GODGELEERDHEID EN GODSDIENSTWETENSCHAP.
Onder dezen titel lieeft Dr. H. Bavinek, lioogleeraar aan de theologische school te Kampen, een opstel geplaatst in „de \\\'rije Kerk, Vereeniging van christ. Geref. stemmen onder Red. v. H. Beuker (Mei 1892, bl. 197— 225). Hij bespreekt daarin verschillende vertoogen, over datzeltde onderwerp door mij in de laatste twee jaren uitgegeven en inzonderheid mijn laatste opstel: „Godgeleerdheid en godsdienstwetenschapquot; (Utr. 1892) — en wel op zijne gewone wijze, d. i. principieel en humaan. Dit noopt mij, daar ik dit onderwerp van het hoogste belang acht, enkele punten uit zijn beoordeeling nadar te be-spieken. In hoofdzaak zijn Dr. B. en ik het onderling ééns: daarom is het mogelijk, over bijzonderheden vrucht-baai met elkander van gedachten te wisselen.
Di. B. zegt (bl. 223) dat ik van het standpunt des geloots tegen de geschiedenis der godsdiensten en de wijsbegeerte der religie bezwaren heb ingebracht. Dit is niet juist. Tegen het eerste dezer vakken, de geschiedenis der godsdiensten, heb ik geen bezwaar geop-peid. Ik houd dit vak wel is waar niet voor behoorende tot de godgeleerdheid, maar acht deze studie toch voor den godgeleerde zeer wettig en nuttig, en zou niet weten
588 QODaKLEERDHIID BN GODSDIENSTWETENSCHAP.
wat er tegen in te brengen. Alleen tegen de ^wysbe-geerte van den godsdienstquot; heb ik bezwaar. Wederom geen bezwaar tegen „de wijsbegeertequot; in het algemeen, geiyk bl. 224 wordt aangeduid. Ik acht haar hoog, en betreur dat zij zoo weinig aan de universiteiten door de aanstaande leeraren schijnt beoefend te worden. Myn bezwaar geldt de geheele godsdienstwetenschap als zoodanig, in den zin dien ik, m. i. terecht, aan dat woord in het bedoeld opstel gegeven heb, namelijk de wetenschap die den godsdienst en wat tot hem behoort, wil onderzoeken door het van alle gezag, naar men meent, onafhankelijke, autonome denken, en alzoo algemeen-geldige resultaten op dit gebied verkrijgen wil. Van deze godsdienstwetenschap is de wijsbegeerte van den godsdienst het hart, het hoofdvak; en daarom richt zich mgn bezwaar vooral tegen haar in het vertoog „Godsdienstwetenschap en godgeleerdheid.quot;
Dr. B. zegt (bl. 222): „het is met de wijsbegeerte van den godsdienst \') niet anders dan met de wijsbegeerte van het recht.quot; Beide moeten namelijk, meent hy, wel niet door godgeleerden als zoodanig, maar door wysgeeren behandeld worden, doch ze zyn dan ook wettige vakken. Ik meen daarentegen dat dit wel geldt voor de rechts-philosophie, maar niet voor de W. v. d. G. Boven elke verschijning van het Kecht mag en moet de wysbegeerte van het recht staan, omdat er geen absoluut recht door God geopenbaard is. Ook wie niet gelooft aan eene persoonlyke bgzondere openbaring Gods, mag en moet eene W. v. d. G. vormen, in welke hy het verschynsel van den godsdienst objectief onderzoekt. Maar de godgeleerde, d. i. een man die uitgaat van de kennisse Gods, door deze persoonlijke openbaring Gods verleend, kan
1) Deze zal ik verder door „W. v. d. Gr.quot; aanduiden.
GODGELEERDHEID EN GODSDIENSTWETENSCHAP. 589
natuurlgk het bestaan en de gelding, In wyden kring, van deze W. v. d. G. niet beletten, en moet ook zyn voordeel doen met veel waars en goeds dat door zulke onderzoekingen wordt opgedolven; maar deze W. v. d. G. in haar geheel als juiste beschrijving van den godsdienst erkennen, dat mag hij m. i. niet. Voor hem bestaat geen algemeengeldige wijsbegeerte van welke uitgaande hg Gods openbaring beoordeelen zou.
