invloed geoefend; — God gave, dat de hedendaagsche vrouwen het haar nadeden! — niet door forsch optreden, emancipeeren en voor man willen spelen hebben zij op de mannen van dien tijd indruk gemaakt en zich blijvenden roem verworven. Ën wat hebben, om uit de voorbeelden van den nieuwen en den nieuwsten tijd een greep te doen, eene Catharina Luther en eene vorstin Bismarck niet juist daardoor tot stand gebracht, dat zij — inpiaats van naast hare mannen een openbare godsdienstige of staalkundige rol te willen spelen — het als hun levensdoel en levenstaak beschouwden, hen binnen de eigenlijke en eigenaardige sfeer der vrouw getrouwelijk bij te staan en hen met opofferende liefde en met innige sympathie te sterken voor den wereldstrijd.
Zoodra daarentegen de vrouwen te Athene, in het keizerlijke Rome en te Konstantinopel, gelijk tegenwoordig meermalen in Parijs en elders gebeurt, in het worstelperk afdaalden en met mannen over kunst en wetenschap, sociale vraagstukken, staatkunde en godsdienst streden, dan wankelden steeds de heilige grondvesten van het huwelijk en het huisgezin. Wanneer de vrouw in \'t openbaar optreedt, dan begint al spoedig het beste en schoonste aan haar daaronder te lijden. Weldra gaan het vrouwelijke en het beminnelijke, het kiesche en het schaam-aclilige, deze edele, tegenwoordig te weinig gewaardeerde gaven, liet zoo fijne gevoel voor eerbaarheid en goede zeden en, helaas, ook maar al te dikwijls de zedelijkheid te gronde. De vrouw wordt ontevreden met de wereld en het leven, en ook met haar eigen geslacht en met zichzelve; zij bemerkt spoedig, dat zij zich niet lot iets anders verwerken kan, dan hetgeen zij nu eenmaal is, en dat haar kracht en haar aanleg, in al zijn schakeeringen, niet toereikend zijn voor het nieuwe streven en het nieuwe werken, — kortom, dat zij door de emancipatie meer
385
verloren dan gewonnen heeft. En zoo wordt zij eene prooi van de nu eens sentitnenteele, dan weer verbitterde wereldsmart, dat onbedriegeiijke kenteeken van een mislukt bestaan.
Zulke vrouwen willen anderen haar plicht voorhouden, en verwaarloozen haar eigen verplichtingen; zij willen zich voor de menschheid opofferen, en kunnen haar eigen wil niet ten offer brengen; zij willen de wereld verbeteren, en kunnen haar huishouden niet besturen; zij willen voor de waarheid leven, maar gelooven en verspreiden alle leugens, wanneer zij er slechts sympathie voor gevoelen; zij willen alle onrecht breidelen, en weten niet wat recht en wet is; zij philosopheeren over God en de wereld, maar zij zijn onbekend met de eenvoudigste wetten der schepping; zij dwepen met humaniteit, maar maken man en kinderen ongelukkig, zoolang zij niet door de wet van hen gescheiden zijn. Zij loopen eiken nieuwen apostel van een
nieuwen godsdienst of een nieuwe humaniteit na, en.....komen
zoo in jammer en ellende om. Want kan de man ook desnoods nog sans Dieu ni maïtre bestaan,—de atheïstische vrouw drijft al spoedig als een maatschappelijk wrak rond. Dit wordt bewezen door de bekende en steeds talrijker wordende voorbeelden uit den nieuwen en nieuwsten tijd, en afkomstig uit onderscheidene landen van Europa. Zoo schrijft een statisticus het toenemen der reeds achtendertig percent van het totaalcijfer bedragende aantal zelfmoorden van vrouwen in Engeland, tegenover slechts achttien percent van het totaal in Dnitsch Zwitserland, onvoorwaardelijk aan de Engelsche vrouwenemancipatie toe.
Als gij, vrouwen, in het worstelperk van den strijd en den partijhaat, van de staatkundige verkiezingen en het wetenschappelijk gekrakeel wildet afdalen, ach! al spoedig zoudt gij, wanneer de eerste geestdrift en het bekoorlijke der nieuwheid voorbij waren, en de eerste beleefdheid was afgelegd, in den zwaren,
25
386
onmeédoogenden, verbitterden kamp onder de met ijzer beslagen hakken der mannen vertreden worden. — Want wij zijn sterker en harder dan gij. — Dan zoudt gij gaarne weder huiswaarts keeren ; maar met een aan flarden gereten en bezoedeld gewaad, met builen en wonden, zoudt gij uwe waardigheid, uw geluk en uw zielevrede, ja dikwijls uwe onschuld en uw God verloren en verspeeld hebben, — en voor welken inzet ?! Wat wordt u in ruil daarvoor geboden? Wat rumoer en wat stof, het handgeklap der menigte, of het razend gehuil barer woede; want zij is een verscheurend dier, dat morgen de hand openrijt, die zij heden lekt, en dat zich eenmaal even kostelijk met uwe tranen en uw doodsangst zal vermaken, als op \'t oogenblik met uw gevoelvolle voordrachten. — Leest, wanneer gij het niet gelooft, de geschiedenis der revolutiën, bijvoorbeeld van de Fransche en van de Commune. Want de lucht is vol zwarte wolken, en het weerlicht reeds aan den horizont. — Gelooft gij werkelijk mans genoeg te zijn om aan het opdoemende sociale
on weder in de open lucht het hoofd te bieden?
* *
*
Dat wij, wanneer de vrouwen in enkele landen het kiesrecht veroveren, eenige jaren lang bijna niets dan lofredenen op de voordeelen van dit systeem te hooren zullen krijgen, is wel te verwachten. Maar..... de tijd zal het leeren!
Verbeelden wij ons een, krachtens het kiesrecht en haar numerieke meerderheid, feitelijk door vrouwen geregeerd staatje, zooals de eerste beginselen daarvan in Maryland, Australië en Nieuw-Zeeland — dus, terloops opgemerkt, in de intellectueel onbeduidendste landen der wereld reeds opduiken. Zoo\'n staatje zou zich voorzeker aanvankelijk door de stiptheid en de deftige en modieuse gedragingen zijner burgers, de reinheid en zinde-
387
lijkheid zijner straten en huizen, en ook door uiterlijke tucht en eerbaarheid, door politietoezicht op de goede zeden, door de afwezigheid van kroegen en herbergen en het verbod van pijpen en sigaren, en óok — wij geven het gaarne toe — door een goed georganiseerde liefdadigheid en volijverige bestrijding der ellende voordeelig onderscheiden van menig door de mannen gesticht wereldrijk. Geen openbare dronkenschap of ontucht, geen wreedheid jegens de dieren, geen ruwheid of vloeken of diefstallen of inbraken, \'s nachts een volkomen, onafgebroken stilte, slechts nu en dan gestoord door het geschreeuw van een zuigeling; en bovendien een onberispelijke beleefdheid tegenover dames. — Dat alles ziet er heel netjes uit, en laat zich heel goed hooren. — Stellen wij ons de zaak nog eenigszins geame-ricaniseerd voor, en hoe op de hoeken der straten vrouwelijke politiebeambten, ongehuwd en van geposeerden leeftijd, met strenge gelaatstrekken en witte handschoenen, evenals de Engel-sche policeman met een gebiedenden wenk rust en stilte bevelen, en \'s avonds na acht uur iederen man, die zich dan nog op straat bevindt en geen door zijne echtgenoote ondertee-kende uitgangspermissie kan vertoonen, onverbiddelijk in hechtenis nemen, en bij de overigen, die behoorlijk op tijd thuis komen, nauwlettend toezien, dat zij zoo zorgvuldig mogelijk op de vloermat in de gang hunne voelen afvegen. Stelt men zich bovendien voor, hoe de vrouwelijke censuur er voor zorgt, dat „die mannenquot; niet anders dan gepaste en onschuldige lectuur genieten, en hoe in schoone samenkomsten in de Stads-Dames-zaal voor diezelfde gladgeschoren en met onberispelijke boorden en manchetten achter een kopje rozenthee of een glaasje verdund frambozensap gezeten vaders, echtgenooten en broeders door hun academisch gevormde vrouwen en mejuffrouwen dochters allerlei sesthetische en zedekundige voordrachten worden gehouden, wel geschikt om hun ruwe denkwijze te verzachten, —
388
dan zijn dat idealen, die er in ieder geval wel op berekend schijnen te wezen om menige eenzijdige philanthrope en menig edeldenkend, maar ietwat zwakhoofdig jongeling in verrukking te brengen.
Wy willen en kunnen hier niet onderzoeken, in hoeverre diegenen gelijk of ongelijk hebben, die gedeeltelijk na een langdurig leven in en een vertrouwd zijn met dergelijke toestanden en verhoudingen, verklaren dat aan heel deze, op politieverordeningen gebaseerde moraal en uiterlijke zedelijkheid zoo goed als geen werkelijke waarde kan worden toegekend. Zij beweren veeleer, dat bij en ondanks al het geroep van: „We live in a free country!quot; (wij leven hier in een vrij land!) de tirannie der groote menigte onverdragelijk is; dat daartegenover de wetten worden ontdoken met eene sluwheid of brutaliteit, die geen afkeuring uitlokt, maar veeleer bewondering opwekt; dat in de zoogenaamde matigheids-staten van Amerika het gebruik niet alleen van alcohol, maar ook van opium — dit is van 1870 tot 1880 met zeventienduizend pond gestegen — van morphine, van cocaïne en zelfs van hadschi ook onder de vrouwen voortdurend toeneemt; dat nergens ter wereld, ofschoon er zeer strenge wetten legen zijn uitgevaardigd, zooveel en zoo hoog gespeeld wordt als bijvoorbeeld te New-York ; dat er inplaats van de, overigens tóch en met medewerking der omgekochte politie bestaande openbare ontucht, eene koelheid en onverschilligheid in het huwelijk, en van den kant der vrouwen een lichtzinnig en schaamteloos besluit tot echtscheiding, ten einde weer met een anderen man te kunnen Irouwen, hoe langsr hoe dieper voortwoekert, waaromtrent zij ontzettende voorbeelden als bewijzen aanvoeren. Zij zeggen, dat er zich — tegenover de toenemende sentimentaliteit jegens de dieren — koele harteloosheid jegens de menschen, gepaard met standshoogmoed en geldtrots openbaart; dat er inplaats van de uiterlijke, een inner-
389
lijke ruwheid, en inplaats van de plompe onbeschaafdheid een wangunstige en kleinzielige intrige-, coterie-, kliek- en sectegeest is ontstaan; dat inplaats van het vloeken, een holle en doode vormelijkheid op het gebied van den godsdienst de overhand verkrijgt; en dat, zooals een sedert jaren in New-York gevestigd Duitscher in een Duitsch blad schreef, de leus van heel het maatschappelijk leven in Amerika is: „uitzuigen!quot; en die van de politiek en het staatkundig beheer; „ornkoopen!quot; — Kortom, dat onder deze gladde en geverniste oppervlakte de oude slechtheid krachtig, en eenvoudig met schier ongelooflijke en toch niemand misleidende huichelarij bepleisterd, als een steeds dieper invretende kanker blijft voortwoekeren.
Dit tafereel is misschien wel wat „grijs op grijsquot; geschilderd, en voorzeker moeten ook deze bedroevende uitwassen niet alle en niet uitsluitend op rekening van het feminisme gesteld worden. Maar zooveel staat toch vast: al heeft de vrouwenemancipatie, zooals zij tegenwoordig in Amerika het hoofd opsteekt, dergelijke toestanden misschien ook niet oorspronkelijk doen ontstaan, zij bestrijdt ze in ieder geval toch niet; en dat is antwoord genoeg op de bewering der feministen, dat de emancipatie der vrouw ons betere tijden en heerlijke volkstoestanden zal brengen. — Zoo schrijft een „verlichtquot; correspondent uit Nieuw-Zeeland, waar, zooals wij hebben herinnerd, de vrouwen het kiesrecht verkregen hebben: „Het stelsel werkt zeer goed. De vrees dat de vrouwelijke kiezers zich door de geestelijkheid zouden laten leiden, heeft zich niet bewaarheid. Integendeel: zij treden met nadruk voor de vrije, wereldlijke (d. w. z. godsdienst-looze) school op.quot; Evenzoo in Australië, alwaar in vele staten ook vrouwen kiesbaar zijn. De stelregel is daar: „Geen Bijbel en geen godsdienstonderwijs meer op de school!quot; — Maar de gevolgen dezer opvoeding worden op vreeselijke wijze geïllustreerd door het feit, dat de statistiek in Melbourne en Victoria
390
over de laatste tien jaar en bij eene toeneming der bevolking met twee en dertig percent, eene vermeerdering van het aantal misdaden met 64.6 percent aanwijst, en bij jongelingen onder de twintig jaren zelfs met 88.6 percent!
Niet ruw zijn en niet wreedaardig, niet lomp of ongemanierd, niet drinken en niet rooken, niet schreeuwen en niet vloeken, en nooit ongewasschen of ongekamd voor den dag komen, — al deze negatieve deugden, die elk wassenbeeld in hooge mate bezit, al deze onvruchtbare geboden wegen niet op tegen éen positief en vruchtbaar gebod. — Het gebod nu, zegt de Kabbala, is mannelijk; het verbod is vrouwelijk. — Zoo werd in de Revue des deux mondes van 1896 geschreven door Leroy Beaulieu, een kenner der Australische toestanden, omtrent den invloed der kiesgerechtigde vrouwen aldaar : „Als gevolg daarvan vertoonen zich al de gevaren der grandmotherly legislation (quot;grootmoederlijke wetgeving), zooals men het treffend noemt, waarbij de vrouwen volgens dezelfde stelregels willen regeeren, waarnaar men kleine kinderen opvoedt, en gaarne eene politiek van hoeden, behoeden en verhoeden zouden willen invoeren, die alle energie, werkkracht en ondernemingsgeest totaal verlamt!quot;
Zou men soms denken, dat Luther en Bismarck onder eene vrouwenregeering de Hervorming of het Duitsche rijk tot stand hadden kunnen brengen ?
De Bijbel en de Christus bieden ons een eindeloos grootscher en verhevener wereldbeschouwing: niet een zoo zorgvuldig mogelijke bedekking en angstvallige verbloeming van het kwaad willen zij, maar veeleer een steeds duidelijker openbaring van de beginselen, waarnaar ieder mensch leeft en streeft. De Christus zegt: „Ach! dat gij koud of warm waart!\'- en de Bijbel spreekt in zijn laatste hoofdstuk: „Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doequot; (of nèg ongerechtiger worde); „en die vuil is, dat hij nog
391
vuil wordequot; (of nog in vuiligheid toeneme); „en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde!quot; — Maar de vrouw deinst, krachtens heel hare natuur, voor deze klare, onverbiddelijke openbaring der beginselen in de praktijk terug, hoe streng zij ook wezen moge in hare woorden. Dat de wereld niet met gevoel en welwillendheid, maar door strengheid en gerechtigheid, niet door schoone invallen en stemmingen, maar volgens onverbiddelijke beginselen geregeerd wordt, volgens wetten waartegenover alle individueele overwegingen ophouden, zelfs wanneer onder hunne handhaving ook onschuldigen mede moeten lijden, — dat zijn denkbeelden waarvan men niet verwachten kan, dat eene vrouw ze zal voorstaan, en nog véél minder dat zij ze zal toepassen. — En juist daarom zou het in bovengenoemd vrouvvenstaatje aanvankelijk wel heel aardig toegaan, maar zouden toch al spoedig de ziekelijke verschijnselen van gebrek aan levensvatbaarheid zich vertoonen ; en bij gemis van groote, leidende beginselen, van kloeke en vruchtbare ideeën, van baanbrekend initiatief, van voeling met den krachtig kloppenden polsslag van het leven der volkeren en der wereld, en tot overmaat van ramp ondermijnd door kleingeestige kibbelarijen en jaloezietjes, zouden er zoodanige toestanden ontstaan, dat zelfs een wereldkrijg met al zijne verschrikkingen nog verkieslijker ware dan zoo iets!
En hoe de Bijbel over zulk een staat denkt, blijkt uit de klacht van den profeet: „De drijvers mijns volks zijn kinderen,
en vrouwen heerschen over hetzelve!quot; (Jesaja III: 12).
* *
*
Wat zal het feminisme ons brengen? — Volgens het dusver gezegde kan iedereen het zich wel meer of min voorstellen. — Wij ontkennen niet, dat het vooruitzicht op een vreedzame.
392
eendrachtig en ijverig aan dezelfde taak arbeidende menschheid van gelijkgezinde en gelijkstaande mannen en vrouwen iets verleidelijks heeft. Maar deze indruk blijft bij nader onderzoek geen stand houden, omdat hij, zooals wij gezien hebben, niet op ware veronderstellingen berust. — Wanneer een tuinman door kunstmatige kweeking de, onaanzienlijke meeldraden tot bloembladeren ontwikkelt, dan vormt er zich een gevulde bloem, die menigeen door de regelmaat en de gelijkvormigheid van haar bouw verbaasd doet staan, maar...... zij heeft allen geur verloren, en —
wat nóg erger is — zij is onvruchtbaar geworden.
Zulke door den Bijbel, door de wereldgeschiedenis en door de natuur veroordeelde beginselen kunnen ons onmogelijk, zooals hunne aanhangers beweren, eene toekomst van vooruitgang, van geluk en van wetenschap openen. Een kwade boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Het moet eiken kalm en ernstig denkenden Christen duidelijk worden, dat, zooals boven gezegd is, de verachting van den man en van het huwelijk, het geringschatten en ignoreeren van het kind, de afkeer van het moederschap en van de huishoudelijke plichten, en evenzoo van den Bijbel en het Christendom, — door al welke kenmerken de emancipatie der vrouw zich nu reeds karakteriseert, — nooit of nimmer tot een practisch en vruchtbaar leven der menschheid kunnen leiden.
Zoo ook in de wetenschap. Hoezeer wij er hierboven ook den nadruk op gelegd hebben, dat de belangstelling der vrouw in alle belangwekkende vraagstukken èn haar èn ons ten goede zou komen, zou haar actieve medewerking hier toch slechts verwatering en verondieping doen ontstaan, en een even groote verzwakking op dit gebied veroorzaken als ten opzichte der nationale weerbaarheid het geval zou zijn, wanneer de helft van het aantal manschappen, van de officieren .en van den generalen staf uit vrouwen bestond. Zoo heeft de universiteit te Oxford
393
aan de vrouwen den toegang tot de academische graden en het daaraan verbonden stemrecht geweigerd op grond van de juiste redeneering, dat zij al spoedig voor de afschaffing van het Grieksch en de algemeene vergemakkelijking en dus verslechtering der studiën zouden stemmen. — Het voorstel om eene vrouwen-hoogeschool met dezelfde waardigheden, rechten en graden te stichten, hebben deze vrouwen van de hand gewezen. Zij schijnen zich toch op wetenschappelijken bodem nog niet volkomen sterk en tehuis te gevoelen. — Geen enkel man van wetenschap zal het wenschelijk achten, dat het vrouwelijk element aan onze universiteiten de overhand neme, en bovenal niet, dat het — zooals weldra in Amerika het geval zal zijn, waar reeds tal van jongelui hun geheele opleiding aan onderwijzeressen te danken hebben, — aan het gymnasium en op den katheder den boventoon ga voeren. Deze concurrentie zou eener-zijds de jongelieden hoe langer hoe meer naar de realistische vakken en de meer materieele werkkringen drijven, maar ook anderzijds het peil en den geest der studiën allengs en onvermijdelijk zoodanig verlagen, dat geleerden als Liebig, Dubois-Reymond, Helmholtz en anderen ondenkbaar werden, en — met den roem der wetenschap zou het gedaan zijn!
Evenmin kan de nadenkende betwijfelen dat de politieke gelijkstelling der vrouw met den man en haar daadwerkelijke deelneming aan het staatsleven, — ook afgezien van haar boven besproken onbekwaamheid om wetten te maken en ten uitvoer te leggen, — ons een noodelooze en nuttelooze verscherping der reeds zoo onaangename tegenstellingen in het persoonlijke, eene vermeerdering van den reeds te grooten praatlust, en eene verergering der reeds bestaande onzekerheid en beginselloosheid zou brengen. Dat de vrouw daarbij steeds partijdig zou blijven, zal zij zelve misschien wel willen toegeven, en wij nemen haar dit dan ook niet bijzonder kwalijk. De vrouw, wier broeders in
394
kolonialen dienst zijn, zal steeds voor vermeerdering der koloniale subsidiën stemmen; zij die met een luitenant geëngageerd is, zal zonder bedenken hare stem uitbrengen ten gunste van spoedige bevordering ; en de moeder wier zoon bij de marine dient, stemt onvoorwaardelijk tegen eiken oorlog ter zee, — en niettemin zullen zij het toch beslist en heftig tegenspreken, dat zij zich door een of ander persoonlijk motief hebben laten influenceeren.
Wat de vruchten van het consequent volgehouden feminisme op het gebied van den godsdienst zouden zijn, is reeds voldoende aan de feministische belijdenissen in Engeland en Amerika, Fransch Zwitserland en elders te zien. Eenerzijds groote, onrustige, agressieve en onverstandige ijver, anderzijds woordenvloed, onwetendheid, gebrek aan consequentie en diepte in de leer, overheersching van het loutere gevoelsleven en het impressionisme, overschatting van eigen werk en van de uiterlijkheden in den godsdienst, toeneming van een sensatie makende en vaak kinderachtige „stichtelijke\'quot; litteratuur. — Paulus en de Heilige Geest wisten wel wat zij deden, toen zij aan de vrouw bevel gaven om in de gemeente te zwijgen, en in stilheid en onderworpenheid te leeren; dat is voor de kerk en voor de vrouw veel beter.
