UITGEGEVEN DOOR ZIJN BROEDER, TT IT HET ENO-ELSOH
i
®v5*
Tl gt;l
isl
£ r-
k SK
X^WEEIDE ZDRXJKl-
GOEDKOOPS VOLKSUITGAVE.
JACQUES DUSSEAU amp; Co., Uitgevers AMSTERDAM. — ROKIN 160.
ZENDELING OP DE NIEUWE HEBRIDEN.
uitgege-ven. door zijn. IBroed.er-
CKHI, STI1TB
TWEEDE DRUK.
GOEUKOOPJi VOLKSUITGAVE.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
JACQUES DUSSEAU amp; Co., Uitgevers AM STEK i)AM. — HOK IN 160.
if «sé •?** *4* *4* W •\'o\'^\'W
3
v quot;1k
[UfRITÊSANÊFfnR
\'.lelsdurvj\'
leiden: i50ekdrukkerij van l. van nifterik hz.
Het manuscript van dit werk werd mij ter hand gesteld en geheel te mijrier beschikking gelaten door mijn waarden broeder, den zendeling, die te midden i\'an zijn onophoudelijken en moeielijken arbeid niet anders heeft kunneti doen dan daarvan eene ruwe schets samenstellen.
Het is mij eene aangename taak geweest om het over te schrijven, te herzien, het hier wat te besnoeien en daar wat uit te breiden, en het geheel voor de pers gereed te maken. IVat zijn eigen ervaringen betreft, die het grootste gedeelte van het boek uilmaken, daarvan ontvangt de lezer in bijna onveranderden vorm het wel beschreven en eenvoudig verhaal, zooals het aan de pen mijns broeders ontvloeid is. Maar, daar vele gedeelten verkort of zeer veranderd zijn, voornamelijk in de hoof dstukken , die gebeurtenissen vermelden, waarvan /k ooggetuige was of waaromtrent ik uit de eerste hand inlichtingen ontving van de betrokken partijen, en daar de omstandigheden het onmogelijk maakten om dit werk tn zijn tegenwoordig en vorin aan mijns broeders oordeel te onderwerpen, moet tk den lezers verzoeken om alle verantwoordelijkheid, voor de wijze waarop deze levensschets medegedeeld wordt, op mij te leggen.
Ik geef het boek uit, omdat iets in mijn binnenste mij zegt, dal er een zegen in is.
Januari 1889.
JAMES PATON.
Inleiding. — Kirkmahoe. — Het dorp Torthorwald. — Onze dorpsbewoners. — Tafereelen uit Nithsdale. —• Onze woning. — Onze voorouders. — Een wensch des harten. — Een toegewijd vader. — Aangenomen geloften. — Gelukkige Zondagen. — Gouden herfsttijd des levens.
twintig jaar heeft men er mij toe aangespoord, om mijne geschiedenis als zendeling onder de heidenen te verhalen, maar tot op mijn vier-en-zestigste jaar hield de vreeze voor den schijn van zelfverheffing mij hiervan terug. Eerst in den laatsten tijd is het mij duidelijk geworden, dat, indien ik ervaringen heb opgedaan, die de Gemeente Gods behoort te weten, het geene nederigheid maar veeleer trots van mij zou zijn, om deze dingen met mij in het graf te nemen. Met deze ernstige gedachte vervuld, zet ik mij neder om mijne levensgeschiedenis te schrijven en voor zoover mijn geheugen en de aanteekeningen, die ik altijd gehouden heb en ook brieven van mij of van mijne vrienden mij kunnen te gemoet komen in het ernstig verlangen, om de feiten getrouw en naar waarheid weer te geven, zullen de volgende hoofdstukken een getrouw beeld geven van het leven, waarin de Heer mij geleid heeft. Indien sommigen door het lezen van dit boek versterkt worden in de innige en vaste overtuiging, „dat in Gods Hand onze adem is en bij Hem al onze paden zijnquot; zal het in den Grooten Dag blijken, dat mijn arbeid niet zonder vrucht is geweest.
Ik werd op den 245tlt;!a Mei 1824 in eene kleine woning op de pachthoeve van Braehead, in Kirkmahoe parochie, bij Dumfries, in het zuiden van Schotland geboren. Mijn vader, James Paton, had een kleine kousen-fabriek. Hij en zijne jonge vrouw, Janet Jardine Rogerson leefden in warme vriendschapsbetrekking met den eigenaaar van de pachthoeve en noemden mij naar hem John Gibson, en de kleine krullebol uit de hut was spoedig in staat om zijn weg te vinden naar het heerenhuis, waar hij de lieveling van de vrouw des huizes werd.
Meer dan eens heb ik op mijn vele reizen den een of ander ontmoet, die op eenige wijze tot die familie in betrekking stond, en zoo heb ik verscheidene kleine voorvallen gehoord, die hier niet behoeven medegedeeld te worden, maar die aantoonden, welke innige band van toege-
ETGEEN ik hier nederschrijf is tot eere Gods. Reeds meer dan
1
DAGEN DER JEUGD.
negenheid er bestond tusschen den eigenaar en de ondergeschikte bewoners van het landgoed. Bij mijn laatste bezoek in Schotland, zestig jaren later, bezocht ik ook Braehead, in gezelschap van mijn jongsten broeder James en mijn neef David, laatstgenoemden in dezelfde week als ik geboren, en de eerste bijna twintig jaren jonger; wij vonden echter geen spoor meer van ons huisje, maar vermaakten ons met te veronderstellen, dat wij uit het oploopen van den mat gras begroeiden bodem konden opmaken, waar het gestaan had! Van tienduizend woningen in Schotland, eens aangenaam en lief gelegen, ieder misschien voor de bewoners aan een klein paradijs gelijk, door een welbebouwd plekje gronds omringd, kan men hetzelfde zeggen. En waar zijn de gezonde, gelukkige dorpskinderen, die in deze woningen zijn geboren en opgevoed? Zij tobben en strijden om het bestaan in onze groote en kleine steden. Men heeft mij gezegd, dat dit zoo wezen moet, dat het \'t gevolg is van de wetten der staathuishoudkunde, maar het is mijne vaste overtuiging, dat het zoo niet wezen moest en dat het verlies, dat het geheele volk door de veranderde inrichting geleden heeft, groot, zoo niet onherstelbaar is.
Toen ik nog maar een klein kind was, van ongeveer vijf jaren, verhuisden mijne ouders naar het dorp Torthorwald, dat ongeveer vier en een kwart mijl van Dumfries verwijderd lag op den weg naar Lockerbei. Torthorwald was in dien tijd, in 1830, een bloeiend dorp met zijne bevolking van groote en kleine boeren, wevers en schoenmakers, klompenmakers en kuipers, hoefsmeden en kleermakers. Vijf-en-vijftig jaar later, toen ik de tooneelen mijner jeugd voor het laatst bezocht, was het eigenlijke dorp letterlijk uitgestorven, er waren nog maar vijf met stroo gedekte huisjes, waar de oude bewoners hadden mogen blijven, om daar rustig hun dood af te wachten; daarna zouden deze ook verdwijnen en opgaan in de groote boerderijen en over hun tuin zou de ploeg gaan, gelijk dat reeds met zestig of zeventig andere het geval was geweest, die aldus van het wereldtooneel verdwenen waren. Natuurlijk was de smederij van het dorp nog aanwezig, maar men zag er weinig vonken schitteren: de groote grondeigenaars begunstigen liever de steden. De korenmolen maalt nog voort, maar heeft lang niet zooveel te doen als in den tijd, toen iedere dorpeling zijne weinige Hectaren land zelf bebouwde en iedere tuinder of pachter van het dorp zijn koren in den molen liet malen. De kruidenierswinkel draagt nog altijd den welbekenden naam van Robert Henderson, maar er behoeven tegenwoordig zoo weinig monden gevoed te worden, dat zijne goedhartige vrouw, de algemeene lieveling en de heldin van ons dorp, Jean Grier, zich met verontwaardiging er uit heeft teruggetrokken en de zaak aan haar schoonzoon heeft overgelaten, verklarende dat „die landheeren van de Tory partij met hunne groote boerderijen ons volk geheel verdreven hebben en dat zij de school en den winkel, de kerk en de molen hebben in de war gestuurd.quot; En waarlijk, de school is van hare kinderen beroofd en de kerk van hare bezoekers, nu er slechts vijf huisgezinnen leven, waar vroeger twintig een ruim bestaan vonden. De staathuishoudkunde mag het mij misschien kwalijk nemen, maar ik hoorde met voldoening, dat het systeem van het uitgebreid grondbezit, dat onze dorpswoningen vernietigde en onze dorpelingen noodzaakte, om hunne kinderen in de stegen en de straten, op de zolders en in de kelders van dichtbevolkte steden op te voeden, toch ten slotte bleek nadeelig te zijn voor de grondeigenaars en fabrikanten zelve, die het in vele gevallen tot hun eigen voordeel met geweld hadden doorgedreven tegen den zin van het volk.
De dorpelingen uit mijne jeugd, de boerenarbeiders of daglooners, de
2
DAGEN DER JEUGD.
handwerkslieden en kleine boeren waren over het algemeen vlijtige men-schen met een sterk ontwikkeld gevoel van onafhankelijkheid. Zij moesten hard werken, anders leden zij honger; toch vonden zij den tijd om over alle aangelegenheden in Kerk en Staat te onderhandelen, en somtijds werden de vraagstukken, die de buitenwereld vervulden, in de smidse of bij den oven, op het groene grasveld of op den weg naar de kerk of de markt, door de eenvoudige, afgezonderde dorpsbewoners met verbazende geestdrift en een helder gezond verstand besproken en beoordeeld.
Van den Bankheuvel, even benoorden het dorp en in vijftien minuten te bereiken, opent zich voor uw oog een vergezicht, dat — andersdenkenden mogen het mij ten goede houden — naar het mij voorkomt wel waard is onder de schoonheden van Schotland geroemd te worden. Aan uw voet ligt een welvarend dorp; iedere boerenwoning is omringd door haar eigen stukje grond en zendt de blauwe rookwolkjes van haar turfvuur naar boven, die echter nooit de frissche lucht schijnen te bezoedelen ; en zooals men menigmaal gezegd en gezongen heeft, is toch een schoon gelegen dorp met gezonde en gelukkige woonplaatsen voor Gods kinderen zeker het schoonste sieraad van ieder landschap! Daar stond de pachthoeve onder oude boomen verscholen, somtijds verstandig, somtijds onverstandig bestuurd, maar toch altijd in eere gehouden. Vlak daarbij was de dorpsschool, waar rijken en armen elkander als gelijken, als Gods kinderen, ontmoetten, en waar wij leerden, dat verstand en karakter de eenige adel is, die dezen naam verdient. Ginder staat de dorpskerk omringd door hare graven, die van vijf honderd jaar geleden dagteekenen en daarbij een kleinen door de natuur gevormden heuvel; aan het eind van het dorp verheft zich de oude toren van Torthorwald, die over de uitgestrekte vlakte van de Nith heenblikt en spreekt van de dagen van bloed en strijd over het grensgebied. Hij behoort tot een van de vele kasteélen uit den riddertijd en zijne geduchte en onvergankelijke muren schijnen den ridder waardig te zijn, die zijne familielegende schreef met het bloed van den rooden Comijn, door Bruce doorstoken in de Capucijner kerk van Dumfries, maar dien hij den doodsteek toebracht met den uitroep: »Ik tref zeker.quot; Aan de overzijde, tusschen u en de Nith kruipt de langzaam voortvloeiende Lochar naar den Solway, uren ver langs mos- en heidegrond; hij geeft de duidelijkste voorstelling, die ik ooit aanschouwde, van een »stilstaanden stroomquot;. Van den Bankheuvel is het stadje Dumfries met zijn torentjes op een helderen zomerdag zoo duidelijk zichtbaar, dat gij zoudt meenen, dat het niet meer dan twee mijlen van u verwijderd lag; de schoone vallei, waardoor de Nith naar den Solway stroomt, ligt in hare volle uitgestrektheid voor u; hier ziet men kerktorentjes, daar heerenhuizen en helder witte boerderijen; de donkere heuvelen van Galloway beletten u verder vooruit te zien, terwijl links de Griffel, met zijn in wolken gehulden top zich statig verheft; dan ziet men het witte zand van den Solway, wiens loop sneller is dan die van een ruiter en in de verte rust het oog met welgevallen op de heuvelen van Cumberland, en op de blauwe rookwolkjes, die uit de dorpjes aan den zuidelijken Solwayoever opstijgen. Vier mijlen achter u ligt de ruïne van het kasteel van Bruce binnen de domeinen van zijn eigen koninklijken burcht Lochmaben; eenige !• ijlen voor u uit de nog schoone overblijfselen van Caerlaverock Gastle, berucht in menigen twist om het grensgebied, verder liggen er door het geheele Nithdal ruïnen verspreid van de kasteelen der vroegere baronnen, die rijke stof geven tot allerlei verhalen onder het landvolk. Die verhalen verloren niets in
3
DAGEN DER JEUGD.
omvang, noch in kracht, al werden ze voor de duizendste maal door de oude landlieden bij het vlammend turfvuur aan de jonge lieden, die hen met open mond aanstaarden, verteld. Vaderlandsliefde en een zeker genot in drieste ondernemingen maakten deel uit van ons gemeenschappelijk erfdeel.
Daar, in deze gezonde en frissche streek bevond zich de woning onzer ouders gedurende een lang tijdsverloop van veertig jaren. Daar werden hun achtereenvolgens acht kinderen geboren, zoodat de familie nu bestond uit vijf zoons en zes dochters. De eerste van de met stroo gedekte woningen aan de linkerzijde, voorbij den molenaar, bij het begin van het dorp was de hunne; er was een tuintje vóór het huis en een groote tuin aan de overzijde van den weg. Het is een van de weinige woningen, die nog zijn overgebleven, om aan het jongere geslacht te toonen, hoe de verblijven hunner vaderen geweest zijn. De bouwmeester, die er het plan voor heeft gemaakt, heeft minder op schoonheid, dan wel op deugdelijkheid gelet! Het huis bestaat tegenwoordig uit drie, oorspronkelijk uit vier paar eiken balken, die als stevige boomen op gelijken afstand in den grond geplaatst zijn en naar binnen een weinig overhellen, terwijl zij aan den top verbonden worden ; deze verbinding geschiedt niet door roestig ijzer, maar door goede, stevige, eikenhouten pennen. Een dak van eiken latten werd hierover gelegd, op elf of twaalf voet afstands van den grond, en een steenen muur werd opgetrokken, zoo rechtstandig als men het noodig oordeelde, naar deze overhangende daklatten, die met zand en klei ruw bestreken werd. Nu werd er op het dak eene bedekking van stroo gemaakt, die alle weer en wind kon trotseeren en die de woning buitengewoon warmpjes toedekte; deze dakbedekking werd ieder jaar vernieuwd en mocht in geen enkel jaargetijde zonder reparatie blijven, wanneer zij die noodig had. De schoonheid van deze bouworde bestond en bestaat nog in hare duurzaamheid of liever in de bestendigheid van hare eiken ribben. Daar staan zij waarschijnlijk reeds meer dan vier eeuwen door turfrook gepolijst, zoodat zij letterlijk blinken, zoo hard dat geen gewone spijker er in kan geslagen worden, en volkomen in staat om onder dezelfde omstandigheden nog vier eeuwen dienst te doen. De muren zijn geheel nieuw, daar zij in mijns vaders tijd hernieuwd zijn, behalve eenige groote grondsteenen, die rondom de eiken balken gestapeld zijn en tot fundeering dienen; sommige gedeelten van het dak zijn er ook misschien in den laatsten tijd aangebracht, maar de hoofdgedachte van den bouwmeester, de ribben en daksparren van eikenhout, overleefden alles en trotseerden tijd en verandering.
Ons huis bestond uit een »butquot; en een »benquot; (voor- en achterkamer) en een middenvertrek, dat het kabinet genoemd werd. In het eene gedeelte voerde mijne moeder heerschappij; het diende tot eetkamer, keuken en gezelschapskamer, behalve dat het nog twee groote houten slaapplaatsen bevatte, geene openingen in den muur, zooals in de steden, maar groote, ruime, luchtige bedden, versierd met gekleurde dekens en nette gordijnen, die den goeden smaak van de meesteres des huizes bewezen. Het andere gedeelte was de werkplaats mijns vaders, waarin vijf of zes weefstoelen stonden, die door vijf of zes paar vlijtige handen in voortdurende beweging werden gehouden en die uitnemend geweven kousen voor de kooplieden uit Hawick en Dumfries vervaardigden. Het »kabinetquot; was een zeer klein vertrekje tusschen de beide andere, waarin slechts plaats was voor een bed, een tafeltje en een stoel, en waarin een klein venster een flauw schijnsel doorliet. Dit was het heiligdom van ons klein tehuis. Daar zagen wij dagelijks, en vele malen per dag, meestal na iederen maaltijd,
4
DAGEN DER JEUGD.
onzen vader zich afzonderen en »de deur sluitenquot; en wij, kinderen, leerden door een soort van geestelijk instinct (want de zaak was te heilig om besproken te worden) dat daar gebeden voor ons werden opgezonden, als door den Hoogepriester van ouds in de schaduw van het Heilige der heiligen. Soms hoorden wij de roerende toonen van eene bevende stem, die zacht pleitte als om het leven, en wij leerden op de teenen voorbij die deur gaan, om de heilige samenspraak niet te storen. De buitenwereld mocht het niet begrijpen, maar wij wisten van waar die gelukkige glimlach kwam, die altijd mijns vaders gelaat scheen te verhelderen; het was de terugkaatsing van de Goddelijke Tegenwoordigheid, waarin hij altijd leefde. Op geen plek ter wereld zal ik mij ooit den Heere God meer nabij, meer zichtbaar tegenwoordig onder de menschen kunnen voorstellen dan onder dat nederig dak van stroo en eikenhout. Indien door eenig ondenkbaar ongeval alles wat op den godsdienst betrekking heeft uit mijn geheugen gewischt of uit mijn verstand verdreven werd, zou mijne ziel terugdwalen naar de tooneelen uit mijne kindsheid en zou zich weder binnen de muren van dat geheiligd kabinet wanen, meenende nog de echo te hooren van de kreten, die daar tot God geslaakt werden, terwijl alle twijfel zou terug gedreven worden door de zegevierende overtuiging: »Hij wandelde met God, waarom zou ik het ook niet mogen doen.quot;
Het zal mijnen lezers misschen niet ongevallig zijn, indien ik hier eenige inlichtingen laat volgen betreffende onze voorouders, de familiën waaruit mijn vader en mijne moeder ontsproten zijn. Mijns vaders moeder, Jenat Murray, stamde af van eene\' familie, die in den tijd van de Schotsche geloofsvervolging geleden en gestreden heeft voor het geloof in Christus, en zij zelve was eene vrouw van beslist godsdienstige beginselen. Haar echtgenoot, onze grootvader, William Paton, had een zwervend, romantisch leven, vóór hij zich nederzette als deken van het weversgild van Dumfries, gelijk zijn vader dit vóór hem geweest was.
Door een presgang genoodzaakt om aan boord van een Britsch oorlogsschip te dienen, werd hij door de Franschen gevangen genomen, en kwam daarna onder Paul Jones, den zeeroover; hij droeg tot zijn dood het lit-teeken van een sabelhouw van den kapitein tengevolge van eene lichte overtreding. In gezelschap van twee anderen willende ontvluchten, werd hij met zijne makkers door de mannen van Paul Jones hevig vervolgd. Een van hen, die slecht zwemmen kon, werd door een schot getroffen, en moest drijvend gehouden worden door de beide anderen, die in de duisternis een grot binnenzwemmen en er in slaagden om zich twee nachten en een dag aan de woede hunner vijanden te onttrekken. Mijn grootvader, die jong, tenger en blond was, wist eene goede ziel over te halen hem een stel vrouwenkleeren te geven en in dit kostuum ontsnapte hij meermalen aan de aandacht van den presgang, totdat hij ten laatste na vele moeilijkheden den kapitein van een steenkolenschip overhaalde, hem onder zijne zwarte diamanten te verbergen en zoo vond hij te bestemder tijd zijn weg naar Dumfries, waar hij gedurende zijn verderen levenstijd de plichten van echtgenoot, vader en burger met nauwgezetheid vervulde. Zijne avonturen op zee gaven later aan de gesprekken over zijne jonge jaren bij het gezellig haardvuur eene bijzondere aantrekkelijkheid, die nog verhoogd werd door den warmen evangelischen geest, die zijne vroorae echtgenoote bezielde, wier lippen gezalfd waren.
Twee hunner kinderen deelden de neigingen huns vaders en twee die hunner moeder. William verkoos de militaire loopbaan en stierf in Spanje; May, de eenige dochter, gaf haar hart en hand aan John Wood, een vroolijk en dapper Engelschman, die bij Waterloo heeft gevochten en
5
DAGEN DER JEUGD.
zijn honderdsten verjaardag heeft beleefd. John en James, welke laatste mijn vader is geworden, legden zich beiden toe op de kousenweverij en volgden hunne vaderen daarin op; beiden volgden hunne moeder na in hare godsvrucht en waren van hunne vroegste jongelingsjaren besliste en getrouwe discipelen des Heeren.
Mijne moeder, Janet Rogerson, stamde af van de Anandales. Haar vader, William Rogerson, was e\'én uit vele broeders, die allen uitmuntten door ongewone lichaamskracht en groote vastheid van karakter, den ouden riddertijd waardig. Ook wist hij op eene buitengewoon krijgshaftige manier aan eene vrouw te komen, maar de goede, oude dame was later spaarzaam met het verhalen van de geschiedenis. Zij was een meisje van goede positie, de pupil van twee gewetenlooze ooms, die haar klein landgoed bij Langholm bestuurden, en terwijl zij nog op de kostschool was, vatte zij eene ernstige genegenheid op voor den langen, blondharigen, flinken jongen hoefsmid, William Rogerson. Hare voogden verzetten zich, ongetwijfeld zeer gepast, tegen deze verbintenis, maar onze jonge minnaar met zijne zes of zeven dappere broeders en andere vertrouwde »knapenquot; stegen te paard en met eenig gereedschap bij zich, in geval zij dit tot verdediging mochten noodig hebben, gingen zij stoutmoedig zijne bruid opeischen, en zij, vrijwillig aan zijne zijde te paard stijgende, werd op klaarlichten dag in triompb mede gevoerd, het huwelijk werd ingezegend en zij nam vroolijk bezit van haar »butquot; en »benquot; als de meesteres van de woning van den hoefsmid.
De ooms trachtten zich echter op gevoelige wijze te wreken. Terwijl de jonggehuwden in de wittebroodsweken waren en op de wereldsche zaken geen acht sloegen, besloten de ooms de goederen van hunne pupil te gelde te maken en met de opbrengst daarvan naar de Nieuwe Wereld te vertrekken. Zoo spoedig de jonge hoefsmid echter van zulk een verkoop vernomen had, sprong hij te paard en kwam nog juist in tijds om het laatste stuk ter verkoop te zien opheffen. Het was de huisbijbel. Dezen eischte hij op, of kocht hij, of maakte er zich, in naam van de erfgename, meester van, en dit was alles wat zij ooit van haar erfgoed ontvangen heeft. Zij gebruikte haar Bijbel tot haar dood toe, en vermeldde er haar huwelijk in en de geboorte van al hare kinderen, een talrijk \'en gelukkig kroost dat God haar langzamerhand gaf.
Janet Jardine boog zich onder het zelfgekozen juk met het licht van eene innige liefde in het hart, en toonde door hare meer beschaafde manieren, hare liefde voor boeken, hare fijne handwerken en haar geheele uiterlijk, dat de dame kenmerkte, dat het lot haar vroeger in gemakkelijker, maar niet noodwendig gelukkiger paden had doen wandelen. De hoefsmid toonde zich zijne bruid niet onwaardig, en wist haar in haar ouderdom een rustig, eenvoudig tehuis te verschaffen, de vrucht van jaren arbeids en spaarzaamheid, hunne eigene kleine bezitting, waarin zij van hunnen arbeid uitrustten en blijmoedig hun einde te gemoet zagen. Onder hen, die ten laatste bij haar graf weenden, was, onder vele anderen ook haar zoon. Rev. James J. Rogerson, leeraar van de Engelsche Staatskerk, die, nog jaren daarna en tot voor zeer kort geleden, eene verdienstelijke plaats bekleedde in het oude Schrewsbury, en zich daar een geëerden en beminden naam heeft verworven.
Nog een aandoenlijk schoon voorval moet ik uit het leven van die lieve, oude dame mededeelen. Haar zoon Walter had haar wegens beroepsbezigheden verlaten, maar had briefwisseling met haar gehouden, zoolang hij in verschillende graafschappen van Engeland vertoefde; plotseling echter was hij verdwenen en zij kon niet te weten komen of hij
6
DAGEN DER JEUGD.
dood of levend was. Haar moederhart verlangde naar zijne terugkomst; iederen avond bad zij er om en vóór zij \'s avonds haar deur sloot, wierp zij die wijd open, en staarde in de duisternis naar buiten, terwijl zij uitriep: »Kom thuis, mijn zoon Walter, uw moeder verlangt zeer naar u!quot; En iederen morgen vroeg, gedurende een tijdsverloop van meer dan twintig jaren, begaf zij zich van hare woning te Johnsfield, Lockerbie, naar een kleinen heuvel, de Corbie Dykes genoemd, en met oogen vol tranen naar het zuiden ziende of zij haar geliefden zoon ook zou zien terugkeeren, bad zij den Heer hem veilig te bewaren en hem nog tot haar terug te voeren. Wanneer ik over deze geschiedenis denk, vindt mijn hart troost in de overtuiging, dat zulk eene standvastige, vurige liefde, indien niet hier, dan toch zeker daar beloond is geworden, en zij in de vreugde van het wederzien heeft mogen uitroepen: »Was verloren en is gevonden.quot;
Uit zulk eene familie ontsproot mijne moeder, Janet Jardine Rogerson, eene opgeruimde, moedige, geduldige en heldhaftige vrouw, die gedurende drie en veertig jaren zulk een gezonden, onafhankelijken, Godvreezenden geest in hare vijf zoons en zes dochters wist te brengen en te behouden, dat ik, wanneer ik er aan terug denk en vooral wanneer ik het beschouw in het licht van al wat ik sedert heb leeren kennen, niet nalaten kan hare nagedachtenis nu nog te zegenen. Zij woonde tot gezelschap en om met haar vroolijken aard de stille woning van den een of anderen oudoom of overoudoom en tante te vervroolijken, bij deze lieden in, die in den geheelen omtrek van Dalwinston den bijnaam hadden van den »ouden Adam en Eva.quot; Hun huis was aan den buitenrand van de heide gelegen en waarschijnlijk had het jonge meisje daar niet veel afwisseling. Maar ééne zaak had hare opmerkzaamheid getroffen. Zij had opgemerkt, dat een jong kousenwever, James Paton, de zoon van William en Janet, de gewoonte had om iederen dag op hetzelfde uur, met een boek in de hand alleen naar het bosch te gaan, waar hij zich aan stille overpeinzingen overgaf. Het was eene zeer verschoonbare nieuwsgierigheid, die er het vroolijke jonge meisje toe bracht, om hem gade te slaan, als hij aandachtig zat te lezen of ernstig een vers bij zich zeiven herhaalde (zij wist toen niet, dat het de liederen van Ralph Erskine waren, die hij zestig jaren later op zijn sterfbed nog van buiten kende); die nieuwsgierigheid veranderde spoedig in een heiligen eerbied, toen zij hem zijne breede Schotsche muts ter zijde zag leggen en onder het beschermende loof van een boom nederknielen, om zijn gansche ziel in het dagelijksch gebed tot God uit te storten. Zij hadden elkander nog nooit gesproken. Welke gewaarwordingen in haar omgingen, kunnen minnende harten het best begrijpen. Was het alleen eerbied of was er reeds onbewust een gevoel van liefde in haar hart ontstaan voor den blondharigen, ernstigen jongeling? Of was het ook iets van moedwil en van die plaagzucht, die zoo dikwijls den weg bereidt voor den ernstigsten stap van ons leven. Hoe het zij, eens sloop zij zachtkens nader, nam zijne muts weg en hing die aan een naburigen tak op, terwijl zijne godsdienstige vervoering hem aan al het omringende onttrok; vervolgens wachtte zij op eene veilige plaats het oogenblik af, waarin hij er naar zou gaan zoeken en vermaakte zich met zijne verlegenheid, toen hij de muts zocht en vond. Op den tweeden dag werd dit herhaald, maar zijne klaarblijkelijke verwarring en zijn lang nadenken met de muts in de hand. alsof hij eenigszins verschrikt was, scheen een andere snaar in haar hart te roeren, de snaar van het medelijden, dat zoo dikwijls de voorbode der liefde is; dat edel medelijden, dat zich bedroeft, wanneer het iets verwondt dat ons edeler of dierbaarder
7
8
is dan ons zelve. Den volgenden dag, toen hij op zijne gewone plaats tot het gebed verscheen, was er een kaartje aan den boom gehangen, juist waar hij knielde, waarop deze woorden te lezen stonden: »,Zij, die uwe muts wegnam, is beschaamd over hetgeen zij deed; zij heeft ^rooten eerbied voor u en verzoekt u, om voor haar te bidden, opdat zij eene even goede christin moge worden als gij een christen zijt.quot;
Dien dag vergat hij Ralph Erskine en bleef op de woorden staren; hij nam het kaartje in de hand en terwijl hij zich in gissingen verdiepte wie het kon geschreven hebben, verweet hij zich zijne onnoozelheid, die niet vermoed had, dat zijne schuilplaats door iemand ontdekt was geworden, die de muts had weggenomen, maar zich verwonderd had afgevraagd of er ook engelen tijdens zijn gebed geweest waren. Plotseling echter zijne oogen opheffende, zag hij tegenover de woning van den ouden Adam, door eene opening tusschen de boomen, een ander soort van engel voorbijgaan, met een melkemmer in de hand, die een vroolijk Schotsch liedje neuriede. Op dat oogenblik begreep hij als door Goddelijke ingeving, dat zij de engel was, die zijn schuilhoek had ontdekt, zij, de vroolijke, geestige nicht van den ouden Adam en Eva, met wie hij nog nimmer gesproken had, maar wier lof hij reeds meermalen had hoeren bezingen. »Wee Jen.quot; Ik vrees, dat hij dien namiddag in meer dan ee\'n zin voor haar bad; hoe dit ook zij, het bleek later, dat er meer dan eene Schotsche muts gestolen was: een goed en trouw hart werd er weggeschonken en het wederzijds vertrouwen werd nooit beschaamd.
Zeer dikwijls heb ik later in den vroolijken en schoonen herfsttijd van hun lang leven mijn vader zijn 2gt;Jenquot; hooren plagen met de bedoeling, die zij noodzakelijk moest gehad hebben met het stelen van de muts en dikwijls hoorde ik haar geestige wraakneming: waren zijne beweegredenen om dat stille plaatsje op te zoeken uitsluitend van godsdienstigen aard geweest, dan zou hij zeker zijn weg naar een ander gedeelte van het bosch gevonden hebben, want menschen, die in den hof van Eden rondzwerven, loopen gevaar om te eeniger tijd eene dochter van Eva te ontmoeten.
In of omtrent zijn zeventiende jaar kwam er een beslissend oogenblik in mijns vaders godsdienstige ervaring, en van dien dag af volgde hij den Heer Jezus openlijk en met groote beslistheid. Zijne ouders hadden behoord tot een van de oudere afdeelingen van wat wij nu noemen de Vereenigde Presbyteriaansche gemeente, maar mijn vader, die eene ernstige studie gemaakt had van de geloofsbelijdenissen, de getuigenissen en allerlei geschriften, daarop betrekking hebbende, besloot zich te voegen bij de oudste van al de Schotsche gemeenten, de )gt;Hervormd Presbyteriaanschequot; als het nauwst verwand aan de «Covenantersquot; en aan hetgeen beide de eerste en de tweede Reformatie in Schotland zich ten doel gesteld hadden. Hij deed deze keus met behoedzaamheid en hield er zich trouw en stipt aan; ten allen tijde was hij gereed klaar en duidelijk reden te geven van de grondbeginselen, die hij beleed. Echter was hij het altijd eens met de meest vooruitstrevende partij in die oude gemeente. Hij hield het voor juist, dat «Cameroniansquot; gelijk andere burgers kerkelijke en politieke vrijheid moesten genieten, en was een voorstander van de «Meerderheids synodequot;, die sedert in de Vrije Kerk van Schotland ingevoerd is.
Hoewel hij zich in de Psalmen verlustigde, zong hij toch ook gaarne gezangen en geestelijke liederen (dank zij misschien de liederen van Ralph Erskine! waarmede hij in zijne jeugd kennis had gemaakt) ten minste overal behalve in de Openbare godsdienstoefening; en lang voor zijn dood, hoewel hij de Psalmen altijd voor het voortreffelijkst hield, had hij
DAGEN )gt;ER JEUGD.
er een uitnemend genoegen in leeren vinden, om groote vergaderingen hedendaagsche liederen te hooren zingen en had met vreugde leeren instemmen met deze liederen Zions; ook zeide hij dikwijls te gelooven, dat God den zang grootelijks gezegend en eene belangrijke plaats had doen innemen in de prediking van het Evangelie.
Behalve zijne onafhankelijke keus van eene gemeente, waarbij hij zich voegen wilde, was er nog eene andere vrucht van zijne vroegere beslistheid op godsdienstig gebied, die ons nog schooner toeschijnt, als wij er aan terug denken. Er was tot op dien tijd alleen des Zondags huiselijke godsdienstoefening gehouden in de woning zijns vaders, maar de jonge christen in overleg met zijne moeder, die zijn gevoelen deelde, wist zijne huishouding te overtuigen van de noodzakelijkheid van eene dagelijksche morgen- en avondgodsdienstoefening. Hij kreeg de toestemming tot het instellen hiervan des te gereedelijker, daar hij aanbood er geregeld zelf de leiding van op zich te nemen, en zoo den ouden krijgsman te ontlasten van hetgeen hem mocht toeschijnen als een te zware geestelijke arbeid. En zoo voerde hij op zijn zeventiende jaar de gezegende gewoonte in van het huiselijk morgen- en avondgebed, die mijn vader volhield, waarschijnlijk zonder e\'éne uitzondering, tot hij op zijn sterfbed lag in zijn zeven en zeventigste jaar. Op den laatsten dag zijns levens las hij nog een deel der Schrift en hoorde men hem zacht instemmen met het psalmgezang en bewogen zijne lippen zich tot het morgen- en avondgebed, om een zegen te vragen over het hoofd van al zijne kinderen, waarvan er sommigen ver over de aarde verspreid waren, maar die hem allen ontmoetten voor den troon der genade. Niemand kan zich herinneren, dat er ooit een dag omging, die niet op deze wijze geheiligd werd; geen haast om naar de markt of naar andere bezigheden te gaan, geen aankomst van vrienden of gasten, geen droefheid of onrust, geen vreugde of verstrooiing van welken aard ook, verhinderde ooit ons nederknielen rondom het huisaltaar, terwijl de Hoogepriester onze gebeden tot God opvoerde en zich en zijne kinderen daar offerde. Zulk een voorbeeld was niet alleen voor ons gezegend, maar ook voor anderen. Jaren later heb ik gehoord, dat de slechtste vrouw van Torthorwald, die toen een onzedelijk leven leidde, maar sedert door Gods genade veranderd werd, verklaard had, dat het eenige, wat haar van wanhoop en zelfmoord behoed had, was, dat zij mijn vader in donkere winteravonden, wanneer zij dicht onder ons raam sloop, in het gebed hoorde pleiten voor den zondaar, opdat God hem van de dwaling zijns wegs genezen mocht en hem nog eenmaal mocht doen schijnen als een parel aan de kroon des Verlossers. »Ik voelde, dat ik dien goeden man zwaar op het hart woog en ik wist, dat God hem niet zou teleurstellen,quot; zeide zij. »Die gedachte hield mij uit de hel, en leidde mij eindelijk tot den eenigen Zaligmaker.quot;
Mijn vader had een groot verlangen om predikant te worden, maar toen hij eindelijk zag, dat Gods wil hem ander werk had opgelegd, berustte hij daarin en stelde zich schadeloos door van ganscher harte de gelofte te doen, dat, indien God hem zoons gaf, hij hen zonder terughouding tot den dienst van Christus zou heiligen, indien de Heer het offer wilde aannemen en hen een weg zou openen. Het zal genoeg zijn hier aan te merken, dat drie van ons het Heilig Ambt aanvaardden en daarin niet ongezegend waren; ik, zijn eerstgeborene, mijn broeder Walter, verscheidene jaren jonger dan ik, en mijn broeder James, de jongste van het elftal, de Benjamin der familie.
De gemeente, waartoe wij behoorden, was de Hervormd Presbyteriaan-sche gemeente van Dumfries, waar Rev. John. Mc. Diarmir gedurende
9
DAGEN DER JEUGD.
het grootste gedeelte van dien tijd het leeraarsambt bekleedde. Hij was een echt, ernstig, beminnelijk dienaar des Evangelies, die eene warme toegenegenheid en grooten eerbied voor mijn vader opvatte, welke in broederlijke vriendschap overging, naarmate het blonde haar in sneeuwwitte lokken veranderde en zij beiden den patriarchalen leeftijd naderden. De predikant werd naar eene gemeente in Glasgow verplaatst, maar dat verhoogde eerder hunne wederzijdsche vriendschap dan dat die er door verminderd werd. Dumfries lag op ruim vier mijlen afstands van onze woning in Torthorvvald, maar het verhaal zegt, dat mijn vader gedurende deze veertig jaren maar driemaal verhinderd was de godsdienstoefening aldaar bij te wonen, eens omdat de sneeuw zoo hoog lag, dat hij er niet door kon en genoodzaakt was terug te keeren, eens toen het zoo glad op den weg was, dat hij zich genoodzaakt zag op handen en knieën terug te kruipen tegen de heuvelen op, die hij met levensgevaar en onder dikwijls vallen was afgeklauterd, en eens door het uitbreken-van eene vreeselijke cholera-epidemie te Dumpfries. Alle verkeer tusschen de stad en de omliggende dorpen werd openlijk verboden; en de boeren en dorpsbewoners, vermoedende, dat geen cholera mijn vader op Zondag thuis zou doen blijven, zonden een gezantschap tot mijne moeder, om haar te verzoeken te bewerken, dat hij de godsdienstoefening voor deze ééne maal niet ging bijwonen.
Dit was echter onnoodig; waar het leven van andere menschen op het spel stond, kwam zijne godsvrucht zelve hem te hulp. Wij, kinderen, beschouwden het van onze vroegste jeugd af niet als een straf, maar als een groot genoegen, om met onzen vader naar de kerk te gaan; de wandeling van vier mijlen was eene ontspanning voor onzen geest, het gezelschap op den weg was eene aangename afwisseling en van tijd tot tijd vingen onze verlangende blikken iets van de wonderen van het stadsleven op. Eenige andere vrome mannen en vrouwen van het beste evangelische type, gingen ook naar den een of anderen geliefden prediker te Dumfries ter kerk, daar de. dorpsgemeente gedurende al die jaren tamelijk slecht bediend werd, en wanneer deze godvreezende dorpelingen zich verzamelden op weg naar of van het Huis Gods, dan ging ons, kinderen, soms een helder licht op over wat een christelijk gesprek kan en moet zijn. Zij gingen naar de kerk vol heerlijke verwachtingen des geestes, hunne ziel verlangde God te ontmoeten; zij keerden uit de kerk weder, gereed en zelfs verlangend, om van gedachten te wisselen over hetgeen zij gehoord en ontvangen hadden van de dingen des Eeuwigen Levens. Ik moet hier even opmerken, dat de godsdienst ons op verstandige wijze werd voorgesteld en dat er een waas van frischheid over lag, zoodat wij er ons toe aangetrokken gevoelden, in plaats van er een afkeer van te krijgen. De gesprekken, die wij aanhoorden, waren dan ook uit hun leven gegrepen; het was niet eene voorgewende godsdienstigheid, maar een oprecht aan den dag komen van wat in hun hart was. Dit maakt misschien het gansche verschil uit tusschen spreken, dat aantrekt, en spreken, dat afstoot.
Wij hadden ook in den namiddag van den dag des Heeren bijzondere bijbellezingen — moeder en kinderen en bezoekers lazen dan beurtelings en er was eene belangwekkende bespreking van het gelezene; er werden allerlei vragen gedaan, en antwoorden en uitlegging werkten er toe mede, om ons de oneindige genade van een God van liefde en barmhartigheid te doen gevoelen in de groote gave van Jezus, Zijn geliefden Zoon, onzen Zaligmaker. De kleine Catechismus werd geregeld behandeld, ieder beantwoordde eene vraag, totdat het geheel uitgelegd was, en de bewijzen
10
DAGEN DER JEUGD.
uit de Schrift daarbij aangehaald waren. Het kwam mij altijd verbazend vreemd voor, wanneer ik menschen ontmoette, die dit »catechiseerenquot; afkeurden, daar het hen een tegenzin in den godsdienst zou doen krijgen ; ieder in onzen kring denkt en gevoelt juist het tegenovergestelde. Het legde een vast fondament voor geheel ons godsdienstig leven. De latere jaren hebben wel is waar aan deze vragen en antwoorden eene diepere en gewijzigde beteekenis gegeven, maar niemand onzer heeft er zelfs ooit in de verte aan gedacht om te wenschen, dat wij anders waren opgevoed. Natuurlijk, indien de ouders niet vroom, oprecht en liefhebbend zijn, indien de geheele zaak voor beide partijen niet anders is dan een opgelegde taak, of wat nog erger is, een huichelachtig vertoon, dan moet de uitkomst inderdaad zeer anders zijn. O! hoe goed kan ik mij nog die gelukkige Zondag-namiddagen herinneren! Neen, het was geen sombere, doodsche dag, waarop gesloten blinden of neergelaten gordijnen het vriendelijk zonlicht buitensloten, gelijk sommigen leugenachtig beweren, maar een heilige, gezegende dag voor een christelijk gezin, als dat mijner ouders was. Hoe genoeglijk, kon mijn vader over den vloer heen en weder wandelen, terwijl hij onze lieve moeder den hoofdinhoud van de preeken van dien dag mededeelde, daar zij om den grooten afstand en om hare vele levende »hindernissenquot; maar zelden naar de kerk kon gaan; zij nam echter verheugd haar kans waar, wanneer haar vriendelijk een plaatsje in een sjees werd aangeboden. Wat kon vader ons uitnoodigen om hem te helpen, ten einde de eene of andere gedachte in zijn geheugen terug te roepen en hoe beloonde hij ons altijd, wanneer wij de moeite hadden genomen om aanteekeningen te houden en die na onze terugkomst voor te lezen. Wat bracht hij altijd gemakkelijk het gesprek op eenig bijbelsch onderwerp, op een tafereel uit de geschiedenis der martelaren of op eenig voorval uit Banyan\'s Pelgrims-reize! Hoe konden wij dikwijls wedijveren, wie er zou voorlezen, terwijl al de anderen luisterden en vader er hier en daar eene gelukkige gedachte, eene opheldering of eene anecdote tusschen voegde. Anderen mogen zeggen en schrijven wat zij willen en zooals zij het gevoelen, maar dat wensch ik ook te doen. Wij waren met ons elven thuis en geen van die elf, jongen noch meisje, man noch vrouw heeft rnen ooit hooren zeggen, dat de Zondag vervelend en saai voor ons was, of dat men ergens eene wijze van Zondagvieren heeft aangetroffen, die den dag des Heeren gelukkiger en meer gezegend voor ouders en kinderen deed voorbijgaan. Maar God zij de huisgezinnen genadig, waar deze dingen gedwongen en niet uit liefde geschieden! Zelfs de tucht, die mijn vader op ons uitoefende, werd door zijn godsdienst gewijd. Wanneer er eene wezenlijke verkeerdheid te straffen viel, begaf hij zich eerst in zijn kabinet om te bidden en wij jongens, begrepen zeer goed, dat hij de geheele zaak voor God bracht en dat was voor mij het zwaarste gedeelte van de straf. Elke andere bestraffing zou mij misschien koud hebben gelaten, maar deze sprak als eene boodschap van God tot mijn geweten. Wij beminden er hem des te vuriger om, als wij zagen hoeveel het hem kostte, ons te straffen, en, waarlijk, hij had bij geen van zijne elf kinderen veel van dat werk te doen. Wij werden door liefde geregeerd, niet door vrees.
Daar ik echter de geschiedenis van mijns vaders leven — in vele opzichten meer waard om beschreven te worden dan de mijne — hier moet eindigen, wil ik nog maar alleen vermelden, dat zijn lang en vroom leven hem heinde en ver bemind maakte in alle godsdienstige kringen; bij ziekbedden en begrafenissen werd er altijd om hem gezonden, men schatte hem overal zeer hoog, en deze achting vermeerderde grootelijks
11
DAGEN DER JEUGD.
toen de jaren zijn lang haar verzilverden, en hem een apostel deed gelijken. Gedurende ongeveer de laatste twaalf jaren van zijn leven was hij als reizend zendeling voor de vier aangrenzende gemeenten werkzaam en bracht den herfst zijns levens letterlijk door met het zaaien van het goede zaad des Koninkrijks als kolporteur van het Boek- en Traktaatgenootschap. Zijn arbeid werd op het platteland met wonderbaren zegen bekroond. Binnen een kring van vijf mijlen was hij in ieder huis bekend, werd door de kinderen verwelkomd, door de dienstbaren geëerbiedigd, en zieken en ouden verlangden om het zeerst naar hem. Hij toonde met verrukking de mooie Bijbels en andere goede boeken, die hij in verbazend aantal verkocht. Hij zong liefelijke Psalmen bij de zieken en bad met aangrijpenden ernst bij de sterfbedden. Opgeruimd ging hij van de eene boerderij naar de andere en van hut tot hut, en wanneer hij vermoeid was van de verre tochten langs drassige wegen, verfrischte hij zijne ziel door het opzeggen van een van Ralph Erskine\'s Liederen of vermaakte zich met den vogelen een van Davids Psalmen toe te zingen. Zijne gelukkige wederhelft »Wee Jenquot; stierf in 1865, en hij zelve in 1868, toen hij zijn zeven en zeventigste jaar bereikt had. In de nederige omgeving van eene Schotsche boerderij was door den invloed van hunne vereenigde liefde door Gods genade eene schoone en edele episode van het menschelijk bestaan doorleefd, en in deze wereld zoowel als in de toekomende zullen hunne kinderen bij het hooren hunner namen opstaan en hen zalig spreken!
Eene typische Schotsche school. — Een prijs op school. — Een driftig onderwijzer. — Een beroep leeren. — De gebeden mijns vaders.—Jehovah Jireh.— Onder sapeurs en mineurs. — Het oogstveld. — Op weg naar Glasgow. — Een gedenkwaardig afscheid. — Voor de examinatoren. — Een doodend werk. — Diepe wateren. — De school van Maryhill. — Ruwe schooltafe-reelen. — Ant Caesar, Ant Nullus. — Mijn salaris.
TORTHORWALD bezat in mijne jeugd eene van die voortreffelijke, ouderwetsche, typische scholen van Schotland, waar rijken en armen elkander ontmoetten, waar Bijbelsche geschiedenis en Catechismus even flink werden onderwezen als taal- en aardrijkskunde, en waar vlugge jongens uit de eenvoudigste woningen zoo goed in Grieksch, Latijn en Mathesis werden onderwezen, dat zij dadelijk van de dorpsschool naaide Universiteit konden gaan. Behalve dat, had een uitstekend onderwijzer. Smith genaamd, een geleerd man van meer dan plaatselijke vermaardheid, eene kostschool bij de gewone school gevoegd, en had daardoor sommige jonge lieden uit den meer gegoeden stand en zoons van pachters uit het omliggend graafschap tot zich getrokken, zoodat Torthorwald onder zijn regime, het toppunt van zijn opvoedkundigen roem bereikte. In deze school werd ik in de geheimen der wetenschap ingewijd en al mijne broeders en zusters na mij, ofschoon sommigen hunner onder andere meesters dan ik. Mijn jongste broeder James ontving hier zijne opleiding van een onderwijzer, Lithgow genaamd en ging op zijn veertiende jaar regelrecht van onze dorpsschool naar de Hoogeschool van Glasgow.ORTHORWALD bezat in mijne jeugd eene van die voortreffelijke, ouderwetsche, typische scholen van Schotland, waar rijken en armen elkander ontmoetten, waar Bijbelsche geschiedenis en Catechismus even flink werden onderwezen als taal- en aardrijkskunde, en waar vlugge jongens uit de eenvoudigste woningen zoo goed in Grieksch, Latijn en Mathesis werden onderwezen, dat zij dadelijk van de dorpsschool naaide Universiteit konden gaan. Behalve dat, had een uitstekend onderwijzer. Smith genaamd, een geleerd man van meer dan plaatselijke vermaardheid, eene kostschool bij de gewone school gevoegd, en had daardoor sommige jonge lieden uit den meer gegoeden stand en zoons van pachters uit het omliggend graafschap tot zich getrokken, zoodat Torthorwald onder zijn regime, het toppunt van zijn opvoedkundigen roem bereikte. In deze school werd ik in de geheimen der wetenschap ingewijd en al mijne broeders en zusters na mij, ofschoon sommigen hunner onder andere meesters dan ik. Mijn jongste broeder James ontving hier zijne opleiding van een onderwijzer, Lithgow genaamd en ging op zijn veertiende jaar regelrecht van onze dorpsschool naar de Hoogeschool van Glasgow.
Mijn onderwijzer strafte gestreng, ja wreed, voornamelijk wanneer de lessen slecht geleerd werden. Dat hij toch in andere opzichten goed en medelijdend was, had ik dikwijls ondervonden. Daar hij mij niet zoo netjes gekleed zag als andere kinderen, wier ouders ruimer met aardsche goederen bedeeld waren, en warme belangstelling voor mij had opgevat, besloot hij, wel vermoedende dat nieuwe kleederen niet zoo gemakkelijk bij ons verkregen werden als bij sommige andere menschen, mij eene aangename verrassing te bereiden, als belooning voor mijn goed gedrag op de school. Op een avond, toen mijn vader de boeken had gekregen en de avondgodsdienstoefening begonnen was, werd onze huisdeur zacht geopend en weêr even zacht gesloten. Na het gebed vloog ik naar de
SCHOOL EN COLLEGE.
deur en vond een pak, voor mij bestemd, waarin een stel mooie, nieuwe kleederen, waarvan mijne moeder, toen zij ze zag, zeide dat God ze mij gezonden had en dat ik ze dankbaar uit Zijne hand moest ontvangen, wie ze ook gebracht mocht hebben. Toen ik den volgenden morgen met mijne nieuwe kleeren aan op school verscheen, groette de meester mij vriendelijk en prees het mooie pak, dat ik aan had. Ik vertelde hem op onschuldige wijze, hoe ik er aan gekomen was en wat mijne moeder gezegd had, waarop hij lachend antwoordde: »John, wanneer gij weer eens iets noodig hebt, laat uw vader dan het Boek maar krijgen, en God zal het u zenden in antwoord op het gebed.quot;
Jaren verliepen, eer ik te weten kwam, wat mijne lezers reeds begrepen hebben, dat de hand van den teerhartigen onderwijzer dien avond gedurende mijns vaders gebed de deur had geopend.
Hij ondermijnde zijn gezag door uitbarstingen van drift, die hem dikwijls tot wreedheid voerden. Dat hij zijne gunstelingen voortrok was ook dikwijls zeer ontmoedigend, zooals toen ik volgens de uitspraak van den ondermeester een prijs voor een Latijnsch opstel gewonnen had, die mij toch onthouden werd, terwijl er onverdiende prijzen werden uitgereikt aan andere meer gegoede jongens; dit verbeeldde ik mij ten minste, en het ontnam mij allen lust om uit te munten. Dat hij den een boven den ander voortrok was nog te verdragen, maar niet zijne ruwe kastijding, wanneer hij door drift overmeesterd werd. Eens had hij mij onrechtvaardig gekastijd; en alleen op aandrang van mijne moeder ging ik weer naar school. Toen hij mij zag, vloog hij weder op mij aan en sloeg mij hevig, zoodat ik in grooten angst zijne tegenwoordigheid ontvluchtte en mij naar huis spoedde. Toen zijn drift bekoeld was, kwam hij bij mijne ouders, verontschuldigde zich en zocht mij over te halen tot terugkeer, maar te vergeefs, niets kon mij bewegen mijne studiën bij hem te hervatten. Ik had in die dagen grooten dorst naar kennis en een sterk geheugen, zoodat het leeren mij betrekkelijk gemakkelijk viel, en daar er geene andere school in mijn bereik was, was het een groot verlies, dat ik bij dezen onderwijzer niet kon voortgaan.
Hoewel nog geen twaalf jaar oud, begon ik mijns vaders handwerk te leeren en maakte spoedig groote vorderingen. Wij werkten van zes uur \'s morgens tot tien uur \'s avonds met tusschenruimte van slechts een uur voor het middagmaal en een half uur voor het ontbijt en voor het avondeten. Deze vrije oogenblikjes besteedde ik iederen dag ijverig aan mijne boeken, voornamelijk aan de beginselen van het Grieksch en Latijn; want ik had mijn hart aan God gegeven en was vast besloten om te trachten Zendeling van het Kruis of Bedienaar des Evangelies te worden. Toch beken ik gaarne, dat wat ik leerde van de kousen-weverij mij niet onnut bleek te zijn; zekere gemakkelijkheid in het hanteeren van werktuigen en eenig verstand van machineriën was mij later van groot nut in de Heidenwereld.
De invloed, dien de gebeden mijns vaders op mijne jeugdige ziel hadden, laat zich niet beschrijven. Wanneer hij, in het gebed neergeknield, met ons allen rondom hem, onder tranen zijn geheele hart uitstortte; om de bekeering der Heidenwereld bad en iedere persoonlijke en huiselijke behoefte den Heer opdroeg, gevoelden wij ons allen in de tegenwoordigheid van een levenden Heiland, en leerden hem kennen en liefhebben als onzen Goddelijken Vriend. Als wij van onze knieën opstonden, en ik den glans op mijns vaders gelaat zag, wenschte ik altijd hem te mogen gelijken en hoopte ik eenmaal het voorrecht te mogen genieten om, in antwoord op zijne gebeden, het Evangelie aan een deel der heidenwereld te brengen.
14
SCHOOL EN COLLEGE.
Hier moet ik een voorval uit dezen tijd mededeelen, dat op mijn jeugdig gemoed een blijvenden indruk heeft gemaakt. Ons huisgezin, gelijk alle andere familiën, die tot den landbouwersstand behoorden, was, door de ziekte in de aardappelen, de mislukking van den oogst en de duurte van levensmiddelen, in diepe ellende gedompeld. Onze vader was met werk naar Hawick gegaan en zou den volgenden avond terugkeeren met geld en provisie; maar middelerwijl was het meel opgeraakt en onze lieve moeder, wier trots en fijngevoeligheid haar weerhield om dit iemand te doen weten, of ergens om onderstand te vragen, bracht ons allen ter rust, met de verzekering dat zij alles aan God gezegd had, en dat Hij ons den volgenden morgen overvloedig spijze zou zenden. Den volgenden dag kwam er een voerman uit Lockerbie met een geschenk van haar vader, die, niets van hare omstandigheden wetende, evenmin als van deze bijzondere beproeving, door God was bewogen, om op dit bepaalde oogenblik een offer der liefde aan zijne dochter te zenden, gelijk men dit nog in deze liefelijke Schotsche graafschappen gewoon is te doen — een zak nieuwe aardappelen of een zak versch meel of de eerste zelfgemaakte kaas van het jaar of dergelijke — waardoor ruimschoots in al onze behoeften voorzien werd. Mijne moeder, onze verwondering ziende bij zulk eene verhooring van haar gebed, verzamelde ons rondom haar schoot, dankte God voor Zijne goedheid en zeide tot ons: »0 mijne kinderen! hebt uw Hemelschen Vader lief, vertrouwt Hem in het geloovig gebed al uwe nooden en Hij zal- uwe behoeften zoo vervullen als tot uw nut en Zijne verheerlijking strekken kan.quot;
Misschien was deze tijd wel de moeilijkste dien zij in de opvoeding hunner elf kinderen ooit beleefden en de eenige tijd, waarin zij werkelijk gebrek leerden kennen; maar het weinige dat zij hadden, werd buitengewoon door God gezegend en onze edele moeder, wier sterke geest, gevoegd bij haar nederig, vroom gemoed naast God ons gemaakt heeft wat wij zijn, wist op niet minder buitengewone wijze van alles partij te trekken.
Ik spaarde zooveel geld op van mijne verdiensten, dat ik in staat was zes weken de lessen te volgen aan de school te Dumfries; dit wekte opnieuw den honger naar de studie in mij op, en ik besloot mijn handwerk op te geven en zoodanig iets aan te vangen, dat ik de gelegenheid had, om mijne studiën voort te zetten. Nu werd er eene overeenkomst gesloten met de Sapeurs en Mineurs, die het graafschap Dumfries moesten meten en in kaart brengen. De diensturen waren van 9 uur \'s morgens tot 4 uur \'s middags en daar ik \'s morgens en \'s avonds vier mijlen te loopen had, vond ik op mijne wandeling nog veel tijd tot studie, terwijl ik ook mijne vrije oogenblikken uitkocht. In plaats van het middaguur te besteden, om met de anderen bal te spelen of aan andere vermaken deel te nemen, sloop ik weg naar een rustig plaatsje op den oever van de Nith, en zat daar geheel alleen, over mijn boek gebogen. Onze luitenant had dit van uit zijne woning aan de overzijde der rivier gadeslagen; hij riep mij op een dag op zijn kantoor en vraagde mij wat ik studeerde. Ik vertelde hem alles van mijne plannen en wenschen. Na met eenige andere officieren beraadslaagd te hebben riep hij mij andermaal binnen en beloofde mij in hunne tegenwoordigheid promotie in den dienst, en eene opleiding in Woolwick op kosten van het Gouvernement, onder voorwaarde dat ik mij voor zeven jarèn aan den dienst wilde verbinden. Hem beleefd voor zijn vriendelijk aanbod bedankende, stemde ik er in toe, om voor drie of vier jaar te teekenen, maar niet voor zeven. Driftig vraagde hij daarop: «Waarom? Wilt gij dan een aanbod afslaan, waarop menig jong mensch uit hoogeren stand trotsch zou wezen ?quot;
15
SCHOOL EN COLLEGE.
»Mijn leven is gewijd aan een anderen Meester,quot; zeide ik, »dus kan ik mij niet voor zeven jaren verbinden.quot;
Hij vraagde daarop scherp: »Aan wien dan?quot;
»Aan den Heer Jezus,quot; antwoordde ik; en ik wensch mij zoo spoedig mogelijk te bekwamen in Zijn dienst, ten einde het Evangelie te gaan prediken.quot;
In groote woede sprong hij nu op, riep den betaalmeester en sprak: »Neem mijn aanbod aan, of gij wordt oogenblikkelijk ontslagen!quot;
Ik antwoordde : »Het zal mij zeer spijten, indien gij dit doet, maar mij voor zeven jaar te verbinden, zou waarschijnlijk mijne plannen voor mijn geheele leven verijdelen, en ofschoon ik u zeer verplicht ben, kan ik zulk eene verbintenis niet aangaan.quot;
Zijn toorn maakte hem onwillig of onbekwaam om mijne moeielijkheid te begrijpen, ik moest\' mijn teekeninstrumenten afgeven, ontving mijn geld en vertrok zonder verdere praatjes. De mannen, die boven, mij stonden en die met mij gelijk waren, waren meest Roomsch-Katholiek en hunne gesprekken waren de goddelooste die ik ooit gehoord had. Weinigen onder hen spraken ooit zonder vloeken en ik was dankbaar te kunnen vertrekken en van hunne ergerlijke taal verlost te worden. Maar voor mij persoonlijk waren en de officieren en de manschappen zeer goed geweest, waarvoor ik hen allen bij mijn vertrek hartelijk bedankte. Hierover toonden zij zich niet weinig verwonderd — alsof zij aan zulke betuigingen niet gewoon waren.
Toen Dr. Maxwell, rector aan de Latijnsche school van Dumfries, hoorde, hoe ik was behandeld geworden en waarom, bood hij mij aan zoolang ik wilde de lessen aan zijne school zonder betaling te volgen; maar dit voorstel was bij gebrek aan andere middelen van bestaan vooralsnog onaannemelijk en ik wilde en kon mijn vader niet tot last zijn, daar ik hem liever bij de opvoeding der anderen behulpzaam wilde zijn. Ik begaf mij daarop naar Lockerbie en verhuurde mij voor het eerst van mijn leven, om op het land te werken. Toen ik op het veld kwam, waar het schaapscheren en maaien juist begonnen was, verzocht de boer mij eene schoof te binden; toen ik het gedaan had, lichtte hij de schoof aan den band op, en zij viel uiteen! In plaats van mij te ontmoedigen evenwel, wees hij mij nauwkeurig, hoe eene schoof gebonden mo\'est worden en de tweede, die ik bond, ging niet los door schudden, de derde wierp hij over het veld heen, en ziende dat zij nog altijd vast bleef, zeide hij vriendelijk tot mij: »Recht zoo, mijn jongen, ga zoo voort.quot;
Het was in het eerst een hard werk voor mij, en mijne handen deden er zeer van; maar met een goeden wil kwam ik alle zwarigheden te boven en sloot mij aan bij de beste arbeiders. De maaiers, bemerkende dat ik niet tot hun werkvolk behoorde, raakten in twist over wat ik eigenlijk was; sommigen hielden mij voor een schilder, anderen voor een kleermaker ; nauwkeuriger opmerkers ontzeiden mij echter den rang van kleermaker, daar ik geen inkervingen in mijn duim en vinger had; daarom veronderstel ik, dat zij mij het penseel waardig keurden. Den maaiers werd aangezegd, dat zij zouden slapen op een grooten hooizolder, waar de bedden naast elkander langs den muur stonden, zooals veldbedden. Velen dezer lieden waren ruw en onbeschaafd en ik denk dat mijn oogopslag de aarzeling verried, om mij met hen in gezelschap te begeven; ten minste het goede hart van de boerin gaf haar in, om voor te stellen dat ik, die zooveel jonger was dan de anderen, met haar zoon George in huis zou slapen, een aanbod dat, o zoo gretig! aangenomen werd.
Een mooi nieuw huis was eerst onlangs voor hem gebouwd, en ge-
16
SCHOOL EN COLLEGE.
durende de tusschenpoozen dat ik wachten moest tot het graan gerijpt of gedroogd was, maakte ik plannen voor een sierlijken tuin vóór het huis, dien ik ook tot aller voldoening aanlegde; ik had mijn smaak hiervoor van mijne moeder geërfd, die veel hield van bloemen en planten. Bij mijn vertrek ontving ik behalve mijn loon een fraai geschenk, want ik had het zeer goed met hen allen kunnen vinden. De ervaring, die ik hier had opgedaan, kwam mij ook goed te stade, toen ik in later dagen en in andere landen zendingshuizen moest oprichten en tuinen en moestuinen moest aanleggen zonder hulp van een enkel Europeaan.
Vóór mijn eersten veldarbeid had ik mij aangemeld voor eene betrekking in Glasgow, die oogenschijnlijk zeer voor mij geschikt was; maar ik had weinig of geen hoop er iets van te zullen hooren. Door de Hervormd Presbyteriaansche Gemeente in de West Campbell straat, waar de goede, edele Dr. Bates predikant was, was een salaris van zeshonderd gulden aan een jongmensch aangeboden tot het doen van huisbezoek en het uitdeelen van traktaatjes, voornamelijk onder degenen, die de Zondagsschool verzuimden, met het voorrecht van een jaar opleiding te ontvangen aan de Normaalschool der Vrije Kerk, teneinde zich te oefenen in het onderwijzen op de Zondagsschool en daardoor voorwaarts te streven naaide Evangeliebediening. De candidaten moesten met hunne aanvraag en getuigschriften een door hen zelf gesteld en geschreven stukje over eenig onderwerp inleveren. Daar ik niet geleerd had geschikt proza te schrijvén, zond ik twee lange gedichten over de Covenanters, die hen buitengemeen moeten vermaakt hebben. Maar tot mijne groote verwondering kwam er onmiddellijk na den oogsttijd een brief, inhoudende dat ik met een ander jong mensch was uitgekozen en dientengevolge verzocht werd op een gegeven dag in Glasgow te verschijnen, teneinde mede te dingen naar de betrekking. Twee dagen later vertrok ik uit mijne stille woning en bevond mij op weg naar Glasgow. Den weg van Torthorwald naar Kilmarnock, zoowat veertig mijlen, moest ik te voet afleggen en vandaar naar Glasgow ging ik per spoortrein. Er waren in die dagen nog slechts weinig spoorwegen en met de diligence te reizen liet mijne beurs niet toe. Een klein bundeltje, in mijn zakdoek geknoopt, bevatte mijn Bijbel en al mijne eigendommen. Zoo ging ik de wijde wereld in. »Ik weet uwe armoede, doch gij zijt rijk.quot;
Mijn lieve vader ging de eerste zes mijlen van den weg met mij. Zijne raadgevingen, tranen en hemelsche gesprekken op die reis zijn mij nog zoo versch in het geheugen, alsof ik ze gisteren gehoord had; en de tranen komen mij nu even als toen in de oogen, wanneer mijn geheugen mij dat tooneel voor den geest brengt. Gedurende de laatste halve mijl misschien wandelden wij voort in bijna ongestoord stilzwijgen, mijn vader, gelijk dat zijne gewoonte was, met den hoed in de hand, terwijl zijn lang blond haar (toen blond, maar later sneeuwwit) gelijk dat van een meisje hem over de schouders hing. Zijne lippen bewogen zich in stil gebed voor mij, en zijne tranen vloeiden, wanneer onze oogen elkander ontmoeten met een blik, die geen woorden noodig had. Bij de afgesproken plaats des afscheids hielden wij stil; hij greep mijne hand voor een oogen-blik in stilte en zeide toen plechtig en liefdevol;
»God zegene u, mijn zoon! Uws vaders God geve u voorspoed en beware u van alle kwaad!quot;
Niet in staat meer te zeggen, bleven zijne lippen zich bewegen in stil gebed; met tranen omhelsden wij elkander en scheidden. Ik liep zoo spoedig ik kon voort, en, toen ik op het punt stond een hoek van den weg om te slaan, waar hij mij uit het oog zou verliezen, keek ik om en
17
2
SCHOOL EN COLLEGE.
zag hem nog met ongedekten hoofde staan, waar ik hem verlaten had. Met mijn hoed tot afscheid wuivende, was ik in een oogenblik den hoek om en uit het gezicht. Maar mijn hart was zoo vol, dat ik niet verder gaan kon; ik zette mij een oogenblik aan den kant van den weg neder en weende. Daarna opstaande, beklom ik voorzichtig den dijk om te zien of hij nog stond, waar ik hem verlaten had en juist op dat oogenblik zag ik hem den dijk opklimmen en naar mij uitzien! Hij zag mij niet en nadat hij eene poos verlangend in mijne richting gestaard had, klom hij naar beneden, en begon den terugweg aan te nemen, het hoofd nog ontbloot en het hart in stil gebed tot God opgeheven, daar was ik zeker van. Ik wachtte onder tranen, totdat hij geheel aan mijn oog onttrokken was, en toen, mij haastig voortspoedende, beloofde ik vast en ernstig, om met Gods hulp, altijd zoo te leven en te handelen, dat ik nooit de ouders, die Hij mij gegeven had, zoude grieven of tot oneer zijn. Het voorkomen van mijn vader toen wij scheidden, zijn raad, gebeden en tranen, de weg, de dijk, zijn beklimmen van den dijk en daarna heen wandelen, met het hoofd ontbloot, dit alles is mij dikwijls, zeer dikwijls in mijn leven voor den geest gekomen en staat mij thans, terwijl ik dit schrijf, ook zoo levendig voor oogen alsof het een uur geleden gebeurd is. Vooral in de eerste jaren, toen ik aan vele verleidingen blootgesteld was, rees het beeld van mijn vader op het oogenblik, dat wij zouden scheiden, voor mij op ais dat van een beschermengel. Het is geen Pharizeïsme, maar innige dankbaarheid, die mij hier doet verklaren, dat de herinnering aan dit tooneel, niet alleen door Gods genade van kracht was, om mij van allerlei zonde te bewaren, maar mij ook tot aanmoediging was in al mijne studiën, opdat ik zijn hoop niet beschamen mocht, en in al mijne christenplichten, opdat ik getrouw zijn uitnemend voorbeeld mocht navolgen.
Op den derden dag bereikte ik Glasgow, nadat ik e\'e\'n nacht te Thornhill en een nacht te Nevv-Cumnock had geslapen. Door de vriendelijkheid van kennissen, die ik op mijne reis bezocht, had ik maar drie halve stuiverstukken van mijn klein fonds behoeven uit te geven. Gelukkig aangekomen, maar vermoeid, zocht ik een eenvoudige kamer om te logeeren, waarvoor ik achttien stuivers per week moest betalen. Vol hoop en verlangen en tot God opziende om leiding, verscheen ik op het bepaalde uur voor de examinatoren, hetgeen ook de andere kandidaat deed, en nadat men nauwkeurig naar onze kundigheden had onderzocht, verzocht men ons eenige oogenblikken heen te gaan. Nadat wij terug geroepen waren, gaf men ons te kennen, dat er groote moeielijkheid in de keus bestond en stelde voor, dat een van ons zich zou terugtrekken ten voordeele van den ander of dat wij ons beiden aan een nauwkeuriger onderzoek zouden onderwerpen. Geen van beiden scheen geneigd de zaak op te geven, beiden wilden wij ons nogmaals aan het examen onderwerpen, maar de heeren deden een ander voorstel. Zij hadden slechts ƒ 600 per jaar te geven, maar indien wij lust hadden, om deze som samen te deelen en samen te gaan wonen, konden wij er ons misschien beiden door heen worstelen; zij zouden ons entreegeld aan de Normaalschool der Vrije Kerk betalen en ons de vereischte boeken verschaffen en misschien zcuden zij later in staat zijn eene kleinigheid te voegen bij de som, die aan een van ons beiden beloofd was. Door het zendingswerk te verdeelen en er ieder de helft van te verrichten, zouden wij ook meer tijd voor eigen studie overhouden. Hoewel de beide kandidaten elkander nooit te voren gezien hadden, namen wij terstond dit voorstel aan en konden het uitstekend samen vinden, zoo zelfs dat
18
SCHOOL EN COLLEGE.
wij in ons gansche samenzijn nooit een enkel verschil hebben gehad.
Daar onze medeleerlingen aan de Normaalschool veel verder waren dan wij, wachtte ons een vermoeiend werk en moesten wij voortdurend arbeiden vroeg en laat, om hen in te halen. Voor het einde van het jaar werden wij beiden ziek, gedeeltelijk door hard studeeren, maar misschien voornamelijk wel door gebrek aan versterkend voedsel. Ik begon hevig te hoesten, en gaf bloed op en een doctor zond mij terstond naar huis, om de buitenlucht te genieten en verbood alle studie. De moed ontzonk mij, het was eene bittere teleurstelling en eene groote beproeving voor mij. Spoedig daarna, werd mijn kameraad, hoewel uiterlijk veel sterker dan ik, ook op die wijze aangetast. Hij herstelde echter nooit geheel ofschoon hij nog eenige jaren in eene eenvoudige school onderwijs gaf, en lang geleden reeds ontsliep hij in Jezus, als een toegewijd en geëerd christen.
Ik daarentegen was na een korten rusttijd, waarin ik door de melk van onze koe gevoed en door de berglucht van Torthorwald verkwikt werd, spoedig weer aan het werk en kreeg eene betrekking als onderwijzer aan eene kleine school te Girvan. Daar ondervond ik de grootste welwillendheid van den heer Matthew G. Easton, predikant bij de Hervormd Presbyteriaansche Gemeente, nu Dr. Easton van de Vrije Kerk, Darvel, en kreeg langzamerhand doch geheel en al mijne gezondheid weder.
Toen ik ƒ 120 bespaard had van mijn salaris, keerde ik naar Glasgow terug, en werd als student ingeschreven, maar vóór het jaar om was, was mijn geld op, — ik had eenig geld geleend aan een armen student, die het mij niet teruggaf, — en er bleven maar weinige geldstukken in mijne beurs over. Er was niemand, van wien ik geld zou hebben kunnen leenen, al had ik dat willen doen; ik had gehoopt lessen te kunnen krijgen, maar dit was mij mislukt; en er bleef mij niets over, dan de kleinigheden, die ik schuldig was, te betalen, mijne loopbaan als student op te geven en weder op het platteland naar lessen of ander werk om te zien. Ik schreef mijne ouders een brief, waarin ik hen mijne omstandigheden mededeelde. Ik zeide, dat ik Glasgow ging verlaten om werk te zoeken, en dat zij niet van mij zouden hooren, vóór ik eene geschikte betrekking had gevonden. Ik deelde hen ook mede, dat ik, wanneer ik niet slaagde, mijn eigen handwerk weer zou opvatten, hoewel ik dat niet gaarne deed, daar het mij niet zou helpen in de voortzetting mijner studiën, maar dat zij verzekerd konden zijn, dat ik niets zou doen, waardoor ik hun of mijne christelijke belijdenis oneer aandeed. Nadat ik den brief onder vele tranen nog eens over gelezen had, zeide ik:»Ik kan hem niet wegzenden, want mijne lieve ouders zullen er zoo bedroefd om zijn.quot; Ik liet hem daarom op de tafel liggen, sloot mijne deur en ging uit om te zien of ik eene plaats kon vinden, waar ik mijne weinige boeken kon verkoopen, om het nog eenige weken langer uit te houden. Maar, toen ik tegenover den winkel met de drie gouden ballen stond en mij zeiven afvroeg of men daar de boeken van een armen student zou willen koopen en ik nog twijfelde of ik er wel binnen zou gaan, wetende hoe zeer ik mijne boeken behoefde voor mijne studiën, was er eene stem in mijn binnenste, die mij verweet, dat ik eene verkeerde zaak wilde gaan doen; ik verbeeldde mij, dat de menschen mij aanzagen, alsof ik op het punt was een diefstal te begaan en ik maakte mij haastig uit de voeten met een gevoel van diepe schaamte, dat ik van zoo iets had kunnen droomen. Van de eene straat door de andere gaande, liep ik als werktuigelijk voort, maar de Heer, de God mijns vaders, leidde mijne schreden, zonder dat ik het vermoedde.
1Q
SCHOOL EN COLLEGE.
Mijn oog viel plotseling op eene annonce in een raam, dat ik waarschijnlijk vroeger nooit gezien had; ik las daar — Gevraagd: Een onderwijzer aan de school van de Vrije Kerk, Maryhill. Men vervoege zich aan de pastorie. — Een omnibus passeerde juist, toen ik mij omkeerde; ik sprong er in; sprak met den predikant en wij kwamen overeen, dat ik de school zou aanvaarden. Daarop keerde ik naar Glasgow terug, betaalde mijne hospes, verscheurde den brief aan mijne ouders en schreef een anderen vol hoop en troost en den volgenden morgen vroeg trad ik de school binnen, waar mij eene moeielijke en zware taak wachtte. De predikant had mij gezegd, dat de school eene mislukking was en voornamelijk geschorst was geworden, om het slecht gedrag van jonge lieden uit de molens en kolenmijnen, die de avondschool bezochten. Er waren reeds verscheidene onderwijzers geweest, die het allen hadden opgegeven; en, vervolgde hij, een dikken stok op den lessenaar leggende: «Gebruik dezen vrij, of gij zult hier nooit orde houden.quot; Ik legde den stok in een hoek van mijn lessenaar, zeggende : »Dat zal mijn laatste hulpmiddel zijn.quot;
Er waren slechts weinig scholieren in de eerste week, achttien op de dagschool en twintig op de avondschool. De klerk van den molen, een vriendelijk jongman, kwam op de avondschool, zooals hij voorgaf, om boekhouden te leeren, maar in het geheim deelde hij mij mede, dat hij gekomen was, om mij tegen persoonlijke beleediging te vrijwaren.
In de volgende week kwamen een jongman en een meisje de avondschool bezoeken, die van het eerste oogenblik af toonden, dat het hen er om te doen was, stoornis te weeg te brengen. Door hardop spreken, grappen vertellen en lachen, verhinderden zij het werk van de anderen. Hoe meer ik hen tot stilte en orde vermaande, hoe luidruchtiger zij werden, tot groot vermaak van eenige der andere scholieren, die tegenwoordig waren. Ten laatste gebood ik den jongen man, een langen, sterken knaap, om stil te zijn of terstond de school te verlaten, verklarende dat ik, het kostte wat het wilde, volmaakte orde wilde en zou hebben; maar hij spotte met mijne woorden en nam eene uitdagende houding aan. Bedaard de deur sluitende en den sleutel in den zak stekende, keerde ik naar mijn lessenaar terug, wapende mij met mijn stok en verbood iedereen, om tusschenbeide te komen. Het was een hevige strijd; hij sloeg verwoed naar mij met zijne vuisten en ik ontweek met vlugge beweging zijne slagen en gaf hem slag op slag met den dikken stok, totdat hij ten laatste naar zijn lessenaar kroop, uitgeput en verslagen, en ik hem beval aan het werk te gaan, hetgeen hij met gemelijk stilzwijgen deed. Daarop naar mijn lessenaar terugkeerende, sprak ik mijne leerlingen aan en verzocht hen om allen, die de school wenschten te bezoeken, mede te deelen, dat, indien zij kwamen om onderwijs te genieten, ik gaarne al wat in mijn vermogen was voor hen zou doen, maar indien zij kwamen, om kwaad uit te voeren, zij dan beter zouden doen weg te blijven, daar ik van plan was te overwinnen en niet overwonnen te worden en mij orde en stilte zou weten te verschaffen, wat het mij ook mocht kosten. Verder verzekerde ik hen, dat de stok door mij niet meer opgeheven zou worden, indien vriendelijkheid en toegevendheid mijnerzijds het mij konden doen winnen, daar ik door liefde en niet door vrees wenschte te regeeren. Maar deze jongman wist, dat hij ongelijk had en dat maakte hem zwak tegenover mij, hoewel hij anders veel sterker was dan ik. Toch wilde ik nog zijn vriend en helper zijn, indien hij op vriendschappelijken voet met mij wilde komen, even goed of het gebeurde van dezen avond niet had plaats gehad.
Eene doodelijke stilte ontstond in de school; ieder verborg zijn gelaat
20
SCHOOL EN COLLEGE.
in zijn boek en de avond eindigde in ongewone stilte en ordelijkheid.
Den volgenden morgen kropen twee van de grootste jongens op de dagschool, in plaats van hunne gewone plaats in te nemen, onder de galerij waar kolen en rommel werden bewaard en maakten daar een vreeselijk leven. Toen ik hen verbood, werd het geraas des te erger; ik sloot dus de deuren, legde de sleutels weg en begon het werk van dien morgen. Een half uur vroeger dan gewoonlijk, gaf ik een lied op om te zingen en liet de kinderen rond marcheeren, alsof zij zouden heengaan; toen kwamen de jonge oproermakers binnen en zich aan het hoofd plaatsende, schreeuwden zij zoo hard mogelijk mede. Een van hen bij den kraag vattende, slingerde ik hem naar het midden van de kamer en den anderen naast hem plaatsende, hief ik mijn vreeselijken stok op en verbood hen de plaats te verlaten. Daarop liet ik de kinderen hunne plaatsen hernemen, ik benoemde hen tot jury om de zaak te hooren en een oordeel uit te spreken. De twee jongens werden schuldig bevonden en veroordeeld eene gestrenge kastijding te , ondergaan. ïk beloofde nu, daar dit hun eerste vergrijp was en ik den stok alleen als laatste middel gebruikte, alle straf hen kwijt te schelden, indien zij vergeving vraagden en beloofden in het vervolg oplettend en gehoorzaam te zullen zijn. Zij deden dit beiden van ganscher harte en werden mijne beste leerlingen. Des avonds had ik weinig moeite, daar de kwaadwillige scholieren niet dadelijk terugkeerden, wel vermoedende, dat zij in den nieuwen onderwijzer een leeuw of zoo iets hadden gekregen, waarvan het meer waarschijnlijk was, dat hij hen ten onder zou brengen, dan dat hij door hen zou ten onder gebracht worden.
Den dag daarna wachtten de ouders van eenige kinderen, verschrikt door de verhalen van deze handelingen, mij met den predikant op, zeggende, dat hunne kinderen bevreesd waren, om op de school te komen. Ik antwoordde, dat er geen kind door mij geslagen was, maar dat ik er op stond orde en gehoorzaamheid in de school te hebben; ik herinnerde den leeraar, dat drie van mijne voorgangers veel geleden hadden van de oproermakers op de avondschool, een was door de plagerijen krankzinnig geworden, een ander had het zijne gezondheid gekost en de derde had met afkeer de school verlaten; ten laatste verklaarde ik, dat ik tot eiken prijs meester moest blijven of de school moest verlaten. Van toen afwas de orde gehandhaafd en de school kwam tot grooten bloei. In de volgende week kwamen velen van de belhamels tot de avondschool terug; maar hun gedrag tegenover mij was uitstekend. Er kwamen hoe langer hoe meer scholieren, totdat de school vol werd, zoowel des daags, als des avonds. Zelfs in het middaguur had ik eene groote klasse van meisjes, die zich in het schrijven en rekenen wilden oefenen. Langzamerhand werd de stok een vergeten voorwerp, de droefheid en het verdriet dat ik toonde, wanneer men zijn best niet deed, of iets verkeerds verrichtte, bleken eene straf te zijn, die veel meer uitwerking had.
De schoolcommissie had mij minstens ƒ 6 per week toegezegd, en zou het te kort dekken, indien de schoolgelden dit niet opbrachten, maar indien het schoolgeld meer opbracht dan deze som, was dat voor mij. De zaken gingen zeer voordeelig, waarlijk te voordeelig voor mij in dezen tijd. De commissie, hare afspraak met mij als slechts van tijdelijken aard beschouwende, maakte gebruik van het goede bezoek en den beteren naam, dien de school tegenwoordig had, om zich den dienst te verzekeren van een onderwijzer van den hoogsten rang. De ouders van vele der kinderen, die dit betreurden, boden aan mij te steunen als ik eene school wilde oprichten tegenover de andere, maar, behalve dat ik dit niet eerlijk
21
SCHOOL EN COLLEGE.
zou gevonden hebben tegenover de commissie, hoe onaardig zij mij ook behandeld had, wist ik te goed, dat ik geen opleiding had gehad noch ervaring genoeg bezat, om te wedijveren met een bekwaam onderwijzer en wees hun aanbod af, ofschoon ik hen dankbaar was voor hunne waardeering. Hunne kinderen echter openden eene inschrijving en schreven mij een bedankbrief van hunne handteekeningen voorzien als bewijs van toegenegenheid en achting, die mij werd aangeboden op den dag voor mijn vertrek, en dit was mij dubbel aangenaam, omdat het was uitgegaan van de knapen, die zich eerst zoo slecht hadden gedragen, maar nu mijne warme vrienden geworden waren.
Wederom stelde ik mijne toekomst in handen van den Heer, den God mijns vaders, in mijn binnenste verzekerd, dat ik Hem wenschte te dienen en mijn dierbaren Zaligmaker wilde volgen; maar toch gevoelende, dat eene donkere wolk mijn pad weder overschaduwd had.
22
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
quot;Hij geleidt mij.quot; — Een verwaarloosde buurt. — Het Evangelie op een hooizolder. — Nieuwe zendinggebouwen. — Voor Jezus aan den arbeid. — In oorlog met de liel. — Uitstrooien van het Evangeliezaad. — Herbergiers op het slagveld. — Naar het politiebureau gebracht. — Papisten en ongeloovi-gen. — Een ougeloovige gered. — Een ongeloovige in wanhoop. — Uit het vuur gered. — Een ongeloovig kind. — Papisten in de wapenen. — Ouderling en student.
\\ / OOR dat ik de Maryhill school was begonnen, had ik mij aangemeld \' voor de betrekking van agent bij de Stadszending te Glasgow, en den avond vóór ik Maryhill verliet, ontving ik een brief van Rev. Thomas Caie, het hoofd van genoemde zending, inhoudende, dat de directeuren steeds het oog op mij gehad hadden, sedert ik mij aangemeld had en mij daarom verzochten, daar zij gehoord hadden, dat ik de school verlaten ging, den volgenden morgen bij hen te komen, opdat zij naar mijne geschiktheid voor het Zendingswerk konden onderzoeken. Met dank aan God in het hart ging ik er dadelijk heen; het onderzoek viel gelukkig uit, en mij werd opgedragen om dienzelfden namiddag en den volgenden Maandag twee uren huisbezoek te doen met twee van de directeuren in een achterbuurt van de stad, waar wij ieder huis zouden binnengaan en ik met al de personen, die wij ontmoetten, over hun eeuwig heil zou spreken. Ik moest ook een sproefpreekquot; in eene vergadering van de zending houden, waar eene deputatie van de directeuren tegenwoordig zou zijn, daar het den volgenden dag Zondag was; en op Woensdag-avond, wanneer zij weder vergaderden, zouden de rapporten worden ingebracht en zouden zij mij aannemen of afwijzen. Dit alles kwam mij zoo onverwachts voor, dat ik bijna vreesde niet te zullen slagen; maar mijne hulp van God verwachtende, kwam ik door alles heen en op den vijfden dag na het verlaten der school, werd ik voor eene vergadering der directeuren geroepen, die mij mededeelden, dat ik de proef naar wensch had doorstaan en dat de rapporten omtrent mij zoo gunstig waren, dat men eenparig had besloten mij dadelijk aan te stellen als Stads-Zendeling. Verder werd mij medegedeeld, dat een hunner, de heer Matthew Fairley, een ouderling der gemeente van Dr. Symington borg was voor de helft van mijn salaris gedurende twee jaar, de andere helft zou uit de vrijwillige bijdragen der
24 IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
zending bestreden worden. Het geheele salaris bedroeg toen f 480 per jaar. De wijk, die mij aangewezen werd, was bijzonder moeielijk te bearbeiden en er was groote nood, daar er nog nooit huisbezoek gedaan was; alzoo werd mij verzocht mijn werk maar terstond aan te vangen. Na verscheidene goede en vriendelijke raadgevingen van deze waardige mannen, droeg een hunner mij en mijn werk in plechtig gebed den Heere op. Eenigen hunner werden aangewezen mij in mijne wijk rond te leiden, waartoe zij bij beurten een dag namen, om de noodige schikkingen te maken voor den voortgang van mijn werk. Onder diepen indruk van de verantwoordelijkheid voor mijnen nieuwen werkkring, verliet ik de vergadering, God voor Zijne onverdiende genade dankende, en Zijn hand duidelijk opmerkend in den weg, waarin Hij mij geleid had, en in de beproevingen, waardoor Hij mij had voorbereid voor deze werkzaamheden. De mensch wikt, maar God beschikt!
De meesten dezer directeuren der Zendings-Vereeniging waren mannen Gods, geschikt en bekwaam tot dit bijzonder werk en mij van groot nut met hun goeden raad, als zij dagelijks met mij rondgingen in mijne wijk en mij bekend maakten met den toestand en de geaardheid van de menschen, die daar woonden. Als ik terugdenk aan hetgeen ik in deze betrekking ondervond, komt het mij altijd voor, dat het eene uitstekende opleiding was voor mij en vele andere jonge lieden, die zich tot het leeraarsambt wilden bekwamen, daar wij er leerden omgaan met menschen van allerlei aard en karakter, als wij hen tot de kennis en den dienst des Heeren Jezus zochten te brengen. Ik bevond, dat het een zeer diepgezonken wijk was. Ik hoorde in vele huisgezinnen, dat zij nog nooit door eenig Leeraar bezocht waren en vele personen waren afgeweken belijders van den godsdienst, die in tien, zestien of soms twintig jaren de kerk niet bezocht hadden, en zeiden, dat zij nooit door eenig predikant, noch christenbezoekbroeder waren opgezocht. Er waren ook allerlei verklaarde ongeloovigen, roomschen, en dronkaards daar vergaderd, die tot allerlei kwaad samenspanden, en klaarblijkelijk zonder eenigen invloed ten goede waren. In vele stegen en heggen mijner wijk wandelden zonde en misdaad hand aan hand — naakt en onbeschaamd.
Men verlangde, dat wij vier uren per dag zouden besteden aan het afleggen van bezoeken, dat wij van huis tot huis zouden gaan en met de menschen zouden bidden en hen ook in avond-samenkomsten zouden bijeenvergaderen en in elk opzicht zooveel goed onder hen zouden doen, als mogelijk was. De eenige plaats in de geheele wijk, die geschikt was, om er \'s avonds een Evangelische samenkomst te houden, was een hooizolder, waaronder een veehandelaar een groot aantal koeien hield en die men langs een bouwvalligen houten trap van buiten bereiken kon. Na een voortdurenden arbeid van bijna een jaar, had ik slechts zes of zeven personen, die de kerk niet bezochten, er toe kunnen overhalen, om daar geregeld saam te komen en ongeveer hetzelfde aantal op een weekavond in de woning van eene arme, vlijtige, maar slecht behandelde lersche vrouw, die hare woning met welwillendheid voor dit doel had opengesteld. Zij onderhield hare huishouding door een winkeltje te houden en steenkolen te verkoopen.\' Haar echtgenoot was een krachtig, flink werkman, maar een dronkaard, die haar slecht behandelde en sloeg, en die alles wat hij kon krijgen beleende, om er drank voor te koopen. De arme vrouw verdroeg alles met geduld onder tranen en gebeden en trachtte hare eenige dochter in de vreeze Gods op te voeden. Wij oefenden met Gods hulp door onze samenkomsten een goeden invloed op haar man uit. Hij werd Geheel-Onthouder, verliet zijne verkeerde wegen en bezocht
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW
geregeld met zijne vrouw de kerk. Hoe meer hij van het belang der zaak overtuigd werd, hoe meer hij ook anderen zocht over te halen de samenkomsten te bezoeken en Onthouders te worden. Voor tal van gezegende invloeden werd zijne vrouw het werktuig, daar zij ieder hartelijk ontving en uitnoodigde de bijeenkomsten in haar huis te bezoeken. Zoo werd mijn werk dag aan dag hoopvoller.
Toen de directie echter zag, dat het werk van een geheel jaar met zoo weinig goeden uitslag bekroond was, stelde zij voor, mij naar eene andere wijk te verplaatsen, daar naar hunne meening de lieden in de Greenstraat door geene gewone middelen te bereiken waren. Ik verzocht het nog zes maanden te mogen volhouden, daar ik het vertrouwen van velen van de arme lieden daar gewonnen had en vast geloofde, dat het goede zaad, dat uitgestrooid was, spoedig eene gezegende vrucht zou afwerpen. De directie stond dit gereedelijk toe. Op onze volgende samenkomst deelde ik aan hen, die daar tegenwoordig waren, mede, dat indien wij niet meer menschen op onze samenkomsten konden krijgen, ik spoedig naar een ander gedeelte der stad verplaatst zou worden. Iedereen beloofde toen terstond, den volgenden keer een ander mede te brengen. Onze beide samenkomsten hadden nu plotseling een dubbel aantal bezoekers. Mijne belangstelling in hen en hunne belangstelling in mij groeide schielijk aan en uit vrees dat ik van hen weggenomen mocht worden, wendden zij nog eene poging aan, en weder werd de opkomst verdubbeld. Morgen- en avondsamenkomst was nu te wel bezocht voor eenig huis in onze wijk. Wij richtten eene Bijbelklasse, eene Zangklasse, eene Bijeenkomst voor Avondmaalgangers en eene Geheel-Onthouders vereeni-ging op, en behalve de gewone samenkomsten openden wij twee bidstonden voornamelijk voor de Caltonsche afdeeling van de politie van Glasgow — e\'e\'n op een geschikt uur voor de mannen, die dagdienst, en een voor hen die nachtdienst hadden. De mannen richtten nog eene Vereeniging tot onderlinge verbetering en oefening in den zang onder elkander op, die op een anderen avond in de week samenkwam. Mijn werk nam nu alle avonden der week in en Zondags had ik twee samenkomsten. Onder Gods zegen bloeiden ze alle en gaven zooveel vrucht, dat het duidelijk te zien was, dat de Heer onder ons werkte en onze zwakke krachten tot nut onzer medemenschen gebruikte.
Maar nu moest de goede veehouder ons mededeelen, wat hij met ongeveinsde droefheid deed, dat hij den hooizolder op een bepaalden tijd noodig zou hebben, en daar wij nergens een ander lokaal voor onze samenkomsten konden krijgen, vreesden de arme lieden evenals ik de staking van het werk. Op het hooren hiervan verzochten en verkregen de stalknechts en andere bedienden van Menzies, den stalhouder, die een uitgestrekt erf had bij de plaats onzer samenkomst, uit eigen beweging vrijheid om een hooizolder van hem, die zelden gebruikt werd, schoon te maken en ons ten gebruik af te staan, terwijl zij op eigen kosten, tot gemak van de bezoekers, een houten trap van buiten aan het huis besloten aan te brengen. Toen dit bekend en veel besproken werd, ontstond er eene groote vreugde in de wijk, het maakte de algemeene oplettendheid gaande en verhoogde zeer de belangstelling in ons werk. Maar ik zag dat, hoe edelmoedig ook, het toch maar weder iets van tijdelijken aard zou zijn, want de hooizolder kon ieder oogenblik weder voor andere doeleinden gebruikt moeten worden. Na gebed bracht ik de geheele zaak ter kennis van mijn goeden en grootmoedigen vriend, den heer Thomas Binnie van Monteith Row, die, na alle omstandigheden nauwkeurig onderzocht te hebben, een goed stuk gronds aankocht voor
25
IN DE STADSZENDING 1\'E GLASGOW.
een Zendingshuis op een onbebouwd erf bij onzen vorigen hooizolder, waarop hij voor eigen rekening een gebouw wilde laten zetten. Juist op dat oogenblik echter kwam er een geschikt blok huizen, tot kerk, scholen en pastorie gebruikt, in de veiling. De heer Binnie haalde de gemeente van Dr. Symington, Great Hamiltonstraat, over om dit geheele eigendom te koopen voor onze zending, daar de zending voor gemeenschappelijke rekening werd gedreven. De ligging van deze gebouwen aan het einde van de Greenstraat maakte ze bijzonder geschikt voor de wijk, waarin mijn werk lag; en zoo werd de kerk mij afgestaan, om daarin al mijne samenkomsten te houden, terwijl de andere gebouwen gebruikt werden tot scholen voor arme jongens en meisjes; zij ontvingen hier onderwijs van een geschikt onderwijzer en werden ruim voorzien van boeken, kleederen en zelfs voedsel door de dames der gemeente. De aankoop en het gebruik van deze gebouwen voor de Zendingszaak werd grootelijks gezegend voor deze wijk in Glasgow; en de zegening strekt zich zelfs nu nog uit, niet alleen in de oude gebouwen, die nu voor handwerkschool gebruikt worden, maar nog meer in de fraaie, ruime Zendinghuizen, die recht tegenover de oude zijn opgericht en aan het werk des Heeren in dit arme, sterk bevolkte en medelijden inboezemend gedeelte der stad toegewijd.
Mij de grootere gemakkelijkheid met blijdschap ten nutte makende, richtte ik mijn geheele werk opnieuw in. Zondagsmorgens om zeven uur had ik een van de meest gezegende bijeenkomsten tot Bijbellezing. Tusschen de zeventig en honderd van de armste jonge meisjes en jongelieden uit de geheele wijk namen daaraan deel. Zij hadden geen andere kleeren, om aan te trekken dan hun gewone werkpak — zij waren allen zonder hoeden en sommigen zonder schoenen. Eigenaardig was het op te merken, hoe zelfs de armsten in voorkomen begonnen te veranderen, zoo spoedig zij de bijeenkomsten bijwoonden; hoe zij langzamerhand schoenen en het eene kleedingstuk na het andere zich konden verschaffen, hetgeen hen in staat stelde, om onze andere samenkomsten, en daarna ook de kerk te bezoeken, en bovenal hoe vurig zij verlangden ook anderen met zich te brengen en welk een vurige belangstelling zij in het geheele werk der zending toonden te bezitten. Lang nadat zij zeiven in zeer goede kleeding konden verschijnen, kwamen velen der jonge vrouwen nog in haar werkpakje op de morgensamenkomst, en brachten andere, armere meisjes in de Bijbelklasse mede en hielpen daardoor hare gezellinnen verbeteren en opheffen.
Het genoegen, dat ik in die bijbelklasse smaakte, behoorde onder de reinste genietingen van mijn geheele leven en de uitkomsten behooren ook onder de zekerste en heerlijkste van al mijn werk. Toch was die Bijbelklasse niet zonder veel moeite en gebed tot stand gekomen. Wat zouden mijne jongere broederen in het predikambt of in de zending zeggen van iederen Zondagmorgen om zes uur uit te gaan en een uur lang straat in straat uit te loopen, om aan de deuren te kloppen, ten einde de zorgeloozen op te wekken en zoo hunne Bijbelklasse bijeen te krijgen en bijeen te houden? Dit deed ik in het begin, maar langzamerhand belastte een gezelschap vrijwillige medewerkers uit de klasse zich met de zorg voor de ongeregelden, de onverschilligen en de nieuw aangekomenen; zij verlichtten en hielpen mij daardoor niet alleen, maar hunne persoonlijke belangstelling in elkander werd er zeer door verhoogd, en zij werden innig aan elkander verbonden.
Ik had ook eene groote Bijbelklasse, een soort van Bijbellezing, op Maandagavond, die bezocht werd door ieder, man of vrouw, jong of oud.
26
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
die er lust in had en die in het werk belang stelde. Zoo was ook de Woensdagavond bestemd tot bidstond, waaraan ieder kon deelnemen, en dikwijls was de kerk meer dan half gevuld. Dan nam ik gewoonlijk een Bijbelboek en behandelde dat in zijn geheel, legde het uit en maakte practische toepassingen. Donderdags hield ik eene bijeenkomst voor Avondmaalgangers, die bestemd was tot zorgvuldiger opleiding voor allen, die leden der Gemeente wenschten te worden. Het boek dat wij hierbij voortdurend gebruikten, was de beknopte Catechismus van Paterson, want ik heb nooit eene betere saimvatting van de leer des Bijbels gezien. Ieder, die op deze wijze gedurende een zekeren tijd was opgeleid, ontving van mij, indien hij daartoe waardig kon gekeurd worden, een brief aan den predikant van eenige Protestantsche gemeente, waarin hij of zij mocht wenschen opgenomen te worden. Op deze wijze werden er velen werkzame en nuttige leden van de omliggende gemeenten, en acht jonge lieden van behoeftige omstandigheden wisten zich te bekwamen voor het Leeraarsambt in de Gemeente, terwijl de meesten hunner hunne eerste kennis van Latijn en Grieksch ontleenden aan mijn kleinen voorraad kennis van die talen! De Vrijdagavond werd ingenomen door onze zangklasse, wij studeerden kerkmuziek en oefenden ons voor onze Zondagsamenkomsten. Op Zaterdagavond hielden wij onze Geheel-Onthouders bijeenkomst, waaraan de leden zelf een werkzaam aandeel namen door voordrachten te houden, verzen op te zeggen, liederen te zingen, enz.
Dit werk bracht veel goeds tot stand. Vele huisvaders werden leden van de Geheel-onthouders vereeniging, waardoor het geluk van hun huisgezin grootelijks bevorderd werd. Velen begaven zich op den Zondagmorgen naar de kerk, terwijl zij dien dag vroeger met drinken en allerlei uitspatting hadden doorgebracht. Maar voornamelijk leerden hier de jonge lieden, om zelfs den naam van sterken drank te verafschuwen, en zich van alles, dat tot onmatigheid kon leiden, af te scheiden. Op jeugdigen leeftijd werd ik reeds overtuigd, door hetgeen ik om mij heen zag, dat eenvoudige genootschappen tot afschaffing van sterken drank eene mislukking waren, en dat Geheel-Onthouding, door Gods genade, het eenige voorbehoedmiddel, evenals het ook het eenige redmiddel was. Wat bij den een matigheid was, was dronkenschap bij den ander en al de dronkaards waren niet ontstaan uit menschen, die niets gebruikten, maar uit lieden, die de matigheid beoefenden of trachtten in beoefening te brengen. Ik had afschaffers wijn zien drinken in tegenwoordigheid van anderen, die te veel gebruikten en heb nooit kunnen begrijpen, hoe zij zich vrij van schuld konden rekenen, en ik heb predikanten en andere menschen, eens warme voorstanders van de matigheid door hunne »gematigdheidquot; zien vallen en dronkaards zien worden. Daarom is het bij mij gedurende mijn geheele leven boven allen twijfel verheven geweest, met betrekking tot bedwelmende dranken van allerlei soort, dat de eenige verstandige afschaffing is geheele onthouding. Deze dingen moeten alleen als geneesmiddel gebruikt worden en dan nog met de grootste voorzichtigheid, daar zij bedriegelijke en schadelijke vergiften zijn van de ergste soort. Ik bevond ook, dat wanneer ik een dronkaard van zijne dwaling trachtte terug te brengen of iemand tegen onmatigheid wilde waarschuwen, een van de eerste vragen altijd was; »Zijt gij zelve een Geheel-Onthouder?quot; En daar ik in staat was hierop een stellig; »Ja zeker,quot; uit te spreken, was de mond van den ondervrager spoedig gestopt, en dit gaf mij honderdmaal meer invloed bij hem, dan wanneer ik had moeten bekennen, dat ik slechts »matigquot; in het gebruik was.
Tot nut van anderen en tot vermeerdering van hun persoonlijken in-
27
28 IN UE STAÜS/ENDING TE GLASGOW.
vloed als dienstknechten van Christus zou ik ieder Leeraar of Zendeling, ieder, die eene kerkelijke betrekking bekleed! of op Zondagsschool onderwijst, ieder, die in het huisgezin, in de kerk of in de wereld voor den Heer Jezus wil werken, aanraden, om zich geheel van alle sterke dranken te onthouden.
Ik wensch mij ook te verklaren tegen het gebruik van tabak, dat verkeerd is en velen op den verkeerden weg leidt, voornamelijk zeer jonge menschen, daar de tabak nooit door iemand in gewonen gezondheidstoestand behoeft gebruikt te worden. Maar men moet mij niet verkeerd begrijpen; het kwaad dat ontstaat uit het gebruik van tabak, komt niet in vergelijking met de onuitsprekelijke ellende, die de dronkenschap na zich sleept. Om echter van het kwaad en van den schijn des kwaads bevrijd te blijven, moeten alle volgers van Jezus, in zelfverloochening en toewijding aan Zijn dienst, (helaas, nog zoo gering!) menschen zijn, die zich geheel onthouden van beide deze zelfzuchtige genietingen, die velen nadeelig zijn, die niemands karakter versieren en die ons niet behulpzaam kunnen zijn tot het doen van eenig goed. God zij geprezen, dat er reeds velen zijn, die zich daartoe plechtig verbonden hebben. Het zal een gelukkige dag voor de menschheid zijn, wanneer al de volgelingen des Heeren deze zelfverloochenende verordening aannemen tot nut van het geheele menschengeslacht.
Laat mij hier nu, niet om mij er op te beroemen, maar vol dankbaarheid mededeelen, dat mijne Klassen en Samenkomsten nu door zoovele personen bezocht werden, dat zij onder de grootste en voorspoedigste behoorden, die de Stadszending ooit gekend had, en door Gods zegen werd ik in staat gesteld, om ze tot eene regelmatige, innig toegewijde en wel onderwezen Gemeente te ontwikkelen. Mijn werk, hoe moeielijk ook, gaf mij veel blijdschap. Van vijf tot zes honderd menschen kwamen geregeld iedere week samen; zij bestonden uitsluitend uit werkvolk en wel uit de eenvoudigste en armelijkste menschen onder hen. Zoo spoedig hunne omstandigheden zich iets verbeterden, verhuisden zij naar meer geachte en gezonder gedeelten der stad, en werden dus door de geheele stad verspreid. Maar waar zij ook heengingen, ik bleef hen geregeld bezoeken, om hun terugval in de zonde te verhinderen en hen terzijde te staan, totdat zij zich aansloten bij de eene of andere gemeente dicht bij de plaats hunner woning. Bij mijne terugkomst uit de Heidenwereld, vele jaren daarna was er bijna geen gemeente in eenig deel der stad, waar mij niet iemand hartelijk kwam begroeten met den uitroep; »Kent gij mij niet meerrquot; En dan kwam na hartelijken wedergroet de naam van den een of ander uit mijne oude Bijbelklasse, dien ik mij dan nog zeer goed herinnerde.
Dit werk liet mij maar weinig tijd voor eigen studie. Een stadszendeling moest vier uren per dag aan zijn werk besteden, maar dikwijls had ik het dubbele van dien tijd noodig en dat dag aan dag, om alles te doen, wat mij opgelegd was. Ik werd echter in mijn werk getrouw bijgestaan door acht of tien van de meest toegewijde jongelieden en tweemaal dat aantal jonge vrouwen, die ik had opgeleid tot het doen van huisbezoek en tot het uitdeelen van tractaten. Ieder jongman, en de jonge vrouwen twee aan twee, had een gedeelte van eene straat voor zijne rekening, die hij geregeld tweemaal in de maand moest bezoeken. Op eene maande-lijksche samenkomst van al onze medewerkers werd er rapport gedaan van hunne ontmoetingen, veranderingen werden aangeteekend en in alle bijzonderheden werd voorzien. Behalve dit, begaf ik mij, indien er een boodschap of briefje aan mijne woning werd gebracht of een geval van
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
ziekte of nood mij werd medegedeeld, onverwijld derwaarts. Verscheidene christenen uit den gegoeden stand, eigenaars van molens of fabrieken in Galton, Mile-end en Bridgeton te Glasgow, stelden zooveel belang in mijn werk, dat zij mij vriendelijk aanboden om werk te geven aan ieder persoon, die verdiende voortgeholpen te worden, indien hij door mij aanbevolen werd; dit lenigde raenigen nood en vermeerde grootelijks mijn invloed ten goede.
De eenige vijanden, die ik had, waren de herbergiers, die ik in hunne inkomsten had benadeeld door mijne Geheel-Onthouders Vereeniging. Behalve de Zaterdagavond-bijeenkomsten, die wij gedurende het geheele jaar hielden, hielden wij op zomer-avonden en Zaterdag namiddagen Evangelische en Geheel-Onthouderssamenkomsten in de open lucht. Wij vergaderden dan in Thomson\'s Lane, eene korte breede straat, waarin niet gereden werd en die uitmuntend geschikt was voor onze doeleinden. Het spreekgestoelte werd gevormd door het bovengedeelte van eene buitentrap, naar de tweede verdieping van een huis leidende, in het midden van de straat. Uitstekende christen-arbeiders namen aan onze zaak deel door het houden van toespraken; eene aankondiging in mijne klassen verzekerde gewoonlijk eene goede opkomst en het uit volle borst zingen van liederen door mijn koor uit de zangklasse gaf vroolijkheid en opgewektheid aan al wat wij deden. Andere zoogenaamde saantrekkelijk-hedenquot; hadden wij niet, maar wij hadden ook niets anders noodig dan het bekendmaken van de Blijde Boodschap Gods aan den mensch!
Eens, toen het bekend was, dat wij een bepaalden Zaterdagmiddagsamenkomst zouden houden, werd er tevoren door eenige herbergiers geklaagd bij den Gommissaris van Politie, dat onze samenkomsten ingericht waren, om hun bedrijf te benadeelen. Hij hoorde hunne klachten aan en beloofde agenten te zenden, om de samenkomst te bewaken, alle stoornissen te verhinderen en alle overtreders te straffen, maar hij weigerde om de vergadering te verbieden, alvorens hij hunne rapporten ontvangen had. De commissaris, een vroom volgeling van Wesley, die van harte met ons en ons werk instemde, stelde mij in kennis met de ingekomen klachten en deelde mij mede dat zijne mannen tegenwoordig zouden zijn, maar\' dat ik de samenkomst als naar gewoonte moest leiden, terwijl hij mij tevens verzekerde, dat de strikste rechtvaardigheid zou in acht genomen worden. Daar de herbergiers hadden uitgestrooid, dat de politie onze samenkomst zou verhinderen en de leiders gevangen nemen, verzamelde zich eene groote menigte menschen met vriendelijke en onvriendelijke oogmerken, want de herbergiers en hun aanhang waren daar ook tegenwoordig, om »de grap te zienquot; en om te helpen bij het aanvallen van den zendeling. Stipt op den bepaalden tijd steeg ik de steenen trap op, vergezeld van een ander zendeling, die ook eene toespraak zou houden en gaf een lied op. Terwijl wij zongen, verscheen er eene af-deeling politie-agenten; deze werden bedaard hier en daar onder het volk verspreid, terwijl de hoofdman vlak bij het platform post vatte, vanwaar hij de geheele vergadering kon overzien. Onze vijanden juichten en er werden teekenen en wenken onder elkaar gewisseld, alsof de tijd daar was, om eene bende oproermakers uiteen te jagen. Voor dat het lied geëindigd was, kwam de commissaris Baker zelf, tot groote verwondering van vriend en vijand, en voegde zich bij ons op het platform; hij luisterde aandachtig naar al wat er gezegd werd en bleef tot het einde toe. De herbergiers konden uit schaamte de plaats niet verlaten, dewijl hij daar tegenwoordig was op hun verzoek, ofschoon zij verstandig genoeg waren om te begrijpen, dat zijne tegenwoordigheid al hunne slechte plannen
29
IN DE STADS7ENDING TE GLASGOW.
had verijdeld. Zij moesten nu onze toespraken, onze gebeden en gezangen mede aanhooren; zij moesten luisteren naar de aankondiging van onze volgende samenkomsten. Toen allen bedaard uiteengegaan waren, wenschte de commissaris ons hartelijk geluk met den goeden afloop van onze samenkomst en hoopte, dat er nog veel goeds uit onze pogingen zou voortvloeien. Zoo werd deze tegenstand door den Heer overwonnen, om onzen invloed te vermeerderen, en kracht en bekendheid te geven aan onze aanvallen op het rijk des duivels.
Daar zij zeer teleurgesteld waren, besloten sommigen van de herbergiers zich te wreken. Op den volgenden Zaterdagmiddag, toen er eene groote menigte bijeen was in de kerk in de Green Straat, die men door eene groote ijzeren poort moest binnengaan, reed een drankverkooper zijn karretje juist voor de poort, zoodat men de kerk niet verlaten kon, wanneer het niet werd weggenomen. Dit hoorende, zond ik twee van mijne jongelieden, om het op zijde te zetten en ruimte te maken. De herbergier, op korten afstand in gezelschap van twee politieagenten de wacht houdende, wierp zich op de jonge lieden, zoodra zij de draag-boomen aanraakten en stelden hen in handen der politie, omdat zij zijn eigendom verplaatsten. Toen ik hoorde, dat de beide jonge lieden naar het politiebureau gebracht werden, liep ik hen spoedig na en vraagde welke hunne overtreding was. Men antwoordde mij, dat zij gevangen genomen werden, omdat zij het eigendom van den koopman in sterken drank hadden beschadigd en de agenten voegden mij scherp toe, dat, indien ik er mij verder n\'.ede bemoeide, zij mij ook mede zouden nemen. Ik antwoordde, dat, daar de jonge lieden niets anders gedaan hadden dan hetgeen noodig was en op mijn verzoek, ik hen naar het politiebureau wilde vergezellen. Nu ging het geroep door de straat, dat de herbergiers den zendeling met zijne jonge medehelpers naar het politiebureau lieten brengen, en eene menigte menschen stroomden samen om ons te ontzetten, maar ik smeekte hen ernstig geene ongeregeldheden te plegen, maar ons stil te laten voortgaan. Aan het bureau gekomen, kwam het mij voor, dat ieder het daar met de herbergiers eens was. Al hetgeen zij te zeggen hadden, werd zorgvuldig opgeschreven, maar men wilde naar ons niet luisteren. Op dit oogenblik kwam een net gekleed heer van deftig uiterlijk binnen, en zeide; »Welke borgtocht wordt hier vereischt?quot; Eenige scherpe woorden volgden, een ander hooggeplaatst beambte verscheen en nam deel aan het gesprek. Ik kon alleen den heer op gebiedenden toon hooren zeggen, nadat aan de agenten bedaard een paar vragen gedaan waren: »Ik ken dit geheele geval en zal het in al zijne bijzonderheden bekend maken; verwacht mij hier op Maandagmorgen, om den zendeling en deze jonge lieden te verdedigen.quot;
Voor ik mijne tegenwoordigheid van geest had herkregen, om hem te danken, ja zelfs voor ik goed begreep wat er gaande was, was hij verdwenen, en kwam de hoofd-beambte der politie tot ons, om ons op beleefde wijze mede te deelen, dat de beschuldiging ingetrokken was en dat ik mij met mijne vrienden kon verwijderen. Ik heb nooit zeker geweten, wie de heer was, die ons dezen dienst bewees, maar uit de wijze, waarop hij zich uitdrukte, en waarop men naar hem luisterde, begreep ik, dat hij bij de politie wel bekend was. Van dien dag af ondervond ik geen openlijken tegenstand meer, en velen die vroeger slaven der onmatigheid waren, werden niet alleen daarvan teruggebracht, maar werden ijverige medewerkers voor de zaak der Geheel-Onthouding.
Hoewel de dronkenschap de voornaamste oorzaak van de armoede, het lijden en al de ellende van dit gedeelte van Glasgow was, had ik
30
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
ook veel te lijden van roomschen en ongeloovigen, die in hunne clubs bijeenkwamen, daar met elkander zaten te drinken en zich in hunne verkeerdheden beroemden, terwijl zij hun best deden, om andere jonge lieden op den slechten weg te brengen. Voor dezen hield ik voorlezingen, waarbij aan het einde vrije discussie werd toegestaan; maar ik vrees, dat dit niet veel goeds uitrichtte. Zij maakten van de gelegenheid gebruik, om hunne dwaasheden te laten luchten, of het zaad des verderfs te zaaien in de harten dergenen, die zij anders nooit konden bereiken, terwijl hun eigen hart en geest voor alle overtuiging of licht gesloten bleef.
Een ongeloovig lesgever in de buurt werd zeer ziek. Zijne vrouw liet mij vragen, of ik hem wilde komen bezoeken. Ik bevond, dat hij in het bezit was van eene menigte boeken door ongeloovigen geschreven, die hij te leen gaf en waardoor hij onervaren lieden zocht te verleiden. Ofschoon hij veel sprak en las tegen het Evangelie, verstond hij de Blijde Boodschap daarin vervat in \'t geheel niet. Hij had den Bijbel gelezen, maar alleen, om er oorzaak tot spot in te vinden. Toen hij nu dacht, dat hij sterven zou, bekende hij dat zijn hart met vrees voor de toekomst vervuld was. Na verscheidene bezoeken en veel spreken en bidden, werd hij diep getroffen, dronk de boodschap van Gods heil met vreugde in, en riep luid en met vele tranen, om vrede en vergiffenis. Hij betreurde het diep, dat hij zooveel kwaad had gedaan, en liet al de boeken, die in omloop waren, terugvragen met het doel ze te vernietigen. Hij begon ernstig te spreken met ieder zijner oude vrienden, die hem kwamen opzoeken en vertelde hun, dat hij zijn heil in den Heer Jezus gevonden had. Op zijn verzoek kocht ik een Bijbel voor hem, dien hij met vreugde ontving, zeggende: »Dit zal voortaan mijn boek zijn;quot; en hij voegde er bij; »Sedert gij de laatste maal hier waart, verzamelde ik al mijne ongeloovige boeken, mijne vrouw sloot de deur en verscheurde ze met behulp van mijne dochter en ik heb de papiermassa aangestoken en ze tot asch verbrand.quot;
Zoo lang deze man leefde, bleef hij onwankelbaar in het geloof en vertelde aan allen, die hij ontmoette, welken zegen Jezus voor zijne ziel was geweest en hij stierf in vaste en blijde hoop.
Een ander ongeloovige, wiens vrouw Roomsch-Katholiek was, werd ook ziek, en verminderde bij den dag onder de grootste pijnen. Zijne lasteringen tegen God werden door al de buren gehoord en iedereen gruwde er van. Zijne vrouw kwam mij smeeken hem te bezoeken. Op mijne vraag, of zij niet liever haar eigen priester wilde laten komen, weigerde zij dit stellig en dus volgde ik haar ten laatste. Haar man echter weigerde, om een woord over geestelijke zaken te hooren, en schuimbekte van woede. Hij spuwde zelfs naar mij, toen ik den naam van Jezus noemde. »De natuurlijke mensch begrijpt de dingen des Geestes Gods niet, want zij zijn hem eene dwaasheid.quot; Er is eene wijsheid, welke op haar best aardsch is, maar zich ook vertoont als »zinnelijk en duivelsch.quot; De vrouw vraagde mij, om zorg te dragen voor het weinige geld, dat zij bezat, daar zij het haar eigen priester niet toevertrouwde. Ik bezocht den armen man dagelijks, maar zijne vijandschap tegen God en zijne pijnen schenen hem zinneloos te maken. Zijn geschreeuw deed de menschen in menigte voor zijn huis stilstaan. Hij scheurde zijn beddegoed vaneen, zoodat men genoodzaakt was hem op het ijzeren ledikant, waarin hij lag te vloeken en te razen, vast te binden. Toen het einde naderde, smeekte ik hem, om zelfs toen nog tot den Heer Jezus op te zien, en vraagde of ik met hem mocht bidden. Met al de kracht, die nog in hem was, schreeuwde hij mij luide toe: »Bid voor mij tot den duivellquot;
31
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
Ik herinnerde er hem nu aan, dat hij altijd het bestaan van den duivel ontkend had, en zeide dat hij dan toch zeker geloofde, dat er een duivel was, want anders zou hij, zelfs in spot zulk een bevel niet geven.
»Ja,quot; schreeuwde hij daarop in groote woede, »ik geloof dat er een duivel is, en een God ook, een rechtvaardig God; maar ik heb Hem in mijn leven gehaat en ik haat Hem in mijn dood!quot;
Met deze ontzettende woorden ging hij de eeuwigheid in; maar zijn vreeselijk sterfbed maakte diepen indruk, voornamelijk op de jonge lieden in de buurt, waar hij woonde en die hem goed gekend hadden.
Geheel verschillend liep het af met een doctor, die ook een ongeloo-vige en daarbij een dronkaard geweest was! Hij had goed gestudeerd, was zeer bekwaam en muntte uit boven velen zijner mede-doctoren; ook werd hij in bijzonder ernstige gevallen gaarne geraadpleegd, wanneer men hem betrekkelijk nuchter kon aantreffen. Na een van zijne buien van onmatigheid, kreeg hij een vreeselijken aanval van delirium tremens. Het eene oogenblik hadden zijne vrouw en zijne bewakers een vreeselijken strijd met hem, om een dronk pruissisch zuur aan zijne lippen te ontrukken; op een ander oogenblik ontdekten zij het zilveren hecht van een lancet, onder zijne kleederen verborgen, om zich te doen doodbloeden, wanneer hij te bed lag. Zijne tante kwam tot mij en verzocht mij hem eens te komen bezoeken. Mijn hart bloedde bij het zien van zijne jonge vrouw en twee lieve kinderen. Ik bezocht hem tweemaal per dag en soms meer, en vond op de eene of andere wijze den weg tot zijn hart; hij wilde bijna alles doen wat ik hem zeide, en verlangde naar mijne bezoeken. Toen hij eens wederom een aanval van razernij kreeg, en zich het leven wilde benemen, zond men om mij; zoodra ik binnentrad, drukte hij mij verheugd de hand en zeide: »Laat al die menschen de kamer verlaten en blijf gij bij mij; ik zal stil zijn en alles doen wat gij zegt.quot;
Ik verzocht hen daarop allen de kamer te verlaten, maar vraagde in het voorbijgaan fluisterend aan een hunner, om dicht bij de deur te blijven.
Zoo zat ik dan alleen naast hem, mijne hand in de zijne, en hield een kalm gesprek met hem verscheidene uren lang. Nadat wij over alle mogelijke. dingen gesproken hadden, en het reeds laat in den nacht was geworden, zeide ik; »Indien gij hier een Bijbel hadt, zouden wij een hoofdstuk samen kunnen lezen.quot;
Hij antwoordde droomerig: »Er lag vroeger een Bijbel op gindsche kast; indien gij daar bij kunt klimmen, zoudt gij hem daar misschien nog vinden.quot;
Ik klom er bij, kreeg den Bijbel en er de stof afgeveegd hebbende, legde ik hem op een kleine tafel, die ik voor de sofa plaatste, waarop wij zaten en zoo lazen wij daar samen een hoofdstuk. Daarna zeide ik: »Willen wij nu bidden?quot;
»Ja,quot; antwoordde hij ernstig.
Ik schoof daarop de kleine tafel weder weg en wij knielden neder voor de sofa; en na eene plechtige pauze, fluisterde ik: »Bid gij nu eerst.quot;
Hij antwoordde: 2gt;Ik vloek, ik kan niet bidden; zoudt gij willen, dat ik God ik het aangezicht vervloekte?quot;
»Gij hebt mij belooft te zullen doen wat ik u vraagde,quot; antwoordde ik; »gij moet nu bidden, of trachten te bidden, en laat mij dan hooren of gij het niet kunt.quot;
Hij zeide daarop: sik kan God niet op mijne knieën vervloeken; laat mij gaan staan en dan zal ik Hem vloeken; ik kan niet bidden.quot;
32
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
Ik hield hem zacht terug, zeggende: «Tracht eens te bidden en laat mij hooren, dat gij het niet kunt.quot;
Terstond riep hij uit: »0 Heer, gij weet dat ik niet bidden kanquot; en was op het punt iets vreeselijks te zeggen, terwijl hij trachtte op te staan. Maar ik nam de woorden, -die hij had gesproken, over, alsof het de mijne waren en vervolgde het gebed, voor hem en zijne dierbaren smeekende, terwijl wij daar samen geknield lagen, totdat hij toonde, geheel kalm te zijn en in ootmoed voor God gebogen lag. Toen wij opstonden, was hij zeer onder den indruk van het gebed en ik zeide tot hem:
»Daar ik met het aanbreken van den dag op het college moet zijn en naar huis terug moet keeren, om mijne boeken te halen en een uur rust te genieten, moest gij nog iets voor mij doen, vóór ik heen ga, wilt gij rquot; xja,\'\' was zijn antwoord.
»Welnu,quot; zeide ik, »gij hebt in lang geen gerusten slaap genoten; wilt gij nu naar bed gaan, dan zal ik bij u blijven zitten, tot gij in slaap valt?quot;
Hij deed het en was spoedig in vasten slaap. Na hem in de hoede des Heeren te hebben aanbevolen, sloop ik stil de deur uit, en zijne vrouw ging in mijne plaats aan zijn leger zitten. Toen ik later op den dag bij hem kwam, trad hij mij tegemoet, zoo spoedig hij mijne stem hoorde, en mij in zijne armen sluitende, riep hij: »God zij gedankt, ik kan nu bidden! Van morgen werd ik wakker na een verfrisschenden slaap en heb voor het eerst van mijn leven met mijne vrouw en kinderen gebeden. Nu wil ik dat iederen dag doen, en God, die mij zoo groote genade bewezen heeft, mijn leven lang dienen.quot;
Na een heerlijk gesprek beloofde hij mij Zondag met mij mede te gaan naar de kerk van Dr. Symington, waar hij naast mij ging zitten; na een half jaar werden hij en zijne vrouw lid van die gemeente en hunne kinderen werden gedoopt en tot den dag zijns doods toe leidde hij een vroom en nuttig christelijk leven. Voortaan behandelde hij als geneesheer gaarne alle ziektegevallen onder de armen en ellendigen, voor wie wij zijne hulp inriepen; hij verzorgde hen om Jezus\' wil, en sprak hen meermalen over den gezegenden Heiland. Als hij hopelooze gevallen ontmoette, zond hij om mij, opdat ik hen ook mocht bezoeken, daar hij even bezorgd voor hunne ziel als voor hun lichaam was. Jaren daarna stierf hij aan de tering, hetgeen gedeeltelijk ten minste te wijten was aan zijne vroegere uitspattingen; hij was geheel op den dood voorbereid, en voelde zich gelukkig in de vaste overtuiging van de eeuwige gelukzaligheid met Christus. Hij ontsliep in Jezus, en ik geloof, dat ik hem in de Heerlijkheid zal ontmoeten als een zegeteeken van de reddende liefde en genade des Heeren.
In mijn Zendingswerk was ik getuige van veler gelukkig heengaan, om met Jezus te zijn, — ik kan dat geen »stervenquot; noemen. Nu nog, hoewel het bijna veertig jaren geleden is, komen mij verscheidene gevallen, vooral onder de knapen en meisjes, die mijne klassen bezochten, voor den geest. Zij verlieten ons juichende, in de blijde zekerheid, dat noch tegenwoordige, noch toekomende dingen hen of ons ooit konden scheiden van de liefde Gods, welke is in Jezus Christus, onzen Heer. Velen hunner hebben zelfs door de gesprekken op hun sterfbed gehouden veel goeds gedaan. Ik zou daar verscheidene voorbeelden van kunnen aanhalen, maar ik heb slechts plaats voor egn enkel. John Sim, een lieve, kleine jongen, had de tering, die hem weldra ten grave zou slepen. Zijn kinderlijk hart echter was vervuld met de vreugde over het heerlijk vooruitzicht van Jezus te zien. Zijn eenvoudig gesnap met ernstige, diepe vragen gemengd, trof niet alleen zijne jonge makkers, maar trof ook het hart van sommige,
33
3
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW
tot heden onverschillige zondaars, die hem hoorden, en versterkte zeer het geloof van Gods kinderen. Met het innigst gevoel zong hij met stervende stem:
»Ik leg mijn zonde op Jezus,
Het vlekloos Lam van God.quot;
Kort voor zijn heengaan zeide hij tot zijne ouders; »Ik ga nu spoedig naar Jezus: maar soms vrees ik, dat ik u daar niet ontmoeten zal.quot;
»Waarom, mijn kind?quot; vraagde zijne weenende moeder.
»Omdat,quot; antwoordde hij, sals gij er ook naar verlangdet, om naar den hemel te gaan en Jezus daar te zien, gij er om zoudt bidden en er van zingen; gij zoudt met anderen over Jezus spreken en hen vertellen van de gelukkige ontmoeting, die ons daar met Hem in de heerlijkheid wacht. Dit alles heeft mijne lieve Zondagschool onderwijzeres mij geleerd en ik zal haar daar ontmoeten. Waarom hebt gij, mijn vader en moeder, mij niet over Jezus gesproken, indien gij Hem daar ook zult ontmoeten?quot;
Hunne tranen stroomden neder bij het hooren dezer woorden en hij kon in zijne onnoozelheid niet vermoeden (hij was pas acht jaar) dat zijne onschuldige taal als eene stemme Gods hunne ziel doorboorde. Eens kwam eene tante van buiten zijne moeder bezoeken, en beider gesprek liep over onderwerpen, die het kind niet langer belang inboezemden. Toen ik daarop bij hem kwam, zeide hij: »Komt u hier bij mij zittenen praat met mij over Jezus; ik ben moe van al dat praten over andere dingen aan te hooren en ik zal spoedig bij Hem zijn. 01 vertel mij alles wat gij weet of ooit gehoord hebt over Jezus, het vlekloos Lam van God!quot;
Ten laatste verlangde het kind er letterlijk naar, om heen te gaan, niet om rust te hebben, of van pijn bevrijd te worden, want hij had maar zeer weinig pijn, maar gelijk hij het zelve altijd uitdrukte, »om Jezus te zien.quot;
En dat is ook eigenlijk de eenige wijsheid, eene wijsheid, die men op zeer onderscheidene wijze kan leeren. Het eeuwig leven, hier of hier na-maals, bestaat alleen in het zien van Jezus.
Bij vele Roomsch-Katholieken in mijne wijk werd ik ook vriendelijk ontvangen, en werd mij toegestaan den Bijbel te lezen en te bidden. Ten laatste evenwel ontstond er eene crisis tusschen mij en de Roomsch-Katholieken door de bekeering van een jong meisje, die mijne Klassen en samenkomsten had bezocht. Zij had haar vroeger geloof den rug toe gekeerd, woonde bij eene Protestantsche familie, en beschouwde mij als haar onderwijzer en leeraar.
Op een avond kwam er een gesloten rijtuig met twee mannen en twee vrouwen voor haar deur, gezonden door een non uit het klooster in de Clyde Straat, om haar en haar zusje mede te nemen. Zij weigerden mede te gaan, en ontkende het gezag over haar, daar zij uit eigen vrije keus Protestantsch was. Gedurende deze woordenwisseling had men om mij gezonden en toen ik kwam, vond ik het huis vol menschen. In aller tegenwoordigheid smeekte zij mij, haar te beschermen tegen hare vijanden. De Roomschen werden woedend, drongen mij in een hoek van het vertrek en hielden mij daar ingesloten. De twee vrouwen trokken het meisje uit het bed, want zij was ziek, en begonnen haar aan te kleeden, maar zij viel onder hare handen in eene flauwte.
Ik riep uit; »Vermoordt het arme meisje toch nietl Haalt haar water, gauw, gauw 1quot; en mijn hoed op de tafel achterlatende, liep ik door de menigte heen, alsof ik water ging halen en zij lieten mij door. Daar ik wist, dat het huis maar ééne deur had, wipte ik vlug den sleutel uit de
34
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW,
binnenzijde der deur en sloot die van buiten en liep met den sleutel in de hand naar het politie-bureau. Twee agenten medegekregen hebbende, om het meisje te beschermen en die haar wilden wegvoeren in verzekerde bewaring te nemen, keerde ik terug, opende de deur, maar bevond, helaas ! dat deze agenten zelve Roomsch-Katholiek waren en dadelijk begonnen mij af te vallen en hunne eigen vrienden te helpen. Het arme zieke meisje werd onder beide armen ondersteund naar het rijtuig gevoerd, de agenten maakten ruimte door de menigte en voor ik mij een weg kon banen door de beletselen van het huis, was het rijtuig reeds in beweging. Ik riep de menigte toe om het meisje te beschermen, en hen allen te grijpen en naar het politie-bureau te voeren. Een heer, die zich in de menigte op straat bevond, trok mijne partij, en zeide tot een politieagent, die op straat stond, een lange, flink gebouwde Hooglander: 2gt;Mac, ik beveel u dit voertuig en die geheele partij onder getuigen aan; gij zult er voor boeten, indien zij ontkomen.quot;
Toen de voerman zijn paard aanzette, om er door te komen, trok Mac zijn stok en sloeg, zoodat de voerman aan de tegenovergestelde zijde van den bok sprong en de teugels den politie-agent in het aangezicht wierp, waarop onze dappere vriend dadelijk op den bok steeg, en rechtuit naar het politie-bureau reed. Bij aankomst daar ontdekten wij, dat de vrouwen met het zieke meisje alleen binnen het rijtuig waren, de mannen hadden weten te ontsnappen in het rumoer en in de menschenmassa. Wat ons echter grootelijks teleurstelde, was, dat het hoofd der politie ook Roomschgezind bleek te zijn, want, nadat hij onze berichten gehoord had, en met de menschen in het rijtuig gesproken had, keerde hij terug, zeggende; »Hare vrienden brengen haar naar een goed tehuis, gij hebt geen recht hen daarin te verhinderen; ik heb hen laten gaan.quot; Hij weigerde verder naar onze klachten te luisteren en gaf zijne agenten bevel het bureau te doen ontruimen.
Den volgenden morgen verscheen er een valsch en dwaas verslag van het gebeurde in de Nieuwsbladen, waarin men in afkeurenden zin over de zending en mijn persoon sprak; het bestuur vergaderde en de hoofdintendant kwam aan mijn huis, om mij voor hen te brengen. Nadat zij alles gehoord, en mij zeer nauwkeurig ondervraagd hadden, besloten zij de ontvoerders van het meisje gerechtelijk te vervolgen. De nonnen verklaarden, dat het zusje bij haar was, maar zij ontkenden haar opgenomen te hebben en wisten ook niet, waar zij zich bevond. Ofschoon er ijverig naar het meisje gezocht werd door de politie en door al de leden van mijne klasse, werd er gedurende veertien dagen geen spoor van haar, noch van den voerman, noch van iemand van de partijen ontdekt, totdat zij op zekeren dag van uit een kelder met een getralied venster eene van mijne leerlingen, die daar voorbijging, riep en haar verzocht mij te doen weten, dat zij daar gevangen was. Terstond werd de directie van de Zending-Vereeniging door mij van de zaak verwittigd en de politie werd gezonden om haar te verlossen; maar toen zij het huis doorzochten, bevonden zij, dat zij reeds weder naar elders vervoerd was. De bewoners wisten, volgens hun zeggen, niet waar zij gebleven was, en ook niet wie haar uit hun huis had weggevoerd. Alle andere pogingen om haar te vinden mislukten, totdat zij ten laatste zeer ziek aan de deur van het Armhuis werd gevonden, en spoedig stierf in dit laatste toevluchtsoord van ellendigen en veriatenen. ■
Nu werden er anonyme brieven verzonden, die mijn leven bedreigden ; en ik werd openlijk van het altaar vervloekt door de priesters der kerk in de Abercrombystraat. De directeuren der Zending, die geweld vrees-
35
IN DE STADSZENDING TE GLASGOW.
den, raadden mij aan, Glasgow voor een poosje te verlaten, en boden zelfs aan, mij een jaar in Edinburg in het Zendingswerk te doen plaatsen, opdat de dweepzieke godsdienstijver van de paapsche Ieren tijd mocht hebben, om te bekoelen. Maar ik weigerde mijn werk te verlaten. Ik ging voort alles even als te voren te leiden. Het ergste wat mij gebeurde was, dat, toen ik eens vlug voorbij een rij huizen liep, uitsluitend door Room-schen bewoond, een steen uit een van die huizen werd geworpen, die mij zoo geweldig hoven het oog trof, dat ik bedwelmd en bloedend neerstortte. Toen ik bijkwam en met moeite opgekrabbeld was, was er natuurlijk geen verdacht persoon te zien. De geneesheer verbond mijne wond, die spoedig genas, en na een kort huisarrest hervatte ik mijn werk en mijne studiën zónder verder eenig ernstig letsel te bekomen. Meer dan eens trachtte men in deze roomsche omgeving, en ik geloof, dat de roomschen het zelf deden, emmers kokend water over mijn hoofd uit te gieten door vensters of van donkere trappen, maar telkens ontsnapte ik als door een wonder. Daar ik echter geen bloodaard wilde zijn, eindigde hunne kwaadwilligheid van zelf en lieten zij mij eindelijk volkomen met rust. Is dit niet juist een karaktertrek van de lagere lersche, en voornamelijk de roomsche, bevolking? Laat men hen merken, dat men verschrikt wordt, dan zullen zij iemand wreed en grof mishandelen, maar trotseer hen slechts of neem ze bij den neus, en zij zullen als welpen voor uwe voeten kruipen. Is er ook iets in hun godsdienst, dat hiervan de schuld draagt? Is het niet een systeem van tirannie aan den eenen, en vrees, laffe vrees aan den anderen kant?
