|
/ | |
|
§ |
fc- v |
|
BiBL |
IOTHÃEK |
|
NCO. ! ⢠|
!SRV. KERK |
(Tiaar (3 cl ooi is.
daar .Liefde,
Tciaar Liefde.
daar Vrede?
CÃIaai\' Vrede.
daar ~eqen.
IClaar iqeqen,
daar 6od.
CClaar 6ocf, daar
liomninrn ii : 9*21.
9 Xgt;c lieftic 511 aiiflEücnnft. quot;Ocüt mi afftccr li au ijrt üonóc/ cnbc ïjantjt ijct gnrcic acn.
10 ïjrüt maïftanbcrcn ijr:trlicl{ ïicf mrt öjachcrlitftc ïirfbc. .lllrt ccrc b\'mi bm anbcrrn lioojgacubc.
11 Sijt niet nacgtj in \'t ücncc:ftirtcn. Sijt Uncriplj Uan geeftr. iDinit ben X)ccrc.
12 Prrülijbt 11 in br ijoyr. gcbuïhitjjj in br Ucr^ bnitftingr. Palljr:brt in ben gclicbc.
13 ©relt inebe rat be üeljoeften be: Ijenlige. Cracfjt na ijerüerrtfaeinljent.
14 Segentfe bie 11 üerboïgen: .Regent enbe Uerüïoeift niet.
15 Derüïijbt 11 niet ben tiïijben: enbe Ineent niet ben hieenenbeli.
16 IDeeft eenagefint anber inaïüanberen. ijn tracijt niet na be Ijcrngc bingen/ maer liaegt u tot be nebrige. 4-n ?;ijt niet hiijó ün nfellien.
17 J?ergelbet nieniant guaetliacir nnaet. 25eforgl)t \'t gene eerïiclii ia Uoci: aïïe inenfeljen.
iB 3[nbien Ijet niogeïitft ia/ foo Ueeï in 11 ió/ ïjanbt b:ebe met alle inenfcïjen.
19 â¬11 Inreeclit nfeltien niet/ lieminbe: maer geeft ben toanie plaetóe. IDant baer iri geotljjcUen/ .iDn [komt] be lnrafie [toe]: kit oaï \'t liergelben/ degt be Deere.
20 Jlntiien ban ninen linant Ijnngert/ ao syijoigt Ijcm: inbien ijem borót/ on geeft Ijem te briiidien. IDant bat boenbe öiilt gn fiolen Inieró nu fijn Ijooft Ijooyen.
21 öi Uiort Uan Ijet guaet niet olierlnonnen/ maer oUerUiint Ijet aU\'iet boor Ijet gort.
I
jr
V
*
De liefde ongeveinsd !
rom. 12 : 0:i.
is wel der moeite waard even te letten de uitdrukking, die in de Schriften des Nieuwen Verbonds gebruikt wordt om aan te duiden wat wij onder «veinzen» verstaan. Die uitdrukking hangt samen met een woord dat beteekent: iemand beantwoorden, iemand bescheid doen, en van daar: op onderscheiden wijze als spreker optreden. Een huichelaar heet: een hypokriet. En een hypo-kriet is iemand die een voordracht houdt, een komediant die op het tooneel de eene of andere rol vervult. Wanneer wij dit in liet oog houden wordt ons de zaak terstond duidelijk. Onder «veinzen» hebben wij eenvoudig dit te verstaan: dat iemand zich opzettelijk anders voordoet dan hij is, en zoo
8 DE LIEFDE ONGEVEINSD.
op zijne medernenschen een\' indruk tracht te maken, die niet met de werkelijkheid overeenkomt.
Het verwondert ons niet, dat in den Bijbel tegen deze wijze van doen met zooveel nadruk wordt gewaarschuwd. In den godsdienst der waarheid behoort men «waar» te zijn boven al. En met waarheid â in subjectieven zin â omgord te wezen is het eerste, dat wij noodig hebben, om in den grooten strijd staande te kunnen blijven, aangedaan hebbende de gansche wapenrusting Gods. Het woord: «ongeveinsdquot;, dat in de Schriften des Nieuwen Verbonds telkens voorkomt, was bij de oude heidensche Grieken in \'t geheel niet in gebruik, terwijl liet in de Grieksche vertaling van de Schriften des Ouden Verbonds slechts eene enkele maal wordt aangetrollen. Wij zouden dus wel haast kunnen zeggen, dat het eerst met het Christendom begonnen is zich recht te laten gelden. Zou tenminste zijn gebruik niet samenhangen met de sterke reactie, die het jeugdige Christendom tegen het vormelijk Farizeïsme van die dagen in het leven riep? Een oneerlijk Christen is vrij wat slechter, dan een oneerlijk Israëliet. Onder de bedeeling dei-genade is geestelijke doorzichtigheid nog meer noodig dan onder de bedeeling der wet. En wanneer het kind eene valsche rol tracht te spelen tegenover zijn\' vader, dan is die misdaad immers grooter dan wanneer de knecht hetzelfde beproeft tegenover zijn\' meester.
In verband hiermede wordt de ongeveinsdheid telkens voorgesteld als een bepaalde karaktertrek van de liefde (2 Kor. 6:6, 1 Petr. 1 :22), die op haar
DE LIEFDE ONGEVEINSD. 9
beurt de vrucht is van een ongeveinsd geloof (1 Tim. 1 :5). Gij moogt niet doen alsof gij lief hebt, het lied der liefde niet zingen, de allures der liefdeniet aannemen, indien het u daarbij innerlijk aan liefde ontbreekt. Geen Judaskus! ook al valt er heel wat meer mee te verdienen dan dertig zilverlingen.
En nu moet niemand zeggen, dat wij toch niet slecht genoeg zijn, om zulke slechte dingen te doen. Het gevaar van liefde te veinzen is veel grooter, dan oppervlakkig schijnt. En het is zoo groot, vooral omdat wij. Christenen, beselfen, dat wij ophouden Christen te zijn, en dat wij ons onuitsprekelijk diep voor God en voor elkander en voor ons zelf hebben te schamen, als ons in werkelijkheid de liefde ontbreekt.
Neem aan, dat gij een slechts weinig ontwikkeld muzikaal gehoor hebt, en in de sclioone geheimen der toonkunst geenszins zijt ingewijd. Als gij u nu bevindt in een gezelschap van kenners, waar b. v. eene symphonie van Beethoven op meesterlijke wijze wordt uitgevoerd, zóó dat allen die het hooren daarover in verrukking komen, allen â behalve gij, zal het u dan geen moeite kosten te bekennen, dat gij die verrukking niet deelt ? Zult gij niet misschien bezwijken voor de verzoeking om mede uwe bewondering van zou heerlijk muzikaal talent te kennen te geven, ofschoon gij weet dat gij liet eigenlijk bewonderingswaardige niet hebt gevat?
Iets dergelijks kan plaats hebben ook op het terrein des Christelijken levens. Daar is de liefde het
DE LIEFDE ONGEVEINSD.
10
meest. Stilzwijgend wordt dat floor ieders geweten beaamd. Menschen van allerlei richting zijn het er over eens, dat beschaving en kennis en kerkelijkheid en rechtzinnigheid en dergelijke dingen desnoods kunnen gemist worden, maar dat irigasn geval de liefde ontbreken mag, zoolang men op den naam van Christen aanspraak wenscht te maken. En daaruit wordt nu van zelf de verzoeking geboren om liefde te veinzen. Dat gij een vreemdeling zijt in het rijk der tonen, en zelf niet tot uitmuntend klavierspeler zijt opgeleid, nu ja, daarvoor zijn waarschijnlijk allerlei geldige redenen aan te voeren, en in het gezelschap van zoo even zal men het u ten slotte wel willen vergeven en moeten vergeven ook. Maar de schaamte over het gemis aan liefde is geene valsche schaamte voorwaar! Zelfs een Ravachol, die koelbloedig zijne medemenschen vermoordt, tracht nog het beestachtige van zijne wandaden te verontschuldigen met een beroep op het verlangen, om de menschheid door het opkomen voor zijne anarchistische denkbeelden gelukkig te maken. Zoo algemeen is het besef, dat liefdeloosheid met goddeloosheid gelijk staat, en een liefdeloos mensch toch eigenlijk geen recht van bestaan heeft in de tegenwoordige maatschappij. De liefdelooze, die liefde veinst en daardoor toont, dat hij, ofschoon hij zelf dat onmisbare mist, mede van die overtuiging uitgaat, staat daarom dan ook nog hooger dan iemand, die er schaamteloos voor zou durven uitkomen, dat het hem ten eenenmale aan liefde ontbreekt. De veinzerij is ook eene hulde aan
DE LIEFDE ONGEVEINSD. 11
de deugd, eenezondei\'linge hulde, maur tocheenehulde.
Dit is intusschen niet slechts de bedoeling, dat wij niet zullen doen, alsof wij liefhebben, zonder liefde te bezitten. De zaak gaat dieper. Te doen alsof wij liefhebben, terwijl wij in het geheel geene liefde bezitten, is nog iets anders dan wel eenige liefde te bezitten maar te doen alsof wij veel meer liefde bezaten. En ik meen, dat Paulus met zijne roepstem tot de Gemeente hierop vooral den nadruk heeft willen leggen. In het derde vers van ditzelfde Hoofdstuk heeft hij gesproken over matigheid, over gematigd zijn. En \'t is alsof dat denkbeeld hem ook hier nog voor den geest zweeft en nu door hem op het betoonen van liefde wordt toegepast. Hij wil ons den eisch op het hart drukken te zorgen, dat de uitingen onzer liefde strikt in evenredigheid blijven met de mate van liefde welke wij bezitten. Wij mogen ons ten opzichte van het liefhebben niet gedragen als iemand, die op veel weelderiger voet leeft dan zijne inkomsten hem veroorloven. Geen exaltatie! Geen houding aannemen, waardoor wij anderen en misschien ook ons zelf in den waan brengen, dat er veel minder zelfzucht in ons binnenste woont, dan in werkelijkheid het geval is! Geen gloeiende woorden op de lippen, met een koel hart in den boezem! Geen kweeken van sentimenteele gewaarwordingen, die maken dat wij voor liefde aanzien wat feitelijk niets anders is dan de werking van een geprikkeld gevoelsleven! Dat is onwaar! Dat is ook huichelarij, in haar soort niet minder slecht dan die welke in ruwer vorm gepleegd wordt!
DE LIEFDE ONGEVEINSD.
Wij behoeven dan ook waarlijk geen huichelaars van professie te zijn, om ons op dit punt schuldig te gevoelen. Onze liefde is doorgaans zoo flauw, zoo zielloos, zoo mat. En als wij er nu bovendien nog aftrekken al wat slechts liefde schijnt, als wij eens den moed hebben haar te ontdoen van al die valsche tooisels, waarmede wij haar zoo handig weten op te smukken, ach! wat een onnoozel klein beetje blijft er dan over van dien schat, waarop wij ons al heimelijk begonnen te verhoovaardigen!
Wij zaten nog pas zoo gemoedelijk kwaad te spreken van den een of anderen broeder, en wisten met onze kwinkslagen den verkeerden kant van zijn karakter in een belachelijk daglicht te stellen, en, als morgen of overmorgen dezelfde broeder ons een bezoek brengt, dan zult ge eens zien, hoe vriendelijk wij hem ontvangen en hoe wij, zonder den huichelaar te spelen, onwillekeurig den indruk maken, dat wij het best met hem meenen. De liefde ongeveinsd!
Daar wordt ons een lijst aangeboden met verzoek om een bijdrage voor een of ander liefdadig doeleinde, en wij zetten achter onzen naam een cijfer, dat in de meeste gevallen wel de uitdrukking is van wat onze beurs, maar toch niet precies van wat ons hart er voor over heeft. De liefde ongeveinsd !
Wij staan van den feestdisch op en stellen een feestdronk in, gloeiend van sympathie, fonkelend als de wijn in den beker, en als de hooggeschatte jubilaris een jaar na dato eens in groote verlegenheid raakte en wij in staat waren om hem met een
12
DE LIEFDE ONGEVEINSD.
flinke daad van zelfopoffering uit den nood te redden, ik sta er niet voor in dat wij terstond volkomen bereid zouden bevonden worden. De liefde ongeveinsd !
Of wij ontvangen het doodbericht van een onzer bekenden, en wij schrijven een\' condoleantiebrief aan de familie, en geven de plechtige verzekering, dat de droeve tijding ons o zoo diep en o zoo smartelijk getroffen heeft, en zij heeft ons ook getroffen, zóó diep en zóó smartelijk, dat wij zelfs des avonds voor de rouw-dragenden vergeten te bidden. De liefde ongeveinsd !
O laat ons voorzichtig zijn! Vooral in een\' tijd waarin de uitwendigheid steeds meer heerschappij verkrijgt in deze wereld, en men veelal het gemis aan liefde tracht te verbloemen, door met bijzonder veel ophef en warmte over de liefde te spreken en haar zoo luisterrijk mogelijk te fêteeren.
Ik zeg niet, dat wij geroepen worden op geene enkele wijze onze liefde te openbaren. Dat behoeft niet! Dat kan ook niet! Als de zon er »is,quot; dan «schijntquot; zij ook. En de Russen zeggen terecht, dat de liefde, evenzeer als het hoesten, behoort tot de dingen, die men met den besten wil niet verborgen kan houden. Wie zal nu demoeder verhinderen het kind op haren schoot te liefkoozen naar hartelust .\' Wie zal een\' Petrus verbieden te verklaren en herhaaldelijk te verklaren, dat hij zijn\' meester bemint, ook ondanks die vreeselijke verloochening ? De liefde heeft recht om zich te openbaren, anders zou zij ook geen recht hebben om te bestaan.
13
DE LIEFDE ONGEVEINSD.
Laat haar zingen !
Laat haar stralen !
Laat haar dwepen !
Laat haar de werken der barmhartigheid en der teederheid verrichten van den morgen tot den avond !
Indien zij maar zorgt niet vuriger, niet inniger, niet krachtiger te schijnen, dan zij in werkelijkheid is. De edele Hamann heeft er ernstig naar gestreefd vrij te worden van de gewoonte der menschen, om. bij elke gelegenheid hunne goede hoedanigheden in een gunstig licht te plaatsen. Maar hij is daarbij toch wel in een ander soort van overdrijving vervallen. Hij zegt b. v. «ik acht het plicht slechter te schijnen dan men werkelijk is, en in werkelijkheid beter te zijn dan men schijnt.quot; Nobele gedachte, geweld uit een nobel hart! Maar de eisch mag toch niet billijk heeten. Zoo wordt men onrechtvaardig jegens zich zelf. Intusschen, wat mij betreft, één vriend, die in \'t uiterste van Hamann verviel en dus heerlijk meeviel, zou mij toch meer waard zijn dan duizend vrienden, die zicli aan het andere uiterste schuldig maakten, en dus op den duur noodzakelijk moesten tegenvallen.
Ziet op Jezus! Hij overdrijft niet. De woorden zijner lippen zijn nooit warmer dan liet kloppen van zijn hart. Hij vermijdt zich niet in opgewonden expectoraties, die door haar gebrek aan heilige nuchterheid reeds verraden, dat er toch niet ten volle op valt te rekenen. Hij verzekert niet gedurig aan zijne discipelen, dat Hij hen liefheeft. Neen! Maar Hij
44
i)E LIEFDE ONGEVEINSD.
heeft hen lief tot het einde toe, en Hij laat het aan anderen over te «zeggenquot; hoe Hij hen heeft liefgehad.
Als de Kananeesche vrouw zijne hulp inroept, dan zwijgt Hij eerst en spreekt verder van de hondekens, die geene aanspraak hebben op het brood van de kinderen. Hoe hard! De discipelen hebben schijnbaar oneindig meer medelijden dan Hij, en vragen Hem de vrouw toch maar te helpen. Hoe vriendelijk! En toch is de liefde aan »zijnquot; kant, en aan hunne zijde de zelfzucht. Bij hen het zoeken van eigen rust en gemak. En bij Hem de liefde van een groot hart, dat genoeg liefheeft om uit liefde de betooning der liefde terug te houden, en dat lijden wil als de moeder, die zich het kind van de borst rukt om voor haar kind haar leven te behouden. Ziet op Jezus! En leert van Hem wat het is lief te hebben!
En zoo zij dan ook onder ons de liefde ongeveinsd!
Wij willen niet te veel vertromven stellen op vriendelijke woorden en vriendelijke bejegeningen, de uiting der liefde verwarrend met de liefde zelf, want \'tis mogelijk dat iemand zich in gemoede bereid verklaart om met ons te sterven en toch, bij \'t opkomen van liet gevaar, terstond van ons wegloopt en dat een ander, van hooger en dus van stiller natuur, die nooit opzettelijk zulke stoute en teedere verklaringen gaf, ons trouw biijtt tot in den dood, ook al is die dood een dood des kruises.
Wij willen gelooven aan de liefde van hen, die niet altijd lief voor ons zijn, en ons soms schijnbaar zoo koel en zoo hard kunnen bejegenen, â misschien uit liefde.
15
DE LIEFDE ONGEVEINSD.
Wij willen voorzichtig en spaarzaam zijn met hartelijkheden, soms o zoo goedkoop.
Wij willen er naar streven het zoover te brengen, dat de warmte van onze woorden en van onze daden door de warmte van ons hart altijd minstens één graad overtroffen wordt.
quot;Wij willen ons er op voorbereiden, dat zij die meer waarde hechten aan de uitingen der liefde dan aan de liefde zelf, onze liefde zullen miskennen, dankbaar voor de dikwijls vruchtbare ervaring, dat men ons voor slechter houdt dan wij in werkelijkheid zijn.
En wij willen er bovenal op uit zijn de anderen zóó lief te hebben, dat wij hen inniger en dieper liefhebben dan zij zelf vveten.
God helpe ons!
16
Huiveren voor het booze.
Rom. 12 : 9b.
Is wij het eens zóóver brachten, dat wij vol-^strekt geene zonde meer deden, noch met gedachten, noch met woorden, noch met werken ... . \'t Lijkt liuast een onbereikbaar ideaal. En zoolang wij hier beneden zijn, zal het wel door niemand onzer bereikt worden. Maar »alsquot; wij het eens zoover hadden gebracht, hoe verbazend ver waren we dan gekomen! En toch .... en toch .... dan waren wij nog niet ver genoeg.
Want het is niet voldoende het booze te laten. Het is noodig het te haten ook. Althans Panlns vermaant: «hebt een\' afkeer van het booze!quot; De in het oorspronkelijk doorhem gebruikte uitdrukking, die slechts één keer in de Schriften des Nieuwen Verbonds voor-
HUIVER EX VOOR TIET BOOZE.
komt, is afgeleid van een stamwoord, dat «koudequot;, «huiveringquot; beteekent. Van daar: iets haten, er een afschuw van hebben. En door een samengesteld werkwoord te bezigen, heeft de Apostel dat begrip hier nog versterkt, zoodat wij aan het koesteren van «bitterenquot; haat of van «diepenquot; afschuw hebben tedenken. Hij wil dus, dat wij voor elke aanraking met het booze huiverend zullen terugdeinzen; dat wij er niet slechts niet ineê te doen hebben, maar er ook volstrekt niet mee te doen «willen» hebben; en dat niet, omdat ons die aanraking verboden werd, maar omdat wij er zelf innerlijk van gruwen. Gelijk de kerkvader Chrysostomus er bij aanteekent: «de Apostel verlangt niet slechts, dat wij ons van liet booze zullen onthouden, maar dat wij het zullen haten, en niet dat wij het zoo maar zullen haten, maar dat wij dit doen met groote onstuimigheid.quot;
Dit is zoo algemeen mogelijk bedoeld. Sommige uitleggers meenen den zin te moeten beperken. Zoo b. v. Kalvijn, die schrijft, dat de woorden goed en kwaad in dezen tekst geene algemeene beteekenis hebben, dat het kwade beteekent: de onbillijke liefdelooze handelwijze waarmee de naaste geschaad, en het goede: de welwillende bejegening, waardoor die naaste geholpen wordt. Maar deze beperking is, naar het mij voorkomt, nog al willekeurig. Wij willen wel aannemen, dat er een zeker verband is tusschen de voorgaande vermaning: «de liefde zij ongeveinsd,quot; en wat daarop volgt: «hebt een\' afkeer van liet booze en hangt het goede aan.quot; Zonder van hetbooze een\'
â 18
HUIVEREN VOOR HET BOOZE. 19
afkeer te hebben, en zonder het goede aan te hangen, kan men immers op den duur geene ware ongehuichelde liefde koesteren. Maar dit neemt niet weg, dat hier aan het zedelijk kwade en aan het zedelijk goede in den ruimsten zin is gedacht.
En nu gevoelt ieder van mijne lezers toch wel terstond, dat hier nog heel wat meer van ons geeischt wordt, dan met de zonde te breken. Tiet is niet genoeg uitwendig van haar afstand te doen, zoodat wij onberispelijk wandelen voor de oogen der menschen. Het is zelfs niet genoeg inwendig haar los te laten, zoodat wij ook in \'t verborgen niet meer hunkeren naar \'t genot, dat zij ons biedt. Het is noodig een\' diepen, grenzenloozen afkeer van haar te koesteren.
Bezitten wij dien afkeer? Helaas neen! ten minste van nature niet. Van nature hebben wij de zonde lief. Ik beweer niet, dat wij haar liet hebben, zooals de duivelen haar liefhebben, de duivelen die haar liefhebben een-voudig omdat zij zonde is, en omdat zij in het booze als zoodanig behagen scheppen; die, wanneer zij door goed te doen meer konden genieten dan door kwaad te doen, toch aan het laatste de voorkeur zouden geven; die â echt daemonisch ! â niet ophouden de zonde lief te hebben, ook al zien zij volkomen duidelijk, dat die zonde hen van alle geluk berooft en hen regelrecht ten verderve voert. Om zóó ver te komen zouden wij moeten ophouden mensch te zijn. En wij houden nooit op mensch te zijn, en daarom is dit de pijn van de eeuwige pijn: de zonde als zonde in de onbeschrijfelijke afgrijselijkheid van haar eigenlijk wezen niet te
20 HUIVEREN VOOR HET BOOZE.
kunnen liefhebben, onmogelijk! en toch onverbrekelijk aan haar verbonden te zijn.
Maar al staat de zaak dan zoo, dat wij de zonde liefhebben als middel, en niet als doel, om het genot dat zij ons biedt, of om het voordeel dat zij ons belooft, gelijk de kaartspeler niet die nietige beduimelde kaarten bemint, maar de opwinding van het spel, en de winst, die hij misschien er door behaalt.. .. die liefde zelve laat zich toch moeielijk loochenen.
Ach, onze deugden zijn misschien nog slechter dan onze zonden! Ik beweer niet, dat er niet sommige vormen van het booze zijn, waarvan wij innerlijken afkeer gevoelen, maar geldt dit niet misschien veel meer den hatelijken vorm, dan het booze zelf ? Heeft ook idet de misdaad hare poëzie? Beschikt ook niet het booze over eene verwonderlijke grade, waardoor het de argelooze zielen zóó weet te begoochelen, dat zij van het booze, dat er achter die bevalligheid schuilt, en van het onbevallige dier bevalligheid zelve, niets meer bemerken? Zijn er geene verkeerdheden die we nalaten, omdat zij nu eenmaal toch niet in onzen smaak vallen, of omdat zij in strijd zijn met de opvattingen van fatsoenen wel voegelijklieid, welke in onzen levenskring gelden, of omdat wij te veel waarde hechten aan de goede meening der inenschen, of omdat we eene zekere Christelijke reputatie hebben op te houden, of omdat wij vreezen anders niet in den hemel te komen, verkeerdheden, die dus eigenlijk uit verkeerdheid worden nagelaten? Is er geene boezemzonde, die ons als eene Sirene lokt, betoove-
HUIVEREN VOOR HET BOOZE. 21
rend schoon, en aan welker dienst Avij ons o zoo gaarne zouden willen overgeven, als wij maar kans zagen liet te doen met een gerust geweten? Zijn er geene booze dingen, waarmoê liet ons gaat als met sommige spijzen ap,;\'den disch, waarvan wij geen gebruik maken, omdat ile geneesheer het ons nu eenmaal verboden heeft, doch waaraan we ons anders wel eens ter dege te goed zouden doen? En als wij nu en dan het kwade met forschen stoot van ons afweren, herinnert zoo\'n stoot dan soms niet meer aan de manier, waarop in \'t spiegelgevecht de eene kameraad den anderen spelenderwijze weerstaat, dan aan de vlammende kracht der wanhoop, waarmede men op \'t slagveld, in de hitte van den strijd, den doodsvijand poogt terug te werpen ?
