-ocr page 1-
-ocr page 2-

1

\'i

i

C gt;, quot;? **7 -X

L, ■*} / ? w kJ % \'w

GESCHENK

I

\' ■

VAN

den Heer H. W. YWEMA Jr.

s=^)v.e^^gt; «ït CD-\'ST \'ik\' -X^.vftjy\'

-ocr page 3-

... i\'

-ocr page 4-

,

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

DES CHRISTENS SCHULD

AAN

DEN HEIDEN

DOOR

NICOLAAS BEETS.

NIEUWE UITGAVE.

AMSTERDAM

F. W. EGELING.

rijksuniversiteit utrecht

26 09c

/lt;?lt;•\' X

-ocr page 8-

SNELPERSDRUK VAN H. C. A. ÏIHEME TE NIJMEGEN.

-ocr page 9-

VOORBERICHT.

De hier volgende Redevoering was, ten jare 1847, door mij uitgesproken te Zeist, in het bedehuis der Evangelische Broedergemeente, op den 15^ September, den dag van Alge-meene Vergadering der Broedersocieteit ter uitbreiding van liet Evangelie onder de Heidenen, en werd, het jaar daarna, als de titel zeide, „met belangrijke Aanteekeningen en Bijvoegselsquot;, niet zonder vrucht, in het licht gegeven.

Een vurig voorstander en in zijn kring bevorderaar der Zending heeft gemeend, dat eene heruitgave, na zoovele jaren, nog goed zou kunnen doen, door op nieuw ijver voor deze groote en goede zaak op te wekken of te verlevendigen. Hij heeft een bekwaam uitgever gevonden, en mij bereidwillig om tot dezen, behalve in spelling, onveranderden herdruk mede te werken. Ik deed het, met dankbare erkenning der verblijdende ervaring, dat, in de sedert 1848 verloopen bijna halve eeuw, op het Zendingsgebied de ijver toenemend is geweest, en het werk zich, onder Gods zegen, zeer aanmerkelijk heeft uitgebreid, waardoor in menig Heidenland groote overwinningen zijn behaald, en veel jammerlijks, dat in de „Redevoeringquot; vermeld en in de „Aanteekeningen en Bijvoegselsquot; nader beschreven en toegelicht werd, Gode zij dank begonnen is tot het verledene te behooren en slechts als zoodanig zijne gewichtige beteekenis te behouden.

B.

October, 1892.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

Geliefden in den Heere Jezus Christus! Genade zij u en vrede, van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.

Hoogstaangenaam is het mij aan deze plaats den liefde- en vredegroet in Christus uit te spreken. Met vreugde kom ik voldoen aan de uitnoodiging, om hier het woord te voeren aan den avond van dezen dag. Gaarne sluit ik mij aan iedere kerkgemeenschap aan, waarin het mogelijk is de gemeenschap der heiligen te oefenen. Welkom is mij de gelegenheid, waarin ook ik toonen kan de gulden spreuk te behartigen: eenheid in \'t noodige, vrijheid in \'t betwistbare, in alles liefde. Het bloed van Jezus Christus, het eenig slachtoffer voor onze zonden, acht gij onmisbaar ter verzoening met God van voor God in hunne conscientie veroordeelde zondaren. De Godheid onzes Heeren en Zaligmakers acht gij onbetwistbaar. Gij kent geene ware liefde op aarde, dan die van het door den Heiligen Geest wedergeboren hart. Wat gij noodig acht voor uzelven, dat acht gij ook noodig voor anderen. Wat gij gelooft, daarvan getuigt gij voor de wereld. De drang uwer liefde drijft u uit tot allen die, „van nature hatelijk en elkander hatendequot;, niet dan onder

i

-ocr page 12-

het kruis van Christus leeren kunnen elkander lief te hebben. In dit alles zie ik de kenteekenen eener ware kerk van Christus. Om dit alles heb ik de Evangelische Broederschap als een broederschap in Christus lief. De christen verheugt zich in den christen. En voorts: ik ben een vriend der Zendingzaak geworden. Ik heb mij te schamen, dat ik het niet eerder geweest ben; niet krachtiger getoond heb het te zijn. Uwe gemeente, gelijk de apostolische, was het sedert het oogenblik zelve van haar ontstaan. Welk eene ure in de geschiedenis van het Godsrijk op aarde, als in het jaar 1731 een arme negerknaap, in West-Afrika geboren, naar de West-Indiën als slaaf verkocht, in het hart van Duitschland, aan de hand van den Graaf von Zinzendorf, de vergadering uwer gemeente binnentrad, en daar, in de hollandsche taal, voor zijne verdrukte volksgenooten pleitte! De sedert acht eeuwen bij de christenen verachterde, vergetene, ja nu reeds veroordeelde zendingsijver, zou in dat oogenblik weder in gedachtenis komen. Ja, ontwaken zou hij, herleven, in den naam van God krachtige daden doen, en zegen hebben van Hem. Alle evangelische kerken zouden, de eene vroeger de andere later, komen deelnemen aan het heilig liefdewerk. Uit Duitschland niet slechts, maar uit Denemarken, uit Schotland, en Engeland, en Holland, en Noord-Amerika, en Zwitserland, en Frankrijk, zouden de boden uitgaan, die in alle werelddee-len, aan alle stranden, op alle eilanden, het „vrede ir den naam van Christusquot; zouden uitspreken. Het waren ditmaal geen tochten, door een dweepzieken monnik met opgewonden redenen, aan alle volken, aan alle

-ocr page 13-

3

helden, aan alle vorsten Europa\'s aangepredikt, om het overblijfsel van het heilige kruis te zoeken, en de plaats van het heilige graf te veroveren; maar het waren tochten, ondernomen ter prediking van het eeuwigblijvende Evangelie des kruises, aan zondaren van alle taal en volk; en wat er toe opwekte, was een aandoenlijke klacht in negerhollandsch, nedergelegd in den schoot eener gemeente, die uit verdrukking lijdzaamheid geleerd had. Welk eene ure wederom, als de trouwe broeders Dober en Nitschmann, in December van het volgend jaar, op het eiland St. Thomas, in het midden tusschen Noord- en Zuid-Amerika, de goede tijding van Jezus Christus, den zegen aller volkeren, in Wien de vloek van Cham zich opheft, voor het eerst tot de ooren en harten van negerslaven brachten. De half hoog-, half nederduitsche prediking werd beantwoord met handgeklap. Dat handgeklap, het voorspel van het invallen zoo veler natiën in het lied des Lams!

Daarna richtte uwe gemeente de met de bereidheid des Evangeliums geschoeide voeten naar de ijsvelden van Groenland; naar de savannahs van Noord-Amerika. Ook bij Groenlander en Rooden Indiaan kwam de kennis der hollandsche taal aan de hoogduitsche prediking der blijde boodschap te gemoet. Zoo was het aan de Kaap onder de Hottentotten en Boschjesmannen. Zoo is en blijft het onder de negerbevolking onzer West-Indische koloniën. Broeders! Gij zijt ons allen voorgegaan. Broeders\' Gij zijt in het veld van or,zen arbeid ingegaan, en gij volharddet liefderijk en niet verwijtende. Het is niet te veel gevergd, zoo gij vraagt dat wij u de handen sterken, met gebed, met opwek-

-ocr page 14-

4

kelijke redenen, met gaven der liefde. Wij komen u gaven der liefde brengen; wij komen u over uwe dierbare taak, de taak der Christenheid, onderhouden; wij komen met u den Heere smeeken: Uw Koninkrijk kome! Gij verstaat ons hollandsch, gij hebt het reeds voor honderd jaren verstaan! gij die sedert honderd jaren zondaren van allerlei tong verheugd hebt met de tijding, welke uit uwen mond eenmaal eene oude negerin op St. Thomas zoo zeer verblijdde, „dat de Heer alle talen verstaat.quot; Die Heere verhoore ons; die Heere geve ons te spreken; die Heere bewege onze harten tot hetgeen Hij, tot hetgeen Zijne zaak van ons eischt!

Een groot zendeling heeft een woord gesproken, waarvan voorzeker allen, die zich ooit met waren ijver tot de zendingzaak begaven, de kracht hebben gevoeld, en waarin ook het beginsel is uitgedrukt zijner eigene voorbeeldelooze bereidheid om alomme waar hem een deur geopend werd het Kruis zijns Heeren te verkondigen. Het was geen zendeling van onzen tijd, geen zendeling van de achttiende, geen zendeling van de achtste eeuw onzer christelijke jaartelling; maar een zendeling van de eerste, en in een anderen zin, van alle eeuwen. Het was de zendeling Paulus, die de Heidenen rondom de Middellandsche zee bezocht, een groot aantal gemeenten gesticht heeft, en door den mond aller zendelingen die hem zijn opgevolgd, nog spreekt nadat hij gestorven is; immers ook door den mond der 974 zendelingen, die in deze dagen op 708

zendingsposten tot heidenen aan alle zeeën spreken!____

Het woord, dat ik bedoel, lezen wij in het eerste hoofd-

-ocr page 15-

5

stuk van zijn brief aan de Romeinen, het 14de vers, waar hij verklaart: „Beiden Grieken en Barbaren, beiden w ij zen en on w ij ze n,quot; — allen en alle soort van heidenen, den beschaafdsten zoo wel als den stompsten — beiden Grieken en Barbaren, beiden w ij zen en on w ij zen ben ik een schuldenaar;quot; eene verklaring die ons in zijn hart het beginsel der volgende lezen laat: Alzoo hetgeen in mij is, datisvolvaardigom ook u dieteRomezijthetEvangelium te verkondigen.

Den heidenen, allen den heidenen, een schuldenaar. Is het niet zoo, mijne broeders ? dat moet ten allen tijde de beschouwing, de overtuiging van alle christenen zijn. Dat woord stelt de zendingzaak in het rechte licht; dat beginsel maakt haar recht levendig, krachtig en vruchtbaar. Men kan het zen-dingwerk beschouwen als een werk van medelijden, als een verdienstelijk liefdewerk, als een uitvloeisel van den plicht van zelfbehoud, maar het is meer dan dat. De roeping ligt dieper. Het is een werk, welks behartiging van ons medelijden onafhankelijk, aan onze keuze niet overgelaten is; welks noodzakelijkheid niet maar uit zijn profijtelijkheid voor de Kerk, die reeds is, voortvloeit; het is de betaling van een s chu ld, van een schuld op eiken christen gelegd door de betaling van z ij n e schuld door Jezus Christus den Zoon van God; van een schuld, welker betaling de gemeente des Heeren, als zoodanig, aan Hem en aan de wereld verplicht is. — Laat ons in de eerste plaats elkander in deze overtuiging versterken.

-ocr page 16-

6

Het zendingwerk, zeiden wij, is niet slechts een werk van m e d e 1 ij d e n. Wij weten, dat het menigmaal louter als zoodanig beschouwd wordt; wij weten dat het in de wereld dikwijls niet eens als [\'zoodanig gewaardeerd wordt. Wij weten, dat de wereld in hare onverschilligheid en in hare onkunde doorgaans dit medelijden als overtollig, overdreven, ongevergd veroordeelt. Daar zij oordeelt, dat er bij de Leugen zoowel een kracht tot vertroosting en reiniging des harten is als bij de Waarheid, acht zij de blinde heidenen noch zoo ongelukkig, noch zoo onzedelijk als zij worden voorgesteld; en om dit haar bedriegelijk stelsel te kunnen volhouden, wacht zij zich wel om de oogen rond te slaan en te onderzoeken wat het heidendom zij. Wij weten wat het heidendom is; hoe de zendeling Paulus het schildert in datzelfde eerste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen; hoe de vredeboden van Christus het ten allen tijde gevonden hebben, en vinden; in welk een toestand, hier van wanhopige radeloosheid, daar van diepe droefgeestigheid, overal van ontzenuwende onzedelijkheid; van ontwikkeling, ja, maar in gruwelen van wreedheid en wellust, waardoor de volken aan hun eigen vernieling werkzaam zijn.

Men spreekt van den onschuldigen natuurstaat der Heidenen, zoo veel gelukkiger dan onze Europeesche, dan onze christelijke beschaving. Maar men heeft nergens een enkelen Heiden in dien onschuldigen natuurstaat gevonden. De wijsgeer Rousseau had dien toestand bekoorlijk voorgesteld; vele dichters hadden er van gezongen. La Pérouse geloofde

-ocr page 17-

7

er aan. Tot zijn ongeluk; voor zoo veel het een ongeluk is van eene dwaling teruggebracht te worden; tot zijn ongeluk was hij geen wijsgeer of dichter, maar een wereldreiziger, en moest bevinden, dat er wel een natuurstaat op aarde is, maar geen andere dan van een booze natuur, gelijk de apostel die beschreven heeft. Hij komt onder de Schippers-eilanden, op het eiland Manua. De kapitein De Langle en de natuuronderzoeker Lamanon, die tot de expeditie behooren en aan land gegaan zijn, geven aan eenige van de opperhoofden, die hen omringen, glaskoralen; aan andere niet. De naar hun gevoelen verongelijkte staan in boosheid en nijdigheid op, en vermoorden de beide mannen met nog elf matrozen. Zie daar La Pérouse\'s kennismaking met de onschuld der natuur. Hoor zijn getuigenis van de Sandwichs-eilanden: „De „snoodste schurken van Europa zijn niet zoo huichel-„achtig valsch als deze eilandbewoners; al hun vleitaal „is leugen. Geen enkelen trek van waarheidsliefde kon „ik in hunne gezichten ontdekken. Heeft iemand zoo pas „van u een geschenk ontvangen, en gelaat hij zich als ot „er hem alles aan gelegen was, door kleine diensten ,.zich dankbaar te betoonen, zoo kunt gij hem niet „het minst vertrouwen (1).quot; En La Pérouse stierf, in dezelfde Zuidzee, onder de handen van moordenaren, die hem, in den dood, leerden dat de natuurmensch niet onschuldig, maar een wilde is, dat de natuurmensch de kunst van moorden verstaat.

Wij weten welk een stemme des bloeds van alle

(1) Hoffmann, Missions-stunden, s. 61.

-ocr page 18-

de heidenlanden opgaat; bloed van vijanden, bloed van slaven, bloed van kinderen vooral. De zendelingen op hunne reizen volgende, zien wij den Rooden Indiaan, den edelsten onder alle de heidenen, pronken met de haarschedels zijner verslagenen; den Dajakker, op Borneo, zijne bruid een aantal versche menschenhoof-den tot bruidsgave aanbieden; den Nieuw-Zeelander het vleesch zijns vijands en zijns ongehoorzamen slaafs eten, en aan zijne kleinen afgeslagen hoofden tot speelgoed geven. Wij weten hoe vele duizenden kinderen in Azië, Afrika, en de Stille Zuidzee jaarlijks zonder eenige genade door de hand hunner ouders worden gekeeld, geworgd, levend begraven, in gloeiende vulkanen geploft, voor tijger en krokodil ter verscheuring gelegd (1). Hoe bij de slavenjacht in Afrika jaarlijks 200.000 menschen op bloedige wijze omkomen (^. Op het eiland Tukua in Plenty-baai hooren wij een zendeling naar de bloedsporen van een aantal onder rotsblokken door vijandige hand verpletterde vijanden vragen, en het antwoord is: „Onze vrouwen hebben ze opgelekt (2) quot; Op een der Sandwichs-eilanden twistte een man met zijne vrouw. Op eens grijpt hij in zijne woede zijn eigen kind, een schoonen jongen van acht jaar, breekt hem de ruggegraat tegen zijne knie, en werpt hem levenloos der moeder voor de voeten. Bewijst dit op ijselijker wijs de uitspraak des apostels: „Zonder natuurlijke liefde,quot; dan dat zoo menig pasgeboren wicht aldaar met ijskoude onverschilligheid levend in den grond begraven en de aarde door vader en moeder daarover platgetreden wordt? (3) Hoffmann, s. 123. (\') Aid. s. 37. (s) Aid. s. 60.

-ocr page 19-

Welke heidenen beschaafder dan de Chineezen? Welnu, onder hen is een gesprek als het volgende van den zendeling Abeel met een welgesteld koopman mogelijk: „Hoe velen van uwe kinderen hebt gij gedood?quot;

— „Twee.quot; — „Hoe veel hebt gij er over?quot; — „Eén.quot;

— „Hoe veel broeders hebt gij?quot; — „Acht.quot; — „Hoe veel kinderen heeft uw oudste broeder omgebracht?quot; . .. „Vijf of zes.quot; — „Hoe veel de tweede?quot; (1)... Dan genoeg van dezen gruwel van kindermoord, waartegen, wij weten het, het natuurlijk gevoel zoomin als beschaving een waarborg zijn. Hartverscheurend klinkt, bij den algemeenen moord der meisjes, de klacht der schuldige moeders op Nieuw-Zeeland: „Ik wenschte, dat mijne moeder het met mij niet anders gemaakt had!quot; (2) Hoe gruwelijk is het lot der vrouwen bij de heidenen; beneden de slaven, beneden de dieren vernederd; niet aan den disch hunner echtgenooten toegelaten; aan de schrikkelijkste ijverzucht ten prooi! Hoe ijselijk het deel van al het zwakke! De negers hebben niet noodig hunne eigene kinderen te dooden; zij worden genoeg uit hunne armen geroofd, verkocht, weggevoerd en, zoo zij zwak zijn, geslacht; maar hunne gewonden, hunne kranken, hunne ouden, zij laten ze zonder geweten aan hun lot over. Ook dit behoort tot de vrij algemeene zeden der heidenen. De Betschuanen zoeken bij toovermiddelen raad voor hunne kranken; baten deze niet, zij werpen hen voor de wolven. De Kaffers laten, als zij van woonplaats veranderen, hun ouden vader en moeder met een struisei

Hoffmann, s. 28. (T) Aid. s. 38.

-ocr page 20-

IO

vol water zitten, zonder zich verder over hen te bekommeren (1).

Alle godsdiensten, droomt de wereld, zijn even goed. Waartoe even goed? Om God te behagen, om het ontwaakte geweten te paaien, om van de ellende -des levens en den schrik des doods te vertroosten? Maar wij wijzen haar, zoo lang zij voor geene andererede vatbaar is, op de tallooze menschenoffers, die allerlei heidendom in alle hoeken der heidenwereld vergt. Wij wijzen haar op het afschuwelijk beeld der godin Kali in Indië; een opgerold menschenlijk tot oorsiersel: een hoofdsieraad van slangen; een halssnoer van menschenschedels; een gordel van afgehouwen handen; een bloedige tong uit den mond; de tien tanden moordwa-i •. penen. Tweehonderd millioen menschen buigen voor haar

met sidderenden doodsangst neder (2). Wij wijzen haar op den beruchten F et is ch-boom aan Afrika\'s westkust (3), waaronder de bekende reiziger John Lander van afgrijzen in zwijm viel als hij hem zag: de ont-zachelijke takken, letterlijk bedekt met overblijfsels van menschenlijken, en den majestueuzen stam van onregelmatige stapels menschenschedels omringd, die men sedert verscheidene jaren zich liet ophoopen. Gieren, zich vergaderend waar het aas is, wemelende om zijn kruin. Wij vragen, welke zeden geleerd kunnen worden bij eene verkondiging van goden, die, zoo als de zendeling Sutter zich uitdrukte: „indien zij in Europa, als menschen, dat gedaan hadden, wat hunne aanbidders van hen verhalen, tienmaal zouden verdienen op

(\') Hoffmann, s. 333, 358. (^) Aid. s. 487. (s) Aid. s. 218.

-ocr page 21-

11

het schavot te sterven (l);quot; welke troost er zijn mag; in de aanbidding van het wandelende blad (2) met de Hottentotten ? van geen anderen God dan den boozen geest, met de Karenen? of in de verkondiging van een eeuwig leven, als in de Stille Zuidzee, hetwelk echter alleen bestaat voor de opperhoofden, niet voor het ellendige volk? Wij vragen wat het bewijst voor den vermeenden troost der heidensche godsdiensten, indien wij door geheel Indië het spreekwoord hooren weerklinken: het is beter te sterven dan te leven (3)!

Neen, mijn broeders! Indien wij zeggen, het zending-werk is geen werk van medelijden, het is niet omdat wij niet met diepe deernis nederzien op die heidenwereld, welker ontzettende verzonkenheid in alle men-schelijke ellende en gruwelen, welker radelooze zelfkwelling en woedend wroeten in eigen ingewanden, welker treurig wegkwijnen in verdrietige stompheid een iegelijk met weemoed moet vervullen, die haar beschouwt zoo als zij is, en wier uiterste akeligheid eerst recht gezien wordt, als de lamp des Evangeliums in hare gruwzaamste hoeken lichten komt. . . Maar het is, dat wij door Gods genade nog eene andere stem in onze harten vernemen, dan die van een bloot menschelijk medelijden, hetwelk den aan allerlei wonden bloedenden verslagene op zijnen weg ziende liggen, niet onverschillig, niet onbarmhartig tegen over

(T) Hoffmann, s. 510.