Ongeveer in dezen zelfden tijd was er verkiezing van ouderlingen in de gemeente van Dr. Symington en ik werd bijna eenstemmig tot die betrekking verkozen. Gedurende vele jaren was ik nu als stadszendeling in deze wijk werkzaam geweest, en vele vrienden raadden mij de benoeming aan te nemen, daar ik er des te meer nut door kon stichten en er allerlei ervaring zou opdoen voor mijn toekomstig werk. Mijn goede Vader, die zelf ook ouderling in de gemeente van Dumfries was, gaf mij denzelfden raad; en dus, hoewel nog zeer jong voor zulk eene betrekking, nam ik haar aan en bleef werkzaam als ouderling en lid van Dr. Symingtons gemeente, totdat ik werd ingezegend als zendeling voor de Nieuwe-Hebriden, welk groot levensdoel de Heer voor mij had weggelegd, hoe-,wel het mij toen nog onbekend was.
Zoolang ik aan de Stadszending verbonden was, had ik met moeite mijne studiën voortgezet, eerst aan de Universiteit van Glasgow, en daarna aan de Hervormd Presbyteriaansche Godgeleerde school en ik had ook medische studiën gevolgd aan het Andersoniaansch college. Met uitzondering van één jaar, toen ik wegens ziekte niet voort kon gaan, worstelde ik geduldig door, tien jaren lang. Het werk was moeilijk en er werd veel geëischt en indien ik het ook al nooit zoo ver bracht als ik wel zou gewenscht hebben, daar het onderwijs in mijne jeugd veel te wenschen had overgelaten, toch gevoelde ik de tegenwoordigheid van den gezegenden Meester in al mijn pogen, hetgeen vele knappere jonge lieden misten en ik werd ondersteund door het verlangen om het groote doel, dat mij al die jaren helder voor oogen stond, te bereiken, nam.: het verkrijgen van de bevoegdheid tot prediker van het Evangelie van Christus, en door Hem gebruikt te kunnen worden tot redding van zondaren.
36
ROEPSTEMMEN UIT DE HEIDENWERELD.
De jammerklachten der heidenen. — Een zendeling gevraagd. — Twee zielen op het altaar. — Leeuwen op het pad. — Mijne lieve ouders. — Opvolgers in de zending van de Greenstraat. — Hulp van mijne oude vrienden uit de üreenstraat. — Een vader in God.
HOEWEL ik mij in mijn werk gelukkig gevoelde en het niet ongezegend was, klonken mij toch voortdurend, en vooral in mijne laatste jaren aan de Godgeleerde School, de jammerklachten van de verloren gaande Heidenen in de Zuidzee in het oor; en ik zag, dat weinigen zich om hen bekommerden, terwijl ik zeer goed wist, dat er velen waren, die mijn werk in Galton zouden kunnen overnemen, en het misschien met meer kracht dan ik voortzetten. Zonder mijne gedachten aan iemand mede te deelen, was dit toch het voorname onderwerp van mijne dage-lijksche overdenkingen en gebeden, dit deed mij ook deel nemen aan de medische studiën, welke ik geheel wilde doorloopen; maar aan het einde van mijn derde jaar gebeurde er iets, dat mij noopte, om mij terstond aan te bieden voor de Zending onder de Heidenen.OEWEL ik mij in mijn werk gelukkig gevoelde en het niet ongezegend was, klonken mij toch voortdurend, en vooral in mijne laatste jaren aan de Godgeleerde School, de jammerklachten van de verloren gaande Heidenen in de Zuidzee in het oor; en ik zag, dat weinigen zich om hen bekommerden, terwijl ik zeer goed wist, dat er velen waren, die mijn werk in Galton zouden kunnen overnemen, en het misschien met meer kracht dan ik voortzetten. Zonder mijne gedachten aan iemand mede te deelen, was dit toch het voorname onderwerp van mijne dage-lijksche overdenkingen en gebeden, dit deed mij ook deel nemen aan de medische studiën, welke ik geheel wilde doorloopen; maar aan het einde van mijn derde jaar gebeurde er iets, dat mij noopte, om mij terstond aan te bieden voor de Zending onder de Heidenen.
De Hervormd Presbyteriaansche gemeente van Schotland, waarin ik was opgevoed, zocht een zendeling om den WelEerw. heer John Inglis in zijn moeilijken arbeid op de Nieuwe Hebriden bij te staan. Dr. Bates, de uitmuntende oprichter van het Zendinggenootschap onder de Heidenen, was zeer bedroefd, omdat zich in twee jaar tijds niemand voor die taak had aangeboden. Ten laatste gevoelde de Synode, na veel gebed en ernstig overleg, zich de behoeften der Heidenwereld door de herhaalde roepstemmen des Heeren zoo dringend opgelegd, dat zij besloot het lot te werpen, om te ontdekken of God op deze wijze een hunner wilde uitkiezen, om zijn ambt in het vaderland neder te leggen en naar de Zuidzee-eilanden te gaan. Ieder lid der Synode, zooals ik hoorde, stemde er in toe, om, na ernstig gebed tot God, de namen van drie naar zijne meening voor zulk een werk geschikte personen op te geven, en hij, die de duidelijke meerderheid had, zou van zijne gemeente afscheid nemen en naar de Heidenwereld vertrekken, of indien er twee konden verkregen worden, zou men die twee nemen, op wie de meeste stemmen zich hadden bepaald. Ik was bij de beraadslaging tegenwoordig, en stelde een innig
ROEPSTEMMEN Uil\' DE HEIDENWERELD.
belang in deze buitengewone handelwijze; ook herinner ik mij nog levendig de plechtige stilte van het gebed, voor dat de namen werden ingeleverd. Ik herinner mij de doodelijke stilte en de spanning, waarin de vergadering verkeerde, terwijl eenigen zich verwijderden, om de stembriefjes te openen en ik weet ook nog zeer goed, dat de tranen mijne oogen verblindden, toen zij terugkeerden met de mededeeling, dat de uitslag zoo onzeker was, dat men duidelijk bemerken kon, dat de Heer zich niet op deze wijze in de behoefte van een zendeling voorzien had. De zaak werd wederom in ernstig gebed aan God opgedragen en eene wolk van droefheid scheen over de geheele vergadering gevallen.
De Heer sprak echter voortdurend in mijn binnenste: »Nu er toch geen geschikter persoon dan gij verkregen kan worden, sta op en biedt u zeiven aan.quot; Ik gevoelde een onwederstaanbare neiging om luid uit te roepen: »Hier ben ik, zendt mij.quot; Maar ik was zeer bevreesd, om mijne eigene aandoeningen voor den wil van God aan te merken. Daarom besloot ik om het nog voor eenige dagen tot een onderwerp van ernstige overweging en van veel gebed te maken en de zaak nog eens van alle zijden te bezien. Ook was ik ernstig bezorgd over de uitwerking, die mijn besluit zou hebben op de honderden jonge lieden en anderen, die mijne klassen en samenkomsten bezochten; aan den anderen kant gevoelde ik mij hoe langer hoe meer verzekerd van de roepstem Gods tot zijn dienstknecht en ik wist, dat Hij, die mij in het werk buitenslands wilde gebruiken ook gewillig en in staat was, om zorg te dragen voor den voortgang van mijn arbeid in de stad mijner inwoning. De jammerklachten der Heidenwereld weerklonken voortdurend in mijne ooren. Ik zag hen verloren gaan uit gebrek aan kennis van den waren God en van Zijn Zoon Jezus Christus, terwijl mijne vrienden in de Greenstraat een geopenden Bijbel hadden en al de genademiddelen in hun bereik waren en het dus van hun eigen wil afhing of zij die verwierpen. Niemand scheen voorbereid voor het arbeidsveld onder de heidenen; velen waren in staat en ook gereed voor het werk in Galton. Mijne medische studiën even als mijne opleiding in letterkunde en godgeleerdheid hadden mij juist in sommige opzichten zeer geschikt gemaakt voor het werk in den vreemde, en hoe ik de zaak ook van alle kanten bekeek, de stem in mijn binnenste bleef mij toeschijnen als de stem van God.
Ik was mijn loopbaan in Glasgow onder Dr. Bates van West Campbell-straat begonnen, toen ƒ 300 ontvangende voor het doen van huisbezoek in zijne gemeente en daarbij het voorrecht genietende van onderricht te ontvangen van den heer Hislop en anderen aan de Normaalschool van de Vrije Schotsche Gemeente. En nu, hoe verheugd was mijn goede vriend. Dr. Bates, ja welke vreugdetranen welden in zijne oogen op, toen ik hem kwam opzoeken, om mij aan te bieden voor de Zending op de Nieuwe Hebriden! Ik keerde naar huis terug met een lichter hart, dan ik sedert eenigen tijd gehad had en gevoelde, dat niets het hart zoo verruimd als een vast voornemen, om voorwaarts te streven in hetgeen men stellig weet de wil des Heeren te zijn.
Thuisgekomen zeide ik tot mijn medestudent, die al den tijd dat wij de colleges hadden bezocht, met mij samen had gewoond: »Ik heb van morgen mijn verbanning onderteekend.quot; (Eene wel wat te lichtzinnige manier van spreken voor zulk eene ernstige gelegenheid!) »Ik heb mij aangeboden als zendeling voor de Nieuwe Hebriden.quot;
Na eene lange en stille overpeinzing, waarin zijne gedachten ver schenen af te dwalen, antwoordde hij: slndien zij mij willen aannemen, ben ik ook besloten om te gaan.quot;
38
ROEPSTEMMEN Uli\' DE HEIDENWERELD.
»Wilt gij uw besluit aan de oproepers mededeelen,quot; vraagde ik, »of wil ik het hen schrijven ?quot;
»Gij moogt het wel doen,quot; antwoordde hij.
Weinige oogenblikken later was de brief met zijne aanbieding aan het postkantoor. Den volgenden morgen vroeg kwam Dr. Bates ons bezoeken en na een lang gesprek, beval hij ons en ons toekomstig werk aan den Heer in ernstig gebed aan.
Mijn medestudent, de heer Joseph Copeland, was ook reeds eenigen tijd stads-zendeling en zeer voorspoedig in den arbeid in het Camlachie-distrikt, terwijl hij met mij de Godgeleerde school bezocht. Deze leiding van God, waardoor wij beiden op denzelfden tijd ons besloten te geven voor de Uitwendige Zending was door ons geheel niet verwacht, daar wij nooit met elkander hadden gesproken over het gaan naar vreemde landen. Op eene vergadering van de Commissie voor de Zending onder de Heidenen, die spoedig daarna gehouden werd, werden wij beiden, na ernstig beraad, plechtig aangenomen, onder voorwaarde dat wij het examen als candidaat tot den Heiligen dienst met goed gevolg zouden afleggen. En nu werd eene bijzondere commissie benoemd, die ons gedurende twaalf maanden zou voorlichten met medische ervaringen, ons zou bekend maken met de eerste beginselen van allerlei handwerken en ons verder alle dingen, die noodig konden geacht worden voor ons verblijf in den vreemde, zou mededeelen.
Toen het bekend werd, dat ik mij gereed maakte, om als Zendeling uit te gaan, kantte bijna iedereen zich tegen mijn plan, behalve Dr. Bates en mijn mede-student. Mijne lieve ouders echter antwoordden karakteristiek, toen ik er hen over raadpleegde: »dat zij mij sedert lang aan den Heer hadden gegeven, en mij ook in deze zaak aan Zijne beschikkng overlieten.quot; Van alle zijden werden wij bestormd met de hevigste tegenkanting. Zelfs Dr. Symington, een van mijne professoren in de godgeleerdheid, en de beminde leeraar onder wiens gemeente ik zoo lang als stadszendeling werkzaam was geweest, in wiens kerk ik sedert jaren als ouderling zitting had gehad, smeekte mij herhaaldelijk thuis te blijven. Hij beweerde: »dat de gemeente van de Greenstraat zonder twijfel de sfeer was, waarvoor God mij bijzondere geschiktheid gegeven had en waarin Hij mijn arbeid zoo ruim gezegend had; dat, indien ik de men-schen verliet, die nu mijne klassen en samenkomsten bezochten, zij waarschijnlijk verstrooid zouden worden en velen hunner van den rechten weg zouden afdwalen; dat ik het zekere verliet voor het onzekere, werk, waarin God mij tot groot nut had doen zijn, voor werk waarvan ik nog niet wist, of ik er nut in kon stichten en waar ik alleen mijn leven onder Kannibalen zou wegwerpen.quot;
Ik antwoordde op dit alles: »dat mijn besluit vast stond; dat, hoewel ik mijn werk en mijn volk lief had, ik toch gevoelde, dat ik ze aan de zorg van Jezus kon overlaten, die hen spoedig een beter voorganger zou doen vinden dan ik geweest was; en dat, wat betreft het leven onder de Kannibalen te verliezen, daar ik maar eenmaal kon sterven, ik den tijd, de plaats en de oorzaak waardoor, gerust overliet in de hand Gods, die mij reeds zoo dikwijls op wonderbare wijze bewaard had bij het bezoeken van lijders aan cholera en andere gevaarlijke ziekten onder de armen; op dat punt had ik volstrekt geen vrees meer, daar ik alles sedert lang in handen had gegeven van den Heer, dien ik zocht te dienen en te eeren, hetzij in het leven of door mijn dood.quot;
Nu werd het huis, dat bij mijne kerk in de Greenstraat behoorde, mij als pastorie aangeboden met elk redelijk tractement, dat ik zou willen
39
ROEPSTEMMEN Uil\' DE HEIDENWERELD.
noemen (en dat kon staan tegenover de beloofde ƒ 1400 per jaar voor de ver verwijderde en gevaarlijke Niemve-Hebriden) onder voorwaarde dat ik te huis wilde blijven. Ik moet echter eerlijk bekennen, dat zulke aanbiedingen, evenmin als andere invloeden geene ernstige beproeving voor mij waren; zij strekten eerder tot bevestiging van mijne overtuiging, dat het mijn plicht was, om naar het buitenland te gaan. Onder de velen, die mij zochten tegen te houden, was een goed, oud heer, een christen, wiens voornaamste beweegreden onveranderlijk was: »Maar de Kannibalen! Gij zult opgegeten worden door de Kannibalen!quot;
Ten laatste antwoordde ik hierop; «Mijnheer Dickson, gij zijt reeds op gevorderden leeftijd, en uw eigen vooruitzicht is weldra in het graf te dalen en daar door de wormen verslonden te worden: ik moet u bekennen, dat, indien ik maar leven en sterven kan in den dienst van den Heer Jezus, het mij volstrekt geen verschil maakt of ik door Kannibalen of door wormen wordt opgegeten, en in den Groeten Dag der Opstanding zal mijn lichaam even schoon als het uwe verrijzen in gelijkheid aan onzen verrezen Verlosser.quot;
De oude heer, zijne saamgevouwen handen ophefifende, verliet daarop de kamer, uitroepende: »Na dit woord heb ik niets meer te zeggen!quot;
Mijne goede lieden in de Greenstraat waren zeer bedroefd bij de gedachte, dat ik hen ging verlaten, en smeekten mij dagelijks, om bij hen te blijven. Inderdaad de tegenstand, dien ik van alle kanten ondervond, was zoo hevig, ook van vele warme christenvrienden, dat ik er toe gebracht werd, om mij af te vragen of ik wel werkelijk Gods wil volvoerde, of het niet misschien een halstarrig doordrijven van mijn eigen wil was. Dit veroorzaakte mij eene groote ongerustheid, en deed mij ernstig Gods aangezicht zoeken in het gebed. En wederom verdween iedere twijfel toen ik duidelijk inzag, dat men in het vaderland vrijen toegang had tot den Bijbel en de genademiddelen, daar het licht des Evangelies alles rondom ons verlicht, terwijl de arme Heidenen omkomen zonder zelfs eenige kans te hebben, om ooit iets te hooren van Gods liefde en genade voor zondaren. Ieder dag sprak mijn geweten luider en duidelijker: »Laat al hetgeen er uit voort zal komen over aan Jezus, uw Heer, die gezegd heeft: Gaat been in de wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen en ziet! Ik ben met u al de dagen.quot; Deze woorden weerklonken gedurig in mijn oor; zij waren mij het sein tot het vertrek.
Sommigen wierpen mij ook tegen: »Er zijn Heidenen tehuis; laat ons eerst de verlorenen, die aan onze deur omkomen, opzoeken en redden. Dit, ik gevoelde het, was zeer waar en zou mij zelfs verlegen hebben kunnen maken, maar ik merkte altijd op, dat zij die deze tegenwerping maakten, de Heidenen tehuis zelf verwaarloosden en zoo verloor de opmerking, van hen komende, alle kracht. Zij zouden zonder aarzelen misschien op een enkelen dag tienmaal meer geld uitgeven voor een schitterend diner of een avondpartij, voor een concert, bal of comedie-voorstelling, voor eenige praalvertooning of voor wereldsche en zelfzuchtige gemakzucht, dan zij in een jaar of in een halven leeftijd zouden geven voor de bekeering van de geheele Heidemvereld, hetzij hier te lande of daarbuiten. Tegenkantingen van zulke menschen moeten natuurlijk door mannen, voor wie de geestelijke dingen werkelijkheden zijn, als niets geacht worden. Wat deze menschen betreft, ik heb hen altijd beklaagd en zal hen altijd beklagen omdat zij, als Gods rentmeesters, zulk een slecht gebruik maken van den tijd en het geld, die hun zijn toevertrouwd.
Toen ik van alle zijden zooveel tegenkanting ondervond, bracht ik de
40
ROEPSTEMMEN UIT DE HEIDEN WE RE LD.
geheele zaak nogmaals voor mijne ouders, en hun antwoord was als volgt: »Tot hiertoe hebben wij gevreesd, om op uw keus te influenceeren, maar nu moeten wij u zeggen, dat wij God danken voor de beslissing, waartoe gij door Zijne leiding gekomen zijt. Uw vader had er zijn hart op gezet om predikant te worden, maar andere plichten noodzaakten hem dit plan op te geven. Toen gij hun gegeven werd, legden uw vader en uwe moeder u, hun eerstgeborene, op het altaar, om, indien God het geschikt oordeelde. Hem toegewijd te worden als zendeling van het Kruis, en het is hun voortdurend gebed geweest, dat gij mocht voorbereid, geschikt gemaakt en geleid worden tot deze zelfde roeping; en wij bidden van ganscher harte, dat de Heer uw offer moge aannemen, u lang moge sparen, en u vele zielen uit de Heidenwereld voor uw loon moge geven.quot; Van dat oogenblik af, verdween iedere twijfel met betrekking tot het pad, dat mijn plicht mij voorschreef, voor altijd uit mijne ziel. Ik ontwaarde duidelijk de Hand van God, die mij niet alleen had voorbereid, maar mij nu ook riep naar — de Heidenwereld.
Ofschoon ik wist, dat de svmpathie en de gebeden mijner lieve ouders altijd met mij waren gedurende den tijd mijner studiën en in mijn zendingswerk, konden zij mij voor mijne studie natuurlijk geene geldelijke ondersteuning geven. Het was integendeel altijd mijn trots en vreugde geweest, hen te helpen, daar ik de oudste was van hunne elf kinderen. Eerst hielp ik hen om onze koe te koopen, zonder wier onschatbare hulp mijne immer onvergetelijke moeder nooit haar talrijk gezin zou hebben kunnen grootbrengen; later betaalde ik de huishuur voor hen en de weide voor de koe op den Bankheuvel, totdat de anderen groot werden en mij hiervan ontheffen konden, en ten laatste hielp ik om het schoolgeld te betalen, om in de behoefte van kleeding te voorzien, in het kort, ik gaf mijne ouders met vreugde al wat ik kon uitzuinigen van mijn salaris van ƒ480, later /540, per jaar. Op deze wijze, zonder eenige hulp uit andere bron in mijne studie moetende voorzien, had ik, mijne lezers zullen het gemakkelijk begrijpen, menige groote moeielijkheid te overwinnen, maar God geleidde mij zoo, en zegende al mijne kleine schikkingen op zoo in het oog loopende wijze, dat ik nooit een cent schuld maakte. Er was echter een zware last, die mij altijd drukte, van den dag waarop ik ons huis verliet, en die op de volgende wijze ontstaan was.
De vroegere eigenaar van Dalswinton had aan hem. wiens huisje het netst en wiens bloementuin het mooist was, veroorloofd, om vrij te wonen op zijn goed. Vele jaren achtereen had mijn oude, heldhaftige grootvader dezen prijs gewonnen, gedeeltelijk door eigen handigheid, gedeeltelijk door de liefhebberij, die zijn vrouw had in bloemen. Ongelukkig was er nooit een kwitantie gevraagd noch gegeven voor de huishuur van al deze jaren — daar de eigenaar en de bewoners van het goed elkander als vrienden behandelden en er geene handelszaak van maakten. De nieuwe eigenaar, die onverwachts in het bezit van het goed kwam, bevond zich in geldverlegenheid, en dreigde eene vervolging tegen mijn grootvader te zullen instellen voor de achterstallige huur. Het geld moest geleend worden. Een rechtsgeleerde leende het geld tegen buitensporige rente, onder voorwaarde dat mijn vader zich ook aansprakelijk verklaarde voor het kapitaal en de interest. Deze last hing als een molensteen om den hals mijns grootvaders tot den dag van zijn dood toe en daarna bleef hij mijn vader alleen drukken. Toen de rechtsgeleerde hoorde, dat ik het handwerk vaarwel had gezegd en mij aan de studie ging wijden, dreigde hij mijn vader voor het kapitaal te vervolgen, tenzij mijn naam met de zijnen verbonden werd tot meerdere zekerheid. Iedere stuiver.
41
ROEPSTEMMEN UIT Uiï HEIDENWERELD.
dien ik of een van ons allen kon uitzuinigen, gedurende mijn tien studiejaren werd gebruikt om die rente te betalen en langzamerhand het kapitaal te verminderen, en het gelukte ons van dezen drukkenden last bevrijd te worden aan den vooravond van mijn vertrek naar de Zuidzee. Het was inderdaad, in verband met de edele worsteling mijner ouders om een zoo groot huisgezin in echte Schotsche onafhankelijkheid op te voeden, eene van de zaligste genietingen aan dien tijd verbonden, dat ik mijn salaris en het geld voor mijn uitzet vooruit ontving en eene som naar huis kon zenden, die toereikend was, om de vordering door den geldschieter of door iemand anders tegen mijne beminde ouders ingebracht, tot den laatsten penning te betalen. En die vreugde werd nog versterkt door de wetenschap, dat mijne broeders en zusters nu allen in staat en ook gewillig waren, om te doen wat ik gedaan had — want wij hingen elkander en onze ouders aan met oprechte toegenegenheid en hadden »alle dingen gemeenquot; als eene familie in Christus, en ik wist, dat mijne goede ouders, hoe lang zij ook gespaard bleven, nooit eenige vreugde of gemak zouden missen, die de gewillige handen en de liefhebbende harten van al hunne kinderen, alleen of vereenigd, hun zouden kunnen geven. Voor dit alles prees ik den Heer. En het gaf mij een onbeschrijfelijken troost, nu ik waarschijnlijk voor altijd in deze wereld van hen afscheid nam.
De directie van de stadszending van Glasgow, in vereeniging met de gemeente van den Great Hamilton Straat, deed alle moeite, om een geschikt opvolger voor mij te vinden in mijn Greenstraat-werk, maar te vergeefs. Wanhopende, om iemand te vinden, daar men geen onervaren persoon in mijne plaats kon aanstellen, voelde de hoofdintendant, de heer Caie, zich geroepen om zich tot mijn broeder Walter te wenden, die mij in den laatsten tijd zeer tot steun was geweest in al mijne ondernemingen, maar die sedert in een goede handelszaak in de stad was geplaatst, met de vraag of hij hen te hulp wilde komen, zich aan de zending wilde verbinden en tot het leeraarsambt opgeleid wilde worden.
Mijn broeder gaf zijne goede positie en uitmuntende vooruitzichten in de handelswereld op, nam het werk in de Green-straat over en deed dit met veel geestkracht en onder grooten zegen; hij zette ook zijne studiën voort, niettegenstaande eene langdurige ongesteldheid door een ongemak aan den voet en werd een geacht Dienaar des Evangelies, eerst in de Hervormd Presbyteriaansche gemeente en nu in de Vrije Kerk van Schotland, te Chapelton, bij Hamilton.
Toen mijn broeder de Greenstraat verliet, voorzag God in een opvolger, een jong prediker, de heer John Edgar, M. A. die zeer voor zijne taak berekend was. Hij nam het werk over en slaagde er in, om het zoo uit te breiden, dat er een nieuwe kerk werd gebouwd in de Landressy-straat, die nu bekend is als de Barrowfield Vrije Kerk van Glasgow. Ook voor die vrucht, terwijl wij alle eer geven aan andere toegewijde arbeiders, danken wij God, als wij de geschiedenis nagaan van onze zending in de Greenstraat, Laten zij die zaaien en die maaien zich te zamen ongeveinsd verheugen! De geest van de oude Greenstraat arbeiders leeft ook voort, gelijk ik reeds gezegd heb in de nieuwe gebouwen daar dicht bij opgetrokken, en is in niemand duidelijker op te merken dan in den zoon van mijn standvastig beschermer en vriend, wederom een Thomas Binnie, Esq. die in samenkomsten van verwaarloosde jongens en op andere wijzen de aan den Heer toegewijde vrije uren van zijn werkzaam en voorspoedig leven besteedt in den dienst van zijn Heer en Meester. De zegen van Jehovah moge altijd op die plek rusten, en
42
ROEPSTEMMEN UIT DE HEIDEN WERELD.
op allen, die daar hunne raedemenschen zoeken te winnen tot de liefde en de dienst van Jezus Christus!
Toen ik Glasgow verliet, zouden vele van de jonge mannen en vrouwen van mijne klassen, indien het mogelijk geweest ware, met mij hebben willen gaan, om onder de heidenen te leven en sterven. Ofschoon het voornamelijk meisjes en knapen waren, die tot den handwerksstand behoorden, bracht hunne innige belangstelling er hen toe, om hunne stuivers bijeen te leggen en daarvoor allerlei katoenen en wollen stoffen te koo-pen, die zij zelve knipten en naaiden tot japonnen voor de vrouwen en voorschoten en hemden voor mannen op de Nieuwe Hebriden. Dit bleven zij jaar in jaar uit doen, lang- nadat ik hen verlaten had, en tot heden toe gaat er geen kist van Glasgow naar de zendelingen op de Nieuwe Hebriden, die niet verscheidene artikelen bevat door mijne oude vrienden in de Greenstraat vervaardigd. Ik geloof zeker, dat de dagen, waarin wij de vreugde van den christelijken dienst in de zending-vereeniging van de Greenstraat leerden kennen, geen onwelkom onderwerp van heilige en gelukkige samenspreking zal zijn, wanneer wij elkander in de Heerlijkheid zullen ontmoeten. Dr. Bates, de waardige en toegewijde Evangelie-dienaar, de oprichter van de zending onder de Heidenen, volgde met ernstige, vaderlijke belangstelling al onze voorbereidselen. Maar op den morgen van ons laatste examen moest hij door ziekte te bed blijven. Hij kon echter niet gerust zijn, voor dat hij zijne dochter had gezonden, bm in een aangrenzende kamer te wachten, ten einde den uitslag te vernemen en hem dien onmiddellijk te komen mededeelen. Toen zij zich naar huis spoedde, en hem zeide, dat wij beiden gelukkig geslaagd waren, en dat de dag van onze inzegening als zendelingen naar de Nieuwe Hebriden bepaald was, dankte de eerwaardige oude man God voor deze blijde tijding, zeggende, dat zijn werk nu afgeloopen was en hij in vrede kon henengaan, nu hij, in antwoord op zijne tranen en gebeden, twee toegewijde mannen afgezonderd zag tot de prediking van het Evangelie op deze duistere en bloedige eilanden.
Daarna namen zijne krachten spoedig af en weldra ontsliep hij in zijn Heiland. Hij was van den beginne een zeer dierbaar vriend voor mij geweest, een van de geschiktste predikanten, die onze kerk ooit gehad heeft, de warmste voorstander van hare Uitwendige Zending, en geheel en al een aantrekkelijk, rein en edel afgezant van Christus, om zondaren te bidden, zich met God te laten verzoenen.
43
Ontslag en inzegening. — Op zee. — Van Melbourne naar Aneityum. — Vestiging op Tanna. — Onze zending-stations- — Diplomatische Hoofden. — Treurige eerste indrukken. — Bloedige tooneelen — Het lot der weduwen.
01\' den l1\' den lstEquot; December 1857 kregen mijne mede-zendeling en ik ons «ontslagquot; als predikers van het Evangelie. Daarna brachten wij vier maanden door met het bezoeken van bijna iedere gemeente en Zondagsschool van de Hervormd Presbyteriaansche Kerk van Schotland, opdat de menschen ons mochten zien en leeren kennen en daardoor persoonlijk belang in onzen arbeid gaan stellen. Dit was zeker een uitmuntend denkbeeld, en kon ook wel toegepast worden in de grootere gemeenten, door een zendeling aan te wijzen voor iedere provincie of gedeelte daarvan, en hem daarheen te zenden om toespraken te houden, en de menschen te leeren hem in het bijzonder als hun zendeling en zijn werk als het hunne te beschouwen. Op den 235to\' Maart 1858 werden wij te Glasgow, in de kerk van Dr. Symington, in tegenwoordigheid van eene groote menigte menschen en na eene prachtige prediking over de woorden: »Kom over en help onsquot; plechtig ingezegend als Evangelie-dienaars en Zendelingen voor de Nieuwe Hebriden.
Op 16 April 1858 verlieten wij Greenock en zeilden met de Clutha naar ons arbeidsveld in den vreemde.
Onze reis naar Melbourne was nog al vervelend maar eindigde voorspoedig; kapitein Broadfoot, een vriendelijk goedhartig Schot, deed al het mogelijke om het ons aangenaam te maken. Hij leidde zelf aan boord den zang bij de godsdienstoefening, die mij zeer bekoorlijk voorkwam en die geregeld op het dek op bepaalde tijden en door hem aangewezen plaatsen gehouden werd, wanneer het weder schoon was. Hij stond mij ook toe, Bijbellezingen voor het scheepsvolk en de passagiers te houden, waarin groote vreugde werd gesmaakt. Bijna dertig jaren later, toen ik voor de tweede maal naar Schotland terugkeerde, kwam een welgesteld heer, de vader van een talrijke familie in de West, mij eene na van mijne samenkomsten hartelijk begroeten, en herinnerde mij er aan, dat hij mijn voorzanger was geweest in de Bijbelklasse aan boord van de Clutha!
Hij was vriendelijk genoeg om te zeggen, dat hij het tooneel daar en de ontvangen lessen nimmer vergeten had.
DE NIEUWE HEBRIDEN.
Bij onze aankomst te Melbourne werden wij verwelkomd door den pred. Moor, de heer en mevrouw Samuel Wilson, de heer Wright, allen tot de Hervormd Presbyteriaansche kerk van Geelong behoorende. De beide kinderen van den heer Wilson, Jessie en Donald, waren op reis aan onze zorg toevertrouwd geweest en mijne jonge vrouw en ik gingen voor een paasdagen met hen mede naar Geelong, terwijl de heer Copeland aan boord van de Clutha bleef, om op onze bagage te passen en uit te zien naar eene gelegenheid, om onze bestemming op de eilanden te bereiken. Hij vernam, dat een Amerikaansch schip, de Francis P. Sage van Melbourne naar Penang zou zeilen, en de kapitein stemde er in toe, om ons voor f 1200 aan wal te zetten op Aneityum, een van de Nieuwe Hebriden, met onze twee booten en vijftig koffers. Wij gingen den Augustus
aan boord, maar er woei zulk een hevige wind, dat wij eerst den 17\'kn uitzeilden. Op de Clutha was alles rustig en ordelijk geweest, maar op de F. F, Sage was alles wanorde en goddeloosheid. De kapitein zeide, dat hij zijn tweede stuurman hield, om tegen de matrozen te vloeken en ze te slaan. De reis was ons allen hoogst onaangenaam, maar duurde gelukkig slechts twaalf dagen. Op den 298ten kwamen wij dicht bij Aneityum, maar de kapitein weigerde ons door zijne booten aan wal te laten zetten; sommigen onzer vermoedden, dat zijne matrozen zoo slecht door hem behandeld werden, dat zij niet tot hem teruggekeerd zouden zijn, indien zij aan land waren gekomen! In elk geval had hij gezorgd dat hij de f 1200 vooruit ontvangen had!
Hij bleef op eenigen afstand van het eiland liggen, totdat een koopvaardijschip kwam zien, wat wij begeerden en met deze gelegenheid zonden wij een brief aan Dr. Geddie, een van de zendelingen aldaar. Den volgenden morgen vroeg, zijnde Maandag, kwam deze tot ons in zijne boot, vergezeld van den heer Mathieson, een eerst onlangs van Nieuw Schotland aangekomen zendeling; hij bracht ook kapitein Anderson met de kleine zendingboot, John Knox, mede, en de groote zendingboot, de Columbia geheeten, goed bemand met geschikte en gewillige Inboorlingen. Onze vijftig koffers waren spoedig aan boord van de John Knox, van de Columbia en van onze eigene booten, die alle zwaar geladen en opgestapeld waren, behalve de boot, die gebruikt moest worden om de andere aan wal te trekken. Dr. Geddie, de heer Mathieson, mijne vrouw en ik zaten tusschen de koffers op de John Knox en moesten ons daar maar zien te redden zoo goed wij konden. Toen wij ons van de F. F. Sage verwijderden, raakte een van haar penterbalken tegen de groote mast van de kleine John Knox en brak die bij het dek af, en ik redde mijne vrouw van door de vallende mast verpletterd te worden door haar op een schijnbaar onmogelijke wijze plotseling op zijde te slingeren. Het ging rakelings langs den heer Mathieson, maar hij werd niet bezeerd. De John Knox, die reeds te zwaar geladen was, was nu geheel buiten staat om vooruit te komen; wij waren tien mijlen in zee en in groot gevaar, maar de kapitein van de F. F. Sage zeilde onmeedoogend heen en liet ons aan ons lot over.
Wij dreven recht op Tanna aan, een eiland van menscheneters, waar onze goederen ons ontnomen en waar wij zelve gebraden en opgegeten zouden geworden zijn. De boot van Dr. Geddie en de mijne hadden de John Knox op sleeptouw, en de heer Copeland, met eene bemanning van Inboorlingen deed met zijne boot zijn uiterste best om de Columbia met hare lading naar Aneityum te trekken. God beschikte het in Zijne genade zoo, dat hoewel wij een sterken wind tegen hadden, de zee betrekkelijk kalm was. Wij dreven nog lijwaarts, totdat Dr. Inglis, die van onze aankomst gehoord had, en in zijne boot naar de haven wilde zeilen, ons op
45
DE NIEUWE HEBRIDEN.
verren afstand in zee zag, en zich haastte tot onze redding. Al de booten met hunne gewillige bemanning uit Inboorlingen bestaande, werden nu aan onze boot vastgemaakt en tot onze groote vreugde begon zij zich vooruit te bewegen. Na uren getrokken te zijn, onder de verzengende stralen van eene bijna tropische zon, landden wij allen gelukkig op de kust van Aneityum om ongeveer zes uur \'s avonds van den SO5\'™ Augustus, juist vier maanden en veertien dagen, sedert wij van Greenock uitzeilden. Wij werden aan land hartelijk welkom geheeten door de vrouwen dei-zendelingen, Mevr. Geddie, Mevr. Inglis en Mevr. Mathieson, en door al onze nieuwe vrienden, de christenen onder de Inboorlingen van Aneityum, Het groote gevaar, waarin ons leven en onze bezittingen aan het einde onzer reis verkeerd hadden, maakte ons des te meer dankbaar aan God, dat Hij ons in deze stille rustplaats gebracht had, in het midden der eilanden van de Nieuwe Hebriden, waarnaar onze harten zoo vurig verlangd hadden en waar wij nu binnentraden in den naam des Heeren.
De heer Copeland, mijne vrouw en ik reisden rondom het eiland naar de post van Dr. Inglis, waar wij allervriendelijkst ontvangen werden door zijne lieve vrouw en de christen Inboorlingen aldaar. Daar hij juist bezig was zijn huis te vergrooten, ontvingen wij in de eerstvolgende weken onze eerste practische opleiding in het bouwen van een zendingshuis even als wij ook in hoogere zaken vele nuttige wenken ontvingen. Spoedig daarna werd eene samenkomst gehouden, om te beraadslagen over het oord, waar wij ons zouden nederzetten en werd met algemeene stemmen besloten, dat de heer Mathieson met zijne echtgenoote aan de zuidzijde van Tanna, te Umairarekar, zich zouden nederzetten en mijne vrouw en ik te Port Resolution op hetzelfde eiland. Eerst was er bepaald, dat de heer Copeland bij ons zou blijven, maar om de zwakke gezondheidstoestand van Mevr. Mathieson, werd er later bepaald, dat hij ten minste vooreerst daar zou vertoeven, waar hij het meest noodig was. Tot ons vertrek werd zijn tijd voornamelijk doorgebracht op de John Knox, waar hij kapitein Anderson hielp in het laden en ontladen van hout en materialen voor het bouwen van huizen, terwijl ik mij voornamelijk met het bouwen en allerlei voorbereidende maatregelen bezighield.
Dr. Inglis en een aantal van zijne flinkste Inboorlingen vergezelden ons naar Kwamera op Tanna. Daar kochten wij een stuk gronds voor een huis en eene kerk, legden een steenen fondament en maakten een begin met den bouw van eene woning voor den heer Mathieson en zijne echtgenoote. Daarna gingen wij verder naar Port Resolution, waar wij ook een stuk gronds kochten en het huis, waarin mijne vrouw en ik zich zouden vestigen, gedeeltelijk optrokken. Kalk, om te pleisteren, moesten wij van de koraalrotsen verzamelen en in ovens branden; en eene dakbedekking van suikerrietbladeren moest door de Inboorlingen aan beide posten vervaardigd worden vóór onze terugkomst, waarvoor evenals voor al het andere vooruit een prijs werd bepaald, die zorgvuldig werd uitbetaald. Ongelukkigerwijze hoorden wij toen het te laat was, dat beide huizen te dicht bij de kust gelegen waren en daardoor blootgesteld aan ongezonde uitdampingen, die de gevreesde koorts teweeg brachten, de venijnigste en bedriegelijkste vijandin van alle Europeanen in de zuidelijke zeeën.
Aan beide posten, maar voornamelijk aan Port Resolution vonden wij de Inboorlingen in een zeer opgewonden en verwarden staat. Oorlogen, die hen bedreigden, hielden hen in voortdurende verwarring; er was strijd tusschen verwijderde stammen of aangrenzende dorpen; er waren zelfs vijandelijkheden tusschen de naaste buren.
40
47
De Opperhoofden aan beide posten, schenen gaarne grond voor huizen te verkoopen en schenen er naar te verlangen, dat zich zendelingen onder hen vestigden; maar misschien was het met het oog op de messen, bijlen, hengels, dekens en kleederen, die zij in betaling kregen, of door diefstal hoopten te verkrijgen, meer dan uit dorst naar het Evangelie, daar zij allen Wilden en Menscheneters waren. Zij weigerden voorzich-tiglijk, om bescherming te beloven aan de familiën der zendelingen of onderwijzers, maar zeiden, dat zij zelve hun geen leed zouden doen, hoewel zij er niet voor konden instaan, wat het volk uit het binnenland mocht doen, — geen slecht voorbeeld van hunne politiek, die een open deur liet aan alle toekomende gebeurtenissen, en niet beter of slechter dan de wijze, waarop de beschaafde Europeanen hunne oorlogs-of vredesverdragen maken en weder verbreken! Zulke beloften beteekenden natuurlijk niets. De Inboorlingen op Tanna, en ook op mijne tweede verblijfplaats te Anhva, meenden dat zij hunne beloften gehouden hadden, wanneer zij slechts met hunne eigene handen ons geen leed deden, ook zelfs dan, wanneer zij anderen huurden, om het te doen. Geen van de Heidenen daar kon men in eenig opzicht vertrouwen buiten wat zijn eigen belang bleek te zijn en niets was te laag of te wreed voor hen om te volbrengen, indien het maar dienstbaar kon zijn aan hunne plannen. De diepten des Satans, omschreven in het eerste hoofdstuk van den brief aan de Romeinen, werden daar voor onze oogen ontdekt in het dagelij ksch leven van het volk, en dat ongesluierd en zonder verontschuldiging.
Mijne eerste indrukken van dit volk vervulden mij met vrees en schrik. Toen ik voor het eerst de Inboorlingen zag, naakt en beschilderd als zij waren, was mijn hart evenzeer met afschuw vervuld als met medelijden. Had ik mijn bemind werk en mijne lieve vrienden in Glasgow verlaten, om mijn leven te wijden aan deze laaggezonken schepselen ? Zou het wei mogelijk zijn om hen het goede van het kwade te leeren onderscheiden, ze te bekeeren of zelfs maar om ze eenigszins te beschaven? Maar dit was slechts een voorbijgaand gevoel! Ik stelde spoedig een even groot belang in hen en in alles wat er toe kon leiden hen vooruit te brengen en hen tot de kennis en liefde van Jezus te voeren, als in mijn arbeid te Glasgow. Wij waren verrast en verblijd door de in het oog loopende verandering, die teweeggebracht was in de inboorlingen van Aneityum door het werk van Dr. Geddie en Dr. Inglis, en dat in zoo korten tijd ; en wij hoopten met biddend volharden en het aanwenden van dezelfde middelen, hetzelfde werk Gods op Tanna herhaald te zien. En daarenboven vervulde het wonderlijk en gezegend werk van de echtgenooten yan deze zendelingen onze vrouwen met de blijde hoop van werktuigen in Gods hand te mogen zijn, waardoor een even gezegende verandering onder de onbeschaafde vrouwen op Tanna zou teweeg gebracht wordeir
Mijne echtgenoote was bij Mevr. Inglis gebleven, om van haar, zooveel het haar mogelijk was, van het zendingswerk op deze eilanden te leeren, terwijl ik met Dr. Inglis op Tanna was, om voor den bouw der woningen te zorgen: in dien tijd ontvingen den heer Mathieson en zijne vrouw alle mogelijke inlichtingen van Dr. Geddie en zijne echtgenoote. Voor de bewoners van I anna waren Dr. Inglis en ik voorwerpen van frroote nieuwsgierigheid en vrees; zij stonden in menigten om ons houten en met kalk bestreken huis geschaard, waren in druk gesprek met elkander en verlieten het tooneel dag aan dag met onverholen en steeds toenemende verwondering. Waarschijnlijk vonden zij ons meer dwaas dan wijs!
Daar er gedurig troepen gewapende lieden in groote opgewondenheid
n/J NIEUWE HEBRIDEN.
heen en weder trokken, kwamen wij tot de wetenschap, dat er oorlog ophanden was; maar aan onze onderwijzers van Aneityum werd verzocht ons te verzekeren, dat de kustbewoners alleen defensief zouden te werk gaan en dat niemand ons zou verhinderen in ons werk. Eens ontmoetten twee vijandige stammen elkander bij onze zendingspost; er ontstond eene hevige woordenwisseling en alle oude veten werden hernieuwd. De lieden uit het binnenland trokken terug, maar de kustbewoners, ontrouw aan hunne beloften, vlogen te wapen en stormden ons voorbij, om hunne vijanden te achtervolgen. Het knallen van schoten in de aangrenzende boschjes en het vervaarlijk geschreeuw der Wilden, deed ons spoedig bemerken, dat zij in hevig gevecht waren. Angst en vrees was op ieders gelaat zichtbaar, gewapende lieden snelden van alle zijden toe, met vederen in het gevlochten haar; hun gelaat was rood, zwart en wit beschilderd en sommigen hadden de eene wang zwart de andere rood gekleurd; anderen hadden het voorhoofd wit, de kin blauw, inderdaad allerlei kleuren en op allerlei plaatsen aangebracht, hoe wonderlijker en woester, des te grooter was de kunst! Sommige vrouwen vluchtten met hare kinderen naar veilige schuilplaatsen, maar andere vrouwen en meisjes waren op ditzelfde oogenblik aan de kust dicht in onze nabijheid bezig met suikerriet te kauwen en met lachen en ruilhandel drijven, alsof hunne vaders en broeders een contradans uitvoerden in plaats van een bloedig gevecht te leveren. In den namiddag, toen het geluid van de schoten en het geschreeuw van de strijders onrustbarend dicht in onze nabijheid gehoord werd, zag Dr. Inglis, die reeds eenigen tijd in stil gebed tegen een zijpoort geleund was geweest, ons aan en zeide: »De muren van Jeruzalem werden in oproerige tijden gebouwd, waarom ook niet het zendingshuis op Tannar Maar laat ons voor vandaag ons werk laten rusten en voor deze arme Heidenen bidden.quot;
Wij begaven ons naar eene woning, die ons tijdelijk tot rustplaats afgestaan was, en smeekten daar God voor hen allen. Het geraas en het afschieten van geweren begon nu langzamerhand te bedaren, alsof het volk uit het binnenland zich terugtrok, en omstreeks den avond keerden de menschen rondom ons naar hunne dorpen terug. Later hoorden wij, dat er vijf of zes man waren doodgeschoten; dat hunne lijken door de overwinnaars van het slagveld waren medegevoerd en nog dienzelfden avond door de Wilden gekookt en opgegeten waren aan eene kookende bron aan den ingang van de baai, minder dan een mijl van de plaats, waar mijn huis gebouwd werd. Een eigenaardig staaltje van de omgeving, waarin wij ons bevonden, zagen wij ook in den jongen van Aneityum, die Dr. Inglis en mij als kok diende. Toen wij \'s avonds onze thee verlangden, was de jongen nergens te vinden. Nadat wij ons een tijdlang ernstig ongerust gemaakt hadden, kwam hij terug, zeggende; »Missi, dit is een duister land. De lieden van dit land doen werken der duisternis. Aan de kokende bron hebben zij de verslagenen gekookt en gegeten. Zij hebben het bloed in den stroom afgewasschen; zij hebben zich daar gebaad, zoodat het water geheel rood ziet. Ik kan geen water krijgen om thee gereed te maken. Wat zal ik doen?quot;
Dr. Inglis zeide hem, dat hij moest trachten ergens anders water te krijgen, totdat er regen kwam en de verontreinigde stroom weer gezuiverd werd, en dat wij in dien tusschentijd melk van de cocosnoot zouden drinken, zooals dat wel meer gebeurd was. De jongen werd hierdoor gerustgesteld. Het verwonderde ons echter ten hoogste, dat hij het dooden en opeten van elkander als eene zaak van minder aanbelang scheen te beschouwen, maar dat het in zijn oog verschrikkelijk was, om het water
48
49
zoo te bederven. Hoe dikwijls zijn onze edelste gevoelens het voortbrengsel van de omstandigheden! Indien ik was opgevoed gelijk hij, zou ik hoogstwaarschijnlijk evenzoo gedacht en gevoeld hebben als hij.
Den volgenden avond, toen wij zaten te praten over het volk en de akelige tooneelen rondom ons, werd de nachtelijke stilte verbroken door eene wilde jammerklacht uit de omliggende dorpen, die lang voortduurde en klonk als iets bovennatuurlijks. Wij vernamen, dat een der gewonden, die van het slagveld naar huis was gebracht, gestorven was en dat men zijne weduwe geworgd had, opdat haar geest hem naar de andere wereld mocht vergezellen, om hem daar te dienen, gelijk zij dat hier gedaan had. Nu lagen hunne lijken naast elkander, gereed om in de zee te worden begraven. Ons hart kromp ineen bij de gedachte, dat dit alles in onze onmiddellijke omgeving gebeurde en wij het niet konden verhinderen. Ieder nieuw tooneel, iedere nieuwe gebeurtenis, stelde ons den verduisterden toestand en de verschrikkelijke wreedheden van dit heidensch volk duidelijker voor oogen en wij verlangden naar het oogenblik, dat wij hen zouden kunnen spreken over Jezus en de liefde van God. Wij trachtten zorgvuldig ieder woord van hunne taal op te vangen, opdat wij hen in hunne eigene taal mochten bekend maken met den waren God en de verlossing van al deze zonden door Jezus Christus.
Nadat Dr. Inglis en ik, met behulp van de Inboorlingen van Aneityum, zooveel wij konden hadden gedaan aan onze gebouwen, en het Nieuwe Zendingshuis op Tanna uit gebrek aan kalk en gezaagd hout niet verder kon afgemaakt worden, maakten wij eene afspraak met de Inboorlingen, die beloofden voor messen, bijlen en calicot, kalk te branden-en andere dingen gereed te maken vóór onze terugkomst. Toen haasten wij ons naar Aneityum terug, teneinde, indien het mogelijk was, gereed te zijn, om ons op Tanna te vestigen, vóór dat het regenseizoen aanbrak. Dit naderde reeds met rassche schreden, en het is een zeer onaangename en ongezonde tijd voor de Europeanen op de Zuidzee-eilanden.
4
Ons eiland. — De taal leeren. — Een godsdienst van vrees. — Met of zonder God. — Gedachten omtrent den Onzichtbare. — Goden en demonen — Mijn mede-zendeling. — Pioniers in de Nieuwe Hebriden. — De zendelingen van Aneityum. — Het arrowroot des Heeren. — Ongezonde streken. — Het groote verlies. — Waardeerende gedenkschriften. — Selwijn en Patteson bij een Tanneesch graf. — Haar laatste brief. — Hare laatste woorden. — Voorgevoel en verborgenheid.
DAAR ons kleine zendingschip, deAAR ons kleine zendingschip, de John Knox, geene gemakken aanbood voor vrouwelijke passagiers en al zeer weinig voor andere men-schen, daar men zich aan de onaangenaamheid moest onderwerpen van op het dek te liggen, maakten wij gebruik van een koopvaardijschip, om ons van Aneityum daar Tanna te voeren. De kapitein bood ons vriendelijk aan, om ons met ongeveer dertig kisten en koffers voor f 60 naar Port Resolution te brengen, hetgeen wij verheugd aannamen. Na eenige uren zeilens landden wij allen veilig op Tanna op den S3™ November 1858.
Dr. Geddie ging voor veertien dagen naar Umairarekar, aan de zuidzijde van Tanna, om den heer Mathieson en zijne echtgenoote behulpzaam te zijn in hunne vestiging en om hen te helpen hun huis bewoonbaar en geriefelijk in te richten. De heer Copeland, mijne vrouw en ik werden aan Port Resolution afgezet, om ons huis daar verder af te bouwen en ons zoo goed mogelijk een weg te banen tot de harten der Inboorlingen. Bij onze komst op het eiland vonden wij daar letterlijk een volk van naakte, beschilderde Wilden; zij hadden voor het minst genomen even weinig kleederen aan als Adam en Eva na den val, toen zij rokken maakten van vijgenbladeren, en zelfs minder, want de vrouwen droegen alleen een klein voorschoot van gras, soms den vorm hebbende van een gordel en de mannen een onbeschrijfelijk voorwerp aan een zak gelijk, terwijl de kinderen absoluut niets aan hadden.
In het begin kwamen zij in menigten, om naar ons te kijken en naar alles wat wij deden of hadden. Wij kenden niets van hunne taal; wisten geen woord tot hen te zeggen, noch zij tot ons. Wij keken naar hen en zij naar ons; wij lachten en knikten en spraken met elkander door teekenen, dit was onze eerste ontmoeting en begroeting van elkander. Eens zag ik twee mannen, waarvan de een een onzer artikelen opnam en tot den ander zeide: »Nunksi nari enurquot;
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
Ik begreep daaruit, dat hij vraagde: »Wat is dat?quot; Daarop terstond een stuk hout opnemend, zeide ik ook; ïgt;Nunksi nari enu?quot;
Zij lachten en zeiden iets tot elkander. Ik begreep, dat zij zeiden:»Hij begint onze taal al te verstaan.quot; Toen noemden zij mij den naam, dien zij gaven aan het voorwerp, waarop ik gewezen had. Ik bevond, dat zij mijne vraag: Wat is dit of wat is dat? verstonden en dat ik daardoor in staat zou zijn, om den naam te leeren kennen van ieder zichtbaar of tastbaar voorwerp, dat ons omringde. Wij schreven zorgvuldig iederen naam, dien zij ons noemden, op, de woorden en vreemde klanken, die wij opvingen, op het gehoor af spellende, en daarna trachtten wij om door zorgvuldige vergelijking van verschillende omstandigheden, hunne meening te begrijpen; soms beproefden wij of onze gissingen juist waren door wedervraag aan de Inboorlingen. Op een dag kwamen mij twee mannen tegemoet, waarvan de een, die een vreemdeling was, met zijn vinger naar mij wees, zeggende: »Se nangin?quot;
Hieruit begrijpende, dat hij mijn naam vraagde, wees ik op een hunner en naar den ander ziende, vraagde ik: »Se nangin?quot;
Zij glimlachten en noemden hunne namen.
Wij waren zoodoende in staat de namen van personen en allerlei voorwerpen te leeren en zoo werden onze ooren vertrouwd met de onderscheiden klanken, die in hunne taal voorkwamen.
Door altijd zeer oplettend te zijn, maakten wij buitengewone vorderingen in het spreken met hen en in het overbrengen van hunne taal voor het eerst in geschreven vorm, want de bewoners der Nieuwe Hebri-den hadden geene letterkunde en zelfs niet de eerste beginselen van een alphabet. Ik was gewoon sommigen van de verstandigste jongens en mannen te huren, om bij ons te komen praten en onze vragen te beantwoorden over namen en klanken; maar zij bedrogen ons zoo dikwijls en wij verstonden hen waarschijnlijk zoo dikwijls verkeerd, dat dit middel niet afdoende bleek te zijn, dan nadat wij reeds eenige kennis van hunne taal hadden verkregen en zij er zelf belang in begonnen te stellen, om ons te helpen. Onder onze vriendelijkste en meest betrouwbare helpers behoorden twee bejaarde opperhoofden — Nowar en Nouka — in vele opzichten twee edele figuren, vriendelijk voor iedereen en onderscheiden door eene zekere aangeboren waardigheid van voorkomen en manieren. Maar zij stonden beiden onder het oorlogs-opperhoofd, Miaki, een soort van duivelachtig vorst over vele dorpen en stammen. Hij en zijn broeder waren de alom bekende aanvoerders in alle booze stukken; zij beroemden zich in bloedstorten, oorlogvoeren en menscheneten, en zij hadden een gevolg van woeste menschen, die in of rondom hun eigen dorp woonden en die altijd bereid waren, om overal heen te gaan en alles te doen, wat Miaki verlangde.
De Tanneezen hadden eene menigte steenen afgoden, toovermiddelen en heilige voorwerpen, die zij op lage wijze vreesden, en waarin zij vast geloofden. Zij waren overgegeven aan allerlei bijgeloof en zeer gehecht aan hunne afschuwelijke heidensche praktijken. Hun godsdienst was alleen een godsdienst van vrees, en het doel alleen dezen of genen boozen geest te bevredigen, ongelukken te voorkomen of zich wraak te verzekeren. Zij vergoodden hunne Opperhoofden, gelijk de oude Romeinen, zoodat ieder dorp of iedere stam een heilig man had en sommigen hadden er zelfs velen. Deze priesters van den stam of het dorp oefenden een buitengewoon grooten invloed ten kwade uit en men geloofde, dat zij door hunne heilige ceremoniën over leven en dood, niet alleen in hun eigen stam, maar op al de eilanden beschikken konden. Heilige mannen en vrouwen.
51
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
toovenaars en toovenaressen, ontvingen geregeld giften, om de goden gunstig te stemmen, ziekte te genezen of ziekte te veroorzaken door de Nahak d. i. betoovering van de overblijfselen van voedsel, of de schil van vruchten, gelijk de banana of Indiaansche vijgeboom, die de persoon gegeten heeft, welke zij de bewerking willen doen ondergaan. Zij vereerden ook de geesten van afgestorven voorouders en helden, door middel van hunne stoffelijke afgoden van hout en steen, voornamelijk van steen. Zij vreesden deze geesten en zochten hunne hulp; voornamelijk zochten zij diegenen gunstig voor zich te stemmen, die over oorlog en vrede, hongersnood en overvloed, gezondheid en ziekte, voor- en tegenspoed, leven en dood, heerschappij voerden. Hun geheele godsdienst bestond in slaafsche vrees, en voor zoover ik het ooit heb kunnen nagaan, hadden zij geen begrip van een God van barmhartigheid en genade.
Ik kan niet nalaten hier mijne overtuiging uit te spreken omtrent eene zaak van eenig belang en die eigenaardig is om te overdenken, namelijk: dat zoo ergens, dan toch wel onder deze eilanders, menschen gevonden moesten worden, die ontbloot zijn van alle begrip van godsdienst; dat hier menschen moesten gevonden worden geheel zonder afgoden, indien er zulke menschen onder den hemel bestaan. Alles zou hier zulk eene ontdekking begunstigen, maar integendeel, de Nieuwe Hebriden zijn vol goden.
De Inboorlingen op deze eilanden, ontbloot van de kennis van den waren God, zijn onophoudelijk zoekende naar Hem, of zij Hem ergens mochten tasten of vinden. Hem niet vindende, en niet in staat om zonder eenigen god te leven, hebben zij zich van bijna alle dingen afgoden gemaakt; boomen en grotten, rotsen en steenen, stroomen en watervallen, insecten en andere dieren, menschen en geesten, reliquieën als hoofdhaar en nagels, vulkanen en hemellichamen, inderdaad, ieder voorwerp en alles wat onder bereik van hun gezicht of hunne kennis valt, wordt door hen als god vereerd. Dit is volgens mij een duidelijk bewijs, dat het men-schelijk instinct, hoe laag ook gedaald, den mensch aandrijft om eenig Wezen of eenige kracht buiten zichzelven en verhevener dan hij zelf is, waarin hij leeft en zich beweegt en is en zonder wiens kennis zijne ziel hare ware rust of het eeuwig leven niet vinden kan, te aanbidden en daarop te steunen. Onvolkomen bekendheid met de taal en zeden van sommige stammen kan de eerste ontdekkers er gemakkelijk toe geleid hebben, om te verkondigen, dat zij geen begrip van godsdienst en geen afgoden hebben, omdat niets van dien aard op de oppervlakte zichtbaar is. Er is een soort van vrijmetselarij in de Heidensche godsdiensten; zij hebben geheimzinnige gebruiken en zinnebeelden, die niemand, zelfs niet onder hun eigen volk, verstaat, behalve de priesters en de heilige mannen. Het is voordeelig voor deze lieden, om de vromen in onwetendheid te houden en hoeveel te meer om een voorbijgaand onderzoeker te misleiden! Hierover behoeven wij onze handen niet in verbazing op te heffen; ook in onze naaste omgeving is het waar te nemen, dat het voordeel aanbrengt, om een geheimzinnige kracht aan koralen en kruisbeelden, wijwater en reliquieën te verbinden, hetgeen niet zoo ver verwijderd is van het geloof van den Zuidzee-eilander. Hierdoor wordt niet ontkend, maar integendeel duidelijk bewezen dat de mensch, hetzij hij beschaafd of onbeschaafd is, óf den waren God moet kennen óf zich een afgod moet maken, om in Zijne plaats te stellen.
Juist deze feiten, dat zij in de geesten van voorouders en helden geloofden en die vereerden, dat zij vele legenden hadden omtrent hen, die zij nooit gezien hadden en deze aan hunne kinderen overleverden, en
52
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
het feit, dat zij denkbeelden hadden omtrent de onzichtbare wereld en hare bewoners, maakten het niet zoo moeielijk als sommigen misschien veronderstelden, om in hun geest, wanneer eerst hunne taal en gedachten-gang begrepen is, eenig helder denkbeeld te doen ontstaan omtrent Jehova God als de groote, ongeschapen Vader der Geesten, die zelf al wat bestaat schiep en onderhoudt. Maar het kon niet dadelijk of in eenige vluchtige lessen geschieden. Hart en ziel en het geheele leven moest aan deze onderneming gewijd worden. Het denkbeeld, dat de mensch God ongehoorzaam was geweest, en een gevallen en zondig schepsel was — het denkbeeld dat God den mensch als een Vader bemint en zoo liefheeft dat Hij Zijn eenigen Zoon Jezus op aarde heeft gezonden, om hen te zoeken en zalig te maken — het denkbeeld dat deze Jezus leefde en stierf en van de doode opstond, opdat de zonden der menschen weggenomen werden en het den mensch mogelijk werd, om tot God weder te keeren en den beelde Zijns Zoons Jezus gelijkvormig te worden en het denkbeeld, dat deze Jezus na den dood ieder schepsel onder den hemel, dat Hem bemint en tracht te volgen in de woningen der Heerlijkheid wil ontvangen, al deze denkbeelden moesten in hun geest geplant worden, moesten langzaam ingang bij hen vinden en moesten den grondslag van hun godsdienst worden. Het kon geschieden — dat geloofden wij, omdat zij menschen waren en geen dieren; het was geschied —• dat zagen wij in de bekeerlingen op Aneityum; en onze harten aanvaarden de taak met geloof en vast vertrouwen!
De bewoners van Tanna noemden den Hemel Aneai, en wij ontdekten later dat dit de naam was van het hoogst en schoonst gelegen dorp op het eiland. Hun best gelegen plekje op aarde was hen het zinnebeeld en type van den hemel; hun Kanaan was ook een soort van profetie van een ander land, van het Hemelsch Kanaan. Het feit, dat zij een Aneai, een land der belofte, hadden, opende hun geest natuurlijkerwijze voor ons begrip van het beloofde land der toekomst, het Aneai van de hoop en het geloof des Evangelie. Het algemeen zoeken om de grootere en machtiger goden te kennen en hen op hunne hand te krijgen, leidde hen er toe, zoodra wij hun taal konden spreken, gretig te luisteren naar al de geschiedenissen, die wij konden verhalen over den Oppersten God en Zijn Zoon Jezus, en naar al de groote werken in den Bijbel verhaald. Maar toen wij hen begonnen te leeren, dat zij, om dezen Almachtigen en levenden God te dienen, al hunne afgoden moesten weg werpen, en iedere heidensche gewoonte en iedere zonde moesten nalaten, ontstaken zij in woede en wreedheid tegen ons, vervolgden ieder die de Zending genegen was, en wij deden de vreeselijke ervaringen op, die hierna zullen verhaald worden. Het was de oude strijd, in de geschiedenis bekend: het licht had de duisternis aangevallen in haar eigen verschansing en het scheen voor een tijd alsof de duisternis zou overwinnen en alsof Gods dag nimmer op Tanna zou aanbreken!
Mijn mede-zendeling, de heer Copeland, moest naar Aneityum gaan, om de plaats van Dr. Inglis te vervullen, gedurende de afwezigheid van dien uitmuntenden zendeling en zijne toegewijde vrouw, die in het Vaderland het eerste volledige Nieuwe Testament in het Aneityumeesch voor de pers gingen gereed maken. Hij slaagde er uitmuntend in het voortzetten van al hun werk, en was van wezenlijke hulp in het vertalen van het Oude Testament in de taal van Aneityum, daar hij een nauwgezet en kundig man was. Na hunne terugkomst nam hij eenigen tijd de post van Dr. Geddie op een ander gedeelte van het eiland waar, terwijl deze nieuwe krachten ging opdoen op Nieuw Schotland, waar hij zijn welver-
53
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
dienden verloftijd ging doorbrengen. Daarna werd hij geplaatst op het eiland Fotuna, waar hij met zijne vrouw ijverig en met toewijding des harten werkzaam was, tot zijne echtgenoote stierf en zijne eigene gezondheid zoo geschokt was, dat hij genoodzaakt werd het arbeidsveld te verlaten. Hij vond gelijksoortig werk in het uitgeven van de Presbyterian Wiittiess, te Sydney, waardoor hij de zaak van het Evangelie en de zending bleef bevorderen.
Een terugblik op de geschiedenis van het Evangelie op de Nieuwe Hebriden moge mijnen lezers de gebeurtenissen, die volgen zullen, beter doen begrijpen. De beroemde namen Williams en Harris zijn verbonden aan de eerste pogingen om het Christendom te brengen op deze eilandengroep in de Zuidzee. John Williams en zijn jonge vriend Harris, door het Londensch zendelinggenootschap uitgezonden, landden op den 30en November 1839 op Erromanga. Onmiddellijk, een paar minuten na hunne aankomst, werden zij beiden doodgeslagen en de Wilden kookten hen en vergastten zich aan hunne lichamen. Zoo werden de Nieuwe Hebriden gedoopt met het bloed der martelaren en Christus maakte daarmede der geheele Christenwereld bekend, dat Hij deze eilanden als de Zijne op-eischte. Zijn kruis moet toch geplant worden, waar het bloed van Zijne martelaren gestroomd heeft I De arme Heidenen wisten niet, dat zij hunne beste vrienden gedood hadden, maar tranen en gebeden stegen voor hen op, overal waar de geschiedenis van de martelaren op Erromanga gelezen of gehoord werd.
Het Londensch Zendinggenootschap zond daarom in . 1842 wederom zendelingen uit, de heeren Turner en Nisbet, om het koninkrijk des Satans binnen te dringen. Zij plantten hunne vlag op het eiland Tanna, het dichtst bij Erromanga gelegen, In minder dan zeven maanden echter werden zij door de Inboorlingen zoo hevig vervolgd, dat zij in een bootje bij nacht moesten zien te ontkomen, terwijl zij alles verloren hadden behalve het leven. Op die gevaarlijke zee zouden zij zeker verongelukt zijn, indien de Algoede hen niet naar land terug had doen drijven, en den volgenden morgen een koopvaardijschip had gezonden, om daar tegen gewoonte de haven aan te doen en dat wel op het juiste oogen-blik. Zij werden aan boord genomen met al wat van hunne goederen nog te redden was, kwamen zij veilig te Samoa aan. Meen echter niet, dat hunne plannen verijdeld werden; want God hoorde hunne gebeden en zegende hen aldaar menigvuldig, boven bidden en denken. Dr. Turner werd in het bijzonder door God gebruikt tot opleiding van vele onderwijzers en zendelingen uit de Inboorlingen, en tot het vertalen en uitgeven van verscheidene Bijbelboeken. Ook verschafte hij hen menig ander godsdienstig en nuttig boek in hunne eigene taal — een gezegend werk, waarmede hij en zijne begaafde vrouw zich in den herfst huns levens nog met veel vrucht bezig houden.
Na dit alles plaatste het Londensche Zendinggenootschap gedurig Samoaansche inlandsche onderwijzers op verschillende eilanden der Nieuwe Hebriden; maar de ongezondheid van het klimaat, vergeleken bij hun eigen gelukkiger gelegen Samoa of Rarotonga, waardoor zij door de gevreesde koorts werden aangetast en hetgeen zij zelve van de ongastvrije Wilden te verduren hadden, maakte dat het zendingswerk niet veel vrucht had, totdat ten laatste de Presbyteriaansche zendelingen op het tooneel verschenen. Het christendom had nergens vasten voet op de Nieuwe Hebriden, tenzij in de herinnering en in het bloed van de martelaren op Erromanga.
Nu landden de heer John Geddie en zijne echtgenoote van Nieuw
54
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
Schotland op Aneityum, het zuidelijkste eiland van de Nieuwe Hebriden in 1848; en de heer John Inglis en zijne echtgenoote uit Schotland, in 1852, op de andere zijde van het eiland. Een agent van het Londensch zendinggenootschap, de heer F. Powell, vergezelde Dr. Geddie, en bleef ongeveer een jaar bij hem, om hem betreffende de plaats zijner vestiging met zijn raad te dienen en het werk te helpen aanvangen.
Hoe wonderlijk het ook moge schijnen, toch is het waar, dat de inboorlingen op Aneityum van het eerste oogenblik af in de zendelingen belang stelden, naar hunne onderwijzing luisterden, zoodat Dr. Inglis en Dr. Geddie binnen een tijdsverloop van eenige jaren ongeveer 3500 wilden hunne afgoden zagen wegwerpen, hunne heidensche gewoonten afleggen en zich tot aanbidders van den eenigen waren God verklaren. Stap voor stap leerden zij het christendom en de beschaving aannemen. Na verloop van eenigen tijd werd een eenvoudige vorm van huiselijke godsdienstoefening ingevoerd en door ieder huisgezin op het eiland aangenomen; Gods zegen werd over iederen maaltijd ingeroepen, vrede en maatschappelijke veiligheid werden verzekerd, ook was ieders eigendom volkomen veilig onder het heiligend en beschavend Evangelie van Christus. En deze zendelingen beleefden het ook nog, dat de geheele Bijbel, dien zij en de heer Cope-land met zooveel moeite vertaald hadden, in handen kwam van de inboorlingen op Aneityum, door hulp van het Britsch en Buitenlandsch Bijbelgenootschap, dien grooten steun van iederen zendingsonderneming. Maar hoe werd dit groote werk tot stand gebracht? Als een liefdadig-heidsbetoon? Luister slechts!
De arme Aneityumeezen, met gedeelten van Gods woord bekend, wenschten een geheelen Bijbel te bezitten in hunne moedertaal, waarin nog nimmer eenig boek of blad geschreven was geworden. Hunne zendelingen begaven zich nu aan het werk, om het woord van God te vertalen en waren daar nacht en dag mede bezig, terwijl de gewillige handen en voeten van de Inboorlingen vijftien lange jaren onvermoeid bezig waren met het planten en bereiden van arrowroot, om de ƒ 14.400 bijeen te brengen, die noodig waren tot het drukken en uitgeven van het boek. Jaar in jaar uit werd het arrowroot, dat zij te heilig voor hun dagelijksch voedsel hielden, afgezonderd als des Heeren deel; de zendelingen zonden het naar Australië en Schotland, waar het door vrienden verkocht werd en de geheele opbrengst voor het groote doel werd bewaard. Toen de groote onderneming door het Bijbelgenootschap volbracht was, bleek het dat de Inboorlingen zooveel hadden verdiend, dat zij de som in haar geheel konden betalen; en zoo ontvingen zij hunne eerste Bijbels, verkregen door een onvermoeiden arbeid van vijftien jaren. Sommigen onzer vrienden vinden de genoemde som misschien vrij groot, maar ik weet uit ondervinding, dat indien zulk een moeielijk werk door andere draken binderijen was ondernomen, de kosten vrij wat grooter zouden zijn geweest. Een Bijbelboek, dat ik te Melbourne ook door middel van het Bijbelgenootschap heb laten drukken in de taal van Aniwa kostte ƒ 4,80 per vel en dat was de goedkoopste prijs; dit werd ook van de opbrengst van het arrowroot van Aniwa betaald.
Laten zij, die hunnen Bijbel niet achten, eens over deze dingen nadenken. Vier gulden, tachtig cents voor ieder blad, of de opbrengst van den arbeid van vijftien jaren voor den geheelen Bijbel scheen deze arme bekeerde Wilden niet te veel toe, om te betalen voor dat woord van God, dat de zendelingen tot hen had doen komen, dat hen de genade Gods in Christus had geopenbaard, en dat hun de oogen geopend had voor de wonderen en de heerlijkheden der verzoenende liefde! Zij hadden
55
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
gevoeld, en wij hadden wederom opgemerkt, dat in alle landen en onder alle volken, de Bijbel voor ieder die hem aanneemt en gehoorzaamt eene kracht Gods tot zaligheid is; zij waren er door uit hun staat van onbeschaafdheid verlost en aan de voeten des Heeren Jezus gebracht. O! dat de mannen en vrouwen der wereld, die slechts leven om allerlei genoegens na te jagen, eens de reine vreugde konden gevoelen en smaken van hen, die den waren God kennen en liefhebben, eene gave, die de wereld en al wat daartoe behoort hun niet kan geven, maar die de armste en eenvoudigste volgelingen van Jezus ontvangen en genieten!
Mijn eerste huis op Tanna was op de oude plaats, door de zendelingen Turner en Nisbet uitgekozen, dicht bij de kust, om begrijpelijke redenen, en slechts weinige voeten boven den zeespiegel gelegen. Even zoo lag de woning van den zendeling Mathieson, zeer geschikt voor het ontvangen van bouwstoffen en goederen en vlak aan het strand, waar de gezonde zeelucht ons tegenwoei. Helaas! wij moesten nog door treurige ervaring leeren, gelijk al onze broederen in nog onbezochte zendingsvelden.
De woonsteden bleken kweekplaatsen te zijn voor de koorts, de mijne voornamelijk, en wij zouden aan veel leed ontkomen zijn, indien wij op hooger grond gebouwd hadden, onder bereik van de zuiverende passaatwinden. Niemand was hier echter een verwijt van te maken; alles was gedaan naar ons beste weten en naar de kennis die wij toen bezaten. Ons huis was aan den achterkant beschut door een heuvel van drie tot vier honderd voet hoog, die er een gevoel van veiligheid en gezelligheid aan gaf. Het was omringd en dicht beschaduwd door schoone brood-boomen en zeer hooge kokosboomen; waarlijk te schoon en te lommerrijk, want zij beletten den doortocht aan menige zuiverende windvlaag, die wij maar al te zeer behoefden! Er was een uitgestrekt moeras langs de kust en daar de grond waarop onze woning stond, aan de andere zijde der baai nauwelijks merkbaar hooger was, omringden de schadelijke uitdampingen van het moeras ons bijna altijd. Eens, nadat ik een hevigen aanval van koorts had doorstaan, zeide een verstandig opperhoofd tot mij: »Missi, indien gij hier blijft wonen, zult gij spoedig sterven! Geen man uit Tanna zelfs zou zoo laag kunnen wonen in dit vochtig weder, zonder het met den dood te bekoopen. Wij wonen op hoogen grond en de passaatwind houdt ons gezond. Gij moet op den heuvel uwe woning bouwen, daar zult gij gezonder zijn.quot;
Ik besloot terstond mijn huis op hooger grond te verplaatsen, zoo spoedig ik daartoe in de gelegenheid zou zijn; hoe moeielijk de onderneming mij ook vallen zou, scheen mij dit toch het eenige middel om op dit eiland te blijven leven.
Mijn lieve jonge vrouw, Mary Ann Robson en ik waren op den 511™ November 1858, in volmaakte gezondheid en vol van de teederste en heiligste verwachtingen op Tanna aangekomen. Op 12 Februari 1859 werd ons een zoon geboren; gedurende zoowat twee dagen schenen moeder en kind gezond en voorspoedig, en de reinste vreugde vervulde mijn hart! Maar op deze vreugde zou de hevigste droefheid volgen. De krachten van mijne lieveling kwamen niet terug. Eenige dagen voor de geboorte van haar kind had zij een aanval van koorts gehad, en op den derden dag daarna keerde de koorts terug en overviel haar gedurende veertien dagen om den anderen dag met toenemende hevigheid. Daarop volgden diarrhee en verschijnselen van longontsteking soms met lichte aanvallen van ijlhoofdigheid en toen geheel onverwachts op den 3(U\'n Maart stierf zij. Om mijn leed te bekroonen, en mijne eenzaamheid nog volkomener te maken, werd ook mijn zoontje, dien wij naar haar, vader,
56
LEVEN EN DOOI) OP 1\'ANNA.
Peter Robbert Robson, genaamd hadden, op 20 Maart van mij weggenomen, na eene week ziek te zijn geweest. Alleen zij, die ooit door eene dergelijke zware beproeving zijn heen gegaan, kunnen met mij gevoelen in mijne diepe smart: wat anderen betreft, het zou vergeefsche moeite zijn om te trachten hen mijne droefheid af te schilderen!
Ik begreep, nu het te laat was, dat wij ons werk hadden aangevangen op een ongunstig tijdstip, te dicht voor de nadering van den regentijd. Wij waren echter beiden gezond en vol moed geweest; ik maakte dagelijks vorderingen met het huis; ieder uur bracht meerdere gemakken aan, in de hoop, dat ons een lang leven wachtte, om voor Jezus te besteden in de redding van de verloren Heidenwereld. O! hoe bitter betreurde ik het, dat ik mijne vrouw niet op Aneityum gelaten had, tot het ongezonde regenseizoen voorbij was! Maar niemand had ons deze schikking aangeraden en zij, moedig, vol hoop, en bevreesd om zonder mij achter te blijven of om mij zonder haar naar Tanna te zien vertrekken, wilde zelfs van zulk eene schikking niet hooren. In onze onervarenheid, en met harten gloeiende van ijver voor de taak, waaraan ons leven gewijd was, hadden wij ons blootgesteld aan een gevaar, waaraan men zich nimmer moest blootstellen en het is ook alleen in de hoop, dat anderen hierdoor gewaarschuwd mogen worden, dat ik deze dingen ter neder schrijf.
Bedwelmd door dit vreeselijk verlies bij het begin van den loopbaan, waarin de Heere zelve mij zoo duidelijk geleid had, scheen het mij voor een oogenblik, alsof ik het verstand zou verliezen. De verraderlijke ziekte, die telkens wederkwam, en somtijds haar hoogtepunt bereikte, wanneer zij in mijn lichaam brandde, verzwakte en verteerde ook mij. Nimmer echter was ik geheel verlaten. De altijd barmhartige God gaf mij kracht, om het dierbaar overschot van mijne geliefden in het stille graf te leggen, dat ik voor hen gegraven had, dicht bij mijne woning, want in deze laatste eerbewijzen moesten mijne eigene handen, niettegenstaande mijn hart bijna brak, het voornaamste deel nemen! Ik bouwde een monument van koraalblokken op het graf en bedekte het van boven met schoon wit koraal, fijngemalen als kiezelzand; en deze plaats werd mijn geliefd en veel bezocht heiligdom, gedurende al de volgende maanden en jaren, waarin ik mijn werk tot redding van deze woeste eilanders, onder moeilijkheden en doodsgevaren voortzette. Wanneer Tanna zich tot den Heer keert, en voor Christus gewonnen wordt, zullen de menschen in later dagen de herinnering aan die plaats nog zegenen, waar ik met onophoudelijk gebed en tranen het land met geloof en hoop voor God opeischte, waarin ik »mijne dooden had begraven.quot; Indien de Heer Jezus mij niet ter zijde had gestaan, zou ik zeker mijn verstand verloren hebben en zou gestorven zijn naast dat eenzame graf.
Het orgaan van de gemeente waartoe wij behoorden. The Reformed Presbyterian Magazine, plaatste de volgende woorden van deelneming:
»Een gevoel van smart en deelneming bij het vernemen van den dood van mevr. Paton, zal zich zeker meester maken van de harten van allen, die haar gekend hebben. Om iets te willen voegen bij de juiste en gevoelvolle woorden, die de heer Inglis aan de nagedachtenis van de overledene wijdt, zou alleen dienen om de uitwerking van die woorden te verzwakken. Zulk eene taal van iemand, die gewoon is ieder woord, dat hij ter neder zet, zorgvuldig te wegen, toont ons reeds dadelijk de zeldzame hoedanigheden aan van haar, die ons ontvallen is, als ook het groot verlies dat onze Zending en onze Kerk door haar dood geleden hebben. Hare ouders die haar den Heer hadden afgestaan, hebben deze troost in hunne droefheid, dat haar dood een grooter invloed ten goede
57
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
moge uitoefenen, dan het langste leven van vele gewone christenen. Diep medegevoel met den heer Paton in zijn treurig verlies zal ons en de ge-heele gemeente vervullen.quot;
Dr. Inglis, mijn mede-zendeling op Aneityum, schreef aan hetzelfde tijdschrift: »Ik vertrouw, dat allen, die tranen van droefheid over haar vroegtijdigen dood schreien, de kracht zullen ontvangen om in geloof en onderwerping te zeggen: »De wil des Heeren geschiede; de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!quot; Ik behoef niet te zeggen, welk innig medelijden wij gevoelen met hare beproefde ouders, en met haar treurenden echtgenoot. Door haar dood heeft ook de zending een groot verlies geleden. Wij waren zeer met mevr. Paton ingenomen gedurende den korten tijd, waarin wij haar bijzijn mochten genieten. Haar geest, van nature krachtig, was door eene uitmuntende opvoeding zeer ontwikkeld. Zij bezat den waren zendingsgeest en stelde een wezenlijk belang in het lot van de vrouwen der Inboorlingen. Dit merkten wij nog duidelijker op, toen zij naar Tanna ging, waar zij in minder dan drie maanden eene klasse van acht vrouwen bijeengebracht had, die geregeld bij haar kwamen, om onderricht te ontvangen. Zij bezat eene rijpheid van gedachte, eene vastheid van karakter, eene verhevenheid van doel en oogmerk, die men zelden aantreft bij iemand van zoo jeugdigen leeftijd. Van hare kindsheid aan opgevoed in de vreeze des Heeren, had zij klaarblijkelijk, gelijk Maria, het goede deel verkoren, dat aan niemand, die het bezit, kan ontnomen worden. Toen zij dit eiland verliet, had zij naar menschelijke berekening, eene lange, nuttige en gelukkige loopbaan op aarde voor zich, maar de Heer had het anders beschikt. Zij is, gelijk wij hopen, in de hemelsche rust ingegaan. De Heer heeft tot haar gelijk tot David gezegd: »Gij hebt goed gedaan, dat het in uw hart geweest is Mijn naam een huis te bouwen.quot; Laat ons waken en bidden, want de Heer komt als een dief in den nacht.quot;
De Zending-synode van Tanna teekende 27 April 185Q het volgende op: »Dat de vergadering betuigde diep en innig medegevoel te hebben met den heer Paton in de smartelijke beproeving, die de Heer noodig geoordeeld heeft over hem te doen komen door den dood van zijne beminde vrouw en kind; en dat de zendelingen betuigen, dat er een groot verlies is geleden door den vroegen, plotselingen en onverwachten dood van mevr. Paton. Haar ernstig, christelijk karakter, hare overgegevenheid aan het werk der zending, hare uitmuntende opvoeding, hare vriendelijke en hulpvaardige gemoedsgesteldheid en de invloed, die zij nu al over de Inboorlingen had weten te verkrijgen, deden de schoonste verwachtingen koesteren omtrent het nut, dat zij zou hebben kunnen stichten. Dat zij hunne innige deelneming betuigen aan de ouders en andere familie-betrekkingen van de overledene; dat zij den heer Paton aanraden een tijdlang naar Aneityum te gaan tot herstel zijner geschokte gezondheid; dat zij hem aanbevelen aan de teedere hoede van Hem, die gezonden werd om alle treurenden te troosten, en dat zij deze treffende beschikking van Gods Voorzienigheid aanmerken als een luide roepstem ook tot hen, om ernstiger te letten op den staat hunner eigene zielen en ijveriger te zijn in het opwekken van anderen, om hunne eeuwige belangen niet te veronachtzamen.quot;\'
Spoedig na haar dood kwam bisschop Selwijn in zijn zendingschip te Port Resolution op Tanna aan. Hij kwam, vergezeld van den heer J. B. Patteson, om mij een bezoek te brengen. Zij hadden mijne vrouw het vorig jaar kort na onze aankomst op Aneityum ontmoet, en, daar zij toen een toonbeeld was van gezondheid, gevoelden zij ook haar verlies
58
LEVEN EN DOOD OP l\'ANNA.
zeer diep. Toen wij te zamen naast het graf van moeder en kind stonden, ik luid snikkend aan den eenen kant en Patteson (later de martelaarbisschop van Nakupu) zacht weenend aan de andere zijde, stortte de vrome bisschop Selwijn zijn hart onder snikken en tranen voor God uit, terwijl hij zijne handen op mijn hoofd legde en de rijkste vertroostingen en zegeningen afsmeekte over mij en mijn moeilijken arbeid. De kracht van deze bisschoppelijke zegening gevoelde ik toen en gevoel ik nog zeer diep. — Zij noodigden mij herhaaldelijk uit, om een uitstapje met hen naar de verschillende eilanden te maken, daar mijn leven voortdurend in groot gevaar was bij de Wilden; zij boden edelmoedig aan, om mij terstond naar Aneityum te geleiden, of waar ik ook heen mocht wenschen te gaan, daar ik groote behoefte had aan rust en verandering. Maar, hoewel hen zeer dankbaar voor hunne vriendelijkheid, besloot ik toch te blijven waar ik was, daar ik mij op de plaats bevond, waar God mij gebracht had; en behalve dat, daar ik vreesde dat de Inboorlingen, indien ik eenmaal vertrok, mij bij mijne terugkomst op hun eiland niet weder zouden doen landen, besloot ik het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel ik mij zeer zwak gevoelde en hevig door de koorts leed.
Droefheid en liefde doen mij een weinig uitweiden over dit onderwerp en de uittreksels aanhalen, gedrukt in de Rcfor7ned Presbyterian Magazine van Januari 1860, waarin ook de laatste brief van mijne echtgenoote aan hare vrienden voorkwam. Hij is gedateerd van Port Resolution, 28 December 1858.
Lieve Vader, Moeder en Zusiers!
Toen ik u het laatst schreef, waren wij op het punt Aneityum te verlaten en ons naar Tanna te begeven, dat ons toekomstig arbeidsveld is. Men kan zich geen voorbeeld vormen van den staat van verduistering en verdorvenheid, waarin deze arme heidenen verkeeren, tenzij men werkelijk onder hen woont. Wij vertrouwen, dat de wolk, waarin Tanna zoo lang gehuld is geweest, spoedig zal verdwijnen en dat het licht van de Zon der Gerechtigheid dit duister eiland spoedig zal verlichten.
Wij zijn nu zoowat twee maanden hier geweest, en tot dusverre schijnt het volk, waaronder wij leven, ons vriendelijk gezind. In de nabijheid van de bergen hebben vele priesters hun verblijf, van wie wij veel tegenstand ondervinden, daar zij weten dat overal waar de zendelingen veld winnen onder het volk, hun invloed verloren gaat. De Tanneezen zijn zeer hebzuchtig. Indien een hunner ons den ge-ringsten dienst bewijst, vraagt hij eene buitensporige betaling daarvoor, zoodat wij hen waarlijk nauwelijks kunnen tevreden stellen. Wij hebben een aantal mannelijke, doch slechts weinig vrouwelijke bezoekers; deze laatste zijn als slavinnen bestemd om al het werk te verrichten. De mannen mismaken hunne aangezichten door ze met rood en zwart te beschilderen en zijn altijd met speeren en knotsen gewapend. In het eerst was ik zeer verschrikt van hun uiterlijk, maar men gewent zich spoedig aan zulk een gezicht.
Zij bezitten ook kruit en geweren; tabak en vuurwapenen maken inderdaad de voornaamste voorwerpen van hun verlangen uit. Hun toestand is zoo verdorven, dat, ware er geen kracht en genade van den Algenoegzamen God te verwachten, men bijna zou wanhopen ooit eenigen indruk op hen te maken. Al de Inboorlingen zijn geheel naakt, met deze uitzondering, dat de vrouwen korte rokken, van gras
59
60
gemaakt, dragen. Jonge meisjes houden zeer veel van koralen en hebben er den hals soms mede bedekt. Zij boren ook gaten in de ooren, waaraan zij groote ringen van schildpad hangen. Twee of drie kleine meisjes komen dagelijks bij mij; ik leer ze naaien en zingen; maar wij kunnen niet veel goeds onder hen verrichten, voor wij hunne taal machtig zijn. Wij weten reeds een aantal woorden, en zullen, onder Gods zegen, spoedig in staat zijn tot hen te spreken over hetgeen tot hun eeuwigen vrede dient.
Port Resolution is eene schoone baai. Ik heb nooit zulk een liefelijk oord gezien. Alles is aangenaam voor het oog, alleen de mensch is verdorven. Ons huis staat aan de baai, op dezelfde plaats waar vroeger Dr. Turners woning stond, van waar hij vijftien jaar geleden heeft moeten vluchten. Wanneer het vloed is, komt d? zee tot op weinige mijlen afstands van onze deur. De heer Copeland woont op het oogenblik bij ons. Gedurende het regenseizoen is hij soms bij ons, en soms bij den heer Mathieson, die eene zwakke gezondheid heeft.
De thermometer wijst gemiddeld 80 a 85 graden aan. Daar het regenseizoen nu aangebroken is, zullen wij gedurende drie of vier maanden waarschijnlijk geene gelegenheid tot het verzenden of ontvangen van brieven hebben. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik kan het mij nauwelijks voorstellen, dat er negen maanden verloopen zijn, sedert ik mijn geliefd Schotland verlaten heb. Wat zal er veel veranderd zijn, voor ik het wederom bezoeken zal! Mijn echtgenoot en ik zijn volmaakt wel en, ofschoon de hitte zeer hevig is, bevalt ons het klimaat wel. Ik werisch u allen een gelukkig Nieuwjaar en nog vele gelukkige jaren! Ik schrijf wat haastig, daar er een schip onze haven heeft aangedaan, dat morgen ochtend weer vertrekt. Ik verwacht wanneer gij schrijft, al het nieuws wat er is te vernemen, want mijne belangstelling in familie en vrienden is in het minst niet afgenomen.
Nu moet ik eindigen: na hartelijke groeten aan u allen en aan al mijne oude kennissen, geloof mij uwe u altijd liefhebbende dochter en zuster
Mary Ann Paton.
Hare laatste woorden waren: »0, dat mijne lieve moeder hier ware! Zij is eene goede vrouw, een juweel van een vrouw!quot;
Toen zij den heer Copeland vlak bij zich bemerkte, sprak zij: »0, mijnheer Copeland, ik wist niet, dat gij hier waart! Gij moet niet denken, dat ik het betreur, hier gekomen te zijn en mijne moeder verlaten te hebben. Indien ik alles weer over moest doen, zou ik met nog meer genoegen, ja, met mijn gansche hart weder even zoo handelen, als ik gehandeld heb.quot;
Spoedig hierna opziende en haar hand in de mijne leggende, zeide zij: »J. C. schreef eens aan onze Janet, dat jonge christenen onder hunne eerste indrukken dachten, dat zij alles konden doen en ieder offer aan Jezus konden brengen en hij vraagde haar of zij het geloofde, want hij meende, dat zij, wanneer zij op de proef gesteld werden, zouden te kort schieten. Janet schreef terug, dat zij geloofde aan de mogelijkheid van eene geheele overgave en (voegde zij er met grooten nadruk bij) ik geloof er ook aan!quot;
Op een oogenblik, toen ik er in het minst niet aan dacht, ontsliep zij in Jezus met deze woorden op hare lippen: »Niet verloren, maar slechts vooruit gegaan, om voor altijd met den Heer te wezen.quot; Deze woorden werden sedert dien tijd voortdurend in mijn binnenste herhaald.
LEVEN EN DOOD OP TANNA.
61
Van den dag af, waarop wij in den echt vereenigd werden, was er altijd een vreemd voorgevoel in mijn hart geweest, dat mij zeide, dat ik haar spoedig en onverwachts zou verliezen. Misschien ben ik niet de eenige, die te kampen heeft gehad met het treurig voorgevoel, dat hetgeen het dierbaarst was, het spoedigst zou weggenomen worden. Ons kort samenzijn was zeer gelukkig geweest; ik gevoelde in dat vreemde land haar verlies onbeschrijfelijk diep. Het was zeer moeielijk om onderworpen te zijn, nu ik alleen in zulke treurige omstandigheden achterbleef, maar, daar ik vast verzekerd was van de wijsheid en liefde van mijn God en Vader, die niet kan dwalen in hetgeen Hij doet of toelaat, zag ik tot den Heer om hulp op en streefde voort in Zijn werk. Ik beweer niet zulke verborgenheden te kunnen doorzien, als God de jonge, veelbelovende discipelen wegneemt, die naar onze meening zoo zeer noodig waren voor het werk in Zijn dienst, maar dit weet en gevoel ik, dat in het licht van zulke beproevingen, het ons eenig streven moet zijn, om onzen gezegenden Heer Jezus te dienen en lief te hebben, opdat wij gereed mogen zijn, wanneer Zijne roepstem om het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen, ook door ons wordt gehoord.
Inboorlingen op Tanna. — In den ban gedaan. — Jehova\'s regen. — quot;Big Hays.quot; — Oorlog en menscheneten. — Het lot der vrouwen. — Heilige dagen. — Het prediken in de dorpen. — Predikers uit de Inboorlingen. •—■ De oorlogsschelp. — Vreeselijk bijgeloof. — Een bloedig verbond. •— Raad van opperhoofden. — Verdediging van de vrouwen.—• Een vredesverbond.— Geheime discipelen. — Een ehristelijk-heidensche begrafenis. — Slimme dieven — Schepen in brand. —• H. M. S. quot;Cordelia.quot; — Kapitein Vernon en Miaki — De kapitein en onze opperhoofden. — De quot;John Williamsquot; — Voorbijgaande indrukken. — Een huis op den heuvel — In de klauwen van de koorts. — De edele oude Abraham. — Armstoel-critici.
IN den eersten brief, dien de heer Copeland en ik verzonden naar de gemeente in het vaderland, waardoor wij waren uitgezonden, kwamen de volgende mededeelingen voor;N den eersten brief, dien de heer Copeland en ik verzonden naar de gemeente in het vaderland, waardoor wij waren uitgezonden, kwamen de volgende mededeelingen voor;
»Wij bevonden de Tanneezen beschilderde Wilden te zijn, in alle bij-geloovigheden en in alle zonden van het heidendom levende. Alle mannen en kinderen zijn naakt. De meer bejaarde vrouwen dragen rokken van gras en de jonge vrouwen en meisjes voorschoten van gras of bladeren gelijk Eva in den hof van Eden. Zij zijn buitengemeen onwetend, slecht en bijgeloovig en bijna van alle natuurlijk gevoel ontbloot. In plaats, dat de bewoners van Port Resolution verbeterd zijn door den omgang met blanken, zijn zij integendeel slechter geworden; want zij hebben al hunne ondeugden overgenomen, maar geene van hunne deugden — indien de handelaars, die hen van tijd tot tijd bezoeken, die ten minste nog bezitten 1 De kooplieden in Sandelhout zijn een goddeloos soort van men-schen, wier slechtheid en wreedheid ons beschaamd doen zijn, om hen als onze landslieden te erkennen. Door hen worden de arme Inboorlingen, die zich niet verdedigen kunnen, aan alle kanten beroofd, en indien zij den minsten tegenstand bieden, worden ze zonder mededoogen tot zwijgen gebracht door een geweer of revolver. Weinige maanden gaan hier voorbij, zonder dat een hunner op die wijze zijn dood vindt en in plaats dat hunne moordenaars er beschaamd over zijn, beroemen zij er zich op, dat zij zich zoo van hen weten te ontslaan. Zulk eene behandeling doet de Inboorlingen branden van verlangen, om zich te kunnen wreken, zoodat het wonder is, dat eenig blanke nog onder hen mag komen wonen,. De kooplieden hier kunnen zich dan ook alleen handhaven door het gebruik
DE ZENDING OP ÏANNA.
van geweren en buksen; maar wij hopen, dat er een betere toestand voor Tanna op handen is.
Spoedig waren zij aan ons verblijf onder hen gewoon, en begonnen hunne hebzucht en bedriegelijkheid op alle mogelijke wijzen te toonen. De opgerhoofden vereenigden zich en weigerden ons de helft van het kleine stuk lands, dat wij gekocht hadden, en waarop wij ons zendingshuis moesten bouwen, te geven, en toen wij trachtten het gedeelte, dat zij ons hadden gelaten, te omheinen, deden zij het in den priesterban, d. i. zij dreigden ons en onze helpers van Aneityum met den dood, indien wij verder met het werk voortgingen. Dit deden zij door hier en daar stukken riet rondom onze woning in den grond te plaatsen, waarvan onze Aneityumeesche bedienden terstond de bedoeling begrepen en ons waarschuwden, dat er gevaar was; wij hielden dus op met het plaatsen der omheining, opdat wij, indien het mogelijk ware, alle beleediging mochten vermijden. Daarop verdeelden zij de weinige broodboomen en kokosboomen, die op den grond stonden onder elkander, en vraagden zulk eene hooge betaling voor deze boomen, als wij niet konden geven; en zij dreigden ons met wraak, indien de boomen door iemand onzer werden aangeraakt. Zij werden nu zoo onredelijk en beleedigend, en het werd zoo gevaarlijk voor ons, dat ons verblijf in hun midden hoogst moeielijk werd. Omstreeks dezen tijd deed een schip onze haven aan; ik schafte mij bij den kapitein de voorwerpen aan, die zij in betaling verlangden; toen zij deze ontvingen, hieven zij den ban op en schenen voor een poosje wat vriendelijker jegens ons gestemd. Dit was de derde betaling, die zij voor dat stuk gronds ontvingen en toegeven was zeer verkeerd, maar, hoewel wij dit duidelijk gevoelden en zagen, moesten zij door eenig middel indien het mogelijk was, bevredigd worden, en moesten wij ons leven trachten te redden, indien dit geschieden kon zonder nadeel toe te brengen aan het christendom.
Na deze gebeurtenissen begonnen eenige weken droogte nadeel toe te brengen, aan den groei van den broodwortel en van den Indiaanschen vijgeboom of banana. De droogte werd terstond aan ons en onzen God toegeschreven. De Inboorlingen van ver en nabij werden bijeengeroepen, om in eene openbare vergadering de zaak te bespreken. Den volgenden dag kwamen Nouka, het hoogste opperhoofd, en zijn neef Miaki, het oorlogshoofd, ons berichten, dat twee machtige opperhoofden in de vergadering openlijk hadden verklaard, dat zij, indien de kustbewoners ons niet doodden of ons geboden het eiland te verlaten, alle Inlanders bijeen zouden doen komen, om onze opperhoofden en ons te vermoorden, tenzij er middelerwijl een overvloedigen regen kwam.
De vriendelijk gezinde Hoofden voegden er bij: »Bidt uw Jehovah God om regen en gaat voor een tijdlang niet ver buiten uwe deur; wij bevinden ons allen in het grootste gevaar en, indien er oorlog uitbreekt, vreezen wij, dat wij u niet zullen kunnen beschermen.quot;
Deze vriendschappelijkheid was echter slechts voorgewend; zij zelve, heilige mannen zijnde, beweerden de macht te bezitten om regen te zenden en terug te houden, en trachten nu de schuld van hunne nederlaag op ons te werpen. De woede van de arme, onwetende Heidenen werd daardoor tegen ons gekeerd. De barmhartige Vader in den hemel echter kwam ons wederom te hulp.
Op den volgenden Zondag, juist toen wij ons tot het gebed verzamelden, begon de regen te vallen, en in overvloed. De Inboorlingen geloofden allen, naar het scheen, dat de regen gezonden werd in antwoord op ons gebed; zij vergaderden wederom en besloten ons te vergunnen op
63
DE ZENDING OP TANNA.
Tanna te blijven. Helaas! de voortdurende en hevige regens voerden ziekte en koorts met zich en weder wezen hunne heilige mannen op ons als de oorzaak. Rukwinden vernielden hunne vruchten en vruchtboomen — nieuwe reden voor onze vijanden, om de schuld van alles op de zendelingen en hun machtigen God te leggen. Het gevaar en de beproeving van het leven onder een volk, dat zoo vreeselijk bijgeloovig was en zoo spoedig door vooroordeel en hartstocht beheerscht, werd dagelijks grooter.
Zaterdag namiddig, op den 6t,equot; Januari 1860, werden wij zeer verrast door een groot schip uit Sydne)^ in de haven van Port Resolution te zien komen, recht tegenover ons huis. Ofschoon de wind sterk en de zee gevaarlijk hoog was, waren de kapitein en de manschappen, gelijk ik later vernam, rustig gaan slapen. Langzamerhand maar duidelijk merkbaar werd het schip overgelaten, om heen te drijven als met voorbedachten rade, totdat het op het strand aan het boveneinde der baai strandde, werd stukgeslagen en in een wrak werd veranderd. Van dit ongeval gaven de onwetende Inboorlingen ons ook den schuld, gelijk van ieder ongewoon of onaangenaam verschijnsel op Tanna; maar wij waren er ons altijd van bewust, dat onze Heer Jezus ons nabij was, en alle beproevingen die ons leiden om in nauwere gemeenschap met onzen Zaligmaker te treden, zijn werkelijk verborgen zegeningen. De kapitein van het schip, bij ons alleen bekend als »Big Haysquot; en zijne vrouw, van wien men zeide, dat zij de vrouw van een man in Sydney was, die met hem was weggeloopen, en zijn scheepsvolk dat niet veel beter was dan hij, weerden door hun ergelijk gedrag een vreeselijke vloek voor onze arme Inboorlingen en verbitterden grootelijks de gevoelens jegens ons. Zij waren goed gewapend, en deden hun boozen wil onder de Inboorlingen, die zulk een groot gezelschap welgewapende mannen niet durfden aanvallen. Maar zij waren blanken, en dat waren de zendelingen ook; dat was genoeg voor de Wilden, en er zou wraak genomen worden op den eersten blanke, hoe onschuldig ook, die in hunne macht kwam.
De Inboorlingen van Tanna waren bijna voortdurend in oorlog onder elkander, iedereen deed wat recht was in zijne eigene oogen en bijna iedere twist eindigde in een grijpen naar de wapenen. Behalve vele gevechten, die ver in het binnenland yoorvielen, werd er ée\'n vlak bij ons huis geleverd, en verschillende rondom de haven. In deze schermutselingen werden vele mannen met knotsen geslagen en door pijlen gewond, maar in vergelijking met het wilde oproer en waanzinnige geschreeuw, dat er bij plaats vond, verloren betrekkelijk weinigen het leven. In een geval, waarvan wij stellig bericht verkregen, werden zeven mannen in een gevecht gedood, en naar het gebruik op Tanna aten de strijders en hunne vrienden hen op, na het einde van de schermutseling, terwijl de vrouwen van de verslagenen verworgd werden en op dezelfde wijze verslonden. Behalve deze verslagenen in den oorlog, hadden de Inboorlingen in onze streek acht personen gedood en opgegeten, voornamelijk bij offerplechtigheden.
Men zegt, dat het verlangen van den Kannibaal naar menschelijk vleesch zoo sterk wordt, dat hij menschen, die eerst kortelings begraven zijn, opgraaft, om zich daaraan te vergasten. Twee gevallen van deze stuitende barbaarschheid worden verhaald als plaats gehad hebbende onder de dorpsbewoners, die in onze nabijheid leefden. Bij eene andere gelegenheid, toen het groote opperhoofd Nouka onwel was, offerde het volk drie vrouwen voor zijn herstel. Al zulke wreede en afschuwelijke handelwijzen tachtte men echter voor ons te verbergen, en velen moeten op deze wijs omgekomen zijn, waarvan wij, ofschoon in hunne onmiddellijke nabijheid levende, niets vernamen.
64
/
DE ZENDING OP TANNA. 65
Onder de heidenen op de nieuwe Hebriden en voornamelijk op Tanna, is de vrouw de vertrapte slavin van den man. Zij moet hard werken en draagt de zwaarste lasten, terwijl hij aan hare zijde wandelt met geweer, knots of speer. Indien zij hem beleedigt, slaat of mishandelt hij haar naar genoegen. Een Wilde sloeg zijne arme vrouw onbarmhartig, onmiddellijk nabij ons huis en onder onze oogen, terwijl wij te vergeefs moeite deden, het te verhinderen. Zulke tooneelen waren zoo gewoon, dat niemand eraan dacht, er tusschen te komen. Zelfs als de vrouw onder zijne handen dood bleef of onmiddellijk daarna stierf, sloegen de buren er weinig, zooal eenige acht op. En hunne kinderen werden zoo slecht verzorgd, dat het mijne voortdurende verbazing opwekte, dat zij nog in het leven bleven. Zoo spoedig zij in staat zijn rond te loopen, worden zij letterlijk aan zich zeiven over gelaten, van daar de weinige toegenegenheid, die zij aan hunne ouders betoonen, waaruit voortvloeit, dat de ouden lieden die niet meer tot werken in staat zijn niet verzorgd worden, maar verhongeren moeten en soms zelfs door geweld om het leven worden gebracht.
De opvoeding van een jongen bestaat hierin, dat men hem leert handig met pijl en boog omgaan, de speer onberispelijk op het mikpunt werpen, en krachtig de knots en de strijdbijl zwaaien en ook, wanneer zij ze in hun bezit kunnen krijgen, goed met geweer en revolver schieten. Hij vergezelt zijn vader en broeders in alle oorlogen en voorbereidselen tot den strijd, en wordt vlijtig ingewijd in al hunne wreedheden en slechte begeerten, hetgeen vooraf moet gaan, om later als een man aangemerkt te worden. De meisjes moeten met hare moeders en zusters werken en slaven in de dorpsplantages, al de bouwstoffen gereed maken om deze te omheinen, iederen last dragen en mogen willekeurig door de mannen en jongens geslagen worden. O! hoe treurig en vernederend is de staat der vrouw, daar waar de leer van Christus onbekend is of geminacht wordt! Het is de Christus van den Bijbel, Zijn Geest, in den mensch heerschappij voerend, die de vrouw heeft opgeheven, haar tot hulp en steun van den man heeft gemaakt en niet langer zijn speelbal of zijne slavin doet zijn.
Naar wij konden opmaken, bracht de heiden op Tanna, hoewel hij eenige verdeeling van de week in zeven dagen in acht schijnt te nemen, den Zondag ongeveer op de zelfde wijze als andere dagen door. Zelfs wanneer sommigen er toe gebracht werden om hunnen handenarbeid op dien dag op te geven brachten zij hem, gelijk maar al te veel christenen elders doen, met het bezoeken van vrienden en het najagen van zelfzuchtige vermaken, met feestvieren en drinken door. Nadat wij ongeveer een jaar op het eiland vertoeft hadden, hadden wij Zondags eene morgengodsdienstoefening in de kerk. die door tien opperhoofden en even zooveel vrouwen en kinderen, die bij hen behoorden, werd bijgewoond; wanneer echter de dienst afgeloopen was, wijdden zij verder geene aandacht aan den dag des Heeren. Op sommige van de meer noordelijk gelegen eilanden van de groep hadden de heidenen een geheiligden dag. Tweemaal gebeurde het ons, dat wij met de ■» Day springquot; rondzeilende, het anker uitwierpen voor een eiland, waar wij geen van de inboorlingen zien konden voor den volgenden dag, omdat zij, gelijk iemand ons in gebroken Engelsch mededeelde, gt;Wmn Zondag vierdenquot; en men ze dan niet zag rond loopen. Een aantal Tanneezen sprak een weinig Engelsch, maar deze waren de slechste en bedriegelijkste van allen. Zij hadden de spottende taal en de haat tegen de zendelingen en hun werk overgenomen van de kooplieden en dit, gevoegd bij hunne eigene heidensche vooroordeelen, maakte hen tot lastige en gevaarlijke menschen.
DE ZENDING OP TANNA.
Na de Zondagmorgen godsdienstoefening gingen wij gewoonlijk vele mijlen ver en bezochten alle dorpen, die in ons bereik lagen, zelfs voordat wij de taal van het volk zoo goed machtig waren, om vrij uit tot hen te spreken. Somtijds beschreven wij een grooten kring rondom hen, wij gingen tien of twaalf mijlen ver en even zoovele mijlen terug. Wij beproefden om wat te spreken tot allen, die wilden luisteren en wij gingen hen voor in de aanbidding van Jehovah, waar wij maar twee of drie personen vonden, die geneigd waren rondom ons te zitten of te knielen. Het was voor vleesch en bloed een moeilijk werk, en in vele opzichten ontmoedigend — er waren daar geen overeenstemmende harten, om ons aan te moedigen en ons op te heffen tot gemeenschap met den Heer! Maar het hielp ons om het volk te zien en met de omliggende streken bekend te worden; het verzekerde ons ook een aanzienlijk gehoor, wanneer er ten minste geen oorlog op handen was.
Voordat wij eenigszins met hunne taal vertrouwd waren, konden wij geene wezenlijke vorderingen maken in de mededeeling van geestelijke kennis. Door het aanleeren, gelijk te voren is medegedeeld, van de Tanneesche woorden voor: Wat is dat? en hoe is zijn of haar naam? verkregen wij de namen van menschen en voorwerpen en maakte verbazende vorderingen in het spreken. Wij vonden spoedig uit, dat er twee onderscheiden talen gesproken werden in en rondom Port Resolution; maar wij bepaalden ons tot de taal, die aan onze zijde van het eiland tot aan de andere zendingspost gesproken werd, en brachten het eerlang met Gods hulp en met grooten ijver zoo ver, dat wij tot hen konden spreken over de zonde en over de zaligheid door Jezus Christus
Twaalf onderwijzers uit Aneityum woonden in dezen tijd op Tanna, maar zij hadden geene scholen en geene boeken in de Tanneesche taal; want deze taal was nog nimmer in lettervormen voorgesteld, die gedrukt konden worden.
De grootste waarde van het werk der onderwijzers bestond, behalve in het spreken over Christus en den christelijken godsdienst tot het volk rondom zich, daarin, dat er in hun geest en karakter een edeler levenstype zichtbaar was, dan het heidendom kon aanwijzen.
Wanneer een nieuwe zendeling aankomt, is de eerste plicht van den onderwijzer hem te helpen in het bouwen van zijn huis, in het omheinen en de vele verschillende werkzaamheden, die er vereischt worden, om de nieuwe zendingspost in te richten; vervolgens moet hij hem vergezellen op zijne tochten in het binnenland, hem zooveel mogelijk ter zijde staan met betrekking tot de taal en in het algemeen in de bevordering van de goede zaak. Maar in eene streek, die nog nooit door iemand bezocht was, gelijk die op Tanna, moest de onderwijzer van Aneityum of van welk eiland ook, evengoed als de Europeesche Zendeling beginnen met de taal te bestudeeren en was daarom van weinig nut behalve voor handenarbeid en zelfs daarin moest hij zich nog meer door teekenen doen verstaan dan door woorden. Niet alleen heeft ieder eiland zijn eigen taal, die veel verschilt van de taal op ieder ander eiland en onverstaanbaar is voor anderen, maar zelfs de bewoners van het eene gedeelte van een eiland konden soms die van het tegenovergestelde gedeelte niet verstaan noch met hen spreken. Dit maakte ons werk op de Nieuwe Hebriden niet alleen bijzonder moeilijk, maar vertraagde ook den voortgang daarvan op bedroevende wijze.
Eens werd op Tanna het nieuws verbreid, dat de bewoners van Erro-manga in een twist met Sandalhout-kooplieden drie blanken en een aantal Inboorlingen in hun dienst vermoord hadden, om wraak te nemen
66
DE ZENDING OP TANNA.
over hunne schandelijke eischen en het dooden van Inboorlingen. Op Tanna werden zulke nieuwtjes verhaald en besproken, terwijl de opperhoofden en hunne krijgslieden bijeen zaten voor den avondmaaltijd die gewoonlijk eindigde met het drinken van Kava, een drank die eerst bedwelming veroorzaakt gelijk brandewijn en daarna verdooving gelijk een dosis laudanum.
Door de berichten uit Erromanga opgewonden, hadden zij meer dan gewoonlijk gedronken en lagen in hulpeloozen toestand rondom het drinkhuis van het dorp verspreid. Nu kwamen vijanden van een stam uit het binnenland steelsgewijze nader en schoten hunne geweren onder hen af in de duisternis, waarbij een man gedood werd, en zoo was, naar hunne gewoonte, de oorlog verklaard.
Den volgenden morgen vroeg zond Miaki, het oorlogshoofd, zijn heraut om de Conch (groote zeeschelp) te doen klinken en daardoor het volk ten strijde te roepen. Hij deed de haven en het land tot zes mijlen in de omtrek weerklinken en de woeste benden verzamelden zich op het bevel, Ons vertrouwen op God stellende, besloten wij bedaard met ons werk als naar gewoonte voort te gaan en den uitslag af te wachten. Opgewondenheid en schrik dreef de Inboorlingen heen en weder. Toen een man dicht bij ons bijna gedood werd, verzamelden zich zijne vrienden in grooten getale, en dreven met hunne knotsen en speren, strijdbijlen en musketten den vijandigen stam meer dan eene mijl het bosch in. Deze werd weder op zijne beurt versterkt en dreef de vijanden naar het strand terug. Daar, op korten afstand van elkander gezeten, voerden zij een soort van Homerischen scheldwedstrijd uit en koelden hunne woede door elkander verwijtingen naar het hoofd te slingeren. Eene groote verligting scheen daaruit voort te vloeien, want de ijverzuchtige opperhoofden naderden daarop ons huis en verzochten mij hunne wonden te verbinden! Ik deed het en drong bij hen aan op vrede en zij beloofden mij den strijd te zullen eindigen.
Zulke beloften waren, helaas! slechts van voorbijgaanden aard, want ik vernam kort daarna bij mijne terugkomst van Aneityum, waar ik veertien dagen had doorgebracht, om te herstellen van een aanval van koorts, die ongeveer drie maanden geduurd had, dat acht van de kustbewoners vlak bij ons huis te port Resolution vermoord waren. De Inboorlingen waren in vreeselijke onrust en verwarring en vraagden zich beangst af, wiens beurt het nu zou zijn, om het leven te verliezen.
Ongeveer terzelfder tijd dat mijne lieve vrouw stierf, was onze broederzendeling, de heer Mathieson, ook zeer ziek geworden. Zijn zwak lichaam ging hoe langer hoe meer achteruit, zelfs zijn geest leed er onder en hij werd bijna stervend naar Aneityum vervoerd. Deze treurige bezoekingen hadden eene slechte uitwerking op de Inboorlingen, hetgeen aan hun bijgeloof omtrent de oorzaak van ziekte en dood was toe te schrijven. Wij hadden reden te vreezen, dat zij zelfs ons geliefd graf niet zouden ontzien, waarover wij een tijd lang zorgvuldig wacht hielden, maar God hield hen in Zijne goedheid hiervan terug. Ongelukkigerwijze echter werd een van mijne Aneityumeesche onderwijzers, die naar de zendingpost van den heer Mathieson was gegaan, ziek en stierf daar en dit wekte al hunne vooroordeelen opnieuw op. De arme man had nog voor zijn dood gezegd; »Ik zal niet naar Port Resolution terugkeeren en mijn goeden Missi niet wederzien; maar zeg hem dat ik gelukkig sterf, want ik heb Jezus lief en ik ga naar Jezus.quot;
Toen zij van deze dingen hoorden, vraagden de Inboorlingen mij op onbeschaamde wijze, hun de oorzaak mede te deelen van dezen dood en
67
68
van de ziekte van den heer Mathieson en van de andere sterfgevallen. Daar andere redeneeringen en uitleggingen nutteloos waren, keerde ik de zaak oni, en verzocht hun mij te zeggen, waarom al deze rampen en sterfgevallen ons in hun land overkomen waren, en of zijzelve niet van alles de oorzaak waren. Hoe vreemd het moge klinken, deze eenvoudige vra:ag keerde den geheelen loop hunner gedachten. Zij hielden samenkomst aan samenkomst gedurende vele dagen, om de zaak te bespreken, en brachten mij eindelijk dit antwoord:
j.Wij verwijten a niets en gij moet ook ons deze ongelukken niet verwijten, want wij gelooven, dat een man uit het binnenland een gedeelte van iets, dat wij gegeten hebben, moet bemachtigd en dat moet geworpen hebben voor den grooten Boozen Geest in den vuurspuwenden berg, waardoor ons al deze ellende overkomen is.quot;
Een ander opperhoofd verdedigde zich en anderen aldus:
»Karapananum, de Auruman of groote Booze Geest van Tanna, dien wij allen vreezen en dienen veroorzaakt deze ongelukken; want hij weet, dat, indien wij dienaren van uw oppersten God worden, wij niet kunnen voortgaan met hem te vreezen en hem het beste van alles aan te bieden, gelijk onze voorouders dat altijd gedaan hebben; hij is vertoornd op u en op ons allen.quot;
De vrees, dat de ongelukken en sterfgevallen aan hen toegeschreven zouden worden, legde hen tegenover ons voor een tijd het stilzwijgen op, er was echter maar weinig noodig om hen in onze vijanden te veranderen, gelijk de volgende gebeurtenis zal aantoonen.
Mowhat, een bejaard opperhoofd van hoogen rang op Aneityum, die de Tanneesche taal sprak en zeer gezien was bij al de Inboorlingen aan de zuidzijde van Tanna, kwam ons eiland bezoeken. Na zijne terugkomst op Aneityum werd hij zwaar ziek en stierf in weinige dagen. DeTanneezen, dit hoorende, schreven het ongeval aan mij en mijn godsdienst toe en besloten ons huis en onze eigendommen te verbranden, en ons allen te vermoorden of ons van hun eiland te verjagen. Mowhats broeder werd toen van Aneityum gezonden, om met de Tanneezen te spreken en hen te bevredigen, maar ongelukkig sprak hij de taal niet goed, en de onderwijzers uit Aneityum gevoelden, dat hun leven in dezen tijd in groot gevaar was, zoodat zij hem niet durfden vergezellen, om hem als tolk te dienen, terwijl ik hem ook niet dienen kon, daar ik zijne taal niet verstond, noch hij de mijne.
Binnen twee dagen na zijne aankomst kreeg hij een hevigen aanval van koorts, en, ofschoon het schip, waarmede hij gekomen was, acht dagen vertoefde, was hij al dien tijd niet in staat zich van zijn ziekbed op te richten, zoodat zijn welgemeend bezoek ons veel kwaad deed. De Tanneezen werden woedend. Dit was het zekerste bewijs, dat wij de oorzaak van al hunne ziekten en sterfgevallen waren. In het binnenland en langs de windzijde van het eiland, wanneer zij maar ver genoeg van ons verwijderd waren, zeiden zij, genoten de Inboorlingen, eene uitmuntende gezondheid. Vergaderingen werden weder belegd, opgewonden redevoeringen geuit, en er werden feesten gevierd, waarvoor men zeide dat verscheidene vrouwen werden opgeofferd, die gekookt en opgegeten werden; dit was het zegel van het verbond op leven en dood, dat zij met elkander sloten.
Op den morgen van den volgenden Zondag hoorden wij, wat men ons zeide, de doodskreten te zijn van twee vrouwelijke offers; maar wij gingen er niet heen, — wij hadden de macht niet om haar te redden, en de Wilden wachten slechts op zulk eene gelegenheid om ook ons te offeren.
DE ZENDING OP TANNA.
Spoedig daarna kwamen drie vrouwen naar onze woning loopen, en smeekten ons met tranen in de oogen haar te beschermen, daar hare echtgenooten haar wilden dooden. Helaas! wij konden niet eens genade voor haar vragen, daar de Tanneesche en Aneityumeesche onderwijzers ons daartegen waarschuwden, en zeiden, dat wij terstond zouden vermoord worden, indien wij er ons in mengden, daar de mannen in razernij verkeerden door hun zucht naar bloed. Op een anderen dag kwamen acht inland-sche meisjes tot ons en zaten den ganschen dag voor ons huis, zeggende, dat zij bang waren om naar huis te gaan, daar de mannen aan het vechten waren met hunne vrouwen en haar doodden. Bij het vallen van den nacht echter, gingen de arme schepsels heen, wij weten niet wat er van haar geworden is.
De inwoners mijlen ver in het rond vereenigden zich tot onzen ondergang, maar God gaf het zelfs Wilden in het hart, ons te beschermen. De oude Nowar, het opperhoofd, op wiens grond wij leefden en Arkurat, het opperhoofd dat onder hem stond, namen zich voor ons te verlossen. In vereeniging met Manuman en Sirawia stemden zij in de Openbare Vergadering, tegen ieder plan, om ons van het leven te berooven. Sommigen uit hun volk bleven ons ook vriendelijk gezind; zij waarschuwden ons, door middel van de Aneityumeesche onderwijzers, wanneer er gevaar dreigde en beschermden ons leven. Vastbesloten hunne plannen niet verijdeld te zien, werd er eene samenkomst van al onze vijanden op het eiland bepaald, en er werd in het openbaar besloten, dat er eene bende mannen zou verkozen worden, die in last kregen, om allen die de zending genegen waren, waaronder ook den ouden Nowar, te dooden, en niet alleen deze maar ook een koopman, die sedert kort aldaar geland was en er zich metterwoon had neergezet, opdat er niemand mocht overblijven om aan de Blanken bericht van hunne daad te geven en zoo straf over de bewoners van het eiland te brengen. De waanzinnige opgewondenheid kreeg den boventoon en de duivel scheen de geheele vergadering te bezielen, toen onder een aandrang, die zeker van den Heer der Barm-hartighe id kwarn, een groot aanzienlijk oorlogshoofd, die zich tot hiertoe stilgehouden had, opstond, zijne vreeselijke knots zwaaide en die op den grond neerwierp, met den uitroep; »De man, die Missi doodt, moet mij eerst dooden; de man, die de onderwijzers van de zendingspost doodt, moet mij en mijn volk eerst dooden, want wij zullen hem terzijde staan en hem tot den dood toe verdedigen.quot;
Oogenblikkelijk viel een ander opperhoofd donderend in met dezelfde verklaring, en de groote vergadering ging verschrikt uiteen. Deze bevrijding was des te opmerkelijker, daar deze beide Hoofden bijna vier mijlen landwaarts in woonden, en, daar zij als ziekte-makers en heilige mannen bekend stonden, als onze bitterste vijanden werden beschouwd. Het was eens gebeurd, dat een broeder van een dezer Hoofden in den slag gewond was geworden en ik zijne wonden had verbonden, waarop hij genezen was\'; dit was misschien de reden, waarom hij gunstig tegenover mij gestemd was. Maar ik hecht niet heel veel waarde aan dezen beweeggrond, want het bleek zonneklaar, dat de Heer Jezus op dien dag merkbaar tusschen-beide trad, om ons te redden. Mijne weerlooze metgezellen en ik hadden den dag doorgebracht in ernstige gebeden en tranen, en onze harten vloeiden over van dank aan den Zaligmaker, die ons uit der leeuwen muil verlost had.
De opgewondenheid bekoelde niet dadelijk, de mannen gingen voort met hunne vrouwen voor het minste vergrijp te mishandelen. Bij iedere voorkomende gelegenheid laakte ik hun gedrag en berispte hen streng
69
70 DE ZENDING OP TANNA.
daarover, voornamelijk een ellendeling, die zijne vrouw vlak tegenover onze woning sloeg en ook eene andere vrouw, die haar wilde beschermen. Den volgenden dag keerde hij terug met eene gewapende bende en bedreigde ons leven, maar ik stond vlak voor hunne wapenen en bestrafte hen moedig, terwijl ik dien man in het bijzonder verweet, dat zijn gedrag slecht en lafhartig was. Ten laatste bekoelde zijne woede, en hij plantte zijne knots in eene berouwvolle stemming en beloofde van zijn boozen weg afstand te doen.
Al de gevolgen aan den Heer overlatende, besloot ik een onwankelbaar standpunt in te nemen t^gen het slaan van vrouwen en het verworgen van weduwen, daar ik mij overtuigd hield, dat zelfs hun natuurlijk geweten hen zou doen inzien, dat ik gelijk had. Ik smeekte daarom allen, die de macht in handen hadden, om zich te vereenigen en deze ergerlijke en schandelijke gewoonten te doen ophouden. Ten laatste kwamen tien opperhoofden overeen, om het slaan der vrouwen en het verworgen der weduwen te verbieden, alsmede alle gewone werkzaamheden op den dag des Heeren, maar helaas, behalve voor oorlogsplannen en andere verkeerdheden, was de invloed van de opperhoofden op Tanna betrekkelijk zeer gering. Een Tanneesch Hoofd verklaarde stoutmoedig; »Indien wij onze vrouwen niet sloegen, zouden zij nimmer werken; zij zouden ons niet vreezen en gehoorzamen, maar wanneer wij er een paar hebben geslagen en gedood, en opgegeten, dan is de rest voor langen tijd zeer stil en goed.quot;
Ik trachtte hem aan te toonen, hoe wreed deze manier van behandeling was, behalve nog dat het de vrouwen ongeschikt maakte tot het werk, en zeide hem, dat vriendelijkheid eene veel betere uitwerking zou hebben; maar hij verzekerde mij daarop, dat Tanneesche vrouwen sgeene vriendelijkheid verstaan.quot; Teneinde ook te onderwijzen door ons goede voorbeeld, ging ik met mijne onderwijzers van Aneityum en hunne vrouwen een paar mijlen landwaarts in langs den voornaamsten weg, en daar sneden wij eene zware vracht brandhout voor mij en ieder mijner mannen, terwijl wij ieder van de vrouwen slechts een kleinen last lieten dragen. Daar wij vele mannen op den weg ontmoetten, had ik menigmaal gelegenheid hen er op te wijzen, hoe de Christenen hunne vrouwen en zusters hielpen en behandelden, en hoe daar het gevolg van was, dat zij hare mannen liefhadden en veel kracht hadden om thuis te werken. Ook zeide ik hen, dat de mannen, daar zij sterker gebouwd zijn, ook de zwaarste lasten moeten dragen, voornamelijk bij allen arbeid buitenshuis. Onze gebruiken en gewoonten leidden misschien nog meer dan onze woorden er toe, om hen een flauw denkbeeld te geven van het leven, waartoe de Heer Jezus hen riep.
Een volgende oorlog, die algemeene ontsteltenis verspreidde, ging voorbij met het verlies van sleehts twee of drie personen, en ik slaagde er in, om twintig opperhoofden te doen beloven, om in dezen oorlog alleen verdedigender wijze te werk te gaan; eene belofte, waaraan zij zich gedurende een groot tijdsverloop strikt hielden te midden van de hevigste uittartingen. Maar om zulk eene bepaling doel te doen treffen, moet het geheele volk zoo iets begeeren. Eenige weinigen kunnen in zulke omstandigheden niet op deze wijs handelen, zonder zich bloot te stellen aan vertrapt en vernietigd te worden door de hen omringende woestelingen.
Ongeveer in dezen tijd kwamen verscheidene mannen, die beschaamd of bevreesd waren, om bij dag te komen, geregeld des avonds bij mij, om met mij te spreken en onderricht te ontvangen. Daar zij gezien hadden, dat de deuren en vensters van het Zendingshuis gesloten werden,
DE ZENDING OP TANNA.
zoodat zij niet konden opgemerkt worden, bleven zij dikwijls uren lang bij mij en deden mij allerlei vreemde vragen omtrent den nieuwen godsdienst en zijne wetten. Ik herinner mij voornamelijk een opperhoofd, dat dikwijls bij mij kwam en tot mij zeide: »Ik zou wel een Awfuakiman (d. i. een Christen) willen worden, ware het niet, dat iedereen mij zou uitlachen ; dat zou ik niet kunnen verdragen!quot;
»Bijna bewogen!quot; — Voor gij hem veroordeelt, lezer, herinner u hoe velen in christenlanden en onder grooter voorrechten leven en sterven zonder ooit een hooger standpunt te bereiken.
De vrouw van een dezer opperhoofden stierf, en hij besloot een christenbegrafenis na te bootsen. Hij kocht wit katoen van een koopman, en kwam bij mij om wat band, dat hem de koopman niet verschaffen kon; hij vertelde mij, dat hij het lijk wilde kleeden, zooals hij dat van mijne lieve vrouw had gekleed gezien en haar in een dergelijk graf wilde leggen. Hij wees mijn aanbod, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn en met hem te bidden van de hand, daar in dat geval velen van de dorpsbewoners niet tegenwoordig zouden willen zijn. Hij verlangde, dat iedereen er bij zou zijn, om alles te zien en te hooren, daar het de eerste begrafenis was onder de Tanneezen, die op deze wijze zou plaats hebben, en mijn vriend Nowar, het opperhoofd, had beloofd een lijkdienst te houden en een gebed tot Jehovah te richten ten aanhoore van al de heidenen. Vele vreemde gewaarwordingen drongen zich aan mijne ziel op bij deze zoogenaamd christelijke bsgrafenis, door een heiden geleid en in de tegenwoordigheid van heidenen, waarbij een beroep gedaan werd op den waren en levenden God door een man, die zelve nog zoo zeer in den donker tastte onder zijne afgoden en bijgeloof! Er werden mij van tijd tot tijd allerlei wonderlijke vragen gedaan. De opstanding uit de dooden was iets, dat dezen Inboorlingen groot belang inboezemde, en dat al hunne redeneerkunst en hun lust tot onderzoek gaande maakte. Zoo was ons leven een voortdurend zweven tusschen hoop en vrees; maar wij grepen iedere gelegenheid aan, om hen de geschiedenis van het leven en sterven van Jezus Christus te vertellen in de hoop, dat God ons in het leven zou sparen, om de arme heidenen uit hunne verduistering te brengen tot de kennis der zaligheid en hen den eenigen Zaligmaker te leeren dienen en liefhebben.
Het is echter niet te ontkennen, dat het zwaar, afmattend en moeilijk werk was. Om maar eens een ding te noemen: de Tanneezen waren verschrikkelijk diefachtig; en wanneer er eenige bijzondere ziekte of onrust was, werd hun haat tegen den godsdienst duidelijk merkbaar door de meer brutale wijze waarop zij mij, al wat zij konden machtig worden, ontstalen. Als ik mij tegenover hen stelde, toonde het opheffen van hunne knots of tomahawk, van hun geweer of kawas (werpsteen, waarmede men iemand kan dooden) aan, dat mij het leven zou benomen worden, indien ik hen wederstond. Hunne behendigheid in het stelen op sluwe wijze was bewonderenswaardig ! Indien een voorwerp viel of op den grond lag, zou een Tannees het voorzichtig met den voet bedekken, terwijl hij u openhartig in het gelaat zag; en wanneer hij het tusschen de teenen gevat had of het met den grooten teen, als een duim omgebogen, vast had genomen, zou hij er eenvoudig mede wegloopen, terwijl hij het onschuldigste gezicht zette, dat men zich denken kan. Op deze wijze verdween een mes, eene schaar of ieder klein voorwerp terstond op raadselachtige wijze. Een ander zou de gestolen voorwerpen knaphandig tusschen zijn als zweepkoord gevlochten haar verbergen of onder zijn naakten arm, terwijl een derde schaamteloos opnam, hetgeen hij begeerde, en voor onze oogen daarmede wegliep.
71
DE ZENDING OP TANNA.
Bij de meesten hunner bestond geene schaamte voor den diefstal, maar wel voor hunne onhandigheid, wanneer die ontdekt werd. Eens, na voortdurende regens en eene heete, vochtige atmosfeer, hing ik, toen de zon begon te schijnen, mijn beddegoed over een touw te drogen. Ik hield er de wacht bij met de vrouwen van twee onderwijzers, want de dingen verdwenen soms onder onze oogen, terwijl wij niet wisten hoe. Plotseling kwam Miaki, die ons met zijne krijgsmakkers onopgemerkt had gadegeslagen, ademloos en alleen tot mij loopen, uitroepende:
„Missi, kom eens binnen, gauw, gauw! Ik moet u iets vertellen en uw raad vragen!quot; Hij vloog mijn huis binnen en ik volgde hem; maar eer hij zijn verhaal begonnen was, hoorden wij de twee vrouwen uitroepen:
„Missi, missi, kom gauw! Miaki\'s mannen nemen uwe lakens en dekens weg!quot;
Ik liep dadelijk het huis uit, maar allen waren in het boschje verdwenen en met hen mijne dekens en lakens. Miaki was een oogenblik verlegen, toen ik hem verweet, dat hij mij bedrogen, had, om zijne mannen gelegenheid te geven mij te berooven. Maar spoedig herstelde hij zich. Hij veinsde in vreeselijke woede tegen hen te ontsteken, zwaaide zijne vervaarlijke knots en verbrijzelde de heesters in het rond, terwijl hij tot mij riep: „Zoo zal ik ook deze kerels verbrijzelen en ze noodzaken uw goed weder te geven.quot;
Misschien hoopte hij, dat ik voor zijne mannen in de bres zou springen om bloedvergieten te voorkomen, zooals hij wist, dat ik altijd deed, zelfs tot mijn eigen nadeel; maar ik wederstond al zijne streken, en verzocht hem de gestolen voorwerpen terstond terug te geven, indien er eenig eergevoel was in hem of in zijne mannen. Natuurlijk deelde hij den buit slechts met mij. Daarna kwam hij mij een geruimen tijd niet onder de oogen, hetgeen aantoonde, dat hij toch eenig geweten moest bezitten; en toen ik hem bij onze eerste ontmoeting over de zaak aansprak, verklaarde hij niet in staat te zijn, de voorwerpen terug te krijgen, hetgeen weder den leugengeest aantoonde, die overal onder hen toegejuicht werd — want een leugen, die gelukte of scheen te zullen gelukken, was in hunne oogen hooge deugd.