„De godsdienst,quot; zegt Dr. B. bl. 220 e. v. „is een algemeen menschelyk verschijnsel, dat onze belangstellingen ons onderzoek ten volle verdient. Waarom zou dit verschynsel niet mogen bestudeerd worden; waarom zou er niet over nagedacht mogen en kunnen worden, hoe het wortelt in de menschelyke natuur, op welke wyze het samenhangt met al hare vermogens, in welke stemmingen en handelingen het zich openbaart, waarop zijn recht gegrond is, en welke beteekenis het heeft voor heel het menschelyk leven?quot;
Ik andwoord : „dit alles heb ik niet ontkend. In „Nog eens, werkelijkheid van den godsdienstquot; bl. 11 en 12 heb ik aangewezen dat zulk een onderzoek historische noodzakelykheid heeft. Maar ik heb gezegd dat ik het als „christenquot; moet doen, dus niet op algemeen-geldige wijze, gelyk toch de eisch der W. v. d. G. is. Dr. B. had moeten vragen: „waarom zou dit alles niet op algemeengeldige wijze mogen bestudeerd worden?quot; Dit toch is de eisch van het vak. „Deze eisch,quot; zegt Dr. B. bl. 225 „is theoretisch valsch en praktisch onmogelijk.quot; Ik andwoord: Juist zóó, maar evenwel, die eisch ivordt feitelijk gedaan, en wel als hestaansreden van het vah self. Daarom mag men dat vak niet aanvaarden en toch tegelyk dien eisch ter zijde stellen; maar als men, terecht, dien eisch niet vervullen wil, moet men dat vak zelf afwyzen. De dogmatiek, ingesloten de „natuurlijke
590 GODGELEERDHEID EN OODSDIEKSTWETElfSCHAP.
godgeleerdheidquot; beandwoordde vroeger al deze, door mij zoo even uit Dr. B.\'s opstel overgeschreven vragen, en zou het, dankbaar het licht van de geschiedenis der godsdiensten gebruikende, ook nu nog kunnen en moeten doen. Maar zy gaat uit van het geloof in Christus. Nu zeide, niet slechts de wet van 1876 die slechts uitdrukking van den tydgeest is, maar die tijdgeest zelf, iu de geschiedenis der wetenschap blijkende, ongeveer het volgende: „Het verschynsel van den godsdienst moet onderzocht worden. Gy, dogmatiek, beweert dit te kunnen doen. Maar gij zyt bevangen in het kerkgeloof. Gy zijt niet algemeengeldig. Daarom verwijder ik u, dogmatiek en natuurlijke godgeleerdheid, uit de faculteit der godgeleerdheid, en stel voor u de W. v. d. G. in plaats. Wie wil en kan nu dezen leerstoel bekleeden?quot;
Stel nu dat er iemand komt die in den Christus der Schriften gelooft, en zegt: dat onderzoek, dat leervak, neem ik op my. Want juist myn geloof in Christus geeft mij de onbevangenheid welke de aard van dit leervak eischt — dan is dit eene (gaarne geloof ik; onbedoelde) misleiding. Want de vraag is niet of zoo iemand zichzelven voor onvooringenomen verklaart, raaar of hy het is in den zin ten wiens behoeve het vak geschapen werd? En dat is hij niet.
