|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
I
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
&h)i
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
RICHARD SCHOENBECK,
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Kapitein bij liet 3e Maagdcukrgsclie Infantciie-regiraetit S° 66.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
m
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
x&
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Sr 'het
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
VA
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
GEipDEN P44RD.
'HANDLEIlfc -VÓÓR BEREDEN- PFANTERr|-¥FICIEREN,
ALSMEDÈ\|00R ELKEN EIGENAAR- MfyffiNST- EN ('<:L%E-RIffAA-RDËCv}ü |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
ÜIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD EN MET EENIGE
BIJVOEGSELS VERMEERDERD |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
A. J. DE BRUIJN,
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
iS>*..
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
J3J^^Eultêna|i*skolonel Paardenarts, Ridder der orde
i u vao Jdwv Kederlandschen Leeuw. «4^ A
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
.£?
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
m->i
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
RTOGENBOSCH,
HETJSDElNr.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
I*
|
||||||
|
VOORREDE.
|
||||||
|
In zijne voorrede zegt de schrijver van dit werkje,
dat het zeer beknopt slechts datgene bevat, hetwelk voor eiken berijder en eigenaar van een reeds afgericht paard volstrekt onontbeerlijk is, en dat het voor diegenen een leiddraad moet zijn, die zonder voorbereidende kennis van het rijden uit liefhebberij of noodzakelijkheid een rijpaard houden of dit spoedig moeten doen. Ofschoon het boekje daardoor voor de mannen van het vak nauwelijks iets nieuws bevat, zoo mag het evenwel voor den leek reeds daarom van belang zijn, omdat hij zich voor zijn doel daaruit theoretisch kan onderrichten, zonder dat het hem meer aanbiedt, dan hetgeen voor hem onvermij- delijk noodig is te weten" Het publiek," zegt de schrijver verder, ^waarvoor dit
werkje bestemd is, neemt slechts ongaarne een der vele bestaande voortreffelijke werken over rijkunst als leiddraad in de hand, omdat zij te veel bevatten en in deze wer% ken hoofdzakelijk de africhting van het paard op den voorgrond treedt, zoodat deze boeken, hoe groote waarde zij ook voor den man van het vak en voor de Cavallerie-officieren mogen hebben, voor den Infanterie- |
||||||
|
IV
|
||||||
|
officier en den privaat-persoon, die een paard voor ge-
noegen houdt, te uitvoerig en daardoor ongeschilct zijn" Hetgeen de schrijver in zijn werkje medegedeeld heeft verschilt, zegt hij, in het wezenlijke niet van de leerstel- lingen der groote meesters in de rijkunst, zoo als S ei dl er Krane, Seeger, Heintze enz., doch hij heeft er hier en daar zijn eigen practische ondervinding en de daaruit afgeleide beschouwingen bijgevoegd. Het kritisch gedeelte zijner lezers verzoekt hij niet te vergeten dat een leek voor leeken geschreven heeft. Daar wij vermeenden dat dit werkje ook bij ons nut
kon doen, hebben wij eene vertaling er van ondernomen, maar tevens eene korte beschouiving er aan toegevoegd van de uitwendige deelen van het paard, met de hoofd- trekken van het n< rmale hoef beslag, welk een en ander wij niet overbodig achten voor het publiek, waarvoor dit boekje geschreven is. 'sHaqe, Januari 1880. DE VERTALER.
|
||||||
|
■
|
||||||
|
INHOUD.
|
|||||
|
EERSTE GEDEELTE.
I. De theorie van het r ij den.
Uldz.
1. Inleiding.............. 1
2. Het natuurlijke rijden......... 3
3. Vereisehten in den ruiter........ 13
4. Het paard voor den eerstbeginnende .... 14
5. Uitwendige paardenkennis. . ,..... 20
6. De grondbeginselen van het natuurlijk rijden . 41
o. De natuurlijke zit........ 47
b. Gebreken in den zit bij den beginnenden
ruiter............. 49 c. De werking der teugels en beenen . . 50
d. Het gebruik der teugels...... 55
e. Misslagen in het gebruik der teugels . . 57
II. De praktijk van het rijden.
1. Het houden der teugels......... 59
2. De hulpen............. 61
3. De straffen............. 63
4. Het op- en afstijgen.......... 64
5. De gangen.............. 67
a. De stap............ ,.
|
|||||
|
IV
Bldz.
b. Het teruggaan.......... 68
e. De draf............ 69
d. De galop............ 71
e. De renloop........... 74
f. De sprong........... 76
g. De zijgangen.......... 78
6. Het halt- of ophouden......... 80
7. De halve ophoudingen......... 81
8. De wendingen............ 82
9. Het berijden van moeieltjke paarden .... 84
III. Het voor den dienst geschikt maken . . 87
----------
TWEEDE GEDEELTE.
1. Het paardetuig........... 92
a. Het bit............
h. Het zadel........... 98
2. De stallen............. 100
3. De verzorging............ 104
Het poetsen............ 107
Het opzadelen en opstangen....... 110
Het voorbrengen.......... 112
4. De beweging van het rijpaard...... 113
5. Ziekten.............. 117
6. Kwade gewoonten der paarden in den stal . . 122
7. Over het koopen en verkoopen van paarden . 126
8. Het hoefbeslag............ 130
|
|||||
|
*JÊt
|
|||||
|
1. Inleiding.
|
|||||
|
De rijkunst dagteekent van de vroegste tijden. De
geschiedenis der oudheid maakt reeds gewag dat menschen dieren en hoofdzakelijk paarden bestegen hebben, om zich op reis, in den oorlog of tot eigen genoegen sneller te kunnen verplaatsen. Het paard bezit onder alle dieren de meeste geschikt-
heid om den mensch dezen dienst te kunnen bewjjzen. Reeds door zgne bevallige gedaante is het in zjjn voor- komen een der schoonste dieren, door zjjne kracht en volharding kan het, zelfs onder het gewicht van den ruiter, zware vermoeienissen doorstaan; zjjn moed maakt het bij uitnemendheid geschikt voor den krijgsdienst, terwjjl zjjne snelheid, in vereeniging met de opgenoemde eigenschappen, het boven alle andere dieren den voorrang geeft, en het tot den onafscheideljjken metgezel van den mensch maakt. Het korte sterke kruis van het paard," zegt Dr. Löffler, is vol gespierde veerkracht, en toch 1
|
|||||
|
2
|
||||||
|
is het lichaam zoo slank, dat de ruiter het met zijn
beenen kan omspannen. De bcenen hebben zulk eene lengte, dat zjj bij het loopen iedere beweging elk voor zich alleen kunnen volbrengen, zonder de bovenste lichaamsdeelen te zeer te storen, terwijl harde schokken vermeden worden. De buigzaamheid van den hals stelt den ruiter in staat zijn wil krachtig te doen kennen, de vorming der kaken en de houding van het hoofd maken het plaatsen van het gebit mogelijk, waardoor het zekerste middel verkregen wordt om het paard ge- heel aan den wil van den ruiter te onderwerpen, terwijl ten laatste de hoef een beslag van ijzer toelaat, waardoor de zool van het paard, zelfs op den hardsten grond, tegen beschadiging gevrjjwaard wordt." Met volle recht kan het paardrijden eene kunst genoemd
worden, en wanneer die zeventigjarige stalmcester be- weerde, dat hjj juist zooveel van het rijden had geleerd om hem de overtuiging te geven, dat hij nog slechts een middelmatig ruiter was", dan zal er buiten hem nog wel menigeen zijn, die aan het einde van zjjne loopbaan dezelfde verklaring kan afleggen. Geen kunst, zonder talent en genie, de rijkunst hiervan
niet uitgezonderd. Alleen door jjzeren wilskracht, liefde voor de zaak en lichamelijke geschiktheid is het sommigen gelukt den waren ruiter nabjj te komen. Het ligt niet in ons plan de rijkunst van uit zulk een hoog standpunt te beschouwen, wij hebben ons slechts voergesteld voor hen te schrijven die, zonder het tot de volmaakte type |
||||||
|
■'■':.
|
||||||
|
3
van den ruiter te willen brengen, niettemin rjjden willen
of moeten. Daarom moet hetgeen in dit werkje behan- deld wordt, als eene inleiding tot de studie der rijkunst beschouwd worden. Even moeieljjk, zoo niet onmogeljjk, als het voor den niet genoegzaam voorbereiden leerling zou zjjn, om dadelijk de lessen in eene hoogere klasse van eene inrichting van onderwijs met vrucht te kunnen vol- gen, even zoo is het met de rijkunst gelegen. Degene echter, die zich de in dit werkje voorgedragen theoriën practisch eigen gemaakt heeft, kan gerust de hoogere rijkunst beoefenen, hij zal daartoe de noodige voorberei- ding hebben. Degenen, die zich tot ruiters willen vormen, hapert het juist hieraan, dat zij dadelijk een cursus van hoogere rijkunst volgen, waardoor zij zich slechts onvol- doende vormen, hetgeen nadeeliger is, dan dat zij niets wisten, juist omdat zij de grondbeginselen niet kennen. Deze grondbeginselen zullen in het volgende hoofdstuk behandeld worden. |
||||||
|
2. Het natuurlijke rijden.
De theorie van het natuurljjke rijden houden wij voor
de meest doelmatige, zoowel voor den Infanterie-officier, als voor eiken anderen liefhebber van rjjden. Door na- tuurlijk rijden verstaan wij namelijk die wijze van rijden, welke gevolgd wordt of door hen, die het geheel uit zich zelf hebben aangeleerd, of wel door dezulken, die af- gezien van het min of meer grondige onderricht, dat hun |
||||||
|
4
ten deel gevallen is, op een trap van middelmatigheid
zijn bljjven staan, zoowel wat practijk als theorie betreft, die derhalve al hetgeen hun geleerd is, of niet voldoende begrepen hebben, of wien de gelegenheid ont- broken heeft het geleerde te onderhouden en aantevullen. In den loop der] tijden zijn er nauwkeurige grondregels
ontstaan zoowel voor de africhting van het paard, als voor het onderricht van den ruiter, die over het algemeen bij alle beschaafde volken zeer veel] overeenkomst heb- ben. Hoewel men ook andere stemmen, die zich van tijd tot tijd deden hooren en die eene andere methode voorsloegen, volgens welke evenzeer het doel konde be- reikt worden, haar recht kan laten behouden, zoo werden en worden over het algemeen nog steeds dezelfde grond- stellingen herhaald, welke de ondervinding gewettigd heeft. Het ligt evenmin in onze bedoeling deze stellingen nader te willen toelichten of te critiseeren; alleen zij dit opgemerkt, dat zij berusten op eene nauwkeurige kennis van het paard, op de leer van het evenwicht en van de regels, die voor de africhting noodzakelijk zijn. Al deze aan de practijk ontleende theorieën hebben
bewezen goed te zijn, wanneer zjj met een juist oordeel en met de daartoe noodige lichamelijke geschiktheid wer- den toegepast. De natuurruiter is er echter slechts zeer ten deele mede bekend en kan ze dus niet in toepassing brengen, ofschoon hjj toch. hetzelfde doel wil bereiken, nameljjk, om zich zeker op en met het paard te bewegen, en er datgene door te laten verrichten, wat hg er van verlangt. |
|||||
|
- _. .
|
|||||
|
5
Waar hebben wij nu natuurruiters te zoeken, die
zonder onze moderne beginselen van rij- en africhtings- kunst te kennen, niettemin hun doel bereikt hebben? "Wij vinden ze terug bij de nomadische volken van Azië, bij de Bedouinen-horden van Afrika, bjj de Kozakken stammen der Bussische en bij de Czika's der Hongaarsehe steppen, bij de Indianen en kolonisten der Amerikaansohe prairiën en pampa's. Al deze volken zijn, ook zonder onze beginselen van rjjkunst te kennen, uitmuntende ruiters, en wanneer men ook al zou willen beweren , dat de volken van Azië, Afrika en Oost-Europa sinds onheuglijke tijden als 't ware op hunne paarden leven, en aanne- mende dat zij eene methode bezitten, die van geslacht tot geslacht overgeërfd is, dan kan men dit echter niet toepassen op de Indianen van Amerika, die vóór de komst der Spanjaarden en Portugeezen geene paarden bezaten. De kudden van wilde paarden (mustangs) die men bij hen aantreft, zijn eerst door verwildering van de afstammelingen der ingevoerde paarden ontstaan, de Boodhuiden hebben zich zelf eene rij-methode moeten scheppen en zijn toch voortreffelijke ruiters geworden, hetgeen alleen de practijk hun geleerd heeft. Slaan wij den blik meer op onze onmiddellijke omge-
ving, dan zien wij in de stoeterijen, dat het de veulen- jongens zijn, die zich het eerst op de jonge, vurige dieren werpen, en daarmede rond galoppeeren, terwjjl de boeren- knechts, die eveneens op het ongezadelde paard rijden, daarop toch een vasten zit hebben. |
||||
|
6
Al die volksstammen berijden paarden, die, volgens
onze begrippen ten minste, slechts zeer onvolkomen ge- dresseerd zijn. Zij weten noch van buiging der kaken > ribben of gewrichten, zij kennen noch zijgangen noch longeeren, hun paardentuig (wellicht alleen dat der Ara- bieren uitgezonderd) is nog zeer gebrekkig, en niette- min rjjden zjj zoo voortreffelijk en zijn hunne paarden in zulk eene mate meester, dat zij op onze hoogste be- wondering aanspraak kunnen maken. En zoo worden wij onwillekeurig tot de vraag geleid,
wie of nu de ware ruiter is, hij, die naar de regels der kunst rijdt of wel hij, die met de middelen, welke hem ten dienste staan, zoowel wat paard als tuig aangaat, tot hetzelf- de resultaat komt, zonder volgens de bovengenoemde grond- regels gevormd te zjjn, en wij durven gerust aannemen dat deze vraag algemeen bevestigend beantwoord moet worden. Onzes inziens gaan wjj met de oefening van onze ruiters
(met uitzondering van hen, die speciaal voor het rijden opgeleid worden, dus ook voor de Cavallerie en andere bereden wapens) eenigszins te schoolmeesterachtig te werk, kortom niet geniaal genoeg. "Wij letten te veel op kleinigheden, terwijl wij den geest >
het groote geheel uit het oog verliezen; wij meenen recda een ruiter gevormd te hebben, wanneer wjj hem op den reglementairen zit in den zadel afgericht hebben, en wij vergeten dat wij dan slechts beeldhouwers zjjn, die wel een schoon standbeeld beitelen, maar het niet met leven bezielen kunnen. Vele wegen leiden naar |
||||
|
7
Rome, doch onze meening is, dat wjj om te leeren rijden volgens de algemeen aangenomen methode niet den
kortsten en besten weg volgen.
Wjj moeten den beeldhouwer navolgen, die een ruiter-
standbeeld vervaardigt. Eerst plaatst hjj den ruiter als een ruw marmerblok op het paard, dan gaat hij er aan beitelen, en hoemeer hij beitelt des te schooner en plas- tischer komen de afzonderlijke deelen te voorschijn; maar hjj houdt zich niet bezig met eerst het hoofd, daarna den arm en ten laatste het been tot in de kleinste bij- zonderheden af te werken, neen, hij gaat met het geheel van onder naar boven voort, en weder van boven naar onder, het voortdurend steeds dieper uitbeitelend, totdat na een onophoudelijk overwerken het beeld eindelijk vol- eindigd voor hem staat. Zoo moeten ook wjj, geheel afziende van de strenge regelen onzer rijkunst, onze ruiters vor- men, door hun eene hoofdgedachte op het paard mede te geven , om hen van oefening tot oefening steeds verder te brengen, totdat wjj een r-uiter op het paard aanschouwen. Wat nu de litteratuur over de rjjkunst betreft, zoo
vermeen ik te kunnen beweren, dat zjj, op enkele uit- zonderingen na, eigenlijk slechts voor den gevormden ruiter waarde heeft, omdat de africhting van het paard daarin op den voorgrond treedt, want wie zijn paard zelf africhten kan of wil, moet dan toch de technische moeieljjkheden bij zich zelf reeds overwonnen hebben, en om aan leeken te willen verklaren, hoe men een paard africht, zou wel geheel nutteloos zijn. «
|
||||
|
8
In de werken over rijkunst wordt eene zeer belangrijke
zaak Tergeten, te weten deze, om zich op het standpunt van den onderwijzer in de rijkunst te plaatsen, dat wil zeggen, om den leerling de misslagen, die door alle begin- nende ruiters begaan worden, onder het oog te brengen, door hem niet alleen te zeggen, hoe hij doen moet, maar ook hoe hjj niet moet doen. Ofschoon nu wel slechts de practijk den ruiter vormt, zjjn er toch zeer velen, die van werkelijk practische rijlessen verstoken bljjven, en die daarom bunne kennis zich theoretisch moeten eigen maken, xoodat zjj de fouten die zij begaan alleen kun- nen leeren kennen, door zich in den spiegel te zien. Ofschoon deze grondstellingen alleszins voor tegenspraak
vatbaar zjjn en nog door de practijk moeten bevestigd worden, schijnt het mg evenwel toe, dat in de bestaande handleidingen den leerling te veel wordt gegeven; daar- door geraakt hij in verwarring, en door zijne onbekend- heid met den geheelen omvang, niet in staat zijnde dat- gene er uit te nemen, wat hem het noodigste toeschijnt, legt hjj ten laatste het boek moedeloos ter zijde, omdat het hem niet geeft, wat hij er van verwacht had. Na onze denkbeelden aldus nader verklaard te hebben,
wagen wjj het de meening uit te spreken dat men in het algemeen niet alleen den Infanterie-officier, maar ook den privaatruiter aan eene te soherpe critiek onderwerpt, dat deze critiek zich tusschen te enge grenzen beweegt, en dat die grenzen hare basis vinden in de grondregels der moderne rijkunst. Wjj willen in dit werk de leer- |
||||
|
lingen echter slechts zoover brengen, dat zij hetzelfde
doel bereiken, dat de hiervoren genoemde volken bereikt hebben, namelijk om een vasten zit op het paard te heb- ben, zich in bijzondere gevallen te kunnen redden en zonder veel tijdverlies daar heen te komen, waar zij ■willen, m. a. w. volkomen meester over hun paard te zijn. Alzoo toegerust kan elk ruiter, die het nog vorder
brengen wil, gerust den hoogeren weg der rijkunst be- treden, de gronden daartoe heeft hij zich reeds eigen 'gemaakt, en het moet voor den onderwijzer in de rijkunst hoogst aangenaam zijn om een leerling, die zoo voorbe- reid is, verder te brengen, en om hem nu hoofdzakelijk in de grondstellingen der africhtingskunst te onderrichten. Het moge schijnen dat ik hier voor een beginsel der
niddelmatighcid pleit; bedenkt men echter hoe moeielijk biet is om de hoogte der kunst te bereiken, dan mag men toch eene doorgaande middelmatigheid zich nog wel als een doel voorstellen, waarnaar men niet zonder gunstig gevolg zal streven. Eigen talent en goed begrip dor zaak kunnen ieder spoedig ook verder brengen. Slaan wjj nu nog een blik op de hoedanigheid der
paarden, die inzonderheid den Infanterie-officier ter be- schikking staan, dan kunnen wij het ons niet ontveinzen, dat ook hierbij middelmatigheid op den voorgrond treedt; zoowel wat de paarden zelf, als hunne africhting betreft zijn het altijd paarden, die stelselmatig door een deskun- dige zijn afgericht of dieren, die stappen, draven en galoppeeren (zonder dat het hoe in aanmerking komt), |
||||
|
10
|
|||||
|
wellicht ook springen en inzonderheid de onontbeerlijke
eigenschap van onverstoorbare kalmte bezitten bij het flikkeren van wapenen, bij trommelslag, muziek en bij het vuren. Hoogere eischen worden nauwelijks gesteld, en zulks behoeft dan ook niet. Zou nu al het vroeger door mij gezegde te kennen
geven, dat ik op de bestaande grondregels wil bedillen? Dit geloof ik niet, ik meen slechts uitgesproken te heb- ben, wat reeds zeer lang bestond, maar niet gezegd werd. Meermalen heb ik uit den mond van onbevooroordeelde leeken in de rjjkunst gelijksoortige meeningen hooren uiten; den grondig ervaren ruiter zal het zekerlijk moeie- ljjk zijn om met deze in te stemmen, omdat hij zich hoogst zelden op het lagere standpunt van den eerstbeginnende kan plaatsen. Het is mjj hierbij gegaan even als den schilder of beeld-
houwer, voor wien het dikwijls van grooter belang is over zijn arbeid het onbevangen oordeel te hooren van een leek als dat van een scherpen criticus, welke laatste in de meeste gevallen in dien arbeid zijn eigen denk- beelden uitgedrukt wil zien, en daar waar dit niet zoo is, gewoonlijk een afkeurend oordeel velt. Deze natuur- lijke onbevangen oordeelvellingen zijn voor mijne mee- ning bepaald gunstig geweest, wellicht zjjn zij zelfs in den loop der jaren daaruit afgeleid, terwn'1 zij in hun tegenwoordigen vorm vastgesteld zijn. De rijkunst heeft buiten twijfel eene geschiedenis, die nauwkeurig aangeeft hoe zij zich aan de hand der natuur van liever- |
|||||
|
11
|
|||||
|
lede ontwikkeld heeft en tot die hoogte gekomen is,
waarop wij ze nu kennen. Grond- en leerstellingen zijn alzoo ontstaan, wier juistheid algemeen erkend wordt, maar aan welker natuurlijke ontwikkeling niemand meer denkt, en wel het minst de eerstbeginnende ruiter, wien ze alleen in de hoogere rijschool door zijn onderwijzer verklaard worden. Voor den leerling moeten de woorden van zijn meester
gezag hebben, maar hunne eigenlijke beteekenis, waardoor zjj eerst verstaan worden, komt hij slechts hoogst zelden en alleen bij uitstekende meesters in de rijkunst te hoo- ren. Het zou dan ook tot niets leiden, indien de rijmeester aan elk die maar zoo icat wilde leeren rijden, eene voor- dracht over de ontwikkeling der rjj- en africhtingskunst wilde houden. Der rijkunst ontbreekt derhalve eene soort van voor-
bereidende school om ruiters te vormen. Ik wil trachten de grondtrekken voor zulk een handleiding in de volgende bladen te geven. Hetgeen ik mijne lezers daarin wil leeren, wordt ongetwijfeld in de grondregels der rijkunst teruggevonden; ik meen echter dat de weg dien ik hier aangeef, gemakkelijker en practischer is om het voorge- stelde doel te bereiken. Schijnt het dat ik in eenige bijzaken van de stipte
voorschriften der rijkunst afwijk, dan moet ik dat wel doen, omdat ik allen moet leeren, onverschillig of de een meer talent heeft dan de ander, de een goed, de ander minder goed van lichaamsbouw is. Hiertoe v ■
|
|||||
|
12
behoort bv. eene gelijkmatige tooming, en wel eene lichte
jachtstang of de gewone modelstang met tamelijk losse kinketting. Hierbij reken ik op zachte en harde hand. Bjj ondervinding is mij gebleken dat voor elk paard,
wanneer het al niet sinds jaren hard in den mond is geworden en niet later met ijzeren hand gereden wordt, zulk een stang het beste geschikt is. Ook moet alles Termeden worden, wat het paard ook slechts in het minst pijn in den mond kan veroorzaken. Terder beveel ik aan den stoelzit in plaats van den gebruikelijken kloofzit, en wol hoofdzakelijk omdat hij het meest geschikt is voor het Engelsche zadel, waarvan gewoonlijk gebruik gemaakt wordt. Dezen zit zal ik daarom den natuur- lijken" noemen omdat de menseh dezen ook op het bloote paard heeft, wanneer hij geen gedwongen houding aan- neemt, eene zaak die ik vooral vermeden wensch te zien. Ik zou juist alleen datgene willen uitkiezen, wat voor
ruiter en paard het gemakkelijkst te bereiken is; wat den ruiter betreft, dat hjj met het grootste gemak en de minst mogelijke gedwongenheid rijde, en wat het paard aangaat, dat het door den ruiter niet gekweld of pjjn aangedaan worde. Dikwjjls gelukt het maar al te zeer bü ruiter en paard een tegenzin voor de lessen te ver- wekken , in plaats dat men ze beiden lust er voor tracht in te boezemen. Dit zjj slechts in het algemeen gezegd, over de bijzonderheden zal te zijner plaatso gesproken worden. |
||||
|
13
|
|||||
|
3. Yereischten in den ruiter.
Door ruiter" dient verstaan te worden niet een ieder
die op een paard zit", maar hij, die het tot zijn doel weet te beheerschen. Er zijn personen die nooit leeren rijden, door gemis aan lichamelijke of aan moreele eigenschappen; anderen, die een dezer missen, maar door wilskracht dit gemis weten te verhelpen, kunnen nog ruiters" worden. Dan volgt de categorie van hen, die bepaald de lichame- lijke geschiktheid en de vereischte intellectueele eigen- schappen bezitten en van dezen weten gebruik te maken, deze worden goede ruiters, terwijl eindelijk de talenten komen, die alles in zich vereenigen, de zaak met lust en liefde behartigen, en uit deze komen de corypheeën in de rijkunst. Tot de lichamelijke eigenschappen van den ruiter be-
hooren een normale lichaamsbouw, een gezonde borst, sterke spieren en krachtige beenen. De moreele eigen- schappen moeten echter boven alles de overhand hebben, en onder haar bekleedt de moed de eerste plaats. Het paard is zeer schrander en weet nauwkeurig of de ruiter den moed heeft om het te willen beheerschen. Die alzoo den moed niet heeft om zijn lichaam aan het paard toe te vertrouwen, rijde liever niet, want hij zoude de af- hankelijke slaaf van zijn dier worden en aan zjjne luimen zijn overgegeven. Tegenwoordigheid van geest is een tweede hoofdvereischte, ten einde bg plotselinge voorvallen ook even spoedig een juist besluit te kunnen *
|
|||||
|
u
|
|||||
|
nemen. Geduld met de gebreken van het dier, is evenzeer
noodig, want ofschoon het paard met edele eigenschappen begaafd is, blijft het toch steeds een dier, dat niet altijd de uitdrukking van den wil zijns ruiters begrijpt, vooral wanneer deze, zooals meermalen gebeurt, die door een verkeerde hulp kenbaar maakt. Onmiddellijk hieraan sluit zich het gevoel van billijkheid en zelfbeheersching aan, opdat men niet terstond bij het een of ander ver- grijp in toorn en drift gerake, en straff.i, daar waar alleen eene terechtwijzing van het paard noodig ware geweest. Ten laatste volgt oplettendheid om vele onvoorziene voor- vallen te kunnen vermijden, en eindelijk volharding ten einde niet te vermoeien in den strijd om de heerschappij over de ruwe krachten van het paard en zoodoende deze te kunnen overwinnen. 4. Het paard yoor den eerstfoeginnende.
