ocr page 1

MOETEN WfJ Wf DIT DE NEDEEANDSCfl HERÏ0E1E KEI ? s

a ^

DEZE VRAAG

ONTKENNEND BEANTWOORD

door

J. NIERSTRASZ.

v. d. vi. tc Goè\'nga c. a.

„Teil ernstigste zouden wj) Waarom op het voetspoor van Culvyn, een iegelijk vermanen willen, om toch wel toe te zien, of do kerk die hü verlaten wil, metterdaad zooverre van Godverlaten ia, dat zo het welwezen niet alleen, maar ook het wezen eeuer kerk verloor.

Omdat uw kerk krank, omdat ze verminkt is, inoogt sü haar uw liefde nog niet onthouden. Eer mag zy juist om die krankheid op meerdere deernis van uwe /.ijde aanspraak maken.quot;

Dr. A. Kuyper,

Tractaat van de reformatie der herken 1883, Hz. 170.

SNEEK. — J. CAMPEN.

ocr page 2

Dit boekskc werd door mij (jeschrc.ven ter inlichting van de leden mijner Gemeente. Dien tcngerolye Loud cr \'t een en \'t ander in voor. dat een meer plaatselijk en persoonlijk karakter heeft.

Toen ik den uitgever verzocht, om het ook in den handel te hren-gen, heb ik er dit meer plaatselijke en persoonlijke niet willen uitlichten. Gelijk toch de doleerenden hier handelen, gaan xe overal te werk. Wat door de vrienden der doleantie hier wordt gexegd, wordt oreral door hen gezegd. Alles geschiedt naar vast model. En wat ik van mij zeken getuig, getuigen mede de meeste predikanten, in wier Gemeenten „het werk der reformatie is ter hand genomen.quot;

Een nieuw licht verspreid ik wel niet over de kwestie van den dag. Toch kan het xijn nut hchben, die kwestie telkens weer van nabij te he-xien. De doleerenden gaan voort, de xelfde beschuldigingen gedurig weer te berde te brengen, en xoo leggen x j den vrienden der Nederl. Jlcrv. Kerk, de verplichting op, om de bedriegelijke voorstellingen gedurig op nieuw ter toetse te brengen.

Aan

te

Onder den xegen des Hceren moge dit boekje medewerken, om dexen of genen te overtuigen, of in xijne overtuiging te bevestigen, dal wij nog niet »tiit de Ned. Ilerv. Kerk behoeven uit te gaan.quot; —.

J. N.

ocr page 3

Aan dc leden der Nederl. Herv. Gemeente te Goënga, Gauiu en O/fingawier.

Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

Maandag, 27 Aug. jl., is bij mij, en zoo ook bij u naar ik meen, aan huis bezorgd, een gedrukte brief, onderteekend door P. R. Span, S. R. Westra, S. J. Ger-brandij en W. G. Jellema. Deze mannen noemen zich »de Kerkeraad der Gereformeerde Gemeente te Goënga c. a.quot; en dienen zich bij ons aan als den eenigen wettigen Kerkeraad van deze Gemeente.

In dat schrijven zeggen zij dat er nog een kerkeraad over deze gemeente gesteld nvas? Maar zonder schijn of schaduw van bewijs, brengen zij tegen dien kerkeraad eene reeks van vreeselijke beschuldigingen in.

Ofschoon zij in ootmoed belijden, dat hunne personen verwerpelijk zijn, melden zij zich nochthans aan, als de bij uitnemendheid getrouwen. tgt;Zij staan in den naam des Heeren, voor zijn recht, op zijn Woord, en met gee-nen anderen regel van regeering der gemeente, dan die in het Woord ligt.quot;

Die andere kerkeraad is de ontrouwe, die doet niets van dit alles, ja die doet veelmeer het tegendeel. ^De ambtsdragers buigen voor verordeningen die Gods Woord krachteloos maken, besturen naar reglementen die in strijd zijn met Gods Woord, gehoorzamen aan machten die des

ocr page 4

4

Hecren huis zijn ingedrongen, zonder dat de Heere die ^

ingesteld heeft.quot; aa

Schandelijk gedrag van dien ontrouwen kerkeraad, niet ^

waar? Maar, nog is de maat van zijne ongerechtigheid j^r

niet volgemeten. jjjj

Herhaaldelijk heeft men dien kerkeraad gevraagd wp ^ te waken, den goddeloozen regel van kerkregeering te ver-

werpen en tot den regel des IVoords, tot de gereformeer- ^ de kerkregeering, tot de ordeningen des Heeren terug te keeren.quot;

Maar ook dit heeft die kerkeraad geweigerd. jg

Gij bemerkt — de aanklacht is vreeselijk, het gedrag ^ig

van dien kerkeraad ergerlijk, en hij verdiende niets an- ^

ders, dan hoe eer hoe beter op zijde gezet te worden. ^

Daarom hebben toen ook eenige leden der Gemeente, ajs

eenige andere leden bij elkaar geroepen — en met elkan- ^

der hebben zij een nieuwen kerkeraad benoemd. en

Is dit nu niet in strijd met GodsWoord, in strijd met (

de Belijdenis, in strijd ook met de Dordsche kerkorde ? Zeer p

zeker! Maar daar konden zij zoo nauwgezet nu niet naar oin

vragen. De Kerkeraad, die niet doen wilde, wat zij naa

wenschten, moest op zij gezet. anc

Die nieuwe kerkeraad komt nu tot ons, gelijk hij zegt,

»in den naam des Heerenquot;. Hij herinnert ons aan den

toekomenden dag des gerichts! Dan zullen wij rekenschap cjoe

hebben te geven, onder welke kerkregeering wij geleefd j

hebben. Maar ook hiervan, welke kerkregeering wij nu jcen

kiezen. Zoo eischen zij de leden der Gemeente op, om 2ij

eene keuze te doen tusschen twee kerkeraden. Zij stel- (jen len ons voor de vraag: nZult gij ons erkennen of ver-

werpen ? ven,

Naar waarheid moet ik bekennen dat dit schrijven een

pijnlijken indruk op mij gemaakt heeft. (jat

De onderteekenaars slaan schijnbaar zulk een ootmoe- Tyjas

ocr page 5

5

digen, en toch werkelijk zulk een hoogmoedigen toon aan. Zij gebruiken groote woorden en zwaarwichtige uitdrukkingen. Zij stellen vele zaken in een valsch licht. En zonder eenig bewijs hoegenaamd, brengen zij vreese-lijke beschuldigingen in, tegen een predikant, vier ouderlingen en vier diakenen, die door Gods genade -Jezus Christus en dien gekruist als hun éémgen Zaligmaker en ijleerquot; belijden mogen, en tegen wier belijdenis en wandel zij geen enkel getuigenis hebben afgelegd.

In der daad, het komt mij voor dat die brief niet onder de leiding des Heiligen Geestes is opgesteld. De Heilige Geest is de Geest der waarheid, die nederig maakt, die niet in valsche nederigheid ons doet zeggen en drukken laten »dat onze personen verwerpelijk zijnquot;, maar ons als verwerpelijk in eigen oog doch begenadigd door onzen Grod, eerlijk en getrouw maakt, ons oprecht doet zijn en eenvoudig in spreken en handelen.

Ontveinzen wil ik het niet; toen ik dat schrijven van P. R. Span c. s. gelezen had, was er toorn in mijn hart, omdat mannen, die zeggen te spreken en te staan in den naam des Heeren, door het gebruik van groote woorden, anderen misleiden. Maar die toom ging over in droefheid, en het werd mij gegeven ook voor hen te bidden: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot;

En neen! dit weten zij ook niet! Zij kunnen geen rekenschap geven van de uitdrukkingen die zij gebruiken. Zij zelf zijn misleid. Zij hebben dien brief, die rondgezonden is, onderteekend, in goed vertrouwen op hem, die hun dien brief voorlegde. Zelf hebben zij dien niet geschreven. Dat kunnen zij zelfs met hun vieren niet. Gelijk het met al die stukken der doleerenden gaat, namelijk, dat zij door de leiders opgesteld worden, — zoo ook hier. Maar dan had dit er ook bij moeten staan. De consu-

ocr page 6

6

I

lent had mede moeten onderteekenen. Nu dit niet zoo zu

is, nemen de onderteekenaars den schijn aan alsof het ei hun werk is. Reeds dit is niet goed. De Schrift wil

dat wij in alles eerlijk zijn; maar eerlijk vooral dan, 01

als men zegt op te treden en te spreken in den naam des kl

Heeren. Doch nu dragen dan ook de vier onderteeke- is;

naars de volle verandwoordelijkheid, zoowel van de ver- la-

keerde voorstelling der zaken, als ook van al die vree- ni

selijke beschuldigingen. ru

Nadat ik dat schrijven gelezen had, gevoelde ik, niet te mogen zwijgen, maar te moeten spreken. Ik mag niet toezien dat gij misleid wordt door een ij del roepen: »Gods Woord! Gods Woord!quot; Ik moet u waarschu- vi wen: Staat op uwe wegen, en ziet toe. Bezint eer gij begint. vr Door Gods genade buig ook ik voor Gods Woord. Ook ni ik sta op den grondslag der Gereformeerde belijdenis. de Ook ik wensch Christus den Heere, als Koning in zijn u Kerk te eeren.

Ik wil u waarschuwen. Niet uit vrees dat anders de ko Gemeente mocht verloopen. Niet alleen uit begeerte om

u toch maar tot eiken prijs te behouden voor de Nederl. zij

Herv. Kerk. m\'

O zeker, ik heb die kerk lief, de kerk mijner vaderen; ha

de kerk waarin de Heer mij deed geboren worden, waar- ra, in Hij mij meer dan een zegen schonk, waarin Hij mij

de bediening van het Evangelie der genade heeft toever- mc

trouwd. Ik heb die kerk lief, haar bloei is mijn gebed, lei

haar verscheuring mijn smart — en in mijn oog is het tei geenszins zulk eene ligte zaak haar den rug toe te keeren. Ier

En \'k heb ook u lief, leden der Gemeente ! en ik wensch de

voor u ten zegen te zijn; ik weet dat ik geroepen ben ook zoi

over uwe zielen te waken; ik weet dat wij in den dag des brc oordeels met elkander voor den rechterstoel des Heeren

ocr page 7

7

zoo zullen staan, en dat uw bloed van mijne hand zal ge-

het ëischt worden.

wil Maar ik wil u waarschuwen, in heilige overtuiging dat

an, onze Nederl. Herv. Kerk, hoeveel verkeerds haar ook aan-

des kleeft, hoe krank zij ook is, evenwel niet onherstelbaar

ke- is; in heilige overtuiging dat God de Heere haar niet ver-

rer- laten heeft, en ook wij haar dus niet behoeven, ja zelfs

•ee- niet mogen verlaten. Ook in onze kerk hoor ik nog het

ruischen der voetstappen onzes Heeren.

liet Mijn doel is, om u een andwoord te geven op de vraag:

lag Moeten wij uitgaan uit de Ned. Herv. Kerk?

■oe- Hiertoe u op te wekken, is toch het doel van het schrij-

hu- ven door P. R. Span c. s. onderteekend.

gij }gt;Zzdt gij ons erkennen of zult gij ons venver pen?quot; zoo vragen zij. Die vraag beteekent niets anders, maar ook

)ok niet minder, dan dit: «Zult gij breken met de Hervorm-

nis. de Kerk of zult gij blijven? Wilt gij u afscheiden en

zijn u bij ons voegen, of zult gij blijven waar gij zijt?

Het is niet anders: zij wekken u op, tot hen over te de komen, en met hen eene nieuwe gemeente te vormen, om Zeker, zij spreken dit met beslistheid tegen. Immers, lerl. zij zeggen: w er staat ons goed, er is geen nieuwe gemeente gevormd, er heeft geetie afscheiding plaats geren-, had; er is alleen voor deze gemeente een andere kerke-aar- raad opgetreden?\'

mij Ja! zoo schrijven zij! Wellicht leven zij ook in die

ver- meening. Dit willen wij liefst aannemen! Maar dan mis-

bed, leiden zij zichzelven en u. Evenwel, zij kunnen en moe-

het ten beter weten. Zij moeten beter weten: want zij wil-

ren. len u voorlichten, zij willen u regeeren; ongevraagd bie-

isch den zij zich aan als uwe leidslieden; zij moesten dus ook

ook zorgen, op de hoogte der zaak te zijn, opdat zij u niet

des brengen waar gij niet zijn wilt.

:rcn Maar zij kunnen ook beter weten. Het is hun dik-

ocr page 8

8

wijls genoeg gezegd. Telkens opnieuw is in allerlei ge- te schritten over dit onderwerp aangetoond, dat de doleantie ga niets anders is dan de vorming eener nieuwe, afgeschei- ke dene Gemeente. Tal van rechterlijke uitspraken hebben beslist dat de doleerenden uit de Hervormde Kerk uit- mlt; gegaan zijn. Ook de Christelijk Gereformeerden, de oud- de ste afgescheidenen, met wie de doleerenden vereeniging he gezocht hebben, beschouwen de doleantie als afscheiding van de Nederl. Herv. Kerk, en eischen als voorwaarde de der vereeniging, dat de doleerenden onvoorwaardelijk G« erkennen dat zij afgescheiden zijn. vij Gaarne wil ik gelooven dat zij geen afscheiding bedoe- lijf len, maar eene reformatie der kerk op \'t oog hebben. Maar de de vraag is niet, wat ik met mijne daad bedoel, maar ne wat mijn daad uitwerkt. Het kind dat met lucifers speelt m( en het huis zijner ouders in brand steekt, heeft dat stel- cn lig en zeker niet gewild of bedoeld. Maar ondanks den ve wil van het kind, staat daar het huis te branden. Als oo ik schiet op een roofvogel die mijn kippen bedreigt, en lec ik schiet mijn buurman neer, — wat baat het of ik zeg, en zoo bedoelde ik het niet: mijn buurman ligt daar! be Zoo hebben wij bij de doleerenden ook niet te vra- on gen, wat bedoelen zij? maar wat is de uitwerking van Ge hun optreden. En dan is het zeker, zij mogen Hervorming bedoelen — maar zij maken scheiding en scheu- dn ring. Zij trekken een aantal gelijkgezinden, en wellicht Br ook goedgezinden, uit de Nederl. Herv. Kerk, zij vormen de eenen afzonderlijke kring, die aanspraak maken zal eene èn kerk, of de kerk te zijn; maar zoo, dat hun kracht, hun invloed voor onze kerk verloren is, en zij geen den toe minsten invloed meer uitoefenen kunnen. te Ook ik wensch van ganscher harte ^Hervorming van Mi en in onze kerkquot;, die in menig opzicht hervorming be- toe hoeft; en daarom juist wil ik u waarschuwen, niet af lij!

L

ocr page 9

9

te dwalen op den weg der doleerenden, door wier uit

ie gaan uit de kerk, de wezenlijke hervorming, menschelij-

;i- ker wijze gesproken, voor jaren onmogelijk wordt.

3n Laat mij allereerst op een verschijnsel uwe aandacht

[t- mogen vestigen, dat vooral niet uit het oog mag wor-

d- den verloren, en dat zeer zeker tot groote voorzichtig-

ig- heid in deze moet aansporen.

ig Er wordt thans op kerkelijk terrein een strijd gestre-ie den. Maar helaas, het is geen strijd van de oelijdende jk Gemeente des Heeren tegen eenigen gemeenschappelijken vijand, maar, o jammer, veel meer een strijd waarin be-e- lijders van onzen Heer en Zaligmaker tegenover elkan-ar der in het harnas staan. Aan beide zijden staan man-ar nen, wier namen een goeden klank hebben in de Ge-3lt meente, die èn om hun talenten, èn om hun godsvrucht, el- èn om hun ijver voor het huis des Heeren. allen lof en verdienen. Zoo wel aan de zijde der doleerenden, als Js ook tegenover hen, staan mannen, die Gods Woord alen leen erkennen als regel en richtsnoer van al ons doen 3g, en laten, mannen, die de belijdenis der vaderen lief hebben met geheel hun hart, bezield door hartelijke begeerte ra- om te ijveren voor de eere des Heeren, voor \'t heil der an Gemeente, voor \'t welzijn der Kerk.

or- Die strijd tusschen broeders is zonder twijfel diep be-

;u- droevend. Maar dit toch, dat het een strijd is tusschen

:ht Broeders, tusschen belijders der Waarheid, moet ons tot

ien de uiterste behoedzaamheid manen — èn in ons oordeel,

;ne èn in de bepaling van onze eigene handelwijze,

ht. Maar al te licht komen de vrienden der doleantie er

len toe, om hen die niet medegaan, in een verkeerd daglicht te stellen, valschelijk te beschuldigen en te veroordeelen.

ran Maar gemakkelijk komen de bestrijders der doleantie er

be- toe, om de doleerenden, dweepers en met andere min liefe-

af lijke namen te benoemen.

ocr page 10

-

IO

Daarom moeten wij vooral Marcus g : 38—40 in \'t oog pri

houden. Het is mogelijk in Christus te gelooven, Hem H(

lief te hebben, in Zijnen naam krachten te doen, zonder de

dat wij juist medeloopen met een bepaald getal van \'s hu

Heeren discipelen, of in een zekeren kring van discipe- mc

len te huis behooren. De hoofdzaak is niet hoe wij staan hu

tegenover een aantal volgelingen des Heilands, maar ke

hierop komt het aan, hoe wij staan tegenover den Hei- vn

land. Dit zal albeslissend zijn. als

In onze dagen is het dus weer een broederkrijg, waar- st£

van de geschiedenis der Christelijke Kerk, ook der Ge- nie

reformeerde Kerk van vroeger dagen, zoo menig diep hei

treurig voorbeeld oplevert. no

Maar dit juist brengt mij er toe, om eene poging te mi

doen, u de beweging, den strijd onzer dagen, althans he eenigzins te doen begrijpen.