Op een donkeren nacht hoorde ik hen onder mijn gevogelte. Deze vogels had ik van hen gekocht voor messen en katoen, en nu ontstalen zij ze mij, dood of levend. Was ik er tusschen gekomen, dan zouden zij zich verheugd hebben in de kans om mij dood te schieten of op andere wijze in donker te vermoorden, wanneer niemand met zekerheid zou kunnen zeggen, wie de daad gepleegd had. Verscheidene van de geiten, die ik hield om hare melk, werden ook gedood of verdreven; inderdaad alle mogelijke kwaad werd mij aangedaan, zelfs mijn leven werd dikwijls bedreigd. Daar ik geen vuur of vuurhaard in mijn zendinghuis had, omdat het daar niet noodig was, (ofschoon soms een vuur onschatbaar zou geweest zijn, om ons beddegoed te drogen in het regenseizoen) hadden wij een huis vlak bij, waar al het eten werd gekookt, en daar bewaarden wij achter slot en grendel al ons keukengereedschap, pannen, schotels, enz. Op een nacht werd hier ook ingebroken en werd alles gestolen. In mijne ontsteltenis wendde ik mij tot het opperhoofd en zeide hem, wat er gebeurd was. Hij ontstak in groote woede, en zwoer wraak te zullen nemen op de dieven, terwijl hij mij beloofde hen te zullen noodzaken, om alles terug te geven. Maar natuurlijk kwam er niets terug: de dief kon niet gevonden worden! Daar ik niet leven kon, zonder iets om water in te koken, bood ik ten laatste een deken, aan wie mij mijn ketel wilde terugbrengen. Miaki zelve, na vele voorgewende moeielijkheden, bracht
72
DE ZENDING OP TANNA.
hem terug, minus het deksel, dit, zeide hij, waarschijnlijk naar hooger losprijs dingende, was tot geen prijs te bekomen, daar het aan de andere zijde van het eiland was bij een stam, waarover hij nietb te zeggen had! In de gegeven omstandigheden was ik blijde mijn ketel terug te hebben, al was hij dan ook zonder deksel, en door dit voorval werd het mij duidelijk, hoe zelfs het leven zou kunnen afhangen van zulk eene kleine weelde!
Geen midddel tot verbetering van onzen toestand kennende, en wetende, dat wij geheel aan hunne willekeur overgegeven waren, trachtten wij al onze onaangenaamheden stil te dragen en er ons zoo weinig mogelijk van aan te trekken, ja, wij leerden ze met blijdschap dragen om Jezus\' wil! Te midden van al deze verdrietelijkheden werden wij er steeds zekerder van overtuigd, dat indien God ons slechts wilde sparen, om hen te leeren dienzelfden Heiland lief te hebben en te dienen, zij spoedig zouden leeren, ons als hunne vrienden en helpers te beschouwen. Dit wischte echter de harde feiten van mijn leven niet uit, nu ik geheel alleen onder hen was en aan hunne wreedheid bij iedere gelegenheid blootgesteld en door hunne onfeilbare leugens bedrogen.
Op zekeren morgen kwamen de Tanneezen in groote opgewondenheid tot mij, roepende; „Missi, Missi, daar komt een god, of een schip in brand of iets vreeselijks over de zee! Wij zien geen vlammen, maar het rookt als een vulkaan! Is het een geest, een god, of een schip dat brandt r Wat is het? Wat is het?quot;
De eene partij na de andere kwam met dezelfde vragen en onder hetzelfde geschreeuw in grooten angst tot mij. Ik antwoordde: „Ik kan niet terstond medegaan, ik moet mij eerst in mijne beste kleederen klee-den, het is waarschijnlijk een van koningin Victoria\'s oorlogsschepen dat mij komt vragen of uw gedrag tegenover mij goed of slecht is, of gij mijn eigendom mij ontsteelt of mijn leven bedreigd en hoe gij mij in het algemeen behandelt.quot;
Zij smeekten mij met hen te gaan, om te zien wat het was, maar ik maakte heel veel drukte over mijne kleeding en zeide, dat ik mij gereed moest maken, om het groote opperhoofd van het schip te ontmoeten en wilde niet met hen gaan. De twee voornaamste Hoofden kwamen nu haastig aanloopen en vraagden mij:
„Missi, zou het een oorlogsschip zijn?quot;
Ik riep hen toe: ,,Ik denk het wel; maar ik heb nu geen tijd, om met u te spreken; ik moet mijne beste kleederen aandoen!quot;
Daarop zeiden zij: „Missi, zeg ons alleen maar, zal hij u vragen of wij uw huisraad gestolen hebben?quot;
Ik antwoordde; „Ik veronderstel wel, dat hij dit doen zal.quot;
Zij vraagden weer: ,,En zult gij het hem vertellen?quot;
,,Ik moet hem de waarheid zeggen,quot; antwoordde ik; „indien hij het mij vraagt, zal ik het hem vertellen.quot;
„O, Missi,quot; riepen zij daarop, „zeg het hem niet! Alles zal u terstond teruggegeven worden en niemand zal weer iets van u mogen wegnemen.quot;
Toen zeide ik: „Weest er dan vlug mede! Alles moet weer hier zijn, eer hij komt. Gauw, gauw! en laat ik mij nu spoedig kunnen gereed maken, om het groote opperhoofd van het oorlogsschip te ontmoeten.quot;
Tot dusverre kon er nooit een dief gevonden worden, en geen opperhoofd\'had ooit macht om te maken, dat mij mijn goed teruggeven werd; maar nu, in een ongeloofelijk korten tijd kwam de een niet een pot, de anderquot; met een pan, een derde met een deken, weer anderen met messen, vorken, borden en allerlei gestolen voorwerpen aanloopen, om mij die te
73
74 DE ZENDING OP 1\'ANNA.
brengen. De opperhoofden riepen mij, om deze dingen in ontvangst te nemen, maar ik antwoordde: „Legt het maar voor de deur neder; brengt het alles vlug bijeen; ik heb nu geen tijd, om met u te spreken.quot;
Ik talmde zooveel mogelijk met mijn toilet, en had een ondeugend vermaak in de tooverkracht, uitgeoefend door de nadering van een schip dat misschien de dieven kwam straffen. Ten laatste riepen de Hoofden, die in ademlooze haast kwamen aanloopen, mij toe: „Och toe, Missi! vertel ons even of uw gestolen eigendommen weder terecht zijn.quot;
Ik kon dit natuurlijk niet zeggen, maar haastig naar buiten komende, overzag ik den verwarden hoop mijner bezittingen en zeide: „Ik zie het deksel van den ketel daar nog niet bij.quot;
Een opperhoofd antwoordde daarop: „Neen, Missi, het is aan den anderen kant van het eiland; maar zeg het hem niet, want ik heb er om gezonden en het zal morgen ochtend hier zijn.quot;
Daarop sprak ik: „Ik ben blijde, dat gij zooveel terug gebracht hebt; en nu, gij opperhoofden, Nauka, Miaka, en Nowar, loopt nu niet weg, wanneer hij komt, want hij zal u waarschijnlijk niet straffen, maar indien gij en uw volk weg loopt, zal hij mij vragen, waarom gij zoo bevreesd zijt en ik zal genoodzaakt zijn het hem te vertellen. Blijft bij mij en gij zult allen veilig zijn. Maar denkt er om, er moet niet meer van mij gestolen worden.quot;
Zij zeiden: „Wij zijn zeer bevreesd, maar wij zullen bij u blijven; en wij zullen u nooit meer slecht behandelen.quot;
De bekoorlijkheid en de vreugde van dien morgen, waarop H. M. S. Cordelia onder bevel van den heer Vernon, onze schoone haven binnen-stoomde, zijn mij nog versch in het geheugen. De bevelhebber, gehoord hebbende van de gevaren, die mij op Tanna omringden, was zoo vriendelijk om aan land te komen, zoo spoedig het schip geankerd had, met twee booten en een aantal geheel gewapende officieren en manschappen Hij was een lang, knap man, gekleed in een prachtige uniform en maakte met zijn gevolg eene grootsche en indrukwekkende vertooning. Bij het zien van de groote boot, vol mannen, schitterend van goudgalon en wapenen, die de kust naderde, verliet het opperhoofd Miaki mijne zijde aan het strand en snelde terug naar het dorp. Ik meende, dat hij uit vrees vluchtte, maar er was eene andere, meer beschaafde gedachte in zijn hoofd opgekomen! Hij had in vroeger dagen van een koopman of bezoeker van het eiland eene oude roode soldatenjas bekomen en nu viel het hem in, die voor deze gelegenheid aan te doen, ten einde op het voordeeligst voor den bevelhebber en zijne manschappen te verschijnen. Terwijl ik hen de hand schudde en hen welkom heette op Panna, keerde Miaki terug met de korte, roode jas aan, die stijf was dicht geknoopt rondom zijn anders naakt lichaam; zijn leelijk beschilderd gelaat en lange als koord gevlochten haarvlechten daarboven bedierven zijn geheele voorkomen, en gaven hem het uiterlijk van een vuil, onbe-teekenend wezen.
De bevelhebber sprak tot mij, en zijne mannen stonden rondom ons geschaard (welk eene aangename herinnering voor mij aan het leven in het vaderland!) toen Miaki naderde en zijne plaats alsof het zoo behoorde, aan mijne zijde innam. Hij voelde zich blijkbaar de voornaamste persoon van het gezelschap en begon met trotsche deftigheid de bezoekers te beschouwen. Aller oogen vestigden zich op het onbeschaamde mannetje en de bevelhebber vraagde: »\\\\at is dit voor iemand:quot; Ik antwoordde: »Dit is Miaki, ons groote oorlogshoofd,quot; en fluisterde hem in op zijne hoede te zijn, daar de man een weinig Engelsch verstond en dus mis-
DE ZENDING OP TANNA.
schien juist genoeg kon verstaan of misverstaan, om het later gevaarlijk voor mij te doen worden.
De bevelhebber mompelde alleen; »Welk een verachtelijk wezen.quot; Maar deze woorden waren nog niet te vinden in het woordenboek van Miaki, zoodat hij bleef rondkijken en met welgevallen grijnsde.
Ten laatste zeide hij: sMissi, dit groote opperhoofd, dat Koningin Victoria in haar oorlogsschip heeft gezonden om u te bezoeken, kan niet over het geheele eiland rondgaan, zoodat al ons volk hem zien kan; wilt gij hem nu vragen, of hij bij een boom wil gaan staan en mij vergunnen een speer in den grond te steken bij zijne hielen, en dan zullen wij er een kerfje in maken bij de kruin van zijn hoofd, en dan kunnen wij de speer rondzenden over het geheele eiland, om al het volk te doen zien, hoe lang deze groote man is.quot;
Zij waren zeer in hun schik toen onze vriendelijke bezoeker hun eenvoudig verzoek toestond; de speer werd aan duizenden getoond, terwijl het schip, de bevelhebber, de officieren en manschappen later over het gansche eiland herhaaldelijk besproken werden.
De heer Vernon was zeer vriendelijk en bood aan, alles wat in zijn vermogen was voor mij te doen, daar ik, zooals hij zeide, zoo geheel alleen op dit eiland was achtergebleven onder zulke Wilden. Maar, daar mijne voornaamste moeielijkheden bestonden in het geestelijk gedeelte van mijn werk onder hen, om hunne wreede vooroordeelen uit den weg te ruimen, zag ik niet in, hoe zijne vriendelijkheid mij van eenig werkelijk nut kon zijn. Op zijn verzoek echter, zond ik eene algemeene uitnoodiging aan al de opperhoofden, die binnen bereik waren, om den kapitein den volgenden morgen ten mijnen huize te ontmoeten. Vreesachtig en wantrouwend als zij waren, zouden zij hunne vrouwen en kinderen naar het strand aan de tegenover gestelde zijde van het eiland, buiten gevaar, en den volgenden morgen was mijn huis omringd van gewapende lieden, klaarblijkelijk zeer bevreesd. Precies op den bestemden tijd, tien uur in den morgen, kwam de bevelhebber aan land, en spoedig daarna waren twintig opperhoofden met hem in mijn huis gezeten. Hij bracht ongeveer een uur heel vriendelijk met hen door, gaf hen wijzen raad en waarschuwde hen tegen het beleedigen van vreemdelingen; dit alles was er op berekend, om onze veiligheid te verzekeren en het belang van ons Zendingswerk te bevorderen, Daarop noodigde hij al de opperhoofden uit, met hem aan boord te gaan, om zijn schip te zien. Men liet hun het wapentuig zien, en het gezicht van de groote kanonnen, die zoo gemakkelijk op rails werden voortbewogen, verbaasde hen grootelijks. Toen plaatste hij hen rondom ons op het dek en toonde hen twee bommen, die zich naar den Oceaan ontlastten, waardoor, toen zij uiteenspatten en ver weg plassend in het water vielen, de schrik van de Inboorlingen zichtbaar toenam. Maar, toen hij een grooten kogel krakend door een boschje van kokos-boomen zond, die de boomen als stroohalmen brak en zich vlug en duidelijk zichtbaar een weg baande, waren zij geheel verstomd en verzochten, om weer veilig aan land gezet te mogen worden. Na ieder eene kleine gift ontvangen te hebben, werden zij echter met hun toestand verzoend, en na alles bezichtigd te hebben, keerden zij ten hoogste voldaan over al wat zij gezien hadden naar huis terug. Zonder twijfel is er door de hersenen dezer Wilden menig dwaas verdichtsel uitgesponnen, toen zij beproefden om de wonderen van den vuurgod der zee en het opperhoofd van de groote Koningin der Blanken te beschrijven en hetgeen zij hadden gezien aan anderen duidelijk te maken. Hoe gemakkelijk leent zich dit alles tot poëzie en mythe!
75
DE ZENDING OP TANNA.
Ook ongeveer in dezen tijd bezocht mij het schip van het Londensch Zendinggenootschap de John Williams, dat de heeren Turner, Inglis, Baker en Macfarlan aan boord had. Zij drongen er bij mij op aan, dat ik hen zou vergezellen op een reisje van drie weken naar de verschillende eilanden, daar ik in de laatste tijd veel aan koorts geleden had en daardoor zeer verzwakt was. Maar een troep Wilden uit het binnenland had in de vorige week een van de kust bewoners gedood en onheilspellend zwaaiden vele anderen hunne knotsen, zoodat ik een algemeenen oorlog tot wraakneming vreesde, indien ik hen verliet, want mijne tegenwoordigheid in hun midden hielp tenminste de vrede bewaren. Ik was ook bevreesd, dat zij mij niet meer op het eiland zouden laten terugkeeren, als ik het eenmaal verlaten had; ik ontzeide mij dus wederom het genoegen van een zeer noodzakelijke verandering en rust. En verder, daar de John Welhams mij hout bracht, dat ik op Aneityum gekocht had, om eene kerk te bouwen, zagen de Tanneezen nu duidelijk, dat ik hoewel hun gedrag zeer slecht was geweest, en ik veel op hun eiland geleden had, er niet aan dacht, om hen te verlaten of het werk des Heeren op te geven.
Ik had echter te veel goeds gehoopt van de elkander spoedig opvolgende bezoeken van den goeden bisschop Selwijn, den krijgshaftigen bevelhebber Vernon en het Zendingschip John Williams. De indrukken door dit alles ontvangen waren ongetwijfeld goed, maar vluchtig; en de zaken gingen spoedig weer als te voren onder onze verduisterde Tanneezen, die door den Satan naar zijn wil geleid worden en aangezet tot de grofste daden van heidensche verblindheid, Wij wisten echter, dat er eene verandering mogelijk was door de Goddelijke genade, en hierom baden wij voortdurend, niet verflauwend of indien wij ook al een oogen-blik den moed verloren was het om weder krachtig op te staan en iedere plicht te aanvaarden in den naam des Heeren, die ons daar geplaatst had.
\\ eertien maal werd ik hevig door de koorts aangetast, en kleinere aanvallen had ik na de eerste drie maanden van mijn verblijf op het eiland bijna voortdurend, zoodat ik de noodzakelijkheid inzag van den raad van het Tanneesche opperhoofd te volgen, die mij gezegd had: »Slaap op hoogeren grond!quot; Daar ik ook medischen raad had ingewonnen met den zelfden uitslag, ofschoon eigenlijk de ondervinding helaas! reeds bewijs genoeg was, besloot ik mijn huis te verplaatsen en zag om naar een geschikt hoekje. Achter mijn tegenwoordig verblijf verhief zich een heuvel, drie honderd of meer voet hoog, aan alle zijden door eene vlakte omringd en door de passaatwinden bestreken, terwijl hij van den Oceaan slechts door eene smalle landtong gescheiden was. Deze heuvel scheen mij zeer voor mijn doel geschikt; er was ruimte voor een zendingshuis en eene kerk, waarvoor de natuur de plaats als het ware had aangewezen. Ik betaalde elke vordering door de Inboorlingen op eenig gedeelte van den heuvel ingebracht; ik betaalde hen allen in het openbaar en op hun beurt, zoodat er later geene onaangenaamheden konden onstaan. Daarop kocht ik van een koopman de planken van het dek van een verongelukt schip, waarmede ik een huis van twee vertrekken, eene slaapkamer en eene kleine provisiekamer, kon samenstellen, waaraan ik plan had het oude huis toe te voegen, zoo spoedig ik daartoe in staat zou zijn.
Toen ik zoover was, greep de koorts mij heviger dan gewoonlijk aan; mijne zwakte was zoo groot, dat ik niet dacht ooit weer beter te zullen worden. Met behulp van mijn getrouwen Aneityumeeschen onderwijzer. Abraham, en zijne vrouw echter spande ik naar het mij voorkwam mijne
76
DE ZENDING OP TANNA. 77
laatste krachten in, om den heuvel op te kruipen, — want klimmen kon ik niet meer! — om wat frissche lucht in te ademen. Toen ik zoowat twee derde opgeklommen was, werd ik zoo flauw, dat ik dacht te zullen sterven. Op den grond liggende, tegen den wortel van een boom geleund, om mij tegen vallen te behoeden, nam ik afscheid van mijn ouden Abraham, van mijn zendingswerk en van alles wat mij omringde. In mijn zwakken toestand bleef ik daar liggen, door mijn getrouwen vriend bewaakt en viel in een zacht en slaap. Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, voelde ik mij iets sterker en eene flauwe schemering van hoop herleefde in mijne ziel. Abraham en zijne goede vrouw tilden mij op en droegen mij tot op den top van den heuvel. Daar legden zij mij neder op een bed van kokosbladeren, en maakten ook van die bladeren een soort van scherm boven mij, en daar gaven mij de twee getrouwe zielen, zekerlijk door iets meer dan menschelijk medelijden bewogen, het sap van de kokosnoot te drinken en voedden mij met inlandsch voedsel en hielden mij daarmede, ik weet niet hoelang, in het leven. Mijn bewustzijn keerde echter volkomen weder. De passaatwind verfrischte en versterkte mij dag aan dag. De Tanneezen schenen mij voor dood opgegeven te hebben, en door de goede leiding der Voorzienigheid bemoeide zich geen hunner met ons gedurende verscheidene dagen. Mijne kracht kwam op verbazende wijze terug en ik begon plannen te maken voor mijn nieuw huis op den heuvel. Bevreesd, om weder in mijne oude woning te slapen, sliep ik zoolang mijn nieuw slaapvertrek nog niet gereed was, onder den boom, waar ik beschaduwd werd door het scherm van kokosbladeren.
Mijne hoop zou echter weder verijdeld geworden zijn en ik zou te midden van mijn werk gestorven zijn, indien de Aneityumeesche onderwijzer en zijne vrouw mij niet hadden ter zijde gestaan. Zij haalden de planken van het wrak, en alle andere benoodigdheden voor mij, droegen mij alles aan en het kostte mij nog de grootste inspanning, om de woning gereed te krijgen. Maar het leven hing er van af. Ten laatste was het werk afgeloopen en na na dien tijd had ik betrekkelijk weinig last meer van de voortdurend terugkeerende aanvallen der koorts. Mijn oude Abraham, die edele, trouwe ziel, was mij als een engel Gods nabij in dezen tijd van ziekte en gevaar; hij was gedurig aan mijne zijde; hij hielp mij gewillig in al wat ik te doen had en het was duidelijk, dat hij dit niet alleen uit menschenliefde deed, maar om Jezus\' wil. Deze man was een menscheneter geweest in de dagen, toen hij nog een heiden was, maar door Gods genade stond hij daar nu als een nieuw sehepsel in Christus Jezus. Men kon hem in alles vertrouwen; en in gevaren of beproevingen werd ik dikwijls verkwikt door de gebeden van dien ouden man, gelijk door de gebeden mijns vaders in het tehuis mijner kindsheid. Geen blanke zou in mijne gevaarlijke omstandigheden van meer nut hebben kunnen zijn en niemand, hetzij hij blank of zwart ware, kon meer ongeveinsde en hartelijke toewijding getoond hebben.
Wanneer ik later ooit de oppervlakkige tegenwerpingen van ongodsdienstige schrijvers en sprekers gelezen of gehoord heb, die beweerden dat er geene werkelijkheid was in de bekeeringen van de heidenen en dat de pogingen der zendelingen nutteloos waren, o! wat heb ik er dan dikwijls naar verlangd, om hen, al was het maar voor e\'éne week op Tanna te kunnen verplaatsen, te midden van den ^natuurlijkenquot; mensch in den vorm van heidenen en menscheneters en den enkelen sgeestelijkenquot; mensch in den persoon van den ouden Abraham, die hen voedde, hen verzorgde en hen redde »uit liefde tot Jezusquot;, opdat ik mocht zien hoe-vele uren er noodig zouden zijn, om hen te overtuigen, dat Christus in
78
den mensch toch eene werkelijkheid is! Alle scepticisme in Europa zou vol schaamte het hoofd moeten buigen en alle twijfel zou versmelten voor één straal van het nieuwe licht, dat Jezus, en Jezus alleen, doet schijnen uit het oog van den bekeerden Kannibaal.
Misschien zal het den een of anderen onsophistischen lezer verwonderen, ofschoon anderen die meer weten, er op voorbereid zijn dit te vernemen, dat het verplaatsen van ons huis, evenals dat van den heer Mathieson om gelijke redenen, streng veroordeeld werd door lieden in het vaderland, die de wereld trachten te bekeeren, terwijl zij op hunne gemakkelijke stoelen zijn uitgestrekt. Allerlei onzin verscheen o. a. in de Nova Scotlan Church Magazine omtrent het verplaatsen van mijn huis op den oorlogs-grond der Inboorlingen, waardoor allerlei vijandelijkheden werden uitgelokt en in de hand gewerkt. Het was een feit. dat de heuveltop te klein was, om voor kerk en woonhuis beide geschikt te zijn en dat hij voor dat doel gelijk gemaakt moest worden; verder was hij aan drie zijden door een diepe vallei omringd, enz.; maar de armstoel-critici, onwillig om te gelooven aan den haat der heidenen tegen het Evangelie, moesten uit hun eigen brein eenige reden vinden om te verklaren, waarom ik zoo vervolgd en geplunderd werd. Waarlijk, wij leerden door eigen treurige ervaring, waarmede zij die ons zouden opvolgen op deze eilanden hun voordeel konden doen, dat men alleen gezond kon blijven op hoogen grond, waar de passaatwinden de lucht zuiveren en dat koorts en andere ongesteldheden bij de kust wacht houden, vooral aan den zijde onder den wind. Zelfs de heer Inglis heeft zijne woning op Aneityum op hooger grond moeten verplaatsen en geen zendeling heeft zich sedert gevestigd in de moerasachtige streken langs de kust, waar men ten prooi is aan de gevaarlijke koorts. Het leven is Gods groote gave en moet tot Zijne eer besteed worden en niet onverschillig weggeworpen.
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
De duivel los gebroken. — In het vijandelijk kamp. — Een typisch Zxiidzee koopman. — Dood van den jongen Rarip. — Vergelding van den koopman. — Godsdienst en Oorlog. — Aan verworging ontkomen. —Beteugelde wraak. — Onder de bijl. — Het doodslaan van Namuri met de knots. — Geloovig inboorling en martelaar. — Omkooperij afgewezen. ■—. Weduwen van verworging gered. — Het graven van de put. —Kerkbouw op Tanna.— Oude steenen afgod. — Het drukken van het eerste Tanneesche boek. — Een christen-kapitein. — Geweren aangelegd. — Een Fransch vluchteling. — Een schurkachtig kapitein. — Zoo heer, zoo knecht. —• Schipbreuk met voorbedachten rade. — De Kanaka-handel. — Een heidensch feest. —- Offers aan afgoden — Heidensche dansen en spiegelgevechten. — Zes inlandsche onderwijzers. — Eene Homerische episode. — Slachtoffers voor een feest der Kannibalen. — De kaken des doods. — Nahak of tooverij. — Plan om mij door Nahak te dooden. -— Nahak getrotseerd. — Door Jehovah beschermd — Bijna bewogen — Naar het slagveld begeleid. — Het bidden voor de vijanden — Onze kanoe op de klip. — Eene gevaarlijke tocht. — Rotsen en wateren.
ken heb, wisten er werkelijk de kustbewoners toe te brengen, om voor een tijd ten minste alleen defensief te werk te gaan. Maar het volk in het binnenland vermoordde acht opperhoofden uit een naburige streek, die een vriendschapsbezoek waren komèn afleggen aan den stam, die aan de haven woonde, terwijl zij op hun terugweg waren. Terzelfder tijd was een van de inlandsche Hoofden, die zijn volk had zoeken over te halen, om den oorlog op te geven en in vrede met de omliggende stammen te leven, door zijn eigen volk overvallen en vermoord, als ook zijn broeder, vier vrouwen en twee kinderen en was opgevolgd door een ander leider, die meer naar hunne wenschen en smaak handelde. Zij schoten vervolgens, naar hunne wijze van oorlogvoeren, een man dood in de nabijheid van de haven en vernielden de plantages en omheiningen. Alzoo was wederom de duivel losgebroken, daar de jonge mannen van Tanna evenzeer gesteld zijn op een vechtpartij, als de wereldsche jongelieden in Europa, op een concert of een bal.
De kustbewoners raadden mij aan eene mijl verder op te gaan en mij van het tooneel van den strijd te verwijderen, maar de stammen uit het binnenland lieten mij weten, dat ik mijn huis niet moest verlaten, opdat
IJNE vredelievend gezinde opperhoofden, waarover ik reeds gespro
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
het niet geplunderd en verbrand mocht worden, want dat zij niets tegen mijn persoon hadden. Den volgenden morgen vroeg ging ik vergezeld van den ouden Abraham en een ander man uit Aneityum de vijandelijke partij opzoeken, om, indien het mogelijk was, den dreigenden oorlog te verhinderen, maar zonder mijne kustbewoners hiervan te verwittigen. Ongeveer vier mijlen van ons verwijderd, ontmoetten wij het opperhoofd van onzen verst verwijderden vriendschappelijken stam met al zijne krijgslieden onder de wapenen. Mij noodzakende te zeggen wat ik doen ging, veroorloofde hij mij hoewel tegen zijn zin, om door te trekken. Tot den Heer Jezus om leiding en bescherming opziende, gingen wij nog vier mijlen verder door het dichte woud. Mijne twee metgezellen, die in stilzwijgen vervielen, verriedden grooten angst; en, na vergeefs getracht te hebben hen op te vroolijken, moest ik op hun ernstig verzoek, ook in stilte voortwandelen, terwijl onze harten in stil gebed zich tot Jezus verhieven. Wij kwamen vele verlaten dorpen en plantages voorbij, maar zagen geen levend wezen. Ten laatste stuitten wij onverwachts op het gansche leger, in het voornaamste dorp tot een groot feest verzameld; en op onze nadering vloog ieder man te wapen. Mijne onderwijzers dicht bij mij houdende, liep ik, natuurlijk ongewapend, recht uit tot midden onder hen, en riep zoo luid als ik maar kon in hunne eigene taal: »Ik groet u allen, gij mannen van Tannal Vreest niet; ik ben uw vriend; ik heb u allen lief en ik ben gekomen om u te spreken over den grooten God, Jehovah, en over een goed gedrag zooals Hem welbehagelijk is!quot;
Een bejaard opperhoofd trad nu vooruit, nam mij bij de hand en na mij onder het volk rondgeleid te hebben, zeide hij: »Kom hier naast mij zitten en spreek met mij; langzamerhand zal het volk niet meer bevreesd voor u zijn.quot;
Eenigen liepen vol vrees het bosch in. Anderen schenen buiten zich-zelven van vreugde. Zij dansten waanzinnig om ons heen, sloegen op den grond met hunne knotsen, terwijl zij elkander toeriepen: „Missi is gekomen 1 Missi is gekomen!quot; De verwarring werd ieder oogenblik grooter, en het geheel had een vijandigen aanblik. Mannen en jongens kwamen uit iederen hoek te voorschijn en drongen zich om mij heen, zij waren allen in verschillende wilde teekeningen beschilderd en sommigen hadden het haar vol veeren, zoodat zij een grillig uiterlijk vertoonden. Vrouwen en kinderen keken van tijd tot tijd tusschen de boomen door en verdwenen weer even spoedig. Zelfs in dit oogenblik vol spanning viel het mij op, dat zij veel meer kinderen om zich heen hadden dan de volkstam, die aan de kust woonde, waar de vrouwen en kinderen door de wreedheid en de ondeugden van „beschaafdequot; bezoekers verdelgd worden. Na een uur in hun midden doorgebracht te hebben met spreken en het beantwoorden van allerlei vragen, schenen zij geneigd den oorlog op te geven en vergunden mij een gebed met hen te doen. Zij gaven mij toen een geschenk van kokosnoten en suikerriet en twee vogels, die mijne metgezellen uit hunne hand ontvingen, en ik gaf wederkeerig een rood hemd aan het voornaamste opperhoofd en verdeelde een hoeveelheid vischtuig en stukken rood katoen onder anderen. De Hoofden gaven mij vriendschappelijk de hand en verzochten mij hèn dikwijls te komen zien, want na dit bezoek zouden zij niemand, die tot de zending in betrekking stond, kwaad doen. Middelerwijl hadden de kustbewoners gehoord, waar wij waren heengegaan en hadden zich niets anders voorgesteld, dan dat wij allen gedood en opgegeten zouden zijn. Toen wij terugkwamen met een geschenk van levensmiddelen en hen mededeelden wat wij gehoord en gezien hadden, waren zij buiten zich zeiven van verwondering: zoo iets
80
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
was op Tanna nog nooit gezien! De vrede duurde meer dan vier weken voort: een ongewoon lange wapenstilstand! Iedereen had nu tijd voor allerlei werk. Vele broodwortel-plantages werden afgemaakt, en alle omheiningen werden voor het volgend jaar in voortreffelijken toestand gebracht.
De dwaze vooroordeelen der heidenen en de vervolgingen, die wij van hen te lijden hadden, waren op zich zelf al eene treurige beproeving, maar treuriger en hopeloozer was de slechte en zondige invloed van mijne eigene landslieden. Een hunner o. a. een zekere kapitein Winchester, die als koopman met eene inlandsche vrouw aan de baai leefde, een ellendige verkwister, ofschoon een welopgevoed man, was ontevreden over dezen tijd van vrede. Het scheen, dat hij niet als naar gewoonte zooveel vogels, varkens enz. waarin hij handelde, in ruil ontving. Hij begon nu plotseling groot belang in hunne zaken te stellen, gaf al de opperhoofden in den omtrek kruit en kogels ten geschenke en leende hen een aantal blinkende geweren. Hij zeide, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn voor den Oorlog, want dat hij wel voor krijgsbehoeften zou zorgen. Ik kwam hier tegen op, maar bij zeide mij eenvoudig in het gezicht, dat de vrede niet met zijn plannen overeen kwam. Zoo aangestookt en aangemoedigd, werden de arme heidenen tot een zeer onrechtvaardigen oorlog aangezet met de naburige stammen. De koopman bedong nu onmiddellijk een hoogen prijs voor de wapenen, die hij geleend had; de prijs van kruit, kogels, enz. steeg tot verbazende hoogte bij iedere nieuwe aanvraag; zijne bewaarplaatsen waren vol vogels en varkens, die hij geregeld van de hand zette aan voorbijgaande schepen en hij zou groote sommen gelds verzameld hebben, indien hij niet zoo verkwistend was geweest. Kapitein Winchester verheugde zich nu in den oorlog, eischte een groot varken voor een wijnglas vol kruit, drie of vier kogels, of tien hagelkorreltjes; hij roemde in zijn „goed gelukquot; in het opruimen van al zijne oude geweren en in het vullen van zijn hof met varkens en vogels. Tot deze afschuwelijke diepte vervalt men, wanneer men meent dat de ellende en de ruïne van velen meer dan vergoed wordt door den rijkdom en den voorspoed van enkelen, die van anderer verderf leven!
Miaki, het oorlogshoofd, had een jongeren broeder, Rarip geheeten, die ongeveer achttien jaar oud was. Toen deze oorlog begon, kwam hij bij mij in het Zendingshuis wonen. Nadat de oorlog een poos geduurd had, noodzaakte Miaki hem zich in den strijd te begeven, maar hij ontsnapte in de bosschen en kwam bij mij terug, zeggende; »Missi, ik haat dat vechten; het is niet goed om menschen te dooden; ik wil bij u blijven!quot;
Wederom kwam het oorlogshoofd en noodzaakte mijn lieven, jongen vriend Rarip, om zich bij het leger te voegen. Ik kon natuurlijk alleen voor hem smeeken; ik kon het niet verhinderen. Ditmaal hield Miaki hem aan zijne zijde in het midden der strijders. Toen zij in het gezicht van den vijand kwamen, en hunne eerste oorlogskreten hoorden, als zij uit het bosch te voorschijn kwamen, doorboorde een kogel Rarips borst, en hij storte dood in de armen van Miaki. Het lijk werd naar zijns broeders dorp gevoerd met veel gejammer, en een bode kwam mij vertellen, dat Rarip dood was. Ik haastte mij daarheen, en vond hem levenloos, en het middelpunt van eene tragische plechtigheid. Rondom hem waren al de vrouwen en meisjes verzameld, sommige zittend, anderen op den grond liggend; zij trokken zich de haren uit, verwondden zich met gespleten bamboes en gebroken flesschen, wierpen zich gedurig op den grond, en beschilderden hare aangezichten, borst en armen met zwart, terwijl zij luide weeklachten uitstootten. Er waren ook mannen tegenwoordig, die
81
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
hun hoofd tegen de boomen stieten en hunne lichamen met messen staken, totdat het bloed er uit liep en die zich overgaven aan allerlei soort van wilde droefheid en smart. Mijn hart brak als ik het aanzag en er aan dacht, dat zij niet tot onzen gezegenden Heer Jezus konden opzien om troost. Ik ging naar huis terug en bracht een wit laken en wat band, waarin het lichaam van den jongen Rarip werd gewikkeld, alvorens begraven te worden. De inboorlingen schenen getroifen over dit teeken van eerbied en besloten eenparig, dat Rarip onder mijn toezicht eene christelijke begrafenis zou hebben. De mannen maakten een graf gereed op een uitgezocht plekje bij zijne eigene woning; ik las iets uit Gods woord, sprak een gebed uit tot den Heer en las een lofpsalm onder een tooneel van tranen en weeklachten om nimmer te vergeten, en de gedachte verteerde mijne ziel — o wanneer, wanneer zal het leven en de onsterfelijkheid ons door Jezus geschonken, voor de Tanneezen eene werkelijkheid worden.
Daar de oorlog nog voortduurde en er nog vele anderen gedood werden, bedreigde wraak den ellendigen koopman. Miaki viel hem aldus aan: »Gij hebt ons dezen oorlog op den hals gehaald. Gij hebt ons bedrogen, en daarom zijn wij hem begonnen. Rarip is dood en vele anderen. Zijn dood zal op u gewroken worden.quot;
Kapitein Winchester, die hardvochtig was geweest, zoolang varkens en vogels in zijn hof kwamen ten koste van anderer leven, beefde nu als een bloodaard voor zijn eigen bestaan. Hij smeekte mij, om met zijne vrouw tot veiligheid in mijn huis te mogen slapen, maar ik weigerde om de zending op eenigerlei wijze met zijne misdaden verbonden te doen zijn. De Inboorlingen van andere eilanden, die hij gevangen hield en als slaven gebruikte, werden nu door hem met musketten gewapend tot zijne verdediging, maar daar hij geen geloof in hen had en meende dat zij hem niet zouden beschermen noch ook waarschuwen in tijd van gevaar, smeekte hij mij een van mijne onderwijzers te zenden, om met zijne vrouw te waken, wanneer hij iederen dag eenige uren sliep, en indien hij wakker was, zou hij zijn leven duur verkoopen met behulp van musket en revolver. De onderwijzers waren beiden bevreesd en weigerden te gaan en ik kon hen met een goed geweten niet aansporen, om het wel te doen. Zijn gevaar en angst werden zoo hevig, dat hij \'s nachts sliep in zijne boot die in het midden van de baai voor anker lag, met zijne wapenen naast zich en bemand met scheepsvolk, dat gereed was bij de nadering van gevaar zee te kiezen en alles achter te laten, terwijl hij over dag gewapend^ de wacht hield op de kust, evenzoo gereed om te vluchten. Zoo sleepte hij zijn ellendig bestaan voott, met zijne vrouw beurtelings wacht houdende, totdat een koopvaardijschip het eiland aandeed, en hem mede nam, met alles wat hij verkregen had — voor welke verlossing wij ongeveinsde dankbaarheid betoonden!
De oorlog, dien hij zoo lafhartig had aangestookt, duurde drie maanden, en toen gelukte het mij, door een geschenk, dat ik in het geheim aan twee aanvoerders gaf, er een einde aan te maken. Maar het gevoel van wraak over de verslagenen brandde nog in menige borst, en door het verhaal van de bloedige daden hunner vaderen werden de oude veten op de jongelieden overgebracht.
Gedurende den geheelen oorlog, ging ik iederen Zondag naar het tooneel van den strijd en hield eene godsdienstoefening onder onze kustbewoners. Honderden verzamelden zich rondom mij en luisterden met eerbied maar den oorlog wilden zij niet opgeven. Eens wilde ik door het bosch, dat hen van elkander scheidde, gaan, om ook met de vijanden te spreken
82
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
en te bidden. Ons volk echter kwam daar tegen op, en een aanvoerder zeide: »Missi, gij moet alleen voor ons bidden en uw God zal ons met Zijn machtigen arm helpen en wij zullen niet bevreesd zijn. Gij moet niet met den vijand bidden, anders helpt Hij hen ook.quot;
Na dit voorval rekende ik het mijn plicht, om, als ik naar het oorlogsveld ging, beide kampen te bezoeken en in ieder kamp godsdienstoefening te houden, terwijl ik hen leerde dat Jehovah, mijn God, vertoornd was over al zulke tooneelen en voor niemand zou vechten; maar dat Hij hun allen gebood in vrede te leven.
Omstreeks dezen tijd bedroeg het gezelschap, dat Zondags bij mij kwam, ongeveer veertig personen. Nowar en drie of vier anderen schenen echter de eenigen, waarvan ik meende te bespeuren, dat zij werkelijk Jezus begonnen te dienen en lief te hebben. Zij waren evenwel twijfelachtig en veranderlijk, hoewel zij een goeden invloed op de bewoners van hun dorp uitoefenden en gunstig tegenover ons en den godsdienst gestemd waren. De omstandigheden leidden er soms toe, om ons nuttig onder hen te doen zijn. Bijvoorbeeld, een van de heilige mannen werd, toen hij op een koraalrif aan het visschen was, door een vergiftige visch gebeten. Na hevige pijnen stierf hij, en zijne nabestaanden maakten zich gereed, om zijne twee vrouwen te worgen, opdat hare geesten hem in de andere wereld mochten vergezellen en dienen. Gewoonlijk waren zulke treurspelen geeindigd eer ik er van hoorde. In dit geval, daar ik dienzelfden dag in het dorp kwam, gelukte het mij, hen over te halen hem alleen te begraven, —■ en aan zijne vrouwen werd dus op mijn verzoek het leven geschonken. Deze zaak werd veel besproken en de verschrikkelijke gewoonte van het verworgen van weduwen raakte daardoor langzamerhand in onbruik.
In verband met zulke vergiftigingen moet ik hier aanmerken, dat sommige visschen doodelijk vergiftig waren; andere waren ongezond en zelfs vergiftig op enkele tijden, terwijl nog andere altijd voedzaam en goed waren.
Op zekeren morgen vond ik bij het aanbreken van den dag mijn huis omringd door gewapende lieden en een opperhoofd gaf mij te verstaan, dat zij zich verzameld hadden, om mij het leven te benemen. Ziende, dat ik geheel in hunne macht was, knielde ik neder en gaf mij naar het mij toescheen voor de laatste maal op aarde met lichaam en ziel aan den Heer Jezus over. Daarna stond ik op en ging tot hen en begon bedaard met hen te spreken over hun onvriendelijk gedrag tegenover mij, terwijl ik dat vergeleek met mijn gedrag jegens hen. Ik toonde hen ook duidelijk aan, welke treurige gevolgen de uitvoering van hun boos opzet hebben zou. Ten laatste stond een van de Hoofden, die de godsdienstoefeningen had bijgewoond, op, en zeide: »Ons gedrag is verkeerd geweest; maar nu zullen wij voor u vechten en allen die u haten dooden.quot;
Ik bracht hem echter van dat plan terug, door hem zoolang vast te houden, tot hij mij beloofde nooit iemand om mijnentwil te dooden, daar Jezus ons geleerd heeft, onze vijanden lief te hebben en altijd goed voor kwaad te vergelden. Gedurende dit tooneel verwijderden zich verscheidene van de gewapende lieden en zij, die bleven, verbonden zich om ons voortaan te beschermen. Maar wederom besloot hunne Openbare Vergadering, dat wij gedood moesten worden, omdat zij, gelijk zij zeiden, Jehovah en Zijn dienst haatten, daar die hen bevreesd maakte om te handelen, gelijk zij tot nog toe altijd gehandeld hadden. Indien ik niet langer de dorpen bezoeken wilde, om met de menschen te bidden en over God te spreken, dan wilden zij mij toestaan onder hen te wonen en handel met hen te drijven, daar zij de kooplieden wel mochten leiden.
83
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
maar de zendelingen haatten 1 Ik antwoordde hen daarop, dat alleen de hoop van in staat te zijn, hen den godsdienst van Jehovah te onderwijzen, mij bij hen deed blijven, dat ik onder hen was gekomen niet om winst of vermaak te genieten, maar alleen omdat ik hen lief had en hun toestand beklaagde; en dat ik voortdurend hun geluk zocht te bewerken, door hen den eenigen waren God te leeren kennen en dienen. Een van de Hoofden, die in Sydney gewoond had en Engelsch verstond, antwoordde uit aller naam:
»Missi, onze vaders beminden en dienden hem, dien gij den Duivel, den boozen Geest, noemt en wij zijn besloten om hetzelfde te doen, want wij keuren het gedrag onzer vaderen goed. Missi Turner kwam hier en trachtte onzen godsdienst uit te roeien, maar onze vaders wederstonden en hij verliet ons. Zij stonden ook op tegen Peta, den Samoaan-schen onderwijzer, zoodat hij vluchtte. Zij bevochten ook de Samoaansche onderwijzers, die aan de andere zijde van de haven zich hadden nedergezet en doodden er eenigen; waarop de anderen vluchten. Wij doodden den laatsten vreemdeling, die op Tanna leefde, voordat gij hier kwaamt. Wij vermoordden de Aneityumeesche onderwijzers en verbrandden hunne huizen. Na ieder van deze daden was bet op Tanna goed; wij leefden gelijk onze vaders, en ziekte en dood verlieten ons. Nu heeft ons volk besloten u te dooden, indien gij ons eiland niet verlaat; want gij verandert onze gewoonten en doet afbreuk aan onzen godsdienst en wij haten den dienst van Jehovah.quot;
En omringd door een aantal menschen, die eenige jaren in de koloniën hadden doorgebracht, vervolgde hij op bitteren toon: »De menschen uit Sydney behooren tot uw land, tot Engeland; zij kennen het goed en kwaad evengoed als gij, en wij hebben hen zien visschen, feestvieren, koken, werken, en allerlei vermaken najagen op den Zondag, evengoed als op iederen anderen dag. Gij zegt, dat wij op Zondag geen voedsel moeten koken, noch eenig werk doen, maar gij kookt zelve, want uw ketel staat dien dag op het vuur! Wij hebben de menschen uit Sydney allerlei dingen zien doen, dien gij verkeerd noemt, maar waarvan wij houden. Gij zijt maar alleen, zij zijn velen; zij hebben gelijk en gij moet ongelijk hebben; gij onderwijst leugens in plaats van waarheid.quot;
Na al zulke aanspraken, beantwoordde ik de vragen van het volk zoo volkomen mogelijk, ook ondervroeg ik mijne aanvallers op allerlei punten, waarna ik merkte, dat zij elkander weerspraken, totdat de meerderheid der stemmen uitriep; »Zij liegen! Zij verdraaien hunne woorden! Missi weet of het waar is, wat zij van de menschen van Sydney zeggen!quot;
Helaas! ik moest toestemmen, dat hetgeen zij vertelden maar al te waar was met betrekking tot de goddelooze menigte in het vaderland, die den Sabbath in een dag van vermaak verandert, echter niet met betrekking tot Jehovah\'s dienstknechten. Zij werden nu ook stil en vergunden mij om tot hen te spreken over geestelijke zaken en over den zegen, dien de Bijbel en de Zondagviering in andere landen te weeg brachten; en zij lieten mij eene godsdienstoefening in hunne tegenwoordigheid leiden.
Maar mijne vijanden lieten toch hunne slechte plannen tegenover mij niet varen, hoe zij ook voor het oogenblik uit het veld geslagen of tot bedaren gebracht werden. Slechts weinige dagen na het gebeurde, toen er vele Inboorlingen in mijn huis verzameld waren, vloog een man woedend met de opgeheven bijl op mij aan, maar een opperhoofd greep eene spade, waarmede ik juist gewerkt had en redde mij door zijne behendigheid van een oogenblikkelijken dood. Een leven onder zulke omstandigheden
84
NOG IE I\'S OVER DE ZENDING OP TANNA.
bracht er mij mij toe, mij des te meer aan den Heer Jezus vast te klemmen; ik was geen uur zeker van mijn leven en toch heerschte er kalmte, rust en onderworpenheid in mijne ziel, omdat mijne bevende hand gevat werd door de liefdevolle Hand, eens op het kruis genageld en nu den schepter voerend in het Heelal.
Den volgenden dag vervolgde een woest opperhoofd mij vier uur lang met zijn geladen geweer en hoewel hij het dikwijls op mij richtte, hield God zijne hand terug. Ik sprak hem vriendelijk toe, en vervolgde mijn werk, alsof hij daar niet geweest ware, vast overtuigd, dat mijn God mij daar geplaatst had, en mij zou beschermen, totdat mijne taak volbracht was. In voortdurend stil gebed opziende tot onzen dierbaren Heer Jezus liet ik alles in Zijne handen over en gevoelde mij als onsterfelijk, totdat mijn werk gedaan was. Mijn geloof werd zeer versterkt door deze beproevingen en voortdurende doodsgevaren; ik ontving kracht voor hetgeen er volgen zou, want de aanvallen volgden elkaar haastig op. Zonder het voortdurend bewustzijn van de tegenwoordigheid en de macht van mijn Heer en Zaligmaker zou niets mij bewaard hebben van het verstand te verliezen en ellendig om te komen. Zijne woorden; „Ziet, ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld,quot; kwamen mij zoo werkelijk voor, dat het mij in het minst niet zou hebben doen ontstellen, indien ik, even als Stefanus; Hem had zien nederblikken van uit den hemel op het tooneel rondom mij. Evenals Paulus toen hij uitriep: „Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft,quot; gevoelde ook ik Zijne ondersteunende kracht. Het is de zuivere waarheid, die mij na twintig jaar nog in zoete herinnering is, dat ik in deze vreeselijke oogenblikken, als geweer, knots of speer mijn leven bedreigden, het meest de nabijheid en de goedkeurenden glimlach van mijn gezegenden Meester ontwaarde. O! welke zaligheid om te leven en te verdragen, als „ziende den Onzienlijke!.quot;
Op een nacht werd ik driemaal wakker en hoorde telkens, dat een opperhoofd met zijne mannen bezig was de deur van mijn huis open te breken. Zij schenen echter te begrijpen, dat zij kwaad deden, want hoewel met musketten gewapend, waren zij zeer bevreesd voor een kleinen Schotsen hond, die mij dikwijls het leven redde. God wederhield hen ook nu weder en den volgenden dag ging het praatje overal rond, dat zij die mij wilden doodschieten „door vrees werden aangegrepenquot; en dat schieten dus het rechte middel niet kon zijn. Daarom werd nu in alle bedaardheid het plan beraamd, om ons huis en erf in brand te steken en ons, wanneer wij zouden trachten te ontkomen, met knotsen neer te slaan. Maar onze Aneityumnesche onderwijzer hoorde van het plan, en God hielp ons hunne booze aanslagen te verijdelen. Toen zij merkten, dat hunne aanslagen ons bekend waren, schenen zij aan zich-zelven te twijfelen en overlegden te zamen om ons op een nog geheimer wijze te overrompelen. Hun kwaad werd ten goede beschikt.
Namuri, een van onze Aneityumsche onderwijzers, woonde in het naast bijgelegen dorp. Daar had hij voor zich en zijne vrouw een huis gebouwd, en leefde daar onder de heidenen een eenvoudig en rein christelijk leven. Bijna iederen morgen kwam hij mij verslag geven van den staat van zaken in zijne nabuurschap. Zonder school en zonder boeken onderwees hij echter de Inboorlingen in den godsdienst, ging hen voor in het gebed en leerde hen voornamelijk door zijn goed voorbeeld. Zijn invloed onder het volk nam steeds toe, roen een priester hem op een morgen met de kawas of doodelijken steen wierp; dit was een gevaarlijk wapen, in grootte en vorm gelijkend op een slijpsteen voor zeisen, gewoonlijk
85
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
rond maar soms hoekig, en van achttien tot twintig duim lang. Zij wierpen dezen steen van grooten afstand en met met noodlottige juistheid. De onderwijzer wendde vlug het hoofd en ontving nu eene diepe wond in de linkerhand, terwijl hij zijne rechterhand gereed hield, om zich te beveiligen tegen de knots, die zeker volgen zou. De priester sprong nu met zijne knots en onder wild geschreeuw op hem aan. Hij ontweek sommige maar ontving toch ook vele slagen; eindelijk aan hunne handen ontkomende, bereikte hij werkelijk het Zendingshuis, bloedend, bijna bezwijmend, en achtervolgd door schreeuwende moordenaars. Ik had hem reeds lang met verlangen gewacht, en het geschreeuw hoorende vloog ik haastig naar buiten.
Toen hij mij zag, zonk hij onder een boom neder en riep: »Missi, Missi, red uw leven! Zij komen u dooden; zij zeggen dat zij ons allen heden zullen dooden en zij zijn met mij begonnen, want zij haten God en Zijn dienst.quot;
Ik haastte mij den goeden man te hulp te komen; ik waschte en verbond zijne wonden, en God hield, op wonderbare wijze de woedende Tanneezen op een afstand. Langzamerhand begonnen zij in het bosch te verdwijnen, en wij droegen den goeden onderwijzer in mijn huis! In drie of vier weken was hij door zorgvuldigen verpleging zoo ver hersteld, dat hij weder uit kon gaan. Sommigen smeekten hem, om in hun dorp terug te keeren, maar ik stond er op, als eerste voorwaarde, dat de opperhoofden hem, die den onderwijzer was aangevallen zouden straffen; dit zeide ik om hen te beproeven, want hij was natuurlijk slechts de uitvoerder geweest van hun wil, misschien met uitzondering van Nowar en twee of drie anderen. Zij zochten den onderwijzer te bevredigen door hem een varken en een paar broodwortels als zoenoffer aan te bieden; maar ik zeide: »Neen, zulk slecht gedrag moet gestraft worden, of wij zullen uw eiland bij de eerstkomende gelegenheid verlaten.quot;
De priester, die ook een opperhoofd was, was voortgegaan met tegen andere stammen te vechten, totdat al zijne volgelingen gedood of verslagen waren, en na drie weken gepraat grepen hem de andere Hoofden, bonden hem, en zonden om mij opdat ik zou komen, om hem te zien straffen, daar zij toch niet verlangden, dat wij het eiland zouden verlaten. Ik moest wel tot hen gaan uit vrees voor bloedstorten, en toen ik met hen gesproken had, werd hij losgelaten, na vele schoone beloften te hebben gedaan. Allen schenen nu vriendelijk jegens ons gezind en gewillig om te luisteren en te leeren, zoodat de onderwijzer ernstig verlangde naar zijn post te mogen terugkeeren.
Ik verzocht hem dringend, om in het Zendingshuis te blijven, totdat het wat veiliger zou zijn, maar hij antwoordde; »Missi, wanneer ik hen zie dorsten naar mijn bloed, dan zie ik in hen mijzelve, toen de zendeling het eerst op mijn eiland kwam. Ik verlangde hem te dooden even als zij mij willen doen. Ware hij uit vrees voor gevaar weggegaan, dan zou ik een heiden gebleven zijn; maar hij bleef bij óns, ging voort ons te komen onderwijzen, totdat ik door Gods genade, ben veranderd tot hetgeen ik nu ben. Welnu! dezelfde God, die mij zoo veranderd heeft, kan ook de arme Tanneezen desgelijks veranderen, dat zij Hem gaan dienen en liefhebben. Ik kan niet van hen wegblijven; maar ik zal in het zendingshuis komen slapen en overdag alles doen wat in mijn vermogen is, om hen tot Jezus te brengen.quot;
Ik kon iemand met zulke beweegredenen niet terughouden, van wat hij zijn plicht rekende. Hij keerde dus naar zijn arbeidsveld terug en gedurende verscheidene weken gingen de zaken uitstekend. De Inboor-
86
NOG IETS OVKR DE ZENDING OP TANNA.
lingen toonden eene klimmende belangstelling in ons en in ons werk, en minder vrees voor de bedreigingen van hun heidenschen priester, die door jalouzie en wraak verteerd werd.
Op een morgen onder de godsdienstoefening, toen de goede onderwijzer tot het gebed neerknielde, sprong dezelfde woeste priester met zijne groote knots op hem aan en verwondde hem hevig, zoodat hij bebloed en bewusteloos voor dood bleef liggen. Het volk vluchtte en liet hem in zijn bloed badende achter, daar zij bevreesd waren, dat de moord hen geweten zou worden. De onderwijzer kwam weder bij, kroop naar het zendingshuis en bereikte dat omstreeks het midden van den dag, bijna stervende. Toen ik hem zag, liep ik hem tegemoet, maar hij viel neder bij de onderwijzerswoning, zeggende: »Missi, ik sterf. Zij zullen u ook dooden. Vlucht, om uws levens wil!quot;
Ik zette mij vol medelijden naast hem neder, verbond zijne wonden en verzorgde hem. Hij was zeer gelaten; zag tot Jezus op en verheugde zich, dat hij spoedig bij Hem in de heerlijkheid zou zijn. Zijn lijden was groot maar hij droeg het met de grootste onderworpenheid, terwijl hij gedurig bij zichzelven herhaalde: »Om den wil des Heeren! Om Jezus\'wil!quot;
Hij bad gedurig voor zijne vervolgers: »0 Heer Jezus! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. 01 neem niet al uwe dienstknechten van Tanna weg. Neem uw godsdienst niet van dit verduisterd volk weg! O God! leer al de Tanneezen Jezus volgen en liefhebben!quot;
Voor hem was Jezus alles en in alles; en er was geene verschrikking in den dood. Hij ging van ons heen, in het vast vertrouwen van de heerlijkheid zijns Heeren binnen te gaan. Hoe nederig hij moge schijnen in het oog der wereld, ik wist dat er een groot man in den dienst van Christus gevallen was en dat hij zijne plaats zou innemen in de juichende schare der martelaren. Ik maakte eene doodkist voor hem, en begroef hem dicht bij het Zendingshuis.
Met gebeden en vele tranen gaven wij zijn stoffelijk overschot aan de aarde weder in de zekerheid van eene heerlijke opstanding. Slechts één zoodanig bekeerling was reeds eene zegenrijke belooning voor Dr. Geddie en zijne echtgenoote, aan wie God de eer had verleend, dezen man tot Jezus te brengen. Mogen vele zulke verloste zielen in den Grooten Dag de kroon hunner heerlijkheid uitmaken!
Onmiddellijk na deze gebeurtenis, kwamen een aantal Hoofden met hunne volgelingen bij mij in het zendingshuis, en groote vriendelijkheid aan den dag leggende, zeiden zij: »De heer Turner gaf aan onze vaders groote hoeveelheden katoen, bijlen en messen en zoo werden zij zijne vrienden. Indien gij het volk ook zoo iets zoudt willen geven, zouden zij daar zeer blijde mede zijn. Zij zouden dan zeker ophouden met zich tegen uw godsdienst te verzetten.quot;
Ik antwoordde daarop: »Hoe kwam het dan, dat zij de zendelingen Turner en Nisbet zoo hevig vervolgden, dat deze het eiland moesten verlaten? Uw gedrag is slecht en bedriegelijk. Ik zal u nooit voor slechte daden en moorden beloonen! Door mij wordt geen enkel geschenk gegeven.quot;
Zij trokken gemelijk af en schenen zeer teleurgesteld en beleedigd,
Toen er een opperhoofd gestorven was, verzamelde het volk aan de haven zich, om zijne weduwe te verworgen. Een mijner Aneityumeesche onderwijzers hiervan gehoord hebbende, haastte zich tot mij. Ik liep naar het dorp en redde haar met veel moeite het leven. Eeuige weken daarna schonk zij het leven aan een kleinen stamhouder, die zeer voorspoedig opgroeide. Indien onze kustbewoners de .waarheid wilden spreken, dan
87
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
zouden zij moeten bekennen, dat de weduwen van allen, die in den oorlog omkwamen, door onze smeekingen in het leven werden gespaard, Spoedig na het voorgaande stierf er een heilig man en eene menigte volks wachte het oogenblik van zijn dood at, om zijne drie vrouwen te verworgen. Ik sprak tot hen over de gruwelijke wreedheid van zulk een gedrag. Ik wees er hen verder op, dat God ons man en vrouw geschapen had, en dat de seksen zoo in evenwicht waren gesteld, dat voor iederen man die drie of een dozijn vrouwen had, evenveel mannen gewoonlijk er geene hadden, en dat dit groote jalouzie en twist veroorzaakte. Ik toonde hen verder aan, dat deze weduwen, indien zij in het leven gespaard werden, gelukkige en nuttige huisvrouwen voor andere goede en liefhebbende echtgenooten konden worden. Na den lijkdienst, beriep ik mij op het opperhoofd, die mij antwoordde:
»Missi! de gewoonte om de weduwen te verworgen is niet van onze vaderen afkomstig, maar werd hier op Tanna door de bewoners van Aneityum ingevoerd. En daar zij op Aneityum de gewoonte hebben nagelaten, nu zij christenen zijn geworden, is het goed dat wij die op Tanna ook afschaffen.quot;
Zoo werden dan deze drie weduwen gespaard; en wij hadden goede hoop in Christus, dat het verschrikkelijk gebruik spoedig geheel van Tanna zou verdwijnen.
In dezen tijd gebeurde er iets, dat de algemeene venvondering van de Inboorlingen gaande maakte, namelijk het graven van een put. Tot nog toe hadden wij slechts drinkwater uit een kokende bron, dat letterlijk in dit klimaat dagen noodig had om af te koelen. Wij hadden ook een stilstaanden vijver aan het beneden einde van een moeras, waarin de Inboorlingen zich gewoonlijk baadden en hetgeen het eenige geschikte koud waterbad was! Behalve dat was er op zes of zeven mijlen in den omtrek geen drinkwater te vinden. Het gelukte mij een put te graven, bij het zendingshuis en op twaalf voet diepte kreeg ik uitmuntend zuiver water, hoewel, vreemd genoeg, de oppervlakte van het water in den put geregeld met ieder getij rees en daalde! Deze put werd nu de eenige toevoer van water voor ons en voor de Inboorlingen rondom de haven en mijlen ver landwaarts in. Honderden inwoners van Tanna stroomden uit alle plaatsen samen om het grootste wonder, dat zij ooit gezien hadden — regen, die uit de aarde oprees — te aanschouwen. Ik metselde de put van binnen met een soort van steen, die ik van de andere zijde van de baai in mijn boot had medegebracht; en gedurende vele jaren bevatte deze put het eenige frissche water voor de Inboorlingen in den omtrek. Eenige jaren later groef een inlandsch Hoofd in zijn eigen dorp een put ongeveer een mijl dichter bij den ingang van de haven, en hij metselde hem van binnen met steenen, die ik gekocht had, om een huis te bouwen en welke hij mij ontstolen en zich toegeëigend had. Menig schip, dat de haven aandeed, was blijde, zijne watervaten opnieuw te kunnen vullen aan mijne bron, en allen waren zoo het scheen er des te vriendelijker door gestemd, maar het graven van dezen put bracht niet zulk eene omwenteling te weeg als die op Aniwa — hetgeen later medegedeeld zal worden.
Gedurende volle drie maanden was ik nu bezig geweest al mijn vrijen tijd te besteden aan het oprichten van een gebouw, dat voor Kerk en School zou kunnen dienen, waarbij ik mij ook bediend had van zooveel hulp der Inboorlingen, als ik voor geld had kunnen verkrijgen. Het gebouw was vijftig voet lang, en een en twintig voet zes duim breed. De pilaren stonden drie voet van elkander en waren alle met voegen en
88
NOG IEi\'S OVER DE ZENDING OP TANNA.
pennen boven en beneden in den muur vastgemaakt. Het schoone dak van ijzer, hout en suikerrietbladeren werd door drie massieve houten pilaren ondersteund, die diep in den grond bevestigd waren. Het dak strekte zich ongeveer drie voet buiten de muren uit, eensdeels om een veranda te vormen en anderdeels om de regen te beletten langs de muren af te stroomen. Het was geheel bedekt met suikerriet- en kokosbladen. De vloer was met fijn wit koraal bestrooid, en bedekt met matten Van kokosbladeren, gelijk aan die waarop de inboorlingen gewoon waren te zitten. Het was inderdaad zulk een aangenaam ingericht Huis des Gebeds, als men maar in de heete luchtstreek kon verlangen, ofschoon het slechts open ruimten in de plaats van deuren en vensters had! Ik kocht het zware hout, dat ik er voor noodig had, op Aneityum en betaalde er voor vijftig broeken, die ik gekregen had van mijne Bijbelklasse in Glasgow, waar zij eigenhandig geknipt en genaaid waren. Ik betaalde ook bon-dcrddertig el laken en eenige andere dingen voor ander hout, dat ik noodig had.
De Tanneezen verklaarden zich eerst tegen den bouw van eene kerk. Zij verlangden niet, dat Jehovah een huis op hun eiland zou bezitten. Op den openingsdag waren er maar vijf mannen, drie vrouwen en drie kinderen tegenwoordig, behalve onze Aneityumeesche onderwijzers. Maar op dien zelfden dag, na den morgengodsdienstoefening bezocht ik tien dorpen, waar ik eene godsdienstoefening hield. De menschen waren over het algemeen schuw en onvriendelijk. Zij zeiden, dat wij de oorzaak waren van de voortdurende ziekten en koorts. Zij hadden er geen begrip van, dat ziekte en dood eene natuurlijke oorzaak hadden, maar geloofden, dat deze dingen werden veroorzaakt, omdat iemand hen betooverde. Vandaar hunne onophoudelijke veten, en de dood van vele menschen, door blinde wraakzucht om het leven gebracht.
Toen wij het fondament voor de kerk begonnen te leggen werd er een groote, vreemde, ronde steen opgegraven, op het zien waarvan de Tanneezen versteld stonden. Het oudste opperhoofd zeide mij toen: »Missi, deze steen werd hier neergelegd door Karapananum (den boozen geest) of werd hier verborgen door ons overleden Opperhoofd. Dit is de steenen god, waaraan onze voorouders menschenoffers brachten, Deze gaten bevatten het bloed van de slachtoffers, totdat het door den geest werd opgedronken. De geest van dezen steen eet mannen en vrouwen op en drinkt hun bloed gelijke onze vaders ons geleerd hebben. Wij zijn in de grootste vrees!quot;
Een priester wilde den steen in bezit hebben en was zeer verlangend hem mede te nemen; maar ik wist hem te houden, en deed alles wat in mijn vermogen was, om hen de bespottelijkheid van deze dwaze begrippen aan te toonen. De afgoderij was waarlijk nog niet uit Tanna verdreven, maar één wreede afgod moest ten minste wijken voor het huis van God op dit duister eiland.
Iets dat ik ook nooit vergeten zal, was het drukken van mijn eerste boek in de Tanneesche taal. De heer Thomas Binnie gaf mij een drukpers eu een stel drukletters. Drukken was een van de dingen, die ik nooit beproefd had, maar nu ik een boekje in het Tanneesch had samengesteld, maakte ik mijn pers in orde, en begon de woorden te zetten. Maar het bleek mij, dat het drukken van een boek voor mij een moeie-lijker werk was, dan het bouwen van huizen geweest was. Met groote volharding gelukte het mij ten laatste. Mijne grootste moeielijkheid bestond in het juist schikken van de bladzijden. Na vele mislukkingen, vouwde ik een vel papier zoo, dat ik het aantal bladen kreeg dat ik noodig had;
89
90
ik nummerde de bladzijden, zooals zij genummerd moesten zijn, wanneer zij op juiste wijze in het boek geplaatst waren en vouwde toen het vel papier uit, zoodat ik door de cijfers zien kon hoe de bladzijden in het drukraam geplaatst moesten- worden, gelijk dat aan beide zijden op het papier was aangegeven. En zult gij het niet dwaas van mij vinden, lezer, wanneer ik beken, dat ik een kreet van vreugde slaakte, toen het eerste vel geheel in orde Van de pers kwam. Het was ongeveer een uur na middernacht. Ik was toen de eenige Blanke op het eiland, en al de Inboorlingen waren reeds uren in vasten slaap gedompeld. Vol vreugde wierp ik mijn hoed in de lucht en danste als een schooljongen rondom de drukpers, totdat ik begon te vragen: Begin ik mijn verstand te verliezen? Zou het een zendeling niet beter passen, om neer te knielen en God te danken voor dit eerste gedeelte van Zijn heilig Woord in deze nieuwe taal gedrukt. Vrienden! neemt het mij niet kwalijk, en gelooft mij, dat het evenzeer eene daad van ware vereering was als Davids dansen voor de Ark Gods! En meent ook niet, dat ik niet neerknielde, om Gods zegen te vragen over dit eerste vel van Gods Woord, dat ooit in de Tanneesche taal verschenen was. Niet alleen toen, maar iederen dag sedert smeekte ik den Almachtige om het licht en de vreugde van Zijn heilig Woord in ieder duister gemoed en in iedere duistere woning op Tanna ingang te doen vinden! Maar de Tanneezen hadden eene bijgeloovige vrees voor boeken en voornamelijk voor Gods Boek. Ik vernam later, dat Dr. Turner een klein spelboek had gedrukt in het Tanneesch met behulp van Samo-aansche onderwijzers; maar ik heb dit nooit te zien gekregen, vóór ik mijn werk op Tanna bijna geëindigd had. Dr. Turner zond mij een afdruk, maar het was meer Satnoaansch dan Tanneesch, voornamelijk in de spelling en kon mij dus van weinig of geen dienst zijn.
Korten tijd hierna, werd ik aangenaam verrast door de aankomst van een Amerikaansch walvischvaarder, de Camden Packet, onder kapitein Allan. Hij, zijn eerste stuurman en velen van zijne talrijke bemanning waren besliste christenen, — een groot verschil met de meeste kooplieden, die te Port Resolution landden. De kapitein verzocht mij vriendelijk om aan boord te komen en de godsdienstoefening te leiden. Welk een gelukkige avond was dit; het was mij als eene oase in de woestijn! De kapitein stelde mij zijn volk voor, zeggende: „Dit is mijn scheepsvolk. Mijn eerste stuurman en de meesten van mijn volk zijn besliste christenen, die Jezus Christus trachten de dienen en lief te hebben. Onze reis heeft drie jaren geduurd, maar wij zijn in dezen tijd zeer gelukkig met elkaar geweest. Gij zoudt nooit iets minder goeds aan boord van dit schip kunnen hooren of zien, dan gij nu ziet of hoort. En God heeft ons bovenmate gezegend.quot;
Hij vertelde mij later, dat hij eene lading traan aan boord had, die zeer veel waard was, en waarmede het schip bijna geheel gevuld was. Hij wilde gaarne iets voor mij doen of mij een of ander geven, maar ik had niets noodig, dat hij mij geven kon. Zijn stuurman, mijnen boot ziende, vond er eene opening in, en verscheidene planken waren gespleten en uitgebogen, daar ik er mede tegen eene klip had gestooten, bij welke gelegenheid ik bijna verdronken was. Den volgenden morgen zette de kapitein uit eigen beweging zijn timmerman aan het werk, om de boot te herstellen, zoodat zij weer zoo goed als nieuw werd. Niemand van hen wilde eenige belooning van mij aannemen; hunne eigene christelijke liefde verschafte hen voldoende belooning. Ik had reeds verlangend uitgezien naar eene gelegenheid, om mijne boot naar Sydney te zenden om hersteld te worden, en was dus zeer dankbaar voor deze onverwachte en
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
belanglooze hulp. De kapitein wilde niet toestemmen, dat het oponthoud hem eenig nadeel berokkende, daar hij zijne booten gedurende dien tijd uitzond om kokosnoten en andere benoodigdheden voor zijn eigen schip van de Inboorlingen aan te koopen. O! hoe worden alle ware volgelingen des Heeren door den Geest van Christus vereenigdl Welke andere aardsche of menschelijke band zou dien vreemdeling zoo aan mij hebben kunnen verbinden? In het hart van Christus ontmoetten wij elkander als broeders.
Nu begonnen donkere wolken zich weder rondom mij samen te pakken. Eens toen ik aan het werk was aan mijn huis, omringde het oorlogshoofd met zijn broeder en een groot aantal gewapende lieden de plaats, waar ik werkte. Zij hadden allen behalve hunne eigene wapenen, geweren bij zich.
Gedurende eenigen tijd sloegen zij mij in stilte gade, en toen richtte ieder man zijn geweer op mijn hoofd. Ontsnappen was onmogelijk. Spreken zou het gevaar, waarin ik mij bevond, nog vergroot hebben, De moed scheen mij een oogenblik te begeven, het werd mij alles duister, maar ik bad tot den Heer Jezus, om mij te beschermen, of mij in Zijne heerlijkheid op te nemen. Ik trachtte daarop voort te werken, alsof er niemand bij mij was. Op dat oogenblik gevoelde ik als nooit te voren, de waarheid van het woord: „Al wat gij zult bidden in Mijnen naam, dat zal ik doen,quot; en ik wist, dat ik veilig was. Daarop trokkken zij zich een weinig van hunne eerste standplaats terug, hoewel er geen woord gesproken was, en namen wat verder af dezelfde houding aan, terwijl zij elkander schenen aan te moedigen, om het eerst te schieten. Maar mijn goede Meester hield hen weder terug, en zij gingen heen, mij nieuwe reden latende om mijn vertrouwen op Hem te stellen voor tijd en eeuwigheid. Gevaren schenen mij echter aan alle kanten te omringen, en mijn leven werd zeer dikwijls bedreigd. Ik moest mij veel voorzichtiger dan vroeger bewegen en durfde soms dagen lang niet buiten de omheining van mijn erf komen! Want ik heb altijd vast geloofd en geloof het nog, dat alleen wanneer wij ieder wettig middel tot bescherming van ons leven, op één na Gods grootste gave, (de gave Zijns Zoons toch is de grootste) gebruiken, wij op Gods bescherming mogen rekenen, of eenig recht kunnen hebben, om op Zijne beloften te pleiten.
Eens deed het schip van zekeren prins de Jean Beuve, gelijk hij zich noemde, een fransch vluchteling, die genaturaliseerd Amerikaan was, onze haven aan. Hij zeide, dat hij om politieke redenen uit zijn land had moeten vluchten. Zijn groot en mooi schip was als een oorlogsschip uitgerust en bemand met slaven, die hij met ijzeren hand regeerde. Welk eene tegenstelling met kapitein Allans walvischvaarder! Toch was hij ook zeer lief en vriendelijk voor mij. Daar hij van mijn gevaar en beproevingen gehoord had, kwam hij, zoo spoedig zijn schip voor anker lag, met een troep gewapende mannen aan land. Hij was overdreven beleefd, een echte Franschman met zijn stortvloed van woorden en zijne gebaren, en bood aan al het mogelijke voor mij te doen. Hij wilde mij brengen naar Aneityum of naar Sydney of waarheen ik maar wilde. Het schip was zijn eigendom; hij zeilde voornamelijk voor plezier en had onze eilanden aangedaan om te onderzoeken of er ook handelsbetrekkingen konden aangeknoopt worden, die belangrijk genoeg waren, om de schepen van eene stoomvaartlijn, die hij wilde openen, op hunnen doortocht deze eilanden te laten aandoen. Hij drong er bij mij, en naar ik geloof in oprechtheid, op aan, om hem het genoegen te gunnen mij en mijne bezittingen naar eenige plaats van veiligheid te brengen. Maar mijn vertrek werd verhinderd door den vrees, dat het mij niet vergund zou worden
91
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
terug te keeren en dat daardoor het werk van Christus schade zou lijden. Met het nog altijd brandend verlangen in de ziel van nog eenmaal in staat te zullen zijn de Tanneezen tot Jezus te leiden, wees ik, onder grooten dank voor zijne goedheid, zijn vriendelijk aanbod van de hand. Hij scheen waarlijk verdrietig mij in de omstandigheden, waarin ik geplaatst was, te moeten achterlaten. Na twee uren aan de kust vertoefd te hebben, ging hij tegen den avond naar zijn schip terug.
Wetende, dat de Tanneezen gedreigd hadden mijn vorig huis te verbranden, dat ik ook naar hooger grond wilde verplaatsen, om er de woning mede te vergrooten, die ik nu op den heuvel bewoonde, en die slechts uit eene kamer bestond, maakte ik gebruik van de tegenwoordigheid van het schip van den prins, om mijne Aneityumeesche onderwijzers en eenige bevriende Inboorlingen aan het werk te zetten; maar ongelukkig vergat ik, om den Franschman van mijne plannen te onderrichten. Wij namen de bedekking van suikerrietbladeren van het dak van het huis en begonnen dit op den grond af te branden, daar ik het zware hout, dat niet gemakkelijk op Tanna te krijgen was, weder wilde gebruiken. Onze Fransche vriend, de vlammen ziende opstijgen, laadde onmiddellijk zijne zware kanonnen en liet zijne mannen zich tot een gevecht gereed maken. In groote opgewondenheid kwam hij aan wal met een groot aantal gewapende lieden, terwijl hij de andere aan boord liet, waar zij zich gereed hielden, hen op een gegeven teeken met bommen en kogels te beschermen. Hij liet de helft der manschappen achter, om de booten te bewaren en spoedde zich door de andere helft zijner lieden gevolgd naar mijn huis, waar hij ademloos en bezweet aankwam, roepende: „Waar zijn de schelmen? Ik zal ze wel krijgen en u beschermen! Ik zal ze straffen, die schelmen!quot;
Hij was zoo opgewonden, dat hij bijna niet tot bedaren kon komen, om mijne uitleggingen aan te hooren, die toen hij ze eindelijk begrepen had, hem hartelijk deden lachen. Hij vraagde mij daarop weder, of ik niet liever met zijn schip vertrekken wilde; daar hij het niet kon verdragen, mij zulk een leven te zien leiden onder deze Wilden. Ik maakte hem de redenen bekend, waarom ik het eiland niet wilde verlaten, maar deze scheen hij niet te kunnen begrijpen. Hij liet zijne mannen onder de wapens en liet ze onder bevel der officieren op de kust achter, waar zij bij iedere waarschuwing gereed moesten zijn, om te komen helpen zeggende dat zij er des te beter om zouden zijn, als zij een dagje aan de kust hadden doorgebracht. Hij zelve wenschte mijn eenvoudig maal met mij te deelen in ons zendingshuis van ééne kamer, die voor alle doeleinden gebruikt werd! Mijn eenvoudige maaltijd en thee moet wel alles behalve een gastmaal voor hem geweest zijn, maar hij scheen voor een keer bevrijd te willen zijn van al de aangenomen gebruiken der wereld. Voor hij mij verliet, zond hij uit eigen beweging, om al de Hoofden, die binnen bereik waren en waarschuwde hen, dat indien zij mij beleedigden of het leven benamen hij met zijn oorlogsschip terug zou keeren, om hen met den dood te straffen en hunne dorpen te verbranden en dat er ook een Engelsch oorlogsschip zou komen, om hun geheele eiland in brand te steken. Daar zij, ongetwijfeld in groote vrees verkeerden beloofden zij zich goed jegens mij te gedragen. De goedhartige Franschman vertrok met uitbundige uitdrukkingen van bewondering voor mijn moed en van medelijden met mijn lot. Zonder twijfel zag hij in mij niet anders dan een dwaas droomer 1
In treurige tegenstelling hiermede was de slechte indruk, die het bezoek van een der schepen van kapitein T. maakte, die in Sydney handel dreef in Sandelhout. De heer Copeland en ik hadden uit Glasgow ieder
92
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
eene walvischsloep medegekregen, daar dit deel uitmaakte van de noodzakelijke uitrusting van ieder zendeling op deze eilanden. Daar de mijne nog al groot en zwaar was, had ik haar aan een van T\'s kapiteins verkocht; maar de andere was evenzoo aan mijne zorg toevertrouwd. Na mijne boot ongeveer twaalf maanden gebruikt te hebben (de beste boöt wordt slechts verondersteld twee jaren voor dit doel te kunnen dienen) wendde de kapitein zich tot den heer Copeland en verkreeg een bewijs van hem, waarbij hij mij verzocht zijne boot ook te verkoopen. Hij verklaarde bij mij komende, dat de heer Copeland hem in last gegeven had, om zijne boot in ruil te vragen voor de mijne, die hij nu een jaar gebruikt had. Ik vraagde den brief te zien, en bevond dat het eene volmacht aan mij was, om zijne boot te verkoopen, maar alleen voor contant geld en tegen dezelfden prijs als de mijne. Kapitein V. begon nu tegen mij te razen en verklaarde, dat hij mijne oude boot zou teruggeven en de andere zou nemen of ik het goed vond of niet. Vreeselijk vloekende, ging hij naar zijn schip terug, en keerde weder met eene groote troep menschen, die hij op de eilanden bijeengebracht had. Toen verzamelde hij ook eenige Tanneezen, die hij tabak aanbood, hij verbrak de omheining, ging in de bewaarplaats en begon de boot er uit te halen Op dit oogenblik bereikte ik de plaats en stelde mij met kracht tegen hen. Hij vloekte en raasde tegen mij en in tegenwoordigheid van de Inboorlingen stootte en duwde hij mij terug en sloeg zelfs naar mij, ofschoon ik zijne slagen ontweek. Hierop zeide ik in het Tanneesch; „Gij helpt dien man om mijne boot te stelen; hij steelt haar, gelijk gij zeer goed ziet.quot;
Op het hooren dezer woorden, liepen de Tanneezen weg, en zijn eigen volk alleen kon het niet doen. In groote woede ging hij naar zijn schip terug en bracht zooveel tabak mede, als hij in een grooten doek aan dé vier punten samengebonden, dragen kon maar toch weigerden onze Inboorlingen hem te helpen. Hij bood toen de tabak aan een troep Wilden uit het binnenland aan, die boven aan de baai vergaderd waren, en die, niet op mijne tegenwerpingen lettend, de boot te water lieten, terwijl hij tegen mij stond te razen en mij bijna sloeg. In plaats van nu de andere boot ten minste in de bewaarplaats te brengen, maakte hij die eenvoudig van zijn schip los, zoodat zij naar de klip dreef en daar vast raakte, en door de golven heen weer geslingerd werd. Nadat zijn schip uit het gezicht was, kreeg ik met veel moeite de boot los en bracht ze in de bewaarplaats. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe zulke menschen, die een zendeling en Britsch onderdaan op deze gewelddadige wijze durven behandelen, tegenover de arme Inboorlingen te werk gaan.
Bij de eerste gelegenheid deed ik per brief verslag van het gebeurde aan zijn principaal, kapitein T. uit Sydney, maar ontving zelfs geen antwoord, terwijl kapitein V. in zijn dienst bleef als een geesel voor deze eilanden en een oneer voor zijn land en voor de menschheid. Kwaad-gezinde Tanneezen zeiden nu: „Wanneet een blanke man uit zijn eigen land den zendeling zoo mag slaan en wegdringen en zijne boot en ketting mag stelen, zonder daarvoor gestraft te worden, dan kunnen wij ook doen wat ons goeddunkt.quot;
Ik aarzel niet het als mijne overtuiging neer te schrijven, dat het gedrag van dezen man eene zeer slechte uitwerking had, daar het hen aanmoedigde tot daden van oneerlijkheid tegenover mij en tot pogingen om mij van het leven te berooven, totdat de zendingspost ten laatste geheel moest worden verlaten. Nadat ik van Tanna moest vluchten, er alleen het leven afbrengende, landde een schip van denzelfden kapitein
93
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
te Port Resolution en gaf den Inboorlingen ongeveer drie pond waarde-looze tabak, die te Sydney voor minder dan twaalf stuivers per pond te koop was, om van hen de vergunning te krijgen mijne boot, roeiriemen, zeilen,, masten, en andere benoodigdheden weg te nemen. Zij kochten oök al den roof uit mijn huis op. Beide booten waren zoo groot en zoo sterk gebouwd, dat zij door er een paar planken bij te voegen gemakkelijk kleine schoeners er van konden maken, die zeer geschikt waren voor den handel in Sandelhout langs de kust, terwijl grooter schepen in veilige ankerplaats lagen om te ontvangen, wat zij ophaalden. Toen Dr. Inglis en ik elkander in Sydney ontmoetten, gingen wij kapitein T. opzoeken en verhaalden hem het geheele geval, tetwijl wij hem ten minste eene redelijke betaling voor de booten verzochten. Hij stemde toe, dat de booten weggenomen waren en dat ze in zijn dienst gebruikt werden, ook stemde hij er in toe, ons voor de booten te betalen, indien wij de groote som door zijne kapiteins daarvoor gegeven, wilden terugbetalen. Daarop een van zijne bedienden roepende, gelastte hij hem in de boeken na te zien wat aan de Tanneezen was betaald geworden voor de boot van den zendeling.
De jonge man antwoordde onnoozel: »Drie pond tabak.quot; In woede ontstoken, riep hij uit; »Ik meende, dat er een veel grootere waarde voor gegeven was.quot;
De klerk verzekerde echter: »Er staat niets anders aangeteekend.quot;
Kapitein T., na toegegeven te hebben, dat de waarde van de boot wel op f 960 geschat kon worden, stemde er in toe ons f 720 te geven, maar toen hij de cheque schreef, wierp hij plotseling de pen neer, en zeide: »Ik zal u daar nog wel eens over komen spreken!quot;
Ons daarna f 600 aanbiedende, waarin wij toestemden, trok hij weder terug, en verklaarde, dat hij geen cent meer dan f360 wilde geven.
Wij wezen er hem op, dat deze schuld als eene eereschuld moest beschouwd worden en dat hij daarom nu niet langer over den prijs moest spreken, daar hij toch zeer goed wist, hoe wij in deze zaak verongelijkt waren.
Eindelijk verlieten wij hem na zijne verklaring; »Ik laat juist dergelijke booten bouwen tegen f300 het stuk; daar zal ik er u een van zenden; die kunt gij nemen of anders krijgt gij niets,quot;
Wij vertrokken nu, verblijd zijnde, dat wij op eenigerlei wijze van zulk een man afkwamen, en, ofschoon hij in het volgend jaar een zijner beloofde booten voor mij naar Aneityum zond, had toch liet gedrag van zijne lage dienaren, die den handel in Sandelhout dreven, grooten schuld aan het in de war sturen en doen opbreken van onze zending. Duizenden en duizenden guldens werden ieder jaar met dezen handel gewonnen, maar het was een handel, waaraan menschenbloed en onbeschrijfelijke zonden kleefden; daarom kon ook Gods zegen niet op deze menschen en hun kwalijk verkregen goed rusten. 01 hoe dikwijls hebben wij in dezen tijd gebeden, om van deze onverstandige en slechte menschen verlost te worden! De handelaars in Sandelhout vermoordden vele Inboorlingen, terwijl zij hen hun hout ontstalen en uit wraak vermoordden de Inboorlingen hen en hunne dienaren Blanken, die in dezen handel betrokken waren, schoten ook elkander wel in dronkenschap dood, wanneer zij twist kregen, en niet weinigen brachten zichzelven om het leven. Ik heb er haast geen gekend, die niet tot ellende en armoede vervallen is; op het geld, dat de eigenaars der schepen er door ontvingen, rustte zelfs klaarblijkelijk een vloek. Deze dwaze en slechte menschen spotten met de zonde, meenende, dat niemand om deze arme Wilden gaf, maar
94
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
God deed hen in hunne eigene ervaring zijne onherroepelijke wet verstaan: »De bezoldiging der zonde is de dood.quot;
Schepen, die hoog verzekerd waren, werden, naar men zeide, voor den handel met ons eiland gebruikt, om ze moedwillig schipbreuk te doen lijden. Op een Zondagavond tegen donker, liet de beruchte kapitein H., die bevel voerde over een groot schip, dit tegen de kust slaan en verongelukken, zonder eenige poging aan te wenden, om het te redden. Den volgenden morgen kwamen al de schipbreukelingen aan wal zwemmen en gaven voor, alles verloren te hebben. De kapitein, die, toen hij in Sydney terugkwam, in de gevangenis werd gezet, omdat hij de vrouw en de bezittingen van een ander had ontvoerd, bedroog den heer Copeland en mij, en verkreeg zoodoende van ons beschuit, meel en dekens, zooveel wij maar konden missen voor zijn ongelukkig scheepsvolk, dat alles verloren had. Wij ontdekten later, dat zijn schip op een schoone zandbank slechts eenige mijlen van de kust, lag en dat alles wat er nog in was zonder levensgevaar kon gered worden. Hetgeen wij hun gaven, konden wij bijna niet missen zonder gevaar voor ons leven of onze gezondheid. Natuurlijk gaf hij ons een wisselorder op kapitein T. voor al wat wij hem verstrekt hadden, maar geen cent is ons daarvoor ooit in handen gekomen. In het begin beloofde hij de inboorlingen te zullen betalen voor het voedsel, dat zij hem verstrekten, maar later zond hij eene gewapende troep \'s nachts het binnenland in om te rooven en te plunderen. De Inboorlingen, die zich het voedsel van hunne kinderen op onbarmhartige wijze zagen ontnemen, werden dood geschoten, als zij zich er tegen verzetten.
\'Wij waren zeer verblijd, toen een schip ons eiland aandeed, dat deze blanke, heidensche Wilden mede voerde.
Dezelfde kapitein T. begon ook, nadat de handel in Sandelhout uitgeput was, den ergerlijken Kanaka-handel, die zedert zoovele duizenden Inboorlingen heeft uitgeroeid, daar het niet anders dan slavernij was, waardoor de eilanden rechtstreeks of middelijk zeer zijn ontvolkt. En toch heeft hij een vlugschrift geschreven en in Sydne}\' uitgegeven, waarin hij verklaarde dat hij en zijne kooplieden in Sandelhout en ook zijne inzamelaars van den Kanaka-arbeid meer hadden gedaan tot beschaving van de eiland-bewoners dan al onze gezamelijke zendingsarbeid. Tot beschaving, ja waarlijk! Door ziekte en zonde, ellende en dood onder hen te brengen, op het best genomen; en van de slechtste zijde gezien, door velen hunner zich te doen afslooven, tot zij bij hun werk omkwamen; door anderen onder het een of ander schuldig voorwendsel dood te schieten en door zeker duizenden naar een ontijdig graf te slepen. Een algemeen gevoelen onder hen was: Laat hen omkomen en laat de Blanken deze eilanden bevolken.
Zulk eene behandeling maakte, dat de Inboorlingen alle vreemdelingen wantrouwden en de Blanken haatten en door roof en moorden hunne wraakzucht zochten te bevredigen. Een koopman in Sandelhout b. v. die ook verzamelaar van Kanakas was, en te Port Resolution woonde, mishandelde eenige Inboorlingen op de wreedste wijze. Zij besloten uit weerwraak zijn magazijn te plunderen. De kelder was onder het huis en hij sliep zelve boven de trapdeur, waardoor men alleen den kelder kon binnengaan. Nacht en dag werd hij beschermd door gewapende lieden, Inboorlingen van naburige eilanden, en alle toegangen tot zijn huis of hof waren bewaakt door wilde honden, die bijtijds waarschuwden. Hij meende, dat hij veilig was. Maar de Tanneezen groeven een onderaard-schen tunnel uit het bosch, waardoor zij tabak, krijgsvoorraad, enz.
95
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
wegvoerden en zijn kelder bijna ledig maakten. Mijn hart bloedde, als ik zag hoe zulke knappe en vernuftige menschen zoo onmenschelijk behandeld, verzwakt en uitgeroeid werden. Door het Evangelie en de beschaving hierdoor verspreid, zouden zij in staat geweest zijn alles te leeren en tot nuttige en edele menschen te worden gevormd. Maar alle invloed, dien ik ooit door de handelaars zag uitoefenen, was onteerend en juist tegèn het werk onzer zending gericht.
Het opperhoofd, Nowar Noukamara, gewoonlijk bekend onder den naam van Nowar, was mijn beste en betrouwbaarste vriend. Hij behoorde tot de negen of tien Hoofden, die het zendingswerk het meest genegen waren, de godsdienstoefening vrij geregeld bijwoonden, ook in hunne eigene woning en dorp eene godsdienstoefening hielden, en over het algemeen, hoewel dan ook eenigszins onbestendig, belijders van het christendom waren Een of meer van hen vergezelden mij dikwijls, wanneer ik Zondags naar dorpen in het binnenland ging, om daar godsdienstoefening te houden en zij beschermden mij somtijds tegen persoolijke beleediging. Deze Nowar bewoog de opperhoofden langs de haven en hun volk, wel acht of tien mijlen in den omtrek, om een groot feest te vieren ter eere van den dienst van Jehovah. Allen werden persoonlijk en in het bijzonder uitgenoodigd; het was de grootste vergadering, die ik ooit op de eilanden had bijgewoond.
Toen alles gereed was, zond Nowar eenige Hoofden om mij en mijne Aneityumeesche onderwijzers naar het feest te geleiden. Veertien Hoofden hielden beurtelings aanspraken tot de vergaderde menigte, waarvan de strekking was, dat oorlogen en gevechten op Tanna zouden ophouden, dat er geen menschen meer gedood zouden worden door Nahak, omdat tooverij en betoovering leugens zijn, dat de heilige mannen niet langer zouden voorgeven wind en regen te maken, hongersnood en overvloed, ziekte en dood te bewerken, dat de slechte taal van het heidendom niet langer op Tanna zou gehoord worden, maar dat allen, die hier tegenwoordig waren den dienst van Jehovah zouden aannemen, zooals hen die onderwezen werd door den zendeling en de Aneityumeezen, en dat aan alle verbannen stammen verzocht zou worden tot hun eigen land terug te keeren, om daar in vrede te leven! Deze vreemde redevoeringen wekte volstrekt geene tegenspraak op. Zonder twijfel waren deze mannen in ernst, en ware er een krachtige geest geweest, die hen allen had kunnen beheerschen en naar zijn wil kneden, dan zou het uur hunner bevrijding uit het Heidendom aangebroken zijn. Ofschoon voor het oogenblik een gevoel van vriendschappelijkheid den boventoon had in hun gemoed, waren de Tanneezen onstandvastig en gemakkelijk naar de eene of andere zijde overgehaald. Het zijn geboren praters; zij kunnen en willen bij alle gelegenheden het woord voeren, maar meestal betee-kent hun spreken niet veel en draagt geen vrucht.
Na deze redevoeringen volgde er een tooneel, dat langzamerhand den vorm aannam van eene heidensche plechtigheid en mij met afschuw vervulde. Dit stond in verband met de overgroote hoeveelheid voedsel, die voor het feest bereid was, en in varkens en vogels bestond. Voor iederen stam, die vertegenwoordigd was, lag eene groote massa opgestapeld en eene aanzienlijke hoeveelheid was ook apart gelegd voor den zendeling en zijne onderwijzers. De plechtigheid, voor zoover ik die volgen kon, was deze. Ongeveer honderd van de voornaamste personen kwamen in eene groote ruimte in het midden van de verzamelde menigte en gingen daar in twee rijen tegenover elkander staan, terwijl aan de beide einden van de rijen een man de opene ruimte aanvulde. In het
96
NOG IETS OVER DE ZENDING OP TANNA.
midden stonden zij acht of tien voet van elkander verwijderd, maar langzamerhand naderden de rijen elkander, tot zij aan het einde bijna vlak bij elkaar stonden. Nu was er gedurende eenige oogenblikken eene ademlooze stilte; daarna knielde ieder man op de rechterknie, strekte den rechterarm uit, en boog zich voorover tot zijn gelaat bijna den grond raakte. Daarop begon de man aan de eene zijde iets zacht te zeggen, terwijl zijne stem steeds luider werd, naar mate hij zich oprichtte, terwijl hij met een vreeselijken schreeuw eindigde, toen hij recht op stond. Vervolgens werd de plechtigheid herhaald door de twee lange rijen, die als één man zich langzaam oprichtten, terwijl hun zacht geklaag van lieverlede in een gehuil overging en in een gil eindigde, toen zij rechtep stonden. Ten laatste verrichte de man aan het tegenovergestelde uiteinde dezelfde afschuwelijke ceremoniën. Dit alles werd drie malen langzaam herhaald, iederen keer met klimmenden waanzin. Vervolgens toen zij allen stonden, vereenigden zij zich eenstemmig in iets wat klonk als muziek, die wild de toonladder op en neer ging en eindigde in een langen, diepen, hollen kreet als van pijn. Met een glimlach van vreugde gaven de mannen nu elkander de hand. Nowar en een ander opperhoofd spraken nu kort en het voedsel werd verdeeld en verruild, terwijl uit iederen stam een der voornaamste personen zijn deel in ontvangst nam en bewaakte.
Toen zij zoover gereed waren, spraken Nowar en Nerwangi, als leiders, de onderwijzers en den zendeling in dezer voege aan: «Dit feest wordt gevierd ten einde alle Hoofden en al het volk hier op te wekken, om het vechten op te geven, om vriendschap met elkander te sluiten en om uw oppersten God te eeren. Wij wenschen, dat gij hier blijven moogt en ons moogt leeren, om ons goed te gedragen. Als blijk van onze oprechtheid en van onze vriendschap hebben wij deze hoeveelheid voedsel voor u bestemd.quot;
In antwoord hierop sprak ik de geheele menigte aan, hen betuigende, hoe aangenaam het mij geweest was hunne woorden te hooren, en de besluiten en beloften, die zij allen geuit hadden, te vernemen. Ik drong er verder bij hen op aan, zich aan de nu gedane beloften te houden, want dat zou goede vruchten voor hun eiland afwerpen, zoowel voor hen als voor hunne kinderen.
Toen mijne korte aanspraak geëindigd was, liep ik vooruit tot in het midden van den kring en legde eenige geschenken voor hen neder, bestaande uit stukken wit en rood katoen, een aantal hengels, messen, enz. enz., waarna ik aan de beide Hoofden verzocht het offer mijner vriendschap onder de stammen te willen verdeelen, als ook de hoeveelheid voedsel, die ons aangeboden was, opdat zij dit alles als een bewijs van liefde en vriendschap mijnerzijds mochten beschouwen en aannemen.
Hun aandringen om het geschenk, dat zij mij gegeven hadden, aan te nemen, bracht mij in de onaangename en gevaarlijke noodzakelijkheid, om de rede van mijne weigering te kennen te geven. Ik dankte hen nogmaals hartelijk, en maakte hun duidelijk, dat, daar zij in mijne tegenwoordigheid al hun voedsel aan een afgod, en nog wel aan Kanapanu-man, den grooten Boozen Geest, hadden gewijd en zijn zegen op hunne offers gevraagd hadden, mijn volk en ik daar niet van durfden of konden eten, want dat zou aantoonen, dat wij gemeenschap hadden met hunne afgoden en het zou Jehovah beleedigen. Christenen konden alleen den eenigen, waren en levenden God erkennen en Zijn zegen op hun voedsel vragen, en dit en zichzelven met dankzegging aan Hem\'offeren, en niet aan een slechten of boozen geest. Verder maakte ik hen duidelijk, dat
97
1Q2 HET VAN STAPEL LOOPEN VAN DE sDAYSPRING.quot;
te komen bijwonen, waar afgoden, wapenen en kleedingstukken van de Zuidzee-eilanden zouden tentoongesteld, en eigenaardige bijzonderheden omtrent Inboorlingen verhaald worden.
Nu haastte ik mij terug, gebruikte in allerijl een kop thee en ging spoedig naar de zaal, die ik stampvol vond met ruwe, oproerige gravers. Het uur sloeg, terwijl ik bezig was mijne voorwerpen op een tafel uit te spreiden, en zij begonnen te roepen en te schreeuwen: »Waar is de zendeling? Weer een bedriegerij!quot; hetgeen aantoonde, dat zij wel geneigd waren tot een oproer. Ik hoorde later, dat een zoogenaamd professor eene lezing had aangekondigd, het entreegeld had ontvangen en toen de zaal goed vol was, zich ongemerkt uit de voeten had gemaakt. Hoewel wij niets hadden laten betalen, schenen zij wel van plan, zich op ons over die zaak te wreken.
Te midden van het oproerig geraas en geschreeuw stapte ik op de tafel en zeide: »Heerenl Ik ben de zendeling. Indien gij nu stil wilt zijn, zal de lezing beginnen. Laat ons naar mijne gewoonte onze samenkomst met gebed aanvangen.quot;
De plotselinge stilte, die nu onstond, vormde zulk eene tegenstelling met het uitbundig geraas, dat ik mijn hart luid voelde kloppen! Toen luisterden zij een uur lang naar mij in volkomen stilte en met steeds toenemende belangstelling. Aan het einde zeide ik, dat ik geen geld verzamelde, maar indien zij, na al wat zij gehoord hadden, eene collecte-kaart voor het nieuwe zendingschip wilden nemen en hunne bijdragen naar onzen penningmeester te Melbourne wilden zenden, ik God dan zou danken, dat Hij mij tot hen gezonden had. Vele kaarten werden genomen, en zonder twijfel waren er onder hen, die te voren zonder God hadden geleefd, eenige zielen, die iets van de ^dringende liefde Godsquot; gevoelden. Den volgenden morgen besteeg ik den postwagen, waarmede ik drie dagreizen ver moest gaan, terwijl mijn vriend veilig naar zijne woning terugkeerde.
Het was echter eene groote zeldzaamheid, dat ik op deze wijze samenkomsten moest bijeenkrijgen. Gewoonlijk was er eenig vriend of de predikant van de plaats, die alles voor mij beschikte en de samenkomst aankondigde. En de Heer hielp mij grootelijks om de lastige correspondentie, die er vereischt werd, bij te houden en altijd drie weken hiermede vooruit te zijn.
Zoo doorreisde ik Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Tasmania en Zuid-Australië, in hunne lengte en breedte, overal de geschiedenis van onze zending bekend makende en de boodschap des heils verspreidende, niet alleen in groote middelpunten van de bevolking, maar ook in bijna ieder klein plaatsje: en hierdoor werd niet alleen de Dayspring verkregen, maar er werden door Gods hulp zaden uitgestrooid, die grooten zegen verspreidden en wier vruchten in de toekomst zullen rijpen. Gezegend zij zijn Heilige Naam!
Nu moet ik mededeelen, wat er gebeurde te Penola, eene grensstad tusschen Victoria en Zuid-Australië. In het overstroomde, moerassige land en slechte boschpad tusschen Penola en den berg Gambier waren de wegen onbegaanbaar, en de wagen bleef steken. De Mail werd te paard verder gezonden. Ik had bijna eene week gewacht, in de hoop van naar den herberg te kunnen gaan voor de Zondagbijeenkomsten, die aangekondigd waren. Ten laatste gelukte het mij een man aan te nemen, die mij in een licht karretje met twee paarden daarheen zou rijden voor f 54. Hij verklaarde, dat zijne paarden versch waren en in staat de reis te doen. Wij vertrokken midden op den dag, maar voor er vele mijlen
HET AFSCHEID.
om ons te beletten verder te gaan. Faimungo was zeer bevreesd en zeide: »Missi, ga vast vooruit dat pad in met uwe Aneityumeezen en ik zal u volgen, wanneer ik met deze mannen gerookt en gesproken heb.quot;
Ik antwoordde hem; sNeen, ik zal uwe zijde niet verlaten; ik blijf bij u tot gij vertrekt, en als ik gedood word, zal het aan uwe zijde zijn. Ik zal u niet verlaten.quot;
Hij smeekte ons voort te gaan, maar ik wist dat dit een zekeren dood tengevolge zou hebben. Zij begonnen elkander aan te zetten, om mij te dooden, maar ik zag zoo bedaard mogelijk rond, zeggende: »Mijn God zal u hier en hiernamaals straffen, indien gij mij of een zijner dienaren doodt.quot;
Een werpsteen, door een van de Wilden geworpen, raakte even den wang van Abraham en de goede man sloeg een blik naar mij en dan naar boven, alsof hij zeggen wilde: »Missi, ik was bijna naar Jezus gegaan.quot; Er werd ook eene knots geheven, om het treffen van den steen te volgen, maar God verijdelde het plan; zij omsingelden ons en gingen voort den een den ander aan te zetten om den eersten slag te geven of het eerste schot te lossen. Mijn hart verhief zich tot den Heer Jezus; ik zag Hem het gansche tooneel gadeslaan, en mijn vrede kwam tot mij weder. Ik gevoelde, dat ik onsterfelijk was, totdat het werk, dat mijn Meester mij had opgelegd, verricht was. Ik ontving de innerlijke verzekering, alsof eene stem uit den hemel tot mij gesproken had, dat geen geweer kon afgeschoten worden, om ons te treffen; dat geene knots op ons kon nederdalen; dat geene speer de hand kon verlaten, waarin zij gereed was, om geworpen te worden; dat geen pijl de boog kon verlaten, noch een werpsteen de vingers, zonder toelating van Jezus Christus, wien alle macht is in hemel en op aarde. Hij beheerscht de gansche natuur, alle bezielde en onbezielde schepselen, en houdt zelfs den wilden Zuidzee-eilander in toom. In dit vreeselijk uur, zag ik Zijne woorden, als in vurige letteren op de wolken des hemels geschreven; »Zoekt, en gij zult vinden.quot; »Zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.quot; Ik begreep, hoe Stephanus en Johannes den verheerlijkten Zaligmaker zagen, als zij over al het lijden en de vervolging heen, opzagen tot den Hemeltroon. Toch kan ik niet zeggen, dat ik bij zulke gelegenheden ooit geheel zonder vrees was. Neen, het was mij soms of ik mijn verstand zou verliezen; ik werd beurtelings heet en koud en mijne knieën knikten, wanneer ik zoo op het punt stond een gewelddadigen dood te ondergaan, voornamelijk door de ernstige gedachte van de eeuwigheid binnen te treden en voor God te verschijnen. Toch hoorde ik altijd de belofte, die, door alle duisternis en droefheid heen, in al hare vertroostende en ondersteunende kracht tot mij kwam; »Ziet, ik ben altijd met u!quot; En ik kon, zelfs in dit vreeselijk oogenblik van doodsgevaar, met Paulus spreken; »Ik ben verzekerd dat noch dood noch leven.... nog eenig ander schepsel mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heer.quot;
Faimungo en anderen raadden ons nu aan, onzen weg te vervolgen, maar ik zeide; »Faimungo, waarom zullen wij u verlaten? Mijn God heeft uwe belofte, dat gij mij niet zoudt verraden, gehoord. Hij weet nu wat er in uw hart en in het mijne omgaat. Ik wil u niet verlaten; en indien ik sterven moet, wil ik aan uwe zijde sterven.quot;
Hij antwoordde; »Nu, ik zal vooruitgaan; Missi, blijf dicht achter mij.quot;
Zijne mannen waren voortgegaan en ik haalde mijne Aneityumeezen over, hen te volgen. Ten laatste ging Faimungo hen met een sprong achterna. Ik volgde, bleef zoo dicht mogelijk achter hem, terwijl ik Jezus smeekte mij te beschermen of mij op te nemen in de Heerlijkheid. De
151
HET AFSCHEID.
geschikter Stoomvaartuig en eindelijk, als het middel naast God, om de eene zendeling na de andere naar de Nieuwe Hebriden te zenden en het eene eiland na het andere voor Jezus te winnen. Dit werk en al wat er voor tijd en eeuwigheid uit moge voortvloeien, had ik nooit kunnen volbrengen, indien niet eerst het lijden en daarna de geschiedenis van mijne ondervinding op Tanna mij daartoe hadden in staat gesteld!
Sommige eenvoudige, oprechte zielen zullen, wanneer zij deze bladzijden lezen, verwonderd zijn te hooren, wat anderen, die meer van de koude zelfzucht der menschen weten, wel verwachten te vernemen, nam: dat mijn verlaten van Tanna niet weinig gecritiseerd is geworden en dat er heel veel dwaasheden zelfs in kerkelijke tijdschriften, geschreven zijn over het verlaten van de zendingsposten. Al zulke critiek kwam natuurlijk van menschen, die zelve van alle medegevoel ontbloot waren, en die waarschijnlijk in hun gemakkelijk leven nooit eenige onaangenaamheid voor Jezus te verduren hebben gehad. Verzekerd, dat ik tot het laatste toe getracht had mijn plicht te doen, liet ik de uitkomst aan mijn Heer over en onderwierp alle critiek aan Zijn onfeilbaar oordeel. Soms werden mij ook harde dingen in het aangezicht gezegd. Een mijner vrienden zeide o. a.; »Gij hadt niet moeten heengaan. Gij hadt op uw post moeten blijven, tot gij daarop bezweekt. Het zou u tot meer eer verstrekt hebben en het zou beter geweest zijn voor de zaak van de zending, indien gij op uw post gedood waart, evenals de Gordons en anderen.quot;
Ik antwoordde: »Ik beschouw het als grooter eer, om voor Jezus te leven en te werken, dan den marteldood te zoeken. God weet, dat ik nooit geweigerd heb te sterven; want ik bleef op mijn post onder alle moeielijkheden en gevaren totdat alle hoop werd uitgedoofd, totdat al, wat ik had, verloren was, en totdat God, in antwoord op het gebed, een middel tot ontkoming aanwees. Ik vertrok met een zuiver geweten, wetende dat ik, heengaande, Gods leiding volgde, en dat ik ook de zending daarmede diende. Wanneer ik nog langer had volgehouden, zou ik mij zeker in Gods oog aan zelfmoord hebben schuldig gemaakt.
163
Ik heb nooit een oogenblik den stap, dien ik genomen heb, behoeven te betreuren, De Heer heeft mij gedurende de vijf en twintig jaren, die er verloopen zijn sedert mijn vertrek van Tanna, zoo voortdurend in Zijn dienst gebruikt, dat Hij daardoor duidelijk Zijne goedkeuring aan die gebeurtenis gehecht heeft. O! zag ik toch een zendeling en christen onderwijzer op ieder eiland van de Nieuwe Hebriden geplaatst! Voor dit doel werk ik, hierop wacht ik, en hierom bid ik! Het is onder Gods zegen mijne levenstaak geworden, om dit te helpen verwezenlijken. Wanneer ik dit vervuld zie, of op weg om vervuld te worden door de middelen die beraamd zijn om het noodige geld bijeen te krijgen, opdat er menschen kunnen uitgezonden worden, dan kan ik mijn hoofd even gerust en dankbaar nederleggen als ooit een strijder deed, wanneer de zegekreet in zijne ooren weerklonk. — »Nu laat Gij, Heer! Uw dienstknecht gaan in vrede!\'\'
Voor het tegenwoordige leg ik hier de pen neder. Ik zal wachten om te zien, welk gebruik de Heer van dit eerste gedeelte van mijne levensgeschiedenis maakt, vóór ik het onderwerp vervolg. Indien mijne christelijke lezers er niet door gesteund en verlevendigd worden, gelijk sommige vrienden meenen, dat mogelijk is, behoeft het overige niet geschreven te worden. Het tweede gedeelte, indien verlangd, zal een verhaal bevatten,
I
HET VAN STAPEL LOOPEN VAN DE »DAYSPRING.quot; 183
Het is een van de reinste genoegens van mijn leven, dat ik in dit werk eenig deel mocht hebben, met vele andere geliefde kinderen van den Heer.
Van het geld, door mij verkregen, werd / 36.000 naar Nieuw-Schotland gezonden, om den bouw van ons nieuwe zendingschip, de Dayspring, te bekostigen. Aan de kerk, die de zending op de Nieuwe Hebriden had aangevangen, werd de eer gegeven om Laar eerste zendingschip te bouwen. Het overige geld werd bewaard om de uitrusting en den overtocht van meerdere zendelingen te betalen en mij werd opgedragen, om naar Schotland weder te keeren, om ze op te sporen. Dr. Inglis schreef tot verdediging van deze onderneming aan de vrienden, dien hij juist verlaten had:
»Van het begin tot het einde is de zending van den heer Paton zeer voorspoedig geweest en is in Nieuw-Schotland met zooveel geestdrift en vaardigheid nagevolgd, met betrekking tot het Schip en de zendelingen, dat de verwachting, die de heer Paton van de Australiaansche kerken had, ten volle is bevredigd. De hand des Heeren is duidelijk merkbaar in deze geheele beweging van het begin tot het einde, en wij vertrouwen, dat hij nog grooter zegeningen voor de diep gezonken eilanders op het oog heeft.quot;
Laat mij hier een oogenblik den draad van het verhaal afbreken en eenige voorvallen mededeelen, die in verband staan tot mijne verschillende tochten ter verkrijging van de noodige gelden voor het bouwen van de Day spring. Het reizen in de kolonie was in 1862—63 nog lang niet zoo gemakkelijk als nu, en eenige mijner ondervindingen op dat gebied zullen om vele redenen mijne lezers niet onwelkom zijn. En daarenboven zal men er uit zien, dat deze voorvallen in nauw verband staan met het voornaamste doel tot het schrijven dezer Levensschets, nam. om aan te toonen, dat de vinger Gods, voor degenen die zien willen, nu nog even duidelijk is op te merken, als toen de vuurkolom Zijn volk door de woestijn leidde.
Voor zes en twintig jaar geleden waren de wegen in Australië, behalve die in en rondom de voornaamste steden, geheel ongebaand en leidden over heuvels en door open vlakten en vele wegen konden bij regenachtig weder alleen door paarden worden begaan, daar zij te beslijkt waren voor voetgangers. Gedurende de lange tochten door het bosch, kon de reiziger alleen zijn weg vinden door de diepe insnijdingen te volgen, die zijne voorgangers zoo vriendelijk geweest waren in de groote boomen te maken en die alle ééne richting volgden. Indien hij verdwaalde, moest hij trachten weder te keeren tot den eersten ingesneden boom en het aangeduide spoor opnieuw volgen. Ervaren reizigers door de bosschen missen zelden het pad; maar het is dikwijls gebeurd, dat anderen, den weg gemist hebbende, rondgedwaald hebben, totdat zij eindelijk den dood hebben gevonden. Want het was in dien tijd niet zeldzaam, dat men dertig of veertig mijlen kon afleggen zonder iemand te ontmoeten of eenige woning te zien. Ontwikkelde menschen richten zich soms naar zon, maan of sterren, of naar den top van een berg of iets anders, dat zij tegen den verwijderden horizon waarnemen, of ook wel naar de naald van het kompas; de gevaren zijn echter volstrekt niet denkbeeldig, en van tijd tot tijd hebben de meest ervaren personen zich misrekend en zijn verongelukt.
Een wel ontwikkeld man, een handelaar in schapen, die zeer goed in den omtrek bekend was, bood eens aan, mij van een afgelegen plaatsje mede te nemen en naar eene samenkomst te begeleiden, die in zijne plaats gehouden zou worden. Daar wij een verren tocht hadden af te
HET VAN STAPEL LOOPEN VAN DE sDAYSPRINGquot;.
waren afgelegd, begon hij ze hevig te slaan. De paarden zagen er uitgeput uit en de waarheid werd mij plotseling duidelijk. Ik smeekte hem ze niet zoo te slaan, en toen wij op hooger grond kwamen, hield hij stil, zeggende: »Ik ben beschaamd u te zeggen, dat mijne paarden niet verder kunnen! Zij hadden juist een tocht van veertig mijlen achter den rug, toen wij vertrokken. Ik heb u een leugen gezegd, maar ik hoop dat gij het mij vergeven zult. Ik had het geld erg noodig en daarom bedroog ik u. Er is nu niets aan te doen. Wij moeten op dezen drogen grond overnachten. Ik hoop, dat gij geen koude zult vatten. Gij kunt in den wagen slapen en ik zal er onder gaan liggen. Ik zal dezen grooten omgevallen boom in brand steken, om ons warm te houden. Ik heb een brood medegenomen en een kan om water te koken. Wij kunnen wat thee zetten; en, wees er verzekerd van, ik zal zorgen dat gij bijtijds aankomt, voor de morgen-godsdienstoefening.quot;
Zoo sprekende, terwijl ik als verstomd toeluisterde, ging hij zijwaarts, spande zijne paarden af, en liet ze in de wei gaan. Hij zette wat zwarte thee, zooals de Australianen drinken en die scheen hem wel te smaken. De wagen werd dicht bij den brandenden boom geplaatst, ik moest er mij in neder zetten en werd verondersteld te rusten. Ik zat daar gedurende verscheidene vervelende uren klaar wakker! De tijd verliep zoo langzaam mogelijk en de slaap weigerde mij te komen bezoeken. Kan-garoes en allerlei vreemde dieren en schreeuwende vogels vierden luid in de eenzaamheid feest en de muskieten omringden mij, naar het scheen, bij duizenden. Tegen middernacht zag ik een licht in een afgelegen boschje, en mijn metgezel wakker makende, vraagde ik hem of hij mij kon zeggen, wat dat mocht wezen. Hij had gehoord, dat een Wesley-aansch farmer van Adelaide in die streek was gekomen, om een schapenen veekolonie op te richten, daar in dit vochtig land uitmuntend gras was. Het kon zijn licht zijn, dat ik zag of het licht van een gezelschap, dat, evenals wij, den nacht buiten moest doorbrengen. Hij verzekerde mij, dat hij zeer goed den weg naar dat licht en weer terug naar onzen brandenden boom kon vinden, indien ik er heen wilde gaan, en ik besloot, gedeeltelijk om den tijd te dooden, het te beproeven.
Wij vonden daar werkelijk den Wesleyaanschen pachter, die in eene groote hut in het bosch woonde, omringd door een nog grooter ingesloten ruimte, waarin paarden, koeien en schapen gedurende den nacht op den droogen grond bij elkander waren, totdat de huizen en omheiningen, waaraan zij druk bezig waren, gereed zouden zijn. Hoe onvoegzaam dit uur ook was, om een bezoek af te leggen, de honden hadden onze nadering luid bekend gemaakt, en wij ontvingen een hartelijk welkom, terwijl wij onmiddellijk door de geheele familie omringd waren. Zij luisterden gretig naar al wat ik hun mededeelde omtrent de zending. Wij baden te zamen. Zij gaven ons een goed kop thee en wat eten, en nog een brood met een kan melk voor ons ontbijt den volgenden morgen: de kan zou door ons bij den brandenden boom nedergezet worden, waar zij hem zouden laten halen na ons vertrek. Het deed hun werkelijk leed, dat zij ons geen bed konden aanbieden, maar wij genoten reeds zeer van hunne vriendelijke ontvangst en gevoelden dat het lieve christenvrienden waren, die wij hier hadden aangetroffen. Hoe heerlijk en troostvol is de gemeenschap van hen, die den Heer Jezus liefhebben, waar zij elkander ook ontmoeten! O, wat moet het dan niet zijn, wanneer wij in de Heerlijkheid Onzen Zaligmaker gelijk zullen zijn en «Hem zullen zien gelijk Hij is!quot;
Met het aanbreken van den dag vervolgden wij onzen vermoeienden
13
193
1Q4
tocht en bereikten onze bestemming veilig en bij tijds. Een hartelijk welkom wachtte ons van den heer en mevr. Caldwell, die reeds lang aan mijne komst gewanhoopt hadden. Al de godsdienstoefeningen werden goed bezocht, en de Heer deed de menschen groot belang stellen in onze zending; wij kregen hier, waar de predikant en zijne echtgenoote zoo den juisten toon wisten aan te slaan, en zoo hoog en naar waarde werden geschat, vele edelmoedige en toegewijde vrienden.
Naar Penola teruggekeerd, bevonden wij dat de postwagen het gedurende eenigen tijd niet waagde te rijden. Ik moest er mij dus in schikken, om daar verscheidene dagen te blijven. Tijdens mijn verblijf aldaar zag ik iederen dag een man rond loopen, die op elk uur van den dag onder den invloed van den sterken drank scheen te verkeeren. Ik hoorde, dat hij een rijk en vrijgevig landontginner was geweest, die alles verloren had, die voor kort geleden zijne vrouw had begraven en nu voor drie kleine meisjes had te zorgen; hij scheen zijn verdriet te willen verdrijven door het drinken van whisky. Door onwederstaanbaar medelijden bewogen, volgde ik hem dag aan dag, en bracht hem gedurig de dwaasheid van zijn gedrag onder het oog, hem voornamelijk wijzende op het lot zijner kinderen.
Eens wendde hij zich tot mij en zeide ernstig: »Indien gij met mij voor de onthouding teekent, zal ik mijn gelofte met Gods hulp mijn leven lang houden.quot;
Wij traden samen het huis binnen, teekenden en smeekten God ernstig in het gebed, ons in staat te stellen onze gelofte te houden tot den dood toe. Om zijnentwil, hernieuwde ik de gelofte mijner jeugd en hij deed, door mijne sympathie gesteund, de gelofte voor de eerste maal, en door Gods hulp, heeft hij die gehouden. Hij verliet Penola den volgenden dag, schudde alle oude betrekkingen af en begon eene eenvoudige zaak op de plaats, waar hij vroeger grondeigenaar was geweest. Hij werd door en door een christen en is sedert vele jaren ouderling in de kerk geweest. Ik ben dikwijls door . whiskydrinkers en door zoogenaamde »matig-heidsmannenquot; uitgelachen, omdat ik Geheel-Onthouder ben; maar één geval als dit (en Goddank, er zijn er meer) is reeds eene eeuwige belooning en kan ons kracht geven, om allen spot het hoofd te bieden.
Waarde lezer, kunt gij de uitwerking van het voorbeeld, dat gij geeft, berekenen? Bevindt gij u heden onder de gematigde drinkers? Herinner u, dat uit die klasse van menschen alle dronkaards zijn voortgekomen; en vraag u zeiven, af of gij niet edeler en onbaatzuchtiger zoudt handelen, om er afstand van te doen tot voordeel van de menschheid, uit trouw aan onzen Heer Jezus Christus, en in de hoop van zelve een zuiver en onbevlekt leven te leiden, ten einde anderen, voor wier behoud Jezus gestorven is, een voorbeeld ter navolging te geven.
Het volgend voorval zette de kroon op mijne avonturen. Er was bekend gemaakt, dat ik op Zondag te Narracoort zou preeken; en Zaterdagavond zou ik spreken bij een landontginner op den weg daarheen. Maar nu bestond er groote moeielijkheid, om van Penola weg te komen! Zaterdagmorgen evenwel, bood eene jonge dame mij uit dankbaarheid voor ontvangen zegen het gebruik van haar paard aan tot de reis. »Garibaldi!quot; heette het dier: en ofschoon opgevoed tot een renpaard, zou het mij gemakkelijk de twee en twintig mijlen doen afleggen, indien ik het slechts stevig vasthield, naar men mij verzekerde. Aan het einde van mijn tocht moest ik het paard achterlaten; de dame zou het zelve terug komen halen. Ik schrikte voor de onderneming terug, daar ik weinig kennis van paarden had, en het mij nog flauw herinnerde, hoe
HET VAN STAPEL LOOPEN VAN DE sDAYSPRINGquot;.
ik eens vreeselijk geboet had voor meer dan een week lang, na mijn laatste en zoowat eenige ritje. Maar iedereen in dat land is gewend aan paardrijden. Zij zagen geen gevaar; en daar er geen ander middel was, om mijne verplichtingen na te komen, begon ik te denken, dat God mij onverwachts daartoe een middel had aan de hand gedaan en dat Hij er mij veilig zou doen aanlanden.
Ik nam dus het vriendelijk aanbod van de dame aan, en ging op reis. Een vriend wees mij den weg, dien ik nemen moest, en gaf mij alle verdere aanwijzingen. In het bosch moest ik op de teekens in de boomen letten, en die volgen. Hij beloofde mij verder mij mijne bagage te zullen nazenden.
Nadat ik een poos zeer bedaard gereden had, kwamen drie ruiters mij achterop. Wij knoopten een gesprek aan. Zij vraagden mij, hoe ver ik rijden moest, en raadden mij aan wat vrijer in den zadel te zitten, daar dit zooveel gemakkelijker voor mij zou zijn. Zij schenen groote pret te hebben over mijne onhandige wijze van -te paard zitten. Middelerwijl waren er donkere wolken komen opzetten en alles kondigde een naderenden storm aan; daarom raadden zij mij des te meer, wat vlugger te rijden, daar zij mij ook een heel eind konden vergezellen en den rechten weg aanwijzen. Ik zeide hen, dat ik door ongewoonte genoodzaakt was, heel langzaam te rijden om veilig te zijn, en wenschte hen goeden dag. Daar de lucht ieder oogenblik donkerder werd, stemden zij er in toe afscheid van mij te nemen, en mij eene veilige reis wenschend, gingen zij met vluggen draf verder.
Ik trachtte mijn paard in te houden, maar het gebit met zijne tanden grijpende, de ooren achteruit slaande en zijn fleren nek uitstrekkend, gevoelde hij klaarblijkelijk, dat zijne eer op het spel stond, en in minder tijd dan ik noodig heb, om het te beschrijven, maakten de drie vrienden ruimte voor ons, en hij stoof hen allen in vreeselijke vaart voorbij. Een tijd lang trachtten zij ons bij te houden, maar het geluid van hunne hoefslagen scheen hem nog meer aan te vuren, en in een ongeloofelijk korten tijd hoorde ik hen niet meer; en van het oogenblik af, dat hij mij met een zwaai voorbij hen voerde, durfde ik mijn hoofd geen duimbreed omwenden, om naar hen te zien. Te vergeefs trachtte ik mijn paard in te houden; hij vloog met netgeen mij toescheen de snelheid van den wind vooruit. Toen barstte het onweder boven ons hoofd los, met bliksemstralen en stortregens, en bij iederen nieuwen donderslag stoof mijn »Garibaldiquot; wilder vooruit.
Het was mij eene groote verrassing, te ontdekken, dat ik gemakkelijker op dit wild hollende dier kon zitten, dan wanneer het op een korten draf of stapvoets ging. Bij iederen draai verwachtte ik, dat hij zichzel-ven en mij tegen de groote boomen zou verbrijzelen, maar het instinct geleidde hem verwonderlijk. Soms kon ik even een blik op den weg werpen, maar wat de insnijdingen in de boomen aangaat, daarvan zag ik er geen een; wij vlogen hen met de snelheid van den bliksem voorbij. Ik durfde inderdaad mijne oogen geen oogenblik van den kop van het paard en van de boomen afwenden. Mijn hoed was doornat en vormeloos, want telkens wanneer wij aan een meer open plek kwamen, nam ik de kans waar, om hem vaster op mijn hoofd te drukken, Ik was geheel met modder en slijk bedekt.
Krakend rolde de donder, en voort, altijd voort holde »Garibaldiquot; door het donkere woud, ten laatste uitkomend op eene ruimere vlakte, waar het pad duidelijker te zien was. Toen wij den top van den heuvel bereikten, zag ik aan de linkerzijde op grooten afstand voor mij uit een groot huis.
195
HET VAN STAPEL LOOPEN VAN DE SDAYSPRINGquot;.
en het paard was naar het scheen van plan, zich daarheen te begeven, alsof het daar thuis behoorde. Hij ging langs den rand van den heuvel, en volgde het pad, alsof het hem bekende grond was, terwijl al mijne pogingen, om hem tegen te houden of te besturen, niet meer uitwerking hadden dan die van een kind. Ik vermoed, dat ik nu ook werkelijk alle macht over hem verloren had. «Garibaldiquot; was waarschijnlijk dikwijls te voren in dit huis geweest; hij kende deze stallen, en ik verwachtte niet anders, dan gedood te zuilen worden, als hij in woeste vaart tegen muren of deuren zou terechtkomen.
Sommige leden der familie, op den uitkijk naar den zendeling, zagen mij komen aanrennen, als iemand die gek of dronken was; en nu vlogen allen naar de veranda, een schrikkelijk ongeluk vreezende. Een flinke, moedige, jonge stalknecht, ontsteld op het zien van dit wilde rennen, wierp het hek wijd open, greep den teugel met levensgevaar en liep zoo hard mogelijk mede, terwijl hij tegelijkertijd met alle macht tegen hield, mij toeroepende hetzelfde te doen. Het gelukte ons, nu »Garibaldiquot; waarschijnlijk zijn doel bereikt had, hem tot staan te brengen op een paar passen afstands van de deur. Mij met open mond aanstarende, riep de man uit; »Ik heb uw leven gered! Welk een dolheid om zoo te rijden!quot; Ik dankte hem, ofschoon ik op dit oogenblik nauwelijks een woord kon uitbrengen, en zeide, dat het paard voortgehold was en dat ik er alle macht over verloren had.
Ik was waarlijk in een beklagenswaardigen toestand, druipnat, met, slijk bedekt en met den hoed stijf op het hoofd gedrukt; het was waarlijk geen wonder, dat zij mij voor gek of dronken aanzagen! Ten slotte, als om ieder vermoeden te bevestigen, en hen allen te vermaken, want de heer des huizes, zijne vrouw, de gouvernante en de kinderen stonden het schouwspel op de veranda aan te zien, kon ik niet op mijne voeten staan, toen men mij van het paard hielp. Ik had een gevoel in het hoofd, alsof ik nog altijd voort holde; alles duizelde mij voor de oogen en ik viel zeer beschaamd en ontstemd in de modder, ik moest eenigen tijd blijven zitten, voor ik in zoo zoo verre hersteld was, dat ik kon opstaan of een woord spreken. Toen ik mij eindelijk had opgericht, moest ik mij een poos aan de veranda vasthouden, terwijl het mij nog altijd was, alsof ik in een renbaan voortdraafde. Ten laatste zei de heer des huizes: »Wilt gij niet binnenkomen?quot;
Ik wist, dat hij mij voor dronken aanzag, en de duizeligheid was nog zoo hevig, dat mijne pogingen om te spreken mij nog meer dan mijn gang op een dronken man deden gelijken.
Zoo spoedig ik loopen kon, ging ik het huis binnen, en naderde in mijne natte kleederen het verkwikkend vuur.
De landontginner zat stil tegenover mij de courant te lezen, en beschouwde mij van tijd tot tijd over zijn bril. Na eenigen tijd zeide hij:
»Zou het niet beter zijn van kleederen te veranderen.quot;
Mijne spraak was nu wedergekeerd. Ik antwoordde: »Ja, maar mijn koffer komt met den wagen en zal misschien van avond niet hier kunnen zijn.quot;
Hij begon medelijden te krijgen. Hij bracht mij in eene andere kamer en gaf mij een stel van zijne kleederen. Ik was toen zeer schraal en hij een forsch gebouwd pachter, zoodat mijne nieuwe kleeren, hoewel zeer gemakkelijk, het zonderlinge van mijn voorkomen nog verhoogden.
Toen ik gewasschen en gekleed tot hem terugkeerde, vraagde ik hem of hij schikkingen had gemaakt voor eene samenkomst? Mijne stem was, vrees ik, nog onvast, want de landontginner zag mij eenigszins verwijtend aan en zeide:
196
HET VAN STAPEL LOOPEN VAN DE »nAYSPRINGquot;. 197
«Denkt gij werkelijk, dat gij in staat zult zijn, om van avond voor eene samenkomst op te treden?quot; Ik verzekerde hem, dat zijne verdenking geheel ongegrond was, dat ik mijn leven lang Geheel-Onthouder was geweest, maar dat mijn zenuwgestel zoo geschokt was door dien vreeselijken rit met het hollend paard. Hij glimlachte ongeloovig, en zeide dat wij zouden zien, hoe ik mij na de thee gevoelde.
Wij gingen aan tafel. Al het gebeurde werd nu bekroond door mijn verschijnen in de kleederen van den gezetten pachter, en mijne gastvrouw en de andere vrienden hadden groote moeite, om hunne vroolijkheid binnen de palen der welvoegelijkheid te houden. Ik trachtte weder mijne tong te baat te nemen, maar ik veronderstel dat mijne woorden nog aan de uitingen van een drinkebroer deden denken, want zij schenen niet veel overtuiging te brengen:
«Waarde vrienden,quot; zeide ik, »ik begrijp zeer goed wat gij denkt, en hoewel de schijn zeer tegen mij is, moet ik u toch zeggen, dat ik niet dronken ben, gelijk gij schijnt te meenen. Ik heb geene bedwelmde dranken geproefd, daar ik mijn leven lang Geheel-Onthouder geweest ben.quot;
Dit verbrak alle terughouding. Zij lachten luid, elkander en mij aanziende, als of zij zeggen wilden: »Man, gij zijt op ditzelfde oogenblik nog dronken.quot;
Vóór het maal was afgeloopen, scheen echter de gedachte bij hen op te komen, dat ik toch misschien wel in staat zou zijn eene vergadering toe te spreken; en zoo werd mij medegedeeld, welke schikkingen er gemaakt waren. Tijdens de samenkomst werden mijne ongeloovige vrienden zeer getroffen. Klaarblijkelijk kregen hunne betere gevoelens de overhand, en later overlaadden zij mij met allerlei vriendelijkheden, als om hunne fiarde verdenking weder goed te maken.
Den volgenden morgen bracht mijn gastheer mij per rijtuig, ongeveer tien mijlen ver, naar de kerk. Een stalknecht bereed het renpaard, dat door zijne dolle vaart van den vorigen dag geen letsel scheen bekomen te hebben. De zaak had op mij dieperen indruk gemaakt. Ik kon echter aan mijne verplichtingen voldoen en met goeden uitslag voor de zending. Op mijne verschillende tochten ten behoeve der zending is het tweemaal gebeurd, dat ik dit gedenkwaardig huis heb bezocht, en bij iedere gelegenheid werd een groot aantal aldaar verzamelde vrienden door de goede dame onthaald op eene zeer kluchtige beschrijving van mijne eerste aankomst in haar huis.
Een brandewijnfeest. — Op thee bij de Aborigines. — quot;Zwarte mannen allen weg.quot; — De invoer van het vergif en de beschaving. — De «verstrooiingquot; van de Zwarten. — Het quot;dier in raenschen gedaantequot;. —Theorie. — Het getuigenis van Nora. — Nathanaël Pepper en hunne quot;goden.quot; — Gladde steenen afgoden. — Kerkgebruiken en plechtigheden. — Te veel quot;devil-devilquot;. — Het zoeken naar afgoden. — Bezoek van Nora in het kamp. — Vrijwillige getuigenissen. — Nora\'s brieven. — De Aborigines in volksplantingen.
*
jZ.EDURENDE bijna eene week was ik genoodzaakt te Balmoral te — blijven wegens het verongelukken van den reiswagen op deze vree-selijk slechte wegen; ik telegrafeerde nu naar Hamilton om een voertuig, en de leider van de zondagsschool, de heer Laidlaw, was zoo goed, tot vermindering der onkosten, om twee dagen van zijn kostbaren tijd op te offeren mij te komen afhalen.
Terwijl ik hem wachtende was, kwam ik op treurige maar merkwaardige wijze in aanraking met de oorspronkelijke bewoners van Australië. De herbergiers hadden een dag van vermakelijkheden, wedrennen, vertooningen in het circus, enz. georganiseerd. Eene menigte menschen verzamelde zich, en hieronder verscheen uit het omliggende land de eene stam van de Aborigines na den andere. In spijt van het verbod, om deze arme schepselen sterken drank te geven, voorzagen dwaze en beginsellooze drankverkoopers hen toch hiervan, en zelfs de dekens, die het gouvernement hen had verschaft, werden vrijwillig verruild tegen den brandewijn, die hen tot dwaasheid vervoerde.
Het was den volgende dag Zondag. Het geschreeuw van de vechtende Wilden was in den morgen afschuwelijk om te hooren. Zij trokken rond op den openbaren weg tegenover de kerk: eenige personen hadden te vergeefs getracht, hen tot bedaren te brengen en hunne woeste stemmen werden zelfs op onaangename wijze in de morgen-godsdienstoefening gehoord. Om twee uur trachtte ik met hen in gesprek te komen. Ik vroeg hen of ze niet zeer vermoeid en hongerig waren ? Zij antwoordden, dat zij dien ganschen dag nog geen voedsel hadden gehad; zij hadden den ge-heelen morgen met vechten doorgebracht! Ik zeide: »Ik houd van u. Zwarten. Ik ga als zendeling naar andere Zwarten, hier ver vandaan. Ik heb u lief, en zou gaarne zien, dat gij rust en voedsel kreegt. Komt allen
ONDER DE ABORIGINES.
hier rondom mij zitten uitrusten en wij zullen wat praten, terwijl de vrouwen thee gereed maken. Zij moeten water koken, ik zal thee met u drinken dan zult gij uw weer sterk gevoelen!quot;
Door gebroken Engelsch en door vele teekenen wist ik hunne opmerkzaamheid te trekken. Zij brachten thee en damper d. i. een soort van brood zonder gist, dat er niet aantrekkelijk uitzag, en op kolen gebakken wordt. Hunne vrouwen haastten zich om water te koken. Ik bleef voortdurend praten, ora hen belang in te boezemen, en vertelde hun, hoe Jezus, Gods lieve Zoon op aarde kwam, om te sterven en hun gelukkig te maken, en hoeveel verdriet het Hem deed, te zien hoe zij vochten en elkander sloegen en dooden.
