TWAALFTAL LEERREDENEN
â (Zoogenaamde âVRIJE STOFFENquot;)__
VAN
A.P.A.DUCLOUX
Predikant te Spijk in quot;Groningen
J. J. GROEN lt;S ZOON / n.v. / LEIDEN
Opnieuw uitgegeven naar den derden druk, door de Redactie van nDe Vriend van Oud en Jong\'
19 Tt ? ^
r \'\'x A
G-^C.
TWAALFTAL LEERREDENEN
(Zoogenaamde âVRIJE STOFFENquot;)
VAN
a. p. a. du cloux
Ptedikünt te Spijk in Groniiigen
Opnieuw uitgegeven naar den derden druk, door de Redactie van âDe Vriend van Oud en Jongquot;
\'â 1 I
bibliotheek i ned. herv. kerk |
J- J. GROEN amp; ZOON / n.v. / LEIDEN
_-_-S . cc-
I -/i Jjié
)
VOORREDE BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
Heil den Lezer l
Een tweeden druk mijner leerredenen, in 1867 uitgegeven, ontvangt gij van den boekverkooper R. Boerma, die, aangemoedigd door het debiet van mijne herdrukte Lijdenspreeken en Feest-stoffen, op aanzoek van velen besloten heeft, mijne leerredenen, te laten herdrukken en met dit twaalftal daarmede is begonnen.
Ik twijfel er niet aan, of die preeken zullen wel eenvoudig genoeg zijn voor zuiken, die veel zien op eene sierlijke taal en verrassende beeldspraak, maar zij die als arme, dood- en doem-schuldige zondaars wenschen zalig te worden in dien eeuwigen weg, welken God uit genade door Jezus Christus heeft daar-gesteld, zij zien alleen uit naar voedsel voor het leven, hetwelk hun door God den Heiligen Geest is ingestort, om dat leven in stand te houden, en om persoonlijk de kracht van het eenvoudige Woord Gods door den Heiligen Geest in hunne zielen te ondervinden. Zij zien niet op de schaal, waarop die spijs is opgedischt, maar wei op de spijs zelve. Voor zuiken is hoofdzaak, dat God Drieëenig tot Zijne eer komt en alles is en blijft in Zijn uitverkoren volk, en het schepsel niets, volstrekt niets met betrekking tot zijne zaligheid voorgesteld wordt. In één woord, hunne ziels-begeerte is de waarheid bevindelijk te genieten, zulks is door Gods genade hun lust, hun leven.
Och! dat in onze dagen, waarin in zoovele gemeenten, wegens het gering getal van Herders en Leeraars, op den dag des Heeren preeken moeten worden gelezen, de Heere moge geven dat ook mijn gering, eenvoudig en gebrekkig werk voor velen tot ontdekking, tot bemoediging of tot versterking en bevestiging van het zaligmakend geloof, hun geschonken, dienstbaar moge worden gemaakt door den Heiligen Geest, Wiens werk dit alleen is. Dat is mijne bede en het zou mij op mijn ouden dag tot ziele-vreugde zijn.
Bedum, den 19 Februari 1889.
A. P. A. DU CLOUX.
BARTIMÃUS, DE ROEPENDE BLINDE. Leerrede over Markus 10 :46â50.
PSALM 95 : 1, 4.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
VOORAFSPRAAK.
Onder de teekenen, die zouden bewijzen dat Jezus de waie Messias was, vinden wij ook opgegeven Luk. 7:21; velen blinden gaf Hij het gezicht. Jezus zelf beriep er zich op, toen Johannes de Dooper niet voor zichzelven â want hij wist dat Jezus Die was, en zag het toen hij Hem doopte â maar om Zijner discipelen wil, eenigen afzond om Hem zulks te vragen. Jezus heeft vele blinden genezen. Deze wonderen waren, wat ook liet ongeloof lastert, onweersprekelijke bewijzen, dat Hij was de ware Messias, de waarachtige God, Die spreken kan: er zij licht! en er is licht. In die wonderen, mijne vrienden, zien wij Hem ons voorgesteld als de Heere, die de oogen der blinden opent. Zulk een Zaligmaker hebben wij, zondaars, die van nature geestelijk blind zijn, noodig. In de genezing van de blinden van hun lichamelijk groot gebrek, het missen van het gebruik hunner oogen, zien wij het beeld van onzen ellendigen geestelijken toestand van nature, en wat er aan ons gebeuren moet, zullen wij behouden worden. Welaan, het was in mijn hart heden met u een gedeelte van dat heerlijke geschiedverhaal te overdenken, waarin ons de blinde, Bartiméus genaamd, wordt voorgesteld roepende tot Jezus, dat Hij zich zijner mocht ontfermen. Och! dat de Heere Zijn woord aan de harten van ons allen door den Heiligen Geest mocht willen zegenen. Laat ons dit van Hem met en voor elkander bidden.
6
MARKUS 10 : 46â50.
Ende sij\'quamen tot Jericho: ende als Hij, ende Sijne discipelen, ende een groote schare, van Jericho uijtgingh, sat de sone Timei, Bartiméus, de blinde aan den wegh bedelende.
Ende hoorende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen, ende te seggen: Jezu, gij Sone Davids, ontfermt U mijner.
Ende vele bestraften hem, opdat hij swijgen soude: maar hij riep soo veel te meer; Gij Sone Davids, ontfermt U mijner.
Ende Jezus (stil)r staende, seijde, dat men hem roepen soude; ende zij riepen den blinde, seggende tot hem; Hebt goeden moet, staet op. Hij roept u.
Ende hij sijnen mantel afgeworpen hebbende, stont op, ende quam tot Jesum.
Ik las M. V. u een gedeelte voor van een geschiedverhaal, waarin onze eeuwig gezegende Verlosser, Dien gij met mij als onzen grooten God en Zaligmaker eerbiedigt. Zijne Goddelijke macht en onuitsprekelijke zondaarsliefde aan eenen blinden, doodarmen, bedelenden mensch heeft willen verheerlijken; waaruit wij zien, dat Hij terecht van zichzelven mocht getuigen: âDe Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van harte, om den gevangenen te prediken löslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen henen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren,quot; Luk. 4 : 19.
Sommigen willen, dat wij hier hetzelfde wonder vinden vermeld, als bij Matth. 10 : 46 en Luk. 18 : 35; omdat wij zooveel overeenkomst in die verhalen vinden, maar daar ik ongaarne van de letter der geschiedenis afwijk, kan ik zulks niet toestemmen. Jezus heeft meer blinden dan dezen, door Zijne wondermacht genezen. Bij Mattheus en Markus lees ik, dat Hij uit Jericho ging. Bij Lukas, dat Hij nabij Jericho kwam. Doch hoe zulks ook moge zijn. Markus verhaalt ons dat de Heere Jezus omringd door een menigte volks, Jericho verliet, om zich naar Jeruzalem te begeven. Die stad Jericho door Jezus met een bezoek vereerd, was na Jeruzalem, de voornaamste stad van Judéa, omtrent zes uren van haar verwijderd. Zij droeg den naam van Palmstad vanwege de menigte palmboomen, die in haren omtrek werden gevonden, en terecht mocht zij ook de welriekende genaamd worden, vanwege de aangename verkwikkende geuren der planten en bloemen, die aldaar in menigte voorkwamen.
In die stad had de Heere Jezus, 15 eeuwen geleden de kracht van Zijnen arm geopenbaard, door op het bazuingeklank hare muren voor de Ark des Heeren te doen instorten. Jozua, Israels leidsman, had den vloek over deze stad uitgesproken. âVervloekt
7
zij die man,quot; had hij door Goddelijke ingeving geprofeteerd, voor het aangezicht des Heeren, âdie zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal, dat hij ze grondveste op zijnen eerstgeboren zoon en hare poorten stelle op zijnen jongsten zoonquot;, Jozua 6: 26, en ziet nu, hoe vast en zeker M. V. het profetisch woord is; toen 400 jaren daarna onder den koning Achab, een zekere Hiël de Bethe-liet, een afgodendienaar, zich om het woord des Heeren niet bekommerende, ondernam haar weder op te bouwen, verloor zijn oudste zoon Abiram bij het leggen der fundamenten het leven, en stierf zijn jongste zoon Segub bij het stellen der poorten, 1 Kon. 16 : 34. In die stad had Elisa het verzoek der burgers ingewilligd door dat weldadige wonder te verrichten in den naam zijns Zenders, door iiet water gezond te maken, 2 Kon. 2 ; 19. Welnu, in die stad had de Heere Jezus zich eenigen tijd opgehouden, en Zijn bezoek door meer dan één wonderwerk eeuwig gedenkwaardig gemaakt. Die stad uitgegaan zijnde had de ontmoeting van Jezus met den blinden Bartiméus plaats.
Welaan, laat ik uwe aandacht bepalen:
1°. Bij het geschiedverhaal, en dit gedeelte dat ik u van hetzelve voorlas. De ziende geworden blinde, in zijne ontmoeting met den Heere Jezus, wensch ik u als het zinnebeeld voor te stellen van eiken blinden zondaar, die door Jezus ziende wordt gemaakt; om dan 2°. Met het gesprokene toepasselijk tot ons zeiven in te keer en. Moge de Heilige Geest het woord der waarheid aan onze harten zegenen, en het onze bede zijn: Heere! zend Uw licht en Uwe waarheid neder, opdat wij hare heiligende kracht aan onze zielen mogen ondervinden!
1°. Wenschte ik met u stil te staan bij het geschiedverhaal, de ziende geworden blinde in zijne ontmoeting met den Heere Jezus voor te stellen als het zinnebeeld van eiken blinden zondaar, die door Jezus ziende wordt gemaakt.
Jezus omringd door eene groote schare volks, verliet Jericho, en ziet! daar zat bij de poort der stad een blind, arm, aan den weg bedelend mensch. Hij was de zoon van Timéus, daarom noemde men hem Bartiméus. Dat woordje Bar beteekent overgezet zijnde in onze taal: zoon. Zoo werd Petrus, Simon Bar-Jonas, naar den naam zijns vaders, genoemd.
In dat woord Timéus, hetwelk vertaald beteekent een onreine, een bevlekte, ligt eene diepe geestelijke waarheid verborgen. Die blinde arme bedelaar was de zoon van eenen bevlekten of onreinen vader. Welnu, dan vinden wij in dien Bartiméus den naam van ons allen genoemd. Geschapen goed, naar het evenbeeld Gods in ware
8
gerechtigheid en heiligheid, heeft Adam, de stamvader van ons allen, door de listige ingeving des duivels, door moed- en vrijwillig tevens tegen God te zondigen, het gebod, dat God hem gesteld had overtreden, dat beeld verloren, en wij allen, die voor God in ons verbondshoofd Adam werden gerekend met en in hem, Rom. 5 : 1quot;2. Daarom zijn wij nu allen van nature geene kinderen Gods meer, maar kinderen, zonen en dochters van eenen bevlekten en onreinen vader. Wie, mogen wij met Job vragen, zal een reine van een onreine geven, en wij antwoorden met hem: niet één. Van ons allen mag gezegd worden: âWij zijn in ongerechtigheid geboren, in zonde hebben onze moeders ons ontvangen.quot; Verdoemelijk voor God met de gansche wereld vanwege onze erfschuld, onrein en bevlekt met het gansche nakroost van Adam, vanwege onze erfsmet.
Die Bartiméus was blind. Ook wij M. V. zijn van nature allen geestelijk blind, wij zijn blindgeborenen. Verduisterd zijn wij allen door de zonde in ons verstand geworden, vervreemd van het leven Gods vanwege de onwetendheid die er in ons is, en de verharding onzer harten. Blind, volslagen blind zijn wij van nature in alle geestelijke zaken, want de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, hij kan ze niet verstaan. Zoo blind zijn wij, dat de duivel ons alles kan wijsmaken wat hij wil, want de god dezer eeuw heeft onze zinnen verblind, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting des Evan-geliums der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus, 2 Cor. 4 : 4. Zoo blind dat wij het gevaar waarin wij ons bevinden, om in den grondeloozen poel des eeuwigen verderfs en der eeuwige rampzaligheid om te komen, niet zien. Zoo blind, dat wij de duisternis liever hebben dan het licht. En gelijk de blindheid van Bartiméus eene kwaal was, die door menschen niet konde genezen worden, zoo ook is onze natuurlijke, aangeborene blindheid aan de zijde van het schepsel eene ongeneeslijke kwaal. Het is de Heere, de Drieëenige God alleen, die de oogen der blinden opent; als Hij spreekt: daar zij licht, is er licht. Maar Bartiméus was niet alleen blind, ook arm. Dat ook zijn wij; wij zijn arme blinde zondaars. Wat wij ook in de wereld mogen bezitten en hoe rijk en verrijkt wij ons zeiven ook mogen wanen, wij zijn doodarm van het wezenlijke goed, hetwelk onze zielen alleen gelukkig kan maken, want wij zijn van nature zonder God, zonder Christus, vreemdelingen der verbonden. Wij zijn arm, jammerlijk, ellendig, naakt en blind, Openb. 3:17. Geen kleed bezitten wij om de schande onzer naaktheid te bedekken, geen penning om op onze zondenschuld, die wij dagelijks grooter maken, af te betalen, geen huis of ver-
9
berging waarin wij beveiligd zijn tegen den sterken wind en piasregens van Gods rechtmatigen toorn, tegen de zonde bedreigd.
Die blinde arme Bartiméus zat bedelende aan den gemeenen weg, hij zocht zijn levensonderhoud, zijne hulp en troost alleen van en bij het schepsel. Is het wel anders met ons in onzen onbekeerden toestand? Wij zitten gerust en zorgeloos aan den gemeenen weg der wereld, van haar alleen is onze verwachting. Wij zoeken, be-geeren en verlangen niets anders dan de wereld ons geven kan. Wij bedelen om menschengunst, eer en voordeel; wij wanen in onze blindheid, dat ons geluk of ons ongeluk in hunne handen is, wij vertrouwen op het schepsel en stellen vleesch. tot onzen arm, niettegenstaande God over dezulken den vloek uitspreekt. Ja! wij, die van nature te trotsch en te hoogmoedig zijn om voor God ons te bukken, wij schamen ons niet bij het schepsel te bedelen, om datgene waarnaar de begeerlijkheden van onze zondige en wereldlievende harten uitgaan. O! is er grooter blindheid denkbaar dan die van den zondaar, zooals hij van nature is?
Wij menschen noemen den toestand van een blinden armen bedelaar ongelukkig niet alleen, maar ellendig. Ja! wij beschouwen dien toestand als het toppunt van menschelijke ellende. Zoo ook M. V. mogen wij, onbekeerde zondaars, ellendigen in den volsten zin des woords worden genoemd. Tot lijden geboren is het uit-nemendste, hetwelk een lang of kort leven ons schenkt, niets dan moeite en verdriet. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, dat is het einde van het leven in de dienst des duivels, der wereld en der zonde doorgebracht; omdat God ons tot Zich geschapen heeft, en wij door de zonde los zijn geworden van God, daarom vinden onze harten waar en hoe wij het ook mogen zoeken, geene rust, geene bevrediging in alles buiten God. Nu mogen wij, aardsch en vleescheüjk zooals wij van natuur zijn, werken en zwoegen, om schatten te vergaderen, wij weten niet, wie die na onzen dood zullen toebehooren. Zelfs in den. overvloed, wordt het terecht opgemerkt, is onze ziel gelijk aan de ziel van hem, die gedurende zijnen slaap dorst, die meent dat hij drinkt en bij zijn ontwaken evenwel van dorst versmacht.
Ziedaar! M. V. den ellendigen, diep rampzaligen toestand van ons menschenkinderen, kinderen van eenen bevlekten en onreinen vader. Wij zijn blinde arme bedelaars in onzen onbekeerden toestand, en die nog meenen, dat zij zien, dat zij rijk en verrijkt zijn en geens dings gebrek hebben.
De blinde Bartiméus, opmerkzaam gemaakt door het gedruisch, hetwelk de schare maakte, welke Jezus vergezelde, vraagde wat
10
dat ware? wat er wel te doen was, dat er zooveel volk bijeen was? Nieuwsgierigheid of belangstelling of misschien beide, dreven hem tot het doen dezer vraag. Men antwoordde hem, dat het was, omdat Jezus de Nazarener voorbij ging.
Jezus den Nazarener, zoo noemden uit onkunde, vijandschap en verachting de Joden onzen gezegenden Zaligmaker, onzen Im-manuël. Zij dachten, omdat Hij in Nazareth was opgevoed, dat Hij ook aldaar was geboren, en omdat het in Israël een spreekwoord geworden was: kan er uit Nazareth iets goeds voortkomen! daarom noemde men Hem Jezus den Nazarener, gelijk men ook dien naam boven het kruis, waaraan men Jezus genageld had, geschreven had. Onwetend M. V. vervulden zij de profetie Matth. 2 : 23. Ziet! dat had de Heere Jezus uit liefde tot Zijn volk voor hen over, dat Hij Zich zoo diep heeft laten vernederen, om met verachting den Nazarener te worden genoemd.
In heerlijkheid gezeten aan de rechterhand des Vaders, schaamt Hij Zich om hunnentwil dien naam niet. Ik ben Jezus de Nazarener, dat riep Hij Saulus toe, toen Hij hem op den weg haar Damaskus bekeerde. Juist in Zijne diepe vernedering lag het bewijs, dat Hij de waarachtige Messias was. Dat kenmerk had Jesaja reeds opgegeven. Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, Jes. 53 : 3. Jezus de Nazarener gaat voorbij, dat boodschapte men den blinde, en ziet! eensklaps gaat door de genade des Heeren het licht op, in zijne door de zonde verduisterde ziel. Uit alles blijkt, dat het leven Gods in hem was opgewekt, en Hij aanvankelijk door den Heiligen Geest overtuigd was geworden van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij, die zoo vele ellendigen had geholpen, wie weet, of Hij ook mij niet zal willen helpen? Zoo zal hij zekerlijk hebben gedacht, want de zielen van alle waarlijk overtuigde zondaars zijn wedergeboren tot eene levende hoop, en die hoop, die op den achtergrond hunner zielen zetelt, maakt hen werkzaam. Nu begint hij te roepen: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm Umijner! Die bede doet ons in zijne ziel lezen hetgeen daarin omging. Is zij geen bewijs van een verbroken hart, van eene verslagen ziel? Is het geen geloofsgebed, hetwelk de Heilige Geest alleen zulke zondaars leert, die Hij als arme, ellendige, dood- en doemwaardige zondaars in zichzelven leert kennen? Zij allen beginnen Jezus te gelooven en te erkennen, als den waarachtigen Messias, Die naar de belofte Gods aan David gedaan, 2 Sam. 7:12, uit zijn geslacht zoude voortkomen, op Wien de vaderen gehoopt hebben, en Die de troost van Israël zoude zijn. En bad hij, dat Jezus de Zone Davids. Zich zijner mocht ontfermen, welnu, bewees hij daarmede.
11
niet, dat hij eene levendige overtuiging in het gevoel van zijnen eilendigen toestand door de zonde bezat? Hij schaamt zich niet zijnen jammerstaaf te erkennen, gedwongen wordt hij om er openhartige belijdenis voor God en menschen van af te leggen. Ja, hij gedraagt zich als een ellendige, en juist in die woorden: ontferm U mijner! belijdt hij zijne armoede des geestes, dat hij die gunst, die hij afsmeekt, ziende op zichzelven onwaardig is dat hij dezelve alleen, als eene genadegifte van Hem, Wiens naam Ontfermer is, moet ontvangen. Door een gedruisch der schare die voorbijging, werd Bartiméus bekend gemaakt, dat de Heere Jezus daar was. Gods naam is wonderlijk, en al wat God wei kt is een wonder, waarom wij moeten belijden: wij zien het, maar doorgronden het niet. Hij beschikt middelen en einden te zamen. Menig zondaar, die den Heere Jezus als zijnen Zaligmaker heeft mogen leeren kennen, moet van achteren uitroepen: Heere! Uwe wegen zijn wonderlijk, ook weet het mijne ziel zeer wel. De Heere komt altijd met gedruisch, daardoor schudt Hij die zondaars, waarop Zijn oog in eeuwige liefde heeft nedergezien, en die in eenen akcligen doodslaap nederliggen, wakker. Tot zulken, die Hij wil ^rekken met de koorden Zijner barmhartigheid en goedertierenheid tot Jezus, komt Hij met het gedruisch van het Evangelie in de uitwendige roeping, en als Hij met almachtige en onwederstaanbare kracht hunne gesloten harten en doove ooren er voor opent, dan beginnen zij op Zijn woord acht te geven, en te vragen: wat mag dat toch welzijn?
Bezigt de Heere menschen of middelen om hunne vraag te beantwoorden, zij die door den Heiligen Geest levend zijn gemaakt, letten zoozeer niet op de stem des menschen, verwachten hun heil niet van de middelen, maar beginnen tot den Heere Jezus te roepen. Zij werpen zich voor Zijne voeten, erkennen Hem als waarachtig God, Die machtig is hen te helpen. Natuurlijke menschen den Geest niet hebbende, zien in den Heere Jezus slechts een bloot schepsel, of een hemeliing, of een Goddelijk persoon, in hooger sfeer, zooals zij zeggen, in deugd en wijsheid geoefend, maar geenszins den waarachtigen God. Zondaars, die het zaligmakend gedruisch des Heiligen Geestes in hunne zielen ontwaren, beginnen in de benauwdheid hunner zielen, tot\' God niet durvende opzien, omdat God een verteerend vuur voor den goddelooze is, tot den Heere Jezus te roepen, dat Hij Zich hunner moge ontfermen. Zij bidden dan geheel anders, dan zij voorheen deden, met weinige korte woorden, dikwerf slechts met diepe zuchtingen geven zij aan Jezus hun nood te kennen: âOch! Heere Jezus, wees ons genadig, ontferm U onzer.quot;
12
Maar hoe werd het geroep van Bartiméus: Heere Jezus! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! door de schare opgenomen? Velen, lezen wij, bestraften hem, opdat hij zwijge zoude. Velen, niet allen dus. Daar zullen er dus onder de schare geweest zijn, die den blinde in zijn gebed tot Jezus verstonden, en die zekerlijk door de liefde gedrongen in hunne harten voor hem mede riepen. Zij alleen bestraften hem, die in hunne eigen oogen, rijk en verrijkt waren, en geens dings gebrek hadden, en niet wisten dat zij arm, jammerlijk, naakt, blind en ellendig waren. Zulken gelijk ook nog onder ons, volgen Jezus en voegen zich bij en onder Zijn volk, maar Hij heeft voor hen geene gedaante, dat zij Hem begeeren zouden. Daarom was voor die velen, die in Jezus niets anders zagen dan den Nazarener, het geroep tot Hem als den Zone Davids, een wanklank in hunne ooren. Ja, M. V., zoo het ooit blijkt dat de God dezer eeuw onze zinnen heeft verblindt opdat ons niet bestrale de heerlijkheid des Evangelies in het aangezicht van Jezus Christus, dan zeker werd het zichtbaar als de Heere Jezus erkend wordt in Zijne waardigheid, als den God-mensch, den Immanuël. De wereld, en alle zoogenaamde naamchristenen, die hoog opgeven van hunne vrijzinnigheid, zij dulden allerlei godsdienst, behalve den godsdienst des harten. Men wil ons nog wel hooren als wij van godsdienst spreken, en aan het schepsel nog eenige waarde of goede hoedanigheden toekennen; maar dat wij door de zonde zoo diep gezonken liggen voor God, dat wij erf- en dadelijke zonden hebben, die ons verdoemelijk voor God maken, en in ons verbondshoofd Adam gevallen, onbekwaam zijn geworden tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, ja, om God en onze naasten te haten, dat wij gansch en al machteloos en krachteloos, en in den volsten zin des woords ellendig door de zonde zijn geworden en ook in ons zeiven blijven, en om niet uit genade alleen zalig moeten worden door de verlossing die daar is in Jezus Christus, dat is de verschrikkelijkste taal om aan te hooren voor deugdzame, eigengerechtigde menschen. Indien wij die waarheden verkondigen, dan zegt men, overdrijven wij de waarheid, dat is beneden de waarde van het redelijke schepsel. Zulk geroep, het geroep van waarlijk ellendigen, duldt men niet; men komt daartegen op, en hier bestraffen velen Bartiméus. dat hij zwijgen zoude. Maar welke uitwerking had die bestraffing op hem? Hij riep zooveel te meer: Gij Zone Davids, ontferm Umijner! Wel zullen die bestraffingen Bartiméus onaangenaam en lastig zijn geweest, maar zij waren niet in staat hem te doen zwijgen. En waarom niet? Omdat bij hem het geholpen te worden een moeten was geworden door genade. Hij konde niet ophouden te roepen, al
13
had hij ook gewild, omdat de nood zijner arme ziel hem drong, het was bij hem: Heere! geef mij Jezus! Heere Jezus! geef mij Uzelven of ik sterf. Hij gevoelde zijne doodelijke kwaal, waarvan hij alleen door Jezus kon en moest genezen worden. In den weg Gods moesten juist die bestraffingen hem nog sterker tot Jezus roepende maken. Wat lag hem aan menschen, aan hunne gunst gelegen, nu hij zijne gansche verlorenheid en ellende buiten Jezus gevoelde? Jezus, die voorbij ging, hoe verre of nabij Hij was, dat wist Hij niet, dat konde hij niet zien, maar dat Jezus zich zijner moest ontfermen, dat was voor hem het ééne noodige en onmisbare. Ging het M. V. wel anders met u, toen God u uit de wet Gods, de zaligmakende kennis uwer ellende deed kennen, en gij God billijkte en rechtvaardigde als Hij u eeuwig van voor Zijn aangezicht verwierp, omdat gij tegen Hem gezondigd hadt, uit de diepte van een door de zonde verbroken hart: gena, o God gena! zijt begonnen te roepen? Deden zich bij u toen niet uit- en inwendig veie bestraffers op? O, toen gij van u zeiven hebt moeten verklaren, dat de hel en de eeuwige verdoemenis uw deel zouden zijn, als Jezus voor u met Zijne zoenverdiensten bij God niet tusschen beide trad, toen gij met geween en sterk geroep te midden van de angsten der wedergeboorte tot den Heere Jezus moest roepen: Heere! ontferm U mijner! zijn er toen onder uwe dierbaarste betrekkingen en vrienden geene opgekomen die u bestraften en u het stilzwijgen hebben opgelegd? O! het woord is in het dagelijksch leven in de waarachtige bekeering des zondaars nog aanhoudend bevestigd, dat \'s mans huisgenooten zijne vijanden zullen worden, wanneer gij ophoudt met hen den duivel, de wereld en de zonde te dienen, en uwen lust niet meer kunt vinden in de oefening van een godsdienst waaraan alle geest en leven ontbreekt, en er toe gedwongen wordt om dit openlijk te belijden, en hen die u lief en dierbaar zijn vermaant en bestraft, om met u nog het toekomende oordeel te ontvlieden. In hunne oogen wordt gij dan dwazen en dwepers, en zij verbitteren en vergrammen zich tegen u, en geen ander woord hebben zij voor u, terwijl zij in hunne zielen u verachten, dan om stil te zwijgen en van die dingen niet meer tot hen te spreken. Dat woord dat de Heere Jezus heeft gesproken: Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard, en dat er om Zijnentwil tweedracht zoude komen onder de leden van een gezin, door de teederste banden des bloeds aan elkander verbonden, dat woord wordt nog dagelijks bevestigd. God en de Mammon, Christus en Belial laten zich niet vereenigen. Zij die door almachtige en on-wederstaanbare genade tot eene onberouwelijke keuze zijn ge-
14
bracht, om God en den Heere Jezus te dienen, eerder zouden de steenen spreken, dan dat zij konden zwijgen van het ééne noodige voor elk verloren Adamskind, en dat is liet wat de dienaar der wereld tegenstaat, dat hindert hem in het dienen van den God dezer eeuw.
En bleef het dan nog maar bij uitwendige bestraffers, dan ware het nog al een dragelijke strijd, maar neen! daar doen zich ook inwendige bestraffers op, deze kan men zoo gemakkelijk niet ontvlieden. Zij zijn dag en nacht, waar hij zich ook moge bevinden, nabij. De duivel, die een sterken bondgenoot bezit in het zondige en bedorven vieesch van eiken door God bekeerden zondaar, gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zoude mogen verslinden en om zielen, ware het mogelijk, van den Heere Jezus af te houden. Niet alleen dat hij de ziel belet het zondige van de zonde in te zien, en onze gedachten verstrooit, en vmige pijlen van godslastering in het hart wekt, maar hij werkt ook op hartstochten, driften en lusten om ons van den Heere Jezus af te houden. Nu eens zegt hij tot ons: gij hebt te lang, te zwaar, te veel gezondigd, Jezus gaat u voorbij, Hij wil naar uw geroep niet hooien; dan wederom spreekt hij: uw geroep komt niet uit droefheid naar God voort, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid, het is eene droefheid naar de wereld, dien den dood werkt, daarom hoort Hij naar u niet; dan wederom is het: gij zijt geen der uitverkorenen ten eeuwigen leven, uw roepen zal u niets baten, en uwe indrukken zullen aan eene morgenwolk of vroeg opkomende dauw gelijk zijn. Stel uw loepen tot Jezus maar uit, totdat gij hartgrondiger zult ontdekt zijn, gij zult met Demas de wereld wederom lief krijgen, het zal u gaan als deze of die, die een tijd lang met Gods volk medeging, maar met den hond tot zijn uitbraaksel, met de zeug tot de wenteling in \'t slijk, wederkeert; als gij nog zoo waart als deze of die is, maar zwijg er nu maar van. O! wie kan ze optellen die inwendige bestraffers, tegen welke de ontdekte zondaarsziel geen enkel wapen in zichzelve bezit om hen af te wijzen; die zich opdoen als de ziel moet roepen: Heere Jezus, Zone Davids, ontferm U mijner! Maar een ding is zeker, M. V., als ons roepen uit God is, hoe ook de duivel en de wereld, in vereeniging met ons zondig diep bedorven hart, ons mogen bestraffen, geen stilzwijgen kan er zijn; als de Heere Jezus opent, wie zal dan sluiten? Als God beroert, wie zal dan stillen? Trots eenen uit- en inwendigen tegenstand, blijft de ziel des ellendigen roepen. Ja, die bestraffingen zeiven, in plaats dat zij haar van Jezus afhouden, vermeerderen hare benauwdheden, maken haren nood te grooter, haar roepen tot Jezus sterker.
15
en zoo worden zij in de hand des Heeren dienstbaar, om Hem die haar alleen kan redden, nog meer uit de diepte harer gansche verlorenheid door de zonde, als een waterstroom aan te loopen, als een uitgeledigde, als een gansch ontbloote te doen roepen: Heere Jezus! Zone Davids, ontferm U mijner! Wees mij arme zondaar genadig!
Maar wat gebeurde er nu? En Jezus stilstaande, zeide dat men hem roepen zoude; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem, hebt goeden moed, sta op. Hij roept u. Jezus stond stil, en zekerlijk ook de schare welke Hem volgde. Een wijle tijds had de Heere Jezus zich aangesteld, alsof Hij het geroep van den blinde niet hoorde, alsof Hij geen acht gaf op den stem zijner smeeking, en was het geloof van Bartiméus, wiens nood gaandeweg sterker was geworden, beproefd geworden; maar nu stond Hij stil. Nu was voor den blinde het tijdstip daar, om ook aan hem te vervullen die dierbare belofte: âais Ik u voorbijging, zoo zag Ik u aan, en zie ! uw tijd was de tijd der minnequot; Ezech. 16:8. Zegt het mij, M. V., betoonde Jezus Zich niet hier, als Degene, Die naar het geroep Zijner ellen-digen hoort? Zoude Hij, die ook waarachtig God is, geen recht doen aan Zijne uitverkorenen, die dag en nacht, zulks beteekent aanhoudend, hetzij zij in het licht of in de duisternis verkeeren, tot Hem roepen? Heeft Hij niet gezegd: roept Mij aan in den dag der benauwdheid en Ik zai er u uitredden, en gij zult Mij eeren. Ziet het hier bevestigd. Jezus stond stil. Hij heeft den blinde gezien, die Hem van Zijnen Vader gegeven was en daarom tot Hem riep. Hij die Zijne schapen het eeuwige leven geeft. Hij wil openlijk voor de oogen dergenen die den blinde bestraften, omdat zij zijn geroep als een ellendige niet verstonden, hem zijnen wensch geven, zijne bede niet afwijzen. Konde weleer de natuurlijke zon, op het gebed, dat de Heere Josua gaf te bidden, niet voortgaan in zijnen loop, de Heere Jezus, de Zon der gerechtigheid, onder wiens vleugelen genezing is voor allen die den naam des Heeren vreezen, Mal. 4 : 2, Hij stond stil op het dringend geloofsgebed van dezen blinde. Ja! M. V., door zulk bidden, het werk van den Heiligen Geest, dat met worstelingen, aanvechtingen, bestrijdingen gepaard gaat, overwint de door God opgezochte zondaar, gelijk Jakob weleer den Onoverwinnelijke. Voorbeelden daarvan treft gij aan in het leven van Mozes, van Abraham, van Elia, waarmede de ervaringen en bevindingen van alle Gods kinderen instemmen. O! als Jezus stilstaat, dan is de redding nabij, dan geeft Hij uitkomsten boven bidden en verwachten.
Bij dit stilstaan van den Heere Jezus ging een woord, een bevel
16
uit Zijnen mond tot hen gericht, die Hem omringden. Hij zcide: dat men den blinde zoude roepen. Hij wilde hem dus bij en voor zich hebben. Niet dat zulks tot zijne genezing noodzakelijk was, neen! Hij, wien alle macht gegeven was in hemel en op aarde, Hij had maar te spreken en de blinde ware genezen, dat niet alleen. Hij had maar kracht van Hem te laten uitgaan, maar hier wilde Jezus allen die Hem omringden doen zien, wat Hij deed. Dadelijk werd er aan het bevelwoord van Jezus voldaan. Zij riepen den blinde. Jezus heeft de harten van alle menschenkinderen in Zijne hand. Hij neigt ze als waterbeken. Hij weet ze te buigen tot al wat Hij wil. Hij kan onze tegenstanders in vrienden veranderen, en maken dat zij die ons bestraften, ons een oogenblik daarna komen helpen en bijstaan. Dat, M.V., ziet gij hier bevestigd: heb goeden moed, sta op, Hij roept li! aldus spraken zij tot den blinde. Is het niet, alsof zij zeggen willen: wordt niet flauwhartig, het moge wat lang geduurd hebben, grijp maar moed, zit niet langer in treurigheid neder, ga met ons naar den Heere Jezus; en mogen wij ons niet voorstellen, dat zij Hem als \'t ware bij de hand grepen, om hem, die niet zien kon, tot Jezus te leiden? Ja! opdat elke twijfeling den blinde mocht worden ontnomen, of hij wel mocht komen, voegen zij er bij: want Hij roept u.
Jezus stond stil. Is dat niet de ondervinding van alle waarlijk heilzoekende zondaars, die uit den angst en benauwdheid hunner zielen moesten roepen: Heere Jezus! ontferm U onzer? Ja! het blijft in hun leven een eeuwig onvergetelijk oogenblik, hoe het later ook wel eens in hun leven wordt bestreden, voor hen die het in waarheid hebben ondervonden. Toen het uurtje der minne daar was, altijd aan onze zijde, verrassend, ongedacht en onverwacht, toen werden wij gedwongen, zonder dat wij konden opgeven hoe en waarom, om ons naar die plaats te begeven, waar Jezus tot onze ziel woorden van vertroosting of van vrede wilde spreken.
Toen het aan onze zijde eene afgesneden zaak was geworden. Wij meenden dat Jezus naar zulke onwaardige dood- en doem-schuldige zondaars als wij ons gevoelden, niet zoude willen omzien, dat Hij ons zoude voorbijgaan, en wij ondanks al den uit- en in-wendigen tegenstand, dien wij ondervonden, tot Hem om ontferming moesten blijven roepen; toen werden onze vijanden wei eens onze vrienden, en moesten de Ezau\'s die ons wilden dooden, cns we! eens kussen, en onze tegenstanders, zeiven blind voor den weg der verlossing, ons den weg aanwijzen, om uit onze ellende te worden gered. Ja! dat komt uit den mond van vriend of vijand, een woord dat Jezus hun gebiedt te spreken, dat zoodanige kracht op
17
onze zielen uitoefent, dat wij tot en voor Jezus worden geleid en wij worden dan gewaar, dat Jezus stilstaat en ons roept.
Maar iaat ons tot het geschiedverhaal wederkeeren. En hij zijnen mantel afgeworpen hebbenae, stond op, en kwam tot Jezus, zoo lezen wij. Welk een oogenblik; welk een treffend zielroerend tooneel. Pas zijn die woorden: want Hij roept u, tot Bartiméus gesproken, of zijn hart is ontsloten om er acht op te geven. Wat deed hij? Hij begint met zijnen mantel af te werpen. Ligt in die daad, welke hij verrichtte, niet zijne bereidvaardigheid om op het woord tot hem gesproken, tot Jezus te komen? Zien wij daaruit niet, dat hij haast had, om bij Jezus te zijn? Wierp hij zijnen mantel niet weg, opdat hij door niets in zijn komen tot Jezus zoude worden belemmerd? Dien mantel, die zijne armoedige kleeding voor de oogen der men-schen bedekte, gelooft hij, heeft hij niet noodig om voor Jezus, Dien hij als den Zone Davids had aangeroepen, te verschijnen. Dadelijk rees hij op van den grond, waarop hij nedeizat, alleen bedekt met zijn armoedig bedelaarskleed, en spoedt hij zich om bij Jezus te komen.
Niet anders M. V. wordt het in het leven van alle die ellendigen gekend, waaraan de Heere Jezus de hulp Zijner Verlossing wil toonen. Zij zijn dien Bartiméus gelijk, omhangen met eenen mantel, waarmede zij voor God en menschen de schande hunner naaktheid en armoede zoeken te bedekken, en waaronder zij zoo lang als zij maar kunnen, deze zoeken te verbergen. Die mantel, wat is hij anders dan het kleed van eigene gerechtigheid, van eigenwilligen godsdienst, van eigen waarde en van wereld- en zondeliefde, waarmede wij allen van nature zoozeer zijn ingenomen, dat almachtige en onwederstaanbare genadekracht zich aan ons moeten verheerlijken, om hem geheel af te werpen en als onreine, vuile, naakte, arme, gansch en al bezoedelde en verontreinigde zondaars voor Jezus te verschijnen. Ach! wij willen wel overkleed maar niet ontkleed worden; wij willen dien mantel onzer eigene gerechtigheid wel wat losmaken, omdat wij gevoelen, dat hij ons hindert, maar om dien geheel en al van ons af te werpen; tot het uiterste toe houden wij aan met deze verontschuldigingen, om ons daaraan te onttrekken. Dan eerst als de Heere Jezus met kracht doortrekt, als Hij ons oogen geeft om te zien, dat in Hem alleen en in Zijne aangebrachte Borggerechtigheid en in deelgenootschap aan dat heil, door Hem bij God door die ééne offerande, die Hij volbracht, heeft verworven, onze behoudenis voor God bestaat, dan ontvangen wij kracht uit de hoogte, om dien mantel los te maken en van onze schouders af te werpen, als een kleed hetwelk, hoe schoon ook voor
18
het oog, onrein voor God is; een kleed dat niets anders waardig is, dan om weggeworpen te worden. Ziet! dat is het komen van zondaars, inwendig door den Heiligen Geest geroepen, op het vlakke des velds vertreden liggende in hun blo.ed. Dat is het komen e.n vluchten tot Jezus, als gansch en al onrein, bezoedelde, met lompen en vodden, met vuile en gescheurde kleederen bedekte zondaars.
Maar als zulks plaats heeft, dan is er ook een opstaan, gelijk aan dat van den verloren zoon, die tot zijn vader terugkeerde, met belijdenis van zonden en schulden voor God en voor de menschen. Ja, dan is er gelijk als bij dezen, een haasten om tot God, in en door Jezus Christus te komen, ten einde het verderf, dat ons dreigt, te ontkomen. En leeren wij van Bartiméus, dat hij bij Jezus kwam, zoo komen ook tot Hem, allen die met de koorden Zijner barmhartigheid en goedertierendheid worden getrokken. Wanneer zij zich op weg naar Jezus bevinden, zijn er als \'t ware arendsvleugelen aan hunne voeten gebonden; hoe nader zij bij Hem komen, hoe meer de zielsbegeerten naar Hem worden opgewekt. Op weg naar Hem is het gedurig in hunne harten: Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust ons niets op de aarde, en hebben zij dien weg onder vele bezwaren, moeielijkheden, bestrijdingen en aanvechtingen afgelegd, bij Jezus komen ze dan als gansch en al ontledigde en uitgeschudde zondaars, naakt en ontbloot van alle eigengerechtigheid, om uit âZijne volheid en algenocgzaamheidquot;, genade voor genade te ontvangen. Laat ons nu, nadat wij gezongen hebben Ps. 43 : 2
2°. Met het gesprokene toepasselijk tot ons zeiven inkeeren.
In dien blinden Bartiméus hebben wij M. V. ons eigen beeld, zoo als wij allen door de zonde zijn geworden. Wij zijn geestelijk blind en arm, en bedelen aan den gemeenen weg des levens, zonder ons van nature te bekommeren over onzen ellendigen toestand. Och! of wij allen dit geloofden. Maar helaas! wie weet hoe velen er onder u zijn, die ons niet begrijpen en verstaan, die in hunne harten zeggen: Zijn wij die leven onder het heerlijke Evangelielicht, dan ook blind, die wanen, dat zij rijk en verrijkt zijn en geens dings gebrek hebben? Ziet! dat is de ellendige toestand waarin de natuurlijke mensch verkeert, en ach! als hij zoo blijft, hoe verschrikkelijk moet het dan niet met hem zijn, als zijne oogen eenmaal geopend worden in de plaats des eeuwigen verderfs. Dat zal uw deel en uw lot worden zondaars, die aan deze zijde des grafs uwe geestelijke blindheid en armoede niet door genade zult leeren kennen, die hier geene bedelaars zult worden voor den geopenden troon der genade. O! gij zult uit den mond van uwen Rechtei hooren; voor u, die uw
19
goed weg hebt in uw leven, heb Ik geenen hemel, want Jezus schenkt alleen aan armen uit gena, de verlossing die Hij voor zulken heeft verdiend en verworven. Voor u allen is er nog een middel, bestaat er nog een weg, om van uwe geestelijke blindheid te worden genezen. Want Jezus gaat u allen nog voorbij, als Hij u gepredikt wordt in Zijne volheid en algenoegzaamheid, als Degene, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Hij Die op aarde de oogen der blinden opende, wil- het ook nog doen, al zit Hij ook thans aan de rechterhand Zijns Vaders in heerlijkheid, door dien Geest, Dien Hij uitzendt om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. O! om uw eigen heils wille roepen wij u toe: Heden, zoo gij Zijne stemme hoort, verhardt uwe harten niet, maar laat u leiden. Valt Hem te voet en bidt Hem dat Hij, de Zone Davids, Zich uwer moge ontfermen, uwe blinde oogen moge openen, want dat is alleen het werk van Jezus. O wie weet als gij, blinde zondaars, het nog heden wildet doen, of Hij u niet genadig zoude willen wezen! En als de goedertierenheid des Heeren uwe harten tot bekeering niet moge bewegen, moge het dan de schrik des Heeren zijn. Door het gedruisch dat de schare maakte, werd Bartiméus opgewekt om te vragen wat dit mocht zijn. Helaas! er zijn ook onder u, die door zorgeloosheid en onverschilligheid, door zonde en wereldliefde, zoo doof zijt geworden voor alle de roepstemmen Gods, dat gij ze als tot anderen gericht voor u laat voorbijgaan en die tot nu toe, noch door de donders der wet, noch door het liefelijk geklank van het Evangelie eenigszins zijt bewogen om te luisteren, laat staan om te vragen: wat mag dit toch wel zijn? Gevaarvol is uw toestand, gij slaapt als aan den rand van eenen afgrond, als in den top van een mast, zoo elk oogenblik zijt gij in gevaar om eeuwig om te komen. Och! dat het door u bedacht, door u ter harte mocht worden genomen; nu is het voor u nog de wei-aangename tijd, de dag der zaligheid, heden; morgen wellicht niet meer.
^ Maar er zullen ook onder u zijn, die wel eens door het gedruisch dat er ontstaat als Jezus nadert of voorbijgaat, opmerkzaam zijt geworden en gevraagd hebï, als hier of daar beweging ontstond, en zondaars tot Jezus worden getrokken: wat mag dit toch wel zijn? Die door beproevingen des levens, die de Heere u deed ondervinden, hetzij ze u zeiven of de uwen betroffen, niet meer zoo gerust en zorgeloos kunnen weg leven. Ach! zoo die indrukken niet gevolgd zijn door een worstelen met Jezus, aanbidden en roepen tot Hem, dat Hij zich uwer wilde ontfermen, zoo daar geene zaligmakende ontdekking, trap en mate mogen onderscheiden zijn, van uwe
20
ellende en uwe gansclie verlorenheid zonder Jezus, bij u heeft plaats gehad, dan zijn die indrukken al? een vroeg opkomende dauw bij u voorbijgegaan. Steunt en leunt en vertrouwt er niet op, want uwe geestelijk blinde oogen moeten geopend worden, zonder dat zult gij geene gedaante of heerlijkheid in den Heere Jezus zien.
Maar mag ik ook niet vertrouwen, dat er onder u, M. V. worden gevonden, al zijn zij ook voor het oog der menschen verborgen, die hoorende, dat Jezus voorbijgaat, begonnen zijt te roepen: Heere Jezus! Gij Zone Gods, ontferm U onzer, en nu wordt gij bestreden of uw roepen tot Hem we! Zijn werk in u zoude zijn? of Hij naar u zal willen luisteren? O! zoo uw roepen uit de zaligmakende kennis uwer ellende buiten Jezus, door Hem en Zijnen Geest in u is opgewekt, dan ondervindt gij dadelijk, gelijk Bartiméus het ondervond, uit- en inwendige bestrijding en bestraffing. Uitwendig als gij in het bedelen aan den gemeenen weg der wereld, niet meer mede kunt doen als voorheen, als datgene wat uw vermaak was, u tot last wordt, als gij met eerbied en ontzag Jezus moet belijden als den eenigen noodzakelijken Zaligmaker voor in zichzelven dood-en doemschuldige, gansch en al verloren schepselen. Inwendig, wanneer gij bestreden en aangevochten wordt, door den vijand, die u voorheen, toen gij hem diendet met vrede liet, maar nu gij tot Jezus begint te roepen, als den waarachtigen God en het eeuwige leven, alle listen en lagen aanwendt om u tot stilzwijgen te krijgen. Maar als het werk van Gods genade zich aan uwe zielen heeft verheerlijkt, zult gij des te meer en des te sterker moeten roepen, omdat gij eenen gapenden afgrond elk oogenblik gereed om u te verslinden voor uwe voeten ziet geopend. Nu kan liet zijn, dat de Heere Jezus tot beproeving uws geloofs, u een tijd lang laat roepen en Zich aanstelt alsof Hij naar de stem uwer smeeking niet hoort, dat gij door allerlei vrees en angst geslingerd de grenzen der vertwijfeling of der wanhoop nabij zijt. Zijt verzekerd, dat Zijne ooren dag en nacht voor het geroep Zijner ellendigen zijn geopend. Jezus wil ook bij u stilstaan om u te helpen en u te redden uit den grooten nood waarin gij u bevindt. Hij wil ook bevel geven dat men u zal roepen. En doet Hij dat niet werkelijk? O zoo dikwerf als wij met alle de dierbare beloften van het genadeverbond tot u mogen komen, met die plechtige verklaringen en verzekeringen voor een arm ellendig en behoeftig volk, dan roepen wij u, namens der. Heere Jezus, Die onze Redder is toe: houd moed, godvruchte schaar. Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Zijne hand tot de kleinen wenden. Ja, uwe bestraffers zeiven zal Hij bezigen als Hij stilstaat, om middelen in Zijne hand te zijn, dat gij voor en
21
tot Hem moogt worden gebracht. Dat mogen wij u plechtig verzekeren: gij moogt komen, zoo zondig, zoo ellendig als gij zijt; het recht om tot Hem te komen hebt gij niet in u zeiven te zoeken, maar daarin gelijk tot Bartiméus werd gezegd, want Hij roept u. Och! wat wij u bidden mogen, let dan op de roepstemmen des Heeren, die ter uwer vertroosting tot u komen. Och! dat het u gaan moge, gij troostelooze in n zeiven, door onweder voortgedrevene als Bartiméus, die den mantel der eigengerechtigheid, waarmede hij zich omhangen had, wegwierp en in zijn arm, vuil, onrein bedelaarskleed voor Jezus verscheen om door Hem met den mantel Zijner gerechtigheid te worden bekleed. Ziet! Hij roept u, de medelijdende Hoogepriester, om ook uwe blinde oogen te openen. Wie in het stof als een blinde voor Hem nedergebogen mag nederliggen, wordt door Hem weder opgericht. Wat toeft gij dan en wat staat gij van verre? Komt zooals gij zijt en gij u moogt gevoelen, om alleen door Hem genezen te worden. En zijn er onder u, in wier duistere ziel het eeuwige genadelicht is opgegaan, o! in dien Bartiméus met zijnen mantel, die de schande zijner naaktheid en zijne armoedige kleeding daarmede bedekte, herkent gij uzelven en gij zoudt hem nimmer hebben afgeworpen, wanneer het woord door den Heiligen Geest geen invloed op uwe zielen had uitgeoefend. Toen was het een heilig moeten om bij Jezus te zijn, toen was het een opstaan en komen tot Jezus. Ziet! dat is de geloofsweg. In ciien weg komt men nimmer beschaamd uit, daarin vindt men wat men zoekt, worden de zielsbegeerten en verzuchtingen vervuld. O! eeuwig wonder van genade. Hij, de Heilige, ondertrouwt zich in geloof, in gerechtigheid en gerichte met vuile, bemorste, naakte, arme, blinde bedelaars. Dat hadt gij voorheen nimmer kunnen denken; dat liebt gij ondervonden, toen de Heere de hand Zijner genade aan u verheerlijkte, en wat gij toen. hebt mogen ondervinden, dat de Heere Jezus het gebed en de smeeking van een gansch hulpeloos en ontbloot zondaar wil hooren en verhooren, dat getuigt gij, moet nog uwe dagelijksche ondervinding zijn. O, geve de Heere u, die in Jezus\' dierbaarheid voor u zeiven hebt mogen zien, veel die arm makende genade des Heiligen Geestes, dan zult gij veel van Hem genieten, en in uwe behoeftigheid, die gij omdraagt, zoolang gij met het lichaam der zonde en des doods bekleed zijt, aan Hem genoeg hebben, die, daar Hij rijk was, arm is geworden, om Zijn volk door Zijne armoede rijk te maken. Amen.
Ps. 68 : 2.
II.
BARTIMÃUS DOOR JEZUS ZIENDE GEWORDEN.
Leerrede over Markus 10:51, 52.
PSALM 145 : 3âG.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Gij kent, M. V. de geschiedenis van Hagar, de dienstmaagd van Abraham, die uit zijn huis, wegens hare ongehoorzaamheid verdreven werd, met haar kind in eene woestijn omdoolde, en niet anders verwachtte dan dat zij daarin met haar kind zonde moeten sterven. Maar ziet! in haren grooten nood opende God hare oogen, en wees Hij haar eene waterfontein aan, waaruit zij met haar kind dronk en behouden werd in het leven. Nu zegt Paulus Gal. 4 : 22, dat deze dingen eene andere beduiding hebben. Welnu, Hagar en haar kind is ons het beeld van den zondaar, uit Gods Huis, dat is uit Gods zalige gemeenschap, vanwege zijne ongehoorzaamheid verdreven, en nu omdoolende in de woestijn der wereld, in gevaar om daarin voor eeuwig om te komen. Maar de Heere Jezus, de Engel des Verbonds, zoekt het volk. Hem door den Vader gegeven, in die woestijn op, doet dat door Zijn Woord en Zijnen Geest, opent hunne blinde zielsoogen voor Hem, de levende fontein des heils; geloovig gaan zij er door Zijne kracht henen; en ziet, o eeuwig wonder van genade! zij blijven gespaard en behouden in het leven, en keeren in het huis, dat is het hart des Vaders, waaruit zij zijn gedreven, weder. Heden wenschte ik het met u in den blinden Bartiméus, door Jezus weder ziende geworden, te beschouwen. Och! dat de Heere geven mocht door genade, dat wij in Hem ons zeiven mochten wedervinden.
MARKUS 10 ; 51, 52.
Endc Jezus antwoordende, seijde tot hem: âWat wilt gij dat lek ii doen zal? Ende de blinde seyde tot Hem: âRabboni, dat ick siende magh worden.quot;
Ende Jezus seijde tot hem: âGaat henen, uw\' geloove heeft u behouden.quot; Ende terstont wiert hij siende, ende volghde Jezus op den wegh.
Mocht ik M. V. op den vorigen dag des Heeren met u den blinden armen, bedelenden Bartiméus beschouwen, en hem u voorstellen als het beeld van ons allen, zooals wij van God door de zonde afgevallen van nature zijn geworden. Wij zagen hoe de Heere Jezus
23
hem opzocht, en hij, toen men hem bekend maakte, dat Jezus voorbij ging, tot Jezus begon te roepen: Zone Davids, ontferm U mijner! en ondanks den tegenstand, dien hij ondervond des te sterker bleef roepen. Wij vernamen, dat Jezus naar de stem zijner smeeking heeft willen luisteren, stil bleef staan, en het bevel gaf, dat men den blinde tot Hem zoude brengen. Toen zulks Bartiméus geboodschapt werd, wierp hij zijnen mantel weg, stond op en kwam tot Jezus. Een levend gemaakte zondaar herkent in Bartiméus zijn eigen beeld. Zoo begon ook hij tot Jezus te roepen, toen de Heere hem had opgewekt uit den doodslaap der zonde en der misdaden; ook hij ondervond uit- en inwendige bestraffers, die hem, ware het mogelijk, van Jezus zochten af te houden; ook voor hem kwam dat oogenblik, zoo zalig, zoo onvergetelijk in zijn leven, dat Jezus stil stond, om naar zijn geroep te luisteren; dat het bevelwoord om tot Jezus te komen met onwederstaanbare genadekracht zijne ziel doordrong, en hij den mantel zijner gerechtigheid afwierp, om op te staan, en als een gansch verontreinigd, bezoedeld en ontbloot zondaar voor Jezus te verschijnen. Welnu, heden wenschte ik overeenkomstig de voorgelezen tekstwoorden met u na te gaan:
1°. De vraag die Jezus aan Bartiméus deed, en het antwoord hetwelk Bartiméus Jezus gaf.
2°. Het wederantwoord, hetwelk Bartiméus daarop van Jezus ontving, en welke uitwerking zulks op Bartiméus had, om dan
3°. Met het woord van toepassing te eindigen.
Och dat de Heilige Geest dit v/oord der waarheid tot onze leering en stichting moge doen strekken, dit zij onze bede!
1°. Wenschte ik met u na te gaan, de vraag die Jezus aan Bartiméus deed, en het antwoord hetwelk Bartiméus Jezus gaf. Bartiméus, zijnen mantel afgeworpen hebbende, om door niets in zijn komen tot Jezus belemmerd te worden, stond op, en kwam tot Jezus. O! als wij indenken hoe hij met lompen en vodden bedekt, zoo vuil en onrein als hij was, terwij! niets de schande zijner naaktheid konde bedekken, want de mantel, die dat alles bedekte was vrijwillig door hem afgeworpen, en lag op de plaats waar hij nedergezeten had, wat dunkt u M. V. zal schaamte zijn aangezicht niet hebben bedekt? Zal hij niet verlegen zijn geweest, dat hij nu stond voor Hem, Dien hij beleden had, de Messias, de Zone Davids te zijn? Maar hij zal zeker daar ook niet zonder hoop en verwachting hebben gestaan, ofschoon hij, als wij hem daarnaar gevraagd hadden, mogelijk voor zich zeiven, niet bepaald had kunnen opgeven, wat hij hoopte, wat hij verwachtte. Zekerlijk gingen er in die oogenblikken, die verzuchtingen tot Jezus uit zijne verslagen ziel: Och! Heere Jezus
24
mocht Gij U over zulk een ellendige als ik ben, en ik mij gevoel, willen ontfermen? Ja gij kunt u eenigszitis zijnen toestand, zijne zielegewaarwordingen voorstellen, die door genade met den verloren zoon tot het besluit gebracht zijt, om op te staan en tot den Heere Jezus uwe toevlucht te nemen. Dat oogenblik immers toen het bij u een heilig moeten wierd, om bij Jezus te komen, of anders eeuwig te moeten omkomen, en toen gij in het gericht voor God getrokken, u zeiven, kennis uwer ellende uit de wet Gods ontvangen hebbende als een gansch en al dood- en doemschuIdige,doorde zonde verontreinigde en verloren zondaar moest veroordeelen, en de mantel van eigene gerechtigheid en waarde tot aan het uiterste toe door u vastgehouden, moest wegwerpen, om als een naakte en verontreinigde zondaar voor Jezus te verschijnen, zegt het mij, is het wel met woorden uit te drukken, hoe beschaamd en verlegen gij u toen gevoeldet? Was toen uwe bede niet: Heere! geef mij Jezus, of ik sterf! Zagen uwe oogen toen niet, dat er buiten Jezus geen leven, maar een eeuwig zielsverderf was? Zekerlijk M. V. trap en mate in den overtuigingsweg van den zondaar, die door Gods Woord en Geest bekeerd wordt, moge onderscheiden zijn, als God den zondaar zijn eigen vonnis van veroordeeling, omdat hij vrijwillig en moedwillig tegen Hem gezondigd heeft. Die op eenen troon zit, waarvan gerechtigheid en gerichte de vastigheden zijn, doet uitspreken en hem red- en radeloos verloren, doet uitroepen: is er een weg om de straffen te ontgaan, en wederom tot genade te komen? Want behouden te worden of verloren te gaan, kan hem geene onverschillige zaak zijn, en hem in de verte doet zien dat hij alleen in dien weg kan worden behouden, dien God zeiven heeft uitgedacht; en in de volheid des tijds in Jezus Christus heeft geopenbaard, dan maakte de Heilige Geest hem biddende, al ontbreken hem ook uitwendig de woorden. De Heilige Geest bidt dan in hem met onuitsprekelijke verzuchtingen.
Zulk een zondaar staat dan voor Jezus reeds gelijk Bartiméus voor Jezus stond, maar Hem evenmin als deze ziende; maar zijn roepen uit den angst en de benauwdheid zijner zie! is dan tot Jezus: Och, Heere, wees Gij mij genadig! Ontferm U mijner! Jezus de Heilige en de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft. Die opent en niemand sluit, en Die sluit en niemand opent. Hij, Die de Alpha en de Oméga, het begin en het einde is. Die is. Die was en die komen zal, de Almachtige, Hij, die altijd de eerste is om den zondaar te roepen en Die de zielen der treurenden troosten wil als zij schreiende tot Hem vluchten, Jezus o! eeuwig wonder van genade, wil met Bartiméus in onderhandeling treden. En vragen
25
wij hoe Hij zulks wil doen? Hij begint Bartiméus te vragen: wat wilt gij dat Ik u doen zal? .Hoe, wist Jezus dus niet, hetgeen Bartiméus van Hem verlangde en begeerde? Is Jezus als de waarachtige God, dan niet alwetend? Zekerlijk M. V. Jezus kent en weet en verstaat van verre reeds onze gedachten. Alle dingen zijn voor Hem naakt en geopenbaard, en in Zijne gansche omwandeling op aarde heeft Hij zulks bewezen, daarom korde Petrus toen Jezus hem vraagde: hebt gij Mij lief? zonder de minste aarzeling antwoorden: Heere! Gij weet alle dingen. Gij weet ook dat ik U liefheb. Daarom staat er ook geschreven, dat Hij niefnoodig had, dat iemand Hem getuigenis gaf van den mensch; Hij wist, wat in den mensch was. Voor Hem zijn ook de zuchten en begeerten van Zijn volk niet verborgen. Voor zichzelven had Hij het dus niet noodig deze vraag te doen, maar zij strekte om het geloof van Bartiméus te beproeven. Dat ook nog niet alleen; Jezus wilde, dat Bartiméus in tegenwoordigheid van allen die Hem omringden, zeggen zoude, wat het was, waarom hij tot Hem had geroepen, en nu bij Hem kwam. Jezus wilde dat de schare het zoude hooren, dat het hem niet te doen was, om eene aalmoes van Jezus te ontvangen om in zijne tijdelijke nooddruft te voorzien, maar om door Jezus genezen te worden van de doodeiijke kwaal, die hij had en gevoelde. Dat het hem te doen was om de oorzaak zijner tijdelijke en geestelijke ellende, waaraan hij onderworpen was, bij hem weg te nemen, dat hij geloofde dat Jezus daartoe alleen machtig was. In die vraag.-wat wilt gij dat Ik u doen zal? lag daarin niet opgesloten, dat Hij de macht bezat, en ook gewillig was om hem te helpen? Dat Bartiméus al wat hem ontbrak, aan Hem mocht openbaren en bekend maken? Dat Hij de Algenoegzame was om hem mild en overvloedig zelfs boven bidden en denken te schenken, wat hij begeerde? O! welk eene onuitsprekelijke nederbuigende goedheid, dat Jezus niet als een heer, maar als een vriend tot zijnen vriend met zulk eenen blinden bedelaar, zoo morsig en verontreinigd als hij voor Hem stond, wilde spreken. Is het niet alsof Hij, door hem dit te vragen, heeft willen zeggen: gij behoeft niet beschaamd en verlegen te zijn, zeg Mij maar wat gij wilt dat Ik u zal doen? Hier waarlijk is het ons bij deze vraag alsof Hij zegt: doe uwen mond wijd open en Ik zal hem vervullen.
Zoo handelt de Heere Jezus met alle die zondaars, die Hem gegeven zijn van Zijnen Vader, die Hij gekend heeft in eeuwige liefde, die door Hem, verhoogd zijnde aan de rechterhand des Vaders, getrokken worden. Die allen worden door den Heiligen Geest aan de plage hunner harten ontdekt, en hunne ellende door de zonde
26
levendig gevoelende worden zij door den nood gedreven, gedwongen tot Hem biddende en smeekende hunne toevlucht te nemen. Zij worden als blinde, arme, ellendige schepselen in zich zeiven aan Zijne voeten gebracht, om daar hunne zielen voor Hem uit te storten. Het werk van den Heere Jezus, wanneer Hij met zulken in onderhandeling treedt, om hun Zijn heil te doen zien, begint met vragen. En waarom, omdat Jezus wil dat wij ons zeiven goed begrijpen en verstaan zullen in datgene, hetwelk wij van Hem verlangen en begeeren, dat Hij ons doen zal. Hij vraagt hun, om ze uit te lokken, dat zij voor Hem niets verbergen. Toont Mij uwe gedaante, laat Mij uwe stem hooren, zoo spreekt Hij tot Zijne duive in de klove der steenrotsen verborgen, is uwe bevinding, ver-brokenen van hart, verslagenen van ziel, en die voor Zijn Woord beeft, wel anders? Telkens als het u mocht gebeuren, om als bezoedelden en verontreinigden door de zonde in de veroordeeling van uzelven, aan de voeten van Jezus neder te vallen, en in de eenzaamheid uwe zielen voor Hem uit te storten, was het u dan niet, alsof er iemand voor u stond, die onophoudelijk u antwoordde en vragen bij vragen voegde? Waart gij toen wel in staat het kwaad, waarvan gij u door genade levendig bewust mocht zijn, dat in ii werd gevonden, voor Hem te bedekken? Moest gij Hem toen niet alle uwe booze daden belijden? Juist dat belijden, die antwoorden, die gij den Heere als \'t ware op Zijne vragen moest geven, al nam de Heere uwe misdaad ook van 11 niet weg, al had Hij ook tot uwe zielen niet gesproken van dien vrede, die alle verstand te boven gaat, gaf het u niet reeds eenige verlichting in uwe door schuld verslagen zielen?
O, zalig de ziel, waarmede Jezus in onderhandeling treedt, en zij met Hem; want Hij is dan met haar op weg, haar Zijn heil te doen zien. Somtijds kan het zijn, dat Hij ons een tijd lang, gelijk Barti-méus, laat roepen, en zich houdt alsof Hij naar de stem onzer smeekingen niet luistert, en wij kunnen het dan zoo bang krijgen in onze zielen; maar dat doet Jezus, want ook in dezen is Zijn weg in het heiligdom, om wijze, voor ons dikwerf ondoorgrondelijke redenen, maar zekerlijk ook, opdat wij onze verlorenheid en ellende door de zonde meer en meer zouden leeren kennen en inzien, en Zijne vrijmacht om ons al of niet te helpen, zouden eerbiedigen, en in waarheid zouden leeren verstaan, hetgeen wij roepen: Heere Jezus, ontferm U onzer! wij hebben het ons onwaardig gemaakt. Gij zijt onverplicht om ons die weldaad te bewijzen. Ja! opdat wij zouden leeren ons als ellendigen te gedragen. Maar ziet, M. V.! als de tijd der minne daar is, dan dringt onze ziel, gedreven wordende
27
door eene verborgen, almachtige en onwederstaanbare genade, door alle beletselen en hindernissen henen, waardoor wij nog van Jezus zijn gescheiden. Afgeworpen hebbende den mantel onzer eigene gerechtigheid, komen wij dan als gansch en al ellendige en in ons zeiven hulpelooze zondaars voor Hem. Jezus begint ons dan te vragen: Wat wilt gij dat Ik u zal doen? Laat ons nu letten op het antwoord, hetwelk Bartiméus den Heere Jezus op deze vraag gaf. Hij zeide tot Jezus: Rabboni! dat ik ziende mag worden.
Toen de Heere Jezus hem voorbijging, was zijn roepen tot Hem: Zone Davids, ontferm U mijner! Nu hij verlegen en beschaamd als een gansch ontbloot zondaar voor Jezus staat, noemt hij Jezus Rabboni. Dat woord beteekent in onze taal overgezet, leeraar of meester, Gij zijt de mijne, aan U geef ik mij over. Datzelfde woord, herinnert gij u, M. V.! sprak later Maria Magdalena bij het geopend graf, toen de Heere Jezus, om Wiens gemis zij schreide, haar verscheen, en haar bij haren eigenen naam Maria had aangesproken, en toen zij aan Zijne voeten, die met hare handen omvattende, gelijk zij ze weleer met hare tranen nat gemaakt had, nederlag. Ook Bartiméus zag dus in den Heere Jezus niet alleen den lang beloofden Verlosser en Zaligmaker, maar ook Israels Leeraar, Heer en Meester, Die ook uit genade zijn Heer wilde zijn. Hij bad Hem om geen aalmoes, bedelde van Hem geene gave, om in zijne tijdelijke nooddruft te voorzien. Neen, hij maakte aan Jezus zijne geestelijke ellende, die hij levendig mocht gevoelen, bekend. En welke was die ellende? Zijne geestelijke blindheid: dat ik, zeide hij, ziende mag worden. Hij had op de vraag, die Jezus hem deed, niet veel tijd noodig om zich te bedenken, dadelijk was hij met zijn antwoord gereed. Vrijmoedig sprak hij uit wat hem tot Jezus dreef, het was om genezen te worden van zijne ellende; en nu Jezus hem vrijheid gaf zijne zielsbegeerte aan Hem te ontdekken, hield hij niets achter, want hij geloofde door genade, dat Jezus machtig was aan hem ook die heilsweldaad te verheerlijken.
Niet anders, M. V.! gaat het met alle waarlijk overtuigde zondaars, wanneer het hun geschonken wordt in het eenzame en verborgene met den Heere Jezus als \'t ware eene samenspraak te houden. Het kan ons dan zijn, alsof ons de vraag geschiedt: Wat wilt gij van Mij hebben? waartoe zijt gij hier? En o! dan is het eerste woord zoo spoedig gereed: Heere, ik heb zulk een hard hart. Och! neem Gij dat steenen hart uit mijn binnenste weg, geef mij een vleeschen hart, dat hebt Gij immers aan Uw volk beloofd. Och! dat ik ook daaronder moge behooren, Heere! ik ben zoo blind, och! open mijne oogen, opdat zij de wonderen Uwer wet mogen aan-
28
schouwen. Geef mij verstand met Goddelijk licht bestraald, Heerè Gij zijt de Leeraar, de Profeet bij uitnemendheid, och! leer ook mij den weg door U bepaald, maak ook aan mij door Uw Woord en Geest Uwen weg bekend.
Laat ons nu overdenken:
2°. Het wederantwoord, hetwelk Bartiméus daarop van Jezus ontving, en welke uitwerking zulks op Bartiméus had.