De beweging toch, die sedert eenigen tijd hier in de Ge- vo

meente bestaat, staat niet op zichzelve, maar staat in nauw als

verband met de beweging in onze geheele Nederlandsche scl

Hervormde Kerk, welke op \'t einde van\'t jaar 1885 in kil

Amsterdam is ontstaan, en vandaar nu overal voortge- laa

plant is. Die beweging is inzonderheid door Dr. A. Kuy- lin

per en eenige andere mannen met hem, mannen van de

uitnemende gaven en groote geleerdheid, in \'t leven ge- lie

roepen, in \'t leven geroepen naar het mij voorkomt, lie

ingevolge een wel overlegd plan, na langdurige voorbe- ma

reiding, en voortgeplant door middelen, die den toets Sc

der strikte eerlijkheid en der goede trouw niet altoos dit

kunnen doorstaan. on

Ook hier is die beweging gewekt; zij is niet geboren uit Ac

heiligen drang, maar gewekt en gekweekt. Ook hier waren lijl

enkelen, aan wier vroomheid en goede bedoeling ik alle eere 00] wensch te geven, die, voornamelijk door de vurige maar

opgeschroefde geschriften van Dr. A. Kuyper, en door de kei

ocr page 11

11

og prikkelende couranten-artikelen, die week aan week in de

;m Heraut verschenen, zijn bewerkt en medegesleept gewor-

ier den. Het doel, dat Dr. Kuyper zegde te beoogen, lachte

\'s hun toe! In vertrouwen op den hoofdleider gingen zij

pc- mee. Niet genoegzaam zich rekenschap gevend, van wat

tan hun week aan week werd voorgelegd, niet genoegzaam be-

lar kend met de geschiedenis der gereformeerde kerk van

ei- vroeger dagsn, niet kunnende gelooven dat ook een man als Dr. A. Kuyper mis zag, en tengevolge van het aldoor

ar- staren op één punt in zeker opzicht blind geworden was,

je- niet kunnende aannemen, dat ook een man van zijn geleerd-

iep heid en vroomheid, al had hij \'t goede doel voor oogen, nochtans een verkeerden weg kon inslaan, en verkeerde

te middelen kon aanwenden, zijn zij hem gevolgd, of liever

ans hebben zij zich laten medeslepen.

Reeds jaren en jaren lang zijn veler oogen geopend

je- voor velerlei misstand, zoowel in onze maatschappelijke

uw als ook in onze kerkelijke toestanden. Er is in ons maat-

:he schappelijk leven geen bloei, maar verval, diepe inzin-

in king. Maar vooral de zedelijke toestand van ons volk

ge- laat veel te wenschen over. Niet ongegrond is de stel-

uy- ling dat van velerlei gebrek in het maatschappelijk leven,

/an de bron en oorsprong te zoeken is, in het kerkelijk, of

ge- liever in het godsdienstig leven. Waar het kerkelijk, of

mt, liever het godsdienstig leven bloeit, daar bloeit ook het

be- maatschappelijk, het zedelijk leven. Menige bladzijde der

)ets Schrift en ook der geschiedenis van ons vaderland, kan

;oos dit bewijzen. Eene vergelijking van Israels toestanden onder David en Salomo, met Israels toestanden onder

uit Achab en andere goddelooze koningen, toont dit duide-

ren lijk aan. Waar het godsdienstig leven bloeide, bloeiden

ete ook de maatschappelijke toestanden.

laar Zoo richte men al zijn aandacht op de kerk, en op het

de kerkelijk leven. En neen! het viel niet te ontkennen,

ocr page 12

I 2

daar was onnoemelijk veel verkeerds, er was ontzaggelijk veel gebreks.

Naar de oorzaak werd gezocht! Sommigen meenden, dat al het verkeerde voortvloeide uit de inrichting der kerk, onzer Nederl. Herv. Kerk, en dat terugkeer tot de oude paden veelzins verbetering zou brengen. De wijze waarop onze kerk was ingericht, was schuld van allen misstand. Terugkeer tot de oude, de Dordsche inrichting der kerk, zou veel verandering en verbetering brengen.

Anderen dachten er anders over. De gereformeerde schrijvers van die vroegere, hooggeloofde tijden, hebben toch ook reeds dezelfde klachten geklaagd, die nu telkens oprijzen. Was het dus in die dagen niet beter dan nu, dan kon toch de fout van allerlei ellende niet liggen in de inrichting der kerk.

Zij vonden eene andere oorzaak, en, mijns inziens, terecht. Ten allen tijde, ook reeds in de dagen der Apostelen, was er een macht des ongeloofs, dat wel op zeer verschillende wijzen zich heeft uitgesproken en geopenbaard, maar in wezen niet verschilde. Zóó krachtig echter als in de laatste helft der vorige eeuw het ongeloof zich openbaarde, had het zich zelden of nooit geopenbaard. Een stroom van ongeloof brak los en heeft zijn duizenden en tienduizenden verslagen. Alle fundamenten der ons heilige en dierbare waarheid werden om-vergestooten; in plaats van de goddelijke openbaring, werd de rede, het zoogenaamd gezond verstand, op den troon geplaatst. Wat met de rede, het gezond verstand, in strijd was, werd eenvoudig als oudwijfsche fabel verworpen. Het modernisme in onze dagen, staat in nauw verband met dat ongeloof, dat nu een 150 a 200 jaren geleden in Engeland en in Frankrijk bloeide, en zijn invloed overal, ook in ons land deed gelden.

ocr page 13

13

Dat ongeloof had ook hier te lande zijn duizenden verslagen, lang vóór 1816, toen onze Nederl. Herv. Kerk haar tegenwoordige inrichting ontving, óók toen de altoos zoo hoog geloofde Gereformeerde Kerk, onder de zoo hoog geprezen Gereformeerde Kerkordening verkeerde.

Aan die macht des ongeloofs nu, schrijven velen en terecht, den achteruitgang, het verval in zedelijk en godsdienstig leven toe. Het verschijnsel toch, dat ook onder de vorige kerkeordening zoovelen door \'t ongeloof meegesleept waren, toont duidelijk, dat op zich zelf de kerkinrichting en de kerkenorde niet bij machte is, den stroom des ongeloofs te keeren. Niet aan kerkvorm en kerkinrichting is de ellende toe te schrijven; maar dan is ook van kerkinrichting en kerkvorm geen heil te verwachten. Vandaar dan ook dat in 1834, toen de afscheiding plaats had, en de tegenwoordige Christelijk Gereformeerde Kerk ontstond, tal van kundige, vrome en godzalige mannen niet mee gingen. Hun stond voor den geest, het woord des Heeren bij Jesaja 59: igfgt;: »Als de vijand zal aankomen als een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hen opheffen.quot; Zij verwachten de verbetering, de hervorming, de wederopleving der kerk van den Heer, van de prediking des Woords, want door de verkondiging des Evangelies werkt de Geest des Heeren. Zij zorgden dus voor de bearbeiding van ons volk door het Woord Gods. Zij zorgden voor Evangelisatie, voor Christelijke scholen, enz. En waarlijk, dat werk bleef niet ongezegend. Er was in de laatste jaren kennelijk »een komen van den Heer tot zijn Tempel.quot;

Zoo bleven twee meeningen tegenover elkander staan. De eene; dat in de inrichting, in den vorm der kerk, de misstand gezocht moest worden, — de andere, dat in het ongeloof de oorzaak van al de ellende in het kerkelijk en godsdienstig leven te zoeken en te vinden was. Een

ocr page 14

■

H

groot deel der geloovige predikanten, een goed deel der Er

Gemeente, die Man Tmmanucl vasthoudtquot;, was der laat- hen

ste meening toegedaan. forn

Dr. A. Kuyper deelde de eerste meening. Al het laat;

verderf vloeide voort uit de inrichting der kerk, en daar- zwa

om stuurde hij dan ook altoos aan op verandering in kan

den vorm, in de inrichting der kerk. -gt;Zorg gij voor hij

de schapen — laat mij dan de zorg voor den stal,quot; moet luid

hij eens gezegd hebben. dit (

Sedert 1867 trad hij dan ook altoos op, om ons volk zijn

in dien geest te bewerken. In zijne kerkredenen, ter be- wer

vestiging van de predikanten Van Ronkel en Van Son, deu

uitgegeven 1873, blijkt dan ook duidelijk, dat hij de bez\'

Nederl. Herv. Kerk in hare tegenwoordige inrichting, reeds zen

tot den ondergang had gedoemd. der

Onze kerk, »d/c onbelompen hussel van verwrongen der

saplooze ranken,quot; moest het altoos misgelden. In al mac

hare ellende werd zij ten toon gesteld, en die ellende zoo ren

breed mogelijk, niet altoos met ontferming en deernis, niet

uitgemeten. De smadelijkste namen waren niet smadelijk Dr.

genoeg. Hij kon geen woorden genoeg vinden om haar IS

diep genoeg te verguizen. kerl

Evenwel, zelf bleef hij jaren lang in die kerk als pre- naai

dikant en eveneens jaren lang als ouderling werkzaam. Kei

In plaats echter, dat hij den geest des ongeloofs be- leus

streed, en met de machtige gaven die de Heere God hem hen

verleende, optrad tegen het modemisme, bestreed hij I

liever de rechtzinnige voorgangers, die toch met hem op tuig

hetzelfde fundament der zaligheid bouwden. Geleerde en opllt;

godvruchtige mannen, die het niet in alle doelen, vooral alle

niet in zijn kerkelijk streven met hem eens waren, waren ginj

telkens het mikpunt van zijn pijlen, zoodat hij veler hart A

van achter die mannen aftrok, I

Hij bleef predikant, hij bleef ouderling in die kerk! zijn

L

ocr page 15

15

der Er is hier iets wonders in. Er was toch een kerk, die

laat- hem gaf wat hij wenschte, namelijk, de Christelijk Gereformeerde Kerk, in 1834 ontstaan. Wel blijkt nu in den

het laatsten tijd, dat Dr. A. Kuyper ook tegen die kerk be-

aar- zwaren heeft, zoodat hij met haar zich niet vereenigen

% in kan, — maar toch in hoofdzaak bood die kerk aan wat

foor hij wilde. Meer dan een sprak dan ook zachtkens of

noet luide, dat Dr. A. Kuyper daarheen moest overgaan. Doch dit deed hij niet, dit wilde hij niet. Zelfs verdedigde hij

/olk zijn blijven in onze kerk nog in 1883, toen hij een

be- werk uitgaf, »het tractaat der kerkhervorming.quot; Wel

ion, deugde de inrichting onzer kerk niet; hij had er tal van

de bezwaren tegen; maar \'t wezen der kerk was nog \'t we-

;eds zen van een ware kerk. Zij stond nog op den grondslag der belijdenis: zij had nog de bediening des Woords en

tgen der Sacramenten. Wel werd de tucht niet uitgeoefend,

1 al maar die was in 15 van de 18 eeuwen nooit naar behoo-

zoo ren uitgeoefend. Kortom, de Nederl. Herv. Kerk was

•nis, niet eene valsche, maar nog eene ware kerke Christi, en

;lijk Dr. A. Kuyper bleef er in.

laar Niet te min, hij bleef aansturen op hervorming der kerk, naar de inrichting van vroeger dagen, in hoofdzaak

pre- naar het model der Dordsche kerkorde. De Nederl. Herv.

n. Kerk, naar dat model te hervormen, was zijn ideaal, de

be- leuze, het doel van zijn leven en werken. Bij alles stond

lem hem dit doel voor oogen.

hij Dit was zijn goed recht. Was het zijne innerlijke over-

1 op tuiging, dat er voor onze kerk alléén in dien weg weer

3 en opleving mogelijk was, dan mocht hij ook niet nalaten,

oral alle geoorloofde middelen te gebruiken, om die overtui-

iren ging ingang te doen vinden, om zijn doel te bereiken,

liart Maar ook alleen geoorloofde middelen.

Echter, hij had geen geduld, tot dat God de Heer hem

5rk! zijn levensdoel zou doen bereiken. Het duurde hem te

ocr page 16

i6

lang, al te lang, eer dat overal die overtuiging was ^we doorgedrongen en had doorgewerkt.

Maar ongeduld is een bewijs van ongeloof. Die ge- me(

loof heeft, geeft zijne zaak den Heere over en wacht tje

des Heeren tijd af. Habakuk\'s woord: »Het zal gewis- j

selijk komen en niet achterblijven,quot; geeft moed som in ine]

stilheid en vertrouwen onze sterkte te zoeken.quot; |jev

Zou het Dr. A. Kuyper niet aan dit geloof ontbroken j_je]

hebben? Ik vraag slechts. nu

De uitdrukking »de reformatie der kerk ter hand ne- een

menquot;, is een uitdrukking door Dr. A. Kuyper \'t eerst ge- me(

bruikt. En mij wil het voorkomen — dat hij werkelijk in j^e

Amsterdam de reformatie der kerk ter hand genomen heeft. war

Op het laatst van 1885 zijn er te Amsterdam in de WOI

Nederl. Herv. Gemeente dingen geschied, waar over nog j

geen genoegzaam licht is opgegaan. Er was in die da- j^ei

gen in den Amsterdamschen kerkeraad eene kwestie aan- ^

hangig. over het afgeven van attesten (bewijzen van ze- gev

delijk gedrag) aan jongelieden, die elders als lidmaten an(j

wenschten te worden aangenomen. star

Die kwestie had ieder jaar kunnen ontstaan, want jn 2

ieder jaar moesten er leerlingen van moderne predikan- ge2(

ten aangenomen worden. Maar nu juist was die kwestie }let

met kracht opgeworpen. 0p 1

Tegelijk had er iets anders plaats. Er werden veran- jggj

deringen gemaakt in het reglement op het kerkelijk be- gen

heer, veranderingen van ingrijpenden aard. Werden die te g

veranderingen tot Wet — dan kon het collegie van be- te,

heer in Amsterdams Gemeente de goederen blijven be- (jer

sturen — ook dan zelfs als zij gecensureerd waren ge- Q

worden. Ja het collegie van beheer had uitspraak te doen, bep;

of de censuur door den kerkeraad of eenig ander ker- recy

kelijk bestuur uitgesproken, aldanniet van kracht zou zijn. voh Sterker zelfs! Men vooronderstelde het geval dat er

ocr page 17

*7

twee kerkeraden zouden zijn. Immers, men zag het oogen-blik komen, dat de kerkeraad der Nederl. Herv. Gemeente, ter oorzake van zijn gedrag in de attesten-kwestie, kon worden afgezet.

Dit vonnis van afzetting zou men niet aanvaarden — men zou dan toch kerkeraad blijven. Daar naast — of liever, in de plaats van den afgezetten kerkeraad zou in de Herv. Kerk een andere kerkeraad worden benoemd. Welnu, dan waren er twee kerkeraden. (Eigenlijk was er maar een, want een afgezette kerkeraad is geen kerkeraad meer.) En ziet nu, in dit geval zou het collegie van beheer zelfstandig hebben te beslissen, welke kerkeraad de ware, de wettige was, en welke kerkeraad erkend moest worden.

Dit is volgens het geldend recht in de Nederl. Herv. Kerk niets anders dan muiterij, oproer.

Met het oog op de attesten-kwestie en de mogelijke gevolgen, had Dr. Kuyper en zijne vrienden, die veranderingen in het reglement op het beheer willen tot stand brengen. Werd dus een deel van den kerkeraad in zake de attesten-kwestie afgezet, dan behoefden de afgezette kerkeraadsleden niet te bukken, zij konden fier het hoofd omhoog steken, de besturen tarten: want — op hun hand hadden zij het collegie van beheer; dat collegie zou hen als getrouwen kerkeraad erkennen en volgen, — en er werd in Amsterdam eene nieuwe gemeente geboren — een stuk van de Nederl. Herv. Gemeente, maar dat deel zou in het bezit zijn der kerken en der goederen.

Om die bepalingen nu in het reglement op het beheer, bepalingen die in lijnrechten strijd zijn met het geldend recht in de Nederl. Herv. Kerk, bepalingen die louter revolutie ademen, is werkelijk een deel van den Amster-damschen kerkeraad afgezet geworden.

ocr page 18

18

Niet om hun getrouwheid aan Gods Woord, niet om hun gi

getrouwheid aan de belijdenis, maar omdat zij oproerige A

reglementen hadden helpen in \'t leven roepen, zijn zij eerst de

geschorscht, en later, toen zij weerstrevig bleven, uit ambt w

en bediening ontzet. re

Dat afgezette deel nu van den kerkeraad, heeft in Am- in

sterdam eene nieuwe gemeente gevormd. Duizenden, vrien- ve

den en aanhangers van Dr. Kuyper, volgden het afgezet- \'t

te deel des Kerkeraads. En zoo ontstond in Amsterdam lir

eene secte, die zich noemt »De nederduitsche gerefor- al] meerde kerk, doleerend.quot;

Zonder twijfel was er in Amsterdam geschied, wat Dr. in Kuyper niet had voorzien, en waarop hij allerminst had zo gerekend. ee Van af die ure, is hij met ongekende en weergalooze te felheid opgetreden tegen onze Nederl. Herv. Kerk. Hij ee was tot in zijn nieren geprikkeld. En die sterke prikkeling was duidelijk merkbaar in elk geschrift en in elk ge courant-artikel dat uit zijn pen vloeide. vc Maar van af die ure ook werden vergaderingen saamge- er roepen van allen, die op de hand van Dr. A. Kuyper wlt; waren. Vergaderingen, die een zeer geheimzinnig karak- on ter droegen, die met gesloten deuren werden gehouden. Een veldtocht werd beraamd en ondernomen, om overal in den lande doleerende kerken en kerkjes te stichten. re: Men had een krachtig wapen in de hand, of liever oo gezegd, men koos een zeer krachtig wapen. De zaak die he in Amsterdam geschied was, werd in een valsch licht Is gesteld. Men liet het voorkomen, alsot de kerkelijke be- ha sturen vijf predikanten en ongeveer 70 kerkeraadsleden on hadden afgezet om hun trouw aan Gods Woord en aan de or belijdenis. Ziet, zoo riep men, de kerk vervolgt Gods heiligen! wat is er van zulk eene kerk nog te wach- lijl ten. — Dr. Kuyper leende zijne pen, en gebruikte zijne de

ocr page 19

19

n hun groote gaven, om die meening ingang te doen vinden,

jerige Aanvankelijk hebben velen dit geloofd. Maar »al loopt

j eerst de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt haar

ambt wel.quot; Velen, die eerst op de hand van Dr. Kuyper waren, door den schijn bedrogen, keerden zich straks beter

1 Am- ingelicht, van hem af, en toonden een afkeer te hebben

vrien- van eene beweging, die naar een wel overgelegd plan in

gezet- \'t leven geroepen was, door eene bedriegelijke voorstel-

srdam ling in een aantrekkelijk licht werd voorgesteld, en door

irefor- allerlei geheime middelen moest \'worden voortgeplant.

Toch had Dr. Kuyper aanhang genoeg om het vuur, dat

at Dr. in Amsterdam was ontstoken, overal heen te dragen. En

it had zoo is er over ons geheele land, hier meer, daar minder, eene beweging, die onder de schoone leus van onze kerk

ilooze te reformeeren (hervormen), evenwel niets anders doet, dan

Hij eene nieuwe afscheiding tot stand brengen.

rikke- Overal vindt men enkele personen, en zoo ook hier, die

n elk geheel op de hand van Dr. A. Kuyper, blindelings hem volgen, ja in blind vertrouwen zijne bevelen gehoorzamen,

imge- en alzoo overal de kerk verscheuren. Maar zoo doende

uyper wordt de kerk niet hervormd, maar alle ware hervorming

carak- onmogelijk gemaakt, althans voor een tijd.