Toen de thee gereed was, zetten wij ons op het groene gras neder; hunne kroesen werden gevuld, het brood werd in stukken gebroken en ik vraagde Gods zegen over het maal. Voor mij was het eene onsmakelijke kost! Velen hunner zagen er gezond en sterk uit, maar niet weinigen ook waren zwakke schepsels. De sterken, zooveel zij konden krijgen verslindend, drongen mij om voort te maken, daar zij verlangend waren hun gevecht te hervatten. Maar ik wist hun vertrouwen te winnen, bad met hen en zeide daarna: »Vóór ik vertrek wilde ik u allen vragen iets voor mij te doen, wat gij gemakkelijk kunt volbrengen.quot;
Als uit ée\'n mond antwoordden zij: Ja, wij willen alles doen wat gij zegt.quot;
Ik liet dit hunne aanvoerders een voor een belooven, en zeide daarop: »Nu gij uw maal gedaan hebt, verzoek ik iederen man en jongen onder u, om zich in het bosch neder te leggen en wat te gaan slapen, en uwe vrouwen zullen bij u blijven zitten en. voor uwe veiligheid zorg dragen.quot;
Sprakeloos van verwondering, met de wapenen nog in de hand, bleven zij mij strak aanzien, er aan twijfelend of mij dit ernst kon zijn. Ik sprak daarop: »Gij hebt mij allen beloofd te zullen doen wat ik vraagde. Indien gij uw woord breekt, zullen de blanken mannen mij uitlachen en zeggen, dat Zwarten alleen liegen en bedriegen. Laat hen zien, dat men u vertrouwen kan. Ik wacht hier, totdat gij allen in slaap zijt.quot;
Een van hen zeide, dat zijn hoofd verwond was en dat hij verlangde zich te wreken, vóór dat hij kon gaan nederliggen. Andere liepen heen en weer, hunne wonden toonend, en verklarend dat het te erg was, om hen in deze omstandigheden te verzoeken stil te gaan slapen. Ik prees hen zooveel ik kon, maar maande hen aan, om zich als mannen te gedragen en hun woord te houden. Ten laatsten beloofden zij allen om te gaan liggen; ik wachtte totdat de laatste man verdwenen was, en daar zij dubbel uitgeput waren door het drinken en het vechten, waren zij spoedig in vasten slaap. Ik bad dat een gezegende slaap hunne wilde hartstochten tot bedaren mocht brengen.
Den volgende morgen, bij het aanbreken van den dag, haastten de predikant en ik ons naar de plaats, om verdere bloedstorting te voorkomen; maar toen de zon op kwam, zagen wij juist den laatsten stam van de zich verwijderende Inboorlingen over den top van een heuvel verdwijnen. Alleen een klein aantal, die in deze streek thuis hoorden, bleven achter, Zij riepen ons toe: sZwarte mannen allen weg! Niet meer vechten. Gij te veel houdt van zwarte mannen!quot;
Nog drie dagen moest ik daar blijven, en ik bezocht hen van tijd tot tijd; en indien hunne honden op mij aanvlogen of tegen mij blaften joegen de vrouwen ze met stokken en steencn weg, om mij te beschermen. Een klein bewijs van vriendelijkheid en sympathie had hunne harten voor mij ontsloten.
199
ONDER DE ABORIGINES.
De oorspronkelijke bewoners van Australië worden beschouwd als misschien op den laagsten trap van ontwikkeling te staan, tenminste op het zuidelijk Halfrond. Gelijk de Papoea\'s van onze eilanden, moet men ze half tot de Maleiers en half tot de negers rekenen, wat hun kleur en voorkomen betreft. Hun haar is grof, zwart, gekruld, maar niet wollig, hunne oogen donker en geelachtig met dikke wenkbrauwen, de neus, die plat is, wordt doorboord om er een versiersel in te dragen. Zij hebben eene smalle kin, dikke lippen, een groote mond en prachtige tanden; verder vooruitstekende kinnebakken, diepliggende oogen en een welgevormd voorhoofd. Gelijk alle Wilden, die in den natuurstaat leven, waren zij bijna naakt, vuil en ellendig; voornamelijk in den winter, wanneer zij in kangaroe of buideldierhuiden gekleed zijn die zij overdag om \'t lichaam hangen en waaronder zij \'s nachts slapen. Zij besmeren somtijds hun lichaam geheel en al met verf, modder, houtskool of asch. De vrouwen zijn gewoonlijk slank gebouwd. Deze geheele beschrijving kan ook gelden voor velen onzer Zuidzee-eilanders ; maar toch staan deze ongetwijfeld op een hoogeren trap. Op vele van de eilanden zijn de aangezichten hoewel donker gekleurd, even aangenaam om te zien en even wel gevormd als onder de Europeanen. En ook zijn de eilanders geen nomadisch volk; zij leven in geregelde dorpen en bebouwen het land, om in hun onderhoud te kunnen voorzien.
Daar ik veel zoowel ten voor- als ten nadeele van de oorspronkelijke bewoners van Australië gelezen had, besloot ik op mijne vele reizen, nu vier en twintig jaar geleden, iedere gelegenheid te baat te nemen, om hunne gewoonten en hun geloof onmiddellijk van hen zeiven te leeren kennen. Ik heb ook hunne walgelijke 5gt;Corrobbareesquot; gezien en weet door feiten hoe onzedelijk deze heidensche dansen zijn. Ook weet ik wat de sterke drank onder hen gedaan heeft.
Is het wonder, dat de gekleurde menschen-rassen versmelten voor de Blanken ? De pioniers der beschaving willen nu eenmaal den drankduivel met zich voeren, die de oorzaak is van iedere andere zonde. De Zwarten drinken en worden onhandelbaar en het vergif hen door de Blanken toegediend wordt eene oorzaak, om de arme schepsels van de aarde te verdelgen. De geschriften van Marsden toonen aan, hoe de Inboorlingen uit Australië uitgeroeid zijn. Maar ik ben zulk eene slachting meermalen op het spoor gekomen. Een dame uit Victoria vertelde mij het volgende. Zij hoorde het droevig geschrei van een kind in het bosch. Toen zij zich naar de plaats begaf, vanwaar het geluid kwam, vond zij een klein meisje, dat over haar broertje zat te weenen. Zij zeide:»De Blanken hebben onzen vader en onze moeder vergiftigd. Zij dreigden mij te zullen doodschieten, zoodat ik niet in hunne nabijheid durf te komen. Nu ween ik hier over het lot dat mijn kleinen broeder te wachten staat, totdat wij sterven.quot;
De medelijdende dame beloofde een moeder voor de arme slachtoffers te zullen zijn en ze te beschermen. Zij waren zeer dankbaar en hebben zich sedert liefhebbend en gehoorzaam jegens haar gedragen. In Queensland werd de politie, uit Inboorlingen bestaande en te paard, — slechts door een blanken officier vergezeld, opdat er geen praatjes zouden uitgestrooid worden — geregeld uitgezonden om de Zwarten te «verjagen 1quot; Dit beteekende in vele gevallen, eenvoudig vermoorden. Maar in 1887, wist de menschenlievende eerste minister Samuel Griffiks deze bloedstorting voor altijd te verbieden.
De Sydney Morning Herald van 21 Maart 1883 bevat sterker dingen dan ooit door mij geschreven of geuit werden met betrekking tot de uitroeiing van de Inboorlingen van Aurstralië. Het wachtwoord van de blanke kolonisten, in de practijk ten minste, zoo al niet in
200
ONDER DE ABORIGINES
theorie, is altijd geweest: »Ruim hen uit den weg, en geef ons den grond.quot;
Hoewel dan onder de minst ontwikkelde menschenrassen behoorende, zijn de Inboorlingen toch altijd uitstekende veehoeders, ossendrijvers, omheiningmakers en dienstboden op ieder gebied geweest. Zij zijn eerlijk en trouw, vooral wanneer zij vriendelijk behandeld worden. De lieden uit Australië zijn soms bitter tegen hen gestemd, om eene reden die veeleer hunne sympathie behoorde op te wekken! Zij nemen jongens en meisjes uit de Inboorlingen in hun dienst, zij voeden hen op en leeren hen en wanneer zij dan juist nuttig beginnen te worden, ziet! dan gaan zij hen verlaten en keeren naar hun eigen volk terug. Maar in bijna ieder geval van deze soort is de reden volkomen duidelijk. Men leert hun alleen datgene, wat hen tot nuttige werktuigen kan maken. Hun geest wordt niet ontwikkeld, noch hun hart verlicht door de vreeze Gods en de liefde tot Jezus. Zij waren noch met de kinderen noch met de dienstboden op gelijken voet. Zij groeiden op zonder makkers en zonder met iemand gelijk te staan. Zij zagen hunne bloedverwanten en stamgenooten met verachting behandelen en hoorden hen beschimpen. Zij voelden instinctmatig, dat zij, zoodra zij niet meer in staat waren de zelfzuchtige oogmerken van hunne meesters te dienen, door hen aan den dijk gezet zouden worden. Zij hadden den geest van den slaaf niet, ofschoon zij den rang van den slaaf bekleedden; en zij verlangden aan die neigingen te kunnen voldoen, waarin de bevrediging van hunne lichamelijke behoeften niet kon voorzien. Onder de Blanken voelden zij zich als verworpelingen en verachte schepsels, onder hun eigen volk genoten zij de eer en de achting, die hunne bloedverwanten genoten en konden zij wellicht de geheimzinnige en gezegende banden van eene familie en een tehuis om hun treurig bestaan vlechten. Hier en daar vond men ook ongetwijfeld in het hart van den een of anderen jongen Inboorling iets van die vaderlandsliefde, die Mozes leidde om Farao\'s hof te ontvluchten en te weigeren met de onderdrukkers en verachters van zijn eigen dienstbaar gemaakt volk gelijk gesteld te worden,; dit gevoel was van Goddelijken oorsprong zoowel bij de Aborigines als bij de Hebreen, ofschoon beiden het aan zeer verschillende oorzaken zouden toeschrijven.
Ik kreeg eens een boek in handen, getiteld: »Sermons on Public Subjectsquot; (Preeken over onderwerpen van algemeen belang) door Charles Kingsley. Ik wist, dat hij een man was van groote gaven en zeer bemind: van daar mijne droefheid en teleurstelling, toen ik in de achtste preek »Over den valquot; de volgende vreeselijke woorden las: »De zwarte menschen in Australië, die juist van hetzelfde ras zijn als de Negers in Afrika, kunnen het Evangelie niet in zich opnemen .... Alle pogingen, om hen tot de kennis van den waren God te brengen, hebben tot nog toe gefaald .. . . Arme redelooze dieren in menschengedaante .... ze moeten als de rede-looze dieren van de aarde verdwijnen.quot;
Ik wil er dezen grooten prediker geen verwijt van maken, dat hij ronduit zegt en verspreid, wat eene menigte anderen door hun gedrag toonen aan te nemen, maar niet in het openbaar durven zeggen. Niemand moet het mij echter kwalijk nemen, indien ik, nu ik de feiten en bijzonderheden weet, die Kingsley niet weten kon, een weinig ter zijde ga, en het licht van practische kennis laat vallen over deze en soortgelijke onderwijzingen, van welken kant zij ook mogen komen. Terwijl ik over Kings-ley\'s woorden nadacht, kwam mij, als om alles omver te werpen wat de beroemde prediker had verkondigd, de geschiedenis ter oore van Nora, eene christen-Inboorlinge, die, gelijk later verhaald zal worden, door mij zelve bezocht is en met wie ik briefwisseling gehouden heb . Een mijner vrienden
201
ONDER DE ABORIGINES.
verhaalde mij, hoe hij Nora gekampeerd had gezien onder de Inboorlingen bij Hexham in Victoria. Haar echtgenoot had door zijn drinken hun eens zoo aangenaam tehuis in de kolonie, waar hij in betrekking was, verloren. De verandering, nu zij weer tot dit leven terug had moeten keeren, had hare gezondheid geschokt, en zij lag ziek ter neder in eene ellendige hut. De bezoekers vonden haar bezig met in den Bijbel te lezen en aan eenige van hare arme, onwetende stamgenooten de wonderen der reddende liefde uit te leggen. Mijn vriend, de heer Roderick Unquhart, diep geroerd door dit gezicht, zeide: »Nora, wat smart het mij u hier zoo ongelukkig te zien, en van alle gemakken verstoken in uwe ziekte.quot;
Zij antwoordde niet zonder tranen; »De verandering heeft mij inderdaad de gezondheid gekost, maar ik begin toch te begrijpen, dat ook deze beproeving tot ons nut is; zij heeft ten minste mijn armen man tot zich zeiven doen komen, en ik zal niet morren, indien God hem hierdoor aan de voeten van den Zaligmaker brengt.quot;
Zij vertelde verder, dat zij er eene heerlijke vreugde in gevonden had, om haar volk van den waren God en Zijn Zoon Jezus Christus te vertellen en zij was er vast van overtuigd, dat God haar op Zijne wijze uitkomst zou zenden. De vrienden, die den heer Urquhart vergezelden, waren ook zeer getroffen door den echt christelijken geest, die deze arme In-boorlinge bezielde; toen zij vertrokken, zeide zij: »Denkt niet, dat ik deze ellendige hut, of dit voedsel of dit gezelschap aangenaam vind; maar ik voel mij gelukkig, wanneer ik mijn volk eenig goed kan doen.quot;
Wat mij betreft, laat die eenvoudige christenziel van uit hare armelijke hut op mij nederzien en ik zal alle leeringen en theoriën onder den voet treden, die durven beweren, dat zij of hare stamgenooten slechts arme dieren zijn; zij, die zoo spreken, beleedigen de menschelijke natuur. Ik dank u, Vader, Heer des Hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard.
Ga even met mij na, eer gij verder leest, wat het Evangelie gedaan heeft voor hen, die zeer nauw aan deze Inboorlingen van Australië ver-wand zijn. Op ons eiland Aneityum hebben 3500 Kannibalen het heidendom vaarwel gezegd, en leiden een beschaafd, christelijk leven. Op Fyi zijn 70.000 Kannibalen onder den invloed van het christendom gebracht en 13.000 leden van de kerk aldaar hebben beleden voor Jezus te willen leven en werken. Op Samoa hebben 34.000 Kannibalen het christendom aangenomen, en in negentien jaren zijn van daar 206 inlandsche onderwijzers en evangelisten uitgezonden. Op onze Nieuwe Hebriden zijn meer dan 12.000 Kannibalen aan de voeten van Christus gezeten, al kan men nu juist niet zeggen, dat zij reeds allen model-christenen zijn, en 133 Inboorlingen zijn opgeleid en uitgezonden geworden als onderwijzers en predikers van het Evangelie. Indien Christus op dezelfde wijze in het hart en leven der arme Aborigines gebracht was door de christenen van Engeland of Australië, dan zouden dezelfde gezegende uitkomsten onder hen gezien zijn, want »Hij is gisteren en heden en eeuwig dezelfde.quot;
Het is echter licht te begrijpen, dat zelfs ervaren reizigers er toe gekomen zijn om te gelooven, dat dit volk geene afgoden en in het geheel geen godsdienst heeft. Men moet onder hen of onder volken, die aan hen verwant zijn, geleefd hebben, om in staat te zijn deze vragen naar waarheid te beantwoorden.
Voor ik Melbourne verliet, b. v. ontmoette ik Nathanaël Pepper, een bekeerd Inboorling van Wimmera. Ik vraagde hem of zijn volk ook «doctorsquot;, d. i. heilige mannen of priesters hadden. Hij antwoordde be-
202
ONDER DE ABORIGINES.
vestigend. Ik vraagde hem verder of zij ook voorwerpen tot vereering hadden, of eenig geloof in een God? «Neen,quot; zeide hij, «volstrekt niet.quot;
Toen ik nu uit mijn zak vier kleine steenen afgoden haalde, toonde de uitdrukking van zijn gelaat mij terstond, dat hij ze herkende als aangebeden voorwerpen. Hij had ze door de priesters zien gebruiken, zeide hij; maar hij weigerde eenige verdere vragen te beantwoorden. Ik besloot nu, indien het mogelijk was, eenige van hunne afgoden meester te worden, opdat dit vraagstuk eens voor al opgelost zou worden.
Bij eene andere gelegenheid, verzocht ik een geheel kamp van Inboorlingen, te Newstead, om mijne samenkomst te komen bezoeken. Na de toespraak, wachtten zij om de steenen afgoden, die ik getoond had, te bezien. Sommigen van de jonge lieden stemden toe, dat hunne »doctorsquot; zulke dingen hadden, die zij en de oude menschen aanbaden, maar zij voegden er lichtzinnig bij; »Wij, jonge lieden, aanbidden ze niet; wij weten daarvoor te veel!quot;
Er waren echter in dat kamp geene »doctorsquot; tegenwoordig, dus kon ik hen niet spreken; maar ik gevoelde reeds, dat de getuigenis van bijna alle Blanken, dat de Zwarten »geene afgoden en geen godsdienstquot; hadden, spoedig zou blijken geheel onwaar te zijn. Mijn waarde vriend, de heer Andrew Scott, had mij ook medegedeeld, dat hij, toen hij voor het eerst onder de Zwarten kwam, als een van de eerste Blanken, die zij ooit gezien hadden, hen juist zulke «gladde steenenquot; als ik van de eilanden had medegebracht, had zien behandelen en daar verschillende ceremoniën mede zien doen, zonder voor een oogenblik te droomen, dat het afgoden waren. Toch is dit een feit; evengoed als in dagen toen jesaja alzoo de «kinderen der guichelaresquot; aanduidde, die zich »over afgoden lustig maakten.quot;
«Aan de gladde steenen der beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort gij denzelven drankoffer uit, gij offert hun spijsoffer.quot;
De heer Urquhart van Tangery deelde mij mede, dat hij ook de godsdienstige plechtigheden der Aborigines had gadegeslagen. Eerst waren eene groote menigte mannen en vrouwen tot een groot feest vereenigd, waar heidensche dansen werden uitgevoerd. Daarna ging ieder naar het middelpunt van een grooten ring en na eenige plechtigheden bogen zij als tot vereering voor twee mannelijke figuren in den grond gesneden. Ons leven onder de Heidenen had ons geleerd, dat dit eeredienst was.
De plechtigheid der besnijdenis was ook onder de Australianen evenals onder de bevolkking der Nieuwe Hebriden in gebruik. Jongens, die den leeftijd bereikt hadden, die aangemerkt werd als den mannelijken, treden daarmede in hunne rechten als man; en de plechtigheid ging vergezeld met dansen, feestvieren en wat zij verder als godsdienstige plechtigheden beschouwden.
Sommige stammen in Australië en ook op onze eilanden toonen den rang of de klasse, waartoe een man behoort, aan, door de barbaarsche gewoonte om de twee voortanden uit te trekken. Dit wordt gedaan, wanneer men een zekeren leeftijd bereikt heeft en gaat vergezeld met feesten en dansuitvoeringen te middernacht en gedurende de volle maan, in de nabijheid van heilige plaatsen, welke niemand dan alleen een priester durft naderen.
Van nu aan leidt het bij mij geen twijfel of al de «mysterieuse figurenquot;, die zooveel besproken zijn, en die op de vlakke rotsen te Middle Harbour, en bij kaap Cove gesneden zijn, zijn heilige figuren. Zij worden ook gevonden op Point Piper, te Mossmans, te Lane Cove, en op vele andere plaatsen van Australië, en stellen de menschelijke gedaante voor
203
ONDER DE ABORIGINES.
in allerlei houdingen, de kangaroe, den vliegenden eekhoorn, den haai, den walvisch enz. enz. welke ik geloof, dat alle heilige voorwerpen zijn, even als deze rotsen en klippen heilige plaatsen. Sommige afbeeldingen van visschen zijn zeven en twintig voet lang. De inboorlingen van Australië wilden geene uitlegging van deze dingen geven, maar zeiden niet anders dan dat zij, door »de Zwarten lang, lang geleden waren gemaakt,quot; en dat de Zwarten er niet gaarne dicht bij woonden, omdat daar »te veel devil-devilquot; d. i. geesten, rondwandelen.
De Inboorlingen van Balmoral vertelden mij, dat hunne priesters zulke dingen, als ik hen toonde, bij zich droegen en dat het »devil-devilquot; waren; dit is het eenige woord voor god of geest, dut zij gebruiken, wanneer zij in gebroken Engelsch spreken.
De IS1\'1-\' Februari 1863, was een dag, waard om opgeschreven en onthouden te worden. Ik bezocht het Wonwonda-station in het district Wimmera van Victoria en aanschouwde daar een groot kamp van de Inboorlingen op de nabijzijnde vlakte. Van eenige getuigen vergezeld, begaf ik mij derwaarts, en bevond dat een gedeelte van hen mij reeds te Balmoral gezien had. Twee hunner spraken vrij wel Engelsch. Ik slaagde er in hunne achterhoudendheid te overwinnen, en na verloop van eenigen tijd verhaalden zij ons vrij uit zeer veel over de gebruiken en overleveringen van hun volk. Zij brachten ons naar hun »doctorquot; of priester, die in zijne hut ziek lag. Half verborgen onder de huiden en kleederen achter hem, bemerkte ik verscheidene bijzondere zakken, welke ik terstond begreep dat waarschijnlijk de kleine afgoden zouden bevatten waarnaar ik zocht. Ik verzocht mijne getuigen om goed op te letten, wat er gebeuren zou en een verslag op te maken en te onderteekenen, daar dit mij in het vervolg te pas kon komen. Het volgende rapport is door hen opgemaakt.
»De heer Paton, na aan de Zwarten duidelijk te hebben uitgelegd, dat hij eenige van de heilige voorwerpen wenschte te zien, die naar hun zeggen, de menschen ziek en gezond konden maken, verzekerde hen, dat zijn doel niet was, om hen te bespotten, maar om aan de blanke menschen te bewijzen, dat de Zwarten voorwerpen hadden, die zij godsdienstig vereerden en dus niet aan varkens of honden gelijk waren. Hij bood hen eenige stukjes zilvergeld aan, om brood en thee voor den »doctorquot; te koopen, indien zij die zakjes wilden openen en ons laten zien wat er in was. Nadat zij heel veel met elkander gesproken hadden, nam hij eenige van de steenen goden uit zijn zak, die hij van de eilanden had medegebracht, zeggende: »Ik weet, dat die zakken zulke dingen als deze bevatten.quot; Eene inlandsche vrouw riep hierop uit: »Ge kunt ze voor dien man niet verbergen. Hij weet reeds alles omtrent ons.quot;
De heer Rutherford bood aan een schaap te doen slachten, en hen suiker en thee te geven, om zich aan te vergasten, indien zij de zakjes wilden openen, maar zij weigerden. Na den priester te heben geraadpleegd echter, die er in toestemde, en de stukjes zilvergeld aannam, werden de zakken voor ons geopend. Zij waren vol met juist zulke steenen en andere voorwerpen als de heer Paton van de eilanden had medegebracht, hetgeen dus dienen kon om de Blanken in Melbourne te bewijzen, dat zij niet aan de honden gelijk waren, maar goden hadden; hij bood den priester meer geld aan voor vier van de bezichtigde voorwerpen. Nadat zij weer veel onder elkander gesproken hadden, nam hij het geld aan en in onze tegenwoordigheid zocht de heer Paton een steenen afgod, een stuk kegelvormig en beschilderd hout, een stukje van het been van een mensch, waarop zeven ringen waren gesneden, hetgeen zij zeiden, dat de macht bezat om zieken gezond te kunnen maken, en een ander stuk be-
204
ONDER DE ABORIGINES.
schilderd hout, dat de menschen ziek maakte; maar zij lieten hem plechtig beloven, dat hij aan geene andere Zwarten zou vertellen, van waar hij deze voorwerpen had. Zij luisterden raet veel belangstelling, naar hetgeen de heer Paton zeide, en spraken: »Geen zendeling ooit Zwarten onderwezen.quot; Zij toonden ons daarop vierkante wollen dekens, zakken van gras en garen, enz. alles netjes door henzelven gemaakt, als bewijs dat zij en hunne vrouwen, indien zij maar onderwezen werden, zeer goed konden leeren, om allerlei dingen te doen en te werken, even goed als blanke menschen; maar zij zeiden: gt;^De blanke menschen geven niet om de Zwarten.quot;
Wij, die dit stuk onderteekenen, waren ooggetuigen van dit alles.quot; — G. Rutherford, Mevr. A. Sutherland, Mevr. Martha Rutherford, Jemima Rutherford, Ben. B. Ëentock, onderwijzer bij de familie Rutherford.
Bij mijne terugkomst te Horsham, deelde ik aan mijne waarde vrienden, den predikant P. Simpson en zijne echtgenoote mede, wat ik gedaan had en waarvan ik in bezit was gekomen. Hij antwoordde: »Er is een zwarte »doctorquot;\' juist hier rondom ons huis gegaan, om eene vrouw uit zijn volk te zien, die hier van daag wascht. Laat ons hen gaan opzoeken en zien of zij deze voorwerpen kennen.quot;
De voorwerpen in zijne hand houdende, ging hij tot hen en ik volgde. Zoodra de vrouw ze bemerkte, liet zij het stuk goed, dat zij waschte, uit de handen vallen, en keerde zich vol vrees af. De heer Simpson vraagde:
»Hebt gij wel eens meer zulke steenen gezien?quot; De sluwe »doctorquot; antwoordde: »In overvloed op de vlakte, waar ik ze met mijn voet weg schop.quot;
De andere voorwerpen uit mijn zak halende, vraagde ik: »Deze maken de menschen ziek en gezond, niet waar?quot; Zijne woede kreeg nu de overhand over zijne sluwheid en hij riep uit: »Welke Zwarte heeft u die gegeven? Indien ik hem ken, zal hij er voor boeten!quot;
De vrouw, doodelijk verschrikt, riep op een van de voorwerpen wijzende, uit: »Die doet geen goed! Hij doodt menschen. Geen goed, geen goed! Mij te bevreesd!quot;
Daarop naar mij ziende, zeide zij, met den vinger wijzende: »Die man weet te veel! Geen blanke man ze zien. Hij geen goed.quot;
Dit gansche tooneel sprak duidelijker dan vele argumenten zouden doen, en de heer Simpson geloofde dan ook vast, dat dit voorwerpen van afgodendienst waren.
Later toonde ik deze vier voorwerpen aan Inboorlingen, met wie ik in aanraking kwam, in Nieuw-Zuid-Wales. Zij herkenden ze terstond, en toonden dezelfde bijgeloovige vrees. Zij vertelden mij de bijzondere eigenaardigheden er van en de bijzondere macht, die aan iederen afgod of toovermiddel wordt toegeschreven. Dit werd gestaafd door het getuigenis van vijf verschillende stammen, die op grooten afstand van elkander leefden, en het is dus eene bewezen waarheid, dat onder al de Zwarten van Australië zulke voorwerpen gevreesd en aangebeden worden in de plaats van God.
Laat mij nu de geschiedenis verhalen van mijn bezoek aan Nora, de bekeerde Inboorlinge, hierboven genoemd. Door den heer Robert Hood van Victoria vergezeld, vond ik mijn weg naar het kamp nabij Hexham. Zij wist niet, dat wij komen zouden en zag ons ook niet, voor wij aan de deur van hare hut stonden. Zij was netjes en helder in de kleeren, evenals hare kindertjes, en scheen blijde ons te zien. Zij had juist in de Presbyterian Messenger gelezen, en de Bijbel lag dicht bij haar. »Leest gij de Messenger}quot; vraagde ik.
205
206 ONDER DE ABORIGINES.
»Ja,quot; antwoordde zij, »ik weet gaarne wat er in de kerk omgaat.quot;
Wij bevonden, dat zij eene ontwikkelde en nederige christin was, die met verstand over den godsdienst sprak en God getrouw diende. Den volgenden Zondag bracht zij haar man, hare kinderen en zes andere Zwarten mede naar de kerk; allen waren fatsoenlijk gekleed en luisterden aandachtig. Bij onze eerste ontmoeting zeide ik: »Nora, zij hebben mij gezegd, dat gij eene christin zijt. Ik zou u gaarne een paar vragen doen betreffende uw volk, en ik hoop, dat gij als eene christin de waarheid spreken zult.quot; Een weinig gekrenkt over mijne taal, hief zij hare rechterhand op, en antwoordde: »Ik ben eene christin. Ik vrees en dien den waren God. Ik spreek altijd de waarheid.quot;
Nu nam ik de steenen afgoden van de eilanden uit mijn zak, en vraagde haar, of de lieden haars volk voorwerpen gelijk deze kenden en die godsdienstig vereerden. Zij antwoordde: »de ^doctorsquot; hebben ze.quot;
»Hebt gij een »doctorquot; in uw kamp?quot; vraagde ik.
»Ja,quot; zeide zij, »mijn oom is een heilig man, maar hij is nu afwezig.quot;
»Heeft hij de afgoden met zich genomen?quot; vraagde ik.
»Neen, antwoordde zij, »zij zijn aan mijne zorg toevertrouwd.quot;
xZoudt gij ze ons kunnen laten zien?
Zij raadpleegde nu eenige voorname personen van den stam, die tegenwoordig waren. Zij stonden op, en begaven zich op eenigen afstand, om er over te spreken, maar stemden er spoedig in toe. De heer Hood had mij reeds verzekerd, dat haar niets zou geweigerd worden, daar zij het werkelijke of tenminste het invloedrijkste hoofd van den stam was. Uit een grooten zak nam zij nu twee kleinere zakken, die zij opende. Zij waren gevuld met dezelfde voorwerpen, als ik van de eilanden had medegebracht. Ik vraagde haar, de lieden van haar stam te verzoeken, mij er vier of vijf van te verkoopen, opdat ik daarmede de Blanken mocht kunnen overtuigen, dat zij hunne eigene goden hadden, en daardoor boven de dieren des velds verheven waren. Het geld zou aan hun Priester bij zijne terugkomst worden ter hand gesteld. Dit werd ook na rijp beraad toegestaan. Ik koos drie van de voorwerpen uit en betaalde den ge vraagden prijs. De heer Hood was getuige in deze zaak, en legde vrijwillig onderstaand getuigenis af.
»Heden bezocht ik in gezelschap van den heer Paton, zendeling, het kamp van de Zwarten uit Hopkins en was getuige van het volgende. De heer Paton, van de meening uitgaande, dat vele van de bijgeloovigheden en gebruiken der Zuidzee-eilanders evenzeer aan de Aborigines uit Australië eigen waren, begonnen eenige afgoden enz. van de eilanders te toonen, en vraagde of zij ooit zulk soort van dingen gezien hadden. Deze vraag werd gedaan aan eene zeer ontwikkelde vrouw, Nora genaamd, die lezen en schrijven kan, en grooten invloed op haar stam uitoefent. Zij antwoordde: »0 ja, de »doctorsquot; hebben ze.quot;
Toen de heer Paton groot verlangen uitte om ze te zien, zeide zij, na andere Zwarten geraadpleegd te hebben, dat zij er eenige had, die aan haar oom. King John, toebehoorden, die afwezig was en ze in hare hoede achtergelaten had.
Hoewel de andere Zwarten grooten tegenzin toonden, die echter werd overwonnen, toen zij zagen, dat de heer Paton er alles van wist, werd een zak te voorschijn gebracht, waarin slagtanden van Kangaroes of beren, stukken van menschenbeenderen, steenen, zwart gebrand hout, enz. enz. waren. Zij beschreef de eigenschappen, die aan ieder van de verschillende artikelen werden toegeschreven. Indien men wenschte dat eenig kwaad iemand uit een anderen stam zou treffen, wierp de /)doctorquot;, na
207
iets gepreveld te hebben, den steen in de richting, waarin men veronderstelde, dat de bedoelde persoon wezen zou, daarbij wenschende, dat hij ziek mocht worden of sterven mocht, enz. De geest van den afgod nam dan bezit van zijn lichaam en het was zeker, dat hij ziek zou worden of sterven zou. Een ander stuk verbrand hout, waarmede de sdoctorquot; over het zieke deel van iemands lichaam streek, maakte, dat de pijn uit het lichaam op den geest in het hout overging, en de »doctorquot; droeg het daarna weg. Gedurende al dezen tijd waren de andere Zwarten klaarblijkelijk in groote vrees, dat de voorwerpen bekeken en behandeld zouden worden, en zij herhaalden steeds: »Geen Blanke heeft deze dingen ooit te voren gezien.quot; De heer Paton kocht drie verschillende voorwerpen van hen, nam: »een goeden en een kwaden geest, en een stuk uitgesneden been.quot; Robert Hood, J. P. Hexham, Victoria, Merang, 28 Febr. 1863.
De heer Hood vraagde aan Nora, hoe het kwam dat hij nooit van deze dingen gezien of gehoord had, ofschoon hij toch zoo lang onder hen geleefd had, en er onophoudelijk Zwarten zijn huis in- en uitgingen. Zij antwoordde: »Lang geleden hebben Blanken onze Zwarten uitgelachen, omdat zij hunne goden aanbaden. Toen hebben de Zwarten besloten, dat de Blanken ze nooit weder zien zouden. Indien deze Blanke niet reeds alles er van geweten had, zou hij ze nu niet hebben mogen zien. Geen Blanke leeft er, die gezien heeft wat gij hebt gezien.quot;
Zoo werd bet op de plaats bewezen, in tegenwoordigheid van de meest betrouwbare getuigen, dat de Aborigines, vóór zij de blanke overweldigers hadden leeren kennen, geen »redelooze dierenquot; waren, ongeschikt om God te kennen, maar menschelijke wezens, smachtende naar eenigen God. Ik geloof ook niet, dat er ooit eenig menschengeslacht zal gevonden worden, waarvan het niet blijken zal, wanneer eerst hunne taal en gebruiken voldoende bestudeerd zijn, dat zij zich bewust zijn een God van noode te hebben, en dat zij het goddelijk vermogen bezitten van gemeenschap te oefenen met de onzichtbare Machten, waarvan de rede-looze dieren niet bet minste spoor bezitten.
Wijlen den heer Hamilton van Mortlake, schreef mij in 1863 het volgende:
«Gedurende een verblijf van zes en twintig jaren in Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, ben ik door de voortdurenden omgang met de oorspronkelijke bewoners van Australië, overtuigd, dat zij in staat zijn alles te leeren, wat Blanken in even verwaarloosden staat kunnen leeren. Tweemaal ontmoette ik vrouwen, die meer godsdienstige kennis bezaten dan menigeen uit onze blanke bevolking. De eene was in staat om de kinderen van de familie, waar zij in dienst was, te helpen in het geven van geschikte antwoorden op de vragen, die ik hen deed, betreffende de feiten en de leerstukken van het christelijk geloof. De andere was Nora Hood, die gedoopt was en gehuwd met een Inboorling uit haar stam. Zij wilde hare kinderen laten doopen, en ik stelde haar de vragen voor bij de Presbyteriaansche gemeente in gebruik, zij scheen mij toe een oprecht en verstandig christin te zijn. Ik doopte hare kinderen zonder aarzelen, terwijl ik het in vele gevallen mijn plicht reken, om dit voorrecht aan blanke ouders te weigeren, op grond dat zij niet in staat zijn om rekenschap te geven van hun geloof in Christus en van hunne gehoorzaamheid aan Hem. Naast God, dankt zij haar onderricht en hare bekeering aan Mevr. Mac Kenzie.quot; William Hamilton, predikant.
De heer William Armstrong van Hexham-park schreef in 1863:
»De Aborigines van Australië gelooven zeer zeker in geesten, zij ge-looven ook dat hun geest bij den dood het lichaam verlaat en naar
ONDER DE ABORIGINES,
eenig ander eiland gaat, en zij schijnen vele bijgeloovige begrippen omtrent de dooden te koesteren .... Ik geloof, dat zij even gemakkelijk als andere Wilden voor het Evangelie zouden gewonnen zijn, indien men hen slechts had onderwezen; maar bedwelmende dranken, en de hiermede gepaard gaande zonden der Blanken, hebben hen ten gronde gericht.quot; William Armstrong.
Laat Nora, eene van de »arme redelooze dieren in menschengedaante,quot; die 2gt;niet in staat waren het Evangelie in zich op te nemen,quot; en »gelijk de redelooze dieren moesten vergaan,quot; nu in hare eigene woorden tot het hart van ieder mijner lezers spreken. In Februari 1873 schreef zij mij het volgende:
»Waarde Heer ! Ik heb uw lieven brief ontvangen en was blijde iets van u te hooren. Ik lees altijd in mijn Bijbel, want ik geloof in God den Vader, en in Christus Jezus, onzen Heer, Amen. Ik spreek dikwijls tot de Zwarten over Jezus Christus; en sommigen van hen gelooven in God en in Jezus. Ik leer mijne kinderen altijd om God, onze hemelschen Vader te aanbidden . . . Colin zal trachten niet meer te drinken. Hij bidt nu altijd tot God. Met de Zwarten, die bij mij komen, spreek ik over God en hunne zonden; maar zij zijn zoo slecht, dat zij niet naar mijne onderwijzing willen luisteren. Mijnheer, ik zal altijd voor u bidden, dat God u moge zegenen en geleiden! O mijnheer, bid voor mij, mijn echtgenoot en mijne kinderen 1 Uwe gehoorzame dienaresse, Nora Hood.quot;
In haar tweeden brief zegt zij; »Uw vriendelijke brief gaf mij veel troost. Ik dank God, dat ik in staat ben te lezen, en te schrijven. Mevr. en Mej. Mac Kenzie leerden mij dat: en door haar leerde ik Jezus Christus, mijn Zaligmaker, kennen. Onze Heer zegt: »Komt alle tot mij, die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven.quot; »0, allen, gij dorstigen, komt tot de wateren.quot; Mijnheer, ik zal Joe en King John, evenals ik Katy en de anderen deed, over Jezus Christus, onzen Zaligmaker, vertellen ik zou gaarne hebben, Mijnheer, dat gij mij nog eens schrijven wildet, opdat ik hen uwe brieven kon toonen, enz. enz.
In een derden brief, ook in 1863 geschreven, zegt zij: »Waarde Heer! Colin en ik waren blijde iets van u te hooren. Ik spreek de Zwarten altijd over God, onzen Zaligmaker en de zaligheid hunner zielen: Zij zijn zoo slecht. Zij gaan van de eene plaats naar de andere en blijven niet lang bij mij. Ik leer mijne kinderen altijd, dat zij moeten bidden, en zou ze ook gaarne naar school zenden, indien ik kon .... Ik hoop. dat gij veilig in Engeland zult aankomen, meer zendelingen zult krijgen en dan naar uwe arme Zwarten op de eilanden zult terugkeeren. Moge de Heer u zegenen, waar gij ook heengaat!quot; Uwe u toegenegene Hora Hood.
Arme, lieve christelijk gezinde Nora! De Geest des Heeren spreekt onmiskenbaar door u, wanneer gij voor man en kinderen bidt en hen tot de zaligheid zoekt te brengen, waneer gij begroevingen en ontberingen verdraagt, gesteund door de gemeenschap uws Heeren, weenend over den gezonken toestand van uw volk en hen zoekt op te heffen door hen bekend te maken met den waren God en met Zijne liefde voor het menschdom door Jezus Christus. Het ware te wenschen, dat alle blanke christenen evenveel van den Geest van den Goddelijken Meester ten toon spreidden!
Helaas! wanneer men Marsdens »Levenquot; leest en andere autoriteiten raadpleegt, gruwt men van de beschrijving van de slachting, die onder arme Zwarten heeft plaats gehad. Stel u voor, hoe in 1830 de troepen te wapen werden geroepen en drieduizend gewapende mannen het werk der verwoesting voortzetten van 4 October tot 22 November. Lees van iemand,
208
ONDER DE ABORIGINES.
die er zich op beroemde zeven Zwarten met eigen hand te hebben gedood ; van een ander, dat hij dertig mannen, vrouwen en kinderen had verslagen en op een hoop geworpen; van een derde, een gcnileman, van wien luitenant Laidlow zegt, dat hij als zegeteeken boven zijne boekenkast den schedel van een armen Zwarte had geplaatst, dien hij zelve met een kogel had doorboord. En welke was hunne zonde, hunne misdaad? Niets anders dan het uit honger stelen van een schaap, dat graasde op den grond, waar eens hun voedsel groeide, en vanwaar de Blanken hen onmeedoogend verjaagd hebben. De vergelding komt, maar soms langzaam en wordt niet altijd begrepen bij hare verschijning; maar het is zeker, dat Australië heden de treurige gevolgen ondervindt van de wreedheid, waarmede men zich tegenover de Zwarten heeft gedragen. De duivelen hebben er zich genesteld.
Bij mijn laatsten zendingstocht, in 1888, door Victoria en een gedeelte van Nieuw-Zuid-Wales, bezocht ik al de plaatsen van de Aborigenes, die het mij mogelijk was te bereiken. Daar zijn de weinige overgeblevenen van een eens talrijk menschenras bijeen vergaderd. Zij trachten zich te dwingen om in huizen te wonen, maar zij hebben een zwervenden geest in zich. Gedurig maken zij zich op tot een zwerftocht over hunne oude jacht-gronden, om de zoetheid van de vrijheid nog eenmaal te smaken. In Victoria voorziet het Gouvernement de Inboorlingen nu van voedsel en kleeding, wanneer zij aan de aangewezen stations willen blijven; zoodat de overgeblevenen voor het tijdelijke niet slecht bezorgd zijn. Hunne godsdienstige opvoeding en geestelijke belangen worden geheel overgelaten aan de Kerken. Het Gouvernement heeft een opziener aangesteld aan ieder station; en waar deze een christen is en eenig belang stelt in den godsdienst en de zeden van de stammen, heerscht er tevredenheid. Te Ramayeuk, bij voorbeeld, is de predikant F. A. Haganeur de hoofdopziener ; hij en zijne uitmuntende gade onderwijzen de Zwarten geregeld, waaruit heerlijke gevolgen voortvloeien. De aangezichten van het volk straalden van geluk. De rijen heldere en nette hutten waren een voorbeeld. In hunne kerk bespeelde een inlandsche vrouw een harmonium en begeleidde den zang. Ik had nooit oplettender toehoorders. Tot tweemalen toe stelden zij mij f 60 ter hand, die zij vrijwillig voor onze zending op de eilanden hadden bijeengebracht. Hunne school ontving van het Gouvernement eene van de grootste toelagen. Velen uit deze streek zijn na een standvastig christelijk leven gestorven in de vaste hoop van in de Heerlijkheid met Jezus te zijn.
In al de andere stations van Victoria wordt gezorgd voor de uitwendige behoeften der Inboorlingen, maar men moest overal opzieners benoemen, die voor hunne zielen evenals voor hunne lichamen zorgen. Het gebruik van ster kendranken en anderen verkeerdheden maaien de Inboorlingen in menigte weg, en Australië heeft nog maar korten tijd, om boete te doen voor de wreedheden van het verledene, en om nog eenige juweelen van uit hun midden toe te voegen aan den kroon des Verlossers.
Op mijne afscheidsbijeenkomst in Melbourne, waar Sir Henry Barkley het voorzitterschap bekleedde, smeekte ik dat de kolonie meerdere pogingen zou in het werk stellen, om het Evangelie onder de Aborigines bekend te maken; ik toonde de afgoden, welke ik ontdekt had; ik las Nora\'s brieven voor en ik mag zonder aanmatiging zeggen, dat sedert dien tijd de meening, dat zij »redelooze dieren in menschengedaantequot; zijn, vrijwel uitgeroeid is.
209
14
Dr. Inglis in de zendings-crisis. — Het lot werpen voor den Heer. — Door den bliksem getroffen. — Een blik in Londen. — Een treffend welkom. — Het Voorzittersgestoelte. — De Hervormd Presbyteriaansche kerk en de Vrije kerk. — Reis door Schotland. — Een bevroren voet. — Het Heilig \\ erbond der kinderen. — Vrijwilligers voor de zending. — Een van God verkregen hulp. — Het afscheid uit het ouderlijk huis. — Eerste blik op de Dayspnng. — De Day spring in gevaar. — Er komt bevrijding. — De John Williams en de Day spring. — De bijzondere roeping van Australië.
DE leden mijner Australiaansche commissie raadden mij ten sterkste aan naar Schotland te gaan, teneinde, indien het mogelijk was, meer zendelingen voor de Nieuwe Hebriden aan te werven. Dr. Inglis, dié juist uit Groot-Brittannië was teruggekeerd, waar hij het Aneityumeesche Nieuwe Testament had doen drukken, ondersteunde dit plan krachtig.E leden mijner Australiaansche commissie raadden mij ten sterkste aan naar Schotland te gaan, teneinde, indien het mogelijk was, meer zendelingen voor de Nieuwe Hebriden aan te werven. Dr. Inglis, dié juist uit Groot-Brittannië was teruggekeerd, waar hij het Aneityumeesche Nieuwe Testament had doen drukken, ondersteunde dit plan krachtig.
»Voor ik het vaderland verliet,quot; zoo schreef hij aan de gemeente in Schotland, »kon ik aan zoo iets niet denken, maar sedert ik hierheen terugkeerde en gezien heb, hoe groot de sympathie, de belangstelling en de mildheid zijn, die onder Gods zegen aan den heer Paton worden betoond, en het veranderd uitzicht opmerk, dat de zending daardoor verkregen heeft, nu gevoel ik, dat er eene crisis bereikt is, en dat er eene bijzondere poging moet in het werk gesteld worden, om meer menschen voor den zendingsarbeid te winnen, waartoe ik geen tijd had en ook de middelen niet bezat, maar welk doel nu misschien door den heer Paton zal kunnen bereikt worden; mijn hoop en bede is, dat hij in het vaderland even gelukkig zal zijn met het verkrijgen van arbeiders in den wijngaard, als hij in de koloniën is geweest, om geld te verzamelen.
Mijn pad was echter ver van helder, niettegenstaande mijn Gideonsvlies, waarop reeds gewezen is. Tijd te verliezen met eene reis naar het vaderland te ondernemen, teneinde werk te gaan verrichten wat anderen moesten doen, terwijl ik nog altijd de noodkreten hoorde van de verloren gaande heidenen op de eilanden, kon ik in het eerst bezwaarlijk mijn plicht rekenen. Te midden van overstelpende bezwaren en daar ik geen raad nog licht in deze zaak van eenig mensch kon verwachten, deed ik een stap, waartoe ik mij slechts eenmaal te voren in mijn veelbewogen loopbaan heb gedrongen gevoeld. Sommigen zullen mij bespotten, wanneer zij het lezen, maar anderen zullen misschien diepzinniger zeggen: »Wien
NAAR SCHOTLAND EN TERUG.
dit geloof is gegeven, dat hij er naar handele.quot; Na vele gebeden, worstelingen en tranen, zocht ik alleen het aangezicht des Heeren, en op mijne knieën, onder ernstig gebed tot God, wierp ik het lot, en het antwoord kwam: »Ga naar huis!quot; In mijn hart geloof ik ten volle, dat de Heer in beide gevallen zich verwaardigde, om mij het pad aan te wijzen, waarop ik gaan moest en dat mij anders onbekend zou geweest zijn, en ik geloof dit nu des te vaster met het oog op de dertig jaren, die ik in den dienst van Christus heb doorgebracht, en die het gevolg zijn geweest van den stap, toen na rijp beraad en onder biddend opzien genomen. In deze, gelijk in vele andere zaken, geef ik geen wet voor anderen, ofschoon ik gehoorzaamde aan het hoogste licht, dat ik toen bezat. Ik kan zelfs niet nalaten hierbij te voegen, juist om de hierboven aangegeven redenen, dat ik zoogenaamde «loterijenquot; en »dobbelarijenquot; als eene bespotting van God beschouw, en weinig minder dan godslastering. »Gij kunt niet drinken aan des Heeren tafel en aan de tafel der duivelen,quot;
Ik scheepte mij op 16 Mei 1863 in naar Londen in de Kosciusco, een Aberdeenschen klipper. Kapitein Stewart maakte de reis voor allen zeer aangenaam. De zoon van mijn ouden vriend, bisschop Selwijn, en ik leidden beurtelings de Presbyteriaansche en Anglicaansche godsdienstoefening. Toen wij de Kaap omzeilden, werden wij door eene merkwaardige donderbui overvallen. Ons flink schip werd deerlijk door den bliksem vernield. Ieder, die op het dek was, werd plotseling ter neder geworpen. Het koper van het schip werd gesmolten; de kapitein gaf mij daar een stukje van, dat ik nog bezit. Toen het scheen, dat een vuurbal het schip zou verpletteren, werden diegenen van ons, die op stoelen rondom de tafel van de kajuit zaten, op den grond geworpen, en wij meenden, dat het schip naar de diepte ging. Toen het weder opsprong, werden een militair en een geneesheer plotseling in de achtergang tusschen de kajuiten geworpen, daar de schroeven van hunne zitbanken uit elkander geslagen werden. Ik bezeerde mijn been hevig, daar ik, de tafel willende grijpen, tusschen de bank en de tafel werd geklemd, en moest naar mijne hut gedragen worden. Al de getroffenen werden bijgebracht en herkregen spoedig het bewustzijn, en onmiddellijk daarna kwam de goede kapitein, die ook ouderling der gemeente was, tot mij, zeggende: »Ga ons voor in het gebed, en laat ons den Heer danken voor deze genadige redding; het schip is niet in brand en niemand is ernstig gekwetst!quot;
De arme man zelve kreeg eene koorts, die hem drie weken lang niet wilde verlaten; of deze gebeurtenis hem de ziekte bezorgd had, kan ik niet zeggen; maar wij spanden onze vereenigde krachten in, om hem in dien tijd van dienst te zijn. De Heer deed hem echter weder herstellen en wij ankerden veilig in de Oost-Indische dokken van Londen, 26 Augustus 1863: wij waren juist drie maanden en tien dagen op zee geweest.
Het was half zes in den namiddag, toen wij ankerden, en om zes uur sloten de. hekken. Mijn koffertje stond op het dek gereed. De tolbeambten lieten mij vriendelijk passeeren en ik was onmiddellijk op weg naar Euston Square, Ik was nooit te voren in de groote stad geweest, en on-getwijfeid zou ik hare paleizen en gedenkteekenen met genoegen bezichtigd hebben, maar de zaak des Konings, die mij was toevertrouwd, ver-eischte spoed en ik voelde mij gedrongen, om haastig voort te gaan en noch rechts noch links te zien. De straten, waardoor ik reed, schenen mij nauw en vuil toe, vele menschen hadden een morsig en onaangenaam uiterlijk, en voor mij, die zoo pas uit Australië kwam, was de teleurstelling, wat betreft het berookt en ellendig uiterlijk van hetgeen ik zag,
211
212
zeer groot. Zonder twijfel zullen andere bezoekers alleen de grootheid en den rijkdom zien; zij zullen juist zien hetgeen zij wenschen te zien en Londen zal zich dienovereenkomstig aan hun oog voordoen.
Dienzelden avond om negen uur zat ik in den trein naar Schotland. Den volgenden morgen, ongeveer op hetzelfde uur, vervoegde ik mij bij den predikant John Kay, Castle Douglas, het hoofd van de commissie voor de Uitwendige Zending van de Hervormd Presbyteriaansche gemeente, waartoe ik behoorde. Wij bepaalden zoo spoedig mogelijk eene samenkomst met de genoemde commissie, opdat mijne plannen hen terstond mochten voorgelegd worden.
Met den volgenden trein was ik op weg naar Dumfries en ging van daar per rijtuig naar mijn oud, dierbaar tehuis in Torthorwald. De ontmoeting met mijne dierbare ouders was allertreffendst, en ik smaakte de reinste vreugde, ofschoon er ook vele tranen vloeiden. Immers er waren maar vijf korte jaren verloopen, sedert ik uit hun heiligdom vertrok, van mijne jeugdige bruid vergezeld; en nu, helaas! het eenzame graf op 1 anr a hield moeder en zoon in elkanders omhelzing omsloten tot den dag der opstanding.
Niet minder hartelijk, maar veel smartelijker was mijne ontvangst, eenige dagen later, te Coldstream, waar ik voor het eerst de treurende ouders
van mijne geliefde vrouw weder aanschouwde; hoewel godvruchtige lieden,
had de slag hun hart als het ware gebroken en zij kwamen hun verdriet nooit geheel te boven. Zij morden niet tegen den Heer, maar hart en vleesch begonnen te bezwijken en te verkwijnen, evenals ons Goddelijk Voorbeeld zelve bezweek onder het kruis, dat Hij toch zonder klagen droeg.
De commissie der Uitwendige Zending van de Hervormd Presbyteriaansche gemeente kwam in Edinburg samen, en verwelkomde mij zeer hartelijk. Een uitvoerig verslag van al wat ik gedaan had en van al mijne plannen en verwachtingen voor de toekomst werd hen voorgelegd. Zij stonden mij gaarne toe iedere zondagschool te bezoeken en er te spreken. Zij gaven mij toegang tot hunne godgeleerde school, opdat ik ook het woord tot de studenten mocht richten. Mijne toespraak daar naar aanleiding van de woorden; »K.om over en help ons,\' werd uitgegeven en ruim verspreid. God gebruikte dit geschrift om de belangstelling in onze zending zeer te verhoogen.
De commissie lt; deed met groote geestdrift al wat in haar vermogen was, om mij te helpen. Door haar invloed aangespoord, schonk de Presbyteriaansche gemeente mij in 1864 de onverwachte en onverdiende eer, de hoogste, die men mij kon aanbieden, tot Voorzitter van de Synode te worden verkozen. Niemand kan begrijpen, hoe zeer ik voor dit alles terugschrikte, maar in de hoop dat de Heer ook weder deze zaak zou doen medewerken tot het bevorderen van Zijn werk onder de Heidenen, nam ik het Voorzitterschap aan, hoewel alleen, naar ik vrees, om den zetel zeer onwaardig te bekleeden, want Tanna had mij weinig opleiding voor zoo iets gegeven.
De Synode, als vertegenwoordigster van de Presbyteriaansche gemeente, vaardigde een stuk uit, waarin zij verklaarde:
»Het is met het grootste genoegen, dat wij in onze vergadering tegenwoordig zien een van onze meest toegewijde zendelingen. Hetgeen door het bezoek van den heer Paton aan Australië is teweeggebracht, is iets ongekends in de geschiedenis van onze zending. Er is namelijk ƒ 54.000, aan het fonds der Zending op de Nieuwe Hebriden toegevoegd, behalve meer dan / 3600 voor Inlandsche onderwijzers, die jaarlijks in bijdragen van / 60 zullen betaald worden, wanneer alle uitgaven bestreden zijn.
NAAR SCHOTLAND EN TERUG.
De Geest Gods moet over de bewoners van de Koloniën uitgestort zijn, om hen tot zulk een edelmoedig offer aan de zaak der zending te bewegen en onze zendeling is het werktuig in Gods hand geweest, om de belangstelling en de mildheid der Kolonisten op te wekken. Nu bekleedt hij door Gods goedheid het geëerde ambt van Voorzitter der Synode, enz. enz.quot;
De Synode drukte verder hare dankbaarheid uit, voor wat God op deze wijze gedaan had, en hare dankbare erkenning voor de vele en gewichtige diensten mij door predikanten en zondagscholen, beide in Schotland en in Australië, bewezen.
Ik heb het altijd eene eer en een voorrecht gerekend, dat ik geboren en opgevoed ben in den schoot der oude Hervormd Presbyteriaansche gemeente van Schotland. Als afzonderlijke gemeente is deze kerk klein onder de duizenden van Israël; maar de voorwaarden van burgerlijke en godsdienstige vrijheid, waarvoor hare stichters geleden en gestreden hebben, zijn op dit oogenblik het hart en de ziel van al wat het best en het goddelijkst is in de constitutie van ons Britsche rijk. Ik ben er meer trotsch op, dat het bloed der martelaren door mijne aderen stroomt, en hunne waarheid in mijn hart geschreven is, dan andere menschen kunnen zijn op adelijke voorouders of koninklijke afkomst. En ik was in dien tijd, toen de gemeente zich zoo onderscheidde door haar ijver voor de zending, met een diep gevoel van dankbaarheid bezield, toen ik in staat was, om bij het einde van mijne reis en nadat er eenige nieuwe namen aan ons getal waren toegevoegd, te verklaren, dat van al de geordende predikanten één van ieder zestal een zendeling des Kruises was. En onze goede, oude gemeente bracht zichzelve daardoor geen nadeel toe; integendeel, haar ijver voor de zending ging vergezeld, indien hij er niet de oorzaak van was, van buitengewonen voorspoed in de moedergemeente. Groote mildheid begon de gemeenteleden te kenmerken. Vele kerken en pastorieën werden van schuldenlasten ontheven, die hen sedert jaren drukten. Gemeenten werden aan de Kerk toegevoegd, en in Mei 1876 verbond de Hervormd Presbyteriaansche Gemeente zich op eervolle en onafhankelijk wijze met hare grootere, rijkere en meer uitgebreide zuster-gemeente, de Vrije Kerk van Schotland. Slechts enkelen van de broederen, ongetwijfeld met volkomen trouw aan hetgeen zij hun plicht rekenden, bleven het oude voetspoor betreden en traden niet tot dit nieuwe verbond toe.
Bij deze vereeniging verbond zich de inlijvende Kerk plechtig en wettelijk, om de zending op de Nieuwe Hebriden en ook de Dayspring te blijven ondersteunen en zich niet terug te trekken, voordat al de eilanden voor Jezus gewonnen waren. Nu de Franschen genoodzaakt zijn geworden het tooneel te verlaten, is het veld open, en de eilanden roepen luide om acht of tien zendelingen meer dan wij tegenwoordig hebben (188Q); dan zal de banier des Kruises spoedig op ieder afzonderlijk eiland geplant worden en zou er eene werkelijke beteekenis kunnen komen in de dwaze benaming, aan deze eilanden door hun Spaanschen ontdekker gegeven, toen hij, meenende, dat het gedeelte waar hij landde, het fabelachtige zuidelijke Vastland was, dit het land van den Heiligen Geest noemde.
Toen de hierboven vermelde Vereeniging plaats vond, traden al de zendelingen uit vrije verkiezing tot de inlijvende Kerk toe; niet alleen zij, die onmiddellijk ondersteund werden door de Hervormd Presbyteriaansche kerk zelve, maar ook de verschillende zendelingen door hen uitgezonden, die ondersteund werden door de eene of andere van de Australiaansche Koloniën. En het is boven allen twijfel verheven, dat
213
NAAR SCHOTLAND EN TERUG.
hetgeen hen in de Vrije Kerk aantrok en hen aan haar verbond, haar edele ijver voor de zaak der zending was en de opofferingen, die zij zich daarvoor getroostte, hetzij in het vaderland of daarbuiten. Want het staat bij lederen zendeling vast, dat, hoe meer belangstelling eene gemeente toont in de heidenen, hoe meer zegen en voorspoed zij zal ondervinden in haar werk in het vaderland. . ))
»Een van de zekerste teekenen, dat er leven in eene gemeente is, schreef de Christian Review van Victoria, »is de poging, die zij in het werk stelt, om het Evangelie bniten hare eigene grenzen te verspreiden en voornamelijk om de kennis van Jezus onder de heidenen te brengen. De zending onder de Aborigines, onder de Chineezen in deze kolonie en op de Nieuwe Hebriden werd deze gemeente door God ingegeven. Tijdens eene groote crisis op de Nieuwe Hebriden, zond zij een uit haar midden naar Australië tot hulp, en zijn werk werd door den Heer der gemeente uitnemend gezegend. De kinderen, vooral de leerlingen der zondagscholen van de Presbyteriaansche gemeenten werden met groote geestdrift voor de zending bezield. Groote sommen werden bijeengebracht voor het zendingschip. De gemeenten werden opgewekt, om haar plicht tegenover God en hare medemenschen buiten deze koloniën te vervullen eii een nieuwe zendingsgeest nam bezit van de geheele gemeente. Hare afgevaardigde van de eilanden stemde toe, om zendeling van de Vrije Kerk te worden. Vele omstandigheden kwamen inderdaad samen om duidelijk te toonen, dat het des Meesters wil was, dat deze gemeente zich met de andere Presbyteriaansche gemeenten zou vereenigen, om dit arbeidsveld in bezit te nemen, en reeds is de uitkomst zeer belangrijk, beide voor de kerk en voor de zending. De zendelingen gevoelen zich zeer aangemoedigd door het ontvangen van krachtige hulp van de grootste Presbyteriaansche gemeente in de Koloniën van Australië; terwijl de Presbyteriaansche gemeente van Victoria in eigen omgeving zeer gezegend is door den zendingsijver, die in haar midden is ontstaan. Zoo blijkt opnieuw de waarheid van het zeggen: »die geeft, verarmt niet, en men ziet opnieuw de woorden van den Heer Jezus bewaarheid: »Het is zaliger te geven dan te ontvangen.quot; Maar — ik loop vooruit. Mijn tocht door Schotland bracht mij in aanraking met iederen predikant, met iedere gemeente en zondagschool in de kerk mijner vaderen. Deze waren nooit rijk, maar ten allen tijde milddadig. Bij deze gelegenheid droegen zij meer dan ooit te voren, in geld en in nuttige voorwerpen, voor de bewoners der eilanden bij.
Ongelukkig waren mijne bezoeken naar het verre Noorden, naar onze gemeenten te Wick en Stromness, in de maand Januari bepaald, en daarbij overviel mij een treurig ongeval. De wegen waren nu met sneeuw en ijs bedekt. Ik bereikte Aberdeen en Wick met een stoomboot van Edinburg en moest van daar mijn weg nemen naar 1 hurso. Daar de plaatsen binnen in den postwagen bezet waren, moest ik buiten zitten. De koude was hevig en een mijner voeten bevroor. De storm hield mij bijna eene week in Thurso opgesloten, maar het gevoel kwam niet in mijn voet terug.
Wij vertrokken, toen de storm wat bedaarde, per stoomboot naar Stromness, maar onderweg stak de storm weder op, allen werden naar beneden gezonden en luiken en deuren vastgemaakt. De passagieis waien meest .allen zeer ruw, en de kajuit vol brandewijnlucht en tabaksrook. Ik smeekte den kapitein mij ergens op het dek te laten blijven, waar ik mij zoo goed ik kon zou weten te schikken. Hij riep uit: |
»Dat durf ik niet te doen! Gij zult over boord geworpen worden.quot;
Mijn smeekenden blik ziende, gaf hij echter toe, en gelastte zijne
214
NAAR SCHOi\'LAKD EN TERUG.
mannen, om een stuk zeildoek over mij heen te binden en mij aan den mast vast te snoeren en zoo lag ik tot wij Stromness bereikten. De zee sloeg hevig en gevaarlijk over het schip. Maar de kapitein, gedurende verscheidene uren eene schuilplaats vindende onder een voorgebergte, redde daardoor het schip en de bemanning. Toen wij ten laatste aan land kwamen, was mijn voet zoo verstijfd en pijnlijk, dat ik slechts met groote moeite en onder vréeselijke smart een stap kon doen. Twee samenkomsten werden echter nog zoo goed en zoo kwaad als het ging door mij geleid; maar het voorgenomen bezoek aan Dingwall en andere plaatsen moest ik opgeven, daar de sneeuw zoo hoog lag, dat geen voertuig mij er heen kon brengen; en mijn voet riep luide om geneeskundige hulp.
Naar het Zuiden teruggekeerd, bleef ik twee maanden aan huis gebonden en onder de beste geneeskundige behandeling geplaatst. Alle gevoel scheen langzamerhand uit mijn voet verdwenen te zijn; en eene amputatie werd mij ernstig aangeraden zoowel te Edinburg als te Glasgow.
Ik had echter Liverpool weten te bereiken, en mijn waarde vriend. Dr. Graham, bracht mij daar onder behandeling van een geneesheer, die door galvanisme reeds vele personen had genezen. Langen tijd legde hij de batterij aan, maar ik voelde niets. Hij verklaarde, dat de kracht, die hij aanwendde, een gewoon mensch bijna zou gedood hebben en dat hij nooit bij een levend en gezond mensch een lichaamsdeel zoo geheel zonder gevoel had gezien. Eindelijk bedekte hij den voet met een donkere pleister en verzocht mij over drie dagen bij hem terug te keeren. Maar reeds den volgenden dag noodzaakte het gevoel van onuitstaanbare koude in den voet mij tot hem terug te keeren. Op mijne ernstige smeeking deed hij de pleister er af, en tot zijne groote verwondering, bleef het geheele bevroren gedeelte er aan kleven. Het overige werd weder zorgvuldig door hem verbonden en als te voren met de pleister bedekt, en hij verzekerde mij, dat mijn voet met rust en zorgvuldige verpleging nu geheel zou herstellen. Door Gods zegen gebeurde dit ook, ofschoon het eene bittere beproeving voor mij was, om te midden van al mijne plannen zoo werkeloos te moeten blijven en tot heden toe word ik soms, wanneer ik veel loop, er aan herinnerd, dat dit lichaamsdeel mij menigen pijnlijken steek kan toebrengen. En in alle nederigheid voel ik mij gedrongen ook de juiste woorden van den grootsten zendeling op mij toe te passen; »Ik draag de merkteekenen des Heeren Jezus in mijn lichaam om.quot;
Op mijne reis had ik het genoegen te bemerken, dat de zondagscholen zich gaarne bij mijn plan voegden en «aandeelhoudersquot; in het zendingsschip werden. Ik werd krachtig ondersteund in mijne pogingen door een ouderling der gemeente. Een collectebus voor de Day spring was in bijna ieder huisgezin te vinden en de opbrengst daarvan heeft sedert uit Schotland ieder jaar ongeveer ƒ 3000 bedragen, als hun aandeel in het Kinder-Zendingsschip voor de Nieuwe Hebriden. De kerk van Nieuw-Schotland was ook zeer met het plan ingenomen en hare zondagschool-kinderen hebben ook geregeld / 3000 per jaar bijeengebracht. De kinderen uit de koloniën brachten het overige samen en hielden dit ook met groote belangstelling al deze jaren vol. En wanneer later de geschiedenis van de zending op de Zuidzee-eilanden eens uitvoerig beschreven zal worden, dan moge men niet vergeten te vermelden, dat de kinderen van Australië, Nieuw-Schotland en Schotland met hunne vereenigde stuivers de Dayspring naar de Nieuwe Hebriden hebben doen zeilen, waardoor de zendelingen en hunne familiën voorzien zijn geworden van de noodige levensbehoeften
215
NAAR SCHOTLAND EN TERUG.
en waardoor zij in staat werden gesteld de bewoners der eilanden te leeren, om zich behoorlijk te kleeden en te luisteren naar de woorden van den Heer Jezus, aan Wiens voetèn zij nu nederzitten. Dit was het Heilig verbond der kinderen, waarop vroeger gewezen is; en ieder weet, dat de Goddelijke Meester op zulk een verbond met welgevallen nederziet.
De Heer gaf mij nog een anderen heerlijken zegen te aanschouwen als uitvloeisel van mijn tocht, ofschoon in het geheel niet alleen door mijn invloed veroorzaakt. Vier nieuwe zendelingen gaven zich in Schotland voor ons werk en drie in Nieuw-Schotland. Door hunne hulp waren wij niet alleen in staat de verlaten zendingsposten weder op te zoeken, maar wij namen ook in den naam des Heeren bezit van andere eilanden. Ik wachtte niet op hen, om hen mede te nemen. Zij hadden nog veel te doen en veel te leeren, dat hun van groot nut in den zendingsarbeid zou zijn. Zij hadden ook meer dan iets anders noodig eenige medische kennis op te doen, buiten hunne gewone theologische opleiding. Ik had, gelijk men weet, toen ik student te Glasgow was, ook eenige medische colleges gevolgd en had persoonlijke opleiding gehad van een ervaren geneesheer. Dit was mij van groot nut geweest, niet alleen voor de eilanden, maar in de afgelegen bosschen tijdens mijne tochten door Australië en bij allerlei gelegenheden, wanneer geneeskundige hulp niet te verkrijgen was. Ieder zendeling werd er dus in het vervolg toe aangespoord, om zooveel mogelijk op de hoogte te komen van al wat vooral voor onze eilanden op het gebied der geneeskunde vereischt werd. Om deze en andere redenen werd al wat ik meer ontving, dan noodig was voor de Day spring, aan de Commissie voor Uitwendige Zending toevertrouwd, opdat de nieuwe zendelingen voldoende uitgerust mochten worden en de gemeente in het vaderland niet belast behoefde te worden met de kosten van hunne uitrusting en reis. Hare verantwoordelijkheid was reeds groot genoeg voor de hulpmiddelen, die zij bezat. Zij kon echter menschen leveren, Gods grootste gave, en wanneer nu Gods volk elders in de geldmiddelen voorzag, dan waren de koloniën en het Moederland innig met elkander verbonden in den heerlijken en gezegenden arbeid der zending.
Ik keerde echter niet alleen naar mijn post terug. De Heer voerde mij iemand tegen, die, ofschoon dit ons onbekend was, geheel voorbereid was door bijzondere leiding, godsdienstige opvoeding, door vele gaven en talenten, en zelfs door familieaangelegenheden, om mijn lot op de Nieuwe Hebriden te deelen. Haar hart was vervuld van verlangen, om hen die in duisternis zaten te helpen en te leeren; haar broeder was als een bemind zendeling in den bloei der jeugd in den vreemde gestorven; hare zuster was de vrouw van een toegewijd leeraar onzer gemeente te Adelaide, zij en haar echtgenoot waren ijverige voorstanders van ons werk; en haars vaders nagedachtenis was nog in eere om zijne vele christelijke werken in het gansche Stirling-district; en ook was hij als de schrijver van de nog populaire Anecdotes, tot opheldering van den kleinen Catechismus en van de Heilige Schrift, zeer bekend. Alvorens ik Schotland in 1864 verliet, huwde ik met Margaretha Whitecross, en God heeft ons tot heden toe voor elkander gespaard, en de kinderen, die Hij in Zijne liefde ons heeft willen schenken, hebben wij aan Zijn dienst toegewijd, terwijl wij hopen en bidden, dat Hij ieder van hen moge gebruiken tot de uitbreiding van het Evangelie in de Heidenwereld.
Ons huwelijk werd voltrokken in het huis harer zuster in Edinburg, en men zal het mij zeker niet ten kwade duiden, wanneer ik een klem voorval verhaal, dat de gelegenheid kenmerkte. Mijn jongste broeder, toen repetitor van een heer, die aan de Universiteit studeerde, trad na het
216
NAAR SCHOTLAND EN TERUG
voltrekken der plechtigheid vooruit en droeg een bruilofisdicht voor, voor deze gelegenheid vervaardigd. Gedurende verscheidene maanden en jaren bleef het refrein, een woordspeling op den naam der Bruid, mij voortdurend in de gedachte:
«Long may the White cross banner wave.
By the battle blast sunriven ;
Long may our Brother and Sister brave Rejoice in the light of Heaven.quot;
Hij beschreef daarop de Bruid als hoorende eene »stem uit de verre Zuidzeequot;, en zich naar ons beiden wendende, sprak hij van een Engel, die ons van het verwijderde Tanna toewenkte, om een rijken oogst van zielen te komen inzamelen.
«The warfare is brief, the crown is bright,
The pledge is the souls of men ;
Go, may the Lord defend the Right,
And restore you safe again!quot;
Maar het couplet dat mijne lieve vrouw het mooist voor eene huwelijksplechtigheid vond, en dat haar nog altijd in het geheugen is, is dit:
«May the ruddy Joys, and the Graces fair.
Wait fondly around you now;
Sweet angel Hopes and young Loves repair To your home and bless your vow!\'1
Het laatste, wat mij in Schotland wachtte, was het afscheid van mijne lieve ouders. Wij knielden neder rondom het huisaltaar in de oude, gezegende woning te Torthorwald, terwijl mijn eerwaardige vader, met zijne sneeuwwitte lokken, als hoogepriester ons wederom opdroeg aan »de zorg en de bewaring van den Heere, den God van al de geslachten Israels.quot; Het was voor de laatste maal op aarde, dat ik den klank hoorde van deze liefdevolle stem, die zich in smeeking tot God verhief. Toen wij van onze knieën opstonden, om elkander vaarwel te zeggen, wist ik, dat onze oogen elkaar niet weder zouden ontmoeten, vóór dat het licht van den Grooten Dag der opstanding ons zou beschijnen. Maar hij en mijne lieve moeder gaven ons wederom met een volkomen hart, hoewel het zwaard van menschelijk smartgevoel daardoor ging, over tot den dienst van onzen gemeenschappelijken Heer en tot redding der heidenen. En zoo gingen wij dan heen, biddende, dat toch twee deelen van hun geest met hun kostbaren zegen op ons mocht rusten al den weg, dien wij hadden te gaan.
Onze lieve moeder, die zich altijd wist te beheerschen in de tegenwoordigheid van anderen, hield zich goed, tot wij nauwelijks de deur uit waren; maar toen, gelijk mijn broeder mij later vertelde, viel zij met een luiden kreet in zijne armen, alsof haar hart gebroken was, en lag langen tijd in eene hevige bezwijming. Ü, gij die deze bladzijde leest, oordeel met zachtheid over de uitingen der natuur, ook zelfs daar waar genade en geloof eene volkomen overwinning behaald hebben. Leer door voorvallen gelijk dit eene, diepere beteekenis hechten aan de woorden eens gesproken tot die gezegende moeder, wier Zoon voor ons allen overgegeven werd; »En ook een zwaard zal door uwe eigene ziel gaan.quot;
Hier wil ik even in het voorbijgaan melden, dat mijne innig geliefde moeder in het volgend jaar, 1865, na een kort lijden de ruste inging en mijn hoogepriesterlijke vader drie jaren later in vrede en vreugde heenging, om in de tegenwoordigheid zijns Heeren te verschijnen; zij werden
217
218 NAAR SCHOTLAND EN TERUG.
beiden tot hunne laatste ure toe omringd door hunne liefhebbende kinderen, en beiden ontsliepen in de vaste hoop op eene heerlijke onsterfelijkheid, terwijl al hunne zoons en dochters verwachten hen weder te zien in de Hemelsche Woning, hen door hun gezegenden Zaligmaker bereid.
Wij scheepten ons te Liverpool in naar Australië in The crcst of the wave, onder bevel van kapitein Ellis, en na een overtocht in vijfennegentig dagen, hetgeen toen zeer voorspoedig mocht gerekend worden, landden wij in Sydney op 17 Januari 1865. Binnen een uur na onze aankomst werden wij reeds voor eene nieuwe en verbazende moeielijkheid geplaatst. De kapitein van onze Dayspring kwam mij zeggen, dat zijn schip drie dagen geleden aangekomen was en nu op stroom lag; het was naar de eilanden geweest en had de Gordons, de Mc. Cullaghs en de Goodwills naar hunne verschillende zendingsposten gebracht; de kapitein had Halifax in Nieuw-Schotland veertien maanden geleden verlaten en nu bij zijne aankomst te Sydney kon hij geen geld krijgen, terwijl het scheepsvolk betaling eischte, enz. enz Hij vervolgde: »Waar zal ik geld krijgen voor de loo-pende uitgaven? Niemand wil leenen, tenzij wij de verpanden.
Ik vrees, dat er ons niets zal overblijven dan het schip te verkoopen.quot; Ik gaf hem f 600 om in zijne voornaamste behoeften te voorzien en verzocht hem mij een paar dagen uitstel te verschaffen, opdat ik iets zou kunnen doen.
Aan land gekomen zijnde, werd ik door Dr. Moon en zijne echtgenoote hartelijk verwelkomd, alsook door andere vrienden, en daarna spoedde ik mij met vroolijk verlangen heen, om den eersten blik te gaan werpen op de Dayspring, evenals een zeeman voor het eerst een kind gaat begroeten, dat hem geboren werd, toen hij zich ver weg op den wijden Oceaan bevond. Sommigen van het vertoornde scheepsvolk traden ons in den weg en bedreigden ons met vervolging en allerlei soort van onaangenaamheid. Ik kon hen alleen verzoeken een paar dagen geduld te hebben. De Dayspring was een schoone brik met twee masten en eene overdekking op het dek, die er was aangebracht, toen het schip voor de eerste maal te Melbourne aangekomen was; in elk opzicht scheen het aan de gestelde eischen te voldoen. Het was een mooi schip; als een engel met witte vleugels streek het over den Oceaan, door de kinderen uitgezonden, om het Evangelie te brengen aan de schoone, zonnige, maar door de zonde verduisterde Zuidzee-eilanden.
Voor mij was het schip als \'t ware een levend wezen, de verpersoonlijking van eene levende liefde, die in de harten van duizenden «aandeelhoudersquot; klopte en ik zeide met een vast, onwankelbaar geloof: »De Heer heeft voorzien, de Heer zal ook verder voorzien.quot;
Om aan de tegenwoordige verplichtingen te voldoen, werd er minstens f 8400 dadelijk vereischt, en eene even groote som, om de uitgaven te bestrijden voor een volgenden tocht naar de eilanden. Ik bracht onze moeielijke omstandigheden voor onzen dierbaren Heer Jezus, en ontvouwde Hem al de onderdeelen van de zaak; ik zeide Hem dat het schip zelf en de nieuwe zendelingen allen de Zijne, niet de mijne waren, en dat dit geld noodig was, om Zijn gezegend werk te volbrengen.
Op Vrijdagmorgen raadpleegde ik eenige vrienden van de zending, maar geene hulp kwam opdagen. Ik trachtte geld te leenen, maar de geldschieter vroeg twintig percent interest en de papieren van het schip in pand. Ik verzocht den agent van het Londensche zending-genootschap (toen ook onze agent) om mij wat geld te leenen op krediet van de commissie voor de zending van de Hervormd Presbyteriaansche gemeente, maar hij kon dit niet geven, zonder een geschreven order uit Schotland
NAAK SCHOTLAND EN TERUG,
te hebben ontvangen. Het scheen wel of sommige menschen zich in onze moeielijkheid verheugden.
Tot het uiterste gedreven, bepaalde ik eene samenkomst van predikanten en andere vrienden voor den volgenden morgen 11 uur, om mijn verslag te hooren en mij raad te geven omtrent de Day spring. Ik beschreef mijne reizen, sedert ik hen verlaten had, en wat zij uitgewerkt hadden en vraagde hen toen om raad betreffende het schip.
«Verkoop het,quot; zeiden sommigen; dan zijt gij er af.quot;
»Wat,quot; spraken anderen, hebben de zondagscholen u de Dayspring gegeven en kunt gij het schip dan nu zelf niet onderhouden?quot;
Ik wees er hen op, dat het salaris van iedere zendeling maar ƒ 1440 per jaar bedroeg, en dat zij hun leven voor de heidenen gaven; ik meende daarom, dat de christenen in de Koloniën zeker het onderhoud van het schip op zich zouden nemen, daar we er niet buiten konden, indien de zending zou blijven bestaan. Ik zeide hen, dat, daar mijn eigene gemeente in Schotland nu ée\'n zendeling in het Buitenland had voor iedere zes predikanten in het vaderland en de kleine Presbyteriaansche gemeente op Nieuw-Schotland nu zelfs drie zendelingen op onze eilanden had, het toch een gezegend voorrecht voor de Australiaansche kerken en zondagscholen zou zijn, om de Dayspring gaande te houden, daar de zendelingen zonder dit schip niet leven, noch de eilanden geëvangeliseerd konden worden.
Daar het Zaterdag was, waren de morgen-godsdienstoefeningen voor den Zondag reeds bepaald en bekend gemaakt, maar Dr. Mc. Gibson bood mij eene samenkomst aan in den avond en Dr. Steel een namiddagbeurt om drie uur, verbonden met zijne zondagschool. De heer Patterson, van Piermont, wilde mij voor de morgen-godsdienstoefening zijn predikstoel afstaan, maar hij kon mij daar niet laten collecteeren, daar zijne kerk maar eene zendingskerk was, Ik nam deze aanbiedingen aan als van den Heer, hoezeer ik ook in mijne verwachtingen teleurgesteld was.
In den morgendienst deelde ik der gemeente mede, hoe het met ons gesteld was en wenschte hun toe, dat het hen door Gods zegen onder hun toegewijden leeraar zoo voorspoedig mocht gaan, dat zij in staat zouden zijn, om onze zending op de Zuidzee-eilanden te ondersteunen. Toen ik naar de kerkeraadskamer terugkeerde, wachtten daar een heer en eene dame, om aan mij voorgesteld te worden. Zij kwamen uit Laun-ceston, in Tasmania.
»Ik ben,quot; zoo sprak hij, «kapitein en eigenaar van het schip, dat tegenover de Dayspring voor anker ligt. Mijne vrouw en ik waren van morgen wat laat, om eene kerk in de stad te bezoeken, en hoorden de klok van dit kerkje luiden, en toen wij u naar binnen zagen gaan, zijn wij u gevolgd. Wij hebben den dienst met veel genoegen bijgewoond. Wij gevoelen eene hartelijke belangstelling in u. Deze cheque van f 600 zal het begin zijn om u uit de moeielijkheden te helpen.quot;
Mijne lezers zullen begrijpen, hoe hartelijk ik hen bedankte en hoe ik in mijn eigen hart gevoelde. Wie het was, die hen te laat deed aankomen, om hunne plannen ten uitvoer te brengen, maar niet te laat voor de Zijne, en hen dit kerkje had doen betreden en hunne harten geopend. Jehovah—Jireh I
Om drie uur was de kerk van Dr. Steel vol zondagschoolkinderen en andere personen. Ik vertelde aan het einde mijner toespraak, wat er \'s morgens in de zendingskerk gebeurd was en hoe God kapitein Frith en zijne vrouw, die mij geheel vreemd waren, er toe gebracht had, om den eersten toon tot onze bevrijding aan te slaan. Daarop stond er iemand
219
NAAK SCHOTLAND EN l\'ERUG.
op, die zeide- »Ik zal u f 120 geven.quot; Een ander sprak: »Ik geef uf60.quot; Een derde: »Ik zal u morgen f 240 zenden.quot; Verscheidene anderen volgden hun voorbeeld en de collecte in het algemeen was zeer bevredigend.
\'s Avonds had ik eene groote en aandachtige schaar toehoorders. Ik legde duidelijk uit, wat onze moeilijkheid omtrent de Dayspring was, en vertelde wat God reeds voor ons had gedaan en ik gaf een adres op, waarheen men bijdragen kon zenden. Bijna iedere mail bracht mij vrijwillige offeranden van Gods kinderen en op Woensdag, toen de uitgestelde samenkomst gehouden werd, was de som reeds tot f 5472 gestegen. Daar ik zeker geloof, dat de Heer in deze crisis onzer zending krachtig tus-schenbeide trad, spreek ik er eenigzins uitvoerig over, tot eer van Zijn heiligen naam. Vertrouw op Hem, gehoorzaam Hem, en hij zal u niet beschaamd maken 1
Op eene openbare samenkomst, onmiddellijk daarna gehouden, werd eene poging in het werk gesteld, om de eerste Australiaansche hulpzending voor de Nieuwe Hebriden op te richten; maar hiervoor zou een Secretaris vol geestdrift noodig zijn geweest en bij gebrek daaraan kwam er op dat oogenblik niets van. Op eene andere samenkomst werd het openbaar, dat de zaden eener verdeeldheid ontkiemden. De agent van het edel en grootmoedige Londensche zendinggenootschap kondigde aan, dat hij juist collecte-kaarten voor de John Williams had rondgezonden en vond, dat het onbroederlijk zou zijn, om nu terzelfder tijd eene collecte voor de Day spring in Nieuw-Zuid-Wales te houden. Hij stelde mij voor, om eerst Tasmanië en Zuid-Australië te gaan bezoeken, en bij mijne terugkomst zouden zij mij helpen, even a!s wij hen nu hielpen. De beide genootschappen waren altijd op vriendschappelijken voet met elkander geweest, zoodat wij het voorstel aannamen, ofschoon onze omstandigheden bijzonder moeielijk waren, en ik persoonlijk geloofde, dat geen kwaad, maar goed zou voortkomen uit het aanwakkeren van den zendingsgeest door onze beide genootschappen tegelijk. Tusschen de beide andere zendingsschepen, de John Williams en de John Wesley, die in de haven lagen, doorgaande, zeilde onze kleine Daysprifig naar Tasmanië. Te Hobart, even als daarna te Launceston, werden wij bezocht door duizenden kinderen en ouders, die er trotsch op waren om hun eigen schip te zien, waarvan zij «aandeelhoudersquot; waren voor Jezus. Ik preekte door de geheele kolonie in de kerken en hield openbare samenkomsten, ontving gelden en gaf collectekaarten uit, die mij in twee weken moesten terug gegeven worden. Maar ook hier begon eene kleine scheuring zichtbaar te worden. Op eene openbare vergadering te Hobart zeide een predikant: »VVij ondersteunen de John Wiliiams voor het Londensch Zendinggenootschap. Laten de Presbyterianen hetzelfde doen voor de Dayspring!quot;
Ik antwoordde hierop, dat ik in deze bijeenkomst verschenen was, op bepaald verzoek van hen, die de vergadering bijeengeroepen hadden, maar dat mijn vriend, Dr. Nicolson en ik, ons liever in stilte verwijderen wilden, dan de oorzaak te zijn van eenige onaangenaamheid. Maar de voorzitter kwam tusschenbeide en stond er op, dat de samenkomst voortgezet zou worden in een christelijken geest, zonder elkander iets te verwijten. Het was ons bijzonder pijnlijk, om al was het ook door een misverstand, als eenigszins vijandig beschouwd te worden tegen het Londensch Zendinggenootschap, een van de vrijgevigste en christelijkst gezinde genootschappen der wereld. Toen scheen de kleine scheur al wijder te worden en wij bevonden meer en meer, dat wij ons uitsluitend tot de Presbyterianen moesten wenden om hulp. Maar zoo namen ook de leden
220
221
van twee groote gemeenten deel in de zending onder de heidenen, waar vroeger alleen een van beide den last, ten minste voornamelijk had gedragen. En de Heer heeft allen noodig.
Wij ontvingen vele bewijzen van belangstelling en sympathie. De stoom-sleepboot werd ons gratis ten gebruik gegeven, en de havengelden werden ons kwijtgescholden. Vele geschenken werden ook aan boord van de Daysprtng gezonden. Maar toch bracht ons de tocht naar Tasmanië, na aftrek van de noodzakelijke uitgaven slechts ruim f 2729 voor het zendingsfonds op.
Wij zeilden nu naar Zuid-Australië en kwamen te Adelaide aan. Daar troffen wij vele vrienden aan, die de innigste belangstelling in onze plannen toonden. Duizenden kinderen deden met hunne ouders een uitstapje, om hun eigen zendingsschip te bezien, lederen dag en iederen avond hield ik samenkomsten en Gods kinderen werden grootelijks bewogen. Na aftrek van alle kosten, zoolang wij in de haven lagen, bleef er eene som van f 7613.50 over tot onderhoud van het schip. Een goed vriend, de Edel-Achtbare Heer George Fife Angus, die tot de kerk der Baptisten behoorde, gaf mij f 2892. Maar nog moest er een deficit van f 4800 gedekt worden, eer de Day spring zonder schuld was en met een treurig hart smeekte ik er om tot den Heer.
Ik liet nu het schip terstond naar Sydney zeilen, en nam zelve plaats op de stoomboot naar Melbourne, maar na mijne aankomst aldaar, deed ziekte en bezorgdheid mij drie dagen werkeloos zijn. Mij nog zeer zwak gevoelende, zocht ik mijne waarde vrienden, Dr. Morrisson en zijne echt-genoote en Mej. Fraser op, ten einde hun raad in te winnen.
»Ga medequot;, zeide de docter vriendelijk, »en ik zal u aan den heer Butchart en een paar andere vrienden in Oost Melbourne voorstellen, en wij zullen zien wat er gedaan kan wordenquot;.
Ik gaf alle inlichtingen, nadat de doctor het gesprek had ingeleid, en trachtte hen belangstelling voor ons werk in te boezemen, maar geene inschrijvingen werden gevraagd of gegeven. Echter werd mij het geheele tekort toegezonden, vóór ik naar Sydney vertrok. Ik ontving dus in het geheel op dezen tocht f 20718. Onze Day spring zeilde weder vrij en onze harten vloeiden over van dank aan den Heer en aan Zijne rentmeesters 1
Bij mijne terugkomst te Sydney riep ik, vóór ik naar de eilanden vertrok, door eene advertentie in de cóuranten de predikanten en andere vrienden bijeen, om den goeden uitslag van mijne pogingen mede te deelen en te beraadslagen voor de toekomst.
Mijn verslag werd met hartelijken dank aan God ontvangen; er werd eenparig besloten, met het oog op hetgeen geschied was, dat er een ontwerp vastgesteld zou worden, waar bij de Presbyteriaanshe gemeenten en zondagscholen van Australië zich zouden verbinden, tot jaarlijksch onderhoud van de Day spring, teneinde op die wijze de noodzakelijkheid van zulke krachtige pogingen voor het vervolg te voorkomen.
Van dien dag af werd de Day spring feitelijk alleen door Presbyterianen onderhouden. In het eerst hadden allen mede geholpen tot den aankoop van het zendingsschip, en was er bepaald, dat het al het noodige werk zou doen op de Loyaliteits-eilanden voor de zendelingen van het Londensch genootschap en op de Nieuwe Hebriden voor ons. Zoo was de afspraak, en niettegenstaande de kleine misverstanden met de agenten, was de Day spring eenige jaren lang van ganscher hun ten dienste. Toen de_/f//« Williams schipbreuk geleden had, vergezelde ons schip haar naar Sydney en bracht vier maanden van het volgend jaar geheel voor hen op de
NAAR SCHOTLAND EN TERUG.
Oostelijke eilanden door. De broeders op de Loyaliteits-eilanden zonden een hunner naar de koloniën, om er op aan te dringen, dat de beloofde ondersteuning door hunne vrienden aan de zou worden gegeven;
maar toen dit niet hielp, weigerden zij eindelijk in 1870 langer diensten van de Dayspring te ontvangen, wanneer die niet meer door hunne gemeenten betaald werden. Deze kleine onaangenaamheid onder de bijdragende gemeenten, hinderde ons echter volstrekt niet in ons arbeidsveld; zij en wij hebben daar altijd samengewerkt in volmaakt broederlijke
overeenstemming.
Misschien is de ware wijze van beschouwing van deze zaak de volgende ; De Presbyteriaansche kerken van Australië hebben van God eene bijzondere roeping ontvangen, en moesten zich noodwendig met elkander vereenigen, om hieraan gehoor te geven. In het gezegend werk der bekeering van de heidenen kunnen wij ons allen oprecht verheugen, hetzij de werktuigen in \'s Heeren hand Episcopal en. Presbyterianen of iets anders zijn! Ik verheug mij in het succes van iedere protestantsche zending en bid dagelijks voor hen allen. Het was Gods wijze Voorzienigheid en niet mijn ijver of voortvarendheid, die deze schikkingen tot rijpheid deed komen en aan de Presbyteriaansche gemeenten van Australië een eigen zendingsschip gaf en een arbeidsveld onder de heidenen in hunne onmiddellijke nabijheid. De predikanten en de zondagscholen gevoelden zich als door een zelfde drijfveer gedrongen, om dit heerlijke werk te ondernemen. Aan de Presbyteriaansche gemeenten in al deze koloniën werd deze plicht als van God opgelegd; en het organiseeren van zendingsvereenigingen in gemeenten en zondagscholen is een voornaam middel in de hand des Heeren geweest, om het Evangelie van Christus op al de Australiaansche eilanden te verspreiden. Het zou de moeite wel waard zijn, om dien zelfden weg nog eens te reizen, al ware het om geene andere reden dan om aan te toonen, hoe, niettegenstaande schijnbare tegenspoeden en teleurstellingen, de machtige stroom der Goddelijke liefde zich zonder tegenstand voortbeweegt,0 tijdelijke hinderpalen uit den weg ruimt, en alles voor Jezus opeischt.
222
Het eerste werk dat mij werd opgelegd. — Maré en Noumea. — De Franschen in de Stille Zuidzee. — De zaak met de Cura^oa. — Het geroep over-^Evangelie en buskruit.quot; — De verantwoording van de zendelingen. — Het verslag van de zendingssynode. — Het platschieten van de Tanneesche dorpen. — Openbare vergadering en kerkeraad. — Krachtige verdediging. — Bondgenootschap tot ondersteuning van de zending. — Vuurproef doorstaan te Geelong. — Uitslag van mijn tocht door Australië. — De zending op de Nieuwe Hebriden door de koloniën aangenomen,
IJ vertrokken nu in 1865 met de Day spring naar de eilanden. De geheele geschiedenis van de laatste jaren werd mijnen broederen, den zendelingen, medegedeeld op hunne jaarlijksche vergadering. Zij besloten, dat wij zouden trachten tot eene vaste regeling te komen omtrent het onderhoud van het schip, en verzochten mij daarom, nog eenmaal naar de koloniën terug te keeren, om de bestaande plannen aldaar tot rijpheid te zien komen. Dit scheen naar aller meening voor het oogenblik mijne voornaamste roeping te zijn; ons leven en de instandhouding van onze zending hing er van af. De Heer scheen mij geen keus te laten, en, hoewel met groeten weerzin, moest ik wederom de eilanden verlaten. De Day spring, die op dat oogenblik op de Loyaliteits-eilanden werkzaam was, bracht mij en mijne vrouw naar Maré, waar wij eene gelegenheid zouden afwachten, om naar Nieuw-Caledonië te gaan, en vandaar naar Sydney.
Nu wij daar voor eenigen tijd opgehouden werden, namen wij kennis van het edel werk van de zendelingen Jones en Creagh, van het Lon-densch zendinggenootschap, die zeer veel tegenwerking ondervonden dooide tyrannie en de paperij van de Franschen. Eens, op een wandeling door het binnenland, stuitten mijne vrouw en ik op eene groote geheime vergadering van de Inboorlingen in het bosch. Zij onderwezen elkander daar, en lazen de Schrift, die de zendelingen in hunne eigene taal vertaald hadden, maar die de Franschen hen hadden verboden te gebruiken. Zij riepen tot God, om verlossing van hunne vijanden 1 Het werd den zendelingen verboden, om het Evangelie aan de Inboorlingen te brengen, zonder toestemming van Frankrijk; hunne boeken werden verboden en zijzelve onder militair toezicht op het eiland Lifu geplaatst. Zelfs toen het door Britsche tusschenkomst den zendelingen vergund werd, om hun
VRIENDEN EN VIJANDEN.
werk te hervatten, mocht de Fransche taal alleen door hen gebruikt worden; en sommigen, gelijk de heer J. Jones werden in 1888, na een half uur te voren gewaarschuwd te zijn, op een oorlogsschip gebracht, en, ionder dat hun eenige overtreding werd ten laste gelegd, werd het hun verboden ooit op de eilanden terug te komen. Aan den anderen kant worden de Fransche Roomsch-Katholieke zendelingen overal beschermd en voortgeholpen; zij, die de Inboorlingen evenveel voorwerpen van afgoderij voorstellen, als zij zelf reeds hadden, en iedere protestant-sche zending op den voet volgen, gelijk dat de gewoonte van de Room-sche Kerk op deze eilanden is, om te vernielen en te bederven.
Daar ik nu ook gedurende twee weken op Noumea werd opgehouden, zagen wij den staat van zaken onder het militair gezag. De Engelsche, protestantsche bewoners, die weinig in aantal waren, verzochten mij eene godsdienstoefening te houden, maar daartoe kon van de autoriteiten geene vergunning verkregen worden, daar zij alles haatten wat Engelsch was. Maar eenige protestantsche ouders, Franschen, Engelschen en ook Duit-schers verzochten mij hunne kinderen in hunne eigen huizen te doopen. Hiertoe vergunning te vragen, zou zich eene weigering op den hals halen zijn geweest en ik zou mijzelve er door in eene valsche positie hebben geplaatst. Na de zaak voor den Heer te hebben gebracht, doopte ik ze allen. Na verloop van twee dagen kwam de geheimschrijver van den Gouverneur . met een tolk bij mij, en begon mij de volgende vragen te doen:
»Is het waar, dat gij hier kinderen gedoopt hebt?quot;
Ik antwoordde openhartig; »Dat is zoo.quot; _
»Wij zijn hier gezonden om u te vragen, op wiens bevel gij dit gedaan hebt.quot;
»Op het bevel van mijn Grooten Meester.quot;
«Wanneer kreegt gij dit bevel?quot; _ .
»Toen ik aangesteld werd, om het Evangelie te prediken, ontving ik ook dit bevel van mijn Meester.quot;
Nu volgde er een levendig gesprek in het Fransch tusschen hen beiden, daarna bogen zij beleefd en verlieten mij.
Kort daarna kwamen zij terug, zeggende: »De Gouverneur laat u beleefd groeten en verzoekt u hem de eer te willen aandoen van hem heden middag om drie uur, indien u dat schikt, in het Gouvernementshuis een
bezoek te komen brengen.quot;
Ik liet hem wederkeerig groeten en zeide, dat ik het genoegen zou hebben, om op het aangewezen uur bij zijne Excellentie te verschijnen.
Hij begroette mij zeer minzaam, als »de groote zendeling van de Nieuwe \'Hebriden,quot; en onderhield zich vriendelijk met mij over het werk hier; ook scheen hij verlangend, iets omtrent de plannen der Engelschen te vernemen. Ik moest dus zeer voorzichtig zijn in hetgeen ik zeide. Hij sprak voornamelijk door een tolk, maar somtijds zond hij dezen heen, en sprak dan evengoed zoo niet beter Engelsch dan hij. Hij wilde gaarne mijne meening weten omtrent de wijze, waarop Engeland macht verkreeg over de Inboorlingen en die wist te behouden. Na een lang onderhoud scheidden wij zonder een enkel woord over doopen of godsdienstoefeningen gesproken te hebben,
\'s Avonds kwamen de Secretaris en de tolk ons weder bezoeken en zeiden: »De Gouverneur zal het genoegen hebben zijn jacht met de bemanning morgen tot uwe beschikking te stellen. Mevr. Paton en gij kunt dan eens rondzeilen, en de strafkolonie en de Gouvernements-tuinen bezoeken, waar het ontbijt voor u gereed zal staan,quot;
224
VRIENDEN EN VIJANDEN.
De behandeling, die wij van hem ondervonden, was inderdaad allervriendelijkst. De bemanning van het jacht was in gevangeniskleederen; zij waren allen zeer vriendelijk voor ons. Door de arbeiders der strafkolonie scheen alle openbaar werk gedaan te worden en de tuinen waren zeer schoon aangelegd. Het snijwerk uit been, ivoor, kokosnoot, schelpen, enz. was inderdaad bewonderenswaardig. Wij kochten eenige kleinigheden, maar de prijzen waren zeer hoog. Het was een vreemd schouwspel — deze voorwerpen van smaak en schoonheid en daarnevens de geboeide troepen ruwe en woeste gevangenen, die alleen door zwaard en kogel in bedwang gehouden werden.
Toen ik de Gouverneur voor zijne uitnemende vriendelijkheid ging bedanken, sprak ik hem over hun oorlogsschip, dat juist gereed lag, om naar Sydney te vertrekken, en bood aan om de volle vracht te betalen, indien zij mij wilden medenemen, in plaats van dat ik op een koopvaardijschip moest wachten. Hij stemde terstond in mijn verzoek toe en bepaalde, dat men ons niet meer zou berekenen dan de dagelijksche kosten van onderhoud voor de zeelieden bedroeg. Toen ik dit hoorde evenwel, nam ik een aantal artikelen mede aan boord en bood die ten gebruik aan voor de tafel. Wij werden zeer goed behandeld, de kapitein stond zijne eigene kamer aan mijne vrouw en mij ten gebruik af, daar zij niet bepaald voor passagiers ingericht waren.
Noumea scheen mij toe geheel overgegeven te zijn aan dronkenschap en ondeugd; door de Fransche regeering als eene groote strafkolonie gebruikt, vertoonde het voor het oog ieder uiterste van roekeloos, we-reldsch genot, en van wreede slavenarbeid. Toen ik het drie-en-twintig jaren later wederzag, was er nog geene verandering ten goede op te merken. De heer J. Bonwick zegt in zijn werk over de Fransche koloniën, dat Noumea en zijne onderhoorigheden slechts 1068 Fransche kolonisten bevatten. Indien er een God van gerechtigheid en liefde is, moet Zijn ongenoegen noodwendig rusten op een volk, welks paden met bloed bevlekt en met allerlei zonden bezoedeld zijn, gelijk dat onloochenbaar het geval is met Frankrijk in de Stille Zuidzee.
Nauwelijks was ik in Sydney aangekomen, of ik werd in een draaikolk van moeielijkheden gesleept. H M S. Curasao was juist teruggekeerd van een tocht naar de eilanden, waarop de commandant, Sir William Wiseman, het zijn plicht had gerekend, om de Inboorlingen te tuchtigen wegens moord en roof op handelaars en anderen gepleegd. Op onze eilanden hadden de zendelingen, als in alle dergelijke gevallen, als tusschenper-sonen gediend, en hadden natuurlijk altijd hun invloed gebruikt, om barmhartigheid en vrede te bewerken. Maar Sydney en eigenlijk geheel Australië en de christelijke wereld waren in groote beroering over eenige artikelen even voor onze aankomst in een voornaam blad verschenen, en van illustraties voorzien. Zij waren, zoo het scheen, geschreven door een officier aan boord van het genoemde stoomschip, en hadden des te meer indruk gemaakt, naar mate de waarheid er van zeer duidelijk scheen bewezen te zijn. Tanna was het tooneel van de eerste gebeurtenissen en er zouden er meerdere volgen in verschillende volgende nummers. De Curasao werd voorgesteld als op eenigen afstand van de kust liggende, en de Day spring op sleeptouw hebbend. De Tanneesche strijders werden door kogels neergeschoten en lagen in menigte op de met bloed besproeide kust. En de zendelingen werden voorgesteld, als veilig aan de lijzijde van het oorlogsschip den oorlog besturend en het bloed-blad aanschouwend.
Zonder eene enkele vraag te doen, of eenigen twijfel te uiten, zonder
225
15
226
dat er ééne stem zich verhief om te ontkennen, dat menschen als deze zendelingen zich aan zulk een gedrag konden hebben schuldig gemaakt, (mannen, die hun leven jaren lang in de waagschaal hadden gesteld, liever dan dat een haar van het hoofd der Inboorlingen gekrenkt werd!) ging er een luide en diepe, ja zelfs een wilde kreet van afschuw op van de pers, waarbij zoo het scheen de kerk zich voegde. De gewone spotternij over «Evangelie en buskruitquot; was het onderwerp van honderden bittere en spottende artikelen in de nieuwsbladen, en, gelijk wij later hoorden, was het ergerlijk nieuws naar Engeland en Amerika geseind, natuurlijk niets aan kracht verliezende; en, terwijl het de vrienden der zending met afgrijzen vervulde, werd het dag aan dag met iedere mogelijke versterking aan de lezers van de wereldsche en ongeloovige pers voorgelegd. Toen ik in Sydney aan wal stapte, was ik misschien de meest beschimpte man in Australië, en de naam zelfs van de zending op de Nieuwe Hebriden was verdacht gemaakt in de oogen van het gansche volk.
De teerling tot den strijd was geworpen en viel aan mijne voeten. Zonder een oogenblik uitstel nam ik hem op in den naam des Heeren en van mijne beleedigde broederen. Dienzelfden avond was er een stukje van mijne hand bij den uitgever van het blad, waarin ik ontkende, dat zulke gevechten ooit plaats hadden, en waarin ik de feiten verhaalde, waarvan ik zelve ooggetuige was geweest; verder dreigde ik eene gerechtelijke vervolging te zullen instellen, indien er niet terstond eene uitvoerige en ondubbelzinnige herroeping en verontschuldiging werd uitgegeven. Het nieuwsblad nam mijn antwoord op en bood voldoende verontschuldiging aan, door leed uit te spreken over de bedriegelijke voorstelling, waarvan men het slachtoffer was geweest. Ik zocht den Bevelhebber op en verzocht zijne hulp om de vreeselijke beleediging, onze zending aangedaan, te herstellen. Hij deelde mij mede, dat hij zijne officieren reeds ter verantwoording geroepen had, maar dat allen ontkenden in eenige betrekking tot de geschreven artikelen of tot de teekeningen te staan. Toch twijfelde hij er geenszins aan, of iemand aan boord was de aanstoker, die zich verheugde in den smaad, die de zaak van Christus werd aangedaan. Hij bood alle mogelijke hulp aan door zijn persoonlijk getuigenis of op andere wijze, om onze zendelingen te wreken en de feiten, gelijk zij waren, het publiek voor te stellen.
Deze feiten worden het best aangetoond in het volgend uittreksel van het officieel verslag der zendings-synode, waar het aldus luidt:
»Toen de zendelingen der Nieuwe Hebriden hunne jaarlijksche vergadering op Aneityum hielden, kwam H. M. S. Curasao, onder bevel van Sir William Wiseman, Bart. C. B. in de haven, om een onderzoek in te stellen omtrent vele grieven, die blanke handelaars en anderen tegen de Inboorlingen hadden. Daar er eenigen tijd geleden een verzoekschrift, door de heeren Geddie en Copeland onderteekend, aan den Gouverneur van Sydney was aangeboden, na den dood van den zendeling Gordon en zijne ec\'htgenoote, om een onderzoek in te stellen, naar deze treurige gebeurtenis en om verwijdering te verzoeken van een handelaar in Sandelhout, een Britsch onderdaan, die de Inboorlingen tot den moord had aangezet, gaven de zendelingen den Bevelhebber eene opgave van het verlies van leven en eigendom, dat door de zending geleden was op Tanna, Erromanga en Etafè. Hij verzocht den zendelingen daarop, hem tolken te verschaffen en die met de Day spring hem te doen vergezellen. Dit verzoek werd dadelijk ingewilligd. De heer Paton werd aangewezen, om als tolk te dienen voor Tanna, de heer Gordon voor Erromanga, en de heer Morrison voor Etafè.
VRIENDEN EN VIJANDEN.
Op ieder dezer eilanden gebood de Bevelhebber de voornaamste opperhoofden langs de haven, om voor hem te verschijnen en legde hen uit, dat het doel zijner komst was, een onderzoek in te stellen naar de klachten, die Engelsche onderdanen tegen hen hadden ingebracht, en om te hooren, of zij ook iets hadden tegen de Engelsche onderdanen; en wanneer hij achter de waarheid was gekomen, zou hij hen, die het kwaad bedreven hadden, straffen, en die het geleden hadden beschermen. De Koningin had hem niet gezonden, zeide hij, om hen te dwingen christenen te worden, of om hen te straffen, omdat zij geen christenen geworden waren. Zij liet hen vrij, om in deze zaak te handelen, gelijk zij wilden, maar zij was zeer vertoornd op hen, omdat zij hare onderdanen hadden aangemoedigd, om onder hen te komen wonen, hen land verkocht en beloofd hadden hen te beschermen, en daarna sommigen hunner hadden gedood en anderen trachten te vermoorden, en hunne goederen hadden gestolen en vernield. Verder zeide hij, dat de bewoners dezer eilanden over de geheele wereld besproken werden en bekend waren om hunne trouweloosheid, wreedheid en moordlust; en dat de Koningin hen niet langer wilde toelaten hare onderdanen, die als kooplieden of als zendelingen vreedzaam onder hen leefden, te vermoorden of te beleedigen. Zij zou ieder jaar een oorlogsschip zenden, om naar hun gedrag te vernemen, en indien eenig Blanke een Inboorling leed deed, moesten zij dat aan den bevelhebber van het oorlogsschip mededeelen en de Blanke zou dan even goed als de Zwarte gestraft worden.quot;
Na veel tijd doorgebracht en op de vredelievendste wijze alle middelen, die in zijne macht waren, aangewend te hebben, om de schuldigen op Tanna uit te vinden, maar hierin niet slagende, bombardeerde hij twee dorpen — den vorigen dag had hij den Inboorlingen doen weten, dat hij dit doen zou, en had hen aangeraden, om alle vrouwen, kinderen en zieken van daar te verwijderen, hetgeen zij ook werkelijk deden. Hij zond ook een gedeelte zijner manschappen aan wal, om kano\'s, huizen, enz. te vernielen. De Tanneezen waren uiterst verbaasd over het vreese-lijk schouwspel van vernieling, dat hunne haven aanbood. Het bleek onmogelijk te zijn de ware moordenaars te vinden; in deze omstadigheden besloot de bevelhebber, om, terwijl hij hun leven spaarde, zich te bepalen tot het vernielen van het eigendom en zoo den Inboorlingen eenig denkbeeld te geven van de vernielende krachten, die in een oorlogsschip sluimeren en die elk oogenblik opgewekt en in \'t werk kunnen gesteld worden.
Op Erromanga waren geene menschenlevens te betreuren. Op Tanna werd een man gewond; maar zooals ons werd medegedeeld, werden er later drie personen gedood, door de uitbarsting van een bom, toen de Inboorlingen het lood daarvan wilden afstroopen, om er kogels van te maken. Treurig is het, dat een van de mannen, die aan land waren gezonden, door een Inboorling, die in de boom verscholen zat, werd doodgeschoten. Tegen orders had hij zich van de anderen verwijderd en stond in een plantage een stuk suikerriet te eten, toen hij doodelijk getroffen werd.
Daar ik als tolk voor den Bevelhebber op Tanna dienst moest doen, zal ik verhalen wat daar gebeurde. Gedurende drie achtereenvolgende dagen vermaande hij de Inboorlingen ernstig, om zijne wenschen gehoor te geven. Hij zeide hen dat hij, indien zij het niet deden, de twee dorpen van het Opperhoofd, dat den laatsten Blanke te Port Resolution vermoord had, zou platschieten en zijne kano\'s vernielen. Hij verzekerde hen ook, dat allen, die zich begaven naar een groote baai in het land van Nowar,
227
VRIENDEN EN VIJANDEN.
het christen opperhoofd (indien hij christen mag genoemd worden) daar veilig zouden zijn, omdat hij de Blanken had beschermd, die anders vermoord zouden geworden zijn; en nu zou de bevelhebber zijn eigendom en allen, die op zijn land onder zijne hoede waren, sparen. Al de bedreigde Inboorlingen, oud en jong, gingen nu naar Nowars land en waren daar veilig, terwijl zij getuige waren van wat een oorlogsschip doen kon, om moordenaars te straffen. Maar vóórdat het uur naderde, hadden zich eene menigte Tanneesche strijders op het strand verzameld; zij waren beschilderd en gewapend en klaarblijkelijk van plan het oorlogsschip te bevechten. Toen de kommandant bevel gaf, zich tot den strijd gereed te maken, naderde ik hem en zeide met tranen; »0 Kommandant! gij gaat deze arme, dwaze Tanneezen toch niet doodschieten!quot;
Scherp, maar niet onvriendelijk antwoordde hij:
»Gij zijt hier als tolk, maar niet als mijn raadgever. Ik ben alleen aansprakelijk. Gij ziet hunne uitdagende houding. Indien ik hen nu niet straf, zal geen enkel schip of geen enkele Blanke in deze haven meer veilig zijn. Gij kunt aan boord van uw eigen schip gaan, totdat ik uwe diensten weder noodig heb.quot;
Inderdaad waren er vele grieven tegen hen ontvangen en zijne orders waren zeer nadrukkelijk. Kort te voren had Nouka, het opperhoofd van een der dorpen, een handelaar met een ijzeren staaf doodgeslagen en een ander was op zijne aanstoking ook vermoord. Miaki, het Hoofd van een ander dorp, was reeds sedert vele jaren de aanstoker geweest van alle kwaad en van alle moorden aan die zijde van het eiland. Het Hoofd van een dorp aan de andere zijde van de baai was op dit oogenblik met zijne mannen op den hoogen dansgrond verzameld, in ons gezicht, waar zij dansten op de maat van een oorlogslied, als om ons te tarten.
De kommandant liet een bom langs den heuvel strijken en juist onder de dansers met groot geweld ontploffen. De aarde en het kreupelhout werden boven en rondom hen in de lucht geworpen en in het volgende oogenblik zag men de gansche menigte over den top van den heuvel verdwijnen. Twee schoten werden met schrikwekkend geraas over de hoofden der strijders aan den kust gelost; in een oogenblik spoedde zich iedereen naar Nowars land, de plaats der veiligheid. De kommandant schoot toen de dorpen plat en vernielde hnnne eigendommen. Meer dan ik hier heb medegedeeld, is er niet voorgevallen.
Wij keeren nu voor een oogenblik naar Sydney terug. De openbare opgewondenheid maakte het mij onmogelijk, om een woord te spreken tot bevordering van de belangen der zending. De predikanten Dunsmore, Lang en Steel, evenals Professor Smith van de Hoogeschool vervoegden zich bij den kommandant en verkregen van hem een verslag van de feiten, zooals zij zich hadden toegedragen. Zij kondigden vervolgens door eene oproeping in de couranten eene samenkomst aan. Zonder met denuitslag van hunne navorschingen bekend te zijn gemaakt, werd ik geroepen, om mijn eigen verslag van het bezoek van de Curasao en van hetgeen de zendelingen daarmede te doen gehad hadden, te geven. Daarna legden zij het verslag van den Kommandant over, dat hij in schrift gegeven had. Hij onthief de zendelingen van iederen blaam en van alle aansprakelijkheid. Zij hadden als zijne tolken gediend in het belang van barmhartigheid en rechtvaardigheid en om menschenlevens te redden, en dit was alles, wat zij met de Curasao te maken hadden gehad. Dit alles werd den volgenden dag in de nieuwsbladen vermeld, als ook de aanspraken van de drie afgevaardigden. De opgewondenheid begon te bedaren, maar het vergif was in menig hart gedrongen en werd slechts zeer langzaam en moeielijk
228
VRIENDEN EN VIJANDEN.
daaruit verwijderd. Nu hield de kerkeraad van Sydney eene bijzondere vergadering, en ik werd uitgenoodigd daar te verschijnen.
Dr. Geddie van Aneityum was ook tegenwoordig, daar hij zich juist in de koloniën bevond. Of de beleedigingen, die wij hadden moeten verduren, mijn waarde medezendeling van het verstand hadden beroofd, weet ik niet, maar toen hij een oordeel moest uitspreken, veroordeelde hij de zendelingen, omdat zij als tolken hadden dienst gedaan en besloot met deze dramatische ontboezeming: »dat hij liever zijne hand door vuur zou hebben doen verbranden, dan iets te doen te hebben gehad met het bezoek van de Curasaoquot;
De vergadering juichte zijne woorden toe. De Voorzitter zeide daarop: »De heer Paton heeft de edele woorden van Dr. Geddie gehoord. Indien hij nu plechtig wil beloyen, dat hij onder geene omstandigheden ooit meer iets meer met een oorlogsschip zal te maken hebben, kunnen wij hem weder als vroeger in zijne zending bijstaan.quot; En met deze woorden richtte hij zich naar mij, en sloeg mij voor, eene zoodanige belofte af te leggen.
Opstaande, gaf ik het der vergadering te verstaan, dat ik alleen uit broederlijke beleefdheid voor hen verscheen, daar hun college geen gezag over mij kon uitoefenen, en ik sprak ongeveer in de volgende bewoordingen :
»Ik ben, wel is waar, zendeling onder de heidenen, maar ik ben ook Britsch onderdaan. Ik heb nooit de hulp van een oorlogsschip of van eenige burgelijke macht verlangd, maar gelijk Paulus, wensch ik het volle recht te behouden, om, als het noodig zij, mij op den Keizer te beroepen. Indien er bij een lid van dezen kerkeraad werd ingebroken, zou hij, als een goed burger, hulp en berscherming eischen. Maar ik heb op Tanna alles verloren wat ik op aarde bezat, en heb bij geen menschen hulp gezocht. Wat meer is, de Tanneesche Hoofden, die mij genegen waren, zonden door mij een verzoekschrift aan den Gouverneur van Sydney, dat ik echter nimmer heb aangeboden, omdat ik vreesde, hierdoor indirect mijne arme, misleide Tanneezen straf op den hals te halen. Anderen waren meer overtuigd van hun plicht in dit opzicht of minder toegeeflijk voor de Inboorlingen. Hun verzoekschrift heb ik hier bij mij, om het aan uw oordeel te onderwerpen. Het werd aan den Gouverneur, Sir John Young, overhandigd na den dood van den zendeling Gordon en zijne echtgenoote, en behelst een verzoek om een gerechtelijk onderzoek naar hunne moordenaren in te stellen. Zoo spoedig dit bekend werd, werd er onmiddellijk door de handelaars een tegenverzoekschrift opgesteld, dat geteekend werd door vele groote kooplieden in Sydney, die zich tegen het bezoek van een oorlogsschip op de eilanden verklaarden. Het genoemde verzoekschrift, het eerste en eenige, dat ooit aangeboden werd, om de komst van haar Majesteits Kommandant op de eilanden te verzoeken, werd samengesteld en is geteekend — door wien?quot;
Toen Dr. Geddie bekende, dat hij dit verzoekschrift had geschreven en geteekend, maar dat het alleen verzocht, een onderzoek in te stellen, vervolgde ik: »Een gerechtelijk onderzoek gelijk dit sloot in zich al de gevolgen, die er uit zouden voortvloeien, indien het eens werd ingesteld. In ieder geval, dit is het eenige verzoekschrift, dat door de zendelingen gezonden is, en het werd buiten mijn weten gedaan. Ten laatste moet ik den Kerkeraad met verschuldigden eerbied mededeelen, dat ik nooit zulk een belofte zal afleggen, als waarvan de Voorzitter gesproken heeft. Ik wil mijne vrijheid behouden, om te handelen, gelijk God en mijn geweten mij zullen ingeven. Ik geloof dat ik beide leven en eigendom redde, door voor den kommandant te vertolken, en de zaken voor hem en voor de
229
VRIENDEN EN VIJANDEN.
Inboorlingen verstaanbaar te maken. Ik heb hiermede even duidelijk mijn christenplicht vervuld, als met eenige andere zaak, die ik ooit in mijn leven gedaan heb. Ik behoef mij voor niets te schamen. Ik bied geene verontschuldiging aan. Ik geloof niet, dat na verloop van tijd, wanneer alle feiten bekend zullen zijn, mijn gedrag in deze zaak ooit mijzelven, of, wat meer is, den naam mijns Heeren zal kunnen schaden.quot;
Misschien waren mijne woorden niet al te vredelievend. Maar de opgewondenheid had vele vrienden zoo verblind, dat ik mij met kracht moest laten gelden, anders kon ik geen gehoor noch recht verkrijgen. De ker-keraad aarzelde en ging uiteen, zonder tot eenig besluit te komen. Al de leden evenwel behandelden mij met dezelfde onderscheiding als ooit te voren. Het was zeer bevredigend, om later te vernemen, dat al de gemeenten, die onze zending ondersteunden, na onafhankelijk onderzoek van de feiten, den weg dien wij gevolgd hadden billijkten, Nieuw-Schot-land alleen uitgezonderd. Toch hadden twee der zendelingen van Nieuw-Schotland ook als tolken dienst gedaan voor hetzelfde oorlogsschip, even als ik had gedaan, en ik heb volstrekt niet gehoord, dat hen eenig verwijt daarvan werd gemaakt. Daar,ik er zeker van was, mijn christenplicht te hebben vervuld, liet ik den uitslag in de handen van mijn Heiland over, en haastte mij voorwaarts in Zijn gezegend werk.
Meer dan één lief, persoonlijk vriend moest ik om deze onaangename zaak opofiferen. Een Presbyteriaansch predikant en een godvreezend ouderling met zijne vrouw, allen uitnemende en zeer beminde personen gaven mij te kennen, dat ter oorzake van het geval met de Curasao onze wederzij dsche vriendschap in deze wereld geheel moest ophouden. En zij hield op; maar mijne achting veranderde nooit. Ik had geleerd, om niet onaangenaam over vrienden te denken, zelfs wanneer zij klaarblijkelijk mijne daden verkeerd begrepen. Deze dingen zouden hier ook niet behoeven vermeld te worden, ware het niet, dat anderen er zich aan konden spiegelen. Gods kinderen worden nog valsch beschuldigd. De menigte is nog even gereed als altijd om te roepen: Kruist! Kruist!
Het plan tot tegemoetkoming van de jaarlijksche kosten van onderhoud van de Dayspring, dat reeds geopperd was, moest nu tot rijpheid komen en voor goed geregeld worden. Mijn waarde vriend, Dr. J. Dunsmore Lang, die op de hoogte was van de inkomsten van al de gemeenten, was onze verstandige raadsman hierin. Wij stelden voor, dat A^ictoria ƒ 6000 zou bijeenbrengen; Nieuw-Zuid-Wales en Nieuw-Zeeland ieder / 2400; Tasmanië, Queensland en Zuid-Australië ieder / 1200; en Nieuw-Schotland en Schotland ieder ƒ 3000. Tasmanië, Zuid-Australië en Queensland schoten een weinig te kort in hunne verplichting, Sydney, Schotland en Nieuw-Schotland voldeden aan de hun gestelde eischen en Victoria en Nieuw-Zeeland overtroffen ze en dekten zoodoende de tekortkomingen van anderen. Voor het grootste gedeelte, schoon niet uitsluitend, is deze som door de zondagschoolkinderen door middel van hunne zendingsbusjes voor de Dayspring bijeengebracht. Voor het vaststellen van dit plan bezocht ik bijna iedere Presbyteriaansche gemeente en zondagschool in Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië, en predikanten en leiders van zondagscholen werden bijna zonder uitzondering in één bondgenootschap vereenigd tot ondersteuning van onze zending en ons schip.
Gedurende de drie eerste jaren, toen alles nieuw was, kostte de Dayspring ons ongeveer ƒ 168Ö0 per jaar; maar sedert zijn de kosten gestegen tot gemiddeld f 24000 per jaar. Er is reeds te dikwijls een schuld van ƒ 3600 of meer geweest, die ons groote ongerustheid veroorzaakte,
230
VRIENDEN EN VIJANDEN.
maar de Heer heeft ons altijd het noodige toegezonden en heeft ons in staat gesteld haar vrij van schuld in de vaart te houden, om het Evangelie en Zijne dienaren op deze eilanden te brengen, als Zijne eigen overbrengster van de Blijde Boodschap, vrij van de bezoedelende en bloedige vereeniging met de schepen der handelaars!
Op mijn tocht wachtte mij te Geelong nog een andere vuurproef. Een van de voornaamste predikanten weigerde mij de hand. te geven. Een agent van het Londensch zendingsgenootschap had hem gezegd, dat er f 36000 voor de Dayspring betaald, verloren waren, dat het schip onbruikbaar was, alleen geschikt voor pakgoederen en in het geheel niet ingericht voor passagiers, en dat onze zendelingen bij haar tweeden tocht naar de eilanden hadden moeten wachten, tot de John Williams vertrok, om zich daarin te kunnen inschepen. Het was mij eene voortdurende droefheid, dat plaatselijke misverstanden de beide genootschappen een vijandig aanzien gaven, waarvan de vereenigingen zelve niets wisten. Maar ter wille van de verschillende belangen, die op het spel stonden, moesten de feiten wel bekend gemaakt worden. Verschillende gemeenten hadden besloten onze zending niet meer te ondersteunen en verscheidene predikanten te Ballarat en elders waren om soortgelijke redenen tegen ons ingenomen.
Ik verzocht eene gelegenheid te mogen hebben, om de feiten aan den dag te brengen, en mijzelven en anderen te verdedigen in eene openbare vergadering, tot dit doel bijeengeroepen. Zij stonden mij dit dadelijk toe. Ik schreef eenmaal en andermaal aan den agent, maar ontving geen ander antwoord, dan een ontwijkend briefje. Daarop nam ik plaats op den trein en ging hem bezoeken. Hij wilde mij geene uitlegging geven, noch eenige reden voor zijne beweringen, maar wees mij feitelijk de deur onder voorwendsel, dat er zieken in zijn huis waren. Niettegenstaande dit alles, besloot ik in broederlijken geest te blijven handelen en alleen feiten omtrent de Dayspring mede te deelen, en zelfs den naam niet te noemen van dat groote zustergenootschap, dat door hem zoo slecht gediend werd.
Er waren eene groote menigte menschen bijeen vergaderd. De predikant, die geweigerd had mij de hand te geven, was voorzitter van de vergadering. Men gaf mij het woord, om mij te verantwoorden. Ik had nu van de Dayspring bericht ingewonnen, en het scheepsjournaal te voorschijn halende, las ik betreffende de bewuste reis het volgende:
»Toen de Dayspring van Sydney uitzeilde naar de eilanden, had zij als passagiers aan boord; de heer Paton en echtgenoote met een kind, de heer Mc. Nair en echtgenoote, de heer Niven en echtgenoote. Mevr. Ella en een kind, van het Londensch zendingsgenootschap, kapitein Eraser en echtgenoote met een kind en dienstbode, behalve de provisie voor het gansche jaar, voor de zendingsposten op de Nieuwe Hebriden en de Loyaliteits-eilanden. En bij aankomst op deze eilanden moest de Dayspring eene onverwachte reis van drie maanden ondernemen, van de Loyaliteits-eilanden naar Samoa, Rarotonga, enz., (daar het Fransche gouvernement alle zendelingen van het Londensch zendingsgenootschap geboden had, de eilandengroep te ontruimen) om den heer Sleigh en echtgenoote met een en-zestig hunner inlandsche onderwijzers te vervoeren, .die met hunne huisgezinnen in goeden welstand op hunne verschillende eilanden werden aan land gezet.quot;
Ik las ook nog eene bevestiging van deze opgave in het verslag van kapitein Fraser, dat hij uit zijne herinnering had opgeschreven, daar hij zich toen ter tijde ver in het binnenland bevond en geene gelegenheid
231
TRIENDEN EN VIJANDEN.
had, zijne scheepsboeken te raadplegen. Ik besloot mijn overzicht in dezer voege: »Mij dunkt, dat hiermede de onwaarheid der berichten, die in Geelong verspreid zijn, duidelijk aan den dag is gebracht. Door den brief van den kapitein en uit het scheepsjournaal blijkt de onwaarheid der bewering, dat de Day spring noch voor passagiers, noch voor goederen geschikt zou zijn. Voor het tegenwoordige is de Dayspring zoo geschikt als men maar kan verlangen, tot bevordering van de belangen onzer zending. Indien gij allen hiermede tevreden zijt, wensch ik dit pijnlijk onderwerp verder te laten rusten, en met mijn eigenlijk werk voort te gaan. Maar ik ben bereid, om iedere vraag van den Voorzitter of van iemand anders uit de vergadering te beantwoorden en de uitvoerigste inlichtingen te geven.quot;
De daverende toejuiching, die volgde, toonde genoeg, dat ik geheel gerechtvaardigd was. De Voorzitter gaf mij de hand, en beloofde mij zijn steun. Hij stelde de volgende uitspraak voor, die met toejuiching werd aangenomen:
»Dat deze vergadering, na den heer Paton met voldoening aangehoord te hebben, de gemeenten, zondagscholen en vrienden in Geelong aanbeveelt, voortaan de Dayspring en de zending op de Nieuwe Hebriden zooveel in hun vermogen is te steunen en hem te helpen en aan te moedigen in zijn werk ten voordeele der zending.quot;
Nu werd het voorname doel van mijn bezoek medegedeeld en verscheidene predikanten en andere vrienden spraken met kracht tot bevordering van de plannen omtrent de voortdurende ondersteuning van de Dayspring door de kinderen der zondagschool.
Alle strijd door misverstand is pijnlijk, maar voornamelijk die onder christen-broederen. Toch moest hij gestreden worden met de wapenen des Kruises, en God heeft de overwinning gegeven tot bevordering van Zijn koninkrijk op eene wijze, die alle oprechte volgelingen des Heeren Jezus gelijkelijk verheugt.
Op deze reis bracht ik in Victoria alleen 250 dagen door en sprak in 265 vergaderingen, die 180 gemeenten en hare zondagscholen vertegenwoordigden. De evenredigheid was dezelfde in de andere koloniën, die ik bezocht. Al deze schikkingen moest ik voor mijzelven, door moeilijke en tijdroovende briefwisseling dag en nacht in orde maken. Maa,r de zegen des Heeren werd in ruime mate mijn deel. Victoria bracht /\' 23460 op, Tasmanië f 920; Zuid-Australië ƒ 2674; Nieuw-Zuid-Wales f 2988; hetgeen met elkander een totaal van / 30042 bedroeg, behalve nog ƒ 2640 in jaarlijksche bijdragen van f 60, voor het onderhoud van inlandsche onderwijzers beloofd.
In 1862 richtte ik mij tot de Algemeene Vergadering van Victoria, met verzoek om de zending op de Nieuwe Hebriden voortaan als hunne eigene te beschouwen. Mijn verzoek werd ondersteund door den heer J. Clark, die de commissie voor de zending onder de Heidenen in 1863 bijeen riep, en er de Vergadering toe overhaalde, het voorstel aan te nemen. In 1865 voerde de heer Dr. A. J. Campbell ons plan uit, en de Vergadering verbond zich tot het geven van ƒ 6000 per jaar tot onderhoud van de Dayspring, uit de bijdragen van de zondagscholen. Nieuw-Zeeland en de andere koloniën volgden Victoria\'s voorbeeld, zoodat spoedig al de koloniën zich verbonden hadden tot het onderhouden van het zendingsschip voor de Nieuwe Hebriden. Want| mijn waarde vriend en oude college-makker, de heer Joseph Copeland, had terzelfder tijd Queensland en Nieuw-Zeeland bezocht en had daar / 1213 en/6960 ontvangen, zoodat al de gemeenten ons plan tot vaste ondersteuning van de Dayspring
232
VRIENDEN EN VIJANDEN.
aannamen, en de balans der zending nu naar de rechte zijde oversloeg.
Op de Algemeene Vergadering van de Presbyteriaansche kerk van Victoria werd ik in 1866 aangesteld als de eerste zendeling van de Presbyteriaansche gemeenten van Australië naar de Nieuwe Hebriden, terwijl ik officieel van de Kerk van Schotland werd losgemaakt. Dr. Geddie zou ook als zoodanig aangenomen zijn, maar Nieuw-Schotland kon niet besluiten van zijn eersten en hoogvereerden zendeling te scheiden. Daarom nam de kerk van Victoria den heer James Cosh, M. A. die juist van Schotland kwam, als tweeden zendeling aan, in de hoop, dat wij beiden in staat mochten zijn de zendingspost op Tanna weder te openen en voort te zetten. In hun Christian Review van 1867 schreven zij:
»De meening, die wij in Victoria koesterden, toen de zendelingen ons in Juli verlieten, was, dat de heeren Paton en Cosh met vereende krachten zich aan de Evangelisatie van Tanna zouden gaan wijden, onder de bijzondere bescherming en op kosten van de Presbyteriaansche Kerk van Victoria; maar de heer Cosh, die den zendingspost te Pango op Etafè verkozen had, waar de Inboorlingen meer voorbereid waren om het Evangelie te ontvangen en waar leven en eigendom veilig waren, ging een jaar bij den heer Morrisson op Etafè doorbrengen, om op de hoogte van alles gesteld te worden. De heer Paton zou gaarne naar Tanna terug gekeerd zijn, maar de zendelingen over het algemeen vreesden, dat het leven van geen enkel Europeaan op Tanna in dezen tijd veilig zou zijn. Daarom zonden zij, en ongetwijfeld zeer verstandig, den heer Paton naar het kleine en minder woeste, maar niet minder heidensche eiland Aniwa.quot;
Het was inderdaad eene der bitterste beproevingen van mijn leven, dat het mij niet vergund werd, om naar de oude, mij dierbaar gewordene standplaats op Tanna terug te keeren en mij daar terstond neder te zetten; maar ik moest zwichten voor de ernstige tegenkanting van al de andere zendelingen, waarvan Dr. Inglis echter ten slotte zich het best met mijne wijze van zien kon vereenigen. Ik ging, gelijk hierna zal medegedeeld worden, naar Aniwa, het eiland dat het dichtst bij het tooneel van mijne vroegere verdrietelijkheden en gevaren gelegen was, in de hoop, dat God mij spoedig een weg zou openen en mij in staat zou stellen, om terug te keeren naar het bloeddorstige, heidensche Tanna.
Mijn hart bloedt voor de heidenen, en ik verlang er naar een onderwijzer in iederen stam, en een zendeling op ieder eiland der Nieuwe Hebriden te zien. De hoop, dit nog eens te zullen beleven, leeft steeds in mijn hart, en als deze hoop verwezenlijkt is, zou ik gaarne de ruste ingaan.
233
De John Williams op de klip. — Alleenspraak van een inboorling. — Nowar pleit voor Tanna. — De witte schelpen van Nowar. — Het eiland Aniwa. — Eerste landing op Aniwa. — De ligging van ons nieuw tehuis.—„Mij niet stelen! Huisbouwen voor God. — Verwachtingen van de Inboorlingen. — l afigeituof tooverij. — Het wonder van het sprekende hout. — Gevaren door bijgeloof. De zendingsgrond. — Eene stad Gods. — Werklieden bij den bouw en hun loongt; — Groot kunststuk in het zwemmen. — Sterker dan den goden van Aniwa.
TOEN alles wat op de zending en op deOEN alles wat op de zending en op de Daypring betrekking had, zoover als dit mogelijk was, in orde was gebracht, zeilden wij 8 Augustus 1865 naar de eilanden. Behalve mijne vrouw en mijn kind vergezelden mij de heeren Copeland, Cosh en Mc. Nair, met hunne echtge-nooten. Op 20 Aug. bereikten wij Aneityum en nadat wij eenigen onzer vrienden aan land hadden gezet, zeilden wij noordwaarts tot aan Efaté, om de nieuwe zendelingen een overzicht te geven over al de eilanden, die nog voor den Heer in bezit genomen moesten worden, en om al onze zendelingen te brengen naar de jaarlijksche vergadering, waar de vaste nederzetting zou bepaald worden.