Op de markt des levens eindelijk kan de toelating en opneming der vrouw in al de vormen van den strijd om het bestaan slechts een verscherpte concurrentie, een vermeerderde werkeloosheid, een verhoogde overproductie van lichamelijke en geestelijke fabrieksartikelen, en eene uitbreiding van het aantal halfgevormde, ontevreden en mislukte existentiën tengevolge hebben. De hedendaagsche, aan alzijdigheid lijdende en zich temidden van tegenstrijdigheden bewegende menschen klagen over overbevolking en hoopen zich hoe langer hoe meer in de wereldsteden opeen; zij jammeren over overproductie, en zij kunnen
395
nooit genoeg fabrieken bouwen en den vooruitgang der industrie roemen ; over tuchteloosheid der kinderen, en met humane verontwaardiging schaffen zij de eene krachtige straf na de andere af; over overwerken der jeugd, en zij eischen dagelijks de invoering van nieuwe vakken; over toeneming der zenuwachtigheid, en zij zijn onuitputtelijk rijk aan zenuwprikkelende litteratuur, genietingen en aanprijzingen. Zoo bepleiten juist dezulken, die de toenemende werkeloosheid en de vreeselijke concurrentie niet zwart genoeg kunnen afschilderen, een algemeene opleiding der vrouw tot alle beroepen. — Daarentegen zeide onlangs de edele Duitsche keizerin (zie het verslag in de Reichsbote over het Vrouwencongres te Berlijn) : „Ik ben tegen de werkzaamheid der vrouw in mannelijke beroepen. Als het van mij afhing, zou ik eene vrouw in de fabriek noch op het bureau dulden. Het is voorzeker schoon, aan de vrouw stoffelijke onafhankelijkheid te verschaffen; maar nog schooner zou ik het vinden, als wij er in de eerste plaats voor zorgden, aan den man op jeugdiger leeftijd dan tegenwoordig het geval is, de onafhankelijkheid te verzekeren, opdat hij vroegtijdiger een huwelijk kan sluiten!quot;
Voor velen is ook bij de vrouwenquaestie de bestaansquaestie, de hoofdquaestie. Maar de Christen weet, dat niet hijzelf zich onderhouden kan of moet, maar dat God nog beter voor hem zorgen zal dan wij, die boos zijn, voor onze kinderen. Wie de lichamelijke bestaansquaestie tot de hoofdquaestie maakt, gaat geestelijk te gronde. Daarom gelooft de Christen dan ook, dat het zekerste middel voor de vrouw en voor alle vrouwen, om haar bestaan te verzekeren, is: daar te blijven waar God ze plaatst, datgene te doen wat Hij haar als taak op de handen legt, en dagelijks de vierde bede te bidden.
Beziet men verder de natuur en hare wetten, dan bespeurt men hoe onjuist de gevolgtrekking is, dat — wanneer de vrouw
396
als de eene helft der menschheid overal actief medewerkt _
wij al spoedig ook op intellectueel gebied dubbel zooveel vruchten zouden mogen oogsten. Het is daarmede gesteld als met de dwaze poging om door middel van Zondagsarbeid een zevende meer te verdienen, of om aan de gansche menschheid een wetenschappelijke vorming en opleiding te geven, en zoodoende het geheele lichaam in een hersenmassa te herscheppen. Wil de vrouw ook op elk gebied der mannen overal actief medewerken en geestelijk produceeren, dan zijn wij weldra overwerkt, overprikkeld, ontzenuwd, uitgeput, — en hoe dan vooral onze kinderen! Want de geestelijke overproductie wreekt zich nog veel zwaarder dan de stoffelijke. -— Willen wij een sterk geslacht voortbrengen, krachtige mannen en gezonde vrouwen, dan is daartoe de eerste voorwaarde, dat wij onze vrouwen van veel conventioneele en „gezelschappelijkequot; overlading bevrijden; haar evenals de bloemen een zonnig, frisch en zooveel mogelijk onbezorgd leven verschaffen; haar zooveel mogelijk van den afmat-tenden strijd om het bestaan ontheffen, — en dus juist het tegendeel doen van hetgeen waarnaar de emancipatie streeft. Men lette eens in het zuiden van Europa, bijvoorbeeld te Aries en in de Provence, op de prachtige vrouwen: zoo gezond naar lichaam en ziel, met blikken die dikwijls letterlijk schitteren van levenskracht en levensmoed; daarbij bevattelijk en helder van oordeel, verstandig, scherpzinnig, ware steunpilaren van hare mannen, hoewel velen van haar lezen noch schrijven kunnen. — Dat zijn de ware moeders! — Natuurlijk klagen de feministinnen daar steen en been over: „In Portugal, Spanje, Italië en Griekenland bestaat er nog geen vrouwenbeweging!quot; — Och ja! Hoe treurig, dat deze vrouwen nog altijd niet ontevreden over haar lot willen worden, maar met man en kind en buurvrouw lachen en schertsen, en haar zonnige armoede gemakkelijker dragen, dan zoovele vrouwen van het noorden hare ontwikkeling en haar salons!
397
Van de geëmancipeerde en geleerde(?) Amerikaansche vrouwen daarentegen zeggen vele Amerikaansche artsen en geestelijken, zooals bijvoorbeeld Dr. S. Weir Mitchell („Deutsche Zeitschrift für auslandisches Unterrichtswesen,quot; October 1895): „Tegenwoordig is de Amerikaansche vrouw, ronduit gezegd, onbruikbaar voor hare plichten ais vrouw en moeder; zij is niet opgewassen tegen hetgeen de natuur in dit opzicht van haar eischt, en zij is misschien van alle beschaafde vrouwen het minst geschikt om de nóg zwaardere, den man reeds zoo drukkende en zenuwachtig makende werkzaamheden op zich te nemen, waarnaar zij zoo vurig verlangt,quot; — Een consequent toegepaste en volgehouden emancipatie der vrouw zou allereerst de vrouwen, en daarna ons geslacht lichamelijk en geestelijk verzwakken.
Het zou nu niet moeilijk zijn, hier een plastische voorstelling van de verwezenlijking der feministische ideeën te leveren, en hoe de man der toekomst \'s avonds zijne kindertjes naar bed brengt, en daarna bij de wieg weemoedig kousen zit te stoppen, met vreeze en beving wachtende op de thuiskomst zijner vrouw, die nog temidden van een onstuimige vergadering vertoeft, enz. Want vele geëmancipeerden stellen zich de zaak zoo voor als die waschvrouw, die in den aanvang der Fransche revolutie op smadenden toon tot eene markiezin riep: „Ziezoo, madame ! nu zullen wij allen gelijk zijn; gij zult den ganschen lieven dag wasschen, en ik ga in de koets rijden Iquot; Zij zouden bereid zijn om voor heer en voor professor, voor redenaar en wijsgeer, voor dokter en kunstenaar te spelen, maar niet om in de mijnen en de steengroeven, als matroos en bij liet lossen van schepen, aan den smeltoven of als stoker op stoomschepen, en bij de
398
reiniging van riolen mede te werken; maar beroepen zich dan, zeer beleedigd, op de toegevendheid en de consideratie, die wij aan het zwakkere geslacht verschuldigd zijn. Zij willen voor zichzelven beslag leggen op alles wat haar aangenaam is, en zich van alle werkzaamheden en verplichtingen, die haar niet aanstaan, ontslaan. Zij maken aanspraak op al de rechten der mannen, maar willen tegelykertijd al die rechten behouden, die uit hare positie als „damesquot; voortvloeien, en noemen dat dan met vrouwelijke logica „hare vrouwenrechten.quot;
Als aanhangsel en natuurlijk gevolg zal het feminisme ons nog het infantisme brengen, dat in Amerika reeds opduikt, waar vereenigingen van knapen en meisjes een politieke en godsdienstige rol willen spelen (zie daaromtrent de klachten der Luthersche Synode in Missouri, 1895). In de oogen van deze jeugdige generatie zijn vaders en moeders van meer dan veertigjarigen leeftijd overtollige menschen, die men in vredesnaam nog duldt, maar wier meeningen totaal waardeloos zijn: verouderde standpunten! Aan de jeugd behooren het heden en de toekomst! — Dan wordt de geëmancipeerde vrouw door het nog geëmancipeerder kind beheerscht; want wanneer de moeder den vader niet meer gehoorzaamt, zal het kind de moeder niet meer volgen. Ook in deze bevoorrechting der jeugd toont Amerika zich onrijp en onvolledig. Het rijpste volk der wereld, het Joodsche, met zijn vierduizendjarige geschiedenis, met den strengsten en volledigsten godsdienst, met de sterkste en onverbiddelijkste wet, vormt daarmede een lijnrechte tegenstelling, en bij deze natie werd het gezag vertegenwoordigd door de kerk en den staat, het rechterambt en het aanzien door de oudsten, en dat dit goed was, blijkt onder anderen uit de geschiedenis van Rehabeam. Het Woord Gods, dat zoo krachtig en nadrukkelijk van de jeugd de achting voor den ouderdom eischt, zegt: „In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het
399
verstandquot; (Job XII: 12). Het beschouwt dat heerschen der jeugd, evenals dat der vrouw, steeds als een zwaren ramp voor een land. „En ik zal,quot; dreigt Jehova, „jongelingen stellen tot hunne vorsten, en kinderen zullen over hen heerschen ; de jongeling zal stout zijn tegen den oudequot; (Jesaja III: 4 en 5).
Maar zoowel feminisme en infantisme als Darwinisme en socialisme en eenige andere kinderen van het modernisme zullen voorbijgaan en verdwijnen gelijk al onze systemen en theorieën : vluchtige golven op de altijd door den „wind van leeringquot; in beweging gebrachte zee der menschheid. Dat zijn modes, die reeds vroeger in zwang zijn geweest, want er is niets nieuws onder de zon. — Wij arme onwetende, ijdele zondaars gelooven altijd vast aan onze eigen wijsheid, en zijn er steeds van overtuigd, dat van al de vervlogen eeuwen er geen enkele met de onze in vergelijking kan komen, en dat wij de éenig ware en winstgevende levenswijsheid hebben uitgevonden. En omdat wij veranderlijk, wankelend en onbestendig zijn, verbeelden wij ons, dat de tijden en de wetten veranderen, en dat wij voor elke nieuwe periode een nieuwen slaat van zaken moeten en kunnen uitvinden. Welk een ijdele waan en zelfverblinding!
De mensch vermag niets tegen de goddelijke natuurwetten. — „Ga heen in deze uwe kracht!quot; zegt God, evenals tot Gideon, tot ieder schepsel, en vruchteloos poogt het aan zijn geestelijke grootte een el toe te doen. Ondanks en bij alle welgemeende en onzinnige pogingen om van de vrouw een man te maken, blijft zij wat zij is, namelijk — zooals zelfs aan de meest geëmancipeerde op vaak hoogst vermakelijke wijze is waar te nemen — een fijngevoeliger en „zwakker vatquot;, met bijzonderen aanleg en bijzondere bestemming, wereldbeschouwing, plichten en voorrechten, die al de emancipators en de moderne vrouwen haar evenmin ooit zullen ontnemen als het baren van kinderen.
God geneest op tweeërlei wijze de menschen van hun ver-
400
keerde begrippen. Want of Hij doet er het zwijgen toe, laat hun den tijd en geeft hun gelegenheid om ze te verwezenlijken, totdat zij, oververzadigd van de vruchten hunner werken, zelf moeten bekennen dat zij hun als zand en steenen in den mond zijn. Zoo ging de Heere te werk bij en tegenover de Fransche revolutie. Toen zij van hunne vrijheid, gelijkheid en broederschap genoeg hadden, juichten zij den despoot Napoleon als hun redder toe. — Of Hij brengt door een krachtdadig ingrijpen de verdoolden weder tot rede. — En zoo zal \'t ook met het feminisme gaan. — God zal èf door sommige mannen en vrouwen dit beginsel tot de uiterste consequentie laten doorzetten, opdat zij er de ondoelmatigheid van erkennen en de vrouw dan de eerste wordt, die er van begint te walgen en hare kies- en andere rechten laat varen; of Hij zal den geesten, die den vorst der lucht en dezer wereld onderdanig zijn, gebieden om over de aarde een wind des oproers en des oorlogs te doen waaien (I Kon. XXII : 19—23). — Dan zuilen de volkeren gewapenderhand tegen elkaêr opstaan, de sociale revolutie zal uitbreken, en in deze schrikkelijke omwentelingen zal de man zelfstandiger en sterker, en de moderne vrouw weder deemoedig, zacht, goed en opofferend worden; zij zal pluksel maken en windsels naaien ; zij zal de gewonden en de zieken verplegen ; zij zal tot God bidden voor haar man, haar broeder, haar zoon te velde, en zij zal Hem danken, dat zij niet de nachten op het bloedige slagveld behoeft door te brengen of zich door granaatsplinters behoeft te laten vaneenscheuren, of andere vrouwen neer te schieten. — Zoo verging eens als een nevel het feminisme van Byzantium, toen de schrikkelijke barbaren verschenen en het Romeinsche rijk versloegen. — God weet den mensch wel weer op zijne plaats te zeiten.
En Hij blijft dezelfde, gisteren, heden en tot in alle eeuwigheid ; in Hem is geen verandering; Hij is een rots, en zijn
401
Woord kent menschelijken noch godsdienstigen vooruitgang buiten Hem; Hij schikt zich niet naar de tijden en de omstandigheden; Hij bekommert zicb niet om de meeningen der menschen en de zeden der volkeren, — maar Hij blijft éenig en alleen Wet, goddelijk, eeuwig !
26
V.
P E GEEST.
Al is het onderscheid der geslachten ook iets psychisch en als zoodanig iets eeuwigs, gelijk het reeds in het getal wordt aangeduid, en misschien in de seraphijnen, die in liefde ontgloeien, en in de machtige cherubijnen, die kennen en kunnen, eeuwig duurt, — toch bestaat er in den mensch iets hoogers, iets dat geslachtloos is: de geest.
Waarin bestaat, het onderscheid tusschen ziel en geest? — Onder „zielquot;, dit wordt ons zoowel uit den Bijbel als uit de taal duidelijk, wordt meer de persoonlijkheid van den mensch met al hare eigenaardigheden als individu verstaan; overal spreekt men immers van zoo- en zooveel zielen als bewoners van die en die stad, — tegenwoordig tellen wij meer de lichamen. De geest in den mensch is meer het goddelijke, niet in aanraking gekomen met het aardsche, waarom men dan ook riet van ziellooze, maar wel van geestelooze en geestvolle menschen spreekt. De ziel is de wereldlijke, de geest de goddelijke persoonlijkheid in den mensch. Hoe verschillend zij zijn, ziet men aan het worstelen en strijden, wanneer de ziel, door hare hartstochten medegesleept, zich in genietingen van lagere orde wil verdiepen, maar de geest in haar spreekt: Doe het niet, elders liggen de bronnen uwer vreugde en uwer kracht!
403
De ziel heeft een zeer veelzijdig willen, gevoelen en beseffen in zich, waarvan de duizenden en nogmaals duizenden eigenschapswoorden getuigen, die door de taal zijn uitgevonden. Nu eens grootsch en dan weer nietig, nu eens mooi en aardig en keurig en sierlijk, dan weer leelijk, afgrijselijk en gruwelijk enz. komen haar de dingen en de wezens voor. De geest stoort zich weinig aan zulke ondergeschikte merkteekenen, maar gelijk er van God bij de schopping alleen geschreven staat: „Het was g o e d,quot; zoo beziet ook de geest in den mensch alles uit éen enkel goddelijk oogpunt en zegt; Het is goed! of: Het is niet goed! — en bekommert er zich daarbij volstrekt niet om of men het begrijpt en welke gevolgtrekkingen men er uit afleidt, —■ en van zijne uitspraak bestaat geen hooger beroep.
De taal is des geestes; maar de ziel maakt er zich van meester in haar schier eindelooze vormen. De taal des geestes hier beneden is een onuitsprekelijk zuchten, voor God alleen verstaanbaar. De eigenaardigheden der ziel zijn de stormen en de hartstochten, het aarzelen en het wankelen, het golven en bruisen van het worden; maar de geest is iets bestaands, eene rots in de zee der wisselende verschijnselen. De geest aanschouwt in God en is gelaten: hij weet wel dat hij eenmaal in Hem alles zal mogen aanschouwen, en hij wacht op de voleinding. Voor de ziel is de mensch een individu, eene persoonlijkheid : zoo en zoo gevormd, draagt dien en dien naam, ziet er lichamelijk zoo en zoo uit, en denkt, spreekt of handelt zoo of zoo; maar voor den geest is zoowel de menschheid in \'t algemeen als ieder mensch in het bijzonder een eeuwige gedachte Gods, die zich wel in deze eindigheid zoo en zoo en in die en die mate openbaart, maar ook zonder deze openbaring een vast begrensde, eeuwige ikheid en geestelijke eenheid is. Als persoonlijkheid kan de ziel zich in alle mogelijke richtingen ontwikkelen, zich vervolmaken en zich veel eigen maken; in haar zijn hel begrip
404
en het verstand en de rede gelegen, waarmede de mensch van kindsbeen af de hem omringende wereld omvat, de feiten aangrijpt en begrijpt, ze met elkander in verbinding brengt, ze ten opzichte van anderen, van zichzelven en van God onderzoekt, er gevolgtrekkingen uit afleidt, tot inzicht komt, en zich een wereld- en Godsbeschouwing vormt. Daarbij kan zij ook op een dwaalspoor geraken.
De eeuwige ideeën en wetten, — want idee is wet — die in God van oudsher waren en zooals zij in de schepping zichtbaar geworden zijn, in den steen en in de plant, in het dier en in den mensch, dat is de geest van het eeuwige gebied; de wisselende gedachten daarover, de gevoels- en zinsindrukken daarvan, dat is het leven der ziel. — Harer is het eeuwige vragen : Hoe? Waar? Wanneer? Waarom? — Zij bevat tal van tegenstrijdigheden, waarom men dan ook terecht van zielsbegoochelingen, van illusiën spreekt. De ziel beseft, de geest aanschouwt; hij treedt voor de in nood en angst verwarde ziel op, en be-heerscht met bliksemsnelheid den geheelen mensch, — daarom spreken wij ook terecht van rtegenwoordigheid van geest.quot; — Bruist de geest als een onweersbui voort, dan ontwaakt de leeuw Gods in den mensch: hij blijft zijn vijand niet lang aanzien, maar neemt het eerste het beste ter hand, desnoods een ezelskinnebakken, en verslaat er duizenden mede. Of hij weet de ziel onwederstaanbaar te prikkelen, en neemt ook haar in
4
den stormwind mede, zoodat zij zich niet meer bekommert om rede of verstand, maar tegen de rede in de hoogste daden volbrengt. En dat noemt de taal treffend „in geestdrift geraken,quot; een „geestvervoeringquot; der ziel; bewijs genoeg, dat de geest in den mensch als een andere en hoogere boven de ziel staat, die hij met zijne vleugelen overschaduwt, en dan wordt er in haar iets hoogers ontvangen en geboren.
En is de ziel steeds een feminium (anima, a m e), een
405
schuchtere Psyche, een nieuwsgierige, naar deze wereld uit hooger oorden verstooten jonkvrouw, die eerst, gelijk de Grieken het zoo zinrijk voorstelden, door \'den Eros, de liefde, den geest (God is de liefde, God is geest) tot het ware leven wordt opgewekt; die angstig, nu eens hemelhoog juichend, dan weer ten doode toe bedroefd, het rondom haar bruisende leven nieuwsgierig aanziet en er door wordt tnedegesleept, — de geest is een masculinum (esprit, spiritus), met den metalen grijsaard te vergelijken, onder wiens gestalte de mensch den tijd en het noodlot afbeeldt; die met reusachtige vleugelen over de wereld heenvliegt, zich niet door het vergankelijke, niet door uiterlijke schoonheid en bevalligheid laat misleiden, maar met sikkel of zeis onverbiddelijk wegmaait wat niet voor hem bestaan kan.
Een ander kenmerk der ziel is hare vrees voor den dood, want de ziel kan verloren gaan, de geest niet. Wel was deze ziel eenmaal door God onsterflijk geschapen, maar toen door de zonde \'de dood, deze voor ons ondoorgrondelijke macht en kracht, in de wereld kwam, deinsde de ziel daar huiverend voor terug en gevoelde zij zich niet meer onoverwinnelijk ; en terecht, want er staat geschreven: „Ziet, alle zielen zijn mijne; de ziel die zondigt, die zal sterven,quot; (Ezechiël XVIII: 4); niet in dien zin alsof zij zou ophouden te zijn, maar wel als een eeuwig sterven, een afnemen en verwelken in tegenstelling met het eeuwige leven, dat óok niet een bloot passief, maar een actief, zich al hooger en hooger verheffen der ziel is. God tegemoet. Zoo zegt ook Christus: „Vreest u niet voor degenen, die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden ; maar vreest veel meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de helquot; (Mattheüs X : 28). En wat eenmaal de tweede dood zal zijn, wellicht een eeuwig neerzinken der ziel door alle afgronden van het zijn en het worden heen, — kunnen wij hier op aarde niet doorgronden.
406
Maar dewijl de ziel met den eeuwigen en tweeden dood bedreigd is, kan zij er ook van verlost worden. Daartoe is Jezus Christus in de wereld gekomen en aan het kruis gestorven. De geest daarentegen heeft geen behoefte aan verlossing; de geest zondigt niet. „Wie uit God geboren is, doet geen zonde, want hij is uit God geboren.quot; Door God aan de ziel op haar aard-schen pelgrimstocht medegegeven, dompelt hij nooit zijne vleugelen in het slijk der aarde.
De geest weet niet wat sterven is; bij den dood keert hij tot God terug, terwijl de ziel naar hare plaats gaat, de rijke man in de pijn, Lazarus in Abrahams schoot, de moordenaar aan \'t kruis naar het Paradijs. ,Dc geest,quot; zegt de Prediker van alle menschen, „keert weder tot God, die hem gegeven heeft,quot; en kan nooit tot de hel vervallen. Den goddelooze verlaat, volgens de Schrift, de geest bij het sterven, om tot God terug te keeren ; daarna is zijne ziel geesteloos, aan de nu ontketende woede van alle lage en booze hartstochten prijsgegeven, als een schip zonder roer op een onstuimige zee.
De geest in den mensch is iets aanschouwends. In het woord conscientie ligt opgesloten, dat de geest een tnedeweter der ziel is, doch met God, die geen medewetende, maar Alwetende is. En niet alleen ziet en aanschouwt de geest alles wat de ziel denkt en spreekt en doet, maar hij behoudt het ook eeuwig in zich: met een diamanten stift op metalen tafelen geschreven. Gewoonlijk wordt het geheugen aan de ziel toegeschreven. — Een wonderbare macht! Het lang verledene wordt tegenwoordig ; en thans, nadat golven van smart en van vreugde vaak over haar heen zijn gegaan, nadat zij ontelbaar veel doorleefd, gedaan, gesproken en gedacht heeft, waarover misschien een geheel menschenleven is heengegaan, stijgt voor haar uit den oceaan van het verledene het een of het ander, dat schijnbaar reeds lang verdwenen was, weder op. — Wij gelooven, dat dit vermogen
407
der ziel om het verledene weder te aanschouwen, slechts het vermogen ia om meer of minder in den geest in te zien en diens medeweten en geweten, als iets zekers en absoluuts, deelachtig te worden. Reeds het weifelende in de gelijkenis en de scherpte der beelden getuigt, dat het niet een eigen bezitting der ziel is, maar een zien in een vreemden, nu eens helderen, dan weer beslagen spiegel. Ziet men echter, hoe vaak aan het einde des levens, ook na langdurige krankzinnigheid en verschillende ziekten, iets dat volkomen uit de ziel verdwenen was, dat zij zich ondanks al haar zoeken niet meer herinneren kon, plotseling als eene schilderij aan den wand tot in de kleinste bijzonderheden duidelijk en plastisch voor haar staat, dan moet men vragen: vanwaar heeft zij thans op eenmaal datgene, dat zij zoo lange jaren achtereen niet meer bezat ? — Nóg duidelijker wordt de indruk, dat het eigenlijke, alles bewarende, nooit iels vergetende geheugen in den geest is gelegen, wanneer men ziet en hoort, hoe bij stervenden, juist dan als de arme ziel, voor de onzekere toekomst vreezend, zich verward en machteloos in den dood voelt nederzinkeu, zich vaak helder en scherp, als een sprekend gelijkende photographic, het geheele leven afspiegelt, met al die bijomstandigheden waarop de ziel indertijd in \'t geheel geen acht heeft geslagen. Zoo konden bijvoorbeeld vooral dezulken, die op \'t punt van verdrinken waren, maar nog bijtijds gered werden, er zich later niet genoeg over verwonderen, hoe zij met bliksemsnelheid in éen tafereel hun geheele leven te aanschouwen kregen.