De africhting van het paard heeft ten doel diens wil
te fnuiken, het voor den dienst van den mensch, hetzij om te dragen of te trekken , gehoorzaam en geschikt te maken. Men noemt het paard gehoorzaam, wanneer het in de deelen van zijn lichaam, waarmede het zich hoofd- zakelijk tegen den wil van den ruiter verzet, behoorlijk bewerkt is, zoodat het zich aan den wil van zijn ruiter onderwerpt en alles doet wat 'deze er van verlangt. Deze deelen zijn de haken in vereeniging met den nek, dat is de eerste halswervelen, de gewrichten en ten laatste |
|||||
|
15
de rug. Zoodra het paard naar verkiezing hoofd en hals
kan dragen, is het buiten de macht van den ruiter. Of het draagt het hoofd te hoog en steekt den neus in den wind, of het brengt het hoofd met den neus bijna tegen de borst en buigt den hals in de valsche wervelen (3<len en 4°). In beide gevallen wordt de werking der teugels zeer verminderd. Voegt zich nog hierbjj het niet door- buigen in den rug en in de gewrichten, dan is de on- ervaren ruiter geheel en al aan de luimen van het paard overgeleverd. Door de africhting moet het paard zoodanig bewerkt worden, dat het voorhoofd bijna loodrecht staat, de grootste buiging van den hals tusschen den 2<leii en 3<len halswervel plaats heeft, de hals zoo opgericht is, dat de neus ongeveer ter hoogte van de heupen komt en de gewrichten, van af de heup tot het kogelgewricht hunne hinderlijke stijfheid verloren hebben. Geeft het paard in al deze deelen na, toont het
nergens verzet in de spieren, dan kan men zeggen dat het bewerkt, voor alle gangen geschikt gemaakt en tevens in evenwicht is. De verklaring van dit laatste kan ik, als van te veel belang, niet geheel achterwege laten, en zal ze hier in het kort geven. Het lichaam van het paard wordt verdeeld in voor-,
middel- en achterhand. De voorhand is het zwakkere gedeelte van het paard, daar zij het zware hoofd en den hals moet dragen, de achterhand is het sterkere deel. Het onafgerichte paard brengt zijn geheele zwaarte op de voorhand over, doordien het hoofd en hals uitstrekt, en |
||||
|
16
|
|||||
|
gebruikt de achterhand alleen tot voortstuwing van het
lichaam, waarbij de beenderen en spieren der aehterbeenen zooveel mogelijk gestrekt worden gehouden. Het berjjden van zulk een paard, is niet alleen lastig,
maar ook gevaarlijk, daar bij het bezwaren van de voor- hand door hoofd en hals ook nog het1 gewicht van den ruiter komt, waardoor de belasting der voorhand derwijze vermeerderd wordt, dat aanstooten, vallen, enz. hiervan de eerste gevolgen zijn, terwjjl een spoedig verslyten der voorbeenen en schouders niet uitbljjft. De voorhand te verlichten en het zwaartepunt zoover mogelijk naar ach- teren te verleggen is nu het doel der africhting. Bij het krijgspaard (het schoolpaard laten wij buiten beschouwing) moet het zwaartepunt onder het zitvlak van den ruiter gelegen zijn, terwjjl bjj het laatstgenoemde, het nog verder naar achteren verplaatst wordt. Dit laatste noemt |
|||||
|
men het kunstmatig evenwicht (fig. 1), het ander het
|
|||||
|
17
natuurlijke, (flg. 2); bet paard in de natuurlijke stelling
Fig. 2. |
|||||||
|
zal zich voordoen zooals in fig. 3 is aangegeven. Be-
Fig. 3. |
|||||||
|
vindt het paard zich in het natuurlijk evenwicht, dan
kan het al datgene verrichten, wat de ruiter er van verlangt, en men zegt dan dat het aangenaam in de hand is; het gevoel op het paard geeft dan ook den ruiter alles te kennen. Na deze korte uitweiding, die ik van belang achtte,
|
|||||||
|
18
|
|||||
|
zal ik de eigenschappen, die een dienstpaard moet hebben,
aanwijzen. In de eerste plaats behoort daartoe een goed temperament, gepaard met het rustige en zekere, dat slechts eene goede africhting en sterke spieren het paard kunnen geven. Vreesachtige en driftige paarden zijn ongeschikt tot dienstpaarden, evenzoo paarden, die stelselmatig voor e'.ke terrein-hindernis blijven staan. Met betrekking tot den mond moeten zij zoo in de hand zijn, dat zij den arm van den ruiter niet ver- moeien, doch ook niet zoo licht, dat zij achter het bit blijven. Het eerste is nog boven het laatste te verkiezen, want de niet ferme ruiter is niet elk oogenblik met zijn beenen gereed om het paard het bit te doen aannemen. In elk geval verliest hij voor het oogenblik zijn gezag over het paard. Het rijden van oudere paarden is niet af te keuren. Deze zijn ten minBte veel zekerder dan jonge paarden, doch mogen zij evenwel nog niet zoo versleten zijn, dat zij reeds onzeker in den gang zijn en bij on- achtzaam gebruik der teugels aanstooten. De niet ferme ruiter immers heeft noch den zit, noch de hand van een ervaren ruiter, dien het mogelijk is zelfs een versleten paard zoo te rijden, dat het niet aanstoot. Paarden met bijzondere eigenschappen, zooals zenuw-
achtigheid, bodemschuwheid enz., moet men niet koopen, zij kunnen het den niet geoefenden ruiter zeer lastig maken. Hierbij wil ik tevens doen opmerken, dat wanneer men geen kenner is, men het paard, dat men verlangt to hebben, steeds met behulp van een geoefenden paarden- |
|||||
|
19
|
|||||
|
kenner, die zoo mogelijk ook den smaak en de eigenaar-
digheden van den kooper kent, en van een paardenarts moet koopen. Om zelf het paard te kunnen beoordeelen, hiertoe kan men eerst door voortdurende studie en jaren- lange oefening geraken. Evenals in alle zaken is ook hier oefening en practijk de hoofdzaak, doeh kan de the- orie, -wanneer zij met juist oordeel wordt toegepast, veel helpen en van groot nut zijn, en moet steeds hand aan hand met de practijk gaan. Hiermede houden de vereischten, die het paard voor
den Infanterie-officier bezitten moet, echter niet op. Het moet namelijk, wat zijne eigenschappen betreft, bijna een ideaal zijn, wanneer men bedenkt wat het onder niet altijd volkomen geoefende ruiters te verdragen heeft en welke diensten het moet verrichten. Zijne goede africhting daargelaten, moet het paard het ge-
luid van trommels en muziek in zijne onmiddellijke nabijheid kunnen verdragen, ja, als 't ware er op ingaan; bij het vu- ren moet het geen de minste vrees aan den dag leggen, on- verschillig zijn voor het flikkeren der wapenen en het geraas veroorzaakt door de handgrepen. Het moet gemakkelijk van andere paarden at* te brengen zijn, en met de grootste kalmte de ontevredenheid van zijn meester over zjjn troep, die zich dikwijls aan hem koelt, verdragen. Het moet over slooten springen en door grachten kunnen klauteren, steile hellingen op en af kunnen gaan, want de Infanterie- officier moet zijne tirailleurs dikwijls op terreinen volgen , die de cavalerist voor ontoegankelijk zoude houden. |
|||||
|
20
|
|||||||
|
Door dikwijls Tan paarden te Teranderen, Terkrijgt men
grootere zekerheid en meerdere kennis, want wanneer men steeds op hetzelfde paard zit, rijdt men zich licht Tast, en is dan onzeker als men op een ander met andere hoedanigheden komt. Om den Infanterie-offlcier echter volstrekt dezen raad te geven, zou wel niet goed zijn, daar hierbij ook nog andere zaken in aanmerking komen, en in de eerste plaats het geld, want het dikwijls ver- anderen van paard geeft slechts zelden geldelijk voor- deel , zelfs wanneer men kenner is, en geluk behoort er ook steeds bij, anders geschiedt het ten koste der beurs. Maar ook het belang van den dienst staat op den voor- grond, want heeft men een paard, dat aan alle ver- eischten voor den dienst voldoet, dan houde men het, want men weet niet wat men er Toor in de plaats krijgt. --------------------. \
5. Uitwendige paardenkennis.
Daar de africhting Tan het paard geheel berust op de
kennis Tan zijn ontleedkundig en werktuigelijk samen- stel, Tan zjjne eTenredigheden en Tan den Torm der lichaamsdeelen, die op de plaatsbeweging betrekking hebben, een en ander in Terband met sommige natuur- en werktuigkundige wetten, moet de pikeur een paarden- kenner in de uitgestrekste beteekenis zijn, en oneven- redig veel meer, dan degene, die alleen de bruikbaarheid van het paard uit zijne Tormen, eTenredigheden en gan- |
|||||||
|
21
|
|||||||
|
gen beoordeelt. Voor hem, die slechts het afgerichte paard
berijdt, is zulk eene diepgaande kennis niet noodzakelijk, doch mag hij evenwel niet onbekend zijn met sommige dezer zaken, omdat hjj de kennis hiervan bij het berijden van het paard toepassende, weleens zich daardoor een beter en langduriger gebruik van zijn dier kan verzekeren. Doch ook hierin moet de theorie met de practijk hand aan hand gaan en vordert daarom deze zaak voortgezette oefening. De uitwendige paardenkennis zal daarom in korte trek-
ken hier behandeld en aangewezen worden, hoe de ver- schillende deelen van het paard, in zooverre zij op zijne bruikbaarheid en duurzaamheid invloed hebben, moeten gevormd zijn, hierbij het practisch doel voor oog hou- dende, zonder in beschouwingen en verklaringen van het waarom te treden, daar noch het doel, noch hot bestek van dit werkje dit gedoogt. |
|||||||
|
Aan het lichaam van het paard onderscheidt men drie
hoofddeelen te weten: het hoofd, den romp en de lede- maten. Dat het paard uit een rijkundig oogpunt in voor-, middel- en achterhand verdeeld wordt, is reeds vroeger gezegd geworden. Tot de voorhand behooren het hoofd, de hals, de voorborst en de voorbeenen, tot de middel- hand de rug, de borstkas, buik, lenden en flanken, tot de achterhand de kroep of het kruis met den staart en de achterbeenen. |
|||||||
|
»
|
||||||||
|
22
|
||||||||
|
De uitwendige licliaamsdeelen zijn de volgende: (fig. 4).
Fig. 4. |
||||||||
|
1. De ooren. 4. De oogen.
2. Het voorhoofd met den 5. Het aangezicht.
maantop. 6. De neus. 3. De slapen. 7. De neusgaten.
|
||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Wat de algemeene afmetingen betreft, zoo wil men, dat
het paard even lang als hoog moet zijn, zoodat de hoogte, van de punt der schoft tot den grond (ab flg. 4) gelijk moet zijn aan de lengte, van de punt van den boeg (c fig. 4) tot aan die der billen (d flg. 4). Overtreft de laatste de eerstgenoemde, dan is het paard
te lang, en daar deze grootere lengte van den romp in den regel het gevolg is van te langen rug en te lange lenden, worden doze deelen daardoor minder sterk en buigen |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
24
|
|||||||
|
ook onder het gewicht van den ruiter spoediger door,
waardoor de zaalrug ontstaat. Bij een paard, dat te kort is, waarbij de afmeting ab
de lengte cd overtreft, zijn deze deelen in tegenoverstel- ling wel sterk, doch daar de beenen naar evenredigheid te lang zijn, vinden zij te weinig ruimte onder het lichaam om zich vrij te kunnen bewegen. Zulke paarden vangen zich zeer licht in de ijzers, en kunnen daardoor zelfs vallen. Uit een aestetisch oogpunt verlangt men het hoofd
van het paard klein, en deze vereischte strookt ook ge- heel en al met die, welke men aan dit deel stelt als eene der voorwaarden tot eene snelle en volhardende beweging. Tot opheldering hiervan moet gezegd worden, dat het
gewicht van het hoofd steeds belemmerend op de vrije beweging der voorbeenen werkt. Bij een zwaar hoofd is deze invloed onevenredig grooter, niet zoo zeer door het meerdere van zjjn gewicht op zich zelf, als wel doordien het aan een langen hefboomsarm, de hals, werkt. Wat nu den vorm van het hoofd betreft, zoo moet
het van boven aan het voorhoofd breed zijn. Behalve dat bij zulk eene vorming de halsspieren het hoofd ge- makkelijker kunnen opheffen, waardoor op mechanische gronden de belasting der voorbeenen verminderd wordt, tengevolge waarvan zij zich vrijer kunnen bewegen, geeft een breed voorhoofd eene meerdere ontwikkeling der hersenen, alzoo der intellectueele vermogens, te |
|||||||
|
25
kennen, terwijl de kaakholte wijd is, en dit eene ruime
ligging aan het strottenhoofd verschaft, hetgeen voor de gemakkelijkheid der ademhaling bij sommige stellingen van het hoofd van belang is. Men neemt algemeen aan, dat de lengte van het hoofd
3/8 van de hoogte van het lichaam moet bedragen. Ten opzichte van den hals komen zijne lengte en
vorm in aanmerking. De lengte moet van den nek tot aan de punt der schoft gelijk staan met ll/2 maal die van het hoofd. Ofschoon de hals, evenals het hoofd, door zïjn ge-
wicht bezwarend op de voorbeenen werkt, is een lange- ren hals voor het rijpaard echter beter dan een korte, want bij samengestelde en gevaarlijke bewegingen is het paard daardoor beter in staat om tot het bewaren van zijn evenwicht, zijn zwaartepunt te verplaatsen. Daar- toe zou een korte hals ongeschikt zijn, want de hals werkt in dit opzioht meer door zijn lengte dan door zijn gewicht, en op dezelfde gronden kan de ruiter door een langen hals beter inwerken op de richting der overige lichaamsdeelen. Drie minder goede halsvormen komen inzonderheid
in aanmerking, te weten: de zwanehals, de rechte hals en de hertehals. Bij den eerste vormt de hals een boog waarvan de bo-
venste rand hooger dan het hoofd staat. Daardoor kan dit moeielijk gestrekt worden, hetgeen bij snelle gangen om verschillende redenen zoo noodzakelijk is. |
||||
|
26
Bij de beide andere halsvormen kunnen hoofd en hals
moeielijk bijgebracht worden, terwijl de laatBte doorgaans met eene slechte aanzetting van het hoofd gepaard gaat. Onder aanzetting van het hoofd verstaat men de wijze
van vereeniging van dit deel met den hals. "Wanneer de aanzetting goed is, dan moet de verbin-
dingsvlakte (voorgesteld door de ljjn e f fig. 4) niet te breed zijn, en iets minder dan '/3 der hoofdlengte bedra- gen. Is zij te breed, dan geschieden de zijwaartsohe bewegingen van het hoofd moeielijk en veroorzaken het paard pijn, doordien de oorspeekselklier bij de buiging gedrukt wordt. Verder kan de aanzetting van het hoofd te hoog ofte
diep zijn. Te hoog noemt men ze, wanneer de verbin- dingshoek tusschen hoofd en hals te stomp is, in het tegenovergestelde geval is het hoofd te diep aangezet. Beide wijzen van aanzetting hebben grooten invloed op de werking van het bit op de lagen, en bijgevolg op de besturing van het paard. De schoft moet hoog, van onderen breed en tevens
lang zjjn. Bene hooge schoft waarborgt niet slechts eene behoorlijke ligging van den zadel, en daardoor de juiste plaatsing van den last, maar heeft ook grooten invloed op de beweging. Bjj deze vorming toch kunnen de spieren, die den hals en het hoofd oplichten, krachtiger werken; deze deelen worden hooger opgericht gedragen, en daardoor op werktuigkundige gronden de drukking é
|
||||
|
27
van het gewicht op de voorbeonen verminderd, zoodat
deze zich vrijer kunnen bewegen. Eene van onderen breede schoft duidt op breeden rug en
breede lenden, en goed ontwikkelde rugspieren, terwijl deze vorming tevens eene ruime borstkas aan zich verbindt, beide ook voorwaarden tot eene krachtige en volhardende beweging. Is de schoft lang, dan wordt daardoor de rug verkort,
terwijl, met het oog op de juiste verdeeling van den last, het zadel de beste ligging verkrijgt. De rug moet in de eerste plaats recht zijn. Zulk een
rug is sterk, hoofdzakelijk omdat de rugspieren dan de meeste kracht kunnen uitoefenen, terwijl de beenen bjj dezen rugvorm op den behoorlijken afstand van elkan- der geplaatst zijn. Afwijkingen hiervan zjjn de zadelrug en de hooge rug.
Beide vormen zijn voor het rijpaard niet verkieseljjk, de eerste omdat de beweging daardoor meer beperkt wordt, ofschoon de gang meer verheven is, terwijl de tweede, alhoewel sterk zijnde, eene, voor den rui ter on- aangename, stootende beweging geeft. Yan den rug wordt verlangd dat hij kort zij. De
reden hiervan berust op natuurkundige beginselen. Even als een korte stok een grooter last zal kunnen dragen zonder te breken, zal een korte rug sterker zijn, en minder onder het gewicht van den ruiter doorbuigen, en ziet men den zadelrug dan ook niet spoedig uit dezen rugvorm ontstaan, hetgeen met den langen rug wel het geval is. |
||||
|
28
|
|||||
|
De rug moet breed zjjn, want aan deze meerdere
breedte is tevens eene sterkere ontwikkeling der rug- spieren verbonden. Ofschoon vele den gespleten rug voor sterk houden,
wordt dit niet door de ondervinding bevestigd, en vin- den wij dezen rugvorm bij de gemeene rassen. De lenden moeten zoo kort mogelijk zijn, ofschogn
aan lange lenden wel een voordeel verbonden is dat korte missen, te weten snelheid in de wendingen. Zij moeten in eene zooveel mogelijk rechte lijn van den rug in het kruis overgaan, en vooral niet even vóór het laatstgenoemde deel eene uitholling vertoonen, want zulke ingevallen lenden 'zijn zwak. De deugdzaamheid van breede lenden berust op hetzelfde beginsel als die van den breeden rug. De zoogenaamde hooge lenden of karperrug, die eene
bovenwaartsche buiging hebben, houdt men wel voor sterk, doch paarden met zulke lenden zijn moeielijk goed af te richten. Men vindt deze nog al bij paarden, die vroeg hard gewerkt hebben. Bjj het rijpaard moet het kruis zoo recht mogelijk
wezen en met den rug en de lenden op eene lijn gele- gen zjjn. Door zulk eene vorming wordt de krachtige werking der spieren begunstigd. Een goed gevormd kruis moet lang zijn. Zulk een
kruis is gunstig voor de snelheid der beweging en be- vordert zeer de oplichting van het voorstel bjj sommige gangen, inzonderheid bjj den galop. |
|||||
|
■
- 29 |
||||||
|
De breedte van het kruis heeft meer betrekking tot
de kracht als tot de snelheid der beweging, zelfs is een te breed kruis hinderlijk aan de snelheid, doordien hierdoor een waggelende gang ontstaat, waardoor èn tijd en kracht nutteloos voor de voorwaartsche beweging verloren gaan. Het ovale of meloenvormige kruis volgt in deugdzaam-
heid en schoonheid op het rechte kruis. Het is tamelijk recht, gaat ook onmerkbaar in de lenden over en heeft goed ontwikkelde spieren. Op het midden bezit het cene ondiepe, ronde uitholling, waardoor het eenigszins den vorm eener meloen verkrijgt. Minder schoon en deugdzaam is het hooge, spitse kruis.
