-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

7 F\'

r

m

GESCHIEDENIS

H--—S - A— .

VAN

HET VADERLAND

DOOR

Dr. J. A. WIJN NE.

TE GRONINGEN BIJ ,1. I!. WOLTERS, 1897.

-ocr page 8-

}[(«jno iisui est memoria rcrmn (/cxtarmu.

T

SAl.LlSTrUS.

IShinloirc dcs Provinces Unics-cst un sujct attrayant.

MIRABEAU.

i

STOOMDRUKKERIJ VAN J B. WOLTERS.

-ocr page 9-

§ I.

Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus\' geboorte en onder de heerschappij der Romeinen.

Het land, waarvan dit werk de geschiedenis poogt te leveren, heet Nederland. Het ligt aan de monden van den Rijn, den IJsel, de Maas en de Schelde. Behalve dat het de wateren dier stroomen op zijn bodem ontvangt, krijgt het nog die van tal van kleinere rivieren, welke op dien grond en elders ontstaan. In \'t Noorden en Westen beukt, sedert eeuwen, de Oceaan de kusten van dit land en knabbelt er niet alleen stukken af, maar baande zich ook vaak een weg over grasveld en beemde. Eveneens hadden de rivieren eertijds nog geen dijken en stortten dikwijls met onbeteugeld geweld haar wateren over het land heen. Dit land zelf bestond grootendeels uit bosschen, heiden en moerassen.

Terecht mag zulk een land Nederland heeten. Voor een groot deel is de bodem er zeer laag, en aanzienlijke watermassa\'s stroomen over zijn grond heen in zee. Maar werden hier of daar aanmerkelijke stukken land weggespoeld, elders voerden de rivieren of de zee vruchtbaar slib aan, waardoor het mogelijk werd polders in te dijken of droog te maken. Geen wonder dat de gedaante van dit land thans een geheel andere is dan vóór eeuwen, üe vele veranderingen van bodem en wateren, die allengs zijn ontstaan, uitvoerig te vermelden is hoofdzakelijk de taak der wetenschap, welke men geologie (aardkennis) noemt. Hier ter plaatste zij slechts een enkel woord gezegd over het ontstaan der groote waterplassen, die voorheen in ons vaderland niet bestonden.

De oorsprong der Zuiderzee — waarschijnlijk zóó genoemd, omdat zij ten zuiden van Friesland ligt, — dagteekent van het jaar 839, toen een geweldige watervloed over de tweeduizend huizen moet hebben weggespoeld. In 1170 bracht de hooge vloed zeevisch tot bij Utrecht. Die van 1260 deed nog veel land tusschen Stavoren en Enkhuizen verloren gaan, sedert tot de Zuiderzee uitgewassen. Zóó verving zij dus het oude meer, door de Romeinen „Flevo,quot; in de Middeleeuwen „Almeriquot; geheeten. De Dollard (d. i. dol of onstuimig water) ontstond, naar men wil, in 1277. Vóór dien tijd moet deze plas vruchtbaar en bebouwd land zijn geweest met meer dan dertig dorpen. In weerwil van het gedurig dreigen der Noordzee, dat tot eendracht onder de landzaten had moeten aansporen, heerschte er verdeeldheid onder de ingelanden en werden de dijken slecht of niet onderhouden. De gevolgen

Wjjnne, Gesch. v. h. Vaderland. Achtste druk. j

-ocr page 10-

2

bleven niet uit. Op de landtong, die zich ten w. van het tegenwoordige Emden uitstrekte, brak in 1277 de dijk bij herhaling door. Het water, eens overwinnaar, breidde zich later nog aanmerkelijk uit. Een derde golf is de Biesbosch, die haar ontstaan heeft te danken aan den St. Eliza-bethsvloed van den iSden November 1421. In dit water groeiden steeds een menigte biezen, die er het voorkomen aan gaven van een „bosch vol biezenquot;: vandaar de naam. Op verschillende tijdstippen heeft ook Zeeland veel van de zee te lijden gehad.

In weerwil van dit alles is het niet vrij van overdrijving, Nederland een land te noemen , aan de golven ontwoekerd, tenzij men niet zoozeer het oog hebbe op het droog gemaakte, als tevens op het droog gehouden land. Door verzuim en tweedracht ging, waarop ook boven is gewezen, veel grond verloren. Aan die oorzaken van landverlies begon eerst een einde te komen, toen, na het uitroeien van wouden, de akkerbouw vrij algemeen aanving en men, om ook wintergraan te kunnen verbouwen, meer op de dringende behoefte aan dijken en zeeweringen begon te letten, hetgeen volgens sommigen niet vóór de 13de, maar, zooals anderen willen, lang vóór de 10de eeuw plaats greep.

Er is een tijd geweest, waarin de volken \'t bearbeiden van metalen niet kenden. Dien tijd, ouder dan de geschreven geschiedenis, noemt men \'t steenen tijdperk. De weinige hunebedden, d. i. graven of bedden van reuzen (in Westphalen beteekent het woord „hunequot; nog heden ten dage reus), in ons land overig, zijn uit dat tijdperk, en de getuigenissen van de oudste bewoning door geen schrijver geboekt. Men meent, dat de stammen, die later, lang na het steenen tijdperk, maar toch in vroege eeuwen het tegenwoordige Nederland en België bewoonden , deze landen zullen hebben verlaten, toen een groote overstrooming, de Cimbrische vloed, eenigen tijd vóór den inval der Cimbi\'en en Teutonen in Italië, vele verwoestingen in het Noordwestelijk gedeelte van Europa, alzoo mede in deze streken, teweegbracht. Het kan zijn. Wil men echter alleen op de historische getuigenissen afgaan, dan waren de Friezen, de Bataven, de Kaninefaten, De Tubanten, de Brukteren, de Menapiers en de Nerviërs de voornaamste volksstammen , die Nederland en ten deele België het eerst hebben bewoond. Waarom „Nederland en België?quot; Omdat de geschiedenis dier beide landen in de eerste vijftien eeuwen onzer jaartelling zoovele punten van aanraking heeft, dat men, sprekende over de historie van slechts één dezer landen, het andere er dikwijls niet van kan afscheiden. Daarom zij hier aangemerkt, wat vooreerst mede voor \'t vervolg geldt, dat met de uitdrukking „Nederlandquot; of „deze landenquot; vaak zoowel Nederland als België wordt bedoeld.

Al die stammen, zoo even genoemd, behoorden tot de volkerengroep der Germanen. Wanneer en waarom zij naar ons vaderland afzakten, dit zijn vragen, die niet nauwkeurig kunnen worden beantwoord. Waarschijnlijk waren de Friezen, ongetwijfeld het hoofdvolk, ook de

-ocr page 11-

oudste bewoners. Na hen kwamen o. a. de Bataven, die, eertijds een stam der Katten, wegens binnenlandsche onlusten uit Midden-Germanie naar deze streken verhuisden. De grenzen, binnen welke de Friezen zich ophiélden, waren in \'t o. de Eems, in \'t z. de Rijn of eigenlijk de Maas. De woonplaats der Bataven was het eiland der Bataven, tusschen den Rijn en de Waal gelegen, benevens een deel van het tegenwoordige Zuid-Holland en Gelderland. De Tubanten hebben Twente bevolkt, dat aan hen zijn naam ontleent. De Brukteren zullen zich ten o. van hen en, voor zoover ons vaderland betreft, ten z. van de Friezen hebben opgehouden. De Menapiers en de Nerviers eindelijk moeten zich ten z. van de Bataven hebben neergezet, en wel zóó, dat de eersten zich meer naar \'t w., de laatsten naar \'t o. zullen hebben uitgestrekt. Het is niet te denken, dat eenig Nederlander uit deze eeuw onder die vroege bewoners van ons land zijn voorzaten zal gaan zoeken. Daarom en omdat de Romeinsche geschiedschrijvers, als Caesar en Tacitus, over de zeden en gewoonten van één dezer volkeren in \'t bijzonder, b. v. van de Bataven, niets anders mede-deelen, dan wat allen Germanen gemeen is, onthoudt men zich hier van de gebruikelijke uitweiding over dit punt.

Al de genoemde en andere volkeren, die met hen deze landen bewoonden, geraakten in de eerste eeuw v. C. onder de heerschappij der Romeinen. Die van België werden grootendeels met geweld onderworpen, die van Nederland sloten veelal verdragen en namen alzoo, door de omstandigheden gedrongen, vrijwillig het juk op hun schouders. Dit is hieruit af te leiden, dat in Caesars geschriften nergens wordt gewaagd van een verovering, b. v. van het eiland der Bataven. Evenwel bestaat er geen grond om de onderwerping der Bataven aan een zeker jaar toe te wijzen, of het moest zijn aan het jaar 12 v. C. (zie Algem. Geschied., 10de druk, I, blz. 251, 252). Van die der Friezen heeft de stiefzoon van keizer Augustus, D rus us, de verdienste. Dat intusschen de oude bewoners van Nederland, als bondgenooten, aan de Romeinen ondergeschikt waren blijkt hieruit dat zij manschappen aan de legers van dit volk en zelfs aan de lijfwacht hunner keizers leverden. Dit was dan ook de eenige voorwaarde, waardoor de onafhankelijkheid der Bataven werd beperkt, terwijl de Friezen ossenhuiden moesten opbrengen.

Twee opstanden tegen de Romeinen zijn de eenige merkwaardige gebeurtenissen uit de vroegste eeuwen van Nederlands geschiedenis, die bij de Romeinsche schrijvers zijn opgeteekend. De eerste is die van de Friezen, verbitterd over de willekeur van den Rorneinschen veldheer Olennius, welke, niet tevreden met de ossenhuiden, hem geleverd, in \'t jaar 28 n. C. grootere vorderde, dan bij dit volk waren te vinden. In den beginne slaagden de Friezen naar wensch: menig Romein viel onder het wrekend zwaard. Doch in 47 n. C. beteugelde Corbulo hen. Eenigen tijd daarna, in 69 n. C., stonden de Bataven

-ocr page 12-

4

op. De titel „broeders en vrienden van het Roraeinsche volkquot;, hun door de machtige bondgenooten geschonken, beschutte,hen niet tegen onderdrukking. De Romeinsche bevelhebber Fontejus Cap ito liet ten tijde van Nero een aanzienlijk Bataaf, Julius Paulus, ten onrechte van een poging tot oproer beschuldigd, ter dood brengen en zijn broeder, wiens eigenlijke naam verloren is gegaan en die in de taal der Romeinen Claudius Civïlis heet, in ketenen geklonken, naar Rome voeren. Wat meer is, niet alleen jongelingen, maar ook ouden van dagen werden voor den krijgsdienst opgeschreven, om hen te noodzaken zich los te koopen en op die wijze de hebzucht der Romeinsche bevelhebbers of landvoogden te voldoen. Op last van Galba weder ontslagen, wist Claudius zijn landgenooten weldra zoozeer aan te vuren, dat zij openlijk het juk afwierpen. Met hen verbonden zich de Friezen, de Kaninefaten onder Brinio en andere stammen.

Zoolang de strijd tusschen Vitellius en Vespasianus, die beide naar de Romeinsche keizerskroon dongen {Alg. Gesch. I, blz. 262), niet was beslist, behaalde Claudius Civïlis, door zijn bondgenooten bijgestaan, meer dan één zege. Zoo vermeesterde hij een vijandelijke vloot van vier-en-twintig schepen en veroverde Gastra vet tra (de oude legerplaats), d. i. Xanten (ten z.o. van Kleef). Maar toen in 70 n. C. Vespasianus\' veldheer Cerealis kwam opdagen en Claudius dus zijn voorwendsel, dat hij ten behoeve van dezen tegen Vitellius kampte, niet langer kon volhouden, moest hij het verbond met Rome hernieuwen. Naar \'t schijnt was de toestand der opgestane volkeren, na den strijd, even dragelijk, als hij voorheen jaren lang was geweest.

Men kan niet ontkennen, dat het verblijf der Romeinsche legers hier te lande sporen achtergelaten, of, met andere woorden, dat de onderwerping aan Rome gunstige gevolgen voor de bevolking dezer streken gehad heeft. Gedurende dien tijd werden hier en daar wegen aangelegd, ook een enkele dijk, elders vaarten gegraven. Zoo liet Drusus, om een waterweg naar de Noordzee te openen en de Bataven tegen overstroomingen van den Rijn te vrijwaren, de naar hem genoemde gracht graven, waardoor de Rijn nabij Doesburg met den IJsel werd vereenigd. Grootendeels uit legerplaatsen, door de Romeinen opgericht, verrezen allengs steden, als Nijmegen, Utrecht, Leiden er. andere. Welken rechtstreekschen invloed echter de Romeinen op de beschaving der landzaten zelve hebben geoefend is moeielijk te zeggen. Het best laat hij zich voorzeker nog afleiden uit de taal, d. i. uit de Nederland-sche woorden, aan het Latijn ontleend, b. v. schrijven, letter, enz. Inzonderheid schijnen die woorden onzer taal, welke betrekking hebben op landbouw en veeteelt, van de Romeinen te zijn overgenomen. Zoo werd satum zaad, fur ca hooivork, vanntts wan.

-ocr page 13-

1

5

§ 2

De Franken en de Saksen in Nederland en België. — Deze landen worden een bestanddeel van het Frankische rijk. — De invoering va7i het

leenstelsel en van den Christelijken godsdienst. — De Noormannen.

Het spreekt vanzelf, dat ons vaderland, als bestanddeel van het Romeinsche rijk of als woonplaats van stammen, die bondgenooten van de Romeinen heetten, sedert de 3de eeuw mede ten doel stond aan de menigvuldige aanvallen, door de Germanen op dit rijk gedaan. Van de groote vereenigingen, door de stammen der Germanen onder gemeenschappelijke namen aangegaan. {Alg. Geschied. I, blz. 277, 278) zijn er zijn twee, die tot deze landen in nauwe betrekking komen te staan. Het zijn die der Franken en der Saksen. Sinds het einde der 3de eeuw deden de Franken, n.1. de Saliërs, bij herhaling invallen in de Nederlanden , bleven er sinds de regeering van Julianus den afvallige (t. a. p. blz. 275) gevestigd en breidden zich vervolgens meer en meer naar het Zuiden, eerst tot in het Noordelijk België, later tot de rivier de Somme uit. Na den dood van Clovis I in 511 behoorden Nederland en België ten deele tot die streek, welke men Austrasie noemde. Daarin vond men Henegouwen, Namen, Luik, Luxemburg, Limburg, Brabant, Antwerpen, Zeeland, het Zuiden van Zuid-Holland en het overige land, voorheen door de Bataven bewoond.

Doch de Franken waren het niet alleen, die ons land bewoonden. Sedert de 5de of de 6de eeuw is de landstreek bij den IJsel het gebied niet langer van de Saliers, maar van de Saksen, een volk, dat zich over een groot deel van Noordwestelijk Duitschland uitstrekte en aan wier verbond de Tubanten en welke andere stammen Overijsel en Drente mogen hebben bewoond zich aansloten. Het noordelijk gedeelte van ons land werd in deze eeuwen, die men het Frankische tijdvak kan heeten, steeds bewoond door de Friezen. Hun grenzen waren niet altijd dezelfde; maar het is zeker, dat er tijden zijn geweest, waarin die van de Noordzee en de Wezer tot de Schelde of tot de Sincfal, d. i. het Zwin (bij Sluis, in Vlaanderen), reikten. Tusschen de Friezen en de Saksen aan de ééne zijde en de Franken aan de andere ontstond van de 6de eeuw af een strijd, die eerst in de dagen van Karei den groote een einde nam. In die herhaalde oorlogen, waarin nu eens de Franken, dan weder hun vijanden zegevierden, werden , gelijk zoo even werd aangeduid, de palen van het gebied der Friezen bij afwisseling uitgezet of beperkt.

Gedurende dat veelvuldig kampen verdwijnen de naam der Bataven en die der Kaninèfaten voor goed. Sinds de 5de eeuw komen zij niet meer voor. Zoowel deze volkeren als andere, die tot dusver afzonderlijke namen hadden gedragen, sloten zich bij de Franken aan of smolten met hen samen: hun naam ging in den algemeenen naam „Frankenquot; op.

_

-ocr page 14-

6

De langdurige strijd van de Friezen en de Saksen tegen de Franken nam een einde in den tijd van Karei den groote. De onderwerping der Friezen aan dien vorst dagteekent van \'t jaar 785, die der Saksen van 804. Van dien tijd af maken dus die beide volkeren, of, m. a. w., Nederland en België, een bestanddeel uit van het Frankische rijk, dat tot 843 bleef bestaan. De geschiedenis van dit rijk, een deel der Alge-meene Historie, is alzoo tevens de geschiedenis dezer landen gedurende die dagen. Ze hier in te lasschen is overbodig, en vele bijzonderheden, Nederland bij uitsluiting betreffende, zijn uit deze eeuwen niet te vermelden. Slechts dit zij opgemerkt, dat de Franken in deze streken, gelijk elders, het leenstelsel en het Christendom invoerden. Wel hadden ook ijverige predikers, uit het tegenwoordige Frankrijk afkomstig , als Eligius, vroeger goudsmid van beroep, en Amandus in het Zuiden , de eerste b. v. in Vlaanderen, velen tot het aannemen der Christelijke leer gebracht; maar het doopen of de bekeering der Friezen was, behalve van den Frankischen geloofsprediker Wulfran, groo-tendeels het werk van de Christenzendelingen, uit Engeland overgekomen, van Wilfried, Willebrord en Winfried, sinds zijn overgang tot het kloosterleven, alzoo reeds in zijn jongelingsjaren, doorgaans Bonifacius (d. i. die zijn taak goed volbrengt) geheeten. Had Dagobert I te Utrecht de eerste Christenkerk of kapel onder de Friezen gesticht (A/g. Geschied. II, 7de druk, blz. 31), Willebrord werd in 695 hun eerste bisschop. Wulfran is de man, die door zijn onberaden ijver den koning der Friezen, Radboud, in 719 noopte te Hoogwoude (ten n.o. van Alkmaar) zijn voet weder uit het water terug te trekken, waarin hij dien reeds had gezet, ten einde door den doop in de gemeente der Christenen te worden opgenomen. Bonifacius vond den 5den Juni 755 met twee-en-vijftig zijner leerlingen bij Dokkum den dood des martelaars. Ter plaatse, waar hij zal zijn gevallen, werd ongeveer een eeuw later een abdij en kerk gesticht, waar onderscheidene reliquien van dien heilige werden bewaard, o. a. zijn hersenpan, jaren lang door duizenden menschen met allerlei plechtigheden vereerd.

De verdeeling dezer landen of volken in den tijd van de heerschappij der Franken is drieledig: i0. de kerkrechtelijke, uitgaande van den paus en allengs ingevoerd sedert het begin der 8ste eeuw; 2\'\'. de staatsrechtelijke, uitgaande van den keizer en in de 8ste eeuw tot stand gekomen; 30. de burgerlijke of geographische, van vroegere tijden dagteekenende en uit den boezem des volks voortgesproten.

Ten aanzien van de eerste verdeeling stond het Noorden tot de Schelde en de Waal onder het bisdom Utrecht, het Oosten onder de Saksische bisdommen Munster en Osnabrück, het Zuiden onder de Frankische bisdommen Keulen, Luik, Doornik.

Staatsrechtelijk werd het land verdeeld in hertogdommen, deze weder in graafschappen, de graafschappen o. a. in schoutambten. De burgerlijke verdeeling was in volken of landen, elk land in gouwen, elke

-ocr page 15-

7

gouw in marken. Veelal stemde deze verdeeling geheel overeen met de staatsrechtelijke, zoodat een gouw gelijk stond met een graafschap , een mark met een schoutambt. Zóó gingen de aloude marken (welk woord eigenlijk „grensquot; beteekent), d. i. stukken grond, die voorheen \'t gemeenschappelijk eigendom waren der markgenooten, welke waarschijnlijk van de eerste verovering of inbezitneming dagteekenden, in deze nieuwere deeling op.

Behalve de drieledige verdeeling, aan al deze streken gemeen, was Friesland nog gesplitst in de zeven zeelanden, d. i. aan zee gelegen landen. Naar \'t schijnt moet evenwel bij deze indeeling, waarvan men eerst in wetten en oorkonden uit de t3de en de 14de eeuw gewag vindt gemaakt en waaromtrent nog veel onzekerheid heerscht. Friesland slechts in beperkten zin worden genomen. Alzoo zal deze verdeeling in die eeuwen waarschijnlijk betrekking hebben gehad op Oostergo en Westergo met de omliggende eilanden en landstreken.

Ook omtrent de gouwen of graafschappen is niet alles, wat wetenswaardig is, bekend. Hier volgt een aantal dier gouwen, zoowel uitliet land der Friezen en der Saksen, als uit dat der Franken. In het tegenwoordige Groningen; Hunsingo, Fivelgo; in het tegenwoordige Friesland: Oostergo, met de hoofdplaats Dokkum, Westergo met de hoofdplaats Stavoren; in of bij het tegenwoordige Holland: Texel, West-Friesland met de hoofdplaats Medemblik, waarin ook de Drechterlanders woonden, Kennemerland met de hoofdplaats Alkmaar, Rijnland met de hoofdplaats Leiden, Maasland met de hoofdplaats Vlaardingen; in het tegenwoordige Utrecht; Niftarlake (d. i. nevens de grens, omdat deze gouw de scheiding tusschen het land der Friezen en het Frankische gedeelte uitmaakte) met de hoofdplaats Utrecht; in het tegenwoordige Drente: Drente met de hoofdplaats Groningen; in het tegenwoordige Overijsel: Twente met de hoofdplaats Goor, Sallant; in het tegenwoordige Overijsel en Gelderland: Hameland, dat zich van Deventer tot Elten uitstrekte met den IJsel als grens in \'t w., hoofdplaats Deventer; in Gelderland verder; de Veluwe, de Betuwe, Teisterbant met de hoofdplaats Tiel; in het tegenwoordige Zeeland; Walcheren.

Vraagt men naar de vruchten van de heerschappij der Franken in deze landen, hierop kan in zooverre een antwoord worden gegeven, dat men zich over \'t geheel een tamelijk goed denkbeeld van den algemeenen toestand vermag te vormen. Het land werd, onder \'t oppergezag der koningen, bestuurd door hertogen en graven. Oorspronkelijk beduidt het woord hertog aanvoerder van het leger. Maar dikwijls werd ook hij dus genoemd, die over de krijgsbenden eener zekere landstreek het bevel voerde, weshalve die titel dan aan de landstreek werd gehecht. Zoo waren hier te lande drie hertogen, een van Friesland, een van Saksen en een van Frankenland. Onder de hertogen stonden de graven, d. i. rechters. In den beginne werd die titel zoowel aan ambtenaren van lagen als van hoogen rang gegeven, zoodat b. v. een

-ocr page 16-

8

opzichter over wouden, dijken, wegen, enz. vaak graaf werd genoemd. Later werden die koninklijke of keizerlijke ambtenaren gewoonlijk dus geheeten, die als rechters, maar ook als burgerlijke bestuurders en aanvoerders van \'t leger den vorst vervingen. De bank van schepenen, waarvan de graaf voorzitter was, had rechtspraak over het geheele graafschap. Onder de graven vond men schouten (van schelden, d. i. recht spreken), die aan \'t hoofd stonden van de schoutambten. De bevolking was niet langer in den toestand van wilde horden, maar in dien eener geregelde maatschappij met vaste wetten. Zij was gesplitst in de volgende standen: vrijen, liten (lieden of hoorigen) en slaven of lijfeigenen. Dewijl de liten op de hoeven der vrijen woonden noemde men ze ook hof hoorigen. Noch hun toestand, noch die der lijfeigenen was zoo onaangenaam, als die der slaven in de oudheid of die der negers in de volkplantingen der Europeanen van den nieuweren tijd. De centralisatie van het bestuur bevorderde handel en nijverheid: (Wijk bij) Duurstede b. v. was een aanzienlijke koopstad. De groote wegen werden naar behooren onderhouden en met wering van knevelarij , tegen voldoening van bepaalde tollen, voor elk opengesteld.

Reeds gedurende de regeering van Karei den groote en vroeger werden deze landen door de Noormannen besprongen; doch vooral geschiedde dit onder \'t bewind van Lodewijk den vrome en na hem. Deze woeste horden, de stroomèn opvarende, legden de steden, die zij op haren weg ontmoetten, zware schattingen van honderden of duizenden ponden goud of zilver op, of kenmerkten in het binnenland, zoover zij doordrongen, haren weg door roof en doodslag. Lodewijk de vrome verschafte de Noormannen een zeer gewenschte aanleiding om hun rooftochten voort te zetten. Tot hem kwamen n.1. drie dier Noordsche vorsten, de broeders Heriold, Roruk en Hemming, die uit Denemarken waren verjaagd en met behulp van Lodewijk hun gebied zochten te herwinnen. Lodewijk, die steeds voor \'t Christendom ijverde, hoopte door \'t verleenen van den gevraagden bijstand deze vorsten en misschien een aantal hunner onderdanen tot het aannemen van dien godsdienst te bewegen. Hierin slaagde hij naar wensch. De Deensche vorsten lieten zich in 826 doopen; maar het mocht den koning der Franken niet gelukken hen in \'t bewind te herstellen. Vol blijdschap over hun bekeering, gaf Lodewijk hun daarom leenen in de Nederlanden: aan Heriold Dorestad of Duurstede en omstreken : aan Roruk Ke7inemer-land (een deel van Noord-Holland nabij Alkmaar) en aan Hemming Zeeland. Dit bracht vele rampen over de Nederlandsche gewesten, want de Noormannen vierden hier van nu aan hun roofzucht ruimen teugel. Eensdeels was dit toe te schrijven aan hun vijandschap tegen de drie vorsten; anderdeels kwamen zij op den wenk dier vorsten zeiven, die met hen in verraderlijke verstandhouding stonden. Later, in 882, moest Kennemerland, gelijk vroeger aan Roruk, aan Godfried, een zoon van Heriold, in leen worden gegeven. Dit was een bange tijd. God-

-ocr page 17-

9

fried gelastte de landzaten met een strop van boombast om den hals te loopen, opdat hij hen, zoodra het hem behaagde, kon laten ophangen, en gaf aan zijn benden vergunning een rooftocht langs den Rijn te ondernemen. Niet vóór 885, toen graaf Everhard van Hameland Godfried met zijn gevolg, bij een samenkomst in de Betuwe, op last van Karei den dikke {Alg. geschied. II, 7de druk, blz. 60) liet ombrengen en de overige Noormannen ten lande werden uitgejaagd, eindigde hun heerschappij in deze streken.

Inmiddels had het Frankische rijk in 843, bij het verdrag van Verdun (t. a. p. blz. 58), opgehouden te bestaan. Hierbij verkreeg Lotharius I o. a. het oostelijk gedeelte van Frankrijk en aangrenzende landen, gelegen in \'t z., tusschen de Rhone en de Alpen; in \'t n., zoowel ten n. van den Rijn als tusschen deze rivier en de Maas, gelijk mede tusschen de Maas en de Schelde tot de monden dezer rivieren. Lodewijk de Duitscher bekwam o. a. het land ten n. van de Alpen en ten o. van den Rijn. Karei den kale eindelijk werd o. a. het gebied ten westen van de Schelde, de Maas, de Saóne en de Rhone toegewezen. Hieruit volgt dat Lotharius I bijna geheel België en Nederland, Karei de kale Vlaanderen, Artois en een deel van Zeeland verwierf. Later, in 870 en 879, kwam het aandeel van Lotharius I aan Duitschland (t. a. p. blz. 60).

§ 3-

Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land. — De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun. — Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen. — Aard en uitbreiding der graf elijke macht.

Toen de Friezen zich in 785 aan Karei den groote onderwierpen, werd hun land, zooals vanzelf spreekt, geacht een bestanddeel van het rijk der Franken te zijn. Doch het leenstelsel werd bij hen zoo goed als niet ingevoerd; niemand eigende zich onder hen de landshoogheid toe; de geestelijken verkregen geen immuniteiten; de edelen zonderden zich, als stand, niet van de vrijen af; de meeste Friezen behielden hun persoonlijke vrijheid, eigendom en rechten. Dus verschilde hun toestand van dien der bewoners van de andere gedeelten dezer landen, als van Brabant, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en van een streek van Noord-Holland, n.1. Kennemerland. Hier werd de Frankische stam, vroeger of later, de overheerschende, de Friesche de onderliggende. Dit is ongetwijfeld hoofdzakelijk aan de vroegtijdige onderwerping dier landstreken (zie boven bladz. 5) toe te schrijven. Het staat alzoo vast, dat de Friesche bewoners der laatstgenoemde landen geregeerd werden volgens wetten, door de Franken gemaakt, en dat zij

-ocr page 18-

10

geen vrijen waren, doch, althans grootendeels, hoorigen of lijfeigenen en als zoodanig tot allerlei dienstbetooning aan de overheerschers verplicht. Niet alleen als volk werden zij dus vernietigd; maar zij verloren ook een groot deel hunner menschenrechten. Bij de veelvuldige verdrukking van allerlei heeren, waaraan zij ten doel hadden gestaan, had daarenboven menige vrije het als een geluk beschouwd, zich als lijfeigene te mogen verkoopen, op die wijze, met opoffering van de vrijheid , althans rust en veiligheid verwervende. Nergens intusschen was het getal lijfeigenen zoo groot als in de landen van den bisschop van Utrecht.

Na het jaar 843 kwamen de Nederlanden en België (steeds met uitzondering van Vlaanderen en van een gedeelte van Zeeland), om niet van het tijdperk van overgang te spreken, gelijk op blz. 9 werd opgemerkt, weldra tot Duitschland in die betrekking te staan, waarin zij tot dusver hadden gestaan tot het rijk der Franken. Van dien tijd af maakten zij, n.1. voor zoover zij bij het verdrag van Verdun tot het aandeel van Lotha-rius I hadden behoord, een bestanddeel uit van het hertogdom Lotharingen, en sedert 965, toen dit hertogdom in Opper- en Neder-Lotharingen werd verdeeld (Alg. Geschied. II, 7de druk, blz. 69), van het laatste.

In de 9de en de 10de eeuw werden de meeste Nederlanden erfelijke leenen, terwijl dat, wat oorspronkelijk een gunst des keizers was, allengs, in weerwil van hem, als een recht werd beschouwd. Het volk en de kleinere leenmannen, die zich natuurlijk meer aan de plaatselijke overheid dan aan den veeltijds afwezigen keizer hielden , namen met deze verandering licht genoegen. Meer dan eens ontstonden evenwel groote moeielijkheden uit de vraag, of het eene of andere gewest alleen een mannelijk of zwaardleen, of wel tegelijk een vrouwelijk of spilleleen was. Sedert de 11de eeuw kwamen allengs meerdere gouwen aan één graaf. Dit ontsproot hieruit, dat sommige gravengeslachten uitstierven of werden verdreven en de overige zich dan met hun nalatenschap verrijkten. Ook vervielen vele gouwen, doordien eerst, ten gevolge van het aangroeien van de macht der geestelijken, de bisschoppelijke en andere kerkelijke bezittingen, vervolgens vele hooge heerlijkheden en eindelijk ook de steden allengs aan de gouwrechten werden onttrokken. Zoo werden alle graven, voor zoover zij de landshoogheid niet aan zich hadden getrokken, overtollig en door ambtenaren dier graven, welke ze wel hadden verworven, vervangen. Hierdoor kwam het, dat in de r2de eeuw bijna het geheele land tusschen den graaf van Gelder, dien van Holland en den bisschop van Utrecht was verdeeld.

De verandering, die langzamerhand in het Zuiden in den stand van zaken plaats greep, was hoofdzakelijk deze, dat in plaats van het hertogdom Neder-Lotharingen, voor en na, verschillende zelfstandige staten ontstonden. De grootste dier staten was Brabant, dat ook den titel „hertogdomquot; behield. Verder vond men er het markgraafschap, veelal graafschap genoemd, Namen en het graafschap Henegouwen (d. i. de landstreek aan de rivier de Haine). Ten o. van deze drie staten lag het

-ocr page 19-

11

bisdom Luik, en ten n. hiervan het graafschap Loon , dat graaf I.odewijk in 1212 aan den bisschop van Luik schonk en weer als leen van hem ontving (Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 38). In 1336 werd hét, als opengevallen leen, aan het bisdom gehecht. Wederom ten n. van Loon lag het graafschap Hoorne, dat, naar \'t schijnt, een leen was van het graafschap Loon en dus een achterleen van Luik. In 1568 werd het aan Luik getrokken.

Tusschen de Maas en den Rijn lag het graafschap, sedert de 11 de eeuw hertogdom, Limburg. Maastricht was voor een gedeelte een bezitting van den bisschop van Luik, voor een ander deel een op zichzelf staande rijksstad of rijksleen. Die rijksstad werd in 1204 door Philips van Zwaben {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 123) aan den hertog van Brabant in leen gegeven en door Karei V van het Duitsche rijk afgescheiden en aan Brabant toegevoegd. Later is, zooals te zijner tijd zal worden vermeld, hierin verandering gekomen. Ten z. van Limburg stiet men op het graafschap, sedert 1354 hertogdom, Luxemburg.

Antwerpen met zijn omstreken was reeds in de 10de eeuw een markgraafschap van het heilige Roomsche of Duitsche rijk en werd door den hertog van Brabant bestuurd. De heerlijkheid Mechelen was zeer lang een twistappel tusschen verschillende vorsten, totdat het geschil in dier voege werd beslecht, dat de graaf van Vlaanderen over de eene helft leenheer, de hertog van Brabant er leenman van werd, terwijl de hertog van Brabant en de bisschop van Luik leenheeren waren over de andere helft, waarvan de graaf van Vlaanderen leenman was. Dergelijk leen noemde gemeenschappelijk leen. Later, in 1357, kwam Mechelen in zijn geheel aan den graaf van Vlaanderen, terwijl het eindelijk in veel lateren tijd, gedurende of na den afval der Nederlanden van Philips II, werd gerekend tot Brabant te behooren.

Gelijk Artois in zijn geheel zoo was Vlaanderen grootendeels een deel van Frankrijk, Kroon-Vlaanderen geheeten. Het andere gedeelte, het Noordelijke, was een leen van Duitschland en werd Rijks-Vlaanderen genoemd. Dit bevatte Zeeland bewester Schelde, d. i. het land ten 11. van de Hont, met name de eilanden Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Wolfaartsdijk en Borselen (vroeger een eiland, thans op Zuid-Beveland), benevens het land van Waas, waarin o. a. Rupelmonde en Dendermonde liggen, alsmede Aa-st, Valenciennes en de vier ambachten Hulst, Axel, Assenede en Boekholt. In 1007 gaf keizer Hendrik II {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 70) Rijks-Vlaanderen aan Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, in leen, die op zijn beurt het Zeeuwsche land wederom in achterleen gaf aan graaf Dirk Hl van Holland.

Een enkel woord ter verklaring van het zooeven gebruikte woord ,,ambachtenquot;. In de verschillende streken van zijn gebied had de graaf schouten (zie blz. 8). Hun dienst of werkkring werd geheeten ambacht, in \'t Latijn officium, en daarnaar noemde men de streek, waarover die werkkring zich uitstrekte, insgelijks ambacht, ambachtsleen oi ambachtsheerlijkheid. Wanneer die schouten nu op de gelden, die zij ten dage

-ocr page 20-

12

der verantwoording in handen van den graaf hadden te storten, hem een zekere som als voorschot verstrekten, gebeurde het dikwijls, dat de graaf hun het ambacht, d. i. de streek, in leen of pacht afstond. Deswege noemden die schouten zich dan heer en van zulk een schoutambacht oi schoutambt of ambacht sheer e7i. Mettertijd wisten zoodanige ambachtsheeren ook zekere gerechtigheden, oorspronkelijk den graaf toekomende, te verkrijgen. Zoo wordt het licht te begrijpen, hoe zij tegen het einde der Middeleeuwen en later sommige rechten konden hebben en oefenen, b.v. dat om een koster of meester aan te stellen, dat van de lagere rechtspraak, enz.

De staten die in \'t Noorden verrezen en waarvan straks ter loops werd gewaagd, waren Holland, Utrecht, Gelderland. Zooals men gewoonlijk aanneemt, ontstond het graaf schap Holland, waarbij dat gedeelte van Zeeland behoort, dat ten n. van de Oosterschelde ligt, in 922, doordien Karei de eenvoudige {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 60 en 63) aan hem, dien men veelal Dirk I noemt, Egmond en omliggend land, ongeveer van Hillegom tot Alkmaar, schonk. De oorspronkelijke giftbrief is verloren gegaan; maar aan oude afschriften en vertalingen ontbreekt het niet. Deze bewijzen echter niets anders dan dat die Dirk eenige stukken grond in vollen eigendom van Karei ontving. Voorzeker, er waren in de 10de en de 11 de eeuw graven, er waren Dirken. Doch wil men op een begin van \'t graafschap Holland wijzen, dat op een vasten grondslag steunt, dan moet men gaan tot het jaar 1018, tot dien Dirk, die doorgaans Dirk III heet. Tusschen de Merwede en de Oude Maas lag te dier tijde een moerassig bosch, slechts door enkele lieden bewoond, dat de bisschop van Utrecht en die van Luik gemeenschappelijk bezaten. Deze wildernis werd in het begin der nde eeuw door graaf Dirk eigenmachtig in bezit genomen. Hij stichtte er een sterkte ter bewaking van de talrijke rivieren, wélke die streek besproeien, en hief er op eigen gezag tol van de voorbijvarende schepen. Op de hevige klachten, door de kooplieden van Tiel en door de genoemde bisschoppen aangeheven, deed Godfried III, hertog van Neder-Lotharingen, op last van keizer Hendrik II, Dirk den oorlog aan. Doch Godfried werd geslagen , en alles bleef gelijk het was geweest. De sterkte, door Dirk gesticht, gaf het aanzijn aan de stad Dordrecht, dje in 1064 voor \'teerst in een oorkonde optreedt. Naar \'t schijnt had de genoemde streek, wegens haren rijkdom aan bosschen, den naam Holland gekregen, die, na de verovering, allengs op de meer naar \'t Noorden gelegen streken overging. Vanhier dat de graven, die voorheen „graven in Frieslandquot; heetten, zich sinds dezen tijd „graven van Hollandquot; begonnen te noemen, een naam, die voor \'teerst in den brief van 1064 wordt vermeld. Sedert 1323 werd de graaf van Holland, gelijk beneden zal worden aangetoond, tevens graaf van Zeeland, een land, dat zijn naam wellicht hieraan ontleent, dat het deels uit zee, deels uit land bestaat (zee en land), of wel dat het een land is in zee.

Gelderland bestond oudtijds uit de graafschappen Gelre of Gelder en Zutfen. De eerste, welke den titel „graaf van Gelder en Zutfenquot; voert, is Hendrik in 1138. Zijn vader was Gerhard II, graaf van Gelder;

-ocr page 21-

13

zijn moeder heette Ermgard en was erfdochter van Zutfen. „Graaf van Gelderquot; heette hij naar zijn hoofdstad Gelre (ten n. o. van Venlo). Nog in de 14de eeuw noemden de regeerende afstammelingen van Hendrik zich „graven van Gelder en Zutfenquot;, totdat keizer Lode-wijk reinoud II of den zwarte, zoo genoemd naar de kleur van zijn hoofdhaar, in 1339 tot hertog van Gelderland verhief.

Zooals boven is vermeld pleegt er sinds 695, toen Willebord zijn zetel te Utrecht vestigde, van een bisdom Utrecht te worden gewaagd. Dikwerf komt het ook onder den naam Sticht of stift, gelijkbeteekenend met „gestichtquot;, voor. De naam „stichtquot; toch wordt in \'t algemeen aan bisdommen, abdijen, enz. gegeven. Hoever het gebied des bisschop in geestelijke of kerkelijke zaken reikte is reeds (zie blz. 6) gezegd. Oorspronkelijk was de kerkelijke macht de eenige, die de bisschoppen hadden. Doch sedert de keizers en andere machtige mannen, van tijd tot tijd, allerlei bezittingen aan den bisschoppelijken stoel schonken, kwam hierbij allengs ook wereldlijk gezag. Als wereldlijke vorsten waren zij, gelijk de meeste overige Nederlandsche vorsten in de Middeleeuwen, leenmannen van het Duitsche rijk. Sedert het concordaat van Worms in 1122 [Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 95) werd de bisschop door de kanunniken van de vijf kapittelkerken gekozen. Van die vijf kerken is de St.-Maarten-of Domkerk , door Willebord, naar men wil, gesticht en toegewijd aan den heiligen Martinus, die in \'t laatst der 4de eeuw bisschop te Tours was. De naam dom wordt óf gehouden voor een verkorting van het Latijnsche woord dotni-nicum n.1. templum, d. i. huis des Heeren , óf afgeleid van het Latijnsche domus, d. i. huis, of wel van doma, een middeleeuwsch Latijnsch woord, dat „koepelquot; beteekent. Naar dien naam werden de kanunniken dezer kerk ook domheer en genoemd. De kanunniken heetten zóó, omdat zij oudtijds, tot het einde der twaalfde eeuw, in kloosters leefden naar zekere canones of regels. De vergadering van al die kanunniken samen droeg den naam kapittel van Utrecht.

Behalve over Utrecht strekte zich de wereldlijke macht van de bisschoppen ook uit over Overijsel, daarom Over sticht geheeten, alsmede over Gro-7iingen en Drente. Wat Overijsel betrelt, dit hebben zij trapsgewijze gekregen. Weleer waren hier, zooals elders, onderscheidene graafschappen, alle aan het Duitsche rijk leenroerig. Naarmate deze landstreken , bij het uitsterven der mannelijke lijn van het regeerende stamhuis en anderszins, aan het rijk vervielen, gaven de keizers, vooral op het voorbeeld van Otto den groote (Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 67), ze aan den bisschoppelijken stoel in leen. Zoo schonk, nadat bisschop Balderik van den zoo even genoemden Otto Vollenhove had gekregen, Hendrik III (t. a.p., blz. 72) en 1046 Deventer met het omliggende land aan bisschop Eer nul f. In 1086 werd Islegouw of Sallant door Hendrik IV (t. a. p., blz. 73) aan bisschop Koenraad gegeven. Later werden Goor, Enschedé, enz., d. i. Twente, daaraan toegevoegd. Ten opzichte van Drente en van een deel van Groningen zij het genoeg op te merken, dat het eerste dier gewesten

-ocr page 22-

14

in 1024 door Koenraad II aan bisschop Adelbold in leen werd gegeven, welke gift Hendrik III in 1040 bevestigde, er tevens ten behoeve van den toenmaligen bisschop, Bermilf, de plaats Groningen met Goorrecht aan toevoegende. De stedevoogd, slotvoogd of kastelein, \'s bisschops plaatsbekleeder, hield zijn verblijf te Koevorden.

Nog is niet gesproken van Friesland en van eenige gedurende de Middeleeuwen op zichzelf staande kleinere gedeelten van ons vaderland. Het eerstgenoemde land, tevens West-Friesland, een groot deel van de latere provincie Groningen en Oost-Friesland bevattende, werd sedert Karei den groote door graven beheerscht. Wat die andere deelen des lands aangaat, hiertoe behoorde o.a. de heerlijkheid Westerwolde, sinds het einde der vorige eeuw bij de provincie Groningen ingelijfd; verder het land van Kuik, dat in 1400 aan Gelderland kwam, de heerlijkheid Ravenstein (beide ten n. o. van Brabant) en andere.

Na op de bestanddeelen der Nederlanden in de Middeleeuwen te hebben gelet vestige men de aandacht op den aard der grafelijke macht in Holland en zij er aan herinnerd, dat wat hier wordt aangevoerd tevens in\'t algemeen voor Gelderlend en Utrecht geldt. Oorspronkelijk waren de graven (zie blz. 7, 8) ambtenaren, d. i. dienaren, die in naam van den koning der Franken, later van den koning van Duitschland, de vierschaar spanden, de boeten invorderden, welke zij voor twee derde gedeelten aan hun heer uitkeerden, en den heirban aanvoerden. Zij bezaten op dezen grond doorgaans vele landen, bosschen, enz. in vollen eigendom. De bediening, hun opgedragen, kon worden herroepen, weshalve niet de graven naar de streek, waarover zij waren gesteld, werden genoemd, maar de graafschappen den naam droegen van hen, die ze bestuurden. Sedert de leenwet van keizer Koenraad II (Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 72) in 1037 werden degraaf-schappen alom, dus ook hier te lande, erfelijk. Nu bleven de graven niet lang meer dienaren. Aangesteld door een heer, die verre was, poogden zij weldra zich van hem zoo goed als onafhankelijk te maken, zijn plaats geheel in te nemen, in \'t kort landsheeren te worden en als zoodanig te handelen. Het hun geleende gezag zochten zij tot een eigen te maken. Hiertoe behoefden zij den steun hunner onderdanen en moeten zich dien hebben weten te verschaffen. De keizers zei ven werkten, des bewust of onbewust, dit streven in de hand, doordien zij de regalia of rechten, hun toegekend op den rijksdag, op de Roncalische velden (Alge/n. Geschied. II, 7de druk, blz. 99) gehouden, ook in leen, d.i. dus in erfelijk bezit, gaven aan die graven en heeren, die ze zich dikwijls toch reeds hadden toegeëigend. Dergelijke rechten waren op den heirban, op groote wegen en bevaarbare stroomen, op het heffen van tollen, op het slaan van munt, op boeten, op onbeheerde en verbeurd verklaarde goederen, enz. Het bezit dezer rechten werd dan, vereenigd met de erfgoederen en met het erfelijk geworden graafschap, voor den graaf een krachtig middel om het doel, het landsheerlijk gezag, te bereiken. Eens landsheer geworden, gaf ook de graaf van de aanzienlijke goederen, die hij bezat

-ocr page 23-

15

of aan zich had getrokken, er vele in leen aan de vrijen of eigenerfden, hier woonachtig, natuurlijk onder voorwaarde dat zij hem, den leenheer, getrouw zouden wezen en bijstaan tegen wien ook. Het wordt verzekerd, dat er geen heerlijkheden in Holland waren, die niet, evenals later dé steden, haren oorsprong hadden te danken aan den graaf, doordien hij het was, die de dorpen en gehuchten tot leenen maakte.

Vraagt men naar voorbeelden van \'t geen hier wordt beweerd, de graven der 12de eeuw sloegen munt en oefenden het recht om oorlog te verklaren, vrede en verbonden te sluiten; Dirk VII hief tol, enz. Maar zij gingen ook verder. Zij begonnen n.1. tevens inbreuk te maken op de oude instellingen. De gansche Middeleeuwen door werd in de landen, waar de Friezen het hoofdvolk bleven (zie blz. 9), in dier voege recht gesproken, dat de azige, een rechtsgeleerde, door de buren gekozen, het vonnis velde en uitsprak. Zóó was het ook weleer in Holland en in de overige landen, waarin de Friesche stam de onderliggende werd, geweest. Doch hier werd allengs die gewoonte verdrongen om plaats te maken voor een andere, volgens welke de baljuw (het Fransche bailli = wachter) of schout, \'s graven ambtenaar, in naam van den landsheer de vierschaar (d. i. de vier gerechtsbanken) spande of, met andere woorden, de schepenen, als bijzitters, bijeenriep. De schepenen werden in den beginne door den graaf of door den schout benoemd en deden den eed aan den eerste. Veelal namen zij hun bediening slechts één jaar waar. Zij wezen het vonnis (von-denis, d. i. hun bevinding der zaak), en de baljuw of schout sprak het uit. De naam schepenen is afgeleid van scheppen, in zoover het „oordeelenquot; of „vindenquot; beteekent. Immers de rechter vond, naar de uitdrukking dier dagen, het oordeel. Oorspronkelijk door den graaf of den schout gekozen, werden zij in later tijd door de steden zeiven benoemd, wanneer die steden het privilegie daartoe hadden gekocht. De baljuw was de plaatsvervanger van den graaf in elke gouw. Hij stond dus daar aan \'t hoofd van \'t burgerlijk bestuur, was voorzitter in de gerechten, voerde de ingezetenen in den oorlog aan en oefende het toezicht over wateren, wegen en dijken. Wat de baljuwen in de gouwen waren, dit waren in de steden of dorpen de schouten, die zich in deze of gene stad ook wel baljuw, hoofdschout of hoofdofficier lieten noemen.

Vooral was het Floris V, die van de oude bepalingen afweek. In 1291 dwong hij de heeren, door hem gevangen genomen, Dirk van Brederode en Jan van Renesse, afstand te doen van het privilegie, dat de edelen vergunde zich van een vonnis des graven op den keizer te beroepen. Dezelfde Floris zette op groote schaal door wat andere graven vóór hem, ter uitbreiding hunner macht, waren begonnen te doen. Hadden zij, hetzij door overreding, hetzij anderszins, dezen of genen bezitter van een alodium er toe gebracht zich dit door hen in leen te laten geven, Floris, slechts den weg van \'t geweld betredende, dwong een groot aantal edelen zich zulks te laten welgevallen. Vaak — het is waar — vergolden de edelen den graaf deze of dergelijke inbreuk op hun rechten door hem

-ocr page 24-

16

den bijstand te onthouden, waarop hij in geval van oorlog rekende en waarvan hij geheel afhing. Maar ook hierin wist de graaf allengs te voorzien. Hij stichtte steden en begunstigde ze met keuren en allerlei voorrechten. Voor den grafelijken domeingrond, waarop zij werden gebouwd, betaalden die steden een jaarlijksche som, als tot afkoop van de diensten, waartoe de bewoners van dien grond gehouden zouden zijn geweest. De gemeenten, aldus ontstaan, hadden, als zedelijke lichamen, ongeveer dezelfde rechten en plichten als de leenmannen. Ook zij werden als vazallen aangemerkt. Alzoo de burgerijen, als krijgsmacht, aan de troepen der leenmannen kunnende tegenstellen en hun inkomsten met behulp van de jaarlijksche schattingen, hun door de steden op te brengen, vermeerderende, verzwakten de graven de heeren, zichzelven tevens versterkende. Deze gevolgen werden in nog ruimere mate zichtbaar, toen de graven, met de edelen, eveneens de steden opriepen om ook haar over \'s lands belangen te raadplegen of haar om beden te vragen. Op die wijze veranderden de graven allengs de geheele inrichting van den staat.

De burgers dier steden, als binnen de poorten moetende wonen, werden poorters genoemd. Deze poorters, onmiddellijk onderworpen zijnde aan hun overheidspersonen en slechts middellijk aan den vorst, wierpen hoe langer hoe meer een aanmerkelijk gewicht in de schaal. Op grond van den ouden rechtsregel, dat geen vrij man kan worden gedwongen, zonder eigen toestemming, iets van zijn eigendom af te staan, konden ook zij hun bewilliging onthouden aan de vorstelijke beden, d. i. aanzoeken om geldelijke hulp, en wel in dier voege, dat elke stad voor zich kon weigeren. Zóó althans luidde later, sinds de opkomst der staten, de bewering der steden. Tegenover deze bewering stond die der vorsten, die zeiden, dat in de vergaderingen der staten de minderheid de meerderheid moest volgen. Het spreekt vanzelf, dat, naar den aard der tijdsomstandigheden, nu eens het eene, dan weer het andere stelsel zegevierde. Intusschen houde men in \'t oog, dat de naam „bedequot; ook wordt gegeven aan de verplichte bijdragen, zooals aan die, waarvan boven op deze bladzijde wordt gesproken, waaraan niemand zich kon onttrekken. Vermits nu in deze landen, gelijk elders, de geestelijkheid en de edelen van rechtswege bevrijd waren van alle lasten, uitgezonderd van den krijgsdienst, en zich zoo lang mogelijk in \'t bezit van dit recht handhaafden, waren de graven meer en meer verplicht zich, ten einde de noodige gelden te erlangen, tot de stedelingen te wenden. Hoe dichter men aan het einde der Middeleeuwen komt, des te meer ziet men, dat de graven, bij de uitputting hunner schatkist, niet langer in staat zijnde uit hun eigen vermogen in de talrijke uitgaven te voorzien, die de veelvuldige oorlogen en andere omstandigheden deden ontstaan, van die bijdragen, welke voornamelijk uit de beurs der stedelingen kwamen, geheel afhankelijk waren. Dit, alsmede de overweging, dat de landzaat strijdbijl en speer aan den wand had hangen en bij uitnemendheid ervaren was in \'t gebruik dier wapenen.

-ocr page 25-

11

noopte hen de gemeenten te ontzien. Hoezeer dus de voornaamste deelen van \'t oppergezag bij den graaf berustten, geschiedde het dikwerf dat hij niet alleen de edelen, maar ook de steden verzocht het recht van zijn opvolger te erkennen. Ook voor het voeren van oorlogen en voor het sluiten van verdragen werd meermalen hun toestemming of onderteekening gevraagd. Deze gesteldheid van zaken verklaart het aanwezig zijn van die tallooze privilegiën hier te lande, als zoovele bolwerken om te groote overmacht van den graaf te stuiten.

De inhoud dier stukken liep natuurlijk uiteen. Maar geen stad of gewest was er bijna, of zij kon zich beroemen op een keur, waardoor de ingezeten verzekerd was niet buiten de grenzen van stad of gewest gedagvaard of voor een vreemden rechter gedaagd te werden (jus de non evocando). Geene schier miste een handvest, behelzende het verbod dat vreemdelingen met ambten werden bekleed. Holland, Vlaanderen, Namen en Henegouwen lieten de vrijheid gelden, hun voor tijden verleend, dat een burger of in \'t geheel niet of slechts tot zeker bedrag met verbeurdverklaring van goederen kon worden gestraft. Zoo Brabant dat voorrecht miste, andere en betere stonden er tegenover, b. v. dat kostbare recht van verzet, indien de opperheer de blijde inkomst, door hem bezworen, schond; dat recht, waarbij het eigenmachtig bijeenkomen der staten werd gewaarborgd, indien de bestaande grieven niet werden opgeheven. Die blijde inkomst was het voornaamste, het bolwerk van alle privilegiën van Brabant. Zij is het stuk, uitgevaardigd in 1356 door Wenceslaus en Johanna, toen de hertogelijke waardigheid aanvaardende. De akte, op dat tijdstip door hen verleend, bevattende een bevestiging en uitbreiding van vroegere privilegiën, is de eerste, die den naam joyeuse entrée of blijde inkomst draagt.

Deze en dergelijke privilegiën bezwoer de graaf, aleer hij het bewind aanvaardde. Eerst dan legden de onderdanen den eed van trouw en gehoorzaamheid af. Somtijds echter gebeurde het dat de graaf bij zijn inhuldiging sommige privilegiën, door zijn voorganger toegestaan, weigerde te bekrachtigen en ze, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, herriep. Vanhier de rechtsvraag, of dergelijke handelwijze geoorloofd was. Vrij algemeen was men aan weerszijden, èn aan den kant des graven, èn aan dien der natie, van gevoelen, dat geen herroeping gold voor de privilegia pactitia, d. i. die voor geld waren gekocht of op andere dergelijke voorwaarden verworven. Omtrent de privilegia gratiosa evenwel, d. i. de uit louter gunst geschonkene, dachten en handelden de graven anders. Hoewel deze stukken veelal belooningen waren voor buitengewone hulp, door de onderdanen verleend, meende de graaf ze te mogen herroepen, indien zij van zijn naasten voorganger waren uitgegaan, omdat hij ook in andere opzichten het recht had wat deze gewrocht had te niet te doen. De beroemde rechtsgeleerde Philippus k Leydis, de raadsman van graaf Willem V, ijverde zeer voor dit recht des vorsten.

Over den aard van \'t gezag van den bisschop van Utrecht, alsmede

WlJNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 2

-ocr page 26-

18

over het bewind, dat in Friesland werd gevoerd, volge hier een woord in \'t bijzonder. In Utrecht zelf werd de macht van den bisschop sedert 1122 (zie blz. 13) zeer beperkt door de vijf kapittels, welker toestemming in elke gewichtige aangelegenheid, inzonderheid voor het voeren van oorlogen, werd geëischt. In Overijsel en aangrenzende streken kon de bisschop geenszins in dien volstrekten zin als landsheer worden aangemerkt, als dit b. v. met den graaf van Holland het geval was. Eigenlijk was hij of zijn gemachtigde er niet meer dan voorzitter van den landdag, samengesteld uit de edelen en de steden. Het spreekt vanzelf dat deze opmerking inzonderheid toepasselijk is op het laatste gedeelte der Middeleeuwen.

Friesland bleef, wat het binnenlandsch bewind betreft, tot den tijd van Karei V op een geheel bijzonderen voet bestaan. De keizer beleende met dit land hetzij den bisschop van Utrecht, hetzij den graaf van Holland of een ander vorst. Om van vroegere voorbeelden te zwijgen, Lotharïus II van Saksen schonk Friesland aan graaf Dirk VI {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 96 vlg.), Koenraad III daarentegen gaf het aan bisschop Andries van Kuik. Alzoo meende zoowel de graaf van Holland als de bisschop van Utrecht een verkregen recht te hebben op de heerschappij over de Friezen, die zeiven evenmin gezind waren den een als den ander te gehoorzamen. Ook hield dit verzet voordurend aan, nadat Frederik I Barbarossa de zaak had beslecht door te bepalen, dat Friesland in naam van Holland en Utrecht door een burggraaf (zie beneden blz. 33) zou worden bestuurd. Deze herhaalde uitgifte van Friesland in leen toont dat er, gedurende de Middeleeuwen, in dit land geen gezag bestond, gelijk aan dat van den bisschop van Utrecht, den graaf van Holland of den hertog van Gelderland. De graven of regenten, die er waren, moeten worden geacht ambtenaren van lageren rang te zijn geweest en met minder macht bekleed, dan die was, welke de zoo even genoemde landsheeren, elk binnen zijn perken, oefenden.

§ 4-

Holland oiider de graven uit het Hollandsche huis.

Hetgeen op de laatstvoorgaande bladzijden omtrent het karakter en de hoedanigheid van de macht der landsheeren staat opgeteekend ziet uit den aard der zaak niet op één tijdstip in \'t bijzonder. Het is veeleer een doorloopende beschouwing van de ontwikkeling dier macht in den loop der tijden, welke steeds behoort te worden getoetst aan de geschiedenis der staten zeiven, waartoe wij thans overgaan. Het eerste graaflijke stamhuis, dat in Holland regeerde en oorspronkelijk in de omstreken van de oude abdij Egmond was gevestigd, was dat van Holland, naar de gewone meening, 922—1299 (zie echter blz. 12). Hier volgt de reeks der graven, uit dat huis gesproten, daar de daden van hen allen

-ocr page 27-

19

niet zoo belangrijk zijn, dat er, naar de orde, waarin zij elkander zijn opgevolgd, gewag van elk hunner behoeft te worden gemaakt. Zoo men met 922 begint zijn er zestien: Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I. De plaats, waar de huldiging der graven geschiedde, was Dordrecht. De eerste graven waren vaak in oorlog met de West-Friezen, met wier land zij, hoewel tegen den zin der bewoners, beweerden door den keizer te zijn beleend. Deze aanspraak berustte op een gift van Otto III {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 70), die in 985 aan Dirk, dien men doorgaans Dirk ii noemt, Medemblik, Texel en andere streken in West-Friesland en Holland schonk. Daarom streden Dirk II, Arnoud, Dirkiv, Floris ui en anderen tegen hen. In 1256 viel Willem ii op een veldtocht tegen de West-Friezen bij Hoogwoude (ten n.o. van Alkmaar), waar hij, met zijn paard door het ijs gezakt en tevergeefs een groot losgeld biedende, door de vijanden werd afgemaakt. Eerst Floris v, zijn zoon, onderwierp hen in 1282 en 1287, en tevens de Waterlanders en Drechterlanders, zooals hij vroeger de Kennemerlanders had bedwongen.

Eveneens hadden de graven dikwijls geschillen met de bisschoppen van Utrecht, eensdeels wegens Friesland, anderdeels over de grensscheiding, en omdat de graaf het veelal met den paus, de bisschop met den keizer hield. Zoo zegevierde Dirk iii in 1018 over bisschop Adelbold in de nabijheid van Dordrecht (zie blz. 12), en werd Utrecht ongeveer in 1145 door Dirk vi, uit wrok over het verlies van Friesland (zie blz. 18), belegerd. Toen echter bisschop Herbert, aan het hoofd zijner geestelijkheid, in plechtgewaad met een boek in de hand uit de gewijde vest kwam om den banvloek over den graaf uit te spreken, ontgleed het krijgszwaard aan zijn bevende hand en brak hij in allerijl het beleg op.

Dat sommige graven zich zelfs aan openlijken oorlog met den keizer durfden wagen blijkt o. a. uit het voorbeeld van Dirk III (zie blz. 12), alsmede uit dat van Dirk iv, die in 1047 aan de vloot van keizer Hendrik III op de Maas een nederlaag toebracht en dezen vorst noodzaakte hem in \'t bezit van Dordrecht te laten. De zoon en opvolger van Hendrik III, Hendrik IV, gelastte Godfried met den bult, hertog van Neder-Lotharingen, het graafschap Holland te ontrukken aan Robert den Fries, den tweeden zoon van Boudewijn V van Vlaande-deren, die als echtgenoot van Geertruide, weduwe van Floris I en moeder van Dirk v, voor dezen minderjarige het bestuur in handen had. Godfried kweet zich in 1070 van dien last, verdreef Robert en stelde het graafschap, overeenkomstig \'s keizers wil, ter beschikking van Willem, bisschop van Utrecht, die er door Hendrik IV mede was beleend. Op zijn beurt gaf de bisschop Holland weder in achterleen aan Godfried, die nu het bewind aanvaardde en het, bij zijn dood in 1076, aan Dirk V naliet. Den bijnaam „de Fries,quot; dien de genoemde Robert

-ocr page 28-

20

hadj gaven hem later zijn landgenooten de Vlamingen, wier graaf hij mettertijd werd, uit hoofde van de verhouding, waarin hij eens tot Holland had gestaan.

Nog was Holland in langdurigen kamp met de Vlamingen gewikkeld. Deze strijd werd sedert 1007 gedurende ruim drie eeuwen met tusschenpoozen gevoerd. De graven van Holland toch beweerden, dat Hendrik II (zie blz. 11), door Zeeland in leen te geven aan den graaf van Vlaanderen, inbreuk op hun recht had gemaakt. Dirk vu verdreef de Vlamingen, die een inval in Zeeland hadden gedaan, in 1195. Maar, gelijk wij later zullen zien, één jaar na den slag bij Kortrijk vielen zij op nieuw in Zeeland en drongen vervolgens in Holland tot Haarlem door, waar zij eerst werden gestuit.

Van Hollands graven namen Floris ui en Willem i persoonlijk deel aan kruistochten, de eerste aan den derden (Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 114 vlg.), waarin hij wakker streed, maar in 1190 te Antiochic aan een ziekte overleed. Zijn tweede zoon Willem vocht, na den dood zijns vaders, mede voor Acre. Nadat hij vervolgens zijn broeder Dirk VII als graaf was opgevolgd, ondernam hij aan \'thoofd van een leger Hollanders en Friezen gezamenlijk met andere vorsten een tocht tegen Damiate (in \'t n. van Egypte, nabij een der monden van den Nijl), om vandaar Syrië en Palaestina aan te tasten. Na een langdurig beleg werd Damiate in 1219 ingenomen, doch in 1221 ook reeds weder ontruimd, waarop de vijandelijkheden werden gestaakt {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 122). Ter herdenking dezer gebeurtenis hangen, sedert het midden der 16 eeuw, in den toren van de groote of St. Bavo\'s kerk te Haarlem koperen klokjes, die geregeld eiken avond, als ook bij brand, zoodra hij is gebluscht, en bij ander gelegenheden worden geluid. Zij heeten Damiaatjes, niet omdat zij van Damiate afkomstig zijn, doch omdat een klokkengieter, geheeten Dircks, ze, deels ter herinnering aan een zijner voorzaten, die voor Damiate het leven liet, deels om den bloei zijner zaak te bevorderen, bij gelegenheid van de inwijding der kerk als bisschoppelijke kerk (Algem. Geschied. III, 7de druk, blz. 59), in 1561 ten geschenke gaf. Later werd de oorspronkelijke gift van Dircks door andere klokjes vervangen. In diezelfde kerk hangen scheepjes met zagen aan de stevens, gelijk men ook tot een gelijk aandenken te Dokkum lang een schip op den toren zag, dat thans evenwel is verdwenen. Of de Haarlemmers evenwel dergelijke schepen voor Damiate hebben gehad, is, hoewel de overlevering het vermeldt, zeer te betwijfelen. Wel staat het vast, dat deze vaartuigjes naar een schilderij zijn vervaardigd van een schilder, die lang na den tocht leefde, en dat zij eerst in \'t laatst der 17de eeuw in den toren zijn opgehangen.

Slechts éénmaal werd, gedurende de regeering van het eerste stamhuis, als punt van geschil de vraag opgeworpen, of Holland een zwaard-dan wel een spilleleen was. Het geschiedde in 1203, bij den dood van Dirk VII. Hij liet een dochter na, Ada geheeten. Graaf Dirk had gewenscht,

-ocr page 29-

21

dat zijn broeder, weldra graaf Willem I, als regent het bewind voor haar voerde. Maar Dirks gemalin, Adelheid, haatte Willem, en hoewel zij zich niet kon ontveinzen, dat Holland, destijds althans, als een mannelijk leen werd aangemerkt, poogde zij het graafschap voor hare dochter te behouden. Wel begon het reeds een soort van regel te worden, dat, bij ontstentenis van een zoon, de broeder in een rijksleen opvolgde; maar ook was het zeer algemeen, dat, indien een leenman een dochter naliet, de keizer den echtgenoot dier dochter met het leen verleide. Daarom huwde zij Ada uit aan Lode wijk, graaf van Loon (zie blz. n). Dit huwelijk werd voltrokken, terwijl het lichaam van Ada\'s vader nog onbegraven boven aarde stond, zoodat het gebruikelijk rouwmisbaar voor de blijde bruiloft moest wijken. Aan Willem werd de toegang tot het grondgebied van Holland ontzegd. Deze handelwijze van Adelheid maakte de verontwaardiging van vele edelen gaande, die nu partij kozen voor Willem. Zóó ontbrandde een oorlog, waarin de fortuin Lodewijk eerst een korte poos toelachte, om hem weldra ontrouw te worden. Reeds in 1204 werd uit hij Holland verdreven en kwam er nimmer terug. Willem werd graaf en eerst door Philips van Zwaben, later door Olto IV [Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 123) erkend, ofschoon de strijd vooreerst nog voortduurde.

Allengs was het aanzien van het Hollandsche gravenhuis zeer gereden. Nog hooger steeg dit, toen Willem II, de stichter van \'s-Gravenhage, in 1247 tot Roomsch koning werd benoemd, een waardigheid, die hem intus-schen veel strijd kostte en geen werkelijke macht schonk. Juist evenwel toen zijn gelukszon in Duitschland begon te rijzen en zijn uitzichten te verhelderen, viel hij, omtrent dertig jaren oud, in den kamp tegen de West-Friezen (zie blz. 19). Hij, benevens Willem I en Floris V zijn het inzonderheid, aan wie de steden en vlekken hun opkomst hebben te danken.

Gelijk elders oefenden de kruistochten in ons land evenzeer hun invloed en brachten een geheele omkeering in de maatschappij te weeg. Ook in Nederland begon men van lieverlede de gevolgen te gevoelen van het onderlinge verkeer der natiën, dat toen opkwam. Dat men onder de banier des kruises voor een heiliger beginsel streed, dan men tot dusver had gekend, leidde tot veredeling van den woesten krijgsmansgeest en temperde de ruwheid van zeden. Ook hier werd de kring van menschelijke kennis en ervaring uitgebreid en verwekte de handel, die reeds tot eenigen bloei kwam, een hooger gevoel van zelfstandigheid. Nu de kennismaking met het Oosten en met het Byzantijnsche hof de behoefte aan meer gemak en weelde, aan pracht en vertooning had gewekt, vermenigvuldigden zich, met de vermeerdering van allerlei behoeften , ook de takken van nijverheid en nam de handel een hoogere vlucht. Alwie, getroffen door het gezicht van Italie\'s steden, fier op eigen bestuur, naar huis terugkeerde haakte naar \'t zelfde geluk en deed mede bij anderen de begeerte daarnaar ontbranden. De edelen, die, om de kosten der uitrusting te bestrijden, vele hunner eigendommen

-ocr page 30-

22

moesten vervreemden of hun lijfeigenen de vrijheid schenken, verloren van hun invloed en luister. Het volk werd uit de diepe vernedering der lijfeigenschap opgeheven en de grond gelegd tot het ontstaan van den derden stand, d. i. dien der poorters of burgers, en tot dien der boeren. De kruistochten bevorderden krachtig het gebruik der moedertaal en riepen rechten en vrijheden in \'t leven. Zij verbonden de drie standen nauwer aan elkander en ontwikkelden ze meer en meer door \'t wijzigen hunner zeden en gewoonten.

Op den grondslag nu, mede door de kruistochten gelegd, begon voet voor voet het gebouw der burgerlijke vrijheid te verrijzen. Mogen enkele steden, als Dordrecht en Alkmaar, aan vroegere graven, de laatste b.v. aan Floris II, die in 1122 overleed, haren oorsprong of bloei hebben te danken, de meeste zijn dien aan het straks genoemde drietal verschuldigd. Van Willem I zijn de handvesten, keuren of stedelijke rechten en vrijheden van Middelburg, 1217. Willem II schonk privilegiën aan Haarlem, Delft, Middelburg, Zierikzee, Domburg (in \'t n.w. van Walcheren) en West-Kappel (ten z.w. vandaar). Floris V verleende in 1288, na de onderwerping van West-Friesland (zie blz. 19), handvesten aan Medemblik en Monnikendam. Insgelijks schonk hij voorrechten aan Dordrecht, Delft, Leiden, Rotterdam, Gouda, Schoonhoven, Kennemerland, enz. In die keuren werd aan deze steden vrijdom van tol geschonken; voor toezicht op wegen en vaarten gezorgd; een zekere boete op misdrijven bepaald; het recht gegeven om haar overheidspersonen of schepenen te verkiezen; vastgesteld, voor hoeveel geld iemand poorter kon worden; welk getal van manschappen, b.v. 25 of 30, de stad in geval van oorlog moest leveren; hoe groot de som, jaarlijks te voldoen, zou zijn, b.v. van 20 tot 60 gl. (zie blz. 16). Doch Floris ging nog verder. Hij raadpleegde niet alleen de edelen, maar ook van tijd tot tijd sommige steden over \'s lands belangen, liet zijn handvesten door haar zegels bekrachtigen en burgers als getuigen en borgen bij verdragen optreden.

Zóó verrees, in tegenstelling met andere landen, op Hollands bodem op vreedzame wijze tal van steden. Elders moge dikwijls geen burgerlijke gemeente zonder strijd tegen haar vroegere vorsten tot stand zijn gekomen, hier kostten de privilegiën slechts een somme geld. De steden, op die wijze ontstaan, lagen óf op het gebied van den graaf, óf op dat van andere edelen, b.v. op dat van de heeren van Gouda, Brederode, Arkel, enz. Ook voor zooverre zij niet lagen op het gebied van andere edelen, oefenden zij toch een nadeeligen invloed op hun macht, doordien het als regel gold, dat elke lijfeigene of hoorige, die binnen een stad zijn toevlucht nam, vrij werd, als hij na jaar en dag door zijn heer niet was opgeëischt. Men noemde dit het jus asyli, het recht van vrijplaats. Weldra kwam er bij, dat zij, die in den omtrek eener stad woonden, als burgers konden worden toegelaten, zonder van woonplaats te veranderen: de zoodanigen heetten duiten/coriers, terwijl zij, die vroeger den naam poorters (zie blz. 16) droegen, nu veelal binnenpoorters

-ocr page 31-

23

werden genoemd. Groot was de verandering, die reeds hierdoor de toestand van den lijfeigene of hoorige onderging. Van dat oogenblik af betaalde hij geen schct (van schieten, in den zin van bijdragen, geven) en lot (eigenlijk: stuk grond, vandaar de schatting er voor), d. i. hoofdgelü, meer, want dit geschiedde alleen door de niet-vrijen. Hij mocht, naar welgevallen, een huwelijk aangaan, over zijn goederen beschikken, metéén woord, hij kreeg persoonlijke rechten. Als burger deelde hij verder in de voorrechten, waarmede de steden langzamerhand werden begiftigd. Wat hij hiermede won is duidelijk : het recht om naar de wet te worden geregeerd, geregelde graaflijke of plaatselijke rechtsbedeeling, waarborgen tegen willekeurige inhechtenisneming, beveiliging van ieders eigendom, enz. Geen andere verplichtingen stonden hiertegen over, dan dat hij (zie blz. 22) eens in \'t jaar met zijn medeburgers een vaste som moest opbrengen, binnen de stad blijven wonen en zich, wanneer haar eenig gevaar dreigde, gewapend naar de loopplaats begeven. Immers het eigenaardige karakter eener gemeente bestond in de verbintenis, bij eede bekrachtigd, der leden onder elkander om zich, de een voor den ander, in de bres te stellen. De band, op die wijze bij de opkomst der steden gelegd, werd later nog nauwer toegehaald, sinds de burgers allerlei bijzondere verbintenissen onder elkander aangingen. Hiertoe behoorden hoofdzakelijk de gilden, d. i. vereenigingen van lieden, die hetzelfde bedrijf of handwerk uitoefenen, tot één lichaam, dat een eigen maatschappelijken vorm, eigen verplichtingen en rechten heeft, met verbod aan anderen zich met dergelijk bedrijf bezig te houden.

Is het vreemd, dat Floris door zijn tegenstanders der keerlen God, d. i. de afgod der stedelingen en boeren, werd genoemd? Niet alleen door rechtstreeksche begunstiging, ook door het fnuiken van den adel bevorderde hij hun belangen. Een twist tusschen Jan I van Nassau, bisschop van Utrecht, en de heeren Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden, zijn leenmannen, verschafte Floris een gewenschte gelegenheid om zijn overwicht tegenover de edelen te vergrooten. Door burgemeester en schepenen van Utrecht, alsmede door een paar andere steden en edelen uit het Sticht, ingeroepen, sloot hij in 1274 met hen een verdrag, later bekrachtigd, waarin werd bepaald, dat zij, bij \'t verkiezen van een bisschop, zich steeds naar hem zouden voegen, waarvoor hij, op zijn beurt, aannam hen tegen geweld te zullen beschermen. Dit verplichtte hem weldra tegen de heeren van Amstel en Woerden op te trekken, die de bewoners van het Sticht op allerlei wijze kwelden. De oorlog, dien hij hun aandeed, liep eerlang af ten nadeele der beide heeren, terwijl Amstel zelfs gevangen werd genomen. Eerst in 1285 en 1287 sloot Floris met hen een paar verdragen. Gijsbrecht deed in 1285 afstand van de goederen, die hij van den bisschop in leen had, o. a. van Muiden, welke op Floris overgingen, die hierdoor een vazal van Utrecht werd. Daarentegen kreeg hij het andere gedeelte zijner landen, o. a. Amsterdam, dat de graaf eenigen tijd in pand had gehad, als leen des graven van

-ocr page 32-

24

Holland, terug, met uitzondering van eenige huizen en sterkten, aldaar gelegen, welke Floris een paar jaren tevoren van Jan Persijn had gekocht, die ze op zijn beurt, na Gijsbrechts gevangenneming, van den bisschop had gekregen. Ongeveer dezelfde bepalingen werden in 1287 op de heerlijkheid Woerden toegepast. Herman deed afstand èn van zijn Utrecht-sche leenen, èn van aiodien, waar ook gelegen, ten behoeve van Floris, die hem de laatste als leenen teruggaf.

Geen minder voordeel trok Floris V uit het geschil over Limburg tus-schen Reinoud I, graaf van Gelder, en Jan I, hertog van Brabant, dat door den slag van Woeringen werd beslist. Want om in dien oorlog Floris tot bondgenoot te hebben ontsloeg Jan hem in 1283 van de leenhulde voor Zuid-Holland, die de graven van Holland sedert 1203 tot vazallen van de hertogen van Brabant had gemaakt. Een gelijk lot, als de heeren van Amstel en Woerden, trof Jan van Heusden en Jan van Kuik, hoewel den laatste niet in zoo erge mate. De eerste stond aan Floris zijn stad af en ontving ze in leen terug, hetgeen ook geschiedde met een der aiodien van den heer van Kuik.

Meer dan genoeg had Floris gedaan om den wrok der edelen op zich te laden. Als om de maat vol te meten voegde hij er nog bij, dat hij veertig hoorigen, die zich op de een of andere wijze jegens hem verdienstelijk moeten hebben gemaakt, van alle slaafsche diensten ontsloeg en vrij verklaarde. Welk een vergrijp in \'t oog der edelen! Terwijl zij vol verbittering aan de bevrediging hunner wraakzucht dachten, kregen zij onverwachts en bondgenoot in Eduard I, koning van Engeland. Deze vorst verplaatste hij een verdrag, in 1295 met Guy van Dampierre, graaf van Vlaanderen, gesloten, den stapel der Engelsche wol van Dordrecht, waar hij sedert eenige jaren was, naar Brugge en Mechelen. Hierom sloot Floris zich in den oorlog, die in 1293 tusschen Engeland en Frankrijk losbarstte {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 144) sedert 1296 bij Philips IV of den schoone, koning van Frankrijk, aan. Deze verbintenis deed Floris den dood. Eduard, die reeds met het vermoeden omging, dat de graaf zijn onechten zoon Witte van Haamstede (op Schouwen) liever tot opvolger had dan zijn zoon Jan, uit wettigen echt gesproten, die met \'s konings dochter Elizabeth was verloofd, besloot nu Floris ten val te brengen. Weldra vond hij bereidvaardige dienaren in een groot aantal edelen, die hij overreedde om Floris gevangen te nemen en naar Engeland te voeren. Zij, die hun arm inzonderheid leenden tot de uitvoering van Eduards plannen, waren Jan van Kuik, .viens geslacht van oudsher in vijandschap was geweest met het Hollandsche huis, Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden, Gerard van Vel-zen, allen uit Holland; daarenboven eenige edelen uit Utrechten Zeeland. Wat aller verbittering had verwekt was, dat Floris, daar partij kiezende, waar eigen voordeel en overeenstemming van gevoelens hem riepen, lieden, op welke zij laag neerzagen, uit het stof had verheven. Velen hadden buitendien hun bijzondere grieven. Op willekeurige wijze

-ocr page 33-

25

en tegen alle recht en billijkheid had Floris meer dan één van hen genoodzaakt zijn eigen en voorvaderlijk erf als leen uit \'s graven hand te ontvangen. De aanzienlijke bedieningen ten hove, aan Amstel en Woerden opgedragen, konden hun geen vergoeding geven voor hetgeen zij moesten missen, evenmin als het vertrouwen, dat Floris hun schonk. Voortdurend herinnerde de hof kleeding, die zij als \'s graven dienaren droegen, hen aan de vernedering, die zij hadden ondergaan. Van Velzen, hoewel met Floris opgegroeid en opgevoed, meende, als met Woerdens erfdochter getrouwd, mede te moeten betreuren wat zij hem zou hebben aangebracht. Bovendien achtte hij zich verplicht den dood te wreken van zijn neef Jan, die, omdat hij, in plaats van zich aan de rechtspraak van \'s graven rechter te onderwerpen, hem gewond en tevens een ander persoon gedood en aldus een manslag begaan had, tot groote verbazing van ieder, als een gewoon misdadiger was ter dood gebracht.

Onder al die vijanden van Floris was er slechts één, van Kuik, die den schijn aannam met open vizier tegen hem op te treden. Ruim één maand voordat de aanslag werd gedaan, liet hij Floris openlijk den oorlog verklaren, die dit echter als een nietsbeteekenende zaak aanmerkte. Niet lang daarna ondervond hij wat de openlijke en de verborgen vijandschap der edelen vermocht. Op den dag, waarop Floris als middelaar een verzoening had te weeg gebracht van de heeren van Amstel en Woerden met de verwanten van den heer van Zuilen, een leenman van het Sticht, vielen de samengezworenen in de nabijheid van Utrecht op Floris aan, namen hem gevangen en voerden hem naar Muiden, om hem vandaar naar Engeland in te schepen. Intusschen kwamen de Kennemers, de Waterlanders, de West-Friezen en de Gooi-landers op de been, legerden zich voor Muiden en eischten, dat men hun den graaf uitleverde. Ofschoon zij zich door een brief, dien men Floris dwong te schrijven, althans voor een oogenblik, lieten overreden om af te trekken, noopte de gedachte, dat zij ieder oogenblik konden terugkomen, de edelen zich te haasten. Zij zetteden Floris te paard en trachtten hem, langs een omweg vliedende, naar Brabant of Vlaanderen te vervoeren. Doch ternauwernood hadden zij een eind weegs afgelegd, of zij stieten op een schaar Gooilanders, die denzelfden eisch als kort tevoren deden. Vreezende voor de overmacht te moeten bukken, pleegden thans de edelen, Floris om hals brengende, de misdaad, die zij niet van zins waren geweest te bedrijven. Der keerlen God viel als het offer hunner wraak in 1296. Let men op de gevolgen, dan voorzeker zijn \'s graven handelingen zeer te prijzen; maar van het standpunt van \'t recht beschouwd, zijn zij van willekeur niet vrij te pleiten. Eenige van de moordenaars vielen in handen van de West-Friezen en de Kennemers en werden door hen gedood, anderen werden door den scherprechter ter dood gebracht; nog anderen, met name de heeren van Amstel, Woerden en van Velzen, ontvluchtten het zwaard der gerechtigheid.

-ocr page 34-

26

In 1297 kwam Floris\' zoon Jan uit Engeland, waar hij was opgevoed, in Zeeland aan. Wolfert van Borselen (op Zuid-Beveland), heer van Veere, werd aan het hoofd der regeering geplaatst; doch toen hij, om den haat des volks te ontgaan, in 1299 met den jongen graat naar Zeeland trachtte te wijken, werd hij, bij een oploop van \'t volk, te Delft van \'t leven beroofd. Door dit onheil van zijn leidsman verstoken, wierp Jan zich in de armen van zijn neef, Jan van Avennes (ten z. van Bergen, destijds in Henegouwen, thans in Frankrijk), graaf van Henegouwen, wien hij het bewind voor vier jaren opdroeg. Doch reeds in \'t eerste jaar van dit regentschap, nog in 1299, stierf Jan I, wellicht niet zonder toedoen van zijn neef.

§ 5-

Holland en Zeeland onder de graven uil het Henegouwse/ie en het Beiersche huis.

De regent Jan van Avennes, nu Jan II, was een zoon van Jan van Avennes, graaf van Henegouwen, en Aleid, een zuster van Willem II. Het is evenwel juist niet op dezen grond, aan de verwantschap ontleend, dat hij de opvolger werd van Jan I. Wanneer het er op was aangekomen gronden aan te voeren, dan had hij wellicht meer steun hierin kunnen vinden, dat zijn huis reeds in 1276 door Rudolf van Habsburg met het graafschap Holland was beleend, voor \'t geval dat dit leen eens mocht komen open te staan. Tevergeefs verscheen keizer Al-brecht van Oostenrijk (Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 142 vlg.), op de roepstem der Zeeuwsche edelen, in de Nederlanden om een poging te doen ten einde Holland aan het rijk te onttrekken. Jan, met een leger tegen hem oprukkende, noodzaakte hem het land te ruimen. Al-zoo in \'t bezit van twee, weldra drie en meer graafschappen zijnde, lieten Jan en zijn opvolgers zich in één of meer dier graafschappen vervangen door plaatsbekleeders, stad- of stedehouders genoemd.

Gedurende Jans bewind brak de zware oorlog uit tusschen Frankrijk en Vlaanderen, waarin de graaf van Holland en Henegouwen als bondgenoot van Philips den schoone optrad. Dit, gevoegd bij de ingewikkelde betrekking, die steeds tusschen Vlaanderen en Holland bestond, noopte de Vlamingen, gehoor gevende aan den aandrang der Zeeuwsche edelen, vooral van Jan van Renesse, één jaar na den slag bij Konrijk, in Zeeland en Holland te vallen. Zelfs drongen zij tot Haarlem door; maar hier werden zij in 1304 gestuit bij het Manpad, dat zijn naam ontleent aan het vluchten van zoovele mannen, n.1. Vlamingen. De eer dezer zege komt toe aan de dapperheid en de tegenwoordigheid van geest zoowel van Witte van Haamstede (zie blz. 24), als van Willem van Oostervant (een voormalig graafschap in Henegouwen, hoofdstad Bouchain), Jans zoon. En binnen één week werd geheel Holland, gelijk

-ocr page 35-

27

weldra ook Zeeland, van de overweldigers bevrijd. Dus moest ook het Bra-bantsche leger wijken, dat, als bondgenoot van Vlaanderen en Engeland, van een anderen kant het land was binnengedrongen. De graaf zelf was inmiddels in Henegouwen gebleven, waar hij nog in \'t zelfde jaar overleed.

Zijn opvolger was Willem III, de goede, (1304—1337). Naar het schijnt is hij het, die de beden in Holland en Zeeland invoerde, d. i. de bijdragen, die de graaf van tijd tot tijd vroeg, wanneer de gewone inkomsten niet toereikend waren. Verder riep hij, in 1305, voor \'teerst de schepenen der steden van Holland en Zeeland op om met de edelen over een punt, rakende de opbrengsten, te beraadslagen. Bij een dusdanige gelegenheid kwam eens de genegenheid, welke die onderdanen voor hem koesterden, op treffende wijze aan het licht. Toen Willem van Holland en Zeeland 1000 gl. vroeg, drong men hem 10,000 gl. aan te nemen. Dit weigerde hij, zeggende dat hij ook de 1000 gl. niet wilde, overtuigd dat hij bij dergelijke lieden, indien het mocht worden vereischt, steeds genoeg geld zou vinden. Die gezindheid verklaart op voldoende wijze, hoe Willem zijn bijnaam verwierf. Deze bijnaam, die op de degelijkheid en voortreffelijkheid van zijn bewind over \'t geheel ziet, werd hem, die het recht steeds onkreukbaar handhaafde, voorzeker naar verdienste toegekend.

Van de gebeurtenissen, onder zijn regeering voorgevallen, is zonder twijfel de gewichtigste het verdrag, dat hij in 1323 met den graaf van Vlaanderen, Lodewijk I van Nevers (ten z.o van Orléans), sloot. Hierbij zag Lodewijk van de leenhulde wegens Zeeland bewester Schelde af, terwijl Willem van zijn kant beloofde geen aanspraak meer te zullen maken op het land van Aalst, Waas en de vier ambachten (zie blz. 11). Keizer Lodewijk van Beieren (Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 161) bekrachtigde als leenheer dit verdrag. Van nu aan was de graaf van Holland tevens graaf van Zeeland. Vergrootte Willem door het eindigen van een strijd, die eeuwen lang vijandelijkheden had veroorzaakt, het aanzien en de macht van Holland, ook de luister van zijn huis steeg, toen in 1324 zijn dochter Margareta met keizer Lodewijk, en later een tweede, Philippa, met Eduard III, koning van Engeland, in \'t huwelijk trad.

Willems zoon, Willem iv (1337—1345), evenaarde zijn vader geenszins in gematigheid en wijs beleid. Hij sleet den korten tijd zijner regeering op reizen en op allerlei ridderlijke krijgstochten, b.v. tegen de heidensche Pruisen en Litthauwers, en, veelal als bondgenoot van Eduard III, in den oorlog tegen Philips VI van Frankrijk {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 165). Aan sommige zijner voorgangers, zooals aan Floris V en Willem III, was het gelukt vasten voet in Friesland te krijgen en er eenig gezag te oefenen. Ook Willem IV werd er gehuldigd. Toch brak er een opstand tegen hem uit. Met een sterke vloot daarheen getogen, landde de graaf in de nabijheid van Stavoren, waar hij door de Friezen werd verslagen en zelf omkwam.

-ocr page 36-

28

De gesneuvelde vorst liet geen kinderen na. Dus zocht elk, die tot hem in eenige betrekking stond, naar aanspraken op de graafschappen, gegrond of ongegrond. De keizer, Lodewijk van Beieren, legde de hand op alles, want Henegouwen moest, als spilleleen, aan Willems oudste zuster, Margareta, komen, terwijl Holland en Zeeland, als zwaardleen, aan het rijk vervielen. Onder de overigen, die opkwamen, was o. a. Eduard III, a!s getrouwd met een dochter van Willem III. In Holland en Zeeland liepen de gevoelens zeer uiteen. De meerderheid van den adel had er niet tegen, dat de keizerin haren broeder opvolgde. Daarentegen verlangden de steden een man, een wakker vorst. Zooals elders in Europa lag ook hier te veel brandstof opgestapeld voor een strijd tusschen de beide vijandige elementen, reeds onder Floris V ontkiemd (zie blz. 23 vgl.), dan dat hij niet zou uitbarsten bij de eerste gelegenheid, welke de verdeeldheid weder in \'t leven riep. Intusschen bedacht keizer Lodewijk, dat hij moest handelen. Wel was Holland geen spilleleen; maar op dringend verzoek zijner gemalin haastte hij zich haar in 1346 plechtig met Holland, Zeeland en Friesland te beleenen. Onverwijld vertrok zij naar haar graafschappen. Weldra had zij onder de edelen een aantal raadslieden, die haar vertrouwen bezaten. Van hen was Jan van Beaumont, heer van Gouda en Schoonhoven, een broeder van Willem den goede, de voornaamste. Dit verbitterde anderen, die niet tot de uitverkorenen behoorden , de heeren van Arkel en Egmond. Gesteund door vele steden, lieten zij de machtspreuk hoeren, dat Holland zich nimmer door een vrouw, als wettige vorstin, zou laten regeeren. Margareta schonk vele gunsten aan de lieden harer partij; doch hoe meer zij schonk, des te heviger werd de wrok harer tegenstanders. De keizerin besloot voor den storm te wijken en in de hoofdzaak toe te geven.

Eer zij echter naar Beieren terugkeerde, noodigde zij de edelen en de steden uit een van Lodewijks zonen als stadhouder te kiezen. Deze vertegenwoordigers des volks wenschten \'s keizers oudsten zoon Lodewijk met die waardigheid bekleed te zien. Maar Lodewijk was reeds met het markgraafschap Brandenburg beleend. Hierop viel de keus op Lodewijks tweeden zoon Willem. Hij werd tot stedehouder en opvolger van Margareta benoemd en voerde den titel verbeider, doch wero ter zijde gestaan door een raad, uit Jan van Beaumont en andere edelen samengesteld, welks wenken hij moest volgen. Maar de verbeider stiet op dezelfde bezwaren als zij, wier plaats hij bekleedde. De edelen, die hem niet waren toegevoegd, verkropten hun spijt over die uitsluiting geenszins; de steden hielden de beurs gesloten. Met schulden overladen, geen steun vindende bij zijn raadslieden, wier streven alleen was zijn macht te beperken, leende hij het oor aan zijn tegenstanders, die zich lieten verluiden, dat, zoodra hij in den waren zin des woords graaf was, de zaken anders zouden gaan.

Dit alles hoorde de keizerin, en het wekte in ruime mate haar be-

-ocr page 37-

29

zorgdheid. Terzelfder tijd stierf haar gemaal en was de keizerskroon aan Karei IV, den vijand van het Beiersche huis {Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 163), ten deel gevallen. Nu was goede raad duur. In haar verlegenheid gaf Margareta gehoor aan den wenk van eenige welroeenende lieden, die haar uit Holland schreven, dat haar niets anders overbleef dan het graafschap voor goed aan Willem af te staan.

In 1349 teekende zij dus een verklaring, waarbij zij Willem als graaf van Holland en Zeeland en als heer van Friesland erkende, onder voorwaarde dat hij haar jaarlijks ongeveer 30,000 gl. en een zekere som op eens betaalde. Thans besloot Willem, door Arkel en Egmord geleid, te toonen dat hij heer was. Gelijk vroeger Margareta verspilde hij geld en weldaden om zijn aanhangers te bevredigen en betaalde zijn moeder ook de beloofde sommen niet. De druk, waaronder Margareta\'s vrienden zuchtten, deed den oorlog uitbreken. De strijd tusschen de Hoekschen en de Kabeljauwschen nam in 1350 een aanvang met de verwoesting van Naarden door de partij der vorstin. Margareta herriep haar gift en begaf zich naar Henegouwen.

Hoekschen en Kabeljauwschen waren de namen der partijen. In \'t begin van den oorlog ontmoetten elkander eens twee vijandelijke schepen. Op de vraag „wie zijt gij?quot;, die van boord van \'t eene weerklonk, antwoordde de bemanning van \'t andere, die zich liever ongemerkt verwijderde, „onze lading zijn kabeljauwen.quot; „Dan zullen wij u aan den haak vangen,quot; was het bescheid. Op deze of dergelijke wijze moeten de namen zijn ontstaan. Het is licht te begrijpen, dat een volk, in welks bedrijf de visch een groote rol speelt, die kooplieden Kabeljauwschen noemde, welke, als de van roof levende visschen, vaak rijk werden ten koste der geringere volksklassen. En waren zij gelijk aan kabeljauwen, dan konden de edelen, die de hand aan het zwaard sloegen, als wilden zij de tegenstanders, gelijk den visch met den haak of hoek, er mede doorboren, zeer goed Hoekschen worden geheeten. Een roode hoek was het kenteeken der Hoekschen, een grauwe dat der Kabeljauwschen. Verreweg het meerendeel van Hollands steden was Willems zaak, die der Kabeljauwschen, toegedaan; slechts die niet, welke, als Gouda en Schoonhoven, den adel behoorden. In Zeeland daarentegen telde Margareta, naast vele edelen, ook een aantal steden onder haar aanhangers. Van Hollands edelen kou zij vooral op den steun van de Brederode\'s, de Duivenvoorde\'s, de Wassenaars rekenen. De boeren stonden grootendeels de Hoekschen bij. Intusschen behoort men niet voorbij te zien, dat er, hoe scherp men ook de grenslijn tusschen de beide partijen trachte te trekken, geen stad of landstreek was, waar slechts óf Hoekschen óf Kabeljauwschen de bevolking uitmaakten.

Ternauwernood was de oorlog begonnen, of Willem kwam op zijn verzet terug en verzoende zich met zijn moeder. Maar het duurde niet lang, of de Kabeljauwsche macht wist hem te overreden zich op nieuw aan haar spits te stellen. De oorlog, dus op nieuw uitgebroken, ken-

-ocr page 38-

30

merkte zich hierdoor, dat toen, voor \'t eerst hier te lande, buskruit door de troepen werdt gebruikt. Van de slagen, tusschen moeder en zoon geleverd, is die op de Maas, tusschen Vlaardingen en den Briel, in 1351, de merkwaardigste, waarin Margareta, ofschoon bijstaan door Engelsche schepen, de nederlaag leed. Eindelijk werd, na vele mislukte pogingen, in 1354 het geschil op afdoende wijze uit den weggeruimd. Margareta stond Willem de graafschappen Holland, Zeeland en Friesland „met mond en halmquot; af, d. i. onder \'t wegwerpen van een halm, ten teeken dat zij van alle aanspraak op die landen afzag. Alleen Henegouwen behield zij. Wederom beloofde Willem, dus Willem v geworden, haar een jaargeld te zullen betalen. Twee jaren daarna overleed de keizerin te Quesnoi (in Henegouwen). Kort hierop bracht men ook haren zoon derwaarts, want sedert 1357 vertoonden zich bij hem sporen van krankzinnigheid. Het eerste blijk der kwaal was, dat hij een zijner raadslieden, Gerrit van Wateringen, zonder eenige reden doorstak, en nooit keerde zijn verstand weder. In \'t zelfde jaar, 1357, werd Heusden voor goed met Holland vereenigd.

De partijen waren in \'t leven geroepen, en al was de twist, die ze, meer dan eenig ander voorval, had doen ontstaan, nog bij het leven der hoofdpersonen bijgelegd, tusschen deze partijen zeiven werd de strijd, met langer of korter tusschenpoozen, ongeveer anderhalve eeuw lang voortgezet. Het is niet zeker, dat de Kabeljauwschen, zooals gewoonlijk wordt verhaald, de echtgenoot van Willem V, Mathilde van Lancaster, een nicht van Eduard III, tot regentes wenschten benoemd te zien. Maar wel staat het vast, dat de Hoekschen Willems jongeren broeder Albrecht in \'t land riepen, dien zoowel keizer Lodewijk als Willem V tot opvolger had bestemd, voor \'t geval dat deze graaf kinderloos kwam te overlijden. Zoo werd Albrecht regent of ruwaard (een woord van Romaanschen oorsprong, verwant met het oud-Fransche „garderquot;, d. i. bewaken; alzoo letterlijk: bewaker, bestuurder). In het begin had hij veel met de Kabeljauwschen te kampen. Met wijze gematigdheid zocht hij echter het evenwichc tusschen de beide partijen in stand te houden, een taak, waarin hij veelal slaagde. Gedurende dertig jaren regeerde hij op die wijze over Holland, Zeeland en Henegouwen, en die jaren waren, zoo men den aanvang uitzondert, dagen van rust en vrede.

Doch toen kwam er verandering. De invloed van Albrechts minnares, Aleid van Poelgeest (nabij Leiden), wier huis het met de Kabeljauwschen hield, bracht deze partij in \'t bezit van de voornaamste ambten. De Hoekschen sloten zich nauw aaneen. Willem van Oostervan t, Albrechts zoon, was hun hoofd. Zij bepaalden, dat Aleid, die hen had verdrongen, als het offer hunner wraak moest vallen Op een avond — het was in het jaar 1392 — overvielen eenigen hunner haar, toen zij op het buitenhof in den Haag wandelde, en doodden haar met Albrechts hofmeester, Willem Kuser, die haar vergezelde. Hevig

-ocr page 39-

31

was de toorn van Albrecht. Alle Hoeksche edelen, die aan den moord medeplichtig waren, vloden. Een deel van hun sloten werd in de asch gelegd. Ook Willem van Oostervant verliet het land en zwierf her- en derwaarts. Ten laatste kwam hij aan \'t hof van Frankrijk, waar hij, die voor het toonbeeld van een waar ridder doorging, onverwachts , maar nadrukkelijk er aan werd herinnerd, dat op zijn eer, als zoodanig, een blaam rustte. Terwijl hij aan \'s konings tafel zat, sneed de wapenheraut — indien althans dit verhaal geen verdichtsel is — het tafellaken naast hem midden door. Dit beteekende, dat hij den dood van zijn oudoom Willem IV, die in \'t land der Friezen was gesneuveld, nog niet had gewroken. Terstond vertrok hij weder naar Holland en verzoende zich in 1394 met zijn vader, die zich met hem aan \'t hoofd stelde van een talrijk leger, dat een krijgstocht naar Friesland ondernam. Keer op keer werden de Friezen geslagen; maar gevolgen leverden de behaalde overwinningen niet op. Tallooze sommen verslond de oorlog, en niets anders won de graaf, dan dat hij vasten voet in Stavoren had. Ook de tochten, in de eerstvolgende jaren door de troepen van Hollands graaf ondernomen, brachten evenmin een duurzame onderwerping der Friezen te weeg.

Nog eer de oorlog met Friesland aanving en vóór den aanslag op Aleid van Poelgeest, in 1389, was Willem V eindelijk bezweken en Albrecht (1389—1404) de titel graaf geworden. In vele opzichten herinnerde zijn bewind aan dat van Willem den goede. Ook hij was een vorst, die aan Europa\'s hoven in hoog aanzien stond. Zijn dochter Margareta huwde hij uit aan Jan zonder vrees, een zoon van Philips den stoute, hertog van Bourgondie, zijn zoon Willem aan Philips\' dochter Margareta. Deze huwelijken hadden dit gevolg, dat het Beiersche huis, van Engeland vervreemd, in nauwe betrekking kwam te staan tot het Bourgondische. Door huwelijken van andere dochters werd het Beiersche huis vermaagschapt aan Duitsche vorsten. Albrechts jongste zoon Jan werd bisschop van Luik. Een der merkwaardigste feiten zijner regeering, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft, is dat te dier tijde in de meeste steden van Holland, naast schout en schepenen, als overheid, burgemeesters optraden met een raad, waarvan de leden uit de burgers werden gekozen. In zijn tijd, n.1. in 1397, werden Gouda en Schoonhoven, bij het uitsterven van \'t huis van Jan van Beaumont, aan Holland getrokken. Albrecht zelf overleed in 1404, zóó overladen met schulden, dat zijn weduwe, Margareta van Kleef, afstand deed van zijn erfenis.

Willem vi, tot dusver Willem van Oostervant genoemd (1404— 1417), had een afkeer van de Kabeljauwschen. Daarom kwam er met hem een goede tijd voor de Hoekschen. Hij hield zich aan de gewoonte, door zijn vader ingevoerd, huurtroepen ter bezetting zijner sterkten op de been te houden, en dankte ze niet weer af. Op die wijze richtte hij een staand leger op: elk dorp betaalde hem hiertoe volgens een overeenkomst, die men trof, jaarlijks een schilddaalder (ter waarde van ƒ 1,50), zóó geheeten, omdat hij de plaats verving van een man, gewapend met een

-ocr page 40-

32

schild, dien het dcrp had moeten leveren. De graven uit het Beiersche huis zagen zeer goed in, dat deze bezoldigde krijgslieden bruikbaarder werktuigen tot het volbrengen van hun wil waren dan de leentroepen, ter heirvaart opgeroepen, weshalve zij deze lieden hoe langer hoe meer te huis lieten. Willen VI hervatte den oorlog, ook reeds door zijn vader gevoerd, tegen Jan van Arkel en Jans zoon Willem. Gedurende dien krijg had het beleg plaats van een van Arkels sloten, Hagestein (nabij Via-nen), dat zich zoo goed verdedigde en zulke gevaarlijke uitvallen deed, dat Willem zijn eigen legerplaats met een hooge heining of tuin moest omgeven. Ter gedachtenis hieraan beeldde men later het wapen van Holland, d. i. een rooden leeuw, af, met zoodanigen turn omheind. De oorlog eindigde in 1412 hiermede, dat de hoofdzetel van dit huis, Gorinchem, aan Holland kwam en het slot dier edelen, nabij deze stad gelegen, werd gesloopt. Zelf viel Jan van Arkel in een hinderlaag, hem door sommige Hoeksche edelen gelegd, en sleet bijna zijn geheele volgend leven in een engen kerker. Zijn geslacht stierf in 1417 uit, toen zijn zoon Willem, ten behoeve van Jan van Beieren tegen Jakoba strijdende, in de straten van Gorinchem sneuvelde. Evenals het huis van Arkel verloren de heeren van Egmond hun gebied, o. a. de stad IJselstein. In 1417 stierf graaf W illem VI, slechts één dochter nalatende, Jakobavan Beieren, geboren in 1401. Hetzelfde jaar, waarin Jakoba haar vader ontviel, had haar reeds haren eersten gemaal, Jan van Touraine (het graafschap, waarvan Tours de hoofdstad was), den tweeden zoon van Karei VI, koning van Frankrijk, en na den dood zijn broeders dauphin, ontrukt.

Voorzoover de opvolging betreft had Willem dezen maatregel genomen. Één jaar vóór zijn dood had hij de edelen en de steden van Holland en Zeeland bijeengeroepen en uitgenoodigd hem bij eede te beloven zijn dochter Jakoba als wettige opvolgster te zullen erkennen. Velen, maar slechts Hoekschgezinden, waren verschenen en hadden aan het verzoek voldaan. Van deze erkenning en belofte was terstond een opzettelijke oorkonde opgemaakt. Toen nu Willem was overleden, scheen het eerst, dat zich niemand tegenover Jakoba zoude stellen. Sedert lang toch werd op de bepalingen ten aanzien van de opvolging in de leenen van het Duitsche rijk niet meer gelet en handelde men, zooals de omstandigheden het meebrachten. Jakoba legde de belofte af steeds in gemeenschappelijk overleg te zullen regeeren met haar moeder, Margareta van Bour-gondiö, en met haar oom. Jan van Beieren, die sinds het dempen van een hevig oproer te Luik ook wel „Jan zonder genadequot; werd genoemd. Maar nog was het jaar 1417 niet ten einde, of er ontstonden geschillen tusschen Jan en Jakoba. De eerste beweerde, zoolang zijn nicht geen gemaal had, als voogd te moeten optreden, wat Jakoba ontkende.

Zóó herleefde de burgeroorlog: de partijen stonden immers toch tegenover elkander, en de Kabeljauwschen hadden slechts op een hoofd uit het grafelijke huis gewacht. In 1418 vertrok Jakoba haar tweede huwelijk met Jan IV, hertog van Brabant en Limburg, markgraaf van Antwerpen,

-ocr page 41-

S3

den stichter van de hoogeschool te Leuven. Zij waren aan elkander verwant, weshalve het hun volgens het canonieke recht niet vrijstond met elkander te trouwen, Daarom hadden zij paus Martinus V om „dispensatie,quot; d. i. vrijstelling, n.1. van de belemmerende bepalingen van het canonieke recht, verzocht. Eerst had de paus het gevraagde toegestaan ; maar later had hem de invloed van Keizer Sigismund {A/g. Geschied., II, 7de druk, blz. 177) en van Jan van Luik er toegebracht de vergunning te herroepen. Jan van Brabant en Jakoba hielden zich echter aan de eerste bul. Jan van Beieren, nu geen grond meer kunnende aanvoeren om zich het regentschap aan te matigen, vroeg en verwierf van Sigismund de beleening met Holland, Zeeland en Henegouwen, tevens afstand doende van het bisdom Luik. Terzelfder tijd — in 1418 — schonk hij de stad Dordrecht, die hem van \'t begin der vijandelijkheden af ter zijde had gestaan, een keur, waarin aan haar en aan andere steden van Holland een gedeelte der rechten van den landsheer werd toegekend, alsmede de bevoegdheid om op eigen gezag vergaderingen te houden, mits niet ten nadeele van den vorst. Hoewel deze keur weldra als niet langer geldende werd aangemerkt, is zij een belangrijk teeken des tijds en miste ook later haar werking niet. De oorlog zelf leverde voor Jakoba niets dan teleurstelling en verliezen op. Dordrecht belegerde zij, doch kon het niet innemen. Door de omstandigheden gedwongen , stemde zij in een verdrag toe, dat Philips de goede, hertog van Bourgondië, een neef van de strijdende vorstin, in 1419 als middelaar tot stand bracht. Dit verdrag bepaalde o. a., dat Jan van Beieren een groot deel van Holland, als Dordrecht, Rotterdam, Gorinchem, enz. in leen werd afgestaan; dat hij, gedurende vijf jaren, in Holland, Zeeland en Henegouwen het bewind zou voeren tezamen met Jan van Brabant, en dat hij, indien Jakoba kinderloos overleed, haar opvolger zou zijn, waarvoor hij afzag van al de rechten op die landen, hem door paus of keizer geschonken. Van zijn kant voegde Jan van Brabant een artikel aan het verdrag toe, waarin hij, als om de macht van Jakoba\'s vijand nog te vergrooten, hem tot zijn stadhouder in Holland en Zeeland benoemde. Wèl werd Jan van Beieren, gelijk men heeft opgemerkt, door dat verdrag een vreemd wezen.

Van dit oogenblik af gold alleen het gezag van Jakoba\'s oom in Holland en Zeeland. Zijzelve vertoefde met haren gemaal in Brabant, en hoe ook de Kabeljauwsche partij. door Jan van Beieren begunstigd, hier en daar de Hoeksche onderdrukte, zij was bij de onverschilligheid en de onbekwaamheid van Jan van Brabant niet in staat zich er tegen te verzetten. Welhaast leverde Jakoba\'s echtgenoot een nieuw bewijs van die onverschilligheid omtrent haar belangen. In 1420 verpandde hij, tegen een groote som geld. Holland en Zeeland aan Jan van Beieren, die in t zelfde jaar Leiden op den burggraaf van Wassenaar, een Hoeksch edelman, veroverde en deze stad met het graafschap Holland vereenigde. Dus maakte Jan van Beieren een eind aan de waardigheid van burggraaf of kastelein van Leiden, die de heeren van Wassenaar bijna

WJJNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Zevende druk* 3

-ocr page 42-

34

één eeuw lang hadden bekleed, en wier taak hoofdzakelijk hierop neerkwam, dat zij als \'s graven leenmannen voor stad en burg ze voor hem bewaarden, tevens het rechtsgebied en de inkomsten met hem deelende.

Niet alleen Jakoba, ook de onderdanen zeiven van den hertog, d. i. de staten van Brabant, koesterden de grootste minachting voor Jan, dien zij hierom van het bewind ontzetteden , het regentschap aan zijn broeder opdragende. Nu kon Jakoba den smaad niet langer dulden een zoodanig man tot gemaal te hebben. Zij stak naar Engeland over, met den koning van welk land, Hendrik V, zij reeds vroeger onderhandelingen over een nieuw huwelijk had aangeknoopt, en trouwde in 1422 ten derde male met Humphrey, hertog van Glocester, Hendriks broeder. Doch Martinus V, zich thans wederom aan zijn eerste bul houdende, bleef het huwelijk met Jan van Brabant als geoorloofd en wettig erkennen en weigerde dispensatie te verkenen tot deze nieuwe echtverbintenis. Drie jaren daarna, in 1425, overleed Jan van Beieren aan vergif, hem toegediend door Jan van Woerden, heer van Vliet (nabij Rotterdam), die steeds een van \'s vorsten vertrouwdste raadslieden was geweest, maar eenigen tijd tevoren geschil met hem had gekregen en uit zijn bedieningen was ontslagen. Dit had aan een zendeling uit Engeland en aan een paar lieden, die Jan van Beieren had verbannen, gelegenheid gegeven den wraakgierigen man voor een hoog loon tot het bedrijven der euveldaad te brengen. Doch in plaats van dit loon te ontvangen boette hij, nog eenige maanden vóór den dood van Jan van Beieren, voor dat misdrijf met zijn leven.

Jan van Beieren liet zijn rechten op de drie graafschappen bij testament na aan zijn neef Philips den goede van Bourgondie. Maar Holland en Zeeland verklaarden Jan van Brabant getrouw te blijven; Henegouwen huldigde den graaf van Glocester en Jakoba. Op nieuw begon alzoo de oorlog tusschen Jan van Brabant en Philips aan de ééne en Jakoba aan de andere zijde. Jakoba\'s troepen, door Floris van Kijfhoek aangevoerd, gelukte het in 1425 zonder eenige moeite de stad Schoonhoven te overmeesteren. Maar het slot dier stad konden zij eerst na een vrij langdurig beleg bemachtigen. Aan den slotvoogd of bevelhebber Willem van den Koulster en aan alle manschappen werd het lever gelaten. Slechts omtrent één der verdedigers van dat slot werd een andere beslissing genomen. De ééne man, die uigezonderd werd, was Al-laert Beilink, schout te Gouda, die waarschijnlijk naar Schoonhoven was geweken en er als krijgsman had medegestreden, omdat hij te Gouda had moeten zwichten voor het overwicht der partij, die zich weldra voor Jakoba en tegen den hertog van Brabant verklaarde. Het eenige , dat de overwinnaar hem toestond , was een verlof, opdat hij kon trachten binnen zeker tijdsverloop een aanzienlijk losgeld bijeen te brengen. De tijd verstreek, en Beilink keerde terug. Wat toen is gevolgd staat niet geheel vast. Of hij heeft zijn losgeld betaald en is in vrijheid gesteld; èf — en dit is vooralsnog het waarschijnlijkste — hetzij hij het

-ocr page 43-

35

rantsoen heeft bijeengekregen, of niet, hij werd \'s nachts op een molen-werf nabij Schoonhoven levend begraven, een manier van ter dood brengen, waarvan in ons land gedurende de Middeleeuwen niet vele, maar toch enkele voorbeelden zijn. Dezen sraadelijken dood moest hij ondergaan op last van een Hoeksch edelman, Gerard van Poelgeest, die hem persoonlijk haatte, vermoedelijk omdat Beilink medeplichtig was geweest aan den moord, een paar jaren vroeger aan een der verwanten van dien edelman gepleegd.

Inmiddels verliet Humphrey, uit hoofde van geschillen in Engeland, waaraan hij deel had, deze landen. Terzelfder tijd benoemde Jan van Brabant zijn neef Philips den goede tot ruwaard van Holland en Zeeland. Jakoba, nu van allen steun verstoken, zag zich gedwongen zich onder bewaking van Philips te stellen, die haar naar Gent liet voeren. Dan, nog eer het jaar 1425 ten einde was, ontvlood Jakoba, voor een eeuwigdurende gevangenschap vreezende, de stad Genten werd te Schoonhoven, Gouda en Oudewater als gravin erkend. Kort daarna won zij in persoon den slag bij Alphen op de steden der tegenpartij, en in \'t volgende jaar een tweeden ter zelfder plaats. Gedurende het vervolg van den strijd, die steeds slepend bleef, overleed Jan van Brabant in 1427, terwijl een geestelijk gerechtshof te Rome in ^28 de echtverbintenis met Glocester voor onwettig verklaarde. Zóó ook van dezen man verlaten, dien de in Engeland heerschende verdeeldheid had verhinderd hier krachtdadig op te treden en die nu zonder tegenzin in de uitspraak der kerk berustte, werd Jakoba meer en meer in \'t nauw gebracht. Vermits haar gezag tot de drie genoemde steden was beperkt, zag zij geen anderen uitweg dan het sluiten van een verdrag, dat in 1428 te Delft tot stand kwam. De hoofdpunten waren : Jakoba wordt erkend als gravin van Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen, Philips van Bourgondie als ruwaard en erfgenaam dezer gewesten; in die hoedanigheid zal Philips het bewind voeren, totdat Jakoba een nieuw huwelijk aangaat; Jakoba zal niet hertrouwen dan met toestemming van hare moeder, van Philips en van de drie stenden der landen, tenzij zij wil geacht worden haar onderdanen van den eed van gehoorzaamheid te hebben ontslagen; Jakoba zal een gedeelte trekken van de inkomsten der graafschappen.

Philips benoemde tot stadhouder van Holland en Zeeland Frans van Borselen, die door de diensten, met groote kieschheid aan Jakoba bewezen, weldra zoozeer haar genegenheid verwierf, dat zij met hem in »den echt trad. Frans van Borselen verloor nu het stadhouderschap, doch werd door Philips tot graaf van Oostervant verheven. Deze daad van Jakoba, als strijdende met het verdrag van Delft, had in 1433 het verlies iler grafelijke waardigheid ten gevolge. Daarentegen verkreeg zij van Philips vele heerlijkheden, waarvan zij de inkomsten bleef trekken tot haren dood in 1436.

-ocr page 44-

36

§ 6.

IJoHand en Zeeland onder de graven uit hel Bourgondische huis.

Johanna I, erfgenaam van Franche-Comté en Artois, getrouwd met Philips V den lange, koning van Frankrijk.

Johanna II, getrouwd met Eudes IV, hertog van Bourgondic.

Kleinzoon Philips van Rouvre, overl. in 1361.

Johanna, overleden 1406.

Margareta I, getrouwd met Lodewijk I van Nevers, graaf van Vlaanderen, Nevers, Réthel en Salins, overleden 1346. — Margareta overl. 1382.

Lodewijk II van Male, graaf van Vlaanderen, Nevers, Réthel en Salins, erft van zijn moeder Franche-Comté en Artois, is getrouwd met Margareta, een dochter van Jan III, hertog van Brabant, sterft in 1384,

Margareta II van Male, getrouwd met Philips den stoute, hertog van Bourgondië.

Jan III, hertog van Brabant.

Margareta, getrouwd met Lodewijk II van Male, graaf van Vlaanderen.

Margareta II van Male, getrouwd met Philips den stoute.

Jan zonder Antonie,

vrees. overl. 1415.

Philips van St. Pol, overl. 1430.

Jan IV, Philips overl. 1427. de goede

Eer de lezer het oog vestigt op de regeering der graven uit het Bourgondische huis, is het noodig dat hij zijn aandacht bepale bij de opkomst van dat geslacht en bij den aanwas van de macht zijner vorsten.

De Bourgondische landen, die hun naam aan den Duilschea stam ontleenden, welke zich daar in \'t begin der Middeleeuwen vestigde, splitsten zich na den dood van Karei den groote in twee koninkrijken, sedert 933 tot één vereenigd, en in één hertogdom. Het hertogdom, het westelijk gedeelte der Bourgondische landen, waarin Dijon ligt, was een leen van de Fransche kroon. Een ten o. daarvan gelegen deel

-ocr page 45-

37

van het koninkrijk, dat in 1032 aan Duitschland kwam, werd na dien tijd doorgaans vrijgraafschap of Franche-Comté genoemd (zie Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 71). In de 14de eeuw kwam dit graafschap aan Margareta I van Vlaanderen, ofschoon het een leen van Duitschland bleef. Deze Margareta I was een dochter van Johanna I, een afstammeling der graven van Franche-Comté en Artois, en van Philips V den lange, koning van Frankrijk {Algem. Geschied., II, 7de dr., blz. 154). Zij erfde in 1361 Franche-Comté en Artois van haren neef, Philips van Rouvre (een kasteel nabij Dijon, waar hij is geboren), hertog van Bourgondië en insgelijks van Johanna I afstammende, toen zij reeds weduwe was van Lodewijk I van Ne vers, graaf van Vlaanderen, Nevers (zie blz. 27), Réthel (ten n.o. van Rheims) en Salins (ten z. van Besancon), die in 1346 bij den slag van Crécy {Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 166) omkwam. Uit dat huwelijk sproot Lodewijk II van Male (een kasteel nabij Brugge, waar hij werd geboren). Hij trouwde met Margareta, een dochter van Jan III, hertog van Brabant, en werd, na den dood zijns vaders, graaf van Vlaanderen, Nevers, Réthel en Salins, alsmede, na den dood zijner moeder Margareta I in 1382, graaf van Franche-Comté en Artois. Hijzelf, Lodewijk II, stierf in 1384 en liet al zijn graafschappen na aan zijn dochter, Margareta II van Male, die met Philips den stoute getrouwd was. Het hertogdom Bourgondie verviel in 1361, bij den dood van Philips van Rouvre, aan de Fransche kroon. Nu beleende Jan II, koning van Frankrijk, in 1363 zijn jongsten of vierden zoon Philips den stoute met dit hertogdom, als opengevallen leen [Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 172). Met hem begint een reeks hertogen uit het huis Valois.

Philips huwde, gelijk zoo even werd opgemerkt, in 1369 Margareta II, een kleindochter van de straks genoemde Margareta I en dochter van Lodewijk II van Male, graaf van Vlaanderen, Nevers, Réthel, Salins, Franche-Comté en Artois. Door dat huwelijk verwierf hij, bij den dood zijns schoonvaders, in 1384, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois, Réthel, Nevers en Salins. Zijn oudste zoon. Jan zonder vrees, trouwde met Margareta, en zijn dochter Margareta met Willem, beide kinderen van Albrecht, graaf van Holland (zie blz. 31). Jan zonder vrees kreeg in 1404, bij den dood zijns vaders, Bourgondie, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois en Salins. De tweede zoon van Philips den stoute, Antonie, volgde in 1406 in Brabant, Limburg, dat sedert 1288 met Brabant was vereenigd, en Antwerpen op Johanna, zijn oud-tante, de oudste dochter van Jan III, hertog van Brabant. Hij sneuvelde in den slag bij Azincourt {Alg. Geschied., II, 7de druk, blz. 183) en liet twee zonen na. Jan IV, die (zie blz. 32, 35) zijn landen erfde en in 1427 overleed, en Philips, graaf van St. Pol (ten n.w. van Atrecht), die zijn broeder opvolgde en in 1430, evenals die broeder, kinderloos stierf. De derde zoon eindelijk van Philips den stoute erfde van zijn vader Nevers en Réthel.

-ocr page 46-

38

Jan zonder vrees werd in 1419 op de Yonnebrug gedood {Algern. Geschied., IIj 7de druk, blz. 184. Zijn zoon Philips de goede (1433— 1467) volgde hem onmiddellijk in Bourgondie, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Cointé, Artois en Salins op. In 1421 kocht hij het graafschap Namen van graaf Jan III, die zich het vruchtgebruik gedurende zijn leven voorbehield en na wiens dood, in 1429, Philips het land in bezit nam. In 1430 erfde hij van zijn neef, Philips van St. Pol, Brabant, Limburg en Antwerpen. In 1433 stond Jakoba hem Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland af. In 1435 verkreeg hij van Karei VII, koning van Frankrijk, bij het verdrag van Atrecht {Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 187), Auxerre (aan de Yonne), Bar (ten n.o. vandaar) en Macon (ten n. van Lyon). Eindelijk kocht hij nog het hertogdom Luxemburg van Elizabeth, een dochter van Johan van Luxemburg, een broeder van de koningen van Duitschland Wenzel en Sigismund, en weduwe van Antonie, en nam het in 1451, na Elizabeth\'s dood, in bezit. Bij dit alles komt dat hij in Utrecht grooten invloed oefende, sedert hij in 1455 zijn bastaardzoon, David van Bourgondië, als bisschop aan het kapittel had opgedrongen.

Philips de goede is de eerste hertog uit het huis van Bourgondië, die onder de Nederlandsche vorsten een plaats bekleedt. Het is een uitgemaakte waarheid, dat elk gezag zich steeds poogt uit te breiden, dan van zijn oorspronkelijke richting ontaardt en alle palen overschrijdt, totdat het zichzelf vernietigt. Deze opmerking wordt ook bevestigd door hem, die de wording en het aangroeien gadeslaat van de grafelijke macht in de staten, die het tegenwoordige Nederland en België uitmaken. Allengs waren vele beletselen tegen de uitbreiding dier macht uit den weg geruimd. Niet langer was de grond van Holland en Zeeland, om van deze landen maar alleen te spreken, met tal van kasteelen overdekt, waarin evenveel edelen met hun in \'t staal gedoste manschappen lagen, steeds ten aanval tegen den graaf gerust. De macht des adels was voor die van den landsheer geen struikelblok meer. Een andere was er voor in de plaats gekomen. Schier onweerstaanbaar was de invloed van het stelsel van gemeenten, sinds dit in zwang was geraakt. Als een loopend vuur was het streven der ingezetenen om zich tot gemeenten te vereenigen van den een tot den anderen staat overgegaan. De vorsten, medegesleept door de zucht om den adel te beteugelen en gedrongen door de behoefte aan geld, hadden geen perken gesteld aan de begeerte der steden naar privilegiën, maar ze met ruime hand gegeven aan wie ze verlangde. Bij het bedaren van den storm, die zoo vaak uit de sterke sloten der edelen was opgestoken, trachtten de vorsten, de gevolgen hunner milddadigheid inziende, ze op allerlei wijze te voorkomen. Zij schrikten voor den vorm van gemeenebest, die aan de gemeenten eigen was. Er ontkiemde in hen een afkeer van de vrijheidsbegrippen, die zich onder de burgers ontwikkelden. Zij begonnen de evereenstemming te duchten, die meer en meer ontstond tusschen de burgers en de door hen gekozen overheidspersonen. Hiertegen richtte zich dus hun streven.

-ocr page 47-

39

Een uitnenienden steun daartoe boden hun de rijken en aanzienlijken in de steden, reede lang onvergenoegd dat zij, ten aanzien van den invloed op het stedelijk: bestuur, met de gemeene poorters op één lijn stonden. Zóó kon het gebeuren dat, aireede in 1373, in sommige steden, b.v. te Rotterdam, de graaf niet langer, zooals weleer, het gansche lichaam der gemeene poorters bij klokkeslag opriep, maar alleen een zeker aantal der meest gegoeden van hen, (naar het woord vroed, d. i. wijs) doorgaans de vroedschap en rijkheid geheeten, om, na hen te hebben gehoord, zijn besluit te nemen. Zonder een bepaald collegie te vormen werden alzoo zij, die geroepen werden om den graaf van hun goeddunken te doen blijken, telken male als de vertegenwoordigers der poorters in \'t algemeen aangemerkt. Op die wijze kon het geschieden dat, in 1400, Al-brecht te Amsterdam, Naaiden, enz. het recht van verkiezing der burgemeesters van de burgers op schepenen en raad overbracht.

Bij de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis was evenwel de beperkte macht nog een oorzaak van beperkte heerschzucht. Anders werd dit sedert het optreden van het Bourgondische huis, dat, zoovele staten onder zijn macht vereenigende, ze zooveel mogelijk tot één lichaam wenschte te doen samensmelten. Dit huis toonde in al zijn daden wat zijn doelwit was, centralisatie, eenheid, overwicht der grafelijke macht over den adel en over de steden beide. En toen later het Oos-tenrijksche huis voor het Bourgondische in de plaats kwam, hield ook dit vast aan een stelsel, dat den vorst het regeeren zoo gemakkelijk maakte, en, ofschoon het ook ten nutte der ingezetenen verstrekte, toch geheel in \'t belang van den landsheer was uitgedacht. Bood een enkel gewest of stad tegenstand aan de plannen van den vorst, licht werd het met behulp van de macht der overige erflanden overwonnen. Ook de Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden werkten het doel des graven in de hand. Als vijanden elkander alle mogelijke afbreuk doende, beseften de landzaten niet, dat zij alzoo hun beste krachten verspilden. En wanneer de strijd een tijdlang had geduurd en afmatting de woede had vervangen, zag men met lankmoedigheid toe, wanneer inbreuk op de rechten werd gemaakt. Zich niet om de toekomst bekommerende, offerende men voor de welbehagelijke rust de zegeningen der vrijheid gewillig op.

Ter bevordering nu van het groote doel, zoo even aangeduid, legde Philips, nog slechts ruwaard zijnde, in vele sterkten van Holland, b.v. te Hoorn, vreemd krijgsvolk in bezetting. En ternauwernood was hij als graaf gehuldigd, of hij ging verder. Op zijn last verklaarde het hof van Holland, dat de handvesten, door hem als ruwaard verleend, indien zij thans niet werden bevestigd, krachteloos zouden zijn. Ook vroeger stond den stadhouder van den graaf een raad, uit eenige heeren bestaande, ter zijde, die met hem het bewind en de rechtspraak leidde. Philips echter is de eigenlijke oprichter van dien vasten of permanenten raad, die het hof va.71 Holland wordt genoemd, in 1428 tot stand kwam en uit negen personen bestond. Hij had zitting te \'s Gravenhage en deed ter eerste in-

-ocr page 48-

40

stantie uitspraak over alle betwiste graaflijke rechten en domeinen, alsmede over leven, dood en bezittingen van de edelen en \'sgraven dienaren. Verder zat het in hooger beroep terecht over alle vonnissen, in burgerlijke zaken gewezen door andere rechtbanken. Het spreekt vanzelf dat hierdoor aan de oude vierscharen veel van haar kracht werd ontnomen. De leden van \'t hof werden door den graaf aangesteld en waren dus alleen van hem afhankelijk. De vonnissen der lagere rechtbanken, veelal gegrond op de stedelijke keuren, werden door dit hof, zich naar de Fransche wetten richtende, dikwijls vernietigd. Niet alleen de Fransche wetten, maar ook de Fransche rechtspleging voerde Philips bij het hof in om in plaats te treden van de oude formulen, tot dusver door eischer en verweerder gebezigd. Jaren lang was dit hof ook belast met het toezicht op \'s graven inkomsten; doch in 1463 werd het van deze taak ontslagen, die Philips opdroeg aan zijn rekenkamer, te Brussel gevestigd.

Een andere stap was deze. In 1443 vergunde Philips bij privilegie aan de vroeden en rijken te Delft, uit hun midden een vroedschap of raad (tot een getal van veertig) te verkiezen, die, in plaats van voor één jaar, eenige jaren of tot weder opzeggen toe het recht zoude hebben het lichaam der burgerij te vervangen en zichzelf aan te vullen. Te Haarlem kwam in 1445 op dezelfde wijze een vroedschap van tachtig personen tot stand. Zóó ook te dier tijde in andere steden. Op die manier ontstonden dus de vaste vroedschappen of stedelijke raden, uit 24, 36, 40 of meer leden samengesteld. Intusschen hoede men zich deze vroedschappen voor de „regeeringquot; der steden te houden. Zij waren niets anders dan de vertegenwoordigers van \'t lichaam der burgerij. De regeering berustte bij schout, schepenen en burgemeesters, \'s graven ambtenaren. In sommige steden, b. v. te Delft, verkoos de graaf de burgemeesters, in andere verkozen de vroedschappen ze zeiven. Van tijd tot tijd werd, hier of daar, naast die vroedschap nog bovendien een aantal andere rijken en vroeden opgeroepen om over de een of andere gewichtige zaak te beraadslagen.

Er is nog meer. In 1455 stelde Philips een hoog gerechtshof in, bestemd om het oog des vorsten te zijn, steeds wakende over de vele staten, die hij beheerschte, aan hetwelk hij den naam geheime of gr oote raad gaf en waarop alle bewoners zijner gewesten zich bij rechtsgeschillen in appél konden beroepen. Dergelijk hooger beroep geschiedde vroeger, voorzoover Vlaanderen en Artois betreft, op het parlement van Parijs, en, voor de overige gewesten, op den rijksdag van Duitschland. Hieraan wenschte Philips een eiude te maken en tevens één hof te hebben, waaraan niemand, zelfs niet de hoogste ambtenaren en edelen, zich konde onttrekken. De geheime raad hield zijne zitting in de plaats, waar de vorst vertoefde, en kreeg later een vasten zetel. Hoewel Philips zich er niet tegen verzette , wanneer men zich nu ook nog op het parlement te Parijs beriep, kwam dit toch allengs in onbruik. Daarentegen kwam het hooger beroep op dezen raad, voorzoover Noord-Nederland aangaat, slechts in Holland en Zeeland in zwang. In de meeste overige gewesten hield men zich aan

-ocr page 49-

41

\'t oude gebruik, hier en daar door verdragen of andere oorkonden bekrachtigd , niet hooger in appèl te gaan dan bij het provinciale hof (zie b. v. blz. 5s). Een inbreuk op het privilegie „de non evocandoquot; was de oprichting van den geheimen raad echter geenszins. Immers dit privilegie verbood wel, dat iemand buiten \'s lands palen te recht stond, doch kon de bij een vonnis in het ongelijk gestelde partij de bevoegdheid niet ontnemen zich in hooger beroep tot den vorst of zijn raad te wenden.

Philips de goede is\'ook de eerste graaf, die een paar malen een vergadering der Algemeene Staten bijeenriep. Reeds is, bij herhaling, ir; dit werk gewag gemaakt van het raadplegen der edelen, of der steden, of der edelen en steden tezamen door de graven. Dergelijke bijeenkomsten, die voor ieder gewest in \'t bijzonder werden gehouden, noemde men sedert Albrechts tijd dagvaarten, later staten, vermits de edelen en de steden, waaruit zij bestonden, de staten, d. i. standen, des lands vertegenwoordigden. Voor \'t eerst komt die naam, wat Holland betreft, in 1428 voor in het verdrag, tusschen Philips en Jakoba gesloten. Men houde evenwel in \'t oog, dat, ofschoon het weldra gewoonte werd, de heeren zeiven, die ter dagvaart opkwamen, staten te noemen, die naam eigenlijk toekomt aan hen, die ze afzonden, d. i. aan de stemhebbende edelen en steden. In die vergaderingen vertegenwoordigden de edelen mede het platteland en de kleine steden, voorzoover deze niet zeiven verschenen. De vorst liet de staten nu en dan bijeenkomen om de standen te raadplegen, om hem in het nemen van regeeringsmaatregelen ter zijde te staan of tot het aanhooren en het beschikken op beden. Het recht der staten beperkte zich tot het al of niet inwilligen dier beden. In Holland nam het getal der edelen, die werden beschreven, van lieverlede af. Ten tijde van Karei V bedroeg dit twaalf. Wat de steden betreft, in \'t begin verschenen zoowel de groo-tere als de kleinere. Maar weldra bleven de laatsten allengs weg, eensdeels om kosten te vermijden, anderdeels omdat zij slechts weinig werden geteld, zoodat het getal der steden, die doorgaans opkwamen, zes werd, n.1. Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda. Steden, die onder bijzondere heeren stonden, konden in Holland en Zeeland nooit leden der staten zijn. 13e edelen, die vergaderd waren, hadden tezamen één stem, de zes steden ieder één. Voorzitter der staten was hij, die het ambt van V lands advocaat bekleedde, hetwelk zijn oorsprong schijnt verschuldigd te wezen aan de noodzakelijkheid om de rechten van \'t land tegen de overmacht der vorsten uit het Oostenrijksche huis te handhaven. De regel was dat de meerderheid de tegenstemmenden geenszins verplichtte: men was slechts aan zijn eigen stem gebonden (vergelijk echter blz. 16).

In Zeeland bestond het lichaam der staten uit drie leden, die ieder één stem hadden, n.1. den abt van Middelburg, de edelen en de vijf goede steden Middelburg, Zierikzee, Reimerswaal op Zuid-Beveland, Goes en Tholen. Onder deze steden had Reimerswaal, de plaats, waar de graven oudtijds den eed plachten af te leggen, zoozeer van de telkens wederkee-rende overstroomingen te lijden, dat het in 1532 geheel van het overige land

-ocr page 50-

42

werd afgerukt, om later allengs door het water te worden verzwolgen, zoodat het in 1631 geheelenal te niet ging. De abt van Middelburg of van St. Nikolaas, zooals de abdij heette, werd als hoofd der geestelijkheid en bezitter van uitgestrekte goederen lid der staten. De vijf steden heetten „goede stedenquot; in tegenstelling met de vazalsteden, die onmiddellijk aan den graaf of aan een ander heer waren onderworpen. De voorzitter der staten was de pensionaris.

In plaats nu van, gelijk tot dusver, de staten van elke provincie in \'t bijzonder riep Philips eenige keeren die van alle gewesten gezamenlijk ter vergadering op, hierdoor den grond leggende tot het latere lichaam der Staten-Generaal. Een dergelijke vergadering kwam b.v. in Januari 1464 te Brugge bijeen om middelen te beramen ter bijlegging van de geschillen, die de graaf met zijn zoon Karei had. Meer bekend is de vergadering der Algemeene Staten, die den 25sten April 1465 te Brussel plaats had, om te worden gehoord over het heffen eener bede, welke Philips behoefde ten einde zich tegen den koning van Frankrijk, Lodewijk XI, te verdedigen. Op zulke generale dagvaarten verschenen evenwel meestal niet de staten van alle provinciën. Die van Friesland, Groningen, Drente, Overijsel en Gelderland bleven doorgaans te huis. Friesland beweerde, dat dergelijke dagvaarten in strijd waren met het privilegie „de non evo-cando.quot; De stemming geschiedde landschapsgewijze. Elk gewest werd slechts door zijn eigen stem gebonden. Vruchteloos streefden deze Algemeene Staten er later, vooral onder Philips II, naar om als vertegenwoordigers der geheele natie mede te werken tot de vaststelling en ontwikkeling van nieuwe regeeringsbeginselen.

De jaren van Philips\' regeering zijn een van de merkwaardigste tijdperken der geschiedenis, zoowel wat zijn eigen daden betreft, als ten opzichte van de wereldgeschiedenis in \'t algemeen. Tot die daden des vorsten behoort nog de instelling van de orde van het gulden vlies. Dit geschiedde te Brugge bij gelegenheid van zijn derde huwelijk met Elizabeth, een dochter van Johan I, koning van Portugal, in 1430. Met den naam, dien Philips aan de orde gaf, wilde hij hulde brengen aan den wolhandel, als hoofdbron van den bloei der Nederlanden, tevens op Colchis {Algem. Geschied., 10de druk, I, blz. 52) zinspelende, omdat zijn vader, gevangen genomen in den slag bij Nicopölis {Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 218) , zoo al niet in Colchis, dan toch in Azië een tijdlang in hechtenis had gezeten. Het doel dtr instelling was de edelen, wier ridderlijke dapperheid hij hoog waardeerde, ter bescherming van de kerk, nader onder elkander en aan zijn persoon te verhinden. Hijzelf was er het hoofd van. Buiten hem telde zij dertig leden, later meer, die tenzij zij vorsten of hertogen waren, tot geen andere orde mochten behooren. Geen der leden kon voor een andere rechtbank dan voor die der orde worden gedaagd. Het zinnebeeld der orde was het „lam Gods,quot; dat de ridders aan een keten om den hals droegen.

Merkwaardig werd zoo even de tijd van Philips\' regeering genoemd. Immers in die jaren valt de verovering van Constantinopel door de Tur-

-ocr page 51-

43

ken, de invoering der vuurwapens bij de legers, waardoor aan het overwicht der edelen weder een gevoelige schok werd toegebracht, en de uitvinding der boekdrukkunst. De eer dezer uitvinding, welke omstreeks 1450 plaats greep, komt óf aan Laurens Janszoon Coster van Haarlem, öf, wat met meer recht schijnt te worden beweerd, aan Johan Gutenberg toe. De Nederlandsche gewesten dreven veel handel; hun zeevaart was belangrijk. Vlaanderen en Brabant waren beroemd door hun lakenfabrieken. De zetel van den handel in hout, vee, paarden en koren met de Oostzee en het Noorden van Europa was in Holland. Vele steden waren leden van het hanzeverbond. Zelfs was de macht van Holland en Zeeland zoo groot, dat zij, toen zij in 1438 in oorlog geraakten met de hanze, een vloot van tachtig kleine oorlogschepen konden uitrusten, waarmede zij de zee schoon veegden. Een andere en rijke tak van bestaan was de haringvis-scherij, die evenwel toen haar toppunt nog niet had bereikt, weshalve er later op zal worden teruggekomen. Willem Beukelszoon van Biervliet (in Staats-Vlaanderen), overleden in 1397, had het kaken en zouten van dien visch uitgevonden, die eertijds alleen versch werd gegeten, terwijl het eerste groote haringnet in 1416 te Hoorn werd gebreid. De schepen, waarmede men ter haringvangst voer, noemt men buizen. In \'t kort, zóó uitnemend was de welvaart, die de ingezetenen dezer landen genoten , dat deze „het land van beloftequot; werden genoemd.

Stellig is Philips\' bijnaam, dien evenwel geen der Hollandsche, slechts, Fransche kroniekschrijvers, vermelden, eerder aan \'s volks tevredenheid over dien bloei toe te schrijven, dan wel, zooals sommigen willen, aan de ruime geldsommen, die hij aan de Christenkerken in \'t Oosten deed toekomen. Het volk kan den vorst „den goedequot; hebben genoemd, die hun, in plaats van de lange regeeringloosheid en den burgeroorlog, wederom de weldaden van den vrede, de veiligheid en het recht deed kennen. Intus-schen is er een groot verschil tusschen hem en den vroegeren vorst Willem III (zie blz. 27), die denzelfden bijnaam kreeg, omdat hij zijn belangen met die van zijn volk vereenzelvigde, want Philips regeerde in anti-nationalen zin, was er slechts op uit zijn eigen macht te versterken en tot een ware dwingelandij te maken en verspilde met zijn hovelingen in dolzinnige weelde de gelden, in groote hoeveelheid door zijn onderdanen opgebracht. Toch is er geen grond om \'s vorsten ingenomenheid met de belangen der kerk te betwijfelen. Hadden de omstandigheden het niet verhinderd, het voornemen koesterde hij stellig om nog eens een kruistocht tegen de vijanden der Christenheid te ondernemen. Het valt echter niet te ontkennen , dat de bijnaam, hem toegevoegd, hem geenszins wegens overgroote goedheid van aard toekomt, daar menige harde daad tegen hem getuigt. Doch moge er op \'t karakter, gelijk op de weelderige levenswijze van Philips, menige aanmerking zijn te maken, hij was voorzeker een bekwaam staatsman en regent, die de partijen der Hoekschen en Kabeljauwschen met vaste land in toom hield. Bovendien roemt men hem als beminnaar en voorstander der letteren en der kunst. Hem is de Bourgondische bibliotheek, die nog

-ocr page 52-

44

heilen de kern uitmaakt van de bibliotheek der stad Brussel, haren oorsprong verschuldigd. Door zijn mildheid gelokt, vestigden de gebroeders Jan en Hubert van Eijck zich te Brugge, waar zij vele schilderstukken vervaardigden. De kunst van het schilderen met de olieverw werd door Huberts leerling, Jan van Brugge, tot groote volkomenheid gebracht. Onder de schrijvers, die tot de tijdgenooten van den vorst behooren, is Philippe de Comines een der voornaamste, die „mémoiresquot; over zijn tijd schreef en door Philips vorstelijk werd beloond. I

Philips liet, bij zijn dood in 1467, een wel voorziene schatkist aan zijn zoon Karel den stoute (1467—1477) na- Deze graaf nam, met het oog op het stelsel van zijn huis, twee gewichtige maatregelen. Vooreerst vestigde hij in 1474 den groot en raad te Mechelen (zooals hij van nu aan doorgaans heet), bepaalde dat hij uit ruim 30 leden zoude bestaan en gaf hem de hoogste rechtsmacht over al zijn landen. De rekenkamer (zie blz. 40) verplaatste hij van Brussel naar Mechelen. Deze wijziging bield echter slechts stand tot 1477, toen Maria deze rekenkamer in drie splitste en de eene te Rijssel, de andere te Brussel, de derde te \'s Gravenhage vestigde. Verder richtte hij in 1471, op het voorbeeld van Karei VII, koning van Frankrijk {Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 188), een staand leger van 800 speren of ruiters op, tot welks onderhoud, zooals vanzelf spreekt, zware beden werden ver-eischt. Tot dezen maatregel wist bij de staten zijner landen op een vergadering te Abbeville (aan de Somme in \'t n. van Frankrijk) te bewegen door hen te wijzen op het nut, dat de koning van Frankrijk uit dergelijke troepen trok. Licht vond de hertog later redenen of voorwendsels om de 800 tot 2200 speren of 22 compagnien, elk van 100 speren, te doen uitdijen. En daar elke speer acht man, zóó ruiters als voetknechten, telde, vormden de 22 compagnien een vrij talrijk leger.

Tot de vermeerdering der erflanden van zijn huis legde Karei den grond door in 1471 een verdrag te sluiten met Arnold van Egmond, hertog van Gelder en graaf van Zutfen. Bij dit verdrag verpandde Arnold hem zijn hertogdom en zijn graafschap voor een som van 300,000 gl., hem tevens tot erfgenaam benoemende. Bovendien betaalde Karei in 1473 nog 80,000 gl. aan een neef van Arnold om ook zijn aanspraak te verkrijgen. In \'t zelfde jaar erkende keizer Frederik III hem als hertog. De Gelderschen echter wilden Karei niet tot hertog hebben. Zóó brak er een oorlog uit, die meer dan een halve eeuw duurde.

Zwaar drukte Kareis regeering op zijn onderdanen. Reeds sedert den tijd van het Henegouwsche huis was het stelsel der excijnsen of accijnsen in Holland en Zeeland in zwang gekomen. Dit was een belasting, dus, n.1. accijns (in \'tFransch accise, in \'t Middeleeuwsche Latijn accisia) genoemd, alsof het kwam van accidëre, afsnijden, als \'t ware een afsnijden van de winst. Het woord is evenwel bij verbastering ontstaan uit het Middeleeuwsche Latijnscbe woord assisia of het oud-Fransche assise en beteekent: zitting eener rechtbank of overheid, en verder: verordening, belasting. Assise is

-ocr page 53-

45

eigenlijk~ het verleden deelwoord van assidêre en beduidt dus wat neergezet is. Deze belasting werd geheven van eet- en drinkwaren, als van bier, wijn, azijn; van brood, vleesch, visch, maar ook van laken, hout, turf, ijzer, enz. In den beginne hieven de steden ze, met vergunning van den graaf, om in haar eigen behoeften te voorzien, later ook om ze tot betaling of aanvulling der beden te doen verstrekken. Vooral onder Karei den stoute, die, evenals zijn vader, het geld met volle handen wegwierp, zuchtten de ingezetenen evenzeer onder den last der verhoogde accijnsen, als zij met moeite aan de zware beden voldeden. Die beden begonnen, sedert den tijd der Bourgondische heerschappij, dikwijls niet den naam verponding te worden aangeduid. Daar de vorst niet tie inge-gezetenen rechtstreeks, maar de gemeenten (zie blz. 16, 23) schatte en belastte , bleef het aan elke van deze gemeenten voorbehouden de verponding over haar leden of onderzaten om te slaan. Te dien einde telde men , toen de rijkdom nog voornamelijk in grondeigendom bestond, de morgen lands, de mor gent alen, d. i. het getal morgens, dat ieder bezat. Later, naarmate, naast den landbouw, de nijverheid en de handel opkwamen en zich alzoo, buiten den grondeigendom, andere kapitalen vormden, werd het heffen der bijdragen alleen naar de morgentalen onbillijk en ondoelmatig. Daarom begon men meer en meer het belastbare inkomen te bepalen naar het getal schilden (de meest gebruikelijke grove muntsoort, welker waarde verschillend was, 14 stuivers of meer). Vanhier de naam schildtalen, d. i. getal schilden. En toen, ten tijde van de Bourgondische heerschappij , het schild ophield de gewone rekenmunt te wezen en het pogt;td (tot 1520 slechts een rekenmunt, in waarde gelijkstaande met een gulden) daarvoor in plaats kwam, werd de benaming schildtalen door den naam verponding verdrongen. Tegen het laatst der i6lle eeuw eindelijk nam de verponding van lieverlede het karakter aan eener belasting op de huizen en de landerijen, of, gelijk men zich thans pleegt uit te drukken , op de gebouwde en de ongebouwde eigendommen. Hoewel Karei de stoute het beginsel met kracht doorzette, dat de geestelijkheid evenzeer belasting had te betalen als de overige inwoners des lands, bleven de laatsten den druk der belastingen maar al te zeer gevoelen.

Eén hoofddenkbeeld beheerschte Karei: de hoed, dien hij als hertog droeg, moest met een koningskroon worden verwisseld; de landen, die tusschen de Middellandsche Zee en de Noordzee, tusschen Frankrijk en Duitschland lagen, moesten onder zijn schepter worden vereenigd. Toen zijn plan om in overleg met keizer Frederik III dit doel te bereiken was mislukt, doordien de keizer in 1473 de stad Trier, waar men ter beraadslaging was bijeengekomen, snel weder verliet [Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 194), besloot hij met geweld op te treden. Maar hij sneuvelde in 1477 bij Nancy (aan de Moezel, ten z. van Metz) in een slag tegen Réné, hertog van Lotharingen.

Zonder één zijner ontwerpen verwezenlijkt te zien scheidde Karei uit het leven, al zijn landen in een ongelukkigen toestand aan zijn dochter

-ocr page 54-

4(3

Maria (1477—1482) nalatende. De schatten, door zijn vader bijeengebracht en bij zijn overlijden aan hem gekomen , waren verkwist, de handel en nijverheid door zijn afpersingen verlamd. Lodewijk XI verklaarde al wat leen was der Fransche kroon voor vervallen: Bourgondie werd vermeesterd, Artois en Picardie, zelfs Franche-Comté, aangetast, Vlaanderen bedreigd. Hier te landde barstte de lang verkropte verontwaardiging eindelijk los. Bedenkende, dat men, althans ten deele, door Fransche wetten werd bestuurd; dat Fransche raadslieden, als de kanselier Willem Hugonet en Guy of Guido de Brimeul, heer van Humber-court (ten z.w. van Atrecht), Karei ter zijde hadden gestaan, wilde men vóór alles waarborgen voor \'t behoud der nationaliteit tegen Fransche overheersching, vóór alles herstel der geschonden privilegiën. Niets vreesden de landzaten zoozeer als een huwelijk der gravin met Frank-rijks dauphin, met een zoon van den ouden meineedigen koning, die steeds op de loer lag, zoekende wien hij zou kunnen verslinden. Hoekschen en Kabeljauwschen, hun oude veeten vergetende, kenden slechts één doelwit.

Van zwaard- of spilleleen sprak niemand. Keizer Frederik III had er te veel belang bij, dat Maria opvolgde (zie blz. 47); nauw vermaag-schapte mannelijke verwanten waren er niet, en de staten verkregen zóó een gewenschte gelegenheid om invloed te oefenen. Dadelijk begaven de staten van Holland en Zeeland zich dus naar Gent om met die van Vlaanderen en andere gewesten van \'t Zuiden een vergadering te houden. Middelerwijl hield men Maria binnen de stad ten einde allen invloed der Fransche raadslieden verre van haar te houden. Het gevolg van de beraadslagingen der staten was het groot-privilegie, dat Holland en Zeeland bedongen, aleer zij zich tot eenige opoffering ten behoeve van Maria verplichtten. De hoofdpunten van dit stuk zijn: de gravin zal geen huwelijk aangaan zonder toestemming van de staten der provinciën; alleen ingezetenen des lands zullen ambten bekleeden; de zetel van de rekenkamer (zie blz. 44) zal, voorzoover Holland en Zeeland betreft, in Holland zijn; het hof van Holland zal niet ter eerste instantie uitspraak doen in zaken, waarvan andere rechtbanken bevoegd zijn kennis te nemen; het „jus de non evocandoquot; wordt hermeuv/d; de staten kunnen, zoo dikwijls en waar zij willen, onder elkander en met de vertegenwoordigers der andere gewesten bijeenkomen; geen nieuwe tollen zullen worden geheven ; tot het voeren van alle oorlogen , verwerende en aanvallende, wordt de toestemming der staten vereischt; in alle openbare stukken moet de Nederlandsche taal worden gebruikt; geen geld mag gemunt of de waarde veranderd worden zonder goedvinden der staten; geen stad behoeft bij te dragen tot beden, waartoe zij haar stem heeft geweigerd.

Soortgelijke handvesten als het groot-privilegie werden ook aan andere gewesten, inzonderheid aan Vlaanderen, toegestaan. Voor een poos kwam men tot rust. Maar onder Maria\'s raadslieden waren er.

-ocr page 55-

47

die de zaak van Frankrijk waren toegedaan. Dit kwam uit bij gelegenheid dat Maria een gezantschap naar Lodewijk XI zond om te beproeven een redelijken vrede te verwerven. In afwachting van een nader aan te gaan verdrag beloofden Hugonet en Humbercourt, leden van \'t gezantschap, in \'t geheim den koning van Frankrijk het huwelijk van Maria met zijn zoon te nullen bevorderen. Ook werd op hun bijzonderen last de stad Atrecht aan Lodewijk overgegeven. Groot was de woede van \'t volk te Gent bij de terugkomst der gezanten. Hugonet en Humbercourt werden in 1477 voor een rechtbank van schepenen en edelen gedaagd en moesten voor hun heulen met den vijand des lands en het schenden der privilegiën ten tijde van Karei den stoute, dat hun insgelijks te laste werd gelegd, met hun hoofd boeten.

Vele waren de personen, die naar Maria\'s hand dongen: Adolf, een zoon van Arnold, hertog van Gelderland; de dauphin Karei en M a x 1-miliaan, een zoon van Frederik III, koning van Duitschland. De laatste, van wiens huwelijk met Kareis dochter reeds sprake was geweest bij de bijeenkomst te Trier, werd in 1477 Maria\'s echtgenoot. Terstond trad hij tegen Lodewijk XI in het strijdperk en sloot, na de zege bij Guinegate (ten z.o. van Calais) in 1479, ^en vrede van Atrecht in 1482, waarbij Auxerre, Bar en Macon weder aan Frankrijk kwamen. Deze vrede herstelde Maria intusschen niet in \'t bezit harer landen. Eerst bij den vrede van Sen lis (ten n. van Parijs) in 1493 gaf de koning van Frankrijk Franche-Comté en Artois, op eenige steden na, terug. Maximiliaan, zich gedurende den strijd tegen Frankrijk van den bijstand zijner onderdanen willende verzekeren, sloot zich nauw bij de Kabeljauwschen aan. Te Hoorn, Leiden, Dordrecht en in andere steden plaatste hij de lieden dezer partij op het kussen. Hij ontzag zich niet vreemde krijgsbenden in Holland te brengen en het groot-privilegie te schenden. Zoowel dit als de weder uitgebarsten burgeroorlog deed in vele plaatsen onlusten ontstaan, die nog erger werden, toen Maria in 1482 overleed en Maximiliaan als voogd optrad voor zijn minderjarigen zoon Philips II of den schoone. Behalve Philips liet Maria haren gemaal nog een dochter na, geheeten Margareta.

§ 7-

Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijkse/ie huis.

De tijd van \'t regentschap was zeer onstuimig en baarde Maximiliaan vele zorgen. Dadelijk na den dood van Maria namen de Vlamingen een vijandelijke houding tegen hem aan. Zij weigerden hem zijn beide kinderen , die te Gent waren, uit te leveren en betwistten hem het regentschap. In naam van den jongen Philips aanvaardden nu eenige edelen het bewind over Vlaanderen. Eerst in 14S5 gelukte het Maximiliaan zich ook als regent van Vlaanderen te doen erkennen. Doch een paar jaren later, in

-ocr page 56-

48

1488, stonden de bewoners van Gent en Brugge op nieuw op, toen de regent niet wilde voldoen aan den eisch der twee-en-vijftig gilden van Brugge om rekenschap te geven van de opgebrachte gelden. Maximiliaan zelf, op dat tijdstip te Brugge vertoevende, werd met vele heeren van zijn gevolg gevangen genomen en eerst in een klein kruideniershuis, met traliën voorzien, aan de markt, later in een ander in hechtenis gehouden en floor gewapende burgers bewaakt. Sommige dier heeren werden gepijnigd , andere gedood. Eerst na vier maanden, toen Maximiliaans vader een leger tot ontzet deed aanrukken en paus Innocentius VIII met den ban dreigde, kwam er een verdrag tot stand. Maximiliaan zag bij deze overeenkomst, gedurende Philips\' minderjarigheid, van het bewind over Vlaanderen af en beloofde het vreemde krijgsvolk, dat hij in dienst had, binnen drie dagen uit Vlaanderen en binnen een week uit al de Nederlanden te zullen verwijderen. Eenige zijner dienaren, o. a. Philips van Kleef, bleven als gijzelaars te Gent en te Brugge achter. Van hun kant gaven de Vlamingen Maximiliaan tot schadeloosstelling een ruime geldsom , terwijl het kruideniershuis kort daarna werd geslecht om plaats te maken voor een kapel. Het verdrag werd door beide partijen bezworen. Nauwelijks was Maximiliaan in vrijheid, of hij begaf zich naar het leger zijns vaders, die hem te Mechelen plechtig van den eed ontsloeg. Philips van Kleef was zoo verontwaardigd over deze trouwelooze daad van den regent, dat hij zich aan \'t hoofd der stad Gent stelde, toen de keizer ze kwam belegeren en hem dwong onverrichter zake af te trekken. Eerst een paar jaren later kwam er aan weerszijden vredelievender gezindheid.

Andere moeielijkheden wachtten Maximiliaan in Holland. De gunsten, door hem aan de Kabeljauwschen bewezen, riepen de partijschappen weder in \'t leven. Onder de veelvuldige voorvallen van den vernieuwden strijd blijft bovenal de belegering van den toren te Barneveld (op de Veluwe) in 1482 in aller herinnering leven, niet zoozeer uit hoofde van het gewicht der zaak zelve, als wel om de wreedheid der Hoek-schen en de zelfopoffering van den held van \'t verhaal. Jan van Schaffelaar, het hoofd eener ruiterbende van den bisschop, David van Bourgondië, die de zaak der Kabeljauwschen was toegedaan.

Kort na het verdrag, met Vlaanderen gesloten, stelde zich Frans van Bred erode aan \'t hoofd der Hoekschen, weshalve men dit gedeelte van den langen burgerkrijg //en Jonker-Fransen-oor log noemt. Een andere aanvoerder der Hoekschen was Jan van Naaldwijk (in\'t Westland, ten z.w. van den Haag). Eerst nestelde Frans zich te Sluis, verraste vervolgens Rotterdam, maar verloor in 1490 een zeeslag bij Brouwershaven en bezweek kort daarna aan de wonden, in dien slag bekomen. Toen week Jan van Naaldwijk weder naar Sluis en zette vandaar den strijd voort, dien hij nog een poos kon rekken doordien in 1491 in Noord-Holland onder de West-Friezen, de Kennemers en de Waterlanders een opstand uitbarstte. De aanleiding hiertoe leverde de druk der belastingen. Maximiliaan vorderde tot het onderhoud zijner vreemde krijgsknechten ruiter-

-ocr page 57-

49

en haardstecgelden. Hun ruitergeld werd elke maand geheven en daarom ook wel maandgeld genoemd. Het haardstêegeld werd in \'t vervolg ook schoorsteengeld genoemd. Bij deze belastingen kwam de duurte der tijden, uit verschillende oorzaken voortspruitende, alsmede de mindere waarde van het geld. Want Maximiliaan had in 1489, tegen een artikel van \'t groot-privilegie, die waarde eensklaps een derde verlaagd. Allen, die in de onmogelijkheid verkeerden de schattingen op te brengen, kwamen te Alkmaar en elders tezamen en rustten zich ten strijde toe. Zij voerden een kaas en een brood in hun vaandel en werden deswege kaas- en broodvolk genoemd, hetzij omdat zij slechts voor \'t behoud dezer levensmiddelen streden, of omdat kaas en rogge in Noord-Holland de voornaamste voortbrengselen en voorwerpen waren van den handel. Zij waren echter evenmin als de Hoekschen in staat lang het hoofd te bieden aan Maximiliaan, die Albrecht, regeerend hertog van Saksen-Meiszen, op beiden afzond. Dus eindigde èn het kaas- en broodspel, èn de strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen in 1492. De zege viel de laatstgenoemde partij ten deel. Vele van Noord-Hollands steden, als Haarlem, Alkmaar, Hoorn, enz. moesten al haar privilegiën zien vernietigen, die zij eerst later, Haarlem zeer laat, n.1. ten tijde van Karei V, terugkregen.

Van Maximiliaans gewichtigste regeeringsmaatregelen behoort nog één te worden vermeld. In 1487 maakte hij een begin met de regeling van de zaken, rakende het zeewezen, door te bepalen dat aan \'t hoofd hiervan een admiraal (een woord, afkomstig van de Mooren in Spanje, afgeleid van emir en „vorst der zeequot; beteekenende) zou staan en dat zonder de vergunning van dien admiraal geen oorlogschepen mochten worden uitgerust.

In 1493 werd Maximiliaan koning van Duitschland. In \'t volgende jaar aanvaardde Philips n, de schoone (1494—1506) —aldus om zijn lichamelijke schoonheid geheeten — het hertogelijk, grafelijk en heerlijk bewind over de verschillende Zuid- en Noord-Nederlandsche staten. Zijn eerste daad als vorst dier landen was gericht tegen het groot-privilegie. Bij zijn inhuldiging door de staten van Holland te Geertruidenberg en door die van Zeeland te Riemerswaal verklaarde Philips de privilegiën, geschonken na den dood van Karei den stoute, niet te erkennen en bij gevolg niet te kunnen bezweren. Deze verklaring doelde vooral op het groot-privilegie, dat Philips als door den drang der omstandigheden afgeperst beschouwde. Daar de staten zich geenszins tegen deze verklaring verzetteden, werd het groot-privilegie, met goedvinden der staten zeiven, op even verrassende wijze vernietigd, als het door hun wil zijn aanzijn had gekregen. Wellicht zagen zij het ondoelmatige in van enkele artikels, b.v. van dat, hetwelk hun vergunde tijd en plaats hunner dagvaarten te bepalen. In 1496 trouwde Philips met Johanna, de tweede dochter van Ferdinand II den katholieke, koning van Arragon, en Isabella, koningin van Castilie. Van Philips\' bewind in de Nederlanden is weinig aan te voeren. Alleen

Wijnne, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 4

-ocr page 58-

50

nog dit. In 1503 herstelde hij den hoogen raad te Mechelen, zooals hij van nu af heet (zie blz 40, 44), waarin ongeveer twintig leden zitting kregen en waarop de Noordelijke staten zich konden beroepen, terwijl hij er tevens een te Brussel oprichtte, geheime raad genoemd, die met de daar gevestigde rekenkamer samensmolt.

De dood van den oudsten zoon en van de oudste dochter van Ferdinand en Isabella opende Philips het uitzicht op de Spaansche kroon. Daarom begaf hij zich in 1501 met zijn gemalin naar Spanje en vertoefde er een tijdlang. Daar werd toen reeds de grond gelegd tot de vijandelijke stemming, die later tusschen de Nederlanders en de Spanjaarden heerschte. Hoofdzakelijk ontsproot zij uit de weigering van Philips om voortdurend in Spanje zijn verblijf te houden en om de goede verstandhouding te verbreken, die er bestond tusschen hem en Lodewijk XII, koning van Frankrijk. Ook met den aard der Spanjaarden was het karakter van Philips en zijn gevolg geheel in strijd. Nog veel erger werd de wederzijdsche afkeer der beide natiën gedurende Philips\' tweede verblijf in Spanje in 1506. Hij ging er heen, omdat Isabella in 1504 was overleden en de krankzinnigheid zijner gemalin haar belette de kroon van Castilië te dragen. Weldra aanvaardde hij {A/gem. Geschied., III, 7de druk, blz. 27) het bewind over dit rijk; maar nog in \'t zelfde jaar, 1506, stierf hij plotseling. Dien dood schreven de Nederlandsche raadslieden en hovelingen van Philips — zooals men tot dusver heeft gemeend, zonder grond — aan vergif toe. Van hun kant verweten de Spanjaarden aan die Nederlanders geenszins ten onrechte hun hoogmoed en hun verkwisten van \'s lands penningen.

Alzoo moest Maximiliaan voor de tweede maal het regentschap over de Nederlandsche staten op zich nemen. Hij benoemde in 1507 zijn dochter Margareta, weduwe van Philibert, hertog van Savoye, tot landvoogdes. Hij, voor wien Maximiliaan de teugels van \'t bewind in handen nam, was de zoon van Philips en Johanna, Karei, in 1500 te Gent geboren. De opvoeding van dien jeugdigen vorst werd toevertrouwd aan Adriaan Floriszoon, een geestelijke, te Utrecht geboren, tevens hoogleeraar te Leuven, die in 1521, als Adriaan VI, paus werd.

In 1515 aanvaardde Karei, die in Duitschland de vijfde, in Spanje de eerste, in Holland en elders de tweede, enz. vorst van dien naam is en steeds Karel v wordt genoemd, het bewind over de Nederlandsche staten. Weldra zag hij het aantal der landen, waarover hij den schepter voerde, toenemen. In 1516 volgde hij zijn grootvader Ferdinand in Arragon op en werd aldus koning van geheel Spanje. In 1519 werd hij koning van Duitschland. Wat de Nederlanden betreft, in 1515 verkocht George van Saksen, een zoon van Albrecht (zie blz. 49), hem zijn rechten op Friesland voor 350,000 gl., terwijl de Friezen zeiven hem in 1524 als heer erkenden. In 1528 stond de bisschop van Utrecht, Hendrik van Beieren, hem de temporaliteit, d. i. de wereldlijke macht, af over Utrecht en Overijsel. In 1536 erkende Groningen Karei als heer des

-ocr page 59-

51

lands en stond Karei van Gelder hem de heerschappij over Drente af. De laatste der Nederlandsche staten, waarmede dit voorbeeld werd gevolgd, was Gelderland, dat Willem van Gulik en Kleef, een neef en opvolger van Karei van Gelder, door wapengeweld gedwongen , in 1543 aan Karei V moest afstaan. Zóó werd eerst Karei heer van de zeventien gewesten. Het waren vier hertogdommen: Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelder; zeven graafschappen: Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen en Zutfen; het markgraafschap Antwerpen; vijf heerlijkheden: Friesland, Mechelen, Utrecht, Overijsel, Groningen met de Ommelanden.

§ 8.

Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen.

Thans moet ten opzichte van Gelderland, Utrecht en de overige gewesten eenigszins in bijzonderheden worden aangetoond wat boven (blz. 14 vlg.) in algemeene trekken is vermeld. Met de samensmelting van verschillende kleine heerschappijen tot -één samenhangend geheel ging het ook hier langzaam. In 1248 kreeg graaf Otto II van den Roomsch-koning Willem H voor de sommen, hem voorgeschoten, de stad Nijmegen met een deel harer ommelanden in pandschap. Het gebied dier stad komt voor onder den naam „rijk van Nijmegen.quot; Voor dien naam kan geen andere grond worden aangevoerd, dan dat deze stad voorheen, toen zij nog een vrije rijksstad was, over dat gebied het bewind had, gelijk dit in Duitschland het geval was met elke rijksstad in betrekking tot haar ommelanden en er gesproken werd b. v. van „het rijk van Aken.quot; Van ouds had Nijmegen tevens een keizerlijk of koninklijk paleis en was. de zetel van een burggraaf. In den tijd van den zoo eveji genoemden Otto II bezat de graaf van Gelder bovendien reeds, behalve Gelre en Zutfen, Montfort (ten z.o. van Roermond), Roermond, Venlo, Goch (ten z.o. van Kleef) en andere streken bij de Maas en den Rijn; verder Lochem, Zevenaar, deelen van den Tieler- en Bommelerwaard, benevens de Betuwe en de Veluwe, althans grootendeels. De Veluwe had hij in achterleen van den hertog van Brabant, die ze weer in leen had van den bisschop van Utrecht. Maar in 1311 beleende de bisschop graaf Rein al D 1 van Gelder onmiddellijk met die landstreek. Verder verwierf de graaf in 1400 het land van Kuik met Grave. Buiten de genoemde streken trok hij allengs verschillende alodiën van edelen aan zich, om ze als leenen weder te geven, b. v. Buren (ten n.w. van Tiel) in 1298, Middagten (nabij Arnhem) in 1315, Kuilenburg in 1339.

De macht van den graaf van Gelder groeide, gelijk die van den graaf van Holland, met de jaren aan: de afhankelijkheid van den keizer werd steeds minder. Had de graaf zich reeds in de 13de eeuw eenige rechten der kroon toegeëigend, het volle gezag als landsheer verwierf

4*

-ocr page 60-

hij in al zijn uitgestrektheid in 1339. Toen immers benoemde Lodewijk van Beieren Reinald ii of den zwarte (zie blz. 13) tot hertog, destijds een zeldzame verheffing. Insgelijks nam de macht des graven tegenover de edelen voortdurend toe. Van onafhankelijke en met hem gelijkstaande edelen werden zij langzamerhand zijn leenmannen, traden in zijn dienst en stonden hem bij het beheer des lands ter zijde. Later moesten zij een gelijke mate rechten, als zij genoten, zien toekennen aan de steden, sinds die steden als gemeenten optraden. De opkomst dier gemeenten dagteekent inzonderheid van den tijd van Reinald i, met name die van Arnhem, Wageningen, Harderwijk, Doesburg, Zutfen, Elburg, Zalt-Bommel en andere. Reeds in de 14de eeuw bekrachtigden zij door haar onderteekening \'s graven schriftelijke verbintenissen. Doch invloed op den gang der zaken, in den eigenlijken zin, oefenden zij, vereenigd met de edelen, eerst sedert 1418, toen zij met hen een verbond sloten ten einde bij \'s lands hachelijken toestand maatregelen van voorziening te nemen. Van nu aan waren ridderschap en steden tot één lichaam van landsstenden — de naam staten kwam eerst in 1477 in zwang —• samengegroeid. Op eigen gezag hielden zij bijeenkomsten; zij waren bevoegd van de beschikkingen van den hertog kennis te nemen en konden zelfs de uitvoering beletten. Dit recht der landsstenden werd in \'t vervolg door andere dergelijke verbintenissen, als die van 1418, bevestigd. Zóó verwierven en behielden dus de staten van Gelderland een voorrecht, dat elders de landsheer zich placht voor te behouden. Inzonderheid woog de stem der hoofdsteden zwaar.

Dit waren Nijmegen, Roermond, Zutfen en Arnhem, hoofdsteden der vier eveneens genoemde kwartieren, waarin Gelderland was verdeeld. Ieder kwartier had zijn bijzonderen landdag en werd in vele opzichten als een af/.onderlijke staat aangemerkt. Maar een enkele maal werd er een vergadering van de staten der vier kwartieren gehouden. Die staten werden vertegenwoordigd door de barmerheeren, de ridderschap of edelen en de steden, welke drie leden elk één stem hadden. De bannerheeren, die alle in het graafschap Zutfen woonden, droegen dien naam, dewijl zij of hun voorvaderen van den keizer het recht hadden verworven onder hun eigen banier te dienen. Zij waren oorspronkelijk landsheeren, alleen in betrekking staande tot den keizer. Ten njde van Karei V waren zij ten getale van vier: die van Bronkhorst (tusschen Zutfen en Doesburg), \'s Heerenberg (ten n. van Emmerik), Baar (nabij den IJsel, ten z.w. van Doesburg) en Wisch, zóó geheeten naar het geslacht van dien naam. dat zijn stamslot had te ter Borg (ten z.o. van Doetichem). Deze bannerheeren maakten het eerste lid der staten uit.

De stamhuizen, die over Gelderland het bewind hebben gevoerd, zijn Gelder, Gulik en Egmond. Onder de graven van het eerste huis is Otto 11 met den paardenvoet een der merkwaardigste, die de keizerskroon, hem aangeboden door paus Innocentius IV, van de hand wees en aan wien een aantal steden haar opkomst of haar eerste keu-

-ocr page 61-

53

ren hadden te danken. Zijn opvolger was in 1271 zijn zoon Reinald of Reinoud i, die na den dood van zijn schoonvader Walram III, hertog van Limburg, op dit land aanspraak maakte. Maar tegen hem trad Jan I, hertog van Brabant, op, aan wien Adolf van Berg, een neef van Walram, zijn rechten had afgestaan. De slag bij Weeringen in 1288 (zie blz. 37) besliste ten gunste van Jan I. Gedurende zijn laatste levensjaren leed Reinald I aan vlagen van krankzinnigheid, weshalve zijn zoon Reinald ii de zwarte, onder den naam „zoon des graven van Gelder,quot; het bewind voerde. Sedert het jaar van den dood zijns vaders, 1326, regeerde hij als graaf tot 1339, toen hij de hertogelijke waardigheid verwierf. Na zijn dood in 1343 volgde zijn oudste zoon Reinald iii hem op, eerst onder regentschap zijner moeder Eleonora. Weldra meerderjarig verklaard, geraakte Reinald in geschil met zijn jongeren broeder Eduard, die een deel eischte van de goederen, door hun vader nagelaten. Te dier tijde bestond er tevens vijandschap tnsschen twee machtige geslachten, dat van Bronkhorst en dat van de Eese of van Hekeren. De heeren van het laatstgenoemde geslacht, leenmannen van den hertog, droegen hun naam naar de ridderhofstede de Eese (bij de Berkel, ten w. van Lochem) of naar een andere aanzienlijke bezitting, wellicht naar Heker (nabij Doesburg gelegen).

De geschillen tusschen deze beide huizen ontaardden allengs in partijschappen, die der Heker ens en Bronkhorsten, waarin ook de steden deelden, vooral sedert Reinald de zijde der eerste koos, waarop de Bronkhorsten zich bij Eduard aansloten. De strijd werd met wisselende kans gevoerd tot 1361, toen Eduard den slag bij Tiel won en zijn broeder gevangen nam. Nu erkende Eduard hem niet langer als hertog, maar eischte die waardigheid voor zich. Reinald, aan die vordering voldoende, deed afstand van zijn titel en rechten ten behoeve van Eduard. Tien jaren lang regeerde Eduard als hertog. Toen werd Reinald III, daar zijn broeder niet gehuwd was geweest, weder op den hertogelijken zetel geplaatst. Bij zijn langdurige gevangenschap, in de laatste jaren op het huis Nijenbeek (tusschen Deventer en Zutfen, ten o. van Apeldoorn), werd hij, naar de overlevering luidt, zoo dik, dat hij zonder slot of grendel kon worden bewaard en men bij zijn bevrijding den muur van zijn vertrek moest doorbreken om hem er uit te krijgen. Het is licht te begrijpen, dat een dergelijk lichaam, aan alle beweging ontwend, tot zeldzamen omvang uitgedijd en met bovenmatigen overvloed van sappen bezwaard, nu niet bestand was tegen de veranderde levenswijze, welke de plotselinge omkeering in \'s hertogen lot medebracht. Ook hij stierf nog in \'t zelfde jaar kinderloos.

Bij het uitsterven van het huis van Gelder herleefden de partijschappen. Twee dochters van Reinald II hadden de naaste aanspraken op het hertogdom. Van deze was Mechteld de oudste, die in 1372 een derde huwelijk sloot met Jan van ChAtillon, graaf van Blois en door zijn moeder, een dochter van Jan van Beaumont, heer van Gouda en Schoon-

-ocr page 62-

54

hoven (zie blz. 28, 31). De andere heette Maria en was getrouwd met Wilem II, hertog van Gulik, uit welk huwelijk een zoon was gesproten, mede Willem genoemd en op dat tijdstip nog minderjarig. Hoewel Gelderland geen spilleleen was, konden de beide dochters, de eene in haar eigen belang, de andere in dat van haren spruit, zich zoowel op het voorbeeld van naburige staten beroepen, als op een besluit van Adolf van Nassau {Algem. Geschied., II, 7de druk, blz 142) en andere keizers, waarbij de bevoegdheid tot opvolging, bij gebreke van mannelijke nakomelingen, ook aan dochters werd toegekend. De Bronkhorsten verklaarden zich voor den zoon van den hertog van Gulik, de Hekerens voor de tegenpartij. Karei IV erkende Willem in 1372 als hertog, en zóó kwam het huis Gulik in \'t bezit der heerschappij. Evenwel duurde het nog tot 1379, eer de strijd met de Hekerens, die hem niet wilden erkennen, een einde nam en Mechteld voor een zeker jaargeld van haar aanspraken afzag. Ruim dertig jaren lang hadden de binnenlandsche twisten het land geteisterd.

Willem i aanvaardde in 1377 het bewind en trouwde twee jaren daarna met Katharina, een dochter van Albrecht, ruwaard van Holland (zie blz 30). Hij breidde zijn gebied aanmerkelijk uit, o. a. met het land van Kuik (zie blz. 14 en 51). Sedert 1393 werd hij door den dood zijns vaders tevens hertog van Gulik. Voor \'t overige was zijn leven een aaneenschakeling van allerlei ridderlijke krijgstochten, vooral naar Lijfland en Pruisen, waar hij de Duitsche orde in haar kam)) tegen de heidenen bijstond. Hij stierf in 1402 en had zijn broeder Reinald vi tot opvolger, zoowel in Gulik als in Gelderland. Ook hij voerde menigen oorlog, 0. a. voor de heeren van Arkel tegen Willem VI, graaf van Holland. Evenals zijn broeder liet hij bij zijn dood in 1423 geen wettig kroost na.

Het vooruitzicht op dit kinderloos overlijden, gevoegd bij de uitputting des lands, gaf aanleiding tot de bijeenkomst der landsstenden in 1418, waarvan boven is gewaagd. Weldra erkenden zij in 1423 Arnold, een zusterskleinzoon van Reinold IV, uit hel huis Egmond (tusschen Alkmaar, Heilo, Castricum en de Noordzee) als hertog van Gelderland. Keizer Sigismund, hoewel daarin geen genoegen nemende en Adolf van Berg het hertogdom toewijzende, moest gedoogen, dat Arnold, na Adolf gewapenderhand te hebben bedwongen, het bewind aanvaardde. Nog niet lang had hij de teugels van \'t bestuur in handen, of zijn onderdanen brachten allerlei grieven tegen hem in. Meer dan één oorlog, door Arnold gevoerd, b.v. tegen Adolf van Berg, die ook hertog van Gulik was geworden, tegen Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht, putte het land zeer uit. Daarbij kwamen de zware kosten van Arnolds hofhouding en de belemmering van den handel. Reeds in 1436 was de oneenigheid tusschen den hertog en \'s lands stenden tot zulk een toppunt gestegen, dat er bijna aan geen verzoening viel te denken. En ofschoon de partijen later meer dan eens het geschil bijlegden, kreeg de ontevredenheid der staten telkens nieuw voedsel. Men verweet den hertog de krachteloosheid van zijn beheer

-ocr page 63-

55

en de zware schulden, waaronder hij steeds dieper gebukt ging. In 1459 stelde \'s hertogs zoon, Adolf, gesteund door Arnolds gemalin, Ka-tharina van Kleef, en door Philips den goede, zich aan \'t hoofd der misnoegden. Wel verzoenden zich vader en zoon eenigen tijd daarna; maar hoe oprecht dit toetreden van den kant van Adolf was gemeend, toonde hij in 1465. Te midden van den nacht, gedurende den feilen winter van dat jaar, liet hij zijn vader den gden Januari van het slot te Grave oplichten, naar Buren overbrengen en daar nauw bewaken. Terstond hierop matigde hij zich den titel en de rechten van hertog aan.

Niet lang duurde het, of Karei de stoute wierp zich als middelaar tusschen vader en zoon op. Hij daagde Adolf voor zich en deed Arnold in vrijheid stellen. Toen vervolgens de eerste aan zijn voorslagen tot bevrediging geen gehoor wilde geven, liet hij hem in 1471 in hechtenis nemen en eerst te Rijssel, later elders en eindelijk te Kortrijk gevangen zetten. Arnold keerde naar Gelderland terug en trachtte zich weer als hertog te doen gelden. Maar bij den tegenstand, dien hij alom ontmoette, en bij de weinige hulpmiddelen, waarover hij kon beschikken, zag hij zich genoodzaakt Gelder en Zutfen in 1471 voor een som van 300,000 gl. aan Karei den stoute te verpanden. Kort hierop stief hij in 1473.

De Gelderschen beschouwden deze verpanding van den beginne aan als onregelmatig en krachteloos. Arnold was nooit door den keizer als hertog erkend; hij had geen recht zijn zoon voor immer van het hertogdom te berooven; eens had hij ridderschap en steden gezworen geen deel van het land te zullen vervreemden. Daarom gaf die verpanding het sein tot een oorlog van de Gelderschen tegen het huis van Bourgondie en tegen dat van Oostenrijk, die, met korte tusschenpoozen, gedurende meer dan een halve eeuw werd gevoerd. Het begin van den oorlog was gunstig voor Karei. Het kon hem niet moeielijk vallen, bij de gevangenschap van Adolf, Jiet land gewapenderhand tot onderwerping te brengen. Zoo was hij dan reeds op \'t eind van 1473 meester van het hertogdom. Zwaar drukte de last der Bourgondische heerschappij op de Gelderschen. De stenden verloren het recht zichzelven ter dagvaart te beschrijven; de burgers mochten niet langer, gelijk weleer, hun eigen schepenen verkiezen. De vrijstelling van tol, vroeger aan de ingezetenen van de meeste steden verleend, werd ingetrokken. Groote geldsommen moesten als belasting worden opgebracht. Het privilegie „de non evocandoquot; verstrekte niemand meer ten waarborg dat hij niet voor den raad te Mechelen (zie blz. 40, 41, 44) kon worden gedaagd. In Gelderland zelf richtte de hertog een raad van justitie op, den voorlooper van het latere hof.

Zoo groot was de verandering, door de heerschappij van den Bourgondiër in Gelderlands staat van zaken te weeg gebracht. Doch in 1477 gaf ook aan dit land de val van Karei eenige verademing. Onder de eerste gevolgen van dien val behoorde mede dat de Vlamingen Adolf van Gelder uit den kerker ontsloegen om hem eerlang aan \'t hoofd van hun leger te plaatsen, dat de vorderingen der Fransche wapenen

-ocr page 64-

56

poogde te stuiten. Eer Adolf naar zijn hertogdom kon wederkeeren, sneuvelde hij in den strijd tegen de Franschen in 1477.

Adolfs jonge zoon, K a r e l , bevond zich op het tijdstip van zijns vaders dood aan het Bourgondische hof. Maximiliaan van Oostenrijk, de voetstappen drukkende van Karei den stoute, weigerde hem aan de Gelderschen terug te geven. Terwijl hijzelf zijn gezag in Gelderland meer en meer deed eerbiedigen, nam Karei van Gelder, tot jongeling opgegroeid, deel aan den oorlog, die, na den vrede te Atrecht, op nieuw was ontbrand tusschen Maximiliaan en de Franschen. Zoo viel hij in 1487 in den slag bij Bethune (ten n. van Atrecht), waar Maxi-miliaans leger werd geslagen, in handen der Franschen. Eerst in 1492 kochten de Gelderschen hem los en mochten hem aan hun hoofd zien ten einde den kamp tegen het Oostenrijksche huis te hervatten. De strijd, die hoe langer hoe meer in \'t voordeel der Oostenrijksche wapenen werd gevoerd, nam vooreerst een einde in 1505, toen er een bestand werd gesloten, waarbij Karei beloofde zijn tegenstander Philips den schoone te zullen volgen en de vraag over \'t bezit van Gelderland onbeslist bleef. Hierop vertrok Philips naar Spanje. Maar in plaats van hem ter zijde te blijven wist Karei, die hem tot Brussel was gevolgd, heimelijk te ontkomen en ontstak op nieuw de fakkel van den krijg. De fortuin was hem gunstig; met elk jaar zag hij den omvang van het herwonnen gebied toenemen, en in 1513 had hij schier zijn gansche hertogdom heroverd. Doch nieuwe moeielijkheden baarde hem de komst van \'t bewind van Karei V. Overal, waar deze vorst zijn heerschappij trachtte te vestigen, niet alleen in Gelderland, maar ook in Utrecht, Friesland, Groningen, Drente en Overijsel stiet hij op den hertog van Gelder (zie beneden blz. 59, 61). Karei van Gelder vond een krachtigen ste in in Maarten vanRossem (ten o. van Zalt-Bommel, nabij de Waal), een veldheer, die tot zinspreuk had; „branden en blaken is het sieraad van den oorlog.quot; Onder de schitterende krijgsdaden van van Rossem bekleedt de verrassing van den Haag in 1528 met slechts ongeveer 2000 man een eerste plaats. Niet dan na rijken buit behaald en van het vlek een zware brandschatting afgeperst te hebben nam Maarten den terugtocht aan.

Het was den veldheer geenszins te wijten, dat zijn stoute onderneming geen duurzame vrucht droeg. Evenmin, dat zijn heer meer en meer in \'t nauw werd gebracht door Karei V. Trapsgewijze moest de hertog van Gelder voor den keizer wijken. Tevergeefs wendde en keerde hij zich naar alle zijden, o.a. door in 1534 zijn landen aan Frans I, koning van Frankrijk, af te staan en ze van dezen vorst in leen terug te ontvangen. Zelfs verlangde hij, dat de staten dien koning, na zijn dood, als landsheer zouden aannemen, zonder hen evenwel hiertoe te kunnen bewegen. Dit mishaagde de staten van Gelderland, weshalve zij in 1538 Willem, een zoon van Jan III, hertog van Kleef, Gulik en Berg, als zijn toekom-stigen opvolger huldigden. Nog in \'t zelfde jaar stierf Karei van Egmond, de laatste wettige spruit uit dit huis, van verdriet. In \'t volgend jaar

-ocr page 65-

57

overleed Jan III, zoodat Willem toen ook hertog werd van Kleef, Gulik en Berg. Deze vermeerdering van macht kon hem echter Gelderland niet doen behouden. In 1543 stond hij het, door de wapens gedwongen, aan Karei V af. Maarten van Rossem trad thans in \'s keizers dienst, en Réné van ChAlons, prins van Oranje^ werd stadhouder van Gelderland, welke naam juist nu, sedert 1545, in gebruik kwam om het geheele gebied van den hertog aan te duiden. Deze Réné was de oudste zoon van Hendrik van Nassau, baron van Breda en heer van Diest, Kareis stadhouder van Holland en Zeeland.

§ 9-

Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Over ij se l, Drente, Friesland en Groningen gedurende de Middeleeuwen.

De vroomheid der vorsten en heeren, die zich in de Middeleeuwen niet zelden openbaarde in \'t schenken van goederen of gronden aan kerken, kloosters, abdijen, enz., kwam vooral, gelijk boven (blz. 13, 14) is opgemerkt, te goede aan het bisdom Utrecht. Langzamerhand groeide de omvang van het sticht en daarmede de wereldlijke macht van den bisschop aan. Tot hen, aan wie Utrecht die uitzetting zijner grenzen en het hoofd der kerk in de Nederlanden de vergrooting zijner macht was verschuldigd, behoort Balderik, die in 917 bisschop werd. Hem was de opleiding van Otto I, den zoon van keizer Hendrik den vredestichter, toevertrouwd geweest. Hij verwierf o.a. van Otto al het land tusschen de Lek en de Zuiderzee, benevens het recht om munt te slaan. Hierbij kwamen (zie boven blz. 13, 14) Drente, Groningen met het Goorecht, Vollen-hove en Deventer met het omliggend land, Sallant, Goor en Enschedé.

De wereldlijke macht des bisschops werd zeer beperkt door de kanunniken der vijf kapittels, van welke boven (zie blz. 13) is gesproken. Elk\' der vijf kapittels had zijn deken, die in de vergaderingen voorzat, en andere ambtenaren, van welke de proost [praefositus), d.i. die aan \'t hoofd staat, de voornaamste was. Zonder de toestemming der kanunniken mocht de bisschop geen gebied van \'t Sticht vervreemden, noch oorlog voeren of vrede sluiten, gelijk hij ook in het kerkelijke aan hun gevoelen gebonden was. Sedert hij in zijn oorlogen hoe langer hoe meer den bijstand der edelen en steden behoefde, begonnen ook deze standen invloed op \'s lands regeering te krijgen. Inzonderheid was dit het geval sedert 1375, toen bisschop Arnold van hoorne een open brief uitvaardigde, waarin hij aan die lichamen zekere rechten afstond. Zóó werd de grond gelegd tot de vergadering der staten van Utrecht, die sinds het laatst der xsde eeuw werd beschreven. Het eerste lid dier staten waren de geè\'ligeerden, d.i. zij, die uit de vijf kapittels werden gekozen; het tweede de edelen, die ridderhofsteden bezaten; het derde de stad Utrecht, en wellicht mede de kleinere steden Amersfoort,

-ocr page 66-

58

Rhenen, Wijk bij Duurstede en Montfoort. Wat in Holland de advocaat van den lande was hier de secretaris van het domkapittel, die, als secretaris der gansche geestelijkheid, dit ook van de staten was.

De naam Overijsel kwam eerst in de laatste helft der 15de eeuw op. Vóór dien tijd werd het niet als één staat aangemerkt, maar als een aantal van elkander onafhankelijke heerlijkheden. Sedert Karei V onderscheidt men drie kwartieren: Twente, Sallant (eigenlijk Salahon of Salon, d. i. wilgenstreek), Vollenhoven. Op blz. 18 is er op gewezen, dat de macht van den bisschop hier reeds vroeg, immers sedert de 14de eeuw, werd beperkt door den landdag, d. i. door de ridders en de groote steden, Deventer, Kampen en Zwol. De eigenlijke naam van dien landdag, waarop van tijd tot tijd ook sommige van de kleinere steden verschenen, was klaring (afgeleid van klaren, d. i. verklaren, vonnissen). De drost van Sallant was voorzitter.

In Drente oefende de kastelein (kasteelman) of burggraaf van Koc-vorden, in naam van den bisschop, het oppergezag. Hetgeen elders dagvaart of vergadering der staten werd genoemd heette hier de landdag. Op dien landdag verschenen de ridders, die elk een der achttien havezaten (kasteelen) moesten bezitten, en de eigenerfden, d. i. de eigenaren van die vaste goederen, waaraan het recht van stemming was verbonden. De ridderschap bracht één stem uit, de eigenerfden twee.

Groot was de macht, die de bisschop hier te lande in de Middeleeuwen bezat. Waar hij zich met het kruis vertoonde viel ieder hem te voet. Zwaaide hij de knots, dan sloeg hij dood wien het hem behaagde, zonder iemands tegenweer. Hij had de geestelijke rechtspraak en kon boetedoeningen van vernederenden aard opleggen, ook om oorlogen of andere wereldsche redenen. Daarbij kwam de roem van Utrechts kapittelscholen en geleerden, die de stad tot het Rome der Nederlanden maakte. De streek lands, waarover de bisschop wereldlijk gezag had, was veel grooter dan het graafschap Holland of Gelderland. Met den keizer stond hij veelal in nauwe betrekking. Maar dewijl het bisdom gelegen was tusschen Holland en Gelderland (zie ook boven blz. 19), was de bisschop onophoudelijk in geschillen gewikkeld met een dezer staten. Sedert 1122 (zie blz. 13) kreeg de graaf van Holland een aanmerk elijken invloed op de verkiezing van den bisschop, doch moest dien invloed ook dikwerf deelen met den graaf van Gelder. Naarmate intus-schen Hollands invloed veld won, nam in het bisdom ook het getal toe van hen, die zich tegen dien invloed aankantten. Zóó ontstonden in het laatst der 13de eeuw de partijen der Lichtenbergers (naar het slot Lichtenberg, nabij Woudenberg, ten z. van Amersfoort) en Lokhorsten (naar het slot Lokhorst bij Leusden, ten z. van Amersfoort). De eerste was de Hollandsgezinde en droeg haren naam naar het geslacht van den toenmaligen burgemeester van Utrecht, Jan van Lichtenberg; de laatste had den domdeken Herman van Lokhorst aan \'t hoofd.

Een eigenlijke geschiedenis van Utrecht, Overijsel en Drente gedu-

-ocr page 67-

59

rende de Middeleeuwen is, tenzij men in allerlei bijzonderheden kan treden, niet wel te leveren. Zij is een aaneenschakeling van kleine oorlogen en binnenlandsche woelingen. Tot de bisschoppen, die zich in een of ander opzicht hebben onderscheiden en van de meerderheid van welke ter loops reeds het een en ander is opgeteekend, benooren, behalve Balderik, Adelbold (zie blz. 14 en 19), die in 1027 overleed; Bernulf (zie blz. 13), die in 1054 befeweek; Willem (zie blz. 19), die in 1076 stierf; Herbert (zie blz. 19), die in 1150 dit leven verliet, en Jan van arkel, die den invloed van Holland trachtte te weren en in 1364 bisschop van Luik werd. Het zij genoeg de aandacht te vestigen op de wijze, waarop de drie gewesten deelen zijn geworden van het groote gebied van Karei V. Ten tijde van David van Bour-gondié (zie blz. 38), die uit hoofde van zijn heerschzucht met de stad Utrecht in geschil was, maakte Maximiliaan van de gelegenheid gebruik om zich in 1483 als wereldlijk voogd der stad Utrecht te doen erkennen. Door toedoen van \'t Oostenrijksche huis werd Philips van Bour-gondiE, een andere natuurlijke zoon van Philips den goede, in 1517 bisschop. Hij moest echter toezien dat Karei, hertog van Gelder, die de stad Utrecht in 1511 met troepen had bezet, er naast hem gold. In 1524 stiert hij. De bisschop, die na hem kwam, Hendrik van beieren, stond in 1528 de wereldlijke macht over Utrecht aan Karei V af. Een jaar later deed Hendrik van Beieren ook afstand van de geestelijke macht, en de kapittels benoemden een anderen bisschop.

Reeds sedert het begin derzelfde eeuw had Karei van Egmond den bisschop insgelijks in Overijsel bestookt en er vasten voet gezet. Drente nam hem in 1522 als landsheer aan. Daarentegen verloor hij weder Overijsel, welks staten, de onderdrukking der Gelderschen moede, in 1528 Karei V, nog eer bij Utrecht verwierf, als heer erkenden. De bisschop hechtte kort hierna, toen hij Utrecht afstond, zijn zegel aan de overdracht van het Oversticht. Schenck van Tauten burg, een van \'s keizers veldoversten en stadhouder van Friesland, werd tevens stadhouder van Overijsel. Eveneens ging het met Drente, waarvan Karei van Egmond in 1536 ten behoeve van Karei V afzag en waarover Schenck insgelijks als stadhouder werd aangesteld.

Boven (zie blz. 18) is den lezer medegedeeld, dat de koningen van Duitschland, veelal ter aflossing van opgenomen geld. Friesland nu eens aan den graaf van Holland, dan weder aan den bisschop van Utrecht of den hertog van Gelder schonken. Het getal voorbeelden van dergelijke schenkingen kon licht met meerdere worden aangevuld. Zoo mild was de keizer met ambten, die hem niets kostten, en met landen, waarover hij toch geen macht van eenige beteekenis kon oefenen. Maar de Friezen bekommerden zich, gelijk wij nu en dan gelegenheid hadden te bespeuren, weinig om dit weggeven van hun land. Moesten de West-Friezen zich aan Floris V onderwerpen, de overigen schikten zich slechts tijdelijk in dit lot en wierpen het juk van den graaf van

-ocr page 68-

60

Holland af, zoodra hij met het meerendeel zijner troepen uit hun land was geweken. Liever vocht de Fries als een wild dier en liet er het leven bij, eer hij aan wien ook, buiten den keizer, eenig recht op zijn land toekende. Voortdurend scherpte hij zijn wapenen en oefende zich om den vijand, wanneer hij landde, af te weren. Vooral in dergelijke gevaarlijke tijden stelde het volk, wellicht onder den naam potestaat (d.i. machthebber), één of een paar mannen aan zijn hoofd ten einde de zoo noodige eenheid te handhaven en des te beter tegen den vijand opgewassen te zijn. Geheel zeker is het intusschen niet dat die aanvoerders of hoofdmannen den naam „potestaatquot; droegen. Het is evenzeer mogelijk, dat de Friezen zei ven hen in de Middeleeuwen geenszins zóó noemden, doch dat de titel hun, naar \'t voorbeeld der Noord-Italiaansche sleden sinds het einde der 12de eeuw, door latere schrijvers werd gegeven. In allen gevalle is het zeker dat er alleen op deze of dusdanige wijze in de geschiedenis van Friesland van „potestatenquot; melding kan worden gemaakt en dat er nooit potestaten zijn geweest, die gedurende de Middeleeuwen te gelijker tijd over alle streken, door de Friezen bewoond, het bewind hebben gevoerd. Meer dan tijdelijke bewindhebbers, hier en daar, b. v. in Westergo en Oostergo aangesteld, zijn zij niet geweest.

En is geen reden om de binnenlandsche geschiedenis van dit gewest, tot hetwelk de beschaving later doordrong dan tot de overige oorden van het vaderland, een plaats te doen besiaan in een beknopt werk over de geschiedenis der Nederlanden. Met een enkel woord kunnen slecht de geschillen der Schieringers en Vetkoopers worden herdacht, waaruit gedurende ongeveer twee eeuwen zoovele onheilen voortsproten. Zij namen tegen het einde der 13de eeuw een begin. Dc Vetkoopers (d.i. handelaars in vette waren) ontleenden , naar men wil, hun naam hieraan dat zij, de beste weilanden bezittende, den grootsten handel dreven in vette koeien, terwijl de Schieringers waarschijnlijk aldus werden genoemd uit hoofde van hun armoede en hun berooiden toestand, die zoo schril afstaken bij den rijkdom en de overdaad der Vetkoopers (van schier, d. i. naakt, kaal). De eersten woonden aanvankelijk grootendeels in Oostergo, te Groningen en in de Ommelanden, de laatsten in Westergo. Later was zoowel de eene als de andere partij over \'t gansche land verspreid. Dikwijls wenden de Schieringers zich om hulp tot Holland. Eindeloos waren hun verdeeldheden, en slechts dan, wannner er gevaar van buiten dreigde, stonden allen als één man pal tegenover den vijand.

Met de verwoestingen van den burgeroorlog paarden zich die van de overstroomingen. Het is schier ongelooflijk hoevele watervloeden in de Friesche gedenkschriften zijn geboekt. Van de 9de tot de 16de eeuw beloopt hun aantal over de twintig, ook wanneer men zich tot de ergste beperkt. Bij de overstrooming van 1 Nov. 1570, den allerheiligenvloed, verloren op zijn minst 100,000 menschen het leven.

Door zoo velerlei onheilen overmand, moesten ook de Friezen ten laatste voor vreemd geweld bukken. Maximiliaans krijgsoverste, Albrecht

-ocr page 69-

61

van Saksen-Meiszen (zie biz. 49), was in 1498 zijn schuldeischer voor groote geldsommen wegens achterstallige soldij van \'t krijgsvolk. Hij verpandde hem alzoo Friesland voor 300,000 gl. en bevestigde hem in het erfpotestaatschap over dat land, hem door de Schieringers aangeboden. Hij mocht dan zien, hoe hij het vermeesterde. Albrecht slaagde in die taak, en Friesland ontving bevelen uit Dresden. Albrecht stierf in 1500. Spoedig werden de Friezen zijn zonen, Hendrik en George, die elkander in \'t bestuur opvolgden, moede en riepen in 1509 Karei, hertog van Gelder, in het land. Daarom sloot George in 1515 een overeenkomst met Karei V, van wiens voorzaat zijn vader Friesland in pand had gekregen, waarbij hij hem dit land voor 350,000 gl. overgaf. Op zware kosten was het bezit van Friesland de Saksen te staan gekomen, weshalve de Friezen na hun vertrek plachten te zingen;

„Friesland mag wel Fresland heeten.quot;

„Het heeft Saksen en Meiszen opgegeten.quot;

Dus stond ook hier Karei V tegenover Karei van Egmond. Groote diensten bewees den hertog van Gelder de onversaagde Friesche zeeroover Groote Pier, die, sedert de Saksische krijgslieden, welke men, naar hun wapenrusting den zwarten hoop noemde, zijn huis te Kimswerd (ten z. van Harlingen) in de asch hadden gelegd, zonder mededoogen eiken buitenlandschen bestoker van zijn land in zee wierp om „hem de voeten te spoelen.quot; Eerst in 1524 kon Karei V zich „heer van Frieslandquot; noemen. Schenck van Tautenburg werd zijn stadhouder over dit land.

Groningen, waarvan de geschiedenis gedurende de Middeleeuwen om de reden, boven vermeld, slechts kan worden aangeroerd, was bestemd om in het lot van Friesland te deelen. Hoe langer hoe minder gold in dit gewest, als \'t verst verwijderd van den zetel van dit hoofd der kerk, het gezag van den bisschop van Utrecht. Eensdeels door den strijd daarover, anderdeels door dien met de Ommelanden en vermits de verdeeldheden der Schieringers en Vetkoopers ook hier haar werking deden gevoelen, verzwakte Groningens kracht. Dus kon Albrecht van Saksen-Meiszen, in 1499 door Maximiliaan tot heer van dit gewest benoemd, een poging wagen om het te vermeesteren. Hij noo-digde Edzard I, graaf van Oost Friesland, uit om hem bij te staan. Maar de Groningers sloten in 1506 een verdrag met Edzard, waarbij zij zich aan hem, niet aan den Saks onderwierpen. Edzard, door de Saksische benden in \'t nauw gebracht, zocht in 1513 hulp bij Karei, hertog van Gelder. De Groningers, begrijpende aan één heer genoeg te hebben, lieten zich in 1514 door Edzard van hun eed ontslaan en beloofden Karei van Egmond trouw. De Ommelanden deden hetzelfde in 1521. Maar ziende dat ook Karei van Egmond hen niet op voldoende wijze tegen Karei V kon beschermen en jaarlijks 30,000 gl. aan schatting moetende betalen, boden de Groningers den keizer in 1536 de opperheerschappij aan. Karei V nam het aanbod aan, en

-ocr page 70-

K2

Schenck van Tautenburg werd met het stadhouderschap bekleed.

Tusschen de landdagen in Friesland en die van andere gewesten bestond een groot verschil. De landsvergadering van Friesland berustte niet, gelijk elders, op een vertegenwoordiging van standen, maar van landschappen. Zij was samengesteld uit de afgevaardigden van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. De afgevaardigden waren gevolmachtigden der plattelandsgemeenten, door de eigenerfden gekozen. Hierbij kwamen de abten en andere geestelijken, eenige edelen, die voor hun eigen goederen optraden, benevens zij, die door de steden werden gezonden. Deze algemeene landdag besliste over \'s lands hoogste belangen, over vrede en oorlog, enz. Bij zware onlusten echter, gelijk Friesland er zoovele beleefde, verliepen er dikwijls jaren dat er geen algemeene landdag werd gehouden en dat er slechts afzonderlijke vergaderingen bijeenkwamen der vertegenwoordigers van het eene of andere gedeelte van Friesland.

Het bewind in Friesland werd geoefend door een of meer graven of heeren, die in den beginne door den keizer, later door het volk werden benoemd. Aan het hoofd der gemeenten stonden grietmannen, welke naam wordt afgeleid van een oud-Friesch werkwoord, dat „aanklagen, in rechten vervolgenquot; beteekent, alzoo den rechter aanduidt, die de overtreders der wet in rechten betrekt. De instelling der grietmannen, met andere woorden de verdeeling van Friesland in grietenijen dagteekent van ongeveer het midden der dertiende eeuw. Behalve op enkele tijdstippen, wanneer de graaf van Holland of de bisschop van Utrecht zich voor een oogenblik dit recht aanmatigde, benoemde het volk zelf, althans tot het tijdperk der Saksische heerschappij , zijn grietmannen.

De Ommelanden van Groningen bestonden uit drie kwartieren, Hun-singo, Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 14) is tot 1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest, welke o. a. een tijdlang in \'t bezit was van .Schenck van Tautenburg. Sedert 1594 merkten de Staten-Generaal zich aan als leenheeren van Westerwolde. De stad Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795, ongeveer zooals elders een ambachtsheer zijn heerlijkheid. De eigenerfden en volmachten uit de drie kwartieren stelden de vergadering der staten samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die, krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten land-dage verschenen. Indien in een gemeente dergelijke grondbezitters niet woonden, konden zij, die een zekere uitgestrektheid gronds in gebruik hadden, volmacht geven om in de vergadering de stem dier gemeente uit te brengen. Ieder kwartier had één stem. Hetgeen in Holland de raadpensionaris was waren hier, ten naaste bij, de beide syndici (rechtsverdedigers, gevolmachtigden), één van de stad en één van de Ommelanden, die evenwel niet voorzaten op den landdag. De zaken, waarover de vergadering besliste, waren dezelfde als elders.

-ocr page 71-

63

§ io.

De Nederlanden onder het bewind van Karei V.

Zóó waren de zeventien gewesten onder één heerschappi;, die van Karel v (1543—1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige bevolking. Vele zijn de goede hoedanigheden, die binnen-en buitenlandsche schrijvers aan de bewoners dezer landen toekennen. In den strijd tegen de natuur legden zij een groote mate van geduld en volharding aan den dag. Neiging tot een ernstig en stil leven was hun aangeboren. Niet licht lieten zij zich door den schijn misleiden. De goederen, die vlijt en aanhoudende werkzaamheid hun verschaften, zochten zij steeds met wijze spaarzaamheid te vermeerderen. Zooals zij afkeerig warén van verspilling, hielden zij maat in het nemen van uitspanningen. Eenvoudigheid, zedelijkheid, oprechtheid, goede trouw en eerlijkheid kenmerkten hen boven andere volkeren. Stipte nauwgezetheid in de vervulling hunner plichten was hun zoozeer tot tweede natuur, dat zij schuwden zich te bemoeien met hetgeen kon worden geacht niet tot hun kring te behooren. Ook aan moed en manhaftigheid ontbrak het hun niet, wanneer hun geduld ten einde en de maat volge-meten was. Ijverzuchtig op hun bezittingen en rechten, waren zij ras bereid tot aanval tegen hem, die hiernaar den vinger uitstak. Met die deugden gingen sommige ondeugden en gebreken gepaard, die er doorgaans aan verknocht zijn. De gehechtheid aan den bepaalden kring ontaardde niet zelden in bekrompenheid, de standvastigheid in onverzettelijkheid. De groote ingenomenheid met eigen stad of gewest belette dat de vaderlandsliefde in ruimeren zin in de gemoederen wortel schoot. Eigenlijk had elk inwoner dezer landen dan ook geen ander vaderland dan het gewest of de plaats, waar zijn woning stond.

Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die het bestaan der Nederlanders verzekerden; daarbij landbouw en veeteelt. De zalm werd bij Schoonhoven gevangen. Maar bovenal waren de kleine en de groote visscherij vermaard. Onder de kleine verstond men de vangst der kabeljauwen, schelvisschen, enz. langs de kusten van Nederland, bij de Doggersbank (tusschen Engeland en Jutland) of bij IJsland. Veel van dien visch werd versch verkocht, het meerendeel der kabeljauwen èf in tonnen gezouten, als zoute visch, óf gedroogd, als stok-visch, gesleten. De groote vischerij was de haringvangst, een ware goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen onderhoud verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den 25sten November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. De buizen konden doorgaans 25 amp; 30 last bevatten; een last kostte ongeveer 120 gl. Er waren jaren, b.v. 1601, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Tegen het einde der 18de eeuw daalde dit getal tot 200. Geen volk

-ocr page 72-

«2

Schenck van Tautenburg werd met het stadhouderschap bekleed.

Tusschen de landdagen in Friesland en die van andere gewesten bestond een groot verschil. De landsvergadering van Friesland berustte niet, gelijk elders, op een vertegenwoordiging van standen, maar van landschappen. Zij was samengesteld uit de afgevaardigden van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. De afgevaardigden waren gevolmachtigden der plattelandsgemeenten, door de eigenerfden gekozen. Hierbij kwamen de abten en andere geestelijken, eenige edelen, die voor hun eigen goederen optraden, benevens zij, die door de steden werden gezonden. Deze algemeene landdag besliste over \'s lands hoogste belangen, over vrede en oorlog, enz. Bij zware onlusten echter, gelijk Friesland er zoovele beleefde, verliepen er dikwijls jaren dat er geen algemeene landdag werd gehouden en dat er slechts afzonderlijke vergaderingen bijeenkwamen der vertegenwoordigers van het eene of andere gedeelte van Friesland.

Het bewind in Friesland werd geoefend door een of meer graven of heeren, die in den beginne door den keizer, later door het volk werden benoemd. Aan het hoofd der gemeenten stonden grietmannen, welke naam wordt afgeleid van een oud-Friesch werkwoord, dat „aanklagen, in rechten vervolgenquot; beteekent, alzoo den rechter aanduidt, die de overtreders der wet in rechten betrekt. De instelling der grietmannen, met andere woorden de verdeeling van Friesland in grietenije7i dagteekent van ongeveer het midden der dertiende eeuw. Behalve op enkele tijdstippen, wanneer de graaf van Holland of de bisschop van Utrecht zich voor een oogenblik dit recht aanmatigde, benoemde het volk zelf, althans tot het tijdperk der Saksische heerschappij, zijn grietmannen.

De Ommelanden van Groningen bestonden uit drie kwartieren, Hun-singo, Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 14) is tot 1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest, welke o. a. een tijdlang in \'t bezit was van .Schenck van Tautenburg. Sedert 1594 merkten de Staten-Generaal zich aan als leenheeren van Westerwolde. De stad Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795, ongeveer zooals elders een ambachtsheer zijn heerlijkheid. De eigenerfden en volmachten uit de drie kwartieren stelden de vergadering der staten samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die, krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten land-dage verschenen. Indien in een gemeente dergelijke grondbezitters niet woonden, konden zij, die een zekere uitgestrektheid gronds in gebruik hadden, volmacht geven om in de vergadering de stem dier gemeente uit te brengen. Ieder kwartier had één stem. Hetgeen in Holland de raadpensionaris was waren hier, ten naaste bij, de beide syndici (rechtsverdedigers, gevolmachtigden), één van de stad en één van de Ommelanden, die evenwel niet voorzaten op den landdag. De zaken, waarover de vergadering besliste, waren dezelfde als elders.

-ocr page 73-

03 § io.