Dr. B. zegt bl. 225: „de modernen hebben de strengheid van dien eisch (der onmogelyke onbevooroordeeldheid) al vry wat verzacht. Zy staan niet alleen toe, maar verlangen bepaald, dat de beoefenaar van de geschiedenis der godsdiensten en van de W. v. d. G. zelf een godsdienstig mensch zy en religieuzen zin medebrenge.quot;
Andwoord: de verzachting van dien eisch was onr oodig. Nooit heeft iemand die eenig verstand in dezen had, de „onvooringenomenheidquot; opgevat in den zin van „zonder religieuzen zin.quot; Of, zoo iemand het ooit deed, dan
«tODOELEERDHEID EN GODSDIENSTWETEKSCHAP. 591
heeft hy zich den stryd tegen de W. v. d. G. te ge-makkeiyk gemaakt, en aan deze karikatuurteekening van den tegenstander, om hem des te lichter te kunnen verslaan, wensch ik geen deel te hebben. Neen, deze „religieuze zinquot; is eenvoudig hetzelfde als de zin voor muziek dien geen billyk beoordeelaar bij den eisch van een onbevangen oordeel over een muzikale uitvoering zal willen uitgesloten zien.
Maar Dr. B. gaat na de aangehaalde woorden voort:
„Indien zij (de modernen) nu recht hebben om tegenover de Positivisten dezen eisch te stellen, d. i. om te eischen dat de beoefenaar dier wetenschap (der W. v. d, G.) een modern-geloovig Christen zy: waarom zullen dan gereformeerde, orthodoxe of ethische Christenen \') het recht missen, om by het wetenschappelyk onderzoek hunne positieve overtuigingen mede te brengen? Het eene „vooroordeelquot; is hier evengoed als het andere.quot;
En hierop andwoord ik: het baat niet om tegenover de Positivisten dien eisch te stellen. De eisch van „reli-gieuseu zin,quot; zonder meer, vordert iets afgetrokkens, dat niet bestaat. Als men in zoovele handboeken leest van „hetquot; onvoorwaardelyk plichtbesef, van „hetquot; zedelijk gevoel, enz. dan krijgt men een sterken indruk van de boekachtigheid der geleerden, die schijnen te meenen dat zy spreken over iets dat werkelyk, concreet, bestaat. En dit is immers zoo niet\'. Niemand leeft onder ons in zoodanig elementairen, ongerepten toestand. Niemand heeft, in onze maatschappy, als kind der I9de eeuw, zulk een religieuze ontvankelykheid alleen: ieder is reeds verder gegaan, en beeft, ook al weet hy het zelf nog niet, eene positie vóór of tegen den Christus der Schriften
1) Ethische menschen bestaan niet: dit bijvoegelijk woord past niet bij personen, slechts bij zaken, als b. v. waarheid, enz.
592 GODGELEERDHEID EN GODSDIENSTWETENSCHAP.
ingenomen. Wie niet met Hem is, die is — ook al meent hg dat het nog eene open vraag voor hem is, inderdaad tegen Hem. Hier is geen kwestie van „modernquot; of „niet-moderuin niemand onzer, van welke overtuiging of „richtingquot; ook, bestaat zulk een onbevangen „religieuze zinquot; die nog oprecht onzydig is en gereed om aan te nemen wat hem zal blijken waarheid te wezen. Niemand kan in een christenland der ]9lle eeuw zijn eigen zedelyke antecedenten afschudden, de historie vei--loochenen die ook hem vormt en draagt. Wellicht schijnt hg ons een geloovige en is toch een ongeloovige: of schijnt ons een ongeloovige maar is werkelijk liet tegendeel daarvan. Doch onzijdig, alleen met een ontvankelijk religieus gevoel, is niemand. En deze waarheid wordt door het vak der W. v. d. G. ontkend. Dit ïeervak bestendigt door zgn bestaan de gedachte alsof er bij ons werkelijk een zuivere, verstandelijke en religieuze ont-vankelgkheid zou bestaan die slechts den noodigen inhoud ter inlichting en aanvulling ontvangen moet. Een alge-meene „godsdienstigheidquot; die