Zoo toont dikwijls bij de nadering des doods de geest zijne meerderheid boven de ziel, en spreekt hij over haar levenslang doen en denken en streven oordeelende en beslissende woorden uit. Zoo ging het o. a. met een goddeloozen geleerde, die, nadat hij reeds als overleden beschouwd werd, maar nog eenmaal ontwaakte, opsprong en met een vreeselijke stem uitriep: „J u s t o
408
judicio Dei damnatus sum!quot; (door den rechtvaardigen God ben ik naar recht verdoemd!) — En zoo ging het ook met den Engeischen koning Hendrik VIII; toen deze despotische, hoogmoedige en wellustige man den dood voelde naderen, liet hij zich een beker wijn brengen, dronk hem uit en sprak: „Ziezoo, mijne heeren, nu is alles verloren; het rijk, het leven, en de ziel!quot; —en zoo stierf hij (Gaspari).
En dat er in den mensch iets aanwezig moet zijn, dat al zijn doen en laten voor eeuwig kenmerkt, ook zelfs met inbegrip van een onwillekeurig gebaar, van een vluchtigen inval, van een in \'t voorbijgaan bekeken krul op het behangsel, van eiken nachtelijken droom, — is noodzakelijk. Want hoe zal de mensch eenmaal naar rechtvaardigheid volgens zijne gedachten, woorden en werken geoordeeld worden, wanneer hij er niets meer van weet?
Niet alleen aanschouwend, maar ook oordeelend werkt de geest. Voor hem kan niets kwaads bestaan, óok een bewijs, dat de geest in den mensch niet zondigt, — hoe zou anders zijne stem al het kwade kunnen oordeelen? Deze stem van den geest, het geweten en medeweten, het éenig zekere in de wereld, heeft men reeds meermalen de stem Gods in den mensch genoemd. Doch nergens weet de Bijbel iets van eene stem Gods in den mensch; maar dikwijls en veel spreekt de Heilige Schrift van eeiie stem Gods t o t den mensch. „Hoor dan nu de stem van de woorden des Heeren!quot; (I Samuel XV : 1). Een schri\'contrast is het, dat juist dezulken, die het geweten de stem Gods in den mensch noemen, ook leeren dat dit geweten op een dwaalspoor geleid kan worden. Op een dwaalspoor geraken kan alleen hel zielsbesef, maar niet het geweten, zooals de Bijbel dan ook wel van een zwak geweten spreekt, dus als \'t ware van een zwakke stem, die men bijna niet meer hoort, maar niet van een dwalend en liegend geweten.
409
Elke ziel voelt deze stem des geestes in zich en boven zich als een onverbiddelijk rechter, die al haar aardsche doen en denken beoordeelt en veroordeelt, als iets goddelijks, dat diep in haar centrum is gelegen en even hoog, ja misschien nog hooger boven haar verheven is, dan zij boven het lichaam, — namelijk het onvergankelijke lichaam der opstanding, dat in een iegelijk mensch woont (Daniël XII: 2).— De meening dat er menschen zijn geweest en nog zijn, die zonder de minste of geringste gewetenswroegingen anderen vermoordden, berust op het lichtgeloovig aannemen van de eerste de beste ruwe pocherij, en is even onbewezen als dat er godloochenaars zijn geweest, die nooit eenig gevoel of besef van een hooger wezen gehad zouden hebben. Dergelijke beweringen zijn dan ook door den gewetensangst van een Nero, door het vreeselijk einde der Septembristen tijdens de Fransche revolutie, door de- bekentenissen van zoovele wilden en Negerkoningen, en zoo ook door die van den wreedaardigen roover Mandrin en anderen, afdoende weerlegd. Overschreeuwd kan deze stem des geestes worden, maar nooit gesmoord.
„Maar,quot; zegt men, ,menig Christen heeft gewetensbezwaar tegen dingen, die een ander, even nauwgezet van geweten, zonder gewetenswroegingen doet, bijvoorbeeld bloed eten, op Zondag eenige bezigheid verrichten, enz. ; derhalve is het éene geweten in tegenspraak met het andere.quot; — Hier wordt het zielsbesef met het geweten verward. — Over de quaestie of bloed eten en wijn drinken al dan niet zonde is, spreekt het geweten niet; het antwoordt in \'t algemeen niet op vragen van het weten, van het onderzoek en van het begrip, want dit en dergelijke dingen zijn de zaak van het individueele en niet onfeilbare besef der ziel. Meent nu echter een Christen uil den Bijbel te begrijpen dat hij geen bloed mag eten en geen enkele bezigheid verrichten mag op den dag des Heeren, — een begrip dat zeer wel na verloop van tijd in het tegenovergestelde kan omslaan.
410
— dan spreekt in hem de slem des geestes, die zich niet met voorbijgaande vormen, maar met eeuwige bezighoudtDoe nooit iets wat gij als verkeerd beschouwt, anders zijt gij schuldig,quot; en daarbij is het onverschillig of de zaak op zichzelf al dan niet zonde is. In dien zin spreekt ook de apostel in I Corinthen X en Romeinen XIV. — Zoo heeft menig inquisiteur, aan de stem van zijn geweten gehoor gevend, de ketters verbrand; want zijn geweten zeide hem niet, of deze ketters hoofd voor hoofd al dan niet de ware leer hadden, — anders zou het geweten ook aan alle menschen de verlossing door Christus moeten verkondigen. Maar het geweten hield dien inquisiteur de groote, van het eerste tot het laatste woord des Bijbels geldige waarheid voor: „De booze moet verdelgd wordenquot;; en als hij bona fide volgens dit zijn geweten gehandeld heeft, dan zal hij eenmaal met hem, dien hij verbrandde. God in den hemel gemeenschappelijk loven. Zoo schreef zulk een inquisiteur na den dood van een ketter in het register der door hem uitgesproken vonnissen: „Dewijl nu deze mei groote zielskracht (fortitudi-n e m) en onderworpenheid zijn tijdelijke straf heeft gedragen, moge God zijn eeuwig licht eeuwiglijk voor hem doen schijnen!quot;
Dal het geweten overstemd en in zooverre eenigermale verzwakt en afgestompt, maar daarentegen ook gescherpt en ontwikkeld kan worden, doordat de ziel er meer en meer gehoor aan geeft, dat is waar, — juist zooals ook het oog ten opzichte van kleuren en het oor van\'klanken of verzwakt èf versterkt kan worden; maar daarom blijven de kleuren en ae klanken toch dezelfde die zij zijn. Zoo is nog nooit eenig mensch er door zijn geweten over geprezen, dat hij zijn vriend arglistig had verraden, of de onschuld had verleid, of de armen had bedrogen, of terwille van een geschenk het recht geschonden had. Zoo heeft hel geweien nog nooit een mensch gelaakt, omdat hij de hongerigen gespijzigd of de naakten gekleed had,
411
of omdat hij zijn vriend vergiffenis geschonken en hem eene weldaad bewezen had, of met gevaar voor eigen leven liet zijne had gered. Nog nooit heeft iemand er gewetenswroegingen over gehad, dat hij weerstand had geboden aan zijn vleeschelijke lusten of aan zijn hoogmoed, aan zijn toorn of aan zijne gierigheid, of dat hij Gode meer gehoorzaam was geweest dan den menschen, — kortom, dat hij het goede had gedaan en niet het kwade. Maar wie de wereldgeschiedenis en de geschiedenis der door ons ten onrechte verachte wilde volkeren bestudeert, verbaast zich veeleer over de majesteit en de zekerheid, waarmede het geweten overal en ten allen lijde gesproken heeft. Niet alleen de wetboeken, maar ook de spreekwoorden van alle volken, ook die van de Kelten en de Scythen, van de Negers en de Toengoezen, geven daarvan een welsprekend getuigenis; en zelfs bij ruwe en bloeddorstige volken laat zich in dit opzicht vaak, plotseling en totaal onverwacht, een hoogere geestelijke stem verrassend en overweldigend hooren.
Deze stem des geestes, het éenig zekere, het geweten, kent geen medelijden of erbarming, en weet niets van genade; het geweten is de wet, en daarom is het dan ook de grondslag der wetten van alle volkeren. Het is de vaste burcht en het sterke bolwerk der wereld, het stalen gebinte van het zieleleven der menschheid. Wat zouden zonder het geweten de wereld en de wereldgeschiedenis zijn? Een arena, waarin wilde dieren elkaêr vol razende woede verscheurden! — Wat zouden regeering en politie, goede zeden en openbare orde ons dan baten? — Of liever: wat zijn zij eigenlijk anders dan een uitvloeisel en een uitspreken van de in en door het geweten aanschouwde goddelijke wet ?
Evenals het de hoogste gezondheid en het hoogste genot voor den mensch oplevert, wanneer lichaam en ziel zóo innig met elkaêr verbonden zijn en zóo harmonisch op elkaêr werken,
412
dat de mensch slechts den indruk van eene eenheid verkrijgt,
— zoo is \'l het hoogste, wanneer de geest daarbij komt en zachtkens, maar steeds machtig, het geheel doordringt. Zoo treedt de Christen door dezen zijn geest in verbinding met den Heiligen Geest Gods. Dan „getuigt de Geest met onzen geest, dat wij kinderen Gods zij n,quot; (Romeinen VIII ; 16), een getuigenis dat slechts op den geest in den mensch betrekking kan hebben, en door gevolgtrekkingen en bewijzen geleverd noch bestreden kan worden.
Zoo is de mensch eene drieheid en drieëenheid van lichaam, ziel en geest, van drie eenheden, die dikwijls —ja meestentijds
— wederkeerig en onderling in een strijd met elkaêr gewikkeld zijn, en tóch in een wonderbare samenwerking het wonderbare wezen vormen, dat een beeld Gods is. De Vader en Schepper wordt in dit ve-band vertegenwoordigd door het eenmaal uit een aardkluit geschapen lichaam; de ziel is dan de Zoon, die in de wereld kwam om haar te redden; en de geest is dan de Heilige Geest, die met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Hoe nu echter lichaam en ziel met elkaêr in verband staan; hoe wijd de sfeer van elk in het bijzonder is, en het ingrijpen van den een in het gebied van den ander ; waarom hunne scheiding in en door den dood zoo smartelijk is, en hoe groot de vreugde der hereeniging in de opstanding zal zijn, — dat zijn verborgenheden, die door wetenschap noch openbaring hier beneden worden opgelost. Nog onnaspeurlijker zijn de banden, waarmede de geïndividualiseerde geest met de ziel verbonden is, zijn invloed op haar en hun toekomstige eeuwige verbinding. — Onloochenbaar is het feit, dat wij éen en toch drie zijn. En tóch lacht de spotter om de goddeli ke Drieëenheid, waarvan hijzelf een treffend beeld is, en meent hij heel verstandig te zijn wanneer hij uitroept, dat drie niet éen en éen niet drie kunnen zijn!
413
Ook hier, gelijk in vele andere dingen, zal eenmaal door een hoogere en hemelsche algebra een heldere en duidelijke oplossing worden gegeven van problemen, waarvan wij met onze aardsche rekenkunde niets konden maken en die wij daarom voor onoplosbaar verklaarden. — Zoolang wij omtrent het begrip der persoonlijkheid zoo in het onzekere verkeeren, gelijk aan de grenzen tusschen de dieren- en de plantenwereld te zien is, en ook aan de vraag wat ziel en wat geest is in den mensch, zoolang betaamt het ons, omtrent al zulke quaestiën een bescheiden terughouding in acht te nemen. — Zóóveel is zeker : behaagde het den éenigen God als hoogste, voor ons onnaspeurlijk hooge Persoonlijkheid, zich niet slechts in drie, maar bijvoorbeeld naar het getal zijner Geesten in zeven (Openb. IV: 5) personen te openbaren, zich naar zeven zijden zijner Godheid te individualiseeren, dan moest de mensch het zich eenvoudig laten welgevallen, onverschillig of de zaak hem al dan niet duidelijk was. Wanneer zullen wij toch eens ophouden God te „meesterenquot; en Hem voor te schrijven hoe Hij zich gedragen moet, om genade in de oogen van ons verstand le vinden!
Geest is waaien, wind, storm, orkaan. — Gij hoort zijn gesuis wel, maar gij weet niet vanwaar Hij komt, noch waar Hij heengaat. Vrij handelt en wandelt Hij, en zweeft Hij nu eens zachtkens als een zomerkoeltje over het viooltje in \'t gras, om straks weer als orgeltonen en zeebranding voort te bulderen en de eiken van Bazan te ontwortelen. — Evenals het individu, inspireert deze adem Gods ook de natiën. Maar evenzoo doet ook de geest des afgronds. Hoe waait de Geest in de wereldgeschiedenis; hoe stormen daar de geesten op de zee der volken en
414
zweepen zij haar zoo op, dat het schuim harer golven tot aan den hemel opspat. — Geesten des geloofs roepen: God wil het! en honderdduizenden stroomen van het westen naar het oosten. Geesten van tucht en orde bouwen staten en rijken op ; geesten des strijds, des oorlogs en der verwoesting werpen ze tegen den grond. — Nu en dan vaart de adem Gods uit de vier windstreken in de doodsbeenderen van een volk, en dan worden zij levend en staan zij op hunne voeten, en het heirleger van de getuigen der waarheid is buitengewoon groot. — En weder grijpt een geest van waan en verblinding een ander volk aan, en het slaat ijlings zijne huisgoden en zijn duizendjarig huisraad stuk, danst rondom reeds verdorrende vrijheidsboornen, en drinkt er bloed bij! En bedaart op Gods bevel de storm, dan staren zij elkander verbaasd aan en weten zij zelf niet vanwaar die geest kwam en waar hij heenging.
Zoo blijkt het, dat al het doen van den mensch inspiratie is: eene inblazing van den Geest of van geesten. De Geest is adem. „Hij blies op hen en zeide: Ontvangt den Heiligen Geest!\'- Inspiratie in een uitgestrekten zin is inblazing van den goddelijken en vaak tegelijkertijd van den duivelschen wereldgeest, eene opwekking en verlevendiging, eene bevruchting en eene bezaaiing van den individueelen geest, die in zichzelf wel scheppende kracht heeft, maar het motief noch de stof daartoe bezit. Zelfs Cicero erkent; „Niemand is ooit een groot man geweest zonder een goddelijke beademing.quot; Als Goethe van zijne geboorte af in een engen, donkeren kerker geleefd had, zou hij nooit den F a u s t geschreven hebben ! „De mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij.quot; Niet alleen doorwaait sleeds — het best te vergelijken bij de windstroomingen — de adem Gods zijne schepping, en gaat het ook evenzoo met dien des Satans, den vorst dezer wereld, gelijk ock de Bijbel \'s menschen verzoekingen als inspi-
415
ratiën van den duivel beschouwt, — maar ontelbare engelen des lichts en des afgronds, gansche hemelsche en helsche heirscha-ren, inspireeren bij dagen en bij nachten den mensch, drijven hem tot het goede en tot het kwade en van beide af, en laten hem geen rust. En waar de Geest en de geesten een geopende poort vinden, daar stroomen zij naar binnen, en oefenen zij hun invloed op de ziel en den geest des menschen, en wekken zij den geest in hem op; en uit de werking dier beiden spruit het medesleepende woord en de welgeslaagde daad voort: alles wat eene beteekenis en eene waarde heeft, wat tot het hart spreekt, wat anderen met geestdrift vervult, en wat het ware doen, de ware geschiedenis der menschheid uitmaakt.
Bij den elementairen mensch blijft deze inspiratie elementair en van louter algemeenen aard; zij bewerkt gevoelens, indrukken, stemmingen, maar brengt het niet tot een klare uitdrukking, tot een logisch woord. — Bij intellectueele menschen wordt de inspiratie een intellectueele, begrijpende bewondering, een zich inleven in het met geestdrift vervullende, een met geestdrift herhalen, medezingen en nabidden van zijn woord. Bij rijken van geest eindelijk wordt de inspiratie scheppend, brengt zij het machtwoord en de groote daad voort. Zonder inspiratie geen kunst. Van een zoodanige werking des Geestes, die het verstand, het begrip, de ziel des menschen verlicht, zoodat hij helder ziet, scherper doordenkt, juister oordeelt, kortom begaafder wordt, getuigt Exodus XXXV: 31—34: „En de Geest Gods heeft hem (Bezaleël) vervuld met wijsheid, met verstand en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; en om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftig handwerk. Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van
416
Dan.quot; Ook bij den man van wetenschap is inspiratie de wortel en de kracht zijner studiën en ontdekkingen. Hij wordt aangegrepen door de van boven komende, maar bij hem — vóór alle anderen — ingang vindende vruchtbare idee, door de ontvonkende gedachte; dan doorgloeit hem een groot voorgevoel van een groote waarheid, van een eeuwige wet; er breekt in hem een morgenschemering aan. Dan zet hij zich vol geestdrift neder: hij kan niet anders, hij móet onderzoeken, naspeuren, vergelijken, afzonderen, rangschikken, berekenen, totdat het voorgevoel tot zekerheid wordt en de zon voor hem en voor anderen opgaat! Zoo ging het bijvoorbeeld met Newton, toen hij den appel zag vallen, en het hem eerst na verloop van jaren gelukte, in dit groote moment door een machtige ontroering naar lichaam en ziel aangegrepen, het bewijs voor de waarheid van de vermoede wet der aantrekkingskracht te vinden. Zoo geloofde Keppler reeds van tevoren aan zijne wet, vóór en aleer hij haar door vier-en-zestigmaal opnieuw hervatte berekeningen bewees.
Een ieder mensch inspireert den ander! Treedt er iemand door de deur binnen, dan vervult al spoedig zijn geest en adem en zijn geestelijke geur de kamer, en inspireert hij ons ook tégen onzen wil. Wij zwijgen verlegen stil, worden beleefd of vroolijk, joviaal of vertrouwelijk of gegeneerd, of stijf en koud, opgewekt of neerslachtig ; wij gevoelen ons aangetrokken of afgestooten ; de een brengt opgeruimdheid mede, de ander domheid of verveling, een derde ^ernst en waardigheid, de vierde woordenpraal en zinledigheid. Ieder mensch is een plant met een eigenaardigen geur ; uit zijn voorkomen en zijne gebaren, zijne stem en zijne woorden stijgt geest op. — Ook elke bloem, waarbij gij: Hoe schoon! en elke afschuwelijke pad, waarbij gij: Bah! uitroept, inspireert u. — Alles straalt niet alleen licht, maar ook kracht van zich uit, bijvoorbeeld aan-
417
trekkingskracht. Alles heeft smaak en geur. Hoe wonderbaar, dat zelfs de metalen een eigen smaak hebben, en dus in waarneembare, individueele betrekkingen tot mijne ziel staan ! De wereld is een groote ex- en inspiratie, een uit- en inademing des geestes.
De wet der inspiratie is, dat zij de individualiteit verhoogt en verrijkt; want zij ontneemt haar niets, maar wel geeft zij haar veel, en juist datgene waarnaar deze ikheid verlangde, waarnaar zij hongerde en dorstte. De geest keert slechts tot zijnsgelijken in, waar hij gaarne gezien, verlangend verwacht, tot blijven uitgenoodigd wordt, waar hij een geopende deur vindt. „Alle begeerte is aantrekkelijk.quot; — Maar ook ieder contrast, dat u uws ondanks ophoudt, dat u belemmerend in den weg treedt en slechts uw onwil en uw toorn opwekt, verrijkt u, want het is een onbewuste inspiratie van zekere in u verborgen beginselen, het brengt ze tevoorschijn, en reeds de wijze hoe en waarop gij u tegenover deze tegenstellingen gedraagt, onderricht u omtrent hetgeen gij zijt. Geen enkele geest kan zijn invloed op u oefenen, als hij zijn geestverwant niet in u vindt. Maakt de hoogmoed van anderen u nog toornig, dan zijt gij nog hoogmoedig; bezoedelt het slijk u nog, dan zijt gij nog onrein. Eenmaal echter zullen de gezaligden door geen toorn Gods en door geen pijn der verdoemden meer geïnspireerd worden, omdat er in hen geen toorn of pijn meer zal zijn. — Zoo is elke inspiratie eene vergrooting en versterking van den geest in den mensch, eene vermeerdering van zijn bezit en zijne kracht, eene verlichting zijner ziel.
Daaruit vloeit de verdere wet der inspiratie voort, dat zij met het wezen ook vorm en kleur, en met de gedachte ook het woord geeft. En wel hoe hooger en volkomener zij is, des te nauwkeuriger, zekerder, treffender en tot in de kleinste bijzonderheden toe doet zij het. — Dat weet en voelt ieder redenaar
27
418
kunstenaar, dichter, ieder die door den geest op de eene of andere wijze wordt aan- en doorgewaaid en geïnspireerd.