De Nederlanden onder het bewind van Karei V.

Zóó waren de zeventien gewesten onder één heerschappij, die van Karel v (1543—1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige bevolking. Vele zijn de goede hoedanigheden, die binnen-en buitenlandsche schrijvers aan de bewoners dezer landen toekennen. In den strijd tegen de natuur legden zij een groote mate van geduld en volharding aan den dag. Neiging tot een ernstig en stil leven was hun aangeboren. Niet licht lieten zij zich door den schijn misleiden. De goederen, die vlijt en aanhoudende werkzaamheid hun verschaften, zochten zij steeds met wijze spaarzaamheid te vermeerderen. Zooals zij afkeerig warén van verspilling, hielden zij maat in het nemen van uitspanningen. Eenvoudigheid, zedelijkheid, oprechtheid, goede trouw en eerlijkheid kenmerkten hen boven andere volkeren. Stipte nauwgezetheid in de vervulling hunner plichten was hun zoozeer tot tweede natuur, dat zij schuwden zich te bemoeien met hetgeen kon worden geacht niet tot hun kring te behooren. Ook aan moed en manhaftigheid ontbrak het hun niet, wanneer hun geduld ten einde en de maat volge-meten was. Ijverzuchtig op hun bezittingen en rechten, waren zij ras bereid tot aanval tegen hem, die hiernaar den vinger uitstak. Met die deugden gingen sommige ondeugden en gebreken gepaard, die er doorgaans aan verknocht zijn. De gehechtheid aan den bepaalden kring ontaardde niet zelden in bekrompenheid, de standvastigheid in onverzettelijkheid. De groote ingenomenheid met eigen stad of gewest belette dat de vaderlandsliefde in ruimeren zin in de gemoederen wortel schoot. Eigenlijk had elk inwoner dezer landen dan ook geen ander vaderland dan het gewest of de plaats, waar zijn woning stond.

Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die het bestaan der Nederlanders verzekerden; daarbij landbouw en veeteelt. De zalm werd bij Schoonhoven gevangen. Maar bovenal waren de kleine en de groote visscherij vermaard. Onder de kleine verstond men de vangst der kabeljauwen, schelvisschen, enz. langs de kusten van Nederland, bij de Doggersbank (tusschen Engeland en Jutland) of bij IJsland. Veel van dien visch werd versch verkocht, het meerendeel der kabeljauwen of in tonnen gezouten, als zoute visch, óf gedroogd, als stok-visch, gesleten. De groote vischerij was de haringvangst, een ware goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen onderhoud verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den assten November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. De buizen konden doorgaans 25 è, 30 last bevatten; een last kostte ongeveer 120 gl. Er waren jaren, b.v. 1601, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Tegen het einde der 18de eeuw daalde dit getal tot 200. Geen volk

-ocr page 74-

(i4

wist den haring zoo goed te bereiden als de Nederlanders, weshalve de Hollandsche haring, als zijnde de beste van smaak en de duurzaamste, op de vreemde markten het meest gewild was. De haring werd (zie blz. 43) óf als pekelharing, óf, gerookt zijnde, als bokking gegeten. Van groot gewicht was mede de walvischvangst, waarmede men in de 17de eeuw een begin maakte en waarvoor de Staten-Generaal in 1614 uitsluitend octrooi (= open brief, een verbastering van het Latijnsche auctorilas, d. i. verklaring) gaven aan de Noordsche compagnie, waarin Amsterdammers, Zeeuwen en Friezen aandeden hadden. Ten behoeve dezer visscherij werden in die eeuw jaarlijks omstreeks 250 schepen uitgerust, die met het oog op het doel de koude van Groenland, Spitsbergen, enz. trotseerden. Ook deze tak van bestaan kwam evenwel in verval. Op het eind der 18de eeuw was het getal schepen reeds tot 150 verminderd.

Vele zijn de oorzaken, die Nederland tot een land van handel en zeevaart bij uitnemendheid hebben gemaakt: de ligging aan de Noordzee; de menigte van bevaarbare rivieren en kanalen; de persoonlijke vrijheid, die, hoe ook beperkt, hier meer dan elders werd geëerbiedigd en velen noopte zich er metterwoon te vestigen, enz. Sedert het einde der 15de eeuw was Antwerpen, in plaats van gelijk weleer, Brugge de hoofdzetel van den handel. De woelingen en moordtooneelen, waarvan deze stad getuige was, en de nabijheid van Sluis, een nest van zeeroovers, deden de vreemde kooplieden naar een veiliger plaats voor hun kantoren omzien. In plaats van de handelsbetrekkingen, die Brugge met het meer en meer in verval rakende Venetië had gehad, kwamen die van Antwerpen met Portugal. Hieraan zetteden de tochten der Portugeezen naar Oost-Indië, die in deze jaren vielen, veel levendigheid bij. Door de verbintenis van Philips den schoone met Johanna kwam de handel op Spanje er bij. De mis, die te Antwerpen tweemaal \'s jaars werd gehouden, duurde twintig dagen. Er waren meer dan 1000 vreemde handelshuizen gevestigd. De beurs, eiken dag tweemaal gehouden, telde telkens meer dan 5000 bezoekers. Dikwijls lagen er 250 schepen tegelijk in lading en 2500 op de Schelde. Dagelijks reden 2000 zwaar beladen vrachtwagens, uit Frankrijk, Duitschland, enz. komende, de poorten binnen. Er was een Engelsche factorij, een Por-tugeesche compagnie, een Hansecompagnie, een Turksche compagnie. Den handel op de Oostzee, in hout en graan, had hoofdzakelijk Amsterdam, toen reeds bij Venetië vergeleken en de korenmarkt, van Europa genoemd. Vaak zag men tweemaals \'s jaars 2 a 300 schepen uit die zee tegelijk daar binnenloopen. De Amsterdamsche kooplieden hadden te Bergen (in Noorwegen) groote magazijnen. Paarden en koeien, boter en kaas werden uit geheel Holland wijd en zijd vervoerd.

Nog is niet gewezen op de vrachtvaart, die zeer aanmerkelijke voor-deelen opleverde, en geen gewag gemaakt van de velerlei fabrieken en allerlei neringen, waarmede de nijvere en dichte bevolking zich bezig hield. Hieronder behooren geteld te worden steenovens en tichelwer-

-ocr page 75-

65

ken, azijnrnakerijen, glasblazerijen, zoutketen, bierbrouwerijen, lakenweverijen, verwerijen, later ook pijpenbakkerijen en (sinds de tweede helft der 17de eeuw) jeneverstokerijen. Aan de Zaan had men zaag- en oliemolens; op de Veluwe papiermolens, waaruit het fraaiste papier van Europa te voorschijn kwam; te Amsterdam, Leiden, \'s Gravenhage weldra boekdrukkerijen. Op de scheepstimmerwerven werden ook meest alle groote schepen voor andere natiën gebouwd. Leertouwerijen en lijnbanen waren in overvloed voorhanden. Leiden was bekend om zijn laken.

Van wetenschappelijke beschaving kan nog maar weinig sprake zijn. Toch ontbrak het niet aan de beginselen. Om van Boendaie en van Heelu te zwijgen reeds had Jacob van Maerlant zijn leerdichten Naturen Bloeme en Rijmbijbel, alsmede den Spiegel Historiael in \'t licht gegeven en Melis Stoke, een tijdgenoot van Floris V, zijn Hollandsche Rijmkroniek geschreven, die een geschiedenis behelst van de vólksverhuizing tot den dood van graaf Jan II, welke de schrijver aan Willem den goede opdroeg. Van Deventer ging de school uit der Broeders des gemeenen levens, in de 14de eeuw door Gerard Groote gesticht, welke vereeniging zich het afschrijven van uitgelezen plaatsen uit goede schrijvers, inzonderheid van kerkvaders, ten doel stelde. Allengs breidde zij zich verder over andere plaatsen van ons land uit.

Wat de fraaie letteren in engeren zin aangaat van lieverlede was een Nederlandsche letterkunde ontstaan, waarvan het begin in het laatste vierendeel der 12de en het eerste der 13de eeuw is te zoeken. Vóór dien tijd waren onze voorouders in taal, zeden en gewoonten nog Duitschers. In zooverre dus wordt gedacht aan een Nederlandsche letterkunde, als afspiegeling eener eigenaardige ontwikkeling des volks, met de Nederlandsche taal tot voertuig, kan geen vroeger begin worden aangenomen. Die Nederlandsche taal kwam in de 12de eeuw uit het Nederduitsch voort. Zij heette gedurende de Middeleeuwen het Vlaamsch. Dien naam draagt zij, omdat de overgang van de oude tot de nieuwe taal het eerst heeft plaats gegrepen in Vlaanderen, een gewest, dat de Noord-Nederlandsche provinciën in beschaving is voorgegaan. Onder de werken, die tezamen uitmaken hetgeen men onze Middeleeuwsche letterkunde noemt, vindt men weinig of geen oorspronkelijke gedichten. Bijna zonder uitzondering bestaat die letterkunde uit vertalingen, hetzij uit het Fransch, hetzij uit het Latijn, of ook, doch zelden, uit het Duitsch. Deze vertalingen zijn, de Reinaert uitgezonderd, grootendeels letterlijk, niet wat men vrije bewerkingen of navolgingen pleegt te noemen. Tot de oudste en beroemdste voortbrengselen der Midden-Nederlandsche letterkunde behooren de Reis van den heiligen Brandaen en het paar fragmenten, dat tot ons is gekomen van de Nederlandsche bewerking van het Nibelungen of Nevelingenlied, uit het Duitsch afkomstig. Aan Frankrijk ontleend is o. a. het romantisch gedicht, waarin Karei de groote de hoofdpersoon is. Karei en

WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 5

-ocr page 76-

m

Elegast, en dat, hetwelk tot den kring van Arthur behoort, de Wale-wein. Denzelfden oorsprong heeft het beroemde gedicht Reinaert de Vos, dat in zijn Vlaamschen vorm zoozeer de aandacht trok, dat het uit die taal in vele andere werd overgebracht en als voortreffelijker wordt aangemerkt dan het oorspronkelijke Fransche stuk. Allengs had, naarmate de opkomst der poorters den invloed der edelen had doen afnemen, de ridderroman opgehouden het hoofdgewrocht der letterkunde te zijn. Behalve de bovengenoemde leerdichten namen geestelijke legenden, boerden, d. i. luimige verhalen, sproken, abele spelen, d. i. ernstige stukken, en sotternicn, d. i. kluchten, tegen het eind der Middeleeuwen op dat gebied de voornaamste plaats in. Met het Bourgondische huis kwamen de „Kamers van de Rederijkersquot; op, uit welker groot aantal intusschen geenszins de gevolgtrekking kan worden gemaakt, alsof in die dagen de Nederlandsche letterkunde op een hoog standpunt zal hebben gestaan.

Zóó was de toestand van het Noordelijkste gedeelte der zeventien gewesten. En die van het Zuiden beantwoordde daaraan. Meer dan 200 steden, 150 vlekken en 6000 dorpen lagen over den bodem van Nederland verspreid. In 9 jaren tijds trok Karei V meer dan 40,000,000 gl. aan belasting uit deze landen. Geen wonder. De landbouw en de veeteelt stelden de bevolking van \'t platteland in staat haar aandeel aan de beden op te brengen. En de steden waren geenszins gelijk in vele andere streken van Europa verzamelplaatsen van monniken en bedelaars, maar wemelden van ijverige lieden, die voor hun werkzaamheden leefden.

Om die bloeiende landen was nu de band der eenheid geslingerd. Doch het was slechts een persoonlijke band. Ook van Karei V was \'t het streven de staatseenheid der zeventien gewesten te bevorderen. Te dien einde bedong hij, die dit als keizer gemakkelijk kon doen, in 1548 bij het verdrag van Augsburg ten behoeve van het Oostenrijksche huis, dat alle Nederlandsche gewesten, van nu aan gezamenlijk den loden of Bourgondischen kreits uitmakende, geheel onafhankelijk van Duitschland zijn, maar onder de hoede van dit rijk staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen, n. 1. zooveel als twee keurvorsten betaalden. Tegenover dien last stond voor de zeventien gewesten dit voordeel, dat zij nu het recht van zitting en stem op den rijksdag van Duitschland kregen. Wel bleef de leenroerigheid voor die gewesten, welke leenen van het Duitsche rijk waren, in stand; doch bij de losheid van dien band werden de betrekkingen, die tus-schen het rijk en die gewesten bestonden, in het wezen der zaak afgebroken. Zóó maakte Karei tevens Kroon-Vlaanderen en Artois, van de souvereiniteit over welke gewesten de koning van Frankrijk {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 35) in 1526 afstand had moeten doen, ge-heelenal los van Frankrijk, De aldus tot één kreits gebrachte gewesten verbond hij nog nauwer aan zijn huis door de pragmatieke sanctie van

-ocr page 77-

67

1549» waarbij zij alle aan een gelijke wet van erfopvolging werden onderworpen. Met beide maatregelen had Karei één doel, n.1. om, daar zijn broeder Ferdinand reeds in 1531 als Roomscb koning was gekozen, aan zijn geslacht de zeventien schoone gewesten te verzekeren.

In de wijze, waarop Karei de regeering inrichtte, valt hetzelfde beginsel der eenheid op te merken: Eén landvoogdes met drie raden, haar toegevoegd. Landvoogdes oigouvernante, zooals men destijds zeide, was sedert den dood van Margareta (zie blz. 50) in 1530 \'s keizers zuster Maria, koningin-weduwe van Hongarije, die haren man, Lode-wijk II, in den slag bij Mohacz [Algem. Geschied. III, 7de druk, blz. 37) had verloren. De drie raden, die hij in 1531 in \'t leven riep, waren de raad van state, de geheime raad en de raad van financien, van welke de eerste slechts werd geraadpleegd, de beide andere daarentegen uitvoerende macht hadden. De taak van den raad van state, waarin de stadhouders der gewesten, de ridders van het gulden vlies, de bisschoppen en anderen — naar gelang van het meerdere of mindere gewicht der zaken een grooter of kleiner aantal personen — zitting hadden, was te beraadslagen over oorlog en vrede, over betrekkingen van buiten-landschen aard en over het benoemen van ambtenaren. De geheime raad was belast met het toezicht op de justitie en de politie en ontwierp wetten. Dan stond ook met het gansche regeeringsplan van Karei en zijn naaste voorgangers in verband het bij herhaling bijeenroepen der Algemeene Staten, dat gedurende zijn regeering meer dan vijftig maal plaats had, zonder dat het hun echter gelukte als vertegenwoordigers van het geheele volk mede te werken tot de vaststelling en ontwikkeling van nieuwe regeeringsbeginselen. Zij werden slechts geroepen om aan te hooren.

Karei V is, zooals ieder weet, een der grootste figuren op het tooneel der wereldgeschiedenis. De kennis van de rol, die hij vervulde, moet daar worden gezocht. Zijn geschiedenis is voor een deel die der Nederlanden gedurende de jaren zijner regeering. Bijzondere gebeurtenissen van gewicht, alhier in dien tijd voorgevallen, zijn er weinige. Een der merkwaardigste is het dempen in 1539 van het oproer te Gent, een der machtigste en beschaafdste steden van Europa. Karei vorderde van Vlaanderen een bede van 400,000 gl, als derde deel eener som, hem door de Algemeene Staten toegestaan. De overige leden der staten van dit gewest stemden toe; alleen Gent weigerde, zich beroepende zoowel op andere privilegiën, als op een oud stuk, „de Koop van Vlaanderenquot;, waarin de inwilliging van Gent in elke belasting als een volstrekte voorwaarde werd voorgeschreven. Maar dit stuk konden de Gentenaars niet vinden, want het had nooit bestaan, en de overige door hen aangehaalde privilegiën staafden hun bewering geenszins. Desniettegenstaande stonden zij op; de groote klok, de vermaarde Roeland, riep hen te wapen. Vreeselijk was de wraak, die op hun hoofd neerkwam. Karei trok in 1540 in persoon naar de stad en velde

-ocr page 78-

68

het vonnis. De voornaamste bepalingen waren: alle eigendommen der stad werden verbeurd verklaard, alle handvesten vernietigd; de 400,000 gl. moesten terstond worden betaald; Roeland verdween; eenige inwoners werden ter dood gebracht, andere verbannen of tot boeten veroordeeld; de aanzienlijkste lieden moesten in \'t openbaar op vernederende wijze vergiffenis vragen.

Doch één grootsche gebeurtenis uit Europa\'s geschiedenis is er bovenal, die mede op Nederland in \'t bijzonder betrekking heeft. Toen in Duitschland Luther den stoot aan de hervorming der kerk had gegeven, werd ook in dit land het zaad gestrooid. De kiem kwam op en werd een krachtige boom. In de ergernis, die de handel in aflaten alom in Europa verwekte, deelden insgelijks de Nederlanders. Zij waren er niet blind voor, dat het leven, hetwelk de meerderheid der geestelijken leidde, in vele opzichten in lijnrechte tegenspraak was met hun roeping en dat de kennis, welke de meesten hunner van \'t Evangelie hadden, uiterst gering was. Menig Nederlander bevond zich dan ook onder de edele en verlichte mannen, de voorloopers der hervorming, die tegen de heerschende gebreken optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe meer hun geest door de op nieuw ontwaakte studie der oudheid aan onderzoek en nadenken gewoon was geworden. Men denke aan Wessel Gansfort, geboren te Groningen en in 1489 gestorven; aan Rudolf Agricöla, aan GerritGerritsz., meer bekend onder den naam Desiderius Erasmus, afkomstig uit Rotterdam, die in 1536 stierf. Wessel Gansfort, een van de leerlingen der Deventer school, later een tijdlang hoogleeraar te Heidelberg, putte zijn godgeleerde kennis alleen uit den bijbel, dien hij in de grondtalen las, en was een ijverig lezer van Plato\'s werken. Zoo groot was zijn vermaardheid, dat hem de bijnaam „het licht der wereldquot; werd gegeven. Zijn leerling Rudolf Agricöla (Huisman), geboren te Baflo (in Groningen), was een der geleerdste mannen van zijn eeuw. Na eerst eenigen tijd het ambt van syndicus der stad Groningen te hebben bekleed vertoefde hij ter vermeerdering zijner kennis jaren lang in verschillende groote steden van Europa en werd ten laatste hoogleeraar te Heidelberg, waar hij stierf. De grondige kennis en de gave van hekelen, waardoor Erasmus zich onderscheidde, stelden hem in staat de katholieke kerk menigen stoot toe te brengen, hoewel hijzelf het krachtige karakter en de hevigheid, die hij in Luther afkeurde, geheel-enal miste. „Laten anderen, zeide hij, het martelaarschap zoeken, ik reken mij die eere niet waardig.quot;

Hoe meer de leerstellingen van Luther en van Zwingli in de Nederlanden doordrongen, des te meer aanhangers vonden zij er. Grenzende aan Duitschland, moest Nederland spoedig bekend worden met de nieuwe begrippen, die daar zoo welig wortel schoten. Bovendien bevorderde de handel door de vele vreemdelingen, die hij naar dit land lokte, de kennis van de leer der hervorming. Doch meer nog dan Luthers of

-ocr page 79-

69

Zwingli\'s stelsel verbreidde zich dat van Calvijn over een aanmerkelijk deel van het land. Hiertoe werkten verschillende oorzaken samen. Vele Nederlandsche jongelingen, die zich aan de studie wijdden, begaven zich te dien einde naar Genève en keerden vandaar terug, toegerust met de begrippen, zoo grondig ontwikkeld in het Fransche en Latijnsche hoofdwerk van dien schrijver: „Onderricht in den christelijkengodsdienst.quot; Een groot aantal der eerste predikers van den hervormden godsdienst, die ons land binnenstroomden, kwam door de Zuidelijke Nederlanden heen uit Frankrijk. Het zaad, zoo welig uitgestrooid, viel in een vruchtbaren bodem en schoot wortel. Een volk van kooplieden moest een godsdienst behagen, zoo eenvoudig als deze leer. Het lediggaan der monniken was hun reeds lang een gruwel geweest. Een leer, die zich hoofdzakelijk tot het verstand richtte, kon niet anders dan bijval vinden bij lieden, bedaard, ja zelfs koel van gemoed.

Bij alle hervormingen iniusschen treft men veelal een partij aan, die zich aan overdrijving schuldig maakt. Bij de hervorming, die thans plaats greep, waren dit de Wederdoopers. Met die Wederdoopers behooren, gelijk dikwerf is geschied, de Doopsgezinden niet te worden verward. Vaak worden de laatsten ook Mennonieten genoemd, alsof zij hun aanzijn aan Menno Simons hebben te danken. Dit is daarom onmogelijk, vermits er lang vóór Menno doopsgezinden waren, al telde Nederland ze eerst sinds de 16de eeuw in grooten getale. Veeleer is aan te nemen, dat zij grootendeels van de Waldenzen (Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 117, 118) afstamden , die, hoe meer zij werden vervolgd, des te meer naar \'t Noorden trokken. En al mogen zij niet van hem afstammen, dan toch heerschte er tusschen hen en de Waldenzen een groote overeenkomst in begrippen en zeden. Beiden waren zij afkeerig van vele plechtigheden der Roomsche kerk en hielden slechts vast aan den Bijbel. Wat de doopsgezinden in \'t bijzonder aangaat zij verklaarden zich bovendien tegen den kinderdoop, achtten het afleggen van den eed en het voeren van oorlog strijdig met de Schrift en rieden elkander we-derkeerig geen overheidsambten te bekleeden. Nu kan het zijn, dat er deze of gene betrekking hebbe bestaan tusschen eenige van de Doopsgezinden en sommige van de Munstersche Wederdoopers, doch als sekten verschillen zij te zeer van elkander, dan dat men ze kan gelijk stellen. Slechts is ten aanzien van Menno Simons in \'t oog te houden, dat hij, tot 1536 Roomsch priester zijnde te Witmaarsum (ten n.w. van Bolsward), een tijdlang een leerling was van een prediker der Wederdoopers in Friesland, Ubbe Philips geheeten. In \'t genoemde jaar ging hij tot een der talrijke en onderling zeer uiteenloopende vereenigingen der Doopsgezinden over en verzette zich weldra sterk tegen de buitensporigheden der Wederdoopers.

Maar Karei V is vast besloten, al moet hij in Duitschland veel toegeven en met de omstandigheden te rade gaan, in zijn erflanden ten minste de hervorming uit te roeien. Elf plakkaten vaardigde hij ach-

-ocr page 80-

70

tereenvolgens tegen haar uit, het eene harder dan het andere. Het eerste is van Maart 1521. In het laatste worden allen, die kettersche boeken in handen namen, of, op welke wijze ook, toonden de hervorming te zijn toegedaan, met den dood op den brandstapel bedreigd. In 1522 werden inquisiteurs, bij verzachting „geestelijke rechtersquot; geheeten, benoemd. Was de inrichting dier inquisitie in wreedheid en ergerlijke wijze van rechtspleging in \'t geheel niet gelijk aan de Spaansche — wat men de menigte poogde diets te maken —, zij werkte naar de opvatting der landzaten veel te krachtig. Dit moet waar zijn, wanneer er — gelijk te boek staat — onder Kareis regeering 50,000 menschen om des geloofs wille ter dood zijn gebracht. Toch wordt dit betwijfeld, en terecht, want dan zouden er in dit land, gedurende een even groot aantal jaren, meer zijn omgekomen dan zelfs in Spanje. Toont de herhaalde uitvaardiging der plakkaten ook niet, dat zij geenszins op voldoende wijze werden ten uitvoer gelegd? Intusschen is het zeker, dal, hoe vele duizenden het getal offers der onverdraagzaamheid ook moge hebben beloopen, wederom het bloed der martelaars het zaad der kerk werd.

Dit is een schaduwzijde in het anders vrij heldere tafereel van Kareis regeering. Het is niet de eenige. Op zijn bevel vernietigde het hof van Holland somtijds privilegiën, waarop men zich tegen \'s graven ordonnantiën beriep. Op velerlei wijze werd het handvest „de non evocandoquot; geschonden doordat men de staten buiten hun gewest riep en, b.v. in gevallen van majesteitsschennis en bij vergrijpen tegen den godsdienst, de beschuldigden voor andere dan voor hun natuurlijke rechters daagde. Verder werden aan vreemdelingen ambten gegeven. Dikwijls verzetteden zich de staten tegen zulke gewelddadigheden, doch meestal zonder vrucht. Want Kareis grondbeginsel was dat het grootste voorrecht van een volk was geen voorrechten te bezitten. Zelfs ging hij zoo ver, dat hij bij herhaling beval, dat al zijn Neder-landsche gewesten hem hun privilegiën en oude gewoonten, waarnaar zij werden geregeerd, zouden toezenden. De overweging, waarop dit bevel werd gegrond, was dat in die stukken te veel verscheidenheid bestond, waaruit verwarring in de rechtspraak voortsproot. Dat vele dier rechten met Kareis begrippen van souvereiniteit streden was een andere oorzaak van \'t bevel, die niet werd aangevoerd, doch vanzelf sprak. Het voornemen van den vorst was de verschillende gewoonten of costumen, zooveel mogelijk, op eenparigen voet, of, met andere woorden, ze alle in geschrift te brengen, om ze tot bijdragen te doen strekken voor een algemeene wetgeving, een plan dat men op zichzelf niet kan afkeuren. Maar de intrekking dier stukken zou natuurlijk hierop zijn gevolgd, Om die reden besloten de staten van Holland een nauwkeurig onderzoek naar de oorspronkelijke handvesten te doen en verklaarden den keizer, dat zij bereid waren hem afschriften te doen toekomen, het gevaarlijk achtende de stukken zei ven uit de handen te

-ocr page 81-

71

geven. Ook in de andere provinciën bestond weinig geneigdheid om aan \'s vorsten verlangen te voldoen. Ten laatste deden een paar steden van Holland, ongeveer in 1550, hetgeen Karei wilde; maar verreweg de meeste steden en gewesten volhardden bij hun weigering, weshalve hij zijn hoofdplan niet kon volvoeren.

Ook aan zware beden, die eerder belastingen mochten heeten, ontbrak het niet, en, wat het ergste is, bij weigering werd dikwijls dwang gebezigd. Zoo dreigde Karei eens, dat, indien de staten van Holland niet terstond toegaven, hij de haringvisscherij voor dat jaar zou verbieden. Om een voorbeeld van het cijfer der beden te geven, in 1525 eischte Karei van Holland 100,000 gl. en kreeg 80,000. Zóó ging het bijna elk jaar. Zeeland moest zes jaren lang telkens 30,000 gl. opbrengen. Dan had men nog de buitengewone beden, zooals in 1536, behalve de gewone, een van 120,000 gl. alleen voor Holland. In 1542 vorderde de landvoogdes Maria van de Algemeene Staten — als om Alva den weg te banen — den honderdsten penning, als recht van uitvoer, en twee tienden der inkomsten. En toen de toestemming niet spoedig volgde, werd de belasting ook zonder de inwilliging der staten geheven: „Hier, zegt een Venetiaansch gezant, waren de eigenlijke schatten van den koning van Spanje; hier waren zijn bergwerken, zijn Indië.quot;

Vreemd is het te zien, hoe de oordeelvellingen der schrijvers over Kareis regeering uiteenloopen. Wil men billijk zijn, dan behoort men niet te vergeten, dat de Nederlanden gedurende dat bewind tot een trap van aanzien stegen, gelijk zij dien nooit hadden gekend, en dat de vorst den grondslag legde van een geregeld bestuur en van een geordende administratie. Hij trachtte de verponding (zie blz. 45), zooveel doenlijk, op vasten voet te brengen door alle misbruiken tegen te gaan en ieder te verplichten naar zijn vermogen bij te dragen; verbeterde het beheer der dijken; vaardigde een ordonnantie uit op de munt; ging den alleenhandel tegen; waakte tegen bedriegelijke bankbreuk; liet een plakkaat afkondigen tegen bedelaars en landloopers; zorgde voor de veiligheid van personen en goederen; gaf toe, dat de armen, die gealimenteerd, d. i. onderhouden, werden, somtijds tot uitspanning een pot biers met hun huisvrouwen mochten drinken, zonder echter dronken te worden. Het valt niet te ontkennen, dat Karei ten aanzien van de privilegiën in een moeielijken toestand verkeerde. Hij, die de eenheid poogde te bevorderen, welke een groote weldaad voor de landzaten konde zijn, kon niet tevens de veelsoortigheid der privilegiën willen. Ook moet, bij de waardeering van de lichtzijde der privilegiën, die bolwerken tegen de heerschzucht, de schaduwkant niet uit het oog worden verloren, dat zij rechten toekenden aan sommigen, die aller deel moesten zijn, en de verbrokkeling van \'t gezag in de hand werkten. Hoe men ook jammerde over het verlies der oude zelfstandigheid, de slotsom was verademing en voorspoed. Waar bloedige veeten

-ocr page 82-

tusschen de bewoners van één staat of tusschen de onderdanen van verschillende heeren had gewoed, begon men elkander de broederhand te reiken. Daarom, dewijl hij gaarne in het land vertoefde, waar zijn wieg had gestaan, en uit hoofde van zijn minzaamheid was het Nederlandsche volk hem getrouw en aan hem gehecht. Daarom was het leedwezen des volks oprecht gemeend, toen Karei afstand deed van het bewind en het aan zijn zoon Philips opdroeg.

Het voornemen om zijn kronen neer te leggen was sinds lang bij Karei opgekomen. Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche ontwerpen, teleurgesteld in zijn plannen om in al zijn landen een onbeperkt vorstelijk gezag te vestigen en de eenheid in de Christelijke kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijke zwakheid en wegens de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende, ging hij thans tot de volvoering van het lang gekoesterde voornemen over. De afstand en de overdracht hadden den assten October ISS5 te Brussel plaats in een luisterrijke vergadering, waarbij de Algemeene Staten, de ridders van het gulden vlies, de stadhouders der verschillende gewesten en vele andere personen tegenwoordig waren. De hoofdpersonen waren natuurlijk Karei V, Philips II en Maria van Hongarije. Gebukt onder zorgen en lichaamslijden droeg de vorst met bevende stem den schepter aan zijn zoon over en zonk, na te hebben gesproken, uitgeput op zijn zetel neder. Na den keizer voerde Anto-nius Perenot, bisschop van Atrecht (zie beneden blz. 74, 75), ais tolk van Philips het woord. Ook Maria legde haar waardigheid neder. In \'t volgende jaar ging Karei onder zeil naar Spanje, waar hij in 1558 in het klooster Yuste (in \'t 11. o. van Estremadura) overleed.

Karei was slechts éénmaal getrouwd geweest, n.1. met Isabella, een dochter van Emanuel I, koning van Portugal. Hij liet maar één wettigen zoon na, Philips II (III in Holland en in andere Nederlandsche gewesten), en een paar dochters. Van zijn natuurlijke kinderen zijn één zoon en één dochter zeer vermaard geworden. De dochter was Margareta, weldra landvoogdes der Nederlanden, wier moeder was Johanna van der Gheenst, een Vlaamsch meisje. De zoon was Don Jan van Oostenrijk, waarschijnlijk gesproten uit Kareis verbintenis met Barbara Blomberg, een waschvrouw van Regensburg, die den keizer van tijd tot tijd door den zang vervroolijkte en later trouwde met Pyramus Kegell, commissaris van Kareis leger in de Nederlanden. Onder de vele edelen zijner hofhouding was er niemand, dien hij meer vertrouwde dan Willem van Oranje, hoe jong deze vorst destijds ook was (zie beneden blz. 74, 75 vlg-)

-ocr page 83-

73

De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Ahui.

cj •

O ,Ui \'C fa

gt; HH

gt;

B

JD

S

JU

s

_lt;v

rn

rt

S .-ï | amp;

(L) gt;-■ C

^ (U ^

11 S -Ci, ^

cj lt;U

bc^

S gt;

c

.. ^

X

• 0) • J-.

c

O O

NI

c

^2 bh cu i-bX) lt;v

lt;D

O

3

55

j-.

OJ

\'M

Ö

JS

O TJ

rt gt;

Cj

E

cj G

(U

cj

1

3

fl

g1^

S - 3

^ ö s

li g

B

cjj

\'o a

LT K C/5 CtJ Cj ïgt;

a s

c quot;O

S s ü 5.

.-s O -_, bgt; H ^

? t3§

lt;u -fi

S

r-quot; ^

^ S gt; \'o

O T3

^ a

5 D o lt;quot;

M ^ ■—gt; ^

lt;u rt biD-r

rG O

ctJ gt;—gt;

c

aJ gt;

d C C

. eö

rC 4-. O M I—»

CU

OJ r-

bO C G

Cd ^

Ö O

G

a gt;

; ^ gt;

«u gt;:; oj

-o O PL,

(U gt; r*quot;* *quot;*

-ö O

lH

U

bO ^

ö c

ct ci gt; gt;

gt; \'

O)

V TJ ■*-»

o lt;u

C3 crj

S S ^ 5

C G O lt;lt; ü»-l

H* N ró quot;4

G O

\'S .

fi g O c S ^ ffl a

i— Jxi

,5 te cl o PP c/3 g cj

c ^ ^ i j

W

\'o

j3

O

-lt;-gt;

(U

c

PH

quot;cj

^ G

cj

bJD

G

P CU

s

G

G

cj

5

tU bO

w

gt;

lt;

^ Kgt; ^

•J- 4-gt;

^ ±: =3 lt;u

^ ^ jG C3

cd G a3 ö

■u ^\'g

£ 4-.

ci G ^

C. ^ S

03 2^ \'r^ ^

agt;

-4-\'

quot;C

(U

r*

\'C G

(U

C/3

quot;5

O

4-J

dj

\' C

(U

T3

X

H-]

OJ

B

o

b£)

£

gt;• lt;D rQ K\' W

^ (D

c «T g S S

■•S ë 2 g ^ Ö

lt;1gt; bX3 (L) !•-\' ^ lt;

r lt;Lgt; 13 s i £ S —^

-a ^

_ju _ gt;

fl

Cj

gt; hH

C •

c3 C gt; (ü

gt; 3

Ö bp g

£ S o Pt, 0 PQ

-^

-ocr page 84-

74

Kareis opvolger Philips ii (1555—1581), gelijk hij doorgaans wordt genoemd, was in de Nederlanden geen vreemdeling. Reeds in 1549 had zijn vader hem hierheen ontboden om hem aan zijn toekomstige onderdanen voor te stellen. Toen had hij alom de privilegiën bezworen , en een eindelooze reeks van feesten had aan zijn inhuldiging den meesten luister bijgezet. Die eerste ontmoeting had bij de Nederlanders geen gunstigen indruk achtergelaten. En de tweede ontmoeting, bij en na Kareis plechtigen afstand, bracht hierin geen verandering te weeg. Philips was geheelenal een Spanjaard, koel, afgemeten en trotsch. Hij had een afkeer van het land en den aard der Nederlanders, en zij van hem, die geen gemeenzaamheid duldde en geen afdalen kende. Hij verstond noch de taal des lands, noch sprak een der talen, waarmede de natie vertrouwd was. Hij achtte de handhaving van den katholieken godsdienst zijn hoofdplicht. Hiervoor had hij alle krachten van lichaam en ziel veil; hieraan was een goed deel zijner verbazende, maar kleingeestige werkzaamheid gewijd. Even onwrikbaar als hij aan de instandhouding van \'t koninklijk gezag de hand hield, bleef hij aan dezen grondregel van al zijn zeggen en doen getrouw. De blinde er. bijge-loovige gehechtheid aan de kerk herschiep hem in een dwingeland.

Gedurende zijn verblijf in de Nederlanden werd Philips genoodzaakt den oorlog te hervatten, dien Hendrik II, koning van Frankrijk, met zijn vader had gevoerd. Die oorlog, waarin Lamoraal, graaf van Egmond, een verwant der Geldersche hertogen uit dit huis (zie blz. 54), zijn lauweren verwierf, eindigde met den vrede van Cateau-Cam-bresis in 1559 (zie Algem. Geschied., 7de druk, III, blz. 50). Bij dezen vrede verkreeg Emanuel Ph ilibert van Savoye , die sedert den afstand van Karei door Philips met de landvoogdij over de Nederlander was bekleed, zijn land en keerde derwaarts terug (zie Algem. Geschied., t. a. p.). Als gijzelaar en borg voor het nakomen van den vrede vertrok Willem, graaf van Nassau en prins van Oranje, naar Parijs. Deze zending verschafte hem een ongezochte gelegenheid om door Frankrijks koning zeiven in kennis te worden gesteld van het geheime ontwerp, dat Hendrik II en Philips II koesterden, al de in hun landen wonende protestanten uit te roeien.

Uit hoofde van den oorlog was Philips in de Nederlanden gebleven. Thans kon hij gaan. Doch aleer hij vertrok, regelde hij het bestuur der landen. Margareta van Parma (zie blz. 72) werd landvoogdes. Zij was getrouwd met Octavius Farnese, hertog van Parma, die evenwel in Italië bleef. De drie boven genoemde (zie blz. 67) regeerings-lichamen stonden haar ter zijde. President van den raad van financiën was Karei, baron van Barlaimont (in \'t n. van Frankrijk, nabij Avennes); van den geheimen raad Viglius of Wigele van Aytta van Zuichem (ten z. van Leeuwarden), een Fries van afkomst en een nitstekend rechtsgeleerde, doch die aan groote rechtskennis veel hebzucht paarde. In den raad van state hadden o. a. zitting: Antonius

-ocr page 85-

75

Perenot, bisschop van Atrecht, de prins van Oranje, de graaf van Egmond, vorst van Gavre (niet ver van Gent), Jan van Glimes, markies van Bergen (d. i. Bergen op Zoom), later ook de Mont-morency, graaf van Hoorne (zie. blz. n), die, evenals Bergen, tevens admiraal was, maar zonder schepen en bootsvolk. Bij de drie raden kwam nog een kleine raad, de consulta, die de ambtenaren had te benoemen. Voorheen werden de posten, zoodra zij open vielen, door den landsheer of zijn landvoogd vervuld. Maar Perenot bracht weldra in navolging van de Spaansche regeering in zwang, dat slechts op gezette tijden de benoemingen plaats grepen, nadat de raad was ingenomen van het genoemde collegie. In dien achterraad, zooals de Nederlanders hem noemden, hadden alleen Perenot, Viglius en Barlai-mont zitting. Twee of driemaal in \'t jaar vergaderde de consulta.

Voor Brabant, waar de landvoogdes haar verblijf hield, werd geen stadhouder benoemd. De stadhouders der overige staten waren: Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; de graaf van Egmond van Vlaanderen en Artois; Karei van Brimeu, graaf van Megen (ten n. van Ravenstein, zie boven blz. 14) van Gelderland; Johan van Ligne, graaf van Aremberg (ten z. van Keulen), van Friesland, Groningen, Drente en Overijsel; de markgraaf van Bergen van Henegouwen en Valenciennes; Hoorne\'s broeder, de baanderheer Floris van Montmorency, baron van Montigny, van Doornik; de baron van Bar-laimont van Namen; Pieter Ernst, graaf van Mansfeld (in Pruisisch Saksen, ten n.w. van Merseburg), van Luxemburg. Elke stadhouder was tevens bevelhebber der krijgsmacht van zijn gewest.

Een enkel woord over Willem van ORANje, weldra den hoofdpersoon van den tegenstand tegen Philips, en dan over Perenot. In het huis van Nassau onderscheidde men sedert het midden der 13de eeuw (zie A/g-, Geschied. II, 7de druk, blz. 145) twee liniën. De oudste bleefin Duitschland. De jongste, die Otto tot stamvader had, is die van Nassau-Dillenburg. Deze tak verwierf al vroeg verscheidene bezittingen in de Nederlanden. De vader van Willem, den grondlegger van Nederlands onafhankelijkheid , was Willem, ten onrechte de rijke genoemd. Hij had een ouderen broeder, Hendrik geheeten. Hendrik erfde van zijn vader de bezittingen, op Nederlands bodem gelegen; Willem de rijke volgde in die van Duitschland op. Hendrik was een getrouw dienaar van Karei V en trouwde met Claudia Van ChAlons, een zuster van P h i 1 i b e r t, prins van Oranje (in \'t z. van Frankrijk, ten n. van Avignon). Philibert, op jeugdigen leeftijd omgekomen, liet zijn prinsdom na aan zijn neef Réné, een zoon van Hendrik en Claudia. Réné, mede in dienst van Karei V, sneuvelde in 1544 op een veldtocht tegen de Franschen en maakte zijn vollen neef Willem tot algeheelen erfgenaam.

Deze Willem nu was alzoo een zoon van Willem den rijke, graaf van Nassau-Dillenburg, in 1533 gesproten uit het huwelijk zijns vaders met Juliane van Stolberg. Rijk was zijn vader, althans in kinderen. Vijf

-ocr page 86-

76

zonen werden uit dien echt geboren; Willem, Jan de oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Willem is vier malen gehuwd geweest; met Anna van Buren, met Anna van Saksen, met Charlotte van Bourbon, met Louise de Coligny. De eerste en de derde dezer gemalinnen werden hem door den dood ontrukt; van de tweede scheidde hij; de vierde overleefde hem. Talrijk waren Willems bezittingen op Nederlandschen bodem. De grondslag hiertoe werd gelegd door het huwelijk van één van Réné\'s voorvaderen, Engelbert, overleden in 1443, met Jo-hanna van Polanen. Daardoor kwamen de heerlijkheid Polanen (ten z. van \'s Gravenhage), de baronie van Breda, alsmede de heerlijkheden Geertruidenberg en Zevenbergen (ten z.o. van Willemstad) aan het huis van Nassau. Engelberts nakomelingen, o.a. de boven genoemde Hendrik, verkregen er menige andere heerlijkheid bij, al? Steenbergen (ten n. van Bergen op Zoom), de plekken gronds, waarop later Willemstad en Klundert verrezen, Diest, Sichem (beide in \'t n.o. van Zuid-Brabant), enz. Zelf vermeerderde Willem al die goederen door koop of pandschap met Grave en het land van Kuik (zie boven blz. 14), alsmede, door zijn eerste huwelijk, met Buren (zie blz. 51), Leerdam (ten z. van Vianen) en IJselstein. De heerlijkheid Kuik verwiert Willem in 1559 van Philips II, die ze hem voor 60,000 gl. verpandde. Van dezen tijd af bleef zij aan het huis Granje-Nassau, eerst als pand, en, sedert 1611, volgens uitspraak der Staten-Generaal, die er slechts de souvereiniteit over behielden, als eigendom. Om eenig denkbeeld van de voordeelen en rechten te geven, die een dergelijke heerlijkheid haren bezitter schonk, zij er bij gevoegd, dat Kuiks inkomsten jaarlijks omtrent 60,000 gl. beliepen, voortkomende uit leenen der heerlijkheid, recht van gemaal, tienden, tollen, pachthoeven, bosschen, enz. en dat de heer alle ambtenaren benoemde.

Antonius Perenot was een schrander en werkzaam staatsman, die zijn opkomst aan zichzelf had te danken. Hij was in Franche-Comtc geboren, dat, gelijk men weet, een deel had uitgemaakt van de erfgoederen van Maria, de dochter van Karei den stoute. Reeds dit nam de edelen tegen hem in, die, trotsch op hun geboorte, op hem, den vreemdeling, neerzagen. Doch voor een vreemdeling kon men hem eigenlijk moeielijk laten doorgaan. Was hij het, dan moest ook Willem als zoodanig worden aangemerkt, en in allen gevalle kon men dit bezwaar niet met recht aanvoeren tegen leden quot;van den raad van state. AVeldra verweet men hem met meer grond zijn heerschzucht, alsmede de minachting, die hij jegens zijn medeleden in den raad van state aan den dag legde. Tegen hem wendden zich toen allen, die een afkeer hadden van de regeering in Spaanschen zin, die Philips aan de natie wilde opdringen.

Ternauwernood was Philips in zee gestoken, of de Nederlandsche onderdanen hadden reeds menige grieve tegen hun heer. Zonder op den geest des tijds te letten schreef hij een gestrenge uitvoering der plakkaten voor. Bij den afkeer, dien de Nederlanders en de Span-

-ocr page 87-

77

jaarden wederkeerig van elkander hadden (zie blz. 50), was het verlies van den hoogen rang, dien de Nederlandsche adel onder dé beide vorige regeeringen had bekleed, dubbel onverdragelijk. Hierbij kwam de verbittering over de voortdurende aanwezigheid van 3 è, 4000 man vreemde troepen, die, zooals het heette, ter bescherming van de grenzen moesten strekken. Deze benden waren, uit hoofde van haar losbandigheid, een groot bezwaar voor het volk, hetwelk bovendien niet zonder grond vermoedde, dat zij in de hand des konings het werktuig zouden worden om de godsdienstvrijheid te beletten en \'s lands voorrechten te vernietigen.

Bovenal vreesde men de verwezenlijking van een van Philips\' geliefkoosde plannen, dat reeds meer dan een zijner voorgangers had gekoesterd, doch welks uitvoering steeds op zwarigheden had gestooten. Het is dat der bisdommen. Tot dusverre was in Nederland geen aartsbisschoppelijke stoel geweest doordien het geringe en onregelmatig verdeelde getal bisdommen onder vreemde aartsbisschoppen stond. Noord-Nederland en het N.O. deel van Zuid-Nederland gehoorzaamden aan \'t aartsbisdom Keulen, het Westen van Zuid-Nederland aan dat van Rheims, Zuidelijk Luxemburg aan den aartsbisschop van Trier. Een van Keulens bisdommen was Utrecht, dat verreweg het grootste gedeelte van Noord-Nederland onder zijn geestelijk bewind had; een ander was Luik, dat met de tot het aartsbisdom Rheims behoorende bisdommen over de Zuidelijke Nederlanden was gesteld. Het ligt voor de hand dat uit dien stand van zaken groote ongelegenheden sproten. In onrustige tijden was het bij kerkelijke geschillen moeielijk zich tot een buiten-landschen geestelijken rechter te wenden. Die rechter was bovendien niet genoegzaam bekend met de zeden en de gesteldheid des lands. De overwegende reden echter, waarom Philips de zaak der bisdommen wenschte te regelen, was de vermenigvuldiging der ketters. Voortdurend won de afkeer veld van een kerk, die, hoewel zelve geen bloed be-geerende, duizenden door den wereldlijken arm liet ombrengen. Wellicht — meende Philips — kon nauw toezicht, leering en vermaning de zielen voor afval van de kerk behoeden of van den afval terugbrengen.

Omstandigheden van staatkundigen aard verhinderden Philips in de eerste jaren zijner regeering aan \'t werk te gaan. Doch zoodra die beletselen uit den weg waren geruimd begonnen de voorbereidende werkzaamheden. Toen zij genoeg waren gevorderd werd Frans van der Velde, meer bekend als Franciscus Sonnius (naar zijn geboorteplaats Son, ten n. van Eindhoven), domheer te Utrecht, naar Rome gezonden ten einde de regeling te voltooien. Ruim één jaar vertoefde hij er, eer paus Paulus IV de bul, houdende de bepalingen omtrent de bisdommen, gereed had. Een dier bepalingen was dat den koning de benoeming der bisschoppen toekwam. De bul werd in 1559 uitgevaardigd; de zaak zelve evenwel begon niet vóór 1561 werkelijkheid te worden, en met sommige zetels duurde het tot 1570, eer zij werden bezet. In \'t geheel werden 18 bisschopszetels opgericht,

-ocr page 88-

78

n.1. 3 aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die streek, waarin zijn metropolitaankerk lag) en 15 bisdommen: 1) het aartsbisdom Kamer ijk met de bisdommen At recht, Doornik, St. Omer en Namen; 2) het aartsbisdom Mechelen met de bisdommen Antwerpen, Gent, Brugge, IJperen, \'s Hertogenbosch, Roermond; 3) het aartsbisdom Utrecht met Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen en Middelburg. Luik bleef onder \'t bestuur van den aartsbisschop van Keulen. Eveneens werden Luxemburg en \'t grootste gedeelte van Limburg van de nieuwe verdeeling uitgesloten.

Sonnius werd bisschop van \'s Hertogenbosch, Perenot of Granvelle, tevens tot kardinaal benoemd, aartsbisschop van Mechelen. Te Groningen, Leeuwarden, Deventer en elders werd lang weerstand geboden, en overal werd men gesteund door de ontevredenheid, die de instelling der bisdommen bij zoovelen verwekte. Hevige afkeuring vond die maatregel bij de aartsbisschoppen, de bisschoppen en de kanunniken, bovenal bij de abten en de monniken. De abten moesten een deel hunner inkomsten aan de bisschoppen afstaan en hun, in Brabant en Zeeland, hun plaats in de statenvergadering inruimen, hetgeen, zeiden de staten, met de privilegiën streed. De monniken verloren nu het recht hun abten te benoemen, daar de bisschoppen de plaats der abten innamen. Bij hen voegde zich de lagere geestelijkheid, beducht voor een nauwer toezicht. Eindelijk was het volk over \'t geheel verbolgen, dat in de bisdommen een middel zag om de Spaansche inquisitie of die van Rome hier te lande in te voeren. Had men de toekomst kunnen voorzien, men had voorzeker met meer geduld de plechtige inwijding der bisschoppen aanschouwd. De eeuw was nog niet ten einde, of nergens vond men in Noord-Nederland meer een bisschop, krachtens de bul van Paulus IV aangesteld. Alom werden zij verdreven of verviel die waardigheid vanzelve. Sedert Jan Arends, afkomstig uit Alkmaar, voorheen mandemaker, en anderen in 1566 voor \'t eerst in \'t openbaar het Evangelie in Noord-Holland predikten, bleek het dat de lieden tot den godsdienst moesten worden gebracht niet door stroppen en koorden, maar door het levende woord. Tevergeefs trachtte Pnilips door het ontsteken van martelvuren de gemoederen der menschen, die bezield moeten worden door den vurigen ijver van den geest Gods, te doen ontvonken in liefde voor de kerk. Van het oogenblik af dat de hervorming was doorgedrongen werd de Roomsch-katholieke kerk in Nederland een missie of zending, waarin bisschopperi in partibus de kerkelijke belangen als apostolische vicarissen (plaatsvervangers) behartigden. Voluit heetten zulke opzieners der gemeente bisschoppen „in partibus infidelium,quot; d. i. in landstreken, bewoond door ongeloovigen.

Onder hen, die zich tegen de nieuwe bisdommen verzetteden, waren ook de prins van Oranje en Egmond, die met vele anderen de dwaling deelden dat Granvelle een van hen was, die den maatregel bevorderden. Thans weet men zeker dat deze meening onjuist is. Maar ook andere

-ocr page 89-

79

bezwaren hadden Willem en vele edelen tegen dien bisschop. Hij was de ziel van de regeering. Gelijk er veel buiten hen omging, zoo geschiedde er niets zonder hem, en Viglius liet zich geheel door hem leiden. Dit mishaagde hun zoozeer, dat, hoewel de vreemde troepen in 1560 werden verwijderd, er geen betere verstandhouding tusschen Granvelle en de genoemde edelen ontstond. Weldra weigerden Willem, Egmond en Hoorne in den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er kwam, die alle belangrijke aangelegenheden aan de kennis van dien raad onttrok. Van jaar tot jaar werd het standpunt van den kardinaal onhoudbaarder. Het regende schotschriften tegen hem, en de edelen vervolgden hem met bitteren spot. Ook Margareta, die ten laatste begon in te zien, hoe weinig gezag zijzelve in vergelijking met hem had, wilde van hem worden ontslagen. Zóó kwam in Januari 1564 tot Granvelle een geheim bevel van Philips om het land te verlaten, waaraan hij onmiddellijk gevolg gaf.

Na Granvelle\'s vertrek namen Willem, Egmond en Hoorne weder zitting in den raad van state. Willem was van oordeel, dat de onvergenoegdheid van het volk zou wijken, indien men de Algemeene Staten bijeenriep, op den raad van state de macht der beide overige raden overbracht en de plakkaten verzachtte. Doch dit waren juist de punten, waaromtrent \'s konings bevelen geheel anders luidden. De afschaffing dier beide raden ware een groote weldaad geweest. Het recht was veil voor hem, die het meeste bood. Tegen deze ongerechtigheden trad Willem met kracht op. Wat het kerkelijke betreft stond hij verdraagzaamheid jegens andersdenkenden voor. Maar als om hem te tarten zette de beruchte inquisiteur Titelman zijn moorddadig werk voort. Zeer leed de handel onder al die vervolgingen: een aantal vreemde kooplieden verliet Antwerpen voor goed. Schotschriften en blauwboekjes overstroomden het gansche land. Ook werden, op last van Philips, de besluiten van het concilie van Trente hier te lande afgekondigd. Die besluiten waren evenwel in menig opzicht in strijd met de privilegiën. Om deze reden en wegens de overige moeielijkheden werd Egmond in 1565 naar Spanje gezonden. Die zending bracht geen verandering of wijziging te weeg. Egmond werd luisterrijk ontvangen; doch Philips\' voorschriften bleven dezelfde.

Langzamerhand ging de geest van tegenstand van de eerste edelen op die van den tweeden rang over om later door het volk te worden gedeeld. Zóó ontstond in 1565 hel compromis sum (gemeenschappelijke belofte) of het verbond der edelen, aan \'t hoofd waarvan Lodewijk van Nassau, Willems broeder, stond met Hendrik van Brederode, een onstuimig man, die een woest leven leidde en naar opwellingen, meer dan naar beginselen, handelde. Het doel was de invoering der inquisitie op elke wijze tegen te gaan. Niet alleen edelen, maar ook burgers teekenden het; niet alleen Lutherschen en Calvinisten, ook Roomsch-katholieken traden toe. Schier de eenige daad van deze eedgenooten was de stap, dien zij den sden April 1566 te Brussel deden. Toen boden zij in plechtigen optocht, ten getale van drie of vier honderd,

-ocr page 90-

de landvoogdes een verzoekschrift aan ter matiging van de plakkaten. Men weet dat, naar alle waarschijnlijkheid, het woord van Barlaimont, toen tot de landvoogdes gericht, hun den naam geuzen [gueux, bedelaars) deed geven. Niet zonder grond — men kan het niet verbloemen — werd die benaming op vele dier edelen toegepast. De schulden, waaronder zij ten gevolge hunner verkwistende levenswijze en van hun veelvuldige drinkgelagen gebukt gingen, rechtvaardigden ze maar al te zeer. Zeiven namen de edelen dien naam volgaarne aan en droegen tevens de zinnebeelden der bedelaars. Margareta antwoordde weldra. Zij beloofde een gezant naar Spanje te zullen zenden en eenige moderatie of matiging in de uitvoering der plakkaten te zullen brengen, die intusschen zoo weinig in \'t oog viel, dat het volk ze weldra moorderatie noemde. Terwijl Montigny en Bergen (zie blz. 7s) nu als gezanten naar Philips vertrokken, kwam het prediken van \'t Evangelie in \'t open veld, niet meer des nachts, maar bij het heldere daglicht, alom in zwang. Duizenden, op de beloofde matiging vertrouwende of hun overtuiging niet langer willende bedwingen, woonden die predikatiën, hagepreeken genoemd, bij. Overal vormden zich gemeenten van hen, die van de oude kerk afvielen, en richtte men consistorien op, uit ouderlingen en diakenen bestaande. Weldra sloten deze consistorien, toen het compromissum te niet girig, in 1566 te Antwerpen een verbond met elkander. En ofschoon ook dit, na Alva\'s komst, zijn kracht verloor, heeft het toch een aanmerke-lijken invloed op den opstand geoefend.

Op het houden van openbare godsdienstoefeningen volgde in 1565 de kortstondige razernij, bekend onder den naam van beeldenstorm. Zooals men het tot dusverre veelal heeft opgevat was hij een uitbarsting van de dweepzucht der hervormden, die niet aan een wèl beraamd plan, maar _ aan plotseling opkomende hartstochtelijkheid was toe te schrijven. Van den anderen kant echter is er eenige grond om aan te nemen, dat die buitensporigheden zijn bedreven op aansporing van Spaanschgezinde katholieken, of wel van lieden, die, het eens zijnde met de Spaansche inquisitie, naar billijke redenen zochten om de uiterste gewelddadigheden tegen andersdenkenden te plegen. Mocht dit inderdaad zóó zijn, dan ware tevens het verschijnsel opgehelderd, waarom de mannen, met het gezag bekleed, overal, waar de beeldenstorm plaats greep, als op hooger bevel, geen weerstand boden aan het werk der vernieling. Vele kerken van Antwerpen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Groningen, enz. werden er door verwoest en van al haar .schatten beroofd. Philips ontstak op het hooren der mare zoo zeer in drift, dat hij een duren eed zwoer het misdrijf niet ongewroken te zullen laten. De landvoogdes daarentegen werd, toen zij de tijding kreeg van de bandelooze uitspatting van het grauw, zoo ontsteld, dat zij de inquisitie schorste en aan de nieuwe sekte eenige verademing schonk, die evenwel van korten duur was. Het drietal. Oranje, Egmond en Hoorne, baatte \'t niet, zooals weldra zal blijken, dat zij de landvoogdes in deze moeielijke

-ocr page 91-

81

dagen getrouw ter zijde stonden en hen, die schuldig of medeplichtig waren aan den beeldenstorm, ijverig vervolgden.

Nadat de eerste schrik was geweken, begon ook Margareta, in afwachting van \'t geen de koning zou doen, krachtdadig door te tasten. Zij bewerkte, dat het compromissum werd ontbonden, vorderde van de aanzienlijkste heeren den eed „den koning onvoorwaardelijk te zullen dienen,quot; en wierf troepen. Overal moest het prediken der hervormden worden gestaakt. Van dat oogenblik af scheidde Egtnond zich van zijn vrienden, mede den eed afleggende, terwijl Hoorne zich tegelijk aan \'s konings dienst en aan de bevordering van Oranje\'s plannen onttrok. Willem, Brederode en anderen waren bedacht op tegenweer; maar de regeering te Brussel was toegerust tot den kamp, toen haar bestrijders nog op verre na niet gereed waren. Na tevergeefs te hebben beproefd zich èn elders èn te Amsterdam staande te houden week Brederode in 1567 naar Duitschland, waar hij in \'t volgende jaar stierf. Evenals alles, wat Brederode beproefde, mislukten de pogingen, die Jan van Marnix, heer van Toulouse, de oudere broeder van Aldegonde, in\'t zelfde jaar (1567) deed om eerst Walcheren en hierop Antwerpen te vermeesteren. Hij vond den dood bij Austruweel (nabij Antwerpen), waar zijn bende werd verslagen. Van zijn kant nam Willem, inziende dat er vooreerst aan geen verzet viel te denken, in \'t zelfde jaar zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en ging eveneens naar Duitschland. Hij werd gevolgd door een overgroot aantal lieden, op meer dan honderdduizend begroot. Onder hen was Willems vertrouwde vriend, de beroemde godgeleerde en staatsman Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde (een heerlijkheid in Henegouwen, terwijl een kasteel nabij Middelburg, waar Marnix een tijdlang woonde, maar hem ook wel zóó werd genoemd, doch eigenlijk West-Souburg heette). In Willems plaats werd Maximiliaan Hennin, graaf van Boussu (ten w. van Bergen, in Henegouwen), bij voorraad over Holland als stadhouder aangesteld.

Intusschen was Philips tot een vast besluit gekomen. Na lang te hebben voorgegeven dat hijzelf een reis naar de Nederlanden in den zin had zond hij in 1567 Alvarez de Toledo, hertog van Alva (d.i. Alva de Tom-mes, in \'t n.w. van Spanje, ten z.o. van Salamanca), als kapitein-generaal aan \'t hoofd van een leger van ongeveer 17,000 man, grootendeels oudgediende en geharde mannen. Het heette nog steeds dat de koning later zelf zou komen. Alva was de wreedste man, dien Philips kon vinden, een van de invloedrijkste leden van den raad, die te Madrid was gevestigd en die Philips in het bewind over zijn uitgestrekt rijk terzijde stond. Niemand was er in de Nederlanden, die zich tegenover dien Alva durfde stellen. Menig edele, zooals Aremberg en Megen, die voorheen, althans ten deele, de grieven tegen Philips had gedeeld, was, hopende op ruime gunsten en gaven, in een trouw dienaar der dwingelandij herschapen. Slechts Willem wachtte in het buitenland op den dag der wrake.

6

Wijnnk, Gesch. v. li. Vaderl., Achtstc druk.

-ocr page 92-

§ 12.

S2

De Nederlanden onder V bestuur van Philips\' landvoogd Alva.

De komst van Alva was Margareta een doorn in \'t oog. Zij had Philips dien stap steeds afgeraden op grond dat het land voor goed tot rust was gebracht en voegde zich, toen de gevreesde generaal er was, naar het onvermijdelijke. Maar sedert zij bespeurde dat hij, behalve de aanstelling tot kapitein-generaal, nog een buitengewone volmacht had, drong zij met zooveel nadruk op haar ontslag aan, dat zij het op \'t eind van 1567 verwierf en onverwijld naar Italië vertrok. Terstond werd Alva in haar plaats algemeen landvoogd.

Thans namen de wreedheden een aanvang. De raad van beroerte, door het volk weldra met juist inzicht bloedraad geheeten, werd opgericht. Hij bestond uit twaalf leden en had Alva zelf tot president. Slechts twee van hen. Vargas en del Rio, de eerste een Spanjaard, de andere een Nederlander, uit Spaansche ouders geproten, mochten stemmen. Van de Nederlanders was Hessels er een. De eindbeschikking behield Alva steeds zichzelf voor, omdat, gelijk hij den koning schreef, de rechtsgeleerden alleen veroordeelden wegens bewezen misdaden en hij die euveldaden wenschte te vervolgen, welke niet rechtstreeks voor bewijs vatbaar waren. Hierdoor wordt het licht te verklaren, hoe het einde altijd de dood was. Zoovaak Alva zelf — wat later dikwijls gebeurde — niet voorzat, was Vargas president. De raad vonniste, met uitsluiting van alle andere rechtbanken en hoven, over datgene, wat Alva hoog-verraad noemde. Ook drong hij zich in de plaats van den raad van state. Het is overbodig er op te wijzen, dat de instelling van dien raad en alles, wat hij deed, een volslagen schending was van alle handvesten en privilegiën. Buitengewone tijden, kan men zeggen, ver-eischen buitengewone maatregelen. Doch niet juist dit was de heer-schende gedachte van Alva bij de oprichting dezer rechtbank, en in allen gevalle was èn de instelling èn de geheele wijze van doen van den raad van te buitengewonen aard. In drie maanden tijds beroemde Alva zich 1800 menschen te hebben laten ter dood brengen. Onder de beroemdste offers waren Egmond en Hoorne, wien het niet baatte dat zij ridders van \'t gulden vlies waren en die in allen gevalle, naar de toenmalige rechtsbegrippen, voor een rechtbank, uit mede-leenrnannen samengesteld, hadden moeten te recht staan. Eenige van de hoofdpunten der aanklacht tegen hen waren: hun tegenstreven van Granvelle en van de inquisitie, het bevorderen van de ketterij, de deelneming aan Oranje\'s samenzwering tegen de Spaansche regeering. Op deze en andere gronden, deels onwaar, deels onjuist voorgesteld, werden de beide ridders veroordeeld.

De 5de Juni 1568 was de noodlottige dag der terechtstelling of liever van den gerechtelijken moord. Op dien dag was de stad Brussel, waar zij plaats greep, met een somber floers overtogen. Alle bezigheden

-ocr page 93-

stonden stil, de winkels waren geslo\'en, de klokken luidden. Het scheen alsof het jongste gericht stond te worden gehouden. Zóó vielen twee mannen, die minder door hun daden, dan door hun rampzaligen dood tot de bevrijding der Nederlanden hebben bijgedragen. Al hun goederen werden ten bate des konings verbeurd verklaard. Die van Hoorne hadden, zooals die van een menigte andere edelen, veel geleden. Hij had steeds weinig van den koning getrokken en groote sommen voorgeschoten. De laatste hoeve, die hij nog bezat, had hij verpand om Alva behoorlijk te kunnen ontvangen. Dat de namen van Egmond en Hoorne, ook na drie eeuwen, door hun landgenooten niet waren vergeten blijkt uit de standbeelden, in \'t jaar 1864 ter eer hunner nagedachtenis te Brussel opgericht.

Hierbij liet de raad van beroerte het niet. De prins van Oranje en andere uitgeweken edelen werden insgelijks op zware beschuldigingen voor hem gedaagd. Zij verschenen niet, en met reden. Maar aan offers was geen gebrek, hoewel het niet bewezen is dat de Spaansche inquisitie in een plechtig geschrift alle Nederlanders, op zeer weinigen na, als ketters, des doods schuldig heeft verklaard. Rijk te zijn was op zichzelf een misdaad, daar Alva den koning had beloofd, dat de verbeurdverklaring zeer veel geld zoude opbrengen. Eenigen tijd na Egmond en Hoorne ondergingen Jan van Casembroot, heer van Bakkerzeel, Egmondsgeheimschrijver, en Antonius van Straalen, burgemeester van Antwerpen, hetzelfde lot. In 1570 werd Montigny, na in Spanje een paar jaren in den kerker te hebben gezucht, insgelijks op een vonnis van den bloedraad, in \'t geheim geworgd, wat hem nog als een weldaad werd toegerekend. Zijn reisgenoot Bergen was reeds in 1567 aan een ziekte bezweken. Desniettegenstaande werd zijn nagedachtenis met een vonnis bezoedeld, opdat zijn bezittingen den koning niet ontgingen. Ook andere gewelddadigheden bedreef Alva. Tegen de voorrechten der hoogeschool te Leuven liet hij in 1568 den oudsten zoon van prins Willem, Philips Willem, graaf van Buren, vandaar oplichten en naar Spanje voeren, waar hij, als gijzelaar voor de trouw des vaders, onder nauw toezicht werd opgevoed.

Treurig was, te midden van al die tooneelen van diepen rouw, de toestand van het land. De geestkracht der natie scheen verlamd. Van een algemeenen opstand gewaagde niemand. Wie zou het sein hebben gegeven? De eenigen, die wraak namen, waren de wilde of bosch-geuzen, d. i. een menigte Onroomschen, die, door de geloofsvervolging van have en huis beroofd, allengs verwilderd en struikroovers geworden waren. Maar welhaast daagde er bijstand van buiten op. Veelszins getergd, door den roof van zijn zoon en door de verbeurdverklaring van \'t geen hij bezat, greep Willem eindelijk naar de wapens. Ofschoon rijk in grondbezittingen, had ook hij zware schulden. Daarom verkocht hij al zijn losse goederen en kostbaarheden. Edelmoedig kwamen hem zijn broeders, sommige Duitsche vorsten en uitgeweken Nederlanders

-ocr page 94-

84

te hulp. Zoo werden er eenige legers bijeengebracht en van verschillende kanten invallen in Nederland beproefd. Een kortstondig geluk begunstigde de kloeke onderneming. Lodewijk van Nassau zegevierde bij Heiligerlee (ten w. van Winschoten). Aremberg sneuvelde er, maar ook Willems broeder Adolf. Megen werd bij voorraad stadhouder van Arembergs gewesten, doch weldra vervangen door Ka sper de Robles, heer van Billy. De taak om Lodewijk te fnuiken behield Alva zichzelf voor. Eerst liet hij Egmond en Hoorne onthoofden. Toen was de ontsteltenis in het Zuiden groot genoeg om hem te vergunnen zich een tijdlang te verwijderen. Bij Jemmingen (Jemgum, nabij Leer in Oost-Friesland) geraakte hij slaags met Lodewijk, dien hij versloeg. Kort hierna trachtte Willem Alva, in de omstreken van Maastricht gelegerd, uit zijn verschansingen te lokken en tot een veldslag te noodzaken. Het was vruchteloos. Alva wachtte, totdat de uitputting zijner geldmiddelen zijn vijand verplichtte zijn troepen af te danken en naar Duitschland terug te keeren.

Nu was het voorspel geëindigd en de tachtigjarige oorlog begonnen. Binnen kort nam de Nederlandsche natie zelve een werkzaam aandeel aan den strijd. Kon zij, dit doende, zich voor zichzelve en voor onpartijdige rechters verantwoorden? Zonder twijfel. In zekeren zin had de opstand plaats om de geloofsvervolging en om de instelling van den tienden penning, waarvan straks nader, om de andere zware geldheffin-gen, om de oprichting van den bloedraad en wegens de verdere schending der privilegiën. Toch is in al die handelingen van Philips of van Alva, hoeveel ergernis zij ook gaven, de eigenlijke grond niet te zoeken. Evenmin is hij juist hierin gelegen, dat men slechts had gezworen den koning zoolang te zullen gehoorzamen als hij zijn eed hield. De hoofdgrond, waarom het volk te wapen liep en den kamp op leven en dood aanging, was de innige, wel gevestigde afkeer van een dwingeland , die alleen naar vermeende beginselen van recht en plicht en naar bekrompen uitheemsche begrippen, geenszins in overeenstemming met de zeden en de belangen van \'t volk wilde regeeren. Het bewind van Philips was het tegendeel van een nationaal bewind. Waarom zou men zich nu gebonden achten aan een vorst, die, door een reeks van toevallige gebeurtenissen, huwelijken, koop, verovering, landsheer der Nederlanden geworden, in alle opzichten het tegendeel was van \'t geen zij mochten verwachten? De grond alzoo, waaraan de opstand zijn recht ontleent, is de noodzakelijkheid der zelfverdediging. Doch wat behoeft men van recht tot opstand te spreken? bij zulk een handelwijze, als zich die vorst en zijn dienaren veroorloofden, vraagt het volk niet naar staatsrecht, maar vangt den strijd aan op leven en dood.

Tachtig jaren lang heeft die oorlog geduurd, en gedurende dien tijd heeft de Republiek altijd middelen weten te vinden om niet alleen den kamp vol te houden, maar zich tevens voortdurend te verheffen. Was zij in den aanvang zoo machtig? Voorzeker neen. Een geschiedschrijver

I

-ocr page 95-

85

verhaalt, dat het haar in den beginne moeilijk viel een som van 36,000 gl. bijeen te brengen. In Noord-Holland was destijds een dorp, waarin slechts twee of drie paar schoenen waren, want het volk gebruikte doorgaans klompen. Die schoenen bewaarde men voor de overheden, opdat zij ze mochten aantrekken wanneer zij naar den Haag gingen. Toch waren er onder de Nederlandsche gewesten een paar, n.1. Holland en Zeeland, welker welvaart en bevolking in de laatste eeuw (zie blz. 43, 63 vlg.) zoo sterk waren toegenomen, dat zij in staat waren menig offer op het altaar van \'t vaderland te brengen.

Om te doen zien, vanwaar, behalve uit de beurzen der ingezetenen, de noodzakelijke gelden kwamen, wordt hier met een enkel woord van de konvooi- en licentgelden gesproken. Sinds den afval van Brielle en van andere steden (zie beneden blz. 88 vlg.) begonnen de Zeeuwen en de Hollanders een verlof- of Heen/geld te heffen van den handel, op de Spaanschgezinde steden gedreven, voor elke waar die zij doorlieten. Op die wijze werd van den vijand zeiven belasting geheven met zulk een gunstigen uitslag, dat er in \'t eerste jaar niet minder dan 850,000 gl. werd ontvangen. Van soortgelijken oorsprong waren de konvooi- of geleigelden. Vóór den tachtigjarigen oorlog was het konvooigeld een recht, dat die schepen betaalden, welke vergunning vroegen om zekere rivieren vrij te bevaren. Na het uitbarsten van den opstand vorderden de geuzen van de handelsvaartuigen, zoowel van landgenooten als van vreemdelingen, die zij over de onveilige zee begeleidden, een goede betaling voor den dienst. Zelfs al begeleidden zij ze niet, toch vroegen zij de belooning, èn voor \'t verstrekken van een paspoort of vrijgeleide, èn als afkoop van plundering. Wel bereikte slechts een gedeelte dier gelden de schatkist; doch ook dat gedeelte was niet te versmaden. Spoedig namen de konvooien en licenten het karakter aan van uitgaande en inkomende rechten en bleven tot in deze eeuw bestaan. Zij werden een vast recht, dat van alle waren bij den in- en uitvoer werd betaald. De gelden , hieruit voortspruitende, stonden onder \'t beheer van de Staten-Generaal en werden ten behoeve der zeemacht besteed.

Door den uitslag zijner kruistochten overmoedig geworden, liet Alva een kostbaar standbeeld ter eere van zichzelf gieten en plaatste het in de citadel van Antwerpen, vóór korten tijd op zijn last gebouwd. Verder maakte hij zich gereed, de privilegiën van alle steden en gewesten aan een herziening te onderwerpen en riep in 1569 de Alge-meene Staten te Brussel bijeen. Het doel der bijeenkomst was de grafelijke bede door vaste, algemeene belastingen te vervangen. Alva achtte het beneden de waardigheid van een vorst zijn onderdanen om geld te verzoeken. Reeds had hij de rechtsmacht aan zich getrokken. Gelukte ook dit plan, dan was het onbeperkt gezag van den landheer gevestigd. Drie belastingen waren het, welke de landvoogd van zins was uit te schrijven: 1) een heffing voor eens van het honderdste der waarde of 1 p.c. van alle roerende en onroerende eigendommen (de

-ocr page 96-

86

honderdste perming), en dan, bij verkoop, 2) een heffing van tien ten honderd van de roerende {de tiende penning) en 3) van vijf ten honderd (de twintigste penning) van de onroerende goederen. Hiermede zouden de accijnsen, tot dusver door de provinciën geheven, vervallen. Het eerst deelde Alva zijn denkbeelden omtrent het nieuwe belastingstelsel aan den raad van state mede. Dit lichaam verklaarde zich er tegen, vooral tegen den tienden en den twintigsten penning. Geheel onbekend was die belasting niet in deze landen (zie blz. 71); maar de invoering als stelsel was het inzonderheid, waartegen de landzaten ijverden.

Volksdichters hebben de geheugenis bewaard der verbittering, door deze belasting onder het handeldrijvende volk verwekt. In een dier gedichten leest men o.a.:

„Helpt nu u zelfs, zoo helpt u God Uit der tirannen band en slot.

Benauwde Nederlanden.

Gij draagt den bast al om uw strot,

Rept fluks uw vrome handen.quot;

Na vervolgens te hebben aangeduid, dat de Spaansche hoogmoed den Nederlanders aireede Gods woord heeft ontnomen, gaat de maker van het vers aldus voort:

„Maar die zijn hart op Mammon stelt Moet ook ontberen \'t lieve geld.

Hij (Alva) eischt de tienden met geweld.

Die geeft zal niet behouden.

Want geeft men dik van tienen een,

Daar blijft ten laatste één of geen.

Wol mag den herder stillen.

Deez\' is met wol, noch melk tevreên,

Hij wil de schaapkens villen.quot;

Elders, in een ander volkslied, voert men Alva zelfaldus sprekende in:

„\'t Bederven van hun land hadden zij geen acht,

Zoolang ik hen bij den vleeschpot liet blijven.

Maar nu ik hun Mammon aanroer met kracht.

Willen zij mij uit hun landen verdrijven.quot;

Wederom joeg Alva thans de katholieken, die de beeldenstorm van de hervormden had vervreemd, tegen alles, dat van den Spaanschen kant kwam, in \'t harnas. Toen de zaak den staten werd voorgelegd, stemden zij in den honderdsten penning toe, doch weigerden den twin-

-ocr page 97-

87

tigsten, en inzonderheid den tienden, zoo drukkend voor den handel. De hertog was gebelgd en dreigde met Spaansche bezettingen. Nu durfden de staten niet langer tegenstand bieden; alleen die van Utrecht hielden vol. Op het oogenblik der uitvoering echter weifelde Alva zelf. Hij verklaarde zich bereid tot het verkenen van een uitstel van zes (later ingekrompen tot twee) jaren, indien de staten den honderdsten penning op den eigendom dadelijk betaalden en den tienden en den twintigsten penning afkochten voor een som van 2,000,000 gl. jaarlijks. Dit ging door.

Intusschen vaardigde de hertog in 1570 een algemeene vergififenis uit. Doch op dien regel van algemeene vergetelheid waren zoovele uitzonderingen, dat de volksdichters zeiden, dat men hier aan geen Pardona (een woordverdraaiing van pardon of vergiffenis), maar aan Fandora had te denken. Tot opheldering werd er bijgevoegd, dat Pandora een zeer schoone vrouw was, lang vóór de verrijzenis des Heeren door de goden naar de aarde gezonden. Naar het scheen was dit om wèl te doen; maar de booze heks had een koffertje bij zich, waaruit ziekten en briefjes voor den tienden penning te voorschijn kwamen. Dat evenwel op den bodem van het koffertje de Hoop lag schonk den mannen hier te lande vertrouwen en deed hen naar de vervulling dier verdichte belofte haken. Grooter dienst dan door de algemeene vergiffenis bewees Alva aan de Nederlanden door de samenstelling en de afkondiging der beide crimineele ordonnantiën in 1570. Deze ordonnantiën waren een verzameling van strafwetten en behelsden tevens een verbeterde wijze van procedeeren in crimineele zaken: tezamen maakten zij een volledig wetboek van strafvordering uit. Tot grondslag dezer verordeningen dienden de landsgewoonten en privilegiën. Nog twee eeuwen daarna roemden de kundigste rechtsgeleerden den verlichten en gematigden geest, die er in heerscht, evenzeer als zij erkenden, dat het meesterstukken van wetgeving waren. Hoe voortreffelijk intusschen de verordeningen ook waren, in de meeste gewesten van ons land werden haar voorschriften, na den afval van Philips, weinig meer gevolgd.

In Augustus 1571 zouden de twee jaren van verademing verstreken zijn. In April werd het ontwerp op nieuw bij den raad van state ingediend. Deze raad verwierp het, hoofdzakelijk, omdat het recht van goed- en afkeuring der staten, zoo het het plan van den penning doorging, slechts in naam bestond. Op aandrang van mannen, als Viglius en Barlaimont, stond Alva wel eenige verzachtingen toe, doch hield voor \'t overige hardnekkig vol. In weerwil van die wijzigingen, b. v. dat de belasting niet van toepassing zou zijn op de voortbrengselen van den grond en op het vee, verwierpen ook de staten het ontwerp. Toch wilde de hertog de belasting heffen. Hij begon met Brussel, waar zijn eigen tegenwoordigheid, gelijk hij meende, den tegenstand zou breken. De overheid gaf inderdaad toe; maar de gilden, bovenal de slagers en de brouwers, tartten den toorn van den landvoogd en sloten hun winkels. Alva had geen begrip van den afkeer, die hier te lande tegen den

-ocr page 98-

88

tienden penning bestond. In Spanje, in zijn eigen bezittingen werd hij zonder moeite geïnd. Hij was woedend. Juist toen hij het tot een punt van overweging zou hebben moeten maken wat hem bij dat algemeene verzet stond te doen, weerklonk de mare van de verrassing van Brielle.

In de jaren, die het naast aan deze verrassing voorafgingen, was maar één aanvankelijk gelukte poging tot afbreuk der Spanjaarden gedaan. Het is die van Herman de Ruyter in December 1570. Deze wakkere veehandelaar uit \'s Hertogenbosch maakte zich, naar aanleiding eener opdracht van Willem van Oranje, met een klein getal manschappen meester van het slot Loevestein (bij de samenvloeiing van Maas en Waal, in \'t z. w. van Gelderland). Tien dagen lang verdedigde hij zich hier tegen een groote overmacht der Spanjaarden, die hem kwam overvallen, totdat hij, ziende dat hij moest bukken, een hoop buskruit, waarmede hij vooraf den vloer had bestrooid, in brand stak, hierdoor nog eenige vijanden wondde, maar eindelijk ook zelf in den strijd omkwam. Dat de Ruyter met den binnendringenden vijand in de lucht vloog heeft men lang ten onrechte gemeend.

Duurzamer gevolgen had de aanslag, op den isten April 1572 tegen de eerst vermelde veste, tegen Brielle, ondernomen. Sedert 1568 was er een begin gemaakt met het vormen eener macht ter zee van schepen, bemand met lieden, die den Nederlandschen bodem ontweken. Deze vrijbuiters vroegen en verkregen van Willem van Oranje lastbrieven om de Spanjaarden ter zee te bestoken. Het verleenen van zulke lastbrieven door den stadhouder was in die dagen niets ongewoons. Het geschiedde zelfs ook wel door een enkele stad. Bovendien was de prins ten overvloede regeerend vorst. Met de lastbrieven namen de zeelieden tevens de driekleurige vlag aan — rood of oranje, wit en blauw, — omdat zij de kleur was van het wapen van \'t hoofd van den opstand van Willem van Oranje. Alzoo werd de driekleurige vlag, weldra ook aangenomen door de steden, die de zaak van Willem omhelsden, sedert 1572 de nationale vlag der Nederlanden. Eigenlijk was oranje, niet rood, de eene der drie kleuren. Maar reeds vóór 1560 vond men zoowel de eene als de andere tint. De roode werd meer algemeen, omdat de oranjekleur minder stand houdt en niet zoo goed uitkomt.

De vrijbuiters, welke onder die vlag gingen varen, noemden zich Watergeuzen. Tot dusver waren deze kapers op hun tochten vaak de Engelsche havens binnengeloopen om zich van levensmiddelen te voorzien, hun prijzen te gelde te maken of er een schuilplaats te zoeken. Doch eensklaps verbood koningin Elisabeth, beducht voor een oorlog met Spanje, haar onderdanen den Watergeuzen verder te verstrekken wat zij behoefden. Zoo werd hun vloot, staande onder \'t bevel van Luiney, graaf van der Marck, als admiraal, Willem van Blois van Treslong, Jacob Simonsz. de Rijk, vroeger koopman te Amsterdam, Adam van Haren en anderen, gedwongen zee te kiezen. Nu besloten ze deze of gene stad van Noord-Holland te vermeesteren.

-ocr page 99-

89

Doch tegenwind belette dit en dreef hen voor den mond var; de Maas. Gebrek aan mondvoorraad noopte tot handelen. Daarom eischten zij Brielle (op Voorne) in naam van den prins op. Eer de regeering, die zich den tusschentijd te nutte maakte om met de meeste ingezetenen te vluchten, een bepaald antwoord had gegeven, veroverden de Watergeuzen de stad zonder moeite. Zij was bijna geheel verlaten en werd, na kort beraad, voor den prins in bezit gehouden, „\'t Is nietsquot; zeide Alva. Maar de teerling was geworpen. De inneming of verrassing van Brielle op den isten April werd de grondslag der vestiging van de onafhankelijkheid oer Vereenigde Nederlanden. Daarom leven Blois van Treslong, de Rij Ie en de overige deelgenooten van den tocht als de medegrondleggers van den staat in de dankbare herinnering hunner landgenooten voort.

Vruchteloos beproefde Boussu, zelfs nog eer Alva hem het bevel hiertoe kon geven, tegen Brielle opgerukt, de stad te heroveren. In tegendeel, de afval plantte zich voort. Vijf dagen na den isten April stond Vlissingen uit eigen beweging tegen de Spaansche benden op en sloot de versterking, door Alva in aller ijl afgezonden, buiten haar wallen. Ook Veere werd voor de vrijheid gewonnen. Enkhuizen, Dordrecht, Leiden, Gouda, Hoorn, Alkmaar en andere steden van Noord- en Zuid-Holland volgden. Hierop namen ook vele steden van Gelderland, Utrecht, Overijsel en Friesland bezettingen van den prins in. In al die steden werd de regeering veranderd en de nieuwe overheid verplicht trouw te zweren aan den koning van Spanje en aan den prins van Oranje. De strijd toch werd gevoerd niet tegen den koning, maar tegen Alva en de andere dienaren van Philips. Inmiddels bekwam Noord-Holland een voorloopig hoofd in Diederik Sonoy, door den prins tot stedehouder voor die landstreek benoemd. Terwijl Willem, hoewel afwezig, voor de belangen van het Noorden zorgde, volvoerde zijn broeder Lodewijk een schitterend wapenfeit door de verrassing van Bergen (in Henegouwen). Men mocht hopen de stad te kunnen behouden, indien de koning van Frankrijk, Karei IX, woord hield en hulpbenden zond Deze soldaten verschenen metterdaad, maar werden door Alva\'s zoon, Don Fadrique, verslagen. Nog was er echter geen reden om te wanhopen. De prins van Oranje zelf viel in Limburg en deed een zegevierenden tocht door de Zuidelijke Nederlanden tot in Vlaanderen. Hem vielen vele steden toe of betaalden schatting. Weldra verwachtte men Coligny {Algctn. Geschied. III, 7de druk, blz. 74) met nieuwe Fransche troepen.

Doch eensklaps werd aan alle goede verwachtingen vau bijstand uit Frankrijk de bodem ingeslagen. In Augustus greep te Parijs de moord plaats, berucht onder den naam van bloedbruiloft of Bar thclomaeusnachl (t. a. p. blz. 77 vlg.), waarbij Coligny zelf in de eerste plaats werd omgebracht. Het was alsof Willem met één slag ter aarde werd geworpen. Van nu aan viel er voor de Nederlandsche protestanten niet meer te rekenen op onderstand van de Fransche regeering. Willem, niet in staat zijn leger langer bijeen te houden, moest elke poging om

-ocr page 100-

90

Lodewijk te ontzetten staken en vertrok naar Holland, na de troepen te hebben afgedankt. Weldra ging Bergen bij verdrag aan Alva over, en ook Lodewijk verwijderde zich.

Te midden van al die krijgsbedrijven zag de hertog van Alva voor goed af van den tienden penning onder voorwaarde dat de Algemeene Staten hem jaarlijks ten minste 2,000,000 gl. zouden opbrengen. Wegens deze zaak beschreef hij de staten van Holland ter dagvaart tegen den i4den Juli te \'s Hage. Sommigen verschenen op dien last, b. v. Amsterdam. Maar de prins had evenzeer behoefte aan geld als zijn tegenstander. Alzoo hielden, op zijn voorstel, ongeveer terzelfdertijd, op den i9den Juli en volgende dagen, eenige edelen, alsmede gemachtigden van Dordrecht, Haarlem, Leiden, Gouda, Gorkum, Alkmaar, Oudewater, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam en Monnikendam een vergadering te Dordrecht. Deze vergadering, de eerste die in Holland met terzijdestelling van Alva\'s gezag werd gehouden, verklaarde, in een tijd, dat het land was verlaten door de overheid (het hof was naar Utrecht geweken, Willem nog afwezig), het na rijp beraad noodig te hebben geacht de zaken bij de hand te nemen, het land te beschermen , voor oproer en plundering te bewaren en de eendracht, de rechts-oefening en goede regeering te herstellen. Verder werd hier besloten prins Willem te erkennen als generaal-gouverneur en luitenant des konings, d. i. als plaatsvervanger van Alva, en als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, vermits hij tevoren door Philips was benoemd en nimmer op wettige wijze afgezet. In deze vergadering, waar alles geschiedde zonder de bedoeling om nadeel toe te brengen aan \'s konings gezag, verscheen Marnix van St. Aldegonde, de gevolmachtigde van den prins. Deze bijeenkomst der staten zette de kroon op de daad der Watergeuzen, De vergadering zelve en haar handelingen waren de eerste stappen tot een omwenteling, doch tot een omwenteling, steunende op de onverjaarbare rechten van het volk. Groot, ja schier grenzeloos was de macht, waarmede de prins door dit besluit der staten werd bekleed. Zelf beperkte hij ze echter door nog in \'t zelfde jaar een ordonnantie uit vaardigen, waarbij hij verklaarde niets te zullen doen dan na de staten te hebben gehoord.

Kort na de herovering van Bergen zocht Alva ook het Noorden te herwinnen. Dit gelukte hem intusschen slechts ten deele. Behalve aan de dapperheid der landzaten, inzonderheid der teruggekeerde ballingen, is dit aan den aard des lands toe te schrijven. Holland, door vele wateren doorsneden, was voor de Spaansche ruiterij zoo goed als ontoegankelijk en zelfs voor voetknechten zwaar te veroveren. Zutfen, Kaarden en Haarlem, de beide eersten in 1572, Haarlem in 1573, moesten achtereenvolgens haar poorten openen voor de Spanjaarden, door Alva\'s zoon Fadrique aangevoerd, Vreeselijke wreedheden werden in al die steden bedreven. Te Naarden riep men honderden burgers in een kerk bijeen om ze daar laaghartig te vermoorden. Bijkans alle inwoners.

-ocr page 101-

91

bezetting en burgers, werden er gedood. Lang verdedigde zich Haarlem onder den wakkeren bevelhebber der bezetting, Wij bout Ripperda, wien Kenau Hasselaar met anderen fier ter zijde stond. Doch hun dapperheid en standvastigheid kon, evenals de moed van Jan Haring, den Nederlandschen Horatius Cocles {Algem. Geschied., tiende druk, blz. 179), niet anders dan het noodlottig einde vertragen. Dat einde kwam, en honderden menschen moesten voor den tegenstand boeten. Van de steden, re dier tijd door Alva\'s zoon aangevallen, hield alleen Alkmaar onder Jakob Kabeljauw zich staande en sloeg eiken storm af, totdat het beleg in October 1573 werd opgebroken. Drie dagen na \'t ontzet van Alkmaar versloeg Kornelis Dirksz. Boussu\'s schepen op de Zuiderzee en voerde dezen stadhouder, die later ook tot de goede zaak overging, zeiven gevankelijk naar Hoorn. In dezen slag sneuvelde de onversaagde Jan Haring. Later werd Boussu tegen Marnix, die in de handen der Spanjaarden was geraakt, uitgewisseld. Na Alkmaar was Leiden aan de beurt. Het bevel tot insluiting dezer stad gaf Alva nog: de uitkomst zag eerst zijn opvolger. Reeds sinds 1570 had hij, ziende dat het geheele land hem verfoeide en in slechte verstandhouding staande met Viglius en met schier al zijn andere raadslieden, herhaalde malen bij den koning op zijn ontslag aangedrongen. Hierop had Philips den hertog van Medina-Celi tot opvolger van Alva benoemd, die in 1572 in de Nederlanden aankwam, er ongeveer één jaar vertoefde en, na menig geschil met Alva, onverrichter zake weder vertrok. Eindelijk werd de wensch van den dwingeland in \'t laatst van 1573 voor goed vervuld. Hij ging met schulden overladen en den vloek medenemende van al wat Nederlander was. Bij zijn vertrek moet hij zich hebben beroemd 18,600 ingezetenen dezer landen door de hand des scherprechters te hebben laten ter dood brengen.

§ 13-

De Nederlanden gedurende het bewind van Requesens en van Don Jan van Oostenrijk. — De Unie van Utrecht.

Alva\'s opvolger was Don Louis de Requesens y (^uniga, groot-kommandeur van Castilie. Hij was gematigd en van een geheel anderen aard dan zijn voorganger, zonder echter in de hoofdpunten een tegenovergesteld gevoelen te zijn toegedaan. Een oud schrijver meent, dat Nederland in plaats van een draak nu een vos of krokodil bekwam. Ook de opdracht, die Requesens in last had te volvoeren, was geen andere dan de vroegere. Geen verzoening mocht plaats grijpen tusschen Philips en zijn onderdanen, die niet \'s konings onbeperkt gezag en het volstrekte verbod van eiken godsdienst, behalve van den Roomsch-katholieken, tot grondslag had. Men ziet het: mochten al de maat-

-ocr page 102-

92

regelen, die Requësens nam, iets zachter zijn, de zaak bleef dezelfde. Voor \'t oogenblik had de nieuwe landvoogd een gegronde reden om vooreerst eenige toegevendheid of althans weinig werkzaamheid aan den dag te leggen. De geldkist was uitgeput; groote sommen was men, wegens achterstallige soldij, aan het Spaansche leger schuldig, en de rijke schatten uit Amerika\'s mijnen waren ternauwernood voldoende om in de noodzakelijke krijgskosten te voorzien.

Het eerste nadeel, dat Requësens ondervond, was dat Middelburg, hetwelk sedert lang werd belegerd, zich genoodzaakt zag zich in 1574 aan den prins over te geven. Hierop volgde echter de voor Nederland noodlottige slag op de Mookerheide of bij Mook (ten z. van Nijmegen), waar d\'Avila, de Spaansche veldheer, de zege behaalde en Lodewijk van Nassau met zijn broeder Hendrik omkwam. De eenige gunstige uitwerking, die Lodewijks inval had, was deze dat de Spaansche troepen, die het beleg voor Leiden hadden geslagen, vandaar trokken om d\'Avila bij Mook ter zijde te staan. Doch terstond na den slag werd het beleg hervat en Leiden door den Spaanschen bevelhebber Valdez of Baldez zeer in \'t nauw gebracht. In weerwil van de tegenwerking veler flauwhartigen werd de stad wakker verdedigd door Jan van der Does, of, gelijk hij als Latijnsch dichter wordt genoemd. Janus Douza, den standvasugen burgemeester Pieter Adriaansz van de Werff en anderen. Toch was de hongersnood reeds op \'t hoogst geklommen en zou de stad zijn bezweken, indien men niet, op last van den prins, de dijken van Maas en IJsel doorgestoken en de sluizen van Rotterdam en Schiedam opengezet had. Dit deed men in \'t begin van Augustus 1574. Maar de heilrijke gevolgen van dit doorsteken lieten zich niet zoo spoedig bemerken. Tot ontzet der veste kwam inmiddels de admiraal Boisot met een vloot, die tevens levensmiddelen aanvoerde, uit Zeeland opdagen. Hij had met vele zwarigheden te kampen. Zijn schepen moesten over of door menigen wal of dijk varen, zijn manschappen den vijand, in talrijke schansen gelegerd, bevechten; de wind, die dagen lang ui), het o. woei, liet de vloot op het drooge. Eindelijk blies de wind in de eerste dagen van October uit het n.w. en vervolgens uit het z.w. Nu drongen de wateren van den Oceaan met onweerstaanbaar geweld landwaarts in en dreven de belegeraars op de vlucht. De 3de October was de dag van t ontzet. De vloot voer Leiden binnen en verzadigde de hongerenden. Tot belooning voor haar volharding verwierf de stad o.a. in \'t volgend jaar een hoogeschool, die de prins en de staten haar uit naam van Philips schonken, want men hield zich nog steeds — zoo groot is de kracht der gewoonte — aan den ouden vorm en bestreed Philips\' benden in naam van Philips zelf.

Gedurende het jaar 1574, dat in \'t licht stelde, hoe weinig men in staat was met geweld van troepen geheel Holland te onderwerpen, liet Requësens een algemeene amnestie afkondigen. Zij bevatte niet vele uitzonderingen, maar één voorwaarde, die haar zoo goed als vernie-

-ocr page 103-

93

tigde: terugkeer tot de Roomsch-Katholieke kerk. Dezelfde oorzaak deed den vrede, dien keizer Maximiliaan als middelaar in 1575 te Breda trachtte tot stand te brengen, op niets uitloopen. Alzoo werd de oorlog hervat. Requêsens sloeg het beleg voor Zierikzee, doch mocht het einde dier onderneming niet beleven. Hij stierf in 1576.

Intusschen begon men meer wettige vormen te geven aan de macht, waarmede Willem van Oranje was bekleed. Nadat de staten van Holland hem in 1575 de hooge overheid over dat gewest hadden opgedragen, werd de prins in 1576 met dezelfde macht in Zeeland bekleed. Het was een gevolg van de nauwe vereeniging, die de steden der beide gewesten eerst in 1575 en vervolgens, bij vernieuwing, in 1576 met elkander aangingen. Duidt deze stap der staten reeds aan, dat zij den band, die, naar zijzei ven voorgaven, nog Uisachen hen en Philips bestond, zochten los te maken, hetzelfde bleek nog duidelijker, toen zij pogingen aanwendden om de souvereiniteit over Holland en Zeeland aan Engeland aan te bieden. Het aanbod werd evenwel van de hand gewezen. Het aan Frankrijk te doen gedoogde de binnenlandsche toestand van dit rijk niet, en alzoo bleven de verbonden gewesten op zichzelven staan.

Bij gebrek aan eenige beschikking aanvaardde de raad van state, na Requêsens\' dood, het bewind over de getrouw gebleven staten. Omtrent terzelfder tijd hield de raad van beroerten, die gedurende de regeering van Requêsens meer gekwijnd dan geleefd had, geheel op te bestaan. Weldra had de raad van state met onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Mondragon, die het bevel voerde over het krijgsvolk, dat voor Zierikzee lag, had eindelijk de voldoening de stad bij verdrag in zijn handen te zien overgaan; maar te gelijker tijd stonden de Spaansche troepen, die op Schouwen lagen, op en eischten betaling van de sedert lang verschuldigde soldij. Geen vertoogen of afgevaardigden van den raad van state konden de soldaten bevredigen. Dicht ineengesloten, rukten zij met die officieren, welke het met hen eens waren, uit Zeeland naar Brabant, ten einde, met of zonder geweld, aan geld te komen. Waar zij kwamen plunderden zij de kleine steden en stroopten het platteland af. Met schrik bespeurden de burgers van de Zuidelijke Nederlanden wat er gaande was. De raad van state liet machtelooze plakkaten afkondigen, zelfs zoover gaande, dat hij elk gelastte de Spaansche soldaten, waar men hen aantrof, als moordenaars dood te slaan. Dus begrepen de staten van de Zuidelijke Nederlanden op niemand dan op zichzelven te moeten rekenen. De muiterij der soldaten, die zich hoe langer hoe verder had uitgebreid en waarin een goed deel van het leger, bevelhebbers en manschappen, deelde, was voor Willem een hefboom van onberekenbaar gewicht. In dien stand van zaken vond zijn krachtig woord weerklank. Op zijn aanvraag kwamen afgevaardigden uit het meerendeel der Zuidelijke gewesten te Gent bijeen ten einde een verbond te sluiten met Holland en Zeeland. Terwijl deze gemachtigden raadpleegden, richtten de Spaansche solda-

-ocr page 104-

94

ten, zoowel de muitelingen, als zij, die niet in opstand waren en de bezetting van \'t kasteel der stad uitmaakten, om zich voor de lange onthouding van de hun toekomende soldij schadeloos te stellen, te Antwerpen een tooneel van moord en plundering aan, gruwelijker dan nog ergens was aanschouwd. De daad zelve, als het toppunt aller gruwelen, door dat krijgsvolk aangericht, noemt men de Spaansche furie. Zij oefende een krachtigen invloed op de beraadslagingen der staten uit. Den Ssten November was het stuk gereed, bekend onder den naam pacificatie oi bevrediging van Gent. Hetstelde een verbintenis vast tusschen een paar van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, waarbij men overeenkwam de Spaansche soldaten den lande uit te drijven en zich later op het stuk van godsdienst onderling te verstaan. Het verdrag werd onderteekend van wege den prins van Oranje, Holland, Zeeland en Zalt-Bommel ter eener zijde, door Brabant, Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Namen, Utrecht, Mechelen en nog eenige andere steden uit het Zuiden, die de Spaansche zijde hielden, aan den anderen kant. Andere gewesten namen de pacificatie kort hierna aan, b.v. Friesland, Groningen en Drente. Hier nam men den stadhouder de Robles (zie blz. 84) gevangen, in wiens plaats George van Lalaing, later graaf van Rennenberg (een voormalig graafschap in Limburg, tusschen Sittard en Valkenburg), door de Algemeene Staten werd aangesteld.

Vier dagen vóór de afkondiging van het Gentsche verdrag overschreed de man, dien Philips II tot opvolger van Requêsens had benoemd, de grenzen van Nederland en kwam te Luxemburg aan. Het was Philips\' bastaardbroeder, Don Jan van Oostenrijk (zie blz. 72). Reeds; had hij, hoe jong ook, schitterende lauweren behaald in de oorlogen tegen de Mooren en de Turken en spiegelde zich van de toekomst een nog luisterrijker tijdperk voor. De aanvang beantwoordde niet aan die verwachting. De eerste eigenschap, die van den held werd gevergd, was geduld en beleid bij \'t onderhandelen. Want de Algemeene Staten gaven hem welhaast te kennen, dat zij, niet dan op zekere voorwaarden, hem als landvoogd konden erkennen. Eer de onderhandelingen nog waren afgeloopen, kwam er tusschen de gewesten een nieuw verdrag ter bekrachtiging der pacificatie tot stand. Het heette de nnie van Brussel en werd in Januari 1577 gesloten. Een der hoofdredenen, waarom het werd ontworpen, was dat men de Roomsch-katholieken, die anders wellicht de zaak van Don Jan zouden omhelzen, zooveel mogelijk omtrent het punt van den godsdienst wenschte gerust te stellen. Daarom werd in dit stuk de uitsluitende handhaving van den Roomsch-katholieken godsdienst op den voorgrond gesteld. Met uitzondering van Luxemburg namen de voornaamste ingezetenen van alle gewesten het aan. Slechts Holland en Zeeland teekenden onder de uitdrukkelijke bepaling, dat zij alleen in zoo ver toetraden, als de tegenwoordige unie niet afweek van de Gentsche bevrediging, en dat zij, wat het artikel van den godsdienst en van \'t gezag des konings betrof, zich

-ocr page 105-

95

hidden aan \'t geen de vergadering der Algemeene Staten, na \'t herstel der rust, zou vaststellen. Tegenover zulk een krachtige houding vermocht Don Jan niet veel. Hij willigde de gestelde eischen in bij een verdrag, gesloten in Februari 1577 en het eeuwig edict geheeten. Hierbij werd de pacificatie bekrachtigd en de wegzending der vreemde troepen beloofd. Een deel der troepen vertrok metierdaad, en Don Jan aanvaardde de landvoogdij; maar het wantrouwen van weerszijden wilde niet wijken.

Van een bewind van den nieuwen landvoogd in den eigenlijken zin kan geen sprake zijn. Vruchteloos trachtte hij ook Willem, die volstrekt geen vertrouwen :n hem stelde en zich, met Holland en Zeeland, zorgvuldig hoedde het eeuwig edict te onderteekenen, voor de zaak des konings te winnen. Eensklaps wierp hij in 1577 het masker der lijdelijke houding, tot dusverre door hem gedragen, af door op zekeren dag in persoon het slot te Namen te verrassen en er rich te vestigen. Te gelijker tijd zocht hij zich door zijn aanhangers van eenige andere sloten, b.v. van Antwerpen, te verzekeren, welke aanslag echter, voor zoover deze stad betreft, geheel mislukte. Naar hij zeide wilde hij zich beveiligen tegen de plannen, die men tegen hem smeedde. Aan de Algemeene Staten scheen het toe, dat hij hierdoor alle recht had verbeurd om met eenig gezag in de zeventien gewesten op te treden. Weldra werden er langdurige onderhandelingen geopend, die tot geen voldoende uitkomst leidden.

Terwijl Don Jan op die wijze al zijn macht verloor, of liever niet tot de uitoefening der macht kon geraken, groeide die van Willem steeds aan. Vooreerst sloot Utrecht zich bij hem aan. Dan werd hij uitgenoodigd te Brussel te komen, en, door den invloed van den derden stand, tot ruwaard van Brabant benoemd, een ambt, hetwelk tot kenmerk had dat het doorgaans in woelige tijden aan een man van aanzien werd opgedragen en hem, bij voorraad, met buitengewone macht toerustte. Thans was de reden dier benoeming hierin gelegen dat de zetel der regeering ledig stond. Deze toenemende invloed van den prins ook op de zaken van het Zuiden verbitterde de edelen dier landstreek, inzonderheid Philips van Croy, hertog van Aerschot (ten o. van Mechelen), die, besluiteloos van aard en slechts op eigen voordeel bedacht, nu eens tot \'s konings zijde, dan tot die van den opstand overhelde. Zij waren het, die in den waan aan Oranje een doodelijken slag toe te brengen, denjongen aartshertog van Oostenrijk Matthias {Alg. Geschied., III, 7de druk, blz. 56) in het land riepen. Toen toonde Willem, voor wien men het plan verborgen had gehouden, hoe groot zijn meerderheid van geest was. Hij verzette zich er niet tegen, dat de Algemeene staten Matthias in \'t begin van 1578 tot landvoogd benoemden, maar onder zulke voorwaarden dat hij niets vermocht, daar hij zich verplichtte alles te doen in overleg met de Algemeene staten en met een raad, dien zij hem ter zijde stelden. Aan Willem zelf werd, onder den titel luitc?uintgetieraal, zoo goed als de voogdij over den aartshertog opgedragen. Terecht noemde het volk Matthias \'jt prinsen griffier, want zijn werkzaamheid

-ocr page 106-

96

bepaalde zich tot het onderteekenen van stukken. Aleer Matthias werd gehuldigd, was er aan de vele verdragen nog een toegevoegd. Het is de tweede of nadere unie van Brussel, Dec. 1577. Het was een overeenkomst, tusschen de gezamenlijke Nederlanden aangegaan, waarbij Room-schen en Onroomschen zich verbonden elkander tegen eiken vijand te beschutten. In dezelfde maand verklaarden de Algemeene Staten uitdrukkelijk, dat zij Don Jan niet langer als landvoogd erkenden.

Als gedenkteeken van de verdraagzaamheid jegens andersdenkenden in \'t stuk van den godsdienst is die nadere unie een merkwaardig geschrift. Had men bij de pacificatie de verdraagzaamheid verondersteld, hier werd de hervormde leer op één lijn geplaatst met de Roomsch-katholieke. Die betuiging van verdraagzaamheid was het werk van den eenigen AVillem van Oranje. Zelf was hij, tenviji zijn vader en zijn broeders de Luthersche leer waren toegedaan en hijzelf in zijn jeugd ook met dien godsdienst was bekend geworden , aan \'t hof van Karei V in den Roomsch-katholieken godsdienst opgebracht. Dezen bleef hij, voor het uiterlijk, getrouw tot 1573, toen hij tot de hervormde kerk, naar de begrippen van Calvijn, overging. Maar zijn geheele leven door was hij een vurig voorstander van de verdraagzaamheid.

De dag was echter nog evenmin aangebroken voor het betoonen eener ware verdraagzaamheid, als voor een vereeniging van het Noorden en het Zuiden. Dit bewijzen de gebeurtenissen der jaren 1578 en 1579. Het jaar 1578 werd geopend met de aankomst van den hertog van Parma, Alexander Farnese, een zoon van Margareta (zie tlz. 74). Zijn eerste daad was de zege bij Gembloux (ten n.w. van Namen), die hij, aan \'t hoofd van een deel van\'t Spaansche leger, vvaarover Don Jan het opperbevel voerde, op de troepen der Algemeene Staten behaalde. Gelijk dit jaar en de daaraan voorafgaande een tijdperk van verdragen zijn, zoo was het jaar 1578 metterdaad dat der landvoogden, bescherm-heeren, enz. Vooreerst zag men Johan Kasimir, tweeden zoon van Frederik III, gewezen keurvorst van de Palts, verschijnen als bevelhebber van een leger, voor welks werving koningin Elizabeth geld had voorgeschoten. Kasimir was een vurig voorstander der hervorming. Daarom stelde de partij, die Matthias had uitgenoodigd, Frans, hertog van Alencon, of, gelijk hij sedert 1574 heet, hertog vanAnjou, tegen hem over. Hij kreeg den titel „beschermheer der Nederlandsche vrijheidquot; en de belofte tot landsheer te zullen worden gekozen, indien men tot een verandering van vorst mocht overgaan. Deze dubbelkeuze voorspelde reeds een splitsing der bondgenooten. Oranje, die dit voorzag, trachtte zoodanige uitkomst te voorkomendoor ten godsdienstvrede, welke werkelijk dien naam waardig was, door alle gewesten te doen aannemen. Doch zijn grootsch ontwerp leed, hoezeer enkele gewesten er genoegen in namen, vooral schipbreuk op de onverdraagzaamheid, die de hervormden te Gent jegens de katholieken aan den dag legden, daartoe aangespoord door den heftigen Dathen us, een gewezen

-ocr page 107-

9?

monnik, den vervaardiger eener berijmde vertaling van de psalmen, en door den edelman en volksleider Herabyze.

Dit maakte den wrok gaande der katholieken in \'t Zuiden, die zich deswege malcontenten noemden. Zoo kreeg Alexander Farnese, een niet minder ervaren staatsman dan veldheer, een geschikte gelegenheid om Henegouwen, Artois, Douai (ten n.o. van Atrecht) en een paar andere steden uit de Zuidelijke Nederlanden tot terugkeer onder \'s konings gezag te nopen. Reeds in Januari 1579 kwamen zij hieromtrent onderling overeen en sloten een [jaar maanden later het verdrag van Atrecht, waarbij zij zich op nieuw aan de Spaansche heerschappij onderwierpen. Dien gunstigen keer der Spaansche zaak beleefde Don Jan niet meer. Hij stierf in October 1578. Terstond bij zijn verscheiden rees argwaan van vergiftiging en vermoedde men, dat de misdaad op last van Philips was bedreven. Echter is het feit nimmer bewezen. Alexander Farnese trad terstond als Don Jans opvolger op. Ook Kasimir en Anjou verdwenen nog in \'t zelfde jaar van het tooneel. Beiden verlieten onverrichter zake het land, waaraan zij door hun oneenigheid meer kwaad dan goed hadden gedaan.

Hoe langer hoe meer werd het zichtbaar, dat de kracht van den opstand hoofdzakelijk of bij uitsluiting in het Noorden moest worden gezocht. Daar won \'s prinsen partij steeds veld. In 1577 was de stad Utrecht toegetreden, in 1578 werden Amsterdam en Overijsel gewonnen. In \'t zelfde jaar, 1578, werd Willems broeder Jan door de staten van Gelderland tot stadhouder verkozen. Dus stond het geheele Noorden tegenover Spanje in de wapens. Er ontbrak slechts een verbond om dezen toestand duurzaam te maken. Maanden lang werd hierover onderhandeld. In Januari 1579 kwam er een einde aan de overwegingen, Den 22sten en den 23sten dier maand werd de beroemde unie van Utrecht gesloten en geteekend, de grondslag van onzen staat, een vereeniging ten eeuwigen dage tusschen de Noordelijke gewesten, als waren zij maar één landschap, tot ouderlingen bijstand tegen alle geweld en den genieenen vijand. Zooals het in de Inleiding van het stuk wordt voorgesteld moest de unie de pacificatie niet vervangen, maar versterken. Zij werd geteekend door Jan, haren ontwerper. Holland, Zeeland (met uitzondering van Middelburg), Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland. Middelburg weigerde de onderteekening, omdat Willem I de stad, sedert zij tot de zijde der staten werd gebracht (zie blz. 92), vele voorrechten ontnam, b.v. het rechtsgebied over Arnemuiden, en haar verbitterde door Vlissingen en Veere zitting en stem te geven in de staten van Zeeland. In Mei teekende Willem; de overige deelen van Gelderland volgden in 1579 en 1580. Drente voegde zich, hoewel het er slechts kort bij bleef, in April 1580 bij de unie, Overijsel in 1591. Friesland sloot zich, van 1579 tot 1598, bij gedeelten bij de unie aan. De stad Groningen, die niet toetrad, werd in 1594 door Maurits tot de unie gebracht. Eindelijk voegden zich nog eenige Zuid-Nederlandsche

Wijnne, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 7

-ocr page 108-

98

steden, als Antwerpen, Gent, Brugge, bij de unie. Uit het bovenstaande bespeurt men, dat de unie niet bij gewesten door de bond-genooten werd aangenomen, maar, bij gedeelten, door sommige edelen voor zichzelven, door afgevaardigden van de ridderschappen en door gemachtigden van de steden.

Willem teekende, zooals men ziet, de unie eerst laat, niet omdat hij er tegen was, doch omdat hij nog lang de hoop had gekoesterd een grooter vereeniging tot stand te kunnen brengen, waaraan meer gewesten, ook uit het Zuiden, deel namen. Tevens vreesde hij, indien hij zich bij deze aangelegenheid op den voorgrond plaatste, te zullen worden uitgekreten voor verbreker der pacificatie, die niet meer behoefde te worden verbroken.

De unie van Utrecht werd de hoeksteen van de Nederlandsche Republiek. Dat evenwel op verre na niet al haar artikels werden nageleefd, b.v. dat omtrent de belastingen, de krijgsmacht, enz. zal op menige plaats van dit werk blijken. Ofschoon zij het geenszins was, werd zij later, toen de onafhankelijkheid van den staat was verzekerd, aangemerkt als de grondwet van het bondgenootschappelijk staatsgebouw, echter niet zonder afwijking en onuitgevoerde bepalingen. In het onbepaalde en gebrekkige dier grondwet ligt de sleutel ter verklaring der gewichtigste gebeurtenissen onzer binnenlandsche geschiedenis. Steeds wordt later gestreden over de juiste opvatting van de bepalingen der unie. In beeldspraak heeft men de unie nu eens vergeleken bij een huwelijk, dan weder bij een menschelijk lichaam, ook wel bij een huis. In die van het huis wordt Holland de geldkist. Zeeland de voorzaal en wapenkamer, de andere gewesten de muur en de achterdeur geheeten. Geen dier vergelijkingen schijnt doel te treffen. — In het wapen der unie ziet men een gouden steigerenden leeuw op een rood schild, houdende met den voorsten rechterpoot een zwaard en met den linker een bundel van zeven bijeengebonden pijlen. Rondom het schild leest men; „con-cordia res parvae crescunt,quot; d. i. eendracht maakt macht. De leeuw draagt een hoed op zijn kop als teeken der vrijheid.

Doch laten wij den blik vestigen op den inhoud van de zesentwintig artikels, waaruit de unie bestaat.

1. De gewesten verbinden zich ten eeuwigen dage zóó vereenigd te zullen blijven, alsof zij maar één landschap waren, evenwel in dier voege dat elk gewest en iedere stad zijn bijzondere rechten zal behouden.

2. De bondgenooten zullen elkander bijstaan tegen alle geweld, hun in naam des konings of van zijnentwege aangedaan.

3. Zij zullen elkander ook bijstaan tegen alle heeren, landen en steden, die hun eenig onrecht willen aandoen, mits het geheele bondgenootschap daartoe hebbe besloten.

4. De steden moeten, indien de gezamenlijke bondgenooten dit gelasten, worden versterkt ten koste van de steden zeiven of van \'t landschap, waarin zij zijn gelegen, mits de Generaliteit de helft dier Koste drage.

-ocr page 109-

99

5 en 6. Ten einde de gelden te bekomen, vereischt ter bescherming van de gewesten, zullen op eenparigen voet belastingen worden geheven , die men óf zal verpachten óf inzamelen en die met gemeen goedvinden kunnen worden verhoogd of verlaagd. Tot hetzelfde einde zal men ook de inkomsten der koninklijke domeinen bezigen.

7. De grenssteden en, indien de omstandigheden het vereischen, ook andere steden zijn gehouden, zoo de gezamenlijke gewesten hiertoe besluiten op raad van den stadhouder der provincie, waarin het garnizoen zal worden gelegd, bezetting te ontvangen. Deze bezetting zal door het bondgenootschap worden betaald en een bijzonderen eed afleggen aan de stad en \'t gewest, waarin zij wordt gelegd.

8. Ten einde in de verdediging dezer landen te voorzien zullen de namen van de mannelijke ingezetenen der gewesten, tusschen de achttien en de zestig jaren oud, uiterlijk binnen één maand worden opgeschreven, om hierop in een nadere bijeenkomst der bondgenooten te besluiten.

9. Men zal geen bestand of vrede sluiten, geen oorlog aanvangen, geen belastingen, de Generaliteit betreffende, instellen, dan met eenstemmige bewilliging der gewesten. Bij geschillen over één of meer dezer aangelegenheden zal de zaak bij voorraad worden onderworpen aan de uitspraak van de stadhouders der gewesten, nu ter tijd wezende. Over andere punten zal de meerderheid beslissen.

10. Zonder toestemming van de bondgenooten mag geen stad of gewest eenig verbond aangaan met een nabuur.

11. Eveneens kan geen nabuur in \'t verbond worden opgenomen tenzij met algemeen goedvinden.

iz. Op het stuk van de munt en nopens den koers van \'t geld zullen de gewesten met elkander een overeenkomst aangaan en zal het geen der leden in \'t bijzonder vrijstaan in de te maken verordening iets te veranderen.

13. Ten aanzien van den godsdienst mogen Holland en Zeeland zich naar eigen goedvinden gedragen. De andere gewesten zullen ten opzichte van dit punt zoodanige beschikking nemen, als zij zullen vermeenen te behooren, zonder dat zij hierin door eenige andere provincie mogen worden belemmerd, op dien voet evenwel, overeenkomstig de pacificatie van Gent, dat niemand ter zake van den godsdienst worde achterhaald.

14 en 15. In overeenstemming met de pacificatie van Gent zal men de kloosterlingen en de geestelijken in \'tbezit stellen hunner goederen, in de Vereenigde Gewesten gelegen. Mede zal men uit de inkomsten der kloosters voorzien in \'t onderhoud der kloosterlingen, die ten tijde van den oorlog hun kloosters hebben verlaten.

16. Indien er tusschen een paar van de gewesten eenig geschil ontstaat zal dit door de overige provinciën of haar gemachtigden worden beslist. Raakt het geschil de gewesten in \'t algemeen, dan zal de beslissing staan aan den stadhouder, in voege artikel 9 voorschrijft.

17. Ten einde aan uitheemsche vorsten of staten geen aanleiding tot

7*

-ocr page 110-

luO

oorlog te geven zal zoowel aan vreemdelingen als aan ingezetenen goed recht worden gedaan. Mocht eenig gewest of stad hieromtrent in gebreke blijven, dan zullen de overige bondgenooten daaraan de hand houden.

18. Geen gewest of stad zal, zonder bewilliging der bondgenooten, ten nadeele van eenig lid, eenige belasting invoeren, noch een der bondgenooten hooger bezwaren dan zijn eigen ingezetenen.

19. De bondgenooten, mits beschreven wordende, zijn gehouden op den bepaalden dag te Utrecht te verschijnen. Zij, die met verschijnen, zijn desniettemin verplicht zich naar hetgeen besloten is te gedragen, tenzij de beraadslaging hebbe geloopen over zeer gewichtige aangelegenheden en eenig uitstel gedooge. Den afwezigen is het nogtans geoorloofd schriftelijk van hun gevoelen te doen blijken, en zal, bij het opnemen der stemmen, hierop naar behooren worden gelet.

20. P21k der bondgenooten is verplicht alle zaken, die hem voorkomen en waarvan, naar zijn oordeel, het welzijn der Vereenigde Gewesten afhangt, aan hen mede te deelen die bevoegd zijn de

gewesten te beschrijven.

21. In geval eenig artikel dezer unie mocht blijken zoo duister of aan twijfel onderhevig te zijn, dat er geschil over kan ontstaan, zal de verklaring worden gegeven door de gezamenlijke bondgenooten. Kunnen zij het niet eens worden, dan zullen zij hun toevlucht nemen tot de stadhouders op de wijze, boven vermeld.

22. Indien het noodig zal worden geacht de artikelen van dit verbond te wijzigen of te vermeerderen moet het geschieden bij gemeenen

rade der bondgenooten.

23. De bondgenooten beloven alle bovenstaande artikels te zullen nakomen. Tot waarborg verbinden zij hun personen en goederen, alsmede die van de ingezetenen der gewesten en steden.

24 en 25. Voor de handhaving van dit verbond zullen de stadhouders der gewestén, die er nu zijn of later zullen zijn, bij eede instaan, alsmede de overheden en de hoofdofficieren van elke provincie of stad, eindelijk de schutterijen en alle broederschappen en collegiën.

26. Van dit verbond zullen in behoorlijken vorm brieven worden opgemaakt om door de stadhouders en de voornaamste leden en steden der gewesten te worden bezegeld en door hun secretarissen te worden onderteekend.

§ i4-

Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de Zeven Vereenigde Nederlanden.

Een van de onderteekenaars der unie van Utrecht was de graat van Rennenberg. Hij stelde echter als voorwaarden, dat zij door Matthias moest worden goedgekeurd en niet inloopen tegen de pacificatie van Gent. Ook anderen hadden onder dit voorbehoud er voor gestemd, doch

-ocr page 111-

101

repten er later niet weer van. Maar Rennenberg had ze ternauwernood geteekend, of hij viel, met een aanzienlijke som omgekocht, in 1580 van haar af en bracht, door verraad en geweld, de stad Groningen, Drente en een deel van Overiisel onder de Spaansche heerschappij terug. Als reden zijner handelwijze voerde hij aan, dat mer! niet. had voldaan aan de door hem gestelde voorwaarden. Dit was slechts een voorwendsel. De ware drijfveeren waren baatzucht en ijverzucht tegen Oranje. Eens afgevallen, trachtte Rennenberg een zoo groot mogelijke streek lands mede te sleepen. Maar de poging stuitte af op Steenwijk, dat Jan van den Kornput voor den prins wist te behouden. Niet lang genoot Rennenberg de vruchten van zijn verraad. Hij stierf in 1581. Zijn opvolger als stadhouder was Frans Verdügo.

Intusschen verliet Jan van Nassau, de eindelooze bezwaren moede, die de staten van Gelderland hem in den weg legden, deze landen en keerde naar zijn staten in Duitschland terug. Zijn broeder Willem, door al deze gebeurtenissen zeer verslagen, werd bovendien diep geschokt door den ban, dien Philips op raad van Granvelle over hem uitsprak. In dit stuk, dat in 1580 werd opgemaakt en in Augustus van dat jaar in de Nederlanden afgekondigd, stelde de koning een prijs van 25,000 gouden kronen (elke ter waarde van omtrent 3 gl.) op het hoofd des grooten mans en beloofde brieven van adel te zullen uitreiken aan wie het trof. Allen, die met den prins gemeenschap bleven houden, d. i. alle Nederlanders, werden verder voor oproermakers en vijanden der openbare orde en dus eveneens vogelvrij verklaard. De prins beantwoordde den ban met een apologie of verdediging, een van de krachtigste oorkonden, uit vroegere eeuwen tot ons gekomen. Hierin verweet hij Philips op fleren toon al zijn euveldaden en sloot met zijn zinspreuk: „je maintiendrai.quot; Eén jaar na de afkondiging van den beruchten ban, den 26sten Juli 1581, zwoeren de Algemeene Staten, in den Haag vergaderd, n.1. de staten van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Friesland, Utrecht, Overijsel en Mechelen, Philips plechtig af. Het beginsel, waarvan deze daad uitging, was dat de onderdanen niet door God zijn geschapen ten behoeve van den vorst om hem als slaven te dienen, maar de vorst ten dienste van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is, ten einde hen volgens het recht en de rede te regeeren en lief te hebben, gelijk de herder zijn schapen. De staten achtten zich gerechtigd hem te verlaten, die hen reeds langer dan twintig jaren had verlaten.

Terzelfder tijd droeg Holland den prins de hooge overheid op en bekleedden de overige van de zoo even genoemde gewesten Frans van Anjou (zie blz. 96) met het oppergezag. Het was op raad van Willem van Oranje dat men zich op nieuw tot Anjou had gewend. Riep men hem, dan meende Willem op bijstand te kunnen rekenen van Hendrik III, koning van Frankrijk {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 79), het eenige rijk, dat tegen Spanje was opgewassen, hetwelk dan

-ocr page 112-

102

ook in schijn hulp beloofde. Te meer hechtte Willem aan een verbintenis met Frankrijk, omdat Duitschland niets dan beloften gaf en hij meende op Elizabeth niet genoeg te kunnen boawen. Bovendien ontnam een verbond met Frankrijk, een Roomsch-katholieke mogendheid, aan den oorlog het hatelijke karakter van een godsdienstoorlog. De tijd heeft later den koning ontbroken om te toonen of hij iets wilde doen; doch het is zeker, dat, toen hij de belofte deed, hij niet het voornemen had ze te houden. Maar al was het alleen wegens den Bartholomaeusnacht, velen bleven Frankrijk wantrouwen, ofschoon het altijd beter achtende te komen onder Frankrijk dan weder onder Spanje. Geruimen tijd duurden de onderhandelingen met Anjou. Gelijk de ban, tegen Willem uitgesproken, de afzwering des konings had verhaast, zoo waren deze onderhandelingen voor Philips een prikkel te meer geweest om met het uitvaardigen van dien ban niet te dralen. Te midden van al die gewichtige gebeurtenissen verliet Matthias, nu overbodig geworden, het land in 1581, zonder eenig spoor van zijn verblijf achter te laten. Anjou kwam eerst in Februari 1582 in de Nederlanden. Ook zijn macht was in vele opzichten aan banden gelegd. Hij moest ze deelen met de Algemeene Staten en met een raad, die hem ter zijde werd gesteld. Zijn titel was hertog van Gelderland en Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz. Vreemd was vooral zijn verhouding tot deze beide gewesten. Zij hielden zich aan Willem , maar stemden er tevens in toe, ter bewaring der eendracht, zich ten aanzien van sommige algemeene zaken aan Anjou te onderwerpen.

Weldra oefenden de schitterende beloften, door Philips gedaan, haar werking. In Maart 1582 loste Jan Jaureguy, een bediende van d\'Anastro, een Spaansch koopman te Antwerpen, in die stad een pistoolschot op den prins en wondde hem. \'s Prinsen gevolg doodde den misdadiger onmiddellijk; doch de hoofdaanlegger van het bedrijf, d\'Anastro, ontkwam door de vlucht. Dezen koopman, die op het punt stond bankbreukig te worden, had Philips, indien hij Willem het leven benam, schriftelijk 80,000 dukaten beloofd en het kruis van de ridderorde van St. Jago de Compostella {Algem. Geschied., II, 7de druk, blz. 139). Met medeweten van zijn kassier Venero, die daarom dan ook ter dood werd gebracht, had hij de daad aan Jaureguy opgedragen en hem als loon een paar duizend kronen afgestaan. Langzaam genas de prins. Nauwelijks was hij echter hersteld, of hij verloor zijn derde gemalin, Charlotte van Bourbon, die aan de gevolgen van den angst bezweek.

Nieuw verdriet berokkende hem de verraderlijke aanslag van Anjou, Hoewel nog geen diensten van eenige beteekenis aan het land hebbende bewezen, was Anjou verontwaardigd over de perken, binnen welke zijn gezag was omschreven. Om zich van die bepalingen te ontslaan leverde hij een tegenhanger van Don Jans trouwelooze daad. In Januari 1583 bemachtigden zijn troepen Duinkerken, Aalst, Dender-monde en andere sterke plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. Te Nieuwpoort en te Brugge mislukte de toeleg der Fransche soldaten. Zelf

-ocr page 113-

103

deed Anjou, ter voltooiing van dit werk, dat men de fransche Furie noemt, met zijn soldaten een moorddadigen aanval op de burgers der stad Antwerpen, waar hij zijn zetel had gevestigd, die echter door de ingezetenen zeiven met gunstig gevolg werd afgeslagen en hem op een paar duizend zijner officieren en krijgsknechten kwam te staan. De prins werd hierdoor in een moeielijken toestand gebracht. Hij had steeds op Anjou, als op een onontbeerlijk man, gewezen en wilde ook thans de hulp van Frankrijk niet dan ongaarne derven. De onderhandelingen, door zijn toedoen op nieuw met den Franschen hertog aangeknoopt, leidden evenwel niet tot het doel. Anjou keerde naar Frankrijk terug en overleed er in 1584, tot grooter voordeel voor dit gemeenebest gestorven dan geboren zijnde. Een der boden uit Frankrijk, die de tijding van dien dood aan den prins overbrachten, was Balthazar Gerard, of, gelijk hij voorgaf te heeten, Francois Guyon.

Deze man was de zesde, die in het tijdsbestek van twee jaren, door geld- of dweepzucht vervoerd, gelijk meer dan een zijner voorgangers, met medeweten van Parma, Willem van Oranje naar het leven stond. Zijn verderfelijk opzet, de grootste ramp, welke Nederland in die dagen kon treffen, gelukte maar al te wel. De vader des vaderlands viel den roden Juli 1584 te Delft, doodelijk getroffen door het pistool van den sluipmoordenaar. De booswicht werd dadelijk gegrepen en krachtens een vonnis, geveld door een rechtbank van leden uit den hoogen raad en uit het hof van Holland (zie beneden blz. 112), alsmede van de schepenen van Delft, op gruwelijken wijze ter dood gebracht.

Een groot en edel man was Willem van Oranje, de grondlegger der onafhankelijkheid van den Nederlandschen staat. Hij was een ervaren krijgsheld, een uitnemend staatsman, geboren om volksleider te zijn, in de goede beteekenis van het woord. Aan ingenomenheid met de hervormde leer en een vromen zin paarde hij een in die dagen ongekende verdraagzaamheid. Standvastig was hij als een rots in den oceaan, rustig te midden der ontstuimige baren. Verbazend was zijn kennis van personen en zaken, onbegrijpelijk zijn werkzaamheid, zeldzaam zijn zelfbeheer-sching. Zelfopoffering, veerkracht en onbaatzuchtigheid onderscheidden hem in buitengewone mate. Alles, tot de goederen zijner broeders, had hij veil voor het heil van Nederland. Eerzucht was een zijner kenmerkende eigenschappen; doch het was de verheven eerzucht om één grootsch ontwerp, waaraan hij zijn leven had gewijd, te volvoeren. Niemand, die op de lasten let, welke de zware taak, die hij vrijwillig op zich nam, hem op de schouders laadde, en daarbij overweegt, hoe weinig vruchten hij voor zichzelf plukte, kan bij hem aan een eerzucht denken, waarbij eigenbaat de hoofdrol speelde. Zijn grootste roem is wat hij tot stand bracht, zijn uitnemendste lof de uitkomst van hetgeen hij ondernam. Nimmer moge eenig Nederlander hem vergeten, maar elk de beide standbeelden, ter zijner eer in den Haag geplaatst, met eerbiedigen en dankbaren blik voorbijgaan.

-ocr page 114-

104

Het was sober gesteld met de Nederlandsche gewesten bij den dood van den prins van Oranje. Parma had sedert het verdrag van Atrecht niet stil gezeten. In 1579 had hij Maastricht veroverd, hierop bijna geheel Vlaanderen; in 1585 vermeesterde hij Mechelen, Brussel en de meeste steden van Brabant. Na deze kwam de beurt aan Antwerpen. Alexander Farnese had besloten de bijl aan den wortel des booms te leggen en ook die rijke voedster van den oorlog in te nemen. Veertien maanden lang werd de stad verdedigd onder de leiding van Marnix van St. Aldegonde, die er burgemeester was. Van dit beleg alleen kon een geschiedenis worden geschreven, rijk aan allerlei belangrijke bijzonderheden. Daaronder bekleedt de uitvinding van den vernuftigen Italiaan, Gianibelli, een voorname plaats. Parma sloeg, om de stad van allen toevoer uit het Noorden te kunnen versteken, bij Calico (beneden Antwerpen) een brug over de Schelde. Op die brug had Gianibelli het gemunt. Hij rustte twee branders uit, de Fortuin en de Hoop, en liet ze hun krachten tegen de brug beproeven. De Fortuin geraakte te vroeg aan den grond; maar het andere vaartuig volbracht zijn taak op meesterlijke wijze. Het was een vreeselijke ontploffing. De hemel scheen te kraken, de hel haren muil te openen. Honderden Spanjaarden vlogen in de lucht, honderden werden verminkt. Toch mocht Gianibelli de gewenschte vruchten van zijn arbeid niet plukken. De vloot, die slechts op een afgesproken teeken wachtte om, wanneer er een bres door de branders was geschoten, er door heen te varen, den vijand aan te tasten en Antwerpen van voorraad te voorzien, kreeg door de schuld en de onervarenheid van den admiraal Jakob Jakobsz. geen sein en bleef liggen. Parma van zijn kant haastte zich den toegang weder te versperren. Ook andere feilen werden door de verdedigers der stad begaan, die bovendien door de tweedracht en de baatzucht der ingezetenen werden belemmerd. Het eind van \'t beleg was dat Antwerpen zich den i7den Aug. 1585 bij verdrag aan Parma overgaf. Dit verdrag verleende den hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog een ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de zeehandel , in \'t jaar der Spaansche furie reeds gevoelig geknakt, de haven van Antwerpen en keerden de Zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Spanje\'s koning terug. De scheiding van \'t Zmden en \'t Noorden was voltooid Het Zuiden ging den smaad en de ellende der dienstbaarheid te gemoet; het Noorden zette steeds vaster schreden op de baan, die tot de onafhankelijkheid voerde.

Gedurende de beide laatste jaren van \'s prinsen leven had Holland voortdurend onderhandeld om Willem als grondwettig vorst aan fe nemen onder den naam van „graaf van Holland en Zeeland.quot; Slechts het toeven van Gouda en Zeeland, waar Middelburg (zie blz. 97) het plan stuitte, had de zaak vertraagd. Thans was het te laat. Door een onher-

-ocr page 115-

105

stelbaar onheil getroffen, betoonden de staten van Holland desniettemin een groote geestkracht en vastberadenheid, terstond op alle zaken voor-loopig orde stellende. Friesland benoemde Willem Lode wijk, den oudsten zoon van Willems broeder Jan van Nassau, tot stadhouder. In Gelderland werd Willems zwager, graaf Willem van den Berg, die tot den vijand overliep, in 1584 vervangen door Adolf, graaf van Meurs (ten n.o. van Krefeld, in Rijn-Pruisen), die in \'tvolgende jaar tevens stadhouder werd van Utrecht, zooals mede weldra van Overijsel. Verder richtten de Algemeene Staten een nieuwen raad van state op, aan \'t hoofd van welk lichaam \'s prinsen zoon, Maurits, uit het huwelijk met Anna van Saksen verwekt, werd gesteld. Maar hoe wakker de staten der verschillende gewesten ook voorzagen in hetgeen voorziening behoefde, het was nog geenszins hun verlangen, nu zij verstoken waren van een landsheer en beroofd van hem, die bestemd was het te worden, de souvereiniteit aan zichzelven te trekken. Er zijn te dier tijde gedenkpenningen geslagen, op welker eene zijde een aap stond, die, zijn jongen troetelende, ze dood drukte, met dit bijschrift, „libertas ne ita cara, ut simiae catuli,quot; d. i. de vrijheid zij ons niet zoo dierbaar als den aap zijn jongen. Op de keerzijde stond een man afgebeeld, die, den rook willende ontwijken, in het vuur viel, waarvan de zin was dat men, om een geringe zwarigheid te ontgaan, zich in geen grootere moet steken.

In overeenstemming met die zinnebeelden droegen de Staten-Generaal, d. i. de staten van Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland, Brabant, van een klein gedeelte van Vlaanderen en van Mechelen, de oppermacht over deze landen aan Hendrik III, koning van Frankrijk, op. Toen deze vorst, uit hoofde van de moeielijkheden, waarmede hij in zijn rijk had te worstelen, weigerde, deed men hetzelfde aanbod aan Elizabeth, koningin van Engeland. Zij nam het evenmin aan, doch zond hulp tegen zekere onderpanden, n.1. het bezetten van den Briel, Vlissingen en het kasteel Rammekens (ten o. van Vlissingen). Deze plaatsen beloofde zij te zullen ontruimen, zoodra haar de gelden, ten behoeve van \'t onderhoud der krijgslieden voorgeschoten, zouden zijn teruggegeven. Dien bijstand zendende, bedoelde Elizabeth niet zoozeer de Nederlanden voor goed aan Spanje te onttrekken, als wel, tot Enge-lands beveiliging, de havens van Holland en Zeeland voor de macht van Frankrijk en Spanje beide te vrijwaren. In December 1585 verscheen aan \'t hoofd harer troepen, ten getale van 6000 man, Robert Dudley, graaf van Leicester (in \'t midden van Engeland). Aanstonds bekleedden de Staten Generaal Leicester, in 1586, bij meerderheid van stemmen (Friesland was er tegen), met de algemeene landvoogdij. Dit was een landvoogdij, die hem meer macht gaf dan zijn voorgangers onder het Oostenrijksche huis hadden gehad, een macht zoo onbeperkt als, gedurende den oorlog, nog niemand over deze landen had geoefend. De raad van state, hem toegevoegd, had, getrouw aan zijn naam, slechts raad te geven.

-ocr page 116-

106

en daarin hadden, behalve de opperbevelhebber der troepen, twee En-gelschen zitting. Hevig was de koningin over dien stap verbolgen. Hoe! de volle macht en verantwoordelijkheid van een landsheer, die zijzelve van de hand had gewezen, zouden aan een harer onderdanen komen. Het kostte èn den staten èn den graaf veel moeite Elizabeth tot bedaren te brengen; maar eindelijk berustte zij er in. Ongeveer terzelfder tijd als Leicester zoo hoog werd verheven, benoemden de staten (in 1585) Maurits (1585—1625) tot stadhouder van Holland en Zeeland, hem tevens den titel „geboren prins van Oranjequot; toekennende, terwijl Joh an van oldenbarnevelt, in plaats van Paulus Buys, in Holland „ati-vocaat van den landequot; werd.

De toorn van Elizabeth , ofschoon later bedaard, oefende een nadeeli-gen invloed op de stemming der Nederlanden jegens Leicester. Reeds begonnen zij minder eerbied voor hem te gevoelen. Weldra kwam hierbij dat er iets uitlekte van geheime onderhandelingen over vrede tusschen Elizabeth en Parma. Ook dit deed afbreuk aan \'t gezag van den landvoogd. Zoo bestond er, toen Leicester nog ternauwernood het bewind had aanvaard, aireede een klove, die slechts behoefde te worden verwijd. Hiervoor zorgde hijzelf. De eerste twistvraag, die tusschen hem en de staten van Holland en Zeeland opkwam, betrof den handel met Spanje en met de Spaansche Nederlanden. Leicester en Elizabeth wilden een volstrekt verbod van uitvoer naar \'s vijands land. In weerwil van de vertoogen, door Holland hiertegen ingediend, werd zoodanig verbod afgekondigd. Verder vestigde Leicester zijn zetel te Utrecht en leende zijn oor aan vreemde raadslieden, vooral aan Vlamingen en Brabanders, b.v. aan Daniël de Burchgrave, aan Jakob Reingoud, bovenal aan Gerard Prouninck, veelal van Deventer geheeten, die door zijn toedoen burgemeester van Utrecht werd. Het financiewezen werd aan den raad van state onttrokken en het beheer van dien tak toevertrouwd aan een kamer van financiën, terwijl Reingoud den post van schatbewaarder bekwam. Was het plakkaat, dat beval den handel op het Zuiden te staken, een onberaden daad, omdat de welvaart van Holland en Zeeland daaronder leed, met het instellen der karrer van financien overschreed de landvoogd bovendien zijn bevoegdheid, daar het hem niet geoorloofd was veranderingen in de regeering te maken. Toch gelukte het de staten van Holland eerst die kamer te doen vervallen, sedert zij Leicester konden bewijzen, dat Reingoud, ten einde zich bijzondere voordeelen te verschaffen, van zijn ambt misbruik maakte.

In December 1586 vertrok de Engelschman voor een wijl naar zijn vaderland en vertoefde er ruim een half jaar. Zijn verblijf in deze streken had meer kwaad dan goed gedaan. De predikanten en de mindere volksklasse, die zeer aan den rechtzinnigen landvoogd waren gehecht, stonden tegenover hen, die de partij der staten van Holland omhelsden. Grooter verdeeldheid en meer verwarring in \'t bestuur; dit waren de vruchten van Leicesters tegenwoordigheid hier te lande. De Staten-

-ocr page 117-

107

Generaal, waarin Vlaanderen nu geen zitting meer had en Holland het meest gold, haastten zich van Leicesters afwezigheid gebmik te maken. Het plakkaat nopens den handel werd zoo gewijzigd dat het al zijn kracht verloor. Een goed deel van het krijgsvolk, dat, slecht bezoldigd, muitziek was, dankte men af om het overige des te beter te kunnen betalen. Terwijl de staten met die hervormingen bezig waren verrieden twee Engelsche officieren, Stanley en York, de sterkten, hun ter verdediging toevertrouwd, de schans bij Zutfen en de stad Deventer, aan den vijand. Voorzeker, dit verraad zelf was niet de schuld van den landvoogd. Wel had hij het kunnen voorkomen, daar de staten hem voor die beide officieren hadden gewaarschuwd. In deze omstandigheden begrepen de staten van Holland te moeten handelen , alsof er geen algemeene landvoogd was. Zelfbehoud was thans het eenige richtsnoer hunner daden. Utrecht was de zaak van Leices-ter toegedaan, Overijsel en Gelderland ten deele in handen van de Spanjaarden. Nu kwamen zij tot het volle besef van de noodzakelijkheid om de souvereiniteit, die zij zich immers, ook toen Leicester de landvoogdij werd opgedragen, hadden voorbehouden, metterdaad te aanvaarden. Van Leicesters kant werd er tegenover gesteld dat het volk souverein was. Hierom stelde Francois Franken, pensionaris van Gouda, op last der staten van Holland een uitvoerige deductie of vertoog op, waarin hij de leer van de souvereiniteit der staten op vasten grondslag trachtte te vestigen. Die grondslag, de bewering n.1. dat de souvereiniteit ten tijde der graven ook reeds bij die staten berustte, is zwak, is er geen, die bewering een groote dwaling: de zaak zelve is gedurende den tijd van \'t bestaan der Republiek het heerschend denkbeeld gebleven. Terecht, want op even goeden grond, als voorheen de hertog of graaf, konden thans de staten souverein worden.

Intusschen keerde Leicester in \'t midden van 1587 naar de Nederlanden terug. Tweederlei was het doel zijner overkomst. Van wege de koningin had hij in last de Nederlanden tot het sluiten van vrede met Spanje te bewegen. Voor zichzelf nam hij zich voor, des noods met geweld , een omwenteling te weeg te brengen, die hem in \'t genot van de volheid der macht zou stellen. Zoodra intusschen het verlangen van Elizabeth ruchtbaar werd, ontbrak hem de steun der partij, die hem hierin te wille zou zijn geweest. Een poging, die hij deed om Maurits en Oldenbarnevelt, de ziel van den tegenstand, op te lichten mislukte. Evenmin slaagde, door het beleid van den burgemeester Boom , die hem overal door gewapende burgers , als door een eerewacht, liet omringen, een aanslag op Amsterdam, onder den schijn van een bezoek gedaan. Te Leiden werden eenige zijner aanhangers gegrepen en ter dood gebracht. Op Medemblik en Hoorn na, verklaarde zich Noord-Holland tegen hem. Friesland verzocht van de eer van zijn bezoek verschoond te mogen blijven. In \'t kort, alom bespeurde hij dat zijn rijk ten einde was. Weldra vertrok hij, door Elizabeth van zijn ambt ontslagen, naar Engeland na een bewind, dat,

-ocr page 118-

108

bij al zijn kortheid overvloedig was geweest in onaangenaamheden, zoowel voor hemzelf, als voor de staten. Dit was duidelijk gebleken dat hij een even slecht regent was, als hij volgens de loopende geruchten van zijn tijd in zijn bijzonder leven berucht moet zijn geweest en voor het plegen van menige misdaad niet zijn teruggedeinsd. Elizabeths hulptroepen bleven in Nederland; maar Leicesters opvolger als veldheer, Willoughby, werd door de Staten-Generaal met geen landvoogdij of andere waardigheden bekleed.

§ IS-

De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Gewesten.

Het spreekt vanzelf dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van Utrecht en de afzwering van Philips een groote verandering in den regeeringsvorm der Nederlanden veroorzaakten. Vóór dien tijd toch was de hertog, graaf of heer souverein, daar hij alle gezag, dat van rechtswege den koning der Franken, later den keizer toekwam, allengs aan zich had getrokken. Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de heerschappij dier vorsten door \'t volk of door eenig deel daarvan werd niet of slechts bij wijze van uitzondering gedacht. Sedert evenwel de staten meer en meer door de vorsten werden geraadpleegd, begonnen zij de medewerking tot de regeering als een recht te eischen, vooral toen, bij de vereeniging der verschillende Nederlandsche gewesten onder één hoofd, zich de vergadering der Algemeene Staten had gevormd, die inzonderheid onder Philips II er naar streefden om als vertegenwoordigers der gebeele natie mede te werken tot de vaststelling en de ontwikkeling van nieuwe regeeringsbeginselen. Van 1572 af begint de medewerking der staten tot de regeering in Holland, in 1576 die der Algemeene Staten. Kn van lieverlede breidde zich hun invloed op het bewind uit, totdat de staten der verschillende gewesten, na het vertrek van Leicester, in 1588, in plaats van wederom een hoofd aan te stellen, de hooge overheid in handen namen.

Daarom is het jaar 1588 het tijdstip van de vestiging van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Gedurende het bestaan der Republiek berust de souvereiniteit bij elk gewest in \'t bijzonder, d. i. bij lichaam van de edelen en de vroedschappen (burgemeesters en raden) der steden, die de gedeputeerden ter statenvergadering benoemen. Deze lichamen waren van oudsher de vertegenwoordigers des volks tegenover den graaf geweest, en hierom is \'t niet vreemd dat zij thans, bij ontstentenis van landsheer, landvoogd en stadhouder des vorsten, het bewind aanvaardden. Van een eigenlijke constitutie of grondslag van dien regeeringsvorm kan geen sprake zijn. Ook was in ieder der zeven gewesten de vergadering der staten op een bijzondere wijze ingericht.

-ocr page 119-

109

Gelderland htstonA uit drie kwartieren: dat van Nijmegen, dat van Zutfen en dat van Arnhem of van de Veluwe. In plaats van de bannerheeren, die, uit hoofde van hun gehechtheid aan de Spaansche regeering en omdat zij niet tot de unie van Utrecht waren toegetreden, sedert ongeveer het begin der 17de eeuw niet meer als afzonderlijk lid werden gedoogd, namen nu de edelen of ridderschap als eerste lid zitting. Die edelen, onder welke de bannerheeren ook werden medege-rekend, moesten aan de volgende algemeene vereischten voldoen: adellijke afkomst, belijdenis der hervormde leer, ouderdom van 22 jaren en bezit van een genoegzaam deel gronds in het kwartier. In bijzonderheden , b.v. omtrent de bepaling der adellijke afkomst en ten aanzien van de grootte van het stuk grond, bestond weder menig verschil tus-schen het eene kwartier en het andere. Zoo moest men in Nijmegen voor een waarde van 10,000 gl. vrij en onbezwaard hebben, in Arnhem voor 18,000 gl. De ridderschap beliep een getal van omstreeks zestig personen. Het tweede lid der staten waren de steden. In \'teerste kwartier waren Nijmegen, Tiel en Bommel; in het tweede Zutfen, Doesburg, Doetichem, Lochem en Grol; in het derde Arnhem, Harderwijk, Wageningen, Hattem en Elburg stemmende steden.

De staten van elk kwartier hielden, zoo dikwijls het noodig werd geacht, hun bijzondere kwartiersvergaderingen. Zes van de leden der kwartiersvergadering vormden in ieder kwartier het college van gedeputeerde staten, dat de dagelijksche zaken behandelde. Doorgaans werden elk jaar twee algemeene statenvergaderingen gehouden, de landdag geheeten. De landdag kwam te Arnhem, te Zutfen of te Nijmegen bijeen en werd beschreven door den stadhouder en het hof. Hierin zat de burggraaf van Nijmegen voor en had ieder kwartier één stem. Wanneer evenwel de meeningen van de twee leden van een kwartier niet overeenkwamen werden de beide stemmen afzonderlijk uitgebracht. In zaken van belasting, alsmede in sommige andere viel geen overstemming. In de overige gold dat gevoelen, waarop zich twee stemmen vereenigden, voor \'t gevoelen der staten. De regeering der steden was èn in Gelderland, èn in de overige gewesten in handen van burgemeesters (ten getale van twee tot vier), schepenen (ongeveer twaalf in getal) en den raad. In de meeste steden vond men bovendien een lichaam van omtrent dertig tot vijftig burgers, gemeens lieden of gezworen gemeente geheeten, die nu en dan over gewichtige aangelegenheden werden geraadpleegd. Ook dit was een instelling, welke, hoe dan ook gewijzigd, de Geldersche steden met die van vele andere gewesten, evenwel niet met Holland, gemeen hadden. Voor de rechtszaken had men, behalve de plaatselijke rechtbanken, het hof van Gelderland, waarvan de stadhouder voorzitter was en dat te Arnhem zitting hield. Op de regeering zelve behield echter het hof ook veel invloed. Wat die plaatselijke rechtbanken betreft, zij bleven, zoowel in Gelderland, als in de overige gewesten, gelijk vroeger (zie blz. 15), samengesteld

-ocr page 120-

108

bij al zijn kortheid overvloedig was geweest in onaangenaamheden, zoowel voor hemzelf, als voor de staten. Dit was duidelijk gebleken dat hij een even slecht regent was, als hij volgens de loopende geruchten van zijn tijd in zijn bijzonder leven berucht moet zijn geweest en voor het plegen van menige misdaad niet zijn teruggedeinsd. Elizabeths hulptroepen bleven in Nederland; maar Leicesters opvolger als veldheer, Willoughby, werd door de Staten-Generaal met geen landvoogdij of andere waardigheden bekleed.

§ i5-

De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Gewesten.

Het spreekt vanzelf dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van Utrecht en de afzwering van Philips een groote verandering in den regeeringsvorm der Nederlanden veroorzaakten. Vóór dien tijd toch was de hertog, graaf of heer souverein, daar hij alle gezag, dat van rechtswege den koning der Franken, later den keizer toekwam, allengs aan zich had getrokken. Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de heerschappij dier vorsten door \'t volk of door eenig deel daarvan werd niet of slechts bij wijze van uitzondering gedacht. Sedert evenwel de staten meer en meer door de vorsten werden geraadpleegd, begonnen zij de medewerking tot de regeering als een recht te eischen, vooral toen, bij de vereeniging der verschillende Nederlandsche gewesten onder één hoofd, zich de vergadering der Algemeene Staten had gevormd, die inzonderheid onder Philips II er naar streefden om als vertegenwoordigers der geheele natie mede te werken tot de vaststelling en de ontwikkeling van nieuwe regeeringsbeginselen. Van 1572 af begint de medewerking der staten tot de regeering in Holland, in 1576 die der Algemeene Staten. En van lieverlede breidde zich hun invloed op het bewind uit, totdat de staten der verschillende gewesten, na het vertrek van Leicester, in 1588, in plaats van wederom een hcofd aan te stellen, de hooge overheid in handen namen.

Daarom is het jaar 1588 het tijdstip van de vestiging van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Gedurende het bestaan der Republiek berust de souvereiniteit bij elk gewest in \'t bijzonder, d. i. bij \'t lichaam van de edelen en de vroedschappen (burgemeesters en raden) der steden, die de gedeputeerden ter statenvergadering benoemen. Deze lichamen waren van oudsher de vertegenwoordigers des volks tegenover den graaf geweest, en hierom is \'t niet vreemd dat zij thans, bij ontstentenis van landsheer, landvoogd en stadhouder des vorsten, het bewind aanvaardden. Van een eigenlijke constitutie of grondslag van dien regeeringsvorm kan geen sprake zijn. Ook was in ieder der zeven gewesten de vergadering der staten op een bijzondere wijze ingericht.

-ocr page 121-

109

Gelderland bestond uit drie kwartieren: dat van Nijmegen, dat van Zutfen en dat van Arnhem of van de Veluwe. In plaats van de bannerheeren, die, uit hoofde van hun gehechtheid aan de Spaansche regeering en omdat zij niet tot de unie van Utrecht waren toegetreden, sedert ongeveer het begin der 17de eeuw niet meer als afzonderlijk lid werden gedoogd, namen nu de edelen of ridderschap als eerste lid zitting. Die edelen, onder welke de bannerheeren ook werden medege-rekend, moesten aan de volgende algemeene vereischten voldoen: adellijke afkomst, belijdenis der hervormde leer, ouderdom van 22 jaren en bezit van een genoegzaam deel gronds in het kwartier. In bijzonderheden , b.v. omtrent de bepaling der adellijke afkomst en ten aanzien van de grootte van het stuk grond, bestond weder menig verschil tus-schen het eene kwartier en het andere. Zoo moest men in Nijmegen voor een waarde van 10,000 gl. vrij en onbezwaard hebben, in Arnhem voor 18,000 gl. De ridderschap beliep een getal van omstreeks zestig personen. Het tweede lid der staten waren de steden. In \'teerste kwartier waren Nijmegen, Tiel en Bommel; in het tweede Zutfen, Doesburg, Doetichem, Lochem en Grol; in het derde Arnhem, Harderwijk, Wageningen, Hattem en Elburg stemmende steden.

De staten van elk kwartier hielden, zoo dikwijls het noodig werd geacht, hun bijzondere kwartiersvergaderingen. Zes van de leden der kwartiersvergadering vormden in ieder kwartier het college van gedeputeerde staten, dat de dagelijksche zaken behandelde. Doorgaans werden elk jaar twee algemeene statenvergaderingen gehouden, de landdag geheeten. De landdag kwam te Arnhem, te Zutfen of te Nijmegen bijeen en werd beschreven door den stadhouder en het hof. Hierin zat de burggraaf van Nijmegen voor en had ieder kwartier één stem. Wanneer evenwel de meeningen van de twee leden van een kwartier niet overeenkwamen werden de beide stemmen afzonderlijk uitgebracht. In zaken van belasting, alsmede in sommige andere viel geen overstemming. In de overige gold dat gevoelen, waarop zich twee stemmen vereenigden, voor \'t gevoelen der staten. De regeering der steden was èn in Gelderland, èn in de overige gewesten in handen van burgemeesters (ten getale van twee tot vier), schepenen (ongeveer twaalf in getal) en den raad. In de meeste steden vond men bovendien een lichaam van omtrent dertig tot vijftig burgers, gemeens lieden of gezworen gemeente geheeten, die nu en dan over gewichtige aangelegenheden werden geraadpleegd. Ook dit was een instelling, welke, hoe dan ook gewijzigd, de Geldersche steden met die van vele andere gewesten, evenwel niet met Holland, gemeen hadden. Voor de rechtszaken had men, behalve de plaatselijke rechtbanken, het hof van Gelderland, waarvan de stadhouder voorzitter was en dat te Arnhem zitting hield. Op de regeering zelve behield echter het hof ook veel invloed. Wat die plaatselijke rechtbanken betreft, zij bleven, zoowel in Gelderland, als in de overige gewesten, gelijk vroeger (zie blz. 15), samengesteld

-ocr page 122-

110

uit baljuwen of schouten, als voorzitters, en uit schepenen. Evenwel heerschte er in dit opzicht in de zeven provinciën zooveel verscheidenheid, dat een algemeen overzicht bijna niet is te geven. Over \'t geheel stond het met de zaak aldus. Het platteland was ten behoeve der rechts-oefening verdeeld in groote districten, doorgaans baljuwschappen geheeten. Deze baljuwschappen bevatteden weder een grooter of kleiner getal on-derafdeelingen, over welke een schout of lagere rechter was gesteld. Dus had men een lagere vierschaar, door den schout met zijn schepenen of bijzitters, en een hoogere vierschaar, door den baljuw of drost met welgeboren mannen gespannen. Van de lagere gerechten waren echter die der ambachtsheerlijkheden, van de hoogere vierschaar die der hooge heerlijkheden onderscheiden. Ook de burgers der steden waren aan de plattelandsrechtbanken onttrokken. Zij stonden allen terecht voor een bank, uit hun eigen schepenen samengesteld, door den stedelijken baljuw, schout of hoofdofficier bijeengeroepen. Alles, wat de hervormde kerk betrof, stond onder het beheer der Geldersche synode; de onderdeelen of verschillende afdeelingen der synode heetten, zoowel hier als elders, klassen.

De statenvergadering van Holland bestond uit negentien stemmen, waarvan de edelen ééne en de steden de overige hadden. Het lid der edelen wordt ook wel dat der ridderschap genoemd. Oorspronkelijk bestaat er evenwel onderscheid tusschen de beide namen. Tot de ridderschap behoorden zij, die tot ridder waren geslagen, hetzij zij in een zekere ridderorde waren opgenomen, of niet. Maar dit gaf geen recht om zitting te nemen in de staten, tenzij die ridders tevens van adel waren en behoorlijk beschreven. Later noemde men hen, die, als van adellijke geboorte zijnde, lid der staten waren, zonder onderscheid, ridders of edelen. Het lid der edelen telde zeven leden, die alle een adellijk stamhuis of ridderhofstede, of althans een ambachtsheerlijkheid in Holland moesten bezitten. Niemand werd in dit college toegelaten, tenzij door de leden zeiven zijnde gekozen. Eens beschreven, bleven zij tot hun dood zitting houden. Na 1627 vertegenwoordigden de edelen niet langer de kleine steden en het platteland (zie blz. 41). Eensdeels verviel deze gewoonte hierdoor dat de kleine steden thans zeiven ter statenvergadering verschenen, anderdeels doordien het getal der edelen aanmerkelijk was afgenomen en vele heerlijkheden waren te niet gegaan of aan de steden gekomen.

De steden waren, na 1608, ten getale van achttien. Vóór dien tijd kwamen er ook wel meer, b.v. dadelijk na den dood van Willem vijfentwintig. De achttien waren : Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda (dit waren de groote steden), Rotterdam, Gorin-chem, Schiedam, Schoonhoven, Brielle, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend. Van deze steden hadden slechts de zeven eerste, benevens Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen de bevoegdheid afgevaardigden ter Generaliteit te zenden, doch zóó, dat nooit meer dan drie of vier tegelijk afzonden. De vergadering der staten werd beschreven door het college van gecommitteerde raden.

-ocr page 123-

Ill

Veelal hadden de vergaderingen vier maal in het jaar plaats. Zij werden te \'s Gravenhage gehouden. Doorgaans zonden de steden een burgemeester en twee of drie leden der vroedschap. Elke stad had haren pensionaris, die de afgevaardigden vergezelde en voor hen het woord voerde. Hij was voor de steden dikwijls evenzeer de hoofdpersoon, als voor de staten de raadpensionaris. Volgens de ordonnantie van den i2den Maart 1585 moesten de afgevaardigden stemmen overeenkomstig den last der vroedschappen en dan slechts naar hun eigen oordeel, wanneer het minder gewichtige aangelegenheden betrof , omtrent welke zij geen last hadden.

Over elk belangrijk onderwerp werd vooraf beraadslaagd in de afzonderlijke vergaderingen, n.1. in die der edelen en in die van de vroedschappen der achttien stemmende steden. Ter dagvaart was dus eigenlijk geen beraadslaging der provincie; met twistte niet met redenen, maar met vaste en vooraf bepaalde stemmen. De advocaat van den lande, na Oldenbarnevelts dood raadpensionaris, bracht de stem der edelen uit, omdat hij hun pensionaris was. Vanhier ook dat hij de stukken ter tafel bracht en er over liet stemmen, vermits de edelen het eerste lid der vergadering waren. Dit is tevens de reden, waarom de edelen het eerst stemden, en daarna de steden in den rang, boven aangewezen. Bij de zoo even genoemde ordonnantie was het getai zaken, waarin geen overstemming mocht plaats hebben, aanmerkelijk vergroot. Voorheen besliste men bij meerderheid van stemmen over alles, uitgezonderd over hetgeen het stuk der belastingen betrof. Doch na 1585 werd de eenstemmigheid vereischt ten opzichtte van al wat van eenig belang was. Hieruit volgde dat men meestal tot geen besluit kon komen. Een middel van beslissing was er niet; de klem der regeering was overgebracht op de bijzondere leden der vergadering. Daarbij behield de oude regel zijn volle kracht, dat de tegenstemmenden door de meerderheid (zie blz. 16, 41 en 42) niet werden verbonden. Die regel was afkomstig uit de tijden, dat de staten werden geacht afzonderlijk, niet gezamenlijk, met den vorst te handelen. Men deed met de toestemmenden af; de weigerachtigen waren niet gehouden.

Tot 1656 was de titel der staten van Holland, gelijk van de overige gewesten. Edel Mogen den. Den 3osten Nov. van dat jaar kenden die van Holland zich dien van Edel Groot Mogende He er en toe.

Naast de staten van Holland stonden de gecommitteerde raden, een permanente commissie uit de provinciale staten, die hun bevelen uitvoerde. Holland had twee van die colleges. Het college van \'t Zuiderkwartier hield zijn zittingen te \'s Gravenhage en bestond uit tien leden, één uit de ridderschap en negen uit de steden, dat van \'t Noorderkwartier te Hoorn en telde zeven leden uit de steden.

Voor de kerkelijke zaken had Holland twee synoden, een voor het Noorder- en een voor het Zuiderkwartier.

Ongeveer sedert 1589 bepaalden de staten, dat alle aangelegenheden,

-ocr page 124-

112

rakende de regeering en de politie, voortaan niet langer van de-bevoegdheid van \'t hof van Holland zouden zijn. De taak van \'t hof werd dus beperkt tot de rechtszaken, waarvan er evenwel ook eenige aan zijn kennisneming werden onttrokken en opgedragen óf aan de staten, óf aan de gecommitteerde raden, öf aan de vroedschappen. Voor dit hof werden ook de rechtszaken van Zeeland gebracht. Boven het hof stond de hooge raad, opgericht in 1582, aan welks rechtsgebied ook Zeeland sinds 1587 was onderworpen.

Een zeer gewichtig ambt was dat van den advocaat van den lande, advocaat van Holland óf, sedert 1630, raadpensionaris (zie de vorige blz.).

Veelal werd hem tevens de bediening van groot-zegelbewaarder van Holland opgedragen. Sinds het genoemde jaar werd de raadpensionaris altijd voor vijf jaren aangesteld, doch was, na afloop van dien termijn, dadelijk herkiesbaar. Hij was de ziel van der staten raadplegingen, de hoofdleider van alle gewichtige bedrijven. Hij was belast met het houden van briefwisseling met de gezanten der Republiek aan vreemde hoven en had alzoo veel invloed op den gang der buitenlandsche aangelegenheden. Behalve de vergaderingen der staten was hij ook verplicht die der gecommitteerde raden bij te wonen. In deze beide vergaderingen had hij evenwel geen stem, maar kon slechts raad geven. De bezoldiging van den advocaat was eerst 1200, toen 2000, daarna 3000 gl. \'s jaars; sedert 1668 6000, in de 18de eeuw 18000 gl.

Ziehier hoe het gewicht en de gevaren van dezen werkkring met de woorden van een raadpensionaris zeiven (Cats) worden beschreven :

„De staat gaf mij de macht om voor te mogen stellen En op den landdag zelfs de stemmen op te tellen,

En nadat ieder lid zijn reden had geuit,

Ten dienste van het land te maken het besluit.

Een ambt van dezen aard is vol gestadge zorgen, Vol aanspraak, vol gewoel, ook in den vroegen morgen. Dit vond ik allermeest, wanneer men aan den staat Al wat tot vrede dient moest brengen in \'t beraad.

Wat vond ik daar een zwier van ongebaande wegen, Waardoor mij stond te gaan, al was het ongelegen.

Hier was een driftig zand, en daar een harde klip. En dikwijls rees er storm te midden in het schip.quot;

Hoezeer in Holland de macht der vroedschappen of raden sinds de vestiging van den staat aangroeide toont reeds de zoo even genoemde ordonnantie van 12 Maart 1585 (zie blz. 111). Nog vroeger, in 1581, hadden de staten bepaald, dat de regeeringen der steden niet langer over \'s lands zaken zouden raadplegen met de schutterijen en de gilden, iets, wat, hoewel zelden, voorheen nu en dan geschiedde.

-ocr page 125-

na

Daarbij kwam het recht van politieke uitzetting, hetwelk den burgemeesters de bevoegdheid toekende lieden, bij hen verdacht, zonder voorafgaande rechtspleging, uit de stad te verbannen. Dit recht werd den overheden, ten tijde van den opstand, gegeven, opdat zij de macht hadden de rust te handhaven en personen, die met Spanje heulden, onschadelijk te maken. Doorgaans beliep het getal leden der vroedschap, die veelal om de twee jaren aftraden, vierentwintig tot veertig, te Amsterdam b.v. zesendertig, te Rotterdam vierentwintig, te Leiden veertig. Het getal burgemeesters was in elke stad van één tot vier, behalve te Dordrecht, dat maar één burgemeester had, die, gelijk de schout, in \'t openbaar verschijnende door hellebardiers werd vergezeld. Veel invloed had in de verschillende steden ook de oud-raad, bestaande uit een zeker aantal, gewoonlijk veertig, van hen, die vroeger in de vroedschap hadden gezeten. Van alle andere steden van Holland onderscheidde zich Dordrecht door een bijzondere instelling, n.1. door die van een college van acht personen, de goede lieden van achten genoemd. Deze acht, die twaalf stemmen hadden, omdat het college voorheen uit twaalf leden placht te bestaan, vergaderden gemeenschappelijk met den oud-raad om een burgemeester te benoemen of over belangrijke aangelegenheden hun gevoelen mede te deelen. Zij inzonderheid vertegenwoordigden het geheel der gemeente zooals elders de gemeenslieden of de gezworen gemeente.

In Zeeland zonden alleen de eerste edele, die de eenige vertegenwoordiger was van den adel in die provincie, en de zes steden Middelburg, Zierikzee, Goes, Tholen, Vlissingen en Veere afgevaardigden naar de staten. Er waren dus zeven stemmen. Ten gevolge van den opstand tegen Spanje was het eerste der drie leden (zie blz. 41), de abt van Middelburg, van zijn recht van zitting in de vergadering der staten verstoken geworden. Alzoo werd nu de eerste edele het voornaamste lid. Voorheen was die eerste edele niets dan de voornaamste onder zijn gelijken. Prins Willem bekwam in 1562 deze waardigheid van de staten voor zijn oudsten zoon, Philips Willem, graaf van Buren, als heer van St. Maartensdijk (op Tholen). Vermits nu, gedurende het begin der woelingen , de overige edelen, óf omdat zij verstrooid, óf vermits zij de Roomsch-katholieke leer en de zaak des konings toegedaan waren, niet ter vergadering opkwamen, verving de gemachtigde, dien de eerste edele zond, weldra het gansche lichaam. Deze gewoonte hield stand, en de staten droegen die waardigheid later achtereenvolgens aan alle prinsen van Oranje op, n.1. aan Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III^ Willem IV, Willem V. Sedert de eerste Willem in 1581 het markgraafschap van Veere en Vlissingen van de staten had gekocht, beweerden de prinsen van Oranje dikwijls, dat hieraan de waardigheid van eerste edele onafscheidelijk was verknocht. Doch in deze bewering hebben de staten nimmer willen toestemmen. De gemachtigde van het eerste lid der staten had niet alleen zitting en stem in de staten, maar ook in het college der

WljNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 8

-ocr page 126-

114

gecommitteerde raden en in de admiraliteit van Zeeland. Bovendien vertegenwoordigde hij het gewest mede in de Staten-Generaal.

Wat de steden betreft is boven (zie blz. 97) gebleken, dat Vlissingen en Veere eerst in 1574 in de vergadering werden opgenomen. De reden dier vroegere uitsluiting was, dat het vazalsteden waren, d. i. steden, die aan de ridderschap behoorden (zie blz. 42). Maar aan de goede diensten, den lande bewezen, gevoegd bij de gunstige gezindheid van Willem jegens haar en bij de omstandigheid, dat door het te niet gaan van Reimerswaal (zie blz. 41, 42) het getal stemmende steden tot vier was gedaald, hadden zij haar toelating te danken. Ook in Zeeland vond men een college van gecommitteerde raden, dat o.a. de vergadering der staten beschreef, welke altijd te Middelburg werd gehouden. De raadpensionaris leidde de vergadering, die aan geen bepaalden tijd was gebonden.

Onder de vijf personen, die naar de Staten-Generaal werden gezonden , had Middelburg, evenals de eerste edele, er altijd één. De andere steden bezetteden de overige plaatsen.

Ten aanzien van de kerkelijke zaken week Zeeland in zoover van andere gewesten af, dat de provinciale synode er weldra in onbruik geraakte en, zoo er een dergelijke bijeenkomst werd vereischt, door andere buitengewone vergaderingen werd vervangen.

De staten van Utrecht waren uit drie leden samengesteld: de gei li-geer den , de edelen en de stad Utrecht, benevens Amersfoort, Rhenen, Wijk bij Duurstede en Montfoort. Er waren dus drie stemmen. Het eerste lid was dat der gedigeerden. Vroeger waren dit Roomsche geestelijken (zie blz. 57). Na de omwenteling der 16de eeuw waren het edelen en burgers van den hervormden godsdienst, hoewel de oude vormen bewaard bleven. Zij werden, gewoonlijk ten getale van acht, op een voordracht van de vroedschap van Utrecht, door de edelen en de kleine steden verkozen. In sommige tijdperken benoemde hen de stadhouder. Het tweede lid was dat der edelen, van welke er veelal zes in de vergadering zaten. Onder de vereischten was het bezitten van vaste goederen, binnen het gewest gelegen, ter waarde van 25,000 gl. Daarop volgde het derde, waarin Utrecht, dat gewoonlijk twintig afgevaardigden telde tegen twee of drie uit elke der andere steden, een overwegenden invloed oefende. De steden werden beschreven door de gedeputeerde staten en kwamen te Utrecht bijeen. Doorgaans hadden er twee vergaderingen in het jaar plaats, welke werden geleid door den president der geëligeerden. Omtrent de overstemming golden nagenoeg dezelfde bepalingen als in Holland, althans sedert Frederik Hendriks tijd. Ongeveer dezelfde bemoeiingen als de raadpensionaris in Holland en Zeeland had hier de secretaris van staal. Ter Staten-Generaal vaardigden de geëligeerden, de ridderschap en de stad Utrecht elk één lid af.

Gelijk de aangelegenheden der kerk onder \'t beheer eener proviticiale synode stonden, zoo was er een provinciaal hof voor de rechtszaken. In dit hof was de stadhouder voorzitter.

-ocr page 127-

115

Friesland was in vier kwartieren verdeeld; Oostergo, Westergo, Zevenwolde en de steden. In \'t eerste kwartier bevonden zich elf grietenijen, in het tweede negen, in het derde tien, en \'t getal der stemmende steden was elf. Deze elf waren: Leeuwarden, Bolsward, Franeker, Sneek, Dokkum, Harlingen, Stavoren, Sloten, Workum, Ijlst en Hindelopen. Gedurende den tijd der Republiek zag men geen geestelijken meer in de vergadering der staten, noch heeren, die er voor zichzelven verschenen (zie blz. 62). Zij, die uit de drie plattelandskwartieren ter vergadering kwamen, heetten volmachten en werden gekozen door de eigenaars der stemgerechtigde goederen. Elke grietenij der drie genoemde kwartieren zond doorgaans tweepersonen, een edele en een eigenerfde, elke stad een burgemeester en een lid der vroedschap. Alzoo telde de landdag veelal tweeëntachtig afgevaardigden. In \'t voorbijgaan zij opgemerkt, dat aan dit getal van elf steden en dertig grietenijen, welke de tweeentachtig afzonden, de zegswijze „iets op zijn elfendertigsted. i. zeer goed doch tevens langzaam doen, haren oorsprong ontleent. Elk kwartier, dat afzonderlijk beraadslaagde, had één stem. De meerderheid besliste, behalve in zaken, waarover eenstemmigheid een vereischte was. Bij staking van stemmen had de stadhouder de beslissing. De leiding van den landdag was in handen van een commissie van acht leden, gekozen uit de volmachten en geheeten „de staten van het mindergetal.quot; Die commissie werd bijgestaan door een secretaris van slaat. De landdag werd beschreven door den stadhouder en de gedeputeerde staten en gewoonlijk eenmaal \'s jaars te Leeuwarden gehouden.

Hel college der gedeputeerde staten bestond uit negen leden, drie uit de steden en uit ieder kwartier twee. De stadhouder had in dit college zitting en stem. Verder was er een gerechtshof. In zaken, rakende de hervormde kerk, besliste de provinciale synode.

De statenvergadering van Overijsel telde twee leden, de edelen uit de drie kwartieren Sallant, Twente en Vollenhoven, voor zoover zij een havezate hadden, en de hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwol. Hasselt en Steenwijk werden geroepen, wanneer er een belangrijke zaak was te beslissen, maar hadden slechts raad te geven. De landdag werd beschreven door de gedeputeerde staten en kwam driemaal in het jaar in een der drie hoofdsteden bijeen. Voorzitter was de drost van Sallant. In gewichtige aangelegenheden was eenparigheid een vereischte. De wijze van stemmen was zeer eigenaardig, daar de ridderschap niet één college uitmaakte, maar hoofd voor hoofd stemde, terwijl elke stad één stem had. De meerderheid was o.a. één edelman met drie steden of zevenenveertig edelen met één stad. Den staten stond een griffier ter zijde.

Ter Staten-Generaal werden zes heeren afgevaardigd, uit elke der drie steden één en drie edelen, sinds het midden der 18de eeuw het dubbele van die getallen.

Het college der gedeputeerde staten bestond uit zes leden, drie edelen

-ocr page 128-

116

en drie uit de steden. In plaats van een provinciaal hof had Overijsel een hoogste vierschaar, die met den naam van \'s lands klaring (zie blz. 58) werd bestempeld en waarvan de drost van Sallant voorzitter was. De kerk had een provinciale synode.

Groningen bestond uit twee leden, de stad en de Ommelanden, ge zamenlijk „stad en landquot; genoemd. Zij deelden het oppergezag zóó met elkander, dat de vier burgemeesters en de twaalf raadsheeren, welke de stad zond, de eene stem hadden, en de drie kwartieren, waaruit de Ommelanden bestonden, n.1. Hunsingo, Fivelingo en \'t Westerkwartier, de andere. Eij staking van stemmen besliste de stadhouder. De vergadering werd door den stadhouder beschreven, die er ook zitting in had, en éénmaal \'s jaars te Groningen gehouden.

Het college van gedeputeerde staten, waarin de stadhouder insgelijks zitting had, bestond uit acht leden, vier van de stad en vier uit de Ommelanden. Zij en de staten zeiven werden bijgestaan door twee syndici, één wegens de stad en één wegens de Ommelanden. Het gebied der stad bevatte ook het Oldambt en het Goorecht, die geen aandeel in de regeering hadden. Voor het beheer der dagelijksche aangelegenheden , alleen de Ommelanden aangaande, was er een college van negen leden, drie uit ieder kwartier, de gecommitteerde raden geheeten. Naar de Staten-Generaal werden zes afgevaardigden gezonden, drie van de stad en drie van de Ommelanden. Eerst in 1749 werd er een provinciaal hof opgericht, tot hetwelk men zich in alle rechtszaken in hooger beroep kon wenden. De stadhouder zat hierin voor. Vóór dien tijd was de rechtspraak, voor zoover de Ommelanden betreft, in handen van eigenerfden en volmachten, als rechter hoofdlingen (afgeleid van hoofd) en, indien zij van adel waren, jonken geheeten. De vergaderingen, door een zeker aantal van zulke rechters tot vaststelling van het recht gehouden, noemde men warven (een woord, dat óf, met werpen, opwerpen verwant, een hoogte beteekent, of van een Gothisch werkwoord is afgeleid, dat „gaanquot;\' beduidt). In de stad had men de hoofdmannenkamer. Bij de warven en de hoofdmannenkamer kon men tevens van de uitspraak van den enkelen rechter in hooger beroep komen. — De hervormde kerk had een synode, gelijk elders, althans in de laatste eeuw der Republiek.

Drente was verdeeld in zes dingsspillen. Het woord ditigspil beteekent dings paal, d. i. rechtsgebied. De staten van Drente waren samengesteld uit twee leden. Het eerste lid waren de ridders, ten getale van niet meer dan achttien, daar dit het getal was der havezaten of ridderhofsteden, waaraan het recht van stemming was verbonden, mits men tevens van adellijke afkomst was. Doch veelal was het getal der edelen aanmerkelijk kleiner dan achttien. Het tweede lid, dat der eigenerfden, telde zevenendertig volmachten. De heeren van de ridderschap hadden één, de volmachten der eigenerfden twee stemmen. Gemakshalve werd aangenomen, dat er negen stemmen waren, drie der ridderschap en van elk dingspil één. De verhouding bleef, zooals men ziet, dezelfde. De

-ocr page 129-

117

vergadering had jaarlijks eens te Assen plaats en werd beschreven door den landdrost en de gedeputeerde staten. De drost was er voorzitter-De gedeputeerde staten, waarin ook de stadhouder zitting had, bestonden uit den drost, vier leden der ridderschap en vier uit de eigenerfden. Als griffier was de raad en landschrijver, ook in de vergadering der staten zeiven, werkzaam. In rechtszaken was de et stoel het hoogste college. Zijn leden heetten etten, een woord, dat vermoedelijk verwant is aan het oud-Friesche woord, dat „eedquot; beteekent, en alzoo beduidt „gezworenen.quot; De landdrost bekleedde het voorzitterschap. Ook in den etstoel hebben de meeste stadhouders zitting en stem gehad. In 1791 werd de etstoel vervangen door een provinciaal hof, waarin alle rechtsgeleerden konden zitten, niet, gelijk in den etstoel, stemgerechtigde burgers of gezeten landlieden. De synodale vergadering der hervormde kerk werd gewoonlijk eenmaal in de drie jaren gehouden. In een zonderlinge betrekking tot het landschap stond de vesting Koevorden. Zij werd geacht niet tot Drente te behooren, maar slechts onder het oppergezag van de staten van Drente te staan.

§ 16.

Vervolg.

Ten tijde van de Republiek berustte de souvereiniteit, voor elk gewest in \'t bijzonder, bij \'t lichaam van de edelen en bij de vroedschappen der steden. Maar uit de staten der provinciën, uitgezonderd Drente, werd een onbepaald getal leden afgevaardigd, doorgaans vijftig, die een college vormden, dat men Stateti-Generaal noemde, hetwelk den souverein vertegenwoordigde tegenover de buitenlandsche mogendheden en later het bestuur had over de Generaliteitslanden. Er waren in de Staten-Generaal zoovele stemmen, als er gewesten waren, zoodat het getal van hen, welke naar die vergadering werden gezonden, hiertoe niets afdeed. Dat het onbillijk was gewesten, zooals Overijsel en andere, in rechten gelijk te stellen met Holland, hetwelk zulke zware lasten droeg (zie blz. 121), moet elk in \'t oog vallen. In \'t begin van den tachtigjarigen oorlog vergaderden de Staten-Generaal slechts van tijd tot tijd. Zij kwamen in verschillende steden bijeen, veelal te Utrecht, Delft of \'s Gravenhage. Ook berustte, na het vertrek van Leicester, niet bij hen, maar bij den raad van state de hoofdleiding der aangelegenheden van den staat. Langzamerhand echter hebben de Staten-Generaal sedert 1593, toen zij permanent werden, vele gewichtige belangen aan de bemoeiingen van den raad van state onttrokken en zijn werkkring beperkt tot het beheer der krijgzaken en van de financiën in \'t algemeen. Het zitten der Engelsche leden in den raad van state (zie blz. 105, 106) strekte tot een geschikt voorwendsel voor de altijddurende vergadering van de Staten-Generaal. Dit voorwendsel

-ocr page 130-

118

greep Maurits met beide handen aan, daar hij liever onder toezicht der Staten-Generaal de geheele leiding der krijgszaken in handen had dan ze met den raad van state deelde. Ook de advocaat van Holland, die in den raad van state noch zitting, noch er toegang had, doch bij de Staten-Generaal veel vermocht, bevorderde, zooveel hij kon, het streven om den raad buiten vele zaken te houden. Op die wijze werd het gezag van den raad van state geheel ontzenuwd en de grond gelegd voor de vele gebreken, die men later in \'t bewind der Republiek wraakte.

Gelijk de pacificatie van Gent de grondslag was der Algemeene Staten, zoo werd de Unie van Utrecht die voor het eenigszins anders samengestelde lichaam der Staten-Generaal. Want na het jaar 1585 bestond dit lichaam slechts uit de afgevaardigden van de staten der zeven gewesten, die de unie hadden onderteekend. Drente werd van het voorrecht om ter Staten-Generaal zitting te nemen uitgesloten, dewijl het, kort na de unie te hebben onderteekend, door de Spaansche wapenen was vermeesterd. In 1594, en later in 1618, 1633, 1643 en 1651 verzocht het weder in de vergadering der Staten-Generaal stem te mogen uitbrengen. Het beweerde, wat inderdaad het geval was, dat zijn recht geenszins was verloren gegaan, al was het verhinderd geweest het te oefenen. Het verzoek werd echter niet ingewilligd, waarschijnlijk wegens de geringe opbrengst, in vergelijking met die der andere gewesten en omdat Holland de landprovinciën niet door die stem wilde versterken. „Drente, zegt een oud schrijver, was de bruid niet, om welke men danste, maar Friesland, Groningen en de Ommelanden. Nu zijn al haar zeven zusters koninginnen en zitten op zeven tronen in een koninklijk paleis, maar zuster Drente wordt buitengesloten, en al klopt zij somtijds aan, zij krijgt evenwel geen gehoor.quot; Zonderling werd, ten gevolge van het besluit der Staten-Generaal, Drente\'s verhouding tot de zusters. Hoewel slechts een bondgenootschappelijk gewest, maakte het een deel van den staat uit. Het deelde in de voor-deelen, die uit de verdragen der bondgenooten met andere vorsten voortvloeiden. Het was verre van onafhankelijk te zijn, vermits het verplicht was de algemeene lasten, buiten zijn stem vastgesteld, mede te dragen. De bevelhebber der troepen, die te Koevorden in bezetting lagen, stond onder het onmiddellijk bevel der Staten-Generaal.

Dit college nu, dat in 1593 permanent werd, noemt men bij voorkeur Staten-Generaal ter onderscheiding van een vergadering van alle leden der staten van de zeven gewesten, hoedanige die der Algemeene Staten kan genoemd worden en b.v. in 1651 bijeenkwam. Van de Staten-Generaal waren de stadhouders uitgesloten; zij mochten alleen in de vergadering verschijnen om voorstellen te doen. In 1Ó39 gaven de Staten-Generaal zich den titel Uien Hoog Mogen den. De vergadering werd geleid door een voorzitter. Elke provincie had het voorzitterschap gedurende een week, van Zondagnacht 12 uur af. De rangorde was: Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen.

-ocr page 131-

119

Gelderland had den voorrang, omdat het een hertogdom was geweest. Ofschoon het getal der afgevaardigden doorgaans vijftig was, waren er rondom de tafel slechts plaatsen voor zes leden uit Gelderland, evenveel uit Holland, drie uit Zeeland, twee uit Utrecht, drie uit Friesland , twee uit Groningen. En wanneer een provincie meer afgevaardigden ter Generaliteit had, dan er stoelen voor haar waren gezet, bleven de overigen staan. De Staten-Generaal hadden een griffier, die voor zijn leven werd aangesteld, terwijl het beheer over de geldmiddelen van het bondgenootschap, onder toezicht van den raad van state, aan den thesaurier-generaal der unie was opgedragen. Evenwel was de thesaurier zelf ook lid van den raad van state.

In gewone gevallen beslisten de afgevaardigen zeiven, mits blijvende binnen de perken, hun door de provinciën gesteld. Maar in gewichtige aangelegenheden vermochten zij niets zonder den uitdrukkelijken en eenstemmigen wil der gewesten. Ofschoon dit volgens artikel 9 der unie, voor het verklaren van oorlog, het sluiten van vrede, het uitschrijven van algemeene belastingen vaststond, waren de meeningen over het verbindende der eenstemmigheid, b.v. ten aanzien van het sluiten van verdragen met vreemde mogendheden, toch dikwijls verdeeld. Dus rees in dergelijke gevallen de vraag, of er overstemming plaats hebben en de meerderheid beslissen kon, ja dan neen, iets waartoe de tijden van Maurits en Willem II overhelden. Wel had artikel 9 voorzien in \'t geval dat er verschil van gevoelen bestond. Dit verwees ter beslissing naar den stadhouder, 7iu ter tijd wezende. Deze uitdrukking intusschen werd op verschillende wijze verklaard. Eenigen wilden, dat het artikel doelde op de stadhouders, die bij het sluiten der unie leefden. Anderen lazen in die woorden, dat, volgens den wil van de ontwerpers der unie, de Republiek steeds stadhouders moest hebben, al ware het alleen om de geschillen uit den weg te kunnen ruimen. Hoe het zij, het spreekt vanzelf, dat alleen het genoemde artikel reeds de aanleiding was tot een verregaande traagheid in de behandeling der zaken. Bij elke aangelegenheid van eenig belang moest ter Generaliteit worden gewacht op de besluiten der provinciën, die op haar beurt hadden te wachten op de mededeeling van de meeningen der edelen en steden. Verder vloeide uit het aangehaalde artikel meer dan eens dit zonderlinge verschijnsel voort, dat, wanneer men bij belastingen, waartoe elke provincie haar aandeel moest opbrengen, niet langer kon wachten naar eenparigheid, de gewesten, die hadden toegestemd, hun penningen opbrachten zonder verder naar de denkwijze der overige te vragen.

Werd nu de last der lastgevers — wat in verreweg de meeste aangelegenheden een vereischte was — gevorderd, dan moesten de afgevaardigden ruggespraak houden met de staten der gewesten. Alsdan waren de raadplegingen zeer tijdroovend. De zesenvijftig of achtenvijftig steden, de ridderschappen en de andere leden van staat moesten eerst worden gehoord. Voorzeker, zoodra men bedenkt, dat meer dan

-ocr page 132-

120

twaalfhonderd personen op die wijze over \'s lands zaken hun stem hadden te geven, is het schier onbegrijpelijk, hoe ook maar één zaak kon worden afgedaan. Wat betreft de aangelegenheden, waarover de staten der bijzondere gewesten niet waren geraadpleegd, de besluiten hieromtrent moesten hun worden medegedeeld en aan hun goedkeuring onderworpen. Over \'t geheel had Holland in de Staten-Generaal een groot overwicht. Wat Hollands staten-vergadering had overwogen en besloten werd, dan in de Staten-Generaal gebracht zijnde, doorgaans door de andere gewesten goedgekeurd en zóó vastgesteld.

De hoofdzaken, tot de gewone onderwerpen van de beraadslaging der Staten-Generaal behoorende, waren:

1. Het verklaren van oorlog en \'t sluiten van vrede en verdragen.

2. Alles, wat tot het krijgswezen in betrekking stond, als het werven van soldaten, de aanstelling van officieren , het geven van patenten of open brieven, waarop het krijgsvolk van de eene plaats naar de andere trok, de betaling der troepen, enz. — In oorlogstijd werden drie of meer leden der Staten-Generaal, gedeputeerden te velde geheeten, naar het leger gezonden om den veldheer als leidsmannen ter zijde te staan.

3. Het oppergezag over de collegien der admiraliteit.

4. Het oppertoezicht op de inkomsten en de uitgaven, alzoo ook op de convooien en licenten (zie blz. 85), daar deze gelden thans werden besteed tot het onderhouden van de zeemacht der Republiek. De convooien werden weldra op een vast bedrag gesteld en van alle schepen bij het uit- of binnenvaren gevraagd.

5. Op grond van art. 13 der unie kan men beweren, dat de Staten-Generaal het toezicht hadden op het naleven van \'t voorschrift. hetwelk vervolging van wien ook ter zake van den godsdienst verbood.

6. Het vaststellen van plakkaten, loopende over punten, die tot de bevoegdheid der Staten-Generaal behoorden. Zulke plakkaten hadden evenwel geen verbindende kracht, tenzij de staten der bijzondere gewesten ze wilden laten afkondigen.

7. De benoeming van kapitein-generaal, veldmaarschalk, griffier der Staten-Generaal, thesaurier-generaal der unie en van andere ambtenaren. De aanstelling der twee eerstgenoemde dienaren der Republiek had alleen plaats, in geval geen gewest zich er tegen verklaarde.

De raad van state bestond uit twaalf leden, van welke die provincie de meeste zond, welke het grootste aandeel droeg in de algemeene lasten. Holland had er daarom drie leden, de overige gewesten twee of één. Ieder lid zat beurtelings één week voor. Bovendien waren de stadhouders lid van den raad van state. Men stemde hoofdelijk. De werkkring van dezen raad is uit het bovenstaande (zie blz. 117, 118, vlg.) gebleken. Het belangrijkste gedeelte zijner taak was het indienen in de maand December van de?i staat van oorlog en van de generale petiiie of aanvraag der hiertoe vereischte gelden voor het volgende jaar. Deze stukken zond hij, door tusschenkomst der Staten-Generaal, aan

-ocr page 133-

121

de staten der provinciën. Daarenboven waren er buitengewone petitiën. Veelal beraadslaagden de gewesten lang, en sommige weigerden. En was er algemeene toestemming, dan kwamen de meesten hun consenten, d. i. wat zij hadden beloofd, niet na. Vandaar dat Heiland, het rijkste gewest, dikwijls voorschoot wat de anderen verplicht waren op te brengen. Doch deze voorschotten konden niet ten volle dekken al datgene, waarin de overige achterstallig waren. Voor \'t overige waren de quoten of aandeelen sedert 1619 zóó vast gesteld, dat van een som van honderd gulden elk gewest het onderstaande opbracht:

Holland........ongeveer 58 gl.

Friesland........„ 11,1, „

Zeeland................9 »

Gelderland..............5i »

Utrecht en Groningen ieder . ruim 5.^ „

Overijsel................3J „

Drente................1 ,,

Volgens deze quoten greep de repartitie of verdeeling der troepen over de gewesten plaats. Na Leicester besloten de staten der gewesten deze soldaten zeiven te betalen en de dus uitgegeven som bij het voldoen der quota\'s in rekening te brengen. Ten aanzien van deze troepen noemden die staten zich „betaalsheeren.quot; Onder toezicht van den raad van state bestuurde de rekenkamer de geldzaken, zag de rekeningen na en had het beheer der domeinen.

Al wat het zeewezen betreft behoorde tot het gebied der admiraliteit. Na verschillende proeven, waarop men spoedig weer terugkwam, werd deze zaak in 1597 voor goed geregeld. De schikking heette slechts voor één jaar te wezen, doch bleef tot de slooping der Republiek van kracht. De admiraliteit telde vijf colleges: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland, hetwelk bij afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat van Dokkum, dat in 1645 naar Harlingen werd verplaatst. Elk college bestond eerst uit zeven, later uit negen tot twaalf leden. Allen werden door de Staten-Generaal benoemd, het meerendeel op voordracht der provinciën, waarin de colleges waren gevestigd, terwijl de overigen uit de andere gewesten werden afgevaardigd, evenwel zóó, dat niet elke provincie in iedere kamer werd vertegenwoordigd. Nopens Zeeland was het een bijzonderheid, dat de Zeeuwsche leden en het college van Middelburg geen anderen waren dan leden van \'t college van gecommitteerde raden. Hoofd en voorzitter der vijf colleges tezamen en van ieder in \'t bijzonder was, sedert Maurits, de admiraal-generaal. Hij benoemde de scheepsbevelhebbers uit een voordracht van twee personen, door de colleges opgemaakt. Over \'t geheel was zijn gezag in de colleges zeer groot.

Van de colleges gaan wij over tot den persoon van den stadhouder of gouverneur, zooals de titel eigenlijk luidt. Immers men behoeft niet te gelooven, dat de naam „gouverneurquot;, die in het geschrift staat, bij

-ocr page 134-

120

twaalfhonderd personen op die wijze over \'s lands zaken hun stem hadden te geven, is het schier onbegrijpelijk, hoe ook maar één zaak kon worden afgedaan. Wat betreft de aangelegenheden, waarover de staten der bijzondere gewesten niet waren geraadpleegd, de besluiten hieromtrent moesten hun worden medegedeeld en aan hun goedkeuring onderworpen. Over \'t geheel had Holland in de Staten-Generaal een groot overwicht. Wat Hollands staten-vergadering had overwogen en besloten werd, dan in de Staten-Generaal gebracht zijnde, doorgaans door de andere gewesten goedgekeurd en zóó vastgesteld.

De hoofdzaken, tot de gewone onderwerpen van de beraadslaging der Staten-Generaal behoorende, waren:

1. Het verklaren van oorlog en \'t sluiten van vrede en verdragen.

2. Alles, wat tot het krijgswezen in betrekking stond, als het werven van soldaten, de aanstelling van officieren , het geven van patenten of open brieven, waarop het krijgsvolk van de eene plaats naar de andere trok, de betaling der troepen, enz. — In oorlogstijd werden drie of meer leden der Staten-Generaal, gedeputeerden te velde geheeten, naar het leger gezonden om den veldheer als leidsmannen ter zijde te staan.

3. Het oppergezag over de collegien der admiraliteit.

4. Het oppertoezicht op de inkomsten en de uitgaven, alzoo ook op de convooien en licenten (zie blz. 85), daar deze gelden thans werden besteed tot het onderhouden van de zeemacht der Republiek. De convooien werden weldra op een vast bedrag gesteld en van alle schepen bij het uit- of binnenvaren gevraagd.

5. Op grond van art. 13 der unie kan men beweren, dat de Staten-Generaal het toezicht hadden op het naleven van \'t voorschrift, hetwelk vervolging van wien ook ter zake van den godsdienst verbood.

6. Het vaststellen van plakkaten, loopende over punten, die tot de bevoegdheid der Staten-Generaal behoorden. Zulke plakkaten hadden evenwel geen verbindende kracht, tenzij de staten der bijzondere gewesten ze wilden laten afkondigen.

7. De benoeming van kapitein-generaal, veldmaarschalk, griffier der Staten-Generaal, thesaurier-generaal der unie en van andere ambtenaren. De aanstelling der twee eerstgenoemde dienaren der Republiek had alleen plaats, in geval geen gewest zich er tegen verklaarde.

De raad van state bestond uit twaalf leden, van welke die provincie de meeste zond, welke het grootste aandeel droeg in de algemeene lasten. Holland had er daarom drie leden, de overige gewesten twee of één. Ieder lid zat beurtelings één week voor. Bovendien waren de stadhouders lid van den raad van state. Men stemde hoofdelijk. De werkkring van dezen raad is uit het bovenstaande (zie blz. 117, 118, vlg.) gebleken. Het belangrijkste gedeelte zijner taak was het indienen in de maand December van den staat van oorlog en van de generale petitie of aanvraag der hiertoe vereischte gelden voor het volgende jaar. Deze stukken zond hij, door tusschenkomst der Staten-Generaal, aan

-ocr page 135-

121

de staten der provinciën. Daarenboven waren er buitengewone petitiën. Veelal beraadslaagden de gewesten lang, en sommige weigerden. En was er algemeene toestemming, dan kwamen de meesten hun consenten, d. i. wat zij hadden beloofd, niet na. Vandaar dat Holland, het rijkste gewest, dikwijls voorschoot wat de anderen verplicht waren op te brengen. Doch deze voorschotten konden niet ten volle dekken al datgene, waarin de overige achterstallig waren. Voor \'t overige waren de quoten of aandeelen sedert 1619 zóó vast gesteld, dat van een som van honderd gulden elk gewest het onderstaande opbracht:

Holland........ongeveer 58 gl.

Friesland........„ 11?,,,

Zeeland................9 »

Gelderland..............5i »

Utrecht en Groningen ieder . ruim 5} „

Overijsel................3J „

Drente................1 ,,

Volgens deze quoten greep de repartitie of verdeeling der troepen over de gewesten plaats. Na Leicester besloten de staten der gewesten deze soldaten zeiven te betalen en de dus uitgegeven som bij het voldoen der quota\'s in rekening te brengen. Ten aanzien van deze troepen noemden die staten zich „betaalsheeren.quot; Onder toezicht van den raad van state bestuurde de rekenkamer de geldzaken, zag de rekeningen na en had het beheer der domeinen.

Al wat het zeewezen betreft behoorde tot het gebied der admiraliteit. Na verschillende proeven, waarop men spoedig weer terugkwam, werd deze zaak in 1597 voor goed geregeld. De schikking heette slechts voor één jaar te wezen, doch bleef tot de slooping der Republiek van kracht. De admiraliteit telde vijf colleges: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland, hetwelk bij afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat van Dokkum, dat in 1645 naar Harlingen werd verplaatst. Elk college bestond eerst uit zeven, later uit negen tot twaalf leden. Allen werden door de Staten-Generaal benoemd, het meerendeel op voordracht der provinciën , waarin de colleges waren gevestigd, terwijl de overigen uit de andere gewesten werden afgevaardigd, evenwel zóó, dat niet elke provincie in iedere kamer werd vertegenwoordigd. Nopens Zeeland was het een bijzonderheid, dat de Zeeuwsche leden en het college van Middelburg geen anderen waren dan leden van \'t college van gecommitteerde raden. Hoofd en voorzitter der vijf colleges tezamen en van ieder in \'t bijzonder was, sedert Maurits, de admiraal-generaal. Hij benoemde de scheepsbevelhebbers uit een voordracht van twee personen, door de colleges opgemaakt. Over \'t geheel was zijn gezag in de colleges zeer groot.

Van de colleges gaan wij over tot den persoon van den stadhouder of gouverneur, zooals de titel eigenlijk luidt. Immers men behoeft niet te gelooven, dat de naam „gouverneurquot;, die in het geschrift staat, bij

-ocr page 136-

122

hetwelk Maurits wordt aangesteld, een toevalligheid is. Deze titel was gekozen, omdat de naam „stadhouderquot; niet kon worden gegeven aan een ambtenaar der staten, die altijd tegenwoordig waren. Het kan ook zijn dat de vrees, dat Maurits mocht verlangen de souvereine macht te oefenen, die Willem niet krachtens, maar met den titel van stadhouder had bezeten, de staten den titel van gouverneur deed kiezen. Somtijds werd hun macht door een instructie beperkt, zooals er een werd opgesteld voor Maurits, somtijds niet, gelijk ten aanzien van Frederik Hendrik en Willem II. Steeds benoemden de provinciën zeiven haar gouverneurs; maar tot 1620 verstrekten hun de Staten-Generaal, aan wie zij tevens den eed aflegden, de commissie of den lastbrief. De oorzaak van dit gebruik betrekkelijk de commissie is vermoedelijk hierin te zoeken dat bij het verdrag, met Elizabeth gesloten, was bepaald, dat de verkiezing van een gouverneur zou staan aan den Engelschen opperbevelhebber en aan den raad van state uit een voordracht, opgemaakt door de staten van \'t gewest. Van de zijde der gewesten, welke op die wijze toch een aanmerkelijken invloed konden oefenen op de benoeming, kwam geen verzet, nu de Staten-Generaal, van quot;tbedoelde verdrag afwijkende, aan zich trokken wat den Engelschman en den raad van state toekwam. En ziedaar tevens de reden, waarom het geven van commissie door de Staten-Generaal met 1620 (zie blz. 143) ophield.

Van wege de Staten-Generaal was de gouverneur kapitein-generaal en admiraal van de unie. Maurits, hoewel nooit opzettelijk hiertoe benoemd, was toch metterdaad kapitein-generaal over de legers van den staat. Aan Frederik Hendrik en aan de verdere stadhouders werd deze waardigheid uitdrukkelijk opgedragen. Veelal was de gouverneur ook kapitein-generaal van het gewest, welks staten hem tot gouverneur benoemden. Van die staten was hij de eerste dienaar, voorzoover het militair en het burgerlijk gezag betreft, in elk gewest het hoofd der uitvoerende macht, die hij met de gecommitteerde raden of de gedeputeerde staten deelde. Hoezeer in alle provinciën eenigerraate verschillend, kwam de macht van den gouverneur over \'t geheel op het volgende neer. Hij benoemde de voorzitters in de meeste gerechtshoven. Op de samenstelling der vroedschappen in de meeste steden had hij een beslissenden invloed doordien hij uit voordrachten, door die vroedschappen opge-gemaakt, de leden verkoos. Aan hem stond de benoeming tot een groote reeks van ambten. Hij kon onder zekere voorwaarden kwijtschelding of verzachting van straf verleenen. Dan behoorde tot zijn taak de handhaving van den hervormden godsdienst. Dit weinige kan met behulp van hetgeen boven hier en daar is opgeteekend worden aangevuld. De onderdanigheid van den stadhouder aan de staten der gewesten werd getemperd doordien hij kapitein-generaal van de unie was en tot meer dan één provincie in betrekking stond; door het hooge aanzien van \'t geslacht van Oranje-Nassau, door de talrijke bezittingen dezer vorsten op Nederlands bodem en ten laatste doordat de hooge waardigheden in dit huis

-ocr page 137-

123

weldra zoo goed als erfelijk werden. Vandaar dat, ofschoon de Republiek tegenover het buitenland door de Staten-Generaal werd vertegenwoordigd , geen gezant eener vreemde mogendheid verzuimde ook bij den prins gehoor te vragen. Vandaar dat deze dienaar der staten vaak „eminent hoofdquot; wordt genoemd, evenwel niet alsof hij souverein ware, maar vermits hij verre uitstak boven alle andere overheidspersonen.

Friesland had tot 1748 altijd afzonderlijke stadhouders, welke die waardigheid doorgaans tevens in Groningen en in Drente bekleedden , terwijl de gouverneur van Holland ook steeds in Zeeland, in Utrecht, in Gelderland en in Overijsel tot stadhouder is benoemd. De vijf laatstgenoemde gewesten hebben tweemaal een stadhouderloos tijdperk gehad, waaraan voor het meerendeel de regeeringsreglementen van 1672 en 1747 een einde hebben gemaakt. In 1747 werd ook het stadhouderschap met de overige waardigheden, die de prins van Oranje-Nassau bekleedde, erfelijk verklaard in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie.

De voordeelen, aan het stadhouder- en kapitein-generaalschap verbonden, waren, hoewel men ze niet alle kent, zeer aanzienlijk. Mau-rits en Frederik Hendrik trokken, als stadhouder, alleen van Holland jaarlijks ruim 30,000 gl. en, als kapitein-generaal, 120,000 gl. Hierbij kwam meer dan 100,000 gl. \'s jaars voor buitengewone uitgaven in tijd van oorlog en een tiende van den buit, ter zee gewonnen. Eindelijk waren de prinsen van Oranje Nassau van de meeste belastingen vrijgesteld. De stadhouders hadden in later tijd nog veel ruimer inkomsten.

De regeeringsvorm van de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden — zooals zij doorgaans wordt genoemd, ofschoon het eigenlijk zeven Republieken waren, — had voorzeker groote gebreken. Dit lag in den aard der zaak, daar de staatsinrichting niets anders was dan een wijziging van hetgeen er, na de afzwering van den landsheer, van de overige bestanddeelen der vroegere regeering overbleef en slechts voor een tijdelijk doel, voor een toestand van oorlog, was bestemd. De unie van Utrecht had een centraal gezag willen instellen; maar de maatregelen , welke dit gezag op den duur mogelijk zouden maken, bleven achterwege. Van den anderen kant staat het vast, dat de bijzondere staten (die in dit werk, hoezeer de uitdrukking niet geheel juist is, duidelijkheidshalve doorgaans met de benaming „gewesten of provinciënquot; worden aangeduid) er in 1579 en volgende jaren niet aan dachten hun zelfstandigheid en hun onafhankelijk staatswezen op te offeren, dan voor zooverre dit door de dreigende gevaren dringend werd gevorderd. Vanhier dat zij van hun rechten en bevoegdheden zoo weinig mogelijk aan het algemeen bewind afstonden. Zoodra de gevaren eenigszins waren geweken, waren zij veelal geneigd van het gezag, dat zij hadden afgestaan, een deel terug te nemen. Dit streven vond geen tegenstand bij de zwakke en onvoltooide staatsinstellingen, waaraan de handhaving der rechten van het centraal gezag was opgedragen. Bovendien had een deel der leden van de unie dikwerf belangen, strijdende met die vaq

-ocr page 138-

124

een ander deel of van \'t geheel. Besliste alsdan de meerderheid, dan ontbrak het haar niet zelden aan de middelen om haar beslissing metterdaad te doen eerbiedigen. Zóó werd de tweedracht geboren. Wat de gewestelijke souvereinireit aangaat, ook zij verkeerde in een eigenaardige moeielijkheid. Aanvankelijk kon zij, bij de ontstentenis van den vorst, op geen orgaan wijzen, hetwelk op algemeene erkenning kon rekenen als vertegenwoordiger der bevolking, of, wat hetzelfde is, der staatsmacht. Deze en andere gebreken van den regeeringsvorm vielen, naarmate de staat in jaren toenam, des te meer in \'t oog. Zij deden zich, naar gelang de drang van buiten minder tot eendracht en veerkracht noopte, meer en meer gevoelen. Intusschen bedenke men, dat een regeeringsvorm geen onbepaalde afkeuring verdient, waaronder een Republiek ontstond en aangroeide, die zulk een grootsche rol in de geschiedenis der wereld heeft vervuld, Onbetwistbaar is het, dat in den regel dat, wat aan den vorm zelf ontbrak, werd aangevuld en vergoed door de kunde, de braafheid en de goede trouw van velen van hen, die aan den vorm het leven hadden te geven.

§ 17-

De onoverwinnelijke vloot. -— Mauriis\' krijgsbedrijven. — De afstand der Neder huiden door Philips II. — De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen oorlog.

Zoo was dan de staat der Vereenigde Nederlanden gestichr. Op den eersten steen, door Willem gelegd, was het gebouw ter tinne toe opgetrokken, welks voorhoven Maurits welhaast zou beginnen met metalen muren te bevestigen. Bij die grondvesting, hadden de Nederlanders met grooter zwarigheden te kampen gehad dan eenig volk, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar zij toonden, dat zij ten volle waren opgewassen tegen elke inspanning, die de drang der omstandigheden hun oplegde. Dus werd ook in hun voorbeeld da waarheid bekrachtigd, dat ieder de schepper is van zijn eigen lot.

Al dadelijk bedreigde de pas ontstane Republiek een groot gevaar Sedert 1580, toen Philips met geweld de heerschappij over Portugal verkreeg en hierdoor zijn zeemacht meer dan verdubbeld zag, dacht hij aan een aanval op Engeland, het bolwerk van hen, die van de Roomsch-katholieke kerk waren afgevallen. Wat na dien tijd in en van wege dezen staat geschiedde, de zending van Leicester naar de Nederlanden en het ter dood brengen van Maria Stuart, bevestigde hem in zijn voornemen. In 1587 schonk paus Sixtus V Engeland, alsof het een leen van Rome ware, aan de kroon van Spanje.

Sedert een paar jaren had Philips al de middelen, te zijner beschikking staande, besteed om een groote vloot, bij voorraad de onoverwinnelijke geheeten, van stapel te kunnen doen loopen, ten einde

-ocr page 139-

125

niet alleen Engeland te veroveren, maar ook Nederland weder onder het juk te brengen. Deze armada (eigenlijk; vloot van oorlogschepen), die aan uitrusting 60,000,coo gl. en, met de krijgs- en scheepsmacht van Parma, aan dagelijksch onderhoud 30,000 Spaansche dukaten (elk ter waarde van omtrent 3 gl.) kostte, bestond uit ruim 130 oorlogschepen. De vaartuigen voerden tezamen ruim 3000 stukken grof geschut, waren bemand met meer dan 8000 matrozen, ongeveer 2000 galeislaven en omtrent 20,000 soldaten en hadden aan boord bijna 300 monniken en priesters met een groot-inquisiteur. De vloot stond onder \'t opperbevel van Alonzo Perez de Guzman, hertog van Medïna-Sidonia, een man, wien alle bedrevenheid voor de moeielijke taak, die hij op zich nam, ontbrak. De hertog van Parma moest zich met zijn scheepsmacht, 32 oorlogschepen en 43,000 man troepen, in de havens van Nieuwpoort en Duinkerken ter aansluiting gereed houden.