En Jezus zeide tot hem, ga heen, uw geloof heeft u behouden. Weinige woorden, maar gewichtig van inhoud. Doch het koninkrijk Gods is ook niet gelegen in woorden, maar in kracht, 1 Cor. 4 vs. 20. Heere! dat ik ziende mag worden, dat had Bartiméus geantwoord op óe vraag van Jezus: wat wilt gij, dat Ik u doen zal? en daarop sprak Jezus:gff heen! Hij konde onmogelijk heengaan, zoo hem het gebruik zijner oogen niet eerst geschonken was geworden. Jezus had dus zijne bede ingewilligd, hem ziende gemaakt; er was dus kracht van den Heere Jezus uitgegaan. Hij bewees dus hier, dat Hij die Heere was, van Wien David had gesproken, dat Hij de oogen der blinden zoude openen. Wij beleven tijden en dagen, waarin men openlijk loochent dat Jezus de waarachtige God is, God boven alles te prijzen in der eeuwigheid, zooals wij gelooven dat Hij is, op grond van Gods onfeilbaar, door den Heiligen Geest ingegeven Woord. Kan het ons nu dan wel ook verwonderen, dat men openlijk de wonderen, ons in den Bijbel verhaald, ontkent? Ja! niet alleen de werkelijkheid, maar zelfs de mogelijkheid er van stoutweg durft betwisten. En tot die hoogte verheft zich de zoon des verderfs ook in onze Kerk, dat de blinde leidslieden der blinden zich niet ontzien de uitstekende werkingen of daden Gods, die onder het bereik onzer zinnen vallen, openlijk te bespotten. Maar als ons oog eenvoudig is, zegt het mij, betoonde Jezus zich hier dan niet God, Die spreekt en het is er. Die gebiedt en het staat er. Die de dingen roept, die niet zijn, alsof zij waren? Zegt het mij, is dat geen wonder, dat Jezus dien blinde alleen met één woord, dat Hij spreekt en daarbij kracht van Hem doet uitgaan, zonder eenig geneesmiddel geneest? Ziet, hier betoonde Jezus zich de eenige Geneesmeester van\'den Vader gegeven, tot een licht der heidenen, om te openen der blinden oogen, Jes. 42 : 6, 7. O, gelukkige Bartiméus! de Heere Jezus genas u niet alleen van uwe natuurlijke blindheid, maar ook van uwe geestelijke zielsblindheid. Jezus sprak tot hem: ga henen; en wilde daarmede zeggen: gij behoeft niet meer van menschen geleid te worden. Hetgeen in die oogenblikken in de ziel van Baitiméus is omgegaan, toen hij zoo eensklaps de vervulling zijner bede ontving, van de duisternis in het volle licht werd ge-
29
bracht, dat kan met geene woorden worden uitgedrukt, dat moet bij eigen ervaring en bevinding ondervonden zijn, om het zich te kunnen voorstellen. Dat weet gij M. V. aan welke ook de Heere Jezus dat groote wonder Zijner onwederstaanbare, almachtige genade heeft willen verheerlijken, dat Hij u overbracht van de diepe duisternis, waarin gij door uwe erf- en dadelijke zonden gedompeld waart, in het volle licht van Zijn vriendelijk aangezicht. Zoo en op die wijze hadt gij het u niet voorgesteld, zooals het aan u te beurt viel, toen gij als een blinde voor de voeten van den Heere Jezus gebracht. Hij met u in onderhandeling wilde treden, door vragen u uitlokte om uwe dringende zielsbehoefte, door den Heiligen Geest u ontdekt, aan Hem te openbaren. O! toen Hij zoo ongedacht en onverwacht aan uwe zijde de banden en kluisters los maakte, waarmede gij aan Zijne voeten gebracht, nog waart gebonden, en ook dat zalig woord ga henen! tot u sprak, en gij als een vrijgemaakte u mocht gevoelen; het is en blijft u een eeuwig wonder, dat gij gezien hebt, maar doorgronden kunt gij het niet. Gij zijt toen genezen geworden van uwe geestelijke blindheid, gij hebt toen oogen ontvangen, die nimmer weder zuilen gesloten worden, en met die geestelijk verlichte oogen hebt gij Jezus gezien, zooals gij Hem u voorheen nooit hadt kunnen voorstellen zoodat gij met de bruid\' hebt moeten uitroepen: alles wat aan Hem is, is gansch en al begeerlijk. Toen ontdekte zich Christus aan u niet alleen in Zijne volkomen algenoegzaamheid en dierbaarheid, maar ook in al Zijne gewilligheid, gereedheid en genegenheid tot u; toen zaagt gij den weg tot Hem gebaand, en in Hem den toegang tot den troon der genade. Toen hebt gij het uitgeroepen: Ik zal het nooit vergeten. Hem mijn Helper heeten, al mijn heil en troost. Maar Jezus voegt er bij: uw geloof heeft u behouden. De Heere Jezus eigent dus zijne behoudenis toe, aan zijn geloof. Gij weet M. V. dat Jezus gewoonlijk zoo sprak tot degenen, die Hij hielp en van hunne kwalen genas, nu eens, gelijk tot de Kananeesche vrouw: o vrouw! groot is uw geloof, Matth. 15 : 28, of van hen dien den geraakte tot hem brachten: Jezus hun geloof ziende-, dan wederom gelijk van den hoofdman te Kapernaüm: Voorwaar, Ik zeg u, Ik heb zoo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden, Matth. 8:10; of tot die arme zondaresse, die weenende aan Zijne voeten lag: uw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede, Luk. 7 : 50; en wij zien daaruit, dat wij door Hem niet kunnen worden behouden, tenzij dat wij in Hem gelooven, en met onze geestelijke kwalen en ellenden geloovig tot Hem komen. Maar nu moeten wij niet meenen, dat het geloof des blinden, hem als een krachtig werkende oorzaak genas van zijne blindheid.
30
Neen! het is Jezus Christus de Heere alleen, Die door Zijne Goddelijke kracht en genade de oogen dei blinden opent. Ook was het geloof van Bartiméus geene verdiende oorzaak van zijne behoudenis. Neen, hij had of bezat geenerhande verdienste of waardigheid, het was alleen de ontfermende genade, de vrije goedertierenheid van Christus, waardoor Hij werd bewogen, dezen ellendige te helpen. Aan het geloof als middel oorzaak, eigent Jezus de behoudenis van dood en doemschuldige zondaars alleen toe. Zonder dat geloof verkrijgen zij haar nimmer. Daarom wordt het zoo bepaald en stellig in Gods Woord uitgesproken: âDie geloofd zal hebben zal zalig worden; die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden,quot; Mark. 16 : 16. âDie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; die den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.quot; Hij blijft dus een verdoemd zondaar. Daarom schreef ook de Apostel aan de geloovigen: âUit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof.quot; Efeze 2:8. En zij, die de zaligheid verkregen, zij worden niet anders dan door het geloof bewaard, 1 Petr. 3 : 5. En vraagt gij nu welk geloof? Geen ander dan het zaligmakend of oprechte geloof, in tegenoverstelling van het geschiedkundig, het tijd- of wondergeloof. Het zaligmakend geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. Hebr. 11:1. Kennis, toestemmen, vertrouwen zijn deszelfs bestanddeelen. Het wezen van dat geloof bestaat daarin, dat men als een gansch en al verlorene in zich zeiven als een dood- en doemschuldig zondaar God billijkende en rechtvaardigende, indien God hem vanwege zijne erf- en doodelijke zonden laat verloren gaan, omdat hij tegen God heeft gezondigd: daar God zoo waarachtig als Hij leeft, geen lust heeft in den dood des zondaars, maar zulken die Hij heeft opgezocht en uit Zijne Wet de kennis hunner ellende schenkt, ook den weg opent om de straffen op de zonden bedreigd te ontgaan en wederom tot genade te komen, en die weg is Jezus Christus, alleen tot Jezus zijne toevlucht neemt. Ziet, nu nemen zij tot Hem hunne toevlucht, als red- en radeloos verloren in zichzelven. En dat nu is het geloof. Dat geloof werkt de Heilige Geest in de harten van alle uitverkoren zondaars. Dat geloof is onafscheidelijk verbonden met de wedergeboorte. Uit dat geloof, dat Gods gave zoo terecht wordt genoemd, vloeien al de werkzaamheden voort van het geestelijk leven, door God den Heiligen Geest opgewekt in zulken, die van nature met de gansche wereld verdoemelijk zijn, dood in zonden en in misdaden.
En zegt nu Jezus tot den blinde: Uw geloof heeft u behouden, dan mogen wij er van zeggen: geloofsoogen stelen Jezus het hart.
31
Hoogl. 4 : 9. Dat geloof rust alleen op het Woord, op Hem, Die het levende Woord is, op den Heere Jezus Christus; verwacht alleen van Hem behoudenis. Alle zondaars door den Heiligen Geest overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel, oefenen het geloof. En omdat God Zijn eigen werk alleen kroont, daarom verklaart Hij in Zijn Woord: de rechtvaardige zal door het geloof ieven; niets in het zalig maken van den zondaar in aanmerking nemende wat er aan of in hem is, maar uit eeuwig welbehagen alleen de zaligheid schenkende. Daarom sprak ook Jezus, de waarachtige God, tot den blinden Bartiméus: ga henen, uw geloof heeft u behouden. Door dat geloof zijn alle de heiligen des Ouden en Nieuwen Testaments alleen behouden. Zij zijn als \'t ware de wolke der getuigenis. Ja! door dat geloof zijn alle de uitverkorenen ten eeuwigen leven alleen gezaligd, en zullen nog allen de opgeschrevenen in het boek des levens, des Lams, het eeuwige leven, de onverderfelijke, onbevlekkelijke, on-verwelkelijke erfenis kunnen deelachtig worden. Door dat geloof worden alleen geestelijke kranken genezen. Verlost, zijn zij meer dan overwinnaars, door Hem, die hen heeft liefgehad. Dat geloof reinigt het hart van doode werken om den levenden God te dienen, is werkzaam uit de liefde die uit God is, overwint de wereld. Dat geloof opent de oogen van den blinden zondaar, doet hem zijne geestelijke blindheid zien. Dat geloof brengt hem door almachtige, onwederstaanbare genade als een gansch en al ellendig zondaar, ontdaan van alle eigene gerechtigheid, om voor God te bestaan; als een ontbloot bidder, om genade aan en voor de voeten van Jezus, en van Hem hoort hij het daar: uw geloof heeft u behouden.
Zien wij nu welke uitwerking zulks op Bartiméus had.
Terstond, leest gij, werd hij ziende. Zonder het een of ander kunstmiddel werden zijne oogen geopend. De gansche menigte, die Jezus omringde, zag het, was er als \'t ware getuige van. Het krachtdadige en almachtige werk van Jezus werd dus zichtbaar voor allen. Ziet! dat is een wonder, het valt onder het bereik der zinnen; bevatten en begrijpen met ons verstand, dat vermogen wij niet. Zulke daden werkt God en doet ook Jezus, die Ãén is met den Vader, niet alleen in gezindheid, maar waarop wij boven ailes te letten hebben, in almacht, Joh. 10 : 28; want daar wordt gesproken van de hand, het zinnebeeld van macht, als deze, daai God een Geest is, aan Hem wordt toegeschreven. Terstond werden zijne blinde oogen geopend, konde hij zien, hetgeen hij nimmer had aanschouwd, personen, zaken, waarvan hij zich niet anders dan verkeerde en verwarde begrippen, toen hij nog blind was, had kunnen maken. Terstond zag hij, hetgeen wel het voornaamste was, Jezus, zijn Genees-
32
meester. Wie M. V. is in staat de verwondering te schetsen, die Bartiméus zal ondervonden hebben, maar ook die beschamende wegzinking in zichzelven, die aanbidding over de ontfermende liefdedaad van Jezus aan hem betoond? Hij die zichzelven en door niemand van zijne ongeneeslijke kwaal had kunnen verlost of geholpen worden, hij werd zoo eensklaps, onmiddellijk door het machtwoord, terwijl er kracht van Jezus uitging, ziende, en dat zonder moeite of kosten, zonder pijn of smarten, zonder eenig uitstel, terstond. Gij alleen M. V. gij kunt het u voorstellen, die door genade datzelfde wonder hebt mogen ondervinden, dat de Heere u roepende maakte uit uwe geestelijke ellende en zielsblind-heid, die Hij u ontdekte en deed gevoelen. Gij, die door den nood gedreven, u rechtstreeks tot Jezus, om hulp en redding van Hem te begeeren, hebt mogen begeven. Gij, die als gansch ellendige en ontbloote zondaars in u zeiven, daar aan Zijne voeten nedergelegen, kermdet: Geef mij Jezus, o God of ik sterf, buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Gij, die gansch hulpeloos in u zeiven, tot Jezus in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof tot Hem mocht vlieden. Gij mocht het ondervinden, dat Hij blinden het liefelijk licht schenkt, en u in het stof gebogen wilde oprichten. O! toen uwe blinde oogen werden geopend was alles als \'t ware dat u omringde, ja, als gij u zeiven beschouwdet met alles aan en in u, nieuw en vernieuwd. Toen mocht gij, met verlichte oogen des verstands, Jezus, de Zon der gerechtigheid zien, en omdat Hij, die heerlijke Zon, scheen in uwe duistere zielen, mocht gij in Zijn licht het licht aanschouwen, Ps. 36 10, en bij eigene ondervinding zeggen, wat u ook nog aan uwe geestelijke kennis ontbrak: Een ding weten wij, dat wij blind waren en nu zien. O, hebt gij u toen niet met eene heilige schaamte over u zeiven moeten verwonderen dat u slechts, u goddelooze, zulk eene heilsweldaad werd geschonken? De eeuwigheid Heere! zal niet te lang zijn om U daarvoor te prijzen en te verheerlijken, zoo hebt gij u uitgedrukt. Ja, het blijft voor u uw gansche leven door, en hoe meer leven er door den Heere aan uwe zielen gegund wordt, ook des te meer eene zaak van bewondering, aanbidding en wegzinking, dat gij van uwe ziels-blindheid terstond zijt genezen en die genezing, als het werk Gods, een volkomen werk in u geworden is.
Wat deed nu Bartiméus? Wij lezen, dat hij Jezus volgde op den weg. Hij volgde Jezus. Die uitdrukking geeft te kennen, dat hij zich geheel aan den Heere Jezus, door wien hij naar ziel en lichaam beide verlost was, van dat oogenbiik af als zijn discipel overgaf, dat hij Jezus onbepaald en onbedongen als zijn Heer en Koning
33
koos. Ja, zoo nauw, zoo innig gevoelde hij zich door de weldaad aan hem bewezen, aan Jezus verbonden, dat hij zijn moest, wdar Jezus was, om Zijn woord en Zijne bevelen uit Zijnen mond te hooren. Had hij voorheen aan den gemeenen weg der wereld gezeten, thans was het niet alleen zijne keuze, maar eene behoefte voor zijne ziel geworden, om te zijn waar Jezus was, zich onder Zijne volgelingen te scharen en om voortaan zijn leven met en onder dat volk door te brengen, hetwelk den haat, den smaad, en niet zelden ook de vervolging der wereld moet ondervinden. Hij deed afstand van zijn vroeger leven, hij kende zich nu niet meer vereenigen met zijne vorige vrienden en bekenden. Met Ruth was het zijne keuze: dat volk is mijn volk, hun God is mijn God, en blijde en onbezorgd wat de toekomst betrof, volgde hij Jezus op den weg, overtuigd dat Hij, die aan hem zoo groote weldaad geschonken, ook waardig was door hem met een volkomen hart en eene gewillige ziel gediend te worden. Kon het ook wel anders, M. V., volgen zij die van hunne geestelijke blindheid door Jezus zijn verlost geworden. Hem niet op den weg, dat is, in hun leven en in hunnen wandel? Dat volgen wordt eene vanzelfsheid, en indien ik mij zoo mag uitdrukken, een heilig moeten. Zij, die waarlijk door Jezus zijn bekeerd, begeven zich in Zijn zaligen dienst, zij achten Hem, verloochenen zichzelven, nemenhun kruis op en volgen Hem. Zij verlaten de groote menigte wandelaars op den breeden weg, met welke zij onbezorgd en onverschillig naar de lusten hunner wereldlievende harten weg leefden en voegen zich bij het kleine gezelschap van hen, die den engen weg bewandelen; en daar de roeping en verkiezing Gods onherroepelijk zijn, berouwt hun, hoeveel strijd er ook aan verbonden moge zijn, nimmer die keuze. Dat volgen is van hunne zijde een gewillig werk, want van het bekeerde volk getuigt de Heere: Mijn volk is een gewillig volk ten dage mijner heirkracht. Met den Apostel leeren zij alles, alle dingen schade te achten om de uitnemendheid der kennisse van Jezus Christus den Heere, en de smaadheid van Christus grooteren rijkdom te beschouwen dan de schatten van Egypte. En wat dringt hen tot dat volgen? De liefde van Christus. Wel is aan dat volgen veel strijd verbonden tegen den duivel en de wereld, die een sterke bondgenoot in hun zondig diep bedorven hart hebben, en heeft hun bloed en vleesch geen lust om aan eigen zin, lust en wil te worden verloochend. Maar hoezeer zij tot welke Jezus heeft gesproken: uw geloof heeft u behouden! tot hinken en tot zinken, en tot afdwalen ook elk oogenblik in gevaar zijn, en bidden moeten: Heere, houdt ons vast, of wij laten U los, in ons is geene kracht tegen de menigte
2
34
der vijanden, ja! ook nog we! tijden kennen, waarin zij vreezen door de hand van Saul te moeten omkomen. Nochtans zij, die gelijk Bartiméus uit zoo grooten nood en dood door Jezus zijn gered geworden, het woord der vrijspraak met onwederstaanbare genade kracht van Hem ontvangen hebben, mv geloof heeft u behouden! zij volgen Jezus op den weg, hun kruis, dat is de zonde, hebben zij opgenomen, daarin kunnen zij niet leven, deze voor den Heere te erkennen, te belijden met heete en bittere tranen in het eenzame en verborgen te beschreien, en in eene vernieuwde verbonds verbintenis zich met den Heere Jezus te mogen begeven, dat is hun leven, van hetwelk zij moeten getuigen: daarin is het leven onzer zielen. Ja! zij volgen Jezus, met die bede, die de Heilige Geest geeft te bidden: Heere trek ons en wij zullen U naloopen.
3°. Laat ons eindigen met het woord der toepassing. Zingen wij eerst Ps. 139 : 14.
Zijn ook wij M. V. als arme blinde bedelaars tot den Heere Jezus, en voor Hem gebracht? Is die mantel der eigengerechtigheid, waarmede wij allen zijn omhangen, en wij de schande onzer naaktheid voor God en menschen en ons zeiven bedekken, door ons af- en weggeworpen? Is de Heere Jezus ook met ons reeds in onderhandeling getreden? Is onze geestelijke blindheid door genade onze ergste kwaal, en is het onze begeerte daarvan door Hem te worden verlost? Ja! zijn er ook onder u, die mogen zeggen, dat Jezus hunne bede heeft verhoord, tot hunne zielen heeft gesproken: ga henen, uw geloof heeft u behouden? Zijn er ook, die Jezus volgen op den weg? Gewichtige vragen, die gij voor u zeiven als in de tegenwoordigheid Gods, zult hebben ie beantwoorden; dat vermag ik niet, en niemand voor u, en och! of ik hopen mocht dat allen met minder of meerdere klaarheid en duidelijkheid daarop voor zichzelven konden antwoorden. Maar helaas! ik vrees, dat er ook onder u. God weet hoe velen, zullen worden gevonden, die nog rijk en verrijkt zijn en geens dings gebrek hebben, die niet weten dat zij arm en naakt, jammerlijk en ellendig door de zonde voor God zijn geworden, die met verwondering vragen: hoe, zijn wij dan ook blind? Wij die leven onder het licht van het Evangelie? Dat er ook onder u zijn, die meenen dat zij zien, en nog blind zijn. Voor u heeft de Heere Jezus geene gedaante of heerlijkheid, dat gij Hem begeeren zoudt. Aan Zijne voeten hebt gij nog nimmer gelegen, om Hem uw gebrek bekend te maken. Van u kan gezegd worden: die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet noodig, maar die ziek zijn. De God dezer eeuw heeft uwe zinnen verblind, dat u niet zoude bestralen de heerlijkheid van het Evangelie. O! als gij zoo blijft zoo
35
als gij nu zijt, en in het arm toevluchtnemend geloof tot den Heere Jezus niet wordt gebracht; indien gij aan deze zijde des grafs Hem niet leert kennen, zoo als Hij gekend moet worden tot zaligheid, ja! dan zult gij Hem eenmaal zien, maar dan niet meer, om uit Zijnen mond te hooren: ga henen, uw geloof heeft u behouden, maar: Gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb ti nooit gekend, O denk er om, voor u staat er geschreven: indien gij niet gelooft, dat ik Die ben, zult gij in uwe zonden sterven, en dat, dat zal wat te zeggen zijn, voor eeuwig verloren te gaan. O, als de goedertierenheid Gods uwe harten niet tot de bekeering beweegt, moge het dan de schrik des Heeren zijn. Nog is er kans voor u, om door Jezus van uwe geestelijke blindheid te worden genezen. Van die kranken die tol Hem kwamen, leest gij: Hij genas ze allen. Nog is Zijn arm niet verkort, telkens als gij hier zijt, of het Woord Gods opent, of naai die plaatsen u begeeft, waar van Jezus wordt gesproken, gaat Jezus voorbij. Och! om uw eigen heilswil bidden wij u, dat gij moogt beginnen te roepen: Heere Jezus, ontferm U onzer, dat gij eenzame plaatsen moogt opzoeken om uwe knieën voor Jezus te buigen, dat gij het gezelschap der wereld en der godde-loozen moogt verlaten. Wie weet of de Heere zich uwer nog niet wil ontfermen, ook aan u wil vragen: wat wilt gij dat Ik u doen zal? Haast u, behoud u om uws levens wil. Heere, open de oogen der blinden! zoo blijven wij bidden voor u. Maar er zijn er misschien, die een tijd hebben gekend, misschien toen zij nog jong waren, of op hunne ziekbedden, of als de dood hun dierbare panden ontnam, dat zij ook tot Jezus moesten roepen, maar door Hem niet zijn verhoord, en die nu zeggen, terwijl zij de wereld, en den duivel, en de zonde dienen: Jezus zal met ons niet te doen willen hebben, en die er nu zorgeloos onder weg leven, mogelijk met die gedachte, die de duivel u ingeeft om u zorgeloos en werkeloos te houden: wij zullen wel geen uitverkorenen zijn. O gevaarvolle toestand, waarin gij leeft en verkeert. Gij hebt geroepen tot Jezus. Hij heeft u niet verhoord, ziet, daarin hebt gij het duidelijke bewijs, dat gij niet geroepen hebt als een ellendige, dat de nood u niet drong, dat het alleen was uw eigen werk, en daarom zijn uwe- indrukken ook als eene morgenwolk, als een vroeg opkomende dauw wederom verdwenen. En gevaarlijker is uw toestand, indien gij heimelijk op zulke indrukken nog een grond van hoop vestigt. Gij zult er bedrogen in de eeuwigheid mede uitkomen. Er moet bij u e-en opstaan plaats hebben, het kleed uwer gerechtigheid, of van uw eigenwilligen godsdienst moet worden afgeworpen, gij zult als een schuldig en diep ellendig zondaar voor Jezus moeten komen, als een geestelijk
36
blinde, om van Hem te worden genezen. Beware u God voor elk zelfbedrog uwer harten. Och! ontdekke Hij ook u, uwen gevaarvollen toestand.
Maar zijn er ook onder u M. V., die geene rust meer kent in uw binnenste, die aanvankelijk nu eens sterker, dan eens flauwer roepende tot Jezus zijt gemaakt, maar die voor u zeiven van verre staat, niet gelooven kunt, dat de Heere Jezus met u in onderhandeling is gekomen, en die ook dat zalige troostwoord: ga henen, mv geloof heeft u behouden, niet van Hem ontvangen hebt. Het kan zijn, dat de Heere Jezus Zijn volk een tijd lang laat roepen. Zonder acht op hen te geven, dat er nog veel, zeer veel tusschen Jezus en uwe zielen is, dat moet worden opgeruimd en weggenomen. Het kan zijn, dat gij den mantel uwer gerechtigheid alleenlijk los hebt gemaakt, maar niet hebt afgeworpen. Maar dit is zeker: als de Heere Jezus Zijn zaligmakend werk in u heeft begonnen, al heeft Hij uw geroep niet verhoord, u verveelt dat roepen niet, en nacht en dag kent gij dus geene rust voordat gij ais een gansch ontbloot zondaar voor Hem nederliggende, ook dat woord van Hem hoort: ga henen, uw geloof heeft u behouden! Is Jezus niet in onderhandeling met u getreden, toen het bij u door genade eene dringende zielsbehoefte werd, om uit de wereld tot Hem te vluchten en te vlieden? Is u door Hem ook niet gevraagd: wat wilt gij dat Ik u doen zal? En was het ook niet uwe bede: Heere, dat ik ziende mag worden? Welnu, Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven. Hij zal ook tot u, die nu nog als gebondenen gansch en al krachteloos en machteloos, als blinden aan Zijne voeten ligt, dat zalige woord spreken: ga henen, uw geloof heeft u behouden. Klaagt dan, heilzoekende zielen! vrij uw nood aan Jezus; bidt Hem om geloofsoogen, ja klaagt maar overeenkomstig uwen staat. Hij is een meedoogende Hoogepriester, wordt maar niet moedeloos. Hij wordt bewogen over Zijn eigen werk, en niet over uw werk. Hij zal komen op Zijnen tijd, daar is nog nimmer een zondaar, die in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof zich tot Hem wendde, door Hem afgewezen. Stort vrij voor Hem uit uwe gansche ziel, zegt dan Hem waar het u hapert. En is het uwe bede: Heere, dat ik ziende mag worden, omdat gij door genade overtuigd zijt van uwe volslagen blindheid. Hij wil die bede verhooren, uwe blinde oogen openen. Och! wie weet of Hij het heden nog niet wil doen. Dat is de bevinding van Gods volk. Hij komt dikwerf ongedacht en onverwacht aan hunne zijde. Door mij laat Hij u heden vragen: wat wilt gij dat Ik u zal doen? Och dat uw antwoord in oprechtheid des harten dan zijn mocht: Heerei dat wij ziende mogen worden.
37
En gij kinderen Gods, die met Bartiméus van uwe geestelijke blindheid zijt genezen geworden. Dat oogenblik, waarop gij ziende mocht worden, is en blijft u onvergetelijk. Toen gij daar als een uit-geledigde in u zeiven, als een gansch ontbloot bidder en kermer voor Hem mocht nederliggen, en dat antwoord, zoo aan uwe harten gewaar werd: ga henen, uw geloof heeft u behouden. Waart gij toen wel in staat in verwondering en aanbidding als \'t ware verslonden, in woorden uit te drukken wat gij toen hebt gevoeld? Hoeveel zaagt gij toen niet in Hem; wat vrede, wat zaligheid genoot uwe ziel, wat luister en beminnelijkheid zaagt gij in Zijn Persoon. Ja toen kondet gij met de bruid, elk als \'t ware toeroepen; zulk een is mijn Liefste, mijn Vriend en Ontfermer, o, gij dochters van Jeruzalem. Al het volk Gods moest gij te zamen roepen om met u den Heere groot te maken, zich met u in den Drieëenigen God den God uwer blijdschap te verheugen. Dat volk, hoe heeft het niet met u Jezus voor uwe genezing met tranen van blijdschap gedankt. De wereld zelve, die het wonder zag, moest er van zeggen: dat is Gods hand en vinger. Toen was er geene andere keuze dan om Jezus op den weg uws levens te volgen, en dat als blinde in eenen weg, dien gij niet gekend, op een pad dat gij niet geweten hebt. Maar â als gij nu uw leven en uw wandel van toen af, tot aan nu, eens moogt overzien, zoude schaamte uw aangezicht niet moeten vervullen? Zoude de Heere ook niet tot u kunnen zeggen: dat heb Ik tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten? Hoe ongezind en onwillig is en blijft uwe natuur den Heere Jezus in doen en lijden te volgen. Hoe blind zijt gij gedurig, waar gij zien moest, en ziende of het althans willende zijn, waar gij blind moest wezen. Hoe dikwerf ontbreekt u het rechte gebruik van uw geestelijk gezicht, en hebt gij gemeend toen gij tot het volle licht gekomen zijt, dat gij alles te boven waart; hoe meer gij gevorderd zijt op den weg des levens, hoe meer gij uzelven uit de hand zijt gevallen. Och dat die kennis uwer ellende u meer en meer dringen moge, dagelijks in eiken stand en in elke betrekking, waarin de Heere u hier beneden gesteld heeft, tot dien Jezus uwe toevlucht te nemen. Die tot u spreekt: Ik raad ti dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur en oogenzaif om uwe oogen te zalven, dat gij moogt zien. Hij, zonder Wien gij niets doen kunt, zal dan uw Leidsman zijn door Zijn Woord en Zijnen Geest. Amen.
Ps. 72 : 6. 11.
38
III.
DE PARIZEER EN DE TOLLENAAR. Leerrede over Lukas 18 :9â14a.
PSALM 32 : 1â3.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Is de mensch M. V.! in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren, een kind des toorns van nature, gevallen in zijn verbonds-hoofd Adam, onderworpen aan de tijdelijke en eeuwige straffen, die God naar Zijn rechtvaardig oordeel op de zonden bedreigd heeft, niet gelukkig te noemen; wanneer God hem zijne zonden heeft vergeven, hem naar recht en wet niet wil schuldig achten, hem in één woord beschouwen wil alsof hij nooit de zonden gekend en gedaan heeft? Ja! nog meer, is zulk een, dien God daarbij het recht ten eeuwigen leven schonk, tot Zijn kind. Zijn erfgenaam aannam, niet bovenmate gelukkig te noemen? Zulk een zondaar wordt in Gods Woord gerechtvaardigd genoemd, en de grondoorzaak dezer rechtvaardigmaking moet niet in den mensch worden gezocht, noch geheel, noch ten deele, want na den val kan geen mensch door zijn eigen werk, verdiensten of waardigheid gerechtvaardigd worden, maar als een goddelooze, als een die den dood waardig is, alleen om de dadelijke en tijdelijke gehoorzaamheid van den Heere Jezus. Deze wordt den uitverkorene in Hem van voor de grondlegging der wereld, van God uit loutere genade toegerekend, en van Hem door het geloof aangenomen. Nu is alle roem aan de zijde van het schepsel uitgesloten, en is Christus den geloovige geworden tot wijsheid, tot rechtvaardgmaking, tot heiligmaking en tot verlossing. Terecht dus is Hij u, gij die gelooft, dierbaar. Och, dat Hij het ons allen zijn of worden mocht, en dat daartoe onder Gods onmisbaren zegen, dien wij bij het Woord Zijner waarheid noodig hebben, de overdenking dienstbaar mocht worden gemaakt van die heerlijke gelijkenis van den Parizeer en den Tollenaar. Vereenigen wij ons eerst in den gebede, om met en voor elkander dien zegen af te smeeken.
39
l.UKAS 18 : 9â14fl.
Ende Hij seijde oock tot sommige, die bij haer selven vertrouwden, dat zij rechtvoerdigh waren, ende de andere niets en achteden, dese geiijkenisse: Twee menschen gingen op in den Tempel om te bidden, de een was een Pharizeür, en den ander een Tollenaar.
De Pharizeür staende bad dit bij hem selven: o Qodt, ick dancke U, dat ik niet en ben gelijck de andere menschen, roovers, onrechtvaardige, overspeelders: ofte oock gelijck dese Tollenaar. Ick vaste tweemael ter weke, ick geve tienden van alles wat ick bezitte.
Ende de Tollenaar van verre staende en wilde oock selfs de oogen niet opheffen na den hemel, maer sloegh op zijnen borst, zeggende: o Godt, zijt mij sondacr genadigh.
Ick segge ulieden, dese gingh of gerechtveerdight in sijn huis (meer) dan die.
Wie uwer M. V. kent niet de schoone gelijkenis van den hoog-moedigen eigengerechtigden Parizeer, en van den nederigen oot-moedigen Tollenaar. Maar hoe bekend ook, zij is en blijft altijd belangrijk. Had Jezus in de voorafgaande gelijkenis zoo krachtvol aangedrongen op het aanhoudend en vertrouwelijk gebed des ge-loofs, en met eene redeneering van het mindere tot het meerdere de vraag voorgesteld: âZal God dan geen recht doen Zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?quot; hier wil Hij ons leeren, hoe ons gebed zijn moet, zal het door Hem worden verhoord. Trad in de eerste gelijkenis het leerstuk der uitverkiezing op den voorgrond, en had Jezus geleerd hoe zulke zondaars, door God in eeuwige liefde aangezien, uitverkoren in Christus, die krachtdadig door Hem bekeerd worden, met God worstelen in den gebede, totdat Hij hun Zijn heil heeft doen zien, Zijnen Christus hun geschonken heeft; hier is het de leer der gerechtigheid des geloofs, wie door God gerechtvaardigd, dat is vrijgesproken worden van schuld en straf, en recht krijgen op het eeuwige leven.
De aanleiding tot deze gelijkenis was, dat het alziend oog van Jezus daar onder de schare sommigen zag, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten. Hij zag er dus, die verzekerd bij zichzelven waren, dat hun, omdat zij brave, eerlijke, uitwendig godsdienstige menschen waren, de hemelsche gelukzaligheid van God als loon op werk zoude worden geschonken. Zoo oordeelen nog alle natuurlijke menschen, die God en zichzelven niet recht door genade leerden kennen, over zich zeiven. Zij leunen en steunen en vertrouwen op hunne deugden, die zij wanen te bezitten; op hunne plichten, die zij vervullen naar de uitwendige letter der wet. Zij behooren onder dezulken, van welke Salomo schrijft; ,,zij maken zichzelven rijk,quot; (Spr. 13 : 7) hoewel zij nog niets bezitten om voor God te kunnen bestaan. Ach! hoe bedrogen zullen zij met dat vertrouwen in de groote eeuwigheid uitkomen.
I
40
Wat is hunne rechtvaardigheid anders dan inbeelding, misleiding, bedrog en leugen; âwant alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niets onderworpen.quot; Rom. 10:3. Van deze gewaande rechtvaardige en hoogmoedige menschen, zegt Jezus dat zij anderen niet achtten. Kan zulks ook wel anders? Wanneer ons hart met hooge inbeelding van ons zeiven vervuld is, en men waant vee! beter, rechtvaardiger en heiliger dan andere menschen te zijn, dan zien wij uit de hoogte op anderen neder, en dezen achten wij weinig of niets. Dan alleen als wij door de genade Gods eene ware kennis van ons eigen zondig, diep bedorven hart hebben ontvangen, en wij een geestelijk oog in de heilige wet des Heeren bezitten, en met David met het hart leerden instemmen: wie kan zijne afdwalingen verstaan? en met hem leerden bidden: âreinig ons o God van onze verborgen zonden,quot; dan is ons hart niet verheven, en zijn onze oogen niet hoog, dan is onze hoogmoedige natuur verbroken, en zijn wij nederig van harte. Daarom is het een kenmerk van den waren genadestaat, anderen uitnemen-der te achten dan zichzelven. Terecht zong daarom de dichter: âGod ziet van verre met gramschap aan, den ijdelen waan, der trotsche zielen.quot; Ook Jezus, onze groote God en Zaligmaker, Die niet van noode had, dat iemand getuigen zou van den mensch, want Hij zelf wist, wat in den mensch was, Joh. 2 : 25, zag met zulk een oog sommigen aan, die bij zichzelven vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en anderen niet achtten; die zooals een profeet hen geteekend heeft, zeggen zouden: âhoudt u tot u zeiven, en naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij,quot; Jes. 65 : 5. Hij, Die niet gekomen was om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering, droeg daarom deze gelijkenis voor, om,ware het mogelijk, hunne zielen nog te redden van het verderf. Laat ons nu deze gelijkenis nagaan, en
1°. Daarin het gebed beschouwen van den zichzelven ver hef fenden Parizeer, dan 2°. Het gebed van den ootrnoedigen Tollenaar.
3°. Eindigen wij dan met het woord van toepassing.
Moge de Heilige Geest ons allen deze gelijkenis recht doen verstaan, tot onze ontdekking, bemoediging of vertroosting.
1°. Wenschte ik met u het gebed van den zichzelven ver hef f enden Parizeer te beschouwen.
Twee menschen gingen op in den tempel om te bidden. De een was een Parizeer en de andere een Tollenaar.
Daar de tempel op eenen hoogen berg lag, wordt gezegd dat zij
41
LSVMiWl*
opgingen, om te bidden. Tot Gods bedehuis was die tempel door Salomo gewijd, en God wil dat wij in Zijn huis ons te zamen zullen vereenigen, om met en voor elkander te bidden, en de belofte Gods aan Zijn volk is: âIk zal hen in Mijn bedehuis verheugen.quot; Welnu twee menschen, beide in zonde ontvangen en geboren in ongerechtigheid, beide kinderen des toorns van nature, gingen op in den tempel om te bidden. Maar als twee hetzelfde doen, is het daarom niet hetzelfde. Denkt met mij aan Kaïn en Abel, die beide offerden, maar God zag alleen Abels offer aan; maar Kaïns offer zag Hij niet aan. De eene bidder was een Parizeer, de ander een Tollenaar. Laat ons eerst den Parizeer beschouwen. Hij behoorde tot die godsdienstige secte der Joden, welke de bescheidenste genaamd wordt. Hand. 22 : 3. De Joden noemden hen die daartoe behoorden, Farizeërs, dat beteekent afgezonderden, omdat zij zich van de menigte onderscheidden door eene bijzondere kleederdracht en levenswijze, door een uitwendigen godsdienstzin en uitwendige ingetogenheid. Zij onderhielden de ceremoniële wet van Mozes stipt, ja hadden aan de wet hun door God geschonken, niet genoeg, maar voegden daarbij vele menschelijke inzettingen en overleveringen. Zij waanden, als zij de wet naar de letter opvolgden, zich van grove zonden en de besmettingen der wereld onthielden, dat zij dan heiligen en rechtvaardigen voor God waren. Zij waren over het algemeen genomen, eigengerechtigde, hoogmoedige, zelfzuchtige schepselen, die, terwijl zij, zoo als Jezus zeide, het buitenste des drinkbekers en des schotels reinigden, van binnen vol roof en onmatigheid waren, en den godsdienst als denkmantel bezigden om hunne vleeschelijke lusten en begeerlijkheid te bevredigen. Welnu, één van die secte ging op in den tempel om te bidden. Daarin gekomen, moeten wij ons voorstellen, dat hij door het volk drong, om in het voorhof des tempels, de plaats des gebeds, eene plaats in te nemen, van waar hij door allen konde worden opgemerkt. Nu schikte hij zich tot het gebed. Jezus zegt: staande bad hij bij zichzelven. Dat staan was niet zondig; in den tempel mocht niemand zitten als hij bad. Daarom zegt ook Jezus: âals gij staat om te bidden,quot; Mark. 12 : 25, en uitdrukkelijk lezen wij, dat de Heere zegt van het gebed van Mozes en Samuël, ,,al stonden zij ook voor Mijn aangezicht, zoo zoude toch Mijne ziel tot dit volk niet zijn,quot; Jerem. 15:1. Dat staan bij het bidden gaf juist eerbied, gehoorzaamheid en dienstvaardigheid te kennen, aan knechten eigen als zij voor hunne heeren-verschenen; hoeveel te meer betaamt het dan niet den nietigen menscli, wanneer hij tot den Heere der heeren nadert, om in het geloof tot Hem te spreken? De Parizeer stond zoo niet voor God,
42
maar in die gestalte, zooals Jezus de geveinsden teekende, dat zij gaarne in de Synagogen en op de hoeken der straten stonden te bidden, opdat zij van de menschen mochten gezien worden, Matth. 6:5, en nu bad hij bij zichzelven, terwijl hij zichzelven in zijn hart zegende, vol trotschen eigenwaan, niet de eere Gods maar zichzelven met zijn bidden bedoelende. Wat bidt hij? Ik dank U, o God!
Is dit bidden? moet zoo een mensch, zoo vol ellende door de zonde zoo elk oogenblik door den dood bedreigd, moet zoo het schuldige Adamskind, dat, als God met hem wil richten op duizend vragen geen één woord kan antwoorden, verschijnen? Ach! die Parizeer, gelijk allen met hem, die rijk en verrijkt zijn, en geen dings gebrek hebben, kende geene behoefte aan Gods genade in Christus, aan vergeving van schulden, aan bekwaam makende genade door den Heiligen Geest, om God die een Geest is, in geest en waarheid te mogen dienen. O neen! in plaats van te bidden, dankt hij; zegt hij: ik dank U God; zijn goddeloos ik had hij alleen in het oog, al sprak hij God, voor hem een onbekende God, aan. Helaas! zoo is, zoo bestaat de zondaar van nature; zoo lang hij door den Heiligen Geest niet overtuigd is geworden van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zoo lang wij ons niet als arme, ellendige, dood- en doemschuldige zondaren in ons zeiven voor God hebben leeren kennen, mogen wij bidden, maar hebben wij nog nooit in waarheid gebeden. Daarom, als natuurlijke menschen bidden, dan beginnen zij zooals de Parizeer bad. Wij danken, wij loven, wij prijzen U, o God! en ach! zij verstaan en begrijpen zichzelven niet in hetgeen zij uitdrukken; daar zij den Geest der genade en der gebeden missen, hebben zij geen bidden geleerd.
En waarvoor dankte hij nu God? Dat hij niet was gelijk andere menschen, roovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze Tollenaar. Welk eene zelfverheffing! Zoo durft hij, de geruste en trotsche zondaar, tot God spreken. In plaats van vol smart en droefheid al de zonden zijns levens, zijne onmetelijke schuld, zijne afwijkingen van de heilige wet en het woord des Heeren te belijden, zichzelven aan te klagen, beschuldigt hij anderen als zondaars, die zich aan grove overtredingen, door de wet Gods verboden en met den vloek bedreigd, hebben schuldig gemaakt. Ach! vanwege zijne geestelijke blindheid ziet hij den splinter alleen in het oog van anderen, en merkt hij den balk niet op, die in zijn eigen oog is. Welk eene zelfverheffing nog eens! Hij schreef niet aan Gods vrije en onverdiende goedheid toe, dat hij bewaard was gebleven voor die grove, door Gods wet veroordeelde zonden en ongerechtigheden, dat zonde hem een ootmoedig en nederig hart geschonken hebben,
43
emmm
en hem opgewekt hebben God er de eere van te geven; hij zelfs was de man, die zulks niet had gedaan, die zichzelven, zooais wij het nog in het dagelijksche leven uit den mond van natuurlijke men-schen hooren, daarvoor bewaard had. â Welk eene dwaasheid openbaarde hij in zijne gewaande wetenschap, want al was hij geen onrechtvaardige, roover, overspeler, daarom was hij nog geen rechtvaardige, geen die het goed van niemand begeerde, geen die nooit eene vrouw\'had aangezien met vleeschelijke lusten, die niet gezondigd had tegen het gebod: gij zult niet begeeren. Men is immers nog niet rijk en wijs, al behoort men niet onder de bedelaars of dwazen. Maar inzonderheid dankt hij God, dat hij niet is, zegt hij, aan den Tollenaar gelijk. De Tollenaars waren de allerslechtste menschen, volgens zijn oordeel, dat moest dus ook die Tollenaar zijn, dien hij daar tegenover zich zag staan om te bidden. Welk een lichtvaardig oordeel; welk eene üefdelooze veroordeeling van zijnen naaste! Waarlijk, als hij het geringste vonkje ware liefde tot zijne naasten had gehad, dan had hij zich zoo niet durven uitdrukken; dan had hij voor dien slechten Tollenaar, dien hij zag dat in den tempel was gekomen om te bidden, gebeden dat God dezen had mogen bekeeren.
Had de Parizeer God gedankt voor hetgeen hij niet was, nu in plaats van te bidden begint hij God te vertellen wat hij al gedaan had en nog deed. Zag hij geene zonde in zich, hij noemt nu zijne deugden op. En wat waren die deugden? Ik vast, zegt hij, tweemaal ter week, ik geef tienden van alles wat ik bezit.
Het vasten, M. V.! moest dienen om het vleesch te tuchtigen, en geschiedde uit boetvaardige vernedering voor God. God had één algemeene vastendag op den grooten Verzoendag ingesteld (Lev. 16 : 29), en op tijden als God om der zonden wil het volk met oor-deelen bezocht. De Parizeer had meer gedaan dan de wet Gods voorschreef: hij had vrijwillig de menschelijke inzetting, die door de Joodsche leeraars was ingevoerd, opgevolgd; hij vastte tweemaal des weeks, en dat op Maandag en Donderdag, welke vastendagen waren ingesteld, omdat Mozes op Donderdag den berg Sinaï had beklommen, en op Maandag was teruggekeerd tot zijn volk. Zoo vroom was hij, maar ach! de Parizeërs vastten niet tot hunne verootmoediging, maar tot voedsel voor hunnen hoogmoed, om hunne aangezichten te mismaken, en een droevig gelaat te vertoonen, en van de menschen gezien te worden (Matth. 5 : 16).
Hun vasten was niet om het vleesch en deszelfs begeerlijkheden te kruisigen, maar om daarvan hunne gerechtigheid te maken, en daarop als een gedaan werk zich te verheffen en te rusten. Zulk een
44
vasten was in de oogen des Heere;i een gruwei (Jes. 58 : 3â5). Maar de Parizeer had nog meer gedaan. Ik geef tienden van alles wat ik bezit, zeide hij, of gelijk er beter wordt vertaald, van alles, wat ik verwerf. Van de vruchten en inkomsten des lands moesten volgens de wet de tienden worden gegeven aan de Leviten, Num. 18 : 21, en van deze tienden moesten dezen wederom de tienden geven aan de priesters. De Parizeer roemde voor God dat hij niet op de wijze der onrechtvaardigen iets achterhield, hij gaf van alles, ook van de minste kruiden de tienden, ook de dille, de munte en \'t komijn vertiende hij (Matth. 23 : 23), maar niet uit het beginsel van dankbaarheid voor hetgeen God hem had geschonken; dan zeker zoude hij het zwaarste der wet niet hebben nagelaten, gelijk Jezus den Parizeërs verweet; maar om boven andere menschen als bijzonder godvruchtig uit te munten. Ja! zooveel gaven zij, om daardoor meer tijdelijke goederen van God te verkrijgen, niet dus uit liefde tot het gebod Gods maar uit gewinzucht; daarom was het een spreekwoord der Joden: vertient, opdat gij rijk moogt worden. Zoude zulk een werk Gode dan aangenaam kunnen zijn? Neen, immers al gaf men ook alle zijne goederen tot onderhoud der armen, en miste de ware liefde Gods en des naasten, beteekende het bij God niets (1 Cor. 13 : 3). Wanneer wij nu alles te zamen nemen, dan komt het bij den Parizeer daarop neder, dat niet hij God, maar God hem integendeel danken moest voor alles, wat hij onverplicht Hem ten offer brengt. Welk een blinde eigenwaan, welk eene verfoeielijke eigengerechtigheid, welk een roemen en steunen op eigen werken was er in dat bidden en danken van dien Parizeer. Dat is het bestaan van alle wijzen en eigengerechtigden in eigen oogen. Onbekend met de zonden en diepe bedorvenheid hunner harten, hebben zij geene wedergeboorte, geene bekeering noodig, kennen zij geene behoefte aan een Verlosser van zonde, van schuldverzoening door Zijn bloed, en verwerpen zij daarorq. door het goddeloos ongeloof hunner harten, die dierbare heilswaarheden, die getroost leeren leven en zalig sterven.
Maar beschouwen wij nu het gebed van den ootmoedigenTollenaar.
De Tollenaars waren de inzamelaars van de tol of schatting, welke de Romeinen van de volken, die zij overwonnen hadden, eischten. Ook het Joodsche volk, hetwelk aan hen onderworpen was^moest die opbrengen. Vele van deze inzamelaars plegen zich aan vele onrechtvaardigheden en geldafpersingen schuldig te maken; vandaar den algemeenen haat, die er tegen zulken bestond. Ja, zoo veracht waren zij bij de Joden, dat zij als de grootste zondaars, de slechtste menschen werden beschouwd.
45
aHEat
De Tollenaar in deze gelijkenis was geen Heiden, maar een Jood, want hij ging op in den tempel om te bidden. De Heere had hem op den breeden weg des verderfs, waarop hij wandelde, opgekeerd en omgekeerd, had hem aan zijne gansche ellende en verlorenheid door de zonde ontdekt. Hij was door den Heiligen Geest overtuigd geworden van zonde, gerechtigheid en oordeel, en nu hij uit de behoefte zijner ziel opging in den tempel om te bidden, was die groote wonderdadige verandering, die er bij hem had plaats gehad, op te merken uit zijne houding en gedrag, uit zijn smeekgebed, hetwelk hij voor het aangezicht des Heeren uitstortte. Wat leest gij van hem? Dat hij van verre stond, dat hij de oogen niet wilde ophelfen naar den hemel, dat hij op zijne borst sloeg.
Hij staat van verre. In den tempel gekomen, drong hij niet door de menigte, maar plaatste zich in eenen afgelegen hoek. Ach! hij gevoelde zoodanig zijne zonden, en was er door genade zoo over aangedaan, zulk een groot zondaar en onwaardig schepsel was hij in zijne oogen voor God, zichzelven en de menschen, dat hij niet durft naderen. Hij meende dat er geen schuldiger, onreiner, strafwaardiger schepsel op aarde gevonden werd, dan hij was. Hoe zoude hij met de kennis van de hoeveelheid, de grootheid, de gruwelijkheid zijner zonde voor de oogen van een heilig God durven verschijnen. Die te rein van oogen is, dan dat Hij het kwade zou zien! Hij, de walgelijke, de onreine zondaar was beschroomd en bevreesd om voor God te verschijnen, daarom naderde hij van verre. Verre gevoelde hij zich van God, want de zonde maakte eene scheiding tus-schen God en hem; hij had het door zijne zonden verdiend, dat hij eeuwig van de gemeenschap Gods vervreemd bleef; ja, dat hij niet waardig was tot God te naderen, en nochtans hoe verre ook in zijn gevoel van God, konde hij van God niet wegblijven, werd hij tot God getrokken. De geboorte uit God, wanneer deze ons is geschonken, kan ons van God niet doen wegblijven.
Maar hij wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel. Vol schaamte en schuldbesef houdt hij zijne weenende oogen naar den grond gevestigd. Hij is beschaamd en schaamrood om zijn aangezicht tot God, Die op eenen troon zit, waarvan gerechtigheid en gerichte de vastigheden zijn, op te heffen. Hij zag niet op naar den hemel, omdat hij op zichzelven lette; hij zag niemand dan God en zijn eigen zondig, schuldig, diep bedorven hart. Droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt, deed hem de oogen voor dien God, Dien hij zoo zeer door zijne zonden vertoornd had, nederslaan, en nochtans was het geene vertwijfeling of wanhoop, gelijk Judas en Kaïn bezaten. Zijn oog en hart
46
waren niet naar den afgrond gericht, maar tempelwaarts tot God.
En hoe stond hij daar nu van verre, met nedergesiagen oogen? Hij sloeg op zijne borst. Onder de uitwendige teekenen van groote droefheid was het slaan op de heupe, gelijk wij dat van Efraïm lezen, (Jer. 31 : 19) of ook het slaan op de borst, niet met de vlakke hand, dit toch was een teeken van vrijmoedigheid, maar met een gesloten hand, het teeken van harttreffende droefheid, gelijk wij zien bij de scharen, die uitgegaan waren om de kruisstraf van Jezus te aanschouwen; zij keerden weder slaande op hunne borsten van ontsteltenis en benauwdheid. Wat gaf zulks te kennen? Hij sloeg op zijne borst, om zijn hart aan te duiden als de vuile en onreine modderpoel van alle goddeloosheid en eene woning des duivels. Hij gaf er mede te kennen, dat het niet zijne uitwendige zonden alleen waren, die hem benauwden, maar dat hij altijd met zijn hart had gezondigd, met genegenheid en wil, met zijne gedachten, lusten en begeerlijkheden, met zijne gansche ziel en hart. Daar binnen dus brandde de wonde, gevoelde hij pijn, knaagde zijn geweten, bloedde zijn iiart, dat in een vleeschen hart was veranderd, hetwelk niet alleen een levendig gevoel over de treurige gevolgen der zonden, maar ook over de zonde zelve bezat. Hij gevoelde dus de doodelijke plaag zijns harten, want het harte is de spiingader des levens. Ja, juist door dat slaan op de borst, nam hij als \'t ware wraak over zijn snood en goddeloos hart, alsof hij had willen zeggen; gij hebt de slagen des Almachtigen u waardig gemaakt, met de hand van Gods grimmige wraak en met de vuist des Satans voor eeuwig geslagen te worden. Geene droefheid was bij de zijne te vergelijken, nu hij zag, dat hij met het hart tegen God had gezondigd. Het was alsof hij in bittere benauwdheid van zijn gemoed luide uitriep: ,,0, mijn ingewand! o, mijn ingewand! ik heb barenswee; o, wanden mijns harte!quot; (Jer. 4 : 19). Ziet, zoo stond daar de zichzelven verfoeiende, ootmoedige Tollenaar in den tempel; maar hij wanhoopte nochtans niet. Hij bad: o God, zijt mij zondaar genadig! Zijn gebed, M. V. bestaat slechts uit weinige woorden, niet omdat zijn hart zoo ledig, neen! juist omdat het zoo vol was. Tot God! zijnen Richter, tegen Wien hij gezondigd heeft, neemt hij zijne toevlucht. Juist omdat God Zichzelven aan hem ontdekt en geopenbaard heeft, en hij daarom geloofde dat God hem zijne zonden konde vergeven, hem genadig en barmhartig konde zijn in Zijnen Zoon, greep hij naar de hoornen van het altaar, om zijn leven te behouden. Hij wierp zich neder voor den genadetroon van den ontfermenden God, en elk woord dat hij uitsprak was een gebed, waarvan de Heilige Geest de Werkmeester was. Hij bad: o God! zijt mij zondaar ge-
47
nadig. Hij bidt dus voor zijne eigen zondige en verloren ziel. Hij
erkent, dat hij een zondaar, een snood, onheilig en verdoemelijk zondaar is. Zijne ongerechtigheid is vermenigvuldigd tot boven zijn hoofd, en zijne schuld is groot geworden tot aan den hemel. Hij billijkt en rechtvaardigt God in het gericht, voor Hem getrokken, indien hij hem voor eeuwig van voor zijn aangezicht verwierp, maar hij bad toch ook nog om genade, of, geüjk dat woord beter vertaald, beteekent: o God! zijt met mij zondaar verzoend. Die genade, die verzoening bad iiij, die als een goddelooze, met zijn onderteekend doodvonnis voor God kwam, alleen op grond van de zoenofferande van den Messias. De Heilige Geest overtuigt niet alleen van zonde, maar ook van gerechtigheid. Welnu, deze is alleen in Jezus Christus te vinden, die de geloovigen Heere! onze gerechtigheid noemen. Dat ootmoedig gebed van den Tollenaar, daar de zonde hem drukte, en het hem zeer bange was, was een geloovig bidden om de vergeving zijner zonden, de bedekking zijner schuld van God te mogen ontvangen, om de voldoening van Christus. Zijne begeerte was, dat God hem de verzekering van de vergeving zijner zonden mocht schenken en hij daarvan voor zichzelven de bewustheid mocht ontvangen, want zonder dat was er geene rust voor zijne door zonden verslagen ziel. Hij, die door genade zich als een arm en ellendig, machteloos en krachteloos zondaar voor God had leeren kennen, bidt, dat God hem niet alleen zijne zonden moge vergeven, maar hem aannemen moge tot Zijn kind, en hem moge maken een erfgenaam van genade en heerlijkheid, en hem beschikken moge allerlei heil. En moge hij die bijzondere genadeweldaden niet hebben opgenoemd, zij allen waren vervat in zijn gebed, dat God hem genadig mocht zijn. En mocht God hem dan maar de minste genade willen schenken, voor hem, omdat hij zulk een groot zondaar en alle genade onwaardig was en bleef, zoude, als God zijn gebed wilde verhooren, het eene onuitsprekelijke groote genade zijn en blijven.
Hebben wij nu de beide bidders beschouwd. Ik zegge ulieden, sprak Jezus, deze, namelijk de Tollenaar, ging af gerechtvaardigd in zijn huis (meer) dan die, te weten de Parizeer. Wij hebben hier eene plechtige verklaring van Jezus, de Amen, de Waarachtige God. De ootmoedige Tollenaar ging gerechtvaardigd, dat is, vrijgesproken van schuld, en een recht verkregen hebbende op het eeuwige leven, naar zijn huis terug, meer dan de Parizeer. Die uitdrukking hebben wij, M. V., niet zoo te verstaan, dat ook hij van God is gerechtvaardigd geworden. Neen! dat zoude met het Woord Gods, dat door de werken der wet geen vleesch voor God zal gerechtvaardigd worden, Rom. 3 ; 20, en dat hij die zijne eigen rechtvaardigheid
48
opricht, der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen is, Rom. 10 : 3 in strijd zijn. De zin van die woorden: meer dan die, is alsof er geschreven stond: niet die. Zulke uitdrukkingen vindt gij meer in den Bijbel, dat een vergelijkend deelwoordje eene geheele ontkenning te kennen geeft. Bijv. het is beter tot den Heere zijne toevlucht te nemen, dan op menschen te vertrouwen, Ps. 118 : 8. Want het is beter dat gij weldoende lijdt, dan kwaad doende, 1 Petr. 3:17. Het eerste is goed en niet het laatste, en voor die woorden beter dan, hebben wij het woord niet te stellen. Zoo ook hier, meer dan die, dat is deze niet.
Komt, laat ons nu niet de toepassing eindigen, nadat wij gezongen hebben Ps. 72 : 6, 7.
3°. Laat ons eindigen met de toepassing.
Jezus zag, M. V., onder de schare sommigen, die bij zichzelven vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en anderen niet achtten. Zouden er ook dezulken onder ons, in ons midden, nog worden gevonden? Zekerlijk, want zoo is onze natuur. Als God ons bewaard heeft voor grove uitwendige zonden en goddeloosheid, en wij in die standen en betrekkingen, waarin de Heere ons heeft gesteld, uitwendig onze plichten waarnemen, en wat de godsdienst betreft, ons daarvan niet onttrekken, en niemand om zoo te spreken, aanmerkingen op ons maken kan, dan meenen wij, rijk en verrijkt zijnde en geen dings gebrek hebbende, dat het goed met ons staat bij God, dat wij rechtvaardig zijn in Zijne oogen, dat, als wij sterven, de hemel zekerlijk voor ons zal geopend zijn. Voor onze tekortkomingen en gebreken heeft de Heere Jezus voldaan. Hem geloofden wij, het Woord Gods verwierpen wij niet, en ziet! op deze gronden van onze werkheilige en eigengerechtigde natuur steunen en leunen en vertrouwen wij. Ach! hoe bedrogen zullen wij in die groote eeuwigheid uitkomen; meenende in te gaan, zullen wij eenmaal niet kunnen. Wat is het gevolg van dat valsche vertrouwen, dat wij rechtvaardig zijn, omdat wij, zooals wij ons uitdrukken, zoo veel in ons is, het goede doen, en het kwade laten? Dat wij anderen niet achten? Ja, even vijandig als wij dan zijn van nature van de prediking van wedergeboorte en geloof, zijn wij het inzonderheid in onze harten, ai durven wij het voor de wereld ook niet te betoonen, jegens zulken, die deze heilsweldaden van God hebben ontvangen en openlijk verkondigen, dat uit de werken der wet geen vleesch voor God kan gerechtvaardigd worden, en alle die deugden van den natuurlijken mensch, die nog vervreemd is van het leven Gods, niets dan blinkende zonden noemen. Zouden er ook nog niet onder ons worden gevonden, die met die sommigen, waarvan onze tekst
49
spreekt, bij zichzelven vertrouwen dat zij rechtvaardig zijn? Och! dat gij allen, die u zeiven voor rechtvaardig houdt, dat woord van den Heere Jezus eens mocht overwegen, âtenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en Farizeërs, gij zult in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan,quot; Matth. 5 : 20, hoe verschrikkelijk moet het niet zijn, met eenen ingebeelden hemel, eene gewisse hel te moeten ingaan. Och! om uws eigen heilswille, bidden wij u, dat gij u eens afvraagt, of al dat zoogenaamde goede, dat gij doet en bezit, in staat zal zijn, de rekening uwer zonden en overtredingen te vereffenen; of het bij u voorkomt uit het geloof, naar de wet Gods, ter eere van God uwen Schepper en Weldoener. Wij vreezen, dat als er geene waarachtige bekeering bij u plaats heeft, en gij u als arme, dood en doemschuldige zondaars voor God leert kennen, die in het arm zondaarsgeloof tot Jezus en Zijne gerechtigheid uwe toevlucht neemt, gij die laag op anderen nederziet, eens uit den mond van Jezus zult hooren; ,,Weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend.quot;
Ook wij zijn in het huis Gods opgegaan om te bidden, en naar den aard der Christelijke liefde, hoop ik, dat er niemand onder u worde gevonden, die leeft buiten het gebed, die het bidden durft nalaten. Maar als wij ons zeiven nu eens voor God, Die lust heeft aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste. Die harten kent en nieren beproeft, onderzoeken, hebben wij dan tot nu toe ook als de Parizeer gebeden, of is het Tollenaarsgebed ons geene onbekende zaak? Ach, zoolang wij niet door genade ontdekt zijn geworden aan de plagen onzer harten. God ons onze ellende door de zonde uit de wet niet heeft leeren kennen, ons zelve als arme, verlorene, dood- en doemschuldige zondaars bewust zijn geworden, dan bidden wij met de lippen, maar niet met het hart. De Heilige Geest, die ons van zonde, gerechtigheid en oordeel moet overtuigen, is de Geest der genade en der gebeden. Indien wij Hem als inwoner in onze harten missen, dan heerscht in ons het zondig en vleeschelijk gezinde eigen ik, en dat ik weet niet van bidden, dat dankt op zijne wijze, dat wij geene snoode overtreders van Gods uitwendige geboden en inzettingen zijn, gelijk er zijn die door God zijn losgelaten tot de uitgieting van allerlei zonden en ongerechtigheden. Zoo lang onze blinde oogen niet geopend zijn geworden voor de geestelijkheid der wet, zien wij alleen op den uitwendigen schors, en achten wij ons zeiven uitnemender dan anderen, indien wij ons in onderscheiding van velen zelfs verbeteren. Ja, M. V.! diep, zeer diep zit het Farizeërs bestaan in onze harten. Ook zelfs bij eene rechtzinnige belijdenis, dat de mensch uit zichzelven goddeloos is, en alle zijne
50
gerechtigheid een wegwerpelijk kleed is, dat wij buiten ons de gerechtheid van Christus moeten zoeken en met belijdenis van zonden, als misdadigers door het geloof, die gerechtigheid moeten aannemen. Ja! als wij zulks met het hart geloofden, dan ware het wel met ons. Maar helaas! zouden er ook onder ons niet zijn, die meenen dat zij gerechtvaardigden zijn voor God, omdat zij dit belijden en geiooven, en van deze kennis, belijdenis en toestemming hunne gerechtigheid maken, vooral als daarmede een uitwendig deugdzaam en godsdienstig leven gepaard gaat. Dezulken meenen dat zij om het geloof gerechtvaardigd worden, en hun gebed is God te danken, te loven en te prijzen dat zij zoo zijn. Zij geiooven dat Jezus hun Zaligmaker is, hebben zich nimmer bevindelijk als geheel godde-looze, verdoemelijke hellewichten leeren kennen. Zij geiooven in eigene kracht. Wat kan ons bidden dan anders zijn, dan een bidden van den Parizeer, hetwelk door God wordt verworpen? En zulke bidders, al bezigen zij ook het woord genade, zullen door den duivel misleid, bedrogen in de eeuwigheid uitkomen.
Hebt gij wel ooit nog met den Tollenaar gebeden: o God zijt mij zondaar genadig, dan moet gij gansch en al in uwe zielen overreed zijn door de werking des Geestes, dat gij vanwege uwe erf- en dadelijke zonden vloekwaardige schepselen voor God zijt. Dan neemt gij met een door zonden verbroken hart, boetvaardig daar de Heilige Geest ook overtuigt van gerechtigheid, die Hij u ontdekt dat alleen in Jezus Christus voor in zichzelven ellendige en verlorene zondaars is te vinden, in het arm zondaarsgeloof tot Hem uwe toevlucht, omdat gij gelooft dat Gcrd een verteerend vuur voor den goddelooze is. Dan hebt gij niets noodig dan vrije Goddelijke genade. Dan hongert en dorst gij alleen naar die genade, dan ontzinken u alle leunsels en steunsels, en de barmhartigheid van Christus in uw eeuwige pleitgrond. Ja! die een tollenaarshart ontvangen heeft, die bidt met hem met tranen en smeekingen, alleen genade. Met koningin Esther zegt hij: kom ik dan om, zoo kome ik om! Maar Heere! van U kan ik niet wegblijven. Zulk een bidder grijpt als \'t ware met eene bevende hand de hoornen van het altaar Zijner genade, worstelt met een Jakob met den Engel des Verbonds, en het: zijt mij o. God! genadig, laat Hem niet los, voordat Hij hem heeft gezegend. Zulk een bidder gaat gerechtvaardigd naar zijn huis. En wat is dat huis? Het paradijs Gods, waaruit hij door de zonde is verdreven, maar hetwelk de Heere Jezus voor al Zijn arm, behoeftig en ellendig volk. Hem van den Vader gegeven, voor hetwelk Hij den losprijs voor hunne zonden heeft opgebracht door Zijne dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, zonde voor hen ge-
51
HVMM\'l*
maakt, opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in of door Hem, wederom ontsloten heeft. Naar dat huis des Vaders, dat Jezus voor Zijn volk heeft ingenomen, is hunne pelgrimsreis op aarde; daarin heeft Hij voor ieder en allen te zamen plaatsen bereid. Naar dat huis gaan arme ootmoedige Tollenaars en zondaars, die de Heilige Geest leerde bidden: o God! zijt ons zondaars genadig; alle hoogmoedige Farizeërs blijven buiten dat huis.
Zijn er onder u, M. V., die bekommerd voor u zeiven uwen weg bewandelt, en zegt: zouden wij nog wel aan dien ootmoedigen Tollenaar gelijk zijn geworden? Zouden wij nog wel immer in waarheid dat gebed: zijt ons genadig o Heere! hebben gebeden? Och! of wij dat gelooven mochten! gelooven konden! gelooven durfden! Maar ach! wij vreezen, dat wij nog eens bedrogen met den Parizeer zullen uitkomen, meenende gelijk hij in te gaan, en niet te kunnen. Is dat waarlijk uwe bekommernis, omdat gij het troostelijk gevoel uwer rechtvaardigmaking nog mist, de bewustheid voor u zeiven door genade, dat gij een dier gerechtvaardigden zijt, waarnaar ,311e waarlijk ontdekte zondaars staan. Stelt u eens voor het aangezicht des Heeren. Heeft de Geest Gods u grondig overtuigd, dat gij geene gerechtigheid hebt, maar een goddelooze zijt, liggende onder den vloek der wet? Drukt u de last uwer zonde en ongerechtigheden, dat gij als een vermoeide en belaste, gansch hulpeloos in u zeiven u tot Jezus hebt moeten wenden? Weet gij u zeiven noch door tranen, noch door goede begeerten, noch door iets anders meer te redden, omdat gij u verloren gevoelt? Zegt mij, weet gij eenen anderen weg dan alleen Christus, en de genade om uw leven te behouden? Och! wat wij u bidden mogen, geeft den Parizeer in u geen gehoor, want hij leeft in u, om u wijs te maken, dat er nog dit of dat bij u zijn moet, en in u bestaan moet, voordat gij zeggen moogt gerechtvaardigd te zijn. Een staan van verre in den verborgen hoek der tranen en des geweens, omdat men tegen God heeft gezondigd, is de wieg en bakermat van eiken zondaar, die geroepen wordt tot Gods gemeenschap in Christus door Zijn Woord en Geest. Is u die plaats bekend? Een slaan op de borst, dat duizend en duizend maal herhaald wordt in het leven van Gods kinderen, als de Heere door genade hunne zonden ontdekt, is het eerste levensteeken van zul-ken, die de wedergeboorte hebben ontvangen. Bezit gij dat teeken? Een bidden: o God! zijt mij zondaar genadig, dat blijft zoo lang hij inwoont in het lichaam der zonde, en uitwoont van den Heere, is de eerste levenskreet van een kind Gods. Is dat gebed de ademtocht uwer ziel geworden? Moogt gij zeggen: bij deze dingen leeft mijne ziel, en vind ik mijn leven? O, dan is er voor u maar één weg om te
52
komen in de gemeenschap met God, die weg is de Heere Jezus, de algenoegzame volkomen Zaligmaker, Die u roept om u onbepaald en onbedongen aan Hem over te geven. Die weg is nauw, hij wordt bevochtigd met tranen, de vijand die listig is, de eigengerechtigde Parizeer die nog in u leeft, het ongeloof, zoekt u dien weg te versperren; maar voor u is er geen nood, armen en ellendigen in u zeiven, rijken heeft Hij ledig weggezonden, armen met goederen vervuld. Uwe zielen zullen den Heere blijven verwachten. Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven.
En gij M. V., die de bewustheid en het troostvolle gevoel uwer rechtvaardigmaking zijt deelachtig geworden, gij kent u zeiven, dat gij het geen oogenblik zeiven kunt bewaren. Kent gij tijden, dat gij juichen moest, dat de Heere door Zijne goedgunstigheid uwen berg heeft vastgezet. O! als God Zijn aangezicht verbergt, wordt gij wederom verschrikt. Ja, Asafs klachte zal u niet onbekend zijn: âHeeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijne barmhartigheden door toorn toegesloten?quot; O! dat geschiedt om uwer zonden wil, of als gij uwe eerste liefde hebt verlaten, of wat ook wel gebeuren kan, u op uwe genietingen en vertroostingen verheft, of van uwe verkwikkingen of gevoelige verruimingen uwen Christus maakt. Geeft God het u, dat gij die zonden belijden, die afwijkingen en afdwalingen betreuren moogt, en met dat âgena, o God gena,quot; voor God moogt vallen en bukken, dan gaat gij weder gerechtvaardigd naar uw huis en de vrede Gods in Christus Jezus, die alle verstand te boven gaat, vervult dan uwe zielen, zoodat gij met Hiskia moogt uitroepen: âHeere! Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, want Gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen.quot;
Kinderen Gods! wanneer gij naar den tempel opgaat om te bidden, en die tempel is overal waar de Geest Gods u opwekt, om het aangezicht des Heeren te zoeken, in het openbaar of in uwe verborgen, eenzame plaatsen, dan gaat met u de Parizeer en de Tollenaar; die twee ikken kent gij immers? De Parizeer in u weet van niets dan hoogmoedige zelfverheffing en verachting van uwe naasten; maar de Tollenaar in u wenscht niets anders, dan zich voor God te verootmoedigen in het stof, en te bidden, op grond van de eenige zoenverdiensten van Christus: âO God! zijt mij zondaar genadig.quot; Hoe meer gij van den Heere geniet, des te meer staat gij bloot voor zelfverheffing vanwege het zondige vleesch dat gij omdraagt. Hoe meer de Heere u schenken mag, als een ootmoedige Tollenaar voor Hem te verschijnen, ,,0 God, zijt mij zondaar genadig,quot; des te ootmoediger zult gij voor het aangezicht des Heeren wandelen. Hoe meer het u door genade zal mogen worden ge-
53
schonken, den Parizeer die in uwe wedergeboorte den doodsteek heeft ontvangen, maar nog niet in u is gestorven, recht te leeren kennen, hoe meer gij van hem zult gruwen, en hem haten met eenen doodeiijken haat. Het arme tollenaarsgebed heeft u het hart van God ontsloten. God de Heere kroont Zijn eigen werk. Als een arm, ootmoedig Tollenaar zal uw laatste levenskreet nog moeten zijn: âO God, zijt mij zondaar genadig.quot; Maar eens zal voor u, gekochte door het bloed des Lams, dat gebed ophouden. Den Parizeer zult gij achterlaten met het lichaam der zonde en des doods; als een ootmoedig Tollenaar zult gij in het huis des Vaders binnentreden, en dan erkennen. âHeere Jezus door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!quot; â Amen.