Men spreekt van «idiosyncrasie®. En men bedoelt er mee : de eigenaardige vatbaarheid, die soms iemand bezit voor het ontvangen van indrukken, welke anderen geheel of nagenoeg onverschillig laten; de onaangename gewaarwording, die van zelfbij het zien of bij het aanraken van een of ander voorwerp ontstaat ; de innerlijke reactie, die daardoor wordt opgewekt. Zoo zijn er menschen die kramp krijgen, wanneer zij eene spin zien loopen. De bekende Rothe sidderde bij het zien van een meikever. Anderen bezitten van nature een onoverwinnelijken afkeer van eene bepaalde kleur of van een bepaald geluid. Wallenstein kon het gemiauw van katten, Mozart het schetterend geklank van eene trompet onmogelijk verdragen. Iets dergelijks moest er nu.
nil VKRKX Y001! IIKT 1300ZK,
dunkt mij, ook wezen in onze verhouding tot de zonde. Wij moeten het zoover zien te brengen dat het booze, niet een enkele afzichtelijke vorm van liet booze, maar het booze in allerlei vorm, ook in den schoonsten vorm, ons aanstonds innerlijk doet huiveren, zoodra wij er op de eene of andere wijze meè in aanraking komen.
En hoe zullen wij het zoover brengen? Vooreerst, naar ik meen, door het kwade goed aan te zien. Het booze »isquot; leelijk. «Alquot; het booze is leehjk, ook al komt liet tot ons in de gestalte van een\' engel des lichts. Het leelijke ontstaat wanneer, gelijk de zonde immers altijd doet, een sluier geworpen wordt over de heerlijkheid (iods, en deze dientengevolge verhinderd zich te openbaren. En wanneer die poging om Gods heerlijkheid terug te dringen, zóó wel gelukt, dat het stempel van \'t goede geheel en al verdwenen is, en heeft plaats gemaakt voor \'t stempel van het booze, dan gaat liet leelijke over in het afschuwelijke, in liet afgrijselijke.
Nu is het onze taak, overal in de zonde dat huiveringwekkende te leeren ontdekken. Wij moeten ons niet laten misleiden door de drogredenen dei-tegenwoordige wereld, die, in verband met het eigen arglistig hart, ons wil overtuigen, dat de zonde een tamelijk onschuldig speelgoed is, waarachter geene verderfenis schuilt. Wij moeten het ons tot gewoonte maken haar terstond en onverbiddelijk, telkens als zij op ons afkomt, het masker der valsche schoonheid van \'t aangezicht te lichten. Wij moeten ons
\'22
HUIVEREN VOOR HET BOOZE,
diep zien te doordringen vun liet bewustzijn, dat de hemel, dien zij schijnt te brengen, niet slechts voorbijgaat, maar straks stellig en zeker verandert in eene hel. Wij moeten de indrukken vasthouden, die wij ontvangen, als wij tot berouw d. w. z. als wij tot waarheid komen, en als het door ons bedreven kwaad zelf ons veel meer schrik aanjaagt, dan de ontzaglijkste schilderingen der toekomende rampzaligheid dat zouden vermogen. Hebt gij ook noodig te zeggen tot iemand, die eene vuurkool aanraakt: nu brandt gij 11 .\' Hebt gij ook noodig zoo iemand, onder die omstandigheden, plechtstatig toe te roepen; nu raad ik u toch wezenlijk in allen ernst aan die kole vuurs terstond los te laten De zonde is vuur. Alleenlijk wij weten liet niet. Wij moeten het weten. En wij kunnen het weten.
En om dat te weten, en tot dat schrikkelijke huiveren voor het booze te komen is het noodig ook den Christus goed aan te zien. Hoe ontstaat zoo\'n idiosyncrasie, als waarvan ik daareven sprak? Zult gij door redeneering of door bewijsvoering zoover kunnen gebracht worden, dat gij innerlijk en onmiddellijk gaat terugdeinzen voor \'t een of ander voorwerp, dat u thans geen\' afkeer inboezemt, en dat u ook volgens de uitspraken der algemeene opinie volstrekt geen afkeer behoeft in te boezemen ! Neen, de idiosyncrasie vindt haar grond, voor zoover men ten minste weet, eenvoudig in uw gestel, in uw zenuwgestel. En zoo zal het antwoord op de vraag, of wij voor het booze waarlijk huiveren enkel hiervan afban-
23
24 ITUIVKREN VOOR HET 1300ZE.
gen, lioe het gesteld is met onzen iunerlijken mensch.
Daarom is het noodig, gelijk ik zeide, den Christus aan te zien. Hem voordurend te blijven aanzien, namelijk in het geloof. Want zou komen wij eerst recht tot het besef, dat heiligheid schoonheid en dat zonde afschuwelijk is. Want zoo leeren we leven in die hoogere wereld, waarin elke openbaring van het booze terstond als iets abnormaals beseft wordt en onderkend, gelijk een toonkunstenaar, naarmate hij lijner eu hooger ontwikkeld kunstgevoel bezit, zich te pijnlijker voelt aangedaan door wanklanken, die de anderen misschien rustig kunnen aanhooren, of anders niet eens gewaar worden. Want zoo, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een\' spiegel aanschouwende, worden wij naar datzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, en met de voortgaande verandering in die richting, wordt het afgrijzen van het booze steeds dieper en inniger. Brengt eene ongerepte maagd, die van de ontzettende zonde der ontucht niet het flauwste begrip heeft, aan den drempel van een bordeel, zij zal voor die bedorvene atmosfeer onwillekeurig terugdeinzen, en hevig terugdeinzen ook, alsof haar leven in gevaar komt. Zij zal instinctmatig sidderen voor dien onbekenden gruwel. Waarom ? Eenvoudig omdat zij rein is.
Hoe reiner gi j zi jt, des te dieper en sterker gevoelt gij in uw wezen de huivering voor het booze. Daarom was ook het leven van den smetteloos Reine in deze booze wereld: ééne huivering.
HUIVEREN VOOR HET BOOZE.
25
Zoo in gestadige huivering te leven, het is geen gemakkelijk, geen zorgeloos leven voorwaar! Maar het is noodig oin in de volkomene verlossing te deelen. Bovendien ontkiemt ook in den bodem van dat huiveren eene nieuwe, eene groote, eene heilige blijdschap. De haat is anders een zware grafsteen, die op alle levensvreugde drukt. Maar «dezequot; haat werkt stille vreugde in God. Niet slechts door waarlijk lief te hebben wat God liefheeft, maar ook door waarlijk te haten wat God haat, komen wij dichter bij liem en dus dichter bij de zaligheid.
Het goede aanhangen.
Kom. 12: i)o.
mensch kan van haat niet leven, zelfs quot;^^^niet van den edelsten haat, dien wij ons kunnen denken, zelfs niet van haat tegen het hooze. De haat is het negatieve. De liefde, waarvan de haat slechts de keerzijde uitmaakt, is het positieve. En op slot van rekening bestaat de afkeer van iets eigenlijk toch maar in ongeveinsde ingenomenheid met wat daarvan het tegendeel uitmaakt. De ware vijand van de luiheid 1). v. is niet degene, die den ganschen dag zoek brengt met in forsche taal te verklaren, dat hij van dat leegloopen toch zoo\'n onoverwinne-lijken afkeer heeft. De mensch, die er niets van zegt, maar zóó ijverig arbeidt, dat hij geen tijd heeft om er iets van te zeggen, hij is in dit geval de eigen-
HET GOEDE AANHANGEN.
lijke vijand. Wij kunnen de ondeugd niet vuriger, niet inniger, niet wezenlijker haten dan door de deugd lief te hebben.
Daarom voegt Paulus aan zijne vermaning: »hebt een\' afkeer van het boozequot;, terstond die andere toe: «hangt het goede aan.quot; Natuurlijk heeft hij hier \'t oog op wat zedelijk goed is, rechtschapen, edel, en dus bewonderenswaardig, zooals ook het in de oorspronkelijke taal gebruikte woord eigenlijk te kennen geeft. Hij wil dat wij het goede zullen «aanhangenquot;. Niet slechts dat wij het voor een oogenblik met tintelende geestdrift toejuichen, om er ons een volgend oogenblik misschien reeds weer van af te keeren. Niet slechts dat wij het «doenquot; : de practijk is wel een voornaam ding, maar op dit terrein toch het voornaamste niet; en dat het zeer wel mogelijk is formeel het goede te doen met slechte beweegredenen, of althans zonder het goede als zoodanig lief te hebben, dat behoeft geen betoog.
Het is noodig het goede «aan te hangenquot;. De Apostel gebruikt eene uitdrukking, die «aanklevenquot; be-teekent, dezelfde die o. a. voorkomt in Luk. 10:11, waar Jezus spreekt over het stof, dat aan de voeten kleeft, en in Lnk. 15:15, waar gezegd wordt, dat de verloren zoon zich bij een\' van de burgers in het vreemde land «vervoegde,quot; zich maar niet enkel bij hem aanmeldde, maar sterken aandrang bezigde om door dezen in dienst genomen te worden, wij zouden zeggen : hem als een klis aanhing. Zoo is het hier ook bedoeld. Wij worden vermaand om het goede
21
HET GOEDE AANHANGEN.
zóu aan te hangen, dat wij ons er innig en innerlijk aan verbonden gevoelen, en het tot geen\' prijs zonden willen loslaten.
Men lette even op het verband. De Apostel heeft voorop gesteld den eisch : «de liefde zij ongeveinsdquot;! En als hij nn daarop laat volgen: «hebt een\'af keer van liet booze, en hangt het goede aan,quot; dan zal hij deze laatste vermaningen toch wel in verband willen gebracht hebben met de liefde, waarvan een oogen-blik te voren sprake was. Hij karakteriseert met deze twee dingen de liefde zelf. Liefde die niet bezield is met afkeer van het kwade, en niet vervuld van ingenomenheid met het goede, verdient niet den naam van liefde, van ongeveinsde liefde te dragen. Zij moge eene oppervlakkige gemoedsaandoening zijn, of eene hartstochtelijke opwelling, dingen, die toch altijd doodeenvoudig op louter egoïsme uitloopen, maar de liefde die het Evangelie eischt, en zooals God haar wil, is zij zeker niet. Eene goede los voor menschen, die meenen een ander te kunnen liefhebben, zonder in dien ander het kwaad tegen te staan en het goede te kweekon, vergetende dat de geest der liefde dezelfde is als de geest der heiligheid.
Het goede aanhangen ! Niet waar ? het klinkt zoo eenvoudig, zoo gewoon, haast al te gewoon. Wanneer de Apostel Paulus incognito in ons midden optrad, en over dezen tekst voor ons preekte, ik vrees dat menigeen van de nieuwheid on de rechtzinnigheid zijner prediking geene hooge gedachten zou koesteren. Wat hoeft men nu aan zoo\'n stuksken koude,
28
HET GOEDE AANHANGEN.
dorre zedeleer ? Dat raakt immers de kern van het Christendom niet. En zij, die overigens van dat Christendom niet veel meer willen weten, zullen zelfs van hun niet-geloovig of ongeloovig standpunt nog wel toestemmen, dat het noodig is zich zelf en elkander de verplichting tot het aanhangen van het goede in te prenten.
Maar hieruit volgt nog volstrekt niet, dat het aanhangen van het goede nu ook werkelijk onder de kinderen der menschen tot de gewone dingen zou hehooren, die nagenoeg van zelf spreken. Ik zou wel bijna liet tegendeel durven beweren. Ik zou haast de stelling durven verdedigen : liet spreekt van zelf dat de Sfenscli liet goede «nietquot; aanhangt. Wat zegt onze oude catechismus? «Ik benquot;, zoo laat li ij den Christen verklaren, «van nature geneigd God en mijn\' naaste te haten.quot; Dat klinkt vreeselijk hard. Maar \'t is de eenvoudige waarheid. En men mag hoog of laag springen; men moge met een beroep op den hoogen adel der menschheid nog zoo luide tegen zulk eene smadelijke beschouwing protesteeren ; men moge op de verhevenheid van den mensch nog zoo gloeiende lofliederen zingen; tegen de werkelijkheid valt op den duur toch niet te redeneeren. Wie eerlijk met zich zeiven omgaat zal, denk ik, ook wel spoedig tot de ontdekking moeten komen, dat ten minste in zijn eigen hart die neiging-niet ontbreekt, en dat zij daar veel meer heeft in te brengen, dan zijne eigenliefde wenschelijk vindt. Zelfs een wijsgeer als Kant zag zich genoodzaakt
29
HET GOEDE AANHANGEN.
het radicaal-booze in de menschelijke natuur te erkennen. Sterker kan het al haast niet.
Welnu, indien wij van nature geneigd zijn God te haten, zou daarin dan niet van zelf eene zekere neiging tut afkeer van het goede liggen opgesloten? Die afkeer is niet bij iedereen, en niet altijd, en niet in elk opzicht even sterk. Ook dient het onderscheid tusschen die neiging tot afkeer, en die afkeerigheid zelf niet uit liet oog verloren te worden. Maar het feit zelf valt toch moeielijk te loochenen.
O, ik weet het wel, zoolang dit aanhangen van het goede vereenzelvigd wordt inet het bewonderen van eene zekere abstracte voorstelling, die daar in nevelachtige verte zweeft, en niet dicht genoeg bij ons komen kan om ons leed te doen ; zoolang het zich aan ons voordoet in eene liefelijke gestalte, met een\' poëtischen stralenkrans omgloord; zoolang het ons in de gelegenheid stelt er opgeld mee te doen in eene wereld, die het volstrekt goede evenmin toejuicht als het volstrekt kwade, maar \'t meest met ons op heeft, wanneer wij goed en kwaad op handige wijze weten dooreen te mengen; zoolang het uns niet in botsing brengt met de zedelijke en religieuse opvattingen, die in onzen levenskring heerschappij hebben verkregen, en door niets meer uitmunten dan door burgerlijke middelmatigheid ; zoolang het niet meer inspanning van ons eischt dan het kleine beetje moeite, dat wij ons nu eenmaal wel willen getroosten om in den hemel te komen : zoolang er nog iets mee te verdienen valt, een handvol goud of een handvol eer, of
30
HET GOEDE AANHANGEN.
anders wat gelukzaligheid in het paradijs; zoolang wij er, in een woord, nog niet om door het vuur moeten, zoolang hebben we niet al te veel bezwaar.
Maar als het er recht op aankomt, dan wordt het terstond geheel anders. Om op dit punt te bezwijken, behoeven we niet eens op zoo bijzonder zware proef gesteld te worden. Laat ons maar eens worden geroepen, om iets goeds dat door onze vrienden en kennissen wordt losgelaten, en door de publieke opinie veroordeeld, met beide handen vast te houden. Laat ons maar eens in den een\' of anderen vorm gesteld worden voor de keuze: of het goede te laten varen, öf voor onze vasthoudendheid met eene doornenkroon te worden beloond! Laat ons maar eens komen in een geval, waarin dat aanhangen van het goede veel meer gelijkt op den eisch om een stuk gloeiend ijzer aan te vatten, dan op de nitnoodiging om eene bruid de teedere hand te drukken ! Nietwaar, dan verandert het tooneel. Wij krijgen dan een tooneel te aanschouwen van onwil en van afkeerigheid en van haat tegen datzelfde goede, waarvan we immers zelf meenden, dat wij er zoo hartelijk en zoo hartstochtelijk mee dweepten. En wie bij dien aanblik nog gelooven kan, dat het aanhangen van het goede bij de kinderen der menschen van zelf spreekt, hij moet toch wel zóó lichtgeloovig geworden zijn, dat hij kans ziet zich zei ven letterlijk alles wijs te maken.
Hoe oprecht en vurig en waarachtig de menschen van nature het goede aanhangen . . . als gij dat eens
34
32
bijzonder duidelijk zien wilt, dan moet gij even het oog richten naar Golgotha. De menschen meenen, dat de moeielijkheid om het goede lief te hebben niet ligt bij hen, maar bij dat goede zelf. Als\'t zich maar niet voortdurend vermengde met iets verkeerds, dat dan onwillekeurig afstoot! Als \'t zich maar niet telkens aan ons voordeed in zoo\'n weerzinwekkenden vorm ! Als \'t maar eens in volle zuiverheid en heerlijkheid tot ons kwam! Dan zouden we terstond juichen en knielen en aanbidden!
Nu, zie dan eens, hoe men juicht en knielt en aanbidt O}) Golgotha! Daar is «hetquot; goede. Daar is sdequot; goede. Daar is Hij, die in deze wereld geen ander kwaad gedaan heeft, dan dat hij het goede heeft aangehangen, eenvoudig als een kind, kloek als een held, heilig als een God. En wat is het loon ?
Van zekeren predikant verhaalt men, dat hij eens in eene prediking over de schoonheid van de deugd met geestdrift uitriep: »0 deugd! wanneer gij lichamelijk tot ons kwaamt, alle menschen zouden u beminnen !quot; En zijn collega, die \'s middags op den zelfden kansel stond, sprak : »De deugd is eenmaal lichamelijk op aarde gekomen ; hebben de menschen haar liefgehad? neen! zij hebben haar veracht en verworpen, versmaad en gegeeseld, en gekruisigd tns-schen twee misdadigers!quot;
Zoo spreken de feiten. En feiten dulden niet veel tegenspraak. Trouwens reeds eeuwen te voren had een edel Griekscli wijsgeer geprofeteerd: «wanneer er eens een volmaakt rechtvaardige in de wereld
HET GOEDE AANHANGEN. 33
kwam, dan zou hij geplaagd, mishandeld, gefolterd en ten slotte opgehangen worden.quot; En wie dus nu nog meenen wil, dat het voor ons zondige menschen eene van-zelfsheid wezen zou het goede aan te hangen, hij zou eerst behalve zijn geweten ook dien Plato, en ook de wereldgeschiedenis een\' slag in \'t aangezicht moeten geven.
Toch is het noodig, strikt noodig het goede aan te hangen. Tenminste, wanneer wij Christenen willen zijn. Kunt gij Christen zijn, zonder God lief te hebben ? Dan kunt gij ook geen Christen zijn, zonder het goede lief te hebben, met het hart en met de daad. Ik zeg niet dat God, de persoonlijke, hetzelfde is als het goede, liet onpersoonlijke. Maar de overeenstemming (denk ook aan de overeenkomst tus-schen den Naam: »God,quot; en het woord «goedquot;) is toch van dien aard, dat het eenvoudig onmogelijk wordt eene scheiding te maken. Gij kunt God niet aanhangen, zonder tevens het goede aan te hangen.
Verbeeld u dat iemand met eene zekere emphase uitroept: o, ik houd zooveel van bloemen ! Gij brengt hem\' een handvol rozen: hij schudt het hoofd, en zegt: neen ! ik houd wel van bloemen, niet van rozen. Gij plukt hem wat anjelieren: zij bevallen hem evenmin, ofschoon hij de verzekering herhaalt, dat hij een liefhebber van bloemen is in folio. Gij beproeft het met tulpen, met leliën, kortom met alle mogelijke soorten van bloemen, en voortdurend krijgt gij hetzelfde bescheid. Wat zoudt gij zeggen van zoo iemand, die verklaart dat hij met geene enkele be-
3
HET GOEDE AANHANGEN.
paalde soort van bloemen, zoo maar met bloemen in \'t algemeen, dweept, vuriger dan een van zijn mede-menschen ? Zóó degene, die God wil aanbangen, zonder bet goede aan te bangen.
Dit laatste worde ons dus meer en meer eene levenstaak, waaraan wij arbeiden in de kracht des ge-loofs, en gedrongen door de liefde van Cbristus! Gemakkelijk is do taak niet, maar scboon is ze wel. Het goede aan te bangen, ook wanneer bet ons zooveel gemakkelijker zou vallen bet los te laten, liefst zoo bandig, dat de anderen er niets van merken; ook wanneer wij bet vinden midden onder allerlei slecbte dingen â een parel op een vuilniskar â en ons de plicbt is opgedragen bet van al dat onreine af te zonderen, zonder ons zelf te verontreinigen; ook wanneer wij bet ontdekken, niet bij ons zelf, maar juist bij onze tegenstanders, zoodat wij door bet wezenlijk aan te bangen in de kaart spelen van die tegenstanders, welke wij tocb zoo bitter gaarne bet spel zouden zien verliezen; ook wanneer bet op touw gezet wordt op eene manier, die wij nu eenmaal voor ganscb verkeerd houden, al was bet alleen maar, omdat zij bet ongeluk heeft niet onze manier te zijn; ook wanneer bet geheel en ui indruischt tegen onzen smaak en ons schoonheidsgevoel, voorwaar! dat is geen kleinigheid.
Heeft niet een geestig dichter verklaard, dat er reine maagdelijke zielen zijn, die naar groene zeep ruiken, en dat de ondeugd zich meestal met rozenolie wascht? \'t Is scherp en ondeugend gezegd. Maar
34
HET GOEDE AANHANGEN.
met de waarheid van deze opmerking dienen wij wèl rekening to honden, wanneer wij ons niet door den schijn willen laten misleiden. Het goede is niet altijd schoon, in den gewonen zin. Het staat integendeel vaak voor ons in leelijken vorm, evenals het kwade zich veelal aan ons vertoont in eene gestalte, die aantrekt en bekoort. Het goede aan te hangen, het is in deze wereld een hard werk, het is een prozaïsch werk, het is een werk waarbij bloed en tranen te pas komen, en dat op eenigerlei wijze altijd uitloopt op een kruis.
Maar ook. Tn dat harde is iets merkbaar van het zachte juk, dat Christus den zijnen op de schouders legt. In de diepte van dat proza schuilt een schat van verrukkelijke poëzie. En als wij het hieraan verbonden lijden aanvaarden, o dan ondervinden we wel, dat het heerlijkheid werkt. Zal niet door het aanhangen van het goede onze afkeer van het booze worden versterkt ? Zal ook niet in dezen weg onze liefde dat karakter verkrijgen van zuiverheid en van zedelijke kracht, dat zij hebben moet om ongeveinsde liefde te zijn, en ons gelukkig te maken ?
Bovendien, volgens een\' van de oudste Christelijke schrijvers, heeft Jezus niet enkel gezegd: »deergernis moet kumen, doch wee dien mensch door wien ze komt!quot; maar ook : «het goede moet komen, en zalig de mensch door wien het komt!quot; Als wij het goede aanhangen, zóó dat het met onze persoonlijkheid samengroeit â en anders hangen wij het niet aan â, zie! dan «komtquot; het goede ook door ons. En dan geldt ons deze zaligspreking van den Profeet der waarheid.
35
ergens eene lijn trekken kunt, en zeggen, dat aan den anderen kant van die lijn de zon geen gloed en warmte meer verspreidt, evenmin gehikt het n haar te beperken. God heeft alle menschen lief, zelfs degenen die zeggen, dat zij Zijne liefde niet behoeven, ook degenen die â- en dat is immers nog veel erger â meenen, dat Hij alleen hen zeiven en hunne vrienden liefheeft, en dus de anderen niet. En als de liefde Gods in onze harten is uitgestort, aanvaarden wij dan ook van zelf de zalige roeping, onze liefde tot allen zonder onderscheid uit te strekken.
Hartelijkheid.
ITAUTELIJKIIErn.
Maar hieruit volgt niet, dat wij verplicht zijn allen op dezelfde wijze lief te hebben, met dezelfde innig-heid. Dat is eenvoudig onmogelijk. God stelt ons nooit onnatuurlijke of tegennatuurlijke eischen. Jezus heeft ook zeker op Lazarus ou Maria en Martha, van wie zoo uitdrukkelijk geschreven staat, dat Hij hen liefhad, eene geheel andere betrekking gevoeld, dan op de tollenaren en zondaren, voor wie zijn [leilandshart toch ook met de teederste ontferming was vervuld. Het is wel noodig uw\' hoovaardigen vijand en uw\' lastigen buurman lief te hebben, maar het is niet noodig hem te beminnen, zooals gij uw kind of uw\' echtgenoot bemint.
En zoo is er ook verschil tusschen de liefde jegens onze medemenschen in het algemeen, en de liefde waarmede wij verbonden zijn aan hen, die hetzelfde geloof met ons deelachtig werden. «Laat ons goeddoenquot;, zegt Paulus (Gal. 6:16), «aan allen, maar inzonderheid aan de huisgenooten des geloofs!quot; Tee-kenachtige uitdrukking! Hij beschouwt degeloovigen als leden van één groot gezin, die zich nu niet zelfzuchtig in valsche kameraadschap uit de wereld terugtrekken, en de anderen afstooten, maar zich toch als broeders en zusters op geheel eenige wijze aan elkander verbonden gevoelen. Zoo wordt de broederlijke liefde van de liefde tot den naaste onderscheiden. De ware Christen voegt trouwens aan de broederliefde niet de liefde tot allen als iets afzonderlijks toe (2 Petr. 1: 7). In de broederliefde, door haar gesterkt en gedragen, betracht hij de liefde tot de anderen. Gelijk ook in
37
HARTELIJKHEID.
het practisch leven blijkt, dat iemand die zijne eigene familie, in natuurlijken zin,\'t best liefheeft, daardoor ook aan de overigen niet minder maar meer liefde leert betoenen.