De bovenste lijn van dit kruis verheft zich als eene scherpe kam boven de magere zijvlakten. Het is minder sterk dan de beschreven kruisvormen en geeft ook zwakkere rugspieren te kennen. Het ronde kruis wijkt in zijn richting en lengte nog
meer van het rechte kruis af en is derhalve minder deugdzaam voor het rijpaard. De vorm der borstkas is van grooten invloed op do
deugdzaamheid van het paard. Om dit deel goed te be- oordeelen, moet men onderscheid maken tusschen do voorborst en de eigenlijke borstkas, welke laatste wij het eerst zullen beschouwen. Van dit deel komen ter beöordeeling hare diepte,
breedte en lengte. Onder diepte verstaat men de afme- ting, die door de ljjn g h (fig. 4) wordt aangeduid. Men |
||||||
|
30
zegt dat de borstkas diep is, wanneer haar onderrand
reikt tot de lijn, die van het ellebooggewricht tot het kniegewricht gaat, (7«ni tot»;, fig. 4). Reikt de borstkas niet tot deze lyn, dan noemt men ze ondiep. Een diepe borstkas verschaft aan de longen de noodige
ruimte tot uitzetting bij de inademing, terwijl daarmede tevens vereenigd is een lang schouderblad, beiden zaken, die voor eene volhardende en snelle beweging vereischt worden. Om de breedte van de borst te beoordeelen, plaatst
men zich vóór het paard, en wanneer nu de welving der borstkas achter den schouder de buitenzijde van de boven schenkels dekt, dan heeft zjj de voldoende breedte. Eene te breede borstkas is voor het rijpaard niet ver- kieselijk, vooreerst omdat deze vorming eene meer of minder waggelende beweging van het voorstel en ook eene minder gunstige plaatsing der voorbeenen ten .ge- volge heeft. De breedte van de voorborst hangt meer van den
stand der voorbeenen dan van de ruimta der borstkas af. Bij eene regelmatige schouderligging, moet de voor- borst vlak zijn, met eene smalle sleuf in het midden. Voor een paard van middelmatige grootte neemt men aan, dat de afstand tusschen de voorbeenen eene goede hand breed moet bedragen. De ruimte van den buik hangt van die der borstkas
af. De onderrand van den buik moet bij gezonde en welgevoede paarden in eene rechte lijn in de liesstreek |
||||
|
*
overgaan. Heeft deze lijn eene uitbuiging naar onderen,
dan noemt men dit een hooi- of hangbuik. Yoor paar- den, die snelle bewegingen moeten maken, is dit eenc slechte vorming, want de ademhaling, en wel de uit- ademing wordt hierdoor bemoeielijkt. De schouder is een belangrijk deel, zijn vorm en lig-
ging heeft grooten invloed op de snelheid der beweging. De schouder moet lang zijn, deze lengte hangt af van de diepte der borstkas, daar deze beide deelen in hunne ontwikkeling gelijken tred houden. Wat zijne ligging betreft, zoo bezit een behoorlijk
schuins liggende schouder de meeste voorwaarden tot een ruimen gang en eene snelle beweging. Men houdt de ligging van den schouder voor goed, wanneer het schouderblad met het opperarmbeen een iets grooteren "hoek dan van 90° maakt. Wordt deze hoek veel groo- ter, dan is de schouder te steil, in het tegenovergestelde geval zegt men dat het paard voorboegig is. Het gevolg van beide is, dat de beweging, ofschoon om eenigs- zins verschillende redenen, beperkt wordt, terwijl bjj de laatstgenoemde vorming zich nog het nadeel voegt, dat door de meerdere buiging van het boegge- wricht, het onderbeen meer achterwaarts komt, waardoor de ondersteuning van het lichaam minder volkomen wordt, en neiging om te storten ontstaat. Men verlangt den schouder goed gespierd, evenwel
zoodanig, dat de afscheidingen der oppervlakkig liggende spieren onder de huid zichtbaar zijn, de spieren zelve |
||||
|
32 $
moeten vast op het aanvoelen zjjn. Zulke schouders
noemt men droog. Bjj magere, platte schouders zjjn de spieren te weinig
ontwikkeld, of dikwijls ten gevolge van ziekten der ledematen vermagerd. Zulke Behouders zjjn vlak, en missen de welving van de voorgaande. De kam van het schouderblad steekt daarbjj sterk uit. Deze schou- ders zjjn weinig krachtig. Wanneer de schouders losse, sponsachtige spieren en
veel vet, vooral naar de schoft toe en bij den overgang in den voorarm hebben, dan noemt men deze vet of overladen. Ook deze vorming bewijst niet voor kracht. Eene vrije beweging is voor den schouder eene eerste ver- eischte, want van haar hangt de zekerheid en uitgestrektheid van den gang af. Te groote beweeglijkheid in 'de schou- ders intusschen, zooals men die wel eens bij sommige, gangen (stekende draf) ziet, is meer schoon dan deugd- zaam. Bij de dusgenoemde stijve en gebonden schouders is de beweging te gering; hierbij is de gang kort en beperkt, en stooten de paarden aan. Soms ziet men dat bjj het neerzetten der beenen de
schouders zich merkbaar opheffen, terwijl de borstkas als 't ware tusschen de schouders zakt. Dit geeft eene te losse verbinding der schouders met den romp te kennen. Men noemt dit losse schouders, zjj hebbeneene weinig uitgestrekte beweging ten gevolge. Zulke paar- den stooten aan en vallen licht. De elleboog mag niet te- dicht tegen de borst aange-
■
|
||||
|
■
33
i, drukt, noch daarvan te veel verwijderd zijn, maar moet eene met de overlangsche as van het lichaam even- wijdige richting hebben, daar hiervan de stand van het been afhangt. Is de elleboog te dicht bjj het l{jf, dan verkrijgt het onderbeen een buitenwaartscben stand, waardoor de zoogenoemde fransche of snijderbeenen ont- staan. De toon van den hoef is hierbij naar buiten gekeerd. Wanneer daarentegen de elleboog te ver van het lijf afstaat, dan zal het onderbeen binnenwaarts gericht zijn, en hierdoor ontstaat eene stelling, die men toontreders noemt. De toon van den hoef is naar bin- nen gericht. Als een deel dat in de ruimte voorwaarts grijpt, ver-
langt men den voorarm lang. Een lange voorarm geeft een gestrekten gang, en Terbindt tevens aan zich een kort pijpbeen (eveneens eene gunstige vorming); het been wordt echter dikwijls niet hoog genoeg opgelicht, zoodat zulke paarden wel eens aanstooten. Het tegenoverge- stelde heeft een korte voorarm ten gevolge, de voet wordt wel hoog opgelicht doch weinig vooruitgebracht. De gang is daardoor vermoeiend en niet ruim. De voor- arm moet van boven zoo breed mogelijk en dik zjjn, en niet te spoedig in breedte afnemen, zoodat het deel eene breed kegelvormige gedaante heeft. Alsdan zjjn de spie- ren sterk ontwikkeld en is hiermede eene voorwaarde tot eene volhardende beweging gegeven. Algemeen kan men aannemen dat de voorarm niet te
lang, de pijp niet te kort kan zijn. 2
|
||||
|
34
De voorknie moet, zoowel van voren als van ter zijde
gezien, breed zijn, van voren ter weerszijden buiten den onderarm en de pijp uitsteken, terwjjl de voorvlakte vlak, hoogstens een weinig gewelfd, moet zijn. Is de voorvlakte van de knie sterk afgerond, dan noemt men dit ronde knieën; deze zjjn zwak. De zoogenaamde in- gesneden knieën, zijnde die, welke aan de achtervlakte onder het haakbeen sterk uitgesneden zijn, geven zwak- heid te kennen. De knie moet loodrecht onder den voorarm en op het pijpbeen staan. Soms is de knie naar voren gericht en vormen de genoemde beenderen een zekeren hoek; men noemt dit krom- of bokbeenig, welk gebrek of aangeboren of verkregen is. In het laatste geval is het van veel meer beteekenia, want het geeft dan eene zekere mate van versletenheid te kennen. De' ondersteuning van het lichaam wordt daardoor minder volkomen en de gang onzeker, zoodat zulke paarden licht storten, hetgeen wanneer het gebrek aangeboren is, niet het geval ia. Tan belang is het derhalve om te weten , of kromme knieën aangeboren of verkregen zijn. Daartoe laat men een voorheen oplichten, en ziet men nu dat de knie van het rustende been zich strekt, dat wil zeggen, dat zij in eene loodrechte richting tusschen voor- arm en pjjp komt, dan kan men aannemen dat het gebrek verkregen is. Aangeboren kromme knieën blijven ook in deze omstandigheid krom. Minder nadeelig voor de zekerheid van den gang zjjn
de dusgenaamde holle knieën, waarbjj deze deelen achter- |
|||||||
|
■
|
|||||||
|
35
I
waarts gericht zijn. Hierbij hebben intusschen de buig-
pezen Tan den voet Teel te lijden, zoodat ontsteking en
kreupelheid hiervan de geTOlgen kunnen zijn. Als afwijkingen in de richting der knieën komen nog
voor de osseknieën, waarbij deze deelen binnenwaarts naar elkander gekeerd zijn, terwijl de onderbeenen eene buitenwaartsche richting hebben. Het tegenovergestelde hiervan is ivijd in de knieën. Het onderbeen is hierbij bin- nenwaarts gericht. Beide vormingen zijn groote misstan- den, terwijl zij ook invloed op de beweging van het been hebben. Bij de laatste strijken de paarden zich licht. De pijp moet, zooals reeds vroeger gezegd is, kort en
daarbij breed zijn, terwijl de buigpezen dan goed ont- wikkeld en sterk zijn. Deze pezen moeten duidelijk van het pijpbeen afgescheiden liggen, zoodat tusschen deze beide deelen eene duidelijke sleuf gezien wordt. Men noemt dan de pijp droog, hetgeen zoowel voor schoon als goed gehouden wordt. Eene te smalle pjjp, in ver- eeniging met eene ronde en smalle knie, stelt het spiïle- oeen daar , eene vorming die ongeschikt is voor eenigszins volhardende beweging. De pezen moeten droog en vast op het aanvoelen zijn, en geene verdikkingen, zooge- noemde peesMappen, vertoonen, daar deze of van kreu- pelheid vergezeld gaan, of wel bij eenige aanhoudende inspanning, ze ten gevolge kunnen hebben. Aan het pijpbeen, meestal aan de binnenvlakte, doen zich wel eens beenachtige uitwassen, de zoogenoemde over- of schuifelbeenen voor. Soms zijn zij oorzaak van kreupel- |
||||
|
80
|
|||||
|
heid, en wel in het begin hunner ontwikkeling, of
wanneer zij dicht bij de knie, den kogel en de pezen gelegen zijn. In de meeste gevallen echter hebben zij geene nadeelige gevolgen. De kogel, het gewricht tusschen het pijp- en kootbeen, '
moet goed ontwikkeld zijn, en daarbij niet scherp in deze deelen overgaan. Smalle en ronde kogels geven zwakke gewrichten te kennen, en waarborgen geene grootc duurzaamheid van het paard. In zulk eene vorming is de oorzaak van eenige gebreken gelegen. Ten zijde van den kogel ziet men dikwijls rondachtige, meer of min weeke gezwellen, dit zijn de dusgenoemde getcrichtsgal- len, terwijl boven deze insgelijks langwerpige gezwellen gezien worden, de peesgallen, evenzoo op de voorvlakte van het gewricht. Het bestaan van gallen geeft te ken- nen, of dat het paard zwakke gewrichten heeft, of dat er reeds veel dienst van gevorderd is. De koot is sterk, wanneer ze kort en dik is. Men
neemt aan dat hare lengte '/3 van die der pijp moet bedragen. Is zij langer, dan houdt men ze voor zwak, ofschoon de beteekenis van eene te lange koot eenigszins naar het ras van het paard verschilt. Bij paarden van edel ras met sterke spieren en pezen schaadt eene te lange koot veel minder dan bjj paarden van gemeene rassen. Tan groot belang is de richting of helling die de koot heeft. De overlangsche as der koot moet met den grond een hoek van 45° maken. Is deze hoek scherper, dan treedt het paard te veel door. Daar hierdoor de buigpezen en |
|||||
|
*
■il |
||||||
|
banden meer uitgerekt worden, ligt hierin de oorzaak
van gebreken, die .kreupelheid ten gevolge hebbon. Is de hoek stomper, dan is het paard te steil gekoot. Be- halve dat deze vorming eene voor den ruiter onaangename, stootende beweging geeft, bestaat hierbij meerdere aan- leiding tot verstuiking, overlcooting, die steeds met kreu- pelheid gepaard gaat. De oiergang der koot in den hoef moet vlak, weinig
verheven zijn. Vertoont zich daar ter plaatse eene ■wrongvormige verhevenheid, dan duidt dit op het bestaan van overhoeven, zijnde beenwoekeringen aan het ondereinde van het kootbeen, die meestal ongeneeslijke kreupelheid ten gevolge hebben. Bij de beoordeeling der aehterbeenen komen de volgende
zaken in aanmerking: De dij of bovenschenkel verlangt men lang en breed,
met duidelijk zichtbare, vaste spieren bedekt; zij moet behoorlijk afgerond en van den schenkel door eene zachte uitholling afgescheiden zijn. Een onmerkbare overgang van de dij in den schenkel, zoogenoemde ossedijen, is minder deugdzaam. De lijn , die de achterrand der dij beschrijft, verschilt eenigszins naar het ras; bij het Oos- tersche paard is zij bijna recht, terwijl zij bij de overige rassen een grooteren of kleineren boog vormt. Eene ongelijke ontwikkeling der dijen, zoodat de eene
schraler en magerder is dan de andere, moet in den regel het vermoeden doen ontstaan , dat zulk een paard vroeger aan langdurige kreupclheid geleden heeft. |
||||||
|
*
|
||||||
|
;is
|
||||||
|
De knieschijf moet matig afgerond zijn, zich duidelijk
onder de huid doen zien, en eene aan de lengte-as van het lichaam evenwijdige richting hebhen. Ook aan dit gewricht vertoonen zich wel eens rondachtige gezwellen, de knie of liesgallen, die niet zonder beteekenis zijn. De schenkel of onderschenkel. Als vereischten van dit
deel stelt men eene goede lengte, sterke gespierdheid en eene juiste stelling of richting. De lengte van den schenkel heeft grooten invloed op de beweging en wel op hare snelheid. Een lange schenkel is eene eerste voorwaarde voor eene snelle beweging; voor volhardende, krachtige beweging echter, moet de schenkel goed ge- spierd zjjn. De stelling van den onderschenkel hangt af van die der dij. Staat deze te recht, dan komt de schenkel te schuins en te ver naar achteren te liggen, waardoor de hoek van het spronggewricht te scherp wordt, en de zoogenoemde sahelbeenen ontstaan, welke vorming echter ook het gevolg van een te langen schenkel, bij een normalen stand van de dij, kan zijn. Men neemt aan, dat de schenkel eene goede ligging en lengte heeft, wan- neer eene loodlijn van de punt der billen getrokken den hak raakt (d l fig. 4). En is voorzeker geen gewricht. aan welks normale vorming men meer beteekenis hecht, dan aan die van het spronggewricht, en geen wonder, want van niet een gewricht wordt bij de beweging zoo veel inspanning gevorderd als van dit, reden waarom dan ook aan het spronggewricht meer gebreken voorko- men, dan aan elk ander, on waaronder er zijn, die |
||||||
|
39
|
|||||
|
grooten invloed op de bruikbaarheid van het paard heb-
ben , ja zelfs deze geheel kunnen opheffen. De beoordeeling van het spronggewricht is zeer moeie-
lijk, en vereisoht daarom veel geoefendheid. Bene korte opgave echter van eenige zijner vereischten en gebreken mag evenwel hier niet achterwege blijven. Men verlangt het spronggewricht, zoo wel van voren
of achteren als van ter zijde gezien, breed. Het moet verder droog zijn, dat wil zeggen, dat men onder de huid alle uitsteeksels en holligheden der beenderen dui- delijk moet kunnen zien. Is het dik en bol, dan bewijst dit voor eene losse, sponsachtige gesteldheid der beende- ren en van de overige weefsels, zooals men dit bij paar- den van gemeene rassen vindt. In zulk eene vorming ligt eene voorname aanleiding tot het ontstaan van vele gebreken, zoo als gallen, spatten enz. De eerstgenoemde gebreken komen op verschillende
plaatsen van het spronggewricht voor, en vertoonen zich als rondachtige, weeke gezwellen, dikwijls gaan zij met kreupelheid gepaard. Wat nu den vorm betreft, zoo dient men op
het volgende te letten. Van achteren of van voren ge- zien, moet de binnenste profiellijn van den knobbel van het schenkelbeen af flaauw gewelfd zijn en slechts in het mid- den eene lichte uitholling vertoonen. De overgang van het gewricht in de pijp moet onmerkbaar zijn, en mag daar ter plaatse geen verhevenheid zichtbaar wezen. Is dit wel het geval, dan bestaat er eene spat, een gebrek |
|||||
|
-1(1
|
|||||
|
dat veelal met ongeneeslijke kreupelheid gepaard gaat.
Ofschoon men bij vele spronggewrichten dien overgang niet zoo zacht, maar min of meer hoekig ziet plaats hebben, mag men dit niet steeds als een gebrek be- schouwen, wanneer te weten beide spronggewrichten gelijk zjjn, 't is dan slechts eene minder goede vorming. De achterste profiellijn van de punt van het hielbeen tot aan de pijp moet recht zijn. Bevindt zich eenige vingers breed onder die punt eene welving, dan noemt men dit een hazehak. Vroeger meende men dat het gebrek steeds bestond in een beenuitwas, of in eene verdikking der buigpees, doeh is het bewezen, dat het ook zonder deze ziekelijke toestanden kan bestaan, en zoude het dan zijne oorzaak in eene slapheid der banden hebben. De voorste profiellijn van het gewricht mag ook niet'
gewelfd zjjn en moet onmerkbaar in de pijp overgaan. De hoek, dien het spronggewicht maakt, moet eene
zekere grootte hebben. Men rekent dat hij 140 °. moet bedragen; wordt deze hoek stomper, dan is het paard te recht in de spronggeivrichten; is hjj scherper, dan noemt men dit sabelbeenen. Beide vormen zjjn van veel invloed op de beweging en op do duurzaamheid van het paard, evenwel niet om dezelfde redenen. Te rechte spronggewrichten missen de noodige buigzaamheid, waar- door het overbrengen der zwaarte op de achterhand bemoeielijkt wordt. Daarbij is hunne voortstuwingskraoht geringer. Bij sabelbeenen drukt het lichaamsgewicht to |
|||||
|
11
|
|||||||
|
sterk op de spronggewrichten, zoodat zij in hunne vrije
werking tot voortdrijving gehinderd worden. Beide geven aanleiding tot verschillende gebreken. Ook in de verdere stelling van het spronggewricht
bestaan eenige afwijkingen, die in meer of mindere mate invloed hebben op de kracht van dit deel en op de snel- heid der beweging. Daartoe behoort, koehieligheid wanneer de sprongge-
wrichten dicht bij elkander staan en de pijpen nu bui- tenwaarts gericht zijn. Heeft dit laatste niet plaats, dan zegt men dat het paard naanw van achteren is. Het tegenovergestelde hiervan is het te toijd in de sprong- geivrichten. Met het oog op het lang bruikbaar houden van het
paard, is eeno naauwkeurige beschouwing van het sprong- gewricht van groot belang. Aan de aehterpijp, die iets langer is dan devoorpijp,
ook niet geheel loodrecht staat, komen de schiefelbeenen en peesklappen veel zeldzamer voor. Voor het overige moet zij dezelfde vereischten als de voorpijp hebben. |
|||||||
|
<S. De grondbeginselen van het natuurlijke rijden.
Het doel van het rijden is, zooals reeds vroeger gezegd
is, het volkomen meester zijn van het paard. De mid- delen om daartoe te geraken zijn zeer verschillend. Het paard is zulk een wonderiyk dier, dat men er bijna alles |
|||||||
|
42
|
|||||
|
van gedaan kan krijgen, hetgeen niet geheel tegen zijn
natuur strijdt, indien men daartoe slechts den juisten weg inslaat. Door zijne verstandelyke ontwikkeling en zijn goed geheugen kan het voorliefde of afkeer, zoowel voor den mensen als tegen zekere handelingen gevoelen. Wanneer het paard met juistheid alles doet, hetgeen er van verlangd wordt, noemt men het gehoorzaam. Als eerste regel volgt derhalve hieruit, dat men het
paard steeds goed behandele, en ten zeerste vermijde om het zonder aanleiding, eenige pijn te veroorzaken. Even gevoelig als het paard voor eene zachte behandeling is, evenzoo zeer vreest het elke pijn, daarom moet de ruiter om zijn doel te bereiken, doch dikwjjls met groote zelf- verloochening, steeds de eerste in het werk stellen. Slechts als bestraffing, en wanneer alle overige middelen te vergeefs zijn aangewend, mag men het pijn veroorzaken,- en dan nog alleen door de sporen en de karwats. Dik- wijls ziet men ongeduldige en onkundige ruiters het paard aan de teugels in den mond rukken (hetgeen dik- wjjls ook wel onwillekeurig geschiedt). Behalve dat dit eene barbaarsche handelwijze is, waardoor aan het paard hevige pijn op de zeer gevoelige lagen, waarop het bit rust, wordt veroorzaakt, straft de ruiter zich zelf het meeste, want het paard gaat zich daardoor verzetten en is ten laatste niet meer te berijden. Bij ondeugendheid, verondersteld dat zij niet uit onkunde onstaat, doen een paar spoorslagen achter den singel, of een krachtige slag met de karwats op het achterstel eone goedo uitwer- |
|||||
|
43
|
|||||
|
king, want als men eenmaal genoodzaakt is om te straf-
fen, moet dit dan ook met nadruk en kracht geschieden. Hebben wij ons dezen grondregel eigen gemaakt, dan
komt een tweede in aanmerking, te weten die, dat wij het paard onder onzen last den dienst, dien wij van het vorderen, zooveel mogelijk verlichten. Wij komen hier tot de theorie van het evenwicht, die van groot be- lang is en die wij reeds vroeger toegelicht hebben. In het algemeen moet daarom het gewicht van den ruiter derwijze op den rug van het paard verdeeld zijn, dat de 4 beenen gelijkelijk belast worden. Daar de voorbeenen, doordien zij ook nog hoofd en hals moeten dragen, op zich zelf reeds meer belast zijn dan de achterbeenen, moet de ruiter trachten zjjn zwaartepunt meer op de achterhand te verplaatsen. De sterke bouw van het kruis en de zware spieren der achterbeenen gedoogen eene grootere belasting van het achterstel, terwijl de voorbeenen, nu minder bezwaard zijnde, zich vrijer kun- nen bewegen. De achterhand daarentegen wordt door het onderbrengen der achterbeenen bij het gaan onder- steund, waardoor nu het evenwicht onder den ruiter hersteld wordt. Doch, even als in alle zaken, bestaan ten deze uitzonderingen, men vindt paarden met eene zwakke achterhand, die men daarom meer op de voor- hand moet rijden, evenals er ook paarden met bijzonder sterke achterband zijn, waarbij men de voorhand derhalve geheel kan verlichten. Paarden met eene sterke achterhand worden door ken-
|
|||||
|
u
|
|||||
|
ners tot de bruikbaarste gerekend en altijd boven andere
verkozen, ook al is de voorhand minder goed. De derde grondregel is om het paard met eene zachte
hand te rijden. Hoe meer de ruiter er in slaagt, om door zijn rustigen zit elk noodeloos rukken in den mond van het paard te vermijden, des te eer zal het doen, wat men er van verlangt. Het zachte en rustige van de hand ligt in de veer-
kracht van het gewricht. De beginnende ruiter gelooft zeer dikwjjls, dat wanneer hij zijn paard met losse teu- gels rijdt, hij zich daardoor eene zachte haud eigen maakt; een ander gaat tegenovergesteld te werk, deze bemantelt zijn niet vasten zit hierdoor, dat hij de teu- gels te strak houdt, daar hij het zachte, rustige aan- houden der teugels van den goeden ruiter niet begrijpt, en daardoor zijn paard hard in den mond maakt, of het door de voortdurende pijnlijke drukking op de lagen, an- dere slechte gewoonten doet aannemen. In het gebruik der teugels ligt het geheim, om elk
paard te kunnen rjjden. Doch eene rustige, zachte hand kan men echter eorst dan hebben, wanneer men een goeden en stillen zit heeft verkregen. Elke afwij- king, elke onzekerheid daarvan deelt zich door de teu- gels aan den mond van het paard mede, veroorzaakt het pjjn en geeft aanleiding tot deze of geene afwjjking. Het moeielijkste voor den ruiter is om zich eene zachte,
stille hand eigen te maken, hetgeen hij alleen verkrijgen kan, door van het begin af aan hierop te letten. |
|||||
|
De hand wordt zacht genoemd, wanneer de teugels
zeo aangehouden worden, dat het paard voelt dat ze niet los tegen den hals liggen , en toch niet zoo los, dat het zijn hoofd naar goedvinden uit de stelling, die de ruiter het gegeven heeft, kan brengen. De handen, die onge- veer een vuist breed van het lijf afgehouden worden, moeten tegelijkertijd wanneer zulks noodig is, eene voort- durend veêrende beweging maken, om bij alle willekeu- rige en onwillekeurige bewegingen van het hoofd van het paard te kunnen volgen. Rustig is de hand, wanneer zij ook bij ongewone be-
wegingen van het hoofd des paards deze derwjjze volgt en weder dadelijk in hare stelling terug keert, dat elke harde drukking of eiken ruk in den mond van het paard vermeden worden Bij zulk eene hand krijgt het paard zeer spoedig vertrouwen in het bit, en zal het daarom ook al hetgeen de ruiter er van vordert, bereidwillig uitvoeren. Op deze wijze moet men het paard zijne na- tuurlijke vrees voor den ruiter ontnemen. Een verdere grondregel is een rustig en een goed ge-
bruik der beenen. Beide worden slechts door oefening verkregen en zijn niet gemakkelijk aan te leeren. De beenen dienen den ruiter niet alleen om zich vast te sluiten, maar ook om het paard de bij de onderscheidene gangen vereischte hulpen te geven. "Wanneer de teugel het roer is, dan is het been de uitvoerende beweegkracht, de zit echter het steun- of draaipunt van het geheel. Van het heupgewricht af tot aan de knie dient het been
*
|
||||
|
4fi
|
|||||
|
tot vastsluiting, ia alzoo, behalve het in evenwicht blij-
ven, eene hoofdvoorwaarde voor een vasten zit, en geven de dijen met hare uiteinden, de kniegewrichten, de voor- naamste aansluiting. Van dit gewricht af hangt het onderbeen loodrecht naar beneden, waarbij de vlakke kuit slechts even in aanraking met de flanken van het paard komt. Bij elke beweging behoudt het onderbeen deze' richting, en verlaat ze slechts bij het aanbrengen van de onderscheidene hulpen; doch ook dit zoomin mogelijk zichtbaar. Bij smalle paarden met weinig buik, moet men het been een weinig,terug trekken om met de kuit te kunnen aansluiten, doch moet men er zich steeds voor wachten om het paard onwillens met de sporen in de flanken te raken. Over de hulpen zelve zal ik later spreken. Door een
vasten, rustigen zit, door de juiste verdeeling van het gewicht bij elke beweging van het paard, verkrijgt de ruiter de volle macht over ge aehterhand en bijgevolg over het geheele paard. Daarom zegt een oud spreekwoord te recht zadel ach-
terwaarts, lieve broeder, daar zit gij aan het roer." Onrustige, driftige paarden kunnen alleen door een rus- tigen zit en eene rustige hand tot de noodige bedaard- heid gebracht worden. Wanneer een ruiter nu de vier grondbeginselen van
het natuurljjke rijden te weten: 1. eene goede behandeling, het vermijden van alles
wat het paard pijn kan veroorzaken, |
|||||
|
47
|
|||||
|
2. eene juiste verdeeling van het gewicht,
3. eene zachte, rustige hand,
4. het goede gebruik der beenen en een rustigen zit,
zich zoo eigen gemaakt heeft, dat hij ze practisch kan toepassen, kan hij met vrucht de lessen in de hoogere rijkunst volgen. Wij komen nu tot de middelen, die ons ten dienste
staan, om ons in deze vier grondstellingen te bevestigen. o) De natuurlijke zit.
De sierljjke houding van den ruiter op het paard, die
zelfs den leek in het oog valt, is hoofdzakelijk gelegen in de zekerheid, waarmede de ruiter zich op het paard beweegt, doch vindt men ook ruiters, waarvan men, of- schoon ze even zeker te paard zijn, toeh niet kan zeggen dat zij een sierlijken zit hebben. Van boven af beginnende moeten het hoofd en het bovenlijf
rechtop gehouden worden, en bij geenen gang, (met uitzon- dering alleen van den Engelschen draf, waarbjj het lichaam een weinig naar voren mag hellen) moet deze houding niet veranderen. De schouders, natuurlijk afhangende, zijn naar achteren gebracht, de armen, in tamelijk rechten hoek gebogen, sluiten met den bovenarm matig tegen het lijf, de elleboog komt een weinig achter de heup, de linker vuist recht op, een hand breed boven den knop van het zadel, het handgewricht licht gebogen, zoodat de binnen- vlakte der hand naar het lijf is gekeerd. De rechterhand laat men, wanneer men de teugels alleen in de linker- |
|||||
|
48
|
|||||
|
hand houdt, vrij achter de rechterdjj afhangen, of
ze op deze rusten. Rijdt men echter met beide handen, alzoo met de trens of met de stang met opgenomen trens- teugel , dan houdt men de rechterhand even als de linker. De heupen moeten steeds loodrecht op het zadel komen;
met de beide zitbeenderen rormen zij het vaste steunpunt voor het overige gedeelte van het lichaam. De djjen zijn naar binnen gedraaid, waardoor het zitvlak verbreed wordt. Overigens liggen zij derwyze, dat eene loodlijn van den neus van den ruiter getrokken, nog ver achter de knit van den ruiter valt. Het zitvlak ligt vast in het zadel, en moet bij alle gangen, den draf uitgezonderd, dat zoomin mogelijk verlaten. De onderbeenen hangen los aansluitende loodrecht naar
beneden; de knieën sluiten met hare binnenvlakte vast tegen het zadel, de punten der voeten zijn binnenwaarts gekeerd en naar boven gericht, de hielen bijgevolg naar beneden. Niet zeer moeieljjk is het, om in stap dezen zit te be-
waren, bjj de snellere gangen vordert dat echter reeds meerdere oefening. De punten der voeten rusten in de stijgbeugels, met de ballen op de zoolvlakte van den beugel, die zij, bjj welke beweging ook, niet mogen verlaten, en moet het voetgewricht, even als het handgewricht, inzonderheid bjj den draf, in eene veerende beweging zijn. |
|||||
|
49
i). Gebreken in den zit bij den beginnende n
ruiter. Elk beginnend ruiter stijgt met een zeker gevoel van
angst te paard, dat, als gevolg van zijne eigen onzeker- heid, zich in zijne geheele houding doet kennen, zoodat het, zelfs voor een leek, niet moeielijk is, om den geoefen- den ruiter van den beginnende te onderscheiden. Bg dezen laatste is het hoofd meestal naar voren gebogen, zijn de schouders eveneens vooruitgebracht. De ellebogen sluiten niet tegen het lijf, maar dienen meer als balan- ceerstokken voor het geheele lichaam, en gaan bij de snellere gangen van het paard op en neder. De hand- gewrichten zijn, in plaats van naar buiten, binnenwaarta doorgebogen, en met de binnenvlakte van de hand naar onder, in plaats van loodrecht gesteld, elk oogenblik gereed om de manen of den knop van het zadel te grij- pen, het geheele lichaam helt zichtbaar vodrover, waar- door ook de heupen naar voren komen en bjjgevolg de zitvlakte achter uit het zadel komt, en de ruiter dan alleen op de kloof zit. De knieën zijn naar buiten ge- draaid, zoodat men met gemak tusschen de knie en het zadel de vuist kan steken. De kuiten sluiten zich met hare achterste vlakte tegen den buik van het paard aan, de hielen zijn naar boven getrokken en rakon onwillekeurig met de sporen tegen den buik van het paard, waardoor dit natuurlijk steeds tot snellere gangen aangezet wordt en de zekerheid van den ruiter geheel verloren gaat. |
||||
|
r,.i
|
|||||
|
Tan het gebruik der teugels behoef ik wel niets te
zeggen, iet is niet meer dan een krampachtig trekken. Door het paard nu op deze wijze te berijden, gaat de voornaamste voorwaarde om het te kunnen beheerschen, te weten, de macht over de achterhand, verloren. Door het vooroverhellen van het lichaam wordt het
evenwicht verbroken, het paard op de achterhand verlicht en kan het nu daardoor alles doen, wat het wil, bokken, achteruitslaan en doorgaan. a) De werking der teugels en beenen.