dan in de bepaalde „godsdienstenquot; zich verbgzonderen zal; of waarvan deze „godsdienstenquot; slechts varieteiten met gelgk zedelijk: recht zouden zyn, gelyk Diderot alle positieve godsdiensten de ketterijen van den natuurlgken godsdienst noemde. Ware dit zoo, dan behoorde ieder tot dien „godsdienstigen zinquot; terug te gaan, want deze ware dan iets hoogers, iets edelers dan onze positieve belijdenis. Maar dit is de heillooze oude dwaling welke het „algemeenequot; met het „wezenlijkequot; verwart. Het algemeene is inhoudloos, een afgetrokken begrip: het wezenlgke is vol inhoud en leven. Het algemeene verkrijgt men door logische abstractie: het wezenlijke door toewyding des levens. Onbevangenheid is een heerlijke zaak: docli zg staat niet aan het begin maar aan het einde des onderzoeks, als dat onder-
GODGELEERDHEID EN GODSDIENST WETENSCHAP. 593
zoek in de vreeze Gods en met ingespannen toewijding is ingesteld. Er is in ons, gevallen zondaren, geen alge-meene waarheidsliefde op welke een beroep kan geschieden om de open vraag omtrent den godsdienst te beslissen. Jezus bedoelt Joh. 7, 17 niet: zoo iemand Gods wil doen wil, die zal eerlyk beslissen of hy misschien wel, misschien niet mij aanhangen zal. Maar hij bedoelt: die zal stellig my volgen. Wie uit de waarheid is hoort mijne stem. Die onpartydigheid welke de W. v. d. G. naar haren aard, als plaatsvervangster van de huiten de facid-teit gewezen dogmatiek met de natuurlijke godgeleerdheid, eisclit, bestaat nergens. Het vak zelf is onbestaanbaar. Zegt de Christen: ik bied het geloof als hypothese aan, met een beroep op de eerlijk sprekende behoeften van het binnenste: als man der W. v. d. G. predik ik alzoo Christus op den Areopagus, op de openbare wereldmarkt — zoo andwoorden wij: gy misleidt dan de menschen door hen als eerlyke koopers op die wereldmarkt aan te spreken. Wy zijn niet eerlyk; alle menschen zyn leugenaars totdat God ons waarachtig maakt.
Hoogst kenmerkend zyn dan ook de aangehaalde woorden van Dr. B., waarin hy zegt: „ieder heeft immers vryheid zyn eigen religieuze overtuiging, als licht zijner wetenschap, als bezieling zyner W. v. d. G. aan te brengen, want het ééne „vooroordeel\'\' is hier even goed als het andere !quot; Die woorden toonen hoe illusoir de verwachting was met welke de leerstoel voor de W. v. d. G. is opgericht. Deze verwachting was de volgende. Men zou de verschillende kerkgemeenschappen hare eigen dogmatiek laten prediken; maar hier, in de W. v. d. G., zou nu een wetenschappelyke kennis van „den godsdienstquot; worden gekweekt. Dat de kinderen dezer eeuw, de zoekende en naar geloof begeerige harten de dogmatiek niet accepteerden, dat was te begrypen; want die is in hare
40
GODCrELBEEDHUID BK GODSDIENSTWETENSCHAP.
vooroordeelen bevangen. Maar hier zou nu een onzijdig terrein geschapen worden, zooveel mogelyk. Hier zou ieder die van goeden wille is, zijn gading vinden. Exacte wetenschap is het wel niet, wat hier geboden wordt: maar dat ligt aan den aard van het voorwerp. Niemand eischt hier een onvooringenomenheid als by de mathesis, noch belooft en verwacht exacte resultaten als in die wetenschap. Maar de gemeenschappelgke grond waarop men bouwen zal, is het zedelylc bewustzijn, het plichtbesef. Wie dat laat gelden, zal hier den godsdienst weten-schappelyk verklaard vinden. Zoo zal, boven den strijd der kerkelijke meeningen, hier verkregen worden wat elke ernstige denkende geest als grondslag voor godsdienstige kennis zal kunnen aannemen.