En nu zegt Paulus, dat aan die broederlijke liefde in de Gemeente toch vooral en vooral de hartelijkheid niet ontbreken mag. «Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde!quot; De bedoeling is niet: te eischen, dat wij elkander hartelijk liefhebben, en daarna zorgen dat die liefde nu ook eene broederlijke liefde worde. De begrippen «broederlijkheidquot; en «hartelijkheidquot; zijn hier nauw aan elkander verbonden. De geloovigen moeten elkander liefhebben, zooals echte broeders elkander liefhebben. Het in de oorspronkelijke taal door den Apostel gebruikt woord doet denken aan de affectie, aan de natuurlijke genegenheid, waarmede ouders en kinderen, zonen en dochteren van hetzelfde gezin zich, wanneer namelijk de verhoudingen normaal zijn, aan elkander gehecht gevoelen. De Engelsche vertaling heeft: «tenderly affectionated one to another.quot; En zoo wordt ons hier dus herinnerd, dat de geloovigen elkander niet slechts beboeren lief te hebben, maar, zal \'tgoed zijn, als leden van één gezin, zich met teederheid en met warmte en met innigheid aan elkander verbonden moeten gevoelen.
Volgt hieruit, dat wij alle geloovigen even hartelijk dienen te beminnen ? Natuurlijk niet. Van de beroemde broeders Grimm wordt verhaald, .dat zij, ondanks tamelijk groot verschil in karakter, op merkwaardige
38
HARTELIJKHEID.
39
wijze samenstemden; hun werk was een gemeenschappelijk werk; de één gevoelde wat de ander gevoelde; wat Jakob dacht, dacht Willem ook, en wat Willem deed, deed Jakob eveneens. Zoo bestond er ook eene bijzondere samenstemming tusschen den edelen Adolphe Monod en zijn\' broeder Willem, in den familiekring gewoonlijk Billy genoemd; men kon hen nauwelijks van elkander onderscheiden; en in hunne studiejaren werden zij zóó onafscheidelijk geacht, dat men wel eens schertsenderwijze op liet adres van aan hen beiden gerichte brieven schreef: «Monsieur 15. A. Monodquot;. Verhoudingen nu van zoo diepe en teedere intimiteit zuilen wel altijd tot do uitzonderingen blijven behooren. Het is geen misdaad zich tot den eenen geloovige sterker dan tot den anderen geloovige aangetrokken te gevoelen, evenmin als het een misdaad is, wanneer in een en hetzelfde gezin, door overeenstemming van leeftijd of karakter of wat dan ook, twee broeders of zusters zich nauwer aan elkander dan aan de overigen hechten, mits ook in de verhouding tot die anderen de liefde en de warmte der liefde niet ontbreekt. Allen die Christus toebe-iiooren, zijn leden van hetzelfde lichaam. Maar niet alle leden van hetzelfde lichaam zijn even nauw aan elkander verbonden. De betrekking waarin het eene lid van uw\' vinger tot het andere lid van den vinger staat, is immers veel inniger dan de betrekking, die meer van elkander verwijderde leden, b. v. hand en voet, op elkander hebben. Zoo behoeft de hartelijkheid jegens alle geioovigen niet even groot te zijn. Maar
HARTELIJKHEID.
tegenover geen enkele van hen, met wie wij in aanraking komen, mag zij ontbreken. Wanneer wij elkander liefhebben, in het geloof, geestelijk liefhebben, dan wil dat zeggen dat wij elkander in beginsel liefhebben, zooals Clod ons liefheeft, en zooals God wil geliefd worden. En dan wordt die verhouding immers van zelf geheel iets anders dan eene koele formeele toegenegenheid, zonder gloed en leven. De broederzin moet gekweekt worden. Er moet teederheid en innigheid merkbaar zijn in de wijze, waarop men met elkander omgaat. In een woord: het is noodig, dat men het broederhart voele kloppen.
«Niet één gedachtengang in \'t hoofd, één polsslag toch in \'t hart.quot; Zoo heeft de edele dichter Gerok gezongen aangaande de onderlinge gemeenschap der geloovigen. Maar niemand zal ontkennen, dat er aan die broederlijke eenheid tegenwoordig heel wat ontbreekt. Daar is zoo iets kils, zoo iets officieels, inde verhoudingen. Het gemeenteleven doet veel meer denken aan eene vergadering, waar men elkander plechtstatig met den broedernaam toespreekt, en het misschien na lang tobben en discussieeren ook wel over allerlei dingen met elkander eens wordt, en dan samen de handen vouwt, na alloop waarvan men zic\'a huiswaarts begeeft, dankbaar dat het gelukkig weer uit is .... â het gemeenteleven schijnt veel meer van zoo\'n vergadering te hebben, dan van het samenzijn in een\' familiekring, waarin alles van zelf gaat, waarin men zich vrij gevoelt en zich zelf is, ongedwongen en bescheiden tevens, het geheel met een\' glans van
40
HARTELIJKHEID.
41
stille poëzie bestraald, en zoo weldadig aandoende dat degenen die er van genieten, nergens liever wen-schen te zijn dan «onder onsquot;. De toren van Babel blijft nog altijd spoken, vooral nn de menschen niet meer aan spoken gelooven. De naam «broederquot; wordt nog al eens, op het voorbeeld van den oudsten zoon in de gelijkenis, opgevat als aanduiding van de bevoorrechten, die tot een bepaald clubje of tot een bepaald kerkje behooren, als een wapen om daarmede de heidenen en de ketters, de tollenaren en de zondaren van zich af te houden. En al maakt onze liefde het dan misschien niet zoo erg als die, waarvan de Genestet zingt, dat zij gaarne dient, maar als het moet ook gaarne klappen en vegen toedient; al. stemmen wij gaarne toe, dat de rechte broederlijkheid waarlijk niet bestaat in het geven van vele handdrukken, in het spreken van zoete woorden, in het vleien van elkanders zonden, in het buigen voor elkanders gebreken (de liefde die de waarheid niet durft zeggen en de waarheid niet durft doen, is de liefde niet).... ik vermoed, dat er toch ook onder ons wel zijn, die van hartelijkheid niet veel last hebben, evenmin van hartelijkheid door hen aan anderen betoond, als van hartelijkheid hun door anderen bewezen. Er zijn zooveel woorden â lieve woorden, zooveel daden â vriendelijke daden, waarin men toch geen hart kan voelen kloppen. Waar is de gemeenzaamheid, de echte, die niet gemaakt maar geboren wordt, geboren uit het besef, dat men elkander ten volle vertrouwt? Waar is de hulpvaardigheid, waaraan men kan zien dat een broeder niet
HARTELIJKHEID.
maar slechts, zooals het woord «hroederquot; te kennen geeft, iemand is die «helptquot;, maar iemand wien het eene zaligheid is te helpen? Waar is de gemakkelijkheid in den omgang, zooals die bestaat tussehen kinderen van hetzelfde huis, broeders en zusters, die tegenover elkander niet op hun tellen behoeven te passen, omdat zij gedragen worden door de gemeenschappelijke overtuiging, dat zij het zoo goed, zoo innig goed met elkander meenen ? Waar is de vrees voor de verzoeking om door ons egoïsme den mede-geloovige tot een\' slaaf van onze opvattingen en van onze inzichten te maken? Waar is de blijdschap over den genadestaat, over den geestelijken wasdom dei-anderen, welke blijdschap toch eigenlijk het wezen der Christelijke broederliefde uitmaakt ? Waar is de kunst, de kunst der liefde, om door kleinigheden, door een\' vriendelijken blik, door het bewijzen van eene op zich zelf onbeduidende attentie, het hart der broeders en zusters te verhelderen, in liun binnenste den stroom van het geloofsleven vroolijk te doen klaatren, en zoo eigen geluk te verhoogen?
«Ut ameris, ama!quot; bemin, om bemind te worden. Zoo sprak een schrij ver der oudheid. En hiermede is eigenlijk op dit punt alles gezegd. Wanneer gij van uwe geloofsgenooten zoo weinig hartelijkheid ondervindt, zie toe dat gij er niet over klaagt. Zorg dat gij u zeiven over dat gemis aanklaagt, n zelf allereerst. Om harten te vinden, moeten wij beginnen met ons eigen hart te geven. Menschenharten zijn niet te koop voor goud of zilver of schoone woorden.
42
HARTELIJKHEID.
43
voor redeneering of gebed, gij moet ze met uw eigen hart willen betalen. Dat leert ons het Kruis, het kruis van Hem, die zijn eigen bloed, d. i. zijn eigen leven, zijn eigen hart gegeven heeft als een rantsoen om ons vrij te koopen van den vloek der zelfzucht, welke is de vloek des verderfs, en ons zoo ver te brengen, dat wij weer waarlijk konden liefhebben d. w. z. konden zalig worden. Heb zelf waarachtig lief, en gij zult ondervinden zeer zeker, dat uwe liefde miskend en verstooten, maar toch ook dat zij beantwoord wordt. Heb den moed om zelf hartelijk te zijn en gij zult bemerken, dat zielen, die zich tot nu toe voor u gesloten bielden, als van zelf voor u opengaan, gelijk de bloemknoppen in de Meimaand zich openen voor den gloed der koesterende lentezon. Beproef u zelf te geven, en gij zult eens zien hoeveel de anderen voor u over hebben, anderen, die ook bij de gebrekkigste ontwikkeling en onder de ongunstigste omstandigheden, voor u oneindig veel kunnen zijn â door de liefde. Zelf hartelijk liefhebben, om hartelijk bemind te worden! En om waarlijk te kunnen liefhebben: Gods liefde, buiten welke geen liefde is, door het geloof in ons opnemen, haren gloed genieten, ons gemoed van haar laten doorgloeien, onzen ganschen inwendigen mensch door haar laten overmeesteren! Hierop komt het aan. Zoo wordt ons leven als een frissche stroom der liefde, uit de bron der eeuwige Liefde ontsprongen, des zomers koel en des winters niet tot ijs bevroren, maar ieder oogenblik den vermoeiden pelgrim gelegenheid biedend om er een\'
HARTELIJKHEID.
44
dronk uit te scheppen, die versterkt en verkwikt. Zoo wordt onze persoonlijkheid, althans in zekere mate, de dankbare uitdrukking van des 1 [oogepriesters bede, door Melanchton op zijn sterfbed telkens met bevende lippen herhaald: «opdat zij allen één zijn, gelijk gij Vader in inij, en ik in U!quot;
Elkander voorgaan in eerbetoon.
Rom. 12 : lOb.
oli Deo Gloria! Gode alleen de eer! Maar ^hieruit volgt niet, dat wij onze medemen-sclien moeten verachten, en geene hulde mogen bieden aan wie hulde verdient. Evenmin als wij God meer kunnen liefhebben, door onzen naaste minder lief te hebben, evenmin kunnen wij Gode de eer geven, door ze te onthouden aan den mensch, wien ze van Zijnentwege toekomt. Integendeel! Een zeer integreerend deel van de verheerlijking van Gods Naam bestaat juist hierin, dat wij bereid zijn ook aan men-schelijke voortreffelijkheid den tol onzer ongehuichelde bewondering te betalen, en zoo in mensche-lijke grootheid Zijne grootheid te eerbiedigen, iets waarbij dan natuurlijk van mensch-vergoding geene
40 ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
sprake meer kan zijn. En vandaar dat een ijveren voor de eere Gods, dat de eerbied voor menschen en de erkenning van hunne verdiensten buitensluit, zich terstond onder de verdenking plaatst van bijoogmerken, die het licht niet mogen zien. Wie kleingeestig den roem beknibbelt, waarop anderen recht hebben, maakt zich schuldig aan eerroof jegens den Allerhoogste, onder welke vrome vormen dit misdrijf dan ook verscholen zij.
Hoort de Schrift! Hij, die eert degenen, die den Heer vreezen, hij zal in Uwe tent verkeeren, hij zal wonen up den berg Uwer heiligheid. Eert de weduwen, die waarlijk weduwen zijn. Eert uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga in het land, dat de Heer uw God u geven zal. Geeft een iegelijk, wat gij schuldig zijt, schatting wien gij schatting, tol wien gij tol, vrees wien gij vrees, eer wien gij eer schuldig zijt.
Bepaaldelijk in het leven van de Gemeente dient ⢠lit beginsel tut zijn recht te komen. Paulus wijst er met nadruk op, o. a. in den tekst, boven dit upstel geplaatst. «Met eer den een den ander voorgaandequot;, zoo lezen we in onze gewone vertaling. En deze woorden bevatten klaarblijkelijk eene opwekking om elkander in \'t algemeen een goed voorbeeld te geven, en dat te doen op eene wijze die bewondering verdient, iets dat trouwens bijna van zelf spreekt, want wat niet eervol is, kan toch uuk moeielijk als iets voorbeeldigs worden aangemerkt. De Apostel heeft het uog op iets anders. Hij denkt niet aan de eer.
ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
die wij ons /.elf moeten waardig trachten te maken, maar aan de eer, die wij anderen hebben te bewijzen. Duidelijkheidshalve spreken wij hier dus liever van eerbetoon. En nu wordt er op aangedrongen, dat wij elkander in dit opzicht een goed voorbeeld geven. De eene geloovige moet den anderen geloovige liierin tot een\' leidsman, tot een\' voorganger zijn, die hem onwillekeurig tot navolging prikkelt.
Hier is dus sprake bepaaldelijk van den eerbied dien de geloovige, als geloovige, den anderen geloovige, als geloovige, schuldig is. Ongetwijfeld heeft ieder mensch aanspraak op onze achting, eenvoudig omdat hij mensch is. De uitdrukking : menschverach-ting is, evenmin als die andere: mensch vergoding, in liet woordenboek der Gemeente te vinden. Zoolang wij in den mensch een persoon zien, zoolang wij hem erkennen als een naar Gods beeld geschapen en dus tot heerlijkheid bestemd wezen, zoolang mogen wij hem onze achting niet onthouden. En ook de diepst gevallene maakt hierop geene uitzondering. Den naaste te verachten is volstrekt ongeoorloofd, onder welke omstandigheden ook. «Zelfs,quot; zoo heeft men terecht gezegd, »zelfs als hij had opgehouden mensch te zijn, en een duivel geworden was, zou hij toch nog nooit billijkerwijze een voorwerp van onze verachting zijn, die uit den aard der zaak koud is en uit liefdeloosheid voorkomt, maar slechts voorwerp van onzen afschuw. Zoover komt het echter met niemand in dit leven. Ook in den allerslechtste is de hem aangeboren menscbenwaarde
47
48 ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
nog niet geheel nitgedelgd, en met dit restant is tevens de mogelijkheid van bekeering overgebleven.quot;
))Ec\'i t een iegelijk,quot; of «eert allen,quot; zoo heeft ook de Apostel Petrus uitdrukkelijk bevolen (i Petr. 2 :16). En hij wil hiermede niet slechts zeggen, dat wij iedereen fatsoenlijk en beleefd moeten behandelen, dit kan slechts een kwestie van vorm wezen; maar dat wij de zedelijke waarde erkennen, die iedereen zonder uitzondering heeft, iets wat vooral voor de eerste Christenen zooveel beteekenis had, omdat het besef van zelf zoo bijzonder bevoorrecht te zijn, licht bij hen een gevoel van geringschatting tegenover anderen zou kunnen wekken. Op dezen algemeenen grondslag rust immers ook het verbod van doodslag en het ongeoorloofde der slavernij; ook den allermisda-digsten mensch moogt ge niet als iets onwaardigs uit den weg ruimen of misbruiken, aangezien hij toch altijd mensch blijft en als zoodanig, ik zeg niet uwe hoogachting, maar toch wel uwe achting verdient. Novalis heeft de dichterlijke gedachte uitgesproken, dat wij den hemel aanraken als wij de hand opeen menschelijk lichaam leggen. Dat klinkt overdreven. Hoe zelden hebben wij het gevoel, in iemand, met wien wij eenige oogenblikken samen waren, den hemel te hebben aangeraakt! En wat ons zelf betreft .... Zou wel ooit iemand van de aanraking met ons dien hemelschen indruk gekregen hebben? Maar gevoel is geen geloof. En zonder geloof aan de waarde van den mensch is het Christelijk geloof onbestaanbaar.
Voor het onderling gemeenschapsleven der geloo-
ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON. 40
vigen staat de zaak intusschen geheel anders. Wij hebben elkander niet slechts als men schei i, maar zeer bepaald als geioovige menschen te eerbiedigen. En een geloovig rnensch staat zoo hoog, zoo onbeschrijfelijk hoog, ofschoon hij ook hierdoor toont een geioovige te zijn dat hij zich onbeschrijfelijk klein voelt. Hij is in Christus. Christus is in hem. En, gelijk de Heer in den dag des oordeels zeggen zal tot de zijnen: «voor zoo veel gij dit een van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan,quot; waaruit blijkt dat zij, die de broederen liefhebben, eigenlijk hunne liefde schenken aan Christus die in hen woont, zoo hebben wij Christus te eerbiedigen in hen.
Aangrijpend denkbeeld! Welk een heilig gevoel van eerbied zou uw wezen doortintelen, als Jezus eens persoonlijk tot u kwam ! Welnu, Hij komt tot ii in ieder, die Hem toebehoort. En tegenover zulk een\' mensch moet er dus iets van dienzelfden stillen ge wij den eerbied in uw harte wezen. Uitwendige onderscheidingen komen hier natuurlijk volstrekt niet meer in aanmerking. Als gij voor een\'rijken broeder, omdat hij rijk is, eenige graden meer respect hebt dan voor een\' armen broeder, omdat hij arm is, dan hebt gij nog niet recht begrepen wat het is den Christen in Christus, en Christus in den Christen te eeren, en dus geen anderen maatstaf te willen aanleggen dan dezen, dat iemand des te meer aanspraak op uw\' eerbied kan laten gelden, naarmate hij meer van Christus openbaart en op Christus gelijkt. In
ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
de eenvoudige dienstmaagd, die Hem toebehoort, hebt gij, ondanks haar gebrek aan beschaving, de vrouw te eeren, die als geloovige voor God en dus in werkelijkheid hooger staat, dan alle adellijke en niet-adellijke dames samen, die in wereldsche kringen schitteren, maar buiten het geloof leven. In den kruier, die Christus oprechte!ijk dient, hebben wij een koningskind, een\' erfgenaam der eeuwige heerlijkheid te begroeten, ondanks den versleten kiel, waarin liij hier voorloopig nog op den doornakker dezer wereld rondwandelt. En als gij bij die dienstbode over dat gebrek aan beschaving, en bij dien kruier over dat schamele kleed niet goed kunt heenkomen .... ach, is dat dan geen teeken hiervan, dat gij de heerlijkheid van het teeken der linnen doeken in de kribbe van Bethlehem, de heerlijkheid van dat teeken der heerlijkheid, nog niet hebt gezien?
En dat gevoel van eerbied jegens den geloovige, als geloovige, dient zich te openharen ook. Het is niet genoeg hem in onmerkbare stilte te eerbiedigen. Ook de betooning der eer mag niet gemist worden. Enkel in den vorm ? Zeker niet. De fratsen van ijdele étiquette laten we aan do wereld over. Achter het klatergoud van allerlei hoofsche manieren en vleiende beleefdheidstermen kan o zoo veel heimelijke minachting en liefdeloosheid verscholen zijn. Maar de vorm beeft toch ook in dit opzicht eene groote betee-kenis. Voor den eenvoudigen broeder, dien gij een bezoek gaat brengen in zijn sober vertrekje met steenen vloer, behoeft gij geen buiging van zoo-
50
54
en zooveel graden te maken, alsof gij bij eene Excellentie uwe opwachting kwaamt maken; zoo doende zoudt gij juist toonen, het begrip van rechte broederlijkheid niet te hebben. Maar denkt gij, dat de eenvoudige man het niet merken zal wanneer gij, in onedele nonchalance, naar zijne opvatting in beleefdheid te kort schiet, en u in zijne tegenwoordigheid onmanierlijkheden veroorlooft, waarvoor gij u in deftiger gezelschap schamen zoudt ? Zal het goed wezen, dan moet aan den toon onzer stem, aan de wijze van onzen omgang, aan de gansche houding, die wij tegenover elkander aannemen, te bespeuren zijn, flat in ons binnenste de eerbied niet ontbreekt. En, evenals men het doorgaans aan kleinigheden \'thest zien kan, of iemand wezenlijk beschaafd is, ja dan neen, zoo wordt die eerbied meestal ook in kleinigheden openbaar. Vandaar dat Bengel, hij dezen tekst uit den brief aan de Romeinen, terecht de uitspraak van de Talmudisten aanhaalt: «hij die weet, dat zijn naaste gewoon is hem te groeten, moet zorgen, dat hij dien naaste het eerst zijne groete brengt.quot;
Sommigen vatten het woord van Paulus, dat ons thans bezig houdt, eenigszins anders op. Zij nemen «voorgaanquot; in den zin van : laten voorgaan. En zoo krijgt men lt;\\e gedachte: «wat het eeren betreft, ieder late den ander voorgaan in alle omstandigheden!quot; Jk geloof niet, dat deze verklaring de juiste is. Maar dat ons hiermede een recht practisch middel aan de hand gedaan wordt, om elkander waarlijk te eeren, zal wel niemand tegenspreken. Wi j moeten ons oefenen
ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
52
in liet den ander uitnemender achten dan ons zelf, niet in het doen alsof wij hem voor uitnemender hielden, maar in het uitnemender achten zelf. Ondanks alle gebreken, die wij misschien in den medegeloo-vige opmerken, moet het altijd en onvoorwaardelijk bij ons vaststaan, dat hij in elk geval beter is dan wij zelf, en dat het verkeerde, dat wij van hem weten, toch nog inderdaad geen honderdste part is van de verkeerdheid, waaraan wij zelf schuldig staan. Zoo komen w ij zelf op den achtergrond. Wij behoeven ons dan niet telkens opzettelijk op den achtergrond te plaatsen, evenals een beschaafde in beschaafden kring zich niet telkens opzettelijk behoeft te herinneren, dat hij toch zorgen moet dien en dien eisch der wellevendheid in acht te nemen, maai\' zijne gansche houding zich van zelf door die weilevendheid kenmerkt. Die wellevendheid is een stuk van zijn wezen geworden. Zoo ook hier. Wordt het ons eene vanzelfsheid den ander uitnemender te achten dan ons zei ven, dan wordt het ons natuur â gelijk immers alle wezenlijk ontvangene genade natuurlijk wordt â op den achtergrond te blijven. En zoo komt dan de ander ook even natuurlijk en even gemakkelijk op den voorgrond. Door onz\' eigene gebreken goed in\'toog te bonden, wordt onze aandacht van de gebreken der anderen afgetrokken, en zoo w eerstand geboden aan de verzoeking, om die anderen naar bun gebreken, en niet naar Christus in hen, te beoordeelen. Door voortdurend op het goede bij den broeder te letten, worden w ij bewogen ons veeleer
ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
voor eigen deugden te schamen, dan er ons op te verhoovaardigen, en behoed tegen het gevaar van in stilte vergelijkingen te rnaken, die ten onzen gunste uitvallen. En door aan het zoeken van eigen eer volstrekt geen tijd te besteden, hebben wij immers juist te beter gelegenheid om te helpen zorgen, dat aan des naasten verdienste recht wedervare, dat aan de beteekenis van zijne daden en woorden niet worde te kort gedaan, dat hij, neen dat Christus in hem de eere krijgt, welke Hem toekomt.
We letten te veel op ons zelf. We hechten te veel aan het antwoord op de vraag, of\' men ons wel opmerkt en een\' goeden indruk van ons krijgt. We laten ons te kwader ure meesleepen door den concurrentie-geest, die ons wijs maakt, dat het toch zoo\'n groote misdaad niet is, ons zelf ten koste van anderen in het zonnetje te plaatsen. We weten niet half hoeveel pijn wij het broederhart kunnen veroorzaken, door eene opmerking te maken, die van gebrek aan waardeering getuigt, of door, naar de gewoonte van de Itooze kritiek dezer dagen, het gebrekkige van wat hij deed naar voren te brengen, en dus meteen den goeden kant daarvan in de schaduw te stellen. Hoeveel edels is er misschien verstikt in de zielen van hen, met w ie wij omgaan, omdat wij geen oog hadden voor de betere motieven, waardoor zij zich wilden laten leiden, en geen woord van aanmoediging voor de zwakke pogingen, die zij deden om het rechte pad te bewandelen! In hoe menig kinderhart is het gevoel van eerbied voor de majesteit der ouders afgestompt,
53
ELKANDER VOORGAAN IN EERBETOON.
eenvoudig omdat die ouders de majesteit, die hun kind vertegenwoordigt, niet wisten te eerbiedigen! Hoe slecht is de toon van menige dienstbode tegenover den meerdere juist hierdoor geworden, dat deze verzuimd heeft tegenover dien mindere den rechten toon aan te slaan! Anderen in waarheid te eerbiedigen, is een van de beste middelen om zelf geeer-biedigd te worden.