Bij onze terugkomst bevonden wij, dat de schoone, nieuwe John Williams, die op 5 Sept. Aneityum bereikt had, op een koraalrif gestrand was, en daar reeds drie dagen vast zat. Door de otivermoeiende inspanning van de Inboorlingen, die bij honderden werkten, kwam het schip eindelijk los, ofschoon zwaar beschadigd. Op een vereenigde samenkomst van al de zendelingen van het Londensch Zendinggenootschap en het onze, werd besloten, dat het schip naar Sydney zou gebracht worden. Twintig flinke Aneityumeezen werden aan boord geplaatst, om de pompen dag en nacht gaande te houden, en wij zonden de Day spring mede, om in geval van nood hulp te kunnen verleenen. Zendelingen wachten om naar hunne standplaats gebracht te worden en het gunstige seizoen ging reeds voorbij, maar de zaak der menschelijkheid en de belangen van een zusterge-nootschap hadden den voorrang. Wij bleven vijf weken op Aneityum en wachten daar de terugkomst van de Dayspring af.
Op onze jaarlijksche Synode werd ik, na veel biddende beraadslaging en zorgvuldig wegen van alle belangrijke omstandigheden, met algemeene stemmen door de broeders verzocht niet naar Tanna terug te keeren.
NEDERZET TING OP ANIWA.
maar mij neder te zetten op het aangrenzend eiland Aniwa. (Anie\'wa) Men hoopte, dat Tanna daardoor later des te zekerder bereikt en ge-evangeliseerd zou kunnen worden.
Door de nieuwe zendelingen werden nu al de oude zendingsposten weder ingenomen en ook op eenige nieuwe eilanden werden in den naam van den Heer Jezus posten geopend. Toen wij met ovaz Day spring xox\\amp;-gingen, en hier en daar de zendelingen aan land zetten, waren de Inboorlingen ten hoogste verwonderd.
»Wat is dit?quot; riepen zij uit, »wij dooden en verdreven hen allen! Wij plunderden hunne huizen en beroofden hen van alles. Indien wij zoo behandeld waren geworden, zou niets ons hebben doen terugkeeren. Maar zij komen terug met een mooi, nieuw schip en met meer en meer zendelingen. En geschied dit om te handelen en geld te verdienen, gelijk andere Blanken doen? O neen! Alleen om ons van hun Jehovah God en van Zijn Zoon Jezus te vertellen. Indien hun God hen tot dit alles in staat stelt, mogen wij Hem wel aanbidden.quot;
Op deze wijze werd het eene eiland na het andere ontsloten, om den zendelingen te ontvangen, en de Hoofden verbonden zich plechtig, om hem te beschermen en lief te hebben, voordat zij nog iets van het Evangelie wisten, behalve hetgeen zij zagen in den aard en het karakter van de predikers, of hoorden vertellen van de vruchten, die het Evangelie op andere eilanden had voortgebracht. Zelfs Kannibalen vonden wij aldus bereid, om den zendelingen te verwelkomen, en om niet alleen zijn eigendom, maar ook om zijn leven betrekkelijk veilig te doen zijn. De eilanden wachten letterlijk op het Evangelie van Christus.
Op weg naar Aniwa moest de Day spring Tanna aandoen. Om het onstuimige weder lagen wij verscheidene dagen in Port Resolution. En daar werden vele herinneringen weder opgewekt, en wonden opengereten, die na vijf-en-twintig jaar, de tijd waarop ik nu schrijf, nog niet genezen zijn. Nowar, het oude opperhoofd, had besloten ons daar te houden, hetzij door geweld of door list. De kapitein zeide hem, dat de raad der zendelingen hem had verboden, onze koffers op Tanna aan land te brengen.
»Breng ze niet aan land,quot; zeide het sluwe opperhoofd, »gooi ze maar alleen over boord; mijne mannen en ik zullen ieder stuk grijpen, vóór het te water gaat en alles veilig aan land brengen.quot;
De kapitein zeide, dat hij dit niet durfde te doen. »Wijs ze ons dan maar alleen aan,quot; hield Nowar vol, »gij zult er geene verdere moeite mede hebben; wij zullen alles voor Missi in orde maken.quot;
Zij waren zeer verdrietig, toen hij ook dit weigerde; en onze goede Nowar beproefde eene nieuwe list. In de veronderstelling, dat mijne lieve vrouw bevreesd voor hen was, verzocht hij ons aan land te komen, ten einde zijne uitgestrekte plantages te zien. Zich naar haar wendende, zeide hij, de vertaling zijner woorden aan mij overlatende; »Er is overvloed van voedsel hier! Zoo lang ik een broodwortel of een banana heb, zult gij geen gebrek hebben!quot;
Zij antwoordde: »Ik vrees volstrekt niet voor gebrek aan voedsel.\'\'
Daarop naar zijne strijders wijzende, sprak hij: Wij zijn velen! Wij zijn sterk! Wij kunnen u altijd beschermen!quot;
»Ik ben niet bang,quot; antwoordde zij kalm.
Toen geleidde hij ons naar den vijgeboom, in wiens takken ik gedurende een langen en gedenkwaardigen nacht van mijn leven verscholen was geweest, toen bijna alle hoop op aardsche bevrijding was vervlogen, en hij zeide tot haar met iets dat naar aandoening zweemde in zijn stem: »De God, die Missi daar bewaarde, zal ook u altijd bewaren.quot; Zij
235
nederzetting op aniwa.
zeide hem, dat zij daaraan niet twijfelde, maar legde hem uit, dat wij voor het tegenwoordige naar Aniwa moesten gaan, maar zoo spoedig de Heer ons een weg opende, naar Tanna zouden terugkeeren. Nowar, Arkurat en de anderen schenen er werkelijk leed over te gevoelen, en het smartte mij diep in de ziel.
Een schoon voorval, dat ons eerst na jaren ter oore kwam, was hiervan het gevolg. In dienzelfden tijd bevond zich een opperhoofd van Aniwa op het eiland, die zijne vrienden was komen bezoeken. Hij was een hunner voorname, heilige mannen. Wij hadden hem en zijn volk den terugtocht beloofd in de Day spring, met hunne kano\'s op sleeptouw. Toen de oude Nowar zag, dat hij ons niet houden kon, ging hij naar dit opperhoofd van Aniwa, nam de witte schelpen, het teeken zijner waardigheid als opperhoofd, van zijn eigen arm en bond ze om dien van den heiligen man, zeggende: «Beloof mij bij deze, dat gij mijn zendeling met zijn vrouw en kind op Aniwa zult beschermen. Laat geen leed hem treffen, of, deze schelpen zijn het onderpand, dat ik en mijn volk hun dood zullen wreken 1quot;
In eene toekomstige crisis redde dit waarschijnlijk ons leven, gelijk later vermeld zal worden. Alzoo scheen dan toch iets van den Geest van Christus in de ziel van dien ouden kannibaal te zijn doorgedrongen! En dezelfde Geest van Christus sprak nog luider in mijn gemoed, zoodat het mij een waar verdriet was, om naar een ander eiland te gaan en hem alleen te laten in het duistere schemerlicht, waarin zijne ziel nu nog verkeerde.
Aniwa werd in November 1866 mijne verblijfplaats en is het middelpunt geworden van mijn persoonlijken arbeid onder de heidenen. Ik heb het alleen van tijd tot tijd moeten verlaten, als ik afgezonden werd, om de kerken in Groot-Brittannië en in de Koloniën te gaan bezoeken. God leidde mij nooit naar Tanna terug, maar andere lieve vrienden hebben Zijn Koninkrijk daar gesticht, en het tot eenigen bloei zien geraken onder dezen volkstam, die, hoe hardnekkig hij zich ook eerst .verzette, toch eindelijk voor het Evangelie gewonnen werd. Aniwa zou het land zijn, waarin ik na jaren van geduldigen arbeid en geloof ten laatste vruchten zou zien rijpen. Ik eischte het eiland voor Jezus op, en door Gods genade zijn de bewoners van Aniwa nu aan de voeten van den Heiland gezeten.
Het eiland Aniwa is een van de kleinere eianden van de Nieuwe Hebriden. De lengte bedraagd ongeveer negen mijlen en de breedte drie en een halve mijl; het eiland is omgeven van koraalrotsen. De golven der zee breken daarop met donderend geraas, en het witte schuim stuift ver en met kracht over het land. Maar er zijn ook dagen van kalmte, wanneer de zee glad en effen is en het schuim op de klippen slechts een zilveren streep vertoont.
De keten van koraalrotsen wijst aan, dat Aniwa uit den Oceaan is opgeheven, tijdens drie of vier verschillende vulkanische uitbarstingen. Geen steen of andere rotssoort kan men er vinden, maar enkel en alleen het koraal, in zijne schoone en geheimzinnige verscheidenheid. De hoogste grond is minder dan drie honderd voet boven den zeespiegel verheven, en ofschoon de grond over het algemeen los is, zijn er toch vruchtbare en diepe plaatsen, voornamelijk op het zuidelijke gedeelte van het eiland en nabij den krater van een uitgebranden vulkaan, waar uitstekende plantages gevonden worden, die, indien zij goed bebouwd werden, in staat zouden zijn eene tienmaal grootere bevolking dan de tegenwoordige te onderhouden.
236
NEDERZETTING\' OP ANIWA.
Daar Aniwa geene heuvels heeft, om de wolken aan te trekken, lijdt het veel door het gemis aan vruchtbaarmakende regens; en de hevige regen, die onweer en storm vergezelt, schijnt als door tooverkracht in den lossen grond en in de poreuse rotsen te verdwijnen. De vochtige atmosfeer en hevige dauw echter doet het eiland groen blijven, terwijl groote en vruchtdragende boomen verwonderlijk veel voedsel uit den rotsachtigen bodem verkrijgen. De Inboorlingen lijden aan eene soort van melaatsch-heid, waarschijnlijk veroorzaakt door het slechte drinkwater en door het heete vochtige klimaat van hun eiland.
Aniwa heeft geene haven, of veilige ankerplaats voor eenig soort van schepen, ofschoon men bij sommige winden wel eens schepen ziet ankeren aan den buitenrand van den klip, dat altijd eene gevaarlijke ankerplaats is. Er is eene opening in de koraal, waardoor eene boot veilig de kust kan bereiken, maar eene kleine kade, daar gebouwd van de grootste koraalblokken, die bij elkander gerold konden worden, is meer dan eens door den storm weggeslagen, zoodat er niets meer van te zien was.
Ik had vroeger in de John Knox, toen de heer Johnston mij vergezelde, eens een blik op Aniwa geworpen, en ook later met mijn waarden vriend Gordon, die op Erromanga vermoord is; ook waren er tijdens mijn verblijf op Tanna wel eens Inboorlingen van Aniwa daar gekomen, om voedsel te zoeken. Zij hadden ons toen wel eens gevraagd, om op Aniwa te komen, daar er op Tanna twee zendelingen waren en Aniwa er geen bezat. Hun »spreker,quot; een zeer slim man, die goed Tanneesch sprak, vertelde ons, dat de blanke kooplieden hen altijd veel krijgsvoorraad en tabak beloofden, indien zij de zendelingen doodden en verdreven. Dit was de reden waarom ons leven zoo dikwijls bedreigd werd.
Behalve deze weinige kennis van het eiland, was het ons vreemd op Aniwa, en moest alles door ons weer opnieuw geleerd worden, even als vroeger op Tanna.
Bij onze landing ontvingen de Inboorlingen ons vriendelijk. Zij en de Aneityumeesche onderwijzers geleidden ons naar een tijdelijk tehuis, dat zij ons tot woning hadden ingericht. Het was eene groote Inlandsche hut. Muren en dak bestonden uit suikerrietbladeren en stengels, om sterke houten latten gewonden. Zij had geene deuren noch vensters, maar in plaats daarvan open ruimten. De vloer alleen was mooi om te zien, dik bestrooid met wit koraal, dat fijn gebroken wordt. De hut bestond slechts uit een vertrek, dat tot kerk, school en openbare plaats van samenkomst moest gebruikt worden. Wij schutten een klein gedeelte af en achter dat schut plaatsten wij ons bed en borgen wij onze zaken van waarde. Al de Inboorlingen, die binnen bereik waren, verzamelden zich, om ons te zien eten! Eene kist werd in het eerst tot stoel gebruikt, het deksel van eene andere kist was onze tafel; wij kookten onze spijzen in de open lucht onder een grooten boom en wij bevonden ons zeer spoedig op ons gemak. Maar het huis stond onder eene koraalrots verscholen en wij zagen met één oogopslag, dat het in sommige tijden van het jaar een broeinest van verderfelijke koorts zou blijken te zijn. Wij waren echter dankbaar er in te kunnen trekken, totdat er eene betere woning op een gezonder plaats kon gebouwd worden.
De bewoners van Aniwa waren niet zoo vreeselijk diefachtig als de Tanneezen. Maar zij hadden de gewoonte van op vrij dreigende wijze te vragen, om hetgeen zij wilden hebben; en de strijdbijl werd somtijds opgeheven om het verzoek te versterken. Tegen verliezen en nadeelen moesten wij ons maar weten te vrijwaren, want er was geen herstel te hopen. Wij trachten de dingen zooveel mogelijk uit hun gezicht te houden,
237
NEDERZETTING OP ANIWA.
wetende, dat de gelegenheid, daar als overal elders, den dief maakt.
Wij deden ons best vriendelijk en stil onder hen voort te leven, in de hoop, dat wanneer wij hunne taal zouden verstaan en hun de leeringen van Jezus konden onderwijzen, zij veranderd zouden worden, en leven en eigendom onder hen veilig zouden zijn. Maar het gerucht van het bezoek van de Curasao en het straffen van moord en diefstal deed meer onder Gods zegen dan alle andere invloeden te zamen, om ons in deze dagen, toen het heidendom nog den boventoon had, te beschermen. Men hoorde den woesten Kannibaal zijne bloeddorstige metgezellen fluisterend waarschuwen »om niet te moorden noch te stelen, want het oorlogschip, dat Tanna was komen straffen, mocht ook hun kleine eiland komen vernielen.quot;
De treurige ervaring op Tanna opgedaan, had ons geleerd, dat wij ons huis op Aniwa op den hoogsten grond moesten bouwen en ver verwijderd van de verpestende dampen, die langs de kust woedden. Er was een schoon gelegen hoogte met boomen beplant, wier wortels in de spleten van het koraal drongen, en van waar Tanna en Erromanga duidelijk zichtbaar waren. Maar de Inboorlingen verboden ons uit bijgeloovige vrees daar te bouwen, en wij werden dus gedwongen een anderen heuvel wat dichter bij de kust te nemen. Dit bleek ten laatste het beste gedeelte te zijn, dat wij hadden kunnen nemen, daar het in elk opzicht voldeed aan hetgeen wij noodig hadden en in het midden van het eiland gelegen was. Later hoorden wij, dat misschien het bijgeloof hen er ook toe geleid had, ons dit stuk land te verkoopen, in de boosaardige hoop, dat dit onzen ondergang ten gevolge .zou hebben. De hoogten op den top van den heuvel, die gelijk moesten gemaakt worden, bevatten de overgebleven beenderen van hunne Kannibaalsche feesten van eeuwen. Niemand dan de priesters durfde deze overblijfselen aanraken; en de Inboorlingen zagen ons graven en uithouwen in de vaste overtuiging, dat hunne goden ons zouden dooden. Toen dit niet geschiedde, hebben zij waarschijnlijk begrepen dat Jehovah God toch sterker was dan hunne goden. Met het gelijk maken van de hoogte en het zacht laten afhellen van den grond tot waterafvoer, had ik twee groote manden vol menschenbeenderen verzameld. Ik zeide daarop tot een opperhoofd in het Tanneesch: »Hoe komen al die beenderen toch hier?quot; Hierop antwoorde hij met een schouderophalen, een cynischen Franschman waard: »Wel! wij zijn geen mannen van Tanna! Wij eten de beenderen niet!quot;
Terwijl ik aan het bouwen van ons huis was, werd mijne vrouw eens vreeselijk verschrikt. Zij bleef gewoonlijk in onze hut achter, die op ongeveer een half uur afstands gelegen was, om op onze eigendommen te passen, die daarin geborgen waren, terwijl haar een of twee vriendelijke Inboorlingen gezelschap hielden, ofschoon zij hunne taal nog niet spreken kon. Eens zat zij alleen, terwijl ons kind aan hare voeten speelde. Plotseling hoorde zij eenig geritsel tusschen de kisten achter het gordijn. Zij, was den geheelen morgen daar geweest en niemand was bij haar binnengekomen. In grooten angst vestigde zij de oogen op de plek, vanwaar het gedruisch kwam. Plotseling werd het gordijn ter zeide geschoven en een zwart gelaat met bloedroode oogen en melkwitte tanden vertoonde zich, en riep in gebroken Engelsch: »Mij niet stelen! Mij niet stelen!quot;
En daarop sprong hij als een wild dier te voorschijn en rende weg naar het dorp. Mijne lieve vrouw, vreezende, dat hij weldra zou terug komen, greep het kind en vloog naar de plaats waar ik aan het werk was, terwijl zij den grond onder hare voeten haast niet voelde en bijna bewusteloos voor mij nederviel. God dankende voor haar gelukkig ontkomen
238
NEDERZETTING OP ANIWA.
aan het gevaar, dachten wij dat het wijzer zou zijn, om te blijven waar wij waren en ons werk voor dien dag af te maken, alvorens huiswaarts te keeren. Wij hoorden, dat zijne woede bedaard was en hij zich verwijderd had, toen hij zag dat wij niet terugkeerden. Deze man was een wild dier gelijk, indien hij in eene zijner woedende buien verkeerde. Zijn lichaam werd dan krampachtig bewogen, en zijne spieren vertrokken zich van woede. Hij had pas kort geleden een nabuur, iemand van zijn eigen stam, in zijn waanzin van het leven beroofd. Wij gelooven, dat de Heer op dien gedenkwaardigen dag zijne woede temde en tot zijne oproerige ziel zeide: :gt;Zwijg, wees stil!quot;
Toen de grond gelijk gemaakt was, vraagden wij elkander af, of wij slechts eene tijdelijke woning zouden bouwen, daar wij zoo spoedig mogelijk naar het oude, dierbare Tanna hoopten terug te keeren, of, hoewel het werk veel grooter zou zijn, een flink, duurzaam huis tot gemak van onze opvolgers, indien dan ook al niet tot de onze. Wij besloten tot het laatste, en daar het Gods werk was, dat wij verrichtten, wilden wij het huis zoo goed mogelijk maken. Ons plan bestond in het maken van twee kamers van zestien voet in het vierkant, met een vijf voet breed portaal er tusschen, zoodat er andere kamers konden bijgebouwd worden, indien dit verlangd werd. Ongeveer een kwart mijl van de zee verwijderd, en vijf en dertig voet boven den zeespiegel, legde ik de fondamenten van ons huis. Van koraalblokken bouwde ik de muren op, tot op drie voet hoogte in de rondte. Luchtgaten, onder iedere kamer aangebracht, lieten de luchtstroomen vrijen doortocht, en verminderden zeer het gevaar voor koorts. Eene breede gracht werd rondom de woning gegraven en opgevuld met fijn koraal. Aan de voor- en achterzijde strekte zich eene veranda uit van vijf voet breedte en eene provisiekamer, eene badkamer en eene bergplaats werden afgeschut van de achterveranda. De vensters, die mij waren toegezonden, hadden hengsels; ik maakte ze ieder twee voet langer met hout van kisten, die ik had, en maakte er zoo openslaande deuren van, waardoor nu iedere kamer op de veranda uitkwam. En zoo hadden wij, door Gods zegen een gezonde plaats om te bewonen, indien het dan ook al geen meesterstuk van bouwkunst mocht heeten.
Het zendingshuis had, toen het ten laatste gereed was, zes kamers, drie aan iedere zijde van de gang; het was negentig voet lang, en omringd door eene veranda, honderd voet lang en vijf voet breed, die het geheele huis koel en beschaduwd deed zijn. Onder twee kamers werd een kelder van acht voet diepte gegraven; die rondom met planken werd beslagen, om tot voorraadschuur te kunnen dienen. In meer dan een vreeselijken storm redden wij in dezen kelder ons leven, wanneer boomen en huizen door het geweld van den wind als vederen werden heen en weer geschud. Alles te zamen genomen, heeft het huis op Aniwa bewezen, een van de gezondste en best ingerichte woningen te zijn, die door christenhanden op de Nieuwe Hebriden zijn nedergezet. Wat de ligging van de huizen zoowel als wat den bouw betreft, werden wij door de goede hand van onzen God bestuurd.
Ik bouwde ook twee weeshuizen, die bijna even noodzakelijk waren als de woning van den zendeling. Zij stonden op eene lijn met het front van mijn eigen huis, het eene was voor meisjes en het andere voor jongens, die wij op die wijze gedurig onder onze oogen hadden. De weezen werden door de zendelingen als hunne kinderen aangenomen, en op kosten van de zending onderhouden. Hunne kleeding was een groot bezwaar voor ons, en elk voorwerp hoe vreemd of grappig ook, dat uit de kisten of doozen kwam, die ons werden toegezonden, werd gebruikt.
239
NEDERZETTING OP ANIWA.
Wij voedden deze kinderen op voor Jezus. En nu nog worden vele van de beste Inlandsche onderwijzers en de toegewijdste christen-helpers gevonden onder hen, die waarschijnlijk zouden omgekomen zijn, indien zij niet in de weesinrichtingen waren opgenomen geworden.
Een treurig ongeval verhinderde mij een werkzaam aandeel te nemen in het bouwen. Ik bezeerde mijn enkel hevig, gelijk ik dat te voren op Tanna nog eens gedaan had, door het uitglijden van mijne bijl op een knoest in het hout. Ik bond mijn zakdoek stijf om den voet, en verzocht de Inboorlingen mij naar onze hut terug te dragen. Zij bedongen een loon. Daar mijn vestzak vol vischhoeken was, een gangbare munt op al de eilanden, bracht ik er gemakkelijk iemand onder hen toe, om te verstaan, dat ik deze hoeken als loon wilde geven. Hij droeg mij een eind weegs, kreeg eenige hoeken, en riep toen een ander, die hetzelfde deed, en daarna een derde, en zoo verder; zoo verdiende ieder zijn loon, en liet daarna de vracht en het loon aan een ander over, terwijl ik in-tusschen vreeselijke pijn leed en geweldig bloedde. Daar ik mijn eigen geneesheer was, verbond ik de wond weken lang, er voortdurend kom-pressen van koud water op leggend, en door Gods goedheid herstelde ik, ofschoon ik een geruimen tijd kreupel bleef. Het grootste verdriet was echter, dat de goede en vriendelijke lieden van Aneityum, die gehuurd waren, om mij in het moeielijkste deel van mijn werk te komen helpen, niets konden doen zonder mij; en toen de Dayspring op den bepaalden rijd kwam, om hen te halen, moest ik ze ten volle betalen en laten terugkeeren, terwijl ik daardoor beroofd werd van hunne hulp, die mij van zooveel waarde was. Zelfs het noodige voedsel hun te verschaffen voor den tijd, dien ik hen nog zou willen houden, ging onze beperkte middelen te boven en er moesten nog eenige maanden ver-loopen, voor onze nieuwe aanvoer uit Sydney kon aankomen.
De bewoners van Aniwa konden in het eerst niet overgehaald worden tot werken, zelfs niet voor geld. Hunne persoonlijke behoeften waren gering, en hunne eigen plantages waren voldoende, om daarin te voorzien. Op mijn herhaald verzoek antwoordden zij met al de waardigheid van filozofen: »Het is de gewoonte van de mannen op Aniwa, om erbij te staan of te zitten en het aan te zien, wanneer hunne vrouwen het werk doen.quot;
Op Aniwa bevonden wij ons tegenover volslagen heidendom. De Inboorlingen verwachtten in het eerst, dat de Biritania tavai (Britsche medicijnen) terstond al hunne kwalen zouden genezen. Teleurstelling daaromtrent leidde hun onwetenden en onontwikkelden geest tot wraakzucht. Zij verwachtten ook een eindeloozen toevoer van messen, katoen, vischhoeken, dekens enz., te ontvangen, wanneer zij er maar om vroegen of ons eenigen kleinen dienst bewezen. Iedere weigering maakte hen boos. En daar hunne heilige mannen of priesters niet alleen de ziekten genazen, maar ze ook veroorzaakten, weetten zij het ook aan ons, indien zij ziek werden, al genazen wij hen ook van hunne krankheden. Verder kwamen zij gewoonlijk dan eerst tot ons, wanneer zij ieder hulpmiddel van hun eigen bijgeloof en tooverij hadden beproefd, en wanneer het dus meestal te laat was. Ik moest dikwijls de medicijnen proeven, voor dat de lijders ze wilden innemen, en indien eene dosis ze niet hielp, was het bijna onmogelijk hen er toe te krijgen, om een tweede te nemen. De tijd echter leerde hen de waarde ervan kennen, en de jaarlijksche uitgaven voor medicijnen werd spoedig eene drukkende belasting op ons niet al te groot inkomen.
Toch gingen wij voort met iederen dag na het middagmaal onze bel
240
NEDERZETTING OP ANIWA.
te luiden, hetgeen aanduidde, dat wij gereed waren om raad of medicijnen te verleenen aan allen, die ziek waren. Wij spraken ook, zoo spoedig wij ons in hunne taal konden uitdrukken, eenige woorden tot hen over Jezus, De zwakken ontvingen een kop thee en een stuk brood. De vraag naar geneesmiddelen was soms groot, voornamelijk wanneer eene epidemie hen overviel. Sommigen echter ontvluchtten ons als de oorzaak van hunne kwalen en zochten eene schuilplaats in de verst verwijderde plaatsen of liepen bij onze nadering weg, om zich in het bosch te verschuilen. Zij waren als kinderen en vol bijgeloof; wij moesten hen door vriendelijkheid en geduld zoeken te winnen, nooit aan hen wanhopen, maar altijd blijven vertrouwen, evenals de Heer dat met ons deed!
Evenals op Tanna, meende men ook op Aniwa, dat alle ziekte en dood veroorzaakt werd door tooverij, op Tanna Nahak. op Aniwa Tafigeitu genaamd. Sommige priesters verbrandden de overblijfselen van eetwaren zooals de schil der banana, of een hoofdhaar of iets, dat de persoon aangeraakt had, en hij was de oorzaak van de ziekte. Van daar, dat zij in voortdurende vrees werden gehouden, en voortdurend op wraak bedacht waren. Wanneer iemand ziek werd, verzamelden al de mannen van zijn dorp zich dag aan dag, hielden lange redevoeringen en trachtten den vijand uit te vinden, die de ziekte veroorzaakt had. Wanneer hun vermoeden op iemand gevestigd was, zonden zij hem geschenken, bestaande uit matten, manden en voedsel; indien de lijder herstelde, geloofden zij dat dit geholpen had; indien hij stierf, zochten zijne vrienden wraak op de vermeende moordenaars. En die wraak strekte zich ver uit, daar hij zich richtte tot den vermeenden moordenaar, of tot iemand van zijne familie, zijn dorp of zelfs zijn stam. Zoo hield eindeloos bloedstorten en onophoudelijke strijd tusschen de stammen het volk van het eene einde van het eiland tot het andere in voortdurend gewoel en onrust.
Het leeren van de taal van Aniwa ging gepaard met gelijke moeielijk-heden als op Tanna, reeds vroeger medegedeeld; ofschoon enkele bewoners van dit eiland mijn Tanneesch konden verstaan, hetgeen mij grootelijks hielp. Eens keerde een man, nadat hij nauwkeurig een voorwerp bezichtigd had, zich tot zijn buurman met de vraag: »Taha tinei?quot; Ik maakte hieruit op, dat hij vraagde: »Wat is dit?quot; Op iets anders wijzende, herhaalde ik hunne woorden; zij glimlachten tegen elkander en noemden mij den naam. Bij eene andere gelegenheid zeide een van hen tot zijn metgezel, naar mij ziende: »Taha neigo?quot; Hieruit begrijpende, dat hij mijn naam vraagde, wees ik op hem en herhaalde de woorden, waarop zij mij terstond hunne namen noemden.
Mijne lezers zouden verwonderd zijn te vernemen, hoeveel men van eene taal kan leeren, wanneer men deze twee vragen gedurig op de lippen heeft en omringd is van menschen, die gereed zijn op de vraag: »Wat is dit?quot; of sHoe is uw naam?quot; terstond het antwoord te geven. Alle woorden, die wij van hen vernamen, werden dadelijk op het gehoor af opgeschreven en in alphabetische volgorde geplaatst en een briefje er bijgevoegd, waarop de omstandigheden vermeld stonden, waarin zij waren gebruikt geworden. Door gedurige vergelijking van deze aanteekeningen, en door dagelijks en zelfs ieder uur zorgvuldig al hunne klanken na te bootsen, waren wij in staat elkander te verstaan, vóórdat wij ver met den bouw onzer huizen gevorderd waren, waarbij sommigen van hen voortdurend aan onze zijde waren.
Een voorval uit dien tijd was zeer opmerkenswaardig, en God gebruikte het tot hooger doeleinde. Ik vertel het dikwijls als »het wonder van het
241
16
NEDERZETTING\' OP ANIWA.
sprekende hout;quot; en het gebeurde aan andere zendelingen even als aan mij. Toen ik aan het huis bezig was, had ik eenige spijkers en werktuigen noodig. Een stukje geschaafd hout opnemende, schreef ik daarop eenige woorden en verzocht ons bejaarde opperhoofd dit aan mijne vrouw te willen brengen, daar zij dan zou zenden, wat ik noodig had. In stomme verbazing staarde hij mij onnoozel aan, en zeide; »Maar wat hebt gij noodig?quot;
Ik antwoordde: »Dit hout zal het haar vertellen.quot; Hij keek eenigszins verstoord, meenende, dat ik hem voor den gek hield, en sprak; »Wie heeft er ooit van gehoord, dat hout sprak.quot;
Met groote moeite gelukte het mij, hem over te halen, er mede heen te gaan. Hij was verbaasd haar op het hout te zien staren en daarna de benoodigde voorwerpen te zien krijgen. Hij bracht het stukje hout mij terug en verlangde vurig eene uitlegging. Voornamelijk in gebroken Tanneesch las ik hem de woorden voor en wees er hem meteen op, dat ook God op die wijze door Zijn Boek tot ons spreekt. Ik zeide hem, dat de wil van God daarin geschreven, is, en dat hij, indien hij lezen wilde leeren God langzamerhand door deze bladzijden zou kunnen hooren spreken, evenals mijne echtgenoote mij hoorde spreken uit het stuk hout.
Zoo werd in de ziel van den armen man de begeerte levendig, om het woord van God in zijne eigene taal gedrukt te zien. Hij hielp mij met steeds klimmende belangstelling, om woorden te leeren en gedachten te leeren uitdrukken. Eu toen ik aan het vertalen van een deel der Heilige Schrift begon, was zijne vreugde grenzenloos en zijne hulp onwaardeerbaar. Het wonder van de sprekende bladzijde wekte niet minder verbazing dan dat van het sprekende hout!
Toen wij op een dag aan het bouwen van ons huis waren, kwam een bejaard Inlandsch hoofd met zijne drie zonen ons bezoeken. Alles, wat wij deden, scheen hen zeer wonderlijk toe. Nadat zij thuis waren gekomen, werd een van de zoons ziek, en de vader gaf daarvan terstond de schuld aan ons en den godsdienst, verklarende dat, indien hij stierf, wij allen uit wraak zouden gedood worden. Door Gods zegen en door zorgvuldige oppassing en geschikte medicijnen herstelde hij en werd in het leven gespaard. Het bejaarde opperhoofd verviel nu in een ander uiterste. Hij werd niet alleen vriendelijk tegenover ons gestemd, maar ons zeer toegewijd. Hij woonde de godsdienstoefeningen bij, en luisterde naar de Aneityumeesche onderwijzers en naar mijne eerste pogingen tot spreken, gedeeltelijk in het Tanneesch, door den redenaar Taia, of het opperhoofd Namakei vertaald en hij legde in ons bijzijn hetgeen wij spraken aan het volk in hunne moedertaal uit.
Maar spoedig hierna overviel ons eene nieuwe ellende. Zoodra twee kamers van ons zendingshuis gereed waren, huurde ik een paar sterke jongelieden, om onze kisten er heen te brengen. Twee van hen droegen toen eene zware kist aan een stok op hunne schouders, zooals hunne gewoonte is. Kort daarna begonnen zij bloed op te geven, en een hunner, een jong mensch van Erromanga, stierf. De vader van den andere zwoer, dat, indien zijn zoon niet beter werd, hij iedereen in bet zendingshuis zou doodslaan, om zich te wreken. God deed hem echter gelukkig herstellen.
Daar de landingsplaats bijna drie kwart mijl van ons verwijderd was, en het niet alleen op zichzelven treurig, maar ook ten hoogste gevaarlijk voor ons allen zou zijn, indien zich zulk een ongeval herhaalde, spande ik al mijne krachten in en met de ruwe hulpmiddelen, waarover ik kon beschikken, vervaardigde ik niet alleen eene draagbaar, maar ook een
242
NEDERZETTING OP ANIWA.
kruiwagen, en voorzag daarmede in eene dringende noodzakelijkheid. Na verloop van tijd liet ik een meer geschikte handkar uit de koloniën komen, en wist de Inboorlingen door geld en goede woorden over te halen mij te helpen, om er een weg voor te maken. Misschien zou de geest van Macadam zich ergeren over de verschijning van zulk een weg, maar hij is ons voortdurend van groot nut geweest.
Vóór ons zendingshuis voltooid was, werd het meermalen door vuur bedreigd, even als wij zeiven door de geweren der Inboorlingen. De bedreigingen, om ons huis en erf door vuur te vernielen, wekten Namakei op, om ons krachtdadig te beschermen, en wij hoorden, dat hij ons nacht en dag liet bewaken. Maar een woeste man uit Erromango zwierf reeds tien dagen rond, terwijl hij ons vervolgde met tomahawk en geweer, en wij wisten, dat ons gevaar zeer groot was. Tot God om hulp opziende, ging ik met mijn dagelijkschen arbeid voort, terwijl ik eene kleine Ameri-kaansche strijdbijl bij mij had liggen, en geen vrees toonde. Het voornaamste in zulk een geval is te zorgen, dat men niet overvallen wordt, want deze moordenaars zijn allen bloodaards, en zullen niets ondernemen, wanneer men op hen let. Ik zond om het bejaarde opperhoofd, wiens gast de man van Erromanga was, en waarschuwde hem, zeggende, dat God hem ook voor schuldig zou houden, indien ons bloed werd vergoten.
»Missi,quot; antwoordde hij met warmte, »Ik wist het niet! ik wist het niet! Maar bij den eersten gunstigen wind zal hij vertrekken, en gij zult hem niet weer zien.quot;
Hij hield woord, en wij werden van den vijand en bloedwreker verlost.
De plaats, die wij nu bewoonden, was uitstekend voor ons geschikt. De grond rondom ons huis was bijna geheel afbellend, en het pad, dat naar onze woning voerde, was aan beide zijden met de schoonste planten, welke het eiland opleverde, omzoomd, en achter deze planten bevond zich eene rij oranjeboomen. Een kokosboschje strekte zich drie mijlen ver langs de kust uit, en beschaduwde den voornaamsten hoofdweg. Dicht bij onze woning waren vele bladerrijke kastanjeboomen en brood-boomen, die hunne takken wijd en zijd verspreidden. Toen in den loop der jaren alles meer en meer naar onzen smaak werd ingericht, leefden wij werkelijk in het midden van een schoon dorp, bestaande uit de kerk, de school, het weeshuis, de smederij en schrijnwerkerswinkel, de boekdrukkerij, het banana en broodwortelhuis, het kookhuis, enz., — alle zeer eenvoudige gebouwen, maar die zich trotsch tusschen de oranjeboomen verhieven en het Evangelie van eene hoogere beschaving en een beter leven voor Aniwa predikten. Het pad, dat naar iedere deur leidde, was met fijn gebroken wit koraal bedekt. De omheining, die alles omringde, zag er frisch en helder geschilderd uit. Orde en smaak werden bekend als de wetten van het nieuwe leven der Blanken en verscheidene Inboorlingen begonnen naarstig ons voorbeeld te volgen.
Allerlei mij vreemde handwerken moest ik nu trachten te beoefenen; ik moest leeren omgaan met beitel en zaag en allerlei werktuigen. Indien een Inboorling een vischhoek verlangde of een strook rood katoen, om zijn lang als zweepkoord gevlochten haar op te binden, bracht hij mij een stuk koraal of een boom aan, maar voortdurende dagelijksche arbeid scheen hem een vernederend bestaan toe. De vrouwen werden door katoen en koralen overgehaald, om ons bij te staan in het gereed maken van eene dakbedekking van suikerrietbladeren, die zij in de plantages verzamelden en over riet van vier of zes voet lengte met boomschors of
243
NEDERZETTING OP ANIWA,
pandanusblad vastmaakten, terwijl zij het aan een kant als met eene breede franje lieten overhangen. Hoe anders handelden zij, toen het Evangelie hun hart begon te treffen 1 Zij bouwden toen uit eigenbeweging de kerk en de school, en verheugden zich in het werk, zonder dat zij om eenig loon dachten, en zij hebben de gebouwen steeds goed in orde gehouden voor den dienst des Heeren, door hunne vrijwillige gaven van hout, suikerrietbladeren en koraalkalk.
Het dak van onze woning werd stevig vast gemaakt en gespijkerd; op het dak werden de latten gelegd, met suikerrietbladeren bedekt, en rij aan rij stevig op het hout vastgemaakt; van de nok hingen kokosbladeren af, behendig van de eene naar de andere zijde gevouwen en van voren aan den top met stevige houten pennen bevestigd; vervolgens werd er jaarlijks, voor de ruwe maanden, een nieuw stormdak over alles heen gelegd, dat vervaardigd was van gevouwen kokosbladeren, door planken vastgehouden en aan het lijstwerk beneden vastgemaakt; dit moest echter in April weder weggenomen worden, om het suikerrietblad daaronder tegen verrotting te beveiligen. Hier was men wel beschut en eene zoodanige dakbedekking duurde acht of tien jaren, d. i. indien zij niet door orkanen werd vernield, waardoor boomen als stroohalmen gebogen en hutten als najaarsbladeren verstrooid werden en ons zendingshuis, indien het al bleef staan, soms met één slag van het dak met zijne bedekking beroofd werd! Wel hem, die in zulke tijden een goeden barometer heeft, om hem de nadering van den storm te voorspellen, of nog beter, een grooten kelder als de onze, vier en twintig voet lang en zestien voet breed, van solide koraalblokken gebouwd, waar goederen geborgen kunnen worden en waarin ook al de bewoners kunnen vluchten, wanneer de wervelwind het huis heen en weder slingert, en reusachtige boomen als rietstengels buigt.
Wij moesten ook beproeven een kalkoven te maken, hetgeen bleek een van de moeilijkste dingen te zijn, die wij te doen hadden. Het soort van koraal, dat wij noodig hadden, kon slechts op ééne plaats verkregen worden, op ongeveer drie mijl afstand. Terwijl ik in mijn boot voor anker lag, doken de Inboorlingen in de zee, sloegen met hamer en breekijzer stukken van de rots, die zij mij aanbrachten, zoolang totdat ik mijne lading had. Dan brachten wij het naar land, en spreidden het in de zon uit, om het daar gedurende een paar weken te laten uittrekken. Toen wij zoo twintig of dertig ladingen hadden gehaald, moesten wij het naar het zendingshuis vervoeren en werd er een diepe put in den grond gegraven, waarin wij van onderen droog hout stapelden en daarop kreupelhout tot eene hoogte van verscheidene voeten, en boven op dit alles werden de koraalblokken ordelijk uitgespreid. Toen deze stapel zeven k tien dagen had gebrand, was het koraal in uitmuntende kalk veranderd en het pleisterwerk, daarmede gemaakt, blonk als marmer.
Op een van onze tochten volvoerden de Inboorlingen een buitengewoon kunststuk. De boot met hare lading koraal werd door hevigen golfslag tegen de rots geslagen, zoodat er een gat in gestooten werd. Zoo vlug als de gedachte was de geheele bemanning in zee en tot mijne verwondering tilden zij de boot op en droegen haar op één schouder, terwijl zij haar met ééne hand vasthielden en met de andere zwommen, en ons op die wijze gelukkig aan land brachten. Aan land gekomen, werden wij op het strand gesleept en moesten vier vervelende dagen doorbrengen met het halen van planken, spijkers en werktuigen tot herstel van ons vaartuig. Iedere boot, die deze zeeën moet bevaren, moest van cederhout gemaakt en met koper beslagen zijn, hetgeen in het eind op verre
244
NEDERZETTING OP ANIWA.
na het goedkoopste zou blijken te zijn. En alle huizen moesten gebouwd worden van hout, dat vol hars is, daar de groote, witte mieren niet alleen alle ander zacht hout verslinden, maar zelfs de blauwe gomboomen, den harden kokosboom en ook vensters, tafels en stoelen doorknagen 1
Wanneer ik aan al dezen arbeid terugdenk, verheug ik er mij in, dat onze tegenwoordige zendelingen dit alles niet meer behoeven te doen. Nu komen er huizen voor hen uit koloniën, geheel gereed om opgezet te worden. Zinken daken en allerlei verbeteringen zijn aangebracht geworden. De Synode benoemt eene commissie, om den jongen zendeling te vergezellen naar zijn zendingspost en hem te helpen het huis te zetten. Zoo worden zijne krachten gespaard tot hooger doeleinden en niet zelden wordt met de goederen ook zijn leven gespaard.
Ik wil dit hoofdstuk besluiten met een voorval, dat, ofschoon het ons eerst jaren daarna ter oore kwam, in nauw verband staat met onze nederzetting op Aniwa. In het eerst hadden wij er geen begrip van, waarom ons zoo bepaald een zeker gedeelte van het eiland geweigerd werd, terwijl wij een ander stuk gronds, dat zij zeiven verkozen, moesten nemen. Maar nadat het bejaarde opperhoofd, Namakei, christen was geworden, sprak hij eens in onze tegenwoordigheid het volk in dezer voege aan:
»Toen Missi kwam, zagen wij zijne koffers. Wij wisten, dat hij dekens en katoen, bijlen en messen, vischtuig en al zulke dingen bij zich had. Wij zeiden: »Laten wij hem niet wegjagen, anders zullen wij al deze dingen verliezen. Wij zullen hem aan land laten komen, maar wij zullen hem noodzaken, om op den heiligen grond te wonen. Onze goden zullen hem dan dooden en wij zullen al zijne bezittingen onder ons ver-deelen.quot;
En Missi bouwde zijn huis op de heilige plaats. Hij leefde daar met de menschen, die hij bij zich had, maar de goden sloegen hen niet. Hij plantte er bananas, en wij zeiden: «Wanneer zij nu hiervan eten, zullen zij allen dood nedervallen, gelijk onze vaders ons verzekerden, dat met ieder zou gebeuren, die vruchten van deze plaats at, behalve onze priesters.quot; Deze bananas werden rijp. Zij aten er van. Wij hielden dagen lang de wacht, maar niemand stierf. Daarom, hetgeen wij zeiden en hetgeen onze vaders zeiden, bliikt niet waar te zijn. Onze goden kunnen hen niet dooden. Hun Jehovah God is sterker dan de goden van Aniwa.quot;
Ik voegde hier eenige woorden bij, om hetgeen Namakei gelegd had, te versterken, en vertelde hun, dat het de levende en ware en eenige God was, die hun iederen zegen, dien zij bezaten, had geschonken, ofschoon zij dit niet wisten, en die ten laatste ons gezonden had, om hen te leeren, hoe zij Hem konden dienen en liefhebben en Hem behagen. Zij luisterden met verwondering en ernst, toen ik hen vertelde, dat Jezus, de Zoon van dezen God, geleefd had en gestorven was en naar Zijn Vader was gegaan, om hen te redden, en dat Hij hen nu bij de hand wilde nemen en hen door dit leven wilde heenleiden, om hen daarna bij Zich in eene heerlijke onsterfelijkheid op te nemen.
Het bejaarde opperhoofd ging hen voor in het gebed; het was een vreemd, duister, dwalend gebed, iedere gedachte en volzin was met uitingen van het heidendom doormengd, maar toch een hartroerend gebed, zooals het daar opwelde uit de ziel van iemand, die eens een kannibaal geweest was, maar in wiens hart nu de eerste bewuste polsslagen klopten van den Geest van Christus in de woorden: »Vader, Vader, onze Vader!quot;
Wanneer deze arme schepsels een stuk katoen of een voorschoot be-
245
NEDERZETTING OP ANIWA.
246
gonnen te dragen, was dit het uitwendig teeken van eene verandering, ofschoon zij nog verre van beschaafd waren. En wanneer zij begonnen op te zien en te bidden tot Iemand, dien zij »Vader, onze Vader!quot; noemden, ofschoon zij nog ver, zeer ver verwijderd waren van het t3\'pe van christendom, dat zichzelven als zeer achtenswaardig beschouwt, welden tranen in mijn oog op, en sprong mijn hart op van vreugde; en niemand zal mij ooit er van overtuigen, dat er ook niet een Goddelijk Hart in den hemel was, dat zich evenzeer verblijdde.
Navalak en Nemeyan op Aniwa. — Taia, de »Redenaarquot;. — De twee volgende Aneityumeesche onderwijzers. — In de armen der moordenaars. — Onze eerste bekeerlingen op Aniwa. — Litsi Soré. — Door toortsen omringd. — Overleveringen betreffende de schepping, den val en den zondvloed. —• Kindermoord en vrouwenmoord. — Laatste lieidensche dansen. — Nelwangs ontvoering van zijne bruid. — Bruidstooi van Vakin. — De Geest van Christus tegenover den oorlogsgeest. — Het heidendom ontvangt een gevoeligen slag. — Redevoeringen op Aniwa. — Het graven van een put- — quot;Missi\'s hoofd op hol.quot; — quot;Water! levend water!quot; — Prediking van het bejaarde opperhoofd over »regen van benedenquot;. — De afgoden weggeworpen. — Nieuwe maatschappelijke instellingen. — De kracht van het heidendom gebroken.
\'quot;Toen wij in November 1866 op Aniwa landden, vonden wij de Inboorlingen aldaar óf zeer schuw en onbetrouwbaar, óf vrijpostig en aanmatigend. Kleeding werd er niet gedragen, maar de getrouwde en meer bejaarde vrouwen droegen voorichooten van gras, gelijk Adam en Eva in den hof van Eden. Het bejaarde opperhoofd stelde belang in ons en in ons werk; maar het meerendeel der bewoners toonde meer belangstelling in de bijlen, messen, vischtuigen, stukken rood katoen en dekens, die zij in betaling kregen voor hun werk of voor hunne bananas. In het eerst wilden zij tegen betaling nog niet eens werken, en waren zeer onredelijk en spoedig beleedigd; bij iedere denkbeeldige beleediging liepen zij oogenblikkelijk van ons weg.
Eens, onder anderen, kwam er een opperhoofd om medicijnen. Ik was zoo druk bezig, dat ik hem eenige oogenblikken moest laten wachten. In groote woede liep hij nu heen, met bedreiging van zich te zullen wreken, terwijl hij mompelde: »Ik moet terstond geholpen worden. Ik wil niet op hem wachten!quot; —- Zoo veeleischend is een naakte Wilde! 1 Kort voor onze aankomst was een Aneityumeesch onderwijzer op Aniwa gedood. De omstandigheden, waaronder dit gebeurde, doen een blik slaan op, wat men bijna zou kunnen noemen, hun wraakgodsdienst. Vele jaren geleden waren eenige Inboorlingen van Aniwa een vriend-schapsbezoek gaan afleggen op Aneityum, maar de bewoners van Anei-tyum, toen nog Wilden, vermoordden hen allen op ée\'n na, die zich in het bosch wist te verbergen. Daar leefde hij van kokosnoten, en wachtte
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
een gunstigen wind af, om zijn kano te water te laten, waarna hij veilig op zijn geboortegrond aankwam. Toen hij zijne vreeselijke geschiedenis op Aniwa vertelde, waren zijne landslieden woedend en zwoeren wraak te zullen nemen.
De zeereis van vijf en veertig mijlen bleek echter een te groote hinderpaal te zijn, daarom maakten zij een diep gat in de aarde en zwoeren deze opening van jaar tot jaar te vernieuwen, totdat de dag der wraak gekomen was. Zoo bleef de herinnering aan deze gebeurtenis bijna tachtig jaar voortleven.
Ten laatste kwamen de Aneityumeezen tot de kennis des Heeren Jezus. Zij verlangden sterk het zaligmakend Evangelie aan de heidenen, die de eilanden rondom hen bewoonden, bekend te maken. Onder tranen en ernstig gebed tot God verkozen zij, gelijk de gemeente van Antiochië, twee hunner aanvoerders, nam. Navalah en Nemeyan, om als Inlandsche onderwijzers naar Aniwa te gaan, ten einde daar te evangeliseeren; terwijl anderen naar Fotuna, Tanna en Erromanga gingen, naarmate zich de gelegenheid daartoe voordeed. Namakei, het voornaamste Hoofd op Aniwa, had beloofd hen te beschermen en vriendelijk voor hen te zijn. Maar na eenig tijdsverloop kwam men op Aniwa tot de ontdekking, dat de onderwijzers tot denzelfden stam behoorden, en een hunner zelfs tot dezelfde streek, waar lang geleden de bewoners van Aniwa waren vermoord. De onderwijzers hadden van het eerste oogenblik af het gevaar gekend, maar verlangden vurig het Evangelie op Aniwa bekend te maken. Er werd besloten, dat zij zouden sterven. Maar men had op Aniwa beloofd, hen te beschermen, en zoo schrikte men er voor terug, hen met eigen hand te dooden. Nu werden er twee mannen van Tanna en een opperhoofd van Aniwa, waarvan een der ouders uit Tanna afkomstig was, gehuurd, om de onderwijzers te overvallen en dood te schieten, toen zij op een Zondagmiddag van hun Evangelisatie-tocht door de dorpen terugkeerden. Hunne geweren gingen niet af, maar de moordenaars vielen met hunne strijdbijlen op hen aan, en lieten hen voor dood liggen.
Nemeyan was dood en nam op dien dag zijne plaats in onder de Martelaren. De arme Navalak ademde nog, en het opperhoofd Namakei bracht hem naar zijn dorp en verzorgde hem vriendelijk. Hij smeekte zijn volk de wraak als voldaan te beschouwen en Navalak, wanneer hij hersteld zou zijn, naar zijn eiland terug te zenden; de Geest van Christus was begonnen te werken in die verduisterde ziel! Navalak werd aanzijn volk wedergegeven, en leeft nog als een hooggeplaatst opperhoofd op Aneityum en eene eer voor de gemeente Gods, in zijn lichaam dragende »de merkteekenen van den Heer Jezus.quot; In later jaren heeft hij Aniwa nog dikwijls bezocht en God verheerlijkt met het volk, dat eens naar zijn bloed gedorst had, en hem aan den weg voor dood had laten liggen.
Voor een tijd was Aniwa nu zonder getuigen voor Jezus, daar de onderwijzers van het Londensch zending-genootschap, die vreeselijk geleden hadden door gebrek aan voedsel en door de koorts, ook van daar vertrokken waren. Maar toen een zendingschip eens het eiland bezocht, zond Namakei zijn redenaar Taia naar Aneityum, om daar mede te deelen, dat de wraak nu voldaan was, het gat in den grond dichtgemaakt en een kokosboom geplant op de plaats, waar het bloed van de onderwijzers vergoten was, en dat voortaan niemand van Aneityum door lieden van Aniwa zou gedood worden. Verder moest hij om meer onderwijzers verzoeken, en uit naam van zijn Hoofd beloven, dat zij goed ontvangen en beschermd zouden worden. Zij kenden het Evangelie niet en verlangden het ook niet te leeren kennen, maar wat zij verlangden was een vriend-
248
TEGENOVJSR HEi\' HEIDENDOM.
schappelijken omgang met Aneityum, waar koopvaardijschepen binnenliepen en van waar zij matten, manden, dekens en ijzeren werktuigen hoopten te verkrijgen. Ten laatste boden zich weder twee Aneityumeezen, Kangaru en Nelmai, aan, om naar Aniwa te gaan, en werden bij de zendelingen op Aniwa met hunne familiën gehuisvest, de eene bij Na-makei en de andere aan de zuidzijde van het eiland, om de banier van het christelijk leven voor hunne heidensche naburen te dragen.
Taia, die met deze opdracht naar Aneityum was gegaan, was een flink spreker en ook een zeer slim man. Hij was de aangestelde ^redenaarquot; van het bejaarde opperhoofd bij alle plechtige gelegenheden, daar hij groot en statig van voorkomen was en aangename manieren bezat. Tijdens de reis naar Aneityum rookte hij voortdurend en maakte alles rondom zich onaangenaam. Toen hem gevraagd werd aan boord niet te rooken, verzocht hij den zendeling hem nu en dan een haaltje te laten doen, totdat de tabak, die hij in zijne pijp had, opgerookt zou zijn, daarna zou hij haar nederleggen. Maar gelijk het meel van de weduwe, zoo verminderde ook gedurende de geheele reis naar Aneityum de tabak in de pijp niet, iets, waarover de onschuldige Taia de grootste verwondering aan den dag legde!
De twee onderwijzers en hunne vrouwen waren op Aniwa, toen wij daar aankwamen, niet veel beter dan slaven, die in den dienst van hunne meesters werkten en in voortdurende vrees leefden van vermoord te worden. Zij hielden eene godsdienstoefening in het Aneityumeesch, terwijl de lieden van Aniwa rookend en pratend rondom hen lagen te wachten, tot het afgeloopen was. De taal van Aniwa was nooit in geschreven vorm voorgesteld en natuurlijk was er dus nooit een boek in die taal verschenen. De onderwijzers en hunne vrouwen hadden Vrijdags en Zaterdags hard werk, om voedsel voor de Inboorlingen gereed te maken, die na de zoogenaamde godsdienstoefening met elkander feest hielden en zich vrien-schappelijk onderhielden. Wij maakten onmiddellijk een eind aan deze feestviering op Zondag. Dit maakte hen boos en op wraak bedacht. Zij vraagden zelfs voedsel, enz. in betaling voor het bijwonen van de godsdienstoefening, hetgeen wij altijd bepaald weigerden. Ongetwijfeld was echter het machtig contrast door het leven, het karakter en de stemming van deze godvreezende onderwijzers ten toon gespreid, het zaad geweest, dat in later dagen vrucht droeg, — ofschoon nu nog geen enkel man van Aniwa uit eerbied voor de beschaving kleederen was gaan dragen en zij nog minder er toe gebracht waren, om den Zaligmaker te kennen en lief te hebben.
Ik kon nu een weinig tot hen spreken in hunne eigene taal, en dus begon ik geregeld hunne dorpen te bezoeken, om hen van Jezus en Zijne liefde voor zondaren te vertellen. Gewoonlijk was ik vergezeld van mijne lieve vrouw en een Aneityumeesch onderwijzer en dikwijls ook door eenige bevriende Inboorlingen. Wij trachtten hen ook over te halen, om ons beschaduwd kerkje te komen bezoeken. Nasi en sommige van de slechtste individuen zaten dikwijls niet ver van daar ons te dreigen of volgden ons met geladen geweren. Terwijl wij iedere voorzorg, die mogelijk was, namen, gingen wij toch voort met ons werk, soms aan de jongens en meisjes wat kralen en vischtuig gevende, om hen daardoor te bewijzen, dat onze beweegredenen vriendelijk en niet zelfzuchtig waren. Door zulke bezoeken wonnen wij hun vertrouwen.
En ofschoon onze harten somtijds in ons beefden, als wij ons in de onmiddellijke tegenwoordigheid van den dood waanden, toonden wij tegenover hen niet de minste vrees, en lieten alles in de handen van Jezus
249
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
over. Dikwijls heb ik mij in de armen van den een of anderen Wilde moeten werpen, wanneer zijne strijdbijl opgeheven, of zijn geweer op mijn hoofd gericht was, en onder vurig gebed tot Jezus, moest ik hem dan zoo stijf vasthouden, dat hij niet kon slaan noch schieten, totdat zijne woede bekoeld was en ik kon ontsnappen. Dikwijls heb ik ook den op mij gerichten loop gegrepen en opwaarts gericht, of met mijn aanvaller pleitend, zijn geweer in de worsteling hem ontrukt. Op andere tijden kon er soms niets gezegd noch gedaan worden, maar zagen wij in stil gebed tot God op, om ons te bewaren, of ons thuis te halen in Zijne Heerlijkheid. Hij vervulde Zijne belofte; »Ik zal u niet begeven noch u verlaten.quot;
De eerste bewoner van Aniwa, die tot de kennis van den Heer Jezus kwam, was het bejaarde opperhoofd Namakei. Wij hadden ons op zijn land metterwoon nedergezet, daar dit nabij ons klein haventje was, en omdat hij en zijn volk over het algemeen het vriendelijkst gezind waren, ofschoon zijn eenige broeder, de priester van den stam, mij tot tweemaal toe trachtte dood te schieten. Namakei kwam veel bij ons in het zendingshuis en hielp ons de taal te leeren. Hij ontdekte, dat wij \'s morgens en \'s avonds thee dronken. Toen wij hem een kopje thee en een sneedje brood gaven, smaakte dat hem wel en hij liet allen, die er om heen stonden, daarvan proeven. In het eerst kwam hij misschien om de thee, en verdween kort daarna; maar zijne belangstelling klom gaandeweg, totdat hij een groot genoegen er in ging vinden, ons op alle wijzen van dienst te zijn. Gelijk met hem en als zijne metgezellen, kwamen ook het opperhoofd Naswai, en zijne vrouw Katua ons bezoeken. Deze drie groeiden te zamen op in de kennis des Heeren. Van woeste kannibalen veranderden zij voor onze oogen, onder den invloed des Evangelies, in edele en beminnenswaardige menschen; zij en wij beminden elkander zeer.
Namakei bracht mij zijn dochtertje, een eenig kind, de koningin van haar stam, Litsi Soré (Litsi, de groote) genoemd, zeggende: sik wil mijne Litsi bij u laten; gij moet haar opvoeden voor Jezus.quot;
Zij was een zeer verstandig kind, leerde allerlei dingen even spoedig als eenig blank meisje en werd weldra eene hulp voor mijne echtgenoote. Toen de eenige broeder van het opperhoofd, de priester, die mij tweemaal had willen dooden, zijn nichtje gekleed zag, vond hij, dat zij er zoo heel aardig uitzag, en hij bracht mij ook zijn dochtertje, Litsi Sisi (de kleine) opdat ik haar even als haar nichtje zou opvoeden. De moeders van beide kinderen waren gestorven. Deze kinderen vertelden natuurlijk alles over, wat zij zagen en al wat wij haar leerden, en zoo werd de belangstelling van de vaders in ons werk steeds levendiger, en het Evangelie werd wijd en zijd verspreid. Spoedig werden ons al de weezen toevertrouwd, wier voogden zich van hen wilden ontslaan, en ons huis werd letterlijk de school van Christus; de jongens leerden mij in al mijne ondernemingen de behulpzame hand bieden, en de meisjes leerden mijne vrouw helpen, en werden door haar beschaafd en onderwezen; en velen van hen groeiden op tot toegewijde onderwijzers en Evangelisten.
Met onze godsdienstoefeningen des Zondags was het eerst treurig gesteld. Ieder man kwam gewapend, hetgeen niet te verwonderen was, daar daar zij zelf sliepen met de wapenen aan hunne zijde, en boog en pijlen, speer en strijdbijl, knots en geweer altijd tot gebruik gereed waren. Op mooie dagen vergaderden wij onder de boomen, op regenachtige in eene Inlandsche hut, voor ons doel geschikt gemaakt. Een of twee der aanwezigen schenen dan te luisteren, maar de meesten lagen op hun rug of op een hunner zijden te rooken, te praten of te slapen! Toen wij het
250
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
feest, dat na het eindigen van den dienst volgde, afschaften, werd ons gehoor verminderd tot op twee of drie personen; maar deze kwamen werkelijk om te leeren en er begon nu terstond een beteren toon te heerschen gedurende de godsdienstoefening. Wij hadden hen medegedeeld, dat het tot hun nut was, dat wij hen onderwezen en dat zij geene betaling zouden krijgen voor het bezoeken van Kerk en School; waarop het grootste gedeelte zeer vertoord heenging, alsof zij zeer slecht behandelde personen waren. Anderen, die meer koopmansgeest bezaten, kwamen hunne afgoden te koop aanbieden, en toen wij ze niet wilden koopen, maar hen zeiden, dat zij ze moesten opgeven en wegwerpen uit liefde tot Jezus, namen zij ze weer mede, zeggende, dat zij niets te doen wilden hebben met dezen nieuwen godsdienst.
Te midden van onze menigvuldige beproevingen en gevaren in de eerste tijden op Aniwa, waarschuwden onze kleine weezen ons dikwijls in het geheim en redden ons leven van menigen wreeden aanslag. Wanneer onze vijanden dan in groote woede vraagden, wie ons dit had medegedeeld, zeide ik altijd: »Een vogeltje uit het bosch.quot; Zoo kregen de lieve kinderen volkomen vertrouwen in ons. Zij wisten, dat wij hen niet zouden verraden; en zij beschouwden zich als de beschermers van ons leven.
De opgewondenheid steeg aan alle zijden, toen eenige mannen openlijk hunne afgoden opgaven. Den eenen morgen na den anderen merkte ik op, dat groene kokosbladeren aan het einde tegen ons huis gestapeld waren en verwonderde mij, of dit uit eenig heidensch bijgeloof geschiedde. Maar eens op een nacht klopte het bejaarde opperhoofd bij mij aan en zeide: »Sta op, Missi, en help! De heidenen beproeven uw huis in brand te steken. Den geheelen nacht hebben wij hen verhinderd, maar zij zijn velen en wij zijn weinigen. Sta schielijk op en zet eene lamp voor ieder venster. Laat ons tot Jehovah bidden en luid spreken, alsof wij met veel personen zijn. God zal ons sterk maken.quot;
Ik bevond, dat zij al de emmers op mijn grond reeds vol water hadden, en dat het omliggend bosch vol Wilden was met brandende toortsen in de hand; en vernam nu ook, dat de onderwijzers en andere vriendelijke Inboorlingen zich tegen den dauw beveiligden onder de groote kokosbladeren, die ik gezien had, wanneer zij des nachts de wacht over ons hielden. Voortaan ging ik met hen op wacht staan, en wij wisselden elkander af na een bepaald aantal uren. Maar zij vergaderden met elkander en zeiden : »Indien onze Missi in den donker doodgeschoten of verwond wordt, over wien zullen wij dan wacht houden? Wij moeten Missi verzoeken, om \'s nachts in huis te blijven.quot;
Ik gaf in zooverre aan hun raad gehoor; maar ging toch meermalen onder hen, om hen aan te moedigen, als zij op wacht waren.
In een van de eerste dagen op Aniwa gebeurde er iets, dat mij deed denken aan eene overlevering omtrent den zondeval, die in hen voortleefde. Toen wij de hut verlieten, om ons in ons nieuwe huis te vestigen, nam Tupa de verlaten hut tot slaapplaats, ofschoon zij tevens bij de Inboorlingen dienst bleef doen als gerechtshof, vergaderplaats, enz. Op een morgen bij het aanbreken van den dag kwam deze Tupa in groote opgewondenheid tot ons, zwaaide vreeselijk met zijne knots, terwijl hij uitriep: »Missi, ik heb den Tebil gedood! Ik heb Teopolo gedood! Hij kwam gisterenavond, om mij te grijpen. Ik riep al het volk bijeen, en wij bevochten hem rondom het huis met onze knotsen. Bij het aanbreken van den dag kwam hij te voorschijn, en ik doodde hem. Nu zullen wij geen slecht gedrag of moeielijkheden meer hebben. Teopolo is dood.quot;
251
252
Ik zeide: »Welk eene dwaasheid! Teopolo is een geest en kan niet gezien worden.\'\'
Maar in dolle opgewondenheid hield hij vol, dat hij hem gedood had. Op raad van mijne echtgenoote ging ik met den man mede, en hij leidde mij naar eene groote, heilige koraalrots dicht bij onze oude hut, waarover het doode lichaam van eene reusachtige en schoone zeeslang hing en riep uit: sDaar ligt hij! Ik heb hem werkelijk gedood!quot;
Ik sprak nu; »Dat is de duivel niet; het is slechts het lichaam van eene slang.quot;
Maar de man antwoordde terstond; »Wel, dat is hetzelfde! Hij Is Teopolo. Hij maakt ons slecht en veroorzaakt al onze ellende.quot;
Door nauwkeurig onderzoek naar deze zaak, zoowel toen als later, bevond ik, dat zij de ellende en het lijden van den mensch eenigermate in verband beschouwden met de slang. Zij vereerden de slang, als een geest des kwaads, onder den naam van Matshiktshiki; dat is te zeggen, zij leefden in lage vrees voor zijn invloed, en hun geheele godsdienst bestond daarin, dat zij zijne woede tegen den mensch zochten te verzoenen.
Hun scheppingsverhaal, ten minste het verhaal van den oorsprong van hun eigen eiland Aniwa en de omliggende eilanden, is iets, dat meer uit hun eigen brein is voortgekomen. Zij zeggen, dat Matshiktshiki deze landen uit de zee heeft opgevischt, en zij toonen de diepe indrukken van zijne voetstappen in de koraalrotsen, tegenover ieder eiland waarop hij stond, als hij het met veel inspanning boven het water ophief. Toen wierp hij zijn groot vischtouw rondom Fotuna, op zes-en-dertig mijlen afstands, om het naar Aniwa te trekken en er één land van te maken; maar terwijl hij stond te trekken, viel hij in zee en zoo zijn de eilanden tot heden toe afzonderlijk gebleven.
Matshiktshiki plaatste mannen en vrouwen op Aniwa. Aan de zuidzijde van het eiland was eene schoone bron en eene rivier van frisch water, met vruchtbaar land in den omtrek voor plantages. Maar de menschen wilden niet doen, wat Matshiktshiki verlangde, daarom werd hij boos en scheide het schoone gedeelte met de bron en de rivier van Aniwa af, en zeilde er mede naar Aneityum, waar hij dit vruchtbare stuk gronds bijvoegde op de plaats, waar Dr. Inglis sedert zijn schoonen zendingspost heeft ingericht. Tot op dezen dag wordt de rivier »het water van Aniwaquot; genoemd door de bewoners van beide eilanden, en het is de vurige begeerte van al de Aniwans, om Aneityum te bezoeken en te drinken uit die bron en die rivier, terwijl zij zuchtend tot elkander zeggen; «Helaas! dit zijn de wateren van Aniwa!quot;
Hunne schildering van den zondvloed is even wonderlijk. Lang geleden toen de vulkaan, die op Tanna is, een deel van Aniwa uitmaakte, begon de regen dag aan drg bij stroomen neder te vallen en de zee steeg tot eene verbazende hoogte en dreigde alles te bedekken. Alle menschen verdronken, behalve eenigen, die op den vulkaan waren geklommen. De zee had reeds den anderen vulkaan aan de zuidzijde van Aniwa uitgedoofd, en Matshiktshiki, die den grooten vulkaan bewoonde, en bevreesd was, dat zijn groot vuur ook uitgedoofd zou worden, scheidde het van Aniwa, met al het land aan de zuid-oostzijde en liet het naar Tanna drijven, op de toppen der golven. Daar hief hij den vulkaan door zijne groote kracht op en plaatste hem op den hoogsten berg van Tanna, waarop hij tot op dezen dag staat; want, toen het water van de zee gezakt was, was hij niet in staat, om zijn groot vuur naar Aniwa terug te voeren en zoo was dit tot straf voor de zonden, door het volk lang geleden bedreven, een zeer klein eiland geworden zonder vulkaan en zonder rivier
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
Zelfs daar, waar geene slangen gevonden worden, passen zij de overleveringen omtrent de slang toe op een grooten, zwarten, vergiftigen hagedis, kckvau genoemd. Zij noemen ze Teopolo\'s, en vrouwen en kinderen schreeuwen het uit van angst, wanneer zij er een zien. De Inboorlingen van verscheidene van onze eilanden hebben de vormen van den hagedis, van de slang, van den vogel en van het menschelijk gelaat diep in het vleesch van hunne armen ingesneden. Wanneer de insnijdingen beginnen te genezen, scheuren zij ze weer open, duwen de huid achteruit en halen het vleesch op, totdat de figuren boven de huid uitsteken en daar als afschuwelijk teeken gedurende hun geheel volgend leven zichtbaar blijven. Wanneer zij christen worden en kleederen beginnen te dragen, doen zij zeer hun best, om deze overblijfselen van het heidendom aan het oog te onttrekken.
De afschuwelijkste smet, die aan het heidendom kleeft, is het dooden van kinderen. Slechts drie gevallen kwamen ons ter oore op Aniwa; maar wij veroordeelden deze wijze van doen in het openbaar en bij alle gelegenheden, en wekten niet alleen het natuurlijk gevoel, maar ook de zelfzuchtige belangen van het volk op, tot de bescherming der kinderen. Deze drie waren de laatsten, die door de handen hunner ouders werden omgebracht. Een jong echtgenoot, die jaloersch op zijne vrouw was geweest, begroef hun zoontje levend, zoodra het geboren was. Eene vrouw van Tanna, die geene kinderen in leven had, en aan wie ten laatste een flinke, gezonde jongen geboren werd, wierp hem in zee, voordat iemand het haar kon beletten. Een Wilde, die vertoornd was tegen zijne vrouw, greep haar haar zuigeling uit de armen, verborg zich met het kind in het bosch tot aan den avond, en kwam alleen terug, terwijl hij geene andere uitlegging wilde geven dan dat het kind dood en begraven was. God zij geloofd, deze drie moordenaars van hunne eigene kinderen werden langzamerhand getroffen door de liefde van Jezus; zij werden christenen en elk hunner nam kleine weeskinderen tot zich, die met de meeste liefde en teederheid door hen verpleegd werden.
Vrouwenmoord werd ook als iets zeer geoorloofds beschouwd. In een onzer dorpen in het Binnenland woonde een jong paar, in ieder opzicht gelukkig, behalve dat zij geene kinderen hadden. De man, een heiden, besloot eene andere vrouw, eene weduwe met twee kinderen, bij zich in huis te nemen. Hiertegen verzette zich zijne jonge vrouw natuurlijk. En zonder de minste waarschuwing, terwijl zij eene mand zat te vlechten, schoot hij een kogel uit zijn geladen geweer op haar af. De kogel vloog haar door den arm en bleef in de zijde zitten. Ik deed al wat in mijn vermogen was, om haar te redden; maar op den tienden dag verergerde haar toestand en zij stierf kort daarna. De man scheen gedurende al dezen tijd zeer oplettend voor haar te zijn, maar, een heiden zijnde, hield hij vol, dat zij geen recht had, zijne wenschen te wederstaan! Hij werd ook door zijn volk in geenen deele gestraft of minder geacht, maar hij ging als naar gewoonte onder hen uit en in, en nam de andere vrouw eenige weken daarna tot echtgenoote. Zijne tweede vrouw begon onze kerk en de school geregeld met hare kinderen te bezoeken; en later voegde hij zich bij hen, en werd klaarblijkelijk een geheel ander mensch. Zij hebben een groot huisgezin; zij komen er openlijk voor uit, dat zij hunne kinderen trachten op te voeden voor den Heer Jezus, en zij nemen nederig hunne plaats in aan des Heeren tafel.
Het zou zeker een wonderlijken indruk maken op vele zoogenaamde christenen, die in het woord »Machtig tot reddingquot; geene werkelijkheid zien, indien hun gezegd werd, dat negen of tien bekeerde moordenaars
253
254
met hen aanzaten aan de tafel des Heeren! Maar de Heer, die in het hart leest, en iederen geheimen beweeggrond gadeslaat, heeft misschien veel meer reden zich te ergeren aan de tegenwoordigheid van sommigen hunner. Berouw geeft toegang tot Gods harte. »Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.quot;
Onder de heidenen was een moordenaar dikwijls zeer geëerd, en indien hij er in slaagde, om hen, die zich op hem moesten wreken, schrik aan te jagen, werd hij zelfs soms tot opperhoofd verkozen. Iemand, die op die wijze verheven was tot hoofd van zijn dorp, was zoo gevreesd en werd zoo geëerbiedigd, dat een van onze jongens eens tot mij zeide: »Missi, ik wou, dat ik lang geleden geleefd had! Ik had dan een of ander groot man kunnen dooden en eer kunnen behalen. Als christenen hebben wij geene vooruitzichten. Waar zijn uwe strijders? Moeten wij dan altijd alledaagsche menschen blijven?quot;
Ik sprak hem over grootheid in den dienst van Jezus, over eer en heerlijkheid met onzen Heer. Deze jongen werd later een Inlandsch onderwijzer, eerst in zijn eigen dorp en daarna op een heidensch eiland, daar de Geest des Heeren een edeler pad voor zijne eerzucht had geopend.
De laatste heidensche dans op Aniwa was, hoe vreemd het ook klinken moge, ter eere van ons werk. Wij hadden het branden van kalk voor onze gebouwen in een grooten kalkoven juist geëindigd, en deze gebeurtenis werd aangemerkt als de moeite wel waard, om er een feest voor te vieren. Tot onze verwondering werd het luide gezang weldra gevolgd door het getrappel van vele voeten. Mannen, vrouwen en kinderen trokken ons voorbij, beschilderd en met vederen en takken versierd en gekleed op de meest fantastische wijze, ofschoon zij bijna geheel naakt waren, wat de kleedij der beschaving betreft. Zij marcheerden naar den dansgrond van het dorp en hun gezang, geschreeuw en gedans maakte op mij een afschuwelijken indruk. Zij dansten in groote cirkels om elkander heen, de mannen met elkander en de vrouwen met elkander, maar ik kan niet zeggen, dat de zaak voor een toeschouwer een onzinniger aanzien had dan de bals in het vaderland. Onze eilandbewoners hebben zich, wanneer zij christenen werden, altijd vrijwillig aan zulke tooneelen onttrokken en beschouwen dit dansen als onbestaanbaar met het volgen van den Heer Jezus.
Toen ik een der aanvoerders riep en hem vraagde, wat dit alles be-teekende, zeide hij: »Missi, wij verheugen ons over u en uw werk; wij zingen en dansen en prijzen onze goden daarvoor.quot;
Ik zeide hem, dat mijn Jehovah God vertoornd zou wezen, wanneer Zijne gemeente zoo met heidenschen afgodendienst werd vermengd. De arme, dwalende ziel was zeer teleurgesteld hierover, en vraagde: »Is het niet goed, Missi r Helpen wij u niet ?quot;
»Neen,quot; zeide ik; »het is niet goed. Ik erger mij aan uw gedrag. Ik ben hier gekomen, om u te leeren, deze dingen op te geven en Jehovah te dienen.quot;
Hij ging heen, riep zijne vrouw en al zijne vrienden, en zeide hun, dat Missi ontevreden was. Maar de anderen hielden uren lang vol, en waren zeer boos, dat ik geen feest voor hen aanrichtte en hen niet wilde betalen voor hun dansen! Geen andere dans werd ooit weder bij onzen zendingspost op Aniwa gehouden.
Wij hadden soms allerdwaaste ontmoetingen, veroorzaakt door de vreemde gewoonten en begrippen van het volk. Onder deze herinner ik mij nog levendig de geschiedenis van Nelwangs schaking van zijne bruid.
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
Ik was begonnen in mijne vrije uren het fondament te leggen voor twee kamers, die ik bij ons huis wilde voegen en gevoelde mij eenigszins ongerust door het zien van een welbekenden Wilde, die iederen dag rondom ons huis zwierf met zijne strijdbijl gewapend, en mij voortdurend gadeslaande bij mijn werk. Hij had kort voor onze aankomst op Aniwa een man gedood; hij was het ook geweest, die mijne vrouw had doen schrikken door plotseling tusschen onze kisten te voorschijn te komen, en die haar genoodzaakt had, het leven door de vlucht te redden. Toen ik hem met zijne strijdbijl in de hand zoo onrustbarend dicht in mijne nabijheid zag rondzwerven, groette ik hem en zeide: »Nelwang, wenscht gij mij te spreken?quot;
»Ja, Missi,quot; antwoordde hij; sindien gij mij nu wilt helpen, zal ik voor altijd uw vriend zijn.quot;
»Ik ben uw vriend,quot; antwoordde ik. »Dit bracht mij hier en doet mij hier blijven.quot;
»Ja,quot; zeide hij zeer ernstig, »maar ik wilde, dat gij een krachtig vriend voor mij wildet zijn, en dan zou ik ook een krachtig vriend voor u zijn!quot;
»Welnu,quot; sprak ik, ^waaraan kan ik u helpen.quot;
Hij antwoordde schielijk: »Ik verlang een huwelijk te sluiten, en daartoe heb ik uwe hulp noodig.quot;
»Nelwang,quot; zeide ik nu, »gij weet, dat de huwelijken hier altijd in de kindsheid gesloten worden, daar de kinderen gekocht en verloofd worden aan hunne toekomstige echtgenooten. Hoe kan ik daartusschen komen? Verlangt gij iets kwaads over mij en mijne vrouw en kind te brengen? Het kon ons het leven kosten.quot;
»Neen, neen, Missi!quot; hernam Nelwang ernstig. »Niemand hoort hiervan iets, of kan er iets van hooren. Help mij nu maar alleen. Zeg mij, hoe gij in mijne omstandigheden zoudt handelen.quot;
»Dat is zeker zeer eenvoudig,quot; antwoordde ik. »Ieder man weet, hoe hij in zulke zaken moet handelen, indien hij eerlijk wil zijn. Gij zoekt uwe geliefde op, en zoekt uit te vinden, of zij u bemint; de rest zal natuurlijk volgen — gij zult haar huwen.quot;
»Ja,quot; zeide Nelwang, «maar juist hier begint mijn bezwaar!quot;
»Kent gij de vrouw, die gij zoudt willen hebben?quot; vraagde ik, hem daardoor tot eene nadere verklaring willende brengen.
«Ja,quot; zeide hij openhartig, sik wenschte Yakin, de weduwe van het opperhoofd van een dorp in het binnenland te trouwen, en dat zal geene verloving uit de kindsheid verbreken.quot;
»Maar,quot; ging ik voort, »weet gij, dat zij u bemint en u tot echtgenoot zou willen hebben ?quot;
»Ja,quot; antwoordde Nelwang; »eens ontmoette ik haar op den weg en zeide haar, dat ik haar gaarne tot vrouw zoude willen hebben. Zij deed hare oorringen af en gaf ze mij; daaraan weet ik, dat ze mij lief heeft. Ik was een van de strijders van haar overleden echtgenoot; en indien zij een van de anderen liever had gehad dan mij, zou zij ze aan een ander gegeven hebben. Met de oorringen gaf zij mij haar hart.quot;
»Maar waarom trouwt gij dan niet met haar?quot; sprak ik.
»Wel,quot; zeide Nelwang ernstig, »hierin ligt nu juist mijne moeielijkheid. In haar dorp zijn dertig jonge mannen, waarvoor geene vrouwen aanwezig zijn. Teder hunner wil haar hebben, maar niemand heeft den moed haar te nemen, want de andere negen en twintig zullen hem doodschieten!quot;
«En indien gij haar neemt,quot; viel ik hierop in, »zal het teleurgestelde dertigtal u dooden.quot;
»Dat is het juist, waarvoor ik vrees, Missi,quot; vervolgde Nelwang; »en
355
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
nu wilde ik, dat gij u eens in mijne plaats wildet stellen en mij vertellen, hoe gij haar zoudt wegvoeren. U, Blanken, gelukt altijd alles. Missi, hoor mijne plannen aan en geef mij raad.quot;
Met een gelaat zoo ernstig als mogelijk was, moest ik naar Nelwang luisteren, mij in zijne liefdeszaak mengen en voorstellen doen, om bloedstorting en andere ellende te voorkomen. De uitslag van deze beraadslagingen was, dat Nelwang twee vrienden in zijn vertrouwen zou nemen, zijn broeder en den redenaar Taia, en die beiden aan de beide uiteinden van de koraalrotsen, die het dorp omgeven, op wacht zou zetten; dat hij met zijne Amerikaansche strijdbijl achter in de omheining eene opening zou maken en zijne bruid in het holst van den nacht zou ontvoeren en haar in veiligheid in het bosch zou zien te brengen. Nelwangs oogen schitterden, als hij zijne strijdbijl in een boom wierp en uitriep: »Ik begrijp het nu, Missi! Ik zal haar van hen allen winnen. Yakin en ik zullen ons leven lang uwe getrouwe vrienden zijn.quot;
Den volgenden morgen werd Yakins huis verlaten gevonden. Men zond naar al de dorpen in den omtrek, maar niemand had haar gezien. Toen werd de opening in de omheining ontdekt en de dertig jonge lieden fluisterden elkander toe, dat Yakin door een moedig minnaar was ontvoerd geworden. Nu werden boodschappers naar al de dorpen gezonden en men bevond, dat Nelwang op denzelfden nacht als de weduwe verdwenen was, en geen van beiden kon men op het spoor komen.
De gewone wraak werd genomen. De huizen van de overtreders werden verbrand, hunne omheiningen verbroken en al hunne eigendommen verdeeld. Niemand deed eenig werk en het teleurgestelde dertigtal troostte zich met feestvieren op Yakins kosten. Op den derden dag verscheen ik op het tooneel der verwarring. Onze oude vriend Naswai stond de plundering aan te zien; ik wenkte hem en zeide onnoozel;
»Naswai, wat voeren uwe mannen hier toch uit? Wat wil toch al dit oproer?quot;
»Hebt gij het niet gehoord, Missi?quot; vraagde het opperhoofd. »Gehoord?quot; zeide ik. »Het geheele eiland heeft gehoord, hoe gij hier al drie dagen lang huis houdt. Ik kan niet met rust studeeren, noch met mijn andere werk voortgaan,quot;
»Missi,quot; zeide het opperhoofd. »Nelwang heeft Yakin, de rijke weduwe, ontvoerd en al de jonge lieden nemen daar wraak over.quot;
»0,quot; zeide ik, »is dat alles? Roep uwe mannen en laten wij eens met hen spreken.quot;
De mannen werden nu bijeengeroepen en ik zeide; »Is Yakin na al uwe vriendelijkheid voor haar en na al uwe oplettendheden sedert den dood van haar echtgenoot werkelijk weggeloopen en heeft zij u allen verlaten? Dan moogt gij wel blij zijn van zulk eene ondankbare vrouw ontslagen te zijn. Indien een van u allen met haar getrouwd was, en zij was dan later weggeloopen met dezen man, dien zij lief heeft, dan zou het vrij wat er^er zijn geweest. En maakt gij nu werkelijk zoo veel drukte om zulk eene vrouw, en vernielt gij daarom zooveel nuttig voedsel? Laat deze twee dwazen huns weegs gaan, en indien zij is gelijk gij haar beschrijft, zal hij er het slechtst aan toe zijn en zult gij genoeg gewroken worden. Ik raad u deze vruchtboomen te sparen, stil naar huis te gaan, hen elkander te laten straffen, en mij niet langer te hinderen in.mijn werk.quot;
Naswai herhaalde mijn verzoek.
»Missi heeft groot gelijk! Zoekt het voedsel bijeen. Wacht, tot wij iets van hun gedrag vernemen, en zien, hoe het met hen afloopt. Zij was al deze moeite en drukte niet waard!quot;
256
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
Drie weken gingen voorbij. De weggeloopenen waren nergens te vinden. Men geloofde algemeen, dat zij in eene kano naar Tanna of Erromanga gegaan waren. Maar op een morgen, toen ik mij buiten mijne woning alleen aan het werk begaf, verscheen de moedige Nelwang aan mijne zijde I
»Wel zoolquot; riep ik uit, »waar komt gij van daan! En waar is Yakin?quot;
»Dat moet ik u eigenlijk nog niet vertellen,quot; antwoordde hij. »Wij hebben ons verborgen. Wij hebben geleefd van kokosnoten, die wij des nachts verzamelden. Yakin is gezond en gelukkig. Ik kom nu mijne belofte vervullen. Ik wil u komen helpen en Yakin wil Missi Paton, de vrouw, helpen, en wij willen uwe vrienden zijn. Ik heb grond, die bebouwd en omheind kan worden, zoo spoedig wij daartoe in de gelegenheid zullen zijn; maar wij wilden nu bij u komen wonen, totdat de rust hersteld is. Wilt gij ons morgen ochtend bij u laten komen ?quot;
»Zeer goed,quot; zeide ik. »Komt morgen 1quot; En, bevend van vreugde, verdween hij weder in het bosch.
Zoo voorzag God ons op vreemde wijze van ongedachte hulp. Yakin leerde spoedig wasschen, allerlei arbeid verrichten en alles schoon houden en Nelwang diende mij als een getrouw aanhanger. Zij volgden ons als onze schaduw,gedeeltelijk uit vrees van aangevallen te zullen worden, gedeeltelijk uit gehechtheid, maar daar zij beiden geweer en strijdbijl goed konden hanteeren, welke wapenen, hoewel terzijde gelegd, nimmer ver verwijderd waren, had niet ieder vijand den moed, om Nelwang en zijne bruid aan te vallen. Nadat zoo eenige weken verloopen waren, en daar beiden belangstelling toonden in de dingen, die Jezus en het Evangelie betroffen, drong ik er sterk bij hen op aan, dat zij in het openbaar op Zondag in de kerk zouden verschijnen, om te toonen, dat zij besloten waren, om met elkander pal te staan als man en vrouw, en opdat de anderen in de zaak mochten leeren berusten ener mede verzoend worden. Langer uitstel zou nu nergens toe dienen, en ik wenschte den strijd en de onzekerheid ten einde gebracht te zien.
Nel wang kende onze gewoonten. Ieder bezoeker van de kerk moet gezeten zijn, wanneer onze bel ophoudt te luiden. De bewoners van Aniwa zouden zich schamen, om binnen te komen, nadat de godsdienstoefening begonnen was. Toen de bel ophield, kwam Nelwang, wetende, dat het pad nu vrij was, binnen; hij was gekleed in een hemd en een voorschoot, en hield vastberaden zijne strijdbijl omklemd. Hij zette zich zoo dicht bij mij neder, als hij met voegzaamheid doen kon, met moeite zijne ontroering verbergende. Even tegen mij glimlachend, keerde hij zich om en keek verlangend naar de deur, waardoor de vrouwen binnen kwamen en de kerk verlieten, alsof hij wilde zeggen: »Yakin komt 1quot; Maar zijne strijdbijl was dreigend op den schouder geheven en zijn moed gaf hem een uitdagend en bijna onbeschaamd uitzicht. Hij was klaarblijkelijk gereed zijn leven tot hoogen prijs te verkoopen, indien iemand van plan was, den strijd met hem aan te vangen.
Na eenige seconden trad Yakin binnen; en was Nelwangs houding en voorkomen reeds min of meer onbestaanbaar met het begrip van godsdienstoefening, toen de gedaante en het kostuum van Yakin zich aan ons oog vertoonden, terwijl zij het kerkgebouw binnen trad, wist ik niet, wat ik zou beginnen. Het eerste zichtbare onderscheid tusschen een heiden en een christen is, dat de christen eenige kleeding draagt en de heiden niet. Yakin had besloten den ernst van haar christendom te toonen door de hoeveelheid kleederen, die zij aan het lijf droeg. Daar zij de weduwe van een opperhoofd was geweest, voor zij Nelwangs bruid werd, had zij eenig denkbeeld van plechtige gelegenheden, en verscheen gekleed in allerlei Europeesche kleedingstukken, meest tot het mannelijk
257
17
258 TEGENOVER HET HEIDENDOM.
gewaad behoorend, die zij in onze omgeving had kunnen leenen of huren. Hare bruidsjapon was eene lichtbruine overjas, die zij over haar rokje van gras had aangedaan en die haar tot op de hielen hing en stijf dichtgeknoopt was. Hierover droeg zij een vest en daarover het wonderlijkst van alles, hing eene mansbroek, het bovengedeelte over het hoofd getrokken en iedere pijp zwierig over een harer schouders op den rug afhangend. Aan een der schouders was een rood manshemd vastgemaakt en aan den anderen schouder een gestreept hemd, welke beide kleedingstuk-ken als vleugels haar achteraan fladderden, wanneer zij zich voort bewoog. Rondom haar hoofd was als tulband een rood hemd gewonden en haar kunstgevoel had haar ingegeven, over ieder harer ooren eene mouw te doen afhangen. Zij geleek een zich langzaam voortbewegend monster met eene massa lappen bedekt. Het weder was buitengemeen heet en het zweet liep in stroomen langs haar gelaat. Zij ging evenals Nelwang zoo dicht mogelijk naast mij aan den kant van de vrouwen zitten. Nelwang zag naar mij en toen naar haar, in stilte glimlachend, alsof hij zeggen wilde : »Gij zaagt zelfs in het land der Blanken nooit eene bruid, die zóó prachtig gekleed was.quot;
Weinig vermoedde ik, wat ik aanhaalde, toen ik hen aanmoedigde, om in de kerk te komen. Het gezicht van dat arme schepsel, zwoegende onder al hare kleedingstukken, drong mij om de godsdienstoefening zeer kort te doen zijn, misschien de kortste, die ik ooit in mijn leven geleid heb I De dag eindigde vreedzaam. De twee goede zielen waren uitermate gelukkig; en ik dankte God, dat hetgeen misschien had kunnen eindigen in bloedstorten, op deze wijze geëindigd was, al was het dan ook in een soort van wilde klucht.
Van nu aan ontbrak het mij nooit aan een lijfwacht, noch mijne vrouw aan eene helpster. Yakin leerde lezen en schrijven, en werd eene uitstekende onderwijzeres op onze zondagschool; zij leerde ook zingen, en leidde den zang in de kerk, wanneer mijne vrouw verhinderd was tegenwoordig te zijn. Inderdaad, zij leerde in alles mede helpen, zoowel in huis als in de zending, en was zeer bemind onder het volk. Nelwang vervulde getrouw zijne belofte. Hij was inderdaad mijn vriend. Op al mijne tochten door het binnenland vergezelde hij mij getrouw, evenals ook de priester Kalangi, die tweemalen getracht had mij te dooden, maar die zich na zijne bekeering gedroeg, als of God hem de zorg over mijn leven had toevertrouwd. Met strijdbijl of geweer, of wel beide in de hand waren zij altijd binnen bereik en schoten onmiddellijk vooruit, waar maar eenig gevaar ons scheen te dreigen. Zij behoorden onder de eerste en beste leden van onze gemeente Nelwang en de priester zijn beiden de rust ingegaan, en Yakin met de vele kleedingstukken heeft ook vele mannen gehad. Zij verheugt zich nu in haar vierden echtgenoot en is steeds eene toegewijde christin en in vele opzichten eene belangwekkende persoonlijkheid.
De vordering van het werk Gods was het duidelijkst zichtbaar met betrekking tot de oorlogen en wraaknemingen onder de Inboorlingen. De twee voornaamste opperhoofden, Namakei en Naswai, verklaarden menigmaal: »Wij zijn nu volgelingen van Christus. Wij moeten niet vechten. Wij moeten de moorden en misdaden onder ons volk tegengaan.quot;
Twee jonge dwaashoofden, die een poos op Tanna geweest waren, en van daar met geweren waren teruggekeerd, trachtten tweemaal iemand dood te schieten uit louter baldadigheid. De eilanders verzamelden zich en maakten hun bekend, dat, indien iemand, hetzij man of vrouw, door hen werd be-leedigd, de andere mannen hunne geweren zouden laden en hen in het openbaar zouden doodschieten. Dit was een groote stap tot de openbare orde, en ik verheugde mij grootelijks in den Heer! Zijn Geest werkte gelijk zuurdeeseml
259
Ten einde den oorlog te verhinderen, had ik de vaste gewoonte, om mij tusschen de strijdende partijen te begeven. Mijn geloof stelde mij in staat, om mij vast te klemmen aan de belofte: »Zie, ik ben met u, altijd!quot; In Jezus gevoelde ik mij onkwetsbaar en onsterfelijk, zoolang ik Zijn werk verrichtte. En ik kan in waarheid verzekeren, dat dit de oogenblikken waren, waarin ik de werkelijke tegenwoordigheid van mijn Zaligmaker, die mij met kracht en moed bezielde, het best gevoelde.
Een ander plan, dat ik aanwendde, had goeden invloed op godsdienstig en opvoedkundig gebied. Ik trachtte namelijk al de dorpen hetzelfde belang in te boezemen in ons werk, door al de Hoofden op gelijke wijze te behandelen. Nadat ik in de eerste dagen van mijn verblijf op het eiland, mijne woning van twee kamers had betrokken, nam ik het opperhoofd of den vertegenwoordiger van iedere streek aan, om een van de bijgebouwen, die wij noodig hadden, op te trekken. De een bouwde met zijne mannen de keuken, een ander de voorraadschuur, een derde het banana- en broodwortelhuis, een vierde het waschhuis, en anderen het meisjes- en jongensweeshuis, de huizen voor de onderwijzers en dienstboden, de school en nog eene groote schuur, eene wijkplaats, waar de Inboorlingen met elkander konden zitten praten, wanneer zij niet aan het werk waren op onzen grond. Natuurlijk waren al de gebouwen in het eerst niet anders dan Inlandsche hutten, van grooter of kleiner omvang. Zij werden echter alle gebouwd voor een vooruit bedongen prijs van voorwerpen, die zij gaarne hadden, zooals bijlen, messen, eenige ellen gedrukt katoen of calicot, snoeren koralen, dekens, enz. Zij waren tot het doel geschikt, waartoe wij ze wilden gebruiken en toen een andere stam, ook voor een bepaalden prijs, ons huis en erf omheind had, was de zendingspost werkelijk een schoon, levendig en ordelijk gebouwd dorpje; in zichzelf geen kwaad zinnebeeld van het christelijk en beschaafd leven. De betalingen, aan allen zonder onderscheid gedaan, maar alleen voor werk, dat goed verricht was en volgens redelijken, vooruit bepaalden prijs, verspreidde eigendommen en giften onder hen op gezonde voorwaarden, en veroorzaakte een naijver, die zeer gunstig werkte.
Het heidendom stelde vele wanhopige en soms vreemde pogingen in het werk, om ons werk op Aniwa uit te roeien, maar de Heer voerde de teugels van het bewind. Een bejaard opperhoofd, vroeger onze vriend, keerde zich tegen ons. Hij ging met veel beweging eene kano maken, en werkte in het openbaar op Zondag daaraan, als om ons te trotseeren. Toen hij ziek werd en stervende was, kwam zijn broeder op een Zondagmorgen, teneinde zijne minachting voor de godsdienstoefening te toonen, met eene gewapende bende, om ons volk tot den oorlog aan te zetten. Zij weigerden te vechten, en een man, dien hij met zijne knots sloeg, zeide; sik laat de wraak aan Jehovah over.quot;
Eenige dagen daarna werd deze broeder ook ziek en stierf plotseling. De heidenschgezinde partij maakte veel beweging over deze voorvallen, en sommigen wilden ons uit wraak dooden, maar de meesten vreesden ons te vermoorden. Zij trokken dus terug, en leefden van onze vrienden gescheiden en zoo ver verwijderd als maar mogelijk was. Een poos daarna staken zij plantages, die aan onze vrienden toebehoorden, in brand, en vernielden daardoor kokos- en broodboomen. Nog weigerden onze mannen te vechten, en bleven dicht bij ons, om ons te beschermen. Toen verzamelden zich al de aanvoerders, om de zaak te bespreken. De meesten waren voor den vrede, maar sommigen drongen aan op het verbranden van ons huis, en wilden ons verjaagd of gedood zien, opdat zij weder evenals vroeger hun leven konden voortzetten. Ten laatste stond een priester.
260
tevens opperhoofd, die op Tanna was geweest, toen de Cura-, oa de dieven en moordenaars strafte, op, en sprak tot onze verdediging, hen waarschuwende voor hetgeen er zou kunnen gebeuren ; en drie andere Hoofden, door mij op Tanna onderwezen, verklaarden zich vrienden van Jehovah en van Zijn zendeling.
Toen hunne woorden niet hielpen, stond de priester weder op, en toonde hun eenige rijen schoone, witte schelpen, die hij om den linkerarm droeg, zeggende;
»Nowar, het groote opperhoofd te Port Resolution op Tanna, riep mij tot zich, toen hij zag, dat Missi en zijne vrouw daar niet konden blijven, en bij deze schelpen, het teeken zijner waardigheid als opperhoofd, die hij van zijn eigen arm nam en om den mijne bond, liet hij mij plechtig beloven, hen voor alle leed te behoeden. Hij verzocht mij, aan de lieden van Aniwa bekend te maken, dat indien Missi werd beleedigd of gedood, hij en zijne strijders van Tanna zouden komen, om bloedige wraak daarover te nemen.quot;
Dit deed de schaal overslaan. De bijeenkomst eindigde in ons voordeel.
Maar zeer kort hierna hadden wij weer eene andere onaangenaamheid, die ons zeer verontrustte. Een troep heidenen verzamelde zich om te gaan visschen op den dag des Heeren, hierdoor minachting toonende voor het gedrag van hen, die aan de zijde van Jehovah stonden; zij dreigden ook, de onderwijzers en mij op onze tochten door de dorpen te zullen overvallen. Nu werd er na de godsdienstoefening eene samenkomst gehouden door de christen-partij. Allen, die Jehovah wenschten te dienen, zouden den volgenden morgen ongewapend in mijn huis komen, en zouden mij vergezellen op een bezoek aan onze vijanden, opdat wij met hen mochten spreken en ze tot reden zien te brengen. Bij het aanbreken van den dag verschenen de opperhoofden met bijna tachtig man aan het zendingshuis, verklarende, dat zij zich aan de zijde van Jehovah schaarden en mij wenschten te vergezellen. Maar, helaas! zij weigerden hunne wapenen af te leggen of ze achter te laten; ook wilden zij niet, dat ik alleen ging, maar stonden er op mij te vergezellen. Hen een vreedzaam gedrag op het hart drukkende, werd ik zeer tegen mijn zin aan hun hoofd geplaatst en wij gingen op weg naar het dorp van de vijandelijke partij.
De bewoners van dat dorp waren zeer verschrikt. De twee zoons van het opperhoofd kwamen met al de strijdbare mannen ons tegemoet. Die gansche dag werd doorgebracht met praten en redevoeringen houden; somtijds zongen zij hunne antwoorden. De Inboorlingen zijn allen geboren praters! Voor mij was de dag onuitsprekelijk vervelend; het eenige goede, dat er uit voortkwam, was, dat hunne woede zich lucht gaf in urenlang gebabbel in plaats van in slagen en bloedvergieten. De dag eindigde in vrede. De heidenen waren verbaasd bij het zien van het aantal vrienden van Jehovah, en zij beloofden voortaan zich niet met den godsdienst te bemoeien, zoodat ieder, die er aan wilde deelnemen, dat zonder gevaar kon doen. Toen wij vermoeid en uitgeput huiswaarts keerden, dankten wij den Heer voor den goeden uitslag van onzen tocht.
Nu moet ik mijnen lezers mededeelen, hoe door het graven van een put het heidendom op Aniwa voor goed den kop werd ingedrukt. Daar het een vlak koraal-eiland is zonder heuvels om de wolken aan te trekken, is de regen er schaarsch, vergeleken bij de omliggende bergachtige eilanden; en zelfs wanneer de regen zwaar en met tropische overdaad neder-valt, verdwijnt hij, gelijk te voren gezegd is, door den ondiepen bodem en de poreuse rotsen en loopt af in de zee Omdat het zooveel droger
261
is, is Aniwa gezonder dan de meeste omliggende eilanden, ofschoon, waarschijnlijk om dezelfde reden, de Inboorlingen aan een soort van melaatschheid lijden. Het regenseizoen is van December tot April, en dan heeft de ziekte, die op al deze eilanden inheemsch is, nm. hevige koorts, de overhand.
Op sommige tijden dronken de Inboorlingen zeer ongezond water; en eigenlijk was de beste drank, dien zij ooit hadden, het vocht uit de kokosnoot, die als een soort van appel uit het Paradijs voor al deze zuidelijke eilanden kan beschouwd worden. Zij kweeken ook het suikerriet op groote schaal en in groote verscheidenheid; en zij kauwen het, wanneer wij voor den dorst onzen toevlucht tot water zouden nemen en zoo is het tegelijk eten en drinken voor hen. De Zwarte neemt vier of vijf stukken suikerriet met zich naar het veld, wanneer hij een dag gaat werken en brengt daar zijn tijd vrij aangenaam mede door. En behalve dat, daar de zee hunne algemeene badplaats is, waarin zij als visschen rondspartelen, en er weinig, bijna geen water noodig is voor het koken, en in het geheel niets voor het wasschen der kleederen (!) was het gemis van frisch, levend water voor hen niet zulk eene vreeselijke beproeving, als bet voor ons zou zijn. Toch waardeeren zij het en verheugen er zich uitermate in; ofschoon het vocht van de groene kokosnoot verfrisschend is en in smaak en kleur veel op limonade gelijkt, en er in eene noot wel zoo veel is, dat men er een bierglas mede kan vullen, en ofschoon men met dit vocht evenals met het zachte, witte merg, een zuigeling voedt, wanneer de moeder sterft, en het kind daar uitstekend van groeit, toch toonen de Inboorlingen de voorkeur te geven aan de melk van de geit en het water uit de bron, wanneer zij die kunnen krijgen.
Mijne huishouding leed zeer door het gemis aan frisch water. Ik maakte twee groote tonnen gereed, om gevuld te worden, wanneer het ging regenen. Maar toen wij ze wilden vullen op de plaats, waar wij gewoonlijk het water haalden nabij het dorp, wilden de Inboorlingen ons dit niet toestaan, daar zij vreesden, dat onze groote tonnen al het water zouden wegvoeren en niets voor hen overlaten met hunne zooveel kleinere kokosschalen. De beek, waar ieder het water haalde, was gelegen op den grond van twee priesters, die zichzelven de macht toekenden van haar naar willekeur met water te vullen of ledig te doen blijven. De bijgeloovige Inboorlingen gaven hen geschenken, om den regen voort te brengen. Indien deze spoedig daarna verscheen, meenden zij dat hunne geschenken geholpen hadden. Indien niet, dan vraagden de priesters grooter gaven, om hunne goden te bevredigen. Zelfs onze Aneityumeesche onderwijzers zeiden tot mij, toen ik beweerde, dat zij toch zeker zulke dingen niet geloofden: »Het is moeielijk te weten, Missi. Het water komt en gaat spoedig. Indien gij hen goed betaaldet, zouden zij misschien regen doen komen, zoodat wij onze vaten konden vullen.quot;
Ik zeide hen, dat wij, als volgelingen van Jehovah, alle heidensche bedriegerijen moesten verachten, en op Hem vertrouwen, en op de wetten Zijner schepping, om ons te helpen.
Daar Aniwa geen voortdurenden toevoer van frisch water in bron, rivier of meer had, besloot ik met Gods hulp een put te graven in de nabijheid van ons zendingshuis, hopende, dat eene Hoogere wijsheid dan de mijne, mij zou geleiden naar den oorsprong van de een of andere gezegende bron. Met de wetenschappelijke voorwaarden van zulk eene proefneming was ik geheel onbekend; maar ik rekende door aarde en koraal tot op eene diepte van meer dan dertig voet te moeten graven, en ik vreesde voortdurend, dat na al mijne moeite het water, indien ik
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
het al vond, mocht blijken zout te zijn, te oordeelen naar onze omgeving. Toch besloot ik de schacht te graven, in hoop en vertrouwen, dat onze Heiland daardoor zou verheerlijkt worden.
Op een morgen zeide ik tot het bejaarde opperhoofd en zijn metgezel, die nu beiden ernstig zoekende waren naar de Goddelijke waarheden van het Evangelie: »Ik ben van plan een diepen put in de aarde te graven, om te zien of God ons frisch water van beneden wil zenden.quot;
Zij zagen met verwondering naar mij op, en zeiden op een zachten, eenigszins medelijdenden toon: »0 Missil wacht, totdat de regen neder komt dalen, en wij zullen zooveel wij maar kunnen voor u sparen.quot;
Ik antwoordde: »Wij zouden allen kunnen sterven uit gebrek aan water. Indien wij geen frisch water kunnen krijgen, konden wij wel eens genoodzaakt worden u te verlaten.quot;
Het bejaarde opperhoofd keek mij smeekend aan en zeide; »0 Missi 1 gij moet ons daarom niet verlaten. De regen komt alleen van boven. Hoe kondt gij verwachten, dat ons eiland regenbuien van beneden zou doen opstijgen?quot;
»In mijn geboorteland,quot; zoo vertelde ik hem, »komt het frissche water uit den grond opspringen, en ik hoop dat hier ook te zien.quot;
De oude man sprak met nog meer teederheid in zijne stem: »0 Missi, uw hoofd is niet goed; gij begint uw verstand te verliezen, anders zoudt gij zulke dwaasheden niet zeggen! Laat de menschen u niet hooren spreken over in de aarde te gaan zien of er regen is, of zij zullen nooit meer naar uw woord luisteren, noch u gelooven.quot;
Ik begon echter mijne gewaagde onderneming, en koos eene plaats bij den zendingspost en aan den openbaren weg daartoe uit, opdat mijne toekomstige bron voor allen nuttig mocht zijn. Ik begon te graven met ■ spade en emmer bij mij, eene Amerikaansche bijl voor hamer en breekijzer en eene ladder, om mij langzamerhand van dienst te zijn. Het goede opperhoofd plaatste zijne mannen op een afstand, om mij te bewaken, opdat ik mijzelven niet van het leven mocht berooven of iets gevaarlijks doen, zeggende: »Arme Missi! Zoo doen alle menschen, die hun verstand verliezen. Men kan hun een vast begrip niet uit het hoofd praten. Hij zal echter bemerken, dat het moeielijker voor hem is, om spade en schop te hanteeren dan zijne pen, en wanneer hij vermoeid is, zullen wij hem overhalen, het op te geven.quot;
Ik werd spoediger dan ik verwacht had uitgeput van het werken onder de tropische zonnestralen, maar wij bekennen nooit voor de Inboorlingen, dat wij gefaald hebben; ik ging dus in huis en vulde mijn vestzak met groote, schoone Engelsche vischhoeken. Deze zijn zeer verleidelijk voor de jonge lieden, vergeleken bij de hunne, hoe kunstig zij ook uit eene schelp vervaardigd zijn en hoe doeltreffend ze ook mogen wezen. Een grooten hoek in de hoogte houdende, riep ik: «Iedereen krijgt er zoo een van mij, indien hij drie emmers vol uit het gat graaft en leeg gooit!quot;
Zij vlogen naar mij toe, om het eerst eene beurt te krijgen, en dan voor de volgende maal en weder voor eene volgende. Ik hield hen, die eene beurt gehad hadden aan de eene zijde, totdat al den andere geregeld op hunne beurt gewerkt hadden, en de eene emmer na den andere gevuld en weder geledigd was. Toch scheen de schacht slechts weinig te vorderen, terwijl mijne vischhoeken zeer spoedig verdwenen. Ik was voortdurend op de plaats, en nam een werkzaam aandeel aan alles, en was op een avond zeer dankbaar, toen ik bevond, dat wij meer dan twaalf voet diep hadden gegraven — maar ziet 1 den volgenden morgen was de eene zijde ingestort en ons werk was te vergeefs geweest.
262
263
Nu verzamelden zich het opperhoofd en zijne voornaamste mannen weder rondom mij. Zij spraken mij zeer vriendelijk en ernstig aan en verzekerden mij voor de vijftigste maal, dat men nooit regen uit den grond van Aniwa zou zien opkomen.
»Zie nu eens,quot; zeiden zij, »indien gij gisteren avond in dat gat waart geweest, zoudt gij er in begraven zijn en een oorlogsschip zou van koningin \'Toria komen, om te vragen naar den Missi, die hier leefde. Wij zouden zeggen: »Hij is daar in dien kuil.quot; De kapitein zou vragen: »Wie doodde hem en wierp hem in dien kuil?quot; Wij zouden moeten zeggen: »Hij ging er zelve in.quot; De kapitein zou antwoorden: »Onzinl wie hoorde ooit van een Blanke, die in den grond ging, om zichzelven te begraven. Gij hebt hem gedood en daarin geworpen; verbergt uw slecht gedrag maar niet achter leugens.quot; Dan zou hij zijne groote geweren te voorschijn doen komen en ons doodschieten en ons eiland uit wraak verwoesten. Gij graaft uw eigen graf, Missi 1 en het onze ook. Geef dit dwaze plan op, want met in den grond af te dalen, zal men op Aniwa geen regen vinden. Behalve dat zullen uwe vischtuigen mijne mannen niet meer overhalen kunnen, om in dien kuil te gaan; zij verlangen niet met u begraven te worden. Wilt gij het nu niet opgeven?quot;
Ik deed wat ik konde, om zijne vrees te doen bedaren; ik legde hem uit, dat deze instorting het gevolg was van mijn verzuim in het nemen van voorzorgen, en verzekerde hem ten slotte, dat ik met Gods hulp, ook al was het zonder eenigen anderen bijstand, meende vol te houden.
Na ernstige overweging van het vraagstuk zag ik mij plotseling genoodzaakt, om als werktuigkundige op te treden. Ik zocht twee boomen met takken aan de tegenovergestelde zijden, die in staat waren een kruisboom te dragen. Ik plantte die aan iedere zijde van de opening stevig in den grond, legde den anderen boom er over, boven het middenpunt van de schacht, maakte daaraan een ruw eigengemaakt katrol en blok vast, wierp een touw over het wiel, en bond mijn grootsten emmer aan het eene einde daarvan vast. Zoo ingespannen, begon ik weder met het uitgraven; geen der Inboorlingen wilde echter in de opening afdalen, zoodat ik zelf moest graven, tot ik geheel uitgeput was. Een onderwijzer echter, op wien ik vertrouwen kon, stond boven bij den kuil en slaagde er in, hen door het geven van messen, bijlen, enz. over te halen, het uiteinde van het touw te nemen en er een eind mede voort te loopen, al trekkende, totdat de emmer aan de oppervlakte verscheen; hij trok zelve den emmer tot zich, ledigde hem en liet hem weder zakken. Ik luidde eene kleine bel, die ik bij mij had, wanneer de emmer vol was, en dat was het teeken voor mijne trouwe helpers, om aan het touw te trekken. Zoo arbeidde ik voort van dag tot dag, hoewel de moed mij somtijds dreigde te ontzinken, totdat wij eene diepte van dertig voet hadden bereikt.
Het woord «levend waterquot;, »levend waterquot; klonk mij voortdurend als Goddelijke muziek in de ooren, terwijl ik voortging met graven en uithakken.
Op deze diepte was de aarde en het koraal met damp doortrokken. Ik voelde, dat ik het water naderde. Mijne ziel geloofde, dat God eene bron voor ons zou doen ontstaan, maar tegelijkertijd met dat geloof was er een vreemd gevoel van vrees, dat het water zout mocht blijken te zijn. Zoo zijn zelfs de hoogste verwachtingen der ziel met vrees en onrust gemengd; de roos van het volmaakt geloof is omzet met stekelige doornen. Op een avond zeide ik tot het bejaarde opperhoofd: «Ik geloof, dat God ons morgen water uit die opening zal geven 1quot;
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
»Neen, Missi,quot; antwoordde hij, »gij zult op dit eiland nooit regen uit de aarde zien opkomen. Het zal ons benieuwen, wat het eind zal wezen van uw dwaas werk. Wij verwachten dagelijks, indien gij het water bereikt, u er in te zien vallen en zoo naar de zee te zien drijven, waar de haaien u zullen opeten! Dat zal het eind er van zijn, uw dood en gevaar voor ons allen.quot;
Nogmaals sprak ik echter tot hem: »Kom morgen. Ik hoop en geloof, dat Jehovah ons het regenwater uit de aarde zal doen opkomen.quot; Ik gevoelde, dat ik op dit oogenblik veel op het spel zette, en het waarschijnlijk treurige gevolgen zou hebben, indien er geen water kwam; maar ik had geloof, dat de Heer mij geleidde, en ik wist, dat ik Zijne eer zocht, niet de mijne.
Den volgenden morgen ging ik bij het aanbreken van den dag weder naar de schacht en groef in het midden van den bodem eene kleine opening van twee voet diepte. Het zweet brak mij aan alle kanten uit en ik beefde over al mijne leden, toen het water opspoot en de opening begon te vullen. Hoe modderig het ook was, ik proefde het terstond, en ik Het den kleinen »kroesquot; uit mijne hand vallen van louter vreugde en viel bijna op mijne knieën op den modderigen bodem, om den Heer te prijzen. Het was water! Het was frisch water! Het was levend water uit Jehovah\'s bron! Een weinig brak was het wel, maar niet de moeite waard, om van te spreken; en geene bron in de woestijn, die de lippen van den van dorst versmachtenden pelgrim verkoelt, verdiende ooit meer eene bron van God genoemd te worden, dan dit water!
De opperhoofden hadden zich met hunne mannen daar dicht bij verzameld. Zij waren in gespannen verwachting. Het was eene herhaling op kleine schaal van de geschiedenis der Israëlieten, die rondom stonden, toen Mozes op de rots sloeg en om water bad. Toen ik den Heer gedankt had en mijne ontroering een weinig bedaard was, en toen de modder wat gezakt was, vulde ik eene kan, die ik ledig mede naar beneden genomen had, gelijk zij allen gezien hadden; en naar boven komende riep ik hen, om den regen te komen zien, welke Jehovah ons uit de bron gegeven had. Zij drongen zich haastig om mij heen, en staarden\'er met bijgeloovige vrees op. Het oude opperhoofd schudde het, om te zien of het vloeide, en raakte het aan, om te voelen, of het water was. Ten laatste proefde hij het, en het een oogenblik met blijdschap door zijn mond latende gaan, slikte hij het eindelijk door, en riep uit:»Regen! Regen I Ja, het is regen! Maar hoe zijt gij er aan gekomen rquot;
Ik herhaalde: »Jehovah, mijn God, gaf het ons uit de aarde, in antwoord op onzen arbeid en onze gebeden. Gaat zelve heen en ziet, hoe het opspringt!quot;
Hoewel ieder hunner even vlug en moedig als een eekhorentje in den hoogsten boom kon klimmen, had nu niemand van hen den moed, om naar den kant van den put te loopen en er in te zien. Het was een wonder voor hen! Maar zij wisten een middel uit te denken, om uit de moeielijkheid te geraken. Zij spraken af, dat zij elkander stevig bij de hand zouden houden, en zich in eene rij zouden plaatsen, de voorste zou voorzichtig in de wel nederzien en zich dan achteraan plaatsen en zoo zou men voortgaan tot allen »Jehovah\'s regenquot; in de diepte gezien hadden. Het was eenigszins grappig, maar meer nog treffend, om hunne aangezichten te zien, als zij de een na den ander in de geheimenis neder-blikten en dan tot mij in groote verbazing opzagen! Toen allen het met eigen oogen gezien hadden en stom van verbazing waren, riep het bejaarde opperhoofd uit: »Missi, wonderlijk, wonderlijk is het werk van uw God! Geen der goden van Aniwa hielp ons ooit op die wijze. Maar Missi,quot;
264
rEGENOVER HET HEIDENDOM.
vervolgde hij na eene pauze, die op stille aanbidding geleek, »zal de regen altijd zoo opkomen uit de aarde? Of zal hij komen en gaan, gelijk de regen, die uit de wolken komt?quot;
Ik zeide hem, dat ik geloofde, dat het water daar altijd tot ons gebruik zou blijven, als eene goede gave van onzen God.
»Goed; maar Missi,quot; hernam hij, terwijl een sprankje eigenbelang zich van hem meester maakte, »zult gij en uwe familie het alles opdrinken, of zullen wij er ook wat van krijgen?quot;
»Gij en al uw volk,quot; antwoordde ik, »en al de menschen van het eiland mogen komen en er van drinken, en er zooveel van medenemen als zij willen. Ik geloof, dat er altijd overvloed voor ons allen zijn zal, en hoe meer wij er van kunnen gebruiken, des te frisscher zal het water zijn. Zoo gaat het met vele van de beste gaven onzes Gods aan de menschen, en hiervoor en voor alles prijzen wij Zijnen naam!quot;
»Dus Missi,quot; sprak hij nogmaals, »het water is dan van ons, en wij mogen het allen gebruiken als ons eigendom?quot;
»Juist,quot; antwoordde ik, «wanneer gij maar wilt, en zooveel als gij behoeft, hier of in uwe huizen, zoover het maar medegevoerd kan worden.quot;
Het opperhoofd zag mij nu ernstig aan, ten laatste geheel overtuigd, dat de bron een schat bevatte, en riep uit: »Missi, wat kunnen wij nu doen, om u te helpen?quot;
01 hoe blijft de raenschelijke natuur zich overal gelijk! Als men werkt en tobt, en hulp noodig heeft, die velen rondom u gemakkelijk zouden kunnen geven, terwijl zij er eer beter dan minder door zouden worden, dan zien zij in stilte toe, critiseeren uwe daden op onedelmoedige wijze, of spreken een hard oordeel over u uit. Maar Iaat het hun duidelijk worden, dat er eenig persoonlijk voordeel voor hen aan verbonden is, wanneer zij u helpen, of dat er eenige eer mede te behalen is, hoe spoeden zij zich dan tot uwe hulp !
Ik was echter dankbaar, zijn aanbod te kunnen aannemen, al kwam het ook wat laat, en zeide; «Gij hebt de opening reeds eenmaal zien instorten. Wanneer de muren weer instorten, zou dat den regen, dien onze God ons uit de aarde heeft doen opkomen, verbergen. Om het water voor ons en onze kinderen te allen tijde te bewaren, moeten wij de opening rondom, van den bodem tot bovenaan, met groote koraalblokken bemet-selen. Ik zal het nu verder uitgraven, en het fondament gereed maken voor dezen muur van koraal. Laat iedere man en vrouw van het strand het grootste blok halen, dat er te vinden is. Het is zooveel moeite wel waard, om de groote gave Gods te bewaren!quot;
Nauwelijks waren mijne woorden herhaald, of allen liepen met geschreeuw en vreugdegezang naar het strand; en spoedig zag men iedereen zwoegen onder het grootste koraalblok, dat hij maar had kunnen krijgen. Dit zijn stukken van kalksteenrotsen, die door de stormen vernield zijn en door de sterke golven naar het strand medegevoerd worden, en in een onge-loofelijk korten tijd lagen zij bij twintigtallen aan mijne voeten aan den mond van den put. Nadat ik het fondament had gelegd, maakte ik een soort van kist, waarin ieder blok stevig vast gemaakt werd, en dan door de katrol tot mij afgelaten, hetgeen mijn getrouwe helper, de Inlandsche onderwijzer, voorzichtig bewerkstelligde. Ik nam iederen steen in ontvangst en plaatste dien, waar hij wezen moest, terwijl ik mijn uiterste best deed, ze tegen elkander te doen sluiten, en in de rondte voortbouwde, terwijl ik ze den vereischten vorm gaf, door ze met mijne Amerikaansche bijl af te hakken. De muur is ongeveer drie voet dik, en het metselwerk zal zich wel zoolang goed houden, als het koraal bestaan zal. Ik werkte
265
266
onvermoeid door, uit vrees voor eene nieuwe instorting, totdat de muur twintig voet hoog was, en daar er nu geen gevaar meer was, en mijne handen deerlijk bezeerd waren, stelde ik voor nu een paar weken te gaan rusten en daarna het werk af te maken. Maar het opperhoofd kwam tot mij, zeggende; »Gij hebt met krachtsinspanning voortgewerkt, maar nu is uwe kracht gevloden. Blijf hier bij ons zitten rusten, en wijs alleen maar aan, waar ieder blok gelegd moet worden. Wij zullen ze daar leggen en even stevig bouwen, als gij gedaan hebt. En niemand zal gaan slapen, vóór het gedaan is.quot;
Met hun gansche hart zetten zij zich tot dezen arbeid; sommigen gaven aan, anderen hakten stukken door of gaven den vorm, die noodig was, totdat de muur als door toovermacht oprees; daarop werd er eene rij groote rotsblokken bovenop gemetseld, die den mond van den put vormden. Vrouwen, jongens, allen wenschten een handje er aangeholpen te hebben, en de put is heden nog te zien als een toonbeeld van soliede metselwerk; hij heeft een omvang van acht voet van boven en zes voet van beneden, en eene diepte van vier en dertig voet. Ik bedekte den muur van boven met hout, en bevestigde de katrol en den emmer er aan, en zoo is de put nu nog te zien als de grootste stoffelijke zegening, die de Heer aan Aniwa gegeven heeft. Het water rijst en daalt met het getij, hoewel een derde van eene mijl van de zee verwijderd, en toen wij, na het eenigen tijd gebruikt te hebben, het zuivere, frissche water aan boord van de Day spring proefden, scheen het zoo flauw, dat ik een weinig zout tegelijk met de suiker in mijne thee moest doen, voor ze mij smaakte. Alle bezoekers moeten den put zien, als een van de wonderen van Aniwa, en een ouderling van de kerk zeide nog onlangs tot mij: «Indien wij dit water niet gehad hadden gedurende de laatste twee jaren van droogte, zouden wij zeker allen gestorven zijn!quot;
Vreemd genoeg, toen de Inboorlingen later zelve zes of zeven putten trachtten te graven op plaatsen, die er het geschikst voor schenen te zijn bij hunne verschillende dorpen, zijn zij of op koraalrots gestuit, waardoor zij niet konden heenkomen of zij hebben alleen zout water gevonden. En zij zeggen onder elkander: »Missi heeft niet alleen schop en spade gehanteerd, maar heeft ook tot zijn God geroepen. Wij hebben leeren graven, maar niet leeren bidden, en daarom wil Jehovah ons den regen van beneden niet geven.quot;
De put was nu gereed. De plaats was netjes omheind, en het opperhoofd zeide: »Nu dit water voor ons allen is, moeten wij er op passen en zorgen, dat het zuiver blijft.quot;
Ik was zoo dankbaar, dat het voor aller gebruik was. Ware het water alleen tot ons gebruik geweest, hoe gemakkelijk zouden zij het hebben kunnen vergiftigen, gelijk zij dat de vischvijvers, in de spleten tusschen de rotsen aan de kust, doen, en ons allen kunnen dooden. Hiervoor was geene vrees, indien zijzelven het water dagelijks zouden gebruiken.
Het opperhoofd vervolgde: »Missi, ik geloof, dat ik u den volgenden Zondag kan helpen. Wilt gij mij eene preek laten houden over den put?quot;
«Jawel,quot; antwoordde ik terstond, »indien gij wilt trachten al het volk te doen komen, om u te hooren.quot;
»Missi, ik zal mijn best doen,quot; beloofde hij ernstig. Het nieuws, dat het opperhoofd Namakei de prediker zou zijn bij de eerstkomende godsdienstoefening, verspreidde zich als een loopend vuurtje en de menschen spoorden elkander onder de grootste verwachting aan, om te komen hooren, wat hij te zeggen had.
De Zondag kwam. Men verzamelde zich in wat voor het eiland Aniwa
fEGENOVER HEI\' HEIDENDOM.
eene groote menigte kon genaamd worden. Namakei verscheen, gekleed in een hemd en voorschoot. Hij was zoo opgewonden en zwaaide zijne strijdbijl zoo hevig, dat het moeielijk was, dicht bij hem te komen. Ik opende de godsdienstoefening en gaf toen het woord aan Namakei. Hij stond terstond op, zijne oogen flikkerden woest en zijne ledematen trilden van aandoening. Hij sprak ongeveer het volgende, zijne strijdbijl zwaaiende, om ieder welsprekend gebaar te versterken:
»Vrienden van Namakei, mannen, vrouwen en kinderen van Aniwa, luistert naar mijne woorden! Sedert Missi hier gekomen is, hebben wij vele vreemde dingen vernomen, die wij niet konden verstaan; dingen, die ons wonderlijk voorkwamen; en wij zeiden betreffende vele van deze dingen, dat het leugens moesten zijn. Blanken mochten zulke dwaasheden gelooven, maar wij. Zwarten, wisten beter dan zulke dingen aan te nemen. Maar van al zijne wonderlijke geschiedenissen beschouwden wij hetgeen hij zeide omtrent het in den grond graven, ten einde regen te verkrijgen, als de allervreemdste zaak. Toen spraken wij tot elkander: »Zijn hoofd is niet goed; de man is krankzinnig geworden.quot; Maar Missi bad voort en werkte voort, terwijl hij ons zeide, dat Jehovah alles zag en hoorde en dat zijn God hem regen zou geven. Had hij het verstand verloren? Heeft hij den regen niet uit de diepte der aarde verkregen? Wij spotten, maar de regen was daar niettemin. Wij hebben ook gespot over andere dingen, die Missi ons vertelde, omdat wij ze niet konden zien. Maar van dezen dag af geloof ik, dat al wat hij ons omtrent zijn God mededeelt, waar is. Eens zullen onze oogen het zien. Want heden hebben wij den regen uit de aarde zien voortkomen.quot;
Vervolgens den climax bereikende, terwijl hij eerst met zijn eenen voet en daarna met den anderen het gebroken koraal op den grond achteruit deed vliegen gelijk een oorlogspaard, dat op den grond staat te trappelen, riep hij met groote welsprekendheid uit:
»Mijn volk, volk van Aniwa, de wereld is het onderste boven gekeerd, sedert het woord van Jehovah in dit land kwam! Wie had ooit verwacht, regen te zien opkomen uit de aarde? Hij is altijd uit de wolken gekomen! Wonderlijk is het werk van dezen hoogsten God. Geen god van Aniwa verhoorde ooit het gebed, gelijk Missi\'s God gedaan heeft. Vrienden van Namakei, alle machten der wereld zouden ons niet hebben kunnen noodzaken om te gelooven, dat er regen kon geschonken worden uit het diepst der aarde, indien wij het niet met onze oogen hadden gezien, en het niet geproefd hadden, gelijk wij dat hier deden. Nu heeft Missi door de hulp van den Oppersten God dien onzichtbaren regen kan het licht gebracht, waarvan wij nooit te voren hoorden of zagen, en,quot; riep hij uit, met de hand op de borst slaande, »iets hier in mijn hart zegt mij, dat de Allerhoogste God, de onzichtbare God, van Wien wij nimmer gehoord of gezien hadden, vóórdat Missi Hem ons bekend maakte, werkelijk moet bestaan. Het koraal is verwijderd, de grond is uitgegraven, en ziet, het water rijst op. Ofschoon onzichtbaar tot heden toe, toch was het daar aanwezig, hoewel onze oogen te zwak waren, om het te zien. Zoo geloof ik, uw opperhoofd, nu vast en stellig, dat ik, wanneer ik sterf, wanneer de stukken koraal en de aardhoopen, die nu mijne oude oogen verblinden, verwijderd zijn, den onzichtbaren Allerhoogsten God niet minder zeker met de oogen mijner ziel zal aanschouwen, gelijk Missi mij verzekert, dan ik den regen beneden uit de aarde heb zien te voorschijn komen. Van heden af, mijn volk, moet ik den God aanbidden, die den put voor ons geopend heeft, en die ons met regen van beneden heeft verkwikt. De goden van Aniwa kunnen niet hooren, kunnen niet helpen gelijk de
267
l\'EGENOVER HET HEIDENDOM.
God van Missi. Voortaan ben ik een volger van den Oppersten God. Laat ieder, die het met mij eens is, nu heengaan en de afgoden van Aniwa, de goden, die onze vaders vreesden, halen, om ze aan Missi\'s voeten te \'werpen. Laat ons deze voorwerpen van hout en steen verbranden, begraven en vernietigen, en laten wij ons door Missi doen leeren, hoe wij den God, Die hooren kan, Jehovah, Die ons den put gaf, moeten dienen. Hij wil ons ook iedere andere zegening schenken, want Hij zond Zijn Zoon Jezus, om voor ons te sterven en ons naar den hemel te brengen. Dit is wat Missi ons eiken dag verhaald heeft, sedert hij op Aniwa geland is. Vroeger bespotten wij hem, maar nu gelooven wij hem. De Opperste God heeft ons regen uit de aarde geschonken. Waarom zou Hij ons ook niet Zijn Zoon uit den hemel nedergezonden hebben? Namakei staat op voor Jehovah!quot;
Deze toespraak en het graven van den put drukte, gelijk gezegd is, het heidendom op Aniwa den kop in. Dienzelfden namiddag brachten het bejaarde opperhoofd en verscheidenen van zijn volk hunne afgoden en wierpen ze aan mijne voeten neder naast de deur van ons huis. O! welk eene opgewondenheid heerschte er gedurende de volgende weken! Het eene gezelschap na het andere kwam tot mij, beladen met hunne goden van hout of steen, die ze op hoopen stapelden onder tranen en snikken van sommigen, en kreten van anderen, waarin het dikwijls herhaalde woord gehoord werd: »Jehovah! Jehovah!quot; Hetgeen verbrand kon worden, wierpen wij in de vlammen; het andere begroeven wij in kuilen van twaalf tot vijftien voet diepte; en enkele afgoden, die meer dan andere geschikt waren, om het bijgeloof te voeden of op te wekken, lieten wij ver van daar in de diepe zee zinken. Geen heidensch oog moet ooit weder op hen rusten!
Wij willen hier niet zeggen, dat aller beweeggronden even edel en verheven waren. Er waren ook menschen, die deze beweging tot hun eigenbelang wilden aanwenden, en zeer ontstemd waren, toen wij weigerden hunne goden te koopen! Toen ik hen zeide, dat Jehovah niet tevreden zou zijn, tenzij zij ze uit eigen vrijen wil opgaven en ze zonder betaling of belooning wegwierpen, namen sommigen ze weder mede en hielden ze nog een tijd bij zich en anderen wierpen ze verachtelijk weg. Er werden samenkomsten en redevoeringen zonder einde gehouden, want de bewoners der Nieuwe Hebriden zijn groote redenaars; hunne taal is bloemrijk en hunne woorden verbazend goed gekozen; er volgde veel gepraat en het vernietigen van de afgoden ging rustig voort. Kort daarna werden twee priesters en eenige andere personen aangesteld als een soort van geheime Commissie om menschen, die ■ voorgaven alle afgoden op te geven, maar in het geheim er nog eenige verborgen hielden, uit te vinden en ten toon te stellen, en om twijfelaars er toe te brengen, om tot eene stellige beslissing voor Jehovah te komen. In deze dagen van buitenge-meene opwekking »waren wij stilquot; en aanschouwden het heil des Heeren.
Zij schaarden zich nu in menigte om ons heen, wanneer wij maar eene samenkomst hielden, en luisterden gretig naar de geschiedenis van het leven en den dood van Jezus. Ook gingen zij vrijwillig een of ander kleeding-stuk dragen, en alle zaken van aanbelang werden getrouw aan ons oordeel en aan onzen raad onderworpen. Eene van de eerste zaken van christelijke tucht, waaraan zij zich gereedelijk en bijna eenstemmig onderwierpen, was het vragen van Gods zegen over ieder maal en het danken van den grooten God voor hun dagelijksch brood. Wie dit niet deed, werd aangemerkt als een heiden. (Hoeveel blanke heidenen zouden er wel zijn?) De volgende stap, die met algemeen goedvinden gedaan
208
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
werd, en die voor mij niet minder verrassend dan verblijdend was, was het aannemen van eene huiselijke godsdienstoefening iederen morgen en iederen avond. Zonder twijfel waren de gebeden dikwijls zeer wonderlijk en vermengd met veel overgebleven bijgeloof, maar het waren gebeden tot den grooten God, den medelijdenden Vader, den Onzichtbare — en niet langer tot hout en steen!
Dit waren de zichtbare teekenen, die als van zelve ontsproten uit ons leven als christenen in hun midden — huiselijke godsdienstoefening \'s morgens en \'s avonds, en bidden en danken bij het gebruiken van voedsel, ziedaar hetgeen zij als bij instinct van ons overnamen en navolgden. Ieder huis, waarin geene huiselijke godsdienstoefening werd gehouden, stond daardoor bekend als heidensch. Dit was een rechtstreeksch en practisch bewijs voor den nieuwen godsdienst en zoo ver als het gaat (en dat is inderdaad zeer ver, waar eenige oprechtheid gevonden wordt) kon er geene vergissing plaats hebben, indien men dit als toetssteen aannam.
Een derde zichtbaar teeken van verandering kwam terstond aan den dag, nm. de verandering omtrent den dag des Heeren. Het eene dorp na het andere volgde hierin ook het voorbeeld van het zendingshuis. Alle gewone bezigheden hielden op. De Zondag werd »de dag van Jehovahquot; genoemd. Zaterdag begon langzamerhand skookdagquot; te heeten, hetgeen doelde op de buitengewone toebereidselen voor den dag van rust en aanbidding. Zij geloofden, dat het de wil van Jehovah was, dat men den eersten dag heiligde. Het omgekeerde was een zeker teeken van het heidendom.
De eerste teekenen van eene nieuwe maatschappelijke orde begonnen zich ook langzamerhand voor het verheugde oog te vertoonen. De ge-heele bevolking, oud en jong. bezocht nu ook de school, drie geslachten waren somtijds voor een A. B. C. boek gezeten! Diefstallen, twisten, misdaden, enz. werden nu niet meer beslist door het vuistrecht, maar door boete of gevangenis of zweepslagen, gelijk de Hoofden en hun volk dit bepaalden. Alles werd »nieuwquot; onder den invloed van den alles door-trekkenden zuurdeesem des Evangelies. De industrie nam zeer toe. Hutten en plantages waren veilig. Vroeger droeg iedereen, wanneer hij op reis ging, al zijne voorwerpen van waarde met zich, nu waren zij veilig en werden thuis gelaten.