Duden.

overal En na alzoo den strijd onzer dagen op kerkelijk terten. rein, althans een weinig te hebben toegelicht, wil ik nu liever ook een andwoord trachten te geven op de vraag: Is ak die het noodig dat wij scheiden van onze Ned. Herv. Kerk ?

licht Is het noodig dat wij breken met de Herv. Kerk om

ke be- hare tegenwoordige inrichting? Is het noodig dat wij ons

sleden onverwijld scharen bij hen, die de Dordtsche kerken-

an de orde zeggen te aanvaarden?

Gods Laat ons deze zaak onder de oogen zien. Het is waar-

wach- lijk wel eene zaak van het hoogste gewicht. Indien al

3 zijne de beschouwingen der doleerenden over do Nederl. Herv.

ocr page 20

20

Kerk, indien al de beschuldigingen tegen haar, waar zijn, geh

dan staat het zeker met onze Herv. Kerk niet te best. op

Indien .... I

Wij willen straks alle die beschuldigingen van naderbij soo

bezien. Vooraf echter wil ik op den voorgrond plaat- er :

sen, dat er naar het oordeel onzer vaderen, in de belij- ker

denis-schriften neergelegd, maar ééne eenige oorzaak is, Wc

waarom men de kerk mag verlaten, en dat is, als de ninj

kerk eene valse he kerk is geworden. soo

Het verschijnsel, dat wij in onze dagen aanschouwen, des

dat namelijk een deel zich van het lichaam der kerk ben

scheidt en zegt alleen de ware kerk te zijn, is in \'t ge- zoo

heel niet nieuw. Ook in de vorige eeuwen, ook toen ik 1

de gereformeerde kerk de heerschende was in ons land. Ma;

was er telkens zooveel ellende, zooveel verdorvenheid in die

de kerk, dat er telkens een deel was, dat, wanhopend ona

aan herstel, zich van de kerk afscheidde. Menig voor- Wc

beeld is daarvan bij te brengen. Met een beroep op doo

dit woord of op dat woord der H. Schrift, met het oog is, i

op dit of op dat verderf in de kerk, meenden sommigen dat

gerechtigd te zijn, eene kerk den rug toe te keeren, die lid

dat verderf ook maar een oogenblik langer dulden bleef. ster

Zij hadden er geen oog voor dat de kerk een lichaam aan

is, en dat het verderf dat in het lichaam is ingedrongen, I

zoo maar niet voetstoots kan worden uitgedreven, maar doe

dat er eene innerlijke werking van het geheele lichaam Chr

in zijne samenstelling noodig is, om het verderf uit te ong

drijven. hefi

Er zijn in de Schrift geboden Gods die mij persoon- mae

lijk raken, en die dus ook ik persoonlijk heb te gehoor- heb

zamen. gin;

Maar zoo zijn er in de Schrift ook geboden des Hee- Goc

ren die voor de kerk gelden in haar geheel, — die ieder ik \'

lid der kerk, zooveel hem aangaat, persoonlijk heeft te ome

ocr page 21

lt;1

2 I

ijn. gehoorzamen, maar die ook de kerk in haar geheel heeft ;st. op te volgen.

De geboden der heilige Wet Gods gelden mij per-\'bij soonlijk, die heb ik onvoorwaardelijk op te volgen. Maar .at- er zijn ook voorschriften des Heeren die Hij aan Zijne ilij- kerk in haar geheel heeft gegeven, nl. de prediking des is, Woords, de heilighouding der sacramenten, de uitoefede ning van tucht. Die voorschriften gelden ook mij persoonlijk; als lid der kerk van Christus heb ik het zaad en, des Woords te zaaien waar ik er toe in de gelegenheid ïrk ben, — ik heb Doop en Avondmaal heilig te houden, ?e- zoodat ik die instellingen des Heeren heiliglijk gebruik, )en ik heb ook over mijn belijdenis en leven tucht te oefenen, nd, Maar toch, voor de kerk, als kerk in haar geheel, gelden l in die voorschriften des Heeren. Is nu de kerk als kerk ind onachtzaam, zorgt ze niet voor de verkondiging des gt;or- Woords, staat zij te veel vrijheid toe, ziet zij te veel op door de vingers, zorgt zij niet zooveel in haar vermogen gt;og is, dat des Heeren instellingen heilig gehouden worden, jen dat de christelijke tucht geoefend wordt, dan heb ik als die lid der kerk recht, tegen die zondige nalatigheid mijn eef. stem te verheffen met kracht, op trouw en heilighouding •am aan te dringen, zooveel in mijn vermogen is. [■en, Doe ik dit, doe ik al wat mijne hand vindt om te aar doen, dan doe ik mijn plicht, ik vervul als lidmaat van iam Christi Gemeente mijn roeping en ik heb geen deel aan de te ongerechtigheid. Maar baat mijn roepen, mijn stemver-heffen niet aanstonds, dan heb ik niet weg te loopen — on- maar ik moet blijven, blijven roepen en arbeiden. Ik )or- heb mij zelf te beproeven, of ik wel uit het rechte beginsel, of ik wel op de ware wijze, of ik wel met een .ee- God verheerlijkend doel roep en arbeid. Is dit zoo, doe der ik het in geloove, doe ik het biddend, doe ik het, : te omdat de ijver voor des Heeren eere mij dringt, dan heb

ocr page 22

22

t

ik vol te houden en de zaak aan den Heer over te De geven. Hij die mijn oogen opende, kan ook andere eei oogen openen, kan door zijne machtige genade zijne kerk zij weer terugleiden in \'t rechte spoor. ooi Daarom gaat het ook niet aan, om te zeggen dit staat te geschreven en dat staat geschreven; daar tegen wordt in me de kerk gezondigd, en nu ga ik er uit, ik wil niet lan- da ger tot zulk een kerk behooren. Waarlijk, dit heeft veel tus van dat zeggen: »wijk van mij, want ik ben heili- M; ger dan gij.quot; Maar zoo wordt dikwijls vergeten dat de de zonde en schuld der kerk, mede ook onze zonde en on- spi ze schuld is. Se\' Tegen die lust tot afscheiding hebben dan ook onze ge- ^ reformeerde vaderen met allen ernst getuigt, met name Calvijn, Voetius, a Brakel en zoovele anderen. act Maar tegenover die allen, die als secten optraden en zich Oc zelven als :gt;de ware kerkquot; aandienden, hielden onze vaderen ka vol, -»1)1671 moet zich by de kerk voegen en hij haar blijven,quot; bij haar blijven, ondanks al de gebreken, en al het verderf die kei in haar zijn, zoolang de kerk nog eene kerk van Christus is. êCl Ontzaggelijk kan het verderf zijn, dat in de leden der Da kerk, in de ambtsdragers, in de bedieningen doordringt, va\' en het is menigmaal ontzaggelijk gebleken, maar zoo lang nog de kerk, hoe diep ook gevallen, hoe diep verdorven ook, nochthans het wezen van een kerk van Christus behoudt, heeft niemand het recht haar den scheldbrief on te geven. Al is de mensch nog zoo krank — zoolang er leven is, is er mogelijkheid van herstel. Al is de kerk na nog zoo krank, zoo lang zij het wezen van een kerk van nis Christus bezit, is zij te hervormen.

Het komt er nu maar op aan te onderzoeken, of onze hel

Nederl. Herv. Kerk, nog werkelijk als eene ware kerk re£ van Christus mag worden beschouwd?

Daar zijn er, die deze vraag ontkennend beantwoorden. dei

ocr page 23

23

De Christelijke Gereformeerde Kerk, noemt onze Kerk eene nvalsche kerk.quot; Dit moeten zij wel doen — indien zij toch dit niet zeiden en volhielden, stonden zij zelf veroordeeld. Zij erkennen van onze Herv. Kerk gescheiden te zijn. Die scheiding stond hun niet vrij, is in strijd met onze gereformeerde belijdenis, indien zij toestemden dat onze kerk, nog eene ware kerk, eene kerk van Christus is. Dit te erkennen zou zijn, zichzelven vonnissen. Maar liever dan zichzelven veroordeelen, houden zij vol de valsche, de niet te bewijzen, maar door alles weersproken beschuldiging, dat idc Ncdcrl. Hcrv. Kerk opgehouden heeft eene kerk van Christus, eene ware kerk te zijn.quot;

Ook de doleerenden zijn er toe gekomen, blijkens de acten van het Synodaal Convent, gehouden te Rotterdam. Ook zij noemen de Nederl. Herv. Kerk, eene tvalsche kerkquot;

Let nu eens wel op. De doleerenden houden onze kerk voor eene valsche; en toch zeggen zij: ter heeft ge ene afscheiding plaats gehad!\' Wat volgt hieruit? Dat dus ook zij, naar hun eigen getuigenis, nog tot eene valsche kerk behooren.

De Nederl. Herv. Kerk--eene walsche kerk.quot;

Die beschuldiging is vreeselijk!

Maar is zij waar? Dit is de zaak. Wij willen het onderzoeken.

Noodig- is het daartoe uwe aandacht te vestigen, voornamelijk op de Artikelen 27, 28 en 29, van de Belijde-nisse des geloofs der gereformeerde kerken in Nederland.

In den catechismus wordt slechts kort, zeer kort, over het stuk der kerk gehandeld, en in de Dordsche leerregels in \'t geheel niet.

In gquot;enoemde drie Artikelen hebben wij dus de leer der Gereformeerde kerken, in zake de Kerk.

ocr page 24

24

!

Wellicht hebt gij die belijdenis niet bij de hand. Daarom te

schrijf ik ze hier af. wa

Art. 27 handelt wan de algemeene Christelijke kerkquot;,

en luidt als volgt: zej

Wij gelooveyi en bebjden eene eenige katholieke of al- de:

gemeene Kerke, dewelke is eene heilige vergaderinge der zie

■ware christgeloovigen, alle hunne zaligheid ver-wachtende da

in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, ge- ge

heiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze kerke ba

is geweest van den beginne der wereld af, en zal. zijn sai

tot het einde toe; als daaruit blijkt, dat Christus een mc

eeuwig Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn op

kan. En deze heilige kerke wordt van God bewaard of de

staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld; wc hoewel zij somwijlen een tijd lang zeer klein en als tot

niet schijnt gekomen te zijn, in de oogen der mefischen. ma

Gelijk zich de Heere, gedurende den gevaarlijken tijd eei onder Achab, zevenduizend menschen behouden heeft, die

hunne knieën voor Bacil niet gebogen hadden. Ook mede bij is deze heilige kerke niet gelegen, gebonden of bepaald

in eene zekere plaats of aan zekere personen, maar zij ee-i

is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; noch- tet

thans te zamengevoegd en vereenigd zijnde met hart en of

wille in cénen zelfden Geest, door de kracht des geloofs. om

Het is duidelijk, hier wordt gesproken over de onzicht- se).

bare Kerk, de Gemeente des levenden Gods, het Lichaam te

van Christus, waartoe wij behooren moeten om zalig te on

worden. ^a\'

Art. 28 handelt hierover, »dat een iegelijk schuldig is de.

zich bij de ware kerk te voegen.quot; lee Hier echter moet ik tot recht verstand iets herinneren.

In dat Art. 27 is gehandeld over de levende Gemeente let

van Christus, de Gemeente der ware geloovigen. Nu ge:

wordt gezegd igt;dat ieder schuldig is zich bij de ware kerk af

ocr page 25

25

I

5m te voegenquot; Kennelijk wordt hier dus iets voorondersteld,

wat echter niet wordt uitgesproken.

kquot;, Wij gelooven eene gemeenschap der heiligen, dat wil zeggen dat alle geloovigen met Christus en met elkan-

al- der gemeenschap hebben. Een geloovige kan niet op

ier zich zei ven blijven staan; indien het geloof levend is,

ide dan is er ook drang in het hart, een heilige aandrift, om

ge- gemeenschap te oefenen met degenen die een even dier-

rke baar geloof deelachtig zijn. De geloovigen voegen zich

yn samen, treden met elkander in onderling verband, vor-

3en men met elkaar eene gemeenschap, die naar buiten zich

•ijn openbaart; zij vormen eene zichtbare kerk, waarin straks

of de kinderen die geboren worden en hun kinderen weer,

ld; worden opgenomen.

tot Welnu, onze belijdenis vooronderstelt dat er tweeërlei,

en. maar ook slechts tweeërlei zichtbare kerk mogelijk is,

tijd eene ware en eene valsche.

die Daarom zegt Art. 2 8, dat een iegelijk schuldig is zich

ede bij de ware kerk te voegen. Dit Artikel luidt aldus;

aid Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering is

zij eene verzameling dergenen, die zalig worden, en dat bui-

ch- ten dezelve ge ene zaligheid is, dat niemand van wat staat

en of qualiteit hi/ zij, zich behoort op zichzelven te houden,

ofs. om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen

;ht- schuldig zijn zichzelven daarbij te voegen en daarmede

am te vereenigen; -onderhoudende de eenigheid der kerke, zich

te onderwerpende der onderwijzinge en tucht derzelve, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende

■ is deopbouwinge der broederen,naar de gaven die hun God verleend heeft als onderlinge lidmaten eens zelfden liehaams.

■en. gt;\'En opdat dit te beter mochte onderhouden worden,quot;

nte let nu wel op wat er volgt, zoo is het ambt aller

Nu geloovigen, achtervolgende het woord gods, zich

erk af te scheiden van degenen die niet van de kerk

ocr page 26

26

zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, hetzij op wat plaats dat ze god gesteld heeft; al quot;Mare \'t schoon zoo, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen warett, en dat de dood of cenige lichamelijke straf daaraan hing.

Daarom, al degenen, die zich van dezelve afscheiden of niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods.

Hier is nu de eenige plaats, alwaar over het ambt der geloovigen wordt gesproken. Het woord ambt be-teekent te dezer plaatse niets meer en niets anders dan plicht. En die plicht wordt beschreven, niet, dat eenige geloovigen zich van andere geloovigen, ot een deel der kerk zich van een ander deel der kerk moet afscheiden, niet dat enkele leden der kerk eene secte, eene nieuwe gemeente moeten vormen, niet dat eenige leden der kerk eenen kerkeraad, onberispelijk in belijdenis en wandel, moeten ter zijde zetten, om in de plaats een nieuwen kerkeraad te benoemen, niets van dit alles, maar de plicht der geloovigen is enkel en alleen zich af te scheiden van degenen die niet van de kerk zijn, en zich te voegen tot de vergadering der ware Christgeloovigen.

Waar eenmaal zulk eene Vergadering van ware Christgeloovigen was, daar moest men zich er bij voegen. Daarvan zich af te scheiden is tegen de ordinantie Gods.

Hierbij nu moet men wel acht geven, op iets dat al te veel over het hoofd wordt gezien.

Onze vaderen waren niet zoo bekrompen en enghartig, dat zij meenden dat men in alle punten juist met de leer der Gereformeerden moest instemmen, om tot de Vergadering der ware Christ-geloovigen te behooren. In de dagen toen onze schoone Belijdenisse des geloofs werd opgesteld, waren er niet alleen Gereformeerden, maar ook Lutherschen, die immers in vele opzichten van de

ocr page 27

27

IJ Gereformeerden verschillen, zoowel in Belijdenis, als ook

re en vooral in de kerkregeering. Op die kerkregeering zal

n- ik later nader terugkomen. Nochthans, hoe groot in som-

c- mige punten het verschil was tusschen de Gereformeerde en de Luthersche leer, toch hebben de Gereformeerden

F- altoos de Lutherschen als eene ware kerk van Christus

)E beschouwd, en hier niet aan getwijfeld, en dat wel ofschoon de Lutherschen in hunne opvatting der sacramen-

bt ten vrij wat van de Gereformeerden verschilden, en van

e- eene christelijke tucht, zooals de Gereformeerden haar

in verstonden, zelfs geen schijn of schaduw bezaten. Maar

je de Lutherschen hadden de bediening des Woords, de

er verkondiging van het Evangelie, en deswegen reeds wa-

n, ren zij eene Kerk van Christus.

^e Als dus onze Belijdenis spreekt van het mmbtquot; der

\'k geloovigen, en zegt dat zij zich moeten afscheiden van

si, degenen, die niet van de kerk zijn, dan hebben zij dui-

;n delijk en kennelijk \'t oog op de Roomsche kerk. Was

fit dus op eene plaats geene Gereformeerde maar wel eene

in Luthersche kerk, dan moest men, \'t was heilige plicht,

;n uit de Rcomsche kerk uitgaan en zich bij de Lutherschen voegen: die waren dan daar ter plaatse de ^heilige ver-

it- gadering.quot; Zich daarbij te voegen, zich daarmee te ver-

n. eenigen, was men ïchuldig. God had daar Zijn kerk,

Is. de ware kerk, gesteld. Wie dit niet deed, of na dit ge-

al daan te hebben, zich van dezelve afscheidde, die handelde tegen de ordinantie Gods (tegen het gebod Gods.)

r- Dat onze Belijdenis de Roomsche kerk als de niet

et ware, als de valsche op \'t oog had, blijkt duidelijk uit

ot Art. 29, waarin gehandeld wordt »van het onderscheid

n. en de merkteekenen der ware en der valsche kerk.quot; Dit

ifs Artikel luidt als volgt:

ar » Wij gelooven, dat men wel naarstiglijk en met goede

3e voorzichtigheid, uit den Woordc Gods behoort te onder-

ocr page 28

scheiden, welke de quot;ware kerk zij: aangezien dat alle secten, die hedendaags in de wereld zijn, zich met den naam der kerke bedekken. Ook in de dagen onzer vaderen waren er velerlei secten; nauwelijks was de Hervorming ontstaan of daar waren die het met Luther niet eens waren; maar op zich zeiven gingen staan, en uit wier ten te het geroep weerklonk: »de tempel, de tempel des Heeren zijn wij.quot; Daarom vermaanden zij zoo ernstig suit den Woorde Gods te onderscheiden.quot; Niet uit enkele op zich zelf staande Bijbelplaatsen, maar uit Gods Woord in zijn geheel, in zijn verband.

En wel te onderscheiden naarstig en met goede voorzichtigheid. Onze vaderen waren vrienden van goede voorzichtigheid, en zouden getoornd hebben tegen hen, die in onze dagen het volk opwekken, alsof het maar een lichte zaak ware, om zich van hun kerk te scheiden.