In de hoogste mate geldt dit van het woord. Want de taal is des Geestes, waarom de dieren, die de Bijbel toch „levende zielenquot; noemt, niet spreken. „De Geest spreekt,quot; zegt de Bijl el herhaaldelijk. Het woord, wij zien het aan Christus, is de hoogste, omniddellijkste daad des Geestes. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt. En zoo is het op den huidigen dag nog. Het woord — niet de stoom en niet de electriciteit — is de ware motor dezer wereldmachine. Er bestaat niets zoo machtigs en zoo onmachtigs, zoo geweldigs en zoo zwaks, zoo kostbaars en zoo waardeloos als zulk een menschenwoord. En waaraan ontleent dit weinigje in trillingen gebrachte lucht zijne macht? — Aan den geest! — Het voortdurende streven van den geest is zich geheel en ten volle uit te spreken, zoodat dan ook de grootheid van een mensch uit de grootte van zijn woord kan worden afgeleid. En ook hier heeft de Geest slechts in en krachtens de door hemzelf gestelde wet macht. Hij is het, die van eeuwigheid af — in den beginne was het Woord — de tien woordsoorten uitsprak, en daarmede een z ij n in het zelfstandig naamwoord en een doen in den tijd van het werkwoord enz. voor eeuwig vaststelde. Hij sprak uit de Godheid de wetten uit, waarnaar de volzin in de voordracht, en het huis, en het hemelsch Jeruzalem worden opgebouwd. En in deze en door deze zijne wetten is hij groot; in deze zijne schepping put hij kracht uit zelfgeschapen banden. Terwijl de zwakke van geest de wetten des woords miskent, veracht en tot verzwakking zijner eigen ziel misbruikt, is het voor den rijke van geest een versterkend genoegen deze wetten nauwkeurig op te volgen, en door middel daarvan het schoonst en het best te zeggen wat hij is en wat hij wil. — Maar evenals alle talen der wereld slechts een gebrekkige vergoeding voor de verloren
419
oorspronkelijke taal zijn, zoo is ook elke aardsche uitdrukking slechts een surrogaat voor de ware in de ware hemeltaal, waarin voor alles in de wereld, voor elke gedachte en elk gevoel der ziel slechts é e n volkomen adaequate uitdrukking bestaat, en waarin elke andere uitdrukking even foutief is als een verkeerd cijfer in eene rekening. De hoogste taal is de hoogste waarheid, is onfeilbaar. Dat hebben de menschen van oudsher gevoeld, — vandaar het streven om goed, mooi, juist, waar, correct te spreken en te schrijven. Hoe hooger een volk zijne taal schat en hoe beter het die spreekt, des te hooger staat het in geestelijk opzicht, zooals bijvoorbeeld de Grieken. — Vandaar ook onze vereering der klassieken. Zij zijn menschen, die voor hetgeen veler gemoed in spanning bracht het verlossende woord vonden ; zij zijn de woordvoerders der volken; zij schenken der mensch-heid haar denken uitgesproken terug, in woorden gegoten, duurzamer dan staal en marmer, want geest en woord zijn onafscheidelijk. De geliefkoosde spreekwijze; „Men moet niet aan het woord blijven hangen,quot; maar tot den geest doordringen, geeft meestal een groote onwetendheid te kennen omtrent hetgeen geest en hetgeen woord is. — Want waarom blijven wij dan wèl aan het woord onzer klassieken hangen? Waarom dan met zoo angstvallige nauwgezetheid naar den oorspronke-lijken tekst van een Sophocles, een Cicero, een Shakespeare of een Goethe gevorscht? Is het woord slechts een zoo onverschillig omhulsel, om zoo te zeggen slechts een van den geest geleende overjas, dan kan ik ook Goethe\'s roerende versregels: „Wie nooit zijn brood met tranen at,quot; ook wel zóo uitdrukken: Wie niet dikwijls \'s nachts geweend heeft, is niet godsdienstig gezind! — Dan houdt eenvoudig alle kunst, schoonheid, waarde en macht van het woord op.
Anders spreekt de Bijbel. Honderdmaal herhaalt hij: „Het woord des Heerenquot; — niet zijn Geest alleen — „geschiedde totquot;
420
enz. — „Vervloekt is hij, die niet al de woorden dezer wet vervult.quot; — „Waarom hebt gij des Heeren woord veracht?quot; — Enzoovoorts ! Zoo zegt Christus: „De .woorden, die Ik spreek, zijn geest en leven !quot; — «Mijne woorden zullen niet vergaan!quot; — En Gods Woord spreekt aan het slot de ernstige waarschuwing uit: „En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is !quot;
Dat geest en woord éen zijn en men ze niet scheiden kan of aan een van beiden het geringste veranderen, zonder dat ook het andere er onder lijdt, deze waarheid is de grondslag van de bijbelsche leer der inspiratie. — „Maar het woord inspiratie komt in den Bijbel niet voor !quot; zegt tegenwoordig menigeen. — Natuurlijk niel. Evenmin als de woorden „godsvruchtquot; en „Christendom.quot; Maar zoudt gij nu daarom durven beweren, dat de Bijbel niets weten wil van godsvrucht en Christendom ? Of dat hij ons niet zegt wat godsvrucht of Christendom is ?
Wanneer er een Heilige Geest bestaat, een goddelijke persoonlijkheid, die derhalve veel hooger staat dan de algemeene, niet geïndividualiseerde geest en adem Gods in de wereld, dan moet Hem in de geduchtste macht óok een zich uitspreken en evenzoo a priori de macht tot inspireeren in den hoogsten graad worden toegekend. Ja, heel zijn werken moet inspiratie wezen ; hoe zal een onzichtbare Geest anders werken? — Dat is dan ook de leer des Bijbels. — „De Geest der waarheid zal u in al de waarheid leiden.quot;— „Wanneer de Trooster, de Heil:ge Geest, zal gekomen zijn, die zal u alles leeren.quot; — „De Geest uws Vaders is het, die door u spreekt.quot; — En dewijl de hemel, vanwaar Hij komt, zooveel hooger is dan de aarde, en het eeuwige, waarvan Hij spreekt, zooveel grooter dan het tijdelijke, en Hij niet maar louter een geest, maar de Geest is, daarom over-
421
treft ook zijne inspiratie oneindig ver alle andere: zij staat onvergelijkelijk hooger dan die van Homerus door Homerus\' geest, dan die van Goethe door Goethe\'s geest; zij grijpt den mensch met nog gansch andere macht aan, doorgloeit hem met hemelvuur, doorstraalt hem met hemellicht, zoodat ook de donkere toekomst en het langvergeten verleden klaar en helder voor hem liggen, zoodat hij den verborgensten samenhang en den diepsten wortel der dingen aanschouwt, en door dien Geest medegesleept en overweldigd wordt, en toch in de hoogste persoonlijke kracht, in genotvolle verrukking, met waarachtig goddelijke geestdrift, het aanschouwt wat het doeltreffendste, alleen juiste, volkomen toepasselijke en daarom ontzaglijk krachtige Geesteswoord moet, kan en wil uitspreken.
Hoe plat en hoe totaal geesteloos is de tegenwerping, dat — wanneer de Heilige Geest den geïnspireerden mannen Gods ook het woord ingaf — zij dan slechts zijn willooze werktuigen geweest zouden zijn, en de Bijbel dus slechts een „dictaatquot; van den Heiligen Geest ware ! — En al ware dat nu eens zoo ? ! Dan ware de Heilige Schrift nog altijd oneindig beter dan de opwellingen van onzen eigen geest, en — indien door God ook slechts werktuigelijk gedicteerd — eindeloos wijzer dan onze wijsheid. Maar is dan eene vergadering, die vol geestdrift Luthers lied van den vasten burcht aanheft, of een Christen, die met den innigsten eerbied het Onze Vader bidt, een willoos werktuig van den dichter of van den Christus, omdat hij hunne woorden nauwkeurig herhaalt? Is niet elke geest verheugd, wanneer een andere hem de lang gezochte, vurig gewenschte uitdrukking van zijn verlangen verschaft, en spreekt men niet van een openbarend en van een verlossend woord? -- Is dat willooze slavernij? — Waarlijk, dan verstaan dezulken, die bovengenoemde tegenwerping op de lippen nemen, al bedroefd weinig van de al het menschelijke ver overtreffende macht en
422
kracht en zelfstandigheid van eene geestdrift door, met en in den Heiligen Geest!
En deze gelijkvloersche geesten durven dan nog de scherpzinnige opmerking maken: „De Bijbel is niet kant en klaar uit den hemel gevallen!quot; —Alsof er ooit een Christen geweest is, die dat beweerde, en de Heilige Schrift zelve ons niet nadrukkelijk verhaalde hoe zij langzamerhand ontstaan is: hoe op Gods bevel heilige mannen, door den Heiligen Geest gedreven, haar in de meest verschillende tijden en onder de meest verschillende omstandigheden geschreven hebben; en toch is zij, wijl door éen en denzelfden Geest geïnspireerd, een wonderbare, levende eenheid, — een schoon, met Genesis aanvangend en met de daarmede prachtig harmonieerende Openbaring besluitend gebouw, — een hoogste organisme!
Nadat het kind uit de eerste boeken des Bijbels vernomen heeft wie zijn vader was en waar zijn vaderland lag, en de groote en toch zoo eenvoudige trekken der alleroudste geschiedenis heeft leeren kennen, krijgt de jongeling de sterke wet, de man maakt Jobs en Davids zielsworstelingen en Salome\'s wijsheid mede, en de grijsaard aanschouwt in de profeten de groote en schoone toekomst van Christus\' Koninkrijk. — In het Nieuwe Testament vangt met de wedergeboorte een nieuw leven aan ; bij de kribbe van Jezus wordt de mensch weder een kind; hij begeleidt het als jongeling door de wereld en ontvangt er een nieuwe wet van; hij predikt als man Gods Woord; hij groeit door de Zendbrieven in de leer en naar den inwendigen msnsch, en aanschouwt in de Openbaring een heerlijke en eeuwige lockomst, waarin God alles in allen zal zijn.
Dat zijn de ware trappen van de geschiedenis der beschaving, zoowel van de menschheid als van den mensch.
Elke aanraking van dezen Heiligen Geest heiligt den mensch, maakt hem reiner, hooger, machtiger. Zoo werpt Paulus mis-
423
noegd den Corinthiërs het verwijt voor de voeten, dat zij zich met netelige rechtsquaestiën tol ongeloovigen wenden, en roept hij uit: „Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken? Weet gij niet, dat wij de engelen oordeelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?quot; (1 Corinthe VIi 2 en 3). — De wereld zal de engelen oordeelen! Dat zijn waarlijk andere idealen omtrent de kennis, de wijsheid en de macht van een kind van God, en zelfs van „die in de gemeente minst geacht zijnquot; (vers 4), dan die van de meeste Christenen tegenwoordig, die uit valsche nederigheid en uit ongeloof aan de belofte Gods, dat Hij zijn Heiligen Geest der kennis aan iedereen wil geven, die Hem daarom bidt, zich als leeken onbekwaam achten om aangaande de eenvoudigste vragen der leer en des geloofs de Schrift te onderzoeken, — zoodat zij dan ook nooit tot een klaar en zelfstandig geloof komen.
Eéne — en wel woordelijke — inspiratie stelt Christus voor den Bijbel vast met deze woorden: „Want voorwaar zeg Ik u; totdat de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, zal er niet een jota noch éen tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschiedquot; (Mattheus V : 18). — En van het Evangelie zegt Hij: „Hemel en aarde zullengt;oorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan!quot; — En hoe wij ons deze inspiratie hebben voor te stellen, zegt de Bijbel even duidelijk. „De Geest des Heerenquot; — zoo spreekt David, de gezalfde van den God Jakobs, de lieflijke zanger Israels — „heeft door mij gesproken, en zijne rede is op mijne tong geweest!\' (11 Samuel XXIII : 2.) — „Zie, Ik geef m ij n e woorden in uwen m o n d,quot; spreekt God tot den profeet (Jeremia 1:9). — Christus zelf getuigt van zich: „De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van mij zeiven nietquot; (Joh. XIV : 10);
424
en tot zijne discipelen zegt Hij: „Doch wanneer zij u overleveren, zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die in u spreektquot; (Mattheus X:19 en 20). Alzoo geeft de Geest den heiligen mannen niet alleen in w a t, maar ook hoe zij spreken moeten; Hij geeft hun de woorden in den mond, en dat heet inspiratie. — Of zoudt gij mij kostelijken Cypruswijn zonder een beker willen aanbieden? — Maar nög inniger dan beker en inhoud zijn woord en geest verbonden, en doordringen zij elkander als ziel en lichaam. Machteloos is de geest zonder woord, dood is het woord zonder geest.
Een niet woordelijke inspiratie is eene inspiratie, die — zooals dikwijls genoeg aan den mensch te zien is — het woord niet vindt, en is slechts de schaduw der ware; zij is, zooals wij boven zeiden, een elementaire, zwakke en algemeene, die wel een gevoel en een aandrang in den mensch opwekt, maar het niet tot een klare uitdrukking brengt; zij is die van den journalist, die op de punt van zijn penhouder kauwt, zonder dat er een hoofdartikel uit die pen wil komen; zij is die van den schilder, die zich voor zijn doek zit af te tobben en vorm noch kleur kan vinden; zij is van oudsher tamelijk waardeloos geweest.
Is de Bijbel niet woordelijk geïnspireerd, dan kan ik, evenais hierboven Goethe\'s woorden, ook Genesis I : 1 anders u\'tdrukken en zeggen: „Eens liet een hoogste Wezen een kracht- en een stofwereld ontstaan,quot; waaruit al spoedig volgen zou: „Eens ontstonden uit een p r i m a causa kracht en stof.quot; Materialisme inplaats van goddelijke waarheid.
Maar de mensch verstaat slechts de beginselen, die hij in zich omdraagt. Om aan de inspiratie door den Heiligen Geest te
425
gelooven, moet hij reeds door den Geest geïnspireerd worden en persoonlijk met Hem bekend zijn. — „Alle geesten,quot; zegt
Schopenhauer, „zijn onzichtbaar voor wie er zelf geen heeft!quot;
* ♦
♦
Aangezien wij de groote waarheid der inspiratie door den Heiligen Geest hoe langer hoe meer loochenen, begint de Heilige Geest ook hoe langer hoe meer van ons te wijken; en evenzeer is dit het geval met den goddelijken geest, die ons verstand ook op het gebied van de dingen dezer wereld verlicht ; en dan worden ons leven en onze daden hoe langer hoe minder geïnspireerd. — Wij hebben reeds door de voortdurende bemoeiing met het stof en door het ijverig streven om deze stofmassa\'s aan onze genotzucht en geldzucht dienstbaar te maken, aan geest verloren. Op een electrotechnische tentoonstelling denkt men met verbazing aan de hoeveelheid geestelijke kracht, die er voor de uitvinding en volmaking van al deze vaak zoo gecompliceerde toestellen noodig was, en die daar nu gevangen en gekluisterd nederligt; en de oppassers en vroegere werklieden, voor zoover zij nog noodig zijn, behoeven er niets meer bij te denken, alleen nog maar te smeren en er af en toe eens naar te zien. Elke machine, zegt men, maakt vele menschen broodeloos, — neen, zeg liever dat zij velen geesteloos en gedachteloos maakt. En zoo staat het niet buiten verband met de machine, dat wij tegenwoordig zoo dikwijls volgens recept en zonder inspiratie aan het schoolopstel en aan veel stichtelijke(?) en kinderlitteratuur arbeiden, en groot zijn in de prompte levering op bestelling, volgens verlangd patroon en naar den laatsten smaak, van hoofdartikelen, feest- en grafredevoeringen, feuilletons en overzichten, romans en komediestukken, alles heel keurig, boeiend en........ goedkoop bewerkt!
426
— Neen, \'t is waarlijk niet te verwonderen, dat wij niet meer aan de inspiratie van den Bijbel gelooven. — Doch niet de Bijbel, maar wij hebben er het nadeel van. Niet meer geïnspireerd door den Geest van God, zijn wij niet meer instaat om de onwaarheden duidelijk te doorzien, en ja en neen, licht en duisternis, goed en kwaad naar den eisch van elkaêr te scheiden.
— Al spoedig kennen wij zoowel in den godsdienst als in de politiek geen wit en geen zwart meer, maar slechts een zacht-grijs, waaromtrent wij voortreffelijk de kunst verstaan om — al naar het noodig is en teneinde den strijd en het partijkiezen te ontwijken, en om ons naar den nieuwen tijd te schikken — heel wijs en scherpzinnig aan te toonen, dat grijs op zichzelf niet zwart, maar een zwakkere voini van wit is; maar ook evenzeer — ingeval een piquant optreden gewenscht is en er op bijval gerekend kan worden, — dat grijs geen wit, maar een heimelijke en vermomde vorm van zwart is! — Of wij bewijzen overtuigend, dat godsdienstige lauwheid toch nog altijd beter is dan koude, ja in zeker opzicht ook beter dan een maar al te gemakkelijk tol dweperij en mystiek leidende warmte, en vooral dan hitte. Zie dienaangaande Openbaring 111:16. Wij roemen aan het graf of in de lijkrede van een driesten Godloochenaar diens grooten zedelijken ernst, in een openlijken vijand van het kruis des Heeren zijn diepen godsdienstzin; en durft iemand het nog eens wagen den goddelooze goddeloos en de leugen leugen te noemen, dan verwijten wij hem nadrukkelijk zijn fanatisme, zijn gebrek aan ruimhartigheid, objectiviteit en verdraagzaamheid, ja aan broederliefde! Alsof de vijand Gods als zoodanig mijn broeder ware! Zie II Johannes: 11.
Wij hebben dan ook geleerd het als uitgemaakt te beschouwen, „dat het alleen voor Christusquot; (en misschien ook voor David, die \'t het eerst gezegd heeft?) „past om te zeggen: „De ijver van uw huis heeft mij verslonden,quot; maar niet voor ons!quot;(!) En als
427
in onze dagen een Christen eens met Mozes uitriep : „Nu dan, indien Gij hunne zonden vergeven zult! doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt!quot; (Exodus XXXII : 32); of als Paulus: „Want ik zou zelf wel wenschen, verbannen te zijn van Christus, voor m ij n e broederen, die mijne maagschap zijn naar het vleesch !quot; (Romeinen IX : 3), dan zou men hem dadelijk van alle kanten toevoegen: „Maar lieve broeder, wees toch bedaard!quot; Ach! wij zijn wel bedaard, — zóo bedaard, dat wij door godsdienstige bleekzucht en geestelijke maagverzwakking van dag tot dag heel zachtjes en ongemerkt te gronde gaan. — Waar is er tegenwoordig een huiverend afgrijzen van de helsche pijnen? — Waar eene rilling van hemelsch genot door al onze aderen? — Waar een bruisen en ruischen van de krachten der toekomende wereld? — Waar een verterend heimwee naar de hemelsche gewesten? — Waar een verrukt zijn dooiden Heiligen Geest? — De Bijbel, dit hoogste en diepste, geheimzinnigste en mystiekste van alle boeken, is ons door vernuftige toelichters zoo kalmpjes uitgelegd, dat wij over al de goddelijke afgronden zonder de minste of geringste duizeling, over correcte, met sterke leuningen voorziene bruggetjes heen-loopen. En ware er niet het beetje onbegrepen mystiek, dat zij nog in de sacramenten, in den doop en het avondmaal leggen, dan liet de godsdienst van millioenen Protestanten zich in een korten „Leiddraad der Christelijke zedekundequot; met een weinigje kerkelijke traditie samenvatten, zóo prozaïsch en plat en vervelend als de eerste de beste „Handleiding tot het maken van opstellenquot; maar wezen kan. Een weinigje vrome zedenleer, zonder goddelijken Geest of demonische machten, zonder wonderen, zonder verschrikkingen, zonder levenstaak, zonder loon, zonder genot, zonder pijn. — Wat wonder, wanneer heel de Christelijke(!) wereldbeschouwing van zulke menschen bij het
428
minste of geringste windje van eritiek dadelijk als een kaartenhuisje in elkaêr valt! — En daarbij maakt deze sap-en krachte-looze nuchterheid hen eerst recht onverdraagzaam; want hoe kleiner en onbeduidender de denk- en levenskringen van een mensch zijn, des te minder kan hij dulden dat men er een vinger naar uitsteekt.
En zoo ver hebben wij het dan nu gebracht met onzen afkeer van alle mystiek en alle theosophie, met ons streven om al het mysterie, al het wonderbare, diepe en vreeselijke uit onzen godsdienst te weren, en dien toch vooral kalm, verstandig en aristocratisch te maken, opdat de „verlichtequot; Christenen er zich toch niet aan zouden stooten, en wij toch vooral niet door de wetenschap als middeleeuwsche duisterlingen met den nek zouden worden aangezien. — En wij worden er dan ook voor beloond! Want inplaats dat de wereld ons als Christus veracht en kruisigt, laat zij ons met de meest mogelijke verdraagzaamheid in \'t bezit onzer godsdienstige formaliteitjes, waarvan wij in \'t dagelijksch leven toch geen gebruik maken. — Wij bestraffen haar niet, en zij haat ons niet; wij kunnen het opperbest met elkander vinden!
„Zonder mysterie,quot; zegt zelfs een David Strausz, „geen godsdienst.quot; Godsdienst zonder mystiek en wonder is een ledige dop. Alleen voor den geestelijk dooden alledaagschen mensch is alles volkomen duidelijk, volkomen eenvoudig, volkomen natuurlijk; maar komt de mensch tot een geestelijk ontwaken, dan is voor hem ook het meest alledaagsche — en hoeveel te meer dan het goddelijke! — eene vraag, een raadsel, een geheim, een mysterie, een afgrond; en door het neerzien in deze goddelijke afgronden wordt hij goddelijk groot en sterk; maar niet daardoor, dat hij een vlak, gezellig, veilig afgeschut plekje om te sluimeren voor zich uitzoekt. Geest, vuur en leven ontspringen uit het aanschouwen van de onveranderlijke wet, van het abso-
429
lute, onverbiddelijke denken Gods. Laat ons daarvoor niet terugdeinzen, al moet het ons ook nog zooveel aangename, overge-erfde, tot de algemeene dracht in kerk en staat, salon en ver-eeniging behoorende denkbeelden en zienswijzen kosten.