(•) „een sprinkhaan, voor welken zij op de knieën vielen en baden: geef mij melk en vleesch.quot; Aid. s. 316.

(3) Aid. s. 487.

-ocr page 22-

12

hem kan voorbijgaan, zijn oogen sluitend en zeggend: ik heb heden iets anders te doen. Ach, indien wij niets anders hadden dan dit medelijden, wij ook zouden nog dikwijls deze en dergelijke woorden in den mond nemen. Zoovele zachtmoedige menschen, die geen ellende zien kunnen, sluiten hun hart voor de ellende der heidenen! Wij hebben een ellende gezien, wij hebben eenen jammer aanschouwd, groot, verschrikkelijk, meer dan menschelijk. Wij hebben eene smart zien doorstaan, wij zijn getuige geweest van eene versmachting, van eene bedroefdheid, eene verbaasdheid, eene vreeze, wij van eene verlatenheid, die niemand schetsen kan. Wij hebben des aardrijks scherpste doornen gezien op het onschuldigst hoofd. Wij hebben een kruis zien oprichten, en daaraan zien nagelen den Zoon van God!... Wij hebben gevoeld: Ook wij zijn „onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatendequot;; ook uit óns hart komen voort „booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen;quot; ook wij zijn „met vreeze des doods al ons leven der dienstbaarheid onderworpenquot; !. . . Wij hebben geloofd: „het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zondenquot; . . . Toen hebben wij de vreeze des doods begraven in het graf, waar Jezus in gelegd werd, en daartegenover zittende, niet meer voor de ellende des levens, maar voor ondankbaarheid gevreesd. „De Heer is opgestaan!quot; Zoo heeft het geklonken over onze hoofden; en de vrede, die hij uit zijn graf heeft medegebracht, is gedaald in

-ocr page 23-

13

onze harten. Ten hemel opvarende om ons plaats te bereiden in den hemel, hebben wij hem hooren zeggen: „Predikt het Evangelie allen creaturenquot;; maakt mij op aarde plaats in de harten aller zondaren. M ij n taak is volbracht; het was de verzoening der wereld. De uwe begint; het is de prediking van het woord der verzoening.

Gewis, dat is de taak van de gekochten door het bloed des Heeren, dat de taak zijner gemeente; dat het werk door zijne liefde aan haar opgedragen. Maar niet slechts eene taak is het, in gehoorzaamheid aan zijn gebod te volbrengen; niet slechts een werk, waartoe zij zich geroepen gevoelt; maar een nood, die zij zich voelt opgelegd, een arbeid waartoe de liefde des Heeren haar inwendig dringt; een schuld, die zij zich erkent aan die harer medebroederen in Adam, welke zij is voorgegaan in de weldaad der schuldvergeving; een schuld, die zij gevoelt aan dien Heiland, die voor haar den kinderen Adams is gelijk geworden.. . Niet weinig beweegt haar de ellende van het volk dat in de duisternis zit; niet weinig de huilende wildernis; niet weinig het geklag, geween en veel gekerm, dat uit de heidenwereld tot haar overkomt; geklag der benauwde conscientie; geween der verdrukte zwakheid; gekerm der vermoorde onnoozelheid, — niet weinig beweegt het haar.... maar Christus, de gekruiste, beweegt haar meer. Niet klein is de vreugde, die zij smaakt, niet gering de zegen, waarmede haar Heer uit den hemel haar zegent, wanneer zij dit werk der liefde met liefde en getrouwheid werkt, de banier des Kruises in de hand, den

f

V:.. 1 !

I\' j !v!

||i ■.n\'

i i-S\'

! \'PM

ItP

ti^r

\'1

Ir f;

\'M

mm

-ocr page 24-

14

duisteren volken verademing en vrede toewapperende, en naar een g-eopenden hemel wijzende... Wee haar, indien zij het Evangelie niet verkondigt onder de volken, indien zij niet uitgaat op de verovering der wereld met het Woord van God! ... Het is een werk, niet overgelaten aan hare keuze; het is haar roeping niet slechts, maar haar leven; zij is daar, om te getuigen, om getuigende te overwinnen, om overwinnende de aarde te vervullen, en aan de voeten des Heeren te brengen... Een oordeel van verkwijning, een oordeel van verval komt over haar in de tijden en plaatsen waar zij deze overtuiging, dit bewustzijn, deze levenswerkzaamheid verliest of zich die laat verstompen. .. Maar zij zal ze verliezen, en zij zal ze zich verstompen laten, en zij zal de heilzame vrees voor \'s Heeren kastijdingen afleggen, en zij zal in het vurig verlangen naar des Heeren goedkeuring en genadebetooning, gelijk in de innerlijke bewegingen der barmhartigheid voor het rampzalig heidendom, verflauwen — zoo ras zij verflauwt in de overtuiging; Allen den Heidenen ben ik een schuldenaar.

Broeders! Medeschuldenaren! De schuld is opgehoopt. Als Paulus de belijdenis van zijn schuldenaarschap aflegde, was de geheele gemeente van Christus van hetzelfde gevoelen doordrongen. De gemeente van Christus was één groot zendinggenootschap. De zendingzaak was geen deel van hare roeping, maar haar gansche roeping. Door haren ijver waren in de-eerste eeuw vijf maal honderdduizend zondaren tot dc

-ocr page 25-

i5

belijdenis van Christus toegebracht. Eerst in de 7dp eeuw werd weder een ijver gezien, eenigszins naar deze gelijkende. Vredeboden kwamen tot onze Ger-maansche en Friesche vaderen; het was eene onderneming, zoo gevaarlijk als nu voor dertig jaren die der zendelingen in Nieuw-Zeeland en de Nieuwe Hebriden. Gelijk Williams op Erromango in 1839, zoo is Bonifacius bij Dockum in 754 doodgeslagen. Maar ook de afgoden vielen, en het Kruis des Heeren werd geplant. Eerst een tiental eeuwen later, begonnen eenige hunner het te dragen over zee en land, gelijk het over zee en land tot hen gekomen was. Door hun verzuim, zijn de schuldenaars schuldigen geworden. De schuld moet met de opgeloopen rente worden betaald! Bij de schuld van verzuim, die ontzettend is, heeft zich een schuld, die gruwelijk is, gevoegd. De blanke man heeft den olijfkleurigen en den zwarten, onder de brandende zon, op een verschroeide aarde voor zich doen arbeiden, voor zich doen kruipen, voor zich doen bloeden ; hij heeft den koperkleurigen van zijne akkers en weiden verjaagd. Hij heeft den naam van het christelijk Europa stinkende gemaakt in Azië, in Afrika, in Amerika, en op alle de eilanden. Hij heeft den naam van Christus doen lasteren door alle de heidenen, die hem hebben gehoord. Hij heeft de heidenen gebracht brandewijn, opium, en de afschuwelijkste ziekten. Hij heeft met hunne vrouwen ontucht gepleegd onder eiken groenen boom. Hij heeft hen met glaskralen verleid hunne kinderen te verkoopen. Hij heeft gezegd: zij zijn schapen ter slachting; zij zijn een apenras dat geen ziel

-ocr page 26-

i6

heeft; zij zijn duivelen, die niet mogen bekeerd worden... Wij gedenken de eerste gruweldaad van Europa in Amerika, als de vaan der Christenen een moordvaan was, als duizenden, die zich als kinderen met stokjes verdedigden, voor slagzwaarden en vuurwapenen vielen. Spanjaarden wedd\'en voor een spel, wie in de minste slagen een onschuldigen inboorling in stukken zou houwen (1). Wij gedenken Eurojpa\'s tweede gruweldaad in hetzelfde werelddeel, als zij duizenden van negers, als slachtvee in schepen geladen, en met ketens overladen, van Afrika\'s kusten derwaarts overbracht, om met hun zweet en bloed en tranen te woekeren. Tot voor vijftig jaren had zij zich over ruim twee millioen negerslaven uitgestrekt. Alleen tusschen de jaren 1823 en 1832 liepen niet minder dan 325 erkende slavenhaalders uit de haven van Havannah naar Afrika\'s kusten ; van dezen kwamen er 236 terug, en brachten 100,000 slaven aan; de overige 89 waren op zee genomen of vergaan. (2) De arme zwarten, die hun dood in de golven vonden, waren zeker de ongelukkigste niet! Wij gedenken Europa\'s derde gruweldaad in Amerika, ziende op de volksstammen, door een man van onderzoek en wetenschap (Catlin), in gestorvene, stervende, en weinig levende verdeeld; de inboorlingen van Noord-Amerika, eens een volk van veertien millioen en, door Europeesch geweld en berooving, tot op twee millioenen versmolten. . . Wij gedenken, wat wij

Hoffmann, s. 265.

(8) The Missionary Guide-Book (London 1846) p. 365. Naar Montgomery Martin, 0« the Colonies.

-ocr page 27-

i7

wenschten te vergeten, de mishandelingen, het gruwelijk onrecht en de godslasterlijke beleedigingen door Hollandsche boeren den Hottentotten aangedaan — en... . Dan genoeg — wij gevoelen ook deze schuld der boete, bij de schuld der dankbaarheid aan onzen Verlosser; wij zijn begonnen die eenigszins te betalen; God helpe ons ! Hij helpe ons den bloedigen rug des heidens te wasschen van de striemen, door ons, christenen, hem geslagen. De blik op Hem, door wiens striemen wij genezen zijn, make ons meer en meer getrouw !

Laat ons nu in de tweede plaats elkander nog kor-telijk herinneren, wat wij doen kunnen om ons van onze schuld aan alle de heidenen, te kwijten. Bij de rechte beschouwing der zaak uit het rechte beginsel, zal dit toch altijd, dit alleen de vraag zijn, van welker beantwoording geen zien op het onafzienbare, geen berekening van het ondoenlijke der taak, geen besef en belijdenis van onbekwaamheid ons mogen terughouden.

Wij prijzen den man gelukkig, die in ons midden opstaat, en met een hart vervuld van de genade Gods in Christus, niet slechts met Paulus gevoelt; B e i d e n Grieken en Barbaren, beiden w ij zen en on w ij zen ben ik een schuldenaar, maar er ook bijvoegt; Alzoo hetgeen in m ij is, dat is volvaardig om ook den verren heidenen het evangelie te verkondigen! Wij kunnen niet allen met hem gaan; daartoe behoort eene

-ocr page 28-

18

vereeniging van gaven, en krachten, en schikkingen Gods, daartoe eene bepaalde en duidelijke roeping tot juist deze taak, die wij niet allen bezitten of tot nog toe ontvangen hebben. De Heer heeft den arbeid in zijne gemeente en op den akker der wereld verdeeld ; „hij heeft gegeven: sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars;quot; hij heeft velen tot de liefelijke en gewichtige taak (zal ik zeggen ?) beperkt, om door belijdenis en heiligen wandel, door hulp en dienst der liefde en des gebeds, de uitbreiding zijns koninkrijks bevorderlijk te zijn. Een iegelijk zij getrouw in hetgeen waartoe hij geroepen is, in hetgeen hem is aanvertrouwd. Wee over den ongetrouwe, die zijne talenten, al is het slechts een enkel, in een zweetdoek gewikkeld houdt en begraaft in den grond! Zoo wij waarlijk gelukkig prijzen dien man, die daar in de heidenwereld uitgaat, en wij nochtans gevoelen niet met hem te kunnen medetrekken, hoeveel te meer moeten wij bereid zijn, alles voor hem te doen en te wezen wat wij kunnen, opdat wij op die wijze der zaak die wij liefhebben bevorderlijk zijn. Zouden wij „weenen en zijn harte week maken,quot; al is het ook dat wij vreezen „zijn aangezicht nimmer meer te zullen zienquot; op aarde, al is het ook dat dat aangezicht ons zeer dierbaar is, en ons hart aan hem gebonden door meer dan één liefelijken band? Zouden wij niet veeleer alles doen om hem in zijn voornemen, zoo het waarlijk in den Heer is opgevat, te versterken en aan te moedigen ? Zouden wij niet alles overhebben om hem tot zijne gewichtige taak te bekwamen

-ocr page 29-

en in staat te stellen ? hem niet op alle mogelijke wijze onze liefde, onze gemeenschap toonen, toonen dat wij hem „uitnemend achten om zijnsquot; voorgenomen „werks willequot;? — En als hij nu uitgegaan is in het duister en doornig gebied der heidenwereld, zouden wij hem niet met onze belangstelling blijven vergezellen, zijn weg en werk en persoon den Heere biddend blijven aanbevelen ? Gelooft gij niet dat het zijn zeg-en heeft op den heidenschen akker, dat de zendeling, die met zoo veel moeielijkheden, met zoo veel teleurstelling te worstelen heeft, zich van uit het christenland met deelneming voelt gadegeslagen, dat hij de bewustheid heeft: ik bid niet alléén; honderden bidden met mij? Gelooft gij niet dat het getuige zijn van deze hartelijke deelneming en blijvende belangstelling in zijn lot en van de vurige gebeden voor hem opgezonden, gezegend werkt op degenen, die nog niet zijn uitgegaan? dat zij de zaak der uitzending, de zaak der uitbreiding van Gods koninkrijk, ook op den christelijken grond dieper doet wortelen, meer doet doordringen, en zelfs tot hiertoe voor haar onaandoenlijke conscientiën bereiken ? Onvergetelijk is mij in menig opzicht mijn bezoek aan Londen geweest, in de maand Mei van dit jaar. Een diepen indruk hebben op mij gemaakt de groote vergaderingen der zendelinggenootschappen in Exeter-Hall, waar dag op dag de krachtige welsprekendheid der edelste christenen zich voor de zaak van Gods koninkrijk verheft, ten aanhooren een er schare van zelden minder dan vierduizend zielen. Maar niets heeft mij zoo ontroerd, zoo diep geschokt, zoo krachtig een indruk gegeven, van ook mijn plicht en

-ocr page 30-

roeping, dan een korte toespraak van een der Secretarissen van het Zendelinggenootschap der Engelsche Kerk, niet in de groote zaal van Exeter-Hall, maar in een der kleinere vertrekken van dat gebouw, bij gelegenheid van een samenkomst van enkel herders en leeraars. Na een vurig gebed, waarin ons een grijsaard, de eerw. Haldane Stewart, was voorgegaan, stond een ander grijsaard, de eerw. Henry Venn op. Hij opende zijn kleinen zakbijbel bij den 2den Brief van Paulus aan de Korinthiërs, en las ons uit het eerste hoofdstuk de volgende verzen voor: „Wij willen niet, broeders! dat gij onwetende zijt van onze verdrukking, die ons in Azië overgekomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzoo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven. Ja, wij hadden al in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven zouden vertrouwen, maar op God die de dooden opwekt; die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en nog verlost; op welken wij hopen, dat hij ons ook nog verlossen zal: alzoo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons te weeg gebracht, ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.quot; Naar aanleiding van deze woorden stelde hij ons het recht der zendelingen aan zoo vele gevaren, ja, doodsgevaren blootgesteld, met zoo vele moeielijkheden, ja, voor den mensch onoverkomelijke moeielijkheden kampende; het recht der zendelingen op onze biddende deelneming (door den apostel zoo uitdrukkelijk een mede-arbeid door het gebed genoemd) voor; bezwoer ons, toch hunne berich-

-ocr page 31-

ten niet slechts te lezen als om een ledig uur te vervullen, niet slechts belangrijk te vinden en leerzaam, maar ons daardoor in hun toestand, in hun strijd en lijden te laten verplaatsen, en op de knieën te laten brengen voor den Heer die hen zond. De eerwaardige man sprak kort en eenvoudig, maar daarom des te treffender. De toon zijner stem was zacht en in het hart dringende. Groote tranen biggelden over zijne wangen, als hij de worstelingen der zendelingen, waarvan hij er zoo vele persoonlijk kende en die alle zijne vrienden waren, als hij hunne worstelingen met de heidensche woestheid en onkunde, en helaas ook met de tegenwerkingen van de zijde van naamchristenen! schetste. — Ik wenschte, dat ook deze laatsten in de bijeenkomst waren vertegenwoordigd geweest. Ja, gaarne had ik in dat oogenblik eenige afgevaardigden uit de vijanden van, uit de onverschilligen voor het zendingswerk daar gezien. Mij docht, zij zouden de wapenen hebben nedergelegd, waarmede zij de heiligste zaak der wereld bestrijden; al die grove spotternijen, booze lasteringen, hatelijke vermoedens; al die „schijnredenen van wijsheid, niet zijnde in eenige waarde.quot; Zij zouden, zoo zij eenigszins een hart hadden, dat hart niet langer teruggehouden, maar gewonnen gegeven hebben, bij het zien van zoo veel heiligen ernst, zoo veel trouwe liefde, zóó veel hart ... O, mijne Vrienden! Laat ons de zendelingen op allerlei wijze aanmoedigen, helpen, door liefde verkwikken! Laat ons hunne zaken, hunne studiën, zoo veel in ons is bevorderen, zoo lang zij nog in ons midden zijn; laat ons, als Filemon voor Paulus, hun gaarne een

-ocr page 32-

22

„herberg bereidenquot; als zij tot ons overkomen; laat ons hunne ouders en bloedverwanten vertroosten, hunne weduwen en weezen verzorgen; laat ons vooral hen biddend opdragen, biddend met hen med ear bei-den. Zij hebben zoo veel noodig; zoo veel moed, zoo veel wijsheid, zoo veel kennis, zoo veel lijdzaamheid, zoo veel geloof, zoo veel liefde. Een gebed voor de zendelingen, een gebed voor de heidenen, is een arbeid in de heidenwereld! Een g-ebed voor de zendelingen is een bestrijding der on-christelijke christenwereld! Zijn wij den heidenen het evangelie schuldig; hoe zeer zijn wij den evangelieboden onze gebeden schuldig. En zoo wij deze schuld betalen, wij kunnen, wij durven niet achterblijven met welke gave, welken dienst der liefde het zijn moge, die de zaak der uitbreiding van het koninkrijk Gods van ons vordert.

Gaven der liefde worden gevergd. O Mijne broeders! laat ons daarin overvloedig zijn. Zijn wij daarin wel overvloedig genoeg ? Konden, moesten wij niet meer doen? Zijn wij niet schuldenaars voor meer? Wat heeft het evangelie óns gekost? Heeft niemand onzer wat meer te missen, dan hij tot nog toe gegeven heeft, om zielen te redden van het verderf? Is de troost in leven en sterven van vier vijfden van onze broeders uit Adam ons niet nog wat meer waard? Wat is er in onze hand om bij het besluiten van dit feest, bij het verlaten dezer zaal, neder te leggen op het outer dezer zaak? Hoe veel? Hoe weinig? Is dat alles wat gij heden overhebt voor de arme zwarte slaven in de West-Indiën, voor de onwetenden van Zuid-

-ocr page 33-

Afrika? Is dat uw gansche antwoord voor heden, ik zeg niet op onze opwekkingen, maar op de roepstem van duizenden, worstelende met de ellenden des levens en met de vreeze des doods, zonder Verlosser, zonder God in de wereld? Op den noodkreet van zoo vele verdrukten en elkander verdrukkenden: „komt tot ons over en helpt onsquot; ? Is dat het gansche liefdewerk, dat gij te stellen hebt naast de liefdedaad van den uitgezonden broeder, die op dit oogenblik in Zuid-Afrika een ongeneeselijk melaatsche verpleegt in het lazaret, of is blootgesteld aan de sagaaien en snaphanen van den verwoeden Kaffer? Is dat uwe liefde tegenover de liefde des Heeren, die u gekocht heeft met zijn bloed, u, die niet voor al het zilver, voor al het goud, voor al de kostelijke dingen der wereld te redden waart? Verdubbelt de gave.. . het is te weinig ... Ik heb gelezen in de „Berichtenquot; van dit jaar, (1) dat een onbekende hand aan dit genootschap drieduizend gulden gezonden heeft tot een kerstgeschenk . . . Goud, wierook, mirre, aan de voeten van het kindeken van Bethlehem! Op welk eene schaal zou de uitbreiding van het koninkrijk Gods kunnen worden voortgezet, indien alle christenen, die dit konden doen, het deden. Gij die het kunt, doet het. Gij die het niet kunt, doet eerlijk wat gij kunt! — Eene jonge negerin, die in de AVest-Indiën wekelijks slechts y 3.60 verdiende, gaf eens f 14.40 voor de zending in haar geboorteland; een zwarte matroos niet minder dan honderd gulden. De zendeling Davis in 1843, op

-ocr page 34-

24

zijn vertrek staande uit West-Afrika, ontving- van een zijner zwarte schoolkinderen, dat met groote tranen op de bruine wangen tot hem kwam, een stuiver voor zijn genootschap...^) Het is niet noodig de toepassing te maken.