Ps. 2 : 7.
IV.
ISRAEL EN AMALEK.
Leerrede over Exodus 17 : 8-â16»
PSALM 73 ; 13, 14.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
A! wat geschreven staat in onzen dierbaren Bijbel, staat daar tot leering, tot bemoediging, tot vertroosting van Gods volk. Israels geschiedenis, zijne verlossing uit Egypte, zijne tochten in de woestijn, totdat de Heere hen in Kanaan bracht, wat is zij anders dan de geschiedenis van Gods kerk op aarde? Zoo lang die kerk hier op aarde is, is zij eene strijdende kerk, en is haar strijd tegen den duivel, de wereld en de zonde. Wat van de kerk als zoodanig gezegd mag worden, dat zij is het lichaam van Christus, bestaat uit de geloovigen, die Hern door het zaligmakend geloof zijn ingelijfd en ingeplant, dat mogen wij ook van eiken geloovige zeggen. Wanneer God den zondaar, dien Hij in eeuwige liefde gekend heeft, maar die van nature dood is in zonde en misdaden, door den Heiligen Geest levend maakt, en het God behaagt Zijnen Zoon in hem te openbaren, dan komt er strijd, en die strijd duurt zoo lang hij op aarde, in het lichaam der zonde en des doods leeft en verkeert.
Ja! de reis der kinderen Gods loopt door een dal van schaduwen des doods naar de eeuwige tabernakelen van licht en leven. Heeft God hen uit het diensthuis der zonde, door Zijne almachtige hand
uitgeleid, dan gaat het hun ais Israël: de vijand komt op, om tegen hen te strijden. Tegen Israël kwam Amalek; tegen hen, die helsche Amalek, de duivel met al het heir, waarover hij koning is, dat aan hem is onderworpen. In dien strijd is in het volk Gods geene kracht tegen de menigte der vijanden. Maar ziet! God, die Zijn volk strijdende maakt, geeft hun ook wapenen tegen hunne vijanden in handen, en onder dezen is het gebed. Dat wapen is de eenige kracht in den geloofsstrijd van den in zichzelven gansch en al ellendigen, kracht- en machteloozen zondaar. Ja, wij mogen zeggen: het is de ervaring der kracht Gods, die in zwakheid wordt volbracht. Dat bidden moet aanhouden, zoo lang de strijd duurt. God wil Zijn volk den Geest der genade en der gebeden schenkende, hun in den strijd des levens de overwinning op hunne vijanden geven.
Welaan, ik wenschte met u het gebed te beschouwen, als het beste wapen in den strijd, en uwe aandacht daartoe te bepalen bij een merkwaardig gedeelte van de geschiedenis van Israël gedurende hunne omzwerving in de woestijn.
Laat ons vooraf het aangezicht Gods, met en voor elkander, in den gebede zoeken.
EXODUS 17 : 8â16.
Doe quam Amalek ende street tegen Israel in Raphidim.
Moze dan seijde tot Josua: Kiest ons mannen ende treckt ui^t, strijt tegen Amalek: morgen sal ick op des heuvels hooghtc staan, ende de staf Godes sal in mijnen hant sijn.
Josua nu dede\'als Aloze geseijt hadde, strijdende tegen Amalek: doch Moze, Aaron ende Hur klommen op de hooghte des heuvels.
Ende het geschiedde, terwijl Moze zijne hant ophief, zoo was Israël de sterekste: maar terwijle hij zijne hant neder liet, zoo was Amalek de sterekste.
Doch Moze handen werden swaer, daerom namen sij eenen steen ende leijdene dien onder hem, dat hij dacr op sate: ende Aaron ende Hur onderstutteden sijne handen, d\'een op dene, d\'ander op d\'andre (zijde). Alsoo waren zijne handen gewisse, tot dat de zonne ondergingh.
Alsoo dat Josua den Amalek, ende zijn volck krenckte door de scherpte des swaerts.
Doe seijde de Heere tot Moze: schrijft dit ter gedachtenisse in een boeck, ende leght het in de ooren van Josua, dat Ick de gcdachtenisse van Amalek geheel uitdelgen sal van onder den hemel.
Ende Moze bouwde eenen altaar, ende hij noemde zljren name: de Heere is mijn baniere.
Ende hij seijde: Dcwijle de hant op den throon des Heeren is, soo zal de oorloge des Heeren tegen Amalek sijn, van geslac\'nte tot geslachte.
Ik las ii daar een merkwaardig, belangrijk en heerlijk geschiedverhaal voor. Hoevele dierbare waarheden tot onze leering, bemoediging en vertroosting zijn daarin vervat. Mag het ons door genade worden geschonken, in den strijd des levens, die begint,
55
mOEEM
als de Heere ons uit het diensthuis der zonde uitleidt, ons lokt, in de woestijn brengt, om daarna naar ons harte te spreken, dit geschiedverhaal met verlichte oogen des verstands te lezen, te overdenken, te bepeinzen; dan zekerlijk, M. V., is ook dit gedeelte van Gods Woord eene lamp voor onzen voet, en een licht op ons pad. Moge de Heilige Geest dit u en mij schenken. Wij zullen dan niet zonder zegen voor onze harten bijeen zijn geweest.
Laat ons stilstaan; 1°. bij het geschiedverhaal; 2°. bij de zinrijke waarheid daarin vervat; 3°. met de toepassing eindigen.
1°. Laat ons het geschiedverhaal nagaan.
Israël, weet gij M. V., was door de sterke hand Gods uit het diensthuis van Egypte uitgeleid. Droogvoets was het volk de Roode Zee doorgetrokken; Pharao en zijn heir was daarin verzwolgen. In de woestijn Sur had God het bitter water voor hen zoet gemaakt; die plaats noemden zij Mara, en van daar kwamen zij te Elim, alwaar 12 waterfonteinen en 70 palmboomen waren; en zij legerden zich aldaar aan de wateren. Nadat zij daar eene liefelijke rust hadden genoten, trokken zij in de woestijn Sin. Aldaar, toen zij gebrek aan brood hadden, en naar de vleeschpotten van Egypte hunkerden, liet God in Zijne nederbuigende goedheid, niet lettende op de murmureeringen Zijns volks, maar gedachtig aan Zijn verbond, Abraham, Isaak en Jakob gezworen, brood uit den hemel voor hen regenen; en toen zij ook vleesch begeerden, kwakkelen in overvloed in hunne legerplaats nedervallen. Zoo zorgde God dat het hun aan niets ontbrak. Zij leefden dus als \'t ware bij den dag, uit de hand des Heeren. Maar ach! Zoo is de zondige natuur van den mensch, zoo blijft zij ook bij Zijn volk; dat afhankelijk bestaan, dat willen wij niet. Van Sin ging nu de tocht naar Rafidim, eene zeer ongeschikte plaats ter legering voor zoo vele menschen en vee, want daar het eene heuvel- en rotsachtige landstreek was, was er een algemeen gebrek aan drinkwater. Wederom murmureerde het volk, en dreigde Mozes te steenigen. Mozes riep tot zijnen God, en Hij verlioorde zijn gebed, beval Hem met de oudsten van Israël voor het aangezicht des volks heen te gaan naar Horeb. God zoude aldaar voor zijn aangezicht staan, Mozes moest dan met zijnen staf op de rots slaan, en er zoude water uitstroomen, opdat het volk mocht drinken. Mozes gehoorzaamde. God deed een wonderwerk, het volk mocht zijnen dorst lesschen. Die plaats v/as voor den Godsman onvergetelijk. Ter gedachtenis voor hem van de trouw, dien hij van zijnen Bonds-God had mogen ondervinden, en tot beschaming voor het volk, hetwelk tegen dien God had durven opstaan, noemde Mozes die plaats Massa en Meriba, of verzoeking en
56
twist, wegens den twist der kinderen Israels en hunne bittere ver-zoekingstaal: ,,/s de Heere in het midden van ons of niet?quot;
Nu lezen wij: toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. Wie was die Amalek, die daar met zijn volk kwam? Hij en zijn volk waren afstammelingen van Ezau, Jakobs broeder, van wien de Heere door den mond zijns vaders voorspeld had: âOp uw zwaard zult gij leven.quot; Gen. 27 : 40. En ziet M. V., hoe vast is het profetisch woord. Zijne nakomelingen bezaten geene vaste woonplaats, dwaalden, alleen van den roof levende, nu hier en dan daar. Dat volk was goddeloos; uitdrukkelijk lezen wij: âdat Amalek God niet vreesdequot; Deut. 25 : 18. Die Amalekieten hadden Israel reeds in den staart geslagen, dat wil zeggen, van achteren hunne legerplaats aangetast, en de zwakken, vermoeiden en afgezwoegden van hun heir afgesneden en krijgsgevangen gemaakt; en daar zij wisten dat de nakomelingen van Jakob, uit Egypte met veel vee en bezittingen waren gevlucht en naar Kanaan trokken, zochten zij zich daarvan meester te maken, door roof en plundering. Geen wonder dat er een groote schrik in het leger ontstond; dat een ieder naar de wapenen greep, en dat Israël zich opmaakte tegen Amalek te strijden. Maar zal Israël in staat zijn Amalek te overwinnen? Dat zwakke volk, niet alleen ongeoefend in den krijg, maar hetwelk nimmer den oorlog had gezien? Zal hun leger bestand zijn tegen dien machtigen vijand, die zoo wèl gewapend en geoefend was in den krijg? Waarlijk, de nood was groot, de hoop op uitredding gering. Gewis, als de Heere, de Almachtige, niet voor en met hen streed, Israël zou door de vijanden verdelgd worden. Mozes, ge-loovende in zijnen God, ontzonk het hart niet in dien bangen nood. Ja! zoo gesterkt is hij in zijnen God, dat hij den aanval der vijanden niet wil afwachten, maar Amalek wil aantasten. Wij lezen: ,,Toen zeide Mozes tot Jozua: kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op des heuvels hoogte staan, en de staf Gods zal in mijne hand zijn.quot; Mozes wil dus dat Jozua aan het hoofd van Israels mannen, daartoe door hem te kiezen, tegen Amalek zal strijden; en hij, met den wonderstaf, den staf Gods genaamd, cmdat hij hein van God had ontvangen, hij zal dien staf omhoog heffen en bidden. Die staf, M. V., was een wonderstaf, van God als bewijs zijner roeping had hij hem ontvangen. Die staf wierp hij op den grond en hij veranderde in eene slang. Die staf had het water van Egypte in bloed veranderd. Die staf had hij over de Roode Zee uitgestoken, zoodat hare wateren vloden. Met dien staf had hij de rots geslagen, en daaruit was overvloedig water gekomen. In den staf zeiven, lag geene kracht, maar op het woord des Heeren, dat eeuwig
57
en waarachtig is, heeft hij daarmede zeer groote dingen verricht. Paulus leert ons, dat hij het alles deed door het geloof, een vaste grond der dingen, die men hoopt, een bewijs der zaken die men niet ziet, Hebr. 11:1. Welnu, met dien staf, den staf Gods, den geloofs-staf zonde hij den heuvel beklimmen. Dien staf zoude hij omhoog heffen, terwijl Jozua met het uitgelezen volk tegen Amalek streed. Gij bemerkt hieruit met mij, M. V., dat Mozes het niet op eene on-middelijke wonderdadige verlossing van Israël uit de hand van Amalek wil doen aankomen, dat zoude geweest zijn een verzoeken van den Heere zijnen God.
Het bidt en werkt, verstond hij goed. Terwijl Jozua met het volk streed, wilde hij zich op de hoogte des heuvels stellen met den staf Gods omhoog geheven, opdat al het volk tot hunne bemoediging dien zoude zien, en zijn hart in den gebede tot zijnen God opheffen. Die staf zoude in zijne hand zijn, als eene banier van Israels Heere der heirscharen; ja, als een vaandel in den naam des Heeren opgestoken, hun als \'t ware toeroepende: âWeest sterk en vreest niet, want het is de Heere uw God, die met u gaat om met u te strijden tegen uwe vijanden en om n te verlossend Deut. 20 : 3, 4. Ja, hij wenschte, met dien staf Gods omhoog geheven, te bidden. Nu is het wel waar, M. V. dat zijn gebed ons niet opgeteekend staat; maar waarom zouden wij in zijnen mond de gebeden van de Godvreezende Asa en Josafath en Hiskia, 2 Kron. 20 : 12 en 14 : 11, en 2 Kon. 19 : 15, of zoo ais wel eens terecht is opgemerkt, dat van den grooten Luther, toen hij op den rijksdag te Worms zich moest verantwoorden, niet mogen leggen? Mozes zal zich beroepen hebben op de almacht Gods, op de eeuwige trouw in het verbond Zijner genade. Zijnen gunstgenooten toegezegd. In het levendige bewustzijn van zijne en des volks machteloosheid en krachteloosheid tegen de menigte sterke vijanden, die tegen hem gekomen waren, zal hij hebben uitgeroepen: Heere! het is Uwe zaak, onze oogen zien op U. Ja, zijn bidden en pleiten bij God zal zijn geweest, op het woord, op de beloften, op de toezeggingen Gods, die zeker en waarachtig zijn, maar het zal ook een geloovig vertrouwend gebed zijn geweest, zoo als de man Gods bekend was met zijnen Bonds-God, die dat vertrouwen in en op Hem nooit beschaamd had doen uitkomen. In zijn bidden hield hij worstelende zich aan God, den Onveranderlijke, vast, als ziende den Onzienlijke. Zoo stond dan, terwijl Jozua tegen den overmachtigen vijand streed, Mozes met den wonderstaf omhoog geheven, biddende, en nevens hem stonden Aaron en Hur. Maar ziet! daar deed zich die bijzonderheid op, dat zoo vaak Mozes met eene vaste hand den geloofsstaf omhoog hief, als naar den
58
hemel wijzende, waarvan hun de overwinning moest geworden, Israël voordeel op den vijand behaalde en Amalek terugweek, maar zoo dikwijls zijne hand, waarin de staf was, nederzakte, de kans scheen om te keeren, Israël terugweek, en Amalek overwon. Niemand der menschen, ze\'fs geen Mozes, kan het in eenen stand lang uithouden; maar hetgeen vooral onze opmerkzaamheid verdient, is, dat van het opheffen of nederzakken van de hand van Mozes, de krijgskans afhing. Lag dat aan Israël, omdat zij moedeloos werden, wanneer zij dat teeken, den geloofsstaf niet meer zagen, en begonnen te twijfelen aan Gods hulp en nabijheid, zoodat zij dan moedeloos in den strijd werden, en Amalek gelegenheid gaven zich te herstellen? Of hebben wij de oorzaak daarvan te zoeken in het verflauwen van het gebed van Mozes? Wie zal ons dat zeggen? Maar zouden wij hier niet kunnen denken, dat de Heere ons daarmede wil leeren, âdat niemand die zich aangordt, moet roemen, als een die zich losmaakt;quot; dat.,,de hoop niet is deizulken, alzoo ook de strijd niet is der helden, maar dat de overwinning is van den Heere,quot; Pred. 9:11; Spr. 21 ; 31. Ja! dat houden wij voor zeker, onze oogen moeten steeds op den Heere gevestigd blijven, totdat het Hem behaagt, ons genadig te zijn; als zij van Hem worden afgewend, dan is Hij geweken, en als God van ons wijkt, heeft de vijand macht over ons.
Aaron en Hur merken ondertusschen op, hoeveel er aan gelegen is, dat de handen van Mozes opgeheven bleven. Geene werkelooze aanschouwers van den strijd zijnde, die ook hen ter harte ging, want dat mogen wij veronderstellen van die beide godvreezende mannen, ook zij zullen voor Israël het aangezicht Gods in den ge-bede hebben gezocht, haasten zij zich, om eenen steen aan te brengen, en leiden dien onder Mozes, dat hij daarop zat. Zij deden zulks, omdat zij vreesden, dat de grijsaard van vermoeidheid bezwijken mocht, en die vermoeidheid van het lichaam, zijnen geest en biddenden ijver mocht doen verflauwen. Daarenboven onderstutten zij zijne handen, de een op deze, de ander op de andere zijde. Gelijk zij hem hielpen bidden, en met hem den Heere aanliepen als een waterstroom, zoo ondersteunden zij nu ook zijne handen, om den geloofsstaf steeds hoog verheven te houden, opdat het volk hem zou kunnen blijven zien, en in den strijd moedig zou blijven volhouden. Nu werd Mozes in-staat gesteld om tot den avond toe zijne handen omhoog te blijven heffen. Jozua en het volk zagen op het teeken. God hoorde en verhoorde de gebeden der drie mannen, en het gevolg er van was, dat Amalek teruggedreven en verslagen werd met de scherpte des zwaards. Jozua werd alleen
59
ffmwzr*
overwinnaar door de kracht Gods. Ja M. V., de zaak van het voik des Heeren kan niet zegevieren door menschelijke kracht of geweld; door Mijnen Geest, heeft God gezegd, zal het geschieden. De bidders voor Zijne zaak kunnen in den strijd niet bestaan door zich zeiven, zij moeten steunen op den eeuwigen Rotssteen Christus, en éénparig moeten de gebeden der bidders zijn. Zij moeten om aan te houden in het gebed, opdat de geloofsstaf opgeheven blijve, elkander in het gebed ondersteunen. Is dat de belofte des Heeren niet, dat, waar twee of drie samenstemmen in eene zaak, God hun die wil geven? Juist omdat dat rusten, als een gansch vermoeide, en uitgeputte van krach alleen op de steenrots Christus ontbreekt, en het lichaam van Christus, dat zijn de geloovigen, gescheiden, verdeeld, uiteengescheurd is, bestaat er ook geene onderlinge ondersteuning in het gebed: Help ons! behoud ons Heere! En wat zien wij nu? dat een overmoedige vijand, omdat het volk Gods den geloofsstaf niet zien kan, hen terugdringt, en schijnbare voordeden op hen behaalt, al ware het deze slechts alleen, dat hij ze verdeeld houdt, want nu ondersteunt de een den andere niet. Maar laat ons tot het geschiedverhaal terugkeeren. ,,Toen zeide de Heere tot Mozes: schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de ooren van Jozua, dat ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.quot; God gaf aan Mozes dus het bevel, deze gebeurtenis op te teekenen in een boek, ter gedurige herinnering van wat de Heere voor Zijn volk Israël in de woestijn van Rafidim had willen doen. Is dat niet vervuld in ons Bijbelboek? gelijk wij het nog eens herhaald vinden Deut. 25 : 19. Ook beval God hem om Jozua den veldheer te kennen te geven, dat het Zijn wil was, wanneer Jozua het opperbestuur over Israël zoude aanvaard hebben, en de Amale-kieten wederom krijg tegen Israël zouden voeren, dat zij verdelgd moesten worden; dat zij eens als volk zouden ophouden te bestaan,, hun naam ter verschrikking van Israël niet meer zoude worden genoemd. Daarom moest het in de ooren van Jozua worden gelegd,, om hem, als hij later tegen hen zoude oorlogen, te bemoedigen en te vertroosten.
âEn Mozesquot; lezen wij verder, âbouwde een altaar en noemde des-zelfs naam: de Heere is mijn banier.quot; Mozes richtte dus een gedenk-teeken, een altaar op. Op dat altaar schreef hij; Jehova Nissi, de Heere is mijne banier. Niet alleen tot een blijvend gedenkteeken van de verlossing door God aan Israël geschonken, maar opdat het gansche volk zou weten en in gedachtenis houden van Wien de overwinning alleen is. Eene banier is een vaandel of veldteeken; daarop ziet het krijgsvolk, het moet zijn vaandel, zijne banier
60
volgen; met haar overwinnen of vallen. Welnu, de geloofsstaf had Mozes naar omhoog opgestoken. Hij had geloofd dat Israël dien God tot zijne luilpe hebbende, niet door den vijand verslagen en overwonnen zou kunnen worden. In dat geloof op den onverander-lijken, en eeuwig getrouwen Bonds-God had hij, en hadden Aaron en Hur met hem gebeden. God had de overwinning gegeven. God alleen kwam er de eer voor toe.
En nu het slot van het geschiedverhaal inziende. Mozes zeide: ,,Dewijl de hand op den troon des Heeren is, zoo zal de oorlog des Heeren tegen Amalek zijn van geslachte tot geslachte,quot; waarmede hij zeggen wilde, dewijl Amalek zoo stout was, zich tegen den Heere te stellen, zoo zal de Heere, Die op eenen troon zit, die met macht is bekleed: want waar het woord Gods den Heere eene hand toekent, bedoelt het Zijne macht, zich tegen Amalek stellen, en zal de oorlog des Heeren steeds en onverzoenbaar tegen hem zijn. Ja, hier vinden wij eene toezegging, dat God wraak aan hem zou oefenen, zoodanig dat zijne gedachtenis geheel worde uitgecielgd van onder den hemel. Let nu op, M. V., hoe Gods woord altijd wordt bevestigd. De Heere gaf aan Saul bevel ons tegen de Amalekieten op te trekken, hen allen met al het hunne te verbannen en te dooden, zonder iemand of iets te verschoonen. Saul, gehoorzaamde dat bevel, overwon de Amalekieten, maar spaarde het leven van den koning Agag, als ook dat der beste runderen, schapen en lammeren. En ziet! deze zijne ongehoorzaamheid mishaagde den Heere zoo zeer, dat hij het erfrecht op Israels troon voor zijne nakomelingen daardoor verloor. In lateren tijd versloeg David het overschot der Amalekieten, hetwelk zich wederom tegen Israël te Ziklag had durven wenden, 1 Sam. 15:2 en 18; 27 : 7. Zoo is Amalek van tijd tot tijd door de scherpte des zwaards gekrenkt geworden. Onder de regeering van Hiskia zijn zij geheel verslagen, en van dien tijd af niet meer als volk onder hunnen eigen naam bekend, 1 Kron. 4 : 41. Mogen wij hier dan niet met den dichter uitroepen: âGod zal Zijne waarheid nimmer krenken; maar eeuwig Zijn verbond gedenken?quot; Ja! wat ook de vijanden van onze dagen mogen lasteren, en het Woord Gods deszelfs verbindend gezag zoeken te be-rooven, wij bezitten het profetische woord dat zeer vast is. De profetie van Biléam, den zoon van Péor is vervuld geworden, dat, ofschoon Amalek de eersteling der Heidenen was, zijn uiterste eindelijk zou zijn ten verderve, Num. 24 : 20.
2°. Laat ons nu de zinrijke waarheid in dit geschiedverhaal vervat, overdenken.
Welk eene rijke stof ter overdenking biedt dit geschiedverhaal
61
IBEBa
ons aan. Amalek kwam om tegen het weerlooze Israël te strijden. De strijd van Amalek tegen Israë! zou zijn van geslacht tot geslacht. Israël was uit zichzelven niet bestand tegen dat krijgshaftig en oorlogzuchtig volk. Israël tot den strijd tegen Amalek gedwongen, overwon hetzelve alleen door het wapen des gebeds. En toen Israël de overwinning had behaald, gaven zij God alleen er de eere van, en schreven op een altaar voor alle volgende geslachten ter gedachtenis: de Heere onze banier. Wanneer wij dat alles opmerken, dan mogen wij zeggen: zoo was het toen, zoo is het nog. Dit wensch ik met u na te gaan. Israël, M. V., is het volk Gods, niet het Israël naar het vieesch, maar naar den Geest. Het is een volk, dat gelijk Jakob door God in eeuwige liefde is gekend, waarvan God heeft verklaard: het zal Mij tot een volk, en Ik hun tot een God zijn. Een volk dat daarom ook van God niet zal worden overgegeven in de handen zijner vijanden, omdat de roeping en verkiezing Gods onberouwelijk is. Toen Israël in het diensthuis van Egypte was, kende het geen strijd, deze begon eerst toen de Heere door Zijne sterke hand hen daaruit had geleid. Zoo is het ook met het volk Gods. Van nature zijn zij met de gansche wereld in het diensthuis der zonde en leven zij in genot, zorgeloos en onverschillig, vervreemd van God en het leven dat uit God is, over niets anders klagende en zuchtende dan over de verdrukkingen, die zij in het vieesch moeten ondervinden. Maar ziet! ais de tijd der minne daar is, dan leidt God hen door Zijne krachtige en onwederstaan-bare hand uit dat Egypte der zonde. Ja! God, Wiens naam wonderlijk is, en van Wien wij mogen zeggen: alles wat Hij doet is een wonder, leidt hen zeiven daaruit door Zijne wonderhand. En hetgeen een profeet heeft verklaard: âZiet! zegt God: Ik zal ze lokken, in de woestijn brengen, en daarncunaar hun hart spreken,quot; dat is nog de ondervinding van eiken zondaar, dood voor God in zonden en misdaden, wanneer de Heilige Geest hem levend heeft gemaakt. Eerst dan, M. V., komt de vijand op, om hem te bestrijden, te onderdrukken en te berooven, en ware het mogelijk, het leven hem geschonken, hem te ontnemen. Israël, toen Amalek tegen hem optrok om te strijden, bevond zich in een zeer gevaarvollen toestand, want de handen waren ongeoefend tot den krijg, de vingers tot den oorlog, ja! zij hadden nimmer den krijg gezien, terwijl Amalek gewoon was op zijn zwaard te leven, en van top tot teen v/as gewapend. In geen minder gevaarvoilen toestand tegen den vijand, die zich tegen hen stelt, bevinden zij zich, die het leven Gods ontvangen hebbende, op den weg gesteld zijn, om het eeuwige leven te beërven. Zij hebben het niet met één vijand, die tegen hen ten
62
strijde trekt te doen, maar met vele vijanden, die zich te zamen vereenigen, tegen eene menigte vijanden, waarvan ik u slechts den duivel, de wereld en hun eigen zondig en diep bedorven vleesch opnoem. De duivel, het hoofd der afgevallen Engelen, wien wij door onzen moedwilligen en vrijwilligen atval van God zijn toegevallen, en wiens eigendom wij geworden zijn, gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou kunnen verslinden. In elke waarachtige bekeering uit zijne macht verlost, door één die sterker is dan hij, die hem zijne vaten, de vaten der barmhartigheid ontroofde, zeggen wij hem den dienst op, en dat doen wij vrijwillig, want Mijn volk, zegt God, is een gewillig volk ten dage Mijner heir-kracht, maar hij tracht op allerlei wijze ons opzoekende en achter-najagende, ons weder onder zijne macht te brengen. De wijze, waarop hij zulks zoekt te doen, is listig, en menigen slag heeft hij ons reeds toegebracht voordat hij zich voor ons stelt. Amalek begon Israël in den staart te slaan, waardoor groote bekommernis en onrust ontstond; maar zoo ook beginnen zijne bestrijdingen, omdat hij weet, welke zwakke schepselen wij door de zonde zijn geworden. Met hem vereenigt zich tegen het volk Gods de wereld, die in het booze ligt, en die, al hebben wij haar ook verlaten, ons niet verliet; want wij dragen haar om in ons binnenste, en wij zijn en blijven van nature, ofschoon niet meer van de wereld zijnde, wereldlievende en eigenlievende schepselen. God kan het nooit naar onzen zin maken. Van een diep afhankelijk leven van Hem hebben wij een afkeer, daarom hunkeren wij altijd met Israël naar de vleeschpctten van Egypte. Welnu, van dat oogenblik af, waarop wij met de vrienden der wereld, die den duivel dienen, die de God dezer eeuw is, en hunne zinnen verblindt, niet meer kunnen samen wandelen en met hen kunnen mededoen in de uitgieting der goddeloosheid, stelt zij zich tegen ons om ons te bestrijden. Die wereld zoekt met hare verleidingen of bedreigingen, met haar schoonschijn of hare eischen, om ware het mogelijk, wederom van God en Zijn volk, hetwelk wij als ons volk hebben gekozen, af te trekken, en ons in het diensthuis der zonde, alwaar wij het zoo goed hadden naar het vleesch, terug te brengen. Ja! het wordt dan ondervonden, dat onze huisgenooten onze vijanden worden, en zij met welken wij op het nauwste waren verbonden, ons de bitterste en grievendste vijandschap betoonen. De duivel, die zoo listig is, de wereld die zoo weet te vleien of te dreigen, hebben den sterksten bondgenoot in den strijd, dien zij tegen ons voeren, in ons eigen zondig en diepbedorven vleesch. Wij hebben den verrader in ons binnenste, in ons onrein hart, waaruit alle zonden en ongerechtigheden voortkomen, hetwelk vereenigd
63
is met de vijanden, die zich tegen ons ten strijde toerusten. Onze eigen wil stelt zich aanhoudend tegen Gods wil. Ons eigenlievend hart staat tegen God en Zijne heilige wet op. Ons trotsch en hoogmoedig gemoed wil zich niet voor God vernederen, noch voor Hem * vallen in schuld, en bukken in het stof. Een vleesch dragen wij om, hetwelk zich der wet Gods niet wil onderwerpen en cok niet kan, daar wij helaas, hoe vernederend dit ook voor ons, die zulke hooge gedachten van zichzelven koesteren zijn moge, vleeschelijk verkocht zijn oneer de zonde.
Ziet, M. V.! tegen alle die vijanden, die samenspannen en geoefend zijn in den krijg, bezit Gods volk, het Israël naar den geest, uit en van en door zichzelven niet een wapen, hetwelk in staat is den machtigen vijand te wederstaan. Die vijanden vallen met ver-eenigd geweld, terwijl zij het nog niet vermoeden, op hunne zwakste zijde aan, en brengen hem wonden toe, die zij van achteren eerst erkennen, dat zij van den vijand kwamen, omdat zij hem toen nog niet zagen of kenden. Maar geeft God aan Zijn volk verlichte oogen des verstands, en treedt de vijand op hen aan, zoodat zij hem zien kunnen, begint het hun tegenover hem staande, bange te worden, en gevoelen zij door genade, dat er in hen, om tegen hem te strijden, geene kracht is, dan leert de nood, waarin zij verkeeren, hen tot God te roepen en Hem te bidden. Wat zeg ik, de nood? Neen! deze doet het niet, deze vermag het op zichzelve niet, maar de Geest dei-genade en der gebeden, de Heilige Geest, die hen overtuigd heeft van zonde, gerechtigheid en oordeel. Het wapen, waarmede zij dan strijden tegen den vijand, is het Woord Gods, het zwaard des Geestes en het gebed. En o! als het hun nu door genade mag worden geschonken, geloovig te bidden, van alles in zichzelven af te zien, en met Josafat hunne geestelijke onmacht in den strijd te erkennen, maar met hem te zeggen: Heere! onze oogen zijn op U. Of wanneer het hun wordt geschonken te pleiten op de zoenverdiensten van Christus, den Heere aan te loopen als een waterstroom, dan zijn zij tegen den vijand bestand. Ja! als het gebed uit de diepte der ellende en der onmacht met hart en mond door Jezus Christus tot God mag gaan, dan ondervinden zij, dat alle instrument, hetwelk tegen hen bereid wordt, niet zal gelukken, alle tong, die in het gericht tegen hen opstaat om hen te veroordeelen, zal verstommen. Hoe machtig en welgewapend de vijand ook zijn moge, hoe scherp de wapenen ook wezen mogen, dien hij bezigt om hen te kwetsen en te dooden, biddende strijdende, biddende met den geloofsstaf in de hoogte geheven, verstompen de wapenen der vijanden, en vermogen zij hen niet te overweldigen. Dan gaat het den vijand gelijk het met
64
Amalek in den strijd tegen Israël is gegaan: hij moet wijken en vluchten. Ziet! dan M. V. wordt het bevestigd: Zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangeloopen en hunne aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Waar God geeft te bidden, en in gemeenschap met God staat, daar moet de duivel zijne prooi loslaten, daar wijkt de wereld, daar zwijgt het zondige onreine vleesch. Is dat in meerdere of mindere mate, kinderen Gods, in den strijd, dien gij op aarde hebt, niet uwe zalige ervaring?
Maar de man Gods, die met en voor Israël bad, was niet in staat aanhoudend den geloofsstaf omhoog te heffen, aan te houden in het vurig gebed; als zijne handen zakten, zijn gebed verslapte, was Amalek de sterkste, en moest Israël in den strijd wijken. Daar hebt gij M. V. het beeld der geloovigen, in den strijd met hunne vijanden gewikkeld. De vijanden houden rusteloos aan, en o! als hunne handen traag en hunne knieën slap worden, als het gebed wordt verzuimd, dan worden zij uit hunne sterkte uitgedreven, en struikelen en vallen zij, en ja! de vijanden zouden hen overwinnen, wanneer God, die middelen en einden te zamen beschikt, hen in dien bangen strijd niet hielp en weder oprichtte. God beschikte een Aaron en Hur, die eenen steen aanbrachten, waarop Mozes, de bidder, zich kon nederzetten, en nu ondersteunden zij zijne handen, de eene aan deze, de andere aan de andere zijde, dat hij den geloofsstaf, waarop Israël had te zien, konde blijven omhoog heffen. Ziet! zoo geeft de Heere Zijn volk, als zij tegen de vijanden strijden en het hun aan gebed en geloofskracht ontbreekt, hulp en raad en kracht. God verwekt voor hen bidders onder Zijn volk, die niet alleen voor zichzelven, maar ook voor Zijn volk, dat met hen strijdt tegen de vijanden, bidden; die met hen roepen: Spaar o Heere! Uw volk en geef Uwe erfenis niet over. En vermag het krachtig gebed des rechtvaardigen veel, wie weet hoe menig kind Gods, die gelijk Mozes in den strijd tegen de vijanden de handen \'iet zakken, omdat zij hem vanwege het vleesch zwaar werden, door de gebeden, waarmede anderen hem ondersteunden, in staat werd gesteld de handen wederom te heffen, en met Mozes het uit te houden totdat de overwinning werd behaald? Ziet, daarom ook is het de behoefte van Gods volk, tot hetwelk God zegt: bidt zonder ophouden, omdat zij bij ervaring weten, dat zij zoo ellendig door de zonde zijn geworden, dat zij zulks niet kunnen, daarom zijn zij zoo gesteld op de gebeden van Gods volk met en voor hen. Ja! gelijk Mozes het kon voelen, dat zijne handen, die hij biddende omhoog hief, ondersteund werden door die van Aaron en Hur, zoo geeft God het wel eens Zijn volk in hunne geestelijke zwakheid te gevoelen in
65
hunne harten, dat er met en voor hen wordt gebeden. En geeft God den wensch van allen die Hem vreezen, heeft Hij nimmer hunne bede afgewezen, geiijk Israël door het wapen des gebeds Amaiek overwon, zoo overwint ook het volk Gods, met Hem strijdende in den gebede, de vijanden. De overwinning schenkt God niet om, maar op het gebed. In Hem zijn zij meer dan overwinnaars door Hem, die hen lief heeft. Daarom ook krijgt God van hen de eer dei-overwinning. Gelijk Mozes een altaar oprichtte, waarop hij schreef: de Heere is mijne banier! zoo blijft ook elke zegepraal, die God Zijn volk in den strijd doet behalen, bij hen in zegenend aandenken. Het altaar, dat zij den Heere oprichten, is het verbroken hart, de verslagen geest. Nimmer kunnen en wenschen zij te vergeten, dat het de Heere was, die hunne gebeden verhoorde. Dikwerf gevoelen zij behoefte, zulken die zij kennen welke ook in zwaren strijd tegen de vijanden gewikkeld zijn, de wondervolle daden Gods, die zij mochten ondervinden, te vertellen, hun toe te roepen: âDe Heere is ons schild in \'t strijdperk van dit leven.quot; Dan brengen zij hen bij dat altaar, waarop zij geschreven hebben: de Heere is onze banier, wekken zij hen op, op niemand of niets buiten den machtigen God Jakobs te vertrouwen, en wijzen hen op dat eenige vaandel, waarop Israël ziende, Amalek overwon, den gezegenden geloofsstaf. En daar God het geeft, dat Zijn volk voor elkander wel eens een voet en eene hand aan den weg kan zijn, gebeurt het niet zelden, dat de trage handen en slappe knieën der strijders worden opgericht, en ook zij den geloofsstaf mogen omhoog heffen, en in Gods kracht overwinnen.
Zou de oorlog des Heeren tegen Amalek zijn van geslachte tot geslachte, zoo leert ons dit, dat de strijd, waarin Gods volk is gewikkeld een erfelijke strijd is, reeds begonnen in liet paradijs, toen Abels bloed om wrake tot God riep, en hij zal niet eindigen voordat de laatste zondaar, door God in eeuwige liefde gekend, het lichaam der zonde en des doods zal hebben afgelegd, en uit de woestijn des levens in het hemelsche Kanaan zal zijn overgebracht. Maar de strijd, dien zij strijden, is de oorlog des Heeren tegen hunne vijanden. Hij, hun eeuwige getrouwe Verbonds-God, strijdt voor en met hen, en Jozua, dat is, de Heere Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, staat aan hun spits. Daarom kunnen zij in dien strijd, zij mogen al voor een korten tijd teruggedrongen worden door de vijanden, of struikelen en vallen, gelijk een David of een Petrus, nimmer door de vijanden verslagen en gedood worden. Onoverwinnelijk, mogen wij zeggen, is het volk Gods in dien strijd, wanneer de Heilige Geest in en met hen bidt, hen strijden doet met
3
66
Zijn zwaard, hetwelk is het Woord Gods, en hun hunne vleesche-lijke wapenen ontneemt, en hen gesterkt door het gebed, de oogen alleen op God gevestigd, bekleed met de wapenrusting Gods, gelijk weleer een Luther met vrijmoedigheid des geloofs doet zeggen: âhier staan wij, wij kunnen niet anders.quot; Ware het hun oorlog tegen de vijanden, zij zouden, daar zij klem van moed en zwak zijn van krachten, door de machtige vijanden overwonnen worden, maar nu het de zaak des Heeren is, nu zijn zij meer dan overwinnaars door Hem, die hen lief heeft. Daarom als zij overwinnen is het, omdat hun Heere voor hen heeft overwonnen, zij deelen in de vruchten Zijner overwinning, en Zijne gerechtigheid is de hunne door het geloof. Wanneer de laatste vijand door God voor hen zal zijn overwonnen, en zij uit dit strijdperk des levens, door in- en uitwendigen strijd geoefend en gelouterd, in de rust die daar overblijft voor het volk Gods, zullen zijn ingebracht, het hemelsche Jeruzalem betreden, zal er in vollen nadruk van hen|getuigd mogen worden: âZij hebben het land niet geërfd door het zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven, maar Uwe rechterhand en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij, Heere! een welbehagen in hen hadt.quot; Ps.44:4.
Zingen wij Ps. 72 ; 6.
3°. Laat ons met de toepassing eindigen.
Tot welk volk behooren wij? Tot het Israël Gods, dat uit het diensthuis der zonde is uitgeleid door Gods sterke hand, of tot Amalek, en zijn volk, hetwelk vijandig tegenover Israël stond? Ach van nature zijn wij allen van God afgeweken, dienen wij met lust den duivel, de wereld en de zonde, en zijn wij vijanden van God en van Zijn volk, en heeft God ons niet gegeven een hart om te verstaan, noch oogen om te zien, noch ooren om te hooren. Van nature leven wij zorgeloos, onverschillig en gerust, zijn wij rijk en verrijkt, en hebben geens dings gebrek. Van nature kennen wij geen strijd, en is het op ons allen van toepassing, als de sterkgewapende zijn huis bewaart, is alles in vrede. Ja! al bewaarde God ons ook dat wij niet openlijk in zonden en ongerechtigheden uitbreken, zoo lang er geene krachtdadige verandering van hart, leven en wandel bij ons heeft plaats gehad, blijven wij tegen God strijden, en trekken wij bij elke gelegenheid, welke zich daartoe aanbiedt, tegen Gods volk op. Ongelukkige toestand! want wat kunt gij anders verwachten, dan ook eens als vijanden van God en Zijn volk van God te moeten hooren: weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend, weg van Mij in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijnen engelen is bereid. Och! of het indruk op uwe harten mocht maken. Tegen God, hoe lankmoedig Hij ook nog over u zijn moge
67
om u te verdragen, zult gij het niet kunnen uithouden. Hij moge het toelaten, dat gij tegen Zijn volk strijdt met uwe zondige vleeschelijke wapenen, dat gij hen verdrukt, leed en smart aandoet, dat gij naar hun leven staat, weet het, die Gods volk aanraakt, raakt Gods oogappel aan. Mijne is de wrake, zegt God, en Ik zal het vergelden. Voor u komt eens het tijdstip, wie weet hoe spoedig! dat de hand Gods tegen u zal zijn, en dat gij te vergeefs toeviucht zult zoeken bij zulken die nu mededoen met u om tegen God en Zijn volk te strijden. Wie weet of gij dan dezulken niet tot u zult roepen, die nu de verachte fakkels bij u zijn; maar of het dan niet te laat zal wezen, en de deur der genade voor u gesloten zal zijn? Och! wat ik u bidden mag om uw eigen heilswille, verlaat Amalek en zijn leger, doe nog eene onberouwelijke keuze, nog is \'t het heden der genade. Heden zoo gij Gods stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. Bidt God, dat Hij u Zijnen Heiligen Geest moge schenken, opdat gij bekeerd moogt worden en Hem nog zoeken moogt, terwijl Hij nabij is, en aanroepen, terwijl Hij nog voor u te vinden is, opdat gij tot dat volk moogt behooren, hetwelk God Zijn volk noemt, en aan hetwelk Hij beloofd heeft: Ik zal uw God zijn. Och! als de goedertierenheid des Heeren uwe harten niet tot bekeering beweegt, moge het de schrik des Heeren zijn, die ook u zoo blijvende als gij nu zijt, met dat oordeel bedreigt: Ik zal de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen van onder den hemel. Verschrikkelijk zal het voor u zijn te vallen in de handen van den leven den God. Maar misschien zijn er ook onder u, die zich het ernstige woord der bestraffing en der opwekking niet aantrekken. Waarom niet? Omdat zij zichzelven zoo goddeloos niet beschouwen, dat zij onder Amalek en zijn volk zouden behooren, dat optrok om tegen Israël te strijden. Gij bezit misschien uit kracht van opvoeding en onderwijs nog eene zekere genegenheid voor Gods volk, en gij wordt door God wederhouden om met de vijanden mede te doen in het bestrijden van dat volk. Maar als uw hart niet door genade met dat volk in liefde verbonden is, dan zal bij alle gelegenheid openbaar worden, dat gij inwendig nog vijanden van God en Zijn volk zijt, en al strijdt gij dan uitwendig ook niet tegen Israël, gij strijdt niet met hem en voor hem, en wat de Heere Jezus van degenen, die Hem volgden zeide, is ook op u van toepassing: wie niet met Mij is, is tegen Mij. Er bestaat geen middenweg tusschen den dienst vanGod, en dien van den God dezer eeuw, den duivel. Indien deze er bestond, wie weet hoe vele duizenden daarop wandelden. Ziet! het komt er op aan of gij nog voor God dood zijt in zonde en misdaden, of gij het leven uit God hebt ontvangen, Is dat leven in u opgewekt, dan hebt gij den
68
duivel den dienst opgezegd, dan kunt gij het in de wereld voor u zeiven niet meer vinden, dan kunt gij in de zonde niet meer leven, dan doet gij eene keuze die onberouwelijk is, dat volk; Israël naar den geest, is dan uw volk, en Amalek is uw vijand, die tegen u opkomt, om u te bestrijden. Aan dat leven uit God is strijd verbonden. In dien strijd schenkt God u, daar de Heilige Geest u overtuigde van zonde, gerechtigheid en oordeel, en u uzelven leerde kennen, als ellendige en onmachtige zondaars, tot Hem uit den angst en de benauwdheid uwer zielen te kermen, te zuchten en te bidden. En daar God uwe blinde oogen dan opent voor de vijanden, die uit- en inwendig het er op toeleggen, om u van God en Zijn volk af te trekken, en uwe eigen kracht u ontnomen is geworden, wordi het gebed het wapen, hetwelk gij in dien strijd ontvangt. Daaraan kunt gij u zeiven dus beproeven of onderzoeken, of het waarlijk aanvankelijk zoo goed met u staat, als gij u zeiven u voorstelt. Waarschuwen moet ik u voor het zelfbedrog der zonde. Wee de gerusten in Sion, de verzekerden op den berg Gerizim, het volk dat met geen lust is bevangen. Meenende in te gaan en eenmaal niet te kunnen, zoude dat geene verschrikkelijke zelfmisleiding zijn? Zijt gij in dat leger overgegaan, waarvan die groote Jozua, ik meen den Heeie Jezus, alleen de Overste en Leidsman is? Is Hij u, omdat gij u zeiven als zulke arme verloren zondaars, door genade leerdet kennen, als Profeet, Priester en Koning noodzakelijk en onmisbaar geworden? Hebt gij onder dien Koning dienst genomen, dan is Zijn volk, uw volk, en behoort gij onder Israël, waartegen Amalek kwam om te strijden, dan strijdt gij onder dat vaandel, waarin geschreven staat: de Heere is onze banier, en gij strijdt niet met vleeschelijke wapenen, maar met het wapen des gebeds. Zoo gij u aan die kenmerken beproeft, en voor God uwe harten op uwe wegen stelt, zult gij voor u zeiven kunnen antwoorden, of gij in waarheid tot Amalek of tot Israël behoort. Och! mocht het uw gebed zijn: Heere, doorgrond ons. Zie! of er bij ons een schadelijke weg is, en leid ons op den effen weg.
En zijn er M. V. onder u, die nog bevreesd voor u zeiven van verre staat, wel strijd en gebed kent, maar door de inwerpselen des Satans en uw ongeloovig hart wordt geslingerd, of gij nog wel in waarheid tot dat volk behoort, hetwelk wedergeboren is tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit den dood. Roept gij als een verlegen zondaar, dat de Heere Jezus Zich uwer moge ontfermen! Maar stelt de vijand u vele voorwaarden, die gij eerst moet vervullen, om tot Hem te komen, noemt hij u vele kenmerken op, die gij moet bezitten eer Hij u zal aannemen? De duivel
69
is listig, ook hij zoekt al dat volk, dat hem niet meer wil dienen, te ziften als tarwe, en een getrouwen bondgenoot bezit hij in uw wereldlievend en ongeloovig hart. Maar hoe listig hij ook zijn moge, als God het nieuwe leven in u heeft opgewekt, vermag hij niet u dat te ontnemen, en aan dat leven is strijd verbonden met het wapen des gebeds. Ziet! wanneer uw leven een biddend leven, uw strijd een biddende strijd is geworden, wanneer gij het door genade oefenen moogt, om als een kracht- en machtelooze in u zeiven door de zonde, voor God en den Heere Jezus neder te liggen, door God uit het diensthuis der zonde uitgeleid, belijden moogt: liever aan de voeten van Jezus te willen sterven, dan terug te keeren in het Egypte der zonde; dan M. V.! hoe de vijand u ook benauwen en bestrijden moge, hoe bang het u nog is. Hij zal u de overwinning over uwe heische vijanden schenken. Ach, zoo lang uwe oogen slechts naar binnen zullen zien, zult gij niets dan zonde en onreinheid in u zeiven kunnen vinden, en zal de vijand eene schijnbare overwinning op u behalen, door u te verhinderen om u als een god-delooze door Jezus te laten zaligen; maar als het u mag worden geschonken, op te houden met al uwe vleescheiijke redeneeringen, en de oogen op te heffen op den geloofsstaf, op Jezus te zien. Hem als een waterstroom aan te loopen, uwe aangezichten zullen niet schaamrood worden. Bidt en gij ontvangt, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan. Ook in uwen strijd is het gebed alleen het wapen, het Woord Gods het zwaard des Geestes, waarmede gij ongeoefend in den strijd, den machtigen vijand zult kunnen wederstaan.
Dat immers, kindei en Gods, is uwe ervaring. Tijden kent gij met Mozes, dat gij vurig in het gebed, met de handen omhoog geheven, waarin de geloofsstaf geklemd was, den vijand, die zich tegen u stelde, hebt kunnen wederstaan, ja hebt mogen overwinnen, zoodat hij een tijd lang van u week. Maar gij kent ook die tijden dat gij de handen slap liet nederhangen, en uwe knieën traag waren om te bukken voor uwen God. Ja, moet gij u zeiven niet voor God weg-schamen in het stof, als gij op uw dageüjksch biddeloos bestaan moogt letten, en teruggeleid wordt naar die eerste dagen en tijden, toen de Heere u uit de duisternis riep tot Zijn wonderbaar licht, uw leven een biddend leven was, en gij met dat wapen de vijanden, die u bestreden, mocht wederstaan. Waren het geen? zalige tijden toen het u geschonken werd den geloofsstaf omhoog geheven, de geloofs-taal op uwe lippen te mogen nemen: Wie is het die verdoemt? Wie of wat zal ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus? Ach! hadt gij toen wel kunnen denken, dat gij zoo traag, zoo
70
lusteloos, zoo biddeloos zoudt worden? In uw leven zijn de Eben-Haëzers, de Pniels, de altaren opgericht, om aan dien getrouwen God te gedenken, Die u de overwinning op uwe vijanden schonk. Waarom is God niet steeds voor u: de Heere is onze banier? Ach, wat Mozes overkwam, geschiedt ook met u zoo dikwerf; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. Welke zwakke, ellendige, hulpbehoevende schepselen zijt gij door de zonde geworden, en blijft gij steeds in u zeiven. Hoe meer gij zulks door genade zult mogen erkennen en belijden voor God, des te meer zult gij gedrongen worden met mond en met hart uit de diepte uwer ellende tot den Heere te roepen. Beschikte God voor Mozes een Aaron en Hur, die een steen aanbrachten, waarop hij konde nederzitten, en zijne armen ondersteunden, zoodat hij die tot den avond omhoog konde heffen, zoo, als gij de leidingen Gods met u gehouden, moogt nagaan, was het de Heere, die ook gedui ig deze of gene van zijn volk wilde bezigen, om met u en voor u samen te stemmen in het gebed, en mocht gij de armen des geloofs weder omhoog heffen. In dien steen, waarop Mozes werd nedergezet, wordt u zoo bij vernieuwing verkondigd, dat elkgeloofsgebed, dat opgaat tot God, dan alleen gehoord wordt, als gij niet staat, maar als gij rust op de steenrots Christus. O, als gij dan bidden moogt met den geloofsstaf omhoog geheven, strijdt de Heere Jezus voor u tegen uwe vijanden, overwint Hij hen door Zijne onwederstaanbare hand, en geniet gij voor u zeiven den zegen van die overwinning voor u behaald in dien vrede, die uwe zielen ondervinden die alle verstand te boven gaat. Volk Gods! bidt, strijdt en gelooft. De strijd van Amalek is van geslachte tot geslachte. De overwinning is reeds door Jezus voor u behaald. Eens zult gij het wapen des gebeds afleggen, dan eeuwig, ja eeuwig danken, door U, door U, Heere, alleen om het eeuwig welbehagen 1 Amen.
Ps. 89 : 7, 8.
V.
HET ZALIGMAKENDE GELOOF. Leerrede over Markus 9 :246.
PSALM 38 : 3, 4.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Die tot God komt moet gelooven, dat Hij is, en een belooner is
71
dergenen die Hem zoeken. Zoo weet gij, staat er Hebr. 11; 6 geschreven. Zonder geloof kan niemand God behagen. Al wat niet uit den geloove is, is zonde. En uit genade worden wij zalig door het geloof; toch niet uit ons, \'t is Gods gave. Uit alle die uitspraken, die ik ii daar opnoemde, blijkt ons dus duidelijk de onmisbaarheid er; noodzakelijkheid van het geloof. En vragen wij, welk geloof moeten wij bezitten? dan antwoorden wij: het zaligmakend geloof, dat vermogen, dat God de Heilige Geest in de harten der uitverkorenen werkt, tegelijk met de nieuwe natuur, als derzeiver eerste en voornaamste deel. Dat vermogen is uit Christus en gaat van Hem in hen over. Het zaligmakende geloof wordt het genoemd, om dat geloof te onderscheiden van alle nagebootste gelooven, gelijk het geschiedkundig- en tijdgeloof, alsmede het bloote geloof der wonderwerken, die daarvan in aard en natuur onderscheiden zijn.
Van het bezit van het zaligmakende geloof hangt het dus af, of wij het recht hebben ons onder de kinderen Gods en de erfgenamen des hemels te rangschikken. Onderzoekt u zeiven of gij in het geloof zijt; beproeft u zeiven. Of kent gij u zei ven niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. Zoo schreef de Apostel, 2 Cor. 13:5. Welaan dan, dat wenschte ik heden met u te doen, naar aanleiding van dat gedeelte uit Gods Woord, waarin ons iemand beschreven wordt die beleed: âIk geloof Heere! Kom mijne ongeloovigheid te hulp.quot;
Laat ons eerst met en voor elkander het aangezicht Gods in het gebed zoeken.
MARKUS 9 : 24b.
âIck geloove Heere, kom mijne ongeloovigheijt te hulpe.quot;
âIk geloof Heere! Kom mijne ongeloovigheid te hulp.quot; In die taal herkennen wij het zaligmakende geloof in deszelfs aard en werking. Ja, M. V.! genade alleen leert ons zonde, geloof en ongeloof kennen. Indien wij naar de meening des Geestes de uitspraak van onzen tekst recht verstaan, dan kan zij onder den zegen Gods strekken tot bemoediging en vertroosting van alle bekommerde en heil-zoekende zondaars. Welaan, laat ons
1°. Onze tekstwoorden uit het verband, waarin zij voorkomen, met u nagaan.
2°. Over het zaligmakend geloof, daarin zoo kennelijk, met u spreken, en
3°. Met het woord der toepassing eindigen.
Moge de Heilige Geest, Die de Geest des Geloofs is, en het geloof
72
in onze harten werkt en versterkt, Zijn woord ook daartoe in ons midden voor allen dienstbaar maken.
1°. Wenschte ik de tekstwoorden uit het verband, waarin zij voorkomen, met u na te gaan.
De verheerlijking van den Heere Jezus op Tabor, waarvan drie Zijner Apostelen, de geliefdsten onder de geliefden: Johannes, Jakobus en Petrus getuigen en aanschouwers waren geweest, had er plaats gehad; en nu keerde Hij tot het strijdperk des aardschen levens terug. Toen Hij den berg was afgeklommen, zag Hij bij Zijne discipelen, die achtergebleven waren, en Zijne wederkomst afwachtten, eene groote schare rondom hen, welke met groot verlangen Hem verbeidden, gelijk Israël eertijds aan den voet van Sinaï\'s berg de wederkomst van Mozes verwachtte, en Hij hoorde dat eenige schriftgeleerden met hen in twist waren. Ofschoon ons hunne twistredenen niet staan opgeteekend, mogen wij uit de woorden, die Jezus tot de schare sprak opmaken, dat de schriftgeleerden de discipelen van Jezus daarover beschimpten, dat zij den duivel in den naam van hunnen Meester niet hadden kunnen uitdrijven. Deze onmacht der discipelen gaf dezen vijanden gelegenheid, om de Goddelijke almacht van Jezus, die anders gebleken was in de verlossing der bezetenen van den duivel, verdacht te maken, en daardoor het geloof in den Heere Jezus, als den waren Messias, ware het mogelijk, te doen wankelen. Ziet! daar komt Jezus aan, en de ge-heele schare Hem ziende, werd verbaasd, en dat wel zoo als Markus schrijft terstond. Alles geraakte dus in groote verbazing en verrukkende verwondering. Van waar dat? Zoude er mogelijk nog iets van den hemelschen glans, waarmede Zijn aangezicht op Tabor glinsterde, op Zijn gelaat te aanschouwen zijn geweest, gelijk het vel van Mozes\' aangezicht glinsterde, toen hij van den berg tot het volk afkwam? Exod. 34 : 29. Of was die verbazing, omdat zij Zijne wederkomst zoo spoedig niet hadden verwacht? Wie zal ons dit zeggen? Maar dat is zeker: nadat zij van hunne verwondering een weinig bedaard waren, liepen zij naar Hem toe, groetten Hem en, ontvingen Hem met ontzag en met blijdschap. Nu vraagde Jezus den schriftgeleerden: wat twistet gij met dezen,of onder eikanderen? Waarover zijt gij in woordenstrijd? Aldus vraagt Hij; niet omdat Hij het niet wist, neen! Hij, de Alwetende, verstond van verre reeds de gedachten, die in het hart des menschen opkwamen; Hij wist hetgeen zij hadden gesproken, maar Hij wilde voor allen als \'t ware openleggen en bekend maken, wat er in Zijne afwezigheid was gebeurd, om Zich aldus den weg te banen ter openbaring van de Goddelijke almacht die in Hem woonde. De vraag van Jezus wordt
73
Hem door de schriftgeleerden niet beantwoord, wellicht uit vreeze of onwil. Maar nu antwoordde één uit de schare, en hij viel v^oor Jezus op de knieën, en riep tot Jezus, dat Hij Zich ontfermen mocht over zijnen zoon, zijn eeniggeborene, die een stommen geest had; hij kon dus niet spreken. Nu beschrijft hij den toestand van zijn kind; waar die geest hem aangreep, in hem begon te woeden, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en hij verdort, zijne krachten werden als \'t ware verteerd. Ja, waar de onreine geest hem aangreep, wierp hij hem plotseling ter aarde, of maakte dat hij luid schreeuwde en riep. Ach! in welk een treurigen toestand verkeerde die jongeling. Ik, zegt de vader, heb aan Uwe discipelen, in Uwe afwezigheid gezegd, dat zij den stommen, onreinen geest zouden uitwerpen, maar zij konden het niet, ongeacht anders dat de duivelen hen onderworpen waren, Matth. 10 : 8. Plaagde de helsche geest, de duivel, dit kind? Was hij van hem bezeten? Of hebben wij aan eene ziekte te denken omdat Mattheus schrijft, dat de vader zeide, dat zijn zoon maanziek was? Ik geloof M. V.! dat wij hier bepaaldelijk aan den Satan, die zijn gruwelijk spel met dien jongeling dreef, moeten denken. Wij moeten zulks op grond van Gods onfeilbaar getuigenis aannemen. Wanneer het eene vallende ziekte of eene andere buitengewone lichaamskwaal ware geweest, dan was er zeker niet verhaald, dat de geest hem scheurde, ter aarde wierp. Onder de toelating Gods werkte de duivel onmiddellijk in den jongeling, en daar hij naar zijne wetenschap zich ook van natuurlijke oorzaken bedient om zijne kracht te oefenen, zoo had de vader het opgemerkt dat bij de verandering van de maan, of de nieuwe maan, de toestand af- of toenam; daarom noemde hij zijnen zoon maanziek. Zulks kan ons niet bevreemden, daar wij weten, dat hij weleer onder de toelating Gods, Job met booze zweeren sloeg. Deze jongeling was een bezetene des duivels, wij mogen zulks niet betwijfelen, want Jezus, in Wiens mond nimmer eenig bedrog was, zegt: âGij stomme en doove geest, Ik beveel u, ga uit en kom niet meer in hem.\'\'\'\'
Het eerste woord, dat Jezus sprak, toen de vader Hem de ellende van zijnen zoon bekend gemaakt en gezegd had, dat hij zijn kind tot de discipelen gebracht had, maar dat dezen hem niet konden genezen, was: âO! ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen. De klacht van Jezus\' betrof allen. De schriftgeleerden toch, de onmacht van Jezus discipelen bespottende, tastten de eer Zijner Goddelijke almacht aan. Niet onwaarschijnlijk ook is het, dat de vader ongeduldig is geworden, daar de discipelen aan zijn verzoek niet voldeden, en geslingerd is geworden
74
door twijfelachtige en ongeloovige gedachten omtrent Jezus. Jezus althans maakte geene uitzondering, en zegt: âHoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen?quot; Maar op dat woord van heiligen en rechtmatigen toorn, laat Hij in éénen adem een woord van liefde volgen, waarmede Hij, de medelijdende Hooge-priester Zijns volks. Zijne bereidwilligheid toont, om den kranke te helpen. Hij beval: breng hem tot Mij. Zekerlijk had Jezus, indien Hij zulks had gewild, den ongelukkiger! jongeling op eene andere wijze kunnen genezen, maar nu wilde Hij in het openbaar dit wonderwerk doen, opdat Zijne vijanden beschaamd zouden gemaakt worden over hunnen godslasterlijken hoon, dien zij Jezus, in de personen van Zijne discipelen hadden toegebracht, en opdat de vader, die zoo ootmoedig den Heere Jezus gebeden had. Zich over zijn kind te willen ontfermen, nu zien en hooren zou, hoe Jezus gewillig en met vreugde op Zich nam datgene te doen, waaromtrent de schriftgeleerden hem wilden doen twijfelen.
Aan het bevel van Jezus: âbrengt hem tot Mij,quot; werd voldaan. Zij brachten den jongeling tot Hem, en als Hij hem zag, scheurde hem terstond de geest. Hij bracht hem dus in eene hevige schudding en sterke beweging, en woedde hevig in hem, en wel zoodanig, dat de ongelukkige op de aarde nederviel en zich rondom wentelde, al schuimende. Wij zien hieruit M. V. hoe de Satan zich vergramt, wanneer hij ziet, dat de Heere Jezus hem eene ziel wil ontrukken. Hij spant dan alle zijne krachten in, om ware het mogelijk zijn prooi vast te houden. Zoo handelt nog de booze geest, wanneer Jezus, Die den Satan in sterkte overtreft, hem zijne vaten ontrukt. O in de waarachtige bekeering van zondaars, die krachtdadig op den breeden weg der zonde en der eeuwige rampzaligheid waarop zij wandelden, door den Heere als \'t ware in één oogenblik worden opgekeerd en omgekeerd, worden niet zelden vele duivelsche aanvechtingen, benauwdheden en bestrijdingen, ja! helsche angsten gekend. Zoo erg kunnen deze zijn, dat zij hem als \'t ware brengen kunnen aan den rand van het eeuwige verderf, en den gapenden afgrond voor hunne voeten, en zij hun leven zouden aantasten, ja! een begin van uitvoering van dit hun voornemen maken, zoo God hen daaruit niet redde door Zijne wonderhand. Dan juist als de Satan bemerkt, dat Jezus Zijne wondermacht aan ons, die hem boven anderen in openbare zonden en godslasteringen dienden, wil verheerlijken, dan zet hij ons door zijnen verborgen invloed nog meer aan om uit te breken in alle goddeloosheid, en als wij het niet meer vermogen, niet omdat wij niet willen, maar omdat wij het niet kunnen, omdat de Heere ons te sterk is geworden, dan komt hij
75
tegen ons op, om ons of tot wanhoop te brengen dooi\' ons te wijzen op onze vele zonden en gruwelen, die wij bedreven; of om ons van God af te houden door de inwerpselen van allerlei godslasterlijke gedachten; of door ons zoo te benauwen, dat wij dag en nacht geene fust hebben, het leven ons tot een last wordt, en wij als verstande-loozen uitroepen: och! waren wij maar nooit geboren. Ja dat neder-vallen op aarde, dat zich rondom wentelen al schuimende, is ook in het leven van vele van Gods kinderen, die eenen zwaren bekeerings-weg hebben gehad, geene onbekende zaak.
Toen nu de bezetene door den duivel tot Jezus was gebracht, vraagde Jezus zijnen vader: hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? Hoe lang is uw zoon door den booze zoo gekweld geweest? Ook dit wist Jezus wel, maar zulks vraagde Hij, opdat daardoor de grootheid van het wonder, hetwelk Hij doen zou, des te meer zou blijken, en om het geloof van den vader te beproeven. De vader antwoordde Hem: van zijne kindschheid af, en dat de duivel hem dikwerf zoo had gedreven dat hij zich dan eens in het vuur, dan weder eens in het v/ater had geworpen, om hem om te brengen en te verderven. Ja! van onze kindschheid af aan, zijn wij allen in ons verbondshoofd Adam gevallen en afgevallen van God, den duivel toegevallen, in zijne macht, en werkt hij in ons, hoe onderscheiden zijne werkingen ook zijn mogen, om ons te verderven, te vermoorden, te dooden. Daarmede zijn wij bezig, en hij spoort er ons toe aan, door de vermogens onzer zielen, en de krachten van onze lichamen in den dienst te besteden van dendriehoofdigen afgod: de begeerlijkheid der oogen, en des vleesches, en de grootschheid des levens. Als kinderen reeds bewijzen wij, hoe krachtig hij in ons werkt en woelt, dikwerf reeds voordat wij het onderscheid kennen tusschen onze rechter- en linkerhand. Als jongelingen en jonge dochters woelt en werkt hij in ons, dooi ons de wereld boven God te doen kiezen, de ijdelheid te doen najagen, en doof te maken voor alle vermaningen en opwekkingen, die van Gods wege tot ons komen, om aan onzen Schepper te gedenken in de dagen onzer jongelingschap, ja! onze harten tegen God te verharden. Als mannen en vrouwen werkt en woelt hij in ons, door ons zorgeloos en onverschillig te maken omtrent het eene noodige en onmisbare voor onze zielen, door ons alleen bekommerd te doen zijn over de dingen dezer wereld. Hoe ouder wij worden, hoe minder wij zijne woelingen en werkingen ondervinden, want dat weet hij, dan zijn voor velen die kwade dagen daar, waarin de mensch zegt, als hij opgewekt wordt tot het goede: wijk van ons, want wij hebben geen lust in deze dingen. Ja! krachtig werkt en woelt de Satan van kindsbeen
76
if
af aan in de kinderen der ongehoorzaamheid. Ach! wie weet, God alleen weet het, hoe velen er ook thans onder ons nog zijn, die wij zeggen mogen, dat van kindsbeen af aan bezetenen des duivels zich betoonen, om hun leven niets geven, en door den duivel worden gedreven om hoe langer hoe meer uit te spatten in goddeloosheid en zedeloosheid? Keeren wij terug tot het geschiedverhaal. ,,Zoo Gij iets kunt,quot; zoo spreekt de vader Jezus aan: bijaldien Uwe macht zich zoo verre uitstrekt, zijt met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. De man was dus nog niet overreed, dat Jezus die macht bezat; zijne blinde oogen waren dus nog voor de heerlijkheid van Christus gesloten, en nochtans, de nood van zijn kind welke ook zijn nood was, uit kracht der betrekking, welke zijne ziel op dat kind gevoelde, het was zijn eeniggeborene zoon, deed hem tot Jezus zeggen: Zijt met innerlijke ontferming over ons bewogen! Laat ons leed, dat zoo onuitsprekelijk groot is, U ter harte gaan. In die taal M. V., de voorstelling zijner ellende aan Jezus, zien wij reeds eenig geloof, hoezeer het ook als \'t ware nog onder de asch bedolven ligt. Nergens voor de ellende van zijn kind hulp kunnende vinden, wordt hij als \'t ware door eene onzichtbare hand gedreven, hulp te zoeken bij den Almachtigen God, bij Jezus.
Jezus zeide tot hem: zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft. De zin dezer woorden is: niets is er, hetgeen Ik niet door de Goddelijke kracht, die in Mij woont, ten goede zoude kunnen teweeg brengen, dengenen die gelooven. Zoo alleen konde Jezus spreken. Die zichzelven bewust was God te zijn. Eén met den Vader, de waarachtige God. Waarlijk ik weet niet, M.V. hoe zij, die de Godheid van den Heere Jezus stoutweg durven loochenen, en die in Jezus slechts een Goddelijk, heilig mensch erkennen, het zedelijk karakter van Jezus kunnen redden. Die zich, als Hij slechts een bloot schepsel is, de macht eigent, die God alleen bezit. De oorzaak van hunne dwaasheid en blindheid hebben wij in niets anders te zoeken, dan daarin, dat zij met al hun uitwendigen godsdienst en geleerdheid vervreemd zijn van God en van het leven, hetwelk uit God is. Zij kennen zichzelven door genade niet als dood- en dcem-schuldige zondaars, daarom zien zij ook in den Heere Jezus geene gedaante en heerlijkheid.
Hier zien wij, M. V.! dat het ware geloof den in zichzelven on-machtigen mensch, juist omdat dat geloof eene kracht van God is, om het eens zoo uit te drukken. Hem almachtig maakt; dat geloof hetwelk den Heere Jezus, Wiens naam is Sterke God, Vader der eeuwigheid, aangrijpt, waardoor hij met Hem wordt vereenigd. Hem wordt ingeplant en ingelijfd, en alleen Amen zegt op het
77
woord van den waarachtigen en getrouwen God. Al wat zulk een geloovige bidt en begeert, wordt hem van God uit Zijne eeuwige liefde alleen om de verdiensten van Jezus Christus, uit loutere genade geschonken. En hoe mag hij nu dat geloof oefenen? Ziet! dan overwint hij door dat geloof alles wat zich tegen hem stelt, dan overwint hij den Satan, de wereld en de zonde.
Welke uitwerking hadden de woorden van Jezus op het hart van den vader? Zijn steenen hart is terstond in een vleeschen hart veranderd. Kracht van den Heere Jezus was er in zijne ziel uitgegaan, zijn hart was week geworden. Wij lezen dat hij met tranen riep: Ik geloof Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp! Welk eene ontzettende omkeering in zijn hart. Nu waren zijne blinde oogen geopend om gedaante en heerlijkheid in Jezus te zien. Hij spreekt Jezus als Heere aan, erkent Hem Jehovah, den onveranderlijken God, den God des Verbonds te zijn. Ik geloof Heere! Weinige maar dierbare en veelbeteekende woorden. Onbepaald, onbedongen, onvoorwaardelijk gaf iiij zich met die belijdenis aan den Heere Jezus over. Hij geloofde met zijn hart het woord van Jezus, dat Hij alleen zijnen zoon kon genezen. In deze oogenblikken is alle zelfvertrouwen hem ontzonken; zoo ootmoedig is hij, dat hij zelfs op zijn geloof niet vertrouwt. Ja! met zulk een verstand, met Goddelijk licht omstraald, met zulke oogen door God den Heiligen Geest verlicht, mocht hij zichzelven in de gansche ellende, waarin hij door de zonde verzonken lag, beschouwen en zichzelven mishagen, dat hij uitriep: Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulpe. Hij konde dus niet anders worden geholpen, dan door Jezus, den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs.