Zelfs een broedsel vogels of eenige biggetjes zouden zij vroeger, toen zij nog heidenen waren, in eene mand met zich omgedragen hebben. Vandaar, dat wij toen in de kerk soms levendige episoden hadden, het getjilp van kuikens, het geschreeuw van varkentjes, het geblaf van jonge honden, de een vroolijk den ander beantwoordend, terwijl wij zongen, baden of het Evangelie verkondigden! Daar wij blijde waren de Inboorlingen daar te zien, al was het dan ook met al hunne bezittingen, weerhielden wij ons zorgvuldig van alle aanmerkingen daaromtrent, maar de aandacht werd dikwijls afgeleid, voornamelijk wanneer de pogingen van den eigenaar, om een jong varkentje te bevredigen, den kleinen schelm noopten, om alles te verdooven door een lang uitgerekten, boozen, zwijn-achtigen schreeuw.
De Inboorlingen, die begrepen dat zulk een staat van zaken lastig voor henzelven en onaangenaam voor iedereen was, riepen eene algemeene vergadering samen en veroordeelden eenstemmig alle oneerlijkheid, bepaalden strenge boeten en straffen voor iederen diefstal, en beloofden elkander bij te staan, om de wetten te handhaven. De opperhoofden bevonden, dat dit eene lange en moeielijke taak was; het Evangelie echter gaf hen de kracht vol te houden en te overwinnen. In de beproevingen en
269
TEGENOVER HET HEIDENDOM.
moeilijkheden, welke zij ondervonden, werden zij door God ondersteund, die hen in het licht van hunne ervaring een eenvoudig wetboek van strafrecht deed saamstellen, dat hen in staat stelde de misdaden, die in hun land de overhand hadden, te onderdrukken en de deugden aan te kweeken, die bij hen in het bijzonder moesten aangekweekt worden.
De heidensche godsdienst werd langzamerhand uitgeroeid en ofschoon niemand genoodzaakt werd, de kerk te bezoeken, werd iedere bewoner van Aniwa, zonder uitzondering, langzamerhand een openlijk aanbidder van den waren God. Wederom kon men hier uitroepen: »0 Galileër, Gij hebt overwonnen 1quot;
Dikwijls heb ik er over nagedacht, hoe dat oude opperhoofd der Kannibalen zichzelven en zijn volk door het graven van den put en het aan den dag brengen van het onzichtbare water tot het geloof aan het bestaan en de macht van den grooten, onzichtbaren God, den eenigen Hoorder en Verhoorder van het gebed, wist te brengen. En dan vergelijk ik dit onwillekeurig met de groote menigte in Engeland, Amerika, Duitsch-land en onze koloniën, wier wijsheid, geleerdheid, kunst en rijkdom hun in geestelijke duisternis heeft gelaten en niet anders van hen heeft kunnen maken dan ellendige twijfelaars! In den trots huns harten ontkennen zij het bestaan van hun Schepper en Verlosser, die Zich aan hen zoo heerlijk openbaart in de natuur en in de Schrift, en zij gelijken op den hond, die tegen de zon blaft. Zij willen niets aannemen dan wat hunne armzalige wetenschap kan bewijzen, en toch is die hooggeroemde wetenschap, vergeleken bij de Alwetendheid, die het heelal bestuurt, oneindig kleiner dan de kennis van het eenvoudige opperhoofd Namakei, vergeleken bij de mijnel Zij weten toch zeker, dat hun bestaan zelfs voortdurend afhangt van dingen, die noch verstand, noch wetenschap kan peilen, evenmin als Namakei den regen uit de diepte kon begrijpen. Voor iedere reden, die hij en zijn volk hadden, om te gelooven in den onzichtbaren God, Die het water had te voorschijn gebracht, hebben deze zoons en dochters der beschaving er tienduizend meer uit de geschiedenis, uit de wetenschap, uit den stoffelijken vooruitgang, en toch weigeren zij in hun verstandelijken trots, om den onzichtbaren en ondoorgrondelijken God te erkennen en te aanbidden, in Wien zij iederen dag leven, zich bewegen en zijn, en Die tot ons van uit den Hemel heeft gesproken door Zijn Zoon. Indien hunne eigene zoons of dochters of dienstboden, die oneindig minder afhankelijk van hen zijn dan zij van God, hen zouden behandelen, evenals zij hun Schepper behandelen, wat zouden zij daarvan denken? Hoe zouden zij zich gevoelen? Ik beklaag uit het diepst mijner ziel ieder menschelijk wezen dat, om welke oorzaak ook, vreemd is aan de edelste, verhevenste en meest troostvolle ervaring, die eene menschenziel kan binnendringen: heerlijke gemeenschap met den Vader der geesten, door de liefelijke vereeniging met den Heer Jezus Christus. »Ik dank u Vader! Heer des Hemels en der aarde 1 dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard. Ja Vader! want alzoo is geweest het welbehagen voor U .... Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van harte; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.quot; Matth. XI: 25—30.
270
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
Het eerste boek van Aniwa. — De macht der muziek. Een paar glazen oogen.— Het bouwen van eene kerk voor Jezus. — Het plaatsen van de klok. — Patesa en zijne bruid. Eene gewapende embassade.—Youwili\'s priesterban. — De bekeering van Youwili. — De afgod van de tabak. — Eerste avondmaalsviering op Aniwa. — De dagschool van ons dorp. — Nieuwe maatschappelijke wetten. — Het besteden van den Zondag op Aniwa. — Ons leven op de weekdagen. — De weezen met hunne beschuit. — Schipbreuk van de Day spring.— Gods eigen mijlpalen. — Gods werk, onze waarborg. — Spotters bestraft. — Een hemelsch gezicht — Op vleugelen door Nieuw-Zeeland. — Onze tweede Day spring.
groote gebeurtenis, niet zoozeer om de moeite, die het mij kostte, en al het werk, dat er aan verbonden was, ofschoon dit genoeg zou geweest zijn, om het hart van menig letterzetter te breken, maar meer om de vreugde, die het aan den ouden Namakei gaf.
Het verlaten van den zendingspost op Tanna had mij van mijne eigene nette, kleine drukpers beroofd. Sedert had ik op Aneityum de overblijfselen van eene drnkpers van Erromanga, die aan den heer Gordon\'had toebehoord, verkregen. Maar de hoeveelheid letters was zoo ontoereikend, dat ik in sommige gevallen slechts vier bladzijden tegelijk kon drukken, en behalve dat, ontbraken er gedeelten van de pers, die ik door stukjes ijzer of hout moest vervangen, voor ik ze kon gebruiken. Ik slaagde er echter in, de pers bruikbaar te maken en weldra deed zij goede diensten. Ik drukte er ons gezangboek mede en een gedeelte van Genesis in het Aniwaansch, een klein boek in de taal van Erromanga voor den tweeden Gordon,en andere kleine dingen.
De oude Namakei had mij trouw geholpen in het vertalen en gereedmaken van dit eerste boek. Hij verlangde zeer het te »hooren sprekenquot;, gelijk hij het uitdrukte. Het bestond voornamelijk uit korte gezegden uit de Heilige Schrift, die mij konden helpen, om hen tot de schatten dei-Goddelijke waarheid en liefde te leiden. Namakei kwam dag aan dag tot mij met de vraag: »Missi, is het gereed? Kan het spreken?quot;
Eindelijk kon ik tot hem zeggen: »Jalquot;
Hij vraagde daarop levendig: »Spreekt het mijne woorden?quot;
»Jaquot;, zeide ik.
Met klimmende belangstelling riep Namakei uit: »Laat het eens tot mij spreken, Missi 1 Laat ik het eens hooren spreken.quot;
ET drukken van mijn eerste boek in de taal van Aniwa was eene
272
Ik las hem een gedeelte van het boek voor en de oude man riep in verrukking van vreugde uit: »Het spreekt! En het spreekt mijne eigene taal ook! O, geef het mij eens!quot;
Hij greep het mij haastig uit de hand, opende het, bekeek het aan alle zijden, drukte het. aan zijn hart, en het toen weder sluitende met een blik, waarin groote teleurstelling te lezen stond, gaf hij het mij terug, zeggende: »Missi, ik kan het niet laten spreken! Het zal tot mij nooit iets zeggen!quot;
»Neen,quot; zeide ik; »gij kunt het nog niet lezen; gij kunt het niet tot u laten spreken, maar ik zal u leeren lezen, en dan zal het tot u spreken evengoed als tot mij.quot;
»0 Missi, lieve Missi, wijs mij, hoe ik het kan laten spreken!quot; riep hij vol verrukking uit. Hij moest zijne oogen echter zoo inspannen, dat ik vermoedde, dat zij zwak van ouderdom waren, en hij de letters niet zien kon.
Ik zocht een bril voor hem, en slaagde er in een geschikten voor hem te vinden. Hij was er eerst bang voor, klaarblijkelijk uit angst voor de eene of andere tooverij. Maar toen hij den bril op had en de letters en alles rondom zich duidelijk zien kon, riep hij in groote vervoering van vreugde uit: 2gt;Nu zie ik alles! Dit is wat gij ons van Jezus verteld hebt. Hij opende de oogen van den blinden man. Het woord van Jezus is ook te Aniwa gekomen. Hij heeft mij deze glazen oogen gezonden. Ik heb het gezicht weder gekregen, dat ik had, toen ik een knaap was. O Missi, laat het boek nu tot mij spreken!quot;
Ik ging met hem naar buiten naar het dorpsplein. Daar schreef ik met groote letters A. B. C. in het zand, en toonde hem dezelfde letters in het boek aan, liet ze hem vergelijken, en tellen hoeveel er op de eerste bladzijde voorkwamen. Toen hij ze vast in zijn geheugen had, kwam hij bij mij, zeggende: »Ik heb de A. B. C. vermeesterd. Zij zijn hier in mijn hoofd en ik zal ze daar vasthouden. Geef mij nu drie andere letters.quot;
Dit werd achtereenvolgens herhaald. Hij leerde het geheele alphabet, en begon spoedig kleine woorden te spellen. Hij kwam zoo dikwijls tot mij, en liet mij het boek zoo dikwijls lezen en herlezen, dat hij het woordelijk van buiten kende, vóór hij het zonder hulp lezen kon. Wanneer hem vreemden bezochten, of jonge lieden zich rondom hem verzamelden, had hij de gewoonte het boekje te krijgen, en te zeggen: »Komt eens hier, dan zal ik u laten hooren, hoe het boek in onze eigene taal spreekt. Gij zegt, dat het moeielijk is, om te leeren lezen en het te laten spreken. Maar weest flink genoeg, om het te beproeven! Indien een oud man gelijk ik het gedaan heb, moet het voor u veel gemakkelijker zijn.quot;
Eens hoorde ik hem met verwonderlijke vlugheid aan een hem omringend gezelschap een gedeelte uit het boek voorlezen. Ik vraagde hem daarop mij te toonen, hoe hij dat zoo vlug deed. Onmiddellijk bemerkte ik, dat hij het alles uit het hoofd kon opzeggen. Hij werd onze rechterhand in de bekeering van Aniwa.
Naast Gods woord was misschien de macht, die de muziek uitoefende, het meest gezegend middel, om ons een weg te banen. Onder vele andere voorbeelden wil ik hier mededeelen, hoe Namakei\'s vrouw daardoor gewonnen werd. De oude vrouw sidderde er letterlijk voor, om het zendingshuis te naderen en vreesde, als men haar iets wilde leeren. Eens scheen zij echter den moed te hebben, om de deur te naderen, en aan iederen deurpost eene hand slaande, keek zij naar binnen, en riep uit: »Awai, Missi! Kai, Missi!quot; — een uitroep van onuitsprekelijke verwondering bij de Inboorlingen. Mijne echtgenoote begon op het orgel te spelen, en zong een eenvoudig lied in de taal der oude vrouw. Klaar-
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER. 273
blijkelijk bekoord, kwam zij nader en nader, en dronk de muziek als het ware met haar geheele wezen in. Ten laatste liep zij heen, wij dachten uit vrees, maar het was om al de vrouwen en meisjes van haar dorp bijeen te roepen; sgt;om de doos te hooren zingen!quot; Zij luisterden met schitterende oogen. En voortaan deed de klank van een lied, en het gezang van de »doos\'?, haar uit vrije beweging naar de samenkomst of naar de school komen. Daar ik zelve bijna geheel verstoken ben van het vermogen om te zingen, zou al mijn werk benadeeld en treurig verhinderd zijn en de vroolijke zijde van den dienst en de aanbidding van Jehovah zou aan de Inboorlingen niet voorgesteld zijn, indien de Heer deze gave niet aan mijne lieve vrouw had verleend. Zij begeleidde onze liederen van lof en dank in het huisgezin en in de kerk, en dit was het eerste, waardoor de nieuwe godsdienst zich een weg baande tot het hart van Kannibalen en Wilden.
Ons bejaarde opperhoofd verlangde vurig, dat zijne vrouw, Yauwaki, lezen zou leeren. Maar haar gezicht was zeer slecht.
Zoo bracht hij haar dan eens tot mij, zeggende: »Missi, kunt gij mijne vrouw ook een paar nieuwe glazen oogen geven gelijk de mijne. Zij tracht te leeren, maar zij kan de letters niet zien. Zij tracht ook te naaien, maar prikt zich in den vinger en dan werpt zij haar naald weg, zeggende: »De wijze van doen van de Blanken is niet goed!quot; Indien zij een paar glazen oogen kon krijgen, zou zij in eene nieuwe wereld zijn, evenals Namakei.quot; Ik vond in mijne verzameling een bril, die voor haar geschikt was. Zij was eerst zeer bang, om den bril op te zetten, maar ten laatste riep zij vol vreugde uit: »0, mijne nieuwe oogen! mijne nieuwe oogen! Ik zie weer even goed als een jong meisje. Nu zal ik goed leeren. Ik zal den verloren tijd inhalen.quot;
Hare vorderingen waren nooit zeer groot, maar haar invloed ten goede op andere vrouwen en meisjes was onberekenbaar.
Bij mijn werk onder de Inboorlingen is het altijd mijn streven geweest, hen te leeren voor zichzelven te zorgen; ik heb hen nooit geholpen, waar zij zichzelven konden helpen. Dit hield ik ook vol, toen het bouwen van hunne kerken en scholen ter sprake kwam. In het eerst begaven wij ons onder hen, leerden hunne taal, en onderwezen hen overal, langs den weg, onder de schaduw van een boom, of op den openbaren grond van het dorp. Onze oude Inlandsche hut, die wij verlieten, toen wij, gelijk medegedeeld is, het zendingshuis betrokken, werd voor alle soorten van bijeenkomsten gebruikt. Langzamerhand gevoelde ik, dat de tijd gekomen was, om hen- belang in te boezemen voor het bouwen van een nieuw kerkgebouw, dat in alle opzichten zeer gewenscht zou zijn, en ik legde hen dit plan voor, terwijl ik niet verzuimde duidelijk te doen uitkomen, dat niemand voor dit werk betaald zou worden, dat de kerk voor al de eilanders was, en voor den eeredienst alleen, en dat ieder daaraan moest medehelpen uit liefde tot Jezus.
Ik zeide hen, dat God tevreden zou zijn met de bouwstoffen, die zij konden geven; ook zeide ik, dat zij niet moesten beginnen, vóór dat zij het werk onder elkander hadden verdeeld, en de kosten berekend; dat ik alles zou doen, wat in mijn vermogen was, om te helpen en aanwijzingen te geven, en dat het touw van kokosvezels, dat ik van Aneityum, en de spijkers, die ik uit Sydney had medegebracht, tot hun dienst waren.
Over het gansche eiland werd dit nieuwe plan nu besproken. De opperhoofden hielden lange redevoeringen; de redenaars bezongen hunne aanspraken en de strijders toonden hun aandeel in de zaak door met knots en strijdbijl te zwaaien. Eene ongekende vriendschappelijkheid was onder
18
HELquot; LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
hen op te merken. Zij besloten ieder verschil te laten rusten en zich te vereenigen tot het bouwen van de eerste kerk op Anivva, — slechts e\'en opperhoofd sloot zich niet aan. De vrouwen en kinderen begonnen met suikerrietbladeren voor de dakbedekking te verzamelen en gereed te maken. De mannen zochten naar geschikte boomen en begonnen die om te houwen.
De kerk werd twee en zestig voet lang en vier en twintig voet breed. De muren waren twaalf voet hoog. De stijlen waren van ijzerhout, en waren door voegen en pinnen bevestigd in zes ijzerhoutboomen, die de bovenmuurplaten vormden. Zij waren niet alleen gespijkerd, maar ook nog stevig aan elkander gebonden door kokostouw, opdat zij den orkanen beter zouden kunnen weerstand bieden. Het dak rustte op vier enorme ijzerhoutboomen en een anderen boom van even hard hout, die acht voet in den grond geslagen waren, omringd door metselwerk aan den voet, en die massieve pilaren vormden. Er waren twee ingangen en acht vensters, de vloer was met wit koraal belegd, dat fijn gebroken was, en bedekt met matten van kokosbladeren, waarop de menschen zaten. Ik had een klein platform, bevloerd en omringd met riet, en mijne vrouw had eene zitplaats, die het orgel ook insloot en wel bewaard hield, insgelijks van riet vervaardigd. Er heerschte groote overeenstemming tijdens het bouwen, en geen enkel ongeval bedierf het werk. Een flinke, jonge man viel van het dak op den grond en was bedwelmd door den val, maar, opspringende, schudde hij zich eens en zeide: »Ik werkte voor Jehovah, daarom heeft Hij mij bewaard, zoodat ik mij niet bezeerd heb 1quot; en daarmede beklom hij het dak weder en hervatte vroolijk zijn werk.
Wij waren trotsch op onze nieuwe kerk, maar weldra trof ons een vreeselijke slag. Zeer kort na de voltooiing werd het gebouw reeds door een vreeselijken orkaan vernield en met den grond gelijk gemaakt. Nadat er veel over geweeklaagd was, zeide het machtigste opperhoofd in eene groote vergadering: »Laat ons niet weenen, gelijk de jongens doen, als zij hunne pijlen en bogen gebroken hebben. Laat ons flink zijn en eene nieuwe en sterkere kerk voor onzen God bouwen!quot;
Op onzen raad werden er eerst tien dagen besteed met het herstellen van huizen en omheiningen en met het in orde brengen van de plantages, waarvan er vele geheel vernield waren. Toen verzamelden zij zich op den bestemden dag. Er werd een lied gezongen. Gods zegen werd gevraagd, en al het werk werd Hem opnieuw toegewijd. Er waren dagen noodig, om het dak van ijzerhout in stukken te krijgen en te redden wat er nog te redden viel. Het werk werd gelijk verdeeld onder de bewoners der verschillende dorpen, en een heilzame naijver ontstond. Een opperhoofd bleef nog steeds achter. Na een poos bezocht ik hem en noo-digde hem persoonlijk uit, ons zijne medehulp te schenken. Ik wees er hem op, dat het Gods huis was, dat gebouwd werd, en dat het voor het geheele volk van Aniwa was, en dat als hij en zijn volk ook niet hun deel in den arbeid namen, de anderen hen later zouden verwijten, dat zij geen deel aan het huis van God hadden. Hij liet zich door mij overhalen, en voegde zich krachtig bij het werk.
Eén groote boom was er nog noodig, om als pilaar te dienen, maar deze kon nergens gevonden worden. Het werk stond stil; want, ofschoon de grootte nu teruggebracht was tot op vijftig bij twee en twintig voet, en het dak ook vier voet lager was gemaakt, opdat het niet zooveel van den wind zou te lijden hebben, en er genoeg lager hout op Aniwa was, schenen er echter geene groote boomen meer te vinden te zijn. Op een morgen evenwel werden wij met het aanbreken van den dag gewekt door het
274
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
schreeuwen en zingen van een troep menschen, die een grooten, zwarten boom naar de kerk brachten, terwijl ditzelfde opperhoofd, dansend en zingend voor hen uitliep, met zijne strijdbijl de maat slaande. Hoewel laat in het veld verschenen, wilde hij niet verslagen worden; hij had een dakbalk, geheel zwart en berookt, uit zijn eigen huis genomen, en bracht dien nu, om de kerk te voltooien. De andere bouwers hadden veel hiertegen te zeggen. Al, het andere hout van de kerk was wit en schoon, en zij wilden dezen zwarten balk niet juist in het midden van alles hebben. Maar ik prees den ouden aanvoerder voor hetgeen hij gedaan had, en zeide, dat ik hoopte, dat hij en zijn volk Jehovah zouden komen aanbidden onder zijn eigen dakbalk. Hiermede waren allen ingenomen, en het werk ging vreedzaam voort met veel gezang en gejuich.
Zoodra de kerk een dak had, kwamen wij er in samen tot de openbare godsdienstoefening. Er werd koraal aangebracht, en tot kalk gebrand en men maakte toebereidselen voor het pleisteren van de muren. De Inboorlingen waren slim genoeg, om op te merken, dat ik de klok niet in de kerk ophing, en nu ontstond het vermoeden, dat ik die achter hield, teneinde ze mede te nemen, wanneer ik naar Tanna terugkeerde. Het was eene schoone gegoten kerkklok, die ons was toegezonden door onzen goeden vriend, James Taylor, werktuigkundige te Birkenhead. Mijne Inboorlingen lieten mij daarom geene rust, tot ik er in toestemde, om de klok in hunne nieuwe kerk op te hangen. Zij vonden een grooten ijzerhoutboom bij de kust, sleepten hem ongeveer eene halve mijl door het bosch, staken er toen staven doorheen op eenige voeten afstands van elkander, en hieven hem met gejuich op hunne schouders, terwijl ongeveer zes man aan iederen kant liepen; zij legden den boom niet neder, totdat zij de kerk bereikt hadden; want als de eene partij vermoeid werd, waren anderen gereed, om hunne plaats in te nemen, totdat de tocht volbracht was. De twee oude opperhoofden, hunne strijdbijlen zwaaiende, gingen springend de anderen voor en leidden het gezang, waarop zij marcheerden, terwijl zij vroolijk hun last droegen. Zij groeven een diep gat, om den boom te doen inzakken; ik maakte den top vierkant en bevestigde er de klok op; toen trokken wij den boom met touwen op, lieten hem in het gat zakken, omringden hem acht voet diep met koraalblokken en kalk, en daar van den top van het kleine kerkgebouw luidt en klinkt nog altijd — de kerkklok van Aniwa.
Nu moest het werken aan de kerk gedurende veertien dagen gestaakt worden. Hunne eigene plantages moesten voorzien worden, en meer noo-dige dingen verricht. Ons hervatten van den arbeid aan de kerk gaf aanleiding tot eene daad van afschuwelijke wreedheid. Patesa, de zoon van het opperhoofd, was juist gehuwd met eene jeugdige weduwe, die door Nasi, een man uit Tanna, die op Aniwa leefde, ook begeerd was geworden. Het volk uit het dorp van den jongen bruidegom was overeengekomen, om dicht bij het zendingshuis te overnachten, ten einde den volgenden morgen vroeg aan het werk te kunnen beginnen, en zij zonden het jonge paar naar het dorp, om daar te slapen en hunne eigendommen te bewaren. Nasi en zijn halve broeder, Nouka, wetende, dat zij alleen waren, slopen steelsgewijze hunne hut binnen bij het eerste aanbreken van den dag, zonder dat een van hen ontwaakte. In het volgende oogenblik werd de jonge echtgenoot door een kogel doodelijk getroffen. De vrouw sprong op, en smeekte Nasi haar leven te sparen, maar hij zond haar een kogel door het hart, en zij viel dood naast haar echtgenoot neder. Hun volk, de schoten hoorende, vloog naar de plaals des onheils en vonden hen in hun bloed badende. Vroegtijdig dienzelfden morgen
275
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
werden bruid en bruidegom in hetzelfde graf vereenigd, in den slaap der liefde en des doods.
Gedurende eene week was ons werk gestaakt. Mannen en jongens liepen gewapend rond, en spraken over wraakneming. Nasi werd omringd door een troep met musketten gewapende mannen, en ik vreesde, dat wij het verlies van vele levens zouden te betreuren hebben. Ik smeekte hen voor ditmaal de wraak aan God over te laten, en elkander bij te staan, om het werk des Heeren te voleindigen. Maar ik verbood den moordenaars ernstig, om in de nabijheid van het zendingshuis te komen, of ons aan de kerk te helpen. Mijn raad werd in zooverre opgevolgd. Maar ieder man kwam met musket, strijdbijl, speer en knots gewapend, en de jongens met pijl en boog; deze wapenen werden opgestapeld rondom de omheining daar vlak bij, waarbij wachters gezet werden, die, als er gevaar was, onmiddellijk moesten waarschuwen. Zoo werd letterlijk met het zwaard in de eene en den troffel in de andere hand het huis des Heeren op Aniwa weder opgericht.
Het koraal was aanwezig, gelijk reeds gezegd is; door dit in geïmproviseerde ovens te doen branden, werd kalk gemaakt, en het eene dorp wedijverde met het andere in het pleisteren van zijn eigen gedeelte — het eerste werk van dien aard, dat zij ooit gedaan hadden. De vloer werd met gebroken koraal en matten bedekt, maar de Inboorlingen zijn nu (1889) bezig om hunne kerk te voorzien van zitplaatsen, gelijk de Blanken hebben. Oorspronkelijk hadden zij eene rij zitplaatsen in de rondte, van bamboesriet gemaakt. De vrouwen en meisjes komen dooide eene deur binnen, en de mannen en jongens door de andere; zij zitten aan verschillende zijden, behalve aan de Avondmaalstafel, waar allen te zamen aanzitten als ée\'ne familie. Het was eene kerk, in alle opzichten geschikt voor hunne behoeften, en die de zendingsvereenigingen geen cent kostte. Het gebouw heeft menigen storm doorstaan. Een groot aantal der oorspronkelijke bouwers is reeds de ruste ingegaan, maar hun werk blijft, en getuigt voor God onder hunne kinderen. Op de ruwe muren van dit kerkgebouw kon ik het heerlijk motto zien: »Jehovah Shammah.quot;
Eene van de laatste pogingen, die gedaan werden, om mij het leven te benemen, bewerkte onder Gods zegen veel goeds voor ons allen en voor het werk des Heeren. Het was toen Nourai, een van de mannen van Nasi, mij een en andermaal met den loop van zijn geweer sloeg; ik ontweek echter de slagen, totdat ik door de vrouwen werd ontzet, terwijl de mannen het verstomd van schrik aanzagen. Nadat hij in het bosch gevlucht was, verzamelde ik ons volk, en zeide: »Indien gij nu niet tracht dit slecht gedrag tegen te gaan, zal ik Aniwa verlaten, en naar eenig ander eiland gaan, waar mijn leven beschermd zal worden.quot;
Den volgenden morgen met het aanbreken van den dag naderden ongeveer honderd gewapende lieden mijne woning en antwoordden op mijne vraag, waarom zij gewapend kwamen:
»Wij zijn op weg naar het dorp, waar de slechte lieden vergaderd zijn. Wij zullen uitvinden, waarom zij u het leven zochten te benemen, en wij zullen hun priester straffen, omdat hij beweert stormen en ongevallen te kunnen veroorzaken. Wij kunnen niet ongewapend gaan. Ook kunnen wij u niet alleen laten gaan. Wij zijn uwe vrienden en de vrienden van den godsdienst. Wij zijn besloten u te verdedigen en gij moet u heden aan ons hoofd plaatsen!quot;
In groote verlegenheid, maar toch geloovende, dat mijne tegenwoordigheid het bloedstorten zou verhinderen, liet ik mij aan hun hoofd
276
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
plaatsen. Het bejaarde opperhoofd volgde mij, daarop volgde een aantal flinke, jonge lieden, terwijl verschillende anderen achter elkander langs het smalle pad voortgingen. Toen wij hun dorp naderden, zagen wij bij een plotselingen draai van den weg Nourai, die mij den vorigen Zondag aangevallen was, en zijn broeder, van geweren voorzien, maar onze jonge lieden vlogen op hen aan en zij verdwenen in het bosch.
Wij vatten post op den openbaren grond van het dorp en het opperhoofd, de priester, en anderen verzamelden zich daar spoedig ook. Een karakteristiek Inlandsch gebabbel volgde nu. Redevoeringen, eindelooze redevoeringen hielden zij tot elkander. Mijne vrienden verklaarden, op iedere denkbare wijze en met de duidelijkste illustraties, dat zij besloten waren tot eiken prijs mij en den godsdienst van Jehovah te verdedigen, en dat zij als één man iederen aanslag op mijn leven of iedere belee-diging mij aangedaan zouden wreken.
De redenaar Taia riep uit; »Gij denkt, dat Missi hier alleen staat, en dat gij met hem doen kunt wat gij wilt! Maar dat is zoo niet! Neen! Wij zijn nu allen Missi\'s vrienden. Wij willen voor hem en de zijnen vechten, liever dan hem te zien beleedigen. Ieder, die hem aanvalt, valt ons aan. Dat is van heden af eene uitgemaakte zaak!quot;
De algemeene verwijtingen waren in het bijzonder tegen den priester gericht, omdat hij voorgaf stormen teweeg te brengen. Iemand wees er op, dat hij zelve eene stijve knie had en redeneerde aldus: »Indien hij een storm kan veroorzaken, waarom kan hij dan het gewricht van zijne eigene knie niet beter maken. Het zou toch zeker gemakkelijker zijn dit te doen dan het andere.quot;
De Inboorlingen lachten hartelijk en bespotten hem. Hij zat intusschen in somber stilzwijgen voor zich op den grond te staren, toen eene kluchtige episode volgde. Zijne vrouw, eene groote, sterke vrouw, verweet hem ronduit, dat hij de oorzaak was van al hunne moeielijkheden; en daarna verontwaardigd evenals boos wordende, greep zij een dikken kokostak uit het bosch, en begon hem met het onderste gedeelte daarvan hevig op de schouders te slaan, terwijl zij al haar toorn in een vloed van woorden ontlastte, altijd besluitende met den uitroep; »Ik zal den duivel wel uit hem ranselen! Hij zal het maken van stormen niet weer beproeven !quot;
Deze vrouw was eene Maleische, gelijk velen der Aniwans hadden. Had eene Papoeaansche vrouw op Tanna of Erromanga zoo iets durven doen, zij zou op de plaats gedood zijn. Maar zelfs op Aniwa verwekte het ongewone schouwspel van eene vrouw, die haar man sloeg, een luidruchtig vermaak. Ten laatste kwam ik tusschenbeide, en sprak; sik zou het er nu maar bij laten. Gij wilt hem toch niet doodslaan, wel? De duivel schijnt nu reeds vrij wel uit hem geslagen te zijn! Gij ziet, hoe hij het alles stilzwijgend verdraagt en berouw heeft over zijne slechte woorden en slecht gedrag.quot;
Zij eischten, dat hij plechtig zou beloven, geene ziekten of stormen meer te maken, en met zijne naburen in vrede te leven. De bewoners van het dorp boden ons eindelijk eene groote hoeveelheid suikerriet en voedsel als een offer des vredes aan en wij keerden naar huis terug. God dankende, dat de strijd was geëindigd in praten in plaats van in bloedvergieten. De uitkomst was in elk opzicht zeer bevredigend. Onze vrienden kenden hunne kracht en schepten moed. Onze vijanden waren ontmoedigd en bevreesd. Wij zagen de balans iederen dag meer overslaan naar de zijde van Jezus, en onze zielen prezen den Heer
Deze gebeurtenissen herinneren mij een ander voorval uit deze dagen vol beproeving, maar ook vol vreugde. Het betreft de geschiedenis van
277
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
ons jonge opperhoofd Youwili. Van het begin af en gedurende langen tijd was hij zeer vermetel en lastig. Ik had opgemerkt, dat de Inboorlingen gedurende verscheidene dagen op tamelijk grooten afstand van het zendingshuis bleven en ik vraagde het bejaarde opperhoofd, of hij daarvan de reden wist. Hij antwoordde: »Youwili heeft den priesterban rondom deze streek opgericht en heeft ieder met den dood bedreigd, die er door heen breekt.quot;
Ik antwoordde onmiddellijk: »Dan moet ik daaruit zeker begrijpen, dat gij het met hem eens zijt en wenscht, dat ik u verlaten zal. Wij zijn hier alleen, om u en uw volk te onderwijzen. Indien hij macht heeft, om dat te verhinderen, zullen wij met de Dayspring vertrekken!quot;
Het oude opperhoofd riep nu het volk samen, en zij kwamen tot mij, zeggende: »Wij zijn zeer boos op Youwili. Ga met ons en verbreek den ban. Wij zullen u helpen en beschermen.quot;
Ik ging met hen en wij namen den ban weg. Deze ban bestond eenvoudig in riet, dat in den grond gestoken, en met takken en bladeren en vezels op bijzondere wijze in een cirkel aan elkaar gebonden was rondom het zendingshuis. De Inboorlingen hadden altijd eene buitengewone vrees gehad, cm zulk een ban weg te nemen en geloofden, dat dit den dood van den overtreder of van iemand van zijne familie ten gevolge zou hebben. Maar alle mannen, die hierbij tegenwoordig waren, besloten zich te vereenigen tot het straffen van ieder, die trachten zou den ban weder op te richten, of het wegnemen er van te wreken. Alzoo was aan dit ellendig bijgeloof, dat al zooveel ellende en bloedvergieten had veroorzaakt, in het openbaar een gevoelige slag toegebracht.
Kort na het gebeurde hierboven vermeld, was ik eens bezig eenig hout rondom het zendingshuis weg te kappen, daar ik den grond gekocht en betaald had met het doel, om daar eenige ruimte te maken, toen Youwili plotseling verscheen en mij dreigend verbood daarmede voort te gaan. Om des vredes wil staakte ik voor dat oogenblik mijn werk. Maar hij ging recht op mijne omheining af, en hieuw met zijne strijdbijl het gedeelte, dat voor ons huis was, en ook eenige banana\'s, die daar geplant waren, om; dit was hunne gewone wijze van oorlogsverklaring, waarmede hij in dit geval te kennen gaf, dat hij slechts op eene gelegenheid wachtte, om mij en de mijnen evenzoo neer te sabelen.
Wij zagen het bejaarde opperhoofd en zijne mannen hier en daar post vatten, om ons te beschermen, en de Inboorlingen gewapend en in groote opgewondenheid heen en weder loopen. Ik riep hen en zij legden mij uit, wat de daad van Youwili beteekende, en zeiden, dat zij besloten waren, ons te beschermen. Ik zeide ; »Dit moet niet voortduren? Zult gij het een jong dwaashoofd toestaan, om ons allen te bespotten en het werk des Heeren op Aniwa te verhinderen. Indien gij hem niet naar recht kunt straffen, zal ik mij in mijne woning opsluiten en afzien van alle pogingen, om u te helpen en te leeren, totdat het schip komt, en dan kan ik het eiland verlaten.quot;
Nu zij werkelijk begonnen waren, ons lief te krijgen en er naar verlangden, om meer te leeren, was dit altijd mijn machtigste beweeggrond. Wij trokken ons in huis terug. Het volk omringde onze deuren en vensters en smeekte ons naar hen te luisteren. Na een lang stilzwijgen antwoordden wij: sGij kent ons plan. Gij moet nu een besluit nemen. Gij moet óf dezen dwazen jongen man onschadelijk maken, óf wij moeten u verlaten.
Zooals gewoonlijk, volgde er veel gepraat. Zij besloten Youwili te grijpen en hem te straffen, maar hij vluchtte en verborg zich in het bosch. Het opperhoofd kwam nu tot mij en zeide:
278
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
»Wij laten het aan u over, om te zeggen, waarin Youwili\'s straf zal bestaan. Zullen wij hem dooden ?quot;
Ik antwoordde vastbesloten : »Neen, zeker niet! Alleen in geval van moord kan het leven iemand wettig benomen worden.quot;
»Wat dan?quot; vervolgden zij. »Zullen wij zijne huizen verbranden en zijne plantages vernielen.quot;
»Neen,quot; antwoordde ik.
»Zullen wij hem binden en kastijden.quot;
»Neen 1quot;
»Zullen wij hem in eene kano plaatsen, hem naar de zee voeren en hem laten verdrinken of het gevaar ontkomen, al naar dat het uitvalt?quot;
»Neen! in geen geval.quot;
»Nu Missi,quot; zeiden zij, »andere straffen hebben wij niet. Welke andere straf is er nu nog over, waarom Youwili geven zal?quot;
»Laat hem,quot; \'zoo antwoordde ik, »met zijne eigene handen en geheel alleen eene nieuwe omheining maken, en al wat hij vernield heeft herstellen, en laat hem in het openbaar beloven, dat hij van alle slecht gedrag tegenover ons zal afzien. Dit zal mij tevreden stellen.quot;
Het denkbeeld van eene zoodanige straf scheen hen buitengemeen grappig toe. De Hoofden brachten deze woorden aan de verzamelde menigte over, en de Inboorlingen lachten en juichten, alsof het een alleraardigste grap was! Zij riepen hardop: »Dat is goed! Dat is goed! Laten wij Missi\'s woord gehoorzamen.quot;
Nadat zij hem lang hadden vervolgd, werd het jonge opperhoofd eindelijk gegrepen. Zij brachten hem voor de verzamelde menigte, bestraften hem ernstig en spraken hun vonnis over hem uit. Hij was verbaasd over het soort van straf, dat hem werd opgelegd, en verschrikt over de vastberadenheid van het volk.
xMorgen,quot; beloofde hij, »zal ik de omheining geheel herstellen. Ik zal mij nooit weder tegen Missi stellen. Zijn woord is goed.quot;
Bij het aanbreken van den volgenden morgen was Youwili reeds vlijtig bezig met het • herstellen van wat hij vernield had, en voor den avond was reeds alles in orde en beter dan het ooit geweest was. Toen hij aan het werk was, bespotten eenige lieden van zijn eigen rang hem, zeggende: «Youwili, gij vondt het zeker gemakkelijker, om Missi\'s omheining te vernielen dan te herstellen. Gij zult dat niet gauw weder doen.quot;
Maar hij hoorde dit alles stilzwijgend aan. Anderen gingen met afgewend hoofd voorbij, en hij wist, dat zij hem uitlachten.
Hij herstelde alles goed en vertrok toen zonder een enkel woord te zeggen. Mijn hart trok naar den armen jongen man heen, maar ik dacht dat het misschien beter was, om zijn eigen geest deze nieuwe denkbeelden omtrent straf en wraakneming een weinig alleen te laten uitwerken. Ik gevoelde instinctmatig, dat Youwili begon te veranderen, en dat de Geest van Christus zijne ziel, die tot heden in het duister rondtastte, had getroffen. Mijne deuren werden weder geopend, en ieder goed werk werd voortgezet als vroeger. Wij besloten Youwili geheel aan Jezus over te laten, en in ons gebed vraagden wij iederen dag, om verlichting en bekeering van het jonge opperhoofd, op wien wij al onze middelen schijnbaar te vergeefs beproefd hadden.
Een geruimen tijd verliep, en er kwam geen teeken van verhooring van onze gebeden. Maar eens, toen ik tusschen de boomen van eene kar liep en hard werkte, om de kar, met koraalblokken gevuld, met behulp van twee jongens van het strand huiswaarts te trekken, kwam Youwili uit zijn huis loopen, dat ongeveer driehonderd el van de plaats verwijderd
279
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
was, en zeide: sMissi, dat is een te moeilijk werk voor u. Laat ik u helpen.quot;
Zonder op antwoord te wachten, beval hij de twee jongens, om het eene touw aan te vatten, terwijl hij het andere nam; hij wierp het over zijn schouder en ging op weg, terwijl hij met de kracht van een paard trok. Mijn hart vloeide over van dankbaarheid, en ik weende van vreugde, terwijl ik hem volgde. Ik wist, dat dit touw slechts het zinnebeeld was van het juk van Christus, dat Youwili met de verandering zijns harten vrijwillig op zich nam! Waarlijk, er is maar één weg tot wedergeboorte: de vernieuwing door de kracht des Heiligen Geestes, het nieuwe hart; maar er zijn vele wijzen van bekeering, van het zich uiterlijk naar den Heer wenden, van het doen van den eersten stap, die aantoont aan Wiens zijde wij staan. Wedergeboorte is alleen het werk van den Heiligen Geest in des menschen hart en ziel, en is in ieder geval één en hetzelfde. Bekeering aan den anderen kant, waarbij de menschelijke wil ook in het spel komt, is misschien in geen twee gevallen hetzelfde, maar is even gelijk en toch evenveel verschillend als het gelaat der menschen.
Gelijk zij, die in den ouden tijd baden om de verlossing van Petrus, en die hunne oogen en ooren niet gelooven konden, toen Petrus klopte en bij hen binnentrad, zoo konden wij ook onze oogen en ooren nauwelijks gelooven, toen Youwili een discipel des Heeren werd, hoewel wij dagelijks om zijne bekeering gebeden hadden. Zijn eens zoo onvriendelijk gelaat werd letterlijk verhelderd door het innerlijk licht. Zijne vrouw kwam terstond om een boek en een kleedingstuk, zeggende: »Youwili heeft mij tot u gezonden; zijn tegenstand tegen den godsdienst is nu over. Ik kom de kerk en de school bezoeken. Hij komt ook. Hij wenscht te leeren, om, gelijk gij, krachtig voor Jehovah te zijn.quot;
O Jezus! aan U alleen alle eer. Gij hebt de sleutels, om ieder hart, dat Gij geschapen hebt, te ontsluiten 1
Youwili was niet vlug in het leeren lezen, maar hij had veel volharding en zijne vrouw hielp hem trouw. Zij bezochten beiden de klasse voor Avondmaalgangers, en zaten ten laatste aan des Heeren tafel neder. Na zijne eerste Avondmaalsviering wachtte hij ons op onder een oranjeboom dicht bij het zendingshuis, en zeide: »Missi, ik heb alles opgegeven voor Jezus, behalve één ding. Ik verlang te weten, of het slecht is, of het Jezus zou vertoornen; want, indien dit zoo is, wil ik het wel opofferen. Ik wensch voortaan te leven, om Jezus te behagen.quot;
Wij vreesden, dat het een van hunne heidensche goddeloosheden was en waren in zekeren zin grootelijks verruimd, toen hij vervolgde:
sMissi, ik heb mijne pijp en mijne tabak nog niet opgegeven! O Missi! ik heb die zoo lang gebruikt en ik houd er zooveel van; maar indien gij denkt, dat Jezus daarover niet tevreden kan zijn, dan wil ik mijne pijp nu neerwerpen en nooit weder rooken.quot;
Zijne gansche ziel was in gloed. Hij was in diepen ernst, en zou alles voor mij gedaan hebben. Maar ik wenschte liever zijn geweten te leiden, dan het te beheerschen. Ik antwoordde hem daarom ongeveer het volgende: »Het verheugt mij zeer, Youwili, dat gij bereid zijt alles op te geven, om Jezus te behagen. Hij is het wel waard, want Hij heeft Zijn leven voor u overgegeven. Wat mij betreft, gij weet, dat ik niet rook, en van mijn standpunt zou ik het voor mijzelven verkeerd vinden, om tijd en geld en misschien mijne gezondheid te verknoeien met het in de lucht blazen van tabaksrook. Het zou mij geen goed doen. Het zou mij niet kunnen helpen, om Jezus meer te behagen of beter te dienen. Ik geloof, dat ik gelukkiger en gezonder ben zonder te rooken. En ik ben er zeker van, dat ik den tijd en het geld, op deze zelfzuchtige wijze door-
280
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
gebracht, op andere wijzen veel beter tot Gods eer kan gebruiken. Maar ik moet tegenover u oprecht zijn, Youwili, en toestemmen, dat velen van Gods kinderen met mij van gevoelen verschillen omtrent dit punt. Zij besteden hun tijd en hun geld, en verwoesten soms hunne gezondheid met rooken, behalve nog dat zij een slecht voorbeeld aan knapen en jonge mannen geven, en beschouwen dit niet als zondig. Ik wil daarom onze medechristenen niet veroordeelen door het rooken eene zonde te noemen gelijk de dronkenschap; maar ik zeg u alleen, dat ik het als eene dwaze en verkwistende hebbelijkheid, eene slechte gewoonte, beschouw en dat gij, ofschoon gij Jezus kunt behagen en dienen, terwijl gij deze gewoonte blijft aanhouden, den Heer veel beter zoudt kunnen dienen en Hem meer zoudt behagen, indien gij het niet doet.quot;
Hij keek zeer ernstig, alsof hij zijne gewoonte en zijn besluit tegenover elkander in de weegschaal stelde, en zeide toen: »Missi, ik geef al het andere op. Indien het Jezus niet boos maakt, wil ik de pijp houden. Ik heb haar zoo lang gebruikt, en o! ik houd er zooveel van!quot;
Mijn raad en meening nog eenmaal uitsprekende, maar hem toch geheel vrij latend, om in deze zaak te handelen, zooals hij zelve meende dat goed was, en het aan hem overlatend, om Jezus te dienen naar het licht, dat hij ontvangen had, liet ik hem vertrekken met een in zooverre verruimd hart en wij hadden nog vele gesprekken over dit voorval. De meesten onzer Inboorlingen hebben bij hunne bekeering vrijwillig den afgod van de tabak vaarwel gezegd; maar wat kon ik meer tot Youwili zeggen, wanneer duizenden blanke christenen iederen dag huns levens op het altaar van dezen zelfden afgod offeren ? Wonderbaar zijn mij met betrekking tot deze zaak dikwijls de werkingen van een teeder geweten geweest, dat zichzelve afvraagde, hoe Jezus te behagen en te dienen, en hoe meer voor Jezus te doen. Eenige jaren geleden, b.v. ontmoette ik een onderwijzer van eene staatsschool in Victoria, die eerst onlangs onder de macht des Evangelies gekomen was. In zijne eerste innige liefde wenschte hij iets te kunnen doen, om zijne dankbaarheid aan Jezus te toonen. Hij had een huisgezin en kon zich niet aan het zendingswerk wijden. Zijne lieve vrouw en hij berekenden al hunne uitgaven, om te zien, hoeveel zij konden uitzuinigen tot ondersteuning van het werk des Heeren in het vaderland of daarbuiten. Weinig of niets kon er bespaard worden van hetgeen als noodzakelijk beschouwd werd. Hij viel op zijne knieën en smeekte God met tranen, om hem te toonen, op welke wijze hij nog iets meer zou kunnen doen tot redding van de verlorenen. Plotseling als een bliksemstraal weerklonken de woorden in zijne ziel: «Indien gij zooveel belang stelt in Mij en Mijn werk, kunt gij gemakkelijk uwe pijp opofferen.quot;
Hij nam terstond zijne pijp op, legde die voor den Heer neder, zeggende: »Hier is zij, o mijn God, en al wat zij mij gekost heeft, zal nu ieder jaar het Uwe zijn.quot;
Hij was niet wat men noemt een zwaar rooker, al wat onder de f 0.60 per week blijft, wordt aangemerkt als »gematigd,quot; naar men mij heeft medegedeeld. Hij bevond echter, dat hij f 18.60 per jaar aan tabak besteed had, en sedert heeft hij ieder jaar dit geld op het altaar des Heeren nedergelegd en Hem gebeden, het te gebruiken tot het zenden van Zijn Evangelie in de Heidenlanden. Ik zou wel eens willen weten, wie aan het einde van het jaar gelukkiger is, hij, die zijn geld, dat hij aan eene zelfzuchtige gewoonte onttrokken heeft, aan de voeten van Jezus nederlegt, of hij, die het in vuilen rook wegblaast?
Dit voert mij als van zelve tot het verhalen van de geschiedenis van
281
HET LICHL\' SCHIJNT MEER EN MEER.
onze eerste Avondmaalsviering op Aniwa. Het was op Zondag, 24 October, 1869. Zekerlijk waren de engelen Gods en de gemeente der verlosten in de Heerlijkheid onder de groote wolk der getuigen, die op het tooneel nederzagen, toen wij om des Heeren tafel nederzaten ter gedachtenisviering van Zijn verzoenend sterven, met deze weinige zielen uit het Heidendom verlost. De klasse van mijne aannemelingen had mij nu ge-ruimen tijd bezig gehouden. De voorwaarden tot toelating in de klasse waren zeer streng geweest, en slechts twintig personen waren daarin opgenomen. Bij de eindondervraging gaven slechts twaalf hunner bewijzen van te verstaan en te begrijpen wat zij deden, en van hun hart aan den Heer Jezus gegeven te hebben. Op hun eigen ernstig verzoek, en na zorgvuldig onderricht en ondervraging, werden zij plechtig in het gebed opgedragen, om tot den Heiligen Doop en het Avondmaal te worden toegelaten. Op den daartoe bestemden Zondag, gaf ik, na den gewonen aanvang der godsdienstoefening eene korte en duidelijke verklaring van de tien geboden en den weg der zaligheid naar het Evangelie. De twaalf aannemelingen stonden toen op, ten aanzien van al de lieden, die daar vergaderd waren, en na eene korte vermaning tot hen als bekeerden, stelde ik hen de twee volgende vragen voor, en ieder gaf daarop een toestemmend antwoord :
«Verlangt gij in overeenstemming met uwe belijdenis van het christelijk geloof en uwe beloften voor God en de menschen, dat ik u nu doopen zal?quot;
»Wilt gij voortaan alleen voor Jezus leven, alle zonde haten en trachten uw Zaligmaker lief te hebben en te dienen?quot;
Daarop traden zij allen nader, te beginnen met het bejaarde opperhoofd, en ik doopte hen een voor een naar de wijze bij de Presbyteriaansche gemeente in gebruik. Twee hunner hadden ook kleine kinderen, die te gelijker tijd gedoopt werden, en als lammeren aan de kudde werden toegevoegd. Daarna zonden wij een plechtig gebed ten hemel, en in naam der Heilige Drieëenheid was de gemeente van Christus op Aniwa gesticht. Ik sprak tot hen over de instelling van het Avondmaal, naar aanleiding van 1 Cor. XI: 23 en volgende verzen, en na een gebed van dankzegging en toewijding, bediende ik des Heeren Avondmaal voor de eerste maal, sedert het eiland Aniwa uit de diepte der koraalrotsen was opgeheven! Mevr. Mc. Nair, mijne echtgenoote en ik en zes Aneityu-meesche onderwijzers zaten met de twaalf gedoopten aan, en ik geloof, zoo ooit in mijne aardsche ervaring, mocht ik er op dien dag de gezegende woorden bijvoegen — Jezus sin het midden.quot;
De geheele plechtigheid duurde ongeveer drie uren. De andere Inboorlingen zagen het aan met eene verwondering, waarvan het ongewoon stilzwijgen bijna pijnlijk was. Velen werden er door gebracht tot een zorgvuldig onderzoek naar alles wat zij zagen, en wat hen zoo nieuw en vreemd voorkwam. Voor de eerste maal werd het geschenk van de Zondagschool-onderwijzers uit de Dorkasstraat der Presbyteriaansche kerk van Zuid-Melbourne gebruikt: een nieuw avondmaalstel van zilver. Zij gaven het ons in het geloof, dat wij het noodig zouden hebben, en zoo ontvingen wij het ook, en nu was de dag gekomen en voórbij gegaan. Gedurende drie jaren hadden wij gewerkt en gebeden en de menschen onderwezen. Op het oogenblik, toen ik het brood en den beker in deze donkergekleurde handen gaf, vroeger met menschenbloed bevlekt, en nu zich uitstrekkend, om de zinnebeelden en het zegel van de liefde des Verlossers te ontvangen en te genieten, had ik een voorsmaak van de vreugde des Hemels, die mijn hart deed smelten. Ik zal nooit zaliger vreugde smaken, totdat ik staren zal op het verheerlijkt gelaat van Jezus.
282
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
In den namiddag van dien dag werd er een bidstond in de open lucht gehouden, in de schaduw van den grooten boom, die tegenover ons kerkgebouw stond. Zeven van de nieuwe leden gingen ons voor in het gebed tot Jezus, terwijl er een lied gezongen werd tusschen ieder gebed. Mijn hart was zoo vol, dat ik weinig anders kon doen dan weenen. O! ik kan het mij niet begrijpen, wanneer ik zoovele goede predikanten in het vaderland zie, dat zij niet afstand willen doen van de voorrechten, die zij in hun land genieten, om uit te gaan in de Heidenwereld en eene vreugde als deze te smaken — »de vreugde des Heeren.quot;
Nu wij ons kleine boek in de landtaal hadden, richtten wij in ieder dorp van Aniwa scholen op. Mijne vrouw en ik hadden reeds zooveel mogelijk hen, die rondom ons woonden, onderricht en hadden daardoor nu een groot aantal helpers gereed. De ondervinding heeft geleerd, dat voor het begin althans hunne eigene landslieden de beste onderwijzers zijn. Ieder dorp bouwde zijne eigene school, die des Zondags als kerk gebruikt werd. Voor de twee scholen, die het verst gevorderd waren, had ik onze goede Aneityumeesche onderwijzers en voor de andere nam ik de beste lezers, die ik kon vinden. Ik liet hen dikwijls van plaats veranderen, en nam hen soms voor eene poos op onze school terug, die in den namiddag voor hen gehouden werd, en tot aanmoediging gaf ik hen jaarlijks een klein salaris uit het fonds, dat onder de gemeenten bekend is als het fonds voor Inlandsche onderwijzers.
Deze dorpsscholen moeten \'s morgens bij het aanbreken van den dag gehouden worden, wanneer de hevige dauw het bosch nog bevochtigt; want zoodra de dauw optrekt door de opgaande zon, vertrekken de Inboorlingen naar hunne plantages, vanwaar zij bijna uitsluitend al hun voedsel verkrijgen. Ik hield ook in den vroegen morgenstond eene goed bezochte school in het zendingshuis en om drie uur eene namiddagschool voor de onderwijzers. In het eerst maakten zij weinig vorderingen, maar langzamerhand begonnen zij oplettender te worden en zij gewenden zich aan de goede gewoonte van God in alles te erkennen, want al onze scholen begonnen en eindigden met gebed. Naarmate hunne kennis en hun geloof vermeerderden, zagen wij hen hunne heidensche gebruiken langzamerhand afleggen, en een nieuw leven vormde zich rondom ons.
Mijne vrouw ,onderwees eene klasse van ongeveer vijftig vrouwen en meisjes. Zij werden zeer bekwaam in het naaien, zingen, hoeden vlechten en lezen. Bijna al de meisjes konden ten laatste hare eigene kleederen knippen en naaien en ook hemden en voorschooten voor de mannen en kleederen voor de kinderen maken. En toch was het nog maar drie korte jaren geleden, dat mannen en vrouwen naakt en onbeschaafd rondliepen. De Christus-Geest is de ware beschavende kracht.
De nieuwe maatschappelijke orde, waarop reeds in hare eerste beginselen gewezen is, verrees rondom ons als eene bloem, die hare welriekende geuren verspreidt. Ik kwam nooit rechtstreeks tusschenbeide, tenzij men zich uitdrukkelijk tot mij om raad wendde. De twee voornaamste opperhoofden waren van het denkbeeld doordrongen, dat er maar ééne wet was, de Wil van God, en ééne verordening voor hen en hun volk, als christenen, nam. om den Heer Jezus te behagen, In iedere moeielijk-heid vraagden zij mij om raad. Ik las hen de woorden der Heilige Schrift voor en legde ze hen uit, en toonde hen aan, wat mij voorkwam de wil van God te zijn en wat naar mijne meening den Zaligmaker zou behagen, en dan zond ik hen heen, om het met hun volk te bespreken en om deze grondbeginselen van Gods Woord zoo verstandig mogelijk op hunne omstandigheden toe te passen.
283
HE r LICHT SCHIJN 1\' MEER EN MEER.
Ons deel van het werk ging zeer gemakkelijk voort, niettegenstaande enkele moeielijke en treurige voorvallen. Enkele op zich zelf staande gevallen van hartstocht en zelfzucht en ondeugd brachten ons menig bitter verdriet. Maar de Heer verloor nooit het geduld met ons en dus durfden wij ook tegenover hen het geduld niet verliezen. Wij oefenden de onderwijzers, vertaalden en drukten de Schrift en legden haar uit; wij baden met de zieken en stervenden; wij gaven dagelijks medicijnen uit; wij leerden hen werktuigen gebruiken; wij gaven hen raad met betrekking tot wetten en straffen; en de nieuwe maatschappij groeide en breidde zich uit, en droeg onder al hare onvolmaaktheden eenige sporen van het heerlijk koninkrijk van God onder de menschen.
Ons leven en werken kan ik mijnen lezers het best duidelijk maken door de beschrijving van een Zondag op Aniwa. Wij gebruikten het ontbijt met het aanbreken van den dag. Daarna luidt de kerkklok, en eer het luiden ophoudt, is ieder bezoeker gezeten. De Inboorlingen komen van de verste plaatsen op dit vroege uur bijeen, en worden door het opgaan van de zon gewaarschuwd omtrent den tijd, waarop zij moeten vertrekken. De eerste dienst duurt ongeveer\'een uur; dan is er een tusschentijd van twintig minuten, de klok luidt weder en de tweede godsdienstoefening begint. Wij volgen de gebruiken der Presbyteriaansche kerk; maar in iedere godsdienstoefening verzoek ik een ouderling of een lid der gemeente, om in een der gebeden voor te gaan, hetgeen zij gaarne doen en tot groot nut van allen, die tegenwoordig zijn.
Wanneer de laatste kerkbezoeker het gebouw verlaten heeft na de tweede godsdienstoefening, wordt de klok tweemaal zeer bedaard geluid en\' dit is het teeken voor den aanvang der klasse mijner aannemelingen. Ik verklaar daar zorgvuldig de kleine Catechismus en toon aan, hoe hetgeen daarin geleerd wordt op de Heilige Schrift gegrond is, terwijl ik iedere waarheid op het leven en het geweten toepas. Deze klasse wordt gedurende het geheele jaar voortgezet, en langzamerhand vermeerderd het aantal leden der gemeente, al naarmate de Heer hun een weg opent; de meesten hunner bezoeken de klasse ten minste twee volle jaren, vóór dat zij aan des Heeren Tafel worden toegelaten. Deze verordening en strenge tucht verklaart het feit, dat zoo weinigen van onze gedoopte bekeerlingen zijn teruggevallen\' niet meer naar verhouding dan in de gemeenten in het vaderland, geloof ik. Velen van de gemeenteleden houden onder elkander een bidstond in de aangrenzende school, — iets, dat zij uit eigen beweging zijn begonnen, — waarin zij Gods zegen op al het werk en de godsdienstoefeningen van den dag inroepen.
Daarna gebruiken wij een eenvoudig middagmaal, den vorigen dag gereed gemaakt, en de klok luidt binnen een uur voor het begin van onze zondagschool, waaraan al de inwoners, jong en oud, deel nemen, Ik ben daarvan de leider; ik houd eene toespraak en overhoor de lessen, terwijl mijne vrouw eene groote klasse van vrouwen, en de ouderlingen en anderen de gewone klassen voor ongeveer een half uur onderwijzen.
Om één uur is de school geëindigd, en wij gaan uit om de verschillende dorpen te bezoeken. Een ouderling van eenige ervaring gaat met verscheidene onderwijzers langs den eenen kant van het eiland rond, terwijl ik met een ander gezelschap de andere zijde neem, en den volgenden Zondag verwisselen wij. Eene korte godsdienstoefening wordt in de open lucht gehouden, of in de scholen van ieder dorp, dat wij kunnen bereiken, en bij hunne terugkomst deelen zij mij de ziektegevallen, die zij vernamen, mede, of iets over de vorderingen, die het werk des Heeren
284
285
maakt. Het geheele eiland wordt op die wijze langs zekeren en geleidelijken weg geëvangeliseerd.
Wanneer de zon ondergaat, kom ik van mijn tocht door de dorpen terug, en als de duisternis invalt, wordt de kano-trom in ieder dorp geroerd, en het volk verzamelt zich onder den boom tot het avondgebed. De ouderling of onderwijzer leidt de samenkomst. Vijf of zes liederen worden vroolijk gezongen, en vijf of zes korte gebeden worden daartus-schen opgezonden, en zoo gaat liet avonduur gelukkig in de gemeenschap met God voorbij. Op kalme avonden, en nu het christendom vrij algemeen op het eiland ingang heeft gevonden, en de bewoners gaarne hunne lievelingsliederen weder en nog eens weder herhalen, zijn deze bidstonden in de dorpen een gezegend slot van den dag en doen het verwijderde bosch weerklinken van den lof van God.
In het zendingshuis verzamelen wij, vóór wij ons ter ruste begeven, al de jonge lieden en diegenen van onze dorpelingen, die zich bij hen willen voegen. Zij zitten in rijen op den grond van onze eetkamer, zingen liederen, lezen verzen uit den Bijbel, en doen en beantwoorden vragen over het onderwijs van den dag. Om negen uur zenden wij hen heen, maar zij vragen ons gewoonlijk om te mogen blijven en onze huiselijke godsdienstoefening in het Engelsch te mogen bijwonen.
»Missi,quot; zeggen zij dan, »wij hooren het zingen zoo gaarne. Wij verstaan er wel wat van. En wij zijn gaarne daar, waar gebeden wordt!quot;
Zoo gingen onze Zondagen in voortdurende werkzaamheid voorbij. Ik was dikwijls zeer vermoeid, maar het was geen moeielijke dag voor mij, en evenmin wat sommige menschen puriteinsch en vervelend zouden noemen. Wij waren er met ons gansche hart in, en het volk maakte den dag tot een wekelijkschen feestdag. Zij hadden weinig andere afwisseling en de godsdienst was voor hen eene bron van afwisseling en genoegen. Zoolang men hen maar de gelegenheid aanbood om te zingen, wisten zij niet wat vermoeidheid was. Toen ik in de zoogenaamde beschaafde wereld terugkeerde, en zag hoe de dag des Heeren misbruikt werd onder de blanke christenen, verlangde mijne ziel naar de geheiligde rustdagen op Aniwa!
Onze weekdagen zijn niet minder vervuld met allerlei werkzaamheden, hoewel gedeeltelijk van anderen aard. In den zeer vroegen morgen op Maandag en de andere dagen der week wordt in ieder dorp op Aniwa de Tavaka (kano-trom) geroerd. Al de bewoners bezoeken dan eerst de school, wat ongeveer anderhalf uur duurt, en vertrekken daarna naar hunne plantages. Nadat ik mijn ontbijt gebruikt heb, breng ik den voormiddag door met vertalen of drukken, of het bezoeken van zieken, of wat er verder noodig is te doen. Om twee uur komen de Inboorlingen van hun werk terug, baden zich in de zee en gebruiken het middagmaal van kokosnoten, broodvruchten, of ander gemakkelijk te verkrijgen voedsel. Om drie uur luidt de klok, en de namiddagschool voor de onderwijzers en de meer gevorderde leerlingen houdt mijne vrouw en mij voor ongeveer anderhalf uur bezig. Hun verderen tijd brengen de Inboorlingen door met visschen of luieren, of het bereiden van het avondeten, dat onder hen altijd het maal van den dag is. Tegen zonsondergang klinkt de Tavaka weder en de dag wordt in ieder dorp met gebed besloten, dat onder de Banyan-boomen wordt opgezonden.
Zoo gaat de eene dag na den andere, de eene week na de andere voor ons op Aniwa voorbij, en op dezelfde wijze gaat het op de andere eilanden, waar de zendelingen een tehuis gevonden hebben. In vele opzichten is het een eenvoudig, gelukkig en schoon leven; en de man, wiens hart
HEI\' LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
vervuld is van de dingen, die Jezus behagen, gevoelt geen verlangen het te verwisselen met de ijdelheden van de zoogenaamde beschaafde maatschappij, die haar leven schijnt te vinden in genoegens, die Christus niet met haar kan deelen, en waaraan christenen daarom geen deel moesten nemen.
De gewoonte om \'s morgens en \'s avonds huiselijke godsdienstoefening te houden, en om bij den maaltijd te bidden of te danken, vond verwonderlijk spoedig ingang bij het volk, en het werd, gelijk ik reeds gezegd heb, het onderscheidend kenmerk tusschen christenen en heidenen. Dit was zeer in het oog loopend gedurende een tijd van groote schaarsch-heid, die ons overviel. Ik hoorde bijv. een vader aan de deur van zijne hut, terwijl zijn huisgezin rondom hem verzameld was, eerbiedig God danken voor het voedsel, dat hen bereid was, en voor al Zijne gunsten in Christus Jezus. Toen ik naderbij kwam en met hen sprak, bevond ik, dat hun maal bestond uit vijgebladeren, die zij verzameld en gekookt hadden; een maal, dat zeker eenvoudig genoeg was, maar honger maakt rauwe boonen zoet en tevredenheid is het beste gerecht.
Gedurende dezen zelfden tijd van schaarschheid, leden mijne weezen ook zeer veel. Eens kwamen zij bij mij, zeggende; »Missi, wij hebben grooten honger!quot;
Ik antwoordde : »Ik ook, lieve kinderen, en wij hebben geen brood zoolang de Daysprtng niet komt.quot;
Hierop vervolgden zij; »Missi, gij hebt twee mooie vijgeboomen. Mogen wij ons maal doen, met de jonge, zachte blaadjes? Wij zullen de takken en de vruchten niet beschadigen.quot;
«Welzeker, kinderen, neemt, zooveel gij lust.quot; In een oogwenk zat ieder kind op een tak, en daar stilden zij hun honger, terwijl zij zoo gelukkig als eekhorentjes waren. lederen avond baden wij om de komst van het schip, en \'s morgens spoedden zich onze weesjongens naar de koraalrotsen, om aan de zee het antwoord te vragen. Dag aan dag keerden zij met treurige aangezichten terug, zeggende: sMissi, Tavaka jimra!quot; (Nog geen schip).
Maar eens bij het aanbreken van den dag werden wij gewekt door het geroep van n Tavaka oa! Tavaka oa!quot; (Het schip, hoerah!) waarmede de jongens zich van het strand naar het zendingshuis spoedden.
Wij stonden spoedig op en de jongens riepen mij toe: »Missi, het is ons eigen schip niet, maar wij gelooven, dat het wel de vlag voert. Het heeft drie masten, en onze Day spring maar twee.quot;
Ik keek door mijn verrekijker en zag, dat men op het schip reeds bezig was, goederen in de booten te brengen en toen ik den kinderen vertelde, dat er kisten en manden naar het strand werden gezonden, juichten en dansten zij van vreugde. Toen de eerste bootlading gelost was, omringden de kinderen mij, zeggende: »Missi! hier is eene ton, waarin het ratelt, alsof er beschuit in is! Mogen wij die naar het zendingshuis brengen ?quot;
Ik gaf hun verlof dit te doen, indien het hun mogelijk was, en in een oogenblik werd de ton in het pad gebracht en de jongens rolden haar voor zich uit, waarbij sommigen vielen en zich de knieën bezeerden, maar terstond weer opsprongen, voortduwden en zich geene rust gunden, totdat zij voor de deur van ons provisiehuis genaderd waren. Toen ik terug kwam, vond ik hen allen er om heen staan; zij zeiden tot mij: siMissi, hebt gij vergeten, wat gij ons beloofd hebt?quot;
»Wat heb ik dan beloofd?quot; vraagde ik.
Zij keken zeer teleurgesteld en fluisterden onder elkander: »Missi heeft het vergeten.quot;
286
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
»Wat vergeten?quot; vraagde ik weer.
»Missi,quot; antwoordden zij, »gij hebt beloofd, dat gij ons allen eene beschuit zoudt geven, wanneer het schip aankwam.quot;
»0!quot; hernam ik, »dat heb ik niet vergeten; ik wilde alleen maar zien, of gij het onthouden hadt!quot;
Zij lachen en riepen: »Daar was geene vrees voor, Missi! Wilt gij de ton gauw opendoen? Wij snakken naar beschuit.quot;
Ik nam terstond hamer en andere werktuigen ter hand, sloeg er de hoepels af, maakte de ton open en gaf iederen jongen en ieder meisje eene beschuit. Tot mijne verwondering stonden zij allen rondom mij met hunne beschuit in de hand, maar niemand begon te eten.
»Wat!quot; riep ik uit, »gij snakt naar beschuit, en waarom eet gij nu niet ? Venvacht gij er nog een?quot;
Een van de oudsten zeide: »Wij willen eerst God danken, omdat Hij ons voedsel gegeven heeft, en Hem vragen om het voor ons allen te zegenen.quot;
En dit werd gedaan op hunne eenvoudige en kinderlijke wijze; en toen gingen zij eten en genoten hun voedsel als eene gift uit de hand des Hemelschen Vaders. Is er ook een kind, die dit leest of hoort lezen, die nooit God dankt, noch Hem vraagt het dagelijksch brood te zegenen? Is zulk een kind dan geen blanke heiden ? Wij konden ons allen hartelijk met de lieve kinderen verheugen. Reeds eenige weken had het ons aan Europeesch voedsel ontbroken; wij hadden niet anders meer dan een weinig thee en de kokosnoot was ons voornaamste voedingsmiddel geweest. Wij begonnen er zeer naar te verlangen. Onze zielen verhieven zich dankbaar tot den Heer, die ons dezen nieuwen voorraad had geschonken, opdat wij Hem meer mochten liefhebben en Hem beter konden dienen.
De scherpe oogen der kinderen hadden goed gezien. Het was de Day spring niet. Ons mooie, kleine schip had 6 Jan: 1873 schipbreuk geleden, en dit schip was de Paragon, die men bevracht had met onze benoodigdheden. En helaas! het wrak was bij opbod verkocht aan eene Fransche maatschappij tot slavenhandel, die een doortocht tusschen de koraalrotsen had gemaakt, en het schip weder vlot gekregen had in de baai, en zich verlustigde in het vooruitzicht van ons zendingschip te gebruiken voor den met bloed bevlekten Kanakahandel (een gelijkluidend woord voor slavenhandel, in de Zuidzee.) Ons hart kromp ineen van schrik en afschuw. Vele Inboorlingen zouden zich onwetend aan de Day-spring toevertrouwen, en men zou zich op ons wreken, gelijk men dat op den edelen bisschop Patteson had gedaan, wanneer het bedrog uitgevonden werd. Wat te doen ? Niets dan tot God roepen, hetgeen al de vrienden van de zending dag en nacht deden, niet zonder tranen te vergieten, wanneer wij dachten aan de mogelijke vernedering, die ons edel vaartuig kon ondergaan. Luistert, wat er gebeurde. De Fransche slavenhandelaars, zeer in hun schik met hun aankoop, lieten het schip in de baai ankeren, en gingen aan land, om de gebeurtenis te vieren. Zij dronken en vierden feest en jubelden. Maar in dien nacht stak er een hevige storm op, de oude Dayspring werd van haar anker geslagen, en bij het aanbreken van den dag zag men haar weder op de klip, maar ditmaal met gebroken achtersteven en voor altijd ongeschikt tot eenigen arbeid, hetzij edele of lage. O! gij witgesluierde Maagd, die over de golven heenzweefdet, het was beter voor u, evenals voor uwe zusters onder de menschen, om te sterven en van de aarde te verdwijnen, dan om besmet te worden en voort te leven in schande!
287
288
Dr. Steel had de Paragon, een pas te Balmain, Sydney, gebouwden driemaster, doen bevrachten met onzen voorraad levensmiddelen, brieven enz. en de eigenaars hadden eene geschreven overeenkomst gegeven, dat, indien wij het schip binnen het jaar konden koopen, wij het voor/36,000 konden krijgen. Het was in elk opzicht een zeer bruikbaar schip, en het werd spoedig zeer duidelijk openbaar, dat het in het belang van de zending zou wezen, zich de diensten van dit schip voortdurend te verzekeren.
Ik had dikwijls gezegd, dat ik mijn bemind werk op de eilanden niet weder zou verlaten, tenzij ik daartoe genoodzaakt werd door ziekte of door het verlies van ons zendingschip, in welk laatste geval mijne diensten misschien noodig zouden zijn, om in een ander te helpen voorzien. Vreemd genoeg overvielen mij deze beide zaken tegelijker tijd. Gedurende de stormen, die in 1873, toen de Day spring verging, van Januari tot April woedden, verloren wij een geliefd kind door den dood, mijne lieve vrouw had eene langdurige ziekte en ik werd aangetast door hevige rheu-matiek. Het was zoo treurig met mij gesteld, dat ik niet meer spreken kon en men geloofde, dat ik stervende was. De kapitein van een schip, dat ons eiland aandeed en daarna naar Tanna ging, had mij bezocht, en sprak daar over mij, als naar alle waarschijnlijkheid reeds gestorven. Onze trouwe en beminde vrienden en mede-zendelingen, de heer Watt en zijne echtgenoote, vertrokken terstond van Kwamera, op Tanna, in hunne opene boot en roeiden en zeilden dertig mijlen ver, om ons te bezoeken. Weinige dagen voor hunne aankomst echter was ik in een langen en diepen slaap gevallen, en bij mijn ontwaken was het bewustzijn tot mij teruggekeerd. De crisis was voorbij; ik nam langzaam in beterschap toe, maar toen ik mijne krachten een weinig herkreeg, was mijne zwakheid zoo groot, dat ik verscheidene dagen lang op krukken moest gaan.
Nu werd mij aangeraden, om tot herstel van gezondheid verandering van lucht te beproeven, zoo mogelijk op het koelere Nieuw-Zeeland, en betere geneeskundige hulp in te roepen; wij namen daarom de eerste gelegenheid te baat, om naar Sydney te vertrekken, verlangend om middelen in het werk te stellen tot aankoop van de Paragon en ons dan naar de zuster-kolonie te begeven. Daar ik nauwelijks in staat was te loopen zonder krukken, riepen wij voorloopig eenige vrienden samen, ten einde met hen raad te nemen. De Assurantiemaatschappij had ƒ 24.000 betaald voor de Day spring. De helft van die som was uitgegeven tot het bevrachten en tot onderhoud van de Paragon, zoodat wij nog/24.000 noodig hadden, om het schip te koopen, behalve eene groote som voor veranderingen en uitrusting voor de zending. De heer Learmouth zag daarop den heer Goodlet aan en zeide:
«Indien gij mij wilt helpen, zullen wij dit schip maar terstond voor de zendelingen aankoopen, opdat Gods werk geene schade moge lijden door het vergaan van de Day spring.quot;
Deze beide dienaars van God, uitmuntende ouderlingen van de Presby-teriaansche gemeente, raadpleegden te zamen en het schip werd den volgenden dag aangekocht. Hoe prees ik God en hoe vurig laad ik Hem, hen en de hunnen te zegenen. Onze waarde vriend, Dr. Fullarton, zeide tot hen; «Maar welken waarborg vraagt gij van de zendelingen tot zekerheid voor uw geld?quot;
Het edel antwoord van den heer Learmouth, waarmede zijn vriend van harte instemde, was: »Gods werk is onze waarborg! Van hen zullen wij geen waarborg vragen. Welken waarborg kunnen zij ons geven behalve hun geloof in Godl En die waarborg is reeds de onze.quot;
HET LICHT SCHIJNT MEER EN MEER,
»Gij neemt dus God en Zijn werk tot borgstelling,quot; sprak ik hierop. »Weest verzekerd, dat Hij u spoedig zal terug betalen en gij zult door deze edele daad niets verliezen.quot;
Toen ik de St. Andrew kerk voor eene openbare samenkomst had verkregen, kondigde ik deze samenkomst in alle couranten aan. Predikanten, zondagschool-onderwijzers en andere vrienden kwamen in grooten getale bijeen. De zaak werd uitvoerig besproken en collecte-kaarten werden ruim verspreid. Sommigen onzer mede-zendelingen meenden, dat de gemeenten in de koloniën al deze dingen nu uit zichzelven zouden doen, zonder dat wij er ons persoonlijk mede bemoeiden. Maar in iedere groote en onverwachte gebeurtenis moet iemand krachtdadig optreden en den weg wijzen, anders ontsnapt de kostbare gelegenheid. De commissies werkten alles in de onderdeelen uit, en allen werkten samen met de meest mogelijke goedwilligheid.
Daarop zeilde ik van Sydney naar Victoria, en richtte het woord tot de Algemeene Vergadering van de Presbyteriaansche gemeente te Melbourne. Het werk werd daar zonder veel moeite begonnen en gewillige arbeiders zetten het voort in de verschillende gemeenten en op de zondagscholen.
Op raad van den geneesheer zeilde ik naar Nieuw-Zeeland met het stoomschip Hero, kapitein Logan. Een groot gezelschap verkwisters en dobbelaars waren aan boord, die van de wedrennen te Melbourne terugkeerden en wier taal zeer goddeloos was. Nadat ik deze zaak in het gebed voor God gebracht had, zeide ik den tweeden dag, toen wij aan tafel gezeten waren:
»Heeren, wilt gij mij een enkel woord veroorloven? Ik ben er zeker van, dat niemand aan deze tafel de gevoelens van een ander zou willen kwetsen of iemand onnoodig verdriet veroorzaken.quot;
Aller oogen waren op mij gericht en men vraagde algemeen, wat ik bedoelde. Ik vervolgde:
»Heeren, wij zullen gedurende eene week of meer in elkanders gezelschap zijn. Nu doet het mij innig leed, u den naam van mijn Hemelschen Vader te hooren lasteren, en u den naam van mijn gezegenden Verlosser te hooren misbruiken. Het is God, in Wien wij leven en ons bewegen; het is Jezus, die stierf om ons te redden; en ik zou tienmaal liever hebben, dat gij mij zoudt beleedigen en minachten, iets, waaraan niemand in dit gezelschap denken zou, dan dat gij de Heilige Namen, die mij zoo dierbaar zijn, zoo oneerbiedig gebruikt.quot;
Er ontstond een pijnlijk stilzwijgen na mijne woorden, en de meeste aangezichten werden rood, hetzij van toom hetzij van schaamte. Eindelijk antwoordde een bankier, die daar ook tegenwoordig was, een man wien men het kon aanzien, dat hij spoedig aan de tering zou sterven, mij met eene godslastering en met eenige toornige woorden. Ik bleef kalm en antwoordde vriendelijk, hem vol droefheid en medelijden in het gelaat ziende;
»Waarde Heerl gij en ik zijn elkander vreemd. Maar ik heb u zeer beklaagd van het oogenblik af, dat ik aan boord ben gekomen, om uwe slechte gezondheid en uw pijnlijken hoest. Gij moest de laatste zijn, om dien gezegenden Naam te lasteren, daar gij misschien spoedig in Gods tegenwoordigheid zult moeten verschijnen. Ik antwoord echter op geen beleedigend woord. Indien de Zaligmaker u even dierbaar was als mij, zoudt gij mij beter begrijpen.quot;
Weinig meer werd er gesproken gedurende het overige van den maaltijd. Maar een uur later liet kapitein Logan mij in zijne kajuit verzoeken en. zeide:
289
19
HUT LICHT SCHIJNT MEER EN MEER.
«Mijnheer, ik ben ook een christen. Ik zou het stille uurtje in mijne kajuit met dezen Bijbel niet willen missen voor al de genoegens, die de wereld kan aanbieden. Gij deedt uw plicht heden tegenover deze spotters, maar laat hen en hun geweten nu in de hand Gods over en neem er verder geen notitie van gedurende de reis.quot;
Ik hoorde aan boord van dat schip geeu vloek meer. De bankier ontmoette mij op Nieuw-Zeeland en noodigde mij vriendelijk in zijne woning 1
Mijne gezondheid ging veel vooruit gedurende de reis, maar ik was zeer bezorgd over onze nieuwe onderneming. Eene som van f 33.600 moest bijeengebracht worden, anders kon het schip niet vrij naar de Nieuwe Hebriden zeilen. In mijn zwakken gezondheidstoestand beefde ik voor de taak, die weder op mij scheen te rusten. Op een nacht viel ik, na in mijne kajuit lang gebeden te hebben, in een diepen slaap, en God gaf mij een hemelsch droomgezicht, dat mij zeer vertroostte; men moge het uitleggen, zooals men wil. Ik hoorde eene liefelijke muziek tot lof van God, die al nader en nader kwam, en ik zag eene menigte blinkende wezens mij te gemoet komen. Hun glans kwam uit een middelpunt, dat met verblindende pracht schitterde. Verblind door het schitterend licht, schenen mijne oogen toch duidelijk den vorm van den verheerlijkten Heiland te onderscheiden, maar toen ik ze ophief, om Zijn gelaat te aanschouwen, kon ik de uitnemende vreugde niet verdragen; ik hief mijne hand instinctmatig omhoog, om mijne oogen te bedekken en weende van verrukking; de muziek werd daarop al zachter en stierf eindelijk in de verte weg, en ik hoorde eene stem, met wonderbare kracht en zachtheid zeggen: »VVie zijt gij, o groote berg? Voor Zerub-babel zult gij tot een vlak veld worden.quot;
Ik weet, dat sommigen over dit alles slechts zullen glimlachen. Voor mij echter werd het eene groote en blijvende vertroosting. En ik sprak voortdurend tot mijzelven: »Hij is de Heer en zij zijn allen gedienstige geesten; indien Hij mij op deze wijze vertroost en aanmoedigt in Zijn werk, wil ik moed scheppen en ik weet, dat ik slagen zal.quot;
Toen ik Auckland bereikte, kwam ik daar juist bijtijds, om de Alge-meene Synodevergadering te kunnen bijwonen. Men heette mij hartelijk welkom, en ik kreeg vergunning, om iedere gemeente en zondagschool te bezoeken, die ik maar bereiken kon. De predikanten stonden de beweging met hartelijken ijver voor. De zondagschoolleerlingen namen col-lectekaarten voor saandeelenquot; in het nieuwe zendingschip. lederen dag werd er eene samenkomst gehouden, en op Zondag drie. Auckland, Nelson, Wellington, Dunedin en alle steden en gemeenten, die binnen bereik waren, waren spoedig genoeg bezocht, en ik ondervond nooit grooter sympathie en hartelijkheid op een mijner tochten, dan mij hier te beurt viel zoowel bij de predikanten als bij de gemeenteleden van de Presbyte-riaansche kerk op Nieuw-Zeeland.
Ik kwam in Sydney terug tegen het einde van Maart. Mijne gezondheid was wonderlijk verbeterd, en Nieuw-Zeeland had mij ongeveer/20400 gegeven voor het nieuwe schip. Met de ƒ 12000 assurantiegeld, en ongeveer /8400 van Nieuw-Zuid-Wales, en /4800 uit Victoria, behalve de /6000 tot onderhoud van het schip, ook uit Victoria, waren wij in staat de /36000 terug te betalen, die voor het schip waren uitgegeven, en ongeveer ƒ 9600 voor veranderingen en herstel te besteden; verder voorzagen wij het schip van alle benoodigdheden, zoodat het een jaar lang vrij van schuld het werk voor de eilanden kon verrichten.
Ik sprak nu tot onze twee goede vrienden in Sydney: »Gij naamt God
290
291
en Zijn werk tot waarborg, ziet nu hoe spoedig Hij u heeft ontheven van alle verantwoordelijkheid. Gij hebt geen verlies geleden en gij hebt de eer en het voorrecht gehad, uw Heer te dienen. Ik benijd u de vreugde, die gij moet gevoelen door uw rijkdom zoo te gebruiken, en ik wensch u een dubbelen zegen van God op al uwe bezittingen.quot;
Onze agent, Dr. Steele, had aan de authoriteiten verzocht, om den naam van het schip te mogen veranderen van Paragon in Dayspring, opdat de oude verbintenissen niet verbroken mochten worden. Dit werd welwillend toegestaan, en zoo zeilde onze tweede Dayspring, op haar jaarlijkschen tocht naar de Nieuwe Hebriden, zonder iemand iets verschuldigd te zijn, en wij keerden er mede naar onze eilanden terug, den Heer dankende, en versterkt naar lichaam en geest.
Het Evangelie in levende karakters. — »Een regen van speren.quot; — De Tannee-sche vluchtelingen. — Pelgrimstoclit en dood van Namakei. — Het karakter van Naswai. •— Christendom en kokosnoten. — Nerwa, de Agnostiek. — Nerwa\'s schoon vaarwel. — De geschiedenis van Ruwawa. — Waiwai en zijne vrouwen. — Nelwang en Kalangi. — Mungaw en Litsi Soré. — Krankzinnigheid van Mungaw. — De koningin van Aniwa als zendelinge. — Nasi geeft zich over aan Jezus. — Bidstond in den vroegen morgen op Aniwa.— Kandidaten voor den doop. — Getuigenis van Lamu.
IN het heidendom wordt ieder werkelijk bekeerde terstond een zendeling. Het veranderd leven, dat uitblinkt te midden van de omringende duisternis, is een Evangelie in duidelijke karakters, dat ieder lezen kan. Onze eilanders voornamelijk, die weinig hadden om hen te boeien of hunne aandacht af te leiden, worden krachtige en toegewijde arbeiders voor den Heer Jezus, indien eenmaal de Goddelijke liefde tot de zielen in hen is uitgestort. Velen mijner lezers zouden, indien zij deze bijzondere omstandigheden niet bedenken, geneigd zijn, om ons van overdrijving te beschuldigen, wanneer wij hun enthousiasme voor het Evangelie beschrijven; maar nadenkende lieden zullen gemakkelijk inzien, dat Inboorlingen, die beheerscht worden door den machtigen invloed, die van Golgotha over de wereld is uitgegaan en niet afgeleid worden door maatschappelijke genoegens, politiek, literatuur of zaken, door eene zedelijke noodzakelijkheid als gedrongen worden, om al den stroom van hun wezen in den godsdienst uit te gieten, en eene zelfopoffering te toonen, die men, helaas! te vergeefs zoekt onder de duizenden christenen in de beschaafde wereld.N het heidendom wordt ieder werkelijk bekeerde terstond een zendeling. Het veranderd leven, dat uitblinkt te midden van de omringende duisternis, is een Evangelie in duidelijke karakters, dat ieder lezen kan. Onze eilanders voornamelijk, die weinig hadden om hen te boeien of hunne aandacht af te leiden, worden krachtige en toegewijde arbeiders voor den Heer Jezus, indien eenmaal de Goddelijke liefde tot de zielen in hen is uitgestort. Velen mijner lezers zouden, indien zij deze bijzondere omstandigheden niet bedenken, geneigd zijn, om ons van overdrijving te beschuldigen, wanneer wij hun enthousiasme voor het Evangelie beschrijven; maar nadenkende lieden zullen gemakkelijk inzien, dat Inboorlingen, die beheerscht worden door den machtigen invloed, die van Golgotha over de wereld is uitgegaan en niet afgeleid worden door maatschappelijke genoegens, politiek, literatuur of zaken, door eene zedelijke noodzakelijkheid als gedrongen worden, om al den stroom van hun wezen in den godsdienst uit te gieten, en eene zelfopoffering te toonen, die men, helaas! te vergeefs zoekt onder de duizenden christenen in de beschaafde wereld.
Een heiden is zijn gansche leven, te midden van donker bijgeloof en ont-eerende misbruiken, zoekende geweest naar zielevrede. Het licht der openbaring wordt in zijne ziel ontstoken. Hij leert, dat God Liefde is, dat God Zijn Zoon gezonden heeft, om voor hem te sterven en dat hij erfgenaam is van het eeuwig leven in en door Jezus Christus. Door den Geest des Heeren verlicht, gelooft hij dit alles. Hij gaat in den derden hemel van geluk over, en brandt van verlangen, om de blijde tijding aan iedereen bekend te maken. Anderen zien de verandering in zijn uiterlijk, in zijn karakter, in zijn geheele leven en daden, en in zulk eene omgeving is ieder bekeerde een schijnend licht. Zelfs geheele bevolkingen worden
SCHETSEN VAN ANIWANS.
hierdoor in de voorhoven des tempels gebracht, en eilanden, nog door heidenen en kannibalen bewoond, zijn zeer verlangend naar een zendeling, die onder hen moet komen wonen; zij zullen zijn leven en bezittingen in volmaakte veiligheid bewaren, waar zij weinige jaren geleden alles wat hun strand bereikte, oogenblikkelijk zouden opgeofferd hebben. Zij zijn niet tot het christendom bekeerd, noch beschaafd geworden, maar het licht is rondom hen ontstoken en ofschoon het nog slechts in de verte schijnt, kunnen zij niet anders dan zich in de stralen ervan verheugen.
Maar zelfs, waar het pad niet zoo effen is, en waar hun geen welkom wacht, toonen de bekeerde Inboorlingen een bewonderenswaardigen ijver. Een van onze opperhoofden b.v. in wiens hart de Heer het verlangen had doen ontstaan, om te zoeken en zalig te maken, zond eens een bode naar een inlandsch Hoofd, om hem te zeggen, dat hij en vier zijner metgezellen des Zondags wilden komen, om hem met het Evangelie van den waren God bekend te maken. Deze liet hem antwoorden, dat hij hem dit bezoek ten strengste verbood, en bedreigde ieder christen, die zijn dorp naderde, met den dood. Ons opperhoofd zond eene vriendelijke boodschap tot antwoord, waarin hij hem zeide, dat Jehovah den christenen geleerd had goed voor kwaad te vergelden, en dat zij ongewapend zouden komen, om hen de geschiedenis te verhalen van den Zoon van God, die in de wereld kwam en aan het kruis stierf, om Zijne vijanden te zegenen en te redden.
Het heidensche opperhoofd zond onmiddellijk dit strenge antwoord weder; »Indien gij komt, zult gij gedood worden.quot;
Op Zondagmorgen ontmoette het christen opperhoofd met vier zijner metgezellen buiten het dorp reeds het heidensche opperhoofd, die hem nogmaals met den dood bedreigde.
Maar de eerste zeide: »Wij komen ongewapend tot u. Wij komen u alleen van Jezus vertellen en gelooven, dat Hij ons heden zal beschermen.quot;
Daar zij eenvoudig voortgingen hunne schreden naar het dorp te richten, begonnen hunne vijanden met hunne speren naar hen te werpen. Sommige steken ontweken zij, daar zij allen, op e\'én na, behendige krijgslieden waren, en andere vingen zij letterlijk met de bloote hand op en wendden de speren op ongeloofelijke wijze terzijde. De Heidenen, zoo het scheen ten hoogste verbaasd over deze menschen, die hen zoo zonder wapenen naderden, en hen zelfs niet eens met hunne eigene speren, die zij gegrepen hadden, trachtten te verwonden, zagen uit louter verwondering van verdere aanvallen af, nadat zij, wat het oude opperhoofd noemde »een regenbui van sperenquot; op hen hadden doen nederdalen. Ons christenopperhoofd riep nu uit, terwijl hij met zijne vrienden in hun midden op den openbaren grond van het dorp postvatte:
»Jehovali beveiligt ons op deze wijze. Hij heeft ons al uwe speren gegeven. Eens zouden wij er u mede gedood hebben; maar nu komen wij niet om te vechten, maar om u van Jezus te vertellen. Hij vraagt u, om nu al uwe wapenen neder te leggen en aan te hooren, wat wij u omtrent de liefde van God, onzen Almachtigen Vader, den eenig levenden God, kunnen mededeelen.quot;
De Heidenen waren geheel overbluft. Zij geloofden klaarblijkelijk, dat deze christenen door eene onzichtbare macht beschermd werden. Zij luisterden voor de eerste maal naar de geschiedenis van het Evangelie en van het Kruis. Wij beleefden het, dat dit opperhoofd met zijn ganschen stam in de school van Christus nederzat. En daar is misschien onder al de eilanden in de Zuidzee, die voor Christus gewonnen zijn, geen eiland, waar niet soortgelijke daden van heldenmoed der bekeerlingen
293
294
door de zendelingen kunnen verhaald worden, tot eer van onze arme Inboorlingen en tot roem van hun Zaligmaker.
Grooter en moeielijker beproevingen moest hun nieuw geloof soms ondergaan. Eens noodzaakte de oorlog op Tanna ongeveer honderd men-schen, eene schuilplaats te zoeken op Aniwa. Voor korte jaren geleden zou hun leven niet veilig zijn geweest onder de bewoners van een ander eiland van menscheneters. Maar nu werd Aniwa door den Geest van Christus beheerscht. De uitgewekenen werden vriendelijk verzorgd, en werden na verloop van tijd naar hun land teruggeleid door ons zendingschip, de Day spring. De opperhoofden en de ouderlingen der gemeente echter hadden hen bij hunne komst op het eiland de nieuwe wetten duidelijk en ernstig voorgelegd. Zij beloofden hen te helpen en te beschermen, maar Aniwa werd nu volgens de wetten van Christus geregeerd, en indien een van de Tanneezen door slecht gedrag de openbare wetten schond of op eenige wijze den dienst van Jehovah verstoorde, zouden zij terstond van het eiland verdreven en naar Tanna teruggezonden worden. In dit alles ondersteunde het opperhoofd van de Tanna-partij, mijn oude vriend Nowar, onze christenhoofden op krachtige wijze. De Tanneezen gedroegen zich goed, en velen hunner droegen kleederen en begonnen de kerk te bezoeken, en de hevige last, die op de beperkte hulpmiddelen van Aniwa drukte, door het onderhoud met zoovele menschen, werd met een edelen en christelijken geest gedragen, die op de Tanneezen grooten indruk maakte en het Evangelie van Christus ingang deed vinden.
In het opeischen van Aniwa voor Christus en het winnen van dit eiland als een parel aan Zijn kroon, deden wij eene ervaring op, die altijd Gods weg door de geschiedenis heeft gekenmerkt. Hij deed rondom ons menschen opstaan, om Zijn gezegend werk voort te zetten en maakte hen op bewonderenswaardige wijze tot Zijn werk geschikt. Onder dezen moeten wij voornamelijk gedenken, Namakei, het bejaarde Opperhoofd van Aniwa. Langzaam, maar zeer zeker drong het licht des Evangelies tot zijne ziel door, en hij was er altijd op gesteld, om aan zijn volk mede te deelen, wat hij leerde. In zijne heidensche dagen was hij een Kannibaal en een dapper strijder; maar reeds van den beginne, gelijk in de vorige hoofdstukken is aangetoond, toonde hij warme belangstelling in ons en in ons werk; ongetwijfeld kwam er in het eerst een weinig zelfzucht bij, maar allengs werden zijne beweeggronden zuiverder, naarmate oogen en hart geopend werden voor het Evangelie van Christus.
Toen ons op het eiland een zoon geboren werd, was het oude opperhoofd in verrukking. Hij wilde het kind tot zijn erfgenaam maken, daar zijn eigen zoon gestorven was, en bracht bijna het geheele eiland op de been, om het blanke opperhoofd van Aniwa te zien. Hij wenschte, dat hij Namakei, de jongere, genoemd zou worden, eene eer, die wij, vrees ik, niet genoeg op prijs stelden. Toen het kind opgroeide, nam hij het bij de hand, en wandelde overal vrij met hem rond onder het volk, leerde hem hunne taal spreken als een Inboorling, en boezemde hun niet alleen belang in voor zijn persoon, maar ook voor ons en voor het werk des Heeren. Dit was ook een van de banden, hoewel een zuiver menschelijke, die hen allen nader en nader aan Jezus verbond.
De dood van Namakei was bijzonder treffend. Hij had gehoord, dat de zendelingen eenmaal in het jaar op een van de eilanden saamkwamen, om over het werk des Heeren te beraadslagen. Wat hij zich had voorgesteld van zulk eene zendings-synode kan men moeielijk met juistheid bepalen; maar in zijn ouderdom, toen hij reeds zeer zwak was, sprak hij zijn vurigen wensch uit, om ons naar onze volgende samenkomst op
SCHETSEN VAN ANIWANS.
Aneytium te vergezellen, en al de zendelingen van Jezus te zien en te hooren, die van al de eilanden der Nieuwe Hebriden vergaderd waren. Bevreesd, dat hij ver van huis zou sterven en dat dit grooten tegenspoed aan het goede werk op Aniwa mocht brengen, waar hij zeer bemind was, verklaarde ik mij ten sterkste tegen zijn plan. Maar hij en zijne familie en al het volk hadden er hun hart op gezet, dat hij gaan zou, en zoo moest ik eindelijk wel toegeven. Zijn kleine boekenschat werd nu verzameld, zijne weinige kleedingstukken bijeengebracht, en eene kleine inlaudsche mand bevatte al zijne bezittingen. Hij verzamelde zijn volk en nam een hartelijk afscheid van hen, hen vermanende, »krachtig voor Jezusquot; te blijven, hetzij zij hem zouden wederzien of niet, en getrouw en goed voor Missi te zijn. Het volk jammerde en velen weenden bitter. De bemanning van de Dayspring verbaasde zich, toen zij zagen, hoezeer zijn volk hem beminde. Hij hield zich zeer goed gedurende de reis. Hij ging met ons in en uit op de vergaderingen, en was zeer in zijn schik met den eerbied, die men hem op Aneityum bewees. Toen hij van den voorspoed van het werk des Heeren hoorde, en vernam, hoe het eene eiland na het andere den lof van Jezus leerde zingen, ontgloeide zijne ziel van heilige verrukking en hij zeide:
»Missi, ik steek mijn hoofd omhoog als een boom. Ik voel mij grooter worden van vreugde!quot;
Op den vierden of vijfden dag echter liet hij mij uit de vergadering halen, en toen ik bij hem kwam, sprak hij levendig;
»Missi, ik \'ga sterven 1 Ik heb u gevraagd hier te komen, om afscheid te nemen. Zeg mijne dochter, mijn broeder en mijn volk, dat zij moeten voortgaan, om Jezus lief te hebben en dan zal ik hen in eene schoonere Wereld wederzien.quot;
Ik trachte hem te bemoedigen, door hem te zeggen, dat God hem nog kon oprichten en hem aan zijn volk wedergeven, maar hij fluisterde met zwakke stem:
»0 Missi! de dood heeft mij reeds aangeraakt! Ik voel mijne voeten onder mij wegglijden. Help mij, om in de schaduw van dien banyanboom te gaan nederliggen.quot;
Zoo sprekende, greep hij mijn arm en waggelde naar den boom, waar hij zich in de koele schaduw nederlegde. Hij fluisterde weder;
»Ik ga heen! O Missi, laat mij uwe stem nog eenmaal in het gebed hooren en dan zal mijne ziel kracht hebben, om te scheiden.quot;
Onder vele tranen en snikken trachtte ik te bidden. Ten laatste nam hij mijne hand, drukte die aan zijn hart, en zeide met krachtige, heldere stem:
»0 mijn Missi, mijn lieve Missi, ik ga heen vóór u, maar wij zullen elkander wederzien in de Woning van Jezus. Vaarwel!quot;
Deze woorden uitte hij als met eene laatste krachtsinspanning; onmiddellijk daarna werd hij bewusteloos en stierf. Het was mij als zoude mijn hart breken van smart over zijn verlies. Hij was mijn eerste bekeerling op Aniwa, de eerste, die, op dat eiland van vele tranen, zijn hart voor Jezus opende; en toen hij daar op gras en bladeren nederlag, steeg mijne ziel omhoog met de zijne, en al de harpen Gods schenen vreugdetonen te doen hooren, toen Jezus aan den Vader dit zegeteeken der verzoenende liefde aanbood. Hij was ons een trouw vriend en ijverig medehelper in het Evangelie geweest, en den volgenden morgen volgden al de leden onzer Synode zijn lijk grafwaarts. Daar stonden wij, de blanke zendelingen van het Kruis uit ver verwijderde landen, en vermengden onze tranen met die der christen-inboorlingen van Aneityum, om den dood van iemand,
295
SCHETSEN VAN ANIWANS.
die maar weinige jaren geleden een met bloed bevlekt Kannibaal was geweest, en om wien wij nu treurden als een broeder, een geloovige, een apostel onder zijn volk. Vraagt gij, hoe dit mogelijk was ? Christus had in zijn hart woning gemaakt en Namakei was een nieuw schepsel geworden. »Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.quot;
Wij waren in groote verlegenheid omtrent het terugkeeren naar Aniwa zonder ons opperhoofd, en vreesden zeer voor de gevolgen. Om onze innige deelneming met hen te toonen, maakten wij een aanzienlijk geschenk voor zijne dochter Litsi, voor zijn broeder en voor andere van zijne vrienden gereed, ten einde daarmede aan te toonen, dat wij voor den ouden Namakei in elk opzicht vriendelijk geweest waren, gelijk wij dat nu voor hen wenschten te zijn. Toen onze boot de landingsplaats naderde, was bijna de geheele bevolking verzameld, om ons te ontmoeten; Litsi en Namakei\'s broeder stonden ver op de klip, om ons te begroeten. Litsi\'s scherp oog miste de gestalte van den ouden Namakei en toen wij nog zoover verwijderd waren, dat woorden ons nauwelijks konden bereiken, hoorde ik hare stem roepen:
2gt;Missi, waar is mijn vader?quot;
Ik deed, alsof ik het niet hoorde; de boot naderde langzaam, en weder riep zij luide: »Missi, waar is mijn vader? Is Namakei dood?quot;
Ik antwoordde: »Ja; hij stierf op Aneityum. Hij is nu met Jezus inde Heerlijkheid.quot;
Toen ging er een wilde jammerkreet op, die door Litsi werd aangeheven en waarmede allen, die haar omringden, instemden. Het klonk als een lijkzang, die bij beurten werd uitgevoerd, toen de een na den ander lof over den naam van Namakei en smart over zijn verscheiden uitte. Wij kwamen langzaam de haven binnen. Litsi, de dochter van Namakei, en Kalangi, zijn broeder, drukten ons onder tranen de hand, en heetten ons wederom welkom op het eiland, terwijl zij ons verzekerden, dat wij niets te vreezen hadden. Onder vele tranen en weeklachten vertelde Litsi ons, dat zij allen gevreesd hadden, hem niet te zullen zien weder-keeren. »Wij wisten,quot; zeide zij, »dat hij stervende was, maar wij durfden het u niet te zeggen.quot; Toen gij er in hadt toegestemd, hem met u te doen gaan, ging hij bij al zijne vrienden rond, om afscheid te nemen en zeide hen, dat hij voor het laatst ging slapen op Aneityum, en dat hij in den Grooten Dag zou opstaan, om Jezus te zien, in gezelschap van al de geloovigen van Aneityum. Hij beval ons allen aan, u te gehoorzamen en Jezus getrouw te blijven. En waarlijk, Missi, wij willen de afscheidswoorden van mijn lieven vader gedenken, zijn voetspoor volgen en u bijstaan in het werk des Heeren 1quot;
Het andere opperhoofd, Naswai, vergezelde ons nu naar het zendingshuis, en al het volk volgde ons, luid over Namakei jammerend. Op den volgenden Zondag vertelde ik de geschiedenis van zijne bekeering, van zijn leven voor Jezus, «en van zijn dood op Aneityum, en God gebruikte deze gebeurtenis, geheel tegenovergesteld met wat wij gevreesd hadden, om de belangstelling van velen in de gemeente zeer te doen toenemen en hen duidelijker voor oogen te stellen, dat Jezus alleen recht had op hun hart en leven.
Naswai, de vriend en metgezel van Namakei, was een opperhoofd uit het binnenland. Zijn dorp was verreweg het grootste op Aniwa. Hij was iemand van een waardig uiterlijk en zijne vrouw, Katua, was vergeleken bij allen, die haar omringden, eene ware dame in blik en manieren. Zij was de eerste vrouw op het eiland, die de kleederen der beschaving aannam, en zij toonde een aangeboren goeden sfnaak te bezitten door
296
SCHETSEN VAN A NI WANS.
de wijze, waarop zij zich kleedde. Haar voorbeeld was door den goeden invloed, dien het op al de vrouwen uitoefende, op zichzelven een soort van Evangelie; zij was eene ware levensgezellin voor haar echtgenoot, en vergezelde hem bijna overal.
Nadat Naswai christen geworden was, was er iets minachtends in zijne manieren op te merken en kantte hij zich voornamelijk streng tegen iederen vorm van leugen of bedrog. Ik liet somtijds voor een bepaalden prijs door Naswai sommige karweitjes verrichten, zooals omheiningen, of dakbedekkingen in orde maken. Hij kwam dan met een troep mannen, laat ons zeggen dertig of veertig, lette er op, dat het werk goed gedaan werd, en verdeelde dan het loon in gelijke deelen onder zijne werklieden, terwijl hij zelden iets van het loon of van het voedsel voor zichzelven behield. Bij zekere gelegenheid werkten er menschen uit een naburig dorp voor mij. Naswai hielp hen en wees hen terecht. Toen ik hen betaalde, zeide een hunner :
»Missi, gij hebt Naswai niet betaald. Hij heeft even hard gewerkt als een onzer.quot;
Naswai keerde zich met de waardigheid van een prins tot hem, zeggende: »Ik werkte niet om loon I Zoudt gij willen, dat Missi meer betaalde, dan hij vooraf bepaald heeft? Uw gedrag is slecht. Ik wil geen deel hebben aan uwe slechte daden.quot;
En met een verontwaardigd gebaar, stapte hij statig heen, hen met verachting den rug toekeerende.
Naswai was jonger en verstandiger dan Namakei, en in alles, behalve in het vertalen van de Schriften, was hij mij van veel grooter hulp tot het werk des Heeren. Gedurende vele jaren vond Naswai er een bijzonder genoegen in, om iederen Zondagmorgen mijn preekstoel-Bijbel van het zendingshuis naar de kerk te dragen en te zien, dat alles in volmaakte orde was, vóór de dienst begon. Hij was ook onderwijzer in de school van zijn eigen dorp, evenals ouderling van de gemeente. Zijne prediking muntte uit in duidelijke ophelderingen en zijne geDeden waren ernstig en opwekkend. Toch was zijn volk het moeielijkste vai het geheele eiland, en het laatst in het omhelzen van het Evangelie.
Hij stierf, toen wij in 1875 onzen verloftijd in de Koloniën doorbrachten; zijne vrouw Katua was hem niet lang geleden voorgegaan. Zijne laatste raadgevingen aan zijn volk maakten een diepen indruk op hen. Zij vertelden ons, hoe hij hen gesmeekt had, den Heer Jezus te dieien en lief te hebben, en hoe hij hen met stervende stem verzekerde, dat hj een nieuw schepsel was geworden, sedert hij zijn hart aan Christus gegexen had en dat hij zeer gelukkig was heen te gaan, om met zijn Zaligmaker te wezen.
Een bewonderenswaardig voorbeeld van Naswai\'s kracht en geschiktheid als prediker wil ik hier laten volgen. Eens bracht de Dayspring eene groote menigte afgevaardigden van Fotuna, om de verandering te zien, die het Evangelie op Aniwa had teweeggebracht. Op Zondag, nadat de zendelingen als naar gewoonte de openbare godsdienstoefening hadden geleid, werden de lieden van Fotuna door sommigen van de voornaamsten van Aniwa toegesproken en onder anderen sprak Naswai ongeveer het volgende:
«Mannen van Fotuna, gij komt zien, wat het Evangelie voor Aniwa gedaan heeft. Het is Jehovah, de levende God, die deze verandering-teweeggebracht heeft. Als heidenen twistten wij, doodden elkander en aten elkander op. Wij hadden geen vrede noch vreugde in ons hart noch in ons huis, in onze dorpen noch in onze landen, maar nu leven wij als broeders en zijn gelukkig in al deze dingen. Wanneer gij op Fotuna
297
SCHETSEN VAN ANIWANS.
terugkomt, zullen zij u vragen; »Wat is het Christendom?quot; En gij zult moeten antwoorden: »Dat is hetgeen de menschen op Aniwa veranderd heeft.quot; Maar zij zullen weder vragen; »Wat is het?quot; En gij zult antwoorden: »Het is het christendom, dat hun kleeding en dekens, messen en bijlen, vischtuig en vele andere nuttige dingen gegeven heeft; het is het christendom, dat hen er toe gebracht heeft, om het strijden na te laten en als vrienden te leven. Maar zij zullen voortgaan met u te vragen: »Waar gelijkt het op?quot; En gij zult hen daarop, helaas, moeten antwoorden, dat gij het hen ijiet kunt uitleggen, dat gij alleen de uitvloeisels van het christendom hebt gezien, niet het christendom zelve, en dat niemand kan zeggen, wat het christendom is, behalve hij, die Jezus, den onzichtbaren Meester, liefheeft, met Hem wandelt en Hem tracht te behagen. Nu, gij volk van Fotuna, gij denkt b. v. dat gij geen oogst zult hebben, indien gij niet danst en zingt en uwe goden aanbidt. Dat deden wij ook vroeger; ieder jaar offerden wij en bedreven allerlei gruwelijkheden gedurende de weken, die den zaaitijd voorafgingen. Maar wij zagen onzen Missi alleen tot den onzichtbaren God bidden, vóór hij zijne broodwortels plantte en zij groeiden schooner op dan de onze. Gij zijt ieder jaar vóór uw moeielijk werk in het veld begint, afgemat door uw wild en woest gedrag, waarmede gij uwe goden tracht te behagen. Maar wij zijn krachtig in het werk, want wij bidden tot onzen God, en Hij geeft stille rust in plaats van het wilde dansen en maakt ons gelukkig in onzen arbeid. Sedert wij Missi\'s voorbeeld begonnen te volgen, heeft Jehovah ons schoone en groote vruchten gegeven, en wij weten nu, dat Hij ons al onze zegeningen schenkt.quot;
Toen, zich tot mij wendende, riep hij uit: »Missi, hebt gij dien grooten broodwortel nog, dien wij u aanboden? Zoudt gij het niet goed vinden, dien dezen mannen mede te geven naar Fotuna, om hun volk de broodwortels te liten zien, die Jehovah voor ons laat groeien, in antwoord op het gebed? Jehovah is de eenige God, die zulke broodwortels kan laten groeien!quot;
Na eene pauze vervolgde hij: »Wanneer gij naar Fotuna teruggaat en zij vragen i: »Wat is het Christendom?quot; zult gij gelijk zijn aan een In-landsch Hoofd van Erromanga, die eens hier kwam en een groot feest op het strand zag. Toen hij zooveel voedsel en zooveel verschillende soorten dtarvan bijeen zag, vraagde hij: »Waarvan is dit gemaakt?quot; en men antwoordde hem: !gt;Van kokosnoot en broodwortel.quot; sEn dit?quot; »Van kokosnoot en banana.quot; »En dit?quot; »Van kokosnoot en taro.quot; »En dit?quot; »Van kokosnoot en kastanje.quot; Het opperhoofd was zeer verwonderd over de menigie gerechten, die van de kokosnoot bereid kunnen worden. Toen hij terugkeerde, nam hij eene groote hoeveelheid er van mede naar zijn volk, opdat zij het uitmuntend voedsel van de kustbewoners mochten zien en proeven. Op een dag, toen zij allen bijeenverzameld waren, vertelde hij hun van de wonderen van dat feest, en de kokosnoten geioosterd hebbende, nam hij er de kern uit, die geheel verbrand en bedorven was, en deelde die onder het volk uit. Zij proefden de kokosnoot, begonnen ze te kauwen en spuwden ze toen uit, roepende: »Ons eigen voedsel is vrij wat beter dan dit 1quot; Het opperhoofd stond beschaamd en werd uitgelachen tot loon voor al zijne moeite. Had hij zich vergist met betrekking tot de kokosnoten? Neen, maar zij waren bedorven door het bereiden. Evenzoo zullen uwe pogingen, om eene uitlegging van het christendom te geven, het christendom alleen kunnen bederven. Zeg hun, dat een mensch als een christen moet leven, vóór hij anderen kan toonen, wat het christendom is.quot;
298
SCHETSEN VAN ANIWANS.
Bij hunne terugkomst op Fotuna, toonden zij Jehovah\'s broodwortel, dien men op Aniwa ontvangen had in antwoord op gebed en arbeid ; zij vertelden wat het christendom voor Aniwa gedaan had, maar verzuimden niet, al hunne verhalen op te luisteren met de geschiedenis van het opperhoofd van Erromanga en de kokosnoten, en de zeer practische les, daaraan verbonden.
De twee Hoofden, die in rang op de genoemde opperhoofden volgden, waren Nerwa en Ruwawa. Nerwa was een scherpzinnig redetwister; al zijne gedachten drukte hij op logische wijze uit. Toen ik hunne taal een weinig kon spreken, bezocht ik zijn dorp, en predikte daar; maar zoodra hij bemerkte, dat de leer van Jehovah zich verzette tegen hunne heiden-sche gewoonten, verbood hij ten strengste ze te prediken. Eens gedurende mijne prediking ontwikkelde hij zich tot een volkomen Agnostiek (met evenveel grond voor zijne beweringen als het Europeesche type) en viel mij toornig in de rede:
»Het zijn allemaal leugens, die gij ons hier komt onderwijzen en gij noemt het godsdienst! Gij zegt, dat uw Opperste God in den Hemel woont. Wie is daar ooit geweest, om Hem te hooren en te zien ? Gij praat over Jehovah, alsof gij Zijn Hemel ooit bezocht hebt. En gij kunt nog niet eens in den top van een onzer kokosboomen klimmen, ofschoon wij dat met gemak kunnen doen. Om op het dak van uw eigen zendingshuis te komen, hebt gij eene ladder noodig, om u te helpen. En zelfs al wildet gij uwe ladder hooger maken dan onzen hoogsten kokosboom, waartegen zoudt gij haar moeten steunen ? En wanneer gij de ladder zijt opgeklommen, kunt gij alleen aan de andere zijde weder afklimmen, om te eindigen, waar gij begonnen zijt 1 Het is onmogelijk. Gij hebt dien God nooit gezien, gij hebt Hem nimmer hooren spreken. Kom hier niet weder met uwe schandelijke leugens of ik zal u met mijne speer doorsteken.quot;
Hij verdreef ons uit zijn dorp, en dreigde ons te zullen vermoorden, indien wij ooit weder durfden komen. Zeer spoedig na dit voorval zond de Heer ons een klein meisje, eene weeze, uit Nerwa\'s dorp. Zij was zeer vlug, leerde lezen en schrijven, en vertelde alles, wat wij haar verhaalden, over. Hare bezoeken te huis, of liever onder de dorpsbewoners, waar haar tehuis geweest was, haar veranderd voorkomen en hare kinderlijke taal brachten innige belangstelling in ons en ons werk teweeg.
Daarop werd er een jongen uit dat dorp gezonden, om in het zendingshuis te worden opgevoed en hij bracht ook zijne kleine verhalen mede van hoe goed en vriendelijk Missi, de man, en Missi, de vrouw, waren. Toen begonnen opperhoofd en volk een levendig belang te stellen in alles, wat er omging. Eens kwam de vrouw van het opperhoofd, eene stille en vriendelijke vrouw, de godsdienstoefening bijwonen, zeggende :
»Nerwa\'s tegenkanting verflauwt. De verhalen van de weezen hebben dit teweeggebracht. Hij heeft mij toegestaan de kerk te bezoeken en het boek van de christenen te vragen.quot;
Wij gaven haar een boek en een kleedingstuk. Zij ging naar huis en vertelde alles. De eene vrouw na de andere uit datzelfde dorp volgde haar voorbeeld en sommigen van de mannen kwamen ook luisteren. Het eenige, waarin zij werkelijk belangstelling toonden, was het zingen van de liederen, die ik in hunne taal overgezet had en die mijne vrouw de kinderen zeer zacht en liefelijk had leeren zingen. Nerwa begon ten laatste zooveel belang in ons werk te stellen, dat hij zelve kwam, op tamelijk verren afstand ging zitten, waar hij echter de liefelijke klanken indronk. In korten tijd kwam hij zoo nabij, dat hij onze prediking kon verstaan.
299
SCHETSEN VAN ANIWANS.
en begon toen openlijk en geregeld de kerk te bezoeken. Zijne redeneerkunst was altijd bezig. Hij wikte en woog alles wat hij hoorde, en beschaamde weldra bijna al de anderen in het rechte begrip van de denkbeelden van den nieuwen godsdienst. Hij kleedde zich, bezocht onze school en beleed een volgeling van den Heer Jezus te zijn. Hij deed ook zijn uiterste best, om een ander opperhoofd met zijn volk tot ons te brengen, en werd zelve een ijverig en trouw helper in de zending.
Bij den dood van Naswai, nam Nerwa terstond zijn werk over, om mijn Bijbel naar de kerk te brengen, en er op te letten, dat iedereen gezeten was, vóór de klok ophield te luiden. Ik heb hem den Bijbel soms als een levend voorwerp aan zijn hart zien drukken en hoorde hem uitroepen:
»0, deze schat in mijne eigene taal te bezitten, in de taal van Aniwa!quot;
Toen de Evangeliën van Mattheüs en Markus ten laatste in zijne eigene taal gedrukt waren, studeerde hij er vlijtig in, en kon ze spoedig vlot lezen. Hij werd onderwijzer in zijne eigene dorpsschool en vond er een groot genoegen in, anderen te onderrichten. Hij werd daarin bijgestaan door Ruwawa, dien hij onder den invloed van het Evangelie had gebracht en bij onze volgende verkiezing werden deze beide vrienden tot ouderlingen van de gemeente verkozen, en waren ons van groot nut in alle goed werk op Aniwa.
Na jaren van gelukkigen en nuttigen arbeid kwam de tijd tot sterven voor Nerwa. Hij was zoo bemind, dat de meesten der bewoners hem gedurende zijne lange ziekte kwamen bezoeken. Hij las een gedeelte van het Evangelie in zijne eigene taal en bad met en voor iederen bezoeker. Hij zong mooi, en liet bijna niemand zijn leger verlaten, zonder een vers van het een of ander zijner geliefkoosde liederen: «Heerlijk landquot; of »Nader, mijn God, tot uquot; te hebben gezongen. Bij mijn laatste bezoek aan Nerwa zag ik, dat zijne krachten zeer afnamen, maar hij trok mij tot zich en fluisterde mij in het oor;
»Missi, mijn Missi, ik ben blij u te zien. Ziet gij dien troep jonge mannen? Zij kwamen om mij hunne sympathie te betuigen, maar zij hebben niet eenmaal den naam van Jezus uitgesproken, ofschoon zij over allerlei andere dingen hebben gesproken! Zij zouden mij zoo niet vermoeid hebben, indien zij over Jezus hadden gesproken. Lees mij de geschiedenis van Jezus nog eens voor; en bid voor mij tot den Heer. Neen, wacht! laten wij hen hier roepen en laat mij tot hen spreken, voordat ik henen ga!quot;
Ik riep hen allen rondom zijn bed, en met eene laatste krachtsinspanning, zeide hij; »Laat er na mijn heengaan geene slechte taal, geene hei-densche gebruiken zijn. Zingt Jehovah\'s lof en bidt tot Jezus, en begraaft mij als een christen. Draagt zorg voor mijn Missi, en helpt hem zooveel gij kunt. Ik sterf gelukkig en ga naar Jezus, en Missi was het, die mij den weg- tot den Heer gewezen heeft. En wie onder u allen zal mijne plaats vervullen in de school en in de kerk? Wie onder u wil zich aan Jezus\' zijde plaatsen?quot;
Velen stortten tranen, maar er kwam geen antwoord: daarna vervolgde het stervende opperhoofd:
»Laat dit nu mijn laatste werk op aarde zijn: wij zullen een hoofdstuk uit het Boek lezen en dan zal ik voor u allen bidden en Missi zal daarna voor mij bidden en God zal mij laten heengaan, terwijl uw lied in mijn hart weerklinkt.quot;
Aan het einde van dit treffend samenzijn vergaderden wij de christenen, die in de nabijheid waren, dicht rondom hem, en zij zongen zeer zacht in
300
SCHETSEN VAN ANIWANS.
het Aniwaansch; »Daar boven is een heerlijk land.quot; Terwijl zij zongen, greep de oude man mijne hand, en trachtte te spreken, maar te vergeefs. Zijn hoofd zakte op zijde, »de zilveren koord was ontketend en de gulden schaal in stukken gestooten.quot;
Spoedig na zijne begrafenis, kwam de beste en kundigste man van het dorp, nu de echtgenoot van de kleine weeze, waarover wij reeds gesproken hebben, en bood zich aan, om de plaats van het opperhoofd als onderwijzer aan de dorpsschool te vervullen, en in deze betrekking werd hij krachtig ondersteund door zijne vrouw, onze »kleine meid,quot; de eerste, die het nieuws van het Evangelie aan haren stam mededeelde, en hunne ooren neigde, om te luisteren naar de roepstem van den Heer Jezus.
Zijn beste vriend, het opperhoofd Ruwawa, had Nerwa als een broeder opgepast, tot eenige dagen voor diens dood, toen hij ook ongesteld werd en naar het scheen dezelfde ziekte kreeg. Men dacht, dat hij sterven zou, en hij gaf zich kalm in de handen des Heeren over.
Op een Zondag middag, toen hij zeer verlangde naar wat frissche lucht, liet hij zich door zijn volk naar den hoogen grond van een zijner plantages voeren. Het was braakland; de frissche lucht zou hem daar bereiken; en al zijne vrienden konden rondom hem zitten. Zij maakten eene rustplaats voor hem gereed. Zij sloegen twee palen in den grond, bonden daar dwarslatten aan vast en spreidden daarover gedroogde banana-bla-deren; ook maakten zij een kussen van bladeren op den grond, en daar zat Ruwawa nu achterover geleund en zwaar ademhalend.
Na de godsdienstoefening bezocht ik hem, en vond de helft der lieden van dat deel van het eiland in stilte rondom hem vergaderd, in de open lucht. Ruwawa wenkte mij, en ik zette mij naast hem neder. Ofschoon hij veel leed, was er in zijn oog en gelaat eene uitdrukking van verrukking.
»Missi,quot; zeide hij, »ik kon in mijn dorp niet ademhalen, daarom heb ik hen mij hier laten brengen, waar voor ieder plaats is. Zij zijn stil en zij weenen, omdat zij denken, dat ik sterven ga. Indien het Gods wil ware, zou ik nog wel willen blijven leven, om u in Zijn werk bij te staan. Ik ben in de hand van onzen dierbaren Zaligmaker. Indien Hij mij wegneemt, is het goed; indien Hij mij in het leven spaart, is het ook goedl Bid, Missi, en zeg het alles aan onzen Heiland!quot;
Ik legde het volk uit, dat wij onzen Hemelschen Vader wilden zeggen, hoe gaarne wij allen Ruwawa bij ons zouden houden en hem weder gezond en sterk zouden zien, om voor Jezus te werken, maar dat wij alles aan Zijne wijze en heilige beschikkingen overlieten. Toen ik hem verliet, riep Ruwawa uit:
»Vaarwel, Missi! Indien ik eerst heenga, zal ik u in de Heerlijkheid verwelkomen; indien ik gespaard blijf, zal ik met u voor Jezus werken; zoo is alles goed!quot;
Een van de jonge christenen volgde mij en zeide: »Missi, onze harten zijn zeer bedroefd. Indien Ruwawa sterft, hebben wij geen opperhoofd, om zijne plaats in de kerk in te nemen en het zal een hevige slag voor den godsdienst van Jehovah op Aniwa zijn.quot;
Ik antwoordde: »Laat ons allen onzen God en Vader zeggen, wat wij gevoelen en wat wij vreezen; en Ruwawa en ons werk in Zijne heilige hand overlaten.quot;
Wij deden dit en smeekten ernstig en aanhoudend tot God. En toen alle hoop uit ieders hart verdwenen was, begon de Heer ons te ver-hooren. De ziekte begon te wijken, en het beminde opperhoofd kreeg de gezondheid weder. Zoo spoedig hij er toe in staat was, hoewel hij nog
301
302
hulp noodig had, vond hij zijn weg naar de kerk en wij allen dankten God voor zijn herstel. Hij gaf den wensch te kennen, om eenige woorden te spreken, en ofschoon nog zeer zwak, sprak hij met groote opgewektheid aldus:
»Lieve vrienden 1 God heeft mij aan u allen wedergegeven. Ik verheug er mij in, dat ik weder hier mag komen en den Vader in den hemel prijzen, die ons allen geschapen heeft, en die weet hoe ons gezond te maken en gezond te houden. Ik zou gaarne zien, dat gij allen voor Jezus werktet en geene gelegenheid verloren liet gaan, om goed te doen en Hem daarmede te behagen. Op mijne donkere reis naar het graf, waaraan ik zoo dicht genaderd was, was het de herinnering aan hetgeen ik gedaan had uit liefde tot Jezus, die mijn hart vervroolijkte. Ik ben niet bang voor pijn — mijn gezegende Heer Jezus leed veel meer voor mij en Hij leert mij de smart verdragen. Ik ben niet bang voor oorlog, hongersnood, noch dood; voor het tegenwoordige, noch voor de toekomst; mijn dierbaren Heer Jezus stierf voor mij, en stervende zal ik met Hem leven in Heerlijkheid. Ik eer en bemin mijn dierbaren Heer Jezus, omdat Hij mij heeft lief gehad en Zichzelven voor mij heeft overgegeven.quot;
Toen hief hij zijne rechterhand op en riep met eene zachte stem, waaruit zijn gansche hart sprak; »Mijn eigen, mijn dierbare Heer Jezus 1quot; en stond voor een oogenblik met blijmoedig opwaarts gerichten blik, alsof hij in zijns Heilands gelaat staarde. Toen hij weder ging zitten, was er eene lange stilte, nu en dan afgebroken door gesmoorde snikken; en Ruwawa\'s woorden brachten een indruk teweeg, dien men zich nog herinnert.
Toen ik in 1888 de eilanden bezocht, was Ruwawa nog met hart en ziel aan het werk des Heeren op Aniwa verknocht. Door Koris, een onderwijzer van Aneityum, bijgestaan en van tijd tot tijd bezocht door onze altijd dierbare en getrouwe vrienden Watt, van Tanna, zet de goede Ruwawa met eenige anderen al het werk des Heeren op Aniwa voort, in onze afwezigheid even als in onze tegenwoordigheid. De samenkomsten, de bijeenkomst voor Avondmaalgangers, de scholen en de dienst in de kerk worden alle geregeld geleid en getrouw bezocht. »Loof den Heer, o mijne ziel 1quot;
Hier herinner ik mij de geschiedenis van Waiwai, die ik ook wil mede-deelen, daar zij niet alleen belangwekkend is om zijne eigene persoon lijkheid, maar ook omdat zij een voorbeeld geeft van onze moeielijkheden met betrekking tot de vraag omtrent het hebben van vele vrouwen. Hij was een man van groote wijsheid, en had in zijne jeugd ongewone geestkracht ten toon gespreid. Zijne hulp in het vinden van geschikte uitdrukkingen in zijne taal was mij, bij het vertalen van den Bijbel, van onschatbare waarde.
Hij was eens het Hoofd van een aanzienlijken stam geweest, maar nu was hij letterlijk een opperhoofd zonder volk. Zijn zoon en erfgenaam werd door een zonnesteek getroffen, terwijl hij ons hielp, om koraal tot kalkbranden te halen en stierf kort daarna. Zijne eenige dochter huwde met een jong opperhoofd. En ten laatste waren er van zijne zeven vrouwen nog maar twee in leven.
Hij werd een getrouw bezoeker van de kerk, en toen onze Avond-maalsklasse werd gevormd, werden ook Waiwai en zijne twee vrouwen daarvoor ingeschreven. Op den tijd van het Avondmaal was hij zeer teleurgesteld, toen hij vernam, dat hij noch gedoopt noch tot het Avondmaal toegelaten kon worden, vóór hij eene zijner beide vrouwen had opgegeven, daar God geen christen toestond meer dan eene vrouw tege-
303
lijk te hebben. Hun werd aangeraden, om geregeld de bijeenkomsten te blijven bezoeken en meer en meer van het christendom te leeren, totdat God hun een weg opende in deze zaak; opdat zij mochten handelen volgens hun geweten, uit plichtbesef tegenover Christus, en indien het mogelijk was in onderlinge overeenkomst.
Waiwai betuigde zijne gewilligheid, maar hij vond het zeer hard eene zijner vrouwen prijs te geven. Zij hadden hare woningen ver van elkander verwijderd, want zij twistten anders met elkander, zooals gewoonlijk in zulke gevallen. Maar beiden waren uitmuntend in den arbeid, beiden waren zeer voorkomend voor de behoeften van Waiwai, en hij wist met beiden op vriend-schappelijken voet te blijven. Nadat al de andere mannen op het eiland onder den invloed van het christendom al hunne vrouwen op ééne na hadden opgegeven, begon Waiwai zich wel wat beschaamd te gevoelen, omdat hij de eenige uitzondering was, of hij vond het voorzichtig zich beschaamd te toonen. Hij toonde zich nu in het openbaar zeer vertoornd, gaf bevel dat eene van beiden hem moest verlaten, opdat hij in staat mocht zijn, zich bij de gemeente aan te sluiten en een christen te worden gelijk de anderen. Maar ik hoorde in het geheim, dat hij ze geene van beiden wilde missen en dat hij haar, die hem verliet, zou doodschieten. Ik bestrafte hem over zijne huichelarij en zeide hem, dat God zijn hart kende. Ten laatste zeide hij, dat daar geene van haar wilde vertrekken, hij haar zou verlaten, om voor een jaar naar Tanna te gaan, terwijl hij bevel gaf dat eene van haar getrouwd moest zijn bij zijne terugkomst. Hij ging heen, maar vond haar bij zijne terugkomst in hare woningen hem verwachtende. Hij was zeer vertoornd op haar, in het openbaar, maar zijn bedrog was te openlijk en ik bestrafte hem nogmaals ernstig over zijne dubbelhartigheid, hem aantoonend, dat zelfs menschen niet door hem bedrogen konden worden, en nog minder een alziend God. Hij bekende zijne huichelarij openhartig. Hij had zijne beide vrouwen lief; hij verlangde niet van eene van haar te scheiden, en beiden muntten uit in haar werk !
Na verloop van tijd schonk hem de jongste zijner beide vrouwen een flinken zoon, waarmede hij buitengewoon in zijn schik was; en kort daarna stierf de andere vrouw. Bij haar graf deed de aangeboren lust tot praten van de eilanders zich weder duidelijk bemerken, want Waiwai hield eene rede tot het vergaderde volk in dezer voege:
»0, gij volk van Aniwa 1 Ik wilde geene mijner vrouwen afstaan voor Jezus; maar God heeft er eene van mij genomen en haar daar in het graf gelegd; en nu word ik geroepen, om gedoopt te worden en Jezus te volgen.quot;
Zij bezochten nu geregeld de kerk en leerden ijverig in de Avond-maalsklasse. Zij schenen beiden oprecht en Waiwai toonde inzonderheid een zachten, christelijken geest, en scheen veel te denken over het verlies van familie, volk en stam, dat hem getrotïen had. Hij had inderdaad ook eene strenge tucht ondergaan, die nog niet geëindigd was. Want, kort voor den tijd van de Avondmaalsviering, wanneer hij en zijne vrouw als leden der gemeente zouden aangenomen worden, werd zijne overgeblevene vrouw plotseling ziek, en stierf ook. Bij haar graf weende de oude man bitter; hij hield weder eene toespraak, maar ditmaal in tonen van diepere werkelijkheid dan te voren, alsof het zwaard door het diepst zijner ziel was gegaan.
«Luistert, gij mannen van Aniwa, en laat u door Waiwai waarschuwen. Ik ben nu oud, en zal weldra alleen in het graf dalen. Mijne vrouwen hielden mij van Jezus terug, maar nu zijn zij allen van mij genomen, en ik heb er geene meer overgehouden, om voor mij en voor dit kleine kind te zorgen. Ik trachtte Missi te bedreigen, maar ik kon God niet bedriegen.
SCHETSEN VAN ANIWANS.
Toen ik nog maar eene vrouw overhad, zeide ik, dat ik nu gedoopt wilde worden, en als een christen wilde leven. Maar God heeft haar ook weggenomen. Ik gaf voor den Heer te dienen, terwijl ik alleen mijzelven zocht te behagen. God heeft nu mijn hart geheel gebroken. Ik moet leeren, niet langer mijzelven te behagen, maar mijn Heer. O, neemt mijne waarschuwing ter harte, gij mannen van Aniwa. Leugens kunnen den grooten God niet bedriegen!quot;
Den diep bedroefden Waiwai trof slag op slag. Wij hadden er in toegestemd hem te doopen, en Hem tot des Heeren tafel toe te laten. Maar een hevig soort van kramp, die somtijds op deze eilanden voorkomt, overviel hem, waardoor zijne beide beenen ineenkrompen, en zijne voeten naar achteren gekromd werden. Hij leed veel smarten, en kon loopen noch zitten zonder de hevigste pijnen. Niettegenstaande wij alles in het werk stelden^ om hem te verlossen, werd het eene slepende ziekte, waaraan hij ten laatste gedurende onze afwezigheid in den verloftijd bezweek.
Zijne getrouwde dochter zorgde voor hem en voor zijn kleinen jongen, en zoolang ik tijdens zijne ziekte op Aniwa was, bezocht en onderrichtte ik hem op alle mogelijke wijzen. Hij bad veel, en vraagde een zegen over ieder maal, maar al wat ik zeggen kon, vermocht niet, hem in den zonneschijn der Goddelijke liefde te voeren. En de arme man openbaarde dikwijls de schaduw, die zijn hart omsloten hield, door kreten als deze: »Ik loog tegen Jehovah! Hij straft mij nu! Ik loog tegen Jezus!quot;
Mijne lezers zullen misschien denken, dat onze behandeling van dit geval met de twee vrouwen te streng tegenover Waiwai was. En zij, die nooit op de plaats geweest zijn, en die de feiten niet kunnen zien, gelijk zij zich voor de oogen van den zendeling voordoen, zullen ons het hardst veroordeelen. Maar hoe zouden wij de Inboorlingen ooit er toe gebracht hebben, om het verschil te zien tusschen het doen toetreden van iemand in de gemeente, die twee vrouwen heeft, en het een lid der gemeente toe te staan, om twee vrouwen te nemen na zijne aanneming? Hun zedelijk gevoel is verstompt genoeg, zoodat wij hunne hoofden niet behoeven te vermoeien met eene zoodanige moeielijkheid ! Bij het toelaten van leden in onze gemeente moeten wij de lijn, tusschen wat heidensch en wat christelijk is, zoo scherp trekken als Gods wet dit toestaat in plaats van het verschil minder te maken.
Wij bevonden, dat de heidensche leefwijze voor de vrouwen noodlot-tiger was dan voor de mannen, want op een eiland met eene bevolking van slechts twee honderd personen, waren er dertig volwassen mannen meer dan vrouwen. Als regel kan men aannemen, dat voor iederen man, die twee of meer vrouwen heeft, hetzelfde aantal mannen geene vrouwen hebben en er ook geene kunnen krijgen; en de veelwijverij is daarom de voorname oorzaak van den haat, en van de ontelbare moorden, die gepleegd worden.