Niet alleen gaven der liefde, maar ook d i e n s t der liefde op allerlei wijze, wordt gevergd. De zendingzaak kan door alle soort van gaven en moet door alle soort van gaven ondersteund worden. Gelijk er niet voor allen roeping is om zendeling te zijn, zoo ook wordt niet een iegelijk geroepen om deel te nemen aan het bestuur van een zendelinggenootschap. Die er toe geroepen wordt, onttrekke zich niet, schrome geen moeite, geen zorg; spare geen tijd, geen arbeid. De grootste arbeid is gemak, bij wat een getrouw arbeider in het heidenland te verrichten heeft... en wat is hij bij den arbeid der ziele, waarin onze Heiland ons heil heeft uitgewerkt! — Maar ook zonder tot dezen arbeid bepaaldelijk geroepen te zijn, kan men op allerlei wijze met de besturen der zendelinggenootschappen medewerken. De een kan door zijn invloed hun veel gemakkelijk maken, dat hier en elders moeie-lijk is; de ander door zijne gave van overreding veel schadelijke vooroordeelen wegnemen, veel ijver opwekken, die der zaak bevorderlijk is. De zendingzaak te kennen, te bestudeeren, en ten gevolge van dien, door geschriften en gesprekken, juistere denkbeelden omtrent hare noodzakelijkheid en hare goede vrucht al-

(\') Hoffman, 299, I74- Andere voorbeelden Miss. Guide-B. p. 369-Een neger en zijn vrouw (hij smid; zij, kraamster) f120 \'sjaars.

-ocr page 35-

25

gemeen te maken is een dienst van groot gewicht in dit land, en dien wij allen dringend op het hart zouden willen drukken. Het oprichten van kleine hulpgenootschappen in den kring waarin men zich beweegt en waarop men invloed heeft, tot samenbrenging van kleine gaven, tot onderlinge onderrichting in den stand der zaak, en tot gemeenschappelijk gebed is nog niet algemeen ge-noeg in praktijk gebracht. Te Heemstede telt zulk V\' een hulpgenootschap, waarvan ieder lid slechts éene cent in de week bijdraagt, thans vierhonderd leden, daaronder vele kinderen en dienstboden; en op de twee bidstonden, die wij gehad hebben, is daarenboven f 140 gecollecteerd. De helft van die som is aan het Zendelinggenootschap te Rotterdam, de wederhelft aan het genootschap van den Zendelingwerkman (1) ter hand gesteld; de gave van een derden bidstond bestemmen wij voor het genootschap te Zeist (2). Konden wij alle dorpspredikanten bewegen hetzelfde of iets beters te doen! Deed ieder christelijke fabrieksheer of werkbaas iets dergelijks; ieder christelijk onderwijzer en kostschoolhouder! Werd door den laatste de aardrijkskundige les tevens dienstbaar gemaakt aan de kennis van het zendingwezen en van de uitbreiding van Gods koninkrijk! Ik noem slechts enkele dingen om denkbeelden aan te geven en op te wekken. Was ieder christelijk huisgezin een klein zendelinggenootschap. ... en gedacht toch elke christelijke huisvader, in het dagelijksch familie-gebed zijn gezin voorgaande,

Zie het Tijdschrift: Vereeniging. Christelijke Stemmen, 1847, Juli. (a) Aan deze toezegging is sedert voldaan. De collecte heeft ƒ62— opgebracht.

-ocr page 36-

26

ook aan de bekeering der heidenen — van welk een zendingsgeest zou men de gemeente, zou men dit land eerlang doortrokken zien! Ja, dan werden alle kerken van Christus voor de heidenwereld eerlang, wat de Broedergemeente voor haar is sedert honderd jaren; en deze Broedergemeente zelve, zij zou haren grooten ijver nog verdubbelen; ja tusschen alle kerkgenootschappen zou een naijver ontstaan, wie de uitnemendste zijn zou in dezen trouwen arbeid, in dit getrouw gebed, in deze oefening van liefde en geloof, tot verhaasting van den ingang van de volheid der heidenen, de zaligheid van Israël, de wederkomst des Heeren!

Mijne Broeders! Ik heb daar woorden uitgesproken, die mij krachtig herinneren, hoeveel ik tot besluit van deze mijne rede zou kunnen zeggen tot onze en aller aanmoediging, die het werk des Heeren werken, waarover wij spreken. De ingang van de volheid der heidenen, de zaligheid der Joden (onzes Heilands vleesch en been). Zijne persoonlijke wederkomst om te regee-ren op eene gelouterde aarde in een koninkrijk van vrede en rust! Daarop te wijzen, daarvan eene voorstelling en, met hulpe Gods, als een kleinen voorsmaak te geven naar het woord der profetie, hoe zou ik waardiger deze mijne opwekking kunnen besluiten ? Ik zou u ook kunnen rondvoeren door de gezegend-ste oasen der groote heidenwoestijn, die eenmaal bloeien zal als een roos, om u te doen zien, hoe God reeds nu heeft doen regenen op het dorre. Ik zou u kunnen wijzen op den grooten oogst, door Engelsche en Amerikaansche broeders ingezameld in

-ocr page 37-

Tinnevelly in Engelsch Oost-Indië, waarvan de Bisschop van Madras getuigt: „hadden wij zendelingen genoeg, de heidenen zouden bij duizenden komen en Tinnevelly was in weinige jaren een christenprovinciequot; ; op het gezegend Jamaica in de West-Indiën, waar alleen de Broedergemeente elf kerken voor de heidenen heeft gebouwd ; op Nieuw-Zeeland, waar de tegenstelling van wat het was voor dertig jaren bij wat het is in deze dagen wel het grootst zal zijn. Welk een gevoel overweldigde mij, als ik te Londen, bij meer dan een plaatverkooper, de beeltenis van een man zag uitgestald, in den bloei zijner jaren, van een zacht innemend voorkomen, in het gewaad der dienaren der Engelsche Kerk en daaronder las: Bisschop van Nieuw-Zeeland . . . Nieuw-Zeeland, het land der moordenaars (1), der menscheneters! maar waar nu 80,000 inboorlingen onder den gezegenden invloed des evangelies staan, waarheen het Engelsche Bijbelgenootschap reeds 70,000 N. Testamenten gezonden heeft, waar men om meer er van vraagt. .. Een enkele trek (2). Kapitein Symonds wilde den grooten vulkaan, die in het midden des eilands zijn vreeselijk met al de verschrikkingen des bijgeloofs omgeven hoofd verheft, uit wetenschappelijke belangstelling bestijgen, en bood een aan den voet des bergs gebiedvoerenden Nieuw-Zeelander een handvol goud voor zijne vergunning aan. Deze weigerde ; „maar als gij mij een N. Testament geeftquot;, zeide

(!) Men denke aan de Moordenaarsbaai, door onzen Tasman zoo genoemd, naar het daar gebeurde met zijn scheepsvolk. Zie Van Kampen, Ned. huiten Europa. I. 380.

(8) Hoffmann, 527.

-ocr page 38-

28

hij, „zal ik \'t u toestaan.quot; De kapitein bezat er geen. — Ik zou u kunnen brengen in uwe zwarte zendelinggenootschappen, lieve broeders der Broedergemeente ! in de West-Indiën, en in die der Engelschen in Sierra Leona aan West-Afrika\'s kust. Wat is aandoenlijker, dan een bevrijden slaaf in een der vergaderingen te Regentstown als spreker te zien opstaan, en hem te hooren zeggen: „die drie of vier koperstukken heeft, moet ze geven. Bedenkt: een man is blind en loopt in \'t vuur ; wij moeten hem tegenhouden. Zoo zijn onze landslieden; zij kennen God niet: wij moeten voor hen bidden en een anderen spreker, eveneens een bevrijden slaaf: „Geen mensch kan goed doen in eigene kracht: als wij koper geven, dat zegt niet veel. Jezus moet den zendeling zendenquot; l1). Ik zou u kunnen herinneren, dat zoo de apostolische eeuw vijfhonderdduizend zielen tot de belijdenis van Christus gebracht heeft, ook de eeuw der herleving van het zendelingschap, de laatste honderd jaren, hetzelfde getal hebben toegebracht; ja, zoo \'t er op aankomt, nog meer; zeshonderd twee en zeventig duizend monden prijzen dien naam in landen, daar hij te voren niet genoemd is geweest.... Maar genoeg; de bewustheid een enkele ziel te redden van den dood is aanmoediging en belooning genoeg voor het betalen onzer schuld aan de heidenen. De laatste „Berichtenquot; van dit genootschap (2) verhalen ons van een slaaf, Jozef Solon genaamd, die uit liefde voor Gods Woord, uit liefde voor Zijne Ge-

(\') Hoffman, 168.

(«) 1847. N. 5.

-ocr page 39-

29

meente, alreeds niet meer zou wenschen naar zijn vaderland terug te keeren, hoe lief hij het ook nog heeft, met hoe veel geestdrift hij er nog over spreekt. Ziedaar voldoening genoeg. Laat nu al het overige mislukken ; en het zal niet geheel mislukken, wat in den naam Gods begonnen en gedaan wordt; wie onzer zal zich van zijne deelneming aan het zendingswerk beklagen, ook indien hij alleen dezen Jozef Solon, door zijne medewerking, ontmoeten mag in „dat betere, dat is het hemelsche vaderland,quot; waarnaar hij begeerig-gemaakt is, op aarde. En niet dezen Jozef alleen, maar duizende Jozefs zullen wij zien, te midden van de schare, die niemand tellen kan, de schare van alle kleuren, talen en tongen ; duizende Jozefs, toegebracht door het woord der Blijde Boodschap, uit den mond harer getrouwe verkondigers uitgegaan; duizende Jozefs uit de heidenen, voor den troon van dien Jozef uit Israël, wien zijne broeders verkocht hebben, maar die ook zijne broeders behouden zal, en voor Wien ook zijne broeders zich zullen komen buigen .... Buige zich onze ziele voor Hem !

Amen.

-ocr page 40-

De meeste aanteekeningen en bijvoegsels, die hier volgen, zijn ontleend aan het uitnemend, onlangs te Stuttgart verschenen werk van Wilhelm Hoffmann, getiteld Mïssïons-Stunden, waarvan ik de lezing aan allen, die in de uitbreiding van Gods koninkrijk onder de heidenen belangstellen, ten hoogsten aanbeveel, en waarnaar ook aan den voet der voorgaande bladzijden gedurig verwezen is.

-ocr page 41-

AANTEEKENINGEN EN BIJVOEGSELS.

Een arme negerknaap in het jaar 1731, (bl. 2.)

„In de gehoorzalen der universiteit van Halle kwam in de gemoederen van twee vrienden, den graaf Nico-laus von Zinzendorf en den Zwitser Friederich von Watteville, de eerste zendingsgedachte op; bij de praal-feesten eener koninklijke kroning werd zij op nieuw opgewekt, als Zinzendorf, bij de troonsbestijging van Christiaan VI, te Kopenhagen was en een gedoopten Neger uit West-Indië zag, Anton geheeten, die de genade van Jezus Christus blijmoedig groot maakte. Deze zwarte wist te verhalen, dat hij meermalen van christenen eenige woorden had opgevangen, die een tot op dat oogenblik hem onbekend verlangen naar verlichting zijns harten met opzicht tot goddelijke dingen bij hem hadden opgewekt. Vaak had hij des avonds na den arbeid aan de zeekust gezeten en zijne zuchtingen om licht aan het gebruis der schuimende golven gepaard. Hij sloeg den toestand zijner zwarte broederen gade en zag hen allen in onuitsprekelijke ellende. Maar zie! niet lang daarna vertrok zijn gebieder naar Europa en nam hem mede. Daar werd hij

-ocr page 42-

onderricht en gedoopt en was in den dienst van een graaf. David Nitschmann, een van \'s graven Zinzen-dorfs gezelschap, was de eerste, die kennis met hem maakte, en op wien het tafereel, dat hij van den toestand der negers op het Deensche eiland St. Thomas ophing, een diepen indruk teweegbracht. Gaarne was hij terstond heengesneld om der evenzeer naar (xod verzuchtende zuster van Anton en den overigen slaven de vrijheid door Jezus Christus te verkondigen. Dan, de vurig opgevatte en menigmaal overlegde gedachte kwam eerst later tot rijpheid, en wel te Herrnhut zelve, stil toevluchtsoord van vrome zielen, die aan de vervolging der pauselijken in Moravië, Silezië en Bohemen ontvlucht, zich aldaar onder bescherming van den graaf von Zinzendorf verzameld hadden, en aan wie zich daarop anderen hadden aangesloten die, het doode twisten en roemen op rechtzinnigheid in de kerk van die dagen moede geworden, door mannen als Spener en Franke geleerd hadden iets beters te begeeren. Daar trad de neger Anton, die den graaf vergezeld had, zelf in de vergadering der Broeders, en legde in de hollandsche taal, zijnen wensch voor zijne volksgenooten bloot, onder bijvoeging nochtans van de afschrikkende voorwaarde, dat een leeraar der negers noodwendig zelf een slaaf zou moeten zijn, om altijd onder hen te wonen, en beide, het verlof der eigenaars om hen te onderrichten en het vertrouwen der zwarten, te winnen.

Ook dit bijvoegsel verhinderde niet, dat zich in de harten van twee jonge mannen van vast geloof een vuur ontstak, dat sedert in die gemeente voortge-gloeid en zijn warmte en zijn licht over de landen der aarde heeft doen stralen. Zij heetten Leonard Dober en Tobias Leupold. Eerst wilde de gemeente van de

-ocr page 43-

33

hachelijke onderneming niets weten; slechts de graaf begroette het bij beide tegelijk en zonder wederzijd-sche aansporing opgevatte besluit der jonge broeders met blijdschap. Langdurige overweging en bedachtzame toetsing volgden. Er verliep nog een jaar, eer ook de gemeente in het plan der zending komen kon. Zij stelde in de plaats van Leupold den ouderen David Nitschmann. Zoo verlieten dan de negerpredikers Herrn-hut op den 21 Aug. 1732. Hun tocht naar Kopenhagen, hunne reize van daar naar St. Thomas was moeielijk, want bijna een iegelijk belachte hun goed-hartigen, maar dwazen inval, en voorspelde hun het ergste, ja zelfs de neger Anton had over de zaak anders beginnen te denken, en nam al wat hij gezegd had terug. Met dat al bleven de twee welberaden en hielden zich aan de belofte Gods. Slaven, had men hen in Denemarken gezegd, konden zij naar de wetten dier eilanden niet worden, maar wel handwerkslieden. Zij landden den 13 Dec. op het veld huns arbeids.. Zondags voor kerstmis spraken zij voor het eerst tot negers, en wel tot de zuster en broeder van Anton (voor wie zij eenen brief van hunnen broeder te Kopenhagen hadden medegebracht) van Jezus Christus, den Heiland der geheele wereld. Een vroolijk handgeklap was het antwoord op de prediking, die zij in een mengsel van hoogduitsch en hollandsch hielden.quot; Hoffmann, Missions-Stun den. 277— 9.

DE SEDERT ACHT EEUWEN BIJ DE CHRISTENEN VER-ACHTERDE ZENDINGSIJVER WEDER IN GEDACHTENIS, (bl. 2.)

„De eerste eeuw deed de grootste stappen tot verovering der landen voor Christus. Beginnende van Jeruzalem, trok de kerk van Christus naar Syrië, Klein-

-ocr page 44-

34

Azië, Egypte, en oostwaarts tot Babilonië door. Zij plantte zich in Europa, en vervulde Thracië, Macedonië, Griekenland, Illyrië en Italië met de prediking des evangeliums. Of het geklank er van ook reeds te dien tijde Spanje bereikt hebbe, is onzeker. Het was de bloeitijd der jeugd, het Apostolische tijdvak der kerk en der zendingzaak.

In de tweede eeuw werd Gallië (hettegenwoordige Frankrijk) van de zaligmakende prediking dooraderd, en deze stak wel reeds toen ter tijd naar Brit-tannië over. Het noordelijk Afrika zag het heete bloed zijner bewoners door de zachtmoedigheid des evangelies getemperd, Karthago werd een der bloeiendste zetelplaatsen des evangeliums; in het Oosten drong het woord van Christus tot aan de landen des Eufraats door; en zelfs in Indië, of althans in de aangrenzende landen, moet het geklonken hebben.

De derde eeuw munt door geene nieuwe zegepraal der kerk in tot hiertoe onbezochte landen uit. Toch was het een tijd van stille uitbreiding, zoowel binnen de reeds bereikte landen, waarin nog altijd de heidenen de meerderheid uitmaakten, als daar buiten. Daaraan waren de uitbanningen der Christenen dienstbaar. Maar het vrije, vroolijke ijvervuur der zending vlamde reeds niet meer zoo hoog op, want door de vermenging met het heidendom had de kerk aan inwendige kracht begonnen te verliezen.

Met deze eeuw is de frissche jeugd van kerk en zending voorbij. De eeuwen vangen aan, waarin het niet meer is het zuiver evangelie, dat met zijn licht tot de natiën gaat, maar waarin de kerk met al hare krankheden en eenzijdigheden tot de volkeren komt. De tijd der levendige bekeering van enkele zielen, het tijdperk des zuurdeegs is voorbij, en

-ocr page 45-

35

het geldt nu overal, of ten minste meestal, de bekeering der massa\'s, het aannemen van christelijke vormen door vorsten en volkeren.

In de vierde eeuw behaalde het christendom de zege op het heidendom in Armenië en Iberië, drong verder in Perzië door, vestigde zich in Arabië en Ethiopië, onderwierp het krachtige volk der West-Goten en werd in Engeland heerschend.

In de vijfde en zesde werden de Germaansche volkeren in naam bekeerd, de Franken, de Alleman-nen, de Angelsaksen; te gelijker tijd werd Ierland door Patrick voor het Evangelie gewonnen en de uit Azië tot de Zwarte Zee doorgedrongene Barbaren namen zijn uitwendige gedaante aan. Langzaam slechts en in geringe mate kon van den zich reeds verhardenden vorm het wezen en inwendige leven zich losmaken. Toch drong het door, en de nieuwe lente ontbloeide in het Noorden, terwijl het Zuiden onder den versteenenden doodsadem van den Islam verstijfde of in het Pausdom aan strakke banden lag. Zoo gingen drie eeuwen, zeer ongelijk aan de eerste drie, voorbij.

Met de zevende eeuw zien wij de bloesems der noordsche lente zich ontsluiten. Nu stroomen uit Engeland, Schotland, Ierland, de kerkelijke zendboden uit. Het vasteland van Europa is het doel hunner tochten, te dien dage een even gevaarlijk grondgebied, als voor dertig jaren Nieuw-Zeeland, als nog heden ten dage de Nieuwe Hebriden.

Drie eeuwen van zendingsarbeid onder de Duitsche stammen volgen. Gallus, Magnus, Friedlin, Bonifacius, Willebrord en andere vredeboden zijn de arbeiders, welke door den Roomschen Stoel werden aangemoedigd en geëerd, maar minder zijne

-ocr page 46-

36

zendelingen als voorgangers in den echten zendingsgeest. Duitschland en Zwitserland, Holland en Belgie, traden in den kring van verlichting. Ook in de Oos-tersche kerk ontwaakte te gelijker tijd een heilig vuur der liefde Christi. Van de Syrische christenen of Nestorianen en hunne zendingsschool te Edessa gaan zendboden uit naar Perzië, naar het hart van Azië, onder de Tartaarsche horden, tot aan China en Indië. — Negen eeuwen der kerk zijn doorleefd en haar donkerste tijd breekt aan. Maar ook in dezen werkt het Christendom nog tot bekeering der Slavonische volkeren in Polen, Hongarije, Rusland, Pommeren, Pruisen, Lijfland en Litthauwen, onder de noordsche stammen, in Noorwegen, Finland, ja tot over zee in het verre Groenland.