Zulk een geloof bekroont Jezus als Zijn eigen werk. Jezus ziende dat de schare gezamenlijl- toeliep, bestrafte den onreiner, geest, en zeide: Ik gebiede u, ga uit van hem, en kom niet weder in hem. Hier ziet gij dus al wederom; dat het geene natuurlijke, maar dat het een bezetene van den duivel was. Eene ziekte konde Jezus niet aanspreken, niet gebieden, maar wel den duivel, die den jongeling van spraak en gehoor had beroofd en hem zoo verschrikkelijk kwelde. Jezus spreekt en gebiedt als God. Dat Goddelijk machtwoord vermocht de duivel niet te wederstaan, Jezus gebood, dat hij van het kind zoude uitgaan, en verbood hem, dat hij weder tot hem mocht inkomen. De Satan moet ondanks zichzelven gehoorzamen.
Wie of wat schepsel in hemel en op aarde vermag de machtige hand Gods te wederstaan? Maar evenmin ook de hand van onzen grooten God en Zaligmaker, Die zeggen konde en het hier wederom bewees: Ik en de Vader zijn Eén. Ik geve Mijne schapen het eeuwige
78
leven, niemand zal ze rukken uit Mijne hand, noch uit de hand Mijns Vaders. Den duivel werd door Jezus verboden wederom den jongeling in zijne macht te nemen; en ziet! hij moet hem loslaten om niet in hem terug te keeren. Maar nu ook doet Satan voor de laatste maal hem nog jammerlijk zijne woede ondervinden; hij riep heftig, en hem zeer scheurende, ging hij van hem uit, en het kind werd als dood, zoodat velen zeiden, dat het waarlijk was gestorven. Ja! het kind was ook gestorven, het was dood voor den duivel, voor de wereld, voor de zonde. Het leefde niet meer, maar Christus leefde in het kind, en wat het kind later zoude leven, dat zou hij leven door het geloof des Zone Gods. Het kind was door de wet aan de wet gestorven, om voortaan Gode te leven. Dat leven, M. V.! is het ware leven; het andere leven, dat wij leven noemen, is de dood. Ziet! Jezus greep het kind, hetwelk zij meenden dat dood was, bij de hand, richtte het op, en hij stond volkomen gezond gemaakt en van zijne kwaal genezen. Maar laat ik nu,
2°. over het zaligmakend geloof, daarin zoo kennelijk, tot u spreken.
Gij weet, M. V.! geen bloot beschouwend geloof, dat ons hart onveranderd laat, of een bloot geschiedkundig geloof, hetwelk ook de duivelen kunnen bezitten, kan ons zalig maken, maar alleen zulk een geloof, dat het hart reinigt van doode werken om den levenden God te dienen, door de liefde werkzaam is, en ons, arme zondaars, hier in hope doet zalig zijn, en hier namaals, als de hoop in bezit is overgegaan, in genot. Dat geloof, dat God eischt, is Zijne belofte tevens, daarom wordt het bij herhaling in Gods Woord Gods gave genaamd. Dat geloof, hetwelk Hij eischt, werkt de Heilige Geest, Die de Geest des geloofs wordt genoemd. Het wezen van dat zaligmakend geloof is als een arm, ellendig in zichzelven verlorenen zondaar tot Jezus zijne toevlucht te nemen, afziende van alles in en bij zichzelven. Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk den-gene die gelooft; zoo had de Heere Jezus tot den vader van den bezetene gezegd; en ziet! nu ging er zulk eene krachtdadige en on-wederstaanbare kracht van Zijnen Geest in het hart van den man uit, dat hij hei; uitriep: Ik geloof Heere! Hoe wondervol zijn dikwerf de wegen Gods om een zondaar tot die belijdenis te brengen. Waarlijk geene betere beschrijving van dat geloof, dat zalig maakt, kunnen wij u geven, dan door het te noemen, een Goddelijk licht in ons verstand, eene Goddelijke kracht in onzen wil. Welk een wondere weg; zwaar voor bloed en vleesch, was voor dezen man de weg om dat groote, onuitsprekelijke heilgoed deelachtig te worden. Gods wegen zijn dikwerf met Zijn volk, hetwelk Hij in eeuwige liefde heeft gekend, en in den tijd tot Zijne gemeenschap in Christus roept, in het
79
heiligdom. God liet Satan toe zijn gruwzaam spel met het eenigste kind van dien man te drijven. De nood van zijn kind dreef hem tot Jezus, van Wien hij het had gehoord dat Hij duivelen uitwierp. Toen hij Hem zag, viel hij voor Zijn voeten neder, en bad Hem, dat Hij zich hunner mocht ontfermen. Uwe discipelen, zegt hij tot Jezus, heb ik reeds verzocht, dat zij mijnen zoon van den duivel mochten verlossen, door Hem uit te werpen. Zij vermochten het niet. Maar Gij, roept hij uit, zoo Gij iets kunt, wees met ontferming over ons bewogen en help ons. Hij weet geen raad; als Jezus zich niet over hen ontfermt, is zijn kind reddeloos verloren. De Geest Gods deed hem het woord volbrengen: roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uitredden. En terwijl hij smeekte dat Jezus Zich hunner ontfermen mocht, lag daar geen billijking en rechtvaardiging van God in, dat Hij rechtvaardig de misdaden des vaders in de kinderen bezoekt? God, zijnen zoon zoo kastijdende, kastijdde hem. Ja, de eerste straal van den opgang uit de hoogte, die in de zielen die haar ontvangen, nimmermeer ondergaat, werd hier in hem gezien. Zijne blinde oogen werden aanvankelijk geopend toen hij voor Jezus knielde, en smeekte dat Hij Zich hunner mocht ontfermen voor de voortreffelijkheid van Jezus, Die de banier draagt boven tien duizend; voor de volheid der Godheid van Christus, Zijne gepastheid. Zijne bereidwilligheid om Zich over ellendigen te ontfermen. Hoe hij in zijne dwaasheid ook nog zeggen mocht tot Jezus: indien Gij iets kunt, hij verzegelt toch het woord Gods, dat Jezus de ware Messias is, en er onder den hemel geen andere naam gegeven is, door welke wij kunnen zalig worden. Wie merkt niet zijne ootmoedigheid op, zoo zichtbaar in het zichzelven vernederen voor Hem, Dien de schriftgeleerden hoonden? zijne verzaking van alles om ter zijner hulp daarop te steunen? Waarlijk wij mogen zulks de werkingen van den Heiligen Geest in hem noemen; duidelijk is in hem het verbroken hart, den verslagenen geest te ontdekken. Toen nu bij die voorgaande en medegaande dingen des geloofs het woord van Jezus: zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft, met onwederstaanbare kracht der genade in zijne ziel doordrong, toen kwam hij tot de daad des geloofs: ik geloof Heere! Dat was het Amen zeggen op het woord van Jezus, het zich werpen op Christus; ja, op Christus alleen. Het aanvatten van Christus, zonder eenig beding, onvoorwaardelijk mocht hij dat geloof uitspreken, dat âeen vaste grond der dingen is, die men hoopt; een bewijs der zaken die men niet ziet,quot; Hebr. 11:1. Wanneer dat geschonken mag worden, om zoo te belijden met het hart en met de lippen: Ik geloof Heere! dan zijn wij
80
sterker dan Simson, die de poorten der stad Gaza op zijne schouderen nam, en op eenen berg droeg. Zulk een wondermensch zegepraalt door het geloof over de geheele wereld; voor zulk eenen geloovige moet de duivel vlieden. (1 Petr. 5 : 9; Jak. 4 ; 7.)
Kom, voegde hij er in eenen adem bij, mijne ongeloovigheid te hulp. Hoe klein en gering, M. V.! is de man, die zaligmakend mocht gelooven, in zijne eigen oogen. Hij beschrijft zijn geloof en noemt het vanwege deszelfs zwakheid ongeloof. Hij belijdt zijn gebrek en zoekt er bij Jezus vervulling van. Hij hoopt door het geloof en vlot op het onzekere, geslingerd door ongeloovigheid. Zie daar een toestand, die allen in meerdere of mindere mate kennen, wien het door genade werd geschonken, het zaligmakend geloof te belijden. Het geloof kan, gelijk bij dien man, zoo zwak zijn; daarom spreekt het Woord Gods van kleingeloovigen, en stelt het ons hunnen toestand voor, als het gekrookte riet en rookende vlaswieken. Geloof leert ongeloof, geen wonder ook; want die komen mogen tot de ware belijdenis: Ik geloof Heere! zijn zulken, die uit de duisternis in het licht werden gebrach\', die ai voortgaande meer schijnsel vernemen. O! daar is eerst dageraad en geen dag, omdat het licht dat nog pas te voorschijn komt, de donkerheid die voorbij moet gaan, niet ten eenenmale onderdrukt heeft. Ja! ik mag wel zeggen, zoo is het met ons allen, die geroepen worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht; eerst zijn wij zuigelingen, dan jongelingen in \'t geloof, en opwassende in de kennis en in de genade in Christus, komen wij tot den staat van volwassenen in het verstand (1 Cor. 14 : 20.) Zulken, die het zaligmakend geloof hebben ontvangen, zijn niet zonder mistrouwen. Uit de zaligmakende kennis van hun goddeloos, zondig, onrein en ongeloovig hart, die de Heilige Geest hun heeft geschonken, vloeit dat bewustzijn van krachteloosheid door de zonde in zich zelven, om dat geloof vaSt te houden voort; daarom belijden zij hun ongeloof. Maar ziet! dat onderscheid is er tusschen het ongeloof der wereld die Jezus verwerpt, en tusschen het ongeloof van Zijn volk: de wereld leeft er gerust en onverschillig onder voort; het volk van Jezus neemt zijne toevlucht tot Zijne sterkte en smeekt Hem: Heere! kom het te hulp. Ja! het zaligmakend geloof als het uitspreekt het ongeloof des harten, belijdt zulks voor den Heere, als zijne eigen schuld en zonde. Daarom zegt die man: kom Heere mijne ongeloovigheid te hulp.
Vleeschelijk verkocht onder de zonde, dragen wij ook dan als God ons heeft bekeerd, een ik in ons binnenste om, dat niet kan en wil gelooven, dat ongeloovig is en blijft; maar dat ik, dat levend is gemaakt, zucht onder dat diep bederf des harten. De Geest der ge-
81
nade en der gebeden geeft hem te roepen: Kom mijne ongeloovigheid, Heere Jezus, te hulp. Het zaligmakend geloof leert ons dus ons ongeloof kennen, en tot Hem roepen. Die beloofd heeft, het geloof te sterken, bij Wien, daar wij in ons zeiven zwak zijn, kracht is. Ja! Die zich dien goeden Herder wil betoonen. Die het verlorene zou zoeken, het weggedrevene wederbrengen, het gebondene verbinden en het zwakke sterken.
Laat ons nu eindigen met de toepassing; maar zingen wij vooraf Ps. 89 : 7.
3°. Laat ons eindigen met de toepassing.
Hoe staat het nu M. V.! met ons? Zijn ook wij er reeds toegebracht, om voor Jezus nedergebogen in het stof te belijden: Ik geloof Heere! en met hem het goddeloos ongeloof onzer harten Kennende te bidden: Kom mijne ongeloovigheid te hulp? Ach! wie weet hoevelen er onder u nog worden gevonden, voor wien Jezus geene gedaante of heerlijkheid heeft, dat zij Hem zouden begeeren. Hoe zoudt gij, die rijk en verrijkt zijt, en geens dings gebrek hebt, u in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof tot Jezus begeven, om door Hem gezaligd te worden. Gij verwerpt Jezus door het goddeloos ongeloof uwer harten. Denkt gij er we! om, dat er voor u staat geschreven: Indien gij niet gelooft dat Ik die ben, zult gij in uv/e zonden sterven. O! dat zal verschrikkelijk zijn voor u die onder de roepstemmen Gods van geloof en bekeering hebt geleefd. In uwe zonden te sterven, het zal zijn in die plaats te komen, alwaar eeuwig zal zijn weening der oogen en knersing der tanden. Ja! voor u staat geschreven: die den Zoon ongehoorzaam is, niet in Hem gelooft, de toorn Gods blijft op hem. Dien toorn Gods eeuwig te moeten ondervinden, o! het zal verschrikkelijk zijn te vallen in de handen van den levenden God. Dan zult gij uitroepen: bergen valt op ons, en heuvelen bedekt ons voor het aangezicht van God, hetwelk zich in eeuwige grimmigheid en toorn tot u zal keeren. Och! dat het indruk door genade op uwe harten mocht maken, de schrik des Heeien u in dit heden der genade mocht doen ontwaken. Och! dat gij bewogen mocht worden tot het geloof! Die niet geloofd zal hebben, zoo staat er geschreven, zal verdoemd worden. In die woorden leest gij uw vonnis, hetwelk aan u zal voltrokken worden, die de duivel, de wereld en de zonde blijft dienen, die uwe harten tegen God en de menigvuldige roepstemmen, die er van Godswege tot u zijn gekomen, blijft verharden. God zal eens wrake doen over degenen die Hem niet kennen, en het Evangelie Zijns Zoons ongehoorzaam zijn. Och! mocht gij ontwaken, opstaan uit den dood, Christus zal dan over u lichten.
82
Maar er zullen er onder u zijn, die wellicht over ziclizelven betere
gedachten koestert die vertrouwt omdat gij gelooft, dat gij zondaar zijt, en Jezus in de wereld is gekomen, om zondaren zalig te maken, en gij Jezus openlijk als Zaligmaker belijdt, het goed met u staat. Zou dat geloof in Jezus zijn? Zon Jezus onverschillig kunnen zijn, hoe gij over Zijn persoon denkt? Zoude het genoeg zijn, zoo als duizende zoogenoemde Christenen doen, Jezus voor een Profeet, voor den voortreffelijkste!! Leeraar, voor een heilig mensch te houden? Wat geeft u dit voor den vrede van uw hart? Helaas! nu schijnt het, dat gij daaraan genoeg hebt, omdat gij u zeiven niet in waarheid als een dood- en doemschuldig en in u zeiven verloren zondaar hebt leeren kennen. Jezus eischt meer. Hij eischt niet alleen geloof aan, maar in Hem; dat gij Hem als den Zone Gods, God boven alles te prijzen in der eeuwigheid, als een sterken God, als den Vader der eeuwigheid, als den Heere gelooft, erkent en vertrouwt. Zoo lang u de heilswelclaad der wedergeboorte ontbreekt, waardoor gij uit de wet Gods uwe ellende leert kennen, en tot den uitroep aan de voeten van Jezus: ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? gebracht wordt en uwe oogen geopend worden, om u zeiven te zien liggen op de vlakte des velds, vertreden in uw bloed, terwijl niemand met u medelijden hadt, gij het met u zeiven niet hadt; neemt gij in het arm zondaars-geloof uwe toevlucht tot Jezus niet, werpt gij u niet voor Zijne voeten om Hem te smeeken, Heere Jezus, ontferm U onzer. Ach! uwe onbekeerde harten zijn nog afkeerig van Jezus, gij kent geene behoefte aan Hem als aan het brood des levens, omdat gij geene armen van geest, geene treurigen over uwe zonden en gansche verlorenheid door de zonde, geene hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid zijt geworden. Gij bouwt nog op uwe eigen gerechtigheid. Gij hebt helaas! aan uwe uitwendige mondbelijdenis van Jezus genoeg. Dat leven, in Christus verborgen bij God, is u onbekend. Gij kent dat roepen als ellendigen en nooddruftigen, als zulken die onder den vloek des toorns van God liggen niet. Dat zuchten en klagen tot Jezus als God, is de behoefte uwer zielen nog niet geworden. De overtuiging van den Heiligen Geest van zonde, gerechtigheid en oordeel ontbreekt u. Ja! gij hebt het zaligmakend geloof als gave Gods nog niet ontvangen, daarom klaagt gij ook niet over uwe ellende door de zonde, over goddeloos ongeloof uwer harten. Gij gelooft, hoopt en vertrouwt op uwe wijze. Door eene verschrikkelijke zelfmisleiding van uwe arglistige harten kunt gij u daarmede geruststellen. Omdat gij het leven mist, kent gij geenen strijd, geene bestrijding, geene aanvechting, geene benauwdheid.
83
Gij zijt met ai uwen uitwendigen godsdienst aan die van Sardis gelijk, die den naam hadden dat zij leefden en toch dood waren. Och! of het u eens brengen mocht tot zelfbeproeving uwer harten voor God. Wee de gerusten in Sion! de verzekerden op den berg Geri-zim 1 het volk dat met geen lust is bevangen. Uwe hoop, uwe mond-belijdenis, uwe avondmaalsviering zullen uwe zielen niet redden van het eeuwig verderf, zonder waarachtige bekeering uwer harten; maar integendeel als gij daarop uw vertrouwen zult gesteld hebben, uw oordeel verzwaren. Hier moet het komen met u aan de voeten van den Heere Jezus, Hem erkennende als God en mensch, als den eenigenlmmanuël. Ik geloof Heere! Kom mijne ongeloovigheid te hulp. Bidt God dat Hij u dit nog door genade moge doen ondervinden. Heden zoo gij Gods stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.
âIk geloove Heere! Kom mijne ongeloovigheid te hulp.quot; Daar zijn er misschien ook onder u, die bevreesd van verre staan, of het zoo nog wel ooit in waarheid met u is gekomen aan de voeten van Jezus. Is uw geloof M. V. nog zwak, daarom kan het wel het ware zaligmakend geloof zijn; want ook een klein, zwak en krank kind kan zijnen vader zoo lief zijn, als een groot en gezond kind. Zal de hovenier de teedere plantjes en boompjes niet met meer zorg gadeslaan en oppassen dan de sterke planten en groote boomen? Het komt er maar op aan, of ons zwakke geloof een waarachtig, door God den Heiligen Geest in ons gewrocht geloof is, dan zal de Heere op den zwakgeloovige, zoowel als op den sterkgeloovige. Zijn ge-nade-oog in Christus Jezus vestigen. Welnu, hebt gij het leven ontvangen? Dat leven begint met die droefheid naar God, die eene on-berouwelijke bekeering ter zaligheid werkt. Dat leven wordt openbaar in het treuren over onze zonden, die wanneer God ons opwekt uit den doodslaap der zonden en der misdaden, en onze blinde oogen in den heiligen spiegel der wet, ons onzen waren toestand door de zonde doet zien, als gansch en al melaatsch, onrein, walgelijk van den hoofdschedel tot de voeten, ons voor God met een vei broken hart en eenen verslagenen geest doet uitroepen: Wee ons! wij vergaan, omdat wij tegen U, o Heere! hebben gezondigd. Trap en mate van dien ontdekkingsweg moge onderscheiden zijn, maar waar God wedergeboorte schenkt, daar schenkt Hij ook geloof, en elke levend gemaakte zondaarsziel gelooft, dat de ziel die zondigt, zal sterven; daarom belijdt zij: ik heb den dood verdiend; want ik iieb gezondigd. Ons roepen wordt nu tot God, dat Hij ons genadig moge wezen, en omdat de Heilige Geest niet alleen van zonde, maar ook van gerechtigheid overtuigt, en wij tot God niet durven opzien, omdat Hij een verteerend vuur is voor den godde-
84
looze, is ons roepen gelijk de vader van dat kind het deed, aan de voeten van Jezus, tot Hem: ontferm U onzer! Hij is u dan zoo onmisbaar en noodzakelijk, als Profeet om u te leeren, als Priester om uwe schuld te verzoenen, als Koning om u uit Satans macht te verlossen, en u te regeeren door Zijn woord en Zijnen Geest. God ziet niet op een sterk, maar op een oprecht geloof. O! als gij door genade uw beeld in dien hoofdman te Kapernaüm moogt vinden, die belijden moest: Heere! ik ben het niet waardig, dat Gij in mijn huis inkomt. In die arme zondaresse, die niets dan hare schuld door de zonde bezat, waarmede zij weenende voor Jezus\' voeten nederviel; al is het nog niet met u zoover gekomen, dat gij belijden moogt: âik geloof Heere!quot; dan staat het goed met u, want Jezus wil het ge-krookte riet niet verbreken. De zwakheid uwsgeloofs kan ontstaan, omdat uw geloof in zijn eersten bloei en geboorte staat; er door geene aanvechtingen en verzoekingen beproefd en gelouterd is. Ja! het kan ook zoo door aanvechtingen worden gedrukt, dat de ziel er onder zucht, en geen leven kan bespeuren. Maar hoe het ook zijn moge, wanneer gij waarlijk het leven hebt ontvangen, hoe zwak uw geloof ook zijn moge, in de dadelijke liefde naar buiten, in betrekking op God, op den Heere Jezus, op Zijn woord, op Zijn volk zal hetzelve zich betoonen. Niet met uw zwak geloof mag ik troosten; neen! Jezus Christus alleen, geheel, volkomen moet uw troost zijn in leven en in sterven, maar wij mogen u als zwakken in het geloof aannemen en niet tot twisting tot u spreken (Rom. 14 : 1). Mocht de Heilige Geest u geven, de begeerte uwer harten, om voor u zeiven te belijden: wij gelooven Heere!
Ik geloof Heere! Kom mijne ongeloovigheid te hulp. Die belijdenis kinderen Gods, is eene taal, die gij door genade verstaat. Nooit heeft iemand uwer rech e zekerheid gehad, die nimmermeer getwijfeld heefT. O! er zijn of waren tijden in uw leven in zware bestrijding, duisternis of zonde, dat uw geloofsoog was beneveld en Gods verschrikkingen tegen u rustten, zoo als Job (hfdst. 6: 4) het ondervond; maar als de Heere Zijne lamp weder over uwe hoofden deed schijnen en gij bij Zijn licht de duisternis mocht doorwandelen, dan moogt gij u in uwen Drieëenigen God in het geloof verheugen. Het geloof is uit God, uw ongeloof is uit u. Wat gebrek gij ook door genade, in kennis, toestemmen en vertrouwen in u moogt ontdekken, dat, volk Gods! durft en kunt ge niet ontkennen, dat het u uit genade is gegeven in Hem te gelooven. Uw geloof leerde u het ongeloof uws harten. Uwe zwakheid drijft u met sterke en vurige smeekingen tot Hem, Die u heeft liefgehad en blijft liefhebben met eene eeuwige liefde, uwen Jezus, Die in Zijn volk volbrengen wil het
85
welbehagen van Zijnen wil en het werk des geloofs met kracht, 2Thess. 1 : II. Heere! kom onze ongeloovigheid te hulp; of: Heere! vermeerder ons het geloof, dat zal onder alle aanvechtingen en bestrijdingen uwe bede zijn en blijven, waarmede gij voor Jezus nedervalt. Alle dingen die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, en ze zullen u geworden. Hoe meer de Heere u de genade des geloofs zal geven te oefenen, des te meer zult gij het goddeloos ongeloof uwer diep bedorven harten voor den Heere belijden, uwe gansche machteloosheid en ellende om u zeiven daarvan te verlossen. Hoe meer gij met de zaligmakende kennis van uw on-geloovig hart, als vermoeiden en belasten tot Jezus moogt vlieden, geloovig te midden uwer ongeloovigheid, des te dringender zullen uwe gebeden worden, om hulp en kracht van Jezus te mogen ontvangen ter onderbrenging van uwe verdorvenheden. Zijn juk op u te nemen, en zachtmoedigheid en nederigheid van Hem te leeren, en zoo rust te vinden voor uwe zielen. Tegen alle uwe struikelingen en zwakheden is er iets, waarop gij moogt zien: uw Zoenborg heeft voor li gebeden, dat uw geloof niet ophoude. Och! dat gij het dan ook door genade moogt oefenen; dat geslacht gaat niet uit dan door vasten en bidden. Amen.
Psalm 68 : 2.
VI.
DE ONDERTROUW VAN DEN HEERE JEZUS MET ZIJN VOLK.
Leerrede over Hosea 2 :18, 19.
PSALM 45 : 1, 2.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Wij bezitten in Gods Woord, M. V.! voorbeelden van menschen, die door hartelijke innjge banden van liefde en genegenheid met elkander waren verbonden. Denkt slechts met mij aan Ruth en Naomi. Hoe plechtig als in de tegenwoordigheid Gods verklaart Ruth, dat zij door liefde gedreven, hare schoonmoeder niet zou verlaten, heengaan zou waar zij heenging, wenschte te sterven en begraven te worden, waar zij zou sterven en begraven worden. Denkt aan David en Jonathan, die elkander zoo lief hadden als hunne eigen zielen. Van die liefde zeide David; zij was mij wonderlijker
86
dan liefde der vrouwen. Zulke vereenigingen als ik u daar opnoemde, vindt men zeer weinig in de wereld; maar al waren er ook vele zoodanige onder de kinderen der menschen, alle aardsche en wereld-sche verbindtenissen, hoe teeder, vast en hecht zij ook mogen zijn geweest, als de dood komt, worden zij verbroken. Ach! hier beneden is niets, dat onze arme zielen eeuwig vergenoegen kan. Hij, die geene andere vriendschap en verbindtenis kent, dan die de wereld omvat, is inderdaad nog maar een beklagenswaardig mensch. Een is er slechts M. V.! die lief heeft tot in en over den dood. Eene vereeniging bestaat er slechts die den dood trotseert, die duurt tot in alle eeuwigheid. Die Eene is Jezus, die vereeniging is de verloving met Hem aan deze zijde des grafs. Welnu daarover wenschte ik tot u te spreken.
Moge de Heilige Geest ons allen het heilgeheim der waarheid recht doen verstaan. Laat ons vooraf met elkander bidden.
HOSEA 2 ; 18, 19.
Ende lek sal u Mij ondertrouwen in eeuwigheyt. Ja, lek sal u Mij ondertrouwen in gereehtigheyt ende in gerichten, ende in goeder-tierenheyt ende in barmhartigheden.
Ende lek sal u Mij ondertrouwen in geloove: ende gij snit den Heere kennen.
Hosea, een der zoogenaamde kleine profeten, vóór de ballingschap, geboren onder de regeering van Jerobeam 11, den zoon van Joas, leefde en profeteerde onder zeven koningen der tien stammen, in dagen, toen Israël was overgegeven aan beeldendienst en afgoderij, en toen wegens gemis van den waren godsdienst de zedeloosheid des volks tot eene ijzingwekkende hoogte was geklommen. Als een andere Elia treedt de zoon van Beëri tegen de gruwelen en zonden op, die Israël bevlekten; ernstig bestraft hij hunne goddeloosheid, kondigt hun Gods geduchte oordeelen aan, indien zij niet met verootmoediging over hunne schuld tot God wederkeeren, en bedreigt hen, dat Jehova vreeselijk tegen de hardnekkigen zal toornen.
In ons teksthoofdstuk begint het tweede deel zijner Godspraken. In de 12 eerste verzen worden de zware oordeelen en straffen Gods voorgesteld, welke God over het volk zou doen komen, als eene rechtvaardige vergelding hunner gepleegde ontrouw jegens Hem, indien zij in hunnen goddeloozen weg en wandel bleven volharden; en zulks geschiedde, opdat, zoo als een Apostel ons zegt, indien de goedertierendheid Gods hen niet tot de bekeering mocht bewegen, het de schrik des Heeren mocht zijn. Als die akelige dagen daar zouden zijn, dan zouden zij vruchteloos de hulp der stomme af-
87
goden, die zij nu dienden, inroepen; zij zouden beroofd worden van voedsel en deksel, van hunne godsdienstige vreugdefeesten, van hun land en erve en deszelfs vruchten. Evenwel, dit ook voorspelt hij: de Heere zou niet tot verteeren toe toornen, neen! Hij zou niet vergeten genadig te zijn. Daarom kondigde de profeet aan, wat de Heere nog zou doen onder het volk. Onder hen zouden er zijn, die Hij zou leiden, in de woestijn zou voeren, en naar wier harten Hij zou spreken. Ja! God laat er bijvoegen, dat Hij dat gelokte volk niet alleen geestelijke, maar ook tijdelijke zegeningen zou schenken. Hij zou hun nog wijngaarden geven, en het dal Achor tot een deur der hoop, en dat er dan nog beurtgezangen door hen zouden worden aangeheven, gelijk als in de dagen hunner jeugd, toen zij uit Egypteland uittrokken, hetgeen alles ziet op hetgeen wij in Josua 7 ; 25 en Exodus 15 vinden vermeld. Dan zouden zij Jehova weder hunnen man en niet meer Baal noemen. De Heere zou, dat belooft Hij, de namen der Baals van hunnen mond wegdoen, en zij zouden niet meer bij hunne namen gedacht worden. Daarop zou de Heere voor hen een verbond maken met alle Zijne schepselen, opdat dezelve hen niet mochten schaden, vs. 17. En nu in onze tekstwoorden komt Jehova God nader, en Hij, Die Zijn volk tot in den dood, ja! tot in de eeuwige eeuwigheden lief heeft, belooft in een verbond des huwelijks met hen te treden, en hetgeen daaruit voor hen zoude voortvloeien, dat vinden wij hier uitgedrukt. â Moge nu die heerlijke en dierbare belofte in de eerste plaats de uitverkorenen in Israël, het overblijfsel naar de verkiezing, zooals Gods Woord hen noemt, gelden; zij staat daar nochtans ook geschreven voor elke gelokte, getrokken, levend gemaakte ziel. Deze toch behoort tot het geestelijk zaad Abrahams, tot het Israël Gods, niet naar het vleesch, maar naar den Geest.Welaan, bij deze heerlijke en dierbare belofte wenschte ik met u stil te staan. Mocht de Heilige Geest ons haar recht doen bevatten.
Laat ons letten
1°. op de verbintenis, die de Heere met Zijn volk wil aangaan;
2°. op den aard en de hoedanigheid dezer verbindtenis;
3°. op het gevolg of de vrucht, welke daaruit voor Zijn volk zou voortvloeien, om dan
4°. met een woord van toepassing te eindigen.
1°. wenschte ik met u te letten op de verbintenis, die de Heere met Zijn volk wil aangaan.
Ik zal Mij u ondertrouwen, zoo spreekt de Heere. Hij wil dus, en belooft zulks, in een verbond des huwelijks met Zijn volk treden.
«8
Zoo mogen wij zeggen; want eene ondertrouw of verloving is immers eene vereeniging van twee personen, welke de echtverbintenis voorafgaat. In den regel vereenigen zich slechts in ondertrouw gelijkgezinden; maar als wij letten op Hem, die hier spreekt, op hen, met welken Hij Zich wil ondertrouwen, dan staan wij bij dat Woord Gods verbaasd, en wij roepen uit: Heere! Uw Naam is wonderlijk, maar ook Uwe daad om arme, ellendige, walgelijke, dood- en doem-schuldige zondaars te behouden voor het eeuwig bederf. Welk schepsel zou zoo iets immer hebben kunnen bedenken; voor men-schelijke wijsheid is het onbegrijpelijk; geen wonder dan ook, dafzij zich er aan ergert, en deze uitspraak haar eene dwaasheid is. Wie gelooft het, dan die Gods Woord gelooft, en tot zulk een geloof is Goddelijk licht in het verstand noodig.
Ik zegt de Heere, zal Mij u ondertrouwen. Wie is die Ik? Geen mensch of Engel, geen geschapen wezen. Jehova zelf, de Eenige, Eeuwige, Drieëenige God, de Algenoegzame, die in Zichzelven Volzalige God. Ja! de Drieëenige God, alle de drie Personen in het aanbiddelijk Goddelijk wezen. Zou ons dat niet geleerd worden als er in onze tekstwoorden driemalen wordt herhaald: Ik zal Mij u ondertrouwen? De Vader, de eerste Persoon, ondertrouwt Zichzelven Zijn volk van eeuwigheid door verkiezing. Toen gaf Hij hen aan Zijnen Zoon, Die op Zich nam hen door dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid met Hem te verzoenen. Ziet daarop niet M. V. die uitdrukking in het hoogepriesterlijke gebed; Vader! zij waren Uwe en Gij hebt Mij dezelve gegeven. Joh. 17: 5. De Zoon, de tweede Persoon, ondertrouwt Zich dat volk, daar Hij in den eeuwigen raad des vredes vrijwillig op Zich nam, voor hen in het vleesch te komen, er. alles voor hen te doen en te lijden, wat de Vader eischen kon, opdat zij met Hem zouden worden verzoend. De Heilige Geest, de derde Persoon, ondertrouwt hen, daar Hij op Zich nam, dat volk tot dien heerlijken staat bekwaam te maken; in gestikte kleederen, leest gij, zouden zij tot den koning worden geleid. Ps. 45 : 15. Even als Esther werd bereid voor koning Ahasveros, Esth. 2. Ja! wij mogen dus zeggen, dat de Drieëenige God Zich Zijn volk ondertrouwt. Van eeuwigheid in de verkiezing door den Vader, in den tijd door de verlossing van den Zoon, van den Heiligen Geest in de heiligmaking, dat is in de inwendige en uitwendige vernieuwing van dat volk. En als wij nu geschreven vinden, dat tot dat volk wordt gezegd: want uw Maker is uw man, en daar staat eigenlijk in de oorspronkelijke taal, want uwe makers zijn uwe mannen Jes. 54 : 5, wie anders dan de Drieëenige God spreekt: Ik zal Mij u ondertrouwen? Maar heeft nu, zooals de Schrift ons leert, in de huishouding Gods,
89
elke Persoon in het Goddelijk Wezen Zijn bijzonder werk, zoo wordt de ondertrouw voornamelijk toegekend aan den tweeden Persoon, den Heere Jezus, en dan zeggen wij: Hij, Die is de eenige, eigene, eeuwige, natumiijke Zoon des Vaders, de waarachtige God, God boven alles te prijzen in der eeuwigheid, het Woord dat in den beginne bij God was. God zeiven, het afschijnsel van Gcds heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. Hij, in wien alleen de volheid der Godheid lichamelijk woonde, door Wien de wereld is gemaakt, Die alle dingen draagt door Zijn Woord; Hij is het, Die hier spreekt; Ik zal Mij u ondertrouwen. Worden de handelingen van Hem met Zijne kerk, want deze bestaat alleen uit Zijn volk, \'niet in die beeldspraak van ondertrouw en huwelijk voorgesteld, zoowel in hetöude als in hetNieuweTestament?Wordtdaardoor niet al \'tware zinrijken duidelijk voor onze ooger gehaald Zijne ongemeene teedere liefde voor haar? Ja! als gij Ps. 45 en Ezech. 16 leest, en geheel het Hooglied, en God u daarbij verstand met Goddelijk licht bestraald schenkt, of Jezus u vindt voorgesteld onder de benaming van Bruidegom, en Zijne discipelen als vrienden des Bruidegoms, of die kerk als Zijne Bruid of Zijn Vrouw, en de teedere betrekking, die tusschen Hem en Zijne duurgekochte gemeente bestaat beschreven vindt, als die van eenen man tot zijne vrouw. Efez. 5 : 23â27, dan zeker mogen wij zeggen, dat wij het woord Gods geen geweld aandoen, wanneer wij zeggen en gelooven, Hij die zegt: Ik zal Mij u ondertrouwen, is Jezus, de Zoon van God. En wat zegt Hij, dat Hij wil. Die spreekt en het is er? U mij ondertrouwen. Wie is die u? Ongetwijfeld Zijne kerk, bestaande uit alleen de door God gekenden in eeuwige liefde, de gezegenden des Vaders, de ge-loovigen. Wie zijn deze van nature? Allen gevallen in hun ver-bondshoofd Adam, onderworpen aan den tijdelijken, geestelijken en eeuwigen dood, door God op de zonde bedreigd. Allen in zonde geboren, in ongerechtigheid ontvangen. Allen onreine, vuile, walgelijke zondaars, onreciitvaardigen, goddeloozen, ongehoorzamen. Allen harde, stomme, doove, blinde zondaars, dood voor God in zonden en misdaden. Allen een volk van zware ongerechtigheid, een zaad des boosdoeners, verdervende kinderen, van welken getuigd wordt: het gansche hoofd is krank en het gansche hart is mat; van den voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hen, wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden, noch met olie verzacht zijn. Allen, in één woord, die God den rug toekeeren, en het aangezicht naar de wereld hebben gewend, die naar het goedvinden hunner harten in de zonde leven, arme, naakte, blinde, jammerlijk ellendige, verloren zondaars. Dat M. V. is
90
dat volk, waarmede de Zoon van God Zich wi! ondertrouwen. O! eeuwig wonder van Goddelijke liefde en barmhartigheid. Wie kan hetzelve peilen, bevatten, doorgronden? O! als er stond, dat Hij ze verstooten, verwerpen, in de hel verwijzen wilde, dat Hij hen wilde laten kluisteren met eeuwige ketenen der duisternis, dat ware verdiend, dat ware billijk; want zij hebben tegen God gezondigd en derven allen van nature de heerlijkheid Gods. Maar nu met zulken Zich te willen ondertrouwen! zij allen die bij Geestes licht zich zeiven als de grootste, de voornaamste zondaars leerden kennen, hunne ellende uit de wet Gods. Zij belijden uit éénen mond: door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen. En wat wil Hij, of liever zegt Hij, dat Hij zal doen? Hij zal Zich hen ondertrouwen. Ondertrouwen of verloven wii Jezus Zich met hen. Wij lezen niet, dat Hij hen wil trouwen, neen! ondertrouwen. Hij laat hen tot het huwelijk, met Hem noodigen. Hij wil Zich aan deze zijde des grafs met hen verloven, het huwelijk zelve zal worden gesloten als zij het lichaam der zonde en des doods zullen hebben afgelegd, wanneer Hij als Bruidegom Zijne bruid zal thuis gehaald hebben, dan eerst zal zij van alle aardsche zwakheden ontdaan, in volmaakte vereeniging met Christus haren Bruidegom en Man te zamen leven. Hem altijd zien, eeuwig en altoos bij Hem zijn. Hier wil Hij Zich met Zijne kerk ondertrouwen.
Wanneer wij dat woord ondertrouwen recht verstaan, wat al dierbaarheid ligt daarin niet opgesloten. Jezus wil eene vereeniging met Zijn volk aangaan boven alle verbintenissen. Hij wil een verbond met hen sluiten, om hen te huwelijken. Een vaster en inniger verbond dan het huwelijk bestaat er onder ons menschen niet; daarvan staat immers reeds in het Paradijs geschreven; daarom zal een man zijnen vader en zijne moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot een vleesch zijn. Jezus wil dus dat volk, zoo als zij zijn en bestaan van nature, geheel en al tot Zijn eigendom maken. Hij is het, Die Zijn hart het eerste in liefde tot dat volk, en op dat volk gezet heeft; daarom belijden zij: wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Hij is het, Die om hen te kunnen beminnen, en hen in eigendom te bezitten hen duur gekocht heeft, niet met goud en zilver, maar met Zijn eeuwig dierbaar bloed. Hij is het. Die hen daartoe uit de macht des Satans wil verlossen. Hij is het Die hen die vertreden liggen op het vlakke des velds in hun bloed, opzoeken wil. Die hen door Zijn bloed, hetwelk reinigt van alle zonden, wil afwasschen. Die hen heiligen wil door den Heiligen Geest, voor hen verdiend en verworven. Ja! Hij is het. Die hen Zijne liefde en de voorwaarden, op welke Hij hen voor de Zijnen wil aan-
9!
nemen, zoo krachtig en aannemelijk Iaat voorstellen, dat hunne harten door almachtige en onwederstaanbare genade worden gedrongen zich aan Hem over te geven en in liefde tot Hem ontvonken, zoodat zij een gewillig volk ten dage Zijner heirkracht, om zich met Hem te verloven, voor eens, voor altijd, voor eeuwig mogen worden genoemd. Ja! als een pand Zijner liefde schenkc Hij hun den Heiligen Geest tot een inwoner in hunne harten, Die het werk hunner vereeniging met Christus begint, voortzet en voleindigt, en hen begiftigt met de rijite gaven zijner genade.
Zoude Jezus nu dat volk zich ondertrouwen, daar Hij zeide: Ik zal u Mij ondertrouwen, welnu, als dat plaats had, zoude hun eerste huwelijk, dat zij van God afgeweken met den Baai hadden gesloten, verbroken worden. In dat huwelijk is de zonde de man, de zondaar de vrouw, de wet de band des huwelijks, maar dan zouden zij den eersten man de zonde, een scheldbrief geven, en zich met Jezus als hun man vereenigen. Laat ons nu
2°. Op den aard en de hoedanigheid dezer verbintenis letten.
Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid. Zoo spreekt de Heere. Vragen wij dus naar den aard dezer verbintenis? Wij antwoorden dat het een eeuwige verbintenis zou zijn. Wat zijn alle aardsche verbintenissen, ook de hechtste, de sterkste, de innigste in dit leven? Ach wij ondervinden het M. V., zij worden zoo gemakkelijk verscheurd en verbroken. Hoe weinig is er dikwerf noodig om ze los te maken, en wat beteekent dat woord voor altijd, voor eeuwig, dat menschen dikwerf bij hunne verbintenissen bezigen? Dikwerf van achteren, dat het een ijdel woord geweest is van menschen, die heden zoo, morgen wederom anders gezind zijn. Buitendien eens komt voor alle menschen die tijd, dat de onverbiddelijke dood, wien wij allen zijn onderworpen, want het is den mensch gezet eenmaal te sterven, alle natuurlijke en vleeschelijke banden verbreekt, ook de innigste, de teederste echtverbintenissen. De Heere Jezus echter ondertrouwt Zich Zijn volk in eeuwigheid. Zijne trouw zal in eeuwigheid duren, en tot in eeuwigheid geen einde hebben. Hij zou Zijne bruid nooit verwerpen. Voor een kleinen tijd mocht Hij al vanwege hare zonden en afwijkingen Zijn aangezicht voor haar verbergen, niet lang zou het duren, naderhand zou Hij met des te grooter ontferming haar weder tot Zich trekken, en zij Hem na-loopen. Wat er ook mocht gebeuren, al ware het ook dat bergen wijken en heuvelen bezwijken mochten, het verbond Zijns vredes zou niet wankelen in eeuwigheid, noch Zijne goedertierenheid haar worden onttrokken; daarom staat er.van die verbintenis geschreven: Zij zullen komen en den Heere toegevoegd worden met
m
92
een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. Jer. 1 : 5. Ja! de dood zelfs zou haar niet kunnen scheiden van Zijne liefde, maar integendeel de vereeniging volkomen maken, en doen duren tot in eeuwigheid, en de verloofde des Heeren tot de bruiloft leiden in het rijk der heerlijkheid; dan eerst zou zij zich altijd en eeuwig bij haren Bruidegom en man bevinden, eeuwig de uitlatingen Zijner liefde genieten en ondervinden. Zijn woord is Zijn zegel, dat mogen wij zeggen. Hij houdt zijn Bruid de trouw in eeuwigheid. Zegels en teekenen en onderpanden ontvangen zij daarvan in dit leven, en Zijnen eeuwigen Geest, die met hunnen geest getuigt, tot een zeker bewijs, hunner aanneming door Hem. Zoo ook zoude de bruid, van hare zijde die verbintenis hebbende ingewilligd onder beding van genade, ook nimmer haren geestelijken Bruidegom verlaten, maar Hem tot in de eindelooze eeuwigheid aankleven. Niet dat zij niet tot hinken en tot zinken en tot afdwalingen elk oogenblik gereed is, maar omdat Hij haar niet overgeeft in de handen harer geestelijke vijanden, Zijne roeping en verkiezing van Zijne Bruid onherroepelijk zijn, en Hij gezegd heeft: Ik zal u niet verlaten.
Welke zijn nu de hoedanigheden van die verbintenis, die zoo onbewegelijk vast is? Hoe vervolgt de Heere? Ik, zegt Hij, zal Mij u ondertrouwen in gerechtigheid en in goedertierenheid en in barmhartigheden. Laat ons nagaan welke die gerechtigheid is. Gerechtigheid is die volmaaktheid Gods, waardoor Hij het goede beloont, en het kwade straft en wreekt. Zegt de Heere Jezus, dat Hij Zich Zijne Bruid ondertrouwen zal in gerechtigheid^ dan zegt Hij met andere woorden, dat Hij om Zich met haar te verloven de gerechtigheid Gods volkomen zou vervullen. Ja! Zijne gerechtigheid zou haar toegerekend worden. God, Die op eenen troon zit, waarvan gerechtigheid en gerichte de vastigheden zijn, konde, het zij met eerbied gezegd, met den zondaar, besloten onder den vloek der wet, geene gemeenschap hebben, tenzij aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiedde, hetzij door hem zeiven, of door een ander in zijne plaats. Door zichzelven vermag het geen zondaar, maar hij maakt integendeel zijne schuld nog dagelijks grooter. Welnu, de Heere Jezus heeft vrijwillig door Zijne dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid eene gerechtigheid voor Zijne bruid aangebracht, die aan al de eischen der wet en alle regelen des Heiligdoms volkomen heeft voldaan. Geen penningske der schuld is er overgebleven. Hij heeft de schuld en de straf van hare zonde op het hout gedragen, het handschrift hetwelk tegen haar was verscheurd, en de gansche zondenrekening, de bloedroode schuld die op haar rustte betaald, terwijl Gcd de Vader deze Zijne gerechtigheid als de Zoenborg Zijns volks
93
heeft aangenomen, toen Hij Hem van den dooden opwekte, en Hem gezet heeft tot Koning der gerechtigheid. Ziet daar M. V. in deze gerechtigheid, van welke de Apostel zegt: Dien, Die geene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, wil de Zoon van God zich Zijne bruid ondertrouwen, Zich met haar verloven. Deze gerechtigheid wil Hij als \'t ware tot een bruidschat, tot een bruiloftskleed schenken. In deze gerechtigheid ziet de Vader de Bruid van Christus aan, alsof zij nooit zonde gekend of gedaan had, ja! alsof zij, alle die gerechtigheid had vervuld, die Christus heeft vervuld. Geen wonder dan ook, dat de Bruidkerk mag juichen: ,,Ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij aangedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als eene bruid zich versiert met haar gereedschap.quot; Ja! hier mogen wij uitroepen; âDes konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig, hare kleeding is van gouden borduursel.quot;
Met die gerechtigheid, welke de.schat en het eerekleed der bruid is, kan zij uitroepen: In den Heere heb ik gerechtigheid en sterkte, want Jezus heeft Zich haar ondertrouwd in gerechtigheid. Heere! onze Gerechtigheid.
Maar Jezus belooft nog meer. Hij voegt er ook bij in gerichte. Gerichte is dat rechtvaardig oordeel Gods over den Borg der uitverkorenen, waarin Hij geoordeeld heeft Hem te laten komen, omdat Hij hunne zonden op Zich heeft genomen, Jes. 53 : 5â8. Zegt nu Christus: ,,Ik heb Mij u ondertrouwd in gerichte,quot; dan wil Hij zeggen, dat Zijne bruid, omdat Hij Zich met haar verbindt, in lïet gericht Gods vrij zal worden verklaard, en recht ontvangen zal op het eeuwige leven. Daar is een gericht, waarin de zondaar voor God wordt betrokken, wanneer de Zone Gods hem opzoekt om Zich met Hem te vereenigen. Dat gericht kan ontzaglijk zijn, als hij bij Geestes licht voor God wordt gesteld. Die ook zijne heimelijke misdaden stelt in het licht van Zijn Goddelijk aanschijn. Ziet! als hij dan moet uitroepen: âWee mij, ik verga, omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik tegen God heb gezondigd,quot; hij een red- en radeloos verlorene is, dan wil Jezus hem door dat gericht henen brengen. Dat niet alleen, maar ook dan, als zijn eigen hart later aanklagend en veroordeelend tegen hem optreedt, en de verzoeker, onder de toelating Gods, hem wijst op datgene, wat hij naar de wet Gods moest zijn, dan wil Jezus Zijne Bruid ook door dit gericht henen helpen, en dat doet Hij door haar met Goddelijke kracht
94
Zijne belofte toe te passen: âVrees niet, want Ik heb u verlost.quot; Ik ben meerder dan uw hart. Ik ben de Heere uw God, de Heilige Israels, uw Heiland. Ik heb voor u den booze overwonnen.
Maar inzonderheid heeft die uitspraak: Ik zal u Mij ondertrouwen in gerichte, betrekking op het groote, alles bamp;slissende gericht, dat Zijne bruid tegengaat. Dan zal, hoezeer de Satan, de aanklager der broeders, ook met zijne beschuldigingen tegen haar opkomt, om zijne laatste pijlen tegen haar af te schieten, Mozes het vonnis der veroordeeling eischt, en de arme ontbloote bruid in haar zelve geene wapens bezit tegen die beschuldigers, de Heere Jezus er haar door helpen, toelaten tot de bruiloft des Lams, en haar tot Zich nemen als Zijne toebereide bruid. Nog voegt Hij er bij: en Ik zal Mij u ondertrouwen in goedertierenheid en barmhartigheden. Goedertierenheid is die volmaaktheid Gods, waardoor Hij geneigd is wel te doen. Zij is die krachtige wil en liefde Gods, om Zijne uitverkorenen in Christus wel te doen. Barmhartigheid is de allerinnigste en aller-teederste ontferming Gods, vloeiende uit Zijne goedertierenheid; daarom in het meervoudig getal uitgedrukt, omdat er geene woorden te vinden zijn om die liefde Gods jegens ellendigen naar waarde uit te drukken. Daar nu de Bruid van Christus eene onwaardige en ellendige in zichzelve is, van den hoofdschedel tot de voeten vuil, onrein, mismaakt, en in haar niets wordt gevonden, wat den Bruidegom kon aanzetten, haar zoo teeder lief te hebben en Zich zoo innig met haar te vereenigen, maar veel dat Hem van haar zou afscheiden, ziet, zoo kon niets dan Zijne oneindige goedertierenheid en de innerlijke bewegingen Zijner barmhartigheden Hem bewegen om haar, niettegenstaande haren ellendigen toestand door de zonde, met Zich te ondertrouwen. En juist omdat zij, ook nadat Hij Zich met haar heeft verloofd. Zich door de zwakheid van haar zondig vleesch Zijne liefde en bijwoning onwaardig zou maken, daarom ondertrouwt Hij haar Zich in barmhartigheden, in eene menigte of veelheid van barmhartigheid, telkens wederom aan haar te bewijzen, na zonden en afdwalingen. Zoo zou Hij haar Zijne genade en liefde niet onttrekken, haar in alles naar ziel en lichaam, als Zijne geliefde Bruid, verzorgen. In goedertierenheid en barmhartigheden geduld met haar te oefenen, door tuchtiging en kastijding haar getrouw geleiden, in kruis en druk verkwikken en vertroosten, zoo haar ten einde toe geleiden. Wie, mogen wij hier uitroepen, kinderen Gods, is dezen uwen Bruidegom gelijk? Moet gij niet belijden, als er leven aan uwe zielen wordt gegund: Heere Jezus! het is Uwe goedertierenheid, dat wij nog niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn iederen morgen nieuw, zijne
95
trouw is groot, en dat alleen omdat Hij u Zich heeft ondertrouwd in goedertierenheid en in barmhartigheden. Nog eens herhaalt de Heere Jezus: Ik zal Mij u ondertrouwen in geloof. Had de Bruidegom van Zijne zijde vermeld de wijze, waarop Hij Zich Zijne Bruid zou ondertrouwen, nu zegt Hij, wat de Bruid van hare zijde doen zou, als zij zich met haren Bruidegom zou verloven: het zou zijn in geloof. Zij zou toestemmen. Hem de hand van trouw geven, Hem aannemen als haar Hoofd en Man, zich op het nauwste met Hem vereenigen. Dat geloof is geen eisch, maar eene zalige verbonds-belofte. Het is geene vrucht van onzen akker, een werk, dat wij door onze eigen kracht kunnen werken. Neen, daartoe zijn wij allen door de zonde gansch en al onbekwaam en ook onmachtig; gelooven kunnen en willen wij niet; het is eene gave Gods, Efeze 2 : 8. Dat geloof wordt alleen geschonken aan zulken, met welken de Heere Jezus Zich wil ondertrouwen. Hier wordt dat geloof als eene huwelijksgift, waarmede de Bruidegom Zijne Bruid wil begiftigen, als eene genade, welke Hij door Zijnen Geest in haar, uit kracht Zijner gerechtigheid en naar Zijne eindelooze liefde en barmhartigheid, wilde werken. Door dat geloof zoude zij als eene in haar zelve arme en verloren zondares, hare toevlucht tot Hem nemen. Hem met hare gansche ziel omhelzen, met haar gansche hart op Hem vertrouwen en in Hem berusten, Ps. 2 : 12. En zegt nu Jezus tot Zijne Bruid: Ik zal Mij u ondertrouwen in geloof, dan zou zij door dat geloof hier haar leven vinden, deel hebben aan alle Zijne schatten, gaven, rijkdommen en heerlijkheden, totdat dat geloof in een eeuwig aanschouwen verwisseld wordt, en zij in het volle genot en bezit zou worden gesteld. Ziet, zoo is het met deze verloving gesteld. Driewerf zalig zijn zij, met welken Zich de Heere Jezus ondertrouwt; alle heil voor den tijd en de eeuwigheid is daaraan verbonden. Letten wij nu
3°. Op het gevolg of de vrucht, welke daaruit voor Zijn volk zou voortvloeien.
Wat staat daarvan in onze tekstwoorden geschreven? En gij zult den Heere kennen. In die weinige woorden, M. V., wordt ons het gansche gevolg, of wilt gij liever de vrucht van de zalige verloving van Christus met Zijn volk voorgesteld. Dat kennen is geene bloote verstandskennis, neen, een bevindelijk kennen en erkennen in heilige bewegingen des gernoeds van den Heere Jehova, den Drieeenigen God, alle de drie Personen in het Goddelijk Wezen; want dezen zijn de Makers dezer verbintenis. Hier inzonderheid, de Heere Jezus, zijnde Degene Die Zich haar ondertrouwd heeft. En waarin zou dat kennen en erkennen van Hem dan bestaan? In alles.
96
M. V., waartoe Hij haar van God is geworden tot wijsheid, recht-vaardigmaking, heiligmaking en verlossing. Als Profeet om haar te leeren, als Priester om hare schuld te verzoenen, als Koning om over haar door Zijn Woord en Geest te regeeren. ja! zij zoude Hem leeren kennen als haren groeten God en Zaligmaker, door Wien zij alleen behouden zou kunnen worden: als den Heiland, Die niet slechts alle vermoeiden en belasten tot Zich roept, maar hen ook rust en verkwikking schenkt. Die met haar, als zij vermoeid zoude wezen door haar zuchten en klagen over hare zonden en het diep verderf van haar hart, haar door genade ontdekt, een woord ter rechter tijd tot haar zou weten te spreken. In één woord, Hem zou zij kennen als de zekere vrijstad, waarin zij voor den bloedwreker veilig zou kunnen zijn; ais de veilige ark, waarhenen zij zou kunnen vluchten te midden van alle gevaren, die haar leven zouden bedreigen.
Hem zou zij erkennen als den eeuwigen, getrouwen, den barm-hartigen, den goedertieren Herder, die haar weide voor hare ziel zou doen vinden, levend water zou schenken voor haren dorst raar gerechtigheid; die haar zou willen drenken uit den beker Zijner wellusten. Hoeveel ligt er niet opgesloten in dat kennen en erkennen van Hem, als haren Heere. Zij zou Hem kennen als Dengene, Die bij hare ontrouw en hare afdwalingen van Hem, het verbond en de trouw houdt in eeuwigheid als de Alfa en Omega, het begin en het einde. Als haren Bewaarder en Beschermer tegen alle de vijanden, die het er op aanleggen zouden hare ziel te vermoorden. Ja! als dien Bewaarder, Die nooit zon sluimeren of slapen. Die haar in het licht en in de duisternis, tot aan, tot in en tot over het graf zou geleiden, haar vei lossen zou op Zijnen tijd van het lichaam der zonde en des doods, vrij zou doen spreken in het gericht Gods, en een ruimen ingang in Zijn Koninkrijk zou schenken. Eindelijk ligt er in dat kennen van den Heere, een kennen van Hem niet meer in het geloof, maar van aangezicht tot aangezicht, eeuwig bij Hem zijn, om zich in Hem te verlustigen, eeuwig te verblijden. Dan zou zij Hem, Dien zij hier slechts ten deele kende, volmaakt kennen; kennen zooals zij van Hem gekend was.
En hoe wordt nu dat kennen van den Heere hier voorgesteld? Niet als een plicht, dien de Bruid moet volbrengen, want ware dat geboden, dan zou er van die kennis weinig zijn te wachten. Neen! ook wederom als eene gift Zijner genade, welke de Bruidegom aan Zijne Bruid zou willen schenken. Zij was en bleef in zichzelve duisternis en verstandeloos, wel wijs om kwaad te doen, maar niet om goed te doen, geen lust en geen vermaak hebbende aan de kennis
97
des Heeren en Zijne wegen. Daarom belooft de Heere Jezus ook deze kennis aan Zijne Bruid te zuilen schenken, door Zijne hartver-anderende genade; Zijne wet zou Hij in haar binnenste geven en in haar hart inschrijven. Alle degenen, met welke Hij zich zou ondertrouwen, zij zouden Hem kennen van de kleinsten tot de grootsten, Jer. 31 : 31â34.
Welke verbintenis op aarde M. V. kan dus vergeleken worden bij die, waarmede de Heere Jezus Zich met Zijn volk wil verbinden? Immers geene. Indien wij tot dat volk, dat Jezus zalig maakt van hunne zonden, behooren, dan is het omdat Jezus aan ons bevestigd heeft: Ik zal Mij u ondertrouwen in eeuwigheid: Ja, Ik zal Mij u ondertrouwen in gerechtigheid en in gerichte en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult den Heere kennen. Laat ons tot de toepassing overgaan; maar zingen wij vooraf Ps. 88 : 7, 8.
4°. Laat ons eindigen met de toepassing.
Wanneer wij, M. V. I stilstaan bij dat dierbare Woord, hetwelk de stof van onze overdenking heden is geweest: de zalige vereeniging van den Heere Jezus als Bruidegom en Man met Zijn volk als Zijne geestelijke Bruid en Vrouw, dan moeten wij uitroepen: Welk eene onbegrijpelijke genade! welk eene onpeilbare liefde! welk eene eindelooze barmhartigheid! welk eene onmetelijke goedertierenheid! dat Jezus, de Algenoegzame in Zichzelven, de volzalige God, zulk eene ondertrouw wil aangaan, met dat volk, dat van nature zoo vuil, zoo onrein, zoo walgelijk is, en zich het waardig heeft gemaakt om eeuwig van Hem te worden verworpen. En ais wij door genade het verbond met Jezus hebben ingewilligd. Zijne verloofde in waarheid zijn geworden, dan verstaan wij iets van die hoogte, breedte, lengte en diepte der liefde van Christus, waarvan ons de Apostel, Efeze 3 : 18, schrijft.
Och! of wij allen ons deze verloving van Jezus met ons bewust waren, wij tot die bruidkerk behoorden, waarvan Jezus de Bruidegom is. Maar wie weet, God alleen weet het, hoe velen er nog onder ons worden gevonden, die deze bewustheid nog missen, die er nog geestelijk blind voor zijn, ja! in wier oogen, omdat de God dezer eeuw hen verblindt, het eene dwaasheid is. Hoe de Heere Jezus u, die onder het Evangelie leeft, laat noodigen en laat roepen, ach! hoe velen van u, die weigeren tot Hem te komen, en zich met allerlei uitvluchten verschoonen. Wat al voorwendsels weet gij uit te denken, om u aan de vriendelijke noodiging van Jezus tot Zijne gemeenschap te onttrekken. Deze van u is te jong, geene te oud, een derde heeft het te bezig met de beslommeringen des levens; maar
98
in den grond der zaak is het de zondige onwil onzer menschelijke natuur, van God afgevallen, eigen. Hoe velen onder u van welke wij mogen zeggen: zij zijn nog aan hunnen eersten man de zonde, met hart en ziel verbonden, zij dienen den driehoofdigen afgod: de begeerlijkheid des vleesches en der oogen, en de grootschheid des levens. Zij kennen geene bekommernis over de behoudenis hunner zielen, voor eene eindelooze eeuwigheid geschapen. En waren er nog ook maar niet onder ulieden, die gerust en zorgeloos leven, en uwe lust hebben om den duivel te dienen en u te vermengen met zulken die roekeloos met God en godsdienst spotten, die met sprekende daden bewijzen, dat gij zoo diep door de zonden gezonken zijt, dat gij uwe zonden en ongerechtigheden vrij uitspreekt, ja! er zelfs roem op draagt. OI wij beklagen u, die zoo zijt, van harte, wat zal het voor u zijn en worden als deze goedertierenheid Gods veranderen zal in gerechtigheid, hoe vreeselijk voor u, te vallen in de handen des levenden Gods. Denkt eens na, och! of God het geven mocht, dat het indruk op uwe harten mocht maken, hoe akelig uw toestand zal zijn als die goedertierenheid Gods, die u nog zoekt te lokken, voor u zal veranderen in haat en eeuwige vijandschap. Als gij zoo blijft, zooals gij nu zijt, zoo afkeerig van God, niet willende dat de Heere Jezus Koning over u zij, en gij zoo komt te sterven, wie weet hoe spoedig u wacht de eeuwige dood, nedergestooten te zullen worden in de hel, die plaats waar eeuwig zal zijn weening der oogen en knersing der tanden. Och! of gij wijs waart en op uw einde leerdet letten.
Heden, zoo gij de stem Gods hoort, verhardt u niet, weigert Jezus toch niet langer de hand en het hart. Hij roept. Hij noodigt u nog, het konde voor u de laatste keer zijn dat Hij zulks deed. Heeft God dat aan u verdiend, dat gij Hem blijft smaden? Komt Jezus ook u niet voor met die dierbare heilsbeloften, om zich met u, hoe goddeloos,, hoe onrein, hoe vuil ook door uwe erfelijke en dadelijke zonden te willen ondertrouwen? Wordt gij niet gebeden alsof God door ons bade: laat u met God verzoenen? Och! dat uwe blinde oogen geopend mochten worden voor den afgrond, waarin gij voor eeuwig zult verzinken, indien gij buiten dien ondertrouw met Jezus blijft. Werpt u heden nog voor de voeten van Jezus neder, en bidt Hem dat Hij Zich uwer moge ontfermen, u moge bekeeren. Bidt om den Heiligen Geest, door Wien de Heere Jezus die verloving met Hem begint, voortzet, voleindigt.
Maar daar zullen er ook onder u worden gevonden, die mogelijk bij zichzelven zeggen: och! of wij konden gelooven, dat de Heere Jezus Zich met ons had ondertrouwd, dat de snoeren ons in eene
99
liefelijke plaats waren gevallen, dat Jezus onze Bruidegom, wij Zijne Bruid waren geworden. Och! of wij de bewustheid voor ons zeiven hadden van deze Zijne Goddelijke genadeweldaad. Is dat in waarheid uwe bezorgdheid uit vrees voor het gevaarvolle zelfbedrog der zonden, waardoor, helaas! zoo velen worden misleid, die Heere! Heere! zeggen, en de naam hebben evenals die te Sardis, dat zij leven en nog dood zijn. Gods onfeilbaar Woord bevat kenmerken waaraan gij u zeiven kunt beproeven, en waaruit gij kunt nagaan of de wortel der zaak in u is. Alle degenen, die de Heere Jezus Zich ondertrouwt, zijn gekenden in eeuwige liefde, want die ondertrouw is in eeuwigheid geschied, en zij worden aan deze zijde des grafs, als de tijd der minne daar is, door Hem opgezocht en tot Hem gebracht, zoodat Hij hun onmisbare en noodzakelijke Zaligmaker wordt. Heeft Hij u Zich ondertrouwd, dan is het een ondertrouw in gerichte en gerechtigheid. Hoe onderscheiden dan ook de weg moge zijn,quot; gij hebt dan zaligmakende ontdekking van uwe eigen ongerechtigheid voor God ontvangen, op alle uwe eigen gerechtigheid en deugd, waarop de natuurlijke mensch leunt en vertrouwt voor God, den dood leeren schrijven, en gij beschouwt haar als een weg-werpelijk kleed. Daartoe wordt gij gebracht, als God bij Geestes licht u voor Zijne heilige wet plaatst, daaruit u in uwe ellende leert kennen, en uwe blinde oogen geopend worden, om te zien dat gij aan de overtreding van alle geboden Gods schuldig staat, en onder den vloek der wet besloten ligt. God trekt u dan in het gericht voor Hem, en daar leert gij u zeiven aanklagen als een schuldig zondaar, die omdat gij tegen God vrijwillig en moedwillig gezondigd hebt, de eeuwige verdoemenis hebt verdiend. Heeft Jezus u in gerichte zich ondertrouwd, dan wordt gij een red- en radeloos verloren zondaar in u zeiven, en de Heilige Geest, Die u van zonde en oordeel overtuigd heeft, overtuigt u ook van gerechtigheid, en werkt in u een honger en dorst naar gerechtigheid, die met niets, dan alleen met den Heere Jezus kan worden voldaan. Is de ondertrouw van Jezus een ondertrouw in goedertierenheid en barmhartigheden, o! dan kunt gij geene woorden voor God vinden om die heerlijke deugden Gods ook in betrekking tot u \'zeiven te vermelden, dat de Heere u deed stilstaan op uwen zondenweg. naar u wilde omzien, u veranderde, u een andere keuze in het hart schonk, u om den Heere Jezus leerde bidden en smeeken. Duizend en duizendmaal moet gij het dan voor Hem belijden: Heere! het is Uwe goedertierenheid, en het zijn Uwe barmhartigheden dat wij nog niet vernield zijn, dat Gij ons niet in de hel hebt geworpen, wij waren het waardig, wij hadden het verdiend.
100
En ondertrouwt Zich Jezus Zijn volk in geloof, welnu, als gij een van dat volk zijt geworden, dan kent en oefent gij ook door genade dat geloof om als een arm, dood- en doemschuldig zondaar in u zeiven als een door zonde vermoeide en belaste met die droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt, tot Jezus te vluchten en te vlieden, met Hem te worstelen, met die bede uit een door zonde verbroken hart, dat Hij zich aan u moge openbaren. Ja! dan is die bede u bekend: Heere Jezus, wilt Gij mijne hand en mijn hart, neem die hand zoo vuil, dat hart zoo onrein, en wasch ze rein door Uw bloed en door Uwen Geest. Beproef u zeiven voor God of gij kennis bezit van datgene hetwelk ik u in vluchtige trekken opnoemde. Volg Jezus er bij, en gij zult den Heere kennen. O! de minste zaligmakende kennis van Jezus opent uwe oogen voor Zijn Persoon, als den eenigen, gepasten, noodzakelijken Zaligmaker, dien gij kennen moet. Hem begint gij te vragen dat Hij, daar Zijn naam Raad is, u onderwijzen moge van den weg dien gij te gaan hebt, dat Hij als Priester uwe schuld moge verzoenen, als Koning over u heerschen moge. Ja! die kennis doet u, stijven van hart en knieën, die gij van nature zijt, voor Hem nedervallen in het stof, en al wie daar nedergebogen ligt als een ellendige, als een, die krachteloos en machteloos door de zonde is geworden, die werd door Hem weder opgericht. Ja! wilt gij voor u zeiven goed weten, of gij een van degenen zijt, die Hij Zich heeft ondertrouwd? Kent en gevoelt gij dan ook betrekking op Zijn Persoon? Die betrekking welke gij in geene woorden kunt brengen, maar die u tot Jezus, tot Zijn volk, tot Zijn Woord trekt, en u wel eens doet uitroepen: Heere Jezus! kom ik om, zoo geschiede het, maar van U kan ik niet wegblijven. Vlucht met al de bezwaren en bekommernissen uwer harten tot Hem, Hij zal gev/isselijk komen en niet achterblijven. Hij beloofde den Heiligen Geest als Trooster voor bedroefden van harte. Zooals gij zijt, en u zeiven door genade hebt leeren kennen, moogt gij voor en tot Jezus komen. Zijn onfeilbaar Woord geeft u die vrijheid. Ja! gij moogt pleiten op Zijne beloften. Aan armen van geest wil Hij Zijne genade schenken, met zulken zal Hij Zich ondertrouwen.
O, gelukkig volk, dat de Bruid van Jezus moogt zijn. Gij arm en ellendig volk, gij bezit in Hem een Bruidegom, die Koning en Heere is van alles, een minzame, liefderijke, getrouwe Bruidegcm, Die al wat Hij Zijne Bruid beloofd heeft, haar geven zal. Niets was er in u en is er nog in u, dat de genegenheid van Hem voor u heeft opgewekt. Eeuwige liefde was het, die Hem bewoog Zich met u te ondertrouwen. O, het voorrecht en de eer om eene bruid van Jezus
101
te zijn, hoe arm veracht en nederig gij ook naar de wereld moogt zijn, zijn niet te beschrijven. Al de schatten, de rijkdommen, de goederen van uwen rijken Bruidegom zijn de uwen. Hij is erfgenaam van Zijnen Vader, gij medeërfgenamen met Hem. Hij, Die u ondertrouwd heeft in eeuwigheid, zal u eenmaal erkennen als Zijne wettige vrouw. Uwe ontrouw, uw ongeloof, zullen dat huwelijk niet verbreken, want het rust niet op u, op iets dat er aan of in u was, maar op de eeuwige liefde van uwen Bruidegom, waarmede Hij u heeft liefgehad. O! bedenkt het steeds, dat een zien op u zeiven, op de wereld, op het schepsel, een echtbreuk in Zijne oogen is; daarom mist gij, al verwerpt Hij u ook niet, zoo dikwerf de uitlatingen Zijner liefde, waarop uwe zielen zoo gesteld zijn. Och! dat gij veel het geloofsoog op Hem mocht vestigen en bewaard mocht blijven om te boeleeren met de wereld, met de zonde, met den Satan. Och! gevoelt uwe roeping om als reine maagden te leven, om uwen Bruidegom heiliglijk te beminnen. Laat het uw vermaak zijn om veel in het eenzame en in het verborgene in Zijne tegenwoordigheid te zijn. Hij is uw Bruidegom in den hemel en gij zijt Zijne Bruid op aarde. Hij liet u Zijn Woord, Zijne Sacramenten achter, waarin Hij beloofd heeft zich door Zijnen Geest aan uwe zielen te openbaren; laat uw vermaak daarin zijn, totdat Hij komt.