» Wij spreken hier niet,quot; zoo luidt het Artikel verder, ■sgt;van het gezelschap der hypocrieten (huichelaars, naamchristenen, onkruid onder de tarwe, kaf onder het koren), welke in de kerk onder de goeden vermengd zijn, en hierentusschen van de kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaa7n in dezelve te zijn. De belijdenis alzoo vooronderstelt dat er in de ware kerk een gezelschap van hypocrieten kan zijn, niet slechts enkelen, maar een gezelschap. Zoo is \'t altoos geweest, zoo is \'t, zoo zal \'t altoos blijven ; en meermalen is \'t alzoo geweest dat het gezelschap der hypocrieten de overhand had, voor een tijd.

igt;Maar wij zeggen, dat men het lichaam en de gemeenschap der ware kerk onderscheiden zal van alle secten, welke zeggen dat zij de kerk zijn. Men mag dus niet op enkele personen zien, men mag niet acht geven op het gezelschap der hypocrieten, om dan, ziende hun verkeerdheid en verdorvenheid, uit te roepen, de kerk waar zulken in zijn, kan de ware kerk niet zijn. Maar men

ocr page 29

29

moet op het lichaam en de gemeenschap der ware kerk zien, op hen die toch eigenlijk alleen geacht kunnen worden van de kerk te zijn, die door belijdenis en leven dit toonen.

Alsnu geeft Art. 29 drieërlei merkteekenen aan. d) Van de ware kerk, h) van degenen die van de ware kerk zijn, en c) van de valsche kerk.

Ik begin met h, de merkteekenen van degenen die van de ware kerk zijn; deze toch vormen het lichaam en de gemeenschap der ware kerk. Dit zegt de belijdenis van hen: *En aangaande degenen, die van de kerk zijn, die kan men kennen uit de merkteekenen der christenen, te weten: uit het geloove, en wanneer zij, aangenomen hebbende den eemgen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen; den waren God en hunnen naaste liefhebben; niet afwijken noch ter rechter noch ter linker hand, en hun vleesch kruisigende met zijne werken. Alzoo nochthans niet, alsof daar nog geene groote zwakheid in hen zij, maar zij strijden daartegen door den Geest alle de dagen huns levens; nemende gestadiglyk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heer en Jezus, in denwelken zij verge-vinge hunner zonden hebben door \'t geloove in Hem.quot;

En nu vraag ik: zouden zij in onze Nederl. Herv. kerk niet meer zijn, die de merkteekenen der christenen toonen? zou de Heer in onze kerk zijn »zeven duizendquot; niet meer hebben, die zeer zeker met groote zwakheid, maar toch in oprechtheid den eenigen Zaligmaker Jezus Christus belijden? Zou de Heer niet wellicht zelfs zijn zeventig duizend hebben die gestadig toevlucht nemend tot het bloed des Heeren Jezus, den waren God en hunnen naaste liefhebben? En die kerk, die door Gods genade zijn duizende belijders van den eenigen Zaligmaker Jezus Christus telt, die kerk die zoo vele belijders telt welke ook strijders zijn tegen alle zonden en

ocr page 30

3°

,

gebreken in de kerk, die kerk zou eene valsche kerk, schei

geen kerk van Christus zijn ? Zegge dat, wie het zeggen den,

durft, maar hij zie toe, hoe hij dat in den dag der dagen pocri

voor \'s Heeren vierschaar verandwoorden zal. lang

b) Laat ons ook even stilstaan bij de merkteekenender doen

valsche kerk. ^Aangaande de valsche herk,quot; zegt Art. i g, kerk,

idte schrijft zich en har er ordinantiën meer macht en kenir

autoriteit toe, dan den waarde Gods, en wil zich het juk De

van CJiristus niet onderwerpen; zij bedient de sacramen- noen

ten niet, gelijk Christus in zijn Woord verordend heeft, sche

maar zij doet daar af en toe, gelijk als het haar goed dunkt; en a\\

zij grondt zich meer op de menschen dan op Christus; sprol

zij vervolgt degenen, die heiligljk leven naar het Woord Rom

Gods, en die haar bestraffen van hare gebreken, gierig- gere

heid en afgoderijen? Ziet daar dan, waaraan de valsche Woo

kerk te kennen is. De I

Let wel, het is hier niet de vraag, wat enkele psrso- ven

nen doen, of enkele personen aan Gods Woord geen pries

autoriteit toekennen, of enkele leden zich het juk van terse

Christus niet onderwerpen — of enkele predikanten de Roor

sacramenten niet bedienen, gelijk Christus in zijn Woord Rom*

verordend heeft; maar \'t is de vraag wat de kerk als Het 1

kerk in deze doet. heeft

Het is ook niet de vraag, wat op een gegeven oogenblik legt

de kerkelijke besturen oogluikend toelaten of openlijk in boete

de hand werken, — maar de vraag is eeniglijk en alleen, ten i

wat de kerk in haar belijdenis uitspreekt en in haar ker- heeft

keordening gebiedt. O, zeker! enkele leden en enke- ment

le predikanten kunnen op een gegeven oogenblik in strijd zij vi

handelen met de belijdenis der kerk. Besturen kunnen zich i

reglementen maken in strijd met de hoofdbeginselen de o

der belijdenis en der kerkeordening, maar daarom komt verg;

dit nog niet ten laste der kerk. Men moet steeds naar- heilig

stelijk en met goede voorzichtigheid onderscheiden tus- meer

ocr page 31

schen wat de kerk doet, en tusschen \'t geen enkele leden, enkele predikanten, die tot het gezelschap der hypocrieten behooren, doen, en door de Besturen een tijd lang wordt toegelaten. Het kwaad dat de Besturen doen, doen zij in strijd met de uitdrukkelijke beginselen der kerk, in haar belijdenis neergelegd, en mag niet op rekening gesteld der kerk.

De merkteekenen der valsche kerk in Art. 29 opgenoemd, doelen op de Roomsche kerk. Zij, de Room-scke kerk, schrijft zich en har er ordinantiën viecr macht en autoriteit toe dan den woorde Gods. »De kerk heeft gesproken.quot; Dit is in Rome het eind van alle tegenspraak. Rome grondt haar leer meer op \'t geen de kerk in vroegere eeuwen heeft geleerd, dan op Gods Woord. Gods Woord verbiedt de hoererij, en laat het huwelijk vrij. De Roomsche kerk verbiedt den priesters te huwen. Leven zij in hoererij, dan betalen zij eene boete en blijven priesters; maar zouden zij huwen dan zijn zij van het priesterschap vervallen. God Woord verbiedt doodslag. De Roomsche kerk heeft menigmaal den sluipmoord bevolen. Rome wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen. Het heeft niet genoeg aan het juk van Christus die gezegd heeft »mijn juk is zacht en mijn last is licht,quot; maar het legt een oneindig getal van zware plichten op, tal van boetedoeningen en dergelijke. Rome bedient de Sacramenten niet gelijk Christus die in zijn Woord verordend heeft; niet alleen dat de Roomsche kerk er vijf sacramenten bijdoet, die Christus niet heeft ingesteld, maar zij vervalscht den Doop en het Avondmaal. Rome grondt zich meer op den mensch dan op Christus, zich beroepende op pausen en cardinalen, en op conciliën of kerkvergaderingen. En Rome eindelijk vervolgt degenen die heiligtjk leven naar het Woord Gods. Zóó is het nu niet meer, maar zoo was het wel, toen Guido de Bres (of de

ocr page 32

32

r

Bray) deze Belijdenis opstelde; toen stelde Rome zich niet tevreden met lidmaten uit hare kerkgemeenschap uit te zetten, maar te vuur en te zwaard vervolgde het de Protestanten, die heiliglijk naar Gods Woord wilden be lijden en leven. Duizendenden zijn toen in den naam der kerk op den brandstapel gebracht of op het schavot gestorven, onder de hand van den beul.

En is er nu iemand die deze merkteekenen der val-sche kerk in onze Nederl. Herv. Kerk wil terugvinden ? Onze Kerk wordt gekend uit hare Belijdenis. De Belijdenis der Nederl. Herv. kerk is de Belijdenis vervat in de drie formulieren van eenigheid, namelijk de Catechismus, de Leerregels van Dordrecht en de Belijdenisse des geloofs der Gereformeerde kerken, waarin de drie Artikelen voorkomen die wij thans bespreken.

Ik weet het wel, dat er zijn die deze Belijdenis weerspreken en geheel verwerpen; ik weet dat de Besturen dit gedoogen, omdat vele hypocrieten indrongen, die alsnog de geloovigen overstemmen, — maar ik weet ook dat dit alles in strijd geschiedt met de kerk, die nog altoos fde handhaving van de leer der Christelijke kerk in \'t algemeen, alsmede van de Hervormde in het bijzonderquot; voorschrijft als hoofddoel van allen, die, in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zijn. De ongerechtigheden die er in de Nederl. Herv. Kerk zijn, zijn ongerechtigheden der Besturen en niet der kerk, niet tv an het lichaam der zvare kerk.quot;\'

Ja maar, zult gij zeggen, ook nu toch -ijoorden vervolgd degenen die heiliglijk leven naar het Woord Gods. Met uw verlof. Dit is een besliste leugen. Gij hebt het oog op de afgezette predikanten en kerkeraadsleden. Die zijn ganschelijk niet vervolgd, gelijk onze Belijdenis dit vervolgen bedoelt.

Maar zij zijn ontzet uit hun ambt en uit hunne bedie-

ocr page 33

33

niet ning, en deze ontzetting- is een tuchtmiddel, zeer zeker it te een zwaar tuchtmiddel, doch slechts een der middelen t de der Christelijke tucht, gelijk ook de oude gereformeerde be- kerk die dikwijls heeft toegepast. En dit tuchtmiddel der is op hen toegepast, niet omdat zij heütglyk leven naar ge- Gods Woord, maar omdat zij handelen in strijd met de kerkelijke verordeningen, die zij heiliglijk beloofd had-val- den te zullen naleven; terwijl hier nog bij komt, dat ien? zij ieder oogenblik in de voorrechten die zij bezaten Jelij- kunnen worden hersteld, zoodra zij willen beloven, niet t in eenmaal openlijk in de kerk, maar in eene kerkeraads-chis- vergadering, om voortaan de verordeningen der kerk te : des willen naleven.

^rti- Getoetst aan de kenmerken der valsche kerk, gaat onze Nederl. Herv. Kerk vrij uit, want die kenmerken zijn in reer- haar niet terug te vinden. Integendeel, de merkteekenen uren der ware kerk zijn in haar. Die merkteekenen zijn: als- zoo de kerk de reine predicatic des Evangeliums oefent; ook indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, j al- gelijk ze Christus ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht kerk gebruikt wordt om de zonden te straffen. Kortelijk, zoo bij- men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpen-on- de alle dingen, die daartegen zijn, houdende fezus Chris-be- tus voor het eenige Hoofd. Hierdoor kan men zekerlijk [erv. de ware kerke kennen: en het staat niemand vrij, zich : der daarvan te scheiden.

In zijn »Tractaat van de Reformatie der kerkenquot; tee-olgd kent Dr. A. Kuyper hierbij aan, blz. 168 en volgende: Met »In den godgeleerden en kerkrechterlijken strijd door on-oog »ze vaderen in de 16de eeuw met Rome gevoerd, gaf zijn ïRome als merkteekenen der ware kerk een vijftiental ver- «kenmerken op, die om tal van redenen door gereformeer-»de kerkleeraars te licht werden bevonden, en waartegen ïdie- »zij hunnerzijds een poging waagden, om juister kenmerken

*

3

ocr page 34

34

»over to stollen. Vat men saam wat destijds daarover ver-»handeld is, dan dient gezegd, dat alle gereformeerde «godgeleerden als noodzakelijk kenmerk stelden ; de pre-sdiking van het Woord Gods; dat de mecsten hier als «tweede kenmerk bijvoegden de bediening der sacramen-»ten; dat enkelen met deze beiden nog verbonden de ^oefening der kerkelijke tucht; en dat zeer enkelen hetzij ^hiervoor in de plaats, hetzij hier nevens plaatsten: de »christelijke liefde, de heiligheid van zeden, enz.

»Onze Geloofsbelijdenis stelt in Art. 29, gelijk men weet, »eerst drie kenmerken: 10 de prediking des Woords; »2° de bediening der sacramenten; en 30 de oefening der ^kerkelijke tucht; en vat daarna deze drie saam in den »algemeenen regel, dat men zich aansluite »aan het zui-fvere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daar »tegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige »Hootd.quot;

AVaarbij voorts nog zij opgemerkt, dat zoowel onze »oudste godgeleerden als genoemd Axtikel van onze geloofsbelijdenis, aan elk dezer drie kenmerken den eisch »van zuiverheid toevoegt. Niet prediking des Woords is »genoeg, het moet reine predicatie des Evangeliums zijn; »Evenzoo wordt reine bediening der Sacramenten ge-»eischt. En de oefening der Christelijke Tucht moet zóó »worden aangelegd, dat niet enkele, maar alle zonden ge-»straft worden.

»Dit lezende, zijn nu enkele broeders tot het besluit »gekomen, dat derhalve elke kerk als van de ware kerk «vervallen moet worden beschouwd, in wier prediking iels »ontbrak, aan wier sacramentsbediening iets haperde, of »wier tuchtoefening verslapt was. En hieruit namen deze «broederen dan aanleiding, om ijlings het lidmaatschap »van deze kerk op te zeggen; ten einde op nieuw een zui-»verder kerk op te trekken; tot ook die kerk weer haar

quot;

ocr page 35

35

sgebrek en zonde vertoonde, en ook aan haar weer de »scheidbrief geteekend werd.

»Intusschen gaat het toch kwalijk aan, zoo diepgaande »levensquaestie derwijs oppervlakkig te behandelen. Reeds 2.het algemeen bekende feit, dat een man als Joannes a »Mark, daarin door Bernhard de Moor gevolgd, twee an-»dere merken stelde, te weten: De zuiverheid in de ^rond-

o

slagen der leer cn de heiligheid des levens, had dunkt »ons, van zoo lichtvaardig oordeel moeten terughouden. »Althans wijzer en beter mannen, gelijk de Moor, Tur-»retin en wie niet, hebben er steeds op gewezen, dat »niet elk dier drie kenmerken even onmisbaar is, alsook »dat in het afeischen van deze drie kenmerken zekere »speelruimte dient gelaten voor gradueel verschil.quot;

Alzoo spreekt een man als Dr. A. Kuyper en bindt den liefhebbers van scheiding »de goede voorzichtigheidquot; op het hart. Het is dus niet onmisbaar dat »de drie merkteekenen der ware kerkquot;, die in Art. 29 genoemd worden, altoos in onverbleekten luister ons tegenstralen. Neen! want dan was er, behalve misschien in de eerste dagen der Christelijke Gemeente, nooit meer eene ware kerk op aarde aanschouwd.

En dan toont Dr. A. Kuyper in het genoemde werk aan, welke in deze zoo gewichtige zaak de ware, en welke de verkeerde beschouwing is. »Een deel der christenen »heeft er namelijk alle eeuwen op (aan)-gedrongen, dat gt;het kenmerk der ware kerk gezocht zou worden in de ^subjectieve (onderwerpelijke) persoonlijke heiligheid harer kleden. Zeer te recht belijdende, dat de Kerk de Ver-»gadering der uitverkorenen is, stelden deze broederen »den begrijpelijken, maar uiterst gevaarlijken eisch, dat »dan ook deze uitverkorenen zich als kinderen Gods be-»toonen zouden, en grondden daarop hunne bedenkelijke x-meening, dat de kerk bekend moet worden aan de hei-

ocr page 36

36

sligheid van haar leden; die heiligheid bedoeld in gees-»telijken, niet in uitwendigen zin.

«Terwijl omgekeerd, tegenover dat subjectief (persoon-»lijk) gevoelen, ten allen tijde door de kerk van Christus »de meening is gehandhaafd, dat de uitwendige kerk sniet naar het geestelijk bestaan van haar leden, maar malleen naar het uitwendig optreden van de kerk als »zoodanig mocht beoordeeld (worden). Een inzicht dat »van zelf tot de stelling leidde; Het merkteeken der »kerk ligt niet in de heiligheid van haar leden, maar in »het karakter dat ze als kerk vertoont.quot;

Verstaat het dus wel: gij moogt de kerk niet beoor-deelen naar de leden der kerk. Het is mogelijk dat gij in eene kerk een gezelschap van hypocrieten of van on-geloovigen ontmoet. Dan zoudt gij licht geneigd zijn te oordeelen, eene kerk waarin zulk een gezelschap verkeert kan niet een ware kerk zijn. Maar dan gebruikt gij een verkeerden toetsteen. Het is toch niet de vraag, en het mag de vraag niet zijn, of er zich op een zekeren tijd ongeloovigen in de kerk bevinden, maar wel is het de vraag, of die ongeloovigen wel in de kerk behooren, of zij er krachtens het karakter der kerk wel in mogen zijn.

Eene kerk moet beoordeeld worden uit haar optreden als kerk. De vraag is dus niet of elk lid zuiver is in belijdenis en wandel, — maar dit is de vraag, waar alles op aan komt, of de kerk de goede belijdenis uitspreekt en eerbied openbaart voor Gods Woord. Wil de kerk als kerk de reine prediking des Evangeliums, wil de kerk als kerk de reine bediening der sacramenten door Christus ingesteld, schrijft de kerk als kerk de uitoefening der christelijke tucht voor? Dit zijn de beslissende vragen.

En met het oog op onze Nederl. Herv. Kerk, met het

ocr page 37

37

oog op de Banier welke onze kerk ontrolt, geene andere dan de Belijdenisse der gereformeerde kerk, mogen wij op die vragen een hartelijk ja! andwoorden. Ook onze Nederl. Herv. Kerk schrijft voor de reine prediking des Evangeliums, de reine bediening der sacramenten, de uitoefening der christelijke tucht. Is er ergens die prediking niet, worden de sacramentem niet naar be-hooren bediend, laat de tuchtoefening veel te wenschen over, dan geschiedt dit in strijd met het karakter onzer kerk.

Hoe veel en velerlei gebrek er ook is, hoe veel en velerlei verderf er ook insloop, nochtans is onze Nederl. Herv. Kerk gegrond op de Belijdenis der gereformeerde kerken, en daarom ook eene ware kerk, eene kerk van Christus.

Eene valsche kerk zou zij dan zijn, wanneer zij als kerk Gods Woord verwierp, de sacramenten vervalschte, en Gods heiligen vervolgde, vervolgde om hunne belijdenis en om hun heilig leven naar Gods Woord.

Men zij dus zeer voorzichtig in zijn oordeelen. Daaf-cm ook schrijft Dr. A. Kuyper: ^Evenwel ook dit mag, »naar den geest en de bedoeling der heilige Schrift, gelijk »onze vaderen die verstonden, nooit zóó opgevat, alsof »de prediking des Woords volkomen zuiveren de bedie-»ning der sacramenten volkomen ongerept moet zijn, op ^straffe van bij gemis dier volkomene uitgewerkte hoe-»danigheden het karakter der kerke Christi te verliezen.quot;

De zaak is van zoo groot gewicht dat ik niet nalaten kan, in navolging van Dr. A. Kuyper, enkele getuigenissen van beroemde Godgeleerden u mede te deelen.