Wordt nu die verwachting vervuld? vestigt zich een zekere overeenstemming omtrent „den godsdienstquot; hier te lande of buitenslands? Erkennen de aanhangers van verschillende overtuigingen op godsdienstig gebied hier, in de W. v. d. G., hun gemeenschappelyk terrein? Ieder weet dat het tegendeel het geval is. Laat ons de eigen toestanden een oogenblik nagaan. Ziedaar op het oogenblik aan onze drie rijks-hoogescholen mannen van eerbiedwaardig karakter en gevestigden wetenschappelijken roem. leder van hen zegt: ik onderzoek en onderwas „denquot; godsdienst, behoudens menschelijke zwakheid, met die onbevangenheid welke billyk op dit terrein mag gevergd worden. Niet alleen prof. Lamers en prof. van Dyk, maar ook prof. Tiele heeft (zie Theol. Tgdschr, 1892, 1) uitdrukkelijk verklaard, in Christus te gelooven. Ieder hunner is daarbij overtuigd, door dit zyn geloof niet belemmerd, niet gebonden, niet bevangen gemaakt, maar integendeel bevryd en in den rechten zin tot onpartgdig-heid gewekt te worden. Eene werking, ook op het gebied der wetenschap, heeft hun geloof zekerlijk. Men
594
GODGELEERDHEID Eï GODSDIENSTWETENSCHAP. 595
mag noch prof. Tiele, noch de beide andere mannen beleedigen door te onderstellen dat zg hun Christus niet van harte zouden aanhangen, of dat zy in hun denken aan gewichtige stellingen, door Hem gewraakt, zouden plaats geven. Maar bestaat dan nu hier die eenstemmigheid, dat „onbevooroordeeld voorwaarts!quot; hetwelk prof. Doedes eens als de leuze, op dit gebied voor allen geldig, heeft uitgesproken ? Neen. Voor zoover de W. v. d. G. dezer mannen de feiten uit de „geschiedenis der godsdienstenquot; nog eens levert, kan hier zekere fhoewel niet volledige) eenstemmigheid verkregen worden. Doch ik herhaal, tegen die wetenschap op zichzelve heb ik niets maar eer haar hoogelyk, en wenschte van heeler harte , meer van haar te weten dan het geval is. Niet van de Geschiedenis der godsdiensten, maar van de W. v. d. G. spreken wij. Bouwen nu de genoemde drie geleerde en ernstige mannen daar eene voor allen (behoudens de grenzen, door het gebied zelf getrokken) geldige kennis van den godsdienst op? Neen, ieder van hen zal het persoonlijk karakter en de geleerdheid van den ander eeren, maar voor zoover hun „Christusquot; verschillend is, zullen zij elkander door het geloof in Hem belemmerd achten. Eu erkent de geleerde wereld rondom hen, voor zoover zy niet in Christus gelooft, deze mannen nu als de rechte verklaarders van den godsdienst? Neen: zy eert billykerwyze hunne geleerdheid en hun persoonlyk karakter, maar acht ook hen door het geloof in den Christus, ieder op zijne wijze, bevangen.
Hieruit blykt dat het doel, door de oprichting van den leerstoel voor de W, v, d. G. beoogd, niet bereikt wordt. De algemeen (zoover hier billyk te eischen is) geldige kennis van den godsdienst wordt niet verstrekt. En dit ligt niet aan de uitnemende mannen die dezen leerstoel bekleeden, maar aan het vak zelf, d. i. aan de verkeerd-
40*
596 GODGELEERDHEID EN GODSDIENSTWETENSCHAP.
heid der verwachting die men er aan knoopt. De godsdienst zal en moet altoos verschillend verklaard worden naar het geloof van den onderzoeker. En nu is hier dus niet „het éene vooroordeel even goed als het anderequot; zooals Dr. Bavinck zegt. Tot het verkrijgen van een (zooveel hier mogelyk) algemeen geldige kennis van den godsdienst acht de heer Tiele het geloofsvooroordeel van de H.H. Lamers en van Dyk belemmerend, en hetzelfde is het geval met het oordeel der H.ïï. Lamers en van Dijk over het geloofsvooroordeel van den heer Tiele. Ieder hunner schept eene kennis van den godsdienst die voor zign eigen familie (om de juiste uitdrukking van Kuenen te herhalen) aannemelijk is. En dit kan niet anders. Voor elk dezer drie mannen ware het een be-leediging, te zeggen dat hun geloof in ieders „Christusquot; zóó flauw zg, dat het op hun beschouwing van den godsdienst geen Invloed heeft.