Eindelijk ontwaakte Elizabeth uit de bedwelming en begon het be-driegelijke in te zien der onderhandelingen van den koning van Spanje en van Farnese. Ook zij, of liever de Engelsche natie zelve ving aan zich, gelijk de Nederlanders, in staat van tegenweer te stellen. Howard stond aan \'t hoofd van de Britsche vloot, vice-admiraal was Drake. Over de schepen van Holland voerde Johan van Wassenaar, heer van Warmond (ten n. van Leiden), als admiraal het bevel en met hem de zoon van van der Does (zie blz. 92), als vice-admiraal van Holland, terwijl Justinus van Nassau, een natuurlijke zoon van Willem, admiraal was over de schepen van Zeeland en Joost de Moor vice-admiraal. Op den laatsten Juni 158S verscheen de armada in het Kanaal. Weldra bracht de Engelsche vloot aan de Spaansche schepen, te log schier om zich wenden, een aanmerkelijk nadeel toe, waarop binnen kort een zege der Engelschen en der Nederlanders volgde. Inmiddels verhinderden de Nederlandsche vaartuigen Parma zich bij de Spaansche hoofdmacht aan te sluiten. Hierom, en vermits de wind en de vloot der bondgenooten Medïna-Sidonia den terugtocht door het Kanaal onmogelijk maakten, besloot hij om Schotland en Ierland heen te zeilen.

Op dezen tocht overviel hem een geduchte storm, die de gansche vloot verstrooide en vele schepen op de kust van Ierland deed stranden, welks barbaarsche bewoners de bemanning doodden. Slechts een derde gedeelte der armada keerde, en niet dan zeer beschadigd, in October naar Spanje terug. Men had haar te voorbarig „de onoverwinnelijkequot; genoemd. „Flavit (Jehovah), et dissipati suntquot;, d. i. de Heer heeft geblazen, en zij zijn verstrooid, zegt een gedenkpenning van dien tijd, door Zeeland geslagen. Haar ondergang was een keerpunt in de geschiedenis. Nimmer moge de herinnering dezer grootsche gebeurtenis in Engeland en in Nederland te niet gaan.

Een tweede gebeurtenis, even belangrijk in haar gevolgen voor de Nederlanders, als de ondergang der armada, was de verraderlijke moord, in \'t laatst van 1588 op last van Hendrik III aan Hendrik de Guise

-ocr page 140-

126

gepleegd. Gelijk steeds elke wending in den gang der historie van Frankrijk op den loop der Nederlandsche onlusten had teruggewerkt, zoo deed zich ook nu de invloed van dien omkeer in Frankrijk weldra in de Republiek gevoelen. Sinds jaren had Philips met de ligue (zie Algemeene Geschiedenis, III, 7de druk, blz. 83) eendrachtig samengewerkt. Terstond na den dood van Guise gelastte hij Parma alzoo al zijn krachten voor den burgeroorlog in Frankrijk beschikbaar te houden en in Nederland met geen onderneming van eenig gewicht een aanvang te maken. Deze beschikking des konings verschafte aan de Nederlanders een zeer gewenschte verademing. En toen, kort na Hendrik de Guise, Hendrik III eveneens door sluipmoord was omgekomen, hechtte Philips er nog meer aan een overwegenden invloed in Frankrijk te oefenen. Met behulp der ligue hoopte hij dit rijk voor zijn dochter Isabella te kunnen vermeesteren en, zóó gesteund door Frankrijk, het Spaansche catholicisme tot be-heerscher van Europa te maken.

Van dit oogenblik af helde de fortuin meer tot de zijde der unie over. Maurits (c590—1625) werd, na den dood van Adolf van Nieuwenaar en Meurs, in 1590 ook stadhouder van Utrecht en van Overijsel, in 1591 van Gelderland. Zoo was hij met genoegzame macht bekleed om de Republiek met het zwaard te verdedigen, haar bevestiger, haar tweede stichter te worden. Een staatsman was hij in \'t geheel niet. Hem ontbraken buigzaamheid, menschenkennis, stilzwijgendheid, kortom al die eigenschappen en begaafdheden, waardoor z;jn vader zoozeer boven zijn tijdgenooten uitmuntte. Doch in dit gemis voorzag Oldenbarnevelt ruimschoots. Met vaste hand greep hij hec roer der binnen- en buitenlandsche politiek en bestuurde het ruim dertig jaren lang. Gaarne liet Maurits hem deze rol om zich des te meer aan de zaken van den oorlog te kunnen wijden. Zijn ruwe en doorgaans rondborstige aard plooide zich niet licht tot het omzichtig verkeer met personen. Afkeerig van kronkelpaden, ging hij gemeenlijk recht door zee, zijn wrok, waar hij dien gevoelde, niet verbergende. Slechts wanneer men hem vroeg — en dit gebeurde bij elke gewichtige aangelegenheid, — gaf hij zijn raad over zaken van \'t buitenland aan de Staten-Generaal of aan de staten der gewesten. Op \'t voorbeeld van zijn neef Willem Lodewijk maakte hij het krijgswezen tot een onderwerp van onverpoosde studie. Met dit doel las en herlas hij sommige werken der oude Romeinen. Hij voerde bij het leger, tot hiertoe een tooneel van ergerlijke wanorde, door reglementen voor elk gedeele var. den dienst te vervaardigen, regel en orde in. Zoowel het voetvolk als de ruiterij wapende hij op een nieuwe wijze. Voortdurend oefende hij zijn manschappen en liet hen in spiegelgevechten hun krachten beproeven. Onder zijn vanen kwam de bloem der uitheemsche jongelingschap, vooral uit Frankrijk, als in een leerschool de dapperheid en de tactiek van den veldheer bestudeeren. Zijn eigen hoofdstudie was de meet-

-ocr page 141-

127

kunde, die hij als een onontbeerlijk hulpmiddel aanmerkte om de krijgskunst goed te verstaan. Bovenal trokken hem de werken van Simon Stevin uit Brugge over die wetenschap aan. Ook in den omgang met dien schrijver schepte hij veel genoegen. Zonder noodzaak stelde hij zijn leger nooit bloot aan de onzekere uitkomst van een veldslag; maar in de kunst van \'t belegeren werd hij schaars geëvenaard. Zijn zinspreuk was: „tandem fit surculus arbor,quot; d. i. eindelijk wordt het rijsje een boom.

Schitterend waren de wapenfeiten, waardoor Maurits den naam van „eerste veldheer zijner eeuwquot; verwierf. Voor belangrijken tegenstand behoefde hij echter niet beducht te zijn, want in \'t midden van \'t jaar 1590 moest Parma, op bevel van Philips, opbreken ten einde de ligue in Frankrijk bij te staan. In 1590 verraste Maurits Breda en nam Crevecoeur (— van crever, barsten, en coeur, hart, — een schans, ten n. van \'s Hertogenbosch, die haar naam zal hebben gekregen in 1587, toen de Spaansche krijgsbevelhebber Hautepenne stierf aan de wonden, bekomen in een vruchtelooze poging om haar te ontzetten). Nog veroverde Maurits in 1590 Steenbergen (ten n. van Bergen op Zoom) en den 3osten Mei 1591 Zutfen. Denzelfden avond lag zijn leger reeds voor Deventer, dat zich in de volgende maand overgaf. Hierop werd Delfzijl overrompeld. Hulst veroverd en in October Nijmegen gedwongen over te gaan. In 1592 vielen Steenwijk (zie blz. 101), dat de Spanjaarden in 1582 bij verrassing hadden genomen, en Koevorden in handen van den jongen veldheer, in 1593 Geertruidenberg. Dertien maanden later, den 24sten Juli 1594, verdween het laatste spoor van Rennen-bergs verraad, toen Groningen het hoofd moest buigen voor den zegevierenden Maurits en voor Willem Lodewijk.

De voornaamste voorwaarden, waarop de stad zich overgaf, waren dat geen andere godsdienst binnen haar muren zou worden geoefend dan de hervormde, een bepaling, die de meerderheid der ingezetenen zeer tegen de borst stuitte, en dat de stad met de Ommelanden één gewest zou uitmaken , lid der unie zijn en Willem Lodewijk als stadhouder erkennen. Het verdrag, waarvan dit de hoofdartikels zijn, heet hel traclaat van reductie. Om een einde te maken aan de geschillen, die eeuwen lang de Ommelanden, welke geheel op zichzelven wenschten te staan, en de stad hadden verdeeld, stelden de Staten-Generaal deze punten nog nader vast, o. a. bij een uitspraak van den lyden Februari 1595. Ongeveer terzelfder tijd verkoos Drente Willem Lodewijk als stadhouder en strekten de Staten-Generaal hun invloed tot Emden uit. Deze stad, die door Ed-zard II, graaf van Oost-Friesland, werd geregeerd, geraakte met hem in geschil en riep de hulp in der Vereenigde Gewesten. Vooral de vrees dat de graaf zou pogen de inwoners, die grootendeels hervormd waren, tot den Lutherschen, zijn eigen godsdienst, te doen overgaan noopte hen hiertoe. De Staten-Generaal legden hierom in 1595 een aantal troepen te Emden en te Leeroord (ten z.o. van Emden) in bezetting, en later, na Edzards dood, in 1602 op nieuw. Sedert dit tijdstip verliet

-ocr page 142-

128

de bezetting deze plaatsen niet eer dan in de 18de eeuw. Zóó werd de Stedenrepubliek — iets, wat later meermalen voorkwam, — reeds de toevlucht van een andere naburige stad, die in verzet kwam tegen haren heer.

Dit alles had Parma zoo goed als lijdelijk moeten aanzien. Op last van den koning verspilde hij geld en troepen ten einde Hendrik IV in Frankrijk te bestrijden, zonder dat het hem mogelijk was daar een duurzame omkeering te weeg te brengen. Steeds had hij den koning afgeraden de troepen, waarmede hij meende de Nederlanden te kunnen onderwerpen, in den Franschen burgeroorlog te gebruiken. Desniettemin moest hij Philips\' bepaalde bevelen opvolgen. Eindelijk bezweek de krachtige man voor al de wederwaardigheden, die de fortuin des oorlogs hem sedert 1585 deed ondervinden. De laatste maanden van zijn leven werden bovendien verbitterd door een duister voorgevoel van \'s koninge ongenade, die hij meer vermoedde dan in Philips\' brieven duidelijk uitgesproken zag, hoewel de koning inderdaad had besloten hem terug te roepen. Hij stierf in 1592 te Atrecht, na vruchteloos voor zijn uitgeput lichaam heul te hebben gezocht bij de wateren van Spa. Zijn opvolger was eerst Pieter Ernst, graaf van Mansfeld, toen de aartshertog Ernst van Oostenrijk, een broeder des keizers, en, na zijn dood in 1595, de graaf van Fuentes, om met het begin van \'t volgende jaar plaats te maken voor den broeder van Ernst, Albert van Oostenrijk. Met Albert kwam Philips Willem (zei blz. 83), na achtentwintig jaren in gevangenschap te hebben gesleten, in deze landen terug. Hij begaf zich evenwel, op verzoek der Staten-Generaal, vooreerst niet naar Noord-Nederland, maar vestigde zich voorloopig te Breda, een baronie van zijn huis.

Steeds was bij de Staten-Generaal het besef levend geweest, dat zij tegen Spanje de voorvechters waren van Europa; dat van den uitslag hunner worsteling de beslissing over Europa\'s vrijheid of slavernij afhing. Hierom hadden zij, hoe zwaar het hun van tijd tot tijd viel, Hendrik IV in zijn oorlog tegen de ligue meermalen met geld en troepen ondersteund. Ook Hendrik IV was innig overtuigd van \'t gevaar, dat Europa uit Spanje en Oostenrijk bedreigde. Daarom verklaarde hij, zoodra hij zich zeker van de kroon achtte, mede op aansporing van de Staten-Generaal, in 1595 den oorlog aan Philips II van Spanje, die de ligue, Hendriks weerbarstige onderdanen, tegen haar eigen koning bijstond. Zóó werd, nog na den dood van prins Willem, het doel bereikt, dat de prins steeds had beoogd. Frankrijk in strijd te brengen met Spanje. En hierbij bleef het niet. In 1596 kwam een drievoudig verbond tegen Spanje tot stand tusschen Engeland, Frankrijk en de Nederlanden. Buiten de verwezenlijking der kans om de Nederlandsche gewesten aan Spanje te ontwringen, waarop dit verbond uitzicht gaf, had het reeds hierom groote waarde voor de Republiek, dewijl het een openlijke erkenning was harer zelfstandigheid door twee mogendheden van den eersten rang.

-ocr page 143-

m

Kort na de aankomst van Philips Willem voegde zijn broeder Maurits nieuwe schakels aan de keten zijner luisterrijke krijgsdaden toe. Dicht bij Turnhout lag een talrijke bende Spaansche voetknechten en een aantal ruiters onder Varax. Hem overviel Maurits onverhoeds in 1597. Even vóór het beslissende oogenblik vernam Varax iets van den aanslag en brak op. Maar Maurits haalde hem, zijn voetvolk achterlatende, met 1000 man, grootendeels ruiters, in en bracht hem in een half uur tijds een verlies toe van 2000 dooden, terwijl hijzelf slechts 10 man verloor. Ook Varax sneuvelde, en 500 man werden gevangen genomen. Nooit werd met geringer verlies in minder tijd een zoo aanmerkelijke zege behaald. Hierop ging de kapitein-generaal voort het gebied der Vereenigde Gewesten in \'t o. af te ronden. Grol, Enschedé, Ootmarsum, Oldenzaal, Lingen en andere steden in dien omtrek werden binnen eenige maanden veroverd. Thans waren de grenzen van den staat aan dezen kant behoorlijk beveiligd en afgesloten. Het is waar, Hulst ging in 1596 weer verloren; maar daar stond tegenover, dat een Engelsche vloot onder bevel van den graaf van Essex (een graaafschap ten n. van de Theems, ten w. van de Noordzee) en van Howard, ondersteund door de Hollanders onder Jan van Duvenvoorde, heer van Warmond, Cadix innam. Hoewel de vloot, na de stad geplunderd en ze, benevens een groot aantal koopvaardijschepen, ten deele verbrand te hebben, weer terugzeilde, had haar verovering zoowel aan den Spaanschen handel als aan de macht des komngs een slag toegebracht, die nog lang en diep werd gevoeld.

Alle landvoogden, die elkander na Parma\'s dood opvolgden, waren onvermoeid in het doen van pogingen om vredesonderhandelingen met de Noordelijke Nederlanden aan te knoopen. Dit belette intusschen niet, dat de regeering te Brussel, zoo al niet de landvoogden zeiven, dan toch hun raadsmannen, ook het wapen van den sluipmoord tegen den verdediger van den pas opgekomen staat, tegen Maurits, trachtte te bezigen. Niet minder dan twee zulke aanslagen op het leven van den stadhouder, op aansporing dier lieden ondernomen, werden in het jaar 1594 ontdekt, en zij, die van zins waren geweest den moord te voltrekken, Rinichon, een priester, en du Four, een soldaat, ter dood gebracht. En die twee waren niet de eenigen, getuige Pieter Panne, die in 1598 te Leiden dezelfde euveldaad vruchteloos beproefde. Op grond hiervan luidde der staten antwoord steeds, dat zij met een regeering, die zich tot sluipmoord verlaagde, niet konden onderhandelen. Doch bovendien moest elke onderhandeling afstuiten op de twee eischen, waaraan ook deze landvoogden zich hadden te houden, op die van Philips\' erkenning als landsheer met zoo goed als onbeperkte macht en van onderwerping aan de katholieke kerk.

Ternauwernood was Philips er zeker van, dat de vrede van Vervins zou worden gesloten {A/gem. Geschied., III, 7de druk, blz. 88), waardoor Hendrik IV een eind maakte aan den oorlog met Spanje, of hij verwezenlijkte een ontwerp, lang door hem gekoesterd. Uitgaande van het denk-

wijNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 9

-ocr page 144-

130

beeld, dat een vorst zich te midden zijner onderdanen behoort te bevinden, schonk hij de Nederlanden als bruidschat aan zijn oudste dochter, Isabella, die met Albert, aartshertog van Oostenrijk, in \'t huwelijk trad. Beiden aanvaardden die gift, met behoud hunner titels, dien van aartshertog voor Albert, dien van infante voor Isabella. Mocht een van hen kinderloos komen te overlijden, dan zouden de Nederlanden aan Spanje terugvallen. Naar \'t schijnt waren de beweegredenen, die den koning tot dezen stap brachten, de volgende. Zijn zoon Philips III, die ieder oogenblik kon worden geroepen het bewind over het groote rijk te aanvaarden, had de vereischte bekwaamheid niet om met gunstig gevolg een oorlog ten einde te brengen, dien de vader zelf zoozeer ten nadeele van Spanje voerde. Door dien afstand verzorgde hij zijn dochter, die zijn volle genegenheid bezat, en, wat meer is, was het mogelijk dat de afgevallen gewesten weder voor de katholieke kerk werden gewonnen. Intusschen waren de voorwaarden, waarop de afstand geschiedde , van dien aard dat de Nederlanden, althans zoolang de oorlog voortduurde, aan Spanje als geketend bleven. De voornaamste vestingen van het Zuiden moesten b.v. Spaansche bezettingen behouden.

Uit het bovenstaande blijkt dat, naar de meening van den koning, ook de Noordelijke gewesten in den afstand waren begrepen. Albert haastte zich dan ook deze gewesten uit te noodigen, in dien zin te handelen. De Staten-Generaal echter volhardden in hun vroegere zienswijze. Zoo gingen dan Noord- en Zuid-Nederland voor goed uiteen. Het Zuiden ging geen gelukkige toekomst, maar een tijdvak van stilstand en verdooving te gemoet. Reeds de wijze, waarop Philips bij het doen van den afstand, tegen de oude gebruiken, die het raadplegen der staten voorschreven, jegens hen handelde, duidde de minachting aan, die het Spaansche hof voor deze landen aan den dag legde. Weldra werd het een afgelegen bezitting van Spanje, welker belangen ondergeschikt waren aan die van het groote rijk. Een nationaal bestuur erlangde het in de eerste eeuwen niet. Zoo men den godsdienst uitzondert, had het bij voortduring dezelfde redenen tot ontevredenheid als voorheen. De streken, die een sieraad van Europa waren geweest, zooals Brabant en Vlaanderen, weleer de zetels van kunstvlijt en weelde, waren door de dweepzucht van Philips en door de balddadigheid der Spaansche legers in woestijnen verkeerd. Nog in de laatste jaren vóór den afstand hadden de ingezetenen weder veel te lijden gehad van de buitensporigheid van het onbetaalde en niets ontziende krijgsvolk. De bronnen hunner welvaart bleven aanhoudend verstopt; hun handel en nijverheid werden door het Noorden gefnuikt. Doch al was er, tegen het einde der 16de eeuw, tusschen de Zuidelijke en de Noordelijke provinciën een scherpe grenslijn getrokken, welke in de volgende eeuwen niet weder werd weggenomen, toch bleef de heilzame invloed, dien vele van de uit-stekendste mannen uit Brabant en Vlaanderen op de wording en den bloei van de Noordelijke Republiek oefenden, bestaan. Groot was het

-ocr page 145-

131

:n, getal der Hollandsche mannen van naam uit dezen tijd, hetzij regenten,

:r, geleerden, predikers of kooplieden, die in het Zuiden waren geboren,

ijk doch in het Noorden een blijvende woonplaats hadden gevonden,

an De dood van Philips II, die in \'t zelfde jaar 1598 plaats greep,

an verbrak den laatsten band, die Noord-Nederland in \'t oog van dezen of

an genen, wien de afzwering een gruwel was, nog aan Spanje hechtte,

en Aan zijn zoon en opvolger Philips III hadden zij geen eed gedaan.

I, Treurig was Spanje\'s toestand op \'t oogenblik toen Philips III er de

)te regeering aanvaardde. De belastingen waren uit hoofde van den tach-

;ig tigjarigen oorlog steeds verhoogd. Het volk haatte de nijverheid, den

en landbouw, kortom allen arbeid. Aan zulk een volk konden de zilver-

:r, vloten niets baten. Het moest bij andere natiën de waren koopen, die

jk het naar Amerika uitvoerde. Bij die anderen verbleef alzoo ten slotte het

;n goud, dat in Spanje slechts een oogenblik vertoefde. Vreemde geld-

;e- schieters moesten het rijk kapitalen leenen tegen hooge renten. En

Dg naarmate de schuldenlast zwaarder werd steeg ook de interest,

n- Veel was er de Noordelijke Nederlanden aan gelegen dat de band met Engeland niet werd verbroken. Anders toch konden zij licht de

g, eenige, tegen Spanje oorlog voerende mogendheid blijven, nu Frank-

;rt rijk, ofschoon het hun niet allen bijstand onttrok, door den vrede van

te Vervins (zie blz. 129) zich althans van de verplichting ontsloeg om

is- hun verder als bondgenoot in \'t open veld ter zijde te staan. Daarom

n. sloten zij een nieuw verdrag met Engeland. Elizabeth zou hen van nu

il- aan met zooveel troepen ondersteunen als zij noodig achtte; de rekening

et der voorschotten, door Nederland af te lossen, werd op 8,000,000 gl.

;n bepaald; elk jaar zou hiervan een zeker bedrag worden teruggegeven;

ig slechts één Engelschman zou langer zitting hebben in den raad van

ra state. Voor het heil der Republiek ware het wellicht te wenschen ge-

:r- weest, dat de staten hadden kunnen goedvinden den raad te volgen,

ur dien zoowel Hendrik IV als Elizabeth hun bij deze gelegenheid gaf,

it- om n.1. in den persoon van Maurits een hoofd aan den nieuwen staat

id te schenken. Door aan dien wenk gehoor te geven, waarmede ook

t, Oldenbarnevelt èn nu èn ook een geruimen tijd later instemde, ware

ï, voorzeker de eendracht beter bewaard gebleven, die thans jaren lang

n- zoo dikwijls vruchteloos werd gezocht.

id In plaats van den tijd te verspillen met onderhandelingen, die schenen

g- tot niets te kunnen leiden, rustte de Republiek zich ten oorlog toe

er tegen de nieuwe beheerschers van de Zuidelijke Nederlanden, doorgaans

;n de. aartshertogen geheeten. Men had een onderneming op het oog tegen

ie Duinkerken, een nest van zeeroovers, waaruit de vijand den koophandel

)e der Nederlanden gedurig bestookte. Maurits, hoewel nimmer ingenomen

rd met een onderneming, welker bewegingen de Staten-Generaal hem, zoo-

it- als nu, tot in de kleinste bijzonderheden wilden voorschrijven, voegde

;n zich naar den wensch dier staten. Vergezeld van dit aanzienlijk college,

et scheepte hij zich in \'t jaar 1600 met een leger van ongeveer 15,000 man in

9\'

-ocr page 146-

132

Bij Nieuwpoort gekomen, vernam hij, dat de aartshertog niet zijn leger, groot omtrent 12,000 man, in aantocht was. Dit viel tegen. Men had, bij het muiten der Spaansche soldaten, die in langen tijd weder geen soldij hadden getrokken, er op gerekend, dat de vijand niet genoeg strijdkrachten had kunnen bijeenbrengen. Inmiddels was goede raad duur. Om iets te doen trok een van Maurits\' onderbevelhebbers. Ernst Kasimir van Nassau, een jongere broeder van Willem Lodewijk, op den morgen van den 2den Juli met een aantal manschappen den vijand te gemoet, van zins zijnde hem, zoo mogelijk, eenigszins op te houden. Van dit ophouden kwam niets. De overmacht der troepen van de aartshertogen was zoo groot, dat, bij den eersten aanval, ongeveer de helft van Ernst Kasimirs manschappen bij de brug van Leffingen (ten n.o. van Nieuwpoort) werd geveld en de overigen naar Ostende weken. Nu zond Maurits de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden overgevoerd, daar zij voor \'t oogenblik van geen dienst konden zijn en gevaar liepen door de bezetting van Nieuwpoort in brand te worden gestoken, in zee terug en naar Ostende. Weldra werden de beide legers bij Nieuwpoort (in West-Vlaanderen aan zee) slaags. Zon en wind waren in \'t voordeel der Nederlanders. En tegen den avond neigde de kans van den strijd, aan weerszijden met hardnekkigheid gevoerd, geheelenal ten gunste van Maurits. Albert week, een menigte zijner manschappen als gesneuvelden en gevangenen achterlatende. Onder de laatsten bevond zich de admirant (veldheer) van Arra-gon, Franciscus de Mendöza, die eerst in 1602 zijn vrijheid herkreeg. Behalve dat hij een zwaar losgeld moest betalen bedongen de Staten-Generaal, dat Spanje alle Nederlanders, die het in zijn macht had, ten getale van ongeveer vierhonderd, van de gevangenschap ontsloeg.

De Vereenigde Nederlanden waren op het bericht der behaalde overwinning vroolijk met verschrikking, bedenkende, dat hun leger, gelijk weleer Israël, was geklemd geweest tusschen Pharao en de Roode Zee. In stede van den tocht dan ook voort te zetten keerden de troepen binnen kort naar het vaderland terug. Dit geschiedde evenwel niet, dan nadat er ter zake van dit punt een woordenwisseling had plaats gegrepen tusschen Maurits en eenige leden der Staten-Generaal, inzonderheid Oldenbarnevelt. Ook andere onderwerpen schijnen hierbij ter sprake te zijn gekomen, zonder dat men evenwel het rechte van de zaak weet. Hoe het zij, van dit oogenblik af bestond er een niet zeer goede verstandhouding tusschen de beide hoofdpersonen van den staat. In den twist, bij gelegenheid van den slag bij Nieuwpoort opgekomen, is de oorsprong te zoeken van de latere verdeeldheid.

In 1601 sloeg de vijand het beleg voor Ostende, dat door Francis Vere, Willoughby\'s (zie blz. 108) opvolger sedert 1591, werd verdedigd. De leiding der zaak nam weldra Ambrosius Spinöla op zich, de man, die, met het opperbevel over de troepen van den aartshertog bekleed, bestemd was zich als een waardig tegenstander van Maurits

-ocr page 147-

133

te doen kennen. Na drie jaar met volharding tegenstand te hebben geboden gaven de Staten-Generaal in 1604 de vesting over, die niets meer was dan een steenhoop. Het verlies werd nog in \'tzelfde jaar ruimschoots vergoed door de vermeestering\'van Sluis, waar de protes-tantsche bevolking van Ostende zich nu metterwoon vestigde. In de eerstvolgende jaren oorloogde Maurits minder gelukkig. Spinola veroverde Lochem, Grol en andere plaatsen, en slechts de eerstgenoemde dezer steden gelukte het den stadhouder te herkrijgen. Sedert 1607 werd de oorlog te land voorloopig gestaakt. Inmiddels begonnen de Nederlanders terzelfder tijd hun eerste lauweren te verwerven op het element, waarover zij eens, als de eerste der mogendheden, de heerschappij zouden voeren. In 1606 greep de roemrijke daad plaats van den vice-admiraal Reinier Klaassens, die in de nabijheid van kaap St. Vincent (in \'t z.w. van Portugal) met zijn schip in de lucht vloog, een eervollen dood boven een vernederende overgave kiezende. In \'t vol gende jaar behaalde Jakob van Heemskerk in de baai van Gibraltar een aanmerkelijke zege op de Spaansche vloot, waarbij hij wel zelf omkwam, doch zóó, dat de vijand zijn dood met een zwaar verlies moest boeten.

§ 18.

Het twaalfjarig bestand. — De oprichting der Oost-Indische compagnie.

In 1603 overleed koningin Elizabeth. Haar opvolger, Jakob I, sloot een jaar later vrede met Spanje. Uit spijt daarover versperden de Staten-Generaal de Schelde voor de Engelsche schepen. Zóó bleven zij, als oorlogvoerende mogendheid, alleen staan tegenover Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. De oorlog te land leverde in de eerste jaren der nieuwe eeuw geen bijzonder gunstige uitkomsten op. De ingezetenen zuchtten onder zulke zware belastingen, dat zij voor geen verhooging vatbaar waren. Holland alleen was in 1607, sedert negen jaar, zesentwintig millioen gl. schuldig. Reeds bedroegen de oorlogslasten jaarlijks 10,000,000 gl. Wel was het nog waar dat de oorlog den handel voedde; maar toch kostte die oorlog, zooals men ziet, aanzienlijke sommen. In zes gewesten werd de behoefte aan vrede vrij algemeen erkend. Slechts eenige steden in Holland en de provincie Zeeland waren er tegen. De reden was niet ver te zoeken. Philips II had, ofschoon wel eens beslag leggende op de Nederlandsche schepen, die in de havens van Spanje en Portugal lagen, de vaart op zijn rijk over \'t geheel oogluikend toegelaten, omdat hij de waren, welke die vaartuigen hem aanbrachten, niet kon ontberen. Anders deed Philips III. Nauwelijks den troon hebbende beklommen, verbood hij voor goed allen handel van Nederland op zijn staten. Dit versterkte de Nederlanders in hun plan om zeiven naar de Indien te varen, met welke tochten zij vóór 1598 niet meer

-ocr page 148-

134

dan een begin hadden gemaakt, gelijk beneden nader zal blijken. Deze tochten, zoo rijke winsten opleverende, vreesden die kooplieden thans bij een vrede of bestand te moesten staken.

Met klimmende bezorgdheid den achteruitgang der geldmiddelen gadeslaande, achtte Oldebarnevelt het in \'t belang van \'t land, dat de krijg ophield, die zooveel kostte. Ook Maurits was in den beginne niet tegen het ten einde brengen van den oorlog. Doch toen weldra niet langer van een duurzamen vrede, maar van een bestand sprake was, kantte hij zich met kracht tegen dit voornemen aan. Redenen van persoonlijken aard zullen ook het hare hebben gedaan. Ondanks henzei ven moet de gedachte, dat Maurits meer gold in tijd van oorlog, Oldenbarnevelt daarentegen in vrede, invloed op de meening van de beide hoofden van den staat hebben geoefend.

Den aartshertogen viel de krijg zeer zwaar. Albert wenschte den vrede. Zijn huwelijk bleef kinderloos, en bij zijn dood moesten de landen weder aan de Spaansche kroon vervallen. Ook Spanje kon geen andere gezindheid hebben. De schatkist van dit rijk was ledig ten gevolge van de zware offers, welke Spinöla\'s krijgstochten hadden vereischt; leening op leening was gesloten, en \'s konings onderdanen konden niet zwaarder worden belast. Hierdoor wordt het verklaarbaar hoe de aartshertogen er in 1607 toe konden overgaan om onderhandelingen aan te knoopen met de Republiek, als met een „onafhankelijke mogendheid.quot; In Maart kwam pater Jan Ne ij en, commissaris-generaal der orde van de Franciscanen [Algem. Geschied. II, 7de druk, blz. 119), uit Brussel te Rijswijk (tusschen den Haag en Delft) bij Maurits op zijn buitenverblijf. Nadat met den stadhouder over het een en ander was gesproken zag men het volgend jaar een plechtig gezantschap uit het Zuiden met Spinöla aan het hoofd te \'s Hage verschijnen. Half Holland liep uit om dit vreemde schouwspel te zien. De onderhandelingen werden geopend. Maar weldra bleek het dat er aan geen vrede viel te denken. De vijand eischte afstand van de vaart op Indie en vrijheid van godsdienst voor de Roomsch-katholieken. Deze beide vorderingen achtte men dezerzijds ongehoord.

Bij zoo tegenstrijdige inzichten besloot men zich te vergenoegen met te trachten naar een wapenschorsing voor een aantal jaren. De partij, die in Nederland voor zoodanige verademing van den hardnekkigen strijd was, had dit vooruit, dat het nut van den vrede in \'t algemeen voor zichzelf pleit. De tegenspoed der laatste jaren en de klimmende druk der oorlogslasten werkten bovendien de neiging tot vrede krachtig in de hand en deden ze onder alle standen der maatschappij doordringen. Maurits en zij, die zijn gevoelen waren toegedaan, grondden zich bij hun verzet vooral hierop dat, indien er een bestand werd getroffen, de bloei van de Zuidelijke Nederlanden waarschijnlijk weder zou herleven, Spanje zich gedurende den rusttijd op nieuw ten oorlog kon uitrusten, de eendracht in de Republiek groot gevaar liep en de vaart naar Indie zoude moeten worden gestaakt.

Nog was er een derde mogendheid, die uit hoofde van de betrek-

-ocr page 149-

135

king, waarin zij steeds tot de oorlogvoerende mogendheden had gestaan, meende een woord mede te moeten spreken. Het was Frankrijk. Sedert eenigen tijd waren er tusschen het Fransche en het Spaansche hof onderhandelingen aangeknoopt over een huwelijk tusschen den dauphin en de infante van Spanje. Te gelijker tijd werd koning Hendrik IV voortdurend in kennis gesteld van den gang der onderhandelingen tusschen Nederland en Spanje. Zóó zag hij zich door zijn gelijktijdig samenspreken met beide partijen in een zekere verlegenheid gebracht. Om Spanje te behagen was hij verplicht de hand van Nederland af te trekken. En van den anderen kant gedoogden zijn begrip van eer en \'t besef der gemeenschap van belangen niet, dat hij de Republiek geheel aan zichzelve overliet of, wat nog erger was, een werkeloos toeschouwer werd van haren ondergang. Wel had hij, in weerwil dezer beide beweegredenen, nog steeds geaarzeld met de Staten-Generaal den oorlog tegen Philips te hervatten; doch aan geldsommen had hij het de Nederlandsche gewesten ook in de laatste jaren niet laten ontbreken. Bij de vraag over vrede en oorlog zal zeker ook in \'t gemoed van Hendrik de gezindheid zwaar hebben gewogen, die hij sinds eenigen tijd liet bespeuren, voor het aannemen eener oppermacht, welke zijn voorganger van de hand had gewezen. Om deze redenen zond ook hij een aantal gezanten, in wier midden Jeannin, hun hoofd, door zijn staatkundige bekwaamheden als een ster schitterde. Jeannin was één der presidenten „ü mortierquot; van het parlement te Dijon (zie blz. 36). De titel luidde zóó, omdat de presidenten der parlementen een flu-weelen muts droegen, met goud gegalonneerd en met bont omzet, die op een vijzel (mortier) geleek.

Als middelaar oefende Jeannin veel invloed op de onderhandelingen, waarbij ook Engelsche en Duitsche afgevaardigden tegenwoordig waren. Lang duurde het eer men tot eenige eenstemmigheid kon geraken. De vergaderingen werden in 1609 verlegd naar Antwerpen, weshalve de Staten-Generaal, om meer in de nabijheid te zijn, voor \'t oogenblik hun zetel in die stad vestigden. Middelerwijl slaagde Jeannin er in een toenadering tusschen Maurits en Oldebarnevelt te weeg te brengen en het legerhoofd voor het sluiten van een bestand te winnen. De stadhouder kon het zichzelf niet ontveinzen, dat al te fel weerstreven aan zijn belangeloosheid moest doen twijfelen en hem den schijn geven, alsof hij weigerde eigen welzijn aan het algemeene nut ten offer te brengen en alsof hij met weerzin het uur zag naken, waarop de degen voor de pen zoude wijken. In allen gevalle werden de belangen van den stadhouder behoorlijk bedacht. Een ruime schadeloosstelling werd hem, alsmede aan Louise de Coligny en aan \'s prinsen broeders, nog in \'t zelfde jaar 1609 toegekend, mede als belooning voor de onwaardeerbare diensten, door het huis van Oranje bewezen. Van zijn kant ontving Oldenbarnevelt gedurende den luop der anderhandelingen van Hendrik IV een geschenk van 20,000 gl., als blijk van \'s konings welwillendheid. Eindelijk, in

-ocr page 150-

136

April 1609, werd de wapenstilstand te Antwerpen gesloten. De hoofdbepalingen waren: de aartshertogen verklaren, ook uit naam van den koning van Spanje, de Vereenigde Gewesten voor onafhankelijke landen te houden; het bestand zal twaalf jaren duren; ieder zal behouden wat hij heeft. Dit punt werd evenwel niet nader omschreven.

Deze laatste bepaling was van des te meer gewicht, vermits de Nederlanders zich sinds eenige jaren in Oost-Indië hadden gevestigd en er belangrijke vorderingen maakten. Reeds in 1507 getuigde Oldenbarnevelt, dat de voordeelen van den handel op Frankrijk, Engeland en het Noorden op verre na niet opwogen tegen die van de vaart op Indie, welke in tien jaren tijds aan zuivere baten twintig millioen gulden had opgeleverd. Zoo groot waren de winsten, uit die vaart voortspruitende, zegt hij, dat niet alleen de ingezetenen der Republiek, maar ook alle vreemdelingen er over verbaasd waren. Zoolang Lissabon de Oost-Indische waren voor Neêrlands kooplieden veil had, was hier te lande geen behoefte gevoeld aan een rechtstreeksche vaart op de Indien. Maar sedert Philips van tijd tot tijd beslag legde op de ladingen, gingen Nederlands handelaars op middelen peinzen om zeiven de waren uit andere werelddeelen te halen. De vaart naar Indie toch, hoe bezwaarlijk in \'t oog der menschen, was geen geheim. Zij was in vele geschriften van Portugeezen beschreven, en de beroemde Nederandsche reiziger Jan Huygen Linschoten had er een aantal van verzameld en, in \'t Nederlandsch vertaald, uitgegeven. Verder hadden Nederlanders op Portugeesche schepen de reis naar Indië medegedaan. En aan stoutmoedigheid om te beproeven wat de Portugees zonder gids had durven ondernemen ontbrak het in deze landen niet. Dus besloot men zelf te gaan.

Ten einde evenwel de dreigende gevaren van kapers, Spaansche vloot en Kaapsche stormen te ontgaan namen de Hollanders zich voor, op \'t voorbeeld der Engelschen, een eigen weg te zoeken, niet zuidwaarts, maar door het Noorden. Deze weg moest daarenboven korter zijn. De eerste, die in ons land het plan beraamde en op de onderneming aandrong, was Balthazar de Moucheron, het hoofd van een handelshuis, vroeger te Antwerpen, thans te Middelburg gevestigd. In

1594 zonden, op zijn raad, de staten van Holland en Zeeland te dien einde twee schepen uit, die o.a. ook den boven genoemden Linschoten aan boord hadden. Twee andere schepen voegde de regeering van Amsterdam er bij, voorgelicht door den predikant dier stad Petrus Plancius, een man, zeer ervaren in aardrijks- en zeevaartkunde. Hoewel den doortocht niet hebbende gevonden keerden de vaartuigen vol goeden moed terug, in de meening dat hij toch zou zijn te vinden. In

1595 werd een tweede tocht gewaagd. De uitslag was niet gunstig. Sneeuw en ijs versperden den weg om het Noorden. Nogmaals wendde de Amsterdamsche regeering een poging aan. Zij rustte in 159C een paar schepen uit, waarover de stuurman Willem Barentz en Heemskerk (zie blz. 133) het bevel voerden. Dan ook nu was de

-ocr page 151-

137

inspanning vruchteloos. Na den winter op Nova-Zembla te hebben doorgebracht aanvaardde de volhardende bemanning den terugtocht, doch verloor onder weg den wakkeren Barentsz, die van vermoeienis bezweek.

Inmiddels had men de fortuin zuidwaarts beproefd. Plancius, de ziel van alle scheepvaart naar Oost-Indië, had de kansen berekend. Nu richtten eenige kooplieden te Amsterdam een maatschappij van verre (landen) op en zonden iemand, waarschijnlijk Cornelis Houtman, naar Lissabon om er de bijzonderheden der vaart naar Oost-Indie uit te vorschen. Verder rustte de vereeniging vier schepen uit ten einde den tocht langs de Kaap de goede hoop te doen. Den aden April 1595 lichtten Pieter Dirksz. Keyser, de opperstuurman, en Cornelis Houtman, de oppercommies, d. i. de vertegenwoordiger der handelsbelangen, te Texel het anker en landden, na een reis van 446 dagen, in Juni 1596 te Bantam (in \'t n.w. van Java). Op de uitkomst van de verre reis viel niet te roemen, behalve in zooverre dat men den weg had gevonden. Er ontstonden geschillen met de inboorlingen van Java, en aan het aanknoopen van winstgevende handelsbetrekkingen kon niet worden gedacht. Desniettegenstaande verloochende zich de veerkracht van Neêr-lands handelsstand niet. Talrijke maatschappijen van verre werden opgericht, zoowel in verschillende steden van Holland, als in Zeeland. Jakob Cornelisz. van Neck bereikte in 1598 in minder dan de helft van den tijd, dien Houtman had besteed, Oost-Indie en keerde met een rijke lading naar het vaderland terug. In \'tzelfde jaar zeilde Olivier van Noort uit, de eerste Nederlander, die den aardbol omstevende.

Dus bleek het ten volle dat de denkbeelden van Plancius voor verwezenlijking vatbaar waren. Sedert 1595 werd vloot op vloot uitgerust, en niets kon de zucht naar winst doen afnemen, noch de verliezen , die men nu en dan leed, noch de tegenwerking der inlandsche vorsten, opgezet door de Portugeezen. Maar een nog grooter kwaad scheen de pas ontkiemende plant in haar ontwikkeling te zullen verstikken. Het was de wedstrijd tusschen de onderscheiden maatschappijen, die, de een de ander, de loef trachtten af te steken en elkander tegenwerkten. Die mededinging der verschillende compagniën bedreigde alle tegelijk met den ondergang. Dat er een samensmelting der maatschappijen noodig was zagen vooral de Staten Generaal en Oldenbar-nevelt in, die, voor \'t overige, in \'t algemeen tegen allen alleenhandel en tegen alle beperking op dit stuk waren.

Eindelijk gelukte het den advocaat de zaak in 1602 tot een goed einde te brengen. De vaderlandsche spreuk „eendracht maakt macht\' moest, meende hij, op dit gebied worden toegepast.

„Doch Barnevelt zal wegen toonen

Naar \'t Zuiden en de Middellijn.quot;

Dus kwam de vereenigde Oost-Indische compagnie tot stand, waaraan

-ocr page 152-

138

de Staten-Generaal bij octrooi van den zosten Maart 1602, groot 46 artikels, het recht van alleenhandel (menopolié) voor eenentwintig jaren verleenden. Later werd het octrooi bij herhaling vernieuwd. De maatschappij begon te handelen met een kapitaal van ongeveer 6J tnil-lioen en had zes afdeelingen of kamers, hebbende Amsterdam J-, Zeeland (gevestigd te Middelburg) Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorn elk van den inleg. Dit kapitaal werd verdeeld in aandeelen of aclien (zóó geheeten, omdat men, deelgenoot geworden eener maatschappij, daardoor actie of recht krijgt op het kapitaal dier maatschappij) van 3000 gl. Evenwel kon men deel nemen voor zooveel of zoo weinig penningen als men wilde. Ruime uitdeelingen beloonden weldra het vertrouwen der inleggers. In 1605 bedroeg zij 15 p.c.; in 1606, de hoogste, die immer werd uitgekeerd, 75 ten honderd; in 1607 nog 40 p.c. In 1610, toen er 50 ten honderd werd uitgedeeld, had ieder deelhebber voor een actie van 3000 gl. reeds 6750 gl. aan rente, d. i. 224 p.c., ontvangen. Bovendien werd, opdat men iets had voor den kwaden dag, veel van de winst opgelegd. Geen der deelge-nooten vroeg dan ook de ingelegde gelden van de maatschappij terug, wat volgens het octrooi vrijstond. Gemiddeld deelde de compagnie, gedurende langer dan één en een halve eeuw, jaarlijks ruim 21 p.c. uit, terwijl de actiën, veelal op 600 p.c. staande, dus in plaats van 3000 gl. zes maal zooveel ter beurze golden. De deelgenooten behoefden natuurlijk niet juist in een der zes steden, die zetels van de kamers waren, te wonen. Bij een der artikels van quot;t octrooi werd aan alle inwoners der Vereenigde Nederlanden vergund binnen vijf maanden na de oprichting te verklaren, of zij wenschten deel te nemen. Waren er nu liefhebbers genoeg, b.v. uit Friesland of Groningen, dan konden ook zij in het bewind worden vertegenwoordigd. Men onderscheidde de inteekenaars in hoofdparticipanten, die boven de 5000 gl. inschreven en uit welke de bewindhebbers werden gekozen, en in participanten, die een kleinere som bijdroegen.

Zooals het bovenstaande omtrent den inleg aanwijst, was de compagnie gesplitst in zes kamers, of, zoo men wil, in vier, daar Delft en Rotterdam ook wel werden gerekend tezamen de kamer van de Maas, Hoorn en Enkhuizen die van Noord-Holland uit te maken. De kamers werden bestuurd door 73 bewindhebbers, wier getal, hij versterf, niet lager zou dalen dan tot 60 en wier titel was Edele Heer en. Om tot bewindhebber te worden gekozen moest men voor ten minste 6000 gl. aandeelen hebben, behalve voor de kamers van Hoorn en Enkhuizen, waar de helft dier som voldoende was. Viel er een plaats open, dan zond de kamer, die het aanging, een drietal aan de staten harer provincie. Deze of degenen, aan wien zij het opdroegen, deden de keuze-Doorgaans werd zij aan de burgemeesters van de plaats, waar de kamer was gevestigd, overgelaten. De hoofdleiding en het dagelijksch bestuur der zaken kwamen aan de vergadering van zeventietien, uit de bewindheb-

-ocr page 153-

139

bers gekozen. Elke kamer werd vertegenwoordigd naar evenredigheid van haar inleg. Amsterdam had er alzoo acht leden in. De zeventiende persoon werd beurtelings gekozen uit de kamer van Zeeland, uit die van Noord-Holland en uit die van de Maas.

De Oost-Indische compagnie werd een staat in een staat. Zij oefende in de Indien een volstrekt gezag en benoemde haar eigen ambtenaren. Zij verklaarde en voerde oorlog en sloot verbonden op naam der Staten-Generaal. Zij bouwde sterkten en nam krijgsvolk in dienst, dat evenwel den eed van trouw aan de Staten-Generaal moest afleggen. In 1726 verkreeg zij het recht in de provinciale munten geld te laten slaan met haar eigen merk, zijnde de letters V. O. C., d. i. Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Welhaast werd zij een bron van rijkdom niet alleen voor hen, die naar Indië gingen, maar ook voor die Nederlanders, welke zich niet verplaatsten. Makelaars en kooplieden, die handel dreven in de Indische waren; zij, die pakhuizen verhuurden, schepen bevrachtten of te scheep voeren, elk kreeg er het zijne van. Alle plaatsen der Republiek, ook de land-provincien, deelden in de baten der compagnie. Insgelijks trok de kas der Generaliteit er voordeel uit, want het vernieuwen of verlengen van \'t octrooi kostte de compagnie telkens aanmerkelijke sommen, en veelal ondersteunde zij den staat met schepen of geld.

Ternauwernood was het kapitaal van 6i millioen bijeengebracht, of de admiraals der compagnie zeilden naar de Indien om er factorijen en forten te stichten. Hoe langer hoe gunstiger ontvingen hen de inlandsche vorsten, de trotschheid der Portugeezen moede. Voor zaken van weinig waarde verkregen de Nederlanders dan allerlei kostbare waren, en bovendien menig schip van Portugees of Spanjaard, dat hen aantastte, buit makende, keerden zij met groote schatten naar de Republiek terug.

Kort na de oprichting der compagnie legden onze voorouders den grondslag tot de uitgestrekte heerschappij, die hun weldra in Azie ten deel viel. In 1605 gaven de Portugeezen hun bij verdrag het kasteel op Amboina over, waarop de vorsten van dat eiland zich deels aan de compagnie onderwierpen, deels bondgenooten werden. Tevens beloofden zij alleen aan de Nederlanders de kruitnagels te zullen verkoopen. Terzelfdertijd poogde de compagnie zich op Ternate, Tidor en de overige Molukken te vestigen, hetgeen in de eerstvolgende jaren ten deele, later geheel gelukte. Elders, b.v. te Bantam, op Sumatra, op de kust van Coromandel, enz. werden loges, d. i. loodsen of pakhuizen, gesticht. Bij herhaling brachten de vlootvoogden der compagnie, als van der Hagen en Matelief, den Portugeezen gevoelige nederlagen ter zee toe. In 1610 stelde de compagnie als eersten gouvcrnenr-g ener aal Pieter Both aan, die zijn verblijf doorgaans op Ternate had. De gouverneur-generaal was het hoofd van \'t bewind over Nederlandsch-Indie, opperbevelhebber van de legers en de vloot der compagnie. Groot waren zijn inkomsten en de macht, die te zijner beschikking

-ocr page 154-

140

stond. Hij voerde den titel Zijn Hoog-Edelheid. Na hem had de direcleur-gen er aal het hoogste gezag. Hij had het toezicht op alles wat den handel betrof. Onder hem stonden opper- en onder-kooplieden. Den gouverneur-generaal stond de raad van India ter zijde, behalve de secretarissen, doorgaans uit zestien leden bestaande. Met betrekking tot de rechtspraak was de raad van jnstitie het hoogste college.

De Portugeezen waren niet de eenige mededingers der compagnie in Oost-Indië. Sedert 1609 beproefde ook de Engelsche Oost-Indische compagnie zich in deze streken te vestigen. O.a. stichtte zij een factorij te Makasser (in \'t z. van Celebes). Vandaar hielden de Britten in \'t geheim gemeenschap met de bevolking van Amboina en andere eilanden en stookten ze tegen de Nederlanders op. De wederzijdsche afgunst voerde tot onophoudelijke geschillen. Vanhier dat jaren achtereen door koning Jakob met de Staten-Generaal onderhandelingen werden gevoerd over een verdrag, dat een zekere samensmelting zou te weeg brengen van de belangen der beide natiën ten opzichte van den handel en van de vaart op Oost-Indië. Lang slaagden de bekrompenheid en de winzucht van de bewindhebbers der beide compagniën er in een schikking tegen te gaan. Zelfs sloten de Engelschen in 1618 een opzettelijk verbond met den beheerscher van Bantam om de Nederlanders te bestrijden.

Het was in den oorlog, uit dat verbond voortgesproten, en terwijl Jan Pietersz. Coen, afkomstig van Hoorn, gouverneur-generaal wat, dat Pieter van den Broeke de factorij te Jakatra een tijdlang tegen de inboorlingen en de Engelschen verdedigde, totdat hijzelf in handen van den vijand viel. Toen gaf hij, het behoud van zijn eigen leven boven dat der vesting stellende, den raad de sterkte over te geven. In dien zin sloot de bezetting alsnu een verdrag met de belegeraars; doch de uitvoering van het verdrag werd verschoven. Weldra ontzette de gouverneur-generaal het fort, veroverde de stad Jakatra en verhief in 1621 de factorij, die hij liever Nieuw-Hoorn had genoemd, op last der bewindhebbers, onder den naam Batavia tot hoofdplaats van Nederlands Indië. Middelerwijl waren in Europa de onderhandelingen eindelijk zoo ver gevorderd, dat er in Juli 1619, kort na het ontzet van het fort te Jakatra, een verdrag tot stand kwam, en wel tusschen de wederzijdsche compagniën. Het stelde vast dat de beide instellingen vrijheid van handel zouden hebben in de Indische wateren en behelsde een aantal andere punten, b.v. over den inkoopsprijs in Indië en den prijs van verkoop in Europa, waaromtrent men elkander onderling zou verstaan. Men kon echter tot geen overeenstemming geraken met betrekking tot de vraag, of het den Engelschen geoorloofd zou zijn in de Molukken forten te bouwen. De weigering der Nederlanders om hierin toe te geven gaf mede aanleiding tot hetgeen een paar jaren later op Amboina voorviel.

In 1621 veroverde Coen de Ba n da - ei la n den (ten z.o. van Amboina), zeer vruchtbaar in notenmuskaat en foelie, en in 1624 verwierf de

-ocr page 155-

141

compagnie het eiland Formosa (d. i. het schoone, n.1. eiland, ten n.o. van Kanton, in Sint), waar het fort Zelandia werd gebouwd. Inmiddels ontdekte men in 1623 op Amboina een samenzwering van Engelsche kooplieden, die ten doel had de Nederlandsche ambtenaren te vermoorden en zich van \'t kasteel van dit eiland meester te maken. Zij werden gegrepen en tien van hen ter dood gebracht. Zoodra dit in Groot-Britanniê bekend werd, ontstaken de Engelschen in grooten toorn en haalden deze zaak later nog menigmaal op als een zware verongelijking, hun aangedaan. Inzonderheid waren zij deswege verbolgen op Coen, ofschoon de gouverneur-generaal er in \'t geheel geen deel aan had, daar hij reeds in 1622 zijn ontslag als zoodanig had gevraagd en bekomen. Eindelijk valt nog in dezen tijd, d. i. gedurende de wapenschorsing, het aanknoopen der eerste handelsbetrekkingen van Nederland met Japan, wat de keizer van dit rijk welwillend vergunde. Op Fi-rando (in \'t z.w. van Japan) werd een factorij gevestigd, en weldra verwierven de Nederlanders, ook hier de Portugeezen verdrijvende, er den alleenhandel.

Zooals men ziet was het twaalfjarig bestand geen beletsel voor de uitbreiding van Nederlands macht in de Indien, waar de vijandelijkheden werden voortgezet. Bij het sluiten van dit verdrag kon men van Spanje geen afdoende verklaring op dit punt verkrijgen. Men vergenoegde zich dus met een uitspraak der gezanten van Engeland en Frankrijk, die zeiden de Nederlanders gerechtigd te achten tot de vaart op alle werelddeelen.

§ 19-

Be oneenigheden, die de Republiek ten tijde van hel bestand schokken.

In plaats dat Nederland nieuwe krachten opdeed gedurende den rusttijd werd bewaarheid wat Maurits had gevreesd: bij rust naar buiten ontstonden binnenlandsche twisten. Hevige kerkgeschillen barstten in de nauwelijks gevestigde Republiek los en werden gaandeweg staats-geschillen. Reeds vóór het bestand waren de zaden dier verdeeldheid gestrooid. In 1603 werd Jakob Arminius, predikant te Amsterdam , tot hoogleeraar benoemd in de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Leiden. Het duurde niet lang, of het openbaarde zich dat hij in één belangrijk punt, n.1. omtrent de praedeslinatie of voorbeschikking, van de leer afweek, die als de heerschende leer der kerk werd aangemerkt. Volgens dit leerstuk, in den strengsten zin opgevat, hangt de zaligheid hier namaals uitsluitend af van Gods vrije verkiezing in verband met \'s menschen geloof, niet met zijn werken. Als een der hoofdstellingen van het Calvinisme had zij in dit land ingang gevonden en werd door de groote meerderheid der leeraars en leden van de gemeente geloofd. Arminius nu was een van de weinigen, die, aan

-ocr page 156-

142

\'s menschen vrijen wil niet allen invloed op zijn doen en laten kunnende ontzeggen, het leerstuk der voorbeschikking niet onvoorwaardelijk aannam. Binnen kort bleek het dat vele gevestigde predikanten, o.a. die van \'s Gravenhage, Uitenbogaart, tevens van 1599 tot 1614 \'s prinsen gewone veldprediker, zijn gevoelen deelden. Tegen hen en Arminius stond een andere Leidsche hoogleeraar in de godgeleerdheid, Franciscus Gomarus, over. Zoowel de Slaten-Generaal als de staten van Holland trachtten in den beginne de zaak langs den weg des vredes, van onderlinge toegevendheid, tot een goed einde te brengen. Inmiddels stierf Arminius in 1609. Zijn opvolger in naam werd sedert 1611 Vor-stius, want metterdaad bekleedde hij het ambt van hoogleeraar nooit. Later, in 1619, beriep men Episcopius, die den post aanvaardde.

Een tweede punt van verschil kwam weldra bij het leerstellige. De aanhangers van Gomarus waren verklaarde tegenstanders van alle bemoeiing der regeering met aangelegenheden van de kerk: de Arminianen waren van een tegenovergestelde zienswijze. Dit toonden zij metterdaad in 1610 door het indienen van een remonstrantie of vertoog bij de staten van Holland, naar welk stuk zij den naam Remonstranten verkregen. De remonstrantie behelsde een verklaring van hun gevoelen omtrent de vijf artikelen, waarop de leer der voorbeschikking hoofdzakelijk neerkwam. Het vertoog toont, niet dat zij het gansche leerstuk verwierpen, maar dat zij het geenszins m den strengsten zin opvatteden. De Arminianen eindigden met een verzoek om de bescherming der staten en met de erkenning van \'t gezag dier staten over de kerk. Hierop volgde in \'t zelfde jaar de Haagse he conferentie, d.i. een bijeenkomst en samenspraak van eenige leeraars der beide partijen in de vergadering der staten van Holland. Daar werd een tegenvertoog van de bestrijders der Arminianen gelezen, waarnaar zij Contra-rernonslranten werden genoemd. De conferentie zelve leidde echter niet tot een bevrediging.

Reeds vroeger was te Alkmaar, waar eenige Remonstrantsche leeraars in den dienst waren geschorst, de oneenigheid van woord tot daad geworden. Thans, in 1611, nam de scheuring toe en ontsloeg b. v. de overheid van Rotterdam een Contra-Remonstrantsch predikant, op grond van voortdurende ongehoorzaamheid, niet alleen van zijn ambt, maar zette hem ook uit de stad. Lang onthielden de staten van Holland zich van het nemen van beslissende maatregelen. Doch in 1613 begonnen zij een anderen weg te betreden. Zij vaardigden bij meerderheid van stemmen een besluit uit, waarin werd verboden de beide uiterste gevoelens aan de gemeente te verkondigen en gelast, dat slechts aan de hoogeschool het stuk der voorbeschikking een onderwerp van redetwist mocht zijn. Dit besluit werd een nieuwe twistappel, vermits hier en daar deze en gene predikant zich er tegen verklaarde. In 1615 gebeurde te Leeuwarden iets, dat niet zonder invloed bleef op Holland. Sedert een vijftal jaren bestond de vroedschap dier stad uit leden, de beginselen van Oldenbarnevelt toegedaan. Deze regeering

-ocr page 157-

143

werd met Januari 1616, volgens een besluit det staten van het gewest, door den stadhouder Willem Lodewijk; de gedeputeerde staten en het hof veranderd. Vruchteloos trachtte een bezending der Staten-Generaal het te beletten.

Van dit oogenblik af is Willem Lodewijk de man, die Maurits voortdurend raadt met kracht tegen de Remonstrantsche partij op te treden. Van een anderen kant werd Maurits gesteund door Jakob I, koning van Engeland, die er zich veel op liet voorstaan een groot godgeleerde te zijn en zich geroepen achtte de beschermer der hervormde leer in Europa te wezen. Jakob, na vroeger de handelwijze van de staten van Holland te hebben goedgekeurd, beval in 1616 zijn gezant Carleton — wiens naam bij iederen beoefenaar van Nederlands geschiedenis bekend is door de „gedenkschriften,quot; die hij over dezen tijd heeft uitgegeven, — opzettelijk de zaak der Contra-Remonstranten zoowel in het openbaar als in het bijzonder voor te staan. En waar hij kon werkte de koning de tegenpartij van Oldenbarnevelt in de hand en poogde den advocaat ten val te brengen. In \'t oog van Jakob was het begunstigen der Arminianen en het weerstreven der synode (zie blz. 146) een zware misdaad. Ook kon hij het den ervaren staatsman niet vergeven, dat hij in \'t vorige jaar, gebruik makende van een der vele oogenblikken, dat de koning groote geldsommen behoefde , hem er toe had gebracht tegen betaling van 3,000,000 gl., d. i. van niet meer dan ruim van de toen nog verschuldigde som, de pandsteden (zie blz. 105) aan de Republiek terug te geven. Hiermede verviel weldra tevens de gewoonte dat een Engelschman hier te lande zitting had in den raad van state. En tegelijk was de Republiek bevrijd van de vrees, die velen begon te bekruipen, dat Jakob, steeds meer en meer tot de zijde van Spanje overhellende, Philips de pandsteden eens in handen mocht spelen.

Doch het wordt tijd tot de binner.landsche geschillen zeiven terug te keeren. Meer en meer scheidden de Contra-remonstranten zich af en hielden ter oefening van hun godsdienst afzonderlijke vergaderingen. Hier werd door de ééne, daar door de andere partij geweld tegen de zwakkeren gepleegd. Vanhier onlusten in verschillende plaatsen gedurende het jaar 1617. Te Amsterdam werd een vergadering der Remonstranten, die in een door hen gehuurden spijker of schuur werd gehouden, onder \'t geroep: „val in, val in, sla dood den predikant, enz.quot; verstrooid, de glazen van den spijker er uit geworpen, de banken, de predikstoel en al wat los was vernield. Acht dagen later, op Zondag den igden Febr., overviel een bende grauw het huis van den Remonstrant Bisschop, een broeder van den lateren hoogleeraar Episcopius. Zij liepen de deur met een balk in, sloegeu alles in stukken, haalden wijn, bier en al wat voor de hand was uit den kelder, schonken en dronken elkander den wijn en het bier met volle hoeden toe, trokken de kranen uit de vaten en bedreven allerlei

-ocr page 158-

144

balddadigheden. In den Haag verkregen eenige honderden Contra-remonstranten , die niet meer naar de andere kerken wilden gaan, in het begin van \'t jaar 1617 de Gasthuiskerk. Maar toen deze kerk hun te eng werd verzochten zij in Maart de Kloosterkerk te mogen hebben, die in het Voorhout naast het huis van Oldenbarnevelt stond en haren naam hieraan was verschuldigd, dat zij voorheen had behoord tot een Dominikanerklooster, te dier plaatse staande. Dit werd vergund. Te Oudewater rustte de Contra-remonstrantsche patij niet, eer met het begin van 1618 de vroedschap burgemeesters koos naar haren zin. Te Heusden gebeurde hetzelfde. In den Briel, te Gouda, Delft, Haarlem en elders zag men openlijk verzet tegen de overheid, hoorde men de predikanten op den kansel de vroedschap doorhalen, om kort te gaan, beleefde men onlusten van verschillenden aard.

Bij al die tooneelen van wanorde bleek het vaak dat de magistraat luttel kon rekenen op de troepen, die de bezettingen der steden uitmaakten. De oorzaak hiervan lag voor een goed deel in de houding, door Maurits sinds eenigen tijd aangenomen. Reeds vóór het sluiten van het bestand was hij begonnen meer dan voorheen den omgang met predikanten te zoeken. In weerwil van dien omgang was zijn kennis van de leerstellige geschilpunten gering. Ook onthield hij zich lot het jaar 1617 van \'t geven van openbare blijken van instemming met één der beide partijen. Maar van het stijdstip af, dat hij op een Zondag van het genoemde jaar in \'t openbaar met een groot gevolg naar de den Contra-remonstanten afgestane Kloosterkerk ging, wierp hij zijn zwaard in de weegschaal.

„Tot zoo lang Mijnheer de prins Gommers zijd\', die bovenhing.

Troostte met zijn stalen kling,

Die zoo zwaar was van gewicht.

Dat al \'t ander viel te licht.

Toen aanbad elk Gommers pop.

En Armijn, die kreeg den schop.quot;

(Vondel, op de weegschaal van Holland).

Behalve Willem Lo dew ijk en Jakob I was het hoofdzakelijk Francois van Aerssen, omtrent van dezen tijd af heer van Sommelsdijk (op Opperflakkee), een man van groote schranderheid, list en stoutheid, die den stadhouder tegen Oldenbarnevelt in \'t harnas joeg. Aerssen was verbitterd op zijn voormaligen beschermer Oldenbarnevelt, omdat hij het hem weet dat Lodewijk XIII in 1613 had verzocht, dat de Staten-Generaal, in zijn plaats, een anderen gezant aan het Fransche hof mochten benoemen, aan welk verzoek men had voldaan. Thans werd de werkzame en eerzuchtige man, in den bloei zijner jaren tot een ambteloos leven gedoemd, een der hevigste belagers van \'t bewind

-ocr page 159-

145

van den advocaat. Met Hugo Muis van Holy, uit Dordrecht, Reinier Pauw, uit Amsterdam, en een paar andere mannen werd hij een van het zeven- of achttal, dat den advocaat ten val bracht. Deze zeven of acht stonden in geheime verstandhouding met Maurits, die gaandeweg een geheel ander man werd (zie blz. 126), in zoover dat hij, niet meer opbruisend als weleer, achterhoudend, stil en gesloten was.

Het was geen bijzonder moeilijke onderneming den wrok van den stadhouder tegen Oldenbarnevelt te prikkelen. De klove, die aireede tusschen de beide hoofden van de Republiek bestond, behoefde nog maar een weinig wijder te worden gemaakt. Hadden de vroegere geschillen tusschen de beide leiders van den staat louter over zaken ge-loopen (zie blz. 131, 132, 134), aangelegenheden van persoonlijken aard waren er sedert bijgekomen. Gelijk dadelijk na den dood van Willem was gedacht over het opdragen van de grafelijke waardigheid aan Maurits, zoo was het ook later, b.v. in 1602, weder ter sprake gekomen, of het niet wenschelijk was, ten einde meer eenheid in \'t bewind te krijgen, aan Maurits het hoogste gezag toe te vertrouwen. Kort na het sluiten van het bestand opperde de koning van Frankrijk dezelfde vraag op nieuw. Was Oldenbarnevelt in 1585 en in 1602 er zeer voor geweest, dat Maurits\' macht werd uitgebreid, nu was hij van een tegenovergesteld gevoelen. Deze verandering van zienswijze kan niet hieraan worden toegeschreven, dat hij minder dan voorheen de behoefte aan eenheid in het bestuur besefte. Er bestaat een advies, door hem in 1607 uitgebracht, waarin hij toont van dit besef geheel te zijn doordrongen. Er blijft alzoo niets anders over dan Oldenbar-nevelts tegenstand tegen het plan toe te schrijven óf aan vrees voor overwegenden invloed van Frankrijk, èf aan de overtuiging dat Maurits voor dat hooge standpunt geenszins de vereischte bekwaamheden bezat, èf eindelijk hieraan dat hij, bij de bewustheid van eigen kracht, ongaarne van alvermogend minister een ondergeschikt dienaar werd. Moge Maurits van zijn kant wegens liet te niet gaan der veelbelovende vooruitzichten ook al geen haat hebben opgevat tegen den advocaat, tot inniger verbintenis en aansluiting, nu er reeds verwijdering bestond, kan het in rook vervliegen dier verwachtingen evenmin hebben geleid. Het is mogelijk dat hij ter goeder trouw de overtuiging heeft gekoesterd, dat de meerderheid der staten van Holland, op haar goed rechtstaande, den reeds zoo zwakken band der eenheid verbrak. Door zijn tweeledige betrekking geroepen, om èn den provincialen souverein te beschermen, èn de unie te handhaven , moest hij, beide niet kunnende, kiezen of deelen.

Maar al te wel slaagden zij, die het in \'t belang van het land en van zichzelven achtten, den stadhouder hoe langer hoe meer tegen Oldenbarnevelt en zijn aanhangers in te nemen. Hij, de advocaat, en die het met hem eens waren werden met de Remonstranten als vereenzelvigd. Zóó kwam de tegenpartij op het denkbeeld de Remonstranten uit de kerk te stooten en op die wijze den grijzen staatsman tevens

quot;WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 10

-ocr page 160-

146

in \'t verderf te storten. Dit doel kon worden bereikt, indien men, volgens den raad van Jakob, één natio?ia/e synode voor alle gewesten bijeenriep. Zeeland, Groningen en Friesland waren de zaak der Contraremonstranten uitsluitend toegedaan; zoo ook het grootste gedeelte van Gelderland. Overijsel was lang op de zijde van de meerderheid der staten van Holland, doch neigde tegen het einde van 1617 tot den anderen kant. Utrecht was grootendeels voor de zaak der Remonstranten; eveneens de steden van Holland, met uitzondering van Amsterdam, Dordrecht, Enkhuizen, Edam en Purmerend. Dat de partij der Remonstranten nu tegen een nationale synode moest zijn is duidelijk. Zij van haar kant verlangde, dat in Holland, en waar men het verder noodig rekende, een provinciale synode bijeenkwam.

Uit al de bewegingen van \'tjaar 1617 en vroeger sprak klaarblijkelijk verzet tegen de wettige overheid. Ook andere onrustbarende verschijnselen kon men niet voorbijzien. Alom bespeurde men de gevolgen van den strijd. De vader stond tegenover den zoon, de broeder tegen den broeder, kortom, magen en vrienden werden van elkander vervreemd. Eerroovende geschriften van allerlei aard kwamen dagelijks in het licht. Maurits weigerde zijn soldaten ter beschikking te stellen in zaken, rakende deze geschillen. Het was dan niet zonder reden dat de staten van Holland op middelen bedacht waren om aan de verwarring een einde te maken. Deze overweging gaf de geboorte aan het besluit van de staten van Holland van den 4den Augustus 1617, door de tegenstanders de scherpe resolutie genoemd. In dat besluit, door de edelen en de groote meerderheid der steden genomen, werdra de steden gemachtigd, zoo zulks werd vereischt, op eigen gezag krijgsvolk in dienst te nemen; aan de officieren en verdere krijgslieden gelast den staten en de overheidspersonen van de steden, waar zij in garnizoen lagen, getrouw en gehoorzaam te zijn; besloten dat het houden eener nationale synode niet kon worden ingewilligd en bepaald dat niet de hoven van justitie, maar de staten zeiven rechters zouden zijn in alle zaken, uit de toenmalige geschillen voortspruitende. Tegen dit besluit waren de vijf zoo even genoemde steden. En ook Maurits, wien het werd medegedeeld, ontveinsde, in de vergadering der staten verschenen zijnde, zijn ongenoegen er niet over.

Op dit besluit werd menige aanmerking gemaakt, maar geen enkele, die gegrond mocht heeten. De punten, waaruit het bestond, behoorden niet tot die, waaromtrent geen overstemming gold. Alzoo moest het, hoewel bij meerderheid van stemmen genomen, als een besluit der staten worden aangemerkt. Wat die punten zelven betreft, het is onbetwistbaar, dat de gewesten en de steden van oudsher het recht hadden geoefend zelven, wanneer zij het noodig oordeelden, krijgslieden in dienst te nemen. Dergelijke soldaten noemde men waard-gelders, d. i. lieden, gehuurd om waarde of wacht te houden, dus zooveel als bezoldigde rustbewaarders. Het onderscheidend kenmerk dezer

-ocr page 161-

147

wachters of bewakers van de poorten, gewoonlijk hun eerste taak, in tegenstelling met het gewone krijgsvolk of de schutters, bestond hierin dat zij een zekere som, doorgaans de halve soldij van e.m gewoon soldaat, trokken, tot tijd en wijle dat zij de overheid werkelijke diensten moesten bewijzen, in welk geval zij hooger loon kregen. Verder werden zij veelal slechts voor een tijdelijk doel gebruikt. De eisch dat de krijgslieden gehoorzaam moesten zijn aan de regenten der steden verplichtte hen tot niets anders, dan waartoe zij krachtens den eed, door hen afgelegd, waren gehouden, daar deze eed een belofte van trouw bevatte aan de Staten-Generaal, aan de staten van \'t gewest en aan de overheden der steden, waarvan zij de bezetting uitmaakten. Ook het vierde punt, rakende de hoven van justitie, was geen nieuwigheid, maar sproot voort uit de souvereine macht, die het deel der staten was. Met hetzelfde recht, als waarmede dit werd vastgesteld, hadden de staten voorheen ook andere zaken aan de bevoegdheid der hoven ontrokken (zie blz. m, 112).

Reeds vóór het nemen van de scherpe resolutie hadden Haarlem, Rotterdam en Schoonhoven waardgelders op de been gebracht of het getal er van vermeerderd. Andere steden deden het na den 4den Augustus, n.1. Leiden, Oudewater, Heusden, Gouda en Hoorn, de meeste nog in 1617, Gouda in \'t volgende jaar. Twee- of driehonderd was meestal het getal van één stad. In \'t geheel had Holland er niet meer dan 1800. De staten van Utrecht namen er eveneens ruim zeshonderd aan. Het spreekt vanzelf dat de vroedschappen, die waardgelders aannamen, dit deden, om, des gevorderd, zichzelven tegen woelingen van onruststokers te kunnen verdedigen en alle dadelijkheden tegen te gaan. Sommige steden gingen er toe over, omdat zij voor \'t oogenblik geen garnizoenen hadden; andere, vermits zij de hare niet vertrouwden. Niemand was er in die dagen, tot in Juni 1618, die het recht der vroedschappen betwijfelde om zich op die wijze in staat van tegenweer te stellen. De beschuldiging, alsof men met die 1800 onervaren manschappen, in verscheiden plaatsen verstrooid, een vijandelijken aanval in den zin had op 30,000 welgeoefende krijgsknechten , die de Republiek in dienst had, weerlegt zichzelve. De aanvallende partij was, zooals men weldra zal zien, niet die van Oldenbarnevelt.

Hoe verder het jaar 1618 verstreek, des te meer viel het in \'t oog, dat, althans aan de zijde van de leiders der Contra-remonstrantsche partij, in plaats van \'t verschil van zienswijze een diepere wrok was gekomen. Welke voorslagen tot bemiddeling de staten van Holland ook deden, b. v. ten aanzien van de synode, de waardgelders, enz., er werd bijna niet naar geluisterd, nog veel minder gevolg aan gegeven. Alzoo naderde tegen het eind van Juni 1618 de ontknooping. Reeds namen de staten van Holland, voor zooverre zij de zaak der Remonstranten waren toegedaan, in overweging hun consenten (zie blz. 121) in te houden en geen gelden meer voor te schieten aan de

io*

-ocr page 162-

148

gewesten, die zich tegenover hen stelden, toen plotseling de partij, die in de Staten-Generaal de zege wilde behalen, d. i. het boven (\'.ie blz. 144, 14S) genoemde achttal, den knoop met geweld doorhakte. Vooreerst besloten de Staten-Generaal, dat er een bezending uit hun midden zou gaan naar Utrecht om de staten dezer provincie te bewegen tot afdanking der waardgelders; dan, dat een nationale synode zou worden uitgeschreven.

De stap, hier door de Staten-Generaal gedaan, was van veruitziende gevolgen en streed tegen alle recht en gebruik. In plaats van aan de staten van ieder gewest de zorg te laten voor datgene, waarin zij alleen hadden te beslissen, poogde men hun de zienswijze der staten van sommige andere provinciën op te dringen en hen te nopen eveneens gezind te zijn als deze. Ten anderen scheelt er veel aan dat dit besluiten waren der gansche Generaliteit. Men vermoedt dat de gedeputeerden van Gelderland hun lastbrief zijn te buiten gegaan. Die van Overijsel gingen niet dan schoorvoetend, toen er toch niet meer aan viel te veranderen, tot een gedeeltelijke medewerking over. Slechts Zeeland gaf den toon aan, want Willem Lodewijk had bewerkt, dat die van Friesland en Groningen den last medekregen geen advies in de vergadering uit te brengen zonder Maurits te hebben geraadpleegd. De gedeputeerden van Utrecht waren op het tijdstip van \'t nemen der resolutie afwezig, en Holland stemde tegen het besluit.

Den 25Sten Juli 1618 kwam de deputatie der Staten-Generaal te Utrecht aan. Het waren, behalve prins Maurits, de heeren Voogt uit Gelderland, Adriaan Manmaker uit Zeeland, Hugo Muis van Holy uit Dordrecht, Gockinga uit Groningen en vier anderen. Zij deden in de staten van Utrecht het voorstel de waardgelders af te danken en de nationale synode in te willigen. Verder hielden zij er een bijeenkomst met Hugo de Groot, pensionaris van Rotterdam, en eenige andere leden van de staten van Holland, door dit lichaam afgezonden, om te pogen de zaak tot een goed einde te brengen. Het gesprek, daar gehouden, toonde aan de leden van Hollands staten , dat Maurits, ten einde tot het beoogde doel te geraken, ook niet voor geweld zou terugdeinzen. Daarom keerden zij den 3isten Juli, vroeg in den ochtend, terug, na alvorens de krijgsoversten der troepen, die te Utrecht in bezetting lagen, maar ter repartitie (zie blz. 121) van Holland stonden, aan hun eed te hebben herinnerd. Op denzelfden dag en ongeveer op \'t zelfde uur dankte Maurits, na de toegangen tot de voornaamste plaatsen van de stad te hebben bezet, op het plein, geheeten de Neude, de waardgelders af. Het is zeker dat hij, dit doende, èn zijn bevoegdheid als stadhouder, èn de termen der opdracht, hem van wege de Staten-Generaal geworden, overschreed. Thans was de meerderheid ook der staten van Utrecht voor hem en kon hij doen wat hij verkoos. Zoo veranderde hij de vroedschap der stad Utrecht en bepaalde dat de leden van nu aan zitting zouden hebben voor hun leven. Hierdoor zag de secretaris der staten.

-ocr page 163-

149

Gilles van Ledenberg, de ziel dier staten en in gevoelens geheel overeenstemmende met Oldenbarnevelt, zich genoopt zijn ontslag te nemen.

Gedurende de laatste helft der maand Juli en in \'t begin der volgende wendde de meerderheid der staten van Holland bij herhaling vruchte-looze pogingen aan om de eendracht onder de leden te herstellen. Tevergeefs sloeg b.v. de advocaat aan de vijf steden, waarbij Schiedam zich sedert had gevoegd, voor een ontwerp ter bevrediging in te dienen. Zij weigerden. Na de terugkomst van prins Maurits en van de gedeputeerden uit de Generaliteit tastte men ter Staten-Generaal ook ten aanzien van Holland door. Het was nu geen tijd, voerde een burgemeester van Amsterdam in die dagen Oldenbarnevelt in de vergadering der staten van Holland te gemoet, van de hoog- en gerechtigheden van \'t land te spreken. Den 2isten Augustus stelden de Staten-Generaal een plakkaat vast, dat de zes provinciën en de zes steden uit Holland goedkeurden en dat den waardgelders gelastte binnen tweemaal vierentwintig uren de wapens neer te leggen. Rotterdam had het reeds vroeger gedaan; de overige steden volgden nu dit voorbeeld. Zooals reeds meer was geschied werd op den tegenstand van de meerderheid van Hollands steden ter Staten-Generaal niet gelet: men hield zich aan de zes steden. Evenmin werd de toestemming van Hollands staten of van de vroedschappen der steden voor de afkondiging van \'t plakkaat gevraagd (zie blz. 110, 120).

Den 29Sten Augustus kwam Uitenbogaart den advocaat spreken. Tegen zijn gewoonte was Oldenbarnevelt op dat oogenblik niet bezig met schrijven, maar zat stil op een stoel, met den rug naar de tafel gewend. Zijn gelaat stond droevig. Dit drong den predikant, ofschoon niets wetende van hetgeen de naaste toekomst in haar schoot verborgen hield, o.a. dit tot den advocaat te zeggen: „ik bid u. Mijnheer, u te versterken met de voorbeelden van zeer vermaarde mannen uit oude en nieuwe tijden, die, hun vaderland de grootste diensten hebbende bewezen, ten laatste allerkwalijkst zijn beloond.quot; Zoo ooit, nu had de grijze staatsman opbeuring noodig, want reeds was de teerling geworpen. Ter Staten-Generaal waren twee geheime besluiten genomen, het eerste den 28sten, het tweede den 29sten Augustus. Zij, die ze namen , waarschijnlijk in afwachting van nadere goedkeuring door het gansche college, waren een achttal leden. Onder hen waren Reinier Pauw en Hugo Muis van Holy, Nicolaas Voogt, burgemeester van Arnhem, en Adriaan Manmaker. In het eerste dier besluiten werden de prins en eenige leden der vergadering gemachtigd de vereischte maatregelen te nemen voor het welzijn van \'t land. Bij het tweede werd goedgevonden dat men Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en Rombout Hogerbeets, pensionaris van Leiden, in hechtenis zou nemen.

Een half uur nadat Uitenbogaart Oldenbarnevelt had bezocht, ontmoette de predikant hem weder, rijdende in zijn koetsje naar de vergadering der staten van Holland. Geen uur later en de advocaat van den lande

-ocr page 164-

150

was een gevangen man. Toen hij op het punt stond de vergadering binnen te treden, kwam een kamerdienaar hem verwittigen, dat de stadhouder hem wenschte te spreken. In plaats van den stadhouder zag hij weldra den luitenant van Maurits\' lijfwacht, die hem, in naam der Staten-Generaal, gevangen nam. Met hem werden de Groot, Hoger-beets en Ledenberg gekerkerd. Vervolgens werd, in overeenstemming met het geheime besluit van den 2isten Augustus, het aangevangen werk voortgezet. In het begin van September reisde de prins, vergezeld van een aantal edelen en omstuwd door zijn lijfwacht, bij de steden van Holland rond en verzette er overal, waar het hem behaagde, de wet, d.i. koos andere leden in de vroedschap. Dat de wettige tijd hiervoor niet was aangebroken en hem geen voordrachten in behoorlijken vorm waren gedaan was iets waarom hij zich niet bekreunde. Hierop werd het eerste lid van de staten van Holland, in strijd met de oude herkomsten en niet dan na hevig verzet der edelen, versterkt met een paar mannen, de zienswijze van Maurits toegedaan. Op die wijze was de partij, die bovendreef, tegen alle verzet gedekt — want de staten van Holland kregen nu een nieuwen mond en een nieuwe tong — en kon den eens betreden weg tot den eindpaal bewandelen. Weldra werd er een commissie uit de Staten-Generaal benoemd, ten overstaan waarvan de gevangenen werden verhoord, met uitzondering van Ledenberg, die zichzelf in de gevangenis had gedood. Tot dit uiterste was hij overgegaan in de hoop dat men zijn bezittingen dan niet zoude verbeurd verklaren, hetgeen evenwel geschiedde.

Op het voorloopig onderzoek volgde de benoeming van vierentwintig buitengewone rechters, twaalf uit Holland en twaalf uit de overige gewesten. Onder de twaalf van Holland waren echter twee Zeeuwen, leden van \'t hof van Holland. Verder was er onder de vierentwintig meer dan één bijzondere vijand van Oldenbarnevelt en menig tegenstander van zijn staatkundige denk- en handelwijze. De Staten-Generaal waarborgden de rechters tegen alle onaangenaamheden, die hun wegens de vervulling der taak, hun opgedragen, konden worden aangedaan. De maatstaf, waaraan alle woorden en daden der beschuldigden werden getoetst, was de zienswijze der tegenpartij. Een behoorlijke gelegenheid om zich te verdedigen werd den gevangenen niet gegund. De vragen, tot hen gericht, en de antwoorden, door hen gegeven, bleven geheim. De vragen werden, naar beweerd wordt, gedaan volgens een ontwerp, gesteld door Bogerman (zie beneden blz. 153). Dat zij dienaren waren der staten van hun gewest en alzoo niet verantwoordelijk voor de besluiten van dit lichaam kwam geenszins in aanmerking. Ten opzichte van Hogerbeets zagen de rechters nog bovendien dit over het hoofd, dat hij, vroeger lid van den hoogen raad, eerst sinds October 1617, als pensionaris, in dienst was van de vroedschap van Leiden en alzoo niet had medegewerkt tot het meerendeel der besluiten, om welke hij werd veroordeeld. Het vonnis luidde, dat Oldenbarnevelt

-ocr page 165-

151

zou worden onthoofd, de Groot en Hogerbeets levenslang gevangen gezet. Tevens werden hun goederen verbeurd verklaard. De hoofdgronden, waarop het rustte, waren, dat zij den toestand van den godsdienst hadden in verwarring gebracht en de kerk Gods bedroefd, den band der unie verbroken, de scherpe resolutie het aanzijn gegeven en de staten van Utrecht tot het werven van waardgelders bewogen.\' Eerst een jaar later verklaarden de rechters, dat zij bij het stellen van het vonnis van oordeel waren geweest, dat de misdaad, door de drie heeren begaan, die was van gekwetste majesteit. Talloos zijn de bezwaren, die men tegen dit vonnis kan aanvoeren. Na hetgeen boven is vermeld behoeft nog hierop slechts met een woord te worden gewezen, dat de unie de beschikking over den godsdienst aan elk gewest in \'t bijzonder had gelaten. Thans kwam helder aan den dag, wat zich later nog meermalen openbaarde, hoe er voortdurend strijd moest ontstaan over de juiste opvatting van de bepalingen der unie en hoe noodlottig de gevolgen waren van dien strijd.

Tot in April 1619 was het nog onzeker, of de meeste rechters voor den dood van den advocaat zouden stemmen. Maar Aerssen inzonderheid en de overige vijanden van Oldenbarnevelt moeten er zoozeer op hebben aangedrongen, dat de rechters de overtuiging hebben gekregen, dat zulk een vonnis noodzakelijk en Maurits niet onaangenaam was. Immers, het was een staats-, geen rechtszaak. Zelfs naar de stem van Willem Lodewijk, die alle hardheid afried, luisterde men geenszins. Tot verhooging van Maurits gevoeligheid droeg veel bij, dat de aanhangers van Oldenbarnevelt op den isten Mei 1619 een fraai versierden Meiboom voor de deur van \'t huis des staatsmans plantten. Nogtans schijnt de prins niet ongenegen te zijn geweest genade te verkenen. Maar noch Oldenbarnevelts zonen, noch hijzelf dacht er een oogenblik aan de aangeboren fierheid zoozeer te verloochenen. Vruchteloos had Frank-rijks gezant du Maurier, uit naam zijner regeering, bij herhaling gehoor verzocht bij de Staten-Generaal en ten gunste van de gevangenen gesproken. Nog op den vroegen morgen van den i3den Mei, den laatsten levensdag, die Oldenbarnevelt werd gegund, trachtte hij wederom gehoor te erlangen bij de Staten-Generaal. En toen hem dit werd geweigerd, toonde hij schriftelijk aan, dat het in \'t belang was der Republiek den ouden man hel leven te sparen.

Den i2den Mei 1612 bezochten zoowel andere predikanten, als Walaeus, predikant te Middelburg, Oldenbarnevelt in den kerker. Met hem sprekende over de punten van \'t geloof, bevond Walaeus, dat hij de gevoelens der Contra-Remonstranten was toegedaan, een getuigenis voorzeker, die niet ten volle overeenkomt met de verklaring der rechters, dat hij ter wille van de Remonstranten de kerk had bedroefd. Op den volgenden dag werd Oldenbarnevelt, heer van Berkel (ten o. van Delft) en Rodenrijs (ten z.o. van Delft) en advocaat van den lande, in \'t openbaar te \'s Gravenhage onthoofd. Zóó slaagde de verblinde partijschap van tijdgenooten er in de onbezweken verknochtheid aan

-ocr page 166-

152

het vaderland te bezwalken en sneed een leven af, onafgebroken aan de vestiging der Republiek gewijd.

„Is dit het loon voor zooveel trouwe diensten,

Die \'k drieënveertig jaar den lande heb gedaan?quot;

Terecht legt de beroemde dichter Vondel den staatsman deze woorden in den mond. Zien wij wat er van is. Geboren te Amersfoort in \'t jaar 1547 uit een adellijk geslacht, wijdde hij zich in zijn jeugd aan de studiën en bezocht te dien einde ook verschillende landen, als Frankrijk, Duitschland, Zwitserland. Te Heidelberg legde hij er zich bijzonder op toe de rechte kennis te verwerven van de betwiste punten van den hervormden godsdienst. Reeds hier kwam hij tot de overtuiging, dat het voor den mensch het wenschelijkste is niet te pogen door te dringen in de geheimenissen Gods. In 1570 werd hij advocaat voor het hof van Holland, doch wegens het uitbreken van den tachtigjarigen oorlog weldra genoodzaakt uit te wijken en nu hier dan daar te toeven. Gedurende de eerstvolgende jaren stond hij, als vrijwilliger voor zijn vaderland strijdende, vele gevaren door. In 1576 werd hij pensionaris van Rotterdam. Groot was het vertrouwen, dat Willem van Oranje in hem stelde. Toen in \'t jaar 1585 een gezantschap der Staten-Generaal naar Engeland vertrok om Elizabeth de souvereiniteit over deze landen aan te bieden, was Oldenbarnevelt onder de leden hiervan. Kort nadat, mede op zijn aandrang, Maurits tot stadhouder was benoemd van Holland en Zeeland, werd hijzelf aangesteld tot advocaat van den lande van \'t eerstgenoemde gewest. Met dit ambt bekleed, werd hij terstond het hoofd der partij, die zich tegenover Leicester stelde.

Onderschrijfelijk was de verwarring, waarin zich \'s lands zaken in die dagen bevonden. Oldenbarnevelt vestigde een geregeld bewind en bracht orde in den toestand der geldmiddelen. Bovendien trad hij in menig gezantschap naar Engeland en Frankrijk krachtig op voor de belangen van den jeugdigen staat. Met één woord, hij stichtte door zijn beleid de Republiek, die Maurits tegen buitenlandsch geweld beschutte. Groot was het overwicht, dat hij in de vergadering der staten van Holland had. Bewonderenswaardig was de wijze, waarop hij daar te werk ging, onvergelijkelijk zijn scherpzinnigheid in \'t wegen der gronden, voor de verschillende meeningen uitgebracht. De geschiedenis der staten van Holland van 1586 tot 1618 is zijn geschiedenis. Hij alleen werd geacht het bestuur in handen te hebben. Meermalen had hij op verschillende tijdstippen zijner roemrijke loopbaan, ook nog in \'t laatst, om ontslag verzocht. Het werd hem niet gegund. Evenmin baatte het hem, dat de staten van Holland kort tevoren plechtig hadden verklaard, den advocaat in hun bescherming te nemen. Men wilde zijn hoofd.

Die snoode behandeling van den grooten man wekte weldra Vondels hevige verontwaardiging, die hij o.a. in het „Jaargetijde van wijlen

-ocr page 167-

153

den heer Johan van Oldenbarnevelt, vader des vaderlandsquot;, op deze wijze ontboezemde:

„\'s Lands treurspel weer verjaart, om wiens gedoemde trouwe. Als weeuw of wees, in rouwe.

Bedrukt en troosteloos, treurt Hollands goê gemeent.

Op grootvaers koud gebeent.

De basterdvierschaar, na \'t schoppen van \'s volks vaders. Geschandvlekt als verraders.

Verwijst ons bestevaer, met afgeleefden strot,

Te verven \'t hofschavot.

Geduldig stapt hij, met zijn stoksken, naar het ende Van doorgesolde ellende,

Van last en barenswee. O bank des doods! o zand!

Waartoe verzeilt ons land?

Van zoo vermaard een val besterft de vreugd en hope In \'t aanschijn van Europe.

Kuroop gevoelt dien slag. Zij zucht en zit verdoofd Door \'t ploffen van dat hoofd.

Dat hoofd, dat heilig hoofd, dat spring- op springvloed schutte. Dat Nassau\'s glorie stutte.

Dat hoofd, dat Spanjen, eer het sloot zijn gouden mond, Op gouden bergen stond.quot;

Op de laatste regels van \'t gedicht laat de dichter dit vierregelig vers volgen, hetwelk onder menig portret van Oldenbarnevelt wordt gelezen:

„De tijden heeft nooit weggenomen Den naam en grooten roem der vromen,

Want nadat zij zijn overleên,

Zoo blinkt hun deugd voor iedereen.quot;

Aleer het vonnis geveld en Oldenbarnevelts hoofd gevallen was, had de Contra-remonstrantsche partij ook in het kerkelijke met geweld de zegepraal behaald. In de laatste helft van \'t jaar 1618 kwamen in alle gewesten de provinciale synoden bijeen, opdat de leeraars zich hier voor de nationale synode voorbereidden. Vervolgens werd de nationale synode den i3den November 1618 te Dordrecht in tegenwoordigheid van een aantal afgevaardigden uit de Staten-Generaal geopend. De meerderheid der inheemsche leden waren Contra-remonstranten. President was Johannes Bogerman, predikant te Leeuwarden, een vurig

-ocr page 168-

154

voorstander der bovendrijvende partij. Uit Engeland, Zwitserland en vele staten van Duitschland kwam tal van godgeleerden, bijna alle vijandig gestemd tegen de Remonstranten. Die van Frankrijk bleven op bevel van koning Lodewijk XIII weg. Van de Remonstranten verschenen Episcopius en een klein aantal anderen. Van den beginne aan werden zij niet als leden, maar als gedaagden behandeld. Uitenbogaart was kort tevoren door de Zuid-Hollandsche synode afgezet en had zich naar Antwerpen begeven. Nog was de synode niet lang bezig geweest met het ondervragen der Remonstranten en met het aanhooren hunner antwoorden, of het bleek dat het hun niet werd vergund het leerstuk der voorbeschikking vrij te beoordeelen. En alleen onder deze voorwaarden meenden de Remonstranten te kunnen spreken. Na langen redetwist gelastte de synode, dat de gedaagden hun gevoelen schriftelijk zouden uiteenzetten. Dit geschiedde. Over dit geschrift beraadslaagden nu de leden der synode meestal in zittingen met gesloten deuren. Den 6den Mei 1619 eindelijk werden de gevoelens der Remonstranten in \'t openbaar veroordeeld en de leeraars dier sekte afgezet. Later werden al degenen, die te Dordrecht waren geweest, over de grenzen gezet, omdat zij weigerden de akte van stilstand te teekenen, die hen verplichtte zich van alle kerkelijke bedieningen te onthouden. Behalve de vervulling der rechterlijke taak, die de synode op zich had genomen, wijdde zij nog een deel harer zittingen aan het vaststellen van de voornaamste leerstukken der Nederlandsche hervormde kerk. Eindelijk nam zij het gewichtig besluit den bijbel uit de grondtalen in de taal des lands over te zetten, een werk, dat in 1635 tot stand kwam en zoowel wegens de nauwkeurige bewerking, als om de uitmuntende kantteekeningen zeer wordt geroemd. Het werk is bekend onder den naam van Statenoverzetting, Statenbijbel. Het onderscheidt zich gunstig van de vroegere vertalingen, die slechts overzettingen van overzettingen waren. Op de latere taal heeft de Statenbijbel een onberekenbaren invloed geoefend. Over de synoden in \'t algemeen luidde het oordeel van een uitheemsch godgeleerde, tevens lid dier vergadering, dat hij er iets goddelijks, iets menschelijks en iets van den duivel in had gevonden.

§ 20.

De hernieuwing van den oorlog na het bestand. — De oprichting der West-Indische compagtne. — De aanslag op het leven van Maurits en zijn dood.

Geheelenal hadden de wapenen niet gerust gedurende het twaalfjarig bestand. In 1609 stierf Johan Willem, hertog van Gulik en Kleef. De twee vorsten, wier aanspraak op de nalatenschap vooral in aanmerking kwam, waren door verschil van godsdienst verdeeld. Een hunner, Johan

-ocr page 169-

155

Sigismund, keurvorst van Brandenburg, die van Luthersch gereformeerd werd, vond steun bij de Nederlanders, terwijl de andere, Wolfgang Willem van Palts-Nieuwburg (ten n. van Regensburg aan den Donau), door zijn overgang van den Lutherschen tot den katholieken eeredienst, op de hulp van Spanje kon rekenen {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 55, 56). Maurits bezette in 1610 Gulik, maar voerde in de volgende jaren den oorlog met weinig geluk tegen Spinöla, die zelfs het sterke Wezel innam en er een Spaansche bezetting in legde. Na 1614 namen hier de vijandelijkheden vooreerst een einde, weshalve de aandacht weder op de binnenlandsche aangelegenheden wordt gevestigd.

Vooraf ga een enkel woord over Nederlands inmenging in den dertigjarigen oorlog. Het beste bewijs voor de stelling, dat de Republiek, bij het sluiten van \'t bestand, al haar krachten nog niet had uitgeput , is voorzeker hierin gelegen dat zij, van het begin van den dertigjarigen oorlog af, de tegenpartij des keizers in Duitschland krachtdadig ondersteunde. Al dadelijk zond zij den Bohemen en hun koning Frederik, keurvorst van de Palts, bij herhaling ruime ondersteuning in geld. Na den val van Frederik verstrekte Nederland aanzienlijke sommen ten einde den graaf van Mansfeld {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 98) in staat testellen den strijd tegen het catholicisme voort te zetten. En nog voordat Mansfeld geheel moest wijken, werd de hulp der Neder-landsche Republiek gevraagd ten behoeve van Christiaan IV van Denemarken, aan wiens aanzoek door het toezenden zoowel van troepen als van geld eveneens werd voldaan. Behalve door het bijstaan van de eene der oorlogvoerende partijen toonde Nederland zijn ijver voor \'t behoud van het protestantisme door Engeland of andere Europeesche staten, met meer of minder gunstigen uitslag, tot gelijke deelneming op te wekken.

Nadat intusschen Hogerbeets en de Groot met hun vonnis waren bekend gemaakt, werden zij in Juni 1619 naar het slot Loevestein (zie blz. 88) overgebracht. Weldra werd hun het verblijf in den kerker zeer ondragelijk gemaakt door den luitenant der bezetting van \'t kasteel, Prouninck, een zoon van den boven genoemde (zie blz. 106), wien de bewaking der gevangenen was toevertrouwd. Men hoopte, dat de kwellingen van de gevangenis hen zouden bewegen vergiffenis te vragen, iets, waartoe zelfs de vrees voor den dood Oldenbarnevelt niet had kunnen brengen. Ook deze verwachting der Staten-Generaal faalde. Hogerbeets bleef er tot Maurits\' dood. Toen vergunde men hem zijn verdere levensdagen onder toezicht te slijten in een buitenhuis nabij Wassenaar (zie blz. 33), waar hij een beperkte vrijheid had en binnen kort overleed. Hugo de Groot wijdde zich op Loevestein aan de studiën en aan de vervaardiging van eenige dier werken, welke zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt. Zoodra echter Maria van Reigersbergen, zijn echtgenoote, die zijn gevangenschap deelde, bijgestaan door zijn dienstmaagd Elsje van Houweningen, hem de gelegenheid verschafte

-ocr page 170-

156

om in Maart 1621 in een kist, schijnbaar met boeken gevuld, naar Gorinchem te ontvluchten, maakte de Groot er volvaardig gebruik van en begaf zich naar Frankrijk.

Het is licht te begrijpen, dat de macht van Maurits na den dood van Oldenbarnevelt zeer toenam. Wel bleek het nu, dat hij voor zichzelf geen begeerte had een hoogeren titel te voeren, of, met andere woorden, souverein te worden. Indien hij dit inderdaad had gewenscht, wie zou hem hebben weerstaan? Doch van den anderen kant was er thans ook geen schijn van tegenwicht tegen den grooten invloed, dien hij oefende met zijn persoonlijkheid en krachtens de vele betrekkingen, waarin hij tot de Republiek stond. Metterdaad had hij bijna alle gezag in handen en gebruikte als raadslieden wie hij wilde. Holland kon in de eerste jaren geen hoogen toon meer voeren tegen de Generaliteit. Nog rees Maurits\' aanzien bij den dood zijns broeder Philips Willem, die in 1618 stierf en hem al zijn bezittingen, ook het prinsdom Oranje, naliet. Hoeveel Maurits\' aanhangers thans vermochten ondervonden bovenal de Remonstranten. Alom werden zij vervolgd wegens geen ander misdrijf, dan dat zij, tegen de plakkaten, in dezen tijd uitgevaardigd, geheime vergaderingen hadden gehouden. Alle Remonstranten, die eenig ambt, hoe gering ook, bekleedden, werden afgezet. Tot ongeveer tweehonderd klom het getal hunner predikanten, die werden ontslagen en van welke vele, ten minste tachtig, het brood der ballingschap moesten eten. Het blijkt niet dat dit alles met goedkeuring van Maurits geschiedde, maar evenmin, dat hij het tegenging. Daarentegen was het op zijn aandrang, dat Oldenbarnevelts schoonzonen, van Veen-huizen en van der Myle, niet langer in het lid der edelen ter vergadering van de staten van Holland werden beschreven, en eveneens, dat de zonen van den gewezen advocaat van hun ambten werden ontzet. De oudste dier zonen heette Reinier van Groeneveld (nabij Wassenaar, zie blz. 155) en was luitenant-houtvester van Holland. De andere, Willem van Stoutenburg (nabij Amersfoort), was gouverneur van de vesting Bergen op Zoom. Bovendien werd een groot aantal baljuwen en schouten uit Hollands dienst ontslagen.

Nog voordat het twaalfjarig bestand ten einde liep, overleed de stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, Willem Lodewijk, in 1620 en werd voor \'t eerste gewest opgevolgd door zijn broeder Ernst Kaslmir (1620—1632), terwijl de beide andere Maurits kozen. Het jaar van de hernieuwing der vijandelijkheden, 1621, werd gekenmerkt door een belangrijke gebeurtenis, door de oprichting der West-Indische compagnie. Reeds vóór het bestand had de gunstige uitslag der tochten naar Oost-Indie bij menigeen de begeerte opgewekt den handel ook tot andere werelddeelen uit te breiden. Vermits er reeds kleine maatschappijen bestonden om naar de kust van Afrika en naar Brazilië te varen, stond het te vreezen dat de onderlinge mededinging hier met dezelfde gevaren dreigde, als voorheen ten opzichte van Oost-

-ocr page 171-

157

Indie. Onder hen,, die ten behoeve der vaart naar Amerika een compagnie wenschten, behoort in de eerste plaats Willem Usselincx te worden genoemd, een koopman uit Antwerpen, die na de verovering dezer stad door Parma zich te Amsterdam vestigde. Vele der geschriften , door hem uitgegeven, zijn opgesteld ten einde te betoogen, hoe het volvoeren van zijn ontwerp, behalve dat het de belangen van den handel bevorderde, een gelegenheid te meer zou bieden om de Spanjaarden in Amerika te bestoken. Maar de algemeene denkwijze in het land was niet voor de compagnie, eendeels omdat zij, uit den aard der zaak velen uitsluitende, ten voordeele van enkelen verstrekte, anderdeels omdat zij geen winsten genoeg scheen te beloven. Van zijn kant achtte Oldenbarnevelt de toenmalige tijdsomstandigheden niet geschikt voor de oprichting, vermits hij het er terecht voor hield dat de koning van Spanje alsdan afkeerig zou zijn van wapenschorsing. Het bestand werd gesloten, en van compagnie repte men voorshands niet meer. Tegen het einde der wapenschorsing echter tiad Usselincx met nieuwe voorslagen op en had de zelfvoldoening wat hij wilde verwezenlijkt te zien.

Den jden Juni 1621 verleenden de Staten-Generaal een octrooi voor vierentwintig jaren aan de West-Indische compagnie. Het had veel overeenkomst met dat der Oost-Indische compagnie. Het eerste artikel kende aan de compagnie, met uitsluiting van iedereen, den alleenhandel toe op Afrika, van den kreeftskeerkring of 23.1 graad Noorderbreedte tot de Kaap de Goede Hoop, welke tot het gebied der Oost-Indische compagnie behoorde, alsmede op geheel Amerika. De eerste iideg was f 7,200,000, verdeeld in 1200 actiën, elke van 6000 gl. Hiervan gaven de Staten-Generaal een half millioen. Er waren vijf kamers. Aan aandeden had die van Amsterdam |; die van Zeeland 5; die van de Maas, d. i. Rotterdam, die van Noord-Holland en die van Friesland met Groningen elk Het getal der bewindhebbers was vierenzeventig, door de staten der gewesten of de overheden der steden te benoemen uit de deelhebbers, die twee actiën bezaten. De bewindhebbers behoefden geenszins te wonen in de steden, waar de kamers waren. Het uitvoerend bewind of de generale vergadering, uit de vierenzeventig gekozen, bestond uit 19 leden, van welke 8 uit de kamer van Amsterdam waren, de anderen naar evenredigheid van de aandeelen , uit de overige kamers. Het negentiende lid werd uit de Staten-Generaal afgevaardigd. De compagnie kreeg, als staat, dezelfde rechten als de Oost-Indische (zie blz. 139). De keuze van een gouverneur-generaal moest worden goedgekeurd door de Staten-Generaal, iets, dat bij de Oost-Indische maatschappij niet was voorgeschreven.

Tot hetgeen de West-Indische compagnie terstond bij haar oprichting onder haar beheer kreeg behoorde o. a. een landstreek in Noord-Amerika. Het was in 1609 dat Henry Hudson, een Engelsch zeeman, bij het zoeken van een noordelijke doorvaart voor de Nederlandsche

-ocr page 172-

158

Oost-Indische compagnie de breede rivier opvoer, toen de Hudsofi, sedert 1621 door de Nederlanders de Noord-rivier geheeten. Verder ontdekte hij de landstreek, die den naam Nieuw-Neder land verwierf. Amster-damsche reeders zonden er schepen heen, en alras werden op het eiland Manhattan, door een tak van de Hudson gevormd, eenige woningen opgetrokken. Men begon er een winstgevenden handel met de Indianen te drijven o. a. in pelterijen. Na de oprichting der West-Indische compagnie kocht een der directeuren van Nieuw-Nederland het geheele eiland voor 60 gl. van de Indianen. Hier bouwde hij in 1626 het fort, rondom hetwelk allengs de stad Nieuw-A ms ter dam ontstond.

Met het einde van het bestand werden in Europa de vijandelijkheden tusschen Nederland en Spanje hervat. In \'t zelfde jaar, 1621, overleed Albert. Nu werd Isabella landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden, die aan Spanje, waarover Philips IV regeerde, terugvielen. Zijzelve overleed in 1633 en kreeg Philips\' broeder, den kardinaal-infant Ferdinand, tot opvolger. Veel voordeel leverde de oorlog voor de Republiek niet op. Gebrek aan geld dwong Maurits zich hoofdzakelijk tot maatregelen van verdediging te beperken. In 1622 ging Gulik weer verloren; in 1625 veroverde Spinöla Breda, terwijl de stadhouder in \'t vorige jaar zijn aanslag op Antwerpen zag mislukken.

Gaf de oorlog Maurits alzoo weinig stof tot vreugde, wat de binnen-landsche aangelegenheden betreft gebeurde er iets, hetwelk aanduidde dat de rust, die men sedert den staatsgreep van de jaren 1618 en 1619 genoot, niet uit algemeene tevredenheid voortspoot. In 1623 kwam het aan \'t licht, dat Oldenbarnevelts jongste zoon met verscheiden Remonstranten en Roomsch-katholieken een samenzwering smeedde tegen het leven van den prins. Het voornemen was hem in de nabijheid van zijn buitenverblijf, bij Rijswijk, te overvallen en te dooden. Ter uitvoering van het plan huurden de samengezworenen vier matrozen , o. a. Jan Faassen, zonder hun vooralsnog mede te deelen wat men eigenlijk van hen verlangde. Zij evenwel, argwaan krijgende, berichtten Maurits wat zij wisten. Zóó werd de toeleg verijdeld. Bijna allen, die aan de zaak medeplichtig waren, werden voor en na gegrepen en stonden voor het hof van Holland terecht, hetwelk hen wegens gekwetste majesteit ter dood veroordeelde. Doch het hoofd van den aanslag, de heer van Stouten-burg, vluchtte naar het Zuiden, nam dienst bij den vijand en vatte de wapenen op tegen zijn vaderland. Het getal van hen, die werden onthoofd, beliep vijftien, onder welke zich vele van de na 1619 afgezette ambtenaren bevonden. De aanzienlijkste was Reinier van Groene-veld, wiens moeder en gemalin Maurits vruchteloos om genade vroegen, ofschoon zijn misdrijf alleen hierop neerkwam dat hij zijn krediet had verleend tot het opnemen der benoodigde gelden. Van de overigen is Hendrik Slatius, voorheen Remonstrantsch predikant te Bleiswijk (ten n. van Rotterdam), het meest bekend, inzonderheid door het glas bier in de herberg te Rolde, dat hij, op het zien van eenige soldaten, on-

-ocr page 173-

159

uitgedronken liet staan en hetwelk alzoo de aanleiding tot zijn gevangenneming werd.

Sedert geruimen tijd leed Maurits aan een ziekte, die, nu eens erger dan beter, zijn krachten meer en meer sloopte, totdat hij den i3sten April 1625 in den ouderdom van 58 jaren bezweek. Kort vóór zijn dood had hij, die nooit getrouwd was geweest, zijn broeder Frederik Hendrik, reeds over de 40 jaar oud, overreed of verplicht een huwelijk aan te gaan met gravin Amalia van Solms (ten n.o. van Maints), die in \'t gevolg der koningin van Bohemen {Algetn. Geschied, III, 7de druk, blz. 98 en 164) in Holland was gekomen. Maurits\' talrijke bezittingen gingen op Frederik Hendrik over.

§ 21.

Het stadhouderschap van Frederik Hendrik.

De binnenlandsche staatkunde, door prins Maurits en zijn aanhangers na den dood van Oldenbarnevelt gevolgd, gaf het aanzijn aan twee staatspartijen, de stadhouderlijke en de staatsgezinde, die elkander voortdurend bestreden. Tot de ééne partij behoorden de regenten, die, hoezeer gestemd voor \'t beginsel der souvereiniteit van de stedelijke raden en van de staten der gewesten, het stadhouderschap evenwel der prinsen uit het huis van Oranje-Nassau als een noodzakelijk bestanddeel van den regeeringsvorm aanmerkten. Zij vond vooral steun bij de volksmenigte. Tegenover haar stond de staatsgezinde partij, voortgekomen uit de afgezette regenten, die een bewind zonder stadhouder voorstonden, iets waaraan Oldenbarnevelt nooit had gedacht. De worsteling tusschen deze beide partijen is een hoofdpunt in de geschiedenis der Republiek en heeft, met wijziging der begrippen naar de verandering der tijden, tot haren val voortgeduurd. Bij de eene zoowel als bij de andere partij vond men mannen, uitstekend door vaderlandsliefde en tal van deugden en bekwaamheden, doch ook lieden, aan niets dan aan de voldoening hunner baatzucht denkende. Slechts weinigen waren er over \'t geheel, die inzagen en erkenden dat eenheid in \'t bestuur een levensbehoefte was voor de Republiek.

Onmiddellijk na den dood van Maurits benoemden Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel Frederik Hendrik (1625—1647) tot stadhouder, terwijl de Staten-Generaal hem de waardigheid van kapitein-generaal en admiraal van de unie opdroegen. In Groningen en in Drente verkoos men den stadhouder van Friesland (zie blz. 156).

Zij, die met het begin van het stadhouderschap van Frederik Hendrik op groote omkeeringen ten gunste van de Remonstranten hadden gehoopt, zagen zich terstond in hun verwachtingen teleurgesteld. Wel was de stadhouder zelf die richting toegedaan en is het zeer waarschijnlijk, dat Maurits in zijn laatste oogenblikken zijn broeder aanbeval de

-ocr page 174-

160

Remonstranten weder in de regeering te brengen. Doch Frederik Hendrik was een te goed staatsman en te gematigd regent, dan dat hij, door de onderliggende partij een plotselinge zege te verschaffen, de klove wijder zou hebben gemaakt. Veeleer was het zijn streven, de plakkaten in stand latende, doch ze in de uitvoering verzachtende, in de steden van Holland allengs mannen van de overwonnen partij op het kussen te plaatsen. Hij zocht door wederzijdsche toegeeflijkheid, tegen het drijven der heftige Contra-remonstrantsche predikanten in, de partijen tot elkander te brengen. In dit pogen werd hij weldra ondersteund zoowel door andere stedelijke raden, als door de vroedschap van Amsterdam, waarin sedert 1627 vele lieden der staatsgezinde partij, o.a. Andreas Bicker, zaten. In deze stad begon men nu niet alleen de kerkelijke bijeenkomsten der Remonstranten te gedoogen, maar vergunde hun zelfs in 1630 een kerk te bouwen en een seminarium of kweekschool ter opleiding hunner predikanten te stichten. Twee jaren daarna verrees , volgens het besluit derzelfde vroedschap, het athenaeum (eigenlijk tempel van de godin Athene of Minerva) te Amsterdam.

Omtrent terzelfder tijd, in 1631, kwam Hugo de Groot zijn vaderland weder bezoeken. De onderscheiding, waarmede de regeering van Frankrijk hem behandelde, en de geldelijke ondersteuning, die hij van het Fransche hof genoot, konden den grooten geleerde de bitterheid der ballingschap niet verzoeten. Een tijdlang vertoefde hij in \'t genoemde jaar te Rotterdam en te Amsterdam, op den invloed van Frederik Hendrik, zijn vriend, rekenende. De prins intusschen wilde eensdeels ter wille van de Groot de verdeeldheid geen nieuw voedsel geven en achtte zich anderdeels verplicht het eens geslagen vonnis te handhaven. Dus moest de Groot zich in \'t volgende jaar voor goed verwijderen. Twee jaren later, in 1634, werd hij tot gezant van Christina, koningin van Zweden (Algem. Geschied., III, 7de druk , blz. 122), aan\'t Fransche hof benoemd. Hij overleed in 1645 op een reis van Zweden naar Frankrijk te Rostock (in \'t n. van Mecklenburg-Schwerin).

De binnenlandsche staatkunde, door Frederik Hendrik gevolgd, miste de behoorlijke vastheid. Het was niet de zoodanige, die, in weerwil der partijen den juisten weg inslaande, hierdoor vanzelf buiten de kronkelpaden der partijzucht bleef. Over \'t geheel hield hij zich aan \'t beginsel, door Oldenbarnevelt voorgestaan, dat de staat gezag moest voeren over de kerk. Meenden de Remonstranten vaak, dat de stadhouder te weinig voor hen deed, de Contra-remonstrantsche ijveraars vergeleken hem niet zelden bij Rehabeatn, die den godsdienst zijner vaderen ontrouw werd. Alzoo kon de uitkomst dier staatkunde geenszins zijn dat de partijen werden vernietigd. Bij deze verdeeldheid van kerkelijken aard kwam dat er in verschillende jaren, vooral omstreeks 1634, twisten tusschen de provinciën ontstonden over het aandeel, in de gemeene lasten te dragen , of over het niet naar behooren opbrengen dier lasten. Waren Gelderland en Overijsel hierin achterlijk, andere

-ocr page 175-

161

gewesten, Groningen en Zeeland, achtten zich boven hun vermogen bezwaard. In Friesland ontstonden uit de vraag, rakende het aandeel in de gemeenschappelijke lasten, zulke zware onlusten, dat de raad van state zich op aansporing van den prins en op last van de Staten-Generaal er mede bemoeide. Zóó kwam, bij het gemis aan voldoende omschrijving der staatsmachten, ook bij Frederik Hendrik, in weerwil van zijn gematigdheid, van lieverlede de zucht op een soort van alleenheerschappij te oefenen. Vandaar dat hij in 1627 en in 1628 bij de verkiezing van leden der vroedschap te Utrecht en te Nijmegen buiten de voordracht ging. Vandaar dat hij in elke provincie (zie beneden blz. 165) een bijzonder persoon had om zich van den staat van zaken nauwkeurig te laten onderrichten. Vandaar dat ook hij steeds meer invloed in de staten van Holland en in de Generaliteit trachtte te verkrijgen. Zoo liet hij zich in 1637 onder de ridderschap van Holland als eerste edele aannemen en trok vervolgens door onderscheiden legerhoofden daarin te brengen al het gezag van dit eerste lid der staten van Holland aan zich. Lang had hij weinig of geen tegenwerking te verduren. De raadpensionarissen, die Hollands staten gedurende Frederik Hendriks stadhouderschap achtereenvolgens ter zijde stonden, Antonie Duik, Adriaan Pauw, een zoon van Oldenbarnevelts vijand en rechter, en Jakob Cats (sedert 1636, vroeger pensionaris van Dordrecht), hadden uit het noodlottig einde van Oldenbarnevelt geleerd, dat de dienaar niet behoort te trachten den heer voorbij te streven, of werden, zoodra zij eenige gezindheid hiertoe verrieden, ter zijde gezet. En in de Generaliteit kon de prins veelal over de stem van zes gewesten beschikken.

In alles, wat den oorlog betrof, evenaarde Frederik Hendrik zijn broeder, dien hij in zijn jeugd op meer dan één zijner veldtochten, b.v. bij Nieuwpoort, had vergezeld. Van zijn bekwaamheid in \'t leveren van veldslagen heeft hij echter geen bewijzen gegeven, vermits het bij hem vaststond dat er de Republiek meer aan gelegen was door \'t veroveren van sterke vestingen haar grenzen te dekken, dan, in \'t open veld oorlogende, veel geld en manschappen op te offeren. Hoezeer hij in de belegeringskunst uitmuntte toonde hij door het nemen van Grol in 1627, en bovenal door de verovering van \'s Hertogenbosch en van Maastricht. Die van \'s Hertogenbosch staat in de geschiedenis van \'t krijgswezen bekend als een meesterstuk van strategie (wetenschap van den veldheer of krijgskunst). Maurits had meermalen vruchteloos beproefd het in te nemen. Door diepe en schier ondoorwaadbare moerassen ingesloten, was de stad zoo goed als ongenaakbaar. Zij had een voldoende bezetting, en de bevolking was de zaak van Spanje toegedaan. Nadat evenwel het besluit om \'s Hertogenbosch te belegeren was genomen, rukte Frederik Hendrik in \'t laatst van April 1629 met een leger van 40,000 man, bijgestaan door Ernst Kasimir, zoo onverwachts op, dat hij de stad in twaalf dagen geheel insloot en van alle gemeenschap verstak. Zijn eigen troepen beveiligde de prins tevens door het

WiJNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. II

-ocr page 176-

160

Remonstranten weder in de regeering te brengen. Doch Frederik Hendrik was een te goed staatsman en te gematigd regent, dan dat hij, door de onderliggende partij een plotselinge zege te verschaffen, de klove wijder zou hebben gemaakt. Veeleer was het zijn streven, de plakkaten in stand latende, doch ze in de uitvoering verzachtende, in de steden van Holland allengs mannen van de overwonnen partij op het kussen te plaatsen. Hij zocht door wederzijdsche toegeeflijkheid, tegen het drijven der heitige Contra-remonstrantsche predikanten in, de partijen tot elkander te brengen. In dit pogen werd hij weldra ondersteund zoowel door andere stedelijke raden, als door de vroedschap van Amsterdam, waarin sedert 1627 vele lieden der staatsgezinde partij, o.a. Andreas Bicker, zaten. In deze stad begon men nu niet alleen de kerkelijke bijeenkomsten der Remonstranten te gedoogen, maar vergunde hun zelfs in 1630 een kerk te bouwen en een seminarium of kweekschool ter opleiding hunner predikanten te stichten. Twee jaren daarna verrees , volgens het besluit derzelfde vroedschap, het athenaeum (eigenlijk tempel van de godin Athene of Minerva) te Amsterdam.

Omtrent terzelfder tijd, in 1631, kwam Hugo de Groot zijn vaderland weder bezoeken. De onderscheiding, waarmede de regeering van Frankrijk hem behandelde, en de geldelijke ondersteuning, die hij van het Fransche hof genoot, konden den grooten geleerde de bitterheid der ballingschap niet verzoeten. Een tijdlang vertoefde hij in \'t genoemde jaar te Rotterdam en te Amsterdam, op den invloed van Frederik Hendrik, zijn vriend, rekenende. De prins intusschen wilde eensdeels ter wille van de Groot de verdeeldheid geen nieuw voedsel geven en achtte zich anderdeels verplicht het eens geslagen vonnis te handhaven. Dus moest de Groot zich in \'t volgende jaar voor goed verwijderen. Twee jaren later, in 1634. werd hij tot gezant van Christina, koningin van Zweden (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 122), aan\'t Fransche hof benoemd. Hij overleed in 1645 op een reis van Zweden naar Frankrijk te Rostock (in \'t n. van Mecklenburg-Schwerin).

De binnenlandsche staatkunde, door Frederik Hendrik gevolgd, miste de behoorlijke vastheid. Het was niet de zoodanige, die, in weerwil der partijen den juisten weg inslaande, hierdoor vanzelf buiten de kronkelpaden der partijzucht bleef. Over \'t geheel hield hij zich aan \'t beginsel, door Oldenbarnevelt voorgestaan, dat de staat gezag moest voeren over de kerk. Meenden de Remonstranten vaak, dat de stadhouder te weinig voor hen deed, de Contra-remonstrantsche ijveraars vergeleken hem niet zelden bij Rehabeam, die den godsdienst zijner vaderen ontrouw werd. Alzoo kon de uitkomst dier staatkunde geenszins zijn dat de partijen werden vernietigd. Bij deze verdeeldheid van kerkelijken aard kwam dat er in verschillende jaren, vooral omstreeks 1634, twisten tusschen de provinciën ontstonden over het aandeel, in de gemeene lasten te dragen, of over het niet naar behooren opbrengen dier lasten. Waren Gelderland en Overijsel hierin achterlijk, andere

-ocr page 177-

161

gewesten, Groningen en Zeeland, achtten zich boven hun vermogen bezwaard. In Friesland ontstonden uit de vraag, rakende het aandeel in de gemeenschappelijke lasten, zulke zware onlusten, dat de raad van state zich op aansporing van den prins en op last van de Staten-Generaal er mede bemoeide. Zóó kwam, bij het gemis aan voldoende omschrijving der staatsmachten, ook bij Frederik Hendrik, in weerwil van zijn gematigdheid, van lieverlede de zucht op een soort van alleenheerschappij te oefenen. Vandaar dat hij in 1627 en in 1628 bij de verkiezing van leden der vroedschap te Utrecht en te Nijmegen buiten de voordracht ging. Vandaar dat hij in elke provincie (zie beneden blz. 165) een bijzonder persoon had om zich van den staat van zaken nauwkeurig te laten onderrichten. Vandaar dat ook hij steeds meer invloed in de staten van Holland en in de Generaliteit trachtte te verkrijgen. Zoo liet hij zich in 1637 onder de ridderschap van Holland als eerste edele aannemen en trok vervolgens door onderscheiden legerhoofden daarin te brengen al het gezag van dit eerste lid der staten van Holland aan zich. Lang had hij weinig of geen tegenwerking te verduren. De raadpensionarissen, die Hollands staten gedurende Frederik Hendriks stadhouderschap achtereenvolgens ter zijde stonden, Antonie Duik, Adriaan Pauw, een zoon van Oldenbarnevelts vijand en rechter, en Jakob Cats (sedert 1636, vroeger pensionaris van Dordrecht), hadden uit het noodlottig einde van Oldenbarnevelt geleerd, dat de dienaar niet behoort te trachten den heer voorbij te streven, of werden, zoodra zij eenige gezindheid hiertoe verrieden, ter zijde gezet. En in de Generaliteit kon de prins veelal over de stem van zes gewesten beschikken.

In alles, wat den oorlog betrof, evenaarde Frederik Hendrik zijn broeder, dien hij in zijn jeugd op meer dan één zijner veldtochten, b.v. bij Nieuwpoort, had vergezeld. Van zijn bekwaamheid in \'t leveren van veldslagen heeft hij echter geen bewijzen gegeven, vermits het bij hem vaststond dat er de Republiek meer aan gelegen was door \'t veroveren van sterke vestingen haar grenzen te dekken, dan, in \'t open veld oorlogende, veel geld en manschappen op te offeren. Hoezeer hij in de belegeringskunst uitmuntte toonde hij door het nemen van Grol in 1627, en bovenal door de verovering van \'s Hertogenbosch en van Maastricht. Die van \'s Hertogenbosch staat in de geschiedenis van \'t krijgswezen bekend als een meesterstuk van strategie (wetenschap van den veldheer of krijgskunst). Maurits had meermalen vruchteloos beproefd het in te nemen. Door diepe en schier ondoorwaadbare moerassen ingesloten, was de stad zoo goed als ongenaakbaar. Zij had een voldoende bezetting, en de bevolking was de zaak van Spanje toegedaan. Nadat evenwel het besluit om \'s Hertogenbosch te belegeren was genomen, rukte Frederik Hendrik in \'t laatst van April 1029 met een leger van 40,000 man, bijgestaan door Ernst Kasimir, zoo onverwachts op, dat hij de stad in twaalf dagen geheel insloot en van alle gemeenschap verstak. Zijn eigen troepen beveiligde de prins tevens door het

WiJfNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 11

-ocr page 178-

162

opwerpen van sterke verschansingen. Het water van de riviertjes de Dommel en de Aa leidde hij van de stad af en om de legerplaats heen. Watermolens moesten de moerassen nabij de stad droog malen. Nadat de prins met de voorbereidende maatregelen gereed en met den aanval begonnen was, kwam graaf Hendrik van den Berg, een zoon van den boven (zie blz. 105) genoemde en Spinöla\'s opvolger, die later de Spaansche zijde verliet, met een leger van 30 è, 40,000 man tot ontzet opdagen. Maar ziende dat de stadhouder onaantastbaar was, beproefde hij een afleiding door in de Republiek zelve een inval te doen. De inval geschiedde in de Veluwe en verbreidde wijd en zijd schrik in \'tland. Tot overmaat van ramp voegde zich de keizerlijke veldheer Montecucüli {Algem. Gesch., III, 7de druk, blz. 133) met zijn troepen bij van den Berg. Intusschen liet Frederik Hendrik zich door niets aftrekken en verklaarde liever te willen sterven dan een onderneming op te geven, waarvan zijn eer en die des lands afhingen.

Daarom spanden de Staten-Generaal alle krachten in om den vijand zoo goed mogelijk tegen te houden. Men opende de sluizen van de Vecht, nam waardgelders aan en liet de schutterijen dienst doen. Bijzondere personen schoten uit eigen beweging geld voor. De stadhouder van Friesland werd aan \'t hoofd van een verdedigingsleger gesteld. Lang kon de vijand het in de schrale streek, waar hij was, niet uithouden zonder gebrek aan levensmiddelen te krijgen. Een bijzondere gebeurtenis verhaastte zijn aftocht. Onder de steden, door Spinöla uit de erfenis van Gulik en Kleef genomen (zie blz. 155), behoorde Wezel. Zij was het steunpunt van van den Berg en Monlecucüli, de bewaarplaats der krijgskas. Maar de vestingwerken lagen destijds gedeeltelijk open, en een deel der bezetting was mede naar de Veluwe getrokken. Het een en ander bracht een van Wezels burgers, Pieter Muller, ter kennis van de regeering der Republiek. Hierop waagde Otto van Gent, heer van Diedem (nabij \'s Heerenberg, in \'tz.o. van Gelderland), met een paar duizend man Nederlandsche troepen van \'t garnizoen van Emmerik in den vroegen ochtend van den igden Augustus een aanslag op Wezel, die uitstekend gelukte. Zij ontmoetten zoo goed als geen tegenstand, en binnen één uur was de stad in handen der Nederlanders. De uitwerking volgde dadelijk. Van den Berg en Montecucüli ontruimden het grondgebied der Republiek, sn de bevelhebber van \'s Hertogenbosch, Anton Schets, heer van Grobbendonk (ten o. van Antwerpen), een van Isabella\'s beste officieren , nu geen andere uitkomst ziende, gaf \'s Hertogenbosch bij verdrag over. Ruim vier maanden had het beleg geduurd. Een droge zomer had \'s prinsen pogingen begunstigd, zoodat het spreekwoord der Spanjaarden „weer en wind zijn der geuzen soldatenquot; althans in dit geval werd bevestigd. Nu kon Vondel ter eere van Frederik Hendrik zingen;

„Die met \'s Hertogenbosch ging strijken,

Waar Maurits tweemaal af moest wijken.quot;

-ocr page 179-

163

Na de regeering der stad veranderd en de kerken voor den hervormden eeredienst opengezet te hebben keerde Frederik Hendrik naar \'s Hage terug. Niet vóór 1632 geschiedde er weder iets van gewicht in den oorlog te land. In dit jaar deed de stadhouder, wederom vergezeld door Ernst Kasimir, een krijgstocht langs de Maas. Eerst dwong hij Venlo, Roermond en Stralen (ten n. van Venlo) zich over te geven ea voerde hierop het leger voor Maastricht, dat hij na een lang beleg bij verdrag innam, in weerwil dat het wakker werd verdedigd en dat een Spaansch leger onder den markies van Santa-Croce, alsmede Pappenheim, een van \'s keizers veldheeren (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 100, 102), tot ontzet kwamen opdagen. De belegering van Roermond kwam Friesland duur te staan. Ernst Kasimir, die de onderneming bestuurde, werd er doodelijk getroffen, stierf binnen kort en kreeg zijn zoon Hendrik Kasimir (1632—1640) tot opvolger. Het verdrag, met Maastricht gesloten, bepaalde dat de hervormde godsdienst er zou worden toegelaten en dat de bisschop van Luik, op wiens grondgebied de stad lag, zijn oude voorrechten zou behouden. Venlo en Roermond hernam de vijand in 1637. Maastricht trachtte hij meer dan eens, met behulp van sommige Roomsch-katholieke ingezetenen der stad, door verraad te herkrijgen. Een aanslag van dien aard in 1638 had veel kans van gelukken, maar werd nog bij tijds ontdekt.

Ook ter zee begon Nederland zijn strijdkrachten ten toon te spreiden. Reeds in 1624 had een vloot der West-Indische compagnie San Salvador (thans Bahïa) in Brazilië genomen, dat de Portugeezen evenwel kort daarop heroverden. Maar in 1630 vermeesterde de admiraal Loncq voor die compagnie Olinda en het Recif (d. i. een in zee opschietenden kliprug). Het Recif werd versterkt en bleef de hoofdplaats van Nederlands bezittingen in Brazilië. Piet Hein, vlootvoogd van dezelfde compagnie, bracht in 1627 in de Allerheiligenbaai (niet ver van San Salvador, op de oostkust van Brazilië) aan een Spaansche vloot een zware nederlaag toe. In \'t volgend jaar had hij bij minder inspanning nog meer geluk, toen hij in de baai van Matanzas (op de noordkust van het eiland Cuba, in West-Indie) de Spaansche zilvervloot bemachtigde. Zij viel zoo goed als zonder tegenweer in handen van de vloot der compagnie. Groot was de buit, dien men vond aan goud, zilver, paarlen, edelgesteenten en specerijen. Alleen de waarde der kostbaarheden werd op ruim ui millioen geschat. De schepen, naar \'t vaderland terugkeerende, zuchtten en kraakten onder den last van een zoo rijken roof. Toen alles behouden aan wal was gebracht, schonk de compagnie aan Piet Hein 7000 gl. tot belooning en aan de matrozen, die intusschen op eigen gezag een deel der schatten hadden verdonkerd, een buitengewone soldij van zeventien maanden. Vervolgens deed zij een uitdeeling van 50 ten honderd, wat de deelhebbers zeer verheugde, maar waardoor de geheele winst geen duurzame baten voor de gemeenschap opleverde. Een paar jaar later, in 1631, versloeg Hollaert van Valcke-

11»

-ocr page 180-

164

nisse een Spaansche vloot in het Slaak (tusschen St. Philipsland en Noord Brabant). Over deze vloot voerde Jan van Nassau, een halfbroeder van Johan Maurits (zie beneden), het bevel: niet genoeg bevorderd naar zijn zin, had hij zich in Spaanschen dienst begeven.

Het was een gelukkige tijd voor de West-Indische compagnie. In dertien jaren, 1623—1636, rustte zij meer dan 800 schepen uit, bemand met 67,000 koppen. In Brazilië breidde zij zich verder uit, zoodat zij in 1636 ongeveer vier van de veertien kapiteinschappen bezat, waarin de Portugeezen het land hadden verdeeld, n.1. destreek, gelegen tusschen de rivier St. Francisco en Rio Grande. Landvoogd van Nederlandsch Brazilië werd in 1636 graaf Johan Maurits van Nassau, een kleinzoon van Willems broeder Jan. Eerst zijn bestuur gaf er het voorkomen aan eener geregelde volkplanting. Er werden kerken en scholen gesticht en een behoorlijke rechtsbedeeling ingevoerd. Op uitbreiding van \'t grondgebied had hij den blik voortdurend gericht. Had in 1634 op Curacao de Spaansche vlag voor de Nederlandsche moeten wijken, in 1639 werd St. Eustatius bezet, St. Martin in 1641 voor de helft door de compagnie, voor de andere helft door Frankrijk in bezit genomen. Ook Maurits was het, die in 1637 St. George del Mina (St. Joris van de mijn, in Guinea, op de w.kust van Afrika) veroverde.

In 1640 hernam Portugal zijn zelfstandigheid {Alg. Gesch., III, 7de druk, blz. 113). Tegen den zin van Holland ondersteunden de Staten-Generaal de Portugeezen met schepen tegen Spanje. Johan Maurits, den strijd voorziende, dien Nederlandsch Brazilië weldra zou hebben te verduren, vroeg de compagnie om aanmerkelijke versterking der strijdkrachten. Zij, meenende dat dit te kostbaar was, riep in 1644 den landvoogd terug. Naar het vaderland teruggekeerd, vestigde hij zich te \'s Gravenhage en bouwde er het paleis, dat nog het Mauritshuis heet en zijn aandenken bewaart, welke woonplaats hij een paar jaar later met Kleef verwisselde. Na zijn vertrek uit Brazilië begon de achteruitgang dezer bezitting. De Portugeezen, die er onder \'t bewind der compagnie waren, klaagden over onderdrukking en stonden op. Hoewel er vrede tusschen de compagnie en Portugal scheen te bestaan, hielp dit rijk de oproerige onderdanen der compagnie en verloor zij hoe langer hoe meer grond in Brazilië. Al die zwarigheden kon een handelmaatschappij zonder eenheid, die aanhoudend met geldgebrek had te strijden, te ver van de kampplaats was en van een anderen landaard dan de bewoners van \'t land, welks bezit men beoogde, niet te boven komen. In 1654 ging het Recif met de weinige forten, die de maatschappij nog in dat land bezat, aan Portugal over. De oorlog, dien de Staten-Generaal Portugal in 1657 verklaarden, deed niets herwinnen. En zoo werd het geschil in 1661 bij den vrede van \'s Gravenhage, t wee jaren daarna bekrachtigd , in dier voege uit den weg geruimd, dat Nederland tegen een afkoop van 4,000,000 gouden crusado\'s 8,000,000 gl.), in zestien jaren te betalen, ten behoeve van Portugal afstand deed van Brazilië. Gel-

-ocr page 181-

165

derland en Zeeland verklaarden zich tegen den vrede, en toen hij werd bekrachtigd, Gelderland en Groningen. Met Brazilië verloor de compagnie een niet hoog genoeg gewaardeerde gelegenheid voor handel en scheepvaart. Ruim honderd jaren later gewaagde de dichter der „Geuzenquot; nog met weemoed van het „verzuimd Brazil.quot;

Zooals het gezag van Frederik Hendrik in alle opzichten groot was in de Republiek, zóó oefende hij ook een aanmerkelijken invloed op haar buitenlandsche betrekkingen. Het werd gedurende zijn stadhouderschap, inzonderheid sedert 1635 (zie beneden blz. 166), gewoonte, dat de stadhouder met een negental vertrouwelingen, leden der Staten-Generaal, uit ieder gewest één of meer, den draad der belangrijkste onderhandelingen in handen hield. Dikwijls werden zij gemachtigd om zonder ruggespraak met Hun Hoogmogenden te besluiten, te welken einde zelfs een secreetboek, die geheime besluiten behelzende, werd aangelegd. Zelfs was Frederik Hendrik, de kleinzoon van den admiraal de Coligny, van kindsbeen af, evenals zijn vader, gehecht aan Frankrijk, dat men hem als het schild had leeren beschouwen, hetwelk de Republiek tegen Spanje beschutte. Ook zal het belang, dat zijn huis had bij het bezit van Oranje, waarop sommige Fransche heeren aasden, iets tot \'s prinsen overtuiging hebben bijgedragen. Hier zocht hij dus eveneens steun tegen Philips IV. Doch een gewichtige zwarigheid kwam hem in den weg. Volgens een verdrag, tusschen Frankrijk en de Nederlanden gesloten, kon Lodewijk XIII eischen, dat de Republiek hem, des gevorderd, met schepen in huur bijstond. Hij vroeg ze voor \'t beleg van la Rochelle {A/gem. Gesch., III, 7de druk, blz, 109,110). Men zond den admiraal Hautain om de haven dier stad te blokkeeren. Nu deden de predikanten , destijds een macht in den staat, den kansel daveren van kreten van verontwaardiging over den stadhouder en de regenten, die de Neder-landsche vloot ter beschikking stelden van den kardinaal de Richelieu, ten einde hun eigen geloofsgenooten te bestrijden. Dit noopte de Staten-Generaal de vloot terug te roepen.

Toch werden er, in weerwil van de zaak van la Rochelle, nieuwe onderhandelingen met Frankrijk aangeknoopt. Van den kant der Staten-Generaal bestond hiervoor meer dan één drangreden, bovenal de overweging van de gevaren, waarmede de dertigjarige oorlog ons vaderland bedreigde, en van het nadeel, dat de Duinkerker kapers aan den handel toebrachten. Vooral werden deze nadeelen sedert het einde van \'t bestand gevoeld. In 1625 lagen een aantal van de schepen dier zeeroovers een tijdlang voor Texel en namen alles wat in- of uitliep. Van Enkhuizen alleen vermeesterden zij in dat jaar wel honderd haringbuizen. In 1626 moesten de Nederlandsche kapiteins ter zee zweren de zeeroovers, die zij in handen kregen, over boord te zullen werpen, een bepaling die de bemanning evenwel doorgaans weigerde na te komen. Geen jaar verliep bijna na 1621, of het volk klaagde hevig over de rampen, die, om van de verliezen, welke de handel leed, te zwijgen, de Duinker-

-ocr page 182-

166

kers aan de huisgezinnen berokkenden, welker hoofden zij op zee hadden gegrepen. In 1629 verloor Piet Hein, thans luitenant-admiraal van Holland, —zijn naam is klein, zijn daad is groot, hij heeft gewonnen de zilvervloot, — zijn leven in een gevecht tegen deze zeeroovers.

Wat Frankrijk aangaat, dit had insgelijks zijn gronden om nadere aansluiting te verlangen. Reeds in het laatste tijdperk van Maurits\' stadhouderschap waren uit Brussel meerdere bedekte voorslagen tot een tweede bestand gedaan. Het was bij de onderhandelingen hierover dat de jonkvrouw t\'Serclaes een rol vervulde. Onder anderen vorm werden, mede in \'t geheim, vernieuwde pogingen ten tijde van Frederik Hendrik herhaald, totdat in 1632, met uitdrukkelijke machtiging der infante, gedurende ettelijke maanden tusschen de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden, als van staat tot staat, een vredehandel werd beproefd, Terzelfdertijd zocht ook de koning van Spanje rechtstreeksche onderhandelingen aan te knoopen. Nog heteene, noch het andere doelwit werd bereikt. Er kwam geen vrede of bestand, evenmin met Spanje zelf, als met de Zuidelijke Nederlanden. Eensdeels is dit toe te schrijven aan den dood van Isabella (zie blz. 158), anderdeels aan de hooge eischen van Noord-Nederland, die de staten der Zuidelijke gewesten afschrikten, en aan verdeeldheid tusschen de zeven gewesten.

Doch inzonderheid werkte Frankrijk het sluiten van een verdrag tegen. Nadat toch Frederik Hendrik zich bij \'s Hertogenbosch en bij Maastricht onverwelkbare lauweren om de slapen had gevlochten, doorgrondde Richelieu, de leider der Fransche staatkunde, welk gewicht Nederland in de schaal van Europa\'s statenstelsel zou kunnen leggen. Zoo leende hij het oor aan de voorslagen , die het kabinet van \'s Graven-hage deed, en sloot gelijktijdig met een ander (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 103) verdrag, hetwelk Frankrijk een werkdadig aandeel deed nemen aan den dertigjarigen oorlog, met de Nederlanden het aanvallend en verdedigend verbond van den Ssten Februari 1635. Dit bepaalde, dat de beide mogendheden de Zuidelijke provinciën plechtig zouden oproepen zich aan de dwingelandij van Spanje te onttrekken; dat men, indien zij naar die roepstem luisterden, de zelfstandigheid dier gewesten eerbiedigen en slechts een klein gedeelte daarvan bij Frankrijk en bij Nederland voegen zou; dat het land tusschen de beide mogendheden zou worden verdeeld, in geval zich in \'t Zuiden geen spoor van verzet tegen Spanje opdeed; dat te dien einde een gemeenschappelijk leger door de bondgenooten zou worden op de been gebracht en dat de Republiek, zonder Frankrijk, geen vrede met Spanje zou sluiten.

Op die wijze smolt het laatste gedeelte van den tachtigjarigen oorlog ineen met den dertigjarigen. Hoewel de krijg na dien tijd niet rijk was aan grootefeiten (zie evenwel Gesch., III, 7de druk, blz. 103,104), leden de Spanjaarden toch verreweg de grootste verliezen. Schraal waren evenwel de vruchten , wel kernen van het verbond plukte. Frederik Hendrik rukte aan \'t hoofd van een leger van omstreeks 40,000 man Nederlanders en

-ocr page 183-

1\')7

Franschen de Zuidelijke Nederlanden binnen. Maar nog voordat hij eenige gewichtige daad had verricht, stuitte het gebrek aan levensmiddelen en ziekten, die de Franschen kwelden, zijn marsch. In 1637 mislukte een aanval op Duinkerken, doch had de prins het geluk Breda te veroveren. Dan, hoe ongunstig de kansen van den oorlog ook waren, de verstandhouding met Frankrijk bleef vooreerst nog zoo goed, dat Lodewijk XIII in \'t zelfde jaar zijn gezant te s\' Gravenhage gelastte Frederik Hendrik met den titel altesse of hoogheid aan te spreken. Tot dusver was de gewone titel der prinsen van Oranje die van Excellentie of Doorluchtigheid geweest. Maar van dit tijdstip af besloten de Staten-Generaal Frederik Hendrik „Zijn Hoogheidquot; te noemen.

Werd er te land weinig gedaan, ter zee behaalden de Nederlanders in die dagen een zege, die onder de schitterende krijgsbedrijven een eerste plaats bekleedt. Philips IV rustte in 1639 een armada uit, niet geheel ongelijk aan die van 1588. Zij bestond uit 67 schepen, waaronder 33 van de zwaarste soort, galjoenen genoemd, had 1700 stukken aan boord en was bemand met 24,000 koppen. Aan het hoofd der vloot stond Don Antonio d\'Oquendo, een uitstekend admiraal. Zij had in last naar Duins (= the downs, d. i. de duinen, een groote reede nabij Noord-Voorland, in \'t z.o. van Engeland) te stevenen en vervolgens een landleger, dat zij aan boord had, naar Vlaanderen over te brengen. De uitrusting zelve en haar doel waren aan Nederland bekend. Frederik Hendrik had kennis van \'t geheim gekregen door een van de commiezen ter secretarie van den landvoogd der Zuidelijke Nederlanden, die hem voor een zekere som geld de plannen der Spanjaarden placht mede te deelen, en ook Richelieu had hem gewaarschuwd.

Den 15den September kwam die scheepsmacht op de hoogte van kaap Bevesier of Beachy (ten w. van Dover) opdagen. Daar lag Maarten Harpertszoon Tromp, luitenant-admiraal van Holland, met 13 schepen, wien echter de Hollandsche vice admiraal Witte Cornelis-zoon de With en de Zeeuw Joost Banckers weldra met hun smal-deelen te hulp kwamen. Terstond werd men met de Spanjaarden slaags. Na eenige schermutselingen week Tromp, gebrek hebbende aan kruit en kogels, naar Calais, terwijl de vloot der Spanjaarden, niet in staat langer zee te bouwen en aan Tromps aangroeiende scheepsmacht het hoofd te bieden, te Duins binnenliep, waar ook een Engelsche vloot lag. Hier sloten Tromp en Banckers haar eenige dagen in. Intusschen werd de With naar het vaderland gezonden om verslag van het gebeurde te doen. Het antwoord was, dat er moest worden doorgetast en dat men Tromp meer schepen zou zenden. Met spoed maakte men zooveel bodems strijdvaardig als men konde, of leende er van de compagniën. Het was niet alsof men schepen timmerde, maar alsof zij vanzelf groeiden. Men zou hebben gezegd, dat boomen, balken en masten zoo maar in schepen veranderden. Men hoorde van geen aanwerven van matrozen: zij vielen als vanzelf in de schepen. Elk dacht daiir buil te zullen behalen, waar Tromp was.

-ocr page 184-

108

Nog geen vier weken waren verloopen, of de vloot van Tromp was aangewassen tot 95 oorlogschepen en n branders.

Onder de scheepsbevelhebbers, die medekwamen en tot den afloop van den slag het meest toebrachten, behoorde Jan Evertsen, vice-admiraal van Zeeland, de beroemdste van vier broeders, die alle, evenals hun vader en de zoon van den vice-admiraal, gedurende de 17de eeuw met eere ter zee dienden en voor \'t vaderland het leven lieten. Doch nu liet Karei I, koning van Engeland, Tromp aanzeggen, dat hij zich had te wachten eenige vijandelijkheden op de Engelsche kust te plegen. Daarentegen gaven de staten-Generaal, na eenige weifeling, hem bevel, zonder zich om iemand ter werd te bekommeren, de Spaansche vloot aan te tasten, zoodra hij de kans gunstig achtte. Lang wachtte Tromp, totdat de Spanjaard uit eigen beweging de reede zou verlaten. Tevergeefs leverde hij d\'Oquendo, die zeide zijn raasten en stengen te Dover te hebben gelaten , hiervan een zekeren voorraad en bood tevens aan hem van buskruit te zullen voorzien. Maar eindelijk ziende, dat de ware oorzaak van het dralen in gebrek aan moed was te zoeken, viel Tromp hem den 2isten October aan ter plaats, waar hij was, in \'t gezicht eener Engelsche vloot. Haastig en verward kapte de vijand zijn ankers: menigeen zijner schepen geraakte aan den grond. De logheid van de zware bodems der Spanjaarden, zoozeer verschillende van de welbezeildheid der Neder-landsche schepen, was een der hoofdoorzaken van het verderf hunner vloot. Een groot aantal zijner vaartuigen werd het offer der Neder-landsche branders, dertien waren uit Duins ontsnapt, en maar achttien bodems keerden naar Spanje terug. In \'t kort, Tromp fnuikte voor goed Spanje\'s macht en verloor zelf slechts één schip.

Was Frederik Hendrik de hoofdontwerper geweest van het verdrag met Frankrijk, hij was ook de eerste of een der eersten hier te lande, die, althans sedert 1646, het gevaar van Frankrijks nabuurschap hoe langer hoe meer begon in te zien. Hij hield het gezegde voor waarheid, hetwelk weldra een der hoofdroersels werd van de buitenlandsche staatkunde der Republiek, dat het beter was Frankrijk tot vriend dan tot nabuur te hebben. En naarmate hij de onheilen, die daaruit dreigden voort te komen, beter doorgrondde, werd hij des te meer afkeerig van dien staat en helde tot het sluiten van vrede met Spanje over. Zijn gezag was nog steeds groot, al had hij, hoe invloedrijk ook ter Staten-Generaal, dikwijls met verzet van Holland en Amsterdam te strijden. Het rees nog in 1640, toen hij stadhouder werd van Groningen en Drente, in plaats van Hendrik Kasimir, die aan een wonde, in den ooriog bekomen, stierf en slechts in Friesland door zijn broeder Willem Frederik (1640—1664) werd vervangen. Deze Willem Frederik, de stichter van het Oranjewoud (nabij Heerenveen), trouwde in 1652 met Albertine Agnes, de tweede dochter van Frederik Hendrik. De eenige zoon, dien Hollands stadhouder had, heette Willem en was geboren in 1626. Reeds in 1631 hadden Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en

-ocr page 185-

160

Overijsel hem het recht toegekend zijn vader in al zijn bedieningen op te volgen. Dit deed ook Groningen in 1640, Drente in 1641. In \'t zelfde jaar huwde hij met Maria, de oudste dochter van Karei I, koning van Engeland, of liever hij werd in dat jaar met haar verloofd, want omdat de beide jonge lieden nog te weinig jaren telden, werd het eigenlijke huwelijk eerst in 1644 voltrokken.

Aan \'s prinsen zin voor vrede is het voor een goed deel toe te schrijven, dat hij in het laatste tijdperk zijns levens den oorlog zoo flauw voerde. Terwijl de Franschen talrijke steden en vestingen, o.a. Duinkerken, in Zuid-Nederland veroverden, bemachtigde Frederik Hendrik slechts Sas (sluis) van Gent en Hulst (in Staats-Vlaanderen), het eerste in 1644, het andere in 1645. In \'t volgende jaar terugkeerende van den veldtocht, die in niets dan in vruchtelooze aanslagen had bestaan, zeide de prins tot de Staten-Generaal, die hem verwelkomden; „het doet mij leed, dat er niet meer is verricht; doch het is vrede.quot; Metterdaad werd van dat tijdstip af alom ernstig aan den vrede gedacht. Duitschland was uitgeput. Jaren lang had elke streek van dit rijk, behalve de gewone lasten, aan legers van vrienden of vijanden, of van beiden bij beurten, brandschatting te betalen gehad. Landbouw en alle bedrijf stonden er stil; honderden steden en dorpen waren afgebrand; ziekten, gebrek en hongersnood heerschten overal. Spanje\'s schatkist was ledig, en de regeering van dit land kon niet langer het hoofd bieden aan de vele bezwaren {Algefn. Geschied., III, 7de druk, blz. 112, 113), waardoor het in de klem werd gebracht. De Nederlanden zagen met bezorgdheid Frankrijk hun grenzen steeds nader komen. Holland moest nog steeds de quoten voor de andere gewesten voorschieten. Frankrijk was eveneens voor vrede, indien het n.1. zijn veroveringen kon behouden. Eer die vrede tot stand kwam, stierf Frederik Hendrik den i4den Maart 1647 in den ouderdom van 63 jaar.

In hem ontviel der Republiek een man van groote gaven en bekwaamheden, die het gebouw van den staat, ddor zijn voorgangers opgetrokken, had voleindigd. Als staatsman was hij schrander, bedachtzaam en ondoorgrondelijk. In krijgskunst en dapperheid behoefde hij niet onder te doen voor zijn broeder Maurits en was een waardig tijdgenoot van Gustaaf Adolf. De gedenkschriften van Caesar had hij doorgaans bij zich en las ze in \'t oorspronkelijke. Zijn legerplaats was de kweekschool van menig later vermaard geworden veldheer, b. v. van Tor-stenson en Turenne. (Alg. Geschied., III, 7de druk, blz. 103, 104, in, 131, 133). Hij was edelmoedig, milddadig en toegevend. Zijn gematigdheid op \'t stuk van godsdienst behoeft geen verdere aanwijziging. Zijn zinspreuk luidde: „patriae patriquequot;, d. i. voor mijn vaderland en mijn vader. Onder hetgeen hem ontsiert is zijn streven om in 1640 Willem Frederik het stadhouderschap van Friesland te doen onthouden. Er bestaan gedenkschriften, door hem opgesteld en getiteld „Mémoires de Frédéric Henriquot;, behelzende de geschiedenis zijner krijgs-

-ocr page 186-

170

verrichtingen van 1621 tot 1645. Over \'t geheel was het tijdvak van zijn stadhouderschap de gouden eeuw der Republiek. Overal was veerkracht en bloei. De koophandel breidde zich verder en verder uit; volkplantingen ontloken en bloeiden meer er meer; de handwerken werden naarstig beoefend; de oorlog schonk lauweren; kunsten en wetenschappen eindelijk gaven licht en sieraad aan het geheel. Toch waren er ook donkere tinten in het tafereel op te merken. In vergelijking met den tijd, toen Oldenbarnevelt aan \'t hoofd stond, werd de huishouding der Republiek minder goed bestuurd. Jaren achtereen werd geklaagd over verwarring in \'t beheer der geldmiddelen en over achterstand in de betaling van \'t krijgsvolk te land en ter zee. Ware de zwakheid van Spanje niet voor een deel Nederlands sterkte geweest, dan had die wanorde de Republiek duur kunnen te staan komen. De partijschappen , ofschoon niet fel ontstoken, waren geenszins uitgeroeid. De groote welvaart begon weelde te kweeken, en met haar hebzucht en een veilen aard, sluikerij en meineed. Van de fiere regenten van weleer was menigeen in een hoofsch onderdaan en oogendienaar des prinsen verkeerd.

§ 22.

De vrede van Munster. — Blik op den toestand des lands.

Reeds sedert 1641 en vroeger was er sprake van een vrede, die de rust zou teruggeven aan het door den dertig- en den tachtigjarigen oorlog zoozeer geschokte Europa. Op aansporing van Philips IV deed paus Urbanus VIII daartoe het eerst stappen bij Lodewijk XIII. Weldra werd men het, met goedvinden van keizer Ferdinand III {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 103), in zoover eens dat er zou worden onderhandeld te OsnabrUck en te Munster. De keuze van twee plaatsen was nog een bewijs van de onverdraagzaamheid der tijden. Zweden vond niet goed, dat de paus middelaar was, en het hoofd der katholieke kerk keurde af, dat men ging onderhandelen met mogendheden, die zich van die kerk hadden afgezonderd. Daarom kwam men overeen, dat de gezanten van Zweden en van de protestantsche rijksvorsten zouden bijeenkomen te Osnabrück, die der Roomsch-katholieke staten te Munster. Het duurde tot April 1645, eer het congres werd geopend, en de gezanten der Republiek kwamen eerst in Januari 1646 te Munster aan. De paus, destijds Innocentius X, en Venetië hadden er, als middelaars, afgevaardigden. De namen van eenige der voornaamste gezanten zijn: graaf Maximiliaan Trautmannsdorf voor den keizer; d\'Avaux voor Frankrijk; Johan Oxenstierna, een zoon van den kanselier [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 102), voor Zweden; Antonie Brun van wege Spanje. De Staten-Generaal lieten zich vertegenwoordigen door acht hunner leden, die tot de gewone afgevaardigden behoorden, twee uit Holland, uit elk der overige gewesten een. Die

-ocr page 187-

171

uit Holland heetten Johan van Mathenesse en Adriaan Pauw (zie blz. iói), die uit Zeeland Johan de Knuit, gemachtigde van den prins, als eerste edele in de staten.

Een geruime tijd verstreek met den strijd over rangen, titels en allerlei vormen. Dat de behartiging der vele gewichtige en elkander kruisende belangen niet minder tijd en overleg vorderde lag in den aard der zaak. In den beginne waren de Staten-Generaal van zins, in overeenstemming met het verbond van 1635 (zie blz. 166) en van nadere verdragen, niet zonder Frankrijk vrede te sluiten. Doch van \'t oogen-blik af dat Mazarin [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 110 vlg.), wel zoo listig, maar niet even omzichtig als Richelieu, een en ander maal duidelijk den toeleg had geopenbaard om Frankrijks heerschappij in het Noorden tot de grenzen der Republiek uit te breiden, achtte men zich dezerzijds gerechtigd buiten hem om te handelen. Sedert jaren was er geen spoor meer van samenwerking tusschen de beide bondgenooten, en de Staten-Generaal alsmede Frederik Hendrik zagen in, dat het er thans op aan kwam de staatkundige berekeningen van den kardinaal te verijdelen, opdat het bondgenootschap met Frankrijk niet tot hun eigen verderf strekte. Vanhier dat de gezanten der Staten-Generaal doorgaans zonder iemands bemiddeling met Spanje onderhandelden, aanvankelijk slechts over een bestand, later over vrede. Tevergeefs zocht Frankrijk den loop dezer onderhandelingen tegen te houden. Maar eveneens beproefden de Nederlandsche afgevaardigden vruchteloos Frankrijk met Spanje te bevredigen.

In Nederland zelf waren de provinciën onderling evenmin eenstemmig over de vraag, die in Westphalen moest worden beslist. Inzonderheid waren Zeeland en Utrecht er tegen dat men, buiten Frankrijk, vrede sloot. Desniettemin werd de Westphaalsche vrede den 30sten Januari 1648 door zeven der acht Nederlandsche afgevaardigden, ook door de Knuit, geteekend. De afgevaardigde van Utrecht, van Rheede, heer van Nederhorst (in \'t n.w. van Utrecht, nabij Weesp), bleef bij zijn weigering. Behalve deze zwarigheid tegen de bekrachtiging deed zich nog een andere op. Terwijl Utrecht de houding van zijn afgevaardigde te Munster goedkeurde, namen de staten van Zeeland het euvel op, dat de Knuit het verdrag had geteekend. Ten laatste voegde Utrecht zich naar de overige, en de uitwisseling der wederzijdsche bekrachtigingen of ratificaticn had te Munster plaats op den 15 den Mei. Zeeland trad eerst den 30sten dier maand toe, en zoo kon de vrede niet vóór den sden Juni alom in de Nederlanden worden afgekondigd. Een plechtige dankdag, kort daarna gehouden , en allerlei feesten , alom, behalve in Zeeland, gevierd, legden in \'t openbaar getuigenis af van de vreugde, die de gemoederen van de inwoners dezer landen vervulde.

Bij dien vrede erkende de koning van Spanje in art. 1 de Vereenigde Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen. Art. 3 en 5 bepaalden, dat de Staten-Generaal hun veroveringen in Brabant, Limburg

-ocr page 188-

en Vlaanderen, alsmede in de vreemde werelddeelen behielden. Nog bevatte art. 5 de voorwaarde, dat de Spanjaarden zich zouden beperken tot de vaart op Oost-Indië, gelijk zij toen was, zonder zich verder te mogen uitbreiden. Art. 14 schreef voor, dat de Schelde en de kanalen, welke met die rivier in gemeenschap stonden, van wege de Staten-Generaal zouden worden gesloten gehouden. In art. 21 werd vastgesteld, dat geschillen, rakende betwiste punten van grondgebied of andere, zouden worden uitgemaakt door ccn chambrc-ini-partie of tweeledige kamer, samengesteld uit rechters van de beide partijen. Art. 45 behelsde, dat de afzonderlijke verdragen, tusschen Spanje en het huis van Oranje aangegaan, dezelfde kracht zouden hebben, alsof zij onder de artikelen van den vrede zeiven waren opgenomen.

De vrede van Munster was in alle opzichten een eervolle vrede voor de Republiek. Met luister omstraald, trad zij in de rij van Europa\'s mogendheden op. Op haar wapen kon de hoed op den kop des leeuws (zie blz. 98) thans worden vervangen door een kroon, als bewijs der erkende oppermacht. Aan grondgebied won zij Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, waartoe ook de stad en omtrek van Maastricht behoorde, en Staats-Limburg of de landen van Overmaas. Gelijk Drente drong Staats-Brabant thans, in 1648 en in 1651, er op aan als achtste gewest tot de Generaliteit te worden toegelaten. Het werd geweigerd op grond dat het onredelijk was een stem toe te kennen aan een land, door de wapenen der zeven gewesten veroverd. Ongaarne zag men het getal stemmen ter Generaliteit vermeerderd (zie blz. 118). Ook had slechts Breda de unie geteekend. Zelfs het verzoek om op gelijken voet als Drente voor een met de Republiek verbonden gewest te mogen worden verklaard werd niet ingewilligd. De Staten-Generaal voerden het bewind over de pas verworven landen, de Gene-raliteitslanden geheeten. Zij gaven er wetten, schreven belastingen uit, in \'t kort oefenden er alle rechten der souvereiniteit, behalve in zoo verre dat, in de bijzondere heerlijkheden, niet zij, maar de heeren de plaatselijke overheden aanstelden.

De deelen van Staats-Vlaanderen waren het vrije van Sluis en een groot sluk van de voormalige vier ambachten (zie blz. 11), hieronder begrepen het committimus van Zeeland. Het vrije van Sluis was een onderdeel van het vroegere „vrije van Brugge.quot; Deze naam wordt aldus verklaard. Eertijds was een groot gedeelte lands rondom Brugge aan de overheid dezer stad onderworpen; doch toen het later, in \'t begin der 13de eeuw, zijn zelfstandigheid herkreeg, nam het, ten bewijze niervan, den naam „het vrije van Bruggequot; aan en werd in den tijd van Philips den goede, naast de drie standen, een vierde lid van staat. Van dit „vrije van Bruggequot; nu, dat grootendeels aan Spanje bleef, werd bij den vrede van Munster Sluis met omstreken afgescheiden en kreeg daarom den naam „het vrije van Sluis.quot; Van de vier ambachten behield de Republiek dat van Hulst in zijn geheel, maar van dat van Boekholt

-ocr page 189-

173

slechts Philippine, zóó genoemd naar den stichter der sterkte, Philips II, en van dat van Assenede niets dan Sas van Gent.

Wat het bestuur over het voormalige vierde ambacht, dat van Axel, betreft, dit was op een geheel bijzonderen voet ingericht. Het was, evenals eenige nabijgelegen plaatsen. Biervliet en ter Neuze, gelijk, mede de forten aan de Schelde, Lillo ter rechter- en Liefkenshoek ter linkerzijde, gesteld onder \'t bewind der gecommitteerde raden van Zeeland, die er ook de belastingen hieven. De oorsprong dezer afwijking is hierin te zoeken, dat de raad van State in 1588 dit beheer aan die gecommitteerde raden opdroeg. Uit hoofde dezer commissie of opdracht heettte de streek „committimus,quot; d. i. wij dragen op. Later wenschte de raad van state de opdracht meermalen te herroepen en het recht van beheer aan zich te trekken. Daaraan wilden echter de gecommitteerde raden geen gevolg geven.

Staats-Brabant bevatte de volgende deelen: de stad en meierij, d. i. schout-ambt, van \'s Hertogenbosch; de stad en het markgraafschap van Bergen op Zoom; de stad en de baronie van Breda; de stad Grave en het land van Kuik; de heerlijkheden Willemstad, Steenbergen, enz.

Was het „committimusquot; een zonderlinge instelling, eveneens was het gelegen met de regeering van Maastricht. Deze regeering was twee-heerig, d. i. de Staten-Generaal, als vervangende den hertog van Brabant, oefenden er gemeenschappelijk met den prins-bisschop van Luik het gezag. Om de twee jaren, en wel in de evene, zonden de Staten-Generaal twee hunner leden derwaarts, die, gezamenlijk met twee afgevaardigden van den bisschop, de overheid der stad veranderden en alle zaken, rakende de justitie en het financie wezen, regelden. Men noemde deze vier heeren de com m is sa rissen-deciseurs. Daarentegen kwamen er in de onevene jaren twee leden van den raad van state om alles, wat op de krijgszaken betrekking had, na te gaan, want als vesting behoorde Maastricht alleen aan de Staten-Generaal. De eerstgenoemde bezending heette de groote, de andere de kleine commissie.

Had Maastricht twee heeren, geenszins was dit het geval met de omstreken der stad, welke alleen aan de Staten-Generaal waren onderworpen. In die omstreken lagen o.a. negentien dorpen, die men redemtie-dorpen noemde, omdat zij voor een vaste jaarlijksche som hun aandeel in de algemeene lasten hadden geredimeerd, d. i. afgekocht.

Het is licht na te gaan dat er, bij het sluiten van den vrede van Munster, aan de zuidelijke grenzen der Republiek menig ondergeschikt punt van geschil, hoofdzakelijk ten opzichte van het landbezit, bleef bestaan. Vanhier de chambre mi-partie. Jaren lang werd er niets afgedaan, totdat in 1661 tusschen Spanje en de Nederlanden hel verdrag van par lage (verdeeling) te \'s Gravenhage tot stand kwam, waarbij de zaak, althans grootendeels, werd geschikt.

Voor de Zuidelijke Nederlanden was geen artikel van den vrede nadeeliger of meer vernederend dan het 14de. Volgens dit artikel mocht

-ocr page 190-

174

geen schip de Schelde op- en afvaren, zonder dat er inkomende of uitgaande rechten werden betaald en dat de schepen, uit zee komende, bovendien last braken of dat de lading werd verbodemd, d. i. dat zij in Nederlandsche binnenschepen werd gebracht. Dit alles was een bekrachtiging van een overoud gebruik, volgens hetwelk Zeeland van de voorbijvarende schepen tol trok. Met name had Nederland het sedert 1604 (zie blz. 133) ten opzichte van Engeland doen gelden, toen Jakob I met Spanje vrede had gesloten. Van nu aan werd dus aan alle zeeschepen de pas afgesneden om Antwerpen te naderen en tevens een winstgevende vrachtvaart voor Noord-Nederlanders geopend. Bij Lille lag, ten minste in tijd van vrede, slechts één wachtschip van de Nederlandsche vloot, de uitlegger genoemd, om er voor te waken dat het artikel werd nagekomen. Ten overvloede liet men schuiten met zware steenen in de rivier zinken ten einde ze voor diepgaande schepen onbevaarbaar te maken. Eerst sedert 1654 echter hield Nederland ernstig de hand aan de bepaling van artikel 14, omdat Engeland er toen van trachtte af te wijken.

Niet alleen Nederland bedong voordeelen bij den Westphaalschen vrede, maar ook het huis van Oranje. Inzonderheid aan de Knuit had ïrederik Hendrik opgedragen voor de belangen van zijn huis te waken. De Knuit kweet zich uitmuntend van zijn taak. Het huis van Oranje werd hersteld in \'t bezit van verscheiden goederen, in Franche-Cotnté gelegen, en bevestigd in dat van Kuik (zie blz. 76), Lingen en andere. Verder kreeg het de heerlijkheid Montfoort (ten z. van Roermond) en andere in plaats van diegene, welke het in de Spaansche Nederlanden verloor, zooals Diest en Sichem (zie aldaar). Intusschen duurde het slechts tot 1651 dat het huis van Oranje-Nassau van deze laatste goederen verstoken bleef. Bij een ander verdrag, den iaden October van dat jaar gesloten, stond de koning van Spanje ook deze heerlijkheden aan Willem III af.

Nog op andere wijze, dan door het oorlogszwaard, nam gedurende den tachtigjarigen oorlog de omvang van \'t grondgebied der Republiek toe. In \'t n.w. van Friesland won men in 1600 door indijkingen het Oude Bildt. In 1624 was reeds de zeeboezem tusschen VVorkum en Hinlopen in land herschapen, alsmede groote plassen ten o. van Stavoren. Van grooteren omvang waren de indijkingen in Holland. Hier verkreeg men ongeveer in 1600 en volgende jaren de Zijpe (in \'t n.w. van Noord-Holland, ten n.o. van Petten) en omstreken, in 1612 de Beem-ster (ten n.w. van Purmerend), in 1622 de Purmer, in 1626 de Wormer (beide ten z. van Purmerend). Vruchteloos ried Leeghwater in een geschrift, getiteld het „Haarlemmermeerboekde 17,000 morgen of bunders van \'t Haarlemmermeer insgelijks droog te maken. Men las het boek, doch deed het niet. Daarentegen werden op Voorne, Goeree, enz. mede talrijke bunders vruchtbaar land verworven, welke de duizenden morgen bouwland vergrootten, die men in Noord-Holland en in

-ocr page 191-

175

Friesland had verkregen. Eveneens herrees menige streek op Noorden Zuid-Beveland, alsmede ook Philipsland, vroeger bedolven, uit de baren en verkeerde in een welige landbouw. Onder de namen van hen, die van het ontginnen en indijken zeer hun werk maakten, prijkt vooral die van Jakob Cats. Gedurende het twaalfjarig bestand getroostte hij zich zware kosten ten einde in Zeeland menigen bunder grond in te dijken. Later, zich in Holland metterwoon hebbende gevestigd, legde hij zich vooral toe op \'t ontginnen van duingronden , nabij zijn buitenplaats Zorgvliet, aan den weg naar Scheveningen, gelegen. Zelf verhaalt hij in zijn „Ouderdom en Buitenlevenquot;, dat Frederik Hendrik hem hier dikwijls kwam bezoèken, tevens aantoonende, hoezeer hij, de ontginner, van \'t nut van dergelijke ondernemingen overtuigd was:

„Prins Hendrik, zijnde een vorst, tot planten zeer genegen. Kwam dikwijls hier bezien des Heeren goeden zegen.

Zijn Hoogheid was versteld, als hij bij wijlen vond.

Dat gul en welig hout hier opgewassen stond.

Ik zeide hem: machtig vorst, gij koopt verscheiden landen, En dat tot hoogen prijs. Ei, krijg maar dorre zanden En maak ze tot een bosch, en uit verachte stof Verhef een schoon prieel of wel een lustig hof.

Indien er veel als ik tot dezen handel gingen En maakten vruchtbaar land van ongebaande klingen,

Het zou niet dienstig zijn slechts voor een mensch alleen.

Maar \'t zou aan \'t vaderland ook baten in \'t gemeen.quot;

Alles wat den waterstaat betreft stond onder een afzonderlijk beheer. Te dien einde was het land in verscheidene districten verdeeld en vond men b.v. in Holland de districten of waterschappen van Delfland, Woerden, Rijnland (zie blz. 7), enz. Aan \'t hoofd van elk waterschap stond van ouds een dijkgraaf met zijn bijzitters of assessoren, de hoogheemraden. Maar bij gewichtige beraadslagingen werden tevens de hoofdingelanden, d. i. de voornaamste grondbezitters, die het hoogst waren belast, bijeengeroepen en gehoord.

Trad ons vaderland eerst in 1648, zonder dat het iemands tegenspraak behoefde te duchten, onder de mogendheden van Europa op, reeds veel vroeger had het betrekkingen met het buitenland aangeknoopt. Die betrekkingen waren deels van staatkundigen aard, deels ter wille van den handel. Behalve met Frankrijk en Engeland sloot de Republiek in 1640 een verbond met Zweden ten einde elkander bij te slaan tegen den inhaligen bewaker der Sond. Uit Rusland kwam tegen het einde van Oldenbarnevelts loopbaan menig gezantschap in Nederland. Eveneens stond men destijds met Venetië in diplomatieke betrekking, hetwelk in

-ocr page 192-

176

1620 een verbond sloot met ons vaderland. Aan den ijver en het beleid van den verdienstelijken gezant Cornelis Haga, die sedert 1611 de Republiek een tijdlang in Turkije vertegenwoordigde, was Nederland de gelijkstelling bij de Porte verschuldigd met de meest bevriende natie op het stuk van handel. Sinds het genoemde jaar zag \'s Gravenhage binnen zijn muren een gewoon agent van Marokko gevestigd. In het tijdperk na het bestand werd de hulp der Republiek, gelijk door Zweden, meermalen door Brandenburg en andere staten ingeroepen. Aan het doorzicht en de wakkerheid van den onsterfelijken landsadvocaat hadden de Vereenigde Nederlanden het te danken, dat zij alom in Europa met eere en achting werden bejegend.

Geen wonder. Nederland stond ten aanzien van handel en scheepvaart op een hoog standpunt. Vroeger (zie blz. 43 en 64) is over dit punt het een en ander opgeteekend, dat thans verdient eenigermate te worden uitgebreid. In de eerste plaats komt de handel op de Levant (het Oosten) of op de Middellandsche Zee in aanmerking. Deze handel, die Venetië groot had gemaakt, kwam allengs voor het grootste gedeelte in handen der Nederlanders. Eerst door bijzondere personen gedreven, werd hij weldra zoo aanmerkelijk, dat de regeering er de aandacht op vestigde. Het gevolg was, dat de Staten-Generaal in 1624 te Amsterdam een college oprichtten vati bestuurders van den handel op de Levant. belast met het toezicht op alles, wat dien handelstak en de vaart naar de Middellandsche Zee betreft. De burgemeesters van Amsterdam benoemden de leden van dat college. Tot de taak dier leden behoorde o.a. het aanstellen van consuls, die in de handelsplaatsen van de Levant hun zetel hadden. Ter bestrijding der onkosten mocht het college een gulden per last heffen van alle schepen, die naar de Middellandsche Zee voeren, en één ten honderd van de meeste waren, die uit de Levant hier te lande werden ingevoerd. Ook in de meéste havens der Levant moesten zekere rechten ten behoeve van \'t college worden betaald. Later volgden andere steden van Holland het voorbeeld van Amsterdam door insgelijks dergelijke kamers op te richten. In vredestijd vertrokken doorgaans drie of vier vloten \'s jaars naar de Middellandsche Zee onder geleide van een paar oorlogschepen, die ze van haven tot haven vergezelden. De voornaamste handelsplaats in de Levant was Smyrna. Bovendien dreef men handel op Rome, Venetië en andere groote steden van Italië en Sicilië, op Alexandriö, Caïro, Constantinopel, enz. Men zonder peper, specerijen, metalen, diamanten, haring, stokvisch, suiker, laken, hout uit Brazilië, gouden en zilveren geldstukken, enz. heen. Hetgeen men uit die streken kreeg was hoofdzakelijk zijde, rozijnen, rhabarber, tapijten, koffieboonen, katoen, marmer, vijgen, amandelen, rijst, olijven, spiegels, lak, fluweel, enz.

Sinds de handel van Venetië, van Antwerpen en van de hanse geheel verviel of sterk achteruitging, begon Nederland handelsbetrekkingen met alle rijken van Europa aan te knoopen. Zeer aanmerkelijk was de

-ocr page 193-

177

handel op Frankrijk. Men voerde er heen: hout, masten, touwwerk, vlas, laken, boter, kaas, kruit, haring, zalm, verfstoffen. Uit Frankrijk bekwam men : handschoenen, hoeden, allerlei gelanterien, velerlei soorten van wijn, brandewijn, azijn, spelden en naalden, kousen, enz. Reeds in 1658 werd de waarde van alles wat Frankrijk aan Nederland leverde begroot op 36,000,000 gl. — Voor den handel, dien Nederland op Frankrijk dreef, behoefde die op het Noorden, d.i. op Rusland, Noorwegen, Zweden, Denemarken en op de havens der Oostzee, niet te wijken. Zooals Nederland alles, wat de natuur in het Zuiden en in het midden van ons werelddeel voorbracht, aan de natiën van Noord-Europa leverde, zóó dreef het met die van het Zuiden en van het midden handel in de Noordsche waren. Een tijdlang waren Polen en Rusland voor Nederland, wat Sicilië eens voor Rome was, de korenschuur. Bovendien trok de Republiek van de havens der Oostzee al hetgeen zij voorden scheepsbouw en voor het zeewezen behoefde. Men haalde uit de Noordsche rijken huiden van allerlei dieren, pik, leer, masten, hennip, rogge en andere granen, leer, ankers, eikenen vurenhout, juffers en sparren, allerlei metalen, potasch, levertraan, stokvisch, enz. Daarentegen voorzag men die landen van zout, gouden en zilveren munt, juweelen, wijn, brandewijn, suiker, specerijen, rijst, amandels, rozijnen, tabak, enz. De ijver der kooplieden werd niet verlamd door den tol, dien alle schepen, welke de Sond doorvoeren, te Elseneur (op Seeland) moesten betalen en die, na vele geschillen, werd geregeld hij het verdrag van Constantinopel (in \'t z.o. van Zweden aan zee) van 1645. Jaarlijks werd de Oostzee, welker toegang de koning van Denemarken bewaarde, door vier duizend Nederlandsche schepen bevaren.

Niet minder belangrijk was de handel langs den Rijn en op verschillende steden van Duitschland en van Zwitserland. De waarde van den handel op den Rijn, die uitsluitend in handen van Nederland was, werd jaarlijks geschat op honderd millioen. Men kreeg uit Duitschland Rijn- en Moezelwijn, Keulsch aardewerk, vloersteenen, linnen, garen, kinderspeeltuig en allerlei fabriekwaren, metalen, enz. De Nederlandsche schepen voerden in specerijen, laken, haring, zoutevisch, gedroogde vruchten, later ook koffie en thee, kaas, olie, traan, wol, indigo, verfstofTen, fluweel, enz.

Van minder gewicht was de handel op de Zuidelijke Nederlanden, op Groot-Britannië, Spanje en Portugal. Uit de Zuidelijke Nederlanden trok men o.a. kanten, tapijten, Vlaamsch linnen, servetgoed, laken , behangsels, enz. Men zond er heen de waren uit de Levant, wijnen, gezouten- en verschen visch, specerijen, zeep, hout, enz. Een geheel eigenaardigen handel dreef Amsterdam op Antwerpen, n.1. in ruwe en in geslepen diamanten. De diamant werd hoofdzakelijk uit Brazilië aangevoerd. De kunst om te slijpen hadden de Nederlanders van herwaarts overgekomen Zuid-Nederlanders geleerd. Ofschoon nu zoowel Antwerpen als Amsterdam zijn diamantslijpers had, werden evenwel de steenen, te Amsterdam geslepen, hooger geacht dan die van Antwerpen, wes-

Wijnnu, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 12

-ocr page 194-

178

halve zij, wanneer al het andere gelijk stond, 10 è, 15 p.c duurder waren. Uit Groot-Britannië ontving men krijt, loodwit, tin, wol, steenkolen, gezouten rundvleesch. Men voerde er specerijen, linnen, stijfsel, pot-asch, enz. in. Maar weldra brak de tijd aan, dat Engeland door het leggen van zware belastingen op den invoer van sommige waren en door het verbieden van dien van andere den handel aanmerkelijk belemmerde. — Na 1648 herleefde de handel op Spanje en op Portugal. In Spanje was de voornaamste handelsplaats Cadix. Vandaar haalden de Nederlanders eenige grondstoffen, ten deele elders niet te bekomen, zooals vanille en cochenille; verder paarlen, goud en zilver, tabak, enz. Uit andere steden trokken zij kastanjes, wijn, olijven, citroenen, saffraan, amandels, vijgen, enz. Hiervoor leverden zij hun vele fabriek waren, specerijen, kant, naalden, spelden, garen, zeildoek, spijkers, enz. Ten einde den handel op Spanje aan te moedigen gaven de Staten-Generaal vrijdom van rechten ten opzichte van een zeker aantal grootendeels Duitsche waren, voorzoover zij in Nederland werden ingevoerd, om ze naar Spanje over te brengen. Nog dreven de Nederlanders over Spanje en op naam van Spaansche kooplieden veel handel op Spaansch-Amerika. Het bedrag der aldus door hen verkochte waren werd hun door hun handelsvrienden uit Cadix overgemaakt. — Een van de voornaamste waren, die de Nederlanders uit Portugal kregen, was het zout van St. Ubes; verder tabak, gember, indigo, sinaasappels, ruwe diamanten uit Brazilië, enz. Daarvoor ontvingen de Portugeezen katoen, garen, speelkaarten , kruit en lood, enz.

De handel gaf voortdurend voedsel aan de vrachtvaart. Al vroeg zagen de Nederlanders, niet ongelijk aan de oude Tyriërs Alg. Geschied., I, tiende druk, blz. 34), in, dat zij, een land van kleinen omvang bewonende, in de zee hun element hadden te zoeken, waarop zij voor een goed deel hun bestaan moesten vinden. Fraai en op veelbeteekenende wijze wordt op dien oorsprong van \'s lands bloei gezinspeeld op de beroemde gedenkpenningen, door Zeeland sinds den tijd van Karei V in verschillende jaren, b.v. in 1584, 1586, enz. geslagen. Men ziet daarop het beeld van een leeuw, uit de baren oprijzende, en hierbij het opschrift „luctor et emergo,quot; d. i. al worstelend kom ik omhoog. Inderdaad, de Nederlanders geloofden aan de waarheid van hetgeen de keerzijde van dien Zeeuwschen penning bevatte: „Imperator maris terrae dominus,quot; d i. wie over de zee gebiedt heerscht ook over het land. De koopvaardijvloot van het kleine Nederland was in die dagen talrijker dan de schepen van alle volken van Europa tezamen. Groot was hun kennis van de scheepszaken en van de zeevaart. Twee-en-dertig namen van winden waren bij het Nederlandsche zeevolk bekend, later vier-en-zestig. Bij geen ander volk vond men zulke duidelijke namen van de deelen en de gereedschappen der schepen, tot van de minste touwtjes. Vermakelijk is het al de zegswijzen der taal na te gaan, aan het zeewezen ontleend, en op te merken hoe kort zij zijn. Natuurlijk, bij gevaren op zee is

-ocr page 195-

179

elk verwijl noodlottig en moet de kortheid van \'t bevel een langdurig nadeel verhoeden. In alle havens trof men Nederlandsche vaartuigen aan, en maar zelden hadden zij ballast in. Buitenlandsche handelshuizen gebruikten Nederlandsche schepen en bevrachtten ze met allerlei goe-ren om ze b.v. uit Engeland of uit andere landen naar Frankrijk of elders over te brengen. De schepen, waarmede dit geschiedde, noemde men dikbuiken. Zij waren rond, gingen niet diep en konden veel laden. Er was niet veel volk noodig om ze te besturen, en daarom konden de Nederlanders goedkoop varen. Zóó werden zij de vrachtvaarders van geheel Europa. — Verder schonk de handel nieuw leven aan de nijverheid, die reeds zeer sterk was aangewakkerd door de voortdurende verhuizing van zoovele Zuid-Nederlanders naar het Noorden, waar menige stad, o.a. Leiden, bij herhaling werd uitgelegd. Beroemd waren de scheepstimmerwerven van Zaandam, de lettergieterijen en bleeke-rijen van Haarlem, de boekdrukkerij van Elzevier te Leiden, de kaarten van Blaeu te Amsterdam, het aardewerk van Delft.

Bij den buitenlandschen handel, de vrachtvaart en de nijverheid kwam de binnenlandsche handel, van gewest tot gewest, van stad tot stad gedreven. Boven alle handelsplaatsen in \'t geheele land stak Amsterdam , de koningin van Nederlands steden, uit. Zij was de schatkist van de rijkdommen der wereld, de stapelplaats der voortbrengselen van den ganschen aardbodem, de markt aller volkeren. Veel vertrouwen genoot haar bank, in 1609 ten dienste van den handel opgericht. Uit moerassen en poelen opgerezen, verhief de stad fier het hoofd. De grachten prijkten met huizen als paleizen. Na in 1482 reeds aanmerkelijk te zijn vergroot werd de stad in de eerstvolgende eeuw nog driemalen uitgelegd, n.1. in 15S5 (zie blz. 104), in 1593 en in 1612. Later, in 1658, volgde een vierde uitbreiding. Deze vergrootingen gaven ook het aanzijn aan de Heeren- en de Keizersgracht. Langs dien weg verkreeg Amsterdam den vorm van een halve maan of een gespannen boog, open aan den water- of IJkant, dien zij nog heeft. Onder de fraaie gebouwen der stad muntte het nieuwe stadhuis uit, het achtste wonder der wereld, waarvan men den bouw begon in \'t gedenkwaardig jaar 1648, om het in 1655 te voltooien. Een der bouwmeesters was Jakob van Kampen. Hoeveel het heeft gekost schijnt onbekend. De keizerlijke kroon, die de stad in haar wapen voert, heeft zij aan Maximiliaan (zie blz. 47) te danken.

Te Amsterdam waren alle takken van den wijdstrekkenden handel vertegenwoordigd. Van de andere steden des land kon geen met haar wedijveren. Maar schier elke had een bijzonderen tak, waarmede zij zich bovenal bezig hield. Vlissingen was een der hoofdstapelplaatsen van de West-Indische compagnie. Middelburg van de Oost-Indische compagnie en van de Fransche wijnen, Dordrecht van de Engelsche waren en van den Rijnwijn. Leiden, als fabriekplaats, bestond van laken, manufacturen en zijde, Delft van zijn aardewerk. Enkhuizen en Vlaardingen leefden inzonderheid van de haringvangst.

4

12*

-ocr page 196-

180

Wie van den wereldhandel der Nederlanders in de 17de eeuw spreekt kan niet zwijgen van de compagniën. Na het bovenstaande (zie blz. 137 vlg. en 156 vgl.) moet althans van de Oost-Indische compagnie hier nog eenige melding worden gemaakt. Na de landvoogdij in 1622 te hebben nedergelegd (zie blz. 141) keerde Coen naar het vaderland terug. Maar in 1627 werd hem die hooge betrekking op nieuw opgedragen. Wederom geraakte hij in strijd met de Javanen. De soesoe-hoenan of keizer van Mataram (in \'t midden van Java, thans Soerakarta en Djokjokarta) zond eerst een kleinere bende, vervolgens in 1629 een leger van 100,000 man op Batavia af. Beide aanvallen werden moedig afgeslagen; doch eer de krijg ten einde was, bezweek Coen aan een ziekte. Een van Coens merkwaardigste opvolgers was Antonie van D i e m e n. Door de inheemsche bewoners van Ceylon ingeroepen, veroverde hij in 1638 een fort van dit eiland op de Portugeezen. Eens vasten voet hebbende gezet, breidde de compagnie haar macht ook daar spoedig uit. Weldra had zij Punto-Gale en Negombo (in \'t z.w.) in \'t bezit en bedong van de inboorlingen een ruime jaarlijksche levering van kaneel. Eveneens ging Malakka (in \'t z. w. van Achter-Indie) in 1641 van Portugal op de Nederlandsche compagnie over. In \'t zelfde jaar gelastte de keizer van Japan, dat alle buitenlandsche betrekkingen moesten worden afgebroken, behalve met Sina en met de Nederlandsche compagnie, die evenwel werd genoodzaakt haar factorij te verplaatsen van Firando (zie blz. 141) naar het kleine eiland Desima, dat verbonden was met de stad Nangasaki. De zaken van kerk en school behartigde van Diemen ijverig. Hij stichtte te Batavia een Latijnsche school, vooral bestemd ter opleiding van godsdienstleeraren, en liet er de Kruiskerk bouwen. Gedurende zijn bewind werd Batavia zoozeer verfraaid en uitgebreid, dat de stad weldra „de koningin van het Oostenquot; genoemd en sommige grachten, b.v. de tijgersgracht, als zeer prachtig geroemd werden. Vreemd en ook niet vreemd was het, dat men er vaak Amsterdams gebouwen tot voorbeeld koos. Onder de ontdekkingen, in den tijd van dezen landvoogd door Nederlanders in Australië gedaar, behooren vooral die van Abel Tasman, b.v. die van Nieuw-Zeelana, van Diemensland en andere te worden genoemd.

Onder de oorzaken, waaraan Nederlands handel zijn bloei had te danken, is mede vermeld (zie blz. 64) de persoonlijke vrijheid, welke alle ingezetenen dezer landen genoten en die een uitvloeisel was van de stedenrepubliek. Groot was vooral, in vergelijking met andere landen, de vrijheid van spreken en schrijven, ieder gegund, al was de drukpers niet openlijk vrij verklaard. Niet alsof de regenten de vrijheid der drukpers onschendbaar of ook maar wenschelijk achtten. Dergelijke meening zou worden weersproken door de vele plakkaten, van tijd tot tijd tegen het drukken en het verspreiden van boeken uiitgevaardigd. Maar de verbrokkeling der regeering werkte de vrijheid der pers in de hand. Wat in de eene stad of provincie niet kon worden uitgegeven werd

-ocr page 197-

181

in een andere gedrukt. Uit hoofde van die persoonlijke vrijheid, waarvan men hier zeker was, werd de Republiek van den aanvang af het toevluchtsoord, waar vele vreemdelingen zich metterwoon vestigden, eerst Vlamingen en andere Zuid-Nederlanders, later Franschen, Duit-schers, enz. In weerwil van de partijdigheid of de willekeur, waaraan deze of gene baljuw zich van tijd tot tijd schuldig maakte en ofschoon ook hier niet alle rechters bestand waren tegen de kracht van het goud, kon men niet anders dan roemen op de billijkheid der rechts-bedeeling, wanneer men ze aan die van elders toetste. Van het recht van politieke uitzetting (zie blz. 113) werd slechts zelden gebruik gemaakt. De hervormde kerk — het is waar — was met den staat tot één geheel onafscheidelijk samengegroeid. Zelfs de Roomsch-katholie-ken, ofschoon nog lang na de invoering der hervorming de meerderheid der bevolking uitmakende, hadden sinds de vestiging der Republiek, en in sommige gewesten reeds veel vroeger, in Holland b.v. sedert omtrent 1574, geen volledige vrijheid van eeredienst. Doch evenals alle andere gezindheden hadden ook zij vrijheid van geweten en godsdienstoefening, mits de dienst niet in \'t openbaar geschiedde. Vandaar dat hun kerken en hun kapellen het voorkomen hadden van gewone huizen. De overheidsambten intusschen en zelfs de mindere bedieningen kon niemand bekleeden dan wie de leer der hervormde kerk beleed. Gegrond was ongetwijfeld de bewering, dat de verdraagzaamheid op het stuk van den godsdienst geenszins de vrucht was van den ruimen blik of van het verheven inzicht der mannen, die aan \'t roer der Republiek stonden, maar als een maatregel werd beschouwd, heilzaam voor den handel en ter bevordering van den bloei der gewesten. Doch even onloochenbaar is het, dat die verdraagzaamheid groot was in vergelijking met die, welke in de overige staten van Europa jegens andersdenkenden werd aan den dag gelegd, en onbetwistbaar, dat de Republiek niet den minsten gewetensdwang heeft geoefend. De vragen, rakende het geweten, meende zij, kwamen alleen Gode toe.

Buiten de Roomsch-katholieken was het meerendeel der inwoners van Nederland hervormd. In Holland en in Zeeland telde men ook vele leden der Waalsche kerk, die in rechten geheel gelijk gesteld was met haar zusters, in de overige gewesten minder. Verder had men Doopsgezinden, Remonstranten, Lutherschen en Joden. De laatsten kwamen vooral tegen het eind der 16de eeuw uit Portugal. Zij allen werden geduld, evenwel niet in gelijke mate. De meeste verdrukking hadden de doopsgezinden te verduren. Dat zij geen formulieren kenden maakte dat zij in de schatting van \'s lands regenten minder van een kerkgenootschap hadden dan de andere sekten, die niet tot de staatskerk behoorden. Ook deed het nalaten van den kinderdoop, alsmede het weigeren van den eed en van den krijgsdienst het onderscheid tusschen hen en anderen sterker uitkomen. Intusschen werd aan hen, die van de staatskerk afweken, in het eene gewest vaak meer verdraagzaam-

-ocr page 198-

182

heid betoond dan in het andere. Hier noopte daartoe het groote aantal van de belijders der leer, b.v. van de katholieken of van de Israëlieten^ elders handelsbelang of hebzucht van schout of baljuw. Sedert ongeveer 1619 was het getal der sekten nog vermeerderd met die der collegianten of Rijnsburgers. Den naam „collegiantenquot; droeg zij naar de collegien of onderlinge vergaderingen, die zij hield. De andere naam ziet op het dorp Rijnsburg (ten n. van Leiden), waar de aanhangers dezer sekte tweemaal in \'t jaar plachten bijeen te komen om het avondmaal te vieren. Hun opkomst hadden de collegianten te danken aan drie gebroeders, van der Kodde geheeten, die, tot dusver Remonstrantsch, na de omwenteling van 1618 en 1619 het sein gaven tot de afzonderlijke bijeenkomsten van hen, die hun geloof deelden, en die hier doorgaans het woord voerden. Eigenlijke predikatiën werden er niet gehouden: wie wilde sprak tot de broeders. Van de leden hunner gemeente voerde niemand eenig gezag over de anderen. De doop door onderdompeling was bij hen in gebruik. Een bijzondere geloofsbelijdenis hadden zij niet. Alle belijders van den Christelijken godsdienst lieten zij als broeders in hun bijeenkomsten toe.

Was er voor den vreemdeling veel, dat hem uitlokte om zich in deze streken te vestigen, niet alles kan hem hier hebben behaagd. De ingezetenen der Vereenigde Nederlanden hadden zware belastingen op te brengen. Bij de vroegere lasten (zie blz. 44, 45, 49, 71, 85), die bleven bestaan, had men door den druk van den tachtigjarigen oorlog andere moeten voegen. Er werd bovendien betaald van den verkoop van vaste goederen en schepen, van erfenissen, van levensmiddelen en versnaperingen, van bezaaide landen, van hoornvee, van brandstof, van dienstboden, paarden en rijtuigen. Men had er het zegel en, in tijd van oor\'.og, in enkele gewesten, zelfs ook bij vrede, een hoofdgeld. Zoo groot was gedurende dien bangen kamp de vaderlandsliefde der Nederlanders, dat zij, om Al va maar geen tienden te geven, gewillig alles opbrachten. Vooral in Holland en in Zeeland drukten de belastingen zwaar op de beurzen der inwoners. Het waren de eenige gewesten, die imposten hieven op de allereerste levensbehoeften. In Holland — zeide men — was alles belast, behalve de lucht, die men inademde. In het oude Rome was een schatting opgelegd aan hen, die ongehuwd bleven. In Holland en in Zeeland moest men ook van het trouwen betalen, en was het niet, zonder boete, geoorloofd te sterven. Temple {Algem. Geschied. III, 7de druk, blz. 131) verhaalt in zijn „Opmerkingen over de Vereenigde Gewestenquot;, dat iemand, die te Amsterdam een schotel visch met saus op zijn tafel wenschte te zien, dertig verschillende rechten hiervoor had te betalen. Bij dit gezegde behoort men evenwel niet over \'t hoofd te zien, dat het slechts betrekking had op den tijd, waarin hij in dit land vertoefde, en, naar \'t schijnt, alleen op Holland.

Nederland leefde van den handel, doch niet alleen om den handel. Hetgeen van de uitkomsten van den krijg, dien Griekenland eens tegen

-ocr page 199-

183

Perzie voerde, wordt opgemerkt geldt ook hier. Het loon van den tachtigjarigen oorlog was de schok, dien hij gaf aan het inwendige levens des volks. Het gevoel zich van den burgerplicht te hebben gekweten stemde dat van het burgerrecht hooger. Alleen eigen kracht en voortreffelijkheid gaven aanspraak op een uitstekende plaats. Zóó ontstond er een wedstrijd, hier om de goederen des levens, daar om de rechten, van de voorouders geërfd, te handhaven, ginds om den lauwer in wetenschap en in kunst. De Nederlandsche geest sloeg de wieken uit en nam een ongekende vlucht. Daarenboven gebeurde het gedurende de 17 de en de 18de eeuw niet zelden dat de Repubiek, gelijk zij het land der burgerlijke vrijheid was, zóó ook het eenige toevluchtsoord werd voor de beoefenaren der letteren. Slechts daar, als op een heiligen grond, waren dan de wetenschappen er van verzekerd aan de schier algemeene verdelging te ontkomen, waarmede zij werden bedreigd. Zóó werd Nederland, Europa voor een vernieuwde heerschappij der barbaarschheid beveiligende, voor dit werelddeel in zekeren zin wat Griekenland voor de oudheid was geweest.

Van de zucht voor verbreiding van kennis en voor den bloei der wetenschap, die de landzaten bezielde, leverde in de eerste plaats het stichten van hoogescholen onweerlegbare bewijzen op. Na Leiden (zie blz. 92) verrezen die van Franeker, Groningen, Amsterdam (zie blz. 160), Utrecht en Harderwijk. Het athenaeum van Franeker stichtten Willem Lodewijk (zie blz. 105) en de staten van Friesland in 1585. Men koos deze stad, mede omdat zij, klein en stil zijnde, zeer geschikt werd geacht een zetel der wijsheid te zijn en de jongelingschap, er weinig afleiding hebbende, niet licht kon worden gestoord in haar letteroefeningen. De universiteit van Groningen werd door de staten van \'t gewest gegrondvest in 1614 en plechtig ingewijd op den 23sten Augustus van dat jaar {0. s.). Zij opende haar lessen met zes hoogleeraren. Dan volgde de academie van Utrecht, met goedvinden der staten voor eigen rekening door de stad opgericht in \'t jaar 1636, weshalve zij ook tot 1815 een stads-hoogeschool bleef. Eigenlijk was het sedert 1634 een „doorluchtige school,quot; maar reeds in \'t genoemde jaar 1636 noopte de groote invloed van studenten, de staten den titel in „Academiequot; of „Universiteitquot; te veranderen. In Gelderland hadden reeds in 1600 de staten van het kwartier van Arnhem (zie blz. 109) een hoogeschool te Harderwijk opgericht. Vermits zij echter niet al te wel in haar onderhoud kon voorzien, veranderden de staten van \'t gewest ze in 1647 in een provinciale academie.

Behalve de hoogescholen vond men in de Republiek illustre of doorluchtige scholen, ook wel AcademischegymnasteCn geheeten, een middelsoort tusschen de universiteiten en de Latijnsche scholen. Het getal harer hoogleeraren was gemiddeld vier. Men leerde er de beginselen der godgeleerdheid, de Oostersche en de oude talen, het natuurrecht en het burgerlijk recht, de heel- en geneeskunde, de natuurkunde, de

-ocr page 200-

184

wijsbegeerte en de geschiedenis. Die van Middelburg kwam voort uit een college voor de godgeleerdheid, ten tijde van het bestand gesticht door de regeering der stad, bezorgd zijnde dat de Zeeuwsche jeugd te Leiden de dwaalleer van Vorstius (blz. 142) mocht inzuigen, welk college in 1650 in een doorluchtige school werd veranderd. Breda had er een sedert de laatste levensjaren van Frederik Hendrik; maar zij had in 1672 reeds opgehouden te bestaan. Beter wist die van \'s Hertogenbosch den drang des tijds te trotseeren. Zij was een gewrocht der Staten-Generaal, dagteekenende van de dagen, toen de stad aan deze zijde werd gebracht. Die van Deventer werd in 1631 door de staten van Overijsel opgericht.

Latijnsche scholen waren in grooten getale door het land verspreid. Sommige waren zeer oud: die van Harderwijk dagteekende van \'t jaar 1372, die van Groningen was lang vóór 1594 tot stand gekomen. Wat het algemeene volks- of lager-onderwijs betreft, dit was een vrucht der hervorming. Daarom waren, in alle steden en kerkdorpen, de scholen onder de leiding der heerschende kerk, in wier dienst zij waren, evenwel steeds onder toezicht der regeering. Op zekere tijden moesten de predikanten de scholen bezoeken om te zien, of alles in orde was. In de heerlijkheden — en die waren er vele — had de heer eveneens grooten invloed op de school. Hugo de Groot getuigt: ergens, dat in zijn tijd ieder Nederlander, ook van den geringsten stand, zijn kinderen lezen en schrijven liet leeren. Het zal zóó zijn. Maar over \'t geheel stond het onderwijs op de lagere scholen, staande den ganschen duur der Republiek , op een lagen trap. Vele meesters ten platte lande waren livrei-bedienden geweest, in haast voorbereid om een examen in de gronden van den godsdienst te kunnen afleggen, en beter in staat om paarden af te richten dan om de jeugd te vormen.

Het vernieuwde leven der natie openbaarde zich insgelijks in de letterkunde. Na de tallooze tooneeldichten uit vroegere dagen, waaraan de vele Rederijkskamers (zie blz. 66) het aanzijn hadden gegeven, kwam er een gansche hervorming in de letteren sedert den grooten omkeer, die tegen het einde der 15de en in \'t begin der 16de eeuw in staat en kerk plaats greep. Een der beste prozaschrijvers uit de laatstgenoemde eeuw, tevens een der merkwaardigste mannen van zijn tijd, is Philips van Marnix van St. Aldegonde (zie blz. 81, 90, 104). In zijn hoofdwerk, den Bijenkorf der heilige Roomsche kerk, gispt hij geestig, ernstig en krachtig de leer en de gebruiken dezer kerk. Naast hem moeten Dirk Volkersz. Coornhert, Hendrik Laurentsz. Spiegel en Roemer Visscher worden genoemd. De beide laatsten waren lid van de Amsterdamsche Rederijkerskamer „In liefde bloeiende,quot; de eenige dier kamers, welke vruchtbaar werkte voor de opkomst der Nederland-sche letteren. Beiden ijverden, evenals hun vriend Coornhert, zeer voor de zuiverheid en de verrijking der taal, er ten volle van doordrongen dat de taal gansch het volk is. Coornherts werken zijn meestal twistge-

-ocr page 201-

185

schriften over godgeleerdheid en zedekunde. Men vindt er ook onder een vertaling van het Latijnsche boek van Boethius {Algem. Geschied, II, 7de druk, blz. 12) over de Vertroosting der wijsbegeerte. Spiegels hoofdwerk is de Hartspiegel, een leerdicht. Veel nut deden Coornherten Spiegel door hun geschriften, meer nog doordien zij met Visscher, van wier; Vondel getuigt

Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten

Van schilders, kunstenaars, van zangers en poëten,

een gunstigen invloed hebben geoefend op de vorming der beroemdste dichters van de eerste helft der 17de eeuw. Krachtig hebben zij er toe bijgedragen, dat zich uit de oude vormen de nieuwere letterkunde ontwikkelde; dat uit de zinnespelen, esbattementen of kluchten de eigenlijke tooneel-stukken te voorschijn kwamen. Bredero en Coster, Hooft en Vondel zijn voor een goed deel mede door de Amsterdamsche kamer geworden wat zij waren. Bredero was een blijspeldichter, maar een ster, die slechts kort schitterde: hij overleed in 1618 op jeugdigen leeftijd. De handeling van \'t leven wist hij zeer natuurlijk voor testellen, en zijn stukken zijn vol luimige invallen. De zeden des tijds, die hij door eigen aanschouwing kende, gaf hij op het tooneel met groote vrijheid van uitdrukking weer. De voornaamste zijner blijspelen zijn het Moortje en de Spaansche Brabander. Samuel Coster, geneesheer te Amsterdam, werd als tooneel-dichter spoedig in de schaduw gesteld door Vondel. Daarentegen blijft zijn naam in de herinnering voortleven doordien hij Vondels stukken het eerst ten tooneel liet voeren. Hij toch had in 1617 te Amsterdam een Academie of kamer gesticht ten einde tooneelstukken te vertoo-nen, waaruit sinds 1638 de nationale schouwburg dier stad ontstond.

Pieter Cornelisz. Hooft, de zoon van den burgemeester van dien naam (Cornelis Pietersz. Hooft) van Amsterdam, gestorven in 1647, is, met Vondel, Cats en Huygens, een der mannen, wier namen de gulden eeuw der Nederlandsche letterkunde, den tijd van Frederik Hendrik, vermaard hebben gemaakt. Hooft was drossaart of drost van Muiden en werd zóó het middelpunt van den kring der beminnaars en der beoefenaars van de vader-landsche letteren, wien hij op het slot dier stad zoo menig feest bood. Met verfijnden, doch ook met valschen en gekunstelden smaak uit Italië teruggekeerd, onthaalde hij zijn landgenooten op meer dan één vrucht van zijn dichterlijk talent Een zijner treurspelen is Gerard van Velzen, een zijner blijspelen Warenar met de pot. Keurig zijn bovenal zijn minnedichten. Meer nog dan als dichter muntte hij uit als geschiedschrijver. Vóór hem hadden anderen, zooals Bor, notaris te Utrecht, en van Reijd deelen vol bouwstoffen voor de geschiedenis dezer landen bijeengebracht. Menige pen hield de strijd tegen Spanje onledig. Gewrochten van historische kunst zijn dit evenwel niet. Hierom is Hooft eigenlijk de eerste Nederlandsche geschiedschrijver. Zijn hoofdwerk is de Nederlandsche historiën , in gedrongenheid van stijl de wedergade van

-ocr page 202-

186

Tacitus {Algetn. Geschied., I, tiende druk, biz. 269), dien hij tot voorbeeld koos. Het onderwerp is de opstand tegen Spanje, van 1555 tot 1587. Met Vondel is hij het hoofd der Amsterdamsche school, die, zoowel in dichttrant als in zienswijze omtrent de binnenlandsche staatkunde, lijnrecht tegenover de Dordsche (zie blz. 187) staat.

Naast Hooft verdienen, als geschiedschrijvers, van der Does (zie blz. 92) en Hugo de Groot te worden genoemd, al hebben zij veel in \'t Latijn gescheven en komt daarom de eerste niet voor in de werken over Nederlandsche letterkunde. Van der Does schreef Bataviae Hollan-diaeqtte Annates, d. i. jaarboeken van Nederland en Holland, behelzende een onderzoek over den tijd der graven, waarvan de slotsom door de latere schrijvers is overgenomen. Bewonderenswaardig is de veelzijdigheid van de Groot. die als rechtsgeleerde, godgeleerde, historiekenner en Latijnsch dichter uitmuntte, en over \'t geheel onder de Nederlandsche schrijvers, zoowel in proza als in poëzie, zijn plaats met eere bekleedt. Gedurende zijn gevangenschap schreef hij o.a. een uitvoering leerdicht, Bewijs rati den waren godsdienst, in vele talen overgezet, en een Intei-di.ng tot de Hottandsche rechtsgeleerdheid. Verder vereeuwigde hij zijn naam door zijn hoofdwerk de jure belli et pacis, d. i. over het recht van oorlog en vrede, alsmede o.a. door de volgende geschriften; Annates et historiae de rebus Belgicis, d. i. jaarboeken en geschiedenissen van de Nederlanden, loopende van de oudste tijden tot 1608; de Apologia of Verantwoording van zijn gedrag in 1617 en volgende jaren.

Een vreemdeling, zoo men op de geboorteplaats let, maar Nederlander door zijn herkomst (uit Antwerpen) en door zijn woonplaats van zijn kindsheid af (Utrecht en Amsterdam), is Joost van den Vondel (1587—1679). Hij is de vorst der Nederlandsche dichters, een oorspronkelijke genie, gevoed met den geest der ouden, hoewel hij ze eerst op mannelijken leeftijd leerde kennen. Hij huldigde de wetten van het Grieksche treurspel, n.1. die der eenheid van handeling en plaats, niet die van de eenheid van tijd. Onder de rijen zijner treurspelen zijn uitnemend verheven lierzangen, als de lofzang der engelen in den Lucifer, die der klarissen (nonnen der orde van St. Clare, gesticht in 1212) op den kindermoord van Herodes en die der Amsterdamsche maagden op de huwelijkstrouw in den Gijsbr echt ran A nis tel. Zich de tijdsomstandigheden te nutte makende, hekelde hij in den Palamedes (eigenlijk: een der Grieksche helden voor Troje, door de vijandschap van Agamemnon en van Odysseus in \'t verderf gestort, hier: Oldenbarnevelt) het vonnis, tegen dezen staatsman gewezen, en ijverde in den Harpoen en in den Roskam tegen de heerschende kerk. Met schier evenveel geluk beoefende hij bijna alle dichtsoorten. Eenvoudig bij de wieg, nam hij een hooge vlucht, wanneer hem een roemrijk wapenfeit, b.v. van Frederik Hendrik, bezielde. De vruchtbaarste stof voor zijn treurspelen leverde hem de bijbel. Tot de stukken, hieraan ontleend, behooren: Lucifer, Jephtha, een drietal, waarvan Jozef de hoofdpersoon

-ocr page 203-

187

is, een drietal andere, uit Davids leven genomen, enz. Het treurspel de Maria Stuart, een der minst beroemde, dankt zijn ontstaan aan het tijdperk van \'s dichters leven, toen hij van doopsgezind katholiek was geworden, hetgeen in 1640 gebeurde. Uit hetzelfde tijdperk dag-teekent het gedicht de Altaargeheimenissen. Later berokkenden hen. het verloopen zijner handelszaak en \'t slecht gedrag zijns zoons veel verdriet. Eenennegentig jaar oud ontsliep hij. Doch zijn naam zal geenszins te niet gaan. Hiervoor verstrekt de fraaie uitgave zijner werken met aanteekeningen door Mr. J. van Lennep niet minder tot waarborg dan het standbeeld, hetwelk in October 1867 te Amsterdam te zijner nagedachtenis is opgericht.