Hier zijt gij slechts met Hem ondertrouwd, maar gelijk eene aardsche bruid met verlangen haren trouwdag tegemoet ziet, zoo ook moet dit het leven van uw leven zijn, dat gij eiken dag uitziet naar dat tijdstip om de onmiddellijke gemeenschap van uwen Bruidegom te mogen genieten. Och! dat het dan ook bij u zijn moge: Hoe lang Heere! Amen. Ja, kom Heere Jezus!
Hier in het strijd- en worstelperk des levens, verloofde van den Heere Jezus, bezit gij in Hem uwen Beschermer tegen alle aanvallen en beschuldigingen, die de Satan, de zonde, de wereld, uw eigen zondig hart tegen u mochten inbrengen. Hij die zich u heeft ondertrouwd, daarvan moogt gij u verzekerd houden, zal alles voor u goed maken. Wordt gij gewezen op uwe zwakheden, uwe gedurige struikelingen. Hij, uw Bruidegom, zal u daarvan niet verstoeten, want Hij heeft u zich ondertrouwd in gerechtigheid en in gerichte. Zijne liefde wil die in u verdragen en bedekken. Hoe zwart ook in eigen oogen, liefelijk zijt gij in Zijne oogen. Niets dat gij van Hem begeert in het geloof, zal Hij u weigeren. Uwe stem is Hem zoet, uw gedaante is Hem liefelijk. Eischt, dat sprak Hij tot u, van Mij, vrijmoedig op Mijn trouwverbond, al wat u ontbreekt. Ik zal het u mild en overvloedig geven. Hij belooft u uit Zijne volheid genade voor genade. Eens, God weet hoe spoedig, houdt voor u dat vragen op.
102
Wanneer dat lichaam der zonde en des doods, dat gij nog omdraagt, zal zijn afgelegd, dan zult gij uwen Bruidegom zien, den kroon der heerlijkheid uit Zijne handen ontvangen, geheel rein zijn. Hoe onuitsprekelijk groot zal dan uwe vreugde zijn. Hoe zult gij juichen als gij uwen dierbaren Bruidegom zult mogen aanschouwen, dan zult gij voor Hem staan in het fijnste goud van Ophir, eeuwig bij Hem zijn, eeuwig bij Hem blijven. Amen.
Ps. 72 : 11.
VH.
DE ROEPSTEM VAN JEZUS TOT HEIL-ZOEKENDE ZONDAARS.
Leerrede over Johannes 7 : 37^ 38.
PSALM 42 : 1, 3.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldigc u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Waar wij M. V. den Heere Jezus in Zijne omwandeling op aarde gadeslaan, altijd en overal zien wij Hem werkzaam, om te zoeken en zalig te maken dat verloren is, om Zichzelven voor te stellen voor alle heilzoekende en bekommerde zondaars, als de eenige fontein, die door God geopend was tegen de zonden en onreinheid. Geen beeld, weet gij, was bij de Oosterlingen meer gezocht en geliefd, om allerlei soort van overvloed en zegen af te schetsen, dan levend bronwater. In die heete luchtstreek had men vooral water, hetwelk er schaarsch werd gevonden, noodig. Niets had meer waarde dan het bezit van eene fontein, waaruit altijd levend water opwelde. Vandaar, dat dan ook de Heere Jezus Zichzelven onder dat heerlijke beeld aan heilzoekende zondaars heeft voorgesteld. Uit Hem, door Hem en met Hem, zouden zij den Heiligen Geest en Zijne gaven, die zij noodig hadden tot vertroosting hunner verlegen zielen, ontvangen. Daarom sprak Jezus tot de Samaritaansche vrouw: âIndien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is, die tot u zeide: geef Mij te drinken? gij zoudt van Hem levend water begeerd hebben, en het zou in u worden eene fontein, springende tot in het eeuwige leven.quot; Had Jezus hen zalig genoemd, die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid, heden wilde ik met u de nocdiging van Jezus tot allen die dorst naar het levend water hadden ontvangen, beschouwen. Och! dat wij allen haar bij eigene ervaring
103
mochten kennen. Missen wij haar nog, dat Jezus door Zijn Woord en Zijnen Geest haar in ons moge opwekken. Laat ons vooraf met en voor elkander bidden.
X
JOH. 7 ; 37, 38.
Ende op den laetsten dagh (zijnde) den grooten (dagh) des Feest, stont Jcsus ende. riep, soo yemant dorstet, die kome tot Mij, ende drincke.
Die in Mij gelooft, gelyckerwijs de Schrift seght, stroomen des levenden waters zullen uijt zijnen buijck vloeijen.
Rijk in zin en inhoud M. V. zijn de woorden van den Heere Jezus, die ik u daar voorlas. Zij bevatten toch voor alle heilzoekende zondaars eene liefderijke uitnoodiging om tot Hem, de ware, de eenige heilfontein, die naar de voorspelling van profeet Zacharias geopend zou worden tegen de zonde en de onreinheid, hunne toevlucht te nemen. Ja! dat niet alleen; maar zij behelzen de dierbare belofte, dat zij uit en door Hem een overvloed van genadegaven ontvangen zouden. Dat alles stelde de Heere Jezus hun in een dierbaar zinnebeeld voor. Och! of de Heere onze ooren mocht openen voor deze liefelijke woorden des levens. Welnu, laat ik u:
1°. De tekstwoorden uit hel verband toelichten.
2°. Nagaan welke personen de Heere Jezus noodigt.
3°. Bij de belofte, die Hij hun geeft, stilstaan.
4°. Met het woord der toepassing eindigen.
1°. Wenschte ik u de tekstwoorden uit het verband toe te lichten.
De tekst verplaatst ons midden in een van Israels feesten te Jeruzalem. Het was het Loofhuttenfeest, hetwelk ook wel eens het feest der tabernakelen genoemd werd. Daarhenen had Zich de Heere Jezus begeven. Het feest zelve, dat onmiddellijk na den grooten verzoendag inviel, werd met groote vreugde gevierd. De plechtigheden, die daarbij behoorden, vinden wij Lev. 23 en Num. 29 opgeteekend. Het was een dankfeest voor den voleindigden oogst en de inzameling der boomvruchten; een herinneringsfeest, nu zij zoo gerust in Kanaan mochten wonen, gezeten onder hunnen wijnstok en vijgeboom, na de omzwerving hunner voorouders gedurende 40 jaren in de Arabische woestijn, waarin zij in tenten en ligt opgeslagen hutten van twijgen en lover hadden gewoond. Dit feest, hetwelk weinige dagen na den grooten Verzoendag inviel, duurde volle acht dagen. Op ieder dier dagen was het in vollen nadruk feest vol blijdschap en gejuich; maar op den eersten en laatsten dag stond alle dienstwerk en burgerlijk bedrijf stil. Heerlijk was dan de aanblik in het geheele land in alle steden en dorpen,
104
maar allermeest van Jeruzalem en den tempel; eene ontelbare menigte van hutten, uit palmtakken en allerlei groenend geboomte gevlochten, versierd met bloemen en granaatappelen, rijk en schitterend des avonds tot aan middernacht verlicht, zag men allerwege, die waren opgevuld met juichende feestelingen, die den lof van Jehova bezongen voor den zegen en de rust, die Hij hun schonk. Vooral in den tempel en de voorhoven was het, dat het volk voor het aangezicht huns Gods vroolijk was. Daarin verrichtten dan de priesters, uit alle de ordeningen te zamen vergaderd, bijna 500 in getal, met den Hoogepriester aan hun hoofd, de tempeldienst. Talrijke offeranden, gaven en giften werden er dan door het volk op de altaren des Heeren gebracht. In lateren tijd had men bij dit feest twee plechtigheden ingevoerd, welke men het Watervermaak en Hozannavreugd noemde. Het eerste bestond in het scheppen, aandragen en uitstorten van eene kruik waters. Een priester, van eene menigte volks vergezeld, begaf zich met eene gouden kan naar den voet des bergs Sions, en putte water uit de heldere beek Siloah, welke daar stroomde. Daarmede keerde hij naar den tempel terug, trad dien binnen door eene poort, die men daarom den Waterpoort noemde. Daar aangekomen trad een andere priester hem tegen, die de waterkruik nam, het water met den offerwijn vermengde, en het uitgoot over het altaar des Heeren. Zulks geschiedde om te herdenken aan het water, dat God hunne vaderen in de woestijn uit de rots had doen vloeien, maar ook met het oog op de milde uitstorting van den Heiligen Geest, als eenen milden zegen door de profeten aanjIsraël voorspeld. Dan zongen zij; âwij scheppen water met vreugde uit de fonteinen des heilsquot; Jes. 12 : 3.
[^Wanneer dit was geschied, werd de gouden kruik op het altaar gezet, en hief al het volk het groote danklied aan, hetwelk Ps. 113 aanvangt\'en in Ps. 118 eindigt, en dan aan die plaats gekomen, waar het Hozanna, hetwelk beteekent: âbehoud ons toch, o Heere!quot; staat, begon het andere feestvennaak, de Hozannavreugd genaamd. Met den Hoogepriester en de priesters aan hun hoofd begon dan onder zang en dans met juichend feestgebaar rondom het altaar een vroolijke optocht, die zevenmaal werd herhaald, en daarna werd het feest gesloten met den zegen, die naar Gods bevel door den Hoogepriester op het volk moest worden gelegd. Num. 6 : 24â26. Welnu, op den laatsten dag van dit groote feest, bevond Jezus Zich in den voorhof des tempels. Deze plechtigheid gaf Hem gelegenheid om het volk te leeren, dat Hij het ware tegenbeeld van de fontein Siloah was. Hij wenschte het volk van het zien- en zinnelijke, waarmede hunne harten waren vervuld, tot het bovenzinnelijke en gees-
105
telijke op te leiden. Hij stond en riep, zeggende: âzoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.quot; Hier dus stelde Hij Zich onbepaald voor allen, die maar dorst mochten hebben, als de fontein van lafenis voor. Jezus zelve verklaart Zijne woorden: âdie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeien.quot; Die in Mij gelooft, dit dus is de beteekenis van de woorden, die Hij had gesproken. Zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke: die zich onbepaald en onbedongen aan Mij overgeeft, Mij erkent, Mij aanneemt. Mij door het zaligmakend geloof wordt ingelijfd, stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeien-, dit wil zeggen; overvloediglijk zal hij zeiven geestelijk worden vervuld, en tot eene fontein van stroomend water als \'t ware ook voor anderen worden. Johannes, de vertrouwde discipel van Jezus, verklaart ons nog duidelijker die woorden: Dit zeide Hij van den Geest, namelijk den Heiligen Geest, welken ontvangen zouden, die in Hem geloofden, die toen in Hem geloofden, en die later tot dat geloof zouden worden gebracht; want, voegt hij er bij, âde Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.quot; Wel was er toen reeds de Heilige Geest, maar niet zoo algemeen en heerlijk als naderhand na de verheerlijking van Jezus aan de rechterhand des Vaders zou plaats hebben. Kennelijk heeft hij hier de heerlijke Godspraak van Joel voor oogen, vervuld op het Pinksterfeest nadat Jezus ten hemel was gevaren. Ja! behalve die uitspraak, ook die belofte, ,,dat Jehova den Messias zou stellen tot eene waterbeek in eene dorre plaats, water zou gieten op het dorstige en stroomen op het droge, Zijnen Geest zou geven op Israels zaad, en Zijnen zegen aan hunne nakomelingschap.quot; Terwijl wij hier ook moeten denken aan die Godspraak, âdat er eene fontein zou gesteld worden tegen de zonde en onreinheid, levende wateren uit Jeruzalem zouden vlieten, zoodat alle volken zouden optrekken om het Loofhuttenfeest te Jeruzalem te vieren.quot;
Dit zij genoeg tot toelichting van onze tekstwoorden uit het verband, om nu
2°. Na te gaan de personen, die de Heere Jezus noodigde.
Vragen wij: welke personen de Heere Jezus noodigde? dan antwoorden wij: die dorst hadden. Wat dorst is, en waarin zij in het natuurlijke bestaat, dat weet gij M. V. Een begeerig verlangen naar drank voor het lichaam, het houdt niet op voordat het verkwikt is, het duidt lichamelijke ongesteldheid aan, als het dorsten ophoudt, en brengt ons dan tot de uiterste zwakheid, tot den dood. Ware natuurlijke dorst zoekt voldoening, wordt heviger naarmate de tijd duurt, en gaat bij volslagen gebrek over tot den dood. Hier bedoelt
106
de Heere Jezus een geestelijke dorst, die sterke begeerte der ziel, dat smachtend zielsverlangen naar het ware goed, om in Christus gevonden, gerechtvaardigd, van schuld ontslagen, van zonde verlost, en in Hem geheiligd, tot alle goed werk toebereid en eeuwig verheerlijkt te mogen worden uit genade. Die dorst vloeit uit de bekeering en geestelijke verandering der zie! voort, gelijk natuurlijke dorst uit eene verandering in het lichaam. De ziel, die door almachtige en onwederstaanbare genade ontwaakt uit den dood van zonde en misdaden, walgt van elke vorige verkwikking der prediking van eigen waarde, vleeschelijke deugd en van de bij God verdoemde menschenverheerlijking. De geestelijke dorst ontstaat uit de bekeering, wanneer God ons verlichte oogen des verstands schenkt, om te zien, dat wij in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen zijn; en uit het gezicht van het kwaad der zonde, dat wij tegen Hem hebben gezondigd, hetwelk ons doet erkennen, dat Gods toorn en de schrik der helle, met welken wij worden aangedaan, rechtvaardig is. Dan wordt die zielsbehoefte gekend, en de noodzakelijkheid eener gerechtigheid voor God beleden, die buiten ons ligt in Christus. O! zoo wij zonder haar te bezitten voor God moeten verschijnen, dat ons dan het eeuwig roepen om eenen druppel waters tot verkoeling onzer tong niets zou baten. Dit dorsten dus, dat zich uitdrukt in droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt, komt voort als de Heilige Geest ons, die geestelijk arm zijn, armen van geest maakt, ons die rijk en verrijkt, wijs en sterk zijn, tot arme, dwaze, gansch en al machtelooze en krach-telooze zondaars in ons zeiven doet worden. Die dorst komt dus voort uit de onmacht der ziel, uit de diep gekende ellende, waarin wij ons bevinden, uit de bevinding onzer geheele natuurlijke afgescheidenheid van God; uit het geloof aan het Woord, hetwelk ons ontdekt, ontledigt, ontbloot wanneer het door de krachtdadige invloeden des Heiligen Geestes zijne werking op onze zielen oefent, en wij dorsten dan naar die eenige gerechtigheid, die alleen voor God geldt. Zulk eene brandende begeerte daaraan kan er bij hen worden gevonden, dat zij dag en nacht geene rust hebben, voordat aan die begeerte, door God in hen gewekt, wordt voldaan. âGelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziel tot U, o God. Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?quot; Die taal van den man naar Gods hart, Ps. 42:2, 3, spreekt ook de waarlijk dorstige ziel. Ja! ook deze: âo God! Gij zijt mijn God, ik zoek U in den dageraad, mijne ziel dorst naar U, mijn vleesch verlangt naar U, in een land dor en mat en zonder waterquot; Ps. 63 ; 2.
107
De liefderijke noodiging van Jezus was dus tot zulke dorstigen, die afgemat waren door den lastigen arbeid onder de wet; die in al dien plechtigen omslag van den wettischen godsdienst niets konden vinden tot verkwikking hunner zielen. Zij waren als \'t ware gebon-denen in den kuil, waarin geen water is, Zach. 9:11.
Had de profeet Jesaja voorspeld, dat in de volheid des tijds die heerlijke roepstem zou v/orden gehoord: ,,0! allen gij dorstigen, komt tot de waterenquot; Jes. 55 : 1, de Heere Jezus roept: zoo iemand dorst. Hij spreekt onbepaald, sluit niemand uit, van welk geslacht, welken leeftijd, welken stand en welken staat hij ook mocht zijn, als hij maar dorst bezat. Hij, die allen kende, die daar verzameld waren, en die ook zekerlijk wist, dat er onder hen zulken werden gevonden, die door den Heiligen Geest overtuigd waren geworden van zonde, gerechtigheid en oordeel, en geestelijke dorst der ziel bezaten, Hij noodigt die dorstigen tot zich. En waartoe noodigt Hij hen? Om tot Hem te komen en te drinken. Hij verbindt dus het komen en het drinken met elkander.
Komen tot den Heere Jezus! Gij weet M. V.! gedurig bezigde de Heere Jezus die uitdrukking om tot Hem te komen. ,,Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste gevenquot; Matth. 11: 28. âAl wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen,quot; Joh. 6: 37. Zoo hooren wij Hem roepen en noodigen. Niet een natuurlijk komen, maar dat komen hebben wij op eene geestelijke wijze te verstaan. Jezus zelve verklaart dat komen tot Hem, door te gelooven in Hem. Dat kunnen wij zien uit Joh. 6 : 35, alwaar Jezus zeide: ,,Ik ben het brood des levens, die tot Mij komt zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten.quot;
En wie komen dan tot Jezus? Alle zondaars, die door den Heiligen Geest overtuigd zijn geworden, dat de fontein des heils nergens en bij niemand is te vinden, dan bij den Heere Jezus alleen. Zulken heeft God door almachtige en onwederstaanbare genade opgezocht op den weg des verderfs, waarop zij leefden en wandelden, en zij hebben eene innerlijke en hartelijke overtuiging, waarmede zij gevoelig zijn aangedaan, van hunne natuurlijke vervreemding van God ontvangen. Zulken kunnen niet langer op den breeden weg des verderfs en der eeuwige rampzaligheid blijven leven. Zij verlaten dien weg en hunne oogen worden geopend om te zien, dat er buiten Jezus geen leven, maar een eeuwig zielsverderf voor hen is te vinden; dat alle hunne gewaande gerechtigheid niets is dan een weg-werpelijk kleed in de oogen van een onkreukbaar heilig en rechtvaardig God; dat er voor hen geene rechtvaardigheid uit de wet is
108
te verkrijgen. Zulken krijgen door genade eene onberouwelijke keuze in het hart om den Heere te dienen. In hen is een Ik levend geworden, hetwelk een vermaak heeft aan de wet Gods naar den inwendigen mensch. Wel wordt die keuze in hen bestreden en aangevochten door den duivel, de wereld, en inzonderheid hun zondig en diepbedorven vleesch, hetwelk zich der wet Gods niet onderwerpt en ook niet kan; maar God heeft door de genade van den Heiligen Geest eene bereidwilligheid in hunne harten geschonken, om tot den Heere Jezus te naderen en om in Zijne gemeenschap te worden gebracht. Voor zulken is het Woord Gods de dierbaarste schat en de overdenking daarvan zoet. Bij hen is eene onweder-staanbare zielsbehoefte, om Gods aangezicht in het gebed gedurig te zoeken, voor Hem te bukken en te buigen in het eenzame en verborgene, om daar het door zonde en schulden ontroerde en bezwaarde hart uit te storten. Ja! zulken beginnen acht te geven op de stem van Zijnen Geest in hunne harten. Zij zijn gezet op de getrouwe middelen van Gods genade, hunne zielsbegeerten gaan uit naar de teekenen, zegelen en onderpanden van het Verbond der genade. Een komen tot den Heere Jezus is het, wanneer zij in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof zich tot Hem begeven. Overtuigd zijn zij dat de Heere Jezus een gepaste, gewillige, algenoegzame Zaligmaker is voor in zichzelve arme, ellendige, dood- en doem-schuldige zondaars. Heere Jezus! belijden zij allen, indien Gij wilt, Gij kunt ons reinigen. Ontferm U onzer ook! Wees ons genadig! Zoo komen zij dagelijks, gedurig, aanhoudend tot Hem; zij kunnen van Hem niet wegblijven, al kunnen zij hunne harten, vervuld met het gevoel hunner zondenschuld, ook niet voor Hem uitspreken, dan is het nog een komen met tranen en met zuchten. Komende worstelen zij met Hem, beladen met het pak hunner zonden en schulden, totdat zij aan de voeten van Zijn kruis en in het geopende graf van Hem dien zwaren last, die hunnen schouder naar beneden drukt, zijn kwijt geworden. Tot zulk een komen noodigt de Heere Jezus alle dorstige zielen. Ach! slechts een oog ontvangen hebbende in hun zondig, onrein, diep bedorven, goddeloos hart, en iets van dat wéé kennende, dat elke waarlijk overtuigde zondaar over zichzel-ven uitspreekt, die door God in het gericht getrokken, omdat hij tegen God heeft gezondigd, zijn vonnis van veroordeeling van eeuwige verdoemenis moet billijken en rechtvaardigen, weten zij geen raad, gevoelen zich redde- en radeloos verlorenen. Ziet, tot zulken komt Jezus, om die gegevenen door den Vader aan Hem, te noodigen, te roepen, te dringen, om zoo als zij zijn en zich bevinden, zich onvoorwaardelijk, onbedongen aan Hem over te geven, tot
109
Hem hunne toevlucht te nemen; en daar zij niet kunnen en willen komen, gaat er bij die liefderijke roepstem van Hem, almachtige en krachtdadige genade gepaard. Hij trekt ze door de koorden Zijner barmhartigheid en goedertierenheid met menschenzeelen. Daarom kon Hij zeggen: âal wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Jezus voegde er bij: en drinke. Ook deze uitdrukking moet geestelijk worden verstaan, want het Koninkrijk Gods is geen vergankelijke spijs en drank. Dat drinken verklaart Jezus uitdrukkelijk door gelooven, Joh. 6 : 34: ,,Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven.quot; Eigenaardig is die uitdrukking. Jezus is de eenige Levensbron, Ps. 36 : 10, daarom getuigde Hij van zichzelven: âZoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem zal geven, die zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.quot; Het geloof is de geestelijke mond, waardoor men van Christus, en bijzonder van Zijn verzoenend lijden en sterven, als het ware zielevoedsel gebruik maakt ten eeuwigen leven, even als onze lichamelijke mond de aardsche spijs en drank nuttigt tot onderhouding van ons tijdelijk leven. Tusschen den Heere Jezus en zulken, die als arme, verloren zondaars tot Hem komen, bestaat eene geestelijke vereeniging door het zaligmakend geloof. Jezus wil zich met Zijn volk op eene verborgen, innige, allernauwste wijze vereenigen. Die vereeniging wordt in stand gebracht door Zijnen levendmakenden Geest, dien Hij voor dat volk heeft verworven en aan hen toegepast. Van stonde aan wordt een waarachtig van God bekeerde zondaar het onvervreemdbaar eigendom van Jezus. Hij woont door het geloof in hunne harten, een geloof dat Gods gave is, waarvan Hij wederom de eenige Werkmeester is; en van daar dat die uitdrukking: drinken, een genieten van den Heere Jezus is, waardoor men niet alleen hiernamaals eeuwig leven zal, maar hier reeds in het lichaam der zonde en des doods, komende tot Jezus, het ware geestelijke leven der ziel geniet. Daarom voegde Jezus bij het komen ook het drinken. Die zondaar dus, die in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof tot Jezus zou vluchten en vlieden als een ellendige, een troostelooze in zichzelven, zou vertroosting, lafenis voor zijne ziel van Hem ontvangen, het benauwend gevoel van zijne zonden en schulden zou verlicht, ja! weggenomen worden. Gelijk drank den dorstenden naar het lichaam verkwikt en verheugt, zoo zoude Christus met Zichzelven den dorstende naar de gerechtigheid verkwikken, ja! ook door het geloof bekwamen, om uit liefde tot Hem naar de innige keuze en begeerte zijns harten, in geloofgehoorzaam-
110
heid zich aan Hem te onderwerpen. Evenals in het gemeene leven de vermoeide en uitgeputte mensch door drank bekwaam wordt gemaakt en gesterkt tot lichamelijken arbeid, zoo zou ook het ge-loovig drinken van den Heere Jezus, den vermoeiden en belasten zondaar, die tot Hem kwam, uit Hem tot alle geestelijk werk bekwaamheid en kracht ontvangen. Geheel afgebakend, en bereid, en geëffend is voor Zijn volk de weg door Hem, die zelf de weg, de waarheid en het leven is, daargesteld, om wederom in de gemeenschap van God, waaruit wij door de zonden gevallen zijn, te komen. Hij noodigt de dorstigen zooals zij zijn, zooals zij geworden zijn door de zonde, te komen en te drinken, om uit Hem en Zijne volheid te ontvangen wat hun noodig was tot het leven, en de verkwikking zoowel als de versterking van dat leven. Zeer nauw is het komen en het drinken met elkander verbonden. Zij beiden vloeien uit een en hetzelfde geloof voort. Eene ziel, die door den Heiligen Geest overtuigd is geworden van zonde, gerechtigheid en oordeel, kent geene rust voordat zij Jezus vindt, en gevoelt dat Hij volkomen met Hem vereenigd is. Van geloof tot geloof moet het gaan. âDe rechtvaardige zal uit het geloof leven.quot;
Laat ons nu
3°. Bij de belofte stilstaan, welke Hij hun geeft.
Die in Mij gelooft, stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeien.
Welk eene rijke, heerlijke en dierbare belofte! Hier dus wordt de belofte gedaan aan de geloovigen in den Heere Jezus. En wat zijn zulke personen? Zondaars, die met de gansche wereld voor God verdoemelijk zijn, kinderen des toorns van nature, gelijk alle menschen, in hun verbondshoofd Adam gevallen, dood in zonden en in misdaden. Maar zondaars, die God met eene eeuwige liefde heeft liefgehad, die in Christus uitverkoren zijn van voor de grondlegging der wereld. Zondaars, schuldige, verdoemelijke Adamskinderen, die God wedergeboren heeft tot eene levende hoop door de opstanding van den Heere Jezus uit den dood; die, omdat de Vader hen aan Zijnen Zoon heeft gegeven, door den Zoon vrijgekocht zijn, en door den Heiligen Geest, die uitgaat van den Vader en den Zoon, in de wereld, als de tijd der minne daar is, worden opgezocht, overtuigd worden van zonde, gerechtigheid en oordeel, hunne ellende uit de wet Gods leerden kennen, en bevindelijk door den Heiligen Geest de beginselen eener oprechte begeerte, om het heil alleen in den Heere Jezus te genieten, hebben leeren kennen. Ja, M. V.! bestaat het zaligmakend geloof in eene persoonlijke vereeniging van den Heere Jezus met den uitverkoren zondaar, dan heeft de Heere Jezus eene
II!
gestalte in hunne harten ontvangen, dan is Hij in hen geboren, dan zijn zij Hem door dat geloof ingeplant en ingelijfd, en zijn zij met Hem zoo nauw en zoo innig verbonden, gelijk de wijnstok met de ranken. Daarom gelooven zij niet slechts met de wereld, welke zich Christelijk noemt, aan Jezus, maar in Jezus. Welnu, de ware ge-loovigen, die het heilig zaad des Heeren mogen worden genoemd, zijn de personen, tot welke Jezus spreekt, aan welke Hij deze belofte doet: âStroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeien.quot; Zien wij nu deze belofte in, dan hebben wij te letten op het onderwerp, waarvan gesproken wordt, en dat is levend water. Leiend water wordt in het natuurlijk leven zulk water genoemd, hetwelk uit eene fontein vloeit, dat zuiver en zoet is, in tegenstelling van stilstaand water, of zout water, hetwelk onvruchtbaar is. Wordt er nu door Jezus gesproken van stroomen van levend water, dan kunt gij gemakkelijk bevatten, dat Jezus daarmede een rijken overvloed van dat water heeft willen aanduiden. Hier voorspelt Hij als \'t ware den overvloed van de genadegaven des Heiligen Geestes, die aan de geloovigen in Hem, zou worden geschonken. De verklaring van den Apostel, welke op onze tekstwoorden volgt, leert ons zulks duidelijk. Terecht mochten deze genadegaven van den Heiligen Geest levend water worden genoemd. Jezus immers, de levensfontein, is de oorsprong van dezen. Zij vloeien uit Hem voort, die den Heiligen Geest en Zijne gaven voor Zijn volk verworven heeft en dezen hun toegepast. Zij vertroosten de zielen van Zijn arm en ellendig volk, vervullen alle hunne begeerten, doen hen vruchtbaar zijn in het goede, en zijn bijblijvende tot in eeuwigheid. Wij lezen in Gods Woord van rivieren en stroomen des levenden waters, omdat die genadegaven zeer overvloediglijk, niet meer gelijk onder het Oude Verbond aan enkelen, maar aan velen zouden worden geschonken. Denkt hier met mij aan die toezegging: âGod zou den Geest geven zonder jnate.quot; (Joh. 3 : 34.) Gelijk een stroom zich verspreidt, zoo zouden ook die genadegaven des Heiligen Geestes, ondanks allen tegenstand, zich verbreiden in de wereld, want Zijn wil was het, dat h«t Evangelie aan alle schepselen zou worden verkondigd.
En wat is nu de heerlijke belofte? Stroomen des levenden waters zullen uit den buik vloden van de in Hem geloovigen. Hij zou als \'t ware eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven, in zich ontvangen. Zijne ziel en al hare begeerten zouden zoo rijkelijk met den Heiligen Geest worden vervuld, dat hij den schat,-hem geschonken, niet voor zichzelven alleen zou bewaren, maar ook aan anderen mededeelen., zoodat uit den overvloed van het hart de
112
mond zoude spreken, en een middel tot bekeering voor anderen zou
worden. Die in Hem dus zou gelooven, zijne ziel zou zijn als een gewaterde hof, Jes. 58 ; 11, waarin alles weelderig groeit en bloeit, als eene springader van wateren, welker wateren niet ontbreken; maar ook uit die volle springader, die in zijn binnenste zou zijn, zouden geheele stroomen voortvloeien, die anderen tot onderrichting, vertroosting en blijdschap zoude kunnen dienen. Wordt dat niet nog in vollen nadruk gezien, wanneer wij geloovigen ontmoeten, wier tongen losgemaakt worden, in hun binnenste ontvonkt door het vuur van den Heiligen Geest, Gods groote daden aan hen geschied, mogen verkondigen? O! hoe zijn de woorden van hunnen rnond diepe wateren, en de springader der wijsheid eene uitstortende beek voor alle heilzoekende en bekommerde zielen, die rondom hen geschaard zijn. Stroomen des levenden waters vloeien dan als \'t ware uit hunnen buik, en niet zelden wordt er ook nog eene dorstige ziel door gelaafd en verkwikt. Vandaar die uitdrukking, die wij wel eens uit hunnen mond hooren: wij hadden het zoo goed onder hunne gesprekken, in hun gezelschap, de Heere liet Zich niet onbetuigd aan onze zielen. Hij was met Zijnen Geest en Zijne genade in ons midden. Waar dat ondervonden en genoten wordt, daar hebben wij de duidelijkste bewijzen van de voortdurende, onafgebroken, on-wederstaanlijke werkingen van den Heiligen Geest, in hen, die door dien Geest worden geleid. Zij bezitten Hem niet alleen voor zich zeiven, maar God wil hen ook nog in Zijne hand gebruiken, tot zegen en heil voor zijn arm en ellendig volk, dat eene holligheid gevoelt, die nog moet worden vervuld.
En die heerlijke belofte, hoe recht geschikt was zij niet, om alle dorstigen tot Jezus te lokken. Dat water, hoe rein en zuiver ook, hetwelk uit de beek Siloah was geschept, dat zij met zooveel vreugde bezongen, dat vermocht hunnen dorst niet te lesschen; neen! dat vermocht Hij alleen met Zichzelven en met de genadegiften van Zijnen Geest, die Hij hun in zulk eenen overvloed beloofde te schenken, dat zij er zelven mede vervuld zouden zijn, en ook voor anderen daarvan nog zouden mededeelen. Hoe krachtig moest deze toezegging hen opwekken, om tot Hem te komen, met alle hunne zondaars-nooden en behoeften. Hij zou hun den Heiligen Geest en Zijne gaven in ruimen overvloed schenken, ja! even mild en overvloedig, als zij Siloah\'s bronwater uit den buik der gouden kruik zagen vlieten, zouden ook de gaven des Heiligen Geestes, het gemoed derzulken, die tot Hem en in Hem geloofden vervullen, en van hen uitstroomende, zich ook aan anderen mededeelen. Hetgeen dus zinnebeeldig op dit vreugdefeest werd voorgesteld, dat kwam
113
Jezus voor Zijn volk in waarheid en wezenlijkheid vervullen, \'t Is dus alsof Jezus tof de menigte v/ilde zeggen: blijft niet aan het beeld hangen, maar ziet op Mij. Zijn er onder u dorstigen, die ware behoefte en begeerte hebben naar de beloofde gaven van den Heiligen Geest, Ik ben het. Ik, Dien Gij ziet, Ik, Die in het midden van usta, Ik ben het. Die u haar schenken zal! Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeien. Laat ons
4°. eindigen met de toepassing. Zingen wij vooraf Ps. 89 : 7.
Zoo iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke. De Heere Jezus, M.V.sprakdezewoorden,zooals gij gehoord hebt, toen Hij Zich in den tempel te Jeruzalem bevond te midden van de feestvierende schare, wier gezang: âwij scheppen water met vreugde uit de fonteinen des heils,quot; wier Hozanna\'s zoo luide werden gehoord. Die woorden spreekt Hij nog tot ons. Jezus, Dien wij eerbiedigen als onzen grooten God en Zaligmaker, God geopenbaard in het vleesch, is ook hier. Evenals in Jeruzalerns heiligdom staat Hij hier in ons midden en roept ons toe: Wie dorst heeft kome tot Mij en drinke. Ja! die dierbare belofte: stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeien, zij geldt ook ons. Zondaars, die dus dorst hebben, moeten tot Hem komen, noodigt Hij om te drinken, ja! belooft Hij in ruime mate verzadiging. Hoe lang, hoe dikwijls, hoe dringend liet Hij ons allen reeds noodigen, maar ach! hoe beklagenswaardig is het, dat zoo velen van u, voor die roepstemmen van Hem doof zijt gebleven, ze als tot anderen gericht voor u laat voorbijgaan. Ach! wie weet. God alleen weet het, hoe velen er onder u worden gevonden, die tot nutoe geen anderen dorst kennen,dan naar aardsche dingen. Die omdat zij onbekend zijn met hunne volslagen verlorenheid en ellende vanwege hunne zonden, alleen in de wereld voldoening zoeken voor hunne zinnelijke lusten en begeerlijkheden, en daarom onverschillig en zorgeloos verkeeren onder al de roepstemmen, waarmede de Heere Jezus telkens in Zijn Woord, en door den mond Zijner dienaars tot hen komt, om ware het mogelijk hunne zielen te behouden voor eene eindelooze eeuwigheid. Ja! waren er ook nog maar niet onder ons, tot wien de Heere Jezus moet zeggen: âhoe dikwijls heb Ik u gezocht te vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens, maar gij hebt niet gewild,quot; die tot Jezus niet willen komen, omdat de god dezer eeuw, dien zij dienen, hunne zinnen verblindt, dat hen niet bestrale de heerlijkheid des Evangelies. Wat moet ik tot u zeggen? ach! als gij in den toestand blijft zonder God, zonder Christus, vreemdelingen der verbonden, en gij zooals gij nu zijt, door den dood uit dit leven zult worden opgeroepen om voor God te
114
verschijnen, vreeselijk zal het voor u zijn te vallen in de handen des levenden Gods; vreeselijk als gij uit den mond van dien liefderijken Zaligmaker zult moeten hooren: âGaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend. Slaat ze dood voor Mijne voeten, die niet gewild hebben, dat Ik Koning over hen ware.quot; Gij, die Jezus door het goddeloos ongeloof uwer harten blijft verwerpen, gij zult hei eens ondervinden, dat God Zich niet laat bespotten, dat zoo wat de mensch zaait, hij ook zal maaien. O! wat zal het voor u verschrikkelijk zijn, te worden geworpen in die plaats, waar eeuwig zal zijn weening der oogen en knersing der tanden; waar gij eeuwig zult moeten dors en, geen druppel wafers tot verkoeling voor uwen pijnlijken en smartelijken dorst zult ontvangen. Och! of de Heere u eens bepalen mocht bij dat akelige en verschrikkelijke lot, dat u wacht, indien gij in uwe zonden zult sterven, om voor eeuwig verloren te gaan. Och! ais de goedertierenheid Gods uwe harten tot bekeering niet mocht bewegen, dat het dan de schrik des Heeren mocht zijn. Heden, heden wordt gij nog geroepen, nog genoodigd, nog gebeden, alsof God door ons bade: laat u met God verzoenen. Heden, heden roept Jezus u, die onder het Evangelie leeft, nog om te bedenken wat tot uwen vrede dient. Morgen konde het licht te laat zijn, wie weet of het hout tot uwe doodkist niet reeds gezaagd, het linnen tot uw doodhemd geweven is. De tijd, jongen en oaden van jaren, konde voor u kort zijn. Hoe zult gij ontvlieden, die op zoo groot eene zaligheid geen acht hebt willen geven. Och! dat gij u liet overreden en overtuigen van de noodzakelijkheid om tot den Heere Jezus te komen. Dat het u op uwe knieën in de eenzaamheid en het verborgene voor God mocht brengen, en u mocht doen bidden om den Heiligen Geest, Die u als arme, verloren, dood- en doemschuldige zondaars tot den Heere Jezus moet brengen, en u dien dorst naar dat water des levens moet doen kennen, hetwelk Hij u gevende, in u eene fontein zal worden springende tot in het eeuwige leven.
Die dorst heeft kome tot Mij en drinke, zoo sprak Jezus, en misschien zijn er nu ook onder u, die zich die uitspraak toeëigenen, omdat zij uitwendig den Heere Jezus hebben aangenomen. Hem beleden hebben voor de menschen, en gebruik maken van het heilig Avondmaal. Hoe goed en prijzenswaardig dit ook in uwe oogen moge zijn, is- uw dorst naar den Heere Jezus wel de ware dorst? Heeft God uwe blinde oogen geopend voor uwen ellendigen toestand, waarin gij van nature verkeert? Zijt gij als arme, ellendige, verloren zondaars aan u zeiven ontdekt geworden? Zijn er door genade zondaarsnooden en behoeften in uwe zielen, die alleen met
115
het bezitten van den Heere Jezus kunnen worden voldaan? Trap en mate uwer bekeering tot God moge onderscheiden zijn, maar heeft er ook bij u een verlaten plaats gehad van de vuile wateren en onreine modderpoelen der wereld? Zijt gij ook belasten en vermoeiden door uwe zonden, die zwaar draagt aan uw zondenpak? Onderzoekt u zeiven toch nauw, volk dat met lust bevangen is. Op den waren dorst naar den Heere Jezus als de eeuwige fontein des heils kom het aan. Wat beteekent een uitwendig komen tot Hem, zonder gebruikmaking van Hem? Wanneer gij u dus niet in waarheid als zondaar voor God hebt leeren kennen, verduisterd in uw verstand en vervreemd van het leven, dat uit God is, vanwege de onwetendheid die er in u is, en de verharding uwer harten, zult gij van Hem geen gebruik maken als Profeet. Wanneer gij u zeiven voor God niet hebt leeren veroordeelen als dezulken, die des doods schuldig zijn, zult gij van Hem geen gebruik maken als Priester. Wanneer gij uwe ellende en gansche onmacht door de zonde niet hebt leeren kennen, zal uwe bede tot Hem niet zijn, dat Hij door Zijn Woord en Zijnen Geest over u ais Koning moge regeeren. Zult gij dan niet eens in gevaar zijn uit Zijnen mond te moeten hooren: al betuigt gij ook, wij hebber, in Uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken : Ik weet niet van waar gij zijt? Keert dan eens toi u zeiven in, en vraagt het u zeiven als in de tegenwoordigheid Gods af: waarnaar dorst ik? !s uw dorst om in Jezus Christus voor God te worden gevonden met eene gansche overgitte van uw hart aan Hem? Is het uw verlangen, den Heiligen Geest te mogen ontvangen, met die bede: schep mij een rein hart, en vernieuw in mijn binnenste eenen vasten geest? God heeft alleen lust aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste. Daarop alleen komt het bij de roepstem en noodiging vai den Heere Jezus bij u op aan. Ontdekt gij iets van dien dorst, het Woord van Jezus geeft u vrijheid om tot Hem te komen en te drinken. Hij zal ook u niet afwijzen. Hij beloofde Zijnen Geest over-vloediglijk uit te storten.
Maar u bekommerde dorstende zielen, gij wordt bepaaldelijk door den Heere Jezus genoodigd, om tot Hem te komen en te drinken. O! als de Heere u wakker heeft geschud uit den doodslaap der zonden en der misdaden, dan hebt gij uw verloren toestand, het gewicht van Gods toorn leeren kennen. Van dat oogenblik af zijt gij bekommerd geworden vanwege uwe zonden, en daar gij redde- en radeloos verlorenen in u zeiven zijt geworden, en den weg cm de straf te ontgaan en wederom tot genade te komen niet kent, zoekt gij het overal wat uwe zielen rust zou kunnen schenken; maar gij hebt het nergens kunnen vinden. Verlegen bij u zeiven, moet gij
116
misschien uitroepen: hoe zal ik voor God bestaan? en daarbij vervult de vrees uwe zielen, dat gij eeuwig zult moeten omkomen. O, gij dorstende zielen, gij verdrukten, door onweder voortgedrevenen, gij ongetroosten, Jezus reept en noodigt u tot Hem te komen en te drinken. Wat zou u beletten, zooals gij zijt, en u zeiven hebt leeren kennen, u aan Hem over te geven? Meent gij te zwaar tegen God te hebben gezondigd, te lang Jezus roepstemmen te hebben weder-staan? Durft gij tot Jezus niet komen? O! roept Jezus de gewilligen en geloovigen, of roept Hij niet de dorstenden? Zegt Jezus niet: zoo iemand dorst. Heeft de Heere u niet gelokt, overgehaald, overreed? Is Hij u niet te sterk geworden? Durft gij te ontkennen, dat er behoeften naar Hem in uwe ziel zijn opgewekt, die nergens buiten Jezus vervuld kunnen worden? Zijt gij niet in de woestijn gebracht, en geldt ook u die belofte niet: Ik zal naar hun hart spreken? Welnu, in die woestijn hebt gij water voor uwen dorst noodig, water uit de steenrots, welke Christus is. Tot Hem moet gij komen eer gij kimt drinken. Niets hebt gij tot Hem mede te brengen, gij moogt komen zooals gij zijt, zoo vermoeid en belast met uwe zonden als gij u door genade gevoelt. Hier is ook voor u die uitspraak: âDie wil, die kome en neme het water des levens om niet en drinke.quot; O! als uw oog maar door het geloof zien mag op de gespleten rots, Christus. JHij werd ook voor u geslagen, opdat Hij u het water des levens zou schenken, dat volgens Zijne belofte in u zou worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Och! geve de Heere u doorbrekend licht en doorbrekende genade om u onbepaald en onbedongen a^n Hem over te geven. Belooft Jezus niet uit Zijne volheid genade voor genade te willen schenken? Wat zou u van Jezus terug doen blijven? Gij kunt Hem immers niet missen. Op uw woord sprak eens een discipel, die Jezus liefhad, toen Jezus hem beval tot Hem te komen; en mocht hij daarna wederom bevreesd voor de golven die hem bedreigden voelen dat hij zonk, de Heere gaf Hem te roepen: Heere! behoud mij, en strekte zijne hand naar Hem uit, en hij verzonk niet in de diepte. O! op het woord van Jezus, heilzoekende en dorstende zielen! moogt gij tot Hem komen en drinken. Hij is en blijft u nabij als ook gij u wederom zult keeren tot de gebroken bakken die geen water bevatten. Hij wil, ja! Hij zal, dit is Zijne belofte. Zijne hand tot u uitstrekken, opdat g,ij niet omkomt en verloren gaat. Komt dan tot Jezus, Hij zal u geenszins uitwerpen. Hier ook in ons midden staat Hij, die nimmer met Zijne Majesteit, Geest en genade van Zijne gemeente zou wijken, om het inzonderheid toe te roepen: die dorst heeft kome en drinke! Och! dat gij Zijne stem mocht hooren, gij zoudt ver-
117
kwikking vinden bij Hem voor uwe naar Hem dorstende zielen.
En gij, M. V.! die door genade zeggen moogt, dat gij hebt mogen drinken uit de fontein des levens, en dat uwe dorstende zielen zijn verkwikt geworden; dat niet alleen, maar ook gedrenkt zijn geworden ten eeuwigen leven. Hoe moest gij u openbaar maken als fonteinen des levenden waters. Maar ach! moet niet schaamte uwe aangezichten voor Hem vervullen, dat gij u zoo weinig openbaar maakt te midden van een krom en verdraaid geslacht, in deze dagen vooral van verloochening van God en Christus, als zulken die van het levend water hebt gedronken? Hoeveel stilzwijgen van Jezus, uit vrees voor het schepsel, wordt er nog niet bij u gevonden? Ach is het wel te verwonderen, dat zoo menigeen van u zoo in duisternis voor zichzelven leeft en verkeert. Och! dat op niemand uwer van toepassing mocht zijn, dat gij schijnt de genade des Heeren tevergeefs te hebben ontvangen. Moet gij niet anderen dat levend water aanprijzen, hetwelk gij door genade en bij bevinding zeggen moogt, dat zoo zoet en heilzaam voor uwe zielen was? Och behelpt u toch met geene uitvluchten, die de duivel en uw arglistig hart u ingeven, als daar zijn uwe onbekwaamheid en ongeschiktheid, en dat gij zeiven maar een druppel voor u zeiven van dit levend water hebt gedronken, dat u daartoe de vrijmoedigheid niet is geschonken. Is uw gebed wel tot God: Uw vrijmoedige Geest ondersteune mij? Heeft de Heere u wel ooit beschaamd doen uitkomen, wanneer gij uwe vrijmoedigheid niet wegwierpt? Hebt gij van achteren niet altijd veel meer vrede voor uwe zielen gehad, wanneer gij van uwen Jezus mocht getuigen? Ook voor u geldt het woord van Jezus in voilen nadruk: die dorst heeft die kome en drinke! Hoe nauwer en inniger gij u met den Heere Jezus zoekt te vereenigen, en u ook in het verborgene en eenzame tot Hem begeeft om uit Hem te drinken, en om uit Zijne volheid genade voor genade te ontvangen, des te meer zult gij het ervaren, dat gij ook van Hem bekwaamheid zult ontvangen, die gij in u zeiven mist. O! wie in waarheid uit Bethlehems bornput heeft gedronken, die blijft dorsten naar dat water tot aan zijnen dood toe. Voedt de Heere Jezus Zijn volk met honger, en laaft Hij hen met dorst? Och! dat Hij u allen veel, dikwerf dien toestand door genade moge doen kennen, om met den man naar Gods hart te belijden: âHet gejaagde hert kan niet feller dorsten naar water, dan onze zielen dorsten naar U, o God.quot;
Stroomen des levenden waters zullen uit uwen buik vloeien, volk Gods, dat is de belofte die Jezus u geeft, die tot Hem zal mogen komen en drinken. Hier moge dit aan deze zijde des grafs zoo niet
118
ondervonden worden, en het kortstondige uren zijn, waarin gij uit de beeken van Gods wellusten zijt gedrenkt en dronken zijt geworden, (Ps. 36 : 9). Daarom moogt gij u verzekerd houden, gebrek aan dat levend water in de woestijn uws levens zult gij nooit hebben. Onophoudelijk zullen de genadewateren voor u blijven vloeien. Zijn de druppels, die gij er hier reeds van genieten moogt, u zoo zoet, o, wat zal het dan niet zijn als gij eeuwig zult mogen drinken, alle uwe begeerten volkomen zullen worden voldaan. Uwe zielen zullen dan eeuwige fonteinen zijn van den lof des Heeren en des Lams, want de Geest die u hier dorstende maakte, zal dan in alle eeuwigheid bij u blijven. Amen.
Ps. 42 : 7.
VIII.
DE WIJZEN UIT HET OOSTEN. Leerrede over Mattheüs 2 : iân.
PSALM 89 : 1, 3.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Drie Koningen dag. Zoo M. V. noemt de Roomsche kerk dezen dag1), waarop wij heden in Gods bedehuis zijn vereenigd; en die kerk heeft van de komst der Wijzen uit het Oosten te Bethlehem een heiligen dag gemaakt, en beweert dat zij ook nevens het Woord Gods aan de overlevering gelooft, dat die Wijzen 3 koningen zijn geweest, en hunne namen Caspar, Melchior en Balthasar zijn. De Heilige Geest deelt ons dit echter in het Woord Gods niet mede, daarom gelooven ook wij dit niet. Ondertusschen is en blijft dit geschiedverhaal voor ons, die de Heere onlangs bij de kribbe te Bethlehem, vereenigde om de groote verborgenheid der godzaligheid te overdenken, God geopenbaard in het vleesch, eene belangrijke en dierbare gebeurtenis. Hier zien wij, dat God de komst van Zijnen Zoon in het vleesch door een buitengewoon verschijnsel in de natuurlijke wereld heeft gekenmerkt, de verschijning van eene nieuwe ster, gelijk bij Zijn sterven de zon werd verduisterd.
In die komst der Wijzen uit het Oosten te Bethlehem, om den
\') De 6de Januari 1867.
119
geboren Koning der Joden te aanbidden, zien wij het profetisch woord, hetwelk zooais de Apostel terecht aanmerkt, zeer vast is, zoo duidelijk bevestigd: ,,De Heidenen zullen tot Uw licht gaan, de koningen tot den glans dieover U is opgegaan.quot; Jes. 61, en gelijk in meerdere voorspellingen vervat was, dat Jezus bij Zijne komst in de wereld, ook als de Zon der gerechtigheid door Heidenen zou worden geëerbiedigd. Ziet, zoo verstaan wij het woord, hetwelk de Engel tot de herders in Bethlehems velden sprak: ,, Ik verkondig u groote blijdschap, die al den vclke wezen zal.quot; Welaan laat ons heden bij vernieuwing met die Wijzen uit het Oosten te Bethlehem vertoeven, en mocht het zijn dat ook wij daar voor het kindeke Jezus in aanbidding mochten nedervallen, en Hem onze harten geheel en volkomen mochten wegschenken. Bidden wij vooraf met en voor elkander Gods onmisbaren zegen over onze bijeenkomst af.
MATTH. 2:1â11.
Doe nu Jezus geboren was te Bethlehem (gelegen) in Judea, in de dagen des koninghs Herodes, siet (eenige) wijze van Oosten zijn tot Jerusalem aangekomen.
Zeggende, waar is de geborene koningh der Joden? Want wij hebben gesien Sijne sterre in \'t Oosten, ende zijn gekomen om Hem te aanbidden.
De koningh Herodes nu (dat) gehoort hebbende, wiert ontroert ende geheel Jerusalem met hem.
Ende bijeenvergadert hebbende, alle de overpriesters ende schriftgeleerden des voleks, vraeghde, waer de Christus zoude geboren worden.
Ende sij seijden tot hem. Te Bethlehem in Juda (gelegen) want alsoo is gesehreven door den Propheet. Ende gij Bethlehem (gij) land Juda, en zijt geenszins de minste onder de vorsten Juda, want uyt u sal de Leijtsman voortkomen, die mijn volck Israël weijden sal.
Doe heeft Herodes de wijze heijmeleijck geroepen, ende vernam neerstelijk van haer den tijt, wanneer de sterre verschenen was.
Ende haar naar Bethlehem sendende, seijde: Reist henen, ende onderzoekt neerstelijck na dat kindeken, ende als gij het suit gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik oock kome, ende datzelve aan-bidde. Ende sij den Koningh gehoort hebbende, zijn henen gereijst: ende ziet de sterre, die zij in \'t Oosten gezien hadden, gingh haer voor, totdat zij quam ende stont boven (de plaetse) daar het kindeken was.
Als sij nu de sterre sagen, verheughden zij haer met zeer groote vreughde.
Ende. in het huijs gekomen zijnde, vonden sij het kindeken met Maria zijne moeder: ende nedervallende hebben sij hetzelve aangebeden. Ende hare schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken, gout, ende wierook ende myrrhe.
Hoe bekend M. V. het geschiedverhaal ook zijn moge, dat ik u voorlas, nochtans is en blijft het steeds belangrijk. Daaruit immers zien v/ij, dat onze Heere Jezus Christus, Dien wij erkennen, als onzen grnoten God en Zaligmaker, toen Hij als een zuigeling in den
120
schoot van Maria lag, het voorwerp van aanbidding is geweest van Wijzen, gelijk Hij het was in doeken gewonden, nederliggende in de kribbe, van eenvoudige herders. Die Wijzen waren Heidenen, maar die geloofden in den levenden God, en zoo zien wij hier dan, hoe zeker liet Profetisch woord was; dat als de Christus geopenbaard zou worden in het vleesch. Hij ook een licht zou zijn voor de Heidenen, die tot de erfenis des Zoons zouden behooren, en dat Hem het recht is gegeven, Heidenen te eischen tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijne bezitting. Daarom schreef Paulus terecht dat de Christus, als Hij kwam, door het genoegdoen aan de wet in het scheuren van Zijn vleesch, de vijandschap teniet zou doen, den middelmuur des afscheidsels in stukken breken, de wet der geboden in inzettingen bestaande, uit het midden wegnemen, en beiden Joden en Heidenen in zichzelven, tot eenen nieuwen mensch zou scheppen, vrede makende Efeze 2 :14, 15. Welaan, daar dit geschiedverhaal ais \'t ware een groot lusthof is vol boomen des levens en stroomende fonteinen van het water des levens, mocht dan ook de Heilige Geest het geven, dat wij daarin heden vertoevende, eten mochten van de zoete vruchten, die aan deze boomen hangen, en genieten mochten van dit water, hetwelk het leven verkwikt en versterkt. Laat ons dan dit heerlijke en rijke geschiedverhaal overdenkende,
1°. De reis der wijzen uit het oosten naar Jeruzalem,
2°. Hunne aankomst te Bethlehem en aanbidding van het kind Jezus,
3°. Degeschenken diezij Jezus brachten beschouwen, telkens ziende iioe zulks nog wordt opgemerkt in de waarachtige bekeering van eiken zondaar. Om dan
4°. Met het woord van toepassing te besluiten.
1°. Wenschte ik met u de reis der Wijzen uit het Oosten naar Jeruzalem te beschouwen.
Pas was Jezus te Bethlehem, in Judea gelegen, geboren, ook de stad Davids genoemd, omdat de man naar Gods hart aldaar geboren en opgevoed was, of ziet! daar kwamen eenige Wijzen uit het Oosten te Jeruzalem. De juiste tijd van hunne komst aldaar wordt bepaald, in de dagen van koning Herodes, bijgenaamd de Groote, de zoon van Antipater, van geslacht een Edomiter, van godsdienst e^j Jood, wreed van inborst, en goddeloos van leven, berucht door den wreeden kindermoord te Bethlehem, welke op zijn bevel geschiedde. Die mannen worden Wijzen uit het Oosten genoemd: zij waren Heidenen, waarschijnlijk uit Arabië of Perzië afkomstig, zeer bedreven in natuurlijke wetenschappen, vooral in de sterrenkunde.
121
OfTzij drie in getal en koningen zijn geweest, gelijk de overlevering-hen noemt, wie zal ons dit zeggen? Gods Geest verzwijgt het, en zegt ons alleen, dat zij van het Oosten kwamen, uit een land oostwaarts van Judea gelegen, en dat mogen wij hierbij opmerken, dat God geen aannemer des persoons is, dat Hij naar Zijn Souverein welbehagen zoowel wijze Heidenen uit het oosten, als eenvoudige herders uit het Westen tot Jezus roept en brengt.
Maar wat bewoog toch wel die mannen, om hunne maagschap en hun vaderland te verlaten, en om naar Jeruzalem te reizen? Zij hebben eene ster in het Oosten gezien, welke zij nimmer hadden waargenomen en zijn daardoor tot het besluit gebracht, dat de Koning der Joden geboren was; en nu zijn zij naar de heilige stad Jeruzalem gereisd om Hem te aanbidden. Zij vragen niet of die Koning is geboren, maar: waar is de geboren Koning der Joden? En vragen wij nu, hoe zij zulks wisten? Dan antwoord ik: door menschelijke en Goddelijke wetenschap. Ook onder de heidensche volken bestond de verwachting van eenen heiper of redder, die er voor hen zou komen, en zij hadden van de verstrooide Joden inzonderheid ten dage van de Babylonische gevangenschap, zoo gedurig van hunnen toekom-stigen Verlosser hooren spreken, en de profetie van Daniël was hun niet onbekend gebleven. Toen zij de nieuwe ster zagen, onderwees God zelf hen deze waarheid en zoo vast zijn zij van deze waarheid overtuigd geworden, dat zij zonder de minste twijfeling te Jeruzalem aangekomen, allen als \'t ware toeroepen: âWaar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben Zijne ster gezien, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.quot;
Zij noemen dit Goddelijk en hemelsch Licht, hetwelk hun is verschenen, en hetwelk hen van Jeruzalem naar Bethlehem wederom zou voorgaan, en den weg zal wijzen en de plaats aantoonen, eene ster, en dat wel Zijne ster. De ster van Hem, die zelf de Zon der gerechtigheid is, de blinkende Morgenster! Zij hadden een ster waargenomen, die zij vroeger nimmer hadden gezien; eene ster van buitengewone hoedanigheid en van zoo grooten luister, dat zij haar dadelijk van alle andere sterren onderkenden; en nu had God met Zijn licht in hunne duistere zielen geschenen en hen onderwezen, dat deze ster hun de komst van dien Messias, naar wien zij uitzagen en verlangden, verkondigde. Ja, zoo krachtig had God in hen gewerkt, dat zij het vast geloofden, en door het geloof, hetwelk, als God het ons schenkt, een Goddelijk licht in het verstand, en eene Goddelijke kracht in den wil is, dadelijk bereid waren om vaderland en vrienden te verlaten, om dien geboren Koning te ontmoeten, naar Wien hunne harten door de verborgen invloeden van God
122
den Heiligen Geest, werden getrokken. En waartoe? Om Hem te aanbidden. Niet zoo als eene valsche wetenschap leert, om Hem uitwendige eerbewijzen\'toe te brengen; neen! maar zooais wij straks zullen zien, om Hem Goddelijke eer te bewijzen, omdat zij Hem als den waren Messias erkenden, en Hem aanmerkten door het geloof, niet alleen als geboren voor de Joden, maar ook voor hen. Die er velen moest roepen uit het Oosten en het Westen, Wien de volken onderdanig zouden moeten zijn, en Wiens rijksgebied zich moest uitbreiden, van zee tot zee, en van rivier tot rivier. O! wondervolle beschikking Gods, roepen wij hier uit! Dat kindeke in doeken gewonden, nederliggende op stroo in eene kribbe, heeft eene ster aan den hemel, die Zijne geboorte verkondigt in het Oosten. Hij, die bij zijne geboorte nauwelijks plaats vindt op aarde, wordt in verre landen door God bekend gemaakt, als den Heere der heerlijkheid, voor Wien alle knieën dergenen, die in hemel en op aarde zijn, zich moeten buigen. Wie denkt hier met mij niet aan dat profetisch woord, voor zoo vele eeuwen door God gegeven: ,,Daar zal eene ster voortgaan uit Jacob, en daar zal een scepter uit Israël opkomen.quot; Num. 24 ; 17. Waarlijk, alleen het geloof deed de Wijzen uit het Oosten den reisstaf opnemen en naar Jeruzalem gaan, ten einde den geboren Koning der Joden te zien en te aanbidden.
Zooals het met de Wijzen uit het Oosten ging, zoo gaat het nog in de waarachtige bekeering van eiken zondaar door God. Zij gaat van God uit. Zij is van onze zijde ongedacht en onverwacht, zoodat elke bekeerde van achteren in verbazing en verwondering moet .iit-roepen: âHeb ik ook omgezien naar Dien, die naar mij heeft omgezien,©! Gij Goddesaanschijns?quot; En mogen nu de weg en de middelen onzer bekeering onderscheiden zijn, God doet nog altijd hetzelfde werk. Hij spreekt: âDaar zij lichtquot;, en er is licht. Hij doet het licht in onze duistere zielen schijnen. En even duidelijk als de Wijzen de ster aan den hemel zagen, zoo duidelijk wordt elke levend gemaakte ziel, de verandering, die bij en in hem komt, als de Heere hem opzoekt. In datzelfde oogenblik werkt God in hem eer.e behoefte, die met de gansche wereld niet meer kan worden voldaan. Wat vroeger zijne lust en zijn vermaak was, dat staat hem nu tegen. Hij verlaat zijn land en zijne maagschap, niet in letterlijken zin, maar op geestelijke wijze te verstaan, en wordt reiziger naar een land, dat hem de Heere moet wijzen, en richt zijne schreden naar Jeruzalem, de stad Gods, de heilige stad, de stad des vredes. Hij zoekt, met andere woorden, dat volk op, hetwelk door God, zoo dikwerf in zijn Woord als Jeruzalem wordt voorgesteld; bij en onder hen zal hij, zoo gelooft hij. Hem vinden. Dien hij als Koning
123
eerbiedigt, Die in hem geboren is; met hen stelt hij zich voor, wil hij
voor Hem buigen en knielen, Hem uitroepen als zijn Heere en zijn God. En hoe ging het nu met de Wijzen, toen zij in Jeruzalem waren gekomen? Vol blijde verwachting en met heilbegeerige harten treden zij binnen de poorten der stad. Elk, die hen tegenkomt, wordt staande gehouden en door hen gevraagd, waar de geboren Koning der Joden zij? Zij verwachten niet anders of de gansche heilige stad verkeert in vreugde. Maar ach! welk eene teleurstelling; geen antwoord ontvangen zij op hunne vragen! zij zien niet anders dan verwonderde aangezichten, en wie weet, hoe velen hen als dwazen en waanzinnigen beschouwden.
De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd en geheel Jeruzalem met hem. Eene aigemeene beweging dus ontstond er bij den koning en liet volk. Herodes werd bevreesd, dat hij van kroon, troon en scepter zou worden beroofd, en Jeruzalem was met hem ontroerd, daar zij zich verblijden en verheugen moest, gelijk geschreven was: âVerheug u zeer, gij dochter Sions; juich, gij dochter Jeruzalems; ziet! uw Koning zal komen. Ja! juich en verblijd u, gij dochter Sions, waiu ziet. Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen; spreekt de Heere.quot; Zach. 2 : 9, 10. Helaas! dat Jeruzalem lag zoo diep gezonken in vleeschelijke gerustheid en zorgeloosheid, dat zij op de teekenen der tijden geen acht meer gaven, en die blijde boodschap: waar is de geboren Koning der Joden? ontroering, en dat was alles, in hunne harten verwekte. Herodes laat dadelijk alle Overpriesters, waarvan de Hoogepriester het hoofd was, terwijl zij aan het hoofd stonden van de priesters, die David in 24 rijen of orden verdeeld had, benevens de Schriftgeleerden, wier werk het was de Heilige Schriften het volk uit te leggen en te verklaren, te zamen roepen; en toen zij vergaderd waren, legt hij hun de vraag voor, waar de Christus zou geboren worden? Opmerkelijke vraag; niet waar de Koning der Joden moest geboren worden? maar de Messias, door God, door den mond Zijner profeten aan Israël beloofd. Met hun antwoord zijn zij dadelijk gereed; zij zeiden tot hem: âTe Bethlehem, in Judea gelegen,quot; want, zeggen zij, âzoo is geschreven door den profeet, namelijk Micha 5:1: âEn gij Bethlehem, gij land Juda zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda, want uit u zal de Leidsman voortkomen, die Mijn volk weiden zal.quot; Zij geven de Godspraak wel niet woordelijk op, maar nochtans zoodanig, dat deszelfs zin en bedoeling duidelijk is. Rond en openlijk leggen zij de verklaring af, dat de Messias, de Zoon Davids, te Bethlehem, de stad Davids genoemd, in Judea gelegen, moest worden geboren. Achthonderd jaar was het geleden, sedert
124
dat God had laten bekend maken, dat niet Jeruzalem, maar het geringe en kleine Bethlehem door Hem tot geboorteplaats van den Messias was uitverkoren. Herodes, deze uitspraak vernomen hebbende, heeft de Wijzen heimelijk tot zich geroepen; hij gaf er den Joodschen raad en het volk geene kennis van, om elke beweging onder het volk te vermijden, maar zooals de uitkomst heeft geleerd, met een goddeloos oogmeik. Toen zij bij hem gekomen waren, vernam hij naarstelijk van hen den tijd, wanneer de ster was verschenen. Hij wilde weten, wanneer, hoe dikwijls, hoe lang zij die ster hadden gezien, om daaruit den ouderdom van dezen geboren Koning te kunnen opmaken, ten einde Hem des te zekerder te kunnen laten vermoorden. Met duivelsche arglistigheid zendt hij de Wijzen niet alleen naar Bethlehem, maar voegt er bij: onderzoekt naarstiglijk naar dit Kindeke, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en hetzelve aanbidde. Ach: hoe diep kan de mensch zinken, die door God losgelaten, en door den duivel als zijn werktuig gebezigd wordt. Nochtans mag het hier onze aandacht niet ontgaan, dat de Joden niet anders geloofden, dan dat de Messias, door God aan hunne vaderen beloofd, de eer der Goddelijke aanbidding toekwam. God echter, in Wiens hand ook de harten der koningen zijn, vangt Herodes in zijne arglistigheid en zorgt, dat hij zijn bloeddorstig voornemen moet uitstellen, tot op de wederkomst der Wijzen, en het dan ook niet zal kunnen volvoeren. Zijne listige raadslagen worden te schande gemaakt.
Gelijk het dien Wijzen ging, toen zij te Jeruzalem kwamen, en meenden dat elk een, die in deze stad woonde, zich als een onderdaan van dien geboren Koning zou doen kennen, van Hem zou weten te spreken, hoe Hij ook voor hem, in hem was geboren; zoo gaat het nog dikwijls eiken zondaar, in wiens duistere ziel het licht van de Zon der gerechtigheid is opgegaan, die Zijne ster heeft mogen aanschouwen, ontwaakt, opgestaan is uit den dood der zonden en der misdaden, en bij wien het een heilig onwederstaan-baar moeten is geworden, den geboren Koning te zoeken en te vinden. Wanneer hij zich opmaakt om Jezus te Jeruzalem, dat is onder dat volk, dat zich naar Hem noemt, te vinden, hoe menigeen ontmoet hij niet van die genisten in Sion, van die verzekerden op den berg van Samaria, die den naam hebben dat zij leven, maar toch nog dood zijn, die niets anders bezitten dan het aangegrepen en beredeneerd geloof, ja! ook menigeen, dien hij beschouwde als een leeraar van Gods volks, maar die nog een blinde leidsman der blinden is, die hem niet verstaat en begrijpt. Hoevele verwonderde aangezichten kan hij aantreffen, als hij zijne ontmoetingen en be-
125
2 D 26
vindingen mededeelt, den weg dien God hem geleid heeft om hem te Jeruzalem te brengen. Ja! voor hoevelen wordt hij een dwaas en een dweeper. Niet zelden vindt hij ook bij het ware volk Gods wanneer het voor zichzelven in eenen afgezakten en duisteren weg leeft en verkeert, en het wezen der zaak meer in den uitwendigen vorm zoekt dan in den in Jezus Chiistus inwendig vernieuwden mensch, geene aan- en insluiting en mist hij de geestdrift der liefde die uit God is, waarmede zijne ziel tot het volk Gods is vervuld. Hoe menige teleurstelling ondervindt hij, omdat hij bij menschen zoekt hetgeen alleen bij Hem is te vinden, Die de woorden des eeuwigen levens heeft. Maar God begeeft of verlaat daarom Zijne ellendigen niet, die Jezus alleen zoeken. Zijn het de vrienden, die te Jeruzalem wonen niet, die hem tot Jezus leiden, dan moeten het in de hand des Heeren dikwerf de vijanden zijn, gelijk voor de Wijzen, Herodes en de Overpriesters en de Schriftgeleerden, di2 God als middelen gebruikt om hen een woord van God te doen verstaan, dat Jezus alleen te Bethlehem moet gezocht en gevonden worden, en dat men daar moet zijn, om Hem voor zichzelven als zijnen Koning te aanbidden. ,, Ik zal u onderwijzen van den weg dien gij te gaan hebt. Ik zal u raad geven. Mijn oog zal op u zijn.quot; Om dat te leeren, ziet, daartoe dienen alle die teleurstellingen, die een pas ontdekt zondaar zoo dikwijls in zijnen eersten weg ontmoet. Voor eene wijle tijds kan hij door die ontmoetingen door twijfelen geschokt en geslingerd worden, want ook daarin heeft de bestrijder zijne hand, maar omdat de Heere hem in waarheid Zijne Ster heeft getoond, en Hij niet laat varen de werken Zijner handen, geene ware begeerte om Jezus te vinden onvervuld wil laten. Ja! omdat de genade Gods eene onwederstaanbare genade is, daarom keeit hij niet met den hond tot zijn uitbraaksel weder, of met de gewasschen zeug tot het slijk, maar is zijn reisweg gelijk als die der Wijzen uit het Oosten, van Jeruzalem naar Bethlehem.
2°. Hunne aankomst te Bethlehem beschouwen.