Wanneer een goede zit van den ruiter de grondslag
is, dan kan men zeggen dat de teugels het roer zjjn, waardoor den geheelen toestel van ruiter en paard be- stuurd wordt. Dientengevolge dienen de teugels in de eerste plaats om het paard op te richten en te verzame- len. Bij een goed afgericht en gereden paard, moet de hals van de schoft af opgericht gesteld en het hoofd bij- gebracht zjjn, zoodat het voorhoofd bijna loodrecht naar den grond staat en de neus zich ter hoogte van de heu- pen bevindt. Door deze stelling wordt het paard ge- noodzaakt om zjjne voorhand te verlichten, en zijn eigen gewicht, als mede dat van den ruiter, op de achterhand over te brengen, hetgeen het zoo gewichtige doorbuigen in de gewrichten der achterbeenen, van het heupgewricht af tot het kogelgewricht, ten gevolge heeft. Zijn deze gewrichten buigzaam gemaakt, en zijn zij derwjjze gesteld, dat zjj den last, waarmede zij bezwaard zullen worden, |
|||||
|
veêrend kunnen opnemen, dan is daarmede alle Btjjfheid
Fig. 5. |
|||||||
|
van den hals en de kaken tevens opgehouden en het
paard voor den dienst afgericht en gehoorzaam. |
|||||||
|
Buigt daarentegen het paard nog niet in de gewrichten
door, verzet het zich tegen de juiste verdeeling Tan het gewicht, door het stijfhouden dezer gewrichten, dan zal het op de voorhand gaan, en ongeschikt zijn om kort te wenden of te arreteeren, in het algemeen om afge- richt te worden. Het is de zaak der africhting om het deze evenwichtsstelling te doen aannemen, doch echter die van den ruiter, om ze te onderhouden. Doet de laatste dit niet, dan neemt het best afgerichte paard spoedig |
|||||||
|
zijne natuurljjke stelling weder aan, en de juiste samen-
werking van voor- en achterhand gaat verloren. Men zegt dan dat het paard uit elkander gereden is." De hals daalt naar voren en bezwaart daardoor weder de voor- hand , de naar buiten gewerkte oorspeekselklieren groeien met de kaak vast, de lenig geworden banden tusschen de halswervelen worden weder gespannen, de gewrich- ten weder stijf, in een woord, het paard keert weer tot zijn vroegeren toestand, vóór dat het afgericht was , terug, waardoor de ruiter de volstrekte macht over het- zelve verliest. Om nu dit voor te komen, werkt men tegeljjk met
teugels en beenen. Deze laatste drjjven door eene be- stendige zachte drukking het paard tegen het bit en dwingen het, om dit aan te nemen, terwijl nu door het on- afgebroken zacht aanhouden der teugels het paard ge- noodzaakt wordt, om de door den ruiter verlangde stelling aan te nemen, wel te verstaan in zoo verre zijn bouw of zijn meer of mindere africhting dit toelaten. Eene eenzijdige werking op het paard, of alleen met do beenen, of met de teugels, kan derhalve tot niets leiden. Is een paard tengevolge van zijn ongunstigen bouw, zooals bij zeer zware kaken, die aan de halswervelen raken, waardoor tegeljjk eene kneuzing van de oorklieren teweeggebracht wordt, of door eene slechte africhting, derwijze bewerkt, dat het den hals in de valsche wervelen (3den en 4<len) buigt, dan ontstaat het gebrek dat men ^achter de teugels blijven1'' of" bijtootnen" noemt (Fig. e). -ë.
|
||||
|
*
53
Dit is voor den ruiter zeer lastig, doordien het paard
Fig, 6. |
||||||
|
daardoor de achterband aan de werking der teugels ont-
trekt, en daardoor de ruiter geen meester over het paard is. Bij zulke paarden moet men des te meer zijne aandacht op het gebruik der beenen vestigen. Bij het bij toornen brengt het paard de kin bijna tegen de borst, door het hoofd met de sterkste buiging van den hals naar bo- neden te brengen. Het onttrekt zich daardoor aan het oprichten. Eene andere wijze om zich aan de teugelwerking te
onttrekken, het tegenovergestelde van de vorige, is het in den windstehen van den neus (Fig. 7), eene eigenschap die meestal het gevolg is van een bijzonderen bouw, *
|
||||||
|
54
zooals men dit ziet bij paarden met verkeerden of herte-
(Fiff. 7). |
||||||
|
hals, of met te breede aanzetting van het hoofd. Paar-
den met een der beide genoemde eigenschappen, zijn ten eene male ongeschikt roor een beginnenden ruiter. |
||||||
|
Bene zachte, rustige hand en een goed gebruik der
beenen, zullen bjj zulke paarden, zoo ook bij die jnet weigebogen hals, nimmer hunne goede uitwerking mis- sen. Het paard wordt daardoor gehoorzaam en geschikt |
||||||
|
55
|
|||||
|
om dadelijk uit te voeren, wat de ruiter er van verlangt.
Eene zware, harde hand maakt het paard hard in den mond, door het gevoel in de lagen te verstompen, ten gevolge waarvan de teugelwerking verloren gaat. De teugels moeten derwijze werken, dat het paard
voortdurend eene aanleuning in den mond vindt, die door de werking der beenen teweeggebracht wordt, dan knabbelt het van het bit af, een teeken dat er geene hardnekkige spanning der spieren van de kaak en van den nek meer bestaat. Een paard dat, zooals men zegt, zonder teugels gereden wordt," d. i. waarbij de teugels zoo los gehouden worden, dat zij slingeren, is bij on- voorziene toevallen geheel buiten de macht van den rui- ter, het loopt weder op de voorhand, en kan daarom licht struikelen en storten. Het achter de teugels blijven" kan men alleen door
eene voortdurende werking der beenen ten laatste doen ophouden. Het is een voor den ruiter onaangenaam ge- voel, daar men als 't ware niets in de hand heeft, het paard zich derhalve geheel aan de werking van het bit onttrekt en daardoor ook niet onmiddellijk kan ge- hoorzamen. d). Het gebruik der teugels.
Nadat ik nu aangetoond heb, dit de beenen en teugels
niet alleen voor de vastheid van den zit dienen, zooals door leeken zoo licht wordt aangenomen, ga ik over tot de wjjze waarop het paard practisch moet opgericht en |
|||||
|
56
bestuurd worden, wanneer de ruiter aan het in het vo-
rige hoofdstuk behandelde beantwoorden wil. "Wanneer men in de manege rijdt, noemt men al wat
naar het inwendige er van gekeerd is binnen, dat wat zich naar de zijde van den wand bevindt buiten. 'Zoo' spreekt men van buitenteugel, buitenbeen, enz. Op den langen weg, derhalve in de open lucht, duidt de hoofd- stelling van het paard, die men in de manege volgens het voorschrift voor de verschillende gangen aangenomen heeft, de binnen- of buitenzijde aan. Door de. plaatsing en beweging van de teugelvuist
werken de teugels op het geheele lichaam van het paard. Door de hand naar voren te brengen geeft men het paard vrijheid en werkt men bijgevolg op de voorhand ; door het opheffen der hand naar voren wordt hals en hoofd opgericht; de afhterivaartsclie beweging der hand werkt daarentegen ook op de spieren van het kruis en van de achterband, in de veronderstelling dat de ruiter die beweging der hand ondersteunt door zijn lichaam een weinig naar achteren te doen hellen. Hierdoor worden de spieren der achterhand ontspannen, en het paard aangezet om het kruis na te geven en in de sprongge- wrichten door te buigen, alzoo de beoogde evenwichts- stelling aan te nemen. Heft men de hand achterwaarts op, zoo werkt men hierdoor op voor- en achterhand. De beweging der hand naar rechts oflinks noodzaakt het paard deze beweging te volgen, en dient om het paard, zooals men het gewoonlijk zegt, te sturen. |
||||
|
* ,
»■ ■*
57
Door de juiste aanleuning van het paard op het bit
verkrjjgt de ruiter het gevoel van onvoorwaardelijke zekerheid der leiding. Hij weet, dat het paard aan elke, zelfs aan de geringste beweging der hand zal gehoorza- men, en kan hij daaruit afleiden van hoeveel belang het is, geene doellooze bewegingen met de hand te maken, al waren ze ook slechts onwillekeurig en het gevolg van een onvasten zit. Het allerminst mogen zij opzettelijk gedaan worden, bijv. rukken en trekken met de teugels, zooals men dit helaas door onervaren of ongeduldige ruiters dikwijls ziet doen. Het gevolg hiervan is, dat het paard voor het bit en de hand van den ruiter vrees krijgt, daardoor weerspannig wordt en ten laatste niet meer te berijden is. e). Misslagen in het gebruik der teugels.
Van de regels der in de beide vorige §§ verklaarde
werking der teugels en van hun gebruik wordt in het algemeen zeer afgeweken. In de eerste plaats noem ik het laten hangen der tengels, waarbij de ruiter wel is waar meestal van het zeer loffelijke beginsel uitgaat, om het paard niet onnoodig te plagen, doch daarbij echter ver- geet, dat hij daardoor zoowel zichzelf als het paard niet het geringste nut, integendeel slechts nadeel doet. Im- mers, zoo handelende, worden de spieren van den hals weder gespannen, het paard brengt het gewicht op de voorhand, en de juiste evenwichtsstelling gaat verloren. De hieraan tegenovergestelde handelwijze, om het paard
|
||||
|
58
|
|||||||
|
te vast te houden, is het gevolg of van eene harde hand,
of van angst van den ruiter, die de teugels als steun- punt van zijn zit gebruikt. De gevolgen hiervan zjjn , dat het paard hard in den mond wordt enz., bjj paarden met zwakke achterhand en zachten mond steigeren en, achteroverslaan. Het is inzonderheid bij de . snellere gangen, draf, galop en renloop, waarbij de vastheid van den zit eerst recht op de proef wordt gesteld, dat men het meest op het stille van de hand te letten hebbe. Wanneer de hand daarbij eiken stoot van den gang vol- gende, als een smidshamer op en neer gaat, of zich heen en weer laat slingeren, moet het fijne gevoel in den mond van het paard verloren gaan, waarvan een onrustige, onregelmatige gang het gevolg is, die noch schoon of aangenaam is. Bij paarden met vurig temperament komt men door vasthouden het meest ten achteren, daarom, ik moet het steeds herhalen een rustig onafgebroken en zacht werken der teugels, een rustige zit en afhangen der beenen en een zacht aannemen en nageven, houden het paard gevoelig in den mond en gehoorzaam. |
|||||||
|
II. De praktijk van het rijde».
Ik zal nu overgaan tot de eigenlijke praktijk van het rijden, d. i. tot het behandelen van de noodige practischo handgrepen en regels, die voor ons dan slechts begrijpe- lijk zijn, wanneer wij het theoretisch gedeelte goed be- grepen hebben, wat bij het rijden vooral eene hoofdzaak is. |
|||||||
|
1. Het honden der tengels.
Wij rijden onze paarden op stang of trens. "Wanneer
wij op de stang rijden, dan houdt de linkerband al- leen de teugels, die den stangteugel op de volgende wijze aanvat: de vierde vinger wordt van boven tusschen de beide teugels gestoken, daarna de passant tot aan den vinger opgeschoven en het afhangende einde over den wijsvin- ger gelegd. Den trensteugel legt men vlak en niet ge- spannen er over, en drukt nu dezen, zoowel als het overige gedeelte van den stangteugel met den duim op het gebogen lid van den wijsvinger vast, nadat de vuist in de voorgeschreven loodrechte houding is gebracht (Fig. 8). Wig. 8.
|
|||||||
|
Niet altijd bevindt zich een passant aan den stangteugel;
in dit geval trekt men dien teugel, terwijl men hem aan |
|||||||
|
co
|
|||||
|
het samengenaaide eind aanvat, zoo ver door, tot men
meent dat hij genoeg gespannen is. Wil men de rechter- hand gebruiken, dan vat deze den trensteugel van boven naar beneden met de 3 eerste vingers en trekt dien door de linkerhand zoover door, dat de linkerteugel gespannen is, waarna men den rechter evenveel verkort en nu beide vuisten op een afstand van 2 duimen bij elkaar houdt. Leunt nu het paard te veel op den teugel, dan laat men ook wel de rechterhand zacht op de linkerhand rusten, waardoor men het besturen voor deze gemakke- lijker maakt. Rijdt men het paard op de dubbele trens, dan neemt
men de beide teugels van iedere zijde tusschen den 4den vinger, en wel dien van het grootere mondstuk naar de zijde van den pink met beide handen gelijkmatig aan- houdende , en laat de einden afhangen (Fig. 9). De enkele of watertrens, wordt op gelijke wijze gehouden. Ik moet hierbij nog opmerken, dat, wanneer men in de rijbaan rijdt, men het paard steeds zooveel binnenwaarts moet stellen, dat men het oog kan zien schitteren; de binnenvuist staat daarbij een handbreed meer naar het lijf dan de buitenvuist. Men noodzaakt daardoor het paard de binnenkaak na te geven en in de binnenge- wrichten door te buigen, waardoor het voor den galop en de zjjgangen voorbereid wordt. Later kom ik hier nog eens op terug. Op den langen weg moet het recht gesteld worden. |
|||||
|
01
|
||||||
|
Fiff. 9.
|
||||||
|
2. De hulpen.
De hulpen zjjn de taal, waarin de ruiter zijn wil aan
het paard te kennen geeft. Iedere beweging die hij het paard laat maken, geschiedt door middel Tan eene hulp. Tot de hulpen behoort de tongslag, waarnaar de paar-
den zich spoedig gewennen te luisteren, wanneer zij wat leTendig moeten loopen. Een zacht toespreken, strjjken met de vlakke hand,
|
||||||
|
62
|
|||||
|
dient daarentegen om paarden, wanneer zij driftig of
bevreesd worden, te doen bedaren. In het algemeen leert het paard zeer gemakkelijk de
spraak en het geheele zijn van den ruiter verstaan waaruit het zich laat begrijpen, dat de eigenaar van een paard dikwijls er zeer mede te vreden kan zijn, terwijl een ander het dikwijls slechts met moeite of in het ge- heel niet rijden kan. Ook op lichte hulpen met de rijzweep leeren de paar-
den gemakkelijk gehoorzamen, indien deze alleen hiertoe, en niet om het paard te plagen, gebruikt wordt. Er zijn verscheidene hulpen met den teugel: aannemen, nageven oprichten, verkorten of verlengen van de eene zijde van den teugel enz. Waar deze toegepast worden, zal later bij de gangen verklaard worden. De voornaamste hulpen met de beenen zijn: zacht
aandrukken van de kuit, langzaam vermeerderen van dien druk, terugbrengen van het onderbeen tot dat de spoor dicht bij het lijf komt, en ten laatste het laten voelen der sporen. Hoe, en wanneer deze hulpen aangebracht moeten worden, zal later eveneens gezegd worden. Eene voortreffelijke hulp om het paard op te richten en
tot eene verandering van gang voor te bereiden, is het vooruitbrengen der heupen met een licht terugbrengen van het lichaam, welke beweging de teugelhand volgt. Het paard wordt hierdoor opmerkzaam gemaakt dat de ruiter er iets van wil vorderen. De hulpen worden het bevalligst aangebracht, wanneer
|
|||||
|
63
zij voor het oog van den toeschouwer zooveel mogelijk
onmerkbaar zijn, zooals in het algemeen de meest onbe- weeglijke houding bij alle bewegingen (zonder daarom in de stijfheid van eene pop te vervallen) steeds het bevalligste en voor het oog het meest aangename beeld eens ruiters geeft. |
||||||
|
3. De straffen.
De niet geoefende ruiter moet zoolang mogelijk ver-
mijden het paard te straffen, want wie nog eenige moeie- lijkheid met zijn zit heeft, loopt hierbij licht gevaar hem geheel te verliezen. Tevens is het mogelijk, dat de ongeoefende ruiter daar
straft, waar het niet noodig was, omdat hij nog niet altijd de oorzaak of reden van deze of gene schijnbare ondeugendheid weet te verklaren. De straf moet daar eerst volgen, waar de hulp niet
voldoende is, dat is, waar zij reeds op eene beslissende wijze is aangebracht, derhalve, wanneer het paard begint ongehoorzaam te worden. De hulpmiddelen om te straffen bepalen zich slechts
tot het gebruik der sporen en van de rjjzweep. Straffen met de teugels bestaan er niet, en moeten ook om de reeds vroeger aangevoerde gronden ten eene male ver- worpen worden. Het straffen met de rijzweep zal daar inzonderheid moeten geschieden, waar het paard zich ook tegen de sporen verzet. |
||||||
|
64
|
||||||
|
Voor dat echter de ruiter de straf met de sporen of met de
rijzweep ten uitvoer legt, verzekere hij zich van zjjn zit, daar het paard gewoonlijk daarbij deze of gene driftige dik- wijls geheel onvoorziene bewegingen maakt, die den onvoor- zi chtigen ruiter licht zijn evenwicht kunnen doen ver- liezen , waardoor het kwaad nog verergerd wordt. Hieruit blijkt duidelijk, dat men het de beide sporen niet met uitgestoken beenen mag geven, maar alleen met het on- derbeen van het kniegewricht af, opdat de zit geen ge- vaar loope. De rijzweep wordt aangewend op den rechter-of linker-
schouder van het paard, over de borst en achter de linker- of rechterkuit van den rniter. Men moet de rijzweep niet te ver uithalen, opdat het
paard die vooral niet bemerke, dan echter moet het krach- tig en met een korten slag gestraft worden. Men moet er voor zorgen om het paard niet te straffen
wanneer het voor het een af ander vrees toont, hierdoor zoude men het voor altijd bederven. Daarentegen bij luiheid, wanneer het niet aan de hulpen gehoorzaamt, of zich zelfs tegen den ruiter verzet, moet gestraft wor- den, vooral in het laatste geval moet eene krachtige tuchtiging gegeven worden. |
||||||
|
i. Het op- en afstijgen.
De oppasser, die het paard voorbrengt, zet het in eene
eenigszins gestrekte stelling, waardoor de spanning der |
||||||
|
65
rugspieren van Toren af een weinig vermindert. Nu stelt
hij zich rechts van het paard, vat met de rechterhand het bakstuk van het hoofdstel, om het paard te beletten vooruit te gaan, en het toch niet door doelloos rukken pijn te doen, en met de linkerhand vat hij de stijgriem even boven den stijgbeugel, om het zadel bij het opstijgen van den ruiter tegen te houden. De ruiter stijgt links op. Eer hij dit doet, gaat hij voor het paard staan, ziet het welwillend in de oogen en vleit liet wat door het te streelen, een stukje Buiker te geven en dergel. Daarop plaatst hij zich ter hoogte van den knop van het zadel, front makende naar het paard, vat de teugels derwijze op, dat hij eerst den trensteugel in de volle hand neemt, daarna den stangteugel, en wel zooals dat vroeger is opgegeven geworden. De stangteugel wordt slechts los doorgehaald, (door het strak aanhalen konde het paard bij het opstijgen onrustig en zelfs tot steigeren en achter- overslaan aangezet worden); nu grijpt hij met de rechter- hand eene vlok maanharen, wikkelt die om den linkerduim, wendt zich nu zoo, dat hij met den linkerschouder tegen den linkerschouder van het paard staat en zet nu zijn linkervoet in den stijgbeugel, en wel zoo, dat de bal juist op het voetstuk van den beugel komt. Nadat hjj zich nu met het gezicht naar het paard gekeerd heeft, vat hij met de rechterhand den achterrand van het zadel Tast, waarna het rechterbeen het lichaam veerkrachtig van den grond afdrukt, zoodat het met eene lichte helling naar voren, met gesloten beenen en het linker- 3
|
|||||
|
.
|
|||||
|
60
been vast tegen het zadel gedrukt, in den stijgbeugel
staat. De rechterhand laat nu den rand van het zadel los
en steunt vlak op zijne rechter vlakte, dicht achter de kamer. Het rechterbeen wordt gestrekt gehouden en over het kruis gebracht, tot het aan de andere zijde is gekomen. Nu houdt het strekken van de linkerknie Op, en de ruiter laat zich zoo zacht mogelijk in het zadel zakken. De oppasser laat de stijgriem los, en schuift den beugel, de naar voren gekeerde zijde buitenwaarts, aan den rechtervoet. De ruiter laat de vlok maanharen los, schikt de teugels nog eens in de hand, de oppasser verwijdert zich en de ruiter richt het paard tot afrijden zacht op, geeft het eene zachte hulp met beide kuiten en laat het vooruitgaan. Het afstn'gen heeft op dezelfde wijze, doch in omge-
keerde volgorde plaats. De teugels worden wat nagegeven, de vlok maanharen wordt gegrepen, de rechterhand weder op dezelfde plaats gesteund, het zitvlak los gemaakt, het rechterbeen overgeslagen, vervolgens bedaard op den grond gezet (terwijl onder de hand de oppasser het rech- ter bakstuk en de stijgriem aangevat heeft), waarna ook de linkervoet den stijgbeugel verlaat en de linkerhand den teugel los laat. Het paard wordt nu weder gestreeld en een klontje suiker of iets dergelijks gegeven, waarna men het aan den oppasser overlaat, die na de beugels in de hoogte te hebben getrokken (hetgeen de ruiter aan de linkerzijde zelf doet), den wijsvinger tusschen de beide |
||||
|
67
trensteugels steekt, deze dicht bij den mond los aanvat
en hot paard wegbrengt. |
||||||
|
5. De gangen.
Men onderscheidt de gangen van het paard in natuur-
lijke, kunstmatige en gebrekkige. Tot de eerste behooren de stap, de draf en de galop.
De renloop is de galop tot zijn uiterste snelheid gebracht. a). De stap.
Van alle gangen is deze de langzaamste en voor het
paard de minst vermoeiende. Men noemt den stap kort, wanneer de achterbeenen achter den hoefslag der voor- beenen blijven, terwijl de stap lang is, wanneer de achterbeenen voor den hoefslag der voorbeenen neergezet worden. De stap moet levendig, regelmatig en niet kort zijn. Om het paard in stap te doen vooruitgaan, moet de ruiter de hand een weinig nageven, en de beenen ge- lijktijdig zacht aandrukken, deze drukking trapsgewijze vermeerderende tot dat het paard vooruitgaat. Trage paarden worden door krachtiger hulpen, zelfs
door een matig gebruik der sporen tot een snellen stap aangezet; driftige paarden daarentegen, die vooruitdrin- gen en licht in een trippelgang vervallen, moeten met eene zachte hand bestuurd worden, terwijl men de beenen niet mag aandrukken en men van tijd tot tijd, door het bedaard terugbrengen van de hand, die men evenzoo |
||||||
|
* ■
68
weder nageeft, halTe ophoudingen maakt. De ruiter
moet er op letten, dat het paard den hals opgericht met zooveel mogelijk loodrecht gesteld hoofd houde. b). Het teruggaan.
Het teruggaan is voor het niet afgerichte paard zeer
lastig en vordert het veel moeite om het daartoe te brengen. Bij de africhting dient het teruggaan om het paard in de gewrichten te doen doorbuigen. Men mag daarom het paard hoogstens 6 of 8 passen laten teruggaan, daarna moet men het laten rusten. Yöör het teruggaan verzamelt de ruiter het paard. Men laat de hand tot op den zadelknop zakken, draait ze schroefvormig, tot de pink tegen het ljjf komt, de beenen hangen recht af. Het afgerichte, paard zal onmiddellijk deze beweging volgen. Zoodra het paard door het aanhouden der teugels een voorheen oplicht om achteruit te treden, vermindert men het aanhouden der teugels en de drukking der beenen. Wil het paard zijdelings uitwijken, dan drukt men het
been aan deze zijde wat aan, waardoor het paard weder op de rechte lijn teruggebracht wordt. Men moet hierbij er op letten, dat het paard niet achter de teugels gerake en van zelf terugloope. Het moet altijd op de hulp der teugels wachten, en wanneer het dit niet doet, moet het been weder voortdrijvend werken. Het teruggaan wordt ook als straf toegepast, wanneer
het paard te zeer op de teugels leunt, of om het voor andere fouten te straffen. |
||||
|
■■■'.
|
|||||
|
69
c). De draf.