O, als het er ons eens werkelijk om te doen ware niet slechts in theorie, maar in werkelijkheid de minste te zijn; als wij eens goed begrepen, dat ook de flauwste weigerachtigheid om het uitnemende van den broeder ten volle uitnemend te achten, of de geringste poging om hem te verkleinen, op eene mishandeling van dien broeder, en dus op eene mishandeling van Christus zei ven neerkomt; als wij er eens heilige studie van maakten om, aan de eene zijde, elkander nooit door lalfe vleierij te schaden en, aan den anderen kant, elkander altijd door oprechte hoogachting te bemoedigen en te steunen, voorwaar! aan de Gemeente zou het blijken, dat niet het gediend worden maar het dienen, niet het geëerd worden maar het eeren, tee-ken is van waarachtigen adeldom, en dat men door te dienen en te eeren steeds meer van adel wordt. En die Gemeente zou dan tevens de wereld nog eens weer eerbied kunnen afdwingen, de wereld die nu, haar aanziende, \'t lachen niet goed laten kan.
54
In ijver onverdroten.
Rom, 12 : 11a.
uiul(is vermaant: «zijt niet traag in \'t be-â ^ naarstigen,quot; Meu zun knnnen vragen, of deze twee dingen elkander niet reeds van zelf uit-sluiten. Traagheid en naarstigheid tucli zijn begrippen, die zich model ijk laten vereenigen. Niemand zal op het denkbeeld komen den mensch, die zich traag betoont, den lof\'van naarstigheid te verleenen. En omgekeerd gaat het niet aan, dengene, die de deugd der naarstigheid beoefent, van zijne traagheid een verwijt te maken. Luther vertaalt eenvoudig: «wees niet traag in wat gij te doen hebt.quot; Zoo zou de uitspraak slechts eene algemeene waarschuwing tegen luiheid en lusteloosheid bevatten. Maar dan was het voldoende te zeggen : «benaarstigt uquot; ! Wie zal
56 IN IJVER ONVERDROTEN.
zich nu op deze wijze uitdrukken: «zorgt toch vooral, dat gij in liet ijveren ijverig zijtquot; ?
Als ik mij niet bedrieg, wil de Apostel hier op een\' bepaalden kant van dat ijverig zijn de aandacht gevestigd hebben. Hij gaat van de onderstelling uit, dat de lezers van zijn\' brief te Rome zich inderdaad benaarstigen, d. w. z. alle belangen van het Christelijk leven met ernst behartigen; zij vatten hunne levenstaak niet op :ils een luchtig spel, als eene onbeduidende liefhebberij, als iets, dat ook wel van zelf in orde komt, wanneer men verzuimt zich er met de borst op toe te leggen;neen, met ilinke, kloeke energie wijden zij zich daaraan toe, krachtens het geloof, dat zij deelachtig werden. Tot dit benaarstigen op zich zelf behoeven zij dus niet opgewekt te worden. Maar wat is nu het gevaar ? Dit, dat die veerkracht op den duur onder allerlei tegenwerkende invloeden verlamd raakt; dat de ijvergloed, die aanvankelijk liet hart in vlam zette, langzamerhand verflauwt; dat de lust, die eerst het hart zulke koninklijke sprongen liet maken, als het snuivend strijdros, dat zich de sporen van den moedigen ridder in de lenden voelt drukken, dat die lust zachtjes aan verdooft, en straks, zonder dat men van dien overgang bepaald veel merkt, voor lusteloosheid gaat plaats maken. En wat blijft er dan over? IJver? Maar in alle geval toch slechts een ijveren pro forma; een ijveren voor de leus; eene ofücieele bedrijvigheid, die door de traagheid innerlijk in bezit genomen is; kortom, een ijver waaraan de ijver ontbreekt. En, naar het mij ten minste voor-
IN IJVER ONVERDROTEN.
komt, is het er den Apostel om te doen, met het uog op dit gevaar, waarschuwend den vinger op te hellen.
Is zulk eene waarschuwing overbodig? Ach, hoe menigeen in de Gemeente, die bij zijn eerste optreden groote verwachtingen wekte, en die nu nutteloos zijne plaats beslaat! Hoe menigeen, die heel hard van stal liep, gelijk men zegt, zóó hard dat anderen met een soort van eerbiedige verschrikking voor hem uitweken, en die nu al sedert wie weet boe lang van een hardlooper in een soort van lantaarnpaal veranderd is, maar een lantaarnpaal zonder vlam, een ongelukkige sta in den weg, niets meer!
Denkt eens aan dien prediker, wiens portret gij u zeker wel herinneren kunt hier of daar eens gezien te hebben, \'t Is nu al een kleine twintig jaar geleden, dat hij zijn ambt aanvaardde. En dat begin was o zoo schoon, o zoo wonderscboon. I leel zijn persoon was van heilig, van hemelsch idealisme doorgloeid, toen hij daar in zijne eerste Gemeente in dat kleine vriendelijke, kerkje onder den kansel stond, en ik verzeker u dat hij het meende, zoo goed als een zwak mensch het maar meenen kan, toen hij met bevende lippen die belofte uitsprak: »ja, ik van ganscher hartequot;! Er was iets in hem van dien grooten goddelijken onwil, die een August in us deed verklaren, dat hij zonder zijne Gemeente niet verlangde zalig te worden. Hij kon om die Gemeente in de studeerkamer van zijne pastorie soms schreien als een kind. Er lag aanvankelijk een verheerlijkende gloed van innigheid over al wat hij deed. En gelijk de kloeke zwemmer in de schuimende
57
IN IJVER ONVERDROTEN.
golven, wierp hij zich met stalenden wellust in de volle drukte van zijn ambtsleven, voor zijn gevoel naar alle kanten even rijk en even schoon.
Later werd het anders. Het werk leverde zooveel inoeielijkheden op. De Gemeente toonde zoo weinig belangstelling en medewerking. De aanmoediging bleef uit. \'t Wantrouwen stak den kop op. En nu, ach, van het vuur dat eerst zoo veelbelovend hoog opvlamde, zijn op zijn best nog een paar glimmende vonken overgebleven. De held is in een soort van werktuig veranderd. De man preekt nog wel, maar hij levert doorgaans preeken zonder een hart er in, en de kunst om het op zijn gemak te doen 1 leeft hij tamelijk goed geleerd. En hij catechiseert trouw zooveel uur in de week, maar dat hij om \'t behoud van zijne catechisanten met God in de eenzaamheid worstelt, is toch heuscli eene zeldzaamheid geworden. En hij staat bij \'tbed van zijne kranken en bidt, maar een noodkreet, een noodkreet van \'t eigen hart is dat gebed niet meer. Hij klaagt er wel over, dat de meesten zijner gemeenteleden zuu vreeselijk onverschillig worden, maar zie wat hij vroeger niet kon, dat kan hij nu wel, die onverschilligheid ook van zijn\'kant tamelijk onverschillig aanzien; hij behoeft er niet meer bij te weenen; en van dat paulinisch verlangen om desnoods, als \'t kon, hunne zaligheid met zijne zaligheid te koo-pen, daarvan heeft hij gelukkig volstrekt geen last meer in de laatste jaren. De traagheid heeft het van de naarstigheid, de dood heeft het van \'t leven gewonnen.
Ik kan hier slechts een\' enkelen greep doen. Doch
58
IN IJVER ONVERDUOTEN.
ieder van mijne lezers kan de voorbeelden maar al te gemakkelijk vermenigvuldigen.
Hoe veel ouderlingen en diakenen hebben precies denzelfden weg bewandeld! eerst hielden ze hunne roeping hoog, maar de roeping zakte langzamerhand, en zij zakte helaas! niet alleen voor hun gevoel, ook voor hun geweten, en zij zakte zóólang, totdat ze een «baantjequot; werd, eene aanfluiting van het heilige.
Hoe menige vereeniging wordt er opgericht met «storm en drangquot;! zij moet in een dringende behoefte voorzien; fluks een aantal leden en contributies saam-gebracht; men is er warm voor; de warmte stijgt tot gloeihitte; maar kom na een poos eens terug .... de gemoederen zijn zóó afgekoeld, dat ze de heele zaak op de zorg van een paar bestuurders laten drijven; \'tis al heel mooi wanneer die menschen nog hunne jaarlijksche bijdrage niet terughouden, en de zaak nog een weinig marcheert, al is \'t dan met een\' raarsch, die eer aan een slakkengang, dan aan den stormpas doet denken.
Hoe menig goed werk wordt vandaag aangevat, flink aangevat ook, en morgen losgelaten, eerst met het. hart en dan met de hand!
Hoe menigeen zien we op een of ander prachtig opgetooid stokpaardje voorthollen, zóó heldhaftig alsof de brave ruiter van plan is binnen een paar minuten de heele wereld te veroveren, terwijl kort daarna datzelfde stokpaardje achteloos wordt weggeworpen!
Hoe licht kan het gebeuren, dat wij, die in den eersten bloei van ons geloofsleven aan geene enkele
59
00 IN IJVER ONVERDROTEN.
verkeerdheid pardon wilden verleenen, later eene veel minder absolute houding tegen het kwade gaan aannemen, zoodat er allerlei door kan, wat er niet door mag !
En dat de traagheid het zoo telkens van de naarstigheid wint. Iaat zich toch ook gemakkelijk genoeg verklaren. Het is inderdaad nog iets anders de banier des Christelijken levens in een gegeven oogenblik in de hoogte te heffen, dan ze voortdurend in de hoogte te houden. De taak, niet oprechte toewijding aanvaard, verliest spoedig den vonkelenden glans van nieuwheid, waardoor zij ons eerst zoo machtig wist te hekoren. Het proza, dat we in onze verrukking niet zoo dadelijk hadden ontdekt, komt telkens meer op den voorgrond. Er blijkt zooveel meer inspanning noodig te zijn, dan we ons hadden voorgesteld, liet werk krijgt voor ons gevoel iets eentonigs. Soms zelfs iets vervelends. Ons zenuwgestel wordt misschien op eene zware proef gesteld, en verliest veel van het weerstandsvermogen, waarover wij, bij het intreden in de loopbaan, hadden te beschikken. Demenschen, van wie we vroeger nog wel eens eene aanmoediging ontvingen, laten ons alleen voortzwoegen, of leggen ons allerlei struikelblokken in den weg. De vruchten blijven uit. En o onder zulke omstandigheden is het toch wel schier bo venmenschel ijk nooit moe en moedeloos de handen in den schoot te leggen, niet slechte tot het einde toe te volharden, maar dat te doen met ongebroken kracht en met onverdoofde geestdrift.
Laat ons het in elk geval beproeven! De verzoe-
IN IJVER ONVERDROTEN.
kinfi\' tot traagheid, tot heimelijke en innerlijke traagheid vooral, is wel zeer sterk, maar niet zóó sterk als de Helper, dien wij aan onze zijde hebben. Er is zooveel te doen. Eu als liet ooit tijd is geweest om met alle macht te doen wat de hand vindt om te doen, dan is het nu, nu de Gemeente zulk een ontzaglijke krisis heeft door te maken, de Gemeente en de wereld ook.
In de voorstelling, door Rembrandt van de tempelreiniging gegeven, is de lichtkrans, die gewoonlijk liet hoofd van Jezus omgloort, in de forsch naar voren gestrekte hand van den Heiland gevaren. Zoo behoort in dezen tijd de glorie van de Gemeente openbaar te worden in haai\' daden, in de rustige bezieling, in het goddelijk élan, waarmede zij die daden verricht, daden der liefde en daarom daden van kracht.
Trage arbeiders zijn in den wijngaard des Heeren niet te gebruiken. Trage arbeiders kunnen daar zelfs in \'t geheel niet als arbeiders worden aangemerkt. De oogst is zoo groot. De arbeiders zijn zoo weinige. En\'t leven is zoo kort. Wanneer wij er eens afrekenen al den tijd, dien we verslapen, en al den tijd, dien wij verbeuzelen, hoe weinig tijd rest ons dan voor het volbrengen van de hemelsche roeping, waartoe wij geroepen zijn, veel te weinig voorwaar! om ons gedurende die korte spanne tijds anders dan met volle spanning en met volle inspanning aan onze levenstaak te wijden.
Spanning, inspanning â geen overspanning! Niet te veel stoom, nooit te veel stoom, dat strekt vroeg
01
IN IJVER ONVERDROTEN.
of laat toch maar tot schade. Maar wel «voortdurendquot; gedreven door den Heiligen Geest, die alle traagheid veroordeelt en ons nooit veroorlooft te komen in dien armzaligen slentergang van de doodelijke onverschilligheid, die zegt, dat het haar niet schelen kan of zij er vandaag dan morgen komt, en die meestal eindigt met er in \'t geheel niet te komen. Een verloren minuut kan de eeuwigheid ons zelfs niet teruggeven.
En van dien onverdroten ijver zullen we zelf \'t meeste profijt hebben. Trage menschen zijn altijd knorrige menschen. De lusteloosheid is eene tweelingzuster van de zwaarmoedigheid. Maar de stille en rustige naarstigheid verheldert en versterkt den inwendigen mensch, terwijl ze ons immers geen\'tijd laat, om ons in allerlei kleine verdrietelijkheden te gaan verdiepen, en te gaan tobben over bezwaren, die ophouden bezwaren te zijn, zoodra wij maar ophouden ons er bang voor te maken. En hierbij komt dan natuurlijk ook nog, dat zij ons een schild wordt tegen de zonde. Als wij in traagheid vervallen keeren wij de rollen om, en brengen wij, in plaats van dooiquot; den duivel verzocht te worden dien aartsvijand in verzoeking om ons in verzoeking te brengen. Maar de rechte ijver heiligt, en blijkt juist daardoor de echte te zijn.
Wij hebben niet zoozeer behoefte aan menschen, die ijverig zijn, als wel aan menschen die ijverig blijven. Laat ons zulke menschen willen zijn, menschen die het geheim verstaan ijverig te blijven, ondanks
62
IN IJVER ONVERDROTEN.
63
alle ontmoediging van binnen en van buiten, ondanks alle zwakheid naar lichaam en geest, ondanks al de onvruchtbaarheid, avaarmede ons werk geslagen schijnt. Dan vallen we niet in \'t oog. Maar om voor God en dus voor de Gemeente werkelijk iets te zijn, is liet ook niet alleen niet noodig in het oog te vallen, maar is het bepaald noodig niet in \'t oog te willen vallen. In den bescheiden kring waarin wij geplaatst werden, trouw in \'t kleine, richten wij toch wel iets uit, dat God gebruiken kan bij den opbouw van den grooten tempel zijner heerlijkheid. De Rabbijnen zeiden: «zorg iets goeds te doen vóór uw baar en na uw baarquot;. De bedoeling is: «zorg iets goeds te doen, waaraan men iets heeft vóór uw\' dood en na uw\' doodquot;. Dat zal met ons het geval zijn, als wij in het geloof deze Apostolische les behartigen. Wat onverdroten ijver werkt blijft tot in eeuwigheid, want die onverdroten ijver, de ijver der liefde, komt zelf uit de eeuwigheid.
Vurig van geest.
Rom. 12 : lib.
in in ijver onverdroten te zijn hebben wij niet genoeg aan prikkels, die van buiten af tot ons komen. Deze kunnen ons wel aan den gang brengen, maar niet aan den gang bonden. De bal, dien gij met kracbt van u af werpt, vliegt eerst misschien met eene veelbelovende vaart voor n uit, maaide snelheid is ras verminderd, het weerstandsvermogen ontbreekt, en eenige oogenblikken later ligt liet speelgoed hier of daar roerloos op den grond, \'t Helpt niet veel, uf ge al aan zoo\'n voorwerp even eene vreemde van buiten af aangebrachte beweegkracht leent: om zich op den duur te kunnen voortbewegen, moet liet zelf beweegkracht bezitten. En zoo kan men ook geen waarlijk ijverige Christenen vormen, een-
Vurig van geest.
Rom. 12 : lib.
m in ij ver onverdroten te zijn liebben wij niet genoeg aan prikkels, die van buiten af tot ons komen. Deze kunnen ons wel aan den gang brengen, maar niet aan den gang houden. De bal, dien gij met kracht van n af werpt, vliegt eerst misschien met eene veelbelovende vaart voor u uit, maar de snelheid is ras verminderd, het weerstandsvermogen ontbreekt, en eenige oogenblikken later ligt het speelgoed hier of daar roerloos op den grond, \'t Helpt niet veel, of ge al aan zoo\'n voorwerp even eene vreemde van buiten af aangebrachte beweegkracht leent: om zich up den dnur te kunnen voortbewegen, moet het zelf beweegkracht bezitten. En zoo kan men ook geen waarlijk ijverige Christenen vormen, een-
VURIG VAN GEEST. 05
voudig door hen eens uit den dommel hunner traagheid wakker te schudden, of door ze van tijd tot tijd eens op sleeptouw te nemen, of door hen hij gelegenheid eens voor den een\' of anderen arbeid in de Gemeente warm te maken. Op zich zelf genomen hebben deze maatregelen natuurlijk wel eenige betee-kenis. Maar tot het wekken van onverdroten ijver zijn ze toch waarlijk niet voldoende. De slapers sluimeren toch dadelijk weer in, zoodra gij ophoudt met dat onbarmhartige porren, waarover ze u boos aangrom-men, en waarmede gij u toch ook niet van \'s morgens vroeg tot \'s avonds laat kunt bezig houden. Het scheepken, dat gij met uwe sleepboot zoo knap in \'t rechte vaarwater hadt gebracht, laat ge pas weer aan zich zelf over, of \'t is den koers al weer kwijt, en \'t ligt met slappe zeilen volgens oude gewoonte weer liier of daar op eene zandbank hopeloos te tobben. En dat aanbrengen van kunstmatige warmte, nu ja, wat baat het? Kunt gij ook aan een lijk de kilheid ontnemen, door het eens een half uur te koesteren bij den knappenden haard ? Om ijverige handen te krijgen, hebben wij voor alles noodig: warme harten. Op het leven, het innerlijk leven, komt het aan. En op de warmte, die het leven overal met zich brengt. Gij behoeft iemand het leven niet te geven, en dan later :ds iets afzonderlijks ook nog de warmte van het leven. Waar het leven is, daar is de warmte ook.
Daarom laat Paulus op die aansporing om in ijver onverdroten te zijn de vermaning volgen: »weest vurig van geestquot;! De innerlijke gloed dient vooraf te
66 VURIG VAN GEEST.
gaan. En daaruit zal dan van zelf ook in den arbeid des geloofs en der liefde die schoone, die machtige bezieling komen, w aardoor alle verlammende invloeden overwonnen worden. Door dien gloed moeit het heimelijk egoïsme w orden verteerd, dat ons anders zoo licht tot traagheid in het benaarstigen verlokt. Die gloed moet ons in staat stellen om, niet al zuchtende, maar met dankbare feestelijke blijdschap de offers te brengen, w^aarop ons het onverdroten ijveren noodzakelijk te staan komt. Eerst de beweegkracht, en dan de beweging. Eerst het kokend water, en dan de stoom.
Het woord, hier door Paulus gebruikt, beteekent werkelijk: «kokenquot;. En \'tis doorhem natuurlijk bedoeld in overdrachtelijken zin. Plaats dien ketel met water lang genoeg boven de vlam. Weldra komt er werking in de vloeistof, \'t Begint daarbinnen zoo geheimzinnig te bruisen. Eerst zacht en afgebroken, nauw hoorbaar, een soort van zuchten bijna. Dan een gemoedelijk melodieus neuriën. Straks een stormachtig zingen. Met steeds feller drang en in altijd grooter getal komen de Inel itblaasjes naar boven borrelen. Later wordt dat een springen, een dartel en hartstochtelijk opspringen uit de diepte, een steigeren, een razen ... Merkt ge wel dat er nu leven llikkert in dien dooden ketel? Ziet ge wel hoe zoo meteen de damp er uit opstijgt, statig in ronde wolken kronkelend, alsofhij in majestueus kraclitsgevoel zeggen wil: als gij mij geen uitweg laat, dan zal ik mij een uitweg maken!
Welnu, zoo komt er ook werking, hoogere actie.
VURIG VAN GEKST.
in een menschenhart, wanneer liet gebracht wordt onder den invloed van den Geest Grods. \'t Is gedaan met die starre onbewegelijkheid, welke den dood kenmerkt. Er begint iets te gisten, iets goeds, iets machtigs, iets groots. Er begint iets te gloeien, een vonk van het vuur, dat uit den hemel komt. Leven â levensbeweging en levenswarmte en levensgloed.
Bilderdijk heeft zich in eene van die droefgeestige buien, waaraan het hem maar al te weinig ontbrak, eens vergeleken bij een\' rookenden turf. Het proza van de beeldspraak is voor het proza van de narigheid, die ze moest teekenen, al hijzonder gelukkig gekozen. Maar op de lijn van die min dichterlijke beeldspraak voortgaande, zou men wel eens kunnen bezwijken voor de verzoeking om vele zielen uit dezen tijd met natte turven te gaan vergelijken. Er is geene flikkering in te krijgen. De ontvlambaarheid ontbreekt, ten minste de heilige. Zelfs in menige jongelingsborst glimt ternanwernood een enkel vonks-ken van dat feu sacré, van dat heilig vuur, dat de jaren der jeugd zoo groot kan maken en zoo schoon; men heeft zich immers al zoo vreeselijk vroeg geoefend in de kunst om met eene zekere mulfe en duiï\'e onaandoenlijkheid de wereld gade te slaan; idealen.... men weet nauwelijks meer wat voor zonderlinge en uitheemsche dingen dat zijn; en onder hen, die men als de hope des vaderlands pleegt te betitelen, kunt ge menig saai gemoed aantreffen, dat eerst dan goed wakker wordt, als gij over sport en Beijersch bier en dergelijke verhevene grootheden begint te handelen.
67
VURIG VAN GEEST.
Onder de volwassene menschen is het heusch niet veel beter. De ziekteverschijnselen mogen veranderen, de ziekte is dezelfde. Onheilig vuur â dat natuurlijk wel! Het vuur van den hartstocht. Het vuur van de eerzucht. Het vuur van vleeschelijke begeerlijkheden. Altemaal verterend vuur, dat, als het lang genoeg brandt, van het menschenhart slechts wat sintels overlaat! Koortsgloed, koortsgloed, die de voorbode wordt van de kilheid des doods! Maar overigens, zelfvoldane, gemakzuchtige naturen, die de lippen tot een\' smalenden glimlach plooien, als ze een\' David zien huppelen voor de ark des Ileeren, of een\'Pau-lus met de stoutmoedigheid eener hemelsche verrukking hooren getuigen van Christus en zijn kruis. Matte zielen, tot het doen van een\'koninklijken sprong niet in staat! Rekenmeesters, die geen olTer kunnen brengen, zonder te vragen hoeveel procenten het oplevert! Helden, die dapper de waarheid durven zeggen, ais ze weten dat iedereen, of bijna iedereen het met hen eens is! Harten van kurk! Marionetten! Laodiceërs! Natte turven!
En wie durft zeggen, dat de Christenen geheel en al ontkomen aan de invloeden van het uitdoovings-systeem, zooals het tegenwoordig op groote schaal op de zielen der menschen wordt toegepast? «Koel, tot in het hart toequot;, zoo heeft Lessing eens in een bepaald geval met liet oog op zich zelf verklaard. Maar â niemand te na gesproken â wie is er, die over zulk eene koelheid in \'t geheel niet te klagen heeft ? Er is iets slaps, iets looms, in het leven der
68
VURIG VAN GEEST.
Gemeente. Een ondeugend beourdeeltiar zon wel eens op de gedachte kunnen komen te vragen, of in dat lichaam van (\'hristus, waarmede wij geloovigen nog altijd een weinig dwepen, liet bloed toch ook al niet bijzonder traag begint te stroomen; of ergeene reden is om aan bloedarmoede te gaan denken, en aan al de lusteloosheid en uitputting, die daarmee samengaat. Vele Christenen zou men kunnen vergelijken bij kachels, sierlijk glimmend, maarâ-zonder vuur. En aan de moeite, die men noodig heeft om belangstelling te wekken voor den arbeid der zending: aan de slaperigheid, waarmede sommige hoorders onder de prediking zitten; aan den onwil om, tot bereiking van iets goeds in de Gemeente, eens een stuk of wat van zijne eigene pretensien te laten varen en broederlijk de handen in een te slaan; aan het onvermogen van den kant der Gemeente om door den reinen gloed en de hemelsche helderheid van haar leven de wereld tot jaloerschheid te verwekken: aan de kilheid waarmede de broeders en zusters elkander soms kunnen behandelen, en, als de gelegenheid bet zoo meebrengt, elkander mishandelen ook .... ach! aan al die dingen is hetwel te merken, dat het de zielen in \'t algemeen aan innigheid en warmte ontbreekt.