De derde van het viertal is Jakob Cats (zie blz. 161 en 175.) Hij is geboren te Brouwershaven en stierf in 1660, in den ouderdom van drieëntachtig jaren, op zijn hmiengozA Zorgvliet, in \'t midden der duinen, niet ver van den Haag, aangelegd. In kracht van verzen kan hij op verre na niet met zijn beroemde tijdgenooten wedijveren. Hij heeft noch den gloed en het verhevene van Vondel, noch de zoetvloeiendheid van Hooft, noch de levendigheid van Bredero, noch het vernuft en het kernachtige van Huygens. Maar terwijl b.v. Hooft gezocht is, schrijft Cats natuurlijk en ongedwongen. Zijn poëzie is als de heldere beek, die langs den effen grond vloeit. „Het leerdichtquot; was de vorm, die hem het meest aantrok. Hierin stortte hij de schatten uit der menschen-kennis, die hij, als staatsman, advocaat en grondeigenaar in allerlei aanraking met menschen en zaken komende, had verworven. Groot was de populariteit, die hij bekwam. Geen dichter werd door het Neder-landsche volk zóó gelezen als hij. Dit is niet vreemd, want zijn gedichten zijn huiselijke gedichten. Zelfs werd hij het hoofd eener school of richting, de Dordsche geheeten, waartoe niet alleen Noord-, maar ook en vooral Zuid-Nederlandsche dichters behoorden. Bijna twee eeuwen lang was „vader Catsquot; als de tweede bijbel des huisgezins. Doch thans begint men hem, bij zijn volslagen gebrek aan verheffing, eentoonig en langwijlig te vinden. Men heeft van hem: Ouderdom en Buitenleven, Invallende gedachten, den 7rouwring, het Huwelijk, enz.

Veel overeenkomst met het proza van Hooft heeft de poëzie van Con-stantijn Huygens, secretaris van Frederik Hendrik en van zijn beide opvolgers. De rijkdom van beelden, die men bij hem aantreft, gevoegd bij de kortheid van uitdrukking en bij vele vreemde wendingen en woorden, maakt hem hier en daar duister en onverstaanbaar. Doch zijn meesterschap over de taal en de levendige gang zijner verzen hebben hem een grooten naam als dichter gegeven. De verzameling zijner werken, de Korenbloemen, bevat punt- en hekeldichten, sneldichten, enz. Te allen tijde heeft menige plaats uit zijn Ledige uren de aandacht der lezers zeer getrokken.

Van de schrijvers van den tweeden rang behoort, ook al worden anderen verzwegen, Gerard Brandt, Romonstrantsch predikant

-ocr page 204-

1S8

te Amsterdam, te worden genoemd, die het leven van de Ruiter en de geschiedenis der hervorming in proza te boek stelde.

Met de ontwikkeling der letteren hield die van sommige kunsten ongeveer gelijken tred, bovenal die der schilderkunst. Had België Rub-bens en van Dijk, welke moeilijk waren te evenaren, Nederland kon op vele hunner tijdgenooten bogen, die in het schilderen van huiselijke tafereelen of van voorwerpen, aan de natuur of aan het leven ontleend, een zeldzame hoogte bereikten. De beroemdste der Nederlandsche historieschilders is Rembrandt (eigenlijk Rembrandt Harmens van Rijn, omdat hij in de nabijheid dier rivier te Leiden is geboren), die van 1608 tot 1669 leefde. Hij vormde zichzelf zoo goed als geheel en bezocht nooit Italië, die kweekschool van zoovele voortreffelijke meesters. Na van een paar zeer middelmatige schilders de behandeling van het penseel en het mengen der kleuren te hebben geleerd wijdde hij zich am een steeds diepere studie der natuur. In eigen waarneming, vooral van de weerkaatsing van \'t licht, zocht en vond hij zijn kracht. Zoo verdiepte hij zich b.v. een ganschen dag in de beschouwing van een boom, die des morgens door de opkomende zon half, des namiddags geheel werd verlicht en des avonds bij de laatste stralen der ondergaande zon als verguld scheen. Zóó leerde hij op geheel eenige wijze met licht en bruin te werken en met zijn kleuren als te tooveren. In dit opzicht kon geen schilder hem evenaren. Ook in de ordonnantie, d.i. in hetgroepeeren of schikken der figuren of beelden, was hij een meester. Eveneens muntte hij uit in de uitdrukking der gemoedsbewegingen. Daarentegen ging hij, ten aanzien van het kostuum, geheel willekeurig te werk, zich in \'t minst niet bekommerende om \'t verschil van tijden en volkeren. Vermaard zijn zijn „nachtwachtquot; en zijn „openbare les in de ontleedkunde (van Dr. Tulp).quot; Andere bekende stukken van Rembrandt zijn: „Christus aan het kruis,quot; „Simeon in den tempel,quot; „Ahasuerus en Esther,quot; „de opwekking van Lazarus,quot; „Christus de wisselaars uit den tempel verdrijvende.quot;

Rembrandt behoort tot de weinige oorspronkelijke meesters, wier namen met gulden letteren in de geschiedenis der Europeesche schilderkunst staan opgeteekend. Dit erkende ook zijn vaderland in \'t jaar 1852 door \'t oprichten van een standbeeld te zijner eer op de Botermarkt te Amsterdam, de stad, waar hij \'t grootste deel van zijn leven had gesleten. Gelijk Rembrandt vervaardigde van der Helst een menigte portretten van vrienden of historische personen naar het leven. Doch van alle schilderijen van van der Helst is er geen beroemder dan „de schuttersmaaltijd.quot; Bakhuizen en van de Ve 1 de schilderden zeestukken. Jan Steen en Gerard Dou, een leerling van Rembrandt, stelden stillevens of kluchtige tooneelen uit het huiselijk leven op het doek voor, de eerste b.v. „een bruidegom en bruid, beide bejaard, in tegenwoordigheid van een notaris, die op het punt staat wat zij willen op te teekenenquot;; de laatste, uitmuntende door \'tgeduld, waarmede hij werkte, „de avondschoolquot;, „een kwakzalverquot; en „een kluizenaar,quot; ten

-ocr page 205-

189

voeten uit geteekéad. Ongeveer een eeuw na zijn dood kocht Katharina II van Rusland {A/g. Geschied. III, 7de druk, blz. 189, 193 vgl.) in 1771 een van Dou\'s meesterstukken voor ruim 14,000 gl. Maar het schip, dat het stuk met andere schilderijen zou overvoeren, werd door storm beloopen en de zee verslond den kostbaren schat. Een van Dou\'s meest bekende leerlingen is Frans van Mieris. Potters stieren en ossendriften, bovenal zijn „stier,quot; Ruisdaals landschappen en Wouwermans paarden, op jachten of paardenmarkten voorgesteld, hadden een groeten naam.

§ 23.

Het stadhouderschap van Willem II.

De vrede van Munster, waarvan het Nederlandsche volk, een halve eeuw jaren geleden, het tweede eeuwgetijde beleefde, was een gewichtige gebeurtenis, zoo voor Europa in \'t algemeen, als voor de Republiek in \'t bijzonder. Een volledige zegepraal bekroonde de langdurige worsteling der vaderen. Die vrede bevestigde de vrijheid van geweten, met hun bloed gekocht; die vrede verkondigde \'s lands onafhankelijkheid , in den bangen kamp verworven; hij kende aan het Gemeenebest de aanzienlijke volkplantingen toe, in Oost en West veroverd, en deed het onder de staten van Europa, als den rijksten, ver-lichtsten en gezegendsten optreden. Nederland, het schild der vrijheid, het bolwerk van het protestantisme, werd thans als een zelfstandige staat erkend, ook door die mogendheden, welke na het sluiten van het twaalfjarig bestand nog een weifelende houding hadden aangenomen. Gelijk met den Westphaalschen vrede de toestand van Europa aanmerkelijke wijzigingen onderging, daar, naast de zucht tot uitbreiding van \'t grondgebied, de belangen van den handel nu, in plaats van die van den godsdienst, de voornaamste drijfveer werden van de politiek der kabinetten , zóó nam ook de buitenlandsche staatkunde der Republiek een andere richting. De zienswijze, gedurende de laatste jaren van den oorlog opgekomen, werd een onwrikbare overtuiging van Nederlands staatsmannen (zie blz. 168). Niet Spanje, maar Frankrijk was van nu aan het aanhoudend voorwerp der bezorgdheid van de Republiek. De Zuidelijke Nederlanden werden thans als een beveiligende voormuur tegen Frankrijk aangemerkt. Beletteden ook de oorlog met Spanje en de woelingen der fronde {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 111 vgl.) Frankrijk den wrok, dien het wegens het sluiten van den vrede tegen Nederland had opgevat, anders te toonen dan door \'t belemmeren van den handel, die wrok was diep geworteld en bleef bestaan. Met Spanje daarentegen was de verzoening oprecht gemeend: Philips IV zond reeds in 1649 An ton ie Brun (zie blz. 170) als gezant naar \'s Gravenhage.

Met den anderen nabuur. Groot-Britannic1, was de verstandhouding der Republiek ten tijde van den vrede ook niet zeer innig. Daar

-ocr page 206-

1S8

te Amsterdam, te worden genoemd, die het leven van de Ruiter en de geschiedenis der hervorming in proza te boek stelde.

Met de ontwikkeling der letteren hield die van sommige kunsten ongeveer gelijken tred, bovenal die der schilderkunst. Had België Rub-bens en van Dijk, welke moeilijk waren te evenaren, Nederland kon op vele hunner tijdgenooten bogen, die in het schilderen van huiselijke tafereelen of van voorwerpen, aan de natuur of aan het leven ontleend, een zeldzame hoogte bereikten. De beroemdste der Nederlandsche historieschilders is Rembrandt (eigenlijk Rembrandt Harmens van Rijn, omdat hij in de nabijheid dier rivier te Leiden is geboren), die van 1608 tot 1669 leefde. Hij vormde zichzelf zoo goed als geheel en bezocht nooit Italië, die kweekschool van zoovele voortreffelijke meesters. Na van een paar zeer middelmatige schilders de behandeling van het penseel en het mengen der kleuren te hebben geleerd wijdde hij zich am een steeds diepere studie der natuur. In eigen waarneming, vooral van de weerkaatsing van \'t licht, zocht en vond hij zijn kracht. Zoo verdiepte hij zich b.v. een ganschen dag in de beschouwing van een boom, die des morgens door de opkomende zon half, des namiddags geheel werd verlicht en des avonds bij de laatste stralen der ondergaande zon als verguld scheen. Zóó leerde hij op geheel eenige wijze met lichi; en bruin te werken en met zijn kleuren als te tooveren. In dit opzicht kon geen schilder hem evenaren. Ook in de ordonnantie, d.i. in hetgroepeeren of schikken der figuren of beelden, was hij een meester. Eveneens muntte hij uit in de uitdrukking der gemoedsbewegingen. Daarentegen ging hij, ten aanzien van het kostuum , geheel willekeurig te werk, zich in \'t minst niet bekommerende om \'t verschil van tijden en volkeren. Vermaard zijn zijn „nachtwachtquot; en zijn „openbare les in de ontleedkunde (van Dr. Tulp).quot; Andere bekende stukken van Rembrandt zijn: „Christus aan het kruis,quot; „Simeon in den tempel,quot; „Ahasuerus en Esther,quot; „de opwekking van Lazarus,quot; „Christus de wisselaars uit den tempel verdrijvende.quot;

Rembrandt behoort tot de weinige oorspronkelijke meesters, wier namen met gulden letteren in de geschiedenis der Europeesche schilderkunst staan opgeteekend. Dit erkende ook zijn vaderland in \'t jaar 1852 door \'t oprichten van een standbeeld te zijner eer op de Botermarkt te Amsterdam, de stad, waar hij \'t grootste deel van zijn leven had gesleten. Gelijk Rembrandt vervaardigde van der Helst een menigte portretten van vrienden of historische personen naar het leven. Doch van alle schilderijen van van der Helst is er geen beroemder dan „de schuttersmaaltijd.quot; Bakhuizen en van de Velde schilderden zeestukken. Jan Steen en Gerard Dou, een leerling van Rembrandt, stelden stillevens of kluchtige tooneelen uit het huiselijk leven op het doek voor, de eerste b.v. „een bruidegom en bruid, beide bejaard, in tegenwoordigheid van een notaris, die op het punt staat wat zij willen op te teekenenquot;; de laatste, uitmuntende door \'t geduld, waarmede hij werkte, „de avondschoolquot;, „een kwakzalverquot; en „een kluizenaar,quot; ten

-ocr page 207-

189

voeten uit geteekènd. Ongeveer een eeuw na zijn dood kocht Katharina II van Rusland {A/g. Geschied. III, 7de druk, blz. 189, 193 vg].)in 1771 een van Dou\'s meesterstukken voor ruim 14,000 gl. Maar het schip, dat het stuk met andere schilderijen zou overvoeren, werd door storm beloopen en de zee verslond den kostbaren schat. Een van Dou\'s meest bekende leerlingen is Frans van Mieris. Potters stieren en ossendriften, bovenal zijn „stier,quot; Ruisdaals landschappen en Wouwermans paarden, op jachten of paardenmarkten voorgesteld, hadden een grooten naam.

§ 23.

Het stadhouderschap van Willem II.

De vrede van Munster, waarvan het Nederlandsche volk, een halve eeuw jaren geleden, het tweede eeuwgetijde beleefde, was een gewichtige gebeurtenis, zoo voor Europa in \'t algemeen, als voor de Republiek in \'t bijzonder. Een volledige zegepraal bekroonde de langdurige worsteling der vaderen. Die vrede bevestigde de vrijheid van geweten, met hun bloed gekocht; die vrede verkondigde \'s lands onafhankelijkheid, in den bangen kamp verworven; hij kende aan het Gemeenebest de aanzienlijke volkplantingen toe, in Oost en West veroverd, en deed het onder de staten van Europa, als den rijksten, ver-lichtsten en gezegendsten optreden. Nederland, het schild der vrijheid, het bolwerk van het protestantisme, werd thans als _een zelfstandige staat erkend, ook door die mogendheden, welke na het sluiten van het twaahjarig bestand nog een weifelende houding hadden aangenomen. Gelijk met den Westphaalschen vrede de toestand van Europa aanmerkelijke wijzigingen onderging, daar, naast de zucht tot uitbreiding van \'t grondgebied, de belangen van den handel nu, in plaats van die van den godsdienst, de voornaamste drijfveer werden van de politiek der kabinetten , zóó nam ook de buitenlandsche staatkunde der Republiek een andere richting. De zienswijze, gedurende de laatste jaren van den oorlog opgekomen , werd een onwrikbare overtuiging van Nederlands staatsmannen (zie blz. 168). Niet Spanje, maar Frankrijk was van nu aan het aanhoudend voorwerp der bezorgdheid van de Republiek. De Zuidelijke Nederlanden werden thans als een beveiligende voormuur tegen Frankrijk aangemerkt. Beletteden ook de oorlog met Spanje en de woelingen der fronde [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 111 vgl.) Frankrijk den wrok, dien het wegens het sluiten van den vrede tegen Nederland had opgevat, anders te toonen dan door \'t belemmeren van den handel, die wrok was diep geworteld en bleef bestaan. Met Spanje daarentegen was de verzoening oprecht gemeend: Philips IV zond reeds in 1649 An ton ie Brun (zie blz. 170) als gezant naar \'s Gravenhage.

Met den anderen nabuur. Groot-Britannië, was de verstandhouding der Republiek ten tijde van den vrede ook niet zeer innig. Daar

-ocr page 208-

190

had men het met onverschilligheid aangezien, dat de langdurige oorlog ten laatste een eind nam. Hiervan waren de binnenlandsche oneenig-heden, waardoor Engelands rust werd verstoord, de oorzaak. In 1648, toen de vrede tot stand kwam, had de partij van \'t parlement niet alleen gezegevierd; doch zij had ook den persoon des konings in haar macht. Deze uitkomst bracht de Republiek in een moeielijken toestand. Den jongen stadhouder, Willem II, trof het lot zijns schoonvaders diep. Van den anderen kant drong Holland, ter wille van den handel, zoo niet op begunstiging van de bovendrijvende partij, dan toch op stipte onzijdigheid aan. \'s Konings beide zonen. Karei en Jakob, vroegen de Sraten-Generaal tevergeefs om hulp. Één openlijken stap meenden zij echter niet te mogen achterwege laten; zij zonden een plechtig gezantschap naar Londen ten einde te pogen ten minste het leven van Karei I te redden. Geen van Europa\'s koningen, maar een republiek trad voor Karei in de bres. Doch ook toen deze poging vruchteloos bieek te zijn, riep de Republiek haren gezant niet uit Engeland terug. Twee redenen van ontevredenheid gaf Nederland echter aan het parlement. De Staten-Generaal erkenden Karei II als koning en weigerden gehoor te geven aan de twee gezanten of residenten der Engelsche Republiek te \'s Gravenhage, Waker Strikland en Izaak Doreslaar. De laatste was een geboren Nederlander, die zich vroeger in Engeland had gevestigd en in het proces van Karei I, ten behoeve van \'t parlement, als een der openbare aanklagers tegen den koning zou zijn opgetreden, indien deze vorst niet had geweigerd de wettigheid zijner rechters te erkennen. Op zekeren dag nu van de maand Mei 1649 werd Doreslaar in den Haag vermoord. De euveldaad geschiedde in een herberg dier stad, „de Zwaanquot; geheeten, in \'t bijzijn van andere lieden, met welke hij aan tafel zat. Van de daders en de medeplichtigen, verbannen Engel-schen en Schotten, werden in \'t volgende jaar sommigen in Schotland gegrepen en ter dood gebracht.

Eveneens stond Nederland op geen goeden voet met Portugal (zie blz. 164). Evenmin waren de betrekkingen met Zweden, fier op de rol, die het in den dertigjarigen oorlog had vervuld, en nauw verbonden met Frankrijk, van vriendschappelijken aard. Tusschen Denemarken integendeel en de Republiek heerschte veel welwillendheid. Met den keizer van Duitschland waren in den laatsten tijd geen betrekkingen aangeknoopt. Doch behalve de nabuurschap moest de verandering van standpunt van Nederland ten opzichte van Spanje ook gunstig werken op de verhouding tot dit rijk.

In tegenspraak met hetgeen de natuurlijke loop der zaken scheen mede te brengen, dat de vrede de voorlooper zou zijn van een tijdperk van rust, moest Nederland het ten tweeden male beleven, dat de buiten-landsche oorlog slechts was geweken om plaats te maken voor binnenlandsche tweedracht. Van het sluiten der unie af en sinds den afval van Philips II had Holland steeds aan de spits gestaan en was in de hache-

-ocr page 209-

191

lijkbte omstandigheden de baanbreker geweest. Met Zeeland had men \'t eerst het Juk van den dwingeland afgeschud. Holland had door zijn verzet tegen Leicester een einde gemaakt aan de landvoogdij van dien vreemdeling. Over \'t geheel was Holland verreweg het rijkste gewest en droeg alleen meer in de algemeene lasten dan de zes andere gewesten tezamen. Wat Holland was tegenover de andere leden der unie was wederom Amsterdam ten opzichte der andere steden dezer provincie. Is het vreemd dat een gewest en een stad. die op zulk een verleden konden terugzien en zich bewust waren van hun meerderheid, een zekere fierheid en, bij verschil van meening, eenige onverzettelijkheid aan den dag legden ? Dit niet alleen. Kende het geschreven recht der unie Holland, bij de beraadslaging over \'s lands gemeenschappelijke belangen, maar één stem toe, de wet der rede eischte voorzeker, dat gelijke lasten gelijke rechten gaven. Ook zoude Holland zich deze gelijkstelling met andere, minder machtige provinciën voorzeker niet hebben laten welgevallen, zoo het niet die anderen had noodig gehad om zichzelf te dekken.

Overeenkomstig hetgeen vroeger was bepaald (zie blz. 168, 169) was Willem II in 1647 en in 1648 zijn vader in al zijn bedieningen opgevolgd, ook in het stadhouderschap van Groningen en van Drente. Dit opvolgen van den prins greep onder gunstige voorteekens plaats. Hoezeer hij van begeerte brandde om den oorlog gaande te houden had hij zoo duidelijk getoond, dat dit door de staten van Holland zeer euvel werd opgenomen. Hierbij kwam de zaak van Karei I, die sedert 1647 een gevangene zijner onderdanen was. Willem zocht in \'t volgende jaar de Staten-Generaal te bewegen zich voor zijn schoonvader in de bres te stellen; maar Holland en Zeeland wilden zich het in macht zoozeer aangroeiende parlement niet tot vijand maken. Dus moest hij de zaak opgeven, die hij tot dusver met geld had gesteund, zelfs in die mate, dat hij zware schulden had moeten maken en voor een half millioen aan landgoederen had verkocht.

\'s Prinsen weinige ingenomenheid met den gesloten vrede kennende, deden de staten des lands wat zij konden om hem zooveel mogelijk genoegen te geven. Door de Staten-Generaal werd hem, op een bezoldiging van 3000 gl. jaarlijks, het gouverneur- en kapitein-generaal-schap opgedragen over de landen van Overmaas (zie blz. 172). Ongeveer terzelfder tijd bekleedde dit college hem met dezelfde waardigheid over Wedde en Westerwolde. Eveneens vereerden de staten van Holland hem in \'t begin van 1648 met het houtvesterschap van hun gewest en gaven hem bovendien een som van honderd duizend gl. in gereed geld ten geschenke. Getuigden deze opdrachten en deze gift van de genegenheid, die men jegens den prins koesterde, hijzelf scheen er geen bezwaar in te zien door een zijner eerste daden als stadhouder van Gelderland veler gemoed van zich te vervreemden. Nog was hij geen rond jaar stadhouder van dit gewest geweest, of hij begaf zich in den aanvang van 1649 naar Nijmegen en verlangde ten dage der

-ocr page 210-

192

verkiezing, dat de overheid dezer stad sommige personen zoude benoemen, uit welke hij nieuwe burgemeesters en schepenen kon verkiezen. Nu had Nijmegen van ouds het recht gehad haar eigen overheidspersonen aan te stellen. Maar bij het overgaan der stad tot de partij der staten in 1591 was bepaald, dat dit recht, zoolang de oorlog duurde, aan den stadhouder zou komen. Toen dus de prins den zoo even genoemden eisch deed, weigerde de overheid hieraan te voldoen. Desniettemin ging Willem, gesterkt door een genoegzaam aantal troepen, voort en verkoos andere magistraatspersonen, die terstond, hoewel tegen hun zin en tegen dien der burgerij, den eed op hun bediening aflegden.

Erger oneenigheid ontstond tusschen Willem II en Holland. De vrede deed de Republiek een aanzienlijk deel harer inkomsten verliezen. Gedurende den oorlog toch trok men een groote som uit verbeurdverklaringen, brandschattingen, brieven van vrijgeleide, enz. Deze bron van inkomsten hield nu op te vloeien. Het financiewezen van Holland bevond zich in een ongunstigen toestand. Reeds in 1634 bedroegen de jaarlijksche uitgaven van Holland 8,000,000 gl. meer dan de inkomsten. Alleen aan achterstallige soldij had Holland in 1649 ruim 3,660,000 gl. te betalen. Alle schulden van dit gewest werden op 140,000,000 gl. begroot. Daarom waren de staten dezer provincie ernstig bedacht op bezuinigingen ten einde te verhoeden, dat den ingezetenen zwaardere lasten werden opgelegd. Hiermede kwam de denkwijze van de staten der andere gewesten overeen. Dus besloten de Staten-Generaal o.a. in Mei i64(), dat de afgezanten der vreemde mogendheden van nu aan niet langer op kosten van den staat zouden worden gehuisvest. Deze en dergelijke zwakke middelen waren evenwel niet in staat de kwaal te genezen. Men besefte, dat de besparing van groote sommen niet anders dan op het krijgswezen kon worden gevonden. Te dien einde sloeg de raad van state voor , dat men elk eskadron of elke vaan ruiters met veertig man en elke afdeeling, compagnie of vendel voetvolk met vijftig of dertig man zou verminderen, de sterkste compagnien n. 1. met vijftig, de zwakste met dertig. Holland daarentegen verlangde, dat men van elke compagnie voetvolk, zonder onderscheid, vijftig man zou laten vallen. Dit achtten de overige gewesten verkeerd. Hierop schreven de gecommitteerde raden van Holland de oversten van \'t krijgsvolk, ter betaling of repartitie van dit gewest staande, aan, dat zij, na den 20sten Juli 1648, niet anders dan op den voet der door hen voorgeslagen vermindering zouden betalen. De overige gewesten, ofschoon eerst verstoord over dezen maatregel, eindigden met toe te geven.

In October van \'t volgende jaar wilde Holland nog een afdanking, die de Staten-Generaal en de prins niet konden goedkeuren. Toch ontsloegen de gecommitteerde raden op nieuw een aantal manschappen uit den dienst. Tegen dezen stap verklaarden zich de raad van state, Willem II en Willem Frederik. De raad van state verlangde, dat de Staten-Generaal Holland belettedeu zijn besluit uit te voeren. Na een

-ocr page 211-

193

hevige woordenwisseling tusschen de afgevaardigden ter Generaliteit van Holland en die der overige gewesten lieten de Staten-Generaal brieven afgaan aan de bevelhebbers der troepen, houdende verbod om te gehoorzamen aan den last der Staten van Holland. Toch bleef ook deze afdanking in stand, onder voorwaarde dat zij op naam van de Staten-Generaal en van den raad van state geschiedde. Maar dit was slechts een der geringste moeielijkheden : er waren grootere te vereffenen.

De staten van Holland drongen er op aan, dat men vijftig compagnien vreemdelingen afdankte in plaats van de vijftig compagnien landzaten, die in 1628 waren geworven op voorwaarde dat zij slechts zes maanden in dienst zouden blijven, en die sedert steeds voor rekening van Holland waren aangebleven; dat men het getal compagnien van alle uitheemsche regimenten tot tien zoude beperken en de helft der ruiterij afdanken. Hiertegen waren de Staten-Generaal en de prins. Nu verklaarden de staten van Holland den isten December 1649, dat, indien men niet toegaf, zij ten aanzien van negen-en-twintig compagnien — zooveel betaalden zij van de vijftig, die in geschil waren, — zouden doen zooals zij zouden meenen te behooren. Een voorslag, dien hun de prins deed en waardoor gedeeltelijk, doch niet geheel werd te gemoet gekomen aan Hollands begeerte, wezen de staten van dit gewest van de hand. Andere voorslagen volgden, die evenmin tot een gewenschte uitkomst leidden, totdat eindelijk den gden April 1650 de staten van Holland, eer zij met het op handen zijnde Paaschfeest uiteengingen, vreezende dat men slechts uitstel zocht, aan hun gecommitteerde raden bevel gaven de besluiten uit te voeren, van tijd tot tijd nopens de afdanking door hen genomen. Hiervan verwittigd, hielden de Staten-Generaal op Paasch-zondag, den loden April, een vergadering en verzochten den prins en den raad van state te beletten, dat deze maatregel werd ten uitvoer gelegd. Inderdaad staakten de gecommitteerde raden van Holland, op een schrijven der Staten-Generaal, voorshands het afdanken. In Mei werden van weerszijden nogmaals verschillende schikkingen voorgesteld, die evenwel telkens werden verworpen. Ten laatste besloten de staten van Holland op Maandag den 3osten Mei ter Generaliteit niet langer over de zaak te spreken, maar voort te gaan met het uitvoeren hunner vroegere besluiten. Vruchteloos was een verzoek der Staten-Generaal om terug te komen op dit besluit. De brieven aan de kapiteins van eenendertig compagnien voetvolk en van twaalf eskadrons ruiterij werden afgezonden, en de leden der vergadering van Holland scheidden den 4den Juni, zijnde de Zaterdag vóór Pinksteren.

Inmiddels viel iets anders voor, dat de gemoederen nog meer verbitterde. De admiraal Witte Cornellsz. de Witte, vroeger ter verdediging van de bezittingen der West-Indische compagnie naar Brazilië gezonden, keerde op eigen gezag naar het vaderland terug. Men had hem op het Recif aan alles gebrek laten lijden, weshalve hij zeide, dat op den hongerberg, zooals hij deze sterkte noemde, meer zorg

Wijnne, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 13

-ocr page 212-

194

werd gedragen voor een hond, dan voor een admiraal, en dat hij liever de Turken dan de compagnie wilde dienen. In \'t laatst van April 1650 teruggekomen, werd hij op bevel van den prins en in overleg met eenige leden der Staten-Generaal te \'s Gravenhage in hechtenis genomen. Eveneens lieten de Staten-Generaal eenige zijner kapiteins te Amsterdam en te Rotterdam gevangen nemen. De staten van Holland verklaarden dit alles te houden voor een schending van hun grondgebied en voor een inbreuk op hun souvereiniteit. Nog verder ging de overheid van Amsterdam: zij voegde de daad bij het woord. Na de gevangenen vruchteloos te hebben opgedscht liet zij den kerker met geweld openbreken en de kapiteins in vrijheid stellen. Vervolgens verzochten de staten van Holland Zijn Hoogheid de Witte insgelijks te ontslaan. Na eenig dralen gaf de prins, ziende dat de staten zich gereed maakten eveneens te handelen als de burgemeesters van Amsterdam, gevolg aan dit verzoek. Hierop werden een paar rechters uit de collegiön der admiraliteit aangewezen om vonnis in de zaak te vellen, die den admiraal in \'t jaar 1651 tot een geldboete veroordeelden.

Maar laten wij den gang van het hoofdverschil verder gadeslaan. Na kennis te hebben gekregen van den beslissenden stap der staten van Holland begaven zich de beide stadhouders en de gansche raad van state naar de buitengewone vergadering der Staten-Generaal, die op Zondag den sden Juni was belegd. Dit college verzochten zij met hen de hand er aan te houden dat de voorgenomen afdanking niet plaats greep en te overwegen, wat in deze gewichtige aangelegenheid verder behoorde te worden gedaan. Op voordracht van den prins droeg de vergadering haar griffier Cornelis Musch op een ontwerp op te stellen van hetgeen haar stond te doen, waarop men nog denzelfden dag zou besluiten. Naar gemeld wordt weifelden de leden, het ontwerp hoorende voorlezen, eerst; doch een toespraak van den prins bracht te weeg dat een zeker aantal leden er voor werd gewonnen. Het getal leden, dat van wege de meeste gewesten de vergadering bijwoonde, was gering. Friesland en Overijsel hadden er slechts één afgevaardigde, Groningen maar twee. Weldra stemden Zeeland, Overijsel en Groningen er voor. De afgevaardigde van Friesland, uit beginsel niet durvende toestemmen en den moed missende om Zijn Hoogheid tegen te spreken, verwijderde zich zonder van zijn gevoelen te doen blijken. De negen afgevaardigden van Gelderland verklaarden zich tegen het ontwerp, zóó ook Holland. Doch Utrecht, dat er insgelijks tegen was, liet zich overhalen om zijn stem niet uit te brengen. Zóó kwam het besluit van den sden Juni 1650 tot stand, waarin men bepaalde, dat aan de kapiteins der troepen tegenbevel zou worden gezonden; dat een aanzienlijke bezending zou rondgaan bij alle leden van de staten van Holland om hen over te halen zich van alle afzonderlijke afdanking van krijgsvolk te onthouden; dat Zijn Hoogheid zou vaststellen, door wie die bezending moest worden gedaan; eindelijk

-ocr page 213-

195

dat de prins werd verzocht alle zoodanige maatregelen te nemen, waardoor de rust bewaard bleef en de unie werd gehandhaafd.

Terecht heeft men gezegd, dat de Nederlandsche leeuw op de tijding van dit besluit ontstelde. De afgevaardigden van Gelderland betuigden, dat zij zich voorbehielden op de eerstkomende vergadering op het besluit aan te merken wat zij noodig achtten. Die van Holland lieten terstond opteekenen, dat zij er zich tegen verklaarden en dat het besluit was genomen tegen de gewone orde. Gelijk men ziet was het dan ook, verre van met eenparige stemmen, slechts met een flauwe en met moeite verkregen meerderheid een besluit geworden. Op die wijze beslisten eenige weinige personen, zonder naderen last te hebben gevraagd aan hen, in wier naam zij zaten, over het lot der Republiek.

Hoewel de bedoeling der Staten-Generaal klaarblijkelijk niet was geweest, dat de prins zelf deel zou nemen aan de bezending, stelde hij zichzelf aan \'t hoofd en ging weldra op reis. Hij voegde zich eenige leden der Staten-Generaal toe, o.a. Alexander van de Capelle, heer van Aartsbergen (nabij Schoonhoven), die omtrent hetgeen hij beleefde Gedenkschriften heeft nagelaten, alsmede een paar leden uit den raad van state. Ten einde aan de bezending meer luister bij te zetten en dieper indruk te maken werden zij begeleid door ongeveer vierhonderd officieren van hoogeren en lageren rang. De eerste stad, die de gemachtigden bezochten, was Dordrecht, waar de oud-burgemeester Jakob de Witt het woord tot hen voerde en vanwaar zij, zonder de gewenschte belofte te hebben bekomen, weder vertrokken. Nog minder slaagde de bezending te Delft, te Amsterdam en te Haarlem, waar de vroedschap weigerde haar gehoor te verleenen. De stad Medemblik liet de heeren weten, dat zij hen zelfs niet binnen haar muren kon ontvangen. Inzonderheid werden te Amsterdam scherpe woorden geuit. Men begon met den prins, als gezonden door de Staten-Generaal, gehoor te weigeren. Hierop verzocht hij, dat men hem als stadhouder in den raad ontving en te woord stond, er evenwel bijvoegende dat hij de hoedanigheid van gemachtigde der Staten-Generaal niet aflegde. De burgemeesters antwoordden, dat de bediening van stadhouder hem geenszins de bevoegdheid gaf om de zittingen van de vroedschappen der steden van Holland bij te wonen. Dus zag de prins zich verplicht ook vanhier onverrichter zake te vertrekken. Maar te Gorinchem, te Schoonhoven, te Brielle, te Rotterdam, enz. kwam de raad bijeen, hoorde het voorstel aan en gaf eenig antwoord zonder zich evenwel te verbinden tot hetgeen de bezending verlangde.

De staten van Holland namen, na het stuk der bezending in hun vergadering te hebben overwogen, een besluit, waarbij zij de geheele handeling, als zonder voldoende redenen en tegen alle recht en billijkheid gepleegd, plechtig afkeurden. Tevergeefs trachtte de prins het te doen intrekken. Vervolgens werden over de hoofdzaak, het stuk der afdanking, weder nieuwe onderhandelingen tusschen de staten van Hol-

13*

-ocr page 214-

196

land en den prins geopend. Hierbij naderden de beide partijen elkander op zoo korten afstand, dat Holland ten laatste slechts 300 ruiters en ruim 300 voetknechten meer dan Willem II uit den dienst wilde ontslaan. Bij die nadere onderhandelingen toonde Willem II eenige geraaktheid wegens hetgeen hem hier en daar was wedervaren, wat, gevoegd bij het verschil van meening, verhinderde dat men eenstemmig werd. Terwijl alzoo de een niet voor den ander wilde zwichten, liet de prins den 3osten Juli 1650 de heeren Jakob de Witt, oudburgemeester van Dordrecht en lid der gecommitteerde raden van Holland, de Waal, burgemeester, en Ruil, pensionaris van Haarlem, Duist van Voorhout, burgemeester van Delft en lid der gecommitteerde raden, Nanning Keizer, pensionaris van Hoorn, en Nikolaas Stellingwerf, pensionaris van Medemblik, aanzeggen dat hij hen wenschte te spreken. Een der vertrekken van het gebouw te\'s Gravenhage, dat „het hofquot; heette, zijnde binnengetreden, werden zij in \'s prinsen naam iu hechtenis genomen. Men ziet, dat het voorbeeld, door Maurits ten aanzien van Oldenbarnevelt, de Groot en Hogerbeets gegeven, vruchtbaar werkte op Willem II. Tevens merkte men op, dat dezes, met uitzondering van den pensionaris van Hoorn, juist die leden der staten van Holland waren, welke werden afgezonden door de steden, waar de prins niet zeer heusch was ontvangen. Onmiddellijk verzocht Willem II den raadpensionaris Cats het gebeurde aan de staten van Holland mede te deelen, alsmede dat hij de troepen had afgezonden om Amsterdam te verrassen, het een en ander op grond van \'t besluit der Staten-Generaal van den 5den Juni. Terzelfder tijd werd dit college in kennis gesteld van \'t geen was geschied. Den 31 sten Juli liet de stadhouder de zes heeren naar Loevestein brengen, waar zij, elk in een afzonderlijke kamer, werden opgesloten en nauw bewaakt. Welken indruk de mede-deeling van den stadhouder op Cats maakte zegt hijzelf;

„Ik stond hierop versteld, als van een zeldzaam wonder;

Mijn brein was omgeroerd als van een grooten donder.quot;

Inmiddels waren de troepen, die in last haden Amsterdam te bezetten en onder \'t bevel stonden van Willem Frederik, reeds den atjsten dier maand opgebroken. Het voornemen van den prins was zonder gewelddadigheden een sterke bezetting te Amsterdam te leggen en dan de vroedschap te veranderen. Een gedeelte van \'t krijgsvolk kwam op den bepaalden tijd in de nabijheid van Amsterdam, te Abkoude. Maar een ander gedeelte, des avonds van Hilversum (ten z. van Naarden) opgebroken, geraakte door het ontstuimig weder en door de duisternis van den nacht aan het dwalen. Naar men zegt bracht een heelmeester, bij Hilversum wonende, zonder opzet het zijne tot de verwarring toe. Hij had, daartoe verzocht door een paar officieren, beloofd een lantaarn voor een der ramen van zijn huis te plaatsen om aan te duiden,

-ocr page 215-

197

dat men, om te Amsterdam te komen, den weg tegenover dit raam moest inslaan. Doch uit hoofde van den plotseling opkomenden regen en wind had hij \'t licht, na het een tijdlang te hebben laten staan, weder weggenomen. De Hamburger postbode, op zijn reis naar Amsterdam te midden dier rondzwervende troepen geraakt, bracht op den vroegen morgen van den 3osten Juli te Amsterdam het bericht, dat eenige duizenden ruiters tegen de stad in aantocht waren. Men meende, dat het óf Zweedsche troepen zouden zijn, daar een deel van \'t leger dezer natie zich in de Zuidelijke Nederlanden ophield, of krijgsbenden uit Lotharingen, die zich dikwijls op de grenzen der Republiek vertoonden. Van de vier burgemeesters was maar één, Cornells Bicker, op dat oogenblik tegenwoordig. Onverwijld nam hij alle vereischte maatregelen ten einde Amsterdam in staat van tegenweer te stellen. De schutters en de bezetting kwamen in \'t geweer, het geschut werd op de wallen geplant, waardgelders geworven, oorlogschepen in \'t IJ gelegd. Geheel onvoorbereid had men evenwel niet behoeven te zijn. Reeds drie weken tevoren hadden verscheiden kooplieden der stad en te Haarlem uit Londen, Dantzig en andere steden bericht bekomen, dat Amsterdam door den prins stond te worden belegerd. Maar de tijding klonk te vreemd dan dat men er geloof aan sloeg.

De prins van Oranje, middelerwijl te \'s Gravenhage gebleven, vertrok den 3isten Juli tegen den avond naar het leger, dat voor Amsterdam lag. Inmiddels had de overheid der stad een paar zeesluizen laten openen en was op die wijze begonnen het land onder water te zetten. Op krachtigen toon had dezelfde overheid Willem Frederik te kennen gegeven, dat zij zich zou verdedigen met alle wapenen, haar ten dienste staande. Willem II alzoo, ziende dat zijn toeleg was verijdeld en vreezende dat zijn soldaten mochten verdrinken, verzocht, ten einde een geschikt voorwendsel te hebben voor den aftocht, de Staten-Generaal hem terug te roepen. Hetzelfde verzoek deden hun de staten van Holland. Eer hieraan echter gevolg werd gegeven, trad de stad, uit bezorgdheid dat de handel, die reeds veel door \'t beleg had geleden, mocht ver-loopen, en ziende dat zij niet veel steun vond bij de overige steden van Holland, met den prins in onderhandeling. Die onderhandelingen voerden den 3den Augustus tot een verdrag, hetwelk behelsde, dat Amsterdam zich in het twistgeding over \'t krijgsvolk zou voegen naar de meening der zes provinciën; dat aan Willem II, de stad bezoekende en in de vroedschap willende verschijnen, aldaar gehoor zoude worden verleend; dat Zijn Hoogheid de troepen zou doen aftrekken. Een bijzonder artikel, aan het verdrag toegevoegd en waarin de raad der stad niet dan zeer ongaarne toestemde, bevatte, dat de heeren Andries en Cornells Bicker, de eerste oud-, de andere regeerend burgemeester, voor immer van alle ambten zouden afstand doen, zonder dat evenwel deze afzetting mocht worden geacht hun tot oneer te verstrekken. Dit artikel toonde, dat de prins de persoonlijke verplichting ten eenen male voorbijzag, die hij aan de

-ocr page 216-

198

gebroeders Bicker had, aan wie hij het verschuldigd was, dat de stad Amsterdam hem, eenige maanden geleden, 150,000 gl. ten geschenke gegeven en 2,000,000 geleend had. Op den avond van den dag, waarop het verdrag tot stand kwam, kwamen afgevaardigden der Staten-Generaal in \'s prinsen legerplaats; maar vermits het verdrag was gesloten, vertrokken zij kort daarna weder naar den Haag.

Wat de prins, zoo de aanslag tegen Amsterdam was gelukt, met de gevangenen zou hebben gedaan schuilt in het duister. Het ergste ware zeker geweest, dat zij voor een buitengewone rechtbank waren geroepen. Doch zoover kwam het niet. Op verzoek van de vroedschappen van Delft en Dordrecht, alsmede op dat hunner verwanten werden de beide leden der staten, door de twee steden afgevaardigd, op vrije voeten gesteld. De Witt deed hierop uit eigen beweging afstand van zijn bedieningen. Tevens ontsloeg de prins de vier andere heeren, zonder verder te reppen van eenige misdaad, waarom zij zouden zijn gevangen genomen. Vervolgens liet Willem II aan de Staten-Generaal een verzegeld geschrift ter hand stellen, behelzende de redenen, die hun in hechtenisneming hadden veroorzaakt, n.1. omdat zij tegen de unie hadden gehandeld. Het geschrift bleef ongeopend. Bovendien diende hij ter vergadering van de staten van Holland een dergelijk stuk in. Dit stuk werd eveneens, op last der staten, ongelezen verzegeld en ter zijde gelegd, hetzij omdat de inhoud, die aan sommige leden bekend was, weinig beteekende, of omdat men den diep in de gemoederen verscholen liggenden wrok geen nieuw voedsel wilde geven, \'t Grootste voordeel, hetwelk de prins intusschen uit de gansche onderneming trok, was dat, overeenkomstig den vroegeren voorslag van hem en van den raad van state, de Staten-Generaal op den iSden Augustus 1650 eenparig besloten vijfenvijftig compagniön voetvolk en twaalf van de ruiterij uit \'s lands dienst te ontslaan. Op uitdrukkelijk verlangen van de afgevaardigden van Friesland en van Stad en Lande, waarmede de overige gewesten instemden, werd deze maatregel toegepast op de vreemde compagnieën, uit Franschen, uit Engelschen en uit Schotten samengesteld. Tot besluit schreven de staten van Zeeland, Gelderland, Overijsel; Utrecht en Friesland aan Willem II brieven ten einde hem dank te zeggen voor de diensten, den staat bewezen. Deze brieven strekten ter beantwoording van die, welke de prins aan de zes gewesten had gezonden, om hen te verwittigen van hetgeen hij had gedaan. Die van Zeeland gingen voor en keurden uitdrukkelijk goed al hetgeen hij had gedaan; andere, zooals Friesland en Gelderland, vergenoegden zich met in \'t algemeen te spreken, zonder opzettelijk van het gebeurde te gewagen. Van de provincie Groningen bekwam de prins geen dankzegging, daar de landdag hier toen juist niet bijeenkwam.

Zóó was dan de hoofdoorzaak der hevige geschillen weggenomen. Doch het zaad der tweedracht, met zoo milde hand gestrooid, was te welig ontkiemd, dan dat de onderlinge welwillendheid even spoedig

-ocr page 217-

199

terugkeerde. Op zichzelve beschouwd, was de vraag, of er 600 manschappen meer of minder in dienst zouden zijn, van weinig gewicht. Dit was dus niet het punt, waarop het aankwam. Wat den vorm aangaat keurden Zijn Hoogheid, de Staten-Generaal en de raad van state voorzeker terecht af dat Holland op eigen gezag soldaten afdankte. Ook was het met het oog hierop, dat Spanje en Frankrijk nog steeds met elkander in oorlog waren , voorzeker raadzaam niet te veel manschappen af te danken. Van den anderen kant is er intusschen veel, dat ten gunste der staten van Holland pleit. Het moest hun vreemd schijnen, dat Zeeland, hetwelk in \'t jaar 1626, tegen het eens gegeven consent, in \'t geheim zijn eigen oorlogslasten had verminderd, zich zoo sterktegen Hollands plannen aankantte. In vorige jaren hadden de andere gewesten altijd het voorbeeld van Holland gevolgd, wanneer dit voor een kleiner getal troepen consent gaf, dan men op dat oogenblik op de been had. Duidelijk hadden de staten van Holland aangewezen, dat de bijdrage, uit hun kas ten behoeve van \'t krijgswezen te leveren, veel lager moest worden gesteld, indien het evenwicht hunner fiancien in stand zou blijven. Te meer was dit noodig, vermits eenige provinciën steeds achterlijk bleven in het terugbetalen der sommen, indertijd door Holland boven zijn quote ten haren behoeve voorgeschoten. Onbetwistbaar was het, dat Holland geen krijgsvolk, waarvoor het eens consent had gegeven, mocht afdanken; maar het gold hier, in hoofdzaak, het vaststellen van den nieuwen staat van oorlog (zie blz. 120), en te dien aanzien was Holland even vrij als elk ander gewest. Werd in dit opzicht de zelfstandigheid van Holland geenszins geërbiedigd, dan was het even goed alsof de unie niet bestond. Aan ieder was het bekend, dat alleen ten dage van de uitbetaling der soldij de kapiteins de compagnieën voltallig hadden, doch dat deze afdeelingen doorgaans slechts uit de helft der vereischte manschappen bestonden. Dit misbruik, waardoor de kapiteins zich op ongeoorloofde wijze verrijkten en dat den staat volstrekt geen voordeel aanbracht, was het dat Holland vooral bestreed. Handelde men naar den zin dezer provincie en betaalde slechts die soldaten, welke men werkelijk in dienst had, niet de papieren mannetjes, dan was de zaak zoo goed als in orde. In de tweede plaats stond Holland er op, dat niet alleen het getal der soldaten, gelijk de prins wilde, maar evenzeer dat der officieren naar evenredigheid werd verminderd. En hiertegen, evenals tegen het aldanken der vreemdelingen, waarop Holland mede telkens aandrong, was de prins, vermits hij onder de officieren, en wat de uitheemschen betreft, vooral onder de Franschen, vele gunstelingen telde.

Al deze gronden, hoe redelijk ook, waren evenwel niet bij machte den prins te overtuigen. Hoofdzakelijk was die vasthoudendheid te wijten aan de raadslieden, wien hij zijn vertrouwen schonk. Onder hen bekleedde een eerste plaats Cornelis Musch (zie blz. 194), wiens beheer als griffier, wegens zijn afpersingen, zijn veilen aard en zijn zucht om aan

-ocr page 218-

200

zich te trekken hetgeen niet tot zijn taak behoorde, zeer wordt gelaakt, doch die een van \'s prinsen bijzondere raadslieden was. Verder woog bij Willem het gezag zwaar van Alexander van de Capelle, die van wege Gelderland, en dat van den heer van Renswoude, die voor Utrecht zitting had ter Staten-Generaal, alsmede dat van Aerssen, heer van Som-melsdijk (zie blz. 144). Ook zal menige buitenlandsche officier den prins hebben overreed niet toe te laten, dat zijn wil door Holland werd bestreden. Overweegt men dit alles, dan wordt eenigermate verklaarbaar, hoe een man, zoo jong als Willem, zich de gewelddadige stappen veroorloofde, waartegen bij hemzelf zoo menige bedenking moest opkomen. Immers zij streden (zie boven blz. 194, 195) tegen alle orde en gebruik. Ofschoon er in de geschiedenis der Republiek van dergelijre bezending nog wel een enkel voorbeeld moge zijn te vinden, was het een zeer vreemde daad. De Staten-Generaal konden geen afgevaardigden zenden aan de steden, daar die steden geen leden waren van de unie, maar slechts deelen van een gewest. Het had nu allen schijn, alsof zij, het doende, de steden wilden nopen tot verzet tegen haren souverein, d.i. tegen de staten van Holland. Wat den stadhouder aangaat, hij mocht zich er niet toe leenen de staten van Holland, wien hij als uitvoerende macht ter zijde behoorde te staan, er toe te brengen dat zij terugkwamen op een eens genomen wettig besluit. Evenmin stond het hem vrij de troepen te laten oprukken legen een der leden van den souverein van Holland, daar zijn bevoegdheid als kapitein-generaal van de Staten-Generaal zich beperkte tot den dienst te velde in tijd van oorlog. Hoe men hebbe te denken over \'t gevangen nemen van zes leden van dat lichaam, waaraan hij als stadhouder al zijn macht ontleende, s na het gezegde niet moeilijk uit te maken. Bovendien moet men geenszins uit het oog verliezen, dat de opdracht der Staten-Generaal, of liever van de weinigen, die zich voor „de Staten-Generaalquot; uitgaven, luidde om middelen van overreding, niet van geweld, te bezigen.

Was het reeds in 1643 een punt, onderhevig aan zwaren twijfel, of de unie, zonder opzettelijke bevestiging en uitbreiding, ook geschikt was voor een tijd van vrede, het nu gebeurde bewees ten volle, hoeveel recht men had daaraan te twijfelen. Helder was het uitgekomen, dat er een volstrekt gemis was aan centraal gezag; dat de grenslijn tusschen de macht der Generaliteit en die der provinciën eigenlijk niet bestond, omdat een verbond met centraal gezag tusschen onafhankelijke staten in het wezen der zaak een ondenkbaar iets is. Met het wijken van \'t gevaar, dat de overtuiging had doen geboren worden van een gemeenschappelijk belang der gewesten, den grondslag der unie, week tevens de overtuiging zelve. Het bijzonder belang woog thans bij elk gewest het zwaarst. Verkeerden de prinsen van Oranje-Nassau in een eigenaardige moeielijkheid krachtens de tweeledige betrekking, die hen eensdeels verplichtte tot bescherming van de provinciale souvereiniteit, anderdeels tot handhaving der unie, Willem II was in \'t betrachten

-ocr page 219-

201

van den laatstgenoemden plicht zoo ver gegaan, dat hij den eersten ten eenen male had verwaarloosd.

„De grimmigheid des vorsten is een bode des doods.quot; Deze spreuk der grijze oudheid werd in een anderen zin, dan de schrijver ze terneer schreef, aan Willem II bewaarheid. Hij beleefde het eind van \'t jaar, waarin de tweedracht zoo fel was uitgebarsten, niet meer. N\'aar Dieren (nabij Arnhem) vertrokken, waar hij een landgoed had, hield hij zich, in weerwil van \'t ongunstige weder van den herfst van dit jaar, zonder zich eenigszins te ontzien, zoo onafgebroken met de jacht bezig, dat hij tegen \'t laatst van October ziek werd en naar den Haag moest worden vervoerd. Reeds den 6den November overleed hij op den jeugdigen leeftijd van ruim vierentwintig jaren. Naar alle waarschijnlijkheid voorkwam zijn vroegtijdige dood groote moeielijkheden, die zich aan den gezichteinder begonnen te vertoonen. Behalve dat het lang zou hebben geduurd, eer de bestaande spanning ware verkeerd in een vriendschappelijke verhouding tot Hollands regenten, is het te vermoeden , dat de onbezonnen aanmoediging van een drom van vleiers, wien hij het oor leende, den heerschzuchtigen en hartstochtelijken stadhouder mettertijd het spoor had doen bijster worden. De onervaren prins, vol wrok tegen Amsterdam en dien slechts ten halve hebbende kunnen koelen, werd door den behendigen Franschen staatsman en vriend van Mazarin, den graaf d\' Estrades, met het lokaas van Antwerpen gewonnen. Hij stond op het punt het pas voltooide meesterstuk, te Munster tot stand gebracht , te vernietigen. Reeds was door den graaf en den prins een ontwerp-verdrag opgesteld, de dagteekening dragende van den 2osten October, waarin dezen vorst het bezit in vollen eigendom van het markgraafschap Antwerpen werd toegekend en een verdeeling van de Zuidelijke-Nederlandcn vastgesteld, overeenkomende met die, welke men in \'t jaar 1635 (zie blz. 166) had ontworpen. Dat ontwerp zou, indien het een werkelijk verdrag tusschen het Fransche hof en de Staten-Generaal ware geworden, de Republiek en Frankrijk in een dubbelen oorlog hebben gewikkeld met Spanje en met Engeland. De Stuarts moesten door de beide bondgenooten op den troon worden hersteld. Hoeveel troepen elke van de beide partijen in \'t veld zou brengen was, hoewel voorloopig, uitdrukkelijk bepaald. Maar de plotselinge dood van den prins deed het ontwerp in duigen vallen. In hem ontviel der Republiek een man, die ontegenzeggelijk groote gaven had en den staat aanmerkelijke diensten had kunnen bewijzen. Ware hem een langer leven gegund geweest, hij zou zijn vermaarde voorzaten in vele opzichten hebben kunnen evenaren, want hij was onvermoeid, dapper, ondernemend en milddadig.

-ocr page 220-

202

§ 24.

De groole vergadering. — De eerste Eng else he zeeoorlog.

De mare van \'s prinsen dood, door \'t gansche land weerklinkende, wekte, naarmate van ieders gezindheid, verschillende aandoeningen van droefheid of blijdschap. Eenige predikanten verkondigden de gemeente van den kansel, dat de staat, nu Israel geen koning meer had, was onthoofd. Te Amsterdam daarentegen legde men in \'t openbaar blijken van vreugde aan den dag en gaf rijkelijk in de armenbus. Onder anderen zamelden de diakens er in een der kerken eenige goudstukken in, in een stuk papier gewikkeld, waarop stond geschreven:

„De prins is dood.

Mijn gaaf vergroot.

Nooit blijder maar In tachtig jaar.quot;

Weldra ving men ook aan hetgeen de prins had verricht zooveel mogelijk ongedaan te maken. Nog waren er maar twee dagen sinds den dood Zijner Hoogheid verloopen, toen Dordrecht Jakob de Witt reeds in zijn waardigheden herstelde. Eerlang volgden de andere steden. De stad Amsterdam herkoos eveneens de gebroeders Bicker in de regeering. Terwijl men zich hier en daar op die wijze spoedde door woord of daad van zijn gewaarwordingen te doen blijken, had de voorzitter der Staten-Generaal, nog op den dag van\'t overlijden des stadhouders, des avonds te tien uur een vergadering belegd. Volgens \'t besluit, hier genomen, verzochten Hun Hoogmogenden de provinciën, ze tevens in kennis stellende van \'t rampspoedig ongeval, onverwijld aan haar gemachtigden zoodanige bevelen te zenden, als zij zouden vermeenen in dat tijdsgewicht noodig en heilzaam te zijn. Den i4den November, acht dagen na \'s prinsen dood, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II, geboren. Intusschen waren ook de staten van Holland bijeengekomen. Zij betuigden in de eerste plaats aan de gemachtigden ter Generaliteit van de overige gewesten, dat zij van zins waren onveranderlijk te blijven bij de unie van Utrecht, alsmede bij den hervormden godsdienst, zooals hij was vastgesteld in de synode van Dordrecht, en dat zij metterdaad wilden toonen prijs te stellen op een goede verstandhouding met de andere provinciën. Verder verwittigden zij hen, dat zij een bezending zouden doen aan hun medeleden in de unie om hun voor te stellen de staten der bijzondere gewesten te \'s Gravenhage te beschrijven, ten einde op de unie, de religie en de militie te besluiten. Dit alles duidt aan, dat de staten van Holland zich onwrikbaar hadden voorgenomen de regeering op een vasten voet te brengen, ten welken einde zij de toestemming der andere gewesten behoefden en

-ocr page 221-

203

wenschten, dat de staten dier provinciën een aanmerkelijk getal afgevaardigden naar den Haag zouden zenden. Thans immers, nu de tachtigjarige oorlog voor goed was geëindigd, scheen het noodzakelijk een vasten regee-ringsvorm aan de Republiek te geven. Hollands voorslag werd in de Siaten-Generaal goed opgenomen, en de bezendingen, die weldra naar de verschillende gewesten vertrokken, keerden binnen kort zeer voldaan terug.

Niet lang na de geboorte van den jongen prins ontstond verschil over de vraag, wie met de voogdij over hem moest worden belasr. Zoowel de weduwe van Willem II, \'s prinsen moeder, stond hiernaar, als zijn grootmoeder, de weduwe van Frederik Hendrik. Deze prinses beweerde, dat haar schoondochter, nog minderjarig zijnde, zelve wel een voogd of bezorger noodig had, en dat het stond te vreezen dat zij de goederen van haren jeugdigen zoon zou aanwenden ten behoeve van haar broeder. Karei II. Een derde mededinger was Frederik Willem, keurvorst van Brandenburg, sedert 1646 getrouwd met de oudste dochter van Frederik Hendrik, Louise Henriëtte. Na vele woordenwisselingen en nadat niet alleen het hof van Holland, maar ook de hooge raad een uitspraak in \'tgeschil had gedaan, kwamen de partijen met elkander overeen, dat de voogdij zou worden waargenomen door de prinses-weduwe aan de ééne \'.ijde en aan de andere door de prinsesgrootmoeder en den keurvorst gezamenlijk.

Middelerwijl regelden de staten van sommige gewesten in 1650 en 1651 eenige aangelegenheden van binnenlandschen aard. Genoegzaam alle stemmende steden van Holland, die het nog niet hadden, verwierven van de staten van dit gewest het voorrecht haar eigen schepenen en burgemeesters te verkiezen en \'t getal harer raadslieden te bepalen. Dit geschiedde voorheen hier en daar door den stadhouder. In de niet-stemmende steden, waar het tot dusverre altijd door den stadhouder placht te gebeuren, deden het van nu aan de staten of hun gecommitteerde raden. De staten der andere gewesten kenden aan hun steden hetzelfde recht toe, zoodat o.a. Nijmegen nu ook de bevoegdheid herkreeg haar eigen overheid te verkiezen (zie blz. 192). In Zeeland greep de verandering het diepst in. Hier was de stadhouder gewoon in alle groote steden, behalve te Goes, de „wet te bestellen.quot; Te Vlissingen en te Veere deed bij het als markgraaf. Aleer nu de staten van dit gewest nog kennis konden hebben van de geboorte van den jongen prins, verklaarden zij het recht van eerste edele voor vernietigd. Daarop kenden zij aan elke groote stad het recht toe baar eigen magistraatspersonen te verkiezen, zelfs ook aan Veere en Vlissingen, ofschoon de voogden van den jongen prins zich tegen dit laatste punt sterk verzetteden, hetgeen dan ook ten gevolge had, dat ten aanzien van deze beide steden het besluit niet werd nageleefd. Groningen en Drente benoemden Willem Frederik in November en in December 1650 tot stadhouder. Vervolgens trokken de staten van Holland het begeven van alle hooge krijgsambten, voorzoover de provincie ze betaalde,

-ocr page 222-

204

tot dat van kapitein ingesloten, aan zich, gelijk mede het benoemen van den rector der Leidsche hoogeschool. Ook het recht van gratie behielden zij zich voor. Aan \'s prinsen lijfwacht te paard gaven zij den naam „lijfwacht der staten van Holland.quot; Vruchteloos kwam het hof van Holland, dat tot dusver, met of in plaats van den stadhouder, in \'t bezit van vele der genoemde rechten was geweest, in zerzet.

Den i8den Januari 1651 opende de raadpensionaris Cats de groote vergadering of die der Algemeene Staten (zie blz. 118), alwaar ruim 300 personen tegenwoordig waren. Hoofdzakelijk kwam de rede van den raadpensionaris hierop neer, dat, vermits de Republiek, door \'t overlijden van Willem II en bij ontstentenis van een prins uit het huis van Oranje - Nassau, in staat om stadhouder en kapitein-generaal te zijn, zich in een toestand bevond, hoedanigen zij nooit tevoren had gekend, er moest worden beraadslaagd over de unie, de religie en de militie. Ten aanzien van de religie verklaarde men zich te houden aan den hervormden godsdienst, zooals hij was vastgesteld op de synode van Dordrecht, en de andere sekten oogluikend te willen toelaten. De vaststelling van het punt der unie leverde aanmerkelijke bezwaren op. De grootste moeielijkheid bestond hierin een geschikt middel te vinden ten einde de geschillen van één gewest of tusschen onderscheiden gewesten bij te leggen. De unie van Utrecht zelve was omtrent dit punt reeds vrij duister, en thans, nu een der stadhouders aan de Republiek was ontvallen, dreigde de zaak nog ingewikkelder te zullen worden. Friesland en Groningen wenschten, dat de provinciën, welke te dier tijde geen stadhouder hadden, er een zouden aanstellen. Daarentegen was het gevoelen van Gelderland, van Zeeland, van Utrecht en van Overijsel over \'t geheel, dat men de beslissing der geschillen, zoo zij slechts één gewest betroffen, zoude opdragen aan de gerechtshoven, bijgestaan door eenige leden der gecommitteerde raden of gedeputeerde staten, en van die tusschen verschillende provinciën aan eenige gemachtigden, bij voorkeur te verkiezen uit de gewesten, op welke de twisten geen betrekking hadden. Holland was van rneening, dat het aanstellen, al dan niet, van een stadhouder een aangelegenheid was, die alleen de staten van ieder gewest in \'t bijzonder, niet de groote vergadering raakte. Wat aangaat het vinden van een middel tot bijlegging der geschillen, hiertoe wilde het gaarne met de overige gewesten medewerken. Deze samenwerking van alle gewesten liep echter hierop uit, dat er niets werd vastgesteld. Een vertoog van de prinses-weduwe van Frederik Hendrik, waarin zij haren kleinzoon aan de Algemeene Staten aanbeval, werd voor kennisgeving aangenomen.

Het spreekt vanzelf, dat het derde punt, dat over de militie, waaromtrent in de beide laatste jaren zooveel was voorgevallen, inzonderheid de aandacht der vergadering bezig hield. De meeningen der onderscheiden gewesten liepen op dit stuk zeer uiteen. De eenige, die op de benoeming van een kapitein-generaal aandrongen, waren Friesland

-ocr page 223-

205

en Groningen. Met Holland, het oppergezag over de zaken van oorlog, in plaats van aan de Staten-Generaal, willende opdragen aan den raad van state, was slechts Zeeland het eens, terwijl de andere gewesten betuigden alleen dan hiertoe te kunnen overgaan, indien men er bij provinciën (zie blz. 120) ging stemmen. Alzoo sloeg men een middelweg in, langs welken een ontwerp tot stand kwam, hetwelk aller goedkeuring wegdroeg. Volgens dit ontwerp, nu een besluit der vergadering geworden, stond het uitreiken der patenten (zie blz. 120) aan de Staten-Generaal, na het advies te hebben gehoord van den raad van state. Evenwel zouden geen troepen een gewest mogen binnentrekken of er uit worden gelicht, zonder dat de staten van dit gewest of hun gecommitteerde raden de patenten medeteekenden. Verder konden de bijzondere staten het krijgsvolk binnen hun gewest op eigen patent verleggen. De troepen moesten trouw zweren aan de Staten-Generaal, aan de staten van \'t gewest, waarin zij lagen, en aan hun betaalsheeren. Ten opzichte van het begeven der krijgsambten kwam men tot geen besluit; doch daarin volgde men de meening, die de meeste provinciën als de hare hadden doen kennen, dat ieder gewest de posten begaf van \'t volk, hetwelk ter zijner repartitie stond. Eindelijk werd een plakkaat vastgesteld op het stuk der monstering van \'t krijgsvolk. Daarin werd deze zaak opgedragen aan den raad van state, alsmede aan de staten der provinciën of aan hun gecommitteerde raden, aan de laatsten n.1. voorzoover het de troepen hunner repartitie betrof of krijgsvolk, dat gezamenlijk met die troepen op dezelfde plaats in bezetting lag.

Daarmede achtte men de behandeling der drie hoofdpunten, de unie, de militie, de religie, te zijn afgeloopen. Alles, wat in de groote vergadering was besloten, werd aangemerkt als een grondwet van den staat. Hetgeen omtrent de beide eerste punten was beslist bracht de regeering op\' zoodanigen voet, dat Holland veel meer invloed kreeg op de Vereenigde Nederlanden dan het tevoren had gehad. Hadden de Staten-Generaal zich in 1618 en in 1650 krachtig doen gelden, van nu aan won de provinciale souvereiniteit zeer veld en namen de gewesten een deel terug der rechten, door hen bij de unie afgestaan. De besluiten en de overwegingen der groote vergadering leeren, dat Hollands oogmerk was, niet zich van de overige provinciën af te zonderen, 7naar zijn natuurlijke overmacht onbelemmerd te doen gelden. Holland, wanneer het op de lasten aankwam, de zenuw der Republiek, moest het middelpunt worden, waarom de andere gewesten draaiden. De invloed van Holland zou dan in de plaats komen van dier. der Staten-Generaal. Met de vraag, of er een wezenlijke centrale macht zou zijn, dan of Holland in de plaats daarvan zou treden, hing sedert 1651 de vraag omtrent \'s prinsen verheffing samen; doch zij was er aan ondergeschikt. Het hoofdpunt werd deze zaak eerst in tijden van bangen oorlog. Voor \'t overige had zij ook hierom veel beteekenis, vermits het kapitein-generaal- en admiraalschap der unie, vereenigd met het

-ocr page 224-

206

stadhouderschap over vijf en meer gewesten, het krachtigste werktuig was van de macht der Staten-Generaal.

Er waren evenwel nog andere zaken in de groote vergadering te overwegen. Zooals boven is opgemerkt (zie blz. 118 en 172), verzochten Drente en Staats-Brabant zitting te mogen hebben ter Staten-Generaal. Door een vergissing van den president en den griffer der groote vergadering waren ridderschap en eigenerfden van \'t landschap Drente, evenals de staten der overige gewesten, behoorlijk beschreven. Zij verschenen er dan ook, naar eisch gemachtigd. Maar de vergissing heeft hun niet mogen baten: zij werden stilzwijgend buiten de vergadering gehouden. Vervolgens las men ter vergadering het geschrift, behelzende de redenen, die wijlen Zijn Hoogheid hadden bewogen tot het in hechtenis nemen der zes heeren en tot den aanslag op Amsterdam, welk geschrift de raadpensionaris tot dusver onder zich had laten berusten, doch, vermits hij ontslag had verzocht uit zijn bediening, thans meende te moeten overgeven. Dit stuk werd gesteld in handen van een commissie, die hierop rapporteerde, dat het, volgens haar gevoelen, moest worden weerlegd en dat \'s prinsen daden, als in strijd zijnde geweest met de oude gewoonten en met de souvereiniteit der provincie Holland, behoorden te worden afgekeurd. Naar aanleiding van dit rapport gaven de staten van Holland een weerlegging in \'t licht van de gronden, in \'t geschrift Zijner Hoogheid uiteengezet. Ten laatste werd Holland met moeite zoover gebracht, dat het in de afkondiging eener algemeene amnestie toestemde. Hierop sloot de raadpensionaris Cats den 21 sten Augustus 1651 de groote vergadering met een aanspraak, waarin hij op zinnebeeldige wijze de plaats, waar de vergadering was gehouden, vergeleek met de werkzaamheden, door haar verricht. Hoe moeielijk de taak van den raadpensionaris in die vergadering was geweest geeft hijzelf in deze verzen van zijn Tweeentachtigjarig leven te kennen;

„Ik moest op dezen stroom met groote aandacht zeilen,

Want bij een harde kust daar moet men dikwijls peilen.

Alwie bezijden af ging treden aan de ree Die gaf zijn zwakken voet ten beste aan de zee.

De winden bliezen hard en maakten groote baren.

En bij mij was er nooit zoo holle zee bevaren.

Maar nog kwam ik er uit, doch door mijn wijsheid niet.

\'t Was Godes vadergunst, die mij ten besten ried.quot;

Kort nadat de groote vergadering was uiteengegaan, legde Cats het ambt van raadpensionaris neer. Een gevoelig verlies was dit geenszins, want een groot staatsman was Cats niet. In zijn plaats benoemden de staten van Holland nog in 1651 ten tweeden male (zie blz 161) Adriaan Pauw. Eenigen tijd hierna kenden zij de stad Amsterdam een som van 54,000 gl. toe als schadeloosstelling voor de groote kosten, die zij in \'t jaar 1650 had gemaakt.

-ocr page 225-

207

Hetgeen in 1649 hier te lande ten opzichte van de gezanten der Engelsche Republiek (zie Llz. 190) was voorgevallen werd door het parlement zeer euvel opgenomen. In \'t volgend jaar keerde de gazant der Vereenigde Gewesten, Joachimi, vermits hij nog geen nieuwe geloofsbrieven had ontvangen om gemeenschap te houden met de Engelsche Republiek, op uitnoodiging van \'t parlement, naar zijn vaderland terug. Op het afbreken der staatkundige betrekkingen zoude weldra de oorlog zijn gevolgd, zoo niet de staten van Holland, ten einde iets te doen ter bevordering eener goede verstandhouding, op hunnen naam een commissaris of gemachtigde naar Londen hadden gezonden. Dit, gevoegd bij den dood van den prins, gaf het parlement grond om te meenen, dat er in de denkwijze der zeven gewesten ten aanzien van Engeland een orakeering had plaats gegrepen. Het zond dus in 1651 een plechtig gezantschap naar dezen staat, hetwelk terstond gehoor verwierf in de groote vergadering. De bezending had in last een verbond met de Staten-Generaal te sluiten, nauwer dan ooit tusschen de beide staten had bestaan. Zij grondde haar aanvraag op verschillende overwegingen, o.a. hierop dat, nu Engeland ten gevolge der omwenteling, evenals Nederland een republiek was geworden, er meer grond was om op een duurzame verbintenis te rekenen, dan wanneer men met een koning had te onderhandelen, die ook zijn bijzondere belangen had voor te staan. Geschikter tijdstip dan het toenmalige kon er, meende zij, niet zijn tot het aangaan eener dergelijke vereeniging tusschen twee volkeren, die zoo goed als alles, godsdienst, vrijheid, belangen van handel en scheepvaart , met elkander gemeen hadden. Aan geen anderen staat, dacht zij, kon de Engelsche Republiek zich veiliger aansluiten, dan aan de Zeven Gewesten, want nergens elders, noch in Frankrijk, noch in Duitschland, was het protestantisme onafhankelijk en één met de regeering des lands. Hoe intusschen de aard van het te sluiten verbond zou zijn werd voorshands niet nader verklaard, behalve in zoover dat het moest vaststaan, dat de beide staten dezelfde vrienden en vijanden zouden hebben. De Staten-Generaal toonden zoowel daarom, als omdat zij, indien het doorging, partij zouden hebben moeten kiezen tegen Karei II, weinig geneigdheid aan den voorslag te voldoen. Alzoo riep het parlement nog in den zomer van \'t zelfde jaar zijn gezanten terug, wien het verblijf te \'s Gravenhage bovendien zeer onaangenaam was, doordien zij dagelijks allerlei hoon en beschimping van \'t grauw der stad hadden te verduren.

Wat Holland had gevreesd en van den beginne af had trachten te voorkomen gebeurde. In Oct. 1651 vaardigde de Engelsche Republiek de akte Tan navigatie uit, welke een zwaren slag toebracht aan de vrachtvaart en den tusschenhandel der Nederlanders, wier koopvaardijvloot toen grooter was dan de schepen van alle volken van Europa tezamen (zie blz. 178). Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde natiën geen andere voorbrengsels dan die van hun eigen land in de Britsche havens mochten invoeren en dat bijgevolg de waren uit vreemde wereld-

-ocr page 226-

208

deelen en uit Europa zelf grootendeels alleen op Engelsche bodems in Groot-Britannie en in de volkplantingen van dit rijk konden worden binnengebracht. Een uitzondering werd slechts toegestaan voor enkele goederen, hoofdzakelijk, voor zijde en zijden stoffen, indien zij over land uit Italië vervoerd en tegen Engelsche waren ingeruild waren. Tot bet uitvaardigen dier akte besloot het parlement deels op dringend aanhouden der Engelsche vrachtvaarders, die er zich dikwijls over hadden beklaagd, dat de kooplieden hunner eigen natie meer vertrouwen stelden in hun Nederlandsche mededingers dan in hen. Deels geschiedde het, om de Engelsche volksplanters in Virginie en op sommige der kleine Antillen, die uit hoofde hunner gehechtheid aan den koning en hunner vijandige gezindheid tegen het parlement, om hun waren over te brengen van geen andere dan van Hollandsche schepen gebruik maakten, te dwingen daarvan af te zien. Groot was het nadeel, door deze akte aan Nederlands vrachtvaart, haringvangst en visscherij in \'t algemeen toegebracht, want ook de visch werd met name onder de waren, in de akte genoemd, vermeld en mocht zelfs in geen andere dan in Britsche vaartuigen worden in- of uitgevoerd. Nog grooter werd het nadeel, toen ook andere natiën, even ijverzuchtig op den bloei der Republiek als de Engelsche, het voorbeeld van dit volk gingen navolgen. Frankrijk vaardigde in 1655 en in 1659 een verordening uit, volgens welke het omtrent ƒ 1,25 per ton hief van alle vreemde schepen, welke in zijn havens kwamen laden. Zweden en andere mogendheden stelden dergelijke bepalingen in. Toen voorzeker moest het getal der Nederlandsche vrachtschepen, hetwelk in 1651 meer dan elf duizend bedroeg, wel dalen.

Kort nadat de akte van navigatie was uitgevaardigd, vertrok een Nederlandsch gezantschap, bestaande uit Jakob Cats en een paar andere heeren, naar Engeland ten einde bezwaren tegen deze akte in te brengen, en, toen dit niet baatte, in onderhandeling te treden over een verbond van vriendschap en koophandel. Bij de onderhandelingen kwamen de Engelschen met hooge eischen voor den dag, b.v. met dien van \'t recht eener volstrekte heerschappij over de zeeën van Groot-Britannië, verlangende dat ieder dit door het strijken der vlag voor de Engelsche oorlogschepen erkende. Verder beweerden zij het recht te hebben de Nederlandsche schepen, in zee zijnde, te doorzoeken. Ook werd hetgeen ongeveer dertig jaren geleden op Amboina (zie blz. 141) was voorgevallen op nieuw opgehaald.

Intusschen waren de Engelsche oorlogschepen zelfs begonnen eenige vaartuigen der Nederlanders te nemen. Uit dien hoofde werd de lui-tenant-admiraal Maarten Harpertsz. Tromp in 1652 met een groote vloot in zee gezonden. Den 29sten Mei stiet hij op den Engelschen admiraal Blake, die op de hoogte van Dover kruiste. Hier werden zijn schepen handgemeen met de vloot van Blake, die, omdat Tromp hem niet spoedig genoeg groette, het sein gaf tot het gevecht. De nacht scheidde de kampenden, en de beide admiralen verv/eten

-ocr page 227-

209

elkander de vredebreuk. De onderhandelingen, nogmaals aangeknoopt, leidden tot niets, en de eerste zeeoorlog met Engeland was metterdaad verklaard. Een der eerste rampen, met dien krijg gepaard gaande, was het groote nadeel, dat Blake in \'t begin aan de haringvisscherij toebracht. Michiel Adriaansz. de Ruiter sloeg den Engelschen vice-admiraal Askue in 1652 bij Plymouth (in \'t z.w. van Engeland). Niet minder krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de eer der Nederlandsche vlag, zoowel in deii onbeslisten drie-daagschen zeeslag bij Portland (een schiereiland in \'t z. van Engeland, ten w. van Dorchester) in Eebr. 1653 tegen Blake en bij ter Heijde (ten z. van Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde (10 Aug.) en waar de zege eveneens twijfelachtig was, tegen Monk {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 120), als in vele andere ontmoetingen. Nog viel er in dit jaar een gevecht ter zee voor bij Livorno, waarin van Galen, die gedurende den strijd stierf aan de wonden, hier bekomen, den schout-bij-nacht Appleton versloeg. Behalve Tromp en de Ruiter hadden de With (niet de Witte, zie blz. 193), de Vries en andere zeehelden onwaardeerbare diensten aan het vaderland bewezen. De dood van Tromp, die bij het scheepsvolk zeer gezien was, was een groot verlies voor den staat. Hij was geboren te Brielle in 1596 en woonde, daar zijn vader hem in weerwil zijner jonge jaren reeds vroeg mede naar zee nam, den slag bij Gibraltar (zie blz. 133) bij. Van de laagste rangen in den zeedienst allengs tot den hoogsten opgeklommen, had hij zichzelf geheel gevormd en had hij de belangen van zijn vaderland nog door menige krijgsdaad kunnen bevorderen. De Staten-Generaal vereerden zijn nagedachtenis door in de Oude Kerk te Delft een prachtige marmeren graftombe met een toepasselijk opschrift te doen verrijzen. Onder de eerbewijzen, hem gedurende zijn leven ten deel gevallen, was ook de orde van St. Michiel, welke Lodewijk XIII hem schonk.

Wakker was Tromp bij Portland en ter Heijde bijgestaan door de Ruiter, den vermaardste der Nederlandsche vlootvoogden. Te Vlis-singen in 1607 uit eenvoudige burgerlieden gesproten, was hij eerst leerjongen in een lijnbaan, en nog wordt het rad bewaard, waaraan hij voor eenige stuivers draaide. Maar weldra werd hij naar de zee, zijn element, gezonden, waarop hij tot 1641, van licht matroos al opklimmende, voor rekening van bijzondere personen ter koopvaardij voer. In dit jaar trad hij, als kapitein ter zee en schout-bij-nacht, in dienst van den staat, doch verwisselde, na een paar jaren, dezen dienst weder voor dien zijner vroegere reeders, de heeren Lampsens. Eerst de Engelsche zeeoorlog zag hem weder aan \'t hoofd van een gedeelte der Nederlandsche vloot, dat zich onder zijn bevel wakker van zijn plicht kweet.

Na het sneuvelen van Tromp werden van de Ruiter eu van de andere vlootvoogden vooreerst geen diensten meer gevergd. De oorlog met Engeland was de schatkist op zulke zware offers te staan gekomen en de handel zoozeer verloopen, dat de rampen van den tachtigjarigen

W1JNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 14

-ocr page 228-

210

oorlog geringer schenen dan die van dezen krijg. Daarenboven drukte de schuldenlast, de erfenis van dien langdurigen strijd, nog steeds op de schouders der landzaten. Amsterdam kwijnde. De Republiek was geenszins opgewassen tegen Engeland. Zij had op dit oogenblik volkomen gebrek aan geschut, en het liet zich aanzien, dat bij het voortduren der vijandelijkheden de aanvoer uit Zweden, dat verreweg het meerendeel der voor den dienst vereischte kanonnen leverde, geheel zou ophouden, daar dit rijk tot Engelands zijde scheen over te hellen. Niet minder dan in Nederland gevoelde men in Engeland de gevolgen der stremming van handel en zeevaart, en Cromwell zag in, dat zijn gezag licht aan \'t wankelen kon worden gebracht, zoo hem de fortuin eens tegenliep. Bovenal duchtte hij, dat, indien de oorlog den prins van Oranje in Nederland op het kussen mocht brengen, deze verheffing die van Karei II in de hand kon werken.

Hier te lande wenschte Holland, hetwelk, naar gewoonte, de zwaarste lasten van den oorlog droeg en de consenten der achterlijk blijvende gewesten wederom moest voorschieten, bovenal den vrede. Onder de drangredenen, welke Hollands regenten met de zucht om vrede te sluiten bezielden, woog deze mede in de schaal, dat er in hun oog geen beter middel was om de stemmen te smoren, die op de verheffing van den prins aandrongen. Gelijk Lieu we van Aitzema, de schrijver der „Zaken van staat en oorlog,quot; een gedeelte der bouwstoffen, die hij voor dit werk verzamelde, tevens voor geld naar Engeland overmaakte , zoo werden de Witt uit Engeland de noodige berichten toegezonden , zoodat hij nauwkeurig bekend was met den toestand van dit rijk. Vandaar, dat Holland, zonder medeweten der bondgenooten, in Maart 1653 de eerste stappen in Engeland liet doen ten einde tot zijn doel te geraken. Alleen Leiden was hiertegen.

Hij, die geroepen werd het regeeringsstelsel, met Hollands inzichten strookende en op de groote vergadering ontworpen, in toepassing te brengen, was in die dagen Johan de witt, sedert 1653, naden dood van Pauw (zie bladz. 206), raadpensionaris van Holland. Hij was de tweede zoon van Jakob de Witt, twee jaar jonger dan zijn broeder Cornelis. Na zich aan de hoogeschool te Leiden op de rechtsgeleerdheid te hebben toegelegd evenwel zóó, dat hij tevens een ijverig beoefenaar was van andere vakken, hoofdzakelijk van de wiskunde, was Johan de Witt in 1650 pensionaris van Dordrecht geworden. Thans, in 1653, werd hem, in Februari, door de staten van Holland het raadpensionarisschap eerst bij voorraad opgedragen, en vijf maand daarna met algetneene stemmen voor goed.

Het waren gewichtige omstandigheden , waarin de Witt werd geroepen de staten met zijn raad te dienen. De groote vergadering en de West-phaalsche vrede hadden een nieuw tijdvak geopend, beide, voor de binnenlandsche en de buitenlandsche betrekkingen der Republiek. In de nieuwe maatschappij, die hij binnentrad, moest de jonge staat zijn

-ocr page 229-

211

plaats zoeken en het met moeite verworven goed, de zelfstandigheid en de welvaart, tegen den nijd van machtige en in kracht toenemende rijken verdedigen. Zonder de andere provinciën te hebben geraadpleegd wendde Holland zich, in Maart 1653, gelijk zoo even is gezegd, tot het parlement om te pogen eenig uitzicht op vrede te verkrijgen. Ket gevolg was dat een paar maanden later een gezantschap der Stater;-Generaal naar Londen vertrok, bestaande uit Hieronymus van Be-verningk, tot dusver schepen te Gouda en afgevaardigde der Staten-Generaal, en Nieupoort, van wege Holland, Paulus van de Perre, van wege Zeeland, en Jongestal van wege Friesland. De beide eersten, inzonderheid van Beverningk, een vertrouwd vriend van de Witt, verborgen vele hunner schreden voor hun mede-afgevaardigden. Van Beverningk en Nieupoort hielden ook geheime briefwisseling met de Witt. Dat niet alle brieven mede door Nieupoort zijn onderteekend vindt zijn verklaring ten deele hierin, dat, toen de gezanten in \'t begin van 1654 uit Engeland herwaarts overkwamen, hij en Jongestal niet zoo spoedig naar hun post terugkeerden als van Beverningk. De beide overige gezanten verzuimden geenszins bij voorkomende gelegenheid op die houding hunner ambtgenooten te wijzen en alzoo aanleiding te geven tot het vermoeden, dat de Witt, van Beverningk en zij, die in Holland met hen eenstemmig dachten, van zins waren met Engeland een verdrag te doen tot stand komen, nadeelig voor de belangen van het huis Oranje-Nassau.

Groot was het getal der aanhangers van dit huis in Nederland. Toen alzoo die argwaan, hoe ongegrond ook, begon wortel te schieten, sloegen vele dier aanhangers de handen ineen en poogden het stuk der verheffing van den prins weder op het tapijt brengen. Zeer kwam het hun te stade dat gedurende het jaar 1653 in vele steden van Holland, b.v. te Alkmaar en te Enkhuizen, onlusten ontstonden, waarbij niet alleen het gemeen sterke blijken gaf van zijn genegenheid voor het stamhuis van Oranje-Nassau. Zei ven brachten zij te weeg, dat in Juli 1653 in de vergadering der Staten-Generaal een voorslag der staten van Zeeland werd ingediend, reeds op \'t eind van \'t vorige jaar vastgesteld, houdende dat de jonge prins van Oranje zou worden benoemd tot kapitein-generaal en admiraal der unie en graaf Willem Frederik tot zijn luitenant of plaatsvervanger. Maar Holland belette dat het tot een punt van overweging werd gemaakt.

Het eerste punt, waarover de Nederlandsche gezanten, in Engeland aangekomen, met het parlement hadden te spreken, was wederom het stuk der samensmelting (zie blz. 207). Gaandeweg werd het nu eenigs-zins duidelijker wat de Britsche Republiek bedoelde. Men wilde een zoo nauwe samenvoeging der beide staten, dat zij zouden worden één volk en één gemeenebest, dat geregeerd stond te worden door een bewind , uit ingezetenen van de beide bestanddeelen van \'t geheel bestaande. Het spreekt vanzelf dat een geheele verbreking van den band, die

\'4\'

-ocr page 230-

\'212

Nederland aan \'t huis van Oranje hechtte, daarmede moest gepaard gaan. Maar vermits de gezanten op den breeden grondslag, dien het parlement wenschte te leggen, geenszins konden onderhandelen, daar de Staten-Generaal niet gezind waren tot zoodanige samensmelting der beide nationaliteiten, werden zij in November 1653 in kennis gesteld van een ander ontwerp van vrede, uitgaande van de Engelsche Republiek. Dit ontwerp bevatte o.a. de vordering, dat de Staten-Generaal, noch de staten der gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zouden aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder. Tegen dit punt en andere kwamen de afgevaardigden terstond in verzet. Inmiddels liep het jaar 1653 ten einde. Doch in de laatste maand van dit jaar grepen er nog twee gebeurtenissen plaats, die niet zonder invloed konden blijven op de onderhandelingen van het gezantschap. Een der afgevaardigden, van de Perre, stierf te Londen, en Cromwell werd protector van Groot-Britannic.

Met hem werden dus de onderhandelingen voortgezet. Hij stond vast op het stuk der uitsluiting van den prins, zeggende van oordeel te zijn, dat, indien de zoon van Willem II tot hooge waardigheden mocht komen, daaruit geschillen zouden voortspruiten tusschen Engeland en Nederland en alzoo de vrede zou worden verstoord. Naar \'t gevoelen van Cromwell had de Engelsche Republiek van geen regeerend huis in de gansche wereld zooveel nadeel en tegenkanting ondervonden als van het huis van Oranje: in den zoon van Willem II vreesde hij den kleinzoon van Karei I. De Staten-Generaal, van zoodanige daad ten eenen male af-keerig, gaven den protector in overweging, in plaats van het artikel, behelzende de uitsluiting, in het vredesverdrag de bepaling in te las-schen, dat ieder, die in \'t vervolg tot stadhouder van eenig gewest of tot kapitein-generaal en admiraal werd benoemd, zou gehouden zijn het met Engeland te sluiten verdrag te bezweren. Van zijn kant gaf Cromwell te verstaan, dat hij er genoegen in zoude nemen, indien slechts de staten van Holland hem omtrent die uitsluiting den noodigen waarborg gaven. Dit werd nu de aangelegenheid, waarover van Be-verningk, èn alleen èn met Nieupoort, in \'t geheim brieven wisselde met de Witt en die aan Jongestal, aan de Staten-Generaal en aan\'t meeren-deel der staten van Holland onbekend bleef. Ten einde te verhoeden dat de beraaddslaging over deze zaak in de vergadering der staten van Holland een oorzaak of voorwendsel werd van vertraging des vredes werd zij zoo zorgvuldig bedekt gehouden. Slechts met eenige weinige vertrouwden sprak de Witt er over. Den 23sten April 1654 werd het vredesverdrag door de Staten-Generarl bekrachtigd, den 3osten door Cromwell. Zóó kwam de vrede van Westminster tot stand. Hij bepaalde hoofdzakelijk, dat de Nederlanders, in Britsche wateren — welker omvang intusschen niet nader werd aangeduid — één of meer Engelsche oorlogschepen ontmoetende, steeds de vlag zouden strijken; dat elk van de beide staten zich zoude onthouden van \'t verleenen van

-ocr page 231-

213

bijstand aan de vijanden en aan de oproermakers des anderen; dat recht zou worden gedaan wegens het op Amboina gebeurde; dat ieder, die in \'t vervolg tot stadhouder van eenig gewest of tot kapitein-generaal en admiraal der unie werd benoemd, was gehouden een eed op dit verdrag af te leggen. Het eerst aangehaalde artikel was de vaststelling van\' een gebruik, hetwelk men, om onaangenaamheden te voorkomen, in de laatste twintig jaar toch placht te volgen. Overeenkomstig het derde betaalde men ruim 3600 pd. sterl. aan de erfgenamen der op Amboina terecht gestelden. Wat aanleiding gaf tot het vierde is boven gebleken.

Den 3den April koesterde de Witt nog de hoop dat Cromwell ten aanzien van de uitsluiting van inzicht mocht veranderen. Niet alsof hij de verheffing van den prins wenschte. Het tegendeel staat vast. Jan de Witt was — het is waar — (sedert 1655) getrouwd met een dochter van Jan Bicker, voorheen burgemeester van Amsterdam. Mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk, is het dat zijn vader het woord „Gedenkt aan Loevesteinquot; dagelijks hebbe geuit. Zeker is het, dat Jan de Witt op den vierden dag van de gevangenschap zijns vaders, in den vroegen ochtend van den sden Augustus 1650, in strijd met \'s prinsen verbod, het slot Loevestein is binnengedrongen en, voor de legerstede van den oud-burgemeester staande, met hem de middelen heeft beraamd om de geschonden eer van zijn fier geslacht te herstellen. Zulk een diepen indruk maakte \'s vaders gevangenneming op den zoon. En dat de tijd bij hem en zijn partij den indruk niet wegnam, dit belette, zoo het voor \'t overige mogelijk ware geweest, reeds de naam Loevestdnsche factie, welken de staatsgezinde partij (zie blz. 159) sinds dien tijd bij haar tegenstanders droeg.

In weerwil van dit alles heeft men in familiewrok of verwantschap niet in de eerste plaats het beginsel te zoeken van de Witts vooringenomenheid tegen het huis van Oranje-Nassau. Die vooringenomenheid stond bij hem in verband met de vaste overtuiging, dat een aristocratisch bestuur op den duur niet kon samengaan met een eminent hoofd (zie blz. 123). Hij was van meening dat slechts in tijd van oorlog een kapitein-generaal een onmisbaar dienaar der Republiek was. Had, bij de classieke opleiding, toen de eenige, welke aan jongelieden van hoogeren stand en dus ook hem ten deel viel, de studie der oudheid wellicht den grond gelegd tot die opvatting van het denkbeeld „vrijheidquot; naar oud-Romeinsch begrip, grootendeels sproot zij voort uit den stand van zaken, dien hij bij zijn komst aan \'t bewind als een gevestigden regeeringsvorm in wezen vond. De souvereiniteit kwam, volgens dat stelsel, aan de staten toe. De voorrang en \'t overwicht van Holland waren natuurlijk en redelijk. Die souvereiniteit en die voorrang waren aanhoudend in gevaar, indien de Republiek steeds een dienaar in naam, een meester in \'t wezen der zaak had, die het opperbevel voerde over een staand leger, en als stadhouder veler gewesten een zoo veelzijdigen invloed kon oefenen. Intusschen behoort men niet voorbij te zien, dat de tegenstanders van

-ocr page 232-

214

de Witt hem een te overwegenden invloed toeschrijven, indien zij vergeten, dat de meerderheid van Hollands regenten dezelfde denkwijze koesterde als hij en dat de raadpensionaris alleen niet in staat was eenig stelsel, welk dan ook, te doen zegevieren.

Doch al was de Witt geen voorstander van de belangen van \'t huis van Oranje-Nassau, daarom behoeft hij de uitsluiting van den prins in 1654 niet in de hand te hebben gewerkt. Zoolang die prins nog een kind was, stond het niet te duchten dat zijn bevordering kon worden doorgedreven tegen de zienswijze van Hollands regenten. Het kon den raadpensionaris niet anders dan onaangenaam zijn, dat het besluit der tegenwerking van den prins door een vreemde mogendheid als volstrekte voorwaarde voor \'l behoud des vredes aan Holland werd afgeperst. Hij kan niet blind zijn geweest voor de gevolgen dezer daad, voor den storm van ontevredenheid, dien de mare van \'t artikel der uitsluiting door \'t gansche land heen zou doen opsteken. Maar al deze zwarigheden moesten in zijn schatting wijken voor het overwegend belang, dat de staat er destijds bij had een zekeren vrede te erlangen.

Daar het Cromwells onherroepelijke wil was een verklaring der staten van Holland over de uitsluiting, met zijn wensch overeenstemmende, onmiddellijk na het teekenen van het vredesverdrag in handen te hebben en hij de instandhouding van den nauwelijks gesloten vrede daarvan afhankelijk stelde, werd de zaak den aSsten April en in de eerste dagen van Mei in de vergadering der staten van Holland overwogen. Vooraf legden de leden den eed van geheimhouding af, en onder dergelijken eed werden de vroedschappen der steden van he: ontwerp in kennis gesteld. Ten slotte stemden veertien leden er voor. Haarlem, Leiden, Alkmaar, Enkhuizen en Edam lieten aanteekenen, dat zij zich er tegen verklaarden. Alzoo werd de akle van seclusie of uitsluiting naar Engeland gezonden. Zij behelsde, dat de staten van Holland den prins van Oranje of een zijner nakomelingen nimmer tot stadhouder verkiezen, noch, zooveel hun stem aanging, gedoogen zouden dat hij ooit tot kapitein-generaal der unie werd aangesteld. Zoodra de akte gereed was, zond de Witt ze aan de gezanten, tevens bevelende met het uitreiken zoo lang mogelijk te dralen.

Weinige dagen nadat de akte metterdaad tot stand was gekomen, lekte het geheim uit en ontstond te dier zake van alle zijden in \'t land een groote verbolgenheid. De Staten-Generaal gelastten de afgevaardigden, te Londen vertoevende, hun een afschrift van de akte over te zenden. De prinsessen van Oranje en de keurvorst van Brandenburg dienden èn bij de Saten-Generaal èn bij de staten van Holland vertoogen in tegen de uitsluiting. Ter Staten-Generaal vroegen sommige gewesten nadere opening van zaken; andere verlangden dat het geheime artikel, als tegen de unie zijnde, werd ingetrokken. Frieslands afgevaardigden lieten zich inzonderheid zeer scherp uit, waarop die van Holland een antwoord gaven, dat niet minder puntig was. Nadat nu de akte ein-

-ocr page 233-

215

delijk aan Cromwell was ter hand gesteld, het gewenschte afschrift in handen gekomen van de Staten-Generaal en de inhoud in de bijzondere gewesten overwogen, werd er op nieuw tegen te velde getrokken, bovenal door Zeeland, Friesland en Groningen.

Toen schreef de Witt zijn meesterlijke deductie of vertoog, een uitvoerige verdediging der akte en van de wijze, waarop zij was verleend, die, met goedvinden van alle leden, behalve van Haarlem, Leiden en Enkhuizen, op naam der staten van Holland werd uitgegeven. Hierin werd o.a. uiteengezet en bewezen, dat elk gewest de vrijheid had een stadhouder te benoemen, of niet, en ter Generaliteit te stemmen voor de aanstelling van ee^ kapitein-generaal of daartegen; dat het tiende artikel der unie van Utrecht, verbiedende het sluiten van een verbond door één gewest met uitheemsche mogendheden, geenszins doelt op dergelijk verdragen, als de akte van seclusie, waarbij geen verbintenis wordt aangegaan; dat het verband tusschen art. 10 en n der unie leert, dat het niet geoorloofd is aan één gewest in dien zin een verdrag aan te gaan met een vreemde mogendheid, dat daardoor een nieuw lid in de unie komt; dat er evenwel menig voorbeeld was aan te halen van afzonderlijke verdragen, of door één gewest, of door den prins van Oranje met het buitenland gesloten; dat art. 9 wel eischte, dat er geen vrede zou worden gesloten dan met eenstemmig goedvinden der bond-genooten, doch dat het elk gewest vrij liet ten behoeve van den vrede zich eenige opoffering te laten welgevallen, welke alleen betrekking had op zijn binnenlandsche aangelegenheden; dat de akte van uitsluiting eigenlijk was te wijten aan die gewesten, welke een ontijdigen ijver voor \'s prinsen verheffing hadden aan den dag gelegd, daar Cromwell juist hierdoor op het denkbeeld was gekomen zijn eisch te doen. — Doch de deductie, hoe grondig ook, had niet het geluk de staten der zes overige gewesten te overtuigen, die haar in geschriften, opzettelijk te dien einde opgesteld, op meer of minder hevigen toon afkeurden.

§ 25.

De Staat onder de leiding- van de Witt. — De bemoeiingen der Republiek met den oorlog in \'t Noorden van Europa. — De tweede Engelsche zeeoorlog.

Het jaar 1654, zoo merkwaardig voor de Vereenigde Gewesten, was tevens belangrijk voor het huis van Oranje-Nassau doordien de keizer van Duitschland toen de graven van Nassau, met den titel van prins, tot rijksvorsten verhief. Wat de gewesten zeiven aangaat, in één daarvan, n.1. in Overijsel, ontstond te dier tijde een geschil, hetwelk gedurende een aantal jaren een groote scheuring te weeg bracht en nauw samenhing met de schier alom bestaande verdeeldheid tusschen de beide

-ocr page 234-

216

groote partijen in de Republiek. Het sproot voort uit de vraag, of de heer Rutgers van Haarsolte zou worden benoemd tot het openstaande ambt van drost van Twente. Er voor was de meerderheid der ridderschap, benevens de steden Zwol en Kampen, de stadhouderlijke aanhang. Doch vermits Deventer en de overige edelen, de staatsge-zinden, er tegen waren, splitste de vergadering der staten zich in twee partijen, die zich beide voor de staten van Overijsel wilden doen doorgaan. De partij van Haarsolte hield haar zittingen eerst te Kampen en vervolgens te Zwol, I erwijl de andere te Deventer bijeenkwam. Ruim drie jaren duurde de twist tot 1657, toen eindelijk de beide partijen de staten van Holland als scheidsrechters inriepen, die o.a. bepaalden, dat de benoeming van Haarsolte zou worden aangemerkt als niet te zijn geschied, en die over \'t geheel de rust in Overijsel herstelden. In sommige andere gewesten geraakte men ongeveer ter zelfder tijd eveneens aan het twisten over aangelegenheden van binnenlandschen aard, vooral in Stad en Lande. Hier deden de Staten-Generaal eerlang hun invloed gelden en legden de hangende geschillen bij.

Dit alles belette niet, dat welvaart en algemeene tevredenheid als de eerste vruchten van den gesloten vrede in Nederland werden geplukt. Die vrede opende weder de bronnen van handel, scheepvaart en nijverheid. De vrees, dat de akte van seclusie duurzame onlusten zou doen geboren worden, bleek ongegrond te zijn. Nu die akte eens een feit was, berustte men in \'t geen niet meer kon worden veranderd. Men had naar vrede verlangd, en bij de gedachte aan den geöindigden oorlog kwamen de gemoederen tot rust. De kwalijk gezinde predikanten verplichtte men door de bedreiging anders hun wedden te zullen inhouden de gemeente den plicht van gehoorzaamheid aan de wettige overheid voor te houden.

Van zijn kant vestigde de Witt, daar de Republiek thans op een goeden voet stond met Engeland en de eendracht in \'t land zelf hoe langer hoe meer veld won, al zijn aandacht op de binnenlandsche aangelegenheden en bovenal op het financiewezen. Dit was een tak, die dringend regeling vereischte, iets, waartoe den raadpensionaris zijn uitnemende bekwaamheden in dit deel der huishouding van den staat bij uitstek te stade kwamen. In 1655 deed hij op dit gebied den eersten stap door de renten van Hollands schuld van 5 op 4 ten honderd te brengen of, zooals men toen placht te zeggen, van den penning 20 op 25. Deze wijziging verschafte Holland een jaarlijksch voordeel van f 1,400,000. De schuldbrieven van hen, die in deze schikking geen genoegen namen, werden afgelost. De voordeelen, door den maatregel verworven, strekten tot delging van schuld. En ook wat er verder jaarlijks overschoot in Hollands kas moest, naar \'t voornemen van de Witt, tot hetzelfde doel worden aangewend. Dan zou Holland, volgens zijn berekening, in 1690 geen schuld meer hebben. Ofschoon nu de oorlogen van 1659, 1665 en 1672 die berekening hebben doen falen, is

-ocr page 235-

217

toch het bedrag van de rente der staatsschuld van Holland van 1654 tot 1672 van 6,907,709 gl. tot 5,580,956 gl. gedaald. De maatregel van de vermindering der renten werd eveneens toegepast op alle gelden, door de Generaliteit opgenomen. Verder legde de raadpensionaris den grondslag tot een betere verantwoording der gelden door de rekenplich-tige ambtenaren en regelde op billijke wijze het aandeel, door\'t Nocr-der- en Zuiderkwartier van Holland in de gemeene lasten te dragen. Aan de Witts verstandige beginselen in het beheer der geldmiddelen, echt Hollandsche spaarzaamheid in het besteden der penningen en een voortdurend streven naar vermindering der hoofdschuld, had de staat het te danken, dat hij later, onder kostbare oorlogen, zijn krediet kon handhaven. Van de ervaring van den raadpensionaris in de staathuishoudkunde geven de twee hoofdstukken, door hem geschreven in het werk van Pieter de la Court „Interest van Hollandquot; of, zooals een latere uitgave ten titel voert, „Aanwijzing der heilzame politieke gronden en maximen der Republiek van Holland en West-Vriesland,quot; de ondubbelzinnigste blijken. En met het inlasschen dier hoofdstukken vergenoegde hij zich niet. Eer het werk werd gedrukt, las hij het, op verzoek van zijn vriend de la Court, door en bracht er een groot aantal wijzigingen van meer of minder gewicht in aan.

De zuinigheid van \'s lands regeering bleek ook uit eenige maatregelen, bij het krijgswezen genomen. Niet alleen dankte men omstreeks 1655 weder een aantal krijgslieden af, maar toen in \'t zelfde jaar de heer van Brederode, door huwelijken verwant aan het huis van Oranje-Nassau en veldmaarschalk in dienst der Generaliteit, stierf, bracht de Witt te weeg dat dit ambt voorshands onvervuld bleef. In alles wat den godsdienst betreft handelde de raadpensionaris met groote gematigdheid. Terwijl hij de onverdraagzaamheid jegens de Roomsch-katholieken zooveel mogelijk beperkte, voorkwam hij de scheuring, waarmede de hervormde kerk werd bedreigd. In 1658 n.1. ontbrandde een felle strijd tusschen de Coccejanen, de aanhangers van Coccejus, eerst hoogleeraar in de Oostersche talen en in de godgeleerdheid te Franeker en sinds 1650 in \'t laatste vak te Leiden, en de Voetianen, de volgelingen van Voet, hoogleeraar in de godgeleerdheid te Utrecht van 1634 tot zijn dood in 1676. Coccejus was een voorstander van nauwkeurige grammaticale en historische uitlegging van den bijbel. Voets kracht was vooral gelegen in het handhaven der eens aangenomen leer tegen Roomschen en Remonstranten. De punten, waarover zij in geschil geraakten, betroffen inzonderheid het vieren van den Zondag en de betrekking der kerk tot de overheid. De Voetianen ijverden zeer voor de heiliging van dien dag en beschouwden de rechtstreeksche bemoeiing van de regeering met de kerk als aanmatiging. Die bemoeiing merkten de Coccejanen daarentegen als rechtmatigen invloed aan, weshalve zij bij de staten van Holland meer gezien waren dan hun tegenstanders, die gaarne bewijzen gaven hunner gehechtheid aan het huis van Oranje-Nassau. Op

-ocr page 236-

218

het vieren van den dag des Heeren drongen de Coccejanen niet evenzeer aan als de tegenpartij. Gelijk het meestal gaat brachten de geschriften, van weerszijden uitgegeven, het land in rep en roer. De predikstoelen, bestemd om woorden des vredes aan de gemeente te doen hoeren, daverden van allerlei hartstochtelijke uitdrukkingen. Eindelijk legden de staten van Holland aan de beide partijen het stilzwijgen over de geschilpunten op.

Steeds was het de zorg van den raadpensionaris de belangen van \'t volk met ijver voor te staan en het recht onpartijdig te doen handhaven. Invloed op de regeering had het volk evenwel niet. De vrijheid der drukpers werd niet weinig beperkt, zonder dat dit echter iemand veel hinderde, want de beperking bepaalde zich tot stad of provincie. Aan de leden der aanzienlijke familien werden de ambten opgedragen. De lessen, geput uit den nauwelijks geèindigden oorlog, versmaadde de Witt geenszins. In dien krijg was de meerderheid der Engelsche vloot boven de Nederlandsche helder aan den dag gekomen. Daarom was de verbetering van het zeewezen het doelwit, waarop hij den blik aanhoudend gericht hield. Aan alles dat te dien einde werd voorgesteld zette hij kracht en leven bij. Op de zeemacht steunde Hollands bloei. Als zeemogendheid kon Nederland zich doen gelden, als land-mogendheid was het niet bestand tegen zijn naburen. Daarom moest, meende de Witt, de macht ter zee voortdurend versterkt en de veiligheid van \'t grondgebied niet zoozeer in een sterk landleger, als veeleer in vaste verbonden gezocht worden.

Vraagt men wat er dan voor het zeewezen gebeurde, het antwoord is gereed. Alles, wat Holland van zijn inkomsten overhield, werd gebezigd tot vermeerdering der macht ter zee. In den tijd van de Witts beheer was die macht dan ook ten minste driemaal zoo groot, als zij ooit was geweest gedurende den tachtigjarigen oorlog. Binnen den tijd van twee jaren bouwde men gedurende den Engelschen zeeoorlog voor rekening van Holland zestig nieuwe oorlogschepen, zwaarder dan men hier te lande ooit had gehad. Aanhoudend was men er op bedacht kanonnen aan te koopen, uitmuntende magazijnen te bouwen, lijnbanen aan te leggen, enz. In het tijdsbestek van maar een paar jaren had Holland meer dan zes millioen alleen voor kanonnen te betalen, die nog steeds (zie blz. 210) grootendeels uit Zweden kwamen, ook nadat in 1655 het getal der geschutgieterijen dezer landen door de staten van Holland met die van \'s Gravenhage was vermeerderd. De Oost-Indische compagnie, eenige jaren later, tegen den aanvang van den tweeden Engelschen zeeoorlog, om verlenging van \'t octrooi vragende, werd verplicht den staat zes groote oorlogschepen, voerende 59 k 75 stukken geschut, en vier-en-twintig kleinere te leveren. Zorgvuldig bewerkte reglementen handhaafden orde en regel op de vloot. Tot aanmoediging der zeelieden stelde men groote belooningen op het bedrijven van dappere daden, als op het nemen van een vijandelijk schip 6000 tot 50,000 gi. Voor hen, die in \'s lands dienst werden ver-

-ocr page 237-

219

minkt, droeg men eveneens in zoover behoorlijk zorg, dat men een tevoren bepaalde som uitreikte aan hem, die een zijner ledematen verloor.

De waardigheid en de belangen der Republiek wist de Witt met eere te verdedigen tegen het buitenland. Bij Engeland, waarmede de vrede was gesloten, kon men thans steun vinden. „Men moet met Engeland gaan, — was dan ook het zeggen hier te lande — zelfs al regeerde de duivel er.quot; Van andere mogendheden behoefde men zich niets onbehoorlijks te laten welgevallen. Toen er in 1655 een oorlog lostbarstte tusschen Zweden en Polen (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 123 vlg.) en het weldra duidelijk werd, dat de koning van Zweden, Karei X Gustaaf, naar de heerschappij over de Oostzee streefde, waren de Staten-Generaal terstond bedacht op de belangen van den Neder-landschen handel (zie blz. 177). Koenraad van Beuningen, een Amsterdammer, vertrok met een paar andere heeren als buitengewoon gezant naar Denemarken en onderrichtte de Staten-Generaal nauwkeurig van hetgeen er in het Noorden omging.

Kort na de afzending van \'t gezantschap naar Denemarken stevende Jakob van Wassenaar-Obdam (ten w. van Hoorn), vroeger kolonel der ruiterij, en na den dood van Tromp, met voorbijgaan van de With, de Ruiter en anderen, tot luitenand-admiraal van Holland benoemd, naar de Oostzee om de koopvaardijschepen der Republiek en Danzig, dat door de Zweden werd belegerd, te ontzetten. Dit geschiedde in 1656. En toen Frederik III, koning van Denemarken, als bondgenoot van Polen aan den oorlog deel nam, stond Nederland hem zoowel anderszins als met zijn vloot bij. Niet de Witt had dit gewild; doch Amsterdam en van Beuningen bewerkten het. Wassenaar behaalde in 1658, nabij het slot Kroonenburg, een zege op Wrangel, bevelhebber der Zweedsche vloot, waarbij de With omkwam. Deze inmenging der Staten-Generaal in den Noordschen oorlog behaagde noch aan de regeering van Engeland, d. i. aan Cromwell en zijn zoon Richard, noch aan die van Frankrijk. Die beide rijken stonden de belangen van Zweden voor en vreesden, dat, in geval deze staat moest zwichten, de macht van het Habsburgsche huis, een van Denemarkens bondgenooten, te zeer zou toenemen. Het verlangen dier twee rijken was alzoo eenstemmig met dat der Republiek: het was de rust in \'t Noorden te herstellen. Ten einde dit doel te bereiken sloten de drie mogendheden in Mei 1659 onderling het concert of ontwerp-verdrag van \'s Gravenhage. Het bevatte de overeenkomst, dat de drie staten zouden pogen den vrede tusschen Denemarken en Zweden tot stand te brengen en dat voorloopig noch de Britsche, noch de Nederlandsche vloot een der krijgsvoerende koningen zou bijstaan. Bleek het echter dat de Noordsche vorsten niet tot den vrede waren te bewegen, dan stond het elke der drie mogendheden, die het concert van \'s Hage sloten, vrij te handelen gelijk ieder gepast oordeelde. Vermits nu in Augustus van \'t zelfde jaar de koning van Zweden verklaarde op den voet van \'t Haagsche concert

-ocr page 238-

220

niet te willen onderhandelen, werd de oorlog voortgezet. In November 1659 landde Hollands vice-admiraal de Ruiter op het eiland Funen en veroverde Nijborg. Zonder twijfel is het, voor een goed deel aan de krachtige tusschenkomst der Republiek toe te schrijven, dat in 1660 de vredes van Oliva en Koppenhagen werden gesloten, waarbij intus-schen de medewerking der Staten-Generaal niet werd verlangd. Beantwoordde alzoo de uitkomst van den oorlog niet in allen deele aan het krachtig optreden der Republiek in het begin, dit is hieraan toe te schrijven, dat de stadhouderlijke partij ter bevordering der belangen van den keurvort van Brandenburg, een der deelgenooten aan den oorlog {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 124), de bedoeling van de Witt tegenwerkte. De Ruiter intusschen viel de eer ten deel door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven te worden.

Eveneens nam de Republiek te dier tijde tegenover Frankrijk een krachtige houding aan. Dat de regeering van dit rijk het sluiten van den Westphaalschen vrede nog niet was vergeten is boven (zie blz. 189) reeds aangeduid. Toen nu Cromwell {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 119) in 1655 bondgenoot werd van Frankrijk en tevens in oorlog geraakte met Spanje, nog steeds den vijand van Frankrijk, meende deze mogendheid minder behoefte te hebben dan vroeger aan een goede verstandhouding met de Nederlanden. Op de klachten der Staten-Ger.eraal over de nadeelen, die de kaapvaart der Fransche vrijbuiters in \'t Kanaal en in de Middellandsche Zee aan den handel toegebracht, lette Mazarin weinig of niet. Deze onverschilligheid noopte de Staten-Generaal zeiven te handelen. Zij gaven last aan de Ruiter, die in de Middellandsche Zee kruiste, zonder eenige oogluiking zoodanige kapers te bestrijden en te nemen. Overeenkomstig dien last maakte de Ruiter zich in 1657 meester van twee Fransche oorlogschepen. Een oogenblik scheen het, alsof het overschot der goede verstandhouding van weleer, dat nog tusschen de beide staten bestond, daardoor zou te niet gaan. Doch de onderhandelingen, over de Ruiters daad aangeknoopt, leidden hiertoe, dat althans de vrede in stand bleef, al werd de kaapvaart der Franschen niet geheel gestaakt.

Het verbond, door Engeland met Frankrijk gesloten, vervreemdde het eerstgenoemde rijk natuurlijk eenigermate van Nederland. Niet inniger werd de verhouding, nadat Karei II in 1660 den troor van Groot-Britannie had beklommen. Al wie naar het uiterlijk aanzien der dingen oordeelde zou dit in \'t eerst niet hebben gedacht. Ternauwernood was Karei, op het bericht zijner verheffing, van Breda, waar hij destijds vertoefde, naar Holland gereisd om zich te Scheveningen in te schepen, of hij werd te \'s Gravenhage door de Staten-Generaal en door de staten van Holland met alle voorkomendheid bejegend. Het eerstgenoemde college stelde, om den koning luisterrijk te onthalen, een som van drie millioen, het andere zes tonnen gouds beschikbaar.

-ocr page 239-

221

Van zijn kant beval hij, afscheid nemende, de belangen van den jongen prins van Oranje-Massau ernstig aan die beide lichamen aan. Deze aanbeveling miste geenszins alle uitwerking. Reeds in Augustus 1660 namen de staten van Zeeland het besluit de noodige stappen te doen, ten einde Willem Hendrik werd benoemd niet alleen tot kapitein-generaal en admiraal der unie, maar ook tot stadhouder van Holland en Zeeland. Van dit besluit gaven zij den staten van Holland in September kennis. Deze staten, zoowel als Gelderland en Friesland, waren in-tusschen van meening, dat er niet aan kon worden gedacht den prins eenig aandeel aan het bewind te geven, aleer hij den ouderdom van achttien jaren had bereikt. Slechts beperkte Friesland die meening in zoover dat het, evenals Overijsel, den prins zitting wilde laten nemen in den raad van state, hetgeen echter niet doorging. Nogtans zagen de staten van Holland wel in, dat men iets moest doen, zoo men prijs stelde op de eensgezindheid èn in elk gewest, èn tusschen de verschillende provinciën, alsmede op een goede verstandhouding met Engeland. Zeer gelegen kwam hun alzoo een brief van de beide prinsessen van Oranje, zich tot hen wendende met het verzoek de zorg voor \'s prinsen opvoeding op zich te nemen.

Aireede den 25sten September 1660 besloten zij aan dat verzoek te voldoen en dus die opvoeding ter hand te nemen, opdat de prins de noodige bekwaamheid mocht erlangen om mettertijd de Republiek te dienen in de hooge ambten, waarmede zijn voorzaten waren bekleed geweest. Doch vooreerst bleef het bij het besluit: een daad werd het nog geenszins. Deels sproot dit hieruit voort, dat Maria, Kareis zuster, in Januari 1661 stierf en de koning van Engeland nu, volgens den wensch der overleden prinses, naast de overgebleven voogden werd gekend in alle beschikkingen, rakende \'s prinsen opvoeding. Voor een ander deel is het toe te schrijven aan een zekere gevoeligheid der staten van Holland, welke door die voogden over verscheidene aangelegenheden niet werden geraadpleegd en daarom de handen van het werk der opvoeding aftrokken. Gaven zij daardoor groote ergernis aan Karei II, zoo deden zij hem geen bijzonder groot genoegen door in \'t laatst van September 1660 de akte van seclusie, die met den dood van Cromwell haar be-teekenis verloor, in te trekken. De koning toch achtte deze akte door dien dood zei ven te zijn vervallen.

In weerwil van de krachtige houding, die Nederland in de eerste jaren van het raadpensionarisschap van de Witt in de buitenlandsche aangelegenheden aannam, mocht het de Republiek niet gelukken een vaste standplaats in de rij der Europeesche mogendheden te verwerven. Zij was, na de vredes van Koppenhagen en Oliva, nog zoo goed als verstoken van vertrouwde bondgenooten. Voor Duitschland en inzonderheid voor Oostenrijk, hetwelk den nadeeligen vrede der Pyrenaeën {A/g-, Geschied., III, 7de druk, blz. 111, 112) van Spanje niet had kunnen afwenden, had de Witt weinig achting. Bovendien liet een deel der Duitsche

-ocr page 240-

222

rijksvorsten zich door Frankrijk omkoopen. De raadpensionaris vestigde dus zijn blik op Engeland en op Frankrijk. Tegen de vereenigde macht dier beide rijken was Nederland niet bestand; men moest dus bij Engeland steun zoeken tegen de overmacht van Frankrijk, bij Frankrijk tegen die van Engeland.

Op dit beginsel berustten de beide verdragen, door Nederland in 1662 gesloten, het eene met Engeland, het andere met Frankrijk. Teneinde het eerste te verwerven lieten de staten van Holland toe, dat drie Engelschen, die over Karei I als rechters hadden gezeten en zich te Delft bevonden, werden gevat en aan Karei II uitgeleverd, die ze liet ter dood brengen. Het verdrag zelf met Engeland, o.a. de vroegere bepaling inhoudende van het groeten ter zee (zie blz. 212) en aan de beide staten de verplichting opleggende elkander in geval van oorlog bij te staan, kwam in September van dat jaar tot stand. Reeds vroeger, in April, was het verwerend verbond met Frankrijk gesloten, waarin werd vastgesteld, dat elk der bondgenooten, in geval een van hen in oorlog geraakte, den anderen bijstaan en zonder hem geen vrede sluiten zoude. Verder bevatte het een wijziging omtrent de bepaling der /1,25, boven gemeld (\',ie blz. 208). Dit tonnegeld mocht slechts eens, bij het uitvaren uit Frankrijk, worden gevorderd en voor de schepen, die zout kwamen laden, maar de helft dier som bedragen. Eindelijk waarborgde Frankrijk den Nederlanden vrijheid van zeevaart en vischvangst, een verklaring, lijnrecht tegen Engeland gericht. In \'t zelfde jaar, 1662, kocht Frankrijk van de Engelschen de stad Duinkerken, die deze kort tevoren op de Spanjaarden hadden veroverd {Alg. Geschied., III, 7de druk, blz. 119) en Nederland niet dan zeer ongaarne aan den machtigen nabuur zag overgaan.

Zóó meende de Witt zijn doel te hebben bereikt, den staat te hebben beveiligd tegen mogelijke aanvallen op het vasteland, ten einde zich op zee tegenover Engeland te kunnen doen gelden, hetzij zonder, hetzij met geweld. Eén moeielijkheid was er bij dit stelsel van buitenlandsche politiek, en die moeielijkheid ontging de Witts scherpzienden blik in geenen deele. Met den aanvang der regeering van Lode wijk XIV was Frankrijk de eerste mogendheid van Europa geworden. Het was voor de Witt geen geheim, dat de inlijving der Spaansche Nederlanden een der hoofdplannen was van Lodewijks buitenlandsche staatkunde. Doch ook was het zijn vaste overtuiging, dat men Frankrijk wel tot vriend, maar niet tot nabuur moest hebben (zie blz. 168). Kon de Republiek dit laatste niet beletten, dan stond haar eigen zekerheid op het spel. Het was voor haar niet slechts een levensvraag, hoe zij in dit geval haar eigen grenzen zou beveiligen; maar kwamen de Spaansche Nederlanden aan Frankrijk, dan was het gedaan met haar grootheid. Zij toch berustte hierop, dat de Schelde bleef gesloten en alzoo de handel en \'t fabriekwezen der Zuidelijke Nederlanden het hoofd niet weder opbeurden. En dien handel te doen herleven zou ongetwijfeld het eerste doel zijn van \'t streven van Colbert(^/4r. Geschied., III, 7dedruk, blz. 102), indien Lodewijkin zijn

-ocr page 241-

223

pogen slaagde. Hoeveel gewicht de koning van Frankrijk aan zijn plan omtrent de Zuidelijke Nederlanden hechtte had de Witt gelegenheid gehad te bespeuren. Behalve de vrees voor een al te nauwe verbintenis tusschen de Republiek en Engeland was het vooral die voor een verbond van Nederland met Spanje, welke Lodewijk tot het sluiten van het boven genoemde verdrag had bewogen. De vrede der Pyrenaeen had getoond, dat Spanje niet in staat was geweest te verhinderen, dat Frankrijks grens ten koste der Zuidelijke Nederlanden meer naar \'t Noorden werd verschoven. Het besef dezer onmacht had Philips IV in 1661 gretig de handen doen uitstrekken naar een verbond met Nederland. Onderhandelingen waren te dien einde aangeknoopt; maar de overweging dat men niet wel ter zelfder tijd een nauwe vereeni-ging èn met Frankrijk èn met Spanje kon aangaan noopte de Staten-Generaal de zaak voorloopig te laten zooals zij was.

Niet lang nadat het verdrag met Lodewijk XIV was tot stand gekomen, kwam de graaf d\'Estrades, bekend door de „Memoiresquot;, die hij heeft uitgegeven, zich als gezant van Frankrijk te \'s Gravenhage vestigen. Tusschen hem en de Witt werd weldra een onderhandeling aangeknoopt omtrent een verdeeling of een vrijmaking der Zuidelijke Nederlanden, geheel overeenkomende met het oogmerk, dat Frankrijk en de Nederlanden voorheen hadden gekoesterd (zie blz. 166). Deze onderhandeling, waarmede een paar jaren verstreken en die voor het Fransche hof een uitstekend middel was om de gezindheid van Nederland ten aanzien van Spanje te polsen, leerde Lodewijk, dat de Republiek zich nog meer dan Spanje zelf aan de beveiliging der Zuidelijke Nederlanden liet gelegen liggen.

Geheel in overeenstemming met de Witts staatkundige denkwijze (zie blz. 213) was een verordening, door Holland in het jaar 1663 uitgevaardigd betrekkelijk een zaak van binnenlandschen aard, die veel opspraak verwekte en waartegen ook andere gewesten, met name Friesland, maar zonder vrucht, opkwamen. Zij betrof het gebed, dat in de kerken voor de overheid ten hemel placht te worden opgezonden. Tot dus ver kwamen hierin de Staten-Generaal in de eerste plaats voor en werd er ook in gewaagd van den prins van Oranje. Na de veranderingen, thans door de staten van Holland vastgesteld, werd de prins niet meer in \'tgebed genoemd en prijkten de staten van Holland op den eersten rang. Gelijktijdig met dit besluit was een ander van dezelfde staten , volgens hetwelk aan elk der leden van dit college, alsmede aan den raadpensionaris, een akte van indemniteit of schadeloosstelling werd uitgereikt, houdende dat hun uit \'s lands middelen alle nadeelen zouden worden vergoed, die hun immer mochten worden aangedaan ter zake van eenigen voorslag of besluit tot handhaving der toenmalige regeering.

Nog waren de Staten-Generaal bezig met Lodewijk XIV over de verdeeling der Zuidelijke Nederlanden te onderhandelen en reisde d\'Estrades met volle beurs bij de steden van Holland rond om te pogen de regenten

-ocr page 242-

224

naar Erankrijks zin te doen stemmen, toen de koning in 1664 plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek niet bij machte zou zijn zich tegen de inlijving dier gewesten in Frankrijk te verzetten. Hij meende, dat het recht van devolutie alleen (zie beneden blz. 232) hem, wanneer Philips IV eens kwam te overlijden, de Zuidelijke Nederlanden kon verschaffen en hield het daarom voor overbodig den buit met een ander te deelen. Terwijl Lodevvijk zich met deze overdenkingen bezig hield, kwam het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog geraakte. Zóó werd Nederland verplicht zich steeds nauwer aan Frankrijk aan te sluiten en kon hijzelf gelegenheid vinden zijn plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra zich hiertoe de gelegenheid aanbood.

In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten, als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn macht te vestigen op dezelfde grondslagen als Nederland, op den handel en op de zeevaart. Met leede oogen had de Britsche natie het bovendien aangezien, dat de Republiek den koning van Zweden in zijn overwinningen had gestuit. Wat Karei II betreft, hij kon het de Republiek niet vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner ballingschap het gevaar zorgvuldig had ontweken om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg losbarstte, dien men den tweeden Engelscken oorlog noemt en die een der merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver op den nog altijd grooteren handel en op de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. Behalve dat zij op zee vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag namen, vermeesterde een hunner vloten onder \'t bevel van Holmes in 1664 eenige Nederlandsche bezittingen op de westkust van Afrika. Vervolgens naar Amerika overstekende, bemachtigde Holmes Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam (zie blz. 158), hetwelk sinds New-York heet. Doch weldra nam de Ruiter op de kust van Guinea weerwraak door het meerendeel van Nederlands bezittingen snel te heroveren. Van hun kant verboden de Staten-Generaal om de Engelsche fabrieken een slag toe te brengen den invoer van wol en zijde uit Groot-Britannië in de Republiek.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: den i3den Juni 1665 leed de vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van Lowesthoff (tien mijlen ten n.o. van Noord-Voorland, op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. De luitenant-admiraal Kortenaar sneuvelde; de opper-

-ocr page 243-

225

bevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van Wassenaar-Obdam (zie blz. 219), vloog, hetzij door verzuim van de zijnen, hetzij door het schieten des vijands, met zijn schip in de lucht; vele schepen werden genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinige weken — zoodanig was de veerkracht dier tijden — was de vloot hersteld en in staat weder uit te loepen. Voor-loopig werd Corn el is Tromp, een zoon van Maarten Harpertszoon, tot opperbevelhebber benoemd, maar weldra door de Ruiter als zoodanig vervangen. Hoezeer dit Tromp ook griefde, voegde hij zich naar \'t geen was besloten en stak, ofschoon niet aan \'t hoofd staande, mede in zee. Hen beiden vergezelden — iets, dat tot dusver nimmer was gebeurd, — drie gevolmachtigden der Staten-Generaal. Een van hen was de raadpensionaris Johan de Witt, wien, volgens besluit der staten van Holland, een lijfwacht van tien man met een serjant en een korporaal, benevens een andere van een voldoend aantal matrozen, werd toegevoegd. Johan de Witt zelf nam het dieplood in handen en bracht de vloot, toen men de gelegenheid ongunstig waande en meende, dat dit geenszins met Z.O. wind en alleen op tien streken van \'t kompas kon gebeuren, bij Texel in zee, daardoor tevens bewijzende dat die meening een dwaling, het uitloopen wel op achtentwintig streken van \'t kompas mogelijk en slechts bij N.W. en W.N.W. wind onmogelijk was. Doch de kloeke daad van den raadpensionaris werd door geen schitterende krijgsbedrijven gevolgd. Bij herhaling werd de Nederlandsche scheepsmacht door weer en wind geteisterd, zoodat zij, zonder eenige lauweren te hebben behaald, terugkeerde.

Eerst in \'t volgende jaar herstelde een schitterende overwinning den ge-krenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, onder de Ruiters opperbevel, liep in \'t begin van Juni uit. Den nden raakte zij bij Foreland (ten n.o. van Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins Robert, een zoon van paltsgraaf Frederik {AI,?. Geschied., III, 7de druk, blz. 98), en Monk, hertog van Albemarle (of Aumale, in Nor-mandië, ten z.w. van Amiëns); den iaden des morgens begon de strijd op nieuw; den i3den werd hij hervat en eerst op den i4den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, maar met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare havens terug. Reeds op den eersten dag van den strijd verloor het vaderland den luitenant-admiraal van Zeeland, Cornells Evertsen, den oude. Deze vierdaagsche zeeslag is ook in de latere geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder voorspoedig liep een later zeegevecht af, in Augustus van \'t zelfde jaar nabij Duinkerken geleverd. Het sneuvelen zijns broeders Cornells kon Jan Evertsen (zie blz. 168) geenszins beletten zich op nieuw ten dienste der staten van Holland beschikbaar te stellen. Hij werd dan ook door dit college tot luitenant-admiraal benoemd.

Wijnne, Gescli. v. h. Vaderland, Achtste druk. 15

-ocr page 244-

224

naar Erankrijks zin te doen stemmen, toen de koningin 1664 plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek niet bij machte zou zijn zich tegen de inlijving dier gewesten in Frankrijk te verzetten. Hij meende, dat het recht van devolutie alleen (zie beneden blz. 232) hem, wanneer Philips IV eens kwam te overlijden, de Zuidelijke Nederlanden kon verschaffen en hield het daarom voor overbodig den buit met een ander te deelen. Terwijl Lodewijk zich met deze overdenkingen bezig hield, kwam het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog geraakte. Zóó werd Nederland verplicht zich steeds nauwer aan Frankrijk aan te sluiten en kon hijzelf gelegenheid vinden zijn plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra zich hiertoe de gelegenheid aanbood.

In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten, als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn macht te vestigen op dezelfde grondslagen als Nederland, op den handel en op de zeevaart. Met leede oogen had de Britsche natie het bovendien aangezien, dat de Republiek den koning van Zweden in zijn overwinningen had gestuit. Wat Karei II betreft, hij kon het de Republiek niet vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner bailingschap het gevaar zorgvuldig had ontweken om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg losbarstte, dien men den tweeden Engelschen oorlog noemt en die een der merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver op den nog altijd grooteren handel en op de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. Behalve dat zij op zee vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag namen, vermeesterde een hunner vloten onder \'t bevel van Holmes in 1664 eenige Nederlandsche bezittingen op de westkust van Afrika. Vervolgens naar Amerika overstekende, bemachtigde Holmes Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam (zie blz. 158), hetwelk sinds New-York heet. Doch weldra nam de Ruiter op de kust van Guinea weerwraak door het meerendeel van Nederlands bezittingen snel te heroveren. Van hun kant verboden de Staten-Generaal om de Engelsche fabrieken een slag toe te brengen den invoer van wol en zijde uit Groot-Britannië in de Republiek.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: den i3den Juni 1665 leed de vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van Lowesthoff (tien mijlen ten n.o. van Noord-Voorland, op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. De luitenant-admiraal Kortenaar sneuvelde; de opper-

-ocr page 245-

225

bevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van Wassenaar-Obdam (zie blz. 219), vloog, hetzij door verzuim van de zijnen, hetzij door het schieten des vijands, met zijn schip in de lucht; vele schepen werden genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinige weken — zoodanig was de veerkracht dier tijden — was de vloot hersteld en in staat weder uit te loopen. Voor-loopig werd Cornells Tromp, een zoon van Maarten Harpertszoon, tot opperbevelhebber benoemd, maar weldra door de Ruiter als zoodanig vervangen. Hoezeer dit Tromp ook griefde, voegde hij zich naar \'t geen was besloten en stak, ofschoon niet aan \'t hoofd staande, mede in zee. Hen beiden vergezelden — iets, dat tot dusver nimmer was gebeurd, — drie gevolmachtigden der Staten-Generaal. Een van hen was de raadpensionaris Johan de Witt, wien, volgens besluit der staten van Holland, een lijfwacht van tien man met een serjant en een korporaal, benevens een andere van een voldoend aantal matrozen, werd toegevoegd. Johan de Witt zelf nam het dieplood in handen en bracht de vloot, toen men de gelegenheid ongunstig waande en meende, dat dit geenszins met Z.O. wind en alleen op tien streken van \'t kompas kon gebeuren, bij Texel in zee, daardoor tevens bewijzende dat die meening een dwaling, het uitloopen wel op achtentwintig streken van \'t kompas mogelijk en slechts bij N.W. en W.N.W. wind onmogelijk was. Doch de kloeke daad van den raadpensionaris werd door geen schitterende krijgsbedrijven gevolgd. Bij herhaling werd de Nederlandsche scheepsmacht door weer en wind geteisterd, zoodat zij, zonder eenige lauweren te hebben behaald, terugkeerde.

Eerst in \'t volgende jaar herstelde een schitterende overwinning den ge-krenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, onder de Ruiters opperbevel, liep in \'t begin van Juni uit. Den nden raakte zij bij Foreland (ten n.o. van Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins Robert, een zoon van paltsgraaf Frederik {A/g. Geschied., III, 7de druk, blz. 98), en Monk, hertog van Albemarle (of Aumale, in Nor-maudie, ten z.w. van Amiens); den i2den des morgens begon de strijd op nieuw; den ijden werd hij hervat en eerst op den i4den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, maar met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare havens terug. Reeds op den eersten dag van den strijd verloor het vaderland den luitenant-admiraal van Zeeland, Cornells Evertsen, den oude. Deze vicrdaagsche zeeslag is ook in de latere geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder voorspoedig liep een later zeegevecht af, in Augustus van \'t zelfde jaar nabij Duinkerken geleverd. Het sneuvelen zijns broeders Cornells kon Jan Evertsen (zie blz. 168) geenszins beletten zich op nieuw ten dienste der staten van Holland beschikbaar te stellen. Hij werd dan ook door dit college tot luitenant-admiraal benoemd.

Wijnne, Gescli. v. h. Vaderland, Achtste druk. 15

-ocr page 246-

226

Ter verheerlijking van dezen echt Romeinschen karaktertrek zingt Helmers in de Hollandsche natie:

„Hier nadert Evertsen! — Verheft u, landgenooten,

Voelt d\' adeldom des stams, waaruit gij zijt gesproten. —

Hier nadert Evertsen! In \'s lands vergaderzaal,

Alom omhangen met der Britten wapenpraal,

Spreekt hij, o laat mij de eer, de onschatbre eer verwerven,

Om voor de vrijheid van mijn vaderland te sterven.

Vier mijner broedren en mijn vader, met mijn zoon.

Zijn strijdend voor \'s lands recht gesneuveld. Ook dat loon

Zij aan mijn dienst gegund, na veertig jaren strijden.

\'k Wil \'t overschot mijns bloeds aan \'t heil van Neêrland wijden.

Hij gaat, beklimt de vloot, knot Englands dwinglandij,

En als zijn broedren, zoon en vader sneuvelt hij.quot;

Jan Evertsen sneuvelde alzoo, gelijk hij, naar de voorstelling van Helmers, had voorspeld, op eervolle wijze, een lot, reeds zoo velen zijner maagschap (zie blz. 168) vroeger beschoren. De opperbevelhebber de Ruiter moest wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Dat de vloot voor Monk moest afdeinzen weet de Ruiter aan den luitenant-admiraal Cornelis Tromp, die zich met zijn eskader op eenigen afstand van den hoofdslag had gehouden. De orde van St. Michiel, die Lodewijk XIV hem schonk, kon de Ruiter het derven der zege niet genoegzaam verzachten. Althans beklaagde hij zich over het achterblijven van Tromp, die dit op zijn beurt aan de hitte van den strijd toeschreef, waarin hijzelf was gewikkeld geweest. Hoe dit zij, de staten van Holland ontsloegen Tromp uit den dienst. Dat deze zeeman de partij van Oranje sterk was toegedaan droeg zonder twijfel tot dit besluit der staten evenveel bij als de overweging, dat hij en de Ruiter op den duur niet wel tezamen konden dienen. Ongelukkig voor dezen staat gaf het wijken der Nederlandsche vloot aan de Engelschen, die haar vervolgden, gelegenheid om 100 il 150 koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. De schade van \'t verbranden der schepen alleen, die zichzelven hun ongeluk hadden te wijten, daar zij niet naar de waarschuwing van een paar leden der gecommitteerde raden hadden geluisterd, werd op twaalf millioen begroot. Dan de wraak toefde niet, gelijk beneden zal blijken.

Inmiddels had de oorlog zich verder uitgebreid. Kort vóór het begin van den zeeoorlog hadden de Staten-Generaal zich op verzoek der stad Munster gemengd in een geschil tusschen haar en haren bisschop Chris-toffel Bernhard van Galen, betreffende de grenzen der rechten van den vorst-bisschop en van de stad. Vooreerst bedwong van Galen zijn verbittering. Verder beweerde hij, dat de heerlijkheid Borkulo aan hem leenroerig was. Toen nu Karei II hem aanspoorde den Staten-

-ocr page 247-

227

Generaal den oorlog aan te doen en hem met geld ondersteunde, gaf hij in 1665 aan deze opwekking gehoor. Terstond deed hij een inval in Gelderland en bemachtigde Borkulo, Lochem en andere plaatsen. Niets kon den Staten-Generaal meer ongelegen komen dan destijds nog met een oorlog te land te worden bezwaard. Het leger der Republiek was zeer gering, en de vloot verslond schatten. Desniettemin iets moetende doen om den bisschop tegen te houden, stelden zij Johan Maurits van Nassau (zie blz. 164) aan het hoofd van hun krijgsvolk. Doch bovenal zochten zij hulp in het buitenland te verkrijgen.

Van Beuningen, de Witts rechterhand, reeds vroeger naar Frankrijk gezonden, drong er zoo krachtig op aan, dat Lodewijk de bepalingen van \'t verdag van 1662 zou gestand doen, dat de koning tegen\'t einde van 1665 troepen zond. Hij voldeed aan zijn verplichting, niet zoozeer ter wille van de Republiek, als om de staatsgezinde partij. Het was hem bekend, dat, gelijk in elk netelig tijdsgewricht over \'t geheel, zóó ook thans zich weer talrijke stemmen deden hooren, aandringende op de verheffing van den prins tot de waardigheden, door zijn voorvaderen bekleed. In October 1665 hadden vijf gewesten, Gelderland, Zeeland, Friesland, Overijsel en Groningen, te kennen gegeven, dat men, om den koning van Groot-Britannie des te eerder tot het sluiten van vrede over te halen, zijn neef tot kapitein-generaal moest verheffen. Kort tevoren, in 1664, verloor de partij van Oranje een steun in den stadhouder Willem Frederik. Op zekeren dag van de maand October wilde hij een pistool afschieten. Dit weigerde eerst, doch ging kort daarna onverwachts af en trof den prins in \'t gelaat, ten gevolge waarvan hij eenige dagen later overleed. Hem verving zijn zoon Hendrik Kasimir II (1664—1696) onder regentschap zijner moeder in de drie gewesten.

Scheen de bevordering van den zoon van Willem II de voorwaarde eener duurzame verbintenis met Engeland, zoo was daarentegen het houden van den vorst buiten de hooge ambten de voorwaarde eener goede verstandhouding met Frankrijk. Door het bewind van de Witt te schragen voedde Frankrijk de binnenlandsche verdeeldheden der Republiek, verwijderde haar van Engeland en belette haar Lodewijks oogmerken ten aanzien van Spanje tegen te werken. Ongeveer ter zelfder tijd als men van Frankrijk hulp kreeg, in \'t begin van 1666, sloot van Beverninck, op last der Staten-Generaal, een verdedigend verbond met Frederik Willem van Brandenburg. Nog werden in die dagen door Nederland een reeks van verdragen aangegaan met Deneraarken, waarbij dit rijk zich verbond de Republiek bij te staan. Een dier verdragen werd gesloten, zonder dat de staten der bijzondere gewesten er kennis van droegen, vermits de koning van Denemarken begeerde, dat het voor Engeland verborgen werd gehouden. Toch bekrachtigden die staten het, hoewel onkundig zijnde van den inhoud. Dit laat zich hierdoor verklaren, dat in het tijdperk van den Munsterschen en van

15*

-ocr page 248-

228

der tweeden Engelschen oorlog een gebruik, in de dagen van Frederik Hendrik opgekomen, tot een vasten regel werd. Acht leden n.1. der Staten-Generaal, onder welke twee uit Holland, maakten seder tezamen het geheime besogne (arbeid) uit, hetwelk had te beraadslagen en te beschikken over die buitenlandsche zaken, welke geen uitstel konden lijden en niet ruchtbaar mochten worden. Van die twee uit Holland was de raadpensionaris er een, en aan de acht werd de griffier der Staten-Generaal toegevoegd. Aleer echter een besluit werd genomen, deelden de leden van het besogne de zaak veelal mede aan eenige gedeputeerden ter Generaliteit, daartoe aangewezen door verschillende gewesten.

Om tot den bisschop terug te keeren, weldra begon hij, de hem beloofde gelden uit Engeland niet ontvangende en ziende, dat Nederland van verschillende zijden werd gesteund, naar het einde van den oorlog te haken. Zóó kwam, naar den wensch der beide partijen, in April 1666 de vrede te Kleef tot stand, waarbij van Beverninck de vertegenwoordiger van Nederland was.

Middelerwijl verlangde Zeeland, gesterkt door eenige steden van Holland, op nieuw, dat den prins van Oranje de hooge staatsambten zouden worden opgedragen. De meerderheid der staten van Holland echter, van een tegenovergesteld gevoelen zijnde, daar zij steeds dachten aan een stelselmatigen toeleg om den koning van Engeland door den zoon zijner zuster de heerschappij over de Republiek te verschaffen, wist haar meening te doen zegevieren. Nogtans iets willende toegeven, belastten die staten zich, op verzoek van \'s prinsen grootmoeder, in April 1666 met de zorg voor zijn opvoeding. Dus namen zij Willem Hendrik, zooals men het noemde, tot kind van staat aan. Zij begonnen met een zuivering van het personeel, dat den prins omringde: alle Engelsche vertrouwelingen werden verwijderd, en ook zijn gouverneur, Frederik van Nassau, heer van Zuilenstein (ten n. o. van Wijk bij Duurstede), een natuurlijken zoon van Frederik Hendrik, moest Willem, hoe ongaarne ook, missen. Onder hen, aan wie de staten het toezicht op de opvoeding in \'t bijzonder opdroegen, bevond zich Johan de Witt. Niet zonder nauwgezetheid kweet de raadpensionaris zich van zijn taak. Eiken Maandag kwam hij onderzoeken, wat Willem had geleerd, en onderrichtte hem zelf in zaken van regeering. Het was als voorzag hij de onvermijdelijke verheffing van zijn kweekeling tot de voorvaderlijke ambten. Zelf getuigde de prins, dat de Witt hem een zeer juist begrip had gegeven van alles wat den staat betrof.

Tot diegenen welke uit \'s prinsen dienst werden ontslagen, behoorde mede Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat, ritmeester in dienst van den staat. Sedert eenigen tijd hield hij met voorkennis en goedvinden der staten van Holland in \'t geheim briefwisseling met leden der regering van Engeland, onder voorwaarde evenwel dat hij den inhoud getrouw aan den raadpensionaris mededeelde. Het onderwerp dier brieven was de vrede, dien allen wel wenschten, maar met

-ocr page 249-

229

dit onderscheid, dat de aanhangers van den prins en de regeering van Engeland tot een schikking verlangden te komen, zonder er Frankrijk in te kennen, hetgeen niet in den smaak viel van de staatsgezinde partij. Buat nu gaf de Witt de brieven, welke hij ontving, geregeld te lezen. Dit deed hij ook in Augustus 1666. Doch toen liet hij onder die brieven, uit onachtzaamheid, er een, waarop stond „pour vous-méme,quot; voor uzelf, en die dus voor hem alleen bestemd was. Daarin werd niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de partij des prinsen, zoo zij door Engeland wilde gesteund worden, krachtiger moest optreden, en vroeg men naar de verliezen, die Nederland werkelijk ter zee had geleden. Ternauwernood had de Witt deze letteren gelezen, of hij deelde den inhoud aan de gecommitteerde raden van Holland mede, op wier last Buat in hechtenis werd genomen en voor het hof van Holland gedaagd. In het afschrift van een brief, vroeger door Buat aan een van Engelands ministers gericht, trof men verder bij het beslag leggen op zijn papieren plaatsen aan, waarin werd gezegd, dat hij en zijn mede-plichtigen door den vrede tot stand te doen brengen en door de bemiddeling van Karei II \'s prinsen bevordering in de hand zochten te werken. Nog verzekerde de schrijver, dat, zoo de vrede niet spoedig tot stand kwam, de tegenpartij den prins uit het land zou jagen en deze landen in handen spelen van den koning van Frankrijk.

Terwijl de zaak nog hangende was, brachten de staten van Holland zoowel schriftelijk als door een bezending uit hun midden het hof van Holland met nadruk het gewicht en de beteekenis van \'t misdrijf onder het oog, de leden van dat hof tevens herinnerende aan hun verplichting om goed recht te doen overeenkomstig \'s lands wetten en plakkaten. De slotsom was, dat dit hof den ritmeester Buat wegens ongeoorloofde briefwisseling met den vijand, d.i. dus wegens hoogverraad of gekwetste majesteit, met een meerderheid van vijf tegen drie stemmen ter dood veroordeelde. Het vonnis werd in October 1666 voltrokken, in weerwil dat sommige gewesten, met name Zeeland, bij welke provincie Buat zeer gezien was, verzochten dat hun eerst opening van de zaak werd gegeven. Ook na den dood van Buat gaf men aan die aanvragen geen gehoor. Buats medeplichtigen onttrokken zich door de vlucht aan de vervolging van \'t gerecht, maar konden hierdoor niet voorkomen, dat over hen vonnissen werden geveld, waarbij zij deels ter dood, deels tot verbanning werden veroordeeld.

Omtrent twee jaren had nu de zeeoorlog geduurd, zonder dat Karei II zich kon beroemen eenig gewichtig voordeel te hebben behaald. Dit deed hem overhellen tot vrede. Vuriger dan hij haakte de Engelsche natie daarnaar, die over \'t geheel van dezen krijg steeds afkeerig was geweest. Een deel van \'tgeld, met moeite door haar opgebracht, verkwistte de koning in overdaad. Bovendien had Lodewijk XIV, op aandrang der Staten-Generaal, sinds Januari 1666 insgelijks aan Engeland den oorlog verklaard, hoewel metttertijd toonende, dat hij niet zoozeer van zins was krachtdadig deel te nemen aan den oorlog, als wel om

-ocr page 250-

230

dien gaande te houden. En nog eer het jaar 1666 ten einde liep, troffen Engeland een paar rampen, die voor dit rijk den vrede zoo goed als onvermijdelijk maakten. Erger dan vroeger woedde een vreeselijke pest in Engeland en inzonderheid in de hoofdstad. Geheele straten werden ontvolkt; onophoudelijk luidde de doodsklok. Daarop volgde een hongersnood en eindelijk, drie weken na de lage mishandeling der weerloozen in het Vlie en op Terschelling, in September een verschrikkkelijke brand, die Londen voor het grootste gedeelte in de asch legde. Men wil, dat meer dan 13,000 huizen en 89 kerken een prooi der vlammen werden. De schade werd op 6,900,000 pd. sterl. geschat, in welke som het verlies van goederen en koopwaren nog niet eens was begrepen. Drie dagen en drie nachten hield de brand aan. De eerste oorzaak schijnt eenigszins in het duister te schuilen; doch vele omstandigheden werkten tot de snelle verbreiding mede, als de nauwe straten, de houten huizen, het droge weder, de hevige oostevvind, enz.

Eenigen tijd na al deze rampspoeden, met den aanvang van \'t jaar 1667, begon er ernstig sprake te komen van vrede. Eerlang werd Breda als plaats om te onderhandelen aangewezen. Van den kant van Nederland waren o.a. van Beverninck en Jongestal onder de afgevaardigden. Denemarken, Zweden en Frankrijk hadden er insgelijks hun vertegenwoordigers, het laatsgenoemde rijk o. a. d\'Estrades. Weldra werden de onderhandelingen begonnen; maar er was weinig voortgang, hoofdzakelijk door de onverschilligheid der Engelschen. De onverzettelijkheid werd nog grooter, toen de inval van Lodewijk XIV in de Spaansche Nederlanden (zie beneden blz. 232) der Republiek nieuwe ongelegenheden verwekte. Reeds lang had de raadpensionaris het voornemen gehad Engeland een gednchten slag toe te brengen. Geen koopvaarders zouden het ontgelden, maar het eigendom, de roem der Engelsche natie in haar geheel. Londen zou op zijn veste dreunen van het gedonder der Nederlandsche kanonnen en sidderen voor het brullen van den Hollandschen leeuw. Nu kon de verwezenlijking van het denkbeeld tevens deze nuttige strekking hebben, dat zij den vrede bespoedigde. Men had op dat tijdstip een talrijke vloot van meer dan 80 schepen, met ruim 17,000 koppen bemand en over de 3,000 stukken geschut gewapend, zeilvaardig. Met zorg en stilzwijgendheid had de Wilt alles voorbereid. Engeland of Erankrijk mochten vermoeden, dat Nederland iets in den zin had: waarop het gemunt was wist niemand. Eindelijk brak de dag der wrake aan. De vloot — een Hollandsche vloot, want Zeeland had er geen schepen bij, en die van Friesland kwamen eerst later — stak in zee. Het bevel voerde de Ruiter. Als gevolmachtigde der Staten-Generaal vergezelde hem Cornelis de Witt, Johans broeder en ruwaard, d. i. baljuw van het land van Putten (ten 0. van Voorn). Friesland en Zeeland moesten hem twee heeren hebben toegevoegd; doch zij bleven in gebreke tot de benoeming over te gaan.

Den i7den Juni liet Hollands scheepsmacht voor den mond der Theems

-ocr page 251-

231

het anker vallen. Engeland had geen vloot in zee om haar de vaart te verhinderen. Den 2osten Juni zeilde het eerste Hollandsche smaldeel onder den vice-admiaal van Gent de Medway of het kanaal van Rochester op, en op zijn nadering vloden de schepen des vijands. Dat kapitein van Brakel de ijzeren keten doorzeilde, die op palen of vlotten rustte en den toegang tot de rivier afsloot, is een veel verbreide dwaling. Maar waar is het, dat hij met behu\'p van anderen het fort Sheerness veroverde, hetwelk onmiddellijk werd geslecht. Eveneens staat het vast, dat hij, wegens het tegen \'t ir.tdrukkelijk verbod aan land gaan van eenige zijner manschappen in hechtenis gesteld, aanbood, zoo hij werd ontslagen, met zijn schip voor te gaan en den aanval te beginnen. Zijn aanvraag werd toegestaan. Alzoo zeilde hij, gevolgd door een paar branders, zonder het vuren der Engelsche batterijen en schepen te beantwoorden, recht op het fregat de Unity (de eendracht) aan, hetwelk voor de keten lag en door de Nederlandsche matrozen de „Jonathanquot; werd genoemd. Dit schip gaf hij de volle laag en nam het in weinige oogenblikken. Thans was de weg gebaand. Aan een der twee branders, pro patrio, (voor het vaderland) geheeten en gevoerd door kapitein van Rijn, was het dat de eer toekomt de keten aan stukken te hebben gezeild en een achter die keten liggend vaartuig in de lucht te hebben doen vliegen.

De Engelschen hadden menig schip in de rivier de Medway laten zinken; doch dit belette de Nederlanders niet meer dan één vaartuig in brand te steken of te veroveren. Onder de laatsten was de „Royal Charlesquot; of koninklijke Karei, een groot admiraalschip, onder Cromwell gebouwd, waarop de koning in 1660 uit ons vaderland naar Engeland was wedergekeerd en hetwelk thans als buit en zegebode naar Nederland terugvoer. Treurig zag het bij die zegepraal te Londen uit. De stad sidderde, en aan afdoende maatregelen viel niet te denken. „Daar zijn zequot;, klonk het van alle kanten, en ieder raapte het beste bijeen wat hij had en vluchtte de stad uit. Roof en doodslag, dit verwachtte men algemeen. Dit was intusschen geenszins het plan van Neérlands scheepsmacht. Wel bleef de vloot nog een paar maanden in dien omtrek kruisen; maar aan pogingen om Londen of andere steden aan te tasten dacht zij in \'t geheel niet. Naar het vaderland teruggekeerd, ontvingen de Ruiter, de Witt en van Gent van de staten van Holland een gouden kop, waarop de zege te Chattam was afgedeeld.

De tocht naar Chattam, in de staatsstukken van dien tijd „le fameux exploit,quot; de vermaarde daad, geheeten, oefende een gunstigen invloed op de onderhandelingen te Breda. Den 3isten Juli 1667 werd de vrede gesloten. Hij liet aan elk wat hij op \'t oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had — een bepaling, die men ntipossidetis, d. i. gelijk gij bezit, noemt — en beperkte de akte van navigatie in zooverre, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche waren, die den Rijn af over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals de Republiek dus ten gevolge der eerste bepaling Nieuw-Nederland verloor.

-ocr page 252-

232

zóó bleef Suriname (in \'t n.o. van Zuid-Amerika) behouden, dat Abraham Krijnszoon in Februari 1667 in naam der staten van Zeeland had vermeesterd en dat iets later aan de West-Indische compagnie werd verkocht. Omtrent het strijken der vlag en het bezweren van den vrede door hem, die eens stadhouder en kapitein-generaal-admiraal in de Vereenigde Gewesten mocht worden, hield deze vrede zich aan de vroeger getroffen bepalingen (zie blz. 213), gelijk hij ook het verdrag van 1662 bekrachtigde.

§ 26.

De triple alliantie en de vrede van Aken. — Het begin van den oorlog van 1672.

Gedurende het laatste gedeelte van den zeeoorlog waren de onderhandelingen met Frankrijk (zie blz. 223) slepend gebleven. De Witt wenschte niets vuriger dan, met Lodewijk XIV en zijn gezant d\'Estrades op een goeden voet blijvende, de zaken tot een gewenscht einde te voeren. Maar wat men lang had gevreesd gebeurde. De koning van Frankrijk, meenende dat de oorlog met Engeland de Republiek zoozeer bezig hield, dat hij haar niet langer behoefde te ontzien , sloeg volgens een lang tevoren door hem beraamd plan een anderen weg in om tot zijn doel te geraken. Philips IV, de koning van Spanje, was in 1665 overleden, een minderjarigen zoon. Karei II, nalatende, die hem opvolgde. Hem wilde Lodewijk thans, daar men van den kant van Spanje zich geenszins had gehouden aan de voorwaarde, bij het aangaan van \'thuwelijk vastgesteld (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 112), de Spaansche Nederlanden, als een erfenis zijner gemalin, Maria Theresia, een dochter van Philips IV, ontrukken. Als voorwendsel gebruikte hij het recht van devolutie, d. i. van afwenteling, een in die provinciën geldend privaatrecht, volgens hetwelk alleen de uit een eerste huwelijk gesproten kinderen de goederen der ouders, staande dit huwelijk aangewonnen, moesten erven, met dien verstande, dat de nog levende vader of moeder het vruchtgebruik daarvan behield. De Zuidelijke Nederlanden nu waren in 1621 (zie blz. 158) aan de kroon van Spanje teruggevallen. Deze inlijving had plaats gegrepen vóór het overlijden van Philips\' eerste gemalin, Isabella, een dochter van Hendrik IV van Frankrijk. De eenige spruit uit dat huwelijk was in 1667 Maria Theresia. Alzoo achtte Lodewijk zich gerechtigd den door Frankrijk steeds begeerden buit in bezit te nemen. Dat het recht van devolutie slechts een privaatrecht was en hij alzoo op schromelijke wijze rechten der kroon verwarde met die van bijzondere personen, dit kwam bij hem geenszins in aanmerking.

Daar Spanje natuurlijk niet genegen was Lodewijks vermeend recht te erkennen, viel hij in Mei 1667 eensklaps in de Zuidelijke Neder-

-ocr page 253-

233

landen. Binnen eenige weken vermeesterden de Franschen Charleroi, Doornik en vele andere steden. De Staten-Generaal gaven den koning terstond te kennen, dat zij zijn handelwijze zeer vreemd vonden, vermits hij tot dusver steeds had verklaard in overleg met hen te willen handelen. Terwijl inmiddels de Fransche wapenen hoe langer hoe meer veld wonnen, wendde zich de landvoogd der Zuidelijke Nederlanden, de markgraaf van Gastel-JRodrigo, alsmede Spanje zelf door middel van zijn gezant tot de Republiek om haar bijstand of tusschenkomst in te roepen.

De Nederlanden geraakten door Lodewijks gewelddadige en plotselinge handelwijze in een neteligen toestand. Het moest, zooals vanzelf spreekt, het streven der Staten-Generaal zijn den krijg tusschen Frankrijk en Spanje hoe eerder hoe beter te sluiten. Maar om dit oogmerk te bereiken behoorden zij, voor zichzelven, op een oorlog te rekenen, die licht uit hun bemoeiingen kon voortspruiten. En in dit geval diende de Republiek op Engeland te kunnen bouwen. Doch hoe zou men steun vinden bij Engeland? Aan \'t hof van dit rijk heerschte nog geenszins de gevestigde overtuiging, dat het weren van Lodewijk uit de Zuidelijke Nederlanden evenzeer was in \'t belang van Engeland — indien het Frankrijk niet tot den overheerscher van Europa wilde maken —, als van Nederland. Sloot men zich in deze omstandigheden nauw bij Engeland aan, als handeis- en zeemogendheid den geboren mededinger der Republiek, dan kregen de Véreenigde gewesten Frankrijk tot vijand, zonder in die verbintenis een waarborg te hebben tegen de overweldiging van haar grondgebied door Lodewijks krijgslieden. En bracht men dit offer aan Engeland , het was te verwachten, dat deze staat bovendien een tweede zou vergen, de herstelling der stadhouderlijke waardigheid, naar de opvatting van de Witt dubbel te duchten, nu zij het werktuig zou worden eener vreemde mogendheid.

Bij deze overwegingen, die zich aan den raadpensionaris moesten opdringen, hield hij niettemin het roer van den staat met vaste hand. Eerst wist hij tegen \'t einde van 1667 een wapenstilstand tusschen de oorlogvoerende partijen tot stand te brengen. Spanje, aanvankelijk niet genegen om toe te laten, dat de Republiek of eenige andere vreemde mogendheid over zijn belangen medesprak, werd weldra door de vrees, een weerlooze prooi van Frankrijk te zullen worden, genoodzaakt zijn fierheid af te leggen. Den tijd van den wapenstilstand maakten de Staten-Generaal zich zooveel mogelijk te nut om ter beveiliging hunner grenzen verder de hand te slaan aan de versterking hunner landmacht, waarmede zij reeds vroeger waren begonnen. Van dit oogenblik aan zag de Witt, indien hij er immer een punt van ernstige gt; overweging van heeft gemaakt, in zijn gedachten af van een deeling der Zuidelijke Nederlanden. Zijn vaderlandsliefde, in Lodewijks inval niets ziende dan het gevaar, hetwelk allereerst de Nederlanden bedreigde, trachtte slechts Frankrijk tegen te gaan. Hij was thans van meening, dat Spanje aan zijn lot over te laten gelijk stond met het schenken van

-ocr page 254-

234

Nederland aan Frankrijk. Het viel hem niet moeielijk in het door de snelle vorderingen van Frankrijks wapenen verontruste Europa bondge-nooten voor zijn plannen te vinden. Met Zweden had de Republiek in Juli 1667 een handelsverdrag gesloten, met Engeland den vrede van Breda.

Middelerwijl leidden de overwegingen over de binnenlandsche aangelegenheden tot een uitkomst, die wederom zeer verschillend werd beoordeeld. Bij de beraadslagingen der Staten-Generaal over de landmacht kwam de vraag op, wien men zou stellen aan \'t hoofd der troepen van den staat. In Juli 1667 sloeg Holland aan de leden van het geheim besogne (zie blz. 228) voor, dat men een paar veldmaarschalken zou benoemen, den prins van Oranje zitting geven in den raad van state en eenparig vaststellen, dat wie immer tot kapitein-generaal-admiraal mocht worden verkozen geenszins stadhouder van eenig gewest zou kunnen zijn of blijven. Utrecht stemde met dit laatste punt in; doch de meeste gewesten verklaarden er zich tegen. De staten van Holland echter, inziende dat men er eerlang toe zou moeten komen, den prins van Oranje het kapitein-generaal-admiraalschap op te dragen, inzonderheid zoo de Republiek in een oorlog te land mocht worden gewikkeld, en vreezende dat de vereeniging dier waardigheid met het stadhouderschap op den ouden voet aan den persoon, die er mede werd bek eed, te veel overwicht gaf in den staat, stelden den sden Augustus 1667 een overeenkomst op, ongeveer dezelfde bepalingen inhoudende als de thans vervallen akte van seclusie. Bij deze overeenkomst, met eenparig goedvinden opgemaakt, hel eeuwig edict, dat Hollands regenten, benevens tie raadpensionaris, onderling bezwoeren, werd het stadhouderschap in Holland afgeschaft en verklaard, dat Hollands streven steeds zou zijn, dat het in de overige provinciën werd afgescheiden van het kapiteingeneraalschap der unie. Zoo werd dit eeuwig edict de oorzaak, die verhinderde, dat twee van de grootste mannen der Republiek, Willem III en Johan de Witt, hun krachten en talenten, gemeenschappelijk en één van zin , aan de bevordering harer belangen te koste legden. Dit besluit der staten van Holland werd in de overige gewesten zeer afgekeurd, weshalve ter Generaliteit niets anders werd besloten dan dat Johan Maurits van Nassau en Paulus Wirtz, voorheen bevelhebber in dienst van Zweden, tot veldmaarschalk benoemd en onder hen eenige generaals aangesteld werden.

Gedurende den genoemden wapenstilstand kwam er een omkeering in de zienswijze van het Britsche hof. Karei II, wenschende de gunst te herwinnen van zijn volk, die door den zeeoorlog niet was gerezen, en duchtende, dat Nederland en Frankrijk ten aanzien der Zuidelijke Nederlanden eendrachtig en met uitsluiting van andere mogendheden zouden te werk gaan, neigde tot krachtdadige tusschenkomst. Te dien einde gaf de koning van Engeland aan William Temple, zijn afgevaardigde te Brussel, den schrijver der „Opmerkingen over den toe-Stand der Vereenigde Nederlanden,quot; last zich onder den schijn, alsof

-ocr page 255-

235

hij over Holland naar Londen reisde, te \'s Gravenhage op te houden en zich met de Witt te verstaan over een verdrag ter wering van Lodewijk uit de Zuidelijke Nederlanden. Na korte voorloopige beraadslagingen stelden de beide staatslieden, bijgestaan door eenige gemachtigden der Staten-Generaal, binnen vier dagen het verdrag op, bekend onder den naam van triple alliantie of drievoudig verbond, hetwelk Engeland en de Nederlanden in Januari 1668 met elkander sloten. Tot dit verdrag trad Zwedens rijksraad, die destijds het bewind voerde voor zijn minderjarigen Karei XI (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 144) en daartoe was omgekocht door Hollands geld, terstond toe, en Spanje in 1669. Ter Generaliteit werd het, opdat het niet ruchtbaar werd en de Franschen geen spraak in \'t wiel staken, geteekend, zonder dat men er ruggespraak over had gehouden met de bijzondere gewesten. Eenige weken er na keurden die gewesten het goed.

Dit verdrag, het schrandere gewrocht van Temples en de Witts broederlijk overleg, bevatte hoofdzakelijk een wederkeerige verbintenis der drie staten om den vrede tusschen Frankrijk en Spanje in dezer voege tot stand te brengen, dat het eerstgenoemde rijk zijn veroveringen of een deel hiervan behield. De eigenlijke kracht van het verbond was gelegen in de geheime artikelen, waarbij men beloofde elkander getrouw ter zijde te znllen staan, ingeval het bleek dat Frankrijk niet anders dan gewapenderhand tot een redelijken vrede was te bewegen. Lodewijk XIV gaf aan den wensch der drie verbonden staten toe en sloot den vrede van Aken {Algevi. Geschied., III, 7de druk, blz. 132). Hij deed het, omdat hij zich voor \'t oogenblik niet opgewassen achtte tegen een zoo groot aantal vijanden en, zoo hij thans eenige gematigheid aan den dag legde, weldra kans kon vinden om den band tusschen de drie staten weer los te maken.

Maar, hoezeer zijn toorn voor \'t oogenblik wetende te bedwingen, I.odewijk was diep gekrenkt door den stouten greep, die zijn overmoed voor een wijl had bedwongen. Zichzelven als den beschermer der Nederlanden, zooals nog kort tevóren tegen den bisschop van Munster, aanmerkende, kon hij de betoonde ondankbaarheid niet vergeven. Wat meer is. Frankrijk had het niet vergeten, dat de opkomst van den staat voor een goed deel zijn werk was. Met onverbiddelijke wraakgierigheid zwoer Lodewijk het verderf dier kramers en visschers, die hem, den grooten koning, in zijn vaart hadden gestuit. Ongetwijfeld voorzag hij wel, dat de oorlog, dien hij de Republiek mocht aandoen, een omkeering zou ten gevolge hebben in het bewind, den val van de Witt en de verheffing van den prins. Die bedenking intusschen had thans geen kracht om hem in zijn plannen te doen weifelen. Veeleer streelde hij zich met de hoop voor zijn bedoelingen partij te kunnen trekken van de veete tusschen de partij des prinsen en die zijner tegenstanders. Dadelijk nam hij de vereischte voorbereidende maatregelen om ziju wrok, zoodra de ure was geslagen, te koelen. De gezant

-ocr page 256-

236

d\' Estrades werd in 1669 vervangen door Pomponne, die in last kreeg de verdeeldheid tusschen de Loevesteinsche en de stadhouderlijke partij zooveel mogelijk aan te wakkeren. Terwijl Lodewijks minister van oorlog, Louvois, zich op groote schaal ten krijg toerustte, zocht de koning tevens Nederland van alle Europeesche mogendheden af te trekken en alleen te doen staan.

Moge het onbekend zijn, of het aan de laaghartige inblazingen van Pomponne, die maar een paar jaren hier te lande vertoefde, is toe te schrijven, zeker is het dat de partij van Oranje veld won. In September 1668 nam Willem, daar de staten van Zeeland op hun (zie blz. 203) vroeger genomen besluit terugkwamen, als eerste edele zitting in de vergadering dier staten. Maar hoewel hij in \'t zelfde jaar meerderjarig werd verklaard en alzoo van alle toezicht der voogden ontslagen, scheen het aan vele teekenen, dat de dag zijner geheele verheffing nog verre was. De staten van Holland namen, afwijkende van hun vroeger gevoelen (zie blz. 234), het besluit niet te zullen gedoogen, dat eenig stadhouder eener provincie zitting nam in den raad van state. Die van Utrecht vernietigden, in navolging van die van Holland, het stadhouderschap van hun gewest. In de overige provinciën. Friesland, Groningen en Overijsel, verwekten deze besluiten op nieuw veel tweespalt, vermits de eene partij ze goed-, de andere afkeurde. Andere oorzaken van verdeeldheid kwamen er bij, waaronder mede de vraag over \'s prinsen verheffing, als de voornaamste, steeds ter tafel kwam. In Overijsel duurden de geschillen jaren lang tot 1671, toen zij door gemachtigden uit Holland werden bijgelegd.

Ofschoon de vrede van Aken aan Frankrijk veroveringen liet behouden, die gedeeltelijk vrij diep in de Zuidelijke Nederlanden insneden, verheugde Nederland zich den kuning tot staan te hebben gebracht. Vondels woorden gedenkende:

„Zij kiezen \'t best van twee,- die beter niet en mogen.quot;

Ingenomen met den loop der zaken, liet de raad van state een gedenkpenning slaan op dien vrede. Op den eenen kant van dien penning ziet men in \'t verschiet onderscheiden schepen in zee, op den voorgrond de Vereenigde Gewesten in de gedaante eener maagd, met den bijbel, het Nederlandsche wapen en den hoed der vrijheid, kluisters vertredende. Op de andere zijde vindt men o.a. den pijlbundel en dit vrij fiere opschrift:

Assertis legibus,

Emendatis sacris,

Adjutis, defensis,

Conciliatis regibus,

Vindicata marium libertate,

Pace egregia virtute

-ocr page 257-

237

Armorum parta,

Stabilita orbus Europaei quiete,

Numisma hoe senatus foederati Belgü cudi fecit CIDIOCLXVIII.

hetgeen beteekent:

De wetten verzekerd,

Den godsdienst hervormd,

De koningen bijgestaan, verdedigd, bevredigd, De vrijheid der zeeën gehandhaafd,

Door de kracht der wapenen een

heerlijken vrede verworven En Europa\'s rust bevestigd hebbende,

Heeft de raad van \'t Vereenigde Nederland dezen penning doen slaan in 1668.

Dat de Witt in den eersten tijd na den vrede van Aken, al deelde hij niet in de toen vrij algemeene zorgeloosheid van Nederlands regenten, helder heeft ingezien, dat de grondslag van zijn staatkundig stelsel, Engelands steun te bezigen tegen Frankrijk, dien van Frakrijk tegen Engeland, gevaar liep van in te storten is niet waarschijnlijk. Reeds het afdanken van een deel van \'t landleger, dadelijk na den vrede, kan dat bewijzen. Toch bedoelden alle stappen, door Lodewijk XIVquot; sedert gedaan, den val der Republiek. Het eerst deed hij een poging bij de Staten-Generaal om hen van hun bondgenooten te scheiden. Doch bespeurende, dat zij in plaats daarvan veeleer er op bedacht waren het drievoudig verbond nog meer kracht bij te zetten door andere mogendheden te doen toetreden, wendde hij zich over een anderen boeg. Weldra slaagde hij beter in Zweden, dat vertoornd was op Spanje, hetwelk de bij het sluiten der triple alliantie beloofde onderstandsgelden niet betaalde. De rijksraad, wederom geld noodig hebbende, leende het oor aan Frankrijks voorslagen en beloofde bij een verdrag, in \'t begin van 1672 gesloten, tegen betaling eener groote geldsom een leger op de been te zullen houden ten einde iederen Duitschen vorst, die de Nederlanden te hulp mocht komen, aan te tastten.

De keurvort van Brandenburg weigerde aan Lodewijks aanbiedingen gehoor te geven. Maar Karei II van Engeland, steeds goud behoevende voor zijn verkwistende levenswijze, was tegen dit aanloksel niet bestand, vooral toen hem het uitzicht werd geopend op een ruime geldsom door de bemiddeling zijner eigen zuster, de hertogin van Orléans, dis in Mei 1670 naar Dover overstak om met den koning een bijeenkomst te houden en hem geheel voor Lodewijks plannen te winnen. Bijkans evenveel vrucht, als van de bemiddeling der hertogin, verwachtte Lodewijk van de schoonheid van een der dames van \'t gevolg der hertogin, n.1. van Louise de Quérouaille of Mejufvrouw Kerwal, die zich later voor goed aan \'t hof van Karei II vestigde en door hem tot hertogin van

-ocr page 258-

238

Portsmouth (in \'tz. van Engeland, aan\'t Kanaal) werd benoemd. Aireede in Juni 1670 sloot Karei met Lodewijk het geheim verdrag van Dover {AIg. Geschied., III, 7de druk, blz. 138), waarin hij zich verplichtte Frankrijk tegen Nederland bij te staan. Om het gevaar, dat het evenwicht van Europa\'s staten bedreigde, bekreunde hij zich niet. Dat Engeland, indien Frankrijk de Nederlanden mocht vermeesteren, werd verstoken van den machtigsten zijner protestantsche bondgenooten woog bij hem niet zoo zwaar als de zucht voor vermaak. Evenmin liet hij zich terughouden door het denkbeeld, dat hij Frankrijk den weg opende om uit de voortreffelijke havens van Vlaanderen Engelands scheepvaart op de Noordzee in tijden van oorlog te verontrusten en de stad Antwerpen, de oude mededingster van Arasterdam en Londen, van haar diepen val te doen opstaan. Terwijl de Staten-Generaal, in \'t onbepaalde voorgevoel van naderende rampen, naar verschillende landen gezanten zonden, deed Lodewijk in Augustus van \'t zelfde jaar een inval in Lotharingen, waarvan de hertog nauw was verbonden met Spanje, en vermeesterde Nancy.

Deze omstandigheid hield de gedachte aan \'s prinsen bevordering levendig. Reeds eenigen tijd geleden hadden Gelderland, Utrecht en Overijsel er in bewilligd, dat het kapitein-generaal-admiraalschap, in overeenstemming met Hollands besluit (zie blz. 234), voor altijd gescheiden bleef van het stadhouderschap. Thans, in 1670, gingen ook de drie overige gewesten, welke er tot dusverre tegen waren geweest, er toe over, zoodat het een besluit werd der Staten-Generaal. Het stuk, bij hetwelk deze afscheiding eenparig werd vastgesteld, heet de harmonie of overeenstemming. Dus was Hollands bezwaar tegen \'s prinsen toelating in den raad van state vervallen, en het recht om er zitting te nemen werd hem ook nu, met algemeen goedvinden, toegekend, alsmede dat om er mede te stemmen, behalve wanneer zaken werden behandeld, zijn huis van nabij rakende. Of een reis, die Willem nog in \'t zelfde jaar naar zijn oom Karei deed, in verband stond met plannen ten zijnen behoeve is onbekend. Ook het volgend jaar verliep, zonder dat voor zijn verheffing iets werd gedaan, behalve dat er ter statenvergadering van Holland lang over werd beraadslaagd hem tot kapitein-generaal, óf voor immer èf voor één veldtocht, te benoemen, en dat de Staten-Generaaal, voorgelicht door den raad van state, een instructie voor dit ambt ontwierpen.

Wat de koning van Frankrijk in \'t schild voerde werd sedert 1671 hoe langer hoe duidelijker. De invoer der Nederlandsche waren in zijn rijk werd met zware tollen belast, en aan alle Franschen verboden in de havens van dezen staat brandewijn in hun schepen te laden. Dit laatste verbod was even nadeelig voor Lodewijks onderdanen zeiven, als het bleek overbodig te zijn. Immers de Staten-Generaal draalden niet met het nemen van maatregelen van weerwraak. Zij lieten plakkaten afkondigen, waarbij de invoer van Franschen brandewijn en van andere waren uit Frankrijk in Nederland voor goed werd verboden of

-ocr page 259-

239

zwaar belast. Ook — hetgeen een dringender vereischte was — tegen de nadering der dreigende vijandelijkheden zocht de Republiek zich in veiligheid te stellen. Meer dan zestig oorlogschepen en branders werden in de lente van 1671 uitgerust en tot het werven van nieuwe landtroepen besloten. In \'t vorige jaar hadden de staten van Holland aan hun gecommitteerde raden opgedragen het wapen der artillerie op dien voet in orde te brengen, dat het ten allen tijde gereed was voor \'t gebruik ten oorlog. Nogtans valt het niet te ontkennen, dat ten aanzien van de krijgsmacht te land meer werd besioten dan uitgevoerd. Tevergeefs had de Witt, lang eer het gevaar naakte, op buitengewone wapening aangedrongen. De oorzaak van dit verzuim is te zoeken In tweedracht over de telkens weder opkomende vraag, welke waardigheden men den prins zou opdragen. In December 1671 ging men een verdedigend verbond met Spanje aan. Ten laatste benoemden de Staten-Generaal den prins in Februari 1672 tot kapitein-generaal voor één veldtocht. Door \'s prinsen toedoen kwam de keurvorst van Brandenburg, met wien men reeds lang onderhandelde, er nu eerlang toe een verdrag met de Republiek te sluiten, waarin hij zich tot het geven van hulp verplichtte. Met den koning van Duitschland kwam in den loop van hetzelfde jaar een dergelijk verbond tot stand.

Intusschen vleiden de Staten-Generaal zich nog met de hoop, dat Frankrijks geduchte toerustingen een anderen vijand konden gelden, iets anders, b.v. de verovering van het overschot der Zuidelijke Nederlanden , ten doel hebben. Door deemoed Lodewijk te bevredigen was dus de stroohalm, waaraan zij zich nog vastklemden. In December 1671 verklaarden zij, dat zij bereid waren alle oorzaken van ongenoegen, die zij Lodewijk wellicht hadden gegeven, weg te nemen. Half Januari 1672, toen de Fransche legerbenden reeds in beweging waren naar de grenzen, bad de Nederlandsche gezant te Parijs, Pieter de Groot, Hugo\'s zoon, pensionaris van Rotterdam, den koning de staten niet harder te behandelen dan misdadigers, die men ten minste pleegt te hooren, aleer men ze veroordeelt. Niets baatte. Inmiddels trok het Fransche leger grootendeels bijeen in den omtrek van Charleroi. Geheel Nederland zag de toekomst donker in. De maand Maart 1672 liep ten einde, en er kwam geen oorlogsverklaring van Frankrijk. Ook Engeland hield ze nog terug, maar liet ze door een verraderlijken aanval voorafgaan. Op de hoogte van Wight tastten de Engelschen in Maart de Smyrnaasche vloot der Republiek, op anderhalf millioen geschat, aan. Echter gelukte het hun niet meer dan een paar schepen te bemachtigen.

Eindelijk verscheen de oorlogsverklaring der beide koningen op één dag. Op den donkeren, regenachtigen morgen van den 7den April 1672 trok Lodewijks omroeper, met acht trompetters, door Parijs en las ze onder het geschal der trompetten aan het volk voor. Denzelfden dag geschiedde de afkondiging en het aanslaan der verklaring te Londen. Eigenlijke gronden bevatte Lodewijks verklaring niet. Zij waren even-

-ocr page 260-

240

wel niet moeielijk te vinden: de triple alliantie, het gebeurde met de beide schepen (zie blz. 220), het verbieden der Fransche waren, de gedenkpenning van 1668 (zie blz. 236). Te dier tijde geloofde men in Frankrijk ook, dat er, behalve de bedoelde penning, nog een andere was geslagen op last van van Beuningen (zie blz. 219), waarop een zon was afgebeeld, die hij als een tweede Jozua deed stilstaan. Dit was niets dan een verzinsel. Eerst later, ongeveer 1709, werd, waarschijnlijk in Duitschland, zulk een gedenkpenning geslagen, waarop een aantal met elkaar kampende krijgslieden stonden en boven hen deze woorden: „stetit sol in medio coeli,quot; d. i. de zon stond midden aan den hemel stil. Doch van Beuningen had daaraan geen deel.

De Engelsche oorlogsverklaring was breedvoeriger en behelsde veel bijzondere punten, o.a. dat van het strijken der vlag en van het beschimpen van Karei II door schilderijen en penningen. Zij zag, wat het eerste dier punten betreft, op iets, dat in Augustus 1671 was geschied. Toen was een jacht van Engelands koning, de Merlijn, dat Temple\'s gemalin uit Nederland kwam halen, op de kust van Zeeland dwars door een deel van de vloot der Republiek gevaren, koers zettende naar Groot-Britannie. Eereschoten waren van weerszijden gewisseld; maar vermits de luitenant-admiraal van Gent (zie blz. 231) de vlag niet had gestreken, had het jacht tweemaal met scherp op hem geschoten. Dit doende, handelde het jacht overeenkomstig een uitdrukkelijk bevel van Karei II, die volstrekt wilde, dat er iets voorviel, hetwelk de Britsche natie kon bewegen tot een oorlog tegen de Nederlanden gezind te zijn. Dezerzijds begreep men op Neêrlands kust in geen geval gehouden te zijn tot groeten. In Engeland echter werd de zaak, breed uitgemeten, als een zware hoon aangemerkt. Met de andere beleediging had men een schilderij op \'t oog, die op het stadhuis te Dordrecht hing en de zege bij Chattam, met Cornelis de Witt levensgroot, als zegevierend hoofdpersoon, voorstelde.

Hadden de Staten-Generaal het onweer van de zijde van Lodewijk, letterlijk en figuurlijk, hun grenzen steeds nader zien komen, de oorlogsverklaring van Engeland wordt terecht vergeleken met een donderslag bij helderen hemel. Deze aanzegging had niemand verwacht. De Neder-landsche staatslieden meenden, dat het ergste, waarop zij zich moesten voorbereiden, indien Frankrijk hun land aanviel, de onzijdigheid van Engeland zou zijn. Dat Engeland zijn eigen belang zoozeer zou vergeten, dat het met Frankrijk gemeene zaak maakte tegen de Republiek, kwam bij niemand op. Thans zakte alzoo de grondslag van de Witts stelsel weg, hetwelk geheel hierop was gebouwd, dat Frankrijk en Engeland tegen elkander bleven gekant. Wellicht ware Nederland nog te redden geweest door een oprechte verzoening van de stadhouderlijke met de staatsgezinde partij en door het inspannen van aller krachten. Doch daartoe was de partijschap te hevig.

Aan bondgenooten had Frankrijk geen gebrek. Nog bij den aanvang

-ocr page 261-

241

van 1672 wenschte Bernard van Galen (zie biz. 226) de Staten-Generaal een gelukkig en vreedzaam nieuwjaar. Den i8den Mei 1672 verklaarde de bisschop van Munster hun den oorlog. Behalve de boven genoemde oorzaken bewogen Fransch geld en Fransche invloed hem, gelijk mede zijn nabuur Maximiliaan Hendrik, keurvorst van Keulen en prins van Luik (zie blz. 173), misnoegd o.a. over de bezetting, welke de Staten-Generaal sinds lang te Rijnberk (ten z. van Wezel en tot het keurvorstendom Keulen behoorende) hadden liggen. Zoozeer was de keurvorst aan Frankrijk als vastgeklonken, dat Keulen vele maanden vóór het uitbarsten van den oorlog van Franschen wemelde, schijnbaar in den dienst van Maximiliaan Hendrik overgegaan.

Maar op niemand vertrouwde Lodewijk meer dan op zichzelf. Den 27sten April 1672 trok hij met zijn gevolg en met het laatste gedeelte der troepen uit Parijs naar Charleroi op, de algemeene verzamelplaats. Den 5den Mei kwam hij er aan. Verbazend was het gewoel in deze stad. Den nden brak de koning vandaar op. Maastricht werd voorbij getrokken. Maar Orsoy, Burik en Wezel, waarin de Staten-Generaal sedert het verschil over de opvolging in de Kleefsche landen (zie blz. 155 en 162, alsmede Algem. Geschied., 111, 7de druk, blz. 55, 124) bezetting hadden gelaten, vielen binnen weinige dagen in Lodewijks handen. Eveneens Rijnberk. Rees en Emmerik, insgelijks tot het Kleefsche gebied behoorende, volgden. Lodewijk meende met iets groots den veldtocht te openen, zoovele steden met één slag onderwerpende. Metterdaad was de verovering van dergelijke plaatsen, die, in den rug gelaten, aan het Fransche leger geen kwaad hadden kunnen doen, niets dan nuttelooze pronk. Zij vielen, omdat de vestingwerken waren verwaarloosd, of de bezetting te zwak was, of de noodige voorraad ontbrak, of de burgerij Nederlands regeering niet was toegedaan, of het verraad zijn rol speelde.

Men meende dat Lodewijk vervolgens zou trachten den IJsel over te trekken. Doch in plaats hiervan maakte hij een zuidelijke beweging en richtte zich op den Rijn. Bij den IJsel lag het Nederlandsche leger, ruim 14,000 man voetvolk, 7000 ruiters en eenige duizenden gewapende landlieden, ongeschikt tot krijgsdienst. Van het leger zelf waren de soldaten ongeoefend, de officieren grootendeels onbedreven en zeer vreesachtig. De ruiterij ontbrak het aan hooi en stroo. Om de linie langs de rivieren goed te verdedigen had men vijfmaal zooveel troepen moeten hebben. De opperbevelhebber was een jonge prins zonder ondervinding, bijgestaan door gedeputeerden te velde, jaloersch op zijn macht. Bij dat alles kwam dat de rivieren in dien zomer, welke zich door sterke hitte kenmerkte, zeer waren uitgedroogd. Kort vóór den overtocht was de Rijn bij Schenkenschans zoo laag, dat de koeien er dagelijks doorliepen. Slechts een klein eind weegs behoefden de paarden te zwemmen : het overige van de baan konden zij droogvoets of wadend afleggen. Tot overmaat van ongeluk wist men in \'t Nederlandsche hoofdkwartier niet recht wat men wilde.

wijNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 16

-ocr page 262-

242

Wat stond er tegenover? Een Fransch leger van 118^000 man en met 200 stukken geschut. Bovendien meer dan 2000 adellijke vrijwilligers, die als gemeen soldaat dienden, in afzonderlijke ruiterbenden ingedeeld. Met fiere verachting zagen deze krijgsbenden, ruimschoots van al het noodige voorzien, op een volk van „nietige kaaskoopers en poelbewonende kikvorschenquot; neer. Alles bezielde de tegenwoordigheid van hun koning, die het opperbevel aan Turenne en Condé had opgedragen. Den i2den Juni 1672 begon het overtrekken bij het tolhuis te Lobith. Een Roomsch-katholiek landman, Jan Peterszoon, wonende te Neder-Elten, wees den Franschen den weg door den Rijn. Aan Johan Barton de Montbas, een zwager van Pieter de Groot, had de prins de verdediging van den post opgedragen. Doch aleer de vijand zich nog vertoonde, had hij een deel der troepen gelast af te trekken. Toen de Franschen kwamen opdagen, streed hij wel een korte wijl mede, maar verliet den post weldra. Dit doende, kon hij zich beroepen op een bevel der gedeputeerden te velde, hetwelk met dat van den prins streed. Het een en ander werd hem later als plichtverzuim en verraad toegerekend, weshalve hij de vlucht nam en tot de Franschen overliep, maar niet kon beletten, dat hij in Juli 1673 te \'s Gravenhage in beeltenis werd opgehangen. Dit vonnis, hetwelk, indien men hem had gegrepen, aan hemzelven zou zijn voltrokken, werd geveld, nadat de prins zijn mishagen had aan den dag gelegd over een vroegere uitspraak van den krijgsraad, waarbij hij tot vijftienjarige gevangenschap was veroordeeld.

Op de komst van Montbas in \'t hoofdkwartier spoedt zich de veldmaarschalk Wirtz (zie blz. 234) naar den Rijn om te pogen de Franschen tot staan te krijgen. Aanvankelijk schijnt deze poging te gelukken; doch de overmacht is te groot, hoewel menig schot der Nederlanders zijn man treft. Vruchteloos hebben lage vleiers het overtrekken van den Rijn tot een schitterend wapenfeit willen verheffen. Evenmin als het nemen der vele kleine sterkten kan die daad het Fransche leger tot eenigen roem verstrekken. Voor Nederland was het, te midden van al het ongeluk, een geluk dat Condé bij het overtrekken een wonde bekwam. Daardoor werd hij verhinderd volgens het voorstel, door hem gedaan, met 6,000 ruiters, elk een infanterist achter op het paard, regelrecht tegen Amsterdam op te rukken.

Wanhopig werd thans \'s lands toestand, nu de deur der Vereenigde Nederlanden was geopend en het leger der Republiek op Utrecht terugtrok om ook hier slechts een paar dagen te toeven en dan nog verder te wijken. Binnen een tiental dagen bezweken de meeste steden van Gelderland en geheel Utrecht. Den 23sten Juni ging de stad Utrecht bij verdrag over, niet tegen den zin der burgerij, welke, voor een deel Roomsch-katholiek, afkeerig was van verdediging. Buiten Utrecht gaf zich nog Naarden over. In \'t kort, de Franschen vermeesterden een paar provinciën in minder tijd dan een reiziger zou behoeven om ze te bezichtigen. Eerst Muiden stuitte den zegevierenden marsch des

-ocr page 263-

243

vijands. Des daags na de overgaaf van Utrecht sloeg het Fransche leger in onafzienbare rijen zijn tenten bij Zeist op.

Gedurende denzelfden tijd, dien Frankrijk in zijn eigen belang zoo wel besteedde, veroverden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen een gedeelte van Gelderland. Behalve Borkulo en verdere steden in \'t o. van deze provincie namen zij Elburg, Harderwijk en Hattem, waaruit hen kort daarna de Franschen weder verdreven. Hun weg voortzettende, onderwierpen zij vervolgens Overijsel en namen den i aden Juli Koevorden in. Hier was het een herhaling van hetgeen in Gelderland en in Utrecht tegenover de Franschen plaats greep. De gezindheid tot wakkere tegenweer was luttel. De oude verdeeldheid bestond nog steeds in Overijsel (zie blz. 236), in welk gewest bovendien een groot deel der bevolking, Roomschgezind zijnde, de overheersching der hervormde kerk met leede oogen zag. Ock daar waren de vestingwerken nergens in goeden staat, noch de bezettingen sterk of de voorraad genoegzaam. De groote menigte der tijdgenooten, die op elk bericht van \'t overgaan eener stad verraad riep, had dus zeer dikwijls ongelijk. Een gelukkige tegenstelling tegen dit tafereel van vernedering was Aardenburg (in Staats-Vlaanderen), van welke stad de vaandrig Beekman, wakker bijgestaan door de burgerij, de Franschen in \'t eind van Juni dwong met een zwaar verlies af te deinzen. Alleen ter zee bleek Neerlands meerderheid tegenover zijn vijanden, want den yden Juni leverde de Ruiter bij Solebay (een inham op de Oostkust van Engeland, ten z. van Southwold) een slag aan de Fransch-Engelsche vloot, die onder \'t bevel stond van den hertog van York en d\'Estrées. Dadelijk bij \'t begin van het gevecht zeide de Ruiter, met zijn vinger naar het vaartuig van York wijzende, tot zijn opperstuurman: „stuurman Zeger, dat is onze man.quot; Zijn muts even van het hoofd nemende, antwoordde Zeger: „Mijnheer, dat zal u gebeurenquot; en voer tot een pistoolschot afstand van het Engelsche admiraalschip. Een beslissende zege behaalde geen der beide partijen; maar het voordeel was aan den kant van de Ruiter. De Franschen namen weinig deel aan den strijd, niet ongaarne ziende dat de beide zeemogendheden elkander zooveel mogelijk afbreuk deden. De Nederlanders verloren van Gent. Hier was het dat Cornelis de Witt, als gedeputeerde der Staten-Generaal op de vloot (zie blz. 225), een lijfwacht had van twaalf helle-bardiers met een serjant, uitgedost in wapenrokken, waarop in \'t groot, voor de borst, de leeuw van Holland was gewezen, alsmede een andere van drieennegentig matrozen, hetgeen velen zeer in de oogen stak.

In Holland en in Zeeland brachten de ongehoorde voorspoed en de nadering des vijands een buitengewone verslagenheid te weeg. Men was stom en als bedwelmd. Ieder liet het hoofd hangen als een bies en scheen het vonnis des doods te hebben ontvangen. Elk vond zijn huis te eng en ging doelloos op straat, waar hij geen anderen troost aantrof dan gekerm en ellende. De ambachten stonden stil, de winkels waren

16*

-ocr page 264-

244

gesloten. De rechtbanken staakten haar zittingen; alle scholen gaven vacantie. De kerken waren te klein om de benauwde schare te bevatten. Zij, die iets hadden te verliezen, begroeven hun kostbaarheden onder den grond. Velen betrokken de wachtposten in hun stad en verzetteden hun leed door over den toestand des lands, onder drank en tabak, elkander hun denkbeelden mede te deelen. De schuldbrieven der Republiek daalden tot 30 ten honderd en lager; de actiën der Oost-Indische compagnie waren niet de helft waard van hetgeen zij anders golden. De droevige stemming der inwoners van Holland en Zeeland werd nog vermeerderd door het weder. Mat hing de zwaar bewolkte hemel over de treurende vlakten en steden en deed de gejaagdheid der ingezetenen toenemen, die grootendeels geen geheugenis meer hadden van vijandelijke legers in hun onmiddellijke nabijheid.

De raadpensionaris was bijna radeloos: afgemat door allerlei inspanning had hij somtijds des avonds te negen uur nog geen tijd voor \'t middagmaal gevonden. In strijd met de Witts zienswijze, die alleen op het onder water zetten van \'t land vertrouwde, helden de regenten der Republiek tot onderhandelingen met Frankrijk over en zonden te dien einde Pieter de Groot en andere gezanten tot den koning. De laatste helft der maand Juni verliep onder deze onderhandelingen. Lodewijk deed verregaande eischen: afstand van al hetgeen de Republiek bezat buiten de zeven gewesten, gelijk mede van een deel van Gelderland; allerlei voordeden voor den Franschen koophandel, alsmede intrekking van alle rechten op den invoer van Fransche waren en van alle plakkaten, rakende den handel met Frankrijk (zie blz. 238); openlijke uitoefening van den Roomsch-katholieken godsdienst; zestien millioen tot schadeloosstelling voor de oorlogskosten; alle jaren een gezantschap der staten om hem hun dank te betuigen en hem een gedenkpenning aan te bieden. Eer nog deze voorwaarden bekend waren, hadden Amsterdam en Zeeland hun afkeer van \'t onderhandelen aan den dag gelegd. Zoodra de Nederlandsche gezanten door het leger van den prins reisden, vroeg ook hij aan de Staten-Generaal vergunning om voor zijn bijzondere belangen in onderhandeling te treden. Op dit \\erzoek schijnt geen antwoord te zijn ingenomen. Niet minder buitensporig dan de vorderingen van Frankrijk waren die, welke de koning van Engeland omstreeks denzelfden tijd, op \'t eind van Juni, deed: erkenning zijner heerschappij over de zee, zoodat een geheele Nederlandsche vloot de vlag moest strijken voor een enkel Britsch oorlogschip; 100,000 pond st. voor de vrije visscherij; 500,000 pond st. ter voldoening van de oorlogskosten; Vlissingen, Briel en Sluis in pandschap; opdracht van het stadhouder- en kapitein-generaalschap aan den prins van Oranje.

-ocr page 265-

245

§ a;.

Het vervolg van den oorlog van 1672. -— De dood der gebroeders, de Witt. — De verheffing van Wille?n III.

De rampen, die het vaderland zoo plotseling troffen, veroorzaakten een geheele omkeering in het land. De staten van Holland beijverden zich hun gewest door het doorsteken der dijken ontoegankelijk te maken voor den vijand. Amsterdam rustte zich op allerlei wijze wakker ter verdediging toe en geleek weldra op een vesting, midden in het water gelegen. De burgerij dezer stad bracht haar gemaakt goud en zilver ten offer aan het vaderland. Intusschen weet het volk, steeds zoowel het goede als het kwade overdrijvende, de schuld van alle ongelukken aan \'s lands regeering en beschuldigde de Witt met Frankrijk te heulen. Niets was ongerijmder dan deze laatste beschuldiging. Ware de Witt zoo Franschgezind geweest, dat hij Lodewijk, toen hij de Zuidelijke Nederlanden binnendrong, geen hinderpalen in den weg had gelegd, of had hij zich maar met den koning over een verdeeling dier gewesten verstaan, dan was de toenmalige oorlog niet over Nederland losgebroken. Doch nu die kreet van landverraad eenmaal de uiting eener vrij algemeen verbreide meening was, lag de gedachte dat \'s prinsen verheffing in de benarde omstandigheden het eenige redmiddel was voor de hand. Op hem bouwde men meer dan op de onderhandelingen met Frankrijk, welke voedsel gaven aan den argwaan, dat de staatsgezinde partij met Lodewijk heulde tot haar eigen behoud, maar tot verderf der Republiek. Weldra uitte zich de haat tegen de de Witten door daden. De raadpensionaris, op den avond van den zisten Juni 1672 uit de vergadering der staten van Holland naar huis gaande, werd op het „groene zoodje,quot; nabij het Buitenhof, aangerand door vier mannen, die hem verscheiden wonden toebrachten en, in de meening hem te hebben gedood, de vlucht namen. Van de vier misdadigers, die, door den wijn verhit, de daad bijna ter zelfder ure hadden beraamd en gepleegd, werd alleen Jakob van der Gr raaf, een zoon van een lid van \'t hof van Holland, gegrepen. Eerst trachtte hij het feit te loochenen. Kort daarna echter bekende hij en veroordeelde het hof van Holland hem wegens majesteitsschennis ter dood. Den zgsten Juni werd het vonnis aan hem voltrokken. Velen hadden gepoogd, ook bij de Witt, vergiffenis voor den jeugdigen man te erlangen, doch vruchteloos. Dit deed, evenals de zaak van Buat, den haat tegen den raadpensionaris zeer toenemen.

Te Dordrecht wendde de woede des volks zich tegen den ruwaard, terwijl hij nog op de vloot was. Een hoop volk vloog naar het stadhuis en vernielde de schilderij, daar te zijner eer opgehangen. Eenige dagen daarna kwam hij in zijn vaderstad terug, maar moest wegens ongesteldheid het bed houden. Ongeveer gelijktijdig met den aanslag van van der Graaf trachtten op een avond vier onverlaten het huis van

-ocr page 266-

246

den ruwaard binnen te dringen en zouden het booze opzet, dat zij in den zin hadden, hebben volvoerd, zoo niet de gewapende macht tusschen-beide waren gekomen. Zelfs stond te Amsterdam het huis van de Ruiter, die zich op de vloot bevond, een weinig later aan een aanval van het grauw bloot, die eveneens door de burgerwacht werd afgewend.

Gedurende des ruwaards ongesteldheid rottede in verscheiden steden van Holland en Zeeland het volk samen met het doel om den prins van Oranje verder te doen bevorderen. Het eerst gebeurde dit te Veere, waar men de wethouderschap dwong den zisten Juni de belofte af te leggen, dat zij den prins het stadhouderschap zou aanbieden. Van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Daar noodzaakte men de regeering den prins uit de legerplaats te halen en naar de stad te geleiden. Zóó was hijzelf getuige van het hevige tooneel, hetwelk hiermede sloot dat de leden der vroedschap den zgsten Juni een geschrift onderteekenden, waarin zij het eeuwig edict herriepen en Willem het stadhouderschap opdroegen. Vermits de ruwaard nog ziek was, begaf zich de secretaris der stad met een kapitein der burgerwacht naar zijn legerstede en hielden hem voor, dat gewapende burgers zijn huis hadden omsingeld, hem, indien hij aarzelde, met den dood dreigende. Slechts met moeite brachten zijn huisgenooten hem er toe aan het verzoek te voldoen. Onderteekenende voegde hij er de letter.3 v.c. bij, d.i. vi coachts, met geweld gedwongen. Maar de Witts gemal n haalde op aansporing van den secretaris de pen door deze woorden. Ongeveer op dezelfde wijze als te Veere en te Dordrecht ging het elders. In de eene plaats kwam het volk uit eigen beweging op de been, in een andere werd het opgeruid.

Het werk, in de stemmende steden voorbereid, werd ter dagvaart voltooid. Den 2den Juli benoemden de staten van Zeeland, in den nacht tusschen den 3den en den 4den die van Holland, na eerst het eeuwig edict te hebben ingetrokken, Willem iii (1672—1702) tot stadhouder. Ter zelfder tijd benoemden de Staten-Generaal hem tot kapitein-generaal der unie en gaven hem de beschikking over de patenten (zie blz. 205) tot wederopzeggens toe. De verheffing van den prins gaf een geheel andere richting aan de onderhandelingen over den vrede. Op de voorwaarden, door Frankrijk gesteld, werd vooreerst geen antwoord gegeven. Hoewel alzoo de onderhandelingen tot geen bevredigende uitkomst leidden, dit nut hadden zij toch gedaan, dat zij het voortrukken der Franschen hadden gekeerd. Thans, na\'sprinsen verheffing, kwamen de onderhandelingen met Engeland op den voorgrond, die met Frankrijk op den achtergrond, juist het tegendeel van hetgeen men in de laatste weken had gezien. Immers, hoewel daartoe niet gemachtigd door de Staten-Generaal, trachtte Willem III een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Te dien einde ontving hij de Engelsche gezanten in zijn legerplaats bij Bodegraven. Vandaar vertrokken zij naar Heeswijk (ten z.o. van \'s Hertogenbosch), waar

-ocr page 267-

247

Lodewijk zich toen met een deel zijner troepen bevond. Daar kwam het zoogenoemde „ontwerp van Heeswijkquot; van den i6den Jul; tot stand, bij hetwelk Frankrijk en Engeland zich wederkeerig verplichtten zich niet van elkander af te scheiden en niet anders dan gemeenschappelijk vrede te sluiten. De voorwaarden van dit ontwerp, waarop de beide mogendheden verklaarden vrede te willen sluiten, waren, voor-zoover Frankrijk betreft, de boven genoemde (zie blz. 244); wat Engeland aangaat, mede dezelfde, maar met de volgende wijzigingen. Als oorlogskosten werd nu een millioen pond st., voor de visscherij op de kusten van Groot-Britannië jaarlijks 10,000 pond st. verlangd. Voor den prins werd de souvereiniteit bedongen en als onderpanden Walcheren, Sluis, Kadzand, Goeree en Voorne geeischt. Tien dagen werden aan de regeering der Republiek gegund om op die artikelen te besluiten.

Ofschoon het ontwerp van Heeswijk wel in staat moest worden geacht de oogen te openen van hen, die het heil alleen van de zijde van Engeland verwachtten, bleef de prins van gevoelen, dat men zich slechts naar die zijde had te wenden. Ook werd hij door de staten van Holland tot onderhandelingen in dien zin gemachtigd. Deze volmacht baatte intusschen even weinig, als de voorwaarden, welke Willem, kort tevoren, in Juli, in \'t geheim aan Karei II had aangeboden, indien hij voor zich een einde aan den oorlog wilde maken en behulpzaam zijn om Frankrijk tot een billijken vrede te verplichten. In vele opzichten stemden deze artikels overeen met hetgeen Karei zelf had gevraagd. Doch als onderpand werd niets anders dan Sluis genoemd. De bepaling der souvereiniteit voor den prins was er mede in opgenomen. Maar de koning van Engeland achtte den inhoud dezer artikels onvoldoende. Bovendien wilde hij zich niet van zijn bondgenoot laten aftrekken. Daar nu de prins van zijn kant wel begreep, dat in den toestand, waarin de Republiek zich destijds bevond, geen gunstige voorwaarden waren te bedingen en hij alzoo geen heil zag in verdere onderhandelingen over een algemeenen vrede, moesten de wapens beslissen.

Aleer evenwel de lezer zijn aandacht vestigt op den verderen gang der vijandelijken, behoort hij ze nog een oogenblik bij de binnen-landsche aangelegenheden der Republiek te bepalen. Op het tijdstip dat de roekelooze aanslag, boven gemeld, tegen Jan de Witt werd gedaan, was hij het nog die aan \'t hoofd van \'s lands regeering stond. Toen hij was genezen, had de omwenteling plaats gegrepen, die Willem III aan het roer van den staat plaatste. Op dit nieuwe tooneel kon hij, zonder zijn eed (zie blz. 234) te breken en zijn beginselen te verloochenen, niet voegzaam verschijnen, of hij moest er een tweede of derde rol vervullen. Hij vroeg en verkreeg zijn ontslag den 4den Augustus. Hem werd het recht toegekend om zitting te nemen in den hoogen raad. Doch hij en zijn broeder schenen slechts in het leven te zijn gespaard ten einde aan nog grievender leed ten doel te staan dan hun tot dusver was beschoren geweest.

-ocr page 268-

248

Het eerst trof dit lot den ruwaard. Willem Tichelaar, barbier te Piershil (ten w. van Dordrecht, beschuldigde Cornell\'s de Witt een poging te hebben aangewend om hem tot een aanslag op het leven van den prins van Oranje te bewegen. Tichelaar stond zeer slecht ter faam. Niet alleen had hij meer dan een vergrijp gepleegd; maar hij was ook in 1670 bij vonnis van des ruwaards plaatsvervanger veroordeeld tot een geldboete en tot verbanning uit het land van Putten. Daarenboven had hij nog ten zijnen laste een vonnis van denzelfden rechter wegens beleedigingen, hem toegevoegd. Deze lage man ontzag zich niet aan \'s prinsen hofmeester te verklaren, dat, toen hij op zekeren dag den ruwaard ter zake van zijn vonnis was gaan spreken, Cornelis de Witt hem het zoo even gezegde voorstel had gedaan.

De prins bracht de mededeeling ter kennis van het hof van Holland, hetwelk den ruwaard, in strijd met de privilegiën van Dordrecht, gevankelijk naar den Haag en weldra naar de Gevangenpoort liet voeren en de kennisneming der zaak aan zich trok. Noch de Witt, noch de overheid van Dordrecht verzette zich hiertegen. Lijnrecht tegenover de aangifte van Tichelaar stond de betuiging van Cornelis de Witt, luidende dat Tichelaar zijn steun had gevraagd voor het ondernemen der bedoelde misdaad, die hij evenwel eerder had aangeduid dan uitgesproken. De Witts dienaar en zoon, die geluisterd hadden aan de deur van \'t vertrek, waarin Tichelaar met den ruwaard vertoefde, bevestigden deze getuigenis grootendeels.

Het bleek den hove, dat de ruwaard het gesprek, met den barbier gehouden, onverwijld aan den secretaris der stad had medegedeeld. Ondervraging en pijnbank leidden tot geen ander gevolg, dan dat Cornelis de Witt bij zijn verklaring volhardde. Bij de ondervraging kwam de weigering van den ruwaard ook op het tapijt om de akte te teekenen, welke de herroeping van het eeuwig edict bevatte. Zelfs schijnt deze weigering een ongunstigen invloed op den loop der zaak geoefend en althans tot het aanwenden der pijnbank aanleiding gegeven te hebben. Zoo weinig vermocht de pijniging op de Witt, dat hij te midden der felste smarten het begin van Horatius\' fraaien lierzang (III, 3), als op zichzelf toepasselijk, opzeide:

„Justum et tenacem propositi virum Non civium ardor prava jubentium Non vultus instantis tyranniquot;

Mente quatit solida,quot; enz.

d. i.:

„Niets is er, dat verzetten kan

Een eerlijk en standvastig man,

Geen muitend volk, dat, saamgevlogen,

Met heete drift iets kwaads begeert,

Geen dwingeland, die het recht trotseertquot;, enz.

-ocr page 269-

249

De afloop van \'t proces is zeer vreemd. Het hof kon de Witt de bekentenis van het booze opzet, waarvan hij werd beticht, niet afpersen. Dus kon het hem niet ter dood veroordeelen. Toch scheen het eenige bewijzen van schuld in hem te hebben gevonden, omdat het een bezwarend vonnis velde. Maar die bewijzen kunnen geen andere zijn geweest dan de woorden van een verachtelijk persoon, die dan tegelijk als aanklager en als getuige werd aangemerkt en wiens gezegden door twee getuigen werden weersproken. Het vonnis zelf, hetwelk van geen misdaad gewaagde, — iets, dat bijna zonder voorbeeld was, — luidde, dat de Witt werd vervallen verklaard van al zijn ambten, voor immer uit Holland verbannen en tot betaling der kosten van \'tgeding veroordeeld.

Dit vonnis werd den aosten Augustus uitgesproken. Vier dagen tevoren was het volk van \'s Gravenhage op een los gerucht, dat de Witt zocht uit te breken, saamgerot en eerst uiteengegaan, toen het de zekerheid had, dat dit ongegrond was. Op dien noodlottigen 20sten Augustus werd Tichelaar, die tot dusver mede in hechtenis was gehouden, des morgens, nadat het vonnis was voorgelezen, ontslagen. Terstond liet hij, hiertoe, naar men wil, opgezet door een der leden van \'t hof, zich tegenover hen, die hij ontmoette, in dezer voege uit, dat zijn eigen ontslag, evenzeer als het zachte vonnis, over de Witt geveld, aantoonde dat de ruwaard schuldig was. Inmiddels kwam de gewezen raadpensionaris, door zijn broeder ontboden, hem in de gevangenis bezoeken, van zins zijnde hem mede te nemen. Doch dit bleek weldra onmogelijk te zijn.