Zoo is dan voor de dogmatiek (met „natuurlijke godgeleerdheidquot;) die er eenvoudig voor uitkwam dogmatiek te zijn, eene dogmatiek in plaats gekomen die zich W. v. d, G. noemt. Het is omdat men de algemeengeldigheid der kennis van den godsdienst verkeerd heeft opgevat, namelijk alsof zy door „godsdienstwetenschapquot; kon verkregen worden. Neen, die algemeengeldigbeid is eene zaak — niet van onderwijs, maar van praktische vorming, van prediking. Alleen door de bekeering der harten zullen de inzichten omtrent „den godsdienstquot; eenstemmig worden, en God zal dit geven als het Koningryk van Christus zal gevestigd zgn.
De bedoeling, namelyk om eene onbevangeE kennis van den godsdienst voor de kinderen dezer eeuw te bieden, die bedoeling is goed en edel, maar het middel, daartoe door de schepping der W. v. d. G. aangewend, is verkeerd. Het plichtbesef is geen gemeenschappelijk
GODGELEERDHEID EN GODSDIENSTWFTENSCHAP,
uitgangspunt voor onderzoek hieromtrent, omdat het plichtbesef niet bij allen werkelijk en gelijkelyk spreekt hoewel allen het erkennen. Hier is niet psychologisch onderzoek en inlichting, maar prediking der beheering noodig.
Nog eens, de bedoeling is uitnemend. Maar met onvruchtbaarheid geslagen is op den duur elke poging om met de hennis het geestelijk leven te willen vooruitsnellen.
Bemiddeling is noodig, en elke poging daartoe is hoog te waardeeren. Maar het Evangelie is te allen tijde zijn eigen bemiddeling.
Zeker, zeker, er moet voeling zijn tusschen het evangelie en het algemeen menschelijk leven. Wg willen geen onmensclikundige krasheid, geen miskennen van de zwoegende behoeften der kinderen dezer eeuw. Doch de teedere taak om die hoognoodige voeling te kweeken, die bruggen te slaan, deze taak behoort niet aan de W. v. d. G. maar aan de prediking van Christus. Aan de prediking die „door openbaring der waarheid ons aangenaam (aanneiTielyk) maakt aan de conscientiën der menschen.quot; Niet aan de W. v. d. G. Dat deze „wetenschapquot; die taak kan vervullen, de taak van het wezen van den godsdienst op te sporen en zoo den godsdienst aan den eerlyken onbevangene die van dogmatiek niet weten wil, aan te bevelen — deze meening behoort niet aan den man der godgeleerdheid, maar aan den man der Godsdienstwetenschap. Want hij gelooft niet aan de volle beteekenis der zonde. Daarom meent hg, onpartijdig (met religieuzen zin) uit de studie der godsdiensten met zielkundig onderzoek verbonden, den godsdienst te kunnen leeren kennen en te kunnen doen kennen. Hy beoefene dan de W. v. d. G. Wy godgeleerden zullen veel van hem kunnen leeren. Zijne kritiek zal heilzame tucht op ons oefenen en ons menige eenzydigheid verbieden. Doch wg, godgeleerden, moeten prediken dat
597
598 GODGBLEERDHBID EN GODSDIENSTWETENSCHAP,
niet de onbevangen religieuze zin zooals die werkelijk hij ons bestaat \') den godsdienst door W. v. d. G. kan leeren kennen, maar dat enkel Jezus Christus, naar de heilige Schriften gepredikt, door waarachtige, d. i. aan Hem hangende, godgeleerdheid uitgelegd, ons „denquot; godsdienst kennen doet. Wij moeten er op verdacht zgn, daarom voor bekrompen en hoogmoedig, voor verachters der wetenschap die wy niet kennen, gehouden te worden, en dien blaam niet zoeken, maar ook niet meenen hem te kunnen ontgaan.