Turretin zegt: jVoorts verlieze men niet uit het oog, »dat deze kenteekenen onderscheidene graden van nood-»wendigheid toelaten. In eersten rang staat de zuivere ;gt;prediking en belijdenis van het Woord, waarzonder geen

ocr page 38

38

-

»kerk denkbaar is. Maar reeds de bediening van het v\\ «sacrament staat hiermee niet op ééne lijn, zoo zelfs dat d »ze tijdelijk kan wegvallen, zonder dat dc kerk vervalt, d gt;gelijk de kerk onder Israël dit herhaaldelijk aantoonde. st »En nog verder gaat dit met de tucht, die onmisbaar v gt;is om de kerk in goede orde te houden, maar wier Je ^■wegvallen nog niet aanstonds het wezen der kerk op- pi »heft. Eene kerk kan zelfs onzuiver en ten deele be- ni »dorven zijn, zonder dat ze ophoudt kerk te zijn. Kin- ti; r-delijk zij opgemerkt, dat een kerk niet mag beoordeeld w snaar de bijzondere gevoelens van haar voorgangers maar d( mit dc publieke belijdenis die door de kerk als zoodanig ■^aanvaard en behouden is.quot; w En evenzoo, ja soms zelfs nog krasser, sprak ook Cal- gi vijn. »Waar ook de prediking des Woords nog met pé «eerbied wordt aangehoord en de sacramenten niet ver- A\\ »waarloosd worden, daar is op dat oogenblik ongetwijfeld »de gestalte der kerk nog aanwezig.quot; En, zegt Calvijn, to »scheiden van de kerk is afval van God en Christus, en en »er kan geen grooter gruwel worden uitgedacht, dan ee »door ontrouw het huwelijk te scheiden, dat de eerstge- is »boren Zoon van God met ons heeft willen aangaan.quot; ge Uit al het voorgaande blijkt dus duidelijk, dat onze rir Nederl. Herv. Kerk, beschouwd in den spiegel van Art. se 29 der Belijdenisse des geloofs der gereformeerde ker- ne ken, geenszins eene valsche kerk mag worden gescholden, maar zeer zeker nog eene ware kerk, eene kerke ve van Christus is. Immers zij bezit nog het tvczen eener wc kerk des Heeren: er is in onze Herv. Kerk nog een tal ge van Christ-geloovigen, die niet lijdelijk in haar verkee- hu ren, maar gemeenschap der heiligen oefenen; die niet alleen des zins en des willens zijn, om hunne gemeenschap rei tot voller en zuiverder kerkelijke openbaring te brengen, jui maar ook daartoe arbeiden, biddend strijdende tegen alles vo

ocr page 39

39

wat in strijd is met Godes Woord en met de Belijdenis der kerk. Onze Nederl. Herv. Kerk staat gegrond op de Belijdenis der gereformeerde kerken, en diensvolgens stelt zij als kerk zich aan naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Zij oefent de reine predicatie des Evangeliums, zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, en al wordt ook de christelijke tucht niet geoefend in den uitgebreidsten zin, nochtans wordt de tucht geoefend, de tucht van Gods Woord, om de zonden te straffen.

Maar .... zult gij zeggen. Ik weet wat gij tegenwerpen wilt! Gij wijst op zoovele moderne predikanten, gij wijst op zoovele moderne lidmaten, gij wijst op bepalingen in de reglementen, die den toets van Gods Woord niet kunnen doorstaan.

Ik weet het ook wel, zwijgt gijlieden stil. Ieder geeft toe, dat er in onze Herv. Kerk treurige verschijnselen en diep bedroevende bepalingen zijn. Maar de vraag is eeniglijk en alleen, of deswegen onze kerk eene valsche is geworden. En, met het oog op de Schrift, op Israels geschiedenis, op de Gemeenten van Galatië en van Co-rinthe, met het oog op onze Belijdenis en de getuigenissen der vaderen, andwoorden wij met een »Gode zij dankquot;, neen, zij is geene valsche kerk.

Dr. A. Kuyper heeft aan de secte die hij rondom zich verzamelde, en die hij met den schoonen naam van de ivarc kerk verciert, nog een anderen naam bovendien gegeven, en wel »do]eerend.quot; Maar neen! die naam komt hun niet toe, die naam past op onze Nederl. Herv. Kerk.

Wat hoort gij uit de tenten van hen die zich dolee-renden noemen? Niets anders immers dan »gejubel.quot; Zij juichen over hunne getrouwheid; zij juichen over den voortgang van het af breekwerk; zij juichen over het

ocr page 40

4°

weeropleven van geloof en belijden; zij juichen over de A

offervaardigheid, zoo blijkbaar in het toevloeijen van b

goud en zilver tot kerkbouw en andere aanverwante h doeleinden; zij juichen over den ijver in het werk der barmhartigheid.

O als men telkens die couranten-artikelen leest, dan ti

zou men jaloersch worden. En daarom niet doleerend, h;

maar juhileerend moet hun naam zijn. di

Onze Herv. Kerk doleert. Zij lijdt smart, zij treurt. zi

Zij die den eenigen Zaligmaker Jezus Christus belijden, o-, zij zijn bedroefd. Bedroefd: allereerst om eigen ontrouw en gebrek. Wie kan zich plaatsen tegenover het woord

des Apostels, 2 Timoth. 2 : 25, 26; ^Met zachtmoedigheid di

onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te n

ecnigertvjd bekeering gave tot erkentenis der waarheid; w

en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des dui- aj

veis, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wilquot; k

Wie kan zich plaatsen tegenover dit Apostolische woord, di

zonder schaamrood te worden, en zich voor God te w

verootmoedigen! ai

Bedroefd zijn de belijders in onze kerk ook hierover\'

dat er zooveel misstand en zooveel gebrek is in \'t ker- tc

kelijk leven. h;

Bedroefd ook over den af brekenden arbeid van Dr. A. tii

Kuyper en de zijnen, die zooveel onheilig twistvuur heb- H

ben ontstoken en onzen kerktoestand in zooveel neteli- te

ger staat hebben gebracht. zc

Ja! onze Herv. Kerk doleert. Het belijdend en ge- lo

loovig deel, dat open oog heeft voor het verkeerde, do- glt;

leert — het lamenteert niet en het jeremieert niet, maar ci

doleert, omdat het in zijn smart strijden en bidden ci blijft, strijden zoowel tegen het modernisme als tegen

de scheurmakerij, bidden tot God, in hope, dat Hij die ee

eene af gesnedene zaak, die alleen wonderen doet, als de ze

ocr page 41

41

I

.e Almachtige Ontfermer, zich ook weer over onze kerk er-

n barmen moge en uit haar krankheid, van haar wonden,

;e haar herstelle.

;r

Geen valsche, maar eene ware kerk, een kerk van Chris-

.n tus is onze Nederl. Herv. Kerk. Zoo mag men dan van

d, haar niet scheiden; zij is eene openbaring van het lichaam des Heeren, en al degenen die vroeger en later, daarvan

-t. zich afgescheiden hebben, hebben gehandeld tegen de

n, ordinantie Gods.

w

rd Maar nu dan hebben wij ook eene andere zaak te on*

id derzoeken, en wel deze: of het dan niet heilige plicht is,

te met de Nederl. Herv. kerk te breken, in dien zin, dat men

i; wel bij de kerk blijft, maar het synodale juk afwerpt en

ü- aan de synode de gehoorzaamheid opzegt. Velen toch spre-

7.quot; ken aldus: wij blijven in de Nederl. Herv. Kerk, wij schei-

-d, den ons niet af, maar met de synode en synodale besturen

te willen wij niets meer te doen hebben, die schudden wij

af als giftige adders.

sr\' Nu, dit is eenvoudig een praatje dat niets hoegenaamd

sr- te beteekenen heeft. De Nederl. Herv. Kerk bestaat met hare tegenwoordige inrichting, en kan zonder die inrich-

A-. ting op dit oogenblik ook niet gedacht worden. De Nederl.

;b- Herv. Kerk kan straks besluiten eene andere kerkorde aan

;li- te nemen, zich anders in te richten, welnu dan bestaat zij zoo als zij zich dan zal ingericht hebben. Doch enkele ge-

re- loovigen, enkele gemeenteleden kunnen zoo maar niet zeg-

lo- gen, ik denk die inrichting weg! Gij kunt die wel weg-

lar cijferen, maar .... dan hebt gij meteen uzelven er uitge-

en cijferd. Dan staat gij er buiten.

en Stelt u eens voor dat er op dit oogenblik in ons land

lie eenige socialisten saamvergaderden en op hoogen toon

de zeiden dat zij onzen koning onttroonden. Dat zou eenvou-

ocr page 42

dig belachelijk zijn. De koning zou toch koning zijn. Wilden die socialisten zich aanstellen als of er geen koning was, wilden zij eene andere oppermacht zich kiezen om daaraan te gehoorzamen, terwijl zij de wetten des lands overtraden , welnu dan zou men hen eenvoudig doen gevoelen, dat de koning nog wel koning was, en dat ondanks hunne meeningen de landswetten nog wel van kracht waren. Wie nu onze koning volstrekt niet als koning erkennen wil en voor de wetten des lands geen eerbied hebben wil, die moet het land uit. Wie in Nederland wil blijven, moet blijven in het Nederland met zijne tegenwoordige wetgeving. Deugt Nederland niet meer in zijn oog, deugt de wetgeving niet meer in zijne schatting — goed, hij heeft de volle vrijheid door alle geoorloofde middelen zijn invloed ter verbetering aan te wenden.

Ja maar, zegt iemand, ik kan wel een tijd lang in Bel-giën of in Pruissen gaan wonen, en dan blijf ik inmiddels toch Nederlander. Zeer zeker! zoo kunt gij ook een tijd lang bij de Christelijk Gereformeerden of bij de Lutherschen gaan kerken en toch lid der Nederl. Herv. Kerk zijn. Maar niet te min zijt gij dan lid der Nederl. Herv. Kerk, gelijk zij tegenwoordig is ing-ericht. Een van twee: gij staat buiten de deur of gij zijt er binnen. En zoo ook, gij zijt buiten de kerk of gij zijt er in. Een derde is niet mogelijk.

Wel kunt gij in de kerk zijn en lachen en spotten met de organisatie, zooveel gij wilt. Als gij u maar gedraagt naar de verordeningen. Wilt gij niet alleen lachen, maar ook door daden toonen dat gij om de verordeningen niet geeft .... dat is uw zaak. Maar dan zal de kerk u straffen, en als gij volhardt, u buiten hare palen zetten, en dan zijt gij er uit, tot tijd en wijle dat die kerk op uw verzoek, u weer in haar schoot opneemt.

ocr page 43

43

jn. Dat men toch ophoude zich zeiven en den eenvoudi-

ng digen wat wijs te maken.

Dm

ids Doch, wat hebben toch zoo velen tegen de huidige

yen inrichting onzer Herv. Kerk? Veel en velerlei wordt er

m- tegen ingebracht. Voornamelijk brengt men tegen haar

an in, dat zij is zondig in oorsprong en in strijd met Gods

als Woord. Wel zijn er nog andere klachten, doch voor-

jen loopig willen wij bij de twee genoemden stilstaan, ^e- De inrichting is in strijd met Gods Woord. Als dit

iet waar is, dan is zij geoordeeld, en dient zij liever heden

liet dan morgen weg te vallen.

jne In strijd met Gods Woord! Gun mij vooraf iets uit

ille de geschiedenis der Hervormingseeuw mede te deelen. tan De mannen die op den gang van zaken in de eeuw der gezegende kerkreformatie den meesten invloed uit-

lel- geoefend hebben, zijn zonder twijfel Luther en Calvijn,

id- beiden, gelijk ieder toestemt, mannen vol des geloofs en

iok des Heiligen Geestes; beiden, ieder is er van overtuigd,

de met onbegrensden eerbied voor Gods Woord vervuld,

rv. Beiden erkenden de Heilige Schrift als de hoofdkenbron erl. . der waarheid, en diep in beider ziel stond het gegrifd:

•an vTot de Wet en tot de getuigenis! zoo zij niet spreken

En naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zul-

Len ^cn hebben? Jesaja 8 : 20.

Maar — al erkenden beiden de Heilige Schrift als

ten eenig en onfeilbaar richtsnoer van geloof en leven, toch

aar gingen zij eenigszins anders te werk. Voor Luthers geest

en, zweefde steeds de vraag: «hoe word ik zaligquot; en op die

lin- vraag zocht hij het andwoord in de Schrift. Voor den

de geest van Calvijn stond steeds de vraag: »Wie maakt mij

len zaligquot; en hij zocht op deze vraag het andwoord. Zoo

die gaven beiden een andwoord, een voorstel van waarheid, dat hoewel in kern en hoofdzaak één, toch verschillend klonk.

ocr page 44

44

Luther ging uit van de stelling, al wat niet in strijd is met de Schrift, al wat in de Schrift niet verboden is, is geoorloofd. Calvijn daarentegen ging uit van de stelling, al wat de Schrift niet gebiedt, is ongeoorloofd, is zonde. Dientengevolge, om nu maar iets te noemen, behield Luther in den Eeredienst veel dat Calvijn onvoorwaardelijk verwierp. Dientengevolge zong men in de kerken van Calvijn niets dan de psalmen, omdat die in den Bijbel stonden — terwijl men in de kerken van Luther ook, ja grootendeels niets anders dan gezangen zong.

Maar zoo hadden beiden, ook in zake de kerk, de inrichting en regeering der kerk, zeer onderscheidene meeningen. Het stelsel van Calvijn is genoegzaam bekend, dat van Luther wellicht minder. Laat mij, om der vol-ledigheidswille, u in groote hoofdtrekken, het stelsel van kerkregeering zoowel bij Calvijn als bij Luther, mede-deelen. Ook hier was tusschen hen beiden een belangrijk verschil. Dit verschil zou ik aldus willen kenmerken, volgens Calvijn, moet de kerk zelfstandig zich zelve rc-geeren, — volgens Luther wordt zij geregeerd.

Bij Calvijn is er eene meer zelfstandige inrichting van het gemeenteleven. Dë gemeente kiest zelf haar leeraars, haar oudsten of opzieners en haar diakenen of armverzor-gers. Deze vormen met elkander den raad der Gemeente, of den kerkeraad. Deze heeft te waken voor de zuiverheid van leer, voor de waardigheid der godsdienstoefeningen, voor de handhaving der tucht en voor de goede armverzorging. — Een zeker aantal gemeenten, die elkanders buren zijn, en dus ook gemeenschappelijke belangen hebben, vormen te zamen eene classis; deze classis houdt op bepaalde tijden vergaderingen, waarin iedere gemeente uit de classis vertegenwoordigd wordt door den predikant met een ouderling. Al de onderscheidene dassen van eene zelfde Provincie zonden jaar-

ocr page 45

45

lijks eenmaal afgevaardigden naar eene Provinciale Synode, of Provinciale vergadering, om de belangen der geheele Provincie te behartigen. Terwijl op zekere tijden al de Provinciale Synoden afgevaardigden zonden naar eene Nationale Synode, om de belangen van al de Gemeenten van één zelfde land te bespreken. En die al-gemeene of nationale Synode had de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht.

Ook bij Calvijn werd echter de inrichting, de regeering der kerk gewijzigd naar verschillende toestanden, naar gelang de overheid zelf, al of niet de Evangelische Belijdenis was toegedaan. Was de overheid der Evangelische Belijdenis toegedaan, dan trad zij als beschermster op van de beide tafelen der Wet Gods, en stond in betrekking met het kerkbestuur, zoodat beiden, door gemeenschappelijke onderwerping aan Gods Woord en door het streven naar één zelfde doel, verbonden, in velerlei opzicht door en met elkander samenwerkten in den dienst van het Koningrijk Gods.

Geheel anders was de Luthersche kerkregeering. In de Luthersche landen was van kerkeraden, dassen en synoden geen sprake. Aan \'t hoofd der Gemeente stond de prediker, dien zij beroepen had. Maar de Gemeente werd beschouwd, om het zoo eens uit te drukken, niet als mondig of meerderjarig, maar veel meer als een voorwerp, dat door den voor haar bestemden leeraar, moest worden opgevoed, zoodat dan ook de Gemeente zelve geen aandeel kon hebben aan het Bestuur. Over eenige gemeenten te samen was geplaatst een superintendent (een opzichter), die belast was met het toezicht op de predikanten en waken moest voor de éénheid der kerk, en voor de stipte naleving der ceremoniën. Boven deze superintendenten stonden de visitatoren (kerkbezoekers),

ocr page 46

46

die van tijd tot tijd de gemeenten van eene provincie bezochten, en zich overtuigden of alles in goede orde was. En eindelijk, boven de visitatoren, stond de Heer, de Vorst des lands, die de plaats bekleedde van Bisschop. Zoo was de regeering der kerk in geheel het Luthersche Saxen. De Gemeente had niets te zeggen. In andere landen, b. v. in Hessen, werden enkele pogingen gedaan om de Gemeente meer te doen gelijken op \'t beeld van de Apostolische eeuw. Maar die pogingen mislukten.

Die vorm van kerkregeering werd door den Rijksdag te Spiers bekrachtigd en de Godgeleerden der Luthersche kerk, voorwaar ook geen kinderen maar mannen van naam, verdedigden dien!

De Vorst, de Landsheer stond dus aan het hoofd der kerk; en de godgeleerden grondden het recht der christelijke overheid om het opperbestuur der kerk in handen te hebben, hierop: i0. dat zij de voornaamste leden der kerk waren, en 2°. dat zij door God gesteld waren tot beschermers der kerk.

Ook Zwingli liet het Bestuur der kerk uitoefenen door de Christelijke overheid, en beriep zich daarbij op uitspraken der Schrift.

Ik treed nu op dit oogenblik niet in beoordeeling dier beide stelsels van kerkregeering. Maar de Gemeente -van onzen tijd moet het toch ook weten, dat in zake de kerkregeering, eene zaak die tegenwoordig van zoo groote aangelegenheid wordt beschouwd, de beide groote reformatoren der kerk, Luther en Calvijn, zoo hemelsbreed verschillend dachten.

Hoe is dat te verklaren? zult gij vragen. Het is eenvoudig! De Heilige Schrift geeft geen enkel gebod of regel voor kerkregeering. Zij toont ons wel het voorbeeld, hoe het in de eeuw der Apostelen in de Christelijke Gemeente was, doch geen enkel woord ook maar.

ocr page 47

47

cie dat op een gebod of \'bevel gelijkt dat het zoo en niet

rde anders moet.

;er, Zou het dan toch niet het beste zijn, de kerk naar het

op. voorbeeld der Apostolische eeuw in te richten? Daar

:he zeg ik aanstonds van harte ja op. Maar ik voeg er in

ere een adem aan toe: zoo is \'t ook in iedere afzonderlijke

ian Gemeente van onze Nederl. Herv. Kerk. Iedere Ge-

^an meente heeft haren kerkeraad, een predikant of predi-

n. kanten met ouderlingen en diakenen.

lag Maar hierover ook loopt zoo zeer het verschil niet!