Reeds in den vroegen morgen had Hendrik Verhoeflf, een zilversmid, aan de regeering van den Haag en aan anderen zijn voornemen te kennen gegeven de de Witten van kant te helpen. Een groot aantal burgers, grootendeels behoorende tot de schutterij, was, door Tichelaar opgeruid, maar al te geneigd hem in zijn opzet behulpzaam te zijn. Het duurde dan ook niet lang, of de Gevangenpoort, waar zich de gebroeders nog altijd bevonden, was door een tallooze menigte saamengeloopen volk omgeven. Tegen den middag schaarde zich tevens de schutterij onder haar vaandels voor de gevangenpoort en hield er wacht. Denkelijk waren, toen sommige afdeelingen uit eigen beweging begonnen op te komen, op bevel van de overheid van den Haag de trommen geroerd. Kort hierna kwamen de drie afdeelingen ruiterij, die in de stad in garnizoen lagen, op last der gecommitteerde raden aanrijden en vatteden insgelijks in de nabijheid der gevangenis post. Maar toen vervolgens een, naar \'t schijnt, gegrond en in allen gevalle voor waar gehouden gerucht werd verspreid, dat de boeren uit den omtrek op weg waren zich bij de samengeschoolde lieden te voegen en hun in hun opzet de behulpzame hand te bieden, kregen twee van de afdeelingen der ruiters van twee leden der gecommitteerde raden schriftelijk bevel af te trekken en de toegangen tot den Haag te bezetten. Hetzij de bevelhebber Tilly de woorden, die de overlevering hem in den mond

-ocr page 270-

250

legt: „Ik zal gehoorzamen, maar nu zijn de de Witten doode lieden,quot; werkelijk hebbe gesproken, of niet, zeker is het, dat thans de vijanden der gebroeders, ten deele onder de schutters zeiven te zoeken, de baan ruim hadden. Een aantal van hen drong verwoed den kerker binnen, noodzaakte de de Witten met hen het gebouw te verlaten en bracht hen te midden eener gewapende menigte van 1000 tot 1200 menschen laaghartig om. De weinige overgebleven ruiters konden de euveldaad natuurlijk niet beletten en hadden ook geen last, die zoo ver reikte. Hierop mishandelden eenige der burgers en het gemeen, niet tevreden met de gepleegde euveldaad, de doode lichamen op een wijze, te afschuwelijk om te verhalen. Een ooggetuige, die met het diepste leedwezen het geheele tooneel bijwoonde, heeft verzekerd, dat zoovaak hij later aan dit vreeselijk razen dacht, hem de haren te berge rezen en zijn ingewanden werden ontroerd. Wegens dit misdrijf, een der verfoeielijkste feiten uit de geschiedenis der Nederlanden, de grootste vlek, die op haar bladen is te vinden, heeft men de Hollanders, ander als goedaardig te boek staande, bij het verscheurend gedierte vergeleken. Noch de regeering van den Haag, noch de staten van Holland, destijds vergaderd, durfden de onzalige daad verhinderen. Het feit zelf stond een groote menigte menschen, velen in koetsen, te aanschouwen. Ook waren er oude lieden, die door glaasjes moesten zien. Zelfs ontzagen een predikant uit den Haag, Simonides, die kort daarna de zaak met welgevallen op den kansel behandelde, en de admiraal Tromp zich niet er tot het einde toe getuige van te zijn.

De staten van Holland, van zins schijnende de misdadigers te vervolgen, schreven in dien zin aan den prins van Oranje. Maar Willem III meende, dat men in de toenmalige omstandigheden aan geen gestrenge vervolging kon denken van een euveldaad, door menigeen van de meest gezeten burgers bedreven. Wellicht was het \'t best dit gevoelen, gelijk dan ook geschiedde, toen te eerbiedigen. Vreemd blijft het evenwel, hoe de prins een jaargeld kon toeleggen aan Tichelaar, die de onmiddellijke oorzaak is geweest van het treurige schouwspel, dat hijzelf verfoeide en dat aan het huis van Oranje-Nassau meer nadeel heeft gedaan dan zijn vrienden immer in staat waren te vergoeden. Zij, die zich van des ruwaards onschuld overtuigd hielden, zullen, voorzoover zij het hebben beleefd, niet met spijt hebben gezien, dat Tichelaar, Verhoeff, de schepen Jan van Bankhem, die tot baljuw van den Haag werd bevorderd, en de meeste andere aanleggers van het gruwelijke feit later in ellendige omstandigheden zijn geraakt.

Ten zelfden dage, waarop de daad werd gepleegd, verkozen de staten van Holland Gaspar Fagel tot raadpensionaris, een man, die vroeger tot de staatsgezinde partij had behoord, doch, evenals van Beverningk en van Beuningen, in den laatsten tijd de tegenovergestelde partij meer en meer nabij was gekomen. Het was een moeielijke taak de opvolger te zijn van een man als Johan de Witt. Onder zijn leiding vervulde Nederland een der eerste rollen in de Europeesche staatkunde. Zonder eenhoofdig

-ocr page 271-

251

gezag te hebben verstond hij de kunst om verdragen tot stand te brengen met dezelfde vaardigheid en nadruk als de alvermogende minister van een onbeperkt vorst. In zijn tijd en nog lang daarna was ■ \'s Gravenhage het middelpunt der diplomatie, van de onderhandelingen en de overeenkomsten der mogendheden van dit werelddeel. Als de staat, die de weegschaal hield van de veroveringen en van den roem aller vorsten, werd Nederland alom ontzien. Onvermoeid was de Witt werkzaam voor de verheffing der Republiek, van haar zeemacht en handel. Groote diensten heeft hij aan zijn vaderland bewezen. Van \'s mans ervaring in \'t financiewezen is boven (zie blz. 216) melding gemaakt. Nadat hij zijn ambt had nedergelegd, verzochten de staten van Holland hem, ten einde hen in staat te stellen met meer kennis van zaken over de geldmiddelen te beraadslagen, een staat op te maken zoowel van de gewone als van de buitengewone inkomsten en uitgaven der provincie. Dit verzoek in de toenmalige omstandigheden, nu het getij was gekeerd, was inderdaad in den mond der staten een welsprekende betuiging. Daardoor spraken zij openlijk uit, wat ook de volle waarheid was, dat het geheim van Hollands financiën alleen bij de Witt berustte. Licht kon de aftredende raadpensionaris, ook al herinnerde hij zich de uitbundige loftuigingen, waarmede men hem vroeger bij verlenging van dienst had vereerd, na de verklaring, in dat verzoek vervat, de koele bewoordingen voorbijzien, waarin men hem het gevraagde ontslag had verleend.

Alom heerschte, gedurende de jaren van de Witts raadpensionarisschap, in Holland uitnemende welvaart, zoodat de prijs der huizen te Amsterdam, ofschoon de stad aanmerkelijk werd uitgelegd (zie blz. 179), niet verminderde. Buitenlandsche staatslieden en schrijvers wedijveren in eervolle uitspraken over den raadpensionaris en zijn luisterrijke loopbaan. Zij zeggen, dat hij Holland en, door middel van Holland, de Vereenigde Gewesten met kracht, grootheid en ver vooruitzienden blik bestuurde; dat er niemand in Europa was, noch op een troon, noch in den raad der vorsten gezeten, die beter dan hij de verschillende belangen der mogendheden kende en zulk een vastheid van staatkundig inzicht had; dat hij, zonder laag of onoprecht te zijn, uitermate behendig en zeer bedreven was in de fijne wendingen, waarmede onderhandelingen moeten worden bestuurd. Temple is van oordeel, dat er gedurende de negentien jaren, die hij in den dienst van zijn vaderland besteedde, een voortdurende aanwas van rijkdom en macht naar binnen, van aanzien naar buiten is geweest. d\'Estrades, die beweert weinig Nederlandsche staatslieden te hebben gekend, die niet omkoopbaar waren, moest ondervinden, dat de Witts onkreukbaarheid schitterend afstak bij den veilen aard van vele zijner landgenooten. Dat hij zeldzame en uitnemende geestvermogens had betwijfelt niemand. Van de beide broeders was hij de jongste in jaren, de oudste in wijsheid. Aan uitgebreide kennis van staatszaken, in de kleinste bijzonderheden, paarde hij groote wetenschappelijke kundigheden, vooral van de wis-

-ocr page 272-

252

kunde, over welk vak hij eenige verhandelingen in \'t licht gaf. „Ago quod ago,quot; ik doe één ding tegelijk, was zijn zinspreuk. De registers zijner voorgangers in 65 jaar beliepen 23,475, de zijne in 15 jaar 22,951 bladzijden. De commissien en rapporten zijner voorgangers waren in 67 jaren ten getale van 87, de zijne in 15 jaren 534.

Was de Witt uitnemend bekwaam en werkzaam, niet minder lof verdienen zijn onbaatzuchtigheid en zijn eerlijkheid. Aan eigen genoegen en gemak dacht hij niet; voor zijn fortuin droeg hij zooveel zorg als billijk is. Hun, die na zijnen dood met het onderzoek zijner papieren waren belast, vroeg men wat zij hadden gevonden. „Wat zouden wij hebben gevonden, was het antwoord, anders dan eerlijkheid ?quot;\' Zijn tafel was eenvoudig; tot zijn bediening had hij slechts één knecht. Kalm was hij en, het meesterschap voerende over eigen gelaat, gewoon tot op den bodem door te dringen van eens anders gemoed. De stuurschheid, die zijn broeder eigen schijnt te zijn geweest, was geenszins een der eigenschappen van den raadpensionaris. Verwijt men hem, dat hij te veel gezag oefende, dit is toe te schrijven niet aan heerschzucht, maar aan zijn schrander vernuft en bekwaamheden, die hem een zedelijken invloed gaven, grooter dan de meeste stadhouders hadden. Acht men het verkeerd, dat hij het oog bovenal op Hollands belangen gericht hield, men behoort niet te vergeten, dat hij de eerste ambtenaar van Holland was. Daarenboven, de bevordering van Hollands welvaart was de hoeksteen van geheel zijn staatkundig stelsel. Mocht men meenen, dat de ongelukken van 1672 hem zijn te wijten, de onpartijdige beschouwing der geschiedenis leert, dat hij, zoo hij heeft gedwaald, hierin alleen dwaalde, dat hij niet heeft vooruit gezien, dat Karei II zoo bekrompen en laag was Engelands belangen veil te hebben ter wille van een handvol Fransch goud. Om er van te zwijgen dat de politiek van een minister niet naar de uitkomsten mag worden beoordeeld en dat Willem III, hoewel zich op een ander standpunt plaatsende (zie beneden blz. 259, 260), dezelfde baan betrad als de Witt. De raadpensionaris de Witt stond op een gevaarlijken post: de taak der Republiek, zooals hij ze opvatte, was in de bres te springen voor de zaak van het rechtsgenootschap der volkeren. Hij viel op zijn post.

Het noodlottig uiteinde der gebroeders bleek weldra geen voldoend middel te wezen om de in beweging geraakte bevolking der steden tot bedaren te brengen. Eensdeels hierom, anderdeels omdat vele der regenten , als aanhangers der staatsgezinde partij, niet aangenaam waren aan den stadhouder, machtigden de staten van Holland den prins den 2 7sten Augustus, voorzoover hij het noodig achtte, overal de wet te verzetten. Door deze wijziging der vroedschappen kwamen vele geringe en onervaren lieden in die lichamen. Niet overal had deze verandering zonder woelingen en onstuimige tooneelen plaats. Zooals in Holland koos de prins ook in de raden der steden van Zeeland nieuwe leden.

Doch het wordt tijd tot de zaken van den oorlog terug te keeren.

-ocr page 273-

253

De eerste verrichtingen van den prins te velde, o.a. een poging om Naarden en Woerden te vermeesteren, liepen ongelukkig af. In December 1672 viel de vorst in en maakte de hertog van Luxembourg, een van Lodewijks veldheeren, zich gereed een inval in Holland te doen. Hij overviel Zwammerdam en Bodegraven, welke plaatsen de Franschen tot den grond toe afbrandden, tevens zoovele wreedheden tegen de ingezetenen begaande, dat hun naam, als die van barbaren, in Nederland werd gebrandmerkt. Inmiddels ging de vorst in regen over, hetgeen Luxembourg noodzaakte op Woerden terug te trekken. Tusschen Bodegraven en Woerden lag de Nederlandsche kolonel Mozes Pain et Vin ter bewaking van den postte Nieuwerbrug. Overwegende, dat hij door de Franschen was afgesneden van het hoofdkorps zijner troepen, hetwelk naar Leiden was geweken, en dat zijn post niet was te verdedigen, trok hij op de nadering van den vijand, hoewel daartoe geen last hebbende, naar Gouda. Daardoor verloor men de kans om den hertog van Luxembourg in handen te krijgen. Dit werd Pain et Vin zoo euvel genomen door Willem III, dat hij hem voor een krijgsraad liet te recht stellen, welke hem tot eeuwige gevangenschap en verbeurdverklaring zijner goederen veroordeelde. Dit vonnis voldeed echter den prins niet, die het door den krijgsraad deed herzien, welke het eenigszins verzwaarde. Nog mishaagde het Zijn Hoogheid, die het onderzoek der zaak nu opdroeg aan een buitengewone rechtbank, door hemzelf samengesteld en waarin hij zelf voorzat. Deze rechtbank veroordeelde hem ter dood, welk vonnis in \'t begin van 1673 werd ten uitvoer gelegd.

Aan den Noordoostkant van Nederland werd het Keulsch-Munstersche leger onder den bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen in 1672 gestuit door de stad Groningen. Zes weken belegerden zij de stad. Karei van Rabenhaupt, de bevelhebber der bezetting, een oudgediende , leidde de verdediging, wakker bijgestaan door de burgers en de studenten. Een groot gedeelte der stad werd plat geschoten en in een puinhoop veranderd; doch de moed der belegerden herleefde telkens na iederen goed geslaagden uitval. In den nacht tusschen den 27sten en den 28sten Augustus blies de bisschop den aftocht met een verlies van ongeveer 5000 man, terwijl in Groningen slechts omtrent 100 menschen waren dood geschoten. Ter eere der bevrijding vierde men sedert op den 28sten feest, gelijk dit nog heden geschiedt. Nu hernamen de Groningers Winschoten, Wedde en andere plaatsen, vroeger door van Galen veroverd. En op den 3osten December liet Rabenhaupt, gebruik makende van de aanwijzing van Meindert van Thijnen, een gewezen koster te Koevorden, tevens een goed ingenieur, deze vesting door Eybergen verrassen. Door de vorst begunstigd, slaagde de onderneming geheel naar wensch. Ook ter zee stond het met de aangelegenheden der Republiek gunstig. Na den slag bij Solebay (zie blz. 243) ging de Ruiter langs de kusten van ons land kruisen om de Engelschen de landing te beletten, die zij, opdat Holland van twee zijden werd aangevallen,

-ocr page 274-

254

zich hadden voorgenomen. In zijn streven werd de Ruiter ondersteund door de natuur zelve. Toen de vijandelijke vloot in Juli 1672 in het gezicht van de Helder was, stak er een storm op, die drie dagen zonder ophouden en, met eenige tusschenpoozen, bijna drie weken aanhield. Deze uitredding kwam Nederland des te meer te stade, daar de Ruiters scheepsmacht toen niet zeer talrijk was. Dus was het jaar, welks begin zoo rampspoedig was geweest voor Nederland, en inzonderheid het einde, niet ten eenen male van voorspoed verstoken.

Meer geluk bracht het volgende jaar. In plaats toch van Frederik Willem, die, om zijn Westphaalsche landen niet aan Frankrijk te verliezen, in Juni bij den vrede van Vossem (t. o. van Brussel) voor een oogenblik het krijgstooneel verliet en die, ten deele door de weifelende houding van den keizer belemmerd, den Staten-Generaal nog van geen nut was geweest, verwierven zij nieuwe bondgenooten in Denemarken, in den hertog van Lotharingen (zie blz. 238), in Leopold I en in Spanje, de beide laatsten bij vernieuwing (zie blz. 239). De keizer en Spanje rustten zich terstond ten oorlog toe. Den yden Juni had de slag bij Schooneveld (voorheen een eiland, thans een zandbank in den mond van de Hont of Westerschelde) plaats, waar de Ruiter en de luitenant-admiraaal Tromp streden tegen de Fransch-Engelsche vloot onder d\'Estrées en prins Robert. Hoewel de vijand de overmacht had, was het voordeel aan den kant van Nederland.

Beslissender was de zege, die de beroemde vlootvoogd der Republiek den 21 sten Augustus bij Kijkduin (nabij de Helder) op dezelfde admiraals behaalde. Bovendien brachten de Nederlandsche kapers in 1672 en 1673 ongeveer 2800 schepen der vijanden, meestal van de Engelschen, op. Te land noodzaakte Willem III door een koene onderneming, de verovering van Bonn, hetwelk tot het gebied van den keurvorst van Keulen behoorde, in November 1673 de Franschen ons land te verlaten. Immers, thans aan den eenen kant ingesloten door Holland, aan den anderen door de bij Bonn vereenigde Nederlandsche, Spaansche en keizerlijke troepen, werd de vijand van de gemeenschap met Duitschland afgesneden. Zijn aftocht evenwel kostte, boven de reeds afgeperste gelden, aan Nederlands steden zware sommen, aan Utrecht b.v. 450,000 gl., weshalve een Fransche kolonel, bij het verlaten der stad, aan de regeering de sleutels ter hand stellende, terecht zeide: „Bid God dat wij nimmer wederkomen.quot; Eveneens haalde men in Gelderland de spaarpenningen uit het diepst der beurs om het aftrekken der Franschen te verhaasten. Wat Lodewijk zelf betreft, hij was reeds in 1672 naar Frankrijk teruggegaan, toen hij de hoop had verloren Holland zonder slag of stoot te vermeesteren. Van Nederlands steden bleef alleen Maastricht, dat op den isten Juli 1673 voor de overmacht der Franschen had moeten bukken, in hun handen.

In het jaar 1674 was de fortuin Frankrijk nog minder gunstig. De koning van Engeland, door de bedreigingen van \'lparlement gedrongen,

-ocr page 275-

255

moest tot den vrede van Weslminster (19 Febr. 1674) besluiten^ welke dien van Breda bekrachtigde. Dit voorbeeld volgden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen, thans voor hun eigen landen bezorgd, een paar maanden daarna. De laatste vorst verkreeg hec door Nederland veroverde Rijnberk (zie blz. 241) van de Staten-Generaal. Daarentegen betrad de keurvorst van Brandenburg, die zich als rijksvorst dat recht had voorbehouden, op nieuw het krijgstooneel. Echter kon hij ook nu zijn bondgenooten geen hulp verleenen, vermits de Zweden, hun beloften gestand doende, in de Marken, d. i. in Brandenburg, vielen en aldaar zware brandschattingen afpersten.

Terwijl het hoofdtooneel van den oorlog thans werd verplaats deels naar de Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aanstonds na de ontruiming van ons land weken, deels naar de Rijnstreken, werd het lot der bevrijde gewesten Utrecht, Gelderland en Overijsel een punt van overweging ter Staten-Generaal. Men beraadslaagde over de vraag, of deze provinciën moesten worden geacht wederom haar oude rechten te hebben herkregen, dan wel, of zij ze hadden verloren. Friesland en Groningen verlangden in de vergadering der Staten-Generaal den voorrang te hebben boven de overheerde gewesten. Holland wenschte zich een deel van \'t grondgebied van Utrecht toe te eigenen. Na langdurig overleg besliste men, in overeenstemming met het gevoelen van Zeeland en van Willem III, dat de drie gewesten weder tot het bondgenootschap werden toegelaten. De herstelling ging nogtans met vernederende voorwaarden gepaard. De drie provinciën moesten, alsof zij voor de eerste maal in het verbond werden opgenomen, de unie op nieuw bezweren. Aan Gelderland, dat twee stemmen had in den raad van state (zie blz. 120), ontnam men één en kende ze aan Stad en Lande toe, hetwelk daardoor een dubbele stem verwierf. Maar hetgeen het meest krenkte was dat de tot de unie terugkeerende gewesten zich moesten laten welgevallen, dat Zijn Hoogheid op last der Staten-Generaal de regeering hunner steden veranderde, evenals dit in Holland en in Zeeland was geschied.

Bij een en ander bleef het niet. Nadat Holland en Zeeland het stadhouderschap, gelijk de Staten-Generaal het kapitein-generaal- en admiraalschap, erfelijk hadden verklaard in de mannelijke linie der prinsen van Oranje, volgden Utrecht en Overijsel in 1674, Gelderland in 1675 het gegeven voorbeeld. Aan Hendrik Kasimir II (zie blz. 227) droeg in 1674 Groningen het erfstadhouderschap op, terwijl hij in \'t zelfde jaar, thans den ouderdom van achttien jaren hebbende bereikt, tevens als stadhouder van Drente optrad. Ter zelfder tijd gaven de staten van Holland Willem den raad een huwelijk aan te gaan, en om hem des te meer daartoe aan te moedigen schold Amsterdam den prins een schuld van 2,000,000 gl. kwijt, welke de stad (zie blz. 19S) aan Willem II had geleend. Even edelmoedig kende de Oost-Indische compagnie den prins en zijn mannelijke erfgenamen 1/33 van haar uitdeelingen toe.

-ocr page 276-

256

In Gelderland achtte de adel nog niet genoeg te hebben gedaan. Door zijn invloed boden de staten van dit gewest den prins de hoogste macht aan met den titel „hertog van Gelder en graaf van Zutfen.quot; Deze waardigheid wees de prins evenwel van de hand, toen verscheiden steden van Holland en Zeeland te kennen gaven, dat dit aanbod haar weinig behaagde. De maat der vernedering vol gietende, voerde de prins verder, zonder de staten dier provinciën er in te kennen, in de drie overheerde gewesten regeeringsreglementen in, welke hun de meeste hunner oude voorrechten ontnamen. Het reglement van Utrecht behelsde o.a., dat de verkiezing der geeligeerden, zonder voordracht (zie blz. 114), door den stadhouder zou geschieden, die der leden van de vroedschappen insgelijks door hem, maar uit een dubbeltal; dat den stadhouder het recht toekwam de keuze der leden voor de Staten-Generaal te bevestigen of te vernietigen.

Bij het reglement van Gelderland trok de stadhouder de benoeming van de leden der stedelijke raden, zonder voordracht, aan zich. De gemeens-mannen of vertegenwoordigers der burgerij (zie blz. 109), die van oudsher kennis moesten nemen van de belangrijkste aangelegenheden, als van het maken der stedelijke keuren of verordeningen, het opleggen van belastingen , enz. en die vroeger door de burgers zeiven of de overheid werden verkozen, moesten thans door den stadhouder worden benoemd. De leden van het hof, dat (zie blz. 109) een zeker deel had aan de souvereiniteit, werden door den stadhouder aangesteld, evenals alle ambtenaren en officieren. Wat meer is, de verkiezing der gedeputeerden uit de ridderschap en uit de steden werd aan den stadhouder overgelaten. Zóó ook die van de afgevaardigden der Staten-Ger.eraal bij de admiraliteiten, bij de Oost-Indische en de West-Indische compagnie. Terecht heeft men, slechts op deze punten van het Geldersche regeerings-reglement lettende, opgemerkt, dat de eerste dienaar van den souve-rein in dat gewest zijn eigen heeren koos. Het reglement van Over-ijsel, de verkiezing van de leden der vroedschappen der stemmende steden, aan de gemeensmannen latende, vorderde, dat de stadhouder ze goedkeurde of verwierp, en in \'t laatste geval zelf de leden benoemde. Het begeven der ambten zou insgelijks aan hem staan.

Alzoo, hoofdzakelijk door toedoen van Fagel, een macht hebbende verkregen, grooter wellicht dan die, welke den hertogelijken of graaflijken titel ware toegekend, zette Willem III den strijd tegen de vijanden van zijn vaderland buiten de grenzen van het Gemeenebest voort. In de Zuidelijke Nederlanden leverde hij de slagen van Senef en Mont-cassel (A/g-. Gesch., III, 7de druk, blz. 133). Ook naar\'tZuiden, naardeMid-dellandsche Zee, werd de kamp overgebracht (t. a. p.blz. 134). In 1676zond men de Ruiter naar die wateren. De scheepsmacht, waarmede hij in zee moest steken, was zeer gering, in \'t geheel maar dertig vaartuigen. En de kracht der Spaansche vloot, bestemd om zich bij de zijne aan te sluiten, telde hij weinig. Over deze ontoereikende uitrusting

-ocr page 277-

257

sprekende met een der heeren van een der collegiön van de admiraliteit, die zijn bekommering aan zijn hooge jaren toeschreef, gaf hij het vermaarde fiere antwoord: „Het is mij leed, dat de Heeren de vlag van den staat zoo veil hebben, doch waar de staten hun vlag wagen, za.1 ik mijn leven wagen.quot; Driemaal leverde de Nederlandsch-Spaansche vloot slag tegen den Franschen admiraal du Quesne: bij Stromböli (het noordelijkste der Liparische eilanden), waar de overwinning onbeslist bleef; bij den Etna, waar de Nederlanders zegepraalden, maar hun aanvoerder zoo zwaar werd gewond, dat hij kort daarna stierf; eindelijk bij Palermo, waar de Franschen den vice-admiraal de Haan versloegen, die er ook omkwam. Ter eere van de Ruiter werd in het koor der Nieuwe Kerk te Amsterdam een marmeren gedenkteeken opgericht. Die hulde verdiende voorzeker de man, die achtenvijftig jaren ter zee voer, allengs van den laagsten tot den hoogsten trap opklom, zijn vaderland met zeldzame trouw en moed diende en, de eerste vlootvoogd zijner eeuw zijnde, door eenvoudigheid en tal van burgerdeugden uitmuntte.

Sinds lang wenschten Frankrijk en Nederland vrede te sluiten. Tot plaats der bijeenkomst werd in 1676 Nijmegen bepaald. Beverningk, die reeds vóór 1672 was begonnen blijken van overhelling tot de stadhouderlijke partij te geven, en Willem van Haren verschenen eruit naam van de Staten-Generaal; d\'Avaux, een neef van den boven genoemde (zie blz. 170), en d\'Estrades vertegenwoordigden o.a. Frankrijk. Van het begin af streefde Frankrijk slechts naar een afzonderlijken vrede met de Staten-Generaal; maar Willem III hield het lang tegen. Te midden der onderhandelingen voldeed Willem aan den wensch van Holland door in 1677 een huwelijk aan te gaan met Maria, de oudste dochter van zijn oom, den hertog van York. Eindelijk kwam de vrede van Nijmegen in den nacht van den icden tot den nden Augustus 1678 tusschen Frankrijk en de Republiek tot stand op den grondslag, gelegd door van Beverningk, weshalve dit ontwerp „de vrede van Beverningkquot; wordt genoemd. De Nederlanden verloren niets.

Vier dagen na het sluiten van den vrede leverde Willem, het door Luxemburg ingesloten Mons willende ontzetten, hem nog den slag bij St. Denys (ten n. van Mons of Bergen), waarin elke der beide partijen zich de overwinning toekende. Veel is er gesproken en geschreven over de vraag, hoe de prins, moge hij ook nog zoo begeerig zijn geweest om, na ruim een jaar werkeloos te zijn gebleven, zich weder eens met Luxembourg te meten, nog een slag kon leveren, nadat de vrede reeds was gesloten. Deze daad, die geen ander gevolg opleverde, dan dat zij \'s prinsen roem verhoogde, doch die velen het leven kostte, achtte menigeen te roekeloos. Het kon, naar men vermoedde, Willem, voortdurend in kennis gesteld met den gang der onderhandelingen, niet onbekend zijn dat de vrede was geteekend.

Het vraagstuk is thans zoo goed als opgelost. Vast staat het, dat, hoe langdurig de voorafgaande overwegingen mogen zijn geweest, het sluiten

WlJNNE, GesCh. v. h. Vaderl., Achtste druk. \\7

-ocr page 278-

258

zelf van den vrede tusschen de Nederlanden en Frankrijk in een zeer kort tijdsbestek, binnen vierentwintig uren, heeft plaats gehad. Ook is het zeker, dat de prins, toen hij den i4den Augustus tegenover Luxembourg stond, de kennisgeving der Staten-Generaal nopens den vrede, voor hem bestemd, nog niet had ontvangen. Evenmin was hem ter hand gesteld een schrijven van Beverningk uit Nijmegen, hetwelk het belangrijke bericht behelsde en verzonden was met een koerier, die van wege de Spaansche gevolmachtigden de tijding aan den landvoogd te Brussel overbracht. Bij herhaling betuigde Willem zelf, dat hij eerst in den loop van den i4den Augustus er van was onderricht, dat de vrede was tot stand gekomen. Toch is het zeker, dat hij, hoewel niet langs den officiëelen weg, het eerder zoo goed als geweten heeft en dat het hem, die er geen geheim van maakte, dat hij den vrede aanmerkte als niet overeenkomstig de waardigheid van den staat en als een soort van ontrouw jegens de bondgenooten, niet onaangenaam was, nu hij desniettemin was gesloten, de laatste gelegenheid, die hij had om nog een slag te leveren, te gebruiken ten einde Mons te ontzetten.

Over Neêrlands handelwijze in die dagen jegens de bondgenooten is ten allen tijde zeer verschillend geoordeeld. Bedenkt men, dat die vrede een behoefte was voor Nederland, hetwelk door allerlei buitengewone belastingen, als zwaarder verponding, een hoofdgeld op elk huisgezin, een vierde van de vaste jaarlijksche bezoldigingen, enz. werd gedrukt; dat, met name voor de Republiek, thans gered, de oorlog doelloos was geworden; dat Nederland zich niet had verbonden, om de toestemming der overige mogendheden tot het sluiten te vragen; dat de hulptroepen der bondgenooten meerendeels uit de schatkist der Staten-Generaal werden betaald; dat Denemarken en Brandenburg de voortzetting der vijandelijkheden wenschten ter bevrediging van eigen baatzucht, ten koste van Zweden te voldoen; dat Spanje en de keizer zeer flauw waren geweest in het nakomen hunner verplichtingen, dan zal men erkennen, dat er voor Nederland redenen waren om niet te getrouw aan de bondgenooten te zijn. De keurvorst, de keizer en Denemarken waren intusschen zeer verontwaardigd over het gedrag der Republiek. Nu evenwel de zaken zóó stonden, sloten ook zij vrede {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 134).

§ 28.

Willem ///. — De negenjarige oorlog. — De Spaansche erfopvolgingsoor log.

Zóó bereikte Lodewijk XIV, trots al zijn vijanden, zoowel door de wapens als door de kunst van \'t onderhandelen, althans ten deele, zijn doel. De vrede van Nijmegen versterkte den koning in zijn overmoed. Niets achtte hij in \'t gevoel zijner overmacht in staat om hem te beletten nu ook met vreemde staten even willekeurig te werk te gaan.

-ocr page 279-

259

als hij in zijn rijk zelf jegens zijn onderdanen placht te doen. De reu-nionskamers, de aanspraak, die hij op de Palts maakte, en zijn wederrechtelijk in bezit nemen van het prinsdom Oranje toonden zulks maar al te zeer. Na de herroeping van \'t edict van Nantes vreesde al wat protestant was voor \'t overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Dit verstrekte keizer Leopold I, het grootste gedeelte van het Duitsche rijk, Spanje en den Nederlanden tot een krachtigen prikkel om in 1686 onder elkander verschillende verbonden te sluiten. Van al die verbonden is dat van Augsburg, waaraan intusschen de Nederlanden geen deel namen, het meest bekende (zie omtrent dit alles Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 130, I34 vgl.)

Hij, die deze verbonden tot stand bracht en er de ziel van was, was Willem III, van dit oogenblik af de rustelooze bestrijder van den heerschzuchtigen vorst. Gelijk Lodewijk de vertegenwoordiger was van \'t volstrekte gezag en van een geheele staatseenheid, die het catholicisme als middel aanwendde, zóó was hij de vertegenwoordiger en de voorvechter van het staatkundig evenwicht in Europa, die het protestantisme als werktuig bezigde. Voor die taak was de prins van Oranje-Nassau ten volle berekend. Zwak en tenger was hij van lichaam, maar krachtig van geest. Zijn karakter, van nature standvastig, was door den tegenspoed zijner jeugd gestaald. Doorgaans was hij stil en in zichzelf gekeerd. Slechts op den dag van een veldslag was hij levendig en vol vuur: terwijl hij anders langzaam sprak, vlogen hem dan de woorden van de lippen. Aan de opvoeding, die men hem had gegeven, was hij het verschuldigd, dat hij het Engelsch, het Fransch en het Duitsch, zij het dan ook eenigszins onnauwkeurig, vloeiend en verstaanbaar als zijn moedertaal sprak en in \'t Latijn, in \'t Spaansch en in \'t Italiaansch niet onbedreven was. Zóó kon hij zonder moeite het bevel voeren over legers, uit verschillende volkeren samengesteld.

Als staatsman stond Willem III boven al zijn tijdgenooten. Hij was volkomen bekend met de gesteldheid van Europa\'s kabinetten, met de roersels en drijfveeren der machthebbers. De taak, die hij als zijn levenstaak aanmerkte, was een volhardend tegenstreven van Frankrijks pogingen om de heerschappij over Europa te bemachtigen. Het was zijn vaste overtuiging, dat de dierbaarste belangen van Europa op het spel stonden, want Lodewijk XIV bedreigde naar een vast plan de onafhankelijkheid der staten en het bestaan der hervormde kerk, of, met andere woorden, de vrijheid van \'t geweten. En wat het algemeen bela\'ng was was voor de Republiek eigenbelang. Ten ware Frankrijk binnen zijn eigen grenzen werd beperkt, had zij niets anders te wachten dan slaafsche onderwerping aan Lodewijk, de opperheerschappij der Roomsch-katholieke kerk en de vernietiging van haren handel. Zwaar was voorzeker de taak, die Willem op zich nam. Bij het groote getal en het aanzien der bondgenooten (zie ook blz. 265) was reeds het vormen en de leiding van het bondgenootschap een werk, dat ongemeene inspanning

17*

-ocr page 280-

260

vereischte. Veel moeielijker nog was het, bij de verscheidenheid van inzichten, eenheid en nadruk in de krijgsverrichtingen te brengen en de bescherming der Zuidelijke Nederlanden te doen beschouwen als de hoofdzaak, zoowel voor de Republiek, als voor geheel Europa. Voortdurend had Willem dus tegen het uiteenvallen van het verbond te waken. Daarenboven had de stadhouder die regenten onder zijn landgenooten te bestrijden, die, bewerende dat men slechts voor de zeven gewesten had te zorgen, voorbijzagen, dat het behoud aller Europeesche staten de voorwaarde was van \'t behoud der Republiek. Ongetwijfeld was het alzoo geen effen baan, die Willem had te bewandelen. Doch al beleefde hij het geenszins, het doel werd mettertijd bereikt. Hij heeft:

„Den machtigsten monarch in \'t stoutst ontwerp weerhouden

En \'tlot, dat de aard bedreigde, een eeuw lang uitgesteld.quot;

Daarentegen kostte het stelsel van Europeesche staatkunde, dat de plaats innam van de Witts stelsel, hetwelk Neerlands heerschappij ter zee en Neerlands belangen tot punt van uitgang had, aan de Republiek den eersten rang onder de zeemogendheden. Van Willems tijd af moest zij zich met den tweeden rang tevreden stellen.

Even onvermoeid, als op het gebied der staatkunde, bestreed Willem III zijn vijand op het slagveld. Gedeputeerden te velde verlangde hij waar hijzelf tegenwoordig was geenszins. Het geheele bestuur der krijgszaken trok hij zoozeer aan zich, dat de Staten-Generaal en de raad van state er zich weinig of niet mede bemoeiden. Persoonlijke moed was een zijner gaven; maar onder de groote veldheeren verdient hij, gelijk zijn overgrootvader, niet de plaats, die hem onder de groote staatslieden toekomt. Intusschen is het onwedersprekelijk, dat hij een aantal bekwame generaals heeft gevormd, die in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog menige zege behaalden. Veldslagen gewonnen heeft hij bijna niet. In \'t volvoeren zijner schrander uitgedachte plannen had hij vaak het verzet te bekampen der krijgshoofden, die de vreemde bestand-deelen zijner legers aanvoerden. Veel dienst had hij daarentegen van Menno van Coehoorn, een uitstekend vestingbouwkundige en ervaren veldheer, en van andere Nederlanders, beneden genoemd (zie blz. 265 en 271). Zijn talenten kwamen vooral uit, wanneer hij, óf op zijn meesterlijke aftochten, of na de nederlaag onwrikbaar stand houdende, den vijand zooveel ontzag wist in te boezemen, dat hij hem niet verder durfde aantasten.

De grootsche taak, die Willem III zich afbakende, vorderde zonder tegenspraak een geheel man. Hieraan is het toe te schrijven, dat hij de gelegenheid heeft laten voorbijgaan den onsterfelijken roem te verwerven de regeering der Republiek van de vele gebreken te hebben gezuiverd, die haar aankleefden. Daar hem meer gezag was toegekend dan aan een zijner voorvaderen, had hij dit werk ongestoord kunnen volbrengen. Dit gezag heeft hij slechts gebruikt ten einde de hinder-

-ocr page 281-

261

palen, die hij nu en dan in de leiding der Republiek op zijn weg ontmoette, op zoodanige wijze uit den weg te ruimen, dat hij de regenten zoo goed als afhankelijk van zich maakte. Onwrikbaar stond hem in zijn pogen de raadpensionaris Fagel ter zijde, wien, evenals aan de latere opvolgers van Johan de Witt, gemeen overleg met den stadhouder tot plicht was gesteld. Vanhier dat men thans een samenwerking aanschouwde van stadhouder en raadpensionaris, zooals men nooit had beleefd. Doch naar veler oordeel strookte dat streven des stadhouders weinig met den aard eener republiek. Vele bewijzen zijn daar om het verwijt te staven, dat Willem III zich niet ontzag op willekeurige wijze in te grijpen, wanneer dit aan zijn plannen dienstig kon zijn. Te Middelburg zuiverde hij de regeering in 1676, dewiil die stad een predikant had beroepen, die naar \'s prinsen meening geenszins de ware leer was toegedaan. Terzelfder tijd hadden de staten van Zeeland, om hem genoegen te geven, den eersten edele twee stemmen in hun vergadering moeten toekennen, aan de steden Veere en Vlissingen haar stemmen ontnemen en Middelburg, hetwelk sedert 1650 twee stemmen had gehad, weder tot één terugbrengen (zie blz. 113). Te Deventer gelastte hij den burgemeesteren twee-en-twintig gemeensmannen, die zich niet naar het reglement van 1575 wilden voegen, te ontslaan, hetgeen geschiedde. In 1679 wilden de prins en de Staten-Generaal zich aankanten tegen de handelwijze der staten van Friesland en van Groningen, die op eigen gezag troepen hadden afgedankt. Weldra echter ziende, dat deze staten onverzettelijk bleven, gaven zij toe.

Erger tooneelen hadden in 1684 plaats. De prins achtte het, eer de wapenstilstand van Regensburg was gesloten (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 135), wegens Frankrijks rusteloos voortdringen in de Zuidelijke Nederlanden, noodig het leger met 16,000 man te versterken. Tegen deze werving verzette zich de stad Amsterdam, waar de Fransche gezant d\'Avaux een krachtige partij had. Het was intusschen niet alleen de invloed van d\'Avaux, die deze stad afkeerig maakte van Willems stelsel. Hare regeering en vooral van Beuningen (zie blz. 219), een harer burgemeesters, begreep, dat, indien men zich al tegen de heerschzucht van Frankrijk moest aankanten, de kleine Republiek zich niet aan het hoofd kon plaatsen van hen, die zich verzetteden, en de voornaamste lasten voor haar rekening nemen. Toch ging, tegen het gebruik, hetwelk in financiëele aangelegenheden eenparigheid voorschreef, de voorslag om 16,000 man te werven in de staten van Holland door, ofschoon Amsterdam weigerde zijn aandeel in de kosten te dragen en Schiedam er ook tegen was. De zaak zelve bleef slechts een besluit, omdat de genoemde wapenstilstand de werving vooreerst onnoodig maakte. Doch kort nadat het besluit in de staten van Holland was gevallen, ontving de prins een pak brieven, door Frankrijks gezant aan Lodewijk gericht, waarin d\' Avaux den loop zijner geheime overleggingen met de overheid van Amsterdam uiteenzette. Dit pak, over de Zuidelijke Nederlanden

-ocr page 282-

262

gezonden, werd door den landvoogd dezer provinciën, den markgraaf de Grana, onderschept en aan Willem III overgemaakt. De prins deelde den inhoud dier brieven aan de staten van Holland mede, en Amsterdams papieren werden verzegeld. Verder werd de zaak niet gedreven : maar men was ver genoeg gegaan om den grond te leggen tot een hevige vijandschap tusschen de machtige stad en den prins. In \'tzelfde jaar, 1684, veroorloofde Willem III zich te Utrecht acht leden uit de vroedschap te zetten, die niet geneigd genoeg waren hem in zijn oorlogzuchtige oogmerken te schragen. Intusschen was niet alleen Amsterdam tegen de werving. In Zeeland verzette ook Middelburg zich er tegen. In Friesland en in Groningen stemde de geheele statenvergadering tegen den voorslag.

Ook andere steden dan de genoemde moesten ondervinden, dat de stadhouder zich niet te stipt aan haar voorrechten hield. Te Woerden stelde hij in 1683 leden in de vroedschap aan, hoewel dat niet tot de taak des stadhouders, maar tot die der regeering van de stad behoorde. Te Dordrecht bestond sinds lang (zie blz. 113) een college, dat een zekeren invloed op de regeering oefende, de goede lieden van achten geheeten. Deze acht werden op een voordracht der gilden benoemd door den stadhouder. In 1648 zonden de gilden aan Willem III een dergelijke voordracht. Doch de stadhouder koos, met voorbijgaan der voordracht, een ander achttal, en de vroedschap kon, wat zij ook deed, daarin geen verandering te weeg brengen. Te Leiden ging de prins bij de verkiezing van schepenen in \'tzelfde jaar eveneens buiten de voordracht.

Dat alles was evenwel niets in vergelijking met hetgeen Goes in 1692 binnen haar muren beleefde. Hier moesten twee rentmeesters worden aangesteld. De privilegiën schreven voor, dat de baljuw deze ambtenaren had te benoemen in overeenstemming met de meerderheid der burgemeesteren en schepenen. Doch in de laatste jaren was, in strijd met die privilegiën, het gebruik ingeslopen, dat ook de stem van den baljuw werd medegerekend. Nu was er verschil van zienswijze over de te benoemen personen. Tegenover den baljuw, één burgemeesteren vier schepenen, die steeds tot de stadhouderlijke partij hadden behoord, stond een andere burgemeester, Adolf Westerwijk, met vijf schepenen. Elke der beide partijen wilde haar candidaten benoemd zien. De baljuw riep de tusschenkomst in van Willem III, die krijgsvolk naar de stad zond, hetwelk de vroedschap, op voorslag van een der toenmalige burgemeesters, Mattheus Eversdijk, tevergeefs buiten de muren zocht te houden. Hierop machtigden de staten van Zeeland Zijn Hoogheid de aangelegenheden van Goes geheel ten einde te brengen. Willem zette Westerwijk, Eversdijk en anderen eerst uit de regeering. Vervolgens werden zij en eenige andere lieden voor burgemeesters en schepenen terecht gesteld. Zwaar waren de vonnissen, over hen geveld. O.a. werd Westerwijk ter dood veroordeeld. Op aanhouden de: beschuldigden en van de burgers der stad wijzigde Willem het vonnis evenwel in

-ocr page 283-

263

zoover, dat de genoemde personen naar Staats-Brabant verbannen en hier in hechtenis gehouden werden. Eerst na jaren vergunde de stadhouder hun den terugkeer naar Zuid-Beveland, en niet vóór 1702 werden Westerwijk en Eversdijk in de regeering, en daarmede in hun eer, hersteld. Zulke daden als die tegen de regenten van Zeeland deden Willem later door velen den naam „stadhouder van Engeland en koning van Nederlandquot; geven.

Zooveel over Willems handelwijze in \'t bewind der Republiek. Onder alles, wat Lodewijk XIV zich zoo ten aanzien van Europa, als van hemzelven veroorloofde, was er niets dat Willem dieper krenkte dan \'s konings daad omtrent het prinsdom Oranje. „De koning van Frankrijk zal eens vernemen, zeide hij, wat het is den prins van Oranje te hebben beleedigd.quot; \'s Prinsen haat tegen Lodewijk deelde de meerderheid der natie, hoog ingenomen met de hervormde leer, vooral sinds hare uit Frankrijk vluchtende broeders in de naaste jaren vóór 1685 en inzonderheid sedert dit jaar hier te lande een veilige schuilplaats kwamen zoeken. Zeer edelmoedig ontving men deze vluchtelingen, réfugiés, in Nederland. De staten van Holland legden o.a. aan de Fransche predikanten een jaargeld toe en ondersteunden ook anderen met milde bijdragen. Regeeringen van steden volgden, bijzondere personen zonderden door inzamelingen van het hunne af. De stedelijke gilden konden niet ijverzuchtig zijn op bemiddelde kooplieden en fabriekanten, die nieuwe bronnen van bestaan openden, of op ijverige handwerkslieden, die zich op andere handwerken toelegden dan op die, welke \'s lands bevolking bezig hielden. Vooral kwam de handel in wijnen sinds dezen tijd sterk op. Onder de steden, welker bevolking de komst der Franschen zeer deed toenemen, wordt Maastricht in de eerste plaats genoemd. Maar ook te Amsterdam en te Haarlem bouwde men ten hunnen behoeve geheele straten aan. Insgelijks vestigden zich er velen te \'s Gravenhage, vooral zij, die van adel waren. Te Sneek, te Harlingen en elders werden nieuwe Waalsche gemeenten gesticht, welker getal over \'t geheel in de zeven gewesten en in de Generaliteitslanden tezamengenomen meer dan verdriedubbeld werd. Met blijdschap gunde men aan Bayle, den schrijver van de „dictionaire historique et critiquequot;, aan Basnage, den schrijver van een geschiedenis der Nederlanden in \'tFransch, en aan anderen een plaats, waar zij de gewrochten hunner nasporing of van hun nadenken konden te boek stellen. Onwaar is de bewering dat de eenvoudige zeden der Nederlanders door die „réfugiésquot; zijn bedorven. Wel heeft de komst dier réfugiés veel invloed op de Nederlandsche letteren geoefend.

Groot was de verbittering der Nederlanders op Lodewijk XIV reeds om des geloofs wille. Nog grooter werd zij, toen de koning zich vergreep aan de bezittingen der Nederlandsche kooplieden, geld of waren, die in handen waren van hervormde Franschen, waarmede zij in handelsbetrekking stonden. Nu meende men, dat de handel op Frankrijk zoo goed als vernietigd was.

-ocr page 284-

261

Lodewijk XIV was destijds niet de eenige vorst, die gevaarlijk werd geacht voor de hervormde kerk. Vele maatregelen van Jakob II, Engelands koning, hadden dezelfde strekking (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 139). Van \'t oogenblik af dat hij den troon besteeg hield Willem den blik onafgebroken gevestigd op den toestand van dit rijk. Met vele aanzienlijke Engelschen stond hij in briefwisseling. Zeer bevriend was hij met Burnet, bisschop der episcopale kerk, die uit Engeland was geweken en een tijdlang te \'s Gravenhage vertoefde. Andere betrekkingen knoopte Everhard van Weede, heer van Dijkveld (in Utrecht, ten z. van Oudewater), aan, een van \'s prinsen vertrouwelingen, die zich als gezant der Staten-Generaal te Londen ophield. Hetzelfde deed nahem zijn plaatsvervanger Willem van Nassau, heer van Zuilenstein, een zoon van den boven genoemde (zie blz. 228). Hoe gunstiger de uitzichten waren, welke die onderhandelingen voor Willem openden, des te meer was er hem aan gelegen, dat de goede verstandhouding tusschen hem en de stad Amsterdam werd hersteld. Kwam er een tijd, dat hij een greep wilde doen in Engelands aangelegenheden, dan kon hij de hulp niet ontberen van Amsterdam, de voornaamste stad van Holland, hetwelk op zijn beurt het machtigste gewest van Nederland was. Maar niet alleen daarom wenschte hij Amsterdam voor zijn belangen te winnen. Indien de onderneming, die hij beraamde, kans zou hebben van slagen, kon hij ze slechts aan weinige van \'slands regenten in het diepste geheim openbaren. En die weinigen moesten dan wel de invloedrijkste, zooals die van Amsterdam, zijn. Van de vier burgemeesters dezer stad trachtte men nu drie voor het plan te winnen, Johannes Hudde, den beroemden Nikolaas Witsen en Cornells Geelvink (heer van Castricum, ten z. van Alkmaar). Fagel en Dijkveld polsten hen eerst en stemden hen meer en meer voor de onderneming. Vooral Witsen had groote bezwaren. De zaak geheel goedkeuren kon hij echter, ook na lang over- en weer spreken, evenmin als zijn ambtgenooten. Hun laatste woord was, dat zij den tocht naar Engeland niet konden aan-, noch afraden, maar dat zij, indien men buiten hen daartoe besloot, er wel het hunne toe wilden bijdragen, dat de prins werd bijgestaan.

Deze betuiging achtte de prins voldoende, om een begin te maken met de toerusting. Zeer te stade kwam hem, dat juist te dier tijde, in Juni 1688, Maximiliaan Hendrik, keurvorst van Keulen (zie blz. 241), stierf. Vele mogendheden van Europa bemoeiden zich met de vraag, wie zijn opvolger zoude worden. Frankrijk zond zelfs troepen ten einde het keurvorstendom te bezetten. Thans had Willem een geschikte aanleiding om, zonder opspraak te verwekken, zich voor de volvoering zijner bijzondere plannen gereed te maken. Onder voorwendsel dat het ook Nederland geenszins onverschillig was, hoe de Keulsche aangelegenheid werd beslist, wapende hij zich. Eenige gemachtigden werden benoemd om met den prins voor \'s lands veiligheid te waken. Vier millioen werd daarvoor

-ocr page 285-

265

aangewezen, 9000 matrozen geworven. Vervolgens werden de vroedschappen van Hollands steden in September 1688, onder den eed van geheimhouding, over de zaak gehoord. Zij stemden er in toe den prins met \'s lands zee- en landmacht te ondersteunen. In de andere provinciën ging het eveneens.

Middelerwijl had d\' Avaux den koning van Frankrijk met de groote toerustingen bekend gemaakt en hem medegedeeld, dat zij, naar hij vermoedde, op Engeland doelden. Lodewijk draalde niet Jakob II er een wenk van te geven; doch deze vorst sloeg de waarschuwing in den wind. Ook weigerde hij de hulp, die Lodewijk hem aanbood, waarschijnlijk meenende dat dit zijn onderdanen zou ontstemmen. Toen het ten laatste onwedersprekelijk was, dat de prins Engeland op \'t oog had, was het te laat en moest Jakob zijn lot afwachten. In November 1688 ging de vloot, groot 50 oorlogschepen en ruim 500 transportschepen en over de 21,000 man aan soldaten medevoerende, ten aanschouwen eener groote menigte volks, welke zich op de kusten van Engeland en van Frankrijk verdrong, in de haven Torbay (aan dez. kust, ten o. van Plymouth) voor anker liggen. Dadelijk trok Willem naar Londen. Jakob vluchtte naar Frankrijk, en in 1689 werden Willem en Maria als koning en koningin van Groot-Britannië uitgeroepen (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 140). Nog voordat Willem de kroon op zijn hoofd zette, verloor hij zijn vriend, den raadpensionaris Fagel, die veel had gedaan om \'s lands regenten gunstig voor het ondersteunen des stadhouders in stemmen. Intusschen mocht hij zich gelukkig achten, dat hij anderen behield, wien hij zijn volle vertrouwen kon schenken. Thans deelden zij in zijn geluk en in zijn eer. Willem Bentinck, zijn boezemvriend, werd graaf van Portland (zie blz. 209). Een paar jaar later, na de onderwerping van Ierland, verhief hij Godard van Rheede Ginkel, die als veldheer dit werk met kracht voleindigde, tot graaf van Athlone (in \'t midden van Ierland, terwijl Zuilen-stein eerlang graaf van Rochefort (niet ver van den mond der Theems) werd. In plaats van Fagel kwam in 1689 Antonie Heinsius.

Tot het welslagen der onderneming droeg dit veel bij, dat Lodewijk in 1688 en in 1689 achtereenvolgens aan de boven genoemde bondgenooten (zie blz. 259), alzoo ook aan Nederland, den oorlog verklaarde. Zóó begon de negenjarige oorlog. Tegen zijn verwachting had Lodewijk thans nog één vijand meer te bestrijden, n.1. Engeland. En ook Victor Amadêus II, hertog van Savoye, voegde zich bij de overige mogendheden, die haar vereeniging in 1690 door het Weener-verbond bekrachtigden. Het leger der Republiek streed met het krijgsvolk der bondgenooten in de Zuidelijke Nederlanden. Hier won Luxembourg in 1690 den slag bij Fleurus (in \'t n.o. van Henegouwen) op George van Waldeck (ten n. van het keurvorstendom Hessen-Kassei, ten o. van Westphalen). Na den slag bij de Boyne {Alg. Geschied., III, 7de druk, blz. 135) nam Willem het opperbevel over de gezamenlijke troe-

-ocr page 286-

266

pen in de Spaansche Nederlanden over. Hij was er minder gelukkig dan in Ierland. Luxembourg zegevierde in 1692 bij Steenkerken (in \'t n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef) en in 1693 bij Landen en Neerwinden (in \'t n.w. van Luik).

Ter zee was het begin der vijandelijkheden even rampspoedig. Men kampte in 1690 bij Bevesier of Beachy (ten w. van Hastings). Tor-rington voerde het bevel over de Engelsche vloot, Cornelis Evert-sen. luitenant-admiraal van Zeeland, een zoon van Cornelis Evertsen (zie biz. 225), over de Nederlandsche. Vermits Torrington zich bijna geheel buiten het gevecht hield, zegevierden de Franschen onder Tour villa. Al deze nadeeleu werden echter eenigermate vergoed door de schitterende zege, die de Nederlandsch-Engelsche vloot onder Almonde en Russel in 1692 bij kaap la Hogue (in \'t n.w. van Normandie, aan \'t Kanaal,) op denzelfden Franschen admiraal behaalde. Daarentegen brachten Jan Bart uit Duinkerken en andere Fransche kapers vele Nederlandsche haringbuizen en koopvaardijschepen als buit op.

Hoezeer de koning van Frankrijk over \'t geheel met geluk streed, deden de uitputting zijns lands en nieuwe ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontslaan. Eerst sloot hij vrede met den hertog van Savoye {Algein. Geschied., III, 7de druk, blz. 136). Daar ook de overige mogendheden niet veel kans hadden den overmachtigen vorst te bedwingen, volgde de vrede van Rijswijk (tusschen den Haag en Delft) in 1697. Lodewijk erkende Willem III als koning van Engeland en stond hem het prinsdom Oranje weer af. Frankrijk trok de belasting van het tonne-geld, waarvan boven (zie blz. 208 en 222) bij herhaling is gewaagd, in.

Aan de Republiek bracht het geen voordeel, dat hij, die stadhouder was van de meeste harer gewesten, de eer verwierf een kroon te mogen dragen, die weldra bleek voor hemzelf een doornenkroon te zijn. Zij ging gebukt onder den druk van \'t verbond met Engeland en was binnen kort, zooals Frederik de groote het uitdrukte, te vergelijken bij een sloep, voortgesleept door een linieschip. Haar handel leed op nieuw een grooten schok. Dadelijk, in \'t begir van den oorlog, werden vele Nederlandsche koopvaardijschepen, die men wegens de geheimhouding, waarmede de toeleg op Engeland was behandeld, niet had kunnen waarschuwen, in Frankrijk aangehouden. Doch niet alleen aan de krijgsbeurtenissen was dit verval van den handel te wijten, maar evenzeer hieraan, dat ruim een dertigtal jaren vóór den vrede van Rijswijk de konvooien en licenten aanmerkelijk waren verhoogd. Vruchteloos vleide men zich met de hoop, dat Willem iets zou doen tot intrekking of tot verzachting van de akte van navigatie. De nadeelen, den handel toegebracht, werden niet vergoed door de ruim zeven millioen, die Engeland in 1689 en volgende jaren als schadeloosstelling voor de kosten van den overtocht aan Nederland betaalde.

Bovendien kreeg de Republiek nu en dan nieuwe bewijzen van \'t verlangen van Willem III, dat de uitgestrektheid van zijn stadhouderlijk

-ocr page 287-

267

gezag werd afgemeten naar de koninklijke majesteit. In 1689 moesten te Amsterdam nieuwe schepenen worden aangesteld. Als naar gewoonte maakte de vroedschap een voordracht op. Oude privilegiën, met name een van Philips II van 1581, schreven voor, dat de verkiezing uit een voordracht of uit dubbeltallen stond aan den stadhouder, en, bij zijn afwezigheid, aan het hof van Holland. Op grond daarvan verlangde de vroedschap van Amsterdam, dat zulks ook thans zou gebeuren, dewijl Willem III zich in Engeland bevond. Maar het hof durfde het niet op zich nemen, en, na langdurig tegenstreven, moest de stad zich laten welgevallen, dat Willem de verkiezing deed. Insgelijks werd Amsterdam genoodzaakt toe te geven in het geschil, rakende den graaf van Portland. Hem meende de stad, als in eed en dienst zijnde eener vreemde mogendheid, niet verder zitting te mogen gunnen in \'t lid der edelen van de staten van Holland. Doch in haar verzet geen steun vindende bij haar medeleden in de staten, bukte zij, hoe ongaarne ook.

Even vóór het eind van den negenjarigen oorlog, in 1696, stierf een van de veldmaarschalken der Republiek, die in den slag bij Landen en Neerwinden wakker had medegestreden, de stadhouder van Groningen, Friesland en Drente, Hendrik Kasimir II (zie blz. 255). Zijn zoon Johan Willem Friso (1696—1711) volgde hem in Groningen en in Friesland op onder regentschap zijner moeder Amalia van An-halt-Dessau, een kleindochter van Frederik Hendrik en dochter van Johan George II, vorst van Anhalt-Dessau, terwijl Drente aan Willem III het stadhouderschap opdroeg. Voor \'t overige werd de betrekking, waarin Nederland reeds sedert lang tot Rusland stond, in dezen tijd nauwer door een persoonlijk bezoek van Peter, den keizer aller Russen en den eersten hervormer zijner natie Dp groote schaal. Zelf trachtte de czaar onbekend te blijven onder het groote gezantschap, uit omtrent twee honderd zeventig personen bestaande, dat hem vergezelde en grooten-deels vooruitreisde. Lang kon hij evenwel zijn incognito niet bewaren, terwijl hij zich in 1697 eenige dagen te Zaandam in het bekende „huisjequot; ophield en te Amsterdam op de werf een geheel schip aftimmerde. Later hervatte de alleenheerscher van het groote rijk het bezoek in 1717. Zonder overdrijving mocht Nederland zich beroemen op die wijze een gunstigen invloed te oefenen op Ruslands ontkiemende beschaving.

Het werd weldra duidelijk, dat Lodewijk juist geen duurzamen vrede beoogde en nog kwade bedoelingen in \'t schild voerde. Terwijl Groot-Britannie en de Staten-Generaal een groot deel hunner troepen afdankten, bleef Frankrijk gewapend. Weldra vond deze handelwijze haar verklaring. Lodewijk wendde zich tot Engeland en tot de Nederlanden, hun voorslaande, zonder den keizer er in te kennen, met hem een verdrag te sluiten, waarin zou worden vastgesteld, op welke wijze de landen der Spaansche kroon te verdeelen bij den dood van den koning van dit rijk. Karei II, die elk oogenblik werd te gemoet gezien {Alg. Geschied., Ill, 7de druk, blz. 155). Metterdaad kwam in 1698 tusschen die mogendheden zulk

Pi

I

Hl

!Vi V.

m

i 1

pa

5; 11

-ocr page 288-

268

een verdrag tot stand. Het behelsde, dat de keurvorst van Beieren, Jozef Ferdinand, de geheele Spaansche monarchie zou bekomen, de dauphin hoofdzakelijk Napels en Sicilië, en Leopolds tweede zoon. Karei, Milaan zoude hebben. Maar toen de dood van Jozef Ferdinand in 1699 die overeenkomst verijdelde, sloten dezelfde mogendheden in 1700 een tweede verdrag, waarbij werd bepaald, dat aartshertog Karei Spanje, Indie en de Zuidelijke Nederlanden, de dauphin hoofdzakelijk de beideSicilien, benevens Lotharingen, zou verkrijgen, terwijl de hertog van dit land met Milaan zou worden schadeloos gesteld. Leopold echter sloot zich niet bij dit verdrag aan, en nog veel minder Karei II, bij wiens dood (den isten Nov. 1700) men een testament vond, dat Philips van Anjou, den tweeden zoon van den dauphin, tot eenigen erfgenaam der kroon van Spanje verklaarde. Daartoe was Karei, aangespoord door den Spaanschen adel, overgegaan om de eenheid van \'t land te redden.

Bij de gewichtige vraag, die deze verdragen trachtten te beslissen, had Willem II, de voorvechter van Europa\'s vrijheid, alleen het evenwicht der staten en \'t behoud der rust van dit werelddeel op het oog. Als hoofd der zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, meende hij, dat het deze staten, bij de groote macht, die èn het huis Habsburg, én Bourbon bezat, niet onverschillig kon zijn, wie de bezitter der Spaansche monarchie werd. Bij de Staten-Generaal stiet het tweede verdrag in den beginne op eenigen tegenstand. Maar het gezag van den koning van Groot-Britannië woog zoo zwaar in de Vereenigde Gewesten, dat men toegaf. Intusschen begaf zich Philips van Anjou, als koning Philips V, in 1701 naar zijn koninkrijk Spanje, en Lodewijk sloot een verbond met Maximiliaan II Emanuel, keurvorst van Beieren en stedehouder der Spaansche Nederlanden, wien hij het bezit dezer gewesten beloofde, en met den broeder van Maximiliaan Emanuel, den keurvorst van Keulen.

Keizer Leopold, die den nieuwen koning niet wilde erkennen, rustte zich dadelijk ten oorlog. Weldra vond hij steun bij het groote of Haagse he verbond van 1701, dat hij met Engeland en de Nederlanden sloot en bij hetwelk zich ook Frederik I van Pruisen, het Duitsche rijk, Portugal onder Pedro II en Victor Amadëus II van Savoye (deze twee, die eerst met Frankrijk bevriend waren geweest, in 1703) voegden. Voor Willem III waren de beweegredenen om zich bij Leopold aan te sluiten, behalve de oude drijfveer ten opzichte van Frankrijks nabuurschap, inzonderheid deze, dat Lodewijk zich niet hield aan het verdrag van 1700 en dat hij reeds in den aanvang van 1701 de voornaamste plaatsen der Zuidelijke Nederlanden met Fransche troepen bezette. De landvoogd dezer gewesten bood hem daarbij de behulpzame hand. De Staten-Generaal, nu vreezende dat de legerbenden, die zijzelven, in overeenstemming met de verdragen van 1698 en van 1700 en met goedvinden van den koning van Spanje, in die vestingen hadden liggen, zoo goed als krijgsgevangen zouden worden gehouden, haastten zich ze terug te roepen en, opdat zij hierin van Frankrijks zijde niet

-ocr page 289-

269

werden tegengewerkt, tevens den nieuwen koning van Spanje te erkennen. Die erkenning belette evenwel, gelijk men ziet, niet, dat Willem, zich door Lodewijk misleid achtende, Engeland en Nederland één lijn deed trekken met Leopold. Zelf was Willem intusschen niet bestemd den oorlog mede te voeren. Eer deze krijg nog recht was uitgebroken, leden de bondgenooten door zijn overlijden het zwaarste verlies, dat hen kon treffen. In Februari 1702 van Kensington naar Hamptoncourt (beide in de nabijheid van Londen) rijdende, brak hij door een val van zijn paard het sleutelbeen. Het werd gezet, en hij werd in zijn koets naar Kensington teruggebracht. Deze beweging maakte het noodig, dat het sleutelbeen op nieuw werd gezet. Bij de wonde kwamen koortsen, waaraan hij den 8sten Maart bezweek. Vóór zijn dood had hij pogingen aangewend om den stadhouder van Friesland, Johan Willem Friso, te doen verkiezen tot opvolger in de waardigheden, die hij hier te lande bekleedde. Maar ziende, dat de staten der gewesten daartoe niet overhelden, had hij zijn bemoeiingen gestaakt.

Willems dood maakte het prindom Oranje en \'s prinsen overige bezittingen tot een twistappel, tusschen verschillende vorsten, waarvan Frederik I van Pruisen en Johan Willem Friso de voornaamste waren. Willem III zelf had in 1695, na Maria\'s dood, bij testament Johan Willem Friso tot zijn eenigen erfgenaam verklaard. De koning van Prui-sen echter, zich beroepende op den uitersten wil van Frederik Hendrik, betwistte den jongen prins en stadhouder het recht op Willems nalatenschap. Volgens dien uitersten wil, opgemaakt in 1644, moest Frederik Hendriks nalatenschap, bij ontstentenis van zijn zoon en van wettige afstammelingen van dien zoon, aan zijn oudste dochter, de keurvorstin, komen en, indien zij niet meer leefde, aan haar wettige nakomelingen. Tot uitvoerders van Willems testament waren de Staten-Generaal benoemd, die, gelijk beneden zal blijken, lang op hun beslissing lieten wachten.

Zooals boven (zie blz. 255) is vermeld waren de hooge waardigheden van stadhouder en kapitein-generaal-admiraal erfelijk verklaard in de mannelijke nakomelingschap van Willem III. Op grond dier verklaringen kon niemand zich thans gerechtigd achten ze te bekleeden. Alzoo gaven de staten van Holland in de vergadering der Staten-Generaal te kennen, dat zij het voornemen hadden de aangelegenheden te laten gelijk zij waren, en de staten der vier overige gewesten, alsmede die van Drente, volgden hun voorbeeld. Men liet de hooge ambten onvervuld, en de zaken der regeering werden in de vijf provinciën teruggebracht op den voel van 1651. Met name kwam de bestelling der stedelijke overheid weder aan de vroedschappen zeiven of aan de staten (zie blz. 256). In Holland geschiedde dit zonder eenige woelingen van beteekenis. Doch in Gelderland, in Utrecht, in Overijsel en in Zeeland ging het met vele opschuddingen gepaard. De staten der drie eerstgenoemde gewesten wijzigden in 1702 de regeeringsreglementen van 1647 en 1675 en ontsloegen zich op die wijze van het juk, dat hen zoo lang had

-ocr page 290-

270

gedrukt. De verkiezing van de leden der stedelijke raden kwam door die wijziging aan de vroedschappen.

Die besluiten der staten verwekten veel misnoegen. De tegenstand_ging uit van de geslachten der oud-regenten, die onder Willem III hun ambten hadden verloren en nu geen kans zagen om ze terug te krijgen. Zij vonden steun bij de burgerijen, naijverig om, als voorheen, door tusschenkomst van gilden en gemeensmannen, invloed op de regeering te oefenen. Die burgerijen beweerden in Gelderland toen reeds, dat aan het volk de souve-reiniteit toekwam. In Gelderland en in Overijsel kregen de partijen nieuwe namen. Die van hen, welke de rechten des volks voorstonden, en van de vroeger door den stadhouder afgezette overheidspersonen heette de nieuwe plooi; de aan het bewind zijnde partij werd de oude plooi genoemd. Te Nijmegen en elders, niet alleen in Gelderland, maar ook in Utrecht en in Zeeland, werd de strijd hevig gevoerd. Men wapende zich van weerszijden, en de dolle menigte ontzag zich niet in balddadigen overmoed bijzonder eigendom te vernietigen. Scherpe plakkaten werden uitgevaardigd, krijgsmacht aangevoerd en rechtsvervolgingen ingesteld. Voor het eerst sedert de grondvesting der onafhankelijkheid van den staat vergoten in meer dan één gewest burgers burgerbloed. Zoo werden te Amersfoort twee burgers, die ten gevolge van hevige opschuddingen in de vroedschap waren gekomen, in \'t openbaar onthoofd nadat de staten van Utrecht door middel van krijgsvolk de rust hadden hersteld, terwijl te Nijmegen, behalve anderen, een der oud-regenten, na een mislukte poging om de vroegere ieden in de vroedschap te herstellen, eveneens in \'t openbaar zijn hoofd verloor. In Zeeland verklaarde men de waardigheid van eerste edele voor vervallen en liet die van markgraaf van Veere en Vlissingen onvervuld.

De oorlog, door Lodewijks toedoen ontbrand, werd gevoerd in Italië, in Duitschland, in de Zuidelijke Nederlanden en in Spanje. Lodewijk miste sinds lang zijn bekwamen minister Colbert, die gedurende de vorige oorlogen Frankrijks geldmiddelen zoo voortreffelijk had bestuurd, en het getal van \'s konings uitstekende veldheeren was zeer afgenomen. Daarentegen stond aan den kant der bondgenooten een rij van groote mannen; John Churchill, graaf, daarna hertog van Marlborough (in Devonshire, in \'t z. van Engeland); Eugenius van Savoye, Leopolds veldheer, en Antonie Heinsius (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 157). Die mannen noemt men wegens hun gemeenschappelijke leiding der zaken het driemanschap in dezen oorlog. Veelal waren zij vrij eenstemmig; maar met de Nederlandsche gedeputeerden te velde en met een van de generaals der Republiek, Slangenburg, kon Marlborough het niet altijd vinden. Het aandeel, dat de Nederlanders aan den krijg namen, bepaalde zich tot de verrichtingen ter zee en in de Spaansche Nederlanden. De Nederlandsch-Engelsche vloot onder den Engelschen admiraal Rooke en den Nederlandschen luitenant-admiraal Philips van Almonde vernielde in 1702 in de haven van Vigos (in \'t n.w. van Spanje, op de kust van Gallicië) een groot aantal schepen

-ocr page 291-

271

der Spaansche zilvervloot en maakte er een deel van buit. Het voordeel, dat de Nederlanders uit deze vangst trokken, 1,056,000 gl., woog niet op tegen het nadeel, dat vele Nederlandsche kooplieden er door leden, die onder Spaansche namen op Amerika handel dreven (zie blz. 178). In 1704 nam Rooke, bijgestaan door de vloot der Nederlanden onder den luitenant-admiraal Callenburgh, bijna zonder slag of stoot het onneembare, maar toen slecht bewaakte Gibraltar in. Koningin Anna {Algevi. Geschied., III, 7de druk, blz. 156) verklaarde over deze verovering te willen beschikken in gemeenschappelijk overleg met de Staten-Generaal; doch in strijd met deze uitdrukkelijke belofte en in weerwil dat de stad was genomen in naam van aartshertog Karei eigende Engeland zich haar stilzwijgend toe.

Wat den oorlog te land betreft voegden zich de Nederlandsche troepen bij het leger, dat in de Zuidelijke Nederlanden stond en waarover Marlborough het bevel voerde. Aan \'t hoofd van de krijgsbenden der Republiek stonden de veldmaarschalk Hendrik van Nassau-Ouwerkerk (eigenlijk Ouderkerk, aan de Hollandsche IJsel, ten n.o. van Rotterdam), een zoon van een van Maurits\' onechte zonen, die in 1708 stierf; Slangenburg en Johan Willem Friso, als generaais van \'t voetvolk, de laatste sedert 1707, toen hij den leeftijd van twintig jaren had bereikt; Tilly, als generaal der ruiterij, en anderen. Schitterend was de reeks der veldslagen. Marlborough versloeg in 1706 Villeroi bij Ramillies (in \'t z.o. van Zuid-Brabant). Marlborough en Eugenius wonnen in 1708 den slag bij Oudenaarde (in Oost-Vlaanderen aan de Schelde) op Vendóme en op den jongen hertog van Bourgondie, den oudsten zoon van den dauphin, en in 1709 dien bij Malplaquet (nabij Mons) op Villars. Hier, bij Malplaquet, onderscheidde Johan Willem Friso zich zeer door zijn onstuimige dapperheid en verloor bij de verovering eener batterij twee paarden. Hierop werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.

Inmiddels had Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor afkeerig van den vrede houdende, zich reeds eenige malen in dien zin tot Heinsius gewend, maar vruchteloos. In 1709 geschiedde de aanvraag om vrede van Lodewijks kant met meer aandrang dan ooit. Het scheen, dat de Republiek den sleutel had tot den tempel van den alge-meenen vrede en men slechts door haar bemiddeling toegang tot dien tempel kon bekomen, \'s Konings minister van buitenlandsche zaken, de Torcy, kwam in persoon te \'s Hage en verklaarde zich bereid de voor zijn meester zeer nadeelige voorwaarden, die de bondgenooten stelden, aan te nemen. Hij was er niet tegen, dat Lodewijk den aartshertog Karei als erfgenaam der Spaansche monarchie zou erkennen, noch om de overige hoofdvoorwaarden in te willigen, b.v. voldoende barrières voor de bondgenooten, het terugbrengen van Frankrijks bezittingen op den voet van den vrede van Munster, voorzoover Duitschland en den keizer aanging, enz. Doch toen de overwinnaars

-ocr page 292-

272

hun eischen al hooger stelden en wilden, dat Lodewijk hun behulpzaam zou zijn zijn kleinzoon uit Spanje te verdrijven, werden de onderhandelingen afgebroken. Waren zij maar iets redelijker geweest en hadden b.v. aan Philips van Anjou Napels en Sicilië willen overlaten, dan hadden zij ongetwijfeld voor Europa\'s evenwicht beter gezorgd. Daarop volgde de slag bij Malplaquet. De onderhandelingen, in 1710 nogmaals te Geertruidenberg hervat, leidden wederom tot niets. Uit naam der Staten-Generaal verschenen hier Willem Buys, pensionaris van Amsterdam, en Bruno van der Dussen, oud-burgemeester en pensionaris van Gouda, van wege Frankrijk o.a. de abt de Polignac. De onderhandelingen werden gestaakt, omdat de bondgenooten hun eischen nog in zooverre verzwaarden, dat zij vorderden dat de grijze Lodewijk zelf zijn kleinzoon, des noods met geweld zou onttronen en dwingen Spanje te verlaten.

Maar plotseling kwam er een wending in den loop der gebeurtenissen. Juist toen de gezichteinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem redding aan. De een was de vroegtijdige dood van Jozef I, Leopolds zoon en keizer van Duitschland, dien zijn eenige broeder, Karei VI, in 1711 opvolgde. Thans drongen de zeemogendheden er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministerie, waarvan hij de ziel was. Het voor de whigs in plaats komende tory-ministerie zond wel den hertog van Ormond als plaatsvervanger voor Marlborough, maar hield den oorlog voor strijdig met Engelands belangen, knoopte dus onderhandelingen met Frankrijk aan en gelastte Ormond zich zooveel mogelijk van allen kamp te onthouden. En Ormond toonde zijn oogmerk om niet te vechten zoo duidelijk, dat Eugenius zich van hem afscheidde en Villars daardoor in 1712 aan een gedeelte van zijn troepen bij Denain (ten n.o. van Kamerijk aan de Schelde) een nederlaag kon toebrengen.

Intusschen verloren de Nederlanden nog vóór het eind van den oorlog een hunner veldheeren. Johan Willem Friso, in 1711 uit de legerplaats naar \'s Gravenhage willende gaan om, ter zake van de erfenis, een bijeenkomst te houden met den koning van Pruisen, verdronk in Juli van dat jaar door \'t omslaan der schouw of pont aan den Moerdijk (tusschen Willemstad en Geertruidenberg), niet ver van den oever, nog slechts vierentwintig jaar oud zijnde. Aldus kwam hij, die zoo menigmaal het vuur had getrotseerd, rampzalig in het water om. Zijn gemalin, Maria Louise, een dochter van Karei, landgraaf van Hessen-Kassei, bracht \' kort daarna een zoon ter wereld , Willem Karei Hendrik Friso. In 1712 kwamen de gezanten der oorlogvoerende mogendheden te Utrecht bijeen om te pogen tot een vrede te geraken. Engeland had reeds eenigen tijd in \'t geheim met Frankrijk onderhandeld en noodzaakte alzoo zijn bondgenooten, wilden zij niet alleen blijven staan, toe te treden.. Nederland

-ocr page 293-

273

zond onder zijn vertegenwoordigers wederom Buys en van der Dussen, Frankrijk op nieuw de Polignac. Bij deze gelegenheid voegde deze abt, gedachtig aan de vernederende rol, in 1710 gespeeld, den gezanten der Republiek eens het bekende woord toe: „Neus traiterons de vous, nous traiterons chez vous, nous traiterons sans vous,quot; d.i. wij zullen onderhandelen over u, bij u en zonder u. In April werd de vrede onderteekend, behalve door de gezanten van Karei VI, die eerst in \'t volgende jaar {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 160) een einde maakte aan den oorlog. Philips V behield Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. Frankrijk stond aan Engeland aanmerkelijke streken in Noord-Amerika af. De Nederlanden verwierven een voordeelig verdrag van handel en inkomende rechten, waarbij hun o.a. de vrije invoer van haring in Frankrijk werd toegestaan. Ook dit moet als een voordeel voor de Republiek worden aangemerkt, dat het groote doel, waarom zij aan den oorlog had deel genomen, bij den vrede werd bereikt, daar de Zuid-Nederlandsche gewesten niet aan Frankrijk, maar aan Oostenrijk kwamen.

Alsof dit evenwel niet genoeg ware tegen Frankrijks gevreesde nabijheid, verkreeg zij, om haar tot voormuur tegen de aanvallen van dit rijk te dienen, de barrière, die haar het recht gaf in Namen, in Doornik, in Meenen, in Warneton, in IJperen, in Veurne en in het fort Knokke bezetting te leggen, terwijl mede werd bepaald, dat in de stad Dendermonde gemengd garnizoen, d.i. half Oostenrijksch, half Staatsch, zou liggen. Nederland toch had den oorlog niet alleen hierom gevoerd ten einde het Habsburgsche huis tot nabuur te verkrijgen. Het verdrag over de barrière kwam den isden November 1715 te Antwerpen tot stand, nadat de keizer en het Duitsche rijk in 1714 vrede hadden gesloten. Het bepaalde verder, dat de keizer, om de Staten-Generaal te gemoet te komen in het onderhoud en in het bezetten der barrièresteden, hun jaarlijks 1,250,000 gl. zou betalen. Eindelijk vergrootte het, ten koste van den keizer, het grondgebied der Republiek met een kleine strook lands in Staats-Vlaanderen en met een deel van Ópper-Gelder, n.1. met dat, waarin Venlo, Stevensweert (ten z.w. van Roermond) en St. Michiel (tegenover Venlo, nabij den linker Maasoever) zijn gelegen, hetwelk van nu aan onder de Generaliteitslanden werd begrepen (zie blz. 172). Deze streek werd den Staten-Generaal toegewezen, omdat zij hun in 1668 door Karei II tegen een som van twee millioen in pand was gegeven. Pruisen verwierf bij den vrede van Utrecht het grootste gedeelte van het toen Spaansche Opper-Gelder (in de tegenwoordige Rijn-provinciën), waarvan koning Frederik Willem I (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 167) van zijn rechten op het prinsdom Oranje afzag. Dit prinsdom, hetwelk de Staten-Generaal hem uit de nalatenschap van Willem III bij voorraad hadden toegekend, ging alsnu aan Frankrijk over.

Wijnne, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. iS

-ocr page 294-

274

§ 29.

Blik op den toestand des lands in de laatste helft der ijde en in V begin der iSde eeuw.

Verbazend was de inspanning, welke een staat van zulk een beperkt grondgebied als de Vereenigde Gewesten zich in den nu geëindigden oorlog had getroost ter wille eener zaak, die meer geheel Europa dan de Nederlanden betrof. Wellicht had, zoo niet de verdragen van 1698 en 1700 ontijdig in den gang der gebeurtenissen hadden ingegrepen, een bloedige en kostbare oorlog kunnen worden vermeden. Die oorlog vermeerderde de schuld der Republiek met 350 millioen. Doorgaans had zij 120 tot 130,000 man landtroepen te velde en over de 50 zware linieschepen in dienst. Aan die dure offers waren de voordeelen, die de vrede schonk, niet geëvenredigd. Het is waar, men had de zoo lang en zoo vurig gewenschte barrière. Maar, ofschoon men dit toen niet kon voorzien, die barrière is nimmer de voormuur geworden, die zij, zooals men waande, zou worden. Zij heeft de Republiek althans in één oorlog gewikkeld, die den staat zeiven in gevaar bracht. Zij legde Nederland den plicht op een land te bewaren, hetwelk de keizer zelf, ver af zijnde en op die gedachte inslapende, zich niet beijverde te behoeden. De gelden, die zij kostte, waren aan vloot en leger beter besteed geweest. Doch de wil van Willem III alleen had de buiten-landsche staatkunde der Republiek bestuurd. Voor de leidende gedachte zijn levens, de man te moeten zijn, die zich tegenover Lodewijk XIV stelde, hadden de belangen der Republiek achter te staan. Heeft men in Johan de Witt zekere eenzijdigheid gewraakt, voorzeker deze eenzijdigheid verdient niet minder te worden afgekeurd.

Aan den drukkenden toestand, waarin Nederland door Willems staatkundig stelsel geraakte, gevoegd bij enkele zijner daden (zie blz. 261 vlg., 267), is het zonder twijfel toe te schrijven, dat deze prins van Oranje-Nassau, in \'t begin van zijn stadhouderschap met reikhalzend verlangen geroepen en aangebeden, zich tegen \'t einde zijns levens niet in te groote genegenheid van de zijde van \'t volk kon verheugen. Er lieten zich dan ook in de eerste jaren, die op zijn dood volgden, geen stemmen hooren, aandringende op verheffing van den spruit uit het huis van Oranje-Nassau. Daarentegen namen de woelingen, op welker aanvang boven (zie blz. 269, 270) is gewezen, niet spoedig een einde. In Gelderland zegevierde aanvankelijk grootendeels de nieuwe plooi. De Staten-Generaal en die van Holland trachtten hier tevergeefs hun invloed te doen gelden: er werd weinig of niet naar hen geluisterd. Te Nijmegen was de oneenigheid het ergst; te Harderwijk, te Arnhem en in andere steden ontbrak zij niet. Vooral de jaren 1704 en 1707 werden er door gekenmerkt. Allengs begonnen evenwel in sommige steden de gilden van den nauwelijks herkregen invloed misbruik te maken. Dat

-ocr page 295-

275

gaf tegenwerking, Daarom trokken de staten van Gelderland, ten einde hun geknakt gezag te herstellen, partij van de afmatting, die zich bij de aanhoudende geschillen van het volk had meester gemaakt. Zij vaardigden in October 1717 een plakkaat uit, gelastende dat de overheidspersonen in de steden van nu aan hun leven lang zouden aanblijven.

In plaats dat zich hier of daar blijken opdeden van zucht tot vergrooting der macht en van het aanzien van het oude stamhuis kreeg men bewijzen van het tegendeel. In 1707, toen Johan Willem Friso op het punt stond als generaal op te treden, namen Holland, Zeeland, Utrecht en Overijsel het besluit den prins geen zitting te gunnen in den raad van state. Daar Gelderland en Groningen zich niet tegen dit besluit verzetteden, kon Friesland alleen er geen verandering in brengen. Wat meer is, de staten van Overijsel besloten in \'t zelfde jaar nimmer weder een stadhouder te zullen aanstellen en poogden de andere provinciën tot het afleggen van dergelijke verklaring over te halen, zonder dat deze gewesten daartoe dadelijk overgingen.

Zoolang Willem III leefde had antonie heinsius (zie blz. 265) hem getrouw ter zijde gestaan. Hij was een man van een welwikkend oordeel, van onverdroten ijver en van een bezadigde handelwijze, wiens blik tot de kern der zaak doordrong. In eenvoudigdheid van levenswijze wedijverde hij met de Wilt. Maar nauwelijks had Willem de oogen voor goed gesloten, Heinsius, zijn denkbeelden naar de omstandigheden wijzigende, voegdè zich naar de regeering, gelijk zij toen werd geregeld, en was in allen opzichte een wakker dienaar en voorganger der staten van Holland. Hij werd in den vollen zin des woords de zuil van \'t be-wind, de hoofdpersoon der Republiek. Hem steunden op voortreffelijke wijze Jakob Hop, de thesaurier of schatmeester der Generaliteit, Frans Fagel, Gaspars (zie blz. 250 en 265) neef, langer dan vijftig jaren griffier der Staten-Generaal, en Simon van Slingelandt, tot 1725 secretaris van den raad van state, een man van zeldzame bekwaamheid.

„Wanneer altoos eenparig dachten

Hop, Heinsius en Slingelandt.quot;

Niettegenstaande de schaduwzijde, zoo even (zie blz. 274) aangeroerd, bekleedde de Republiek na den vrede van Utrecht steeds een eervolle plaats onder Europa\'s aanzienlijke mogendheden. Zij bezat nog een uit-gestrekten handel en talrijke volkplantingen. Nogtans was de handel niet meer wat hij. was geweest. Sinds 1672 was hij gedaald van het hooge standpunt, dat hij vroeger had bereikt. De navigatie-akte van het lange of wel van het romp-parlement (Algem. Geschied. Ill, 7de druk, blz. 116, 117, 118, 119) had den eersten knak gegeven. Colberts pogingen om de Franschen tot een handeldrijvende natie te maken hadden er ook geen goed aan gedaan. Inzonderheid brachten de oorlogen, geëindigd met de vre-

18*

-ocr page 296-

•276

des van Nijmegen, van Rijswijk en van Utrecht, den handel groot nadeel toe. Behalve dat zij den staat tot groote uitgaven dwongen ter bestrijding der krijgskosten legden zij een zwaren schuldenlast op de schouders der Nederlanders. Het gevolg was de instelling van vele nieuwe belastingen, waarmede voor een goed deel de levensmiddelen werden bezwaard en die dus den minderen man drukten. Daaruit kwam een verhooging van 1iet arbeidsloon voort, b.v. van allen, wier werkzaamheden in betrekking stonden tot den scheepsbouw, die de nijverheid van andere natiën in de hand werkte. Een andere oorzaak van het dalen van den Nederlandschen handel is, dat hij de oogen van de meeste der Europeesche volkeren opende, die, de rijkdommen ziende, welke hij aanvoerde, zich op hun beurt op dien tak van bestaan toelegden en allengs op die baan voortschreden. En hoewel nu de handel van Nederland zeer wel naast dien van andere landen kan bestaan, is het van den anderen kant zeker, dat geen natie den haren destijds uitbreidde dan ten koste van dien der Republiek. Nog zijn andere oorzaken van \'t verval des handels hierin te zoeken, dat de weelde in vele huisgezinnen de plaats der oude spaarzaamheid begon in te nemen en dat de toevloed der Oost-Indische waren van tijd tot tijd zoo groot was, dat men ze voor te lage prijzen moest verkoopen of ze te lang in de magazijnen laten liggen. Zelfs gebeurde het vaak, dat in de Indien groote stapels muskaatnoten of kruinnagels werden verbrand of in zee geworpen.

Let men op de bijzondere takken van den handel, dan valt het niet te ontkennen, dat sedert 1713 de handel op de Levant, op Engeland, op de Noordsche staten en op Frankrijk veel leed. De tijden waren voorbij, dat de kooplieden der Republiek de eenige waren (zie blz. 177), die de volkeren van Noord-Europa voorzagen van hetgeen het Zuiden en het midden voortbrachten en die van het Zuiden en het midden van hetgeen de landen, aan de Oostzee gelegen, opleverden. Vooral de handel in wijnen en in tabak geleek op verre na niet op hetgeen hij in de vorige eeuw was geweest. Hamburg en Bremen waren geduchte mededingers van Amsterdam geworden. Over \'t geheel kan men, om niets ergers te zeggen, naar waarheid getuigen, dat er geen tak was, die in vergelijking met vroegere tijden niet kwijnde. In \'t midden der 18de eeuw begon men te klagen over het ledig staan van een aanmerkelijk getal winkelhuizen in de voornaamste handelsplaatsen. Sedert het begin dier eeuw zag men, naast den eigenlijken handel, die aanving af te nemen, een gebruik opkomen, hetwelk als een nieuwe tak van handel aangemerkt en commissie-handel genoemd werd. Daarentegen kwam de gewoonte der Nederlandsche kooplieden om zeiven, inzonderheid voor zoover het den zeehandel betreft, hun waren te begeleiden, ze te verkoopen en inkoopen te doen langzamerhand in onbruik. De wereldhandel der Republiek verviel, en de zee bleef niet langer het hoofdelement, waarop de Nederlander leefde. Sinds nu de commissiehandel opkwam, hield men geen kantoren, winkels en pakhuizen meer

-ocr page 297-

277

in den vreemde en staakte zijn reizen. Zij, die voortgingen voor eigen rekening handel te drijven; gaven in het buitenland commissie, hetzij aan vreemde, hetzij aan Nederlandsche huizen, daar gevestigd, gelijk in de Republiek zelve tal van kooplieden zich met den commissie-handel onledig hielden. Deze handelaars in commissie trokken hun inkomsten uit het koopen en verkoopen voor rekening van anderen. In \'t algemeen bevorderden zij de uitbreiding van den handel, het overgaan der waren van de eene in de andere hand. Maar aan het eigenlijke karakter des handels deden zij afbreuk, en het is licht te begrijpen, dat, zoodra het belang van den lastgever in strijd geraakte met dat van den lastnemer, het eerste moest wijken. Zoodanige commissiën toch vielen niet onder de lastgevingen, welke, als uit vriendschap voortspruitende, naar\'t oordeel der Romeinen, om niet moesten worden waargenomen.

Men andere tak van handel, die in de 18de eeuw meer en meer veld won, was de handel in schuldbrieven, in acties en in effecten. Niet alleen de Staten-Generaal en de staten der provinciën namen in moeilijke tijden hun toevlucht tot het opnemen van geld, maar evenzeer de wethouderschappen der steden, de collegiën der admiraliteit, de bewindhebbers der Oost- en der West-Indische compagnie; ja schier geen genootschap of broederschap onthield er zich van. Nog in 1720 verboden de staten van Holland den ingezetenen van hun gewest aan vreemde mogendheden of maatschappijen geld op te schieten. Doch reeds kort daarna geschiedde ook dit. Aan al die onderscheiden geldleeningen nam geen volk zoo ijverig deel als het Nederlandsche. Zoolang de acties en effecten een voorwerp van wezenlijken handel uitmaakten deed deze handel althans eenig nut. Geldsommen door de handen doende gaan, welke anders voor \'t algemeen een dood kapitaal zouden zijn, bracht hij bovendien velen tot deelneming aan den handel, die, zonder dit, er slechts toeschouwers van waren geweest. Maar liet bleef niet bij den werkelijken handel in effecten. Er kwam windhandel bij. Hij, die geen acties of effecten had te verkoopen, ging met iemand, die er geen wilde koopen, een verbintenis aan om hem op een bepaald tijdstip een zeker aantal dier stukken tot een vastgestelden prijs te leveren. Wanneer de termijn was verschenen, gebeurde één van beiden; óf de stukken moesten worden geleverd, óf de rekening werd opgemaakt, hoe hoog de acties stonden. Dan betaalde men elkander in geld, en de zaak was ten einde.

Er waren verschillende wijzen, waarop deze soort van handel kon worden gedreven; doch zij kwamen alle neer op een weddingschap over het rijzen en over het dalen der papieren. Een paar voorbeelden mogen eenigermate tot opheldering verstrekken. A verkoopt aan B honderd stukken tegen een vasten koers van 500 gl., te leveren op den isten Januari. Op dien dag staan zij op een waarde van 510 gl. In dit geval betaalt A aan B 1000 gl., d. i. het verschil van 500 en 510 op de honderd stukken. Is daarentegen op den isten Januari de

-ocr page 298-

278

waarde slechts 490 gl., dan is B verplicht aan A de 1000 gl. te geven. — C verkoopt aan D vijftig acties tegen een vasten koers van 120 gl., op den isten Februari te leveren, hem evenwel de vrijheid latende ze alsdan te nemen of te weigeren, mits hij in \'t laatste geval een zekere som, premie geheeten, betaalt. Indien de acties op den vastgestelden tijd op 800 gl. staan, neemt de kooper ze niet en betaalt zijn premie. Maar zoo zij op 830 gl. staan, ontvangt hij vijftig maal wat zij boven de 820 gl. waardig zijn, d.i. tien maal vijftig, dus 500 gl.

Was het niet op deze wijze, dan richtten vele huisgezinnen zich te gronde door in 1720 te ijverig deel te nemen aan den handel in de acties van Law en inzonderheid in die van deZuidzee compagnie(^4r. Geschied., III, 7de druk, blz. 161 en 164). Nog was de handel, omstreeks 1730 in sommige steden van Holland in hyacinten gedreven, een soort van windhandel, welke evenwel niet zoo algemeen werd als de beruchte tulpenhandel, die, juist een eeuw vroeger, te Haarlem, te Amsterdam en in andere steden van Holland een paar jaren als een razernij de gemoederen had beheerscht.

De handel in staatspapieren en in effecten gaf weder aanleiding tot het beleenen. Menigeen, die begeerig was om veel in dien tak om \';e zetten, doch slechts over weinig geld had te beschikken, kocht b. v. 100 effecten voor 600 gl. het stuk. Dus moest hij 60,000 gl. betalen. Maar nu verpandde hij de stukken voor 59,000 gl., d i. voor 590 gl. elk. Alzoo behoefde hij slechts 1000 gl. van zijn eigen kapitaal om voor 60,000 gl. te koopen. Intusschen doet hij, die de stukken in pand neemt, zulks niet dan onder deze voorwaarden dat, indien de acties dalen, de andere van de geleende som zooveel zal teruggeven als het verschil is van 600 en 590 gl., en dat, indien de andere in gebreke blijft, hij de stukken mag verkoopen. Daalde de waarde der acties b.v. van 6co tot 590gl., dan moest de bedoelde beleener 1000 gl. betalen aan hem, die het geld had opgeschoten. Kon hij het niet doen, dan werden de papieren verkocht. — Onder de ongelukkige gevolgen zoowel van den windhandel als van het beleenen behoorden de vele kunstenarijen, welke deels de hoop van te zullen winnen, deels de vrees van te zullen verliezen in zwang bracht. Zóó werden de goede of de kwade tijdingen, die op den stand der staatspapieren invloed konden hebben, opgesierd; aan staatsdienaars ontlokte men door omkooping of langs andere wegen de geheimen der hoven.

Gelijk de handel begon ook de haringvisscherij sedert den aanvang der 18de eeuw af te nemen. De walvischvangst was reeds vroeger in verval gekomen. De Noordsche compagnie (zie blz. 64) hield in 1645 op te quot;Bestaan. Vele schepen waren in \'t ijs blijven steken of hadden zonder gunstig gevolg gevaren. Door het te sterk en te lang aanhouden der visscherij had men, ten einde de vruchten te plukken den boom schier bij den wortel afkappende, de walvisschen schuw gemaakt en van Spitsbergen verdreven. Van het genoemde jaar af werd de walvisch vangst door de ontbinding der Noordsche compagnie vrij en leefde, thans door kooplieden, ieder op zichzelf, gaande gehouden, weder

-ocr page 299-

279

eenigermate op. Hoe groot de belangstelling der Staten-Generaal en der staten van Holland in de walvischvangst was, toonden zij door menig plakkaat, hetwelk hoofdzakelijk trachtte te verhoeden, dat de voordeelen van dezen tak van bestaan aan vreemden kwamen. Dit doende, handelden zij in overeenstemming met de algemeene zienswijze van den tijd, die alle takken van handel en van nijverheid door reglementen meende te moeten beschermen.

Zeer in \'t oog vallend was, sedert den vrede van Munster, de achteruitgang der fabrieken en der manufacturen. Zooals bij den handel, was een hoofdoorzaak van dien achteruitgang te zoeken in de zich meer en meer onder de Europeesche volkeren verbreidende zucht om door eigen fabrieken in hun behoeften te voorzien en de voortbrengselen van die van anderen te kunnen ontberen. De bepalingen, van tijd tot tijd in andere rijken, b. v. in Frankrijk, gemaakt en het verbod inhoudende van invoer van verschillende waren, b. v. van Nederlands wollen en zijden stoffen, deden ook veel nadeel aan de nijverheid van de bevolking der Republiek. Weldra kwam het zoover, dat er in de Zeven Gewesten meer vreemde dan inlandsche manufacturen werden gesleten. Het verval werd zichtbaar in de houtzaagmolens, de scheepstimmerwerven, de lijnbanen, de hoeden-en aardewerkfabrieken, de ver-werijen, de brouwerijen, vooral in de Leidsche lakenfabrieken. Tot in het begin der iSde eeuw vervaardigde men in die stad jaarlijks ruim 20,000 stukken laken, ria 1730 slechts ongeveer 11,000 stukken, na 1750 6 A 3,000 stukken.

Voor de Oost-Indische compagnie opende zich met den vrede van Munster (zie blz. 170 vgl.) een tijdperk van verhoogden luister. De eer ervan komt voor een goed deel aan den gouverneur-generaal Johan Maatsuiker (1653—1678) toe, die langer dan iemand, voor of na hem, over de bezittingen der compagnie het bewind voerde. Op Ceylon eindigde de strijd, onder van Diemen (zie blz. 180) aangevangen, met de geheele verdrijving der Portugeezen. Na \'t verlies hunner hoofdstad Columbo (in \'t z.w.) in 1656 ruimden zij binnen kort de eene plaats na de andere. Ook Negapatnam (op de kust van Coro-mandel, tegenover Ceylon) werd veroverd. Rijklof van Goens was bevelhebber van de krijgsmacht der compagnie, die deze veroveringen maakte. Naar de kust van Malabar overstekende, bemachtigde hij Cochin, een der voornaamste steden dier landstreek. Op Sumatra werd Palembang (op de z.o. kust) in 1659 schatplichtig, te Padang (op de vv. kust) een factorij gesticht. Bovenal werd Makassar (in \'t z.w. van Celebes) het tooneel van een roemrijken kamp voor de Nederlandsche compagnie , welker hulp door een der elkander op dat eiland bestrijdende vorsten werd ingeroepen. Cornelis Speelman stond aan \'t hoofd der scheepsmacht van de compagnie, die er eenige jaren achtereen tot 1669 oorlog voerde. Hij dwong den vorst van Makassar tot een verdrag, waarbij hij zich verplichtte zijn sterkten

-ocr page 300-

280

te slechten, de Portugeezen en de Engelschen uit zijn gebied te verwijderen, de compagnie den alleenhandel, vrij van tollen, toe te staan en gijzelaars te stellen. Schitterend was de overwinning, door Speelman behaald. Het oude Rome zou hem ongetwijfeld de zegepraal hebben toegewezen. Naar Batavia terugkeerende, werd hij omstuwd door een aantal inheemsche vorsten en aanzienlijke personen uit Celebes met een drom van volgelingen, op ongeveer 1500 menschen geschat, bereid om hun onderdanigheid aan den gouverneur-generaal te betuigen.

Eén jaar voordat Maatsuiker het bewind aanvaardde had zich een volkplanting der Nederlanders aan de Kaap de goede hoop gevestigd. De streek zelve was dit volk sinds langer dan een halve eeuw bekend. Menig Nederlandsch schip was de Tafelbaai binnengeloopen om er ververschingen in te nemen; maar aan een blijvende vestiging had niemand gedacht. Het eerst kwam dit denkbeeld op bij Jan van Riebeek, een scheepsheelmeester, toen hij in 1648 met een vloot uit Indië naar het vaderland terugkeerde. De kamer van zeventienen keurde het onderwerp goed, en in April 1652 stichtte van Riebeek er een volkplanting. Van de Hottentotten kocht hij een stuk land, rundvee en schapen voor Europeesche waren. Opdat de volkplanters in \'t huwelijk konden treden ontbood men een aantal weesmeisjes uit Amsterdam. Aanvankelijk kwam de volkplanting tot grooten bloei. Eerst onder het bestuur van den landvoogd Simon van der Stel {1679—1699), die den titel van „gouverneurquot; bekwam, breidde zij zich uit in het Noorden en nam de welvaart harer bewoners zeer toe. Die uitbreiding geschiedde evenwel niet door aankoop, maar door geweld. Van der Stel stichtte Stellenbosch en Drakestein. Land- en wijnbouw, benevens veeteelt verschaften den volkplanters een ruim beslaan. Aan van der Stel heeft het landgoed Constantia, een der vermaardste wijn-bergen der gansche aarde, zijn bestaan te danken. Uit alle streken der wereld liet hij vruchtboomen en zaden, uit Perzië paarden komen om tot stamras te verstrekken. Toen hij zijn ambt neerlegde mocht hij het genoegen smaken zijn zoon Willem Adriaan tot zijn opvolger te zien benoemen. Hijzelf stierf in 1712 op zijn landgoed.

Slechts één donkere partij is in het schitterend tijdperk van Maatsuikers landvoogdij op te merken: zij is het verlies van Formosa (zie blz. 141). In \'t midden der 17de eeuw werd de keizerlijke dynastie, die in Sina regeerde, van den troon gestooten. De Mantsjoe-Tartaren, een volk, ten n.w. van Sina wonende, overstroomden het groote rijk, en hun opperhoofd trok het bewind aan zich. Een der vele Sineezen, die zich tegen hem verklaarden en van het vasteland moesten wijken, was de zeeroover Coxinga, die met een groote vloot de zee onveilig maakte. Weldra zette hij koers naar Formosa, van zins zijnde dit eiland te veroveren. Talrijk was de scheeps- en krijsmacht, die hij te zijner beschikking had en die nog op ondersteuning kon rekenen van de groote menigte Sineezen, die zich na den inval der Mantsjoes

-ocr page 301-

281

daar hadden nedergezet. De Nederlandsche gouverneur van Formosa, Coy et, gaf den gouverneur-generaal bericht van zijn toestand en vroeg om hulp. Men draalde te Batavia, deels door tegenstrijdige mededee-lingen misleid, deels uit karigheid. Wakker verdedigde Coyet inmiddels de sterkte Zelandia met de weinige troepen, die hij had. Den predikant Hambroek, in \'s vijands macht gevallen, zond Coxinga er heen om op een spoedige overgave aan te dringen. Hij ried het tegendeel, weshalve hij, naar Coxinga teruggekeerd, kort daarna onder voorwendsel dat hij de Formösanen had opgeruid werd gedood. Eindelijk gaf Coyet na een langdurig beleg in 1662 het kasteel op eervolle voorwaarden over. Zijn loon voor de moedige verdediging was een vernederend vonnis, dat hem o.a. noodzaakte zich naar een der Banda-eilanden (ten z.o. van Amboina) in ballingschap te begeven.

In Maatsuikers tijd was nog maar een klein deel van Java in \'t bezit der Oost-Indische compagnie: Batavia met den naasten omtrek. Van de inheemsche vorsten van dit eiland waren die van Mataram (zieblz. 180) en van Bantam (in \'t n.w.) de voornaamste. Zoovaak zij door een aanval van buiten of bij binnenlandsche geschillen in \'t nauw werden gebracht riepen zij den bijstand der compagnie in. Aldus breidde de compagnie haar gebied allengs uit. Nog gedurende het leven van Maatsuiker kreeg zij een aanleiding om, ten koste van Mataram, haar macht over Cheribon tot Samarang en andere streken, ten o. van Batavia gelegen, uit te strekken. Dit gebeurde in 1677 en in 1678, en een paar jaren later stond de vorst van Bantam haar den alleenhandel op zijn gebied toe.

Van Maatsuikers opvolgers verdienen Rijklof van Goens (zie blz. 279), Cornelis Speelman (zie blz. 279), Johann es Camphuis, Abraham van Riebeek, een zoon van den stichter der kolonie aan de Kaap, en Hendrik Zwaardekroon (1718—1725) te worden genoemd. Op Ternate, op Tidor en op de overige Molukken won, sedert de eerste vestiging (zie blz. 139), het gezag der compagnie voortdurend veld; in \'t laatst der 17de eeuw werd het Noorden van Celebes geheel-enal afhankelijk van de compagnie, in 1704 de Preanger landen, in 1741 het oostelijk gedeelte van Java, o.a. Soerabaya, en het nabij gelegen eiland Madoera. In 1755 verdween de naam „Mataramquot; uit de geschiedenis. Hij werd vervangen door dien der vorstenlanden, Soera-kar ta en Djokjakarta, beide onder \'t oppergezag der compagnie staande, waarvan het eerste cïoor een soesoehoenan, het laatste door een sultan werd bestuurd. Ruim twintig jaren later, in 1778, stond de sultan van Bantam de rechten van opperhoogheid, die hij op de westkust van Borneo had, aan de compagnie af.. In al die onderworpen landstreken behielden de inlandsche vorsten, doorgaans onder den titel regenten, zoowel als hun stamhuizen, onder de opperheerschappij der compagnie hun rang en recht van opvolging. Hun werd, als leidsman en voogd, een Nederlandsch ambtenaar ter zijde gesteld, die den titel resident voerde. Tevens werd hun, ten bewijze hunner afhankelijkheid, de verplichte

-ocr page 302-

282

levering van deze of gene voortbrengselen van den grond opgelegd.

Het vermeesteren van landen en het bemachtigen van volkeren waren evenwel niet de grootste voordeden, die de compagnie uit haar ondernemingen trok. Meer waarde hadden de winsten, welke haar de koophandel verschafte. Men heeft berekend, dat van 1593 tot 1648 uit Indie 334 schepen naar het vaderland zijn gevaren, en van 1648 tot 1703, zijnde eveneens een tijdperk van 55 jaren, 1051 schepen. De oorlogen, in de 17de eeuw door de Republiek met Frankrijk en met Engeland gevoerd, deden veelal weinig afbreuk aan de compagnie. In 1671 verheugde zij haar deelhebbers door een uitdeeling van 65 ten honderd. De vloot, in 1697 uit Indië gekomen, werd geschat op vijf millioen inkoop en in \'t vaderland begroot op twintig millioen. Een dergelijke vloot noemde men retourvloot. Zóó vat men, hoe de acties in 1719 tot 902 en in 1720 tot 1080 p.c. konden oploopen. Zulk een hoog standpunt bereikte de Oost-Indische compagnie. Zooveel kon zij doen in weerwil van de rampen, die zij nu en dan leed; in weerwil van den bijstand, dien zij in schepen of in geld den staat verleende.

Bij de waren, welke de Oost-Indische vloten Nederland toevoerden, kwam sinds den aanvang der 18de eeuw de Java-kofRe. Men meent, dat het woord koffie (in \'t Arabisch kahwé) oorspronkelijk een der vele namen is geweest, waarmede de Arabieren den wijn aanduidden. Dien naam gaven zij aan den wijn, omdat hij den eetlust wegneemt: en de wortel van \'t woord „kahwéquot; eigenlijk beteekent „een atkeer hebbenquot; (n.l. van spijs). Naar men nu vermoedt, zal de naam om de bedwelmende kracht der koffie op dezen drank zijn overgegaan. Hoe dit zij, die vrucht, uit Arabie aangevoerd, was sedert 1661 reeds een voorwerp van handel geweest voor de compagnie. Maar niet dan op \'t einde der 17de eeuw werd de koffieboon in Nederlandsch Indie gekweekt. Zwaar-dekroon bevorderde zeer het plaiiten van dien boom, voorziende dat de vrucht een der voornaamste artikels van uitvoer kon worden. En in 1712 brachten de retourschepen, behalve de gewone waren, als peper, notenmuskaat, kruitnagels, foelie, kaneel, suiker, ebbenhout, zijde, garen, enz. het nieuwe, weldra naast de rijst het hoofd-voortbrengsel, 894 pond Java-koffie, aan. Van Java ging de plant later ook naar Ceylon en naar West-Indië over. Behalve de genoemde verdienste verwierf Zwaardekroon nog deze, dat hij den handel in thee met Sina, die zeer was verminderd, weder deed opleven.

Al was het niet op groote schaal, toch breidde ook de West-Indische compagnie haar bezittingen langzamerhand uit. Zoo voegde zij bij hetgeen zij had (zie blz. 157, 158, 163, 164) Berbice (in \'t n. van Zuid-Ame-rika, ten w. van Suriname). In \'t begin der 17de eeuw had een aanzienlijk koopman uit Vlissingen, van Peere, hier een kleine volkplanting gevestigd. De West-Indische compagnie, waaraan het octrooi dit land toekende, gaf het in 1778 en later als een onsterfelijk leen Abraham van Peere, schepen te Vlissingen. Gedurende den Spaanschen

-ocr page 303-

283

successie-oorlog deden de Franschen een inval in Berbice. Voor 300,000 gl. kocht het huis van Peere het verlies zijner volkplanting af. Van die som bleef omtrent 182,000 gl. onbetaald, waarvoor een wissel op dit huis werd afgegeven. De wissel werd eenige maanden daarna aangeboden, maar de betaling geweigerd. Doch in 1712 voldeden eenige Amsterdamsche kooplieden den wissel met 108,000 gl., weshalve zij nu als eigenaars der kolonie werden aangemerkt. Zóó geraakte Berbice, ofschoon tot de West-Indische compagnie gerekend, onder \'t beheer eener bijzondere maatschappij.

Gelijk Berbice en Suriname was Essequïbo (ten w. van Berbice) haar ontstaan aan Zeeuwen verschuldigd. Reeds in het begin der 17de eeuw hadden zij er een volkplanting. Van haar ging in 1745 de kolonie Demerary (tusschen Berbice en Essequïbo) uit. Beide stonden alleen onder de kamer Zeeland der West-Indische compagnie. Suriname, in \'teerst een bezitting van Zeeland (zie blz. 232), werd in 1682 door dezen eigenaar voor 260,000 gl. aan de West-Indische compagnie verkocht. Geen jaar verliep of de compagnie begreep, tegen de kosten van \'t beheer als anderszins opziende, een deel van den eigendom te moeten afstaan. Dus ontstond in 1683 de societeit van Sur\'mame, uit drie leden bestaande, de compagnie, Amsterdam en Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk (zie blz. 144), die elk een derde bezaten. Later, in 1770, verkocht de familie Sommelsdijk haar rechten op deze landstreek aan Amsterdam. De slaven, noodig tot het bebouwen van den grond, leverde de West-Indische compagnie.

In weerwil van deze aanwinsten bleek het, sinds het verlies van Brazilië (zie blz. 164), dat het lot der West-Indische compagnie moest zijn even spoedig te vervallen als zij zich had verheven. Allengs was haar hoofdsom van ruim 7 tot 18 millioen gestegen (zie hier en vervolgens blz. 157). Weldra was zij niet meer in staat eenige uitdeeling te doen of ook maar eenige p.c. renten te betalen, Daar zij was belast met een schuld van zes millioen, besloten de Staten-Generaal haar in 1674 te ontbinden. Omtrent die schuld ging zij een schikking aan. Reeds in 1675 verrees een nieuwe compagnie, waaraan de Staten-Generaal een octrooi verleenden, dat later een paar malen werd vernieuwd. Deze nieuwe maatschappij verkreeg het recht om alleen te mogen handelen op de Westkust van Afrika (zie blz. 157), op Essequïbo en op andere streken van Zuid-Amerika\'s Noordkust, alsmede op Curasao en de nabijgelegen eilanden. De vaart op alle andereplaatsen, waarop het vroegere octrooi de compagnie den alleenhandel toekende, werd thans voor alle ingezetenen van den staat opengesteld. Vandaar wat men op Suriname zag (zie boven op deze blz.). Deelhebbers in deze nieuwe maatschappij waren de leden der oude maatschappij en hare schuldeischers. Het getal der bewindhebbers werd op 50 gebracht, de generale vergadering tot op 10 leden verminderd en daarom de vergadering- van tienen geheeten. Het ging de nieuwe maatschappij nog ongelukkiger dan de

-ocr page 304-

284

vorige. Nooit had zij een tijd van bloei, en zij nam voortdurend af. Haar acties, die in 1723 nog op 92 p.c. stonden, daalden tot 35 ten honderd. Hare uitdeelingen, die schier nooit het cijfer van 5 ten honderd overschreden, bleven doorgaans lager.

Van de compagniën keeren wij tot den staat zelf terug. Reeds meermalen is gebleken, dat de soort van eenheid van den gevestigden staat, welke nog bestond, dikwerf dreigde te niet te gaan door den strijd, dien de staten der gewesten bij herhaling tegen den band der unie voerden. Die strijd belette, dat de ware eenheid ooit tot stand kwam. Naast dien strijd ontstond allengs een tweede tusschen de staten der gewesten zei ven en de leden, waaruit zij waren samengesteld. Over die leden konden de staten der provinciën geen gezag oefenen. Niet het lichaam der provinciën regeerde zichzelf of zijn leden • maar de eenheid werd door de deelen geregeerd. Deze verbrokkeling van de gewestelijke souvereiniteit in de lichamen, waaruit de staten bestonden, dreigde op haar beurt de eenheid, voor zoover zij aanwezig was, van den gevestigden staat te zullen verbreken. Van die lichamen waren de vroedschappen der steden de talrijkste en de voornaamste. In haar handen berustte alle invloed, dien de gemeenten hadden op het geheel der zeven gewesten. De vroedschappen beschikten verder ten volle over alle aangelegenheden der gemeenten, oefenden in de steden een uitgestrekt gezag, hadden het recht van benoeming tot alle ambten, legden belastingen op, konden verwijderen wien haar goeddacht, enz. De groote macht, waarover de stedelijke overheidspersonen beschikten, deed de begeerte bij hen opkomen haar te behouden en ze op hun verwanten te doen overgaan. Zóó zag men de waardigheid van lid der vroedschap en vele ambten van lieverlede zoo goed als erfelijk worden en onder de hand van die raden uitsluiten al wie niet tot de regeerende familien behoorde.

In den beginne was deze uitsluitng doorgaans niet stelselmatig. De regenten benoemden bij voorkeur iemand, die een naam droeg, welke een bekenden klank had. Zij veronderstelden, dat de zoodanige, als gesproten uit een familie, die meermalen in de vroedschap had gezeten, juist daarom, als door voorbeeld en opleiding geleerd, meer waarborgen van geschiktheid gaf dan zij, die niet tot dien kring behoorden. En de bevolking der steden schijnt deze overtuiging te hebben gedeeld. Uit die gewoonte, die in \'t. midden der 18de eeuw vrij algemeen was, ontsproten de correspottden/ién, zooals men ze in Holland, otconvention, gelijk men ze in Gelderland noemde. Naar men meent zal het eerste verdrag van dien aard reeds in 1652 te Zierikzee zijn aangegaan. Bij deze bijzondere overeenkomsten verbonden zich de zoogenoemde patriciërs — een eigenaardige naam — om elkander, hun verwanten en hun vrienden op het kussen te helpen en te houden. In onzen tijd heeft men dergelijke geheime overeenkomsten afgekeurd, en terecht. Men heeft er op gewezen, als op een der oorzaken van \'t verval der Republiek.

-ocr page 305-

285

Zeer juist; doch verkeerd is het ze uitsluitend toe te schrijven aan die tijden, waarin de meeste gewesten geen stadhouder hadden. Het aanwezig zijn van een stadhouder deed er geen goed of kwaad aan.

Het valt licht te begrijpen, dat een der noodlottigste gevolgen van die beperking der regeeringsfamilien tot eenige weinige hierin was gelegen, dat op die wijze de regenten aan de eene, de burgers aan de andere zijde, min of meer, ieder op zichzelf kwamen te staan. Zóó konden zij mettertijd gemakkelijk van elkander worden vervreemd. Deze toestand kweekte bij het lichaam der burgerij onverschilligheid omtrent de groote en algemeene belangen van den staat. De geestdrift, die den oorlog tegen Spanje mogelijk had gemaakt, werd niet alom evenzeer bespeurd, toen in latere tijden even groote gevaren de Republiek bedreigden. Dan dacht ieder gewest, elke stad, ieder burger eerder aan eigen voordeel en behoud, dan aan dat, wat het gemeenschappelijk vaderland vereischte.

De kracht en de oorspronkelijkheid van Nederland verzwakten. Dit zag men ook op het veld der letterkunde en op het gebied der schoone kunsten. Vermaarde schilders kwamen minder voor. Wat de letteren aangaat, er waren schrijvers, verdienstelijke schrijvers zelfs; doch het waren meerendeels navolgers van de grootsche gestalten, waarop vroeger (zie blz. 185 vgl.) werd gewezen. Vondel werd b.v. nagestreefd door Antonides van der Goes, afkomstig uit Goes en in 1684 overleden, die in zijn IJstroom de reeks der Nederlandsche stroomdichters opende. Dit gedicht, dat tot de beschrijvende soort behoort, maar vele trekken heeft van een heldendicht, bezingt den lof van het IJ en heeft alzoo den roem van Amsterdam tot onderwerp. Al moge het hier en daar niet vrij zijn te pleiten van gezwollenheid, op vele plaatsen onderscheidt het zich daarentegen door stoute opvatting en door een krachtigen stijl. Wat men er aan verwijt, dat het is overladen met mythologische krullen en dat op vele plaatsen de beeldspraak onverstaanbaar is, dit alles is eer een gebrek der eeuw dan van den dichter. Dat Antonides in allen gevalle de perken van het middelmatige overschreed toont de hooge dunk, dien Vondel van zijn verzen had. In het minnedicht leverde de etser Jan Luyken (overleden in 1712) lezenswaardige stukken in de verzameling, getiteld de Duitsche lier, welk werk hij op rijper leeftijd, een vijand van al het wereldsche en een groot voorstander van kerkelijke vroomheid geworden, door \'t opkoopen der exemplaren zocht te vernietigen. Meer een schrijver van kluchten in dichtmaat dan een echt blijspel-dichter was Pieter Langendijk (gestorven in 1756), wiens Quincampoix of de windhandelaars, ook met het oog op de kennis dier tijden, zeer lezenswaardig is. Doch meer en meer oefende de Fransche letterkunde een doodenden invloed op de oorspronkelijkheid der Nederlanders, al verruimde zij van den anderen kant hun denkbeelden. Slechts Justus van Effen (overleden in 1735) handhaafde in zijn Hollandsche spectator de eischen van een zuiveren en lossen Nederlandschen stijl.

-ocr page 306-

286

tevens de nationale ondeugden en gebreken van zijn tijd bestrijdende.

Zin voor wetenschap bleef den Nederlander evenwel eigen. In de vakken van natuur- en geneeskunde verwierven o.a. Christiaan Huygens, Constantijns (zie blz. 187) zoon, de uitvinder der slingeruurwerken (overleden in 1695), en de ontleedkundige Frederik Ruysch, hoogleeraar te Amsterdam (gestorven in 1731), grooten roem. Een Europeeschen naam had Herman Boerhave, hoogleeraar in de geneeskunde te Leiden (overleden in 1738), tot wiens lessen honderden studenten uit verschillende landen toestroomden. Door groote rechtskennis onderscheidden zich, behalve anderen, de hoogleeraar Ulrich Huber te Franeker (gestorven in 1694) en Cornelis van Bijn-kershoek, voorzitter van den hoogen raad (overleden in 1743). De eerste schreef in zijn moedertaal Hedendaagsche Rechtsgeleerdheid en in \'t Latijn zeer veel, b.v. de jure civitatis, d.i. over het burgerrecht. Het beroemdste geschrift van Bijnkershoek is Quaesliones jurispublici, vragen van staatsrecht. In de wijsbegeerte verkondigde een Amsterdamsche Jood, Baruch Spinöza, zich aan Descartes aansluitende, het pantheïsme, d. i. de gelijkstelling van God met het heelal. De oude letteren konden roemen op Perizonius, die zich hoofdzakelijk aan de studie der oude geschiedenis wijdde, en op Drakenborch, die aanteekeningen op Livius schreef. De studie der taalkunde, die met het begin der 16de eeuw haar roeping begreep, de letteren in hare ontwikkeling te bevorderen, was haren hoogen luister verschuldigd aan Lambert ten Kate, die in 1723 zijn Aanleiding tot de ke7itiis van het verheven deel der Nederduitsche spraak in \'t licht gaf.

Zóó was over \'t geheel de toestand van Nederland in de laatste helft der 17de en in \'t begin der 18de eeuw. De inwoners waren er vrij wel mede tevreden. Ook hadden zij, op andere landen ziende, inderdaad vele redenen om ingenomen te zijn met de vrijheid, die zij genoten , zoowel in \'t godsdienstige en ten opzichte van de drukpers, als voor hun persoon in \'t bijzonder. Des te grooter was die vrijheid, hoe grooter de veelheid der regenten was en de daarmede gepaard gaande verbrokkeling van \'t gezag.

§ 30-

Het stadhouderschap van Willem IV.

In de beide laatste oorlogen had Nederland een overspannen rol gespeeld. Als kampvechter voor Europa\'s algemeene belangen had het meer gedaan dan een kleine republiek op den duur kan volhouden. „Frankrijk niet tot nabuurquot; tot een onverzettelijken grondregel van staat, tot richtsnoer der buitenlandsche staatkunde makende, had men, ten koste van de uitputting der Republiek, weinig anders uitgewerkt

-ocr page 307-

287

dan de verheffing van Engeland en de vermeerdering der macht van dit rijk. Van nu aan namen vele regenten in de Zeven Gewesten zich voor een anderen weg te bewandelen. De overweging, dat men tot dusver te veel had gedaan, voerde thans dikwerf tot het te weinig doen. Het werd van lieverlede het hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière, zooveel mogelijk het deelnemen aan oorlogen te vermijden. Men wenschte zich te bepalen tot de taak, die een handeldrijvend gemeenebest voegde. Vanhier dat de Europeesche mogendheden , geheel anders dan in vroegere tijden, weldra zonder Nederland onderhandelden en bij de samenkomsten harer gezanten niet zelden besluiten namen ten nadeele van Nederlands belangen. De houding, die de Republiek van nu aan als de haar passende aanmerkte, kan men b.v. opmaken uit haar toetreden tot de quadruple alliantie {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 163). Dit verbond sloten keizer Karei VI, George I, koning van Engeland, en Lodewijk XV, koning van Frankrijk, in 1718 tegen Spanje, toen dit rijk, onder de leiding van den minister Alberoni, dreigde de rust van Europa te verstoren. Viervoudig noemden zij het verbond, dewijl zij het toetreden der Nederlanden veronderstelden, wat dan ook, na lange beraadslagingen, in 1719 geschiedde, toen de zaak intusschen van gedaante was veranderd en de tijd van handelen verloopen.

In plaats van te hechten aan een rechtmatigen invloed was men er in \'t vervolg in de Republiek op uit zich binnen een zoo nauw mogelijken kring te beperken. In 1733 brak ter zake van de troonopvolging in Polen een oorlog tegen Karei VI uit {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 139). De Staten-Generaal, hoewel (zie blz. 289) met den keizer bevriend, weigerden hem te ondersteunen, vermits de vraag, waarover de oorlog ontstond, hen niet betrof. Zij vergenoegden zich met van Frankrijk de onzijdigheid der Oostenrijksche Nederlanden te bedingen. Voor land- en zeemacht droeg de regeering de noodige zorg niet langer, geenszins gedachtig aan het gezegde: „zoo gij den vrede wilt, bereid u ten oorlog.quot; Groote nadeelen berokkende de Noordsche oorlog {Algem. Gesehied., Ill, 7de druk, blz. 151 vlg.) aan den handel op de Oostzee. Dit, gevoegd bij de vrees dat één der Noordsche rijken een zoodanig overwicht mocht erlangen, dat het den toegang tot die zee kon afsluiten, noopte de Staten-Generaal het voorbeeld , door de vaderen gegeven (zie blz. 219), te volgen. In vereeniging met Engeland zonden zij in 1715 ter bescherming van den handel een vloot naar de Oostzee. Maar weldra werd het getal der Nederlandsche oorlogschepen zoozeer verminderd, dat die vloot alleen strekte om Engelands invloed te doen gelden en het aanzien der Republiek er evenzeer onder leed als de belangen van haren handel. Millioenen verloren de Nederlandsche kooplieden door de kaapvaart der Algerijnen, met wier dey de Republiek eerst in 1726 vrede sloot. Nogtans moet men, om billijk te zijn, twee waarheden erkennen, dat Nederland niet zoo diep zonk, als velen het wel willen doen voorkomen, en dat de achteruitgang in macht en

-ocr page 308-

288

in aanzien, voor een deel hieraan was toe te schrijven, dat andere rijken zeer vooruitgingen en het standpunt beklommen, dat overeenstemde met hun grootte en met den rijkdom hunner hulpbronnen. Van de eerste dezer beweringen, dat Nederlands geschiedenis zich althans in eenige opzichten waardig aan haar verleden aansloot, zullen de volgende bladzijden meer dan één bewijs geven.

Van alle aangelegenheden, die herstel vereischten, was er geen, welke dit dringender behoefde dan het financiewezen. De kas der Generaliteit moest in 1715 negen maanden gesloten blijven, zoodat de renteheffers van den staat in al dien tijd geen betaling erlangden. De oorzaak van dat verschijnsel was, dat verscheidene provinciën niet in staat waren haar aandeel in de gemeene lasten te betalen. Hieruit volgde dat het krediet van den staat verminderde. Onderscheiden gewesten dankten op eigen gezag benden krijgsvolk af. Thans, nu men vrede had, begon men bovendien weder den druk te gevoelen van de vele gebreken der zoogenoemde staatsregeling. Men doorzag, dat het minste lid in de regeering, één stad, elders één of een paar edelen, de nuttigste maatregelen kon tegenhouden; dat de Staten-Generaal en de raad van state geen lichamen waren, machtig genoeg om de alge-meene belangen voor te staan; dat de admiraliteits-collegien te veel op zichzelven stonden; dat vele artikelen der unie getrouwer moesten worden nageleefd. Er waren er, doch niet genoeg, die instemden met Slingelandt, zeggende: „dat het te verwonderen was, dat de Republiek nog bestemd.quot;

Aan pogingen tot het scheppen van een beteren toestand ontbrak het niet geheelenal. De staten van Overijsel sloegen in 1716 het beschrijven eener buitengewone vergadering voor. Het voorstel werd aangenomen. Zij kwam in November van dit jaar te \'s Gravenhage bijeen, maar bestond op verre na niet uit zooveel leden als die van 1651. Het was dus een vergadering der Algemeene Staten, die weinig verschilde van een gewone zitting der Staten-Generaal. De eerste bijeenkomst werd geopend door Adolf Hendrik, graaf van Rechteren, die van wege Overijsel voorzat en zeer aandrong op de handhaving der eendracht onder de gewesten. De raad van state wees in een betoog, door van Slingelandt opgesteld, op de hoofdpunten, waarover de vergadering zou hebben te beslissen, zijnde: het getal troepen, dat men in dienst moest houden; de middelen om de van elkander afwijkende meeningen der gewesten in overeenstemming te brengen; de middelen om te verhoeden, dat eenige provincie zich onttrok aan hetgeen eenmaal was vastgesteld, enz. Doch dezelfde zwarigheden, waarop de goede plannen in de Republiek zoo dikwerf afstuitten, vertoonden zich op nieuw. Aan de afgevaardigden van sommige gewesten was voorgeschreven niet te besluiten zonder ruggespraak met hun lastgevers. Andere provinciën, of wel de gedeputeerden zeiven, hadden er belang bij, dat eenige punten niet ter sprake kwamen. Alzoo zat de vergadering lang,

-ocr page 309-

28ft

maar verrichtte weinig. Toen zij in September 1717 uiteenging, was eigenlijk niets afgedaan dan dat het getal der troepen was verminderd. Vruchteloos wezen de Staten-Generaal ook later bij herhaling de noodzakelijkheid eener hervorming in de genoemde hoofdpunten aan. Er werd niet naar geluisterd.

Zelfs de ergste misbruiken bleven bestaan. Er werd van gesproken om de inkomsten der posterijen, die jaarlijks voor de provincie Holland tonnen gouds beliepen en onder de regenten der steden werden verdeeld, in \'s lands schatkist te storten; maar het eigenbelang woog zwaarder dan het algemeen welzijn. Slechts de regeering van Rotterdam wees ze aan de kas der stad toe. In den drang der schatkist voorzag Holland door het verkoopen van ambachtsheerlijkheden, tot \'s lands domeinen behoorende. De stedelijke ambten, die voordeelen opleverden, schonk men aan de regenten zeiven of aan hun zonen of vrienden. De inkomsten trokken deze ambtenaren dan zeiven; het werk lieten zij voor een sober loon door anderen verrichtten. Zelfs werden er sommen aan de regenten uitgekeerd voor ambten, die niet langer werden bekleed. Trof men deze en dergelijke blijken van verkeerde huishouding het meest aan in Holland, in Zeeland en in Utrecht, ook de overige gewesten deelden er, zij het dan in mindere mate, in. Schier het eenige lichtpunt in dit tijdperk was de regeling der konvooien en licenten (zie blz. 85), waarbij de Staten-Generaal vaststelden, dat deze rechten 1 door de provinciën op meer eenparigen voet zouden worden geheven.

Het kon niet anders, of de Republiek moest, in weerwil van haar boven (zie blz. 287) aangeduid streven, van tijd tot tijd worden gemengd in vele der verwikkelingen, welke Europa\'s staatslieden in de eerste helft der 18de eeuw hadden op te lossen [Algetn. Geschied., III, 7de druk, blz. 165 vgl.) Zoo sloot zij zich, hoewel schoorvoetend, bij het verbond van Herrenhausen\'(zie t. a. p., blz. 165) aan, hetwelk tegen Oostenrijk en Spanje was gericht. Eveneens teekende zij in 1731 de pragmatieke sanctie, en wel niet dan onder voorwaarde dat keizer Karei Wl de Oost-Indische maatschappij, die hij te Östende had opgericht , ophief. De Staten-Generaal toch beweerden, dat deze maatschappij geen recht van bestaan had, omdat de keizer de Zuidelijke Nederlanden bezat op den voet, vastgesteld bij den vrede van Munster. Onder de voorwaarden nu van dien vrede was er een (zie blz. 172), waaruit, volgens hen, voortvloeide dat, vermits de Zuidelijke Nederlanden op het tijdstip van het sluiten van dien vrede niet op de Indien voeren, zij thans evenmin aan die vaart mochten deel nemen.

In 1720 overleed de raadpensionaris Heinsius. Hem volgde Izaak van Hoornbeek op, tot dusver pensionaris van Rotterdam, die in 1727 stierf. Ten tijde zijner ambtsbediening kochten de staten van Holland de hooge heerlijkheid Vianen, eens de bezitting der Brederodes, van de graven van Lippe-Detmold voor 898,200 gl. In de plaats van Hoornbeek werd het raadpensionarisschap opgedragen

Wijnne, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk, 19

-ocr page 310-

290

aan Simon van Slingelandt, die in de laatste jaren thesaurier-generaal was geweest. Deze schrandere man schonk eenigermate den ouden luister terug aan het gewichtige ambt, hetwelk, voor een goed deel, zijn glans ontleende aan voorgangers als Oldenbarnevelt en de Witt. Met eere werd zijn naam genoemd in de kabinetten van Weenen, Londen en Versailles. Gedurende de negen jaren, waarin hij de leidsman der staten van Holland was en dit gewest ter Staten-Generaal mede vertegenwoordigde , deed hij vele pogingen om de gebreken, die zijn heldere blik had bespeurd, uit den weg te ruimen. Hij wenschte het getal zaken te beperken, waarvoor eenstemmigheid der provinciën werd vereischt. De macht van de Staten-Generaal en van den raad van state verlangde hij in handen te stellen van een regeeringsraad, welks leden voor het leven zouden worden benoemd, opdat zij, verheven boven een eng provincialisme, slechts op de belangen van het geheel den blik zouden gericht houden. Eenmaal in \'t jaar konden dan de Algemeene Staten bijeenkomen om over de begrooting te raadplegen. Ontstonden er geschillen tusschen de gewesten, hierover zouden scheidsrechters, alsdan te benoemen, beslissen. Deze en andere denkbeelden ontwikkelde de groote staatsman in zijn nagelaten en later uitgekomen geschriften. Hel was hem niet gegeven ze tot feiten te zien rijpen. De stem der vaderlandsliefde en van het doordringend verstand stiet af op den muur der zelfzucht en eigenbaat. Toen hij in 1736 stierf en door Antonie van der Heim werd vervangen, zeide de gezant van Portugal te \'s Gravenhage: „Nu heeft de Republiek haar hoofd verloren.quot;

In Slingelandts tijd werd het bestaan van \'t land een oogenblik bedreigd door een geheel nieuwe ramp. Een vroeger weinig bekend zeedier, de paalworm, scheen zich gevreesd te willen maken door voortdurend aan het paalwerk, de stutten van \'s lands dijken, te knagen. Een boete- en bededag gaf geen baat. Toen rieden een paar mannen. Straat en van der Deure, het hout door steenlagen tegen het gedierte te beveiligen, en het gevaar werd afgewend. Inmiddels was langzamerhand het getal toegenomen der waardigheden, opgedragen aan den spruit uit het huis van Nassau, den zoon van Johan Willem Friso (zie biz. 272), Willem Karei Hendrik Friso. Dadelijk bij zijn geboorte als erfstadhouder van Friesland erkend, werd hij in 1718 stadhouder van Groningen, in 1722 van Drente en van Gelderland. Het laatste poogden de staten van Holland tegen te houden; maar de staten van Gelderland volhardden bij hetgeen zij hadden besloten. In zooverre dachten zij evenwel eenstemmig met die van Holland, dat zij in een instructie de bevoegdheid des stadhouders zorgvuldig omschreven. Uitdrukkelijk behielden zij in dit stuk zichzelven de souvereiniteit alsmede de oppermacht over het krijgswezen voor en ontzeiden hem het recht zich met de aanstelling der stedelijke regenten te bemoeien. Hoe ook besnoeid en, in vergelijking met andere tijden, van aard

-ocr page 311-

291

veranderd, het stadhouderschap werd door den prins niet geweigerd. De vier overige gewesten namen, in tegenstelling met hun medeleden inde unie, in \'t zelfde jaar 1722 het besluit bij den toenmaligea vorm der regeering te blijven.

Tien jaren daarna, in 1732, werd ten laatste het nog steeds hangend geschil (zie blz. 269, 273) over de erfenis van Willem III beslecht. Met uitzondering van eenige bezittingen, die aan Frederik Willem I, koning van Pruisen, werden toegewezen, erlangde Willem Karei Hendrik Friso alle heerlijkheden, op Nederlands bodem gelegen. Hij bezat alzoo hoofdzakelijk in Friesland: het Oranjewoud (zie blz. 168) en het hof te Leeuwarden; in Gelderland: Dieren, het Loo en Bredevoort (in het z.o.), daarenboven Buren als souverein graafschap; in Holland: Polanen (zie blz. 76), IJselstein (t. a. p.), Drimmelen, Zevenbergen en Klundert (alle drie vroeger in \'t z.o. van Holland, thans in \'t n.w. van Noord-Brabant), het huis Nieuwburg bij Rijswijk (later, in 1783, afgebroken) en het huis in \'t Bosch, bovendien Leerdam als onafhankelijk graafschap; in Zeeland: de heerlijkheden St. Maartensdijk (zie blz. 113), Scherpenisse (ten z. vandaar) en Kolijnsplaat (op Noord-Beveland); in Utrecht: Zoestdijk (ten n.w. van Amersfoort); in Staats-Brabant: de baronnie van Breda, de heerlijkheden Steenbergen, Grave, Kuik en Willemstad (zie blz. 76), Oosterhout (ten n.o. van Breda), Eindhoven (in \'t z.o. van Noord-Brabant) en Rozendaal (ten o. van Bergen op Zoom); eindelijk nog de heerlijkheid Ameland, steeds als onafhankelijk en tol geen provincie behoorende aangemerkt, die Amalia van Anhalt-Dessau (zie blz. 267) in 1704 voor 175,000 gl. had gekocht. En de Zuidelijke Nederlanden behield de prins nog Diest en Sichem (zie blz. 76), Vianden (in Luxemburg), Warneton (zie blz. 273) en andere. Van de markgraafschappen Veere en Vlissingen bleef hij nog een tijdlang verstoken, daar de staten van Zeeland, ze in 1732 vernietigende, ze alléén onderworpen verklaarden aan zichzelven. De som geld, die zij hem tot schadeloosstelling aanboden, weigerde hij zeggende, dat, zoo Veere en Vlissingen hem behoorden, zij niet te koop waren, en hij, indien zij hem niet behoorden, zich er over verwonderde, dat men hem er geld voor bood.

Den koning van Pruisen werd, bij het verdrag van 1732, op Nederlands grondgebied o.a. het volgende toegewezen: Montfort (zie blz. 174), de heerlijkheden de Hooge en Lage Zwaluw en Klein Waspik (alle nabij Zevenbergen), \'s Gravenzande (ten z.w. van Polanen), Naaldwijk en het huis Honslaarsdijk (ten o. vandaar), het oude hof te \'s Gravenhage. Insgelijks kwamen aan hem de graafschappen Lingen (ten o. van Overijsel) en Meurs (ten o. van Venlo), alsmede de heerlijkheid Turnhout. Bij hetzelfde verdrag, hetwelk dit alles vaststelde, stond de prins het prinsdom Oranje aan den koning van Pruisen af, dat deze vorst trouwens, als zich gerechtigd achtende, reeds in 1713 (zie blz. 273) aan de Fransche kroon had overgegeven. Den titel behield Willem Karei Hendrik Friso zich echter voor. Kort na deze schikking,

19

-ocr page 312-

in 1734, trad de stadhouder van Friesland, Groningen, Drente en Gelderland in het huwelijk met Anna, de oudste dochter van George II, koning van Engeland. Eenige jaren later, ongeveer in 1740, verkreeg hij bij erfenis en verdrag eenige streken van Nassau in Duitschland, Dillenburg, Siegen en Hada.mar.

In weerwil van het streven der Staten-Generaal om zich in de geschillen, die nu en dan tusschen de hoven van Europa opkwamen, onzijdig te houden was het hun niet mogelijk zich te onttrekken aan een der Europeesche oorlogen, die in 1740 uitbrak. Nauwelijks was de keizer van Duitschland, Karei VI, gestorven, of zijn dochter, Maria Theresia, had aan een groot aantal vijanden het hoofd te bieden {Algem. Geschied., ÏII, 7de druk, blz. 169 vlg.). Onmiddellijk zocht zij hulp bij de mogendheden, die zich hadden verbonden tot het handhaven der pragmatieke sanctie. De Staten-Generaal helden er meer toe over te pogen als middelaars de gerezen geschillen uit den weg te ruimen, dan om aan een oorlog deel te nemen, die licht algemeen kon worden. Weldra evenwel ziende, dat daartoe weinig kans bestond, begonnen zij, evenals Engeland, met hulpgelden te geven. Inmiddels drong de meerderheid van Hollands staten er op aan, dat men ook troepen moest zenden. Behalve Dordrecht en Brielle, alsmede in Zeeland Zierikzee, waren ook sommige gewesten, b.v. Utrecht en Gelderland, hiertegen. Dus zag men ter Staten-Generaal iets, dat zelden geschiedde. Bij meer-derheid van stemmen werd besloten de koningin van Hongarije met krijgsvolk te ondersteunen. De koning van Frankrijk nam dit zeer euvel op en deed in 1747, na de slagen van Fontenai en van Raucoux {Afgcm. Geschied., III, 7de druk, blz. 172) te hebben gewonnen, een inval op \'t grondgebied der Republiek, allereerst in Staats-Vlaanderen.

Men had de nadeelige gevolgen van dien inval wellicht kunnen verhoeden, indien men de vestingen beter in staat van tegenweer had gehouden en met meer krijgsvolk voorzien. Maar het verval van \'s lands geldmiddelen en oneenigheid tusschen de bondgenooten, b.v. over de vraag, of men den prins van Oranje aan \'t hoofd van de krijgsmacht van den staat zou stellen, hadden het belet. Zoodra nu de inval plaats had, verzuimden de Staten-Generaal niet de gewesten in kennis te stellen van hetgeen hen bedreigde en hen op te wekken hun krachten in te spannen ter afwending dier gevaren. Doch eer daaraan gevolg werd gegeven, geschiedde er iets anders, n.1. een onverwachte verandering van de gedaante der regeering.

Sedert den prins allengs eenige van de hooge waardigheden zijner voorzaten waren opgedragen, was het getal grooter geworden der regenten, die hem eveneens met de overige wenschten te bekleeden. Maar de meerderheid dier regenten was van een ander gevoelen en hield hem dus nog steeds buiten den raad van state, hoewel sommigen er reeds sinds 1722 van spraken hem in dien raad zitting te geven. Tot 1740 bleek het aan niets, dat de groote menigte in \'s prinsen verheffing veel

-ocr page 313-

293

belang stelde. Sinds echter de oorlog was uitgebroken en met vrij gt;. ongunstigen uitslag werd gevoerd, kon men overal onder het volk ) toenemende blijken van ontevredenheid met de regeering bespeuren. \\ Naar gelang de barrière-steden bezweken en de oorlog de grenzen ( naderde, groeiden de ongerustheid en het misnoegen aan. Het gebulder ^ van \'t Fransche geschut voor Sluis (in Staats-Vlaanderen) herinnerde de burgers van het naburige Veere, dat de prinsen uit het huis van Oranje-Nassau in netelige omstandigheden meermalen de redders van \'t land waren geweest. Vandaar een herhaling van het jaar 1672: wederom ging de beweging van Veere uit. Nadat de schutterij dezer stad in April 1747 haren wensch had te kennen gegeven, dat de vroedschap den prins tot stadhouder mocht verkiezen, nam dit lichaam een besluit in dien zin. Eveneens ging het in de overige steden van Zeeland, in de eene met, in de andere zonder opschudding. De hevigste tooneelen zag men te Zierikzee. Een paar predikanten waren er de leidslieden van \'t volk en schroomden zelfs niet een aantal regenten bij voorraad aan te stellen, toen de wethouderschap, eindelijk toegevende aan den onstui-migen aandrang, haar ontslag nam. Eenigen tijd later ontsloeg de prins echter die onbevoegde overheidspersonen weder. Den 28sten April werd hij door de staten van Zeeland tot stadhouder aangesteld.

Van Zeeland sloeg ■— wederom zooals in 1672 — de beweging tot Holland over. Het eerst geraakte het volk te Rotterdam en te Delft op de been, \'s prinsen bevordering van de vroedschap verlangende. De andere steden volgden, en den 3den Mei 1747 had \'s prinsen benoeming door de staten van Holland plaats. Deze daad ging in Hollands steden met weinig opschudding vergezeld, behalve te \'s Gravenhage, waar het volk zich eenige balddadigheden veroorloofde. Op denzelfden dag, als in Holland, greep \'s prinsen verheffing te Utrecht plaats. Den 4den Mei droegen de Staten-Generaal hem het kapitein-generaal-admiraalschap over de krijgsmacht van den staat op met vrije beschikking over de patenten. Den loden Mei volgden de staten van Overijsel het voorbeeld van die der andere gewesten. Alom vielen die besluiten met eenparigheid, \'t Spreekt vanzelf, dat de prins nu tevens zitting nam in den raad van state. In al de genoemde gewesten legde het volk door openbare betooning van vreugde en door het dragen van oranjelint zijn blijdschap over \'t gebeurde aan den dag.

Het scheen, dat er geen einde kwam aanjiet getal eerbewijzen en blijken van genegenheid, waarmede de stadhouder in 1747 en volgende jaren werd overstelpt. In Holland liet men de benoeming van de meeste officieren der troepen, ter repartitie dezer provincie staande, aan hem over. De staten van \'t zelfde gewest namen een besluit, hetwelk hun, die ter dagvaart verschenen, vergunde tegelijk in dienst des stadhouders te wezen, hetgeen tot dusver als ongeoorloofd was aangemerkt. De staten van Zeeland herstelden den prins in \'t bezit van \'t markgraafschap van Veere en Vlissingen (zie blz. 270 en 291).

-ocr page 314-

294

Hiermede ging het recht der benoeming van de wethouderschap dezer steden gepaard. Verder verkreeg hij de bevoegdheid als eerste edele zitting te nemen in de staten van dit gewest. De Staten-Generaai vereerden den prins, van nu aan gewoonlijk willem iv (1747—1751) ge-heeten, met het stadhouder- en het kapitein-generaalschap over de landen van Overmaas (zie blz. 172) en voegden er in 1749 dat over de andere Generaliteitslanden bij. Nog verklaarden de meeste gewesten het stadhouderschap, waarmede de prins was bekleed, erfelijk in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. De staten van Gelderland bevrijdden het stadhouderschap van de beperkende bepalingen van 1722 (zie blz. 290), het op den vorigen voet herstellende. De Staten-Generaai verklaarden het kapitein-generaal-admiraalschap erfelijk in de beide linien.

De staten van drie gewesten, Friesland, Groningen en Drente, aarzelden nog ten opzichte der erfelijkverklaring in de beide linien het voorbeeld der andere provinciën te volgen. Hevige opschuddingen van \'t volk, niet alleen daardoor verwekt, maar ook uit verbolgenheid over de pachterijen, waarop straks zal worden teruggekomen, gingen er aan \'t besluit der staten vooraf. In Friesland stelden zich vooral inwoners van Harlingen, in Drente een inwoner van Peize, Hiddema, door sommigen met een Gracchus gelijk gesteld, aan \'t hoofd. In alle drie gewesten volgde nu, in 1748, de erfelijkverklaring ook in de vrouwelijke nakomelingschap. Bij de tallooze onderscheidingen kwam nog het opperdirecteur-gouverneurschap van O. en W. Indie, dat den prins in 1749 door de bewindhebbers der beide compagnien werd opgedragen. Dit gaf hem het recht in de algemeene en in de bijzondere kamers voorzitter te zijn of er zich als zoodanig te laten vertegenwoordigen en uit een voordracht de bewindhebbers en de hooge ambtenaren der compagnien te verkiezen. Verder schonken de staten van het kwartier Nijmegen den stadhouder het graafschap Kuilenberg, dat, evenals Leerdam en Buren, geheel onafhankelijk was en dat zijzelven vóór een zeker aantal jaren voor 800,000 gl. van den prins van Saksen-Hildburghausen hadden gekocht, \'s Prinsen inkomen, uit al zijn ambten voortspruitende, werd berekend op omtrent 481,000 gl.

Verre, zeer verre ging inderdaad het gezag, hetwelk in \'s prinsen handen werd gelegd, dat zijner voorgangers te boven. In\'t krijgswezen beschikte hij over de patenten, benoemde de leden van den hoogen krijgsraad, vaardigde de reglementen uit, stelde de officieren, tot den rang van kolonel ingesloten, en de onderofficieren aan, alsmede de bevelhebbers der vestingen van de Republiek en van de barrière. Bij het begeven der hooge krijgs- en der staatsambten gold een aanbeveling van Zijn Hoogheid aan de Staten-Generaai of aan de staten der provinciën bijna voor een benoeming. Denzelfden invloed en macht, die hij als kapitein-generaal over het krijgsvolk te land had, had hij, voor zoover de, scheepsmacht betreft, als generaal-admiraal. Ten aanzien van het burgerlijke oefende hij, krachtens nieuwe reglementen, in de meeste

-ocr page 315-

295

gewesten voor het stadhouderschap gemaakt, waardoor die van 1702 en 1722 (zie blz. 269 en 290 vlg.) vervielen en die van 1674 en 1675 (zie blz. 255, 256) werden vernieuwd, een groote macht, benoemende o.a. op nieuw, als van ouds, de leden van de stedelijke raden. De vergaderingen der Staten-Generaal of hun besognes (zie blz. 228), die van de staten der provinciën of van hun gecommitteerde raden en gedeputeerde staten woonde hij bij, zoovaak hij het voor den dienst van het land noodig oordeelde. Vermits hij voorzitter was van de gerechtshoven, prijkte zijn naam aan \'t hoofd van alle stukken, welke van die hoven uitgingen. Hij was oppercurator of rector magnificentissimus van alle universiteiten in de verschillende gewesten, opperhoutvester en opperjagermeester in Holland, in Gelderland, enz. In Holland, in Gelderland en in Utrecht was hij, als hoofd of eerste lid der edelen, — wat geen zijner voorgangers ooit was geweest, — voorzitter van de beschreven ridderschap met het recht om het eerst te stemmen en had daardoor deel aan de souvereiniteit.

Zóó steeg Willem IV, allengs en bij trappen, tot een toppunt, waarop geen der stadhouders vroeger had gestaan. Zóó verwierf hij een volheid van macht, waarover geen hunner ooit had kunnen beschikken. Zóó werd hij, zonder den titel, metterdaad souverein. Zien wij, hoe hij die macht gebruikte. Boven werden met een woord de posterijen en de pachterijen aangeroerd (blz. 289 en 294). De misbruiken, ten opzichte van deze beide punten bestaande, gaven in den tijd der verheffing van Willem IV aan de zijde der bevolking van de steden van Holland aanleiding tot hevige opschuddingen. Op \'t voorbeeld van \'s Gravenhage boden daarom de meeste steden van Holland in 1747 de voordeelen der postmeesterplaatsen aan Zijn Hoogheid aan, die ze weder aan de staten van Holland afstond. Delft schonk ze rechtstreeks aan het gewest; maar Amsterdam was er niet van af te brengen ze voor de kas der stad te behouden, welke moeite men ook aanwendde om de vroedschap te overreden denzelfden weg in te slaan als de overige steden. Met betrekking tot de andere stedelijke ambten namen de staten van Holland nog in \'t zelfde jaar het besluit alle misbruiken zorgvuldig tegen te gaan en stelden o.a. vast, dat geen posten mochten worden gegeven dan aan de zoodanigen, die ze in persoon zouden waarnemen.

Het was aan \'s prinsen ijverige aanhangers of oogendienaars niet onbekend, dat elke groote schok in \'s lands regeering, b.v. in 1672 en in 1702, gepaard was gegaan met een geheele verandering der personen, die het roer in handen hadden. Zoodra nu de vredesonderhandelingen (zie beneden blz. 297) zoo ver waren gevorderd, dat zij een gunstigen afloop deden verwachten, werd in vele steden op het wen-schelijke van zoodanige verandering ook in de toenmalige omstandigheden gewezen. De meerderheid van \'t volk achtte dit evenzeer noodig of was licht tot dergelijke bewering te bewegen. Met het geroep om deze omkeering ging in 1748 dat om afschaffing der pachterijen vergezeld.

? I

li

-ocr page 316-

296

Zeer was het volk gebeten op de pachters, d.i. op hen, aan wie, als aan de meestbiedenden, de staten der gewesten de belastingen op de genaeene middelen voor 4, 6 of 12 maanden verpachtten. De menigte, hier en daar door knevelarijen dier pachters gekweld, ergerde de groote en vaak binnen korten tijd verkregen rijkdom dezer lieden zeer. Het eerst barstte \'t misnoegen in Friesland los. Het volk stak de kleine opzichtershuizen in brand of haalde ze omver, plunderde de woningen der pachters, in \'t kort beging allerlei balddadigheden. In Groningen en in de overige gewesten zag men weldra dezelfde loonee-len, hier in meerdere, daar in mindere mate, vooral te Amsterdam. Met goedvinden en op raad van Willem IV schafte men in \'t genoemde jaar in Friesland, Groningen, Utrecht en Holland de pachterijen af. In Holland erlangden de pachters uit de kas van \'t gewest vergoeding voor de geleden schade. Wanneer men overweegt, dat, naar beweerd wordt, ten tijde der pachters slechts een vierde van hetgeen \'s lands inwoners opbrachten in de schatkist kwam , zal men de afschaffing der pachterijen voorzeker zeer doelmatig achten. In Holland en in de drie andere provinciën werden de pachterijen vervangen door de invordering bij wijze van collecte of inzameling, waarmede in 1750 een begin werd gemaakt. Aan de collecteurs of gaarders, thans ambtenaren, werden, opdat er van de kas geen te zware offers zouden worden gevergd , matige jaarwedden toegelegd. In Overijsel hield men zich deels aan de pacHterijen, deels aan de collecte. Gelderland en Zeeland bleven bij het verpachten.

Gelijk wij zagen (blz. 293) was de inval der Franschen het sein geweest tot \'s prinsen bevordering. Dien inval te keer te gaan was dus de eerste plicht, welken Willem IV had te vervullen. Terwijl de Franschen de eene plaats na de andere in Staats-Vlaanderen veroverden, verzochten de staten van Zeeland de Engelsche vloot, die in hun nabijheid lag, de bescherming hunner provincie op zich te nemen, hetgeen zij deed. Van Staats-VIaanderen trok Maurits van Saksen, de opperbevelhebber van het Fransche leger, naar Noord-Brabant en won in 1747 den slag bij Lafeld (nabij Maastricht) op den hertog van Cumberland, bevelhebber der bondgenooten {Alg. Geschied., III, 7de druk, blz. 172) Vervolgens sloeg Löwenthal, op last van Maurits van Saksen, het beleg voor Bergen op Zoom. Tot opperbevelhebber van de bezetting dezer vesting benoemde Willem IV, juist tegen den aanvang der belegering, den baron van Óronstrom, een man van zevenentachtig of negentig jaar, zwak en doof. Toevoer kreeg de stad in overvloed uit de Noordelijke gewesten; er was gelegenheid om de bezetting voortdurend te vernieuwen en te versterken. Ongetwijfeld had alzoo de vesting, een meesterstuk van Coehoorn, het nog weken lang kunnen uithouden, zoo niet de Franschen, na een beleg van omtrent twee maanden, het geluk hadden gehad ze bij verrassing in te nemen. Cronstrom liet zich op een paard hijschen en reed weg. De mare van

-ocr page 317-

297

den val dezer vesting bracht in de Republiek de ontroering te weeg, die voor den prins de erfelijkverklaring, voor de pachters de afzetting ten gevolge had.

Ten einde geen gebrek te hebben aan geld, de zenuw van den krijg, sloeg de prins thans het uitschrijven eener „milde giftquot; door het gansche land voor. Zelfs in de Generaliteitslanden, alsmede in Oost- en West-Indië werd zij geheven. Zij beliep 2 ten honderd van het kapitaal van hen, die 2000 gl. en daarboven bezaten. Wie hunner meer wilde geven, dien stond het vrij. Zij, die minder hadden dan 2000 gl., moesten althans iets bijdragen. Tot heil van het land bleek het echter welhaast, dat de oorlog niet meer van langen duur zoude zijn. Kort na de heffing der milde gift kwamen de gezanten der oorlogvoerende mogendheden te Aken bijeen. Van wege de Staten-Generaal verscheen er o.a. Onno Zwier van Haren, de beroemde dichter der „Geuzenquot; (zie blz. 333). Maastricht gaf zich nog in 1748 bij verdrag aan de Franschen over; doch dit was het laatste wapenfeit. Voor de Republiek bevatte de vrede van Aken (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 173) geen andere hoofdvoorwaarden, dan dat zij alles, wat de Franschen op haar hadden veroverd, terugkreeg, benevens de barrièresteden, maar deze grooten-deels geslecht. Dit was het ongunstige einde van een oorlog, die voor de Nederlanden niets dan nadeel had opgeleverd.

Met den vrede van Aken verviel eigenlijk. nu de sterkte der barrière was gebroken, \'s lands voormuur in \'t Zuiden. Eveneens lag de Republiek in \'t Oosten meer open, doordien de Staten-Generaal in den loop van den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog hun invloed in Oost-Friesland (zie blz. 127, 128) verloren. Want toen in 1744 de vorst van dit land. Karei Edzard, zonder nakomelingschap overleed, nam Frederik II, koning van Pruisen, het in bezit en verzocht de ontruiming van Emden en Leeroord. Aan dit verzoek meenden de Staten-Generaal te moeten voldoen. Zij trokken hun bezetting uit die plaatsen, onder voorwaarde dat de koning beloofde de gelden te betalen, die vorige vorsten van Oost-Friesland hun schuldig waren, iets dat Frederik aannam.

Gedurende den korten levenstijd, die-Willem IV na den vrede van Aken werd gegund, wijdde hij zich, voorzoover het zijn zwakke lichaamskrachten gedoogden, zorgvuldig aan de belangen van Nederland. Daarbij vond hij weinig steun in Jakob Gilles, een vurig aanhanger der staatsgezinde partij, die sedert den dood van van der Heim (zie blz. 290), in 1746, raadpensionaris was. Wel stond hem, toen Gilles in 1749 was afgetreden, zijn opvolger, Pieter Stein, wakker ter zijde. De stadhouder kon evenwel niet dadelijk al zijn aandacht vestigen op al hetgeen hem toescheen voorziening te behoeven. Immers van \'s volks wenschen waren er nog vele onbevredigd. In sommige steden, inzonderheid te Amsterdam, werden die wenschen thans op ontstuimige wijze aan den stadhouder bekend gemaakt. Hier en daar hoorde men de leer, later in Frankrijk meer algemeen verbreid,

-ocr page 318-

298

verkondigen, dat alle macht in den staat van het lichaam des volks uitgaat. Te Amsterdam hielden in 1748 een aantal burgers, om met elkander dienaangaande te raadplegen, vergaderingen in „de Doelenquot;, in de Doelenstraat gelegen, weshalve zij Doelisten werden genoemd. Zulke „Doelens,quot; hoedanige in de meeste steden van ons vaderland werden gevonden, waren van ouds de vergaderingen der schutters. Zij ontleenden hun naam aan het woord „doel,quot; omdat er naar de schijf werd geschoten. Later werden het meestal logementen. Gesteund door een groot aantal lieden, die zij opriepen, vooral uit de mindere klassen des volks, alsmede door het gilde der scheepstimmerlieden of bijltjes, drongen de Doelisten zoo hevig op de bevrediging van hun verlangen aan, dat Willem IV toegaf. Vooreerst werden de voordeelen der posterijen ook van deze stad (zie blz. 295) aan den stadhouder toegekend, die ze wederom aan het gewest afstond. Vervolgens veranderde de prins, hiertoe door de staten gemachtigd, de regeering der stad. Gelijke verzetting der wet had in de overige steden van Holland, behalve te Dordrecht en te Monnikendam plaats; verder in 1748 en in 1749 in Gelderland, in Overijsel, in Friesland en in Groningen. Zoo doortastend, als vroeger bij dergelijke omwentelingen, was intusschen deze regeeringsverandering niet. In weerwel van al zijn pas verworven macht verzette Willem IV zich er niet tegen, dat, dadelijk na den vrede, een afdanking van troepen op groote schaal geschiedde.

Te midden der verschillende bewegingen werd de stadhouder in 1749 opmerkzaam gemaakt op het verval der zijde- en andere weverijen. Ten einde dit, voor zooveel hij vermocht, tegen te gaan verklaarde hij aan de staten van Holland, dat hij had besloten voor zich en zijn hof van nu aan geen zijden of andere stoffen te bezigen dan inlandsche. Het voorbeeld vond navolging bij de staten van Holland. Zij verzochten de heeren van de ridderschap en de burgemeesters der stemmende steden hetzelfde te doen als de prins. Aan de regenten van de niet-stemmende steden werd dit besluit der staten als gebod medegedeeld. Gewichtiger was het voorstel, dat de prins in 1751 deed, nadat de rust in de Nederlanden was hersteld. Sinds lang had hij ervaren kooplieden over de oorzaken van den achteruitgang van den handel der Republiek geraadpleegd. Op grond van een uitvoerig betoog, hem over dit onderwerp ter hand gesteld, deed hij in \'t genoemde jaar aan de Staten-Generaal en aan de staten van Holland den voorslag de aanwijzingen van dit betoog als regels of voorschriften voor \'t vervolg vast te stellen. De hoofdzaak, waarop het betoog neerkwam, was de aanprijzing van een plan om Nederland te verheffen tot een portofranco (letterlijk: vrije haven), d. i. geheele of gedeeltelijke vrijstelling te verkenen van inkomende en uitgaande rechten van een zeker aantal met name opge-geven goederen. Tegen den inhoud van dit stuk brachten echter de ■ collegicii der admiraliteit van Holland en Zeeland menig bezwaar in, weshalve het ontwerp bleef steken. Nog is een der verdiensten van

-ocr page 319-

299

Willems stadhouderschap, dat door zijn toedoen in 1747 te Amsterdam een zeemans-college of school voor de zeevaart verrees.

Op die wijze trachtte de prins \'s lands welvaart te bevorderen. Daarbij gedachtig aan de belangen van zijn huis, bewoog hij in 1750 uit hoofde van den zwakken toestand zijner gezondheid de Staten-Generaal hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbut-tel, een verwant der prinses, die tot dusver in dienst was van den keizer van Duitschland, als veldmaarschalk aan te stellen over het leger der Republiek. Willems gezondheid toch nam steeds af, en in October 1751 stierf hij. Die dood was een zware slag voor het vaderland. Weinig is dat, wat hem wordt verweten, in tegenstelling met het vele goede, dat men van hem getuigt. Onder het eerste mag evenwel niet worden verzwegen dat hij vaak te spoedig het oor schijnt te hebben geleend aan plannenmakers. Willem IV, door vele kundigheden uitmuntende, had tevens de gave om aan \'t roer van den staat te staan. Geen der vorige stadhouders van de Vereenigde Gewesten was gematigder dan hij; geen hunner vereenigde met vastheid van daad meer zachtheid van vorm. Te hooger rijst de waarde dier zelfbeheersching, omdat hij in aanzien en in macht al zijn voorgangers overtrof. En had hij naar nog meer macht of hooger titel willen streven, zij zouden hem niet zijn ontgaan. In de zaken hervormende hetgeen hij noodig achtte, ontzag hij de personen, zooveel het welbegrepen belang der Republiek het veroorloofde. In de weinige jaren van zijn stadhouderschap heeft hij althans iets tot stand gebracht, meer nog willen doen. Dat hij niets blijvends heeft gewrocht kan bij den korten levenstijd, hem gegund, niet als bezwaar tegen hem worden aangevoerd. De zucht om krijg te voeren, die meer dan één prins uit het huis van Oranje-Nassau de perken zoo ver had doen te buiten gaan, dat hij Nederlands belangen had benadeeld, bezielde dezen Willem geenszins. Toen hij in 1747 voor een korten tijd naar \'t leger vertrok, was het reeds zoo goed als zeker, dat de vrede stond te worden gesloten. Het beroemde woord, dat hij eens heeft gesproken, was hem ernst: „dat hij niets kende, hetwelk de eerzucht eens stervelings meer kon streelen, dan zich te mogen houden voor het voorwerp van de liefde en de hoogachting van een vrij volk.quot;

§ 3i-

Hel regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van den hertog van B runs wijk en het stadhouderschap van Willem V tot het begin van den oorlog tusschen Engeland en Nederland.

Op den dag zeiven van \'t overlijden van Willem IV werd anna als gouvernante en voogdes erkend van Willems eenigen zoon, tot dusver

-ocr page 320-

300

„graaf van Burenquot; (zie blz. 76), thans willem v (1751 — 179s, overl. 1806) genoemd, die in 1748 was geboren. De hertog van Brunswijk werd bij verschillende besluiten van de staten der provinciën van 1752 tot 1756 tot vertegenwoordiger van den kapitein-generaal benoemd. Tevens bleef hij de raadsman der gouvernante, zooals hij het in \'t laatst van Willem IV was geweest, hoofdzakelijk ten aanzien van de buiten-landsche aangelegenheden. Op \'s prinsen opvoeding hield hij een wakend oog, terwijl hij hem persoonlijk onderricht gaf in alles, wat het krijgswezen te lande betreft. Onder hen, die Willem V verder onderwezen, was Andreas Weiss, hoogleeraar te Leiden. Talen, zoowel de oude als de nieuwe geschiedenis en staatsrecht waren bovenal de vakken, waarin de jonge vorst uitmuntte. Maar weldra bleek het, dat men, ook doordien men hem altijd had gewend zichzelf te wantrouwen, in hem de voortvarendheid, de veerkracht en de vastheid miste, die, zooals beneden zal blijken, juist in die dagen onontbeerlijke eigenschappen in \'t karakter van den stadhouder en kapitein-generaal der Republiek waren. Ook ontbrak hem het rechte doorzicht om de gebreken, die er waren, naar eisch te doorgronden. In plaats van die hoedanigheden had hij de zucht om, terwijl hij de gewichtigste en dringendste aangelegenheden verzuimde, zich met nietsbeteekenende zaken te bemoeien. Over \'t geheel stelde hij zich tevreden met den uiterlijken schijn zijner waardigheid, steeds den stadhouder vertoonende, zonder het inderdaad immer te zijn.

De eenige gebeurtenis van eenig gewicht, die in de eerste jaren van Anna\'s regentschap voorviel, was de schikking, in 1754 met den koning van Pruisen, Frederik II, getroffen nopens de goederen van het huis van Oranje-Nassau, hem vroeger toegedeeld (zie blz. 291). Bij deze overeenkomst stond de koning al die goederen, met uitzondering alleen van Montfort, aan Willem V af voor de som van 705,000 gl. Montfort bleef nog aan Frederik II tot 1769, toen Willem V het voor 275,000 gl. kocht. De laatste aankoop, dien de eigenaar dier talrijke bezittingen deed, was in 1777 die van Borkulo en Lichtenvoorde (in \'t o. van Gelderland), welke vorst Adam Czartoryski, generaal in dienst van den koning van Polen, hem voor 600,000 gl. afstond.

De omwenteling, die in den tijd van Willems minderjarigheid in de Europeesche staatkunde plaats greep, n.1. de nauwe verbintenis der huizen Bourbon en Ilabsburg [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 173 vlg.), oefende geen gunstigen invloed op Nederlands buitenlandsche betrekkingen. In de gedurige wrijving der beide groote mogendheden van het vasteland. Frankrijk en Oostenrijk, had de Republiek, eerst een eeuw lang met Frankrijk, toen met Oostenrijk verbonden, haar macht zien aangroeien. Thans kon zij niet meer op de eene tegen de andere steunen. Inzonderheid bracht de zeeoorlog, die in 1756 tusschen Frankrijk en Engeland {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 178) losbarstte, Nederlands regenten in groote moeielijkheden. Frankrijks buitengewone gezant

-ocr page 321-

301

naar de Republiek gezonden, d\' Affry, raadpleegde terstond de Staten-Generaal over de houding, welke zij van zins waren in dien oorlog aan te nemen. Het antwoord was dat zij het voornemen hadden zich er buite.i te houden. Daarentegen verzocht de gezant van Engeland, Yorke, de Republiek den koning, zijn meester, met 6,000 man hulpbenden bij te staan. Dit verzoek steunde op een verbond, in 1678 door de beide mogendheden, Groot-Britannië en Nederland, met elkander aangegaan en later bij herhaling vernieuwd, waarbij was bepaald, dat, indien de eene vijandelijk werd aangetast, de andere hem zou te hulp komen, Engeland met 10,000, Nederland met 6,000 man. De grond voor de onzijdige houding, die de Staten-Generaal desniettegenstaande wensch-ten aan te nemen, scheen hierin te zijn gelegen, dat Engeland het eerst den oorlog had verklaard. Dit rijk drong dan ook vooreerst niet verder op de toezending der 6,000 man aan. Maar weldra hernieuwde het, evenals van den anderen kant Frankrijk, zijn pogingen om Nederland aan zijn zijde te doen medestrijden. De schranderheid en de gematigdheid van de raadslieden der gouvernante wisten die staatkunde te handhaven, welke het welzijn van \'t vaderland vereischte. Deze staatkunde zegevierde in weerwil van Yorke en d\' Affry, in weerwil ook van de thans herlevende, nooit geheel verdwenen staatspartijen, waartoe een goed deel van Nederlands ingezetenen behoorde (zie beneden blz. 304 vlg.). Doch diezelfde raadslieden verzuimden, aan de gouvernante den duren plicht te herinneren zich tegelijk ten oorlog toe te rusten.

Welhaast leerde de tijd, hoeveel nadeel ook een oorlog, waaraan de Republiek geen deel nam, aan haar bewoners kon toebrengen. Met bevreemding lazen Nederlands inwoners in Engelands oorlogsverklaring, dat alle schepen, die verboden goederen naar Frankrijks havens voerden, als goede prijzen zouden worden opgebracht. Die bepaling week af van een verdrag van handel en scheepvaart, in 1674 tusschen Engeland en Nederland gesloten, waarin o.a. was vastgesteld, dat, mocht ook de lading als verboden waar in bezit worden genomen, de schepen zeiven, waarin die goederen waren geladen, zouden worden vrijgelaten. Tevens bleek het, dat Engeland, eveneens in strijd met het verdrag van 1674, niet van plan was het vrije vervoer van scheepsbehoeften, als van hout, hennip, zeilen, ankers, enz. toe te laten. Zulke scheepsbehoeften moesten, indien men ze in onzijdige schepen vond, krachtens het bevel des konings van Engeland voor zijn rekening worden aangekocht. Binnen kort werd het woord daad. Een menigte Nederlandsche koopvaardijschepen, die naar Frankrijk stevenden of vandaar kwamen, werden opgebracht, slechts enkele, waartegen men niets kon aanvoeren, weder in vrijheid gesteld. Het zal wel niet noodig zijn er bij te voegen, dat, zoo al de Engelsche oorlogschepen zich nog eenigermate aan de van kracht zijnde verdragen hielden, de kapers dezer natie ook die Nederlandsche vaartuigen beroofden, welke noch naar Frankrijk waren

-ocr page 322-

302

bestemd, noch de havens van dit rijk hadden aangedaan. Herhaalde klachten, aan \'t Engelsche hof gedaan, waren vruchteloos.

In 1758 vervoegden zich een aantal kooplieden uit Amsterdam en andere steden met hun bezwaren over de schennis der verdragen bij de staten van Holland en bij de gouvernante. Ook dit baatte weinig. Bij de nadeelen, die de handel op deze wijze leed, kwamen bovendien die, welke hij van Algiers en van Marokko had te lijden. Het bleek, dat de zeemacht van de Republiek zelfs niet tegen die van deze roofstaten bestand was. Dit alles berokkende de gouvernante menigen vijand. Men verweet haar, dat zij, van geboorte een Engelsche prinses, de belangen van Nederland ter wille van Groot-Britannie verwaarloosde. Elders verwekte de manier, waarop zij openstaande plaatsen in de vroedschap vervulde, haar menigen tegenstander. Toen zij in 1759 was gestorven, nam de hertog van Brunswijk de taak der voogdij op zich, bijgestaan door eenige heeren uit de verschillende gewesten, hem bij beschikking der gouvernante toegevoegd, die hem echter het veld geheel vrij lieten. In Friesland beschouwde men de prinses-grootmoeder Maria Louise (zie blz. 272), door de Friezen Mai/de-Moei genoemd, als regentes en regeerde op haren naam.

Eerst in 1763 kregen Nederlands handel en zeevaart rust, toen de vrede van Parijs maakte een einde aan den zevenjarigen oorlog {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 179). Drie jaren later, in 1766, aanvaardde de erfstadhouder, thans den leeftijd van achttien jaar hebbende bereikt, de hooge ambten, voorheen door zijn vader bekleed. Tevens werden hem die bedieningen, welke niet erfelijk waren verklaard, als het opperdirecteur-gouverneurschap over de compagniën, het opperhoutvesterschap (zie blz. 294, 295), enz., gelijk vroeger aan Willem IV, opgedragen. Vreemd was het, dat zoowel de Staten-Generaal als de staten van alle gewesten, behalve van Friesland, Willem V, den geboren erfstadhouder en erfkapitein-generaal en admiraal, evenals dit bij de meeste der vroegere stadhouders gebruikelijk was geweest, een nieuwen lastbrief gaven en hem hierop den eed lieten afleggen. De hertog van Brunswijk werd door Zijn Hoogheid en door de staten der verschillende gewesten Tnet een som van ruim 600,000 gl. begiftigd. Het aandeel van Holland, even groot als dat van den prins, in die som was 200,000 gl. De staten van Holland en de Staten-Generaal gaven hem terzelfder tijd te kennen, dat zij zeer wenschten, dat hij voortging den staat voortdurend ten dienste te staan. Niets kon hem, die reeds vreesde met het einde zijner voogdij al zijn invloed op den loop der zaken te zullen verliezen, aangenamer zijn dan een dergelijke betuiging.

Met goedvinden van den prins deden dus die leden der Staten-Generaal, die tot het besogne (zie blz. 228) der buitenlandsche zaken behoorden, de noodige stappen aan het keizerlijk hof, opdat Maria Theresia den hertog vergunde de Republiek en den stadhouder niet te verlaten. Eigenlijk was dit vragen van vergunning niets dan een tooneel-

-ocr page 323-

303

vertooning. Reeds voordat men die aanvraag deed, den 3den Mei 1766 had de prins den hertog verzocht met hem een geschrift te onderteekenen, waarin hij zich verbond hem, stadhouder en kapitein-generaal-admiraal, in alle aangelegenheden van \'t bewind met raad en daad ter zijde te zullen staan en hem te dien einde steeds, inzonderheid op een aanstaande reis door de gewesten, te zullen vergezellen. In dit geschrift, de akte van consulentschap geheeten, beloofde de prins hem plechtig, dat hij te dier zake van alle verantwoordelijkheid zou zijn ontslagen. Het stuk bleef in de dagen, toen het werd opgesteld en geteekend, voor ieder een geheim, behalve voor zeer weinige personen, als voor den raadpensionaris Stein, den pensionaris van Delft, Pieter van Bleiswijk, enz. Thans was de hoogste staatsdienaar, wiens ambten hem krachtens de erfelijkverklaring van rechtswege toekwamen, niets dan een onmondige, onder een voortdurende voogdij verkeerende. Hij stond tot den hertog in dezelfde betrekking als Lodewijk XIII tot Richelieu. Voorzeker, het had geheel den schijn, alsof de bestemming der akte was Willems gebrek aan zelfvertrouwen en veerkracht, waarvan het stuk zelf een zoo sprekend bewijs was, voor zijn geheele leven te bestendigen.

Het is zeer waarschijnlijk, dat \'s prinsen volgzaamheid jegens den hertog zich al dadelijk in de keuze zijner gemalin betoonde. Niet een Engelsche prinses werd dit, maar Frederika Sophia Wilhelmina, een dochter van prins August Willem, een broeder van Frederik II, koning van Pruisen. Het schijnt, dat de hertog van Brunswijk het karakter der prinses niet genoegzaam kende. In plaats dat zij, evenals Willem, eenige geneigdheid aan den dag legde om zich door den hertog te laten leiden, was zij veeleer geneigd zelve zooveel overwicht op haren echtgenoot te verkrijgen, dat hij den raad van den hertog kon ontberen. Dit veroorzaakte, dat op een goede verstandhouding tus-schen den hertog en \'s prinsen gemalin niet veel viel te roemen. Uit Willems huwelijk sproten drie kinderen: Frederika Louisa Wilhelmina, later gehuwd met Karei George August, erfprins van Brunswijk, en twee zonen, Willem Frederik, geboren in 1772, en Willem George Frederik, geboren in 1774. De tweede dier zonen werd later, gedurende den tweeden coalitie-oorlog [Alg. Geschied., III, 7de druk, blz. 227 vlg.), generaal in dienst van Frans li, keizer van Duitschland, en overleed in 1799 te Padua aan een ziekte. Het gezin des stadhouders woonde te \'s Gravenhage, gelijk ook Willem IV sedert 1747 had gedaan.

Over \'t geheel waren de eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V, nadat hij meerderjarig was geworden, een gelukkig tijdperk voor hem en voor den staat. Het was vrede in \'t Westen en in \'t Zuiden van Europa. Een ongestoord handelsvertier gaf welvaart en overvloed tot bij den geringsten burger. De Nederlanden waren te ver van het Oosten verwijderd, dan dat de stormen, welke die helft van ons werelddeel bedreigden, gevaarlijk schenen voor de rust en de welvaart der Republiek. De vrij lange reeks van jaren, gedurende welke de Zeven Gewesten

-ocr page 324-

304

den vrede hadden genoten, hadden zij zich ten nutte gemaakt om den toestand der geldmiddelen op een beteren voet te brengen. Stein en de thesaurier-generaal Johan Hop, een achterkleinzoon van Jakob (zie blz. 275), maakten dit tot het voorwerp van hun aanhoudend streven. De renten der staatsschuld, door de Witt tot 4 ten honderd (zie blz. 216) verminderd, waren reeds tot 2I ten honderd gedaald. Desniettemin stegen die staatspapieren tot 106, zelfs tot 110 p.c. De konvooien en licenten, benevens de andere belastingen brachten een derde meer op dan gewoonlijk. De schatkist van Holland was vrij goed gevuld. Die van Zeeland stond minder voordeelig en moest ten koste der bondgenooten worden verlicht. De Oost-Indische compagnie verkeerde nog in vrij gunstigen toestand.

Nogtans waren er gronden om de toekomst met bezorgdheid te ge-moet te zien. Had Willem IV langer geleefd, misschien ware het hem gelukt de partijschappen langzamerhand te doen verdwijnen, of althans van haar kracht te doen verliezen. Met veel beleid had hij dit doel in de hand gewerkt. Deels omdat de familien der oude stadhoudersgezinden minder talrijk waren geworden, deels uit gematigdheid had hij bij liet veranderen van de regeeringen der steden vele leden van raad of schepenbank onder de tegenpartij gezocht. Daaruit had een ineensmelting der partijen kunnen worden geboren, te meer daar zij, die voor de belangen van den stadhouder ijverden, na de verheffing van Willem IV eigenlijk niets meer konden hebben te wenschen. Doch deze ineensmelting mocht geenszins plaats grijpen. Reeds de zeeoorlog (zie blz. 300) riep de voormalige verdeeldheid weder in \'t leven. Het waren de staatsgezinden, die de deelneming aan dien oorlog ten gunste van Frankrijk voorstonden, terwijl de aanhangers des stadhouders voor Enge-lands belangen streden. En licht kon men in de eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V voorzien, dat er slechts een of meer aanleidende oorzaken noodig waren om de partijen in vijandschap tegenover elkander te doen staan.

Bij de oude namen (zie blz. 159, 213) kregen de partijen in deze dagen nieuwe. Zij, die tot de staatsgezinden behoorden, werden ook palriotten of keezen genoemd. De oorsprong van dezen naam schijnt niet recht bekend. Sommigen leiden hem af van den voornaam van Cornells de Gijselaar, van 1779 tot 1787 pensionaris van Dordrecht, die als het hoofd van de staatsgezinde partij werd aangemerkt. Anderen zijn van oordeel, dat de naam afkomstig is van een wagenmaker uit Rotterdam, Cornelis of Kees van Oeveren, die in 1747 zeer voor den stadhouder was, zoodat de naam dan van de stadhouderlijke partij op de tegenpartij is overgegaan. Evenzeer als deze beide afleidingen is ongetwijfeld te verwerpen de meening van hen, die het er voor houden dat de benaming haren oorsprong heeft te danken aan Jan Kees, een timmerman uit Utrecht, die in 1672 in \'t geheim brieven van Franschgezinden uit Holland naar de Franschen te Utrecht

-ocr page 325-

305

overbracht en te dien einde gekleed ging als een bedelaar in een gewaad, waarvan de lappen, aan elkander gespeld, de brieven bedekten. Ook wordt zeer zeker de naam ten onrechte in verband gebracht met dien van Cornelis de Witt of anderen. De waarschijnlijkste oorsprong is deze: De kapitein van het exercitie-genootschap (zie blz. 318) te Delft geleek in gelaat zeer op een keeshond. Dit trof lieden van de stadhouderlijke partij, die gewoon waren in een tuin te komen, gelegen naast het exercitieveld van dat genootschap, om de wapenoefeningen te aanschouwen. Eens de gelijkenis van het gezicht van den kapitein met den kop van een keeshond hebbende opgemerkt, gaf men in dien tuin den kapitein nu en dan den naam „kees.quot; Van den kapitein ging de naam over op de leden van het genootschap, waarover hij het kommando voerde. Het gewone zeggen was: „Kees met zijn hondjes exerceert weer.quot; Doordien de benaming vervolgens ook werd toegepast op de leden van andere korpsen uit de omliggende steden en dorpen verbreidde zij zich al verder en verder, zoodat zij ten laatste een algemeene naam werd voor al wat patriot was. Vele dier patriotten kunnen, sedert die aanduiding in gebruik kwam, er ook keeshonden op na gehouden of, wat bij de geringere standen in den smaak viel, ringen, in den vorm van zulke dieren, in de ooren gedragen hebben. Uit een gedicht, omstreeks 1787 in \'t licht verschenen, blijkt dat de patriotten dien naam, hun als scheldnaam toegedacht, weldra als eerenaam aannamen.

Met de jaren veranderden, sinds de partij meer leden aanwon, ook de begrippen. In plaats van alleen te streven naar beperking van \'tstadhouderlijk gezag, zooals weleer, ten behoeve der regenten waren er vele onder de staatsgezinden, die, naar volkomen gelijkstelling van alle burgers staande, de leer der volkssouvereiniteit huldigden. Aanvankelijk niets dan een „grondwettige herstellingquot; der beschreven rechten willende, verlieten zij allengs het punt, vanwaar zij waren uitgegaan, en kwamen tot de algemeene, wijsgeerige beginselen van recht en regeering, welke de tijd leerde. De andere partij werd die der Oranjemannen of Oranjeklanten genoemd. Op zichzelf heeft de laatste naam niets smadelijks; maar hij verkrijgt dit, wanneer men denkt aan de bijbeteekenis, die het woord „klantquot; heeft, b.v. in deze zegswijze: „gij zijt ook een mooie klant.quot; Een andere reden tot bezorgdheid kwam telkens voor, wanneer de generale petitie (zie blz. 120) werd aangeboden. Wat Holland, Zeeland en Utrecht voor de vloot verlangden te besteden wenschten de landprovinciën aan het leger te koste te hebben gelegd. Terwijl dan de eene reeks gewesten niet voor de andere wilde wijken werd doorgaans niets gedaan. Bij deze bekommering wekkende oorzaken voegden zich vooral in de jaren 1763 tot 1772 algemeene ongelukken, herhaalde overstroomingen, veeziekte en de val van aanzienlijke handelshuizen, zooals van dat van de Neufville te Amsterdam.

WlJNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 20

I

life I

Eli ^ 1

-ocr page 326-

306

Alles intusschen saamgenomen was er veel, dat tegen het begin van het laatste vierde gedeelte der 18de eeuw aan de Republiek grond gaf om zich gelukkig te achten. Doch op dat tijdperk brak de oorlog van Engeland met zijn volkplantingen in Noord-Amerika {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 183) los. Deze oorlog gaf het sein tot een overmaat van rampen, die zich over het vaderland uitstortten. Bij menigeen in den lande verwekte de zaak der Noord-Amerikanen veel deelneming. Men vergeleek den opstand van Amerika met dien van Nederland tegen Spanje. Men meende, dat de Noord-Amerikanen geheel in overeenstemming handelden met de nieuwere begrippen over de rechten van mensch en burger, over het maatschappelijk verdrag, zooals Fransche schrijvers het noemden. Aan de spits van hen, die zóó dachten, stonden Hendrik Hooft en Egbert de Vrij Temminck, burgemeesters van Amsterdam, Engelbert Francois van Berckel, pensionaris der stad Amsterdam, Robert Jasper van der Capel-len van de Marsch, lid der staten van Gelderland, en Johan Dirk van der Capellen tot den Poll, lid der ridderschap in de staten van Overijsel. Nauwelijks waren de Noord-Amerikanen in verzet gekomen, of de Engelsche gezant Vorke beklaagde zich bij de Staten-Generaal over den handel in wapens en krijgsvoorraad, dien Nederlanders uit de bezittingen der West-Indische compagnie met de opgestane bewoners der volkplantingen dreven. Vooral was de aandacht van Engelands regeering gevallen op het eiland St. Eustatius. Daarheen deden de Nederlanders vervoeren wat zij maar wilden, en het vandaar den Amerikanen te doen toekomen viel zeer gemakkelijk.

Onmiddellijk na Yorke\'s mededeeling verboden de Staten-Generaal in 1775 den toevoer van krijgsbehoeften naar de Amerikaansche volkplantingen ten scherpste, zoowel uit Nederland zelf, als uit de bezittingen der West-Indische compagnie. Desniettemin herhaalde Yorke zijn klachten, waarop de Staten-Generaal steeds voortgingen met het uitvaardigen van plakkaten, houdende het verbod van dergelijken handel. Intusschen werden de bevelen der Staten-Generaal voortdurend óf openlijk overtreden , óf ontdoken. De sluikhandel gaf te veel winsten, dan dat men er aan dacht hem te staken. De Nederlandsche kooplieden hielden zich evenmin aan de plakkaten, als de Engelschen aan die hunner regeering. Beiden maakten van de gelegenheid zooveel mogelijk gebruik om zich te verrijken. Een ander bezwaar diende Yorke in 1777 in. De Nederlandsche gouverneur van Eustatius, de Graaf, had toegelaten, dat een Amerikaansche brik schier onder het bereik van het geschut der sterkte van dit eiland een Engelsch vaartuig nam, en een Noord-Amerikaansch schip met eereschoten begroet. Wederom voldeden de Staten-Generaal aan den eisch van George III, Engelands koning, de Graaf naar het vaderland ontbiedende, die nogtans, twee jaren daarna, toen hij den Staten-Generaal voldoende ophelderingen over zijn handelwijze had gegeven, naar zijn post terugkeerde. Met de klachten van

-ocr page 327-

307

den Engelschen gezant hielden die der Nederlandsche kooplieden gelijken tred, die luide riepen over het onderzoeken, opbrengen en voor goeden prijs verklaren hunner vaartuigen of waren door Engelsche oorlogschepen.

Dan dit alles was nog van weinig beteekenis in vergelijking met hetgeen verder plaats greep. Ernstiger werd de verstandhouding van Nederland tot Engeland bedreigd, toen de vrede tusschen dezen staat er; Frankrijk [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 185 vlg ) werd verbroken. De Engelsche regeering, thans meer dan ooit vreezende, dat haar vijanden door de Nederlandsche regeering werden voorzien van hetgeen zij voor den oorlog behoefden, verdubbelde haar nauwlettend toezicht. Immers Frankrijk wenschte zich de gelegenheid opengesteld te zien tot ruimen aankoop, behalve van hetgeen men eigenlijke krijgsbenoodigdheden noemt, tevens van hout, masten, touwwerk, enz., in \'t kort van alles, wat tot aanbouw en toerusting van schepen wordt vereischt. Nog moeie-lijker werd thans de houding, door de regeering der Republiek aan te nemen. Aan den eenen kant werd zij in de klem gebracht door de kroon van Groot-Britannie, aan den anderen door die van Frankrijk en door de winzucht harer kooplieden. Schier alles, wat in 1778 en volgende jaren gebeurde, oefende invloed op die houding en maakte ze moeielijker. De tak van koophandel, zoo even aangeduid, was hoofdzakelijk in \'t bezit van Amsterdamsche kooplieden, die alzoo weldra aanmerkelijke commissiën uit Frankrijk ontvingen. In die gesteldheid van zaken gaf Engelands regeering een verklaring van de woorden „goederen van contrabandequot; of verboden goederen, voorkomende in het verdrag van 1674. Met afwijking van hetgeen voorheen was bepaald stelde zij, dat daaronder ook moest worden verstaan wat tot den aanbouw en de toerusting van schepen noodig was.

Destijds was de hertog de la Vauguyon gezant van Frankrijk in Nederland. Op het voetspoor van d\' Avaux (zie blz. 257) geraakte hij weldra in vertrouwelijke betrekking met verschillende regeerings-leden en kooplieden te Amsterdam. Dit behoort te worden opgemerkt, omdat Amsterdam alleen zich er tegen verklaarde, toen de Staten-Generaal, ten einde Engeland te gemoet te komen, in 1779 ^et besluit namen, evenals in 1672 was geschied, geen konvooi of gewapend geleide van oorlogschepen toe te staan aan zulke vaartuigen, die met ongezaagd hout, geschikt tot het bouwen van schepen, waren geladen. Frankrijks weerwraak liet zich niet lang wachten. De koning van dit rijk maakte kort daarna aan de Staten-Generaal bekend, dat de ingezetenen der Republiek van nu aan zoowel verstoken zouden zijn van andere handelsvoorrechten, als verplicht de vroeger ingestelde belasting der vijfentwintig stuivers (blz. 266) weder te betalen. Slechts de inwoners van Amsterdam en van Haarlem, dat welhaast eveneens voor Frankrijk partij koos, werden van dien maatregel uitgezonderd, later ook andere steden.

In \'t laatst van 1779 kwam een Amerikaansch kapitein ter zee, Paul Jones, met een paar oorlogschepen en twee Engelsche vaartuigen, door hem genomen, in Texel binnenvallen. Terwijl hij er lag

20*

-ocr page 328-

308

verzocht Yorke de Staten-Generaal die Engelsche schepen aan zijn regeering te doen uitleveren, als vermeesterd door een oproerig onderdaan van zijn koning. De Staten-Generaal, hun onzijdigheid willende handhaven, meenden aan dit verzoek niet te kunnen voldoen. Middelerwijl vertoonde Jones zich te Amsterdam en te \'s Gravenhage en werd, inzonderheid in de eerste stad, goed ontvangen, alles tot groote ergernis van Yorke. Lang vertoefde hij evenwel niet in deze streken, maar ging spoedig weder onder zeil.

Ongeveer ter zelfder tijd greep het geval van den schout bij nacht Lodewijk graaf van Bijlandt plaats. Deze officier begeleidde met een paar oorlogschepen een aantal koopvaardijschepen, naar de Middellandsche Zee en Frankrijk bestemd. Onder de vaartuigen waren er geene, met timmerhout, wel eenige met hennip en ijzer geladen. In \'t kanaal, nabij het eiland Wight, ontmoette Bijlandt een Engelsch eskader van elf oorlogschepen onder \'t bevel van Fielding, die de koopvaardijschepen wilde onderzoeken. Bijlandt liet hem weten, dat hij het niet zoude dulden. Inmiddels zochten de vaartuigen, met hennip en ijzer bevracht, een goed heenkomen. Toen vervolgens Fielding een sloep naar een der andere koopvaardijschepen zond ten einde het onderzoek in te stellen, schoot Bijlandt met scherp. Het vuur werd door de Engelschen beantwoord; maar uit hoofde van de overmacht achtte de Nederlandsche schout-bij-nacht het weldra raadzaam de vlag te strijken en te gedoogen, dat de koopvaardijschepen naar een van Engelands havens werden opgebracht. In \'t begin van \'t jaar 1780 werden zij, alsof zij wettig waren veroverd, verbeurd verklaard. Tevens schorste de Engelsche regeering toen alle bijzondere verdragen, rakende den koophandel en de scheepvaart der Nederlanders. Uit weerwraak verleenden de Staten-Generaal, door Frankrijk aangespoord, onbepaald konvooi aan wie het maar verlangde, wel te verstaan, zij beloofden dit; doch daar de zeemacht zoo lang was verwaarloosd, kon er bij den uitgebreiden handel vooreerst aan geen woord houden worden gedacht.

De verbittering der Engelschen was onder dit alles steeds aangegroeid, te meer vermits de Staten-Generaal hun, in weerwil hunner herhaalde aanvragen, nog steeds de hulp niet zonden, waarom zij, sedert Frankrijk een der oorlogvoerende partijen was geworden (zie blz. 301), wederom begonnen waren aanzoek te doen. Te midden van al die gebeurtenissen deed Willem V jaren achtereen vruchtelooze voorstellen tot uitbreiding der zee- en landmacht. Maar eindelijk, in Mei 1780, keurden de Staten-Generaal eenparig goed, dat er twee-en-vijftig óorlogschepen werden uitgerust. Het duurde echter eenigentijd, eer die vaartuigen gereed en bemand waren. Het laatste kostte bovenal veel moeite, omdat het zeevolk door de veelvuldige werving der zeemogendheden zeer schaarsch was. Het werd inderdaad tijd, dat men iets deed, want Engeland, niet tevreden met zijn eigendunkelijke handelingen omtrent het verbond, ging zelfs zoo ver, dat het in \'t zelfde jaar op het grondgebied der

-ocr page 329-

809

Republiek, èn op St Martin (zie blz. 164), èn in Holland nabij Goeree, Amerikaansche en Fransche schepen vermeesterde.

Meer en meer scheen het duidelijk te worden, dat Engeland tot een openbare breuk met de Republiek zocht te komen. Genoegzamen grond er voor had het nog niet; maar deze deed zich naar de meening van de Engelsche regeering weldra op. In \'t begin van 1778 sloot Frankrijk een handelsverdrag en verbond met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Hiervan ontving de raadpensionaris van Bleiswijk, Steins (zie blz. 297) opvolger sinds 1772, een afschrift met een brief van Franklin en van de andere gezanten van Noord-Amerika, te Parijs vertoevende, houdende aanduidingen, dat de Vereenigde Staten niet ongezind waren een dergelijk verdrag met de Nederlanden te sluiten. De raadpensionaris deelde, onder aanbeveling van geheimhouding, het een en ander aan het besogne voor de buitenlandsche zaken mede, hetwelk de zaak in overweging nam.

Op de gedane mededeeling hadden Amerika\'s gemachtigden geen antwoord gevergd. Doch het congres poogde nog langs een anderen weg tot een verbintenis met de Nederlanden, die dan tevens een erkenning van de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten zou zijn, te komen. Een gemachtigde dier staten, William Lee, gaf te Aken aan een aanzienlijk Amsterdamsch koopman, Jan de Neufville, te kennen, dat Amerika wel geneigd was met de Republiek een handelsverbintenis aan te gaan. Nadat de Neufville dit aan de burgemeesters van Amsterdam had medegedeeld, maakten zij een verklaring op, door den pensionaris van Berckel in hun naam geteekend, die aan Lee werd gezonden. Deze verklaring bevatte, dat de burgemeesters van Amsterdam gezind waren, naar hun vermogen het hierheen te leiden, dat tusschen de Vereenigde Staten en deze Republiek een verdrag van vriendschap en handel werd gesloten, zoodra Engeland de onafhankelijkheid der staten zou hebben erkend. Na deze betuiging van bereidvaardigheid der burgemeesters van Amsterdam om een verbond te sluiten knoopte men onderhandelingen aan, die zulke spoedige vorderingen maakten, dat nog in 1778 een ontwerp-verdrag op het papier kwam, dat tusschen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en de Staten-Generaal zou kunnen worden gesloten. Deze schets was, gelijk het slot van \'t stuk aantoont, door de Neufville, volgens last en aanwijzing van van Berckel, en door Lee, die ze gemeenschappelijk hadden onderzocht, vastgesteld.

Twee jaren lang bleef deze onderhandeling bedekt. Toen kwam zij aan het licht. In 1780 vertrok Henry Laurens, die in 1777 president van het congres was geweest, aan boord van een pakketboot van Philadelphia naar Nederland. Den loden September van dat jaar werd het schip op de hoogte van New-Foundland door een Engelsch fregat genomen en naar Londen opgebracht. Even vóór de vermeestering der pakketboot wierp Laurens een doos, bevattende het ontwerp-verdrag en

-ocr page 330-

308

verzocht Yorke de Staten-Generaal die Engelsche schepen aan zijn regeering te doen uitleveren, als vermeesterd door een oproerig onderdaan van zijn koning. De Staten-Generaal, hun onzijdigheid willende handhaven, meenden aan dit verzoek niet te kunnen voldoen. Middelerwijl vertoonde Jones zich te Amsterdam en te \'s Gravenhage en werd, inzonderheid in de eerste stad, goed ontvangen, alles tot groote ergernis van Yorke. Lang vertoefde hij evenwel niet in deze streken, maar ging spoedig weder onder zeil.

Ongeveer ter zelfder tijd greep het geval van den schout bij nacht Lodewijk graaf van Bijlandt plaats. Deze officier begeleidde met een paar oorlogschepen een aantal koopvaardijschepen, naar de Middellandsche Zee en Frankrijk bestemd. Onder de vaartuigen waren er geene, met timmerhout, wel eenige met hennip en ijzer geladen. In \'t kanaal, nabij het eiland Wight, ontmoette Bijlandt een Engelsch eskader van elf oorlogschepen onder \'t bevel van Fielding, die de koopvaardijschepen wilde onderzoeken. Bijlandt liet hem weten, dat hij het niet zoude dulden. Inmiddels zochten de vaartuigen, met hennip en ijzer bevracht, een goed heenkomen. Toen vervolgens Fielding een sloep naar een der andere koopvaardijschepen zond ten einde het onderzoek in te stellen, schoot Bijlandt met scherp. Het vuur werd door de Engelschen beantwoord; maar uit hoofde van de overmacht achtte de Nederlandsche schout-bij-nacht het weldra raadzaam de vlag te strijken en te gedoogen, dat de koopvaardijschepen naar een van Engelands havens werden opgebracht. In \'t begin van \'t jaar 17S0 werden zij, alsof zij wettig waren veroverd, verbeurd verklaard. Tevens schorste de Engelsche regeering toen alle bijzondere verdragen, rakende den koophandel en de scheepvaart der Nederlanders. Uit weerwraak verleenden de Staten-Generaal, door Frankrijk aangespoord, onbepaald konvooi aan wie het maar verlangde, wel te verstaan, zij beloofden dit; doch daar de zeemacht zoo lang was verwaarloosd, kon er bij den uitgebreiden handel vooreerst aan geen woord houden worden gedacht.

De verbittering der Engelschen was onder dit alles steeds aangegroeid, te meer vermits de Staten-Generaal hun, in weerwil hunner herhaalde aanvragen, nog steeds de hulp niet zonden, waarom zij, sedert Frankrijk een der oorlogvoerende partijen was geworden (zie blz. 301), wederom begonnen waren aanzoek te doen. Te midden van al dia gebeurtenissen deed Willem V jaren achtereen vruchtelooze voorstellen tot uitbreiding der zee- en landmacht. Maar eindelijk, in Mei 1780, keurden de Staten-Generaal eenparig goed, dat er twee-en-vijftig oorlogschepen werden uitgerust. Het duurde echter eenigen tijd, eer die vaartuigen gereed en bemand waren. Het laatste kostte bovenal veel moeite, omdat het zeevolk door de veelvuldige werving der zeemogendheden zeer schaarsch was. Het werd inderdaad tijd, dat men iets deed, want Engeland, niet tevreden met zijn eigendunkelijke handelingen omtrent het verbond, ging zelfs zoo ver, dat het in \'t zelfde jaar op het grondgebied der

-ocr page 331-

309

Republiek j èn op St Martin (zie blz. 164), èn in Holland nabij Goeree, Amerikaansche en Fransche schepen vermeesterde.

Meer en meer scheen het duidelijk te worden, dat Engeland tot een openbare breuk met de Republiek zocht te komen. Genoegzamen grond er voor had het nog niet; maar deze deed zich naar de meening van de Engelsche regeering weldra op. In \'t begin van 1778 sloot Frankrijk een handelsverdrag en verbond met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Hiervan ontving de raadpensionaris van Bleiswijk, Steins (zie blz. 297) opvolger sinds 1772, een afschrift met een brief van Franklin en van de andere gezanten van Noord-Amerika, te Parijs vertoevende, houdende aanduidingen, dat de Vereenigde Staten niet ongezind waren een dergelijk verdrag met de Nederlanden te sluiten. De raadpensionaris deelde, onder aanbeveling van geheimhouding, het een en ander aan het besogne voor de buitenlandsche zaken mede, hetwelk de zaak in overweging nam.

Op de gedane mededeeling hadden Amerika\'s gemachtigden geen antwoord gevergd. Doch het congres poogde nog langs een anderen weg toe een verbintenis met de Nederlanden, die dan tevens een erkenning van de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten zou zijn, te komen. Een gemachtigde dier staten, William Lee, gaf te Aken aan een aanzienlijk Amsterdamsch koopman. Jan de Neufville, te kennen, dat Amerika wel geneigd was met de Republiek een handelsverbintenis aan te gaan. Nadat de Neufville dit aan de burgemeesters van Amsterdam had medegedeeld, maakten zij een verklaring op, door den pensionaris van Berckel in hun naam geteekend, die aan Lee werd gezonden. Deze verklaring bevatte, dat de burgemeesters van Amsterdam gezind waren, naar hun vermogen het hierheen te leiden, dat tusschen de Vereenigde Staten en deze Republiek een verdrag van vriendschap en handel werd gesloten, zoodra Engeland de onafhankelijkheid der staten zou hebben erkend. Na deze betuiging van bereidvaardigheid der burgemeesters van Amsterdam om een verbond te sluiten knoopte men onderhandelingen aan, die zulke spoedige vorderingen maakten, dat nog in 1778 een ontwerp-verdrag op het papier kwam, dat tusschen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en de Staten-Generaal zou kunnen worden gesloten. Deze schets was, gelijk het slot van \'t stuk aantoont, door de Neufville, volgens last en aanwijzing van van Berckel, en door Lee, die ze gemeenschappelijk hadden onderzocht, vastgesteld.

Twee jaren lang bleef deze onderhandeling bedekt. Toen kwam zij aan het licht. In 1780 vertrok Henry Laurens, die in 1777 president van het congres was geweest, aan boord van een pakketboot van Philadelphia naar Nederland. Den loden September van dat jaar werd het schip op de hoogte van New-Foundland door een Engelsch fregat genomen en naar Londen opgebracht. Even vóór de vermeestering der pakketboot wierp Laurens een doos, bevattende het ontwerp-verdrag en

-ocr page 332-

310

eenige stukken, grootendeels daarop betrekking hebbende, in zee. Doch daar het lood, aan de doos gehecht, niet zwaar genoeg was om ze te doen zinken, vischten de Engelschen ze op. In October 1780 deelde Willem V aan de leden van het geheim besogne mede, dat de gezant Yorke hem kort tevoren, uit naam van George III, deze stukken had ter hand gesteld, maakte hen met den inhoud bekend en verzocht hen aan de staten der gewesten, waarvan zij afgevaardigden waren, afschrift te zenden. Deze mededeeling doende, verklaarde de stadhouder tevens van de zaak zelve tot dusver nooit iets te hebben gehoord. Te gelijker tijd stelde hij de staten van Holland in kennis van het voorgevallene. Weldra dienden de staten aller gewesten — Holland niet uitgezonderd — ter Generaliteit een verklaring in, houdende dat zij, afkeurende hetgeen door de burgemeesters van Amsterdam was gedaan, het als onwettig en van geen waarde aanmerkten. Van zijn zijde stelde Holland de stukken in handen van het hof ten einde raad en bericht te geven op de vraag, of er iets in werd gevonden, dat stof kon leveren tot wettige vervolging tegen de burgemeesters en den pensionaris van Amsterdam. De vraag werd gesteld, omdat inmiddels de heer Yorke, op last zijner regeering, reeds tweemalen op dergelijke vervolging had aangedrongen, wilde de Republiek zelve niet voor het ontwerp-verdrag aansprakelijk worden gesteld. Bij de aan het hof van Holland gezonden stukken bevond zich ook een bericht van de burgemeesters van Amsterdam, waarin zij hun medewerking tot het ontwerp-verdrag erkenden. Men moet het er voor houden, dat de burgemeesters, zijnde Tem-minck, Rendorp, Hooft en Elias, deze verklaring aflegden ten gevalle van den pensionaris van Berckel, want de waarheid was, dat de eerstgenoemde \'t geheele ontwerp nooit had gezien. De spoed, waarmede te dier tijde de eene gebeurtenis de andere verdrong, zoodat Engeland welhaast tot de openlijke oorlogsverklaring overging, heeft het hof verhinderd van zijn gevoelen te doen blijken.

Alzoo kreeg de zaak een langen nasleep. Gelijktijdig met dien nasleep was de ontwikkeling eener andere aangelegenheid, die eindelijk het hangend onweder deed losbreken. Door toedoen van Katharina II, keizerin van Rusland, sloten de Noordsche mogendheden. Rusland, Zweden en Denemarken, in 1780, onder den naam van het stelsel eener gewapende onzijdigheid, onderling een verdrag ten einde het vrije verkeer ter zee te handhaven. Pruisen en Oostenrijk voegden zich er in 1781 bij. Ook de Nederlanden liet Ruslands minister van buitenlandsche zaken, graaf Panin, uitnoodigen zich bij de drie mogendheden aan te sluiten. Na lange beraadslaging van de staten der provinciën besloten de Staten-Generaal met een meerderheid van vier tegen drie stemmen in November 1780 toe te treden. De vier stemmen waren van Holland, Friesland, Overijsel en Groningen. Utrecht, Zeeland en Gelderland stemden niet geheel in met de artikelen, waaruit het verdrag bestond, en wenschten nog meer waarborgen, inzonderheid voor

-ocr page 333-

31!

de veiligheid van de buitenlandsche bezittingen der Republiek. Overeenkomstig het gevoelen der meerderheid van de Staten-Generaal onderteekenden Nederlands afgevaardigden te Petersburg het verdrag. Maar Ruslands minister van buitenlandsche zaken had bepaald, dat Nederland eerst dan zou worden geacht te zijn toegetreden, wanneer het zijn aansluiting aan de oorlogvoerende mogendheden zou hebben bekend gemaakt. Deze bepaling, voor Engeland geen geheim, werd door dit rijk gebruikt om te beletten, dat Nederland de vruchten zijner toetreding plukte. Ter zelfder tijd, als de Republiek haar brieven, bevattende de kennisgeving van haar uitsluiting aan de Noordsche mogendheden, verzond, riep George III zijn gezant uit Nederland terug. De verklaring wegens de toetreding tot de gewapende onzijdigheid zond Engelands regeering ongeopend aan Nederlands gezant te Londen, graaf van Weideren, terug, die nu insgelijks naar zijn vaderland vertrok. Op dit alles volgde onverwijld Engelands oorlogsverklaring aan de Zeven Gewesten in \'t laatst van 1780.

Na het bovenstaande zijn de gronden dezer oorlogsverklaring niet ver te zoeken. Opmerkelijk is het, dat van Nederlands aansluiting bij de Noordsche mogendheden, ongetwijfeld een, zoo niet de hoofd-oorzaak, waarom Engeland den vrede verbrak, geen woord in het stuk is te vinden. Des te breeder weidt de oorlogsverklaring over Amsterdams ontwerp-verdrag met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika uit. Een gegronde reden kan daarin nogtans niet worden gevonden. Dit ontwerp-verdrag, zooals men het doorgaans noemt en gelijk het ook boven werd geheeten, was eigenlijk niets anders dan een schets. Het bedoelde stuk geeft zichzelf ook geen anderen naam. Niemand kon met recht wraken, dat een lid van staat een voorloopig overleg aanging over hetgeen, bij tijd en wijle, ten nutte van de Republiek kon strekken. Let men verder op den inhoud der schets, dan ziet men, dat er niets in staat dan wat de eene handeldrijvende natie in tijd van vrede niet aan de andere kan weigeren. Van geen enkel bijzonder voorrecht voor Nederlands kooplieden is eenige sprake in het ontwerp-verdrag.

Terwijl alzoo Engeland aan Nederland den oorlog verklaarde, verstak het de Republiek van den bijstand, dien zij van de Noordsche mogendheden kon hebben erlangd. Is deze handelwijze van Groot-Britannie evenzeer af te keuren, als de hoonende manier, waarop het de regeering der Vereenigde Gewesten in de laatste jaren had bejegend, het valt echter niet te ontkennen, dat de Staten-Generaal door hun weifelende en dralende houding zichzelven in de klem hebben gebracht. Nu eens ter wille van Frankrijk een zekere verstandhouding van Nederlands ingezetenen met Engelands vijanden oogluikend toelatende, dan weder Frankrijk door toegevendheid, jegens Engeland betoond, ergerende, hebben zij den staat, van welks souve-reiniteit zij de vertegenwoordigers waren, zoo goed als weerloos aan den wrok van zijn machtigen mededinger ter zee ten prooi gelaten.

-ocr page 334-

312

Rusland en de overige mogendheden der gewapende onzijdigheid wachtten zich zorgvuldig Nederland de ondersteuning te bieden, waartoe zij zich, krachtens de letter van \'t verdrag, thans niet gehouden achtten. Of Panin er toe genegen ware geweest, is onzeker; maar op dat oogenblik had niet hij, doch Potemkin (^4r- Geschied., III, 7de druk, blz. 199), die zeer Engelschgezind was, den meesten invloed aan het Russische hof. Was het alzoo Engelands gezant in Rusland niet gelukt Nederland buiten het verbond te sluiten, zijn pogingen om dit doel te bereiken waren toch op verre na geenszins zonder vrucht geweest.