Met het heidensche bederf in de kerk, dat in de vijftiende eeuw zijn toppunt bereikte, kwam ook de heidensche en mohammedaansche zendingswijze onder christelijke vormen tot hare hoogte. Alen vroeg niet meer naar de zielen en hare redding door het geloof, maar de heiden werd als de gruwelijkste ketter aan inquisitie en bloedgericht overgeleverd. Het nieuw ontdekte Amerika werd de jammerlijke schouwplaats eener zending met mutsaard en zwaard, eener zending van vloek en moord. Het afgrijselijk grijnzend gelaat der kerk den heidenen toegekeerd, verried wat binnen in haar omging. Reeds was hare koninklijke heerlijkheid door gruwelen en zonden te schande geworden, het woord des Kruises een leus van woedende haat en dweperij, de liefdevolle noodiging tot het zachtmoedig Lam Gods, een dreigend bevel van menschen-slachting. Men moest wenschen dat de heidenen van het christendom bevrijd bleven, want hunne vruchten waren beter dan die der christenen. Het levendmakend

-ocr page 47-

37

evangelie scheen zijn vermogen op zijne belijders en, juist daardoor, ook de macht om de heidenen te winnen verloren te hebben. Toen erbarmde zich God over de wereld, en in de roemrijke hervorming der zestiende eeuw klonk het kerstgezang luide en krachtig: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, en in menschen welbehagen.quot; Een betere levensadem blies ook over de katholieke kerk en de zendingen der Jezuieten waren veel edeler en gezegender dan de moordbekeeringen onder de Indianen in Amerika. Zij keerden zich oostwaarts naar Indië, China en Japan, westwaarts naar Zuid-Amerika, en wonnen, ja, met dienstvaardig plooien naar heidensche begrippen, honderdduizenden voor de kerk van Rome, maar ook bekeerden zij niet weinige zielen waarlijk tot Christus. De evangelische kerk kampte en worstelde voor haar bestaan, en slechts aan haar zuidelijkste en noordelijkste grenzen gaf zij haar eerste levensteeken aan de heidenwereld, als in 1556 zich veertien vredeboden uit Genève naar Zuid-Amerika begaven, terwijl drie jaar later een zendeling uit Zweden naar Lapland toog. Het was de eeuw der nieuwe grondvesting der kerk. Op haar volgde de eeuw der voorbereiding van het zendingwerk, de zeventiende. Deze was tevens het tijdperk der doode rechtzinnigheid; de kerk bouwde hare schansen en borstweringen tegen de sekten en tegen Rome en, in de drukte van \'t bouwen, waren slechts weinige oogen voor den nood der heidenen geopend. Aan de overzijde der wereldzee predikten door de staatskerk uit Engeland verdrevene kolonisten het Evangelie. Daar bevochten Eliot en Mayhew hunne heerlijke zegeteekenen. In Ceylon en op de Molukken bekeerden de Hollanders door staatsbevelen de volkeren en een groote hoop chris-

-ocr page 48-

38

tenheidenen kwam bijeen. In Engeland ontstond een genootschap tot bekeering der heidenen, het eerste van dezen aard. Ook begon men den Bijbel in de talen der Arabieren, Maleiers en Indianen over te zetten.

De achttiende eeuw was de tijd der aaneensluiting tot het zendingwerk, en tot op onze dagen strekt zich hare werking uit. De Engelschen traden in het jaar 1701 door de stichting van het Genootschap tot Uitbreiding van het Evangelie in den Vreemde, aan de spitse; de edele A. H. Franke, het hoofd der piëtisten te Halle, met de Denen, volgden nog in het jaar 1705, en de apostolische mannenZiegenbalg en Gründ-ler begonnen hun werk onder de Tamoelen. De beroemde wijsgeer Bisschop Berkeley, in Engeland, wijdde zich, sedert 1709, met kracht aan de verlossing der Indianen van Noord-Amerika toe; de onvermoeibare Egede ging van Denemarken naar Groenland, en ontgon het veld voor de Broedergemeente. Deze gemeente werd daarop het gezegendst orgaan van het zendingleven der kerk. In het jaar 1732 snelden hare boden naar de West-Indiën, en tien jaren later hadden zij reeds op St. Thomas en St. Croix, in Groenland, in Noord-Amerika, in Suriname, in Zuid-Afrika, in Guinea, in Tartaraije, op Ceylon, in Algiers en Lapland het Lam Gods verkondigd. In Amerika trad Brainerd op (1741), en in de tweede helft der eeuw lagen reeds zoo vele proeven van de kracht der eenvoudige prediking des evangeliums voor oogen, dat slag op slag de veree-nigingen tot stand kwamen, welke sedert zoo veel zegen en zegepralen onder de heidenen behalen mochten. Zoo ontstond in 1786 het zendelinggenootschap der Wesleyaansche Methodisten, 1792 dat der Baptisten, 1795 het Londensche zendelinggenootschap,

-ocr page 49-

39

1797 het Nederlandsche (\') en Schotsche, 1801 het Kerkelijk zendelinggenootschap in Engeland en het seminarium voor zendelingen te Berlijn.

Zoo zijn wij tot onze eigene eeuw gekomen, tot de negentiende, die wij het tijdperk der zendingondernemingen en der zendi n gzege noemen kunnen. Wij willen niet optellen wat aan een iegelijk bekend is; hoe ook in Duitschland, Frankrijk en Zweden, nieuwe zendelinggenootschappen ontkiemd zijn, welker moeder het Bazelsche genootschap heeten mag. In Engeland zijn nog zeven, in Noord-Amerika zes genootschappen nagekomen. Aan den ingang dezer eeuw, staan als waren het hare heilverkondigende deurwachtsters, twee groote vereenigingen; de eene, het Tractaatgenootschap, in 1799 gesticht, dat in wel 150 talen der aarde over de honderd millioenen kleinere en grootere schriften tot christelijke stichting en evangelisch onderrichr heeft uitgedeeld; de andere, in 1804 gesticht, het Britsch en Buitenlandsch Bijbelgenootschap, dat 25 millioenen Bijbels en gedeelten van den Bijbel (2) in 180 talen en tongvallen in het

(\') Namelijk het Rotterdamsche. Reeds was in 1792 door de Broedergemeente te Zeist een genootschap opgericht tot bevordering der met vernieuwden moed onderuomene zending onder de Hottentotten, en in het algemeen van alle zendingen der Broedergemeente, maar inzonderheid die, welke in heidenlanden onder hollandsche heerschappij werkzaam waren. In 1836 kwam dit genootschap op den tegenwoor-digen voet. — B.]

(\') [Dit getal is vergroot. Ik hoorde in Exeter Hall op de groote openbare vergadering van het genootschap van dit jaar (1847, 5 Mei) het totale cijfer door den secretaris aldus opgeven: 19,741,770. In het afgeloopen jaar 1846 waren er 22,368 ex. minder dan in het vorige, maar 437,223 meer dan in eenig ander jaar sedert het bestaan des genootschaps, verspreid. — B.]

-ocr page 50-

licht gegeven, den Bijbel tot het bestkoope boek gemaakt heeft, en op zijn minst zoo veel exemplaren in het aanzijn geroepen heeft, als vóór zijn ontstaan in al de 4000 jaren sedert het schrijven der eerste bijbelboeken, te zamen in de geheele wereld te vinden zijn geweest. En nog is dit genootschap niet toereikend om aan één op de tien christenen een Bijbel ter hand te stellen, laat staan den heidenen, joden, mohammedanen. Dezen beiden genootschappen staan nog andere zeer belangrijke ter zijde, als die voor de bekeering van het volk Israels in Engeland, Noord-Amerika en Duitschland (\'); want eerst daardoor verkrijgt het werk der zending zijn kroon, dat Israel bekeerd worde, als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan; dat Israel, met zijn geschiedenis van ellende en verlossing, met een machtig prediker-, en getui-genvolk worde toegerust. Immers de zending heeft een groot doel: het rijk Gods op aarde, de zegepraal over de macht der heidenen, de groote, sedert duizendtallen van jaren beloofde uitgieting des Heiligen Geestes over alle vleesch.

„Thans is het de ure, mijne vrienden, dat toont ons de uitslag reeds. Drieëndertig zendelinggenootschappen trekken het net van Christus onder heidenen van zeventigerlei spraak op meer dan 1200 posten, en 2500 arbeiders en arbeidsters, uit de christenwereld uitgezonden, met wel 3000 medehelpers, die uit de heiden-christenen zijn opgetreden, wijden lijf en leven aan de heilige taak. Zij hebben niet vergeefs gearbeid en honderden van zendboden zijn. niet zonder vrucht na te laten van hetgeen zij in tranen zaaiden, in het graf gezonken. Immers, zoo men eerst sedert vijftig

-ocr page 51-

4i

jaren van een ernstigen zendingarbeid spreken kan, de edele spitsleiders van Halle en uit de Broedergemeente niet gerekend, zijn toch 10,000 verloste zielen wel geen kleinen buit te noemen voor ieder jaar. En werkelijk, meer dan een half millioen, ja, nauwkeurig opgegeven, 672,000 christenen, die eertijds heidenen waren, prijzen op den huidigen dag Jezus Christus en danken hem voor de zending der vredeboden.quot; Hoffmann, a. w. 448 en volgg.

EENE OUDE NEGERIN OP ST. THOMAS, (bl. 4.)

„Als in het jaar 1736 de toenmalige bisschop Spangenberg een bezoek op St. Thomas aflegde, vond hij reeds in een huisje, dat men de kerk noemde, den neger Claas, die het gebouwd had, bezig aan een hoop zwarten het evangelie van Johannes voor te lezen. Hij doopte drie negers en vond bij andere de krachtigste sporen van een levend geloof, maar bij ontbrekende kennis. Zoo was daar onder anderen eene oude negerin, Marotta uit Guinea, die \'s morgens en \'s avonds den eenigen God aanbad, kinderlijk op hem vertrouwde, ook gaarne van Christus hooren en tot hem bidden wilde, als zij maar hollandsch verstond. Zij was blijde te vernemen, dat God alle talen verstaat. Zij offerde God de eerstelingen van hare vruchten en verklaarde zich eenmaal nader over hare godsdienstige begrippen: „Er is maar één God,quot; zeide zij; „Pao, d. i. de Vader. Zijn Zoon Masoe is de eenige deur tot hem. De Geest Ce behoort ook tot hem.quot; Als zij nu voor het eerst van de menschwording Gods en de verzoening hoorde, sloeg zij zich op de borst met deze woorden; „Hier ben ik zeker, dat het zoo is als gij zegtquot; en liet voortaan hare offers varen.quot; Hoffmann a. w. 280, 1.

-ocr page 52-

42

DE ROODE INDIAAN, DE EDELSTE ONDER ALLE DE HEIDENEN, (bl. 8.)

De inboorlingen van Noord-Amerika, naar eene valsche voorstelling der ontdekkers, dat Amerika een gedeelte van Indië was. Indianen genoemd, aanbidden geene afgoden, kennen geen veelgodendom, maar den Grooten Geest, die in den hemel woont. Merkwaardig is hunne krachtige, edele gestalte, waarvan een reiziger getuigd heeft, dat die van velen den beeldhouwer een volmaakt model zou opleveren; merkwaardig hunne schoone physionomie, welke, de koperkleur en beschildering afgerekend, zeer veel overeenkomst heeft met de Europeesche; merkwaardig de trekken van verwantschap en gelijkenis, die men tusschen hen en de Joden heeft opgemerkt, en die reeds tot het vermoeden hebben geleid, dat bij hunne stammen het overschot der verlorene tien stammen Israels zou te zoeken zijn (!). Hun karakter heeft vele edele trekken; zij zijn menschlievend en grootmoedig, in den huise-lijken kring vredelievend, welwillend, herbergzaam en beminlijk; heldhaftig, onvermoeid in krijg en jacht. Maar hunne wraakzucht is toomeloos, en slechts door bloed te koelen. De gruwelijkste wreedheden worden in de oorlogen, die voortdurend onder de stammen plaats hebben, aan jong en oud begaan, daar ontel-baren, vooral ook vrouwen en kinderen, die om genade smeeken, zonder barmhartigheid nedergehouwen, geskal-peerd en in stukken gescheurd worden. De skalpen, d. i. de den levenden afgescheurde hoofdhuiden met

(\') Zij hebben een heilige raadshutte, waar priester en profeet he: goddelijke bedienen, en van waar zij tot de opperhoofden spreken, offers en reinigingen, vasten en wasschingen; ja zelfs van een paasch-, pinkster- en loofhuttenfeest wil men sporen bij hen gevonden hebben. Hoffmann, a. w. 176.

-ocr page 53-

43

het haar, zijn de grootste sieraden in de huizen dert Indianen. Als zij krijg-sraad houden wordt een groo vuur aangelegd, en na gedane oorlogsverklaring een werpspiets in den grond gestoken, waarop allen opstaan en in wilde wanorde rondom het vuur beginnen te dansen en te springen. De mannen, naakt en met zonderlinge figuren beschilderd, de speer in de hand, gelijken geen menschen meer, zoo ras de krijgstrom geroerd wordt. De liefhebbende, bedaarde, welberadene huisvader is in een razende verkeerd; hij keert den rug toe aan al wat zijn hart dierbaar is. Hij verwondt zijn eigen lichaam en kwelt zich met langdurig vasten, om zich op allerlei wijze aan het lijdzaam verdragen van pijnen te gewennen. Intusschen zijn er stammen, die zeer vreedzaam zijn, terwijl andere eene neiging tot onophoudelijk oorlogvoeren openbaren. Veelwijverij is algemeen en, gelijk overal, met de grootste ellende gepaard. De vrouw is bij vele stammen zoo veracht, dat tallooze vrouwelijke kinderen terstond na de geboorte gedood worden, en somwijlen is het de eigen moeder, die het kind tegen den wand verplettert, opdat het niet tot een even treurig levenslot kome als het hare is. (Vergelijk de moeder op Nieuw-Zee-land, bl. 10). Want vaak is zij niet anders dan eene slavin, die al het werk doen moet, terwijl de man zich, behalve over de jacht, over niets bekommert. Kindermoord is nog bij vele stammen algemeen, en ontzettend was vroeger ook het menscheneten. Met hunne zuiverder denkbeelden omtrent den éénen God, gaan onderscheidene bij geloovige voorstellingen gepaard. Niet slechts dat, zooals Hoffmann (bl. 176) zegt, „in de godsdienstige huivering, die hen bij de ontzaglijke watervallen hunner stroomen, bij den geweldigen golfslag hunner meren, bij het rollen des donders over

-ocr page 54-

44

hunne onafzienbare grasvlakten of door de reusachtige rotskloven in hun gebergte, aangrijpt, somwijlen iets meer ligt dan het bloot gevoel van de werken des Grooten Geestes, en deze verschijnselen hun symbolen des Onzichtbaren worden, en als zoodanig hier en daar misschien worden aangebeden,quot; maar bij sommige stammen schijnt men ook den Grooten Geest wel eens in een buffel, of wolf, of beer, in een vogel of slang te zoeken; ja zelfs ieder kruipend dier eenigermate vereerd te worden. Weleer hadden ook menschenoffers in menigte plaats. Een leven na dit leven en eene wedervergelding nemen zij aan, maar hunne begrippen van goed en kwaad zijn zeer verkeerd. De dapperste is de beste, en in eere staat hij, die zijn huisgezin onderhoudt, \'t zij dan door dieverij of doodslag; vijand is die iets bezit, dat men voornemens is hem af te nemen. — Zie ITandbüchlein der Missions-Geschichte ttnd Missions-Geographic, herausgegehen von der Calwer Ver lags- Verein, zte Aufl. s. 456. 7, 8; een boekje, dat ik te eerder aanhaal, om het luide aan te bevelen als een kort. duidelijk en zaakrijk overzicht der geheele Heiden- en Zendingwereld.

AFGESLAGEN HOOFDEN TOT SPEELGOED, (bi. 8.)

Men kan zich geen denkbeeld maken van de afschuwelijke wreedheden der Nieuw-Zeelanders, vóór hunne bewerking door het Evangelie. De trekken, door Hoffmann medegedeeld, doen de haren te berge rijzen.

„De heer Wade was ooggetuige, hoe een kind met de afgesneden hand eens hoofdmans speelde, en de heer Anscow zag verscheidene knapen te zamen met het hoofd eens slaafs ballen. Helaas ! men moet ook erkennen, dat vele dezer hoofden naar Europa verkocht werden, en dat er zelfs oorlogen begonnen zijn, om deze afgrij-

-ocr page 55-

45

selijke handelsartikelen voor de museums en liefhebbers in Europa te bekomen, tot dat de gouverneur Darling, in Nieuw-Zuidwallis dien afschuwelijken handel streng verbood.quot; -— Hoffmann, 3 7.

„De heer Anscow overnachtte in het huis eens opperhoofds, en was getuige van het volgende. Een vijftienjarig slavenmeisje kwam naar huis, nadat zij drie dagen zonder verlof uitgebleven was. Als zij binnenkwam, riep de vrouw des huizes een knecht en beval hem, haar te dooden. Een slag met eene akst op haar voorhoofd strekte haar neder, en nog denzelfden avond werd zij voor den maaltijd gebraden, haar hoofd den kinderen tot speelgoed gegeven. Als de heer Earle in Nieuw-Zeeland landde, was het eerste dat hij zag een gebraden negerjongen, die door zijn schip afgeleid, geen acht gegeven had op zijns meesters tuin, en er de varkens in had laten komen. De dood was zijn straf. Als de heer Polack aan de Hokianga woonde, was eens een opperhoofd uitgegaan om te jagen, en had eene slavin bevolen, het eten tegen zijne terugkomst gereed te hebben. Hij kwam terug; het eten was niet gereed; hij greep naar zijn akst, sloeg het arme schepsel dood voor zijne voeten, en ontving zijne vrienden ten eten. Aan het graf eens opperhoofds worden dertien slaven geslacht, opdat hij dienaren hebbe in de andere wereld. Na een vijandelijk treffen worden vaak van veertig tot honderd zulke ongelukkigen tot een zegemaaltijd gebruikt, indien er aan dooden en gewonden niet genoeg is. Wee der arme slavin, die de ijverzucht der voornaamste vrouw haars gebieders opwekt. Het is onmogelijk de wreedheden te beschrijven, die aan haar gepleegd worden. Slechts iets daarvan. Zij wordt naakt aan een boom gebonden, met een zekere stroop overgoten en

-ocr page 56-

46

zoo aan zichzelve overgelaten. Vóór zonnenopgang van den volgenden dag hebben haar millioenen van groote mieren tot een geraamte afgeknaagd. Slechts nog één voorbeeld. Een opperhoofd beveelt zijne slavin den oven heet te maken. Het geschiedt, en nu beveelt haar de onmensch zich zelve daar in te werpen. Zij valt voor hem neder, omvat zijne knieën, en bidt hem haar leven te sparen. Maar tevergeefs. Hij grijpt haar, bindt haar handen en voeten, en werpt haar levend in den gloed.quot; Hoffmann, a. w. bl. 39, 40.

HOE BIJ DE SLAVENJACHT IN AFRIKA JAARLIJKS 200.000 MENSCHEN OMKOMEN, (bl. 8.)