Van Jeiuzalem reisden de Wijzen uit het Oosten naar Bethlehem. Wie zal hun den weg derwaarts wijzen? Niemand uit Jeruzalem, tot wien zij die vraag hebber, gericht: waar is de geboren Koning der Joden? vergezelt hen. Maar zij hadden ook geen mensch toi leidsman noodig. God zelf wil hun Leidsman zijn, hen leeren hoe zij wandelen moeten. Kan er wel veiliger en zekerder geleide zijn? Pas zijn zij buiten de Poort van Jeruzalem op den weg, die naar Bethlehem hen brengen moet, of ziet! terwiji zij de oogen opheffen, daar blinkt weder diezelfde ster, die zij in het Oosten hebben gezien. Gods naam, M.V. is wonderlijk, al wat Hij voor Zijn volk doet is een
126
wonder, daarom gelooven zij de wonderen, en kan het hun niet bevreemden, dat zij die de ware kennis van God missen, al dragen zij ook den Christennaam, de wonderen bespotten en loochenen. Die ster werd nu hunne leidsvrouw. Zij ging hen voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, daar het kindeke was. Zij mochten eenzaam hunnen weg bewandelen, zij genoten den ganschen weg tot aan en in Bethlehem, het licht van deze ster. Zij bewandelden dus hunnen weg in het licht. Ja! zoo zorgde God voor hen, dat zij zelfs in Bethlehem aangekomen, niet noodig hadden te vragen: waar is de geboren Koning der Joden? want ook de ster wees hun de plaats aan, bleef staan, boven het huis, waarin zich de moeder met haar kind, dat Heilige dat Gods Zoon genaamd zou worden, bevond. Welk eene liefderijke beschikking Gods, voor deze mannen; waarlijk eer zal God nieuwe sterren scheppen in den hemel, eer Hij zal dulden, dat zielen die Hij op den weg des levens heeft gebracht om den Christus Gods te Bethlehem te vinden, afdwalen van den weg, die tot Hem leidt.
Geen wonder dan ook M. V. dat zij, als zij nu de ster zagen, die zij te Jeruzalem zoo blijmoedig Zijne ster hadden mogen noemen, zich verheugden met groote vreugde. Hier waarlijk v/as het dat hunne blijdschap door \'t licht, dat nu in hunne zielen scheen, ten hoogste toppunt steeg. Doordat God nu juist deze ster voor hen deed schijnen, gaf God hun een teeken in den hemel van Zijne eeuwige getrouwheid; hoe werd niet daardoor hun geloof versterkt, hunne hoop verlevendigd dat zij hunnen Verlosser zouden vinden. Ja! nog meer, die hemelsche ster verzekerde hun, dat Hij een Persoon van de hoogste waardigheid moest zijn, en in de hoogste gunst van God moest staan, daar de Schepper van hemel en van aarde om Zijnentwil zulk een iieeriijk licht in de lucht voor Hem deed schijnen.
De Wijzen traden nu het huis, hun door God aangeduid, binnen, en zij vonden, of zooals wij ook kunnen lezen, zij zagen het kindeke met Maria Zijne moeder en, nedervallende hebben zij hetzelve aangebeden. O! wie in waarheid M. V. Jezus vindt (deze sluitrede is onfeilbaar) die aanbidt Hem in waarheid, dat is, die aanbidt Hem als God: want zonder dat beteekent de aanbidding niets. Dat kindeke in den schoot van Maria liggende, was hun een Goddelijk Persoon, de beloofde Messias, Immanuël, de Zoon van God, God zelf geopenbaard in het vleesch, die groote verborgenheid der godzaligheid. Nedervallende hebben zij hetzelve (het kindje, niet Maria) aangebeden. Hoe zouden de Wijzen dat hebben kunnen doen, indien zij in dat kindje niet hunnen grooten God en Zaligmaker hadden geloofd
127
en erkend? Wie alleen menschelijke wijsheid en geen geloof bezit, die zal niet naar Jezus vragen, voor Hem nedervallen en Hem aanbidden. Daarom verwerpen de Wijzen dezer wereld den Chiistus Gods; maar hij die de genade des geloofs van God heeft ontvangen, die ziet met een hooger zintuig dan het gezicht der oogen in dat kindeke Jezus, God, boven allen te prijzen in dei eeuwigheid. Dat geloof, M. V.! bezaten de Wijzen uit het Oosten; daardoor wisten zij, dat het dat kindje was, welks naam is: Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst, en aan welks grootheid van heerschappij en van vrede geen einde zal zijn op den troon Davids, en in Zijn koningrijk, om dat te bevestigen en te sterken met gericht en gerechtigheid van nu aan tot in eeuwigheid. Jes. 9 : 5, 6.
Zoo is M. V.! nog de weg, dien God met eiken zondaar houdt, wanneer het Gode behaagd heeft Zijnen Zoon in hem te openbaren, hem in de wedergebocrte de genade des geloofs heeft geschonken, den Heere Jezus als Zijnen Verlosser te zoeken. Niet te Jeruzalem maar te Bethlehem is Hij alleen voor hem te vinden. Die weg is voor eiken heilzoekenden zondaar een onbekende weg, en niet zelden roept hij dikwerf verlegen uit: hoe vind ik Hem nog. Dien mijne ziel niet kan missen? Hoe kom ik nog te Bethlehem? Maar ziet! als de Heere hem een in zijne eigen oogen verlatene doet zijn, dan is Hij het. Die wederom datzelfde licht, hetwelk zijne duistere ziel heeft verlicht, voor hem doet opgaan. Bij dat licht gaat zijne reis naar Bethlehem veilig en zeker. Door dat licht geleid, dat voor Gods volk eene wolkkolom des daags en eene vuurkolom des nachts is, komen zij bij Jezus te Bethlehem, en zien hunne oogen Hem, Die zich om hunnentwil zoo diep heeft willen vernederen, dat Hij mensch heeft willen worden en alle de ellende en hulpbehoevendheid hunner natuur heeft willen aannemen. Niets waarlijk voor het oog, maar alles voor het geloof, en o! nu wordt hem dat geboren kindje zoo onuitsprekelijk dierbaar. Nu eerst aanbidden zij Hem, zooals zij nimmer voorheen deden, hoe dikwerf zij alreeds hunne knieën voor Hem bogen; want nu buigen zich in waarheid de knieën hunner harten voor Hem, en zij roepen Hem, aan Wien zich de wereld vanwege Zijne nederige geboorte ergert, als hunnen God en Heere uit: Ãén kind is ons geboren, één Zoon is ons gegeven! O, gij allen M. V. die Jezus door genade te Bethlehem hebt mogen vinden, gij kunt u de stemming, waarin de Wijzen uit het Oosten waren, levendig voorstellen, want niet anders ging het u, als het hun is gegaan; nedervaüende voor Zijne voeten, was uwe ziel enkel aanbidding, geheel gaaft gij u zeiven toen voor eens, voor altijd, voor
128
eeuwig aan Hem over. In menschelijke taal kunt gij het gevoel uwer zielen niet beschrijven, dat verliezen, dat kwijt worden van u zeiven, dat wedervinden van u zeiven in Hem. In dat woordje: u is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere! daarin ligt de zalige troost van een heilzoekenden zondaar in leven en in sterven; in dat geloovig nedervallen en aanbidden van Hem, de zaligheid zijner ziel. Wie dat gebeuren mocht, zou in die oogenblik-ken wel altijd zoo aan Zijne voeten wenschen te mogen liggen, maar dat kan niet in het lichaam der zonde en des doods. De Wijzen uit het Oosten, het kindeke, hetwelk in den schoot van Maria lag, aangebeden hébbende, stonden wederom op. En laat ons nu:
3°. Beschouwen de geschenken, die zij Jezus brachten.
En hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken, goud en wierook en mirrhe. Zoo leest gij. Geschenken zijn teekenen en bewijzen van hoogachting, genegenheid en liefde. Bij de oude volken was het de gewoonte, dat een onderdaan zijnen Vorst en Gebieder, die macht over zijn leven en zijnen dood bezat, en tot wien men de vergunning had ontvangen om voor zijn aangezicht te verschijnen, zijne onderdanigheid en genegenheid niet alleen met woorden die niets kosten, maar met geschenken bewees. Daarom hadden de Wijzen uit het Oosten, die tot dien grooten Koning kwamen, de edelste geschenken uit hun land medegenomen, om, wanneer Zij Hem mochten ontmoeten. Hem die aan te bieden! ze voor Zijne voeten neder te leggen. Wel zien ook wij, M V ! in het brengen dezer geschenken, Gods zorgende en besturende hand voor Jozef en Maria niet voorbij, want zij die arm naar de wereld waren, werden daardoor in staat gesteld om met het kindje Jezus naar Egypte te reizen, en aldaar te vertoeven tot Herodes, die de ziel van het kindje zocht, zou zijn gestorven. Maar dat was het gevolg, niet de bedoeling der zaak. Juist in deze geschenken kunnen wij opmerken, hoe de Wijzen uit het Oosten over den Persoon en het werk van dien geboren Koning der Joden dachten Zij brachten Hem goud, het kostbaarste en edelste metaal, een koninklijk geschenk. Daardoor juist bewezen zij, dat ook zij Hem erkenden als hunnen wettigen Koning en Gebieder, en dat zij tot Zijn volk behoorden; dat Hem het edelste, hetwelk zij bezaten, toekwam. Hoe juist paste die daad, nadat zij voor Hem waren neder-gevallen, en Hem aangebeden hadden. Zagen zij in Hem hunnen grooten God en Zaligmaker door het geloof, dan ook verklaarden zij daarmede, nu zij Hem in die nederige en hulpbehoevende omstandigheden zagen: âGij die rijk waart, zijt om onzentwil arm geworden, opdat wij door deze Uwe armoede rijk zouden worden. Neem
129
Gij nu dan ookons goud aan, hetwelk wij van U, Die er de Heere en Eigenaar van zijt, hebben ontvangen; want in Uwe vrijwillige armoede hebt Gij het noodig. Het tweede geschenk was wierook, een sap, dat uit den bast van den wierookboom druppelt, en dat dan door de buitenlucht tot korrels verdikt wordt. Op Gods bevel was wierook, een bestanddeel van het reukwerk, hetwelk iederen avond en morgen op het gouden reukaltaar des Heeren moest ontstoken worden. Exod. 30 ; 7. De reukofferen vertegenwoordigen het ge-heele priesterlijke werk: het offeren, de voorbidding en den zegen.
Ziet! zoo bestuurde God het, dat zij ook Jezus erkend en aangebeden hebben als hunnen Priester-Koning, want Hem en niet aan Jozef en Maria brachten zij hunne geschenken. Daarmede dus gaven zij door het geloof te kennen, dat zij Hem aanbaden als hunnen eenigen Priester, Die zichzelven voor hen zoude opofferen tot een slachtoffer, Godetot eenen welriekende reuk; Die voor hen zou bidden; van Wien zij alleen zegen waren wachtende. Het derde of laatste geschenk was mirrhe, een vocht hetwelk uit den mirtheboom vloeit, hetwelk-bitter van smaak, maar liefelijk van geur is. Dat vocht maakte het voornaamste bestanddeel uit van de heilige zalfolie, waarmede profeten, priesters en koningen naar Gods bevel werden gezalfd. Exod. 30 : 27. Juist door mirrhe te brengen, gaven zij dus te kennen, niet alleen Zijne zalving als Profeet, maar ook het bittere lijden naar ziel en naar lichaam, hetwelk die Priester-Koning voor hen zou moeten lijden, maar ook de liefelijke vrucht, welke daarmede voor hen verbonden zou zijn, hunne verzoening door voldoening aan God, voor de schuld die hunne erf- en dadelijke zonde had gemaakt. In die geschenken zien wij niets anders dan geloofsdaden, die uit de ware aanbidding van den Heere voortvloeien. De Wijzen uit het Oosten waren ware Wijzen, die van God waren geleerd. God schonk hun om in het kindeke Jezus, hunnen Koning, Hoogepriester en Profeet met het geloofsoog door Zijnen Geest verlicht, te zien, en nu ook brachten zij Hem, Dien zij als hunnen Im-manuel hadden aangebeden, zulke geschenken, die zij Hem schuldig waren. Het waren geschenken hunner liefde en genegenheid, die zij vrijwillig brachten tot Hem, Dien hen eerst had liefgehad.
Zoo brengen nog allen die voor den Heere Jezus in het stof neder-gebogen. Hem met oprechte harten als hunnen Goël, hunnen grooten God en Zaligmaker hebben aangebeden, en gelooven mochten, dat niet alleen anderen, maar ook hun vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij uit loutere genade, alleen om de verdiensten Christi wille, den Heere Jezus gaven, die Hem welgevallig zijn. Hem persoonlijk kunnen zij
5
130
Hem niet meer geven. Verheerlijkt aan de rechterhand Zijns Vaders, heeft Hij die niet meer noodig; maar nu geven zij gaven der liefde uit het geloof aan hen, die Jezus Zijne broeders en zusters noemde, en die het noodig hebben, wetende dat de Heere gezegd heeft, dat hetgeen uit liefde om Zijnentwil aan de minste Zijner broeders geschonken werd. Hij rekenen wilde, alsof zij het aan Hem hadden gedaan. Ja! het levendige bewustzijn door genade: ons is barmhartigheid geschied, maakt onze harten barmhartig, en al wat wij dan geven, schenken wij uit liefde! Maar Jezus zeiven brengen zij ook geschenken, en dat zijn in die oogenblikken de offeranden van een verbroken hart en een verslagen geest, die Hij niet wil verachten. En zoo er ooit oogenblikken in ons leven gekend worden, waarin alles volvaardig en bereidwillig in ons is, om alles wat wij zijn, hebben en bezitten Hem op te offeren, dan zijn het die, waarin wij in aanbidding en verwondering aan Zijne voeten nederliggende, in Hem onzen Profeet, onzen Priester, onzen Koning gelooven en erkennen. Dan achten wij alle dingen schade om de uitnemendheid der kennis van Christus, dringt de liefde Christi onze harten xot wederliefde, dan offeren wij Hem een oprecht geloof, dat kostelijker is dan goud, dat door het vuur beproefd wordt. Dan offeren wij Hem voor wierook eene vaste hoop als een anker der ziel, dat ons in\' de holle zee dezer wereld vastmaakt aan den hemel. En voor mirrhe offeren wij Hem dan eene vurige liefde, die zich openbaart in de werken der liefde jegens ellendigen. Maar laat ons nu
Eindigen met de toepassing. Zingen wij vooraf Ps. 72 : 6.
Niet om de Wijzen van het Oosten te bewonderen, neen! om het ons zeiven als in de tegenwoordigheid Gods af te vragen, of wij reeds op reis naar Jeruzalem en Bethlehem zijn? Of wij Jezus voor ons zeiven reeds gevonden, erkend en beleden hebben met mond en hart, als onzen Heiland en Zaligmaker? Of wij Hem ook als zoodanig aangebeden hebben; of Hij ook voor ons, in ons geboren is? Daartoe worden wij van Godswege opgeroepen. Ach! van nature is dat bij ons niet, want onze blinde oogen zien in Hem geene gedaante of heerlijkheid, dat wij Hem begeeren zouden. Daarom verheugen en verblijden zich zoo weinigen op het Kerstfeest over Zijne geboorte; daarom buigen en bukken zich zoo weinigen voor Hem; daarom vindt de geboren Koning zoo weinige onderdanen, die Hem als hunnen Koning aanbidden en Hem gaven brengen. Zijn er onder ons ook nog geene onverschilligen en zorgeloozen, van welken wij, al noemen zij zich ook Christenen, al dragen zij ook het teeken des verbonds aan hunne voorhoofden, al hebben zij Jezus ook uitwendig voor de menschen beleden, zeggen moeten: zij zijn nog zonder
131
Christus? Hoe lang reeds is u dat dierbare Evangelie verkondigd, en is Hij u voorgesteld, zooals een arm, dood- en doemschuldig zondaar Hem kennen moet tot zaligheid, en zijt gij, hoerende doof en ziende blind gebleven? Hoe lang heeft die blinkende Morgenster reeds voor u geschenen, zonder dat uw oog op Hem zag. O mocht gij er eens bij bepaald worden, hoe treurig uw toestand is, indien gij het Evangelie ongehoorzaam blijft. Die den Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem. Wat wordt dan uw lot als gij in dien toestand sterft? Ach! eeuwig gaat gij dan verloren. Tyrus en Sidon, Sodom en Gomorra zal het verdragelijker in den oordeelsdag zijn, dan ulieden. Die wereld, voor welke gij nu alleen leeft en die gij dient, gaat met al hare heerlijkheid voorbij, zij zal u in stervensangst en nood niet kunnen vertroosten, maar begeven en verlaten. Nu wordt gij van Godswege nog geroepen, genoodigd, gebeden: wendt u tot Hem alle einden der aarde en wordt behouden, want Ik ben God en niemand meer. Nog is voor u de weg naar Jeruzalem en vandaar naar Bethlehem geopend; haast u dan, behoudt u om uws levens wü; nog is het de welaangename dag, het heden der zaligheid. Zoekt dan den Heere, terwijl Hij nog voor u te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nog nabij is. Och! of gij liet heden doen mocht, uw land en maagschap mocht verlaten, en u op weg mocht begeven om Jezus te vinden. Heden zoo gij Gods stemme hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.
Zijn eronder u,M.V. die door de algemeene overtuigingen van den Heiligen Geest nu of weleer gedrongen zijt geworden de ijdele gezelschappen der wereld te vermijden en te vlieden, en u bij de reizigers naar Jeruzalem en Bethlehem voegt, of eene wijle tijds met hen zijt medegegaan? O! zoo waarlijk het licht van de Ster die uit Jacob uitgaat, in uwe duisternis niet is opgegaan, zult gij onder het volk Gods uw leven niet vinden, en daar er geene krachtdadige losmaking van uw land en maagschap, aan hetwelk gij van nature door zulke vaste banden verbonden zijt, heeft plaats gehad, geene zondaarsnooden en behoeften, hoe onderscheiden ook de trap en de mate zijn mogen, in uwe zielen zijn opgeweld, zult gij nu alreeds, of misschien niet langen tijd na dezen met de zeug tot de wenteling in het slijk, met den hond tot zijn uitbraaksel wederkeeren. De nauwe weg, die door de enge poort ten leven leidt, heeft niets begeerlijks en aanlokkelijks voor de natuur, die nog onbekeerd is. Och! maakt dan uwe uitwendige bekeering tot de waarheid, waardoor gij Christus en Belial te gelijk dient, zoo het bij u tot geene besliste keuze is gekomen, tot geen grond van vertrouwen om daarop te leunen en te steunen, opdat gij niet bedrogen voor u zeiven in de eeuwigheid
132
moogt uitkomen, wanneer u wellicht de dood mocht overvallen. Wanneer in uwe duisternis, het licht voor u heeft geschenen, leert gij u zeiven als een dood- en doemschuldig zondaar voor God kennen; wat voorheen uw vermaak was, wordt u een last, en wat een last voor u was, wordt u een lust. Dan komt het bij u tot eene on-berouwelijke en besliste keuze, om Jezus voor u zeiven te vinden, en gij reist naar Jeruzalem, en uw eigen land en maagschap verlatende, vraagt gij hun die daar wonen, dat is het volk Gods: waar is de geboren Koning der Joden? En evenals de Wijzen uit het Oosten, wanneer de Heere u met Zijn Woord de aanwijzing geeft, rust gij niet voordat gij Hem voor u zeiven hebt gevonden, en voor Hem nedervallende Hem hebt aangebeden als uwen grooten God en Zaligmaker. Daarom, onderzoekt en beproeft u zeiven nauw, zeer nauw, volk dat met geen lust zijt bevangen; want wee de gerusten in Sion, de verzekerden op den berg van Samaria. Ach! dat uwe zoogenaamde godsdienstige indrukken bij u geene morgenwolk, noch een vroeg opkomende dauw mogen zijn. Daarom vermaan ik u ernstig, dat gij voor God uwe harten op uwe wegen moogt stellen. Want arglistig is het hart, meer dan eenig ding, doödelijk is het, wie zal het kennen?
En gij heiizoekende en bekommerde zielen, die voor u zeiven van verre staat en met vrees in uwe zielen bevangen zijt, of gij wel ooit met het oog des geloofs, Jezus als uwen Jezus, uwen Heere en Koning zult zien en aanbidden, met Thomas uitroepende, neder-gevallen voor Zijne voeten: Mijn Heere! en mijn God. O! zoo dat Goddelijk licht. Zijne Ster, voor u is opgegaan, dan is het door genade gelijk bij de Wijzen van het Oosten, een heilig moeten bij u geworden, om gewillig alles te verlaten, om Jezus te zoeken, of gij Hem ook vinden moogt. De inwendige roepstem Gods is krachtig en onwederstaanbaar. Maar niet zelden is de reis naar Jeruzalem een moeielijke en bezwarende weg, en daar zeiven, te midden van dat volk, hetwelk gij meent, dat uwe heiizoekende vragen zal beantwoorden, zult gij dikwerf u teleurgesteld vinden. Dien weg bewandelt God dikwerf met zijn volk! opdat zij van al het schepsel en al het vrome vleesch zouden worden afgebracht, om hen daar te brengen, waar de verontruste zondaar alleen troost kan vinden, te Bethlehem bij het kindeke Jezus. De Heere zal ook u niet op uwen, maar op Zijnen tijd, op den weg naar Bethlehem brengen, en als medereizigers derwaarts, zult gij niet anders hebben dan armen, kreupelen en verminkten, waarvan menigeen dikwerf eene wijle tijds onmachtig bij den weg blijft liggen. Maar geen nood is er voor u, als uwe voeten gesteld zijn op den weg, dienaar Bethlehem leidt.
133
Datzelfde licht, hetwelk in uwe duisternis heeft geschenen, wil God u als uw Leidsman schenken. De Heere is zoo getrouw als sterk. Dat licht, hetwelk inwendig u zal verlichten, zal u den weg wijzen, totdat gij Jezus, Wien uwe zielen niet missen kunt, zult gevonden hebben en voor Hem nedervallende Hem zult hebben aangebeden. De Wijzen van het Oosten, toen hunne oogen die ster, die zij zoo goed aanschouwd hadden in hun vaderland, wederom zien mochten, verheugden zich met groote vreugde. Van die vreugde zullen uwe zielen, ook bij al het smartgevoel uwer zonden, en onder alle de bestrijdingen, die zich bij u opdoen, of gij wel op den rechten weg naar Bethlehem zijt, bij tijden en oogenblikken ook iets gevoelen, als de Heere bij vernieuwing dat licht voor u doet schijnen, zoodat gij dan met den man naar Gods hart moogt uitroepen: Heere! Gij hebt ons meer vreugde in het hart geschonken, als ten tijde toen Gij ons koorn en most hebt vermenigvuldigd. Zult gij dat niet moeten belijden, gij die op weg zijt Jezus te zoeken, maar die nog niet met geloofsvrijmoedigheid voor u zeiven durft zeggen; Onze oogen hebben den Koning gezien, en wij zijn verblijd geworden. Voor u, bekommerde zielen, bestaat er geen nood. God zelf heeft beloofd uw Leidsman te willen zijn. En hoe lang of-kort ook uwe reis van Jeruzalem moge duren. Hij geeft den wensch van allen die Hem vreezen, hunne heden heeft Hij nimmer afgewezen. Gij hebt slechts te volgen; door Zijn Woord en Zijnen Geest zal Hij u tot Jezus leiden. Niet een komt op den weg naar Bethlehem om. Dat is voor u het bewijs dat de Heere u onder Zijn volk heeft aangenomen, dat niets in de wereld u troosten kan, voordat gij met zelfbewustheid door genade het kindeke te Bethlehem hebt gevonden, en daar voor Zijne voeten in aanbidding nederliggende, gelooven moogt. Gij de mijne en ik de Uwe, en dat voor eens, voor altijd, voor eeuwig. Och! dat de Heere onder alle uwe bekommernissen en bestrijdingen, u moge geven aan te houden in het gebed: âHeere! zend Uw licht en Uwe waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid en Uwe woning.quot; En gij, kinderen Gods, die te Bethlehem zijt gebracht geworden, die met de Wijzen van het Oosten daar Jezus aangebeden hebt als uwen Zaligmaker, zou het noodig zijn u te herinneren, dat gij geroepen zijt u zeiven geheel en al met lichaam, ziel en geest aan Hem op te offeren, gelijk Hij Zich geheel en al voor u overgaf? Is en blijft het niet de smart van uw leven in dit lichaam der zonde en des doods, dat gij Hem die gaven onttrekt, die gij overtuigd zijt door genade dat Hij zoo waardig is van u te ontvangen? O, als gij Hem met een geheiligd en oprecht hart moogt dienen, dan offert gij Hem goud;
134
als gij Hem met eerbaarheid met uw huis, mijdende en vliedende de vleeschelijke begeerlijkheden, moogt eeren, dan offert gij Hem mirrhe; als gij veel eenzaam en gemeenzaam met Hem in uw bidvertrek moogt verkeeren, dan offert gij Hem wierook. De Heere ziet bij u op de oprechtheid, waarmede gij Hem die offeranden toebrengt; al wat gij voor Hem doet, het moet nooit geschieden om van menschen te worden gezien en geprezen, maar uit het geloof, alleen met de eere Gods voor oogen en het heil van uwe naasten. Bekommert u niet over het oordeel der wereld, maar laat het uwe voornaamste zorg zijn. Hem die u zoo duur heeft gekocht, in oprechtheid en in eenvoudigheid des harten te dienen. Houdt zooveel mogelijk is vrede met alle menschen, maar nimmer met opoffering der waarheid.
Ziet! al moet gij hier beneden ook brood der smarte eten, en water der verdrukking drinken, dat deel, dat de Heere u geschonken heeft, dat gij door genade zeggen moogt: onze oogen hebben den Heere gezien, als ook voor u het vleesch geworden Woord, die groote verborgenheid der godzaligheid, dat deel kan geen duivel en geene wereld die u zullen haten, u ontnemen. In Jezus hebt gij vreugde zonder droefheid, zaligheid zonder smart, licht zonder duisternis, leven zonder dood voor uwe zielen mei eene onuitsprekelijke vreugde en blijdschap mogen smaken en genieten. En nu wat wacht u? Eerlang zal Hij u naar uw vaderland geleiden, niet door eene ster, neen! Christus zelve, de Zon der gerechtigheid, de blinkende Morgenster, Hij wil voor u de overste Leidsman en de Voleinder des geloofs en der zaligheid zijn. Hij wil u in dat veel betere vaderland, in die stad welker bouwmeester en kunstenaar God is, brengen. Daar met die wijzen en alle de gekenden in eeuwige liefde uit Oosten en Westen, uit Zuiden en Noorden zult gij te zamen in aanbidding, Hem die op den troon der genade zit en het Lam voor uwe zonden geslacht, dankzegging en verheerlijking in alle eeuwigheid toebrengen. Amen.
Ps. 105 : 2, 3.
135
IX.
HET GEDURIG GEBED VAN DEN GELOOVIGE.
Leerrede over Hooglied i: 4a,
VOORZANG: PSALM 43 : 3, 4.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Die den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen, dat is de belofte, die God Zijn volk heeft gegeven (Jes. 40 : 31). Bovenmate dus zullen zij worden gezegend, die hunne hoop alleen op God gevestigd hebben, en van Hem hun heil verwachten. Ja, zij zullen niet beschaamd worden. En wat zijn nu de krachten, die in hen vernieuwd zullen worden? Geene lichamelijke, maar geestelijke krachten. Denzulken die de Heere uit eeuwige liefde opgezocht en tot Hem in den weg der waarachtige bekeering gebracht heeft, schenkt God het leven. Aan dat leven zijn krachten verbonden, die de Heere altijd door den onmiddellijken invloed van Zijnen Geest moet vernieuwen. Daarom bad de man naar Gods hart voor zichzelven en voor al Gods arm en ellendig volk: âSterk o God, dat Gij aan ons gewrocht hebt.quot; De zondaar die door almachtige en onwederstaan-bare genade ontdekt is geworden aan zijne gansche machteloosheid en krachteloosheid door de zonde, hij bidt. En waarom bidt hij? Dat de Heere hem de kracht moge vernieuwen. En waartoe bidt hij dat? Omdat hij in zichzelven geene kracht bezit om den Heere te dienen, te vreezen en groot te maken in zijn leven en in zijnen wandel, gelijk hij overtuigd is, dat de Heere waardig is.
Ik wenschte met u het gedurig gebed van den geloovige te overdenken. Laat ons eerst Gods aangezicht in den gebede zoeken.
HOOGLIED 1 : 4a.
Ik las M. V. u woorden voor uit het Hooglied van Salomo, terecht het Hooge-lied, het lied der liederen genaamd. Onder de duizend en vijf liederen, die Salomo heeft gedicht, 1 Kron. 4 : 32, mag het Hooglied wel het heerlijkste, het voortreffelijkste, het heilige lied worden genoemd. Dat ook het Hooglied, gelijk zoo menig ander bijbelboek, door de wijzen en verstandigen in hunne eigen oogen, miskend, veracht en bespot is geworden, kan ons waarlijk niet verwonderen; want de natuurlijke mensch verstaat niet de dingen die
136
des Geestes Gods zijn, hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk moeten onderscheiden worden. De geloovigen hebben ten allen tijde daarin voorgesteld gevonden de betrekking tusschen den Heere Jezus Christus en Zijne duurgekochte gemeente. De Heere Jezus wordt daarin als een roemwaardig Koning voorgedragen. Zijne kerk, het geestelijk Sion alleen bestaande uit ware geloovigen, als Zijne bruid, welke Hij zich heeft ondertrouwd. Hij zelf als haar Bruidegom, haar man, haar hoofd, haar Koning. Op eene levendige, zielroerende wijze worden ons daarin alle Zijne leidingen met Zijne kerk voorgesteld. Wel zijn daarin vele verborgenheden, maar zij, die door genade het eigendom van den Heere Jezus zijn geworden, hun is het Hooglied dierbaar en troostrijk. In den Bruidegom herkennen zij door het geloof hunnen Jezus, in de Bruid zichzelven, die Hij Zich heeft ondertrouwd in eeuwigheid, in gerechtigheid, in gerichte, in goedertierenheid en barmhartigheden, en in geloof. Waren de Joden gewoon, zinspelende op de drie vertrekken van den tempel door Salomo gesticht, de Spreuken van Salomo het Voorhof; de Prediker het Heilige te noemen; zij gaven het Hooglied den naam van het Heilige der Heiligen. Wie onzer, aan welken God het heilgeheim naar Zijn Vreeverbond heeft getoond, stemt daarmede niet van harte in? Wanneer wij ons teksthoofdstuk inzien, dan begint Salomo ons daarin voor te stellen, dat de eenigste gelukzaligheid van de gemeente van Christus, zoo duur door Hem gekocht, van Zijne hemelsche Bruid, bestaat in de innerlijke en onmiddellijke gemeenschap met Hem, haar Hoofd, haar Bruidegom. In de eerste 8 verzen spreekt de Bruid eerst tot Christus haren Bruidegom, daarna tot de dochteren van Jeruzalem, tot degenen die met haar een even dierbaar geloof hebben ontvangen, en aan Zijn Persoon, gaven en goederen hetzelfde aandeel bezitten, en dan wederom tot haren Bruidegom. Zij geeft hare ernstige begeerte Hem te kennen, dat Hij haar kusse met de kussen van Zijnen mond; want zegt zij, Uwe liefde is beter dan wijn. De Bruid dus wenscht, dat haar Bruidegom Zijne liefde op het krachtigste aan hare ziel moge openbaren. Zij is dus gesteld op eene gevoelige gemeenschap met Jezus. Om nu de groote waarde en voortreffelijkheid dezer liefde uit te drukken, bezigt zij het beeld van den wijn, die het hart verheugt. Daarop vervolgt zij: Uwe oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is eene olie die uitgestort is; daarom hebben U de maagden lief. Onder die oliën moeten wij de geestelijke gaven en genade van den Heiligen Geest verstaan. Wanneer Hij dezen haai schonk, zou zij in haar persoon en in hare daden Hem aangenaam en welriekende zijn. Zij zou dan zijn als eene welriekende zalf-olie. Zij zou geur van
137
D 26
zich geven. Voegde zij er bij: Uw naam is eene uitgestorte olie, dan bedoelde zij daarmede, dat Jezus Christus zelf als de Middelaar en Borg van Zijn volk, voor hetzelve niet was verborgen als olie in eene flesch. Neen! dat dit volk uit Zijne volheid genade voor genade ontvangt. Deze uitdrukking M, V. drukt dus de gemeenschap der ge-loovigen aan de zalving van Christus uit. Zij zijn met Hem gezalfd, 2 Cor. 1 : 21, met de gave van den Heiligen Geest begaafd. Zij hebben deel aan die gaven en genadegiften, die over Christus zijn uitgestort. En zegt nu de Bruid: daarom hebben U de maagden lief. Die maagden zijn de medegezellen der Bruid, alle de uitverkorenen, de geroepenen, de geloovigen. Zij die den Heere Jezus door het zaligmakend geloof zijn ingelijfd en ingeplant, Openb. 14 : 1, 4, 5. Dat deze den Heere Jezus, Die hen het eerst heeft liefgehad, weder-keerig liefhebben, beteekent dat zij al hun zielsgenoegen in Hem hebben, dat zij Hem verheffen boven alles wat beminnelijk en be-geerig is. Daarop nu volgt in onzen tekst: Trek mij, wij zullen U naloopen. Welaan die hartelijke bede en verzuchting van de Bruid tot haren Bruidegom wenschte ik heden met u te overdenken. Moge de Heilige Geest mij waardiglijk daarover tot u doen spreken, en u allen Lydia\'s harten schenken, om met nut en heil voor uwe zielen deze woorden Gods te hooren. Laat ons:
1°. Het genadewerk beschouwen, hetwelk de Bruid van haren Bruidegom begeert. Trek mij!
2°. Nagaan welke vrucht en kracht zij zich daarvan belooft. Wij zullen U naloopen.
3°. Met het woord der toepassing tot ons zeiven inkeeren. 1°. Spreek ik tot u over het genadewerk, hetwelk de Bruid van haren Bruidegom begeert. Trek mij!
Wat begeert de Bruid van haren Bruidegom, haar zoo liefelijk en dierbaar? Dat Hij haar moge trekken. Hier moeten wij opmerken, dat dit genadewerk trekken niet alleen den Heere Jezus wordt toegeschreven, gelijk Hij van Zichzelven verklaart: als Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal Ik u allen tot Mij trekken, Joh. 12 : 32; maar dat zulks ook aan God, den Vader wordt toegekend: âNiemand, zeide Jezus, kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekkequot;. Joh. 6 : 44. Aan den Vader en den Zoon, Die één zijn in Wezen eigent de Schrift dus dat genadewerk, hetwelk Zijne kerk wordt geschonken, toe.
Gij verstaat M. V. wat wij menschen, als wij van trekken spreken, daaronder verstaan. Het is een lichamelijk werk, waardoor de een den anderen, hetzij met banden of met touwen en zeelen, met uiterlijk geweld, van de eene plaats naar de andere voorttrekt, hem die
138
niet voort wil óf kan gaan. Welnu, in Gods Woord wordt dit woord trekken bij gelijkenis gebruikt. Het almachtige en onwederstaan-bare genadewerk Gods, om den in zichzelven geestelijk onmach-tigen, onwilligen en tragen zondaar daardoor te roeren en te bewegen in zijn hart, dat hij zichzelven en al het aardsche verlate en tot God kome, wordt daardoor uitgedrukt. De waarachtige bekeering des zondaars in een woord, wordt een trekken genoemd, en draagt terecht dien naam. Wanneer wij eensdeels letten op de natuurlijke onmacht en ongezindheid des zondaars om tot God te komen, en anderdeels de groote kracht Gods, die bij zijne bekeering betoond wordt, dan verstaan wij de kracht van dat woord. Daar is eene eerste en tweede trekking. De eerste trekking geschiedt, als God den zondaar, vervreemd van Hem en van het leven Gods, dood voor Hem in zonden en misdaden, levend maakt, hem leert en bekeert, en hem als een arm, verloren, dood- en doemschuldig zondaar in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof, met eene oprechte boetvaardigheid des harten aan de voeten van den Heere Jezus brengt. Die trekking ondervinden alle de gezegenden des Vaders, allen hooren en leeren het van Hem, die tot Jezus komen. Joh. 6 : 45. Daarom getuigde de Apostel van zichzelven en van allen die met hem tot de gemeenschap van Christus waren overgebracht : De Vader heeft ons getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het Koningrijk van den Zoon Zijner liefde. Col. 1 ;13.
De tweede trekking, die wij eene gedurige en vernieuwde trekking mogen noemen, blijven zij allen, die door God zijn bekeerd, die Zijne Goddelijke natuur deelachtig zijn geworden, noodig hebben, om met kracht gesterkt te worden naar den inwendigen mensch, Efeze. 3:16. Zonder dat, daar zij zeiven uit het eenmaal geschonken geestelijk leven niet kunnen voortwerken, zouden zij blijven staan of liggen, ja! ook in gevaar zijn terug te keeren. Door deze trekking gaan de geloovigen van kracht tot kracht steeds voort, Ps. 84 : 6, hetwelk daarin bestaat, dat de Heere hen hoe langer hoe meer aan hunne gansche machteloosheid en krachteloosheid door de zonde ontdekt, en als zij in zonden zijn gevallen, denkt met mij aan David en Petrus, hen uit dien val weder optrekt.
Wanneer nu de Bruid van haren Bruidegom begeert: trek mij, dan bidt zij Hem zulks, omdat zij door genade Zijne liefdezeelen reeds in hare toebrenging tot Hem ondervonden heeft, en zij van hare eigen machteloosheid en krachteloosheid door de zonde overtuigd geworden, eene ziel geworden is die gedurig vreest; dat zij die tot hinken en zinken en afdwaling elk oogenblik gereed is, stil zal liggen of vallen, en eene begeerte in haar is opgewekt, om te
139
wassen in de kennis en in de genade van den Heere Jezus, en om daarin ten einde toe te volharden, omdat zij gelooft, dat zij die dit doen, alleen zalig worden. Daarom blijven alle ware geloovigen, Hem Dien zij als hunnen Bruidegom lief hebben gekregen in onverderfelijkheid, bidden: Heere! trek ons. En waarom bidt nu de Bruid niet: trek ons, maar trek mij? Dat doet zij M.V. 1 voor zich-zelve, niet omdat zij ook niet zou wenschen, dat ook anderen, wien met haar een even dierbaar geloof in Jezus is geschonken, dit genadewerk van haren ziels-Bruidegom mochten ondervinden, maar zij spreekt in het getal van ééne, omdat elk lid der Kerk als \'t ware met de gansche Kerk, die maar ééne is bidt.
Beschouwt gij nu met mij die bede M. V.! dan ligt daarin immers, dat de Bruid vertrouwt, dat haar Bruidegom door haar erkend als haar groote God en Zaligmaker, machtig is hare begeerten te vervullen. Zou het genadeverbond, hetwelk zij met hand en hart heeft ingewilligd, niet vast staan? Dat is Zijn verbond: Ik zal u een nieuw hart geven in het binnenste van u, en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vieeschen hart geven, en Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u, en Ik zal maken dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen,quot; Ezech. 36:26; Jes. 31 : 33. Welnu, haar Bruidegom heeft voor haar die zaligmakende kracht verdiend, dien krachtigen Geest verworven, dat bewezen door de kracht Zijns doods en wederopstanding dat zij vast gelooft en vertrouwt, zoodat Hij alleen haar kan trekken. Het gebed rust dus op Zijn eigen Woord: Ik, zoo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal Ik u allen tot Mij trekken, Joh. 12 : 32. En wordt niet die trekking in het leven van Gods kinderen ondervonden? Ja! uitwendig door Zijn Woord, wanneer de Heere dat door Zijnen Geest levendig maakt in hunne zielen; bij de sacramenten, wanneer zij de teekenen des verbonds ontvangen, en doordringen mogen tot de beteekende zaak.
O! dat woord, hetzij dat zij het lezen, of het uit den mond van Gods gaarne getrouwe dienstknechten hooren, wordt dan als een vuur, en als een hamer, die eene steenrots vermorzelt. Als het zijne zonderlinge kracht op hunne harten uitoefent, dan worden zij daardoor tot Hem, die het levend Woord is, getrokken, en het keert dan niet ledig tot God, maar doet hetgene Hem behaagt en is voorspoedig in hetgene, waartoe Hij het zendt. Als zij de teekenen, zegelen en onderpanden van het verbond der genade mogen ontvangen, eten en drinken mogen met hongerige en dorstige zielen, en geloovig zien mogen op het Lam Gods voor hunne zonden geslacht, dan trekt de Heere Jezus Zijn volk in liefde tot Zich, en ontvangt de
140
Bruid, die haren Bruidegom bidt: trek mij, de vervulling van die bede. Ja! benevens het woord en de sacramenten bezigt de Heere Jezus nog andere middelen om Zijn volk tot zich te trekken, rechte menschenzeelen, zooals een profeet deze noemt, Hosea 11:4, touwen der liefde, allerlei weldaden en goedertierenheden, die Hij hun bewijst, of ook de smartelijke kruisbanden, die niet liefelijk zijn voor ons bloed en vleesch, maar toch uit liefde voortkomen, om hen daartoe tot Zich te trekken, opdat zij van al het schepsel en zich zeiven losgemaakt. Hem inniger zouden aanhangen en dienen.
Maar boven deze uitwendige trekking is er nog eene inwendige, die geschiedt door den Heiligen Geest. Elke Bruid van den Heere Jezus begeert hartelijk, dat haar Bruidegom haar door dien Geest inwendig tot Zich moge trekken. In dat gebed: trek mij, ligt dus, dat Jezus haar leven en verstand moge geven, haar hart tot Hem moge neigen, hare oogen en schreden moge regeeren. De Bruid kent zich zelve zoo dwaas, blind en verstandeloos; zij kent en weet niets, of Hij moet het haar door Zijnen Geest openbaren. De Heilige Geest moet haar alles leeren en indachtig maken, haar in alle waarheid leiden. Wanneer Hij haar aanspreekt door Zijn Woord, moet haar hart geopend worden om hetzelve aan te nemen; de Geest haar hart brandende maken in genegenheid tot haren Bruidegom, om haar eenigen lust in Zijne wet en in zijne wegen te hebben. Als Hij haar weldaden bewijst, moet de Heilige Geest haar nog eene erkentelijke ziel geven, of als Hij haar met kruis bezoekt, nog geven, daaronder te bukken en stil te zijn, haren mond niet open te doen. In één woord, die Geest moet in haar het willen en werken naar Zijn welbehagen volbrengen, in haar vervullen al het welbehagen Zijner goedigheid en het werk des geloofs met kracht, 2 Thess. 1:11, haar volmaken in alle goed werk, opdat zij Zijnen wil moge doen, werkende in haar hetgeen voor Hem welbehagelijk is, Hebr. 13 â . 21.
Die trekkingen kunnen de kinderen Gods niet missen, indien zij hunnen Bruidegom zullen volgen. Indien zij eenmaal door God getrokken zijn geworden uit de macht des Satans, waarin zij zich van nature bevonden, zijn en blijven zij in gevaar, indien zij aan zich-zelven worden overgegeven, om terug te wijken en te vervallen. In hen is geene kracht tegen de menigte der vijanden, die tegen hen opkomen. Zonder Jezus kunnen zij niets doen. Zij hebben een vleesch, dat zondig, zwak, traag en lusteloos is en blijft; een vleesch dat onophoudelijk strijdt tegen den geest, en hen van het goede zoekt af te trekken. Met Paulus is hunne ervaring: ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Zij hebben tegen de uit- en inwendige vijanden, de trekkende hand van
141
Hem noodig, wiens naam is sterke God; Hem noodig, die Zijne kracht in hunne zwakheid verheerlijkt. Ja diezelfde kracht, door welke Christus uit den dood opgewekt, en ter rechterhand Gods in den hemel is gezet.
En zij, die de eerste trekking van hunnen Bruidegom ondervonden hebben in hunne waarachtige bekeering tot God, zij begeeren hoe langer hoe meer met Hem verbonden te worden, in geloof, in hoop en liefde. Als zij bidden en zuchten: Heer, trek mij! dan bidden zij om vermeerdering van het geloof, daar zij door genade met het ongeloof hunner harten bekend zijn geworden; om versterking van die hoop, die niet beschaamt, en welke zoo gedurig in hen wordt bestreden; om de uitlatingen Zijner liefde in hun van nature liefdeloos hart te mogen ondervinden. Zij zuchten en bidden als zij roepen: trek mij, versterkt te mogen worden in alle goed woord en werk, geheiligd te mogen worden in Zijne waarheid. Zij bidden en zuchten dan, dat in alle wegen en op alle paden, waarop het Hem behaagt hen te leiden. Zijn licht en Zijne waarheid hen moge vergezellen, om Hem als blinden te volgen op eene weg, die zij niet gekend, en op paden die zij niet geweten hebben.
En dat gebed: trek mij, geeft de Heilige Geest hen alleen te bidden, dat leert met den man naar Gods hart bidden: Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij. Uw goede Geest geleide mij in een effen land.
Wanneer dat gebed: trek mij, door dien Geest in hen wordt verwekt, dan begint Hij hen hunne eigen ellende, zwakheid, geestelijke onmacht in en tot alles te ontdekken en te openbaren. Ja! dan doet Hij hen levendig gevoelen het gevaar, waarin zij verkeeren, indien zij aan zichzelven worden overgegeven, hoe weinig geloof zij nog bezitten, hoe lam van handen zij zijn, om iets aan te nemen, hoe kreupel om te gaan, hoe blind om te zien; en nu leert Hij hen bidden: âHeere, trek mij.quot; En zouden zij dit niet begeeren van Hem, dien zij leerden kennen als hunnen volkomen Zaligmaker, uit Wiens volheid zij genade voor genade moeten ontvangen? Van Hem, die volkomen kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan? Van Hem, hun lieve Bruidegom, Die uit loutere liefde Zichzelven voor Zijne Bruid overgegeven heeft tot den dood, ja, den dood des kruises? Heeft Hij hen niet reeds getrokken, toen zij dood waren voor God in zonden en in misdaden? En als zij bidden: trek mij, bidden zij dan niet naar Zijnen wil? Moedigt Hij zelf door Zijne dierbare en menigvuldige beloften hen tot dit gebed niet aan? Ja! hoezeer zij voor zichzelven nog van verre mogen staan, hoe klein de beginselen der genade in hunne zielen ook zijn mogen, dat verlangen, dat zuchtend bidden is aan het leven, hun door Hem
142
geschonken eigen, om te bidden: trek mij. Zij kunnen, zij durven, zij willen het niet nalaten, de liefde Christi dringt hunne zielen tot dat gebed. De Bruid van den Heere Jezus wordt aan dat gebed gekend. De Geest en de Bruid des Heeren spreken aizoo: trek mij. Hoe meer leven er gegund wordt aan de ziel van de Bruid, hoe meer hare zielsoogen worden geopend, om onmisbaarheid en dierbaarheid voor zichzelve in haren Bruidegom Jezus te zien; hoe meer liefde voor Hem in hare ziel is opgewekt, des te dringender en te sterker wordt het geroep uit de diepte van hare ellende met mond en met hart tot haren Bruidegom: trek mij!
2°. Nagaan welke vrucht en kracht zij zich daarvan belooft: Wij zullen U naloopen.
Wij zullen U naloopen. Wij, zegt de Bruid, dat zijn alle de ware leden der kerk, door haar in het gebed: trek mij, als ééne kerk voorgesteld. Wij, ik en allen, die door U zullen worden getrokken, wij zullen U naloopen. Dat naloopen hebben wij niet lichamelijk, maar geestelijk op te vatten. Het leven van Gods kinderen is als het ware eene loopbaan, die hun is voorgesteld, Hebr. 12 : 1. Dat naloopen is het aanhangen, gelooven, dienen en aanbidden van Hem, Dien het volk Gods als hunnen Heiland, Zaligmaker en Bruidegom lief heeft. En zegt nu de Bruid: wij zullen U naloopen, wie onzer verstaat niet die uitdrukking? Wil dan de Bruid niet met andere woorden zeggen: allen die door U worden getrokken, moeten U naloopen, Uwe trekking is almachtig en onwederstaanbaar. Wanneer Gij, liefste Bruidegom, Uwe kerk geeft te bidden, dat Gij haar moogt trekken, zullen alle hare levende leden U naloopen.
Is dan dat naloopen geene heilzame vrucht en kracht van deze trekking? Voorzeker M. V., de Heere trekt den zondaar niet half, maar geheel; niet tegen zijne wil, maar maakt hem gewillig. Zij worden niet getrokken door een stok of een blok, neen! het volk van Jezus is een gewillig volk, ten dage Zijner heirkracht. Wanneer de Bruidegom Zijne Bruid trekt, geeft Hij haar kracht en sterkte, geeft Hij haar, die zwak in zichzelve is. Zijne sterkte aan te grijpen met de hand des geloofs, en nu loopt zij Hem na in de mogendheden des Heeren. Daarom worden zij alle gelukzalig, ja! welgelukzalig genoemd, wier sterkte in den Heere is, want in de harten derzu\'ken zijn de welgebaande wegen, en zulken gaan van kracht tot kracht steeds voort. Op de trekking van Jezus, volgt het naloopen van Zijn volk, als zij de sterkte door genade op hun gebed van Hem ontvangen, hun volharden. Gelijk zij zonder Hem niets vermogen, alzoo vermogen zij alles door Hem, Die hun kracht geeft.
Zij, die door Christus getrokken worden, zullen Hem naloopen,
143
dat is; zij zoeken Christus alleen, om Hem deelachtig te worden, en met Hem gemeenscnap te hebben. Zij zoeken Christus in Zijn Woord en in de Sacramenten, erkennen Hem als hunnen eenigen Zaligmaker, en hunne zielsbegeerte is in ware gehoorzaamheid den weg Zijner geboden te betreden, alzoo te wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft, 1 Joh. 2 : 6, in nederigheid des harten, in zeifver-loochening, in hun kruis op zich te nemen, en hetzelve, Hem na-loopende, achterna te dragen. Dat zij Hem zullen naloopen, is de begeerte van hunnen Bruidegom; daarom noodigt Hij hen zoo liefelijk: komt tot Mij; gelooft in Mij; volgt Mij na; leert van Mij. En waaruit M. V. zal men de ware Bruid van Christus kennen, als daaruit dat zij van haren Bruidegom getrokken zijnde. Hem naloopt? Zoo deed Rebekka omtrent Isaak. Is de Bruid met den Bruidegom niet één vleesch en geest? Efeze. 5:30. Waaruit zou men het weten, dat men een getrouw schaap van dien eenigen Herder is, die Zijn leven voor Zijne schapen stelde, dan dat men Zijne stem hoort en Hem naloopt? Joh. 10 : 27. Wien zullen zij naloopen, dan Hem, Die de woorden des eeuwigen levens heeft? Ja, Hij alleen is de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader dan door Hem; die Hem naloopt, dien brengt Hij tot God, die heeft hier reeds alles in Hem, en eindelijk het eeuwige leven.
Wij zullen U naloopen. Welk eene verzekerende geloofstaal spreekt hier de Bruid voor zichzelve en voor al het volk des Heeren uit. Zij is verzekerd van hare verdere bekeering. Die God trekt, vindt zich getrokken; die God bekeert, toont zich bekeerd. Hier vindt gij hetzelfde als er bij den profeet geschreven staat: âBekeer ons Heere! en wij zullen bekeerd zijn.quot; Jer. 3 ; 18. Daarom liet David op het gebed: âLeer mij den weg Uwer inzettingenquot;, volgen: âIk zal dien houden tot het einde toe.quot; Ps. 119 : 33.
Wij zullen U naloopen. Als Jezus Zijn volk trekt, dan komt dat volk tot Hem met alle zijne zonden en nooden, dan oefenen zij een gedurig toevlucht nemen tot den troon der genade, en zij loopen Hem als ellendigen in zichzelven na. Wanneer men door den Heere tot den Heere is getrokken, leert men van Hem bidden: trek mij, en trekt Hij ons, zoodat wij Hem naloopen moeten ongedwongen, met lust des harten. Kan daaruit wel anders voortvloeien dan een mijden, haten en vlieden van den weg der zonde en der ongerechtigheid: een vergeten van hetgeen achter is, een zich uitstrekken naar hetgeen vooruit is, een jagen naar het wit, tot prijs der roeping Gods, die van boven is? Waarlijk dan hindert ons onze ellendigheid, onbekwaamheid en geestelijke onmacht niet. De Bruidegom heeft dan het gansche hart van Zijne Bruid ingenomen met Zijne genade,
144
liefde en troost des Heiligen Geestes. Mag dit geene zalige kracht en vrucht van dit trekken genoemd worden? Dat naloopen van den Bruidegom geschiedt als deze Zijne trekking van ons plaats heeft, van onze zijde dan vrijwillig, gelijk de man naar Gods hart het uitdrukte: â Ik zal loopen het pad Uwer geboden, als Gij mijn hart zult verwijd hebben,quot; Ps. 119 : 32. Het geschiedt dan ook met allen ijver en alle naarstigheid in geloof en in godzaligheid, ziende alleen op Hem, den oversten Voleinder des geloofs. Ja, dan wordt er ondervonden hetgeen de Heere belooft: die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren gelijk de arenden met vleugelen; zij zullen loopen en niet moede worden; zij zullen wandelen en niet mat worden, Jes. 40 : 31. Het geheele hart is dan tot naloopen gezind, en niets smart hen dan zoozeer, dan dat zij zoo langzaam gaan en daarbij nog zoo gedurig stilstaan; en omdat zij die smart door genade, als de Heere trekt, levendig gevoelen, houden zij des te ijveriger in het gebed bij Hem aan, dat de Heere hen krachtig moge trekken, opdat zij Hem des te vuriger van geest mogen naloopen.
Wij zullen U naloopen. Ja! dat mocht de Bruid van haren Bruidegom getuigen; want allen die met haar door Hem die trekking in hunne zielen zouden gevoelen, zouden in Hem alles vinden wat zij tot hunne wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing noodig hadden. Aan dat leven, hun in de wedergeboorte geschonken, waardoor zij uit de duisternis getrokken, overgezet zijn in het koninkrijk van den Zoon van Gods liefde, is het naloopen van den Bruidegom verbonden, het haasten naar\'den prijs Zijner roeping, naar den hemel en de zaligheid. De oprechte begeerte, de wensch, het ernstige voornemen door genade in hunne zielen opgewekt om Hem na te loopen, dat zijn reeds de voeten waarmede zij loopen. Die trekking van den Bruidegom is eene almachtige en Goddelijke kracht, zij is eene heerschappij die Jezus uitoefent over alle de Zijnen, als die Hem toebehooren, gegevenen van den \'Vader; de heerschappij tot hunne reiniging en heiliging, tot hun behoud voor eeuwig, zoodat geene macht des boozen vijands, geene kracht des doods of der helle hen meer schaden kan. Zij zullen Hem naloopen. Ziet! daarom is het onmogelijk, dat zij van achter Jezus kunnen wegblijven; achter Hem door Hem getrokken wordende, zetten zij hunnen weg blijmoedig voort; laten zich van Hem, die hun Herder wil zijn, leiden; begeeren zich ootmoedig aan Hem te onderwerpen en gedurig Hem als hunnen Koning te huldigen. Zij die Hem zoo zullen naloopen, zullen zekerlijk in Zijne heerlijkheid worden geleid, waar zij hunne kronen zullen nederwerpen voor Hem, met Hem
145
zullen aanzitten aan de bruiloft des Lams, en daar, daar zal Hij nog hun Leidsman blijven tot de levende fonteinen der wateren, en zij zich al den dag in Hem hunnen Zielsbruidegom verblijden.
Ps. 119 vs. 3.
3°. Laat ons eindigen met de toepassing.
Trek mij! dat was M. V. de bede der Bruid van Christus. Wij zullen U naloopen, dat was hare geloovige verwachting voor zich zelve en al dat volk, hetwelk zij uit kracht van hare wedergeboorte liefhad. Och! of wij allen door genade overtuigd waren geworden van de noodzakelijkheid van die trekking, ook deze bede ons niet onbekend mocht zijn. Maar zouden er ook niet onder u worden gevonden, die oordeelen dat zulk eene krachtdadige en onwederstaan-bare trekking voor hen niet noodig is, die in hunne natuurlijke dwaasheid en blindheid meenen, dat de zondaar, wien het Evangelie wordt verkondigd, door eigen kracht en door vrijen wil tot Jezus kan komen. Hem aannemen, in Hem gelooven en op Hem vertrouwen; dat Hij hun Zaligmaker is? Zijn er ook nog onder u die meenen, dat zij zichzelven kunnen bekeeren, en bekwaam zijn Jezus na te loopen, wanneer zij, zooals zij zich uitdrukken, zooveel in hen is, het kwade laten en het goede doen? Ja! zijn er ook onder u die denken, dat God in de bekeering des zondaars maar uitwendige middelen gebruikt, en die niet gelooven aan eene inwendige krachtdadige verandering van het hart? O, de God dezer eeuw heeft de zinnen van zoovelen, die zich Christenen noemen, verblind, daarom gelooven zij niet, dat de mensch van nature volslagen dood is voor God in zonden en in misdaden, zoodat hij in Gods Koninkrijk niet kan komen zonder wedergeboorte. Ja! zij spreken nog wel van Gods genade en macht, maar die trekking Gods verstaan zij niet anders dan uitwendig door Zijn Woord, en andere bewegelijke middelen. Dat de bekeering een krachtdadig onwederstaanbaar werk Gods is en blijft, dat verwerpen zij, dat zou het schepsel te lijdelijk maken. En och! of er ook geene gevonden werden, die zich onder het volk Gods scharen, die des Geestes zijn deelachtig geworden, namelijk alleen de gemeene overtuigingen des Geestes, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods, en die meenen, dat zij uit dat geestelijk leven kunnen voortwerken en dus voor zichzelven die behoefte van de Bruid niet kennen, trek mij. Zulken roemen van hun geloof en hunne liefde tot God en tot Christus en voor de kinderen Gods; zij willen onder het volk van Jezus worden gerekend, maar men hoort ze niet spreken van hunne volslagen geestelijke onmacht en ellende door de zonde, dat zij zuchten en bidden.
146
moeten: Heere! trek ons. Dit is zeker, M. V. wanneer er geene levendmaking door den Heiligen Geest bij u heeft plaats gehad, dan wederstaat gij den Geest; niets kan u dan bewegen, of er voor u op de fluit wordt gespeeld of klaagliederen voor u worden gezongen, om tot God en den Heere Jezus uwe toevlucht te nemen. Gij zijt dan nog rijk en verrijkt, en hebt geens dings gebrek. Gij zijt en blijft dan nog in uwe beminde zonden en leeft in vervreemding van God; den duivel, de wereld en de zonde dienende. Hoe menigmaal, telkens als Gods Woord voor u geopend werd, heeft God u willen bijeenvergaderen, maar gij hebt niet gewild.
Och! dat God u eens mocht doen stilstaan op uwe wegen, die u recht schijnen, maar welker einde het verderf en de eeuwige rampzaligheid voor u zal zijn, indien gij door de almachtige en krachtdadige trekking des Vaders er niet wordt afgebracht, om als schuld-erkennende en schuldgevoelende zondaars tot den Heere Jezus te vluchten en te vlieden. ,,Heden,quot; roept God u nog toe, die God tegen Wien gij hebt gezondigd, âzoo gij Mijne stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.quot; Nog is het voor niemand uwer te laat; nog leeft, nog ademt gij, nog roept God elk uwer ernstig en wel-meenend toe: âBekeert u, bekeert u, waarom zoudt gij sterven?quot; En daar gij u niet bekeeren kunt of wilt, mocht het dan nog uw gebed worden: âHeere, bekeer Gij ons tot U en wij zullen bekeerd zijn; trek Gij ons, en wij zullen U naloopen.quot; Wie weet, dat weet Hij alleen, of de Heere u nog niet wil hooren. Nog is het voor niemand uwer te laat, maar het kon zulks worden, dat gij roepen zoudt: âHeere! doe ons open,quot; en zoudt hooren: âVoorwaar zeg Ik u, Ik ken u niet.quot; Bidt om den Heiligen Geest, Hij alleen moet u van zonde, gerechtigheid en oordeel overtuigen. Hij moet uw verstand, door de zonde verduisterd, verlichten, u een nieuw hart scheppen door Zijne almachtige en onwederstaanbare kracht. Hij moet aan u zeiven u ontdekkende in uwe volslagen machteloosheid door de zonde, leeren bidden: trek mij, om gansch hulpeloos in u zeiven, voor de voeten van den Heere Jezus te komen; zulken alleen wil Hij tot een Redder zijn. Verwaarloost, wat wij u bidden mogen, de getrouwe middelen van Gods genade, waaronder gij nog moogt leven, niet! Gods Woord noodigt u nog vriendelijk, bidt en vermaant u om u met God te laten verzoenen. Laat u door den duivel, de wereld -en uw zondig hart daarvan niet aftrekken, want de Heere trekt zondaars door Zijn Woord en Zijnen Geest. Ook u geldt dat woord des Heeren: âHeden, zoo gij Mijne stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.quot; Door u aan Gods Woord te onttrekken, zijt gij in gevaar om aan de verharding uwer harten,
147
het ergste oordeel, dat God over een zondaar kan brengen, te worden overgegeven; door onder het Woord Gods op te gaan, stelt gij u in den weg om van den Heere inwendig getrokken te worden. Och! dat gij liet bedenken mocht, wat tot uwen vrede dient. Dat niemand uwer, onbekeerd stervende, het eenmaal mocht hooren: ,, Ik heb geroepen en gij hebt niet willen hooren. Ga weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend.quot;
Maar wij moeten u ook ernstig waarschuwen tegen het gevaarvolle zelfbedrog van het arglistige hart. Er zouden onder ons kunnen zijn, die meenden in te gaan, en ontdekken zouden, dat zij niet kunnen. De dwaze maagden gingen met de wijze maagden mede, maar daar zij geen olie in hare lampen hadden, vonden zij de deur des Bruidegoms gesloten, en het antwoord op haar geroep: Heere! doe ons open, het was: Ik weet niet vanwaar gij zijt. Wie zijn dat? Zulken die uit zichzelven tot Jezus liepen, niet door Hem uit- en inwendig getrokken werden. Zulken die gelijk die van Sardis den naam hebben, dat zij leven, maar nog dood zijn. Zulken die bijna Christenen zijn geworden, nabij of niet verre van het koninkrijk Gods zijn gekomen, maar die de wedergeboorte missen; daarom kunnen zij dat koninkrijk niet zien, en niet ingaan. Zij hebben zichzelven tot God bekeerd, maar zijn niet door den Heere bekeerd geworden. Zulken ontbreekt het ootmoedig afhankelijk gebed: Heere! trek ons. De Heilige Geest heeft hen niet ontdekt aan hunne gansche krachteloosheid en machteloosheid door de zonde.
Wanneer wij, M. V.! meenen dat er in ons nog eene zekere gewilligheid bestaat om Jezus te volgen, dan kunnen wij het stellen met eene helpende genade. Dan eerst, wanneer wij door genade bekend zijn geworden met onze wederstrevigheid, om den Heere Jezus als blinden te volgen in eenen weg, dien wij niet gekend, en op een pad hetwelk wij niet geweten hebben, leeren wij bidden: trek ons, en wij zullen U naloopen. Och! onderzoekt en beproeft u zeiven dan nauw, zeer nauw voor Gcd of gij die begeerte tot de trekking van Jezus ook bezit, of het uw hartelijke lust is alleen door Hem te worden getrokken. Gelooft gij van u zeiven, dat de Heere u uit- en inwendig heeft getrokken, en meent gij nu uit dat geschonken geestelijk leven Jezus te kunnen naloopen, ach! dan ontbreekt u nog de waarachtige kennis uwer gansche verlorenheid, ellende en onmacht door de zonde: de kennis dat gij een vleesch omdraagt, dat zich der wet Gods niet onderwerpt en ook niet kan.
Mocht het uw gebed zijn: Heere! doorgrond ons, en zie of er bij ons een schadelijke weg is. God heeft alleen lust aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste.
148
Maar er zullen er ook onder u worden gevonden, die niet gelooven
kunnen of durven, dat gij de Bruid van Jezus zijt geworden, dat gij nog nimmer met haar in waarheid zoudt hebben gebeden: trek mij, en wij zullen U naloopen. Wel vindt gij uwe rust niet meer in het dienen van den driehoofdigen afgod, en heeft er eene verandering bij u plaats gehad, maar gij vreest dat gij de inwendige trekking van den Heiligen Geest nog niet zijt deelachtig geworden, niets anders bezit dan de gemeene overtuiging des Geestes, en met Demas de wereld wederom zult lief krijgen. De vijand, die u van Christus zoekt af te houden, maakt u wijs, dat als gij de Bruid van Jezus waart geworden, gij zoo niet gehecht meer moest zijn aan het schepsel, of de dingen dezer wereld, en hij komt met het Woord Gods tegen u op, dat wie iemand of iets boven Jezus lief heeft. Hem niet waardig is. Ja! hij wijst u op uwe geestelijke traagheid, bidde-loosheid, lusteloosheid in het naloopen van Jezus. Hij wijst u op zulken wier leven meer gespeend is van de dingen dezer wereld, wier bestaan uitwendig het bewijst, dat zij zich in alles diep afhankelijk gevoelen van de trekkende genade van hunnen Bruidegom. Ach! in u zeiven hebt gij geene wapenen tegen Zijne aanvallen en bestrijdingen, en ziet gij op u zeiven, dan mist gij alle vrijmoedigheid om hem tegen te spreken. Maar heilzoekende en bekommerde zielen! zoudt gij als in de tegenwoordigheid Gods durven ontkennen, dat gij niet gaarne wildet loopen, dat ook uw gebed in het eenzame en verborgen voor God, Wien uw zuchten en uw zorgen niet onbekend is: Heere, trek mij? Is God u niet te sterk gev/orden? Heeft Hij u niet ontdekt aan uwe krachteloosheid en machteloosheid door de zonde? Was Lazarus door Jezus niet levend gemaakt, al gevoelde hij zich ook nog gebonden aan handen en voeten? O! gij die van harte zeggen moogt: gaarne wilde ik loopen, menigmaal heb ik gebeden: Heere, trek mij, daarmede loopt gij reeds, als gij gestadig wenscht te loopen. De oprechte wensch en begeerte, het ernstige en ijverige voornemen dat zijn reeds de voeten waarmede gij Christus naloopt. Noodigt Jezus u niet als een vermoeide en belaste, tot Hem te komen? Zou Hij u niet willen voorttrekken. Die u getrokken heeft uit de duisternis, en uwe blinde oogen geopend heeft voor uwe gansche verlorenheid en ellende door de zonde? Haast u om tot Hem te loopen met alle de zorgen en bekommernissen van uw hart. Och! dat het u gaan moge als Abigail, die van een kwaden man Nabal verlost zijnde, door David aangezochtwerd om zijne huisvrouw te zijn, ootmoedig zich ter aarde neigde, erkende dat zij onwaardig was om als eene dienstmaagd de voeten van de knechten van David te wasschen, evenwel David volgde, en
149
hem tot eene huisvrouw werd. Ziet gij op uzelven, ook gij zijt en blijft onwaardig in uzelven om de Bruid van Jezus te zijn, maar omdat Hij u heeft opgezocht, bidt en roept zonder ophouden: trek mij, en wij zullen U naloopen. Hij zal gewisseiijk komen en niet achterblijven. O! als Gods Woord door genade krachtig in u is, zoodat gij daarvoor vreest; zoo de Heilige Geest inwendig u heeft getrokken; zoo het tot verfoeiing en droefheid voor God vanwege uwe zonden over uzelven is gekomen, tot zuchten en bidden tot God, en er geene rust voor het hol van uwen voet is gekomen, voordat gij moogt zeggen: ik de Uwe en Gij de mijne, dat zijn kenmerken van het genadewerk Gods in u. De Heere trekt met menschenzeelen en touwen der liefde; Zijn Woord en Zijn Geest zijn die liefelijke touwen. Door Zijn Woord laat Hij u vriendelijk noodigen en bidden om tot Jezus te komen; door Zijnen Geest maakt Hij u gewillig Hem na te loopen. Geeft u aan de leidingen des Geestes over, bluscht Hem niet uit, bedroeft Hem niet, wekt de gave op die in u is, en bidt aanhoudend: Heere trek mij, ik zal U naloopen.
En gij M. V., die door genade uzelven bewust zijt, dat gij de Bruid van Jezus zijt geworden, en met haar moogt instemmen: zwart in mij zeiven maar liefelijk in Hem. Toen de Geest Gods met uwen geest getuigde, hebt gij het ondervonden, dat hoe kreupel gij ook in uzelven waart, gij springen kondt als een hert, vliegen als een arend, loopen zonder moede of mat te worden en door het geloof mocht gij uitroepen: wij zullen gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van ons zal verschijnen voor God in Sion. Ja! toen mocht gij gelooven: de Koning zal mij brengen in Zijne binnenkamer, ik zal mij verheugen en mij in Hem verblijden; ik zal Zijne uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn. De vreeze des doods was geweken, want gij geloofdet, dat als gij stijf en stil in den dood zoudt liggen, uwe ziel gedragen zou worden van de engelen in Zijnen schoot, en gij met al Zijn arm en ellendig volk te zamen zoudt worden opgenomen in de wolken den Heere tegemoet in de lucht, en alzoo altijd met den Heere zoudt wezen. Onvergetelijke Bethels en Pniëls zijn er in uw leven opgericht. Hoe lang of hoe kort gij u ook op den weg des levens moogt bevinden, hoe meer gij door genade oogen ontvangen hebt om naar binnen te zien, de wederstrevigheid uwer harten zult leeren kennen om den Heere in alle de wegen, die Hij met u wil houden, gewilliglijk na te loopen, des te meer behoefte zult gij gevoelen om met de Bruid te bidden: Heere! trek mij, en wij zullen U naloopen. Veel leven zal er aan uwe zielen worden gegund, hoe vuriger uw gebed mag zijn; Heere! trek mij; want bij bevinding zult gij erkennen, dat gij tot Jezus niet zult
150
komen dan door Zijne trekking; dat uw geest wel gewillig, maar uw vleesch zwak is; uw liart bereid, maar uwe knieën slap zijn; en gij van alle kanten wordt teruggetrokken. Gevoelt gij dan bij vernieuwing Zijne trekking, het naloopen van Hem zal dan uw lust, uw leven, hier zaligheid voor u zijn. Zijn Woord zal dan alleen eene lamp voor uwen voet, een licht op uw pad zijn, en dat naloopen van Hem zal dan zijn in Zijne kracht, met die gebeden en verzuchtingen zoo als gij ze zoo heerlijk in de Psalmen van David vindt geschreven. Ziet, zoo zal zoolang gij het lichaam der zonde en des doods omdraagt, uw leven hier een zuchtend en biddend leven blijven: Heere Jezus! trek ons. Maar eens als gij dat zult hebben afgelegd, zal uw eeuwig leven bestaan in het gewillig volgen van Hem, Die u zoo duur gekocht heeft met Zijn bloed, met alle de verlosten door Hem. â Amen.