Vuur hebben we noodig! Ook zonder kachel kan liet vuur nog wel uitnemende diensten bewijzen. Maar wat hebt ge aan een kachel zonder vuur ? Wat hebt ge aan een Christendom, waarin de levenswarmte, en dus ook het leven zelf, wordt gemist ? Wat hebt ge aan een\' godsdienst, waarin niet de gloed des Heili-
69
VURIG VAX GEEST.
gen Geestes tinteltDenkt gij dat God behagen heeft in de psalmen en lolliederen, die gij des Zondags in de kerk met de vrome schare opzingt, indien gij n daarbij innerlijk niet door een gevoel van warmen dank voelt aangegrepen Is een enkel vurig gebed niet meer waard, dan duizend andere gebeden, die maar uit wat zielloos lippen werk bestaan? Heeft de Gemeente aan één vuurziel niet meer, dan aan die heele bende van meeloopers, slaven der werktuige-lijkheid, die wel veel praats hebben, maar nooit iets van beteekenis uitvoeren ? En tegenover de wereld, wat wilt gij in den strijd tegen die wereld, zonder vuur? Zet uwe batterijen netjes in slagorde, plaats alle man op zijn\' post, laad uw kanonnen met schroot en kartetsen en wie weet wat voor gevaarlijk goed nog meer! geef het sein tot den aanval .... \'t is immers maar een ijdele vertooning, zoolang gij geen vuur hebt en dus ook geen vuur kunt geven.
Vuur hebben we noodig, heilig vuur! En hoe krijgen we dit vuur? Maken kunnen wij het niet. Kerkelijke verwarmingsfabrieken â de welwillende lezer zal mij deze uitdrukking wel willen vergeven â zullen ons zeker ook niet veel verder brengen. Door eiken dag in alle Gemeenten van ons land college te laten geven in de geestdrift, zidt gij geene enkele vonk van waarachtige en dus blijvende geestdrift kunnen wekken. En de uitwendige middelen, waarmee men soms de Gemeente tot liet aannemen van eene kloeke houding prikkelt, doen onwillekeurig denken aan de opzetteugels, waarmee gij den hangenden kop van
70
VURIG VAN GEEST.
71
uw sukkelenden klepper wel in de hoogte kunt trekken, doch waarnoor gi j het toch niet herschept in een steigerend ros, dat niet nalaten kan met uitdagende lierheid den prachtigen kop in de lucht te steken, \'t Komt hier alles aan op de invloeden van den Heiligen Geest. Wij moeten ons laten ontvlammen door het vuur, dat van Boven komt. We moeten ons stug gemoed laten verwarmen door den gloed der liefde Gods, over ons stralend in hemelsche mildheid, ons koesterend in hemelsche teederheid, ieder oogenblik. ifet geheim van de vurigheid des geestes ligt niet hierin, dat wij onze zenuwen prikkelen, en ons gevoel opwekken, en onze wilskracht spannen â dat loopt toch maar uit op eene kortstondige opwinding, die veel spektakel maakt zonder iets wezenlijk goeds uit te werken, en waarop later te grooter afmatting en uitputting volgt. Het geheim ligt eenvoudig hierin, dat wij in God zijn, gelijk het woord «enthousiasmequot; immers ook te kennen geeft: in God te zijn. Wie buiten Hem is â sterft, en hij zal evenmin aan de kilheid des doods als aan den flood zelf kunnen ontkomen. Wie in Hem is â leeft, en waar het leven komt, daar komt ook van zelf de levenskracht en de levensgloed, de innerlijke warmte en de rustige bezieling, die aan alles eene diepere beteeken is en eene hoogere wijding verleent. Als gij naar het vleesch leeft, o dan verdort uw inwendige mensch en luj teert weg, onvermijdelijk. En gij zult dat vreeselijke ver-dervingsproces met geen geweld kunnen tegenhouden. Als gij door den geest de werkingen des lichaams
72 VURIG VAN GEKST.
duodt, u (lim zult gij ondervinden dat gij, zelf in \'t bezit van een onverwelkelijk leven, niet bij de kwijnende wereld om opgewektheid en veerkracht behoeft te gaan bedelen. Alleenlijk, vergeet niet, dat vurigheid van geest en heiligheid van geest zoo ongeveer hetzelfde beteekenen. Prent u in, dat gij nooit ofte nooit aan eene slechte begeerlijkheid kunt toegeven, zonder dat daaronder de gloed van uw geloofsleven lijdt. Bedenk dat het water â adres aan de Paulinische beeldspraak van zoo even âniet slechts aan de kook moet komen, maar ook aan de kook blijven, en dat het dus voortdurend aan den invloed van liet vuur moet worden blootgesteld. Vereenzelvig dien inner]ijken gloed nooit met opbruisende hartstocht of uitgelatenheid, dingen die er niets mee gemeen hebben. Toon dat die vurigheid van geest het beste voorbehoedmiddel is tegen alle opwinding en verbijstering, de moeder der ware nuchterheid. Laat de wereld zien, dat een geestelijk leven tevens een feestelijk leven mag heeten. En verblijd u in eene eeuwige jeugd. Wie lief heeft wordt nooit oud. De vurige van geest sterft niet, hij kun niet sterven. De oude Huygens heeft het ons reeds geleerd, dat een mensch, als hij niet koud werd, ook niet sterven zou. Maar in hoo-geren zin geldt dat ook. Zorg dan, dat gij nooit koud wordt. Wie een warm hart heeft, die heeft het eeuwige leven.
Dient den tijd.
rom. 12 : 11c.
,n plaats van deze karakteristieke opwekking : ^tósï\'dient den tijd, hebben de meeste vertalingen de meer algemeene vermaning : dient den Heer. En de laatste lezing â \'t moet toegestemd â wordt dooide beste bandschriften gesteund. Andere handschriften hebben echter voor: »Kiiriooquot;, dat «Heerquot; betee-kent, »Kairoo\'quot;, dat zeggen wil: ))tijdquot;. Men ziet dat de beide woorden weinig van elkander verschillen, en de afschrijvers er dus licht toe konden komen ze met elkander te verwisselen. Wij voor ons meenen aan de laatste uitdrukking de voorkeur te moeten geven. Vooreerst omdat dit: »dient den tijdquot; nergens anders in den Bijbel voorkomt, en zij die de oude handschriften overschreven er uit den aard der zaak
74 DIENT DEN TIJD.
dus veel gemakkelijker toe konden komen voor deze ongewone uitdrukking de telkens in de Heilige Schriften terugkeerende vermaning: «dient den Heerquot; in de plaats te stellen, dan omgekeerd die laatste gangbare uitspraak te vervangen door de eigenaardige opwekking, om den tijd te dienen. En ten tweede omdat de lezing: sdient den tijdquot; beter past in quot;t verband. Het voorschrift om den Heer te dienen is te algemeen, om goed op zijne plaats te zijn in eene reeks van vermaningen, die alle een gepreciseerd karakter bezitten. Het is er den Apostel om te doen zijne lezers, die hij een oogenblik van te voren tot vurigheid van geest heeft aangespoord, onder \'toog te brengen, dat zij, wel verre van zich aan onverstandigen ijver of onberadene overdrijving schuldig te maken, ook op dit punt wel ter dege met de tijdsomstandigheden rekening dienen te houden.
Misschien komt deze of gene van mijne lezers in de verzoeking mij, om het uitspreken van dit gevoelen, met gefronste wenkbrauwen van Bijbelverval-sching te beschuldigen, en daarbij de verzuchting te slaken, dat die booze Schriftkritiek tegenwoordig toch ook maar niets onaangetast laat, en er op uit is ons alle vastigheid te ontnemen. Nu, zoon grarn-storigen blik laat ik mij gaarne welgevallen. En ik verzeker dien neuteligen broeder oprechtelijk, dat ik hem zijne achterdochtige schrikachtigheid voor de halsbrekende toeren, welke tegenwoordig die Sclirift-kritiek gelieft te maken, o zoo gemakkelijk kan vergeven. Met het zoo even uitgesproken gevoelen bevind
DIEXT DEX TIJD.
ik mij intusschen gelukkig in goed gezelschap. Ik noem slechts een paar namen, maar dan ook een paar namen, die klinken als een klok. Luther zegt: »ik weet niet welke van beide lezingen de beste is, en ieder kan voor mijn part nemen die, welke hem \'tbest aanstaat, maar ik houd mij aan deze: schikt u in den tijd.quot; En Kalvijn is van hetzelfde gevoelen. Kalvijn die dus ook al aan Schriftkritiek schijnt gedaan te hebben. Wie het derhalve boosheid acht, dat ik mede aan dat: «dient den tijdquot; de voorkeur geef, bedenke dat het in elk geval eene goed gereformeerde, eene echt Kalvinistische boosheid is, waaraan ik mij zoo doende schuldig maak.
En wat is nu het doel van deze vermaning ! Natuurlijk niet, dat wij ons als doode visschen laten meedrijven op den stroom der openbare meening, ons met willooze zoetsappigheid aan de even zotte als slechte nukken van den tijdgeest onderwerpen, of ons in allerlei bochten wringen, om het de toongevers der eeuw toch precies in alles naar den zin te maken. Dat is lafheid! Dat laten we over aan slaven en slavinnen der mode, aan stakkers, die slaven en slavinnen blijven, ook al weten ze hun\' miserabelen afgod met allerlei Christelijkheden op te tooien.
Men kan Godlof! in Paulinischen zin den tijd dienen, zonder de mode te dienen. Wat meer zegt, als wij den tijd willen dienen gelijk het behoort, zullen wij vooral en vooral moeten zorgen, dat wij in geen enkel opzicht ons aan de dienstbaarheid der mode gevangen geven. In het Christendom, natuurlijk niet
75
DIEXT DEX TIJD.
in liet nagemaakte, maar in liet echte Christendom, is eeuwigheid, en die eeuwigheid kan niet in den tijd openbaar worden, zonder ieder oogenblik met dien tijd in smartelijk con (liet te komen. Elk geloovige is van zelf als geloovige: protestant, een mensch, die idet kan nalaten een levend protest te zijn tegen de strevingen en de machinaties van de tegenwoordige wereld, welke immers onophoudelijk ingaan tegen God en Zijn koninkrijk, üe geest der tijden is de Heilige Geest, de Geest Gods. De tijdgeest is doorgaans onheilig en ongoddelijk, helaas! Vandaar do strijd. Vandaar de verplichting, de noodzakelijk]teid, ons opgelegd om, tegenover de eischen van dien geest, ons meenquot; te plaatsen, onwrikbaar en halsstarrig: «neen!quot;
Dat deed Paulus ook. Een man als hij was, komt van zelf overhoop te liggen met de halve wereld. Hij weet van geen kleinzielig plooien, als\'ter op aankomt zijn beginsel te handhaven. Hij zal geen duimbreed wijken, wanneer dat wijken een afwijken van de waarheid worden zou. Hij ziet er niet tegen op, als \'t moet, de publieke opinie te trotseeren. Hij staat als een rots. En zelfs waar hij met Kefas, den rotsman, te doen krijgt, aarzelt hij geen oogenblik hem in \'t aangezicht te weerstaan.
Toch lieeft hij op zeldzaam voortreffelijke wijze zijn\' tijd gediend. Aan de levensvragen, die de kinderen van zijn geslacht bewogen, is hij voorwaar! niet vreemd gebleven. Hij heeft naar \'t kloppen van het hart der menschheid geluisterd, en hij heeft zóó aandachtig naar dat geheimzinnige kloppen geluisterd.
7(3
DIENT DEN TIJD.
dat hij begreep wat het beteekende. Hij stond niet buiten zijn\' tijd, maar midden in dien tijd, met al zijne profetieën en vergissingen, ernstige studie makend van wat toen de geesten bewoog, meevoelend wat de zielen voelden, die vruchteloos vrede zochten buiten God. Paulus, om zoo te zeggen: een karakter van graniet, de onbuigzaamheid, de beginselvastheid zelve, maar die den Joden een Jood weet te worden en den Grieken een Griek: maar die zich bereid verklaart, als hij daarmee soms zijn broeder mocht ergeren, in der eeuwigheid geen vleesch meer te eten; maar die Timotheus besnijdt ter wille van de Israëlieten, aan wie hij met dezen het Evangelie zal gaan verkondigen; maar die het zwakke niet kan zien, zonder zich het zwakke aan te trekken; maar die de wereld weet te gebruiken, zooals maar weinigen het Mweten hebben, en toch als haar niet gebruikende.
Zoo heeft hij het dienen van den tijd opgevat. Zoo behooren ook wij het op te vatten. En waarlijk, het is noodig, dat wij, met dit verrukkelijk model voor oogen, deze roeping eens ernstig ter hand nemen. Laat ons maar beginnen, met aan dat krachtelooze en vruchtelooze alarmeeren over de slechtheid van dien tijd een einde te maken. Daaronder schuilt vaak zooveel valschheid en zelfbedrog. De bedorvenheid van dien tijd komt voor een goed deel voor onze rekening. Met de verwijten, die wij hem, in doorgaans maar half oprechte verontwaardiging, in\'t aangezicht slingeren, trachten wij heimelijk onz\' eigene zwakheden en verkeerdheden te verontschuldigen. En die
77
DIENT DEX TIJD.
gewoonte om den tijd voor de rechtbank van de Gemeente te dagen, en hem dan zonder billijk en nauwkeurig onderzoek stoutweg te veroordeelen, ze mag waarlijk wel eens plaats maken voor de ootmoedige bereidvaardigheid van den kant der Gemeente om, juist omgekeerd, zich zelve voor de rechtbank van dien tijd te plaatsen, en het strenge vonnis, waaraan ze dan voorzeker niet kan ontkomen, in diepe beschaamdheid te aanvaarden. O, het is zoo gemakkelijk, met schijnheilig gebaar een plechtig Anathema uit te spreken over allerlei nieuwe verschijnselen, die niet met onze opvatting strooken, en op ons den indruk maken, dat zij vlak tegen onze wereldbeschouwing ingaan. Dat is zoo gemakkelijk, zeg ik. Maar Christelijk is het niet.
Dit is Christelijk: dergelijke verschijnselen, ook al stooten ze ons aanvankelijk onwillekeurig terug, in de oogen te zien, met dien scherpen hlik, welke het geheim is van een sympathetisch hart.
En dit is Christelijk: eerbied te willen hebben ook voor liet kleinste korreltje waarheid, dat er in de dwaling verscholen ligt.
En dit is Christelijk : ons de moeite te getroosten van het instellen van een ernstig onderzoek naar den zin van de teekenen der tijden, teekenen waarin God ons zoo onnoemelijk veel te zeggen heeft, ook zooveel goeds en zooveel groots, dat ons bemoedigen kan in den strijd.
En dit is Christelijk: het Christendom niet voor te stellen als een verdwaald en hulpeloos en schreiend
78
DIKXT DEN TIJD.
kind, dat slechts van den ondergang der wereld hulp verwacht, maar als een barmhartige Samaritaan, welke aan de wereld een groot en heerlijk werk, het werk der reddende liefde, heeft te verrichten.
Kn dit is Christelijk: de lastige en pijnlijke verhouding, waarin wij niet zelden tegenover de tegenwoordige wereld komen te staan, niet te verklaren hieruit, dat wij te groot zijn voor onzen tijd, veel liever hieruit, dat die tijd te groot is voor ons.
En dit is Christelijk : te zorgen, dat wij met ons geloof niet zoo stijf en zoo onbeholpen en zoo verlegen rondstrompelen onder de inenschen, die niet weten wat zij zullen beginnen, en die het misschien wel zouden weten, als ons maar niet de tact ontbrak en ile moed, om hun in hunne eigene taal het Evangelie der zaligheid te verkondigen.
En dit is Christelijk : te maken, dat het welbehagen in inenschen bij ons de overhand verkrijge en altijd de overhand behoude boven den afkeer, dien ons door de wuftheid en de slechtheid dier menschen wordt ingeboezemd.
En dit is Christelijk: onzen tijd lief te hebben met iets van die liefde, waarmede Christus Zijn\' tijd heeft liefgehad, priesterlijk, koninklijk, met iets van die heilige liefde, die ons noodwendig te staan komt op een kruis, maar â overwint.
Hoe zal ook de kracht van het eeuwig Evangelie? reinigend en verlossend op den tegenwoordigen tijd werken, wanneer wij, die ons zoo gaarne de dragers van het Evangelie noemen, in plaats van ons met
79
80 DIENT PEN TIJD.
warme liefde aan dien tijd te geven, ons in het val-sche heroïsme eener kluizenaarsachtige afzondering-van hem terugtrekken, in onze vadsigheid droo-mende, dat liet al bijna genoeg is, als wij met onze vriendjes maar in den hemel komen: wanneer wij in trotsche zelfgenoegzaamheid dien tijd van ons afstooten, in plaats van hem te dienen, te dienen uit liefde, en met het doel, niet om er zelf wat aan te verdienen, maar om hem te winnen voor (iud ? De berg komt niet tot ons, en er blijft voor ons dus niets anders over, dan dat wij besluiten tot den berg te gaan. Het tegenwoordig geslacht denkt er zelfs niet aan zich naar ons te schikken, en het keert ons doodeenvoudig den rug toe, zonder zich aan ons geroep over de vreesdijke gevolgen van dien reusachtigen afval te storen, en dus wordt het onze taak ons te schikken naar dat geslacht, niet met opollering van ons beginsel, ook niet met ter zijde stelling van dat beginsel, zelfs niet met minder strenge toepassing van dat beginsel, maar juist krachtens dat beginsel, het beginsel der zelfverloochenende en zelfopolferende liefde.
Verbeeld u dat gij in Parijs eene taak, eene heilige taak, te vervullen hebt, b. v. de verkondiging van het Evangelie in een der achterbuurten. Maar gij kent geen Fransch. En gij verklaart tevens, uit een zeker valsch nationaliteitsgevoel, of uit kinderachtige pedanterie, die taal niet te willen leeren. Er is immers alle kans, dat die oolijke Parijzenaars, wanneer gij het toch waagt onder hen te gaan arbeiden, ondanks
DIENT DEN TIJD. 81
uwe allerliefste bedoelingen, een loopje met u gaan nemen. Er is ook kans dat gij, straks onverrichter zake teruggekeerd, u van uw onwil om u zelf te verloochenen eene martelaarskroon gaat maken, en den ongelukkigen alloop van het geval enkel aan de onbekeerlijkheid van die luchthartige menschen wijt. Alsof er voor u geen gelegenheid ware geweest om Hink Fransch te leeren spreken, en in Parijs veel goeds te doen, zonder u ook maar met eene van de honderdduizend lichtzinnigheden uit dat nest van den duivel â zooals Blücher het noemde â te verontreinigen! Wie ooren heeft om te hooren, diehoore!
»De Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.quot; Laat ons tegenover den tijd, waarin wij leven, dit hemelsch beginsel niet willen omkeeren! Dat loopt toch verkeerd. Wanneer wij ons door onzen tijd willen laten dienen, dan zal \'t slot wezen, dat hij ons onder den voet krijgt, geheel en al. Maar dienen wij hem, zooals Paulus, zooals Christus het gedaan heeft.... voorzeker, hij zal ons uitlachen, maar wij zullen hem laten lachen, en op iederen schaterlach antwoorden met een gebed, het gebod van de toewijding der liefde; hij zal ons ook telkens een\' trap geven, een\' kwaadaardigen trap, en in ons een\' trap aan het Christendom, maar wi j zullen ons laten trappen, en ons op de smaadheid van eiken trap wreken door te toonen, dat wij genade hebben ontvangen om een ander meer lief te hebben dan ons zei ven.
0
DIENT DEN TIJD.
82
Wat eene vernederende positie! zegt gij. 0 neen, zegt dat niet, zegt dat niet! Want het slot is â ziet liet aan Christus â dat de verhouding in werkelijkheid juist het omgekeerde wordt van wat zij schijnt. Wie de minste wil zijn, is de meeste. Terwijl de tijd ons beheerscht, dient hij ons. Terwijl wij den tijd dienen, heheerschen wij hein.
Verblijdt u in de hope.
Rom. 12 : 12a.
an de rechte beoefening der godzaligheid \' kan geen sprake zijn, zoolang de blijdschap ontbreekt. Deze is geen overtollig ornament, maar een onmisbaar element van het Christelijk leven. Niet iets, dat er bij komen mag ; ook niet iets, dat er bij komen moet; maar iets, dat ten stelligste in alle functies, in alle werkingen en uitingen van dat leven aanwezig behoort te zijn. Daarom laat Paulas ook op zijne vermaningen om niet traag te zijn in het benaarstigen, en om vurig van geest te wezen, en om den tijd te dienen, eene opwekking tot blijdschap volgen. Dat alles toch kan ons nooit Hink en voorspoedig van de hand gaan, wanneer wij in sombere en kniezerige stemming onzen weg reizen. En
VERBLIJDT U IN T)K HOPE.
eerst wanneer ons hart voortdurend van rustige en heilige blijdschap is vervuld, zullen wij bij machte zijn om lief te hebben, bij machte om ons zelf voor Gods koninkrijk ten otïer te brengen, en zoo ook in genoemde opzichten praktisch onze Christelijke roeping te vervullen.
Maar nu vestigt de Apostel tevens op een bepaalden karaktertrek van die blijdschap onze aandacht. Hij brengt haar namelijk in verband met de hope. «Verblijdt u in de hopequot;, zoo klinkt het. Gewoonlijk wordt deze vermaning zoo opgevat, alsof Paulus de hoop als object van de blijdschap bedoelt, alsof hij m. a. w. wil zeggen : zorgt nu, dat de hoop, die gij als Christenen bezit, u eene bron wordt van groote en heerlijke vreugde. En op zich zelf is er natuurlijk tegen deze gedachte niet het allerminste bezwaar. Maar liet komt mij voor, dat de Apostel het hopen hier veeleer wil aangemerkt hebben als eene bepaalde eigenaardigheid van den toestand der geloovigen, als eene eigenaardigheid die meebrengt, dat zij zich op grond daarvan nu ook kunnen en moeten verblijden. Hadden zij die hope niet, dan zou het ook geen zin hebben hen tot blijmoedigheid op te wekken. Maar nu zij in Christus waarlijk de hope der heerlijkheid bezitten, nu mag hun ook de blijdschap niet ontbreken. Paulus zegt niet: verblijdt u om de hope. Maar: verblijdt u in de hope. Laat die hope de atmosfeer zijn, waarin uwe blijdschap wordt gekweekt en gesterkt! Verblijdt u als hopenden! Want nu gij hoopt, zijt gij tot die blijdschap gerechtigd en geroepen tevens.
84
VERBLIJDT U IN DE HOPE,
Gerechtigd, ja.... want ach, zoo lang wij zonder hope in deze wereld rondzwerven, is het welbeschouwd eene wreede spotternij ons tot vreugde op te wekken, is liet een misverstand, erger dan een misverstand, vroolijk te zijn. Zonder haar is elk genot een gestolen genot. Zonder haar moeten wij elke opgeruimde stemming betalen met eene oneerlijkheid, met eene min of meer bewuste oneerlijkheid tegenover de werkelijkheid, en tegenover ons zeiven. Zonder haar is het liefdeloos, en dus goddeloos, blijde te zijn. Zonder haar is er slechts eene lichtzinnige of eene oppervlakkige blijdschap mogelijk, slechts eene blijdschap derhalve, die geene blijdschap is.
Schiller zingt in een zijner ernstigste liederen van twee kostelijke bloemen, door hooger hand op den weg der menschen geplant. Een liefelijk zusterpaar! De eene heet: »hoopquot;, en de andere: «genotquot;. Nu zegt de dichter, dat wie eene dezer bloemen van den stengel breekt, de andere zuster niet begeere. Het genot is voor den mensch, die niet hopen kan. Wie de hope heeft, moet zich evenwel het genot ontzeggen, en zich allerlei ontbering getroosten. En dat er in deze tegenstelling eene belangrijke waarheid schuilt, zal zeker niemand ontkennen, zoolang het genieten namelijk in den platten, vulgairen zin van het voldoen aan de lagere, zondige begeerlijkheden onzer menschelijke natuur wordt opgevat. Dan moet men eenvoudig kiezen of doelen. Zich overgeven aan de genietingen der zinnelijkheid, maar dan ook het uitzicht op eene toekomende heerlijkheid al meer en
85
VERBLIJDT U IX DE HOPE.
meer zien benevelen, en het zich ten slotte geheel voelen ontzinken. Of, zich niet hijgend verlangen uitstrekken naar de dingen die Boven zijn, waar Christus is, maar dan ook, aan de geneugten des vleesches gespeend, de smarten der zelfverloochening aanvaarden, die het volgen van Hem medebrengt. De rijke man, die zijn\' schat heeft in de tegenwoordige wereld, en dus niet in de toekomende. Of, Lazarus, die zijn\' schat heeft in de toekomende wereld? en dus niet in de tegenwoordige.