„Het gansche jaar door weergalmt Afrika aan alle zijne einden van het gerucht des krijgs en het jam-mergeschrei zijner bewoners. Van waar deze onophoudelijke en verwoestende oorlogen? Het is het slavenschip van den Portugees, van den Spanjaard, van den Amerikaan ; den vrijen, den met vrijheid pralenden Noord-Amerikaan; dat in de bochten en invaarten der kust zich schuil houdt en op zijne zwarte lading wacht. Het brengt brandewijn, tabak en ijzerwaren. Om deze kostbaarheden tegen hooge prijzen te verwerven, overvallen de opperhoofden of grootere machtbezitters hunne naburen, rooft de vorst zelf zijne onderdanen weg, verhandelt zelfs de vader zijne kinderen. Plotseling ziet een dorp, eene negerstad, zich omsingeld; het geschrei van den aanval weergalmt te middernacht, brandstichtende fakkels vliegen in de vreedzame woningen, de benarde bewoners snellen naar buiten, de sterken worden nedergehouwen, daar zij moeielijk te vangen zijn, de ouden en kranken moeten sterven, daar zij geen voordeel aanbrengen; maar vrouwen, dochters en zonen grijpt de aan erbarming vreemde

-ocr page 57-

47

vijand, en sleept ze naar het zeestrand. Twintigduizend slaven bracht de koning van Ashantee uit eenen oorlog mede, tweeduizend moesten, daar zij zwakkelijk waren, als offers voor de Fetischen bloeden; nog anderen liet hij dooden, daar hun getal te groot was om ze in te kerkeren; tienduizend bood hij ter verkoop aan. Even groot was het getal der slaven, welke de koning van Bomen van eenen enkelen tocht in het land Begharmi medebracht, als ons de reizigers Denham en Clapperton berichten. Om eene schuld aan een Franschen schipper te betalen, vermoordde een opperhoofd bij Liberia een vreedzaam, in den akkerbouw vlijtig negervolk, en betaalde met de kinderen de openstaande post. Hoe het in het oosten van Afrika toegaat, moge ons de graaf De la Borde zeggen, wiens getuigenis in het werk van [Sir Thomas Fowell] Buxton in de volgende woorden wordt gelezen:

De graaf laat een Fransch officier spreken: „ „M. vernam, dat van Obeid, de hoofdstad van Kordofan, jaarlijks vier expeditiën, zoogenaamde gaswa\'s naar de zuidwaarts gelegene bergen der Nuba-negers optrokken. Op zekeren dag hoorde hij (in Kordofan) een groot misbaar; het gansche dorp scheen in oproer. De ruiterij zat op en de voetknechten vuurden onder razend jubelgeschrei hunne snaphanen in de lucht af. Als M. naar de rede vroeg, riep een van de troep juichende uit; „het is de jacht (gaswa).quot; — „Jacht? waarop? op gazellen ?quot; — „Ja op gazellen; zie daar de netten, de touwen, de ketenen. Men zal ze levend thuis brengen.quot; Als de expeditie terugkeerde, liep al het volk zingend en springend de jagers te gemoet. M. ging mede uit, en dacht deel aan het genoegen te nemen. Nooit, zeide hij, nooit zou hij den aanblik vergeten, die zich aan hem opdeed. Wat was het ? -Welken buit

-ocr page 58-

48

dreven deze koene jagers na twintigdaagsche inspanning voor zich henen ? Menschen in ketenen; grijsaards, te zwak om te gaan, op draagbaren; verwonden, die hun vermoeide leden nauwelijks voortsleepten; ontelbare kinderen, hunne moeders volgende, die de kleinsten op de armen droegen; vijftienhonderd negers, gebonden, naakt en ellendig, van vierhonderd soldaten begeleid.

„ „Later vergezelde M. zelf zulk een jacht. Zij bestond uit vierhonderd Egyptische soldaten, honderd welberedene Bedouinen (Arabieren der woestijn) en twaalf dorpshoofden, benevens boeren, die den voorraad reden. Als de plaats der bestemming bereikt was (wat men altijd vóór het, aanbreken van den dag tracht te bewerkstelligen), zwenkte de ruiterij om het gebergte, en sloot de helft er van in een halven cirkel in, terwijl het voetvolk de andere helft bezette. De negers slapen zoo vast, dat zij gewoonlijk reeds ingesloten zijn, eer zij aan redding kunnen denken. Met den opgang der zon begint het vuren uit geweren en kanonnen. Op hetzelfde oogenblik komen van alle kanten uit bosch en gebergte de hoofden der ongelukkige bergbewoners te voorschijn. Zij wijken terug, en achter hen verzamelen zich de vrouwen en kinderen. Nu vervolgt men in vier afdeelingen bergop de vluchtelingen met de bajonet. Het vuur der kanonnen duurt voort, maar zonder kogels; men wil niet dooden, slechts schrik aanjagen. De moedigsten der negers houden aan den ingang hunner holen, waarin zij de vijanden ontvluchten, stand, bedekken zich met hunne schilden, en werpen hunne vergiftigde spietsen. De vrouwen en kinderen staan achter hen, en vuren hen met hunne stemmen aan. Valt het hoofd des huisgezins, zoo geven zij zich zonder tegenkanting over. De door een kogel getrof-

-ocr page 59-

49

den neger wrijft zijne wonde met aarde, tot dat hij uitgeput door bloedverlies nederstort. De bevreesden vluchten met hunne gezinnen in de holen, waaruit de jagers hen met peperdampen verdrijven. De negers, half blind en verstikt, storten zich naar buiten, vallen in de gespannen strikken en worden in ketens geslagen. Drijft het pepervuur niemand uit, zoo onderstellen de jagers, dat de moeders hare kinderen, de mannen hunne vrouwen en zichzelve gedood hebben. Somtijds komt eene door de in het hol schietende soldaten verwonde vrouw wankelend uit rook en damp te voorschijn, met haar kind aan de borst, en valt aan den ingang dood neder. Zooras de negers zich gevangen zien, breekt hunne liefde voor de hunnen en voor hun geboorteland uit. Zij willen van de plaats niet wijken. Eenige klemmen zich met alle kracht aan de boomen, andere knellen vrouw en kind zoo vast aan \'t lijf, dat men ze met den sabel scheiden moet, of men sleept hen, aan een paardenstaart gebonden, over heg en steg bergaf, dat zij gekneusd, bloedende en verminkt beneden komen. Wanneer de eerste aanval op de hardnekkigheid der negers schipbreuk lijdt, grijpt de aanvoerder der jagers naar het onmenschelijke hulpmiddel, hen door dorst te dwingen. Alle bronnen worden bezet. Dikwijls houden zij dat een week languit; men laat hen op de basten van boomen zuigen, tot zij zich eindelijk gedwongen zien, hun gezin, vrijheid en vaderland voor een droppel waters op te geven. Nu laten zij zich gedwee de handboeien aanleggen, en op hun nek een zwaren gaffel laden, dien zij bij iedere schrede moeten optillen. Daarop brengt men hen naar Obeid, en vandaar naar Kaïro. De ouden, zwakken en verwonden geeft men aan de Bedouinen, die heeren zonder genade, welke den harden arbeid met des te

4

-ocr page 60-

grooter gestrengheid eischen, naar mate het te voorzien is, dat de levensduur van hunne rampzalige slachtoffers korter zijn zal. Op den wegens gebrek aan levensmiddelen overhaasten marsch jammeren de arme uitge-putten te vergeefs om eenige verademing; er wordt hun geene keuze gelaten dan die van voort te draven of achter te blijven als prooi van hongerige jakhalzen en hyenen. Eens wezen mij de pas afgeknaagde geraamten den weg tot de naaste halte der karavaan.quot;quot;

In het algemeen mag men aannemen, dat in gansch Afrika nog 200,000 menschen jaarlijks in deze gruwelijke oorlogen omkomen.

Maar dit is nog het einde der ellende niet. Nu worden de arme schepsels verder gesleept. Hooren wij Mungo Park\'s berichten uit het Westen: „De voet van den eenen slaaf wordt aan den naasten voet van zijn buurman met een zware keten vastgeklonken; die keten wordt, opdat zij zouden kunnen gaan, aan een riem door hen opgehouden. Om den hals hebben elke vier slaven een riem, die hen bij elkander houdt. Bij nacht komen hier nog ketenen bij aan handen en hals. Wordt er met schuiten gevaren, dan liggen zij met saamgeboeide handen en voeten op den bodem. Zoo trekt men onder de gloeiende afrikaansche zon dikwijls een dag lang voort, zonder eene bete broods, een druppel waters. Nu zinkt er hier, dan daar een arme vrouw, een zwak meisje ineen. Dan knelt de riem-zweep, om de afgematten op te jagen, en met onuitsprekelijke smart rapen zij de laatste krachten bijeen en sleepen zich verder, tot eindelijk de natuur overweldigd is. „Keel af!quot; is nu het geschreeuw der karavaan, en het moet nog voor menschlijkheid gelden, dat de aanvoerder den bezwijkenden den gorgel afsteekt. Dikwijls moeten de vrouwen nog waterzakken en

-ocr page 61-

5i

vrachten dragen, altijd hare kleine kinderen op den rug torsen. Niet zelden rijden de aanvoerders met de nooit verpoozende zweepen in de hand, en drijven de negers door het heete zand voor zich henen. Die neervalt krijgt slagen tot hij weder opstaat; kranken worden met gloeiende ijzers gebrand. Komt het met het water schraal om, eer het doel der reize bereikt is, zoo schiet men de zwakste slaven uit en laat ze in de woestijn aan versmachting over, terwijl de anderen verder trekken. Honderden, ja duizenden van geraamten bleeken in de akelige wildernis en verkondigen den reiziger het lijden en den jammer Afrika\'s. Ter handelplaats aangekomen, begint men eene uitlezing; de onbruikbare, die de kooper niet begeert, zijn dikwijls te velen in getal, om hen vrij in het land te laten omzwerven. In Badagry werden zevenhonderd vijftig hunner op eens in eene schuit gebracht, in het midden des strooms geroeid, en daar met gebonden handen en voeten de een na den ander in het water geworpen. In Loango werd eene schaar onverkochte negers in de open lucht bijeenverzameld, en een voor een met alle bedaardheid met een knots doodgeslagen. Met hartverscheurend smeeken bidden zij dikwijls den kapitein van een slavenschip hen mede te nemen; daar de niet verkochte vrij algemeen, bij menigten, zonder voedsel, inge-kerkerd blijven en den hongerdood ondergaan, omdat hun onderhoud den handelaar te hoog zou loopen. Daar ziet men hen dan door de ketenen schrikkelijk verwond, van afschuwelijk ongedierte gekweld, als dieren in het woud aan zichzelven overgelaten, oude beenders en allerlei walgelijk ontuig, zelfs enkel aarde verslinden, om het knagen van den honger te stillen. Van de slavenschepen zelve en het transport naar het christelijk Amerika op christen-vaartuigen wil ik niets zeggen.

-ocr page 62-

Het kwam er hier op aan te toonen wat in Afrika zelf geschiedt.quot; Hoffmann, a. w. bl. 120 en volg.

DE BESCHAAFDE CHINEEZEN. (bl. 9.)

Zeer belangrijk zijn de twee hoofdstukken over China, waarmede Hoffmann zijn meermalen aangehaald werk opent; over dat wonderland, door een zoo reusachtige natie van 360 millioen menschen bewoond, zoodat met de bekeering van China alleen, een derde deel van het menschdom tot de kennis des Heeren zou zijn toegebracht. Zeer belangrijk is ook het werkje van Watteville, het Evangelie in China, waarvan eene hollandsche vertaling door de Vereeniging tot Verspreiding van christelijke Lectuur is uitgegeven. Amst. 1844. Indien men het wetenswaardigste van dit land, vooral ook met betrekking tot de zendingzaak, zeer kort wil zien te zamengebracht, kan ik niet beter verwijzen dan tot het tractaatjen, uitgegeven door mijn achtenswaardigen vriend Rev. Mou-rant Brock, Chaplain te Bath, getiteld: china and the chinese (London, Nisbet, sm. Price i^- d.) waaruit ik hier een en ander wil mededeelen.

opvoeding en letterkunde. De Chineezen zijn het volk op aarde, dat de meeste algemeene kennis heeft. Niet dat de kennis bij hen vorderingen maakt, maar dat elk hunner onderwezen is in wat de anderen weten. Kennis is bij hen de zekere weg tot bevordering. Het gewicht der volksopvoeding is reeds sedert zoo lang in China gevoeld, dat een werk vóór de christelijke jaartelling geschreven, van „het oude s t e 1-s e 1 van onderwijsquot; gewaagt, hetwelk vereischte, dat elke stad en dorp, ja elke vereeniging van eenige weinige huisgezinnen, een gemeenschappelijke school bezat. De regeering stelt schoolmeesters voor de krijgs-

-ocr page 63-

53

lieden aan. In groote steden heeft men avondscho-len voor de arbeidende klassen, en kamers van onderzoek naar de gemaakte vorderingen.

Afgevaardigden doorreizen de provinciën, om naar den staat van het onderwijs onderzoek te doen, en exa-mineeren de candidaten voor letterkundige onderscheidingen.

Het volgende, uit een oud boek getrokken, zal doen zien, welke waarde men in China aan kundigheden hecht: „„Che-yim, nog een jongen zijnde, las bij het licht van een opgesloten glimworm.

„ „Sun-kang. las des winters bij het licht, dat door de sneeuw werd weergekaatst.

„„Sun-king maakte zijn hoofd bij het haar aan de balk van zijn huis vast, om niet bij zijne boeken in slaap te vallen.

„ „Chu-mai-chin, schoon hij zijn bestaan vond in brandhout te koop te stellen, las met nauwgezetheid, en vervulde ten laatste eene openbare betrekking.quot;

De Chineezen zijn een geletterd volk. Zij stellen in den eersten rang de bearbeiders van den geest, in den tweeden de bebouwers van den grond, in den derden handwerkslieden, in den vierden, achter alle de anderen, kooplieden. Vandaar dat zij ons en andere buitenlanders, die handel met hen drijven, in een nadee-lig licht beschouwen.

Zij bezitten eene zeer rijke oude en nieuwe letterkunde, eene vrije drukpers, goedkoope boeken overeenkomstig hun smaak, met poëzie en muziek van bevallige compositie, en hunne eigene oude classici. Zij hebben talrijke geschiedwerken, oudheidkundige werken, dramatische opstellen, romans, krijgs- en moord-verhalen,en geschiedenissen van burgeroorlogen.Nieuws-papieren staan onder het toezicht van de regeering.

-ocr page 64-

54

Geschreven taal. Schoon de Chineezen verschillende tongvallen spreken, hebben zij slechts ééne geschrevene taal, die door allen verstaan wordt, \'t Is daarmede gelegen zooals met de inwoners van Europa, die zeer verschillende talen spreken, en toch allen lezen en verstaan kunnen, wat door de cijfers i. 2. 3. 4. enz. te kennen wordt gegeven. Van daar dat, ofschoon de bewoners van het noorden en zuiden in China elkander sprekende niet begrijpen kunnen, nochtans alle menschen in dat ontzaglijk rijk op het papier gemeenschap oefenen. Op deze wijs vereenigt. Cochin, China en Japan medegerekend, eene zelfde geschrevene taal ongeveer vier honderd millioenen van het menschelyk geslacht.

beschaving. De Chineezen zijn bekend met de drie belangrijkste uitvindingen der nieuwere tijden: de drukkunst, het kompas en het buskruit; en dat sedert eeuwen vóór zij in Europa bekend waren.

Hun gevorderdheid in beschaving boven vele natiën openbaart zich door het afschaffen van dat bewijs van barbaarschheid, het dragen van zijdgeweer onder het volk. De groote naijver der regeering mag echter tot deze waarlijk beschaafde gewoonte toegebracht, ja misschien ze veroorzaakt hebben.

In hunne manieren leggen zij groote beleefdheid en hoffelijkheid aan den dag, en in sommige gevallen eene mate van verfijning, welke die van vele ontwikkelde en machtige natiën op aarde te boven gaat. De Chineezen prenten in, grofheden te verachten, in plaats van op de punt te dagen. De man die op onredelijke wijze iemand beleedigt, heeft de publieke opinie tegen zich. terwijl hij die een affront weet te verdragen en te verachten, geëerd wordt. Ook de regeering doet het uiterste, om haar gedrag billijk te doen voorkomen.

-ocr page 65-

55

Van hunne onderscheidene kunsten, van de rijkheid en verscheidenheid hunner zijden stoffen en andere schoone manufacturen, als blijken van gevorderden toestand van beschaving, is het niet noodig te gewagen.

Toen de koning van Frankrijk de weelde van zijden kousen invoerde, was de boerenstand van Midden-China reeds \'van het hoofd tot de voeten in zijde gestoken; en toen de Engelsche adel nog op stroo sliep, had een Chineesche boer reeds zijn mat en peluw, en lagen de ambtenaren op hunne zijden matrassen,

Regeering en wetten. China is menigmaal van regenten, maar niet van regeering veranderd. Het heeft de ellenden van regeeringloosheid en omwenteling niet ondervonden in die mate, waarin andere natiën die hebben doorgeloopen. Waarom niet? Omdat zijne regeering van eeuw tot eeuw op een eeuwige en fundamenteele wet Gods gegrond is — onderwerping aan het ouderlijkgezag. Ziet daar de band van hun maatschappelijk stelsel; de regeering is aartsvaderlijk van vorm. De keizer wordt als de algemeene vader beschouwd, en kinderlijke gehoorzaamheid wordt hem, en om zijnentwil allen overheidspersonen, bewezen. China is een volstrekte, erfelijke monarchie. De wetten, schoon in menig opzicht op wijze staatkunde gegrond, zijn er menigwerf willekeurig en bloeddorstig, en worden met groote gestrengheid en wreedheid ten uitvoer gelegd.

Godsdienst. De keizer vereert den hemel en het volk vereert den keizer. Aan den ledigen troon, of een scherm van gele zijde (de keizerlijke kleur) wordt dezelfde eer als aan zijne werkelijke tegenwoordigheid bewezen. Er zijn in China drie soorten van godsdiensten, of liever van „valschelijk zich noemende philosophic.quot; De eerste dezer drie is de leer

-ocr page 66-

56

van Confucius; deze is de godsdienst van den staat. Aan deze is geen priesterschap verbonden, daar de keizer bijgestaan door de groot-officieren van zijn huis, het ambt van hoogepriester vervult, slachtoffers brengt, wierook brandt enz. De Chineezen vereeren zon en maan, wolken en regen, wind en donder; ook zijn blokken en steenen voorwerpen van aanbidding. Van de twee andere godsdiensten, die slechts geduld worden, is de eene het Budhisme of Fó, dus genoemd naar Budha, een buitengewoon man, lang vóór de christelijke jaartelling in Indië opgestaan. Deze sekte heeft priesters. Lama\'s. Zij heeft ook eenige met die der Roomsche kerk overeenkomstige gebruiken, als rozekransen, celibaat, gebeden voor de dooden, vereering van de koningin des hemels of de heilige Moeder. (In een hunner tempels vond men een borstbeeld van Napoleon, met wierook daarbij.) Ook gelooven zij aan zielsverhuizing. De derde sekte is die van Ta-ou (de rede), ook, naar haar stichter, die van Laou-kjum genoemd, eene soort van epikurische wijsbegeerte, met toove-narij, alchimisterij, levenselixers en geloof aan zielsverhuizing.

Zedelijkheid. Van hunne godsdienstige stelsels is niet veel goeds voor de zeden te verwachten. Wat er goeds is in hunne inrichtingen vloeit uit een andere bron; uit de inscherping namelijk van het vaderlijk gezag. Dit, aangenomen als grondbeginsel van hunne maatschappelijke inrichting, heeft hen verre boven de overige volkeren van het Oosten doen stijgen. Onbekend met God, hebben zij in hunne onwetendheid eene van zijne aloude en blijvende wetten gehouden, en de belofte van het „eerste gebod met eene belofte: Eert uwen vader en uwe moeder,quot; is bij dat merkwaardig volk, van eeuw tot eeuw, even wonderbaar als luister-

-ocr page 67-

57

rijk vervuld. Zij hebben onwetende de goddelijke instelling geëerd, en hun tijdelijk loon is hun niet ontgaan. „Hunne dagen zijn verlengd in het land;quot; want van alle volkeren der aarde zijn zij het langst achtereen voorspoedig geweest. — Versche gebeurtenissen hebben de Chineezen als tot in hooge mate verraderlijk en wreed doen kennen, en getoond dat op hun woord niet te rekenen valt. Zij zijn valsch, listig, en op bedriegen uit; en het voorschrift der gezaghebbers van het volk is ten opzichte van vreemdelingen: „de barbaren, de buitenlandsche duivels, als beesten te behandelen.quot; Hun volkstrots is buitensporig, en gaat gepaard met eene volstrekte onkunde van al wat andere volken betreft. Slavernij bestaat onder hen, en de wet verleent geene gelijke rechten aan slaaf en meester. Ouders verkoopen hunne kinderen gedurig als slaven. De vrouwelijke kunne staat aan de laagste vernedering bloot, en wordt onder de mindere soorten van schepselen geteld. De geboorte van een meisje vervult het huis met misbaar.quot;

De wraak wordt door het voorschrift van Confucius gewettigd. De pijniging is bij rechterlijk onderzoek in gebruik. De wetten worden met groote wreedheid toegepast, en de Chineezen zijn over het algemeen baatzuchtig, koelbloedig en onmenschelijk. Een groot getal menschen wordt veroordeeld om onder den blooten hemel te sterven, om de moeite uit te winnen hen in krankheid op te passen.