Ps. 119 : 88.
X.
DE ZALVING VAN DEN HEERE JEZUS TEN DOODE DOOR MARIA.
Leerrede over Mattheüs 26 :6â13.
VOORZANG PSALM 18 : 8, 9.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen
De weken M. V. zijn aanstaande, waarin wij geroepen worden de heilige lijdensgeschiedenis van onzen Heere Jezus Christus, onzen grooten God en Zaligmaker, te overdenken. Die overdenkingen zijn en blijven altijd zeer dierbaar voor eiken zondaar, die door genade gedaante en heerlijkheid in Hem heeft mogen zien. Dat smadelijke, smartelijke, gruwzame lijden, hetwelk de Heere Jezus uit liefde voor Zijn volk vrijwillig heeft willen ondergaan, en dat geëindigd is in den dood, ja den dood des kruises; dat lijden dat Hij leed als de schulddragende Zoenborg Zijns volks, dat herinnert ons telkens hoe duur Hij Zijn volk heeft gekocht, niet met goud en zilver, maar met Zijn gezegend bloed; het verklaart ons die uitspraak van den Apostel: Dien die geene zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons â namelijk alleen voor dewaregeloovigenâgemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Zalig een ieder onzer, wien God het schenkt, om dit heilgeheim Zijner verlossing recht te
151
verstaan, en die met het oog des geloofs zien mag op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Zalig het volk, hetwelk met de Kerk van Christus geloovig mag belijden bij elk gedeelte van dat lijden; âDe Heere liet al onze ongerechtigheden op Hem aanloopen, de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, door Zijne striemen is ons genezing geworden.quot; Welnu wij staan dan heden gereed om als het ware de grendels van de poort der heilige lijdensgeschiedenis weg te schuiven. Als inleiding tot die geschiedenis wenschte ik in dit morgenuur met u de zalving van den Heere Jezus ten doode door Maria te overdenken. Maria, de teedere geloovige vriendin van Jezus, wijdde door die zalving, zonder dat zij het wist, den Heere in tot Zijne begrafenis, dus ook tot Zijnen dood, terwijl Hij nog leefde, en Judas doemde Hem wetens en willens tot den dood, door terzelfder tijd uit te gaan tot Zijne vijanden, om Hem in hunne handen te leveren.
Och! geve God de Heilige Geest, dat wij heden met opgewekte harten en zinnen dat geschiedverhaal mogen overdenken. Laat ons vooraf met en voor elkander het aangezicht van God in het gebed zoeken. Hem vragen, dat Hij ook aan ons vervullen moge Zijne dierbare belofte; ,,lk zal ze in Mijn bedehuis verheugen.quot;
MATTHÃUS 26 : 6â13.
Als nu Jcsus te Bethaniën was, ten hnyse Simonis des melaatschcn.
Quam tot Hem eene vrouwe, hebbende een aiabaster-flessche met zeer kostelicke salve, ende goot se uijt op Zijn hooft, daar Hij aan (tafel) sat.
Ende Sijne discipelen (dat) siende, namen \'t zeer qualick, zeggende; Waartoe dit verlies?
Want dese salve hadde konncn diere verkocht, ende (de penningen) den armen gegeven worden.
Maar Jesus (sulcks) verstaende seijde tot haer: waerom doet gij dese vrouwe moeijte aan? Want zij heeft een goed werck aan Mij gewrocht.
Want de arme hebt gij altijt met ul maar Mij en hebt gij niet altijt.
Want als sij dese salve op Mijn ligchaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot een (voorbereijdinge van) Mijne begravenisse.
Voorwaer zegge lek u, al waer dit Evangelium gepredikt sal worden in de geheele werelt (daer) sal ook tot harer gedachtenisse gesproken worden van \'t gene sij gedaen heeft.
Vergel. Mark\'. 14 : 3â9 en Joh. 12 : 1â8.
Ziet daar M. V. een gewichtig, zinrijk en ook hoogst dierbaar en aanminnig geschiedverhaal. Het opschrift, hetwelk wij er boven mogen stellen is; de zalving van den Heere Jezus ten doode door Maria. Drie Evangelisten hebben die daad des geloofs en der liefde van Maria voor ons bewaard. En daar de Heere Jezus zoo plechtig
152
verklaarde: âVoorwaar! Ik zegge u, waar dit Evangelium gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgene zij gedaan heeft,quot; betaamt het ons dan niet, hare daad te overdenken met inkeering tot ons zeiven? Welaan laat ons dit heden dan doen. Moge de Heilige Geest onze harten openen, opdat wij acht mogen geven op dit woord, tot onze opwekking, bemoediging en leering beschreven, om ons te onderwijzen, hoe door de genade Gods, het zaligmakend geloof in den Heere Jezus door de liefde werkzaam is. Welaan laat ik met u stilstaan:
1°. Bij het voorgelezen geschiedverhaal, en daarin met u letten:
A. Op de liefdedaad van Maria.
B. Op de tegenspraak die zij daarbij ondervond.
C. Op de goedkeuring die zij daarop van Jezus genoot, om dan
2°. Van dit geschiedverhaal een toepasselijk gebruik voor ons zeiven
te maken.
1°. Dan letten wij in dit geschiedverhaal
a. Op de liefdedaad van Maria.
De gebeurtenis hier verhaald, behoort tot het laatste gedeelte van het aardsche leven van Jezus. Eenige dagen vóór het Paasch-feest had de Heere Jezus Zijn aangezicht gericht, om naar Jeruzalem te reizen. Gereed staande om Zijn werk als Profeet neder te leggen, en om als Priester eene offerande Gode tot eenen wel-riekenden reuk, bestaande in de vrijwillige overgifte van Zichzel-ven tot het smartvolste lijden en den gruwzaamsten dood des kruises, voor de zonde Zijns volks op te brengen, zou het voor de laatste maal zijn, dat Hij daar was. Hij zoude van daar niet weder-keeren. Op Zijnen tocht naar de gemelde stad, hield Hij Zich eenigen tijd op in het nabijgelegen vlek Bethanië, eene plaats, die den Heere bijzonder aantrok. Het was waarschijnlijk hetzelfde bij Lukas ongenoemde vlek, werwaarts Jezus de wijk nam, toen de Samaritanen geweigerd hadden Hem te herbergen, en daar was Hij gedurende Zijne omwandeling op aarde zoo gedurig als gastvriend in het huisgezin van Lazarus, en diens beide zusters Martha en Maria opgenomen, en met zooveel liefde en hartelijke genegenheid ontvangen. In dit Bethanië bevonden zich zoo vele opgerichte toonbeelden Zijner Goddelijke zondaarsliefde, genade en almacht. Daar ook, wetende dat Zijn tijd vervuld was, en dat Hij op het Paaschfeest, als het eenig waarachtig Paaschlam, het Lam Gods, geslacht zou worden, wilde Hij, gelijk met een paaschlam geschiedde, Zich laten voorbereiden, heiligen en weiden tot den dood en. Zijne begrafenis door de hand eens menschen.
153
Terwijl Jezus te Bethanië vertoefde, werd Hij met Zijne discipelen, die allen toen ook bij Hem waren, ter maaltijd genoodigd bij Simon, bijgenaamd den melaatsche. De Heere Jezus iiad dien man van zijne akelige, ongeneeslijke en doodeiijke kwaal, door Zijn Goddelijk machtwoord: Ik wil, word gereinigd! volkomen genezen, en hem naar ziel en lichaam beide gered en verlost. Geen wonder dus ook, dat deze man uit liefde en genegenheid voor Jezus, er grooten prijs op stelde, om den Heere Jezus met diens vrienden, die ook de zijnen waren, en aan welken hij zich door geestelijke banden zoo nauw en innig verbonden gevoelde, in zijn huis te mogen ontvangen, en aan eenen wei toegerichten maaitijd te onthalen. De overlevering zegt, dat deze Simon de vader van Lazarus of de man van Martha is geweest, maar de Heilige Schrift zwijgt er van, en dit doet ook niets ter zake af. De Heere Jezus nam zijne uitnoodiging aan, en de maaltijd werd gehouden. Ook Lazarus met zijne beide zusters waren door hem genoodigd, en zaten daar aan den maaltijd met Jezus. Wat dunkt u, M. V.! zou er wel ooit op aarde een merkwaardiger gezelschap aan eenen disch der vreugde zijn vereenigd geweest? Daar was Jezus, onze groote God en Zaligmaker, de Vorst des levens en des doods, omringd door Zijne twaalf discipelen. Daar was Lazarus, de gestorvene, die reeds vier dagen in het graf had gelegen, en die zoo wonderdadig op het macht- en bevelwoord van den Heere Jezus uit den dood was opgewekt. Daar ook waren de beide zusters van Lazarus: Martha en Maria, welke, hoe onderscheiden ook in karakter, beide door de innigste banden der liefde aan den Heere Jezus verbonden waren, omdat Hij haar eerst had liefgehad, en haar uit de macht der duisternis had verlost. Die allen waren daar bij een man, die vanwege de doodeiijke kwaal, waarmede God hem had bezocht, uit de samenleving der menschen was verbannen geweest, maar door de almacht van Jezus als het ware van den dood tot het leven was teruggebracht. Niet één der gasten, behalve Judas Iskarioth, de zoon des verderfs, of zij hadden de verlossende liefde en genade van den Heere Jezus aan hunne zielen mogen ondervinden, en zij zaten aan dien disch vereenigd, onder de vleugelen van Hem, Die voor hen de Zon der gerechtigheid had willen zijn, door Wien hun naar ziel en lichaam beide, genezing was geworden. Verbeelden kunnen wij ons, hoe de oogen van allen op Jezus zullen zijn gevestigd geweest, welke vreugde zij in hunne harten zullen gevoeld hebben, dat zij Jezus daar in hun midden mochten zien en hooren. Martha, de altijd bedrijvige vriendin van Jezus, diende de gasten. Gods kinderen weet gij, M. V. behouden, ook dan als zij door God zijn bekeerd geworden, allen hun eigen-
154
aardig natuurlijk karakter, en zoo bleef Martha steeds de vrouw, die het altijd noodig had te worden herinnerd: âMartha! Martha! gij bekommert u over vele dingen: maar één ding is noodig.quot; Maar hier, wij kunnen ons zulks zoo levendig voorstellen, al was zij ook niet in haar eigen huis, drong haar de liefde, die zij voor Jezus en Zijne vrienden gevoelde, om alles aan te wenden wat maar in haar vermogen was, dat het die dierbare gasten aan niets mocht ontbreken.
Terwijl Martha zoo bedrijvig is, gevoelt de stille, zachtmoedige, diepdenkende en afgetrokken Maria een aandrang der liefde in hare ziel. Het hoe? zal voor haar zelve wel onverklaarbaar zijn geweest, maar haar is het alsof zij door eene onwederstaanbare kracht in haar binnenste bewogen wordt, om den Heere Jezus, Dien zij zoo innig en hartelijk lief heeft, een openbaar bewijs van hare genegenheid en liefde te geven. Wel zal zij overtuigd zijn geweest, dat zij buiten staat was om die groote weldaad, haar en de haren bewezen door Jezus, waardiglijk te vergelden; maar de ware liefde, al is zij daarvan overtuigd, kan zicii evenmin voldoen, om daarom niets te doen. Maria wil toch iets doen. Woorden komen haar veel te arm voor. Maar waarmede zal zij dan den Heere Jezus hare genegenheid, dankbaarheid en liefde bewijzen? Zij wordt er bij bepaald om Jezus een openlijk eerbewijs, bij de Joden bij feestelijke gelegenheden niet ongewoon, toe te brengen. Gij moet weten M. V. dat het bij de Oosterlingen, en ook bij de Israëlieten een oud gebruik was, om door baden en voetwassching voor hunne gasten te zorgen en dan vooral zulken die hen zeer welkom waren, en voor welken zij eenen bijzonderen eerbied of genegenheid koesterden op den geur van we\'riekenden zalven en oliën te onthalen. Op deze Oostersche weelde doelt de gewijde zanger, als hij in dien bekenden psalm tot Jehovah spreekt: âGij richt de tafel voor mijn aangezicht aan, tegenover mijne tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie.quot; Onder de reukwerken, welke voor buitengewone gelegenheden bestemd en bewaard werden, behoorden vooral de Nardus-olie, die uit de edelste specerijen werd getrokken en daardoor zeer kostbaar was. Welnu, Maria bezat van deze kostelijke zalf omtrent een pond ge-wichts in eene albasten flesch. En wat deed zij nu? Zij haalt die flesch, nadert met eerbied achter Jezus, breekt den langen hals van de flesch, waarin het kostbare vocht is besloten, zalft daarmede eerst de voeten van Jezus, en toen in de vervoering van haar dankbaar gevoel, goot zij die uit op Zijn hoofd. Zoo dunkt mij moeten wij het ons voorstellen; want al spreekt Johannes slechts van de voeten, en de beide andere Evangelisten van het hoofd: de een vult
155
aan hetgeen de andere onvermeld lieten; en daar de Heere Jezus zegt; dat Maria Zijn lichaam heeft gezalfd, wil dit zeggen, dat zij Hem met die zalf als \'t ware geheel van het hoofd tot de voeten heeft overgoten. Maar daarbij bleef het niet. Neen! zij die altijd stil luisterende aan Zijne voeten had gezeten, zij wierp zich nu voor die dierbare voeten van Hem, van Wien zij met vollen nadruk zeggen mocht: al wat er aan Hem is, is mij gansch begeerlijk, als eene ootmoedige zondaresse neder. Hare ontsnoerde hoofdharen zijn er niet te goed toe, om Zijne gezegende voeten, die zij bevochtigd heeft door de zalfolie, af te drogen. Haar was het eene eer haren Ziele-vriend die ootmoedige, nederige dienst te mogen bewijzen, en dat zij, die arme en ellendige, in zichzelve verlorene maar door Jezus opgezochte en gevonden zondares, aan Zijne voeten mocht neder-liggen. O! welk een zielsgenot zal zij toen gesmaakt hebben, dat weet gij allen, die het hebt mogen kennen en beoefenen. Heere Jezus! Gij zijt alles voor mij, ik ben niets voor U. Wanneer wij door genade zoo in aanbidding voor Hem zijn gebracht geworden, dan is het: mijn Heere! en mijn God!
Eene daad der liefde, dat was het wat Maria volbracht. De liefde Christi drong hare zie! om Hem openlijk te belijden, te huldigen, te eeren. En waardoor werd die liefde in hare ziel opgewekt? Daardoor alleen, dat het bewustzijn, gewrocht door den Heiligen Geest, in haar levendig was: Jezus heeft mij, heeft hen die mij zoo dierbaar zijn, eerst liefgehad; wat zal ik den Heere vergelden voor deze Zijne weldaad? O! als onze zielen die liefde gevoelen, in die oogenblik-ken weggezonken in aanbidding en bewondering aan Zijne voeten, zijn wij losgemaakt van alles waaraan wij anders van nature gebonden en gekluisterd zijn. Groote genade is er noodig, opdat die losmaking plaats hebbe, maar ook dan als die aan onze zielen wordt verheerlijkt, dan laten wij los, gewilliglijk los. Dan worden onze oogen voor alles buiten Jezus gesloten. Zoude er dan wel iets te kostbaar zijn, hetwelk wij niet gewillig, ja! met vreugde en blijdschap aan en voor Hem overgeven? Aan en voor Hem, dien wij dan gelooven mogen dat Hij ons uit zoo grooten nood en dood, waarin wij voor God verzonken lagen, en dat enkel uit liefde, tot zulk eenen duren prijs verlost heeft? Ja! hebben wij op die wijze alles in Jezus gevonden, dan moet Hij met geheel deze liefde door ons omvat worden, eene volkomen overgifte van ons aan Hem heeft er dan plaats. Het gansche huis werd vervuld met den reuk der zalf, zoo schreef de grijze Johannes in zijn Evangelie, alsof de geur van die zalf hem nog in zijnen hoogen ouderdom tegenwasemde. Ja! wij mogen er bijvoegen: zij bleef niet in dat huis, maar zij trok met,
156
de liefde, die zulks bewerkte, op naar boven. Die geur was liefelijk voor de engelen Gods en alle verloste zielen; want daar er gemeenschap is tusschen den hemel en de aarde, verlustigen zich de hemellingen als hun Heere en Koning op aarde de hulde en eer ontvangt, die Hem toekomt. Ja! de geur van die olie was aangenaam voor God, Zijnen Vader, nu eene arme geredde zondares. Zijnen Zoon, die gereed stond uit liefde voor Zijn volk door een vreeselijk lijden en den smartvolsten dood zichzelven voor hen op te offeren eene liefdedaad bewees, waarin hare gansche ziel deelde. Het gan-sche huis werd met den geur van die zalfolie vervuld. Maar werden ook alle mede aanzittende gasten door dezen geur doortrokken? Helaas! niet allen, want laat ons b. letten op de tegenspraak, die Marie daarbij ondervond.
Maria had den Heere Jezus gezalfd. Zij had in deze handeling bewezen, dat zij alles voor Hem over had, die haar de opstanding en het leven was geworden. In Hem haren lieven Zaligmaker lag haar leven in God verborgen. Hij was hare eenigste troost in leven en in sterven geworden. Hij vervulde haar gansche ziel. Maar wat was nu de indruk van hare liefdedaad op de aanzittende gasten? Stemden hunne zielen er mede in, zoodat zij met den dichter mochten uitroepen: âHij, de Vorst der aard, is die hulde waard!quot; Ja! wij mogen aannemen, dat er in dit huis, hetwelk vervuld was geworden met den geur der uitgestorte zalfolie, zullen geweest zijn, die hartelijk instemden met deze liefdedaad van Maria, en door hare zinrijke handeling zich diep getroffen gevoelden. Maar toch werd er eerst zacht, daarna luider een wanklank gehoord, die nooit daar, inzonderheid niet, in dit gezelschap, aan dien disch moest zijn gehoord. Waartoe dit verlies? die kostbare Nardus had duur verkocht kunnen worden. De prijs zelf werd berekend op 300 penningen, en dat geld had men den armen kunnen geven, aldus werd er gesproken en geoordeeld. Maar wie waren het dan, die zoo spraken en oordeelden? Mattheus zegt de discipelen. Markus zegt sommige. Johannes noemt Judas Iskarioth. Deze schijnbare tegenspraak kan zeer gemakkelijk worden vereffend. Judas Iskarioth, wien de beurs â was toevertrouwd, dien Jezus den zoon der verderfenis had genoemd, en van wien Hij verklaard had, het wee! dat verschrikkelijke woord in Zijnen mond over hem uitsprekende, het was goed, zoo deze mensch nimmer geboren ware; hij was het, die het eerst het woord opnam. Hebzucht en geldgierigheid waren de hoofdtrekken van zijn karakter. Meer dan waarschijnlijk is het, want Johannes noemt hem een dief, zal hij zich dikwerf met het geld, hem voor de armen toevertrouwd, verrijkt hebben. Die man, al was
157
hij ook onder de Apostelen opgenomen, die zelf Jezus niet lief had, konde ook de liefde van Maria, hare betoonde liefdedaad aan Jezus niet waardeeren. Geld was zijn eenigste afgod, dien hij diende en beminde, en ziet! nu berekent hij dadelijk voor hoeveel geld die kostbare albasten flesch, met die Nardusolie daarin, had kunnen verkocht worden. Van dat geld had hij zich, daartoe in de gelegenheid gesteld zijnde, omdat hij de beurs droeg, onder het voorgeven van mededeelzaamheid veel kunnen toeëigenen. Huichelachtig had hij gezegd, en het geld had den armen kunnen worden gegeven. Den armen, dat woord door sommige discipelen opgevangen, liad iets aantrekkelijks voor zielen, die medelijden met de armen gevoelden, en dezen zoo gaarne ondersteunden; en ziet! door den klank van dat woord misleid, zonder er over na te denken, zijn zij in den strik des duivels, hun gespannen door Judas Iskarioth, dien hij ais zijn werktuig bezigde, gevallen. Nu doen die sommigen wetens, ofschoon niet willens, met den dief en huichelaar mede, door met hem in te stemmen in zijn afkeurend oordeel over Maria\'s liefdedaad aan Jezus bewezen. Zoo griefden niet alleen Judas Iskarioth, maar ook die sommige discipelen, de teedere liefhebbende ziel van deze vriendin van Jezus; en wat nog oneindig meer zegt, daarmede deden zij den Heere Jezus smart aan. Ja! zoo erg werd het in den kring dezer liefhebbende vrienden van Jezus, dat zij zich jegens Maria vergrimden.
De wijze Salomo M. V., zegt: âEene doode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzoo een weinig dwaasheid eenen man die kostelijk is,quot; Pred. 10 : 1. Hier vindt gij de toepassing dezer waarheid. Die ellendige Judas Iskarioth was hier de oorzaak, dat de liefdedaad van Maria door velen werd veroordeeld, ja! dat in die zielen, die andere met Maria den Heere Jezus zoo innig en hartelijk liefhadden, een gevoel van spijt, nijd en afgunst uit het zondige en bedorven vleesch, dat zij behouden hadden, werd opgeweld, hetwelk zich nu juist openbaarde, omdat hunne oogen gesloten waren voor de heerlijkheid van Christus als den Zoon Gods, en hun geloof niet levendig was, dat Hij van God was uitgegaan. Ziet! zoo zijn ook de ware geloovigen in zichzelven zondige en ellendige schepselen, en zij blijven dat zoo lang zij inwonen in het lichaam der zonde en des doods, en uitwonen van den Heere; elk oogenblik zijn zij tot hinken en zinken gereed, een volk, hetwelk met David moet belijden: âHeere! wie zal zijne afdwalingen verstaan?quot; Maar ook met hem bidt: âReinig Gij ons van onze verborgen zonden.quot; Ja! zij zijn en blijven vatbaar om verleid en medegesleept te worden door den booze, en zulken, die hij als zijne
158
werktuigen gebruikt, die hem dienen. De liefdedaad van Maria had bewondering en eene heilige jaloerschheid in hen behooren op te wekken, maar nu, helaas! vergrimden zij zich jegens haar. Zoo gaat het nog. O! als er geen leven gegund is aan de zielen van Gods volk, zij voor zichzelven in eenen doodelijken en afgezakten toestand verkeeren, dan wordt het openbaar wat er in hun hart is, wanneer God sommige Zijner kinderen door Zijne genade het geeft den Heere Jezus buitengewone liefdeblijken te bewijzen, in plaats zich daarover dan hartelijk te verheugen en te verblijden, zwijgen zij stil, of openbaren hun eigen goddeloos en liefdeloos bestaan, niet zelden ook nog onder het masker van eene gehuichelde vroomheid, want âarglistig is ons hart, meer dan eenig ding, doodelijk is het, wie zal het kennen?quot;
Ziet! zoo ondervond de ongeveinsde en oprechte, zichzelve geheel vergetende liefdedaad, die Maria den Heere Jezus bewees, tegenspraak en tegenstand in dat uitgelezen gezelschap, hetwelk te zamen was gekomen, den Heere Jezus ter eere. Judas Iskarioth, niet onaardig door een oud leeraar een witte duivel genaamd, omdat hij veinsde, ofschoon hij van binnen een zwarte duivel was, hij was de oorzaak, dat men de teeder liefhebbende vriendin van Jezus durfde berispen en beschuldigen van eene verregaande roekelooze verkwisting. Hij gebruikte, om zijn heilloos oogmerk te bereiken, om Jezus te grieven, en ware het mogelijk, Maria diep ter neder te slaan, het eigen woord, hetwelk Jezus tot den rijken jongeling had gesproken: âVerkoop al wat gij hebt, en geef het den armen.quot; Neen, hij gebruikte het niet, maar misbruikte het, en deed wat zijn meester de duivel weleer had gedaan in de verzoeking van Jezus in de woestijn. Maar heeft de Heere Jezus gezwegen? Neen, wij zullen letten,
c. Op de goedkeuring, die Maria van den Heere Jezus genoot.
Maria, M. V., zweeg. Hevig geschokt en diep gekrenkt, had zij deze berisping niet verwacht. Van haar, die uit liefde tot Jezus gedaan had wat zij kon, en die zichzelve in hare gift niet voldaan zal hebben, wil men, dat zij niets voor Jezus had moeten doen, dat zij haar geld, in plaats van tot eer van Jezus, tot nut der armen had moeten besteden. Zij kan de aanmerkingen, die gemaakt zijn, niet beantwoorden; zij gevoelt dat hare woorden nutteloos zullen blijven; zij had in deze oogenblikken met niemand dan met Jezus te doen, voor wien hare liefhebbende ziel open lag. Maar zij kon ook zwijgen, want de Heere Jezus nam het woord voor haar op, nam hare verdediging op Zich, en zeide: âLaat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht, want de
159
armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd; zij heeft gedaan wat zij kon.quot; Welk eene zachtmoedigheid en lankmoedigheid mogen wij hier in den Heere Jezus opmerken. Hij toont zich niet het minste beleedigd, dat Zijne vrienden Zijn Persoon zoo gering schatten, om eene zalf van 300 penningen aan Hem besteed, als verlies te achten. Hij had de ontijdige en onverdiende berisping der discipelen kunnen afkeuren. Hij had Judas Iskarioth, de oorzaak van deze beleediging Hem in de daad van Maria aangedaan, voor het oog van het gansche gezelschap kunnen ten toon stellen, zijne misdadige plannen, omdat Hij in zijn hart las, kunnen ontdekken, en hem met Gods oordeelen hebben kunnen bedreigen. En waarlijk, als Hij een mensch ware geweest, gelijk één onzer, onze zedelijke, bedorven natuur had bezeten, hij zoude in hevige drift tegen de discipelen hebben uitgevaren; maar nu hooren wij Hem de discipelen met zachtmoedigheid terugwijzen, en zeggen: âWat doet gij deze vrouw moeite aan? laat van haar af.quot; Is het niet in die woorden duidelijk, dat Hij Maria voor hare daad Zijnen dank betuigt en haar met de bewijzen Zijner tevredenheid vereert? Want wat voegde Jezus er bij; Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht. Jezus, anders zoo vreemd om menschelijke handelingen als goed te prijzen, noemt hare liefdedaad met nadruk een goed werk; waarom? omdat Hij, die de harten kent en de nieren proeft, wist, dat het beginsel van hare daad zuiver was, omdat zij welde uit een hart, dat van dankbaarheid en liefde voor haren besten Vriend en Weldoener overvloeide. Had Jezus het bij die woorden laten blijven, dit zou reeds toereikend zijn geweest, om de bedillers te beschamen. Maar Jezus treedt ook op, om rechtstreeks de beschuldiging, tegen haar ingebracht, te bestrijden. Hij wordt hare Voorspraak. Hadden de discipelen gezegd: âDat geld konde den armen worden gegeven,quot; welnu, daar in Gods Woord tot Israël gesproken was: ,,De arme zal niet ophouden uit het midden des lands, daarom gebiede Ik u, zeggende: Gij zult uwe hand mildelijk opendoen aan uwen broeder, aan uwen bedrukte, en aan uwen arme in uw land!quot; Zoo zegt Jezus dat zij steeds overal armen vinden en altijd gelegenheid ontmoeten, om te kunnen weldoen; en wanneer gij wilt, als dat waarlijk hunne begeerte was (hoezeer toont Jezus hier het hart\'en het doel van Judas te kennen en te doorgronden), zoo kunt gij hun weldoen. âMaar Mij hebt gij niet altijd,quot; dat voegde Hij er bij; en verbeelden kunnen wij het ons, dat Hij deze woorden met klem en kracht heeft uitgesproken. Maria had uit heilige liefde deze gave Hem geschonken. Zou een hart met deze liefde vervuld, ook niet om Zijnentwil aan behoeftigen denken en hun weldoen? âZij heeft,quot; vervolgde
Jezus gedaan hetgeen zij kon doen, zij heeft dit bewaard tot den dag Sir Zat\'nis quot; Ja! volgens twee evangelisten kende de Heere haar een inwendig geloofsinzicht en bedoeling toe, dat zij het g daan had tot eene voorbereiding van Zijne begrafenis. Maria had dus S laatsten dienst aan Jezus bewezen. Zij had door het geloof de plechtigheid welke anders na Zijnen dood en voor Zijne begrafenis zou plaats hebben, vervroegd. Zij had Jezus bij Zijn leven gezalfd omdat Hij gestorven zijnde, geene zalving zou noodig hebben. Zi
had lezus een dienst bewezen, die niet kon vergeleken worden met eenige weldaad aan de armen. Door reeds bij Zijn leven deze be-grafenis-plechtigheid aan Hem te volbrengen, had be
grafenis die bij de armen gerekend wordt, bij de rijken gesteld. W dunkt u\' M. V.! zal deze verdediging van Jezus hare beschuldl^rs\' een Judas misschien uitgezonderd, niet allen diep hebben getroffen en beschaamd? Zal het de bedroefde ziel van eene Maria met krach tig vertroost hebben, dat haar dierbare Zielevnend ^re hefdedaa al miskenden menschen haar ook, zoo openhjk goedkemde. Door het geloof echter kon zij derhalve den Heere van dit oogenbhk af a reeds gestorven en begraven beschouwen. Maar het was Jezus met genoeg de hulde door deze geloovige en Hem zoo mmg hebbende
vrouw toegebracht, goed te keuren u^rukten
wilde Ziine woorden, die Zijne tevredenheid met haar uitdiukte , ook aan het onderwijs en de vertroosting Zijner geloovigen van alle \' tiiden dienstbaar maken. Daarom voegde Hij er deze verklaring bij ⢠Voorwaar zeg Ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in degèheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan nee/,.quot; Zoo sprak de erde Zoon d
menschen, omdat Hij was de waarachtige, de alwetquot;deJ°d45er zou die woorden op de lippen durven nemen, zich
Goddelijke natuur bewust te zijn? Jezus â¢orspert, dat het Evan gelie in de geheele wereld zou worden verkondigd, en dat bi deze verkondiging het geloof en de liefdedaad van Maria in gedachten zouden worden gehouden. Ziet, M. V.l is onze tegenwoordige overdenking geen bewijs voor de waarheid Zijner profetische ve Waring? Ja! wanneer eenmaal het Woord des levens in de gehee e wereld\'verkondigd zal zijn, dan zal ook aan al\'e plaatsen en ond alle volken der wereld, van Mana\'s geloof en liefde tot den Heere lezus worden gesproken, hetgeen zij deed tot aan den afloop d eeuwen herdacht worden. Maria\'s liefdedaad, hoe ook mskend en verdacht door menschen, omdat Jezus haar aannam, ~ou in zege
nend aandenken blijven. Jezus, op het punt sJaande ^Yeschouw-gekruisigd en van Zijne discipelen gescheiden te worden, beschouw
161
de Maria\'s daad uit geloof en liefde tot Hem verricht, in het nauwste verband met Zijnen dood; daarom verhief Hij zoo hoog deze liefdedaad, en zorgt Hij, daar de gedachtenis der rechtvaardigen in zegening zal blijven, dat zij herhaaldelijk in Zijn Evangelie werd opgeteekend. Laat ons nu, na gezongen te hebben Ps. 89 : 7,
2°. Met de toepassing eindigen.
Zoo hebben wij dan M. V. de zalving van den Heere Jezus, door Maria, Zijne zalving ten doode, met elkander mogen bewonderen, en naar het eeuwig blijvend woord van den Heere Jezus, onzen grooten God en Zaligmaker, tot hare gedachtenis mogen spreken. Wanneer wij daarmede nu toepasselijk tot ons zeiven inkeeren, hoeveel is daarin vervat tot onze leering en beschaming, maar ook tot bemoediging en vertroosting, indien wij door genade den Heere Jezus in onverderfelijkheid lief hebben gekregen, gelijk Maria Jezus liefhad, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Bevatten wij nooit beter het leven, het lijden en den dood van Jezus Christus, dan wanneer wij Hem, den Immanuel, als den schulddragenden en plaatsbekleedenden Zoenborg Zijns volks, dat Hij zalig zou maken van hunne zonden, aanmerken; â dan zien wij ook hier hoeveel Hij heeft moeten lijden. Die ir. de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof behoefde te achten Gode even gelijk te zijn, en omdat Hij Een was met den Vader alle eer toekwam in hemel en op aarde: dat Hem, gereedstaande om Zich voor dat volk te heiligen, de eer der zalving die eene geloovige vriendin Hem toebracht, misgund werd. Moet het Zijne teedere ziel niet bitterlijk hebben bedroefd, dat daar onder Zijne discipelen en vrienden, een Judas zat, die vroomheid huichelde, en als werktuig der verleiding van den duivel gebruikt werd, dat zij zich jegens de Hem lievende Maria vergrimden, en dus ook tegen Hem; want die Zijn volk aantast, tast Hem aan! Dat heeft Hij moeten lijden om voor hunne zonden en schulden te boeten, om voor hen te verwerven dat Hij hen zou verblijden in hunne droefheid, en den treurigen Sions zou beschikken, dat hun gegeven werd sieraad voor assche, vreugde-olie voor treurigheid, en het gewaad des lofs voor eenen benauwden geest; ja! opdat de olie van Gods genade op hunne zielen zou druipen. O! als het door genade onze zonden en schulden mogen worden, die den Heere Jezus dat lijden hebben aangedaan, hoe zinken wij dan niet in aanbidding en bewondering voor Hem neder, dat Hij zooveel alleen uit liefde heeft willen lijden ook voor ons, om ons van den tijdelijken en eeuwigen dood te verlossen; en dan gevoelen wij iets van die liefde, die Maria voor Jezus bezat in onze zielen, en dan is het de begeerte
6
162
onzer zielen, Jezus te zalven met onze boetvaardige harten. Zijn naam is ons dan eene uitgestorte olie, en in die oogenblikken is alles v/at er aan Hem is, ons gansch en ai begeerlijk. Ja! dan verstaan wij eenigszins de verlegen vraag van den man naar Gods hart: wat zal ik den Heere Jezus, mijnen God en mijn Heere, toebrengen? En gelooven, dat daar wij Hem niets waardiglijk kunnen toebrengen, Hij niets van ons vraagt, dan den beker der verlossing op te heffen, en den Naam des Heeren aan te roepen. Wanneer wij door het geloof dit recht mogen bevatten en verstaan, dan zalven wij den Heere Jezus met Maria.
Maar ach! wie weet. God alleen weet het, hoe velen er nog onder ons zijn, die den Heere Jezus nog nooit in hun huis hebben ontvangen, laat staan dat zij Hem eenen maaltijd zouden hebben bereid; die integendeel de deur hunner huizen voor den Heere Jezus sluiten en geene andere maaltijden houden, dan met dezulken die met iien den Heere Jezus, Wiens naam zij dragen of in Wiens naam zij gedoopt zijn, of uitwendig uit gewoonte beleden hebben, verwerpen door het goddeloos ongeloof hunner harten. Ik hoop dat gij mij verstaan moogt. Ons huis, waarin wij den Heere Jezus moeten ontvangen, is ons hart; de maaltijd waartoe wij den Heere Jezus moeten noodigen, is het verbroken hart, de verslagen geest, en die voor Zijn Woord beeft; dat zijn alleen de offeranden Hem welbe-hagelijk. Maar ach! zoolang de sterk gewapende in dat huis woont, en er zijn gezag in uitoefent, ik meen den duivel, houden, wij de deur onzer harten voor Jezus gesloten, al klopt Hij ook bij ons aan om binnen gelaten te worden. Dat is uw toestand, onbekeerde zondaar, die nog voortleeft naar den lust en de begeerlijkheden van uw wereldlievend hart, die in uwe eigen oogen rijk en verrijkt zijt en geen dings gebrek hebt, en voor wien daarom de Heere Jezus geene gedaante of heerlijkheid bezit, dat gij Hem zoudt begeeren. Gij droomt van vrede; vrede en geen gevaar ziet gij; gij verhardt uwe harten tegen de vele roepstemmen Gods, die tot heden tot u zijn gebracht; gij weigert Jezus den toegang tot uw hart, omdat de god dezer eeuw uwe zinnen heeft verblind. Ach! als gij zoo blijft als gij nu zijt, hoe vreeselijk moet dan niet eenmaal uw einde zijn, uw lot in eene eindelooze eeuwigheid worden? Beeft voor den toorn des Lams, als Hij komen zal op de wolken des hemels om gericht te houden. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Nog noodigt Hij u ernstig en welmeenend de deur uwer harten voor Hem te openen. Heden zoo gij Zijne stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden; bidt Hem dat Hij, Die met Zijne goedheid.
I
163
majesteit en genade nog in uw midden wil wonen, Hem Wien alle macht geschonken is in hemel en op aarde, ook u gelijk Lazarus weleer, opwekke uit den doodslaap der zonde en der misdaden, waarin gij nederligt, u reinige gelijk weleer den melaatschen Simon. O! dan zult gij den Heere Jezus in uw huis noodigen, en iets van die liefde, welke Maria Jezus betoonde, in uwe zielen gevoelen.
Onder de vrienden en vriendinnen aan den disch van Simon gezeten, was ook een Judas, die zich een discipel van Jezus veinsde, maar wiens hart aan den Mammon nog verbonden was, een dief en een gierigaard; en gij weet zulken zullen het koninkrijk Gods niet beërven. Hij veinsde een voorstander van de armen te wezen, maar had in de daad niets in het hart dan om zichzelven te verrijken. Gezeten onder de vrienden van Jezus, daar Hij Jezus niet lief had, gevoelde hij ook geene banden aan Zijn volk. Listig wist hij zijne zonden schoon op te schikken, en op eene bedekte wijze hen die mede met hem aanzaten tegen den Heere Jezus en Zijne Hem zoo liefhebbende vrienden te verbitteren; en waarlijk, zoo verre bracht hij het, dat zij door den schijn verblind zich tegen Maiia vergrimden, en dus ook Jezus smart aandeden. Zouden er ook nog zulken onder ons worden gevonden, die uitwendig aan de witgepleisterde graven gelijk zijn, maar van binnen vol onreinheid? Die uitwendig zich voordoen als vrienden van Jezus, metgezellen van Zijn volk, maar inderdaad nog elke gelegenheid aangrijpen om met de wereld mede te doen, zooveel in hen is, op eene bedekte wijze, om Gods 1 volk te lasteren en smaadheid aan te doen? Zouden er onder ons ook nog gevonden worden, die gelijk Judas met Gods volk den maaltijd houden, tot Jezus\' gedachtenis ingesteld, maar van dien maaltijd opgestaan, henen gaan om met de vijanden van Jezus Hem en Zijn volk te smaden? Denkt er om dat Jezus over Judas het wéé heeft uitgesproken, en dat Hij zulks ook over u doet. Gij moogt uzelven, en uwe medemenschen kunnen misleiden, de Heere kent uw hart, uw bestaan, uw leven. Eens zal Hij ook uwe heimelijke zonden in het licht Zijns aanschijns stellen, en zult gij het ondervinden. Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten; zoo wat de mensch zaait, zal hij ook maaien. Och, dat God u voor dat verschrikkelijk lot, dat Judas heeft ondergaan, moge bewaren, u uwen verderfelijken weg moge doen verlaten, u ontdekken moge aan uw arglistig hart, opdat gij in dat heden der genade, want voor u is de deur der genade nog niet gesloten, nog met die droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt, tot Jezus mocht komen, dat Hij Zich uwer moge ontfermen. O! spiegelt u aan Judas, laat gierigheid, van welken aard ook, u in haren strik niet vangen, en
164
uwe harten niet van den Heere Jezus houden, zij is de wortel van alle kwaad.
Maar mij dunkt er zullen ook onder ons worden gevonden, die bij zichzelven denken: Och! waren wij maar zulke Maria\'s. Mochten wij dat van ons zeiven maar gelooven kunnen, dat de Heere Jezus met een oog van welgevallen op ons nederziet; maar ach! wij vreezen, dat wij Jezus nog nimmer gezalfd hebben met de onver-valschte Nardus-olie van een ongeveinsd geloof, van eene onverdeelde liefde. Als die Maria\'s gestalte de onze ware, onze zielen zouden inniger aan Hem verbonden zijn, wij gevoelen ons nog zoo verbonden en gekluisterd aan het schepsel, aan de dingen dezer wereld. Zouden wij wel ooit een goed werk aan den Heere Jezus hebben gedaan? Zulke en dergelijke bedenkingen, M. V.! komen op in zielen die bevreesd zijn voor het zelfbedrog der zonde, die gelooven, omdat zij door genade aan zichzelven aanvankelijk ontdekt zijn geworden, dat het hart arglistig is, doodelijk, meer dan eenig ding, wie zal het kennen? In de harten van zulken, die zichzelven niet kunnen voldoen met het bespreken der waarheden, maar die overtuigd zijn, dat de Heere Jezus lust heeft aan waarheid en oprechtheid in hun binnenste. Zou ik geen woord van vertroosting en bemoediging tot u, bestreden zielen, spreken? O! als waarlijk die bekommernis uwe harten vervult, gij klaagt over uwe liefdeloosheid, over uw wangedrag, uwe dagelijksche afzwervingen van Hem, dan laat zij u niet werkeloos, maar dan oefent gij hetgeen geschreven staat: âDraagt u als ellendigen en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uwe blijdschap in weenen.quot; Ja! als gij behoort onder dat volk, dat de Heere in eeuwige liefde heeft gekend, en dat Hij met Maria aan Zijne voeten heeft gebracht, om naar Hem te luisteren, en van Hem te worden onderwezen, dan kent en oefent gij ook met haar dat nedervallen en nederbukken voor Hem, met die bede: Heere! kom tot ons in; neem ons geheele hart; maak ons los, wij kunnen en willen niet loslaten, opdat Gij de eerste plaats in onze harten moogt bekleeden, wij IJ boven alles en allen mogen liefhebben. Al het gebrek, M. V.! aan liefde tot Jezus, gelijk Maria die bezat, ontstaat uit gebrek aan geloof in Jezus. Och! dat gij dat recht mocht inzien, dat is uw gebrek, dat is uwe kwaal, en mocht dat meer uwe bede zijn uit een door zonden verbroken hart, dat de Heere u door den Heiligen Geest die genade des geloofs mocht schenken, uw zwak wankelend geloof mocht sterken. Hoe gij voor uzelven door het ongeloof van uwe harten nog van verre moogt staan, zoudt gij durven ontkennen, dat er geene betrekking op den Heere Jezus en Zijn volk bij u wordt gevonden? Is het de
165
begeerte uwer zielen niet om Hem geheel alleen volkomen lief te hebben? Is het niet de smart uws levens, dat gij Hem niet meer in uw huis, dat is uw hart, met de onvervalschte olie van geloof, hoop en liefde zalft? Jezus wil uwe harten hebben. Hij wil die bereiden tot vaten Hem ter eere en toebereiden tot alle goed werk. De offeranden en gaven. Hem alleen welgevallig, zijn een verbroken hart en een verslagen geest; als gij daarmede voor Hem moogt komen, dan zal ook de geur der Nardus-olie, waarmede gij Jezus zalft, niet ontbreken.
En gij, die met Maria die tijden kent, dat het u geschonken werd met haar uit geloof en in liefde voor Jezus, alles voor Hem over te hebben, en geloofsdaden hebt mogen verrichten, waardoor de Heere Jezus, op het hoogste verheerlijkt werd, o! gij kunt Jezus naar het lichaam niet meer in uw huis ontvangen, maar al wat gij uit liefde voor Jezus aan de arme vromen zult doen, aan den minste Zijner broeders en zusters zult hebben gedaan, de Heere Jezus wil het beschouwen alsof gij het Hem zult hebben geschonken. Dat noemt Hij een goed werk, als het uit het geloof, naar Gods Woord, tot grootmaking en verheerlijking van Hem, die u zoo uitnemend heeft liefgehad, geschied is. Gij hebt het u steeds voor te stellen, dat gij onverdiende miskenning, ja! smaad zult ondervinden, inzonderheid van de Judassen, die zich onder het volk Gods vermengen. Och! dat gij u deswege niet bekommeren moogt, maar steeds oog en hart op Hem moogt gevestigd houden. Die beloofd heeft, dat Hij, daar Hij kent die de Zijnen zijn, âhunne rechtvaardigheid zal doen voortkomen als het licht en hun recht als de middag.quot; Al is het dan ook, dat uwe beste werken met zonden en zwakheid bevlekt zijn, de Heere Jezus zal ze in liefde aannemen, en geheiligd door Zijne volmaakte offerande, onberispelijk en aangenaam maken bij God. Lastert en smaadt u de wereld, gij hebt u tegen haar niet te verdedigen ; weest verzekerd, de Heere zal u beschermen, en Gods Geest zal uwe voorspraak zijn in de vierschaar van een goed geweten, dat uw werk in Gode is gedaan. O! wel een iegelijk uwer M. V., die met Maria Jezus zoo hartelijk lief hebt, en met haar door genade in dat lichaam der zonde en des doods moogt juichen: Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde. Zij werd door Jezus getroost in hare smart, met den allerhoogsten troost, met de goedkeuring des Heeren. Zij ontving voor den smaad haar aangedaan, de allerhoogste eer, dat zij het lichaam van Jezus de laatste eer mocht aandoen; dat zal Jezus ook u geven. Is Maria\'s nagedachtenis in eere gebleven; hoe vele eeuwen er ook voorbijgingen, er wordt nog van haar gesproken. Ook uwe nagedachtenis
166
zal bewaard blijven, terwijl die der goddeloozen zal verrotten. Het penningske der weduw en de beker koud waters van een discipel in Zijnen naam gegeven, zal door Jezus niet vergeten worden. Voorwaar zeg Ik u, zeide Jezus, voor zoo veel gij dit aan Mijne minste broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het aan Mij gedaan. Gij dus zult de eeuwige gelukzaligheid deelachtig worden, die hoewel gij Jezus geen dienst hebt kunnen bewijzen, het werk der liefde uit geloof in Hem, Zijn arm en ellendig volk zult hebben betoond. Wel u dus, die met Maria het goede deel hebt gekozen, dat niet van u in eeuwigheid zal worden weggenomen; die met haar aan de voeten van den Heere Jezus hebt gezeten; die hier met Hem, uwen Koning aan Zijne ronde tafel hebt aangezeten, terwijl uwe Nardus zijnen reuk gaf, en door zijnen geur het gansche huis vervulde. Eens zult gij met alle de Maria\'s de beminden, de geliefden des Heeren, ais eeuwige wonderteekenen Zijner verlossende liefde en genade eeuwig met Hem aanzitten aan de bruiloft des Lams. Ziet! dat is uwe hoop die niet beschaamd zal worden, omdat de liefde Gods in uwe harten is uitgestort. â Amen.
Psalm 97 : 7.
XI.
DE KLACHT EN DE BEGEERTE DER GELOOVIGEN.
Leerrede over Psalm 119:25.
VOORZANG; PSALM 119 : 13, 14.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
Gelijk het gejaagde hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo dorsten de zielen van Gods arm en ellendig volk naar den levenden God, en is het in dit hun lichaam der zonde en des doods, hunne klacht: âWanneer zal ik naderen voor Uwe oogen, in Uw huis â dat is de hemei, de woonplaats van den Allerhoogste â Uwen naam ver-hoogen?quot; In en bij die klacht dus voegen zij eene begeerte. Kan dit ook wel anders? Zij, die door den Heere uit het stof door Christus en Zijnen voor hen verworven Geest zijn uitgered, klagen over hunnen ellendigen toestand door de zonde, die in hen woont; zij verlangen naar het leven, omdat zij in Christus Jezus levend zijn gemaakt. Zal iemand, die nog vleeschelijk verkocht is onder de zonde, zulk een
167
die nog dood is voor God in zonden en in misdaden, naar het leven wenschen? Daarom verstaat de natuurlijke mensch het klagen van Godsvolk niet, noch\'hun roepen uit den angst en de benauwdheid des harten; hun is het eene dwaasheid en tot ergernis. Welnu, ik had in mijn hart heden tot u te spreken over de klacht en de begeerte der geloovigen. Moge God ons Zijn Woord recht doen verstaan. De Heilige Geest opene daartoe onze harten, en verhoore ons gebed, hetwelk wij voor God uitstorten. Ja! Hij moge voor en in ons bidden, opdat wij die klacht en die begeerte der geloovigen recht mogen bevatten en beoefenen, Ps. 119:25. âMijne ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw Woord.quot;
Hoev/el de naam van den dichter niet aan het hoofd van den Psalm staat, waaruit ik u M. V. dit merkwaardig en zinrijk tekstwoord voorlas, zoo mogen wij toch op den stijl en den inhoud lettende, het daarvoor houden, dat het David, de man naar Gods hart is geweest, die hem heeft opgesteld, naar de volgorde der He-breeuwsche letters in 22 afdeelingen, elk van 8 verzen. Het is zeer waarschijnlijk, dat hij dit heerlijke lied, terecht het A, B, C der godzaligheid genoemd, in dien tijd heeft opgesteld, toen hij nog niet als koning over Israël gehuldigd, voor de vervolgingen van Saul moest vluchten, en zich in het land der Filistijnen ophield. Hij spreekt in dezen Psalm zijne innige overtuiging uit, dat er voor den mensch in deze wereld, waarin het uitnemendste niets is dan moeite en verdriet, geen wezenlijk geluk bestaan kan, dan alleen in de zaligmakende kennis van den eenigen en waarachtigen God, en in een godzalig leven voor Hem, naar Zijn Woord, Zijne wet en Zijne getuigenis, hetwelk eeuwig zeker is, en slechten wijsheid leert. Daar hij zichzelven door genade ais een arm, dood- en doemschuldig zondaar voor God had leeren kennen, gansch en al machteloos en krachteloos door de zonde, bevat deze Psalm gebeden, smeekingen en verzuchtingen, dat die God, die zijn God had willen zijn, hem onderwijzen, leeren en vertroosten mocht door Zijn Woord en den Heiligen Geest. Hij drukt daarin zijne innige zielsbegeerte uit, dat de Heere hem in eiken weg, waarin het Hem behaagde hem te leiden, hem geven mocht, Hem getrouwelijk aan te kleven, zich in Hem te sterken, en op Zijn heil te wachten. Hij erkent met ootmoed voor God, Die harten kent en nieren proeft, dat hij, hoezeer ook op de proef gesteld, door Zijne genade bewaard was gebleven van den Heeie af te gaan, gelijk hij vs. 24 en 25 te kennen geeft; dat hij Gods inzettingen had betracht, en dat Gods getuigenissen zijne vermakingen en zijne raadslieden waren gebleven. Daarom mocht hij ook in eiken nood, waarin hij zich bevond, zich tot dien God wen-
168
den, die de God zijns levens en van alle goedertierenheden was; mocht hij pleiten op Zijne toezeggingen en beloften, tot Hem zuchten en klagen, gelijk hij in onzen tekst doet: âMijne ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.quot; Welaan, laat ons den zin en de meening trachten te verstaan.
1°. Van zijne klacht, en 2°. Van zijne heilige begeerte, om dan 3°. Daarmede toepasselijk tot ons zeiven in te keeren.
Och! of het den Heere mocht behagen deze onze overdenking te zegenen, tot ons tijdelijk en eeuwig welzijn.
1°. Wenschte ik met u zijne klacht te verstaan.
David, de man naar Gods harte, werd door vele uit- en inwendige beproevingen geoefend; maar in alle ongelegenheden zijns levens, uit welke oorzaken ook voortgekomen, bleef dit hem over, dat Jehova zijn God en zijne toevlucht was in het land der levenden. Hem klaagde hij zijne nooden, voor Hem stortte hij zijne gansche ziel uit. God alleen was en bleef het die hem daarin ondersteunen, daaruit redden, en ze van hem afwenden moest. Dat M. V. stelde hem in staat om niet in moedeloosheid weg te zinken, dat deed hem zijn hoofd boven houden, dat lokte hem uit, om zooals hij in het volgende vers zegt, aan den Heere zijne wegen te vertellen, en daar de ondervinding van verhooringen hoop geeft, wekte dit hem op, om met alle zijne nooden, en alle zijne ellenden zich tot Hem te wenden. Voor elk kind Gods is het met David zijn leven, wanneer het hem door genade mag worden geschonken zijne gansche bezwaarde ziel gul en oprecht voor den Heere te ontlasten, zonder iets voor Hem te verbergen, zelfs niet zijne slechtigheden, maar die ook met alle zijne behoeften voor Zijn aangezicht open te leggen.
Wat is nu de zin en de meening van die klacht van David: mijne ziel kleeft aan het stof? Onze vertalers leggen die klacht uit; â Ik ben schier dood en in het stof der aarde begraven,quot; en daarmede gaf hij dan zijn zeer zwaar en zorgelijk lijden te kennen. Wanneer men nu zijne k\'acht alleen wil verstaan, dat hij daarmede zou hebben willen zeggen: ik ben in gevaar om te sterven en begraven te worden, of zoo als anderen wel eens stellen: ik gevoel mij te zeer aan het zien-en zinnelijke, aan het stoffelijke verbonden en verslaafd, dan vereenig ik mij niet met zulk eene verklaring. David spreekt, zooals wij uit den samenhang onzer tekstwoorden kunnen nagaan, van geestelijke dingen. Geven wij acht op de kracht van het oorspronkelijke woord, dan ziet deze uitdrukking: de ziel kleeft aan het stof, in hare eigenlijke beteekenis op iemand, die ter aarde is nedergeveld, en wel voorover, zoodat hij met zijn mond in het stof ligt, waardoor hem
169
de vrije ademhaling wordt belemmerd en hij in gevaar verkeert om te verstikken. Van daar ontleend, wordt ons in die woorden een toestand vol van leed en jammer voorgesteld, een toestand, waarin men zichzelven geheel en al machteloos en krachteloos gevoelt, om zich te herstellen. David heeft dan willen zeggen door deze uitdrukking te bezigen: ik ben zoodanig ter nedergeworpen, innig bedroefd en moedeloos, dat ik nauwelijks adem kan halen, en mij niet anders dan een haastigen ondergang kan voorstellen. Juist door de bijvoeging van de woorden, die hij bezigt, mijne ziel, wilde hij als het ware uitdrukken, tot in zijne ziel, door en door trof het hem. Dit aannemende, komt het geheel overeen met datgene, hetwelk hij belijdt in vs. 20â22; daarom spreekt hij vs. 28, dat zijne ziel van treurigheid wegdruipte. David lag daar dus als een diep verdrukte, als een in het stof ter nedergevelde, zijne kracht was hem ontzonken, bij zichzelven was hij geheel en al radeloos, en omdat de Heere het licht Zijns aangezichis voor hem verborg, zat hij diep nedergebogen in veel vrees neder, vragende als het ware: van waar zal mijne hulp komen?
Vragen wij nu, als dat de zin en de meening van de klacht van David is, of zoo een kind Gods kan klagen? dan antwoord ik u: die klacht, onze zielen kleven aan het stof, kennen in meerdere of mindere mate alle zondaars, die door den Heiligen Geest overtuigd zijn geworden van zonde, gerechtigheid en oordeel, die het geestelijke leven hebben ontvangen. Ziet! daarom verklaarde Abraham, de vader der geloovigen, zich stof en assche voor den Heere, toen hij zich onderwinden mocht om tot Hem te spreken. De broosheid hunner lichamen doet hen de Heere niet zelden boven zulken, die Hem niet dienen, in krankheden en zwakheden, waarmede Hij hen bezoekt, ondervinden. Van de goddeloozen wordt verklaard: âEr zijn geene banden tot hunnen dood toe, en zij zijn steeds frisch,quot; Ps. 73 : 4, en daartegen stelde de dichter vs. 14: âDewijl ik den ganschen dag geplaagd ben, en mijn straf is er alle morgens.quot; Daarbij komt de boosheid hunner vijanden, waardoor hunne zielen gedurig in gevaar zijn, in het stof gelegd, of tot het stof nedergebogen te worden. Wat doet de duivel, die omgaat als een brieschenden leeuw anders, dan te trachten om hen te verstrikken met de strikken des doods, en hen in het stof der droefheid, in het stof des doods, ja, indien het mogelijk ware, hen in het stof der hel neder te werpen? Wat zoeken zij die den duivel dienen, en vijanden van de geloovigen zijn anders, dan om ze te vervolgen, hun leven ter aarde te vertreden, en hunne eer in het stof te doen wonen? Ps. 7 : 6; 143 : 3. Wordt het niet volbracht, waarlijk het is niet, omdat het
170
hun wil niet zou zijn, maar omdat de Heere hen daartoe de macht en gelegenheid doet ontbreken. Maar vooral ook kleven de zielen der geloovigen aan het stof, vanwege de zwakheid van hun geloof. Ach! hoe gering is dikwijls hunne geestelijke kennis. Hoe zwak is hun vertrouwen, zoodat zij van schepselen, wier grondslag in het stof is, hunne hulp en troost verwachten, en met Mozes als hij zwak was, op hetgeen zij voelen en zien vertrouwen. Num. 11 : 21, 22, en daardoor den moed verloren geven en bijkans bezwijken. Daarom worden de zwakgeloovigen bij een gekrookt riet, een glimmenden vlaswiek vergeleken, Jes. 42 : 3. Hoe kleven hunne zielen nog aan het stof, vanwege het lichaam der zonde en des doods, hetwelk zij omdragen. O! daar hun zielewensch niet anders is, dan de dingen te zoeken die boven zijn, waar Christus is, zij hunnen wandel in den hemel hebben, waar hun schat is, en hunne begeerte door genade is, om waardiglijk te mogen wandelen de hemelsche roeping, waarmede zij zijn geroepen, en hier op de aarde te leven, alsof zij hier niet leefden: ziet! daar is hun vleesch oorzaak, dat hunne zielen kleven aan het stof, zij zich onmachtig gevoelen zich van het stof te ontslaan, en zij zich bezighouden met aardsche ijdele dingen. Ach! hoe hangen hunne gedachten nog veel aan het stof. Hoe vervullen de zorgvuldigheden des levens hunne zielen. Wat al besluiten en voornemens worden er niet gemaakt en opgevat om anders te zijn en zich te betoonen; maar het komt niet tot de uitvoering; en zoo zijn zij niet ongelijk aan onze zwakke kinderen, die de armen we! bewegen om anderen na te springen, maar met hunne voeten op de aarde blijven. Hoe troosteloos bewandelt de geloovige dikwerf zijnen weg, omdat de last der zonden inwendig zoo drukt, dat hij zijne oogen niet eens ten hemel durft opslaan. Hoe dikwerf is hij door de zware kastijdingen en bittere vervolgingen zoo vervoerd door het vleesch, dat hij denkt van God vergeten, verlaten, ja zelfs verstooten te zijn; zoodat hij niets kan dan den mond i i het stof steken. Letten wij nu op dit alles, dan waarlijk is de klacht van David voor hen die geestelijk leven hebben ontvangen, niet vreemd: ,,Mijne ziel, o Heere, kleeft aan het stof.quot;
Voor wien zullen zij deze hunne klacht anders uitstorten dan voor God, en hunnen Heiland Jezus Christus? God immers is de Maker, is hun man. Jezus is het, die hen Zich ondertrouwd heeft in eeuwigheid. Zal nu eene vrouw of bruid de bezwaren van hare ziel niet openbaren aan haren man of bruidegom? Worden zij daartoe niet gedrongen door de liefde die zij voor elkander gevoelen? Voorzeker M. V. menschen die hun vreemd zijn, kunnen hunne klachten niet verstaan of behartigen, zoo ook in het geestelijke. Gevoelen zij
171
12 D 26
zich dus broze schepselen aan de ijdelheid, aan het stof onderworpen, bezoekt of beproeft God hen in dit leven door hun Zijne kastijdingen te doen ondervinden, met Job belijden zij voor God: Heerel zult Gij een stof verstuiven? Zult gij een verdreven blad verbrijzelen? Zult Gij eenen drogen stoppel vervolgen? Job 13 : 25. Gij weet immers, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn, Ps. 103 ; 14. Zal niet een aardsch vader zich over zijn zwak kind ontfermen? Zal niet een aardsch man zijne zwakke vrouw, die hij bemint zachtkens behandelen? En zou dan God hen verstooten? Zou de Heere Jezus de bloedbruidegom Zijner bruid, haar verwerpen? Zoo ook wanneer zij zich door uit- en inwendige vijanden beroerd en vervolgd en benauwd gevoelen, zoodat zij wel eens moeten uitroepen: onze zielen zijn in het stof nedergebogen, onze buik kleeft aan de aarde. Ps. 44 : 24; juist omdat zij zich machteloos en krachteloos in zichzelven tegen de menigte hunner vijanden gevoelen, roepen zij tot Hem. Wanneer zij met smart moeten belijden, dat zij zwak in het geloof zijn, dan vragen zij den Heere, klagende: onze ziel kleeft aan het stof, Heere kom onze on-geloovigheid te hulp! Wanneer zij moeten belijden niet anders dan gekrookt riet te zijn: Heere! zult Gij het verbreken? Wij zijn een brandende vlaswiek gelijk, zult Gij dien uitblusschen? Zoo M. V. worden er van die tijden in het leven van Gods kinderen gekend, dat zij er bij bepaald wordende, wie zij wegens hunne inklevende bedorvenheid zijn, met Paulus voor Christus klagelijk belijden: Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? of met David: Ik ken Heere! mijne overtredingen, en mijne zonde is steeds voor mij: zoudt Gij, Heere! Uw dwalend schaap niet zoeken? Zoudt Gij, Heere Jezus, het kreupele, lamme, zwakke niet dragen en genezen? En die klagende gebeden worden uitgestort op Zijne beloften, om Zijne kracht in de zwakheid Zijns volks te willen verheerlijken, om Zijne barmhartigheid in hunne overtredingen te willen volbrengen en groot te maken.
Ja! M. V. wanneer zij omdat hunne zielen kleven aan het stof, geheel en al troosteloos bij zichzelven zijn, zij zich zeer zwak gevoelen, wachten naar medelijden, maar dat niet ondervinden; naar vertroosters omzien, maar ze niet hebben gevonden, Ps. 69 : 21, dan roepen zij tot God, den Vader der barmhartigheden en der. God aller vertroosting; dan storten zij hunne zielen uit voor den Heere Jezus, en zeggen: o Jezus, Gij zijt een Heiland tot troost gezonden, en ik die Uw lid ben, lig in assche en stof, in benauwdheid des gees-tes; en klagelijk openbaren zij hunne ellende, omdat zij vertrouwen, dat de hemelsche Vader mededoogen heeft met het stof Zijner ge-
172
loovigen, als in alles verzocht geweest gelijk zij, doch zonder zonde.
Ja! met den man naar Gods hart, is dat de staat en ook de klacht van al het volk Gods, zoolang zij inwonen in het lichaam der zonde en des doods en uitwonen van den Heere: onze zielen kleven aan het stof. Trap en mate der uit- en inwendige verdrukking die zij ondervinden, mogen onderscheiden zijn, daar God den vijand toelaat dezen of genen Zijner kinderen meer te benauwen naar den uit- en inwendigen mensch, dan anderen. De een van Gods volk moge zich dieper in het stof bevinden dan de anderen. God handelt met hen in dat opzicht naar Zijn souverein welbehagen, en niemand heeft het recht Hem te vragen; waarom doet Gij zoo met mij? Dat staat vast M. V., er is niet één der geloovigen of hij heeft, wanneer God hem oogen geeft om naar binnen te zien, oorzaak om te klagen: mijne ziel kleeft aan het stof. Het is juist een zeker kenmerk van ons kindschap, onze ellende door de zonde te erkennen voor God, en daarover te klagen. Zij die den duivel, de wereld en de zonde nog met hunne harten dienen, bedenken niet dat zij stof zijn. Indien zij eens over hunne lichamelijke zwakheden en ellende klagen, en deze hen drukken, het is uit ongeduld, geen roepen tot Hem, dien zij niet kennen om hen daaruit te verlossen. Ach! de natuurlijke mensch bedenkt alleen de dingen die beneden zijn, wentelt zich geheel in het slijk en het stof der aarde; hij bezit geen ander verstand, geene andere wijsheid dan van de dingen die voorbijgaan; geene andere begeerte dan naar het stof; geene andere vreugde dan die het stof geeft. In de wedergeboorte des zondaars, wordt er door God een mensch geschapen, een nieuwe mensch, een ik, dat een vermaak heeft in de wet Gods, naar den inwendigen mensch dat klaagt en daarover blijft klagen voor God: mijne ziel kleeft aan het stof.
Het is de Heilige Geest, die den wedergeboren zondaar deze zijne ellende doet gevoelen, zijne blinde oogen er voor opent, hem dit gebed leert, maar die hem dan ook met David er doet bijvoegen: Maak mij levend naar Uw Woord. Laat ons
2°. die heilige begeerte van David overdenken. Maak mij levend naar Uw woord, zoo bad David. Hij begeert dus dat de Heere hem levend moge maken, en geeft ook den grond op, waarop hij zulks begeeit.
Meermalen vindt gij in dezen Psalm de bede, door David uitgestort om deze genadewerking des Heiligen Geestes, deze levend-making te mogen ondervinden. Ja! niet één Psalm bestaat er, of als hij voor God over zijne zonde en ellende mag klagen, dan vindt gij er ook het gebed om levendmaking bij. Dit kan ook wel niet anders, want het is door het leven, dat God in onze zielen opwekt, dat wij
173
12 D 26
zien en gevoelen, dat onze zielen aan het stof kleven, en daarom roept dat leven, tot den levenden of levendmakenden God, om het leven. Hij alleen is de fontein des levens. Hij alleen is de Heere, Die doodt en levend maakt, ter helle doet nederdalen en weder opkomen, 1 Sam. 2 : 6. Dit is het gebed, dat de Heilige Geest, de Levenswekker hun geeft te bidden. Was de begeerte van David: Heere! maak mij levend, dit levendmaken ziet op datgene, hetwelk hij in zijnen toestand noodig had, om niet in zijnen druk te vergaan, maar om onder alles wat hem overkwam staande te blijven, ja, heilig en vroolijk voor den Heere te verkeeren. Hij bidt niet om verlossing van het drukkend en dreigend kwaad: neen! dat mocht hij aan den wijzen raad Gods, en Zijne hoogst heilige en onafhankelijke bestelling over hem overgeven. Dit begeerde hij, dat de Heere hem krachtdadig in zijne zielsbenauwdheden en bestrijdingen, die hij uit- en inwendig ondervond, mocht ondersteunen, opdat hij zijn hoofd, ook onder al dien druk mocht opbeuren, gemoedigd opbeuren, en die genade ontvangen, dat hij met stille onderwerping van zichzelven aan den Heere, in alle die wegen, die Hij met hem hield, Hem welbehagelijk zich mocht gedragen. Dit begeerde hij, dat de Heere hem geven mocht. Hem als een blinde te volgen langs wegen, die voor hem verborgen, en de paden die hem onbekend waren. Ja! dat de Heere hem mocht schenken blijde te zijn in zijne droefheid, in Zijnen dienst; op Hem te hopen, tegen hoop op hoop; in dat geloof en met dat vertrouwen, dat Hij het zou maken, zou weimaken, en op Zijnen tijd en Zijne wijze het licht uit de duisternis wederom te voorschijn brengen. Hij had slechts te spreken: daar zij licht en er is liciit. Hij woont ook in de duisternis.
Dat gebed, M. V., bevat alles in zich, wat waarlijk godvreezende zielen gevoelen noodig te hebben voor den tijd en de eeuwigheid.
Zendt de Heere hun ziekte en krankheid toe, met David en Hiskia begeven zij zich in dit gebed: Heere! laat onze ziel leven, wees ons genadig, genees onze zielen, Ps. 41 : 4; Jes. 38. Niet alsof zij altijd begeeren te blijven leven; neen, ook die tijden zijn hun in hun leven bekend, dat zij met Paulus wenschen ontbonden te zijn om bij Christus te wezen; maar zij erkennen de gezondheid des lichaam als een groote schat, en weten bij bevinding, dat zoo lang zij in het land der levenden zijn, het eene weldaad Gods is, met eene zieke ziel in een gezond lichaam den Heere te dienen, maar steeds is hunne bede er bij: niet gelijk wij willen, maar gelijk Gij, Heere! wilt. Met die bede: maak ons levend, bidden zij met David om verlossing van alle hunne uit- en inwendige vijanden en hunne wreede verdrukkingen. O! het geweld dier vijanden kan zoo sterk
174
zijn, dat zij uitroepen: âzij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maak ons levend naar Uwe goedertierenheid. Verlos ons van \'s men-schen overlast. Zie onze ellenden aan en help er ons uit. Twist onze twistzaak en verlos ons, maak ons levend naar Uwe toezeggingen.quot; Zoo bad David, zoo bidden zij met hem: âHeere! maak ons levend om Uws Naam wille. Voer onze zielen uit de benauwdheid, om Uwe gerechtigheid, en roei onze vijanden uit.quot; Ps. 143 : 11; 138 : 7. Zoo biddende bidden zij naar het bevel van Jezus: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. En waarom bidden zij zoo? Om alzoo verlost uit de hand der vijanden, den Heere te dienen zonder beletsel en vrees in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen huns levens.
Maar vooral is dit gebed: Heere, maak mij levend, bij David en allen die met hem den Heere vreezen, een gebed om naar den in-wendigen mensch gesterkt te mogen worden in het geloof, heiligheid en troost. In geloof: âkom onze ongeloovigheid te hulp, vermeerder ons het geloof, ondersteun ons naar Uwe toezeggingen, opdat wij leven, en Iaat ons niet beschaamd worden over onze hoop.quot; Ps. 116. O! dat is eerst reciit het leven van Gods volk, wanneer zij leven door het geloof des Zoons Gods, dan leeft Christus in hen. In heiligheid. Wend onze oogen af, dat zij geen ijdelheid zien, maak ons levend door Uwe wegen. Ziet! wij hebben eene begeerte tot Uwe bevelen, maak ons levend door Uwe gerechtigheid. Uwe wet is al onze vermaking Zoo bidden zij met David, want zij achten het geen leven, wanneer zij den Heere niet leven. Tot alle goed werk bereid te mogen zijn, onbeiispelijk in heiligmaking te mogen zijn, dat immers is de innigste begeerte van den nieuwen mensch, die een vermaak heeft in de wet Gods, en belijdt voor God: âUw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.quot; In troost: âHeere, laat toch Uwe goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uwe toezegging aan Uwen knecht. Doe mij blijdschap en vreugde hooren, dat de beenderen zich verheugen die Gij verbrijzeld hebt. Geef mij weder de vreugde Uws heils, en de vrijmoedige geest ondersteune mij.quot; Ps. 51 : 10; 71 : 20. Zoo bad David, en zoo bidt het volk Gods met hem. Bestaat daarin, M. V. niet het ware leven der geloovigen, dat zij eenen levenden troost van den Trooster, den Heiligen Geest in hunne zielen genieten? O, wat is hun leven zonder dat een troosteloos leven. Bleven zij daarin, hun geest zou haast overstelpt worden, Jes. 57 : 16.