Maar de zaak komt geheel anders te staan, zoodra liet genot Christelijk wordt opgevat, in den zin van «heilig verblijdenquot;. Dan valt de tegenstelling van daar even geheel en al weg. Ik durf zelfs tegenover dien door Schiller uitgesproken eisch, om van de door hem bezongen bloemen, hoop en genot, er zich slechts eene toe te eigenen, zonder de andere te begeeren, de stelling te plaatsen, dat dit zusterpaar onafscheidelijk blijkt te zijn. Hoop en blijdschap zijn geen twee bloemen, die daar elk op eenquot; afzonderlijken stengel staan te prijken. \'tZijn twee bloemen, samen aan een\' en denzelfden stengel ontloken, zóó dat gij de eene niet plukken kunt, zonder de andere. M. a. w. gij kunt niet van heeler harte blijmoedig zijn, zoo lang gij niet leeft in hope. En zoodra de levende hope in uw binnenste opbloeit, komt de blijdschap van zelf.
Ziet er het tegenwoordig geslacht maar eens op aan. Zou er geen verband zijn tusschen het zoo veelvuldig en roekeloos loslaten van de hope der zaligheid aan
VERBLIJDT U IN 1JE HOl\'K. 87
de eene zijde, en aan den anderen kant het wegkwijnen van dien frisschen levensmoed, waaraan het men-schenhart zoo dringend behoefte heeft ? Blijkt het niet duidelijk, dat \'t ongeloof tot een somber pessimisme leidt, of anders tot een ftppervlakkig optimisme, dat zich schor roept aan die lichtzinnige lenze: «laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij!quot; en door \'t eentonig herhalen van dat kermisbed dei-wanhoop pessimist toont te zijn in het kwadraat? Is het niet onredelijk van den mensch, die meent dat het met den dood gedaan is, nog te vergen dat hij met opgestoken hoofde dat donkere graf zal tegemoet gaan? Zal hij, die de hope prijs geeft, niet noodzakelijk het sl ach tol Ver worden van de vreeze, aangezien het menschenhart nn eenmaal zóó is ingericht, dat het niet kloppen kan zonder iets te verwachten, zonder het goede te verwachten, d. i. te hopen, of het slechte te verwachten, d. i. te vreezen? Zonder God in de wereld te zijn is hetzelfde als zonder hope in de wereld te zijn. En zonder hope in de wereld te zijn is hetzelfde als zonder blijdschap in de wereld te zijn. De hopeloosheid weent. De wanhoop vloekt. Alleen de hope lacht, een stillen lach, een heiligen lach, een lach Gods.
Zonder haar zou immers ook den geloovigen het lachen vergaan. Daar komt o mijn broeder en zuster, uit de hemelen de strenge eisch tot u om u te verblijden, om u ten allen tijde te verblijden. Maar gij kunt die roeping niet vervullen, gij moogt haar ook niet vervullen buiten de hope om.
VERBLIJDT U IN UE HOPE.
De worstelende wereld rondom u laat dag aan dag eon vloek van jammer en weedom tegen uw hart aangolven, verblijd u nu maar als gij kunt,\'verblijd n nu maar als gij durft, tei-wijl u de hope ontbreekt, dat de wereldgeschiedenis, met al haar hartverscheurende wanklanken, ten slotte toch zal uitloopen op een groot en God verheerlijkend «Gloriaquot;!
Gij staat morgen of overmorgen bij liet lijk van uw kind of bij liet graf van uw echtgenoot, verblijd u nu maar als gij kunt, verblijd u nu maar als gij durft, terwijl u de hope ontbreekt, dat er straks een zalig wederzien volgen zal in het zalig Vaderhuis Gods !
Uw werk mislukte, ook \'t werk in den geloove ondernomen, ook \'t werk, waarin gij u zelf toewij-det aan de Gemeente, die gij hebt liefgekregen als \'t zwart uwer oogen, verblijd u nu maar als gij kunt, verblijd u nu maar als gij durft, terwijl u de hope ontbreekt, dat God, wiens medearbeider gij zijt, nochtans zijn\' tempelbouw voltooien zal, oneindig schooner en heerlijker dan ge ooit had gedroomd !
Er blijft zooveel zonde over, uwe zonde, zonde, die u dag aan dag martelt, zonde, die gij verfoeit als een\'gruwel en die toch overblijft, verblijd u nu maar als gij kunt, verblijd u nu maar als gij durft, terwijl u de hope ontbreekt, dat God liet goede werk, in u begonnen, zal voleindigen en u eenmaal, eenmaal zeker, zonder vlek of rimpel zal stellen voor Zijn aangezicht, in heerlijkheid!
Ik behoef niet meer te noemen. Om blijde te zijn, om blijde te kunnen zijn, om blijde te mogen zijn.
88
VERBLIJDT l\' IN DE IIOI\'E.
moeten wij zalig zijn. Ach, er ontbreekt nog zooveel aan die zaligheid, zoo onnoemelijk veel ! Maar al wat ontbreekt nemen wij nu vooruit er bij in hope. De hoop is het complement der zaligheid. De hoop maakt, dat de zaligheid vol wordt, d. i. dat zij zaligheid wordt, gelijk ook het woord eigenlijk «volheidquot; betee-kent. Nu zijn wij zalig in hope, in hope en dus niet in de verbeelding, o neen ! o neen! o neen ! maar in werkelijkheid, want wat wij in werkelijkheid hopen, is voor ons werkelijkheid door de hope. En nu is het ook geen wreedheid meer als God tot ons zegt, God, die zoo verbazend goed weet en die zuo innig diep meevoelt wat ons verhindert blijde te zijn in dit land der vreemdelingschap, nu is het geen wreedheid meer, nu wordt het genade, nu wordt het blijdschap, als Hij ons toeroept: «verblijd n ten allen tijde, wederom, verblijd u !quot;
Dat dan de levende hoop krachtig opbloeie in onze harten! Zij wordt in de Gemeente doorgaans zoo stiefmoederlijk bedeeld. En door menigeen beschouwd als een aanhangsel van het geloofsleven, een gansch zeer kostelijk aanhangsel, maar toch een aanhangsel, niet meer. En ook daarom staat het peil der geestelijke blijdschap onder ons zoo schandelijk laag. Waarlijk het wordt tijd, dat wij, in plaats van de hope nu en dan ter hulpe te roepen in moeielijke oogenblikken van ons leven, leeren begrijpen dat wij haar, om blijde te zijn, en dus om Christelijk te leven, geen enkel oogenblik kunnen missen. Aan een hope. waaraan wij slechts in troostelooze buien iets
80
VERBLIJDT U IN DE Hül\'E.
willen hebben, hebben wij niets, ook niet in trooste-looze buien. Om ons in haar te kunnen verblijden, moeten wij in haar leven. Niet slechts viet haar leven, als met eene reine vriendelijke gestalte, die ons op ons pad vergezelt, en ons den last helpt dragen, en ons in kommervolle ure troostende woorden influistert. Maar in haar leven, nis in de dampkringslucht, welke wij inademen.
Wij moeten onzen inwendigen mensch inwikkelen in de jubelende gewisheid : de heerlijkheid komt, ja Amen! zij komt, Halleluja, altijd Halleluja!
Wij moeten het vroolijk vooruitzicht op de volko-mene verlossing zóó hij de hand hebben, dat wij het altijd bij de hand hebben, heiligend niet slechts als we last krijgen van onze zonden, maar ook als wij last krijgen van onze deugden; troostend, niet slechts in smart,quot; maar ook in vreugde, want ook in vreugde hebben wij troost noodig, den troost der hope, misschien meer nog dan in de smart.
Wij moeten er den tijd voor nemen om ons, met hoofd en hart beide, rustig in haar te verdiepen, niet ten einde daardoor ons zelf gedurig in eene smachtend dwepende stemming te brengen, maar om zoodoende met de wortelen, zoowel van ons gedachten-leven als van ons gevoelsleven, steeds dieper in te dringen iu den onzienlijken onbewegelijken levensbodem der eeuwigheid, waarop wij als geloovigen staan.
Wij moeten ons er helder van bewust worden, dat wij, als kinderen des koninkrijks, niet meer behoeven
VKRBLIJDT U IN I)E HOÃ\'E.
te twijfelen en niet meer mogen twijfelen, niet meer behoeven te vragen en niet meer mogen vragen, of wij ons ook misschien vergissen in het koesteren van die wonderzalige verwachting, welke ons de borst doet zwellen, maar dat wij in liet geloof zelf een\' vasten grond hebben van de dingen, die wij hopen, zóó vast, dat wij geene enkele andere vastigheid meer verlangen, zóó vast, dat deze vastigheid met al de afbrekende kritiek der tegenwoordige wetenschap, en met de ontzaglijke kritiek der wereldgeschiedenis spotten kan en spotten raag.
Wij moeten ons er aan wennen, zóó in de hope der toekomende heerlijkheid te leven, dat het ons, ook bij het vreeselijkste dat ons treft, een vanzelfs-heid wordt ook dat vreeselijkste in het kalm-reine licht der eeuwigheid, elk vreeselijk raadsel als een opgelost raadsel, elk vreeselijk lijden als een overwonnen lijden te beschouwen.
Leef in de hope, en gij verleert het twijfelen en vragen van zelf, want zij geeft u zooveel te doen om heilig, en dus om blijde te zijn, dat gij bet twijfelen en vragen vergeet. Maar «leef in haar. En leef »inquot; haar. Gij zult zien, dat God het u onmogelijk maakt in haar te leven zonder blijde te zijn. En gij zult ondervinden, dat het eenige middel om in haar blijde te zijn is: in haar te leven.
91
Standhouden in de verdrukking.
Rom. 12 : lib.
Jï00 \'an8 wij in de wereld zijn, hebben wij, \'iiiuir \'t woord van onzen Heiland, op verdrukking van allerlei aard te rekenen. En \'t is dus waarlijk niet van belang ontbloot eens stil te staan bij de vraag, boe we ons onder die verdrukking behooren te gedragen. Dat is natuurlijk niet met een paar woorden te zeggen. Men zou wel baast een balven foliant noodig hebben, om deze vraag volledig te beantwoorden. Maar met den wenk, dien Paulus ons hier geeft, is ons toch al eene zeer te waardeeren bijdrage tot hare beantwoording geboden. Laat ons maar eens goed luisteren naar wat hij ons op dit punt te zeggen heeft!
Hij maant tot . . . geduld. Helaas, niet waar?dat
93
valt tegen. Gij kunt er numvelijks even over nadenken, zonder min of meer krieuwelig te worden, \'t Klinkt zoo vreeselijk ordinair. Van Apostolische lippen hadt gij toch wel iets mogen verwachten, dat wat meer op oorspronkelijkheid en diepzinnigheid bogen kon dan zoo\'n gemeenplaats, die immers door allerlei oppervlakkige en lastige vertroosters bij allo mogelijke gelegenheden wordt te pas gebracht, en waaraan men in de liitt(j der verdrukking toch zoo\'n onnoozel klein beetje heeft. (Tij moet maar geduld hebben; \'t komt ten slotte zeker alles nog wel terecht, (lij moet maar berusten in wat u overkomt. Gij moet u maar zoo goed mogelijk zien te schikken in de vele moeielijkheden des levens. Gij moet maar kalm en gelaten uw kruis zien te dragen, dat is nog het wijste wat ge doen kunt in dit tranendal. Nu ja, dat liedeken is ons al tot vervelens toe voorgezongen. En iemand als Paulus kon toch wel met iets beters dan met zoo\'n lakse lijdensmoraal tot ons komen.
Laat mij u, mijn ongeduldige lezer, maar eens doen opmerken, dat des Apostels raad toch misschien nog wel wat dieper gaat dan gij vermoedt. In wat voor ons bij den eersten opslag zoo ordinair schijnt, kan soms een schat van heerlijkheid verscholen liggen. Aan die voor uw gevoel zoo flauwe zedepre-diking, dat gij u maar zoo goed mogelijk in het lijden moet zien te voegen, doet wel beschouwd de Bijbel in \'t geheel niet mee. Uitdrukkingen als : «zich schikkenquot;, «kalmtequot;, «gelatenheidquot;, door ons telkens
STAXDHOUDEX IX ÃE VERDRUKKIXG.
gebezigd, zult ge op die gewijde bladzijden vruchteloos trachten te vinden. Zoo ver ik weet, komt ook de uitdrukking: «geduldquot; in onze statenvertaling slechts eenmaal voor (Openb. à : 3). En hetzelfde geldt van het woord «geduldigquot;, dat we alleen maar aantreffen in den tekst, die aan deze overdenking ten grondslag ligt. Op beide plaatsen wordt bovendien in \'t oorspronkelijk een woord gebezigd, dat elders door lijdzaamheid is vertaald, en dat ons aan zoo geheel iets anders doet denken clan aan dat min heldhaftige zich schikken, waarop gij daareven in uw\' haast al begont te smalen. Het beteekent eigenlijk: blijven onder het verband, waarin men geplaatst is; en vandaar: standhouden, op zijn post blijven, zich niet van zijn stuk laten brengen, kloek weerstand bieden aan de verdrukkingen, «lie van alle kanten op u aankomen, en waardoor gij u onder geene enkele voorwaarde moogt laten wegduwen van de plaats, waarop gij staat. En hetzelfde denkbeeld wordt ons immers ook dooi\' het Hollandsche woord «lijdzaamheidquot; aan de hand gedaan. Als gij hier «lijdenquot; maar niet opvat in den zin van: smart gevoelen, maar in den zin van: het kunnen uithouden, zoo alswijb. v. van lijn porselein zeggen: het kan niet lijden, dat men er hardhandig mee omgaat, of van iemand, die over een groot fortuin heeft te beschikken, en dan in zijne zaken wat tegenspoed ondervindt: nu, hij kan dat bankroet wel lijden, hij is er wel tegen bestand.
En aan dat uithouden, aan dat volhouden hebben wij ook hier te denken. Niet aan die ijskoude stoïsche
94
STANDHOUDEN\' IN DE VERDRUKKING.
gelatenheid, eene plant van heidenschen bodem, waarbij men er naar streeft om te doen, alsof men van het lijden nauwelijks iets merkt. Niet aan de verbittering van dien titanischen trots, die zegt: welnu, ik zal den strijd tegen de wereldorde gaan aanbinden, en eens zien of ik mij niet in de spanning van mijn wilskracht en veerkracht door al dien tegenstand kan heenslaan en mijn kruis in splinters treden. Niet aan de lijdelijkheid, die voorbijziet dat het lijden, wel verre van tot onze oorspronkelijke natuur te hehooren, als gevolg van de zonde een vreemd inkruipsel is, waartegen liet iMenschel i jk hart reageert, en reageeren moet, evenals een gezond lichaamsgestel van zelf tegenstand biedt aan de krankheid, die het overvalt. Niet aan diematte boeddhistische onderworpenheid, die eenvoudig uit iiopeloosbeid, uit vaak onbewuste wanhoop, voortkomt, en ook in de Christenwereld zoo menigvuldig wordt aangetroffen bij lijders en lijderessen, die hun lot maar geduldig zullen dragen, omdat er immers toch niets aan te veranderen valt. Neen, maar aan die koninklijke standvastigheid, die zich ook door de zwaarste beproeving niet van den rechten weg laat afdringen; aan dat heldhaftige vertrouwen, dat ook midden in de grootste smarten op Gods liefde blijft rekenen; aan die rustige beslistheid om het uit te houden, om het vol te houden, totdat het Gode behaagt de verdrukking weg te nemen, en het uur der verlossing te doen aanbreken.
En nu spreekt het wel van zelf, dat deze bij uitnemendheid Christelijke deugd niet zoo maar in eens,
95
90 STANDHOUDEN IN DE VERDRUKKING.
als door een tooverslag, de onze wordt. Die kostelijke plant kan alleen opwassen nit den bodem van het leven des geloofs. En wanneer zij eenmaal bij ons begint te ontluiken, dienen wij haar zorgvuldig te verplegen, en alles te doen wat maar mogelijk is om haar tot wasdom en ontwikkeling te brengen. Evenals een teer gestel niet plotseling in een sterk gestel verandert, maar door het geregeld gebruik van allerlei doeltreffende middelen van lieverlede krachtiger wordt, en op den duur al die vroegere zwakheden te boven komt.
Om in de verdrukking het rechte geduld te kunnen beoefenen, moeten wij beginnen met haar eenvoudig en ten volle uit Gods hand aan te nemen. O, dat tegenstribbelen! O, dat tegenstribbelen! De lijdensschuwheid zit er zoo diep bij ons in, hoe luide wij ook bij allerlei gelegenheden in de heerlijkheid van liet kruis weten te roemen. En de heimelijke onwil om te lijden maakt het lijden zelf veel erger, dan het in werkelijkheid is. Wij slaan de verzenen tegen de prikkels tot bloeden. En we zijn in dit opzicht zoo menig keer gelijk aan kinderen, die de bittere pillen welke ze voor hunne gezondheid moeten gebruiken, een heele poos in den mond houden en tusschen de tanden nemen en dan zoodoende den mond vullen met de bitterheid, waarvan ze weinig of niet zouden hebben gemerkt, als zij de pillen maar dadelijk hadden doorgeslikt. Het lijden aanvaarden, en het aanvaarden, als komende van God. Iti theorie staat dat wel voor ons vast; wij weten allerlei teksten aan te
STANDHOUDKX IN DE VKHDÃI\'KKIXd. (17
halen, waarin ons geleerd wordt, dat er letterlijk niets buiten bet ondoorgrondelijk wijs bestuur van den hemelschen Vader omgaat; en wij dwepen haast met dat prachtige antwoord uit den tienden Zondag van onzen Catechismus. Maar in de praktijk blijft er op dit punt heel wat te wenschen over. Hoe vaak geven wij onwillekeurig aan de ondeugende menschen de schuld van de moeielijkheden en teleurstellingen, die ons treffen! Hoe onverhoeds bekruipt ons van tijd tot tijd eene sombere gewaarwording, alsof een grimmig, harteloos noodlot met ons speelde! Hoelang hebben we soms werk om tot de ontdekking te komen, dat de hand van onzen getrouwen Vader voor liet geloofsoog tocli nog wel te speuren is in het leed, dat ons alle veerkracht beneemt! Wij moeten ons lijden meer beschouwen, zooals de Israëlieten de natuur beschouwden. Zij zeiden b.v. niet, zooals wij ons uitdrukken: het dondert, maar: de God der eere dondert. Zij voelden in dat ontzaglijk natuurverschijnsel onmiddellijk Gods tegenwoordigheid. En nu erkennen wij ook wel, ja, dat er een persoonlijk God werkzaam is achter en in wat de schepping ons te aanschouwen geeft, maar voor ons bewustzijn treedt Hij uit die verschijnselen toch niet zoo dadelijk en niet zoo kennelijk naar voren; \'tis alsof wij eene heele reeks van begrippen moeten doordenken, voor dat wij Hem zelf ontdekken;\'t is alsof wij allerlei toetsen moeten aanslaan, voordat wij hetgrond-accoord kunnen vinden. En nu meen ik, dat wij het in de lijdzaamheid heel wat verder konden brengen,
/
98 STANDHOUDEN IN DE VERDRUKKING.
als wij dit karakteristieke van Israels natuurbeschouwing op de beschouwing van onzen tegenspoed overbrachten, als het ons daarbij terstond helder voor den geest stond: dat komt mij nu toe direct van mijn\' God. Gelijk Job niet gaat zitten klagen: de Sabeërs en Chajdeën hebben mij van al mijn goed beroofd, maar: de Heer heeft genomen. Gelijk Jozef in zijn\' donkeren weg do overtuiging blijft vasthouden, dat zijn tegenspoed bepaaldelijk van God komt, en daardoor tegen bezwijken bewaard wordt. Zoolang ons hart aan Gods daden hangt, komen we slag op slag in de war, want die daden maken telkens op ons den indruk van wreede raadselen en bange vergissingen te zijn. Als ons hart aan God hangt, aan God zelf, en zich noch door de blijdschap van den voorspoed, noch door het verdriet van den tegenspoed van Hem laat afleiden; als het voor ons besef volkomen vaststaat, dat ons lijden zoo en niet anders door ilem bedoeld Is, dan begint de kans om geduldig vol te houden zich voor ons te openen. Toen de bekende admiraal Coligny zwaar gewond van het slagveld werd weggedragen, droeg men op eenigen afstand, insgelijks in een draagkoets, een\' ander oud krijgsheld voorbij. En hij reikte hem door liet portier de hand met de woorden: «onze God is toch een goede God.quot; Zeg dat ook. Zeg dat in het geloof. Zeg dat dadelijk en eerlijk, zoodra u iets tegenloopt, in \'t kleine zoowel als in \'t groote. En gij zijt geholpen.
Om in de verdrukking geduldig stand te houden, dient ook in ons binnenste de overtuiging levendig te
99
blij ven, dat zij ons waarlijk ten goede medewerkt. In \'tafgetrokken stemmen we dat weer gemakkelijk toe. Maar als \'teens zoo geheel tegen hidden en denken, ja ook tegen ons bidden, ingaat; als \'t zoo volkomen duidelijk schijnt te blijken, dat Gods wegen veel, veel slechter zijn dan de onze; als ons \'teen of ander kruis wordt opgelegd, dat den bloei van ons geestelijk leven klaarblijkelijk belemmert en onderdrukt, voorwaar! dan beteekent bet iets ons er van verzekerd te houden, dat God bezig is ons door deze dingen te vormen voor zijn koninkrijk. «Alle rank die vrucht draagt, die reinigt 1 lij, opdat zij meer vrucht drage.quot; Zoo beeft de Heiland gesproken. Die bedoeling behoort ons helder en klaar voor den geest te staan. Wij moeten ons oefenen in de kunst, ik raag wel zeggen in de genade, ora terstond alle lijden aan te zien, niet als lijden, maar als reiniging, evenals eene moeder haar kind niet aanziet als een mensch, maar als baai-kind. Gelooven, in den blinde gelooven, dat derank wezenlijk gereinigd wordt tot bet dragen van meer vrucht, ouk als zij onder het snoeimes van pijn samenkrimpt en het gevoel heeft, dat zij met de weelderige luten, die worden afgesneden, al de heerlijkheid van haar leven zal inboeten. Dan volgt daaruit liet rustige volhouden van zelf. En wel verre van te hunkeren naar het oogenblik, waarin de last ons van de schouders zal worden genomen, of ons te streelen met bet dwaas en baatzuchtig vooruitzicht, dat God wel eens op een\' goeden dag om onzentwil een wonder zal doen, en al onze doornen in rozen zal veranderen.
STANDHOUDEN IN DE VERDRUKKING.
zijn wo eer bevreesd, dat het kruis ons zal worden afgenomen, voor dat zijne bedoeling aan ons volkomen is bereikt, evenals in de bekende voorstelling van Dante de zielen in het vagevuur door het verlangen naar volkomen reiniging de begeerte dooden, om maar zoo gauw mogelijk aan het lijden te ontkomen.
Toch mag en moet ook de zekerheid dat straks de ure der verlossing slaat, de rechte lijdzaamheid helpen kweeken. Wij spreken vanhetgansch zeer uitnemend gewicht van heerlijkheid, door de verdrukking gewerkt; en als we nu, in onze tobberijen verzonken, dat gansch zeer uitnemend gewicht in\'t geheel niet meerekenen, en in onze balans de weegschaal, nu dooide verdrukking in de laagte gedrukt, een weinig naar boven trachten te helpen, door op de andere schaal allerhande wereldsche vertroostingen op te stapelen, die immers volstrekt geen gewicht hebben! Wij roepen elkander toe, dat de tegenwoordige verdrukking zeer haastig voorbijgaat; maar als wij nu in ons ongeloof er over gaan zitten pruttelen, dat zij zoo vreeselijk lang duurt! Natuurlijk, dan is het geen wonder, dat ons de last te zwaar wordt. Ach, ons geloof is nog te weinig hope, wat het toch zijn kon en zijn moest door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden; niet een weinig hoop aan \'t geloof vastgehecht, maar \'t geloof zelf opbloeiende tot hope, vol geestdrift en bezieling. Wij turen te veel op het oogenblik zelf, in plaats van door \'toogenblik heen den blik te richten op de eeuwigheid. Wij moeten uns kruis leeren dragen, zooals Jezus het gedragen
100
STANDIlOUDliN\' l\\ DE VERDRUKKING
lieeft, en de schiuide leeren verachten, zooals Jezus haar heeft veracht, namelijk, orn de vreugde ons voorgesteld.