§ 32-

De oorlog van Engeland en Nederland. — De geschillen der Republiek met Jozef II. — De binnenlandsche oneenigheden en de komst der Pruisen.

Zoo was dan de Republiek met gebonden handen en voeten aan Engelands willekeur overgelaten. Hoe prijzenswaardig het is de eer van zijn land te willen ophouden, de regenten hadden niet bedacht, dat, indien men de middelen er niet toe heeft, men gevaar loopt, de eer willende handhaven, niets dan oneer te behalen. Het was Engeland geenszins onbekend, dat \'s lands kusten niet beschut waren tegen bui-tenlandsch geweld; dat het getal der oorlogschepen in geen vergelijking kwam niet dat van Groot-Britannie; dat er groote schaarschheid was van scheepsvolk, officieren en onderofficieren, van geschut, enz. Was het voor de regeering der Republiek hard geweest den hoogen toon en de smadelijke bejegening van Engeland te verduwen, die oneer zou den naarstigen land- en koopman, den stillen burger niet hebben getroffen. Het was zeker onaangenaam ter wille van Engelands willekeurige verklaring den handel in hout en scheepsbehoeften te staken, doch beter dat te doen dan alle andere takken van handel onmogelijk of onvruchtbaar te maken. Dit is intusschen zeker, dat de slechte toestand van het zee- en krijgswezen niet kan worden geweten aan den stadhouder, noch aan den raad van state. Sedert den vrede van Aken had de laatste, sedert zijn meerderjarigheid de prins niet opgehouden er op aan te dringen, dat men voorzag in \'t geen voorziening behoefde. Alleen de onderlinge oneenigheid en naijver der gewesten, gevoegd bij den tragen gang der beraadslagingen van de stemhebbende leden van staat, droeg de schuld van het noodlottig verschijnsel.

Weldra bespeurde men, hoezeer Engeland, in weerwil der vele vijanden, die het reeds had te bestrijden, in staat was de Republiek nadeelen toe te brengen. Het algemeen gevoelen der natie, die zich nog altijd vleide ter zee even machtig te zijn als in de dagen van de Ruiter en Tromp, bleek thans een droombeeld te wezen. Volgens zijn gewoonte richtte Engeland zijn wraak terstond tegen de Nederland-

-ocr page 335-

313

sche schepen, die, van niets wetende, rustig naar het vaderiand stevenden. Op het einde van Januari 1781 waren reeds 200 koopvaardijschepen, met een waarde van 15 millioen beladen, in de Engelsche havens opgebracht. In West-Indië, dat weerloos was, vermeesterde de Engelsche admiraal Rodney bovendien eenige honderden koopvaardijschepen. Alsof de buit al niet groot genoeg ware, misleidde hij, op St. Eustatius de Nederlandsche vlag een tijdlang latende waaien, nog een aantal dier vaartuigen en lokte door dien lagen kunstgreep ook deze schepen in \'t verderf. Van Nederlands bezittingen vielen St. Eustatius, St. Martin en Saba, alsmede de kust van Guinea in handen der En-gelschen, terwijl Berbice, Demerary en Essequïbo zich vrijwillig onder hun hoede stelden. Verbazend was de schat, die den overwinnaar op St. Eustatius in handen viel, behalve 3,000,000 gl. zooveel oorlogsbehoeften en koopwaren, dat men het in de pakhuizen niet had kunnen bergen. De drie genoemde eilanden werden nog in \'tzelfde jaar, 1781, door de Franschen hernomen en aan de Staten-Generaal teruggegeven. Eveneens heroverden de Franschen in 1782 Berbice, Demerary en Essequïbo en namen deze streken voor Nederland in bewaring. In Oost-Indië bemachtigde Engeland in 1781 en 82 Negapatnam (in Voor-Indie, ten z. van Madras) en andere streken. Dat de Kaap niet hetzelfde lot trof verhoedde wederom Frankrijk. In Nederland zelf durfde een der Engelsche kapers, die den visschers hun bedrijf bijna onmogelijk maakten, Scheveningen in 1781 beschieten. Is het te verwonderen, dat de Nederlandsche handel zoo goed als stil stond, dat de beurs alom onbezocht bleef? Hoe diep het verval was toont alleen dit ééne voorbeeld. In 1780 voeren 2058 schepen onder Nederlandsche vlag door de Sond, in 1781 slechts 6. Waagden nog andere Nederlanders den doortocht , dan voeren zij onder een vreemde vlag.

Terwijl de oorlog aldus niets dan aanhoudende nadeelen opleverde, ging het uitrusten der oorlogschepen slechts langzaam voort. Vermits de vaart op de Oostzee , die zooveel onontbeerlijke scheepsbehoeften (zie blz. 177 vlg.) verschafte, niet kon stil staan, verleenden de Staten-Generaal in 1781 een konvooi aan tweeenzeventig koopvaarders, naar Petersburg, Riga en Narva bestemd. Aan het konvooi werd tevens opgedragen de schepen, die in de Noordsche havens lagen en naar het vaderland wilden terugkeeren, te begeleiden. De oorlogschepen, ten getale van vijftien, stonden onder \'tbevel van den schout-bij-nacht Joh an Arnold Zoutman, onder wien de kapiteins van Kinsbergen, Dedel, Braam en anderen dienden. Op den sden Augustus ontmoetten zij bij Dog-gersbank (in de Noordzee, ten o. van Engeland) een Engelsch konvooi, eveneens een aantal koopvaardijschepen uit de Oostzee begeleidende. Over deze vloot, slechs twaalf, maar zwaardere en beter gewapende schepen tellende, voerde de vice-admiraal Hyde Parker het bevel. Weldra geraakte het grootste gedeelte der wederzijdsche vloten, aan elke zijde zeven, met elkander slaags. Dat de Engelschen, hoewel de

-ocr page 336-

314

slag onbeslist bleef, het eerst afdeinsden verhoogde in Nederland het nationaal gevoel, terwijl men in Groot-Britannie van oordeel was, dat de Trompen en de de Ruiters nog leefden. Tal van belooningen en eerbewijzen vielen den helden van Doggersbank, die aan het vaderland niet hadden gewanhoopt, bij hun on middellijken terugkeer ten deel. In luidklinkende verzen zongen de dichters hun lof. Men kleedde zich h la Zoutmau. In \'t kort, jaren lang deed men zich aan den herboren nationalen roem te goed.

Hoe onwedersprekelijk het was, dat, voorzoover den oorlog met Nederland betreft, de voordeelen aan de zijde van Engeland waren, in Amerika zelf werd aan de krijgsmacht van Groot-Britannie menige nederlaag toegebracht [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 185 vlg.). En vermits ook de handel van dit rijk zeer leed onder de krijgsgebeur-tenissen, beijverde George III zich den oorlog ten einde te brengen. In Januari 1783 sloot Engeland met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, met Frankrijk en met Spanje den vrede van Versailles {Algem. Geschied, III, 7de druk, blz. 187). Met Nederland werden de onderhandelingen slepend gevoerd, en allerlei telkens oprijzende bezwaren vertraagden het werk, totdat het in Mei 1784 den vrede te Parijs sloot, waarbij het Negapatnam aan Engeland afstond en aan de Engelschen de vrije vaart in de zeetin van Oost-Indië vergunde, maar zijn overige bezittingen terugkreeg. Reeds vroeger, in 1782, hadden de Staten-Generaal Adams, te dien einde door de Veraenigde Staten van Noord-Amerika naar Nederland gezonden, openlijk als gezant dier Staten erkend.

Te midden van den oorlog met Engeland, in 1781, werd Nederland verrast door een bezoek van keizer Jozef II, die onder den naam van „graaf van Falkensteinquot; de Zuidelijke Nederlanden doorreisde en bij die gelegenheid een uitstapje naar Holland en Utrecht deed. Terwijl hij te Antwerpen vertoefde, kreeg hij een verzoek van de inwoners dezer stad om uit te werken, dat de Schelde werd geopend. Velen hier te lande hadden gevreesd, dat hij van de tijdsomstandigheden gebruik zou hebben gemaakt om de Republiek tot de inwilliging dezer aanvraag te noodzaken. Doch hij wees het verzoek voorloopig van de hand. Geheel zonder gevolgen bleef de reis nogtans niet. Op zijn tocht door de Zuidelijke Nederlanden den vervallen toestand der barrièresteden (zie blz 273, 297) hebbende opgemerkt, besloot hij ze geheel te ontmantelen. Overeenkomstig dit besluit liet hij de Staten-Generaal weten, dat hij verlangde, dat die vestingen door het krijgsvolk der Republiek werden ontruimd. Ofschoon de staten het vreemd vonden, dat daartoe alleen zou worden overgegaan, omdat de keizer het wenschte, in plaats van na voorafgegane onderhandelingen, voldeden zij nog in 1781 aan zijn verlangen door hun troepen terug te ontbieden. Geheel ongerijmd was evenwel de ontruiming niet. Het verdrag van de barrière was gesloten met het uitzicht op een verdrag van koophandel, dat nimmer tot stand was gekomen. Nu er een vriendschappelijke

-ocr page 337-

315

verhouding bestond tusschen Oostenrijk en Frankrijk, was, meende Jozef, de barrière nutteloos. In allen gevalle had zij de Nederlanden nooit eenigen dienst gedaan.

Bij de ontruiming der barrière bleef het in dat jaar; maar in 1783 rezen er op nieuw geschillen tusschen Jozef II en de Staten-Generaal. In de eerste plaats liepen zij over het begraven van een Nederlandsch soldaat in het dorp de Doel (ten n. van Liefkenshoek), hetwelk volgens de voorheen gesloten verdragen aan Nederland behoorde, doch tot hiertoe door dezen staat nog niet in bezit was genomen. Vervolgens maakten \'s keizers troepen zich meester van een paar kleine forten aan de Schelde. Van weerszijden benoemde men nu afgevaardigden om de grensscheiding te regelen en de geschillen te vereffenen. Het bleek, dat Jozef niet gemakkelijk was te bevredigen. Benevens eenige streken lands eischte hij de stad Maastricht met haar gebied en de de vrije vaart op de Schelde. Maastricht vorderde hij op grond eener overeenkomst, in 1673 gesloten, waarbij de Staten-Generaal beloofden deze stad, die toen in handen van Lodewijk XIV was, zoo zij weder in hun macht kwam, aan Spanje te zullen afstaan. Jozef vergat, dat de Spaansche Nederlanden niet bij erfenis, maar bij verdrag aan Oostenrijk waren gekomen. De Staten-Generaal achtten deze vorderingen overdreven en riepen het hof van Frankrijk als middelaar of scheidsrechter in. Nog eer de afgevaardigden hun beraadslagingen hadden geopend, trachtte een oorlogschip, onder Oostenrijksche vlag uit Antwerpen de Schelde afvarende, in 1784 zich aan het onderzoek van den uitlegger, die bij Lillo lag (zie blz. 174), te onttrekken. Doch het schip kreeg van een Nederlandsch oorlogschip de volle laag, draaide toen bij en werd in bewaring genomen, maar kort daarna weder ontslagen. De last van Willem V om kanon, noch geweer te gebruiken kwam te laat.

De keizer, dit schieten op zijn vlag als een oorlogsverklaring aanmerkende, vaardigde het bevel uit een aanzienlijk leger naar de grenzen der Republiek te doen oprukken. Van hun kant rustten ook de Staten-Generaal zich ten oorlog. Tevens sloten zij in November 1784 een nauw verbond van vriendschap en handel met Frankrijk, hetwelk alle beperkende (zie blz. 307) bepalingen weder ophief. Bovendien schreven de staten der provinciën een algemeene wapening van de ingezetenen van \'t platteland voor, hoedanige wapening, om een andere reden, beneden te vermelden (zie blz. 318), in de meestesteden reeds vroeger had plaats gegrepen. Inmiddels werden te onderhandelingen voortgezet en in 1785 door den vrede te Fontainebleau tot zulk een einde gebracht, dat de oorlog achterwege bleef. De hoofdvoorwaarden, waarop de vrede tusschen de Staten-Generaal en keizer Jozet werd hersteld, waren, dat deze vorst van zijn eischen afzag, mits hem de forten Lillo en Liefkenshoek werden afgestaan en een som van 9} millioen uitgekeerd. Van deze 9.} millioen nam Frankrijk 4^ voor zijn rekening, waarvan het evenwel metterdaad slechts een gedeelte betaalde. Ter

-ocr page 338-

316

Staten-Generaal ging de vrede met een meerderheid van vier gewesten, Holland, Utrecht, Overijsel en Groningen, door.

Ook deze zwarigheden kwam \'s lands regeering alzoo te boven, al was het dan niet zonder opofferingen. Moeielijker was het de binnen-landsche geschillen, die bij de rampen, welke den staat van buiten troffen, steeds heviger werden, bij te leggen. Met den aanvang van den oorlog tegen Engeland begon de ontevredenheid zich weder te openbaren. Evenals vroeger de gouvernante, werd de stadhouder eerst beschuldigd van Engelschgezindheid, omdat hij had getracht de vredebreuk tegen te houden. Vervolgens verweet men hem en den hertog van Brunswijk den weerloozen toestand des lands en de traagheid, die in alle deelen van het bestuur heerschte. Zoo gezien de hertog gedurende het tijdvak van zijn regentschap was geweest, zoo gehaat begon hij van 1766 af hoe langer hoe meer te worden. Behendig naar de gunst der staatsgezinden strevende en, door den prins aan den leiband te doen loopen, hem belettende krachtig deel te nemen aan het bewind, vestigde en vergrootte hij voortdurend zijn eigen invloed. Dat hi: een vreemdeling en steeds zeer bevriend was met den Engelschen gezant Yorke strekte natuurlijk niet om den afkeer, dien men van hem had, te doen afnemen. In 1781 achtten de burgemeesters van Amsterdam het geraden bij Willem V op de verwijdering van den hertog asm te dringen. De prins, voor niets meer bezorgd dan voor \'t verlies zijner erfelijke rechten en naijverig op de minste inbreuk op zijn gezag, nam den voorslag zeer euvel op. Nog meer gevoelde de hertog zich door het voorstel gekrenkt. Hij wendde zich tot de Staten-Generaal, verzoekende te worden gezuiverd van de verdenkingen, op hem rustende, alsof hij misbruik maakte van zijn gezag en de oorzaak was van \'s lands rampzaligen toestand. Het onderzoek, door gemachtigden uit de Staten-Generaal ingesteld, sprak hem van alle blaam vrij. Daarmede geenszins tevreden, verlangde hij ook door de staten der bijzondere gewesten te worden gerechtvaardigd. Lang werd hierover geraadpleegd, en, zooals het veelal ging, in tweederlei zin. Intusschen bleven vele leden van staat het voor wenschelijk houden, dat de hertog zich geheel aan de regeering onttrok.

Gedeeltelijk voor den drang wijkende, begaf de hertog zich in 1782 naar \'s Hertogenbosch, van welke vesting hij gouverneur was. Deze toegevendheid was evenwel niet voldoende om het vermoeden tot zwijgen te brengen, dat hij te veel invloed had op den gang der zaken. En sinds in 1784 het geheim van \'t bestaan der akte van consulentschap (zie blz. 303) werd verbroken en de inhoud van dit geschrift alom bekend werd, rustte men niet, eer men van den gehaten vreemdeling, van den „dikken hertog,quot; was ontslagen. Doch aleer de provinciën eenstemming waren geworden over den voet, waarop zij hem zouden ontslaan, nam hijzelf zijn ontslag en vertrok in \'tzelfde jaar uit den lande. Zijn heengaan was geen ongeluk voor de Republiek. Als vreemdeling en geheel doortrokken met denkbeelden van alleen-

-ocr page 339-

317

heerschappij, was hij ongeschikt om een weldadigen invloed te oefenen, hetzij op den prins, hetzij op de regenten.

Het werd intusschen weldra duidelijk, dat zij, die meenden in den hertog den oorsprong aller oneenigheden te moeten zoeken, dwaalden. Hoewel zijn vertrek als een gelukkige gebeurtenis mocht worden beschouwd, werd de eendracht er op verre na niet door hersteld. Het getal van hen, die, instemmende met de wijsgeerige begrippen van Price en andere Engelsche schijvers, van Montesquieu, Rousseau, enz. (zie blz. 306), aan het volk meer invloed op de regeering wilden toekennen , groeide aan. Bij elke voorkomende gelegenheid bestreed bovenal van der Capellen tot den Poll (zie t. a. p.) de menigvuldige misbruiken, in het bestuur ingeslopen, met kracht en hevigheid. Tot 1778 deed hij dit inzonderheid in de vergaderingen der staten van Overijsel. In dit jaar diende hij bij die staten een vertoog in, strekkende tot afschaffing van een overblijfsel der lijfeigenschap, n.1. van de drostendiensten (zijnde heerendiensten, op eenige weinige dagen in \'t jaar voor den drost te verrichten, maar voor een kleine geldsom af te koopen). Daarop verzochten die staten hem wegens een paar uitdrukkingen, die zij in het stuk afkeurden, zich van het bijwonen hnnner vergaderingen te onthouden. Die uitsluiting duurde tot 1782, toen van der Cappellen op verzoek der staten weder ter vergadering verscheen. En in het volgend jaar zag hij zijn wensch vervuld, toen de staten van Overijsel, met goedvinden der meerderheid, openlijk lieten afkondigen, dat de drostendiensten in dit gewest voor immer waren afgeschaft.

Zoolang dit geschil hing, openbaarde zich, gelijk in de zaken, rakende den oorlog met Engeland en den hertog Brunswijk, de spanning der gemoederen door een groot aantal vlugschriften. Vele dier geschriften waren van schandelijken en eerroovenden aard. Met hen wedijverden dag- en weekbladen, b.v. de Politieke kruier, in buitensporigheid van taal en terzijdestelling van alle gematigdheid. Hooger stond de Post van den Neder-Rijn, geschreven door \'tHoen. Meer dan eens is in den gang van dit verhaal op de gebreken van den regeeringsvorm, als op de oorzaak van vele der bestaande oneenigheden en der rampen, die het land troffen, gewezen. Zooals het pleegt te gaan werden die gebreken vaak geweten aan de personen, die op den voorgrond stonden. Nooit had men echter in dit land zulke hatelijke aanvallen tegen personen beleefd als die, welke men thans zag. Inzonderheid was het de stadhouder, tegen wien men zich richtte. Juist hij, die eigenlijk geen eerste rol speelde en die het doorgaans bij vertoogen en brieven ter zijner verdediging liet berusten, werd verantwoordelijk gesteld voor hetgeen men afkeurde. Toen in 1782 \'s lands vloot reeds weken lang werkeloos bij Texel lag en, na te zijn uitgezeild, onverrichter zake weder binnenviel, schoven velen de schuld van dit onverklaarbare verschijnsel op Willem V. Hetzelfde geval deed zich voor, toen in \'t zelfde jaar geen gevolg werd gegeven aan het voorstel van den Franschen

-ocr page 340-

318

gezant, den hertog de la Vauguyon, dat tien van de oorlogschepen der Republiek naar Brest zouden varen ten einde zich met de Fransche vloot te vereenigen en zóó gezamenlijk aan Engeland afbreuk te doen.

Sedert het begin van \'t jaar 1783 toonden bovenal twee verschijnsels, alom meer en meer voorkomende, hoezeer de gisting der gemoederen in de Republiek aangroeide. In de meeste gewesten begon zich bij de vroedschappen der steden het streven te openbaren om den stadhouder het recht der verkiezing van de leden der regeering te betwisten, of althans om bij het opmaken der voordrachten op \'s prinsen lijsten van aanbeveling niet te letten. Verder richtte men in vele steden, met goedvinden der vroedschappen, exercitie-genootschappen of vrijkorpsen op, uit burgers, de staatsgezinde partij toegedaan, bestaande, die zich vlijtig in den wapenhandel oefenden. Een dergelijk genootschap te Utrecht nam de zinspreuk aan „pro patria et libertate,quot; d. i. voor het vaderland en de vrijheid. Wat het wilde werd vrij duidelijk aangewezen door een zijner vaandels, waarop men een arm zag met een olijftak en achter dien olijftak een zwaard in de vuist, met het bijschrift „ad utrumque paratus,quot; d. i. bereid zoowel tot het eene als tot het andere. Van hun zijde besnoeiden de staten der gewesten, behalve die van Gelderland, de macht van den stadhouder over het krijgswezen door hem in 1783 de bevoegdheid te ontzeggen op hun gebied een krijgsraad bijeen te roepen. In \'t volgende jaar vermeerderde het bevel der wapening van \'t platteland (zie blz. 315) de moeielijkheden, welke, nu de oorlog met Jozef zoo goed als verklaard was, bij den onvoldoenden toestand der vestingen en van het landleger, reeds zeer groot waren. In vele dorpen grepen te dier zake oproerige tooneelen plaats, daar de landlieden zeiden wel te willen exerceeren voor den prins, maar niet voor de staten.

Eveneens werden hier en daar in de steden, inzonderheid te Rotterdam en te Arnhem, gewelddadigheden gepleegd en hadden er zelfs vijandelijke ontmoetingen plaats tusschen de soldaten en de leden der vrijkorpsen. Hoe meer de groote menigte er behagen in schepte door het dragen van Oranjelint en andere leuzen haar gevoelen aan den dag te leggen, des te ijveriger waren de regenten der Republiek er op uit den stadhouder alles te ontnemen, wat hem van andere dienaren van den staat onderscheidde. In Februari 1785 verboden de staten van Holland het dragen van Oranjelinten en kokarden of van welke leuzen van partijschap ook, gelijk zij werden genoemd, insgelijks het roepen van „Oranje bovenquot; of het aanheffen van andere dergelijke kreten. In September van dat jaar hadden er te \'s Gravenhage eenige tooneelen van openlijke opschudding plaats, waarbij een burger dezer stad door een lid van een exercitiegenootschap licht werd gewond. Daarvan in kennis gesteld, droegen de staten van Holland aan hun gecommitteerde raden op door de bezetting van den Haag op zekere uren renden te laten doen. Op deze en andere wijzen beperkten zij het gezag van

-ocr page 341-

319

Hollands kapitein-generaal, als bevelhebber van de bezetting der stad, zonder hem zelfs van deze nieuwe bepalingen te verwittigen. Weldra volgde een ander besluit derzelfde staten, met een kleine meerderheid genomen, waarbij zij den stadhouder het recht om het wachtwoord te geven ontzeiden en hem aldus het bevel over het garnizoen van \'s Gravenhage ontnamen. Vervolgens veranderde men de vaandels van Hollands lijfwacht te voet in dier voege dat de souvereiniteit der staten er uit bleek. Het bevel werd uitgevaardigd, dat de troepen, liggende in de hoofdwacht, voor de leden der staten en zelfs voor den raadpensionaris in \'t geweer moesten komen en hun de volle krijgseer bewijzen. Eindelijk werd gelast, dat de stadhouderlijke poort, alsmeds de overige poorten van het Binnenhof gedurende de vergadering der staten ten dienste van de leden dier staten geopend zoudeu blijven. Met dien naam „stadhouderlijke poortquot; werd de westelijke poort van het Binnenhof bedoeld, die vroeger \'s graven poort heette. Oudtijds mocht niemand dan de graaf, en, sinds hij niet meer in Holland woonde, zijn plaatsvervanger, de stadhouder, door deze poort rijden.

Nu was in \'t oog van den prins de maat vol gemeten. Nog vóór het eind van het jaar 1785 verliet hij met zijn gezin \'s Gravenhage, bezocht Friesland, Groningen en Drente en vestigde zich vooreerst op het Loo, later te Nijmegen. Bij een bezoek, dat hij eenigen tijd daarna in \'t zelfde jaar aan Rotterdam bracht, overtraden sommige personen, o.a. Katharina Mulder, gewoonlijk, omdat zij de mosselen keurde, Kaat Mossel geheeten, de verordeningen aangaande het luidruchtig uiten der gevoelens van genegenheid voor het huis van Oranje-Nassau. Te dier zake vervolgd, werd zij door den advocaat Bilderdijk verdedigd, voorloopig te \'s Gravenhage in hechtenis gehouden, maar bij de omwenteling van 1787 ontslagen. Deze zaak, hoeveel gerucht zij ook maakte, was evenwel slechts een kleinigheid in vergelijking met een paar gebeurtenissen van \'t jaar 1786. Onder hen, die toen ter vergadering van de staten van Holland waren afgevaardigd, behoorden Ocker Gevaerts en Cornelis de Gijselaar (zie blz. 304), gene burgemeester, deze pensionaris van Dordrecht. De kortste weg van het huis, waar de afgevaardigden van Dordrecht hun intrek namen , naar de vergaderplaats der staten voerde door de stadhouderlijke poort. Toen nu die beide heeren in Maart 1786 hierdoor reden om zich naar de vergadering te begeven, was er een groote menigte volk samengeschoold, die het met blijkbaren nijd en met zucht om het te beletten aanzagen. Zij, die in dit bedrijf voorgingen, waren Hess, een winkelier, en een pruikmaker, Mourand geheeten. Zoodra de vergadering uiteenging en de heeren van Dordrecht langs denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen, terugkeerden, trachtte de opeengepakte drom hun onder een vervaarlijk geschreeuw den doortocht door de poort te verhinderen. Mourand, wien een dolle drift uit de oogen straalde, vloog op de paarden aan en greep de teugels om de koets te doen

-ocr page 342-

320

keeren. Ware de drost met zijn dienaren niet toegeschoten, de pruikmaker zou wellicht zijn doel hebben bereikt. Thans werd het rijtuig ontzet en vervolgden de heeren van Dordrecht hun weg. Mourand werd in hechtenis genomen en, overeenkomstig een besluit der staten, door gecommitteerde raden gevonnist. Hess en andere medeplichtigen onttrokken zich door de vlucht aan de vervolging. Een aanslag, eeni-germate gelijk aan dien op de gebroeders de Witt, maar tegen meer dan twee personen gericht, was het, nu verijdelde, opzet der misdadigers. De euveldaad werd aangemerkt als majesteitsschennis en Mourand ter dood veroordeeld. Doch op voorspraak van de beleedigde partij werd het vonnis des doods in dat eener eeuwigdurende gevangenschap veranderd. Bij de omkeering in 1787 kwam evenwel Mourand reeds weder op vrije voeten.

Het tooneel van de andere gebeurtenis, die in \'t zelfde jaar, 1786, voorviel, was Elburg en Hattem. Reeds sedert een paar jaren hingen in die steden geschillen tusschen de gemeenslieden (zie blz. 109 en 270) en de meerderheid der vroedschap. In bijzonderheden was er verschil tusschen de twistpunten te Elburg en die te Hattem. Te Elburg kwamen zij hoofdzakelijk hierop neer, dat de gemeensmannen o.a. op de verkiezing der gedeputeerden naar den landdag een zekeren invloed wilden oefenen, dien de meeste leden der vroedschap hun betwistten. Te Hattem liep het geschil voornamelijk over personen, inde vroedschap gekozen, tegen welke de gemeensmannen bezwaren hadden. Ook verzette zich de gemeente in de beide steden, door een deel der leden van de regeering gesteund, tegen een afkondiging der staten van Gelderland, waarin het inzenden van adressen over dergelijke punten tot binnen zekere perken werd verboden. Diezelfde staten, met de beide steden overhoop liggende, waren verbolgen over uitdrukkingen, voorkomende in verzoekschriften, onderteekend door verscheiden burgers dier steden, waarin werd gewaagd van de souvereiniteit des volks. Alzoo gelastten zij met meerderheid van stemmen den stadhouder, krijgsvolk naar Hattem en Elburg te doen oprukken en bezetting in die steden te leggen. Het geschiedde, en vele regeeringsleden en personen dezer steden vluchtten naar Kampen of elders. Kort daarna werden tegen de hoofdpersonen der beweging zware vonnissen geveld. Geweldig was de indruk, dien hetgeen in Gelderland gebeurde op de regenten en op de bevolking der overige gewesten maakte. Op de tijding van het binnenrukken der troepen te Elburg en te Hattem ontsloegen de staten van Holland de soldaten, ter hunner repartitie staande, van den eed aan hun kapitein-generaal, hem dus in dit ambt schorsende, en onthieven den raadpensionaris van de verplichting om in gemeenschappelijk overleg met den stadhouder te handelen (zie blz. 261).

Sinds 1783 hadden er te Amsterdam jaarlijks bijeenkomsten plaats ■ van regenten uit de verschillende provinciën. Zij waren den alouden regeeringsvorm met zekere wijzigingen ter beperking van de macht des

-ocr page 343-

321

stadhouders toegedaan. „Grondwettige herstellingquot; der Republiek was hun leus. Het waren gematigde patriotten. Daarentegen was Utrecht de zetel van het element der hevigste patriotten, die de volksheerschappij voorstonden. De burgerij dezer stad noodzaakte de overheid zich geheel naar haar te voegen en zette ze weldra af. Daar hielden de schuttersgenootschappen uit het gansche vaderland eenige jaren lang vergaderingen, waarin zij spraken over de middelen om hun zaak te doen zegevieren. In de vergadering der staten van dit gewest rees de verdeeldheid zoo hoog, dat zij zich in twee partijen verdeelden, waarvan de eene te Utrecht, de andere te Amersfoort bijeenkwam, terwijl de verordeningen , door de beide vergaderingen uitgevaardigd, dikwijls met elkander in volslagen strijd waren. Hetzelfde greep plaats in Friesland. In Zeeland behoorde het meerendeel der regenten tot de prinsgezinden: ook zij verklaarden den alouden regeeringsvorm te willen handhaven, doch zonder er naar te streven om inbreuk te maken op het gezag des stadhouders.

Jammerlijk was voorwaar de toestand des vaderlands. Thans zag men het tegendeel van de macht, die de eendracht gaf. Alle gewesten leverden overvloedige voorbeelden van de meest ingewikkelde en netelige burgergeschillen op. Zij waren het tooneel van de schrome-lijkste verwarring. Er was oneenigheid tusschen de Staten-Generaal en de staten van Holland, oneenigheid tusschen deze staten en die van Gelderland. Onbeschrijfelijk waren de haat en de partijschap, die in het anders zoo rustige Nederland alom blaakten. Men wendde zich tegen de personen in plaats van in de zaken te wraken hetgeen verkeerd was. Talloos waren de schot- en lasterschriften, de spotprenten en blauwboekjes. Men vergeleek den stadhouder met een Nero en een Alva en stelde Philips II boven hem. Ook de gematigde patriotten zagen met zorg de toekomst te gemoet.

Bij alle partijen scheen het een uitgemaakte zaak te zijn, dat de redding van elders moest komen. De patriotten rekenden op Frankrijk, de stadhouderlijke partij wendde haar oogen naar Engeland of naar Pruizen. Nog bij het leven van Frederik II had de regeering van Pruisen reeds hare afkeuring betuigd van sommige beperkende bepalingen, ten aanzien van de macht des stadhouders vastgesteld. Met meer ernst nam Frederik Willem II, zijn opvolger, de taak ter hand om ten behoeve van zijn schoonbroeder Willem V als middelaar op te treden. Hij zond te dien einde den graaf van Goertz als buitengewoon gezant naar de Republiek, die weldra in onderhandeling trad met de Rayneval, tot hetzelfde doel en in dezelfde hoedanigheid van wege Frankrijk overgekomen.

Hun voorslagen werden gedaan niet aan den prins, maar aan de prinses, die zich in dezen tijd over \'t geheel veel met staatszaken inliet, zoodat er aan \'t hof twee partijen waren. Zij had een eigen kring van aanhangers en een eigen opvatting der middelen van herstel, zeer vaak geheel afwijkende van die van Willem V, die, van zijn kant, er steeds op uit was zijn gemalin buiten de zaken te houden. Voor

Wijnne, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 21

-ocr page 344-

322

\'t overige leidden de onderhandelingen tot niets. En vermits de gewesten het eigenlijk oneens waren over de vraag, of de bemiddeling zou worden opgedragen aan Frankrijk alleen, dan wel aan de drie buiten-landsche mogendheden, bleef ook dat weder een onafgedane zaak.

Niet alleen de buitenlandsche mogendheden beproefden de geschillen bij te leggen. Insgelijks helden vele regenten tot een verzoening met den stadhouder over. Te Amsterdam hief de regeering de exercitiegenootschappen op en stelde grenzen aan de vrijheid der drukpers. Zoowel zij als de vroedschap van Rotterdam zond afgevaardigden naar den stadhouder om met hem in overleg te treden. Maar het overleg werd verijdeld door een volksbeweging, die in de beide genoemde en in andere steden van Holland andere personen, de democratische beginselen toegedaan, in de regeering bracht. Deze lieden maakten nu de meerderheid in Hollands staten uit. Bezorgd voor de veiligheid van hun gewest, droegen deze staten de verdediging er van op aan vijf regenten uit verschillende steden, de commissie van defensie geheeten, die zich te Woerden vestigde. De bevoegdheid dezer commissie reikte zeer verre: zij mocht over het krijgsvolk, over de magazijnen en over groote geldsommen beschikken. Weldra bracht zij Holland in een geduchten staat van verdediging. Zij werd in haar bedoelingen ondersteund door een gewapend korps, vliegend legertje genoemd, hetwelk de gansche provincie doortrok om de stadhoudersgezinde landlieden in toom te houden en de schutterijen of exercitiegenootschappen bij te staan in \'t veranderen der regeering. Behalve dit Zuid-Hollandsche vliegend legertje was er nog een ander in Noord-Holland.

Zóó was dan alles rijp voor een uitbarsting. De lont ontbrak niet, die het kruit zou doen ontvlammen. In Juni 1787 begaf de prinses zich met een klein gevolg uit Nijmegen op reis naar \'s Gravenhage. Haar oogmerk was door haar verschijning te midden van de bevolking dier stad de volksmenigte in geestdrift te doen ontvlammen en \'s prinsen vijanden ontzag in te boezemen ten einde alzoo een omwenteling te weeg te brengen. Met behulp der aanhangers van het huis van Oranje-Nassau hoopte zij, onder verwijzing naar de verplichting van den stadhouder om de rechten aller ingezetenen der Republiek te beschermen, den staten van Holland de macht, die zij in de laatste jaren aan zich hadden getrokken, weder te ontrukken en den stadhouder in zijn gezag te herstellen. De stadhouder zelf was tot dergelijken stap niet te bewegen geweest, tenzij hij werd uitgenoodigd door de Staten-Generaal of door de staten van Holland. Alzoo beproefde zijn gemalin het. Ten o. van Gouda lag een sluis, de Goejanverwelles luis genoemd. Zij ontleende haar naam aan iemand. Jan Verwelle geheeten, die wegens zijn persoonlijke eigenschappen „de goedequot; werd genoemd en deze sluis had gebouwd. Bij die sluis gekomen, werd de prinses tegengehouden door eenige manschappen van het vrijkorps van Gouda, daar op wacht staande. Vervolgens verzocht de commissie van

-ocr page 345-

323

defensie, zich terstond daarheen spoedende, haar niet dieper in Hoüand door te dringen. De handelwijze dezer commissie keurden de staten van Holland, zoodra zij er van waren onderricht, goed. Het geval, op zichzelf van weinig beteekenis, werd door de prinses hoog opgenomen. Beiden, de prins, en de prinses, betuigden hun gevoeligheid aan de staten van Holland en aan de Staten-Generaal. Van de gewesten keurden Gelderland, Zeeland, Friesland en Utrecht het gedrag van Holland af.

De koning van Pruisen liet op staande voet door zijn gezant Thule-meijer een schitterende voldoening eischen voor de beleediging, zijn zuster, en dus hem, aangedaan. Zij werd niet gegeven. Inmiddels hoopten de staten van Holland op bijstand van Frankrijk, welks gezant, de markgraaf de Vérac, in den laatsten tijd over alle maatregelen van eenig gewicht was geraadpleegd. Welhaast moesten de patriotten ondervinden, dat zij te veel op die mogendheid hadden gerekend, welke zich bepaalde tot het heimelijk zenden van slechts eenigen onderstand in geld en in troepen. Frankrijks regeering durfde zich ter wille van de Republiek niet wagen aan de kans om in oorlog te geraken met Pruisen en met Engeland tegelijk. De gisting van de gemoederen der bevolking van dit rijk en geldgebrek verwekten de regeering van Lodewijk XVI te groote moeilijkheden, dan dat zij er aan konde denken Engeland te trotseeren, hetwelk verklaarde, dat het eiken stap om Pruisens tusschenkomst te weren als een oorlogsverklaring zou aanzien. Alzoo had Frederik Willem II vrij spel. Op zijn last rukte Karei Willem Ferdinand, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, een neef van Lodewijk Ernst (zie blz. 299), de Nederlanden met een leger van ongeveer 20,000 man binnen. De troepen trokken door Gelderland, welks staten hun zeer de behulpzame hand boden, op Utrecht af. Hier voerde, in naam der staten van Holland, de Rijngraaf van Salm het bevel. De staten, die een onbepaald vertrouwen in hem stelden, schandelijk teleurstellende, verliet hij smadelijk de stad, die terstond door de Pruisen werd bezet, en vlood vervolgens uit het land. De eenige stad, die nog tegenstand bleef bieden, was Amsterdam. Maar kort nadat zij door de Pruisen was aangegrepen, begreep zij, dat het beter was voor den storm te wijken, en gaf zich op zekere voorwaarden over, o.a. op deze, dat de poorten der stad door de Pruisen zouden worden bezet.

In een oogwenk was de omwenteling voltrokken. Binnen den kortst mogelijken tijd gaf men aan alles de vorige gedaante terug. De staten van Holland trokken de besluiten, waardoor de macht des stadhouders was verkort, in en gaven hem het bevel over de bezetting van \'sGra-venhage weder. Zij noodigden hem uit naar deze stad terug te keeren. De commissie van defensie en alle vrijkorpsen en exercitiegenootschappen werden opgeheven, de vliegende legertjes ontbonden. Der prinses gewerd de voldoening, die zij vroeg: achttien hoofden der patriotten, onder hen de leden der commissie van defensie, werden van

21*

-ocr page 346-

324

alle ambten ontzet en voor immer van haar persoon verwijderd. Dat de Gijselaar en van Berckel onder de achttien waren zal niemand bevreemden. Verder verzochten de staten der verschillende gewesten den stadhouder, zooals bij de vorige omwentelingen steeds was gebeurd, in de steden de wet te verzetten. De raadpensionaris van Bleiswijk (zie blz. 309), die zich meer had laten leiden, dan zelf leidsman was geweest, trad af en werd in 1787 vervangen door Laurens Pieter van de Spiegel, tot dusver raadpensionaris van Zeeland. Hij was een groot staatsman, die een uitstekende kennis bezat van staatsrecht en van geschiedenis, tevens zeer ervaren in het financiewezen. Fel was de wraak, welke de zegevierende partij zich op vele plaatsen, vooral te \'s Hertogenbosch, tegen de patriotten veroorloofde. Berucht zijn bovenal de gewelddadigheden, reeds vóór de komst der Pruisen, in den zomer van \'t jaar 1787 te Middelburg tegen de personen en de huizen van eenige patriotten gepleegd. In vele steden waren de Pruisen bereidvaardige dienaars dier wraakoefeningen. De patriotten werden in hun personen aangerand, in hun goederen en bezittingen benadeeld. De stad Franeker werd door de staten van Friesland veroordeeld tot het verlies harer poorten, welk vonnis in den herfst van \'t genoemde jaar werd ten uitvoer gelegd. Het „ontpoortenquot; bestond hierin, dat mende poorten en de hekken der stad in de kerk bracht, ze met ketens aaneenhechtte en deze ketenen met zware sloten voorzag. Niets was er evenwel, dat een volkomen verzoening meer in den weg stond dan de wijze, waarop een amnestie werd uitgevaardigd. In Holland, in Gelderland, in Utrecht en in Friesland kondigde men er een af, doch met zoovele uitzonderingen, dat zij dien naam niet verdiende. De graad van gematigdheid, waarmede men te werk ging, hing geheel van de denkwijze der leden van de staten af. Daarvan was het gevolg, dat de reeks der reeds uitgeweken patriotten nog werd vermeerderd met een groot aantal van hen, die door een rechterlijk vonnis werden getroffen of die zich, ook zonder dat, niet veilig rekenden. Aanmerkelijk is het cijfer van hen, die het vaderland verlieten en zich, voor een goed deel, in de Zuidelijke Nederlanden en in Frankrijk vestigden, al bedroeg het geenszins 42,000, zooals hier en daar wordt vermeld.

§ 33-

De val der Republiek. — Blik op den toestand des lands.

Eerst in 1788 verlieten de Pruisen, met een vrij grooten buit beladen, de Nederlanden. Op allerlei wijze zocht men den nu herstelden regeerings-vorm voor de stormen des tijds te beveiligen. Vooreerst sloot de Republiek nog in \'t zelfde jaar 1788 een verdedigend verbond met Engeland en met Pruisen, waarbij deze mogendheden het erfstadhouderschap waarborgden.

-ocr page 347-

325

Dan stelden de staten der zeven gewesten, benevens die van Drente, in \'t zelfde jaar een geschrift op, de akte van garantie, waarin zij het erfstadhouder-, kapitein-generaal- en admiraalschap voor een wezenlijk deel van den regeeringsvorm, voor een grondwet van staat verklaarden. In 1790 werd de oudste zoon des stadhouders, de erfprins Willem Frederik (zie blz. 303), tot generaal aangesteld van het voetvolk en hem zitting verleend in den raad van state. Ook aan andere blijken ontbrak het niet, die van hooge ingenomenheid met het huis van Oranje-Nassau schenen te getuigen, zoovaak de gelegenheid zich daartoe aanbood, inzonderheid in 1791, toen de erfprins in het huwelijk trad met Frederika Louise Wilhelmina, een dochter van den koning van Pruisen. Op vele plaatsen liet men het dragen van Oranje-versierselen niet aan de inspraak van \'t gemoed der burgers over, maar werd zelfs het bevel hiertoe uitgevaardigd. Uit \'s prinsen huwelijk sproten in 1792 Willem Frederik George Lodewijk, in 1797 Willem Frederik Karei, in 1809 Marianne.

Desniettemin bleek het welhaast, dat niets anders was voorgevallen, dan dat een vreemde mogendheid de stadhoudersgezinden had doen zegevieren en dat deze zegepraal de verbanning der patriotten ten gevolge had gehad. De rust — het is waar — was, doch met geweld, hersteld, niet de eendracht. Bij den omkeer der zaken had men geenszins vergeten en vergeven. Tweespalt en partijschap bleven voortwoelen. Ver-eenigingen van Oranjegezinden gaven groote ergernis en bemoeiden zich met de regeering, alzoo, in omgekeerden zin, hetzelfde doende wat tevoren de patriotten hadden gedaan, die daarom waren tegengegaan en bij scharen uit den lande gezet. Velen, voor wie het geen geheim was, dat de prinses meer bekwaamheden en inzonderheid meer karakter had dan de stadhouder, gingen voort (zie blz. 321) haar een werkdadig aandeel in de leiding der staatszaken toe te kennen. Tevergeefs poogde van de Spiegel, die dit voor den prins als vernederend beschouwde, daarin verandering te brengen. Vruchteloos was ook zijn streven om de Republiek op te beuren. De gebreken in \'t staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. Het voornaamste, dat het van de Spiegel nog gelukte tot stand te brengen, was in 1792 een nieuwe regeling der aandeelen in de algemeene lasten (zie blz. 121), volgens welke de quota van Holland en die van Gelderland iets hooger, die van Friesland iets lager en die van Zeeland meer dan de helft lager werd gesteld. De overige hervormingen , die men hem had te danken, betroffen eveneens vooral het financiewezen. Maar zijn pogingen om de vijf collegien der admiraliteit, in 1597 voorloopig geregeld (zie t. a. p.), te doen ineensmelten stuitten op de tegenkanting van verscheidene gewesten en personen af.

Terwijl de aandacht van den raadpensionaris uitsluitend was gevestigd op de middelen ter herstelling van een geregelden toestand, werd zijn bemoeiing ingeroepen ten behoeve van de Oostenrijksche Nederlanden. In deze gewesten hadden de maatregelen, welke Jozef II nam om een

-ocr page 348-

326

herschepping te weeg te brengen in alle takken van \'t beheer {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 198), in 1788 een gevaarlijk oproer doen uitbarsten. Het lot dezer landstreek stond in te nauwe betrekking tot de veiligheid der Republiek, dan dat \'s lands regenten met onverschilligheid konden aanzien, hoe de gang dier onlusten was. Bovendien had de Republiek er een bijzonder belang bij, dat de rust in de Zuidelijke Nederlanden werd gehandhaafd, omdat de vele patriotten, daarheen geweken, in die beweging een kans zochten te vinden ten einde een tegenomwenteling in Noord-Nederland te beproeven. Eerst werd de hulp der Republiek gevraagd door van der Noot [Algem. Geschied. t. a. p.), toen haar bemiddeling, benevens die van Engeland en van Pruisen, door keizer Leopold 11. Maar eer deze middelaars op hun voorslagen de toestemming der strijdende partijen hadden verkregen, stilden Leopolds wapenen en wijze gematigdheid den opstand.

Heviger was de schok, dien de omwenteling in een ander naburig land, in Frankrijk, uitgebroken, aan de Republiek gaf, duurzamer de gevolgen van dien schok. Een tijdlang slaagde van de Spiegel er in de Republiek onzijdig te doen blijven, zelfs sedert April 1792, toen Frankrijk reeds in oorlog was met Pruisen en met Oostenrijk en zijn legerbenden aireede naar de Zuidelijke Nederlanden had gezonden. Van hun zijde spaarden de patriotten, die zich in Frankrijk ophielden, geen poging om de nationale conventie, die alle vorsten voor haar natuurlijke vijanden verklaarde, te nopen haar beginselen op de Nederlandsche Republiek te gaan toepassen. Inmiddels vereenigden zich die patriotten, welke in de Zuidelijke Nederlanden vertoefden, tot een leger, „het Bataafsche legioenquot; geheeten. Gretig zagen zij uit naar de gelegenheid, welke de troepen der conventie hun zouden verschaffen, om de leuze der vrijheid, gelijkheid en broederschap in hun vaderland te verkondigen. De uitgeweken patriotten stonden in voortdurende briefwisseling met hun partij in het vaderland. Welhaast richtte dëze partij in Januari 1794 een geheim comité révolutionair te Amsterdam op, hetwelk Willem V „Willem den laatstequot; noemde. Op hun beurt lieten hun buitenlandsche broeders zich niet terughouden door het aanschouwen van den zwaren druk, waaronder de Oostenrijksche Nederlanden sinds den slag bij Jemappe [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 217) gebukt gingen en die de onafscheidelijke metgezel bleek te zijn van de zegeningen der broederschap. Op den isten Februari 1793 voldeed de conventie aan den wensch der patriotten door den oorlog te verklaren aan den koning van Engeland en aan den stadhouder der Vereenigde Nederlanden. Kort daarna trok Dumouriez, door Herman Willem Daendels aan \'t hoofd der Bataafsche uitgewekenen geleid, de grenzen van Nederland over. De bevelhebber van Breda, graaf van Bylandt, gaf de hem toevertrouwde vesting zonder dralen over en onderging deswege later een vernederend vonnis. De Klundert viel, na wakker te zijn verdedigd door baron von Kropff, Geertruidenberg ingelijks.

-ocr page 349-

327

Daarentegen hield de baron van Boetzelaar zich te Willemstad staande. Weldra schonk de slag bij Neerwinden (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 220) verademing, en de Republiek was nog eenmaal gered.

Doch die verademing was van korten duur. De maatregel, nopens de opkomst van \'t volk in massa {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 220) door de conventie genomen, deed het ééne vijandelijke leger na het andere naar de Zuidelijke Nederlanden toestroomen, die, hoewel zij eerst bij den vrede van Campo Formio (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 225 vlg.) aan Frankrijk werden afgestaan, reeds sedert November 1792 (zie blz. 326) metterdaad in de macht der conventie waren. Daarentegen zond de koning van Pruisen, zijn beloften brekende, zijn soldaten niet naar de kampplaats. Dus streden Willems zonen, de erfprins Willem Frederik en Frederik, vruchteloos, hoezeer met moed en met beleid , aan \'t hoofd der Nederlandsche krijgsbenden, die een deel van \'t leger der bondgenooten uitmaakten. De slag bij Fleurus in 1794 {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 220) was zoo beslissend, dat in deze oorden de Franschen thans geen weerstand meer hadden te duchten. Immers de Oostenrijkers weken achter de Maas; de Engelschen trokken, onder \'t plegen van allerlei gewelddadigheden in Nederland, naar Hannover; Pruisen had in den laatsten tijd geen troepen gezonden, en de Nederlanders alleen waren niet in staat de overmacht van den vijand het hoofd te bieden. Toch draalden de Franschen nog een oogenblik, eer zij verder gingen. Na den val van het schrikbewind [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 218, 219) helde de regeering van Frankrijk tot den vrede over. Doch Daendels en de overige patriotten spoorden steeds tot de overkomst aan. Zoo trok dan in December 1794 en in Januari 1795 de Fransche generaal Pichegru, wederom door de patriotten onder Daendels geleid, over de bevrozen rivieren en stroomen de Nederlanden binnen. Daar de nationale conventie had verklaard, dat zij zich in geen verdrag met de Republiek wilde inlaten, eer de stadhouder zich had verwijderd, scheepte Willem V zich den i8den Januari met zijn gezin in. Hij verliet het land zijner geboorte om geen hinderpaal voor den vrede te zijn. Werwaarts hij zou gaan scheen eerst niet vast te staan. Welhaast kwam het hem en zijn raadslieden geraden voor naar Engeland te stevenen, waar hij tot 1800 vertoefde.

Alzoo bleef de terugwerking op hetgeen het jaar 1787 had zien gebeuren niet achter. Thans, acht jaren na hun verbanning, keerden de patriotten weder, op hun beurt door een vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid. Door haren ondergang bezegelde de Republiek de oude spreuk: eendracht maakt macht, tweedracht verstrooit. Die ondergang kwam voor den nauwlettenden waarnemer der verschijnselen niet onverwachts. Hij was het gevolg der loomheid van de regenten, die zelfs de wenken van van Slingelandt (zie blz. 290) niet hadden geteld. Het geschikte oogenblik om te hervormen was er wel geweest; maar het was geenszins gebruikt. Niet alsof het te denken ware, dat, indien men

-ocr page 350-

328

naar van Slingelandt had geluisterd, Nederland den schok geenszins zou hebben gevoeld, die geheel Europa op zijn grondvesten deed dreunen. Tegen de overmacht der Franschen waren weinigen in die dagen bestand. Doch de schok ware minder hevig geweest, indien het Nederlandsche volk en de Nederlandsche instellingen in de laatste helft der 18de eeuw meer levenskracht hadden gehad. Nu zij ze niet hadden, bracht de intocht der Fransche legioenen het verval meer aan den dag dan te weeg. De Republiek hield op te bestaan, die door haar krachteloosheid eigenlijk reeds lang was bezweken en noch hare kwalen, noch de middelen ter redding langer kon verdragen.

Onder de vele bewijzen van de steeds toenemende verzwakking der Republiek gedurende de genoemde eeuw is het allengs meer en meer vervallen harer zeemacht een der meest in \'t oog loopende. Na in de 17de eeuw het overwicht te hebben gehad over die van Frankrijk en van Engeland tezamen, was zij sedert ongeveer 1750 zelfs niet instaat den zeehandel van den staat te beschermen. Engelsche, Fransche, Zweedsche, Algerijnsche en Marokkaansche kapers namen beurtelings de rijk bevrachte koopvaardijschepen der Nederlandsche kooplieden weg. De slag bij Doggersbank was een laatste flikkering geweest van een licht, dat eens helder had geschenen, maar welhaast achter de klimmen wegdook. Met het verval der zeemacht hield dat van den handel gelijken tred. In plaats van den ondernemenden geest van weleer kwam bij den Nederlandschen koopman de vroegtijdige zucht om van zijn renten te gaan leven. Hoe meer de acties der geldleeningen (zie blz. 277 vlg.) de voorwerpen werden van den handel, naar die mate verminderde de geschiktheid der Nederlandsche natie voor den eigenlijken koophandel. Terwijl de voorvaderen hun blik over den ganschen aardbol hadden laten gaan om nieuwe zee- en handelswegen naar verafgelegen gewesten op te sporen, rustte het oog der nazaten op den beperkten kring der cijfers, die het standpunt der effecten aanduidden.

Evenals de handel, waren de haringvisscherij en de walvischvangst langzamerhand aan het kwijnen geraakt (zie blz. 63, 64, 278). Wat de Oost-Indische compagnie betreft, zij had eveneens luisterrijker dagen gekend dan de laatste vijftig è. zestig jaren van haar bestaan. Onder haar gouverneurs-generaal in dit tijdperk zijn Adriaan Valkenier (1737 —1741) en Gustaaf Willem baron van Imhoff, een Oost-Fries, afkomstig van Leer, een paar van de meest bekende. Het bewind van Valkenier werd gekenmerkt door den beruchten moord der Sineezen op den gden October 1740 en volgende dagen. Sedert Batavia\'s stichting bestond een aanmerkelijk deel harer bevolking uit Sineezen. Men begrootte het getal van hen, die te Batavia woonden, wel op 7000; van hen, die in de voorsteden en omstreken waren gevestigd, op 60,000. Hun sluwheid en werkzaamheid verschaften hun menige gelegenheid om geld te verdienen. Onder hen waren velen zeer rijk, anderen arm en zonder vaste middelen van bestaan. De regeering, om zich van de laatsten te ontslaan,

-ocr page 351-

329

beval ze op te lichten en naar Geylon over te brengen. De aanvankelijke uitvoering van dezen last, die niet al te nauwgezet werd nagekomen en ook wel eens uitgestrekt tot gezeten Sineezen , verwekte veel ontsteltenis. Geheele scharen vloden naar \'t gebergte en naar de bosschen, den omtrek van Batavia onveilig makende. Nu achtte de regeering het noodig al wat Christen was te wapenen. Toch waren zij, in vergelijking met den talrijken vijand, slechts een kleine minderheid.

Den 8sten October hadden er in de nabijheid van Batavia eenige gevechten plaats tusschen de Nederlanders en de Sineezen, waarin de laatsten werden verslagen. Op denzelfden dag droeg de gouverneur-generaal , uit hoofde van ziekte, een deel zijner macht op aan van Imhoff en aan andere leden van den raad van Indie. Met goedvinden van dien raad werd nu den gden en volgende dagen als een tweede bloedbruiloft gehouden onder de Sineezen te Batavia, die men verdacht hield van verstandhouding met hen, die buiten waren. Men stak hun wijk in brand, moordde, roofde en verwoestte alles wat men aantrof. Ruim 10,000 Sineezen vielen als offers dezer vreeselijke wraakneming. Valkenier, het gezag weder opnemende, keurde de daad af en beschuldigde van Imhoff en de overigen hun volmacht te hebben overschreden. Hij zond ze als gevangenen naar \'t vaderland. Maar in dezelfde dagen hadden de „zeventienenquot; van Imhoff tot gouverneur-generaal benoemd. De rollen werden alzoo verwisseld. Van Imhoff keerde als gouverneur-generaal naar Oost-Indiê terug, en Valkenier werd ter zake van den moord der Sineezen te Batavia gevangen gezet, doch beleefde den afloop van zijn proces niet.

Van Imhoff breidde het gebied der compagnie aanmerkelijk uit (zie blz. 281). Hij is de stichter van Buitenzorg-, thans het gewone verblijf van den gouverneur-generaal. Om de afpersingen der ontvangers tegen te gaan voerde hij de verpachting der belastingen op Java in. Aan de Sineezen wees hij een veilig verblijf buiten Batavia, „de kampquot; geheeten, als woonplaats aan. Hoe grondig hij alles, wat de belangen van Oost-Indië betreft, kende blijkt uit zijn „Beschouwingen over den tegenwoordigen toestand der Maatschappijquot;, die in druk zijn verschenen.

Na van Imhoff ging de Oost-Indische compagnie steeds meer achteruit. Haar verweet men, dat zij aan weidschen omslag in het overbodige bekrompenheid in gewichtige aangelegenheden paarde. Zoo weinig was zij bedacht op de veiligheid harer bezittingen, zoo weerloos waren haar sterkten, dat men zich, reeds vóór den oorlog van 1780, verwonderde over de goedertierenheid der Franschen en der Engelschen, die haar b.v. de Kaap de goede Hoop lieten behouden. Een andere grieve, tegen de compagnie ingebracht, was dat zij de bakens niet met den tijd verzette. Vele waren de oorzaken van haren achteruitgang. Bij de toe--nemende mededinging der Engelschen, sedert deze zich in Voor-Indic hadden gevestigd (Algem. Geschied., Hl, 7de druk, blz. 188, 189), leverde de handel der compagnie op de kust van Malabar en Coromandel hoe

-ocr page 352-

330

langer hoe minder voordeelen op. Het gemis aan veerkracht van de regeering der Republiek werkte ook nadeelig op de belangen der compagnie. Maar de hoofdoorzaken van \'t verval zijn bij de compagnie zelve te zoeken. Reeds vóór het midden der 18de eeuw sloot zij elk jaar haar boeken met een tekort van eenige millioenen. In plaats van de uitgaven naar evenredigheid te beperken ging zij, die niets had uit te deelen, desniettegenstaande met haar uitdeelingen voort. Ofschoon op een lager bedrag neerkomende dan voorheen (zie blz. 138 en 282), beliepen de uitdeelingen toch nog 20 tot 12,\',- ten honderd. Ten einde ze te kunnen doen nam de compagnie geld op of maakte schulden. Alleen de boeken der compagnie verkondigden alzoo haar naderend einde. Bij die hoofdoorzaak kwamen andere. De bezoldigingen van de meeste ambtenaren en dienaren der compagnie waren laag en werden niet verhoogd, naar mate de weelde vermeerderde en de waarde van het geld verminderde. Bij die vele ambtenaren en dienaren was daarom al zeer spoedig het zeggen in gebruik gekomen: „de compagnie is rijk genoeg.quot; Met dit zeggen bracht de schepeling of ambtenaar, hoog of laag, in \'t vaderland en in Oost-Indië zijn geweten tot rust, zoovaak hij zijn inkomsten langs oneerlijke wegen deed aangroeien. Dit te doen was een vrij alge-meene regel geworden. Velerlei waren de listen, te dien einde uitgedacht. De winsten, uit ongeoorloofde middelen van bestaan voortkomende, gingen voor menigeen het vaste inkomen verre te boven.

Hoe erger het verval werd na den vrede van Parijs (zie blz. 314), des te meer, meende men, mocht de compagnie aanspraak maken op de ondersteuning van den staat, dewijl de Generaliteit, zoowel als de staten van Holland en Zeeland, dikwijls talrijke sommen van haar hadden getrokken. Daarom wendde zij zich bij herhaling tot de Staten-Generaal met verzoek om ondersteuning in geld, aan welk verzoek van tijd tot tijd werd voldaan. Deze meening gaf in 1790 aanleiding tot de instelling eener staatscommissie, bestaande uit leden van de staten van Holland en Zeeland, die een doortastende hervorming van den toestand der compagnie ten doel had. Een van de vruchten van haar onderzoek was de afzending in 1791 van een viertal commissarissen-generaal naar Oost-Indie ten einde de misbruiken te herstellen en de noodzakelijke verbeteringen in te voeren. Eer deze bezending zich van haar uitgebreide volmacht had gekweten, was de staat gesloopt, een lot, dat de compagnie weldra eveneens trof.

De vrijstelling van de vaart, vroeger (zie blz. 283) verleend ten aanzien van sommige der landstreken, staande onder \'t beheer der West-Indische compagnie, werd in de 18de eeuw ook tot Curasao en nabijgelegen eilanden uitgestrekt. In 1734 werd dezelfde vergunning verleend ten opzichte van de kust van Guinea. Omtrent Essequïbo en Demerary hing dienaangaande jaren lang een geschil tusschen de kamer Zeeland (zie blz. 283) en de staten van dit gewest aan de ééne zijde en die van Holland aan den anderen kant, hetwelk eindelijk in 1770

-ocr page 353-

331

door Willem V in dien zin werd beslist, dat ook naar deze streken de vaart werd opengesteld. Hoezeer deze maatregelen Nederlands handel in \'t algemeen moeten hebben begunstigd, zij konden de nieuwe West-Indische compagnie niet genoegzaam opbeuren. Voortdurend ontbrak het haar aan de noodige gelden om ook maar de dagelijksche huishouding gaande te houden. Zij rekte haar bestaan op kommerlijke wijze tot kort vóór het einde der Republiek en bezweek in 1791. Tegen den zin van Zeeland ontbonden haar de Staten-Generaal, die het beheer der West-Indien in 1793, onder hun oppertoezicht, aan een raad van koloniën opdroegen.

Nederlands kerkelijke toestand onderging sedert den vrede van Munster (zie blz. 181 vlg.) geen groote veranderingen. Bij de vele sekten, die er werden geduld, kwam sinds het begin der 18de eeuw nog een andere, n.1. die der Herrnhutters. De Herrnhuilers of broedergemeente worden zóó genoemd naar het dorp of vlek Herrnhutt (in \'t z.o. van het koninkrijk Saksen, nabij Zittau), waar zij hun eerste gemeente stichtten. Sinds 1746 vestigden de Nederlandsche Herrnhutters zich te Zeist. In weerwil van vele pogingen, door de synode der gereformeerden van Utrecht aangewend, is het haar niet gelukt de gevoelens dezer sekte grondig te leeren kennen, daar zij zorgvuldig vermeed een eigenlijke geloofsbelijdenis in \'t licht te geven.

Ten onrechte spreekt men ook wel van een andere sekte, die dit niet is, d. i. van de Jansenisten, die hun naam ontleenen aan Cor-nelis Janssen, hoogleeraar te Leuven en sinds 1635 bisschop van Yperen. Hij stierf in 1638. Twee jaren na zijn dood kwam een werk van hem uit, waaraan hij een goed deel van zijn leven had besteed en dat den titel droeg Augustinus. De leer van dezen kerkvader verklarende, sprak Janssen in dit werk over den vrijen wil, de genade Gods, enz. Het geschrift verwekte een algemeene ontroering onder de katholieken. Rome verbood het, en sedert 1665 vorderde de paus van alle geestelijken, die een kerkelijk ambt aanvaardden, een eed, waarbij zij het Jansenisme verwierpen.

Het kan wel zijn, dat men ook voorstanders der begrippen, in het werk van Jansen voorkomende, aantrof onder de leden der ond-katholieke kerk of oud-bisschoppelijke cleresey, d.i. de kerk van hen, die de overtuiging koesterden, dat als wettige bisschoppen van Utrecht waren aan te merken zij, die sedert de invoering der hervorming, als gekozen door het kapittel, hoewel geenszins den titel van bisschop voerende, de leiding hadden van de aangelegenheden der Roomsch-katholieke kerk in Nederland. Toen alzoo in \'t begin der 18de eeuw de paus, Glemens XI, een deel van de geestelijkheid der oud-katholieke kerk van Jansenistische gevoelens verdenkende, zonder er het kapittel in te kennen, een hoofd voor deze kerk benoemde, kwam het kapittel in verzet en handhaafde den door henzelf gekozen voorganger, die sinds 1723 weder den titel „aartsbisschopquot; voerde en wiens zetel te Utrecht

-ocr page 354-

332

was. Vandaar dat de oud-katholieke kerk niet zelden werd bestempeld met den naam „kerk der Jansenisten.quot;

In de eerste eeuw van het bestaan der Republiek werden kunsten en wetenschappen hoog gewaardeerd, ook om haarzelven, maar vooral met het praktisch doel om de heerschappij van Nederland over verre zeeën en kusten uit te breiden. Al werd dat practisch doel door de nazaten der 18de eeuw meer uit het oog verloren, van die zucht zelve naar vermeerdering van kennis vervreemdden zij niet. Het plan om een hoogeschool te Zierikzee te stichten uit de gelden, daartoe nagelaten door den heer Mogge, een burgemeester dezer stad, die in 1756 overleed, stuitte op verschillende zwarigheden af, hoofdzakelijk op den tegenstand der staten van Holland, die, de Zeeuwsche jongelieden liever te Leiden ziende studeeren, zich op het privilegie der Leidsche hoogeschool als ook voor Zeeland geldende, beriepen. Daarentegen verrezen achtereenvolgens talrijke genootschappen, als zoovele getuigen van den zin voor wetenschappen, die de Nederlanders bezielde. Te Haarlem werd in 1752 de Hollandsche Maatschappij der wetenschappen opgericht, de eerste van dien aard in dit land; te Groningen in 1761 het Genootschap pro Exco-lendo jure patrio, d. i. ter uitbreiding van de kennis van het vaderlandsche recht. In 1766 ontstond te Leiden de Maatschappij der Nederlandse he letterkunde, gelijk haar Haarlemsche zuster, uit geringe beginselen ontsproten. In Zeeland stichtten eenige beminnaars der wetenschappen, niet willende achterblijven, in 1769 te Vlissingen het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen. In 1770 kwam, in weerwil van \'t verzet der Haarlemsche Maatschappij bij de staten van Holland, te Rotterdam het Bataafsch genootschap der Proefondervindelijke wijsbegeerte tot stand. Uit de aanzienlijke nalatenschap van Pieter Teyler van der Hulst richtte men in 1778 te Haarlem een museum en het naar hem genoemde Teylers genootschap op. In \'t zelfde jaar gaven de staten van Utrecht vergunning tot de stichting van 7 Provinciaal genootschap van kunsten en wetenschappen. Onder de zinspreuk Felix Meritis, d.i. gelukkig door verdiensten, verkreeg Amsterdam in 1788 een genootschap, in vijf afdeelingen gesplitst, n.1. in die van den koophandel, den landbouw, dezeevaart, enz., de natuurkunde, het teekenen, de muziek, de letterkunde. Al deze genootschappen waren het werk van bijzondere personen, ofschoon zij octrooien van de staten verwierven. Een ander doel dan al deze vereenigingen had de Maatschappij tot nut van \'t Algemeen, in 1784 door Jan Nieuwenhuizen, doopsgezind leeraar te Monnikendam, gesticht. Zij verbeterde op vele plaatsen het Lager-onderwijs, bevorderde een zekere verdraagzaamheid in zaken van godsdienst en verspreidde nuttige kennis onder alle standen der samenleving.

In de letterkunde bleef het heerschend karakter gebrek aan kracht en oorspronkelijkheid. Zoetvloeiendheid was het hoofddoel, waarnaar de leden der talrijke dichtgenootschappen, „Kunst wordt door arbeid verkregenquot; (te Leiden), „Hierna volmaakterquot; en hoe zij verder mogen

-ocr page 355-

333

heeten, streefden , die den lof dezer kringen wilden verwerven. Daarom vonden zij weinig weerklank, wier werken den stempel droeger van echt dichterlijken gloed en eigen talent. Zoodanige uitzonderingen waren de gebroeders Willem en Onno Zwier van Haren (zie blz. 297), die, ofschoon op \'t gebied der staatkunde werkzaam, menig uur aan de beoefening der dichtkunst wijdden. Willem, een tijdlang afgevaardigde der Staten-Generaal voor Friesland en na den dood vau Willem IV gezant dier staten in de Oostenrijksche Nederlanden, staat als dichter beneden zijn broeder. Zijn hoofdwerk, een heldendicht, verheerlijkt Friso, den gewaanden eersten koning der Friezen. Meer gelezen en geprezen worden zijn lierzangen, als het Menschelijk leven en Leonidas, een toespelling op zijn tijd (1741), tevens een ontboezeming ten gunste van het huis van Oranje-Nassau. De jongere broeder schreef een aaneengeschakelde reeks van lierdichten onder den titel de Geuzen. In breede trekken schildert dit gedicht de daden der Nederlanders, die in den strijd tegen Spanje den grondslag legden der onafhankelijkheid van hun vaderland. Fraaie episoden, hier en daar ingelascht, hangen een tafereel van oud-Hollandsche zeden op of voorspellen de schitterende toekomst, die de Republiek wacht. Het stoute der vinding en der uitdrukking wordt door het stootende en het ruwe, hetwelk in de oorspronkelijke uitgave den vorm ontsiert, geenszins in de schaduw gesteld.

In het proza dier dagen namen de vriendinnen Elizabeth Bakker en Agatha Deken den eersten rang in. Elizabeth Bekker, eerst getrouwd met den predikant Wolff, woonde en schreef, na den dood van haar echtgenoot tezamen met Agatha Deken. Zij waren de eersten, die werken in \'t licht gaven, welke zoo al niet ten volle, dan toch in meer dan één opzicht den naam „Nederlandsche romansquot; verdienen. Metterdaad toch dragen zij, hoewel de vorm aan den roman is ontleend, meer de kenmerken van zulke geschriften, die men schilderingen van zeden noemt. Twee dier werken, Sara Burgerhart va. Willem Leevend, werden alom gelezen. Zij zijn een getrouw tafereel van \'t karakter, van de gewoonten en gebruiken van de tweede helft der 18de eeuw, zooals van Effen (zie blz. 285) er een had geleverd van de eerste helft. De vrije wijze, waarop de schrijfsters hare gedachten ook over staatkundige onderwerpen uitten, deed het haar geraden achten in 1787 met zoovele anderen het vaderland te verlaten. Later teruggekeerd, overleed Agatha Deken in 1804, en kort na haar Elizabeth Bekker.

Een tijdgenoot dezer vriendinnen was, althans nog gedurende een aantal jaren, een man, wiens geschriften nog steeds worden gelezen en geraadpleegd door elk, die begeerig is de geschiedenis der Republiek grondig te leeren kennen. Die man is Jan Wagenaar, sedert 1760 eerste klerk ter secretarie van Amsterdam en gestorven in 1773. Zijn hoofdwerk is de Vaderlandsche historie, de eerste poging om de verspreide deelen van Nederlands geschiedenis tot een groot geheel te vereenigen. Moge men thans, ruim één eeuw nadat het geschrift het licht zag, op

-ocr page 356-

334

stijl en vorm, op de rangschikking der bouwstoffen en de keuze der onderwerpen menige gegronde aanmerking kunnen maken, het boek heeft groote verdiensten, als nauwkeurigheid van onderzoek, helderheid van voorstelling, onovertroffen onpartijdigheid, die het nog lang zullen doen lezen en raadplegen. Van Wagenaars overige werken is de Beschrijving van Amsterdam het merkwaardigste.

De tijd, dien Wagenaar beleefde, en de jaren, die na zijn dood verliepen, waren rijk aan geschiedschrijvers. Simon Stijl schreef een wijsgeerige beschouwing over de Opkomst en bloei der Verecnigde Nederlanden. Van de Spiegel (zie blz. 324) handhaafde ook op dit gebied den roem van een naam, die werd gewaardeerd ten spijt van de stormen, welke hij, als aan \'t roer der Republiek staande, mede had te verduren. De slotsom zijner overwegingen over de tijdsomstandigheden, waarin hij verkeerde, heeft hij nedergelegd in zijn Nadenking van een staatsman. Van alle toenmalige geschiedschrijvers wordt echter niemand hooger geschat dan Adriaan Kluit, een der sieraden van Leidens hoogeschool. Die eereplaats heeft hij zich, behalve door zijn critische bewerking van den tijd van Hollands graven, Historia critica cbmitatus Hollandiae et Zelandiae, slechts ten deele voleindigd, verworven door zijn Historie der Hollandsche staatsregeering. Gelijk vele anderen had hij zijn deel in de wisselingen des tijds. In 1795 werd hij als aanhanger van het huis van Oranje-Nassau van zijn ambt ontzet en eerst vier jaar later hersteld.

§ 34-

De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland.

Zoo was dan de oude Republiek bezweken om plaats te maken voor een nieuwen staat. Nauwelijks hadden zich de Fransche bajonetten vertoond, of de oude, afgeleefde vormen bezweken vanzelven. Terwijl een deel van \'s lands bevolking door te dansen rondom de vrijheidsboomen zijn vreugde aan den dag legde, had terstond een volledige omkeering in het bewind plaats. Met den val der oude constitutie gingen de vernietiging van het stadhouderschap en een geheele ontbinding der oude collegiën van staten, gecommitteerde raden, enz. gepaard. Zij werden voorloopig vervangen door vergaderingen van provisioneele representanten, bestaande uit personen, de Fransche beginselen van de oppermacht des volks en der rechten van den mensch toegedaan, veelal gekozen door de hier en daar opgerichte revolutionnaire comités. Het eerst greep deze verandering in Holland plaats, vervolgens mede in de overige gewesten. Ter Staten-Generaal werden alzoo ook nieuwe leden afgevaardigd. In stede van het voormalig bestuur der Oost-Indische compagnie benoemde de aldus vernieuwde vergadering der Staten-Generaal een comité tot de zaken van den Oost-lndischen handel en bezittingen, bestaande uit achtentwintig personen. Eveneens kwam het beheer van de West-

-ocr page 357-

335

Indiën aan een comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen in Afrika en Amerika, samengesteld uit éénentwintig personen. Verder benoemden de Staten-Generaal, meenende in de eerste plaats \'s lands betrekking tot Frankrijk te moeten regelen, in Februari 1795 Jakob Blauw en Kaspar Meijer tot ministers-plenipotentiarissen of gevolmachtigden bij de conventie. Zij gaven zoo spoedig mogelijk van hun benoeming kennis aan het comité de salut public [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 218), maar vernamen weldra, dat zij niet als afgezanten van den staat, doch slechts als afgevaardigden der patriotten werden erkend en dat de onafhankelijkheid der Nederlanden nog geenszins een uitgemaakte zaak was. Eerst moest de schadeloosstelling van Frankrijk wegens de oorlogskosten worden vastgesteld. Zeer hoog waren de eischen der conventie: betaling der oorlogskosten en, voor de erkenning der Bataafsche Republiek, afstand van een deel van Zeeland en van Staats-Brabant. Hierin konden Blauw en Meijer niet toestemmen.

Alzoo verschenen den 8sten Mei twee der leden van het comité de salut public, Sieyès en Rewbell {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 223, 229), te \'s Gravenhage. Nadat zij eenige bijeenkomsten hadden gehouden met een vijftal burgers, door de Staten-Generaal daartoe aangewezen, kwam den löden Mei het Haagse he verdrag tot stand. Met 100,000,000 gl, met den afstand van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen en met het toelaten van Fransche bezetting te Vlissingen moest het vaderland den schijn van onafhankelijkheid van Frankrijk en de erkenning als zelfstandige mogendheid , als Bataafsche Republiek, betalen. Behalve deze voorwaarden stelde een der artikels van het Haagsche verdrag nog vast, dat er een aanvallend en verwerend verbond der beide staten, in \'t bijzonder tegen Engeland, zou zijn. Andere artikels bepaalden, dat het gebruik der haven van Vlissingen en de scheepvaart op den Rijn, de Maas en de Schelde aan de beide volkeren, Bataven en Franschen, zouden vrij staan. Aan het verdrag werd ten zelfden dage, waarop het werd gesloten, nog een reeks geheime artikelen toegevoegd. Deze artikelen behelsden o.a., dat de Bataafsche Republiek aan de Fransche een zeker aantal oorlogschepen te leen aanbood en dat het Fransche leger, hetwelk van nu aan de bezetting der eerstgenoemde Republiek zou uitmaken en dat niet grooter mocht zijn dan 25,000 man, door deze Republiek zou worden bezoldigd, gekleed en gevoed. Vermits deze troepen, zoodra zij in goeden toestand verkeerden , gedurig door andere werden vervangen, die slecht waren uitgerust en aan al het noodige gebrek hadden, is later gebleken, dat deze post alleen, tot het eind van 1804, het land op ruim 74,000,000 gl. is te staan gekomen.

Groot was de vreugde, zoo niet van \'t gansche volk, althans van een deel der natie over dit verdrag. Maar de toekomst beantwoordde niet aan de verwachting. Het verdrag was een duidelijke verklaring der afhankelijkheid van de Bataafsche Republiek ten opzichte van Frankrijk. Een tweede gevolg van de nauwe betrekking tot Frankrijk

-ocr page 358-

336

waren de assignaten {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 213 vlg.), die weldra alle waarde verloren. Bovendien erfde de nieuwe Republiek dadelijk de vijandschap, die Engeland tegen Frankrijk, haar bondgenoot, voedde. Reeds vóór den i6den Mei, terstond na het binnenrukken der Franschen, legde Groot-Britannie embargo of beslag op Neerlands schepen om ze later prijs te verklaren. In Februari zond de regeering van dit rijk brieven, onderteekend door den prins van Oranje, naar de Kaap de goede hoop en naar Suriname, waarin den landvoogden werd bevolen deze koloniën onder bescherming van Engelands wapenen te stellen. Eindelijk verklaarde zij in September aan de Bataafsche Republiek den oorlog. In de meeste koloniën slaagde de toeleg door middel van de brieven niet, wel in de Kaap de goede hoop, in welker nabijheid bovendien de vice-admiraal Lucas, in 1796 afgezonden om ze te hernemen, in Augustus van dat jaar zijn vloot aan de Engelschen moest overgeven. Maar van \'t oogenblik af dat de oorlog was verklaard, viel de eene der buitenlandsche bezittingen na de andere in handen der Engelschen, tegen wier meesterschap ter zee niemand was opgewassen. Op die wijze verloor Nederland Malakka, Ceylon, de Molukken, Demerary, Berbice en Essequïbo. En reeds in 1801 was Java de eenige zijner bezittingen, die het had behouden. Voegt men bij al die rampen de gedwongen geldheffingen, welke de regeerende lichamen der Bataafsche Republiek achtereenvolgens uitschreven, dan ziet men op nieuw de ondervinding aller eeuwen bevestigd: Een staat, die de redding elders dan in zichzelven zoekt, vindt doorgaans zijn ondergang.

Het spreekt vanzelf, dat, na de schikking met Frankrijk, de regeling van den regeeringsvorm de eerste taak was, hier te lande te verrichten. Van den eenen kant wilden de gewesten nog steeds ongaarne afzien van hun souvereiniteit. Van de andere zijde verlangden Drente en de Generaliteitslanden op gelijken voet te worden gesteld met de zeven provinciën. Een commissie uit de Staten-Generaal ontwierp over die zaak een reglement, hetwelk de meerderheid der staten aannam. Friesland en Zeeland, die zich lang tegen het plan hadden verzet, traden later toe. Volgens dat reglement werden de negen gewesten, als ook Brabant en Drente, in districten van ongeveer 15,000 zielen verdeeld , ieder district in grondvergaderingen van 500 personen. Elke grondvergadering verkoos een kiezer. De dertig kiezers van een district benoemden een representant of vertegenwoordiger, die 30 jaren oud moest zijn. Het was dus een verkiezing met één trap. Het aantal der districten, dus tevens der vertegenwoordigers, bedroeg 126. Uit zooveel leden bestond alzoo de nationale vergadering, die den isten Maart 1796 bijeenkwam. Zoodra zij te \'s Gravenhage was bijeengekomen, werden de Staten-Generaal ontbonden. In haar eerste zitting benoemde de nationale vergadering Pieter Paulus, vroeger secretaris van de admiraliteit der Maas, in 1787 afgezet, den schrijver der „Verklaring van de unie van Utrecht,quot; tot haren voorzitter. Hij overleed nog in Maarten

-ocr page 359-

337

had Pieter Leonard van de Kasteele tot opvolger. De voornaamste werkzaamheid, waarmede de vergadering zich had bezig te houden, was het ontwerpen eener constitutie. Tot het opstellen van een ontwerp van zoodanige staatsregeling benoemde zij uit haar midden een commissie van 2i leden.

Het bleek weldra dat de leden der vergadering tot twee partijen waren te brengen, die der unitarissen, voorstanders eener volstrekte eenheid, en die der foederalisten, welke tot op zekere hoogte een bondgenootschap van zelfstandige staten wilde. Foederalisten waren o.a. Vitringa en de Mist. Tot de hevigste unitarissen behoorden Wijbo Fijnje, Pieter Vreede, Ockerse, Gogel, tot de gematigden onder hen Schirnmel-penninck en anderen. Het meerendeel van de leden der commissie was de beginselen van het foederalisrae toegedaan. Haar ontwerp vond vele bestrijders, zoodat zij de taak, haar opgedragen, achtereenvolgens in handen van menige nieuwe commissie zag gesteld en men eerst in Augustus 1797 een plan gereed had, waarover de grondvergaderingen uitspraak moesten doen. De meerderheid van het Bataafsche volk verwierp dit plan, weshalve de eerste nationale vergadering uiteenging en de burger Pasteur den isten September van dat jaar de tweede opende. Ook zij benoemde een commissie om een concept-constitutie te ontwerpen. Doch eer deze commissie haar plan in gereedheid had gebracht, maakten de omstandigheden haar voorlichting overbodig. Immers den 2 2sten Januari 1798 waagden de hevigste unitarissen, met name Daendels en Midderigh, toen op zijn beurt president, om het foederalisme voor goed den bodem in te slaan, een coup iT él at of aanslag op hun meest gematigde medeleden. Achtentwintig van deze vijanden van doortastende maatregelen lieten zij in hechtenis nemen, nadat zij de toegangen tot de vergaderzaal met soldaten hadden laten afzetten. De op die wijze gezuiverde vergadering verkreeg Midderigh tot voorzitter en noemde zich constitueerende vergadering, representeerende het Bataafsche volk. De uitvoerende macht werd opgedragen aan een uitvoerend bewind van vijf personen. Een van hen was Pieter Vreede. Wederom werd een commissie, thans van zeven leden, benoemd, die in Maart het ontwerp eener grondwet had afgewerkt. Nadat na de grondvergaderingen waren gezuiverd van alle aanhangers van het stadhouderschap en van andere onwaardige burgers, had in April de stemming van het Bataafsche volk over het ontwerp plaats. Het werd met een overgroote meerderheid van stemmen aangenomen.

Volgens deze staatsregeling was er een vertegenwoordigend lichaam. De leden van het vertegenwoordigend lichaam moesten door het volk, middellijk of met één trap, in de grondvergadering worden gekozen. De consdtueerende vergadering besloot evenwel haar eigen leden, voorzoover zij de vereischten, bezaten, als leden van het vertegenwoordigend lichaam zitting te doen nemen. Dit geschiedde. Maar niet iedereen was met dezen maatregel ingenomen. Ook aan Daendels, die den coup d\' état

WIJNNE, Gesch. v. h. vaderl., achtste dmk. 22

-ocr page 360-

338

van den 22sten Januari had bewerkt, mishaagde hij. Hierom bracht hij met behulp van den Franschen generaal Joubert {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz, 227), in Juni 1798 een nieuwe omkeering tot stand. Ondersteund door de gewapende macht, nam hij een aantal leden van \'t uitvoerend-bewind en van het vertegenwoordigend lichaam gevangen. In Juli riep men het volk ter verkiezing eener vertegenwoordiging op. Den 3isten dier maand hielden de op die wijze gekozen leden van \'t vertegenwoordigend lichaam hun eerste zitting. Hun voorzitter was van de Kasteele. De vijf leden van het uitvoerend heivind of, zooals zij ook wel heetten, directeuren waren: van Hasselt, van Haer-solte, Ermerins, Hoeth en van Hooff. Hun stonden acht agenten of ministers ter zijde, voor de buitenlandsche betrekkingen, de marine, den oorlog, de financien, de justitie, de policie, de nationale opvoeding, de nationale staathuishouding.

De hoofdinhoud der staalsregeling, den isten Mei 1798 afgekondigd, komt hierop neer. De oppermacht berust, in naam van het Bataafsche volk, bij het vertegenwoordigend lichaam (zie blz. 337). Het bestaat uit twee kamers, de eerste van 64, de tweede van 30 leden. Het draagt de uitvoerende macht (zie boven) aan de door zijn leden te kiezen directeuren op en behoudt zelf de wetgevende macht. Het grondgebied der Republiek wordt in acht departementen verdeeld. De grondslag der verdeeling is de bevolking, die in acht evenredige deelen wordt gesplitst. Hun namen zijn: dat van de Eems, van den Ouden IJsel, van den Rijn , van de Amstel, van Texel, van de Delf, van de Dommel, van de Schelde en de Maas. De grenzen van geen dier departementen kwamen overeen met den omtrek eener voormalige provincie. Het departement van de Eems b.v. bestond uit gedeelten van Friesland, Groningen en Drente, dat van den Rijn uit deelen van Gelderland, Utrecht en Holland, dat van de Schelde en de Maas uit Zeeland met stukken van Holland en van Brabant. Elk departement wordt verdeeld in ringen. In die ringen kiezen de stemhebbende burgers de leden van het bestuur der departementen.

Behalve in departementen en ringen wordt de Republiek nog in vierennegemig districten van 20,000 zielen, met andere grenzen dan die der departementen, verdeeld. Ieder district heeft wederom veertig grondvergaderingen. In elke der veertig grondvergaderingen benoemen de stemgerechtigde burgers een vertegenwoordiger, d. i. een lid van \'t vertegenwoordigend lichaam. Tevens verkiezen dezelfde burgers een kiezer. Daarop komen de veertig kiezers van de veertig grondvergaderingen van één district bijeen en wordt op deze districtsvergadering uitgemaakt, wie van de personen, door de voorloopige benoeming van stemgerechtigde burgers in de grondvergaderingen aangewezen, lid zal zijn van \'t vertegenwoordigend lichaam. Dat uitmaken geschiedt op deze wijze. Indien iemand is benoemd door meer dan twintig, d. i. door meer dan de helft, der grondvergaderingen, wordt de keuze aangemerkt als gedaan en blijft er voor de kie-

-ocr page 361-

339

zers niets meer over te verrichten. Is dit niet het geval, dan maken de kiezers een lijst op, waarop worden geplaatst de namen der drie personen, op wie in de grondvergaderingen de meeste stemmen zijn uitgebracht. Uit dat drietal wordt dan door de kiezers het lid van \'t vertegenwoordigend lichaam gekozen. De vereischten om stemgerechtigd burger te zijn komen hierop neer, dat men den ouderdom van twintig jaren hebbe bereikt, een zeker aandeel drage in de lasten der maatschappij en, inboorling zijnde, ten minste gedurende twee jaren, doch, vreemdeling zijnde, van zeven tot tien jaren in de Republiek zijn vaste woonplaats hebbe gehad en in staat zij de Nederlandsche taal te lezen en te schrijven. Ten aanzien van het rechtswezen wordt bepaald, dat elke gemeente een vrederechter, elk departement rechtbanken en één gerechtshof zal hebben. De geldmiddelen van den staat staan onder één beheer en komen in één algemeene kas. Eveneens heeft er een samensmelting der schulden plaats, met een Latijnsch woord, in de scheikunde in gebruik, dat een vermenging van kwikzilver met een ander metaal aanduidt, amalgame geheeten. De kerk wordt van den staat gescheiden. Voorloopig zullen slechts de leeraren en de dienaren der hervormde kerk uit \'s lands kas worden bezoldigd.

Niemand, die den inhoud dezer constitutie onbevooroordeeld gadeslaat, kan ontkennen, dat men het goede, hetwelk uit den druk der tijden werd geboren, grootendeels aan haar was verschuldigd. De oude, thans bezweken. Republiek had nog de verbeurdverklaring van goederen bij rechterlijk vonnis (Holland reeds in 1732, Gelderland eerst in 1778) te niet gedaan. Maar dit was ook een van de laatste hervormingen, die het Nederlandsche volk aan de regenten der voormalige Republiek had te danken. Met haren val werd dit volk er meerdere deelachtig. Vooreerst werd de pijnbank afgeschaft. Dan werd het Gemeenebest één en ondeelbaar verklaard, zoodat de zeven souvereine gewesten, benevens de Generaliteitslanden en het bondgenootschappelijk Drente van nu aan maar één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken langzamerhand voor één toenemende nationale eenheid. Insgelijks hield de druk op der stedelijke aristocratie. Volkomen gelijkstelling van allen voor de wet werd een vaste regel, en alle heerlijke rechten en wat verder van het leenstelsel afkomstig was werden vernietigd.

Intusschen leverde de oorlog zelf, waarin de Bataafsche Republiek, als bondgenoot van Frankrijk, werd medegesleept, niets dan nadeelen op. Den nden October 1797 verloor de vice-admiraal de Winter bij de Kamperduinen (zóó geheeten naar het nabijgelegen dorp Kamp, ten n.w. van Bergen in Noord-Holland) een zeeslag tegen den Engelschen admiraal Duncan en werd zelf gevangen genomen. Gedurende den tweeden coalitiekrijg (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 227 vlg.) werd Nederland zelf het tooneel der vijandelijkheden. Daar Engeland en Rusland een poging wilden wagen om de Bataafsche Republiek aan \'t oppergezag van Frankrijk te onttrekken, landde in Augustus 1799 een geduchte

22*

-ocr page 362-

340

Engelsch-Russische krijgsmacht onder \'t opperbevel van Frederik, her-togvanYork,die door zijn landgenoot Abercrombieen door den Rus Hermann werd bijgestaan, nabij de Helder. De Bataafsche zeemacht, die bij de Vlieter (een vaarwater ten n.o. van de Helder) lag, werd in naam des prinsen opgeëischt door de Engelschen, welke naast hun eigen vlag die des prinsen voerden. Het scheepsvolk weigerde te vechten, en de schout-bij-nacht Story gaf zich met zijn eskader, uit twaalf schepen bestaande, over. Slechts een schaduw bleef over van de vrij sterke vloot, die Nederland in den laatsten tijd met zware inspanning van krachten had uitgerust. Daendels, bevelhebber der Bataafsche krijgsmacht, moest wijken. Ook den slag bij de Zijp (ten z. van de Helder) wonnen de vijanden den loden September. Doch de Fransche generaal Brune, zich met een aanzienlijk leger bij Daendels voegende, bracht hun den igden September bij Bergen (ten n.w. van Alkmaar) en den 6den October bij C astricum (ten z.w. van Alkmaar) een nederlaag toe. Dit noodzaakte de Engelschen en de Russen, die bovendien in deze streken geen voldoende huisvesting en levensmiddelen konden vinden en hier te lande weinig blijken van deelneming bespeurden, den 22sten October terug te trekken. Dus keerde ook de erfpjins van Oranje, die, van den kant van Lingen in het vaderland gekomen, in Overijsel en in \'t Oosten van Gelderland vruchteloos een tegenomwenteling beproefd en vervolgens eenigen tijd te Alkmaar vertoefd had, naar Engeland terug, vanwaar hij zich in \'t begin van 1800 m^t zijn vader naar Brunswijk metterwoon begaf. De eenige gunstige voorwaarde, die men bij de ontruiming dezerzijds van den vijand bedong, was dat de Engelschen een aantal krijgsgevangenen, o.a. de Winter, ontsloegen.

Zelfs al zag men deze en andere nadeelige gevolgen van den oorlog voorbij, dan nog had het vaderland geen redenen tot blijdschap. De koophandel, de nijverheid en het vertier beteekenden schier niets; de schuldenlast was ondragelijk. Daarenboven was de vreugde over de staatsregeling van korten duur. De centralisatie der regeering, het uitvloeisel der eenheid, diende slechts om het uitvoerend bewind en zijn agenten met zoovele bezigheden te overladen, dat alles zeer langzaam of in \'t geheel niet werd afgedaan. Op hun beurt waren de leden van de besturen der departementen ontevreden over de onbeduidendheid, waartoe hun ambt werd verlaagd, en meenden, dat zij de belangen van inwoners hunner departementen beter kenden dan de Haagsche regeering, die alles wilde beslissen. Het een en het ander deed wederom aan de noodzakelijkheid van \'t vervaardigen eener nieuwe grondwet denken. Een voorstel ter herziening der constitutie van 1798, die nog niet eens geheelenal in \'t leven was getreden, ging van het uitvoerend bewind uit. Het vertegenwoordigend lichaam gaf zijn toestemming en stelde het voorstel in handen eener commissie.

Het ontwerp, dat deze commissie samenstelde, kon den bijval van \'t vertegenwoordigend lichaam niet verwerven. Hevig werd er tegen

-ocr page 363-

341

uitgevaren. Doch de eerste consul Napoleon zag met weerzin de oppermacht des volks, die hij in Frankrijk aan ketenen had gelegd, in het kleine gemeenebest gehuldigd. De Bataafsche Republiek, van \'t oogen-blik harer wording af gedwongen Frankrijk steeds uit de verte te volgen, kon dit ook thans niet nalaten. Wel keurden een paar leden van \'t uitvoerend bewind, Ermerins en van Swinden, een man meer vermaard als wiskundige dan als staatsman, de voordracht eener nieuwe grondwet af; maar de overigen. Pijman, Haersolte en Besier, stonden ze voor. Met hen knoopte Napoleon in \'t geheim onderhandelingen aan. Augereau, generaal der Fransche troepen in de Bataafsche Republiek, was de tusschenpersoon. Hij stelde voor de ontworpen constitutie aan de goedkeuring van den eersten consul te onderwerpen. Volgens de schets, hem toegezonden, zou een president aan \'t hoofd der Republiek staan. Napoleon betuigde zijn ingenomenheid met het ontwerp. Maar men wist niet, wien men als president zou voordragen, en stelde hierom in de plaats van zoodanigen voorzitter een staatsbewind van twaalf personen.

Wetende dat zij op den steun van hem kon rekenen, die aireede de machtigste man van geheel Europa begon te worden, liet de meerderheid van \'t uitvoerend bewind zich door niets terughouden van de voltrekking van haar voornemen. Na het vertegenwoordigend lichaam te hebben verwittigd, dat zij het ontwerp der constitutie ter goed- of afkeuring aan het volk zou voorleggen, riep zij de grondvergaderingen den isten October 1801 ter stemming op. Vooraf sloot en verzegelde zij de kamers der vertegenwoordiging, voor welke het laatste uur was geslagen. De uitslag der stemming was dat de staatsregeling werd aangenomen. Tot dien uitslag geraakte men door de bepalen, dat het groote aantal van hen, die niet waren opgekomen, moest worden geacht te hebben toegestemd.

De staatsregeling- van 1801 naderde meer dan die haar voorafging de beginselen van het foederalisme. Zij behield de eenheid, maar gunde meer vrijheid aan de besturen der departementen en der gemeenten. Aan \'t hoofd der Republiek stond thans, gelijk boven is gezegd, een staatsbewind van twaalf personen met een wetgevend lichaam van vijfendertig leden. Een nationaal syndicaat, uit drie personen bestaande, moest op alle collegicn, overheden en ambtenaren toezicht houden. Zeer groot was het gezag, aan het staatsbewind opgedragen. Het had slechts de uitvoerende macht; doch deze macht reikte zeer ver doordien het de bevoegdheid had verdragen te sluiten, het beheer te voeren over de geldmiddelen en over vloot en leger te beschikken. Daarentegen werd de invloed van het wetgevend lichaam beperkt. Het had — het is waar — de wetgevende macht; doch terwijl het vroeger permanent was, vergaderde het nu maar tweemaal \'s jaars. In plaats van aan de agenten werden de verschillende takken van algemeen bestuur toevertrouwd aan raden, uit eenige personen bestaande, de financien b.v. aan den raad van financien.

-ocr page 364-

342

De besturen der departementen, hoewel ondergeschikt aan het opperbewind, verkregen echter, zooals boven is opgemerkt, een zelfstandiger werkkring. Het getal der kiezers werd, in vergelijking met dat, hetwelk de vorige grondwet vaststelde, zeer beperkt. Ook ten opzichte van de verdeeling van het grondgebied kwam deze constitutie terug op de andere. Zij herstelde èn de namen èn de grenzen der voormalige gewesten, waarvan men toen, om het provincialisme te fnuiken, was afgeweken. Het getal der departementen bleef hetzelfde. Zij heetten nu: Holland, Zeeland, Brabant, Utrecht, Gelderland, Overijsel (waartoe Drente tevens grootendeels behoorde). Friesland, Groningen. De constitutie in haar geheel is een bewijs, dat men tot gematigder gevoelens terugkeerde. Dit bleek ook hieruit, dat niemand, wegens staatkundige meeningen, zelfs geen erkend aanhanger van het huis van Oranje-Nassau, van nu aan was uitgesloten van het bekleeden van ambten.

Zeven leden van het staatsbewind, hetwelk tegelijk met de invoering der nieuwe grondwet optrad, werden voor deze, d. i. voor de eerste, maal benoemd door de drie leden van het uitvoerend bewind, van wie de geheele omwenteling was uitgegaan. Deze zeven verkozen de vijf overigen en verzuimden niet van die vijf plaatsen drie te laten vervullen door de burgers Pijman, van Haersolte en Besier. In \'t vervolg zou de verkiezing geschieden, uit een voordracht van de departementale besturen aan het staatsbewind en van dit aan het wetgevend lichaam, door de vijfendertig leden van dat collegie. Eveneens koos het staatsbewind voor deze maal de vijfendertig. De afkondiging van den I7den October, waarbij het staatsbewind aan het volk kennis gaf, dat het de teugels der regeering in handen had genomen, was de laatste, aan welker hoofd de leuze „vrijheid, gelijkheid, broederschapquot; prijkte en aan den voet waarvan men de woorden „het (7de) jaar der Bataafsche vrijheidquot; las.

De rol, die de regeeringslichamen, door de grondwet van 1801 in \'t leven geroepen, vervulden, was even weinig schitterend als die hunner voorgangers. De veerkracht, welke men aan het staatsbewind had willen verzekeren door het een groote macht te gunnen, werd verlamd door de veelhoofdigheid. Buiten zijn toedoen was het, dat de Republiek in 1802 een oogenblik verademing werd geschonken. Het was na het sluiten van den algemeen en vrede te Amiens {Alg- Geschied., III, 7de druk, blz. 231 vlg.) in Maart van dat jaar, waar Rutger Jan Schimmelpenninck de Republiek vertegenwoordigde. Voor de geschiedenis van Nederlands zeewezen is deze vrede hierdoor merkwaardig, dat, van dit tijdstip af, Engeland niet meer aandrong op het nakomen van zijn eisch nopens het strijken der vlag (zie blz. 212). Van de verschillende artikelen had dat de meeste betrekking op de Republiek, waarin werd bepaald, dat, met uitzondering van Ceylon, Engeland haar al hare volkplantingen teruggaf. Tevens werd, overeenkomstig vroegere bepalingen, vastgesteld, dat de schadeloosstelling voor het huis van Oranje-Nassau niet ten laste zou komen van de Republiek. Deze

-ocr page 365-

343

schadeloosstelling kwam dit huis toe wegens de verliezen, die het had geleden, zoowel door de veranderingen der staatsinrichting, als ten aanzien zijner bezittingen, op Nederlands bodem gelegen, die, evenals alle andere voormalige heerlijkheden, in 1795 bij de Republiek waren ingelijfd. Eerst den 25sten Februari 1803 {A/g-, Geschied., III, 7de druk), blz. 231) werd men het over dit punt eens. Zij werd gevonden ten koste van Duitschland, ofschoon dit van de verliezen geen voordeel had getrokken, en bestond uit het voormalige bisdom Fulda (in \'t vroegere keurvorstendom Hessen, thans tot Pruisen behoorende), het voormalige bisdom Corvey (ten n.o. van Paderborn), de abdij Weingarten (in Wur-temberg, ten n.o. van Constants), de voormalige rijksstad Dortmund (ten z. van Munster) en nog een paar andere plaatsen. Nooit heeft echter Willem V het bewind over deze landen aanvaard. Hij bleef als ambteloos burger in Brunswijk, waarheen hij zich bij zijn vertrek uit Engeland (zie blz. 340) had begeven. Zijn oudste zoon, wien hij de genoemde landen afstond, bleef ze ook na den dood zijns vaders, die in 1806 plaats had, besturen. Maar in 1807, bij den vrede van Tilsit, ontnam Napoleon hem, omdat hij voor Pruisen had gestreden, zoowel deze staten, als die, welke hij in Nassau van zijn vader had geërfd.

Na het sluiten van den vrede in 1802 begonnen handel en vertier in Nederland weder te herleven; doch wederom was de verademing kort van- duur. In Mei 1803 verklaarde Napoleon Groot-Britannie op nieuw den oorlog. Dit rijk legde zich nu dadelijk weder op de herovering toe der pas teruggegeven buitenlandsche bezittingen, die het allengs alle, behalve Java en een paar andere, in zijn macht kreeg. Zoo bezweek Suriname in 1804, de Kaap in 1806. Thans werd geheele uitputting het lot van het fel geteisterde land. Het moest den consul voor de door hem beraamde verovering van Engeland troepen, schepen en millioenen leveren. Hoezeer alle krachten werden ingespannen en de laatste penningen bijeengezocht, wat opgebracht werd voldeed niet. Aan den vorm van \'t bestuur weet Napoleon dat, waarvan de oorzaak in het onvermogen was gelegen. Te midden dier nooit eindigende eischen werd Napoleon keizer {A/g-em. Geschied., III, 7de druk, blz. 235). Alsnu moest alom, waar Frankrijks stem gold, ook de schaduw van volksregeering voor het eenhoofdig beginsel wijken. Nimmer had het veelhoofdige van de regeering der Bataafsche Republiek den eersten consul behaagd. In \'t begin van 1805 verkreeg Schimmelpenninck, de gezant der Republiek te Parijs, van Napoleon bevel een nieuwe grondwet op het papier te brengen, waaraan het monarchale beginsel ten grondslag lag. Schimmelpenninck kweet zich van dien last. Het ontwerp behaagde Napoleon, werd aan het staatsbewind overgelegd, bij \'net wetgevend lichaam ingediend en in April door het volk goedgekeurd. Wederom werden de zwijgenden gerekend het ontwerp te hebben aangenomen.

Deze derde staatsregeling, waarvoor die van 1801 plaats maakte, stelde Rutger Jan Schimmelpenninck, onder den naam raadpen-

-ocr page 366-

344

sionaris, met een meer dan vorstelijk gezag bekleed, aan \'t hoofd van het Bataafsche Gemeenebest. Men behoeft niet te gelooven, dat Schimmelpenninck zijns ondanks, uit vrees dat Napoleon anders tot de inlijving van zijn vaderland zou overgaan, zich de hooge waardigheid, hem door den keizer aangeboden, liet welgevallen. Had hij tot dusver geaarzeld, zoodra het ontwerp tot wet was verheven, verzette hij er zich in \'t minst niet tegen dat zijn naam aan het volk zou worden voorgedragen. Op voordracht van het wetgevend lichaam was hij dan ook door het volk gekozen. De wetgevende macht werd aan een wetgevend lichaam van negentien leden, „Hun Hoogmogenden, vertegenwoordigende het Bataafsche Gemeenebestquot;, opgedragen. Deze vergadering beraadslaagde over geen andere onderwerpen dan over die, welke door den raadpensionaris waren voorgedragen, en kwam tweemaal \'sjaars bijeen. De eerste verkiezing der leden geschiedde door den raadpensionaris.

De macht, aan het hoofd der Republiek toevertrouwd, werd boven vorstelijk genoemd. Dat is zeker niet te veel gezegd, want hij had de vrije beschikking over vloot en leger, stelde de buitenlandsche gezanten , alsmede de hoofdambtenaren en de officieren aan en had het opperbestuur over de geldmiddelen. Bovendien beschikte hij over een onbepaalde som uit \'s lands schatkist: de eenvoudige verklaring, dat die gelden uitsluitend hadden gestrekt ten dienste van den staat, was een voldoende verantwoording, Verdragen met vreemde mogendheden daarentegen ver-eischten de bekrachtiging hunner Hoogmogenden. Den raadpensionaris stonden vijf secretarissen van staat of ministers en een staatsraad van zeven leden (hij mocht van 5 tot 9 tellen) ter zijde. De titel, waarmede men Schimmelpenninck aansprak, was „Zijn Excellentie.quot; Ten opzichte van de verdeeling van \'t grondgebied waren de wijzigingen, door de nieuwe grondwet gemaakt, niet groot. Volgens haar bleef het grootste gedeelte van Drente voorloopig met het voormalige gewest Overijsel vereenigd. Maar nog in Juli 1805 werd het er van afgescheiden, als landschap aan de acht departementen toegevoegd en onder een eigen bestuur gebracht.

Zooveel hij vermocht, wendde Schimmelpenninck zijn macht eenig en alleen ten algemeenen nutte aan, zooals dan ook de daadwerkelijke regeling van het lager-onderwijs bij de wet van den 3den April 1806, het invoeren van algemeene in plaats van de vroegere provinciale belasti ngen, een commissie van landbouw in elk departement en andere instellingen gunstig voor zijn bewind getuigen. De invoering dier algemeene belastingen was een zeer gewichtige financiëele omwenteling. Zij waren reeds door de unie (zie blz. 99) voorgeschreven, maar nimmer in \'t leven getreden. Met haar invoering begint de opkomst der landprovinciën, die er sterk tegen waren, doch sedert dit tijdstip haar welvaart zeer zagen toenemen. Als grondslag voor het heffen der grondbelasting door het geheele Gemeenebest heen werd een kadaster ontworpen. Het recht der patenten, d. i. een belasting op het beroep of bedrijf, dagteekent ook van dezen tijd. Groot zijn bovenal Schimmelpennincks verdiensten ten

-ocr page 367-

345

opzichte van het lager-onderwijs. Het algemeene volksonderwijs was een der vruchten van de hervorming. Daarom was het opzicht over de scholen bij de kerk (zie blz. 184). Als uitvloeisel der grondwet (zie blz. 341) verscheen in 1801 de eerste algemeene staatswet op het lager-onderwijs. Deze wet riep de schoolopzieners in het leven en stelde een geregeld onderzoek vast naar de kundigheden van hen, die als onderwijzer wilden optreden; doch zij beperkte haar toezicht en haar voorschriften tot de scholen, door \'t openbaar gezag \'jpgericht en bekostigd. In Juli 1803 volgde een nieuwe wet, die alle scholen, ook de bijzondere, aan haar toezicht onderwierp. Gaandeweg kwam nu op vele plaatsen leven in het onderwijs. De wet van Rutger Jan was geschoeid op de leest van die van 1803, maar uitgebreider en meer in hare bepalingen omvattend. Zoo omschreef zij o.a. nauwkeurig de verplichtingen der departementale en der gemeente-besturen. Eerst door deze wet werd alom de verbetering der scholen en van \'t onderwijs krachtdadiger ter hand genomen en doorgezet.

Maar de machtige en alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook deze zwakke schaduw van een onafhankelijke republiek maar kort. Een aanleiding tot verandering werd spoedig gevonden. Zij werd gezocht in een verzwakking van \'t gezicht van den raadpensionaris. Die verzwakking viel geenszins te ontkennen; maar er was niets, dat belette de taak van dezen raadpensionaris, zoo hij aftrad, aan een ander op te dragen. Wat de keizer van Frankrijk wilde was weldra geen geheim meer. Zijn broeder Lodewijk moest koning van Holland worden. Schim-melpenninck achtte dit verderfelijk voor het land, verzette er zich tegen, zooveel hij kon, doch vermocht niets tegen den machtigen alleenheer-scher en tegen de veie regeeringspersonen der Republiek, die terstond hun instemming met Napoleons wenschen betuigden. Na langdurige beraadslagingen in het groot-besogne, een vergadering, onder \'t voorzitterschap van Schimmelpenninck samengesteld uit de leden van het wetgevend lichaam en van den raad van state, alsmede uit de secretarissen van staat, besloot men er toe, en de zaak kreeg haar beslag. Het hoofd van het plechtige gezantschap, hetwelk den keizer te Parijs kwam verzoeken om datgene, wat hijzelf, als zijn wil, aan Nederland opdrong, was Verhuell (zie beneden blz. 350). Een der leden was Willem Six, wiens naam de Franschen deed zeggen, dat geen koning op rechtmatiger wijze kon worden aangesteld dan Lodewijk, want Willem VI had er zelf om gevraagd.

Alzoo volgde in Juni 1806 een vierde constitutie, in de hoofdtrekken dezelfde als die van 1805. lodewijk napoleon werd koning van Holland tegen erkenning van de oppermacht zijns broeders als hoofd van \'t geslacht. Hem werd een wetgevend lichaam van 39, alsmede een staatsraad van 13 leden toegevoegd. Overeenkomstig \'s konings verlangen deed het wetgevend lichaam afstand van zijn titel „Hun Hoogmogenden.quot; In de meeste opzichten reikte \'s konings macht even ver als die van den

-ocr page 368-

346

raadpensionaris Schimmelpenninck; in enkele ging zij nog verder. Niemand dan hij had het recht verdragen met vreemde mogendheden te sluiten. Had de raadpensionaris de vrije geschikking over de gelden van den staat gehad, ook de koning had ze en overschreed hierin de grenzen eener wijze gematigdheid verre.

Lodewijks streven was in de eerste plaats een Nederlander te worden. Waar hij als koning zijn eigen weg kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen. Steeds trachtte hij er naar al zijn onderdanen te vereenigen en de voormalige partijschappen uit te roeien. Ter verwezenlijking van dit doel moest inzonderheid de oprichting van de „Koninklijke ridderorde der uniequot; dienen, welker zinspreuk was: „Doe wel en zie niet om.quot; Zij dagteekent van November 1807. Op het eere-teeken der orde zag men den bijlbundel met het opschrift: „Eendracht maakt macht.quot; Wat deze ridderorde in het staatskundige wilde beoogde op een ander gebied het „Koninklijk Instituut van wetenschappen, letteren en schoone kunsten,quot; hetwelk in Mei 1808 verrees. Geheelenal in strijd met de republikeinsche grondbeginselen, in 1795 met zooveel voortvarendheid op de maatschappij toegepast, was de instelling van den constitutioneelen adel van\'t koninkrijk Holland, een schepping van Lodewijk van \'t jaar 1809, bestemd om het regeerende huis tot steun te verstrekken; doch zij bestond slechts korten tijd. Den adel werden bij die instelling tevens groote voorrechten toegekend, als het jachtrecht in \'t geheele departement, waarin hun woonplaats lag, het recht om voor de helft het bestuur uit te maken der departementen, enz.

Aan den derden coalitie-krijg, die inmiddels was uitgebarsten {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 236 vlg. en boven blz. 343), namen de Nederlandsche krijgslieden, eenige maanden onder \'t opperbevel van Lodewijk zelf, in 1806 en in 1807 deel. Voor hen was Westphalen met de omliggende landen het tooneel van den strijd. De vrede van Tilsit (A/gem. Geschied., Ill, 7de druk, blz. 237), welke aan dien oorlog, voorzoover hij te land werd gevoerd, een einde maakte, vergrootte het grondgebied van den staat, doordien Je ver (thans in \'t n.w. van \'t groothertogdom Oldenburg) en Oost-Friesland tegen den vollen afstand van Vlissingen en zijn tafel, hetwelk aan Frankrijk kwam, met Holland werden vereenigd. Kort vóór het sluiten van dien vrede, neg in \'t zelfde jaar 1807, werd het koninkrijk in tien departementen verdeeld, waarbij Oost-Friesland thans als elfde kwam. De tien overige waren: Amstelland (ongeveer het voormalige Noorderkwartier van Holland), Maasland (nagenoeg het vroegere Zuiderkwartier van Holland), Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland en Brabant, zoodat Drente thans ook in naam geheel werd gelijk gesteld met het oude zevental. Aan \'t hoofd van elk departement stond een landdrost met een raad.

Hoewel de derde coalitie-oorlog niet op den bodem van het koninkrijk Holland werd gevoerd, was hij de aanleidende oorzaak van een nood-

-ocr page 369-

347

lottig voorval, waardoor de stad Leiden werd getroffen. Op den i2den Jannuari 1807 sprong een schip, met veel kruit geladen, dat op zijn doorvaart naar Delft de stad aandeed. Het schijnt dat de oorzaak der ramp in onvoorzichtigheid van den schipper is te zoeken , die er zelf bij omkwam. Na de uitbarsting lag een van de fraaiste gedeelten vsn Leiden, het Rapenburg, in puinhoop. Meer dan twee honderd huizen werden omvergeworpen, honderden bovendien beschadigd. Te midden der algemeene ontzetting, eenige uren nadat men den schok te \'s Gra-venhage had gevoeld, kwam de koning op de plaats zelve van \'t ongeluk. In persoon stelde hij op alles orde, liet soldaten van de bezettingen der nabijgelegen steden ongewapend te hulp snellen en loofde een belooning van tien dukaten uit aan ieder, die ter redding van een menschen-leven het zijne bijdroeg. Velen bleven door de tijdig aangebrachte hulp behouden, ofschoon het getal van hen, die het leven verloren, nog 152 beliep. Vooral betreurde men den dood der hoogleeraren Kluit (zie blz. 334) en Luzac. Zoodra de eerste ontsteltenis was geweken, ging de koning voor in het geven van ruime geldsommen en in \'t beramen van maatregelen om de fel geteisterde stad te gemoet te komen. O.a. werd Leiden voor een tijdruimte van tien jaren vrijgesteld van een aantal belastingen en aan alle eigenaars van nieuw opgebouwde huizen de grondbelasting gedurende twintig jaren kwijtgescholden. De ramp van Leiden was niet de eenige, die het vaderland destijds had te verduren. In Januari van \'t volgende jaar werd geheel Zeeland, in Januari 1809 een deel van Zuid-Holland en van Gelderland overstroomd. Den koning, die zich wederom in persoon naar die streken begaf, verschafte deze noodlottige gebeurtenissen een nieuwe gelegenheid om met woord en daad een deelneming te betoonen, die hem de genegenheid zijner onderdanen in ruime mate deed winnen.

Hoe erg ook, de ongelukken der jaren 1807, 1808 en 1809 waren tijdelijk. Anders was het gelegen met die, welke een gevolg waren van de onverbreekbare keten, die het koninkrijk Holland aan Frankrijk verbond. Wrevelig over de nederlaag bij Trafalgar {A/g. Geschied., III, 7de druk, blz. 237, 23S), verordende Napoleon te Berlijn bij decreet van den 2isten November 1806 het continentaa Is iels el, d.i. de uitsluiting der Engelschen van het vasteland, waardoor hij allen handel met Groot-Britannici verbood en al wat Engelsch was voor goeden buit verklaarde. Het besluit werd in 1807 verscherpt door het decreet van Milaan, hetwelk verklaarde, dat alle schepen, die zich een onderzoek van de zijde van Engeland lieten welgevallen, zouden worden geacht hun nationaliteit te hebben verloren. In 1810 volgde de verscherping door dat van Fontainebleau, waarbij de keizer het openlijk verbranden van alle Engelsche waren in de van hem afhankelijke staten gelastte. Voor Nederlands handel, in zoover er nog eenige handel was, werd het continentaalstelsel de doodsteek.

Het scheen alsof het Nederland was voorbehouden de maat te zien volgemeten van alle soorten van onheilen, die een land kunnen treffen.

-ocr page 370-

348

Er ontbrak nog maar aan een inval op het grondgebied van \'t koninkrijk, en die inval kwam. Ten einde de heerschappij ter zee te beter te kunnen handhaven achtte Engeland het geraden Walcheren in bezit te nemen en Vlissingen, alsmede Antwerpens werven en arsenalen te verwoesten. Tegen \'t einde van Juli 1809 stak onder lord Chatham, een zoon van Pitt {A/g. Geschied., III, 7de druk, blz. 184), een vloot in zee van ruim vier honderd oorlogsvaartuigen, de grootste, die Engelands havens ooit had verlaten, vergezeld van honderden transportschepen, ten einde een landleger over te brengen. Generaal Bruce week in een oogenblik van moedeloosheid uit het fort Bath (in \'t o. van Zuid-Beveland) en werd deswege afgezet. Binnen weinige dagen waren, nadat Vlissingen een geducht bombardement had doorgestaan, Walcheren, Schouwen en Duiveland in handen van den vijand. Inmiddels verzuimde Chatham Antwerpen aan te tasten, terwijl een talrijk Fransch leger, zich bij het Nederlandsche voegende, niet ophield de Engelschen te bestoken. Meer nadeel nog brachten hun de Zeeuwsche koortsen toe. In \'t kort, het doel der landing, aanvankelijk geslaagd, werd niet bereikt, zoodat de vijand op het eind van \'t jaar Zeeland weder ontruimde. De onderneming, met zooveel ophef aangekondigd, liep te niet evenals die van 1799.

Reeds sinds lang was Napoleon verbitterd op zijn broeder Lodewijk. Hij, het maaksel zijner hand, matigde zich aan als zelfstandig vorst te willen regeeren. Dit streed geheelenal met de bedoeling zijn broeders, die Holland alleen een eigen bestaan veroorloofde, onder voorwaarde dat het zich metterdaad als een Fransch wingewest liet behandelen. Van conscriptie of gedwongen krijgsdienet, van vernietiging der staatsschuld wilde Lodewijk, in weerwil van Napoleons aandrang, niets weten. Afwijkingen van de strenge bepalingen van \'t continentaalstelsel werden oogluikend toegelaten. Thans heette het niet alleen, dat Lodewijk den sluikhandel met Engeland vergunde, doch dat Holland in geheime verstandhouding stond met Groot-Britannië. De wrok des keizers bepaalde zich niet tot woorden, maar uitte zich binnen kort in daden. Den isten Februari 1810 verklaarde hij, dat Walcheren bij Frankrijk was ingelijfd. De verklaring was niets dan een bekrachtiging van hetgeen onmiddellijk na den aftocht der Fngelschen was geschied. Lodewijk, die sinds het begin van December van \'t vorige jaar te Parijs vertoefde en er weldra als een gevangene werd bewaakt, had terstond bemerkt, dat het lot van Walcheren slechts het voorspel was van hetgeen het geheele land stond te wachten. Van de veronderstelling uitgaande, dat Engeland veel gewicht hechtte aan de onafhankelijkheid van het koninkrijk Holland, gebruikte Napoleon het schrikbeeld der inlijving om Groot-Britannië tot het sluiten van vrede te nopen. Doch ook toen het bleek, dat de keizer zich in de meening van Engelands regeering dienaangaande bedroog, bleef hij desniettegenstaande bij het plan der inlijving. Hevige woordenwisselingen tusschen de beide broeders hadden er plaats. Een oogenblik dacht Lodewijk er aan Amsterdam een gewapenden aanval

-ocr page 371-

349

van Frankrijks troepen te laten trotseeren. Eindelijk liet Napoleon zich tevreden stellen met een verdrag, bij hetwelk geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland aan Frankrijk kwamen, zoodat de Waal de grens van \'t koninkrijk in \'t z.o werd. Hoezeer stak dit af bij \'s keizers belofte, vóór vier jaren afgelegd, dat hij de onschendbaarheid van Neerlands bezittingen waarborgde. Een ander artikel bevatte, dat het land Fransche garnizoenen zou opnemen om alle gemeenschap met Engeland af te snijden.

Over dit verdrag was men het eens in Maart 1810. In April keerde de koning naar Holland terug. Het duurde niet lang, of alles ging den ouden gang. Lodewijk bleef van een onafhankelijk koningschap droomen en den sluikhandel met Engeland gedoogen. Van zijn kant toonde Napoleon duidelijk wat hij in het schild voerde door nieuwe troepen te zenden, die in last hadden de hoofdstad te bezetten, en tolbeambten (douaniers) ten einde den sluikhandel te weren. De mijn was gereed, en het minstbeteekenende voorval kon de lont zijn, die ze deed springen. Zoodanige geringe aanleiding was er spoedig. Op zekeren dag van de maand Mei 1810 werd de koetsier van den Franschen gezant te Amsterdam bij een twist met een burger geslagen. Dat nam de keizer zeer hoog op. Wederom sprak de koning er van Amsterdam tot het uiterste te verdedigen. De gansche natie wilde hij te wapen roepen. Maar zijn ministers beweerden, dal zoodanige kamp onmogelijk was. Zoo bleef hem niets anders over dan afstand te doen van de kroon ten behoeve van zijn tweeden, toen oudsten zoon, Lodewijk Napoleon {Algem. Geschied, III, 7de druk, blz. 233), onder regentschap der koningin Hortensia (t. a. p. blz. 233). Uit vrees van door de handlangers des keizers te worden belemmerd verliet Lodewijk in den nacht van den isten Juli 1810 heimelijk het paviljoen bij Haarlem, waar hij toen vertoefde, en begaf zich naar Bohernen. Het land, waarover hij vier jaren had geregeerd, zag hij nooit weder, ofschoon hij nog tot 1846 leefde, toen hij te Livorno overleed.

Het oordeel over Lodewijks koningschap in \'t algemeen kan niet gunstig zijn. Volgens een statuut of verordening, in Maart 1806 voor het huis Napoleon opgesteld, stonden alle leden van dit huis, zóó voor hun personen, als voor hun tegenwoordige en toekomstige bezittingen, onder \'s keizers oppermacht. Dit artikel nu, eens vastgesteld, had de leiddraad zijner gedragingen moeten zijn. Toch wilde hij niet begrijpen, dat zijn taak zich tot de binnenlandsche regeering had te beperken en dat Holland naar buiten geen vrije beweging kon hebben. Door zijn verzet tegen den keizer, dat, uit hoofde van \'s konings onmacht toch dwaasheid was, stelde hij de algemeene belangen van het land in de waagschaal en deed niets dan den dag van \'t noodlot verhaasten. Met dat al had de natie meer dan één reden om den koning, die haar verliet, te betreuren. Voorzeker had het denkbeeld van het onafhankelijk koningschap het zijne gedaan om het beslissend oogenblik der inlijving

-ocr page 372-

8.50

te verhaasten. Toch is het geoorloofd te denken, dat dit oogenblik niettemin zou zijn gekomen, zoodra het den keizer, om welke reden ook, had behaagd. Ongetwijfeld was zijn bewind het volk op zware sommen te staan gekomen en hijzelf van veranderlijkheid niet vrij te pleiten. De verlegging zijner hofhouding van \'s Gravenhage naar Utrecht en vandaar naar Amsterdam veroorzaakte vele onnoodige kosten. Eveneens geschiedde het aanbod van Amsterdam, thans de hoofdstad des rijks geworden, om hem het beroemde stadhuis (zie blz. 179) als paleis af te staan, niet dan ten nadeele van de stadskas. Desniettegenstaande werd het bereidvaardig aangenomen. Des zomers betrok Lodewijk in de laatste jaren meestal het Paviljoen, dat hij van den bankier Hope kocht en dat later, als kroondomein , aan het huis van Oranje-Nassau kwam. Doch bij het onloochenbare van al die verspillingen moet men erkennen, dat de toestand van \'s lands kas, op het tijdstip dat Lodewijk de regeering aanvaardde, reeds zeer ongunstig was, daar het tekort toen meer dan 40,000,000 gl. bedroeg.

Eveneens mag men niet voorbijzien, dat hij in de weinige jaren van zijn bewind, bij alle moeielijkheden, die hij ondervond, veel heeft tot stand gebracht. In alles, wat den waterstaat betreft, stelde hij veel belang. Onder zijn regeering werd een werk voltooid, waarvan men een paar eeuwen lang de plannen had ontworpen en waarmede men eindelijk in 1804 was begonnen. Het was de openening van den mond van den Rijn te Katwijk door middel van een kanaal en het maken van twee sluizen bij dien mond. In October 1807 werd dit kanaal geopend. Zóó kreeg de Rijn, die bij zijn mond in het zand der duinen als verstikte, een einde, zijn grootschen loop waardig. Aan de verbetering van onderscheiden dijken in Holland, in Zeeland, in Groningen en elders werd evenzeer veel moeite besteed. In 1808 en in 1809 legde men den straatweg van \'s Gravenhage naar Leiden en dien van Utrecht naar het Loo. Een ander punt, dat Lodevvijks aandacht trok, was de rechts-bedeeling. Tot zijn tijd toe was het recht provinciaal. Thans, den isten Mei 1809, werd een algemeen wetboek, het code Napoleon, in \'t bijzonder ingericht voor het koninkrijk Holland, ingevoerd. Onder de ministers, van wier diensten de koning een tijdlang gebruik maakte, waren mannen van erkende bekwaamheid, b.v. de admiraal Karei Hendrik Verhuell voor de marine, Izaak Jan Alexander Gogel voor de financien, Willem Frederik Roëll voor de buitenlandsche zaken, Jan Willem Janssens en Cornelis Rudolf Theodoor Krayenhoff voor \'t krijgswezen, Cornelis Felix van Maanen voor de justitie.

Het laatste punt, waarop, als op een voorwerp der werkdadige belangstelling van koning Lodewijk, de aandacht moet worden gevestigd, zijn de koloniën (zie blz. 328 vlg. en 334 vlg.). Bij de grondwet van 1798 was bepaald, dat de Bataafsche Republiek alle bezittingen der gewezen Oost-Indische compagnie en haar schulden tot zich nam. Die schulden beliepen ongeveer 150,000,000 gl. Dezelfde grondwet stelde vast, dat

-ocr page 373-

351

de houders van acties en verdere belanghebbenden der compagnie, bij wijze van afkoop zouden worden schadeloos gesteld. Het oppergezag kwam aan het uitvoerend bewind, in 1801 aan het staatsbewind. Het bestuur werd in handen gesteld van den raad der Aziatische bezittingen. Ter zelfder tijd werd dat van West-Indië opgedragen aan den raad der Amerikaansche koloniën. Lodewijk, den troon hebbende beklommen, was van oordeel, dat in de Oost-Indische bezittingen een doortastende hervorming moest plaats grijpen. Te dien einde benoemde hij in Januari 1807 Daendels (zie blz. 326, 337, 340), een man van een voortvarend en onverzettelijk karakter en van een ijzeren wil, tot gouverneur-generaal van Indie. Daendels kwam in 1808 in Neêrlands Indie aan. Dat Indie bestond toen uit het grootste gedeelte van Java, niet alleen uit de onmiddellijke bezittingen, maar ook uit die der inlandsche vorsten, d.i. uit de middellijke bezittingen, verder uit Makassar (zie blz. 279), Amboina en de overige Molukken, Timor, eenige kantoren op Sumatra en Borneo, Bali (ten o. van Java), Banka (ten z.o. van Sumatra) en Billiton (ten o. vandaar). Als een tweede Napoleon bracht hij in het bestuur der volkplantingen een geheele omkeering te weeg, weshalve hij door den een als een waar hervormer, door den ander als een willekeurig regent en een vriend van harde maatregelen wordt voorgesteld. Het laatste is voorzeker niet volstrekt te loochenen. Maar onbetwistbaar is het dat onder zijn bewind meer dan een wezenlijke verbetering tot stand kwam. Hij liet een grooten weg langs de geheele Noordkust van Java aalleggen, van Anjer of straat Soenda tot Pana-roeka (in \'t n.o.). Met dien weg werd een geregelde postdienst in betrekking gesteld. In negen of tien dagen kwam nu een postwagen van Batavia naar Soerabaya, voor welken afstand men voorheen een maand noodighad.

Een andere aangelegenheid, waaraan Daendels zijn zorgen wijdde, was de gezondheidstoestand van Batavia. Het was meer dan tijd daarin te voorzien. Reeds vóór het begin der 18de eeuw was die koningin van \'t Oosten (zie blz. 180), als liggende te midden van moerassen, welke des zomers uitdroogden, berucht wegens de koortsen, die zoo menig offer onder haar inwoners eischten. Met kracht bestreed Daendels die verderfelijke plaag. Hij verplaatste de kerkhoven, dempte stilstaande wateren, slechtte geheele rijen huizen en muren om den luchtstroom meer toegang te geven, en bevorderde de verhuizing der inwoners naar de hooger gelegen wijken Weltevreden, Rijswijk, enz. In de derde plaats breidde hij den bouw der koffie zeer uit. Hijzelf getuigt in de drie jaren van zijn bewind ruim 45,000,000 koflieboomen geplant en alzoo het getal op 72,000,000 gebracht te hebben. In weerwil van al zijn inspanning mocht Daendels er niet in slagen het moederland voor alle verlies te vrijwaren. In Februari 1S10 gaf Amboina, zonder tegenstand te hebben beproefd, zich aan de Engelschen over, en de andere Molukken volgden.

-ocr page 374-

352

§ 35-

Nederland bij het keizerrijk ingelijfd. — Het herkrijgt zijn onafhankelijkheid.

Het koninkrijk Holland verkreeg de regeering niet, die Lodevvijk het had toegedacht. Volgens besluit van Napoleon van den gden Juli 1810 werd het bij Frankrijk ingelijfd. Charles Francois Lebrun, hertog van Plaisance (d. i. Piazenza, het oude Placentia, in \'t n. van Italië), kwam als luitenant-generaal of algemeen stedehouder in de Nederlanden. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, verklaard de derde stad van het keizerrijk te zijn. De Fransche rechtspleging met gezworenen werd ingevoerd, alsmede het code Napoleon, d. i. wetboek Napoleon (zie blz. 350), thans zonder bijzondere wijzigingen. Een der artikelen van \'t besluit stelde een staatsbankroet vast. De renten der publieke schuld zouden niet verder onder de lasten worden gebracht dan voor een derde: zij werden getierceerd. Wat nu werd uitgesproken was nog erger dan hetgeen men in de beide laatste jaren had beleefd, want ofschoon ook toen de renten niet werden betaald, was de hoop blijven leven: uitstel is geen kwijtschelden. De vroegere departementen werden nu Fransche departementen met prefecten als bestuurders. Hunne namen waren sedert September 1810: Zuiderzee (d. i. Amstelland en Utrecht (zie blz. 346), Bouches de la Meuse, d. i. Monden van de Maas (Maasland, zie aid.), Bouches de 1\' Escaut, d. i. Monden der Schelde (Zeeland), Bouches du Rhin, d. i. Monden van den Rijn (Brabant en het Zuiden van Gelderland), Issel Supérieur, d. i. Boven-IJsel (Gelderland), Bouches de 1\' Issel, d. i. Monden van den IJsel (Overijsel), Friso of Friesland, Ems-Occidental, d. i. Wester-Eems (Groningen en Drente), Ems-Oriental, d. i. Ooster-Eems (Oost-Friesland). Later werden in \'t getal en in de bepaling van de grenzen der departementen nog eenige veranderingen gemaakt. Onder de prefecten stonden onderprefecten, de burgemeesters werden ma ires.

In 1811 werd de conscriptie of gedwongen krijgsdienst ingevoerd. Zij berustte op het beginsel, dat ieder, die den bepaalden leeftijd had bereikt, in volstrekten zin ter beschikking van den staat stond. Elk jongeling, den ouderdom van twintig jaren hebbende bereikt, moest zich laten inschrijven. De regeering stelde het aantal vast, hetwelk telkens werd vereischt, en daarop gingen de ingeschrevenen tot de loting over. Aan hen, die een ongelukkig nummer trokken, werd de verzekering gegeven, dat zij niet langer dan vijf jaren zouden dienen; maar er was te dier tijde in Frankrijk geen voorbeeld van, dat men een soldaat, tenzij ongeschikt voor den dienst, ontsloeg. Men heeft berekend, dat nagenoeg de helft van de mannelijke bevolking van den ouderdom van twintig jaren jaarlijks door de conscriptie werd

-ocr page 375-

353

weggevoerd en dat 1/36 van de geheele bevolking soldaat werd. Al dadelijk werd de comscriptie hierdoor verzwaard, dat, bij wijze van terugwerking, het besluit ook werd uitgestrekt tot de laatste drie jaren, en zij, die reeds drie-en-twintig jaren telden, eveneens werden opgeroepen. Op de harde besluiten nopens de conscriptie volgde een harde uitvoering. Vooral maakte zich de prefect van het departement der Zuiderzee, de Celles, en, hoewel minder, die van de monden der Maas. de Stassart, door dergelijke handelwijze berucht. Toen het later bij den keizer vaststond den tocht naar Rusland te ondernemen, zag men in buitengewone lichtingen, ook van ouderen van jaren, een herhaling van hetgeen bij de invoering der conscriptie was gebeurd.

Tegen het misbruik der drukpers meende het Fransche bewind met een bijzonderen ijver te moeten waken. De censuur, die nauwlettend toezag, verbande alle vrijheid van schrijven. Het algemeen bestuur van den boekhandel te Parijs gaf een dagblad uit, waarin alle in \'t licht verschenen werken moesten worden opgeteekend. Niet dan na de vervulling van allerlei lastige formaliteiten was het een boekhandelaar mogelijk een werk uit te geven. Het spreekt vanzelf, dat ten aanzien van het continentaalstelsel alle oogluiking nu ophield. Te Rotterdam, te Groningen en elders zag men, gelijk te Venetië en te Leipzig, dat plechtig en in \'t openbaar verbranden van al wat Engelsch fabriekgoed was, somtijds voor een waarde van een half millioen gl. Alleen de besluiten van Berlijn, Milaan en Fontainebleau (zie blz. 347) waren voldoende om een land, waar het fabriekwezen en de landbouw de bevolking niet genoegzaam konden onderhouden, in den grond te boren. Geen Oost-Indievaarders vielen onze havens meer binnen. Ongehoord werd de spijs der koloniale voortbrengselen: de koffie kostte drie-en-zestig stuiver het pond, even tevoren twaalf, de suiker zestig in plaats van tien. De Nederlander, zoozeer aan zijn pijp tabak gehecht, moest ze neerleggen. Alle standen, zonder onderscheid, deelden in de algemeene ramp. Rijtuigen en dienstboden werden bijna alom afgeschaft, buitengoederen voor spotprijzen verkocht. De bevolking van Amsterdam nam bij duizenden af. Te Haarlem en te \'s Gravenhage sloopte men meer dan vijfhonderd huizen.

Er is meer. De droits réunis (vereenigde rechten, gelijkstaande met de hedendaagsche indirecte belastingen en accijnsen) , d.i. een belasting op wijn, zout, bier, tabak, binnenlandsche scheepvaart, enz. drukten den landzaat, die geenszins, gelijk voorheen, in ruime verdiensten de middelen vond om ze te betalen. Terstond bij de inlijving begon men met een heffing van 50 pet op alle voorhanden zijnde koloniale waren. De handel in tabak werd een alleenhandel of monopolie van den staat. Aan het houden van gemeenschap tusschen de verschillende plaatsen van het land legde het stelsel der passen de grootste moeielijkheden in den weg. Een argwanende en strenge politie beperkte zeer de vrijheid van spreken, want ook in besloten kringen was het zaak nauwkeurig rond te zien, of zij er ook haar verspieders had. Welbekend was de

W\'JWNE, Gesch. v. h. Vaderl., achtste druk. 23

-ocr page 376-

354

naam van den directeur-generaal van politie, Devilliers-Duterrage. Het openbare onderwijs werd naar dat der Franschen verwrongen. Predikanten en onderwijzers ontvingen een tijdlang geen bezoldiging. Taal en letterkunde dreigde een volkomen verval: dat het Nederlandsch welhaast niets dan een matrozentaal zou zijn was een van Napoleons voorspellingen. Ook de hoogescholen moesten het ontgelden. Slechts Leiden en Groningen bleven in wezen; Utrecht, Amsterdam en Deventer werden „écoles secondairesquot;, d. i. hoogescholen van den tweeden rang; Harderwijk en Franeker werden opgeheven. Zóó luidde een besluit des keizers van October 1811. Dat nogtans veel gespaard bleef had men aan den invloed van den Leidschen hoogleeraar in de geneeskunde Brugmans te danken, dien Napoleon hoogschatte. En de inrichtingen, welke inzonderheid werden getroffen, gelukte het, in weerwil van de geschreven letter, haar bestaan tot den val des keizers te rekken, daar het besluit eigenlijk nooit metterdaad werd uitgevoerd. De waterstaat werd grootendeels verwaarloosd. Bij dit alles kwam eindelijk nog het geheele verlies der koloniën. In 1811 trad Daendels (zie blz. 351) af, en Napoleon benoemde Janssens (zie blz. 350) tot gouverneur-generaal van Oosc-Indie. Nog in \'t zelfde jaar veroverden de Engelschen Java en de overige volkplantingen. Alleen op Desima (zie blz. 180) bleef de Nederlandsche vlag waaien. Hendrik Doeff verijdelde alle pogingen der Engelschen om ook dit punt te vermeesteren.

Piet waren ongetwijfeld moeielijke tijden. De nationaliteit van het Nederlandsche volk werd volstrekt niet gespaard. De Nederlanders ondervonden in de ruimste mate, wat het is voor een schepter te buigen,-welke verder reikt dan de blik, ook van den besten regent, kan reiken; naar wetten te worden geregeerd, welke evenmin overeenkomen met de behoeften als met den geest van het volk; te zijn prijsgegeven aan de willekeurige bepalingen van huurlingen des gewelds. Zij konden getuigen, wat het zegt de lasten en de opbrengsten voor de gemeene zaak niet te zien terugkeeren in den boezem van het volk zelf, maar als buit naar elders te zien wegvoeren; in hun eigen land te worden beheerscht door vreemdelingen, wier taal en zeden hun, zoo al niet onbekend, dan toch niet eigen waren.

Zóó was \'s lands toestand in de jaren der Fransche overheersching. Na den rampspoedigen tocht over de Berezina {Algsm. Geschied., III, 7de druk, blz. 242) werd het getal der vele plagen nog met een andere vermeerderd. Niet tevreden met de duizenden, die in \'t begin van het jaar 1813 voor den krijgsdienst werden bestemd, verplichtte Napoleon ook een groot aantal van hen, die eerst in \'t volgende jaar in de termen der conscriptie vielen, reeds nu op te komen. Daarenboven stelde hij de garde d\'homieur of eerewacht te paard in. Zij moest strekken, om, bij verzet of opstand, den keizer een genoegzaam aantal gijzelaars in handen tc stellen. Het werd als een gunst voorgesteld in deze lijfwacht te worden opgenomen. Dewijl ieder de kosten zijner

-ocr page 377-

355

eigen uitrusting moest dragen, trof de maatregel de aanzienlijkste ingezetenen het meest. Omstreeks 600 jongelingen van goeden huize kostte dit besluit aan Nederland.

Het kwade, dat de inlijving in Frankrijk aan Nederland heeft aangebracht, is vaak opgeteekend. Naar evenredigheid is nier zoozeer ge vezen op de, hoewel minder in \'t oog vallende, lichtzijde dier inlijving die echter niet geheel ontbreekt. De inlijving leverde dit groote voordeel op, dat zij Nederland op eens een stelsel van algemeene wetgeving deed deelachtig worden, hetwelk het uit zichzelf niet zoo spoedig, wellicht nimmer, had verkregen. De staatkundige en de rechterlijke organisatie, toen aan ons land geschonken, oefende een beslissenden en duurzamen invloed op den later herboren staat.

Intusschen deed de tocht naar Rusland eenige uitstekende Nederlanders denken, dat het niet meer tot het gebied der onmogelijkheden behoefde te behooren het vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden. Zóó dachten Johan Melchior Kemper, hoogleeraar in de rechten te Leiden, en Anton Reinhard Falck. Zij kwamen met elkander overeen naar vermogen partij te trekken van de veranderde tijdsomstandigheden ter herstelling van de nationale onafhankelijkheid. Ter zelfder tijd begonnen Gijsbert Karei van Hogendorp, van der Duyn van Maasdam, de graaf van Limburg-Stirum en drie andere mannen te \'s Gravenhage veelvuldige geheime bijeenkomsten te houden. De staatkundige beginselen, die èn de eerstge-noemden èn de laatsten zich voornamen als richtsnoer te volgen en bij anderen zooveel mogelijk aan te kweeken, waren een getemperde oppermacht van het huis van Oranje-Nassau, vernietiging der oude partijschappen, geenerlei uitsluiting van wien ook, mits men genegen was tot de nieuwe orde van zaken mede te werken. Ofschoon in geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde.

Middelerwijl schreed Napoleon op zijn loopbaan voort. Op de rampen van den tocht naar Rusland volgde de slag bij Leipzig. Terwijl de verzen van van Marle de geestdrift van \'t volk aanvuurden en de bekommering wekten der Fransche ambtenaren, meenden de Haagsche bondgenooten een stap verder te kunnen gaan en zich van de medewerking van een aantal personen uit de gezeten standen der maatschappij te moeten verzekeren. Ieder van hen stelde zich in betrekking met vier personen, die, zonder elkander te kennen, zich verplichtten op het eerste teeken gereed te zijn en naar \'t ontvangen bevel te werk te gaan. Deze vier kozen weder anderen, en op die wijze konden de zes weldra op 400 personen rekenen. Ten einde de nasporingen der Franschen te ontgaan werd niets op schrift gesteld. Tot deze voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om te handelen scheen nog niet aangebroken. Op de nadering der Pruisen en der Russen, na den slag bij Leipzig ons land binnengerukt, verlieten de

23*

-ocr page 378-

356

Fransche ambtenaren in allerijl de steden, in \'t n.o. van ons land gelegen. Den i4den November 1813 ontruimden de Fransche troepen Amsterdam, om weldra door den gouverneur-generaal en de andere ambtenaren te worden gevolgd, en begaven zich naar Utrecht. Op den avond van den isden geraakte de bevolking van Amsterdam, niet zoo voorzichtig wenschende te zijn als de Haagsche bondgenooten, op de been. Eerst deed zij niets anders dan vreugdekreten uiten; maar weldra begon zij de wachthuizen der tolbeambten en al wat aan de Franschen herinnerde te plunderen en te verbranden. De rust werd eerst hersteld, toen, op verzoek van de officieren der schutterij, die in den laatsten tijd, met goedvinden der Franschen, voor de handhaving der orde zorgde, een zeker aantal der aanzienlijkste ingezetenen het bestuur der stad voorloopig op zich nam. De ziel van alles wat hier gebeurde was Falck.

Toen begrepen de Haagsche heeren, om te voorkomen dat wellicht het volk tot oproer en geweld mocht overslaan, ook te moeten optreden. Op den morgen van den xyden November vertoonden zich de graaf van Stirum en de zonen van van Hogendorp in \'t openbaar met de oranjekokarde op den hoed. Het voorbeeld vond weldra bij ieder navolging. Denzelfden dag bekleedde de graaf van Stirum, in naam van den prins van Oranje, zichzelf met de betrekking van gouverneur van den Haag. Ten einde zonder verwijl een algemeen landsbestuur te kunnen instellen riepen van Hogendorp en de zijnen den i8den een vergadering bijeen van oud-regenten uit de jaren 1794 en 1795. Zij liep vruchteloos af, en eveneens een tweede, een paar dagen daarna gehouden, waartoe men ook de zoodanigen had genoodigd, die voorheen de belangen van Oranje niet waren toegedaan. Te groote behoedzaamheid en de langdurige ongewoonte van voor te gaan beletteden het nemen van een krachtig besluit om de hand aan den ploeg te slaan.

Van hun kant meenden de zes mannen uit \'s Gravenhage niet langer te mogen aarzelen. Naar den wensch van van Stirum en van de officieren der Haagsche schutterij aanvaardden van Hogendorp en van der Duyn van Maasdam den 2isten November het hoog bewind tot de komst van den prins van Oranje. Een proclamatie van dit Algemeen Bestuur, die hun optreden aan de Nederlanders bekend maakte, ontsloeg hen van den eed van trouw, aan den keizer der Franschen afgelegd. Men kan niet zeggen, dat zij, die thans als voorgangers bij den opstand optraden, in \'t begin veel medewerking bij het Nedelandsche volk vonden. Leiden sloot zich welhaast bij het tweemanschap aan ; doch Amsterdam, van den eenen kant uit Utrecht, van den anderen uit Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van den beginne aan had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich noch voor den prins, noch tegen den keizer verklaarde. Den 24sten November kwam daarin verandering. Kemper en Fannius Scholten, een der zes, op last van het Algemeen Bestuur er heen gezonden, brachten te weeg, dat ook

-ocr page 379-

357

Amsterdam zich onder de leus „Nederland en Oranjequot; bij hen aansloot. Na langer of korter weifeling traden verder Rotterdam, Haarlem en andere steden van Holland toe. Ter zelfder tijd werd Woerden door een deel van het Fransche krijgsvolk, dat te Utrecht in bezetting lag, overvallen en strekte gedurende eenige uren ten prooi aan een roof- en moordzucht, die velen aan de tooneelen van het jaar 1672 (zit blz. 253) herinnerde.

Reeds den igden November waren Fagel en de Perponcher van Sche-veningen naar Engeland overgestoken om den prins van Oranje, den oudsten zoon van Willem V (zie blz. 343), die, naar men vermoedde, zich daar bevond, uit te noodigen naar zijn vaderland weder te keeren. Den 26sten beloofde de prins in een eigenhandigen brief binnen kort te zullen overkomen. Hoewel door den oostewind in \'t oversteken belemmerd, bevond de vorst zich den 3osten te vier uur des namiddags op den vaderlandschen bodem. De reis van Scheveningen naar den Haag was een zegetocht, door \'t fraaiste weder begunstigd en onder de toejuiching van duizenden volbracht. Nooit openbaarde zich de vreugde, tot dronkenschap gestegen op zoo verschillende wijze. Hier stond men wezenloos, als geworteld in den grond, evenalsof men niet geloofde wat men zag. Dezen gloeide het gelaat, gene verbleekte; de een barstte los in gejuich, de oogen van den anderen werden door tranen beneveld. Den ouden van dagen was het, als hadden zij een kind uit den dood wedergekregen, den mannen een broeder, den jongelingen een vader. In de straten van \'s Gravenhage stuwde de schaterende menigte zich golvend voort, geen plekje ledig latende en hoeven, noch raderen ontziende voor een glimlach van den geliefden vorst. Terwijl de prins te \'s Gravenhage vertoefde, stelde deze en gene voor, dat men, in overeenstemming met het volk, dat Willem door de geheele stad heen als souvereine vorst uitriep, hem op staanden voet dezen titel zou opdragen. Na eenig beraad echter begreep men, dat men geen stap van dien aard moest doen, eer Zijn Hoogheid de hoofdstad had gezocht. Inmiddels overwoog Kemper, met Fannius Scholten als commissaris-generaal te Amsterdam zijnde, dat er iets beslissends moest worden gedaan. Wel deelden alle bewerkers der omwenteling zijnen wensch den prins van Oranje aan \'t hoofd van het bewind te zien; doch ten opzichte van den vorm, waaronder dit behoorde te geschieden, liepen de gevoelens zeer uiteen. Hijzelf en Falck wenschten steeds (zie blz. 355), onder den waarborg eener grondwet, den prins de oppermacht op te dragen. Daarentegen verlangden anderen een staatsregeling, op de vorige gegrond, waarin de perken van het stadhouderlijk gezag waren uitgezet. In een proclamatie, den 26sten November door het Algemeen Bestuur uitgevaardigd, werd Zijn Hoogheid nog Willem VI genoemd.

In deze omstandigheid vreesde Kemper óf voor terugkeer tot de oude dagen, óf voor vernieuwde verdeeldheid. Daarom was, dacht hij, dralen

-ocr page 380-

358

gevaarlijk en nam hij zich voor den prins, terstond bij zijn aankomst te Amsterdam, de souvereiniteit aan te bieden. Hij raadpleegde hierover van der Duyn. Op dan avond van den isten December riep de voorzitter van den raad van Amsterdam, nadat de stad de mare van \'s vorsten aanstaande komst had ontvangen, de leden bijeen. Het teere punt, welke waardigheid den prins zou worden opdragen, hield dien raad bezig. Even na middernacht, toen de leden der vergadering op het balkon van \'t paleis (zie blz. 350), thans weder voor een oogenblik stadhuis geworden, verschenen, hoorden zij geen ander geroep onder de groote menigte menschen, die op den Dam stond, weergalmen dan: „leve Willem I, souvereine vorst der Vereenigde Nederlanden.quot; Met den zin dezer woorden was een proclamatie der commissarissen-generaal van den isten December geheel in overeenstemming. In den loop van den aden December te Haarlem gekomen, trof de prins er Kemper en Scholten aan. De laatste verzocht hem in naam der natie de oppermacht over deze landen te aanvaarden. Eenige uren later verklaarde de prins op het Amsterdamsche stadhuis, dat hij ze aannam. Hoe kort het tijdsverloop ook was tusschen de vraag en het antwoord, het had moeite gekost de bedenkingen, die de prins had tegen het aanbod der souvereiniteit, te overwinnen. Na uren tegenstand liet hij zich dan ook slechts overreden om den last der souvereiniteit op zich te nemen onder voorbehoud eener grondwet, zoodra mogelijk uit te vaardigen. Het spreekt echter van zelf, dat, al had de prins deze voorwaarde niet gesteld, noch hijzelf, noch de natie, noch de buitenlandsche mogendheden, met name Engeland en Pruisen, die het meeste belang schenen te stellen in de herleving van een zelfstandig Nederland, ook maar één oogenblik ernstig konden denken aan de instelling eener onbeperkte monarchie.

Allengs volgden, op de mare van \'s prinsen brief, de andere gewesten, naar mate de Franschen ze ontruimden, het sein, door Holland gegeven. In de stad Utrecht, welke de vijand in den nacht van den 27sten tot den 28sten November ontruimde, weifelde men een oogenblik en schenen velen \'s lands regeering op den ouden voet te willen herstellen. Kemper snelde er heen, en ook daar werd de orde van zaken, die in Holland bestond, ingevoerd. Hetzelfde geschiedde in de eerste dagen van December in Gelderland en in de vorige landprovinciën. Die overeenstemming van het grootste en verlichtste deel der natie was niet vreemd. De langdurige onderdrukking had eendracht gekweekt. Indien het mogelijk is, dat een volk een algemeenen wil heeft, het was voorzeker in November en December 1813 in Nederland het geval. Voorzoover Zeeland zichzelf niet had bevrijd, deden de Engelschen het in 1814. In Gelderland, in Overijsel, in Groningen en in Friesland deden het Billow (A tg em. Geschied., Ill, 7 de druk, blz. 244) en de kozakken vóór of na dit tijdstip. Maanden duurde het intusschen, eer het geheele land door de Franschen werd ontruimd. Reeds den 3osten November veroverde Bülow Arnhem. Maar in \'t begin van 1814 waren Naarden,

-ocr page 381-

359

de Helder, Walcheren, Deventer, Koevorden, Delfzijl, \'s Hertogenbosch en Bergen-op-Zoom, om slechts de voornaamste vestingen te noemen, nog in handen van den vijand. In \'t laatst van Januari ging \'s Kertogen-bosch over, eerst in April Deventer, toen de tijding van Napoleons afstand hier bekend was geworden. Eindelijk, in Mei, werd de kroon gezet op het werk der bevrijding. Den 3den dier maand gaf de bezetting van Bergen-op-Zoom deze stad, op last van Lodewijk XVIII (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 245), over. Den volgenden dag had de ontruiming van het sterke den Helder plaats. Verhuell (zie blz. 345, 350), door Napoleon tot admiraal benoemd en in 1812 met het opperbevel bekleed over de Nederlandsche scheepsmacht, die bij Texel lag, hield onverzettelijk vast aan den eed, eenmaal aan Napoleon gezworen, weigerde standvastig den Helder over te geven en week eerst op een bevel van Lodewijk XVIII. Den 6den Mei verlieten de Franschen, door dezelfde beweegreden, den omkeer van zaken in Frankijk, gedwongen, het eiland Walcheren, den yden Koevorden, den i2den Naarden. Het laatste punt, dat de Nederlanders herwonnen, was Delfzijl. Toen het den 23sten Mei in naam van den souvereinen vorst in bezit werd genomen, was de gansche bodem van Nederland aan de Franschen ontrukt.

Aleer die gelukkige uitkomst was verkregen, had de prins het bewind, hem door de natie opgedragen, aanvaard met het nemen dier maatregelen, welke de tijdsomstandigheden in de eerste plaats vorderden. Zij betroffen de krijgsmacht en de financieele aangelegenheden, want er was noch geld, noch leger. Een proclamatie, waarbij het volk te wapen werd geroepen, vond weinig weerklank. Zij werd in December 1813 achtervolgd door het bevel, behelzende de oprichting van den landstorm, volgens hetwelk alle weerbare mannen van zeventien tot vijftig jaren zich met pieken in den wapenhandel moesten oefenen en zich gereed houden om, indien het werd vereischt, tegen den vijand op te trekken. Uit dezelfde manschappen, voorzoover zij nog geen vijf-en-veertig jaren oud waren, werd, deels door vrijwillige aangift, deels bij loting, een landmilitie of staand leger gevormd. In April 1814 had men op die wijze een leger van omtrent 25,000 man op de been. Met het geld ging het vlugger. Honderd duizenden gl. beliepen de sommen, die de natie als vrijwillige gift, ter uitrusting van \'t krijgsvolk nog in December 1813 opbracht. In dezelfde maand maakte de vorst een begin met het vervullen der voorwaarde, waaronder hij de oppermacht had aanvaard. Den 2isten December benoemde hij een commissie van vijftien personen ter samenstelling eener grondwet. Haar werd aanbevolen de schets, door van Hogendorp in de dagen der verdrukking, nog vóór den tocht naar Rusland, opgesteld en in de veelvuldige geheime bijeenkomsten van het Haagsche zestal overwogen, tot leiddraad harer beraadslagingen te nemen. De commissie achtte dit evenzeer geraden en verkoos van Hogendorp eenstemmig tot voorzitter.

-ocr page 382-

860

Het hoofddoel der schets was zonder onnoodige veranderingen de gebreken van den voormaligen toestand der Republiek te verbeteren. Zij berustte eensdeels op die oude staatsregeling, anderdeels op die van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Het was een gebrek in de voormalige provinciale en stedelijke regeeringen, dat zij zich met het algemeen bestuur inlieten. In het bewind van \'t geheel bestond deze feil, dat, door het wegvallen van den vorst, \'s lands aloude constitutie was verminkt. Een bron van eindelooze vertraging was het, dat de afgevaardigden ter Staten-Generaal in vele gevallen niet zonder ruggespraak konden handelen met hen, die ze zonden. Vóór 1795 kon de algemeene regeering — om dezen term eens te bezigen — niet vrij beschikken over de gewapende macht, de buitenlandsche betrekkingen en de benoodigde geldmiddelen Aanvankelijk was van Hogendorp niet gezind verder te gaan dan voor deze en dergelijke gebreken betere bepalingen in plaats te stellen. Toch werd hij door sommige zijner medeleden in de commissie genoopt ook met veel, dat geheel nieuw was, in te stemmen. Den aden Maart 1814 was het ontwerp der grondwet gereed. Nu moest het aan het oordeel van het Nederlandsche volk worden onderworpen. Te dien einde werd een lijst van 600 notabelen opgemaakt, d. i. van mannen, zich onderscheidende door deugd, bekwaamheden, geboorte, vermogen of ambtsbetrekkingen. Van de 600 verschenen op Dinsdag den 29sten Maart 474 in de Nieuwe kerk te Amsterdam. Zooals toen het gebruik was was bepaald, dat men slechts met voor of tegen zou stemmen, maar geen gronden zou aanvoeren. 448 aanzienlijken verklaarden zich ten gunste van de grondwet, 26 verwierpen ze. Zóó verkreeg zij binnen het tijdsbestek van eenige uren verbindende kracht. Den 3osten Maart was dezelfde Nieuwe kerk getuige van \'s vorsten inhuldiging. Tot sluiting der plechtigheid hield de Amsterdamsche hoogleeraar en predikant der hervormde gemeente Petrus Haack van den kansel een rede naar aanleiding van I Samuel 7 , vs. 15: „Samuel nu richtte Israël alle de dagen zijns levens.quot;

De nieuwe grondwet, — een naam, die den vroegeren van „staatsregelingquot; of „constitutiequot; verving, — de vij/de rzgtWng na. 1798, telde 9 hoofdstukken en 146 artikelen. Zij erkende als hoofdbeginselen vrijheid van godsdienst, gelijkheid voor de wet en onafhankelijkheid der rechterlijke macht. De verdere inhoud komt hoofdzakelijk hierop neer. Er zijn negen provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland en Brabant. Tot Holland be-hooren de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Urk en Marken; tot Overijsel Schokland; tot Friesland Ameland en Schiermonnikoog; tot Groningen Rottum. De souvereine vorst heeft een jaarlijksch inkomen van 1,500,000 gl. De titel van zijn oudsten zoon is „Koninklijke Hoogheid,quot; die der overige prinsen en prinsessen „Doorluchtige Hoogheid.quot; De souvereine vorst verklaart oorlog en sluit vrede; hij heeft het opperbestuur der geldmiddelen en der koloniën;

-ocr page 383-

361

hij heeft, evenals de vertegenwoordigers der natie zeiven, het initiatief ten aanzien van de wetgeving, d. i. hij kan wetten voordragen aan de Staten-Generaal. Er is één kamer van volksvertegenwoordigers, met den titel „Edel Mogende Heeren,quot; bestaande uit vijfenvijftig leden, door de staten der provinciën te benoemen en drie jaren zitting hebbende. Den adel wordt gewaarborgd, dat ten minste een vierde der leden uit zijn midden zal worden gekozen. De leden der Staten-Generaal stemmen zonder last van de provinciale staten, die hen kiezen, en zonder eenige ruggespraak met hen. Er zal een raad van state en een algemeene rekenkamer zijn. De provinciale staten zullen worden samengesteld uit leden der ridderschap en van de stedelijke raden. Deze leden worden gekozen door kiezers, te nemen uit hen, die de hoogste belastingen betalen. De provinciale staten hebben geen deel aan de oppermacht en beheeren de aangelegenheden van hun gewest. Voorzitters dier staten zijn, als \'s vorsten commissarissen, de gouverneurs in de verschillende gewesten. Aan alle godsdiensten wordt gelijke bescherming toegezegd. Die van den vorst is de hervormde. In elke provincie is een gerechtshof, en bovendien is er één hooge raad voor \'t geheele rijk.

Den aden Mei 1814 opende de souvereine vorst de eerste vergadering der Staten-Generaal, welker leden hijzelf, voor deze keer bij wijze van maatregel van overgang, had benoemd. Maar welhaast werd \'s vorsten opmerkzaamheid van de binnenlandsche aangelegenheden afgetrokken en op andere zaken gevestigd, in de eerste plaats op de uitbreiding van Nederlands grondgebied. Het eerst schijnt het denkbeeld dier uitbreiding, en wel door de aanhechting van België, als bolwerk tegen Frankrijk, in \'t brein der Engelsche staatslieden te zijn opgekomen. De verwezenlijking van dit denkbeeld werd zeer waarschijnlijk gemaakt door den inhoud van eenige der artikelen van den eersten vrede van Parijs van den 3osten Mei 1814 (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 245), houdende dat er een ineensmelting zou zijn van Nederland en België onder de souvereiniteit van het huis van Oranje-Nassau. Tot het vaststellen dier artikelen achtten {Algem. Geschied., 7de druk, IV, blz. 169) de verbonden mogendheden, die den vredesloten, zich, met het oog op het evenwicht van Europa, gerechtigd, omdat zij de Belgische gewesten met geweld aan de Franschen hadden ontrukt. Volgens het plan der mogendheden moest Nederland een staat worden van den tweeden rang, uitgestrekt en machtig genoeg om een zekeren invloed op de algemeene staatkunde van Europa te kunnen oefenen. Voor Groot-Britannie zou het de schakel worden zijner staatkundige en handelsgemeenschap met het vasteland, tegenover Frankrijk een dam tegen te verre uitbreiding zijner heerschappij naar \'t Noordwesten. In dien zin werden de bepalingen van den eersten vrede van Parijs nader uitgewerkt in een achttal artikels, te Londen vastgesteld den 2osten Juni 1814.

In Juli van \'t zelfde jaar nam Willem Frederik de souvereiniteit

-ocr page 384-

362

over België aan, hem voorloopig in afwachting der aanstaande ver-eeniging, aangeboden door de genoemde mogendheden. Deze vergrooting, deels een belooning voor Nederlands medewerking tot de redding van Europa, deels een vergoeding voor sommige koloniën, die het niet terug erlangde, was een voordeel, maar een voordeel, dat het kocht voor aanzienlijke sommen, welke ten deele aan Rusland en aan andere mogendheden uitgekeerd, ten deele ter versterking der vestingen in \'t z. besteed werden. Behalve deze vermeerdering van grondgebied, die Nederland thans als zeker kon te gemoet zien, herkreeg het in Augustus, als oogen-blikkelijke aanwinst, bij een verdrag, met Engeland gesloten, de volkplantingen , welke het op den isten Januari 1803 had bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary, Essequïbo en Berbice.

Terwijl intusschen het congres van Weenen Geschied., III, 7de

druk, blz. 245 vlg.) zoo over andere punten, als over de vereeniging van Nederland met België beraadslaagde, landde Napoleon den isten Maart 1815 bij Cannes, en het tijdperk van de regeering der honderd dagen nam een aanvang. Deze terugkeer deed den souvereinen vorst, die eerst van zins was de uitkomst der beraadslagingen van \'t congres te zijnen aanzien af te wachten, den lóden Maart besluiten de koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik te aanvaarden. Ten zelfden dage maakte hij dit besluit aan de Staten-Generaal en aan het gansche volk bekend, en tevens, dat hij bij den koninklijken titel dien van „hertog van Luxemburgquot; voegde. Willems verklaring werd weldra door het congres bekrachtigd. Vier van de hoofdmogendheden van dit congres, Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, sloten met den koning verdragen, waarbij het nieuwe koninkrijk der Nederlanden werd opgericht. Omtrent Luxemburg stelden deze verdragen vast, dat het, als groothertogdom, aan Willem werd afgestaan, die van zijn kant afstand deed van de vorstendommen Nassau-Dillenburg, Siegen, Hadamar en Dietz (zie blz. 75 en 292), alsmede van hetgeen de rijksdeputatie (zie blz. 343) aan zijn huis had toegekend. Aan Luxemburg, dat een der staten van den Duitschen bond bleef uitmaken, werd tevens een der zeventien stemmen in de vergadering van dien bond toegekend.

Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden bestemd om het tooneel te zijn, waar Napoleons lot en dat van Europa zou worden beslist. Als verstoorder van de rust der wereld door het congres te Weenen in den ban gedaan en niet kunnende onderhandelen met mogendheden, die zijn koeriers niet wilden ontvangen, meende Napoleon een aanval te moeten voorkomen door zelf aanvallender wijze te werk te gaan. Ongeveer 120,000 man had de keizer onder de wapens. Tegenover hem stonden twee hoofdlegers der bondgenooten: het eene, uit Engelschen en Nederlanders bestaande, onder den hertog van Wellington, en het Pruisische, door den grijzen Blücher aangevoerd, tezamen groot ruim 220,000 man. Op denzelfden löden Juni, waarop Blücher den slag van Ligny verloor, had de ontmoeting bij Quatre-Bras

-ocr page 385-

363

(een klein gehucht bij een kruisweg) plaats, waar de prins van Oranje den maarschalk Ney zegevierend terugdrong. Eindelijk werd den iSden Juni de groote veldslag bij Waterloo, een tweede Cannae, geleverd, waarin de plotselinge verschijning eerst van het korps van Bülow en later van de overige afdeelingen van \'t leger der Pruisen onder Blücher, gelijk het wegblijven van den Franschen generaal Grouchy, de zege aan de bondgenooten verzekerde. Daar bekwam de erfprins een wonde, waarvan hij evenwel spoedig genas. Reeds vier dagen daarna was de overwonnene geen keizer meer en sedert den i6den October een bewoner van St. Helena, wat hij tot zijn dood bleef.

Te midden van de voorbereidselen, allerwege voor den oorlog gemaakt, benoemde koning willem i (1814—1840, overl. 1843) een commissie van tweeentwintig leden, voor de eene helft uit Nederlanders, voor de andere uit Belgen bestaande, om de grondwet van 1814 te wijzigen, of wel om een nieuw ontwerp op te stellen. Ter zelfder tijd verleende hij aan zijn oudsten zoon, den kroonprins, den titel „prins van Oranje,quot; gelijk hij zoo even is genoemd, hetgeen weldra de grondwet van r8i5 bekrachtigde. Het gekletter der wapenen belette de commissie niet in Juli met haar werk gereed te zijn. Nog moest dit ontwerp aan de beide afdeelingen van \'t koninkrijk ter goed- of afkeuring worden onderworpen. Voor het Noorden was de weg hiertoe gewezen door de grondwet van 1814. Het moest gebeuren door de Staten-Generaal, in dubbelen getale te \'s Hage beschreven. De 110 leden namen het ontwerp in Augustus met eenparigheid aan. In het Zuiden kon bij \'t gemis eener vergadering, die het volk wettig vertegenwoordigde, de beoordeeling niet op dezelfde wijze geschieden. Daarom gelastte de koning, dat daar, op dezelfde wijze als in het Noorden in 1S14, een getal van 1603 notabelen bij stemming over het ontwerp zou beslissen. Eer deze stemming plaats had, verklaarde zich reeds de invloedrijke Belgische geestelijkheid openlijk en sterk tegen het ontwerp. Zij beweerde, vooral bij monde van Maurice Jean Magdeleine de Broglio, bisschop van Gent, dat geen waar katholiek een grondwet kon bezweren, waarin het beginsel van gelijkstelling van godsdienst was opgenomen. Tevergeefs trachtte de regeering den notabelen te betoogen, dat de katholieke geestelijkheid dwaalde. Van de 1603 kwamen 1323 op, en van die 1323 keurden slechts 527 het ontwerp goed, terwijl 796 het verwierpen.

In weerwil van die afkeurende meerderheid in België verklaarde de koning, die den uitslag had voorzien, dat de natie de grondwet had aangenomen. Hij grondde deze verklaring op de volgende overwegingen. Van de notabelen waren 280 afwezig gebleven, die als voorstemmenden moesten worden aangemerkt; van de 796 tegenstemmenden hadden 126 betuigd, dat zij het hadden gedaan wegens eenige artikelen, rakende den eeredienst, en juist deze artikelen mochten, als berustende op de verdragen, boven genoemd (zie blz. 362), niet worden veranderd; vermits in het Noorden de Staten-Generaal eenparig en in het Zuiden een

-ocr page 386-

364

goed aantal der notabelen voor het ontwerp waren, moest men het er voor houden, dat de grondwet aan den wensch van de overgroote meerderheid van Nederlands inwoners voldeed. Het valt niet te ontkennen, dat, om \'s konings verklaring, als gegrond, ingang te doen vinden, een groote mate van gedwongen uitlegging wordt vereischt. Want al voegt men b.v. ook bij de 527, die voor het ontwerp stemden, de 126 tegenstemmenden, dan nog is de afkeurende meerderheid 17. Slechts wanneer men bij de 527 en de 110 voorstemmenden óf de 280 afwezigen, óf de 126 voegt, verkrijgt men een goedkeurende meerderheid van óf 121, óf 93 stemmen. Insgelijks heeft men een dergelijke meerderheid, wanneer men slechts de afwezigen bij de 527 optelt. Maar het bewijs was moeielijk te leveren, dat die 280 afwezigen zouden hebben voorgestemd, en vermits de stemming afzonderlijk voor het Noorden en voor het Zuiden was geschied, behoorde, bij de onpartijdige beoordeeling van de uitkomst, de afscheiding eveneens te worden in \'t oog gehouden. Met dat al was men, billijk zijnde, verplicht te erkennen, dat het onmogelijk was aan den zin der Belgische geestelijkheid te voldoen, die terug wilde gaan tot het begrip der ééne heerschende kerk, en dat de tegenstand tegen de grondwet alleen van dat begrip uitging.

De wijzigingen, bij deze nieuwe grondwet, de zesde, groot 11 hoofdstukken en 234 artikelen, in die van 1814 gemaakt, kwamen hoofdzakelijk op de volgende punten neer: op de opheffing van \'t artikel, waarin was bepaald, dat de koning den hervormden godsdienst moest belijden: op een verhooging van \'s konings inkomsten tot 2,400,000 gl.; op de bepaling, dat de zetel der regeering, bij beurten, het ééne jaar in het Noorden, het andere in het Zuiden zou worden gevestigd; op de instelling eener Eerste Kamer van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen; op de bepaling, dat de Tweede Kamer uit 110 leden zou bestaan en in \'t openbaar beraadslagen; op de weglating van \'t artikel, betrekkelijk de verplichte vertegenwoordiging van den adel in de Staten-Generaal; op de bepaling, dat de landelijke stand van nu aan werd vertegenwoordigd in de staten der provinciën, dat hij optrad als lid van staat; op het voorschrift, dat de vaststelling der gewone inkomsten en uitgaven van het rijk om de tien jaar moest plaats hebben; op de toezegging van vrijheid van drukpers; op de bepaling, dat het koninkrijk der Nederlanden uit zeventien gewesten zou bestaan; op het artikel, voorschrijvende dat deze grondwet ook op Luxemburg zou toepasselijk zijn, behoudens zijn betrekking tot den bond, weshalve Luxemburg insgelijks zijn vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal zond. De zeventien gewesten waren Zuid-Brabant, Limburg, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Antwerpen, gevoegd bij de boven (zie blz. 360) opgetelde negen. Het daar genoemde Brabant werd thans Noord-Brabant.

De tweede vrede van Parijs {Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 248) die na den val van Napoleon werd gesloten, kende Nedeland eenig

-ocr page 387-

365

landstreken in \'t Zuiden toe, die de eerste vrede van Parijs aan Frankrijk had gelaten en die nu aan Henegouwen, Namen en Luxemburg werden gehecht. Zóó afgerond, kon de nieuw gevestigde staat roet alle recht den naam van koninkrijk dragen. Het was dicht bevolkt, werd door groote rivieren doorstroomd, telde een groot aantal welvarende steden en dorpen, bezat talrijke koloniën en kon, door zijn handel en zijn veeteelt in \'t Noorden, door zijn fabrieken en zijn bergwerken in \'t Zuiden, in beide door den landbouw, aan zijn inwoners ruime middelen van bestaan verschaffen.

§ ,36.

Het koninkrijk der Nederlanden lot den opstand van België.

Er is een vraag, waarover de gevoelens reeds in 1814 uiteenliepen, die in 1830 op nieuw werd gedaan en in verschillenden zin beantwoord en waaromtrent men het tot heden nog volstrekt niet eens is. Die vraag is, of de vereeniging van Nederland met België een doelmatige vereeniging was. Men had, zooals de lezer heeft kunnen opmerken, er toe besloten in \'t belang van \'t evenwicht van Europa. Verschillende omstandigheden, bovenal de vrees voor Frankrijk, deden, toen men dat besluit nam, over alle bedenkingen heenstappen. Anders zou men waarschijnlijk de tegenwerping van het ongelijksoortige der bevolkingen, die men aan elkander hechtte, zwaarder hebben doen wegen. Twee natiën toch werden bijeengevoegd, van elkander verschillende in karakter, zeden en neigingen, in godsdienst en lotgevallen, ten deele ook in taal en belangen. Terwijl de Nederlander over \'t geheel meer natuurlijk verstand heeft dan verbeeldingskracht, bedaard is en niet licht opgewonden wordt, nadert de aard der Belgen dien der Franschen. Zij zijn vlugger en bewegelijker dan de bewoners van Noord-Nederland. Het verschil van godsdienst was in \'t oog loopend en kweekte van den beginne aan een grooten weerzin bij de Belgische geestelijken om onder een protestantsch vorst te staan, Nederland kon, als zelfstandige staat, op een verleden, op een geschiedenis van een paar eeuwen herwaarts wijzen, zoo schitterend als eenige mogendheid die had. Daarentegen was België gedurende de laatste eeuwen niets geweest dan een reeks gewesten, achtereenvolgens onderworpen aan Spanje en aan Oostenrijk.

Hoe uiteenloopend evenwel de beide bestanddeelen van het koninkrijk der Nederlanden in menig opzicht mochten zijn, dit uiteenloopen schijnt de bewering niet te wettigen, dat de stichting van dit koninkrijk een ondoordacht werk was. Voor de samensmelting der beide natiën was b.v. het onderscheid in nationaliteit, in taal, in belangen en in historie geen onoverkomelijk bezwaar. De Nederlanders behooren, evenals de Belgen,

-ocr page 388-

366

tot de volkerengroep der Germanen. Het is waar, een deel der Belgen, de inwoners van Henegouwen, van Luik en van Namen, spreekt het Waalsch,-doch juist de twee hoofdvolkeren der Belgen, de Walen en de Vlamingen, verschillen in taal en in nationaliteit meer van elkander dan de Vlamingen van de Nederlanders. Wat de belangen aangaat, die van België, hetwelk ten behoeve zijner nijverheid belastingen verlangde op de koloniale waren en op den invoer van hetgeen uit buitenlandsche fabrieken kwam, waren alleszins in strijd met die van het Noorden, dat vrijen handel en vrijen invoer voorstond en directe belastingen boven indirecte verkoos. Maar daartegenover stond, dat de bevordering van den landbouw, ofschoon deze tak van bestaan in België het meest bloeide, in beider belang was en dat, ten gevolge van het gedeeltelijk verschil in takken van bestaan, de Belgische nijverheid kon worden gesteund door den handel en door de scheepvaart der Nederlanders, deze bedrijven weder-keerig door gene. Tevens behoort men niet te vergeten, dat onderscheiden belangen geen tegenstrijdige belangen zijn en dat eigenlijk de verschillende belangen eener natie ineenloopen. In het onderscheid der politieke herinneringen behoeft geen grond te worden gezocht voor wederzijd-schen afkeer, noch om de beide volkeren voortdurend van elkander gescheiden te houden, die immers, door \'t besluit van \'t congres van Weenen, niet voor de eerste maal onder één bewind werden vereenigd. De slotsom, uit dit alles te trekken, is, dat, zoo men den maatstraf der politieke herinneringen, der nationaliteit, der belangen aanlegt, er tegen de bijeenvoeging van Nederland en België niet meer valt in te brengen dan tegen de samensmelting van alle of van de meeste van Europa\'s staten.

Niet gering was hier en daar de opgewondenheid bij de gedachte aan de groote toekomst, voor Nederland weggelegd. Had Willem I in de bedwelming van \'t oogenblik, de kroon, eens voor Karei den stoute bestemd, zich als op de slapen zien drukken, menigeen achtte het een geluk, dat om de zeventien weder, als ten tijde van Karei V, de band der eenheid was geslingerd.

In vervoering riep Tollens in zijn gedicht „\'s Konings komst tot den troonquot; (zie blz. 408) den Belgen toe:

„Snelt toe! onze armen zijn ontsloten.

O broeders, komt, keert weer, keert weer.

Snelt aan, vervreemde landgenooten.

De slagboom viel vergruizeld neer.quot;

en Bilderdijk (zie blz. 407) zong in zijn „Holland aan Belgiëquot;;

Aan \'t moedig België, haar lotgenoote in druk.

Maar thans den prang ontscheurd van \'t opgedrongen juk, Biedt Hollands vrije maagd haar zusterlijken zegen En blijden welkomstgroet,quot; enz.;

-ocr page 389-

367

en elders, in „Willem Frederik, koning der Nederlandenquot;:

„Ziedaar den dag, den roem der dagen.

Aan \'t nakroost toegebeên door \'t strijdend voorgeslacht,

Den dag van \'s hemels welbehagen,

Met zooveel drift gewenscht, met zooveel angst verwacht,

Die de uitgebreide zusterlanden

Van Nieuwpoorts duin tot Texels zanden

Met volle teederheid elkadr in d\' arm doet zinken

En in d\' Oranjeband met morgenluister blinken.quot;

In de weinige jaren, gedurende welke Willem het bewind over Fulda en over andere Duitsche vorstendommen had gevoerd, had men gelegenheid gehad op te merken, dat onder de deugden van dien vorst werkzaamheid een eerste plaats bekleedde. Diezelfde werkzaamheid toonde hij in ruime mate in de vele jaren zijner regeering over het koninkrijk der Nederlanden. Een der eerste wetsontwerpen, door de Staten-Generaal aangenomen, was dat van den 29sten September 1815, waarbij de ridderorde van den Nederlandschen Leetcw werd ingesteld met de zinspreuk: virtus nob Uit at, d.i. deugd adelt. Reeds vroeger, in April van\'t zelfde jaar, had de Militaire Willemsorde het aanzijn gekregen. Van haren kant gaf de natie den prins van Oranje vele blijken harer dankbaarheid. Zoo boden de Staten-Generaal van Noord-Nederland hem het slot te Zoestdijk (zie blz 291) met de gronden, die er bij behoorden, in vollen eigendom aan. Tevens werd hier een eereteeken opgericht ter herinnering aan de verdediging van Quatre-Bras.

In 1816 trad de prins van Oranje in het huwelijk. Lang was onderhandeld over een verbintenis tusschen hem en prinses Charlotte, een dochter van den prins-regent van Engeland, d.i. van hem, die later George IV werd {Algetn. Geschied., IV, 7de druk, blz. 65). Maar dit plan werd tegengewerkt, stuitte op zwarigheden en ging niet door. In plaats van Charlotte was het Anna Paulowna, de jongste zuster van Alexander I, keizer van Rusland, die de prins huwde, naar welke prinses de Anna-Paulowna-Polder is genoemd, in 1845 in Noord-Holland nabij de Zijpe tot land gemaakt. Uit dit huwelijk sproten; Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, geboren in 1817 ; Willem Alexander Frederik Konstan-tijn Nikolaas Michael, geboren in 1818, overleden in 1848; Willem Frederik Hendrik, doorgaans prins Hendrik der Nederlanden geheeten, geboren in 1820, overleden in 1879, tijdens zijn leven luitenant-admiraal van de vloot en \'s konings stedehouder in Luxemburg; Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses Sophia, geboren in 1824, in 1842 getrouwd met Karei Alexander Augustus Jan, sinds 1853 groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Eenige jaren na zijn broeder, in 1825, trouwde \'s konings tweede zoon (zie blz. 325), prins Frederik der Nederlanden, overleden in 1881, met Louise Augusta Wilhelmina Araalia, een dochter van Frederik Willem III, koning van Pruisen.

-ocr page 390-

368

Intusschen kon de herboren staat, ook na den val van Napoleon, de wapens nog niet geheel laten rusten. De dey van Algiers had, evenals die van Tunis en die van Tripoli, zijn zeerooverijen hervat, waardoor de handel in de vorige eeuw reeds zooveel had geleden. Op de dreigende stem van Europa\'s zeemogendheden sloten de beide laatste vorsten vrede. De stad Algiers daarentegen werd in Augustus 1816 gebombardeerd door den Engelschen admiraal, lord Exmouth, en den Nederland-schen vice-admiraal, Theodoor Frederik baron van Capellen. De uitkomst beantwoordde aan het doel. Toen Algiers voor de helft in puin lag en de vloot van den dey was verbrand, ging hij op den dag na het bombardement een verdrag aan, hetwelk de veiligheid der Middel-landsche Zee herstelde en waaraan meer dan 1000 Christenslaven hun vrijheid hadden te danken. Tevens werd te Algiers een Nederlandsch consulaat gevestigd. Zijn afkeer van den slavenhandel toonde Willem I door dien niet alleen in de Nederlandsche bezittingen te verbieden, maar ook stipt de hand aan dat verbod te doen houden, iets, dat niet alle mogendheden in die dagen deden. Ter zelfder tijd geraakte het nieuwe koninkrijk in \'t bezit zijner Oost- en West-Indische koloniën, die het tot dusverre, door den oorlog op het vasteland verhinderd, niet had kunnen overnemen.

Er verliepen, sedet 1815, weinige jaren, of de onderdanen van Willem I hadden redenen om met hun toestand tevreden te zijn. Ten einde de zoo gewenschte eenheid te verkrijgen werd sedert 1816, met behoud evenwel der oude benamingen, het metrieke stelsel van maten en gewichten ingevoerd. De akkerbouw geraakte weldra tot aanmer-kelijken bloei. De landman, doordien de wijdstrekkende handel hem de hand reikte, zeker van een ruimen aftrek, schepte er behagen in de aarde door noeste vlijt tot vermenigvuldiging van opbrengst te dwingen. Vele handen bleven voor dezen tak van bestaan beschikbaar door de bepalingen der grondwet, die onderscheid maakten tusschen het staande leger en de nationale militie. Het eerste bestond slechts uit vrijwilligers, de laatste deels uit vrijwilligers, deels uit hen, welke de loting daartoe verplichtte. De militie evenwel kwam maar één maand in \'t jaar onder de wapens. Het behoeft voorzeker geen betoog, dat deze bepalingen er toe leidden, dat juist die jongelingen voor den landbouw werden behouden, die elders hun krachten aan den krijgsdienst moesten wijden. Evenals de landbouw deed de bergbouw belangrijke schreden voorwaarts. Het was, alsof de menschen onder elkander een verbond hadden gesloten om de mijnen van Luik, van Henegouwen, van Namen en van Luxemburg er toe te brengen alle schatten over te geven, die zij sinds eeuwen in haar diepten hielden bedolven. Niet zoo gunstig stond het met de fabrieken en de manufacturen. Hoe nadeelig de invloed van het continen-taalstelsel in \'t algemeen ook was geweest, op \'t vasteland had menige fabriek er haar opkomst of meer vertier harer voorbrengselen aan te danken gehad. Deze betrekkelijke voorspoed verdween thans weder met de oorzaak, die hem had doen geboren worden. Intusschen was die tijd van

-ocr page 391-

369

overgang kort. De koophandel en de zeevaart van het koninkrijk der Nederlanden verschaften mettertijd aan de voorbrengselen der fabrieken, welke den kwaden dag verduurden, in een deel van Europa, en bovenal in \'s lands koloniën, een marktplaats. De Vlaamsche spinnerijen en weverijen konden het getuigen. Behalve de genoemde bedrijven herleefden die, welke van ouds de bronnen van Nederlands welvaart waren geweest, de handel en de zeevaart. Naast het rijke Amsterdam =11 zijn mededinger Rotterdam begon Antwerpen, niet langer doorsluiting der Schelde of oorlog met Engeland belemmerd, allengs op te komen.

Was dit alles het werk der regeering? Geenzins. Doch deze verdienste had de regeering, dat zij de pogingen der natie in de hand zocht te werken en zich inmiddels zelve van de plichten poogde te kwijten, welke haar roeping haar oplegde. Aan Utrecht schonk zij een veeartsenijschool, aan Seraing (nabij Luik, aan de Maas) een zeer groote fabriek voor machines, die met de beste van dien aard kon wedijveren, welke Engeland bezat. De aloude bank te Amsterdam (zie blz. 179) werd een nationale bank. Van haar menschlievendheid gaf de regeering een in \'t oog vallend bewijs door in 1818, op \'t voorbeeld van Engeland, den slavenhandel af te schaffen en alzoo te bekrachtigen wat Willem (zie blz. 368) eerst geheel uit eigen beweging krachtens zijn koninklijke macht had gedaan. Ter bevordering van de gemeenschap, die het vervoer van de voortbrengselen der nijverheid zoozeer vereenvoudigt, liet koning Willem I zich inzonderheid veel gelegen liggen aan de verbetering der groote wegen. Het waren meestal straatwegen, die door zijn toedoen werden aangelegd; maar onder zijn bewind werd ook de eerste spoorweg in Nederland, die van Haarlem naar Amsterdam, den 24sten September 1839 voor het publiek geopend. Op dien eersten spoorweg volgde weldra de Rijnspoorweg, die van Amsterdam naar de grenzen van Duitschland voert. Thans is en wordt meer en meer het gansche land met dergelijke banen doorsneden. Stellig was Nederland in dit opzicht lang achterlijk b.v. bij het naburige België, hetwelk reeds gedurende het tiental jaren, dat met 1834 begint, met een net van spoorwegen werd overdekt.

Vooral hield Willem zich ijverig bezig met het scheppen of het bevorderen van \'t aanleggen van binnenlandsche waterwegen. In dergelijke ondernemingen stelde hij zooveel belang, dat hij er persoonlijk uit eigen middelen deel aan nam. Kort na zijn komst in het vaderland liet hij de haven „het Nieuwe Diepquot; (ten o. van den Helder) aanleggen. Met die haven stond in verband het groote Noord- Hollandsche kanaal, hetwelk van het Nieuwe Diep voorbij Alkmaar en Purmerend tot Amsterdam loopt en voor groote zeeschepen bevaarbaar is. Dit reusachtige werk, hetwelk Willem mede uit eigen middelen ondersteunde, werd in 1819 begonnen en in 1825 voltooid. Hoe nuttig het was toont het getal van ruim 4000 zeeschepen en ongeveer 24,000 binnenvaartuigen, die er in 1850 doorvoeren. In 1825 ontstond het Zederik-kanaal, het-

WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderl., achtste druk. 24

-ocr page 392-

370

welk zijn naam ontleent aan een riviertje, dat er in werd opgenomen en van Vianen naar Gorinchem voert. In 1827 begon men, om Rotterdam met Hellevoetsluis te verbinden, met het kanaal van Voorne, waarvoor de gelden uit \'s konings eigen fondsen kwamen en dat in 1829 reeds ten einde werd gebracht. Het doorsnijdt, van Hellevoetsluis uitgaande, Voorne in noord-oostelijke richting. In \'t volgend jaar kwam het Apeldoornsche kanaal, van Apeldoorn naar Hattem in den IJsel loopende, tot stand. Honderden schepen bevoeren het weldra, en de bevolking der gemeenten, in de nabijheid van het kanaal gelegen, nam bij duizenden toe. Reeds vroeger, in 1822, had men een begin gemaakt met het graven van de Zuid- Willemsvaart tusschen \'s Hertogenbosch en Maastricht, een even grootsch gewrocht als het Noord-Hollandsche kanaal, hetwelk mede binnen eenige jaren voor de vaart werd opengesteld. Daardoor bekwam men een waterweg van Maastricht tot den Helder. Buiten al deze groote waterwerken werden er onder Willems regeering kanalen gegraven in Vlaanderen, met Ter-neuze als punt van uitgang, in Henegouwen, in Namen en in Zuid-Brabant, enz. Andere waren beraamd; doch de tijdsomstandigheden verhinderden hun voltooiing. Onder de bijzondere personen, die met Willem het aanleggen van kanalen als een hoofdzaak van hun leven beschouwden, moet in de eerste plaast. de baron van Dedem worden genoemd (overleden in 1851), de schepper van de Dedemsvaart, welke, van Hasselt uit, het het geheele Noorden van Overijsel, van \'t W. naar \'t O., doorsnijdt en met een tak in de Nieuwe Vecht loopt.

Naast de vaarten en kanalen waren de indijkingen en inpolderingen een der onderwerpen, waarbij Willem gaarne zijn aandacht bepaalde en welke hij zeer bevorderde. Gedurende zijn bewind werd, behalve het Koegras in Noord-Holland en de Zuidpias bij Gouda, menige andere plas in een welige landouw herschapen. Inzonderheid was het droogmaken van \'t Haarlemmermeer een zijner lievelingsplannen. De zaak, reeds zoo vaak (zie b.v. blz. 174) overwogen, kwam in 1838 zoo ver, dat de koning een ontwerp van wet ter droogmaking van dat meer bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal liet indienen. Het werd met een groote meerderheid van stemmen verworpen; maar aan Willem blijft de eer werkdadig den eersten stap te hebben gedaan om een ontwerp te verwezenlijken, waarover men jaren lang had gesproken en geschreven en hetwelk eerst onze leeftijd heeft tot stand gebracht. Een derde punt, waarop zich \'s konings opmerkzaamheid vestigde, waren de havens. Waren er steden, die betere of andere havens behoefden, zij konden er zeker van zijn bij den koning steun te zullen vinden. Dat was vooral het geval met Middelburg. Reeds meermalen waren er aan de haven dezer stad duizenden ten koste gelegd, en toch behoefde zij nog steeds aanmerkelijke verbetering. Aan Willems zorgen had zij het in 1817 te danken dat een plan, aireede onder Lodewijk ontworpen, werd uitgevoerd. Ook Goes verkreeg een betere haven.

-ocr page 393-

371

Het waren evenwel niet alleen de dingen van stoffelijken aaul, waarin de koning belang stelde. Terecht begreep hij, dat de natie hoogere belangen had, waarvoor hij in de eerste plaats had te waken. Van die belangen achtte hij het onderwijs het gewichtigste. Veel heeft hij voor deze maatschappelijke instelling gedaan. Men overdrijft niet, wanneer men beweert, dat in België ten tijde der samenvoeging het lager-onderwijs zoo goed als niet bestond. Het is waar, men vond er scholen, doch het waren grootendeels ondoelmatige lokalen; men vond er onderwijzers, doch zij werden slecht of bijna niet bezoldigd en konden niet voor hun beroep leven, noch dat beroep als een roeping aanmerken. Zoo nietsbeteekenend was de meerderheid dezer inrichtingen, dat de jeugd er niet eens behoorlijk lezen en schrijven leerde en dat een almanak of een oud dagblad er dikwerf het eenige voedsel voor den geest uitmaakte. Volvaardig nam Willem de taak op zich in het gemis van lager-onderwijs te voorzien. Hij richtte een paar normaalscholen ter opleiding van onderwijzers en een groot aantal modelscholen op, alles op kosten van de staatskas. Geschiedde er niet allerwegen zooveel als hij wenschte, het was, omdat de gemeenten niet overal in staat waren de zware geldsommen te leveren, welke een goed onderwijs vereischt, en omdat de schatkist van \'t rijk geen zeer ruime subsidien kon bijdragen. Wat de koning voor het hooger-onderwijs deed toont alleen het feit, dat hij het voor het Noorden regelde bij een besluit van den aden Augustus 1815 en voor het Zuiden bij een besluit van den zósten September 1816. Nu werden de hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven tot een nieuw leven geroepen. Te Gent en te Luik verrezen thans voor \'t eerst academiën, te Brussel en in andere steden van \'t Zuiden athenaeën. Ook die van Harderwijk en Franeker, thans rijksathenaeën geworden, bleven in stand, doch werden niettemin later, in 1817 en in 1843, opgeheven. Ten behoeve van het leger en van de zeemacht schiep de koning de militaire academie te Breda en het instituut voor de marine te Medemblik (thans te Nieuwe Diep).

Een andere van \'s konings verdiensten is de regeling der protestant-sche kerkgenootschappen in Januari 1816, een zeer netelige zaak. Ofschoon er nog veel van de voormalige rechtsgewoonten was overgebleven, had de Fransche omwenteling van 1789 de betrekking van kerk en staat geheel veranderd. In den drang der omstandigheden meende thans de regeering deze aangelegenheid te moeten regelen, omdat er nog geen bestuur der hervormde kerk bestond. Zij raadpleegde ech\'.er tevoren een commissie, waarin onderscheiden predikanten zitting hadden. Van alle bevoegdheid om mede in de inrichting der kerk te worden gekend rekende zij het niet doelmatig afstand te doen. Zij bepaalde zich evenwel tot het houden van toezicht. Zij wilde geen gezag oefenen in de kerk [jus in sacra), maar alleen betrekkelijk de kerk (/««• circa sacra). Te dien einde stelde zij vast „het algemeen reglement voor het bestuur der hervormde kerk.quot; De hervormde

24*

-ocr page 394-

372

kerk werd gesteld onder het beheer eener synode en van elf provinciale besturen, die weder in klassen en in ringen werden verdeeld. De Waalsche kerk werd tevens in stand gehouden; maar de colle-gianten (zie blz. 182) waren in \'t laatst der 18de eeuw te niet gegaan. De Lutherschen kregen insgelijks een synode, die de zaken van het Evangelisch-Luthersch kerkgenootschap bestuurde. Van hen bleven de „Herstelde Lutherschenquot; of „Oud-Lutherschenquot;, d. i. de zoogenoemde rechtzinnigen, afgescheiden, die in \'t laatst der 18de eeuw eenige, doch weinige, afzonderlijke gemeenten hadden gesticht. Het bestuur der Remonstrantsche broederschap bleef opgedragen aan een generale vergadering en aan een naast haar staande commissie. Aan de Doopsgezinden, die wenschten dat de regeering zich van alle bemoeiing met hen onthield, werd hun eigen bestuur gelaten, de Alge-meene Societeit, te Amsterdam gevestigd, geheel onafhankelijk van den staat. De Joden verwierven, evenals bijna alle andere sekten, van het rijk een kerkordening met een hoofdcommissie.

Ten aanzien van de Roomsch-katholieke kerk bleven in \'t Zuiden de bisdommen, in \'t Noorden de missie (zie blz. 78) in stand. De regeering bleef intusschen, ook voor zoover deze kerk betreft, vasthouden aan het recht van placet (het behaagt), hetwelk ook de voorafgaande regeeringen van het Zuiden hadden gehad, d. i. aan de bevoegdheid van wereldlijk opzicht, of, met andere woorden, aan het recht om kennis te nemen van de inrichting der kerk en van de daarin te maken veranderingen en, op grond hiervan, haar goedkeuring te verkenen of te onthouden.

Meer tijd dan voor deze beschikkingen had de regeering van Willem I noodig voor de wetgeving. Het duurde tot den isten October 1838, eer de Fransche wetten werden afgeschaft en, tegelijk met een nieuwe rechterlijke inrichting, nieuwe Nederlandsche wetboeken werden ingevoerd.

Nog is niet alles aangeroerd. Willem, die steeds van oordeel was, dat, zoolang er nog iets overbleef te verrichten, niets was verricht, was steeds ijverig in de weer om armoede te weren en tot werkzaamheid op te wekken. Te dien einde riep hij in 1821 de Maatschappij van weldadigheid in \'t leven, die de landbouwende koloniën Frederiksoord en Willemsoord (in \'t z.w. van Drente, ten z.w. van Vledder), benevens de bedelaarsgestichten Veenhuizen (in \'t n.w. van Drente, ten z.w. van Norg) en Ommerschans (in \'t n. van Overijsel, ten n.o. van Zwol) stichtte. De oprichting der eerste was meer in \'t bijzonder het werk van den luitenant-generaal Johannes van den Bosch (zie blz. 374), die zich vele jaren aan de leiding dezer kolonie geheel toewijdde. Den naam „Frederiksoordquot; draagt zij naar prins Frederik, \'s konings tweeden zoon, aan wiens krachtige bescherming zij haar opkomst mede had te danken. Zooals de Maatschappij van weldadigheid de uitbreiding van den akkerbouw in de hand werkte, poogde die voor de volksvlijt te Brussel, in 1822 gesticht, de nijverheid en den arbeid der fabrieken te bevorderen.

-ocr page 395-

Om den handel en de vaart op \'s lands buitenlandsche bezittingen aan te moedigen werd in 1824 de Ne der la n di chc Han dcbnaaicchappij opgericht. Zoozeer kwijnden toen de handel, de fabrieken, de reede-rijen en de scheepsbouw, dat de regeering meende te moeten voorgaan om bij bijzondere personen den uitgedoofden zin voor groote ondernemingen te wekken. Doordien de Engelschen de voortbrengselen hunner fabrieken en manufacturen in Indie invoerden en, bij het nemen van retourladingen, een zeer hoogen prijs gaven voor de producten der koloniën, dreven de Nederlanders den handel op Indie niet dan mei verlies. De handelmaatschappij werd dus geen mededingster der handelskantoren, want die kantoren waagden zich destijds niet aan belangrijke ondernemingen. Bij het octrooi van 1824 verwierf zij voor den duur van vijfentwintig jaren verscheidene voorrechten. Hoewel de vaart voor alle Nederlandsche schepen en voor die der met Nederland bevriende staten bleef opengesteld, had de maatschappij alleen het recht de voortbrengselen van den staat uit de koloniën te halen, ze in het moederland te verkoopen, troepen, geld, enz. naar Indie over te voeren. De handelmaatschappij begon met een kapitaal van 37,000,000. De koning, die er zelf voor 4,000,000 deel aan nam, waarborgde een rente van 4,V p.c. Het hoofdkantoor, eerst te \'s Gravenhage gevestigd, werd in 1829 naar Amsterdam verplaatst. In 1849 en in 1874 werd het octrooi, telkens voor vijfentwintig jaren, verlengd. Behalve den werkkring, door de regeering afgebakend, had de maatschappij nog een bijzonderen handel in koffie, katoen, enz. die zeer aanzienlijk is. Nogtans waren de eerste jaren niet voordeelig voor de handelmaatschappij. Gedurende die jaren werden de door Willem I gewaarborgde renten uitgekeerd. Eerst na de uitbreiding, aan de bebouwing van den grond in Indie gegeven (zie blz. 374), kwam hierin verandering. Nog steeds verkeert de maatschappij in een zeer bloeienden toestand en hangen de prijzen der voornaamste koloniale artikels van de uitkomst harer veilingen af.

Zooals boven (zie blz. 368) ter loops is opgemerkt duurde het tot 1816, eer de Oost-Indische bezittingen metterdaad uit de handen van Engeland in die van Nederland overgingen. Zij bestonden toen, behalve uit de factorij op Desima, uit Java, de kleine Soenda-eüanden, Sumatra ten deele, Borneo ten deele, Celebes, de Molukken, het tinrijke Banka (ten o. van Sumatra) en de Riouwsche eilanden (tusschen Malakka en Banka gelegen). Ook behoorde destijds nog tot het gebied van Nederland Malakka (zie blz. 180), hetwelk echter in 1824 bij verdrag aan Engeland kwam tegen den afstand van al hetgeen dit rijk op Sumatra bezat, alsmede van Billiton, dat, evenals Banka, veel tin voortbrengt en in de nabijheid van dit eiland ligt. Terwijl Daendels (zie blz. 354) werd afgezonden om als gouverneur-generaal het bewind over de kust van Guinea op zich te nemen, waar hij weldra stierf, benoemde de koning tot eersten gouverneur-generaal der Oost-Indische bezittingen van het koninkrijk Godard Alexander Gerard Philips baron van

-ocr page 396-

374

der Capellen. Vele waren de moeielijkheden, waarmede hij had te worstelen. Het gelukte hem van 1819 tot 1821 den sultan van Palem-bang (op de zuid-oostkust van Sumatra) te bedwingen. Eveneens was er op de Molukken en op Celebes menige oorlog tegen de inlandsche vorsten te voeren. Maar bovenal gevaarlijk voor het Nederlandsch gezag was de opstand van Diepo Negoro, een der voogden van den minderjarigen sultan van Djokjokarta (zie blz. 281), in 1826. Wakker bestreden hem de Koek en van Geen; doch het gelukte Nederlands krijgsmacht eerst in 1830 Diepo Negoro machtig te worden en alzoo een guerilla-oorlog te eindigen, die vele soldaten en millioenen had gekost.

In 1830 werd, na een kort tusschenbestuur, Johannes van den Bosch de opvolger van van der Capellen, die reeds eenigen tijd tevoren was teruggeroepen. Het was van der Capellen niet gelukt aan het moederland rijke bate?i uit Oost-IndiC te verschaffen, en toch behoefden \'s lands financiën dringend een dusdanigen steun. Naar de meening van den nieuwen gouverneur-generaal moesten deze bezittingen veel meer opbrengen. Daarom voerde hij, aanvankelijk alleen op Java, een nieuw alltuurstelsel in, hetwelk de regeering in staat stelde spoedig en vele Indische voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. Het komt hoofdzakelijk hierop neer. De inlandsche bevolking beplant een deel van de gronden der landen, die aan den staat behooren, voorzoover zij niet ter aankweeking van rijst voor haar eigen oncsrhoud strekken, met koffie, suiker, indigo, katoen, thee of andere gewassen, op de markt van Europa gewild en voor die gronden geschikt. De vorm van het cultuurstelsel is tweeledig. De inlander kan óf rechtstreeks voor de regeering arbeiden, of voor hem, die met de regeering een bijzondere overeenkomst heeft getroffen. Bij dergelijke overeenkomst wordt dan o.a. vastgesteld, dat het bewind een voldoend aantal werklieden ter beschikking stelt van hem, die ze aangaat, en dat deze persoon verplicht is een bepaalde hoeveelheid van de opbrengst van den grond tegen zekeren prijs aan de regeering te leveren. Het grootste gedeelte der voortbren-selen van den grond wordt door de Handelmaatschappij (zie blz. 373), den agent der regeering, te Amsterdam of in andere plaatsen aan de markt gebracht. Wat, na aftrek der kosten , als zuivere winst overblijft komt in \'s rijks schatkist. Het cultuurstelsel, in verband met de Handelmaatschappij, maakt den staat, die landbezitter en, evenals de oude compagnie, landheer is, alzoo tevens tot koopman en geeft hem een monopolie. Het mocht van den Bosch gebeuren te ervaren, dat het cultuurstelsel voldeed aan de verwachting, die hij er van had gekoesterd. Immers ten gevolge van de hooge prijzen, welke de Handelmaatschappij voor de koffie en de suiker bedong in verhouding tot het zeer lage loon, dat de inlander voor zijn arbeid geniet, heeft Nederland van tijd tot tijd ruime baten uit Indiö getrokken.

Tot 1833 bleef van den Bosch aan \'t hoofd van \'t bestuur in Oost-Indie. Toen keerde hij naar het vaderland terug en stierf er later,

-ocr page 397-

375

door den koning tot den gravenstand verheven, als graaf van den Bosch in 1844. Zijn opvolgers, Jean Chrétien Baud, tijdelijk met het bewind belast tot 1836, Jan Jakob Rochussen (1845—1851) en andere, hielden wel de hand aan het cultuurstelsel, maar wijzigden het in menig opzicht. Gedurende het bewind van Rochussen werd het eiland Bali (ten o. van Java), dat was opgestaan en waarvan de bewoners door zee- en strandroof de vaart onveilig maakten, na drie achtereenvolgende krijgstochten weder onderworpen en moesten de gezamenlijke vorsten van dit eiland de opperhoogheid des konings erkennen.

Van het begin zijner regeering af behoorde het stuk der financiën tot de onderwerpen, welke den koning de meeste zorg verwekten. Bij het ontstaan van het koninkrijk bestonden er veertien of vijftien onderscheiden soorten van staatspapieren, gevende van 1J tot 7 p.c. rente. Zonder eenig verlies voor de houders werden deze alle in één soort, naar 2J p.c. rente, veranderd. In weerwil van die tierceering (zie blz. 352) stonden alle effecten voor de volle waarde op het Grootboek, d. i. op het erkende register der staatsschuld; maar van de interest werd niet meer dan J- betaald. Doch nu kwam slechts J- van de oude schuld op het Grootboek der werkelijk schuld te staan, en twee derden werden overgeschreven op het boek der doode of uitgestelde schuld. De regeering bepaalde, dat jaarlijks een paar millioen werkelijke schuld vernietigd en daarvoor evenveel van de doode onder de werkelijke schuld zou worden opgenomen. Bij de telkens wederkeerende tekorten echter in \'s rijks schatkist verliep er in \'t vervolg menig jaar, waarin die bepaling niet kon worden nageleefd. Al dadelijk veroorzaakte Napoleons terugkomst van Elba in 1815 zulke zware uitgaven, dat de regeering in 1816 een buitengewone heffing van 40,000,000 gl. van de onderdanen vorderde.

Een andere maatregel, dien zij in 1822 nam, was de instelling van het amortisatie-syndicaat (uitdelgings-syndicaat, d. i. college of commissie ter uitdelging van de schulden, van „syndicus,quot; gevolmachtigde), waaraan men later spottenderwijs den naam „syndicat d\'engloutissementquot;, d. i. verzwelgings-syndïcaat, gaf. Dit was een instelling, die aan de regeering een schier onbeperkte macht verzekerde om over de geldmiddelen van den staat te beschikken en die, onder het zegel van geheimhouding, slechts onder het toezicht stond van een raad van zeven personen. De werkzaamheden van het amortisatie-syndicaat bestonden hoofdzakelijk in het delgen der staatsschuld, in het vinden der middelen tot het te gemoet komen aan de buitengewone uitgaven der schatkist, in het betalen van de renten der werkelijke schuld, in het be-heeren der domeinen, welke het ook bevoegd was te vervreemden. Ook moest het voorzien in de kosten van wegen en kanalen. Opdat het amortisatie-syndicaat de taak, die aan dit lichaam werd opgedragen, zou kunnen volbrengen, mocht het over de opbrengst van sommige belastingen en domeinen beschikken en leeningen ten laste van den staat aangaan. De geheele instelling streed met de eerste der grond-

-ocr page 398-

376

wettige financieele beginselen, dat geen uitgaven mogen worden gedaan dan de zoodanige, welke door de volksvertegenwoordiging zijn vastgesteld; dat van alle ontvangsten en uitgaven rekening en verantwoording moet worden gedaan aan de Staten-Generaal. Het eigenlijk doel dezer instelling schijnt te zijn geweest de regeering, althans voor een zeker aantal jaren, voorzoover het financie-wezen betreft, aan het toezicht der volksvertegenwoordiging te onttrekken.

Behalve de moeielijkheden, waarmede de koning uit den aard der zaak had te worstelen, als vorst van een rijk, waarin alle takken van \'t bestuur fundamenteel moesten worden geregeld, troffen dit rijk nu en dan tijdelijke rampen, die oogenblikkelijke hulp vereischten. Zoo teisterde in het begin van 1825 een zware overstrooming Groningen, Friesland, Overijsel en Noord-Holland, terwijl ook Gelderland en Drente niet geheel bleven gespaard. Maar de grootste zwarigheden berokkende den koning, van het begin af, de samenvoeging der beide, in \'t oog der Belgische geestelijkheid onvereenigbare bestanddeelen des rijks. Deze geestelijkheid, oordeelende dat de Roomsch-katholieke kerk slechts gedoogd in plaats van, zooals het behoorde, heerschende kerk werd, poogde eerst de grondwet te doen verwerpen, en, toen zulks haar invoering niet belette, den eed op die grondwet te verbieden. Daarin slaagde zij, zoo niet geheel, althans in zoover, dat de koning er wellicht door werd genoopt aan de leden der Staten-Generaal te veroorloven bij den eed zoodanig voorbehoud te nemen, als het geweten hun voorschreef. Van dit oogenblik af was zij voortdurend in de weer om de regeering van Willem I hinderpalen in den weg te leggen. Tegen de grondwet zelve kon zij, met uitzondering van het artikel betrekkelijk de vrijheid van geweten, geen aanvallen richten, die bij de natie, zelfs in \'t Zuiden, weerklank vonden. Wel verre van de wettigheid der grondwet te bestrijden beriepen de tegenstanders van den koning zich in \'t vervolg steeds op haar, als op het plechtanker der vrijheid van de natie. En in \'t begin der omwenteling van 1830 was de leuze van den opstand geen andere dan de grondwet van 1815, en zij alleen. Desniettemin zou het weldra blijken, dat er aan stof en gelegenheid tot tegenkanting voor de geestelijkheid geen gebrek was.

Onder de eerste aanleidende oorzaken tot ontevredenheid in België behoorden de vervolgingen tegen hen, die pogingen deden om door hun geschriften bij de natie wantrouwen tegen de regeering op te wekken, of die haar daden in \'t openbaar hekelden. Op grond van dit misdrijf werd de abt de Foere in 1817 tot twee jaar gevangenis veroordeeld krachtens een wet, in April 1815 voor de toenmalige omstandigheden uitgevaardigd. Gevaarlijker en aanzienlijker tegenstander der regeering, dan de Foere, was de Broglio (zie blz. 363). Daarom maakte het rechtsgeding van dezen bisschop veel meer gerucht en werd een der aanmerkelijkste onder de zware grieven der Belgen. Na de invoering der grondwet gaf de Broglio met de overige Belgische bisschoppen een

-ocr page 399-

377

„jugement doctrinalquot; of kerkelijk oordeel over den eed op de grondwet in \'t licht, waarin (zie t. a. p.) de katholieken tegen hel afleggen van dien eed werden gewaarschuwd. Bij gelegenheid van het huwelijk van den prins van Oranje wendde de bisschop van Gent zich tot den paus met de vraag, welke houding hij had aan te nemen, in geval er voor den prins en de prinses gebeden in de kerk werden verlangd. Ter zake zoowel van het een, ophitsing tot ongehoorzaamheid aan de regeering, als van het andere, zonder vergunning van het bewind briefwisseling te hebben gehouden met een vreemd hof, veroordeelde he1: gerechtshof te Brussel hem in 1817 tot deportatie, d. i. tot gedwongen verblijf in een oord van ballingschap. De bisschop was gevlucht. Alzoo werd het vonnis bij verstek gewezen en moest op onteerende wijze ter kennis van het volk worden gebracht. Hoe rechtvaardig ook dat vonnis moge zijn, het was een ongelukkige greep, dat men voor die kennisgeving een dag uitkoos, waarop twee zware misdadigers, tot dwangarbeid voor hun leven veroordeeld, te pronk stonden. Zóó werd de naam van den bisschop, in groote letters aan een paal op het schavot gehecht, tegelijk met de beide booswichten ten toon gesteld.