:he Maar dit is het punt van strijd, hoe de vele gemeenten

/an of kerken van één zelfde land met elkander in verband

moeten staan en geregeerd worden.

der En in deze was het verschil tusschen Luther en Calvijn

ris- hemelsbreed: alleen te verklaren hieruit, dat voor deze

ien I aangelegenheid geen enkel gebod of voorschrift in des

der Heeren Woord voorkomt.

tot Als gij dan nu ook eens hieraan denkt, hoe verschillend Luther en Calvijn dachten in zake de kerkregeering,

ioor die echter beiden zich op de Schrift beriepen, dan kunt

uit- gij ook verstaan hoe niets beteekenend dit geroep is, dat de regeering, gelijk zij in onze kerk bestaat, ongod-

iier delijk en goddeloos zou zijn; dan kunt gij verstaan hoe

into ij del en zondig die valsche beschuldiging is, zoo menigen

; de kerkeraad naar het hoofd geslingerd, dat hij een godde-

)ote loozen regel van kerkregeering volgt; dan kunt gij ver-

re- staan ook hoe ijdel het geroep is, dat de gereformeerde

•eed vorm van kerkregeering alleen naar den regel van Gods

Woord zou zijn.

;en- Zondig is alleen, dat in strijd is met des Heeren Woord,

i of dat wil zeggen, met een uitdrukkelijk gebod of voor-

oor- schrift des Heeren, of met het klaarblijkelijk onderwijs

iste- van Gods Woord. Waar geene wet is, is ook geene

laar, overtreding.

ocr page 48

48

Waar, gelijk in de zaak der kerkregeering, geen uitdrukkelijk gebod des Heeren is, daar blijkt het dat de Heer het aan zich heeft behouden, om op verschillende tijden, naar den loop der omstandigheden, dien Hij Zelf immers bestuurt, nieuwe vormen in \'t leven te roepen.

Dat men dan toch ophoude, mannen die eerlijk en oprecht voor God willen wandelen, en die voor Christus hun knieën buigen, als voor den van God gezalfden Koning, telkens te beschuldigen van voorstanders te zijn eener zondige, ongoddelijke en goddelooze kerkregeering.

Wil men beweren dat de tegenwoordige inrichting onzer Ned. Herv. Kerk, niet is in overeenstemming met het geestelijk beginsel en met het eigenaardig karakter eener gereformeerde kerk; wil men beweren dat die inrichting onzer kerk niet is overeenkomstig ons volkskarakter noch in overeenstemming met onze gereformeerde belijdenis; wil men beweren dat die inrichting niet profijtelijk is voor de zelfstandige ontwikkeling eener Christelijke gemeente; dat is iets geheel anders, daarvan is veel waar; daarmee zullen zeer velen wellicht Instemmen.

Maar die woorden, zondig, ongoddelijk, goddeloos, in toepassing op de kerkregeering, zijn groote woorden, waarmede men een ieder bang maakt, behalve een gereformeerd mensch, die zijn Bijbel ter hand neemt, en zelf onderzoeken gaat.

Zondig in oorsprong: dit is eene andere aanklacht die tegen de inrichting der Nederl. Herv. Kerk wordt ingebracht. Laat ons ook deze beschuldiging onder de oogen zien. En dan begin ik met voorop te stellen, dat, waar geen goddelijk gebod of voorschrift bestaat voor kerkregeering, daar evenmin een gebod bestaat van wien de vorm der kerkregeering moet uitgaan. Maar dan bestaat er ook geen zonde, wanneer een ander dien vorm voor-

ocr page 49

49

1

uit- schrijft, dan wien dit alléén, naar het zeggen van somde migen, toekomt. Volgens Luther gaf de Vorst des lands nde den vorm van kerkregeering aan, volgens Calvijn doet Zelf ^ gemeente, de kerk, of liever, de kerk heeft het 1 gedaan, zooals Calvijn haar leerde dat het behoorde. Al op- nu onze kerkregeering niet geworden zoo als Calvijn ;tus en ■^r* I^uyper zeggen dat het behoort, daarom is £0_ de oorsprong nog niet zondig.

zijn Waarom noemt men onze tegenwoordige kerkinrich-

ing. Ünë zondig\' in oosprong? Omdat koning Willem I haar

on- aan de kerk heeft gegeven. Het is wel waar, in 1852

met is er groote verandering gekomen, in de wijze waarop de Besturen benoemd worden, maar de Bestuursinrich-

in tin^ is afkomstig van koning Willem I, die haar in 1816

ska- in ^ leven riep. Hierin, hierin alleen, bestaat de zondige

3r(je oorsprong: dat de koning haar oplegde aan de kerk; dat

pro. is haar geboortesmet. Dat had de koning niet mogen

lrjs. doen, zegt men. Dat hij belang stelde in de kerk en

1 is \'n haar welstand, was uitnemend; dat de toestand van

nen onbegrijpelijke verwarring waarin de kerk verkeerde hem

. jn ter harte ging, was te prijzen; maar dat hij het waagde

den in den chaos orde te brengen, dat is eene vreeselijke

ge, zonde. Dat hij, gelijk zijn doorluchte voorouderen, zich

en een voedsterheer der kerk betoonde, en dat de kerk zich dit liet welgevallen — het wordt hem en haar steeds als schuld toegerekend.

t die Ctok te recht? Ik meen van neen! Nooit heeft in

[1ge_ de Gereformeerde kerk, eene kerkeordening kracht ge-

)gen ^ad\' zoolang zij niet door de landsoverheid was goedge-

vaar keurd. De kerk kon juist zoovele verordeningen maken j

erjc_ als zij zelve wilde, maar zij mocht ze niet uitvoeren, zoo-

1 de lan^ n*et de overheid (of de magistraat) er het zegel

ïtaat aan ^ad 8\'eliec^t- En zou het onderscheid nu zoo groot

roor wezen, tusschen eene kerkeordening die door de over- 1

4

ocr page 50

hcid wordt opgemaakt cn eenc andere die de kerk opmaakt, maar geen kracht heeft, zoolang de overheid haar niet goedgekeurd heeft?

Mij dunkt, het komt op \'t zelfde neer. \'t Is lood om oud ijzer. Vooral als men weet, hoe machtig de invloed der overheid was, en hoe machtig zij dien invloed deed gelden. Aldoor heeft zich de overheid met de kerk bemoeid, en wel zóó, dat in naam de kerk haarzelve regeerde, maar inderdaad door de overheid geregeerd werd, ja dikwijls getyranniseerd werd. Waar het haar geluste, dreef altoos de overheid haar zin door, geen kerkeraad of classis of Synode had wat te zeggen, zonder de overheid gehoord en haar goedkeuring verkregen te hebben. Dat zijn bekende zaken. Neem de Dordsche kerkorde ter hand, en overtuig u zeiven, hoever die inmenging van de overheid strekte. Geen predikant kon beroepen worden zonder goedkeuring van de overheid; zonder goedkeuring van den magistraat was geen attestatie omtrent leer en leven van een predikant geldig; geen kerkeraads-, geen classicale, geen synodale vergadering kon gehouden worden, of de overheid mocht er een of twee leden bij hebben, om aan te hooren en mee te beraadslagen; en zelfs op de zoo hooggeroemde Dordsche Synode had de overheid een machtige stem in het kapittel.

Ja de Dordsche kerkorde huldigt zelfs als beginsel, dat het «het ambt der christelijke overheden is, den heiligen kerkedienst in alle manieren te bevorderen.quot; (D. K. O. Art. iigt;).

Droeve voorbeelden bij menigte zijn er bij te brengen, diep vernederend voor de kerk, niet alleen van den invloed, maar van het oppergezach, dat de landsoverheid in kerkelijke zaken oefende.

En nu zal men er koning Willem I een verwijt van

ocr page 51

5i

maken, dat hij door zijn koninklijk gezach orde en regel gebracht heeft in de zoo veelzins troebele toestanden der kerk, en aan de kerk zal men dit tot zonde rekenen, en aldoor spreken blijven van eene inrichting der kerk\' die zondig is in oorsprong?

Ja troebel was de toestand der kerk omstreeks het jaar 1816. Tot 1795 was de kerk nauw met den staat verbonden geweest, of liever de staat had de overmacht in de kerk. Tengevolge van de toenmalige omwenteling werd ook de band, losgemaakt die zoo vele jaren staat en kerk had verbonden, en ach, toen bleek het op velerlei wijzen, hoe de kerk, eeuwen lang gewoon geregeerd te worden, niet bij machte was zich zelve te regeeren.

Toen nu Willem I den koninklijken troon had beklommen, was het ook eene zijner voornaamste zorgen, het welzijn der kerk te bevorderen. Gelijk zijne groote \'voorzaten heeft hij ook zich een voedsterheer der kerk betoond. Hij heeft toen verwerkelijkt wat altoos eene begeerte der oude gereformeerde kerken is geweest. Vroeger was er in ons goede land niet ééne kerk, maar er waren zeven provinciale kerken. Er was eene Fries che, eene Hollandsche, eene Zeeuwsche kerk enz,, terwijl die 7 provinciale kerken niet altoos op vriendschappelijken voet met elkander leefden. Welnu — de koning heeft den wensch der oude kerken verwezenlijkt, en heeft die zeven kerken tot één kerkgenootschap vereenigd. De inrichting der kerk, het bestuur der kerk werd anders dan het vroeger was geweest, maar het wezen der kerk bleef toch onaangetast en onveranderd. Ook bij de inrichting die Willem I der kerke gaf, bleef de leer onveranderd. De belijdenis der gereformeerde kerk, de belijdenis vervat in de »drie formulieren van eenigheidquot;, was en bleef de grondslag der kerk.

Voortaan werd de kerk door Willem I bestuurd, althans

ocr page 52

door Besturen van wege den koning benoemd, evenals dat ook in de Luthersche kerk het geval was.

Was dit zonde? Wonder is het dan wel dat voor die zonde in die dagen geheel de kerk blind is geweest. Slechts een tweetal protesten werden tegen de daad van koning Willem I ingebracht, en wel van wege de classe van Amsterdam en van Ds. Molenaar in den Haag; maar in die beide protesten is met geen enkel woord sprake van den zondigen aard van deze koninglijke daad. De protesten wezen er op dat die koninglijke daad in strijd was met het recht der Gemeente om zich zelfstandig te regeeren; (alsof de gereformeerde kerk ooit dat recht van zelfstandig bestuur anders dan in naam had bezeten); die protesten wezen, met zeer voorzichtig gekozen woorden, op de mogelijke gevaren die uit de nieuwe inrichting der kerk konden voortvloeien, maar er is geen sprake van zonde.

Slechts twee protesten! Mij dunkt dat spreekt toch luide! Indien de daad des konings zoo zondig ware geweest, er zou meer algemeen, er zou luider geprotesteerd zijn geworden, er zou niet zoo spoedig gezwegen zijn, men zou zich door geen eerelintje in het knoopsgat, den mond hebben laten snoeren.

Maar de waarheid is, dat men in dien tijd algemeen dankbaar was jegens den zoo beminden vorst.

Niemand zal betwisten dat koning Willem I wijzer had gehandeld, indien hij zijn koninglijken invloed anders had gebruikt; hij had dien invloed kunnen gebruiken, alzoo, dat de kerk zelve tot regeling van hare aangelegenheden de hand aan den ploeg had geslagen. Dit ware ongetwijfeld beter geweest, meer in overeenstemming met het karakter eener gereformeerde kerk, meer ook overeenkomstig met onze Belijdenis. Maar daarom heeft men geen recht de oorsprong der kerkelijke inrichting in die dagen zondig te noemen.

ocr page 53

53

Doch wij leven nu Willem I in \'t leven van heden dagteekent van \'t jaar 1852. Dat de inrich ting van Willem I hare gebreken had, kwam meer

meer te blijken, en de wensch naar herziening der reglementen door de kerk werd uitgesproken en telkens herhaald. Zoo kwam het dan ook in 1851 tot eene alge-heele herziening, zoowel van het algemeen reglement als van de bijzondere reglementen. Van nu af hield de invloed der hooge Regeering in kerkelijke zaken op. De kerk herkreeg hare vrijheid. Alle inmenging van den staat had opgehouden. Zelfs werd de goedkeuring der regeering op kerkelijke reglementen afgeschaft. En sedert 1852 heeft onze kerk eene inrichting die geheel langs kerkdijken weg is tot stand gekomen. Ik weet het wel! ook tegen de wijze waarop de inrichting der kerk in 1852 tot stand is gekomen, heeft men bezwaren. Men zegt: toen de koning afstand deed van zijn recht in de kerkelijke zaken, is het recht gegeven aan de Besturen, die grootendeels door hem benoemd waren, en dat recht had gegeven moeten worden aan de Gemeente; dan hadden de Gemeenten kunnen beslissen over de inrichting der kerk. Dit zou zoo kunnen wezen, indien de Gemeenten ooit het recht hadden bezeten, in deze eene zelfstandige beslissing te nemen. Doch dit heeft ze nooit gehad. En nooit kan er sprake zijn van terug ontvangen van iets, dat ik nooit heb gehad.

Doch hoe men hier ook over moge oordeelen, zeker is dat de kerk sedert 1852, aldoor in de gelegenhei.l is geweest, om langs wettigen weg tot eene nieuwe orde van zaken te komen. Van af dat jaar had de kerk de handen vrij, geene onkerkelijke macht oefende meer invloed uit. Maar vooral sedert 1867 is de kerk inde ge- j legenheid geweest haren invloed te doen gelden. In dat I

niet meer in den toestand door geroepen. De inrichting der kerk t jaar

en

ocr page 54

54

jaar bekwam iedere gemeente het recht om zelfstandig haren kerkeraad te mogen verkiezen. Bedenkt men nu dat op het geheele Bestuur in onze kerk, alle invloed geoefend wordt door de kerkeraden, (die jaarlijks op de clas-sikale vergadering samen komen, ook om de leden der Provinciale kerkbesturen te kiezen, door welke kerkbesturen de leden der synode worden afgevaardigd,) dan kan men verstaan, hoe de kerk door de kerkeraden vertegenwoordigd, sedert 1867 in de gelegenheid is geweest, aan onze kerk cene geheel andere inrichting te geven, indien deze gewenscht werd. Doch dit is tot nog toe niet geschied. Waarom niet? Wordt dan geene verandering gewenscht? Dit laat ik nu eens aan zijn plaats. Maar in elk geval, al bestond de wensch, toch zou er tot op dit oogenblik geene mogelijkheid zijn geweest, om dien wensch te vervullen. En dat ten gevolge van tweeërlei oorzaak! De eene in de macht van de niet rechtzinnigen, de andere in Dr. A. Kuyper gelegen.

Bij dc invoering van het reglement van 1867 waren vele gemeenten nog in de macht van de niet rechtzinnigen. Zoo waren er dus ook onrechtzinnige kerkeraden, die op de classicale vergaderingen onrechtzinnige leden in de provinciale kerkbesturen hielpen brengen, zoodat al-zoo ook de synode voor \'t grooter deel uit onrechtzinnigen bestond, die er niet aan dachten zelfs om tot de gereformeerde kerkorde terug te keeren. Doch door de werking van het reglement van 1867 kwam er in tal van gemeenten verandering; de onrechtzinnige leden der Provinciale kerkbesturen moesten hun plaats ruimen voor rechtzinnigen, zoodat ook spoedig het meerendeel van de leden der synode rechtzinnig zou zijn geweest. Maar daar komt Dr. A. Kuyper met zijn heilloozen raad om niet mede te stemmen, op de classicale vergaderingen, voor de kerkelijke Besturen. De raad van Dr. A. Kuyper was

ocr page 55

55

voor ieder nadenkende begrijpelijk. Hij doorzag zeer goed, dat, al ging de synode om, al werd zij voor het mceren-d?el rechtzinnig, ook de rechtzinnigen er niet aan denken zouden, om de inrichting der kerk te veranderen naar de inzichten van Dr. A. Kuyper. Werd de Synode rechtzinnig, werden de reglementen in confessioneelen geest veranderd, dan miste hij een krachtig wapen om onze kerk te bestrijden. — Dat wapen kon hij niet missen, en wilde hij niet missen. — Vandaar zijn heillooze raad, niet stemmen voor de Besturen. En zij, die dien boozen raad opgevolgd hebben, hebben het op hun geweten, dat om geen ander voorbeeld te noemen, het provinciaal kerkbestuur van Friesland weer opnieuw kwam in handen der onrechtzinnigen, en twee modernen ter Synode afvaardigt.

Ook ten gevolge der doleantie is op menige Classi-kale Vergadering wellicht de macht weer overgaande in de hand der modernen, en blijft alzoo ook in de Synode de macht in der modernen hand.

Hoe onbegrijpelijk veel beter hadde Dr. Kuyper gedaan, mede te werken dat in de Synode de macht kwam in de handen der Belijders des Heeren. Dan had hij, de man met zoo machtige gaven, de Belijders des Heeren uit het Woord Gods kunnen overtuigen, dat en waarom hij de tegenwoordige inrichting der kerk, getoetst aan Gods Woord, voor zondig hield. Staat hij in die overtuiging, is dit werkelijk zoo, onder biddend opzien tot den Heere, zou het hem gegeven zijn de oogen er voor te openen, en hem zou het gegund zijn, doorzijn invloed, de geheele kerk in de zuiver gereformeerde bedding terug te leiden.

Doch hij heeft geen vertrouwen gehad in het goed recht zijner zaak. In plaats van met wettige wapenen een heiligen krijg te voeren, tegen \'t geen zijns inziens

ocr page 56

56

verkeerd is, heeft hij zijn toevlucht genomen tot onheilige wapenen.

Allerlei ongegronde beschuldigingen heeft hij tegen onze kerk ingebracht, die hoewel honderd malen weerlegd, toch telkens door hem herhaald worden.

Wij willen ze nog even onder de oogen zien. Dit kan zijn nut hebben.

Allereerst heeft Dr. A. Kuyper den goedgeloovigen wijs trachten te maken dat onze Nederl. Herv. Kerk gt;het koningschap van Christus verloochent.quot; Let wel! hij heeft niet gezegd dat er in onze Nederl. Herv. Kerk personen zijn, zelfs ook in de besturen, die het koningschap van den Christus verloochenen. Dit zou ieder hem hebben toegestemd. Maar dit was zijne aanklacht, dat de kerk als kerk zulks deed. En waaruit bewees hij dit? Hieruit! Dat er in het algemeen reglement van onze Nederl. Herv. Kerk een art. 61 is, waarin geschreven staat, id at hij de Synode berust de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht? Ziet, — roept Dr. Kuyper uit, welk een heiligschennis! De Synode schrijft zichzelve toe, wat alleen Christus den Heere toekomt. Zij gaat zitten in de plaats die alleen aan »Gods Gezalfdequot; toekomt.