Ja, ook ons is zij voorgesteld. Om haar te bereiken is volharding noodig. Maar om te kunnen volharden is het insgelijks noodig, op haar oug en hart gevestigd te houden. «Al wat men lijdtquot;, zegt Camphuvsen, «is lijdelick, waarom? \'tis alles tijdelickquot;! O, prent u dat in, prent u dat diep in, mijn lijdende broeder, mijne wankelmoedige zuster! Houd er u ieder oogen-blik van overtuigd, dat de heerlijkheid niet slechts na het lijden, maar door het lijden komt! Reken er op dat, gelijk in onzen bundel op den 22sten psalm de 23ste psalm volgt, ook bij u op de noodkreet dei-verlatenheid stellig en zeker volgen zal het lied van den goeden Herder, die u doet nederliggen in grazige weiden, en u voert aan zeer stille wateren. Reken er op met uw gansche hart! Dan kunt gij het uithouden, ook als de nood tot aan de lippen komt. Dan kunt gij liet volhouden, ook in de hitte der verdrukking. En dat kunnen is geen weelde, voorwaar! Want alleen wie tot het einde toe volhardt, die zal zalig worden.
101
Volharden in den gebede.
Kom. 12 : 12c.
(le oudste schrijvers der Christelijke ss^^SSée^kerk treilen wij allerlei uitspraken aan, die aan den Zaligmaker worden toegekend, ofschoon zij in den Bijbel niet voorkomen. En onder die uitspraken ook deze: «bidt en wordt niet moedequot;. Er is, dunkt mij, volstrekt geen bezwaar om aan te nemen, dat deze woorden werkelijk van \'s Heilands lippen gekomen zijn. In Luk. 18:1 vinden wij zelfs een\' tekst, die er kennelijk eenip;e verwantschap mede vertoont. Daar vermeldt namelijk de Evangelist, dat Jezus de gelijkenis van den rechter en de weduwe heeft uitgesproken, oin zijne discipelen te leeren : dat men altijd bidden moet en niet vertragen. En dit laatste heeft men niet zelden als eene overbodige
VOLHARDEN IN DEN GEBEDE.
opmerking beschouwd, door Lukas aan \'t geschiedverhaal toegevoegd, en door hem aan Paulinische uitdrukkingen ontleend (vgl. bijv.: 2 Thess. 3 : 13; Gal. 0:9; Efez. 3:43; 2 Kor. 4:1, 1().) Maar wanneer Jezus het zoo even vermelde woord inderdaad gesproken heeft, staat liet met de zaak geheel anders. Dan hebben wij misschien die bij Paulus voorkomende opwekking om «niet moedequot; te worden, als weerklanken van \'s Heeren eigene uitspraak te beschouwen. En dan is \'tbest mogelijk, dat wij in Luk. 18 : 1 (met «niet vertragenquot; wordt natuurlijk \'t zelfde bedoeld als met: «niet moede wordenquot;; de Synodale vertaling heeft: «niet moedeloos wordenquot;) nog \'t oorspronkelijke woord van Jezus terugvinden, alleenlijk van de directe in de indirecte spreekmanier overgebracht.
Hoe dit zij, geheel en al in den geest van zijn\' Meester was het ongetwijfeld, toen de Apostel Paulus de geloovigen te Rome opwekte, om in den gebede te volharden. En \'t geldt ons natuurlijk evenzeer. Met van tijd tot tijd eens een gebed te doen, komen wij er niet. Dat loopt toch maar uit op een dood formalisme, op het aanhouden van een stuk of wat ziellooze plichtplegingen, die ons op den duur o zoo lastig beginnen te worden. Zal er sprake wezen van gebedsleven in den vollen zin des woords, dan komt het ook hier aan op kloek doorzetten, op taaie volharding. De hindernissen, die ons in den weg komen, moeten Hink aangepakt en uit den weg geruimd. Al wat op het bidden een\' verlammenden of verzwak-
403
104 VOLHARDEN IN DEX GEBEDE.
kenden invloed kan oefenen, dient zorgvuldig verineden. En hoe geweldig ook die verzoeking moge wezen, om het ten slotte maar op te geven, die verzoeking moet getrotseerd, \'t koste, wat het koste; indien wij, die gelooven, althans niet het spoor ten eenenniale bijster zullen raken; niet de jammerlijke prooi zullen worden van een\' afval, waardoor al zoo menigeen is meegesleurd in den stroom des verderfs.
Blijkens het verband, waarin de door ons besproken opwekking voorkomt, heeft de Apostel bepaaldelijk hierop willen wijzen, dat het noodig is, in den gebede te volharden, om zich in de hoop te knnnen verblijden en in de verdrukking te kunnen staande blijven. Maar wat is er in heel ons geestelijk leven, waarvoor wij die volharding overbodig zouden mogen achten? Zoodra het bidden verslapt, verslapt alles. De booze twijfel sluipt onze ziel binnen en weet daar verwoesting op verwoesting aan te richten. We voelen ons het vermogen ontzinken, om aan slechte gedachten en opwellingen kloekmoedig weerstand te bieden. God raakt voor ons gevoel zoo ver van ons verwijderd. De godzaligheid wordt ons: eene bijzaak. Het koninkrijk der hemelen: een vraagstuk, in plaats van eene alles overweldigende realiteit. Onze innerlijke veerkracht slinkt weg. En tegenover de vijanden, die van alle kanten op ons aanstormen, staan we machteloos â de oude geschiedenis: zoodra de handen van Mozes slap worden, en hij zijn\' staf niet meer vol profetische bezieling in de hoogte heft, krijgt Amalek de overhand over Israël. De liefde
P
V
ój
%
gt;gt;
SE\'
El,\'.- â¢-.
gijf üeduldiü in dc verdrukking.
tpymy; â
* Vcrblijdl u in dc hoop.
Volbardf in bel acbcd.
VOLHARDEN IN DEN GEBEDE.
kwijnt. De blijdschap kwijnt. De hope kwijnt. Ja, wat is er, dat bij ons niet begint te kwijnen, zoodra wij ons veroorloven in het bidden te vertragen, en het maar zoo\'n beetje voor de leus aanhouden ? Neen, het sterkste en gezondste gestel, dat gij u denken kunt, wanneer het geene tlinke en geregelde voeding ontvangt, zal op den duur toch uitgeput raken. En hoe zullen Gods kinderen het dan kunnen uithouden, als zij niet voortdurend hun leven uit de fontein des levens putten ?
En waarlijk, wij behoeven niet te meenen, dat wij voor ons de aansporing om in den gebede te volharden niet van noode hebben. Er is zooveel, o zooveel, dat ook ons in de verzoeking brengt om van het bidden nu maar niet zoo heel veel werk te maken, en om het aan te houden, nu ja, op de manier zooals men een\' vriend aanhoudt, van wien men welstaanshalve niet goed af kan, maar wiens vriendschap toch wel wat lastig begint te worden; om het zóó aan te houden, dat we er eigenlijk mee hebben opgehouden, zonder het zelf te merken, \'t Druischt zoo geheel en al in tegen den geest van onzen tijd, aan wiens invloed ook wij toch niet ganschelijk kunnen ontkomen. «Het menschelijk geslachtquot;, zegt Renan, «gaat hoe langer hoe minder bidden : want het begrijpt maar al te goed, dat er nog nooit een gebed is opgezonden, dat eenig eftect heeft gesorteerd.quot; Zoo is het inderdaad. En als dat bidden niets anders is dan eene korte razernij: niets anders dan een stukje dweepzucht; niets anders dun een goochelspel van de
105
10(3 VOLHARDEN IN DEN GEUEbK.
verbeelding; niets anders dan een weinig gymnastiek van zwakke hersenen, â waarom zou men dan dat handen-vouwen en oogen-sluiten niet afschaffen, gelijk men toch al zoo veel godsdienstige gewoonten, die de menschen vroeger onmisbaar achtten, naar de rommelkamer van versleten rariteiten verwezen heeft? Daar gaat het werkelijk heen. Voor den geest dezer eeuw is dat onnoozele bidden eene dwaasheid en eene ergernis; eene dwaasheid, waarvoor men nu nog schimplachend de schouders ophaalt en eene ergernis waartegen men straks in felle woede zal ontsteken. En in plaats dat nu de Gemeente juist door dien tegenstand zich tot te vuriger en te krachtiger gebedsijver laat prikkelen, ontkomt zij tocli niet altijd aan het gevaar van zich onwillekeurig en ondanks zich zelve in deze heillooze strooming te laten meevoeren. Franz von Baader, een van de grootste wijsgeeren dezer eeuw, zeide : »de eigenlijke zonde is het nalaten van het gebedquot;. En is \'t niet duidelijk te zien, dat, vooral in onzen tijd, alle zonde zich in die zonde gaat concentreeren ? Zijn wij niet alle uur in perikel om ook in dit opzicht, misschien half onbewust, dei-tegenwoordige wereld gelijkvormig te worden?
Ook onze drukte staat ons in den weg. Het leven eischt zooveel spanning en inspanning dag aan dag. Tijd is geld. Gij hebt zooveel te doen, dat gij er soms een deel van den nacht moet aanknoopen om gedaan te krijgen, en, als gij niet op elke minuut past, dan zult gij noodzakelijk achteraan komen in de groote harddraverij, die de kinderen dezer eeuw hebben
VOLHARDEN IX DEN\' GEBEDE.
geopend, rennende en jagende om toch maai* het doel te bereiken, het doel dat er niet is, waarvan zij tenminste niet weten wat het is en waar het is. En hoe licht kan het nu gebeuren, dat ge u, onder deze omstandigheden, van uw bidden maar zoo gauw mogelijk afmaakt! Pas begonnen, en dan heel schielijk »Amenquot; zeggen, zonder tot Gods Vaderhart te zijn doorgedrongen ! Vandaag iets voor Gods aangezicht neerleggen, morgen misschien ook nog, maar overmorgen al niet meer, omdat hoofd en hart door duizend andere dingen in beslag werden genomen.
Het is bekend wat Luther deed. Hij besteedde gewoonlijk eiken dag een uur aan bijbellectuur en gebed. Eu als hem nu eens bijzonder veel inspanning of buitengewoon veel moeite wachtte, dan nam hij voor dat bidden nog wat meer tijd dan gewoonlijk. Een waagstuk, zegt gij misschien! Zeker, maar kunt gij ooit eene geloofsdaad verrichten, zonder van gewoon standpunt iets te wagen ? En blijkt niet ten sl otte elk waagstuk, in \'t geloof ondernomen, in plaats van een waagstuk, ik zei bijna eene mathematisch zekere overwinning te zijn ? Als gij in den geloove het hier door den hervormer gevolgde beginsel aanvaardt, dan zult gij er tijd door winnen, in plaats van er tijd mee te verliezen. Want wie den tijd verliezen zal ter wille van de eeuwigheid, die zal, in den heerlijksten zin van \'t woord, den tijd vinden. En juist in de volharding des gebeds ligt het geheim van doorzettenden ijver en taaie arbeidskracht. Waarlijk, wij hebben veel te veel te doen om haast te maken.
107
VOLHARDEN IN DKN GEBEDE.
Wij hebben veel te veel te doen om uuk met ons bidden haast te maken.
Eu dan onze traagheid! Onze gevallen natuur brengt mede, dat wij o zoo spoedig, wanneer we op tegenstand stuiten, moedeloos hoofd en hand laten hangen. Eerst iets op touw zetten meteen soort van stuivende geestdrift, en na een paar weken beroofd van allen lust om er eens Hink de schouders onder te plaatsen. Honderd plannen maken tegelijk, en voor niet één van die genoeg zweetdroppels overhebben, om liet tot een goed einde te brengen. En van datzelfde droeve verschijnsel kunnen wij ook in ons gebedsleven maar al te gemakkelijk de duidelijke sporen ontdekken. Waar is de »sainte fureurquot;, de heilige woede, waarin, volgens den edelen St. Martin, bij den nieuwen mensch het bidden behoort over te gaan? Waar is de ontembare passie, die maakt, dat het gebed van een praten met God tot een worstelen met Hem opklimt Waar is de stalen beslistheid, die den Heer toezweert: «ik laat ü niet gaan, tenzi j Gij mij zegent ?quot; Waar zijn de uitverkorenen, die niet alleen des daags, maar ook des nachts, niet enkel des nachts, maar ook des daags tot Hem bidden, en juist door dat volhouden toonen, dat hun bidden waarlijk bidden is ?
Zie, om waarlijk te kunnen volharden in den go-bede moet die geestelooze traagheid, welke in allerlei vormen zoo verraderlijk onze zielen bekruipt, noodzakelijk worden overwonnen. En hoe zullen wij haar kunnen overwinnen ? Heerlijke ongerijmdheid ! Juist
108
VOLHARDEN TN DKN GEBEDK.
door in den gebede te volharden. Als de lust ontbreekt, mogen wij aan die jammerlijke lamlendigheid van ons hart geene gemakkelijke overwinning bezorgen, door te zeggen: nu, \'t geeft toch niets, ik zal mij zelf maar verdere vruchtelooze kwellingen besparen. We moeten die lusteloosheid wegbidden. We moeten onze traagheid met ijzeren vuist aanvatten. We moeten onze eigen weekheid tyranniseeren met geweld. En o als zij bespeurt, dat zij met een\' stalen wil te doen heeft, dan komt spoedig genoeg aan haar de beurt om liet tegen ons op te geven. Ook hier geldt het woord van Thomas a Kempis, dat de gewoonte door de gewoonte moet overwonnen worden ; de slechte gewoonte natuurlijk door de goede.
En dan het uitblijven van de verhooring! God laat soms zoo lang, zou onuitstaanbaar lang op zich w achten. Als gij jaren achtereen eiken avond en eiken morgen smeekt om verlost te worden van een\' doorn in het vleesch, die 11 in \'t verborgen zoo onuitsprekelijk veel pijn veroorzaakt, dat gij het soms moet uitschreeuwen in uwe binnenkamer, en in plaats dat de doorn wordt uitgetrokken, drukt God ze u nog dieper in, alsof llij de gevoelloosheid zelve ware! Als gij met teedere moederliefde en moedertrouw gedu-riglijk bidt om de bekeering van den een of ander, die u na aan \'t harte ligt, en gij ziet dat desondanks de verharding grooter wordt en de onverschilligheid hand over hand toeneemt! Is het dan wonder, dat gij, eindelijk moede, o zoo moede wordt en er toe komt, het in uwe moedeloosheid ten slotte maar op te ge-
100
110 VOLHARDEN IN DEN GEBEDE.
ven ? En toch komt liet dan vooral aan op taaie volharding. Is dat een held, die met vliegende vaandels voortrukt, wanneer de vijand hals over kop wegvlucht voor zijn\' voet ? Is dat niet een held, de man, die van alle kanten in \'t nauw gebracht en omsingeld en teruggedrongen en ten doode toe gegrepen, toch het zwaard in de vuist houdt geklemd en, van zijn goed recht overtuigd, zich blijft verweren tot\'t laatste oogenblik toe ?
Neen, God stelt ons niet te leur. Al geeft Hij de overwinning eerst in het allerlaatste oogenblik. Hij geeft ze toch. De kroon is voor de vermetelen, die niet azen op succes, ook niet op succes voor hun gebed, maar die aan de trouw huns Gods durven vasthouden, ook wanneer het voor hun besef geheel en al tegen dat gebed ingaat; voor de vermetelen, die den wonderen moed hebben van te lachen met de wanhopige slotsommen, door \'t eigen onfeilbaar verstand hun voorgerekend ; voor de vermetelen, die op \'t zelfde oogenblik, dat zij zich de overwinning voelen ontglippen, de dwaasheid aandurven om te zeggen : «ik ben meer dan overwinnaar in Hem, die mij zoo uitnemend heeft liefgehadquot;; voor de vermetelen, die niet kunnen laten op hunnen God te wachten, ook al moesten zij wachten een eeuwigheid lang.
Laat ons dan niet moede worden in het bidden ! Niet moede, terwijl alles rondom zoo moede, zoo onuitsprekelijk moede wordt, moede van het twijfelen en moede van het genieten, moede hoofden en moede harten, eene vermoeide wereld en een ver-
VOLHARDEN IN DEN GEREDE. Ill
moeid Christendom! Wij moeten volharden in den gebede, om n;et moede te worden, ook om niet moede te worden in liet bidden. Want het gaat hier juist andersom dan gewoonlijk. Als wij moede worden van het loopen of van het arbeiden, dan is het omdat wij te veel gearbeid hebben. Als wij moede worden van het bidden, dan is het omdat wij te weinig gebeden hebben.
â i£0 .. J Uy ⢠Ke^k
Deelen in de behoeften der heiligen.
Rom. 12 : 13a.
[ly^aulus beoogt voorzeker een practisch doel, pais hij aan de Christenen te Rome schrijft : «deelt mode tot de behoeften der heiligen.quot; Men heeft zelfs niet zelden beweerd, dat hij hier reeds bepaaldelijk het oog zou gehad hebben op de collecte, door hem gehouden voor de arme geloofsgenooten in de Jerusalemsche moedergemeente, welke hij ook tegen het einde van zijn schrijven ter sprake brengt (Rom. 15 : 20). Maar dit zal toch wel niet zoo wezen. Hij doelt ongetwijfeld op wat de Christenen, niet slechts in een bepaald geval, maar geheel in \'t algemeen op dit punt aan elkander verplicht zijn.
Intusschen is het hem niet zoozeer te doen om de onderlinge mededeelzaamheid zelf, als wel om het
DEELEX TN DE BEHOEFTEN\' DER HEILIGEN. 113
beginsel, waaruit deze dient voort te komen. Zie, men kan ziel\' immers zeer wel beijveren om in de behoeften der geloovigen op allerhande wijzen te helpen voorzien, en zich zoo doende misschien den roem van groote weldadigheid verwerven, zonder dat deze hulpvaardigheid uit een heilig motief ontsproten is, uit eene geestelijke drijfveer, waarop Gods welbehagen rust. Als gij des Zondags bij de openbare godsdienstoefening louter uit gewoonte uw afgepast muntstuk in het kerkezakje werpt; als gij den een of anderen collectant, die zich bij u komt aanmelden, maar schielijk een gulden of een rijksdaalder in de hand duwt, ten einde den praatzieken broeder de deur uit te krijgen; als gij voor eene flinke som teekent op een lijst, u tot ondersteuning van eenigen philanthropi-schen arbeid aangeboden, omdat, nu ja, kom er maar rond voor uit, omdat gij toch niet minder kunt zijn dan Mijnheer A. of Mevrouw R., die ook voorzoo\'n llinke som teekende, dan, in al die gevallen, hebt gij in zekeren zin medegedeeld tot de behoeften der heiligen, en de menschen in wier belang het geschiedde hebben ook wel terdege iets aan de door u verstrekte ondersteuning, maar of gij op deze manier voldaan hebt aan den eisch, hier door den Apostel Paulus de Gemeente voorgehouden, dat is toch nog de vraag.
Als God ii roept tot het bewijzen van liefdadigheid, dan is het Hem niet te doen om uw geld, maar om u zeiven. Hem is het goud en het zilver, en het vee op duizend bergen, en Hij heeft, voorwaar, uwe gewichtige welwillendheid niet noodigom Zijne kin-
8
\'114 DEELEN IX DE BEHOEFTEN DER HEILIGEN.
deren uit den nood te helpen. Maar Hij wil n de eere gunnen een werktuig, een orgaan te zijn van den arbeid Zijner liefde, en u zelf dan meteen daarin de gelegenheid openen om u te oefenen in de godzaligheid en Zijnen grooten Naam te verheerlijken.
Ook den Apostel is het hier om het beginsel te doen. Want hij heeft het, strikt genomen, niet over »mededeelenquot;, dat geschieden kan buiten het hart oin, maar over «deelnemenquot;, deelnemen aan de behoeften der heiligen. En nu gevoelt iedereen toch terstond, dat dit veel dieper gaat, en dat wij hiermede van het gebied der uitwendige verrichtingen op het terrein des innerlijken levens zijn overgebracht.
Als gij deelneemt aan een\' feestelijken maaltijd, dan krijgt gij uw deel mede van wat daar door den gullen gastheer wordt opgedischt; de zaak gaat niet buiten u om, zooals het geval zou zijn geweest, wanneer gij niet tot de genoodigden hadt behoord; de aangeboden spijs wordt uwe spijs, voor zoover gij ze legt op het bord, dat voor u staat, en den wijn, die in uw glas wordt geschonken, hebt ge als uwen wijn te beschouwen: gij zult zelfs bij zoo\'n gelegenheid niet aarzelen, van uiv plaats, mv stoel, mv bord, tav glas te gewagen.
Als gij deelneemt aan eene of andere linancieele onderneming, dan is zij voor een deel uwe onderneming ; \'t is in uw nadeel, als de zaak mislukt en in uw voordeel als er mooi gespeculeerd wordt, en niemand zal van u vergen, dat gij u om den staat van de balans onverschillig zoudt houden.
DEELEX IX T)E BEHOEFTEN DER HEILIGEN. \'115
Welnu, de eisch is, dat wi j in denzelfden trant de behoeften van onze inedegeloovigsn tot de onze zullen maken. Ze geheel en al van hen overnemen, dat kan eenvoudig niet. Maar een deel, ons deel moeten wij daarvan nemen, en wel zoo, dat die behoeften nu voor dat deel zeer bepaald onze eigene behoeften worden, \'t Is niet genoeg ons aan te stellen, alsof \'t onze eigen behoeften werden. Dat zou uitloopen op geveinsd medelijden, op een komediespel van de Christelijke liefde, waarbij die liefde zelf niet meespeelde. Neen, maar even stellig als de pijn, uwen voet aangedaan, uw eigen pijn is, en gij immers ook niet zegt: «mijn voet heeft pijnquot;, maar: »ik heb pijnquot;, zoo dient gij zelf mee te voelen, wat uwe behoeftige broeders en zusters gevoelen; iets van het drukkende, van het vernederende, van het smartelijke, van het gevaarlijke, van zelf aan het ondergaan van die nooddruft verbonden.
En vergeet nu niet, dat al wat gij aan philanthropie en armenzorg en dergelijke dingen doet, den naam van Christelijk niet verdient te dragen, zoolang het niet voortspruit uit deze stille en heilige sympathie, door God in het hart zijner kinderen gewekt. Wat wij weldadigheid plegen te noemen is geenszins eene specifiek Christelijke deugd. Ook onder heidenen en ongeloovigen wordt zij beoefend. En niet zelden gebeurt het, dat zij met te meer pretentieusen ijver wordt gekweekt, naarmate de beginselen van het godsdienstig en zedelijk leven aan het kwijnen raken. Let bijvoorbeeld maar eens op de overdreven groote
110 TIF.KI.KX TX DE BKITOEFTEX PER HKIUGEX.
beteekenis, die in den regel aan het doen van aalmoezen wordt gehecht, overal waar het zedelijk bewustzijn verslapt. Hoe is dat soort van weldoen niet door het latere Jodendom overschat, getuige de menigvuldige uitspraken, welke dienaangaande in de apocriefe boeken des Ouden Testaments voorkomen! Hoe ijverig waren de Farizëers uit Jezus\' dagen in de weer om hiervan een verdienstelijk werk te maken, en dan daarmede te pronken voor de oogen van God en de menschen ! Hoe groot is de rol, die het als middel tot het verwerven van vergilTenis en zaligheid in de Hoom-sche kerk blijft spelen! En hoe vaak gebeurt het niet, dat wij menschen, die geheel en al met kerk en Christendom hebben gebroken, groote sommen zien weggeven, om daardoor in den harren winter den nood hunner arme natuurgenooten te helpen lenigen.
Ik beweer geenszins, dat zoo iets volstrekt geene waarde heeft. Ik zal mij zelfs niet vermeten te onderstellen, dat daarachter geen beginsel van nobe-len aard kan verscholen liggen. Maar ik wensch er enkel op te wijzen, hoe toch uit dergelijke verschijnselen duidelijk blijkt, dat mededeelzaamheid als zoodanig geenszins iets Christelijks zal mogen heeten. Zij wordt dan eerst Christelijk, als zij ontspringt uit de liefde Gods, door Christus in onze harten uitgestort. En dan ontleent zi j ook hare schoone beteekenis niet zoozeer aan wat ze goeds on vriendelijks verricht, als wel aan de heerlijkheid van dat beginsel zelf. Gelijk het woord «aalmoesquot;, door het Christendom in de wereld gebracht, eigenlijk ook niet betee-
DEELEN IN DE BEHOEFTEN DEU HEILIGEN. 117
kent de gift, die men uitreikt, maar het medelijden, de innerlijke erbarming, die van zelf er toe dringt den nooddruftige te hulp te komen. Gelijk Jezus ook niet zegt: «zalig zijn de weldoenersquot; â o, hoe gemakkelijk zouden de rijken dan zalig kunnen worden, en hoe wreedelijk zouden dan de armen van deze zaligheid zijn uitgesloten! â maar: «zalig zijn de harm-hartigenquot;, de barmhartigheid, die Godlof! ook barmhartig zijn kan, terwijl haar de gelegenheid tot weldoen ontbreekt.