Hoe zullen zij wel eenmaal temoede zijn, deze bedaarde, prozaïsche Christenen, deze gevallen goden en Elohim, wien het hier op aarde voor de overwinning over duivel, dood en hel, voor een rijpen tot rechters van duivelen en engelen, voor de innige gemeenschap met God, ja, voor een zitten met Hem op zijn troon tot in eeuwigheid (Openbaring 111:21) — wien het voor dit alles volkomen voldoende was, week aan week. Zondags van tienen tot twaalven, een godsdienstige, dikwijls ook slechts een zedekundige toespraak meer of minder opmerkzaam aan te hooren, wanneer zij na hun dood in eene wereld vallen, waar hun tot dusver geleide bedaarde, correcte en respectabele leven en het volijverige graven en wroeten tegelijkertijd in het stof en in de aarde, en de vreugde over elk vondstje, glasscherfje of prulletje, van dat oogenblik af voor eeuwig zinneloos en waardeloos is! — Hier heeft hun geld geen koers; hun kleed dekt hier hunne naaktheid niet; hun woord betee-kent niets, hun weten is dwaasheid en hun verstand onbeduidend ; niemand bekommert zich om hunne meening. — Want hier golft en woedt en raast vol haat en vol liefde, voor en tegen God, de groote strijd der geesten om eeuwige quaestiën en eeuwige goederen; hier vallen de omhulsels weg en begint de groote openbaring door het vuur, die louterend werkt tot in merg en been. Hier vallen hun de schellen van de oogen; hier worden zij met de innerlijkste aardbeving hunner ziel gewaar, hoe zorgeloos zij op een vuuroceaan gedanst hebben; hoe zij, achter dwaallichten aan, door moerassen hebben gewaad; hoe leeg en hol en nietig al datgene is, waarop zij zoo verlangend en begeerig jacht hebben gemaakt; hoe verpletterend
430
zwaar de nu aan hun levensmerg knagende zondeschuld is, maar ook hoeveel grooter nog, haar eindeloos overtreffend, de aangeboden maar afgewezen genade ; hoe overstelpend groot de versmade redding en zaligheid; hoe onherroepelijk, voor eeuwig onveranderlijk de keuze van de innigste liefde hunner ziel: of zij zichzelf en de wereld, of God kozen. — En de groote scheiding, onherroepelijk en om nooit of nimmer terug te keeren, wordt meer en meer voltrokken; al hooger en hooger zweven zij naar boven, al lager en lager dalen zij naar beneden, die eenmaal hier op aarde vader en zoon, man en vrouw, broeders en zusters, goede vrienden en vriendinnen, leden van éen en dezelfde vereeniging, burgers van éen en dezelfde stad waren. — En op hoe langer hoe grooter afstand weerklinkt het gejammer uit de vlammenzee en uit de pijnen, en de smeekbede om éen druppel van het water des levens; en van boven komt het antwoord: Wij kunnen niet, er is een te groote klove tusschen ons. En onophoudelijk werken en weven de gezaligde en de verdoemde geesten, de engelen en de demonen en de Heilige Geest aan het kleed der eeuwigheid, en Godzelf „voleindigt aan de zijnen het goede werk, dat Hij heeft aangevangen, t o t op den dag der wederkomst van Christus.quot;
Maar zulke realiteiten van den godsdienst — daar wil het moderne Protestantisme niets van weten! Het verfoeit in de allereerste plaats het persoonlijk ingrijpen van dien levenden God in de lotswisselingen der menschen, en roept steeds als een modern parlementarisme angstig uit: „Betrekt den persoon des Allerhoogsten niet in de debatten!quot; En hoe verder weg en onbereikbaarder die God is, des te liever heeft men het. — Dat komt door de platte nuchterheid van dit Protestantisme, en deze weer van de gebrekkige bekendheid met dienzelfden persoonlijken God en bron aller wonderen en aller mysteriën. God is een vuur en een geest. Vuur brandt, vlamt, grijpt aan,
431
verteert, vernietigt, smelt en reinigt. — Geest is waaien, is wind, storm, orkaan; Geest is strijd; Hij haat de zwoele windstilte en de stilstaande wateren met den slikkerigen bodem, en Hij bemint den diepen oceaan met de kristallen, schuimende golven; de Geest lacht wat om vrees, en verschrikt niet, en keert zich voor het zwaard niet om! Hij haat de halfheid en de versaagdheid,
en spreekt: „Maar den vreesachtigen...... is hun deel in den
poel, die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede
doodquot; (Openbaring XXI : 8).
* *
*
De Geest is eene kracht, dus eene overwinning van datgene wat geen geest is. Zoo vertoont Hij zich in het heelal; ja, wat wij natuur noemen is niets anders dan de gestadige, millioen-voudige overwinning van de stof door den Geest. Hij overmeestert haar, geeft haar wetten, en de kracht om ze te vervullen. Dat heeft Hij van den beginne af gedaan, reeds toen Hij broedend zweefde op de wateren, toen God aan de zee de duisternis tot windselen gaf. Hij drijft de zonnen en de aardbollen, opdat zij niet stilstaan in hunne banen. Hij bezielt de aarde met leven, opdat zij in de lente millioenvoudige gewassen voort-brenge; Hij vervult de walvisschen, opdat zij spelend hun uitgestrekt waterrijk doorzwemmen. Daarvan spreekt de ziener; „Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keeren weder tot hun stof. Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks!quot; (Psalm CIV ; 29 en 30). — Deze Geest bewerkt leven, eeuwig leven in den eeuwigen strijd met hem, die het geweld des doods heeft, wiens leven en werken een eeuwig dooden is, wiens loon en rijk en element eens de tweede dood zal zijn.
432
Wij schrijven hier geen Christelijke ethiek, en beschouwen dus niet de werkzaamheid des Geestes in de bekeering en de heiligmaking, maar zijne daden volgens de eeuwige Geesteswet-ten in den mensch, die het trekken des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes niet. wederstaat; en wij zeggen : Bij dezulken bestaat het wezen en het waaien des Geestes in een gestadige overwinning van het stoffelijk leven, het zieleleven en het geestelijk leven in den ouden Adam.
Evenals bij de geysers op IJsland een reusachtige, schuimende, bruisende, kristalheldere waterkolom zich hoe langer hoe hooger opwerkt, en elke terugvallende schuimmassa door de volgende overtroffen wordt in hoogte, — zoo golft en bruist ook hoe langer hoe hooger in God de triomfeerende vreugde en zijn zeven Geesten in een eeuwig wisselspel. Steeds overtreft de Geest zichzelven ; en wanneer God in het oog van ons menschen zich schijnt tegen te spreken, dan zegt Hij dezelfde groote, schoone waarheid nog grooter, schooner en warer, want in Hem is geen einde.
Zoo was de wet van Sinaï goddelijk, volkomen, en wie haar volkomen gehouden had, had er hel tijdelijke en eeuwige leven in gevonden. — „Ja, mijne inzettingen en mijne rechten zult gij houden,quot; spreekt Jehova; „welk mensch dezelve zal doen, die zal door dezelve leven,quot; (Leviticus XVI11: 5). Maar toch spreekt de Christus een nog hoogere wet uit; „Maar Ik zeg u !quot; — Zoo hebben wij gezien, hoe de goddelijke wetten der natuur tegelijkertijd geestelijke wetten zijn, waarin wij leven, ons bewegen en zijn, en welker vervulling ons gezondheid naar lichaam en ziel verschaft. Breekt er echter voor den mensch een nieuwe dag aan, gaat er voor hem een andere dan deze onze natuurlijke zon op, en eerst het vermoeden en daarna de zekerheid, dat dit aardsche bestaan slechts een beeld van een eeuwig bestaan is, al de pracht en de schoonheid dezer aarde slechts eene
433
afstraling van de toekomende heerlijkheid, en zelfs ons geestesleven hier beneden slechts het symbool van een eeuwig leven in absolute geestesvrijheid en geestesmacht is, dan aanschouwt hij al spoedig andere Geesteswetten, die de bestaande niet en toch wel vervangen, ze laten bestaan en toch overwinnen. De Christen leeft niet in eene verachting van de natuur en temidden van eene onnatuur, maar in een bovenaardsche natuur, in den vergelijkenden trap: beter, schooner, warer dan deze natuur, die op zichzelf en in zooverre zij nog goddelijk is, ook goed, schoon en waar is; totdat hij eenmaal in den hemel der hemelen het beste, het schoonste en het waarste mag aanschouwen.
Zoo is de Geest Gods in den mensch een gestadig overwinnaar zijner eigen wetten, en schendt Hij ze toch niet. „Wie overwint,quot; roept Christus zevenmaal zijn zeven gemeenten en zijn zevenvoudige gemeente toe, „dien zal ik geven, met mij op mijnen troon te zitten, zooals ook ik overwonnen heb en met mijnen Vader gezeten ben op zijnen troon!quot; — Wel bedoelt Hij hier in de eerste plaats de overwinning der zonde in en buiten ons, des doods en der hel, krachtens het geloot aan zijn plaatsvervangend, eens voor altijd en voor de geheele mensch-heid gebracht offer, waardoor Hij aan het kruis den schuldbrief verscheurd heeft, dien God tegen de menschheid bezat, — maar toch ook, omdat wij hier van de natuur en hare wet spreken, de overwinning van diezelfde natuurwetten, van welke overwinning Hij in zijne wonderen een hoogste voorbeeld gaf, zoo bijv. toen Hij over de onstuimige zee wandelde. Want het wonder is een betrekkelijke verhooging der natuurwetten; en de mensch, dit evenbeeld Gods, is, zooals wij elders gezegd hebben, niet geschapen opdat hij ziek zou worden en sterven, opdat hij in het water zou verdrinken, en het vuur hem zou verbranden. Wel is waar dringen w ij niet tot een zoo volkomen overwinning van de aardsche natuur door, — wat dan ook hier beneden niet
28
434.
goed voor ons zou zijn. Maar wèl moet de Christen in de kracht des Geestes de natuurlijke wetten der lichamelijkheid, der ziel en des geestes door hoogere overwinnen, gelijk ook deze overwinning de zegepraal van Christus over de drie verzoekingen des duivels vormde.
* *
*
Allereerst is de geest eene overwinning der gerechtvaardigde wet van het zelfbehoud en van de lichamelijke bestaansquaestie, van hetgeen de meeste menschen hun „levenquot; noemen, en waarvan in dezen hunnen zin de Christus zegt: „Wie zijn leven niet haat, die is mijns niet waardig!quot;
Het aardsche leven is niet wat wij er van denken. Het is niet een vervelend of genoegelijk rondslenteren door de wereld; niet een volijverig rondspartelen in en met en tegen den stroom der strijders om het bestaan; ook niet een aangename of een benauwende droom, — maar het is de verzoeking des Satans. Nauwelijks zijn wij in de door hem in de knellende banden des slofs en des doods, in de harde slavernij der zonde geketende wereld gevallen, welker wreedaardige vorst hij is, of hij hervat weer onversaagd en onverdroten met God het groote spel schaak om onze ziel. — Of hij ook al dadelijk weet dat het ten slotte zal uitloopen op: „Wit zet den koning schaakmat,quot; hij blijft toch zonder rust of duur worstelen, stap voor stap, met openlijke of bedekte aanvallen, met lang overwogen, sluw bedachte, vaak geniale zetten om koningin en pion, kasteel en raadsheer. — Allereerst leidt hij ons in de woestijn, in het rijk dezer wereld, dat zijn rijk is. Daar moeien onze zielen en onze lichamen vasten en hongeren, want daar zijn slechts steenen en geen brood; en daarna laat hij op ons, evenals de woestijnwind boven het hoofd van Jobs zonen hun huis deed instorten, de bestaansquaestie aanstormen.
435
Want bestaan wil de mensch bovenal. — Zonderling! Want overigens bestaat toch alles vanzelf, zonder zorg of moeite: de Kon aan den hemel en de maan des nachts, en de aarde doorvliegt zonder bestaans- of voedingszorgen dag aan dag hare baan, en de boom en de bloem leven onbekommerd dag aan dag voort. „Aanziet de leliën,quot; zegt Christus, „zij arbeiden of spinnen niet!quot; — Het vischje en het mugje genieten vrooljik hun levenstijd; en in den oceaan zwemt de walvisch genoegelijk rond en drinkt, zonder zich te bekommeren om den dag van morgen, zijn voedsel uit de met millioenen diertjes vervulde wereldzee. En in den hemel leven millioenen engelen en in de hel millioenen duivelen zonder bestaanszorgen: zij leven van Gods genade en van Gods toorn. — Hij alleen, de mensch, van ailes wat er leeft en zich beweegt op de aarde, is steeds bezorgd over zijn bestaan, armer nog dan de regenworm, die in de aarde steeds rijkelijk voedsel vindt, \'s Morgens wordt hij met voedingszorgen wakker : hij slooft en zorgt en tobt den ganschen lieven dag, om voor zich en de zijnen den kost te verdienen; hij legt zich \'s avonds met zorgen ter ruste; en nog in zijne droomen ziet hij zijn geld verloren gaan, en wanhoopt hij aan de voortzetting van zijn bestaan! Voortdurend drukt op Neger en Europeaan, Chinees en Indiaan, boer en arbeider, deze dage-lijksche angst, die reeds duizenden een eind aan hun leven heeft doen maken, en die zoo menig huisvader aan het hart knaagt, zoodat hij vóór zijn tijd grijs en gebukt ten grave daalt. Ach ! sedert den zondeval is ons leven een bestendig vreezen, dat God zijn steunende hand van ons zal aftrekken en ons zal laten vallen in de armoede, in ziekte, in de schande, in het ongeluk, in den dood, diep door het al en de aeonen heen tot in de buitenste duisternis en leegte! Komt de slaap over ons, dan springen wij verschrikt op, want wij krijgen eene gewaarwording alsof wij in het niet neerzonken. — Dat is de groote symboliek
436
van den zondeval. — Satan, zegt de Bijbel, viel van den hemel af; een type en grondoorzaak van al het vallen.
Maar evenals de aarde vrij en ongedragen haar goddelijke baan doorvliegt, — evenals de maan aan den nachtelijken hemel zweeft en voortglijdt, en geen steunpunt behoeft, — zoo zweeft en trekt de Christen op zijn levensbaan dag aan dag verder, door niets dan door Gods wil gedragen; zoo zweeft hij, den adelaar gelijk, over de heuvelen en bergen der menschelijke gedachten, over de zeeën der menschelijke wijsheid, en weet: ik kan niet zinken, want de hand des Almachtigen houdt mij vast. — Voor den Christen bestaat er geen bestaansquaestie. „Vraagt niet,quot; zegt Christus, „wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmede zullen wij ons kleeden?quot; En als iemand ons vraagt wat wij per dag, of per maand, of per jaar verdienen, laat ons dan (link en ruiterlijk antwoorden ; Gods toorn en ongenade! — En vraagt men ons, waar wij dan van leven ? — Van Gods genade en barmhartigheid!
Deze God zegt: Ik onderhoud mijne schepselen! Wanneer Ik glimlach, gedijt de schepping en heeft zij brood in overvloed en druipen de landen van vet. Wanneer Ik over hunne zonden toorn, hongert en verkwijnt en verdort zij. — Beseft het toch, gij menschen en werken mijner handen. — Wanneer 1 k mijne zon niet over u schijnen laat, wanneer I k u mijn regen niet zend, wanneer I k aan het koren en den wijn en het gras m ij n e kracht tot groeien niet verleen, — wat begint gij dan met al uw vlijt en al uw arbeid, met uwe scherpzinnigheid en uwe wijsheid, met uw wereldhandel en uwe industrie? Wilt ge bij geval met uwe goudstukken en met de coupons uwer effecten uzelf en uwe kinderen voeden ? — Maar bidt ge tot M ij om uw dagelijksch brood, dan wil Ik den zegen bevelen, dat hij over u kome, en zal Ik u dragen en verzorgen tot op uw ouden dag, en totdat gij grijs wordt! —
437
Of ben Ik een gierig of een beknibbelend God, die u het eten en het drinken niet gunt, terwijl gij vaders, die boos zijt, toch uwen kinderen brood, en ook een ei en een visch geeft? Ben Ik een zwakke God, een maehtelooze God, terwijl Ik aan den hemel millioenen zonnen en in de lucht en de zeeën tallooze vogelkens en vischjes dag aan dag verzorg? Ik, die u geschapen heb, zou Ik u ook niet kunnen voeden en onderhouden? Maar bidt tot M ij om uw brood, dan zal Ik ook daarin een rechtvaardig God voor u zijn, dat Ik u doe naar uw geloof en u meet met welke maat gij Mij meet. Hebt gij kleine verwachtingen van Mij, dan zult gij weinig hebben. Maar gelooft gij, dat Ik u ook in tijden van schaarschte en hongersnood alles in volheid en overvloed kan geven, dan zal het u geworden. Ik wil u brood van den hemel doen regenen. Mijne hand is niet verkort, dat Ik niet zou kunnen helpen !
„Waarde Christen,quot; zegt pastor Zahn, „dezelfde barmhartige Samaritaan, die u aan den rand van den weg in uw bloed vond liggen, die olie en wijn in uwe wonden goot en ze verbond, zal ook de paar penningen wel betalen, die gij in de herberg noodig hebt, totdat Hij wederkomt om u naar huis te halen.quot; — Ach ! wie hem maar eens waagde, den sprong van het onvertrouwbare, steeds ondermijnde, onder onze voeten afbrokkelende strand der menschelijke wijsheid en eigenhulp, in den kristal-helderen, ondoorgrondelijken oceaan der goddelijke liefde! Verdrinken zou hij waarlijk niet!
Hoe beschamend dat een zakje, met eenige stukken goud gevuld, den mensch, dezen koning der schepping en beelddrager van Jehova, blijde en trotsch, gelukkig en fier maakt! En is zijn zak ledig, dan is het gedaan met zijn geluk en zijne kracht, met zijne wijsheid, en maar al te dikwijls met zijn geloof en zijn vertrouwen op God! Van deze dienstbaarheid, van dien altoosdurenden angst en zorg om het bestaan, maakt alleen de
438
Geest ons vrij. Door alle tijden heen heeft de Geest Gods, die levenskrachtig door de wereld waait, dit bij enkelen gedaan; van oudsher hebben de menschen hen, die Hij daarvan bevrijdde, bewonderd, hetzij de priesters der Boeddhisten of de Barrevoeters, hetzij een Alexander, die al zijne schatten onder zijne vrienden verdeelt en voor zichzelven alleen „de hoopquot; behoudt, of een Diogenes in zijn vat, of een Francisco d\'Assisi, die — als een welgevormd, rijkbegaafd, adellijk jongeling — het besluit neemt om de allerschoonste bruid, de armoede, tot de zijne te kiezen. — Van oudsher was het een zoowel voor het individu als voor de volken noodlottige fout, brood- en bestaans-quaestiën tot de hoofdquaestie te maken; en ten allen tijde waren alleen die menschen en die natiën groot, die als de Hansa het woord van den Romeinschen proconsul tot hun levensleus kozen: „Navigare necesse est, vivere non necesse!quot; (De zee bevaren is noodzakelijk; leven is niet noodzakelijk!)
Waar de goddelijke Geest den mensch doorgloeit, sterft de bezorgdheid over het dagelijksch brood en de angstige bekommering over het aardsche bestaan zoodanig weg, dat de bloote vermelding er van al dadelijk een schrillen wanklank vormt. Kunnen wij ons een Mozes voorstellen, die door tusschenkomst van vertrouwde vrienden eens naar goede Egyptische staatsfondsen laat informeeren, om zijne spaarpenningen veilig voor zijne kinderen te beleggen ? — Of een Elia, die van jaar tot jaar wat terzijde legt, voor het geval dat hij oud en ongeschikt tot werken mocht worden, eer de vurige wagen komt? — Of een Petrus, die prompt op tijd zijne premie in de levensverzekering betaalt, opdat zijne vrouw wat zou hebben om van te leven, nadat hij den martelaarsdood had ondergaan? — Waarom niet? — Zij waren immers menschen van gelijke beweging als wij; zij hadden vrouw en kinderen; zij moesten toch ook leven
439
met hun gezin, zij moesten eten, drinken, kleeren, huisvesting, reisgeld en nog vele andere dingen hebben. — „Elia,quot; zegt de Schrift, „was een mensch van gelijke beweging als wij.quot;
Dat men niet tegelijkertijd God en den Mammon kan dienen, weet de wereld ook wel; en daarom verlangt zij, die wel zelve het geld boven alles liefheeft, maar zeer goed weet dat het niet goddelijk is, van dezulken, die zich kinderen Gods noemen, een beslist en consequent breken met deze slavernij van het bezit. — Daarom: zoolang gij opleeft en druk en vol geestdrift medespreekt, wanneer er over goede effecten, prachtige zaken of C\'/ï percent gevende aandeelen gesproken wordt; zoolang gij ongelukkig en ongenietbaar wordt, omdat gij te laat hebt ingezien dat er daar en daar een goede zaak te doen was en een paar honderd of duizend gulden te verdienen zouden zijn geweest; zoolang gij met onverholen eerbied en bijna niet te verhelen wangunst over iemand spreekt, die de honderdduizend uit de loterij heeft getrokken of „een millioentjequot; geërfd heeft; zoolang gij op uw zomerreis hoofdzakelijk en hoogst ernstig over de hotelprijzen spreekt en over de mogelijkheid om met dat en dat gecombineerde rondreisbiljet drie en een halven gulden uit te sparen en toch even pleizierig te reizen, — geef u zoolang nog geen moeite om uw medemenschen wijs te maken, dat gij ondertusschen ook een pelgrim zijt naar het Jeruzalem dat boven is, dat uw wandel eigenlijk hemelwaarts gaat, en uw leven met Christus verborgen is in God. — Zij zouden u toch niet gelooven; en zij zouden gelijk hebben ook. „Uw wandel zij zonder geldgierigheid!quot; (Hebreen XIII: 5.)
Tot de bestaansquaestie behoort ook het onderhoud van ons leven tegenover den steeds dreigenden dood. „Weest niet bezorgd voor uw leven!quot; roept Christus ons toe. Ach! wij waren reeds zoozeer beangst voor ons leven, maar nog véél meer voor den dood ; wij klagen over den nood en de ellende van het aardsche
440
bestaan, en toch is er niets waarvoor wij zóo bevreesd zijn, dan dat wij te spoedig naar onzen zin of misschien wel plotseling uit dezen nood en deze ellende zullen weggehaald worden — Gij schildwacht in den nacht en den kouden regen, waarom huivert gij zoo bij de gedachte aan uwe aflossing? — Gij arbeider in den wijngaard, zoudt gij niet van het zweet en het stof willen uitrusten? Verheugt het u niet, dat de schaduwen reeds langer en donkerder worden? — Of vreest gij dat de Meester u zal vragen, wat gij heel den langen dag gedaan hebt ?
Er bestaat geen afgezaagder woord en tevens geen vreeselijker waarheid, — niets dat ieder kind zoo zeker weet en ieder mensch zoo weinig gelooft, wat zóo gewichtig is en waarover het toch „in \'t geheel niet netjesquot; staat te spreken, — dan dat wij, gij en ik, sterven moeten en sterven zullen. Dat op dezen of genen dag, precies een dag zooals alle andere dagen, onze doodadvertentie met „na een langdurigquot; of „na een kortstondig lijden,quot; of „plotselingquot; en „onverwacht,quot; in het ochtend-of het avondblad door de geabonneerden gelezen wordt, door enkelen met de gebruikelijke deelnemende opmerking: „Kijk ! die is óok dood !quot; maar door verreweg de meesten met dezelfde onverschilligheid als het bericht dat men den vorigen dag in Noorwegen eene koude van twaalf graden onder nul heeft gehad, of dat de maïs op de Amerikaansche markt wat flauw genoteerd stond. Want wat bekommert deze wereld, voor wier afkeuring gij zoo bevreesd waart, wier lof gij zoo hoogelijk waardeerdet, naar wier meeningen gij u steeds zoo zorgvuldig hebt gedragen, wier fatsoens- en modewetten gij altijd zoo angstvallig hebt nageleefd, — wat bekommert deze wereld er zich om, of gij vandaag of morgen voor eeuwig zalig gesproken of verdoemd wordt ? — Ook hier is de leus : overwinnen ! Niet daardoor, dat gij èf nooit, óf altijd aan den dood denkt, en hoe verder de recepten van de wijzen dezer wereld luiden; maar hier-
441
door, dat gij u door Chrislus met God laat verzoenen. — Dan zijt gij gereed voor de groote reis. Welke zoon zou er ooit verschrikken bij de tyding, dat hij de thuisreis naar zijn met hem verzoenden, goedertieren en geliefden vader mag aanvaarden ?