Behalve dit alles, om de dingen uit een zuiver practisch oogpunt te beschouwen, daar de zoogenaamde spractische liedenquot; onze gestrenge beoordeelaars in deze zaken zijn, is het waarlijk geene ramp voor eene vrouw, of voor eenig aantal vrouwen, om verlaten te worden, wanneer de man christen wordt en slechts eene vrouw verkiest te hebben; want ieder, die zoo op zijde gezet is, wordt gaarne opgenomen door een man, die geene hoop had, ooit eene vrouw te zullen krijgen, en haar kans op een gemakkelijker en gelukkiger leven is zeer vermeerderd. Wij hadden een opperhoofd, die elf vrouwen opgaf, toen hij gedoopt werd. Zij verkregen allen, zonder uitzondering, een gelukkig tehuis in andere woningen. En hij werd een ernstig en toegewijd christen.
304
SCHETSEN VAN ANIWANS.
Zoolang onze Inboorlingen heidenen zijn en vele vrouwen hebben, is het lot van de meeste vrouwen erger dan slavernij. Toen een opperhoofd een zijner vrouwen hevig sloeg, en ik hem hierover onderhield, verzekerde hij mij op verontwaardigde wijze: »Wij moeten ze wel slaan, of zij zouden ons nooit gehoorzamen. Wanneer zij twisten en moeielijk te regeeren worden, behoeven wij er slechts eene te dooden en op te eten, dan zijn al de andere vrouwen van den geheelen stam gedurende een langen tijd gehoorzaam.quot;
Ik kende een opperhoofd, wiens vrouwen altijd jaloersch waren en hevig onder elkander twistten. Toen hij naar den oorlog was met zijne mannen, wapende zijne favorite, eene groote, sterke vrouw, zich met eene bijl en vermoordde al de anderen. Bij zijne terugkomst vergaf hij haar hare misdaad en, hetzij uit vrees of om andere redenen, beloofde hij haar te beschermen tegen alle pogingen tot wraak. Men moet onder de Papoea\'s of onder de Maleiers leven, om te begrijpen, hoeveel de vrouw aan Christus verschuldigd is\'
De eenige broeder van het bejaarde opperhoofd heette Kalangi. Toen hij nog heiden was, trachtte hij mij tweemaal dood te schieten. De tweede maal was, toen hij mij zijne dochter hoorde berispen, daar zij door een kind eene schoone Inlandsche plant had laten vernielen, die voor ons huis stond. Hij mikte met zijn geweer op mij, maar zijne dochter, die bij ons in het zendingshuis werd opgevoed, liep hem tegemoet, roepende: »0 vader! schiet niet op Missi! Hij houdt van mij. Hij geeft ons voedsel en kleeding. Hij vertelt ons van God en van Jezus!quot;
Toen zocht zij mij over te halen in huis te gaan, zeggende: »Hij zal u niet doodschieten uit vrees van mij te treffen. Ik zal hem wel tot kalmte brengen. Laat hem aan mij over en begeef u in veiligheid.quot;
Zoo redde zij mij waarschijnlijk het leven. Gedurende geruimen tijd hoorde hij van zijn dochtertje alles, wat wij haar leerden en al wat zij onthouden kon van onze prediking. Langzamerhand begon hij groote belangstelling te toonen in de dingen, die hij omtrent Jezus hoorde, hij werd een ernstig onderzoeker en leerde vlijtig. Toen hij christen werd, maakte hij met Nelwang mijne lijfwacht uit en wandelde dikwijls naast mij of op korten afstand, met geweer en strijdbijl gewapend, terwijl ik van het eene dorp naar het andere ging in deze dagen, die het christendom voorafgingen. Eens toen wij een van de verst verwijderde dorpen naderden, sprong Nelwang naar mij toe en waarschuwde mij, dat er een man in het bosch verscholen zat, die eene gelegenheid afwachte, om op mij te schieten. Ik riep den man toe:
»Wat gaat gij daar schieten? Het is de dag de Heeren?quot; Hij antwoordde: »Niet anders dan een vogel.quot;
»Bemoei u daar heden niet mede,quot; hernam ik. »Gij kunt hem morgen schieten Wij gaan naar uw dorp. Ga voor ons uit, en wijs ons den weg.quot;
Ziende, hoe ik begeleid werd, liet hij zijn geweer zakken, en wandelde voor ons uit. Kalangi sprak tot het volk, nadat ik gebeden en gesproken had. Na verloop van tijd werden de menschen daar warme voorstanders van den godsdienst en deze zelfde man, die mij eens had willen dooden, en zijne vrouw zaten met mij aan de tafel des Heeren op Aniwa. En het kleine meisje hierboven -genoemd, is nu de vrouw van een van de ouderlingen aldaar, en de moeder van drie christenkinderen. Zij en haar echtgenoot zijn beiden toegewijde arbeiders in de gemeente des Heeren.
Litsi, de eenige dochter van Namakei, deed in hare eigene loopbaan en in hare verbintenis met onzen armen, goeden Mungaw eene onge-
305
\'20
SCHETSEN VAN ANIWANS.
evenaarde ervaring op. Zij was ons toevertrouwd geworden op zeer jeugdigen leeftijd, en werd een knap, aardig, aantrekkelijk christenmeisje. Velen dongen naar hare hand, maar zij antwoordde met waardigheid :
»Ik ben koningin van mijn eiland, en wanneer het mij behaagt, zal ik een echtgenoot kiezen, gelijk gij ons verteld hebt, dat de groote koningin Victoria deed Iquot;
Haar eerste echtgenoot, hoe dan ook gewonnen, was zonder twijfel de grootste en knapste man van geheel Aniwa, maar hij was een lichtzinnige dwaas, en na zijn vroegtijdigen dood, kwam zij weder bij ons in het zen-dingshuis wonen. Haar tweede huwelijk was alleszins aanbevelenswaard, maar het eindigde in eene onbeschrijfelijke ramp. Mungaw, de erfgenaam van een opperhoofd, was bij ons opgevoed, en gaf alle blijken van een beslist christen te zijn. Hun huwelijk werd in de kerk ingezegend, en zij leefden zeer gelukkig. Hij was een knap en welsprekend man, die eerst tot diaken, en daarna tot ouderling van de kerk verkozen werd, en later opperhoofd werd van de helft van het eiland. Hij toonde een waren christelijken geest te bezitten onder allerlei moeielijke omstandigheden. Toen hij eens aan het kalkbranden was voor den bouw van onze kerk, wilden twee slechte mannen, met geweren gewapend, hem uit wraak over het een of ander van het leven berooven. Op het hooren van den twist, vloog ik naar het tooneel van den strijd en hoorde hem zeggen:
«Noemt mij geen bloodaard en denkt niet dat ik bang ben om te sterven; indien ik nu stierf, zou ik naar Jezus gaan. Ik ben geen heiden meer; ik ben een christen, en wensch u te behandelen, gelijk dat een christen betaamt.quot;
Daar er nu ook anderen tot hulp kwamen opdagen, werden de mannen ontwapend, en na veel gepraat zeiden zij, dat zij beschaamd waren over hun gedrag en beloofden beterschap voor het vervolg. Den volgenden dag zonden zij mij een geschenk als vredesoffer, maar ik weigerde het aan te nemen, indien zij niet voor alles vrede maakten met het jonge opperhoofd. Zij zonden hem toen een grooter geschenk, en baden hem het aan te nemen en hun vergeving te schenken. Mungaw bracht hun een nog grooter geschenk, legde dit aan hunne voeten op den openbaren grond, drukte hen vriendelijk de hand en vergaf hun in tegenwoordigheid van al het volk. Hij zeide gedurig: »Ik ben een christen, en ik moet mij gedragen als een christen.quot;
Op een van mijne tochten naar Australië nam ik het jonge opperhoofd mede, in de hoop de zondagscholen en gemeenten belang in te boezemen door zijne welsprekende toespraken en edele persoonlijkheid. Wijlen Dr. Cameron, uit Melbourne, die hem gehoord had, terwijl ik zijne woorden vertaalde, verklaarde in het openbaar, dat Mungaws verschijning en toespraak in zijne kerk meer had gedaan, om hem het groote nut van de Evangelieprediking onder de heidenen te doen inzien, dan al de toespraken van de zendelingen, die hij ooit gehoord öf gelezen had.
Wij hadden onzen intrek genomen in St. Kilda. Mijne lieve vrouw werd plotseling door eene hevige ziekte aangetast, terwijl zij op een bezoek was te Taradale en er werd om mij getelegrafeerd. Ziende, dat dat ik bij haar moest blijven, liet ik Mungaw onder de hoede van een spoorwegbeambte naar Melbourne en verder naar St. Kilda reizen. Eenige blanke ellendelingen, die zich als heeren voordeden, boden aan, hem naar het St. Kilda station te begeleiden, terwijl zij den beambte verzekerden, dat zij vrienden van mij waren, en belang in onze zaken stelden. In plaats daarvan, brachten zij hem naar een hol van zedeloosheid in Melbourne. Daar hij weigerde met hen te drinken, wierpen zij hem op.
306
307
een sofa en goten hem drank of kruiden in de keel, zoodat hij bijna stierf.
Toen zij hem al zijn geld hadden ontnomen (hij had slechts twee of drie pond, bijeengebracht uit geschenken van verschillende vrienden) zetten zij hem op straat, met niet meer dan een stuiver op zak.
Toen hij het bewustzijn herkreeg, wendde hij zich tot een politieagent, die hem óf niet verstond, óf geen lust had, zich met de zaak te bemoeien. Hij hoorde het fluiten van de locomotief, en volgde dit geluid, waardoor hij zijn weg vond naar het station in Spencerstraat. Daar stond hij een geheelen dag, bij iederen trein zijn stuiver voor een kaartje aanbiedènd, hetgeen hem altijd geweigerd werd. Ten laatste toonde een matroos medelijden met hem, en bracht hem naar het St. Kilda station. Weder bood hij zijn stuiver aan, maar alleen om te hooren, dat men hem voor een stuiver geen kaartje geven kon, totdat hij ten laatste in een soort van Engelsch, dat de wanhoop hem ingaf, uitriep: »Mij geen weg weten, anders heengaan. Mij hier blijven om te sterven. Mijn Missi Paton woont in Kilda. Mij geen geld meer. Slechte mannen namen geld weg. Breng mij naar Kilda 1quot;
Een barmhartige Samaritaan gaf hem een kaartje, en hij bereikte eindelijk ons huis te St. Kilda. Daar lag de arme man gedurende drie weken in eene soort van verdooving. Voedsel kon men hem bijna niet in krijgen, hij stond nu en dan alleen op, om een teug water te drinken. Toen mijne vrouw in staat was daarheen vervoerd te worden, vonden wij onzen goeden Mungaw vreeselijk veranderd in voorkomen en gedrag. Nog tweemaal nam ik hem met mij in het zendingswerk, maar op raad van den geneesheer werden er toebereidselen gemaakt voor zijn onmid-dellijken terugkeer naar de eilanden. Ik beval hem aan de vriendelijke zorg van kapitein Logan aan, die beloofde hem veilig aan boord van de Day spring te zullen doen komen, die toen in Auckland lag. Mungaw was zeer blijde en wij wachtten alles goeds van zijn terugkeer naar zijn eigen land en volk. Na eenige kleine onaangenaamheden landde hij veilig op Aniwa. Maar er begonnen zich bij zijne ziekte gevaarlijke en hevige verschijnselen voor te doen, gekenmerkt door lange tijdruimten van rust en slaap, die gevolgd werden door plotselinge aanvallen van woede, waarin hij eigendommen vermelde, huizen verbrandde, en een schrik was voor ieder.
Bij onze terugkomst was hij zeer verheugd; maar hij beklaagde zich bitter, dat de blanke mannen »zijn hoofd bedorven haddenquot; en dat hij, wanneer zijn hoofd «brandend heetquot; werd, al deze slechte dingen deed,, waarover hij zeer verdrietig was. Hij trachtte mij van het leven te beroo-ven, en mishandelde zijne goede, lieve vrouw op wreede wijze, en daarna wanneer de bui over was, weende en treurde hij er over. Dikwijls zwierf hij met geladen geweer, speer en strijdbijl rondom ons huis, terwijl wij deuren en vensters moesten gesloten houden, en wanneer de aanval voorbij was, sliep hij zacht en lang als een kind. Wanneer hij tot zichzelven kwam, weende hij en zeide: »De blanke mannen hebben mijn hoofd in de war gebracht 1 Ik weet niet wat ik doe. Mijn hoofd gloeit en brandt, en ik word als voortgedreven.quot;
Eens sprong hij met een luiden oorlogskreet op, vloog op zijn eigen huis aan, stak het in brand en danste er om heen, totdat al zijne bezittingen tot asch verbrand waren. Nasi, een slecht Tanneesch opperhoofd, op Aniwa wonend, had een twist met Mungaw over een kist, die op het strand gevonden was, en dreigde hem dood te schieten. Anderen moedigden hem ook hiertoe aan, daar Mungaw van dag tot dag woester enverniel-zuchtiger werd. Wanneer iemand op Aniwa krankzinnig en gevaarlijk voor
SCHETSEN VAN ANIWANS.
anderen werd, was het eerste wat men deed, daar er geene gevangenissen of gestichten waren, hem vasthouden en een geweer aan zijn oor afschieten, vervolgens, indien de schok hem niet tot zijne zinnen deed komen, bonden zij hem voor een paar dagen, en ten laatste, indien dit nog fliet hielp, schoten zij hem dood. Zoo werd het plan van Nasi door hunne eigene gebruiken begunstigd. Eens na onze avondgodsdienstoefening, (want niettegenstaande zijne krankzinnigheid stortte hij in heldere oogen-blikken zijne gansche ziel in liefde en geloof uit voor den Heer) zeide hij: »Litsi, ik ben zoo warm. Mijn hoofd gloeit. Laat ons naar buiten gaan, om wat op te koelen.quot;
Zij raadde hem aan binnen te blijven, daar zij onder de veranda fluisterende stemmen hoorde.
Hij antwoordde daarop eenigszins woest: »Ik ben niet bang om te sterven. Het leven is een vloek en een last. De Blanken hebben mijn hoofd bedorven. Indien er hoop bestaat, om den dood te ontvangen, laat mij dan schielijk heengaan en sterven.quot;
Terwijl hij de deur uitging, doorboorde hem een kogel en hij viel dood neder. Wij brachten moeder en. kinderen naar het zendingshuis over, en den volgenden morgen begroeven wij het stoffelijk overschot van den armen Mungaw onder den vloer van zijne eigene hut, en omringden de geheele plaats met eene omheining. Het was een treurig einde van zulk eene edele loopbaan. Het kostte mij menigen traan, dat ik hem ooit naar Australië had meegenomen. Wat zal God zeggen tot deze blanke duivelen, die onzen armen, goeden Mungaw vergiftigden en het verstand deden verliezen?
Na eene poos trad de goede koningin Litsi wederom in het huwelijk. Het werd hare oprechte begeerte, om als zendelinge uit te gaan naar het volk en den stam van Nasi, den man, die haar echtgenoot vermoord had. Zij zeide meermalen:
»Is er geen zendeling, om Nasi\'s volk te gaan onderwijzen! Ik bid met tranen voor hen, dat ook zij mogen komen tot de kennis van Jezus.quot;
»Litsi,quot; antwoordde ik dan. »Indien ik alleen geweend en voor u gebeden had, maar ik was rustig in Schotland gebleven, zou dat er u toe gebracht hebben, om Jezus te kennen en lief te hebben, gelijk gij dat nu doet?quot;
»Neen, zeker niet,quot; antwoordde zij.
»Welnu dan,quot; ging ik voort, »zou het den Heer niet behagen, en zou het niet eene groote en edele wraakneming zijn, indien gij, de christenen van Aniwa, het Evangelie gingt brengen aan hetzelfde volk, welks opperhoofd Mungaw vermoord heeft?quot;
Dit denkbeeld vond ingang bij haar. Zij was het spreken en bidden hierover nooit moede. Toen er ten laatste een zendeling was gevonden, om Nasi\'s volk te gaan onderwijzen, plaatsten Litsi en haar nieuwe echtgenoot zich aan het hoofd van een gezelschap van zes of acht Aniwaansche christenen, ten einde den weg te openen en als inlandsche onderwijzers den zendeling en zijne vrouw ter zijde te staan. En daar hebben zij sedert altijd krachtig voortgearbeid. Haar zoon ontvangt zijne opleiding bij zijn neef, een ouderling van de gemeente, om »een goed opperhoofd voor Aniwaquot; te worden; zoo noemt zij hem in hare gebeden, als zij God smeekt om hem te zegenen en over hem te waken, terwijl zij den Heer dient in het zendingswerk. Vele jaren zijn sedert verloopen, en toen ik dit gedeelte van Tanna het laatst bezocht, kwam Litsi mij vol vreugde te gemoet; zij vatte mijne hand, kuste die met tranen en riep:
»0 mijn vader! God heeft mij grootelijks gezegend, dat ik u weder
308
SCHETSEN VAN ANIWANS.
mag ontmoeten. Is mijne moeder, uwe lieve vrouw, wel ? En uwe kinderen, mijne broeders en en zusters ? Groet hen allen van mij. O, mijn hart is aan u allen gehecht.quot;
Wij hadden een aangenaam gesprek en daarna ging zij op kalmer toon voort:
«Mijne dagen zijn hier moeielijk. Ik had als koningin op Aniwa rijk en gelukkig kunnen leven. Maar de heidenen hier beginnen naar ons te luisteren. De Missi ziet hen nader tot Jezus komen. En o, welk een heerlijk loon, als wij hen zullen hooren zingen en bidden tot onzen dierbaren Zaligmaker! Dit blij vooruitzicht geeft mij kracht, om steeds te volharden!quot;
Ik moet dikwijls tot mijzelven zeggen: Wanneer, wanneer toch zullen de oogen van onze landgenooten geopend worden? Wanneer zullen de rijken en geleerden, de edelen en zelfs de vorsten der aarde hunne dwaze ijdelheden opgeven, om te gaan leven onder de armen, de onwetenden, de verworpenen, de verlorenen, en om een eeuwigen roem te verwerven in de zielen, die door hen gered en tot den Zaligmaker gebracht zijn? Zij, die deze hoogste vreugde, »de vreugde des Heerenquot;, gesmaakt hebben, zullen nooit weder vragen: Is het de moeite waard om te leven ? Ieder leven, onder welke omstandigheden ook, mag wel besteed heeten, indien het eene menschenziel tot God gebracht heeft en eene ziel Jezus heeft leeren liefhebben en dienen, en zich ten minste ée\'n tempel heeft opgericht, waar Zijn naam en gedachtenis voor eeuwig in zegenend aandenken zal gehouden worden — een wedergeboren hart in den hemel. Die roem zal onsterfelijk blijken te zijn, wanneer alle dichtstukken en monumenten en pyramiden op aarde tot stof zullen vergaan zijn.
Nasi, de man van Tanna, was een slecht en gevaarlijk persoon, ofschoon sommigen mijner lezers hem misschien wel zullen willen verontschuldigen wegens het doodschieten van Mungaw, onder de vreeselijke omstandigheden van het geval. Gedurende eene hevige ziekte, welke hem overviel, verzorgde ik hem geregeld, maar geene vriendelijkheden schenen hem te treffen. Toen ik op het punt was Aniwa te verlaten, ging ik hem nog eenmaal opzoeken. Bij mijn vertrek zeide ik: »Nasi, zijt gij gelukkig? Zijt gij ooit gelukkig geweest?quot;
Hij antwoordde somber: »Neen, nooit!quot;
»Zoudt gij wenschen,quot; vraagde ik verder, »dat uw lieve, kleine jongen daar opgroeide, om hetzelfde leven te leiden, dat gij geleid hebt; dat hij evenzoo worden zou als gij zijt?quot;
»Neen!quot; antwoordde hij ernstig, »dat zou ik zeker niet wenschen.quot;
»Welnu,quot; hernam ik, 2)dan moet gij een christen worden en van al uwe heidensche gewoonten afstand doen, anders zal hij opgroeien, om juist zoo te twisten, te vechten en te moorden, als gij hebt gedaan, en, o Nasi, hij zal u de geheele eeuwigheid vervloeken, omdat gij hem tot zulk een leven en tot zulk eene verdoemenis hebt geleid!quot;
Hij was zeer door mijne woorden getroffen, maar antwoordde niets. Nadat wij vertrokken waren, beraadslaagden eenige jonge inlandsche christenen er over, wat hun te doen stond tegenover Nasi. Zij zeiden:
«Wij weten welk een last en schrik Nasi voor onzen goeden Missi is geweest. Wij weten, dat hij vele personen met eigen hand heeft vermoord, en in den moord van anderen heeft toegestemd. Laten wij ons in dage-lijksch gebed vereenigen, opdat de Heer zijn hart moge openen en zijn gedrag veranderen en hem leeren, om hetgeen goed is te beminnen en na te volgen; en laten wij ons voornemen Nasi voor Christus te winnen, gelijk Missi ons trachtte te winnen.quot;
309
310
Zoo begonnen zij hem allerlei vriendelijkheden te bewijzen en de een na den ander hielp hem in zijne dagelijksche bezigheden, terwijl zij alle gelegenheden te baat namen, om hem te smeeken zich aan Jezus over te geven en een nieuw levenspad in te slaan. In het eerst wilde hij niet hooren en wendde zich gemelijk van hen af. Maar hunne gebeden vertraagden niet en hun geduldig liefdebetoon werd steeds sterker. Na lang dralen gaf Nasi zich over en riep tot een van de onderwijzers:
»Ik kan uw Jezus niet langer weerstaan. Indien Hij u zoo jegens mij kan doen handelen, geef ik mij aan Hem en aan u over. Ik verlang een hart te hebben als Jezus!quot;
Hij deed de leelijke, geschilderde moezen van zijn gelaat weg en knipte zijn lang haar af; hij ging naar de zee om zich te baden en waschte zich geheel schoon; daarna voegde hij zich bij de christenen en kleedde zich in een hemd en een voorschoot. Vervolgens wenschte hij een boek in zijn bezit te hebben; het was de vertaling van het Evangelie van Johannes. Hij luisterde gretig naar ieder, die er hem gedeelten uit wilde voorlezen en zijne ziel scheen de nieuwe denkbeelden met graagte in zich op te nemen. Hij bezocht de kerk en de school geregeld, en leerde in zeer korten tijd het Evangelie lezen. De ouderlingen der gemeente gaven zich bijzondere moeite om hem te onderwijzen, en na behoorlijke voorbereiding werd hij aan des Heeren tafel toegelaten; mijn medezendeling van Tanna doopte hem en nam hem als lid der gemeente aan. Stelt u mijne vreugde voor, toen ik dit alles vernam omtrent iemand, die mij zoo vele jaren had wederstaan; mijne ziel dankte en prees den Heer, die »machtig is om te verlossen!quot;
Bij mijn laatsten terugkeer op Aniwa, in 1886, werd Gods almachtige liefde mij nog duidelijker geopenbaard, toen ik het met eigen oogen aanschouwde, dat Nasi, de moordenaar, nu de Schrift las, en in staat was, om op wondervol belangwekkende wijze hetgeen hij las aan het volk duidelijk te maken. Toen ik op het eiland terugkeerde, na mijn laatsten tocht door Groot-Brittannië tot behartiging van de belangen van onze zending, schenen al de bewoners van Aniwa aan de landingsplaats verzameld, om mij te verwelkomen, behalve Nasi. Hij was op een afstand aan het vis-schen, en er was om hem gezonden, maar hij was nog niet aangekomen. Op weg naar het zendingshuis snelde hij mij te gemoet. Hij greep mijne hand, kuste die en barste in tranen uit.
»Nasi,quot; zeide ik, ^ontmoet ik u dan nu eindelijk ook als een christen ?quot;
Hij antwoordde met warmte: »Ja, Missi; ik dien en vereer nu den eenigen Heer en Heiland Jezus Christus. Gode zij dank, ik ben nu ook een christen!quot;
In mijne ziel weerklonk de stille kreet; »0, dat de menschen in het vaderland, die de werkelijkheid der bekeering en het ontvangen van een nieuw hart in twijfel trekken, en die niet gelooven, dat Jezus macht heeft om te veranderen en te redden, een blik op Nasi konden slaan, en deze eenvoudige les leerden verstaan: Hij, die ons in den beginne schiep door Zijn machtwoord, kan ons tot nieuwe schepselen maken door Zijne liefde!quot;
Mijn eerste Zondag op Aniwa, nadat ik Groot-Brittannië en de Koloniën had bezocht, bereidde mij eene gezegende verrassing. Vóór het aanbreken van den dag lag ik reeds wakker en dacht na over al mijne ervaringen op dat eiland, en vraagde mijzelven af, of de gemeente in de vier jaren van mijne afwezigheid ook achteruit gegaan zou zijn, toen plotseling de klank van gezang mijn oor trof! De dag was nauwelijks aangebroken; ik sprong haastig op, en riep tot iemand, die juist voorbij-
SCHETSEN VAN ANIWANS.
ging: »Heb ik mij verslapen? Is het reeds tijd voor de kerk, of waarom is men zoo vroeg vergaderd?quot;
De man, tot wien ik sprak, was een der voornaamste leiders; hij antwoordde mij ernstig: »Missi, sedert gij ons verlaten hebt, hebben wij het zeer moeielijk gevonden, om dicht bij God te leven! Daarom komen het opperhoofd en de onderwijzers en eenige anderen iederen Zondagmorgen bij het aanbreken van den dag samen, om het eerste uur van iederen dag des Heeren in gebed en dankzegging door te brengen. Zij zijn nu vergaderd, om voor u te bidden, opdat God u moge bijstaan in uwe prediking, en er heden tot eer van Jezus veel vrucht van moge gezien worden in aller harten.quot;
Ik keerde naar mijne kamer terug en voelde mij geheel voorbereid. Het zou een gemakkelijk en een gezegend werk zijn, om zulk eene gemeente in de tegenwoordigheid des Heeren te geleiden. Zij waren daar reeds.
Op dien dag scheen iedereen op Aniwa in de kerk te zijn behalve de zieken en bediegerigen.
Na afloop der verschillende godsdienstoefeningen deelden de ouderlingen mij mede, dat zij al de samenkomsten gedurende mijne afwezigheid hadden doen voortgaan, en dat zij ook eene klasse hadden voor Avond-madgangers, en zij stelden mij een aanzienlijk aantal personen voor, die lid der gemeente wenschten te worden. Na zorgvuldig onderzoek zonderde ik negen jongens en meisjes af, van ongeveer twaalf of dertienjarigen leeftijd en raadde hen aan minstens een jaar te wachten, totdat zij in kennis en wijsheid zouden zijn toegenomen. Zij hadden echter iedere vraag beantwoord en waren verlangend gedoopt en aangenomen te worden; maar ik vreesde, omdat zij nog zoo jong waren, hen tot de gemeente toe te laten, opdat zij niet misschien zouden terugvallen en daardoor de gemeente tot oneer zijn.
Een hunner zag mij met ernstige oogen aan, en zeide: »Wij] hebben geleerd, dat wie gelooft, gedoopt zal worden. Wij gelooven van harte in Jezus en trachten Hem te behagen.quot;
Ik antwoordde: »Blijft nog een jaar standvastig; dan zullen wij weten, wat ons te doen staat.quot;
Maar hij ging voort: «Misschien leven sommigen van ons dan niet meer; misschien zijt gij dan niet bij ons. Wij verlangen er naar door u, onzen eigenen Missi, gedoopt te worden en onze plaats in te nemen onder de volgelingen van Jezus.quot;
Na veel gepraat stemde ik er in toe, om hen te doopen, en zij stemden er in toe, om zich nog een jaar van het Avondmaal des Heeren te onthouden, opdat de geheele gemeente zich konde overtuigen van hun oprecht christelijk levenf ofschoon zoo jong in jaren. Deze tucht, dacht ik, kon goed voor hen zijn, en de Heer mocht dit gebruiken als een voorbeeld ter navolging voor het vervolg.
Onder de tien andere personen, die op dien tijd aangenomen werden, was eene vrouw, die men eerst niet had willen toelaten. Zij was ongeveer vijf-en-twintig jaren oud, en de ouderlingen weigerden haar aan te nemen, omdat haar huwelijk niet volgens christelijke wijze op Aniwa was ingezegend. Zij verliet ons bitter weenende. Toen ik \'s avonds laat zat te schrijven, gelijk dat mijne gewoonte was in dit drukkend heete klimaat, werd er aan mijne deur geklopt. Ik riep »Akai era:quot; (Wie is daar?)
Eene zachte stem antwoordde: »Missi, het is Lamu. O, spreek met mij 1quot;
Dit was de jonge vrouw, die men geweigerd had tot de gemeente toe te laten; ik opende terstond de deur.
311
SCHETSEN VAN ANIWANS.
»0 Missi,quot; begon zij, sik kan niet slapen; ik kan niet eten; mijne ziel is bitter bedroefd. Moet ik van de gemeenschap met Jezus uitgesloten zijn ? Sommigen van hen, die aan des Heeren tafel aanzitten, hebben zich aan moord schuldig gemaaakt. Zij bekeerden zich en zijn gered geworden. Mijn hart is zeer slecht, maar toch heb ik nooit zulke grove misdaden van het heidendom begaan, en ik weet, dat het mijne vreugde is, om te trachten mijn Zaligmaker Jezus te behagen. Waarom ben ik alleen van Jezus\' gemeenschap uitgesloten?quot;
Ik trachtte zooveel in mijn vermogen was haar te raden en te troosten, en zij luisterde gaarne naar al wat ik zeide.
Daarna zag zij tot mij op en zeide : »Missi, gij en de ouderlingen moogt het recht oordeelen, mij te beletten mijne liefde tot Jezus aan des Heeren tafel te toonen, maar ik gevoel hier in mijn hart, dat Jezus mij heeft aangenomen en ik weet, dat Hij, indien ik op dit oogenblik stierf, mij in de Heèrlijkheid zou opnemen, en mij den Vader zou voorstellen.quot;
Haar blik en hare wijze van spreken troffen mij diep. Ik beloofde de ouderlingen te gaan opzoeken en haar verzoek te ondersteunen. Maar Lamu verscheen en bepleitte zelve hare zaak voor hen op overtuigende wijze. Zij werd gedoopt en met de andere negen tegelijk toegelaten. De Avondmaalsviering van dien dag zal bij velen op Aniwa lang in herinnering blijven.
Wanneer ik deze dingen mededeel, is het mij vaak in de gedachte gekomen, om deze vraag aan de vele jonge lieden, de grootelijks bevoorrechte blanke broeders en zusters van Lamu te doen: »Hebt gij ooit een uur van uwe nachtrust opgeofferd of een enkel maal verloren door aan uwe ziel, uw God, de rechten, die uw Zaligmaker op u heeft, en aan uwe eeuwige bestemming te denken ?quot;
En wanneer ik de getrouwheid en den ijver van deze eenvoudige ouderlingen van Aniwa aanzag en bedacht, hoe zij gedurende al deze jaren onvermoeid anderen onderwezen en terecht hielpen, dan riep mijne ziel overluid tot God: »0, wat kon de kerk niet volbrengen, indien de welopgevoede en beschaafde ouderlingen en anderen in christenlanden zich op die wijze inspanden, om voor Jezus te werken, om de onwetenden te onderwijzen, hen, die verzocht worden, te steunen, en de gevallenen op te richten!quot;
312
Voorwoord van James Paton. — Brief van 1867. — Niet Tanna, maar Aniwa.— «Missi Paton en Teapots.quot; — «Laat de Kist zingen.quot; — Mijne naaildasse. — quot;Dit geen bedriegerij.quot; — «Engelsch praten.quot; — Het huwelijk van Kahi. — Brief van 1869. — Eerste Avondmaalgangers op Aniwa. — Mungaw en de jongens van het zendingshuis. — De zegen van de Dayspring. — Brief van 1874. — Terug naar Aniwa. — »In bezitneming.quot; — Weder eene ziel aan onze zorg toevertrouwd. — Hutshi en haar minnaar. — Zes zendelingen op Aniwa. — Brief van 1875. — Missi Paton en «Jozefquot; en de Tanneezen. \'— Een storm in de heete luchtstreek. — Schande en verkoop van Hutshi. — Taia aangevallen door Nalihi. — Aardbevingen en stortvloeden. — Afscheid nemen. — Brief van 1878. — Een vrij rondloopend krankzinnige. — Het heengaan van Yawaci. — Krankzinnigheid en dood van Mungaw. — Onze inlandsche ouderlingen. — Muziek op de wateren. — Eene slechte gelofte. — Brief van 1879. — Nieuwjaarsdag op Aniwa. — Een ellendig slavenkoopman. —-Litsi weder gehuwd. — Zendings-synode op Erromanga. — Tragische en heilige herinneringen. — Het licht begint op Tanna door te breken. — Varkens in overvloed. — Arrowroot voor Jehovah.
op zich, van hier eene beschrijving van het leven onder de be
woners der Nieuwe Hebriden te laten volgen, gelijk die uit de begaafde pen van Mevr. John G. Paton gevloeid is.
Hij betreurt het, dat plaatsgebrek hem noodzaakt slechts gedeelten van deze brieven te geven in plaats van de uitvoerige beschrijvingen, die hem deze lectuur hebben leeren beschouwen als de aantrekkelijkste op het gebied van de zending.
Verder vraagt hij aan de lieve schrijfster verschooning voor de vrijheid, welke hij neemt met hare familie-brieven, die tot genoegen voor hare vrienden geschreven zijn en voor hen alleen. Hij weet zeer goed, dat, indien zij zich in plaats van op de Nieuwe Hebriden, in het vaderland bevonden had, terwijl hij deze bladen voor de pers gereed maakte, niets haar waarschijnlijk zou hebben kunnen overhalen, om hare toestemming te geven tot het laten drukken van hare brieven. Hij vertrouwt echter, dat hare ontevredenheid zal wijken, wanneer zij naar de koloniën terugkeert en daar hoort, \'jhoe het christen-publiek zijne goedkeuring hecht, aan hetgeen haar vriend gedaan heeft.
Hij biedt den lezer geene verontschuldigingen aan voor dit verbreken
E verzamelaar van deze hoofdstukken neemt de verantwoordelijkheid
BRIEVEN VAN ANIWA.
van den draad van het verhaal, of zelfs voor het opnieuw te voorschijn brengen van een of twee voorvallen, die reeds verhaald zijn, want hij vertrouwt, ja gevoelt reeds instinctmatig, dat zelfs deze fragmenten aangemerkt zullen worden als eene groote verrijking van de levensschets, die hij het voorrecht heeft, hun aan te bieden.
1867.
Aan den WelEenv. Heer Dr. Macdonald, Zuid-Melbourne.
»........Hoeveel genoegen verschafte mij uw vriendelijke brief, dien
ik in de vorige maand met de Dayspring ontving! Het deed mij inderdaad genoegen te vernemen, dat uwe parochie zich nu ook uitstrekt tot de Nieuwe Hebriden, — ze is nogal uitgebreid, dat moet gezegd worden — maar daar gij verplicht zijt uwe kudde na te gaan, zullen wij spoedig een herderlijk bezoek van u verwachten.....
Gij waart zeker verwonderd te vernemen, dat wij naar Aniwa in plaats van naar Tanna zijn gezonden. Het was een slag, dien mijn echtgenoot nog nauwelijks te boven is gekomen; maar al de broeders waren er zeer tegen, dat wij alleen naar Tanna zouden gaan, en wij gevoelen nu, dat wij door de Voorzienigheid hierheen zijn geleid. De heer Inglis schreef in zijn laatsten lieven brief aan mijn echtgenoot, dat hij meer tot wezenlijk nut van Tanna verrichtte door het brengen van de Aniwans tot de kennis der waarheid, en ze zoo in staat te stellen, om later ook het Evangelie onder de Tanneezen te gaan verspreiden, dan dat hij nu alleen onder dit woeste volk ging arbeiden. Wij voeden daarom hoop, dat er van uit dit kleine eiland vele getuigen voor Christus zullen uitgaan, want de Aniwans zijn een verstandig volk, en het werk heeft in den laatsten tijd groote en zekere vorderingen gemaakt. Ik meen niet, dat de helft van het volk reeds bekeerd is, verre van dat! Er is zeer veel te doen, vóór dat zelfs de bodem toebereid is, om het zaad te ontvangen —- zij zijn zoo gehecht aan hunne oude vooroordeelen en bijgeloovigheden. Ik geloof, dat voor velen hunner het aannemen van den nieuwen godsdienst een grooten sprong in het duister gelijk is, waarbij zij den toorn hunner goden vreezen. Want welk bewijs hebben zij in het eerst, dat wij hen op den rechten weg leiden? Het is waar, zij zien dat wij goed voor hen wenschen te zijn; maar dat iemand onder hen zou komen wonen enkel en alleen tot hun nut is een leerstuk, dat zij niet kunnen begrijpen.
Wij zijn zeer dankbaar, dat er zoovelen geregeld de kerk bezoeken, en mijn echtgenoot bezat een groot voordeel daarin, dat hij hen terstond in het Tanneesch kon toespreken, welke taal sommigen van hen goed spreken; vandaar onze dubbele hoöp om hen als helpers voor Tanna te kunnen kweeken. Gij zoudt verwonderd zijn te zien, met welke geschiktheid de godsdienstoefeningen geleid worden. De inlandsche onderwijzers, twee toegewijde mannen van Aneityum, die hier jaren geweest zijn, houden korte toespraken. Daarna verzoekt mijn echtgenoot gewoonlijk den een of ander van de verlichtste lieden van Aniwa om te spreken, hetgeen onveranderlijk in de meest krachtige termen geschiedt, en waarbij de spreker zijne broeders vergelijkt bij varkens, honden, slangen, enz., daarbij zichzelven gewoonlijk niet insluitend, en hen vraagt, hoelang zij hun slecht gedrag meenen voort te zetten?
Zij zijn nooit om een tekst verlegen, en gedurende langen tijd meende ik, dat zij altijd spraken over »Missi Paton en Teapots,quot; (trekpotten) maar langzamerhand ben ik tot de ontdekking gekomen, dat het niet
314
315
Teapots, maar Teapolo (de duivel) was, waarover zij het zoo druk hadden. In den laatsten tijd zijn zij begonnen heiliger onderwerpen te kiezen, gewoonlijk eene jherhaling van wat zij mijn echtgenoot te voren hebben hooren zeggen, en wat zij hem gedurende de week hebben helpen vertalen. Verleden Zondag werden wij zeer getroffen door de zachte, overredende wijze van spreken van het oude opperhoofd, die het woord tot hen richtte. Mijn echtgenoot teekende twee woorden op, die hij zich niet herinnerde ooit te voren gehoord te hebben, en vraagde na de godsdienstoefening, om de vertaling daarvan. De man vatte zijne hand en zeide in het Tanneesch: »Missi, ik vertelde hen slechts, wat gij ons al dezen tijd geleerd hebt omtrent Jezus, die Zijn bloed gestort heeft, om onze zonden af te wasschen Iquot;
Taia en het opperhoofd Namakei, twee van onze warmste vrienden, houden soms zeer treffende toespraken. De eerste is een lang, krachtig man, zeer bekend om zijne zucht tot praten. Hij is ook zeer geestig; en hoewel hij niet veel anders doet als praten, is het wonderlijk om te zien, hoeveel invloed hij uitoefent. Voor eenigen tijd wist hij een hevigen twist, die waarschijnlijk in bloedstorting zou eindigen, te voorkomen. De partij, die zich verongelijkt waande, liep heen; zij keerden kort daarna gewapend terug en snelden langs Taia\'s woning, terwijl hij rustig buiten in de zon lag en zijne pijp rookte. Hij zag, dat er iets niet in orde was, want zij dragen tegenwoordig hunne wapenen niet meer altijd bij zich, daarom riep hij hen in hunne eigene \'taal toe: »Halt! laat mij eens zien, wat gij daar draagt? Is dat het boek, dat Missi bezig was te maken?quot; Zijne slimme zet deed hen allen lachen, en zij kwamen zijne woning binnen; daar had hij een lang en ernstig gesprek met hen, en haalde hen over om het vechten op te geven, tenminste voor dien dag. Den volgenden dag was het Zondag, en hij kwam vóór de godsdienstoefening mijn echtgenoot verzoeken, om hem te laten spreken; hij had nu beide partijen voor zich en zeide hen geducht de waarheid, terwijl hij eindigde met hen te herinneren, hoe moeielijk het was geweest, om een zendeling te krijgen, en hoe hij, Taia, naar Aneityum was geweest, om te vragen meer inlandsche onderwijzers te zenden, nadat zij Nemeyan hadden gedood en Navalak hadden trachten te vermoorden, en hoe hij er altijd voor gezorgd had, dat zij voedsel genoeg hadden, opdat zij het werk van Jehovah mochten kunnen volbrengen. In het gedeelte van zijne toespraak, waarin hij toespeling maakte op zijn eigen gedrag, waren eenige verfraaiingen, die volgens de strikte waarheid hadden kunnen achterwege blijven; maar zijn raad scheen goed, want wij hoorden niet meer van dezen twist.
Taia echter handelt zelve niet altijd naar zijne woorden, en mijn echtgenoot vindt het soms noodig, om hem ter verantwoording te roepen; maar Taia\'s bedaardheid wordt in het minst niet gestoord. Hij zit te luisteren met de kin op zijne knieën geleund, en ziet nu en dan met een goedigen glimlach op, zeggende: »Dat is zeer goed gesproken, Missi! Zeer goedj gesproken,!quot;
Namakei verzuimt nooit, wanneer hij gezond is, om den Bijbel van mijn echtgenoot iederen Zaterdag en Woensdag op zijn lessenaar te gaan leggen, en om de menschen uit het dorp tot de godsdienstoefening bijeen te roepen, die wij onder een grooten banyanboom op den Imrai (openbaren grond) de groote plaats tot algemeene samenkomst, die dicht bij ons; huis is, j houden.
Deze avonddienst trekt mij het meest aan, dan is de geheele natuur in rust en schijnt zoo buitengewoon schoon, alles kaatst het licht der prach-
BRIEVEN VAN ANIWA.
tig ondergaande zon terug en men hoort niets dan het zachte geritsel der bladeren en wat Longfellow noemt »de symphonie van den oceaan.quot; Ik geloof, dat de Inboorlingen ook hierdoor getroffen worden, want niemand onzer is ooit geneigd terstond na de godsdienstoefening heen te gaan, en dikwijls voornamelijk op de Zondagavonden blijven wij rustig bijeen en zingen al onze liederen. Dit verveelt hen nimmer, daar zij bijzonder veel van muziek houden ....
Het vermaakte mij ten hoogste, toen ik voor het eerst op Aniwa moest spelen. Wij hadden juist het orgel uitgepakt, zoowat veertien dagen na onze aankomst. Het nieuws daarvan moet als een loopend vuurtje verspreid zijn geworden, want tegen den avond kwamen er wel dertig of of veertig menschen naar de kerk (het huis waar wij verblijf hielden, totdat onze nieuwe woning gebouwd was) loopen, waarvan de voorsten in gebroken Engelsch ons toeriepen: »Missi, laat de kist eens zingen! Vele menschen komen hooren, laat de kist eens zingen!quot;
Ik moet niet vergeten, u nog wat mede te deelen over mijn persoonlijk werk, dat voor mij eene zeer aangename taak is; ik bedoel mijne naai-klasse. Ongeveer vijftig vrouwen en meisjes komen vrij geregeld iederen morgen bij mij, behalve Woensdag en Zaterdag, en wij brengen twee uur en dikwijls meer te zamen door met naaien en zingen. Zij zijn zeer gewillig en handig om te leeren, en hebben heel veel pleizier in naaien. Ik heb nooit gedroomd, dat het zulk heerlijk werk was, om haar te leeren, maar ik voelde mij van het eerste oogenblik tot haar aangetrokken en ik zal haar ook altijd dankbaar zijn voor de vriendelijke wijze, waarop zij mij behandelden, toen ik op haar eiland landde, verlegen en eenigszins verschrikt als ik was door het gevoel van de eenige blanke vrouw te zijn op deze eenzame kusten ....
Mijn echtgenoot nam het veel koeler op, daar het bij hem een uitgemaakte zaak scheen te zijn, dat zij allen zijne »lieve vriendenquot; waren, ofschoon de meesten der mannen, werkelijk niet kwaad, gelijk wij later gemerkt hebben, het raadzaam achtten, om ons met vrij wat onbeschaamdheid te ontvangen, terwijl zij trachtten uit te vinden, in hoeverre zij ons konden bedriegen. Velen van hen spreken een weinig Engelsch en het was waarlijk bijna om te lachen, als men ze met het onschuldigste gezicht van de wereld de monsterachtigste leugens hoorde vertellen, zoodat men zou meenen, dat zij ze zelve geloofden, en hen dan ernstig er bij hoorde voegen: »Dit geen bedriegerij!quot;
Ik gevoel echter, dat het naaien slechts de brug is tot iets van veel meer belang. Het brengt mij met de menschen in aanraking, om mij de taal te doen leeren. Ik verlang er zoo naar, om vrijuit met haar te kunnen spreken, maar het gaat zoo langzaam bij mij. Wat moeten de apostelen de gave der talen gewaardeerd hebben op den Pinksterdag. Ik zou wel eens willen weten, of die gave ook aan hunne vrouwen medegedeeld zou zijn. Het is zoo verdrietig, wanneer men denkt nu genoeg woorden te weten, om een klein gesprek met haar aan te knoopen en men ziet ze dan elkander verwonderd aanzien. Voor een poos geleden sprak ik met een meisje, en waagde mij een weinig meer dan gewoonlijk, denkende, haar door mijne wijsheid te verbazen, maar zij keek onnoozel op en vertelde mij, dat zij geen Engelsch verstond. Ik moet in het eerst vreeselijke domheden begaan hebben. Maar eenige vrouwen spreken Tanneesch even als de mannen, en ik riep mijn echtgenoot in ie\'dere groote moeielijkheid te hulp, ofschoon hij het niet altijd aangenaam vond, als ik hem kwam storen, voornamelijk indien het punt in kwestie slechts eene naald of een draad bleek te zijn, terwijl hij gestoord
316
BRIEVEN VAN ANIWA.
was in het zetten van de letters voor ons eerste Aniwaansche boek I.. . .
Voor dat ik dezen langen brief sluit, moet ik u nog vertellen van het eerste huwelijk, dat hier op christelijke wijze gesloten werd, voornamelijk daar de bruid grootendeels uitgedost was met kleederen uit de kist van Emerald Hill, die gij ons onlangs hebt toegezonden. Het was een zeer belangwekkend voorval. Kahi, de bruid, was eene van mijne scholieren, eene knappe, jonge weduwe van ongeveer zeventien jaren en Ropu, haar minnaar, was een aardige, jonge man, een groot gunsteling van mijn echtgenoot. Zij schenen werkelijk aan elkaar gehecht; maar Kahi\'s schoonvader wilde haar eerst niet ten huwelijk geven, daar hij haar nog als zijn eigendom beschouwde, omdat hij een hoogen prijs (geschenk?) voor haar gegeven had, toen hij haar voor zijn zoon kocht. Op een morgen echter verscheen Ropu met zulk een aantal vette varkens, dat het hart van den ouden man door storm overrompeld werd, en hij verklaarde, dat hij haar dienzelfden dag nog mocht hebben, indien de Missi dacht, dat het goed was. De Missi had er niets tegen, maar raadde hen aan, hun huwelijk in de kerk te laten inzegenen, en ik besloot Kahi een mooi geschenk te geven, ten einde hare jonge vriendinnen aan te moedigen, haar voorbeeld te volgen; geen zeer verheven beweeggrond, wel is waar, maar indien het vooruitzicht op een geschenk haar er toe kan brengen, om eenige verandering in hare oude gebruiken met betrekking tot het huwelijk te brengen, heb ik er niets op tegen, dat het zoo wezen zal. Het is een van de verhevenste beweeggronden, die sommigen van haar voor als nog kunnen begrijpen en er staat in het geheel geen levensbeginsel op het spel met het in acht nemen van dezen enkelen vorm. Wij maakten de gebeurtenis zooveel mogelijk bekend, en er was een klein gezelschap bijeen, om de plechtigheid bij te wonen. De arme Kahi werd in tranen tot mij gebracht; maar toen wij haar een mooien rok en lijfje aandeden en zij den mooien hoed in het oog kreeg, die met oranjebloesem was versierd, scheen zij te denken, dat zij nu lang genoeg haar gevoel had laten spreken; zij droogde hare oogen zeer vlug af en wierp van onder hare lange wimpers bewonderende blikken rondom zich, en toen ik haar ten laatste een helderrooden zakdoek in de hand gaf, lachte zij overluid. Er was eene kleine moeielijkheid in de kerk met hen, daar zij eerst niet dicht genoeg wilden naderen, om elkander de hand te geven, zoodat zij vooruit geduwd moesten worden, en toen werden het arme meisje hare huwelijksbeloften op vervaarlijke wijze in het oor geschreeuwd, want, daar zij te verlegen was om het antwoord te geven, scheen het de algemeene opinie, dat mijn echtgenoot haar te gemakkelijk vrijliet, en de mannen herhaalden de vraag, terwijl zij die haar in de ooren donderden op eene wijze, die haar een zeer vlug antwoord ontlokte.
6 December.
P.S. Zend, als het u belieft, ditmaal de Dayspring spoedig tot ons, want ik heb dezen morgen tot mijn schrik ontdekt, dat al onze voorraad meel bedorven is en wij zullen dus geen stukje brood krijgen, voor dat het schip terugkomt 1 Ik geloof, dat het klimaat en de korenworm hiervan samen de schuld dragen. Wij hebben overvloed van ander voedsel — dus geen vrees voor van honger sterven.
1869.
Aan eene dame.
Het doorbrengen van een dag zooals die, waarop een paar Zondagen geleden onze kleine Godsgemeente op Aniwa plechtig werd gesticht, is,
317
BRIEVEN VAN ANIWA.
naar wij gevoelden, meer dan al de opofferingen waard, die ons afgezonderd leven ons kost. De kerk was goed bezocht, 180 personen waren tegenwoordig en eene ongewone plechtigheid en belangstelling heerschte er gedurende de geheele godsdienstoefening. De aannemelingen, twaalf in getal, waren in rijen geplaatst van het platform naar mijne zitplaats, zoodat zij de ruimte in het midden besloegen; en, toen zij opstonden, om de vragen te beantwoorden, die mijn echtgenoot hen deed, vóór dat zij den doop zouden ontvangen, zoudt gij u moeielijk een belangwekkender groep hebben kunnen voorstellen. Vasi, ons oudste lid, moet naar wij meenen, ongeveer negentig jaar zijn; maar, oud en gebrekkig als hij is, hij kwam iederen dag op school met zijn bril op, en is een van hen, die het best schrijven en lezen. Ons oude opperhoofd, Namakei, was er ook met zijne dochter Litsi. Zij is het eenig kind, dat hij nog in leven heeft, en is mij tot bijna even grooten troost als haar vader. Zij was het eerste meisje, dat bij ons kwam wonen, en daar zij de oudste in huis is, geeft zij een goed voorbeeld aan de anderen. Hare gehechtheid aan mijn echtgenoot grenst bijna aan afgoderij. Het is alsof zij hem nooit dankbaar genoeg kan zijn, daar hij het middel is geweest tot hare bekeering.
Het meeste belang boezemde mij de zuster van Namakei in, die eene zeer zachte vrouw is en er zwak uitziet. Ik wist, wat het haar gekost had, haar geloof in Jezus te belijden en hoe haar man en zoon haar zelfs op dit oogenblik bespotten en uitlachten. Indien ik er den tijd toe had, zou ik u iets belangwekkends van ieder der aannemelingen kunnen mede-deélen, want het was natuurlijk, omdat wij hun aller eenvoudige geschiedenis kenden, dat het ons zulk een uitnemend genoegen verschafte, hen daar te zien. Ik herinner mij, wanneer de een kleederen begon te dragen, wanneer een ander zijn lang haar afsneed, en wanneer een, dien wij als zeer verhard beschouwden, met zijne laatste afgoden tot ons kwam, zeggende : „Nu, Missi; dit zijn de laatste. Ik heb er geene meer.quot;
Het was een heerlijk tafereel, en iets, dat men niet zonder diepe ontroering kon gadeslaan, om hem allen netjes gekleed in het midden van hunne onbeschaafde broederen te zien opstaan, om zich voor den Heer te verklaren. Nimmer gevoelde ik mij in eenig gezelschap op aarde gelukkiger, dan toen ik aan des Heeren tafel aanzat met deze zwarte zusters en broeders, nu met mij vereenigd in Jezus. Het was een dag, die ons lang in herinnering zal blijven. Ik vertrouw, dat wij ons dien zelfs nog in de eeuwigheid met dankbaarheid zullen herinneren. Onze waarde vriendin en medezendelinge. Mevr. Mc. Nair, bracht ons juist een lang beloofd bezoek; ik was zoo blijde, dat zij juist hier was, want zij zegt, dat zij nooit een schooner en treffender schouwspel gezien heeft. Wij hebben alle reden te hopen, dat het werk der genade werkelijk in hunne harten is begonnen. Mijn echtgenoot smaakte reeds voldoening van hen, toen zij nog zijn onderricht genoten; en hun eigen ernstig onderzoek deed hem het meeste genoegen. Hoe dikwijls hebben wij reden gehad, om ons Ebenhaëzer op te richten, sedert wij in dit verre land zijn gekomen, en dit is nog maar een klein begin; toch kunnen wij den Heer van harte danken en moed scheppen.
Mungaw had er zulk een afschuw van, een voorschoot te moeten dragen, dat ik niet durfde spreken over het afsnijden van zijn lang haar, en mijn echtgenoot verlangt niet, dat men de Inboorlingen tot deze dingen zal noodzaken, want hij zegt altijd, dat zij, wanneer hun hart veranderd wordt, deze dingen uit eigen beweging zullen opgeven. Ik weet, dat dit eene groote waarheid is; maar daar ik niet inzie, dat er eenig kwaad in steekt, om het haar eerst kort te hebben, haalde ik Mungaw over.
318
319
om het zijne eerst kort te knippen, en hij ziet er nu veel beschaafder uit.
Wij hebben nu eene verzameling jongens in onze omgeving, want Mungaw was nog geen twee dagen op zijn post, of eenige anderen kwamen nederig verzoeken, om ook iets voor Missi te mogen doen. Wij waren verbaasd evenals verrast door dit onverwachte voorstel, want de jongens zijn in den regel hier het luiste en onbeschaamdste volkje, dat ik ooit zag. Zij schijnen ook de baas te zijn, want niemand depkt er aan, een jongen tegen te spreken. Natuurlijk zeide mijn echtgenoot tot hen, dat hij zeer blijde was, dat zij gekomen waren, daar hij hen eene menigte dingen wilde onderwijzen, die zij behoorden te weten. Zij houden zich wezenlijk tamelijk wel, en ik ben heel dankbaar, een kok te hebben, want er zijn zoovele dingen, die met het koken in verband staan, en die mannen en jongens moeten doen, maar die zij niet willen doen, om eene vrouw te helpen, b.v. houthakken en de kachel potlooden.....
De Dayspring is een groote zegen voor ons allen. Er bestaat weinig vrees voor mishandeling van een zendeling, zelfs op de meest onbeschaafde eilanden, wanneer zij zien, dat er goed op hem gelet wordt. Mensche-lijkerwijze gesproken, is er nu geene vrees meer; en indien wij veilig zijn en ons werk eindelijk begint te bloeien, heeft dat kleine schip met zijne aandeelhouders daar meer deel aan dan sommigen wel denken.
Twee van onze Inboorlingen, waarvan er een een zeer woest karakter had, werden door kapitein Fraser aangenomen als bootsvolk op de voorgaande reis, en zij kwamen in verrukking weder, verklarende, dat er nooit een kapitein was als die van de Dayspring. Hij was zoo vriendelijk en goed voor hen, want wanneer zij op een eiland kwamen, waar geen zendeling was, wilde hij hen niet aan land laten gaan, uit vrees dat zij gedood zouden worden, en dat zou ons werk op Aniwa bedorven hebben. Vervolgens telden zij op hunne vingers met groote blijdschap de dingen op, die zij in betaling hadden ontvangen, en daar dit goede en nuttige artikelen zijn, wekt het lust in zulke dingen op, in plaats van in de verf en het slechte goed, dat zij van de kooplieden ontvangen, terwijl tevens hun groote lust voor varen en het zien van nieuwe streken bevredigd wordt.
1874.
Aan den huiselijken kring.
Lieve Moeder, Broeders en Zusters!... Ik moet u echter nog iets omtrent onzen tocht naar Aniwa mededeelen, daar dit reisverhaal voorde familie is, en gij niets van ons gehoord hebt sedert 4 April, toen wij Sydney verlieten, met onzen waarden Dr. Steele aan boord, die als het ware den schakel uitmaakte tusschen ons en de beschaafde wereld. Ik gevoelde mij ^krachtig om te gaanquot;, gelijk onze Inboorlingen het zouden uitdrukken, want ik ondervond meer dan ooit de kracht van het; »Zie, Ik ben met uquot;, en eenigen van Gods kinderen, waarmede wij in zulke heerlijke gemeenschap waren geweest, waren tot het laatst met ons.
Toen wij spoedig na het ontbijt Fotuna verlieten, waren wij zeer verheugd, toen wij den kapitein met vroolijke stem hoorden uitroepen, dat wij morgenochtend een glas melk op Aniwa zouden drinken, daar de wind gunstig was. Wij hadden alles in den namiddag ingepakt en het eerste, wat ik den volgenden morgen zag, waren de boomen en rotsen van ons goede, oude Aniwa 1 In de eerste boot, die naar land ging, bevonden zich acht of negen mannen van Fotuna met hunne lastige bagage, die ons eiland hadden willen komen\'bezoeken, hoewel met eenigen tegenzin van den kapitein. Middelerwijl ontbeten wij, en hoorden van den stuurman, dat onze Inboorlingen in een staat van groote vreugde en op-
320
winding verkeerden; onze lieve Yawaci zette de jongere meisjes aan, om spoedig haar werk af te maken; ook vertelde hij, dat onze zes koeien tot tien waren aangegroeid en dat onze geiten zoo vermeerderd waren, dat niemand ze kon tellen! Hij had ook gehoord, dat er een aantal Inboorlingen gestorven waren, en dat sommigen door kooplieden waren weggevoerd.
Toen wij de kust naderden, konden wij zien, dat de groote meerderheid van het volk ons stond op te wachten en zelfs de koeien en geiten waren buiten gebracht, om ons te begroeten. Mijne meisjes stonden ook bijeen, in nette rozeroode japonnen, door haarzelven geknipt en genaaid, en met vuurroode tulbanden op, en bij deze en gene van de Inboorlingen waren al de kleuren van den regenboog op te merken. Ik ben dankbaar te kunnen zeggen, dat er niemand zonder kleederen was. Het is waar, sommiger gewaad was versleten en slordig genoeg, maar zij hadden kleeren aan, en dat was bijna meer dan wij van sommigen hunner konden verwachten, nadat wij zoo lang weg waren geweest. Zij houden er zoo veel van, om naakt te loopen!
Wat al handdrukken, en welke hartelijke begroetingen, toen wij landden! Twee of drie groepjes zaten nog om hunne dooden te schreien; zij geloofden vast, dat zij, indien wij op het eiland waren geweest, om hen te verzorgen, niet gestorven zouden zijn. Toen wij het huis bereikten, zag alles er aangenaam uit; de grond was goed onderhouden; nieuw koraal was op de paden gespreid; eene mooie, nieuwe mat lag op den vloer van de eetkamer en eene andere in de voorkamer, en ten laatste, hoewel niet het minst aangenaam voor vermoeide reizigers, stond er een groote kan versche geitenmelk gereed! Toen Dr. Steele en de heer Robertson, vóórdat zij er van dronken, allerlei grapjes maakten over het aangename van de tehuiskomst, kon ik in waarheid zeggen, zelfs na al het genot en de vriendelijkheden in de koloniën ondervonden, en de christelijke gemeenschap daar met geliefde geestverwanten gesmaakt: »Er is geene plaats zoo liefelijk als ons tehuis!quot;
Te midden van al mijne drukte echter, wist ik mij vijf minuten af te zonderen, om het grafje van mijne kleine Lena te bezoeken. Het mooie witte koraal was zwart geworden, maar het gras en de planten waren gegroeid, en de takken van den citroenboom hingen er met hunne schoone vruchten overheen en beschaduwden het liefelijk. Als van zelve sloeg ik het oog naar de blauwe lucht boven mij, en vraagde mij verwonderd af, waar haar geest wezen zou, en of zij de treurende harten hier beneden kon gadeslaan. Was zij nu op aarde geweest, dan zouden hare kleine voetjes overal rondgeloopen hebben; maar ofschoon mijn hart nog haar gemis betreurt, zou ik niet wenschen dat het anders ware, want zij was mij niet te vergeefs geschonken. O! wat eene kleine leermeesteres is zij geweest! Toen John Dr. Steele met zich nam, om hem het grafje te laten zien, zeide deze; »Zoo hebt gij bezit van dit land genomen,quot; en ik gevoelde, dat wij door haar van meer dan dit kleine stukje grond op Aniwa hadden bezit genomen. ...
Het schip en onze bezoekers verlieten ons in den namiddag, en bij mijne terugkomst, nadat ik hen uitgeleide had gedaan (John was te vermoeid om te gaan) ontmoette ik een zeer vriendelijk man, een van de leden onzer gemeente, die mij staande hield, en tot mij zeide: »Missi, ik heb mijn jongen aan u en aan Missi, den man, afgestaan; gij moet hem maar voeden, kleeden en onderwijzen, zooals gij de andere kinderen doet.quot; Ik kon mijne ooren nauwelijks gelooven, en gij zoudt moeten weten, hoe hoog jongens hier aangeschreven staan, om de opoffering
BRIEVEN VAN ANIWA. 321
naar waarde te schatten, gelijk wij dat deden, — ten minste zooals John het deed, want ik moet bekennen, dat de gedachte aan hunne lichamelijke opvoeding mij dikwijls verhinderde, om van harte in te stemmen met de dankzegging van mijn ernstig mannetje, omdat er »weder eene ziel aan onze zorg was toevertrouwd.quot; Wij hebben tegenwoordig tien van die zielen, met lichamen verbonden, behalve verscheidene anderen, die alleen overdag komen, en ik heb al mijn vernuft noodig, om hen werk en Kai-kai te verschaffen, daar hunne geschiktheid voor het laatste buitengewoon groot is. Hunne kleederen geven mij geene zorg, dan alleen om ze te maken, en dat leeren zij spoedig zelve te doen, want de vrienden der zending voorzien er ons altijd ruim van. .. . Hoewel ik somtijds denk, dat het toch wel aangenaam zou wezen in de beschaafde maatschappij te wonen in eene eigene kleine woning, met niet meer dan een of hoogstens twee dienstboden, worden wij toch meer dan beloond voor onze liefde tot deze kleine Zwartjes. Zij zijn ons als eigene kinderen en zoo noemen wij ze ook altijd, en zij zijn zoo vertrouwelijk en lief voor ons en vertellen ons alles, voornamelijk de oudere meisjes, die nu meer dan vijf jaar bij ons geweest zijn.
A propos, wij hebben juist eene liefdesgeschiedenis onder hen, en daar Hutshi de jonge dame is, die er in betrokken is, zult gij er misschien belang in stellen, er iets van te hooren. Gij weet, dat zij als kind door hare ouders was ten huwelijk gegeven aan Nelwang, een kind van ongeveer denzelfden leeftijd, maar die nu een van de beste en verstandigste jongens van het eiland is; zijn eenig gebrek is, dat zijne ledematen niet geheel recht zijn, en hij is zoo angstvallig, dat hij John niets wil laten doen, om dit gebrek te verbeteren. Nu, toen wij in Sydney waren, kwam een man van middelbaren leeftijd, een landbouwer, wiens verloofde nog een schootkindje is, bij de voogden van Hutshi, en trachtte bij hen in gunst te komen, door hen groote geschenken te geven en eindelijk vraagde hij hen, om hem Hutshi tot vrouw te geven, wanneer zij met ons terugkeerde; zoo werd dit bepaald, en wachtte slechts hare en onze toestemming. Haar voogd had altijd zeer eervol tegenover ons gehandeld. Hij gaf haar aan onze zorg over, toen zij van veel nut in zijn dorp was (maar ik droeg zorg haar zeer dikwijls vergunning te geven, hen te gaan helpen) en toen wij vraagden, of zij met ons naar de koloniën mocht gaan. zeiden hij en zijne vrouw: »Zij is meer uw kind dan het onze, Missi; doe met haar wat gij wilt.quot; Toen zij dus de zaak op een avond met John in de studeerkamer kwamen bespreken, en zeiden, dat Hutshi en Nelwang beiden de verandering goedkeurden, gevoelde hij, dat hij niet tusschenbeide kon treden, maar hij beval hen aan, niet te spoedig een besluit te nemen, maar God om raad te vragen.
Hutshi coquetteerde met haar nieuwen aanbidder, wanneer zij er maar gelegenheid toe had, en ik gevoelde, dat het eene rust zou zijn, als zij getrouwd was; maar wij konden aan Nelwangs blikken zien (hij is een van onze jongens) dat hij verdriet had. Ik liet hem op een dag in de eetkamer eenig werk verrichten, en terwijl ik bij hem zat, om hem te helpen, opende hij mij zijn hart. De arme jongen was diep bedroefd, en hij eindigde met te zeggen: sik kan kim niet zeggen, wat ik gevoel, Missi; want zij zouden er maar om lachen, en ik ben maar alleen; maar indien mijn vader nog leefde, zouden zij Hutshi niet voor mijne oogen durven weggeven.quot; Toen hij echter zijne aanstaande door de openslaande deur zag binnenkomen en bemerkte, dat zij begreep, waarover wij spraken, schudde hij trotsch het hoofd, zeggende: »Het is zeer goed, dat zij hem neemt.quot;
21
BRIEVEN VAN ANIWA.
John en ik verdedigden Nelwangs zaak van dat oogenblik af, en hij vond spoedig gelegenheid, een ivoord voor zichzelven te spreken. Ik nam ook Hutshi alleen en vertelde haar wat Nelwang gezegd had. Zij antwoordde, dat zij niet wist, wat te doen, daar zij haar allen aanraadden Sarra, den nieuwen minnaar, te nemen; maar zij voegde er bij: »Het zou |
mij meer spijten Nelwang op te geven dan dien ouden man!quot;
Kort daarna kwam zij bij mij en deelde mij mede, dat zij nu vast besloten was, Nelwang niet te verlaten. Ik antwoordde; »Maar ik dacht,
Hutshi, dat gij den ander toch voor eene poos den voorkeur gaaft ?quot; »Ja,
Missi,quot; antwoordde zij, »toen iedereen hem prees, en mij aanraadde hem te nemen, dacht ik dat het wel aangenaam zou zijn; maar Nel wang en ik hebben met elkander gesproken. Wij vertelden elkander, dat onze overleden ouders gezegd hadden, dat wij met elkander zouden trouwen,
wanneer wij groot waren en toen schreiden wij beiden, en wij hebben besloten elkander getrouw te blijven!quot; Zoo ziet gij, dat Zwarten evengoed gevoel hebben als Blanken!....
Daar ben ik nu reeds aan het eind van mijne vierde bladzijde en nog heb ik u niets verteld over de aangename damesbijeenkomst, die wij op Aniwa gehad hebben, of van den gezelligen tijd, dien wij met onze bezoekers doorbrachten, toen het schip met de zendelingen van de jaar-lijksche Synode wederkeerde. ...
Het was een aangenaam bezoek bij de terugkomst van het schip van de Synode; wij hadden een huis vol menschen, want met onze vierecht-genooten, die wij niet verdrietig waren, gelijk de Schotten zeggen, na eene afwezigheid van drie weken terug te zien, kwamen de heer en mevrouw Inglis en Dr. Steele (de laatste om met ons te blijven) en bleven van Zaterdag tot Maandag bij ons, —■ terwijl het schip weder naar zee ging met de rest van de zendelingen, die verklaarden, dat het mij den dood zou aandoen, om er meerdere te herbergen! Zij, die kwamen, deden hun best mij te doen beloven, hen slechts een kussen en eene deken op den vloer te geven, maar wij hebben hen netjes in bedden en op sofa\'s ter ruste gelegd en waren ten hoogste verblijd door hun bezoek. Het is voornamelijk zoo aangenaam hunne stemmen te hooren in den psalm bij de huiselijke godsdienstoefening. Het doet mij denken aan de groote vergadering der verlosten, die het «nieuwe liedquot; zingen.
De Zondag was ook zulk een gezegende dag en het was eene belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis der kerk van Aniwa, om zes zendelingen op het platform te zien en vijf dames in de bank van den zendeling. De heer Inglis predikte in de eerste godsdienstoefening, en de heer Annand deed ons in de tweede (terwijl John natuurlijk vertaalde)
goede Evangelie-waarheden hooren; en Dr. Steele hield \'s avonds in de gezelschapskamer eene preek voor Blanken over het sgebed van Jabez.quot;
Zijne taal was zeer schoon, en de doctor schikte zich naar zijn gehoor —
daar hij zijne waarschuwing aan onbekeerde zondaars wegliet!....
Iedereen in huis slaapt, en ik kan mijne oogen nauwelijks open houden; dus moet ik u allen goeden nacht zeggen, met hartelijke groeten van Uwe u liefhebbende dochter en zuster
Maggie Whitecross Paton.
1875.
Aan den huiselijken kring.
Lieve broeders en zusters I Indien ik eene van de aardbevingen, die wij gehad hebben, in dezen brief kon sluiten, zou die zeker groote sensatie onder u teweegbren-
322
323
gen, — beschrijvingen schijnen zoo flauw, nadat men de vreeselijke uitwerking, die zij hebben, ondervonden heeft! Maar ik moet mijn verhaal zoo goed mogelijk doen, daar er geen kans bestaat, om u op eene andere wijze te voldoen.
Gij weet, dat wij verleden jaar maar zeer kort voor het vertrek van de Dayspring besloten, om hier te blijven, en ik zond mijn laatsten brief aan boord met een treurig hart. Het had maar zoo weinig gescheeld of wij hadden onze lieve jongens terug gezien, en toen ik de Dayspring langzaam in het verschiet zag verdwijnen, wist ik pas, hoe vurig ik er mijn hart op gezet had hen te zien!.....
Als om alles te bekroonen werd John zeer ziek, en verminderde zoo, dat wij vreesden, dat hij den terugkeer van de Dayspring niet zou beleven. Maar ik had voortdurend de innerlijke overtuiging, dat God hem niet juist op Aniwa had doen blijven, om te sterven, nadat Hij ons zoo duidelijk Zijn wil had doen verstaan, en wij ons zoo vertrouwend op Hem hadden verlaten, opdat Hij ons den weg zou wijzen. En Hij hield ons niet lang in onzekerheid, want de eene gebeurtenis na de andere toonde ons aan, hoe wijs wij geleid waren.
Het eerste van deze voorvallen had plaats ongeveer eene maand, nadat het schip ons verlaten had, toen John langzaam van zijne ziekte herstelde. Op een mooien namiddag, toen ik voor de avondschool een en ander gereed zette (ik heb de school gelukkig gedurende al dien tijd kunnen voortzetten) hoorden wij het geroep van: »Een zeil! Een zeil!quot; hetgeen ons allen in groote opgewondenheid bracht. De school was het laatste, waaraan men dacht, en al de Inboorlingen vertrokken naar de andere zijde van het eiland, waar het schip lag. John was niet in staat zoover te loopen, maar gij kunt er zeker van zijn, dat wij ook zeer verlangend waren naar nieuws, en ik klampte den eersten terugkeerenden Inboorling aan, die mij in de landtaal toeriep : »Missi, wat denkt gij, dat er nu gebeurd is ? Daar is een schip vol Tanneezen, mannen, vrouwen en kinderen, die door den oorlog van hun eigen eiland verdreven zijn; zij willen op dit kleine eiland komen wonen, omdat de godsdienst hier macht heeft en zij weten, dat zij hier veilig zijn. Zij zijn velen in aantal voor ons kleine volk, en hoe zullen wij aan voedsel voor hen komen, Missi r Zij zijn in den nacht gevlucht met de weinige bagage, die zij in het schip konden medebrengen.quot;
Een ander Inboorling verscheen spoedig daarna met brieven voor ons van den heer en mevrouw Neilson, die het gerucht bevestigden, en wij waren letterlijk verstomd door dit voorval, maar, gelijk de meeste andere zendelingen, toen zij er van hoorden, waren wij ook zeer getroffen door Gods geheimzinnige wegen. Tanna was het eiland, waarop John zijn hart gezet had, en het was eene van de bitterste teleurstellingen van zijn leven, dat de zendings-synode hem voor negen jaar geleden niet wilde toestaan daarheen terug te keeren, in plaats van naar Aniwa te gaan; wij gevoelden toen echter beiden, dat wij Gods leiding volgden, en nu had Hij de Tanneezen naar Aniwa gebracht; want zij, die gekomen waren, waren uit den omtrek van Port Resolution, en sommigen van hen waren John\'s oude vrienden !
Sommige Inboorlingen werden door dit voorval evenzoo getroffen als wij. Op de laatste zendings-synode vermaakte de heer Neilson al de zendelingen door de hoofdpunten van eene toespraak weer te geven, bij die gelegenheid op Tanna gehouden door een van de Aneityumeesche onderwijzers, die even als alle Inboorlingen bijzondere neiging bezat, om de toespraak, die hij Zondags hield, op te luisteren met voorbeelden
BRIEVEN VAN ANIWA.
uit het dagelijksch leven. Hij nam de geschiedenis van Jozef tot onderwerp, en vergeleek »Missi Patonquot; bij Jozef, die van Tanna door zijne slechte broeders, de Tanneezen, verdreven was, maar God was met hem gegaan naar Egypte, alias Aniwra, en zegende het land om zijnentwil, en maakte het gereed voor hen, om er zich te gaan nederzetten en op die wijze vele menschen in het leven te sparen ....
John ging zich onmiddellijk weder op het Tanneesch toeleggen, dat hij bijna geheel vergeten was, zoodat, toen de heeren uit Tanna weigerden in de kerk te komen, hij spoedig in staat was tot hen te gaan, om hun in het eerst eene toespraak voor te lezen, en daarna voor hen in het Tanneesch te prediken Wat herinnerde ons dit aan de eerste dagen op Aniwa, toen onze gemeenteleden ook eene pijp rookten of een dutje deden, terwijl zij op hun rug lagen, om naar de preek te luisteren!....
De storm begon op 14 Januari omstreeks het middaguur hevig op te steken, nadat de lucht door een hevig onweder den geheelen morgen was verduisterd. Toen wij aan het middagmaal zaten, werd de wind plotseling zeer sterk; wij sprongen op en namen de noodige maatregelen, daar het huis schudde en kraakte, het dekstroo overeind stond en de regen binnenstroomde. Onmiddellijk werden boomen, omheiningen, enz. omver geworpen, en ik vluchtte met de kinderen in de studeerkamer, die veiliger scheen te zijn dan het overige deel van het huis, en sloeg van daar door de ramen den voortgang van den storm gade; het was een indrukwekkend gezicht, die groote boomen te zien buigen en neder-vallen door de geweldige kracht van den wind. John kwam zeer ter neergeslagen binnen, zeggende, dat, indien het weder langer aanhield, de kerk zou bezwijken, daar zij reeds wankelde, niettegenstaande ze zoo stevig gestut was. Op dat oogenblik bedaarde de storm een weinig, hetgeen mij weder moed deed vatten, maar zijn meer geoefend oog deed hem vreezen, dat het de stilte was, die een hevigen storm voorafgaat; het was ook zeer donker en onheilspellend. En, inderdaad, juist voor donker, werden wij door eene vreeselijke windvlaag genoodzaakt in den kelder, onze gewone schuilplaats, te vluchten.
John en een paar van de meisjes deden eene laatste poging, om uit het huis een paar brooden en wat zij maar verder grijpen konden, te halen, want wij waren nu zeer hongerig geworden, nadat wij zoo zonder plichtplegingen in ons middagmaal waren gestoord. Mijn trouwe, kleine kok kwam in allerijl in den kelder, juist vóór eene hevige windvlaag, hijgend en blazend, maar toch een ketel kokend water met zich voerend, hetgeen eene onverwachte weelde was in onze tegenwoordige omstandigheden. Zoo maakten wij een aardig maal gereed op eene omgekeerde kist; en daar al onze voorraad in den kelder was, namen wij een blikje zalm — de meisjes hadden heel zorgvuldig eene groote kan melk voor de kinderen gebracht, — en toen F. zag, dat wij de zalm allen van één bord zouden eten, kende zijne vreugde geene perken, en hij stak zijne vork in het grootste stuk op den schotel, dat te groot bleek te zijn voor zijn kleine mondje, hetgeen groote vroolijkheid teweegbracht!
De storm duurde voort tot middernacht, toen wij allen dankbaar waren onze slaapplaatsen te kunnen opzoeken; en wij onze eigene kamer de eenige bewoonbare plek in huis vonden. Maar o, wat deed het morgenlicht ons eene treurige verwoesting aanschouwen! Onze fraaie, groote kerk was een puinhoop, waarvan slechts e\'én pilaar staande was gebleven, die boven het puin tegen de helder blauwe lucht afstak. Het schoolgebouw, aan de andere zijde van den Imrai (openbaren grond) was in den-
324
BRIEVEN VAN ANIWA.
zelfden toestand. Met uitzondering van onze keuken en de drukkerij, was geen der bijgebouwen op het erf staande gebleven, maar o, hoe dankbaar waren wij, dat ons woonhuis stevig stond, daar John niet in een toestand verkeerde, om den bouw van een nieuw huis te kunnen ondernemen. Zelfs geen glasruit was gebroken, hoewel natuurlijk het dak niet had kunnen weerstand bieden en alles daarom doorweekt was. De dag was gelukkig zeer heet en wij namen al de matten op en droogden matrassen, dekens, enz. De varkens waren in hun element, omdat zij vrij konden rondloopen over de geheele plaats, en ik ben er zeker van, dat zij, indien zij hadden kunnen spreken, gezegd zouden hebben : »Het is een slechte wind, die niemand iets goeds toewaait!quot;
Bijna ieder der Inboorlingen was den volgenden morgen reeds vroeg aan het werk, om zijne omheiningen te herstellen; de woonhuizen (er stonden er geen twaalf onbeschadigd op het eiland) moesten wachten, totdat de plantages voorzien waren. Aan schoolbezoek kon niet gedacht worden. Het was zoo treurig te zien, hoeveel voedsel er vernield was geworden, — prachtige, groote broodboomen en kokosboomen waren bij den wortel afgebroken, en banana\'s met halfrijpe vruchten lagen nutteloos over den grond verspreid. Maar het grootste geweeklaag scheen toch over het Tafari More\' (Huis des gebeds) te zijn, ofschoon het groote publiek het kalm verklaarde, eene straf te zijn van » Teapoloquot; (zijne duivelachtige majesteit op Aniwa) omdat zij den godsdienst zoo voorstonden. Dit was eene algemeen voorkomende meening en John waarschuwde hen er den volgenden Zondag tegen, toen hij eene indrukwekkende prediking hield over de woorden : »Werkt niet om de spijze, die vergaatquot; — een geschikte tekst voor deze gelegenheid !.....
Het was over het geheel genomen een treurige tijd, dien wij nu beleefden, want wij hadden veel verdriet van Hutshi, het meisje, dat ik de laatste maal in Australië bij mij had, en die eene ware helleveeg is geworden; zij is gelukkig tot nog toe de eenige van mijne meisjes, die den verkeerden weg is ingeslagen. Zij was gehuwd met een van onze beste jonge lieden, en naar het scheen, was deze zaak met haar volkomen goedvinden geschied — ik meen, dat ik u vroeger hierover reeds geschreven heb — maar tegelijkertijd was zij smoorlijk verliefd op mijn knappen, jongen kok, die aan het kamermeisje is verloofd. Spoedig na haar huwelijk begon zij haar echtgenoot te plagen en met den ander te coquetteeren; dit werd hoe langer hoe erger, niettegenstaande alles wat wij tot haar zeiden, en eens gedroeg zij zich zoo schandelijk, dat John en ik, toen wij het hoorden, op een stoel neervielen, door teleurstelling en afschuw overstelpt. Ik zou nooit geloofd hebben, dat eenige vrouw, hetzij blank of zwart, zoo voorbedachtelijk anderen, nog zoo jong en onschuldig, tot zonde zou kunnen verleiden.
Het jeugdige opperhoofd kwam John vragen, welke straf zij moest hebben, daar er toch iets gedaan moest worden; maar hij aarzelde om hierin raad te geven, daar hij nooit in zulk een geval uitspraak had behoeven te doen, en ook inderdaad te verontwaardigd was, om zijne gedachten te verzamelen. Hij verbood hen alleen ernstig haar dood te schieten, gelijk een paar van de woedende vaders voorstelden, maar raadde hen aan, zich te onderwerpen aan de uitspraak van de Aneityur meesche onderwijzers, twee verstandige christenen van den zendingspost van den heer Inglis. Deze zeiden, dat de straf, die op Aneityum door de opperhoofden werd toegepast, was, de schuldigen te binden, al de goederen van degenen, die er in betrokken waren, bijeen te verzamelen en ze onder het volk aan de andere zijde van het eiland te verdeelen, opdat zij, die
325
BRIEVEN VAN ANIWA.
rondom woonden, niet verleid mochten worden, om valsche beschuldigingen tegen buren in te brengen, ter wille van hun eigendom.
Dit werd nu ook gedaan met Hutshi; en wij werden uitgenoodigd, om bij de plechtigheid tegenwoordig te zijn, waarvoor wij bedankten, daar John hen mededeelde, dat het voor hem beter was, zich niet te veel in deze dingen te mengen. Het eenige, wat hij deed, was hen te verzoeken, den tijd, waarin zij vastgebonden moest zijn, tot drie uren te bekorten, in plaats van de vier en twintig uren, waarin zij van plan waren haar gebonden te houden en die zij naar mijne meening volkomen verdiende. Twee of drie Tanneezen kwamen toevallig in haar dorp, vóór dat zij losgemaakt was, en spraken met minachting over de gevolgen, die de godsdienst na zich sleepte, zeggende, dat zij op Tanna zooveel npretquot; konden hebben als zij maar wilden, zonder er voor gestraft te worden. Maar een van onze Aniwans antwoordde met een kleinen wenk tot zijne vrienden, dat, hoe slecht de godsdienst ook wezen mocht, hij hen ten minste nog niet uit hun land had verdreven 1 . ..
Ik wenschte, dat ik kon zeggen, dat dit de laatste onaangenaamheid was, die juffrouw Hutshi ons bezorgde; want zij wendde voor, zeer veel berouw te hebben, en zond eene van de meisjes, twee of drie weken daarna, om mij te zeggen, dat zij mij al hare slechtheid wilde bekennen, daar zij zich dan beter zou gevoelen. Het was haar verboden bij ons aan huis te komen en wij hadden ook niet de minste notitie van haar genomen. Wij hechtten weinig geloof aan de betuigingen van haar berouw, maar vreesden om eenigen wensch tot verbetering, indien die zich in haar hart mocht openbaren, te onderdrukken, en ik dacht, dat God mij misschien een goed woord tot haar zou doen spreken. Wij hadden daarop een lang onderhoud, maar ik voelde reeds dadelijk, dat er geene verandering in haar was, hetgeen ook onmiddellijk bewezen werd, daar zij heen ging met het hoofd in den nek, terwijl zij tot de anderen zeide, dat het haar niets meer kon schelen, wat zij van haar zeiden, daar Missi nu weer voldaan over haar was!
Zij verbeterde zich niet, maar de leden der gemeente hielden zoo streng de wacht over haar, dat zij niet veel verkeerds doen kon. Zij verbitterde echter het laven van haar echtgenoot en ik had nooit gedacht, dat een Inboorling met zooveel geduld verdragen zou hebben, wat hij verdragen heeft; ten laatste, niet in staat zijnde het langer uit te houden, kwam hij afscheid van ons nemen, zeggende, dat hij op drie mijlen afstands ging wonen (dit was zoo ver als hij maar op Aniwa gaan kon in welke richting ook, daar zijne vrouw dicht bij ons in het midden van het eiland leefde!) en dat hij haar gaarne overliet aan ieder, die dwaas genoeg zou zijn, om haar te nemen, daar hij voortaan niets meer met haar te maken wilde hebben.
Zij had alleen uit grootspraak uitgestrooid, dat zij hunne waakzaamheid had weten te ontduiken en noemde een man van Tanna en Rangi (de meest woeste persoon van Aniwa) als in de zaak betrokken. Zij bewezen echter beiden hunne onschuld. Misschien was Rangi het met mij eens, dat hij genoeg zonden op zijn geweten had, zonder ook nog beschuldigd te worden van dingen, waaraan hij geen schuld had, en daar hij nog geheel en al een Wilde was, vreesden wij onaangenaamheden, toen hij gevolgd door al de Tanneezen op een morgen, nadat haar echtgenoot haar verlaten had, onderzoek naar de zaak kwam doen. Wij waren echter weinig voorbereid op het tooneel, dat nu plaats zou vinden, en nog wel vlak voor onze deur, want daar was het, dat Rangi haar greep. Zij deed een sprong naar John om bescherming, maar de deur was tusschen hen,
326
BRIEVEN VAN ANIWA.
en Rangi trok haar los en de wilde kreet, die daarna opging, bracht mij buiten mij zelve van schrik.
John stond achteloos tegen de deur te leunen, en zag het alles aan — de kalmste persoon daar tegenwoordig! Hij begreep, dat zijne tegenwoordigheid hen genoeg in bedwang zou houden, ofschoon het dwaasheid zou zijn, er tusschen te komen. Mijne meisjes weenden en klaagden ; en Yawaci (het dienstmeisje, dat ik hier heb) deed onbewust haar best, om in haar wanhoop de knoppen uit de deur van de eetkamer te wringen, terwijl zij uitriep; »Missi, er zal bloed vergoten worden 1quot; Middelerwijl viel ik op de knieën midden op den vloer, en smeekte God, om tusschenbeide te komen. Maar mijn kleine F. deed mij tot mijzelve komen, daar hij uitriep: »Mama, mama, ik houd er niet van, u zoo te zien kijken en zoo te hooren praten! Zijt gij ziek?quot; Ik trachtte spoedig het ventje gerust te stellen, en gevoelde mij kalmer, nu ik de zaak in de handen des Heeren kon overlaten. Maar ik moest Rangi zien, hoewel ik weinig hoop had invloed op hem te kunnen uitoefenen; en mijn zorgzame echtgenoot was ten hoogste ontsteld (en had even gaarne eene geestverschijning gezien dan mij op dit oogenblik) toen ik te midden van zulk een tooneel verscheen. Ik merkte zijne bewegingen om mij tegen te houden even als zijne smeekingen slechts flauw op, daar ik doof en blind was voor alles om mij heen behalve voor Rangi, die meer dan eenig schepsel de voorstelling, die ik mij van een duivel gemaakt had, nabij kwam!
Het arme meisje was met de armen op den rug aan een kokosboom gebonden, bleek van schrik, en er waren honderd geweren op haar gericht. De Tanneezen waren geheel in heidensch kostuum, dat wil zeggen beschilderd in plaats van gekleed, en onze gemeenteleden stonden evenals John er bij als kalme toeschouwers, behalve twee of drie, die met geladen geweren rondom haar de wacht hielden, om haar, indien het noodig was, tegen vermoord worden te beveiligen. Het eenige, wat zij of wij wenschten gespaard te zien, was haar leven, want zij verdiende iedere straf behalve de doodstraf volkomen.
Ten laatste ontmoette ik Rangi\'s blik. Op een wenk kwam hij bedaard tot mij, en ik begon hem te zeggen, dat hij mijn meisje toch niet zou durven doodschieten, maar daar ik te ontroerd was, eindigde ik in snikken en zij brachten mij naar huis, — maar niet voor dat Rangi mij bepaald verzekerd had, dat geen haar van haar hoofd zou gekrenkt worden, noch door hem noch door iemand anders, maar alleen zeide hij, behoorde zij aan een boom gebonden te worden, en een flink pak slaag te krijgen, omdat zij hem zijn goeden naam had ontnomen. Wij konden niet nalaten te glimlachen, zelfs in dezen tijd van spanning, over Rangi\'s bezorgdheid omtrent zijne reputatie, die zoo slecht was als zij maar zijn kon.
Welnu, zoo was Hutshi daar dan aan den boom gebonden tot openbaren verkoop, want, naar de wet onder de Inboorlingen luidt, ieder die haar van den boom losmaakte, moest haar tot vrouw nemen, daar haar echtgenoot alle rccht op haar had laten varen. Rangi herinnerde hen daaraan, toen hij haar vastbond, zeggende, dat de Missi alleen deze wet kon veranderen. De Missi voelde zich niet geneigd zoo iets te doen, daar hij haar reeds op de Mookerheide gewenscht had van het oogenblik af, dat zij hare kuren was begonnen, daar zij een vloek voor de plaats was; zijn eenige, hoewel geheime, wensch was nu slechts, dat de meest tyran-nieke ongehuwde man van het eiland haar met zich mocht nemen, zoo ver als de beperkte uitgestrektheid van Aniwa gedoogde; en dit wenschten onze gemeenteleden ook. Hij vreesde, dat zij hem om raad zouden komen vragen, want wij gevoelden beiden, dat het voor haar het beste was, om
327
BRIEVEN VAN ANIWA.
volgens Inlandsche wetten behandeld te worden. Maar ofschoon een twintigtal jonge mannen vóór haar huwelijk voor haar zou geknield hebben, stond zij daar nu drie uren lang, zonder dat er iemand om haar kwam!
John had de geheele menigte uiteen doen gaan, en had hen verzocht hout te gaan hakken voor de kalkgroeven (gij weet, dat hij altijd prac-tisch is en er van houdt de onwaarschijnlijkste gelegenheden te baat te nemen) hetgeen zij met groote geestdrift deden; zoo werd zij dan alleen gelaten, daar de vrouwen allen weg moesten, om eten te gaan koken. Ik had dien dag eene groote uitdeeling voor de werklieden, daar wij den avond te voren een kalf geslacht hadden, en ik was juist bezig mijne orders daaromtrent te geven, toen ik John met een vergenoegd gelaat mij zag wenken, om in de studeerkamer te komen. Het scheen, dat Hutshi\'s oude minnaar in haast tot hem was gekomen, zeggende: »Missi! ik zal nooit zulk eene goede kans hebben, om eene vrouw te krijgen! Wilt gij ons trouwen, wanneer ik Hutshi ontbind?quot;
John zeide, dat hij dit niet doen kon, en dat, indien hij haar nam, het a la Native moest zijn, en dat hij ook zijne bijwoning van de klasse voor lidmaten moest opgeven. Hij legde hem ter zelfder tijd uit, dat hetgeen hij wilde doen, niet gelijk stond met het wegvoeren van de vrouw van een ander, daar haar gedrag (dat in Groöt-Brittannië echtscheiding zou ten gevolge hebben) er haar echtgenoot toe gebracht had, haar te verlaten; alleen kon hij, ter wille van het voorbeeld, eene zoodanige handelwijze van toekomstige gemeenteleden niet toestaan. Sarra zeide, dat hij in dat geval niets met haar te doen wilde hebben. Maar helaas! vrouwelijke invloed kreeg de overhand, en hij ontbond haar een paar uur later, onder een daverend hoerah van de voorbijgangers en tot onze groote, maar geheime vreugde; want ofschoon Sarra verplicht is te bekennen, dat hij eene duivelin in huis heeft, weet hij haar vrij wel in bedwang te houden, daar hij een vastberaden man is.
Wij stemden van harte met een onzer gemeenteleden in, die, sprekende over Hutshi, zeide, dat het vreeselijk was, hoeveel kwaad eene vrouw kan doen, wanneer zij het er op gezet heeft, kwaad te stichten. De Inboorlingen zeggen ook, dat wij aan haar evenals aan de twee moordenaars, de vreeselijke aardbevingen te danken hebben, die ons buitengewoon verschrikt hebben, ofschoon er op Aniwa zeer weinig schade door werd aangericht.
De eerste, ten minste de eerste belangrijke, vond plaats ongeveer te middernacht op den 28\'it\'!n Maart (den tweeden verjaardag van de geboorte van onze Lena) en wekte ons met hevigheid; het was de ergste, die wij ooit gehad hadden, de aarde golfde zoo hevig, dat wij ieder oogenblik vreesden verzwolgen te worden, en bijna verlamd van schrik waren, maar M. en F. sliepen rustig door. Hierna scheen er eene verschrikkelijke beweging in de zee te komen, te oordeelen naar het gedruisch, en wij bevonden den volgenden morgen, dat onze boot van de plaats, waar zij lag, was weggeslagen en ongeveer honderd el landwaarts in was medegevoerd, als ook verscheidene kano\'s, waarvan er twee vernield werden.
Ik lag na de aardbeving tot drie uur in grooten angst wakker en was juist weer bijna in slaap, toen een nieuwe vreeselijke schok ons in ons nachtgewaad het huis deed ontvluchten. John trok de kinderen uit hunne bedden en de meisjes vlogen naar buiten. Er was volstrekt geen wind en het was vreeselijk, om in het maanlicht te zien, hoe de dikke boom-staramen vóór- en achterwaarts gezweept werden, en om te gevoelen, hoe de grond hevig onder ons op en neder golfde. Daarna voelden wij een of twee lichte schokken, en toen, juist met het aanbreken van den dag,
328
BRIEVEN VAN ANIWA.
kwam er eene vreeselijke herhaling; ieder onzer vloog weer de deur uit! Dit was numero v/jf. Voor het ontbijt gingen wij naar de boot zien, maar vonden haar onbeschadigd, en wij voelden nog twee hevige schokken voor wij tehuis waren, zoodat er in het geheel voor het ontbijt zeven schokken gevoeld waren, waarna wij eene beweging van anderen aard kregen.
John voelde zich zoo uitgeput, en was juist in genisten slaap gevallen op de sofa in de studeerkamer (iets dat hem zelden gebeurt) toen ik eene hevige woordenwisseling hoorde tusschen Taia, een van onze gemeenteleden, en Nalihi, iemand van Erromanga. Ik wist niet wat te doen, want de Inboorlingen verliezen nooit veel tijd met praten; zij nemen dadelijk hunne toevlucht tot de wapenen; ook wilde ik niet gaarne John wekken, die reeds genoeg opwinding had gehad, daar het juist op dezen dag twee jaar geleden was, sedert hij door die vreeselijke koorts werd aangetast, voor wier terugkeer ik vreesde, daar men mij voorspeld had, dat die omtrent dezen tijd van het jaar zich zou herhalen. Welnu, ik besloot dan mijne vrouwelijke opoffering te toonen, door mij tusschen de strijders te begeven, en het was mij eene groote overwinning op mijzelve, want ik gevoelde altijd eene dwaze vrees voor een geladen geweer, voornamelijk in de handen van een verwoeden Wilde. Om het geval nog erger te maken, wilde het ongeluk, dat al de mannen dien morgen koraal voor kalk waren gaan halen en slechts een paar vrouwen hadden zich saamvergaderd en twee of drie bange lieden, die op veiligen afstand stonden.
Nalihi zwaaide met zijn geweer langs Taia\'s gelaat en deed dit vergezeld gaan van eene welsprekende redevoering in de taal van Erromanga, daar hij die van Aniwa niet verstond; en Taia, die deze taal zeer wel verstond en vloeiend sprak, scheen hem zijne woorden dubbel terug te geven. Zij zwegen een oogenblik, toen er gefluisterd werd, dat de Missi daar was; maar bemerkende, dat het slechts Missi, de vrouw, was, begonnen zij weder met vernieuwde woede. Ik sloeg geen acht op Nalihi, daar ik wist, dat ik bij Taia alleen gehoor zou vinden; ik ging tot hem en smeekte hem niets meer te antwoorden, hoe men hem ook mocht beleedigen, en ofschoon eerst met tegenzin, gedroeg hij zich op edele wijze en verdroeg wat weinig Blanken zouden verdragen hebben. Ik bleef voortdurend aan zijne zijde, en hoewel die ellendeling drie kwartier uurs lang hem allerlei beleedigingen naar het hoofd wierp en ten laatste, in zijne woede, zijne bananas en omheiningen voor zijne oogen omver wierp en vernielde, sprak hij geen woord meer, hoewel zijne leden trilden en hij somtijds zijne groote knots greep, welke ik wist dat in de dagen, toen hij nog een Heiden was, goede (?) diensten had bewezen in de sterke, gespierde armen, die haar zwaaiden; want Taia is een ware Herkules, een groot contrast met den kleinen, verraderlijken man van Erromanga, met zijne scherpe neus, die naar eene gelegenheid verlangde, om hem te kunnen doodschieten. Wanneer ik meende, dat Taia het niet meer kon uithouden, legde ik mijne koude, witte hand op zijn zwarten arm, en telkens wanneer ik dit deed, keek hij mij met een flauwen glimlach aan, zeggende; »Vrees niet, Missi, ik zal niet spreken;\'
Nu houd ik vol, dat, ofschoon John somtijds vreest, dat Taia\'s Christendom niet van het verhevenste soort is, hij ontwijfelbaar een volmaakt gentleman is, want anders zou hij, de grootste redenaar van Aniwa, daar niet zoolang het stilzwijgen hebben bewaard op verzoek van eene vrouw 1 Toen ik zag, dat het nuttige voedsel zoo vernield werd, terwijl er slechts zoo weinig na den storm was overgebleven, overmeesterde mijne veront-
329
BRIEVEN VAN ANIWA.
waardiging ieder ander gevoel, en ik begreep, dat het hoog tijd werd, om John te roepen, opdat hij met Nalihi mocht onderhandelen, daar niemand anders hem aandurfde, behalve de kleine F., die ons toen juist had uitgevonden en zonder aarzelen begon, hem in ronde woorden aan te spreken. Zijn klein gezichtje gloeide van verontwaardiging, en hij haalde diep adem alvorens uit te roepen: »0, gij stoute, stoute man! Gij zijt een slechte man! Jehovah, zoo boos op u !quot; Het vermaakte iedereen buitengewoon, en er ging een algemeen gelach op, terwijl Nalihi, bij wien F. altijd een groot gunsteling was geweest, zich hevig tegen het kind begon te verontschuldigen in gebroken Engelsch, terzelfder tijd zijne bijl tegen Taia\'s bananas opheffende. En daar ik voelde, dat mijne krachten mij zouden begeven, vloog ik heen en bracht John mede, die bedaard op Nalihi aanstapte en hem van zijne wapenen ontlastte. (O, hoe blij was ik, toen ik het geweer veilig in John\'s handen zag, want Nalihi hield het voortdurend in horizontale richting en het wees altijd naar mij, zoolang ik daar had gestaan!) John klopte hem op den schouder en had hem in een oogenblik aan het snikken gelijk een kind, terwijl hij Taia betaling aanbood, voor wat hij vernield had, hetgeen Taia echter weigerde aan te nemen, daar hij te ernstig beleedigd was, iets, waarover ik mij niet verwonderde.
De menigte begon zich te verspreiden, en John nam Nalihi met zich, om hem dien dag onder zijn oog te laten werken, opdat hij niet weder met Taia in aanraking zou komen, toen ik een sierlijk slot aan al het voorgevallene maakte door onder den kokosboom in zwijm te vallen. John zeide, dat ik mij dapper gedragen had, behalve in deze laatste zaak; maar ik vind, dat ik na zeven aardbevingen en zulk een tooneel, recht had tot eenige demonstratie, en het was de eerste, die ik ooit te aanschouwen gaf voor het publiek 1
Wij hadden dien dag nog drie aardschokken, maar lichte, er waren er dus in het geheel tien geweest. Des avonds nam ik de voorzorg, om eenige dekens onder de veranda neder te leggen, daar men geen oogenblik tijd heeft, om zijne kleederen te grijpen, wanneer de schokken aankomen, en ik het den vorigen nacht koud had gehad. Ik werd uitgelachen, om hetgeen mijne noodelooze voorzorg werd genoemd; maar wij waren even in onzen eersten slaap, toen eene geweldige aardbeving ons weder het huis deed ontvluchten en wij er dankbaar voor waren. Het was echter niet zoo erg als den vorigen nacht en wij sliepen tot den morgenstond zonder gestoord te worden, daar de groote voorstelling uitbleef tot den volgenden avond negen uur.
John was met de meisjes bezig in de badkamer papier te bevochtigen, dat den volgenden dag bedrukt moest worden; ik teekende in de huiskamer de gebeurtenissen van den dag in mijn journaal op, toen wij allen naar buiten werden gejaagd door de vreeselijkste aardschudding, die er tot nu toe had plaats gegrepen. Het huis danste, de vensters rinkelden, en F. werd dadelijk schreeuwend van angst wakker, maar M. nam het niet zoo ernstig op. en vertelde hem, dat het juist prettig was. Het kon misschien prettig geweest zijn, ons te voelen wiegen op den schoot van onze moeder, de aarde, (wij lagen op den grond op veiligen afstand van ons huis, dat wij ieder oogenblik verwachtten te zien instorten) hadden wij niet ieder oogenblik moeten vreezen, dat zij zich zou openen en ons in inniger omarming zou omsluiten.
De golving moet, denk ik, wel vijf minuten aangehouden hebben en wij waren juist weer in huis gegaan, nog bevend van angst, toen een geweldige rukwind en het gebulder van de zee ons reeds half voorbereidde
330
BRIEVEN VAN ANIWA.
op het geschreeuw van de Inboorlingen, die ons toeriepen, dat de zee nu werkelijk vlak bij onze deur was gekomen 1 Wij gingen naar buiten en zagen de Inboorlingen tot hun middel in het water staan, waar voor twee of drie minuten geleden boschgrond was geweest. Wij hoorden iets klappen, en Yawaci greep een grooten visch op ongeveer twaalf voet afstands van onze deur; toen het getij verloopen was, waren er honderden visschen op het droge achtergebleven, en de Inboorlingen brachten het grootste gedeelte van dien nacht en den volgenden dag door, met ze te vangen. Onder al de overblijfselen werd ook eene enorme schildpad gevonden; »Jehovah\'s schildpadquot; noemden hem de Inboorlingen, om de wijze, waarop hij in hun bezit was gekomen.
De zee bracht geene ernstige ongevallen op ons eiland teweeg, gelijk op de meeste andere, ofschoon sommige Inboorlingen, die te Tiara aan het visschen waren, bijna medegesleept werden, en onze boot, die daar voor anker lag, met anker en al werd weggeslagen, en een heel eind landwaarts in naar eene zandige plaats werd medegevoerd, waar zij echter geen letsel bekwam; echter bleef er geen kano, als ik mij wel herinner, ongeschonden.
Van dien tijd af hadden wij eene voortdurende opeenvolging van aardbevingen en werden in voortdurende vrees gehouden, ofschoon er geene schokken meer kwamen, die zoo hevig waren als die, waarvan ik u verhaalde. Wij moesten met open deuren slapen en ten laatste ging John gekleed naar bed, om in tijd van nood terstond te kunnen wegloopen ! Gij hebt zeker gehoord, dat de vloedgolf recht door de woning van den heer Inglis ging, vreeselijke schade aanrichtte en hen bijna deed verdrinken, en dat de aardbevingen voortgingen met zijne muren en schoor-steenen omver te werpen, even spoedig als hij ze kon opbouwen. De mooie kerk van Dr. Geddie is ook geheel vernield. Maar ik geloof, dat de grootste schade is aangericht in de zenuwen van de arme vrouwen der zendelingen (de zendelingen zelve zouden zeer beleedigd zijn, indien men ze beschuldigde van zenuwen te hebben!) Het is zoo iets vreeselijks om de aarde onder zich te voelen beven en golven, en des avonds komt
er zulk een bang gevoel over ons.....
Ik moet alles voorbijgaan, wat er gebeurde, totdat wij in de beschaafde wereld terugkeerden, daar de mail vertrekt. Ik zou u zoo gaarne nog wat hebben verteld over onze mooie, nieuwe kerk, met hare sneeuwwitte muren, die klaar was juist vóór dat onze geliefde vrienden, de heer en mevrouw Inglis, ons hun afscheidsbezoek kwamen brengen; het deed ons zeer veel verdriet van hen te moeten scheiden, want zij waren als een vader en eene moeder voor ons en de zending geweest. Het afscheid van onze Zwartjes was ook zeer droevig, vooral daar wij langer van hen verwijderd zouden blijven dan de vorige maal; maar het gezelschap van onze lieve vrienden, de Murrays, was een onverwacht genot en maakte de reis zeer aangenaam niettegenstaande de zeeziekte ....
De Mail vertrekt morgen ochtend, en ik moet eindigen. Ontvangt mijne hartelijke groeten en gelooft mij Uwe U altijd liethebbende zuster
Maggie Whitecross Paton.
1878.
Aan den familiekring.
Lieve Broeders en Zusters 1
Zoons en dochter, zou ik er haast bijgevoegd hebben, daar de grootste helft van onze kleine kudde tegenwoordig van Aniwa verwijderd, en even verlangend naar »den brief van huisquot; is, als gij allen....
331
BRIEVEN VAN ANIWA.
Nu ik mij tot schrijven heb nedergezet, komt er mij zooveel voor den geest, dat ik nauwelijks weet waarmede te beginnen; maar ik kan niets van al het nieuws schrijven, alvorens ik getuigenis heb afgelegd van des Heeren goedheid, ons in de laatste maanden bewezen. Hij heeft ons als met een schild omringd en ons veilig en wel bewaard, ofschoon wij van den dag, nadat de Day spring naar de Koloniën vertrokken was, op 14 November, tot den 30stcn Maart in dagelijksch, ik mag wel zeggen in voortdurend levensgevaar verkeerden. Wij hebben de woede der heidenen gezien en zijn door aardbevingen en stormen geteisterd, maar dit alles schijnt niets in vergelijking van voortdurend in aanraking te zijn met een volslagen krankzinnige, en dit was ons lot met den armen Mungaw ... .
Gij moet echter niet denken, dat wij in stilte verkwijnden. Neen, waarlijk niet! Mungaw wist onze belangstelling gaande te houden; hij speelde zijn eerste rol den dag, nadat de Dayspring naar Sydney was vertrokken. Gij weet, dat hij getrouwd was met Litsi, eene van mijne liefste meisjes, die ik, op mijn eerste bezoek in Australië bij mij had, en gij herinnert u zeker nog wel, hoezeer zij u allen beviel. Ik weet nog, hoe blij wij waren, dat zij zulk een goeden echtgenoot kreeg 1 Welnu, hij bracht den nacht door met zijne goede vrouw (die weldra haar tweede kindje verwachtte) en hun zoontje van twee jaar te slaan, en toen John hem op den openbaren grond ontmoette en hem hierover aansprak, liep hij trotsch en zeer beleedigd weg; een paar minuten later deed een vreeselijk gekraak en geknetter van vuur ons naar het venster vliegen, waar wij zijn lief huisje met al wat er in was in rook en vlammen zagen opgaan. Nog niet tevreden met hetgeen hij gedaan had, trok hij Litsi\'s jacket haar van \'t lijf en wierp het ook in het vuur. Wij verwachtten niet anders dan dat ons eigen huis ook in brand zou vliegen, daar er maar eene kleine afscheiding tusschen eenige van onze bijgebouwen en zijne woning was, maar de wind joeg gelukkig de vlammen den anderen kant op.
Hij nam toen Litsi en Nomaki, hun kleinen jongen, mede naar een verwijderd dorp, en o, hoe wenschte ik, dat hij daar mocht blijven, daar Litsi er vrienden had, maar hij voerde haar weer terug, doodelijk verschrikt en buiten adem, daar zij zijne vreeselijk groote stappen had moeten bijhouden. Ik zond Litsi een oud jacket (zij verzocht mij geen goed te zenden, daar het denzelfden weg op mocht gaan) en eene deken om in te slapen of liever om zich in te rollen, want er viel gedurende dien nacht aan geen slapen te denken voor iemand, die in zijne nabijheid was. Hij had gedreigd eenigen der dorpelingen te zullen vermoorden, en zwierf steeds met geladen geweer rondom ons erf, maar een Aneityumeesch onderwijzer hield den ganschen nacht de wacht over ons huis.
Nu trof het juist, dat de volgende dag vastgesteld was voor eene samenkomst van gemeenteleden. Deze samenkomsten worden maandelijks gehouden, dan wijst John hun het werk aan, en verwisselt het van den een op den ander, opdat het niet voortdurend op eenige weinigen moge drukken. Gij weet, er is geen betaald deurwaarder, noch eenige gesalarieerde betrekking in de kerk, daarom nemen de vrouwen het op zich, om twee aan twee iederen Zaterdagmorgen de kerk schoon te maken. Een man is aangewezen om de bel te luiden; een ander om de bedekking van den preekstoel er op en af te nemen, den Bijbel er heen te brengen, enz.; twee staan geregeld aan de deur, om te zien of er geen laatkomers buiten staan, en zoo voort. Gevallen van ziekte en van verkeerdheid worden dan ook medegedeeld, en alles, wat op de belangen
332
333
van de kerk betrekking heeft, wordt besproken. Op deze samenkomst werd eene vrouw geschrapt wegens het verlaten van haar wettigen echtgenoot en het leven met een ander; en Mungaw, die met de grootste zachtmoedigheid binnenkwam, alsof er niets gebeurd was, kreeg eene geduchte bestraffing en werd geschorst, tot het bewezen zou zijn, of hij een schelm of een gek was; want niemand kon dat toen nog met zekerheid uitmaken. Dat hij in het verstand gekrenkt en tot op zekere hoogte ontoerekenbaar was, daaraan kon niemand, die hem zag of hoorde, twijfelen — voornamelijk daar men wist wat een lieve, goede jongen hij vroeger geweest was; toch was hij somtijds verstandig genoeg, en als het bij hem tot eene uitbarsting kwam, was het meer of hij door een boozen geest bezeten was. Al zijne krankzinnigheid nam den vorm aan van slechtheid, en als hij zag, dat de menschen bang voor hem waren, werd hij des te stoutmoediger. Het was zeer moeilijk om te weten, hoe hij moest behandeld worden. Men had hem echter wel wat ontzag weten in te boezemen op de samenkomst, ten minste hij hield zich vrij rustig tot aan de volle maan, waardoor wij tijd hadden, om onze zaken weer in de gewone orde te doen voortgaan ....
John heeft veel genoegen van zijne groote jongens, voornamelijk van een, dien wij met den meesten tegenzin innamen, een grooten, leelijken jongen van ongeveer achttien jaren, die niet spreken kon zonder te brommen en die op ieder schold van onder zijn zwart wollig haar, dat hem tot op de oogen hing. Om alles te bekroonen, was hij bij de slavenhandelaars geweest — voorwaar geene aanbeveling!
Nadat hij zich met onze jongens een paar dagen had opgehouden en de avondschool had bezocht, zond hij een hunner op den derden avond om eene deken te vragen, daar hij wilde «blijven.quot; Wij waren verstomd. John was er voor, om hem aan te nemen; maar ik was op het punt van te gaan schreien en verklaarde, dat ik niet meer Inboorlingen kon te eten geven en dat ik het voedsel niet verder kon doen strekken dan andere menschen. John zeide: »Zal ik hem dan moeten wegzenden ?quot; Neen! dat wilde ik toch ook niet, en zoo, nadat wij het een paar minuten besproken hadden, voelden wij ons verzekerd, dat de Heer hem gezonden had, en, hoewel ik op dat oogenblik niet dankbaar gestemd was, heb ik Hem sedert reeds dikwijls voor zijne komst gedankt. Wij gingen naar de kist met dekens, namen er eene mooie, warme wollen deken uit (de Inboorlingen voelen zich huiverig des nachts) riepen hem binnen en John sprak met hem, om hem met eenige wetten bekend te maken, waaraan hij zich moest onderwerpen, waarna hij zijn geschenk met een vergenoegde grijns aannam. Hij zag er als een heel ander mensch uit, toen zijn haar geknipt was, en een getrouwer, hulpvaardiger en hartelijker Inlandsche jongen hebben wij nooit gehad. In oogenblikken van gevaar met Mungaw volgde hij John als zijne schaduw; zonder daar veel ophef van te maken, zocht hij steeds in alle bedaardheid eenig voorwendsel, om dicht bij hem te blijven, wanneer er eenig gevaar was. Hij was ook een flink werkman. John houdt er niet van, dat de jongens ledig zijn ; zij helpen hem aan alles wat hij doet, omheinen, dakbedekken, tuinieren, bouwen, enz.
Eens had hij met een anderen jongen (een grooten spotvogel, die anderen doet schateren van lachen, maar zelve het voorbeeld van ernst is) zeer netjes hout geschaafd en John had hen geprezen, hen zijn »timmermanquot; en »schrijnwerkerquot; noemende. In den namiddag werd er een vol geschreven lei naar binnen gezonden, waarop ons medegedeeld werd, dat zij hunne oude namen wenschten te laten varen en voortaan «timmermanquot;
BRIEVEN VAN ANIWA.
en «schrijnwerkerquot; genoemd wilden worden. Zij luisterden naar geen anderen naam. Eerst vergaten wij het dikwijls, maar werden er dan aan herinnerd, omdat zij volstrekt geen acht gaven op hetgeen wij zeiden, totdat wij den nieuwen naam noemden, wanneer zij zich terstond met een glimlach tot ons wendden en geheel tot onzen dienst waren !.. ..
Op een dag, toen John nog niet geheel hersteld was, schreef Mungaw allerlei onbeschaamdheid op zijn schrift tot mijn bijzonder genot. Ik nam er geen notitie van, want hij keek zoo wild, maar wees hem een verkeerd gespeld woord aan, schreef een nieuwen regel, en terwijl ik hem zeide, dat hij dien nu zorgvuldig moest naschrijven, ging ik schielijk naar den volgenden schrijver. Ik vertelde John, toen ik naar binnen ging, dat ik er zeker van was, dat hij eerlang iets kwaads zou uitvoeren; en juist een paar avonden later hoorden wij hem op eene vreeselijke wijze in zijn huis schreeuwen en schelden. John sprong op, niettegenstaande mijne smeekingen, om het hen maar alleen te doen uitvechten, en vond Mungaw eene bijl zwaaiende boven het hoofd van eene arme vrouw, wier man van huis was, en die Litsi geholpen had, om visch voor hem te koken, maar die ongelukkig genoeg niet had kunnen raden, dat hij de visch op dien bijzonderen avond in een ander soort van blad gewikkeld wilde hebben als anders. De bijl was reeds op een paar duim afstands van haar schouder, toen twee of drie Inboorlingen, die even voor John de plaats bereikt hadden, zijn arm grepen en hem de bijl uit de hand rukten. Toen nam hij zijn geweer, maar de arme Sibo en Litsi vloden beiden naar ons huis om bescherming, terwijl John en de andere mannen hem tot bedaren trachtten te brengen. Zij namen hem zijn geweer af en ik zag een onderwijzer het achter een boom in onze laan nederzetten; maar Mungaw was slim genoeg dit op te merken en nam het terug, toen de bui over was en gebood de arme Litsi met haar koken voort te gaan. Sibo begaf zich naar een verwijderd dorp, om uit zijn weg te zijn, verklarende, dat zij half dood van schrik was; en ik zou het geheele eiland wel hebben willen ontvluchten. John\'s geest wordt altijd krachtiger bij zulke noodlottige gebeurtenissen, maar ik raak buiten mijzelve van schrik en word hoe langer hoe erger. Dit was echter nog maar een klein voorspel van wat er volgen zou.
Den volgenden morgen had hij de brutaliteit, om voor de vensters van de eetkamer te komen staan, toen de meisjes het ontbijt opredderden, om aan John de sleutels te vragen, daar hij zijne bijl op den slijpsteen wilde scherpen. John zeide: »Neen, Mungaw, gij moet eerst leeren uwe bijl tot een beter gebruik aan te wenden, en ik verlang de twee, die gij nog van mij hebt, terug.quot; Hij keek als iemand, die ten hoogste verwonderd is, en antwoordde: »Wat meent gij, Missi?quot; John antwoordde: »Ik meen, dat ik wensch, dat gij uw slecht gedrag opgeeft ?quot; »Mijn slecht gedrag 1 Wat heb ik gedaan ?quot; bracht Mungaw hiertegen in. John zeide hierop met nadruk: »Weet gij dat niet, Mungaw ?quot; Dit was alles wat hem in den weg gelegd werd, maar hij ging zijn geweer halen, terwijl hij prevelde: »Ik zal u doen weten, tot wien gij spreekt.quot;
Toen hij weg was, ging John naar zijne drukkerij om iets te halen, en terugkomende, zag hij juist hoe Mungaw binnen onze omheining zijn geweer bedaard op hem aanlegde. John keerde zich om, om de deur te sluiten, en toonde volstrekt geen angst, maar hij had een gevoel, dat het met hem gedaan was en dat hij zoo dicht in onze nabijheid doodgeschoten zou worden, terwijl er toch niemand dicht genoeg bij hem was, om hem te redden; maar God hield over hem de wacht! Het volgend oogenblik hoorde hij een geloop en een geschuifel van voeten.
334
BRIEVEN VAN ANIWA. 335
en toen hij zich omkeerde, zag hij het geweer hoog in de lucht gericht door vier sterke armen, die hem grepen, die zijn moordenaar had willen worden. Twee mannen waren toevallig (1?) langs het pad gekomen, hadden met een oogopslag het tooneel begrepen en mijn echtgenoot was gered.
Ik had niets van het gebeurde gemerkt, maar mij niet op mijn gemak gevoelende na den laatsten blik van Mungaw, ging ik de deur uit, om John spoedig binnen te halen tot de godsdienstoefening. Ik ontmoette hem bij de deur, en bleef staan op het zien van zijn bleek gelaat, om hem te vragen of hem iets scheelde, waarop hij mij het gebeurde mededeelde. Wij waren juist begonnen met zingen, toen Mungaw weder met zijn geweer verscheen, de deuren en vensters trachtte open te maken, (gij kunt denken, dat ik ze nu goed gesloten had) en verlangde binnengelaten te worden. Wij gingen voort, geen notitie van hem nemende, maar de hemelsche trilling was wel in de muziek op te merken, en de meisjes kwamen in grooten schrik de eetkamer binnenstormen. Intusschen had het nieuws van Mungaws gedrag zich als een loopend vuurtje verspreid, en de gemeenteleden, die in de buurt woonden, kwamen aanloopen, om hem van ons erf te jagen, hetgeen hem slechts des te woester maakte ; zij grepen hem eindelijk, brachten hem naar den Imrai en bonden hem aan handen en voeten met touwen vast. Het was een verschrikkelijk leven en gedruisch, want hij was wel zoo sterk als tien mannen en schreeuwde als een bezetene.
Twee van zijne broeders, (zoogenaamde, geen werkelijke) kwamen op de plaats, en hij meende toen waarschijnlijk meer medelijden op te wekken met zijn geschreeuw in gekerm te veranderen, waarbij hij zijn hard lot beklaagde: »gebonden en vervolgd, terwijl hij niets gedaan had.quot; Litsi, de lieve Litsi, nam haar zoontje in de armen, en ging tot hem te midden van al de menschen, met luider stem zeggende: »Zie eens naar de teekenen van uwe onmenschelijkheid op mij en op mijn hulpeloos kind en zeg dan of gij verdient vastgebonden te worden of niet.quot; Het was onvoorzichtig van het arme kind, om hem zoo toe te spreken, en hij vergat ook niet, er haar voor te betalen. Het was een vreeselijke dag voor ons allen — de arme, kleine F. was bleek van angst, ik dreigde ieder oogenblik in eene flauwte te vallen en John liep op en neer door de kamer, ons moed insprekende; alleen de kleine J. (o, wat benijdden wij hem !) dribbelde rond en speelde »Kiek kiekquot; in gelukkige onwetendheid van alles. De leden der gemeente meenden, dat sommigen van de woeste jonge lieden, met wie hij zich in den laatsten tijd nog al had opgehouden, hem te hulp zouden komen, maar toen het bekend werd, dat hij den Missi was aangevallen, werd er geen vinger uitgestoken, om hem te verlossen.
Men wist niet, wat met hem te doen, nu men hem gebonden had; er was op het gansche eiland niets dat naar eene gevangenis of verzekerde bewaarplaats geleek! Zij stelden onzen kelder voor, maar wij verlangden niet hem zoo dicht in onze nabijheid te hebben; na verloop van vier uren maakte men hem dus weder los en Litsi met den kleinen Nomaki zochten eene schuilplaats bij ons. Mungaw vraagde aan een kleinen jongen, waar zij zijn geweer geborgen hadden, en toen hij dit weder in zijn bezit had, rende hij door het gansche eiland tot aan den ondergang der zon, toen hij zich geheel van zijne kleederen ontdeed, zich beschilderde, en met het geweer op schouder meer dan een uur lang op schildwacht ging staan voor onze voordeur. Hij scheen de schildwachten, die hij voor het gouvernementshuis in Melbourne gezien had, na te bootsen — een klein verschil! Maar men vond het noodig, om eene wacht rondom ons erf te plaatsen voor dien nacht. De eenige goede zaak, die hij deed, was.
BRIEVEN VAN ANIWA.
dat hij zijne genadige vergunning aan Litsi verleende, om voor dien nacht bij ons in huis te blijven, hetgeen zij dankbaar aannam.
Den volgenden morgen (Zondag) begroette hij haar vriendelijk, riep haar om met hem te komen spreken, (onze omheining was tusschen hen) en wierp haar een grooten steen naar het hoofd, terwijl hij daarbij voegde, dat dit het loon was, voor hetgeen zij gisteren gezegd had. Wij verbonden de diepe wonde, raadden haar aan wat stil te gaan liggen, maar zij ging liever met ons naar de kerk, daar zij dit veiliger vond, want men had hem gedurende den nacht verscheidene malen in stilte ons huis zien naderen, om het te verbranden. Geen van de dorpsbewoners sliep, het leven van twee hunner was in gevaar. Het was een angstige Zondag, en wij hielden godsdienstoefening onder allerlei moeielijkheden, terwijl er wachten bij ons huis en bij de voornaamste toegangen tot de kerk geplaatst werden. O! hoe verlangde ik de rustige Zondagen en de stille wandelingen naar de kerk in Melbourne terug, toen niemand ons verschrikte ! Wij trachtten het ons echter te verwezenlijken, dat de Heer Jezus ons omringde en dat Hij tusschen ons en Mungaw stond. De men-schen vraagden John, om het kort te maken, daar zij in angst waren, daarom hadden wij maar e\'én dienst in de kerk, en in plaats van de zondagschool een bidstond op den Imrai. Mungaw besteedde zijn tijd, terwijl wij in de kerk waren, met de kisten van de dorpsbewoners te doorzoeken, in de hoop kruit en kogels te vinden, maar zij hadden ze verstopt, en tijdens den bidstond, stond hij met over elkander geslagen armen tegen de veranda achter ons huis geleund, van waar hij ons gadesloeg ! Na den bidstond drong John er bij de verschillende dorpsbewoners op aan, dat zij beurtelings bij Mungaws huis zouden slapen tot bescherming van Litsi, die langzaam vermoord werd, en zij stemden er eindelijk in toe; maar zoodra wij in huis waren, sloot hij een soort van vredesverbond, eene bedriegerij om het volk weg te krijgen, mishandelde toen de men-schen, die in zijne nabijheid waren, omdat zij hem gebonden hadden en sleepte Litsi naar huis. Wij baden den halven nacht voor het hulpelooze meisje, dat zoo geheel in de macht van dien krankzinnige was.
Den volgenden morgen kwam hij in alle deftigheid op den Imrai, het geweer in de hand natuurlijk, en begon het volk uit te schelden, terwijl hij zich woedend driftig maakte en ons allen in angstige spanning hield, want wij konden hem uit een van de ramen der studeerkamer zien, toen, tot onze groote vreugde, het geroep van »Een zeil! Een zeil!quot; weerklonk en het was kluchtig om te zien, hoe spoedig hij moest wijken voor deze nieuwe afleiding. Wij zagen hierin de verhooring onzer gebeden, voornamelijk nog toen hij een poosje later akelig beschilderd voor onze deur verscheen, en aan onze veehoeders mededeelde, dat hij met het schip zou vertrekken, indien het aan het eiland landde. Wij vraagden den Heer ernstig hem te laten gaan, indien het Zijn wil was, maar baden bovenal om met onderwerping te mogen dragen, wat ons was opgelegd, want wij hadden een gevoel, dat hij toch zou blijven. Arme man! hij dreef ons nader tot den Zaligmaker dan al de samenkomsten van Dr. Somerville in Australië; want wij hadden niemand anders, om ons op te verlaten. De Inboorlingen waren vriendelijk, maar zij konden ons niet veel helpen; zij zien meer tot ons om hulp op, en, arme schepsels! wij beklaagden hen, toen het bekend werd, dat hij een grooten voorraad krijgsbehoeften, waaronder kogels, had gekocht en — dat hij bleef!
Het schip bleek den schooner Daphné te zijn, die naar Fiji bestemd was; en de agent van het gouvernement zond een halven souverein in een briefje, waarin hij vraagde om opium, daar hij vijf en zeventig menschen
336
BRIEVEN VAN ANIWA.
aan boord had, en een geval van «ernstige ziekte.quot; John gaf natuurlijk het geld terug, maar zond opiumpillen, laudanum en chlorodyne, daar hij geen opium had. Wij waren blijde, dat wij hierdoor gelegenheid hadden een paar haastige briefjes te verzenden, welke een maand later gedag-teekend waren, dan die wij met de Day spring verzonden hadden, op 14 November. Dit is het eenige schip, buiten de Day spring, dat ons eiland heeft aangedaan, sedert wij hier terugkeerden ....
Nu was het spoedig Kerstmis. De kleine kousjes werden den vorigen avond gevuld, want F. had er voor gezorgd, dat er een voor J. en een voor hem werd opgehangen, ofschoon mijne oogen vochtig werden bij de gedachte aan de andere drie, welke het vorige jaar daar ook hingen, om gevuld te worden. Het werd een heldere dag, de kinderen jubelden over hetgeen zij gekregen hadden, en er was eene algemeene vreugde over de verschijning van onze goede Litsi op de avondschool —• haar heer en meester was in een kano met eenige jongens uitgegaan, om bij fakkellicht te gaan visschen. Litsi\'s gelaat straalde van genoegen, nu zij een paar uur met ons zou kunnen doorbrengen, want Mungaw vergunde haar niet haar eigen terrein te verlaten, en er mocht ook niemand bij haar komen. Daar al de vrouwen zeer verschrikt waren, werden zijne bevelen letterlijk opgevolgd behalve door ons, en om harentwil moest ik ook soms wel in het geheim tot haar gaan, om haar wat voedsel te brengen, (hij liet haar verhongeren) daar hij haar sloeg, wanneer hij er achter kwam. Onze meisjes lieten het zich geen tweemaal zeggen, om haar een ruim avondmaal voor te zetten, en vertroostten haar fluisterend met de hoop, dat zijn kano mocht omslaan en hij door een haai mocht opgegeten worden, toen een akelige kreet van de zijde van het strand ons allen deed verbleeken van schrik, en de naam van »Mungawquot; op ieders lippen was. Litsi vloog naar huis, in angst, dat hij haar uit mocht vinden. De dorpsbewoners grepen hunne geweren en liepen heen, om hunne jongens te beschermen en John en ik zonken in de studeerkamer op de knieën. Maar het bleek alles fopperij te zijn. De kano van de jongens was tusschen de klippen omgeslagen en hoewel zij zeer goed zwemmen konden, en niet in gevaar verkeerden, vonden zij er een genoegen in, om aldus hunne longen te oefenen, terwijl zij in het water rondplasten ....
Mungaw maakte den Nieuwjaarsdag tot een zeer treurigen dag voor ons. Toen wij aan het ontbijt zaten, verzamelden zich meer menschen op den Imrai en er viel eene hevige woordenwisseling voor. John ging tot hen met het plan, om de zaak grondig te onderzoeken, en ten laatste kwam het uit, dat Mungaw den vorigen dag naar de bewoners van het dorp Towleka was gegaan om te zeggen, dat de menschen uit Inahutshi hen op morgen wilden komen doodschieten, en toen wandelde hij bedaard naar Inahutshi en vertelde hetzelfde van de lieden van Towleka. Hij had het er op gezet, om oorlog te hebben; hij verlangde, om zijne eigene woorden te gebruiken, bloed te zien stroomen. Het verbranden van huizen, en hij had er verscheidene verbrand, was een te eentonig werk geworden en hij verlangde nu iets meer opwekkends. Hij beroemde zich er op, dat hij dit den vorigen avond gedaan had, zeggende, dat zoo zij al niet gezegd hadden, dat zij gingen vechten, zij het toch gemeend hadden, hetgeen nog erger was ; het was beter om het uit te vechten en dat het dan gedaan was ; waarom droegen zij anders ook geweren bij zich r Zij verloren hierdoor het geduld en vielen hein allen in de rede, zeggende, dat hij en hij alleen de oorzaak was, waarom men geweren bij zich droeg, daar hij overal rondliep met zijne wapenen en dreigde iedereen te vermoorden. Hij antwoordde daarop, dat zij, indien
2-2
337
BRIEVEN VAN ANIWA.
zij niet gingen vechten, flink partij moesten kiezen voor den godsdienst; hij hield er in het geheel niet van, de dingen ten halve te doen, noemde bij name de lieden op, waarvan hij wist, dat zij kleine verschillen met elkander hadden, en beval hen elkander de hand te geven en op de plaats zelve varkens tot zoenoffer te wisselen!
Toen John dacht, dat zij er genoeg van hadden, want Mungaw werd opgewonden door al zijn onzin, stelde hij voor, dat een hunner een gebed zou doen en dat zij daarna allen naar huis zouden gaan. Een kloek, bejaard opperhoofd stond nu op van onder een banyanboom, en met de hand wenkende met eene majesteit, die een Inboorling somtijds kan aannemen, deed hij een eenvoudig, ernstig gebed, en het volk ging bedaard uiteen. Maar Mungaw deed zijn best, om ze weer bijeen te vergaderen en stond er op, dat iedereen op de plaats bekeerd werd. Deze godsdienstige bui duurde zoowat veertien dagen, hetgeen zeer aangenaam was, daar het ons in staat stelde met open ramen en deuren te zitten, en frissche lucht en vrijheid te genieten.
Op een dag, toen hij buitengewoon overvloeiende van goedheid was, en een varken en allerlei eetwaren ten geschenke gegeven had aan dezelfde mannen, die hij eerst\'had zoeken te vermoorden, verkondigde hij in zijne aanspraak, dat het Duizendjarig rijk door zijne bemiddeling weldra op Aniwa zou aanbreken, en een onzer gemeenteleden zeide tot hem: »Ik geloof, Mungaw, dat de menschen ons beter zullen begrijpen, wanneer wij onze geweren verbranden en toonen, dat wij niet willen vechten, wat zij ook doen mogen: hier gaat het mijnelquot; En de daad bij het woord voegende, wierp hij zijn geweer in het vuur. Mungaw volgde onmiddellijk dit voorbeeld, en wierp ook zijn geweer met een sierlijken zwaai in de vlammen, tot groote verlichting van allen rondom hem, want hij was een veel minder verschrikkelijk persoon zonder het wapen, ofschoon hij zich-zelven nog steeds een groot koning waande. Hij zond iemand, om een zwart pak voor hem te vragen, en tevens de vergunning, die hij natuurlijk niet verkreeg, om op den volgenden Zondag de godsdienstoefening te mogen leiden.
John liet hem roepen en had lange gesprekken met hem, maar zag dat het van geen nut was; hij was krankzinnig en meende, dat iedereen ongelijk had behalve hij. Zijne voorname grief tegen John was, dat hij de gelden van de collecte, die aan het einde van de godsdienstoefening gehouden werd, voor zich hield (hij hield vol, dat zij in zijn eigen zak gingen) en ze niet met hem deelde, ofschoon hij hem nog wel hielp met spreken.
Hij vergat nooit de tooneelen, die hij in dat hol der ongerechtigheid te Melbourne gezien had, waarin eenige ellendelingen hem voerden, onder voorwendsel van hem eene vriendelijkheid te bewijzen, toen John door mijne plotselinge ziekte niet in staat was, hem naar huis te brengen. Het verontrustte zijn toen onnoozelen geest, hoe in een land, dat door het licht des Evangelies beschenen wordt, zulke zaken konden opgericht worden met het bepaald doel, om het kwaad uit te breiden. Ik denk, dat naar hun licht, let wel, ik zeg naar hun licht, ons zwarte christendom boven dat der Blanken staat. De Inboorlingen zeiden dikwijls: »Hoe komt het toch, Missi, dat hij zoo goed en krachtig was voor den godsdienst, vóór dat hij naar uw goede land ging, en niets anders dan een plaag is geweest, nadat hij terug kwam?quot; John onthief natuurlijk het »goede landquot; van alle blaam, er bijvoegende, dat hij er voor zorgen zou, dat geen ander hunner de kans liep, om zijn verstand te verliezen door een uitstapje naar Australië] Zij vervolgen dan hunne redeneering niet.
338
339
daar zij allen verlangend zijn, daar eens heen te gaan, en zeggen dat zij wel lust hebben de kans te wagen.
Het was een zegen, dat de Inboorlingen zoo vriendelijk waren en o, hoe ondervonden wij dat God »Zijn ruwen wind spaart in den dag van Zijn oostenwindquot;; want behalve de onaangenaamheid met Mungaw, hadden wij met geene andere ernstige zorgen te kampen, en de Heer deed ons gevoelen, gelijk ik het ten minste nooit te voren zoo duidelijk gevoeld had, dat het werk geheel het Zijne was. Het scheen zoo wonderlijk, dat, nadat wij hierheen waren gekomen met opoffering van gezondheid en familiebanden, om aan dit werk al onze krachten te wijden, het door één persoon zoo verhinderd zou worden; want dikwijls hadden maar acht of tien menschen den moed, om de school te bezoeken, terwijl wij er evengoed vijftig hadden kunnen onderwijzen. Maar wij konden de zaak met vol vertrouwen aan den Heer overlaten, wetende, dat al wat wij te doen hadden, was het werk te verrichten, dat Hij ons iederen dag te doen gaf. Wat geeft het een gerust gevoel, als men zich een werktuig weet in de hand des Heeren!. ...