Ter voltooiing van het tafereel zij gezegd, dat er geen wet bestaat, die den moord van vrouwelijke kinderen verbiedt. Zoo verhaalt men ons van een doodenkar, welke dagelijks de straten van Pekin doorkruist, om doode of levende kinderen op te nemen, die men in denzelfden wagenbak werpt. De heer

-ocr page 68-

58

Abeel, zendeling te Amoy, verhaalt, dat vele „gegradueerde personen, of die naar eenen graad stonden en te Amoy kwamen om voor de hoogste burgerlijke overheid geëxamineerd te worden, hem mededeelden, dat in hunne dorpen de meerderheid der vrouwelijke kinderen op wreede wijze vermoord werd.quot; Op een anderen tijd zeide hem een ambtenaar der regeering van hoogen rang, dat „in plaats van hare kinderen lief te hebben, Chineesche moeders een groot aantal daarvan van kant maakten, en dat dit in het omliggende land in eene verhouding van drie of vier op de tien plaats had.quot; De heer Abeel zegt; „In een dorp, Aunai geheeten, vernam ik, dat ongeveer een derde der vrouwelijke kinderen verdaan werd. Mijn berichtgever verhaalde mij, dat hij van zijn eigen kinderen twee van de vier vermoord had. Een man van Pulamkio bekende, dat hij er verleden jaar (1842) een, en het jaar te voren ook een had omgebracht. Zijn reden was dat hij er al drie had, en niet in staat was in de meerdere onkosten te voorzien.quot; Nog verhaalt hij „dat, terwijl hij bezig was de menigte toe te spreken, een man een kind ophief en in \'t openbaar erkende, dat hij vijf zulke hulpelooze wezens had gedood en slechts een behouden.quot; Het getuigenis der verzamelde dorpelingen wenschende te vernemen, deed ik openlijk de vraag: „Hoe groot een getal van meisjes wordt in dit dorp bij de geboorte verdaan?quot; Het antwoord was: „Meerdan de helft.quot; Een man, met wien de heer Abeel bekend was, verhaalde hem, dat een zijner bloedverwanten, een rijk man, na de geboorte van zijne eerste twee dochtertjes er achtereenvolgens vijf gedood had. Om kort te gaan, na een zeer nauwkeurig onderzoek verklaart de heer Abeel het er voor te houden, dat de gemiddelde bevolking in den omtrek van Amoy om-

-ocr page 69-

59

gebracht, op ongeveer nauwkeuriger, op 39 van

de honderd, nederkomt.

Ziedaar in \'t kort China\'s toestand in zijn goed en kwaad, en hoe ontzettend het laatste \'t eerste overtreft. Een natie van afgodendienaars en materialisten, zonder hope en zonder God in de wereld.

HET LOT DER VROUW BIJ DE HEIDENEN (bl. 9).

Een paar staaltjes uit Hoffmann\'s Missionsstimden (bl. 61 en 343)! Zij zijn uit verschillende wereld-deelen.

S a n d w i c h-E i 1 a n d e n. De vrouwen worden het niet minder gewaar, dat zij in een heidenland geboren zijn. Ofschoon de gemalinnen der Opperhoofden zelve tot het hoogste gezag kunnen geroepen worden, zoo ligt toch de vrouw, van de koningin af tot de slavin toe, onder het taboe (2). Mannenarbeid mag zij als een lastdier verrichten; handels-artikel, slavin mag zij zijn, maar nooit wage zij het aan zijnen disch te zitten, of eene spijze aan te raken, die voor hem bestemd is; en voor hem is al het goede en lekkere. Alles is taboe, dat hij in zijne zelfzucht voor zijn gehemelte, of tot wat einde ook, zich voorbehouden heeft. Het vleesch van zwijnen, schildpadden, haaien, de banaan en de kokosnoot zouden voor de vrouw te goed zijn; zij komen alleen den man toe, en zelfs de moeder

f1) De vorige periode begon de schrijver met de woorden: Kinder\' moord is het ijzingwekkend woord, dat op deze eilanden geschreven staat.

(2) Taboe of Kaboe is de heilige ban, die de dingen, waarop hij gelegd is, onaanraakbaar maakt voor een iegelijk, behalve voor die hem heeft uitgesproken.

-ocr page 70-

6o

zou er niet van durven proeven, terwijl haar kleine jongen dat alles in overvloed geniet.

N amaqu a-land (ter westkust van de Kaap.) „Slechts ééne jammerlijke gewoonte hebben zij : op hunne rooftochten de kranken, al ware \'t vader of moeder, in een bosch achter te laten, waar zij van honger sterven of den honger der leeuwen stillen. Wij zouden echter het heidendom niet in zijnen aard lee-ren kennen, indien wij niet wat dieper in het huislijk zijn intraden. Hooren wij uit den mond van eene Nama-qua-vrouw, hoezeer zij het vertrek van den Zendeling betreurde, door wien zij in een beteren toestand gekomen was. „Want,quot; zeide zij, „eer gij tot ons kwaamt, waren wij in den ellendigsten toestand; wij werden door de mannen als dieren, ja erger dan dieren behandeld. Waren wij thuis, dan moesten wij de woning opbouwen en herstellen en dag aan dag moesten wij op het pad om honig, wortels en brandhout te zoeken. Terwijl wij dat deden, liepen de mannen meestal ledig; kwamen wij tegen den laten avond terug met hetgeen wij voor hen en onszelve verzameld hadden, wij mochten zonder hun verlof in hunne tegenwoordigheid niet gaan zitten. Hadden wij niets gevonden, wat dikwijls gebeurde, wij werden geslagen. Gingen zij op de jacht, wij moesten het keukengoed, de kleine kinderen en alles wat de mannen voor zich-zelve noodig hadden, op onze schouders nemen en als pak-ossen achter hen aan komen. Hadden zij hun wild gedood, zoo moesten wij voor hen koken en durfden geen bete nemen, voor zij gedaan hadden; daarop mochten wij ons van hen verwijderen om het overschot op te eten. Als gij weg zijt, zullen wij er erger aan toe zijn, dan of gij nooit waart gekomen.quot;

-ocr page 71-

6i

DE NEGERS EN HUNNE KINDEREN (bl. IO.)

De heer Wilson deed in het jaar 1842 onderscheidene onderzoekin gsreizen onder de West-Afrikaansche stammen. In Juli van dat jaar kwam hij te King William\'s Town, een neger-oord en handelplaats aan de Gabunrivier, bijna onder de linie, tegen over het eiland St. Thomas, in een zoogenaamde slavenfactorij, toebehoorende aan een Spanjaard. Zie hier hoe hij ons het tooneel beschrijft, dat zijne oogen daar gezien hebben: „Toen wij aan de poort kwamen, hoorden wij de slaven allen praten; een verward gedruisch van allerlei geluiden, niet ongelijk aan dat, hetwelk men bij het intreden van eene groote verzameling van wilde dieren verneemt; maar op hetzelfde oogenblik, als de deur openging, werd het stil, en als wij de slaven naderden, heerschte er een zwijgen als van het graf. Aller oog was strak op ons gevestigd; wat alle deze menschenharten gevoelden, kon men slechts uit hun gebarenspel opmaken. Vele hunner hadden nooit een blanke gezien, behalve hunnen kooper, en misschien zelfs dezen niet. De meeste verkeerenin den waan, dat zij bestemd zijn, om door de blanken opgegeten te worden, en de goedheid, waarmede men hen behandelt, beschouwen zij als een soort van mesting voor het slachthuis. Bij ons binnenkomen verwachtten zij, dat de slachtoffers gekozen zouden worden, of dat de tijd hunner inscheping gekomen was, en zoo verdween voor hun gemoed de laatste zwakke hoop van aan de hunnen te worden wedergegeven. —- Ik zag hier men-schen van beide geslachten van vij f- tot veertigjarigen leeftijd. Vele rookten, want men gaf hun een een weinig tabak. Geen enkele hunner droeg iets, dat naar kleeding of bedekking geleek. Vele waren lichtzinnig en lustig in spijt van hunne boeien; andere door

-ocr page 72-

62

wrok tot op den rand van krankzinnig-heid gebracht; verre de grootste meerderheid scheen ernstig, droefgeestig, melankoliek. De mannen waren meest twee aan twee, bij de enkels aaneengesloten; wilden zij gaan, wat slechts met pijn kon geschieden, zoo leide de een den arm op den schouder van den ander; vrouwen, meisjes en jongens droegen een ijzeren ring, waardoor een keten liep, die hen bij veertigen of vijftigen aan-eenkoppelde. Slechts kinderen onder de tien jaren droegen geene ketens. Het bamboes-huis dat tot nachtverblijf diende, had drie door de gansche lengte van \'t huis heenloopende beunen van zes voet breed, en één voet boven den grond, waarop bamboes matten lagen. Hier lagen zij door geen enkele lomp tegen de koude des nachts en het steken der muskieten beschermd; waarvan de laatste in dit land en in dit jaargetijde eene bijna onuitstaanbare kwelling zijn. — Eéne groep deed mijn hart op het pijnlijkst aan. Zij bestond enkel uit moeders, die men kort te voren hare kinderen had afgenomen. Hare samenketening was een barmhartigheid der oppassers, omdat reeds de gelijkheid van smart haar te zamen gebracht had. Hare eigenaars wisten wel, hoe het de van haar hart gescheurde kinderen vergaan was, maar hun deerde dit weinig, terwijl de aangezichten der arme moeders eene mate van zielsangst uitdrukten, welke ik niet vermag te beschrijven. Kinderen, die te jong zijn om ze te transporteeren, of die een slavin pas ter wereld heeft gebracht, worden gewoonlijk kortweg omgebracht, en dit was ook het lot der kinderen geweest, om welke hier zoo smartelijk getreurd werd. De neger van West-Afrika is door zijn bijgeloof, hoe afgrijslijk, toch nog niet zoo ver gekomen, dat hij zijne kleinen ten offer brengt, maar

-ocr page 73-

63

door de hebzucht der christenen worden deze gruwelijke offers bijna dagelijks geëischt. Nadat ik alles wel overzien had, verliet ik de factorij, met gewaarwordingen, die mij verbieden zullen ooit weder een dergelijke plaats te betreden.quot; Hoffmann, a. w. bl. 131, 133.

RADELOOZE ZELFKWELLING EN WOEDEND WROETEN IN EIGEN INGEWANDEN, (bl. II).

Van het wroeten in eigen ingewanden door inwen-digen krijg, veete, bloedwraak, dikwijls ook door menschen-offers, of door menschen-verslinding, mogen vooral de met den dag verminderende bevolkingen der Australische eilanden; en in de eerste plaats Nieuw-Holland getuigen, en ook Noord-Amerika en Indië ten voorbeeld zijn. In zelfkwelling zijn vooral de Indische landen overvloedig. „Hoe zwaar de vloek der zonde op deze heidenwereld drukt, ziet men op zielschokkende wijze aan hunne godsdienstige oefeningen. Hoe martelen zich de Yogi\'s en Fahu\'s, en hoe zij verder hee-ten mogen, op het ontzettendst en kruisigen het vleesch (in vleeschelijken zin) op de jammerlijkste wijze, om de zaligheid te verkrijgen ? Hier ziet men er een, die voor jaren de belofte gedaan heeft, de handen niet meer te openen, zoo dat hem thans de nagels daar doorheen zijn gegroeid ; daar staat een ander, die ze voor altijd loodrecht omhoog houdt, waardoor ze zoo stijf geworden zijn, dat hij ze niet meer naar omlaag zou kunnen brengen. Hier staat een derde, die sedert tien jaren zijn leven staande heeft doorgebracht, en nu niet meer gaan kan, zoo dat men hem voortschuiven of dragen moet. Een ander ziet onafgebroken in de zon, wat bij een altijd helder uitspansel, als waarvan wij onder dezen fletschen hemel ons geen begrip kunnen maken, en bij den ontzettend sterken gloed der zon, uithoofde

-ocr page 74-

64

van welken zij bij de inwoners als een schrikbaar despoot gevreesd wordt, een ongeloofelijke kwelling is. En toch moet men zeggen, in al deze zelfpijnigingen ligt duidelijk het streven naar verzoening met God. Zoo vermoordt de godsdienst van Indië den Hindoe naar ziel en lichaam, en er behoort zekerlijk een groote moed toe, in deze moordholen, waar moordenaars en vermoorden dooreen liggen, binnen te treden. Deze gruwelen nochtans vindt men in Indië niet alléén. D e hoofdtrekken der heidenwereld zijnin Indië, in Afrika, en in Amerika, in het wezen der zaak, dezelfde. Nog heerscht in eenige streken van Indië het gebruik der menschen-offcrs. In Gumfur offert men telken jare vele honderden van menschen. De ten offer-dood bestemde wordt gevangen, aan een paal gebonden, gewasschen en geheiligd, en ten bepaalden dage eet, drinkt en jubelt men der godin ter eere; eindelijk verschijnt de priester en zijne helpers, en maken den ter dood bestemden ongelukkigen jongman of de ongelukkige jonge dochter, die reeds verscheidene dagen lang geweten hebben wat hen wachtte, tusschen een gespleten boom vast, en als zij zoo gebonden en gekneveld zijn dat zij zich niet in het minste meer verroeren kunnen, dan komt de priester met een kleinen bijl, verwondt het rampzalig offer, en van dat oogenblik aan heeft een iegelijk het recht, een stuk vleesch van het lichaam te snijden en op zijnen akker te dragen, en dien met het bloed te besproeien opdat hij vruchtbaar worde. Dat geschiedt nog heden ten dage in Engelsch Indië, en de regeering kan het niet verhinderen.quot; {Hoffmann, a. w. 489—go.) Wat in Nederlandsch Indië, op het eiland Bali steeds plaats heeft, daarvan levert ons het laatste maand-bericht van het Ned. Zendeling-Genootschap wederom een bloedig

-ocr page 75-

65

bewijs, in de mededeeling van hetgeen een ooggetuige verhaalt van het vrijwillig zich opofferen van een weduwe na den dood haars mans. Het was een van de drie weduwen van een priester, die, jong en schoon, en gelukkig kinderloos, zich niet wilde laten afbrengen van het denkbeeld, om zich bij het ten toon gestelde lijk haars echtgenoots te laten krissen (met de kris, het zijdgeweer der inboorlingen dooden). Als alle de bij zulk een plechtigheid vereischte ceremoniën waren aigeloopen, plaatste zich haar broeder; (het is altoos een nabestaande, die den eersten krissteek geeft, maar nimmer vader of zoon;) „plaatste zich- haar broeder „voor haar en vroeg haar fluisterend, of zij nog besloten bleef te sterven, en toen zij met het hoofd een „toestemmend teeken gaf, vroeg hij haar vergiffenis, „dat hij verplicht was haar te dooden. Eensklaps „greep hij zijn kris, en drukte haar die in de linkerborst, maar niet ver genoeg, zoodat de ongelukkige „overeind bleef staan. De jongeling wierp daarop de „kris weg, en nam de vlucht. Een der aanzienlijken „en grooten naderde nu, en drukte zijn kris tot aan „het gevest in den boezem der lijderes, die onmiddellijk ineenzakte, zonder een kreet te slaken. De vrou-„wen leiden haar op een mat, en trachtten al rollende en drukkende, het bloed zoo spoedig mogelijk „te laten vloeien. Daar het slachtoffer nog niet dood „was, drukte men de stervende nog een kris tusschen „de schouders. Men legde haar vervolgens op de „stellage, naast haar man. Dezelfde plechtigheden, „die voor dezen verricht waren, begonnen ook voor

„haar.....De inlandsche toeschouwers, die het bloed-

„bad bijwoonden, zagen in deze slachting niets bijzon-„der afschuwelijks. Zij lachten en praatten, alsof er „niets buitengewoons voorviel. De man die de laatste

5

-ocr page 76-

66

„steken gegeven had, droogde zijn kris af, en stak „ze met zooveel koelbloedigheid weer in de scheede, „en vervolgens in zijnen gordel, als een slachter, die „een dier heeft gedood. Het zijn alleen de vrouwen „der rijksten van het land, die zich laten verbranden, „dewijl dit meer kosten veroorzaakt dan het krissen. „Men maakt in dat geval een zeer hooge stellage „van bamboes. De ongelukkige bestijgt die, na vele „plechtigheden. Als het vuur zijne hevigste hitte heeft, „springt zij van boven neer, in het midden der vlammen.quot; Maandbericht van het Nederl. Zend. G. 1847, N, 11.

EEN SCHULD VAN VERZUIM, (blz. 15).

Deze rust niet in g-eringe mate op ons vaderland, en tenzij men ijverig zich daartoe begeve haar af te lossen, zal zij al onze vrijmoedigheid voor den Heer wegnemen, en zijnen zegen van Kerk en Staat weren. Zegt niet „ons land is zoo klein,quot; maar zegt; „onze christelijke ijver is zoo gering.quot; Ons land was niet te klein om in een oogenblik van gevaar en opdat de drukkende staatsschuld niet vergroot werde, bij vrijwillige leening, eene som van honderd zeven en twintig millioenen guldens op te brengen, in twee jaren; ons land is niet te klein, om een jaarlijksche vertering van ten minste derde half millioen aan wijn, van meer dan vijf millioen aan sterke dranken te maken (1); ons land is niet te klein, om bezittin-

(\') De accijns op deze artikelen bracht in I846 op als volgt:

Wijn .... ƒ 699,314. 826.

Binnenl. Gedistill. „ 2,459,66. 96.

Buitenl. Gedistill. „ 157,004. 236.

Hetwelk de volgende consuratie onderstelt:

Wijn . . . 62,161 vaten (hektoliters — 100 Ned. kan). Binnenl. Gedist. 204,971 dito dito.

Buitenl. Gedist. 6,280 dito dito.

-ocr page 77-

6?

gen in de Oost te hebben, die jaarlijks negen milli-oen, acht maal honderd duizend gulden in de ontzettende staatsschuld dragen kunnen, en daarenboven nog ten behoeve van het moederland, drie of vier millioenen afwerpen; niet te klein om deze millioenen

te verslinden..... Maar er zijn in onze groote Oost

— zegt het niet in Askalon, verkondigt het niet op de straten van Gath — nog niet zoo vele Nederlandsche zendelingen, als er millioenen heidenen zijn onder de volstrekte heerschappij van onzen koning!...... Belijden wij deze schuld en — gevoelen wij ons gevaar! Het is openbaar, dat de Nederlandsche Staat, zonder zijne koloniën, zich niet zou kunnen staande houden. Java is zijn groot plechtanker; Java is begeerlijk in de oogen van de naburen; Java is niet te behouden, indien een sterkere komt om het aan Nederland te ontnemen. God nochtans kan het ons bewaren. Maar hebben wij vrijmoedigheid om het te hopen, indien de christenen van Nederland aan dat heidenland hunne christelijke schuld niet betalen, en het evangelie des kruises, het evangelie van de door het Lam Gods betaalde schuld, hun niet bekend maken, die hen voor den tijdelijken ondergang behoeden, ten koste van al hun zweet ? Zouden de christenen in Nederland er geen rechtvaardigheid Gods in moeten zien, indien zij Hem dat heidenland aan een ander volk zagen geven, waarvan althans het in ernst christelijk gedeelte zich beter kweet van zijn evangelischen plicht?

In het jaar 1672, schreef een Hollander van het

Bij onze berekening is de uitgave voor een vat wijn, door elkander gesteld op slechts ƒ40, en voor een vat gedistilleerd door elkander, op slechts ƒ 24. Het verkregen totaal (ƒ7,656,464) is ruim 207 maal zooveel als, in het laatste Genootschapsjaar, door het Ned. Zendeling-Genootschap aan collecten en contributiën is ontvangen (ƒ36,832,12).

-ocr page 78-

68

schoone eiland Ceylon; „Is het niet te duchten, dat „ons die mate van Gods gramschap ingeschonken zal „worden, om ons uit dat heerlijk land met den bezem „des verderfs uit te vagen, en hetzelve uit te braken, „wanneer niet meer naar Gods eere en naar billijk-„heid getracht werd? \'t Is niet genoeg Landen en „Steden te overwinnen, als men het Rijk van Jezus

„Christus niet tracht voort te zetten...... God geve,

„dat de profetie over ons niet waar worde, maar dat „dat eiland, met zoo veel bloed, goed en tijd gewon-„nen, de E. Compagnie lang tot een gezegende kroon „mag strekken.quot; (Baldeus, Beschr. van Ceylon, Amst. 1672, fol. 13 (1).

In het jaar 1795 bezetten de Engelschen de kolonie, die sedert in hun bezitting is gebleven. Door hen is het gansche eiland met zendingposten overdekt en zijn ook Amerikaansche zendelingen toegelaten.

EUROPA\'S EERSTE GRUWELDAAD IN AMERIKA, (bl. 16.)