Evenveel opzien baarde de vervolging van Frans van dei; Straeten in 1820 wegens een werk, doorhem uitgegeven, over den toestand van het koninkrijk en over de middelen om dien te verbeteren, waarin hij de daden der ministers scherp afkeurde. Zeven advocaten , die den beschuldigde als raadslieden waren toegevoegd en in een rechtsgeleerd advies betuigden de handelswijze der regeering onvoegzaam te achten, werden door den minister van justitie, Cornelis Felix van Maanen (zie blz. 350), in hun bediening geschorst. Van der Straeten zelf moest een geldboete van 3000 gl. betalen, die binnen kort door een inschrijving in eenige Belgische steden werd gedekt. Drie jaren later werd hem, ter zake van een andere overtreding van gelijken aard, een jaar huisvesting in den kerker opgelegd.

Een andere oorzaak van verdeeldheid was een nieuw belastingstelsel, in 1821 bij de Staten-Generaal ingediend. Dit ontwerp verdeelde de Tweede Kamer letterlijk als in twee vijandelijke legerplaatsen. Zoo sterk als de volksvertegenwoordigers van het Noorden zich ten gunste eener belasting op het gemaal en op het geslacht, onderdeelen van dit stelsel, uitten, even hevig waren die van het Zuiden er tegen. De uitkomst was dat de hoofdwetten van het gansche stelsel met een meerderheid van slechts weinige stemmen werden aangenomen. Van nu aan stonden de namen van twee der Belgische afgevaardigden, Dotrenge en Reyphins, die zich met den meesten nadruk tegen het ontwerp hadden verklaard, hoog aangeschreven in het Zuiden. Met hen was baron SurletdeChokier, een rijk grondbezitter uit Limburg, een der voornaamste sprekers uit het Zuiden, gelijk Gijsbert Karei van Hogendorp, een kleinzoon van Onno Zwier van Haren (zie blz. 333), enJohanMelchiorKemper (zie blz. 355) tot de uitstekendste redenaars uit de Noordelijke gewesten behoorden.

-ocr page 400-

378

Veel aanstoot gaf vervolgens een koninklijk besluit van het jaar 1819, houdende dat, te beginnen met 1823, in de provinciën Limburg, Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen, en Zuid-Brabant de Nederland-sche taal voor de bij uitsluiting geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard. De ambtenaren, die alsdan de noodige kennis der landstaal nog niet hadden verworven, moesten worden verplaatst. Ofschoon in de genoemde gewesten het Nederduitsch de taal des volks was, maakte het besluit hierom een ongunstigen indruk, omdat de hoogere standen zich dagelijks van het Fransch bedienden.

Maar de optelling van de grieven der Belgen is nog niet ten einde. Zeer euvel namen zij het op, dat nog geen vijfde deel van de officieren van het leger tot hun natie behoorde. Zij bedachten evenwel niet, dat zulks ten deele hieruit voortkwam, dat in de eerste jaren van \'t bestaan van \'t rijk het getal der Nederlandsche officieren, die hun diensten aan den koning aanboden, veel grooter was dan dat der Belgen en dat deze verhouding langen tijd ongeveer dezelfde moest blijven. Andere bezwaren waren, dat de regeering de onafzetbaarheid der rechters en de verantwoordelijkheid der ministers overbodig achtte. Eindelijk beklaagden de Belgen zich er over, dat de schuldenlast van Noord-Nederland voor de helft op het Zuiden was overgebracht en dat het aantal der afgevaardigden, die zij naar de Tweede Kamer zonden, niet grooter was dan dat van het Noorden. Geenszins overwogen zij, wat het eerste punt aangaat, dat tegenover den schuldenlast groote voordeelen stonden, die zij krachtens de vereeniging deelachtig werden, als de zeemacht en de rijke koloniën. En ten aanzien van het tweede hadden zij behooren te bedenken, dat bij de vaststelling van \'t getal der afgevaardigden de commissie (zie blz. 363) geenzins het cijfer der bevolking ten grondslag had gelegd, maar het vraagstuk eenvoudig bij meerderheid van stemmen had beslist; dat alzoo tot die beslissing de vertegenwoordigers der Belgen in die commissie hadden medegewerkt.

Doch geen dezer grieven woog in \'t oog der Belgen zeiven zwaarder, geen maatregel der regeering wekte meer hun verbittering, dan \'s konings besluiten aangaande het onderwijs, bij hen vooral zoo nauw verwant aan den godsdienst, en inzonderheid dat nopens het collegium philosophicum. Bij de regeling van het hooger-onderwijs waren de Belgische hoogescholen zonder theologische faculteiten gebleven, omdat de bisschoppelijk seminariên voldoende schenen voor de studiën der jonge lieden, die zich aan den geestelijken stand wijdden. Die jonge lieden ontvingen hun voorbereidende opleiding in de gewone Latijnsche scholen. Dit wilden de geestelijken niet, en daarom richtten zij voor dit doel kleine seminarian op. Weldra werden deze seminariên niet alleen bezocht door toekomende geestelijken, maar bovendien door een groot aantal kinderen, die geen zoodanige roeping hadden. Nu werden de gewone scholen verlaten. Daarentegen werden, naast de kleine seminariên, nog andere scholen van geestelijke broeders, uit Frankrijk

-ocr page 401-

379

overgekomen, geopend. Deze soort van voorbereidend onderwijs geraakte alzoo uitsluitend in handen der over \'t geheel niet zeer verlichte geestelijken.

Daarin wenschte de koning verandering aan te brengen en overwegende, dat zelfs de kleine seminarien slechts stilzwijgend waren toegelaten en geen recht van bestaan hadden, vaardigde hij den i4den Juni 1825 een paar besluiten uit. Het eerste beval, dat geen Latijnsche scholen zonder vergunning ergens mochten worden gevestigd en dat alle inrichtingen, welke zoodanige vergunning niet hadden erlangd of nog erlangden, moesten worden gesloten. Die onderwijzers, welke vreemdelingen waren, werden alsnu over de grenzen gebracht. Het tweede besluit riep, ter vervanging der kleine seminarien en van dergelijke scholen, het collegium philosophicum in \'t leven. Het werd te Leuven gevestigd en nam onder zijn vakken van onderwijs ook de kerkelijke geschiedenis en het canonieke recht op. Twee jaren na de opening mochten geen anderen, dan die hun voorbereidende studiën in het collegium hadden volbracht, als priester worden gewijd. Door die besluiten schiep de regeering van Willem I een tegenwicht tegen den invloed der te Parijs onder \'t ministerie-Villèle (zie Algcm. Geschied., IV, 7de druk, blz. 105) heerschende Jezuïten. Die besluiten gaven tegenover den uit Frankrijk komenden druk een weldadige verademing. Men kon er het protestantsch beginsel volstrekt niet aansprakelijk voor stellen. Zij waren in tegendeel hun oorsprong verschuldigd aan de vrijzinnige denkbeelden van de katholieken zeiven, van katholieken in den trant van Jozef II [Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 198).

Een donderslag gelijk klonk de mare van dit besluit den geestelijken in de ooren. Dat aan het collegium hetzelfde gebouw werd toegewezen, hetwelk Jozef II [Algem. Geschied. III, 7de druk, blz. 198) voor een dergelijke nieuwe inrichting had bestemd, gaf den maatregel dezelfde hatelijke kleur, welke alles, wat die keizer had beproefd, voor Zuid-Nederland had. Vele ouders trachtten thans het besluit te ontduiken door hun kinderen buiten quot;s lands le laten onderwijzen. Een nieuw besluit van den i4den Augustus poogde dat te belemmeren. Het verbood de toelating van jonge lieden, buiten \'s lands onderwezen, tot het collegium of tot een der hoogescholen, en bepaalde, dat zij noch tot eenig ambt konden benoemd, noch met eenige kerkelijke bediening bekleed worden. Ter bevrediging van de Belgen baatte het volstrekt niets, dat Dotrenge en Reyphins (zie blz. 377) \'s konings besluit nopens het collegium, toen het eens ter sprake kwam, in de Tweede Kamer verdedigden. De meerderheid der inwoners van het Zuiden en eenige der afgevaardigden vandaar bleven een hevigen afkeer tegen die instelling koesteren.

Een van de onmiddellijke gevolgen van \'s konings besluiten was de aaneensluiting en verbroedering van twee partijen in Belgiö, welke tot dusverre tegenover elkander hadden gestaan. Behalve die der geeste-

-ocr page 402-

380

lijken, waartoe ook vele adellijken behoorden, was n.1. langzamerhand, van een geheel ander standpunt uitgaande, een tweede partij opgekomen, die in vele opzichten Franschgezind was en zich de „liberalequot; of „vrijzinnigequot; noemde. Over \'t geheel waren de tijdsomstandigheden voor de opkomst van zulk een partij zeer gunstig. Haar werkten in de hand de woelingen of burgeroorlogen in bijna elk land van Europa, in Frankrijk, in Duitschland, in Spanje, in Portugal, in Griekenland, kortom bijna overal aan de orde van den dag zijnde, die dagelijks stof tot breedvoerige behandeling aan de dagbladen leverden. Deze Belgische vrijzinnige partij wenschte geheele vrijheid van onderwijs en van de drukpers. Om in haar streven des te beter te slagen ver-eenigde zij zich met de partij der ijverige katholieken. Beide partijen vroegen toen eerst om die twee vrijheden en stemden welhaast omtrent alle andere grieven met elkander overeen. Van dit oogenblik af, d. i. sedert het einde van 1828 , begonnen zich de voorboden te vertoonen van een stelselmatig verzet tegen de regeering, blijkbaar in het indienen van een groote menigte verzoekschriften, welke in sterke bewoordingen om opheffing der talrijke bezwaren vroegen. Van denzelfden tijd af stonden in de Tweede Kamer de afgevaardigden uit het Noorden en die van het Zuiden als twee vijandelijke legerbenden in volle wapenrusting tegenover elkander geschaard.

Netelig was \'s konings toestand. Van den aanvang af was het zijn streven geweest de samensmelting tusschen de beide deelen des rijks hoe langer hoe meer te bevorderen. Hij trachtte dit evenwel minder volgens een welberaamd stelsel en als bij trappen te doen dan door beurtelings de vroegere landgenooten en de nieuwe onderdanen te begunstigen. Vanhier een gedurig over- en weergaan van den een naar den anderen kant, ten einde, door regelmatige verplaatsing van het overwicht, een soort van evenwicht te behouden. Bij het nemen van doortastende maatregelen schijnt de koning den volksgeest niet genoeg te hebben in \'t oog gehouden en ontzien. Hoezeer de besluiten omtrent het onderwijs en de taal in staat waren de inniger overeeniging in de hand te werken, zij kunnen niet worden vrijgepleit van de blaam eenigszins voorbarig te zijn en te zeer indruisende tegen de in België heerschende zienswijze. Hoe verlicht en vrijzinnig diezelfde besluiten ook waren, zij moesten op menigeen een ongunstigen indruk maken, die wist, dat dezelfde regeering, die ze uitvaardigde, onder de hand een dagblad, „la sentinelle,quot; d. i. de schildwacht, ondersteunde, hetwelk het eigenlijke karakter der Roomsch-katholieke kerk gevoelig aantastte. Dat Willem zelf regeerde zou wellicht de Belgen destijds niet hebben geërgerd. Maar dat hij nu en dan stappen deed, die recht gaven om te twijfelen, of men zich steeds aan de grondwet hield, was een verwijt, dat metterdaad werd gedaan, Niet genoeg, meende men, hield Willem I ook in \'t oog, dat, uit den aard der zaak, het tegengaan van allen invloed der Franschen op het zuidelijk gedeelte van zijn rijk een hoofdzaak

-ocr page 403-

381

voor hem was. Het omgekeerde had plaats, want elke tegenstander der met de richting der katholieke geestelijkheid instemmende Bourbons, die uit Frankrijk kwam vlieden, vond in België een toevluchtsoord en vaak hulp en steun bij het hof. Daardoor stemde de koning de regeering van Frankrijk ongunstig en werkte de unie tusschen de Belgische geestelijken en de liberalen in de hand.

Deze unie had in 1828 plaats. Zij bestond hierin, dat de beide partijen, op een voorstel, in de dagbladen der geestelijkheid gedaan, zonder voorshands op haar bijzondere belangen te letten, zich tot een gemeenschappe-lijken strijd tegen de regeering vereenigden. Zoodra die vereeniging was tot stand gekomen, nam de koning een weifelende houding aan tusschen gestrengheid en toegeven. Daarvan gaf hij over \'t geheel, ook reeds vroeger, menig bewijs. Om de katholieken, die sinds lang een geregeld kerkbestuur wenschten, te gemoet te komen opende hij onderhandelingen met den paus over een te sluiten concordaat (d. i. een verdrag tusschen het hof te Rome en een wereldlijke regeering, waarbij de laatste haar toestemming geeft tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden harer Roomsche onderdanen). Een geruimen tijd werden die onderhandelingen vruchteloos gevoerd. Eerst toen de Celles (zie blz. 353) van wege den koning tot buitengewoon gezant bij het hof te Rome was benoemd, kwam in 1827 het concordaat met Paus Leo XII tot stand. Een bul van denzelfden paus, den lyden Augustus van \'t zelfde jaar uitgevaardigd, werkte de algemeene beginselen, in het concordaat vervat, nader uit. Deze bul behelsde o.a. de verdeeling van het koninkrijk in acht bisdommen, d. i. één aartsbisdom en zeven bisdommen. De bisdommen van \'t Noorden heetten te zijn Amsterdam en \'s Hertogenbosch, maar, voor zooveel dit gedeelte van \'t rijk aangaat, werd het concordaat nooit uitgevoerd.

In een ander artikel der bul kwamen uitdrukkingen voor, die aanduidden , dat de paus het bijwonen der lessen aan \'t collegium wilde beletten. Uit een toespraak, die hij bij het uitvaardigen der bul hield, bleek weldra dat het inderdaad zijn bedoeling was. Vermits de koning echter het stuk slechts had bekrachtigd, onder voorbehoud dat de inhoud niet strijdig was met \'s lands wetten, toonde de regeering geen bijzondere haast te willen maken met de voltrekking van het concordaat, en rezen er dus allerlei geschillen, die een onzekeren toestand deden geboren worden. In dien staat van zaken openbaarde Willem I den verzoenenden zin, die hem bezielde, door in 1829 een reeks besluiten te nemen, welke de vroeger uitgevaardigde (zie blz. 377, 378) aanmerkelijk verzachtten. Zóó werd b.v. de verplichting van \'t bijwonen der lessen van \'t collegium opgeheven, waardoor het weldra te niet ging. De belasting op het gemaal werd weder afgeschaft. Eveneens trok de koning in 1829 en in 1830 de beperkende bepalingen nopens het gebruik der landstaal in.

Dat de koning van den anderen kant volstrekt niet van zins was zich door de losbandigheid der drukpers te laten overvleugelen zag men uit de boodschap, die hij den nden December 1829 aan de Staten-

-ocr page 404-

382

Generaal deed toekomen, waarin hij hun zijn oordeel mededeelde over de alom aangeheven klachten, en uit een tevens ingezonden nieuw ontwerp van wet ter beteugeling van buitensporige schrijvers. Het ontwerp werd, met eenige wijzigingen, in Mei 1830 tot wet verheven. Dezelfde volhardende strekking van \'t bewind toonden de rechtsgedingen, tegen de Potter, Tielemans en eenige andere personen gevoerd wegens pogingen, door hen gedaan om in hun geschriften hun medeburgers op te hitsen ter omverwerping der bestaande regeering. Na een vroeger vonnis van December 1828, waarbij hem achttien maanden gevangenis en een boete van 1000 gl. waren opgelegd, werd de Potter den 30sten April 1830, en met hem de overigen, tot ballingschap veroordeeld. Tielemans, tot dusver slechts bekend door de weldaden, die hij van den koning genoot, werd het thans door de ondankbaarheid, waarmede hij ze vergold.

Maar de veroordeelingen waren ondoelmatig, want de overtreders der wetten op de pers beschouwde men als slachtoffers. Mede strekte het tot verzwakking van de zedelijke kracht der regeering, toen het bekend werd, dat zij dc taak van redacteur van het officiëele dagblad „le Nationalquot; bleef toevertrouwen van Libry Bagnano, een vreemdeling, die zich wegens vervalsching van oorkonden in Frankrijk een paar ms.len een onteerend vonnis op den hals had gehaald. Zoowel deze vonnissen werden door den druk openbaar gemaakt, als de bijzonderheid, dat die man 85,000 gl., als buitengewone belooning, uit Nederlands schatkist had gekregen.

Terwijl gaandeweg de verdeeldheid, getuige den toon der weder-zijdsche dagbladen, meer en meer een breuk dreigde te worden tus-schen de bevolking van het Noorden, die de Belgen als een nooit tevreden te stellen vijandelijke partij kenschetste, en die van het Zuiden, welke altijd sprak van een zucht tot overheersching der Noord-Nederlanders, achtte Willem I zich, in den voorzomer van 1829, verplicht op een reis door de Zuidelijke gewesten zich in persoon van de stemming der gemoederen te vergewissen. Hij bezocht te dien einde Vlaanderen, Zuid-Brabant, Henegouwen, Luik, Namen en Limburg. Ofschoon hij alom luisterrijk en met toejuiching werd ontvangen, deed de tocht meer kwaad dan goed. Een paar woorden, in een onbewaakt oogenblik door den vorst te Luik gesproken, waarin hij de breed uitgemeten grieven kenmerkte als „een eerlooze gedragslijnquot;\', brachten er veel toe bij de felle hartstochtelijkheid te verscherpen en tegen den persoon des konings zelf te richten. Ruim een jaar na zijn terugkeer, den 27—zgsten Juli 1830, had in Frankrijk de omwenteling plaats {Algem Geschied. IV, 7de druk, blz. 107), waardoor Karei X van den troon werd gestooten. De tijding werd in België met de grootste opgewondenheid aangehoord. Koning Willem I, die de macht der geestelijkheid had willen beperken, in zijn binnenlandsche staatkunde juist het tegendeel van Karei X, die haar naar de oogen zag, werd met

-ocr page 405-

383

den Bourbon op één lijn gesteld. Geen maand later, en ook de Belgen toonden, hoe spoedig zij de kunst hadden geleerd zich te ontslaan van een koning, op wien zij misnoegd waren.

§ 37-

De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert 1830.

De ontevredenheid, van 1815 dagteekenende, was voortdurend in kracht toegenomen en diep in de gemoederen doorgedrongen. De mijn was geladen, slechts een kleine vonk noodig om ze te doen springen. Sinds een paar jaren zag men in België reeds naar de uitbarsting uit en werd de aanstaande omwenteling openlijk in de straten van Brussel aangekondigd. Dat er hoofden der beweging waren, mannen van aanzienlijken rang, die de volksmenigte bestuurden, spreekt vanzelf. Doch deze personen hebben niet veel anders gedaan dan de mijn aansteken. De mijn, die ontvlamde, was het volk zelf. Den assten Augustus gaf men in den schouwburg dezer stad de „Muette de Portici,quot; d. i. zooveel als den opstand op het tooneel. Van den schouwburg tot de straat was een overgang van een paar uren. Te tien uur des avonds schoolden talrijke volkshoopen samen, die weldra verschillende huizen plunderden en verwoestten, als de drukkerij van het officiëele dagblad, het huis van Libry Bagnano, dat van den directeur van politie, en die zelfs de woning van den minister van justitie van Maanen in brand staken. Daar het opgeruide grauw toonde smaak te hebben gekregen in het plunderen, begonnen de gezeten lieden voor de openbare veiligheid beducht te worden. Uit deze overweging kwam den 2 7sten Augustus de oprichting eener gewapende burgermacht voort, onder bevel van baron Emanuel van der Linden d\'Hoogvorst, die de Brabantsche kleuren aannam en in wier handen \'s konings troepen de teugels van \'t krijgsgezag over de oproerige stad terstond stelden. Te Luik en in de overige steden van België beleefde men dadelijk een herhaling van dezelfde tooneelen.

De Belgische opstand verraste de regeering van koning Willem I. De gewapende macht, die zich te Brussel bevond, staande onder kom-mando van generaal van Bylandt, had geen orders, hoe te handelen, en was niet krachtig genoeg. Waarschijnlijk zou, zoo zij zich met nadruk had doen gelden, het oproer, hetwelk drie dagen ongestoord voortwoedde, in den aanvang gemakkelijk zijn bedwongen. Doch eerst den 28sten Augustus nam de koning eenige besluiten. Hij begon met de Staten-Generaal buitengewoon te \'s Gravenhage bijeen te roepen tegen den i3den September. Een legerkorps werd bijeengetrokken en kreeg bevel naar Brussel op te marscheeren. Aan \'t hoofd dier troepen werden \'s konings beide zonen geplaatst, de prins van Oranje en prins Frederik,

-ocr page 406-

384

destijds admiraal en generaal van \'s rijks krijgsmacht te water en te land. Den prinsen werd tevens de zending opgedragen om zich van den waren stand van zaken in \'t Zuiden te vergewissen en den koning te dienen van raad omtrent de geschiktste maatregelen ten einde de rust te herstellen. Te Vilvoorden gekomen, hielden de prinsen den 3osten Augustus een mondgesprek met eenige der aanzienlijkste burgers van Brussel. Hun verzochten zij de inwoners dezer stad mede te deelen, dat zij geneigd waren met hun soldaten Brussel binnen te rukken, mits de Brabantsche kleuren werden afgelegd. Deze vordering verwekte een groote ontsteltenis onder de bevolking der stad. Plotseling kreeg toen een gedachte vastheid, die tot dusver, als een onbepaald iets, in veler brein had rondgedwaald, de gedachte aan een splitsing van het staatsbestuur zonder splitsing van het rijk. Binnen weinige uren maakte zij Brussel als tot een verschanste legerplaats. Vermits men zich echter niet sterk genoeg achtte om dat denkbeeld tegen geweld van wapenen te verdedigen, kwam men tot het besluit een tweede bezending naar het hoofdkwartier der prinsen af te vaardigen. Het waren ingezetenen van Brussel en de staf der burgerwacht, waarvan deze bezending uitging. Nog denzelfden avond van den 3osten Augustus toegelaten, schilderde zij in zulke sterke kleuren de bedenkelijke stemming van Brussels bevolking, inzonderheid van het gemeen, dat de prins van Oranje beloofde den volgenden dag, slechts begeleid door zijn staf, te zullen komen.

Op het vastgestelde uur had, den 3isten Augustus, de intocht van den prins van Oranje binnen Brussel plaats. Het moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest den prins, bijna onverzeld, de straten te zien doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgerwacht en met een gewapende menigte, die nu eens een doodsch stilzwijgen bewaarde, dan weer in woeste kreten of bedreigingen aan haar gewaarwordingen lucht gaf. Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden, sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, eensklaps achteruit en kwetste een der omstanders. De prins, die terstond een ander paard had bestegen, aan het gewoel en getier ziende dat de volksschare tot dadelijkheden dreigde over te gaan, zette het dier in galop en baande zich door zijn koene sprongen over de barricaden en versperringen heen een weg naar zijn paleis. Mislukte op deze wijze reeds aanvankelijk de stoutmoedige, maar van onvoorzichtigheid niet vrij te pleiten daad, welke de prins in \'t vertrouwen op de genegenheid, die men hem in België toedroeg, waagde, het bezoek zou ook verder blijken ijdel te zijn. Want in een vergadering, welke de prins den jden September in zijn paleis hield en welke door een groot aantal ingezetenen van aanzien werd bijgewoond, betuigde men volmondig, dat de algemeene wensch der Belgen in allen gevalle een „scheidingquot; was, ware het dan ook onder hetzelfde stamhuis. Deze welfde vergadering gaf niet onduidelijk te kennen, dat het haar het

-ocr page 407-

385

aangenaamst zou zijn, zoo hij in \'t vervolg de plaats van koning in België wilde bekleeden.

Kort hierna keerde de prins naar \'s Gravenhage terug, na het garnizoen van Brussel te hebben gelast zich te Vilvoorden met de overige Nederlandsche troepen te vereenigen. Tegen de meening van den kroonprins, die op welwillende beloften en op het herstel der grieven aandrong, gaf de koning aan prins Frederik bevel om de gehoorzaamheid aan het wettig gezag gewapenderhand te doen terugkeeren en een aanval op Brussel te doen. Doch het gunstigste oogenblik was voorbij Het vuur van den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had de regeering, weifelende tusschen vredelievende gezindheid en de zucht om geweld te gebruiken, gedobberd. Daarbij kwam dat de aanval op Brussel niet met dat beleid en met die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen zijn van een goeden uitslag. Men wilde de stad vermeesteren; maar men wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en de burgerij geen geweld aandoen. Na een vierdaagsche worsteling, die aan vele wakkere soldaten het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den zósten September uit de stad terug. Het oproer had gezegevierd.

Weinige dagen na den terugtocht van \'s konings troepen uit Brussel werd, den 29sten September, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit genomen het staatsbestuur te splitsen zonder scheuring van het rijk en zonder de grondwet te herzien. Aan de voornaamste eischen der Belgen, het ontslag van den minister van Maanen, verantwoordelijke ministerien, geen besluiten zonder medewerking der Staten-Generaal, meer onafhankelijkheid der rechterlijke macht, meer licht over de financien, had de koning niet willen te gemoet komen. Intusschen nam de strijd meer en meer het karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen Noord- en Zuid-Nederland. De Belgen konden niet sterker naar een geheele scheiding verlangen dan de Noord-Nederlanders zeiven. Ook in het leger vertoonde zich die verdeeldheid. Geheele afdeelingen, uit Belgen bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van het Belgische volk in den Haag ter Staten-Generaal beraadslaagden, bestuurden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in \'t Zuiden. Onder de mannen, die dit voorloopig bestuur op zich namen, was, met Gendebien en Sylvain de Weyer, ook de Potter, die uit zijn ballingschap terugkeerde, met uitbundige toejuiching werd ontvangen en mede aan \'t hoofd van \'t voorloopig bestuur te Brussel gesteld. Maar zes weken later was men hem reeds moede en verliet hij, zich er niet veilig rekenende, zijn vaderland voor de tweede maal.

Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te gaan, welke uit dezen staat van zaken dreigde voort te komen, zond Willem I, op verzoek van vele mannen van naam en beteekenis onder de Belgen, grootendeels leden der Staten-Generaal, den 4den October den prins van Oranje nogmaals naar de kampplaats. Ook de eerste Kamer had

WlJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 25

-ocr page 408-

384

destijds admiraal en generaal van \'s rijks krijgsmacht te water en te land. Den prinsen werd tevens de zending opgedragen om zich van den waren stand van zaken in \'t Zuiden te vergewissen en den koning te dienen van raad omtrent de geschiktste maatregelen ten einde de rust te herstellen. Te Vilvoorden gekomen, hielden de prinsen den 3osten Augustus een mondgesprek met eenige der aanzienlijkste burgers van Brussel. Hun verzochten zij de inwoners dezer stad mede te deelen, dat zij geneigd waren met hun soldaten Brussel binnen te rukken, mits de Brabantsche kleuren werden afgelegd. Deze vordering verwekte een groote ontsteltenis onder de bevolking der stad. Plotseling kreeg toen een gedachte vastheid, die tot dusver, als een onbepaald iets, in veler brein had rondgedwaald, de gedachte aan een splitsing van het staatsbestuur zonder splitsing van het rijk. Binnen weinige uren maakte zij Brussel als tot een verschanste legerplaats. Vermits men zich echter niet sterk genoeg achtte om dat denkbeeld tegen geweld van wapenen te verdedigen, kwam men tot het besluit een tweede bezending naar het hoofdkwartier der prinsen af te vaardigen. Het waren ingezetenen van Brussel en de staf der burgerwacht, waarvan deze bezending uitging. Nog denzelfden avond van den josten Augustus toegelaten, schilderde zij in zulke sterke kleuren de bedenkelijke stemming van Brussels bevolking, inzonderheid van het gemeen, dat de prins van Oranje beloofde den volgenden dag, slechts begeleid door zijn staf, te zullen komen.

Op het vastgestelde uur had, den 31 sten Augustus, de intocht van den prins van Oranje binnen Brussel plaats. Het moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest den prins, bijna onverzeld, de straten te zien doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgerwacht en met een gewapende menigte, die nu eens een doodsch stilzwijgen bewaarde, dan weer in woeste kreten of bedreigingen aan haar gewaarwordingen lucht gaf. Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden, sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, eensklaps achteruit en kwetste een der omstanders. De prins, die terstond een ander paard had bestegen, aan het gewoel ea getier ziende dat de volksschare tot dadelijkheden dreigde over te gaan, zette het dier in galop en baande zich door zijn koene sprongen over de barricaden en versperringen heen een weg naar zijn paleis. Mislukte op deze wijze reeds aanvankelijk de stoutmoedige, maar van onvoorzichtigheid niet vrij te pleiten daad, welke de prins in \'t vertrouwen op de genegenheid, die men hem in België toedroeg, waagde, het bezoek zou ook verder blijken ijdel te zijn. Want in een vergadering, welke de prins den 3den September in zijn paleis hield en welke door een groot aantal ingezetenen van aanzien werd bijgewoond, betuigde men volmondig, dat de algemeene wensch der Belgen in allen gevalle een „scheidingquot; was, ware het dan ook onder hetzelfde stamhuis. Deze welfde vergadering gaf niet onduidelijk te kennen, dat het haar het

-ocr page 409-

385

aangenaamst zou zijn, zoo hij in \'t vervolg de plaats van koning in België wilde bekleeden.

Kort hierna keerde de prins naar \'s Gravenhage terug, na het garnizoen van Brussel te hebben gelast zich te Vilvoorden met de overige Nederlandsche troepen te vereenigen. Tegen de meening van den kroonprins, die op welwillende beloften en op het herstel der grieven aandrong, gaf de koning aan prins Frederik bevel om de gehoorzaamheid aan het wettig gezag gewapenderhand te doen terugkeeren en een aanval op Brussel te doen. Doch het gunstigste oogenblik was voorbij. Het vuur van den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had de regeering, weifelende tusschen vredelievende gezindheid en de zucht om geweld te gebruiken, gedobberd. Daarbij kwam dat de aanval op Brussel niet met dat beleid en met die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen zijn van een goeden uitslag. Men wilde de stad vermeesteren; maar men wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en de burgerij geen geweld aandoen. Na een vierdaagsche worsteling, die aan vele wakkere soldaten het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den 26sten September uit de stad terug. Het oproer had gezegevierd.

Weinige dagen na den terugtocht van \'s konings troepen uit Brussel werd, den agsten September, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit genomen het staatsbestuur te splitsen zonder scheuring van het rijk en zonder de grondwet te herzien. Aan de voornaamste eischen der Belgen, het ontslag van den minister van Maanen, verantwoordelijke ministerien, geen besluiten zonder medewerking der Staten-Generaal, meer onafhankelijkheid der rechterlijke macht, meer licht over de financiën, had de koning niet willen te gemoet komen. Intusschen nam de strijd meer en meer het karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen Noord- en Zuid-Nederland. De Belgen konden niet sterker naar een geheele scheiding verlangen dan de Noord-Nederlanders zeiven. Ook in het leger vertoonde zich die verdeeldheid. Geheele afdeelingen, uit Belgen bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van het Belgische volk in den Haag ter Staten-Generaal beraadslaagden, bestuurden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in \'t Zuiden. Onder de mannen, die dit voorloopig bestuur op zich namen, was, met Gendebien en Sylvain de Weyer, ook de Potter, die uit zijn ballingschap terugkeerde, met uitbundige toejuiching werd ontvangen en mede aan \'t hoofd van \'t voorloopig bestuur te Brussel gesteld. Maar zes weken later was men hem reeds moede en verliet hij, zich er niet veilig rekenende, zijn vaderland voor de tweede maal.

Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te gaan, welke uit dezen staat van zaken dreigde voort te komen, zond Willem I, op verzoek van vele mannen van naam en beteekenis onder de Belgen, grootendeels leden der Staten-Generaal, den 4den October den prins van Oranje nogmaals naar de kampplaats. Ook de eerste Kamer had

WlJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 25

-ocr page 410-

386

ingestemd met de zienswijze der Tweede nopens de wenschelijkheid eener scheiding. Het oproer wachtte echter niet op den eindtermijn der beraadslagingen van de commissie, die de grondtrekken van de nieuwe orde van zaken had te ontwerpen. De prins van Oranje had alzoo in last het bestuur over de getrouw gebleven gewesten op zich te nemen en de opgestane streken naar vermogen tot rust te brengen. Hij, die zijn jeugd buiten Noord-Nederland had doorgebracht, deelde geenszins zoo uitsluitend als anderen de voorliefde voor deze landstreek. Hij helde dus meer dan menigeen onder de invloedrijke personen in het Noorden over tot inwilliging van de eischen der Belgen. De prins vestigde zich te Antwerpen en beloofde al dadelijk aan de Belgen de opheffing van vele hunner grieven. Die inschikkelijkheid baatte evenwel weinig, want denzelfden 4den October verklaarde het voorloopig bestuur, hetwelk zijn zetel te Brussel had, België voor een onafhankelijken staat en riep de natie op om een congres te doen bijeenkomen.

Over \'t geheel werd het gedurende \'s prinsen verblijf te Antwerpen zeer spoedig zichtbaar, dat het vertrouwen der afgevallen Belgen in den prins allengs meer werd ondermijnd. Men meende, dat hij er niet licht toe zoude overgaan zich, zooals zij het wenschten, van zijns vaders staatkunde af te scheiden en voor zich een luitenant-generaalschap over een zelfstandig België aan te nemen. Zelfs toen de prins, bij een bekendmaking van den i6den October 1830, in dien zin, zoover hij eenigermate kon, medeging en te Antwerpen en in de overige streken, waar hij het gezag voerde, het deel nemen aan het congres veroorloofde, vonden zijn woorden weinig ingang. Van den kant van België werd hem door het voorloopig bestuur geantwoord, dat hij, de onafhankelijkheid van dit land erkennende, daarmede tegelijk de nietigheid der rechten van zijn huis uitsprak en had te kiezen, of hij een Belg of een Nederlander verkoos te wezen. De prins, van zijn kant, begreep niet verder te mogen voortschrijden, verliet den 25sten October Antwerpen en vertrok voorloopig naar Willemsdorp (een gehucht op den zuidelijken uithoek van \'t eiland van Dordrecht, tegenover den Moerdijk). Noch bij de Belgen, noch van wege Noord-Nederland kon hij thans langer eenig gezag oefenen. Daar, te Willemsdorp, vertoefde hij vier dagen en kreeg binnen kort het bewijs, dat hij meer had toegegeven dan de koning had bedoeld en dan de Nederlandsche burgerij, benevens het leger, goedvond. Immers de scheiding onder één stamhuis, waarvan sprake was, behaagde weinig aan de Nederlanders. E)e koning, meenden zij, zou dan de eenige Nederlander in België en de eenige Belg in Nederland zijn. Evenmin konden zij het denkbeeld verdragen, dat de prins van Oranje aan de kroon van België, boven die van Nederland, de voorkeur zou geven.

Reeds den 5den October had zich Willem I gewend tot de vijf groote Europeesche mogendheden, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland,

-ocr page 411-

387

Pruisen, Rusland, leden van \'t Weener-congres, die de acht\'artikels van den 2osten Juni 1814 hadden geteekend en zich tot de handhaving van het koninkrijk der Nederlanden hadden verbonden. Hij had hun een gewapende tusschenkomst gevraagd. Maar Engeland achtte het tijdstip voor het afzenden van troepen reeds te laat. Daarop besloten de mogendheden, wederom op verzoek van Willem I, overeenkomstig hetgeen in \'t algemeen was bepaald bij een harer samenkomsten, bij die van Aken in November 1818, dat zij zouden vergaderen te Londen. De beslissing zou alzoo niet aan het zwaard, maar aan de overwegingen en aan de pennen der staatsmannen worden gelaten. In \'t begin van November 1830 openden de gezanten dezer mogendheden hun eerste conferentie (bijeenkomst) te Londen. Anton Reinhard Falck werd aangewezen om er koning Willem I te vertegenwoordigen. Met hem zat er o.a. van wege Frankrijk Talleyrand, van wege Engeland Pal-merston. Later werd, van den kant van den koning van Nederland, Hugo van Zuylen van Nyevelt nog aan Falck toegevoegd. Inmiddels had Willem I den prins van Oranje teruggeroepen en over de macht, hem voorloopig opgedragen, anders beschikt. Van beide zijden werd dus aan \'s prinsen verwachting de bodem ingeslagen. Hij had zich gevleid, dat de betrekking van stedehouder des konings in \'t Zuiden niet geheel onvereenigbaar was met die van hoofd van \'t bestuur van het opgestane België. Daarom had hij, te Antwerpen zijnde, zulk een groote toegevendheid betoond, zich met de hoop streelende België zoo niet voor den koning, dan toch voor zijn huis te behouden. Die toegevendheid werd hem thans in \'t Noorden zeer euvel geduid. Den jisten October ging hij, op uitnoodiging van Willem I, van Willemsdorp naar \'s Gravenhage. In zijn vaderland met groote koelheid ontvangen, ontving hij van den koning de opdracht te Londen voor de belangen van \'t huis van Oranje-Nassau te waken en vertrok alzoo naar den zetel der conferentie.

Kort nadat de prins Antwerpen had verlaten, vertoonden zich ook daar en te Maasiticht, tot dusver de eenige plaatsen, waar \'s konings bewind nog werd geëerbiedigd, meer en meer onrustwekkende verschijnselen. Te Maastricht handhaafde echter generaal Dibbets het gezag der Nederlandsche regeering. Te Antwerpen daarentegen brak, in weerwil van den wapenstilstand, gesloten met den bevelhebber der citadel, David Hendrik baron Chassé, de opstand openlijk uit en viel menig Nederlandsch krijgsman onder de kogels der muitende menigte en van de Belgische vrijwilligers. Baron Chassé had de stad wel in staat van beleg verklaard, doch verzette zich in \'t eerst niet krachtig tegen de buitensporigheden van \'t gemeen. Wat daarvan de reden moge geweest zijn, er valt niet te twijfelen aan den moed en aan de bekwaamheid van den man, die in 1812 en in 1813 in Spanje, waar hij in de gelederen der Franschen streed, van zijn soldaten den naam „generaal-bajonetquot; had verworven en zich te Water-

25*

-ocr page 412-

388

loo eveneens zeer had onderscheiden. Maar eindelijk, den 27sten October, bedwong hij, ondersteund door de vloot, die onder \'t bevel van den schout-bij-nacht Jan Koen ra ad Koopman op de Schelde lag, door een uren lang aangehouden bombardement der stad den overmoed des vijands. Middelerwijl had de regeering van Willem I een groot aantal Belgische krijgslieden, die zij niet vertrouwde, uit de gelederen weggezonden. Dit, gevoegd bij den afval van vele anderen en bij het ontslag, uit eigen beweging door menig officier genomen, bracht het leger in zulk een ontredderden toestand, dat de Nederlandsche troepen den Belgischen grond, met uitzondering der citadel van Antwerpen en van Maastricht, voor goed moesten ontruimen en naar de grenzen van Noord-Nederland terugtrekken. Een oogenblik bedreigden de Belgen zelfs Noord-Brabant; maar een wapenstilstand, op uitnoodiging der conferentie te Londen gesloten, stuitte den verderen gang der vijandelijkheden.

Deze conferentie wettigde weldra door haar dralen de meening, dat haar hoofdgedachte was te verhoeden, dat de Belgische omwenteling de rust van Europa verstoorde. Voor niets waren de mogendheden destijds zoo bezorgd als voor een openbaren krijg, die den pas in Frankrijk weder opgerichten troon had kunnen omverstorten en ook voor de omwentelingszuchtigen in andere landen een spoorslag worden om op te staan. Rusland werd bovendien door den opstand in Polen te zeer bezig gehouden, dan dat het zich veel met andere aangelegenheden had kunnen inlaten. Geen der vijf mogendheden was genegen ten behoeve van het stamhuis van Oranje-Nassau den vrede van Europa op het spel te zetten. Zij bedachten geenszins, dat, nu Nederland zich had gekweten van zijn verplichting om de Zuidelijke Nederlanden in weerbaren toestand te houden, het recht had op de ondersteuning der mogendheden aanspraak te maken.

Maar Engeland, waarvan men in de eerste plaats een verklaring in dien zin had mogen verwachten en dat in 1814 uit die oprichting van het vereenigde koninkrijk voordeden had getrokken, hoedde zich zoo krachtig op te treden en hierin voor te gaan. Ter wille van Nederland wilde de regeering van dat land niet met Frankrijk breken, ofwel zij scheen er misschien haar belang in te zien de schepping van 1815 weer te vernietigen, omdat de Belgische nijverheid te veel vorderingen maakte. Men ging dus meer te rade met de behoeften van het oogenblik, zooals men ze opvatte, dan met de eischen van het recht. Daarbij vergat men geheel, dat in 1814 en in 1815 de uitbreiding van Noord-Nederland was gekocht voor zware opofferingen. In naam der belangen van Europa verhief zich de conferentie tot oppermachtig rechter over de twee in geschil zijnde partijen, die zij volkomen aan elkander gelijk stelde. Zij gaf Willem I geen raad, noch verleende hulp, doch nam beschikkingen en deelde bevelen uit. Het verzoek des konings was geweest met hem te beraadslagen over de meest geschikte

-ocr page 413-

389

middelen om een einde te maken aan de onlusten, ontstaan in een deel van de gewesten, die de mogendheden tot één gemeenschap-pelijken staat hadden vereenigd. Van dezen grondslag, waarop de onderhandelingen hadden behooren te rusten, week de conferentie welhaast geheel af.

Van dit alles bleek echter nog niet in het eerste der lange reeks van protocollen (eigenlijk het papier, dat tot opschrift diende en vooraan aan de papyrusrollen werd gehecht; vandaar officiëele opteekening van \'t besluit van een college), door de conferentie opgesteld, welk eerste is dat van den 4den November 1830, waarin de wapenschorsing was vervat. Alsof evenwel de koning had kunnen vermoeden, welken loop de beraadslagingen der conferentie weldra zouden nemen, had hij getoond niet alleen op die vergadering te rekenen door het volk van Noord-Nederland den sden October 1830 ter verdediging van de onafhankelijkheid des lands te wapen te roepen. Overvloedigen weerklank vond de oproeping bij alle standen van \'t volk. Langzamerhand stroomden duizenden manschappen, soldaten, mobiel verklaarde schutters, vrijwilligers, studenten, naar de zuidelijke grenzen van Noord-Neder-land en wachtten er geduldig \'s konings bevelen af.

Intusschen maakte de conferentie den 2osten November 1830 een nieuw protocol bekend, waarin het standpunt, waarop de mogendheden zich plaatsten, duidelijk uitkwam. Zij verklaarde hierin, dat de gebeurtenissen der pas verloopen maanden hadden bewezen, dat de geheele en volkomen vereeniging, welke de mogendheden hadden beoogd, niet verkregen en onmogelijk geworden was, weshalve zij het onvermijdelijk achtte andere schikkingen te beramen. De geheele meening werd duidelijk, nu men vergaderingen begon te houden buiten de tegenwoordigheid van \'s konings gevolmachtigden en daarentegen het voorloopig bestuur van België ter zelfder tijd werd uitgenoodigd commissarissen naar Londen te zenden, want dit stond gelijk met de erkenning van België als staat. Als zoodanig werd dan door het voodoopig bestuur Sylvain de Weyer (zie blz. 385) afgevaardigd. De conferentie bekreunde er zich in geenen deele om, dat zoowel Falck als de koning zelf verzet aanteekende tegen haar verklaring.

In plaats van zich hier door te laten ophouden ging zij voort met haar werk en maakte de protocollen bekend van den aosten en van den 2 7sten Januari 1831, waarin, in hoofdzaak, de grenslijn tusschen de beide van elkander gescheiden rijken werd getrokken en vastgesteld, dat 16/3( der gemeenschappelijke schuld ten laste van België zou komen. De grondslag ten aanzien der grensscheiding, hierin gelegd, dien de conferentie als onomstootelijk en onherroepelijk wilde hebben geëerbiedigd, kwam hierop neer, dat Nederland zou worden teruggebracht tot de grenzen der Republiek in 1790 en België uit het overige zou bestaan. Luxemburg werd er geheel buiten gehouden. Daar echter door die grondtrekken de beide staten enclaves (ingesloten stukken grond) in elkan-

-ocr page 414-

390

ders gebied zouden erlangen, behoorde door wederzijdsche ruilingen hierin te worden voorzien, opdat elk van de twee rijken een samenhangend en goed sluitend geheel werd. Koning Willem I betuigde den i8den Februari zijn onvoorwaardelijke toetreding tot dezen grondslag.

Middelerwijl was het natiotmal congres den icden November 1830 te Brussel bijeengekomen en had, hoewel het zich voor \'t behoud van den constitutioneel-monarchalen regeeringsvorm verklaarde, het huis Oranje-Naisau van den troon uitgesloten. Dit congres verwierp de protocollen van Januari, hoofdzakelijk omdat het niet wilde afzien van Staats-Vlaanderen, van Limburg en van Luxemburg. Vertrouwende op de ondersteuning van Frankrijk, hetwelk tegenover de conferentie een dubbelzinnige rol speelde, volhardde België bij zijn weigering en beproefde thans Europa den rug toe te keeren en zijn eigen weg te gaan. In Mei 1831 stelde de conferentie de Belgen een termijn tot den isten Juni, binnen welken zij nog van hun instemming konden doen blijken.

Niet spoedig vonden inmiddels de Belgen een koning voor den door hen ledig verklaarden troon. Zij, op wie het congres inzonderheid zijn aandacht vestigde, waren Augustus, hertog van Leuchtenberg (Algem. Geschied., III, 7de druk, blz. 232), en Lodewijk Karei Philips, hertog van Nemours (ten z. van Fontainebleau), de tweede zoon van Lodewijk Philips, koning der Franschen. Van haren kant wenschten de vijf mogendheden, althans de meerderheid, dat de kroon van België aan den prins van Oranje werd opgedragen. Maar het congres meende bij de verkiezing van een vorst zelfstandig te moeten handelen. Intusschen was Frankrijk stellig tegen den hertog van Leuchtenberg, en de overige vier waren noch voor hem, noch voor Nemours. Desniettemin verkoos het congres den 3den Februari 1831 bij meerderheid van stemmen den zoon van Lodewijk Philips. Doch de koning der Franschen bedankte ter wille van de rust van Europa voor de eer, zijn zoon toegedacht. Het dralen moede, droeg het congres het oppergezag nu voorloopig op aan een regent, den baron Sur let de Chokier (zie blz. 377), tot dusver president dier vergaderiog.

Hoe talrijk in België de partij mocht wezen, die, in overeenstemming met de groote mogendheden, de verheffing van den prins van Oranje op den troon van België wenschte, in het congres kon zij op weinig steun hopen. Toch trachtte deze partij door een paar aanslagen haar oogmerk met geweld te bereiken. Vooreerst maakte zich de kolonel Grégoire den 2den Februari 1831, aan \'t hoofd zijner afdeeling krijgsvolk, meester van het regeeringsgebouw te Gent en wilde de daar gezetelde overheden dwingen den prins van Oranje als koning uit te roepen. Doch de poging leed schipbreuk op den tegenstand dier overheden, bijgestaan door andere korpsen der bezetting. Evenmin slaagde de herhaling der poging, den 25sten Maart van \'t zelfde jaar door generaal van der Smissen aangewend te Antwerpen, doordien die generaal bij bijna al de overige officieren op

-ocr page 415-

391

weerstand stiet. Later vernam men, dat de samenzwering daarenboven haar vertakkingen had gehad onder de officieren te Brussel, te Hasselt en te Mechelen.

Dit alles, zich parende aan de uitzichten, voor een aan Engeland welgevallig candidaat in België geopend ter verkrijging der kroon, noopte de mogendheden der conferentie den prins van Oranje haar steun te onttrekken en er in te berusten, dat het congres den 4den Juni 1831 prins Leopold van Saksen-Koburg-Gotha, een broeder van den regeerenden hertog van Saksen-Koburg-Gotha, met groote meerderheid van stemmen tot koning der Belgen benoemde. Leopold aanvaardde de regeering den 21 sten Juli van dat jaar, beloofde de zeer vrijzinnige grondwet, een van de eerste vruchten der werkzaamheid van \'t congres, te zullen eerbiedigen en sloot in 1832 een tweede huwelijk met Louise, de oudste dochter van Lodewijk Philips, na vroeger getrouwd te zijn geweest met Charlotte (zie blz. 367), die in November 1817 was overleden.

De titel, aan Leopold gegeven, toont, dat het volk, hetwelk zich van de Noord-Nederlanders afscheidde, zich „Belgenquot;, het nieuwe rijk zich „Belgiëquot; noemde. Oorspronkelijk is „Belgenquot; de eigenlijke benaming, sinds de dagen van Caesar, van al wat Nederlander is. Doch reeds vrij lang waren de Franschen gewoon geweest de Zuidelijke gewesten, bij uitnemendheid, den naam „Belgiëquot;, de Noordelijke den naam „Hollandquot; toe te voegen. Gelijk nu zij, die zich afzonderden, er aan hechtten een naam aan te nemen, die hen kennelijk onderscheidde van degenen, met wie zij tot dusver waren vereenigd geweest, hadden de Nederlanders reeds vroeger hun afkeer aan den dag gelegd van mede te worden begrepen onder die benaming. Na onder die van „Nederlandersquot; gedurende een paar eeuwen een roemrijk bestaan als Gemeenebest te hebben gehad, hadden zij hoogen prijs gesteld op de bestendiging van dien naam en merkten dien van Belgen aan als een aanduiding, waaraan zij althans vreemd waren.

Middelerwijl greep er een geheele omkeering plaats in de houding der conferentie. Wat zij als onherroepelijk had bepaald herriep zij. Voor België gewonnen door de verkiezing van een vorst, die alle mogendheden aangenaam was, gaf zij gehoor aan het verlangen der Belgen om met Willem I onderhandelingen aan te knoopen, die den afstand van Luxemburg tegen schadeloosstelling ten doel hadden. Hierbij kwam dat zij eerst nu inzag, dat zij, den 2osten Januari in algetneene termen sprekende van den staat der zaken in 1790, zich niet recht op de hoogte had gesteld, daar op dat tijdstip de Republiek der Vereenigde Gewesten Maastricht niet onverdeeld had bezeten. Tot loon der gematigdheid, door den wettigen koning betoond, legde de conferentie hem den 27sten Juni een nienw protocol, de achttien artikelen, voor, waarin elk punt van gewicht een wijziging ten behoeve der opstandelingen had ondergaan.

-ocr page 416-

892

Hierin werden de rechten van het huis Oranje-Nassau op Luxemburg voor twijfelachtig verklaard en gezegd, dat daarover zou worden onderhandeld door den koning van Nederland met dien van België en met het Duitsche verbond; werden België uitzichten geopend op het bezit van Maastricht en vastgesteld, dat het niet verplicht was een deel der schuld van het oude Nederland over te nemen. En deze wijzigingen, èn het optreden van Leopold als koning brachten Willem I, reeds lang ongeduldig over den langwijligen gang van de beraadslagingen der conferentie, tot het besluit zijn recht met het zwaard te handhaven. Na acht maanden lang de speelbal te zijn geweest zijner bondgenooten vermeende de koning een, in zijn oog, verraderlijken bijstand niet meer te behoeven. Ook met de hulp der hem getrouwe natie alleen, Nederland met Oranje, zou hij een billijk vergelijk weten te bedingen. Marschvaardig lag de Nederlandsche krijgsmacht op de grenzen, van geestdrift gloeiende en begeerig om het voorwaarts te hooren en, was het noodig, den heldendood voor het vaderland te sterven. Zij gedacht het voorbeeld van den wakkeren Johan Karei Jozef van Speyk, die in Februari 1831, gedurende den wapenstilstand, met zijn kanonneerboot, welke de wind bij Antwerpen naar \'s vijands wal had gedreven, in de lucht vloog, liever dan de vlag te strijken voor hen, die hij als muiters tegen hun wettigen koning aanmerkte, of, wat nog erger was, ze hun prijs te geven.

Was op het eind van 1830 Nederlands leger niet bestand geweest tegen dat van België, thans, in den zomer van 1831, was die verhouding omgekeerd. De hoofden van den opstand hadden alles verwaarloosd wat op den oorlog betrekking had en waren, op de tijding van \'t aanrukken der Nederlandsche scharen, geheel onvoorbereid. Het leger van Willem I werd aangevoerd door den prins van Oranje, wien prins Frederik ter zijde stond, en telde nog geen 36,00c man. Hertog Bernhard van Saksen-Weimar en generaal Jozef Jakob van Geen voerden een paar der aldeelingen aan. De Belgische legers, dat van de Schelde en dat van de Maas, waren omtrent 30,000 man groot. Aan \'t hoofd van \'t eerste stond de generaal de Ticken de Terhove, het bevel over het tweede voerde Daine. Het leger van de Schelde was in de nabijheid van Antwerpen geplaatst, het andere stond in het Limburgsche. Terstond besloot de prins van Oranje tusschen de beide legers door te breken om daarna elk van hen afzonderlijk aan te vallen. Een goed deel van dit plan werd volvoerd door den tiendaagschen veldtocht, 2—12 Augustus 1831. Den 5den Augustus was de doorbreking reeds geschied. Elke dag van dien veldtocht werd door gevechten gekenmerkt. Zoo werd den 6den bij Houthalen (ten o. van Hasselt) scherp gestreden tusschen de tirailleurs van het leger van de Maas en die van verschillende afdeelingen der Nederlandsche schutterij, bij welke gelegenheid de vijand ten laatste, hoofdzakelijk door een groot gedeelte der Gelderscbe schutters, werd teruggedrongen.

-ocr page 417-

393

Voor \'t overige zijn de meestbeteekenende feiten wat men de slagen bij Hasselt (den 8sten Augustus) en bij Leuven (den i-aden Augustus) noemt. De eerste dezer ontmoetingen was eigenlijk niets dan één krachtige aanval op het op Hasselt terugtrekkend, leger van Daine, dat dadelijk als een kudde schapen uiteenstoof en geheel werd verstrooid. Het had een slag in den waren zin des woords kunnen worden, indien Daine minder onbekwaam en lafhartig was geweest, en zoo niet de prins van Oranje, hoogstwaarschijnlijk België liever willende winnen dan overwinnen, zich er toe had bepaald den vijand van zijn minderheid te overtuigen, in plaats van hem te vernietigen. In den slag van Leuven, die van meer beteekenis was, voerde koning Leopold in persoon zijn troepen aan, d. i. het leger, aan \'t hoofd waarvan de generaal de Ticken de Terhove was gesteld. De Belgen werden er geheel verslagen, weken naar Leuven en hadden zonder eenigen twijfel, wilden zij niet tot den laatsten man toe gedood of gevangen genomen worden, op smadelijke wijze de wapens moeten nederleggen. Doch na rukte, op verzoek van Leopold, een Fransch leger onder maarschalk Gérard België binnen en was de prins verplicht voor de meerderheid te zwichten. Hij stond eindelijk, op herhaald verzoek van den Britschen gezant te Brussel, Adair, een wapenstilstand toe, en de veldtocht nam een einde.

Terwijl de prins van Oranje met het Nederlandsche leger den terugtocht naar het vaderland aannam, werd vervolgens de wapenstilstand, op voorstel der conferentie, verlengd en gerekend aan te vangen den 29sten Augustus. Aan den indruk, gemaakt door de roemrijke wapenfeiten van de troepen uit het Noorden, is het te danken, dat de conferentie, het werk der beraadslagingen hervattende, de voorwaarden eenigermate wijzigde in een zin, gunstig voor Noord-Nederland. Die beraadslagingen voerden tot een nieuwe schikking, tot het protocol van den i4den October 1831, de vierentwintig artikelen. Wederom gingen de mogendheden van dit oogpunt uit, dat een omwenteling in Europa bovenal moest worden voorkomen. Ook was één harer vaste inzichten, dat het nieuw ontstane koninkrijk onder Leopold I moest worden gehandhaafd.

Dat inmiddels Warschau was bezweken en Polen weer het juk van Rusland moest dragen kwam ten bate van Nederland, want de keizer van Rusland was onder de vorsten der vijf mogendheden de zaak der Belgen het minst genegen en had thans de handen vrij. Desniettegenstaande kon de roem, door de Nederlandsche troepen verworven, het voortgaan in \'t misbruiken der macht door de mogendheden op verre na niet geheel verhinderen. Bij de samenspanning van Engeland en van Frankrijk was, ook na den met een schitterende zege bekroonden veldtocht, Nederland betrekkelijk zwak, België, in weerwil zijner nederlaag, sterk.

In de vier-en-twintig artikelen werd aan België een deel van Luxem-

-ocr page 418-

394

burg toegekend, waarvoor het een deel van Limburg moest afstaan. Maastricht bleef aan Nederland voorbehouden. Ten aanzien van de schuld bepaalden zij, dat België met een jaarlijksche rente van 8,400,000 gl. zou worden belast. Waren de mogendheden vroeger ten voordeele van België van hun „onherroepelijkequot; bepalingen afgeweken, nu deden zij het weer ten behoeve van Nederland. Doch tevens werd verkondigd, dat de vier-en-twintig artikels waren een ultimatum, waaraan de mogendheden besloten waren vast te houden en waarop zij nimmermeer wilden terugkomen.

Het verschil tusschen de achttien en de vier-en-twintig artikels was vooral dit, dat de mogendheden nu niet langer middelaars waren en de beslissing van eenige punten in geschil aan de beide partijen overlieten, maar alles ordenden en alles voorschreven; dat van het eens ten opzichte van Luxemburg vastgestelde werd afgeweken en eindelijk, dat de bepaling betreffende de schuld een andere was. Reeds den i5den November onderteekende Leopold, door de nederlaag van den tiendaagschen veldtocht ontmoedigd, dit ontwerp-verdrag, hoewel minder gunstig voor de Belgen dan de achttien artikelen. Daarentegen weigerde Willem I de onderteekening. Hij was van oordeel, dat nagenoeg geheel Limburg een bestanddeel van Nederland behoorde te blijven en dat, voor \'t geval dat hij afstand deed van een gedeelte van Luxemburg, hij daarvoor nog verdere schadeloosstelling moest bekomen. Ook omtrent de schikking nopens de schuld kon hij niet met de conferentie instemmen, die alleen de schuld, ten tijde van de vereeniging aangegaan, in aanmerking genomen en een zekere som ten laste van België gebracht had. Dat doende, had men, naar de meening van Willem I, te weinig acht gegeven op de offers, waarvoor België was gekocht.

Deze verklaring van den koning van Nederland verdroot de conferentie, te meer, nadat de zending van graaf Alexis Orloff, adjudant van keizer Nikolaas I van Rusland, die zich naar \'s Gravenhage begat om te beproeven Willem I tot andere gedachten te brengen, bleek geen verandering in \'s konings gevoelen tot uitwerking te hebben. Indien de koning had kunnen goed vinden aan den raad van Orloff gehoor te geven, Nederland ware voor een ontzettende vermeerdering zijner schulden bewaard gebleven. Nu het tegendeel plaats vond, werd de strijd tusschen Willem I en de conferentie voortgezet in een aanhoudende wisseling van nota\'s, waarin ongeveer dezelfde gronden voortdurend werden aangevoerd en weerlegd. Toen, in deze gesteldheid van zaken, het jaar 1832 ten einde spoedde, sloten twee van de vijf groote mogendheden, Frankrijk en Engeland, den 22sten October 1832 een overeenkomst, waarvan het doel was het grondgebied van België door den vijand te doen ontruimen. Om dit oogmerk te bereiken legden zij embargo (een Spaansch woord), d. i. beslag, op de Nederlandsche schepen, zoowel op die, welke zij op zee ontmoetten, als op die,

-ocr page 419-

395

welke zich in de Fransche en in de Engelsche havens bevonden, en trok een Fransch leger van 90,000 man onder maarschalk Gérard België ten tweeden male binnen. Willem I, daarentegen, gebiedende de vaartuigen der Engelsche en der Fransche natie te ontzien, toonde de wijze van doen van zeeroovers niet te willen navolgen en de zaak der volkeren geenszins te verwarren met die der regeeringen. Hij gat alzoo een les van hooge beschaving aan zijn tegenstanders, hoedanige te dier tijde een vrij ongewoon verschijnsel was.

Het leger van Gérard rukte tegen de citadel van Antwerpen op, welker puinhoopen Chassé, na een roemrijke verdediging van negentien dagen, den 23sten December 1832 bij verdrag aan den vijand overgaf. De schout-bij-nacht Koopman (zie blz. 388), van oordeel zijnde dat zijn vloot niet in het verdrag was begrepen, haastte zich ze te vernielen en stelde zich toen met zijn manschappen ter beschikking van Gérard. Evenals de bezetting van de citadel werd de bemanning der vloot als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd. De prins van Oranje, steeds de grenzen des lands hebbende te bewaken, werd daardoor belet, overeenkomstig zijn vurig verlangen, zijn wapenbroeders te hulp te snellen.

Ook na dit wapenfeit der Franschen bleef de eindschikking met België nog steeds hangende. Willem I volhardde in zijn verzet tegen den voorslag der overmacht. Dit veroorzaakte een langdurig en zeer kostbaar bestand {status quo), daar Nederland voortdurend een talrijk leger op de been moest houden en de onzekerheid der toekomst, ofschoon het embargo in Mei 1833 werd opgeheven, den handel van groote ondernemingen afschrikte. Met dat opheffen van het embargo ging gepaard het aangaan eener verbintenis met koning Willem I, tot het tijdstip van \'t sluiten van een eindverdrag de vijandelijkheden niet te zullen hernieuwen.

De renten der staatsschuld, die in 1815 ruim 15,000,000 gl. bedroegen en in 1830 tot ruim 28,000,000 gl. waren geklommen, beliepen in 1839 meer dan 35,000,000 gl. Eindelijk noodzaakte de uitputting des lands den koning toe te geven. Den i4den Maart 1838 gaf hij te kennen, dut hij de voorwaarden der vierentwintig artikelen inwilligde. Maar nu beweerden de Belgen weder, vermits Nederland zoo laat toetrad en zijzelven, uithoofde der dreigende houding van hun tegenpartij, kosten hadden gemaakt, niet gehouden te zijn ter betaling van een deel der renten van de schuld. Dit verwekte nieuwe moeielijkheden, die ten laatste door het eind-verdrag van den igden April 1839 uit den weg werden geruimd. Dit verdrag, hetwelk de vierentwintig artikelen eenigszins wijzigde, bepaalde, dat België een afzonderlijk rijk werd; dat het aandeel van België in de rente der staatsschuld, jaarlijks van den isten Januari 1839 af te betalen, 5,000,000 gl. zou zijn; dat het Duitsche verbond en de groothertog de westelijke helft van Luxemburg aan België afstonden; dat België daarvoor afzag van een gedeelte van Limburg, zoodat aan

-ocr page 420-

396

Nederland dat deel bleef, hetwelk aan den rechteroever der Maas ligt, alsmede de stad Maastricht met het omliggend land en het gebied ten n. van een lijn, getrokken van de zuidelijkste punt van Noord-Brabant naar de Maas, ten n. van Stevensweert. Deze streek van Limburg heette „hertogdomquot; en maakte — behoudens Maastricht en Venlo, die alleen tot Nederland bleven behooren, — van nu aan een deel uit, zoowel van het koninkrijk der Nederlanden, als van het Duitsche verbond. Hertog van Limburg zou steeds de koning der Nederlanden zijn.

Het laatste punt, de verhouding van Limburg tot Duitschland, werd eerst volledig vastgesteld in 1840. In vele opzichten bleef die verhouding zeer vreemd. Limburg zond afgevaardigden naar de Staten-Generaal, maar was verplicht troepen voor het Duitsche verbond op de been te houden en werd ten deele door verordeningen van dat verbond geregeerd. Eerst in 1866 is de betrekking van Limburg met Duitschland geheel verbroken. Wat de rente der schuld aangaat is het door België jaarlijks bij te dragen aandeel later geworden 400,000 gl., terwijl ten laatste, in 1873, bij onderlinge overeenkomst, deze verplichting is veranderd in die eener uitkeering op eens op dat tijdstip van 8,900,000 gl., zoodat de zaak thans voor goed is afgedaan. Nog werd in \'t zelfde jaar, 1840, bepaald, dat Holland van nu aan in Zuid- en Noord-Holland zou worden gesplitst, zoodat het koninkrijk der Nederlanden thans bestond uit tien provinciën en uit het hertogdom Limburg. Één jaar vroeger was de oudste zoon van den kroonprins (zie blz. 367) getrouwd met prinses Sophia Frederika Mathilda, de jongste dochter van Willem I, koning van Wurtemberg, als koningin der Nederlanden overleden in Juni 1877. Uit dat huwelijk sproot in 1840 prins Willem, overl. Juni 1879; in 1843 prins Maurits, overleden Juni 1850; in 1851 prins Alexander, over!. Juni 1884.

Toen koning Willem I in de eerste jaren van den Belgischen opstand met moed en volharding wederstand bood zoowel aan de eischen van België, als aan die der conferentie te Londen, was er niemand, die hem meer steunde en deze houding meer toejuichte dan de Nederlandsche natie zelve. Langzamerhand echter veranderde die stemming, toen de koning, na aan de roepstem der eer ruimschoots te hebben voldaan, steeds hopende op eenige wijziging in de staatkunde der groote mogendheden of op een omkeering van zaken in Europa, er volstrekt, niet toe was te bewegen van zijn stelsel van volharding af te wijken. En nadat het eindelijk bekend was geworden, dat een verbazend hoog cijfer van staatsschuld de uitkomst was der volhardende staatkunde, maakte de gehechtheid van \'t volk aan zijn vorst plaats voor wantrouwen en verkoeling. Nu deed het Noord-Nederlandsche volk ten deele dezelfde klachten hooren, die vroeger alleen in \'t Zuiden waren geuit. Het verlangde een duidelijke uiteenlegging van den toestand van \'s lands financiën, waarborgen tegen misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van \'s konings ministers, in \'t kort gewichtige hervormingen in het staatsbestuur. De ontwerpen, welke de koning ter wijziging der grondwet

-ocr page 421-

397

bij de Tweede Kamer indiende en welke o.a. bovenstaande artikelen omtrent het grondgebied bevatteden, werden in 1840 wel aangenomen, maar voldeden op verre na niet aan het meerendeel der natie. Bij de overige redenen van ontevredenheid kwam weldra een andere, die het misnoegen tot den hoogsten graad deed stijgen. Men vernam, dat de koning, die sinds 1837 zijn echtgenoot (zie blz. 325) door den dood had verloren, het voornemen koesterde tot een tweede huwelijk over te gaan met Henrifitte Adriana Ludovica, gravin d\' Oultremont de Wigimont, een der dames van het huis van wijlen de koningin. Doch de gravin was een Belgische en Roomsch-katholiek. Dat was genoeg om de meerderheid der Nederlanders tegen het huwelijk in te nemen.

Zooveel tegenstand verdroot den koning. Afgemat door den negenjarigen kamp, had hij geen geneigdheid ook zijn laatste levensjaren in een eindelooze worsteling door te brengen. Onverwachts begaf hij zich in den herfst van \'t jaar 1840 uit \'s Gravenhage naar het Loo en ontbood er zijn zonen en kleinzonen, zijn ministers en de leden van den raad van state. Hun deelde hij den 7den October mede, dat hij van dat oogenblik af afstand deed van de kroon en ze overdroeg aan zijn zoon, daartoe door de grondwet aangewezen. De daad, schier zonder eenige plechtigheid volbracht, werd nog denzelfden dag ter kennis van \'t volk gebracht. In \'t volgende jaar huwde Willem I, nu „graaf van Nassauquot; geheeten, de gravin d\' Oultremont en leefde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, op zijn goederen in Silezie en op het Loo, totdat hij den i2den December 1843 te Berlijn overleed.

Onder de ministers, die gedurende de vijfentwintig jaren van zijn bewind koning Willem en het land hebben gediend, waren de voornaamste: sedert 1814 Anne Willem Karei van Nagell van Amp sen voor de buitenlandsche zaken; sinds 1815 G. K, van Hogendorp (zie blz. 355 vlg.), als minister van staat, dus niet aan \'t hoofd staande van een der departementen; van Maanen voor de justitie (zie blz. 350); Willem Frederik Roëll (zie blz. 350) voor de binnenlandsche zaken; sedert 1824 Jean Henri Appelius voor de financien; sedert 1825 Pierre Joseph Servaas baron van Gobbel-schroy voor de binnenlandsche zaken; Johan Gijsbert Verstolk van Soelen voor de buitenlandsche zaken; sinds 1828 Arnold Willem Nikolaas van Tets van Goudriaan voor de financiën; sedert 1830 Hendrik Jakob van Doorn van West-Capelle voor de binnenlandsche zaken.

In de laatste jaren der regeering van Willem I vormde zich het grootendeels ongunstig oordeel over den koning en zijn bewind, hetwelk een vrij algemeen verbreid oordeel is geworden. Koning Willem I had naar een vast stelsel van persoonlijk staatsbeheer geregeerd. Als een vader voor zijn onderdanen te zorgen, dit was zijn toeleg. De bevordering hunner welvaart, naar zijn inzichten, was het werk geweest, waaraan hij al zijn gaven, die vele waren, zijn veelzijdige

-ocr page 422-

398

kennis, zijn tijd, zijn vermogen dienstbaar had gemaakt. Voor die roeping had hij moeite en inspanning veil gehad. Aan het volbrengen dier taak had hij een verbazende werkzaamheid te koste gelegd, hoewel het meer de werkzaamheid van den administrateur was geweest dan van den staatsman. Zijn ministers, veelal bekwame mannen, waren eer dienaars dan raadslieden, ofschoon er onder waren, als van Maanen, van Doorn van West-Capelle, van Tets van Goudriaan, die veel bij den koning vermochten. Zij, die hem verwijten, dat hij aan de ministers niet meer zelfstandigheid gunde, vergeten veel, hetwelk, behoorlijk overwogen, het ongunstig oordeel, over dit bewind geveld, aanmerkelijk wijzigt.

Terecht is het voorzeker afgekeurd, dat niemand de financiën van het rijk kende dan de koning zelf, en dat, ten aanzien der geldmiddelen, den Staten-Generaal niet altijd de volle waarheid is gezegd. Dat echter het vaderlijke van \'t bewind zoover ging, als men hem verweet, lag deels aan de toenmalige gesteldheid der zaken, deels aan de natie zelve. Het beginsel van de verantwoordelijkheid der ministers was niet neergelegd in de grondwet van 1815, en men kon van Willem I, met wiens opvatting der plichten van een koning dit beginsel geenszins strookte, niet vergen, dat hij handelde, alsof het tegendeel het geval was. \'s Vorsten zucht om alles te beheeren werd, naar veler oordeel, in de hand gewerkt door de onmondigheid der natie. Keurt men die zucht af, dan moet dit verwijt worden gericht niet tegen den vorst, maar tegen de natie, die nog niet genoeg op de hoogte was van een vertegenwoordigenden regeeringsvorm. Tegenspraak — het is waar — kon Willem I niet dulden. Vandaar dat hij reeds kort na 1S15 zich verstoken zag van de diensten van sommige zijner bekwaamste en getrouwste aanhangers, als van van Hogendorp en van Falck, die zich hoe langer hoe meer van den koning vervreemdden. Dat Willem I in vele opzichten onverzettelijk was valt niet te loochenen; doch hetgeen boven (zie blz. 381) omtrent de verordeningen, even vóór de uitbarsting van den opstand door hem uitgevaardigd, staat opgeteekend toont, dat deze onverzettelijkheid toch ook haar grenzen had. Voor meer gegrond houdt men het verwijt, dat er, vooral in zijn handelwijze tegenover België, iets, dat naar weifeling zweemt, is op te merken.

Den 28sten November 1840 werd willem ii in de Nieuwe kerk te Amsterdam met groote plechtigheid ingehuldigd. Het was geen gelukkige tijd om de regeering over Nederland te aanvaarden. De natie en de schatkist beide waren uitgeput, en de leiders der volksmeening, niet tevreden met de wijzigingen, die de grondwet van 1840 behelsde, hoewel daarin het beginsel van de verantwoordelijkheid der ministers was opgenomen, wezen op een doortastende herziening der grondwet, als op het eenige middel om tot welvaart en tot nationale kracht te geraken. Deze meening deelde Willem II geenszins. Bovendien had hij andere bezwaren te bestrijden. Daartoe behoorde de zaak van hen, die

-ocr page 423-

399

zich van het hervormd kerkgenootschap afzonderden en kortheidshalve veelal „Afgescheidenenquot; worden genoemd. Zoowel zij als de Roomsch-katholieken waren tegen de gemengde school en verlangden leerstellig onderricht op de instellingen van lager-onderwijs. Deze beweging was reeds in de laatste jaren van \'t bewind van Willem I begonnen. In 1823 slingerde Izaak da Costa, een zoon Israels, tot den gereforrneer-den godsdienst overgegaan, een leerling van Bilderdijk, zijn werk „Bezwaren tegen den geest der eeuwquot;, in de wereld, waarin hij zich als een onbepaald lofredenaar van het verleden deed kennen. Hij wilde geen afscheiding, maar een hervorming der kerk in de kerk. Doch bij de strekking, die er reeds was tot afscheiding, voerde dit geschrift mede tot de breuk en tot verzet tegen de ordening van \'t kerkbestuur van 1816.

De eerste scheuring greep plaats in het jaar 1834. Het provinciaal kerkbestuur van Groningen ontzette den 29sten Mei van dit jaar Hendrik de Koek, predikant te Ulrum, uit zijn ambt, ter zake zoowel van het strooien van \'t zaad der verdeeldheid, èn in zijn preeken, èn in zijn geschriften, als om andere redenen. In October scheidde hij zich met een goed deel zijner gemeente van de Nederlandsche hervormde kerk af, welk voorbeeld weldra door andere, evenals hij, afgezette leeraren werd gevolgd. De Afgescheidenen, separatisten, zooals men ze noemde, begonnen hierop vergaderingen in huizen of in schuren te houden. De regeering van Willem I dreef, met het wetboek in de hand, die samenkomsten, als ongeoorloofd, uiteen en vervolgde hen, die ze hielden, als kweekers van onrust of rustverstoorders. De separatisten werden voor de rechtbank gedaagd en tot boeten veroordeeld. Later, sedert 1836, meende Willem I, evenals zijn opvolger van den beginne aan, een anderen weg te moeten inslaan.

Aan al degenen, die zich als Christelijk-Afgescheiden gemeente wilden vestigen en zich, met verzoek om toelating en erkenning, tot de regeering wendden, werd zoodanige vergunning, zonder bezwaar van \'s rijks schatkist, verleend. Mede werd aan hun verlangen en aan dat der Roomschen in zooverre toegegeven, dat, van het jaar 1842 af, de gebouwen der openbare scholen dagelijks, buiten de vaste schooluren, ter beschikking werden gesteld van de geestelijken der verschillende gezindten tot het geven van leerstellig onderricht in den godsdienst. Met de Afgescheidenen moeten niet worden verward de leden van de „Christelijk Gereformeerde kerk onder het kruis,quot; die zich niet hebben afgescheiden, maar afzonderlijke vergaderingen houden en, evenals de Afgescheidenen, hun eigen eeredienst bekostigen.

Hetgeen Willem II echter de meeste moeielijkheden baarde was de toestand van \'s rijks financiën. Driederlei voorziening was noodig. Vooreerst moest een tekort van vroegere jaren worden aangezuiverd j ten tweede werd voor \'t vervolg meer evenredigheid tusschen de inkomsten en de uitgaven vereischt; eindelijk moesten \'s lands schuldbrieven, tegen

-ocr page 424-

400

te hooge rente uitgegeven, met papier van lagere rente worden verwisseld. Nadat de pogingen van een paar ministers van financien, Jan Jakob Rochussen en Johan Adriaan van der Heim van Duyvendijke (ten z.w. van Brouwershaven, op het eiland Schouwen), schipbreuk hadden geleden, droeg de koning in September 1843 het tijdelijk bestuur van het departement van financien op aan den minister van justitie, Floris Adriaan van Hall. De Nederlandsche staatsschuld bedroeg destijds 2,206,000,000 gl., de rente, jaarlijks te betalen, meer dan 34,000,000 gl. De te dekken achterstand beliep ongeveer 35,000,000 gl., en op de koloniën drukte een schuld van 184,000,000 gl. Om in dat alles te voorzien was het volstrekt noodzakelijk zware offers van de natie te vergen. Het ontwerp, dat van Hall ter tafel bracht, liet de keus tusschen een buitengewone belasting op de bezittingen en op de inkomsten, waarvan het bedrag werd geraamd op 35,000,000 gl., 01\' een vrijwillig offer tot een bedrag van 127,000,000 gl. Dat offer zou bestaan deels in vrijwillige giften, deels in een leening naar 3 p.c. Een storm van ontevredenheid stak op, zoodra het ontwerp bekend werd. Doch de koning en de volksvertegenwoordiging trotseerden dien. Het ontwerp werd in 1844 wet. Weldra kreeg de bezadigde zin van het Nederlandsche volk het overwicht. Daar de natie van de verplichte heffing den grootsten afkeer had, beproefde men het eerst het middel der leening, en zij werd zoo goed als volgeteekend. De erfgenamen van Willem I, de belofte van dezen vorst gestand doende, teekenden voor tien millioen, en wat er ten slotte nog ontbrak vulde koning Willem II aan. Van Hall, minister van financien geworden, zag zich de gelegenheid gegeven om aan \'t plan, dat hij had ontworpen, een behoorlijke uitvoering te verzekeren. O.a. verwisselde hij de rentebrieven van 5 en van 4J p.c. tegen obligatien van 4 en van 3 p.c.

Intusschen werd het verlangen naar een herziening der grondwet driftiger. In 1844 deden negen leden der Tweede Kamer, van welke een, Schelte, baron van Heemstra, het stuk reeds vroeger bij de provinciale staten van Friesland ter sprake had gebracht, met Johan Rudolf Thorbecke aan \'t hoofd, te dien einde een voorstel bij deze kamer. Dit voorstel legde den grond tot de opkomst der staatspartijen, die van den vooruitgang, en die, welke men, met een onjuisten naam, die van het behoud pleegt te noemen. Het voorstel werd verworpen. De meerderheid, die het verwierp, handelde in overeenstemming met de overtuiging van Willem II, die van oordeel was, dat het tijdstip der herziening nog niet daar was. Doch in October 1847 achtte hij den tijd gekomen. In plaats van van Hall, die met andere ministers aftrad, kwam een nieuw kabinet, waarin, Januar 11848, van der Heim van Duyvendijke (zie boven op deze blz.) als minister van binnenlandsche zaken optrad. Voorgelicht door den ministerraad, diende de koning in Maart bij de Staten-Generaal een aantal wetsontwerpen in, houdende herziening der grondwet. Inmiddels begonnen alom de volksbewegingen,

-ocr page 425-

401

die de meeste staten van Europa op hun grondvesten deden schudden.

Dit noopte den koning, wetende dat de ingediende ontwerpen bij de meerderheid der Tweede Kamer geen gunstig onthaal vonden, uit besef van het dringende der tijdsomstandigheden verder te gaan. Den i3den Maart 1848 gaf hij, zonder een van de raadslieden der kroon te hebben gehoord, geheel uit eigen beweging aan den president der Tweede Kamer, jhr. W. Boreel van Hogelanden te kennen, dat hij geneigd was over te gaan tot een ruimere herziening der grondwet in den zin, door ce meerderheid der kamer bedoeld. Het ministerie trad af en werd door een ander vervangen, terwijl de koning aan een commissie van vijf mannen. Dirk Donker Curtius, bodewijk Kasper Luzac, Thorbecke, Jakob Mattheus de Kempenaer en Lambertus Dominicus Storm, op den eerstgenoemde na alle tot het negental behoorende, de taak opdroeg een ontwerp van herziening samen te stellen. Dit ontwerp werd in Juni 1848 aan de volksvertegenwoordiging ter beraadslaging aangeboden en door haar aangenomen. Luxemburg verkreeg in dezelfde maand een nieuwe grondwet, waarin het zijn afzonderlijke vertegenwoordiging, die het in 1841, tegelijk met de sinds 1890 (zie blz. 404) ridderorde van de Eikenkroon, had bekomen, behield.

De hoofdtrekken der Nederlandsche grondwet van 1848 zijn: De kroon is erfelijk zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie van het huis van Oranje. De koning heeft een jaarlijksch inkomen van 1,000,000 gl., welke bepaling later in dien zin is gewijzigd, dat er voor in de plaats is gekomen 600,000 gl.. benevens de inkomsten van de domeinen der kroon. Hij heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij verklaart oorlog en sluit vrede en heeft het opperbevel over de land- en de zeemacht, verder het opperbestuur der koloniën en der bezittingen in andere werelddeelen, alsmede dat der buitenlandsche betrekkingen en der al-gemeene geldmiddelen. Hij benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording zijn verschuldigd aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en een Tweede Kamer, voor welker leden de ouderdom van dertig jaren een vereischte is. De leden der Eerste Kamer, ten getale van negenendertig, worden door de provinciale staten benoemd uit de in de directe belastingen het hoogst aangeslagenen. Zij hebben zitting voor negen jaar. De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks door de burgers verkozen, die meerderjarig zijn en een zekere som in de directe belastingen betalen. Het aantal der leden, die voor vier jaren zitting hebben, thans 100, wordt bepaald naar de bevolking van \'t rijk, één lid voor elke 45,000 inwoners. Den koning staat een raad van state ter zijde. Er is een rekenkamer, aan welke het algemeen toezicht op \'t beheer der rijksmiddelen is toevertrouwd. De leden der provinciale staten worden door dezelfde kiezers als die der Tweede Kamer voor zes jaar verkozen. Hun voorzitter is de commissaris des konings. Uit

WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 26

-ocr page 426-

402

hun midden benoemen de provinciale staten een college van gedeputeerde staten, waaraan het dagelijksch bestuur van \'t gewest is toevertrouwd. Aan \'t hoofd van elke gemeente staat een gemeenteraad, waarvan de burgemeester voorzitter is en de leden voor zes Jaar zitting hebben. De ingezetenen der gemeenten, die een zeker bedrag in de belastingen betalen, verkiezen de leden van dien raad. De koning benoemt zijn commissarissen in de verschillende gewesten, alsmede de burgemeesters. — Eerst met deze grondwet verdwenen de standen, dat onafscheidelijk bestanddeel der middeleeuwsche vertegenwoordiging, uit den staatsvorm. In plaats van het historische werd een algemeen beginsel aangenomen.

Gesteund door een nieuw ministerie, onder de leiding van de Kem-penaer (zie blz. 401), die de binnenlandsche zaken voor zijn rekening nam, maakte zich Willem II gereed de grondwet, die den 3den November 1848 werd afgekondigd, tot een waarheid te maken; doch \'t was hem niet gegeven verder te gaan, nog minder de vruchten te aanschouwen van het werk, waartoe hij den grond had gelegd. Reeds den lyden Maart 1849 stierf hij te Tilburg (in Noord-Brabant, ten z.w. van \'s Hertogenbosch), aan welke plaats hij gedurende zijn leven zeer gehecht was geweest. Het volk van Nederland betreurt; hem als een held, die aan de grootsche gestalten zijner voorvaderen uit het huis van Oranje herinnerde, als een welwillend koning, die in moeie-lijke dagen met beleid voor zijn belangen had gewaakt, als een beminnaar en vereerder der fraaie kunsten, den schepper der Cothkche zaal in zijn paleis te \'s Gravenhage, toen vermaard door een keurige verzameling van uitnemende schilderstukken, na \'s vorsten dood verkocht en her- en derwaarts verstrooid.

Een paar woorden over de regeering van \'s konings zoon en opvolger Willem in. Onder zijn bewind werd eindelijk in 1853 het droogmaken van \'t Haarlemmermeer (zie blz. 370), een in Juni 1848 aangevangen reuzenwerk, voltooid. Middelerwijl was (zie blz. 381) de voltrekking van het concordaat van 1827 nog steeds uitgebleven en daardoor een onzekere tusschentoestand ontstaan. De omwenteling was uitgebarsten en van een concordaat niet meer vernomen. Onderhandelingen, ter regeling van den staat van zaken door Willem II met den stoel van Petrus geopend, hadden, geen uitkomst opgeleverd. Zij werden hervat onder \'t bewind van Willem III en leidden hiertoe, dat den 4den Maart 1853, in plaats van de vroegere missie (zie blz. 372), weder een bisschoppelijk bestuur werd ingevoerd, zoodat Nederland als een gewest der Roomsch-katholieke kerk werd aangemerkt, waarvan Utrecht als aartsbisdom de hoofdzetel, Haarlem, \'s Hertogenbosch, Breda en Roermond (in Limburg, ten n.o. van Stevensweert, zie blz. 396) de bisdommen zijn. Aan deze invoering ging geenszins, wat men vroeger onvermijdelijk achtte, een concordaat vooraf. De regeering wilde de scheiding van kerk en staat in de hand werken. Daarom liet zij, behou-

-ocr page 427-

403

dens haar recht van toezicht, den paus, Pius IX, vrij in de regeling der Roomsch-katholieke kerk, in Nederland gevestigd. Maar zij nam er geen genoegen mede, dat de paus niet volmondig was uitgekomen voor het nu niet langer verbindend karakter van \'t concordaat van 1827 en dat hij de voorgenomen oprichting der bisdommen geenszins tevoren ter kennis had gebracht van \'t kabinet te \'s Gravenhage. Deze zelfde omstandigheden, gevoegd bij de zaak der invoering zelve en inzonderheid bij eenige uitdrukkingen, voorkomende in de aanspraak van den paus van den yden Maart aan de hooge geestelijkheid te Rome, waarin van het protestantisme als van een dwaalleer werd gewaagd, verbitterde de Nederlandsche protestanten en trof hen als met een electrieken schok.

Deze gevoelens werden uitgesproken in de Aprilbeweging, toen de koning door tal van adressen werd bestormd en het eerste ministerie-Thorbecke, opgetreden in November 1848, den 19den April 1853 zich verplicht zag voor den storm te wijken en heen te gaan. Mede werd, ten einde aan de rechtmatige ongerustheid te gemoet te komen, onder het thans optredend ministerie-van Hall (zie blz. 400), een ontwerp ter regeling van het toezicht op de onderscheiden kerkgenootschappen aan de Kamers aangeboden en in September van \'t zelfde jaar, 1853, tot wet verheven, waarin o.a. werd vastgesteld, dat, zonder \'s konings toestemming, vreemdelingen geen kerkelijke bediening mochten aanvaarden en het kerkelijk gewaad alleen binnen gebouwen en besloten plaatsen worden gedragen.

Naast de inrichting van Nederland, als een gewest der Roomsch-katholieke kerk, blijft die der oud-katholieke kerk of oud-bisschoppelijke cleresey (zie blz. 331), in September 1853 door de regeering erkend, voortbestaan, welke eveneens te Utrecht een aartsbisdom, te Haarlem en te Deventer een bisdom heeft. De leden dezer kerk beweren vast te houden aan de ééne Roomsche-katholieke kerk en aan de erkenning van den paus als hoofd, maar tevens, dat zijzelven de bevoegdheid moeten hebben hun aartsbisschop in de kapittels te verkiezen, welke bevoegdheid, naar hun oordeel, hun niet heeft kunnen worden ontnomen door de bul van 1559 (zie blz. 77) en in allen gevalle sinds de afzwering van Philips II tot hen is teruggekeerd.

Onder de vele wetten, die, als uitvloeisel van de in 1848 uitgevaardigde grondwet, zijn tot stand gekomen, verdienen de kies-, de gemeente- en de provinciale wet te worden genoemd. In 1878 verving een wet op het lager-onderwijs die van 1857, ingediend door den minister van binnenlandsche zaken, Anthon Gerard Alexander van Rappard, welke, op haar beurt, in plaats was gekomen van die van 1806. Beide gingen van dezelfde beginselen uit als de laatstgenoemde, doch behelsden de wijzigingen, die de tijd als wenschelijk had doen kennen. In 1858 trad van Rappard af en bekwam eenige jaren later tot opvolger Thorbecke, wiens tweede ministerie in 1862 aanving en in 1866 eindigde,

26*

-ocr page 428-

404

gedurende welk tijdsbestek, in 1863, een wet op het middelbaar onderricht het aanzijn kreeg.

In Juni 1877 overleed de koningin (zie blz. 396). Een paar jaren daarna, in Januari 1879, onderging Nederland een zwaar verlies door het overlijden van \'s konings broeder, prins Hendrik (zie blz. 367). In Juni 1879 stierf de kroonprins (zie blz. 396), in September 1881 prins Frederik (zie blz. 367), in Juni 1884 prins Alexander (zie blz. 396). In Januari van het jaar 1879 hertrouwde de koning met Adelaide Emma Wilhelmina Theresia van Waldeck-Pyrmont, een dochter van den vorst van dat land, George Victor, als koningin doorgaans Emma geheeten. Den 3isten Augustus 1880 sproot uit dit huwelijk prinses Wilhelmina Helena Pauline Maria. Hoewel minderjarig, volgde zij haar vader op, toen Willem III, de laatste mannelijke telg uit het huis Oranje-Nassau, in November 1890 op het Loo overleed, betreurd door de natie, die hem als het model van een constitutioneel koning vereerde. Van dat oogenblik af trad koningin Emma als regentes op. Groothertog van Luxemburg werd Adolf van Nassau. Intusschen was, nog vóór \'s konings dood, in 1887, Nederlands grondwet van 1848 herzien.

In Juni 1872 ontrukte Thorbecke\'s dood, te midden van zijn derde ministerie, hetwelk in Januari 1871 was begonnen, aan het binnen-landsch bewind een man, die er sedert 1848 den meesten invloed op had geoefend. Aan \'t geen van Rappard en hij voor \'t onderwijs hebben gedaan is in 1876 de kroon opgezet door de verheffing tot wet van het ontwerp van den minister van Binnenlandsche zaken, Hee.nskerk, betreffende het Hooger-Onderwijs. In het tijdperk van dat laatste twintigtal jaren deed een groote vrijheid van in- en uitvoer, afschaffing van belemmerende rechten, den handel bloeien en wakkerde den scheepsbouw en de zeevaart aan. Tevens verbeterden zich de geldmiddelen des rijks voortdurend en breidde zich het net onzer spoorwegen allengs uit.

Maar, gelijk in Februari 1825 werd Nederland ook in Maart 1855 en in Januari en Februari 1861 door zware overstroomingen geteisterd. De tweede maal trof deze ramp de bewoners der provinciën Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant, de laatste maal die van de beide laatste provinciën, welke echter bij hun landgenooten ruime tegemoetkoming vonden.

Ten aanzien van de buitenlandsche betrekkingen behoort het verdrag van Februari 1871 te worden vermeld, bij hetwelk de gebouwen en wat Nederland verder bezat op de kust van Guinea voor de som van 24,000 pond sterling aan Groot-Britannie werd afgestaan. Twee jaren later, in Maart 1873, brak ter zake van zeerooverij een oorlog los van Nederland tegen den sultan van Atjeh (op de westkust van Sumatra). De eerste aanval der Nederlandsche krijgsmacht slaagde niet naar wensch, weshalve in November een tweede tocht werd ondernomen onder \'t bevel van generaal van Swieten. In Jan. 1874 veroverde

-ocr page 429-

405

deze aanvoerder den kraton, de voornaamste sterkte der Atjehneezen, waarop een gedeelte van Nederlands troepen in dit land zijn legerplaats opsloeg in afwachting der onderwerping van de verschillende stamhoofden, die zich intusschen hiermede niet zeer haasten. De krijgstochten van generaal van der Heijden, in 1881 naar het vaderland teruggekeerd, schenen eerst den grondslag eener duurzame onderwerping te hebben gelegd, die evenwel nog steeds achterwege blijft. Meer succes had in 1894 generaal Vetter, die het oproer der Balineezen op Lombok (ten o. van Bali en van Java) bedwong.

§ 38.

Eindblik op den toestand des lands.

Zoo is dan het plan, in de eerste paragraaf aangekondigd, volvoerd en wederom een geschiedenis van Nederland te boek gesteld. Hoe het, onder velerlei lotwisseling, met de wording, de ontwikkeling en het leven van Nederlands land en volk is gesteld geweest — ziedaar het onderwerp der vorige bladzijden. Nog bestaat dit rijk, aan welke geschiedenis die bladzijden zijn gewijd. Behalve de bijna 31,000 vierkante mijlen met ruim 22,000,000 inwoners, die het in vreemde werelddeelen bezit, beslaat het in Europa een oppervlakte van meer dan 600 vierkante mijlen, waarop een bevolking woont van ruim 4 millioen. De bodem van Nederland bestaat uit alluviale of vloedgronden, die men langs de kusten in \'t N. en in \'t W., aan de oevers van Rijnen Maas, alsmede in de duinen en de veenen heeft te zoeken ; uit diluviale of zandgronden, die in het O., in \'t Z. en in \'t midden van \'t land den bovengrond vormen en elders onder den alluvialen grond liggen; uit tertiaire of oudste gronden, welke hoofdzakelijk voorkomen op de Oostgrens van Groningen, van Drente, van Overijsel, van Gelderland en van Limburg. Ongeveer 1j2 gedeelte van den grond is bebouwd. Landbouw, veeteelt, handel, fabrieken en vischvangst blijven voortdurend de bronnen van het bestaan der ingezetenen. De Lek levert nog zalm, andere rivieren wederom anderen visch; maar de haringvangst, ofschoon zij sinds een tiental jaren weder eenigszins begint op te komen, heeft veel geleden door den wedijver der Engelschen en der Duitschers, en de walvischvangst is van weinig beteekenis. De handel, dien Nederland drijft, is nog steeds wereld- en binnenlandsche handel. Al is de eerste, in vergelijking met andere landen en van hetgeen hij is geweest, niet meer wat hij weleer was, nog is hij belangrijk en verdient den naam van wereldhandel. De voorwerpen van den handel zijn voornamelijk de voortbrengselen van landbouw en veeteelt, benevens de koloniale waren.

-ocr page 430-

406

Wat de Nederlandsche nijverheid betreft, zij heeft geen ongelukkiger tijdperk gekend dan het twintigtal jaren, dat verliep tusschen de omwenteling van 1795 en de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden. Gedurende het vijftienjarig tijdvak, dat met 1815 aanvangt, begon er wel op nieuw eenig leven te komen in het fabriekwezen van Noord-Nederland; maar de nijverheid van dit deel van het koninkrijk bleef verre, zeer verre ten achteren bij die van het Zuiden. Na de omwenteling van 1830 geraakte de nijverheid in ons vaderland geheel aan het kwijnen. Dit kwam, behalve uit den politieken toestand en uit de verhooging der staatsschuld, uit de geringe geneigdheid der fabrikanten voort om aan den eisch des tijds te voldoen en de stoomkracht op het fabriekwezen toe te passen. Allengs intusschen is de Nederlandsche nijverheid na de afscheiding der Zuidelijke gewesten weder opgekomen. Onder de verschillende takken van nijveiheid behooren in de eerste plaats de katoen spinnerijen en de weverijen te worden genoemd , die men vooral in het oostelijk gedeelte van Overijsel aantreft. Naast haar verdienen de lakenfabrieken van Tilburg en van Leiden, benevens de tapijtfabriek van Deventer een plaats. Te \'s Gravenhage heeft men de ijzerfabriek van Enthoven. Vermaard zijn de glas-, kristal- en aardewerk-fabrieken van Regout te Maastricht, waarin hij met meer dan 1500 arbeiders werkt. Belangrijk zijn de jenever- en de likeurstokerijen te Schiedam en in andere plaatsen van Zuid-Holland, evenals de tabak- en de sigarenfabrieken te Amsterdam, waarvan één jaarlijks millioenen sigaren aflevert, gelijk Utrecht er één heeft, waarin dagelijks 40,000 sigaren worden vervaardigd. In het Noorden van ons land was vooral W. A. Scholten door zijn siroop-, sago-, suiker- en andere fabrieken een sieraad niet alleen der industrie binnen, maar ook buiten Nederlands grenzen. Reeds is het getal zijner fabrieken tot dertien aangegroeid. In vele van Nederlands provinciën vindt men, gelijk vroeger (zie blz. 64 vlg.), steen- en pannebakkerijen, azijnmakerijen, zaag- en oliemolens, alsmede papierfabrieken, die in plaats zijn gekomen van de voormalige papiermolens. Ook suikerraffinaderijen ontbreken niet, terwijl de bierbrouwerijen zich steeds vermenigvuldigen. Daarentegen kwijnt de scheepsbouw. Maar voorzeker handhaven geen der inrichtingen, die men onder den naam van fabrieken pleegt te rangschikken, haren ouden roem meer dan de diamantslijperijen van Amsterdam, waaronder die van Coster de vermaardste is.

Moge dus, in vergelijking met vroegere eeuwen, Nederlands bloei in den handel niet zijn toegekomen, in \'t stuk der nijverheid is dit stellig het geval. Een andere lichtzijde van den tegenwoordigen toestand ziet men in de staatsschuld, waarvan het bedrag gedurende een twintigtal jaren regelmatig werd verminderd. Van 1850 b.v. tot 1865 heeft die vermindering een som van 250,000,000 gl. beloopen. Heden ten dage is zij ongeveer 1000 millioen groot, waarvan jaarlijks omstreeks 40 millioen rente wordt betaald. Is deze som juist niet gering te noemen,

-ocr page 431-

407

er staat tegenover, dat Engeland, Frankrijk, kortom alle groote mogendheden een veel grooteren last van nationale schuld hebben te dragen.

Dat de letterkunde sinds den val der Republiek (zie blz. 332 vlg.) een belangrijke schrede voorwaarts heeft gedaan zal wellicht niet met grond kunnen worden staande gehouden. Toch heeft het honderdjarig tijdvak, sedert verloopen, op meer dan één beroemden naam te wijzen. Er stonden schrijvers op, die\', deels door eigen kracht, deels door \'t voorbeeld van de Duitsche naburen gedreven, aan de voortbrengselen hunner pen bekendheid of grooten roem verschaften. De namen dier schrijvers heeft de geschiedenis der letterkunde opge-teekend. Hier kan slechts op een paar van de voornaamsten worden gewezen, in de eerste plaats op de beide tijdgenooten Feith en Bilderdijk. Uit het in één adem noemen dezer twee mannen leide niemand af, dat zij op één lijn staan. Het tegendeel is waar. Rh ijnvis Feith, geboren te Zwol in 1753 en in 1824 overleden, was de voorganger van de navolgers der Duitsche school. Groote vooringenomenheid met het sombere en overdreven gevoeligheid kenmerken haar. Ofschoon Feith ook lierzangen heeft vervaardigd, munt bij bovenal uit als schrijver van leerdichten, waaronder de meest bekende zijn het graf en de ouderdom.

Ver boven Feith, niet alleen in kennis en geleerdheid, maar ook in talent, staat Willem Bilderdijk, een Amsterdammer (1756—1831). Op veelzijdiger ontwikkeling, dan hij zichzelf gaf, kunnen weinigen bogen. Wijsbegeerte, oude en nieuwe talen, wis- en natuurkunde, rechtsgeleerdheid, geschiedenis, geneeskunde, godgeleerdheid, niets was hem vreemd. Zijn leven was een aaneenschakeling van rampen. In 1795 van den vaderlandschen grond verdreven, mocht hij eerst in 1806 derwaarts terugkeeren. Nooit viel hem een werkkring ten deel, waarin hij zich, naar de volle mate van zijn aanleg en begaafdheden, vrij en ruim kon bewegen. Huiselijk ongeluk en zware zorgen drukten hem voortdurend terneer. In weerwil van dat alles en van den invloed, dien al die tegenspoed op zijn karakter oefende, werkte hij aanhoudend en heeft Nederland geen vruchtbaarder schrijver aan te wijzen. Het hoogst staat hij als dichter. Alle dichtsoorten beoefende hij, buiten het blijspel, en in alle bracht hij meesterstukken voort. In het heldendicht leverde hij den ondergang dér eerste wereld, een grootsch, maar onvoltooid gewrocht, in het leerdicht de ziekte der geleerden, in den lierzang de ode aan Napoleon. Niet minder voortreffelijk zijn Bilderdijks balladen en minnedichten. Onder de tallooze gedichten van zijn hand treft men een menigte navolgingen of vrije bewerkingen van vreemden aan, die het oorspronkelijke overtreffen.

Op het gebied der taal stelde Bilderdijk eveneens zijn voorgangers in de schaduw. Siegenbeeks spellingstelsel, evenals Weilands en Siegen-beeks Neder duitsche spraakkunst doen in diepte van blik voor Bilderdijks Spraakleer onder. Op het veld van de geschiedenis van \'t Vaderland

-ocr page 432-

408

leverde hij een werk, waarvan de hoofdstrekking een doorloopende bestrijding is van Wagenaar (zie blz. 333). Tot heden toe is het echter aan dit geschrift niet gelukt den ouden Wagenaar te verdringen. Zoo onpartijdig hij is, zoo partijdig is Bilderdijk. Ongetwijfeld heeft de laatste, hoewel thans ook deze gedeelten van zijn werk aan rechtmatige bedenkingen onderhevig zijn, betere opvatting van middeleeuwsche rechtstoestanden en van het leenstelsel; doch in volledige, onbevooroordeelde uiteenzetting van hetgeen is gebeurd schiet hij bij Wagenaar verre te kort.

In menig vers heeft Bilderdijk de herstelling van Nederlands nationaliteit bezongen. In \'t jaar dier herstelling stierf een andere dichter, wiens naam voorzeker aan geen Nederlander onbekend is, die op die nationaliteit prijs stelt. Dit is Jan Frederik Helmers, die in zijn Hollandsche natie, een middelsoort tusschen het helden- en het lierdicht, den roem verheerlijkt, door het Nederlandsche volk behaald, zoowel te land als ter zee, op het veld der wetenschappen en op dat der fraaie kunsten. Het is waar, er is meer dan één plaats in het gedicht, die verre van fraai is. Desniettemin munt het over \'t geheel door dichterlijken gloed en lieflijkheid uit.

Een Nederlander, die zijn vaderland lief had, was Helmers. Niet minder deed dit Hendrik Tollens, in 1780 geboren te Rotterdam, overleden te Rijswijk in 1856. Was Cats de eerste Nederlandsche volksdichter geweest, de eerenaam van de tweede te zijn geweest komt Tollens toe. Immers behalve zoo menige andere zang op onderwerpen van Nederlands historie, die dat mede bevestigt, getuigt daardoor het door hem vervaardigde volkslied: „Wien Neêrlands bloed door de adren vloeit.quot; Onder \'s dichters verzen zijn er, behalve balladen, vele gewijd aan den huiselijken haard. Hij is niet stout, als Bilderdijk, maar natuurlijk en ongedwongen en heeft een zuiveren stijl en een geraakke-lijken versbouw. De meest bekende zijner gedichten zijn: hel tafereel van den vierdaagschen zeeslag, de zegezang-na den slag bij Nieuwpoort, Beilink, het turfschip van Breda, Herman de Ruiter, enz. en op het gebied der beschrijvende poëzie: het tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova-Zetnbla.

Van de prozaschrijvers uit de eerste helft dezer eeuw behoort bovenal Jan Hendrik van der Palm, geboren te Rotterdam, te worden aangehaald. Eerst een tijdlang predikant bij de hervormde gemeente, werd hij later, om van andere betrekkingen te zwijgen, die hij bij het onderwijs bekleedde, hoogleeraar in de Oostersche talen te Leidén. Hij was de eerste kanselredenaar en de eerste prozaschrijver van zijn tijd. Onder \'s mans geschriften bekleeden de Bijbelvertaling met aan-teekeningen, de Bijbel voor de jeugd en de Salomo, een uitbreiding van de spreuken, een eerste plaats. In deze en andere zijner werken vindt men, bij diepte van gedachten, een krachtigen en rijk geschakeerden, doch ook helderen en lossen stijl. Onder al die werken staat geheel op zichzelf het Geschied-en redekunstig Gedenkschrift van Nederlands her-

-ocr page 433-

409

stelling, dat heden ten dage meer om den vorm, dan om den inhoud, de aandacht trekt. Van der Palm, die hoogbejaard in 1841 overleed, leefde te midden van een aantal uitstekende mannen op het gebied der letterkunde, als Kinker, Borger, Da Costa. Zullen de wijsgeerige, de dichterlijke en de taalkundige geschriften van Johannes Kir.ker, geboren te Nieuwer-Amstel (nabij Amsterdam), overleden 1845, zijn naam lang voor de vergetelheid bewaren, alleen de Ode aan den Rijn zal dien van Ellas Annas Borger, geboren te Joure (len z.o. van Sneek), overleden 1820, doen voortleven. Izaak da Costa, geboren te Amsterdam, overleden in i860, is de voortreffelijkste van Bilderdijks leerlingen. Hij streed, als Bilderdijk, voor de rechtzinnige gereformeerde leer. Welk een gloed hij als dichter had ziet men in zijn Wachter, wat is er van den nacht 1, waarin hij de omkeeringen op staatkundig gebied van \'t jaar 1848 voorspelt, in zijn Slag bij Nienw-poort en in andere verzen. In i860 overleden, was da Costa een tijdgenoot van Bogaers, deGénestet, van Lennep, ter Haar en Beets, die, waar men van de hedendaagsche Nederlandsche letterkunde gewaagt, in de eerste rijen staan. Als bewijs van het keurige dichttalent van Adriaan Bogaers wordt, onder meer, doorgaans De tocht vafi Heemskerk naar Gibraltar aangehaald. De Leekedichtjes van Petrus Augustus de Génestet, geboren te Amsterdam, zijn niemand onbekend, evenzeer als de Camera obscura van Hildebrand, d. i. Nikolaas Beets, geboren te Haarlem, in ieders handen is. Onder de gedichten van Bernard ter Haar zijn de meest geroemde: de St. Paulnsrots, Eliza\'s vlucht, Abd-el-kader, Huibert en Klaart je. Van het genoemde vijftal is Beets de eenige, die nog leeft. Bogaers werd in 1870, de Génestet in 1861 van Lennep in 1868, ter Haar in 1880 door den dood weggerukt. De werken van Jakob van Lennep, geboren te Amsterdam, zijn vooral gedichten, b.v. de Nederlandsche legenden, en romans in proza. De laatste hebben hem gemaakt tot den gevierden schrijver, van wien elk iets heeft gelezen. Voor den beste dier romans houdt men Ferdinand Huyck. Bovendien zijn er de Pleegzoon, Elizabeth Musch, de lotgevallen van Klaasje Zevenster. Met anderen maken de hier aangevoerde schrijvers de keten uit, die op dit veld het verleden aan het heden verbindt. En dat ook dit heden niet onvruchtbaar is zal de toekomstige geschiedschrijver van Nederland hebben aan te toonen.

-ocr page 434-

TIJDREKENKUNDIG OVERZICHT

DER

GESCHIEDENIS VAN HET VADERLAND.

Jaren n. C.

§ I. Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus\' geboorte en onder de heerschappij der Romeinen.

Het meer Flevo, later Almeri geheeten, wordt de Zuiderzee 839, 1 170, 1260.

De Dollard ontstaat.................... 1277.

De Biesbosch ontstaat...............18 Nov. 1421.

Men begint op het dijkwezen te letten........ongev. 900 of 1200.

De Friezen, de Bataven, de Kaninefaten, de Tubanten, de Brukteren, de Menapiërs en de Nerviërs geraken onder de heerschappij der

Komeinen...................(v. C.) 1—100.

Drusus onderwerpt de Friezen.

Opstand der Friezen. — Olennius.............. 28.

Corbülo beteugelt hen.................. 47.

Font ejus Capito laat Julius Paulus ter dood brengen en Claudius Civllis naar Rome voeren.

Claudius Civilis stelt zich aan \'t hoofd van den opstand der Bataven 09. De Friezen, de Kaninefaten onder Brinio en andere stammen verbinden zich met de Bataven.

Claudius Civilis vermeestert een vloot van vierentwintig schepen en

verovert Castra vetera.

Hij hernieuwt het verbond met Rome. — Cerealis......... 70.

§ 2. De Franken en de Saksen in Nederland en in België. — Deze landen worden een bestanddeel van het Frankische rijk. — De invoering van het leenstelsel en van den Christelijken godsdienst. — De Noormamen.

Herhaalde invallen der Franken, n.1. der Saliërs, in de Nederlanden

sinds ongev.........,..........................300.

Zij vestigen zich hier................ongev. 361.

Nederland en België behooren tot Austrasië........sedert 511.

De landstreek bij den IJsel is het gebied der Saksen sedert ongev. 400—500. Grenzen der Friezen.

De naam der Bataven en die der Kaninefaten verdwijnen sinds ongev. 400—500.

Onderwerping der Friezen aan Karei den groote..................785.

Inhcemsche predikers van \'t Christendom: Eligius en Amandus.

Wilfried, Willebrord, Wulfran en Winfried of Bonifa-

cius bekeeren of doopen de Friezen.

Dagobert sticht te Utrecht een kapel.

Willebrord eerste bisschop te Utrecht..........................695.

-ocr page 435-

411

Jaren n. C.

Ontmoeting van TVulfran met Radboud te Hoogwoude.......718.

Dood van Bonifacius te Dokkum............5 Juni 755.

Kerkrechtelijke verdeeling dezer landen in den tijd der Franken in bisdommen. — Staatsrechtelijke verdeeling in hertogdommen, graafschappen, schoutambten. — Burgerlijke verdeeling in volken of landen, elk land in gouwen, elke gouw in marken. — De aloude marleen.

Friesland verdeeld in zeven zeelandere. — Dit geldt waarschijnlijk van Friesland in engeren zin en in de 13de en de Hde eeuw.

Het land bestuurd door drie hertogen en door graven. — Oorspronkelijke beteekenis van quot;t woord „graaf.quot; — Schejjenen. — Aan quot;t hoofd der marken staan schouten. — De standen der bevolking: edelen, vrijen,

liten, slaven of lijfeigenen.

Heriold, Roruk en Hemming laten zich doopen. — Lodewijk de vrome geeft Heriold Doorestad of Duurstede en omstreken, Eoruk Kennemerland en Hemming Zeeland............. 826.

Kennemerland in leen gegeven aan Godfried.......... 882.

Everhard van Hameland laat Godfried, op last van Karei den dikke,

ombrengen...................... 885.

Verdrag van Verdun. — Lotharius I verwerft bijna geheel België en

Nederland, Karei de kale Vlaanderen, Artois en een deel van Zeeland 843.

Het aandeel van Lotharius I komt aan Duitschland...... 870 en 979.

§ 3. Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land. — De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun. — Staten, die In het Zuiden en in het Noorden verrijzen. — Aard en uitbreiding der grafelijke macht.

De Nederlanden en België zijn een bestanddeel van Lotharingen en van

Neder-Lotharingen.................sedert 954.

De meeste Nederlanden worden erfelijke leenen.....ongev 800—1000.

Meerdere gouwen komen aan ée\'n graaf..........sedert 1000.

Het geheele land verdeeld tusschen den graaf van Gelder, dien van Holland

en den bisschop van Utrecht............. 1100—1200.

In plaats van Neder-Lotharingen ontstaan, voor en na, verschillende zelfstandige staten, als het hertogdom Brabant, het markgraafschap Namen en het graafschap Henegouwen.

Het bisdom Luik. — Graaf Lodewijk schenkt het graafschap Loon aan

den bisschop van Luik en ontvangt het weer als leen.......12 12.

Het wordt aan het bisdom gehecht.............. 1336.

Het graafschap Hoorne is, naar \'t schijnt, een leen van het graafschap

Loon. — Het wordt aan Luik getrokken........... 1568.

Het graafschap Limburg wordt een hertogdom.....sedert 1000—1100.

Maastricht voor een gedeelte een bezitting van den bisschop van Luik,

voor een ander deel een op zichzelf staande rijksstad. — Deze rijksstad door Philips van Zwaben aan den hertog van Brabant in leen gegeven. 1204.

Karei V scheidt ze van het Duitsche rijk af en voegt ze aan Brabant toe.

Het graafschap Luxemburg wordt een hertogdom ......... 1354.

Antwerpen is een markgraafschap van het Duitsche rijk en wordt door

den hertog van Brabant bestuurd............ 900—1000.

De heerlijkheid Mechelen is een gemeenschappelijk leen. — De graaf van Vlaanderen is van de eene helft leenheer, de hertog van Brabant leenman. — De hertog van Brabant en de bisschop van Luik zijn leen-

-ocr page 436-

412

Jaren n. C

heeren van de andere helft, de graaf van Vlaanderen leenman. — Mechelen

komt aan Vlaanderen............•.....1357

Artois en Kroon-Vlaanderen leenen van Frankrijk.

Noordelijk Vlaanderen, Rijks- Vlaanderen, een leen van Duitschland. De vier ambachten.

Hendrik II geeft Rijks-Vlaanderen in leen aan Bondewijn IV, graaf van Vlaanderen, die Zeeland bewester Schelde -wederom in achter

leen geeft van Dirk III, graaf van Holland..........1007

Karei de eenvoudige geeft aan Dirk I eenige stukken grond.....922

Dirk III sticht een sterkte tusschen de Merwede en de Oude Maas. — Godfried III van Neder-Lotharingen doet hem, op last van Hendrik II,

den oorlog aan. — Godfried geslagen ............1018

De stad Dordrecht treedt in een oorkonde op..........1064

De naam „graaf van Hollandquot; wordt voor \'t eerst vermeld......1064

De graaf van Holland levens graaf van Zeeland..........1323

Gelderland bestaat uit de graafschappen Gelder en Zutfen. — Eerste graaf

van Gelder en Zutfen Hendrik...............1138

Keizer Lode wijk verheft Relnoild II of den zwarte tot hertog van Gelderland......................1339

De bisschop van Utrechf door de kanoniken van de vijf kapittelkerken

gekozen....................sedert 1122

Otto de groote geeft Vollenhoven aan Balderik.

Hendrik III schenkt Deventer aan bisschop Bernulf........1046

Hendrik IV geeft Islegomv of Sallant aan bisschop Koenraad .... 1080 Goor, Enschedé, enz. d. i. Twente, hieraan toegevoegd.

Koenraad II geeft Drente aan bisschop Adelbold in leen.......1024

Hendrik III voegt er de stad Groningen met het Goorecht aan toe . . . 1040 Friesland sedert Karei den groote beheerscht door graven.

De heerlijkheid Westerwolde. — De heerlijkheid Ravestein.

Het land van Kuik komt aan Gelderland............1400

Uitbreiding bij trappen der macht van den graaf van Holland.

Floris V dwingt Dirk van Bredcrode en Jan van Renesse afstand te doen

van het privilegie, dat de edelen vergunt zich op den keizer te beroepen 1291 De beden. — De privilegiën en hun verdeeling in privilegin pactitia en pricileqia gratiosa.

De blijde inkomst uitgevaardigd door Wenceslaus en Johanna.....1356

De macht van den bisschop van Utrecht zeer beperkt door de vijf

kapittels....................sedert 1122

Lotharius II schenkt Friesland aan graaf Dirk VI. — Koenraad III geeft het aan bisschop Andries van Kuik. — Frederik I Barbarossa bepaalt, dat Friesland in naam van Holland en van Utrecht zal worden bestuurd door een burggraaf.

§ 4. Holland onder de graven uit het Hollandsche huis.

Huis van Holland............... 922 (1018)—1299

Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V,

Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan 1.

Otto III geeft Dirk II Medemblik, Texel, enz...........985

Dirk II, Amoud, Dirk VI, Floris III strijden tegen de West-Friezen.

Willem II komt tegen hen om bij Hoog wou de.........1256

-ocr page 437-

__________________

413

Jaren n. C.

Floris V jedwingt de Kennemerlandcrs. — Hij onderwerpt de West-

Friezen, de Waterlanders en de Drechterlanders......1282 en 1287.

Dirk III zegeviert over bisschop Adelbold...........1018.

Dirk VI belegert Utrecht. — Herbert. — Dirk breekt het beleg

op......................ongev. 1145.

Dirk IV brengt op de Maas een nederlaag toe aan de vloot van Hendrik III.......................;047.

Hendrik IV gelast Godfried met den bult Holland te ontrukken aan Robert den Fries. — Godfried stelt het graafschap ter beschikking van Willem, bisschop van Utrecht......... 1070.

Deze bisschop geeft het achterleen aan Godfried, die het bij zijn

dood nalaat aan Dirk V.................10quot;G.

Dirk Vil verdrijft de Vlamingen...............1195.

Floris III overlijdt te Antiochië................1190.

Willem, later Wiliem I, vecht mede voor Acre..........1191.

Hij neemt Damiate in...................1219.

Hij ontruimt het.....................1221.

Dircks geeft de Damiaatjes aan de groote of St. Bavo\'s kerk te Haarlem . 1561.

De klokjes later door andere vervangen. — De scheepjes mot zagen tegen 17U0.

Dirk VII sterft. — Ada. — Ada door Adelheid uitgehuwd aan Lode-

wijk, graaf van Loon.................. 1203.

Lodewijk uit Holland verdreven............... 1204.

Willem I wordt graaf en eerst door Philips van Zwaben, later door Otto IV erkend.

Willem II, de stichter van \'s Gravenhage, tot Roomsch koning benoemd. 1247.

Alkmaar heeft zijn oorsprong of bloei te danken aan Floris II, die

overlijdt.......................1122.

Willem I schenkt Middelburg handoesten of keuren.........1217.

1295.

1287. 1203.

1283.

1295.

1296. 1296.

Willem II geeft privilegiën aan Haarlem, Delft, Middelburg, Zierikzee,

Domburg en Westkappel.

Floris V verleent handvesten aan Medemblik en Monnikendam .... 1288. Hij geeft voorrechten aan Dordrecht, Delft, Leiden, Rotterdam, Gouda,

Schoonhoven , Kennemerland, enz.

Verdrag tusschen Floris V en Utrecht met eenige andere steden van het

Sticht........................1\'J74.

Hij beoorloogt voor Jan I van Nassau, bisschop van Utrecht, de hee-

ren Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden.

Gijsbrecht doet afstand van Muiden. — Hij krijgt Amsterdam terug, met uitzondering van eenige huizen en sterkten, welke Floris vroeger van

Jan Persijn had gekocht.................

Herman doet afstand van Woerden en van zijn verdere Utrechtsche lee-nen, alsmede van zijn alodiën, die hij als leenen terugkrijgt, .... De graven van Holland vazallen van de hertogen van Brabant. . sedert Jan I, hertog van Brabant, ontslaat Floris V van de leenhulde voor

Zuid-Holland.....................

Jan van Heusden en Jan van Kuik staan Floris V hun alodiën af

en krijgen ze als leenen terug.

Eduard I, koning van Engeland, verplaatst den stapel der Engelsche

wol van Dordrecht naar Brugge en Mechelen .........

Floris V sluit zich bij Philips IV ofden sehooneaan......

Gerard van Vel zen en de overige samengezworenen dooden Floris V .

.

-ocr page 438-

414

Jaren n. C.

Jan. — Wolfert van Bovselen aan quot;t hoofd der regeering .... 1297.

Hij wordt te Delft omgobracht................ 1299.

Jan draagt het bewind voor vier jaren aan Jan van A vennes op. —

Jan I sterft...................... 1299.

§ 5. Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het Belersche huis.

Het huis van Jan II door Rudolf van Habsburg voorwaardelijk met het

graafschap Holland beleend................ 1276.

Jan noodzaakt Albrecht van Oostenrijk het land te ruimen...... 1299.

Instelling der stad- of stedehouders.

l)e Vlamingen, aangespoord door Jan van lïenesse, vallen in Zeeland en

in Holland...................... 1303.

Zij worden gestuit bij hel Manpad............... 1304.

De eer der zege komt toe aan Witte van Haamstede en aan Willem van Oostervan t.

Willem III de goede................. 1304—;337.

Waarschijnlijke invoering der beden.

Hij roept voor \'t eerst, met de edelen, de schepenen der steden van

Holland en Zeeland op.................. 1305.

Verdrag van Willem HI met Lodewijk I van Nevers, graaf van Vlaanderen , bekrachtigd door Lodewijk van Beieren. — Lodewijk ziet vat de leenhulde wegens Zeeland bewester Schelde af, terwijl Willem belooft geen aanspraak meer te zullen maken op het land van Aalst, Waas en de vier ambachten. — De graaf van Holland tevens graaf van Zeeland. 1323.

Willem III geeft zijn dochter Margareta aan keizer Lodewijk ten huwelijk 1324.

Hij geeft Fhilippa aan Eduard III ten huwelijk.

Willem IV.....................1337—1345.

Hij doet tochten tegen de Pruisen en de Lithauwers. — Hij is de bondgenoot van Eduard III tegen Philips VI van Frankrijk.

Hij komt om bij Stavoren.................. 1345.

Lodewijk beleent Margareta met Holland, Zeeland en Friesland .... 1346.

Jan van Beaumont, heer van Gouda en Schoonhoven, een broeder van

Willem Hl, raadsman van Margareta.

De heeren van Arkel en Egmond vijanden van Margareta.

Margareta keert naar Beieren terug.

Willem wordt verbeider.

Lodewijk van Beieren sterft. — Karei IV keizer.......... 1347.

Verdrag tusschen Margareta en Willem. — Zij erkent Willem als graaf van Holland en Zeeland en als heer van Friesland. — Willem zal haar jaarlijks ongeveer 30,000 gl. en een zekere som op eens betalen . . . 1349.

De partij van Margareta verwoest Naarden............ 1350.

Margareta herroept haar gift en begeeft zich naar Henegouwen.

Hoekschen of Kabeljauwschen.

Het buskruit voor \'t eerst hier te lande gebruikt.

Margareta\'s vloot verslagen op de Maas............1351.

Margareta staat Holland, Zeeland en Friesland aan Willem V af, die

belooft haar een jaargeld te zullen betalen. — Zij behoudt Henegouwen 1354.

Margareta overlijdt te Quesnoi................ 1356.

Willem V doorsteekt Gerrit van de Wateringe. — Hij gaat naar Quesnoi 1357.

-ocr page 439-

415

Jaren na C.

Heusden met Holland vereenigd............... 1357.

Albrecht wordt ruwaard.

De Hoekschen dooden Aleid van Poelgeest en Willem Kuser in den

Haag........................ 1392.

Willem van Oostervant vlucht. — Zijn bejegening in Frankrijk.

Krijgstocht van hem en van Albrecht naar Friesland........1394.

Willem V sterft — Albrecht.............. 1389—1404.

Hij huwt zijn dochter Margareta uit aan Jan zonder vrees, zijn zoon Willem aan Margareta, een dochter van Philips den stoute.

Zijn jongste zoon Jan wordt bisschop van Luik.

In de meeste steden van Holland treden burgemeesters met een raad op.

Gouda en Schoonhoven aan Holland getrokken.......... 1397.

Albrecht sterft. — Margareta van Kleef............ 1404.

Willem VI..................... 1404—1417.

Hij richt een staand leger op. —• Elk dorp betaalt hem hiertoe een schilddaalder.

Oorlog van Willem VI tegen Jan v a n A r k e 1 en Jans zoon Wi 11 e m. —

Willem VI belegert Hagestein. — Gorinchem komt aan Holland . . . 1412.

De heeren van Egmond verliezen IJselstein.

Het huis van Arkel sterft uit................1417.

Willem VI sterft.....................1417.

Jukoba van Beieren geboren.................1401.

Jan van Touraine sterft.................1417.

Geschillen tusschen Jakoba en Jan van Beieren of Jan zonder genade.

Jakoba huwt Jan IV, hertog van Brabant en Limburg, markgraaf van

Antwerpen, stichter van de hoogeschool te Leuven........1418.

Martinus V geeft dispensatie, doch herroept ze.

Jan van Beieren worjt door Sigismuud beleend met Holland, Zeeland en

Henegouwen. — Hij doet afstand van het bisdom Luik......1418.

Inhoud der keur, die hij aan Dordrecht schenkt,.........14IS.

Verdrag van Jakoba met Jan van Beieren. — Aan Jan wordt een groot deel van Holland in leen afgestaan; bij zal gedurende vijfjaren in Holland ,

Zeeland en Henegouwen het bewind voeren tezamen met Jan van Brabant; hij zal, indien Jakoba kinderloos overlijdt, haar opvolger zijn; hij ziet van alle rechten op die landen af............1419.

Jan van Brabant benoemt Jan van Beieren tot zijn stadhouder in Holland

en Zeeland......................1419.

Jan van Brabant verpandt Holland en Zeeland aan Jan van Beieren . . 1420.

Jan van Beieren verovert Leiden op den burggraafvanWassenaar

en vereenigt deze stad met Holland............. 1420.

Einde van de waardigheid van burggraaf of kastelein van Leiden.

De staten van Brabant ontzetten Jan van Brabant van het bewind.

Jakoba trouwt met Humphrey, hertog van Glocester. — Martinus V weigert dispensatie te geven................. 1422.

Jan van Beieren overlijdt aan vergift, hem toegediend door Jan van

Woerden, heer van Vliet.................. 1425.

Philips de goede erfgenaam van Jan van Beieren.

Holland en Zeeland blijven Jan van Brabant getrouw. — Henegouwen huldigt Humphrey en Jakoba. — Jakoba\'s troepen, aangevoerd door Floris van Kijfhoek, vermeesteren Schoonhoven. — Allaert Beilink wordt levend begraven.................. 1425.

-ocr page 440-

416

Jaren n. C.

Humphrey verlaat deze landen. — Jan van Brabant benoemt Philips den

goede tot ruwaard van Holland en Zeeland.......... 1425.

Jakoba vliedt uit Gent................... 1425.

Zij wint twee slagen bij Alphen op de steden der Kabeljauwschen.

Jan van Brabant sterft................... 1427.

Een geestelijk gerechtshof te Rome verklaart de echtverbintenis met Glo-

cester voor onwettig...................1428.

Verdrag Ie Del/t. — Philips de goede wordt erkend als ruwaard en erfgenaam van Holland, Zeeland , Friesland en Henegouwen; Jakoba zal niet hertrouwen dan met toestemming van haar moeder, van Philips en van de drie standen der landen; zij zal een gedeelte trekken van de inkom

sten der graafschappen....................................1428.

Frans van Borselen wordt stadhouder van Philips over Holland, Zeeland en Friesland. — Hij huwt Jakoba, verliest het stadhouderschap,

doch wordt graaf van Oostervant.

Jakoba verliest de grafelijke waardigheid........................1433.

Zij sterft................................................1436.

§ 6. Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huis.

Spitsing der Bourgondische landen in twee koninkrijken en één hertogdom. — Het hertogdom een deel van de Fransche kroon.

De twee koninkrijken tot één vereenigd..........sedert 933.

Een deel van het koninkrijk, Franche-Comlé, komt aan Duitschland . . . 1032.

Margareta I, weduwe van Lodewijk I vanNevers, die in den slag

van Ciécy omkomt......................................1346.

Zij erft van Philips van Rouvre Franche-Comté en Artois .... 13G1.

Lode wij k II v an Male wordt graaf van Vlaanderen, Ne vers, Réthel

en Salins................... .... 1346.

Hij wordt graaf van Franche-Comté en Artois....................1382.

Lodewijk II sterft en laat zijn graafschappen na aan Margareta H van Male 1384.

Philips van Rouvre sterft..................1361.

Jan II beleent zijn vierden zoon Philips den stoute met het hertogdom

Bourgondië............................................1363.

Philips de stoute huwt Margareta 11 ............................1369.

Hij verwerft Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois, Réthel, Ne-

vers en Salins..........................................1384.

Philips de stoute sterft. — Jan zonder vrees krijgt Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois en Salins................1404.

Limburg met Biabant vereenigd..............................1288.

Antonie verwerft Brabant, Limburg en Antwerpen ................1406.

Hij sneuvelt bij Azincourt .................1415.

Jan IV overlijdt..........................................1427.

Philips, graaf van St. Pol, overlijdt........................1430.

De derde zoon van Philips den stoute erft Nevers en Réthel..........1404.

Jan zonder vrees wordt gedood op de Yonne-brug.........1419.

Philips de goede................... 1433—1467.

Hij verkrijgt Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comte, Artois

en Salins.......................1419.

Hij koopt Namen van graaf Jan III..............1421.

Jan sterft. — Namen komt aan Philips.............1419.

Hij erft van Philips van St. Pol Brabant, Limburg en Antwerpen . . . 143o.

-ocr page 441-

417

Jaren n. C.

Jakoba staat hem Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen af . . . 1433.

Verdrag van Atrecht. — Karei VU staat hem Anxerre, Bar en Macon af 1435.

Hij koopt Luxemburg van Elizabeth, weduwe van Antonie. — Elizabeth sterft. — Luxemburg komt aan Philips............1451.

David van Bourgondië wordt bisschop van Utrecht......... 1455.

De graaf besluit te Rotterdam alleen in overleg met de vroedschap en rijkheid. } 373.

Albrecht brengt te Amsterdam, baarden, enz. het recht van verkiezing

der burgemeesters van de burgers op schepenen en raad over .... 1400.

Philips de goede richt het hof van Holland, uit acht personen bestaande, op 1428.

Het hof houdt ook het toezicht op \'s graven inkomsten......tot 1463.

Dit toezicht komt aan de rekenkamer te Brussel ......... 1463.

Philips vergunt de verkiezing der vroedschap te Delft........ 1443.

Oprichting der vroedschap te Haarlem............. 1445.

Instelling van den geheimen of groeten raad............ 1455.

Vergadering der Algemeene Staten te Brugge.........Jan. 1464.

Vergadering der Algemeene Staten te Brussel......25 April 1465.

De dagvaart van Holland voor \'t eerst stalen genoemd ....... 1428.

Dezes steden dier staten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam,

Gouda. — De edelen hebben een stem, de zes steden ieder één. — \'s Lands advocaat.

Staten van Zeeland. — Drie leden, ieder met één stem: de abt van Middelburg of van St. Nikolaas, de edelen en de vijf goede steden Middelburg, Zierikzee, Reimerswaal, Goes en Tholen. — De pensionaris.

Reimerswaal van het laud afgerukt.............. 1532.

Het gaat te niet.....................1631.

Op de vergadering der Algemeene Staten blijven Friesland, Groningen,

Drente, Overijsel en Gelderland doorgaans te huis. — Brabant bekleedt er het voorzitterschap.

Instelling van de orde van het gulden rlies te Brugge bij gelegenheid van

Philips\' derde huwelijk met Elizabeth ............ 1430.

Uitvinding der boekdrukkunst door Lourens Janszoon Coster van Haarlem ,

of, wat waarschijnlijker is, door Johan Guttenberg.....ongev. 1450.

De vloot van Holland en Zeeland veegt de zee schoon van de schepen der hanze.............................

Willem Beukelszoon van Biervliet. — Hij sterft.......... 1397.

Het eerste groote haringnet te Hoorn gebreid..........14!6.

De buizen.

De schilders Jan en Hubert van Eijck te Brugge. — Jan van Brugge volmaakt het schilderen met olieverw.

Philippe de Comines schrijft Mémoires.

Karei de stoute................... 1467—1477.

Hij vestigt den grooten raad te Mechelen............. 1474.

Hij verplaatst de rekenkamer van Brussel naar Mechelen.

Maria splitst de rekenkamer in drie en vestigt de eene te Rijssel, de

andere te Brussel, de derde te \'s Gravenhage.......... 1476.

Hij richt een staand leger van 800 speren of ruiters op.......1471.

Op de vergadering te Abbeville stemmen de staten er in toe.

De 800 speren groeien aan tot 2200 man, elke speer op acht man gerekend.

\\ erdrag van Karei met Arnoud van Egmond. — Arnoud verpandt

hem Gelderland voor 300,000 gl. en benoemt hem tot erfgenaam . . . 1471.

Karei koopt de aanspraak van Arnouds neef voor 80,000 gl...... 1473.

WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 27

-ocr page 442-

418

Jaren n. C

ïrederik III erkent hem als hertog..............1473

Zware last der excijnsen of accijnsen in Holland en Zeeland. — De morgeninlen. — De schildtalen. — De verponding. — De verponding wordt meer en meer een belasting op de bebouwde en de onbebouwde eigendommen...............sedert 1600

Bijeenkomst van Karei en Frederik III te Trier.........1473

Karei de stoute sneuvelt bij Nancy in een slag tegen Rene, hertog van

Lotharingen, .....................1477

Maria....................... 1477—1482

Lodewijk XI vermeestert Bourgondië, tast Artois en Picardië aan, zelfs

Franche-Comtë, bedreigt Vlaanderen.

Vergadering der staten te Gent.

Ilolland en Zeeland verkrijgen het groot-privilegie.

Gezantschap naar Lodewijk XI. — Belofte van Willem Hugonet en Guy of Guido de Brimeul, heer van Humbercourt. — Zij geven Atrecht aan Lodewijk over. — Zij worden gedood.

Adolf, een zoon van Arnoud, de dauphin Karei en Maximiliaan dingen naar Maria\'s hand. — Maximiliaan wordt haar echtgenoot.

Hij overwint Lodewijk XI bij Guinegate............1473

Vrede van Atrecht. — Auxerre, Bar en Macon komen weder aan Frankrijk 1482 Vrede van Senlis. — De koning van Frankrijk geeft Franche-Comte\' en

Artois, op eenige steden na, terug .............1493

Maria sterft. — Maximiliaan wordt voogd voor Philips II of den

schoone. — Margareta..................1482

§ 7. Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche huis.

De Vlamingen weigeren Maximiliaan zijn kinderen uit te leveren.

Zij erkennen hem als regent.................1485

Opstand van Gent en Brugge. — Gevangenschap van Maximiliaan te Brugge. — Zijn vader doet een leger aanrukken. — Innocentius VIII

dreigt met den ban. — Verdrag. — Philips van Kleef......1488

Frederik III ontslaat Maximiliaan van zijn eed.

Jan van Schaffelaar komt te Barneveld om..........1482

Jonker-Fransen-oorlog.

Frans van Brederode en Jan van Naaldwijk aanvoerders der Hoek-schen. — Frans nestelt zich te Sluis, verrast Rotterdam, maar verliest

een zeeslag bij Brouwershaven en komt kort daarna om......1490

Het ruiter- of maandgeld. — Het haardstee-, ook schoorsteengeld genoemd. — Opstand van de West-Friezen, de Kennemers en de Waterlanders, het kaas-

en broodvolk......................1491

Maximiliaan verlaagt de waarde van het geld een derde......1489

Albrecht, regeerend hertog van Sa ksen-M ei sze n, bedwingt het

kaas- en broodvolk...................1492

Maximiliaan stelt een admiraal aan \'t hoofd van het zeewezen .... 1487

Maximiliaan wordt keizer van Duitschland...........1493

Philips II of de schoone................ 1494—150C

Bij zijn inhuldiging te Geertruidenberg en te Reimerswaal weigert hij het groot-privilegie te erkennen.

Philips trouwt met Johanna................1496

Hij herstelt den groeten raad te Mechelen............1503

-ocr page 443-

419

Jaren n. C.

Hij richt den geheimen raad te Brussel op, die met de daar gevestigde

rekenkamer samensmelt.

Philips en Johanna gaan naar Spanje.............!501.

Dood van Isabella, koningin van Castilië, ..........1504.

Philips aanvaardt het bewind over dit rijk, maar sterft..............1506.

Maximiliaan wederom regent over de Nederlandsche staten. —

Margareta landvoogdes..................................1507.

Karei geboren te Gent......................................1500.

Kareis opvoeding toevertrouwd aan Adriaan Floriszoon, die als Adriaan

VI paus wordt.....................1521.

Karei V aanvaardt het bewind over de Nederlandsche staten.....1515.

Hij volgt Ferdinand II den katholieke in Arragon op.....1516.

Hij wordt keizer van Duitschland...............1519.

George van Saksen verkoopt hem zijn rechten op Friesland voor 350,000 gl. 1515.

De Friezen erkennen hem als heer............................1524.

Hendrik van Beieren staat hem de temporaliteit over Utrecht en

Overgsel af............................................1528.

Groningen erkent hem als heer des lands........................1536.

Karei van Gelder staat hem de heerschappij over Drente af..........1536.

Willem van Gulik en Kleef staat hem Gelderland af............1543.

§ 8. Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen.

Otto II, graaf van Gelder, verkrijgt het rijk van Nijmegen in pandschap 1248.

Bestanddeelen van Gelderland in dien tijd: Gelder, Zutfen, Montfort, Roermond, Venlo, Goch, Lochem, Zevenaar, deelen van den Tieler-en Bommelerwaard, de Betuwe en de Veluwe grootendeels.

De Veluwe heeft de graaf van Gelder in achterleen van den hertog van Brabant, die ze weer in leen heeft van den bisschop van Utrecht.

De bisschop van Utrecht beleent Relnald I onmiddellijk met die

landstreek ......................1311.

De hertog van Gelderland verwerft het land van Kuik met Grave . . . 1400.

Hij trekt Buren als alodium aan zich om het als leen weder te geven . . 1298.

Hij trekt Middagten als alodium aan zich om het als leen weder te

geven........................1315.

Hij trekt Kuilenburg als alodium aan zich om het als leen weder te geven . 1339.

Hij eigent zich eenige rechten der kroon toe......... 1200—1300.

Lodewijk van Beieren benoemt Relnald II of den zwarte tot hertog. 1339.

Opkomst der gemeenten ten tijde van Relnald I, met name van Arnhem, Wageningen, Harderwijk, Doesburg, Zutfen, Elburg, Zalt-bommel.

Samensmelting der steden en edelen tot ée\'n lichaam van landsstenden . . 1418.

De naam staten komt in Gelderland in zwang.......... 1477.

De hoofdsteden der vier kwartieren: Nijmegen, Roermond, Zutfen, Arnhem.

Leden van den landdag: de bannerheeren, de ridderschap, de steden. — Elk der leden heeft één stem. — Het getal der bannerheeren is, ten tijde van Karei V, vier: die van Bronkhorst, \'s Heerenberg, Baar en Wisch.

Stamhuizen, die over Gelderland het bewind hebben gevoerd: Gelder, Gulik en Egmond.

Graven uit het huis Gelder: Otto II met den paardenvoet. —

27*

-ocr page 444-

420

Jaren n. C.

Hij wijst de keizerskroon, hem aangeboden door Innocentius IV, van de hand.

Reinald of Reinoud I zijn opvolger............sedert 1271.

Zijn schoonvader Walram III sterft. — Hij maakt aanspraak op Limburg. —

Adolf van Berg staat zijn rechten op Limburg aan Jan I, hertog van Brabant, af. — Jan I wint den slag bij Weeringen...... 1288.

Reinald I wordt krankzinnig. — Reinald II de zwarte voert het bewind onder den naam „zoon des graven van Gelderquot;

Reinald I sterft...................... 1326.

Reinald II graaf...................tot 1339.

Hertog Reinald II sterft.................. 1343.

Reinald III volgt hem op, eerst onder regentschap van El eon o ra.

Geschillen tusschen hem en Eduard. — De partijschappen der Hekerens en Bronkhorsten.

Eduard wint den slag bij Tiel................1361.

Reinald staat hem den titel en de rechten van hertog af.......1361.

Eduard sterft. — Reinald III wordt weder hertog en sterft......1371.

Twee dochters van Reinald II: Mechteld, getrouwd met Jan van Chatillon, graaf vim Blois en heer van Gouda en Schoonhoven; Maria, getrouwd met Willem II, hertog van Gulik.

De Bronkhorsten zijn voor den zoon van Willem II van Gulik, de Hekerens voor de tegenpartij.

Het huis Gulik. —- Karei IV erkent Willem als hertog....... 1372.

Willem I aanvaardt het bewind................ 1377.

Hij huwt Katharina. — Hij verkrijgt Kuik...........1400.

Hij wordt hertog van Gulik.................i393.

Zijn tochten. — Hij sterft. — Reinald IV............ 1402.

Hij strijdt voor Arkel tegen Willem VI. — Hij sterft........ 1423.

Het huis Ecjmond. — De landsstenden erkennen Arnold als hertog . . . 1423.

Sigismund wijst het hertogdom tevergeefs aan Adolf van Berg toe.

Oorlogen tegeu Adolf van Berg, ook hertog van Gulik, eu tegen Rudolf van Diepholt.

Oneenigheid tusschen Arnold en de landsstenden......... 1436.

Adolf, gesteund door Katharina van Kleef en door Philips den

goede, stelt zich aan \'t hoofd der misnoegden.......... 1459.

Adolf laat Arnold van het slot te Grave naar Buren vceren . . 9 Jan. 1465.

Karei de stoute middelaar tusschen vader en zoon. — Hij laat Adolf te

Rijssel, later te Kortrijk gevangen zetten............1471.

Arnold verpandt Gelderland voor 300,000 gl. aan Karei den stoute . . . 1471.

Hij sterft........................ 1473.

Karei de stoute onderwerpt Gelderland............. 1473.

Hij richt in Gelderland een raad van justitie op.

Karei de stoute sneuvelt. —- De Vlamingen ontslaan Adolf van Gelder uit

den kerker. — Hij sneuvelt tegen de Fransehen......... 1477.

Karei van Egmond bij Bethunc gevangen genomen door de Fransehen. . 1487.

De Gelderschen koopen hem los en stellen hem aan hun hoofd .... 1492.

Vuorloopig einde van den strijd tusschen de Geldersehen en de Bourgondiërs. — Karei van Egmond belooft Philips den schoone te zullen volgen........................ 1505.

Philips gaat naar Spanje. — Karei ontvlucht te Brussel.

Karei van Egmond bijna meester van geheel Gelderland.......1513.

-ocr page 445-

421

Jaran n. C.

Maarten van Rossem verrast den Haag......................1528.

Karei van Egmond staat zijn landen aan Frans 1 af en ont \'angt ze van

dezen koning in leen terug................................1534.

De staten weigeren Frans, na zijn docd, als landsheer aan te nemen.

Zij huldigen Willem, een zoon van den nertog van Kleef, Gulik en Berg 1538.

Karsl van Egmond sterft....................................1538.

Willem wordt hertog van Kleef, Gulik en Berg ..................1539.

Hij staat Gelderland aan Karei V af............................1545.

Maarten van Rossem treedt in \'s keizers dienst. — R én e\'van Ch alons,

prins van Oranje, wordt stadhouder van Gelderland............1545.

De naam Gelderland komt in gebruik..........................1545.

Hendrik van Nassau, baron van Breda en heer van Diest, stadhouder van Holland en Zeeland.

§ n. Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland en Groningen gedurende de Middeleeuwen.

Balderik bisschop van Utrecht................917.

Hij verwerft van Otto I al het land tusschen de Lek en de Zuiderzee.

De vijf kapittels. — De deken. — De proost.

Arnold van Hoorne staat zekere rechten aan de edelen en de steden af. 1375.

De staten van Utrecht beschreven..........sinds 1400—1500.

Drie leden dezer staten; de geëligeerden, de edelen, de stad Utrecht en wellicht Amersfoort, Rhenen, Wijk bij Duurstede en Montfoort. — De secretaris.

De naam Overijsel opgekomen.............. 1400—1500.

De drie kwartieren van dit gewest: Twente, Sallant, Vollenhoven.

Leden der staten: de ridders en de steden Deventer, Kampen, Zwol. — De klaring. — De drost van Sallant.

De kastelein of burggraaf van Koer or den. — De landdag van Drente. — De achttien ridders hebben op den landdag ée\'n stem, de eigenerfden twee.

De graaf van Holland en die van Gelderland krijgen veel invloed op de

verkiezing van den bisschop................1122.

De Lichtenbergers en de Lokhorsten ........sedert ongeveer 1500.

Adelbold sterft............................................1027.

Bernulf sterft......................1054.

Willem sterft............................................1076.

Herbert sterft......................1150.

Jan van Arkel. — Hij wordt bisschop van Luik..................1304.

David van Bourgondië. — Maximiliaan doet zich erkennen als loereld-

lijk hoofd der stad Utrecht..................................1483.

Philips van Bourgondië wordt bisschop van Utrecht........1517.

Karei, hertog van Gelderland, bezet de stad Utrecht met troepen. 1511.

Philips van Bourgondië sterft. — Hendrik van Beieren..............1524.

Hij staat de wereldlijke macht over Utrecht aan Karei V af..........1528.

Hendrik doet afstand van de geestelijke macht....................1529.

Drente neemt Karei van Egmond als landsheer aan..................1522.

Overijsel erkent Karei V, in plaats van Karei van Egmond, als heer . . 1528.

Schenck van Tautenburg wordt stadhouder van Overijsel .... 1528. Karei van Egmond ziet ten behoeve van Karei V van Drente af. —

Schenck wordt er stadhouder ..............................1536-

De potestaten. — Onzekerheid van dien titel.

De geschillen der Schieritigers en Vetkoojjers.....sedert omtrent 1300.

-ocr page 446-

422

Jaren n. C.

Meer dan twintig zware watervloeden in Friesland...... 800—1500.

De allerheiligenvloed. — Over de 100,000 menschen komen om . 1 Nov. 1570.

Maximiliaan verpandt Friesland aan Albrecht van Saksen-Meiszen

voor 300,000 gl. en bevestigt hem in hel er/potestaatschap..... 1498.

Albrecht sterft. — Hendrik en George........... 1500.

De Friezen roepen Karei, hertog van Gelderland, in..... 1509.

George staat Friesland voor 350,000 gl. aan Karei V af.......1515.

De zwarte hoop. — Groote Pier.

Karei V heer van Friesland. — Sehenek van Tautenburg zijn

stadhouder...................... 1524.

Albrecht van Saksen-Meiszen door Maximiliaan tot heer van

Groningen benoemd................... 1499.

Hij noodigt Edzard I, graaf van Oost-Friesland, uit om hem bij te staan ter vermeestering van Groningen.

Verdrag van onderwerping tusschen Groningen en Edzard...... 1506.

Edzard zoekt hulp bij Karei, hertog van Gelderland,.....1513.

De stad Groningen laat zich door Edzard van haar eed ontslaan en belooft

trouw aan Karei van Egmond...............1514.

De Ommelanden doen hetzelfde ...............1521.

Groningen erkent Karei V als heer. — Schenck van Tautenburg

stadhouder...................... 1536.

De landsvergadering van Friesland. — De afgevaardigden van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. — Verdere leden.

De graven. —- De grietmannen.............sedert 1290.

Drie kwartieren der Ommelanden: Hunsingo, Fivelingo, Westerkwartier.

Westerwolde, een tijdlang in \'t bezit van Schenck, een heerlijkheid tot 1795.

De Staten-Generaal leenheeren van Westerwolde......sedert 1594.

De stad Groningen koopt die heerlijkheid voor ruim 140,000 gl.....1619.

De staten bestaan uit de eigenerfden en uit volmachten uit de drie kwartieren. — Later komt de stad er bij. — Elk kwartier heeft één stem. — De syndici.

§ io. De Nederlanden onder het bewind van Karei V.

Karei V heer van de zeventien Nederlandsche gewesten..... 1543—1555.

De kleine visscherij. — De groote visscherij verschaft aan meer dan 20,000 huisgezinnen het onderhoud. — De haring jaarlijks op de kusten van Engeland en Schotland gevangen.......24 Juni— 25 November.

De buizen bevatten 25 a 30 last. — Een last kost ongeveer 120 gl.

1500 haringbuizen, alleen uit Enkhuizen 140, loopen in zee . , . . . 1601.

Dit getal daalt tot 200 tegen het einde der 18de eeuw.

De pekelharing. — De bokking.

De Noordsche compagnie................sinds 1614.

250 schepen uitgerust voor de walvischvangst......... 1600—1700.

Dit getal vermindert tot 150 tegen het einde der 18de eeuw.

Antwerpen. — Tweemaal quot;s jaars mis van 20 dagen. — Meer dan 1000 vreemde handelshuizen. — De beurs telt meer dan 5000 bezoekers. — Dikwijls 250 schepen in lading en 2500 op de Schelde. — 2000 vrachtwagens rijden dagelijks de poorten binnen. — Vele compagniën en factorijen.

Amsterdam. — Vaak loopen er 2 b, 300 schepen tegelijk binnen. — Fabrieken.

-ocr page 447-

423

Jaren n. C.

Jakob van Maerlandt. — De naturen Bloeme. — De Rijmbijbel. — De Spiegel historiael.

Melis Stoke schrijft een Hollandsche rijmkroniek......ongev. 1280.

De school van de broeders des gemeenen levens te Deventer gesticht door

Gerard Groote.................. 1300—1400.

De kamers der Rederij kers.

Begin der Nederlandsche letterkunde..........ongev, 1200.

Het Midden-Nederlandsch of Vlaamsch. — De reis van den heiligen Brandaen en het Nibelungen- of Nevelingenlied. —- Karei en Elegast. — Waleivein. — lieinaert de Vos. — Boerden en sproken. — Abele spelen. — Sotternieën. —

Meer dan 200 steden, 150 vlekken en 6000 dorpen liggen op den bodem van Nederland verspreid. — Karei V trekt in 9 jaren meer dan 40,000,000 gl. aan belasting uit deze landen.

Verdrag van Augsburg. — Alle Nederlandsche gewesten, van nu af den lOden of Bourgondische kreits uitmakende, zullen geheel onafhankelijk van Duitschland zijn, maar onder de hoede van dit rijk staan, mits zooveel als twee keurvorsten in de rijkslasten dragende,...... 1548.

Kroon Vlaanderen en Artois hierdoor aan Frankrijk ontrukt.

Pragmatieke sanctie.................... 1549.

Margareta sterft. — Maria gouvernante............. 1530.

De raad van state, de geheime raad en de raad van financiën . . sedert 1531.

Oproer te Gent. — Karei vordert een bede van 400,000 gl. van Vlaanderen, welke Gent weigert mede te betalen.......... 1539.

Vonnis, door Karei over de stad geveld,............ 1540.

Wessel Gansfort, het licht der wereld, gestorven....... 1489.

Rudolf Agricöla, geboren te Baflo. — Gerrit Gervitsz. of

Desiderius Erasmus sterft............... 1536.

Meer dan Luthers of Zwingli\'s stelsel verbreidt zich dat van Calvijn in Nederland.

De Wederdoopers. — De doopsgezinden of Mennonieten. — Zij stammen grootendeels van de \'Waldenzen af. — Zij stemmen met hen overeen. —

Menno Simons Roomsch priester te Witmaarsum tot....... 1536.

Hij is een tijdlang een leerling van Ubbe Philips.

Karei V vaardigt elf plakkaten tegen de hervorming uit, het eerste Maart 1521.

Inquisiteurs ingesteld................... 1522.

50,000 menschen om des geloofs wille, naar men wil, onder Kareis regeering ter dood gebracht.

Karei eischt van Holland 100,000 gl. en krijgt 80,000 ....... 1525.

Zeeland moet zes jaren lang telkens 30,000 gl. opbrengen.

Buitengewone bede van 120,000 gl. voor Holland......... 1536.

Maria vordert van de Algemeene Staten den honderdsten penning, als recht

van uitvoer, en twee tienden der inkomsten.......... 1542.

Afstand en overdracht der Nederlanden aan Philips II te Brussel 25 Oct. 1555.

Karei overlijdt in het klooster Yuste.............. 1558.

Karei getrouwd met Isabella. — Drie wettige kinderen. — Twee natuurlijke kinderen; Margareta en Don Jan van Oostenrijk.

Willem van Oranje.

-ocr page 448-

424

Jaren n. C.

§11. De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva.

Philips II......

Hij bezweert de privilegiën

De oorlog met Hendrik II hervat. — Lamoraal, graaf van Egmond. — De vrede van Cateau-Cambresis. — Emanuel Philibert houdt op landvoogd over de Nederlanden te zijn en keert naar Savoye terug...................... 1559.

Willem van Oranje vertrekt als gijzelaar en borg naar Frankrijk.

Margaret a van Parma, getrouwd met Octavius Farnese, hertog van Parma, landvoogdes der Nederlanden. — Karei, baron van Barlaimont, president van den raad van financiën, Viglius of Wigele van Aytta van Zuichem van den geheimen raad. —

Leden van den raad van state; Antonius Perenot, de prins van Oranje, de graaf van Egmond, vorst van Grave, Jan van Glimes, markies van Bergen, later de Montmorency, graaf van Hoorne. — De consulta.

Willem van Oranje stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht; Egmond van Vlaanderen en Artois; Karei van Brimen, graaf van Megen, van Gelderland; Johan van Ligne, graaf van Aremberg, van Friesland Groningen, Drente en Overijsel; de markgraaf van Bergen van Henegouwen en Valenciennes; Floris van Montmorency, baron vanMontigny, van Doornik; de baron van Barlaimont van Namen; Pieter Ernst, graaf van Mansfeld, van Luxemburg.

Twee liniën in het huis van Nassau...........sedert 1250.

De jongste, die van Nassau-Dillenburg, heeft Otto tot stamvader.

Hendrik van Nassau en Willem de rijke. — Hendrik erft van zijn vader de bezittingen, op Nederlands bodem gelegen; Willem de rijke volgt in die van Duitschland op.

Hendrik trouwt met Claudiavan Chalons, een zuster van Philibert,

prins van Oranje. — Philibert laat zijn prinsdom na aan Re\'né.

Kéné sneuvelt tegen de Franschen en maakt zijn neef Willem tot erfgenaam 1544.

Deze Willem, een zoon van Willem den rijke van Nassau-Dillenburg en

van Juliana van Stolberg, geboren.............. 1533.

Willem de rijke heeft vijf zonen: Willem, Jan den oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik.

Willem viermalen gehuwd: met Anna van Buren, met Anna van Saksen , met Charlotte van Bourbon, met Louise de Coligny. — De eerste en de derde deze gemalinnen sterven vóór hem. — Van de tweede scheidt hij.

Engelbert, getrouwd met Johanna van Polanen, overleden . . . 1443.

Door dit huwelijk komen de heerlijkheid Polanen, de baronie van Breda,

alsmede de heerlijkheden Geertrnidenberg en Zevenbergen in het huis Nassau. — Engelberts nakomelingen verkrijgen er o. a. bij Steenbergen, de plekken gronds, waarop later Willemstad en Klundert verrijzen,

Diest, Sichem, enz.

Willem vermeerdert die goederen met Grave en het land van Knik, met Buren, Leerdam en IJselstein. — De heerlijkheid Knik verwerft hij van Philips II, die ze hem voor 60,000 gl. verpandt......... 1559.

Zij blijft aan het huis van Oranje-Nassau als eigendom .... sedert 1611.

Kuiks inkomsten beloopen jaarlijks omtrent 60-000 gl.

Antonius Perenot, geboren in Franche-Comte.

1555—1581. . . 1549.

-ocr page 449-

425

Jaren n. C.

Philips II zendt Frans van der Velde ofFranciscus Sonnius,

domheer te Utrecht, naar paus Panlus IV...........1551.

De bul over de bisdommen nitgevaardigd...................1559.

De zaak zelve begint werkelijkheid te worden . .........1561.

Sommige zetels eerst bezet..................................1570.

18 bisschopszetels opgericht, 3 aartsbisdommen en 15 bisdommen; het aartsbisdom Kamerijk met Atrecht, Doornik, St. Omer en Namen; het aartsbisdom Mechelen met Antwerpen, Gent, Brugge, Yperen, \'s Hertogenbosch en Roermond; het aartsbisdom Utrecht met Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen en Middelburg. — Luik, Luxemburg en \'t grootste gedeelte van Limburg van de nieuwe verdeeling uitgesloten.

Sonnius wordt bisschop van \'s Hertogenbosch, Perenot of Granvelle, tevens tot kardinaal benoemd, aartsbisschop van Mechelen. — Te Groningen , Leeuwarden, Deventer en elders wordt lang weerstand geboden.

Voordat de eeuw ten einde is zijn al de bisschoppen in Noord-Nederland verdwenen.

Jan Arends, afkomstig uit Alkmaar, voorheen mandemaker, predikt

het Evangelie..................... 1566.

De Roomsch katholieke kerk in Nederland wordt een missie. — Bisschoppen in partibus injidelium behartigen als apostolische vicarissen de kerkelijke belangen.

De vreemde troepen worden verwijderd............. 1560.

Viglius laat zich geheel door Granvelle leiden.

Willem, Egmond en Hoorne weigeren in den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er komt.

Philips beveelt Granvelle het land te verlaten.......... 1564.

Willem, Egmond en Hoorne nemen weder zitting in den raad van state. Voorstellen van Willem.

De inquisiteur Titelman.

De besluiten van het concilie van Trente hier te lande afgekondigd.

Egmond naar Spanje gezonden................ 1565.

Het compromisswn met Lode wij k van Nassau enHendrikvanBrede-

rode als hoofden.................... 1565.

Drie of vier honderd edelen, leden van dit verbond, bieden de landvoogdes een verzoekschrift aan. — De naam /jeuzen......5 April 1566.

De moderatie wordt moorderatie genoemd.

Montigny en Bergen vertrekken als gezanten naar Spanje...... 1566.

De hayeprelcen komen in zwang.

Het verbond der consistorien te Antwerpen........... 1566.

De beeldenstorm...................... 1566.

De landvoogdes schorst de inquisitie en schenkt aan de sekte eenige verademing. — Oranje, Egmond en Hoorne staan de landvoogdes in de vervolging der beeldstormers getrouw ter zijde.

Margareta bewerkt de ontbinding van het compromissum, vordert van de aanzienlijkste heeren den eed „den kuning onvoorwaardelijk te dienenquot; en doet het prediken der hervormden staken.

Egmond legt den eed af. — Hoorne onttrekt zich tegelijk aan \'s konings dienst en aan de bevordering van Oranje\'s plannen.

Jan van Marnix, heer van Toulouse, komt bij Austruweel om . 1567.

Willem neemt zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en gaat naar Duitschland. — Meer dan honderd duizend lieden volgen

-ocr page 450-

426

Jaren n. C.

hem. — Onder hen zijn Hendrik van Brederode, die kort daarna sterft, en Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde.

Maximiliaan Hennin, graaf van Boussn, bij voorraad stadhouder van Holland.

Alvarez de Toledo, hertog van Alva, komt als kapitein-generaal

aan quot;t hoofd van een leger van ongeveer 17,000 man in de Nederlanden. 1567. Aremherg en Megen wederom trouwe dienaren der dwingelandij.

§12. De Nederlanden onder \'t bestuur van Philips\' landvoogd Alva.

Alva heeft buitengewone volmacht.

Margareta verwerft haar ontslag en vertrekt naar Italië. — Alva algemeene

landvoogd ......................

De raad van beroerte of hlocdrnjul ongerichl. —Hij bestaat uit twaalf leden.—

Alva president. — Twee leden. Vargas en del Rio, mogen stemmen. — Hessels. — Vargas plaatsbekleedend pesident.

Alva beroemt zich in drie maanden 1800 menschen te hebben laten ter dood brengen.

Egmond en Hoorne te Brussel ter dood gebracht......5 Juni

Standbeelden te hunner eer in die stad opgericht.........

Jan van Casembroot, heer van Bakkerzeel, en Antonius van Stralen ondergaan hetzelfde lot als Egmond en Hoorne.

Montigny, op een vonnis van den bloedraad, in\'t geheim in Spanje geworgd

Bergen bezwijkt...................

De raad van beroerte laat Philips Willem, graaf van Buren, van

Leuven oplichten..................

De wilde of boschgeuzen.

quot;Willem grijpt naar de wapens. — Lode wijk van Nassau zegeviert bi

Heiligerlee. — Aremberg sneuvelt, maar ook Adolf ....

Megen bij voorraad stadhouder van Arembergs gewesten, doch weldra ver vangen door Kaspar Robles, heer van Billy.

Alva verslaat Lodewijk bij Jemmingen...........

Willem tracht tevergeefs Alva bij Maastricht uit zijn verschansingen te

lokken. — Hij dankt zijn troepen af en keert naar Duitschland terug Het valt Nederland moeielijk een som van 36,000 gl. bijeen te brengen De licerti- of veria/gelden. — De convooi- of gelei-gelden.

De licenten bedragen 850,000 voor Holland en Zeeland......

De licenten nemen het karakter van uitgaande en inkomende rechten aan

Zij blijven met de konvooien bestaan...........tot na

Alva roept de Algemeene Staten te Brussel bijeen........

Ontwerp van Alva omtrent de belastingen: een heffing voor eens van 1 p.c.

de tiende penning; de twintigste penning.

De staten stemmen in den honderdsten penning toe, doch weigeren den twintigsten en den tienden. — Alva dreigt. — Alleen die van Utrecht houden vol. — Alva geeft uitstel voor twee jaren tegen een nieuwen honderdsten penning en een som van 2,000,000 gl. jaarlijks. — Dit gaat

door ........................

Algemeene vergiifenis. — Pardona of Pandora..........

De crimineele ordonnantiën..................

De raad van state verwerpt het ontwerp der belastingen.......

In weerwil van eenige verzachting doen de staten dit ook. — Alva houdt vol en begint met Brussel............. . . . .

1567.

1568. 1864.

1570.

1567.

1568. 1568.

1568.

1568.

1572.

1800.

1569.

1569.

1569.

1570.

1571.

1572.

-ocr page 451-

427

Jaren n. C.

Herman de Ruyter te Loevestein...........Dec. 1570.

De Watergeuzen..................sedert 1568.

De driekleurige vlag de nationale vlag der Nederlanden .... sedert 1572.

Elizabeth verbiedt hare onderdanen den Watergeuzen te verstrekken wat zij behoeven. — Onder bevel van Lumey, graaf van der Marek, Willem van Blois van Treslong, Jakob Simonsz. de Rijk,

Adam van Haren en anderen eischen zij den Briel op . . 1 April 1572.

Boussu beproeft vruchteloos de stad te hernemen.

Vlissingen staat op. — Veere voor de vrijheid gewonnen. — Enkhuizen, Dordrecht, Leiden, Gouda, Hoorne, Alkmaar, enz. volgen. — Vele steden van Gelderland, Utrecht, Overijsel, Friesland nemen bezettingen van den prins in.

Noord-Holland bekomt, als voorloopig hoofd, Diederik Sonoy, door den prins tot stedehouder benoemd.

Lodewijk verrast Bergen.................. 1572.

Don Fadrique verslaat de hulpbenden van Karei IX. — Men verwacht Coligny. — De Barthnlomeusnacht........... Aug. 1572.

Bergen gaat bij verdrag aan. Alva over.

Alva ziet voor goed van den tienden penning af, onder voorwaarde dat de Algemeene Staten hem jaarlijks ten minste 2,000,000 gl. opbrengen.

Hij beschrijft de staten van Holland ter dagvaart te \'s Hage . .15 Juli 1572.

Amsterdam en andere steden verschijnen.

Op voorstel van den prins de vergadering te Dordrecht van eenige edelen en van Dordrecht, Haarlem, Leiden, Gouda, Gorkum, Alkmaar, Oudewater, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam en Monnikendam, 19 Juli 1572.

Willem hier erkend als gouverneur-generaal en als stadhouder van Holland,

Zeeland en Utrecht. — Marnix van St. Aldegonde.

Zutfen en Naarden openen de poorten voor Fadrique........ 1572.

Haarlem insgelijks. — Wij bout Ripperda. — Kenau Hasselaar. —

JanHaring..................... 1573.

Jakob Kabeljauw behoudt Alkmaar ..........Oct. 1573.

Kornelis Dirksz. verslaat Boussu op de Zuiderzee en neemt hem gevangen. — Jan Haring sneuvelt............... 1573.

Boussu later uitgewisseld tegen Marnix.

Medina-Celi komt in de Nederlanden............ 1572.

Alva vertrekt. — Hij heeft 18,600 menschen door de handen des scherprechters laten ombrengen................. 1573.

§ 13. De Nederlanden gedurende het bewind van Requesens en van Don Jan van Oostenrijk. — De unie van Utrecht.

Don Louis de Requesens y (^uniga, groot-ko mman deur van

Castilië. — Middelburg geeft zich aan den prins over....... 1574.

d\'Avila wint den slag bij Mook. — Lodewijk en Hendrik van

Nassau komen om................... 1574.

Het beleg van Leiden hervat. — Valdes of Baldez. — Jan van der

Does of Janus Douza. — Pieter Adriaansz. van de Werff . 1574. De dijken van Maas en Usel doorgestoken en de sluizen van Rotterdam

en Schiedam opengezet...............Aug. 1574.

De dag van \'t ontzet................. Oct. 1574.

Boisot vaart Leiden binnen. — De stad verwerft een hoogeschool.

-ocr page 452-

428

Jaren n. C.

Rcqnesens laat een algcmeene amnestie afkondigen.

De vrede van Breda loopt op niets uit. — Maxiroiliaan middelaar . . . 1575.

1576.

1575.

1576.

Reqnêsens sterft................

De staten van Holland dragen Willem de hooge overheid op De prins wordt met dezelfde macht in Zeeland bekleed . .

Vereeniging tusschen de staten dier beide gewesten .... 1575 en 1576.

De staten der beide gewesten bieden de souvereiniteit aan Engeland aan.

De raad van state aanvaardt het bewind na den dood van Reqnêsens. —

De raad van beroerten houdt op te bestaan.......... 1576.

Mondragon neemt Zierikzee bij verdrag in. — Opstand der Spaansehe troepen op Schouwen .................. 1576.

De S/iaansche furie. — Op Willems voorstel komen afgevaardigden uit het meerendeel der Zuidelijke gewesten te Gent bijeen. — Pacificatie of bevrediging van Gent.................8 Nov. 1576.

Dit verdrag onderteekend van wege den prins van Oranje, Holland, Zeeland en Zalt-Bommel ter eener zijde, door Brabant, Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Namen, Utrecht, Mechelen, enz. —Friesland, Groningen en Drente nemen de pacificatie aan. — In plaats van de Robles komt George van Lalaing later graaf van Rennenberg.

Don Jan van Oostenrijk. — De unie van Brussel.....Jan. 1577.

De voornaamste ingezetenen van alle gewesten, uitgezonderd Luxemburg,

nemen ze aan, Holland en Zeeland evenwel onder zekere beperkende bepalingen.

Eeuwig edict, niet onderteekend door Willem, Holland en Zeeland. Febr. 1577.

De verrassing van Namen. — De aanslag op Antwerpen mislukt . . . 1577.

Utrecht sluit zich bij Willem aan. — Willem wordt ruwaard van Brabant.

Philips van Croy, hertog van Aerschot, en andere edelen roepen Matthias in het land. — Matthias door de Algemeene Staten tot landvoogd benoemd onder beperkende voorwaarden........ 1578.

Willem zijn luitenant-generaal. — Matthias \'s prinsen griffier.

Tweede of nadere unie van Brussel.............Dec. 1577.

De Algemeene Staten erkennen Don Jan niet langer als landvoogd.

Willem van Oranje opgebracht in den Roomsch-katholicken godsdienst.

Hij gaat tot den hervormden godsdienst, naar de begrippen van Calvijn,

over......................... 1573.

Alexander Farnese, hertog van Parma, komt in de Nederlanden . 1578.

Hij en don Jan winnen den slag bij Gembloux op de troepen der Algemeene Staten..................... 1578.

Johan Kasimir. — Frans, hertog van Alen(;on of van An jou,

beschermheer der Nederlandsche vrijheid.......... 1578.

De godsdienstvrede van Willem lijdt schipbreuk.

Onverdraagzaamheid van Dathenus en van Hembyse te Gent.

De malcontenten. — Henegouwen, Artois, Douai, enz. verlaten de

pacificatie.................... Jan. 1579.

Verdraa van Atrecht.

Don Jan sterft....................Oct. 1578.

Kasimir en Anjou verlaten het land.............. 1578.

Utrecht treedt tot den prins toe............... 1577.

Amsterdam en Overijsel voor quot;s prinsen zaak gewonnen....... 1578.

Jan door de staten van Gelderland tot stadhouder benoemd..... 1578.

De unie van Utrecht..............22 en 23 Jan. 1579.

-ocr page 453-

429

Jaren n. C.

Zij wordt getcekend door Jan, Holland, Zeeland (met uitzondering van

Middelburg), Utreüht, de Ommelanden en een deel van Gelderland 23 Jan. 1579.

Willem teekent...................Mei 1579.

De overige deelen van Gelderland treden toe....... 1579 en 1580.

Drente voegt zich bij de unie.............April 1580.

Overijsel komt bij de unie ...............- . 1531.

Friesland sluit zich bij gedeelten aan............ 1579—159S.

Maurits brengt de stad Groningen bij de unie.......... 1594.

Antwerpen, Gent, Brugge voegen zich er bij.

§ 14. Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van deZeven Vereenigde Nederlanden.

De graaf van Rennenberg teekent de unie onder zekere voorwaarden. — Hij valt van haar af en brengt de stad Groningen, Drente en een deel van Overijsel onder Spaansche heerschappij terug. — Jan van den Kornput behoudt Steenwijk ............... 1580.

Rennenberg sterft. — Frans Verdügo............1581.

Jan van Nassau keert naar zijn staten in Duitschland terug.

Ban van Philips over Willem opgemaakt............ 1580.

Dit stuk afgekondigd in de Nederlanden........Augustus 1580.

De apologie.

Afzwering van Philips II in den Haag door de Algemeene Staten, d. i.

door de staten vau Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Friesland, Utrecht, Overijsel en Mechelen .......26 Juli 1581.

Holland draagt Willem de hooge overheid op. — De overige van de zuo even genoemde gewesten bekleeden Frans van Anjou met het oppergezag......................1581.

Matthias verlaat het land ................. 1582.

Anjou komt in de Nederlanden ............Febr. 1582.

Zijn macht aan banden gelegd. — Zijn titel is hertog van Gelderland en Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz.

Philips belooft d\'Anastro 80,000 dukaten en het kruis van de ridderorde van St. Jago de Compostella. — Venero.

Jan Jauregui wondt den prins te Antwerpen......Maart 1582.

Charlotte van Bourbon sterft.

Anjou\'s troepen bemachtigen Duinkerken, Aalst, Dendermonde, enz. Jan. 1583.

De aanslag op Nieuwpoort en Brugge mislukt.

De Frarsche furie te Antwerpen.

Anjou sterft........................ 1584.

Balthazar Gerard of Francois Guyon.

Hij, de zesde, die Willem van Oranje naar het leven staat, doodt den

prins te Delft..................10 Juli 1584.

Krachtens een vonnis van leden van den hoogen raad en uit het hof van Holland, alsmede van schepenen van Delft wordt hij ter dood gebracht.

Parma verovert Maastricht................. 1579.

Hij verovert Vlaanderen.

Hij neemt Mechelen, Brussel en de meeste steden van Brabant .... 1585.

Marnix van St. Aldegonde verdedigt Antwerpen veertien maanden lang. — Gianibelli. — De Fortuin en de Hoop. — Jakob Jakobsz.

Antwerpen geeft zich bij verdrag aan Parma over.....17 Aug. 1585.

De scheiding van \'t Zuiden en \'t Noorden voltooid.

-ocr page 454-

428

Jaren n. C.

Reqnêsens laat een algemeene amnestie afkondigen.

De vrede van Breda loopt op niets uit. — Maxiroiliaan middelaar . . . 1575.

Reqnêsens sterft..................... 1576.

De staten van Holland dragen Willem de hooge overheid op..... 1575.

De prins -nordt met dezelfde macht in Zeeland bekleed....... 1576.

Vereeniging tusschen de staten dier beide gewesten .... 1575 en 1576.

De staten der beide gewesten bieden de sonvereiniteit aan Engeland aan.

De raad van state aanvaardt het bewind na den dood van Requêsens. —

De raad van beroerten houdt op te bestaan.......... 1576.

Mondragon neemt Zierikzee bij verdrag in. — Opstand der Spaansehe troepen op Schouwen .................. 1576.

De Spaansehe furie. — Op Willems voorstel komen afgevaardigden uit het meereüdeel der Zuidelijke gewesten te Gent bijeen. — Pacificatie of bevrediging van Gent.................8 Nov. 1576.

Dit verdrag onderteekend van wege den prins van Oranje, Holland, Zeeland en Zalt-Bommel ter eener zijde, door Brabant, Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Namen, Utrecht, Mechelen, enz. —Friesland, Groningen en Drente nemen de pacificatie aan. — In plaats van de Rabies komt George van Lalaing later graaf van Rennenberg.

Don Jan van Oostenrijk. — De unie van Brussel.....Jan. 1577.

De voornaamste ingezetenen van alle gewesten, uitgezonderd Luxemburg,

nemen ze aan, Holland en Zeeland evenwel onder zekere beperkende bepalingen.

Eeuwig edict, niet onderteekend door Willem, Holland en Zeeland. Febr. 1577.

De verrassing van Namen. ■— De aanslag op Antwerpen mislukt . . . 1577.

Utrecht sluit zich bij Willem aan. — Willem wordt ruwaard van Brabant.

Philips van Croy, hertog van Aerschot, en andere edelen roepen Matthias in het land. — Matthias door de Algemeene Staten tot landvoogd benoemd onder beperkende voorwaarden........ 1578.

Willem zijn luitenant-generaal. — Matthias prinsen grifier.

Tweede of nadere unie van Brussel.............Dec. 1577.

De Algemeene Staten erkennen Don Jan niet langer als landvoogd.

Willem van Oranje opgebracht in den Roomsch-katholieken godsdienst.

Hij gaat tot den hervormden godsdienst, naar de begrippen van Calvijn,

over......................... 1573.

Alexander Farnese, hertog van Parma, komt in de Nederlanden . 1578.

Hij en don Jan winnen den slag bij Gembloux op de troepen der Algemeene Staten.....,............... 1578.

Johan Kasimir. — Frans, hertog van Alenlt;;on of van Anjou,

beschermheer der Nederlandsche vrijheid.......... 1578.

De godsdienstvrede van Willem lijdt schipbreuk.

Onveidraagzaamheid van Dathenus en van Hembyse te Gent.

De malcontenten. — Henegouwen, Artois, Douai, enz. verlaten de

pacificatie.....................Jan. 1579.

Verdraa van Atrecht.

Don Jan sterft....................Oct. 1578.

Kasimir en Anjou verlaten het land.............. 1578.

Utrecht treedt tot den prins toe............... 1577.

Amsterdam en Overijsel voor quot;s prinsen zaak gewonnen....... 1578.

Jan door de staten van Gelderland tot stadhouder benoemd..... 1578.

De unie van Utrecht..............22 en 23 Jan. 1579.

-ocr page 455-

429

Jaren n. C.

Zij wordt geteekend door Jan, Holland, Zeeland (met uitzondering van

Middelburg), Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland 23 Jan. 1579.

Willem teekent...................Mei 1^79.

De overige deelen van Gelderland treden toe....... 1579 en 1580.

Drente voegt zich bij de unie.............April 1580.

Overijsel komt bij de unie ...............- . 1591.

Friesland sluit zich bij gedeelten aan............ 1579—1598.

Maurits brengt de stad Groningen bij de unie..........159-i.

Antwerpen, Gent, Brugge voegen zich er bij.

§ 14. Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de Zeven Vereenigde Nederlanden.

De graaf van Rennenberg teekent de uuie onder zekere voorwaarden. —

Hij valt van haar af en brengt de stad Groningen, Drente en een deel van Overijsel onder Spaansche heerschappij terug. — Jan van den Kornput behoudt Steenwijk ............... 1580.

Rennenberg sterft. — F ran s Verd figo............1581.

Jan van Nassau keert naar zijn staten in Duitschland terug.

Ban van Philips over Willem opgemaakt............ 1580.

Dit stuk afgekondigd in de Nederlanden........Augustus 1580.

De apologie.

Afzwering van Philips II in den Haag door de Algemeene Staten, d. i.

door de staten vau Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Friesland, Utrecht, Overijsel en Mechelen .......26 Juli 1581.

Holland draagt Willem de hooge overheid op. — De overige van de zoo even genoemde gewesten bekleeden Frans van Anjou met het oppergezag......................1581.

Matthias verlaat het land ................. 1582.

Anjou komt in de Nederlanden ............Febr. 1582.

Zijn macht aan banden gelegd. — Zijn titel is hertog van Gelderland en Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz.

Philips belooft d\'Anastro 80,000 dukaten en het kruis van de ridderorde van St. Jago de Compostella. — Venero.

Jan Jauregui wondt den prins te Antwerpen......Maart 1582.

Charlotte van Bourbon sterft.

Anjou\'s troepen bemachtigen Duinkerken, Aalst, Dendermonde, enz. Jan. 1583.

De aanslag op Nieuwpoort en Brugge mislukt.

De Fransche furie te Antwerpen.

Anjou sterft........................ 1584.

Balthazar Gerard ofFranijois Guyon.

Hij, de zesde, die Willem van Oranje naar het leven staat, doodt den

prins te Delft..................10 Juli 1584.

Krachtens een vonnis van leden van den hoogen raad en uit het hof van Holland, alsmede van schepenen van Delft wordt hij ter dood gebracht.

Parma verovert Maastricht................. 1579.

Hij verovert Vlaanderen.

Hij neemt Mechelen, Brussel en de meeste steden van Brabant .... 1585.

Marnix van St. Aldegonde verdedigt Antwerpen veertien maanden lang. — Gianibelli. — De Fortuin en de Hoop. — Jakob Jakobsz.

Antwerpen geeft zich bij verdrag aan Parma over.....17 Aug. 1585.

De scheiding van \'t Zuiden en \'t Noorden voltooid.

-ocr page 456-

430

Jaren n. C.

Onderhandelingen van Holland om Willem tot „graaf van Holland en

Zeelandquot; te verheffen. — Gouda en Zeeland toeven.

Willem Lode wijk stadhouder van Friesland.......... 1584.

Willem van den Berg, stadhouder van Gelderland, vervangen door

Adolf, graaf van Meurs,............... 1584.

Adolf wordt stadhouder van Utrecht.............. 1585.

Hij wordt stadhouder van Overijsel.

De Algemeene Staten richten een nieuwen raad van state op en stellen Manrits aan \'t hoofd hiervan.

De Staten-Generaal, d. i. de staten van Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland en een klein gedeelte van Vlaanderen, dragen de oppermacht over deze landen aan Hendrik 111 op. — Hetzelfde aanbod aan Elizabeth gedaan. — Zij zendt hulp tegen het bezetten van den Briel, Vlissingen en Rammekens.............. 1585.

Robert Dudley, graaf van Leicester, verschijnt aan \'t hoofd van

6000 man.....................Deo. 1585.

De Staten-Generaal bekleeden (tegen den zin van Friesland) Leicester

met de algemeene landvoogdij............... 1586.

Twee Engelschen hebben zitting in den raad van state.

Toorn van Elizabeth.

MauritS stadhouder van Holland en Zeeland........ 1585—1625.

Hij krijgt den titel „geboren prins van Oranjequot;.

Johan van Oldenbarnevelt, in plaats van Paulus Buys, adoocaat van den lande.

Een verbod van uitvoer naar \'s vijands land uitgevaardigd.

Leicester vestigt zijn zetel te Utrecht. — Daniël de Burchgrave. — Jakob Reingoud schatbewaarder. — Gerard Prouninck of van Deventer burge

meester van Utrecht — De kamer van financiën te Utrecht. — Eeze kamer vervalt.

Leicester vertrekt naar Engeland...............158ü

De Staten-Generaal wijzigen het plakkaat over den handel.

Stanley en York veraden de schans bij Zutfen en bij Deventer aan den vijand.

Francois Franken stelt op last der staten van Holland een deductie op.

Leicester keert naar de Nederlanden terug ...........1587

Elizabeth verlangt vrede met Spanje te sluiten. — Leicesters poging om

Maurits en Oldenbarnevelt op te lichten mislukt.

Zijn aanslag op Amsterdam slaagt evenmin. — Boom.

Eenige zijner aanhangers te Leiden ter dood gebracht. — Noord-Halland verklaart zich tegen Leicester, op Medenblik en Hoorn na. — Friesland verzoekt van de eer van zijn bezoek verschoond te blijven.

Door Elizabeth van zijn ambt ontslagen, gaat hij voor goed naar Engeland 1587 Willoughby bevelhebber der Engelsche troepen.

§ 15. De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Nederlanden.

De medewerking der staten tot de regeering in Holland begint . . , . 1572 De medewerking der Algemeene Staten tot de regeering begint . . . . 1576 De staten der verschillende gewesten nemen zei ven de hooge overheid

in handen. — Vestiging van de Republiek der Vereenigde Nederlanden 1588 Gelderland. — Drie kwartieren: Nijmegen, Zutfan en Arnhem.

-ocr page 457-

431

Jaren. n. C.

De bannerheeren niet meer als afzonderlijk lid gedoogd sedert ongev. 1600.

Vereischten voor de ridderschap, als lid der staten, o.a. in Nijmegen: onbezwaard grondbezit ter waarde van 10,000 gl., in Arnhem voor 18,000 gl. — Getal der edelen omstreeks zestig. — Steden in het eerste kwartier: Nijmegen, Tiel en Bommel; in het tweede: Zutfen, Doesburg, Doctiehem, Lochem en Grol; in het derde: Arnhem, Harderwijk, Wa-geningen, Hattem en Elburg. — In ieder kwartier zes leden van het college van gedeputeerde staten. — Tweemaal in \'t jaar landdag. — De landdag wordt baschreven door den stadhouder en het hof. —■ De regeering der steden in handen van burgemeesters (twee of vier), schepenen (ongeveer twaalf) en den raad. — De gemeenslieden of gezworen gemeente, ten getale van omtient dertig of vijftig burgers. — Het hof van Gelderland. — Het heeft ook veel invloed op de regeering. — De bajuwschap-pen, — De hoogere en de lagere vierschaar. — De stedelijke rechtbanken. —-De synode en hare klassen.

Holland. — Negentien stemmen, de edelen een, de steden achttien. — Onderscheid tusschen ridderschap en edelen. — De edelen vertegenwoordigen niet langer het platteland.............na 1627.

De steden ten getale van achttien.............na 1608.

Na den dood van Willem vijfentwintig steden.......... 1584.

De achttien zijn: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Gorinchem, Schiedam, Schoonhoven, Brielle, Alkmaar, Hoorne, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend.— De zeven eerste, alsmede Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen zenden afgevaardigden ter Generaliteit. — De gecommitteerde raden beschrijven de staten. — Vier malen in het jaar vergadering der staten te \'s Graven-hage. — De pensionarissen.

Ordonnantie van . . ...............12 Maart 1585.

Bepaling ten aanzien van de overstemming........... 1585.

De titel Edel Mogenden veranderd in Edel Groot Mogende 11 eer en .... 1656.

De gecommitteerde raden van het Zuiderkwartier bestaan uit tien leden, die van het Noorderkwartier, te Hoorn zitting hebbende, uit zeven. — Twee synoden.

Bepaling der staten omtrent het hof van Holland......... 1589.

De rechtszaken van Zeeland ook voor dit hof gebracht. — De hoorje raad

opgericht....................... 1582.

Zeeland aan zijn rechtsgebied onderworpen........sedert 1587.

De advocaat van den lande. — Hij heet raadpensionaris.....sedert 1630.

Veelal is hij tevens groot-zegelbeicaarder van Holland.

Zijn werkkring. — Zijn bezoldiging eerst 1200, toen 2000, daarna 3000 gl.

\'s jaars, sedert 1668 6000 gl.; 18000 gl........sedert 1700—quot;.800.

Bepaling der staten over het raadplegen der schutterijen en gilden . . . 1581.

Het recht van politieke uitzetting.

Het getal leden der vroedschap te Amsterdam zesendertig, te Rotterdam vierentwintig, te Leiden veertig. —- De oudraad telt doorgaans veertig leden. — De goede lieden van achten te Dordrecht. — Zij hebben twaalf stemmen.

Zeeland. — De eerste edele en de steden Middelburg, Zierikzee, Goes, Tholen, Vlissingen , Veere. — Zeven stemmen. — De abt van Middelburg geraakt uit de vergadering der staten. — Willem bekomt de waardigheid van eerste edele voor Philips Willem, graaf van Buren, als heer van St. Maartensdijk.................... 1662.

-ocr page 458-

432

Jaren n. C.

De waardigheid van eerste edele komt later achtereenvolgens aan Manrits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem IV, Willem V.

Willem koopt het markgraafschap van Veere en Vlissingen van de staten. 1581.

De gemachtigde van den eersten edele heeft ook zitting en stem in het college der gecommitteerde raden, in de admiraliteit van Zeeland en ter Sta ten-Generaal.

De gecommitteerde raden beschrijven de vergadering der staten. — De raadpensionaris. — Vijf personen ter Staten-Generaal.

Utrecht. — Drie leden en drie stemmen. — De geëligeerden, de edelen en de stad Utrecht, benevens Amersfoort, Rhenen, Wijk bij Duurstede en Montfoort. — De geëligeerden, gewoonlijk ten getale van acht, op een voordracht van de vroedschap van Utrecht, door de edelen en de kleine steden verkozen. — In sommige tijdperken benoemt hen de stadhouder. —

Veelal zitten zes edelen in de vergadering. — Vereischte voor het lidmaatschap der edelen, o.a. grondbezit ter waarde van 25,000 gl. — Utrecht zendt twintig afgevaardigden tegen twee of drie uit elke der andere steden. — De staten worden beschreven door de gedeputeerde staten. — Doorgaans twee vergaderingen in het jaar. — Bepalingen omtrent de overstemming. — De secretaris van staat. — Afgevaardigden ter Staten-Generaal. — Provinciale synode. — Provinciaal hof.

Friesland. — Vier kwartieren; Oostergo, Westergo, Zevenwolde en de steden. — In \'t eerste kwartier elf grietenijen, in het tweede negen , in het derde tien. — Elf stemmende steden: Leeuwarden, Bols ward, Fra-neker, Sneek, Dokkum, Harlingen, Stavoren, Sloten, Workutn, Ijlst, Hinloopen. — Volmachten. — De landdag telt veelal tweeëntachtig afgevaardigden. — Elk kwartier heeft één stem. — Bij staking van stemmen heeft de stadhouder de beslissing. — De staten van het mindergetal. —-De secretaris van staat. — De landdag beschreven door den stadhouder en de gedeputeerde staten. — Hij wordt gewoonlijk eenmaal \'s jmrs gehouden. — Het college der gedeputeerde staten bestaat uit negen leden,

behalve uit den stadhouder. — Gerechtshof. — Provinciale synode.

Ocerijsel. — Twee leden: de edelen uit de kwartieren Sallant, Twente en Vollenhoven, en de steden Deventer, Kampen en Zwol. — Hasselt en Steenwljk geven van tijd tot tijd slechts raad. — De landdag, beschreven door de gedeputeerde staten of door de steden, komt driemaal in het jaar bijeen. — Voorzitter is de drost van Sallant. — De ridderschap stemt hoofd voor hoofd; elke stad heeft één stem. — De meerderheid is o.a. één edelman met drie steden of zevenenveertig edelen met één stad. De griffier. — Zes heeren afgevaardigd ter Staten-Generaal, het dubbele getal.........•........... sinds 1750.

Het college der gedeputeerde staten bestaat uit zes leden. — \'s Lands Haring. — Provinciale synode.

Groningen. — Twee leden en twee stemmen: de stad en de Ommelanden. —

Drie kwartieren der Ommelanden: Hunsingo, Fivelingo en \'t Westerkwartier. -— Bij staking van stemming beslist de stadhouder. — Eenmaal \'s jaars vergadering. — Het college der gedeputeerde staten. — Twee syndici. — Het Oldambt en het Goorecht behooren tot het gebied der stad. — De gecommitteerde raden bestaan nit negen leden. — Zes afgevaardigden ter Staten-Generaal. — Een provinciaal hof opgericht . . . 1749. Vóór dien tijd hoofdlingen en jonkers. — Warven. — De hoofdmannenkamer. — De synode.

-ocr page 459-

433

Jaren n. C.

Drente. — Zes dingspillen. — Twee leden, niet meer dan achttien ridders en zesendertig eigenerfden, en drie stemmen. — De vergadering heeft eenmaal quot;s jaars plaats en wordt beschreven door den landdrost en de gedeputeerde staten. — De drost voorzitter. — De gedejiuteerde staten bestaan uit den drost en acht leden. — De raad en landschryver. — De etstoel. — Het provinciaal hof...............sedert 1791.

De synodale vergadering. — Koevorden.

§ 16. Vervolg.

De Stnten-Generaal bestaan doorgaans uit vijftig leden. — Zeven stemmen. — Zij komen bijeen te Tjtrecht, Delft of \'s Gravenhage. — Zij worden permanent ......................1593

De werkkring van den raad van state beperkt tot het beheer der krijgszaken en van de financiën. —- De unie van Utreeht de grondslag der Sta ten-Generaal. Dit lichaam bestaat slechts uit de afgevaardigden van de staten der zeven gewesten.............. 1585,

Drente uitgesloten. — liet verzoekt toegang en stem 1594, 1618, 1633,

1643, 1651.

Onderscheid tusschen Staten-Generaal en Algemeene Stalen.

De stadhouders uitgesloten van de Staten-Generaal. — Titel der Staten-

Generaal Hun Hoog Mogenden............sedert 1639.

Elke provincie heeft gedurende een week het voorzitterschap, van \'t Zondags nacht 12 uur af. — De rangorde: Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen. — Hondom de tafel slechts vierentwintig plaatsen. — De griffier der Staten-Generaal. — De thesaurier-generaal der unie. — Vraag omtrent de overstemming en artikel 9 der unie. — Meer dan twaalfhonderd personen hebben over \'s lands zaken hun stem te geven. — Hoofdonderwerpen van de beraadslaging der Staten-Generaal: Het verklaren van oorlog en \'t sluiten van vrede en verdragen; alles, wat tot het krijgswezen in betrekking staat, b.v. de patenten (Gedeputeerden te velde)-, het oppergezag over de collegiën der admiraliteit; het oppertoezicht op dc inkomsten en de uitgaven; toezicht, dat er geen vervolging ter zake van den godsdienst plaats heeft; vaststelling van plakkaten; de benoeming van kapitein-generaal, veldmaarschalk, griffier der Staten-Generaal, thesaurier-generaal der unie, enz.

De raad van state telt twaalf leden, buiten de stadhouders. — Ieder lid zit beurtelings een week voor. — Hoofdelijke stemming. — Staat van oorlog en generale petitie. — De consenten. — De quoten. — De repartitie. — De rekenkamer.

De admiraliteit. — Deze zaak geregeld............. 1597.

Vijf collegiën, dat van de Maas, van Amsterdam, van Middelburg, van Noord-Holland, óf te Hoorn, óf te Enkhuizen, dat van Dokkum, hetwelk naar Harlingen wordt verplaatst .......... in 1645.

Elk college bestaat eerst uit zeven, later uit negen tot twaalf leden. _

Alle leden door de Staten-Generaal benoemd, het meerendeel op voordracht der provinciën, waarin de collegiën zijn gevestigd. — Het college van Middelburg bestaat uit de gecommitteerde raden. — De admiraal-generaal voorzitter der vijf collegiën en van ieder in \'t bijzonder.

De stadhouder of gouverneur. — Een instructie opgesteld voor Maurits, Wijnne, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 2S

-ocr page 460-

434

Jaren n. C.

niet voor Frederik Hendrik en voor Willem II. — De Staten-Generaal verstrekken de stadhouders hun commissie.........tot 1620.

De gouverneur van wege de Staten-Generaal kapitein-generaal en admiraal. — Manrits, hoenel niet benoemd, was het metterdaad. — De gouverneur veelal kapitein-generaal van het gewest. — Macht des gouverneurs: hij benoemt de voorzitters in de meeste gerechtshoven; hij verkiest uit voordrachten der vroedschappen de leden dezer lichamen ; hij benoemt tot een groote reeks van ambten; hij kan kwijtschelding of verzachting van straf verleenen; hij handhaaft den hervormden godsdienst. — Eminent hoofd.

Friesland heeft afzonderlijke stadhouders..........tot 17 gt;8.

Doorgaans is die van Friesland het tevens van Groningen en van Drente. — De gouverneur van Holland ook steeds in Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel tot stadhouder benoemd.

Einde der stadhouderlooze tijdperken in de vijf laatstgenoemde gewesten ...................... 1672, 1747.

Het stadhouderschap en de overige waardigheden erfelijk verklaard in

het huis van Oranje-Nassau, ook in de vrouwelijke linie ..... 1747.

Maurits en Frederik Hendrik trekken, als stadhouder, alleen van Holland jaarlijk ruim 30,000 gl. en, als kapitein-generaal, 120,000 gl. — Meer dan 100,000 gl. \'s jaars voor buitengewone uitgaven en een tiende van den buit, ter zee gewonnen. — De prinsen van Oranje-Nassau vrijgesteld van de meeste belastingen.

§ 17. De onoverwinnelijke vloot. —Maurits\'krijgsbedrijven. — De afstand der Nederlanden door Philips II. — De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen oorlog.

Philips II verkrijgt de heerschappij over Portugal......... 1580.

Sixtus V schenkt Engeland aan de kroon van Spanje....... 1587.

De armada. — Zij kost aan uitrusting 60,000,000 gl. en aan dagelijksch onderhoud 30,000 Spaansche dukaten, ter waaide van 3 gl. elk. — 130 oorlogschepen. — 3000 stukken grof geschut. — 8000 matrozen. — Ongeveer 2000 galeislaven. — Omtrent 20,000 soldaten. — Bijna 300 monniken en priesters met een groot-inquisiteur. — Alonzo Perez de Guzman, hertog van Medina-Sidonia. — Scheepsmacht van den hertog van Parma: 33 oorlogschepen en 43,000 man.

Howard en Drake. — Johan van Wassenaar, heer van Warmond. — Van der Does. — Justinus van Nassau. — Joost de Moor.

Nederlaag der armada door de Engelsche vloot en daarop door de Engelschen en de Nederlanders. — De\' Nederlanders verhinderen Parma zich bij de Spaansche hoofdmacht aan te sluiten. — Terugtocht. — Een derde keert terug ................Oct. 1588.

Zeeland slaat een gedenkpenning.

De dood van Hendrik de Guise en \'s konings bevel aan Parma om met geen onderneming van eenig gewicht in de Nederlanden te beginnen verschaffen de Republiek veel verademing. — Philips neemt zich, na den dood van Hendrik III, voor Frankrijk aan Spanje te hechten en het catholicisme tot de alleenheerschappij in Europa te brengen.

Maurits ...................... 1590-1625.

Dood van Adolf van Nieuwenaar en Meurs. — Maurits wordt stadhouder

van Utrecht en Overijsel................. 1590.

-ocr page 461-

435

Jaren n. C.

Hij wordt het van Gelderland................1591.

Oldenbarnevelt.

Parma rukt Frantrijk binnen................ 1590.

Maurits verrast Breda en neemt Crevecoeur........... 1590.

Hautepenne sterft (Crevecceur,)................ 1587.

Maurits verovert Steenbergen ................. 1590.

Hij verovert Zutfen................... Mei ;591.

Deventer geeft zich over................Juni 1591.

Delfzijl overrompeld, Hulst veroverd. — Nijmegen gaat over . . . Oct. 1591.

Steenwijk en Koevorden vallen................1592.

Geertruiden berg veroverd.................. 1593.

Groningen geeft zich over aan Maurits en aan Willem Lodewijk 24 Juli 1594.

Tractaat van reductie; alleen de hervormde godsdienst; de stad en de Ommelanden ée\'n genest met Willem Lodewijk als stadhouder.

Uitspraak der Staten-Generaal............17 Febr. 1595.

Drente verkiest Willem Lodewijk als stadhouder.......... 1595.

Emden in geschil met Edzard II. — De Staten-Generaal leggen bezetting te Emden en te Leeroord......................

Edzard sterft. — De bezetting hernieuwd............ 1602.

Parma bestrijdt Hendrik IV zonder duurzame gevolgen. — Hij volgt met tegenzin de bevelen van Philips op. — Hij gaat naar Spa. — Hij sterft te Atrecht....................... 1592.

Pieter Ernst, graafvan Mansfeld. — ErnstvanOostenrijk._

De laatstgenoemde sterft. — De graafvan Fuentes......1595.

Fuentes maakt plaats voor Albrecht van Oostenrijk...... 1596.

Philips Willem komt in deze landen terug. — Hij vestigt zich te Breda 1596.

Maurits behaalt de zege bij Turnhout op Varax. —Maurits heeft 1000 ruiters en verliest 10 man; Varax verliest 2000 dooden en 500 gevangenen. — Varax sneuvelt................. 1597.

Maurits verovert Grol, Enschedé, Ootmarsum, Oldenzaal, Lingen.

Hulst gaat verloren.................... 1596.

De graaf van Essex, Howard en Jan van Duvenvoorde, heer

van Warmond, nemen Cadix in............. 1596.

Aanslagen van Reniehon en du Four op Maurits......... 1594.

Aanslag van Pieter Panne te Leiden.............. 1598.

Onderhandelingen tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

Philips II schenkt de Nederlanden aan Isabella en Albert. _ De

aartshertog en de in/ante. — De vestingen in \'t Zuiden behouden Spaansche bezettingen. — Het Zuiden en het Noorden gaan voor goed uiteen. —Invloed, door vele mannen uit het Zuiden op het Noorden geoefend.

Philips II sterft. — Philips III................ 1598.

Vrede Van Vervins. — Nieuw verdrag van Nederland en Engeland: de rekening der voorschotten op 8,000,000 gl. bepaald; e\'e\'n Engelschman heeft zitting in den raad van state.............. 1598.

Raad van Hendrik IV en Elizabeth aan de Nederlanden omtrent Maurits._

Instemming van Oldenbarnevelt.

De aartshertogen. — Onderneming van Noord-Nederland tegen Duinkerken. —

Maurits scheept zich in met een leger van ongeveer 15,000 man. _ De

aartshertog heeft 12,000 man. — Ernst Kasimir van Nassau bij de brug van Leftingen verslagen. —Zege van Maurits bij Nieuwpoort. — Franciscus de Mendöza gevangen genomen......2 Juli 1600.

28*

-ocr page 462-

436

Jaren n. C.

Hij wordt tegen ongeveer vier honderd Nederlanders en een zwaar losgeld

uitgewisseld...................... 1602.

Woordenwisseling tusschen Maurits en Oldenbarnevelt te Nieuwpoort.

Francis Vere opvolger van Willoughby.........sedert 1591.

Hij verdedigt Ostende drie jaren lang. — Ambrosius Spinöla verovert het....................... 1604.

Sluis vermeesterd..................... 1604.

Spinöla verovert Lochem, Grol, enz. — De stadhouder herneemt Lochem. —

De oorlog te land gestaakt................. 1607.

Keinier Klaassens vliegt bij St. Vincent in de lucht..... 1606.

Zege van Jakob van Heemskerk in de baai van Gibraltar. —

Hij komt om...................... 1607.

§ 18. Het twaalfjarig bestand. — De oprichting der Oost-Indische com-

1603.

1604.

pagnie.

Elizabeth sterft......

Jakob I sluit vrede met Spanje

Verspening der Schelde voor Engelsche schepen.

Holland, sedert negen jaren, zesentwintig millioen schuldig..... 1607.

De oorlogskosten jaarlijks 10,000,000 gl.

Philips III verbiedt allen handel van Nederland op zijn staten .... )598.

Onderhandelingen tusschen de aartshertogen en de Republiek..... 1607.

Jan Neyen komt te Rijswijk. — Gezantschap van het Zuiden met Spinöla aan het hoofd te \'s Gravenhage. — Twee vorderingen van den vijand maken den vrede onmogelijk. — Hendrik IV verkeert in verlegenheid. — Hij zendt J e a n n i n, president mortier van het parlement te Dijon, met andere gezanten. — De Staten-Generaal vestigen hun zetel te Antwerpen. — Jeannin bewerkt een toenadering tusschen Maurits en Oldenbarnevelt. — Oldenbarnevelt ontvangt van Hendrik IV 20,000 gl.

Wapenstilstand te Antwerpen. — De aartshertogen verklaren, ook uitnaam van den koning van Spanje, de Vereenigde Gewesten voor onafhankelijk. — Het bestand zal twaalf jaren duren. —- Ieder zal behouden wat hij heeft....................April 1609.

Jan Huygen Linschoten. — Balthazar de Moncheron.

De staten van Holland en van Zeeland zenden twee schepen met Linschoten

naar het Noorden.................... 1594.

De regeering van Amsterdam voegt er twee schepen bij. — Plancius.

Tweede tocht. — Ongunstige uitslag..............1595.

Amsterdam rust een paar schepen uit. — Willem Bar ens tz. en

Heemskerk op Nova Zembla. — Barentsz. bezwijkt....... 1596.

Maatschappij van verre te Amsterdam. — Cornelis Houtman waarschijnlijk door haar naar Lissabon gezonden. — Pieter Dirksz. Keyzer en Cornelis Houtman lichten met vier schepen te Texel het anker 2 April 1595.

Na een reis van 446 dagen landen zij te Bantam...... Juni 1596.

Talrijke maatschappijen van verre opgericht, zoowel in Holland als in Zeeland. — Jakob Cornelisz. van Neck bereidt Oost-Indie in ongeveer 223 dagen.................... 1598.

Olivier van Noort stevent den aardbol om.......... 1598.

Oprichting van de Vereenigde Oost-Indische compagnie. — Octrooi van 46 artikels, door de Staten-Generaal verleend. — Monopolie. — Kapliaal van ongeveer 6\'/» millioen. — Zes kamers: Amsterdam met \'/j, Zeeland

-ocr page 463-

437

Jaren n. C.

(te Middelburg) met \'/igt; Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorn elk met 1II6 van den inleg. — Het kapitaal verdeeld in actiën van 3000 gl.

20 Maart 1602.

XJitdeeling van 15 p.e.................... 1605.

Uitdeeling van 75 p.e.................... 1606.

Uitdeeling van 40 p.e.................... 1607.

Uitdeeling van 50 p.e. — Voor elke actie van 3000 gl. reeds 6750 gl. aan

rente, d. i. 225 p.e., ontvangen...............1610.

Gemiddelde jaarlijksehe uitdeeling: ruim 21 p.e. — De actiën staan veelal op 600 p.e. — Hoofdparticipanten en participanten. — Delft en Rotterdam of de kamer van de Maas. — Hoorn en Enkhuizen of de kamei van Noord-Holland. — 73 beivimdhebbers, wier getal kan dalen tot 60; hun titel Edele Heeren. — Vereischte om tot bewindhebber te worden gekozen. — -De vergadering van zeventienen, aeht uit Amsterdam. — Reehten der compagnie.

De Portugeezen geven het kasteel op Amboina over........ 1605.

De compagnie vestigt zich ten deele op Ternate, Tidor en de overige Mo-lukken. — Loges te Bantam, op Sumatra, op de kust van Coromandel. — V an der Hagen en Matelief. — Pieter Both eerste gouverneur-generaal 1610.

Zijn titel is Zijn Hoogedelheid. — Zijn verblijf is op Ternate. — De direc-teur-generaal. — Opper- en onderkooplieden. — De raad van In die.

De Engelsche Oost-Indische compagnie beproeft zich in Oost-Indië te vestigen. — Zij sticht een factorij te Makassar. — De Engelschen sluiten een verbond met den beheerscher van Bantam.........1618.

Jan Pietersz. Coen. — Pieter van den Broeke. — Coen verovert Jaka-

tra. — Hij verheft de factorij onder den naam Batavia tot hoofdplaats. 1621.

Verdrag tusschen de Engelsche en de Nederlandsche Oost-Indische compagnie ......................Juli 1619.

Coen verovert de Banda-eilnnden...............1621.

De compagnie verwerft Formosa en bouwt er Zelandia....... 1624.

Samenzwering van Engelsche kooplieden op Amboina. — Tien ter dood

gebracht....................... 1623.

Coen verlangt en verkrijgt zijn ontslag............. 1622.

Met vergunning van den keizer van Japan vestigt de compagnie een factorij op Firando.

§ 19. De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand schokken.

Jakob Arminius wordt hoogleeraar te Leiden..................1603.

De praedestinatie. — TT i t e n b o ga ar t veldprediker van den prins 1599—1614.

Francisens Gomarus. — Arminius sterft ....................1609.

Vorstius zijn opvolger in naam.............sedert 1611.

Episcopius hoogleeraar te Leiden...........sedert 1619.

De Remonstranten, naar de remonstrantie zoo geheeten.....sedert 1610.

De Uaagsche conferentie. — De Contra-remonstranten.

Een Comra-Remonstrantsch predikant te Rotterdam ontslagen en verbannen 1611.

Besluit der staten van Holland................1613.

Volgens een besluit der staten van Friesland wordt de regeering van

Leeuwarden veranderd................Jan. 1616.

Willem Lodewijk de raadsman van Maurits. — Jakob I gelast Carle ton de zaak der Contra-remonstranten voor te staan......1616.

-ocr page 464-

438

Jaren n. C.

Engeland geeft, tegen betaling van 3,000,000 gl., d. i. van ruim der

toen nog verschnldigde som, de pandsteden aan de Republiek terug . 1015.

Niet langer heeft een Engelschman zitting in den raad van state.

Onlusten te Arasterdam. — Bisschop .....19 Febr. en vroeger 1617.

Eenige honderden Contra-remonstranten verkrijgen in den Haag de

Gasthuiskerk......................1617.

Zij verkrijgen de kloosterkerk.............Maart 1617.

De vroedschap van Oudewater kiest burgers van de Contra-remonstrantsche partij.

Hetzelfde gebeurt te Heusden. — Tooneelen in den Briel, te Gouda, te

Delft, te Haarlem....................1618.

Maurits gaat naar de Kloosterkerk ..............1617.

Francois van Aerssen, op verzoek van Lodewijk XIII, als gezant

uit Frankrijk teruggeroepen................1613.

Hij wordt heer van Sommelsdijk............ongev. 1617.

Hij wordt met Hugo Muis van Holy en Reinier Pauw een van het zeven- of achttal.

Advies van Oldenbarnevelt om op meer eenheid in het bewind der

Republiek aan te dringen.................. 1607.

Hij is tegen het opdragen van hooger gezag aan Maurits.

Jakob I raadt het houden eener nationale synode aan.

Zeeland, Groningen en Friesland de zaak der Contra-remonstranten toegedaan, ook het grootste gedeelte van Gelderland. — Overijsel neigt tot de zijde der Contra-remonstranten..............1617.

Utrecht grootendeels voor de Remonstranten. — Zoo ook Holland, met uitzondering van Amsterdam, Dordrecht, Enkhuizen, Edam en Punnerend.

De scherfje resolutie, tegen den zin van vijf steden aangenomen. 4 Aug. 1617.

Waardgelders.

Haarlem, Rotterdam en Schoonhoven nemen reeds vroeger, dan in Aug. 1617, waardgelders aan of vermeerderen het getal er van.

Leiden, Oudewater, Heusden en Hoorn nemen elk twee- of driehonderd

waardgelders aan....................1617.

Gouda neemt er aan ...................1618.

Geheel getal voor Holland 1800. — De staten van Utrecht nemen er ruim zeshonderd aan.

Niemand betwijfelt het recht der vroedschappen om het te doen tot Juni 1618.

Twee besluiten der Staten-Generaal. — De gedeputeerden van Gelderland gaan vermoedelijk hun lastbrief te buiten; die van Overijsel werken schoorvoetend mede; Zeeland geeft den toon aan; die van Gror.ingen en Friesland moeten Maurits raadplegen, die van Utrecht afwezig. Holland stemt tegen.................Juni 1618.