De draf volgt in snelheid het naast op den stap, de last
wordt hierbij meer naar voren gedreven en de beenen moe- ten hem daarom sneller ondersteunen. Men onderscheidt den draf in den korten, gewonen en gestrehten draf. De regel- matige draf is de gewichtigste gang van het paard waarin het, zonder nadeel te ondervinden, de verste afstanden in den kortsten tijd kan afleggen. Elk der ledematen heeft hierbij een gelijk deel van het gewicht te dragen ten gevolge van hunne gelijkmatige opeenvolging bij de be- weging, de beweeglijkheid van alle spieren, pezen en gewrichten wordt hierdoor op de doelmatigste wijze ont- wikkeld en voor moeijelijke gangen en oefeningen voor- bereid. Ook voor den ruiter zelf, daargelaten het snelle voor-
uitkomen, is de draf eene gezonde en versterkende be- weging , en het is vooral bij dezen gang, dat de beginnende ruiter inzonderheid houding en evenwicht leert bewaren. Het paard moet in draf zijne beenen zoodanig vooruit
brengen, dat de aehterbeenen op den hoefslag van de voorbeenen komen. Paarden met gebrekkigen bouw zijn hiertoe niet altijd in staat; zoo kunnen paarden met langen rug niet zoover vooruitgrijpen, de hoefslagen der aehterbeenen blijven dus achter die der voorbeenen; paarden met korten of ook wel zwakken rug, grijpen over, d. i. dat de aehterbeenen vöör den hoefslag der voorbeenen neergezet worden. Hierdoor komen de ach- |
|||||
|
70
|
|||||
|
terhoeven licht in aanraking met de voorbeenen. Heeft
deze aanraking met de pezen of andere deelen van het voorheen plaats, dan zijn zeer dikwijls kneuzingen en verwondingen dezer deelen hiervan het gevolg. Geschiedt die aanraking tegen het hoefijzer, dan hoort men telkens een zeker geluid, en men noemt dit in de ijzers vangen, aanslaan (forger), eene zaak die wel in acht moet genomen worden, omdat de zekerheid van den gang en daarmede die van den ruiter, hierdoor in gevaar gebracht kan worden. De korte draf wordt hoofdzakelijk bij de africhting en
bij het eerste onderricht van den ruiter toegepast, de laatste leert zich zoodoende het spoedigst aan de beweging van het paard gewennen. De gewone draf wordt het meest aangenomen, omdat
in dezen gang de paarden bij het afleggen van groote afstanden het meest gespaard worden. De gestrekte draf wordt aangenomen, wanneer men
in korten tijd groote afstanden wil afleggen, ook bij de africhting om het paard de schouders te leeren strekken. De draf is de eenige gang, waarbij het zitvlak het
zadel verlaat, om bij eiken stap van het paard daarin terug te komen; het is daarom duidelijk, dat de begin- nende ruiter hierbij het spoedigst zijne houding verliest, en dit dus voor hem de meest inspannende oefening is. Eer het lichaam zich gewend heeft den regelmatigen schok te verdragen, ondervindt men allerlei pijnen, zooals in alle de spieren van het lichaam, bij ruiters met zwakke borst, ook pijn in de borst. |
|||||
|
71
|
|||||
|
"Wanneer men groote afstanden in draf moet afleggen,
bedient men zich-daarom nog al bij regelmatig dravende paarden, doch inzonderheid bij paarden, die hoog draven, van het Engelaoh rijden. Dit bestaat hierin, dat men met de knieën en ballen der voeten door middel van het voet- stuk van den stijgbeugel, den tweeden pas van het paard opvangt, derhalve als 't ware in den beugel staat, en zich bij den volgenden pas weer in het zadel laat neer- vallen. Het bovenlijf helt hierbij een weinig voorover, de knieën moeten echter de aansluiting geven. Om van den stap in den draf over te gaan, begint
de ruiter het paard te verzamelen, door het een weinig op te richten en drukt nu de beenen te gelijk zacht aan, hierbjj zorgdragende dat hij het bovenlijf recht houde, daar de geringste voörwaartsche helling er van de voorhand van het paard bezwaart en deze, om tot een snelleren gang over te gaan, altgd verlicht moet worden. d). De galop.
De galop is een gang bestaande in opeenvolgende kleine
sprongen, waarbij in tegenoverstelling van den draf, niet de diagonale beenen, maar die van dezelfde zijde verder vooruitgrijpen dan die van de andere, zoodat bij den rechtschen galop de rechterbeenen, bg den linksehen de linkerbeenen het meest vooruitgrijpen. De overlangsche as van het lichaam maakt met die van de door te loopen ruimte meestal een hoek. Naarmate van de meer of mindere snelheid onderscheidt
|
|||||
|
I
-
72
men den korten, den gewonen of exercitiegalop, den
sterken galop en den renloop. Ee bewegingen van den galop zijn schommelend , en om
die reden voor den ruiter aangenamer dan die van den draf. Voor het paard is de galop echter vermoeiender wanneer het daariu groote afstanden moet afleggen, omdat de werkzaamheid der longen daarbij aanmerkelijk verhoogd wordt, ook de voorgrn'pende zijde meer ingespannen wordt dan de ondersteunende. Om den galop voor het paard gemakkelijker te maken, moet men, evenals bij andere gangen, het zwaartepunt naar achteren verplaatsen, om de voorhand zooveel mogelijk te verlichten, zoodat deze haar volle kracht behoudt om te kunnen vooruitgrijpen.- Het aanspringen- in galop kan uit den stand van
rust, uit den stap en uit den draf geschieden; de aan te brengen hulpen zijn in ieder dezer gevallen dezelfde. Om in den rechtschen galop te doen aanspringen brengt
de ruiter, na het paard verzameld te hebben, het hoofd van dit zoover rechts, dat hij het rechteroog kan zien, zit tevens iets meer op het linker zitbeen door, de boe- nen worden vast aangedrukt, het linker echter wat ster- ker, en tevens iets verder naar achter (achter den singel) gebracht. Een goed afgericht paard zal op deze hulpen in galop aanspringen. Voor den linkschen galop worden dezelfde hulpen, doch aan de tegenovergestelde zijde als bh' den galop rechts, aangebracht. Om te beletten dat het paard niet weder in den draf
overgaat, moet de hand steeds in werking blijven, niet |
||||
|
73
rukkende, maar bjj elke opsprong zacht nagevende, bij
eiken neersprong zacht aanhoudende. Het buitenbeen (bij den rechtsehen galop derhalve het linker) moet daarbij voortdrijven en aanzetten, het andere, zacht drukkende, blijft recht naar beneden hangen. Wil men het paard weder in draf of stap brengen,
dan houde men de teugels wat sterker aan, de beide beenen drukken gelijkmatig, terwijl de ruiter wat meer doorzit. Hierdoor doet men de ophouding op de achter- hand , hetgeen beter is dan op de voorhand, omdat de eerste sterker is en het kort ophouden op de voorhand licht peesontstekingen of andere gebreken der ledematen tengevolge heeft. Ook moet nog gezegd worden, dat het niet fraai staat, wanneer de ruiter zijne houding verliest en op den hals van het paard voorovervalt, hetgeen allicht gebeurt wanneer het ophouden op de voorhand geschiedt. Het bewaren van het evenwicht in eiken gang, bij elke ophouding of bij liet aanbrengen van elke hulp, geeft den ruiter zekerheid in den zit en eene sierlijke houding. Om uit den korten galop, waarin men altijd moet
beginnen, ook wanneer men in snellere of zelfs de snelste gangen wil rijden, in een sneller tempo van galop over te gaan, geeft men het paard iets meer teugelvrijheid, zonder de aanleuning, die hier zoo zeer noodig is, te verliezen, en drukt de beenen wat sterker aan. Om van galop te veranderen, hetzij van den rechtschen
in den linkschen of omgekeerd, moet men het paard goed |
||||
|
74
|
|||||
|
verzamelen. Op het oogenblik dat de verandering zal
uitgevoerd worden, wordt eene oprichtende hulp gegeven, het hoofd van het paard gewend naar die zijde, naar welke de galop zal plaats hebben, totdat de ruiter het oog van die zijde ziet schitteren. De werking van het been dezer zelfde zijde houdt op en wordt weder recht gebracht, terwijl men het tegenovergestelde been naar achter brengt en aandrukt. Wanneer de ruiter zonder hierbij zijn evenwicht te verliezen en zonder te trekken of te rukken de hulp goed aanbrengt, dan zal het goed afgerichte paard dadelijk de verandering uitvoeren. Tele paarden hebben de gewoonte op twee hoefslagen te
galoppeeren, dat wil zeggen, dat zij met de achterhand voor het drukkende been uitwijken. Dit is een gang die tot de hoogere rijschool behoort en bij het gewone rijden niet geduld mag worden , omdat hij dikwijls ook voor- komt met het achter het bit blijven". In dit geval moet het tegenhoudende been derwijze werken, dat het paard gedwongen wordt met zijne lengteas in de rechte lijn te blijven. e). De renloop.
Bij dezen gang is het aan te bevelen den trensteugel
mede op te nemen, om het paard niet vaster, maar om het zekerder te kunnen houden, opdat het niet storte. De hand moet hier zoo zacht mogelijk gehouden worden, om voortekomen dat het paard niet op het bit leune en doorga. Bij eiken opsprong moet men de teugels iets |
|||||
|
75
|
|||||
|
nageven, bij eiken neêrsprong verricht men een halve
ophouding, waarvan men de werking ondersteunt door het zitvlak als 't ware in het zadel te doen kleven. Bij den renloop inzonderheid zij men 'met het gebruik
der teugels zoo ook met den zit voorzichtig, daar vele paarden het liefst dezen gang aannemen, om zich aan de macht van den ruiter te onttrekken, hetzij dat zij doorgaan, of, bij bijgebracht hoofd, achteruitslaan. Ook moet de ruiter bij den renloop zeer nauwkeurig
letten op het terrein waarover hij rijdt, want elke mis- tred van het paard kan het doen storten, hetgeen bij de verkregen snelheid zoowel voor hem, als voor het paard, de noodlottigste gevolgen kan hebben. Bij het verkorten van dezen gang zijn vele paarden
gewoon tamelijk hard te stooten, zoodat hier vooral de aansluiting met de knieën in het oog gehouden moet worden, ook mag men hierbij het terugbrengen van het bovenlijf niet vergeten. Om uit de snellere galopgangen op te houden, gaat
men eerst in den korten galop over, doordien men lang- zamerhand door teugel en been, en nimmer door rukken het paard weer in de hand brengt en het lichaam daarbij naar achteren brengt, en vervolgens draf of stap aan- neemt. Het korte ophouden uit snelle gangen door niet geheel geoefende ruiters heeft dikwijls zware gebreken aan de beenen van het paard ten gevolge. Na den renloop moet men het paard zoolang in lang-
zame beweging houden, tot dat de longen en de bloeds- |
|||||
|
76
|
|||||
|
omloop tot hunne gewone werkzaamheid teruggekeerd
zijn, daar dit anders nadeelige gevolgen kan hebben. f). De sprong.
Wanneer men op eene hindernis aanrijdt, hetzij barrière
of sloot, moet men het paard vast tusschen teugels en beenen nemen, opdat het niet uitwijke, dat is, door eene korte meestal zeer scherpe wending te maken of door plotseling te blijven staan, de hindernis weigert over te gaan, waardoor de niet geoefende ruiter licht in gevaar kan komen zijwaarts of over den hals van het paard af te vallen. De ruiter moet onbeschroomd op elke hin- dernis aanrijden, want het paard merkt dadelijk de aarzeling van den ruiter en weet zich ze ten nutte te maken. Wanneer men dicht bij de hindernis gekomen is, moet
de ruiter door herhaalde zachte ophoudingen en door de beenen iets sterker aan te drukken het paard meer doen ondertreden om in de gewrichten meer door te buigen en de zwaarte meer op de achterhand te brengen. Op het oogenblik dat de sprong uitgevoerd zal worden, ver- heft hij de handen een weinig op- en voorwaarts om de voorhand als 't ware iets op te lichten, en drukt tevens do beenen, of wanneer dit bij tragere paarden noodig is, de sporen, kort maar krachtig aan. Zoodra het paard zich opgelicht heeft, laat de ruiter de hand weer zakken, om het paard voldoende vrijheid te geven, ten- einde den sprong te kunnen doen, daar de ruiter dan |
|||||
|
77
reeds weet dat het den sprong niet weigert. Op het
oogenblik echter dat de sprong geschied is, of eigenlijk nog bij den neêrsprong, houdt de ruiter de teugels licht aan, en laat de beenen evenredig werken, om te voor- komen dat het paard niet storte, of dat het zich niet eene oogenblikkelijke onzekerheid van den zit, teweeg- gebracht door het sterke afstooten, ten nutte make om * te bokken of andere ongepaste bewegingen te maken, hetgeen sommige paarden gaarne doen. Bij den opsprong moet de ruiter het bovenlijf iets terugbrengen om de voorhand te verlichten, ook bij den neêrsprong blijft hij dezen zit behouden om de voorhand niet te overladen, waardoor anders het paard gemakkelijk zou kunnen storten. De knieën moeten daarbij zeer sterk aansluiten, daar door de afstootende beweging van het paard de zit licht veranderd wordt en verloren gaan kan. Het zit- vlak mag bij den sprong het zadel niet verlaten, het moet zich als 't ware daaraan vastkleven, om te voor- komen dat bij den neêrsprong de ruiter niet met zijn bovenlijf op den hals van het paard valle, hetgeen bij paarden die sterk op de voorhand springen, licht gebeu- ren kan en zelfs het storten van den ruiter over den hals van het paard tengevolge kan hebben. Is de sprong gedaan, dan moet de ruiter het paard
nog verzameld houden, omdat de paarden dikwijls na den sprong neiging toonen om cabriolen te maken of vooruit te ijlen, hetgeen hen belet moet worden. Het aanrijden op de hindernis geschiedt gewoonlijk in
*
|
||||||
|
78
|
|||||
|
korten galop, om het paard goed verzameld te houden;
het aanrijden in den renloop moet wanneer de dringendste . noodzakelijkheid het niet vordert, door den infanterie- oflicier vermeden worden, omdat hierbij licht een ongeluk kan gebeuren. g). De zijgangen.
De zijgangen behooren tot de kunstmatige gangen,
welke dienen om het paard buigzaam en gehoorzaam te maken, opdat het zou kunnen voldoen aan alle de eischen die men het stelt. Bij de vroeger behandelde natuurlijke gangen gaat het
paard op één hoefslag, dewijl de achterbeenen zich daar neerzetten, waar de voorbeenen gestaan hebben; bij de zijgangen echter gaat het op twee hoefslagen, d. i. dat de achterbeenen niet den hoefslag der voorbeenen volgen, maar zich op een afzonderlijken hoefslag, die evenwijdig is aan dien der voorbeenen, bewegen. Dit is het gevolg van de schuins voorwaartsche beweging, daar de voor- beenen zich het een vóér het ander neerzetten, en evenzoo de achterbeenen. Zoo dikwijls daartoe tijd en gelegenheid bestaat moeten
de zijgangen door den ruiter herhaald worden, om het paard in zijn africhtingstoestand te houden. Er zijn vier zjjgangen, te weten:
1. Schouder binnenwaarts, wanneer het paard
met naar binnen gesteld hoofd, met den buitenachouder binnenwaarts, de achterhand op den buitensten hoefslag, |
|||||
|
79
|
|||||
|
derhalve met de voorhand in eene zestiende wending naar
het midden der manege gaat, waarbij de binnenbeenen zich over de buitenbeenen bewegen. 2. De reuvers. Het paard is eveneens met eene
zestiende wending naar binnen in de manege gekeeerd, het hoofd is buitenwaartsgesteld, in den gang bewegen zich de binnenbeenen over de buitenbeenen. 3. De travers. Het paard is met eene zestiende
wending naar buiten gesteld, de aehterhand naar binnen, het hoofd is naar binnen gericht, terwijl de buitenbeenen zich over de binnenbeenen bewegen. 4. Contra-schouder binnenwaarts. Het paard
staat evenzoo met de aehterhand naar binnen, het hoofd is naar buiten gesteld, de buitenbeenen bewegen zich over de binnenbeenen. Deze gangen dienen hoofdzakelijk om de schouders van
het paard los te maken en het in de spronggewrichten te doen doorbuigen, zij worden uitgevoerd door drukking met de aan de richting tegenovergestelde beenen. Men hebbe hierbij hoofdzakelijk er op letten, dat de
zwaarte juist in het midden valle en het lichaam noch rechts noch links overhelle. De teugel, die aan het hoofd de stelling geeft, mag niet te sterk aangehouden worden om het paard niet uit zijne zestiende wending te brengen. De binnenhand staat evenals altijd, iets lager dan de buitenhand; de besturende hand houdt het paard in de beweging op de wending; door aanhou- dende zachte drukking met de kuit van het drijvende |
|||||
|
«
|
|||||||
|
80
been, wordt het paard tot den zijgang aangezet, terwijl
het andere been het te ver uitwijken Tan de achterhand belet en door zachte tegendrukking het paard doet voor- uitgaan. De zh'gangen geschieden in stap en in korten draf;
bij een behoorlijken zit en g^ede besturing geven zij in de rijbaan eene sierlijke beweging en maken, zooals reeds gezegd is, het paard gehoorzaam en buigzaam. In de hooge rijschool worden zij ook in galop uitgevoerd. |
|||||||
|
6. Het halt- of ophouden (pareeren).
Onder halthouden, verkeerdelijk pareeren" genaamd,
verstaat men het tot staan brengen van het paard uit een gang. Het pareeren komt in het schoolrijden voor en beteekent daar eigenlijk hetzelfde, alleen dat het paard hierbij sterk op de achterhand gezet wordt. Zoo veel mogelijk moeten wij het kort halthouden of arreteeren uit snelle gangen vermijden, om reden dat onder den niet geheel geoefenden ruiter, dit licht nadeelige gevol- gen voor het paard kan hebben. Om het paard te arreteeren of om het tot stilstaan te
noodzaken, maakt de linkerhand eene lichte bovenwaart- sche beweging, om het paard te verzamelen; het haDd- gewrieht wordt naar binnen gedraaid, het bovenlijf iets naar achteren gebracht, de beenen worden wat vaster tegen de flanken van het paard aangedrukt, waardoor |
|||||||
|
*
81
het genoodzaakt wordt de achterbeenen onder te brengen.
Hierdoor vangt de sterkere achterhand het arrêt op en de voorhand wordt verlicht, waarop wel bij elk arrêt moet gelet worden. Hoe sneller de gang is, hoe korter het paard gearrêteerd moet worden, des te krachtiger moeten ook de hulpen, inzonderheid die met de beenen zjjn, om op de achterhand te arrêteeren. Het is intus- schen aantebevelen, wanneer men niet genoodzaakt is kort te moeten arrêteeren, om uit den galop eerst in korten draf, vervolgens eenige passen in stap over te gaan en dan eerst op te houden. Wil men echter slechts den gang veranderen, alzoo b. v. uit den galop in draf, of uit den draf in stap overgaan, dan brengt men de hulpen lichter aan, zoodat wanneer de verandering van gang heeft plaats gehad, teugels en beenen weder licht voortdrijvend werken. |
||||||
|
7. De halve ophoudingen (demi arrêt).
Deze worden aangewend wanneer men het paard uit een
gestrekten gang, hetzij galop of draf, in een gematigder tempo wil doen overgaan. Zij komen inzonderheid te pas bij driftige paarden, die sterk in de teugels dringen en ongaarne gematigde gangen aannemen. Het is een tem- peren van den gang, dat op dezelfde wijze uitgevoerd wordt als het geheele op-of halthouden, slechts wordende hulpen lichter aangebracht, om het paard niet tot stil- |
||||||
|
82
staan aan te zetten, maar alleen om zijn looplust te matigen;
zij mogen nooit rukkender wijze plaats hebben, maar moeten hestaan in een schroefsgewijze aanhouden en na- geven van de linkerhand, waarbij de beenen evenzoo bedachtzaam en rustig door het vlak aanleunen der kui- ten werken. Even als zij bij de dressuur een der voor- naamste hulpmiddelen uitmaken, om het paard op de achterhand te zetten en gelijktijdig op te richten, het derhalve in evenwicht te brengen, dienen zij ook tevens om het reeds afgerichte paard in evenwicht te houden, waardoor het zacht in den mond bluft en het hinderlijke leunen op de teugels vermeden wordt. Evenals het aan- houden schroefsgewijze geschiedt, moet ook het nageven evenzoo onmerkbaar plaats hebben, opdat het aanleunen' op het bit steeds blijve bestaan. Wanneer een paard goed afgericht is, dan zal het onmiddellijk aan het halve arrêt gehoorzamen en zich verzamelen. Gelijktijdig dient het halve arrêt om het paard voor een snelleren gang voor te bereiden. Paarden, die zich terughouden of zich verzetten, te
weten achter de teugels blijven, behoeven deze teugel- hulpen niet, maar moeten steeds met de beenen aangezet worden. 8. J)e wendingen.
De wendingen worden op de plaats of in den gang
uitgevoerd. Op de plaats kunnen zij op de voorhand i
|
||||
|
83
geschieden, wanneer het paard op de voorbeenen draait,
zoodat de middel- en achterhand een cirkelboog om de spil der voorbeenen beschrijft, op de middelhand, wanneer het draaipunt onder den ruiter, en op de achterhand, wanneer dit tusschen de achterbeenen ligt. Om het paard op de voorhand te laten wenden, verzamelt men het, de linkerhand verandert niet van plaats, terwijl de beenen evenals bij de zijgangen werken. De geheele wending op de achterhand, ook hort keert genoemd, is voor de praktijk de meest geschikste. Hierbij werkt het binnen- been slechts tegenhoudend, terwijl het buitenbeen door het sterker aandrukken het paard dwingt om op zijne achterbeenen te wenden, te gelijk dat de linkerhand door zijwaartsche drukking deze beweging bevordert. In den gang wendt men niet kort, maar in eene bocht.
De linkerhand beweegt zich op de zoo even aangegeven wijze, het bovenlijf helt een weinig naar de te wenden zijde, het binnenbeen werkt tegenhoudend, het buiten- been sterker drukkend. Ten opzichte van het wenden in galop moet nog op-
gemerkt worden, dat het paard in rechtschen galop zijnde, ook alleen rechts gewend wordt, in den linkschen links. Wil men naar den anderen kant wenden, dan moet men eerst van galop veranderen. |
||||
|
84
'*■
\
9. Het berijden van moeielijke paarden.
Men noemt een paard moeielijk of lastig, wanneer het
met deze of gene kwade gewoonte behept is, die, hoewel te verbeteren, evenwel voor den ruiter onaangenaam, hinderlijk en gevaarlijk is. Zijn zulke gewoonten op stal reeds zeer onaangenaam, nog te meer zijn zij het onder den ruiter. Alleen een onuitputtelijk geduld kan hier tot het doel, d. i. tot verbetering van het gebrek leiden, vooral wanneer de ruiter steeds in het oog houdt, dat slechts zelden een paard van nature boosaardig is, maar dat het de meeste kwade gewoonten eerst aanneemt ten gevolge van eene slechte of verkeerde behandeling. Dit in aanmerking nemende, zal de ruiter al dadelijk een minder hard oordeel over zijn paard vellen, wanneer het deze of gene kwade of onaangename gewoonte heeft, die het meestal door zachtheid of door eene ter rechter tijd toegepaste straf kan afgeleerd worden. Elke ondeugendheid van het paard gaat gepaard met
het weerspannig stijf houden van den nek en der kaken; zoodra het paard in deze deelen nageeft, is ook meestal het kwaad uit den weg geruimd. Nu is ongetwijfeld de ongeoefende ruiter niet zeer geschikt om bedorven paar- den te verbeteren, integendeel behoort men daartoe een zeer ervaren pikeur te zijn, want het verbeteren is veel moeielijker, dan het africhten van een jong paard; wg meenen echter dat eenige wenken hier op hunne plaats zullen zijn. |
||||
|
85
Paarden, die gaarne bokken en met de achterbeenen
slaan, brengen daarbij het hoofd naar omlaag en maken een krommen rug. Hiertegen helpt alleen het ophouden van het hoofd, want zoodra de hals hoog opgericht is, kan het paard niet meer bokken, daar hierdoor de rug- spieren ontspannen worden; hierbij mag echter niet in den mond gerukt worden. Een paard, dat bij het opstijgen naar den beugel slaat,
laat men voortdurend achteruitgaan, evenzoo zulk een, dat zich niet gaarne laat bestijgen. Onuitputtelijk geduld en eene zachte behandeling zullen ook hierbij den ruiter zijn dool doen bereiken, zoodat het paard weldra zjjne vrees voor hem overwint, en dan het opstijgen gewillig toelaat. Paarden, die uit koppigheid niet vooruit willen, wil-
lekeurig blijven staan enz., moet men, wanneer zij al niet reeds steegs, en in dat geval geheel onbruikbaar voor den infanterie-officier zijn, krachtig de sporen laten voelen, of het geen nog beter is, een paar flinke slagen met de karwats achter de beenen van den ruiter geven. Het steeds zeer onaangename steigeren kan door eene
goed werkende bestraffing afgeleerd worden; wanneer de ruiter niet angstig, in plaats van de teugels na te ge- ven en de beenen aan te drukken, de eerste steeds krampachtiger vasthoudt, kan het paard zeer licht achterover slaan. Zoodra de ruiter derhalve bemerkt dat het paard zich van voren opheft, geeft hij de teugels na en laat het de sporen voelen. Schiet het paard nu |
||||
|
86
|
|||||
|
daardoor niet vooruit, dan geeft hij het met den knop
der karwats een krachtigen slag tusschen de ooren, die meestal niet zal nalaten zijn uitwerking te hebben. Bij de twee laatstgenoemde kwade gewoonten moet de
ruiter echter nauwkeurig nagaan, of de onwil niet daarin zijn grond heeft, dat het paard voor het een of an- der voorwerp bevreesd is en daarom dit niet durft voorbijgaan. Is dat het geval, dan moet in plaats van te straffen, het tegenovergestelde geschieden, indien men het paard niet voor altijd wil bederven. Hoe zulks gedaan wordt, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien. Er zijn sommige paarden, die tegen muren, boomen
dringen, om hunne berijders daardoor af te werpen. Op het oogenblik, dat zij dit willen doen, tracht men dit te verhinderen door het scherp wenden van het hoofd, zoodat zij zich ferm den neus stooten. Daarna geeft men ze nog de sporen en een slag met de karwats. Paarden, die gaarne doorgaan, zijn niet in evenwicht,
en houden hals en kaken stijf. Men tracht ze in een omgeploegden akker of in zwaren zandgrond te brengen, en rijdt ze daarin af totdat zij van zelf ophouden te loopen. N~u echter noodzaakt men ze door sporen en karwarts om in denzelfde gang te blijven, totdat zoowel ruiter als paard buiten adem en afgemat zijn. In de meeste gevallen mist dit middel zijne uitwerking niet. Het zal echter niets helpen om het paard, dat doorgaat steeds vaster en vaster te houden; een krachtig arrêt door het sterk op de achterhand te zetten mot scherp oprichten |
|||||
|
87
|
|||||||||
|
van den hals, kan bij een aansprong onder omstandig-
heden de eigenzinnigheid Tan het paard doen ophouden, doch men kan het daardoor ook de lenden breken. In het algemeen moet nog opgemerkt worden, dat zoodra het paard zich naar den wil van den ruiter voegt, ook de straf dadelijk moet ophouden, omdat het, ofschoon op het oogenblik van zijne onwilligheid gevoelende waarom het gestraft wordt, het eene latere bestraffing echter voor plagerij zou houden, waardoor men veel kwaad kan doen. Ik moet echter ook hier weder herrinneren, dat alleen een goed ruiter in zulke omstandigheden doortas- tend kan handelen, omdat het paard gedurende de be- straffing meestal hevige bewegingen maakt, zoodat de minder zekere ruiter licht den zit, en daarmede alles verliest. |
|||||||||
|
III. Het vook den dienst beschikt maken.
Zeer dikwijls zal het gebeuren, dat een Infanterie-
officier een paard koopt, waarvan hij niet weet of het mak bij den troep is, zoodat hij dan verplicht is om het daaraan te gewennen. Paarden, die niet zenuwachtig zijn, leeren bij eene verstandige behandeling spoedig zich kalm bij den troep te bewegen; paarden, die zeer zenuwachtig zijn, leeren het soms nimmer, doch behoort dit tot de uitzonderingen. Men ziet, dat zeer edele paarden meestal het spoedigst goed bij den troep |
|||||||||
|
sa
|
|||||
|
gaan, terwijl paarden van gemeene rassen dat eerst na
lange oefening doen. Eene hoofdzaak is het, om het paard, daar men het
iets geheel nieuws, dat voor het ten eene male vreemd is, laat zien, met zachtheid te behandelen, door het vriendelijk toe te spreken, te streelen' enz. Doet men het tegenovergestelde, dan zou men het voor altijd kunnen bederven. Bij voorwerpen en zaken, die vreemd voor het paard zijn, bewege men het eerst in stap, opdat het tijd hebbe, deze voorwerpen goed te bezien en den indruk te ontvangen, dat men het geen kwaad wil doen. Ook moet men steeds den troep aehteroprijden en nimmer dezen naar het paard toe laten komen of te gemoet rijden. Eindelijk moet men het paard altijd bereden bij den troep brengen ; het door den oppasser aan de hand er bij te laten brengen, schaadt meer, dan dat het nut doet, daar het paard aan de hand te veel vrijheid heeft en aan de steeds hernieuwde pogingen van den oppasser om het bedaard te houden, sterken en niet te overwinnen tegenstand zal bieden. Men begint met het paard bij de dagelijksehe oefeningen
van den troep te brengen en rondom en tusschen dezen door te rijden, terwijl men door zachte drukking met de beenen, door het op den hals te kloppen en te strjjken, ook door vriendelijk toespreken zijn terughouden en zijne verbazing tracht te overwinnen. Reeds den 2.den of 3den dag zal het paard, dat men ook al reeds gebracht heeft bij afzonderlijke manschappen, die de handgrepen uit- |
|||||
|
89
|
|||||
|
voeren, zonder zich te verzetten naar den troep gaan.