Er bestaat slechts éen levenskunst: te kunnen sterven ; en daartoe moet men zijn eigen leven overwonnen hebben. Weet ik zeker dat ik niets ben en niets heb, niets weet en niets kan, dan wandel ik vroolijk in het heerlijke gevoel van mijn eigen nietigheid en van de almacht mijns Gods. Want de wortel van alle zorgen is „het eigen ik.quot; Doe dat uit uw zorg weg, dan zijt gij ook van de zorg zelf bevrijd en kunt gij zeggen; Omdat ik niets ben, kan ik niet vergaan; omdat ik niets heb, kan ik niets verliezen\'; omdat ik niets weet, kan ik niet dwalen; omdat ik niets kan, behoef ik niet voor mijn doen bezorgd te zijn. — Wie verstaat die kunst?
* *
*
Heeft de Geest Gods in den mensch de lichamelijke, mate-rieele bestaansquaestie overwonnen en Satans bestorming van zijne ziel zegevierend afgeslagen met het trouwens alleen voor den hoogeren mensch begrijpelijke: „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat,quot; — dan dringt de duivel, de groote zielenkenner, ook op dit gebied nader op hem aan; hij voert hem uit de vlakke, platte woestijn dezer wereld met hare broodzorgen, van zijne broodwinning en zijne broodkunsten weg op een hoogen berg, en toont hem vandaar al de rijken dezer wereld.
Van oudsher heeft ook de wereldmensch, zoodra hij brood in overvloed had, wel ingezien dat hij daarvan alleen niet leven kan. Dan rijst de bestaansquaestie der ziel groot en zwaar voor
442
li em op. De wet van het geestelijk eten is nog gebiedender dan die van het lichamelijke, want nu en dan zijn er menschen, tot behoud hunner ziel, vrijwillig van honger gestorven, bijvoorbeeld de martelaren.
Op een hoogen berg! — Uit de vlakte der louter materieele zorgen overziet men noch het beloofde land aan gene zijde van de Jordaan, noch de koninkrijken dezer wereld; men kan dus niet beslissen of men daarvoor zijn arme ziel wil verkoopen. — En hoe heeten deze rijken, waarop Satan zich beroemt dat ze bem gegeven zijn en dat hij ze geeft aan wien hij wil, — wat de Christus hem niet tegenspreekt ? Nu, gij kent ze wel: de wetenschappen en de kunsten, de schoonheidsleer, de wijsbegeerte en de letterkunde, de paedagogiek, de politiek en de staathuishoudkunde, de godsdienstleeren en de moralen en de philanthropieën; zij zijn eenmaal, zooals al het bestaande, goddelijk geweest; zij bestonden voor en aleer Satan op dat gebied zijne kolonisatieplannen ondernam, die zóo gunstig uitvielen, dat God hem onder voorbehoud van al zyne hoogheidsrechten zoo tamelijk het geheele gebied als een steeds herroepelijk leengoed overliet.
Waarom mag de Christen ze niet in vrede bebouwen, en ze met een goed geweten als alle andere, met rede begaafde inen-schenkinderen genieten? — Omdat God niet wil, dat hij lang zijn buik zal vullen met den draf der zwijnen, maar dat hij zal opstaan en tot zijn Vader gaan, om zijn verspeelde en verkwiste erfenis weder te aanvaarden. Juist dat is de wet des geestes, waaraan geen enkele groote geest, al is hij ook geen Christen, zich vermag te onttrekken: dat hij zich hier beneden nooit of nimmer verzadigen kan, dat hij op deze aarde nooit volkomen tevreden en voldaan kan wezen; dat, hoe hooger hij zich opheft, hoe kleiner en geringer hy in eigen oogen wordt, en hoe meer hij al zijne krachten inspant, hoe zwakker hij zich
443
gevoelt; hoe meer hij onderzoekt en navorscht, des te zwaarder zijne onwetendheid hem drukt, — kortom: dat al zijn doen en z ij n hem hoe langer hoe duidelijker de onmacht van zijn doen en z ij n ontsluiert. — Iedere geest, zoo leert Joh. Böhme ons, is in zijn diepsten grond begeerig om weder te keeren tot hetgeen waaruit hij geboren is. — Hier gevoelt hij zich als op een zwerftocht; hij beseft dat hy uit het groote Een in de veelheid, uit de beginselen in de verschijnselen, uit het wezen in de vormen verdwaald is, zet zich moede aan den rand van den weg neder, en roept mistroostig uit: Wat baten mij alle kunsten, wanneer ik de ware kunst niet meer bezit; wat helpen mij al deze wetenschappen, wanneer ik het ware weten niet heb ; wat alle woorden, wanneer ik h e t woord niet vind; wat alle krachten en natuurwetten, wanneer ik in mijzelven geen kracht en geen wet zie ; wat alle levensverklaringen, wanneer ik in mijzelven het leven niet heb!
Ook hier moet er iets zijn, vóór en aleer het overwonnen kan worden. Als God driemaal per dag brood en vleesch liet regenen, dan zou er evenmin eene bestaansquaestie als eene overwinning van zijn. Maar deze wereld heeft Hij ons gegeven, opdat wij haar bij ervaring zouden leeren kennen, en — door haar te overwinnen — een hoogere en betere zouden verwerven. Deze wereld te ignoreeren; voor haar in de cel of in de woestijn, ook de geestelijke, te vluchten; angstig voor wetenschap en critiek, kunst en zelfs natuur de wijk te nemen naar het binnenste der ziel, — dat is geen overwinnen. Want de krijgsknecht Gods gaat op alles wat er in de wereld voorkomt, moedig en onbeschroomd af, beziet het bij \'t licht en van alle kanten, en zegt dan: Komaan vriend, laat eens kijken! wat zet gij vooreen gezicht? — Zijt gij van God of des duivels? een derdeken ik niet. — Zijt gij vóór God, dan zijt ge mij welkom; hier hebt ge mijne hand! Maar zijt gij legen Hem, dan zal ik u toch nog
wel eens in Gods kracht neervellen! Want H ij is sterker dan gij! — En eerst het overwonnene laat hij liggen.
Zoo zien wij uit Michel Angelo\'s vurig smeeken in het onvergelijkelijk schoone sonnet (zie Ed. Paulus, Gesammelte Dichtungen, bladz. 381), hoe deze man, die misschien meer en beter dan iemand anders de kunst diep en groot opvatte, haar aan het einde zijns levens als eene overwonnene laat liggen, en gevoelen wij het: De zegepraal is groot! — Zoo overwon ten slotte een Pascal, deze diepgaande philosoof, de philosophie en kon hij uitroepen: Heel de philosophie is geen uur studie waard! — Zoo kon Goethe, die elk gebied des verstands en der natuur „mil heiszem Bemühenquot; (met vurigen ijver) doorvorscht had, in zijn F a u s t de ijdelheid van al het menschelijk weten bitter beklagen.
Zoo ook de Prediker. — Hoe gevoelt men aan dit Bijbelboek en zijn tot in het hart der dingen grijpende weeklachten, dat hier een ontzaglijke geest, een groot wijsgeer en natuur- en menschenkenner, een idealist en tegelijkertijd een man van de daad, van de kunst, van de weelde en van het genot, zooals misschien slechts een Salomo er een geweest was, het geheele gebied zijns levens en de rijken dezer wereld overziet, om daarna in de vreeselijke woorden uit te barsten: IJdelheid der ijdelhe-den ! alles is ijdelheid! — maar ook met het nog grootere woord te besluiten: „Vrees God, en houd zijne geboden, want dit betaamt allen menschen!\'quot;
Waarmede worden deze rijken in bezit genomen, bebouwd, beheerscht en winstgevend gemaakt? — Met het verstand, met de rede. Derhalve staat de vraag, of ik het leven mijner ziel op het gebied van deze rijken zoeken wil, in nauw verband met deze andere vraag : Is mijn verstand, mijne rede, een veilige gids en leidsman, een onbreekbare staf, waarop ik mij geheel en volkomen verlaten mag? Want hier zou een val ons het
445
eeuwige leven kunnen kosten. — Die vraag beantwoordt de niet-Chrlsten met „ja!quot; en, voegt hij er bij, wien of wat zou Ik tot gids en leidsman nemen ? Ik zie toch immers nergens licht om, onder of boven mij ! — De Christen daarentegen redeneert: Ik gevoel en besef het diep, en het bevestigt zich dan ook in het leven van mij en mijne medemenschen, dat mijn verstand verduisterd is; wel is het voldoende om de feiten van het lichamelijk bestaan te begrijpen, maar het blijft mij toch op alle nog zoo eenvoudige, of groote, of gewichtige vragen van mijn bestaan het antwoord schuldig; en het is tegenover het oneindige, waarin ik als een vischje in de zee zwem, volkomen machteloos. Ook zie ik, dat de menschen van oudsher met deze rede alles en niets bewezen, voor elke waarheid en elke dwaling bewijzen en tegenbewijzen vonden, en even hardnekkig hun ja als hun neen volhielden. En aangezien ik dus vreezen moet, juist ten opzichte van die vraagstukken, waarvan mijn eeuwig bestaan afhangt (want ik gevoel, dat ik eeuwig ben), op een dwaalspoor te geraken, wanneer ik enkel en alleen op deze rede mijn vertrouwen stel, wil ik liever dien God, dien ik evenzoo in mij gevoel en in de schepping zie, aanroepen, dat Hij mijn geest met zijn Geest moge verlichten. Evenals ik de quaestie van het lichamelijk bestaan met en door het geloof overwonnen heb, wil ik de quaestie van het verstand door ootmoed overwinnen, en uitroepen: „Spreek, Heere! uw knecht hoort!quot; en dan zal Hij mij zeggen, hoeveel of hoe weinig ik van deze koninkrijken der wereld hebben mag en wat hunne heerlijkheid waard is.
Tegenover dit overwinnen staat het overwonnen worden door deze koninkrijken der wereld: het verbaasd aanstaren en vurig bewonderen van hunne heerlijkheid, het naïeve geloof dat hun goud echt, hun weten waar, hun kunnen mxchtig, hunne kunst schoon en hun bestaan eeuwig is. Zoo doen zij zich voor aan
446
de eindige, begrensde, menschelijke rede. Zij leeft er zich in, vereenzelvigt zich er mede en bewondert daarin als in een spiegel haar eigen weten en kunnen. Dat is eene verheerlijking der ikheid in het uitwendige, een zich verlustigen van het eigen leven in eigen macht buiten God en zonder God, — dat is volgens het begrip der wereld juist de rechte opvatting.
Hoe worden de uitdrukkingen ,verstandquot; en „verstandigquot; door dezulken, die ze gestadig in den mond hebben, misbruikt en als een gemakkelijk schild tot bedekking van eigen verstandeloosheid aangewend ! Verstand of rede moet dan de schoone eigenschap der ziel beteekenen, om zoowel de verschijnselen als de wetten duidelijk te beschouwen, met juistheid op te vatten en tot logische gevolgtrekkingen te rangschikken. Maar dewijl deze wetten des geestes ons onverschillig zijn geworden, is het woord „verstandigquot; een conventioneele uitdrukking geworden voor alles wat wij ons aangewend hebben, voor alles wat in den kleinen kring onzer alledaagsche denkbeelden en begrippen past, voor alles wat met onze van kindsbeen af aangeleerde vooroordeelen niet in botsing komt; voor alles wat langzamerhand bij ons tot geestelijke zeden en gewoonten, tot eene manier van denken is geworden, wat tot de richting en de strooming van den tijd behoort. Evenals voor den laagstaanden mensch al het vreemde, nog nooit geziene, nog niet geestelijk door hem opgenomene en verwerkte, bijvoorbeeld een uitheemsche gewoonte, een uitheemsche kleederdracht, een vreemde zienswijze of uitdrukking er als iets onverstandings uitziet, zoo komt ook zulken verstandsmenschen al het waarlijk verhevene en goddelijke even onverstandig voor, als in de oogen der kip het zweven van den adelaar is, in hoogten waar niets te pikken valt. In het donkere huis des lichaams en der stoffelijke natuur is de lamp des verstands noodig en welkom; zoodra ik echter in Gods wereld en den helderen zonneschijn overstap, verbleekt het licht dier
447
lamp en wordt zij overbodig. Hoe dwaas dus vooral, met deze walmende lampjes de zon te willen verlichten ! — Logisch moet de godsdienst zijn, doch niet verstandig, maar óververstandig; anders is hij niet meer de erkenning van iets hoogers dan wij, maar zedenleer, menschenwerk.
En wat verstaan zij, die altijd „de vrije gedachtequot; zoo hemelhoog roemen, daar toch onder? „De ziel van een ernstig strevend jongeling,quot; schreef een academieburger (indeSchwabischer Merkur van 24 Juli 1896) „kent niets hoogers dan de vrijheid van het eigen denken!quot; — Hoe schoon, en hoe nietszeggend!quot; — Wie ter wereld heeft ooit een jongeling of een grijsaard belet om te denken wat hij wilde ? — Maar is dit vrije denken er een, dat zich van de wetten van het denken emancipeert, dan is dat het denken van een dwaas. En beweegt het zich binnen deze wetten, dan is er niemand die logischer en dus vrijer denkt dan wij Christenen. Wij verklaren de wereld en het leven en het bestaan, zooals zij nu eenmaal zijn, door daarmede overeenkomende veronderstellingen. Wij leiden uit het goede en het kwade het bestaan van twee grondbeginselen af. Wij zeggen : is er een God, dan is Hij almachtig, anders zou Hij geen God zijn ; dan kan Hij ook ten allen tijde wonderen doen, of zich openbaren zooals Hij wil, naar en in drie of een willekeurig grooter of kleiner aantal personen; dan kan Hij spreken, zien, booren en verbooren, en door zijn Geest met mijn geest verkeeren. Wij verklaren de schepping door een Schepper; hare doeltreffendheid door zijne wijsheid ; hare gerechtigheid door zijne heiligheid ; onze ellende door den afval van Hem ; onze gewetenswroegingen door onze schuld ; den vrede en het zalig afsterven van den Christen door de vergeving der zonden en de hemelsche zaligheid. — Bovendien denken wij aanmerkelijk vrijer dan onze tegenstanders over den handel en wandel der menschheid, bekommeren wij ons beslist minder om het oordeel
448
der menschen en de openbare meening, maken wij geen jacht op den lof der wereld, en vreezen wij hare berispingen niet; wij laten ons niet door gestadig wisselende, elkaêr onophoudelijk tegensprekende philosophieën en systemen overbluffen, maar aanschouwen in God en in zijn Woord de klare en eeuwige weiten van het z y n, zooals zij zich sedert zesduizend jaren in de lotswisselingen der menschen openbaarden en bevestigden. Zoo denken wij vrij over de vraagstukken, die de menschheid zoo bezwaren, want onze Bijbel beantwoordt ze alle. Zoo bijvoorbeeld de bestaansquaestie met het verbod : „Gij zult niet vragen : wat zullen wij eten ? wat zullen wij drinken ? waarmede zullen wij ons kleeden?quot; — Zoo de sociale quaestie met het gebod : „Al wat gij wilt, dat de menschen u doen zullen, doet gij hun ook alzoo ; dat is de wet en de profeten.quot; — Zoo de vrouwenquaestie met het woord : „De man is het hoofd der vrouw.quot; — Slechts twee vragen kennen wij zooals zij; die van den mensch aan God: „Wat moet ik doen om zalig te worden?quot; En de daarop antwoordende wedervraag van God tot den mensch : „Wat dunkt u van den Christus?\'\' En hebben wij het bestaan van deze twee vragen volmondig bekend, dan behoeven wij ons ook van alle andere en verdere vragen niets aan te trekken, want in onzen Bijbel staat; „Wat verlangt de Heere uw God anders van u, dan dat gij Hem liefhebt en Hem dient met geheel uw hart en met geheel uwe ziel ? — Zoo zijn wij, wanneer wij anders zijn, zooals wij zijn moeten, vrijer dan ooit een wijsgeer en Diogenes in zijne ton; dan zijn wij vrij van eerzucht en geldzucht, van de zorgen des levens en van den angst des doods, van de slavernij der zonde en van den vloek der schuld ; wij verlustigen ons in alles wat op de uitgestrekte aarde goed, schoon en waar is ; wij „gelooven alles, wij verdragen alles, wij hopen allesquot;; wij komen van God en keeren tot God terug; achter ons het paradijs, vóór ons de hemel; en de geest in ons
449
juicht reeds, vrij van alle banden van tijd en ruimte en stof, in een oneindigen, almachtigen, alwetenden, algoeden God en Vader, die ons gezworen heeft dat wij ,alles beërven zullen !quot;
— , Alles is het onze; doch wij zijn van Christus, en Christus is Gods!quot; — Is dat geen vrij denken ?
Wat leeren daarentegen deze mannen van de vrije gedachte ?
— Dat alles indertijd vanzelf ontstaan is ; maar hoe, waartoe en waarom, dat weet men niet; dat al de vormen van het zijn en het bestaan slechts de zinnelooze en doellooze krabbels zijn, die door een blinde, doofstomme, onbewuste stof aan den wand worden geteekend, om de onbewuste verveling harer onbewuste eeuwigheid te verdrijven. Daarbij komen zij voortdurend in tegenspraak met zichzelven, maar verlangen zij toch de grootste achting, ja vereering voor dit streven en dit „wetenschappelijkquot; onderzoek, ofschoon zij bekennen, dat het eens spoorloos zal verdwijnen ; zij gelooven slechts aan stof en kracht, en weten niet wat stof en kracht zijn, of verbeelden zich misschien wel dat het louter abstractiën zijn ; zij zeggen, dat alles wat er is, verstandig en noodzakelijk is, en loochenen niettemin de doelmatigheid van het heelal en van den godsdienst: zij leeren de eeuwigheid der stof en tegelijkertijd de nauwelijks aangevangen evolutie ; zij prijzen de onbeperkte wijsheid der menschelijke rede, en schrijven dat het ontelbare duizenden jaren achtereen den mensch niet in \'t hoofd is gekomen, een steel aan zijn steenen bijl te maken(!) ; zij leeren dat er op zichzelf goed noch kwaad is, en prijzen den zedelijk veredelenden invloed der wetenschap. Enzoovoort!
En andere vrijdenkers, natuuronderzoekers, wijsgeeren en theologen beroemen er zich op, geen materialisten te zijn, en leeren dat er een God is, — maar wat voor een God? — Zwak van ouderdom en moê van jaren zit hij, een abstracte, tot een bloot begrip uitgeteerde grijsaard, men weet niet recht waar,
450
en doel niets; en of hij nog iets denkt, is twijfelachtig. Hij is aan handen en voeten gebonden door de natuurwetten, die hijzelf indertijd heeft uitgevonden; evenals de toovenaarsleer-ling heeft hij het woord vergeten, dat den bezemsteel weer verbant, en dus moet hij de machine nu maar laten loopen. Want dit hoogste wezen ziet niets, hoort niets, voelt niets, heeft geen geest en kan niet spreken. — Een voorwerp van innig medelijden! — Wie zou nog tegen dien prijs een god willen zijn ?
Maar hierover zijn al deze mannen het eens: een Woord van God, een wonder en eene profetie bestaan er niet, omdat.... nu ja, omdat er nu eenmaal geen bestaan! — Hoewel een waarlijk vrij denken en een hoogere logica ons zeggen dat er andere wetten, vormen en mogelijkheden van het zijn en het bestaan moeten wezen dan die welke wij kennen; en evenzoo dat de toekomst, reeds omdat de kiem daarvan in het heden besloten ligt, voor hoogere geesten waarneembaar is — immers reeds hier op aarde onderscheiden alle groote mannen zich meer of minder door een profetische helderziendheid, — zeggen zij toch : Neen ! evenals het verledene louter sprookjes en leugens is, zoo is ook de toekomst een ondoordringbare nacht. Binnen den engen kring van het heden opgesloten, aan blinde natuurkrachten gehoorzamend, wordt de mensch door het onverbiddelijke noodlot naar den onvermijdelijken dood gedreven, is hij een slaaf van de tijden en omstandigheden, en reeds in den moederschoot met een erfelijke fataliteit belast; en er bestaat geen andere levenswijsheid dan deze : Strijd, omdat het nu toch eenmaal zoo zijn moet, den zwaren strijd om het bestaan, en help uzelven, want God helpt u niet. — En dat noemen zij dan een vrije wereldbeschouwing!
Laat ons de verhouding van zulke geesten tot Gods Woord eens wat nader bezien. Hier vertoont zich, zooals te verwachten
451
was, het duidelijkst het onderscheid lusschen overwinnen en overwonnen zijn, tusschen de zegepraal van hem, die zich en zijn verstand voor God buigt, en de nederlaag van hem, die in zijn trotsche eigenwijsheid het goddelijke denkt te kunnen meester worden en overheerschen.
Welk een kolossale dwaling der moderne theologie, als zij zegt dat deze — gesteld dat er al een goddelijke openbaring bestaat — een voorwerp van wetenschappelijk onderzoek zou kunnen en moeten zijn, en aan de critisch-menschelijke onderworpen behoort te worden. Derhalve; „Een Woord van den eeuwigen en almachtigen God en Vader aan zijne schepselen en kinderen tot hun eeuwige zaligheid! Gerevideerd, gecorrigeerd en geap-probeerd door de hoogeerwaarde theologische faculteit te X.quot; — Wanneer het waar is dat men, om aan den Bijbel te gelooven, eerst een levenslang critisch onderzoek noodig heeft, en om hem te begrijpen een geleerden theologi-schen arbeid, dan heeft God zijn doel totaal gemist, dan heeft Hij ons inplaats van eene openbaring eene verduistering van zichzelven gegeven, en de millioenen onwetende armen en ellen-digen, die toch ook zalig zouden willen worden, zijn Hem dan niet veel dankbaarheid verschuldigd. Want dan had Hij toch tenminste wel voor hen een begrijpelijke en officieel gewaarmerkte volkseditie mogen uitgeven! — Maar Christus zegt: „Mijne leer is mijne niet, maar desgenen, die mij gezonden heeft. Zoo iemand wil deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of ik van mijzel-ven spreekquot; (Johannes VII; 17). Dus geen critisch navorschen, maar ootmoedig doen van den goddelijken wil! Daaruit ontwikkelt zich de inwendige kennis.