Zie hier wat Don Bartholomé de las Casas, door de regeering van Spanje, tot „beschermer der Indianenquot; (later tot Bisschop van Chiapa) benoemd, omtrent dezen aan zijnen koning schreef: „De Indianen zijn eenvoudig, goedaardig, argeloos, waarheidlievend, vreedzaam en geduldig. Maar zij zijn een week, tenger en krachteloos geslacht. De boerenkinderen onder hen hebben minder lichaamssterkte dan de vorstenzonen van Europa, die in alle weelde zijn opgebracht. Zij zijn arm, maar tevreden, zonder zorgen of eerzucht. Leer-

(1) Zie dergelijke klachten en voorspellingen in andere werken van denzelfden schrijver: Beschr ijv. van Malabar e7i Choromandel, f. 140; Inleidingh tot de Malabaarsche Spraakkonst, f. 194, en Hendrik Velse, B. d. G. W., Grondvesting des Christendoms op de kust van Cho-romandel en Malabar, door de Deensche Missionarissen op Tranque-bar. Voorrede, \'s Grav., 1739.

-ocr page 79-

6g

zaam, bevattelijk en rein van zeden, zijn zij tot het aannemen des Christendoms voorbereid. Als zij den waren God leeren kennen, zal er nauwelijks een gelukkiger volk op aarde zijn dan zij. — Maar de Spanjaarden vergaten, dat zij menschen zijn en behandelden hen met eene wreedheid, tijgers, wolven en hongerige leeuwen waardig. Sedert 42 jaren heeft men hen vervolgd, onderdrukt en uitgeroeid, door alle middelen, die de menschelijke boosheid tot hiertoe ten dienste stonden, ja, de dwingelanden hebben nog nieuwe middelen uitgevonden. Zoo is het geschied, dat van de 3 millioen inboorlingen, die Columbus op Hispaniola (St. Domingo, Haïti) vond, er nog slechts 200 inleven zijn; dat op het groote eiland Cuba geen enkel oorspronkelijk bewoner meer te vinden is; dat Porto-Rico en Jamaica er geheel van ontbloot zijn; dat op de 60 Lucaya eilanden (Bahama\'s), die een half millioen gelukkige inlanders spijsden, nu nog maar elf inlanders zijn te vinden.quot; (H. a. w. bl. 265.)

EUROPA\'S TWEEDE GRUWELDAAD IN AMERIKA, (bl. 16).

„Reeds lang voor Las Casas dat aanried, waren negers uit Spanje en uit Noord-Afrika, als sterk gebouwde lieden en bekwame arbeiders, naar West-Indiën overgebracht geworden. Dat was het begin van den onzaligen Neger handel, en West-Indiën werd, nadat zijn oorspronkelijk volk in het graf gezonken was, opnieuw de pijnbank van eene andere, ditmaal van eene in den slavenboei derwaarts gesleepte natie. Nog eer Christophorus Columbus zijn anker in de doorschijnende zee der Bahama-eilanden vallen liet, had de slavenhandel door Portugeesche zeevaarders eenige uitbreiding gekregen. Zij haalden aan de westelijke kust van Afrika de zwarte krijgsgevangenen der Mooren, die

-ocr page 80-

zij tegen koopwaren inruilden en naar Spanje brachten. Weldra begon men hen van daar naar West-Indiën te zenden, om in de goudmijnen, en waar deze niet meer zoo mild waren, op de velden der Europeanen te arbeiden. Uit goede, menschlievende inzichten werd deze handel, door kardinaal Ximenes, tijdens hij in Spanje het bewind in handen had, en later door Keizer Karei V gebillijkt. Reeds van voor het jaar 1517 werd eene regelmatige invoer van 4000 negerslaven jaarlijks in West-Indiën toegestaan. Deze groote vorst wilde, daar hij het kwaad, door zijn toestemming aangericht, inzag, den West-Indischen negerslaven de vrijheid geven; maar zelfs de wil eens keizers moest schipbreuk lijden op de hebzucht zijner onderdanen en op de vermeende onontbeerlijkheid der slavernij. Het kwaad ging steeds verder; de christelijke regeeringen van Frankrijk, Engeland, Holland, Zweden en Denemarken volgden, en weldra was de negerhandel een vast gebruik der zeevarende staten, die koloniën in Amerika hadden. Hoe grootelijks hij toenam, toont ons de bijzonderheid, dat gedurende 100 jaren, alleen in de Britsche koloniën in West-Indiën, 2,130,000 arme negers werden ingevoerd, hetgeen over het geheel een bedrag van ten minsten 6 millioen neger-levens doet onderstellen. Lang reeds had het Europeesch geweten zich niet meer met de leugen der scheepskapiteins kunnen paaien; dat de Afrikanen vrijwillig naar West-Indiën overkwamen. Maar welke was de toestand dezer ellendigen, als zij niet in het schip smoorden, waar zij als balen opeengepakt werden, zoo dat ieder hunner, op den rug liggende, slechts eenige duimen vrije ruimte boven zijn lichaam had, tot aan de naaste stelling, die weder met zijns gelijken bedekt was? Men stelle zich het slavenschip voor, aan

-ocr page 81-

7i

een West-Indisch eiland geland. Nu worden de slaven onderzocht. Velen hunner lijden aan wonden en verzweringen, welke de ketenen en de ellendige ligging te weeg brachten. Nu komen de heillooze kwakzalvers en heelen het leed met scherpe middelen en giftige dranken, in den kortst mogelijken tijd, zoo dat de slachtoffers dezer op de slavenmarkt berekende geneeskunst vaak jammerlijk wegkwijnen en sterven. Indien de slaaf slechts leverbaar is, wat gaat het overige den verkooper aan ? Hierop begint voor de negers de hardste beproeving. Zij worden allen als een kudde naar de slavenmarkt gevoerd; de koopers komen, beschouwen en betasten hen, en als de koop gesloten is, scheurt men de gade van den gade, het kind van de moeder. Hoe dikwijls zag men voor den verharden planter de vertwijfelde moeders op de knieën, hem de voeten kussende, terwijl de kinderen zich snikkende aan haar vasthielden, en het wanhopig moederoog de bede uitsprak, welke de tong niet kon uitbrengen: koop mijne kinderen ook! Maar de planter wil slechts een of twee der kinderen, de gezondste; de moeder en de andere laat hij weenend en snikkend aan hun plaats. Nu komt een ander; hem staat de moeder aan; zij wordt, daar zij niet scheiden kan, met geweld van de kinderen gescheurd en weggesleept. De arme wanhopige kleinen zijn zwakkelijk en worden voor een daalder het stuk aan een kleinhandelaar verkocht, die hen op het omliggend land bij de kleinere planters afzet. Komt do gekochte neger op het landgoed van zijn nieuwen heer, zoo mag hij zich gelukkig achten, indien de een of ander zijner hoedanigheden hem de plaats van huisslaaf doet bekomen, en hem in keuken, hof of stal zijn arbeid aanwijst. De meesten echter treft het lot om veldnegers te worden. Is het een kof-

-ocr page 82-

72

fieplantage waar de neger te werken heeft, zoo gaat het nog wel; want hier heeft hij slechts de aarde om de oude planten om te spitten, nieuwe te zetten, onkruid uit te wieden, en de vrucht te verzamelen, te drogen en te doppen. De arbeid in de boomwol is reeds zwaarder. Deze moet hij vóór het aanbreken van den dag opzamelen, de wol zorgvuldig van het zaad zuiveren en ze dan helpen pakken. Hier is de inspanning groot, maar het grootst is zij op het suikerveld. Daar moet de neger gansche dagen lang, in den gloed der keerkringszon, in gebukte houding met de spade arbeiden; hij, die in zijn heet vaderland zich voor de macht der middaghitte in de schaduw zijner hut of der ontzaglijk groote boomen terugtrok. Hier bezwijkt hij schier onder den onverdragelijken arbeid en den gloed van hemel beide en aarde. Aan de dampende ketels der kokerij, aan den molen, die het sap uit het riet perst, gaat de neger niet minder onder zijn harden arbeid tot bezwijkens toe gebogen.

En dit is het nog niet wat zijn lot zoo rampzalig maakt. Ook de Europeaan moet dikwijls arbeiden boven krachten. Maar den neger lokt geen loon, geen eigendom, geen lof; hij mag zijn werk niet kiezen, maar een ijzeren wil gebiedt hem; het werk moet afgedaan worden, hij zij ziek of gezond, of inwendig verbrijzeld. Hoe vele duizenden zonken er op het suikerveld stervend ter aarde! Hij heeft geen uitzicht ter wereld, niet eens dat, van bij zijnen arbeid, als hij dien gewoon is geworden, of bij zijnen heer, als die hem menschelijk behandelt, te blijven. De volgende dag kan hem op de slavenmarkt brengen. En laat ons bedenken wat den armen neger te wachten staat, indien hij niet geschikt is voor zijnen arbeid, hoe banden en slagen dan zijn lot zijn; het lot vaak van hem, die te

-ocr page 83-

73

zijnen huize als een vorst te bevelen had, en honderden van slaven met grooter zachtmoedigheid behandelde dan de christelijke gebieder hem. De veldnegers zijn bij ploegen van tachtig ingedeeld ; zoo worden zij tot den arbeid gezonden, en achter hen gaat de drijver, een der sterkste negers. Deze draagt een voermans-zweep van vreeselijke kracht. Daarmede slaat hij zoo hard hij kan, en de striemen, die hij op den rug van eiken hem nalatig voorkomenden slaaf, of ook uit blooten moedwil, maakt, doorsnijden gewoonlijk huid en spieren, en laten bloedige wonden en levenslange litteekenen achter, zoodat oudere slaven op de markten naar de naden in hun rug geschat worden. Ziedaar op een suikerveld tachtig negers op een rij; achter hen in het midden van de rij den drijver met zijne zweep. Allen moeten te gelijk en allen even hard met hunne spade den grond klieven, vrouw en man, jong en oud, krank en gezond, en slechts de dan hier, dan daar op den duur op- en neergaande zweep houdt den arbeid in de maat; geen oogenblik rust, geen seconde verademing\', zelfs niet zooveel als noodig is om een gemakkelijker plaats te kiezen, is mogelijk, zonder de folteringen der zweep te ondervinden. Dit ware genoeg. Maar denk nu ook aan de smart der negermoeder, die zoo pas een kind ter wereld heeft gebracht, en die het arme schepsel moet laten versmachten, daar de zweep haar geen tijd laat het te voeden; denk aan de ziele-smart des vaders, die zijn jongen zoon aan zijne zijde tot inspanningen gedwongen ziet, die zijn jong leven ras verslinden zullen.

En toch, hoe gelukkig waren tienduizenden van zwarten in de slavenlanden, indien slechts dit hun lot ware; want het geschetste is het gewone, ook bij menschelijke slavenhouders. Maar hooren wij nu ook

-ocr page 84-

74

eenige voorbeelden van hetgeen bij de onmensche-lijke placht te geschieden en nog geschiedt. Op Barbados liet eens een onmensch van een planter een negermeisje op den grond vastbinden, en geeselde het tot het zoo goed als dood was. Twee heeren kwamen op haar jammerkreten aangeloopen, stieten de deur open en vonden de ongelukkige. De pijniger riep hun hoonend toe, hij had haar niet meer dan negenendertig slagen gegeven, als de wet voorschrijft. Maar dat had hij dien nacht reeds drie maal gedaan, en zou het ook voor de vierde maal doen, en de indringers aanklagen. Een ander sneed een kind den mond open van het eene oor tot het andere, om de moeder te straffen ; hij werd verklaagd, en kreeg eene kleine geldboete te betalen. Een opzichter wierp wegens een klein vergrijp een neger in den kokenden suikerketel. Het gevolg voor hem was slechts, dat hij zijn ontslag bekwam en den slaaf moest betalen. Een veertienjarig meisje kreeg, daar zij te laat te werk kwam, zoo lang met de zweep tot zij roerloos nederzonk. Daarna sleepte men haar bij een been langs den grond naar het hospitaal, waar zij stierf. Op Barbados ontmoette een Engelsch generaal een negentigjarigen neger, wiens geheele lichaam van opene wonden verscheurd was. Om den hals droeg hij een ijzeren ring met naar binnen gekeerde lange punten. Daarmede had hem zijn meester uit het huis gejaagd. Hij kon zitten noch liggen, en had geen ander vooruitzicht dan te verhongeren. Een ander neger was ontvlucht en achterhaald geworden. De eigenaar liet den heelmeester komen, om hem een voet af te zetten, opdat hij niet weer weg zou loopen. De heelmeester weigerde. Toen brak óe ellendeling den sidderenden neger het been, en de heelmeester moest het afzetten, zou de ongelukkige

-ocr page 85-

75

niet sterven. Een negermeisje werd zeventien dagen lang met de voeten zoo in den stok gesloten, dat zij noch zitten noch liggen kon. Men wreef haar de oogen met roode peper, opdat zij niet zou kunnen slapen, en sloeg haar vijf malen vreeselijk. Een heftige koorts greep haar aan; men nam haar uit de gevangenis; de drijver sloeg haar. Den volgenden dag werd zij, ziek als zij was, tot den veldarbeid gedreven, maar zij kon niet spitten. Zweepstriemen waren het gevolg. De eigenaar en zijne vrouw geloofden nóg niet dat zij ziek was; den volgenden dag moest zij er weder op uit, in de gloeiende hitte van het suikerveld. Daar stierf zij omstreeks den middag. Nog slechts twee dergelijke stalen. Een zendeling deelt ze mede. „Een slavenbe-zitter oefende op een zondagmorgen zijne barbaarsche wreedheden uit, terwijl wij godsdienstoefening hielden, en het geschreeuw der gepijnigde negervrouwen stoorde onze aandacht. Maar bij de bestaande barbaarsche wet- ! geving was daar niets aan te doen. Deze man had geld noodig. Eene zijner slavinnen had twee schoone kinderen; hij verkocht daarvan het eene, en scheurde het uit de armen der moeder. In hare weerlooze wanhoop stiet de negerin een vreeselijk geluid uit, en voor deze misdaad werd zij gegeeseld. Eenigen tijd quot;daarna verkocht hij het andere kind. Zij verviel in een soort van razernij, jammerde dag en nacht in den tuin, trok zich de haren uit, liep de straten af en aan, scheurde den hemel met haar geschrei, en begoot letterlijk den stoffigen weg met hare tranen. Haar geschrei was steeds in haar gebroken neger-Engelsch; „De „booze massa (meester), hij mijn kinderen verkoopen. „Wat ik doen! ik geen kind hebben!quot; Zij stond voor mijn venster; zij hief de handen ten hemel en riep: „Mijn massa, mijn massa prediker zich over mij er-

-ocr page 86-

76

„barmen! mijn hart (daarbij bewoog zij zich heftig „heen en weder), mijn hart doet zóo, omdat ik geen „kind hebben. Ik gaan in massa\'s huis, in massa\'s „huis en in mijn hut, maar het niet zien!quot; zoo kreet zij ten hemel. Men mocht evenwel niet zien dat ik haar met medelijden aanzag. — Een echtpaar, dat vierentwintig jaar te zaam geleefd had en vele kinderen grootgebracht, werd door verkoop naar onderscheidene eilanden gescheiden. Hetzelfde overkwam nog kort vóór de vrijlating der negers aan een godvruchtig negerpaar met negen kinderen. De wakkere gade met hare kinderen werd naar een ver eiland verkocht. De vader stond aan het strand, kuste met heldhaftige vastberadenheid in het hart, de kinderen een voor een, zegende ze, en zeide; „Vaartwel! weest eerlijk en uwen heeren gehoorzaam.quot; Maar nu moest hij ook van zijne vrouw afscheid nemen. Daar stond hij een stap vijf zes van de moeder zijner kinderen, onbekwaam om te spreken, roerloos, onafgewend den strakken blik op het voorwerp zijner veeljarige liefde gericht, dat nu voor altijd van voor zijne oogen zou verdwijnen. Daar stond hij, en slechts het vuur zijner oogen verried den gloed in zijne ziel. Na eenige minuten zonk hij bewusteloos op het oeverzand, en stroomde hem het bloed uit mond en neus. Tenvijl men met hem bezig was, snelde het schip met zijn dierbaar gezin verre weg over de golven der zee!quot; Hoffmann, a. w. 266 en volgg.

„Sedert de invoering van den slavenhandel heeft men berekend, dat omstreeks dertig millioenen van onze medemenschen uit hun vaderland zijn weggevoerd. — Onderzoeken wij de geschiedboeken van de West-Indien, wij vinden niet anders dan oorlogen, opstanden, misdaden, ellenden en ondeugd. Het slaven-

-ocr page 87-

77

stelsel, zoowel omtrent Indianen als Negers, is de vloek dezer gewesten geweest; het heeft den blanken kolonist, hetzij Spanjaard, Franschman, of Brit bij zijne schreden verzeld, om als eene besmetting al zijne pogingen aan te kleven.quot; Miss. Guide Book, p. 365.

Wie ontzettende en aandoenlijke dingen lezen wil over het Slavenwezen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, leze het stuk onder dien titel door den heer G. Kuiper Hz, geplaatst in No. 3 en 4 van den jaargang 1846, van het Algem. Letterlievend Maandschrift, en genomen uit de Neue Jahrbücher vor Gesch. und Pol. herausg. van F. Bulau, Leipz. 1846. Het is van de hand van een Duitscher, die zeven jaren (1836—1843) in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika doorgebracht heeft. Het volgende moge als proeve strekken hoe de ellende van den sla venstand zich van geslacht tot geslacht uitstrekt: „Uit de echt tirannieke wet der slavenstaten volgt, dat elke afstammeling eens niet vrijen tot in \'t laatste gelid tot slavernij, en is \'t een meisje, daarenboven tot snoode onteering gedoemd is. Van het laatste verhaalde Miss Martineau in de volgende bewoordingen een hoogst ergerlijk voorbeeld, dat met de schoone, vaak zeer beschaafde, maar toch van alle verkeer met de blanken uitgesloten Quarteronen, waarvan de meesten tot ontucht misbruikt worden, in Nieuw-Orleans voorviel: „„Een voor ettelijke jaren naar Louisiana verhuisde bewoner van Nieuw-Hampshire kocht in zijne nieuwe woonplaats een plantage, waartoe hij, als gewoonlijk geschiedt, tegen hooge rente geld leende, om vervolgens met de opbrengst van zijn oogst jaarlijks zijne schuld te verminderen. Hij leefde in gelukkige huislijkheid met eene Quarterone, zonder dat hij naar de aldaar bestaande voorschriften tot een wettig

-ocr page 88-

78

huwelijk kon overgaan. Nauwelijks was er aan haar, als aan de meesten haars gelijken, nog een spoor harer afkomst van kleurlingen te bespeuren; zij was eene beminnenswaardige huisvrouw van edele beginselen, waarmee hij ook reeds twintig jaar hoogst tevreden leefde. Met de wet, die kinderen eener slavin tot slavernij veroordeelt, ten volle bekend, bracht zij haar man herhaaldelijk onder \'t oog, dat ook hare kinderen, daar zij onder hare voorouders eene niet vrijgelaten slavin telde, eenmaal slaven zouden moeten worden, indien hij hun niet gerechtelijk de vrijheid schonk. Hij beloofde er voor te zorgen, verzuimde echter de oorkonde van de vrijlating der kinderen te laten uitvaardigen, en toen na eenigen tijd eerst zij, en spoedig daarop ook hij, plotseling stierf, lieten zij twee of drie zeer schoone meisjes, zonder eenig merkbaar spoor harer afkomst, als weezen achter. De broeder des overledenen kwam uit Hampshire over, om de zaken te regelen, en verkeerde als ieder ander in de meening, dat hij een welgezeten burger geweest was. Hem bevielen zijne schoone, volkomen blank uitziende nichten zeer, en hij beloofde haar naar zijne woonplaats te zullen meenemen en in een maatschappelijken kring in te leiden, waartoe zij door hare opvoeding geheel waren voorbereid. Spoedig bleek het evenwel, dat de schulden des vaders zijn eigendom overtroffen, en dat het noodig was, al kwame er dan ook niet aanmerkelijk veel te kort, met de schuldeischers een vergelijk te treffen. De broeder liet hun derhalve de gansche nalatenschap over, doch werd spoedig door hen in rechten betrokken; „dewijl hij een gedeelte van den boedel had achtergehouden, door niet alle voorhanden slaven aan te geven.quot;

Tot deze rekenden zij namelijk ook de dochters zijns broeders; en toen hij vol afgrijzen en ontroering.