Maak Gij ons levend, zoo bidden zij met David, die met hem het leven hebben ontvangen. Want het leven met God kent alleen die heilige begeerte naar geestelijke levendmaking. Waarom bidden zij
175
zoo? Omdat hun leven in dat lichaam der zonde en des doods zoo flauw is, dat het is alsof zij niet leven, omdat zij zoo vele bekommernissen kennen, of zij recht leven, of zij in het geloof zijn. Ja, al gevoelen zij leven, zij weten bij bevinding, dat gelijk hun natuurlijk leven dageüjksche versterking, onderhouding, bewaring noodig heeft, zal het blijven bestaan, zoo ook hun geestelijk leven, van den Heere versterking noodig heeft; daarom bidden zij: Heere! maak ons levend. En de Heere maakt levend wanneer Hij in zekeren zin paal en perk stelt aan de drukkende lichamelijke en geestelijke ellenden, die Zijn volk benauwen, waaruit Hij hun geeft te roepen. Hij stelt hunne zielen dan in de ruimte en verblijdt ze inwendig, verandert hun weeklagen in reien. Dat doet Hij door de allesver-mogende werkingen van Zijnen Heiligen Geest. Hunne zielen worden dan met geestelijk licht bestraald.
Zijne verborgen invloeden worden dan wel eens zoo ondervonden, dat zij roemen in hunne zwakheden en onder de zwaarste verdrukkingen, en met den Apostel ook onder de moedbenemendste omstandigheden, bemoedigd mogen belijden: wij vermogen alles door Christus, die ons kracht geeft.
Laat ons nu ook nog den grond of het fundament nagaan, waarop die heilige begeerte, dat gebed: maakt mij levend, rust.
Maak mij levend, zoo bidt David, naar Uw Woord. Aan welk woord hebben wij hier te denken? Aan Gods geopenbaarde toe-zeggingen voor al Zijn arm en ellendig volk. In die Goddelijke toezeggingen wordt hun van God zeiven verklaard, dat Hij hun geven wil alles, wat zij tot hun leven en de godzaligheid voor dit en het volgende leven noodig hebben. In dat woord verklaart en verzekert God ronduit en duidelijk niet alleen, wat Hij voor hen kan, maar ook wat Hij wil en zal doen. Alle de toezeggingen Gods in Zijn Woord zijn voorwerpen des geloofs. Zij zijn gegeven tot hunne bestiering en om hunne vervulling, hun in die standen en wegen, en bijzondere gelegenheden, waarin zij gebracht worden, te doen ondervinden. Juist het woord der beloftenis mag en moet hunne zielen opbeuren en werkzaam maken, maar zonder de beloofde zaak kunnen zij zich niet vergenoegen.
Hoe vast is die grond, dat fundament van dat gebed: maak mij levend. Waarop zou de bidder anders steunen dan op Gods Woord? Buiten Gods Woord heeft hij geen steunsel. In zichzelven vindt hij geene waardigheid, geene kracht, geene bekwaamheid ten leven, waaruit hij iets levends kan verwachten. Gods Woord is eeuwig, waarachtig, onveranderlijk. Waar moest ik beginnen en eindigen, indien ik u alle die toezeggingen en beloften, die God in Zijn Woord
176
uit genade aan Zijn volk geeft, wilde opnoemen? De gahsche openbaring Gods is er een samenstel van, en zij zijn allen in Jezus Christus Ja en Amen, Gode tot heerlijkheid door ons. Ja! als wij daarop letten, dan worden wij gedwongen in verbazing en met verwondering uit te roepen: Heere! Uwe liefde en nederbuigende goedheid in dit opzicht, is eene zee gelijk, die geen bodem of strand heeft. Gij hebt Uwe toezeggingen in uw Woord niet slechts willen geven, maar omdat Gij de harten Uws volks kendet, zoo ongeloovig van natuur, zoo traag om te geiooven, hebt Gij die met sterke verzekeringen, met Amen! Amen! met voorwaar, voorwaar! Ik zegge u, met krachtige redenen willen bevestigen, ja! met een eeuwig verbond, met heerlijke voorbeelden, met heilige teekenen, zegelen en onderpanden in de sacramenten. Zegt mij, M. V.! mag het Woord Gods niet terecht een getrouw en waarachtig Woord worden genoemd? Is er wel een andere troost in onze ellende, dan wanneer die toezeggingen Gods ons levend maken? Kan een gebed wel krachtiger en Gode aangenamer zijn, dan wanneer het ons door genade mag worden geschonken, den Heere Zijn eigen Woord voor te houden? Wanneer wij met David mogen bidden: Nu dan, Heere God, doe dat Woord, dat Gij over Uwen knecht gesproken hebt, bestaan in eeuwigheid en doe gelijk Gij gesproken hebt (2 Sam. 7 : 25). âHeere, maak mij levend naar Uw Woord.quot;
Een leven, hetwelk niet overeenkomt met dat woord, is geen leven, maar de dood. Wat niet is overeenkomstig het Woord Gods, brengt ons geen leven aan, en eike vertroosting die wij ons buiten hetzelve opdringen, is ijdel, kan ons geen leven geven. Daarom ook is het de heilige begeerte van elke door God levend gemaakte ziel, het leven te genieten, hetwelk met Gods Woord overeenstemt. Daarom is de ware godzaligheid, welke de belofte heeft voor dit en het toekomende leven, zoo te willen leven, dat men naar Gods Woord leeft.
Ziet, M. V.! zoo gaat de klacht van Gods volk, wanneer zij zich door genade van nature verkocht gevoelen onder de zonde en onder den dood: Heere! onze zielen kleven aan het stof, altijd gepaard met die heilige begeerte, met dat gebed: Heere! maak ons levend naar Uw Woord. En geeft de Heere nu den wensch van allen die Hem vreezen; heeft Hij nimmer hunne gebeden afgewezen, dan ondervinden zij allen, die zoo met David leeren bidden, met hem, dat hun leven verlost hunne uit- en inwendige vijanden verslagen worden, hun zwak en wankelend geloof gesterkt, hunne hope, die zij op God koesteren, niet beschaamd zal worden. God heeft zich uit eeuwige liefde aan Zijn Woord voor Zijn volk willen verbinden. Hunne
177
klachten uit het leven, dat Hij door genade hun schenkt, in gebeden voor Hem uitgestort, wil Hij hooren, en ze om Zijns Woord wille, ja! om Zijns Zoons Jezus Christus\' wille, die het levend Woord is, verhooren. Hoezeer hunne zielen dus kleven mogen aan het stof, op het diepst neergedrukt mogen zijn, geen nood, de Heere zal er hun doorhelpen. Wie in het stof lag neergebogen, werd door Hem weder opgericht, dat zal hunne zalige ondervinding zijn. Hij geeft hun sieraad voor assche, vreugde-olie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest. God zaï nimmer Zijne eens gedane beloften intrekken. Ik doe het, o Mijn volk! heeft Hij gesproken, niet om uwentwil, maar om Mijns grooten naams wille, niettegenstaande hunne onwaardigheid en slechtheid. Zijn gegeven Woord doet Hij gestand, nu en altoos tot in aller eeuwen eeuwigheid.
Laat ons nu eindigen met de toepassing, maar vooraf zingen: Ps. 38 : 21, 22.
3°. Laat ons eindigen met de toepassing.
Mijne ziel kleeft aan het stof: die klacht M. V., is in het leven van Gods volk geene onbekende zaak. O! daar kunnen uitwendig zoovele dingen zijn, die hen drukken, bedriegen en benauwen, hetzij zij onze eigen personen of naaste betrekkingen, of het land waarin, en het volk waartoe zij behooren betreffen, die zoo droevig en moed-benemend zijn. vooral in dagen en tijden, waarin wij nu leven, waarin de oordeelen Gods zoo zichtbaar zijn. Bij die uitwendige bezwaren kunnen de inwendige komen. Wat kan hun gemoed gebogen worden onder het pak van aan het geweten verlevendigde zondeschuld. Hoe kan hun niet de inwonende en krachtig werkende verdorvenheid, wanneer zij door genade die in hen ontdekken, benauwen. Ja, als de vijand van hun heil onder de toelating des Heeren op hen wordt losgelaten; verzoekingen en bestrijdingen hun overkomen, en de Heere Zijn licht hun onttrekt, dan waarlijk schrijft de Heere bittere dingen tegen hen, zitten zij met hun on-geloovig hart in het duister, en kennen tijden en oogenblikken van dadelijke benauwdheid. Ja, dan is het leven van hun leven geweken, liggen zij aan den grond alsof het voor altijd voor hen is gedaan, en zij het weer wanhopig moeten opgeven. Hoeverre het in dezen kan gaan, is duidelijk, behalve in David, in een Asaf, Heman en vooral in een Job te zien. Maar ziet, de Heere houdt Zijne hand aan Zijn volk. Hij begeeft of verlaat hen niet. Hij geeft hun dus, niet omdat zij zulks waardig zijn, maar omdat Hij hun Ontfermer
178
is, die hen lief heeft met eene eeuwige liefde, dat zij niet moedeloos bij en tusschen de pakken nederzitten, maar dat zij Hem aanloopen als een waterstroom, dat zij bij Hem aanhouden; al vertoeft Hij ook, dat zij Hem verbeiden, dat zij klagende zich naar den Heere wenden met die bede van David: Heere! maak mij levend. En als zij zoo bidden, dan begeeren zij niet zoozeer uitredding uit de bezwaren die hen drukken, maar versterking van hun geestelijk leven, om in die wegen zich onder de krachtige hand des Heeren in ootmoed te mogen bukken en zich te vernederen, den weg voor hen geopend te mogen hebben tot den troon der genade, alle Gods wegen, ook de bitterste voor hun bloed en hun vleesch te mogen goedkeuren en billijken, en daaronder stille te zijn als het gespeende kind, en in alles wat hun overkomt een goed toevoorzicht op den Heere te mogen hebben, Gods naam er in verheerlijkt moge worden. Die gebeden om levendmakirg steunen op Gods toezeggingen en beloften aan Zijne ellendigen gedaan. Zij vloeien dan voort uit dat zaligmakende geloof, waarmede zij met den Heere Jezus zijn verbonden; zij worden in hen opgewekt door den Heiligen Geest, die, wanneer zij niet weten te bidden zooals het behoort, voor en in hen bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Daarom ook blijven deze gebeden niet onverhoord.
Och! of wij allen, M. V,, bij eigen bevinding kenden, dat onze zielen kleven aan liet stof, en ook dat bidden: maak ons Heere! levend naar Uw woord. Maar ach! ik vrees, dat er nog onder ons worden gevonden, die nog geheel onbekend zijn met den toestand, waarin David zich bevond, en waaruit Hij riep tot den Heere. Ach! de mensch van nature kent God niet; hij stelt Hem daarom ook niet tot zijne toevlucht, hij leeft vervreemd van God, zonder God, en in plaats dat zijne ziel er last van zou hebben, en er smart over zou gevoelen, dat zijne ziel aan het stof klaeft, is het stof, en wat is dat anders dan alles wat de wereld haren dienaars geeft, zijn lust en zijn vermaak, om er zich hoe langer hoe vaster aan te verbinden. Al treft ons in dien toestand levende en verkeerende, ook druk of ramp of bezoeking, het moge ons voor eenige oogenblikken benauwen en beangstigen, men zoekt dan zijne hulp en troost in zichzelven of bij het schepsel, men erkent er den Heere niet in, en openbaart murmureering, wrevel en opstand des harten, of zegt, zich gedwongen onderwerpende: wat kan ik er tegen doen?
Zijn er ook nog niet onder u, die afkeerig van God leven? Gods Woord en alle opwekkingen en vermaningen die daaruit tot hen komen, door het goddeloos ongeloof hunner harten blijven versmaden? O! wij waarschuwen u ernstig, gij zijt op weg, om aan de
179
verharding uwer harten, het zwaarste oordeel, dat u hier kan treffen, te worden overgegeven. Zoo voortlevende, wat wacht u anders dan eene eeuwige rampzaligheid. Om uws levens wil dus bidden wij u, bedenkt toch hoe noodzakelijk het voor u is, ontdekt te worden aan het diep bederf uwer harten. God heeft nog geen lust aan uwen dood en uw verderf, maar aan uw leven en uwe bekeering. Hij laat u onder het dierbare Evangelie, hetwelk wij u mogen verkondigen, nog noodigen en roepen met ernst, en welmeenend: bekeert u, bekeert u, waarom zoudt gij sterven? Och! valt voor God neder, bukt u voor Hem in het stof, bidt om den Heiligen Geest, dat Hij u, die nog dood zijt voor God in zonden en misdaden, levend moge maken. Daar is ook voor u, hoeverre ook afgeweken van God, hoe verkleefd ook aan het stof, een weg in Jezus Christus geopend om de straffen te ontgaan en wederom tot genade te komen. Gij leeft nog onder de getrouwe middelen van Gods genade, verzuimt, verwaarloost ze toch niet. Heden, zoo gij Gods stem hoort, verhardt u niet maar laat u leiden. Och! dat gij mocht bedenken, dat het wel eens de laatste maal zou kunnen zijn, dat God u liet roepen, en hoe verschrikkelijk het voor u zal zijn den eeuwigen dood te sterven, en u eeuwig te moeten beklagen, dai gij naar Gods Wooid, dat eeuwig zeker is, en slechten wijsheid leert, niet hebt willen luisteren. Naar dat woord zult gij daii worden geoordeeld: weg van Mij gij vervloekte in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijnen engelen is bereid. Och! dat de Heere u daarvoor moge bewaren, dat Hij u nog moge bekeeren door Zijn Woord en Zijnen Geest, zoodat gij met den man naar Gods hart mocht leeren bidden: onze zielen kleven aan het stof, Heere! maak ons levend.
Maak mij levend naar Uw Woord, dat is uwe begeerte M.V., die door genade de klacht voor God kent: mijne ziele kleeft aan het stof. Misschien wordt gij bestreden, of gij nog wel ooit op de rechte wijze hebt geleden, en ware levendmaking naar Gods Woord hebt ontvangen. Misschien zijn er onder u, die deswegen met bekommernis hunnen weg bewandelen, voor uzelven van verre staat. Welaan, al is de trap en mate uwer verbrijzeling van harte ook zoo niet, als anderen, die gij gelooft, dat ware kinderen Gods zijn, dit ondervonden. O! als de Heere de hand Zijner genade aan uwe zielen heeft verheerlijkt, door u de heilsweldaad der wedergeboorte te schenken, dan heeft Hij u ontdekt, welke zondige, wereldlievende, aardschgezinde schepselen gij van nature zijt; dan is er iets in u levend geworden, dat ge voelt en klaagt: onze ziel kleeft aan liet stof, dat bidt: Heere, maak ons levend naar Uw Woord. Dan heeft de Heere u levend gemaakt met uwe geestelijke krankheid, en is er
180
een leven in uwe zielen opgewekt, dat klaagt en zucht over uw zondig en bedorven hart, dat zich met uw voorgaand leven niet meer vereenigt, dat behoefte kent en gevoeit naar Hem, die het levende Woord is, den Heere Jezus, om van Hem door Zijne woorden door Zijnen Geest geleerd, geleid en vertroost te worden. Dat gij u het leven in u zeiven onwaardig gevoelt, dat juist is een kenmerk der genade; en al gevoelt gij voor u zeiven inwendig geene genade, geene vreugde in u, aan het Woord Gods gevoelt gij u verbonden. Zoudt gij durven ontkennen, dat sedert God u op uwen zondeweg tot stilstand bracht, daaraan uw lust en uw vermaak niet geweest is, hoewel Hij het over u nog niet doet uitspruiten? Voor u bekommerde en heilzoekende ziel, zijn alle de beloften Gods in dat dierbare Woord geschreven. Hij wil Zijne hand tot de kleinen wenden, aan armen uit genade Zijne hulp ter verlossing toonen; die klagen: onze zielen kleven aan het stof, levend maken naar Zijn Woord. En al schijnt ook een tijdlang voor u die levendmaking uit te blijven, och! dat uwe zielen leeren mogen te wachten, te verbeiden, te hopen op Zijn Woord. Hij zal gewisselijk ook voor u komen en niet achter blijven. Ja! als gij met den hoofdman van Kapernaüm het woord gelooft, hoewe\' gij niet ziet en voelt, zal het zekerlijk geschieden, dat gij u naar Gods Woord zult getrokken gevoelen. Alle vleesch verdort en valt af als een bloem des velds; hemel en aarde vergaan, maar \'s Heeren Woord zal nochtans niet vergaan, Zijne toezeggingen en beloften zal Hij vervullen aan bidders en klagers, die hunne zielen voor Hem uitstorten, en er bedrukt onder leven, dat hunne zielen kleven aan het stof. Al schijnt het dan ook, dat uw leven en uwe hoop hier verloren gaan, volgens Gods Woord, wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die uw leven door genade is geworden, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Laat los om iets in u zeiven te zoeken, waarop gij uwe hoop voor de eeuwigheid zoudt gronden, en gij zult losgelaten worden van het stof, waaraan gij gevoelt dat uwe zie\'en kleven, en uw gebed om levendmaking naar Gods Woord, zal de Heere verhoeren. Hij is nabij de ziel, die schreiend tot Hem vlucht; ja! Hij wit die ziel vertroosten, door haar leven te schenken. Dat geve Hij u te ondervinden. En gij oprechten van hart, geloovig volk des Heeren! o, hoe veel sterkte kunt gij voor u zeiven uit die klacht en die bede van David voor uwe zielen trekken wanneer de Heere die woorden aan dezelve heiligt door den Heiligen Geest. Gij kunt dikwijls voor u zeiven in het donkere zijn, in bange omstandigheden, in vele bedruktheid als in het stof nederliggen, en het goddeloos ongeloof uwer harten u influisteren: zou de Heere u niet begeven en verlaten
181
hebben? Neen, evenmin als Hij David daarin aan zichzelven overliet, zal Hij het u doen. Zoolang gij in dat lichaam der zonde inwoont, gaat uw weg door licht en duisternis. Oogenblikken, uren die wellicht kort duren zijn het, dat het licht zich ove\'- uwe tent verspreidt, en daarentegen zoo vele uren, somtijds dagen en weken, zoo niet maanden van akelige duisternis. Niet bij toeval komt dit over u; uwe moeite en uw verdriet spruit niet uit het stof of uit de aarde. Neen! het moet dienen om u meer aan u zeiven te ontdekken, u te leeren u als ellendigen te gedragen voor God, en u geloovig op Hem te doen zien; die in uwe plaats geleden heeft en gestorven is, de straf alleen heeft gedragen, die u den vrede aanbrengt. Uwe zielen, kinderen Gods, kunnen dikwerf zoo diep ter nedergeslagen zijn, dat er geen enkele zucht uit kan; maar wat zegt uw Heiland dan tot u? Toont Mij uwe gedaante; Hij hoort zelfs uwe onuitgesproken zuchtingen. Och! dat gij u door de kracht des ongeloofs niet moogt laten terughouden. Ook uw klagen met uw\'zuchten en uw zorgen, is den Heere niet verborgen; het is Hem aangenaam, en te midden daarvan is dat niet wel eens uwe zalige ervaring door genade geweest, heeft Hij uw geloof opgewekt, en u kracht geschonken om, hoe het dan ook mocht gaan, aan Hem en Zijne beloften vast te houden? Hoe meer gij door genade hier de benauwdheden en bestrijdingen van het zondige vleesch, dat gij omdraagt, moogt ondervinden, en den Heere klagen moogt: onze zielen kleven aan het stof, maak ons levend naar Uw Woord, des te meer zult gij het ondervinden dat in dat levendmaken al uw heil ligt. Daardoor zult gij omdat Hij u Zijne versterkende, verlevendigende en heiligende genade door den Heiligen Geest doet ondervinden, door alle uwe druk- en proefwegen doorkomen, en in staat worden gesteld nu eens om stille voor Hem te zijn, maar dan ook wel eens om uwe hoofden omhoog te steken, en u verheugende in den God uwsheils, vroolijk te doen zingen: wij steken \'t hoofd omhoog, en zullen de eerkroon dragen, door U, door U alleen, om \'t eeuwig welbehagen. Uw leven, geloovigen, zal hier niet anders zijn dan eene wisseling van licht en duisternis, van klagen en roemen, van zuchten en van blijdschap; maar de tijd kort gaandeweg op, het tijdstip nadert voor u, dat alle\' uwe droefenissen van u zullen worden weggenomen. Wanneer gij uwe lichamen der zonde en des doods zult hebben afgelegd, uwe pelgrimsreis zult hebben volbracht, uit de woestijn des levens, door de doods-Jordaan het beloofde land, door Jezus voor u in bezit genomen, zult zijn ingegaan, dan zuh gij de vervulling van alle Gods beloften ontvangen, eeuwige blijdschap zal op uwe hoofden, eeuwige dankzegging in uwe harten zijn, en eeuwige Gode verheer-
182
lijkende lofliederen door u worden aangeheven met alle de verlosten, de gekochten door het bloed des Lams. Amen.
Ps. 16 vs. 6.
XII.
HET LIJDEN EN STERVEN VAN DEN HEERE JEZUS EENE OFFERANDE.
Leerrede over Hebreen io : 14.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermcnigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus door den Heiligen Geest. Amen.
De verzoening in het bloed van Christus is een voornaam gedeelte .van het dierbaar Evangelie. De gekruiste Christus is daarvan het middelpunt. Die waarheid, M. V., bevat de dierbaarste vertroostingen voor alle boetvaardige zondaars, aüe Gods heerlijke deugden en volmaaktheden worden daarin luisterrijk ten toon gespreid, en zij is de sterkste drangreden tot ware godzaligheid. Daarom ligt er ons zooveel aan gelegen, om het groote verlossingswerk van den Zoon van God recht te kennen, zal het goed met ons zijn; wij moeten in niets anders roemen willen dan in liet kruis van onzen Heere Jezus Christus; niets anders willen weten dan Jezus Christus en dien gekruist. Welaan, over die verzoening door de offerande van Christus teweeggebracht, wilde ik tol u spreken. Heden wenschte ik het lijden en sterven van den Heere Jezus als eene offerande met u te beschouwen. Laat ons vooraf het aangezicht van God in het gebed met en voor elkander zoeken.
HEBREÃN 10 : 14.
Want met eene offerande heeft Hij in eeuwigheijt volmaekt de gene die geheijlight worden.
De Apostel, M.V.! wil met het schrijven van dezen brief, aan de geloovigen uit de Joden, Hebreen, naar hunnen stamvader Abraham genoemd, de voortreffelijkheid der hoogepriesterlijke bediening van den Heere Jezus, Wien zij door het zaligmakend geloof waren ingelijfd, boven die van Aaron aantoonen. In ons teksthoofdstuk begint hij twee vragen, die zij hem zouden kunnen doen, voor te stellen en te beantwoorden. Vraagden zij: of het volstrekt noodzakelijk was, dat er van God tot heil der kerk, dat zijn de ware ge-
183
12 D 26
loovigen, eene betere offerande, dan de Levitische waren, werd toegebracht? En of het volkomen zeker was, dat de Heere Jezus door Zijne ééne offerande dat alles had uitgewerkt, om hen volkomen te zaligen? In de eerste 18 verzen beantwoordt hij deze vragen. Onze tekstwoorden behooren tot het betoog, dat hij op de tweede vraag levert. Daarin bewijst hij, dat zulks blijkt uit de verhooging van Jezus, en uit de onfeilbare belofte van het nieuwe verbond, hetwelk in Zijnen dood is bevestigd geworden. De priesters naar de wet hadden dag aan dag, het werk, dat hun was opgedragen, in het heiligdom te verrichten. Zij moesten slachtoffers offeren, offeranden opbrengen voor hunne zonden en die des volks, maar deze hadden het vermogen niet de zonden te verzoenen. Zeer sterk drukt de Apostel zich uit: Zij konden de zonden nimmermeer wegnemen.
De Heere Jezus daarentegen had als Priester één slachtoffer voor de zonde geofferd, en ivös nu in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods. Hij had dus alles met ééne offerande afgedaan. En is Hij nu voor altijd verheerlijkt, dan kar. Hij nu niet meer vernederd worden, om Zichzelven wederom te offeren, en daaruit volgt, dat Hij alles met ééne offerande moet hebben afgedaan. Jezus Christus, zoo schrijft hij, heeft geofferd. Hij heeft God, den heiligen en rechtvaardigen Rechter, eene offerande toegebracht, een slachtoffer voor de zonde. Dat heeft Hij gedaan om Zijn volk, hetwelk Hij zou zalig-maken van hunne zonden, met God te verzoenen. Hij zelve was dat slachtoffer, de schuld Zijns volks had Hij op Zich genomen. Hij had Zich verbonden de straf, die zij hadden verdiend, te dragen, en dat wel zoo te dragen, dat zij door Zijne dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, niet alleen verlost werden van den eeuwigen dood, maar ook een recht verkregen op het eeuwige leven. Dat slachtoffer had Hij Gode geofferd eer Hij deze aarde verliet; dat had Hij op Golgotha gebracht. Jezus zat nu op den troon der hoogste majesteit in het tegenbeeklig heiligdom, den hemel. Hij was nu met eere en heerlijkheid gekroond, gezeten aan de rechterhand Gods in de hoogste hemelen. En waartoe nu dat? Om daar als Koning te heer-schen. Hij had als Middelaar Gods en der menschen, die heerlijkheid naar Zijne menschelijke natuur ontvangen, toen eerst, nadat Hij Zichzelven ten slachtoffer voor de zonde had opgeofferd. Daar bestuurt, verzorgt en regeert Hij nu in den naam Zijns Vaders Zijne kerk, Zijne duurgekochte gemeente. Welke list, of welk geweld nu de vorst der duisternis, en de wereld, die den god dezer eeuw dient, tegen haar mogen bezigen, en hoe zij zich ook tegen den voortgang van Zijn rijksgebied mogen verzetten, voor het volk van Jezus bestaat geen nood; alle die vijanden zullen eens gesteld worden tot
184
eene voetbank Zijner voeten, dat wil zeggen, te onder worden gebracht. Die koninklijke heerschappij van Jezus zou duren tot de voleindiging der eeuwen, 1 Cor. 15, daar zou zijn; totdat alle de ge-kenden des Vaders in eeuwige liefde zouden zijn toegebracht. Dan zou Hij dat rijk, waarover Hij als Middelaar heerschte, Gode Zijnen Vader overgeven, opdat God zij alles in allen. Dat mochten de ge-loovigen verwachten. En welke is nu de grond dezer verwachting? Paulus zegt: want met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden.
Welaan, laat ons ook met het oog op de lijdensweken, die aanvangen, waarin wij geroepen worden in het bijzonder over het lijden en sterven van den Heere Jezus te spreken, en na te gaan waarom en voor wie Hij leed en stierf, in dit morgenuur tot u spreken, naar aanleiding van de voorgelezen tekstwoorden.
1°. Over de offerande van den Heere Jezus Christus.
2°. Voor welke personen de Heere Jezus die offerande heeft gebracht.
3°. Welke de kracht en waardij van deze offerande voor hen is, om dan
4°. Met een toepasselijk woord te eindigen.
Och! mocht dit groote heilgeheim der verlossing, hetwelk God beloofd heeft naar Zijn vreêverbond, Zijnen vrienden te willen toonen, ook van ons, M. V.! met oogen verlicht door den Heiligen Geest recht worden ingezien. Mochten ook wij onder het getal van die geheiligden behooren, of daartoe nog worden toegebracht die door deze eenige offerande van Christus, eenmaal aan het kruis volbracht, in eeuwigheid zijn volmaakt. Dat zulks de bede onzer harten moge zijn.
1°. Dus wenschte ik tot u te spreken, over de offerande van den Heere Jezus.
Die uitdrukking offerande, meermalen door den Apostel in dezen brief gebezigd, wijst ons in den bijbelschen-zin op het onuitsprekelijk smartvol lijden naar ziel en lichaam beide, en op den schandelijken kruisdood, welke de Heere Jezus geheel onschuldig en vrijwillig uit liefde onderging, als de plaatsbeklecdende en straf-dragende Zoenborg Zijns volks. Dat er ten allen tijde en vooral ook in onze dagen, zoovelen worden gevonden, die daarvan niets willen hooren, dat hindere niemand uwer. Het Evangelie des kruises is hun tot eene ergernis en dwaasheid. Wanneer wij door genade ons verstand gevangen mogen leggen onder de gehoorzaamheid des ge-loofs, en het Woord Gods aannemen, wie ziet dan niet dat de kruisdood van den Heere Jezus gedurig eene opoffering van Zichzelven,
185
een ingaan met Zijn bloed in het binnenste heiligdom, de verlossing door Zijn eigen bloed wordt genoemd?
Vraagt gij nu waarom zulks is geschied? Waarom het den Heiligen Geest, den onfeilbaren Leermeester der Apostelen, heeft goed gedacht het lijden en sterven van den Heere Jezus zoo dikwerf onder die benaming van offerande voor te dragen? Dan kunnen wij op die vragen geen beter antwoord geven dan door aandachtig de natuur en het oogmerk der wettische offeranden, en wel inzonderheid van de zond- en scnuldoffers onder de oude bedeeling na tegaan.
Op Gods bevel M. V.! moesten er zond- en schuldoffers voor begane overtredingen, om vergeving daarvan te erlangen, aan God worden gebracht. De priester moest het offer slachten, maar de persoon, voor wien het offer geschiedde, zijne hand op het hoofd van het offerdier leggen. Op den grooten Verzoendag, wanneer de Hoogepriester eerst verzoening moest doen voor zijne zonden, en dan voor de zonden van het gansche volk, moest hij het voor zich-zelven en dan voor het volk doen. Die oplegging der handen be-teekende, dat de zonden van hem of hen, voor welken het zondoffer werd opgebracht, gelegd werden op het offerdier. Het offerdier werd dus als het ware tot zonde of schuld gemaakt, daarom moest hetzelve gedood, opgeofferd worden, en zijn bloed voor het aangezicht des Heeren worden gebracht. Het offerdier mocht niet blijven leven, zijn bloed moest vergoten worden, want het Woord des Heeren had uitdrukkelijk betuigd: ,,de ziel die zondigt, zal sterven.quot; Het leven werd gerekend in het bloed te zijn, daarom was er ook zonder bloedstorting geene vergeving van zonden. Alle die offeranden van stieren en bokken konden echter de zonden niet wegnemen. Waarom niet? Omdat de zonden door een redelijk schepsel begaan, eigenlijk niet op een redeloos dier konden worden gelegd. Daarom staat er geschreven: Duizenden van rammen, de Libanon is niet genoeg om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer. Jes. 40 : 16. De zond- en schuldoffers waren daarom slechts eene afbeelding van dien tegenwoordigen tijd, Hebr. 9 : 9. Zij waren slechts eene schets, eene schaduw van datgene, hetwelk volgens Gods bepaalden raad het beloofde Vrouwenzaad, de Messias inderdaad en in waarheid zou volbrengen. De wet, zegt Paulus, had eene schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelve der zaak. Hebr. 10 : 1.
In die schuld- en zondoffers, die voor begane misdaden en overtredingen moesten worden opgebracht om verzoening met God te verkrijgen, wordt ons dus duidelijk geleerd, dat zij geene vergeving van zonden en schulden konden ontvangen, of daar moest voor den
!86
Heere wat worden opgebracht, aan Gods strafvorderende gerechtigheid moest worden voldaan. Geene verzoening kon er met God plaats hebben, dan door voldoening. Deze wet ivas eene aanleiding tot eene betere hoop. Hebr. 7:19. Die betere hoop, M. V., is in den Heere Jezus, onzen grooten God en Zaligmaker vervuld. Zijn lijden en sterven mogen als eene offerande, ja, als de eer.ige volmaakte offerande beschouwd worden. Hij toch, de Immanuël, is beladen geweest met de zondenschuld van Zijn volk, dat Hij zalig zou maken van hunne zonden. De Heere, zoo belijden de geloovigen, heeft onzer aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Jes. 53 : 6. En dat zijn lijden veroorzaakt is door hunne zonden, hoe duidelijk staat zulks geschreven: âHij is om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Jes. 53 : 4. Hij is overgeleverd om onze zonden, Rom. 4 : 25. Mogen en moeten wij den dood van Christus niet aanmerken als een schuldoffer? Zekerlijk, want hoe duidelijk is het woord: als Hij Zijne ziel, (wat is dat anders dan Zijn leven), tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zal Hij zaad zien, Jes. 53 ; 10; ja! als een zondoffer? Want zoo leest gij; Dien, Die geene zonden gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods, in of door Hem, 2 Cor. 5 : 21.
Welnu, daarom wordt onze Heere Jezus Christus een slachtcffer voor de zonden genaamd, Hebr. 10 : 12. Hij heeft geleden in de plaats van dat volk. Hem van Zijnen Vader ten eigendom gegeven. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, 1 Petr. 3:18. En waartoe? Niet alleen omdat zij een aanmerkelijk voordeel van Zijn lijcen en sterven zouden trekken; neen, in hunne plaats was de straf hunner overtredingen op Hem. Hij genaakte als zoenborg voor hen tot God, Jes. 30 : 21. Hij nam als \'t ware de plaats van hen, als dood-en doemschuldige zondaar, voor God in. Hij laadde hunne straf-schulden op Zich, daarom konde Hij tot Zijne verlosten zeggen: Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden; gij hebt Mij vermoeid door uwe ongerechtigheden. Ziet! nu is het bloed, hetwelk de Heere Jezus heeft gestort, de eenige oorzaak, waarom God Zijn volk vergiffenis schenkt hunner zonden. Zulks heeft de Heere Jezus ons geleerd: ,,dat Zijn bloed voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden, Matth. 26 : 28.
Teiecht dus M. V., mag de dood van Jezus Christus, voorafgegaan door Zijn smartvol lijden, dat Hij naar ziel en lichaam beide heeft doorgestaan, eene offerande worden genaamd. In Zijn gewillig sterven heeft Hij Zich Gode onstraffelijk opgeofferd. Hij was Priester en Offerande tegelijk. Hij heeft de zonden Zijns volks in Zijn lichaam gedragen op het hout, gelijk zulks op den grooten Verzoen-
187
dag afgebeeld was door den zond-offerbok. Hij heefc Zijn bloed gestort en Zijn leven afgelegd, gelijk de offerdieren onder de wet om de zonden geslacht en gedood werden. Ja! Hij onze eeuwige Hooge-priester, is met Zijn bloed ingegaan in het heiligdom, gelijk het bloed der offerdieren voor den Heere werd gebracht in liet heilige der heiligen. Door Zijnen bloedigen kruisdood heeft Hij eene ware, wezenlijke verzoening teweeggebracht, schaduwachtig afgebeeld in alle de wettische offeranden. Niets staat zoo ondubbelzinnig in de Sciirift, als de leer der plaatsbekleeding, der zondenoverneming, der strafdraging en der gegeven voldoening van Jezus ais de Zoen-borg Zijns volks aan den rechtvaardigen en heiligen God. De zonden, die God en het volk van Jezus van elkander scheidde, liet Hij Zich toerekenen, en den vloek, die Zijne gerechtigheid daarop gelegd heeft, heeft Jezus in hunnen naam en in hunne plaats volkomen geleden. Die offerande heeft Hij voor hen Gode gebracht. Maar laat ons nu nagaan
2°. Voor welke personen \'de Heere Jezus die offerande heeft gebracht.
Vragen wij voor welke personen bracht de Heere Jezus deze offerande? Voor hen die geheiligd worden, zegt ons de Apostel. Eigenlijk staat er (je geheiligden. Zij zijn dus menschen, die afgezonderd worden; want deze beteekenis heeft het woord heiliging, uit de menigte der zondaars, om den Heere tot een volk, en ten eigendom te zijn, menschen die door God afgezonderd worden tot Zijnen dienst. Elke zondaar, M. V., die tot waarachtige bekeering komt, hoewel hij leeft in het midden van een boos, krom en verdraaid geslacht, en zoolang hij op aarde leeft natuurlijke betrekking tot zijne mede-menschen blijft behouden, hij wordt in eenen zekeren zin, een afgezonderde onder hen, omdat hij geene gemeenschap meer kan hebben met de onvruchtbare werken der duisternis, Efeze 5. Die banden, waarmede hij gebonden en gekluisterd lag aan de zonde en de wereld, zijn los gemaakt, en een onverbreekbare band wordt er gevoeld en gekend aan den Heere Jezus en Zijn volk, dien Hij voor zijne bekeering niet kende en gevoelde. Geheel andere genegenheden dan voorheen, ontwaart hij in zijn binnenste; eenen gansch anderen weg kiest hij, dan zij bewandelen, die nog vervreemd zijn van God en het leven, dat uit God is. De geheiligden M. V., zijn den Heere toegewijd. Zij hebben eenen lust en eene vermaking in den zaligen dienst van God, een levendig besef door genade van het groote geluk, dat er in de gemeenschap met God bestaat, om te mogen belijden: Wien hebben wij nevens U in den hemel! nevens U lust ons ook niets op de aarde. Zij geven zich vrijwillig den. Heere
188
over, dragen zich aan Hem op, schrijven als \'t ware met de hand: âwij zijn des Heeren.quot; Jes. 44 : 5. De geheiligden mogen wij zeggen, vrijgemaakt zijnde van de zonden, worden gemaakt tot dienstknechten der gerechtigheid, Rom. 6 : 19. De oprechte keuze en begeerte van hunne zielen is zichzelven te reinigen van de besmettingen van vleesch en geest. Deze heiliging, M. V., is een gevolg, of wilt gij liever, gaat gepaard met het zaligmakend geloof in den Heere Jezus waarvan de bestanddeeleu, toestemmen en vertrouwen zijn, en het wezen bestaat in het arm toevluchtnemend zondaars-geloof tot den Heere Jezus als een in zichzelven verloren, dood- en doemschuldig zondaar zich te wenden. Door dat geloof worden de geheiligden den Heere Jezus ingeplant of ingelijfd. De Heilige Geest werkt die heiliging in ons; daarom schreef de Apostel: Gij zijt geheiligd door den Geest van onzen God, 1 Cor. 6:11. Ook door God den Vader geschiedt zij. Judas 1. Geen wonder ook, want wij zijn van nature zoo verduisterd in ons verstand, en onze natuurlijke genegenheden zijn zoo verkeerd, dat wij zonder dat krachtdadig en onwederstaanbaar werk van Gods genade, geen lust hebben aan de kennis van God en Zijne wegen. Die heiliging is vrucht en gevolg van de offerande van Jezus Christus. Zij allen, en zij ook maar alleen, voor welken Hij Zich heeft opgeofferd, worden geheiligd. Aan geheiligden heeft God niets meer te straffen, want Jezus droeg het straflijden voor hen, over hoeveel God ze te kastijden moge hebben, want Hij kastijdt een iegelijk zoon of dochter, die Hij lief heeft, Hij geeselt ze die Hij aanneemt. Ziet! de geheiligden behoeven niets te doen om zalig te worden, omdat de Heere Jezus al hunne verleden, tegenwoordige en toekomende zonden verzoend heeft door Zijne offerande, aan het kruis voor hen geschied en voleindigd. Die heiliging is dus iets geheel anders, dan zoo als de dwaze en blinde mensch haar zich voorstelt, onder zedelijke verbetering. Geheiligden zijn met God verzoend door het bloed des kruises, ontzondigd, gereinigd, gelijk onder de wet door offerbloed geschiedde. Geheiligden zijn zondaars, met de gansche wereld verdoemelijk voer God, kinderen des toorns van nature, overtreders van alle de geboden des Heeren met woorden, werken, gedachten, gezindheden en daden; maar zulken, die door den Vader aan Zijnen Zoon zijn geschonken, waarvoor de Zoon op Zich genomen heeft het rantsoen den losprijs hunner zonden op te brengen, hetwelk Hij dan ook gedaan heeft door Zijne eenige volwichtige offerande, gehoorzaam voor hen geworden zijnde tot den dood, ja! den dood des kruises. Laat ons nu zien 3°. Welke de kracht en de waardij van deze offerande is.
189
Wanneer wij, M. V.! ons herinneren, dat die ééne offerande, waarvan wij spraken, de offerande is van Gods eigen, eeuwig geliefden Zoon, waarin Hij Zijn welbehagen had, dan reeds mogen wij daaruit besluiten: de kracht van die ééne offerande moet groot zijn, de waardij er van met geene woorden zijn uit te drukken. Worden zij, die geheiligden worden genoemd, in staat gesteld de vergeving hunner zonden onder deze of die voorwaarde te verwerven? Neen M. V.! in eeuwigheid heeft Hij hen daardoor volmaakt. Niet zal Hij ze volmaken, maar heeft Hij ze volmaakt; en dat wel eens en voor altijd, voor eeuwig. Dat woord volmaken beteekent voleindigd of volkomen gemaakt. Bestaat nu de volmaking van den mensch daarin, dat hem toegebracht wordt, alles wat hem volkomen gelukkig kan maken, dan zeker wil de Apostel door die uitdrukking in eeuwigheid volmaakt, te kennen geven, dat de geheiligden, uit kracht van Zijn verzoenend lijden en sterven alles deelachtig worden, wat hen hier en hier namaals volkomen eindeloos gelukkig kan maken. Gaan wij om dit duidelijk te bevatten zulks in eenige bijzonderheden na.
Door deze ééne offerande ontvangen de geheiligden volkomen kwijtschelding van hunne zondeschuld. De schuld der zonde, die zij met alle nakomelingen van Adam bezitten, is onmetelijk groot. Zij moeten belijden: Heere! als Gij met ons wilt treden in het gericht, ach! wie zal voor Uw aangezicht bestaan? Waarmede zullen zij de schuld boeten? Al wat het menschelijk vernuft kan uitdenken, zelfs al de menigte der offeranden, volgens de wet van Mozes daartoe gebracht, was daartoe niet toereikende. Maar Jezus, eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, doet de zonde voor hen te niet door Zijn zelfs offerande (Hebr. 9 : 26). Nu uit kracht van dezelve, doet God aan de geheiligden die heerlijke belofte, dat Hij hunne zonden en hunne ongerechtigheden geenszins meer zal gedenken (Hebr. 10 : 17). Hij wil ze in Christus aanzien, alsof zij nooit zonden gekend en gedaan hebben. Dat woord is zeker en waarachtig, want dat heeft de waarachtige God, bij Wien geene verandering is, noch schaduw van omkeering, gesproken. Weik eene kracht en waardij heeft dus die ééne offerande in de oogen van Hem, die op een troon zit, waarvan gerechtigheid en gerichte de vastigheden zijn! Geen wonder dus ook, dat die geheiligden, in de gunst van God worden hersteld. Gods gunst hebben die geheiligden met alle schepselen, door hunnen moed- en vrijwilligen afval van God verloren. Zij zijn vanwege hunne erf- en dadelijke zonden onrein, walgelijk, me-laatsch voor God. Door die eenige offerande van Christus, voor hen volbracht, ziet de Heere het aangezicht van die boetvaardige en
190
neêrgebogen zondaars, met gejuich aan (Job 33 : 26). Ja! wil Hij hen Zijne gunst wederom schenken, die beter is dan het leven. Jezus als hun leven gevonden hebbende, trekken zij een welgevallen van den Heere. Dat heeft het zoenoffer van Jezus voor hen verdiend en verworven. Welk eene groote kracht bezit hetzelve dus niet, voor hen, voor welken het aan God is gebracht.
Maar die ééne offerande heeft ook die waardij voor de geheilig-den, dat hun in den strijd waarin zij gebracht worden van het oogenblik af, waarin God hen, die dood voor Hem waren in zonden en in misdaden, levend maakte door Zijnen Geest, niet alleen kracht om te strijden tegen hunne vijanden en hulp in den strijd, maar ook de overwinning reeds geschonken wordt. De belofte weet gij, was reeds in het paradijs gegeven, de Verlosser die komen zou, zou den kop der slang vermorzelen.
Dat heeft Jezus gedaan door Zijne ééne offerande. Hoe nu de helsche slang, de duivel omgaan moge als een brieschende leeuw, zoekende wien iiij zou kunnen verslinden. Welke listen die sterk gewapende nu ook moge aanwenden, om de geheiligden, die hem zijn ontroofd geworden door één die sterker dan hij is, en die hem de dienst hebben opgezegd, te belagen, te benauwen: de Heere zal den satan onder hunne voeten verpletteren (Rom. 16 : 20), en de belofte zal worden vervuld, dat zij dien verklager der broeders overwinnen zullen door het bloed des Lams (Openb. 12 : 11). Hebben de ge-heiligden, behalve den strijd tegen den satan dien tegen de wereld, die omdat zij Jezus haat, ook Zijne geheiligden niet kan verdragen; geen nood, ook in dien strijd zuilen zij bevonden worden meer dan overwinnaars te zijn door Hem, die ze heeft liefgehad tot in den dood kruises; en Hij roept hen toe: Hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16 : 33). Hoe groot en machtig ook de kracht der verdorvenheid van hun vleesch moge zijn, hetwelk zich der wet Gods niet onderwerpt en ook niet kan, zoodat zij gedurig moeten klagen: ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Zij, die door die ééne offerande zijn geheiligd, verlost zijnde uit hunne ijdele wandeling, door het dierbaar bloed van Christus, het onstraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petr. 1:19), zij zullen uit Zijne volheid, uit kracht van Zijn zoenoffer genade ontvangen, den ouden mensch te kruisigen en te dooden; en ook bij tijden en oogenblikken om met Paulus te roemen: wij danken God door Jezus Christus den Heere! Welk eene kracht, welk eene waardij heeft dus niet die ééne offerande voor de geheiligden reeds in dit leven? Maar de Apostel voegt er nog een woord bij, waarop wij ook hebben te letten; hij schreef dat Hij tot in eeuwigheid volmaakt.
191
degenen die geheiligd worden. De kracht en waardij van deze offerande strekken zich dus uit aan gene zijde des grafs, tot in de eeuwigheid.
Niets, M. V.! zal onze eenige troost in leven en in sterven kunnen zijn, in de ure des \'doods, dan alleen het geloovig aangrijpen van het zoenoffer van Christus; het liefelijk leven en sterven op de gerechtigheid van Gods Zoon, ook voor ons, in onze plaats aan God opgebracht door die ééne offerande. Is de belofte van Jezus aan de geheiligden: âIk zal ze van het geweld der helle verlossen. Ik zal ze vrijmaken van den doodquot; (Hos. 13 : 14), welnu, omdat Hij ze in eeuwigheid volmaakt heeft, nu als het hun door genade mag worden geschonken, den laatsten vijand, den dood, dien koning der verschrikking, de gerechiigheid van den Keere Jezus, door die ééne offerande voor hen volbracht, waardoor Hij, de Heere hunne gerechtigheid is, voor te houden, dan mogen zij met kloekmoedigheid zeggen, zoo hoorden wij er wei op hunne doodbedden zeggen: Dood! waar is uw prikkel? Helle! waar is uwe overwinning?
Ja, die zelfde offerande, waardoor zij in eeuwigheid zijn volmaakt, komt de geheiiigden te stade,, ais zij ontslagen van het lichaam der zonde en des doods voor God verschijnen. Zij M. V.! zal de eenige oorzaak hunner vrijverklaring in het gericht Gods zijn. Zij zullen, de geesten der volmaakt rechtvaardigen, voor Hem verschijnen, als hunne kleederen gewasschen en wit gemaakt hebbende in het bloed des Lams; daarom zijn zij voor den troon Gods en dienen Hem dag en nacht in Zijnen tempel, en die op den troon zit, dat is Jezus, die Zich eenmaal voor hen heeft opgeofferd, zal ze overschaduwen (Openb. 7 ; 14). En wanneer die dag komen zal, waarop de gansche schare der geheiligden zal opgewekt worden ten leven, en voor het aangezicht van hunnen Verlosser zal staan, dan zal Hij, die hen door ééne offerande in eeuwigheid heeft volmaakt, hun vernederd lichaam veranderen, dat het gelijkvormig worde aan Zijn verheerlijkt lichaam. Dan zuilen zij in dat eeuwige leven worden overgebracht, waarin verzadiging van vreugde en liefelijkheden aan Gods rechterhand hen eeuwig wachten. Ziet, zoo is al het lijden en de gehoorzaamheid van Christus zoo zeker het eigendom der geheiligden, als hadden zij zeiven in hunne eigen personen alles geleden en Gode voor hunne zonden genoeg gedaan. Welk eene uitnemende kracht, welk eene onschatbare waardij bezit dus niet die ééne offerande van Christus? In eeuwigheid zijn daardoor de geheiligden volmaakt. Zij dus die zalig worden, zullen hunne zaligheid niet toekennen aan iets dat zij hebben uitgevoerd; neen! zij zullen de onschatbare zoenofferande van Christus, in welke de Vader een
192
welbehagen heeft, erkennen en belijden, als de eenige oorzaak hunner eeuwige zaligheid. Alle roem aan de zijde der geheiligden is en blijft dus uitgeslo en. Door U, door U alleen om het Goddelijk welbehagen, dat zal hun loflied zijn en blijven, nadat zij uit den mond van Hem, Die Zich tot eene offerande voor hen stelde, zullen hooren: âKomt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërfi dat Koninkrijk, dat voor u is weggelegd van de grondlegging der wereld.quot; Door Zijne otferande heeft Hij ze in eeuwigheid volmaakt. Laat ons eindigen met de toepassing, na vooraf te hebben gezongen:
Ps. 89 : 7.
4°. Wenschte ik met de toepassing te eindigen.
Wij spraken tot u over de offerande, welke de Heere Jezus als straflijdende en schuldovernemende Zoenborg Gode heeft opgebracht door Zijne zelfsofferande aan het kruis; over de personen voor welken Hij Zich heeft opgeofferd; over de kracht en de waardij dezer offerande. Welnu, is die offerande ook voor ons geschied? Och! of het zoo ware. Maar ach! ik vrees dat er onder ons ook nog gevonden worden die het bloed des Nieuwen Testaments onrein achten, voor welken het Evangelie des kruises eene dwaasheid is, waaraan zij zich ergeren. Voor u blijft geen slachtoffer meer overig voor uwe zonden. Over u is dat ontzettend vonnis in Gods Woord uitgesproken: Die den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien; maar de toorn Gods blijft op Hem. De Heere zal sens met vlammend vuur wrake doen, over degenen die het Evangelie van Jezus Christus ongehoorzaam zijn geweest; die tot straf zullen lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid Zijner sterkte. Dat vonnis en oordeel Gods hebt gij allen te wachten, die blijft leven in de verwerping van den Christus Gods door het goddeloos ongeloof uwer harten. U die leeft onder dat dierbare Evangelie der verzoening en wien God laat bidden: Laat u met Mij verzoenen! maar die, omdat gij den dienst der wereld, des duivels en der zonde blijft kiezen, die roepstem Gods als tot anderen gericht van u laat «voorbijgaan. Wij waarschuwen u ernstig om niet verder voort te gaan op dien weg des verderfs en der eeuwige rampzaligheid. In die offerande, die de Heere Jezus bracht, daarin ziet gij als in een spiegel, wat de zondaar eens te wachten heeft, die voor eigen rekening in het gericht Gods zal staan. Gij zult den eeuwigen dood sterven, en van verschrikking dan uitroepen; Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons voor het aangezicht des Heeren! want als de gerechtigheid Gods eischte, dat zooveel aan het groene hout geschiedde, wat zal
193
dan niet aan het dorre hout plaats hebben? Och! of ik u, die nog vijanden zijt van het kruis van Jezus, bewegen konde tot het geloof. Maar dat vermag ik niet. Och! indien de goedertierenheid Gods uwe harten tot de bekeering niet beweegt, moge het de schrik des Heeren zijn, opdat gij in dezen uwen dag nog moogt bekennen, wat tot uwen vrede dient. Geen anderen weg kan ik u aanwijzen dan om nog in dit heden der genade te bidden om den Heiligen Geest, die u van zonde, gerechtigheid en oordeel moet overtuigen, en u als arme dood- en doemschuldige zondaars tot Hem uwe toevlucht moet doen nemen, Die gekomen is om zondaars zalig te maken, en te zoeken dat verloren is, Jezus Christus den Heere, Wiens bloed alleen reinigt van alle zonden, en door Wiens offerande éénmaal volbracht, hetwelk in Gods oogen eene oneindige waardij had, gij met God kunt worden verzoend en bevredigd, ja! in eeuwigheid kunt worden volmaakt. Heden, zoo gij Gods stemme hoort, verhardt u-niet, maar laat u leiden. Nog mag ik u wijzen op Jezus, de fontein die geopend is tegen de zonde en de onreinheid; het konde voor u de laatste maal zijn, dat u de uitnemende rijkdom der genade van Christus en de heerlijke vruchten Zijner offerande werden voorgesteld. Hoe zult gij ontvlieden, indien gij op zoo groot eene zaligheid geen acht geeft? Om uw eigen heilswille dus bidden wij u, verwerpt ook deze onze vermaning en opwekking niet.
Maar daar zijn er ook onder u M. V., die de waariieid u heden voorgesteld, toestemmen; die belijden dat niets dan het Zoenoffer van Christus u kan bevrijden van schuld en in Gods gunst kan herstellen, en die u toch niet ernstig bekommert of gij er voor u zeiven wel deel aan hebt! Er zijn er moge\'ijk ook onder u die u zeiven troost met eene algemeene verzoening, door dit zoenoffer zooals gij meent teweeggebracht, u hetzelve toeeigent op valsche gronden, en eens meenende in te gaan, zult ontdekken, niet te kunnen. Er zijn er wellicht onder ons, wier harten niet recht zijn voor God, die nog wel eens een zucht voor Jezus over hebt, en nog wel eens geroepen hebt: Heere Jezus! Wees ons zondaars genadig, maar die geene bepaalde en besliste keuze door genade gedaan hebt om Hem uwe hand en uw hart over te geven; die daaraan nog geen lust gevoelt, evenmin als aan het bewandelen van den nauwen weg die ten hemel leidt. En och! of zij er ook niet waren, die zichzelven vertroosten met de inbeelding, dat zij in Christus\' bloed gereinigd zijn. O! bedriegt M.V. u zeiven niet voor eene eindelooze eeuwigheid.Voor wie is deze offerande? Wie worden daardoor in eeuwigheid volmaakt? Alleen die geheiligd worden. En wie zijn dat? Zij, die door God wor-
7
194
den bekeerd, die nieuwe schepselen worden, geschapen in Christus Jezus tot goede werken. De Heilige Geest maakt het Woord Gods levendig en krachtiger dan een scherp tweesnijdend zwaard in hunne zielen. Hij doet ze op hunnen zondenweg stilstaan. Hij doet ze, trap en mate der verbrijzeling van het hart moge onderscheiden zijn, met die droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt, als dood- en doemschuldige zondaars, de kennis hunner ellende uit de wet Gods ontvangende, als verlorenen in zichzelven, hunne toevlucht tot Jezus nemen, en Hem bidden, om door Zijn bloed, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel, gereinigd, en door Zijnen Geest geheiligd te mogen worden. Zulken worden werkelijk reeds door den Heiligen Geest geheiligd; want Hij zondert hen af van de menigte, waarmede zij den driehoofdigen afgod dienden, om zich bij dat volk te voegen, hetwelk door de wereld wordt gehaat omdat zij niet zijn van de wereld. Heeft die heiliging bij ons plaats, dan wordt onze eigen gerechtigheid een wegwerpe-lijk kleed, en komt het bij ons tot eene vernedering en verootmoediging des harten vanwege onze zonden en onze schulden voor God. O! zijt verzekerd, zoolang uwe harten gedeeld zijn tusschen God en de wereld, gij u zelfs nog zijt, geen leven kent in Christus, verborgen bij God, dan heeft de Heilige Geest u niet geheiligd, en Jezus Christus is u dan niet van Gode geworden tot wijsheid, en tot rechtvaardigmaking, en tot heiligmaking en verlossing. Onderzoekt en beproeft u zeiven dus nauw, zeer nauw voor God. Zoo lang gij door eigen pogingen die heiliging voor God wilt teweegbrengen, heimelijk iets in u zeiven wilt behouden, niet onbedongen en onvoorwaardelijk u aan den Heere Jezus overgeeft, moogt gij nabij of niet verre van het koninkrijk Gods zijn, maar zijt gij er niet binnen. Zonder heiligmaking zal niemand God zien. Zij is die in- en uitwendige vernieuwing van hart, leven en wandel, waardoor de Geest Gods ons heiligt, dat is, afzondert van de groote menigte, met welke wij in onzen natuurstaat leven naar den God dezer eeuw, doende deszelfs begeerlijkheden, en ons vereenigt met dat arme en ellendige volk, hetwelk de Heere beloofd heeft in de wereld te doen overblijven. Indien u het kenmerk der heiliging ontbreekt, dan heeft de Heere Jezus voor u deze offerande niet gebracht, en zijt gij daardoor niet in eeuwigheid volmaakt. Onderzoekt u zeiven dan nauw, zeer nauw voor God. Wij kunnen u niet te ernstig waarschuwen tegen het zelfbedrog uwer harten, opdat het u niet moge gaan als de dwaze maagden, die uitwendig met de wijze maagden waren ver-eenigd, maar omdat zij de inwendige heiliging misten, haar de olie des Geestes in hare lampen ontbrak, afgewezen werden bij de deur
195
des Bruidegoms, en van Hem moesten hooren: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
Zijn er onder u, die voor God uwe harten op uwe wegen stellende, met bekommering u zeiven die vraag doet, zouden wij wel die ge-heiligden zijn? Zou die ééne offerande van Christus wel voor ons zijn geschied? O, zegt gij, als wij dat gelooven mochten voor ons zeiven, hoe gelukkig zouden wij ons gevoelen, wij zouden dan in eeuwigheid volmaakt zijn; maar wij zijn bevreesd, dat wij ons zeiven zullen bedriegen; voor ons zal het wel niet zijn; dan moest het bij en in ons zoo geheel anders zijn dan het nu is. Ik wil ze niet opnoemen die vele bezwaren en bestrijdingen, die met meer of mindere kracht zulks ondervinden, die door genade ontdekt zijn aan de zonde en het bederf liunner harten, en hun lust en hun vermaak niet meer kunnen vinden in het dienen van den driehoofdigen afgod. Dat deel te hebben aan die ééne offerande van Christus, wordt zulke zielen zulk eene groote zaak, en zoolang zij hun deelgenootschap daaraan met zelfbewustheid voor zichzelven missen, ontbreekt hun de eenige troost in leven en in sterven, staan zij voor zichzelven van verre, en is het aanhoudend; Och, mochten wij het voor ons zeiven gelooven, aannemen kunnen; mocht die ledigheid in onze harten, die wij nu nog gevoelen, met Christus zeiven worden vervuld. Mocht hij zelf tot ons spreken: Ik ben uw heil. Wij verstaan u in die bekommernissen; zielen die het om waarheid voor God in hun binnenste te doen is, kunnen het geloof niet aangrijpen, of recht schuldenaars over hun ongeloof voor God worden, tenzij er een doorbrekend werk van Gods almachtige en onwederstaanbare genade aan hen worde verheerlijkt. Zoo uwe vrees en bekommernis, zoo uwe klachten uit zelfveroordeeling en verfoeiing van u zeiven voor God, vanwege uwe zonden bij u voortkomen, dan kent gij geen rust dag en nacht voordat gij Jezus hebt gevonden, Hem zoekt gij dan op uwe knieën in eenzame en verborgen plaatsen. Uw lust is vergaan in de wereld, uwe gezelschappen zijn veranderd. Van Jezus Zijne waarheid, Zijn volk kunt gij dan niet meer wegblijven. Die behoefte is dan door genade in uwe ledige zielen opgewekt, dat de Heilige Geest u leeren, leiden en vertroosten moge. Hoe gij alles in u zeiven, ook uw bidden moet veroordeelen; gij kunt, gij durft, gij wilt het bidden niet nalaten. Ja! gij kent dan bij tijden en oogen-blikken die worstelingen met God, en kunt Hem niet loslaten voordat Hij u gezegend heeft. Gij zijt die verdrukten, ongetroosten, door onweder voortgedrevenen. Wanneer gij geene geheiligden zijt, zullen uwe zielswerkzaamheden ophouden, zult gij met den hond tot zijn uitbraaksel, met de gewasschen zeug tot de wenteling in
196
het slijk wederkeeren; met Demas de wereld weder liefkrijgen. Zijt gij daarvoor voor u zeiven bevreesd, en drijft die vrees u uit tot den Heere Jezus, o dan is er voor u geen nood. Jezus wil Zijne hand tot de kleinen wenden, Hij roept u als vermoeiden en belasten, om u tot Hem te wenden. Staat voor u zeiven niet naar eenen zwaren weg, maar bidt aanhoudend dat u verstand, met Goddelijk licht bestraald, moge worden geschonken. Pleit op het woord der belofte, hetwelk Jezus tot Zijn arm, ellendig volk heeft laten spreken: Ik zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Hij zal komen op Zijnen tijd. Hij is nabij de zielen, die schreiend tot Hem vluchten.
En gij geheiligden door die ééne offerande, die de Heere Jezus voor u heeft gebracht, gij zijt daardoor in eeuwigheid volmaakt. Onuitsprekelijk groot is uw geluk, u ontbreekt niets meer. U wordt ter wille van Jezus, Die zich zonde voor u liet maken, geene zonde meer toegerekend. Gij bezit voor God eene gerechtigheid, welke God van u kan eischen; alles wat uw Zoenborg gedaan en geleden heeft, wordt u toegerekend. Jezus betaalde uwe geheele schuld; al wat gij misdaan hebt, en misdoet tot uwen laatsten ademtocht toe, wordt voldaan door het bloed van Christus. Hebben dan alle die zonden en gebreken, die gij doet en aan u hebt, dan niecs meer te beteekenen? Ja, voor u zeiven hebben zij veel te beduiden, omdat zij, al kunnen zij, daar gij in eeuwigheid zijt volmaakt door de offerande van Christus, uwe zielen niet uit den hemel houden, daar zij den hemel uit uwe zielen houden, zult gij ze aan deze zijde des grafs blijven betreuren en veroordeelen, en zal het gebed voor u behoefte blijven: vergeef ons onze schulden; leid ons niet in verzoeking; verlos ons van den booze. Maar die gerechtigheid, die gij in Christus Jezus voor God bezit, kan door geene zonde of geen gebrek worden bezoedeld en verminderd, want Hij heeft geen gedeelte uwer zonden, maar alle uwe zonden door Zijne offerande voor u voldaan ; gij zijt rechtvaardigheid Gods in Hem. Al Zijn lijden en Zijne gehoorzaamheid is zoo zeker uw eigen, als hadt gij zeiven in uwe eigen personen alles geleden en Gode voor uwe zonden genoeg gedaan. Geen wonder dan ook, dat gij toen gij dat mocht gelooven, u zeiven kwijt wordende en overgevende, dat gij door Hem waart overgenomen, in bewondering en aanbidding wegzinken moest voor God, dat Hij over u, ellendigen, in uwe eigen oogen de ellendig-sten, Zijn eigen geliefden Zoon tot die offerande heeft willen overgeven, om u voor eeuwig van den vloek te verlossen, die op u lag. De liefde, die uwe ziel toen voor Jezus mocht gevoelen, is met geene woorden uit te spreken, zij kan niet beschreven, alleen gevoeld worden. Toen mocht gij in blijdschap en verheuging des harten uit-
197
roepen: Wij zullen het nooit vergeten, en was het de ongeveinsde begeerte uwer harten, om voortaan te leven door het geloof des Zoons Gods, Hem te volgen als blinden in eiken weg, waarin Hij u zou leiden. Helaas! wie uwer is niet bedrogen met zichzelven uitgekomen. Hoeveel grooter moet het wonder voor u bij den dag worden, dat zulken als gij zijt en blijft in u zeiven, zulke onvol-maakten, in eeuwigheid zijt volmaakt door die ééne offerande van Christus. Ziet, hoe meer gij u zeiven leert kennen, hoe meer alle grond van hoop en verwachting in u zeiven u ontzinkt, des te hooger waardij zal de offerande van Christus voor u hebben. Daarin alleen hebt gij de verlossing, de vergeving der zonden, de aanneming tot kinderen. Al wat de Heere in dit leven over u brengt, het moet strekken, geheiligden! tot uwe heiligmaking. Niet alleen die bedeelingen van Zijnen Geest, waardoor Hij u leeren en onderwijzen wil van den weg, dien gij te gaan hebt, maar ook als Hij u tuchtigt en kastijdt, dat u dikwerf zwaar valt te dragen, of Zijn aangezicht voor u verbergt en met u in tegenheden schijnt te wandelen. Zij allen zijn inderdaad zegeningen voor u, die uit kracht der offerande van Christus voor u dienen moeten tot uwe volmaking. In dien weg wordt gij toebereid om eens tot dien staat te worden opgenomen, waarin geen vlek of rimpel meer zal gevonden worden aan al het volk, zoo duur door Hem gekocht. Als gij het lichaam der zonde en des doods zult hebben afgelegd, dan eerst zult gij volkomen dat eeuwig volmaakt zijn in uwen Zaligmaker recht bevatten, en met eeuwigen lof en dankzegging roemen. Amen.
Ps. 89 : 8.
BIBUOTHE^ j NED. HERV. KERIC
INHOUD.
Bladz.
I.
Baitiméus, de roepende blinde............. 5
Mark. X : 46â50.
II.
Bartiméus, door Jezus ziende geworden.........22
Mark. X : 51, 52.
III.
De Parizeer en de Tollenaar..............38
Luc. XVIII : 9â14a.
IV.
Israël en Amalek...................53
Exod. XVII : 8â16.
V.
Het zaligmakende geloof................70
Mark. IX : 2ib.
VI.
De ondertrouw van den Heere Jezus met Zijn volk ... 84
Hosea II : 18, 19.
VII.
De roepstem van Jezus tot heilzoekende zondaars .... 102
Joh. VII : 37, 38.
VIII.
De wijzen uit het Oosten...............118
Matth. II : 1â11.
IX.
Het gedurig gebed van den geloovige .........135
Hoogl. I : 4a.
X.
De zalving van den Heere Jezus ten doode door Maria . 150
Matth. XXVI : 6â13.
XI.
De klacht en de begeerte der geloovigen........166
Psalm CXIX : 25.
XII.
Het lijden en sterven van den Heere Jezus eene offerande . 182
Hebr. X : 14.
Bjj de Uitgevers J. J. GROEN amp; ZOON te Leiden zijn de navolgende wérken te bekomen:
Beecher Stowe, Mr. H. De negerhut. Gebonden . Æ 1 90
---gt; Idem, bewerkt voor kinderen. Gebonden ... 2 50
A. Bergs ma. Christelijk Brievenboek......quot; o.75
Hugo Binning, De vernedering des Herte, twaalf
boetpredicatiën. Gebonden......... 2,25
Boston Thomas. Des menschen natuur in deszelfs viervoudigen staat, 400 bladzijden druks. Gebonden
in stempelband ...........
Brake!, Wilh. a De ware Christen. 10 predioatiën
J 1.10. Gebonden...........
Bunyan, Mr. John. De Christenreis naar de Eeuwigheid, met plaatjes. Ing. Æ 0.85. Gebonden ....
--, De verwoesting van den Anti-Christ. . . . !
7~gt; Het gezicht der Helle of de gelijkenis van den rijken man en Lazarus . Æ 0.90. In stempelband. .
--gt; D® Waarde der Ziel en het onuitsprekelijk verlies
Co e 1 a n d, Ch r. C. Verborgen leven met God Æ 1.50. Geb. De Hand des Heeren. Eenige bekeeringsgeschie-denissen, enz. Æ 1.10. Gebonden. ......
D r oogendijk, j. M. De Gids van Bergen op Zoom, Geb.
Flavel, Johannes. Het beste werk in de slechtste
tijden, Æ 1.10. Gebonden..........
Fransen, E. De kostelijke Bruidschat, Æ 1.30. Geb!
Gray, A. De verborgenheid des Geloofs ontsloten. 9 Predication..............
®e geestelijke strijd en de geestelijke vergenoeging. 10 predikatiën............
â âf Groote en dierbare beloften 9 uitnemende predio.
--gt; Elf Avond maalspredicatiën........
--7» Bestuur en aansporing ter waarneming van den
plicht van het Gebed. 9 predioatiën......
Groe, Th. v. d. Verzameling van 16 Biddagsprêdi-
katiën, groot kwarto formaat. Gebonden Groene wegen, Johannes. Verzameling van 14 predikatiën. Æ 1.80. In stempelband ......
Huntington, W. Het Arminiaansche Geraamte of de arminiaan ontzenuwd en ontleed./1.75. Idem Geb.
--» ^d de Kassier der armen. / 1.30. Gebonden .
--gt; De Geschiedenis van klein Geloof, Æ 1.50. Geb.
--gt; Briefwisseling tnsschen Noctua Aurita en Philomela in het Koningsdal Æ 1.90. In stempelband. .
⢠Verhand, over de gel. v. d. onbarmh. dienstknecht Middel, H. H. Eenvoudig verhaal van Gods menigvuldige reddingen uit de grootste nooden, 123bladz.
Shepard, Th. Der Heiligen kleinood......
» Overdenkingen en geestelijke bevindingen . . --, De gezonde Geloovige, Æ 1.50. Gebonden. . .
.. 4.60
., 1.60
â 1 50 â 0.90
â 1.50 â 0.80 â 2.40
.. 1.60 â 1.50
â 1.60 2.10
â 1.40
â 1.25 .. 140 » 1.25
1.40
â 4.50
., 2.50
â 2.50 â 190 â 2.40
â 2.35 â 0.40
â 0.80 â 0.70 ., 0.80 â 2.40