Schandelijk noem ik het van Dr. A. Kuyper, om, hoewel hij zelf beter weet, den volke zoo iets wijs te maken. Gesteld eens dat dit alleen zonder meer, er werkelijk stond, zou er dan wel een onbevooroordeeld mensch, zou er dan wel een mensch van gezonde zinnen zijn te denken, die in deze woorden las, wat Dr. Kuyper er in legt? Ieder zou toch begrijpen, dat dit alleen vergelijkenderwijze bedoeld kon zijn. Ieder zou verstaan dat de bedoeling geene andere kan zijn dan deze: gelijk de kerkeraad reglementen maakt voor de Gemeente, en recht spreekt tusschen de leden der Gemeente en de Ge-

ocr page 57

57

mcente bestuurt; gelijk het Classikaal Bestuur dat doet, voor de Gemeenten in zijn ressort, gelijk het Provinciaal Kerkbestuur dat doet voor al de Gemeenten in de provincie zoo doet de Synode het voor al de Gemeenten van het gansche land. Zij, de Synode, bestuurt geheel de kerk, zij geeft de reglementen die voor heel de kerk gelden, zij spreekt recht in hoogster instantie over de personen die zich op haar beroepen, in dezaken die haar voorgelegd worden.

Niets anders, niets meer is bedoeld. En wat zou daartegen zijn! Ook in de kerk, in welke kerk ook, moet toch ergens een collegie zijn, dat het bestuur heeft over al de deelen der kerk, dat de reglementen maakt, zoodat er tusschen al de deelen goede orde en regel kan onderhouden worden, en waardoor recht gesproken wordt in laatster instantie, in hoogster ressort.

Ook in den bloeitijd der gereformeerde kerk was dit niet anders, kon het niet anders zijn. Was er geschil tusschen de leden eener zelfde Gemeente, de kerkeraad deed uitspraak. Vermeende eene der partijen verongelijkt te zijn, dan kwam men bij de classis; had men geen vrede bij de beslissing van de classis, dan beriep men zich op de provinciale Synode; en bij deze behoorde de hoogste rechtsprekende macht. Bij haar uitspraak had men zich neer te leggen.

Ja maar, toen was het toch iets anders, zegt mogelijk iemand. Toen was men gebonden aan Gods Woord en de Belijdenis. Juist! Maar zoo is het nu ook in onze Nederl. Herv, Kerk, en niet anders! Immers op de »woor-den: »Bij de Synode berust de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht,quot; volgen deze woorden van het hoogste gewicht wilder dc verschillende waarborgen, in dit Algetneeu Reglement, en in bijzondere reglementen vastgesteld!\' Deze woorden van zoo groote betee-kenis, gaat Dr. Kuyper telkens voorbij, alsof zij van niet

ocr page 58

58

dc geringste beteokenis waren. Dr. Kuyper weet zeer goed welke die waarborgen zijn, en door zijnen volgelingen dit niet onder de oogen te brengen, maakt hij zich schuldig aan laster: en zondigt in meer dan een opzicht tegen het 9llc gebod, naar de verklaring die onze Catechismus er van geeft. Want onder de bedoelde waarborgen behoort ook A rt. i i A. R., dat ook aan de Synode voorschrijft »de handhaving van de leer der Horv. Kerk,quot; en zoo ligt dus ook op de Synode, de roeping, om, overeenkomstig die leer »zic/i aan tc stellen naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daar tegen zijn, Jioudende Jezus Christus voor het eenige Tloo/d.quot; Dat de Synode in deze haar plicht niet doet, dat er in de Synode loochenaars zitten van \'s Heilands Koningschap, dit komt ten laste der Synode en niet van de Kerk.

Dat weet Dr. Kuyper ook even goed. Maar zijn stelregel schijnt te zijn: laster maar voort, er blijft altijd wel iets van hangen. Maar wie, \'t geen hij voor waarheid houdt, met laster en leugen verdedigen moet, toor.t geen geloof aan de deugdelijkheid der zaak te hebben. Luther cn Calvijn hebben Rome met geesselen en schorpioenen gekastijd, maar nooit de zaak der heilige waarheid, met leugen trachten te verdedigen.

Van geen beteren aard is eene andere beschuldiging, die Dr. Kuyper tegen onze kerk inbracht en nog gedurig inbrengt. Het bestuur onzer kerk noemt hij nhiërar-ehiseh.quot; Voor het volk, dat dit woord niet verstaat, ligt in dat ^hiërarchischquot; natuurlijk iets vreeselijks; en voor do hand ligt de redeneering: »\\vat moet eene kerk toch diep gevallen en ontzaggelijk verdorven zijn, eene kerk die zelfs hiërarchisch is geworden.quot; Noemt het woord :gt;hiörarchicquot;, past dit toe op de Nederl. Herv. Kerk,

ocr page 59

59

en gij hebt genoeg gezegd, om den oningewijde te doen begrijpen dat hij geen oogenblik langer in zulk een kerk mag blijven, gij hebt genoeg gezegd, om den oningewijde vol afschrik van zulk een kerk zich te doen afkeeren.

Maar laat ons trachten dat vreeselijke geheimzinnige woord te verstaan, en dan zien, of het ook op onze Nc-derl. Herv. Kerk mag toegepast worden.

Het woord »hiërarchiequot; beteekent spriesterregeering\', priesterheerschappij.quot; De roomsche kerk heeft eene «hiërarchie.quot; In de roomsche kerk is een lijn zeer scherp doorgetrokken, die het volk van de priesters scheidt. De Gemeente, het volk, is een schare die de wet niet kent, en die geregeerd wordt door de priesters, die eenen bijzonderen stand vormen, en verre verheven staan boven het volk. Dit onderscheid tusschen priesters en volk, is een allereerste kenmerk van eene «hiërarchie.quot;

Maar er is nog iets. In de roomsche kerk zijn de priesters niet aan elkander gelijk, er is een groot verschil in rang, en hoe hooger men in rang opklimt des te groo-ter is de macht die men uitoefent Zoo heeft men kap-pellaans, pastoors, dekens, bisschoppen, aartsbisschoppen, kardinalen, en eindelijk de paus. Do paus, de opperpriester, die zich den stedehouder ot plaatsvervanger van Christus noemt, en zich in 1870 voor onfeilbaar heeft laten verklaren, oefent de hoogste macht uit; terwijl alle andere priesters aan hem onderworpen zijn.

De hiërarchie heeft dus twee voorname kenmerken, 10 het onderscheid tusschen het volk en den priesterstand, en 20 de rangorde der priesters.

Is er nu in onze Nederl. Herv. Kerk ook van zulk een hiërarchie sprake, welnu dan is er in onze kerk eene zaak, die in lijnrechten strijd is met de Heilige Schritt! Want de Schrift leert het algemeene priesterschap der geloovigen, en noemt hen »een koninglijk priesterdomquot;

ocr page 60

6o

en onze Heere Christus heett gesproken: Eén is uw meester, namelijk Christus en gij zijt alle Broeders.\'\' Hier zijn dus duidelijke uitspraken der Schrift.

Maar is er nu wel in onze Nederl. Herv. Kerk iets, quot;dat ook maar op eene hiërarchie gelijkt? Niet in het minst! Er is in onze kerk geen afzonderlijke priesterstand, er is geen het minste onderscheid tusschen de predikanten en de gemeenteleden. Niemand heeft er ooit aan gedacht, in een predikant iets meer of iets anders te zien, dan den voorganger der Gemeente. Ook onder de predikanten is geen onderscheid. Een predikant in Amsterdam, eene gemeente van 175.000 zielen, en een predikant in een dorpje in Limburg, met nauwlijks 50 zielen, staan volkomen gelijk. Er is geen denken aan, dat de Amsterdamsche predikant hoogef in rang zou zijn, of meerder macht zou hebben, dan de predikant op het kleinste dorpje. Van eene ondergeschiktheid van den een aan den ander is geen sprake.

In den kerkeraad heeft de predikant al evenveel of even weinig te zeggen, als ieder ander lid van den kerkeraad. Als er gestemd moet worden heeft de predikant even als ieder ouderling en als iedere diaken één, zegge één stem. De predikant kan willen wat hij wil, maar als de kerkeraad bij meerderheid van stemmen anders wil, dan kan de predikant er niets aan doen. — In onze kerk oefent de Gemeente door haar kerkeraad van 4 of 6 of 8 leden, (in iederen kerkeraad zitten altoos minstens viermaal meer leden dan er predikanten zijn) allen invloed uit, en de predikant met zijn ééne stem in het kapittel, juist zooveel invloed als die ééne stem waard is.

Terwijl in de roomsche kerk de priesters van hooger hand gezonden worden, kiest in onze kerk de Gemeente zilf haar predikant, haar ouderlingen en diakenen.

In onze kerk is dus geen sprake er van dat de pre-

ocr page 61

6i

kanten heerschappij zouden hebben, of kunnen uitoefenen over de Gemeente. Doet of wil de predikant iets, dat de kerkeraad in strijd acht met het belang der Gemeente,. de kerkeraad heeft het recht den predikant aan te klagen bij het Classikaal Bestuur, en vindt de kerkeraad door de uitspraak van het Classikaal Bestuur zich bezwaard, hij hoeft er niet in te berusten, maar kan hoo-ger op gaan.

Ja, maar daar hebt gij \'t juist, die besturen die in rang elkander opvolgen, daarin zit juist het hiërarchisch beginsel. Is het waar? Laat ons zien! Zijn dan misschien de Besturen, een collegie dat door den een of anderen machthebbende wordt benoemd, gelijk het collegie van kardinalen in de roomsche kerk door den paus? Zijn die besturen collegies die macht hebben over de gemeenten en waarvan de leden meer macht hebben dan ieder ander lid der gemeente?

Vragen wij eerst: hoe komen de besturen er? Behalve den kerkeraad kennen wij in onze kerk drie Bestuurscol-legies, en wel het Classikaal en het Provinciaal Bestuur; benevens de Synode. Het Classikaal en Provinciaal kerkbestuur worden door de classikale vergadering en alzoo door de afgevaardigden van de Gemeente, naar door de kerk gemaakte bepalingen gekozen. Zij worden dus niet door een soort paus of oppermachtig persoon benoemd, maar door de Gemeenten gekozen; en de door de Gemeenten gekozene leden der provinciale kerkbesturen, benoemen uit hun midden de leden der Synode. In die besturen zitten zoowel ouderlingen als predikanten.

En wat is nu de macht van een classikaal bestuur? het heeft geen — volstrekt geen macht. Het heeft een werkkring, die nauwkeurig omschreven is, in de door de kerk gemaakte reglementen; het Classikaal Bestuur heeft toezicht te houden over de Gemeenten, kennis te nemen

ocr page 62

62

van geschillen, te waken voor de belangen van vacante Gemeenten, toezicht te houden over het beheer der di-akonie-goederen enz. enz. Het classikaal bestuur heeft niets te bevelen! Het heeft te waken hiervoor, dat ook door de kerkeraden orde en regel en do door de kerk gemaakte reglementen, nageleefd worden. Maar van macht over de Gemeente is geen sprake: het classikaal bestuur heeft over den kerkeraad die zijn plicht doet, in een Gemeente waar alles naar de kerkorde geschiedt, niets, niets hoegenaamd te zeggen.

En welke is de macht van ieder lid van een classikaal bestuur, hij zij ouderling of predikant2 Die macht is = o.

Wat van het classikaal bestuur geldt, geldt ook van het provinciaal bestuur. En evenzeer van de Synode. Zelfs kan de Synode geen enkel reglement uitvaardigen op haar eigen handje; daarom is het zoo dwaas ook, om van Synodale reglementen te spreken. Synodale reglementen zijn er niet! Meent de Synode dat eenige zaak voorziening behoeft — dan ontwerpt zij de noodige bepalingen; en deze kunnen nooit verbindende kracht hebben, dan nadat de classikale vergaderingen gehoord zijn, en nadat de meerderheid van de leden der provinciale kerkbesturen ze goedgekeurd en aangenomen heeft. Zoo is het dus wederom de kerk die hare reglementen maakt.

En welke is de macht van een lid van een provinciaal kerkbestuur of van de Synode? — wederom gelijk aan nul. De president van de Synode heeft evenveel macht als de eenvoudigste ouderling of diaken in de kleinste gemeente van ons land: dat is dus: geen macht.

Al dat geroep van wngoddclykc machtenquot; in de kerk, is niets dan ijdel geroep. Er zijn in onze Nederl. Herv. Kerk in \'t geheel geen machten, en dus ook geene ongoddelijke of goddelooze.

De besturen zijn geroepen de orde te handhaven, maar

ocr page 63

63

ook dat alleen, overeenkomstig de door de kerk gemaakte reglementen. Handelt iemand in strijd met de reglementen, dan ondervindt hij niet de macht der besturen, maar de macht van de kerkelijke, door de kerk gemaakte wetten.

Het is waar, de oude gereformeerde kerk heeft geene besturen gekend. Daar werd toezicht gehouden niet door een classikaal bestuur, maar door de classicale vergadering, niet door een provinciaal bestuur, maar door de provinciale Synode.

Maar dientengevolge werden alle kerkelijke procedures jaren en jaren lang gerekt; voorbeelden zijn er genoeg van. Als toen een Gemeente een predikant had die een dronkaard was, duurde het soms jaren, eer de gemeente er van verlost werd, \'t geen nu niet denkbaar of mogelijk zou zijn.

Het gereformeerd beginsel moge meebrengen, dat geen classikaal bestuur, maar dat de classikale vergadering doe wat te doen is, maar in de practijk blijken de Besturen dienstiger te zijn.

Doch de H. Schrift kent geen besturen in den zin als er nu zijn. Dat is ook zoo. Maar de Schrift spreekt evenmin van doleerende kerken, evenmin van kerkelijke kassen, evenmin van agenten en moderatoren en consulenten, evenmin van geheime instructiQS, en wat dies meer zij, zooveel als er door Dr. Kuyper in de laatste jaren is ingevoerd.

Het is dus ongepast, om nog langer van eene hiërarchie in onze Xederl. Herv. Kerk te blijven spreken. Wie het toch doet, gebruikt groote woorden, en toont onmiskenbaar zijn toeleg om het volk te misleiden, om haat tegen en afkeer van onze Nederl. Herv. Kerk op te wekken en te bevorderen. De inrichting onzer kerk eene hiërarchische te ncemen, is gebruik maken van een on-

ocr page 64

64

geoorloofd middel tot bereiking van eigen doeleinden.

Men wil nu eenmaal terug tot vroegere toestanden. Goed! men doe het — en wil men ook anderen daartoe bewegen, laat men dan die toestanden ons doen kennen in hun goed recht van bestaan, in al hun heerlijkheid, in hun deugdelijke kracht. Maar laat men niet al liegende lasteren, gelijk men tot dusverre heeft gedaan.

Laat men het verkeerde in de tegenwoordige kerkelijke bepalingen blootleggen en aandringen op verandering, in den wettigen weg. O zeker, er is veel in onze Nederl. Herv. Kerk dat anders moet worden; maar dat kan alleen anders worden door ééndrachtigen §n bidden-den arbeid van de Belijders des Heeren, maar die arbeid moet het kenmerk der waarheid dragen, en den zuiveren toets van Gods Woord kunnen doorstaan.

Dat kan de werkzaamheid der doleerenden niet. Hun roepen dat zij terugkeeren tot de vroegere kerkerde is onwaar, hun manier om nieuwe gemeenten te stichten is in strijd met Gods Woord.

Aldoor hoort men van de zijde der doleerenden zeggen, dat zij terugkeeren tot de oude Dordsche kerkorde, en dat die kerkorde is naar Gods Woord.

Het zeggen dat zij terugkeeren tot de oude kerkorde van Dordt, is eene besliste onwaarheid. Dit doen zij niet. De Dordtsche kerkorde is die regel van Bestuur voor de kerk die uit 1618 tot ons is gekomen. En deze nemen de doleerenden niet aan, evenmin als de Christelijk Gereformeerden haar aangenomen hebben. Zij nemen er uit, wat hun goed dunkt, en het overige werpen zij over boord; maar zoo is het dan de Dordtsche kerkorde ook niet meer. Deze was geheel ingericht voor de toenmalige tijden, toen Kerk en staat nog ten nauwste verbonden waren.

In strijd met Art. 86 dier kerkorde, dat voorschrijft:

ocr page 65

65

\'\'Het zal nochthans gccne bijzondere Gemeente, Classc oj Synode vrij staan, veranderingen, vermeerdering of vermindering, aan te brengen, maar zicllen naarstigheid doen om die te onderhouden, tot dat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde.quot; In strijd met dit duidelijk sprekend Artikel, hebben de doleerenden in zeer vele Artikelen veranderingen aangebracht. En desalniettemin zeggen zij, terug te keeren tot de Dordt-sche kerkorde. Maar bovendien Friesland, Groningen, Drenthe, Gelderland, Zeekind, hebben nooit de Dordtsche kerkenordening aangenomen. In die provinciën kan dus ook van terugkeer tot die kerkorde geen sprake zijn. Do kerken dier provinciën hadden hunne eigene afzonderlijke kerkorde.

En nu gelieft men wel de Dordtsche kerkorde eene kerkenorde te noemen naar Gods Woord — maar ook dit is niets anders dan een machtspreuk. Zij is even goed als de reglementen in onze Nederl. Herv. Kerk zijn, eene verzameling van menschelijke bepalingen. Of wat? Waar spreekt de Schrift over doctoren in de theologie, van beroeping ot verplaatsing van predikanten, van dassen en provinciale Synoden, van gestudeerde en ongestudeerde predikanten, waar spreekt de Schrift van studenten en schoolmeesters, van appèl in tuchtzaken, van praeses en scriba, van notulen en instructiën, van onderteekenen van formulieren, van approbatie van boeken, van lijkpre-dicatiën en huwelijks-ordonnantiën? Van dit alles weet de Schrift niets. Al de bepalingen dienaangaande zijn menschelijke en louter menschelijke verordeningen.

Maar dan moet men ook niet zulk een groot woord voeren, en zeggen: Wij verlaten eene zondige, ongoddelijke ja goddelooze kerkregeering, en keeren terug tot Gods woord, en tot geene andere verordeningen dan die neergelegd zijn in Gods Woord.