-ocr page 89-

79

en zelf niet welgesteld, bij de schuldeischers rondgingen hen dringend smeekte, hunne aanspraken op de meisjes te laten varen, werd hij met den bittersten hoon teruggewezen. Zij zeiden hem in \'t aangezicht, dat zij als de kostbaarste waren konden gelden, en veel te groote waarde hadden om er van af te zien. Hij bood hun, schoon zelf zes kinderen bezittende, alles wat hij had aan, veel meer dan die meisjes, als zij tot veld- en huisarbeid verkocht werden, konden opbrengen; maar toen duwde men hem onbeschaamd toe, dat er nog andere eigenschappen bestonden, waardoor zij eene hoogere waarde bezaten. De oom was in vertwijfeling, en was er na aan toe, zijne nichten liever den dood dan zulk een lot toe te wenschen. Zijn vertwijfeling klom echter nog, toen hij zich gedrongen zag, de meisjes met haar schrikkelijk lot bekend te maken, en hij verzekerde later, nimmer een meer ziel verscheurend jammeren gezien en gehoord te hebben, als te dier gelegenheid van deze ongelukki-gen. Sedert aten noch dronken zij, en waren niet te scheiden, totdat men ze van elkander scheurde, om ze naar de slavenmarkt van Nieuw-Orleans te sleepen, waar zij elk afzonderlijk tot de smadelijkste doeleinden voor hoogen prijs verkocht werden. Men heeft later nimmer gehoord wat er van geworden is.quot;

EUROPA\'S DERDE GRUWELDAAD IN AMERIKA, (bl. I 6.)

„Hooren wij de taal van een Indiaansch opperhoofd, die den naam van Roodjakke droeg, in denjare 1805, als de zendeling Crane van Boston naar de Seneca\'s kwam, en hun zeide, dat hij kwam om hen te leeren hoe men den Grooten Geest vereeren moest, niet om hun land en geld weg te nemen; want dat er maar één ware dienst van God was. Het opperhoofd had te Buffalo zijn oud-

-ocr page 90-

8o

sten in den raad verzameld, en hield de navolgende rede; „ „Vriend en broeder, het was de wil des Groo-ten Geestes, dat wij heden samenkomen. Hij verordent alle ding-en; Hij heeft ons tot onze beraadslaging een schoonen dag geschonken. Hij heeft zijnen voorhang van de zon weggetogen en haar met glans over ons doen lichten. Onze oogen zijn geopend, dat wij duidelijk zien, onze ooren zijn niet verstopt, zoodat wij duidelijk de woorden konden hooren, die gij gesproken hebt. Voor al deze genade danken wij den Grooten Geest alleen. Broeder, dit raadsvuur is door u ontstoken. Gij wilt, dat wij ons gevoelen vrij uiten; dat geeft eene groote blijdschap, want wij staan voor u in oprechtheid, en wij kunnen zeggen wat wij denken. Allen hebben uwe stemme gehoord, en allen spreken tot u als een eenig man. Broeder, hoor wat wij zeggen. Er was een tijd, dat dit groote eiland onzen vaderen toebehoorde. Hunne zetels strekten zich uit van den opgang tot den ondergang der zon. De Groote Geest heeft het voor de Indianen geschapen. Hij heeft den buffel, het hert en andere dieren tot voedsel gemaakt. Hij maakte den bever en den beer, en hunne huiden dienden ons tot kleeding. Hij verspreidde ze over het land en leerde ons ze te vangen; dat alles deed hij voor zijne roode kinderen, omdat hij ze liefhad. Als wij over onze jachtvelden twist hadden, zoo werd die zonder veel bloedvergieten beslecht. Maar voor ons kwam daar een booze dag. Uwe vaderen voeren over de groote wateren, en landden aan dit eiland. Hun getal was klein; zij vonden vrienden en geene vijanden. Zij verhaalden ons, dat zij voor booze menschen uit hun vaderland gevlucht waren, en herwaarts kwamen om zich in hun godsdienst te verblijden. Zij verzochten eene kleine plaats ter woning. Wij

-ocr page 91-

8i

hadden medelijden met hen, gaven hun wat zij verlangden, en zij zetten zich onder ons neder. Wij gaven hun koren en vleesch, en zij gaven ons vergift daarvoor. De blanke menschen hadden ons land gevonden. Het bericht ging naar hun vaderland terug; er kwamen er meer. Toch vreesden wij hen niet; wij namen hen op als vrienden. Zij noemden ons broederen; wij geloofden hen, en wij gaven hun een grootere woonstede. Eindelijk was hun getal tot een groot getal aangegroeid. Zij hadden meer land noodig; zij hadden ons land noodig! Onze oogen werden geopend en onze harten werden ongerust. Oorlogen hadden plaats. Indianen werden gehuurd om tegen Indianen te strijden, en vele van onze lieden werden omgebracht. Zij brachten ons een sterken drank; die was zeer sterk en machtig en heeft duizenden vermoord.

„„Broeder, onze woonsteden waren eens groot en de uwe waren zeer klein. Gij zijt nu een groot volk geworden, en wij hebben nauwelijks plaats om onze tapijten uit te spreiden. Gij hebt ons land genomen, maar gij zijt niet tevreden. Gij wilt ons ook nog uwen godsdienst opdringen.

„„Broeder, hoor nog verder. Gij zegt, gij zijt gezonden om ons te leeren, hoe de Groote Geest naar zijn welbehagen vereerd wordt, en als wij den godsdienst niet aannemen, die gij blanke lieden hebt, zoo zulllen wij hiernamaals ongelukkig zijn. Gij zegt gij hebt gelijk, en wij zijn verloren. Van waar weet gij dat? Wij vernemen dat uwe godsdienst in een boek geschreven staat. Indien het voor ons zoowel als voor u bestemd is, waarom heeft de Groote Geest het ons niet gegeven; en niet alleen ons, waarom gaf hij niet aan onze vaderen de kennis van dit boek en de middelen om het recht te verstaan? Wij weten daarvan slechts wat

6

-ocr page 92-

82

gij zegt. Hoe zullen wij weten, wien wij moeten ge-looven, daar wij zoo dikwijls van de blanke lieden bedrogen zijn ?

„„Broeder, gij zegt, daar is slechts één weg om den Grooten Geest te dienen. Indien er slechts ééne godsdienst is, waarom zijn de blanke lieden zoo on-eenig onder elkander, waarom zijt gij niet allen eensgezind, daar gij toch allen het boek kunt lezen?

„„Broeder, wij begrijpen deze dingen niet. Wij hooren, dat uwe godsdienst aan uwe voorvaderen gegeven en van vader tot zoon overgeërfd is. Wij hebben ook eenen godsdienst, die aan de voorvaderen gegeven is en van vader tot zoon overgeërfd. Naar dezen aanbidden wij. Hij leert ons dankbaar te zijn voor al het goede dat wij ondervinden, elkander lief te hebben en eensgezind te zijn. Wij strijden nooit over den godsdienst.

„„Broeder, de Groote Geest heeft ons allen gemaakt, maar hij heeft een groot onderscheid geschapen tusschen zijne blanke en roode kinderen. Hij gaf hun verschillende aangezichten en verschillende zeden. U heeft hij de kunsten gegeven; voor deze zijn onze oogen niet geopend. Waarom zou hij ons niet ook eenen anderen godsdienst gegeven hebben naar ons verstand? De Groote Geest doet recht; hij weet, wat voor zijne kinderen goed is; wij zijn tevreden.

„ „Broeder, wij begeeren niet uwen godsdienst te verstoren, of hem u af te nemen; wij begeeren slechts den onzen te behouden.

„„Broeder, wij hooren, dat gij den blanken lieden hier gepredikt hebt. Zij zijn onze naburen; wij kennen hen. Wij zullen een kleine wijle wachten en zien, welk eene uitwerking het op hen heeft. Als wij zien, dat het hun goed doet, dat het hun te goeder trouw doet

-ocr page 93-

«3

zijn, en minder geneigd de Indianen te bedriegen, zoo willen wij nogmaals overleggen wat gij gezegd hebt.

„„Broeder, dit is ons antwoord op uwe rede, en dit is alles wat wij nu te zeggen hebben. Daar wij afscheid nemen, zoo willen wij komen en u bij de hand nemen, en hopen dat de Groote Geest u op uwe reize beschermen en u gelukkig bij uwe vrienden brengen moge.quot;quot;

Wie ziet niet in deze rede, die zelfs voor honderden van christenen in ons vaderland bijna als overtuigend tegen het zendingwerk klinken zal, het diepe, bittere gevoel van quot;t geleden onrecht in de ziel der Indianen, hetwelk aan het christendom den weg tot hunne harten verspert?quot; Hoffmann, a. w. 186 en volgg.

WREEDHEDEN DER HOLLANDERS AAN DE KAAP (de Goede Hoop), (blz. 18.)

„De eerste gouverneur. Van Riebeek, zegt zelf, dat hij eenmaal op de wallen zijner sterkte het schoone vee der Hottentotten had zien weiden, en zich had verwonderd, hoe God zulke schoone gaven aan de heidenen kon verspillen. Het bleef niet lang bij deze verwondering, maar de christen-gouverneur oordeelde weldra dat men zonder gevaar den heidenen 10,000 stuks vee kon afnemen, en henzelven als slaven naar Indië zenden. Het was echter beter, dat wat later te doen, als men nog meer hun vertrouwen had gewonnen. Niet lang duurde het of deze roofzuchtige gedachte kwam tot daden, en na 200 jaren zijn de Hottentotten van 200,000 op 32,000 verminderd, en zulks door de barbaarschheid van christenen.quot; Hoffmann, a. w. 316.

„Het was in het jaar 1774, dat de hollandsche regeering, . op gedurig aandringen der boeren, tot het besluit kwam alle Boschjesmannen uit te roeien, en

-ocr page 94-

84

slechts de vrouwen en kinderen als slaven in \'t leven te laten. Drie legerafdeelingen werden gevormd. Zeven gevangene Boschjesmannen dienden als gidsen naar de afgelegene kralen hunner broeders. Deze edelaardige wilden echter leidden de moordenaars op den verkeerden weg. Na een uur gaans vielen zij allen ter aarde; roerloos lagen zij daar, als dooden; geen bevel, geen dreigement, geen belofte kon hen bewegen zich te verroeren of eenig geluid te geven. De christelijke monsters slachtten hen allen op de plaats zelve. De jacht op de Boschjesmannen werd een uitspanning der boeren. Een reiziger verhaalt, dat een meisje van negentien jaar met genoegen haren vader te paard vergezelde en op die wilden hielp schieten. Een der kolonisten beroemde zich er drie honderd te hebben nedergelegd, en een ander antwoordde op de vraag „of hij op reis geen last van Boschjesmannen gehad had?quot; met groote kalmte: „neen; hij had er maar vier geschoten,quot; alsof er van patrijzen sprake geweest ware.quot; (aid. 318, 9).

geen zien op het onafzienbare, geen berekening van het ondoenlijke, geen besef en belijdenis van onbekwaamheid mag ons van de taak der Heidenprediking terughouden, (blz. 17).

Indien de gemeente van Jezus Christus te rade gaat met vleesch en bloed, indien zij plaats geeft aan men-schelijke overleggingen, dan is er veel, dat ten opzichte van deze dierbare taak eene geloovige verwachting storen, ja uitblusschen kan; maar indien zij te rade gaat met het Woord van God, indien zij gelooft in de werking van den Heiligen Geest, in de genoegzaamheid van het Evangelie, als een kracht Gods tot zaligheid, in de belofte des Heeren, en in den zegen der

-ocr page 95-

«5

gehoorzaamheid, dan kan zij niet anders, dan in hare geloovige verwachting omtrent den uitslag harer ook nog zoo geringe pogingen versterkt worden.

De bezwaren, welke vleesch en bloed opwerpt, zijn hoofdzakelijk deze; de uitgestrektheid van de taak, de moeielijkheid van den arbeid, de gevaren, waaraan de arbeiders zijn blootgesteld, de teleurstellingen die hen wachten, de bewustheid van onbekwaamheid en zondige zwakheid, waarmede het werk gedreven wordt.

De uitgestrektheid van de taak. Het werelddeel, daar de kribbe des Verlossers gestaan heeft, het dichtbevolkt Azië, met zijn wel ommuurd en ontzaglijk Chineesch Keizerrijk, ongelijk verdeeld tusschen de schromelijkste afgoderijen en de vereering van den valschen profeet; Afrika, niet beter gesteld; het gan-sche Noordwesten van Noord-Amerika, het gansche binnenland van Zuid-Amerika en Australië nog in het zwartste heidendom verzonken; de christelijke gemeenten en bevolkingen in deze werelddeelen, als enkele oasen in een onmetelijke woestijn verloren; acht honderd millioen heidenen tot de kennis, zeven millioen Joden tot de aanneming, honderd tachtig millioen mohammedanen tot de aanbidding van Christus nog te brengen . . . men overziet de tallooze schare in de woestijn, en men zegt: „voor tweehonderd penningen brood is voor deze niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme;quot; en een ander roept uit: „wij hebben vijf gerstenbrooden en twee vischkens, maar wat zijn deze onder zoo velen!quot; En men vergeet, dat „vijf brooden en twee vischkens,quot; in do hand van Jezus Christus gelegd, genoegzaam zijn om „vijfduizend menschen te verzadigen en twaalf korven brokken op te nemen.quot; Men vergeet wat door Petrus, staande met de Elve, wat door den eenen Paulus in

-ocr page 96-

86

de kracht des Heeren verricht is. Men klaagt, dat men de taak niet overzien kan, en men bedenkt niet, dat men niet geroepen is, haar te overzien. — Hij leeft en waakt in den hemel, die haar overziet — maar om te doen „wat de hand vindt om te doen,quot; en dat niet met de macht, „die men niet heeft,quot; maar met de macht, „die men heeft,quot; want „daardoor is men Gode aangenaam.quot;

De moeielykheid van den arbeid. Men laat zich verschrikken door de ingewortelde afgoderij en gruweldienst der heidenwereld; de diepte harer onkunde; de beestelijkheid harer driften; men kent den hoogmoed, de kracht der gestreelde zinlijkheid, waarmede de Mohammedaan aan zijn Koran kleeft; men ziet de verharding en de verwereldlijking van Israel voor oogen; men weet dat men met vele belangen van staatkunde, met koopmansgeest en eigenbaat en tegenwerkende vijandschap van naam-christenen in het worstelperk moet treden, en men wanhoopt -— waaraan? Aan den Geest Gods? Aan de kracht van het woord dat „levendig is en krachtig?quot; Aan het medegetuigenis van den Heer met teekenen en krachten? — Aan de waarheid zijner belofte: „Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld!quot; Aan de verhooring des gebeds voor den ingang der heidenen en voor Israels zaligheid? . . . Dat deed Petrus niet als hij zijne stem verhief in het midden van de stad, die hare profeten doodde en steenigde, die tot haar gezonden waren; in het midden van de stad, die zijn Heer gekruist had, staande met de Elve tegenover eene schare, waarvan sommigen spottend zeiden: „zij zijn vol zoeten wijns.quot; Dat deed Paulus niet, toen hij in de beschaafdste van Griekenlands beschaafde steden, staande in het midden van den Areopagus, zijne stem

-ocr page 97-

87

verhief voor wereldwijze en wereldslaaf; noch toen hij onder de barbaren op Melita een adder, die aan zijne hand hing-, afschudde in het vuur, en hun het evangelie verkondigd zal hebben van hem, die de slang den kop vermorzeld heeft! De gevaren, waaraan de gemeente en hare zendelingen in de worsteling met de heiden-sche en joodsche wereld is blootgesteld, men slaat ze gade met ontzetting, en men beeft er voor terug? — Ja, indien men vergeet, dat Jona nergens onveiliger was, dan op het schip, waarop hij zijne roeping en plicht ontvluchtte, — dat er beloften als deze zijn: „Dengenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen: in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen, met nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal niet schadenquot;! — Geen gevaarlijker, geen doodelijker woord voor hem-zelven kon Petrus uitspreken te Jeruzalem dan dit woord: „Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israels, dat God hem tot een Heer en Christus gemaakt heeft, dezen Jezus, dien gij gekruist hebt ...quot; Maar hij sprak het uit en —- leed niets kwaads.

De teleurstellingen aan dezen arbeid verbonden. Men ploegt op rotsen, men ziet geen vrucht; men meent vrucht te zien, en vindt zich bedrogen. Daar is een uitspruitsel, maar „het heeft geen wortel;quot; „als de zon hoog wordt, is het terstond verdord.quot; Men wordt moedeloos en legt de handen in den schoot. Men geeft angstvallig „acht op den wind, en men zaait niet; men ziet naar de wolken, en durft niet maaien;quot; maar het gebod des Heeren zegt: „Zaai uw zaad in den morgenstond en trek uwe hand des avonds niet af, want gij weet niet wat recht wezen zal, of dit, of dat, of dat die beiden te zamen goed zullen zijn;quot; —

-ocr page 98-

88

en de groote Zaaier heeft verklaard: „een ander is het die zaait, en een ander is het die maait — en die maait ontvangt loon en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich te zamen verblijden, beide die zaait en die maait.quot; —

Men ziet zoo veel gebrekkigs en verkeerds in degenen, die zich met het zendelingwerk belasten, in degenen, die het zendingwerk besturen, en men gedenkt niet, dat hij die met slijk de oogen des blindgeborenen opende, ook gebrekkige pogingen zegenen kan met een uitgestrekte vrucht, als zij in zijnen naam worden in het werk gesteld en met geen ander doel dan zijne eer! O, mijne mede-christenen! laat ons deze dingen niet vergeten, maar gedenken, en eene geloovige verwachting oefenen, te midden van al wat haar zou willen benevelen. Het is Gods werk, dat wij geroepen zijn te werken, het werk des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; wij kunnen niet beschaamd worden, zoo wij zijne eer zoeken. Laat vooral geen klein geloof ons verleiden, in het veld van dezen arbeid onze toevlucht te nemen tot menschelijke overleggingen, tot de wijsheid van vleesch en bloed. Wij moeten op de kracht des Heiligen Geestes durven rekenen, wij moeten het met het zuiver evangelie durven wagen en doen. Geen geweld, geen list, geen verdrag met de leugen, geen voorzichtigheid in strijd met of boven het Woord Gods . . . De Jezuieten waren eeuwen vóór ons in China en predikten Christus, maar verborgen vooralsnog zijn kruis en lijden, om de Chineezen niet terstond te veel te ergeren, en de Chineezen zijn niet christelijk, maar zij zijn hei-densch geworden. De trouwhartige Moravische broeders meenden jaren lang de woeste Groenlanders tot het evangelie te moeten voorbereiden, door mededee-

-ocr page 99-

89

ling van algemeene godsdienst-waarheden omtrent het bestaan van God, zijne zedenwet en toekomstige vergelding, zonder eenige vrucht van hunnen onvermoei-den arbeid te zien; maar als de zendeling Beek het eenmaal waagt de onverschillige gemoederen, in dat bevrozen land, het woord des Kruises, het woord der verzoening in het bloed van Jezus Christus voor te stellen, staat de Groenlander Kajarnak op, treedt op hem toe, en roept op luiden toon en met een hart, brandende in hem: Wat zegt gij ons daar? Herhaal deze woorden! Ook ik wil zalig worden! Van dat oogenblik af dagteekent de bekeering der Groenlanders ....

Uit een Pinksterpreek te Heemstede, 1847.

TE HEEMSTEDE EEN HULPGENOOTSCHAP, (bl. 25).

Het is niet uit eene kinderachtige ingenomenheid met eigen inrichtingen, maar uit wezenlijke overtuiging van het groot nut dat dergelijke inrichtingen aanbrengen, dat ik hier van het hulpgenootschap te Heemstede spreek. Zie het tijdschrift: Vcreeniging, Christelijke Stemmen, 1847, Juli: „Zoo slechts, om enkel het mate-rieele, als het meest in \'t oog vallende, te noemen, in 500 landgemeenten hetzelfde gedaan werd, en in elk dezer gemeenten slechts f 10 \'sjaars verzameld werd, wat door het lidmaatschap van slechts 20 personen wordt verkregen, eene som van f 5000 \'sjaars kwam ter beschikking der zendingzaak, welke nu terugblijft. En waarom zou niet in alle dorpen iets dergelijks gedaan worden? waarom niet in alle steden, ook op deze wijze, het volk in staat worden gesteld mede te werken tot dit goede? Wij bevelen het denkbeeld ernstig aan alle Christenleeraars, aan alle Christenen aan.quot;

-ocr page 100-
-ocr page 101-
-ocr page 102-
-ocr page 103-
-ocr page 104-
-ocr page 105-
-ocr page 106-

i