Is nu deze eerste vrees overwonnen, dan gaat het daarna zeer spoedig. Men rijdt nu naar de gelederen, die op commando de handgrepen uitvoeren, en wanneer het paard hierbij mocht keeren, dan wendt men het weder zoo, dat het alles kan zien en spreekt het zacht aan. Daarna brengt men het bij compagniën, die de hand- grepen uitvoeren, men houdt stil, en tracht stap voor stap te naderen, zonder daartoe door sterke hulpen het paard te dwingen. Zoodra deze troepen zich in beweging Stellen, rjjdt men achter hen aan en vermijdt steeds om ze op zich toe te laten komen. Het gemakkelijkst ge- wennen zich de paarden aan den troep op marschen; reeds op den eersten marsohdag kan men meestal rustig tusschen de soldaten doorrijden, doch moet men daarbij vermijden bij het halt houden of bij het geweer over, of bij het zwenken, dicht bij den troep op te houden. Op halten wordt het paard door soldaten omringd, die het streelen en een stukje suiker of brood geven. Hierbij kan men het ook het gemakkelijkst aan het
trommelen gewennen, door tusschen de manschappen door al dichter en dichter naar de tamboers toe te rijden, tot dat men er ten laatste vlak achter is. Alleen moet men in het begin vermijden om er dicht achter te zijn wan- neer aangeslagen wordt. Op de exercitieplaats laat men een tamboer trommelend voor zich uit gaan, die zacht begint en steeds harder trommelt. Men rijdt dezen ach- terop en herhaalt deze manoeuvre zoo lang, totdat het |
|||||
|
90
|
|||||
|
paard zonder vrees voorbij den tamboer gaat. Yoor de
signalen zijn de paarden meestal niet bang. Het mooielijkste is het, om de paarden aan het schieten "
te gewennen, en gelukt dit dan ook niet het beste bij het schijfschieten, uithoofde dat langzame, in regelmatige tus- schenpoozen knallen der schoten, even als van de andere op de schietbaan plaats hebbende zaken, b. v. het zwenken met de seinvlag. Heeft men het paard zoover gewend, dat het zich zonder de geringste vrees tusschen de tirailleurslinie en het soutien beweegt, ook tusschen de afzonderlijke rotten der eerste doorgaat, dan laat men de tirailleurslinie zeer lang- zaam niet losse patronen vuren, zonder er te dicht bij te zijn, en wel het beste in de voorwaartsche beweging. Het paard zal eerst voorzeker hier wel naar luisteren, doch gewillig volgen, ook wanneer het vuren sterker wordt, totdat men ten laatste achter de liggende vurende tirailleurs blijft staan. Op gelijke wijze gaat men te werk bij het vuren in gesloten orde. Men blijft op een zekeren afstand achter het soutien, terwijl men altijd op het commando van vuur" eerst een, daarna eenige en ten laatste alle manschappen laat vuur geven. Eene hoofdzaak is het, dat alles van het paard af, en
niets naar hetzelve toe geschiede. Heeft nu het paard geleerd het vuren op de exercitieplaats rustig te verdra- gen, dan eerst rijdt men er mede naar de schietschijf. Aan de muziek gewent men het paard op dezelfde wjjze als aan de trommel, langzamerhand er dichterbij en steeds er achter rijdende; om op een stilstaand muziekkorps |
|||||
|
91
aan te rijden is in den eersten tijd niet aan te raden.
Toor den tamboermajoors-stok is het paard dikwijls hang. Is dit het geval, dan moet men het paard door den tamboermajoor, met den stok in de hand doen voe- deren en streelen, waarbij hij later eerst bewegingen met den stok aanwijzen, daarna uitvoeren moet. Ten Blotte, wanneer het paard tot dusver alles doet, wat men er tan verlangt, rijdt men door de gelederen, rondom de tamboers en het muziekkorps en gaat er naast staan. |
||||||
|
TWEEDE GEDEELTE.
|
||||||||
|
1. Het paardetuig'.
|
||||||||
|
a). Het bit.
Het eenvoudigste bit voor het paard is de gewone of
watertrens, bestaande uit een gebroken mondstuk met een eenvoudig hoofdstel en een teugel in eiken ring. Men gebruikt deze trens weinig om te rijden, hoofdza- kelijk om het paard te geleiden of bij het poetsen, ingeval het paard niet aan den halster in den stal gepoetst wordt. Het voor het africhten meest geschikte bit, is de
dubbele trens, zijnde twee boven elkander liggende mondstukken, waarvan het bovenste dikker is, ook aan de ringen knevels kan hebben, om te beletten, dat het mondstuk niet zoo gemakkeljjk door den mond van het paard getrokken kan worden; het andere, de onderleg- trens, is dunner. Eik dezer bitten is aan een afzon- derljjk bakstuk van liet hoofdstel geg-espt en heeft zijn afzonderlijken teugel. De bakstukken zijn zoo lang aangegespt, dat de mondhoeken niet omhoog worden |
||||||||
|
93
getrokken. Bij dit bit gebruikt men ook met goed gevolg
den zoogenaamden rijhalster, die hierin verschilt, dat hij eene soort van neusriem heeft, die zich niet boven, maar onder het bit bevindt. Hij noodzaakt het paard om het bit volkomen aantenemen en verhindert het opensperren van den mond, waardoor de paarden zich gaarne aan de werking van het bit op de lagen willen onttrekken. Het meest geschikte, gebruikelijkste en tegelijk dienst-
of modelbit is de stang. Zij bestaat uit het mondstuk en de beide scharen. Aan den bovenarm der scharen bevinden zich de oogen, waarin haken zijn aangebracht voor den kinketting; aan het benedeneinde der onder- armen zijn ringen, waaraan de teugels gegespt worden. Dit bit werkt bijgevolg niet, evenals de trens, onmid-
dellijk op de lagen, maar meer op de wijze van een hefboom, en daarom ook veel sterker, omdat de lagen door het aantrekken der teugels tusschen het mondstuk en den kinketting samengodrukt worden. Daar de vorm en de gevoeligheid van de lagen (van
den mond) bij de paarden zeer verschillen, heeft men met het oog op afriehting en gewoonte ook verschillende soorten van stangen uitgedacht. Dientengevolge onder- scheidt men de stangen in lichte en zware. Hoe langer de onderarm is, des te sterker is de werking, waarbij nog de gedaante van het mondstuk komt. Dit namelijk is niet geheel recht, maar heeft in het midden eene bocht, de zoogenaamde poort. Hoe hooger nu die poort |
||||
|
94
is, des te sterker werkt de stang, daar de werking van
deze nu op de scherpe randen der lagen van het paard overgebracht wordt, terwijl de tong anders tot een be- schuttend kussen moet dienen. 'Fig. 10. Fig. 11'.
|
|||||||||||||||
|
Lichte stang.
Fig. 12. Fig. 13. |
|||||||||||||||
|
Zwaardere stang.
|
|||||||||||||||
|
Fig. 15.
(o) |
|||||||||||||||
|
Fig. 14.
|
|||||||||||||||
|
I©
|
|||||||||||||||
|
Zeer zware stang.
|
|||||||||||||||
|
95
i
De werking der stang kan door den kinketting nog versterkt worden, door dezen zeer vast in te haken, terwijl hij zelf, naarmate hij dikker of dunner is, sterker kan werken, omdat hij in het laatste geval eene meer snijdende drukking op de lagen uitoefent, dan in het eerste. Hoe dikker het mondstuk is, des te zachter is do werking der stang, terwijl naarmate het dunner is of zelfs nog een op de tong en de lagen werkenden kant heeft, zijne werking des te sterker zal zijn. De dusgenoemde jachtstang (fig. 16 en 17) behoort tot de
Fig. 16. Fig. 17. |
||||||
|
lichtste der tot nog toe bekende stangen, omdat het
mondstuk dik en tamelijk recht, de onderarm kort en weinig langer dan de bovenarm is. Br bestaat nog een tusschenvorm tusschen stang en
trens, de gebroken trens (pelham); zij wordt zonder
onderlegtrens gebruikt, terwijl de trensteugel aan den
daartoe bestemden ring wordt vastgegespt (tig. 18 en 19).
Fig. 18. Fig. 19.
|
||||||
|
.
96
Tot het stangbit behoort verder de onderlegtrens,
evenals bjj de dubbele trens. Zij dient gedeeltelijk als hulp, deels tot zekerheid, ingeval de stang of stang- teugel mochten breken. Het lederen hoofdstel, waaraan de stang gegespt is,
bestaat uit den nekriem, waaraan zich ter weerszijden de beide bakstukken voor de stang en de onderlegtrens bevinden; van voren is de frontriem, van onderen de keelriem. Meestal is ook een neusriem aangebracht, die echter bij goed afgerichte paarden kan vervallen; ten laatste heeft men aan het hoofdstel de stang- en trensteugels. Het mondstuk van de stang moet een goeden duim
breed boven den haaktand liggen, de trens met hare ringeinden dicht daarboven. Gebruikt men een neus- riem, dan moet deze, de gesp links, dicht boven het bakstuk derwijze vastgegespt zijn, dat men ér gemakke- lijk een vinger tusschen kan steken. De kinketting moet, goed geljjk gedraaid, zoo ingehaakt zijn, dat men er vier vingers tusschen kan brengen. Zoo ook moet de keelriem los aangegespt zijn, om niet op de keel te drukken. Toor sommige paarden heeft men bovendien nog ver-
schillende hulpteugels, die intusschen in de handen van niet geheel gevormde ruiters meer kwaad dan nut kunnen doen; daartoe behoort voor paarden, die gaarne den neus in den wind steken, of bet hoofd zeer hoog dragen: 1°. de marUgnal; deze wordt bevestigd aan den buik-
Bingel, loopt in twee einden uit, die van ringen voorzien «■
|
||||
|
97
0 .
zjjn. Door deze ringen gaan de trensteugels. Verder
heeft men nog: 2°. den springteugel, die gebruikt wordt bij paarden,
■welke steeds met het hoofd slaan. Deze wordt insgéljjks aan den buiksingel bevestigd en vervolgens aan het kinstuk van de onderlegtrens vastgegespt. Ik kan dezen echter niet sterk aanbevelen, want de slechte gewoonte, waartegen men hem gebruikt, wordt er door verergerd. 3°. De slofteugel van Seidler is een voortreffelijke
hulpteugel, doch werkt zeer sterk, en moet daarom slechts door goede ruiters gebruikt worden. Hij bestaat uit een langen riem, die aan den buiksingel bevestigd is, vandaar door een in de onderlegtrens gegespten kinriem en vervolgens door een ring of eene katrol terug in de hand van den ruiter gaat. Men gebruikt hem bij paar- den, die den neus in den wind steken, ook bij die, welke licht steigeren. Het borsttuig werd oorspronkelijk gebruikt om het achteruitschuiven van het zadel te beletten; tegenwoordig dient het echter meer voor sieraad. Het leertuig is óf van zwart, óf van geel leder. Het
laatste ziet er zeer goed uit, doch het verandert spoedig van kleur en wordt donker door het zweet van het paard, het aanvatten, door den regen, enz. Om het leer zacht te houden, moet het minstens eenmaal in de i weken met een goed smeer licht ingesmeerd worden, en telkens na het rijden met een drogen lap of met een borstel van stof bevrijd worden. De tengels mogen slechts tot 15 a 16 duimen, van het bit af gerekend, ingesmeerd i
■ ■
|
||||
|
98
|
|||||
|
■worden, om bjj het rjjden de handschoenen niet vuil te
maken. b). Het zadel.
Door de Infanterie-officieren en civiele ruiters wordt
algemeen het Engelsche zadel gebruikt. Zonder eene uitvoerige beschrjjving van zijn samenstelling te geven, moeten wij er op indachtig maken, dat, behalve dat de zitting langer of korter, breeder of smaller kan zijn, voor paarden met hooge schoft, de kamer hoog en zoo- veel mogelijk naar achteren teruggetrokken moet zijn; voor paarden met lage, ronde schoft, is dat niet nood- zakelijk. Aan den voorkant van de zweetbladen bevin- den zich dikwijls de kniekussens, die een aangenaam steunpunt aan de knieën geven. Elk zadel heeft 2 sin- gels, doch 3 stooten tot het vastgespen van de Bingels. Om drukkingen van het paard voor te komen, moetende kussens ten minste om het half jaar door den zadelmaker nagezien worden, en zoo noodig opnieuw opgevuld-wor- den. Het zadel wordt derwijze opgelegd, dat de voorste randen een goede hand breed achter de schouderbladen liggen. Bjj een gced gebouwd rjjpaard, met eene welge- vormde schoft en niet te dikken buik, blijft het zadel ook zoo liggen. Bij paarden echter, die een sterken hooibuik, en daarbij eene hooge schoft hebben, schuift het zadel gewoonlijk na de eerste sterkere beweging naar voren, waardoor de voorhand te zeer belast wordt, daarentegen de achterband meer vrijheid verkrjjgt, dan zjj mag heb- |
|||||
|
99
|
|||||||
|
ben. Zelfs het sterk aansingelen kan dit niet beletten,
waarom men zich in zulke gevallen van een zoogenaamden patentsingel bedient, waardoor ten minste belet wordt, dat het zadel niet geheel op de schouders komt te liggen. Men heeft ook paarden, die zoo rank van lijf zijn met opgetrokken buik, dat het zadel naar achteren schuift, hetgeen ongetwijfeld veel erger is. Dit zoude men eenigszins kunnen beletten door het vaster aanhalen van het vroe- ger genoemde borsttuig. Om het naar voren schuiven van het zadel tegen te
gaan, heeft men ook een andere aanhechting der singels, en wel iets meer naar voren in plaats van in het mid- den van het zadel en met goed gevolg in aanwending gebracht. De singels zijn óf van breed wollen of linnen singelband
gemaakt, óf bestaan uit dicht naast elkander liggende koor- den, die onderling verbonden zijn. Ook heeft men zeer breede singels met twee gespen, waarover een tweede singel gelegd wordt. Deze singel zou bijna onmogelijk kunnen drukken. Aan het zadel zijn gewoonlj'k 2 singels, doch 3 stooten tot het vastgespen; de 3de dient tot reserve, ingeval een der bei- de andere mocht breken *). Om drukkingen op den rug van *) Zeer aan te bevelen is de dusgenaamde zadetzelfaantingclaar van
Steinbock te Weenen. Het is bekend, dat hoe sterk men het ladel moge aansingelen, bij de meeste paarden de singels na eenige bewe- ging al spoedig losser worden, waardoor het zadel ook niet meer vast ligt, hetgeen wel eens onaangename gevolgen voor den ruiter kan hebben. Dit nn wordt door den zadekelfaansingelaar voorkomen. |
|||||||
|
100
|
||||||||||
|
II
|
||||||||||
|
het paard voor'te komen, gebruikt men nog een onder-
legdekje, dat voor het militaire van een voorgeschreven vorm en kleur is. Het is doorgaans gevoerd met dik baai of vilt. Ben linnen voering, alsmede geheel linnen dekjes, zijn onpvaotisch, daar zij zeer licht, inzon- derheid wanneer het paard warm is, verschuiven, plooien krjjgen en dan noodzakelijk aanleiding tot drukking geven. De beste dekkleedjes buiten dienst en voor burger- lijk gebruik zijn de dikke, zachte, Engelsche vilten dekjes, ofschoon zjj ook na lang gebruik door het zweet van het paard hard en daardoor onbruikbaar worden. Goed zaaltuig moet men nimmer in den stal laten hangen,
omdat de lucht daarin altjjd vochtig is, en het daardoor steeds lijdt. Telkens na het gebruik moet het zadel in de lucht worden opgehangen, ten einde de kussens goed te laten drogen. |
||||||||||
|
2. De stallen.
Het paard brengt ongeveer 5/6 van zjjn leven en meer
in den stal door; wij houden van het paard, omdat wij het gebruiken, en het vertegenwoordigt een zeker kapitaal, |
||||||||||
|
Deze singel heeft aan zijn eene uiteinde een toestel bestaande uit 4
spiraalveeren, die bij bet aansingelen uitgerekt zijnde, daarna door hare veerkracht zich weer samentrekken en op deze wijze de singels altijd gespannen houden. |
||||||||||
|
n
|
|||||
|
101
dat wij niet gaarne verliezen. Nemen wij deze drie
zaken in aanmerking, dan volgt hieruit, dat wij het zijn verblijf in den stal zoo aangenaam mogelijk moeten trachten te maken. Helaas zijn de ons daartoe ten dienste staande middelen van voorbjjgaanden aard, want wij moeten de stallen nemen, zooals ze ons aangeboden worden, en mogen wij ons dikwijls nog zeer gelukkig achten, wanneer wij een stal kunnen bekomen. Intusschen moeten wij ons bekend maken met alles, wat daartoe betrekking heeft, om ten minste ongeveer dat in het werk te stellen, hetgeen wjj voor practisch en goed voor het paard moeten houden. De vier hoofdvereischten van een goeden stal zjjn :
lucht, en wel zeer goede zuivere, ruimte, licht en warmte. Om gezond te blijven, behoeft het paard, even als de
menschen, zuivere, versche lucht. Het is daarom nood- zakelijk, dat de uit den mest en de urine zich ontwikke- lende dampen, en de door de ademhaling bedorven lucht, door eene goede en geregelde ventilatie verwijderd kunnen worden, en wel zoodanig, dat daardoor noch tochtlucht voor het paard ontsta, noch de warmte van den stal afgevoerd worde. De stal moet behoorlijk licht zijn. Een donkere stal
heeft het nadeel, dat het paard daardoor ongewoon aan licht wordt, en nu in de open lucht door het sterke inval- lende daglicht blootgesteld is aan oogziekten, die of blindheid ten gevolge kunnen hebben, of aanleiding tot ondeugden kunnen geven, die de ruiter meestal in andere |
|||||
|
4
102
oorzaken zoekt. Een donkere stal is daarom af te keuren.
Doch van den anderen kant is het ook niet goed, wan- neer het raam zoo geplaatst is, dat het felle zonlicht direct in de oogen van het paard valt. Is het raam boven het hoofd van het paard, dan moet men het sterke invallende zonlicht door een gordijn matigen. Het beste is het, om de ramen achter het paard te hebben. De bedorven lucht in den stal werkt niet alleen
nadeelig op de longen, maar ook op de oogen, en is geenszins bevorderlijk aan de gezondheid. Wat de ruimte betreft, zoo is het voor het paard des
te beter, hoe ruimer plaats het heeft, daar het zich dan, inzonderheid des winters, wanneer het slechts weinig beweging heeft, nog eenigszins, al is het dan ook weinig, kan bewegen. Daarom "zouden boxen te verkiezen zijn; doch is dit eene luxe, die alleen lieden, welke voor zich stallen laten bouwen, zich kunnen veroorloven. Een stand met houten beschotten is na eene box wel het verkieselijkst, omdat de paarden dan geen gevaar loopen om onder of over den latierboom te geraken en niet door andere geslagen kunnen worden. Doch ook zulke stallen zjjn maar zelden, te verkrjjgen, en moet men zich derhalve meestal vergenoegen met tusschen de paarden latierboomen te hangen, die men echter goed doet om met stroo te omwikkelen en wel zoo, dat het stroo tot bijna aan den grond reikt. Verder moeten de boomen gemakkelijk los- gemaakt kunnen worden, ingeval een paard er over geraakt, of bjj het opstaan onder den boom komt. De breedte i
|
||||
|
Tan 'een stand moet minstens 1,4 meters (tussohen
beschotten 1,6), de hoogte 3 meters bedragen. De gang achter de paarden mag niet minder dan 2,5 meters breed zijn. Het is beter om het paard bij andere paarden te zetten, dan alleen, want het houdt van deze, eet beter en is minder lastig wanneer het eens bij andere paarden moet staan. De kribben moeten van steen of ijzer wezen, ook omdat
zij het geschiktste te reinigen zijn. Zjj moeten 0.2 meter diep en niet te hoog zjjn, daar dit, behalve dat de paarden er moeielijker in kunnen komen, aanleiding geeft, dat zij lieht den onderrand der kaak tegen den rand der krib kunnen kneuzen. Van den bodem der krib tot den grond is de afstand 0,95 meter. Het beste zijn de ijzeren korfruiven. Deze moeten 1,7
meters van den grond geplaatst zijn. De ruimte onder de krib tot den grond moet betimmerd zijn, en wel Tan de krib Bchuins naar den muur toe. Men doet dit om te voorkomen, dat de paarden bij het oplichten van het hoofd, wanneer zij van den grond eten, den nek niet tegen den onderrand der krib zouden stooten, het- geen aanleiding tot ernstige verwondingen kan geven, terwijl de schuinsche richting van dit beschot dient om het stooten der knieën te beletten, hetgeen zeer dikwijls plaats heeft, wanneer dit beschot loodrecht is. De deur moet zoo geplaatst zijn, dat de tocht bij het
openen ontstaande, niet op het paard valt; ook moet zij zoo wijd zjjn, dat het paard, wanneer het er doorgaat, |
||||
|
m
104
zieh niet licht stooten kan. Het ia voorzichtig om de
kanten der deurposten te doen afronden. Wat de warmte van den stal betreft, zoo moet deze
in het algemeen gelijkmatig, ongeveer 1214° R. zjjn. Wanneer meer paarden in een stal staan, is natuurlijk de warmteontwikkeling aanzienlijker, dan wanneer een paard zieh alleen er in bevindt. Zulk een moet dan in den winter gedekt worden. Bij eene gelijkmatige tempe- ratuur is het paard minder vatbaar voor verkoudheid, ook wordt hierdoor uitermate de gladheid van het haar en bijgevolg het gunstig uiterlijk van het paard bevor- derd. Mest mag nimmer in den stal bljjven i liggen, des noods mag bij nat weder het legstroo in den stalgang uitgespreid worden om te drogen. Een gemeenschappe- lijke stal onder een goed toezicht is altijd boven het afzonderlijk stallen te verkiezen. |