Litsi was het meest in gevaar, daar haar huis een weinig lager dan het onze stond; en ik was pas den vorigen morgen om drie uur gewekt, om haar bij te staan. John had er zeer veel op tegen, dat ik in de tegenwoordige omstandigheden tot haar zou gaan, en ik zou mij bijna tevreden gesteld hebben met haar een en ander toe te zenden, maar ik kon toch niet besluiten, haar alleen te laten met haar krankzinnigen echtgenoot, die nog altijd ten strengste geweigerd had, iemand tot haar toe te laten; ik kleedde mij dus haastig, wekte den kok om een ketel water te koken en nam eene van mijne meisjes mede met eene lamp. Wij vonden tot mijne groote vreugde, dat het kind reeds geboren was, en Mungaw was zoo verheugd weder een zoon te hebben, dat hij geneigd was tamelijk vriendelijk te zijn. Ik deed mijn voordeel met zijne stemming, daar ik alleen door hem Litsi kon bereiken; ik prees hem, dat hij zulk een knap doctor was en raadde hem aan, haar in huis te brengen buiten de ruwe, koude nachtlucht, ook bood ik hem den dienst aan van mijn meisje, om een vuur aan te maken, hetgeen hij zich genadig verwaardigde aan te nemen? Toen ik terug kwam met wat thee en eenige dingen voor het kind, zag het er bij hen veel aangenamer uit; Litsi zat in huis bij een helder vuurtje met de lamp naast zich. Haar aanradende te gaan liggen, keerde ik naar huis terug, en ging even zien, hoe mijne andere zieke het maakte, want de arme Yawaci was op haar eigen verzoek in stervenden toestand tot ons gebracht. . . .
Dien ganschen dag werd doorgebracht met van de eene zieke naar de andere te loopen. Bij Litsi deden zich gevaarlijke verschijnselen voor. Mungaw werd vreeselijk opgewonden, omdat verscheidene vrouwen haar kwamen zien en stond met een geladen geweer tegenover haar, (hij had er een gestolen, daar de godsdienstige bui niet lang geduurd had) en vraagde mij of zijn woord als Opperhoofd gehoorzaamd moest worden of niet. Ik ondersteunde zijne woorden, daar de vrouwen haar geen goed deden, en deed haar zich tot op een kleinen afstand verwijderen, waar zij bij de hand waren, indien men haar noodig mocht hebben, en door hem met onderscheiding te behandelen, kreeg ik de vergunning om bij hem in en uit te loopen met eten, enz. Hij schreef hare ongesteldheid aan de eene of andere dwaasheid toe, en hield vol, dat zij tegen zonsondergang beter zou zijn. Intusschen werd de tijd verbeuzeld, en wij hadden zooveel angstige gedachten. Was het recht, dat haar leven opgeofferd werd aan de gril van een krankzinnige? Was het recht hem zijn
BRIEVEN VAN ANIWA.
zin te geven, en in hoeverre was het recht, om zijn ongenoegen te vreezen? Wij brachten het alles voor onzen altijd tegenwoordigen Raadgever, en daarna besloot John, om, als ik haar niet beter vond, zelf tot haar te gaan, wat er ook het gevolg van mocht wezen.
Op mijn weg ontmoette ik Mungaw, die met de ledige schaaltjes mij aan de deur tegenkwam; hij zeide zeer nederig, dat hij ongelijk had gehad in zijne veronderstelling, en zeer gaarne zou hebben, dat de Missi tané (Missi, de man) haar kwam zien, want hij wist niet wat hij doen moest. John bracht alles spoedig in orde, zeide hem, dat er geene reden tot ongerustheid was, gaf aanwijzingen omtrent een paar dingen, die verzuimd waren, en schreef pappen voor. Zij had geene instortingen meer, en hij scheen werkelijk dankbaar, toen hij den volgenden morgen, omdat ik niet vroeg tot haar kon gaan van wege den vloed, haar ontbijt kwam halen.
De arme Yawaci was nu onze voornaamste zorg. Het scheen vreemd, dat Litsi, die zoo naar den dood verlangde, eene zoodanige slechte behandeling overleven kon, want ik kan het vijftigste gedeelte van de wreedheid, waarmede hij haar behandelde, niet beschrijven. Eén voorbeeld moge genoeg zijn. Wij misten hem op een Zondag uit de kerk en bevonden, dat hij den tijd had doorgebracht met het benedengedeelte van haar gelaat te villen, en met kleine stukjes vleesch uit de geheele breedte van de hals van den eenen schouder tot den anderen te knijpen, terwijl hij haar met de knots dreigde, indien zij durfde te schreeuwen. Gij zult u verwonderen, dat de Inboorlingen er niet tusschenbeide kwamen. Wij begonnen alle geduld met hen te verliezen. Ik herinner mij, dat de heer Inglis eens zeide: »Om te weten, hoeveel wij aan het christendom verschuldigd zijn, hebben wij noodig twintig jaar op de eilanden te leven,quot; en hoe ik toen dacht, dat zij, die dit niet in minder dan zes maanden uitvonden, vrij dom waren! Ik heb echter zelve twintig jaar op Aniwa moeten doorbrengen, om te begrijpen van hoeveel nut krankzinnigengestichten zijn, en ook om te leeren hoe uitsluitend men hier iemands vrouw als zijn bijzonder eigendom beschouwt — dat is, dat het den man vrij staat, om met haar te handelen naar zijn goeddunken. Men zou er hier evenmin aan denken, om aanmerking te maken op iemands handelingen tegenover zijne vrouw, als wij in de beschaafde wereld zouden doen, indien iemand zijn vloerkleed wilde verbranden of zijne pendule stuk gooien. Zij begonnen te glimlachen, toen John hen vraagde, haar te beschermen, en zeiden; »Maar, Missi, het is zijne eigene vrouw!quot; Natuurlijk waren zij zeer boos op hem, daar Litsi de algemeene lieveling was, maar zij konden niet goed inzien, hoe zij recht konden hebben, om tusschenbeide te treden.
Yawaci\'s ademhaling was iets gemakkelijker en om acht uur, nadat wij alles gereed gezet hadden, wat zij voor den nacht kon noodig hebben, waren wij zeer dankbaar, haar voor het eerst rustig te zien nederliggen, en wij hoopten van harte, dat dit het begin van haar herstel zou zijn. Zij riep de meisjes rondom zich en verzocht haar te zingen en nadat zij de vertaling van : »Nader, mijn God, tot u !quot; waren begonnen te zingen, verliet ik haar en ging naar bed, daar ik geheel uitgeput was. Midden in den nacht klopte haar man aan het raam van ons slaapvertrek, zeggende, dat zij stervende was. John sprong op en ging tot haar, sprak een kort gebed uit, maar haar geest ontsnapte, vóór hij gedaan had met spreken, en zij werd op Zondag, 3 Februari, vóór kerktijd onder welgemeende weeklachten begraven. Wij waren ook zeer bedroefd over haar verlies, want zij was gedurende tien jaren eene trouwe, aan ons gehechte
340
341
dienstbode — of liever dochter — voor ons geweest, een lief meisje van acht of negen jaar, toen zij bij ons kwam, dat wij ieder jaar meer gingen liefhebben. Zij had een goed hart, en ik zal nooit hare trouwe zorg voor ons vergeten in den tijd, toen wij beiden ziek lagen en onze jongste lieveling stierf. Aan haar vertrouwde ik het toe, om het kleine lichaam in de laatste rustplaats te leggen, daar ik zelve te zwak was, om mij te bewegen. Het was treurig om aan te zien, hoe hare vrienden gedurende de volgende dagen met roode en gezwollen oogen rondliepen. Weken daarna, toen ik haar portret aan eene van de vrouwen, die bij mij zaten te naaien, in handen gaf, boog deze zich al meer over het portret, tot zij ten laatste in snikken uitbrak; en toen de eene na de andere het ter hand nam, was er bijna geen oog zonder tranen, zoo algemeen werd zij bemind. Gij hebt allen hetzelfde portret, een zeer goed, dat in Melbourne gemaakt is. Dat van Mungaw was niet zoo goed — ten minste in zijne gezonde dagen zag hij er beter uit; maar het is prachtig vergeleken bij zijn uitzicht in de laatste maanden van zijn leven; toen zag hij er uit als een geest en had steeds zulk een wilden blik.
Hoe gaarne zou ik het treurig einde van den armen man overslaan, maar ik moet mij haasten met mijn verhaal voort te gaan, daar gij waarschijnlijk even verlangend zijt van dit onderwerp af te stappen als ik. De laatste openlijke mishandeling van zijne vrouw was, toen haar kindje drie weken oud was. Hij was dien morgen in zeer opgewonden stemming, wierp zijne kleederen weg, beschilderde zich (hij voorzag zich van kogeltjes blauwsel uit ons waschhuis!) en greep zijn geweer, zeggende, dat hij voor zijne terugkomst iemand dood zou schieten. Het gerucht verspreidde zich en John kwam bij mij in mijne naaikamer, om de vrouwen te waarschuwen ; maar hij kwam spoedig terug, en ik liet de school uitgaan, daar ik gaarne de kinderen veilig thuis zag (John wilde zijn gewone werk niet opgeven, maar hij had altijd eenige Inboorlingen om zich heen) en ik liet deuren en vensters sluiten. Zij waren nauwelijks vertrokken, toen er vervaarlijke kreten uit zijn huis weerklonken, en ik heen vloog om onze koks te smeeken, Litsi te beschermen. Juist op dit oogenblik schoot John mij voorbij, terwijl hij mij toeriep, dat ik hem niet moest verhinderen, daar hij het niet kon aanhooren, dat het arme meisje vermoord werd. Onze jongens liepen met hem mede, en zij ontmoetten Litsi, die uit haar huis vluchtte, met bloed bedekt, dat uit haar achterhoofd stroomde. John greep haar juist, toen zij voorover viel in eene bezwijming, en eene vrouw greep haar kindje; zij werden naar den Imrai gebracht, waar John haar hoofd verbond en haar met brandewijn en water weer tot bewustzijn bracht. Ik zond haar schoone kleederen, daar John niet wilde, dat ik haar zag, voor zij verbonden en bijgebracht was, waarop ik volgde met wat eten voor haar. Haar kwelgeest kwam ook, maar John zag hem aan met een blik, die hem spoedig in het bosch deed verdwijnen. Hij verscheen ongeveer een half uur daarna weder met de uiterste koelbloedigheid in een net, schoon hemd gekleed, en liep recht op ons erf aan, waar hij een twintigtal mannen ging helpen een reusachtig blok hout te dragen, dat John hen gevraagd had te brengen, ik weet niet meer voor welk doel. Gedurende de namiddagschool zat hij Litsi aan te kijken en van de tegenovergestelde zijde van den Imrai toe te knikken, terwijl hij met de voorbijgangers een rustig praatje hield, alsof hij niets kwaads gedaan had.
De arme Litsi zat tegen de omheining van de kerk geleund, te zwak om iets op te merken, maar zij dacht daar veiliger te zijn, toen John in de school wezen moest. Hij zeide tot de Inboorlingen, dat zij niet langer
BRIEVEN VAN ANIWA.
aan de barmhartigheid van haar echtgenoot moest worden overgelaten, maar dat zij haar moesten brengen naar een hunner verst verwijderde dorpen en haar desnoods .met hunne geweren verdedigen. Ons huis was te nabij; en behalve dat, indien hij het in brand stak, zou dit eenvoudig onzen dood ten gevolge hebben; ons voedsel bevond zich daarin, en daar wij geen van allen bijzonder sterk waren, konden wij niet leven van wortels en bladeren gelijk de Inboorlingen, terwijl een hunner huizen in weinige dagen weder opgebouwd was. Hij zeide ook, dat hij geene wapenen kon gebruiken, zijn werk was onderwijzen, het hunne om elkander te beveiligen, indien het noodig was. Zij erkenden allen de waarheid zijner woorden, en waren het van harte met hem eens, maar de een na den ander ging daarop heen, en Litsi was te trotsch om bescherming van hen te vragen.
Toen wij hoorden, dat zij slechts met een paar vrouwen was achtergebleven, gevoelden wij beiden, dat het onze plicht was haar te beschermen, zonder ons om de gevolgen te bekommeren, en gingen naar buiten om haar te halen, maar het arme schaap was met hare beide kinderen gevlucht, om zich gedurende den nacht in eene plantage te verbergen, waar twee of drie vrouwen haar gezelschap hielden.
Te midden van haar eigen gevaar, dacht zij nog aan ons, en zond een boodschapper, om ons te doen weten, dat Mungaw zeker ons huis in dien nacht zou in brand steken, indien hij daartoe in de gelegenheid was. Wij namen daarom eenige noodzakelijke dingen, een pot meel, hop voor gist, wat kleederen, enz., om die naar de drukkerij te brengen, die met haar dak van zink niet zoo gemakkelijk verbranden kon; maar toen onze Aneityumeesche onderwijzer, terwijl het donker was, kwam, om het stil weg te brengen, begeleidde Mungaw hem tot aan de deur. Wij moesten er om lachen. Het was niet noodig met zulk een waakzaam spion, die al onze bewegingen gadesloeg. Maar wij werden door dit alles weer opnieuw er aan herinnerd, dat er een Ander was, die over ons waakte.
Het begon te regenen bij stroomen, gelijk het zoo dikwijls deed, wanneer er groot gevaar was, en ik zond daarom dekens, warme thee en eenige andere dingen aan de vluchtelingen, langs een omweg en met orders om het naar eene andere zieke te brengen, als Mungaw hen soms ontmoeten mocht. Onze meisjes belastten zich gaarne hiermede, en de arme Litsi had het dus tamelijk goed voor dien nacht, daar er eene oude verlaten hut in de plantage was, waarin zij eene schuilplaats vond. Den volgenden morgen fluisterde hare nicht mij in, dat twee mannen haar veilig naar Towleka, een dorp op een uur afstands, hadden gebracht, en dat Mungaw volstrekt niet wist waar zij was, maar veronderstelde, dat zij zich bij ons ophield, en hij had den vorigen avond iemand gezonden met de boodschap, dat hij haar dooden zou, indien zij ergens anders heenging.
Hij werd woedend, toen hij haar in den namiddag niet vond, en sprong nadat hij een paar regels geschreven had (hij was de school komen bijwonen) op, om haar te gaan zoeken, met knots en werpsteen gewapend, en beginnende met de meest nabijzijnde dorpen, en hij verschrikte eene kleine ineengedrongen Xantippe, die haar eigen echtgenoot voortdurend onder de pantoffel had, bijna tot den dood. Het was allergrappigst om haar voor eenmaal eens ontzag te zien hebben I Zijne woede werd heviger, nu hij er niet in slaagde zijn doel te bereiken, en, na den schooltijd terugkeerende, deelde hij aan de jongens op een toon van onderdrukte woede mede, dat hij nu naar Towleka ging, om Litsi te dooden, indien
342
343
hij haar daar vond. Een hunner vloog door het bosch, om haar van zijne nadering te onderrichten en John en ik gingen naar het studeervertrek, om haar Gode aan te bevelen. Ik geloof, dat ik zelve krankzinnig zou geworden zijn, indien ik in dezen treurigen tijd niet tot God mijne toevlucht had kunnen nemen!
Wij hoorden, nadat wij ons ter ruste begeven hadcten, het klagend geschrei van een kind, en merkten, dat hij, daar hij de moeder niet krijgen kon (want de Inboorlingen wilden hem toch niet toelaten haar te vermoorden, ofschoon hij haar bij de haren uit het huis had gesleept) haar het kleine kind ontrukt had, wetende, dat zij het tot eiken prijs zou volgen. Het was vreeselijk moeielijk, om John in huis te houden, maar ik voelde dat zijn heengaan niet het minste nut zou hebben. Wij hoorden andere stemmen er zich in mengen, en toen het geschreeuw ophield, wisten wij, dat Litsi gekomen was. Te middernacht deed een doodsge-schrei in Litsi\'s stem ons denken, dat hij het kindje vermoord had. Het duurde zoowat drie uur, en steeg tot een bepaalden wanhoopskreet, voordat het ophield. Bij onderzoek in den vroegen morgenstond, waarop wij angstig wachtten, bleek het, dat hij hare armen en beenen op de meest barbaarsche wijze had vastgebonden, en haar alleen losgemaakt had, toen twee of drie Inboorlingen haar te hulp kwamen. Zij deden het met gevaar van hun leven, en allen waarschuwden ons dien morgen niet in zijn huis te gaan, daar hij razend was, en niet zou aarzelen ieder, die hem nabij kwam, te dooden.
Wij gevoelden juist, dat de arme Litsi meer recht op onze sympathie had, naarmate niemand anders tot haar wilde gaan. Zij hielden vol, dat zij dood was en het kind ook, omdat er zulk eene stilte over de geheele plaats verspreid was. John wilde mij niet alleen laten gaan en ik hem niet, zoo beslechtten wij de zaak door samen te gaan en namen een ruim ontbijt met ons als verontschuldiging wègens ons indringen in de afzondering van zijne Hoogheid, terwijl de Inboorlingen ons met verlangende blikken nazagen; maar niemand bood aan, ons naar het hol van den leeuw te vergezellen. Ik beefde hevig, ofschoon ik gevoelde, dat de Heer met ons was, en ik gevoelde eene soort van verademing, toen wij het huis verlaten vonden; maar John riep Litsi verscheidene malen overluid, en ten laatste kwam zij met wankelende schreden uit eene hut aan de overzijde, die door den bewoner verlaten was, toen Mungaw krankzinnig was geworden. Zij beefde van pijn en zwakte, en toen wij binnen wilden treden, keek zij angstig om en zeide: sDoe dat liever niet, Missi.quot; Wij spraken haar eenige woorden van opbeuring toe op de plaats, waar wij stonden, en verzekerden haar wederom, dat ons huis voor haar openstond, nacht of dag, wanneer zij maar eene schuilplaats behoefde.
Sommige gemeenteleden kwamen vragen, wat er toch met hem gedaan moest worden. Binden zou hem slechts des te erger maken; opsluiten of doodschieten waren de eenige middelen, die overbleven. Moesten zij hem doodschieten ? John wilde hiervan natuurlijk niet hooren, en zij vraagden of er geen geneesmiddel was tegen krankzinnigheid! Een goed vriend nam hem mede naar zijn dorp, waar zij een lang gesprek hadden en hem waarschuwden voor de gevolgen van zijn gedrag. Toen hij heenging, liep ik spoedig naar Litsi, om dien tijd bij haar door te brengen. Wij vreesden, dat zij onder hare beproevingen zou bezwijken, en wenschten, dat zij toegang mocht hebben tot de rijke vertroostingen, waarmede wij iederen dag ondersteund werden in de oogenblikken, die wij dagelijks met het lezen van den Bijbel en andere boeken doorbrachten. Het scheen alsof de woorden juist geschreven waren, om ons in onze tegenwoordige om-
344 URIEVEN VAN ANIWA.
standigheden troost te geven. Ik las voor mijzelve \'s morgens in de Psalmen, en nooit voelde ik ze zoo voor mij geschikt. Zelfs die Psalmen, waarvan ik vroeger dacht, dat David ze in eene zwaarmoedige stemming geschreven had, hadden nu de diepste beteekenis en den besten troost voor mij, en geliefkoosde teksten waren mij dierbaarder dan ooit. Ik had nooit te voren opgemerkt, dat de woorden »Leid mij tot de rots, die hooger is dan ikquot; voorafgegaan worden door »Van het einde der aarde zal ik tot u roepen,quot; — hoe toepasselijk op ons! John en ik hebben dikwijls tot elkander gezegd, dat wij naar de Zuidzee hebben moeten komen, om sommige gedeelten van den Bijbel te leeren verstaan. En ik zie, dat Bowen in zijne »Daily Meditationsquot; hetzelfde zegt over Indië, waar hij als zendeling zoo getrouw arbeidde. Wij hebben nog een kostelijk boek, dat voorgelezen wordt, en waarvan wij naast den Bijbel het meest genieten ; het is Boardman\'s »In the power of the Spiritquot; (In de kracht des Geestes) dat ons gegeven werd, vóór wij Australië verlieten.
Hoe wenschten wij, dat onze arme Litsi in al deze voorrechten kon deelen, en hoe verlangden wij te weten, of haar geloof haar niet geheel verlaten had, hoewel haar geest zeer onderworpen was. Toen ik tot haar zeide, dat, hoe moeielijk het ook voor haar zijn mocht, om het te gelooven, haar Zaligmaker voortdurend over haar waakte en niet zou toelaten, dat haar ééne beproeving meer trof dan zij kon verdragen, en dat het haar troost zou geven, om al hare nooden tot Hem te brengen, antwoordde zij: »Ik weet het, Missi; ik spreek niet anders dan in het gebed nu, want ik heb niemand anders tot wien ik spreken kan, en ik zou krankzinnig geworden zijn, indien ik het niet alles aan mijn Heiland had kunnen vertellen. Ik vertel Hem alles en ik weet, dat het alles goed is, zelfs indien Mungaw mij zou dooden, want hij kan mij geen kwaad meer doen over het graf.quot; Ik zeide haar, dat er geen enkelen avond omging, waarin wij onze gebeden niet voor haar opzonden, en zij sprak daarop: »Deze gebeden zijn verhoord geworden; want hij heeft mij willen dooden en uw huis willen verbranden, en had dit plan zeer gemakkelijk ten uitvoer kunnen brengen, indien God het niet verhoed had.quot;
Ik vergat nog te zeggen, dat de eenige reden, waarom hij haar toen zulk eene diepe wonde aan het hoofd had toegebracht, was haar zeggen »o, doe dat niet!quot; toen hij zich gereed maakte, om het fraaie, nieuwe huis, dat hij bijna voltooid had, te verbranden. Zij leerde daardoor hem nimmer tegen te spreken, zelfs al deed hij de dwaaste voorstellen. De volgende maal, toen hij plan had het huis van een buurman te verbranden, zeide hij haar dit met een duivelschen grijnslach (hij had zulk een lieven glimlach in zijne verstandige dagen) en zij antwoordde daarop eenvoudig: »Zoo! gaat gij dat doen?quot; en sloop stil weg, om alle dingen van waarde uit de woning te verwijderen, daar de bewoners zich voor een paar weken op een eenzaam klein eiland, dicht bij het onze gelegen, bevonden, waar de Inboorlingen dikwijls heengaan, als zij een uitstapje willen maken of om te gaan visschen. Natuurlijk spraken zij er niet over bij hunne terugkomst; niemand op het eiland v/as tegen hem opgewassen, en hij werd daardoor des te meer vermetel, liet zijne aandacht meer over het geheele publiek gaan, en verdeelde zijne gunstbewijzen vrij wel over het geheele eiland. Hij plunderde beurtelings al de plantages, en schoot al de varkens dood, die in zijn weg kwamen, terwijl hij Litsi een deel van den buit bracht; maar zij scheen plotseling een krachtiger geest te bezitten dan ieder ander, weigerde bepaald een stuk van het gestolen voedsel aan te raken, en bracht haar oudste zoontje naar het verst verwijderde dorp, aan de menschen daar verzoekende, hem eene poos te houden.
BRIEVEN VAN ANIWA.
daar hij te jong was, om te weigeren het gestolene aan te nemen. Zij kwam mij toen verzoeken, om eene dosis vergif; hetgeen wij gebruikten om de ratten te dooden, zou wel goed zijn, meende zij, daar hij te slecht was om te leven en een oordeel over het gansche eiland zou brengen. Zij had daartoe goede gelegenheid gedurende den avond, nu hij in een diepen slaap was gevallen, (het was voor het eerst in verscheidene weken, dat men wist dat hij geslapen had) en zij had groot verlangen hem het leven te benemen, maar was bang, dat God het niet goed zou vinden.
Ik versterkte hare vrees omtrent dit laatste, en raadde haar aan nog een weinig geduld te hebben, daar Missi de boot liet herstellen, om naar Tanna te gaan, en het wel bekend was, dat Mungaw daarheen ook wenschte te vertrekken, om er eene poos te blijven. Dit was de laatste hoop van het gansche eiland, en allen zagen gaarne aan de boot werken, niemand echter liever dan ik, die daar nog eene bijzondere reden voor had, namelijk dat het John gedurende den geheelen dag op veiligen afstand van huis hield, want ofschoon hij mij altijd met eene lijfwacht verliet, was hij voor zichzelven niet zoo zorgvuldig. Ik moet zeggen, dat de Inboorlingen echter zeer zorgzaam voor hem waren; zij wilden hem niet meer des nachts laten rondgaan, om ons huis te bewaken. Zij smeekten hem wapenen te dragen, maar dat wilde hij natuurlijk niet doen. Hij en onze Aneityumeesche onderwijzer waren de eenige personen, die geen wapen, van welken aard ook, wilden dragen, of hem in iets toegaven, wanneer het hun plicht was, zich moedig tegenover hem te stellen, en zij beiden waren ook de eenige menschen, waarvoor Mungaw nog eenigszins vreesde; maar hij zwierf altijd rondom ons erf, met welke bedoeling was hemzelven zeker het best bekend. Wanneer hij zich op den een of anderen zwerftocht begaf, was het eene verademing, deuren en vensters te kunnen openwerpen, om frissche lucht in te ademen; maar soms kwam hij met de snelheid van een renpaard terugloopen. Ik viel dikwijls bijna flauw van schrik en F.\'s lipjes verbleekten, wanneer hij plotseling verscheen. Zelfs kleine J. begon te lispelen; »Ik bang voor Mungaw!quot;
De eenige maal, waarop ik blijde was hem te zien, was, toen ik hem John\'s voetstappen, dichter dan mij lief was, had zien volgen. Ik zag hem onder de veranda vóór het huis na, toen hij naar de boot ging; de twee jongens liepen een weinigje voor hem uit, toen Mungaw plotseling vlak achter hem verscheen met de bijl in de hand. Ik kon hem een heel eind gadeslaan en wanneer John stil stond, om een kruid of boom te bezien, stond Mungaw ook stil, terwijl hij altijd recht achter hem bleef. Het too-nèel van den moord van de Gordons verscheen als een visioen vóór mij, en ik was als buiten mijzelve. Ik wist, dat John en de jongens op hunne hoede waren, en dat er vele Inboorlingen in de nabijheid waren, maar een slag kon zoo gemakkelijk toegebracht worden! Ik ging naar binnen en bad tot God, en daarna vertelde ik het aan onzen Aneityumeeschen onderwijzer (wij toonen zoo weinig mogelijk vrees tegenover de Inboorlingen) opdat hij naar John mocht gaan, indien hij dacht, dat er werkelijk gevaar was. Hij zag angstig op en ondervroeg mij nauwkeurig, maar ging bedaard met zijn werk voort, en ik trachtte zijn voorbeeld te volgen; maar mijne voeten wilden mij telkens naar de veranda terug voeren, totdat de welkome verschijning van dien gewoonlijk gevreesden persoon, de bijl in de lucht werpende en die bij het handvat weer opvangende, alle vrees verdreef, want ik wist, dat hij, indien hij iets kwaads gedaan had, zich zoo spoedig mogelijk zou verborgen hebben.
Zijne laatste dagen werden doorgebracht met het uittrekken van de banana\'s en het suikerriet van zijne naburen, waarbij hij vernielde, wat
345
BRIEVEN VAN ANIWA.
hij niet kon verslinden. Hij nam de dekens en de kisten van de jongens weg, en wandelde bedaard heen met den spiegel uit het huis van de meisjes. Op den Zondagmorgen vóór hij doodgeschoten werd, keerde hij nog al de kisten van de meisjes om, toen wij aan het ontbijten waren, en liep trotsch onze voorveranda op en neer. Wij hadden juist onze eigene morgengodsdienstoefening geëindigd, en John ging zich een oogenblikje afzonderen in zijn studeervertrek, toen wij de kerkklok vreeselijk hoorden luiden, een vol uur voor den tijd! De Inboorlingen, die daar reeds vergaderd waren, stonden elkander in verbazing aan te zien, anderen kwamen aansnellen, meenende, dat zij te laat waren, en de gewone klokluider kwam hijgend aanloopen, om te zien, waarom het werk zoo zonder plichtplegingen hem uit de hand genomen werd! Hoe meer zij Mungaw verzochten het te laten, hoe harder hij trok, totdat John naar buiten kwam en hem beval terstond stil te houden, hetgeen hij deed.
Hij hinderde ons geen Zondag meer, de arme man, maar hij verschrikte mij twee of driemaal vreeselijk gedurende de week, die volgde, eens toen hij mij plotseling verraste, terwijl ik op eene hooge kist was geklommen, om het houtwerk van het huis te oliën. Op den volgenden Zaterdagmorgen, toen wij in den tuin waren, kwam Litsi de omheining binnen en ik liep haar tegemoet. Zij zeide: sgt;Wanneer zal de boot gereed zijn, Missi?quot; Ik zeide haar, dat er nog maar een weinig aan geschilderd moest worden, en dat zij den volgenden Maandag zou uitzeilen; zij zou dus nog maar twee dagen geduld moeten hebben. Zij sprong op en klapte in de handen, zeggende: »Mijn hart zingt, want hij zal zeker gaan!quot;
Maar dienzelfden avond, toen wij nog laat aan de thee zaten, vroolijker dan anders gestemd, en gevoelende, dat er uitkomst nabij was (hoewel niet in den weg, waarin wij die verwachtten) want de Dayspring zou op Maandag van Sydney vertrekken en dus iederen dag naderbij komen, hoorden wij een doodelijk schot vlak in onze nabijheid afgaan! Wij hadden dikwijls luider en zelfs meer nabij ons schoten gehoord, wanneer zij vossen of vogels schoten, hetgeen ons lachend deed opspringen; maar hier was iets in, dat ons allen gelijktijdig van onze zitplaats deed opspringen en met ontzag- vervulde. John zeide: sJemand is daar getroffen. Hetzij Mungaw of iemand door zijne hand.quot; Nauwelijks had hij de woorden geuit of een bittere doodskreet in Litsi\'s stem bevestigde onze vrees. Onze meisjes kwamen uit de badkamer naar binnen vliegen, waar zij baden hadden gevuld en alles voor den Zondag gereed maakten, en zeiden; »Dat is Mungaw, Missi, want de menschen van Inahutshi hebben ons gezegd, dat wij niet moesten schrikken, als wij na donker een schot hoorden, want dat dit het doodschieten van Mungaw zou zijn.quot;
Het was alles vooraf bepaald en wij wisten er niets van. John zeide: »Dan moet ik spoedig gaan zien, of ik iets voor den armen man kan doen,quot; en weg was hij; maar een tweede schot deed mij hem smeeken, om terug te komen, tot wij zeker wisten, wat er van de zaak was, daar hij in den donker kon doodgeschoten worden, zonder dat iemand er schuld aan had, en F. besliste de zaak door met een zwak stemmetje te zeggen: »Papa, wilt gij hier blijven en op ons passen?quot; Zijn vader sloeg den arm om hem heen, en zeide: »Ja, mijn jongen, ik zal de kamer niet weer verlaten,quot;
Twee of drie Inboorlingen kwamen ons vertellen, dat Mungaw doodgeschoten was en dat het nu onnoodig was, dat John er heen ging. Hij deed een gebed, en o, hoe bloedde ons hart voor den armen man! Nu zijn treurig einde gekomen was, konden wij slechts aan hem denken, gelijk hij vroeger was, zooals b. v. toen wij hem op een avond, jaren
346
BRIEVEN VAN ANIWA.
geleden, kalm en stil zagen staan, terwijl drie woedende mannen met hunne geweren op hem wezen, omdat hij eenige heidensche plechtigheden in de war bracht, en hem hoorden zeggen, dat hij niet wilde vechten, en dat het ergste, wat zij. hem konden aandoen, hem juist naar den hemel zou doen gaan. Of op een anderen tijd, toen hij zelf nog maar een jongen was en toch de andere jongens smeekte, niet in het voetspoor hunner vaderen te treden, maar bepaald voor den Heer Jezus uit te komen. Ook herdachten wij nog den tijd, toen hij John\'s rechterhand was, en zijn leven wel voor hem zou hebben willen geven. Zijne twee beste vrienden, die kwamen vragen of zij hem terstond wilden begraven, bogen het hoofd en snikten luid, ofschoon zij even als alle menschen op Aniwa naar zijn dood hadden verlangd. Het was een treurige, treurige nacht; de haastige, middernachtelijke begrafenis, de onderdrukte opgewondenheid, de vrees en de onzekerheid omtrent de werkelijke moordenaars en wat er nu zou gebeuren, en ten laatste de gedachte aan die jonge en eens edele figuur in den bloei zijner jaren afgesneden?
Hij had juist ons erf verlaten en was naar huis gegaan, om het avondeten te gebruiken en daarna met Litsi godsdienstoefening (!) te houden, waarna zij hem aanraadde, nu niet naar buiten te gaan, daar twee of drie mannen reeds drie nachten op wacht stonden, om hem te kunnen treffen. Hij liep den dood in den mond, daar hij naar buiten wilde gaan, terwijl hij tot Litsi zeide: »Ga met mij.quot; Zij ging het eerst de deur uit, en dacht dat zij een man zag staan, maar in het volgend oogenblik werd beider aandacht plotseling getroffen door een meteoor in zijn loop en terwijl zij daarnaar keken, ging het geweer af en ging door Mungaws lichaam van den eenen arm tot den anderen. Hij viel bij zijn eigen deur neder, roepende; »Awai!quot; (Helaas!) en stierf onmiddellijk, terwijl de moordenaars ontsnapten, en het andere geweer in de lucht afschoten.....
Gij kunt er zeker van zijn, na deze moeielijke tijden en na gedurende zeven maanden niets van onze afwezige geliefden vernomen te hebben, waren wij zeer verheugd, om onze goede, oude Dayspring wederom te verwelkomen. Maar vreemd als het moge schijnen, dit is altijd onze moeielijkste tijd, want al de angst van de vervlogene maanden, schijnt zich op een te hoopen in de foltering der onzekerheid, van den tijd dat hare zeilen in het gezicht zijn, totdat wij de vurig begeerde brieven hebben geopend en gezien, dat alles wel is. Zij kwam te Aniwa op den 24\' quot; April aan, juist twee dagen later dan wij verwacht hadden, haar te zullen zien. Het eerste bericht van hare nadering kwam, toen wij om drie uur in de kerk verzameld waren voor den bidstond; en ik vrees, dat de dienst niet de gewone aantrekkelijkheid voor mij had! Hoe John bedaard met zijne toespraak kon voortgaan te midden der opgewondenheid was mij een raadsel; want ik zag hem ontstellen en wij wisselden een ernstigen blik met elkander, toen het welbekende geroep ons oor bereikte, en daarna kwamen twee Inboorlingen met vroolijk gelaat binnen stormen, en wierpen beteekenisvolle blikken in het rond.
De godsdienstoefening liep eindelijk ten einde; en toen kwam ieders tong los. Het was ongetwijfeld de Dayspring, maar zou er wind genoeg zijn, om haar dien dag nog binnen te doen komen. Ik sprak met den herder, die de geiten ging halen, af, dat hij nog eenmaal zou roepen, indien het schip zeer dicht bij was en spoedig riepen een dozijn stemmen zijn antwoord na. Ik liep heen, om orders te geven voor allerlei toebereidselen, die gemaakt moesten worden, maar geen mijner meisjes was te vinden, daar zij allen den heuvel opgeloopen waren, om voor zich zelve te zien; en toen zij terug kwamen, waren zij zoo dol van vroolijke
347
348
opgewondenheid, dat zij, in plaats van hare gewone eerbiedige houding aan te nemen, een paar maal hals over kop over de veranda duikelden, eer zij er toe konden besluiten, om aan het werk te gaan, en er waren zulk eene menigte kleinigheden te doen! . ..
Wij waren zulk een gelukkig gezelschap rondom de theetafel; want het was zoo heerlijk, nadat wij zoovele maanden met onze Zwartjes hadden gebabbeld, ons met bevriende geesten in onze moedertaal te kunnen onderhouden, en zoo veel nieuws uit de beschaafde wereld te vernemen. En wat bracht deze Mail ons veel mede! Over de honderd brieven, en ontelbare couranten! Wij zagen eenvoudig al uw verschillend schrift na, maar verslonden de maandelijksche verslagen van onze kinderen dien avond, nadat onze bezoekers naar hunne kamers waren gegaan ....
De tweede Avondmaalsviering sedert onze terugkomst vond ook in dezen tijd plaats, en was een tijd van grooten troost en bemoediging; maar het gezicht van die kleine groep van Avondmaalvierders is altijd te veel voor mij, vooral wanneer zij opstaan, om zoo van harte te zingen. Ik zou gaarne mijn hoofd nederleggen, om eens uit te weenen, ware het niet, dat ik het orgel moet bespelen en dus mijn hart zoo goed mogelijk tot zwijgen moet brengen. Al onze beproevingen en ontberingen, beschouwd in het licht van dit kleine donkerkleurig gezelschap, (als men er aan denkt, wat zij eerst waren) nu aan des Heeren tafel aanzittend, schijnen als niets, als minder dan niets.
Een vreemdeling zou misschien zijn lachlust zien opgewekt door het min of meer wonderlijk kostuum, waarin de gemeente gekleed is. Ik moest inderdaad ook mijn hoofd afwenden, toen ik onze twee waardige ouderlingen voor den dienst zag binnen komen, met den meest mogelijken ernst op het gelaat en ware vroomheid in hunne blikken, maar in al de waardigheid hunner betrekking, en met bijzondere hoeden om de gelegenheid te eeren. De een had zijn witte hemd rondom zijn hoed gewonden, om een tulband voor te stellen en daar het een heel eind achter hem hing, moest hij zijn hoofd goed in evenwicht houden, uit vrees van het te doen afvallen. Wat den ander betreft, voor wien of voor wat zijn hoofddeksel oorspronkelijk bestemd was geweest, konden wij onmogelijk gissen. Het was ons altijd eene groote moeielijkheid geweest, om hoeden voor hen te verkrijgen, groot genoeg om hun wollig haar in te sluiten, maar deze, een licht grijze schoorsteenpot, bedekte het haar en alles, totdat hij op den neus bleef rusten, die gelukkig groot genoeg was, om te verhinderen, dat zijn gelaat er geheel onder verdween.....
De kapitein was van plan ons op Zondagmorgen aan land te zetten, en te blijven tot Maandag, om onze bagage en eenig hout, dat John op Aneityum gekocht had, te lossen, en dan terug te keeren, om de Mc. Donalds op zijn weg noordwaarts van Port Resolution te halen. Mevr. Milne en ik lagen op kussens op het dek, om tot laat van het heerlijke maanlicht te genieten, en door de muziek van den heer Michelsen verkwikt te worden, die zijn gezang zeer fraai met de guitaar begeleidde. Hij had in den namiddag zijne guitaar bespeeld en wij hadden hem verzocht zijn instrument na de thee weder mede op het dek te brengen. De maan weerspiegelde zich heerlijk in het water en het schip lag zeer stil, toen hij met de heerlijke guitaarbegeleiding begon te zingen: »Jezus, die mijn ziel bemintquot;, terwijl de zendelingen i-ondom hem stonden, en bij sommige gedeelten zacht medezongen, en wij weenden. Ik heb in het vaderland Oratoriums gehoord, die zoo heerlijk werden uitgevoerd, dat zij iemand haast buiten het lichaam voerden, maar nooit iets, dat zoo tot mijn hart sprak als dit! Gij zoudt geheel in onze omstandigheden moeten
BRIEVEN VAN ANIWA.
verkeeren, om te kunnen gevoelen, wat wij gevoelden. Het schip met zijn klein gezelschap zendelingen, zoo ver van familie en vaderland verwijderd, en die nu spoedig afscheid van elkander zouden nemen, om hun eenzaam tehuis op te zoeken, waar hen, wie weet hoeveel beproevingen wachten!. . ,.
Wij hebben reeds 600 lbs Arrowroot ingepakt (om\'de Evangeliën mede te betalen) grootendeels in zakken van 10 1b. De Inboorlingen maken nog meer gereed en de vraag naar calicot is eindeloos geweest. Na allerlei kisten te hebben doorzocht en ieder stukje, dat ik vond, te hebben gegeven, om Arrowroot op te drogen en zakken te maken, moest ik al mijne gewone lakens en tafellakens opofferen, en terwijl ik deze onaangenaamheid met christelijke onderwerping trachtte te dragen, riep John den ouden Adam geheel in mij wakker, door mij koeltjes te vragen, om heel spoedig mijne linnen lakens en beste tafellakens te geven, daar het een heerlijke dag was om te drogen! Ik verklaarde ten stelligste, dat mijne weinige mooiste goederen onaangeroerd zouden blijven, al zouden ook de Inboorlingen nooit hunne boeken krijgen, en door een weinig overleg, om van de andere genoeg te maken, heb ik mijne slechte gelofte gestand gedaan.
Het is nu de le Augustus en ik zie, dat ik dezen den Squot;1 Juli begonnen ben en ik heb nog geen enkelen particulieren brief beantwoord, ofschoon ik er zoovele beantwoorden moet, en de enorme stapels brieven, die wij met groot genoegen aanzagen, toen wij ze ontvingen, worden nu met eene zucht aangekeken, nu wij ze moeten beantwoorden! Ik moet daarom alle andere wetenswaardigheden, die ik u meende te schrijven, achterwege laten, daar deze reeds veel te lang is en sluit hem met de betuiging der hartelijkste toegenegenheid van
Uwe U altijd liefh. zuster
Maggie Whitecross Paton.
1879.
Aan den huiselijken kring.
Lieve Zusters en Broeders !
.... De Nieuwjaarsdag, die nu volgde, was ook weder een dag van groote opgewondenheid, want nu zou de gewone schietwedstrijd gehouden worden en werden er prijzen uitgereikt aan de winnenden. Het verma-kelijkste gedeelte daarvan was voor ons de wedstrijd onder de jongere knapen en meisjes. Het opperhoofd, door John op wacht gezet bij de prijzen, moest een gordel, een das of een stuk rood katoen op zekeren afstand aan een paal binden en toen werd het commando gegeven aan de verlangende kleine schelmen, en wat was het een gedrang, toen zij erbij kwamen 1 Het hoofdvermaak echter, de tooverlantaarn, werd voor den avond bewaard, en gelukte uitstekend. Ieder op het eiland, die in staat was te loopen, verscheen, tot zelfs twee oude gebrekkige vrouwen, die in den vroegen morgen op weg gingen, en de reis van twee mijlen hadden afgelegd, toen het zoowat donker werd. John had al de platen van den heer Watt en zijne eigene, en de Inboorlingen waren den geheelen avond in verrukking; maar toen hij eindigde met »het draaiend lichtquot; schreeuwden zij letterlijk van genoegen en verbazing, en verklaarden, dat het 2gt;Tetovasquot; (goden) moesten zijn, die zoo iets konden maken 1....
Het schip bleek een slavenhandelaar te zijn; er werd eene boot naar land gezonden met Inlandsche bemanning en twee Blanken aan boord, om Inboorlingen te zoeken. De boot bleef in het diepe water aan de buitenzijde der klip, en sommige lieden van Aniwa waadden haar een
349
350 BRIEVEN VAN ANIWA.
eind tegemoet, zoodat de bemanning hen in »Sandelhout Engelschquot; konde toeroepen. Zij verlangden mannen of jongens, en wilden een geweer geven voor ieder, dien zij kregen. Onze Inboorlingen riepen terug, dat zij »Missi\'s godsdienstig volkquot; waren en niet verlangden met slavenhandelaars mede te gaan. Een van de Blanken richtte dom genoeg (het moet voor de grap geweest zijn) zijn geweer op een van de Inboorlingen, toen het plotseling afging en hen in groote woede deed ontsteken, daar zij meenden, dat hij hen wilde dooden. De man, waarop gemikt was, driftig van aard zijnde, vloog heen om zijn geweer te halen, en zou korte wetten met den Blanke gemaakt hebben, waren John en de gemeenteleden niet tusschenbeide gekomen; —• John plaatste zich recht tusschen hem en de boot, om het lossen van schoten te voorkomen. Hij wuifde hen toe met zijn hoed en wees op de gewapende lieden, hetgeen zij schenen te begrijpen, en na met hunne hoeden teruggewuifd te hebben, keerden zij weder naar het schip, dat spoedig aan den gezichteinder verdween.
Ik vond het onaangenaam genoeg, dat John zich zoo blootstelde; niet dat iemand op Aniwa hem kwaad zou willen doen, o neen! ik wensch dikwijls, dat zij hun Zaligmaker even lief mochten hebben als hun zendeling, maar ik geloof niet, dat het ooit iemands plicht is, om voor geladen geweren te gaan staan. Gij zoudt echter niet gelooven, welk soort van dank hij van de ellendelingen ontving, die hij trachtte te redden. Zij gingen naar Faté, schreven een stuk, waarin zij mededeelden, dat zij Aniwa hadden aangedaan, om arbeiders aldaar aan te nemen, maar dat de zendeling, de heer Paton, hen was tegemoet getrokken, aan het hoofd van eene gewapende bende, om hen aan te vallen. De man, die de boot bestuurde, had echtei zijn geweer op den heer Paton gericht, zoodat, indien er een enkel schot op hen gelost was, hij uit wederwraak gevallen zou zijn. En dit stuk werd op de deur van het voornaamste magazijn van Havannah Haven aangeplakt. Zulk soort van menschen zijn nu door ons Britsch gouvernement gemachtigd, om deze eilanden te bezoeken. Wij waren als door den donder getroffen, toen de heer Mc. Donald dit aan John mededeelde, nadat hij het plan gemaakt had, om naar het noorden te gaan, in welk geval hij het zelve zien zou. De heer Mc. Donald ziet genoeg van de handelaars en hun bedrijf, en behandelde de zaak met verachtelijken spot; zij verdiende ook niet anders.
Het is bijna zoo slecht als het geval van Nguna, waarbij de eerste stuurman van de Jason voor eene rechtbank in Queensland zwoer, dat de heer P. Milne de Inboorlingen aanzette, om op zijne boot te vuren. Een oorlogsschip werd uitgezonden, om onderzoek te doen naar de verrichtingen van dien vreeselijken zendeling, en het werd bewezen, dat de goede heer Milne gerust in zijn bed geslapen had (het was zeer vroeg in den morgen) en zelfs niets van de vechtpartij geweten had voor maanden daarna. Het waren de echtgenooten van twee inlandsche vrouwen, welke deze eerlijke stuurman trachtte met zich te voeren (en medegevoerd heeft) die de schuld droegen van het vallen van de schoten? Het is niet de eerste maal, dat John tusschenbeide is getreden, om het onnutte leven van deze slavenhandelaars te redden; maar de geheele broederschap mag door kogels gezift worden, vóór ik er in toestem, dat hij weder een vinger verroert, om hen in hunne ellendige twisten bij te staan.
Litsi heeft zich sedert getroost met een anderen echtgenoot; hij is aan den armen Mungaw verwand, en het is een huwelijk uit liefde, gelijk zij beiden ronduit verklaarden. Litsi was zoo schertsend en preutsch als een jong meisje; ofschoon zij, toen zij opstond voor de voltrekking der huwe-
BRIEVEN VAN ANIWA.
lijksplechtigheid de omstanders fluisterend met een lach mededeelde, dat zij er niet naar verlangde weer getrouwd te zijn. Ik denk, dat zij een soort van verontschuldiging wel noodig oordeelde, nu zij voor de derde maal in de kerk verscheen als bruid. Wij waren zeer dankbaar, toen het huwelijk gesloten was, want daar was weer de gewone strijd geweest, om haar te krijgen, en de daarmede verbonden bitterheid voor hen, die afgewezen werden, waarvan er sommigen vrij wat knapper en beter mannen waren dan de winnaar van den prijs. Maar Noopooraw had de diepte zijner toegenegenheid getoond door te dreigen haar te dooden, indien zij hem niet nam, hetgeen volgens de Inboorlingen de ernstigste uiting van gehechtheid is, en hetgeen precies hetzelfde beteekent als dat de opgewonden bewonderaar in onze maatschappij onder gelijke omstandigheden dreigt zichzelven te zullen dooden. De wanhopige minnaar in deze streken denkt er nooit aan, zichzelven het leven te benemen, maar het hare, daar hij waarschijnlijk vindt, dat dit de machtigste beweeggrond is van de twee!...
Het wordt zeer laat en ik moet al het andere voorbijgaan, om u te vertellen, welk een aangenamen tijd wij te Erromanga gehad hebben, waar de zendingssynode dit jaar gehouden werd. Mevr. Mc. Donald en ik waren de eenige dames, om Mevr. Robertson gezelschap te houden, en ik werd gecomplimenteerd als zijnde nu de »moederquot; van de zending, die hare waardigheid eer aandeed, daar ik gezet en krachtig geworden was sedert den orkaan. Het was of wij een tooverland binnen kwamen, toen wij de lieve, beschaduwde en koele woning van onze waarde Mevr. Robertson betraden, na twee dagen van dorst versmacht te hebben door het afschuwelijk zoute water aan boord van de Dayspring .... Iedere dag bracht ons nieuwe vermaken, avondwandelingen op de bergen en tochtjes langs de rivier door de schoone vallei, toen de broeders vrij waren, om ons te geleiden, daar zij al hunne Synode bezigheden voor het eten geëindigd hadden .... Hoe aangenaam vloden deze dagen om; slechts zij kunnen ten volle begrijpen wat wij genoten, die gelijk wij van den omgang met bevriende geesten zijn uitgesloten. Wij, dames, waren natuurlijk al wat men wenschen kon (?) en de eene zendeling was nog vriendelijker dan de andere. Zelfs op de vergadering der Synode, waar de predikanten van de deugd der openhartigheid tot in het overdrevene gebruik maken, was er geen onaangenaam woord gevallen, hetgeen misschien kwam, omdat het bittere water op de reis al de bitterheid uit hen verdreven had! . . . . Het huis is zeer lief gelegen op terrasgrond aan den voet van een hoogen berg bij het middelpunt van de Baai, waar de schoone rivier aan de rechterzijde op eenige ellen afstand langs hunne omheining stroomt.... Onze oogen dwaalden gedurig naar het liefelijk tooneel voor ons — waaraan ook eene geschiedenis verbonden is 1 Die zelfde rivier was eens rood gekleurd van het bloed van Williams en Harris en de met gras begroeide berg, die zich daar verheft, was het tooneel van het treurspel van de Gordons, terwijl hunne witte grafsteenen tusschen het groen van den tegenovergestelden oever der rivier te voorschijn komen. Het graf van onzen goeden Mc. Nair is vlak bij het hunne. Alles scheen nu zoo vreedzaam, terwijl de Dayspring kalm voor anker lag in de baai en kano\'s, bemand met christen-Inboorlingen, in de blauwe wateren rondroeiden.
Welk eene tegenstelling met de vroegere ■ dagen van bloed; en zelfs welk eene tegenstelling met hetgeen de Robertsons nog in Januari 1.1. hebben te verduren gehad. De heidensche opperhoofden waren woedend om den voortgang, dien het Christendom over het geheele eiland maakte, en kwamen met elkander overeen, om de zendelingen van het leven te berooven. Zij wisten hun tijd goed te kiezen, toen bijna al de jongelui
451
352
van den heer Robertson naar Cooks-baai waren gegaan, en gij kunt u zijn schrik en die zijner echtgenoote voorstellen, toen het alarm hen bereikte op een avond, toen zij rustig zaten te lezen. Zij begaven zich naar hunne slaapkamer en vatten post bij hunne drie slapende kinderen. Over ^lq zee te ontkomen was onmogelijk, zelfs al konden zij hunne boot bereiken, daar de nacht stormachtig was. Mevr. Robertson keerde zich tot haar echtgenoot en zeide: »Zoudt gij denken, dat zij deze slapende lammeren zouden aanraken?quot; Hij glimlachtte bitter en antwoordde:»Wat geven zij om onze slapende lammeren!quot; Yomit, een toegewijd onderwijzer van Erromanga, kwam binnen, en zij keerde zich tot hem met de vraag: »0 Yomit, denkt gij, dat zij het hart zouden hebben, om deze kleine slapende lievelingen te dooden rquot; Hij hief daarop den arm op en zeide: »Missi, zij zullen mijn lichaam aan stukken moeten snijden, eer zij tot hen kunnen naderen!quot; Hij vertrok en verzamelde al de hulp, die te verkrijgen was, zond geheime boodschappen in allerlei richtingen door het Binnenland, zoodat het zendingshuis vóór den morgen omringd was door 200 strijders, die gereed waren hun leven te geven voor hunne zendelingen. En dit waren dezelfde menschen, die de Gordons vermoord hadden! Vraagt men naar de oorzaak van zulk eene verandering? Jezus is onder hen geweest!.....
Ons bezoek daar was al te kort, daar de Synode slechts eene week samen bleef. Wij vierden des Heeren Avondmaal met elkander op den Zondag avond voor ons vertrek. Op een middag hadden wij ook eene belangwekkende samenkomst ten behoeve van het Bijbelgenootschap, waarbij John den voorzittersstoel bekleedde, en, in antwoord op een ernstig verzoek uit Londen stelde de heer Copeland voor, dat zendelingen en zeelieden hetgeen zij op een dag verdienen aan hunne gewone inschrijving zouden toevoegen, waarin van harte toegestemd werd ....
Wij vertrokken met gunstigen wind van Erromanga, landden met zonsondergang, en werden hartelijk verwelkomd door onze goede Zwartjes, die allen in hunne beste kleederen ons tegemoet kwamen, ofschoon de regen bij stroomen nederviel. John ging met de Day spring verder, om veertien dagen te Kwam era op Tanna door te brengen, ten einde een kleinen wederdienst te bewijzen voor de groote goedheid door onze vrienden, den zendeling Watt en zijne echtgenoote, aan onze Inboorlingen bewezen, toen wij in Melbourne waren.... Hij bracht daar een paar aangename weken door. De zendingshuizen en de omgeving waren uitstekend in orde, en de Tanneezen verlangden hartelijk naar de terugkomst hunner zendelingen. De kleine jongens en meisjes waren altijd rondom John, en vraagden hem iederen dag en soms vele malen per dag, wanneer hunne Missi\'s toch zouden wederkomen. Er zijn er meer dan de Tanneezen, die hartelijk naar hunne terugkomst verlangen, en het zal een blijde dag zijn, wanneer wij hunne aangezichten wederzien.....
John heeft\' besloten, indien het ten minste mogelijk is, om nog een jaar hier te blijven, zonder een tijd van rust te nemen. Het helpt mij nu niet meer, om voor te wenden, dat ik niet sterk ben, de schijn is zoo tegen mij! Maar ik houd vol, dat ik eene /^r/ziekte heb, die alleen kan genezen worden door het zien mijner lievelingen ... .
Het was gisteren eene week geleden, dat John van Kwamera terugkwam j hij werd met zulk een huldebetoon hier ontvangen, als hem nog nooit is te beurt gevallen. De Inboorlingen openden hun hart tot de meest ongehoorde edelmoedigheid, en scheidden zich zelfs van hunne kostelijke varkens, om hunne liefde voor hem te toonen; ook boden zij hem eene menigte broodwortels aan. Zij gaven ook een geschenk, onge-
353
lt;1 t zoo groot als het onze aan den kapitein van de Day spring,
ide uit varkens, broodwortels, kokosnoten en banana\'s. Het zijne aedergelegd op het middelste grasperk voor het huis en dat voor i tegenover de deur van de studeerkamer. De varkens (dertien in atal!) waren vastgebonden en zoo geplaatst, dat zij zich op het voor-deeligst voordeden (zij lieten zich ook hooren), zoodat, toen kapitein Braithwaite met zijne echtgenoote en John aankwamen, zij aan alle kanten begroet werden door knorrende en grommende varkens! En o, wat knorden zij ! De kapitein sprak zijn dank in zeemanstaal uit; John vertaalde zijne woorden, waarop hij naar den anderen kant wandelde, door zijne grinnekende gemeenteleden gevolgd, en hen hartelijk bedankte voor hunne vriendelijke giften aan ons, zeggende, dat het gevoel, dat het hun had ingegeven, hem nog meer waard was dan het geschenk zelf! Ik voelde, dat hij de waarheid in alle oprechtheid zeide, want hij haat al wat varkensvleesch is en fluisterde mij zachtkens in: »Wat ter wereld moeten wij met al die beesten beginnen rquot; .. .
Wij verwachten de Day spring over veertien dagen, om onze brieven af te halen, en daar ik er nog vele te beantwoorden heb, moet ik er ten spoedigste mede beginnen, daar het Arrowrootmaken ons ook veel oponthoud zal geven. Al de Inboorlingen zijn tegenwoordig bezig met het opdelven, en ons erf zal binnen weinige dagen in een bijenkorf herschapen zijn, wanneer zij het beginnen te raspen. Wij waren zoo verblijd hun te kunnen mededeelen, dat de laatste partij door de vriendelijke zorg van de vrienden in Melbourne zoo voordeelig verkocht is. Van het calicot in de kisten uit Zuid-Yarra (zijn gewicht in goud waard) worden, zoo spoedig wij het maar kunnen doen^ lakens en zakken genaaid tot drogen en inpakken van het Arrowroot, maar wij kunnen niet verwachten, dat het klaar zal zijn vóór het vertrek van het schip in December. Zij zullen nog een boek van den Bijbel in de Aniwaansche taal vertaald krijgen.
Altijd, met warme toegenegenheid. Uwe u liefhebbende zuster
Maggie Whitecross Paton.
;aan hie,
quot;■quot;li.
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIE.
»Een stoomschip noodig.quot; — Naar Engeland gezonden. — Engelsch Presbyten-aansche Synode. — Vereenigde Presbyteriaansche Synode. — Het «veto van de vergadering van Sydney. — Dr. J. Hood Wilson. — De vergadering der Vrije Kerk. — Onzijdigheid van de Commissie der Uitwendige Zending. De kerk van Schotland. — Holyrood en Alva House.^ De lersch Presbyteriaansche Vergadering. — De Algemeene-Presbyteriaansche kerkvergadering. — Mijn «plan tot aanval.quot; — Oud-Ierlands antwoord. — Operaties in Schotland. — Zeventig brieven op één dag. — Schoon type van een koopman. — Mijne eerste f 1200 te Dundee. — Bijzondere giften en gaven. — Nadering van Londen. — Geopende deur te Mildmay. — Grootste enkele eiften. — Persoonlijke herinneringen aan Londen. Samenkomst in den tuin van den heer Spurgeon. — De EdelAchtb. Heer Ion Keith-Falconer. —- Drie nieuwe zendelingen. — »Restitutie-geld.quot; — Vaarwel te Mildmay. — Welkomst te Victoria. — De droom van mijn leven. — Het nieuwe zendingschip uitgesteld. — Terugkomst op Aniwa. • Eindgetuigenis. Vaarwel aan den lezer.
T N December 1883 bracht ik eene noodzakelijke en dringende zaak voor J- de Algemeene Vergadering van de Presbyteriaansche kerk van Victoria. Zij had betrekking op de toenemende behoeften van de zendelingen en hunne famiiiën op de Nieuwe Hebriden, en op het feit, dat de Day-sfirin? niet langer in staat was, om in de vele behoeften te voorzien; waarbij ik ook wees op het verlies van tijd en van goederen en het levensgevaar, waaraan men blootstond, ja zelfs op het verlies van kostbare menschenlevens, dat men soms te betreuren had.^ De zendelingen daar ter plaatse hadden dit lang gevoeld, en hadden luid en ernstig om een nieuw en grooter schip of om een stoomschip gesmeekt, of om het beramen van andere plannen, waardoor het werk Gods op deze eilanden kon verricht worden, zonder dat men onnoodig zijn leven in de waagschaal stelde, en zonder de gevreesde gevaren, die een klein zeilschip als de Dayspring noodzakelijk loopen moest door de gevaarlijke windstilten en
de verraderlijke stormen.
De Algemeene Vergadering van Victoria, die het van harte eens was met de zendelingen, zond mij in 1884 naar Groot-Brittannië, terwijl zij mij ook tot haren afgevaardigde maakte naar de Algemeene-Presbyteriaansche kerkvergadering te Belfast, evenals ik ook haren vertegenwoor-
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIE.
pquot;- zou zijn op de Algemeene Synode-Vergaderingen van de verschil-cjr Presbyteriaansche gemeenten in Groot-Brittannië en Ierland. En zij ,ü mij machtiging om onze voorstellen omtrent een nieuw stoom-zen-. .gschip al deze gemeenten voor te leggen, en om van Gods volk zooveel bijdragen te vragen, als zij zich gedrongen gevoelden te geven, teneinde de som van ƒ 72.000 bijeen te krijgen, zonder welk geld deze groote onderneming niet kon tot stand gebracht worden.
Te Suez aangekomen, zond ik een afschrift van mijne verschillende opdrachten van Victoria, van Zuid-Australië en van onze Synode op de eilanden, aan de secretarissen van de verschillende kerkvergaderingen, en voegde daar een briefje bij, waarin ik mijn adres in het vaderland vermeldde, en de hoop uitsprak, dat mij gelegenheid zou gegeven worden, om deze bijzondere zaak in het belang van onze zending op de Nieuwe Hebriden te bepleiten. Toen ik de woning mijns broeders te Glasgow bereikte, vond ik tot mijne groote verwondering, dat mij antwoorden van al de kerken wachtten behalve van onze eigene, d. i. de Vrije Kerk, die ik de onze noem, omdat zij onze zending op de eilanden in de Zuidzee had overgenomen, toen zij in verbinding trad met de hervormd-Presby-teriaansche gemeente, waartoe ik oorspronkelijk behoorde, hoewel onze zending nu werd ondersteund door de gemeente van Victoria. Dit feit hinderde mij. Ik stip het hier aan. De uitlegging zal te bestemder plaats volgen.
Eenige dagen na mijne aankomst, werd ik geroepen om te verschijnen voor de Algemeene Synode van de Engelsch-Presbyteriaansche gemeente, toen vergaderd te Liverpool. Terwijl er een gezang werd gezongen, beklom ik den preekstoel, waar ik mij zeer ontmoedigd nederzette. Maar ik werd zeer vertroost, toen mijn waarde vriend en medestudent. Dr. Oswald Dykes, uit het midden van de kerk tot mij kwam, mij hartelijk de hand schudde, mij eenige woorden van aanmoediging in het oor fluisterde, en daarop zijne zitplaats weder innam. God hielp mij om mijne geschiedenis te verhalen en mijne toehoorders waren zichtbaar getroffen. Wederom echter ontving ik den onwillekeurigen indruk, dat er ergens eene breuk moest zijn, die mij onbekend was, want, zoowel de voorzitter als professor Graham, toen zij de afgevaardigden aanspraken en hen antwoordden op de toespraken door ieder in het bijzonder gehouden, vermeden klaarblijkelijk iedere toespeling op de Nieuwe Hebriden en het bijzonder voorstel, dat ik hen gedaan had. Ik merkte dit zeer wel op en mijne verwondering steeg.
Vervolgens kreeg ik eene vriendelijke uitnoodiging, om de Vereenigde Presbyteriaansche Synode van Schotland, in Edinburg vergaderd, te bezoeken en toe te spreken. Ik werd daar niet alleen hartelijk, maar zelfs met geestdrift ontvangen. Ofschoon zij als gemeente geen aandeel in onze zending hadden, toch stelde de Voorzitter onder toejuiching van al de predikanten en ouderlingen voor, dat ik vrijen toegang zou hebben tot iedere gemeente en zondagschool, die ik in staat zou zijn te bezoeken, terwijl hij hoopte, dat hunne edelmoedige gemeenteleden gaarne zouden medewerken aan zulk eene noodige en edele zaak. Er steeg een dankgebed uit mijne ziel op, en ik moet hier even in het voorbijgaan zeggen, dat iedere predikant van die kerk, aan wien ik schreef, of dien ik op mijne reis bezocht, mij in denzelfden geest behandelde.
Daar ik door den heer Dickson, een ouderling van de Vrije Kerk, uit-genoodigd was, om eene middagsamenkomst van kinderen in de Free Assembly Hall toe te spreken, en daar ik den vorigen Zaterdag nog geen antwoord had ontvangen op mijn verzoek, om ontvangen en gehoord
355
1
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË.
te worden, besloot ik eens onderzoek naar de reden hiervan te gan doen. Men ontving mij met de grootste vriendelijkheid en sympatic, maar deelde mij mede, dat zich een vreemde zwarigheid had opgedaSi.. in mijn geval. Men had een brief ontvangen van het bestuur van de Day spring te Sydney, inhoudende, dat de kerk van Victoria geen recht had mij uit te zenden, om een nieuw stoomschip te verkrijgen, zonder hen daarover te raadplegen, en dat zij hun bepaald veto uitspraken tegen de medewerking van de autoriteiten van de Vrije Kerk, om mij het geld te helpen verzamelen. Hier was dan de breuk; en vele zaken, die mij in den laatsten tijd in verwarring hadden gebracht, waren hiermede opgehelderd.
Het is hier de plaats niet, om onze verschillen te bespreken, ook wil ik mijn boek niet gebruiken, om menschen te critiseeren, voor wie niet dezelfde gelegenheid openstaat, om mij te antwoorden. Maar de feiten moet ik mededeelen en juist zooals zij voorvielen om aan te toonen, hoe de Heer alles beheerschte, opdat Zijne eigene gezegende bedoelingen bereikt werden. Zonder twijfel hadden de vrienden in Sydney hunne eigene wijze van zien en van uitlegging in deze zaak; en de beste vrienden moeten soms wel van meening verschillen, zelfs in de zendingszaak, en toch leeren elkanders gevoelen te eerbiedigen en, zoover zij het kunnen eens zijn, saam te werken tot een gemeenschappelijk doel in den dienst van hun Goddelijken Heer en Meester.
Mijne zending was in het openbaar aangekondigd. De gemeente van Nieuw-Zuid-Wales was er ook van in kennis gesteld en haar werd voorgesteld mij tot haar tweeden vertegenwoordiger te verkiezen bij de Algemeene Presbyteriaansche kerkvergadering in verband met mijne zending naar Engeland, maar zij antwoordden, dat zij aan één vertegenwoordiger genoeg hadden. Aan Zuid-Australië en Tasmanië werd geschreven over het doel van mijn bezoek aan Europa. Maar geen woord van afkeuring of verschil van gevoelen werd door de kerk van Victoria vernomen, noch kwam mij rechtstreeks of zijdelings ter oore, vóór dat ik in Edin-burg door de bestuurders van de Vrije Kerk van Schotland, van dit zoogenaamde veto hoorde.
Deze mededeeling, juist toen ik de Assembly Hall wilde binnentreden, om het woord te voeren voor eene groote vergadering van kinderen met hunne vrienden, ontstelde mij boven alle beschrijving. Alleen de Vrije Kerk ondersteunde nu in Schotland onze zending op de Nieuwe Hebriden. Van hier verwachtte ik de voornaamste bijdragen voor het zoo noodige nieuwe zendingschip. En nu was, door deze daad van het bestuur van de Dayspring te Sydney, de Vrije Kerk verhinderd mijne drievoudige zending te erkennen of op eenige directe wijze mijn verzoek te ondersteunen. Geen dieper wond was mij ooit geslagen; en toen ik naast den heer Dickson op het platform nederzat, draaide mij alles voor de oogen en scheen het mij voor een oogenblik, of ik het bewustzijn zou verliezen. Toen mijn naam later werd opgeroepen, stelde mijn Heer en Heiland mij in staat mijzelven te beheerschen; ik gaf ook deze zaak met onwankelbaar vertrouwen aan Hem over; en zoo het scheen werden de kinderen zeer door mijne woorden getroffen. Aan het einde verwelkomde mijn waarde en edele vriend, professor Cairns, mij hartelijk en sprak mij moed in, hetgeen mij zeer aangenaam aandeed na de teleurstellingen van den dag. Maar toen allen vertrokken waren en wij beiden alleen overbleven, zeide de heer Dickson met diepe ontroering tot mij;
»Mijnheer Paton, dit veto heeft uwe zending hier te lande bedorven. De Vrije Kerk kan u niet ter zijde staan ten aanzien van het veto uit Sydney Iquot;
356
357
Daar ik brieven had van mijn goeden vriend en helper in Australië, den heer Andrew Scott, van Carrugal, aan Dr. J. Hood Wilson, van de Vrije Kerk van Barclay, te Edinburg, besloot ik die brieven dien avond te gaan brengen, en ik bad den Heer mij een weg te openen, daar ik, van menschenhulp beroofd, alleen op Zijne leiding rekende. Dr. Wilson en zijne echtgenoote, die ik geen van beiden ooit gezien had, ontvingen mij zoo hartelijk, alsof ik een oud vriend was geweest. Hij las mijne aanbevelingsbrieven, onderhield zich niet mij over mijne plannen en wen-schen (waarbij voornamelijk mevrouw Wilson het woord voerde, daar haar echtgenoot pijn in de keel had) en zeide toen met groote warmte en vriendelijkheid:
jgt;God heeft u zeker van avond tot mij gezonden. Ik gevoel mij niet in staat morgen te preeken. Neem mijn morgendienst over en neem mijne zondagschool voor mij waar en gij zult eene collecte voor uw schip hebben.quot;
Met even groote vriendelijkheid werd ik daarna door den heer Balfour ontvangen, daar ik ook aan hem een aanbevelingsbrief had van zijn broeder, en hij bood mij zijn predikstoel voor den avond van dien dag aan. Ik ging ter ruste met lof en dank in het hart voor Hem, die den Engel Zijner tegenwoordigheid voor mij deed uitgaan, om mij den weg te openen. Op dien Zondag ondervond ik grooten zegen en blijdschap; er was een buitengewoon groot geldelijk antwoord op mijne smeekingen, en mijne plannen waren alzoo bekend gemaakt in de hoofdstad van ons Schotsch kerkelijk leven. Ik herinner mij een oud gezegde: Moeielijk-heden zijn gemaakt om overwonnen te worden. En ik sprak in het binnenste mijner ziel: Zoo neemt God onze moeielijkheden op Zich; en indien deze / 72000 ooit door mij ontvangen worden, zal alle eer daarvan aan God alleen toekomen en niet aan de menschen!
Op den volgenden Maandag na een lang gesprek en nadat ik alles nauwkeurig had uitgelegd, zeide kolonel Young van de commissie tot Uitwendige Zending van de Vrije Kerk tot mij:
»Gij moet onze vergadering toespreken op den avond, die voor de zending bestemd is.quot;
Maar de anderen hielden vol, dat men om eerlijk te blijven tegenover het bestuur te Sydney, in het openbaar geene instemming toonen kon met mijne voorstellen. Hierin stemde ik toe onder voorwaarde, dat de commissie het veto van Sydney niet bekend maakte, maar het eenvoudig op de tafel zou laten liggen. Zoo had ik de eer en het genoegen, om deze groote vergadering toe te spreken, en hoewel er van wege het bestuur geene bijzondere aandacht werd gewijd aan mijne plannen, toch werd er bij velen groote belangstelling voor ons werk opgewekt en van alle kanten ontving ik nu uitnoodigingen, om predikbeurten te vervullen en gelden in te zamelen voor het nieuwe schip.
Toch had ik gedurende mijne geheele reis door Groot-Brittannië en Ierland gedurig onaangenaamheden en misverstanden, die door dit veto veroorzaakt werden. Het verhinderde mij voornamelijk, om toegang te verkrijgen tot de commissie voor Uitwendige Zending van de Vrije Kerk, of hen eene enkele maal toe te spreken, hoewel ik ernstig smeekte dit te mogen doen, om hen mijne positie te doen begrijpen. Dit gevoelde ik des te sterker, daar ik met hunne edele zendelingen, die toen met verlof thuis waren, weken lang uit vrije beweging arbeidde in het leiden van samenkomsten in Glasgow, Aberdeen, Greenock, enz. voornamelijk voor bezoekers van de zondagschool, maar waarvan ik geene directe hulp ontving voor het zendingschip. Zonder twijfel trachtten zij hun plicht te
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITi\'ANNIË.
doen, door voor geen van ons beiden partij te kiezen; en dat zij meenden, dat dit hun gelukt was, blijkt uit het volgend feit.
Toen in Australië het gerucht verspreid werd, dat mijne zending naar het vaderland door Gods zegen veel succes had, kwam er een brief aan hen van hun agent in Sydney om te onderzoeken naar het bedrag van de som, die door mij bijeen verzameld was, waarop zij antwoordden :
»De Commissie voor de Uitwendige Zending van de Vrije kerk van Schotland heeft zich in overeenstemming met het verlangen van de Dayspring-commissie te Sydney van den beginne aan onthouden van het verleenen van eenige hulp aan den heer Paton in deze zaak, ge-loovende, dat dit geheel alleen iets is voor de Australiaansche kerken.quot;
Op de bijeenkomst in de Assembly Hall van de Schotsche kerk, die men mij met anderen vriendelijk verzocht had te willen toespreken, vervulde de goede en edele Lord Polwarth het voorzitterschap. Dit was de aanvang van eene vriendschap in Christus, die zal voortduren en steeds inniger zal worden, zoo lang wij leven. Op dien avond toonde hij mij eene warme persoonlijke belangstelling, niet alleen door op edelmoedige wijze tot mijn fonds bij te dragen, maar ook omdat hij samenkomsten bijeen riep in zijn eigen huis en mij introduceerde bij velen zijner invloedrijke vrienden. Ieder lid zijner familie nam saandeelenquot; in het nieuwe stoom-zendingschip, en ondersteunde mij ruim door het nemen van collecte-kaarten of op andere wijze, en dat niet alleen bij den aanvang, maar tot den dag van mijn vertrek toe, — daar een van de laatste dingen, die mij bij het verlaten van Engeland ter hand gesteld werden, eene ruime gift was van Lord en Lady Polwarth — »een dankoffer aan den Heer Jezus voor het herstel van eene dierbare gezondheid in antwoord op het gebed des geloofs.quot;
Nu ik mij al deze dingen voor den geest roep, om ze op te teekenen, moet ik ook niet vergeten te vermelden, dat de heer John Scott Dungeon, uit Longnewton, een zeer geacht ouderling der gemeente, voor mij van de eene stad naar de andere ging en van den eenen predikant naar den anderen, om eene reeks gelukkige samenkomsten voor mij te bepalen. Hij ontving mij ook gastvrij in zijne fraaie woning en zijn naam en die zijner lieve vrouw zijn mij steeds dierbaar geweest om henzelven en ter wille van het Evangelie.
De afgevaardigde van Hare Majesteit, de Koningin, naar de Alge-meene Vergadering voor dit jaar was de graaf van Aberdeen, een even uitnemend christen als edelman. Hij noodigde mij welwillend uit, om hem en de gravin op het oude Holyrood te komen bezoeken. Na het middagmaal zonderde hij zich voor geruimen tijd van het gezelschap af en trad met mij in gesprek; wij hadden een aangenaam en belangwekkend onderhoud over onze zending, en vooral over de gevreesde annexatie van de Nieuwe Hebriden door de Franschen.
Daar smaakte ik ook het onvergetelijk genoegen, om de moeder van den graaf, de welbeminde gravin douairière, eene edele en grootmoedige dame, wel bekend om hare levenslange toewijding aan zoo vete ontwerpen van christelijke philantropie, te zien en te spreken. In hare eigene woning, Alva huis, organiseerde zij later samenkomsten voor mij, even als in vergaderzalen en kerken in het onmiddellijk daaraan grenzend district; en niet alleen droeg zij edelmoedig uit hare eigene middelen tot het fonds bij, maar wist ook vele andere menschen voor deze zaak belang in te boezemen en ze aan te sporen, om met elkander te wedijveren tot onze hulp. Ik was haar gast gedurende deze dagen en ik gevoelde nimmer in hooge of eenvoudiger kringen de banden der ware
358
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË.
vriendschap in Christus nauwer toehalen. Niettegenstaande vorst en sneeuw vergezelde zij mij naar bijna iedere samenkomst, en hare brieven vol belangstelling in mijn werk, vol sympathie en hulpvaardigheid, die ik van tijd tot tijd ontving, waren mij tot steun in mijn geestelijk leven. Wanneer men ziet, dat menschen van edele geboorte zich zoo wijden aan nederig en eenvoudig dienstbetoon voor Jezus, dan gaat ons een licht op over de woorden van den profeet, en over de vraag hoe het er in de wereld zal uitzien, wanneer het van de gemeente Gods op aarde kan gezegd worden: «Koningen zijn uwe voedstervaders geworden en hunne koninginnen uwe voedstermoeders/\'
Onmiddellijk na de kerkelijke bijeenkomsten te Edinburg, richtte ik mijne schreden naar Ierland : eerst naar \'Derry, waar de Presbyteriaansche Vergadering hare jaarlijksche bijeenkomst hield, en daarna naar Belfast, waar de Algemeene Presbyteriaansche Synodevergadering weldra zou gehouden worden. De vurige welsprekendheid van de broederen te \'Derry ging gelijk een verfrisschende ademtocht over mijne ziel; ik ontmoette nergens predikanten op al mijne reizen, die zich meer met hun gansche hart wijdden aan het werk, dat de Heer hun had te doen gegeven.
Maar de opgewondenheid over de orgel- en zangkwestie was te veel voor mij; het debat dreigde in een twist te zullen ontaarden en de verbazende wijze waarop van tijd tot tijd een stok of eene parapluie door een driftig spreker werd rondgezwaaid, om zijne woorden kracht bij te zetten, deed vreezen voor slagen en verwondingen. Alles eindigde echter rustig en het besluit, dat genomen werd, deed verwachten, dat de vrijheid en de rust van de gemeente weldra zouden verzekerd zijn. Een reisje naar de Zuidzee-eilanden, om te zien, hoe God het orgel en het lied gebruikte als vleugelen, waarop het Evangelie in de huizen en harten der Kannibalen werd gedragen, zou de oogen van vele dierbare vaders en broeders geopend hebben, evenals het de mijne geopend had! Niemand was meer tegen het gebruik van muziekinstrumenten in de godsdienstoefening dan ik geweest was; maar de Heer. die ons geschapen heeft en die de natuur, die Hij gegeven heeft, kent, heeft mij reeds lang geleden anders geleerd.
Ik voerde het woord voor de vergadering te \'Derry en ook voor de Synodevergadering te Belfast. De herinnering aan het zien van al deze groote en geleerde en beroemde mannen — want velen van de leiders waren dit werkelijk — die zulk eene innige belangstelling toonden in het werk van God en voornamelijk in het brengen van de heidenwereld tot de kennis van Jezus, was voor mij, die zoo lang van al zulke invloeden verwijderd was geweest, eene der groote inspiraties van mijn leven. Ik luisterde met nederige dankbaarheid en prees den Heer, die mij hier gebracht had, om aan hunne voeten te zitten.
Na het einde van de zitting ondernam ik een tocht van zes weken door de Presbyteriaansche gemeenten en zondagscholen van Ierland.
Men had mij dikwijls gezegd, nadat ik in de vergaderingen en elders gesproken had: »Hoe kunt gij ooit verwachten /72,000 te zullen ontvangen? Het zal nooit gebeuren, tenzij gij u persoonlijk tot de rijken wendt, en van hen grootere inschrijvingen verkrijgt. Onze gewone gemeenteleden hebben meer dan genoeg met zichzelven te doen. De handel kwijnt,quot; enz.
Ik legde mijne vrienden uit en maakte dit ook openlijk bekend, dat ik in alle soortgelijke pogingen nooit iemand in het bijzonder had aangesproken en om hulp had verzocht, en dat ik dit ook nu niet doen zou.
359
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË.
Ik deed mijn verzoek, maar liet al- het andere over, om vastgesteld te worden tusschen ieders geweten en den Heiland — terwijl ik met blijdschap ontvangen zou al wat mij gegeven of toegezonden zou worden, het per brief zou verantwoorden, en het naar mijne gemeente in Victoria zou zenden. Herhaaldelijk boden edelmoedige zielen aan met mij te gaan, mij bij personen aan te bevelen en mij de gelegenheid te geven, om inschrijvingen te verzoeken; maar ik weigerde standvastig, en ging alleen daarheen, waar mij eene gelegenheid werd geboden, om mijne geschiedenis te vertellen en de behoefte der zending bloot te leggen, omdat ik niemand persoonlijk om geld wilde vragen, daar de overtuiging in mijne ziel had postgevat, dat slechts e\'én deel van het werk mij was opgelegd en dat het andere uitsluitend tusschen den Meester en Zijne dienstknechten moest uitgemaakt worden.
»Maar welken steun hebt gij uit een practisch oogpunt?quot; vraagde men mij soms ernstig.
Op zulke vragen antwoordde ik: »Ik vertel alleen mijne geschiedenis; ik stel de rechten, die de Heer Jezus op Zijne dienaren heeft, in het licht; op Zondagen verwacht ik het surplus van de collecte of eene aparte collecte, op weekavonden vraag ik op de samenkomsten de geheele collecte, na aftrek van de kosten; ik verspreid collecte-kaarten onder zondagschool-bezoekers; ik maak mijn adres bekend, waarheen alle giften van gemeenten of bijzondere gevers, kunnen gezonden worden, en daarmede zal ik voortgaan, zoolang ik er kracht toe heb, in het geloof, dat de Heer mij de benoodigde /72.000 zenden zal. Indien Hij ze mij niet zendt, dan verwacht ik, dat Hij mij de genade zal verleenen, om mij in de teleurstelling te schikken en ik zal naar mijn werk terugkeeren zonder het schip.quot;
Dit had ik in hoofdzaak honderdmaal te herhalen, en even dikwijls zag ik den half-medelijdenden, half-ongeloovigen glimlach, waarmede deze woorden beantwoord werden, of er werd mij stellig en ronduit geantwoord:
»Gij zult nooit slagen! Geld kan niet verkregen worden op zulk eene weinig zakelijke wijze.quot;
Ik antwoordde gewoonlijk niets op zulke uitspraken; maar er weerklonk gedurig eene diepe, zachte en duidelijke stem in mijn binnenste, die zeide: »Het zilver en het goud is Mijn.quot;
Gedurende het jaar 1884, gelijk wel bekend is, was Ierland het tooneel van vele oproeren en van groote ellende. Toch was bij het einde van mijne reis voornamelijk, hoewel niet uitsluitend, door de Presbyterianen van het Noorden eene som van meer dan ƒ 7200 aan ons zendingsfonds toegevoegd. En zoover ik mij herinneren kan, was er geene enkele groote som bij; er waren natuurlijk vele goudstukken van welgestelde lieden bij, maar \'de gewone collecte bestond uit de kleinere geldstukjes van de groote menigte. Ik ontving op mijne reis nergens een hartelijker ontvangst, en trof nergens predikanten aan, die ernstiger toewijding aan hunne gemeenten toonden, of die meer algemeen en naar verdienste geacht en bemind werden.
Niemand, tot welke politieke partij ook behoorende, kan onder de Ieren van het Noorden leven, zonder in zijne ziel overtuigd te worden, dat het protestantsche geloof en leven met zijne kracht en onafhankelijkheid hen heeft gemaakt tot wat zij zijn. Het Romanisme aan den anderen kant, met zijn blind geloof en zijn bijzonder levenstype, is ten minste ée\'n der verderfelijke invloeden, indien al niet de voornaamste, onder de Ieren van het Zuiden en Westen, die van nature een gevoelig, edelmoedig en begaafd volk zijn. Laten toch onze christengemeenten en
360
361
onze staatslieden, die Christus liefhebben, niet vergeten, dat geene uitsluitend uitwendige verandering in Bestuur of Wet, hoe goed en verdedigbaar in zichzelve, de ellende van het volk ooit kan doen ophouden, maar dat er verandering van godsdienst moet plaats hebben. Ierland heeft behoefte aan het zuivere, ware Evangelie, dat bekend gemaakt, onderwezen en aangenomen moet worden in het Zuiden, gelijk het nu is in het Noorden; en geene andere gift, die Engeland ooit zal kunnen schenken, kan het gemis vergoeden van het Evangelie van Christus. Jezus houdt den sleutel van alle raadselen in dit, evenals in ieder ander land.
Toen ik in Schotland terugkwam, zette ik mij neder in mijn hoofdkwartier, de woning van mijn broeder James, in Glasgow, en van daar uit begon ik mijn voornaamste werk, gelijk de Heer mij dit dag aan dag aanwees. Daar ik geene commissie had, om mij te helpen, wendde ik mij tot den eenen predikant na den anderen, en tot de eene gemeente na de andere, hier met de menschen sprekend, daar schrijvend, en bepaalde drie samenkomsten iederen Zondag, en indien het mogelijk was, ée\'n iederen weekdag; verder, waar het maar mogelijk was, samenkomsten in particuliere woningen in den namiddag. Mijne correspondentie kreeg een verbazenden omvang, en hield mij van den vroegen morgen tot den laten avond bezig. Ik zou het nooit hebben kunnen ten einde brengen, had niet mijn broeder vele dagen en uren van zijn kostbaren tijd opgeofferd, om mij te helpen in het beantwoorden van brieven betreffende verschillende schikkingen, in het afzenden van «aandeelquot; kwitanties voor al de gelden, terstond nadat zij binnenkwamen, in het voeren van al mijne onderhandelingen met de bank, en over het algemeen in het deen verminderen van den stapel kennisgevingen, waardoor hij mij vrijwaarde van in hopelooze achterstalligheden te vervallen.
Ik vertegenwoordigde eene kerk, waarin al de Presbyterianen gelukkig vereenigd zijn; en dus, wanneer het noodig was, vervulde ik op denzelfden Zondag eene predikbeurt in de Anglikaansche kerk in den morgen, eene in de Vrije Kerk in den namiddag en eene in de Vereenigd Presbyteri-aansche gemeente in den avond, of in welke orde het ook geschikt kon worden, om in de behoeften van iedere stad en van ieder dorp, dat ik bezocht, te voorzien. In al mijne toespraken, want ik wenschte nergens den gewonen preektrant te volgen, trachtte ik den Evangelist met den Zendeling te verbinden, door ieder voorval in mijne geschiedenis tot het geweten mijner hoorders te doen spreken, om zoo mogelijk den zondaar voor Christus te winnen en den geloovige tot een leven van grootere toewijding te brengen. Want ik wist, dat, indien ik dit hooger doel bereikte, zij ook hun geld vrijwillig op het altaar zouden leggen.
Ik liet tienduizend exemplaren van een boekje, getiteld «Statement and Appealquot; drukken, en per post en op andere wijzen verspreiden; dit boekje bevatte behalve mijne zending uit Victoria en mijne toespraak te Glasgow, een kort verslag van den uitslag der zending op de Nieuwe Hebriden en van de redenen, waarom een nieuw stoomschip verlangd werd. Hieraan is voornamelijk het feit toe te schrijven (evenals aan mijne weigering tot het vragen om inschrijvingen) dat verreweg het grootste deel van het geld mij per brief werd toegezonden. Op één dag, ofschoon dit natuurlijk tot de zeldzaamheden behoorde, ontving ik zeventig brieven, die alle eene bijdrage tot ons fonds bevatten, van »eenige postzegelsquot; en het «penningske der weduwequot; af, tot aan de vijftig of honderd pond van den rijken man. Het trof mij bovenal, dat ik zoo dikwijls 12 gulden ontving met het bijschrift «Van een dienstmeisje, dat den Heer Jezus liefheeft\'\' of «Van een dienstmeisje, dat om de bekeering der heidenen bidt.quot; Vele
362
malen ook ontving ik kleinere sommen als/3 of /6 met bijschriften als deze: »Van een werkman, die zijn Bijbel liefheeftquot;, of »Van een werkman, die iederen dag in de huiselijke godsdienstoefening Gods zegen afsmeekt over u en over uw arbeid.quot;
Het spijt mij soms, dat de verschillende eigenaardige en kenschetsende brieven en briefjes niet bewaard zijn gebleven, want aan het einde mijner reis zouden zij een wondervol boekdeel met bladen uit het menschelijk hart gevormd hebben.
Ik voerde ook het woord voor iedere godsdienstige vergadering, waar men mij uitnoodigde, of bij welke ik toegang kon verkrijgen. De conferentie te Perth is mij onvergetelijk geworden, omdat ik daar de eerste belangrijke inschrijving voor ons schip ontving en kennis maakte met een schoon type van een christenkoopman. Aan het einde der samenkomst, waar het voorrecht had te mogen spreken, stelde zich een heer uit Amerika aan mij voor. Wij spraken met elkander op vertrouwelijke wijze als broeders in den Heer. Hoewel nog in den bloei der jaren, had hij een inkomen vastgesteld voor zich en zijne familie, en dreef toch eene groote en bloeiende handelszaak, en dat waarom? Om al wat hij daarin ■won, jaar in jaar uit, aan den dienst Gods en aan Zijn werk onder de menschen te besteden! Hij gaf mij een cheque voor het grootste bedrag, waarmede de Heer mij nog verblijd had. De Heer, die mij kent, weet, dat ik nooit voor mijzelven of voor mijne familie geld heb begeerd, maar ik benijdde dien christenkoopman de vreugde, die hij smaakte in het bezitten van geld, nu hij den lust bezat, om het als een rentmeester van den Heer Jezus te besteden. O, wanneer zullen de vermogenden dit gezegend geheim leeren, en in plaats van goud op te stapelen, wat hun toch eerlang bij hun dood ontnomen wordt, er nu mede woekeren in den dienst van hun Meester en nu reeds vruchten zien en eene heerlijke vreugde daarvan smaken, vóór zij heengaan, om rekenschap aan God af te leggen. Een van de treurigste verschijnselen in de tegenwoordige wereld, wanneer men de behoeften der menschheid en de rechten van Jezus in aanmerking neemt, is juist deze wijze van doen, om alles voor zichzelven te besteden en om alles voor zichzelven of ten minste hoofdzakelijk voor zichzelven op te stapelen. Chistenen, die zoo handelen, schijnen de bekeering nog zeer noodig te hebben!
Daarna werd ik uitgenoodigd op de jaarlijksche christelijke conferentie te Dundee. Ik had hier eene zeer bijzondere ervaring. Daar mij verzocht werd, om de voormiddag-bijeenkomst met gebed en het uitspreken van den zegen te besluiten, deed ik een gebed en begon daarna: »May the love of God the Father,quot; (Moge de liefde Gods, des Vaders) maar ik kon geen enkel woord verder in het Engelsch zeggen, alles scheen uit mijn geheugen te zijn gewischt behalve de woorden in het Aniwaansch, want ik was sedert lang begonnen in de taal der Inboorlingen te denken, en na een pijnlijk stilzwijgen en eene doodelijke stilte, moest ik eindigen met een eenvoudig »Amen!quot; Het zweet brak mij aan alle kanten uit, toen ik weder ging zitten. Het ware misschien wijzer geweest, gelijk de Voorzitter later aanmerkte, den zegen in het Aniwaansch te hebben uitr gesproken, maar ik vreesde de menschen te doen lachen door zulk eene vreemde openbaring van talen. Het ergst van alles was, dat het was aangekondigd, dat ik in den namiddag het woord zou voeren, maar wie zou een zendeling komen hooren, die steken bleef in het uitspreken van den zegen. Het gebeurde had zijne half komische zijde, maar het deed mij den tusschentijd op mijne knieën in angstig en vurig gebed doorbrengen. Een talrijk gehoor verzamelde zich, en indien de Heer rnij ooit
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRIT t\'ANNIË
klaarblijkelijk gebruikte, om Zijne kinderen belangstelling in de zending te doen gevoelen, was het zeker op dien avond. Toen ïïc nederzat, overhandigde mij een toegewijd ouderling van de Vrije kerk zijn kaartje met het bijschrift »L.O.U.—£ 100quot; (ƒ 1200). Dit was mijn eerste gift van honderd pond en mijn hart was er grootelijks verheugd over. Ik prees den Heer, en dankte Zijn dienaar hartelijk. Gedurig weerklonken deze woorden in mijn hart: »Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten;quot; en ook; »Werp uwe bekommernissen op Hem, en Hij zal u uitredden.quot;
Tijdens mijne toespraak zaten drie meisjes, kleurlingen, veel gelijkend op onze meisjes van de Zuidzee-eilanden, vlak voor het platform met groote belangstelling naar mij te luisteren. Toen ik geëindigd had met spreken, stond de jongste, een meisje van oogenschijnüjk twaalf jaren op; groette mij op Indische wijze, deed vier zilveren armbanden van haar arm en bood ze mij aan, zeggende:
»Padre, ik zou gaarne aandeel in uw zendingschip hebben voor deze armbanden, want ik heb geen geld, en moge de Heer u rijkelijk zegenen!quot;
»Ik dank u wel, mijn lief kind,quot; antwoordde ik; »ik wil uwe armbanden echter niet nemen, maar Jezus zal uw offer aannemen en u toch zegenen en beloonen.quot; Zij hield ze echter voor mij in de hoogte, zeggende : »Padre, toe, neem ze van mij aan, en moge God u zegenen!quot;
Eene dame, die naast haar gezeten was, naderde mij en zeide :
»Ik bid u, neem ze van haar aan, of het lieve kind zal haar hart breken. Zij heeft ze aan Jezus geofferd voor uw zendingschip.quot;
Ik vernam later, dat de meisjes weezen waren, wier ouders in een tijd van hongersnood gestorven waren, dat de dame en hare zuster, dochters van een zendeling, de kinderen hadden aangenomen, om ze eene opleiding te geven tot zendelingen voor Zenana, en dat zij van plan waren met haar terug te keeren, om te leven en te sterven in het gezegend werk onder de dochters van Indië. O, welk eene belooning en welke vreugde zou menige dame, die deze bladzijde leest, voor tijd en eeuwigheid kunnen genieten door een soortgelijk eenvoudig dienstbetoon, dat toch zoo veel zegen kan afwerpen! Begeef u aan den arbeid, waar en wanneer God u den weg wijst en wacht op niemands leiding.
Wat de giften en de gevers betreft, daarin was de grootste verscheidenheid op te merken. Eene dame in Glasgow zond mij een anoniem briefje van dezen inhoud:
»Ik heb bezuiniging gebracht in mijne uitgaven. De eerste /60, die ik bespaard heb, zend ik u hierbij, opdat gij ze voor mij op interest moogt zenden in de bank van Jezus. Ik ben er zeker van, dat Hij den hoogsten interest geeft en het zekerste terugbetaalt.quot;
Uit Edinburg schreef mij een advokaat: »Ik zend u hiernevens f 60. Geef mij daarvoor tweehonderd aandeelen in het zendingschip. Nooit in mijn leven heb ik mijn geld met zooveel zelfvoldoening belegd.quot;
Een heer, wiens kinderen zeer ijverig eene aanzienlijke som voor mij door collecte-kaarten hadden bijeengebracht, zond mij ten laatste zijne eigene inschrijving, zeggende: »Hierbij zend ik u ƒ 300, omdat gij mijne kinderen zooveel belang hebt ingeboezemd voor de zending onder de Heidenen.quot; Deze zelfde vriend zond mij, nadat hij mij mijne zaak te Edinburg in de St. George-kerk had hooren bepleiten, een brief vol aanmoediging en eene nieuwe contributie van ƒ 1200.
Eene dame te Glasgow vervoegde zich ten huize mijns broeders met de vraag: »Is de zendeling thuis? Kan ik hem alleen spreken? Zooniet, dan zal ik later wederkomen!quot; Toen zij in mijne kamer gelaten werd, weigerde zij te gaan zitten, maar zeide: »Ik heb u de geschiedenis van
363
LAATSTE BEZOEK AAN GROO r-BRITTANNIË.
uwe zending hooren verhalen en heb sedert steeds voor u gebeden; en nu ben ik hier gekomen, om u mijn penningske te geven, maar wensch u mijn naam niet te noemen. God zegene u. Wij zullen elkander in den hemel wederzien.quot; Zij reikte mij eene enveloppe over en was verdwenen bijna vóór ik den tijd had, haar te bedanken. Het was /588 in bankbiljetten.
Eene andere lieve christin kwam mij ook bezoeken en aan het einde van een aangenaam onderhoud sprak zij: »Ik heb veel over u gedacht, sedert ik u gehoord heb in Clark Hall, Paisley. Ik ben nu gekomen, om u een klein stukje vuil papier voor uw schip te geven. God zond het mij, en ik geef het Hem door u met groot genoegen weder.quot; Ik dankte haar hartelijk, meenende, dat het een pond of hoogstens vijf pond zou zijn; maar toen ik de enveloppe opende, nadat zij vertrokken was, bleek het, dat zij honderd pond of f 1200 bevatte. Ik gevoelde mij metinnigen dank vervuld en ging opnieuw gesterkt voort in het werk des Heeren.
Eene andere dame, die mij verzocht eens bij haar te komen, zeide tot mij: »Ik heb gehoord van het lijden en de verliezen door de zendelingen op uwe eilanden geleden, vanwege de ongeschiktheid van het zeilschip. Ik ben daarom blijde in de gelegenheid te zijn u / 600 te geven, om u te helpen tot het verkrijgen van een stoomschip.quot;
Vele versierselen, zilveren en gouden sieraden, ringen en kettingen werden mij ook toegezonden, of in de collectezak geworpen. Met behulp van christenvrienden en door de vriendelijkheid van een handelaar in goud en zilverwerken, die in onze zaak belang stelde, werden deze voorwerpen op de voordeeligste wijze in klinkende munt omgezet en aan ons fonds toegevoegd.
Daar ik een aanbevelingsbrief had van eene dame uit Londen, toen in Edinburg woonachtig, ging ik haar opzoeken en werd zeer vriendelijk ontvangen ter wille van onze wederzijdsche vriendin, mevr. Cameron, van St. Kilda. Na een aangenaam christelijk gesprek verliet zij de kamer en kwam spoedig daarna met eene enveloppe in de hand terug, zeggende: jlk heb dit een jaar bewaard, en den Heer gevraagd, mij aan te wijzen, op welke wijze er over te beschikken. God eischt het nu op voor het zendingschip, en het geeft mij groote vreugde, het u te overhandigen.quot; Het was weder / 1200. Ik had dien ganschen namiddag gebeden, om eenig teeken van aanmoediging, voornamelijk toen ik naar deze dame ging en Gods buitengewoon antwoord, zelfs terwijl het gebed nog op de lippen was, trof mij zoo, dat ik niet spreken kon. Ik ontving hare gift met tranen en mijne ziel verhief zich tot den Gever van alles.
Nu was de tijd aangebroken, waarop ik iets moest gaan beproeven onder de Presbyterianen in Engeland. Maar de moed ontzonk mij, ik kende niemand onder hen dan Dr. Dykes, en de zending op de Nieuwe Hebriden ging hun niet bijzonder ter harte. Na een ernstig gebed tot God schreef ik aan al de Presbyteriaansche predikanten in en rondom Londen, sloot mijn boekje »Statement and appealquot; in, en verzocht eene predikbeurt te mogen vervullen, waar ik eene collecte mocht houden, of het surplus mocht genieten van de gewone collecte, ten voordeele van ons zendingschip. Allen\' weigerden, op twee na. Ik vernam later, dat de Presbyteriaansche gemeente van Londen had besloten, dat er wegens eene bijzondere geldelijke verlegenheid gedurende eenige maanden in geen hunner kerken andere giften mochten gevraagd worden dan die voor hunne eigene gemeente. Mijn waarde vriend, Dr. J. Hood Wilson, was zoo vriendelijk aan een aantal hunner om mijnentwil te schrijven, met bijna gelijken uitslag, ofschoon mij ten laatste nog twee godsdienstoefeningen werden toegestaan met eene collecte en eéne ronder.
364
365
Daar ik in elk geval in Londen zijn moest, ter zake van de gevreesde annexatie van de Nieuwe Hebriden door de Franschen, besloot ik deze vijf predikbeurten waar te nemen, en onmiddellijk daarna naar Schotland terug te keeren, waar de gelegenheden om te spreken vele waren, en ik meer verplichtingen had, dan ik kon nakomen. Maar de Heer Zelve opende eene wijdere deur voor mij, hetgeen mij meer nut gaf, dan al hetgeen ik voor mijzelven had trachten te doen.
De kerken, waarin ik toegelaten werd, handelden edelmoedig en de predikanten behandelden mij als een broeder. Dr. Dykes ondersteunde mijne aanvraag allervriendelijkst, en wilde de giften in ontvangst nemen, die voor ons zendingschip mochten gezonden worden. Dr. Donald Fraser, de heeren Taylor en Mathieson, droegen met hunne gemeenten ruim tot het fonds bij. Zoo deed ook de zendingskerk in Drury Lane, terwijl de uitmuntende predikant W. B. Alexander met zijne echtgenoote mijne oprechte persoonlijke vrienden werden, die sedert ieder jaar op hunne bijeenkomsten den nood der Inboorlingen op de Nieuwe Hebriden herdachten; ook anderen, die ik niet allen kan opnoemen, toonden eene warme belangstelling in ons en in ons deel van het werk des Heeren. Maar ik had, dwaas genoeg, mijn hart er op gezet, om eene groote som bij het fonds voor het zendingschip gevoegd te zien en toen er slechts f 1800 kwam van al de kerken in Londen, die ik had kunnen bezoeken, gevoelde ik mij niet weinig teleurgesteld. Dit was zeer verkeerd van mij, in aanmerking genomen al mijne vorige ervaringen, en God verdiende door mij veel meer volkomen vertrouwd te worden, gelijk het vervolg zal aantoonen.
De algemeen bekende en zeer beminde dienstknecht des Heeren, de heer J. E. Mathieson, van de Conferentie-Hall van Mildmay, had mij uitgenoodigd het woord te voeren op een der jaarlijksche samenkomsten ten behoeve van de uitwendige zending, en ook om zijn gast te willen zijn, zoolang de conferentie duurde. Hierdoor kwam ik in aanraking met vele edele en godvruchtige discipelen des Heeren, die ik anders niet bereikt zou hebben, al was ieder kerkgebouw in Londen voor mij geopend geweest. Deze toegewijde, edele en getrouwe discipelen, die tot iederen stand en rang van de maatschappij behoorden en tot verschillende af deelingen van de gemeente van Christus, behoorden zeker tot de hartelijkste en deelnemendste raenschen, die ik ooit het voorrecht had toe te spreken. Men gevoelde daar, meer dan ergens elders, dat iedere ziel brandende was van liefde tot Jezus en van werkelijke toewijding voor Zijne zaak in ieder hoekje der aarde. Daar was het een voorrecht en eene vreugde om te spreken, en ofschoon geene collecte gevraagd werd of verwacht kon worden, werd mijn hart gesterkt en bemoedigd door deze heerlijke bijeenkomsten en door de hemelsche gemeenschap daar gesmaakt.
Maar ziehier, hoe de Heer ons langs een weg leidt, dien wij niet kunnen voorzien! Op den volgenden morgen, nadat ik op de conferentie gesproken had, overhandigde een heer, die mij gehoord had, mij een cheque voor f3600, op verre na de grootste enkele gift, die voor ons zendingschip ingekomen was ; terstond daarna ontving ik van eene van de dames-zendelingen van Mildmay f 600, van een eerwaardig vriend van den stichter f240, van »vrienden te Mildmayquot; f360 en door mijn waarden vriend en broeder, J. E. Mathieson, werden mij vele andere giften van tijd tot tijd toegezonden.
Mijne introductie op de conferentie van Mildmay echter, deed nog veel meer voor mij dan dit; zij verschafte mij eene menigte uitnoodigingen
366
voor huiselijke samenkomsten in en buiten Londen, waar ik het verhaal van onze zending vertelde, het Evangelie predikte aan velen in de hoogere rangen der maatschappij en waar ik ook ruime bijdragen ontving voor het zendingschip. Ik ontving daardoor ook uitnoodigingen uit vele deelen van Engeland, om te komen spreken in kerken, vergaderzalen, heerenhuizen en kasteelen.
Lord Radstock organiseerde ook eene bijzondere samenkomst, en noodigde door kaarten een aantal zijner invloedrijkste vrienden te zijnen huize. Daar ontmoette ik voor de eerste maal iemand, dien ik sedert heb leeren beschouwen als een zeer dierbaar, persoonlijk vriend, den heer Sholto D. C. Douglas, predikant bij de Engelsche Staatskerk, die toen en later bij zijn verblijf in Schotland, niet alleen ruim tot ons fonds bijdroeg, maar mij als een broeder steunde en mijn werk voorthielp door ieder middel, dat onder zijn bereik was.
De graaf en de gravin van Tankerville noodigden mij ook op het kasteel Chillingham en verschaften mij de gelegenheid, om daar eene vergadering toe te spreken, saamgekomen uit alle deelen van het graafschap. Het Britsch en Buitenlandsch Bijbelgenootschap ontving mij in eene bijzondere vergadering van het bestuur, en ik was daardoor in staat hun mede te deelen, dat wij, de zendelingen van deze eilanden, wier taal nooit te voren in letters was voorgesteld, tot hen opzagen, op hen steunden en voor hen en hun werk baden, zonder welk werk onze Bijbel voor de Inboorlingen nooit gedrukt zou kunnen worden. Na de vergadering gaf de Voorzitter f60 en een van de leden van het bestuur eene cheque van f 300 voor ons zendingschip.
Ik werd ook naar Leicester geroepen, en maakte daar kennis met een godvreezend en begaafd dienaar van den Heer Jezus, den predikant F. B. Meijer. B. A. (nu te Londen) wiens boeken en boekjes over het Hooger Christelijk leven door tienduizenden gelezen worden, en veel zegen hebben verspreid. Daar sprak ik voor groote samenkomsten van toegewijde arbeiders in den wijngaard; en de koopman, bij wien ik bij die gelegenheid logeerde, heeft sedert f 120 per jaar bijgedragen voor het onderhoud van een Inlandsch onderwijzer op de Nieuwe Hebriden.
Ik had ook het genoegen de weeshuizen van den heer Müller te Bristol te bezoeken en daar te spreken, en dien vromen man des geloofs en des gebeds als een wijs en liefhebbend vader te zien rondgaan onder de honderden, ja, duizenden, die tot hem opzien, zoowel voor hun dage-lijksch brood als voor het Brood des Levens. Aan het einde mijner toespraak dankte de eerwaardige stichter mij hartelijk en zeide:
»Hier zijn /600, die God mij voor uwe zending heeft gezonden.quot;
«Maar, mijn waarde vriendquot;, antwoordde ik, »hoe kan ik dit geld nemen. Indien ik kon, zou ik u liever f 6000 voor uwe weezen geven, want ik ben er zeker van, dat gij het alles noodig hebt!quot;
Hij antwoordde zachtmoedig, maar met groote waardigheid: »God zorgt voor Zijne eigene weezen. Dit geld kan niet voor hen gebruikt worden. Ik moet het u per brief nazenden. Het is de gift des Heeren.quot;
Dikwijls als ik den arbeid van bijzondere personen en gemeenten gadesloeg, en trachtte alles te beoordeelen zooals Christus het beoordeelen zou, is het mij voorgekomen, dat zulk werk als van Müller of Barnardo en dat van mijn landsman, William Quarrier, bijzonder dierbaar aan onzen gezegenden Meester moet zijn. En zou Hij deze wereld weder komen bezoeken, om de plaats te vinden, waar Zijn Geest zich het meest in daden openbaart, dan vrees ik dat Hij vele van onze zoogenaamde gemeenten zou voorbij gaan, en dat Zijne heilige, teedere, hulpvaardige
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË.
Goddelijk-menschelijke liefde hare meest volkomen terugkaatsing zou vinden in deze weeshuizen. Nu en altijd, te midden van alle verschil van geloofsovertuiging en in elk klimaat, is dit, dit de »zuivere en onbevlekte godsdienstquot; voor God en den Vader!
Upper Norwood, een deel van Londen, is mij nog versch in het geheugen, in verband met mijne verschillende bezoeken, voornamelijk om de getrouwe hulp onder al de bezwaren, die het groote Babyion mij opleverde, mij zoo van ganscher harte verleend door mijne oude vrienden uit Australië, die daar toen woonden, den heer William Storrie en zijne voortreffelijke echtgenoote, beiden toegewijde arbeiders in de zending zoowel binnens- als buitenslands. Groote welwillendheid werd mij ook bewezen door hun predikant aldaar; en door den heer T. W. Stoughton in wiens zendingshuis eene gedenkwaardige en aangename samenkomst gehouden werd; en onder vele anderen, die ik niet allen hier kan opnoemen, door de heeren Morgan en Scott, van de »Chrisüati\' \\ ik verheugde mij hen allen een werkzaam aandeel te zien nemen in den arbeid voor .den Heer Jezus.
Hier moet ik ook niet vergeten te melden, dat de edele en wereldberoemde dienaar Gods, de prediker uit den Tabernakel, mij bij zich op eene buitenpartij noodigde, en mij verzocht zijne studenten en andere christen-arbeiders toe te spreken. Toen ik kwam, vond ik een groot gezelschap verzameld onder de schaduw van lommerrijke boomen en ik maakte dadelijk kennis met die geniale scherts, zulk eene heerlijke gave wanneer zij geheiligd is, die zoo dikwijls vleugelen gegeven heeft aan de woorden van den heer Spurgeon, toen hij mij aan zijn gezelschap voorstelde als »de Koning van de Menscheneters!quot;
Bij mijn vertrek gaf mevrouw Spurgeon mij het werk haars echtgenoots ^Treasure of Davidquot; ten geschenke, en ook /60 van de »koeien des Heeren,quot; hetgeen ik bij die gelegenheid vernam een deel der inkomsten te zijn van zekere koeien, die door de goede dame gehouden werden, en waarvan de winst geheel was toegewijd aan het werk des Heeren. Ik dankte God, dat Hij mij het voorrecht had geschonken, om kennis te maken met dezen bijzonder begaafden man, aan wien de geheele christenwereld zooveel verplichting heeft en die al zijne gaven toegewijd heeft aan de verkondiging van het zuiver en heerlijk Evangelie.
Maar de innigste en onvergankelijkste band in Londen gesloten, is die met den edelen graaf Ion Keith-Falkoner, die reeds is heengegaan tot het ontvangen van wat in waarheid genoemd mag worden eene martelaarskroon. Ik ontmoette hem ten huize van zijn schoonvader in Trent, en bracht bij eene andere gelegenheid een geheelen dag met hem door ten huize zijner edele moeder, de gravin Douairière van Kintore. Zijne gansche ziel was toen vervuld met zijne voorgenomen zending onder de Arabieren; hij behoorde zelve onder de uitnemendste Oostersche taalgeleerden van zijn tijd; en terwijl wij samen spraken en elkander onze ervaringen mededeelden, gevoelde ik, dat ik nimmer het heilig vuur van God, de heilige aandrift om het verlorene te zoeken en te redden, meer helder en vurig op het altaar van eenig menschenhart had zien branden. De heldhaftige stichting van de zending te.Aden is reeds eene van de kostbare herinneringen van de kerk van Christus. Zijne jeugdige gade overleeft hem, om zijne dierbare nagedachtenis te betreuren, maar ook te zegenen; en om, met behulp van anderen en onder de banier van de Vrije Kerk van Schotland, de »Keith-Falconer-zendingquot; in de duisternis van het met bloed bevlekt Afrika te zien oprijzen, als eene haven der rust voor den slaaf en een licht voor hen, die zonder God en zonder hoop
367
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-HRICTANNIÊ.
zijn. De dienstknecht doet zijn dagwerk en legt zich ter ruste, om in den gezagenden Morgen te ontwaken, maar de Goddelijke Meester leeft en werkt en regeert, en Zijne heilige oogmerken zullen door onzen dood even zeker als door ons leven vervuld worden.
Bij mijne terugkomst in Schotland had ik iederen dag allerlei afspraken gedurende de weken, die nog overbleven, en bijna iederen post bracht mij contributies uit alle denkbare oorden des lands. Ik had mijn hart er op gezet, om twee of drie zendelingen met mij te nemen, ten einde al meer en meer van de eilanden voor Christus te winnen; en met dit doel had ik studenten in de godgeleerdheid te Edinburg, Glasgow en Aberdeen daartoe zoeken op te wekken. Meermalen gebeurde het, dat in mondeling onderhoud of door briefwisseling toegewijde jonge lieden op het punt waren, zich bij ons aan te sluiten; maar telkens weder deden de grootere en meer bekende arbeidsvelden de schaal overslaan en bepaalden zij zich voor China, Afrika of Indië. Hierdoor diep teleurgesteld en meenende, dat God ons tot het verkrijgen van zendelingen voor de Nieuwe Hebriden alleen het oog wilde doen slaan op vrienden uit Australië, besloot ik terug te keeren en deed de eerste stappen, om eene plaats naar Melbourne te bespreken bij de Orient Line. Maar juist op dit oogenblik boden zich twee geschikte en toegewijde studenten, de heeren Morton en Leggatt, aan als zendelingen voor onze eilanden en kort daarna een derde, de heer Landells, ook een uitmuntend man; zij waren allen op het punt van hunne studiën voleindigd te hebben, deden hun examen, werden aangenomen en begonnen hunne bijzondere voorbereiding voor het zen-dingsveld, voornamelijk bestaande in eenige practische kennis der geneeskunde.
Door deze wending der zaken besloot ik mijn vertrek zoo mogelijk zes weken uit te stellen, en den Heer ernstig te smeeken, dat Hij mij in staat mocht stellen, om in dien tijd ten minste ƒ 6000 te ontvangen voor het noodige uitzet der zendelingen en de inrichting van drie nieuwe zendingsposten en om de reis voor de zendelingen en hunne echtgenooten te kunnen betalen, opdat hierdoor geene moeielijkheden mochten kunnen ontstaan. Toen echter drong zich de gedachte aan mij op en drukte mij zeer ter neder, dat het verkeerd van mij was, om over zulke beperkingen als tijd en geld in mijne gebeden tot God te spreken. Maar ik dacht weder bij mijzelven, dat het toch alleen voor de eer des Heeren en niet voor eenige persoonlijke belangen was, dat ik Hem hierom smeekte; en zoo klemde ik mij weder vast aan de belofte; »A1 wat gij den Vader zult bidden in Mijnen naamquot;, en vraagde het in het geloof in Zijn naam en voor Zijne eer en Zijn dienst alleen. En nu geloof ik mijn Heer verschuldigd te zijn, en tot aanmoediging van al Zijne dienaren mede te moeten deelen, wat het antwoord was op deze gebeden.
In het middelpunt van een van de scheepsbouw-districten van Schotland had ik eene reeks samenkomsten gehouden en slechts de som van f 660 ontvangen na negen samenkomsten en nadat ik vele zondagschool collecte-kaarten had uitgegeven. De moed begon mij te ontzinken, daar ik niet geloofde, dat mijne gezondheid nog zes weken van onvermoeiden arbeid zou kunnen doorstaan, toen aan het einde van mijne laatste samenkomst in eene Vrije Kerk een ouderling en zijne vrouw de kerke-raadskamer binnentraden en zeiden:
»Wij stellen een innig belang in n en in al uw werk en plannen. Gij zegt, dat gij f 6000 meer gevraagd hebt. Wij gaven u de eerste f 1200 te Dundee op de Conferentie, en het is ons eene ware vreugde u nog / 1200 te geven, ten einde u te helpen in het verkrijgen van uw laatste
368
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË
som. Wij hopen, dat gij spoedig uw wensch moogt vervuld zien en dat Gods rijkste zegeningen op u mogen rusten.\'\'
Lezers uit Glasgow zullen terstond den edelmoedigen gever, den heer J. Campbell White, hieruit herkennen, die evenals zijne lieve echtgenoote, zich gaarne als een rentmeester van den Heer Jezus beschouwt. Mijn gebed is, dat zij en allen, die hen gelijken, zich meer en meer »gezegend in hun arbeid mogen gevoelen.quot;
Nog eene week ging voorbij, en aan het einde daarvan kwam er eene dame om mij te spreken, en na een aangenaam gesprek over de zending zeide zij:
»Hoe dicht zijt gij nu bij de verlangde som?quot; Ik deelde haar mede wat hierboven gezegd is, en zij vervolgde: »Ik gaf u een klein stukje papier bij het begin uwer pogingen. Ik heb sedert iederen dag voor u gebeden. God heeft mij gezegend, en dit is een van de gelukkigste oogen-blikken van mijn leven, nu ik in staat ben, u nog zulk een stukje papier te geven.quot;-
Zoo sprekende, stelde zij mij eene banknoot van £ 100 ter hand. Ik zeide: »Maar gij zijt waarlijk al te edelmoedig. Kunt gij nog ƒ 1200 missen ?quot;
Hierop antwoordde zij op zeer verheugden toon: »Mijn Heiland is zeer goed voor mij geweest; Hij heeft mij gezegend met eene goede gezondheid en veel voorspoed in mijne zaken. Mijne behoeften zijn weinige en zijn veilig in Zijne handen. Ik wacht niet, tot de dood er mij toe noodzaakt, maar geef den Heer nu weder, wat ik kan, en hoop zoolang te leven, om te zien, dat daardoor grooten zegen door u in de bekeering van de Heidenen wordt teweeggebracht.quot;
De naam van deze lieve vriendin uit Paisley rijst dikwijls in mijne gebeden en overdenkingen voor God. «Voorwaar zeg ik u, de Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.quot;
Mijne laatste week was gekomen, en ik was in het midden van de toebereidselen tot mijn vertrek, toen er onder de brieven, die mij gebracht werden, een was van den volgenden inhoud:
»Dit is geld, dat nooit aan de eigenaars kan teruggegeven worden. Sedert mijne bekeering heb ik hard gewerkt, om het te besparen. Het eenige, wat ik nu doen kan, is het door middel van u aan God wedergeven. Bid voor mij en de mijnen, en moge God u in uw werk zegenen!quot; Ik deed mijn broeder en zijne vróuw aan onze ontbijttafel bijna schrikken door op luiden toon uit te roepen: »Halleluja! De Heer heeft het gedaan ! Halleluja!quot; maar mijne opgewondenheid verzachtte zich onmiddellijk tot klanken van diepen eerbied, en mijne woorden werden ten laatste door tranen verstikt, toen ik bevond, dat deze, op een na de grootste inschrijving, die ik ooit ontvangen had, kwam van een bekeerd koopman, die nu zijn al aan den Heer Jezus geofferd had en die zijne vrije oogenblikken besteedde, om te trachten zijne vroegere vrienden en bekenden, onder wie hij de dagen zijner jeugd had doorgebracht, vóór dat hij bekeerd werd, tot zegen te zijn. Jezus sprak tot hem: »Ga heen naar uwe vrienden en vertel hen, wat groote dingen de Heer u gedaan heeft en hoe Hij zich over u ontfermd heeft.quot;
Nadat ik mijn dierbaar, oud Glasgow, dat zoo nauw met al mijne ervaringen van vroeger en later tijd verbonden was, had vaarwel gezegd, vertrok ik naar Londen, vergezeld van mijn broeder James. Toen wij bij Mevr. Mathieson te Mildmay aan het ontbijt zaten, werd mij een telegram gebracht, het »dankofferquot; van Lord en Lady Polwarth aankondigende, waarvan ik vroeger reeds melding maakte. De Heer had mij nu letterlijk meer gegeven dan waarom ik gevraagd had. Met andere giften, nog door
369
24
370
vrienden te Mildmay bij mijne som gevoegd, had het bijzonder fonds voor de kosten van uitrusting en de reis voor de nieuwe zendelingen het cijfer van f 6000 overschreden en was geklommen tot ongeveer ƒ 7800.
De dienaren des Heeren verzamelden zich in grooten getale tot eene afscheidsbijeenkomst te Mildmay uit alle wijken van Londen, en droegen mij en mijn werk plechtig aan God op, onder lofgezang en vele gebeden en treffende «laatstequot; woorden. En toen eindelijk de heer Mathieson te kennen gaf, dat ik moest heengaan, daar een ander gezelschap van christen-arbeiders ook wachtte, om mij vaarwel te zeggen, en voorstelde dat de geheele vergadering zou opstaan en in plaats van mij de hand te drukken, haar zegenend vaarwel mij zacht toe zou spreken, terwijl ik van het platform door de groote zaal heenging, overstelpte mij een vloed van aandoeningen. Ik voelde mij nooit zoo klein, noch meer geneigd mijn hoofd in het stof neer te buigen, dan toen al deze edele, begaafde en beminde volgelingen van Jezus Christus en al deze toegewijde arbeiders in Gods wijngaard opstonden en als uit een mond tot mij zeiden: »God zij met u!quot; en »God zegene u,quot; terwijl ik door de zaal heenging.
Voor iemand, die minder geleden en gestreden had, of die minder begreep, hoe weinig wij voor anderen kunnen doen, in vergelijking met wat Jezus voor ons heeft gedaan, mocht dit aanleiding gegeven hebben tot geestelijken hoogmoed; maar lang vóór ik de deur der zaal bereikt had, was mijne ziel reeds nedergebogen aan de voeten mijns Heeren met droefheid en schaamte, omdat ik zoo weinig voor Hem had gedaan en ik boog mijn hoofd en zou ook gaarne mijne knieën gebogen en uitgeroepen hebben: »Niet ons, o Heer, niet ons!quot;
Op den 28\'quot; October 1885 zeilde ik naar Melbourne en kwam daar te bestemder tijd door Gods goedheid aan. De gemeente en de vrienden uit mijn bemind Victoria heetten mij hartelijk welkom, en in eene openbare vergadering boden zij mij een getuigschrift aan, dat ik aarzelde om aan te nemen, maar dat toch de hooggeschatte uiting was van hun vertrouwen en van hunne achting.
In mijne afwezigheid, toen ik weder naar de eilanden was teruggekeerd, benoemden zij mij tot Voorzitter van hun Synode-Vergadering en riepen mij terug om dit hoogste eergestoelte in de Presbyteriaansche kerk te beklimmen. God is mijn getuige, hoe weinig een van al deze dingen op zichzelven door mij begeerd was; maar hoe ik, nu zij zich op mijn weg hebben voorgedaan, ze heb aangegrepen met den eenigen wensch, om daardoor de belangstelling der gemeente in de zaak, waaraan mijn geheele leven en al mijne krachten zijn toegewijd — de bekeering der Heidenwereld — op te wekken.
Mijne zending naar Groot-Brittannië had ten doel gehad f 72.000 te verkrijgen, om de Australiaansche kerken in staat te stellen voor een Stoom-zendingschip te zorgen, om aan de uitgebreide en zich steeds meer uitbreidende behoeften van de Nieuwe Hebriden te voorzien. Ik bracht juist achttien maanden in het vaderland door, en toen ik terugkeerde, was ik in staat, om aan de kerk, die mij uitzond, niet minder dan f 108.000 ter hand te stellen. En dit alles was mij gegeven als vrijwillig offer van de rentmeesters des Heeren op de wijze, zooals dit in de voorgaande bladzijden is medegedeeld. »Ziet, wat God gedaan heeft.quot;
Van deze som is f72.000 afgezonderd, om het nieuwe zendingschip te bouwen of te verkrijgen. Het overblijvende is gevoegd bij wat wij noemen ons tweede fonds: tot onderhoud en uitrusting van nieuwe zendelingen. Het is de droom van mijn leven geweest, om op ieder eiland van de Nieuwe Hebriden ten minste één zendeling gevestigd te zien, en dan zou
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË.
ik met blijdschap het hoofd ter ruste kunnen leggen en fluisteren: »Nu laat gij, Heer, uw dienstknecht gaan in vrede.quot;
Wat nu het nieuwe zendingschip betreft, er kwam eenig oponthoud, dat daaraan toe te schrijven was, dat er eenig verschil van meening ontstond omtrent de beste wijze van ons plan uit te voeren. Er zijn onderhandelingen aangeknoopt tusschen Nieuw Zuid-Wales, Victoria en de andere koloniën omtrent de bij te voegen som tot onderhoud van een stoomschip, en hoe die te verdeden. Ook is er eenige twijfel en onzekerheid in het plan gekomen door de mogelijkheid, dat het gouvernement geregeld van Australië naar Fyi een Mail zou laten gaan, die een der havens van de Nieuwe Hebriden zou aandoen, in welk geval, volgens sommiger meening, de zendelingen niet meer noodig zouden hebben dan een kleiner stoomschip, om onder de verschillende eilanden rond te gaan. Intusschen mogen al de vrienden, die in ons en ons werk belang stellen, er van verzekerd zijn, dat het geld, zoo edelmoedig aan mij toevertrouwd, door mij overhandigd is aan mijne gemeente van Victoria, en door het bestuur tegen goede interest in de bank is gezet, in afwachting van de regeling dezer onderdeden in de zaken.
Voor mij persoonlijk is dit uitstel zeker eene groote teleurstelling, daar ik het zoo diep gevoel, en het iederen dag duidelijker inzie, hoeveel lijden en verlies onze geliefde zendelingen en hunne huisgezinnen lijden, door de onzekerheden van een zeilschip en door de geheele ongeschiktheid van onze tegenwoordige Dayspring, om in de behoeften te voorzien. Maar dit is de plaats niet, om deze zaak in hare bijzonderheden te bespreken, Het werk, dat mij was opgedragen, is door mij volbracht. De gemeenten in de koloniën hebben zelve de verantwoordelijkheid voor het overige. Hierin, als in menige hardere onaangenaamheid van mijn veelbewogen leven, werp ik mijn last op den Heer. Ik verwacht met gerustheid en vertrouwen Zijne wijze leiding van de gebeurtenissen. Zijn hand is aan het roer, en waarheen Hij ons stuurt, zal het wel zijn.
Maar ik wil dit hoofdstuk niet besluiten, zonder dat ik een anderen en een goddelijker toon aansla. Ik ben weder naar de eilanden geweest, sedert mijne terugkomst uit Groot-Brittannië. De geheele bevolking van Aniwa was aan het strand, om mij te verwelkomen en mijn tocht naar het oude zendingshuis geleek meer op den Triomftocht van een overwinnaar dan op de thuiskomst van een eenvoudig zendeling. Alles was in de volmaakste orde gehouden. Iedere godsdienstoefening in de kerk, gelijk te voren reeds medegedeeld is, was door de Inlandsche onderwijzers, de ouderlingen en eens of tweemaal in het jaar door een zendeling van een van de andere eilanden waargenomen. Aniwa is even als Aneityum een christen-\\ax\\(\\. Jezus heeft er bezit van genomen, om deze
kusten nooit meer te verlaten. Zijn gezegende naam zij eerl
%
# %
Wanneer ik den nood der Heidenen en de verplichtingen, die Jezus Zijnen volgelingen oplegt, bëpleitte, is het mij dikwijls verweten, dat ik een man was »van maar een denkbeeld.quot; Ik heb wel eens gemeend, dat dit kwam van de lippen van menschen, die zelve niet eens één denkbeeld hadden — tenzij dit ware, hoe zij den tijd zouden dooden of hunne eigene huid bewaren! Maar in ernst gesproken, is het niet beter om één goed denkbeeld te hebben, hiervoor te leven en het ten uitvoer te brengen, dan zijn leven te verknoeien aan vele dingen en nergens een blijvend teeken op achter te laten r
En behalve dat, men kan niet uitsluitend voor één goed denkbeeld
371
LAATSTE BEZOEK AAN GROOT-BRITTANNIË.
leven, zonder tevens vele andere verwante zaken voor te staan. Mijn leven wordt beheerscht door één heilig doel; maar dit navolgende, heeft de Heer mij in staat gesteld, om Evangelist zoowel als Zendeling te zijn; en terwijl ik het benoodigde geld zocht te verkrijgen, om vele zielen te kunnen bereiken, opdat zij gezegend en gered mochten worden, heeft Hij mij gebruikt, om de Zondagviering in vele landen voor te staan, als het van God gegeven en heerlijk geboorterecht van de zwoegende millioenen, dat hun tot geen prijs, dien de menschen kunnen aanbieden, ontnomen kan worden. Hij heeft mij in staat gesteld het recht te handhaven van ieder kind, in christen- of in heidenlanden, om te leeren den Bijbel te lezen en dien te verstaan, als de Goddelijke grondstelling van alle maatschappelijke orde en de eenige waarborg van persoonlijke vrijheid evenals van nationale grootheid — Hij heeft mij ook in staat gesteld om te velde te trekken tegen de helsche Kanaka of Arbeidhandel, een van de wreedste en bloedigste vormenquot; van slavernij op aarde, en om de broeders in de koloniën en in het vaderland in heilige geestdrift te ontsteken tegen hen. die handel drijven in de lichamen en zielen van hunne medemenschen.
In dit alles, evenals in mijn eigen directen arbeid als zendeling, heb ik waarschijnlijk ruim mijn deel gehad aan den smaad van de vijanden des kruises en vele beproevingen en verdrietelijkheden in den dienst van mijn Heer ondervonden, en toch, vóór ik de pen nederleg, wensch ik hier als mijne onwrikbare overtuiging uit te spreken, dat dit de edelste dienst is, waarin het menschelijk leven kan besteed worden en dat, als God mij mijn leven teruggaf, om weder over geleefd te worden, ik het zonder een zweem van aarzeling weder op het altaar van Christus zou nederleggen, opdat Hij het wederom mocht gebruiken voor gelijke liefdediensten, voornamelijk onder hen, die nimmer den naam van Jezus gehoord hebben.
Niets, dat ik verduurd heb, of dat ik nog zat moeten ondervinden, doet mij aarzelen, — integendeel, ik doe het met blijdschap des harten — om het gebed uit te spreken, dat het den gezegenden Heer moge behagen, om de harten van al mijne kinderen naar het zendingsveld heen te trekken; en dat Hij hen een weg moge openen en dat het hun trots en vreugde moge worden, om te leven en te sterven in het werk des Heeren onder de heidenen 1 God gaf het liefste wat Hij had, Zijn Zoon, voor mij, en ik geef Hem het liefste wat ik heb, mijn alles, weder!
En nu, vaarwel, mijn lezer! Gij hebt mij door dit boek vergezeld —• niet zonder een weinig nut voor uzelven, zoo ik vertrouw, en niet zonder vele dingen opgemerkt te hebben, die er u toe brengen, om den Heere God te prijzen, tot Wiens eer deze bladzijden geschreven zijn. In uw leven en in het mijne komt ook een laatste hoofdstuk; een laatste tooneel wacht ons; God, onze Vader, alleen weet waar en hoe! Door Zijne genade hoop ik dat hoofdstuk te doorleven; ik hoop door dat tooneel heen te gaan, in het geloof en in de hoop op Jezus, die mij van kindsbeen af tot nu toe is nabij geweest. Wanneer gij dit boek sluit, ga dan tot uw Zaligmaker en beloof Hem op uwe knieën, dat gij met Zijne hulp hetzelfde wilt doen. En laat ik u mogen ontmoeten, en laten wij onze gemeenschap mogen hernieuwen in de tegenwoordigheid en in de heerlijkheid van onzen Heiland. Vaarwel!!
372
VAN
Bladz.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het van stapel loopen van de »Dayspringquot;.........176
TWEEDE HOOFDSTUK.
Onder de Aborigines.................198
DERDE HOOFDSTUK.
Naar Schotland en terug................210
VIERDE HOOFDSTUK.
Vrienden en vijanden.................223
VIJFDE HOOFDSTUK.
Nederzetting op Aniwa.................234
ZESDE HOOFDSTUK.
Tegenover het Heidendom...............247
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Het licht schijnt meer en meer.............271
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Schetsen van Aniwans.................292
NEGENDE HOOFDSTUK.
Brieven van Aniwa..................313
TIENDE HOOFDSTUK.
Laatste bezoek aan Groot-Brittannië............354
Uitgaven van JACQUES DUSSEAU amp; C0. te Amsterdam, Rokin 160:
Van ARTHUR T. PIERSON 1). 1).:
(Schrijver van » Vele gewisse kenteekenenquot;, enz.)
toegewijd aan de nagedachtenis van
Prijs . . ƒ 1.60; — gebonden . . / 1.95.
of
EENIGE OPMERKINGEN OMTRENT DEN DIENST VAN GOD.
Niemand vemiime kennis te maken met deze nieuwe werkjes van den begaafden schrijver. Zeer gunstig beoordeeld door de voornaamste christelijke bladen.
vertaald door
Prijs . . ƒ 1.25; — gebonden . . ƒ 1.60.
De schrijver behandelt hierin op de hem eigen boeiende en aangrijpende wijze de omgang van Jezus met „liet volkquot;.
Vooral in onze dagen is dit boek dubbel lezenswaard.
Geclacliten over Heiligmaking.
vertaald door
Prijs ƒ 1.25; — geb. verg. op snede / 1.75.
.... Het is een aantrekkelijk geschrift. Niemand zal zich beklagen het te hebben gekocht. (Dr. J. H. Gunning J.Hz., pred. te Leiden.)
.... Het moet door alle Christenen gelezen en herlezen worden.
{De Kerkelijke Courani)
dook
(De ontvluchte JNon),
Gedurende zes jaren non in het St. Joseph\'s klooster te New-Jersey.
Prijs met portret en vier platen ƒ 0.75.
Wie het verderfelijke van het kloosterleven wil leeren kennen, leze dit boeiend geschreven boek.
door
EEN FKAAÏ UITGEVOERD WERKJE MET VELE PLAATJES. Prijs / 0.55; in keurig prachtbandje / 0.85.
Bij getallen belangrijk minder.
Van dit aantrekkelijk boekje werden in Engeland in één j a a r t ij d s 50.000 Exemplaren verkocht.
Ds. Spürgeon schreef hiervan in Febr. 1891 :
.... Het is een zeer voortreffelijk boekje. Wij wenschten wel dat ieder kind dit werkje ontving. De Heer Spiers is bij uitnemendheid in staat kinderen te boeien en hen tot den Heiland te brengen.
Dit keurige werkje wordt door geen enkel Kerstfeestboekje overtroffen.
of
De latere jaren mijner Evangeliebediening.
door
MET TWEE PLATEN.
Prijs . . /1.90; — gebonden . . /2.25.
.... De inhoud van dit boek is overwaard gelezen te worden.
{Rotten/. Kerkbode).
Voor Christelijke Scholen, Zondagsscholen, enz.:
Met Muziek......ƒ 0.60 )
Bij getallen belangrijk minder. Zonder Muziek...» 0.10 ^ J 0 a J
BIJ ALLE SOLIDE BOEKHANDELAREH VERKRIJGBAAR.
De volledige lijst onzer l\'itgaveu is gratis en franeo beschikbaar.
quot;^7
A 15 DEC 33