De deputatie der Staten-Generaal komt te Utrecht. — Het zijn Maurits,

Voogt, Adriaan Manmaker, Hugo Muis van Holy, Gockinga, enz.

25 Juli 1618.

Hun voorstel in de staten van Utrecht. — Hun bijeenkomst te Utrecht met Hugo de Groot en eenige andere leden der staten van Holland. — De laatsten keeren naar Holland terug.........31 Juli 161S.

Maurits dankt op de Neude de waardgelders af.......31 Juli 1018.

Hij verandert de vroedschap der stad Utrecht en bepaalt, dat de leden zitting zullen hebben voor hun leven. — Gilles van Ledenberg neemt zijn ontslag als secretaris der staten.

-ocr page 465-

439

Jaren n. C.

De advocaat van Holland slaat aan de vijf steden en aan Schiedam voor een ontwerp ter bevrediging in te dienen. — Het wordt geweigerd.

Plakkaat der Staten-Generaal, goedgekeurd door de zes provinciën en

de zes steden, aangaande de afdanking der waardgelders 21 Aug. 1618.

Rotterdam dankt ze al eerder af.

Uitenbogaart komt den advocaat spreken........29 Aug. 1618.

Twee geheime besluiten der Staten-Generaal.....28 en 29 Aug. 1618.

Onder hen, die ze nemen, zijn Reinier Pauw, Hugo Muis van Holy,

Nikolaas Adriaan Voogt, Manmaker.

De luitenant van de lijfwacht des stadhouders neemt Oldenbarnevelt

gevangen. —■ De Groot, Hogerbeets en Ledenberg gekerkerd. 29 Aug. 1818.

De prins verzet in Hollands steden de wet.........Sept. 1618

Het eerste lid der staten van Holland met een paar mannen versterkt.

De drie gevangenen verhoord ten overstaan eener commissie uit de Staten-Generaal. — Ledenberg heeft zich reeds gedood.

Vierentwintig buitengewone rechters benoemd. — Twee Zeeuwen onder de twaalf uit Holland. — De vragen, naar men wil, opgesteld door Bogerman.

Hogerbeets pensionaris van Leiden..........sinds Oct. 1617.

Vonnissen, over de drie geveld. — Aandrang van Aerssen. — Raad van Willem Lodewijk.

De meiboom voor Oldenbarnevelts huis..........1 Mei 1619.

Du Marnier verzoekt tevergeefs gehoor bij de Staten-Generaal 13 Mei 1619.

Walaeus en andere predikanten bezoeken Oldenbarnevelt. — Bevinding

van Walaeus ..................12 Mei 1619.

Oldenbarnevelt, heer van Berkel en Rodenrijs, onthoofd . . .13 Mei 1619.

Oldenbarnevelt geboren te Amersfoort............. 1547.

Hij vertoeft te Heidelberg. — Hij wordt advocaat voor het hof van

Holland....................... 1570.

Hij wordt pensionaris van Rotterdam............. 1576.

Willem van Oranje vertrouwt hem zeer. — Hij is onder de gezanten

naar Elizabeth..................... 1585.

Hij wordt advocaat van den lande.............. 1585.

De provinciale synoden aller gewesten komen bijeen........1618.

De nationale synode te Dordrecht geopend. — Johannes Bogerman. — Lodewijk XIII verbiedt de Fransche godgeleerden ze bij te wonen

13 Nov. 1618.

Episcopius verschijnt er. — Uitenbogaart, afgezet door de Zuid-Hollandsche synode, gaat naar Antwerpen.

Veroordeeling van de gevoelens der Remonstranten.....6 Mei 1619.

De akte van stilstand.

De synode stelt de voornaamste leerstukken der Nederlandsche hervormde

kerk vast. — De Siaten-overzetting of Staten-bijbel voltooid..... 1635.

§ 20. De hernieuwing van den oorlog na het hestand. — De oprichting der West-Indische compagnie. — De aanslag op het leven van Mau-rits en zijn dood.

Johan Willem, hertog van Gulik en Kleef, sterft......... 1609.

Johan Sigismund en Wolfgang Willem van Palts-Nieuwburg.

Maurits bezet Gulik....................1610.

Spinöla neemt Wezel in. — De vijandelijkheden vooreerst geëindigd . . 1614.

-ocr page 466-

440

Jaren n. C.

De Republiek ondersteunt achtereenvolgens Frederik van de Palts en de Bohemen, den graaf van Mansfeld, alsmede Christiaan IV.

Hogerbeets en de Groot naar Loevestein overgebracht. — Prouninck Juni 1619.

Hogerbeets wordt vergund een buitenhuis nabij Wassenaar te gaan bewonen 1625.

Hugo de Groot ontsnapt. — Maria van Reigersbergen en Elsje van

Houweningen..................Maart 1621.

Philips Willem sterft en laat Manrits al zijn bezittingen, ook Oranje, na. 1618.

Vervolging der Remonstranten. — Tweehonderd hnnner predikanten afgezet. — Ten minste tachtig verbannen.

Door toedoen van Maurits worden van Veenhuizen en van der Myle niet langer in de staten van Holland beschreven. — Reinier van Groe-neveld en Willem van Stoutenburg van hun ambten ontzet.

Willem Lodewijk sterft................... 1620.

Ernst Kasimir stadhouder van Friesland.......... 1620—1632.

Groningen en Drente nemen Maurits............■ . 1620.

Maatschappijen om naar de kust van Afrika en naar Brazilië te varen

Willem Usselincx. — Hij vestigt zich te Amsterdam...... 1585.

Zijn geschriften. — De algemeene denkwijze tegen zijn plannen .... 1609.

Oldenbarnevelt acht de tijdsomstandigheden niet geschikt voor de oprichting.

Usselincx treedt weder op.

Oprichting der West-Indische compagnie bij octrooi, voor vierentwintig jaren

door de Staten-Generaal verleend...........3 Juni 1621.

Eerste inleg f 7,200,000, verdeeld in 1200 actiën, elke van 60Ü0 gl. —-De staten-Generaal geven een half millioen. — Vijf kamers: Amsterdam met 4/s, Zeeland met , Rotterdam, Noord-Holland en die van Friesland met Groningen, elke met */lt;) aandeel. — Vieren~euentiq berelhebhers,

door de staten der gewesten of de overheden der steden benoemd uit de houders van twee actiën. — De generale vergadering bestaat uit 19 leden, 8 uit de kamer van Amsterdam. — De Staten-Generaal moeten de keuze van den goeverneur-generaal goedkeuren.

Henry Hudson vaart de Hudson op............. 1609.

De Nederlanders noemen ze de Noord-rivier...........1621.

Hudson ontdekt Nieuw-Nederland............... 1609.

Manhattan door een der directeuren van Nieuw-Nederland voor 60 gl. van

de Indianen gekocht. — Nieuw-Amsterdam........... 1626.

Albrecht overlijdt, — De Zuidelijke Nederlanden vallen terug aan Philips

IV. — Isabella landvoogdes................1621.

Isabella sterft. — Ferdinand landvoogd........... 1633.

Gulik gaat verloren.................... 1622.

Maurits\' aanslag op Antwerpen mislukt............. 1624.

Spinüla verovert Breda................... 1625.

Samenzwering tegen het leven van Maurits. — Jan Faassen. — De beschuldigden door het hof van Holland ter dood veroordeeld. — Stoutenburg vlucht en treedt in dienst van het Zuiden. — Vijftien personen onthoofd, o. a. Reinier van Groeneveld en Hendrik Slatius......... 1623.

Frederik Hendrik trouwt met Amalia van Solms........ 1625.

Maurits sterft, oud 58 jaren, ............23 April 1625.

-ocr page 467-

441

Jaren n. C.

§21. Het stadhouderschap van Frederik Hendrik.

De stadhouderlijke en de staatsgezinde partij.

Frederik Hendrik stadhouder van vijf gewesten. — De Staten-Generaal

dragen hem de waardigheid van kapitein-generaal en admiraal op 1625—1647.

Groningen en Drente verkiezen den stadhouder van Friesland .... 1625.

Andreas Bicker lid der vroedschap van Amsterdam .... sedert 1627.

De Remonstranten bouwen te Amsterdam een kerk en stichten er een seminarium ........................ 1C30.

Het athenaeum te Amsterdam gesticht.............1622.

Hugo de Groot vertoeft een tijdlang te Rotterdam en te Amsterdam . . 1631.

Hij moet weder vertrekken. — Hij wordt gezant van Christina aan

\'t Fransche hof..................... 1634.

Hij sterft te Rostock ................... 1645.

Twisten tusschen de provinciën over het aandeel, in de gemeene lasten te dragen. — Gelderland en Overijsel achterlijk in \'t opbrengen; Groningen on Zeeland achten zich boven hun vermogen bezwaard...... 1634.

In Friesland onlusten te dier zake. — De raad van state bemoeit er zich mede.

Frederik Hendrik gaat bij de verkiezing van leden der vroedschap te Utrecht

en te Nijmegen buiten de voordracht.......... 1627, 1628.

Hij laat zich onder de ridderschap van Holland als eerste edele aannemen

en brengt onderscheidene legerhoofden hierin.......... 1637.

Raadpensionarissen van Holland: Antonie Duik, Adriaan Pauw.—

Jakob Cats, pensionaris van Dordrecht. — Hij wordt raadpensionaris 1636.

De prins kan in de Generaliteit over de stem van zes gewesten beschikken.

Hij neemt Grol in.................... 1627.

Hij rukt met een leger van 40,000 man tegen \'s Hertogenbosch op, bijgestaan door Ernst Kasimir............einde April 1629.

Insluiting in twaalf dagen. — Hendrik van den Berg daagt met een leger van 30 a 40,000 man op. — Hij en Montecucüli doen een inval in de Veluwe. — Waardgelders aangenomen. — De stadhouder van Friesland aan \'t hoofd van een verdedigingsleger gesteld. — Kennisgeving van Pieter Muller aangaande Wezel. — Otto van Gent, heer van Die-dem, verrast met een paar duizend man uit Emmerik Wezel 19 Aug. 1629.

Van den Berg en Montecucüli ontruimen het grondgebied der Republiek.— Anton Schets, heer van Grobben donk, geeft na vier maanden \'s Hertogenbosch bij verdrag over.............. 1629.

Frederik Hendrik en Ernst Kasimir dwingen Venlo, Roermond en Stralen zich over te geven. — Maastricht belegerd. — De markies van Santa-Croce en Pappenheim dagen op............. 1632.

Ernst Kasimir gewond voor Roermond. — Hij sterft. — Hendrik Kasimir 1632—16-10.

Verdrag met Maastricht. — De hervormde godsdienst wordt er toegelaten. — De bisschop van Luik behoudt er zijn oude voorrechten . . . 1632.

De vijand herneemt Venlo en Roermond............ 1637.

Een verraderlijke poging te Maastricht mislukt.......... 1638.

Een vloot der West-Indische compagnie verovert San Salvador (thans Bahia) 1624.

De Portugeezen hernemen het.

Loncq vermeestert Olinda en het Recif............ 1630.

Piet Hein verslaat in de Allerheiligenbaai een Spaansche vloot 1627.

Hij bemachtigt in de baai van Matanzas de Spaansche zilvervloot.— De waarde der kostbaarheden op ruim ll1^ millioen geschat. — De

-ocr page 468-

442

Jaren n. C.

West-Inclische compagnie schenkt Piet Hein 7000 gl. — Aan de matrozen een buitengewone soldij van zeventien maanden gegeven. — Uit-deeling van 50 p.c. aan de deelhebbers............ 1628.

HoUaert van Valckenisse verslaat een Spaansche vloot onder

Jan van Nassau in het Slaak.............1631.

De West-Indische compagnie rust meer dan 800 schepen uit, bemand

met 67,000 koppen................. 1623—1636.

Zij bezit in Brazilië vier van de veertien kapiteinschappen, n.1. de streek

tusschen de rivier St. Francisco en Rio Grande......... 1636.

Johan Maurits van Nassau landvoogd van Nederlandsch Brazilië 1636.

De compagnie vermeestert Curasao op Spanje .......... 1684.

Zij bezet St. Eustatius................... 1639.

Zij deelt het bezit van St. Martin met Frankrijk......sedert 1641.

Johan Maurits verovert St. George del Mina........... 1637.

Portugal herneemt zijn zelfstandigheid ... -......... 1640.

De compagnie roept Johan Maurits terug............ 1644.

Hij bouwt het Mauritshuis tc \'s Gravenhage. — Hij vestigt zich te Kleef.

Het Recif en eenige forten gaan aan Portugal over........ 1654.

De Staten-Generaal verklaren Portugal den oorlog......... 1657.

Vrede te \'.s Gravenhaqe. — Nederland doet voor 4,000,000 gouden crusado\'s (8,000,000 gl.), in zestien jaren te betalen, afstand van Brazilië. — Gelderland en Zeeland tegen den vrede............1661.

De vrede wordt bekrachtigd. — Gelderland en Groningen er tegen . . . 1663.

Frederik Hendrik leidt met esn negental leden der Staten-Generaal de

buitenlandsche staatkunde. — Het secreethoek.......sedert 1635.

Hautain tegen la Roebelle gezonden. — De vloot teruggeroepen.

De Duinkerkers voor Texel. — Zij nemen wel honderd haringbuizen van

Enkhuizen......................16\'25.

Eed der Nederlandsch? kapiteins ter zee............ 1626.

Piet Hein sneuvelt tegen de Duinkerkers............ 1629.

Voorslagen uit Brussel over een tweede bestand ten tijde van Maurits\'

laatste levensjaren. — De jonkvrouw \'t Serclaes.

Onderhandelingen tusschen Nederland en de infante........ 1632.

Aanvallend en verdedigend verbond met Frankrijk.......8 Febr. 1635.

Frederik Hendrik aan \'t hoofd van een leger van omstreeks 40,000 man Franschen en Nederlanders.

Een aanval op Duinkerken mislukt. — Breda heroverd....... 1637.

Lodewijk XIII gelast zijn gezant te \'s Gravenhage Frederik Hendrik met den titel van Allesse of Hoogheid aan te spieken in plaats van met Excellentie of Doorluchtigheid. — De Staten-Generaal volgen hem na . . 1637.

Philips IV rust een armada uit. — 67 schepen, o.a. 33 galjoenen. — 1700 stukken geschut. — 24,000 koppen. — Don Antonio d\'Oquendo. — De vloot komt op de hoogte van kaap Bevesier of Beaehy 15 Sept. \'639.

Maarten Harpertszoon Tromp ligt er met 13 schepen. — Witte Cornells z. de With en Joost Banckers. — Gevecht. —-De Spaansche vloot wijkt naar Du ins. — De vloot van Tromp groeit aan tot 95 oorlogschepen en 11 branders. — Jan Evertsen. —

Zeeslag en zege van Tromp. —- Dertien Spaansche schepen ontsnappen uit Duins. — Achttien keeren terug......... 21 Oct. 1639.

Hendrik Kasimir sterft. — Frederik Hendrik wordt stadhouder vim

Groningen en van Drente................. 1640.

-ocr page 469-

443

Jaren n. C.

Willem Frederlk stadhouder van Friesland.......... 1640—1664.

Hij is de stichter van \'t Oranjewoud. — Hij trouwt met Albertine Agnes 1652.

Willem geboren..................... 1626.

Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel kennen hem Ik;!

recht toe zijn vader op te volgen..............1631.

Groningen kent hem hetzelfde recht toe ............ 1640.

Drente insgelijks.....................1641.

Hij wordt verloofd met Maria................1641.

Hij trouwt met haar ...................1.S44.

De Franschen veroveren Duinkerken en andere steden in Zuid-Nederland.

Frederik Hendrik bemachtigt Sas van Gent........... 1644.

Hij verovert Hulst.................... 1645.

Frederik Hendrik, oud 63 jaren, sterft.........14 Maart 1647.

Torstenson en Turenne zijn kweekelingen. —Frederik Hendriks zinspreuk:

patriae patrique.

Hij streeft naar het stadhouderschap van Friesland ........1640.

Mémoires de Frederic Henri, loopende over......... 1621—1645.

§ 22. De vrede van Munster. — Blik op den toestand des lands.

Er is sprake van vrede................sedert 1641.

Op aansporing van Philips IV doet Urbanus VIH daartoe stappen bij Lodewijk XIII. — Ferdinand III. — De gezanten van Zweden en van de protestantsche rijksvorsten komen bijeen te Osmbrück, die der Roomsch-katholieke staten te Munster

Het congres wordt geopend..............April 1645.

De gezanten der Republiek komen te Munster........Jan. 1646.

Innocentius X en Venetië middelaars. — Eenige gezanten: graaf Maximiliaan Trautmannsdorf, d\' Avaux, Johan Oxenstierna, Antonie Brun. — Acht leden der Staten-Generaal gezanten van wege de Republiek. —

Johan van Mathenesse, Adriaan Pauw en Johan de Knuit. —

Zeeland en Utrecht er tegen, dat men, buiten Frankrijk, vrede sluit. —

£gt;e Westjjhaalsche vrede door zeven der acht Nederlanders geteekend

30 Jan. 1648.

Van Rheede, heer van Nederhorst, weigert te teekenen.

De staten van Zeeland nemen de Knuit het teekenen kwalijk. — Utrecht

voegt zich. — Uitwisseling der ratificatiën te Munster ... 15 Mei 1648.

Zeeland treedt toe.................30 Mei 1648.

De vrede in Nederland afgekondigd...........5 Juni 1648.

Zeeland viert geen feest.

Art. 1 van den vrede: De Vereenigdc Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen erkend, — Art. 3 en 5: De staten-Generaal behouden hun veroveringen; de Spanjaarden beperken zich tot de vaart op Oost-Indië, gelijk zij nu is. — Art. 14: sluiting der Schelde. — Art. 21: Instelling der chambre mi-jjartie. — Art. 45: bekrachtiging der verdragen tusschen Spanje en het huis van Oranje.

De Generaliteitslanden: Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant met Maastricht en Staats-Limburg of de landen van Over-maas.

Staats-Brabant poogt vruchteloos als achtste gewest tot de Generaliteit

te worden toegelaten................ 1648, 1651.

Ook het verzoek om voor een verbonden gewest te worden verklaard lijdt schipbreuk.

-ocr page 470-

444

Jaren. n. C.

Dcelcn van Staats-Vlaanderen, hel vrije van Sluis, een groot stuk der voormalige vier ambachten, en hieronder het committimus van Zeeland. — Het vrije van Sluis een onderdeel van het vroegere vrije van Brugge. — Van de vier ambachten behoudt de Republiek dat van Hulst, van dat van Boekholt slechts Philippine, van dat van Assenede niets dan Sas van Gent. — liet bestuur over het voormalige ambacht van Axel, over Biervliet en ter Neuze, over Lillo en Liefkenshoek onder \'t bewind gesteld der gecommitteerde raden van Zeeland, die er ook de belastin

gen heffen. — „Committimusquot; uit hoofde van de opdracht van . . . 1588. De raad van state tracht vruchteloos het recht van beheer aan zich te

trekken .....................na 1648.

Deelen van Staats-Brabant: de stad en meierij van \'s Hertogenbosch, de

stad en het markgraafschap van Bergen op Zoom, de stad en baronie van Breda, de stad Grave en het land van Kuik, de heerlijkheden Willemstad , Steenbergen, enz.

De regeering van Maastricht tweeheerig. — De vier conunissarissen-deciseurs of de qroote commissie. — De kleine commissie.

De negentien redemtie-dorjjen alleen onderworpen aan de Staten-Generaal.

Verdrag van parlaye te \'s Gravenhage.............1661.

Art. 14 van den vrede: de schepen moeten op de Schelde inkomende en uitgaande rechten betalen en last breken of zij worden verbodemd. — De uitlegger bij Lillo. — Nederland houdt de hand aan het artikel secert 1654.

De Knuit waakt voor de belangen van het huis van Oranje bij den vrede.— Dit huis wordt hersteld in \'t bezit van verscheiden goederen in Franche-

Comté en bevestigd in dat van Kuik, Lingen en andere. — Het krijgt de heerlijkheid Montfoort in plaats van Diest, Sichem, enz.

Het huis van Oranje-Nassau verwerft ook Diest, enz......12 Oct. 1651.

Het Oude Bildt door indijking gewonnen........................1600.

De zeeboezem tusschen Workum en Hinlopen, benevens groote plassen ten

o. van Stavoren in land herschapen........., ^ 624,

De Zijpe gewonnen........................................1600.

De Beemster gewonnen ..................1612.

De Purmer gewonnen......................................1622.

De Warmer gewonnen......................................1626.

Leeghwater. — Land gewonnen op Voorne, Goeree, enz. —Menige streek op Noord- en op Zuid-Beveland, alsmede op Philipsland herrijst. —

Jakob Cats. — De waterstaat. — De waterschn/gt;pen. — De dijkgraaf. — De hoogheemroden. — De hoofdingelanden.

Verbond tusschen de Republiek en Zweden........... 1640.

Diplomatische betrekking tot Rusland. — Verbond met Venetië .... 1620.

Cornelis Haga gezant in Turkije............sedert 1611.

Een gewoon agent van Marokko vestigt zich te \'s Gravenhage.....1611.

De handel op de Levant. — De Staten-Generaal richten te Amsterdam

een college op van Bestuurders van den handel op de Levant..... 1624.

De burgemeesters van Amsterdam benoemen de leden van dat college. —

Consuls in de Levant. — liet college heft een gulden per last van alle schepen, die naar de Middellandsche Zee varen, en 1 p.c. van de meeste waren, die uit de Levant worden ingevoerd. — Ook in andere steden van Holland kamers voor den handel op de Levant opgericht. — Smyrna. — Handel op Home, Venetic, Sicilië, Alexandrië, Cairo, Constan-tinopel, enz. — Waren daarheen en vandaar gezonden.

-ocr page 471-

445

Jaren n. C.

Handel op Frankrijk. — Waren daarheen en vandaar gezonden. — De waarde van alles, wat Frankrijk aan Nederland levert, begroot op omstreeks 36,000,000 gl.................• . . 1558.

Handel op Rusland, Noorwegen, Zweden, Denemarken en de Oostzee. —

Waren daarheen en vandaar gezonden. — Verdrag van Cnristiano/jel . 1645.

De Oostzee jaarlijks bevaren door vierduizend Nederlandsehe schepen.

Handel langs den Rijn, op Duitschland en op Zwitserland. — De waarde van den handel op den Rijn jaarlijks geschat op honderd millioen. —

Waren hierheen gevoerd en vandaar getrokken.

Handel op de Zuidelijke Nederlanden, op Groot-Britannië, Spanje en Portugal. — Waren daarheen en vandaar gezonden. — De diamant van Amsterdam 10 a 15 p. c. duurder dan die van Antwerpen. — De Staten-Generaal geven vrijdom van rechten ten opzichte van een zeker aantal grootendeels Duitsche waren, wanneer zij worden ingevoerd, om ze naar Spanje over te brengen. — De Nederlanders drijven op naam van Spaansehe kooplieden veel handel op Spaansch Amerika. — Dit alles na ^•IS.

De vrachtvaart. — Zeelands beroemde gedenkpenningen. — De koopvaardijvloot van Nederland talrijker dan de schepen van alle volken van Europa tezamen. — Tweeendertig namen van winden, later vierenzestig bekend bij het Nederlandsehe zeevolk. — Dikbuiken. — De nijverheid.

Amsterdam. — Oprichting der bank aldaar ........... 1609.

Amsterdam wordt vergroot....... 1582, 1585, 1593, 1612, 1658.

De Heeren- en de Keizersgracht. — Het nieuwe stadhuis, gebouwd o. a.

door Jakob van Kampen,.............1648—1655.

Vlissingen een der hoofd-stapelplaatsen van de West-Indische compagnie, Middelburg van de Oost-Indische compagnie en de Fransche wijnen, Dordrecht van de Engelsche waren en den Rijnwijn, Leiden van laken-manufacturen en zijde. Delft van het aardewerk. Enkhuizen en Vlaar-dingen zetels van de haringvangst.

Coen keert naar het vaderland terug............................1622.

Hij wordt op nieuw gouverneur-generaal..........................1627.

De soesoehoenan van Mataram zendt een leger van 100,000 man op Batavia af 1629.

Coen sterft..............................................1629.

Antonie van Die men verovert een fort van Ceylon op de Portugeezen. 1638. De compagnie verovert Pnnto-Gale en Negombo.

Malakka gaat van Portugal op de compagnie over.........1641.

Japan breekt de buitenlandsehe betrekkingen af, behalve met Sina en met

de compagnie. —- De factorij van Firando verplaatst naar Decimn . . . 1641.

Van Diemen sticht te Batavia een Latijnsche school. — Hij laat er de Kruiskerk bouwen. — „De koningin van \'t Oosten.quot; — De tijgersgracht. —

Abel Tasman ontdekt Nieuw-Zeeland, van Diemensland, enz.

Vrijheid der drukpers. — Verdraagzaamheid op quot;t stuk van den godsdienst.

De Uoomsch-katholieken hebben in Holland geen volledige vrijheid van

eeredienst.................sedert omtrent 1574.

In Holland en in Zeeland vele leden der Waalsche kerk. — Doopsgezinden, Remonstranten , Lutherschen, Joden. — Joden uit Portugal. — De col-legianten of Rijnahurrjers. — De drie gebroeders van der Kodde sedert 1619.

Zware belastingen, ook op den verkoop van vaste goederen en schepen , op erfenissen, op levensmiddelen en versnaperingen, op brandstof, op dienstboden, paarden en rijtuigen. — Belastingen op het zegel. — In tijd van oorlog alom en zelfs van vrede in enkele gewesten een hoofdgeld. —

-ocr page 472-

446

Jaren n. C.

Holland en Zeeland heffen imposten op de allereerste levensbehoeften. —

Daar ook belasting op het trouwen en het sterven.

Het athenaeum te Franeker door Willem Lodewijk en de staten van Friesland gesticht...................... 1585.

De universiteit van Groningen door de staten van \'t gewest ingewijd

23 Aug. o. s. 1614.

Zij opent hare lessen met zes hoogleeraren.

De stad Utrecht sticht een doorluchtige school.......... 1634.

De staten veranderen den titel in Academie........... 1636.

De staten van het kwartier van Arnhem richten de hoogesehool te Harderwijk op...................... 1600.

Zij wordt een provinciale academie.............. 1647.

De illustre of doorluchtige scholen of Academische gymnasiën. — Gemiddeld vier hoogleeraren. — Vakken, hier onderwezen. — College voor de godgeleerdheid te Middelburg.............. 1609—1621.

Het wordt veranderd in een doorluchtige school.......... 1650.

De illustre school te Breda houdt op te bestaan.......... 1672.

De Staten-Generaal richten er een op te quot;s Hertogenbosch...... 1629.

De staten van Overijsel stichten er een te Deventer........1631.

De Latijnsche school te Harderwijk gesticht........... 1372.

Die van Groningen tot stand gekomen...........vóór 1594.

De lagere scholen staan onder de leiding der kerk. — In de heerlijkheden heeft de heer er ook grooten invloed op.

Marnix van St. Aldegonde schrijver van den Bijenkorf der Heilige Roomsche kerk. — Dirk Volkertsz. Coornhert, Hendrik Lau-rentsz. Spiegel en Roemer Visscher. — De beide laatsten leden van de Amsterdarasche rederijkerskamer „in liefde bloeiende.\'quot; — Coornhert vertaalt Boethius\' boek ooer de Vertroosting der ivijsbegeerte. — Spiegels hoofdwerk De Hartspiegel.

Bredero schrijver van het Moortje en de Sjjaansche Brabander. — Hij sterft 1618.

Samuel Coster tooneeldichter. — Hij sticht te Amsterdam een Academie of kamer.............•........1617.

De nationale schouwburg te Amsterdam..........sedert 1638.

Pieter Cornelisz. Hooft, drossaart of drost van Muiden, schrijft Gerard van Vehen en fVarenar met de pot.

Bor en van Reyd brengen bouwstoffen voor de geschiedenis dezer landen bijeen. — Hooft, eigenlijk de eerste Nederlandsche geschiedschrijver,

stelt de Nederlandsche historiën te boek, loopende over..... 1555—1587.

Hooft sterft....................... 1647.

De Amsterdamsche school.

Van der Does schrijft Bataviae Hollandiaeque Annales.

De Groot rechtsgeleerde, godgeleerde, historieschrijver, Nederlandsch en Latijnsch dichter. — Gedurende zijn gevangenschap schrijft hij Bewijs van den waren godsdienst en Inleiding toi de Hollandsche rechtsgeleerdheid, — Hij schrijft verder : de jure belli et pacis; Annales el historiae de rebus Bel-

gicis, loopende van de oudste tijden...........tot 1608.

de Apologia, enz.

Joost van den Vondel............... 1587—1679.

Hij wordt katholiek.................... 1640.

Hij huldigt de wet der eenheid van handeling en plaats.

Reien: de lofzang in den Lucifer, die der klarissen (nonnen van St. Clara,

-ocr page 473-

447

Jaren n. C.

gesticht 1212) en die der Amsterdamsehe maagden in den Gijsbrecht van Amstel. — De Palamedes. — De Harpoen en de Roskam. — Lucifer, .Jephtha, stukken ontleend aan Jozefs en aan Davids leven. — Maria

Stuart. — De altaargeheimenissen.

Een standbeeld voor hem opgericht te Amsterdam . ......Oct. 1867.

Jakob Cats geboren te Brouwershaven. — Ouderdom en Buitenleven, Invallende gedachten, de trouwring, het huwelijk. — De Dordsche school.

Dood van Cats op Zorgvliet.................1G60.

Constantijn Huygens. — De korenbloemen, — De ledige uren.

Gerard Brand schrijft het leven van de Ruiter en de geschiedenis der hervorming.

Rembrand.................... 1608—IG09.

„De nachtwacht,quot; de „openbare les in de ontleedkunde,quot; „Christus aan het kruis \', „Simeon in den tempel,quot; „Ahasuerus en Esther,quot; „de opwekking van Lazarus,quot; „Christus de wisselaars uit den tempel verdrijvendequot;.

Van der IIeist: „de schuttermaaltijd.quot; — Zeestukken van Bakhuizen en van de Velde. — Jan Steen: „een bruidegom en bruid meteen notaris.\'\' — Gerard Don: „de avondschool,quot; „een kwakzalverquot; en „een kluizenaar.

Kaiharina II koopt een van Don\'s meesterstukken voor ruim 14,000 gl. — Het stuk door de zee verslonden. — Frans van Mieris. — Potter: „de stier.quot; — Landschappen van Knisdaal. — Paarden van Wo u-werm an.

§ 23. Het stadhouderschap van Willem II.

Philips IV zendt Antonie Brun als gezant naar \'s Gravenhage . . . 1649.

Gezantschap der Staten-Generaal naar Londen ten behoeve van \'t leven van Karei I. — Zij erkennen Karei II als koning. — Zij weigeren gehoor te geven aan de residenten Walter Strikland en Izaak Doreslaar. —■ Doreslaar in den Huag in „de Zwaanquot; vermoord......Mei 1649.

Willem II volgt zijn vader in zijn bedieningen op, ook in het stadhouderschap van Groningen en Drente.......... 1647, 1648.

Hij zoekt de Staten-Generaal tevergeefs te bewegen zich voor Karei I in de bres te stellen. — Holland en Zeeland zijn er tegen.

De Staten-Generaal dragen hem, op een bezoldiging van 3000 gl. jaarlijks , het gouverneur- en kapitein-generaalschap op over de landen van Over-Maas. — Dit college bekleedt hem met dezelfde waardigheid over Wedde en Westerwolde. — De staten van Holland vereeren hem met het hout

vesterschap van hun gewest en geven hem 100,000 gl........ 1648.

Bepaling omtrent het aanstellen der overheidspersonen te Nijmegen . . 1591.

Willem II trekt dit recht aan zich.............. 1649.

De jaarlijksche uitgaven van Holland bedragen 8,000,000 gl. meer dan de

inkomsten ...................... 1643.

Ruim 2,660,000 gl. aan achterstallige soldij, dour Holland te betalen . . 1649. Schulden van dit gewest: 140,000,000 gl.

Besluit der Staten-Generaal omtrent de huisvesting van afgezanten der

vreemde mogendheden................Mei 1649.

Voorslag van den raad van state; vermindering van elk eskadion of elke

vaan ruiters met veertig man en van elke afdeeling, compagnie of vendel voetvolk met vijftig of dertig man. — Hollands voorslag: vermindering van elke compagnie voetvolk met vijftig man.

-ocr page 474-

448

Jaren n. C.

Aanschrijving der gecommitteerde raden van Holland aan de oversten van \'t krijgsvolk hunner repartitie.............20 Juli 1648.

Tegen het goedvinden van den raad van state, van Willem II en van Willem Frederik ontslaan de gecommitteerde raden op nieuw een aantal manschappen .....................Oct. 1C49.

Brieven van verbod der Staten-Generaal aan de bevelhebbers der troepen. — De afdanking blijft iu stand.

Aanvraag der staten van Holland om vijftig compagniën vreemdelingen

af te danken in plaats van de vijftig compagniën landzaten, gaworven in 1 628.

Aanvraag van dezelfden om het getal compagniën van alle uitheemsche regimenten tot tien te beperken en de helft der ruiterij af te danken. — Tegenstand van de Staten-Generaal en den prins.

Verklaring der staten van Holland...........1 Dec. 1649.

Bevel der staten van Holland aan hun gecommitteerden aangaande de afdanking ....................9 April 1650.

Vergadering der Staten-Generaal...........10 April 1650.

De afdanking gaat voorshands niet voort.

Verschillende schikkingen voorgesteld...........Mei 1650.

Besluit der staten van Holland om voort te gaan met de afdanking 30 Mei 1650.

Brieven gezonden aan de kapiteins van eenendertig compagniën voetvolk en twaalf eskadrons ruiterij.

Witte Cornelis de Witte keert uit Brazilië terug .... April 1650.

Op bevel van den prins wordt hij in hechtenis genomen, alsmede op last der Staten-Generaal, eenige zijner kapiteins.

De overheid van Amsterdam doet de kapiteins in vrijheid stellen. — Verzoek der staten van Holland aan den prins nopens de Witte. — Hij wordt ontslagen. — Hij wordt tot een geldboete veroordeeld ......1651.

Buitengewone vergadering der Staten-Generaal, van den raad van state en de beide stadhouders. — Ontwerp van Cornelis Musch. — Er is één afgevaardigde van Friesland en van Overijsel, twee van Groningen.— Zeeland, Overijsel en Groningen zijn voor het ontwerp. —- De afgevaardigde van Friesland verwijdert zich. — De negen afgevaardigden van Gelderland zijn tegen het ontwerp. Holland insgelijks. — Utrecht stemt niet mede. — Besluit...............5 Juni 1651.

Aanteekeningen van Gelderland en Holland op dit besluit.

Bezending; de prins; Alexander van de Capelle, heer van Aartsbergen, vervaardiger van gedenkschriften, enz. —- Dordrecht en Jakob de Witt. — De bezending slaagt hier niet, evenmin te Delft, Amsterdam, Haarlem. — Medemblik weigert ze te ontvangen. — Gorinehem, Schoonhoven, den Briel, Rotterdam kunnen zich niet verbinden.

Besluit der staten van Holland nopens de bezending. — Nieuwe onderhandelingen over de afdanking. — Verschil van 300 ruiters en ruim 300 voetknechten.

Jakob de Witt, de Waal, Ruil, Duist van Voorhout, Nanning Keizer en Nikolaas Stellingwerf te \'s Gravenhage in hechtenis genomen 30 Juli 1650.

De zes worden naar Loevestein gebracht........ 31 Juli.

Willem Frederik breekt met de troepen tegen Amsterdam op 23 Juli.

Een ander deel der troepen geraakt bij Hilversum aan het dwalen.

De Hamburger postbode brengt het bericht van den aantocht der troepen te Amsterdan.................30 Juli.

Cornelis Bicker één der vier burgemeesters.

-ocr page 475-

449

Jaren n. C

De prins van Oranje komt bij het leger .........3i Ju]i igso

Verzoek van Willem II en van de staten van Holland aan de Staten-Generaal.

Verdrag. — Amsterdam voegt zich in het twistgeding over het krijgsvolk naar de zes provinciën. — De troepen zullen aftrekken. — Bijzonder

artikel, rakende Andries en Cornelis Bicker,.......3 Aug 1650

Eenige maanden vroeger geeft Amsterdam den prins 150,000 gl. ten

geschenke en leent hem 2,000,000 gl.

De Witt en Duist in vrijheid gesteld. — De Witt doet afstand van zijn

bedieningen. — De prins ontslaat de vier andere heeren.

Willem II laat uan de Staten-Generaal een verzegeld geschrift ter hand stellen. — Het blijft ongeopend. — Eveneens een dergelijk geschrift bij de staten van Holland ingediend.

Eenparig besluit der staten-Generaal om vijfentwintig compagniën voetvolk

en twaalf van de ruiterij te ontslaan............ Aug. 1650

Deze maatregelen toegepast op de vreemde compagniën.

De staten van Zeeland, Gelderland, Overijsel, Utrecht en Friesland bedanken den prins.

Zeeland vermindert, tegen het eens gegeven consent, zijn eigen oorlogslasten 1626 Gebreken van Musch. — Andere raadslieden van den prins: de heer van

Uenswoude en Aerssen, heer van Sommelsdijk.

Punt van twijfel, of de unie geschikt is voor een tijd van vrede . . . 1643 De prins gaat naar Dieren, — Hij sterft, oud ruim vierentwintig jaren,

Nov. 1650

Hij was door d Estrades met het lokaas van Antwerpen gewonnen om den vrede te schenden. — Ontwerp-verdrag tusschen den prins en d\'Estrades . . ................... Oct. 1650

§ 24. De groote vergadering. — De eerste Engelsche zeeoorlog.

Jakob de Witt in zijn waardigheden hersteld. — Amsterdam herkiest de gebroeders Bicker in de regeering.

Willem Hendrik geboren................ 2sfov

Bezending der staten van Holland.

Mededingers naar de voogdij; de weduwe van Willem II, die van Frederlk

Hendrik en Erederik Willem, getrouwd met Louise Henriëtte sedert 1646 Zij wordt onder hen drieën verdeeld.

Regelingen van binnenlandschen aard door de staten van sommige gewesten. — Het voorrecht om haar eigen schepenen en burgemeesters te verkiezen aan de stemmende steden toegestaan. — In de nietstem-mende steden doen het van nu aan de staten of hun gecommitteerde raden. Het recht van eerste edele in Zeeland voor nietig verklaard. — Te Veere en te Vlissingen blijven de voogden van den markgraaf de magistraatspersonen verkiezen, — In Holland komt het begeven van aile hooge krijgsambten, het recht van gratie en de benoeming van

rector der Leidsche hoogeschool aan de staten...... 1650, 1651

Willem Erederik door Groningen en Drente tot stadhouder benoemd

Nov, en Dec. 1650.

Cats opent de groote vergadering, uit ruim 300 personen bestaande, 18 Jan. 1651 Beraadslaging over de unie, de religie en de militie.

Gevoelens der provinciën over de unie. — Friesland en Groningen dringen op de benoeming van een kapitein-generaal aan. — Gevoelens over WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderland, Achtste druk. 29

-ocr page 476-

460

Jaren n. C.

het oppergezag in zaken van oorlog. — Besluit omtrent de patenten. — Vaststelling van andere punten, rakende het krijgswezen. — De staten van Drente bij vergissing beschreven. — Zij worden buiten de vergadering gehouden. — Weerlegging van het geschrift des prinsen. — Een amnestie afgekondigd. — De vergadering gesloten .... 21 Aug. 1C51.

Cats legt het ambt van raadpensionaris neer. — Adriaan Pauw wordt

zijn opvolger......................IC51.

De staten van Holland kennen Amsterdam ruim 54,000 gl. toe

Joachimi keert, op uitnoodiging van \'t parlement, naar Nederland terug 1650.

De staten van Holland zenden een commissie naar Londen..... 1650.

Gezantschap van \'t parlement naar Nederland gezonden. — Het verwerft gehoor in de groote vergadering. — Het stelt voor een nauw verbond met Engeland te sluiten.................1651.

Hiertoe bestaat weinig geneigdheid bij de Staten-Generaal. — Het parlement roept zijn gezanten terug...............1651.

De akte van navigatie.................Oct. 1651.

Aanleidende oorzaken dier akte ...............

Verordening van Frankrijk. — Omtrent f 1,25 per ton geheven van alle vreemde schepen, die in zijn havens komen laden.

Dergelijke bepaling, door Zweden uitgevaardigd.

Het getal der Nederlandsche vrachtschepen beloopt meer dan 11,000 . 1651.

Cats en andere gezanten vertrekken naar Engeland. — Eischen der Engelschen omtrent het strijken der vlag, het doorzoeken der schepen, Amboina. — Zij nemen eenige vaartuigen der Nederlanders.

Maarten Harpertsz. Tromp stoot bij Dover op B1 ake. — Het

gevecht blijft onbeslist...............29 Mei 1652.

Michiel Adriaansz. de Kuiter slaat Askue bij Plymouth. . . 1652.

De driedaagsche zeeslag bij Portland tusschen Tromp en Blake blijft

onbeslist....................Eebr. 1653.

De slag bij ter He ij de tusschen Tromp en Monk. — Tromp sneuvelt . . . •................. 10 Aug. 1653.

Gevecht bij Livorno. — Van Galen verslaat Appleton..... 1653.

De With, de Vries.

Tromp geboren in den Briel................. 1597.

Hij woont den slag bij Gibraltar bij. — Lodewijk XIII schenkt hem de orde van St. Michiel.

Zijn nagedachtenis door de Staten-Generaal vereerd met een graftombe in de Oude Kerk te Delft.

De Kuiter te Vlissingen geboren............... 1607.

Hij is leerjongen in een lijnbaan. — Hij vaart ter koopvaardij . . tot 1641.

Hij treedt als kapitein ter zee en schout-bij-nacht in dienst van den staat 1641.

Hij treedt weer in dienst van de heeren Lampsens.

Lieuwe van Aitzema schrijver der „Zaken van staat en oorlog.quot;

Holland laat in Engeland de eerste stappen tol den vrede doen . Maart 1653.

Johan de Witt pensionaris van Dordrecht............ 1650.

Dood van Pauw. — Johan de Witt bij voorraad raadpensionaris van

Holland.................... Eebr. 1653.

Dit ambt wordt hem voor goed opgedragen.........Juli 1653.

Hieronymus van Beverningk, Nieupoort, Paulus van de Perre en Jongestal vertrekken als gezanten der Staten-Generaal naar Londen ..................... 1653.

-ocr page 477-

451

r- i, • i • • . Jaren n. C.

Lreheime briefwisseling van van Beverningk en Niewpoort met de W;tt.

Onlusten te Alkmaar en te Enkhuizen............ 1653

Voorslag der staten van Zeeland ter Generaliteit om den jongen prins te benoemen tot kapitein-generaal en admiraal der unie en graaf Willem Frederik tot zijn luitenant. — Holland verhindert de beraadslaging

hicr0Ver.....................Juli 1653.

De Engelsche Republiek brengt het stuk der samensmelting weder ter sprake. — Vruchteloos. — Ontwerp van vrede, aan de Nederlandsche gezanten medegedeeld, houdende het voorstel, dat de staten-Generaal,

noch de staten der gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zullen aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder........................ 1653

Van de Perre sterft. • Gromwell protector van Groot-Britannië . . Dec. 1653.

Gromwell staat vast op het stuk der uitsluiting van den prins.

Antwoord der Staten-Generaal op den voorslag der Engelsche Republiek.

Cromwell verlangt de uitsluiting van de staten van Holland.

De onderhandelingen over deze aangelegenheid blijven onbekend aan Jon-gestal, de Staten-Generaal en \'t meerendeel der staten van Holland.

Vrede van Westminster. — De Nederlanders zullen in de Britsche wateren voor e\'én of meer Engelsche oorlogschepen de vlag strijken. — Elk der beide staten zal zich onthouden van \'t verleenen van bijstand aan de vijanden des anderen. Er zal recht worden gedaan wegens het op Amboina gebeurde. —-

Ieder, die in t vervolg tot stadhouder van eenig gewest of tot kapitein-generaal en admiraal der unie wordt benoemd, zal een eed op dit verdrag afleggen. — De vrede bekrachtigd door de Staten-Generaal 23 April 1654.

De vrede bekrachtigd door Cromwell .........30 April 1654.

De Witt koestert de hoop, dat Cromwell ten aanzien der uitsluiting van

inzicht zal veranderen.............. 3 April 1654gt;

De Witt getrouwd met een dochter van Jan Bicker........ 1655.

Hij dringt het slot Eoevestein binnen........... ^ug. 1650.

De Loeoesteinsche factie.

Cromwell volhardt. — De zaak der uitsluiting in de staten van Holland overwogen. Eed van geheimhouding. — Veertien leden er voor. — Aanteekening van Haarlem, Leiden, Alkmaar, Enkhuizen en Edam.

April en Mei 1654.

De akte van uitsluiting naar Engeland gezonden.

De Staten-Generaal gelasten de afgevaardigden, te Londen zijnde, hun een atschrift van de akte over te zenden. — Vertoogen van de prinsessen van Oranje en van den keurvorst van Brandenburg en bij de Staten-Generaal,

èn bij de staten van Holland tegen de uitsluiting. — Verdeeldheid ter Staten-Generaal.

Zeeland, Friesland en Groningen trekken te velde tegen de akte. — Deductie van de Witt, met goedvinden van alle leden, behalve van Haarlem,

Leiden en Enkhuizen, uitgegeven.

§ 25. De Staat onder de leiding van de Witt. — De bemoeiingen der Republiek met den oorlog in \'t Noorden van Europa. — De tweede Engelsche zeeoorlog.

De keizer van Duitschland verheft de graven van Nassau, met den titel

van prins, tot rijksvorsten.......■........ jgg^

29*

-ocr page 478-

452

Jaren n. C.

Geschil in Overijsol over de vraag, of llutger van Haersolte zal worden benoemd tot drost van Twente. — De meerderheid der ridderschap, benevens de steden Zwol en Kampen, de stadhouderlijke aanhang, zijn er voor. — Deventer en de overige edelen, de staatsgezinden, zijn ertegen. — De partij van Haersolte houdt haar zittingen eerst te Kampen en vervolgens te Zwol, de andere te Deventer. — De twist duurt drie jaren......................tot 1G57.

De beide partijen roepen de staten van Holland als scheidsrechters in. —

De benoeming van Haersolte wordt te niet gedaan........ 1657.

De Staten-Generaal leggen de geschillen in Stad en Lande bij.

De Witt brengt de renten van Hollands schuld van 5 tot 4 ten honderd,

of van den penning 20 tot 25. — Deze wijziging geeft een jaarlij ksch voordeel van / 1,400,000 .................... 1655.

Het bedrag van de rente der staatsschuld van Holland daalt van 6,907,708

gl. tot 5,580,956 gl.................. 1654—1672.

De maatregel uitgestrekt tot alle schulden der Generaliteit. — Andere financiëele maatregelen van de Witt.

Hij schrijft een paar hoofdstukken in het werk van Pieter de la Court, „Interest van Hollandquot; of „Aanwijzing der heilzame politieke gronden en maximen der republiek van Holland en West-Frieslandquot; getiteld.

Een aantal krijgslieden afgedankt. — Dood van Bred erode. —Het ambt

van veldmaarschalk blijft voorshands onvervuld......... 1655.

Coccejus hoogleeraar te Leiden............... 1650.

Voet hoogleeraar te Utrecht.............. 1634—1676.

Strijd tusschen de Coccejanen en de Voelianen. — De Voetianen zijn voor de heiliging van den Zondag en beschouwen de rechtstreeksche benoeming der regeering met de kerk als aanmatiging. — Zij zijn zeer gehecht aan het huis van Oranje-Nassau............... 1658.

De skaten van Holland leggen aan de beide partijen het stilzwijgen op.

Holland bouwt zestig nieuwe oorlogschepen......... 1652—1654.

Holland betaalt alleen voor kanonnen meer dan zes millioen.

De staten van Holland richten te \'s Gravenhage een geschutgieterij op . 1655.

De Oost-Indische compagnie moet den staat zes oorlogschepen, voerende

50 a 75 stukken geschut, en vier-en-twintig kleinere leveren ongev. . . 1665.

Op het nemen van een vijandelijk schip wordt 6000 tot 50,000 gl. gesteld.

Oorlog tusschen Karei X Gustaaf van Zweden en Polen....... 1655.

Koenraad van Beuningen vertrekt met anderen als buitengewoon gezant naar Denemarken.

Jakob van Wassenaar-Obdam luitenant-admiraal van Heiland. —

Hij stevent naar de Oostzee. — Hij staat Frederik III bij..... 1656.

Zege van Wassenaar nabij Kroonenburg op Wrangel. — De With

komt om....................... 1658.

Concert te \'s Gravenhage................Mei 1659.

Hollands vice-admiraal de Ruiter landt op Funen en verovert Nijborg Nov. 1659.

De vredes van Oliva en Koppenhagen............. 1660.

In dien oorlog werkt de stadhouderlijke partij de Witts bedoelingen tegen. — De Ruiter door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven.

Cromwell wordt bondgenoot van Frankrijk en geraakt in oorlog met Spanje 1655.

De Staten-Generaal gelasten de Ruiter zonder oogluiking de Fransche kapers

-ocr page 479-

453

Jaren n. C.

te bestrijden en te nemen. — Hij maakt zich in de Middellandsche Zee meester van -,wee schepen................. 1657.

Karei II beklimt den troon van Groot-Britannië......... 1660.

Hij reist van Breda naar Holland. — De Staten van Holland stellen voor quot;s konings onthaal zes ton, de Stalen-Generaal drie millioen beschikbaar. —

Karei beveelt de belangen van den jongen prins aan die beide lichamen aan.

Zeeland wil Willem Hendrik hebben benoemd tot kapitein-generaal en admiraal der unie, alsmede tot stadhouder van Holland en Zeeland. — Het geeft Holland van dit besluit kennis.

Holland, Gelderland en Friesland meenen, dat den prins, zoolang hij geen achttien jaar oud is, geen aandeel aan \'t bewind kan worden gegeven. — Friesland en Overijsel willen hem tevergeefs zitting laten nemen in den raad van state.

Brief der beide prinsessen van Oranje aan de staten van Holland. — Zij besluiten \'s prinsen opvoeding ter hand te nemen .... 25 Sept. 1660.

Maria sterft. — Karei H wordt gekend in alle beschikkingen, rakende

die opvoeding,...................Jan. 1661.

Intrekking der akte van seclusie............ Sept. 1660.

Beginsel van de Witt aangaande Engeland en Frankrijk.

Drie Engelschen te Delft gevat en aan Karei II uitgeleverd.

Verwerend verbond met Frankrijk. — Wijziging van het tonnegeld. — Ver-waarborging van Nederlands vrijheid van zeevaart en vischvangst April 1662.

Verdrag met Engeland................ Sept. 1662.

Frankrijk koopt Duinkerken van de Kngelschen.......... 1662.

Overtuiging van de Witt omtrent de Spaansche Nederlanden.

Onderhandelingen tusschen Philips IV en Nederland........1661.

De graaf d\'Estrades, de schrijver der Mémoires, vestigt zich als gezant van Frankrijk te \'s Gravenhage. — Onderhandelingen tusschen hem en de Witt over het lot der Zuidelijke Nederlanden.

Verordening der staten van Holland omtrent het gebed....... 1663.

Besluit derzelfde staten, houdende een indemniteit,......... 1663.

d\'Estrades reist met volle beurs bij de steden van Holland langs.

Holmes vermeestert eenige Nederlandsche bezittingen op de westkust van Afrika en bemachtigt Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam of New-York. — Ook nemen de Engelschen vele Nederlandsche koopvaardijschepen ....................... 1664.

Weerwraak van de Ruiter op de kust van Guinea.

Verbod van den invoer van wol en zijde door de Staten-Generaal uit Groot-Britannië in de Republiek.

De tweede Engelsche zeeoorlof/. — Nederlaag, aan de Nederlandsche vloot toegebracht op de hoogte van Lowesthoff door den hertog van York. — Kortenaar sneuvelt. — Was s en aar-O b d am vliegt in de lucht.................... 15 Juni 1665.

De vloot onder de Ruiter als opperbevelhebber, Cornells Tromp en anderen gesteld. — Hen vergezellen drie gevolmachtigden der Staten-Generaal. — De lijfwachten van Johan de Witt.

Johan de Witt brengt de vloot bij Texel in zee. — Hij keert onverrichter zake terug.

Vierdaar/sche zeeslag. — De Ruiter aan \'t hoofd eener vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand. — Hij wint den slag

-ocr page 480-

454

Jaren n. C.

bij F o r e 1 a n d op prins Robert en Monk,he rtogvanAlbemarle. —

Ayseue met 3000 Engelschen gevangen. — Zes schepen veroverd. — Cornells Evertsen de oude snenvelt......11—14 Juni 1666.

Gevecht bij Duinkerken. — De Rnlter wijkt voor Monk. — Jan Evertsen

sneuvelt. — CornelisTromp........... Aug. 1666.

Lodewijk XIV schenkt de Ruiter de orde van St. Michiel.

De staten van Holland ontslaan Tromp uit den dienst.

De Engelschen steken 100 a 150 koopvaardijschepen in het Vlie in brand en verwoesten een gedeelte van Terschelling. — De schade op twaalf millioen begroot.................. 1666.

De Statcn-Generaal mengen zich in een geschil tasschen de stad Munster en Christoffel Bernhard van Galen. — Van Galen beweert, dat Borkulo aan hem leenroerig is. —- Op aansporing van Karei II doet hij den Staten-Generaal den oorlog aan............. 1665.

Hij bemachtigt Borkulo, Lochem, enz.

De Staten-Generaal stellen Johan M au rits van Nassau aan quot;t hoofd van hun krijgsvolk. — Van Beuningen naar Frankrijk gezonden. — Lodewijk zendt bijstand ................. 1665.

Willem Frederik sterft. — Hendrik Kasitnir II......Oct. 16C4—1696.

Gelderland, Zeeland, Friesland, Overijsel en Groningen wenschen den

prins tot kapitein-generaal te verheffen..........Oct. 1665,

Van Beverningk sluit een verdedigend verbond met Brandenburg . . . 1666.

Verdragen met Denemarken. — Een hiervan zonder kennisgeving aan de staten der bijzondere gewesten.

Geheim besogne van acht leden der Staten-Generaal en hun griffier.

Vrede van Kleef. — Van Beverningk ............. 1666.

Zeeland dringt weder op de verheffing van den prins aan. — De meerderheid der staten van Holland houdt het tegen.

Op verzoek van \'s prinsen grootmoeder nemen de staten van Holland

Willem Hendrik tot kind van slaat aan.........April 1666.

Zij verwijderen de Engelschen en Frederik van Nassau, heer van Zuilestein. — Johan de Witt oefent het toezicht op die opvoeding.

Ook Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat, uit \'s prinsen dienst ontslagen. — Hij laat de Witt de Engelsche brieven lezen. —

Buat op last der gecommitteerde raden in hechtenis genomen . Aug. 1666_

Het hof van Holland veroordeelt Buat, met een meerderheid van vijf tegen drie stemmen, ter dood. — Zeeland verlangt opening van de zaak. — Het vonnis voltrokken................Oct. 1666.

Vonnissen tegen Buats medeplichtigen.

Lodewijk XIV verklaart Engeland den oorlog........Jan. 1666.

Pest in Engeland, inzonderheid te Londen. — Hongersnood aldaar . . 1666.

Brand van drie dagen te Londen. — 13,000 huizen en 89 kerken verbrand. —

De schade geschat op 6,900,000 pd. sterl..........Sept. 1666.

Vredes-onderbandelingen te Breda geopend. — Van Beverningk en Jongestal. — Gezanten van Denemarken, Zweden en Frankrijk als middelaars. — d\' Estrades.

De vloot der Republiek telt meer dan 80 schepen, met ruim 17,000 koppen bemand en over de 3,000 stukken geschut gewapend.

De Hollandsche vloot onder de Ruiter steekt in zee. — Cornelis de Witt gevolmachtigde der Staten-Generaal. — Friesland en Zeeland benoemen er geen. — Tocht naar Chattam,

-ocr page 481-

455

Jaren n. C.

De vloot voor den mond der Theems......... 17 Juni 1667.

Van Geut zeilt de Medway of het kanaal van Rochester op . 20 Juni.

Van Brake!. — Hij verovert en slecht het fort Sheerness; hij neemt de Unit//. — Van Rijn zeilt met de pro patria de keten aan stukken. — De „Koyal Charlesquot; naar Nederland gezonden. — De staten van Holland schenken de Ruiter, de Witt en van Gent een gouden kop.

Abraham Krijgszoon vermeestert Suriname voor Zeeland . . Febr. 1667.

Vrede te Breda. — Utipossidetis. — Beperking der akte van navigatie 31 Juli 1667.

§ 26. De triple alliantie en de vrede van Aken. — Het begin van den oorlog van 1672.

Philips IV sterft. — Karei II................ 1665.

Recht van devolutie. — Lodeivijk XIV valt in de Zuidelijke Nederlanden Mei 1667.

Hij verovert Charleroi, Doornik, enz.

De markgraaf van Castel-Rodrigo en Spanje roepen den bijstand dei-Republiek in.

De Witt brengt een wapenstilstand tusschen Spanje en Frankrijk tot stand 1667.

Handelsverdrag van de Republiek met Zweden...... . . Juli 1667.

Holland slaat aan het geheim besogne voor een paar veldmaarschalken te benoemen, den prins van Oranje zitting te geven in den raad van state en vast te stellen, dat een kapitein-generaal-admiraal in \'t vervolg geenszins stadhouder mag zijn. — Utrecht stemt met het laatste punt in. — De meeste gewesten er tegen.

Eeuwig edict....................5 Aug. 1667.

Dit besluit door de overige gewesten afgekeurd. — De Staten-Gcneraal benoemen Joh an M au rits van Nassau en Paulus Wirtz tot veldmaarschalk.

Willi am Temple, de schrijver der „Opmerkingen over den toestand der vereenigde Nederlanden,quot; verstaat zich te \'s Gravenhage met de Witt. —

De triple alliantie komt in vier dagen tot stand. — Zwedens rijksraad

treedt toe.....................Jan. 1668.

De Generaliteit teekent het zonder ruggespraak met de gewesten.

Spanje treedt toe..........................................1669.

Vrede van Aken..........................................1668.

DVEstrades vervangen door Pomponne. — Zijn last ........ 1669.

Willem neemt ais eerste edele zitting in de staten van Zeeland Sept. 1668.

Hij wordt meerderjarig verklaard............... 1668.

De staten van Holland besluiten, dat geen stadhouder zitting zal hebben in den raad van state. — Die van Utrecht vernietigen het stadhouderschap van hun gewest.

Geschillen in Overijsel bijgelegd door gemachtigden uit Holland .... 1671.

De raad van state laat een gedenkpenning slaan op den vrede van Aken.

Lodewijk XIV tracht de Staten-Generaal van het drievoudig verbond af te trekken.

Verdrag tusschen hem en den rijksraad van Zweden........ 1672.

Hij vindt een doof oor bij den keurvorst van Brandenburg.

De hertogin van Orleans biedt Karei II een geldsom. — Louise de

Quérouaille of Mejufvrouw Kerwal, later hertogin van Portsmouth, Mei 1670.

Geheim verdrag van Dover................Juni 1670.

-ocr page 482-

456

Jaren n. C.

Lodewijk verovert Nancy . ■................................1670.

De harmonie. — De prins krijgt toegang en, behalve voor de belangen

van zijn huis, stem in den raad van state...........\' 670.

Reis van Willem naar Karei II..............................1670.

De invoer der Nederlandsehc waren in Frankrijk zwaar belast. — De

Franschen mogen geen brandewijn laden in Nederland......1671.

De Staten-Generaal verbieden of belasten zwaar den invoer van Franschen

brandewijn, enz.....................1671.

Zij rusten meer dan zestig oorlogschepen en branders uit......1671.

De Staten-Generaal sluiten een verdedigend verbond met Spanje Dec. . . 1671. De prins wordt tot kapitein-generaal voor ée\'n veldtocht benoemd Febr. 1672. Verdragen met den keurvorst van Brandenburg en met den keizer van

Duitschland.

Betuiging der Staten-Generaal aan Lodewijk.........Dec. 1671.

Pieter de Groots verzoek aan Lodewijk XIV.......Jan. 1672.

Het Fransche leger trekt bij Charleroi bijeen.

De Engelschen tasten de Smyrnasche vloot der Republiek, op anderhalf

millioen geschat, bij Wight aan .............. 1672.

Oorlogsverklaring van Lodewijk ........... 7 April 1672.

De gedenkpenning, aan van Beuningen toegeschreven, waarschijnlijk in

Duitschland geslagen ...............ongev. 1709.

De oorlogsverklaring van Engeland...........7 April 1672.

Het voorval met de Merlijn. —- Van Gent .........Aug. 1671.

Bernard van Galen verklaart den oorlog .......18 Mei 1672.

Maximiliaan Hendrik doet dit ook............ 1672.

Lodewijk XIV vertrekt uit Parijs naar Charleroi.....27 April 1672.

Hij komt hier aan.................5 Mei

Hij breekt op...................11 Mei

Hij trekt voorbij Maastricht, neemt Orsoy, Burik, Wezel, Rijnberk, Rees en Emmerik.

Het Nederlandsche leger bij den IJsel telt ruim 14,000 man voetvolk, 7000 ruiters en eenige duizenden gewapende landlieden.

Het Fransche leger heeft 118,000 man, SOOO adellijke vrijwilligers en 200 stukken geschut. — Turenne en Condé.

Het overtrekken bij het tolhuis te Lobith begint. — Jan Peterszoon. —

Johan Barton deMontbas. —Wirtz. —Conde gewond . 12 Juni 1672.

De Montbas te \'s Gravenhage in beeltenis opgehangen.....Juli 1673.

Het leger der Republiek trekt op Utrecht terug. — De meeste steden van Gelderland en geheel Utrecht bezwijken binnen tien dagen.

De stad Utrecht gaat over.............23 Juni 1672.

Naarden geeft zich over. —- Het Fransche leger bij Zeist.

De bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen veroveren Borkulo, Elbnrg, Harderwijk en Hattem. — Hieruit verdrijven hen de Franschen.

Zij onderwerpen Overljsel en Koevorden.........12 Juli 1672.

Beekman dwingt de Franschen van Aardenburg af te deinzen . . Juni 1672.

De Ruiter levert den slag bij Solebay tegen den hertog van York en D\'Es trees. — Stuurman Zeger. — Het voordeel aan den kant van de Ruiter. — Van Gent sneuvelt. —Cornelis de Witt gedeputeerde der Staten-Generaal, met zijn beide lijfwachten 7 Juni 1672.

De schuldbrieven der Republiek dalen tot 30 p.c. en lager. — Be actiën der Oost-Indische compagnie dalen tot op de helft.

-ocr page 483-

457

Jaren n. C.

Pieter de Groot en andere gezanten naar den koning gezonden. — Eischen

van Lodewijk. — Vorderingen van Engeland........Juni 1672.

§ 27. Het vervolg van den oorlog van 1672. — De dood der gebroeders de Witt. — De verheffing van Willem III,

De staten van Holland steken de dijken door. — Toerusting van Amsterdam.

Aanslag op den raadpensionaris op het „groene zoodje\'quot; te \'s Gravenhage

21 Juni 1672.

Jakob van der Graaf door het hof van Holland ter dood veroordeeld. — Het vonnis voltrokken.............. 29 Juni

De schilderij te Dordrecht vernield. — Vruchtelooze aanslag tegen den ruwaard. — Aanval op het huis van de Ruiter.

Belofte van de wethouders te Veere.......... 21 Juni 1672.

De vroedschap te Dordrecht draagt het stadhouderschap aan Willem op. — De ruwaard onderteekent het gedwongen.......19 Juni.

De Staten van Zeeland benoemen Willem tot stadhouder ... 2 Juli.

Die van Holland doen het.............3—4 Juli.

Willem III..................... 1672—1702.

De Staten-Generaal benoemen hem tot kapitein-generaal der unie en geven hem de beschikking over de patenten.

Dc onderhandelingen met Engeland komen op den voorgrond, die met Frankrijk op den achtergrond. — Willem III ontvangt de Engelsche gezanten in zijn legerplaats bij Bodegraven.

Het ontwerp van Heeswijk..............16 Juli 1672.

Voorwaarden, door Willem III in \'t geheim aangeboden aan Karei II. — Verschil dezer voorwaarden met Kareis eischen.

De Witt verwerft zijn ontslag als raadpensionaris. — Hij krijgt zitting

in den hoogen raad................6 Aug. 1672.

Vonnis tegen Willem Tichelaar ............... 1670.

Zijn beschuldiging tegen Cornelis de Witt. — Betuiging van de Witt. —

De pijnbank. — Het vonnis............20 Aug. 1672.

Samenrotting van het volk te \'s Gravenhage.......16 Aug. 1672.

Tweede samenrotting. — Hendrik Verhoeftquot;. — Tilly. — De de Witten omgebracht te midden eener gewapende menigte van 1100 tot 1200 men-schen. — Simonides. — Tromp...........20 Aug.

De prins belet de vervolging van \'t misdrijf en geeft Tichelaar een jaargeld. — Jan van Bankhem baljuw van den Haag.

Gaspar Fagel tot raadpensionaris van Holland benoemd ... 20 Aug.

De registers van de Witts voorgangers beloopen, in 65 jaren, 23, 475, dc zijne, in 15 jaren, 22,951 bladzijden. — De commission en rapporten zijner voorgangers zijn in 67 jaren ten getale van 87, de zijne in 15 jaren 534.

De staten van Holland machtigen den prins do wet te verzetten 27 Aug.

Verzetting der wet in Zeeland.

\'s Prinsen poging om Naaiden en Woerden te vermeesteren mislukt.

De hertog van Luxembourg doet een inval in Holland . . . Dec. 1672.

Hij overvalt Zwammordam en Bodegraven. — Mozes Pain et Vin bewaakt de Nieuwerbrug. — Hij trekt naar Gouda. — Hij wordt, na twee andeie vonnissen, ter dood veroordeeld. — Hot vonnis voltrokken..... 1673.

De bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen belegeren Groningen zes weken lang. — Karei van Rabenhaupt. — De bisschop blaast

-ocr page 484-

458

Jaren n. C.

den aftocht met oen verlies van ongeveer 5000 man. — De stad mist omtrent 100 mensehen............. 27—28 Aug. 1672.

De Groningers hernemen Winschoten, Wedde, enz.

Rabenhaupt verrast Koevorden. — Meindert van Thijnen ... 30 Dec. 1672.

Driedaagsche storm bij de kust van Holland.........Juli 1672.

Vrede van Fossem...................Juni 1673.

De Staten-Generaal sluiten verdragen met Denemarken, den hertog van Lotharingen, Leopold I en Spanje.

Slag bij Schooneveld. — De Kuiter en Tromp tegen d\'Estrees en prins Robbert. — Het voordeel aan den kant van Nederland 7 Juni 1673.

Zege van de Ruiter bij Kijkduin op dezelfden......21 Aug. 1673.

De Nederlandsche kapers brengen ongeveer 2800 schepen der vijanden op

1672, 1673.

Willem verovert Bonn.................Nov. 1673.

De aftocht der Franschen kost Utrecht 450,000 gl.

Lodcwijk zelf gaat naar Frankrijk terug ............ 1672.

Maastricht gaat over in handen der Franschen.......1 Juli 1673.

Vrede van Westminster...............19 Febr. 1674.

De bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen, die Rijnberk verkrijgt,

sluiten vrede. — De keurvorst van Brandenburg hervat den oorlog. — De Zweden vallen in de Marken.............. 1674.

Beraadslaging ter Staten-Generaal over Utrecht, Gelderland en Overijsel.— Verlangen van Friesland en Groningen. — Wensch van Holland. — De drie gewesten weder tot het bondgenootschap toegelaten. —- Gelderland staat e\'én zijner stemmen aan Stad en Lande af. — Willem III verandert de regeering der steden van de drie gewesten.

Holland en Zeeland verklaren het stadhouderschap, de Staten-Generaal het kapitein-geneiaal-admiraalschap erfelijk in de mannelijke linie des prinsen van Oranje.

Utrecht en Overijsel volgen dit voorbeeld............ 1674.

Gelderland doet het ook.................. 1675.

Groningen draagt aan Hendrik Kasimir II het erfstadhouderschap op . . 1674.

Hij treedt als stadhouder van Drente op.......- . . . . 1674.

Amsterdam schenkt Willem III een schuld van 2,000.000 gl. vrij.

De Oost-Indische compagnie kent den prins en zijn mannelijke erfgenamen \'/33 van hare uitdeelingen toe.

De staten van Gelderland bieden den prins den titel „hertogquot; aan. — Het aanbod wordt van de hand gewezen.

Regeeringsreglementen, in Gelderland, Utrecht en Overijsel ingevoerd. —

Inhoud van dat van Utrecht. — Inhoud van dat van Gelderland en Overijsel.

Willem III levert de slagen van Senef en Montcassel.

De Ruiter met 30 vaartuigen naar de Middellandsche Zee gezonden. —

Drie slagen tegen du Qnesne: bij Stromboli, onbeslist; bij den Etna, waar Nederland zegeviert, maar de Ruiter omkomt; bij Palermo, waar de Haan wordt verslagen............ 1676.

Een marmeren gedenkteeken in de Nieuwe kerk te Amsterdam.

Nijmegen tot plaats der vredesonderhandelingen bepaald. — Van Bever-

ningk en Willem van Haren. — d\'Avaux en d\'Estrades . . 1676.

Willem III trouwt met Maria................ 1677.

De vrede van Beverningk.

Vrede van Nijmegen................10 Aug. 1678.

-ocr page 485-

459

Jaren n. C«

Onbesliste slag bij St. Denys tusschen Willem en Luxembourg 14 Aug, Den prins was het bekend , dat de vrede was gesloten.

§ 28. Willem III. — De negenjarige oorlog. —De Spaansche erfopvolgingsoorlog.

Verbonden van Nederland met Leopold ï, het grootste gedeelte van het

Duitsche rijk en Spanje. — Verbond te Augsburg.........1G86.

Menno van Coehoorn.

Fagel wordt gemeen overleg met den stadhouder tot plicht gesteld.

Willem III zuivert de regeering te Middelburg.......... 16 76.

De staten van Zeeland kennen txvee stemmen aan den eerste edele toe, ontnemen Veere en Viissingen haar steramen en brengen Middelburg tot e\'e\'n stem terug.

De burgemeesters van Deventer moeten tweëntwintiggemeensmannen ontslaan.

De prins en de Staten-Generaal kanten zich vruchteloos aan tegen het afdanken der troepen door Friesland en Groningen........ 1679.

Amsterdam, geleid door d\'A va ux en van Beuningen, verzet zich tegen een werving van 16,000 man. — Het besluit der werving gaat in de staten van Holland door in weerwil van Arasterdam en van Schiedam. — Het wordt niet uitgevoerd. — De Gr ana zendt den prins een pak brieven van d\'Avaux. — Amsterdams papieren verzegeld ..... 1684.

Willem III zet te Utrecht acht leden uit de vroedschap ...... 1685.

Middelburg, Friesland en Groningen zijn ook tegen de werving der 16,000 man.

Willem III stelt te Woerden leden in de vroedschap aan...... 1683.

De goede lieden van achten te Dordrecht. — Willem III kiest een achttal tegen de voordracht der gilden. — De prins gaat te Leiden bij de verkiezing van schepenen buiten de voordracht.......... 1684.

Er moeten twee rentmeesters worden aangesteld te Goes. — Er is verschil van zienswijze over de verkiezing. — Adolf Westerwijk. — Do vroedschap verzet zich, op voorslag van Mattheus Evcrsdijk, tegen den intocht van krijgsvolk. —- De staten van Zeeland machtigen Willem III de aangelegenheden van Goes ten einde te brengen.

Willem zet Westerwijk, Eversdijk, enz. uit de regeering. — Zij worden voor burgemeesters en schepenen terecht gesteld. — Westerwijk ter dood veroordeeld. — Het vonnis door Willem gewijzigd........ 1692,

De stadhouder vergunt den ballingen den terugkeer.

Westerwijk en Eversdijk in de regeering hersteld......... 1702.

Er komen réfugiés in Nederland. — Zij worden edelmoedig ontvangen . 1685.

Fe Maastricht, Amsterdam, Haarlem, \'s Gravenhage vestigen zij zich inzonderheid. — Nieuwe Waalsche gemeenten te Sneek, Harlingen, enz. gesticht.

Bay le schrijver van de „dictionnaire historique et critique.quot; — Basnage schrijver van een geschiedenis der Nederlanden in \'t Fransch.

Lodewijk vergrijpt zich aan de bezittingen der Nederlandsche kooplieden,

die in handen zijn van hervormde Franschen.

Willem III zeer bevriend met Burnet. — Everhard van Weede,

heer van Dijkveld, en Willem van Nassau, heer van Zuilestein, knoopen betrekkingen in Engeland aan.

Fagel en Dijkveld polsen Johannes Hudde, Nikolaas Witsem en Cornelis Geelvink. — Hun gevoelen.

-ocr page 486-

460

Jaren. n. C.

Maximiliaan Hendrik sterft................. 1688.

Frankrijk bezet zijn keurvorstendom.

Vier millioen gl. voor toerusting ten oorlog aangewezen, 9000 matrozen geworven. — De vroedschappen van Hollands steden onder den eed van geheimhouding over de zaak gehoord. — Zij geven haar toestemming. — De andere provinciën eveneens........... 1688.

Wenk van d\'Avaux aan Lodewijk XIV. — Deze vorst waarschuwt Jakob II, maar tevergeefs.

De Nederlandsche vloot, groot 50 oorlogschepen en ruim 500 transportschepen met over de 21,000 man krijgsvolk, legt in de haven van Torbay aan....................Nov. 1688.

Willem trekt naar Londen. — Jakob vlucht naar Frankrijk.

Willem en Maria als koning en koningin van Groot-Britannië uitgeroepen 1689.

Fagel sterft. — Antonie Heinsius............. 1689.

Willem Bentinck wordt graaf van Portland. — Godard van Rheede Ginkel wordt graaf van Athlone. — Znilestein wordt graaf van Rochefort.

Lodewijk verklaart aan de bondgenooten den oorlog.....(688, 1689.

Engeland en Victor Amadêus H, hertog van Savoye, voegen zich bij

hel Weener-verhond ................... 1690.

De negenjarige oorlog. — Luxembourg wint den slag bij Fleur as

opGeorgevanWaldeck................1amp;90.

De slag bij de Boyne. — Luxembourg zegeviert op Willem bij 1692. Steenkerken en bij Landen en Neerwinden....... 1693.

De zeeslag bij Be ve sier of Be achy. — Torrington en Co melis Evertsen worden verslagen door de Franschen onder Tou rvi 1 le. — Torrington houdt zich bijna geheel buiten het gevecht ...... 1690.

Almonde en Russel overwinnen Tourville bij la Hogue . . . . 1692.

Jan B ar t brengt vele Xederlandsche haringbuizen en koopvaardijschepen op.

Vrede van Lodewijk met den hertog van Savoye.

Vrede van Rijswijk. — Lodewijk erkent Willem III als koning van Engeland en staat hem het prinsdom Oranje weer af. — Frankrijk trekt de belasting op het vat in.................. 1697.

De handel geschokt. — De konvooien en licenten aanmerkelijk verhoogd.

ongev. 1667.

Engeland betaalt ruim 7,000,000 gl. aan Nederland...... 1689, enz.

Willem, hoewel in Engeland, wil de nieuwe schepenen te Amsterdam

verkiezen..................... . 1689.

Amsterdam moet toegeven in het geschil, rakende het zitting nemen van Portland in de staten van Holland.

Hendrik Kasimir II sterft. — Johan Willem FfiSO volgt hem in Groningen en Friesland op onder regentschap van Amalia van Anhalt-Dessau..................... 1696—1711.

Drente draagt het stadhouderschap op aan Willem III.

Een Russisch gezantschap van omtrent 270 personen komt in Nederland. —

Peter is er, eerst incognito, bij. — Hij houdt zich eenige dagen te Zaandam op. — Hij timmert een schip op de werf te Amsterdam . . 1697.

Peter hervat het bezoek...................1719.

Verdrag tusschen Engeland , Nederland en Lodewijk XIV over de landen der Spaansche kroon. — Jozef Ferdinand zal de Spaansche monarchie bekomen, de dauphin hoofdzakelijk Napels en Sicilië, Karei Milaan . 1698.

-ocr page 487-

461

Jaren n. C.

Dood van Jozef Ferdinand................. 1699.

Tweede verdrag;. — Karei zal Spanje, Indië en de Zuidelijke Nederlanden, de dauphin hoofdzakelijk de beide Siciliën, benevens Lotharingen, verkrijgen, de hertog van Lotharingen Milaan .......... 1700.

Leopold sluit zich niet bij dit verdrag aan.

Karei II sterft. — Zijn testament verklaart Philips van Anjou tot eenigea

erfgenaam der kroon van Spanje...........I Nov. 1700.

Philips V begeeft zich naar Spanje..............1701.

Lodewijk sluit een verbond met Maximiliaan II Emanuël, keurvort van Beieren en stedehouder der Spaansche Nederlanden, en met den keurvorst van Keulen.

Het cjroote of Uaagsche verbond. — Leopold I, Engeland, Nederland, Fre-

derik I van Pruisen, het Duitsche rijk............1701.

Portugal onder Pedro II en Victor Amadëus II van Savoye voegen zich er bij 1703.

Lodewijk bezet de voornaamste plaatsen der Zuidelijke Nederlanden met

troepen .......................1701.

De Staten-Generaal roepen hun troepen vandaar terug. — Zij erkennen Philips V als koning van Spanje.

Willem III bekomt een wonde en sterft........8 Maart 1702.

Hij poogt vruchteloos Johan Willem Friso tot opvolger in zijn waardigheden te doen verkiezen.

Geschil tusschen Johan Willem Friso en Frederik van Pruisen over de erfenis van Willem III. — Johan Willem Friso beroept zich op Willems testament.....................van 1695.

De koning van Pruisen beroept zich op het testament van Frederik Hendrik .......................van 1644.

De Staten-Generaal tot uitvoerders van Willems testament benoemd.

De staten van Holland geven in de vergadering der Staten-Generaal te kennen, dat zij het voornemen hebben de aangelegenheden te laten zooals zij zijn. — De staten der overige gewesten, alsmede die van Drente, volgen hun voorbeeld.

De zaken, met name de bestelling der stedelijke overheid, teruggebracht op den voet....................van 1651.

Opschuddingen in Gelderland, Utrecht, Overijsel en Zeeland.

De regeeringsreglementen van 1674 en 1675 door de staten der drie

eerstgenoemde gewesten gewijzigd.............. 1702.

Tegenstand van de geslachten der oud-regenten en van de burgerij. — Bewering omtrent de souvereiuiteit in Gelderland.

In Gelderland en in Overijsel de nieuwe en de oude plooi. — Hevige strijd te Nijmegen, in Utrecht en in Zeeland. — Te Amersfoort worden twee burgers, te Nijmegen een oud-regent onthoofd.

De waaidigheid van eerste edele in Zeeland voor vervallen verklaard en die van markgraaf van Veere en Vlissingen onvervuld gelaten.

Het driemanschap; John Churchill, graaf, daarna hertog van Marlborough, Eugenius van Savoye en Antonie Heinsius.

Veelvuldige geschillen van de Nederlandsche gedeputeerden te velde en van Slangenburg met Marlborough.

Rooke en Philips van Almonde vernielen in de haven van Vigos een groot deel der zilvervloot. — Voordeel van 1,056,000 gl. —Nadeel.

Rooke en Callenburgh nemen Gibraltar in. — Engeland eigent zich de

stad toe....................... 1704,

-ocr page 488-

462

Jaren n. C.

Bevelhebbers van de krijgsbenden der Republiek: Hendrik van Nas-sau-Ouwerkerk veldmaarschalk, Slangenburg, Tilly en Johan Willem Friso, de laatste.................sedert 1707.

Slag bij Ramillies. — Marlborough verslaat Villeroi...... 1706.

Slag bij Oudenaarde. — Marlborough en Eugenius verslaan Vendóme

en den hertog van Bourgondië .........\' . . 1708.

Slag bij Malplaquet. — Dezelfden verslaan Villars. —Johan Willem

Friso........................ 1709.

Lodewijk XIV wendt zich om vrede tot Heinsius. — De Torcy komt te

\'s Giavenhage..................... 1709.

De onderhandelingen worden afgebroken. — Zij worden te Geertruiden-berg hervat. — Willem Buys, Bruno van der Dussen, de abt de Polignac.....................1710.

Zij worden weder afgebroken.

Jozef I sterft. — Karei VI keizer van Duitschland ........1711.

Terugroeping van Marlborough en val van het whig-ministerie.

De hertog van Or mond.

Slag van Denain, gewonnen door Villars op Eugenius. — Ormond 1712.

Johan Willem Friso verdrinkt aan den Moerdijk, oud 24 jaar, .... 1711.

Zijn gemalin, Maria Louise, brengt een zoon ter wereld, Willem Karei

Hendrik Friso,.....................1711.

Vrede Ie Utrecht. — Bijeenkomst der gezanten..........1712.

Buys, van der Dussen, de Polignac. — Philips V behoudt Spanje en de bezittingen buiten Europa. — Frankrijk staat aan Engeland streken in Noord-Amerika af. — De Nederlanden verwerven een voordeelig verdrag van handel en inkomende rechten........April 1713.

De barrière; Namen, Doornik, Meenen, Warneton, Yperen, Veurne, Knokke. — Dendermonde gemengd garnizoen. — De keizer zal Nederland jaarlijks 1,250,000 gl. betalen. — De Republiek verkrijgt een strock lands in Staats-Vlaanderen en een deel van Opper-Gelder . 15 Nov. 1715.

Deze streek is den Staten-Generaal, tegen een som van 2,000,000 gl., in

pand gegeven door Karei 11 ................ 1668.

Pruisen verkrijgt het grootste gedeelte van Opper-Gelder. — Frederik Willem I ziet van zijn rechten op Oranje af, hetwelk aan Frankrijk komt.

§ 29. Blik op den toestand des lands In de laatste helft der 17de en in \'t begin der 18de eeuw.

De Spaansche erfopvolgingsoorlog vermeerdert de schuld der Republiek met 350 millioen. — Zij heeft doorgaans 120 tot 130,000 man landtroepen te velde en over de 50 zware linieschepen.

In Gelderland zegeviert de nieuwe plooi. — Erge oneenigheid te Nijmegen,

Harderwijk, Arnhem................ 1704, 1707.

Plakkaat van de staten van Gelderland omtrent den ambtsduur der

overheden ....................Oct. 1717.

Holland, Zeeland, Utrecht en Overijsel vergunnen den prins geen zitting

in den raad van state.................. 1707.

De staten van Overijsel besluiten nimmer weder een stadhouder te zullen

aanstellen....................... 1707.

Antonie Heinsius wijzigt zijn denkbeelden naar de omstandigheden. — Hem steunen Jakob Hop, Frans Fagel, Simon van Slinge-lan d t.

-ocr page 489-

463

Jaren n. C.

Van Slingelandt secretaris van den raad van state ......tot 1725.

De handel gedaald.................sinds 1672.

Nieuwe belastingen. — Verhooging van het arbeidsloon.

De handel op de Levant, op Engeland, op de Noordsche staten en op

Frankrijk lijdt veel................sedert 1713.

Hamburg en Bremen geduchte mededingers van Amsterdam.

Een aanmerkelijk getal winkelhuizen staan ledig in de voornaamste handelsplaatsen ...................ongev. 1750.

De commissiehandel komt op..............ongev. 1700.

De handel in schuldbrieven, actiën, effecten, enz. wint veld . . . 1700_1800.

De staten van Holland verbieden geld te schieten aan vreemde mogendheden of maatschappijen.................. 1720.

De windhandel. — Vele huisgezinnen richten zich door deel te nemen aan

den handel in de actiën van Law en van de Zuidzee-compagnie te gronde 1720.

De handel in hyacinten, herinnerende aan den tulpenhandel, . . ongev. 1730.

Het hf\'.leenfjt.

De haringvisscherij neemt af..............sedert 1700.

De walvischvangst in verval.

De Noordsche compagnie houdt op te bestaan...........1C45.

Achteruitgang der fabrieken en manufacturen.......sedert 1648.

Te Leiden jaarlijks ruim 20,000 stukken laken vervaardigd ... tot 1700.

Aldaar slechts 11,000 stukken vervaardigd............ 1730.

Aldaar ruim 6 a 3,000 stukken vervaardigd.........na 1750.

Johan Maatsuiker................. 1653_1678

De Portugeezen van Ceylon verdreven. — Colombo gewonnen .... 1656.

Negapatnam veroverd. — Rijklof van Goens. — Hij bemachtigt Cochin.

I\'alembang wordt schatplichting ... -........ . . . . 1659.

Een factorij gesticht te Padang.

Cornelis Speelman dwingt den vorst van Makassar tot een nadeelig verdrag._

Hij wordt, naar Batavia terugkeerende, omstuwd door een drom van ongeveer 15000 inheemschen.

Jan van Riebeek keert uit Indië naar het vaderland terug . . , , 1648.

Hij sticht een volkplanting aan de Kaap de goede hoop. — Hij koopt een

stuk land voor de Hottentotten............April 1652.

Simon van der Stel gouverneur van de Kaap ........I679_ugg.

Hij sticht Stellenbosch en Drakenstein. — Constantia. — Zijn opvolger is

Adriaan van der Stel. — Simon sterft............1712.

De Sinees Cox in ga valt Zelandia aan. — Coyet. — Hambroek.__

Zelandia gaat bij verdrag over. — Coyet verbannen naar een der Banda-eilanden....................................166°

Maatsuiker breidt ten koste van Mataram het getied der compagnie uit

over Cheribon tot Samarang............. 1677 1678.

De vorst van Bantam staat de compagnie den alleenhandel op zijn gebied toe.

Rijklof van Goens. — Cornelis Speelman. — Johannes Camphuis. — Abraham van Riebeek.

Hendrik Zwaardekroon..............1718_17quot;)

Het gezag der compagnie wint veld op Ternate, Tidor en de overige Molukken.

Het Noorden van Celebes afhankelijk van de compagnie . . . ongev. 1700.

De Preanger-landen afhankelijk van de compagnie......... 1704.

-ocr page 490-

462

Jaren n. C.

Bevelhebbers van de krijgsbenden der Republiek: Hendrik van Nas-sa u-0 uwer kerk veldmaarschalk. Slangenburg, Tilly en Johan Willem Friso, de laatste.................sedert 1707.

Slag bij Ram lilies. — Marlborough verslaat Villeroi...... 1706.

Slag bij Oudenaarde. — Marlborough en Eugenius verslaan V en dó me

endenhertogvanBourgondië.........\' . . 1708.

Slag bij Malplaquet. — Dezelfden verslaan Villars. —Johan Willem

Friso........................ 1709.

Lodewijk XIV wendt zich om vrede tot Heinsius. — De Torey komt te

\'s Giavenhage..................... 1709.

De onderhandelingen worden afgebroken. — Zij worden te Geertruiden-berg hervat. — Willem Buys, Bruno van der Dussen, de abt de Polignac.....................1710.

Zij worden weder afgebroken.

Jozef I sterft. — Karei VI keizer van Duitschland........1711.

Terugroeping van Marlborough en val van het whig-ministerie.

De hertog van Cr mond.

Slag van Denain, gewonnen door Villars op Eugenius. — Ormond 1712.

Johan Willem Friso verdrinkt aan den Moerdijk, oud 24 jaar, .... 1711.

Zijn gemalin, Maria Louise, brengt een zoon ter wereld, Willem Karei

Hendrik Friso,.....................1711.

Vrede te Utrecht. — Bijeenkomst der gezanten..........1712.

Buys, van der Dussen, de Polignac. — Philips V behoudt Spanje en de bezittingen buiten Europa. — Frankrijk staat aan Engeland streken in Noord-Amerika af. — De Nederlanden verwerven een voordeelig verdrag van handel en inkomende rechten........April 1713.

De barrière: Namen, Doornik, Meenen, Warneten, Yperen, Veurne, Knokke. — Dendermonde gemengd garnizoen. — De keizer zal Nederland jaarlijks 1,250,000 gl. betalen. — De Republiek verkrijgt een strook lands in Staats-Vlaanderen en een deel van Opper-Gelder . 15 Nor. 1715.

Deze streek is den Staten-Generaal, tegen een som van 2,000,000 gl., in

pand gegeven door Karei II................16C8.

Pruisen verkrijgt het grootste gedeelte van Opper-Gelder. — Frederik Willem 1 ziet van zijn rechten op Oranje af, hetwelk aan Frankrijk komt.

§ 29. Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in \'t begin der 18de eeuw.

De Spaansche erfopvolgingsoorlog vermeerdert de schuld der Republiek met 350 millioen. — Zij heeft doorgaans 120 tot 130,000 man landtroepen te velde en over de 50 zware linieschepen.

In Gelderland zegeviert de nieuwe plooi. — Erge oneenigheid te Nijmegen,

Harderwijk, Arnhem................ 1704, 1707.

Plakkaat van de staten van Gelderland omtrent den ambtsduur der

overheden....................Oct. 1717.

Holland, Zeeland, Utrecht en Overijsel vergunnen den prins geen zitting

in den raad van state.................. 1707.

De staten van Overijsel besluiten nimmer weder een stadhouder te zullen aanstellen............................

Antonie Heinsius wijzigt zijn denkbeelden naar de omstandigheden. — Hem steunen Jakob Hop, Frans Fagel, Simon van Slinge-lan d t.

-ocr page 491-

463

Jaren n. C.

Van Slingelandt secretaris van den raad van state ......tot 1725.

De handel gedaald.................sinds 1672.

Nietnve belastingen. — Verhooging van het arbeidsloon.

De handel op de Levant, op Engeland, op de Noordsche staten en op

Frankrijk lijdt veel................sedert 1713.

Hamburg en Bremen gedachte mededingers van Amsterdam.

Een aanmerkelijk getal winkelhuizen staan ledig in de voornaamste handelsplaatsen ...................ongev. 1750.

De commissiehandel komt op..............ongev. 1700.

De handel in schuldbrieven, actiën, effecten, enz. wint veld . . . 1700_1800.

De staten van Holland verbieden geld te schieten aan vreemde mogendheden of maatschappijen.................. 1720.

De windhandel. — Vele huisgezinnen richten zich door deel te nemen aan

den handel in de actiën van Law en van de Zuidzee-compagnie te gronde 1720.

De handel in hyacinten, herinnerende gt;ian den tulpenhandel, . . ongev. 1730.

Het beleenen.

De haringvisscherij neemt af..............sedert 1700.

De walvischvangst in verval.

De Noordsche compagnie houdt op te bestaan...........IG45.

Achteruitgang der fabrieken en manufacturen.......sedert 1648.

Te Leiden jaarlijks ruim 20,000 stukken laken vervaardigd ... tot 1700.

Aldaar slechts 11,000 stukken vervaardigd..........na 1730.

Aldaar ruim 6 a 3,000 stukken vervaardigd.........na 1750.

Johan Maatsuiker................. 1653_1678.

De Portugeezen van Ceylon verdreven. — Colombo gewonnen .... 1656.

Negapatnam veroverd. — Rijklof van Goens. — Hij bemachtigt Cochin.

Palembang wordt schatplichting ............ . . . . 1659.

Een factorij gesticht te Padang.

Cornelis Speelman dwingt den vorst van Makassar tot een nadeelig verdrag._

Hij wordt, naar Batavia terugkeerende, omstuwd door een drom van ongeveer 15000 inheemschen.

Jan van Riebeek keert uit Indië naar het vaderland terug .... 1648.

Hij sticht een volkplanting aan de Kaap de goede hoop. —■ Hij koopt een stuk land voor de Hottentotten............April 1652.

Simon van der Stel gouverneur van de Kaap ........ 1679_1C99.

Hij sticht Stellenbosch en Drakenstein. — Constantia. — Zijn opvolger is Adriaan van der Stel. — Simon sterft.................

De Sinees Cox inga valt Zelandia aan. — Coyet. — Hambroek.__

Zelandia gaat bij verdrag over. — Coyet verbannen naar een der Banda-eilanden....................................1662

Maatsuiker breidt ten koste van Mataram het getied der compagnie uit over Cheribon tot Samarang............. 1677, 1678.

De vorst van Bantam staat de compagnie den alleenhandel op zijn gebied toe.

Rijklof van Goens. — Cornelis Speelman. — Johannes Camphuis. — Abraham van Riebeek.

HendrikZ waar dek roon...................2795

Het gezag der compagnie wint veld op Ternate, Tidor en de overige Molukken.

Het Noorden van Celebes afhankelijk van de compagnie . . , ongev. 1700.

De Preanger-landen afhankelijk van de compagnie......... 1704,

-ocr page 492-

464

Jaren n. C.

Soerabaya, Madoera, enz. afhankelijk van de compagnie......1741.

De naam „Mataramvervangen door die der vorstenlanden, Soerakarta en Djokjakarta. — Het eerste bestuurd door een soesoehoenan, het andere door een sultan, beide onder \'t oppergezag der compagnie..... 1755.

De sultan van Bantam staat de rechten van opperhoogheid op de westkust

van Borneo aan de compagnie af.............. 1778.

334 schepen varen uit ludic naar het vaderland ....... 1593—1G48.

1051 schepen varen uit Indië naar het vaderland....... 1658—1703.

De compagnie doet een uitdeeling van 65 p.c...........1671.

De retourvloot, uit Indië gekomen, geschat op 5,000,000 gl. inkoop, in

\'t vaderland begroot op 20,000,000 .............. 1697.

De actiën loopen op tot 902 p. c...............• 1719.

De actiën loopen op tot 1080 p. c............... 1720.

De koffie een voorwerp van handel voor de compagnie .... sedert 1661.

De koffieboom in Keêrlandsch Indie gekweekt.......ongev. 1700.

Zwaardekroon bevordert dit.

De retourschepen brengen, behalve de gewone waren, 894 pond Java-kof-

fie aan........................1712.

De koffie gaat over naar Ceylon en West-Indië.

Zwaardekroon doet den handel in thee met Sina opleven.

Van Peere vestigt een volkplanting te Berbice.......ongev. 1600.

De West-Indische compagnie geeft het als een onsterfelijk leen aan A bra-

ham van Peere.................... 1678.

De Franschen doen een inval in Berbice.......... 1700—1713.

Het huis van Peere koopt het verlies zijner volkplantingen af voor 300,000 gl. — Omtrent 182,000 gl. blijft onbetaald. — Eenige Amsterdamsche kooplieden voldoen den wissel met 108,000 gl. — Zij worden eigenaars van Berbice......................1712.

Essequibo door de Zeeuwen gesticht...........ongev. 1600.

Van Essequibo gaat Demerary uit............... 1745.

Beide staan onder de kamer van Zeeland.

Suriname door Zeeland voor 260,000 gl. aan de West-Indische compagnie

verkocht....................... 1682.

De societeit van Suriname, bestaande uit de compagnie, Amsterdam en

CornelisvanAerssen.heervanSommelsdijk,...... 1683.

De familie Sommelsdijk verkoopt haar rechten aan Amsterdam .... 1770.

De hoofdsom der West-Indische compagnie stijgt van ruim 7 tot 18 milli-oen. — Zij heeft een schuld van ruim 6,000,000 gl. — De Staten-Generaal ontbinden haar..................... 1674.

Er ontstaat een nieuwe compagnie. — Zij heeft den alleenhandel op de Westkust van Afrika, op Essequibo, enz., op Curasao. — De vaart op de overige plaatsen voor alle ingezetenen van den staat opengesteld. — 50 beicindhehbers. — De vergadering van tienen.......... 1675.

De actiën staan op 92 p.c..................] 723.

Zij dalen tot 35 p.c. — De uitdeelingen blijven doorgaans beneden 5 p.c.

De corresjwndentiën in Holland of conventién in Gelderland.

Eerste verdrag van dien aard te Zierikzee............ 1652.

Antonides van der Goes. — „De IJstroom.quot; — Hij overlijdt . . . 1684.

De etser Jan Luyken. — „De Duitsche lier.quot; — Hij sterft.....1712.

Pieter Langend ijk. — „De Quincampoix of de windhandelaars.quot; —-

Hij overlijdt...................... 1756.

-ocr page 493-

465

Jaren n. C.

Justus van Effen. — „De Hollandsche spectatorquot;. — Hij sterft . . . 1733.

Christiaan Huygens, de uitvinder der slingeruurwerken, sterft . . 1695.

F rede rik Ruysch, een ontleedkundige, sterft.........1731.

Herman Boerhave. — Hij overlijdt..........................1738.

TJlrieh Hub er. — „Hedendaagsche Rechtsgeleerdheid.quot; „De jure

civitatis.quot; — Hij sterft.............- . . . . 1G94.

Cornells van Bij nkershoek. — „Quaestiones juris publici.quot; — H\'i

sterft................................................1743.

B a r u c h S p i n ö z a. — He\', pantheïsme. — Perizonins. —-Drakenborch.

Lambert ten Kate geeft de „Aanleiding tot de kennis van hot verheven

deel der Nedcrduitsche spraakquot; in \'t licht......................1723.

§ 30. Het stadhouderschap van Willem IV.

De Republiek treedt te laat toe tot de quadruple alliantie......171S.

Zij zendt een vloot naar de Oostzee..............1715.

Zij vermindert het getal der oorlogschepen van die vloot.

Zij sluit vrede met den dey van Algiers............ 1726.

De kas der Generaliteit blijft negen maanden gesloten........1715.

Vergadering van de Algemeene Staten, op voorstel van Overijsel bijeengekomen. — Adolf Hendrik, graaf van Rechteren, 1716—Sept. 1717.

De regeering van Rotterdam wijst de inkomsten der posterijen aan de kas der stad toe. — Holland verkoopt ambachtsheerlijkheden, tot quot;s lands domeinen behoorende.

De Staten-Geueraal brengen een eenpariger heffing der konvooien en licen-ten te weeg.

De Republiek teekent de pragmatieke sanctie. — Karei VI heft de Oosl-Indische compaynie op.

Heinsius overlijdt. — Izaak van Hoornbeek....... 1720—1727.

De staten van Holland koopen Vianen voor 898,200 gl. van de graven van Lippe-Detmold.

Simon van Slin ge 1 andt.............. 1727 —1736.

Zijn ontwerpen.

AutonievanderHeim................. 1736.

De paalworm. — Straat en van der Deure.

Willem Karei Hendrik Friso wordt stadhouder van Groningen . . 1718.

Hij wordt stadhouder van Drente en van Gelderland........ 1722.

De staten van Gelderland beperken hem door een instructie..... 1722.

De vier overige gewesten besluiten bij den toenmaligen regeeringsvorm

te blijven....................... 1722.

Beslissing van \'t geschil over de erfenis van Willem III.

quot;Willem Karei Hendrik Friso bezit; het Oranjewoud en het hof te Leeuwarden; Dieren, het Loo en Bredevoort; Buren als souverein graafschap; Polanen, Uselstein, Drimmelen, Zevenbergen, Khmdert, het huis Nieuw-burg (afgebroken 1783), het huis in \'t Bosch, Leerdam als graafschap; St. Maartensdijk, Scherpemsse, Kolijnsplaat; Soestdijk; de baronie van Breda, Steenbergen, Grave, Kuik, Willemstad, Oosterhout. Eindhoven, Rozendaal; Ameland (door Amalia in 1704 gekocht voor 175,000 gl.),

Diest, Sichem , Vianden, Warneton, enz............ 1732.

De staten van Zeeland vernietigen de markgraafschappen Veere en Vlissingen 1732.

De koning van Pruisen verwerft: Montfoort, de Hooge en Lage Zwaluw,

Klein Waspik, \'s Gravezande, Naaldwijk, het huis Honslaarsdijk, het Wijnne, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 30

-ocr page 494-

466

Jaren n. C.

oude Hof te \'s Gravenhage, Lingen, Meurs, Turnhout. — Van Oranje behoudt Karei Willem Hendrik Friso niets dan den titel..... 1732.

Hij trouwt met Anna................... 1734.

Hij verkrijgt Dillenburg, Siegen en Hadamar . . ,....... 1740.

Karei VI sterft..................... 1740.

De Staten-Generaal geven hulpgelden aan Maria Theresia.

De meerderheid ter Generaliteit besluit tot het zenden van troepen.

De slagen van Fontenai en Raucoux. — Lodewijk XV doet een inval in

Staats-Vlaanderen.................... 1747.

De vroedschap te Veere besluit den prins tot stadhouder te verkiezen. April 1747.

Hevige tooneelen te Zierikzee.

De staten van Zeeland stellen den prins tot stadhouder aan . 28 April.

Het volk geraakt te Rotterdam en te Delft op de been. — De staten van Holland benoemen den prins tot stadhouder.......3 Mei.

Baldadigheden te \'s Gravenhage.

De staten van Utrecht benoemen den prins tot stadhouder ... 3 Mei.

De Staten-Generaal benoemen hem tot kapitein-generaal-admiraal met vrije beschikking over de patenten ............4 Mei.

De staten van Overijsel benoemen hem tot stadhouder ... 10 Mei.

De prins neemt zitting in den raad van state.

Besluiten der staten van Holland omtrent de benoeming van de meeste officieren en het in dienst zijn bij den prins van hen, die ter dagvaart verschijnen. — De prins hersteld in quot;quot;t bezit van \'t markgraafschap van Veere en Vlissingen. — Hij mag als eerste edele zitting nemen in de staten van Zeeland.

Willem IV..................... 1747—1751.

De Staten-Generaal benoemen hem tot stadhouder en kapitein-generaal ovelde landen van Overmaas.

Zij dragen hem dezelfde waardigheden over de andere Generaliteitslanden op 1749.

De staten van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel verklaren het stadhouderschap, de Staten-Generaal het kapitein-generaal-admi-raalschap erfelijk, ook in de vrouwelijke linie......... 1747.

De staten van Gelderland trekken de instructie van 1722 in.

Hevige opschuddingen in Friesland, Groningen en Drente. — In Friesland stellen zich inwoners van Harlingen, in Drente Hiddema aan \'t hoofd. — De erfelijkverklaring, ook in de vrouwelijke linie, hier eveneens vastgesteld 1748.

Het opperdirecteur-gouverneurschap van O. en W. Indië den prins door de

bewindhebbers opgedragen................. 1749.

De staten van het kwartier Nijmegen koopen het graafschap Kuilenburg voor 800,000 gl. van den prins van Saksen-Hildburghausen. — Zij schenken het den prins.

Het inkomen van den prins uit de ambten begroot op omtrent 481,000 gl.

Nieuwe reglementen in de meeste gewesten voor het stadhouderschap gemaakt. — De prins kan de vergaderingen der Staten-Generaal, de besognes, de vergaderingen der staten van de provinciën, die der gecommitteerde raden of gedeputeerde staten bijwonen. — Hij is opper-curator of rector magnificentissimus der universiteiten, opperhoutvester en opperjagermeester in Holland, Gelderland, enz. — In Holland, Gelderland en Utrecht is hij voorzitter van de beschreven ridderschap.

De meeste steden van Holland bieden de voordeden der postmeesterplaatsen aan Zijn Hoogheid aan, die ze weder aan de staten van Holland afstaat, 1747.

-ocr page 495-

467

Jaren n. C.

Delft sehenltt ze aan het gewest. — Amsterdam behoudt ze.

De pachters pachten de belastingen op de gemeene middelen voor 4, 6 of 12 maanden. — Opschuddingen hierover in Friesland, in Groningen, te Amsterdam. — De pachterijen in Friesland, Groningen, Utrecht en Holland afgeschaft ................. . 1748.

De collecte, ingesteld.................... 1750.

Overijsel houdt zich deels aan de pachterijen, deels aan de collecte.

De staten van Zeeland verzoeken een Engelsehe vloot hun eiland te beschermen.

Maurits van Saksen wint den slag bij Laf el d op den hertog

va n C umb2rlan d ..................; 747.

Löwenthal belegert Bergen-op-Zoom. — De baron van Cronstrom.

Hij neemt na een beleg van omtrent twee maanden de stad bij verrassing 1747.

Een „milde giftquot; door het gansche land heen , in de Generaliteitslanden en in Oost- en West-Indie geheven. — Zij beloopt 2 p c. van het kapitaal van hen, die 2000 gl. of meer bezitten.

Maastricht geeft zich over.................. 1748.

Vrede te Aken. — Onno Zwier van Haren. — De Republiek krijgt het verlorene terug, alsmede de barrière-steden, maar grootendeels geslecht....................... 1748.

Karei Edzard sterft. — Fredcrik II. — De Staten-Generaal ontruimen

tegen zekere voorwaarde Emden en Leeroord.......... 1744.

Van der Heim sterft. — Jakob Gilles............ 1746.

Gilles treedt af. — PicterStein.............. 1749.

De Doelisten te Amsterdam. — De voordeden der posterijen dezer stad

aan den stadhouder toegekend, die ze aan het gewest afstaat, .... 1748.

Verzetting der wet te Amsterdam en in de overige steden van Holland,

behalve te Dordrecht en te Monnikendam........... 1748.

Verzetting der wet in de steden van Gelderland, Overijsel, Friesland en

Groningen................... 1748, 1749.

Afdanking van troepen.

Bepaling, door Willem IV gemaakt ten gunste der fabrieken van zijde,

enz. — De staten van Holland volgen dit voorbeeld....... 1749.

\'s Prinsen betoog over een porto-franco, ingediend bij de Staten-Generaal en bij de staten van Holland. — Bezwaren van de eollegiën der admiraliteit van Holland en Zeeland...............1751.

Het seemanscolier/e te Amsterdam gesticht............ 1747.

De Staten-Generaal stellen hertog Lo d e w ij k Ernst van B r u n s w ij k

Wolfenbuttel als veldmaarschalk aan........... 1 750.

Willem IV sterft...................Oct. 1751.

§ 31. Het regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van den hertog van Brunswijk en het stadhouderschap van Willem V tot het begin van den oorlog tusschen Engeland en Nederland.

Anna gouvernante en voogdes van Willem, graaf van Buren, . . . Oei. 1751.

Hij wordt geboren.................... 1748.

Willem V................. 1751 — 1795, overl. 1806.

De hertog van Brunswijk door de staten der provinciën tot vertegenwoordiger van den kapitein-generaal benoemd......... 1752—1756.

Hij houdt een wakend oog op \'s prinsen opvoeding. — Andreas Weiss.

SO*

-ocr page 496-

468

Jaren n. C.

Frederik II staat alle goederen, vroeger geërfd, behalve Montfort, voor

705,000 gl. aan Willem V af................ 1754.

Willem V koopt Montfort van hem voor 275,000 gl....... • • 1769.

Hij koopt Borkulo en Lichtenvoorde van Adam Czartoryski voor 600,000 gl. 1777.

Zeeoorlog tussehen Frankrijk en Engeland............ 1756.

D\'Affry. — Verzoek van Yorke.

Engeland wijkt in meer dan een opzinht af van het verdrag van 1674. — liet brengt een menigte Nederlandsche koopvaardijschepen op. — Zijn kapers.

Kooplieden uit Amsterdam en andere steden dienen bezwaren in bij de

gouvernante...................... 1758.

Nadeelen, den handel toegebracht door Algiers en Marokko.

Grieven tegen de gouvernante. — Zij sterft........... 1759.

De hertog van Brunswijk voogd............... 1759.

Friesland beschouwt Maria Louise, Mailce-Moe, als regentes.

Vrede van Farijs..................... 1763.

Willem V, 18 jaren oud, aanvaardt de hooge ambten....... 1766.

liet opper-directeur-gouverneurschap over de compagnie, het opperhoutvesterschap, enz. worden hem opgedragen.

De Staten-Generaal en de staten van alle gewesten, behalve van Friesland,

geven hem een lastbrief. — De hertog van Brunswijk door Willem V met 200,000 gl., door Holland met 200,000 gl., door de overige gewesten met 200,000 gl. begiftigd.

De aide van consulentschnjj, alleen bekend aan Stein, Pieter van Bleiswijk,

enz. onderteekend door Willem V en den hertog.....3 Mei 1766.

Willem V trouwt met Frederik a Sophia Willie 1 min a.

Drie kinderen uit dit huwelijk gesproten: Frederika Louise Wilhelmina,

later gehuwd met Karei George August, erfprins van Brunswijk, —

Willem Frederik, geboren................. 1772.

Willem George Frederik..............geboren 1774.

Willem George Frederik, later generaal in dienst van Frans II, sterft 1799.

Joh an Hop thesaurier-generaal.

De renten der staatsschuld, gedaald tot ~\'/2 pc. — Die papieren stijgen tot 106, zelfs tot 110 p.c. — De konvooien en licenten, benevens de andere belastingen brengen \'/3 meer op dan gewoonlijk.

De staatsgezinde partij of die der jmtriutten of keezen.

De naam „keesquot; niet af te leiden van:

Cornelis de Gijselaar pensionaris van Dordrecht...... 1779—1787.

Cornelis of Kees van Oeveren................ 1747.

Jan Kees,....................... 1672.

noch van Cornelis de Witt, maar zeer waarschijnlijk van den kapitein vun een exercitiegenootschap te Delft.

De patriotten nemen dien naam als eerenaam aan......ongev. 1787.

De partij der Oranjemannen of Oranjeklanten

Overstroomingen, veeziekte en de val van handelshuizen, zooals van dat

van de Neufville,.................17ij3, 1772.

Hendrik Hooft, Egbert de Vrij Temminck, Enge 1 bert Francois van Be r kei, Robert Jasper van der Ca pellen van de Marsch, Joh an Dirck van der Capellen tot den Poll.

Beklag van Yorke over den handel, uit St. Eustatius door Nederlanders gedreven. — De Staten-Generaal verbieden den toevoer van krijgsbehoeften naar de Amerikaansche volkplantingen........... 1775.

-ocr page 497-

469

Jaren n. C.

De sluikhandel wordt niet gestaakt.

Klacht van Yorke over de Graaf. — De Graaf teruggeroepen . . . . 1777.

Hij keert als gouverneur naar Eustatius terug.......... 1799.

Oorlog tusschen Engeland en Frankrijk. — Verklaring van Engelands regeering van de woorden „goederen van contrabande.\'\',

De hertog de la Vauguyon.

De Staten-Generaal besluiten geen konvooi van oorlogschepen toe te staan aan voertuigen, geladen met ongezaagd hout. — Amsterdam er tegen.

De ingezetenen der Republiek verstoken verklaard van andere hand els voorrechten en verplicht de belasting der 25 st. weder te betalen. — Amsterdam en Haarlem uitgezonderd, later ook andere steden..... 1779.

Paul Jones valt in Texel binnen. — Yorke\'s verzoek omtrent eenige

schepen, door hem genomen. — Jones te Amsterdam en te \'s Gravenhage 1779.

Lode wijk graaf van By landt, ontmoet Fielding nabij Wight. —

Bylandt schiet met scherp op Fielding, die onderzoek wil instellen. — Bylandt strijkt de vlag.................. 1779.

De genomen koopvaardijschepen door Engeland verbeurd verklaard . . . 1780.

De Engelsche regeering schorst alle bijzondere verdragen, rakende den koophandel en de scheepvaart der Nederlanders. — De Staten-Generaal beloven onbepaald konvooi aan ieder.

De Staten-Generaal keuren goed, dat er 52 oorlogschepen worden toegerust Mei 1780.

Engeland vermeestert Amerikaansche en Fransche schepen op het grondgebied der Republiek en op St. Martin.

Frankrijk sluit een handelsverdrag en een verbond met de Vereenigde

Staten van Noord-Amerika ................ 1778.

Van Bleiswijk raadpensionaris......*......sinds 1772.

Hij krijgt een afschrift van dit verdrag van Franklin en de andere Noord-Amerikaanschen gezanten.

Mededeeling van William Lee aan Jan de Neufville te Aken . 1778.

Een ontwerp-verdrag opgesteld door de Neufville, volgens aanwijzing van

van Brakel, en door Lee................. 1778.

Henry Laurens president van het congres der Amerikaansche staten 1777.

Hij vertrekt van Philadelphia naar Nederland. — Het schip bij New-Found-land genomen door een Engelsch fregat. — De in zee geworpen doos opgevischt................... 10 Sept 1780.

Willem V deelt den inhoud der gevonden stukken aan de leden van het

geheim besogne mede................Oct. 1780.

De staten aller gewesten dienen hieromtrent een verklaring ter Generaliteit in. — Holland stelt de stukken in handen van het hof. — Yorke dringt tweemaal op vervolging aan. — De burgemeesters van Amsterdam, Temminck, Rendorp. Hooft enElias, van welke de eerste \'t ontwerp nimmer heeft gezien, verklaren tot het stuk te hebben medegewerkt.

Rusland, Zweden en Denemarken sluiten het stelsel eener rjewajiende onzijdigheid 1780.

Pruisen en Oostenrijk voegen zich er bij............1781.

De Staten-Generaal besluiten, met een meerderheid van vier. Holland,

Friesland, Overijsel en Groningen, tegen drie stemmen toe tc treden Nov. 1780.

Nederlands gezanten te Petersburg onderteekenen het verdrag.

De Republiek verzendt haar brieven ter kennisgeving van de aansluiting aan de Noordsche mogendheden. — George II roept zijn gezant uit Nederland terug. — Engelands regeering zendt de verklaring ongeopend terug aan graaf van Weideren.

-ocr page 498-

470

Jaren n. C.

Engeland verklaart den oorlog aan de Zeven gewesten....... 1780.

Potemkin heeft thans den meesten invloed aan het Russische hof.

§ 32. De oorlog van Engeland en Nederland. — De geschillen der Republiek met Jozef II. — De binnenlandsche oneenigheden en de komst der Pruisen.

200 koopvaardijschepen, met een waarde van 15,000,000 gl., in de Engel-

sche havens opgebracht................Jan. 1781.

li o d n oy vermeestert eenige honderden koopvaardijschepen in West-Indië. —

Zijn kunstgreep op St. Eustatius.

St. Eustatius, St. Martin en Saba, alsmede de kust van Guinea vallen in handen der Engelschen. — Berbice, Demerary en Essequïbo stellen zich onder hun hoede.

Een groote schat valt den overwinnaar op St. Eustatius in handen, o.a. 3,000,000 gl.

De Franschen hernemen St. Eustatius, St. Martin en Saba en geven ze

aan de Staten-Generaal terug................1781.

Zij heroveren Berbice, Demerary en Essequibo en nemen ze in bewaring. 1782.

Engeland bemachtigt Negapatnam en andere streken..... 1781 , 1782.

Frankrijk behoedt do Kaap. — Een Engelsche kaper beschiet Scheveningen 1781.

2058 schepen onder Nederlandsche vlag varen door de Sond..... 1780.

6 schepen onder Nederlandsche vlag varen door de Sond......1781.

De Staten-Generaal verleenen een konvooi aan 72 koopvaarders. — Johan Arnold Zoutman, van Kinsbergen, Dedel en Braam met 15 oorlogschepen. — Slag met zeven schepen aan weerszijden tegen Hyde Parker bij D ogger sb ank. — De Engelschen deinzen het eerst af 5 Aug. 1781.

Vrede van Versailles.................Jan. 1783.

Vrede te Parijs. — Negapatnam komt aan Engeland. — De Engelschen verkrijgen de vrije vaart in de zeeën van Oost-Indië.....Mei 1784.

Adams als gezant der Vereenigde Staten erkend door de Staten-Generaal 1782.

Jozef II bezoekt onder den naam „graaf van Ealkensteinquot; de Zuidelijke Nederlanden, Holland en Utrecht. — Hij wijst het verzoek van Antwerpen van de hand.

Hij verlangt, dat de Staten-Generaal de steden der barrière ontruimen. —

Het gebeurt......................1781.

Nieuwe geschillen tusschen Jozef 11 en de Staten-Generaal over het dorp de Doel en een paar forten aan de Schelde. — Jozef eischt Maastricht en de opening van de Schelde............... 1783.

Een oorlogschip onder Oostenrijksche vlag wil zich onttrekken aan het onderzoek van den uitlegger. — Het wordt genomen, maar kort daarna weder ontslagen.................... 1784.

De keizer laat een leger naar de grenzen der Republiek oprukken.

De Staten-Generaal sluiten een verbond met Frankrijk, hetwelk de beperkende bepalingen weder opheft............... 1784.

De staten der provinciën schrijven een algemeene wapening der ingezetenen van \'t platteland voor.

Vrede te Fontainebleau. — Lillo en Liefkenshoek aan Jozef afgestaan en een som van S)^ millioen aan hem uitgekeerd. — Frankrijk neemt 4,/2 millioen voor zijn rekening, maar betaalt slechts een gedeelte. — Ter Generaliteit zijn vier gewesten. Holland, Utrecht, Overijsel en Groningen er voor ....................... 1785.

-ocr page 499-

471

Jaren n. C.

De hertog van Brunswijk zeer bevriend met den Engelschen gezant.

De burgemeesters van Amsterdam dringen bij Willem aan op de vervijdering

van den hertog.....................178!.

De hertog wendt zich tot de Staten-Generaal. — Zij spreken hem van alle blaam vrij. — Hij verlangt ook gerechtvaardigd te worden door de staten der bijzondere gewesten.

De hertog begeeft zich naar \'s Ilertogenbosch.......... 1782.

Het geheim van \'t bestaan der akte van consulentschap wordt verbroken. —

De „dikke hertogquot; gaat heen................ 1784.

Van der Capellen tot don Poll dient bij de staten van Overijsel een vertoog in ter afschaffing van de drostendiensten. — Hij wordt van die vergadering uitgesloten.................. 1778.

Hij keert terug .....................1782.

De drostendiensten afgeschaft................ 1783.

De politieke kruier. — De post van den Neder-llijn, door quot;t Hoen geschreven.

\'s Lands vloot ligt weken lang werkeloos bij Texel en keert later onverrichter zake terug.................... 1782.

De tien oorlogschepen, naar Brest bestemd , gaan niet....... 1782.

Verzet der vroedschappen tegen de benoeming barer leden door den stadhouder. — Exercilie-ge7iootschaigt;]gt;en of vrijkor/jsen. — Het genootschap „pro patria et libertatequot; te Utrecht.............178.3.

De staten der gewesten, behalve van Gelderland, ontzeggen den stadhouder het recht op hun gebied een krijgsraad bijeen te roepen . . . 1783.

Oproerige tooneelen in vele dorpen, te Kotterdam , Arnhem, enz.

De staten van Holland verbieden het dragen of roepen van Oranje Febr. 1785.

Een burger van \'s Gravenhage door een lid van een exercitie-genootschap gewond.....................Sept.

De staten van Holland ontnemen den prins het bevel over het garnizoen dezer stad. — De vaandels van Hollands lijfwacht te voet veranderd. —

Bevel aan de troepen der hoofdwacht nopens de krijgseer. — Verordening omtrent de stadhouderlijke poort, enz.

De prins verlaat met zijn gezin \'s Gravenhage.......... 1785.

Hij bezoekt Friesland, Groningen en Drente. — Hij vestigt zich op het Loo, later te Nijmegen.

Katharina Mulder of Kaat Mossel te Rotterdam. — Zij wordt vervolgd en verdedigd door Bilderdijk. — Zij wordt in hechtenis gehouden, maar ontslagen....................... 1787.

Ocker Gevaerts en Co melis Gijselaar willen door de stadhouderlijke pooit rijden. — Hess en Mourand. — Hess vlucht. — Mourand in hechtenis genomen...............Maart 1786.

Mourand door de gecommitteerde raden ter dood veroordeeld. — Het vonnis in dat eener eeuwigdurende gevangenschap veranderd.

Mourand ontslagen.................... 1787.

Geschillen te Elburg en te Hattem. — De staten van Gelderland gelasten den stadhouder krijgsvolk naar Hattem en naar Elburg te doen oprukken en bezetting in die steden te leggen. — Vele regeeringsleden en inwoners dezer steden vluchten naar Kampen of elders...... 1786.

Zware vonnissen geveld tegen de hoofdpersonen der beweging.

De staten van Holland ontslaan de soldaten, ter hunner repartitie staande, van den eed aan hun kapitein-generaal en ontheffen den raadpensionaris

-ocr page 500-

472

Jaren n. C.

van de verplichting om in gemeenschappelijk overleg met den stadhouder te handelen.

Er hebben jaarlijks bijeenkomsten plaats van regenten uit de verschillende

provinciën ...................sinds 1783.

Hun leus is „grondwettige herstelling.\'\',

Utrecht de zetel der hevigste patriotten. — De burgerij dezer stad zet de overheid af. — De vergadering der staten van dit gewest verdeelt zich in twee partijen, waarvan de eene te Utrecht, de andere te Amersfoort bijeenkomt. — Hetzelfde grijpt plaats in Friesland. — In Zeeland behoort het meerendeel der regenten tot de prinsgezinden.

Er is oneenigheid tusschen de Staten-Generaal en de staten van Holland, oneenigheid tusschen deze en die van Gelderland. — De stadhouder vergeleken bij een Nero en een Al va.

De patriotten rekenen op Frankrijk, de stadhouderlijke partij op Engeland of Pruisen. — Frederik Willem II zendt den graaf van Goertz als buitengewoon gezant naar de Republiek. — Van Goertz treedt in onderhandeling met de Rayneval.

Er zijn twee partijen aan \'t hof des stadhouders.

De regeering te Amsterdam heft de exercitie-genootschappen op. — Zoowel zij, als de vroedschap van Rotterdam zendt afgevaardigden naar den stadhouder. — In deze en in andere steden van Holland komen andere personen, democratische beginselen toegedaan, in de regeering.

De staien van Holland dragen de verdediging van hun gewest aan een commissie van defensie, uit vijf personen bestaande, op, die te Woerden zetelt. — Twee vliegende legertjes.

De prinses gaat van Nijmegen op reis naar quot;quot;s Gravenhage. — Bij de Goejan-verwel les luis verzoekt haar de commissie van defensie niet verder te gaan ......................Juni 1787.

De prins en de prinses betuigen hun gevoeligheid aan de staten van Holland en aan de Staten-Generaal. — Gelderland, Zeeland, Friesland en Utrecht keuren het gedrag van Holland af.

Thulemeijer eischt een schitterende voldoening. — Tevergeefs.

De markgraaf de Me\'rac. — Frankrijk zendt heimelijk eenigen onderstand in geld en in troepen.

Gewelddadigheden te Middelburg............... 1787.

Karei Willem Ferdinand, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfen-buttel, rukt met een leger van 20,000 man de Nederlanden binnen. — De Rijngraaf van Salm vliedt smadelijk. — De Pruisen bezetten de stad Utrecht.

Amsterdam geeft zich over................. 1787.

De staten van Holland trekken de besluiten, waardoor de macht des stadhouders is verkort, in. — Opheffing van de commissie van defensie, van alle vrijkorpsen en exercitie-genootschappen. — Ontbinding der vliegende legertjes.

Achttien hoofden der patriotten, o. a. de Gijselaar en van Berckel, van alle ambten ontzet en voor immer van den persoon des prinsen verwijderd. — De wet alom door den stadhouder verzet.

Van Bleiswijk vervangen door Laurens Pi eter van de Spiegel . . 1787.

De zegevierende partij neemt op vele plaatsen, vooral te \'s Hertogenbosch,

wraak op de patriotten. — De Pruisen staan haar hierbij ten dienste. — Het ,,ontpoorten\',, van Franeker. — In Holland, Gelderland, Utrecht en

-ocr page 501-

473

Jaren p. C.

Friesland een amnestie met vele uitzonderingen afgekondigd.

Vele uitgewekenen vestigen zich in de Zuidelijke Nederlanden en in Frankrijk.

§ 33. De val der Republiek. — Blik op den toestand des lands.

De Pruisen verlaten, met een vrij grooten buit beladen, de Nederlanden 1788.

De Republiek sluit een verdedigend verbond met Engeland en met Pruisen,

waarbij deze mogendheden het erfstadhouderschap waarborgen, . . . 1788.

De akte van (jarnntie.................... 1788.

Willem Frederik tot generaal van het voetvolk aangesteld. — Ilem wordt

zitting verleend in den raad van state............ 1790.

Hij treedt in het huwelijk met Frederika Louise Wilhelmina . . 1791.

Willem Frederik George Lodewijk geboren.........* . 1792.

Willem Frederik Karei geboren............... 1797.

Marianne geboren..................... 1809.

De tweedracht duurt voort.

Regeling der quota\'s. — Die van Holland en Gelderland worden iets hooger, die van Friesland iets lager en die van Zeeland meer dan de helft lager gesteld............,....... 1792.

De pogingen van van de Spiegel om de vijf collegiën der admiraliteit te doen ineensmelten mislukken.

Oproer in de Oostenrijksche Nederlanden tegen Jozef II ...... 1788.

De hulp der Republiek gevraagd door van der Noot, toen haar bemiddeling, benevens die van Engeland en Pruisen door Lodewijk II. — De opstand gestild.

Frankrijk geraakt in oorlog met Pruisen en met Oostenrijk . . . April 1792.

De patriotten sporen de nationale conventie aan haar beginselen op de Nederlandsche Republiek te gaan toepassen. — Het „Bataafsche legioen.1,

Een geheim comité revolutionair te Amsterdam opgericht.....Jan. 1794.

De conventie verklaart den oorlog aan den koning van Engeland en aan

den stadhouder der Vereenigde Nederlanden.......1 Febr. 1793.

Dumouriez, geleid door Herman Willem Da endels, trekt de grenzen van Nederland over. — De graaf van Bylandt geeft Breda over en ondergaat deswege later een vernederend vonnis. — De Klundert valt, na een wakkere verdediging door den baron von Kropff, Geertruidenberg insgelijks. — De baron van Boctzelaar houdt zich te Willemstad staande. —

De slag bij Neerwinden.

De koning van Pruisen zendt geen troepen naar de Zuidelijke Nederlanden. — Strijd van Willem Frederik en Frederik tegen de Franschen.

De bondgenooten verliezen den slag bij Fleurus.......... 1794.

Val van het schrikbewind. — De regeering van Frankrijk helt tot den vrede over. — Daendels.

Vrede te Campo Formio. — De Zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk afgestaan 1797.

Pichegru en Daendels rukken Nederland binnen . Dec. 1794 en Jan. 1795.

Willem V scheept zich met zijn gezin in.........18 Jan. 1795.

Hij gaat naar Engeland en blijft er............tot 1800.

Verzwakking der zeemacht van Nederland.........sinds 1750.

Adriaan Valkenier................ 1737—1741.

Het getal der Sineezen , die te Batavia wonen, begroot op 7000, van hen,

die in de voorsteden en omstreken zijn gevestigd, op 60,000. — De re-

-ocr page 502-

474

Jaren n. C.

geering gelast de Sineezen die zonder vaste middelen van bestaan zijn,

op te lichten en naar Ceylon over te brengen.

Gevechten nabij Batavia tusschen de Nederlanders en de Sineezen, waarin

de laatsten worden verslagen.............8 Oct. 1740.

De gouverneur-generaal draagt een deel zijner macht aan van Imhoff en aan andere leden van den raad van Indië op.......8 Oct.

Met goedvinden van dien raad heeft de moord --er Sineezen plaats. — Ruim 10,000 van hen vallen...............9 Oct.

Van Imhoff en anderen als gevangenen naar quot;t vaderland gezonden.

De zeventienen benoemen van Imhoff tot gouverneur-generaal. — Hij keert als zoodanig naar Oost-Indië terug.

Valkenier, gevangen gezet, sterft.

GustaafWillembaronvanlmhoff............1741.

Hij is de stichter van Buitenzorg. — Hij voert de verpachting der belastingen op Java in. — Hij wijst de Sineezen de kamp tot woonplaats aan. — Hij schrijft „de Beschouwingen over den tegenwoordigen toestand der Maatscliappij.\'quot;

Achteruitgang der Oost-Indische compagnie. — Zij sluit elk jaar haar boeken

met een tekort van eenige millioenen........sinds ongev. 1750.

De uitdeelingen beloopen 20 tot P C\'

Een staatscommissie, uit leden der staten van Holland en Zeeland bestaande, ingesteld.................... 1790.

Ken viertal commissarissen-generaal naar Oost-Indië afgezonden . . . . 1791.

De vrijstelling van de vaart verleend ten opzichte van Curasao . . 1600—1700.

Dezelfde vergunning gegeven ten opzichte van de kust van Guinea . . . 1734.

Omtrent Essequibo en Demerary hangt dienaangaande een geschil tusschen de kamer Zeeland en de staten van dit gewest aan de e\'éne en die van Holland aan de andere zijde. — Het wordt door Willem V zóó beslist,

dat ook naar deze streken de vaart wordt opengesteld ...... 1770.

De Staten-Gcneraal ontbinden, tegen den zin van Zeeland, de West-Indische compagnie .................... 1791.

Zij dragen het beheer der West-Indiën, onder hun oppertoezicht, aan een

raad van koloniën op.................. 1794.

De Hcrrnhutters vestigen zich te Zeist............. 1746.

Cornelis Janssen, hoogleeraar te Leuven, later bisschop te Yperen

sedert 1635.

Hij sterft........................ 1638.

Zijn werk Augusiinus komt uit................ 1640.

Rome verbiedt het. — De paus vordert een eed van verwerping van het

Jansenisme van alle geestelijken, die een kerkelijk ambt beklecden sedert 1665.

De oud-katholieke kerk of oud-bisschoppelijke cleresey. — Paus Clemens XI benoemt, zonder medewerking van het kapittel, een hoofd voor deze kerk.

Het kapittel handhaaft den door hen gekozen voorganger, die den titel

„aartsbisschop\',, voert en te Utrecht zetelt........sinds 1723.

Het plan om een hoogeschool te Zierikzee te stichten uit de gelden, nagelaten door Mogge, stuit op zwarigheden af.......... 1756.

De Hollandsche Maatschappy der Wetenschappen te Haarlem opgericht . . 1752.

liet Genootschap pro Excolendo Jure Patrio te Groningen opgericht . . . 1761.

De Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden gesticht . . . . 1766.

liet Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen gesticht . . . 1769.

-ocr page 503-

475

Jaren n. C.

Het Batanfsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam opgericht.....................1770.

Pieter Teyler van der Hulst. — Te Haarlem een museum en het Teylers

Geywotschop opgericht................... 1778.

De staten van Utrecht vergunnen de stichting van *t Provinciaal Utrechtsch

Genootschap van kunsten en wetenschappen............ 1778.

Jan Nieuwenhuizen sticht de Maatschappij tot Nut van *7 Algemeen . 1784. Het Genootschap Felix Meritis, in vijf afdeelingen gesplitst, ontstaat te

Amsterdam...................... 1788.

De dichtergenootschappen „Kunst wordt door arbeid verkregen (Leiden)

„Hierna volmaakter,\'quot; enz.

Willem van Haren. — Hij is een tijdlang afgevaardigde ter Staten-Generaal voor Friesland en gezant dier staten in de Oostenrijksche Ne

derlanden ....................sinds 1751.

De Friso. — Het Menschelijk leven. — Leonidas..........1741.

On no Zwier van Haren. — De Geuzen.

Elizabeth Bekker, eerst getrouwd met Wolff, woont later tezamen met Agatha Deken. — Sara Burgerhart. — Willem Levend.

Zij verlaten het vaderland.................. 1787.

Zij keeren terug. — Agatha Deken sterft............ 1804.

Elizabeth Bekker sterft.

Jan Wagenaar eerste klerk ter secretarie van Amsterdam..... 1760.

Hij sterft........................17G3.

De Vaderlandsche Historie. — Beschrijving van Amsterdam.

Simon Stijl. — De opkomst en bloei der Verenigde Nederlanden.

Van de Spiegel. — Nadenken van een staatsman.

Adriaan Kluit. — Ilistoria critica comitatus Ilollandiae et Zelandiae. — Geschiedenis der Hollandsche staatsregeering.

Hij wordt van zijn ambt ontzet ............... 1795.

Hij wordt er in hersteld.................. 1799.

§ 34. De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland.

Vernietiging van het stadhouderschap en ontbinding der collegiën van staten , gecommitteerde raden, enz. — Zij worden voorloopig vervangen door vergaderingen van provisioneele representanten.

Een comité tot de zaken van den Oost-lndischen handel en bezittingen, uit achtentwintig personen bestaande, ingesteld. — Een comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen in Afrika en Amerika, uit eenentwintig personen bestaande, ingesteld.

Jakob Blauw en K a s p a r Meijer tot ministers-plenipotentiarissen bij de

conventie benoemd................Febr. 1795.

Zij worden als zoodanig niet erkend. — Hooge eischen der conventie.

Sieyès en Rewbell komen te \'s Gravenhage........8 Mei 1795.

Het Haagsche verdrag. — De Bataafsche Republiek betaalt 100,000,000 gl.,

staat Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen af, laat Fransche bezetting in Vlissingen toe, sluit een aanvallend en verwerend verbond met Frankrijk, laat het gebruik der haven van Vlissingen en de scheepvaart op den Rijn, de Maas en de Schelde aan de Franschen over . 1G Mei 1795.

Geheime artikels: aanbieding van een zeker aantal oorlogschepen te leen aan Frankrijk. — Een leger van 25,000 man Franschen zal worden be-

-ocr page 504-

476

Jaren n. C.

zoldigd, gekleed en gevoed. — Deze post alleen kost het land ruim 74,000,000 gl....................tot 1804.

De assignaten.

Groot-Britannië legt embargo op Neerlands schepen .... voor 16 Mei 1795.

Het zendt brieven, onderteekend door den prins van Oranje, naar de Kaap de goede hoop en naar Suriname...........Febr.

Het verklaart den oorlog aan de Bataafsehe Republiek .... Sept.

De Kaap geeft zich aan de Eugelschen over en Lucas zijn vloot . . Aug. 1796.

Nederland verliest Malakka, Ceylon, de Molukken, Demeraiy, Berbice en Essequibo.

Java is de eenige bezitting, die het behoudt...........1801.

Een commissie uit de Staten-Generaal ontwerpt een reglement ter regeling van den regeeringsvorm. — Friesland en Zeeland verzetten zich eerst,

doch treden later toe. — De negen gewesten, alzoo ook Brabant en Drente, verdeeld in districten van ongeveer 15,000 zielen, elk district in grondvergaderingen van 500 personen. — Elke grondvergadering verkiest een kiezer. — De dertig kiezers van een district benoemen een representant, oud 30 jaren. — Het aantal der districten is 127.

De nationale vergadering, uit 126 leden bestaande, komt bijeen 1 Maart 1796.

De Staten-Generaal ontbonden.

Pieter Paul us, secretaris van de admiraliteit der Maas, afgezet . . 17S7.

Hij is de schrijver der „Verklaring van de Unie van Utrecht.,,

Jlij wordt voorzitter der nationale vergadering. — Hij sterft . . Maart 1796.

Pieter Leonard van de Kasteele is zijn opvolger.

De vergadering benoemt een commissie van 21 leden tot het opstellen van een ontwerp eener staatsregeling.

Twee partijen, de unitarissen, als Wijbo Fijnje, Pieter Vreede, Ockerse,

Gogel, Schimmelpenninck, en de foederalisten, als Vitringa en de Mist.

Menige nieuwe commissie benoemd. — Er is een plan gereed. . . Aug. 1797.

De meerderheid van het Bataafsehe volk verwerpt het plan. — De tweede nationale vergadering door Pasteur geopend ......1 Sept.

Zij benoemt een commissie om een concept-constitutie te ontwerpen.

Coup d\'etat van Daendels en Midderigh. — Achtentwintig foederalisten

gevangen genomen................22 Jan. 1798.

De constitueerende vergadering, representeerende het Bataafsehe volk. — Midderigh voorzitter. — De uitvoerende macht opgedragen aan een uitvoerend bewind van vijf personen, o. a. Pieter Vreede.

Een commissie van zeven leden werkt het ontwerp eener grondwet uit Maart 1793.

Zuivering der grondvergaderingen. — Stemming. — Het ontwerp wordt aangenomen.

Een vertegenwoordigend lichaam. — De vergadering doet haar eigen leden als leden van dit lichaam zitting nemen.

Nieuwe omkeering, met behulp van Joubert, door Daendels tot stand

gebracht.....................Juni 1798.

Een nieuwe vertegenwoordiging door het volk gekozen.....Juli.

Eerste zitting van het vertegenwoordigend lichaam .... 31 Juli.

Hun voorzitter is van de Kasteele.

liet uitvoerend bewind of de directeuren: van Hasselt, vanHaersolte,

Er me rins, Hoeth, van Hooff. — Acht agenten voor de buiten-landsche betrekkingen, de marine, den oorlog, de financiën, de justitie, de policie, de nationale opvoeding, de nationale staatshuishouding.

-ocr page 505-

477

Jaren n. C.

Hoofdinhoud der staatsrer/eling, afgekondigd........1 Mei 1798.

De oppermacht berust b\'j het vertegenwoordigend lichaam. — Het bestaat uit twee kamers, de eerste van 64, de tweede van 30 leden. — Het heeft de wetgevende, de directeuren de uitvoerende macht. — Acht departementen: van de Eems, van den ouden Usel, van den Rijn, van de Amstel, van Texel, van de Delft, van de Dommel, van de Schelde en Maas. — Ringen. — Verdeeling in 94 districten van 20,000 zielen en van ieder district in 40 grondvergaderingen. — Vrederechters. — Rechtbanken. — Gerechtshc ven. — Er zal ée\'n algemeene kas voor de geldmiddelen zijn. — De amalgame. — Scheiding van kerk en staat. — Bezoldiging van de leeraren en dienaars der hervormde kerk uit quot;s lands kas.

Holland schaft de verbeurdverklaring van goederen bij rechterlijk vonnis af 1732.

Gelderland doet het.................... 1778.

Thans afschaffing van de pijnbank. — Het Gemeenebest een en ondeelbaar verklaard. — Volkomen gelijkstelling van allen voor de wet. — Alle heerlijke rechten en wat verder van het leenstelsel afkomstig is vernietigd 1798.

De Winter door Duncan bij de Kamperduinen verslagen en gevangen genomen..................11 Oct. 1797.

Landing van Frederik, hertog van York, Abercrombie en Hermann nabij de Helder. — Story geeft zich met zijn twaalf schepen bij de VI ie ter over...............Aug. 1799.

Daendels wijkt. — De vijand wint den slag bij de Zijp . 10 Sept.

De vijand wordt door Bruno en Daendels bij Bergen verslagen 19 Sept.

Hij wordt door hen bij Castricum verslagen.......0 Oct.

De Engelschen en de Russen trekken terug. — De Winter ontslagen 22 Oct.

De erfprins van Oranje beproeft een tegenomwenteling in Overijsel en in \'t Oosten van Gelderland. — Hij vertoeft te Alkmaar. — Hij keert naar Engeland terug. — Hij gaat naar Brunswijk.......... 1800.

Het uitvoerend bewind doet een voorstel tot herziening der constitutie, hetwelk het vertegenwoordigend lichaam in handen eener commissie stelt. — Het vertegenwoordigend lichaam is tegen het ontwerp dezer commissie.

Ermerins en van Swinden keuren de voordracht eener nieuwe grondwet af. — Pijman, Haersolte en Besier staan ze voor. — Napoleon knoopt door middel van Augereau onderhandelingen met hen aan. — In de schets wordt in plaats van een president, als hoofd der Republiek, een staatsbewind van twaalf personen gesteld.

De meerdeiheid van \'t uitvoerend bewind roept de grondvergaderingen tot

de stemming op.................I Oct. 1801.

Zij sluit en verzegelt de kamers der vertegenwoordiging.

De staatsregeling wordt aangenomen.

Inhoud der staatsregeling.............* . . van 1801.

Aan \'t hoofd der Republiek staat een staatsbewind van twaalf personen met een wetgevend lichaam van vijfendertig leden. — Het nationaal syndicaat van drie leden. — Groot gezag van het staatsbewind. — Het wetgevend lichaam vergadert maar tweemaal quot;quot;s jaars. — De takken van algemeen bestuur toevertrouwd aan raden. — Zelfstandiger werkkring van de besturen der departementen. — Beperkt getal der kiezers. — Namen der departementen: Holland, Zeeland, Brabant, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Friesland, Groningen. — Niemand voortaan uitgesloten van het beklecden van ambten.

-ocr page 506-

478

Jaren n. C.

Zeven leden van het staatsbewind gekozen door de drie leden van het uitvoerend bewind, vijf door deze zeven. — Onder de twaalf zijn Pijman, van Ilaersolte en Besier. — In \'t vervolg geschiedt de verkiezing uit een voordraeht van de departementale besturen aan het staatsbewind en van dit aan het wetgevend lichaam door de vijfendertig leden van dit college. — Het staatsbewind kiest voor deze maal de vijfendertig.

liet staatsbewind aanvaardt de regeering.........17 Oct. 1801.

De algetneene vrede te Amiëns. — Rn tg er Jan Schimmelpenninck. — Engeland geeft de Republiek al haar volkplantingen terug, uitgezonderd Ceylon. — Het strijken der vlag houdt op. — De schadeloosstelling voor het huis van Oranje-Nassau zal niet ten laste komen der Republiek Maart 1802.

De schadeloosstelling bestaat uit Fulda, Corvey, Weingarten, Dortmund,

enz......................25 Febr. 1803.

Willem V staat deze lauden aan zijn oudsten zoon af....... 1803.

Willem V sterft.....................180G.

Napoleon ontneemt Willems zoon deze staten .......... 1807.

Napoleon verklaart Groot-Britannië den oorlog.......... 1803.

Engeland herneemt bijna alle buitenlandsche bezittingen van Nederland. —

Suriname bezwijkt.................... 1804.

De Kaap gaat over.................... 1806.

Nederland levert den consul troepen, schepen en millioenen.

Napoleon wordt keizer.

Schimmelpenninck moet een nieuwe grondwet opstellen....... 1805.

Het ontwerp wordt door Napoleon en door het volk goedgekeurd.

De derde staatsregeling................... 1805.

Rutger Jan Schimmelpenninck raadpensionaris, door het volk gekozen, met den titel „Zijn Excellentie.quot;— Wetgevend lichaam van 19 leden, „hun hoogmogenden.quot; — Het komt tweemaal \'s jaars bijeen. — De eerste verkiezing der leden geschiedt door den raadpensionaris. — Groote macht van den raadpensionaris. — Vijf secretarissen van staat. — Een staatsraad van zeven leden (5 tot 9 is vastgesteld).

Drente als landschap aan de acht departementen toegevoegd en onder een

eigen bestuur gebracht................Juli 1805.

Algemeene belastingen ingevoerd. — Het kadaster. — Het recht der patenten.

Eerste algemeene staatswet op het lager-onderwijs. — Schoolopzieners. —-Geregeld onderzoek naar de kundigheden van hen, die als onderwijzer willen optreden ....................1801.

Nieuwe wet.....................Juli 18C3.

Vernieuwde regeling door Schimmelpenninck........3 April 1806.

Commissiën van landbouw in elk departement.

Hel groot-besogne. — Verhuell en Willem Six.

Vierde staatsregeling..................Juni 1806.

Lodewijk Napoleon koning van Holland. — Wetgevend lichaam van 39 leden. — Staatsraad van 13 leden. — De titel „hun hoogmogendenquot;

vervalt. —• Uitgestrekt gezag van Lodewijk.

De koninklijke ridderorde der unie, met de zinspreuk „Doe wel en zie niet

omquot; en het opschrift „Eendracht maakt macht,quot;.......Nov. 1807.

Het koninklijk instituut van wetenschappen, letteren en schoone kunsten

Mei 1808.

Een constitutioneele adel ingesteld. — Groote voorrechten, aan dien adel

toegekend....................... 1809.

-ocr page 507-

479

Jaren n. C.

De Nederlandsche krijgslieden strijden, eenige maanden onder quot;t opperbevel van Lodewijk, in Westphalen.......... 1806, 1807.

Vrede van Tilsit. — Jever en Oost-Friesland, tegen den afstand van Vlis-

singen en zijn tafel, met Holland vereenigd.......... 1807.

Het koninkrijk in tien departementen verdeeld, Amstelland, Maasland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland en Brabant. — Aan quot;t hoofd van elk departement staat een landdrost met een raad..................... 1807.

Oost-Friesland wordt een elfde departement........... 1807.

Ramp te Leiden. — Het Rapenburg ia puin. — Meer dan 200 huizen omvergeworpen, honderden beschadigd. — De koning stelt op alles orde.— 152 menschen komen om, o. a. Kluit en Lusac,......12 Jan. 1807.

Leiden voor tien jaren vrijgesteld van een aantal belastingen. — Aan alle eigenaars van nieuw opgebouwde huizen de grondbelasting gedurende 20 jaren kwijtgescholden.

Zeeland overstroomd..................Jan. 1808.

Een deel van Zuid-Holland en van Gelderland overstroomd . . . Jan. 1809.

Het continentaal-stelsel. — Decreet van Berlijn.......21 Nov. 1806.

Decreet van Milaan.................... 1807.

Decreet van Fontainebleau.................1810.

Lord Chatham steekt met een vloot van ruim 400 oorlogsvaartuigen

en honderden transportschepen in zee ..........Juli 1809.

Bruce wijkt uit Bath. — Hij wordt afgezet.

Bombardement van Vlissingen. — Walcheren, Schouwen en Duiveland

veroverd. — De vijand ontruimt Zeeland........... 1809.

Lodewijk is tegen conscriptie en vernietiging der staatsschuld. — Hij laat afwijkingen toe der bepalingen van het continentaal-stelsel.

Walcheren bij Frankrijk ingelijfd............1 Febr. 1810.

Lodewijk vertoeft te Parijs............sedert Dec. 1809.

Verdrag tusschen Napoleon en Lodewijk. — Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland komen aan Frankrijk. — Het land neemt Fransche garnizoenen op........Maart 1810.

Lodewijk keert naar Holland terug...........April

Napoleon zendt nieuwe troepen en douaniers.

Twist over den koetsier van Frankrijks gezant........Mei

Lodewijk wil Amsterdam tot het uiterste verdedigen. — Hij doet afstand van de kroon ten behoeve van zijn tweeden, toen oudsten zoon, Lodewijk Napoleon, onder regentschap van Hortensia. — Hij verlaat heimelijk het paviljoen bij Haarlem..............1 Juli 1810.

Hij gaat naar Bohemen. — Hij overlijdt te Livorno........ 1846.

Statuut voor het huis Napoleon.............Maart 1806.

Tekort in \'s lands kas van 40,000,000 gl. bij \'t begin der regeering van Lodewijk.

De hofhouding van Lodewijk verlegd van quot;s Gravenhage naar Utrecht en vanhier naar Amsterdam. — Het stadhuis te Amsterdam wordt paleis.

Lodewijk koopt het Paviljoen van Hope en betrekt het in de laatste jaren meestal des zomers. — Het komt later als kroondomein aan het huis Oranje-Nassau.

De mond van den Rijn te Katwijk door middel van een kanaal geopend. —

Twee sluizen................ 1804—Oct. 1807.

De dijken in Holland, Zeeland, Groningen, enz. verbeterd.

-ocr page 508-

480

Jaren. n. C.

De straatweg van \'s Gravenhage naar Leiden en die van Utrecht naar het

Loo gelegd................... 1808, 1809.

Het code Napoleon, in \'t bijzonder ingericht voor hot koninkrijk Holland,

ingevoerd....................1 Mei 1809.

Ministers van Lodewijk: Karei Hendrik Verhuell, Izaak Jan Alexander Gogel, Willem F rede rik Roell, Jan Willem Janssen, Co melis Rudolf Theodoor Krayenhoff\', Cor-nelis Felix van Maanen.

De Bataafsche Republiek neemt alle bezittingen en schulden der gewezen

Oost-Indische compagnie over. — De schulden zijn ongeveer 150,000,000 gl. 1798_

Het oppergezag komt aan het uitvoerend bewind......... 1798.

Het komt aan het staatsbewind................1801.

Het bestuur in handen gesteld van Oen raad der Aziatische bezittingen, dat van West-Indië opgedragen aan den raad der Amerikaansche koloniën.

Lodewijk benoemt Daendels tot gouverneur-generaal van Indië . . Jan. 1807.

Daendels komt in Neérlands Indië aan............. 1808.

Dat Indië bestaat uit het grootste deel van Java, uit Makassar, Amboina en de overige Molukken, Timor, eenige kantoren op Sumatra en Borneo, Banka en Billiton.

Daendels laat een weg aanleggen van Anjer of straat Soenda tot Fana-roeka. — Een postdienst hiermede in betrekking gesteld. — De postwagen van Batavia naar Soerabaya heeft thans negen of tien dagen, in plaats van een maand, noodig.

Daendels verbetert den gezondheidstoestand van Batavia.

Hij plant ruim 45,000,000 koffieboomen en brengt het getal op 72,000,000.

Amboina geeft zich aan de Engelschen over........Febr. 1810.

De overige Molukken volgen.

§ 35. Nederland bij het keizerrijk ingelijfd. — Het herkrijgt zijn onafhankelijkheid.

Inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk......9 Juli 1810.

Charles Francois Lebrun, hertog van Plaisance, wordt luitenant-generaal. — Amsterdam de derde stad van het keizerrijk.

De rechtspleging met gezworenen en het code Napoleon ingevoerd. — De renten der staatsschuld (jeticrceerd.

De departementen worden Fransche departementen met prefecten. — Hun namen; Zuiderzee, Bouches de la Meuse, Bouches de 1\'Escaut, Bouches du Rhin, Issel Supérieur, Bouches de I.Issel, Frise, Ems-Occidei;tal, Ems-Oriental ...................Sept. 1310.

Onderprefecten. — Ma ires.

De conscriptie ingevoerd..................1811.

De helft van de mannelijke bevolking van 20 jaren \\s jaarlijks weggevoerd en \'/j van de geheele bevolking wordt soldaat. — Het besluit wordt uitgestrekt tot de laatste drie jaren.

De Celles. — De Stassart.

De censuur. — quot;t Verbranden van Engelsch fabriekgoed te Rotterdam, Groningen, enz. somtijds voor een waarde van een half millioen.

De koffie kost C3 stuivers het pond, in plaats van 12, de suiker 60 in plaats van 10.

De bevolking van Amsterdam neemt bij duizenden af. — Te Haarlem en te \'s Gravenhage meer dan 5000 huizen gesloopt.

-ocr page 509-

481

Jaren n. C.

De droits rêunis. — Heffing van 50 p.c. op alle voorhanden zijnde koloniale waren. — De passen. — De politie. - D e v i 11 i e r s-D u t e r r a g e. — Het onderwijs. — Taal en letterkunde.

De hoogeseholen van Leiden en Groningen blijven in wezen. — Utrecht, Amsterdam en Deventer worden „écoles seeondaires.quot; — Harderwijk en Praneker opgeheven.................Oct. 1811.

B r u g m a n s.

Daendels treedt af. — Janssens ..............1811.

De Kngelschen veroveren Java en de overige volkplantingen.....1811.

De Ncderlandsche vlag blijft op Decima waaien. — Hendrik Doetï.

Overtocht over de Berezina.................1812.

Napoleon verplicht hen, die in 1814 in de termen der conscriptie vallen,

op te komen......................1813.

De garde d\'homieur, omstreeks COO jongelingen aan Nederland kostende, . 1813.

De inlijving doet Nederland een stelsel van algemeene wetgeving deelachtig worden.

J o h a n M e 1 e h i o r Kemper en Anton Reinhard F a 1 e k.

Bijeenkomsten van G ijs bert Karei van Hogen dorp, van der Du yn van Maasdam, den graaf van Limburg-Stirum eu drie andere mannen te \'s Gravenhage.

De slag bij Leipzig. — De zes Ilaagsche bondgenooten kiezen ieder vier personen, deze vier weer anderen, en zoo kunnen zij op 400 lieden rekenen.

De Fransche troepen ontruimen Amsterdam en gaan naar Utrecht 14 Nov. 1813.

De gouverneur-generaal en de andere ambtenaren volgen.

De bevolking van Amsterdam geraakt op de been en keert zich tegen de wachthuizen der tolbeambten, enz........... 15 Nov.

Een zeker aantal der aanzienlijkste ingezetenen neemt het bestuur der stad voorloopig op zich. — Falck.

De graaf van Stirum en de zonen van van Hogendorp vertoonen zich met de oranje-kokarde. — De graaf van Stirum aanvaardt de betrekking van gouverneur van den Haag.............17 Nov.

Van Hogendorp en de zijnen roepen een vergadering van oud-regenten bijeen. — Een tweede dergelijke vergadering.

Van Hogendorp en van der Duyn van Maasdam aanvaarden het hoog bewind .................21 Nov.

Proclamatie van dit Algemeen Bestuur.

Leiden sluit zich bij het tweemanschap aan. —- Amsterdam volhardt bij zijn onzijdige houding

Kemper en Fannius Scholten brengen te Amsterdam een vergadering te weeg....................24 Nov.

Kotterdam, Haarlem, enz. treden insgelijks toe.

Woerden door de Franschen overvallen.

Fagel en de Perponcher steken naar Engeland over .... 19 Ncv. 1813.

Een eigenhandige brief van den prins van Oranje komt te\'s Gravenhage 26 Nov.

De prins bevindt zich op den vaderlandschen bodem .... 30 Nov.

Kemper en Fannius Scholten commissarissen-generaal te Amsterdam.

De raad van Amsterdam bijeengeroepen .........1 Dcc.

Proclamatie der commissarissen-generaal.........1 Dec.

De prins te Haarlem. — Kemper en Scholten. — De prins neemt de waardigheid van souvereine vorst aan............2 Dec.

WIJNNE, Gesch. v. h. Vaderl., Achtste druk. 31

-ocr page 510-

482

Jaren n. C.

De vijand ontruimt Utrecht............ 27—28 Nov.

Weifeling alhier. — De orde van zaken, die in Holland bestaat, hier ingevoerd. — Hetzelfde geschiedt in Gelderland en in de overige landprovinciën .....................Dec. 1813.

De Engelschen dragen tot de bevrijding van Zeeland bij ......1814.

Bülow en de kozakken doen het in Gelderland, Overijsel, Groningen en Friesland.

Bülow verovert Arnhem..............30 Nov. 1813.

\'s Hertogenbosch gaat over................lan. 1814.

Deventer gaat over.................April.

Op last van Lodewijk XVIU geeft Bergen-op-Zoom zich over . . 3 Mei.

Op last van Lodewijk wijkt Verhuell uit den Helder.....4 Mei.

De Franschen verlaten Walcheren............6 Mei.

Zij verlaten Koevorden................7 Mei.

Zij ontruimen Naaiden............... 12 Mei.

De Nederlanders herwinnen Delfzijl...........23 Mei.

Oprichting van den landstorm, samengesteld uit de weerbare mannen van

Dec. 1813.

17 tot 50 jaren.

Een landmilitie, deels door vrijwillige aangifte, deels bij loting uit de manschappen van 17 tot 45 jaren gevormd.

Er is een leger van omtrent 25,000 man op de been.....April 1814.

De natie brengt honderd duizend gld. als vrijwillige gift op . . . Dec. 1813.

De souvereine vorst benoemt een commissie van 15 personen ter samenstelling eener grondwet.............. 21 Dec.

Van Hogendorp voorzitter dezer commissie. — Zijn schets.

Het ontwerp der grondwet is gereed..........2 Maart 1814.

600 notabelen benoemd.

474 dezer notabelen stemmen met voor of tegen over dit ontwerp in de Nieuwe kerk te Amsterdam. — 44S aanzienlijken zijn er voor, 20 verwerpen het..................29 Maart 1814.

Inhuldiging van den vorst in de Nieuwe kerk. — Petrus Haack houdt een rede naar aanleiding van 1 Samuel 7, vs. 15 . , . . . .30 Maart.

Inhoud der vijfde grondwet, groot 146 artikels en 9 hoofdstukken. — Vrijheid van godsdienst, gelijkheid voor de wet, onafhankelijkheid dei-rechterlijke macht. — Negen provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel. Drente, Groningen, Friesland, Brabant. —Texel, Vlieland, Terschelling, Wielingen, Urk en Marken behooren tot Holland, Schokland tot Overijsel, Ameland en Schiermonnikoog tot Friesland,

Kottum tot Groningen. — Inkomen van den souvereinen vorst 1,500,000 gl. — Titel van zijn oudsten zoon „Koninklijke Hoogheidquot;, van de overige prinsen en prinsessen „Doorluchtige Hoogheid.quot; — Rechten van den souvereinen vorst. — Een kamer van volksvertegenwoordigers, groot 35 leden, te benoemen door de staten der provinciën. — Hun titel is „Edel Mogende Heeren.quot; —- Ten minste een vierde der leden zal uit den adel worden gekozen. — De leden der Staten-Generaal stemmen zonder last of ruggespraak. — Kaad van state en rekenkumer. — De provinciale staten bestaan uit leden der ridderschap en van de stedelijke raden. —

Deze leden gekozen door kiezers. —• De gouverneurs. — De godsd.enst van den vorst is de hervormde. — Gerechtshoven. — Een hooge raad.

De souvereine vorst benoemt voor dezen keer de leden der Staten-Generaal.

Hij opent hun eerste vergadering............2 Mei 1813.

-ocr page 511-

483

Jaren n. C.

Eerste vrede van Parijs. — Ineensmelting van Nederland en België onder

de souvereiniteit van het huis Oranje-Nassau.......30 Mei 1814.

Gronden van dat plan. — De acht artikels, vastgesteld te Londen, 20 Juni 1814.

Willem Frederik neemt de souvereiniteit over België aan .... Juli.

Verdrag met Engeland. — Nederland herkrijgt de volkplantingen, die het op den Isten Jan. 1803 heeft bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary, Essequibo en Berbiee .......Aug.

Napoleon landt bij Cannes............. I Maart 1815.

Willem Frederik aanvaardt de koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik. — Hij neemt den titel „hertog van Luxemburgquot; aan................16 Maart.

Verdragen met Engeland, Oostenrijk, Rnsland en Pruisen. —• Het koninkrijk der Nederlanden opgericht. —- Luxemburg, als qroot-hertorjdum, aan Willem afgestaan. — Willem doet afstand van Nassau-Dillenbnrg, Sie-gen, Hademar en Dietz, alsmede van hetgeen de rijksdeputatie aan zijn huis heeft toegekend. — Aan Luxemburg wordt een der 17 stemmen in de vergadering van den Duitschen bond toegekend.

Het congres van Weenen doet Napoleon in den ban. — Napoleon heeft ongeveer 120,000 man onder de wapens. — Het leger der Engelschen en der Nederlanders, onder den hertog van Wellington, en dat der Pruisen, onder Blücher, tellen ruim 220,000 man.

Blücher verliest den slag bij Ligny..........16 Juni.

Ontmoeting bij Quatre-Bras. — De prins van Oranje dringt Ney terug.

Veldslag bij Waterloo. — Verschijning van Biilow, enz. — Het wegblijven van Grouchy. — De erfprins gewond.......18 Juni.

Napoleon bewoont St. Helena.......... sinds 16 Oct.

Willem I . . . ■............ 1815—1840, overl. 1843.

Hij benoemt een commissie van 22 leden ter wijziging van de grondwet. — Hij verleent zijn oudsten zoon den titel „prins van Oranje.quot; — De grondwet van 1815 bekrachtigt dit.

De commissie voltooit haar werk.............Juli 1815.

De 110 leden der Staten-Generaal van \'t Noorden nemen het ontwerp

eenparig aan................... Aug. 1815.

1603 notabelen in het Zuiden bijeengeroepen. — Maurice Jean Mag-deleine de Broglio verklaart zich tegen het ontwerp.

1323 notabelen komen op. — 527 keuren het ontwerp goed, 796 verwerpen het. — Betuiging van 126 onder deze 796.

De koning verklaart de grondwet voor aangenomen.

De zesde grondwet, groot 234 artikels en 11 hoofdstukken. — Wijzigingen,

door haar in de vorige gemaakt: opheffing van \'t artikel, rakende den godsdienst van den koning; verhooging van \'s konings inkomsten tot 2,400,000 gl.; bepaling dat de zetel der regeering, bij beurten , zal gevestigd worden, het ée\'ne jaar in het Noorden, het andere in het Zuiden;

Eerste Kamer van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen; de Tweede Kamer zal uit 110 leden bestaan en in \'t openbaar beraadslagen; weglating van quot;t artikel betrekkelijk de verplichte vertegenwoordiging van den adel in de Staten-Generaal; de landelijke stand wordt vertegenwoordigd in de staten der provinciën; de vaststelling der gewone inkomsten en uitgaven zal plaats hebben om de tien jaren; vrijheid van drukpers; het koninkrijk zal uit zeventien gewesten bestaan;

31*

-ocr page 512-

482

Jaren n. C.

Ue vijand ontruimt Utrecht............27 28 Nov.

Weifeling alhier. — De orde van zaken, die in Holland bestaat, hier ingevoerd. — Hetzelfde geschiedt in Gelderland en in de overige landprovinciën .....................Dcc. 1813.

De Engelschen dragen tot de bevrijding van Zeeland bij ......1814.

Bülow en de kozakken doen het in Gelderland, Overijsel, Groningen en Friesland.

Bülow verovert Arnhem..............30 Nov. 1813.

\'s Hertogenbosch gaat over...............Jan. 1814.

Deventer gaat over.................April.

Op last van Lodewijk XVill geeft Bergen-op-Zoom zich over . . 3 Mei.

Op last van Lodewijk wijkt Verhuell uit den Helder.....4 Mei.

De Franschen verlaten Walcheren............6 Mei.

Zij verlaten Koevorden................quot;• Mei.

Zij ontruimen Naarden............... ^2 Mei.

De Nederlanders herwinnen Delfzijl...........23 Mei.

Oprichting van den landstorm, samengesteld uit de weerbare mannen van

17 tot 50 jaren,..................Dcc. 1813.

Een landmilitie, deels door vrijwillige aangifte, deels bij loting uit de manschappen van 17 tot 45 jaren gevormd.

Er is een leger van omtrent 25,000 man op de been.....April ;;8I4.

De natie brengt honderd duizend gld, als vrijwillige gift op . . . Dec. 813.

De souvereine vorst benoemt een commissie van 15 personen ter samenstelling eener grondwet.............. 21 Dec.

Van Hogendorp voorzitter dezer commissie. —• Zijn schets.

Het ontwerp der grondwet is gereed..........2 Maart 1814.

600 notabelen benoemd.

474 dezer notabelen stemmen met voor of terjen over dit ontwerp in de Nieuwe kerk te Arasterdam. — 448 aanzienlijken zijn er voor, 2G verwerpen het..................29 Maart 1814.

Inhuldiging van den vorst in de Nieuwe kerk. — Petrus Haack houdt een rede naar aanleiding van 1 Samuel 7, vs. 15......30 Maart.

Inhoud der vijfde grondwet, groot 146 artikels en 9 hoofdstukken. — Vrijheid van godsdienst, gelijkheid voor de wet, onafhankelijkheid der rechterlijke macht. — Negen provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland, Brabant. — Texel, Vlieland, Terschelling, Wielingen, Ürk en Marken behooren tot Holland, Schokland tot Overijsel, Ameland en Schiermonnikoog tot Friesland,

Rottum tot Groningen. — Inkomen van den souvereinen vorst 1,500,000 gl. — Titel van zijn oudsten zoon „Koninklijke IIooghcid\',\',, van de overige prinsen en prinsessen „Doorluchtige Hoogheid.quot; — Rechten van den souvereinen vorst. — Eén kamer van volksvertegenwoordigers, groot 35 leden, te benoemen door de staten der provinciën. — Hun titel is „Edel Mogende Heeren.quot; — Ten minste een vierde der leden zal uit den adel worden gekozen. — De leden der Staten-Generaal stemmen zonder last of ruggespraak. —• Raad van state en rekenkamer. — De provinciale staten bestaan uit leden der ridderschap en van de stedelijke raden. —

Deze leden gekozen door kiezers. — De gouverneurs. — De godsd.enst van den vorst is de hervormde. — Gerechtshoven. — Eén hooge raad.

De souvereine vorst benoemt voor dezen keer de leden der Staten-Generaal.

Hij opent hun eerste vergadering............2 Mei. 1813.

-ocr page 513-

483

Jaren n. C.

Eerste vrede van Parijs. — Ineensmelting van Nederland en België onder

de souvereiniteit van het huis Oranje-Nassau.......30 Mei 1814.

Gronden van dat plan. — De acht artikels, vastgesteld te Londen, 20 Juni ;8I4.

Willem Frederik neemt de souvereiniteit over België aan .... Juli.

Verdrag met Engeland. — Nederland herkrijgt de volkplantingen, die het op den Isten Jan. 1803 heeft bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary, Essequibo en Berbice .......Aug.

Napoleon landt bij Cannes............. 1 Maart 1815.

Willem Frederik aanvaardt de koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik. — Hij neemt den titel „hertog van Luxemburgquot; aan................16 Maart.

Verdragen met Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen. —Het koninkrijk der Nederlanden opgericht. —• Luxemburg, als (/root-hertogdom, aan Willem afgestaan. —• Willem doet afstand van Nassau-Dillenburg, Sie-gen, Hademar en Dietz, alsmede van hetgeen de rijksdeputatie aan zijn huis heeft toegekend. — Aan Luxemburg wordt een der 17 stemmen in de vergadering van den Duitsehen bond toegekend.

Het eongres van Weenen doet Napoleon in den ban. — Napoleon heeft ongeveer 120,000 man onder de wapens. — liet leger der Engelschen en der Nederlanders, onder den hertog van Wellington, en dat der Pruisen, onder Bliicher, tellen ruim 220,000 man.

Bliicher verliest den slag bij Ligny..........16 Juni.

Ontmoeting bij Quatre-Bras. — De prins van Oranje dringt Ney terug.

Veldslag bij Waterloo. — Verschijning van Bülow, enz. — Het wegblijven van Grouchy. —- De erfprins gewond.......18 Juni.

Napoleon bewoont St. Helena.......... sinds 16 Oct.

Willem 1 . . . •............ 1815—1840, overl. 1843.

Hij benoemt een commissie van 22 leden ter wijziging van de grondwet. —■ Hij verleent zijn oudsten zoon den titel „prins van Oranje.quot; — De grondwet van 1815 bekrachtigt dit.

De commissie voltooit haar werk.............Juli 1815.

De 110 leden der Staten-Generaal van \'t Noorden nemen het ontwerp

eenparig aan................... Aug. 1815.

1603 notabelen in het Zuiden bijeengeroepen. — Maurice Jean Mag-deleiue de Broglio verklaart zich tegen het ontwerp.

1323 notabelen komen op. — 527 keuren het ontwerp goed, 796 verwerpen het. — Betuiging van 126 onder deze 796.

De koning verklaart de grondwet voor aangenomen.

De zesde grondwet, groot 234 artikels en 11 hoofdstukken. — Wijzigingen,

door haar in de vorige gemaakt; opheffing van \'t artikel, rakende den godsdienst van den koning; verhooging van \'s konings inkomsten tot 2,400,000 gl.; bepaling dat de zetel der regeering, bij beurten, zal gevestigd worden, het ée\'ne jaar in het Noorden, het andere in het Zuiden;

Eerste Kamer van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen; de Tweede Kamer zal uit 110 leden bestaan en in \'t openbaar beraadslagen; weglating van quot;t artikel betrekkelijk de verplichte vertegenwoordiging van den adel in de Staten-Generaal; de landelijke stand wordt vertegenwoordigd in de staten der provinciën; de vaststelling der gewone inkomsten en uitgaven zal plaats hebben om de tien jaren;

vrijheid van drukpers; het koninkrijk zal uit zeventien gewesten bestaan;

31*

-ocr page 514-

4S4

Jaren n. C.

Luxemburg zendt ook vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal. — De zeventien gewesten: behalve de negen , Zuid-I5rabant, Limburg, Luik, Oost-Ylaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Antwerpen. —

Brabant wordt Noord-Brabant.

Tweede vrede van Parijs. — Nederland krijgt eenige landstreken, welke gehecht worden aan Henegouwen, Namen en Luxemburg.

§ .36. Het koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België.

De bewoners van Henegouwen, Luik en Namen spreken het Waalsch.

De militaire Willemsorde ingesteld............April 1815.

De ridderorde van den Nederlandschen Leeuw met de zinsprenk rirtus nobililat

ingesteld...................Sept. 1615.

De Staten-Generaal van Noord-Nederland bieden den prins van Oranje het slot te Soestdijk met de gronden, er bij behoorende, aan.

Hier wordt een eereteeken opgericht.

Onderhandelingen over een huwelijk van den prins van Oranje met Charlotte.

Hij trouwt met A nna Paulo wna..............181G.

De Anna-Paulowna-Polder tot land gemaakt........... 1845.

Uit \'s prinsen huwelijk spruiten: Willem Alexander Paul Frederik Lode-

wijk,.................... geboren 1817.

Willem Alexander Prederik Konstantijn Nikolaas Michael, geb. 1818, overl. 1848.

Willem Prederik Hendrik of prins Hendrik, te zijner tijd luitenant admiraal

en stedehouder in Luxemburg,.......geboren 1820, overl. 1879.

Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses Sophia .... geboren 1324.

Zij trouwt met Karei Alexander Augustus Jan..........1842.

Hij wordt groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach........ 1653.

Prins Frederik der Nederlanden trouwt met Louise Augusta Wilhelmina Amalia.................... 1825.

Hij overlijdt............................

Lord Exmouth en Theodoor Frederik baron van Capellen bombardeeren Algiers. — Verdrag met den dcy van Algiers. — Meer dan 1000 Christenslaven in vrijheid gesteld........Aug. 1816.

Ken Nederlandsch consulaat te Algiers gevestigd.........1816.

Willem I verbiedt den slavenhandel in de Nederlandsche bezittingen. — Het koninkrijk der Nederlanden geraakt in \'t bezit zijner Oost- en West-Indische koloniën.

Het metrieke stelsel van maten en gewichten, met behoud der oude

benamingen, ingevoerd . .................\'8I0-

Het staande leger bestaande uit vrijwilligers, de nationale militie uit vrijwilligers en nit lieden, door de loting hiertoe verplicht. — De militie komt één maand in \'t jaar onder de wapens.

XTtrecht krijgt een veeartsenijschool, Seraing een fabriek voor machines. —

De nationale bank te Amsterdam. — De slavenhandel afgeschaft . . . 1818.

Straatwegen. — De spoorweg van Haarlem naar Amsterdam geopend 24 Sept. 1839.

De Rijnspoorweg.

Spoorwegen in België................sedert 1834.

Willem I laat het Nieuwe diep aanleggen.

Het Noord-Hollandsche kanaal.............. 1819 1825.

4000 zeeschepen en ongeveer 24,000 binnenvaartuigen varen er door . . 1850.

Het .................................. 1825.

Het kanaal van Voorne.................^827 1829.

-ocr page 515-

485

Jaren n. C.

Het Apeldoornsche kanaal.................. 1830.

De Zuid-Willemsvaart begonnen ............... 1822.

Kanalen in Vlaanderen, in Henegouwen, in Namen, in Zuid-Brabant, enz.

De Dedcmsvaart. — DebaronvanDedem.......overl. 1851.

Het Koegras en de Zuidpias ingedijkt.

Een ontwerp ter droogmaking van \'t Haarlemmermeer door de Tweede

Kamer der Staten-Generaal verworpen............18ö8.

De haven van Middelburg verbeterd..............1817.

De haven van Goes verbeterd.

Normaalscholen en modelscholen ten koste van de staatskas opgericht.

Het hooger-onderwijs voor het Noorden bij besluit geregeld . . 2 Aug. 1815.

Het hooger-onderwijs voor het Zuiden bij besluit geregeld . . 25 Sept. 1816.

De hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven.

Nieuwe academiën te Gent en te Luik gesticht, athenaeën te Biussel, enz.— Harderwijk en Franeker worden rijks-athenaeën.

Harderwijk.......................1817.

Franeker opgeheven .................... 1843.

De militaire academie te Breda. — Het instituut voor de marine te Medem-blik (thans te Nieuwe diep).

Kegeling der protestantsche kerkgenootschappen. — Geen jus in sacra,

maar een jus circa sacra. — Een synode en elf provinciale besturen met klassen en ringen................Jan. 1816.

De Waalsche kerk. — De collegian ten gaan te niet.....tegen 1800.

Het Evangelisch-Luthersch kerkgenootschap. — Een synode.

De „Herstelde Lutherschenquot; of de „Oud-Lutherschenv,, sedert ongev. 1800.

De Remonstrantsche broederschap. — Een generale vergadering en een commissie.

De algemeene Societeit der Doopsgezinden te Amsterdam.

De hoofdcommissie der Joden.

De Roomsch-katholieke kerk heeft in quot;t Zuiden bisdommen, in \'t Noorden een missie. — Het recht van placet.

Invoering eener nieuwe rechterlijke inrichting en eener Nieuwe Neder-

landsche wetgeving................1 Oct. 1838.

De Maatschappij van weldadigheid gesticht............1821.

De koloniën Frederiksoord en Willemsoord. — De bedelaarsgestichten Veenhuizen en Ommerschans. — Johannes van den Bosch.

De Maatschappij voor de volksvlijt te Brussel........... 1822.

De Nederlandsche Handelmaatschappij voor vijfentwintig jaren opgericht. — Kapitaal van f 37,000,000, / 4,000,000 van den koning. — Willem waarborgt een rente van 41/2 p.c. — Haar voorrechten...... 1824.

Het hoofdkantoor van \'s Gravenhage naar Amsterdam verplaatst .... 1829.

Verlenging van het octrooi voor vijfentwintig jaren .... 1849 en 1874.

De Oost-Indische bezittingen, de factorie op Desima, Java, de kleine Soenda-eilanden, Sumatra ten deele, Borneo ten deele, Celebes , de Molukken, Banka, de Uiouwsche eilanden, Malakka.

Verdrag met Engeland. — Malakka aan dit rijk afgestaan tegen hetgeen

het op Sumatra bezit en tegen Billiton............ 1824.

Daendels gaat als gouverneur-generaal naar de kust van Guinea en overlijdt er.

Godard Alexander Gerard Philips baron van der Cap ellen gouverneur-generaal der Oost-Indische bezittingen ......1816.

-ocr page 516-

4S6

Jaren n. C.

De sultan van Palembang bedwongen...........1819—1821.

Oorlogen op de Mol ukken en op Celebes.

Opstand van Dicpo Negoro in Djokjokarta............1826.

De Koek en van Geen. — Diepo Negoro gevangen genomen. — De

opstand gedempt.................... 1830.

Van der Capellen teruggeroepen. — Johannes van den Bosch . . . 1830. Het cultuurstelsel. — De haten.

Van den Bosch keert naar het vaderland terug.......... 1835.

Hij wordt graaf en sterft.....•............. 1844.

Jean Chretien Baud tijdelijk belast met het bewind .... tot 1836.

Jan Jakob Rochussen............... 1845—1851.

Bali weder onderworpen.

Veertien of vijftien soorten van Nederlandsche staatspapieren, gevende van l1^ tot 7 p.c. rente. — Zij morden in een soort, naar 2^2 P-c. rente, veranderd. — 1/2 van de oude schuld staat op het Grootboek der werkelijke schuld, 2/3 overgeschreven op het boek der doode of uitgestelde schuld. — Bepaling, dat jaarlijks een paar miilioen werkelijke schuld vernietigd en hiervoor in plaats evenveel van de doode onder de werkelijke schuld zal worden opgenomen.

Buitengewone heffing van 40,000,000 gl.............1816.

Het amortisatiesyndicaat. — De raad van zeven personen...... 1822.

Zware overstrooming in Groningen, Friesland, Overijsel en Noord-Holland,

alsmede, ten deele, in Gelderland en Drente.......... 1825.

Vergunning gegeven aan de leden der Staten-Generaal om bij het afleggen van den eed zoodanig voorbehoud te nemen als het geweten hun voorschrijft.

De abt de Foere tot twee jaren gevangenisstraf veroordeeld.....1817.

Het ,Jugement doctrinal.quot; — Vraag, door de Broglio aan den paus gedaan bij gelegenheid van het huwelijk van den prins van Oranje. — Hij wordt door het gerechtshof te Brussel tot deportatie veroordeeld.....1817.

Hij vlucht. — De naam van den bisschop tegelijk met twee zware misdadigers ten toon gesteld.

Frans van der S t r a e t e n. — Zeven advocaten door Co melis Felix

van Maanen geschorst. — De geldboete van 3000 gl., te betalen door

van der Straeten, door een inschrijving gedekt.........1820.

Van der Straeten krijgt een jaar huisvesting in den kerker...... 1823.

Nieuw belastingstelsel. — Belasting op het gemaal en het geslacht. — De hoofdwetten van het stelsel met een meerderheid van weinige stemmen aangenomen. — DotrengeenReyphius..........1821.

Surlet de Chokier. — Gijsbert Karei van Hogendorp. — Johan Melchior Kemper.

Besluit omtrent de taal ..................1810.

Het zal van kracht zijn..................1823.

Geen vijfde deel van de officieren van het leger zijn Belgen.

De regeering acht de onafzetbaarheid der rechters en de verantwoordelijkheid der ministers overbodig.

De schulden. — Aantal afgevaardigden naar de Tweede Kamer.

De Belgische hoogescholen zijn zonder theologische faculteiten. — Er worden kleine seminariën door de geestelijkheid opgericht. — De gewone scholen verlaten. — Scholen van geestelijke broeders, uit Frankrijk overgekomen ^quot;geopend.

-ocr page 517-

487

Jaren n. C.

Besluiten omtrent de Latijnsche scholen en het collegium philosopJiicum,

te Leuven te vestigen.............. 14 Juni 1825.

Aan het collegium wordt hetzelfde gebouw toegewezen, hetwelk Jozef II voor een dergelijke inrichting had bestemd.

Besluit om het laten onderwijzen der kinderen buiten quot;*3 lands te belemmeren ....................14 Aug. 1825.

Dotrenge en Key hi us verdedigen \'s konings besluit nopens het collegium.

De ,,liberale\',, of „vrijzinnigequot;, Franschgezinde partij. — Omstandigheden,

die de opkomst dezer partij begunstigen. — Zij wenscht geheele vrijheid van drukpers en van onderwijs.

Zij vereenigt zich met die der geestelijken. — Verzoekschriften. — De Tweede Kamer der Staten Generaal als in twee vijandelijke legerplaatsen verdeeld.

Stelsel des konings.

De regeering ondersteunt onder de hand „de sentinelle.,,

De unie tusschen de beide partijen in België........... 1828.

De Celles buitengewoon gezant te Home. — Willem I sluit een concordaat

met Leo XII.....................1827.

De paus vaardigt een bul uit. — Verdeeling van het koninkrijk in een aartsbisdom en zeven bisdommen. — Amsterdam en \'s Hertogenbosch

17 Aug. 1827.

De voltrekking van het concordaat door de regeering niet bespoedigd.

De verplichting van \'t bijwonen der lessen van \'t collegium opgeheven . 1829.

De belasting op het gemaal afgeschaft. — De beperkende bepalingen nopens het gebruik der landtaal ingetrokken.......... 1829,

Koninklijke boodschap aan de Staten-Generaal...... 11 Dec. 1829.

Wet ter beteugeling van buitensporige schrijvers........Mei 1830.

Vonnis, geveld tegen de Potter.............Dec. 1828.

Vonnis, geveld tegen hem, Tielemans en anderen.....30 April 1830.

„De nationar* en Libry Bagnano. — Hij krijgt 85,000 gl. uit \'s rijks schatkist.

Reis van Willem 1 door België. — „De eerlooze gedragslijir\' voorzomer 1820.

Omwenteling in Frankrijk. — Karei X van den troon gestooten 27—29 Juli 1830.

Tegenstelling tusschen Karei X en Willem 1.

§ 37. De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert 1830.

In den schouwburg te Brussel wordt de „Muette de Porticiv, gegeven

25 Aug. 1830.

Volkshoopen scholen samen. — Plundering. 25 Aug., 10 uur quot;quot;s avonds.

Oprichting eener gewapende burgermacht onder Em an u el van der Linden dquot;1 II o o gh vorst, die de Brabantsche kleuren aanneemt, 2T Aug.

Oproer te Luik , enz.

Van B y I a n d t te Brussel.

De koning roept de Staten-Generaal buitengewoon op te \'s Gravenhage. — De prins van Oranje en prins Frederik krijgen bevel naar Brussel op te trekken ..................28 Aug.

Mondgesprek te Vilvoorden.............30 Aug.

Tweede gesprek te Vilvoorden.

Intocht van den prins van Oranje binnen Brussel.....31 Aug.

Vergadering in \'s prinsen paleis te Brussel........3 Sept.

Het garnizoen van Brussel vereenigt zich met de overige Nederlandsche troepen te Vilvoorden. — Aanval van prins Frederik op Brussel. —

1830.

-ocr page 518-

488

Jaren n. C.

De kuninklijke troepen trekken uit de stad terng .... 26 Sept.

De Tweede kamer der Staten-Generaal neemt het besluit het rijksbestuur te splitsen en de grondwet te herzien ........29 Sept.

Voornaamste eischen der Belgen. — Scheuring in \'t leger.

Voorloopig bestuur, opgericht in België: Gendebien, Sylvain de Weyer, de Potter. — De Potter verlaat na zes weken België. —

De prins van Oranje te Antwerpen........ sedert 4 Oct. IS.TO.

Bekendmaking van den prins van Oranje.........16 Oct. 1830.

Hij verlaat Antwerpen en gaat naar Willemsdorp......25 Oct. 1830.

^Villem I wendt zich tot de vijf greote mogendheden .... 5 Oct. 1830.

Opening der conferentie te Londen. — Anton Reinhard Falck,

Talleyrand, Palmerston, Hugo van Zuylen van Nj-evelt. . Nov. 1830.

De prins van Oranje vertrekt van Willemsdorp naar quot;s Gravenhage 31 Oct. 1830.

Koele ontvangst van den prins van Oranje in quot;t Noorden. — Hij vertrekt naar Londen.

Dibbets handhaaft het gezag der Nederlandsche regeering te Maastricht. — Opstand te Antwerpen. — David Hendrik baron Chassé, „generaal bajonetquot;

Bombardement van Antwerpen. — Johan Koenraad Koopman 27 Oct. 1830.

Het Nederlandsche leger trekt terug naar de grenzen van Noord-Neder-laud, — Wnpenstilstand.

Hoofdgedachte der conferentie. —■ Denkwijze van Engeland. — Houding der conferente tegenover Willem I.

Willem I roept het volk van Noord-Nederland te wapen ... 5 Oct. 1830.

liet eerste protocol.................4 Noquot;. 1830.

Hel protocol..................van 20 Nov. 1830.

Sylvain van de Wever begeeft zich als commissai is van België naar Londen.

£)e protocollen...............van 20 en 27 Jan 1831.

Toetreding van Willem I..............18 Febr. 1831.

Ilct Hotówinn/coiiiyrds komt te Brussel bijeen.— Provisioneele rerjeerinij 10 Nov. 1830.

Het sluit het huis Oranje-Nassau van den troon uit. — Het verwerpt de protocollen van Januari. — Vrijzinnige constitutie.

Het congres bestemt Augustus, hertog van Lelichtenberg, of Lodcwijk Karei Philips, hertog van Nemours, voor den troon. — De meerderheid der vijf mogendheden wenscht de kroon van België aan den prins van Oranje toe. Frankrijk is tegen Leuchter.-berg, de overige vier mogendheden zijn noch voor hem, noch voor Nemours.

Het congres verkiest Nemours.............3 Febr. 1831.

Lodewijk Philips bedankt. — Het congres draagt het oppergezag voorloopig op aan S u r 1 e t de C h o k i e r.

Aanslag van Grégoire te Gent............2 Febr. 1831.

Aanslag van van der Smissen te Antwerpen......25 Mrt. 1831.

Vertakkingen der samenzwering te Brussel, te Hasselt, te Mechelen.

Het congres benoemt Leopold van Saksen-Koburg-Gotha tot koning der

Belgen.....................4 ,juni jgsi.

Hij aanvaardt de regeering en belooft de zeer vrijzinnige grondwet, door het congres samengesteld, te zullen eerbiedigen......21 Juli

Hij sluit een tweede huwelijk met Louise, na vroeger getrouwd te zijn

geweest met Charlotte..................1832.

De naam Belgen.

-ocr page 519-

4S9

Jaren n. C.

De achttien artikels. — De rechten van het huis Oranje-Nassau op Luxemburg voor twijfelachtig verklaard. — België uitzichten geopend op het bezit van Maastricht. — België vrijgesteld van het overnemen van een deel der schuld van Oud-Nederland......27 Juni 1831.

Joh an Karei Jozef van Speyk vliegt in de lucht .... Febr. 1831.

De prins van Oranje en prins F rede rik hebben bijna 36,000 man.— De hertog Bernard van S a k s e n-W ei mar en Jozef JakobvanGeen.

De Belgische legers tellen omtrent 30,000 man. — Aan \'t hoofd van het leger van de Schelde staat de Ticken deTerhove, aan \'t hoofd van het leger van de Maas Daine.

liet leger van de Schelde nabij Antwerpen, het andere in het Limburgsche.

De tiendaacjsche veldtocht .............2 —12 Aug. 1831.

De doorbreking van de vijandelijke legers is geschied .... 5 Aug.

Gevecht bij Houthalen...............6 Aug.

Slag bij Hasselt. — Daine\'s leger verstrooid.......8 Aug.

Slag bij Leuven. — Leopold. — De Belgen verslagen ... 12 Aug.

Gerard rukt België binnen. — Op herhaald verzoek van den Britschen

gezant, Adair, staat de prins een wapenstilstand toe . sedert 29 Aug. 1831.

Terugtocht van het Nederlandsche leger.

De conferentie hervat haar beraadslagingen........ Aug. 1831.

Zienswijze der mogendheden. — Het standpunt van Rusland.

De vierentwintig artikels, protocol en ultimatum. — Een deel van Luxemburg, tegen den afstand van een deel van Limburg, aan België toegekend. — Maastricht blijft aan Nederland voorbehouden. — België zal worden belast met een jaarlijksche rente van 8,400,000 gl. . .14 Oct.

Verschil tusschen de achttien en de vierentwintig artikels.

Leopold I onderteekent dit ontwerp-verdrag.......15 Nov.

Willem I weigert de onderteekening.

Zending van Alexis Orloff naar ^s Gravenhage.

Overeenkomst van Frankrijk en Engeland. — ...... 22 Oct. 1832.

Het embargo. — Gérard rukt België met 90,000 man binnen. — Edelmoedige houding van Willem I.

Chasse geeft hem, na 19 dagen, de puinhoopen der citadel van Antwerpen bij verdrag over. — Koopman vernielt de vloot. — De bezetting dei-citadel en de bemanning der vloot als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd....................23 Dec. 1832.

Het status quo.

Het embargo opgeheven................Mei 1833.

De renten der staatsschuld bedragen 15,000,000 gl.........1815.

Zij beloopen ruim 23,000,000 gl................)830.

Zij zijn over de 35,000,000 gl................. 1839.

De koning neemt de 24 artikels aan..........14 Maart 1838.

Bewering der Belgen.

Eind verdrag, — België wordt een afzonderlijk rijk. — Het aandeel, door België jaarlijks, van 1 Jan. 1839 af, te betalen in de rente der staatsschuld , is 50,000,000 gl. — Het Duitsche verbond en de groothertog staan de westelijke helft van Luxemburg aan België af. — België ziet van een gedeelte van Limburg af, zoodat aan Nederland het deel blijft, dat aan den rechteroever der Maas ligt, alsmede Maastricht en het gebied ten n. van een lijn, getrokken van de zuidelijkste punt van Noord-Brabant naar de Maas, ten n. van Stevensweert . . 19 April 1839.

-ocr page 520-

490

Jaren n. C.

Deze streek van Limburg heet „hertogdom.,, — Behoudens Maastricht en Venlo maakt zij een deel uit, zoowel van Nederland , als van hetDuitsehe verbond. — De koning der Nederlanden is steeds hertog van Limburg.

Volledige vaststelling der verhouding van Limburg tot Duitschland. —

Deze verhouding is vreemd................ 1840.

De betrekking van Limburg tot Duitschland geheel verbroken .... 1866.

Holland gesplitst in Noord- en Zuid-Holland. — Het koninkrijk bestaat uit

tien provinciën en uit het hertogdom Liraburg......... 1840.

De oudste zoon van den kroonprins trouwt met Sophia Frederika Mathilde 1839.

Uit dit huwelijk spruiten Willem ...........geboren 1840.

Mau rits....................geboren 1843.

en Alexander..................geboren 1851.

TVenschen van het Noord-Nederlandsche volk, openlegging van den toestand van \'s lands financirn, waarborgen tegen misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van \'s konings ministers, enz.

Ontwerpen tot wijziging van de grondwet. — Zij worden aangenomen . 1840.

De koningin overlijdt................... 1837.

De koning doet op het Loo afstand van de kroon en draagt ze aan zijn

oudsten zoon over.................7 Oct. 1840.

Willem I, nu „graaf van Nassau,\'quot; huwt Henriëtte Adriana Ludovica,

gravin d\'Oultremont de Wigimont, .............1841.

Hij le^\'ft bij afwisseling te Berlijn, in Silezie, op het Loo. —Hij overlijdt

12 Dec. 1843.

Anne Willem Karei van Nagell van Arapsen, minister van bui-

tenlandsche zaken,................sedert 1814.

G. K. van Hogendorp minister van staat.........sinds 1815.

Van Maanen minister van justitie............sinds 1815.

Willem Frederik Roell minister van binnenlandsche zaken . . . sedert 1815.

Jean Henri Appelius minister van financiën......sinds 1824.

Pierre Joseph Servaas baron van Gobbelschroy minister van

binnenl. zaken..................sedert 1825.

Johan Gijsbert Verstolk van Soelen minister van buitenl. zaken

sinds 1825.

Arnold Willem Nikolaas van Tets van Goudriaan minister

van financiën..................sedert 1828.

Hendrik Jakob van Doorn van Westcapelle minister van

binnenl. zaken.................. sinds 1830.

Willem II in de Nieuwe Kerk te Amsterdam ingehuldigd . . 28 Nov. 1840.

„De bezwaren tegen den geest der eeuwquot; van Izaiik da Costa .... 1823.

liet provinciaal kerkbestuur van Groningen zet Hendrik de Koek af 29 Mei 1834.

De AJfjescheictoten of se/taratisten...........sinds Oct. 1834.

ilim vervolging. — Willem 1 slaat een anderen weg in ... . sedert 1836.

Willem 11 vergunt hun vrijheid van godsdienstoefening. — Hij stelt de gebouwen der openbare scholen dagelijks, buiten de vaste schooluren, ter bescbikking van de geestelijken der verschillende gezindten tot het geven van leerstellig onderricht in den godsdienst, te beginnen met . 1842.

De „Christelijk Gereformeerde Kerk onder het kruis.quot;

Jan Jakob Rochussen en Johan Adriaan van der Heym van Duyvendijke ministers van financiën.

Het tijdelijk beheer van het departement van financiën opgedragen aan

l\'lorisAd riaan vanHall............ Sept. 1843.

-ocr page 521-

491

Jaren n. C

De staatsschuld bedraagt 2,200,000,000 gl., de rente meer dan 34,000,000 gl. — De achterstand beloopt ongev. 35,000,000 gl., de schuld der koloniën 134,000 gl.

Ontwerp van van Hall. Buitengewone belasting tot een bedrag van 34,000,000 gl. of deels vrijwillige gift, deels leening tot een bedrug van 127,000,000 gl. naar 3 p.c. — Het ontwerp wordt wet....... 1844.

De leening zoo goed als volgeteekend. — De erfgenamen van Willem 1 teekenen voor tien millioen. — Willem II vult het ontbrekende aan.

Van Hall wordt minister van financiën. — Hij verwisselt de rentebrieven van 5 en 41/2 pet. tegen obligatiën van lager rente.

Voorstel van negen leden der Tweede Kamer, o.a. van Schelte baron van

Heemstra en van Johan Rudolf Thorbecke, aan deze kamer.....1814.

De partij van het behoud en die van den vooruitgang.

Het voorstel der negen wordt verworpen.

Omkeering der denkwijze van Willem II.........October 1847.

Het ministerie-van Hall treedt af. — Van der Heym van Duyvendijke

minister van binnenl. zaken..............Jan. 1848.

Willem II dient bij de Staten-Generaal een aantal wetsontwerpen in,

houdende herziening der Grondwet,..........Maart 1848.

Zij vinden geen gunstig onthaal.

Volksbeweging in Europa.

\'s Koning mededecling aan Boreel van Hogelanden . . . . 13 Maart 1848.

Het ministerie treedt af. — Een commissie, bestaande uit Dirk Donker Curtius, Lodewijk Kasper Lu sac, Thorbecke, Jakob Mattheus de Kempe-naer en Lambertus Dominicus Storm, benoemd.

Het ontwerp dezer commissie aan de volksvertegenwoordiging aangeboden

. . 1841. Juni 1848.

Juni 1848.

Luxemburg bekomt een afzonderlijke vertegenwoordiging en de ridderorde

van de eikenkroon . . . . Het krijgt een nieuwe grondwet

Grondwet van 1848: De kroon erfelijk in de beide linicn van het huis van Oranje. — Jaarlijksch inkomen des konings 1,000,000 gl., later veranderd in 600,000 gl., benevens de inkomsten van de domeinen der kroon. — De koning heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Generaal. — Hij heeft het opperbevel over de landen zeemacht en het opperbestuur der koloniën. — De ministers verantwoordelijk aan de natie. — De leden der Eerste Kamer, negenendertig (thans 50), door de provinciale staten benoemd uit de hoogstaangeslagenen in de directe belastingen. — Zij hebben zitting voor negen jaren. — De leden der Tweede Kamer gekozen door de meerderjarige burgers,

die een zekere som in de directe belastingen betalen. — Ouderdom dertig jaren. — Zitting voor vier jaren. — Eén lid voor elke 45,000 inwoners.— Hun aantal is 75 (thans 100). — Raad van state. —Rekenkamer. — De leden der provinciale staten voor zes jaren gekozen. — De commissaris des konings. — De gedeputeerde staten. — Gemeenteraad. — Burgemeester. — De standen verdwijnen uit den staatsvorm.

Het ministerie van de Kempenaer, minister van binnenl. zaken.

Afkondiging der grondwet..............3 Nov. 1848.

Willem II sterft te Tilburg.............17 Maart i849.

De Gothische zaal.

1849.

Willem III

-ocr page 522-

402

Jaren n. C.

Het eerste ministerie-Thorheclce........Nov. 1849—19 April 1853.

Het ministerie-van Hall...............19 April 1853.

Het droogmaken van \'t Haarlemmermeer voltooid.....Juni 1848—1853.

Een bisschoppelijk bestuur der Roomsch-katholieke kerk, zonder concordaat, ingevoerd. — Utrecht aartsbisdom. — Haarlem, \'s Hertogenbosch, Breda

en Roermond bisdommen.............4 Maart 1853.

De aanspraak van Pius IX.............7 Maart 1853.

De Aprilbeweging. — Het wetsontwerp van van Hall aangenomen Sept. 1853.

Erkenning der oud-katholieke kerk oi\' oud-bisschoppe\'ijke cleresey . . Sept. 1853.

Uitvaardiging van verschillende wetten.

Wet op het lager onderwijs, ingediend door Anthon Gerard Alexander van Rappard......................................1857.

Nieuwe wet op het lager-onderwijs............................1878.

Bloei van Nederland. — Voortdurende verbetering der geldmiddelen.

Overstrooming in Nederland..............Febr. 1825.

Overstrooming in Utrecht, in Gelderland en in Noord-Brabant . . Mrt. 1355.

Overstrooming in Gelderland en in Noord-Brabant . . . Jan. en Febr. 1861.

Van Rappard treedt af......................................1858.

Tweede ministerie-Thorbecke............... 1862—1866.

De wet op het middelbaar-onderricht ..........................1863.

Derde ministerie-Thorbecke tot zijn dood........1871—Juni 1872.

Heemskerk minister van Binnenlandsche Zaken. — Wet op het Hooger-

Onderwijs..............................................1876.

Dood van de koningin.................Juni 1877.

Dood van prins Hendrik................Jan. 1870.

Dood van den kroonprins................Juni 1879.

Dood van prins Frederik............... Sept. 1881.

Dood van prins Alexander...............Juni 1884.

Willem III hertrouwt met Adelaide Emma Wilhelmina Therese van Waldeck-Pyrmont, een dochter van George Victor, als koningin

doorgaans Emma geheeten..............Jan. 1879.

Geboorte van prinses Wilhelmina Helena Paulina Maria 31 Aug. 1880.

Dood van Willem III. — Wilhelmina koningin. — Koningin Emma

regentes.....................Nov, 1890.

Adolf van Nassau groothertog van Luxemburg.

Herziening der grondwet in Nederland..........................1887.

Afstand der kust van Guinea aan Groot-Britannië......Febr. 1871.

Begin van den oorlog tegen den sultan van Atjeh.......Mrt. 1873.

Verovering van den kraton door van S wie ten........Jr.n. 1874.

Van der He ij den.

Onderwerping der Balineezen op Lombok door Vetter..............1894.

§ 38. Eindblik op den toestand des lands.

Nederland bezit in vreemde werelddeelen bijna 31,000 vierkante mijlen met nagenoeg 22,000,000 inwoners. — Het beslaat in Europa ruim 600 vierkante mijlen en heeft een bevolking van ruim 4 millioen. — De bodem bestaat uit alluviale of vloedgronden, diluviale of zandgronden en tertiaire of oudste grouden. — Bedrijven. — Tijdperken der nijverheid . . sinds 1795.

De ka\'oenspinnerijen en de weverijen. — De lakenfabrieken van Tilburg en Leiden, de tapijt fabriek van Deventer. — De ijzerfabriek van Enthoven te \'s Gravenhage. — De glas-, kristal- en aardewerkfabrieken van Regout

-ocr page 523-

493

Jaren. n. C.

te Maastricht met meer dan 1500 arbeiders. — De jenever- en likeurstokerijen te Schiedam. — De tabaks- en sigarenfabrieken te Amsterdam er. te Utrecht. — De siroop-, saga- en andere fabrieken van . A. Schuiten.—

Steen- en pannehakker /jen, azijnmaker ijen, zaag- en oliemolens, papier fabrieken. — Suikerraffinaderijen, bierbrouwerijen. — Dc diamantslijperij van

Coster te Amsterdam.

Vermindering der staatsschuld met 250,000,000 gl.......1850—18G5.

Zij bedraagt ongeveer 1000 millioen. — Jaarlijksche rente omstreeks 40 millioen.

Rh ijn vis Feith geboren te Zwol.............. 1 753.

Hij is overleden.......t *.........1824.

Het graf en de ouderdom.

Willem Bi ld er dijk een Amsterdammer........ 1756 —1831.

Hij wordt verbannen................... 1795.

Hij keert naar *t vaderland terug............... 1806.

Zijn veelzijdigheid. — Zijn rampen. — De ondergang der eerste wereld. — De ziekte der geleerden. — De ode aan Napoleon. — Zijn overige gedichten. — Siegenbeeks spellingstelsel. — Weilands en Siegenbeeks Neder-duitsche Spraakkunst. — Bilderdijks Spraakleer. — Zijn geschiedenis van quot;t Vaderland.

Jan F rede rik Ilelmers. — De Hollandsche natie. — Hij sterft . . . 1813.

Hendrik Tollens geboren te Rotterdam........... 1780.

Hij is overleden te Rijswijk.................1856.

Zijn volkslied. — Zijn meest bekende gedichten.

Jan Hendrik van d e r Pa 1 m, geboren te Rotterdam. — Zijn geschriften.

Hij overlijdt ......................1841.

Johannes Kinker, geboren te Nieuwer-Amstel. — Hij overlijdt . . . 1845. Elias Annes Borger, geboren te Joure. — De ode aan den Rijn.

Borger overlijdt . *................... 1820.

Izailk da Costa, geboren te Amsterdam. — Wachter, wat is er van den nacht? — Slag bij Nieuwpoort.

Hij overlijdt..................- . . . 1860.

Adriaan Bogaers. — De tocht van Heemskerk naar Gibraltar,

Hij overlijdt...................... 1870.

Petrus Augustus de Génestet, geboren te Amsterdam. — Lceke-dichtjes.

Hij overlijdt......................1861.

Nikolaas Beets of Hildebrand, geboren te Haarlem. — De camera obscura. Bernard ter Haar. — De St. Paulusrots. — Eliza\'s vlucht. — Ahd-el-Kader. — Huibert en Klaartje.

Hij overlijdt...................... 1880.

Jakob van Lennep, geboren te Amsterdam. — Ferdinand Huijck en andere romans.

Hij overlijdt...................... 1868.

-ocr page 524-

INHOUD.

biz.

§ 1. Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus\' geboorte en onder de

heerschappij der lïomeinen ...............1.

§ 2. De Franken en de Saksen in Nederland en België. — Deze landen worden een bestanddeel van het Frsnkisehe rijk. — De invoering van het leenstelsel en van den Christelijken godsdienst. — De Noormannen ........................

§ 3. Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land. — De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun. — Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen. — Aard en uitbreiding der grafelijke macht.......................

§ 4. Holland onder de graven uit het Hollandsche huis.......18.

§ 5. Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het

Beiersche huis....................26.

§ 6. Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huif. . 30. § 7. Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche

huis...........................

§ 8. Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen .........................

§ 9. Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland

en Groningen gedurende de Middeleeuwen..........57.

§ 10. De Nederlanden onder het bewind van Karei V ....... . 63.

§ 11. De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva .... 73.

-

-ocr page 525-

495

Biz.

§ 12. De Nederlanden onder quot;quot;t bestuur van Philips\'\' landvoogd Alva . . 82.

§13. De Nederlanden gedurende het bewind van Reqnësens en van Don

Jan van Oostenrijk. — De unie van Utrecht.........91.

§14. Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de

Zeven Vereenigde Nederlanden..............100.

§ 15. De regeeringsvorm der Republiek van de Zevenquot; vereenigde Nederlanden .......................\'08.

§ 16. Vervolg......................117.

§ 17. De onoverwinnelijke vloot. — Maurits1 krijgsbedrijven. — De afstand der Nederlanden door Philips II. — De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen oorlog..................124.

§ 18. Het twaalfjarig bestand. — De oprichting der Oost-Indische compagnie .......................133.

§ 19. De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand

schokken......................141.

§ 20. De hernieuwing van den oorlog na het bestand. — De oprichting der West-Indische compagnie. — De aanslag op het leven van Maurits en zijn dood.....................154.

§ 21. liet stadhouderschap van Frederik Hendrik.........159.

§ 22. De vrede van Munster. — Blik op den toestand der lands . . . .170.

§ 23. Het stadhouderschap van Willem II............189.

§ 24. De groote vergadering. — De eerste Engelsche zeeoorlog..... 202.

§ 25. De Staat onder de leiding van de Witt. — De bemoeiingen der Republiek met den oorlog in \'t Noorden van Europa. — De tweede Engelsche zeeoorlog..................215.

§ 26. De triple alliantie en de vrede van Aken. — Het begin van den

oorlog van 1672 ................... 232.

§ 27. Het vervolg van den oorlog van 1672. — De dood der gebroeders de

Witt. — De verheffing van Willem III........... 245.

§ 28. Willem III. — De negenjarige oorlog. — De Spaansche eifopvol-

gingsoorlog..................... 258.

§ 29. Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in

\'t begin der 18de eeuw . . . •............. 2 74.

§ 30. Het stadhouderschap van Willem IV............ 286.

-ocr page 526-

INHOUD.

biz.

§ I. Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus\' geboorte en onder de

heerschappij der Romeinen ............... 1.

§ 2. De Franken en de Saksen in Nederland en België. — Deze landen •norden een bestanddeel van het Frsnkische rijk. — De invoering van het leenstelsel en van den Christelijken godsdienst. — De Noormannen ...................... 5.

§ 3. Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land. — De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun. — Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen. — Aard en uitbreiding der grafelijke macht.......................

§ 4. Holland onder de graven uit het Hollandsche huis.......18.

§ 5. Holland en Zeeland onder de graven uit het Ilenegouwsehe en het

Beiersche huis....................26.

§ 6. Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huif . 36.

§ 7. Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche

huis...........................

§ 8. Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen .........................

§ 9. Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland

en Groningen gedurende de Middeleeuwen..........57.

§10. De Nederlanden onder het bewind van Karei V .......63.

§11. De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva .... 73.

-ocr page 527-

495

Biz.

§ 12. De Nederlanden onder \'t bestuur van Philips1 landvoogd Alva . . 82.

§13. De Nederlanden gedurende het bewind van Reqnêsens en van Don

Jan van Oostenrijk. — De unie van Utrecht.........91.

§ 14. Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de

Zeven Vereenigde Nederlanden..............100.

§ 15. De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven\' vereenigde Nederlanden .......................\'08,

§ 16. Vervolg......................117.

§17. De onoverwinnelijke vloot. — Maurits1 krijgsbedrijven. — De afstand der Nederlanden door Philips II. — De eerste zeeslagen van den tachügjarigen oorlog..................124.

§ 18. Het twaalfjarig bestand. — De oprichting der Oost-Indische compagnie .......................133.

§ 19. De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand

schokken......................141.

§ 20. De hernieuwing van den oorlog na het bestand. — De oprichting der West-Indische compagnie. — De aanslag op het leven van Maurits en zijn dood.....................154.

§ 21. Het stadhouderschap van Frederik Hendrik.........159.

§ 22. De vrede van Munster. — Blik op den toestand der lands .... 170.

§ 23. Het stadhouderschap van Willem II............189.

§ 24. De groote vergadering. —■ De eerste Engelsche zeeoorlog..... 202.

§ 25. De Staat onder de leiding van de Witt. — De bemoeiingen der i{e-publiek met den oorlog in \'t Noorden van Europa. — De tweede Engelsche zeeoorlog..................215.

§ 26. De triple alliantie en de vrede van Aken. — Het begin van den

oorlog van 1672 ................... 232.

§ 27. Het vervolg van den oorlog van 1672. —- De dood der gebroeders de

Witt. — De verheffing van Willem III........... 245.

§ 28. Willem 111. — De negenjarige oorlog. — De Spaansche eifopvol-

gingsoorlog..................... 258.

§ 29. Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in

\'t begin der 18de eeuw . . . •.............2T4.

§ 30. Het stadhouderschap van Willem IV............ 286.

-ocr page 528-

49Ö

Biz.

§ 31. Het regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van den hertog van Brunswijk en hef quot; stadhouderschap van Willem V tot het

begin van don oorlog tusschen Engeland en Nederland..........299.

§ 32. De oorlog van Engeland en Nederland. — De geschillen der Republiek met Jozef II. — De binnenlandsche oneenigheden en de komst der Pruisen.....................312.

§ 33. De val der Republiek. — Blik op den toestand des lands .... 324.

§ 34. De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland............334.

§ 35. Nederland bij het keizerrijk ingelijfd. — Het herkrijgt zijn onafhankelijkheid ...................... 352.

§ 36. Hot koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België . . . 3G5.

§ 37. De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert

1830 .......................................383.

§ 38. Eindblik op den toestand dos lands........................405.

-ocr page 529-

Ite-i-B

BIBLIOTHEEK .

NED. HERV. kerk ^

-ocr page 530-
-ocr page 531-
-ocr page 532-