||||||
|
3. De verzorging.
Het is geen bijgeloof, dat het paard bij den eenen
mensch beter gedijdt, dan bij den anderen. Het moet daarom de eerste zorg van den eigenaar van een paard zijn, om de oppassing van zijn dier aan iemand toe te vertrouwen, die werkelijk liefde voor het paard heeft, zich met lust er mede bezig houdt, en het niet alleen poetst, voert, drenkt en opzadelt omdat hjj er van be- Btaan moet of om aan zjjn plicht te voldoen. Eigenlijk |
||||||
|
105
vordert de verzorging van een paard dezelfde oplettend-
heid, hetzelfde geduld, als die van een kind. Die er niet trots op is, dat zijn heer het glimmendste, dikste en prachtigste paard rijdt, die van zijn pleegkind niet even veel houdt als of het zijn eigendom ware, is niet de ware paardenoppasser. Niet alleen moet hij te vertrou- wen zijn in het poetsen en voeren, maar hjj moet ook elke afwijking van de gewone gedraging van zijn paard, elke onregelmatigheid bij het eten, urineeren, mesten, bij het poetsen of na het rijden opmerken, om dat dadelijk aan zijn heer te kunnen zeggen, behalve dat hij elke verwonding, drukking of kreupelheid dadelijk moet zien. En inderdaad, niet iedereen is geschikt, of heeft ook slechts den goeden wil om een paard op te passen en te verzorgen, in dien zin zoo als wij dat hier bedoeld hebben. Het paard wordt 3 malen daags gevoerd. Het eerste
voeder krijgt het 's morgens om 6 of 7 uur, het laatste 's avonds om 7 uur, terwijl het middagvoeder het liefst om 12 of 1 uur gegeven wordt, zoodat de tusschentijden even lang zijn, indien ten minste het gebruik van het paard niet hierin eene verandering noodig maakt. Men geeft des morgens liefst eerst het hooi. Op de andere voertijden geeft men hooi en haver tegelijkertijd. Voor dat men de haver in de krib doet, is het goed om ze vooraf uit te ziften, ten einde ze van stof te ontdoen. Liefst voert men de haver met haksel, dat echter niet te kort gesneden mag zijn, en bevochtigt beide een |
||||||
|
*
|
|||||||
|
106
weinig. Voor het voederen is het noodig om de krib
schoon te maken. Mocht er nog voer in zijn overgebleven, dan moet dat verwijderd worden. Het doelmatigst schjjnt het te zijn om het paard voor het
voederen te laten drinken, ofschoon ook velen het na het voederen doen. Bij felle koude is het goed om het water verslagen te geven, daartoe laat men het eenigen tjjd in den stal staan. Meestal drinkt het paard een emmer waterj toont het echter nog dorst te hebben, dan houde men het nog meer water voor. Des zomers late men het meermalen drinken. Is het paard gereden, dan kan men wel dadeljjk wat hooi in de ruif doen, doch de haver geve men eerst een half uur na het terugkeeren in den stal. Dikwijls zijn de paarden zoo dorstig, dat zjj niet eer eten, alvorens zij gedronken hebben, en ofschoon het wel barbaarsch schijnt te zgn, om het paard het water zoolang te onthouden, zal een naden- kende, verstandige oppasser zeer goed kunnen beoordeelen, of hjj het wat vroeger of later voer of water moet geven,
I
want het maakt een groot verschil of hjj het paard
sterk bezweet en met de flanken slaande van zijn heer
overneemt, of dat het droog en kalm op stal komt. "Wil
men het paard echter eene verkwikking bezorgen, dan
late men het eenige teugen uit den emmer drinken, nadat
men vooraf eenig hooi boven op het water gelegd heeft,
waardoor men belet dat het te schielijk drinkt, of men
late het over de stang drinken. In allen geval vereiseht
het laten drinken van het paard, dat verhit is, voor-
|
|||||||
|
I
107 zichtigheid, te weten wanneer het op stal blijft staan; op
marsch echter, als het paard dadeljjk weer in beweging komt, behoeft men niet zoo bevreesd voor nadeelige gevolgen te zijn, dan kan men het niet te dikwijls met wat water verkwikken. Bij ongesteldheid moet men het water niet koud en met een weinig lijnmeel, zemelen of gerstemeel geven. Het is zeer goed voor het paard om het steeds op stroo
te laten staan, vooral wanneer de grond met steenen belegd is. Het voortdurend staan op steenen is vermoeiend voor de beenen en geeft aanleiding, dat de paarden kun- nen uitglijden. Ook is het des winters koud voor het paard. Laat men het paard steeds op stroo staan, dan moet men vooral zorgen, dat de mest telkens weggeno- men en het natte stroo met droog verwisseld worde. Het poetsen van het paard dient om het te reinigen,
vermeerdert de werkzaamheid der huid en werkt opwek- kend op het zenuwstelsel, waarom men te recht zegt, dat goed poetsen het halve voer is. Goed poetsen bevordert de gezondheid; inzonderheid des winters, wanneer de paarden weinig beweging hebben en de huidwerkzaamheid gering is, is het poetsen van groote beteekenis. Paarden, die zeer kittelig zijn, of eene zeer gevoelige
huid hebben, is men gewoon te poetsen, terwijl zij het voeder eten waardoor zij dan rustiger staan. Men houdt het poetsen gedurende een uur 's morgens en een uur 's middags voor voldoende, wel te verstaan indien het goed gedaan wordt. Men overtuigt zich dat een paard goed gepoetst is, door met de toppen der vingers de haren |
||||
|
108
|
|||||
|
terug te strijken of de manen en staartharen vaneen te
scheiden. "Worden de vingertoppen hierbij niet wit, of ziet men geen stof, dan kan men tevreden zijn. Het poetsen zelf geschiedt op de volgende wijze: de
oppasser gaat links van het paard staan, neemt de ros- kam in de rechterhand en strijkt, van den hals af begin- nende , daarmede over het geheele lichaam, zorg dragende steeds op de vleezige deelen te blijven; hoofd en beenen mogen niet geroskamd worden. Is hij met de linkerzijde gereed, dan gaat hij tot de rechterzijde over, hierbij de roskam in de linkerhand houdende. Na het roskammen wordt de rosborstel gebruikt, insgelijks met de linkerzijde beginnende. Met lange, krachtige streken gaat hij met den borstel eerst tegen de haren in, daarna met de haren terug en strijkt na elke streek den rosborstel over de roskam, die hij in de andere hand houdt, af, welke hij van tijd tot tijd op den vloer van den gang uitklopt. Wanneer het uitgeklopte stof er geheel wit uitziet, kan men het paard voor schoon houden. Daarna gaat hij over tot het reinigen van maantop,
manen en staart. Deze worden met de manenkam voor- zichtig uitgekamd; mochten de haren in de war zijn, dan doet men ze met de vingers uiteen; zij worden nu met den rosborstel goed uitgeborsteld; om de 8 dagen moeten zij met lauw water en zeep uitgewasschen worden. Vervolgens worden hoeven en beenen tot aan de knie
met den waterborstel afgewasschen, doch behoorlijk weder afgedroogd, door ze eerst met eene stroowisch, daarna |
|||||
|
109
|
|||||
|
met een wollen lap af te wrijven. Het daarna zwach-
telen der beenen met een wollen zwachtel is zeer aan te bevelen. De zool van den hoef, zoo ook de straalgroeven en de
ruimte tusschen hoefijzer en hoef worden met den hoef- krabber uitgekrabt. Nu neemt men de nat gemaakte spons en veegt daarmede de oogen, ooren, den mond, de neus- gaten en ten laatste den anus en de geslachtsdeelen uit. Met den staart stoft men nog eens het paard af en wrjjft het met den wollen lap met de haren mede ten laatste ai en legt het dek op, dat men door een singel los be- vestigt. Bij goed weder wordt het paard in de open lueht ge-
poetst, bjj slecht, zooals vanzelf spreekt, in den stal, waarbij het wat korter aan den halsterketting gezet wordt. Het omkeeren in den stand moet voorzichtig geschie-
den, om beleedigingen of kreupelheden voor te komen. Is de stand te nauw, dan moet men het paard tot in den stalgang terugzetten. Wanneer het paard na het rjjden in den stal terug-
gebracht is, gaat de oppasser op de volgende wijze te werk. Nadat men zich overtuigd heeft, dat er geen tocht in den stal is, wordt het hoofdstel afgenomen en over den arm gelegd, waarna men het paard den halster aandoet. Een weinig hooi moet het in de ruif vinden. Het hoofd- stel wordt opgehangen en de mondstukken met eene natte spons van speeksel en schuim gereinigd Daarop worden de singels van het zadel wat losser gegespt, het met de |
|||||
|
110
|
|||||
|
beide handen een weinig opgelicht, zoodat er eenige
lucht tusschen den rug en het dekje kan indringen. Nu neemt men een stroowisch en begint daarmede het ge- heele lichaam af en droog te wrijven. "Wanneer ruimte en weder het gedoogen, leidt men het paaiM zoolang voor den stal op en neder, totdat hei droog is. Eerst nadat het paard geheel droog gewreven is, neemt
men het zadel af, hangt het op en begint nu den rug, waar het zadel gelegen heeft, volkomen droog te wrijven, waarna de deken opgelegd wordt. Het zadel wordt nu met de kussens naar boven in de openlucht en in de' zon gelegd om te drogen. De hoeven mogen in de eerste 1 '/2 a 2 uren na het
terugkeeren in den stal niet met koud water afgewasschen worden. De stal moet altijd zindelijk gehouden worden, het hout- en ijzerwerk moet dikwijls afgeboend, de gang aangeveegd en met wit zand bestrooid, de muren gewit en de hoeken van spinrag zuiver gehoudeu worden. Het voeder mag niet in den Btal bewaard worden, dewijl het anders licht muf wordt. Het zadelen en opatangen.
Voor dat men het paard opzadelt, gaat men er nog
eens met den borstel overheen en wascht het oogen, neus en mond uit. De oppasser gaat, nadat hij de stal- deken afgenomen heeft, met het dekje, waarop het zadel ligt, waarvan de stijgbeugels naar boven geschoven en de singels van rechts naar links over het zadel |
|||||
|
UI
geslagen zijn, links in den stand, terwijl hij het paard
toeroept en het aanspreekt. Nu legt hij dekje en zadel zacht op den rug van het paard, trekt het dekje recht en plaatst het zadel zoo, dat het eene goede hand breed van de schouderbladen ligt. De singels laat rnen aan de rechterzijde vallen, en, nadat de oppasser ook aan de rechterzijde zich overtuigd heeft, dat de zweetkussena niet naar binnen omgeslagen zijn, vat hij, onder den buik van het paard door, den voorsten afhangenden singel, gespt hem aan den voorsten stoot van het zadel, doeh nog niet zeer vast, waarop hij dit met den tweeden doet, die glad een weinig op den voorsten moet liggen. Is dit geschied, dan neemt hij, het hoofdstel met het nekstuk, waarop de teugels rusten, in de linkerhand, den halster af en laat het paard omkeeren. Nu neemt hij het hoofdstel op dezelfde wijze in de rechterhand, brengt het ter hoogte der ooren van het paard, vat de stang en de onderlegtrens te samen met de vingertoppen der linkerhand aan, en, terwijl hij nu het bit in den mond van het paard brengt, schuift hij tegelijkertijd het nekstuk over de ooren, legt de teugels tot op de schoft naar achteren en haalt nu voorzichtig den maantop van onder den frontriem. Nu gespt hij den keelriem vast, dooh zoo los, dat hg er de geheele hand kan doorsteken, daarna den neusriem, doch dezen wat vaster en wel zoo, dat de gesp onder het trensbakstuk komt te liggen; vervolgens haakt hjj den kinketting vast, doch zoo los, dat hij de geheele hand er tusschen kan steken. Daarna zet |
||||
|
112
|
|||||
|
hij het paard uit den stand, haalt de singels Taster aan-
neemt de hoeven op, om den daarin zittenden mest en het stroo er uit te halen, smeert ze in, wrjjft het geheele paard alsmede het zadel nog eens met den wollen lap af, neemt den borstel ommaantop, manen en staart glad te bor- stelen, en nu is het paard gereed om voorgebracht te worden. Heeft hij zelf aan zijne kleeding nog iets in orde te brengen, dan zet hij het paard omgekeerd weder in den stand, en maakt het vast tot hij terugkomt Het is aan te raden om het paard, kort voor dat men het opzadelt, nog eens te laten drinken. Het voorbrengen.
De oppasser slaat den trensteugel over het hoofd van
het paard, plaatst zich links van het hoofd, terwijl hij het eind van den trensteugel, ter plaatse waar hij samengegespt is, in de linkerhand neemt. Met de volle rechterhand, den wijsvinger tusschen beide gestoken, vat hij de trensteugels dicht onder het mondstuk aan, zoodat hij het hoofd van het paard steeds in zjjn macht heeft. Zoo houdt hij het paard vast, totdat de ruiter in de deur verschijnt. Dan gaat de oppasser rechts van het paard staan, met het front er naar toe gekeerd, vat met de volle hand het bakstuk dicht boven het bit en met de linkerhand den stjjgriem aan, dien hij, terwijl zijn heer opstijgt, Bterk naar omlaag trekt. Zoodra zijn heer op het paard zit, schuift hij den stijgbeugel aan zijn linkervoet, houdt nog zoo lang net bakstuk vast, |
|||||
|
113
totdat de ruiter de teugels goed in zijn hand heeft, en
laat nu op een teeken van zijn heer het bakstuk los. Wanneer de ruiter teruggekeerd is, wordt het paard
op dezelfde wijze aangenomen en weggebracht. Is het nog warm, dan wordt het, zooals reeds gezegd is, nog zoo lang in stap rondgeleid, totdat het of geheel droog of zijne ademhaling weer volkomen rustig ge- worden is. |
||||||
|
4. De toeweging Tan het rijpaard.
Tot onderhouding van de gezondheid van het paard
is het noodig, dat men het dagelijks ten minste 2 uren in de open lucht beweging geve. Dit kan niet altijd zoo geregeld opgevolgd worden, als den aard en de gezondheid van het paard dit wel vorderen. Des zondags b. v. laat men meestal het paard staan, minder om het paard, dan om den oppasser, opdat deze ook eens minder te doen zoude hebben. Dan eens wordt men door het slechte weer of door andere bijkomende omstandigheden verhin- derd om het paard, ten minste in persoon, zjjne gewone beweging te geven. In den zomer is het dagelijks aan- merkelijk langer onder het zadel dan 2 uren, in den tijd van de manoeuvres dikwijls 10 - 12 uren, en in den volgenden winter, inzonderheid wanneer er geen manége is, ziet het er met de beweging slecht uit, daar deze veelal gelijk nul is. Yele Infanterie-officieren namelijk, |
||||||
|
114
|
|||||||
|
die niet Teel genoegen hebben in het paard, Toor wie
het meer een noodzakelijk kwaad is, zouden in den winter het liefste wenschen om, indien het mogelijk ware, het maar ergens neer te zetten, om het in het Toorjaar weer in gebruik te nemen. Dit gaat intussohen niet, en juist de winter is Tan zoo Teel belang, omdat- geen, hetwelk het paard in afriehting gedurende den zomer bij de exercitiën, als wanneer men geheel andere zaken te doen heeft, achteruit is gegaan, er weder in te brengen, en ook om zich tegelijkertijd in de rijkunst weder te bekwamen en heeft men daartoe geen onder- wijzer door eigen oefening met behulp Tan een goed handboek. Doch daartoe moet men belang in de zaak stellen, dat niet altijd het geTal is. Toor onze paarden is dit nadeelig. Eensdeels worden
zij derwijze Tertroeteld, alsof het schoothondjes waren, anderdeels Tordert men er, in den tijd der manoeuTres Termoeienissen Tan, die hun moeieljjk vallen, omdat zij daar toe niet voorbereid zijn. Daar wij in het algemeen onze paarden bij slecht weder, koude, regen enz. op stal laten, is het natuurlijk, dat, wanneer wjj genoodzaakt zjjn dit niet in aanmerking te kunnen nemen, wij ze licht aan het vatten van koude met al de kwade gevol- gen daarTan blootstellen. Wanneer wij nu daarenboTen de Toeding Tan onze
paarden des zomers en 's winters vergelijken, dan is het niet te verwonderen, dat de paarden in den eerstgenoemden tjjd inat en mager zijn, terwijl zij des winters bij de |
|||||||
|
115
weinige beweging te dik worden, daardoor hunne edele
vormen verliezen en daarenboven blootstaan voor ver- schillende ziekten, want, dit moet gezegd werden, in het algemeen is de verhouding van het zomer- en winter- rantsoen niet in evenredigheid van de diensten, die in deze verschillende tijden van de paarden gevorderd worden. Is het verder een wonder, wanneer de paarden gedurende den langen winter in de moeielijk verkregen africhting achteruitgaan, wanneer de kaken weer stijf worden, de opgerichte hals weer naar voren helt, en het paard daardoor het gewicht op de voorhand terug- brengt, dat er met moeite van ontlast was? Is het te verwonderen, dat het onder de behandeling van den grootsten lompert in de rijkunst, van den oppasser, kwade gewoonten aanneemt, omdat deze niet weet ze uit den weg te ruimen? Dit zijn alle gewichtige rede- nen, om in beginsel eene regelmatige beweging van ons rijpaard allernoodzakelijkst te stellen, daar wjj ons zelven het meeste straffen, door anders te handelen. Wij moeten zelfs een tegenzin in het rjjden krijgen, wanneer wij in den herfst van een goed gereden , ge- schikt paard, dat mak bij den troep is, afstijgen, en in het voorjaar een bestijgen dat ongeschikt en met allerlei lastige ondeugden behept is. Op de dagen dat het paard niet in dienst gebruikt
wordt, moet men het ruim 2 uren wandelrijden en in alle gangen, het ook eens goed laten uitloopen, wanneer men een geschikt terrein heeft en niet tegen den wind |
||||
|
116
|
||||||
|
inrijdt. Men vereenige hierbij het nuttige met het aan-
gename, d. i. men rijde niet alleen op effen, fraaie wegen, maar ook op ongelijk terrein, waar men gelegen- heid heeft eens te springen en dergel., want hier heeft men tijd, om het paard aan die oefeningen te gewennen, dien men niet heeft, wanneer het bij den troep en in dienst weigert. Hierbij is het ook noodig bij afwisseling langer te draven en te galoppeeren, om de longen tot volle werkzaamheid aan te zetten, en tevens om het paard te noodzaken zijne beweegspieren krachtig in te spannen, want even als gymnastisehe oefeningen bij den mensch de spieren meer en meer versterken, zoo ook is het met het paard gelegen. Gebrek aan beweging ver- slapt zijn organisme, en maakt het ten laatste ongeschikt tot bijzondere dienstbetooning. Ook moet men zoo min mogelijk deze oefeningen in den gang aan anderen overlaten, want al moge de ruiter zelf nog zoo weinig geschiktheid hiertoe hebben, ten laatste gewendt het paard zich aan zijne wjjze van doen, en beiden worden dan het zeer goed eens met elkander. Komt er nog een ander ruiter bij, en zelfs een slecht, zooals b. v. de oppasser, dan werken twee krachten tegen elkander, en vernietigen elkander wederkeerig. Het is daarom zoo moeielijk, om voor een ander, wiens eigen- aardigheden van zit en hand men niet kent, een paard toe te rjjden, en het is de grootste kunst voor den berijder om die eigenaardigheden van den eigenaar van het paard op te merken en het paard nu zoo te rjjden, |
||||||
|
:
|
||||||
|
117
dat het met de bijzondere gewoonten van zijn bezitter
reeds bekend is, wanneer deze het bestijgt. Doch ook dit niet in aanmerking genomen, moet men
nooit, al is men niet alleen van zijne geschiktheid in het rijden, maar ook van zijne nauwgezetheid ten volle overtuigd, zijn paard door den oppasser, ten minste niet zonder toezicht, laten rijden. Men ziet dagelijks, hoe het met dat rijden van oppassers toegaat, vooral wanneer zij met meer bijeen zijn en wanneer dan de eerzucht in het spel komt, wie het beste rijdt, of wiens paard het hardst loopt. "Wanneer men daarom genoodzaakt is, om het paard door den oppasser beweging te laten geven, dat toch wel gebeuren kan, dan late men het nooit anders als met de watertrens en de deken afstappen. Men heeft daardoor het voordeel, dat de oppasser, al mocht hij op het paard gaan zitten, slechts voorzichtig moet rijden, wil hy er niet van afvallen, en dat hij met de trens het paard zoo niet in den mond kan rukken als met de stang. |
||||
|
5. Ziekten.
Dit hoofdstuk kan slechts zeer oppervlakkig behandeld
worden, daar het mijne meening is, om bij elke onge- steldheid zoo spoedig mogelijk de hulp van den Paar- denarts in te roepen, ten minste wanneer de eigenaar niet zelf kan onderkennen, of de zaak van geene beteekenis |
||||
|
f
118
en slechts voorbijgaande is, want het is toch beter om den
Paardenarts te vergeefs te laten komen, dan hem wellicht te laat geraadpleegd te hebben. Ik wil intusschen niet na- laten de gewone kenteekenen van ziekte hier op te geven. Uitwendige gebreken zjjn al spoedig te'zien, zonder dat men evenwel altijd, zooals b. v. bij kreupelheid, de zitplaats van het gebrek te weton kan komen, hetgeen den veearts zelf dikwijls niet dadelijk gelukt, ofschoon er welbekende kenmerken voor bestaan, of het paard kreupel in den schouder, in de pezen of in den hoef is. In het algemeen moet bij kreupelheden het eerst de hoef nauwkeurig onderzocht worden. Dikwijls drukt het ijzer, wanneer het te lang gelegen heeft; wordt het paard dadelijk na een nieuw beslag kreupel, dan kan dit ver- oorzaakt zjjn, doordien de hoefsmid te veel van den toon of de drachten heeft weggesneden, of dat een nagel in de levende deelen van den voet is gedrongen (verna- geld). Of het paard steengallen of lossen wand heeft, en daardoor kreupel loopt, kan de oppasser weten, daar een bekwame smid deze gebreken bij het beslaan spoedig ziet en den oppasser daarop opmerkzaam maakt. Bij hoorn- scheuren , die meestal in de voorhoeven voorkomen, en dan alleen van beteekenis zjjn, wanneer zij uit de kroon naar beneden loopen, gaan de meeste paarden niet kreu- pel , doch moet een oplettende oppasser bij het schoon- maken der hoeven ze in haar eerste begin ontdekken. Wordt een paard onderweg plotseling kreupel, dan moet men dadelijk onderzoeken, of het niet iets in de |
||||
|
119
|
|||||
|
zool van den hoef getrapt heeft. Vindt men aan den
hoef niets buitengewoons, dan gaat men over om de pezen te onderzoeken, die zich achter aan het been van den kogel tot aan de knie uitstrekken, om eene ontsto- ken of gezwollen plaats te ontdekken, die zich door meerdere warmte doet kennen, terwijl wanneer men op die plaats drukt, het paard teekenen van pijn te kennen geeft. Wanneer eene kreupelheid pas ontstaan is, zal men deze verschijnselen van ontsteking niet dadelijk kunnen waarnemen, en moet men wachten tot de ont- steking zich ontwikkeld heeft. Men kan intusschen met groote zekerheid weten of de kreupelheid in de pees ge- legen is, hetzij meer naar onderen of aan de achtervlakte der knie, wanneer men ziet hoe het paard het been houdt. Zet het dit recht onder zich, dat is, noch voor-, noch ach- teruit, doch met eene gebogen knie (bokbeenig), dan is de kreupelheid in de pees gelegen. Bij kreupelheid in den kogel ziet men geene andere afwijking in de stelling van het been, als dat de koot steiler staat. Zijdelings voelt men ook meerdere warmte, wanneer de kreupelheid eenige uren geleden ontstaan is. De schouderkreupel- heid is voorzeker niet de minst beteekenende van alle kreupelheden in het voorheen en tevens moeieljjk te onderkennen. Plaatst het paard in rust het been voor- of achterwaarts, dan kan men eene schouderkreupelheid aannemen, die in het eerste geval in den boeg, in het tweede iets meer naar achteren zetelt. Op zachten zand- grond gaan boegkreupele paarden sterker kreupel dan op |
|||||
|
120
harden grond. Het omgekeerde heeft bij de andere kreu-
pelheden plaats. Kreupelheden in den hoef en in de pezen komen in
de achterbeenen zeer zelden voor. In deze is de kreu- pelheid meest in den kogel, het spronggéwricht (spat, hazenhak) of in de heup gelegen. Drukkingen, die dadelijk door den oppasser gezien
moeten worden, behandele men verkoelend door vlijtig nat te houden, of er eene graszode op te leggen, of een pap van klei met azijn. Wanneer zij niet op de schoft of op het kruis voorkomen, zijn zij in den regel van geene groote beteekenis. Intussohen moeten gedrukte paarden niet gebruikt worden, daar de drukkingen door nieuwe drukking wel eens gevaarlijk worden en het paard voor langon tjjd onbruikbaar maken kunnen. Uitwendige beleedigingen door stooten, slaan, enz.