5

ocr page 66

66

In waarheid, men behoeft ook tot de oude kerkenordening van Dordrecht niet terug te keeren, om daarvan heil te verwachten. Telkens en telkens is er op gewezen geworden hoe diep treurig het ook toen in de gereformeerde kerk gesteld was. Neen, \'t was niet alles goud wat men thans van uit die oude tijden ons tegenblinken doet. Ook toen werd er geklaagd: »De waarheid wordt »niet alleen bedreigd en ondermijnd, maar overal naar »het hart gestoken; allerlei ketterij wordt waargenomen; »de openbare godsdienstoefening wordt niet alleen verslaten, maar zelfs tegengesproken, veracht en bespot. »Het Woord der waarheid wordt mishandeld. De ver-»borgenheden van het Christendom worden tegengespro-»ken, en het schijnt dat er een toeleg is om weer een «heidendom in te voeren. De dierbaarste waarheden wor-»den van eenigen niet geloofd en van anderen openlijk »bespot. Heidensche zedeleer wordt ingevoerd. De men-»schen zijn wereldsch en vallen tot atheïstische gedachten.quot; Dergelijke klachten vindt men bij alle oude gereformeerde schrijvers, en zij doen ons getuigen: het was toen als nu, en niet beter, zoo al niet erger gesteld.

Neemt uw a. Brakel\'s «Redelijke Godsdienstquot; ter band, leest het hoofdstuk: »Men moet zich bij de kerk voegen en bij haar blijven.quot; Dan zult gij zien welke treurige tafereelen a Brakel ophangt uit zijn dagen, maar gij zult ook zien, hoe a Brakel, ondanks al het verderf dat in de kerk was, met allen ernst, die in hem was, afmaande van het uitgaan uit de kerk en waarschuwde tegen het vormen eener secte, tegen het afscheiden van de kerk.

Maar ook de wijze waarop zulk eene nieuwe, eene doleerende Gemeente gesticht wordt, is in strijd met Gods Woord.

Hoe geschiedt dit dan? Laat mij u dit mededeelen

ocr page 67

6?

naar hetgeen wij hier hebben zien geschieden. Op een goeden dag dienen zich eenige mannen als kerkeraad aan; en als wij nu vragen hoe zijn zij dit geworden, dan zeg ik niet te veel, wanneer ik beweer, dat zij zelf zich dit gemaakt hebben. Daar zijn er gewoonlijk enkelen, en zoo ook hier, die door de meesterlijke taal van Dr. A. Kuyper worden meegesleept, wien het stichten van eene doleerende kerk toelacht, als eenig middel tot hervorming onzer kerk. Zij beginnen hier en daar couranten en blaadjes te verspreiden, waarin zeer eenzijdige en over-drevene voorstellingen van al het zondige en verkeerde in onze Nederl. Herv. Kerk worden gegeven. Wat tegen die eenzijdige en overdrevene voorstellingen wordt ingebracht, wordt liefst niet verspreid — en zoo blijven de vrienden, die toch niet lezen, in den waan, dat er tegen het zondenregister der kerk niets is in te brengen. Ontevredenen zijn er in de Gemeente altoos geweest en zijn nog overal. De een is ontevreden over de prediking, die veel te ruim is en niet steeds tvan uit het paradijs begintquot;, een ander is ontevreden omdat de Wet des Heeren niet voorgelezen wordt, waaruit natuurlijk blijkt dat \'s Heeren Wet ook al uit de kerk is, een ander is ontevreden omdat hem niet genoeg eere gegeven wordt, weer een ander omdat de predikant stout genoeg is geweest wat al te hard op, over het nemen van woekerwinst te spreken, enz. Ontevredenen zijn er altoos: en die ontevredenen worden verzameld. Zij komen nu en dan te zamen en lezen een preek. Dit duurt eenigen tijd, maar dat kan toch niet duren blijven. Er moet ook gehandeld en openlijk opgetreden worden. Een of twee stellen dan een brief op aan den kerkeraad, en, mede namens eenige anderen — wat de kerkeraad maar op goed geloof moet aannemen — verzoeken zij »om de reformatie der kerk ter hand te nemen.quot; Op zulk een ver-

ocr page 68

68

zoek andwoordt de kerkcraad natuurlijk of niet of weigerend. Maar van af dat oogenblik is zijn vonnis ook geteekend. Hij bewijst een ontrouwe kerkeraad te zijn. Inmiddels wordt er een lokaal ingericht of een kerkje gebouwd. Maar ten overvloede richt men dan nogmaals, maar vrij wat minder vriendelijk dan de eerste keer, het verzoek tot den kerkeraad om de reformatie alsnog ter hand te nemen. Weigert de kerkeraad ook ditmaal, dan blijkt het duidelijk dat de kerk eene soort moordenaars-kuil, en dat do kerkeraadsleden eene soort wolven is geworden.

Dan worden oproepingsbriefjes rondgezonden, en de stemgeregtigde leden uitgenoodigd -ngaarne getrouwe opzieners en annverzorgers te komen kiezenquot;, en die briefjes onderteekend door 3 a 4 personen. Straks komen enkele leden op den bestemden tijd bij elkaar. De stemming wordt gehouden — en de onderteekenaars van het oproepingsbriefje worden gekozen, die zich dus in alle nederigheid een getuigschrift van »gaarne getrouw te zijnquot; laten afgeven door die leden die zij zelf hiertoe hebben opgeroepen. Dan schrijft een predikant die om het maken van secte en muiterij in de kerkelijke regeering is afgezet, een brief vol valsche voorstellingen, vol groote woorden en machtspreuken, vol onbewezene en onware beschuldigingen; de benoemden onderteekenen dien volgaarne, en zenden dien rond aan de huizen, en aan de zusterkerken, doleerend, wordt in de Heraut kennis gegeven dat de synodale organisatie van 1816152 is op zijde gezet.

Oordeelt nu, — indien de zaak niet zoo ernstig was, zou zij dan niet belachelijk zijn.

Hoe men deze zaak ook beschouwen moge, zij is en blijft eene ongerechtige en diep zondige daad.

Zoowel zij, die zulk eenen kerkeraad benoemen als ook zij die zich als kerkeraadsleden laten benoemen, doen

ocr page 69

6g

iets, wat zij noch voor God noch voor menschen ver-andwoorden kunnen.

Immers zij allen zijn lidmaten der Nederl. Herv. Kerk! Niet gedwongen, maar geheel vrijwillig, zijn zij door \'t afleggen van Belijdenis lidmaten der Nederl. Herv. Kerk geworden. Als zoodanig hebben zij de verplichting op zich genomen, vtot den bloei der Nederl. Herv. Kerk, met opvolging van hare verordeningen, mede te werkenquot; Die belofte is in de ure der bevestiging, in tegenwoordigheid der Gemeente en van den heiligen God, afgelegd. Die belofte staat gelijk mee een eed. Aan dien eed zijn zij gehouden, zoolang zij lidmaten der kerk zijn.

En wat doen zij nu? In strijd met hunne belofte, vertrappen zij de verordeningen van die kerk, zij maken muiterij in de kerkelijke regeering en trachten scheuring in die kerk te brengen. Door een kerkeraad te benoemen en als kerkeraad op te treden, hebben zij den be-staanden, den wettigen kerkeraad uit zijn ambt vervallen verklaard. Door zichzelven als den getrouwen kerkeraad am te dienen, hebben zij den bestaanden kerkeraad van ontronw voor de Gemeente aangeklaagd. Neen — dat is geen zaak zonder gewicht. De zaak is voor ons wel zonder gevolg — maar voor hen niet zonder betee-kenis.

Zij hebben den alleen wettigen kerkeraad ontzet. Zij zeggen het wel niet met zoovele woorden, maar noch-thans hebben zij het met der daad gedaan. Een predikant die Jezus Christus predikt, en dien overgeleverd voor onze zonden, en dien opgestaan tot onze rechtvaardigma-king, en die dus op grond van Gods Woord (i Cor. 4:1) eischen mag, dat ieder in de Gemeente hem houden zal voor een dienaar van Jezus Christus, opzieners en arm-verzorgers, die op \'t eenig fondament der zaligheid bouwen, op den grond der Belijdenis der gereformeerde ker-

ocr page 70

70

ken staan, die volgens Gods Woord op dubbele eere aanspraak mogen maken, hebben zij met een aangematigd recht uit het ambt vervallen verklaard.

Ik schroom niet, dit zonde te noemen. Op niets uit Gods Woord kunnen zij zich tot hunne verdediging beroepen. Gods Woord bestraft en veroordeelt hen.

Gesteld eens, dat wij als kerkeraad kwaad deden en ingingen tegen Gods Woord. Zouden zij dan in hun recht zijn? Neen!

Lees eens i Samuel 2: 12 — 25. Daar worden Eli\'s zonen, de priesters in Israël, kinderen Belials genaamd, en allerlei gruwelen van hen opgenoemd. Leest gij er ook iets van, dat enkele getrouwen in Israël, nieuwe priesters hebben ingesteld? Immers neen! Zelfs niet, ofschoon er goddelooze mannen, duivelskinderen in het priesterlijk gestoelte zaten.

In des Heilands dagen was Cajaphas de Hoogepriester in Israël. Heeft de Heer, hebben de Apostelen er aan gedacht om Cajaphas te ontzetten uit zijn ambt? Neen! de Heiland heeft Cajaphas blijven erkennen, en den eed voor hem afgelegd, toen Cajaphas als Hoogepriester dien eischte.

In der Apostelen dagen was in Jeruzalem een hooge Raad, die zich tegen Christus en de zijnen stelde, hen vervolgde en in de gevangenis wierp. Hebben de Apostelen dien hoogen Raad afgezet en een nieuwen in de plaats gesteld? Zij hebben er zelfs niet aan gedacht.

Lees Handelingen 23: 1—5. In onwetendheid had Paulus zich tegen den Hoogepriester Ananias bezondigd; maar nauwlijks wordt het hem bekend, of hij biedt zijne verontschuldigingen aan.

Lees Mattheus 23: 1, 2, hoe de Heiland de discipelen en de scharen vermaant tot gehoorzaamheid aan de Schriftgeleerden en Pharizeeën, van wie de Heiland getuigt in

ocr page 71

7i

Mattheus 15, dat zij te vergeefs den Heere God eeren, leerende leeringen die geboden van menschen zijn, ja, dat zij zelfs Gods gebod krachteloos maakten door hunne inzettingen, en toch spreekt de Heer: »wat zij u zeggen doet dat, want zij zijn gezeten op den stoel van Mozes.quot;

Lees eens Rom, 13 : 1, 2; 1 Petrus. 2 : 13, 14; Titus 3: 1. Lees hoe de Apostelen des Heeren vermanen tot gehoorzaamheid aan de machten, omdat de machten die er zijn, van God zijn verordend, zoodat, wie zich tegen de macht stelt, de verordening van God wederstaat, en een oordeel over zichzelven haalt — en vraag u eens af, of een christen met een goed geweten doen kan, wat de doleerenden doen; kerkeraden door God over hen gesteld, kerkeraden, bestaande uit Belijders van Christus, op zijde zetten?

Inderdaad! Hier baat geen uitvlucht. Zij hebben een daad van revolutie, van omwenteling en opstand gepleegd, die door geen redeneering, hoe fraai ook, is goed te praten.

Te vergeefs beroepen de doleerenden zich hierop, dat ook de besturen in de Nederl. Herv. Kerk, aan Gods Woord getrouwe predikanten, ouderlingen en diakenen hebben afgezet.

Maar ieder die nadenkt, kan voelen en tasten, dat het eene geval niet met het andere gelijk staat. In Goënga c. a. bv. hebben eenige stemgerechtigde leden zichzelven een recht aangematigd en een kerkeraad benoemd, in strijd met de kerkelijke verordeningen, waaraan zij door vrijwillig afgelegde belofte gehoorzaamheid verschuldigd waren, en die opgeworpen kerkeraad, die zijn bestaan alleen dankt aan grenzelooze willekeur, zet een wettigen kerkeraad af, enkel en alleen, omdat die kerkeraad naar hun meening verkeerd handelt. Daarentegen, te Am-

ocr page 72

72

sterdam, te Heeg zijn predikanten, ouderlingen en diakenen afgezet, maar door de wettige kerkelijke besturen, om het bepaalde feit, dat zij revolutie gemaakt hadden in de kerk.

Neen; de daad der doleerenden is door niets hoegenaamd te verdedigen.

Maar, zal iemand zeggen, indien de doleerenden meenen, -niet langer in de Nederl. Herv. Kerk te mogen blijven, en door hun geweten meenen gedrongen te worden, niet langer gemeenschap te hebben met een kerk, waarvan zij de inrichting voor zondig houden. Hoe dan?

Niemand wordt zijns ondanks gedwongen lid der Herv. Kerk te zijn. De band die hen bindt aan de kerk is geen onverbrekelijke. Men kan ophouden lid te zijn. Ik voor mij houd dit voor ongeoorloofd. Maar de mogelijkheid bestaat om op te houden lidmaat te zijn. Meenen zij dat zij niet mogen blijven — laten zij dan te kennen geven, dat zij wenschen af te scheiden: laten zij heengaan als eerlijke mannen.

Maar door te willen blijven, te willen blijven lidmaten der Nederl. Herv. Kerk, en in strijd met de verordeningen te handelen, is ontrouw, is oneerlijk. Ik heb nog niemand der doleerenden ontmoet, die voldoende rekenschap van zulk een ontrouw gedrag kon geven. Die ontrouw, die oneerlijkheid wordt bedreven op gezach — maar ook op verandwoordelijkheid van Dr. Kuyper.

Met al wat in mij is, zou ik een iegelijk willen toeroepen; ziet toe dat gij niet met de doleerenden mede-doet, dat gij niet mede instemt met hun raad, en geen deel hebt aan hun ongerechtigheid.

En nu wordt het voor mij tijd om te eindigen.

De vraag: moeten wij uitgaan uit de Nederl. Herv. Kerk? beandwoord ik voor mij, met overtuiging, met een beslist: neen!

ocr page 73

73

Dc Nederl. Herv. Kerk is niet eene valsche kerk, maar eene ware kerk van Christus en alzoo mogen wij van haar niet scheiden.

De inrichting der Nederl. Herv. Kerk is niet zondig, noch in oorsprong, noch op haar zelve beschouwd, als de inrichting eener Christelijke Kerk.

De beschuldigingen tegen haar ingebracht, als zou dc kerk het Koningschap van Christus niet eeren; als zou er in haar eene hiërarchie zijn; als zou ze machten in haar hebben die- Christus niet ingesteld heeft, zijn louter valsche beschuldigingen.

Neen! onze Nederl. Herv. Kerk is niet volmaakt! Verre van daar. Ook ik heb opene oogen voor veel dat in haar is en dat anders moest wezen en ook anders moet worden en ook anders worden zal, maar in den weg der doleerenden nooit anders worden kan.

Vraagt gij mij hoe het anders worden kan? dan andwoord ik — hierop kan ik op \'t oogenblik geen voldoend andwoord geven. Dr. Hoedemaker en Dr. van Ronkel hebben beiden eigenaardig van elkander verschillende wegen voorgesteld. Doch niet van menschen hebben wij het te verwachten, gelijk de beide genoemde Broeders de eersten zullen zijn om ons toe te roepen: Ziet niet op ons, maar laat ons opzien tot den Heer, den Almachtige, den Ontfermer. Dr. A. Kuyper heeft ergens geschreven: r,Dat alle goede reformatie God tot auteur i heeft; alle vienschenpogen is in fezus\' kerk ijdelheid en lt; vlinder dan dc ijdelheid zelve. Geen onzinniger bedrijf \\ dan ook, dan dat eemg mensch, al ware hij de uitne- • mendste, of eenige kerkelijke vergadering, ook al \'Mare ze de invloedrijkste, zich ooit zon vermeten te zeggen of te denken-. Wij zullen door ons beleid deze of

die ingezonken kerk eens reformeeren.quot;

En daarom is de reformatie die de doleerenden willen.

ocr page 74

74

en waarvan zij zeiven getuigen \' dat zij ter hand wordt genomen, veroordeeld.

»Alle g-oede reformatie heeft God tot auteur.quot; En daarom hebben wij het oog op te heffen tot Hem, die spreekt en \'t is er, die gebiedt en \'t geschiedt terstond. Zij ook van Hem alleen onze biddende verwachting.

Wij hebben tot dusverre te veel het oog gehad op de modernen rondom ons en op het verkeerde buiten ons. r De weg der doleantie is eene poging om van de modernen af te komen. Die poging is ongeoorloofd. Ook de modernen zijn gedoopt in den driemaal heiligen naam des Heeren. Ons doel mag het niet zijn, om zoo maar, zonder meer, van hen af te komen. Wij hebben ook tegenover hen eene roeping. Om die roeping te vervullen is groote genade en groote getrouwheid noodig. Daarom ooi? niet allereerst gezien op het verkeerde buiten ons, maar veel meer op het verkeerde binnen in ons.. Ons hart heeft dringende behoefte aan hervorming. En daarom gebeden, steeds hartelijker, inniger gebeden, om de invloeden van den Heiligen Geest, dat ons geloof krachtiger worde en onze liefde vuriger. Als wij waarlijk gelooven dat Christus Jezus alleen de Zaligmaker van verloren zondaren is, als waarlijk de liefde van Christus ons dringt, zullen wij meer vrij en blijmoedige getuigen van Christus zijn in de wereld.

Als de Gemeente van Christus weer opleeft in geloof en liefde zal er kracht van haar uitgaan.

Niet het buitenste van drinkbeker en schotel moet gereinigd, maar het binnenste in ons moet gereinigd en bezield worden door den Geest des Heeren. Als wij, die gelooven en belijden, hervormd worden in den geest on-zes gemoeds, zal er kracht van ons uitgaan op ons huisgezin, op den kring waarin wij leven, op de Gemeente waarin wij wonen, en zoo zal er nieuw leven komen in

ocr page 75

75

de kerk, en het nieuwe leven zal het doode en dorre verdringen.

Al was er in de kerkelijke inrichting niets verkeerds, al was de kerkvorm en de kerkorde nog zoo volkomen, — daardoor wordt geen nieuw leven gewekt. — Leg een lijk in het schoonst doodkleed, in de prachtigste doodkist, — dat doodkleed en die doodkist, hoe prachtig ook, maken het lijk niet levend.

Alleen een levend geloof in Christus maakt zalig! En een levend geloof kunnen wij bezitten, al leven wij als een Obadja aan het hof van den goddeloozen Achab, al leven wij als een Naaman aan het hof van den heiden-schen koning van Assyrië, of al leven wij als de Cana-neesche vrouw in het heidensche land.

Och of allen die een open oog hebben voor reformatie die noodig is, och of allen die belijden dat alle goede reformatie God tot auteur heeft, samenstemden in één zelfde bede; dat de Heer water giete op het dorstige en stroomen op het drooge; dat de Heer over onze Nederl. Herv. Kerk uitgiete den Geest der genade en der gebeden. Dan komt het goed, maar ook dan alléén, komt het zeker goed.

ocr page 76
ocr page 77
ocr page 78
ocr page 79

r:ï,

ocr page 80