Dit is de reden waarom ik de W. v. d. G. heb gemeend, en nog meen, te moeten overlaten aan een geleerde die, als uitnemend vertegenwoordiger der godsdienstwetenschap, voor dit leervak de aangewezen man is. Dr. B. meent (bl. 213) dat ik die kwestie als eene subjectief\'-persoonlijke heb opgevat, terwijl zy objectief-theologisch is. Het zal my aangenaam zijn als mijne repliek hem mag doen zien dat in myne daad geen persoonlyke willekeur, (tenzy voor zoover niets wat wy in dit vleesch doen, nog geheel rein is), maar eene overtuiging, een beginsel werkte. Het was en is de begeerte om voor myn klein deel iets by te dragen om de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschap van elkander te scheiden, omdat zy niet bij elkander behooren maar volstrekt tegen elkander over gesteld zyn. De begeerte om de godgeleerdheid enkel aan den Christus der Schriften, die in het geloof der Gemeente beleden wordt, te doen hangen. Dit my dierbaar belang hangt gelukkig
1) In het afgetrokkene is die stelling natuurlijk waar. Als die ziu werkelijk zuiver bij ons bestond, zou hij ons zeker den godsdienst doen kennen. Maar deze onbevangen zin ontstaat in waarheid eerst door de bekeering, d. i. wanneer de meesten ons van bevangenheid beginnen te beschuldigen.
Ü0DGBLEKKDHE1D EX GODSDIENSTWETENSCHAP. 599
niet van mg noch anderen af. De godsdienstwetenschap op zichzelve is eerbiedwaardig, en verdient het noodig getal leerstoelen in de philosophische faculteit. Ook de godgeleerdheid is eerbiedwaardig. Maar beider samenvoeging is een verkrachten van het waarheidsgevoel. Voor deze zonde tegen wetenschap en zedelykheid gaan meer en meer de oogen open. De godsdienstwetenschap (die zichzelve gaarne de „wetenschappelijke theologiequot; noemt) begint reeds in enkele achtbare steramen vrijheid te eischen van het haar knellend juk der verbinding met godgeleerdheid en kerk. De godgeleerdheid behoort van hare zyde eveneens scheiding van de godsdienstwetenschap te verlangen. Dat zg vrij worde is de eisch des geloofs, der wetenschap en der kerk. Ik mag niet ophouden te hopen dat mannen van meer gezag dan ik voor deze vrywording der godgeleerdheid steeds meer hunne stem zullen verheffen, en ben daarom, ondanks myn geopperde bezwaren, dankbaar voor het vertoog van Dr, Bavinck, dat ik ten slotte aan de aandacht mijner lezers aanbeveel.
J. H. Gunning.
* -fquot;}
7
IETS OVER \'T AANKOMEND GESLACHT ■).
oriquot;tere;;7oe\'\'vSmr^,liet ?en,akkelijk \'e
samengestelde riike nn r quot;!e\' vei\'e|sclit, zal dat
noemtf i„ ^enSé; ° r quot; quot;quot;8\' me\',
die z„; .1 „ieTvoS °/r\' -rwekken,
harmoniseh heeten „ , bequot;^\'S™lt;l en Tooral
m onzekerheid. Onder bijna al quot; verkeeren
het groote vra^^.T J , Z1Jn vormen. vertoont
karakter. Naar welke quot;T et i6quot; t,lanS een acuut
hun inzichtef te veTl6116\' T ^ omstand^eden naar te vervalschen ! Verk,®ren/ haar als dat te stade komt, \' n 0p het J0I1Se geslacht een invloed uit
1) Ontleend aan het voortreffelijk boek van C. ^ner, Jennen.