worden het beste door het nat houden met koud water (of water met arnica) genezen, wanneer zij niet diep zijn, of niet op gevaarlijke plaatsen voorkomen, waar het beenvlies aangedaan kan zjjn; is dat het geval, dan moet men de hulp van een Veearts inroepen. Het eerste kenteeken eener inwendige ziekte is ver-
minderde eetlust. Zoodra men dezen bemerkt, moet men het paard nauwkeurig gadeslaan en zal dan dikwijls nog andere verschijnselen waarnemen, zooals: het laten han- gen van het hoofd, treurig staan in den stal, ruw in de haren, troebele oogen, koude ooren, slaan met den staart, onrustigheid, het hoofd dikwijls naar den buik keereu, |
||||
|
121
verminderde of opgeheven ontlasting van mest en urine,
uitvloeiing uit den neus, hoest, snelle ademhaling (meer dan 11 ademhalingen in de minuut) en slaan met de flanken, hitte enz. Eenige van deze opgenoemde ver- schijnselen kunnen soms niet veel te beteekenen hebben, ofschoon zij zonder twijfel eene kortstondige ongesteldheid te kennen geven, maar men moet er echter acht op slaan; duren zy langer dan 24 uren, dan moet de hulp van den Veearts ingeroepen worden, wanneer niet de eigenaar van het paard zelf genoeg kenner is om te beslissen resp. te behandelen. Beginnend koliek, dat zich doet kennen door koude ooren, groote onrustigheid van het paard, slaan en omzien naar den buik, in het verder beloop ook door het zich nederwerpen en weder opstaan, lijdt niet het minste uitstel. Is er niet dadeljjk een Veearts bij de hand, dan wrijve men den buik van het paard in met een mengsel van gelijke deelen terpentijn- olie en brandewjjn, of, indien het koliek hevig is, met enkel terpentijnolie, daarna do« men het geheele lichaam met stroowisschen wrijven. Men bedekke het paard goed met dekens en leide het eenigen tijd rond, totdat het zweet. Doorgaans zal na het eerste mesten het koliek ophouden, doch moet men het paard voor elke bekoeling vrijwaren. In het algemeen is het ten sterkste aan te raden, om wan- neer de eigenaar bij elke ongesteldheid de oorzaak niet kan opsporen, den raad van een Veearts in te roepen, daar anders deze kleine nalatigheid kwade gevolgen kan hebben. |
||||
|
122
6. Kwade gewoonten der paarden in den stal.
Wij hebben vroeger reeds gesproken van kwade ge-
woonten der paarden bij het rijden en hoe deze afgeleerd worden; wij moeten hier nog zulke vermelden, die zich in den stal voordoen, zonder dat altijd hiertegen iets te doen is om ze af te leeren. Bjj het kribbewetten, kribbewrijven, wrijft het paard
de vast tegen elkander gesloten snij tanden voortdurend over de krib heen en weder, waardoor de voorste vlak- ten der tanden, vooral aan ijzeren of steenen kribben, sterk afslijten. Men wil dat deze ondeugd niet zelden het begin van kribbebijten is. Vele paarden bijten in de Icrib bij het opzadelen en
poetsen. Sommige paarden, die eene zeer fijne huid heb- ben bijten of slaan gedurende het poetsen ook naar den oppasser; zulke paarden moeten bij het poetsen kort worden aangebonden en mag bij deze de roskam niet gebruikt worden. Het lederbijten, belikken van de wanden der krib, het kna-
gen aan de krib. Het is eene kwade gewoonte der paar- den, om aan alles te bijten en te likken, zelfs in dekken, zadeltuig, riemen en touwen, krib, enz. en er zelfs ge- deelten v m te kauwen en in te slikken. Hiertegen be- veelt men aan het bestrijken met koolteer; om het bjj ten in de deken te beletten het aanleggen van een stok, die van voren aan den sialhalster en van achteren aan den buiksingel wordt bevestigd, waardoor het buigen |
||||
|
123
|
|||||
|
van den hals belet wórdt. De randen der kribben laat
men met ijzeren platen beslaan. Het eigenlijke kribbebijten. Hierbij vat het paard eenig
vast voorwerp met de snij tanden, of drukt de laatste er tegen, het meeste op de krib of den latierboom, ook wel op den gespannen halsterketting, zelfs tegen den onder- arm; het hoofd wordt sterk bijgebracht, de hals- en buikspieren trekken zich sterk te samen, waarop men, meer of min duidelijk, een geluid of toon, een soort van oprisping hoort. Sommige paarden behoeven hierbij geen vast steunpunt, zij buigen alleen het hoofd tegen de borst, openen eenige malen den mond en laten dan dien toon hooren. Deze noemt men windzuigers. Kribbebijters en windzuigers zijn licht onderhevig aan koliek. Meestal hebben zulke paarden eene slechte spijsvertering. Om het kribbebijten te beletten, heeft men aangeraden een halsband of een riem, waaraan 2 kogelvormige verheven- heden zijn, die op het strottenhoofd en de zwelgkeel drukken. Deze riem wordt dicht achter het hoofd om den hals gelegd en zoo vast toegehaald, als noodig is om het inslikken van lucht te verhinderen. Het eenvou- digste middel is om de paarden zoo te binden, dat zij nergens met de tanden op kunnen steunen. Het afstrijken van den halster is eene gevaarlijke
gewoonte, en kan moeielijk belet worden. Om de gevolgen daarvan, door het los in den stal loopen, te beletten moet men achter den stand eene stang of een ketting plaatsen. Het hangen in den halsterketting kan aanleiding geven
|
|||||
|
124
|
|||||
|
dat deze breekt en het paard achteroverslaat. Behalve
dat men het paard telkens vooruitdrijft, kan men hier- tegen den voorgaanden maatregel nemen. Het over den halsterketting geraken is van meer be-
teekenis, daar hierdoor zware verwondingen aan de achtervlakte der koot aan de achterbeenen, en aan die der knie en van den onderarm aan de voorbeenen kunnen veroorzaakt worden. Door de wijze om de paarden vast te zetten, kan men de aanleiding daartoe verminderen of wegnemen. Het meest heeft dat plaats, wanneer het paard aan twee kettingen of touwen vaststaat, en de ijzeren klossen niet zwaar genoeg zijn, minder wanneer het paard slechts aan éen ketting vastgezet is; deze is niet zijdelings, maar onder aan den halster bevestigd; nog minder bestaat er gelegenheid wanneer men het paard vastzet aan een korten ketting, die eveneens onder aan den halster verbonden is, en met een ijzeren ring langs eene jjzeren staaf loopt, die van de krib naar den grond gaat. Geheel worden de nadeelige gevolgen van deze kwade gewoonte voorkomen, door de zoogenoemde patentklos, zijnde een ijzeren toestel, dat aan de krib bevestigd wordt en waarin zich eene katrol bevindt, die door eene veer in beweging gebracht, den ketting, wan- neer deze door de beweging van het paard te lang mocht zjjn geworden, opwindt. Voorzeker beantwoorden deze klossen wel aan het doel, doch men wil, dat de veer spoedig hare veerkracht verliest en de ketting derhalve niet meer opgewonden wordt. |
|||||
|
125
Het weven of linnenweven. Hierbij worden de voor-
beenen wijd uit elkander gezet en het voorstel wordt steeds van de eene naar de andere zijde bewogen, waardoor de zwaarte van het lichaam afwisselend op de voorbeenen wordt overgebracht. Het laat zich begrijpen, dat door deze voortdurende beweging de voorbeenen vroegtijdig verslijten en eene bodemwijde stelling verkrijgen. Men heeft als middel hiertegen aangeraden om het paard een riem om de beide voorbeenen aan te leggen, waardoor zij niet van elkander geplaatst kunnen worden. Ook heeft men wel eens beproefd het weven te beletten, door een zwaren steen aan een touw in het midden voor de ruif op te hangen, zoodanig, dat wanneer het paard die wiegelende beweging maakt, het zich telkens het hoofd tegen den Bteen stoot. Het leunen met het achterstel tegen den latierpaal.
Hierdoor sohuren de paarden den staart en de billen kaal. Om dit te beletten spijkert men lederen lappen met kleine spjjkertjeB bezet tegen de latierpalen. Weerspannigheid bij het poetsen, opzadelen en beslaan
is meest het gevolg van slechte behandeling, en kan alleen door zachtzinnigheid, en waar dit niet voldoende is, door krachtige maatregelen afgeleerd worden. Kitteligheid komt meestal bij merriën gedurende de
hengstigheid voor, en is niet te verbeteren, doch moeten zulke paarden des te voorzichtiger behandeld worden. Het slaan is eene groote ondeugd, geschiedt dikwijls
alleen naar andere paarden, dikwijls ook naar menschen. |
||||
|
126
|
|||||||
|
Alleen eene krachtige handeling, geen mishandeling, die
het kwaad verergeren zou, is hier het eenige middel, evenzoo bij het bijten, waardoor zware verwondingen teweeggebraoht
kunnen worden. De meeste paarden leggen de ooren in den nek voor dat zij bijten, doch zijn er ook paarden, die dit niet vooraf doen. Deze zijn daarom zeer gevaar- ljjk, en kunnen slechts door een met hun bekenden persoon opgepast worden. |
|||||||
|
1. Over het koopen en verkoopen van paarden.
Het koopen van een paard is eene lastige en gevaarljjke
zaak, en moet door een leek alleen met een deskundigen en een veearts geschieden. Men is gewoon te zeggen, dat de roskammer evenveel kunstgrepen kent, om de gebreken van zijne paarden te verbergen, als deze haren in den staart hebben. Daarbij is hem zijne buitengewone radheid van spreken, meestal tegen den wil van den kooper, van buitengewonen diensi. Doch ook bjj een eerlijker verkooper, dan de paardenkooper is, moet men goed uit de oogen zien, want even als niemand zijn eigen waar afkeurt, doet dit de eerlijkste verkooper van een paard ook niet gaarne, deels omdat het paard in de oogen van zijn eigenaar om zjjne werkelijke of ingebeelde voortreffelijke eigenschappen eene meerdere waarde heeft, dan wellicht de wezenljjke is, deels ook, omdat de |
|||||||
|
m*
|
|||||||
|
127
eigenaar aan werkelijke gebreken niet zulk eene hooge
beteekenis geeft, als zij de waarde bij verkoop werkelijk verminderen, en ten laatste wenseht ieder, en dit is te verontschuldigen, zijn paard zoo duur mogelijk te ver- koopen. Nu is het eene oude geschiedenis, zoekt men een paard, dan kan men het moeilijk vinden, omdat prijs, grootte, kracht, beweging, ouderdom enz. en inzonderheid de smaak, bij de te koop aangeboden paar- den, niet harmonieeren met het in de verbeelding gevormde ideaal. Wil men echter verkoopen, dan is het omgekeerd, omdat de kooper zich volstrekt niet van de ingebeelde deugdzaamheid van het paard van den ver- kooper evenzeer wil laten overtuigen , als deze het zelf is. Maar al gaat men ook met een paardenkenner en een veearts uit om een paard te koopen, dan kan de smaak van de beide deskundigen met betrekking tot vorm, beweging en dergel. van die van den kooper zoo hemelsbreed ver- schillen, dat men zich eigenlijk slechts wat de werkelijke deugdzaamheid van het te koopen paard betreft aan hun oordeel zou moeten onderwerpen, voor het overige zich ech- ter door zijn tevredenheid met het uitwendig voorkomen en inzonderheid met de beweging in zijne keus laten leiden. Want de smaak is zoo verschillend dat een paard den eenen uitnemend zal bevallen, hetwelk een ander niet lijden mag, de een prijst zijn uitwendig voorkomen, terwijl een ander het afschuwelijk vindt. In de ver- onderstelling, dat deze beide deskundigen den kooper steeds ter zijde zullen staan, kan ik de noodige voor- |
||||
|
■
128
zichtigheidsmaatregelen bij hetkoopen, zoo ook de manier
van monsteren hier voorbijgaan, slechts wil ik de ken- merken van den ouderdom van het paard nog in het kort laten volgen, daar het voor menigeen van belang kan zijn, zelf dezen te kunnen zien. Men herkent den ouderdom van hef paard aan de tan-
den, en wel hoofdzakelijk aan de snijtanden, ten getale van twaalf, zes in de onderkaak en zes in de bovenkaak. De twee binnenste noemt men binnensnijtanden of gras- bijters, de twee ter weerszijden van deze staande, zijn de miëdelsnijtanden, terwijl de beide buitenste van de rij hoehsnijtanden heeten. Tusschen de snijtanden en de kiezen vindt men bij hengsten en ruinen de haaktanden. Bij merriën vindt men slechts sporen er van, zelden kleine. De snijtanden worden gewisseld. De eerst uit- komende noemt men melksnijtanden, die, welke daarvoor in de plaats komen, bljjvende snijtanden of paardesnjjtan- den. De wisseling heeft volgenderwijze plaats: van 2'/2 tot 3 jaar wisselen de grasbijters, van 3'/2 tot 4 jaar de middel- en van 4Y2 tot 5 jaar de hoektanden. De haaktanden komen van 45 jaar te voorschjjn. Wanneer een paardetand uitgebroken is, vindt men op de boven- vlakte eene holte, de hroonholte, boon of keen. Deze holte is omgeven met een scherpen rand, die aan de achtervlakte van den tand lager is dan van voren, terwijl de wrjjfvlakte eene langwerpig vierkante gedaante heeft. "Wanneer de tanden nu volgroeid zijn, zoodat zij op de na- tuurlijke hoogte uitgebroken zijn, komen zij met elkander, |
||||
|
129
|
|||||
|
dat wil zeggen, die van de onderkaak met die van de boven-
kaak in aanraking, en bijgevolg slijten zij af. Inheteerstejaar (slijt de voorrand zoover af, dat hjj even hoog als de achterrand is, in het tweede jaar sljjt de geheele rand af, zoodat de kroonholte tot op de helft is afgesleten, terwijl in het derde jaar na het uitbreken de kroonholte geheel verdwenen is. Men noemt den tand dan gevuld". Daar de tanden nu een jaar na elkander uitbreken en]in slijting komen, is het na- tuurlijk, dat ook de geheele afslijting der kroonholten in de- zelfde volgorde moet plaats hebben, zoodat op[6 jaren de gras- bijters, op 7 jaren de middeltanden en op 8 jaren de hoektan- den gevuld zijn. Na 8 jaren noemt men het paard aftands; de kroonholten, daar ze verdwenen zijn, kunnen geen ken- merk om den ouderdom te onderkennen meer opleveren. Intusschen komen er nu andere kenmerken te voorschijn en vooreerst in de snijtanden der bovenkaak. De kroonholten dezer hebben driejaren langer noodig om af te sljjten, zoo- dat met deze dezelfde veranderingen, als met die der onder- 1 kaak plaats hebben, doch 3 jaren later. Een ander ken- merk vindt men in de verandering van de gedaante der wrjpfvlakte. Wij hebben gezegd, dat deze eerst lang- werpig vierkant was, doch zij wordt daarna ovaal en wel na 3 jaren, zoodat de grasbijters met 6 jaren, de middeltan- 'den met 7 jaren en de hoektanden met 8 jaren ovaal zjjn. iDe ovale vorm gaat nu na 3 jaren in den rond*chügen
en daarna in den driehoekigen vorm over. Het over- blijfsel der kroonholte, dat zich voordoet als eene lang- werpige witachtige verhevenheid op de wryfvlakte, nadert 5
|
|||||
|
130
hoe langer hoe meer den achterrand van den tand, en is
in de grasbijters op 12 jaren verdwenen, in de andere snijtanden 1 en 2 jaren later. Het verandert ook in dien tjjd van gedaante, daar het van langwerpig rond wordt. Van 7 tot 9 jaren ziet men aan den buitenrand van den hoektand der bovenkaak een haakje ontstaan, dat met elf jaren weder verdwenen is. Wanneer de kroon- holte afgesleten, de tand gevuld is, ziet men tussehen het overbljjfsel der kroonholte en den voorsten rand van den tand eene langwerpige geelachtige vlek. Naarmate het paard ouder wordt, komt deze vlek meer op het midden der wrijfvlakte, wordt van langwerpig rond en verandert ten laatste in een klein gaatje, hetgeen een zeer hoogen ouderdom aanduidt. Ook de richting der tanden verandert met den leeftijd; was deze eerst boog- vormig, zoo wordt zij hoe langer hoe vlakker. |
||||||||
|
8. Het hoeflbeslag.
Onder de vele zaken, die grooten invloed op de bruik-
baarheid van het paard hebben, behoort voorzeker ook het hoefbeslag. Hoe vele gebreken, waardoor het paard minder bruik-
baar, zelfs geheel ongeschikt voor zjjne bestemming wordt, kunnen niet de gevolgen van een slecht beslag zjjn. Ze alle hier op te noemen, zoude wel overbodig zjjn, en voldoende is het om slechts te herinneren |
||||||||
|
131
|
|||||
|
aan klemboeven, steengallen, hoornscheuren enz. Doch
de uitwerking van een slecht beslag bepaalt zioh niet alleen tot gebreken van den hoef zelf, zij Btrekt zich verder uit. Een ondoelmatig hoef beslag heeft invloed op de stelling, en bijgevolg op de verdeeling der zwaarte op de verschillende deelen der ledematen, waarvan nu onzekerheid der beweging, mindere snelheid der gangen en verschillende gebreken, die de bruikbaarheid van het paard verminderen, of zelfs opheffen, de gevolgen kunnen zijn. In de wijze, waarop algemeen door de burgerlijke hoef-
smeden het hoefbeslag wordt uitgeoefend, ligt wel de noodzakelijkheid opgesloten, dat de Infanterie-officier en elk eigenaar van paarden bekend zij met de eerste ver- eischten van een doelmatig beslag. Deze toch kennende, kan hij op de handelingen van den hoefsmid het oog houden, en er voor waken, dat het voorwerp, waarop hij prijs stelt, niet onbruikbaar worde gemaakt, zooals helaas te dikwijls door het beslag gebeurt. Het is om deze redenen, dat eene korto opgave der
vereischten van een goed beslag voor den normalen hoef, hier wel hare plaats mag vinden. In de inwendige sa- menstelling van den hoef en der daarin besloten deelen, evenmin als in het physiologische, zal echter niet ge- treden worden, terwijl ook de in lateren tijd aangeprezen beslagmethoden, waarvan het doelmatige nog niet prac- tisch ten volle bewezen is , hier niet behandeld zullen worden. Het beslag, dat wij hier op zullen geven, |
|||||
|
188
|
||||||
|
is dat, hetwelk algemeen aangenomen, en ook regle-
mentair wal den vorm van het hoefijzer betreft voorge- schreven is. "Wanneer dit beslag goed, en in verband met de algemeene voorschriften, die de kunst van het boef beslag aangeeft, uitgevoerd wordt, kan de hoef ge- zond, de stelling normaal gehouden worden, en daardoor het paard langer bruikbaar blijven. Ofschoon, zoo als gezegd is, de inwendige samenstel-
ling van den voet niet zal behandeld worden, is echter de kennis van de benamingen der verschillende deelen van den hoef en van enkele daarop betrekking hebbende bijzonderheden toch onmisbaar, om met eenige vrucht het hoefjjzer en de handelingen van den hoefsmid te kunnen leeren beoordeelen, daarom zal in de eerste plaats eene korte beschouwing van deze zaken moeten voorafgaan. De hoef bestaat uit 3 afzonderlijke deelen, te weten :
Fig. 20.
|
||||||
|
uit den hoormvand (a fig. 20), de hoornzooi (t fig. 21) en den
|
||||||
|
i;i:3
|
|||||||||
|
hoornstraal (cc fig. 21), die tot één sterk samenhangend ge-
heel vereenigd zijn, dat als eene haornschoen het laatste uiteinde der ledematen van het paard bekleedt. Fig. 21. |
|||||||||
|
De hoornwand vormt niet slechts de buitenste vlakte
van den hoef, maar slaat zich naar onderen en binnen om. Deze twee verlengselen, de steunsels (fig. 21 dd) ver- eenigen zich voor de punt van den straal, en verbinden zich binnenwaarts met den straal, buitenwaarts met de zool. De ombuiging van den wand in de steunsels noemt men de steunselhoeken. Beide zijn bij het beslag 5e- langrijke deelen, zooals dit later zal blijken. Den hoornwand verdeelt men, met het oog op het be-
slag, in meerdere streken, dat echter geene afzonderlijke |
|||||||||
|
i
|
|||||
|
134
deelen zijn. Zoo onderscheidt men een binnen- en buiten'
wand, die aangegeven -worden door de overlangsohe as van den hoef, terwijl nu elk dezer weder verdeeld wordt in toon-, zij- en dracht- of verzenwand (b c d. hg. 20) Den bovensten rand van den hoornwand, waar deze met de huid vereenigd is, noemt men kroonrand, den ondersten, die op het hoefijzer rust, draagraild (fig. 21 aa). De buiten- en binnenwand verschillen eenigszins in
vorm. De eerste is meer uitgebogen en vlakker, de laatste flauwer gebogen en steiler. Zoowel helling als hoogte verschillen in de drie aangenomen afdeelingen van den wand. "Wat de helling betreft; zoo is deze in den toonwand het sterkste, en moet b{j goed gevormde hoeven een hoek van 45° (bij achterhoeven van 5055°) bedragen. Zij neemt langzamerhand naar de drachten af. De verhouding in het algemeen der hoogte tusschen toon- en drachtwand is in de voorhoeven als 8:1, in de achterhoeven als 2:1, eene zaak die vooral bh' het besnijden der hoeven in aanmerking moet genomen wor- den. Ook de dikte van den wand is niet overal de- zelfde, in de voorhoeven staat zij van toon- tot dracht- wand als 4 : 2, in de achterhoeven als 3:2. Wanneer men de ondervlakte van den hoef beziet,
ontwaart men ter plaatse waar de wand zich met de zool vereenigt, eene lichter gekleurde streep, die zich van den eenen steunselhoek tot den anderen uitstrekt; deze is de witte lijn (fig. 21 ee) en de plaats waar de nagels moeten ingeslagen worden. |
|||||
|
i
135
Ook voor den leek moet het begrijpelijk zijn, dat, om
de nadeelige uitwerking der hevige schokken, die het ge- volg zijn van het neerzetten der beenen van het paard, op de hoogst gevoelige deelen van den voet op te heffen, er meer noodig was, dan het bekleeden der deelen met eene harde veerkrachtige massa. Hoe hard en veer- krachtig de hoornstof ook moge wezen, zoo zoude deze eigen- schappen op zich zelve toch niet voldoende zijn, om dit doel (e bereiken. In de samenstelling van den hoef uit wand, steunsels, zool en straal, en in den vorm dezer dcelen, vinden wij hoogst merkwaardige gegevens van veerkracht om het voorgestelde doel te bereiken, en waar- van uitzetting, verwijding, van den hoef een eerst en noodwendig gevolg is. Bij het neerzetten van den voet verwijdt zich de hoef, en wel het meest in het achterste gedeelte. Alle deelen van den hoef dragen hiertoe bij, doch inzonderheid de straal, steunsels en zool. Deze deelen ondergaan hierbij eene verandering van vorm, doch nadat de drukking van het lichaamsgewicht op- houdt, hernemen zij hunne vroegere gedaante. Dit nu zoude wel niet mogelijk kunnen zijn, wanneer dehoorn- zelfstandigheid zelve niet tevens veerkrachtig ware. Uit het zooeven gezegde volgt de hooge noodzakelijk-
heid om, wil men den hoef en de daarin besloten deelen normaal houden, de veerkracht van den toestel te be- waren, hetgeen bereikt wordt èn door de natuurlijke uitzetting van den hoef door het beslag niet tegen te werken, èn door de deelen van den hoef, van welke |
|||||
|
i
|
|||||
|
* m
136
die veerkracht uitgaat, hun natuurlijken vorm en hunne
kracht te doen behouden. Later zal de toepassing dezer voorschriften hij het beslag aangegeven "worden. Tan zool en straal moet nu nog dit slechts gezegd
worden, dat de eerste niet in aanraking met den grond mogende komen, ook niet door -wrijving kan afslijten, maar dat het overtollige (zoogenoemde doode) hoorn, als schubben of platen wordt afgestooten, terwijl de straal, die op den grond moet rusten , door wrijving afslijt. Alvorens de eigenschappen van het hoef ijzer op te geven,
moet tot beter begrip de verdeeling er van voorafgaan. Eene overlangsche door het midden van het hoefyzer
gaande lijn, verdeelt het in een binnen- en buitentak. Aan eiken tak onderscheidt men, even als aan denhoorn- wand e.i daarmede overeenkomende, een toon-, zij- en drachtgedeelte ook kalkoeneinde. Verder heeft het twee vlakten de hoefvlafde en de grondvlakte en een binnen- ga buitenrand. Het hoef ijzer moet 6 nagelgaten hebben, die in eene rits zijn gestampt, terwijl men er verder aan vindt eene lip (%. 23 b), en aan vele ijzers kal- koenen. De grondvlakte van het hoefijzer moet van af het drachteinde tot aan het midden tusschen het eerste en tweede nagelgat volkomen vlak zijn, doch van daar af naar don toon langzaam bovonwaarts opgehogen zijn; dit is liet opzet (tig. 23 o). Men geeft een opzet aan het hoefjjzer, omdat het anders te spoedig in den toon zou doorslijten, en dit eene te veelvuldige hernieuwing van het beslag noodig zou ma- ken. In den regel bedraagt de hoogte van dit opzet de |
||||
|
137
|
||||||
|
dikte van liet ijzer. Bij paarden, die de beenen niet
Fig. 22. |
||||||
|
hoog opheffen, en daardoor licht aanstooten, maakt men
het hooger bv. ll/2 tot 2 malen de dikte van het ijzer. In de grondvlakte bevindt zich de rits tot plaatsing der nagelgaten. Deze rits moet behoorlijk diep (3/4 van de dikte van het hoefjjzer) zijn, ten einde de koppen der hoefnagels behoorlijk te kunnen opnemen (fig. 24 V). De bovenste of hoefvlakte is eenigszins verschillend be-
vterkt. Een gedeelte daarvan (fig. 22 Vb en fig. 24 d) holt naar den binnenrand van het ijzer af. Deze afhelling be- gint achter de laatste of kalkoennagelgaten, en in de breedte even binnenwaarts van de nagelgaten. Men noemt ze de zoolvlakte, en zij dient om drukking op de |
||||||
|
138
zool voor te komen, en om het vastzitten van steenen
Fig. 23. |
|||||||
|
tusschen hoefijzer en zool te beletten. Het overige ge-
deelte der bovenste vlakte is waterpas gesmeed, het is de draagrandvlakte; hierop rust de hoef met zijn draagrand en de nagelgaten bevinden zich daarin (fig. 22«a en fig. 24 c). Fig. 24. |
|||||||
|
Dwarsche doorsnede van een tak van het hoefijzer.
De beide toonnagelgaten moeten in de voorijzers on-
geveer de breedte van het ijzer van elkander staan, ter- wijl het 3de of laatste nagelgat in den buitentak op het midden der lengte van den tak komt te staan. Het laatste nagelgat in den binnentak komt nog de breedte van het gat verder naar den toon toe. "Wat de breedte van het ijzer betreft, zoo mag het niet breeder zijn dan twee malen de dikte van den hoornwand en der witte lijn. Ten opzichte van de lengte geldt, dat het ijzer eenige lijnen achter de drachten mag uitsteken. En nu wat aangaat cfe dikte, zoo moet het zoo dik zijn, dat* |
|||||||
|
I
139
het ten minste niet binnen de 3 weken versleten is.
Verslijt het spoediger, dan zal eene meerdere dikte niet baten, maar moet men liever het hoefijzer van staal laten maken. Gewoonlijk is het ijzer in den toon afge- sleten , terwijl de takken nog voldoende dik zijn» Dat te spoedig afslijten in den toon nu, kan men voorkomen door het ijzer een behoorlijk opzet te doen geven. Liefst gebrnike men ijzers zonder kalkoenen; wil men echter kalkoenen aan het ijzer hebben, dan mogen deze niet veel hooger zijn, dan het ijzer dik is. Om te voorkomen dat het verzeneinde van het ijzer niet op den straal drukke, moet men den binnensten hoek van het uiteinde van den tak wegnemen. De vorm van het ijzer moet natuurlijk aan dien van den hoef beantwoorden, en wel derwijze, dat het ijzer van het laatste nagelgat tot het andere gelijk met den hoornwand ligt. Van de genoemde gaten af tot aan het einde van den tak moet het ijzer een weinig buiten den wand uitsteken; dat mag aan het einde van den buitentak 3a 1 mm. bedragen. In den binnentak laat men het iets minder uitsteken, om het strijken te voorkomen. ■Wij moeten nog een enkel woord omtrent het besnjjden
van den hoef zeggen, daar dit ontegenzeggelijk de be- langrijkste bewerking van het beslaan is, en tevens ook die, waarin de grofste en meeste feilen worden be- gaan. Alvorens men den hoef begint te besnjjden, moet men hem nauwkeurig bezien, om te beoordeelen hoe ver en hoe hjj moet besneden worden. Het eerst wordt het |
||||
|
140
losse hoorn der zool met houwkling en hamer weggekapt,
en vervolgens de hoornwand zoover als noodig wegge- sneden , waarbij men zich naar de holte der zool regelt. Hierbij moet men zorgen dat binnen- en buitenwand even boog worden, ten minste indien niet onregelmatig- heid in stelling en afslyting van het hoefijzer hierin eene wijziging vorderen. Tussohen toon- en/verzenwand moet de juiste lengteverhouding (zooals die vroeger is opgegeven) bewaard blijven. Van den straal mag, over- eenkomstig zjjne bestemming, niets meer weggesneden worden, als datgene, hetwelk zich als lappen of vezels van zelf loslaat. De straal kan zelden te hoog zijn, daar hij op den grond moet komen. De steunselhoeken mogen nimmer doorgesneden worden. Het beraspen van den hoornwand, inzonderheid boven
de nieten, moet ten sterkste vermeden worden, omdat dit aanleiding tot brokkelige hoeven geeft. \_________
|
||||||
|
41
|
||||||
|
/fj*..
|
||||||