De onhoudbaarheid van bovenbedoeld standpunt blijkt al dadelijk uit het eerste woord van den Bijbel, dat tevens de grondslag
452
van allen godsdienst is. „In den beginne schiep God den hemel en de aarde!quot; — Vooruit, aan \'t werk, criti-sche grootmeesters ! — En met frisschen moed onderzocht, wetenschappelijk historisch, of de zaak waar is! Zoekt naar bronnen! — Wie heeft het gezegd? — Hoe wist Hij het? — Waar en wanneer is dit begin geweest ? — Wie is deze God ? Waar is Hij vandaan gekomen?—Waarom heeft Hij geschapen? Maar kan Hij eigenlijk wel scheppen ? — En zoo ja, waarom heeft Hij hel dan niet reeds lang vóór den beginne gedaan ?
„Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde?quot; roept deze God met vernietigenden spot den armen Job toe. „Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uwe dagen zijn vele in getal!quot;
Zoo vangt verder het Nieuwe Testament met de wonderbare aankondiging der wonderbare geboorte van den Christus aan. Ook hier, — hoe zal een ook nog zoo scherpzinnige critiek het aanleggen om na verloop van negentienhonderd jaren wetenschappelijk vast te stellen of het „ontvangen van den Heiligen Geestquot; historisch juist is?! En indien het toch eens waar ware, en er bestond werkelijk een Heilige Geest Gods, die eenmaal den mensch het leven inblies en het nog kan doen, hoe zal zij het critisch bewijzen ? — Voorts berust de evangelische leer op het door Hemzelf verkondigd, door zijne apostelen geloofd Zoonschap en de godheid van Christus. — Alweder een volstrekt onnaspeurlijk, voor het bloote versland onbegrijpelijk feit. — Of wil de wetenschap naar den hemel opklimmen en God den Vader daarover ondervragen? Eindelijk besluiten de Evangeliën met de hemelvaart van Christus: „De Heere dan, nadat Hij tol hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.quot; En „twee mannen stonden bij hen in witte kleeding, welke ook zeiden : Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal a 1 z o o
453
komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henen-varen.quot; — Ook hier : wat te doen ? en hoe zullen wij de geloofwaardigheid dezer beweringen onderzoeken ? De bovenaangehaalde schrijver is reeds lang dood, en die twee mannen kan men er óok niet meer naar vragen, hoe zij te weten zijn gekomen dat en hoe de Christus terugkomen zal! En andere bronnen hebben wij niet!
Men ziet: deze critiek kan niet eens bij de feiten, die zij zou willen onderzoeken of loochenen, zij kan ze evenmin grijpen als een kind de maan ; zij onttrekken zich aan alle wetenschappelijke bepaling, omdat zij in hoogere sferen voorvallen. — Evenmin kan zij bij de leeringen des Bijbels. Hoe zal zij bijvoorbeeld onderzoeken, of het groote woord al dan niet waar is ; ,A 1 z o o lief heeft God de wereld gehad, d a t H ij z ij n e n eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven heb be.quot; Of het even groote: „Die in mij gelooft, die heeft het eeuwige leven!quot; — Hier blijft alle critiek machteloos en met ledige handen slaan.
Wat het onderzoek der historische neventrekken betreft, ontkennen wij a priori, krachtens de natuurwet omtrent het afnemen van het tafereel en zijne verlichting volgens het quadraat van den afstand, dat wij thans, na verloop van achttienhonderd of drieduizend jaren, beter overzien, beter begrijpen, juister be-oordeelen kunnen de toestanden en de menschen van dien tijd, hunne beweegredenen, hun karakter en hunne geloofwaardigheid, dan hunne tijdgenooten. — Maar ook bij de door de Evangelisten verhaalde gebeurtenissen, bijvoorbeeld bij de wonderen, moet de critische navorsching haar totale ongeschiktheid bekennen, om de waarheid van het verhaal te controleeren. Zoo verhaalt Mattheus ons, dat hij en eenigen zijner vrienden in eenstorm-achtigen nacht den Heere Jezus op de zee zagen wandelen, en
454
dat ook Petrus dit beproefde te doen. Hier hebben wij een groote leugen of een groote waarheid. Doch waar wil het cri-tisch onderzoek zijn ontleedmes in zetten? Waar zijn er andere bronnen ter raadpleging? Of wil zij van de wetenschap een natuurkundig advies omtrent de mogelijkheid of onmogelijkheid der zaak gaan vragen ? — Wij echter beschouwen al de woorden en daden der verhalers, en zeggen: Waarlijk, deze mannen zijn geen leugenaars! Hun leven en hun getuigenis stemt overeen. Wij leiden uit de goddelijke, als een heldere zon onzen geest verlichtende waarheid der kern de historische waarheid van het omhulsel af, en gelooven daarmede minstens even veilig te zijn als een zich voortdurend weersprekende critiek.
Gesteld echter, het mocht dezen critischen geschiedvorschers gelukken met absolute zekerheid uil te maken, dat op dien en dien dag, daar en daar, een zeker man, met name Mozes, in zijne tent met het opstellen van het boek Genesis begonnen was; en dat hij daarna het op dien en dien dag voltooide manuscript aan dien en dien priester had toevertrouwd, enz. — Of de critiek ontdekte een onberispelijk nauwkeurige, uitvoerige, ontwijfelbaar geloofwaardige biographie van Lukas of Markus, met de onweder-legbare historische bewijzen, dat ieder woord der aan hen toegeschreven Evangeliën uit hunne pen gevloeid is. — Wat zou daarmede dan nog voor de goddelijkheid der Heilige Schrift gewonnen zijn? — Letterlijk niets! — Want deze omstandigheden hebben er nog oneindig minder mede te maken, dan het geschiedkundig onderzoek of Rafael uit Urbino afkomstig is en daar als kind in dat en dat huis heeft gewoond, met mijne bewondering van de Sixtynsche Madonna. — Bestaat er een goddelijke openbaring, dan is zij er niets meer of minder goddelijk om, of wij, zooals bij den Zendbrief van Petrus, weten hoe de man heet, die hem geschreven heeft, dan of wij het, zooals bij het boek Job, niet weten. En bestaat er geen goddelijke open-
455
baring, dan mogen alle vier de Evangeliën nog zoo historisch echt zijn, zij baten mij voor de zaligheid mijner ziel even weinig als Xenophon of Titus Livius, en het kan mij volkomen onverschillig zijn, wai; inderdaad door zeker man, die Mattheus of Markus of Lukas heette, geloofd of verhaald werd. En omtrent die hoofdquaestie nu, of er al dan niet een goddelijke openbaring bestaat, is de geheele wetenschap even onbevoegd en onbekwaam tot oordeelen als over de vraag of er een God bestaat. Hier baten mij het hoofd en het verstand en alle critiek niets; maar de Geest Gods spreekt tot mijn. geest.
Maar, vraagt menigeen, moet ik dan nu zoo maar blindelings alles gelooven, wat zich voor hoogere openbaring uitgeeft? — Volstrekt niet! — Evenals God u een licharnelijken smaak heeft gegeven, opdat gij, ook zonder iets van botanie af te weten, ten allen tijde zoudt kunnen onderzoeken of eene vrucht smakelijk en gezond is, evenzoo is het ook in het geestelijke. Ja, evenals de geleerde botanicus niet door een wetenschappelijke redeneering kan bepalen of eene vrucht goed, voedzaam en gezond is, maar de mensch haar eerst moet eten, en de geleerde dan eerst in zijn boek de resultaten opschrijft, zoo luidt hel ook in den Bijbel: Neem en eet! — Of heeft uwe ziel geen honger? — Of heeft zij geen mond om te eten, geen smaak om te proeven, geen maag, en geen gevoel of bewustzijn er van, of iets al dan niet gezond voor u is, u levenskracht geeft of u ziek maakt ? — Zijt gij dood, een dorre tak, waaruit zonnewarmte of bevruchtende regen geen bladeren en vruchten meer kunnen doen voortkomen? Wat kan God dan anders met u beginnen dan u verbranden? — Doch maakt dat Woord een Godmensch van u, dan is het Gods Woord. — Want dit Woord is niet maar een goed boek, waaraan echter dit en dat nog zou te verbeteren zijn. Het is eene macht, die harten en volken verbrijzelt en opricht, dood en levend maakt: „eene kracht Gods
456
tot zaligheid, een iegelijk die gelooft.quot; „Is mijn Woord niet als een vuur, spreekt de Heere, en als een hamer, die rotsen vermorzelt?quot; — Als zoodanig heeft het zich van oudsher duizendvoudig in de geschiedenis van het individu en van de volkeren betoond en bevestigd, — en heeft het tijdens de Reformatie nu en dan met wonderbare, bovennatuurlijke macht ook den lasteraar en den vloeker aangegrepen, zoodat hij als een Paulus neerstortte en uitriep: „Heere! wat moet ik doen?quot; zoodat hij een lam werd en in zaligen vrede zich binden en op den brandstapel levend verbranden liet, waarbij hij tot zijn laatsten ademtocht God loofde en dankte voor zijn Woord. — Dat is de goddelijke legitimatie van dit Woord. Wat hebben tegenover zulke wonderen de eigenwijze criticasters te beteekenen? — „Onverstandigen en tragen van harte, om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben!quot;
Ook wij hebben oogen en kunnen gevolgtrekkingen maken; ook wij hebben getwijfeld en wat aan Bijbelcritiek medegedaan; wij zijn óok over zandkorrels gestruikeld, en hebben muggen gezift en kameelen ingezwolgen. En nu kunnen wij — waarvoor wij God ootmoediglijk danken! — de geheele en gezamenlijke Bijbelcritiek van ganscher harte uitlachen, wanneer deze kleingeestige en pruttelende, jaloersche en wangunstige, onzekere en wankelende, voortdurend zichzelve tegensprekende kunst(?) ons toefluistert: Dat en dat vers en dat en dat hoofdstuk is waar-schijnlijk(!) onecht. En wanneer de Bijbelcritici ons in slaap willen wiegen met de onnoozele verzekering: „De geloofwaardigheid van den Bijbel berust volstrekt niet daarop, dat het eerste hoofdstuk van het boek Genesis waar is,quot; of met andere woorden: God begint wel is waar zijn boek al dadelijk met eenige kleine leugentjes, maar dat heeft eigenlijk niets te beduiden, want later zegt Hij er toch veel schoons en waars in! — dan roepen wij hun waarschuwend toe: Blijft van de ArkedesVer-
457
bonds af! Raakt haar niet aan, uit vrees voor uwe ziel! Gij zijt onrein! — Maar in ons binnenste juicht onze geest met groote blijdschap, omdat wij in hel geheele Woord, van Genesis 1:1 tot Openbaring XXII : 21 ten volle en volkomen gelooven kunnen, en éen tekst uit dit heilige boek voor ons méér waarde en beteekenis heeft dan al de geschriften van al de menschen! — Volgt mij, gij die den Heere nog vreest, en laat ons zijn altaar weder oprichten, dat daar geschonden en gebroken staat, verlaten zelfs door de priesters en dienaren zijns Woords I — „En gij uitpluizers, pluist morgen verder!quot;
Vrij onderzoek! — Op het gebied der Bijbelcritiek ook een onware strijdleus! Want waar is het vrije onderzoek dan eigenlijk? Juist onder deze banier zien wij slechts een onvrij, bevooroordeeld onderzoek: mannen die bewust of onbewust met den stroom mededrijven, die het als „complete resultatenquot; bij zich dragen, dat er nooit eene profetie, of een wonder, of eene inspiratie, of een Woord Gods heeft bestaan; dien van jongsaf geleerd wordt elke nog zoo onzekere „historische bronquot; of desnoods loutere hypothese als autoriteit tegen den Bijbel in \'t vuur te brengen; die zich rood en dood zouden schamen, wanneer zij getroffen werden door de onwetenschappelijke verdenking, het een of andere Bijbelboek voor waar en echt te houden, of bijvoorbeeld te gelooven dal er ooit een man geweest is, die Daniël heette. — Waar blijft bij zulk eene vooringenomenheid en bevooroordeeldheid, bij zulk een napraten en aanbidden van elke anti-Bijbelsche autoriteit en critiek, hel vrije onderzoek ?
En waar zijn de resultaten? Wal heeft dit vrije onderzoek voor de volkeren en voor Christus\' kerk gedaan? Wal heeft hel aan elke natie in \'t bijzonder gegeven ? Waar houdt het den steeds wassenden stroom van het socialisme en het anarchisme legen? Waar doet het pogingen om hel verval der kerk tegen
458
te houden; waar herstelt het den afnemenden invloed en het aanzien van den geestelijken stand weder; waar brengt het weer wat warmte inplaats van de toenemende godsdienstige koelheid en onverschilligheid; waar verbreidt het Christelijk geloof, ware godsvrucht, en een krachtig, de wereld overwinnend geestesleven onder de menschen? Kortom, waar zijn de goede vruchten, waaraan wij zouden kunnen bemerken dat ook de boom goed is?
Men kan niet van ieder mensch verlangen dat hij een Christen is; maar wèl dat hij logisch denkt en consequent handelt. Is de Bijbel, volgens de nieuwste critiek, een nagemaakt weefsel van fabelen, is geen enkel bock -daarvan echt en geen enkele schrijver een historische persoonlijkheid, dan eischt de eenvoudigste, de meest alledaagsche eerlijkheid, dat men niet van den kansel af het arme volk eene waar als echt aanprijst, waarvan men weet dat zij valsch is; dat men niet zijn brood verdient in den dienst eener kerk, die op dezen Bijbel als Gods Woord gegrond is; doch openlijk met haar breekt en voortaan zijn leven niet meer wijde aan het Christendom, maar — zooals een Christelijk-sociaal theoloog het openlijk verklaard heeft, — aan het menschdom. — Zoo gemakkelijk misleidt gij de menigte toch niet, en hoe langer hoe meer ziet zij in, dat gij, \'t is God geklaagd, mannen(?) zijt, die niet gelooven wat zij zeggen, en niet zeggen wat zij gelooven.
Gij arme Christenen, die er tegenwoordig zooveel over denkt, hoeveel gij u van uw geloof door de critiek wilt laten ontroo-ven, en die brokstukken bijeenvergaart, welke gij „met alle beslistheidquot; nog redden wilt! — gij laat den stroom een gat in den u beschermenden dam slaan, en denkt dan dat gij later den wassenden vloed wel zult kunnen tegenhouden; gij laat de vlammen langs de balken van uw huis spelen, en wilt eerst later den brand blusschen; gij ziet het onverschillig aan, hoe
459
de vijand de fundamenten van uw huis ondermijnt en steen na steen wegneemt, en gij troost er u mede, dat men u toch uw salon met al de zedelijk-godsdienstige snuisterijen en het gezellige
slaapkamertje daarnaast nog laat behouden,--totdat de storm
van nood en dood losbarst en het geheele gebouw, juist wanneer gij er eene schuilplaats en eene toevlucht in zoekt, boven uw hoofd instort en u onder de puinhoopen begraaft! — Of hebt gij wel eens iemand gezien, die na tien jaren vlijtige Bijbel-critiek nog wist wat hij geloofde, en of hij eigenlijk nog wel iets geloofde? — Wanneer de Christen, schreef eens een arme, om zijn geloof in de gevangenis zittende ketellapper, op de levensreis van den rechten, stellen, naar de hemelstad loopenden weg afdwaalt, en de gemakkelijke, geplaveide en bebloemde paden des verstands zoekt, komt hij op het grondgebied van den reus Twijfel terecht; die sleept hem naar zijn sterk kasteel Wanhoop, steekt hem de oogen uit, en laat hem voortaan op het slotplein temidden van grafsteenen rondstrompelen.
Wel, mijn broeder, wilt gij niet ook hier den sprong in de armen van dien eeuwigen Vader wagen, en eens voor altijd het besluit nemen dezen trouwen God en Schepper méér te ge-looven dan uzelven? Denkt gij dat Hij, die u het leven gaf en dagelijks uw lichaam voedt, ook niet uw geest zou kunnen en willen voeden? Hij, die dagelijks zijne zon voor u laat schijnen, zou het er op aanleggen uwe ziel in duisternis te laten voortleven? — Al kunt gij, halfdoode engel, ook niet met uw zware, door de zonde verlamde ledematen, met uw stamelende tong, met uw benevelden blik, met uw door zorgen verdonkerd voorhoofd, de schitterende mysteriën en de geestelijke krachten der hoogere wereld vatten en begrijpen, — vertrouw dan toch op dien God, die met zooveel trouw en geduld u dagelijks verzorgt en draagt, wiens goedheid en wijsheid gij in de geheele schepping aanschouwt, — vertrouw dan toch op het woord zijner
458
te houden; waar herstelt het den afnemenden invloed en het aanzien van den geestelijken stand weder; waar brengt het weer wat warmte inplaats van de toenemende godsdienstige koelheid en onverschilligheid; waar verbreidt het Christelijk geloof, ware godsvrucht, en een krachtig, de wereld overwinnend geestesleven
WW».—
onder de menschen? Kortom, waar zijn de goede vruchten, waaraan wij zouden kunnen bemerken dat ook de boom goed is?
Men kan niet van ieder mensch verlangen dat hij een Christen is; maar wèl dat hij logisch denkt en consequent handelt. Is de Bijbel, volgens de nieuwste critiek, een nagemaakt weefsel van fabelen, is geen enkel boek daarvan echt en geen enkele schrijver een historische persoonlijkheid, dan eischt de eenvoudigste, de meest alledaagsche eerlijkheid, dat men niet van den kansel af het arme volk eene waar als echt aanprijst, waarvan men weet dat zij valsch is; dat men niet zijn brood verdient in den dienst eener kerk, die op dezen Bijbel als Gods Woord gegrond is; doch openlijk met haar breekt en voortaan zijn leven niet meer wijde aan het Christendom, maar — zooals een Christelijk-sociaal theoloog het openlijk verklaard heeft, — aan het menschdom. — Zoo gemakkelijk misleidt gij de menigte toch niet, en hoe langer hoe meer ziet zij in, dat gij, \'t is God geklaagd, mannen(\'?) zijt, die niet gelooven wat zij zeggen, en niet zeggen wat zij gelooven.
Gij arme Christenen, die er tegenwoordig zooveel over denkt, hoeveel gij u van uw geloof door de critiek wilt laten ontrco-ven, en die brokstukken bijeenvergaart, welke gij „met alle beslistheidquot; nog redden wilt! — gij laat den stroom een gaf in den u beschermenden dam slaan, en denkt dan dat gij liter den wassenden vloed wel zult kunnen tegenhouden; gij laat de vlammen langs de balken van uw huis spelen, en wilt eerst later den brand blusschen; gij ziet het onverschillig aan, hoe
459
de vijand de fundamenten van uw huis ondermijnt en steen na steen wegneemt, en gij troost er u mede, dat men u toch uw salon met al de zedelijk-godsdienstige snuisterijen en het gezellige
slaapkamertje daarnaast nog laat behouden,--totdat de storm
van nood en dood losbarst en het geheele gebouw, juist wanneer gij er eene schuilplaats en eene toevlucht in zoekt, boven uw hoofd instort en u onder de puinhoopen begraaft! — Of hebt gij wel eens iemand gezien, die na tien jaren vlijtige Bijbel-critiek nog wist wat hij geloofde, en of hij eigenlijk nog wel iets geloofde? — Wanneer de Christen, schreef eens een arme, om zijn geloof in de gevangenis zittende ketellapper, op de levensreis van den rechten, steilen, naar de hemelstad loopenden weg afdwaalt, en de gemakkelijke, geplaveide en bebloemde paden des verstands zoekt, komt hij op het grondgebied van den reus Twijfel terecht; die sleept hem naar zijn sterk kasteel Wanhoop, steekt hem de oogen uit, en laat hem voortaan op het slotplein temidden van grafsteenen rondstrompelen.
Wel, mijn broeder, wilt gij niet ook hier den sprong in de armen van dien eeuwigen Vader wagen, en eens voor altijd het besluit nemen dezen trouwen God en Schepper méér te ge-looven dan uzelven? Denkt gij dat Hij, die u het leven gaf en dagelijks uw lichaam voedt, ook niet uw geest zou kunnen en willen voeden ? Hij, die dagelijks zijne zon voor u laat schijnen, zou het er op aanleggen uwe ziel in duisternis te laten voortleven? — Al kunt gij, halfdoode engel, ook niet met uw zware, door de zonde verlamde ledematen, met uw stamelende tong, met uw benevelden blik, met uw door zorgen verdonkerd voorhoofd, de schitterende mysteriën en de geestelijke krachten der hoogere wereld vatten en begrijpen, — vertrouw dan toch op dien God, die met zooveel trouw en geduld u dagelijks verzorgt en draagt, wiens goedheid en wijsheid gij in de geheele schepping aanschouwt, — vertrouw dan toch op het woord zijner
460
liefde en op zijn heerlijke, duizendvoudige beloften des vredes, der hartelijkste ontferming, der vergiffenis en des eeuwigen levens, waarin duizenden met tranen van zalig genot hunne kracht in het leven en hun troost in den dood gevonden hebben. Zouden dat altemaal leugens zijn, enkel en alleen omdat er onder het vele een en ander is, dat gij niet overeen kunt brengen ?
Kunt gij echter uw hoogmoedigen geest buigen. voor de dwaasheid Gods, die wy\'zer is dan alle wijsheid der menschen, dan zijt gij van uw eigen verstand geëmancipeerd, — dan hebt gij zoowel de levenszorgen en den doodsangst, als ook, wat nog méér zegt, uw eigen ziel overwonnen. En dan kunt gij, wanneer Satan u al de koninkrijken dezer wereld en hunne heerlijkheid toont en ze u belooft, zoo gij nedervalt en hem aanbidt, hem ten antwoord geven: Ik zou ze voor niets niet willen hebben! Ik heb ze eens bezien, en zou er niets mede weten te beginnen ! Behoud uw klatergoud en uw bedrog, dat ook uzelf geen geluk aanbrengt, waarmede ook gij niets weet te beginnen, waarvan gij het beste weet hoe waardeloos het is, waarmede gij slechts zielen lokt en vangt, en dan tot in alle eeuwigheid
lacht om hunne dwaasheid!
* *
*
En ten slotte brengt de duivel den mensch, die de bestaans-quaestie èn des lichaams èn der ziel en al de heerlijkheid van de koninkrijken dezer wereld overwonnen heeft, op de tinnen des tempels. — Gij zijt de tempel Gods, zegt de Heilige Schrift. — Indien gij Gods Zoon zijt, zoo werp uzelven naar beneden! Zijt gij een Elohim, leef en werk dan in du kracht uwer godheid en der eeuwigheid, die gij in u gevoelt!
Want de bestaansquaestiën èn van het lichaam èn van do
461
ziel zijn wel vraagstukken der ikheid, maar omdat zij slechts indirect en niet hun geheele bestaan raken, kunnen zij ook overwonnen zijn, zonder dat de principieele ikheidsquaestie beslist en afgedaan is. — Zoo hebben vele wijze philosophen en Brahminen de bestaansquaestie overwonnen en haar tot laatste inplaats van tot eerste gemaakt. Zoo had een Diogenes eeniger-mate de koninkrijken dezer wereld overwonnen; en zoo ook een Socrates de verstandsquaestie, toen hij uitriep ; „Ik weet niets, dan alleen dit, dat ik niets weet!quot; — en een Plato, toen hij zeide: „Zoolang niet een bode der goden van boven ons de waarheid brengt, zullen wij in dwaling blijven verkeeren !quot; Hel vereischte daartoe is slechts een luisteren naar den algemeenen geest Gods, waarin en waardoor wij leven, ons bewegen en zijn. Maar ondertusschen, en hoezeer en hoe dikwijls meu ook zijn best doet om de spruiten en loten telkens weder af te houwen, tóch blijft de diepe, verborgen hartwortel der ikheid in het hart zitten. Dien er uit te rukken, daartoe is alleen de Heilige Geest instaat; en om dien te ontvangen moet de mensch zich bekeeren, of liever: God moet hem bekeeren. De vraag der vragen is voor den geest: Besta ik door mij alleen, zelfstandig, vrij, eeuwig, of alleen en uitsluitend door de genade, krachtens de macht en in het leven van een God boven mij en in mij, die gezegd heeft en nog steeds zegt; Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, ook niet uzelven; met éen woord: Heb ik in mij het leven en de wet?
Dat zich aanstellen als centrum en middelpunt van de wereld en het heelal, dat is de groote verzoeking; dat zichzelven liefhebben met geheel het hart, met geheel de ziel en met al de gedachten, dat is de zonde. — Zich door de aeonen heen, van zijn iktal uitgaande, als eenheid en maat en wet der schepping te individualiseeren, inplaats van haar als een oneindig klein fragment van den oneindigen God te erkennen, dat was de val
462
van Satan. Zich van deze ikheid te emancipeeren, dat is dé ware vrijheid, want vreeselijk is hare tirannie ! Overal waar gij gaat of staat, beheerscht zij u met een ijzeren vuist, dwingt zij u om alleen en uitsluitend aan haar te denken en slechts voor haar te leven; zij wil dat uwe wereld zich om haar draait, en maakt u hier totaal ongelukkig, aan den rijkst bezetten disch en in de prachtigste equipage, in gezelschappen en nog meer in de eenzaamheid, waarom gij dan ook zoo hoogst ongaarne met haar alleen zijt. En daarboven maakt zij u rampzalig.
Hier wordt het principieel! — en dit bewijst dat wij dieper in de zaak gekomen zijn dan langs de beide andere trappen. Treffend en juist heeft een wijze der oudheid gezegd, dat de dood en de ware philosophie dit gemeen hebben, dat men bij beide op het gebied der beginselen komt. Waarom en waartoe persoonlijk strijden ? De persoonlijkheid is hier beneden niets dan de zichtbare, eenzijdige, misvormde, vergroeide en kreupele voorstelling van beginselen. Deze alleen zijn waard dat men er voor strijdt. De mensch is op aarde de speelbal dezer eeuwige wetten. Het is zijne taak, ze te leeren kennen en ze geestelijk meester te worden door God en in God, want Hij is een Koning en Beheerscher der eeuwigheden. Voor den in den geest gerijp-teu mensch kan het nog slechts om de beginselen en de aanvangen van het z ij n te doen zijn, en niet meer om de tallooze verschijnselen. — Wel is ons gansche leven een verschijnsel, eene openbaring van onze ikheid en van die onzer medemen-schen; wel is de existentie de gestadige wisselwerking, de gestadige reactie van ons ik op anderen en van anderen op ons, — maar weldra ontdekt de geest, die in de woestijn van het materieele bestaan gevast en honger geleden heeft, die de koninkrijken dezer wereld en hunne heerlijkheid aanschouwd en hunne ijdelheid ingezien heeft, dat de groote, eeuwige vraagstukken zich slechts om zijn ik of niet-ik voor God en tegenover God
463
draaien. — God of ik? — God en ik? — God in mij?— Ik i n God? — Daarover alleen wordt ook nog daarboven gestreden, werwaarts noch de materieele bestaansvraag, nóch de heerlijkheid van de koninkrijken der aarde zich uitstrekken. Want dit is de leer des Bijbels: Satan is nog niet uit de hemelen verdreven, en mag temidden van de kinderen Gods voor den Heere verschijnen (JobI); nog is „de groote draak, de oude slang, die Satan en duivel genaamd wordt,quot; niet op de aarde geworpen (Openbaring XII: 9); nog wachten onder het altaar de martelaars, en verlangen zij naar het rechtvaardig oordeel Gods over hunne moordenaars (Openbaring VI: 10). Hoe zouden de hoogere leden van het lichaam van Christus in een onwetend, onverschillig nirwana uitrusten, terwijl de andere leden op aarde nog lijden en strijden, en zoolang Gods koninkrijk nog niet gekomen is, zijn naam nog gelasterd wordt en zijn wil niet geschiedt?
Wij willen het beproeven, overeenkomstig het woord; „Bedenkt de dingen die boven zijn !quot; ons dezen strijd voor te stellen, waarbij ieder Christen gemakkelijk onder het beeld mede de gebeurtenissen in zijn eigen ziel zal herkennen.
Wij stonden op den berg der zaligen, de uitgestrekte zee overziende. Het werd avond op de wateren. Eensklaps vlogen er engelen voorbij, die ons toeriepen: „Staat pal! ginds nadert de strijd en de macht der duisternis!quot; En in de lucht en in de zee en op het land zweeg alle creatuur en gevoelde den naderenden toorn. Maar de oude helden, die in het aardsche leven veel beproeving en strijd hadden doorstaan, en ook reeds met de machten der hel geworsteld hadden, rangschikten de gelederen op de hooge tinnen ; snel ging het commandowoord van gelid tot gelid, en weldra stonden de krijgers in hun schitterend pantser met het gouden schild en het fonkelend zwaard gereed. — En reeds werd de zee onrustig: het was als een zieden en
464
bruisen in de diepte, en grauw werden de wateren. Doch in de lucht was er iets als een nevel, en daarin weerklonk een zacht gesis en gehuil. Chaotisch op en over elkander geworpen, verhieven zich de golven; en daaruit gluurden, aanvankelijk bijna niet te onderscheiden, doch daarna hoe langer hoe duidelijker wordend, zwarte gezichten naar voren, met verwrongen gelaatstrekken, met de golven op en neer schommelend en met gloeiende oogen ons onafgewend aanstarend: zielen uit den poel der helle, die nooit zalig kunnen worden. En weldra stegen er velen geheel uit de golven op, zweefden om ons heen met een schor geschreeuw, en knipten met de roodvurige oogen als uilen tegen het door hen gehate licht. — En zij brulden huilend, kermend en vuur uit hun mond spuwend: „Die gij ons ontroofd hebt, geeft ze ons terug! Hoopt niet ze te redden; veeleer zult gij met hen in het verderf storten!quot; Hoe langer hoe talrijker werden zij, en zij brachten duisternis mede. En in hun midden kwamen andere wezens tevoorschijn: machtiger, als met vleugelen, en ook zwart; zij hadden zwaarden als van rood vuur en slingerden vurige pijlen; dat waren engelen des afgronds. — De storm huilde, en de strijd begon; en krachtiger dan ooit in de doode lichamelijkheid weergalmde ons krijgslied: „Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de zijnen!quot; — Hoe langer hoe verwoeder werden de uitvallen des vijands; en terwijl de strijd toenam, zagen wij onder de zwarte engelen sombere, nevelachtige gestalten, reusachtig, als gekroond, maar onkenbaar; de vorsten der hel. En zij joegen vol woede hunne engelen in den strijd en goten helschen toorn over hen uit. Toen beproefden dezen, zich hoog opheffend, om den hemel, die boven ons lichtblauw gebleven was, te verdonkeren en ons van boven af aan te grijpen ; maar nóg luider weergalmde ons strijd-gezang: „En grijnsde ook de open hel ons aan, met al haar duizendtallen, tóch zal geen vrees ons nederslaan, tóch doen wij
465
\'t krijgslied schallen!quot; Toen zij echter met macht van boven den burcht wilden binnendringen, zongen de stralende kinderzielen in witte kleederen: „Wil, Heiland! met uw vleuglen des Satans macht beteuglen, en gaêr uw kiekens saam!quot; En nu daalden in gesloten phalanx met bliksemende zwaarden de engelen der kleinen neder, sloegen alle aanvallen af, en bleven hoog boven ons zweven. — Maar in dubbele mate nam de woede der demonen toe, en boven het gehuil van den storm en het rumoer van den slag verhief zich akelig en ijzingwekkend het gillende krijschen der hel: „Satan help! Satan help ! en wees vervloekt in eeuwigheid !quot; — Nu begon de aarde onder ons te beven. Een ziedende ketel werd de zee, welker branding hoog tegen de tinnen sloeg, en eindeloos rolde de donder door de lucht; rood gloeide boven ons hoofd de phalanx der engelen, en vol verbazing zagen wij in onze gelederen bliksemsnel hooge gestalten verschijnen en verdwijnen, gepantserd, als helden uit honderd veldslagen, en wij wisten : dat zijn gezaligden uit hooger sferen, waaronder ook de man wiens Hervormingslied wij zongen, en hun aanblik gaf ons tienvoudige kracht en moed. Met kracht zetten wij de schilden neer, en vaster grepen wij het vlammend zwaard ; als een bliksemstraal vloog het commandowoord door de gelederen, en „Jehova is God!quot; was het parool.
Maar reeds was hij er! Torenhoog boven zijne engelen uitstekend, in nacht gehuld, met dien verzengenden blik, die de zielen doet verdorren! — „Slaven!quot; riep hij, en als een orkaan bruiste zijn woord over onze zielen, die er onder trilden en beefden, zooals de storm in het woud de boomen schudt; „slaven ! wilt gij dan eeuwiglijk dienen ? Er staat geschreven; Gij zijt goden! Werpt van u de ketenen en de aanbidding, en waagt het goden in eigen macht te zijn !quot; — En onze zielen beefden onder de grimmigheid van dien toorn; aarzelend overwogen wij, of de heerlijkheid des toorns in de eigen ikheid
466
niet grooter was dan de Eeuwige Liefde, en wij begrepen den afval en staarden huiverend in den eeuwigen afgrond. Maar nóg wortelde de geest in God, en verhief zich in Hem, en hield de zielen vast; de zwaarden spuwden vonken en bliksemflitsen, en als een onbedwingbare oorlogskreet barstte het los: „Jehova is God !quot; — Nu werd zijn nacht nóg donkerder, en zijne gestalte nóg hooger, en nóg verdorrender zijn blik ; vaalgele bliksemstralen schoten als een kroon om zijn hoofd, en hij riep, en dat klonk als het brullen van duizend leeuwen: „Hem zal ik nederwerpen van zijn troon! U zweer ik bij mijne hellepijnen een drievoudig wee. En wie zal U verlossen uit mijne hand ?quot; En gelijk er uit een zwarte hagelwolk plotseling tallooze ijsklompen ratelend neerstroomen, zoo sloegen met oorverdoovend geweld duizenden vurige pijlen tegen helm en schild, en evenals de aren, wanneer de storm over het korenveld waait, wankelden en bogen onze gelederen. Verzengend voelden wij zijn adem; uit den nacht gloeiden zijne oogen ons tegen, en daarin was de tweede dood, dien geen ziel kan aanschouwen en leven, en er weerklonk een satanisch gelach! Bevend en sidderend onder den indruk van het vurige onweder, lieten wij de zwaarden zakken en poogden wij ons met het schild te dekken ; en niet meer als een zegelied, maar als de bange klacht van zwaargewonden steeg het geroep uit onze zielen op: „Geen aardsche macht begeeren wij, die gaat welras verloren!quot; — Doch nu begonnen de engelen boven ons te smeeken: „Christe Eleyson! Heere, ontferm U !quot; En de kinderkens baden met heldere stem en gevouwen handjes: „Wil Satan ons verderven, doe Gij ons \'t leven erven, tot glorie van uw naam !quot; En nu stond Hij in ons midden, de Heilige Gods, stralend als de zon, en sprak met goddelijk verheven kalmte: „Vreest niet! Ziet, Ik ben met u 1 i e d e n !quot; — Plotseling verstomde het strijdgewoel en werd er een groote stilte. — Klagend, huilend, zich-
467
zelf en God en Satan vervloekend, zonken de verlorenen weg in de diepte; blauw werden weder de hemel en de zee. En als tot op een afstand van duizend mijlen teruggeslingerd, stond Satan daar van verre, zijn hoofd als vertreden, zijn blik stom, in wanhopig vertwijfelende woede; en rondom zijn ineengedoken gestalte dwarrelden in ordelooze vlucht zijn zwarte engelen als zeevogels, wier zwerm door den orkaan uiteenge-stormd is. — En nog éénmaal sloeg de Eeniggeborene Gods een blik naar dien kant, — en plotseling verdwenen hij en de zijnen, en slechts donkere onweerswolken zag men nog aan den verren horizont.
Maar óns zag de Christus aan met zijne oogen als vuurvlammen, waaruit een eindelooze liefde ons toestraalde; en op erns-tigen toon sprak Hij: „Wie overwint, dien zal ik geven met mij op mijnen troon te zitten, gelijk ook ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader op zijnen troon !quot; En wij zongen: „Lof en dank zij U, o Heere Jezus Christus!quot; — Daarna steeg hij weder omhoog, midden door de engelenschaar heen, die hem toezong : „G 1 o r i a in e x c e 1 s i s !quot; en daarop weerklonk het van de hoogere hemelen naar omlaag, zaligheid verbreidend; „Sanctus! sanctus! sanctus!quot; — En blijdschap en hemelsche vrede stroomden weer neder over het Paradijs. Nu geurden en kleurden met bevallige weelde van verven de bloemen na het onweder en verheugden zich alle creaturen; stil genot heerschte er in de lucht, en schooner dan ooit blonk en straalde de avondster.
Maar nog lang weerlichtte het rood en dreigend aan den horizont; gedurende den ganschen nacht bleef de phalanx dei-engelen vast aaneengesloten boven ons zweven, en tal van krijgslieden stonden nog steeds als schildwachten op de hooge linnen. — Want het vergankelijke is slechts eene gelijkenis.
468
Zoo komt de geest — want elk baren geschiedt onder weeën, en alle leven, zegt Bohme, wordt in de ondoorgrondelijke bron der smart geboren — door armoede tot bezit, door dood tot leven, door vernietiging tot de ikheid. — Dat is het groote geheim dezer afgevallen wereld!—En heeft hij alles doorworsteld, en is hij in Gods kracht en door Christus\' bloed een overwinnaar geworden, dan staat hij na een langen pelgrimstocht door de woestijn voor den Jordaanstroom. Aan de overzijde daarvan ligt het Beloofde Land, en hij mag aan de hand zijns Gods droogvoets door de wateren heen. En dan kan er ook van hem gezegd worden: Toen verzoeking voleindigd was, „liet de duivel van hem af en ziet, de engelen kwamen en dienden hem !quot;
Daarna ontsluiten zich voor hem aan gene zijde de hetnelsche natuur en de hetnelsche wet. — En beide zijn niet in dien zin iets nieuws, dat zij voor ons natuurlijk en wettelijk denken niet meer begrijpelijk, en voor onzen geest niet natuurlijk en wettelijk zouden zijn ! Want God spreekt immers zelf over de eeuwige wereld als van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; daarmede geeft Hij dus te kennen, dat de eeuwige wetten en voorwaarden van een hemel en eene aarde deze schepping nog altijd en tot in alle eeuwigheid zullen blijven regeeren. Evenzoo is de nieuwe mensch in Christus niet een onbekend, onbeseft, onbegrijpelijk wezen, maar een, op voor ons zondige menschen voorzeker onbegrijpelijke wijze verheerlijkte daarstelling der beginselen en wetten van dezen idealen God, toen Hij sprak: Laat ons een wezen scheppen naar onze gelijkenis!
Dat deze wetten, inzettingen en ordinantiën der aardsche dingen ook wetten, inzettingen en ordinantiën der hetnelsche dingen zijn, is een Bijbelsche leer; de Heilige Schrift zou ons anders met valsche en ontoepasselijke beelden ook valsche en ontoepasselijke indrukken, begrippen en voorstellingen van een
469
ondenkbare en onbegrijpelijke wereld geven. Dat dit niet zoo is, is uit den tabernakel en zijn dienst te zien, maar óok uit de gelijkenissen van Christus, die daarop berusten, dat de gedaante dezer wereld een vergankelijke gelijkenis van een onvergankelijke wereld is. Voorzeker waren het voor de groote menigte slechts — zij het dan ook hoogst leerrijke — zinnebeelden en gelijkenissen; doch voor zijne discipelen waren het in \'t licht des Geestes werkelijkheden, waarom Jezus dan ook tot het volk spreekt: „De akker is de wereld. De oogst is het einde der wereld. De maaiers zijn de engelen.quot;
Want het koninkrijk Gods is niet damp, nevel, louler voorstellingen, gevoelens, inbeeldingen. Het is kracht en wezen ! Het is waarheid en lichamelijkheid, \'t Is het vreeselijkste en ont-zettendste, en toch tegelijkertijd óok het lieflijkste en zaligste dat er bestaat, — anders zou \'t het koninkrijk Gods niet zijn ! Het is hoogste kunst en ware wetenschap, goddelijke weelde en \'t heerlijkste genot, de krachtigste daad en het zaligste zijn ! — Of denkt gij soms dat het iets gerings is, aan Gods tafel in Gods rijk te zitten ? — Kunt gij op aarde voor uw aardsche gasten, of uit liefde voor uw thuisgekomen zoon, een heerlijk feestmaal aanrichten, in een prachtige villa, in een paleis vol praal en weelde, — denkt gij dan dat God minder heerlijk zijne kinderen zou onthalen, wanneer zij na hun moeitevolle aardsche reis afgemat: en zegevierend huiswaarts keeren, en dat ook Hij deze zijne gasten niet met vurige wijnen en kostelijke spijzen, hemelsche muziek en geestvolle gesprekken ten hoogste zou kunnen verkwikken ? — Het koninkrijk Gods is eene vervulling van al het wenschen en verlangen en begeeren dergenen, die het besluit hebben genomen om — ten spijt van hunne rede en hun bedorven aardschen smaak — deze vervulling alleen van God te hopen; en een voortdurende ontgoocheling en vertwijfeling dergenen, die haar in zichzelf en in de schepselen zochten.
4.70
Het is eene verwezenlijking der eeuwige wetten door lichaam, ziel en geest der geheele schepping ; eene volvoering van dat eeuwige denken Gods, welks kristallen weerglans bij alle wezens en zelfs in de onbewerktuigde natuur wij thans niet met gestadige bewondering en aanbidding kunnen waarnemen, tengevolge van de door afval en vervreemding van dozen God bewerkte verstijving der physieke krachten, van het bevriezen der eeuwige stof tot een harde en levenlooze massa, en van den troebelen, steeds gistenden zuurdeesem der zonde.
Denkt gij dat gij onsterflijk zijt, dat gij nooit vergaan kunt,
— of dat gij, door alle aeonen en afgronden des tijds en der ruimte en der stof en des geestes heen, altijd verder en verder zult en moet en moogt voortschrijden? — Nu, dan moet gij ook hoe langer hoe dichter bij het een of andere doel komen: naar boven of naar beneden, tot God of van God af! Of wilt gij zonder een vast plan, zonder doel, zonder bestemming door de eeuwigheden dwalen ? Weet gij zelf niet waar gij heen wilt, waarheen uw verlangen uitgaat?— Want ook dat is eene wet: Niemand en niets ter wereld kan en God zal u niet dwingen te gelooven en lief te hebben wat de geest in u niet. gelooft en niet liefheeft. — Doch daarginds is het land der vrije keuze.
— Vrees niet, dat een hardvochtig en onrechtvaardig God u daar in de hel zal werpen en de poorten zijns hemels achter u toesluiten! Waarheen uw hart u trekt, waar uw schat is, daar moogt gij heengaan en er eeuwig verblijven; gij moogt geheel en ten volle rijpen tot de vrucht, die het sap en het merg van uw boom reeds hier op aarde lieten verwachten. Was hat u reeds hier beneden eene ergernis, gebeden en lofzangen tot Gods eer aan te hooren, denk dan niet dat Hij u dwingen zal om daar eeuwiglijk bij te zijn, en vooral niet om mede te zingen en te bidden; gij moogt u bij dezulken gaan voegen, die Hem tot in alle eeuwigheid blijven lasteren. Hadt gij hier op aarde een
471
hartgrondigen afkeer van den ootmoed dergenen, die hunne rede en hun verstand onder het kruis van Christus bogen en kinderlijk geloofden, dan moogt gij u daarginds bij dezulken aansluiten, die zich in het gevoel hunner wijsheid eeuwiglijk afsloven om uit gebroken en uitgedroogde bakken het water des levens te putten. Behoort gij bij de lieden, die zich weinig of niets om God bekommeren. Hem haten noch liefhebben, maar hun leven naar eigen wenschen en eigen lusten inrichten, dan zult gij daarginds vele makkers en geestverwanten hebben. Ziet toe of het ulieden gelukt, van God gescheiden, van den Boom afgehouwen takken, van de Bron gescheiden beken, kracht en wet in uzelven te vinden, — anders zoudt gij voor eeuwig moeten verdorren en verdrogen.
God legt ons deze zijne natuur en hare wetten voor. Wij kunnen Hem daarin zoeken en overeenkomstig deze wetten leven; dan naderen wij Hem met centripetale, volgens het quadraat der toenadering vermeerderende kracht, en nadert Hij ons; Hij openbaart ons dan de hoogere natuur en de hoogere wetten, waarvan de eerstgenoemde eene gelijkenis en een gevolg waren, en zichzelven als dien, die in Christus deze wereld en deze natuur met zichzelven verzoende. Of wij kunnen deze natuur misbruiken en hare wetten overtreden; dan worden wij overgeleverd aan den centrifugalen afschuw van God, aan de diamanten wet van de gevolgen onzer daden, aan de gerechtigheid van ons zijn, en wij zullen in de voortgezette overtreding dezer wetten een voortdurenden dood onzer ziel, en in de verkrachting dezer natuur de helsche natuur vinden.
Wat gij van deze wereld, van deze natuur en van hare wet wilt maken, — dat is uwe zaak.
gt;v\'
■
I:\' \'
-----