Allereerst nu dient deze barmhartigheid zich te richten op hen, die met ons hetzelfde geloof deelachtig werden. Hierdoor zijn de anderen natuurlijk niet uitgesloten. Een Evangelie, dat ons leert zelfs onze vijanden hef te hebben, behoeven wij toch waarlijk niet tegen het verwijt van enghartigheid en bekrompenheid op dit punt te verdedigen. En aan de valsche .loodsche opvatting, die bijvoorbeeld medebracht, dat een Israëliet, die eenen vreemdeling doodde, niet door het Sanhedrin ter dood behoefde te worden gebracht, omdat men een heiden niet als zi jnen naaste had te beschouwen, is door het Kruis gelukkig voor goed de doodsteek gegeven. Maar hiermede zijn toch de natuurlijke grenslijnen niet uitgewischt. De eisch, om alle mensehen even lief te hebben is de ongerijmdheid zelve. Van die menschen is de een ons nabij. Maar de ander is nader bij. En de derde is \'t uaast bij. En wie zijn ons, die gelooven, nu nader bij, dan zij, met wie wij ons één gevoelen in denzelfden Heiland en Zaligmaker ? Met hen vormen wij
118 DEEI.KN IX DE BEHOEFTEN DER HEILIGEN.
ééne familie. Met hen strijden wij denzelfden strijd. Met hen leven wij hetzelfde leven. Met hen hopen wij straks smetteloos rein en voor eeuwig samen te zijn in het Vaderhuis onzes Gods. En zouden wij ons dan mogen aanstellen, zouden wij ons kunnen aanstellen, alsof \'tons niet aanging, wanneer het hun om de eene of andere reden bang werd in deze tegenwoordige wereld ?
En dat nu deze broederlijke deelneming, geboren uit de eenheid des geluofs, zich practisch in mede-deeling openbaart, behoeft nauwelijks herinnerd. Alle liefde is mededeeling. Alle gemeenschapsleven is wederkeerig liefdebetoon. Zooals Paulus aan de Christenen te Galatië te kennen geeft, dat hij, die onderwezen wordt in het Woord, en zoo doende eene kostelooze gave ontvangt, nu ook aan dengene, die hem onderwijst, van alle goederen mededeele (Gal. () : 0). Gelijk liij omtrent de geloovigen te Filippi het vereerend getuigenis aflegt, dat zij, en zij alleen, met hem gemeenschap gehouden hebben tot rekening van uitgaaf en ontvangst (Filipp. 4 : 15), dat wil zeggen : zij stonden met elkander in rekening-courant, \'t was tusschen hen van weerskanten een voortdurend geven en nemen. En zoo zal hij, die waarlijk in da behoeften der heiligen deelt, verre van hen met zalvende troostwoorden af te schepen, doen al wat de hand vindt om te doen, ten einde in die behoeften te helpen voorzien, evenals hij, zoo de dorst hem kwelt, vanzelf de maatregelen neemt, die tut het stillen van dien dorst kunnen leiden.
UKKLKX IN DE BEHOEFTEN\' DER HEILIGEN. 119
Men heeft wel eens de meening uitgesproken, dat iemand, die gebrek lijdt, daardoor blijken zou geen kind van God te wezen, aangezien hem in een ander geval dit pijnlijk lot, naar luid van zooveel kostelijke beloften, toch zeker door \'s Vaders zorgende liefde zou bespaard zijn gebleven. Dit gevoelen wensch ik thans niet te beoordeelen. Maar dat het met het doelen in de behoeften der heiligen in de Gemeente nog lang niet is wat het wezen moet, zal toch wel niemand willen loochenen. Officieel wordt er heel wat gedaan. Maar onder al die roemruchtige Christelijke liefdadigheid kan zou onnoemelijk veel kille liefdeloosheid verscholen zijn. Zooveel ongevoeligheid, die telkens hare goudstukken of hare penningskens neertelt om geen dieper motief, dan omdat \'t in vrome kringen nu eenmaal zoo hoort, en die dit tribuut aan den afgod van den sleur dan nog wel met den weid-schen titel van : «ollerandequot; durft tooien! Zooveel hulpbetoon, waarbij van innige deernis met het lot van den behoeftigen broeder geen schijn of schaduw valt te bespeuren! Zoo menig bezoek aan weduwen en weezen, waarbij het bezoeken, dat is, naar de Schrift, het sympathetiscl i rondzien naar wat zij noodig hebben, geheel en al wordt vergeten ! Zoo weinig besef, dat het eene eere is, ja eene eere, in de behoeften der heiligen te mogen deelen ! Zoo luttel tact om dien stillen nood in de huizen en in de harten te raden, en om de gelegenheden tot het verschafl\'en van hulp te ontdekken, te scheppen, te vermenigvuldigen! Zoo weinig teederheid en kieschheid menigwerf in de wijze,
\'120 DKELEN IN DE BEHOEFTEN DER HEILIGEN.
waarop de weldaad wordt betoond, oneerbiedig, niet als een olïer Gode gewijd, maar als een stuk brood, den honden voorgeworpen! Wij hebben er misschien nog nooit aan gedacht, dat ook onze liefdadigheid tegen ons zon kunnen opstaan in het oordeel. Maalais zij het deed, als zij het doen zal!. .. God moge zich onzer ontfermen !
Aan een fraai heerenhuis belt een bedelkind, en vraagt om een weinig voedsel. En de bewoner treedt juist den marmeren gang in, en geeft den liverei-knecht bevel, het wicht, dat toch werkelijk zoo\'n honger heeft, iets voor te zetten, \'t Arme kind wil zoo maar op de gebraSite spijs aanvallen. Maar mijnheer zegt: meen, neen, eerst bidden!quot; En als de jongen zegt, dat hij niet bidden kan, dat hij ook het «Onze Vaderquot; niet kent, wil de heer des huizes het hem leeren. Hij moet hem de bekende woorden maar netjes nazeggen. «Onze Vader, die in de hemelen zijt,quot; zoo begint de rijke man. En het bedelkind stamelt hem na: «Onze Vader, die in de hemelen zijt.quot; Maar dan zet het een paar groote oogen op. En liet vraagt: «is Hij uw Vader, mijnheer?quot; En \'t antwoord klinkt: «ja.quot; En het vraagt wederom: «is Hij mijn Vader, mijnheer ?quot; En \'t antwoord klinkt opnieuw, «ja zeker, in zekeren zin zijn wij broeders.quot; En dan herneemt het kind verwijtend: «dat kan immers niet, want uwen broeder zoudt gij zulke harde broodkorsten niet voorzetten.quot;
O, die broodkorsten, die broodkorsten, waarvoor wij de menschen willen leeren danken, en waarmede
DEELEN IN DE BEHOEFTEN DER 1IEILIGEX. 121
wij de liefde durven honen ! Waarlijk liet wordt tijd, dat wij (jus zelfs voor onze barmhartigheid beginnen te schamen ! Ook onze broederliefde heeft bekeering van noode. Leert het niet van de menschen, leert het ook niet van de Christenen, wat het is, lief te hebben ; leert liet van Hem, die u in de persoonlijke ervaring Zijner ontfermingen leeren wil, wat barmhartigheid beteekent, die u verlossen wil van de verborgen zelfzucht, waardoor gij verhinderd wordt de behoeften der heiligen tot uwe eigen behoeften te maken.
Ja, de behoeften der heiligen. Eerbied zeg ik u, eerbied voor den mensch, die zich daar in de schemering bij u komt aanmelden, en zoo verlegen zijn pet in de handen frommelt, en dan iets (luistert, iets dat gij verstaan zult als een boodschap Gods, voordat het van zijne lippen komt, als het rechte broeder-hart in uw binnenste klopt. Eerbied voor dien mensch, een heilige, op wiens hoofd straks een kroon van heerlijkheid zal schitteren! Behandel hem, zooals gij uwen Heiland behandelen zoudt. Hem, die in den dag des oordeels immers zal spreken : »wat gij aan een\' van de minste mijner broederen gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan!quot;
En o, als gij het aandurft waarlijk om Christus wil de behoeften uwer broeders en zusters tot uwe eigene te maken, dan zult gij tot de ontdekking komen, dat er nog meer heiligen door de wereld wandelen, dan het schijnt; heiligen, die dan als heiligen aan u openbaar worden, omdat gij ze als heiligen
I 18 DEELEX IN DE BEHOEFTEN DEI! HEILIGEN.
ééne familie. Met hen strijden wij denzeifden strijd. Met hen leven wij hetzelfde leven. Met hen hopen wij straks smetteloos rein en voor eeuwig samen te zijn in het Vaderhuis onzes Gods. En zouden wij ons dan mogen aanstellen, zouden wij ons kunnen aanstellen, alsof quot;t ous niet aanging, wanneer het hun om de eene of andere reden hang werd in deze tegenwoordige wereld ?
En dat nu deze broederlijke deelneming, geboren uit de eenheid des geloofs, zich practisch in mededeel ing openbaart, behoeft nauwelijks herinnerd. Alle liefde is mededeeling. Alle gemeenschapsleven is wederkeerig liefdebetoon. Zooals Paulus aan de Christenen te Galatië te kennen geeft, dat hij, die onderwezen wordt in het Woord, en zoo doende eene kostelooze gave ontvangt, nu ook aan dengene, die hem onderwijst, van alle goederen mededeele (Gal. () : 0). Gelijk hij omtrent de geloovigen te Filippi het vereerend getuigenis atlegt, dat zij, en zij alleen, met hem gemeenschap gehouden hebben tot rekening van uitgaaf en ontvangst (Filipp. 4 : 15), dat wil zeggen : zij stonden met elkander in rekening-courant, \'t was tusschen hen van weerskanten een voortdurend geven en nemen. En zoo zal hij, die waarlijk in de behoeften der heiligen deelt, verre van hen met zalvende troostwoorden af te schepen, doen al wat de hand vindt om te doen, ten einde in die behoeften te helpen voorzien, evenals hij, zoo de dorst hem kwelt, vanzelf de maatregelen neemt, die tot liet stillen van dien dorst kunnen leiden.
DKKI.KX IX DE BEHOEFTEN DER HEILIGEN. 119
Men heeft wel eens de meening uitgesproken, dat iemand, die gebrek lijdt, daardoor blijken zou geen kind van God te wezen, aangezien hem in een ander geval dit pijnlijk lot, naar luid van zooveel kostelijke beloften, toch zeker door \'s Vaders zorgende liefde zou bespaard zijn gebleven. Dit gevoelen wensch ik thans niet te beoordeelen. Maar dat het met het dee-len iu de behoeften der heiligen in de Gemeente nog lang niet is wat het wezen moet, zal toch wel niemand willen loochenen. Officieel wordt er heel wat gedaan. Maar onder al die roemruchtige Christelijke liefdadigheid kan zoo onnoemelijk veel kille liefdeloosheid verscholen zijn. Zooveel ongevoeligheid, die telkens hare goudstukken of hare penningskens neertelt om geen dieper motief, dan omdat \'t in vrome kringen nu eenmaal zoo hoort, en die dit tribuut aan den afgod van den sleur dan nog wel met den weid-schen titel van: «olferandequot; durft tooien! Zooveel hulpbetoon, waarbij van innige deernis met het lot van den behoeftigen broeder geen schijn of schaduw valt te bespeuren ! Zoo menig bezoek aan weduwen en weezen, waarbij het bezoeken, dat is, naar de Schrift, het sympathetisch rondzien naar wat zij noodig hebben, geheel en al wordt vergeten! Zoo weinig besef, dat het eene eere is, ja eene eere, in de behoeften der heiligen te mogen deelen ! Zoo luttel tact om dien stillen nood in de huizen en in de harten te raden, en om de gelegenheden tot het verschaiï\'en van hulp te ontdekken, te scheppen, te vermenigvuldigen! Zoo weinig teederheid en kieschheid menigwerf in de wijze.
120 DKELEN IX DE BEHOEFTEN DER HEILIGEN.
waarop de weldaad wordt betoond, oneerbiedig, niet als een offer Gode gewijd, maar als een stuk brood, den honden voorgeworpen! Wij hebben er misschien nog nooit aan gedacht, dat ook onze liefdadigheid tegen ons zon kunnen opstaan in het oordeel. Maalais zij het deed, als zij het doen zal! ... God moge zich onzer ontfermen!
Aan een fraai heerenhuis belt een bedelkind, en vraagt om een weinig voedsel. En de bewoner treedt juist den marmeren gang in, en geeft den liverei-knecht bevel, het wicht, dat toch werkelijk zoo\'n honger heeft, iets voor te zetten, \'t Arme kind wil zoo maar op de gebrachte spijs aanvallen. Maar mijnheer zegt: «neen, neen, eerst bidden!quot; En als de jongen zegt, dat hij niet bidden kan, dat hij ook het «Onze Vaderquot; niet kent, wil de lieer des huizes het hem leeren. Hij moet hem de bekende woorden maar netjes nazeggen. «Onze Vader, die in de hemelen zijt,quot; zoo begint de rijke man. En liet bedelkind stamelt hem na: «Onze Vader, die in de hemelen zijt.quot; Maar dan zet het een paar groote oogen op. En het vraagt: «is Hij uw Vader, mijnheer?quot; En \'tantwoord klinkt: «ja.quot; En liet vraagt wederom: «is Hij mijn Vader, mijnheer ?quot; En \'t antwoord klinkt opnieuw, «ja zeker, in zekeren zin zijn wij broeders.quot; En dan herneemt het kind verwijtend: «dat kan immers niet, want uwen broeder zoudt gij zulke harde broodkorsten niet voorzetten.quot;
O, die broodkorsten, die broodkorsten, waarvoor wij de menschen willen leeren danken, en waarmede
DEELEN IN DE BEHOEFTEN DER HEILIGEX. 121
wij de liefde durven honen! Waarlijk het wordt tijd, dat wij ons zelfs voor onze barmhartigheid beginnen te schamen ! Ook onze broederliefde heeft bekeering van noode. Leert het niet van de menschen, leert het ook niet van de Christenen, wat het is, lief te hebben ; leert het van Hem, die u in de persoonlijke ervaring Zijner ontfermingen loeren wil, wat barmhartigheid beteekent, die u verlossen wil van de verborgen zelfzucht, waardoor gij verhinderd wordt de behoeften der heiligen tot uwe eigen behoeften te maken.
Ja, de behoeften der heiligen. Eerbied zeg ik u, eerbied voor den mensch, die zich daar in de schemering bij u komt aanmelden, en zoo verlegen zijn pet in de handen frommelt, en dan iets Iluistert, iets dat gij verstaan zult als een boodschap Gods, voordat het van zijne lippen komt, als het rechte broeder-hart in uw binnenste klopt. Eerbied voor dien mensch, een heilige, op wiens hoofd straks een kroon van heerlijkheid zal schitteren! Behandel hem, zooals gij uwen Heiland behandelen zoudt. Hem, die in den dag des oordeels immers zal spreken : »wat gij aan een\' van de minste mijner broederen gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan!quot;
En o, als gij het aandurft waarlijk om Christus wil de behoeften uwer broeders en zusters tot uwe eigene te maken, dan zult gij tot de ontdekking komen, dat er nog meer heiligen door de wereld wandelen, dan het schijnt; heiligen, die dan als heiligen aan u openbaar worden, omdat gij ze als heiligen
122 DEELEN IN DE BEHOEFTEN DER HEILIGEN.
bejegent. Gij zult ondervinden, dat zij op hunne beurt in uwe geestelijke behoeften gaan deelen en uan de vervulling daarvan medewerken, heerlijker, veel heerlijker, dan dat gij met een handvol goud of zilver hun\' tijdelijken nood vermocht te lenigen. Terwijl anders de weldadigheid meestal hem, die ze ontvangt, tot een\' zekeren onwil jegens den weldoener prikkelt, zult gij den band, dien Christus tusschen u en uwen broeder gelegd heeft, door uwe barmhartigheid nauwer toehalen. En middelerwijl zult gij in dezen weg van uw eigen geloof te meer verzekerd worden, want dat wij uit den dood tot het leven zijn overgegaan, we weten het hieraan, dat wij de broeders liefhebben.
Herbergzaamheid.
Rom. 12 : 13b.
e liefde laat zich niet beperken. En ook buiten den kring van vrienden en geestverwanten breidt zij zich zoo ver mogelijk uit. Wel leerden de Joden, dat zij, die tot de heilige natie behoorden, zich niet mochten voegen of gaan bij iemand van een ander volk. En de Talmudisten hielden liet zelfs voor ongeoorloofd hout te gebruiken, dat in een heidensch bosch was gegroeid, of spijze te eten, gekookt op vuur, dat met zulk hout was gestookt. Maar van zulk eene enghartige en farizeesche afscheiding wil het Christendom niets weten. God heeft ons getoond, dat wij geen mensch onheilig of onrein mogen noemen. Als gij eene zon schildert, kunt gij er op het doek eenen lichtkring
1IEUBERGZAA.M1IK1D.
om heen maken, zoo groot, of zoo klein, als ge zelf wilt. Maar wanneer de zon aan den hemel staat en haren vollen gloed op de aarde werpt, om dan eene streep door het zand te willen trekken en te zeggen »zie zoo, nu mag die heerlijke goudglans zich niet verder uitbreiden, dan tot aan de grenslijn door mij hier geteekendquot;, dat is immers de dwaasheid zelve. En zoo gaat het met de liefde ook. Als gij maar doet, alsof gij lief hebt, dan kunt gij u met dien valschen schijn gemakkelijk tot een klein kringetje bepalen. En het is eigenlijk ook maar goed, dat gij u tot zuo\'n klein kringetje bepaalt, want aan dien schijn hebben de anderen toch niets. Maar wanneer gij waarlijk begint lief te hebben, zie, dan stoort die liefde zich aan menschelijke en kerkelijke beperkingen evenmin, als de zonneschijn aan zoo\'n streep door het zand. Daarom laat ook de Apostel op den eisch om in de behoeften der heiligen te deelen, die vermaning omtrent de gastvrijheid volgen. En hij zegt niet, dat wij haar enkel aan de heiligen hebben te betoonen. Zeker komen zij uit den aard der zaak \'teerst in aanmerking. Maar het sympathetisch deelnemen aan wat onze geloofsgenooten bekommert, mag ons niet weerhouden om ook anderen, met wie God ons in aanraking brengt, met de vriendelijkheid der Christelijke liefde te gemoet te komen.
In de oude wereld en vooral in het Oosten stond de deugd der gastvrijheid hoog aangeschreven. Zij was eene der eerste vruchten der ontluikende beschaving. Aangezien er in vroeger eeuw geene sprake
124
HERBRRGZAAMITKIT).
425
was van herbergen en logementen, gelijk wij die tegenwoordig schier allerwegen in de bewoonde wereld aantreffen, zou toen ook liet reizen zoo goed als onmogelijk geweest zijn, wanneer men er niet op luid kunnen rekenen, dat overal in steden en dorpen den vreemdeling eene welwillende ontvangst zon ten deele vallen. En die schoone gewoonte om iedereen, wie \'t ook wezen mocht, gastvrijheid te betoonen, wortelde nitteraard dieper in het volksleven, toen zij onder de wijding van den godsdienst werd geplaatst. Bij de oude Grieken werden alle vreemdelingen voor bijzondere beschermelingen van den oppergod Zeus aangezien. En wie het waagde een\' zijner gunstelingen onheusch te bejegenen, had zich op eene openbaring van zijnen bliksemenden toorn voor te bereiden. Zoodoende werd het een soort van religieuse verplichting, de eischen der gastvrijheid zoo nauwkeurig mogelijk te betrachten. Meldde zich een reiziger aan, dan werd hij terstond binnen genoodigd en vriendelijk welkom geheeten. De slaven schoten toe om hem in het nemen van een bad en t aandoen van andere kleeding behulpzaam te zijn. En alles werd gedaan om den aangekomen vreemdeling zijn verblijf zoo aangenaam mogelijk temaken. De beleefdheid bracht mede, dat men hem eerst nadat hij reeds eenige dagen onder het dak van den gastheer had vertoefd begon te vragen, wie hij was en vanwaar hij kwam. En groot was de vreugde, als men dan vernam, dat hij behoorde tot eene familie, met welke reeds vroeger door het betoonen of ontvangen van gastvrij-
120 HERBERGZAAMHEID.
heid eene zekere betrekking was aangeknoopt. Want zoo iets werd beschouwd als een soort van zedelijk verdrag, als een soort van heilig verbond. In de Ilias van Homerus wordt ons een tooneel geschetst, waarin twee vijanden, Glaucus en Diomedes, in hartstochtelijke woede op elkander aanvliegen; maar in de hitte van \'t gevecht komen zij tot de ontdekking, dat indertijd de vader van den een bij dien van den ander gastvrijheid heeft genoten ; en pas hebben zij zich dat herinnerd, of Diomedes stoot zijne speer in den grond en weigert op grond van die betrekking den kamp voort te zetten. Straks wisselen de beide vechtersbazen van wapenrusting en zij gaan als vrienden van elkander. En uit deze herinnering blijkt dus wel duidelijk, welk eene groote rol de plicht der gastvrijheid in de oude wereld speelde. Later is het natuurlijk anders geworden. Maar in het Oosten wordt deze deugd toch nog algemeen in eere gehouden. Rij de zwervende rooverstammen in de Syrische en Arabische woestijn zoo, dat zij het zelfs niet wagen zullen, hunnen doodsvijand, zoodra hij als gast hunne tent binnentreedt, ook maar een haar van zijn hoofd te krenken.
Het spreekt wel van zelf, dat Israël ook in dit opzicht niet achterbleef. In den Bijbel kunnen wij er nog de sporen van ontdekken, dat ook onder hen de gewoonte bestond om des avonds en des nachts het licht in de tent te laten branden, en zelfs wel op de omliggende hoogten vuren te ontsteken, ten teeken, dat men bereid was, den rondtrekkenden
HERBERGZAAMHEID. \'127
reiziger herberg te verleenen. De Mozaïsche wet gaf uitdrukkelijk het voorschrift: «wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, hij zal u als een inboorling zijn, en gij zult hem liefhebben als ii zeiven, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egyptelandquot; (Lev. 19 : 33, 34), en wederom : »de vreemdeling en de weduwe en de wees, die in uwe poorten zijn, zullen eten en verzadigd worden, opdat de Heer uw God u zegenequot; (Deut. 14:29).
In verband daarmede vinden wij in de geschiedenis van het Israëlitische volk allerlei schoone voorbeelden, waaruit blijkt, hoe men er naar streefde dezen eisch als voor Gods aangezicht te vervullen. De aankomende vreemdeling werd met allerlei eerbewijzen ontvangen ; zijne voeten werden gewasschen en zijne lastdieren verzorgd : aan den maaltijd werd hij niet zelden met geurige zalf overgoten, terwijl men dan de kruik, die den nardus had bevat, als een teeken van hulde voor zijne oogen brak; voor zijne veiligheid werd zorgvuldig gewaakt, en, als hij vertrok, gaf men hem dikwerf een geschenk tot gedachtenis mede of een geleide voor een of meer dagreizen. En uit den heftigen toorn, waarmede de Boanergessen vervuld werden tegen de Samaritanen, omdat zij weigerden den Heer te ontvangen, blijkt wel, hoe ongehoord schandelijk zij het achtten, op die wijze den plicht van herbergzaamheid als met voeten te treden.
Onder die omstandigheden kan het ons dan ook niet verwonderen, dat ook in de Schriften des Nieuwen
11ERRERGZAAMIIEII).
Verbonds telkens op de beoefening van deze deugd ernstig wordt aangedrongen. Een opziener in de Gemeente moet niet alleen wakker zijn en matig en eerbaar, maar ook gaarne herbergende. En van eene vrouw, die tot diakones wenschte te worden aangesteld, diende vooraf te blijken, dat zij ook op deze wijze van haren practischen Christelijken zin getuigenis had gegeven. Het is opmerkelijk, dat hier op het gaarne herbergen zulk een nadruk wordt gelegd. We zouden er haast uit alleiden, dat de welwillendheid op dit punt ook toen al in de Gemeente iets te wenschen overliet. Zoo hooren wij ook den schrijver van den brief aan de Hebreen zijne lezers vermanen, dat zi j toch de herbergzaamheid niet mogen vergeten. En in den eersten brief van Petrus wordt er op aangedrongen, dat de broeders en zusters el kan dei-gastvrijheid moesten betoonen zonder murmureeren. De vervulling van dezen plicht der liefde was trouwens in die dagen van het hoogste belang. Want zij, die om hun geloof vervolgd werden, of van de vijanden des Evangelies eene onvriendelijke bejegening hadden te wachten, moesten er toch op kunnen rekenen, dat zij onder het dak van degenen, die met hen den Zaligmaker beleden, eene veilige en rustige schuilplaats konden vinden.
Met de tijden veranderen de zeden. Wel bleef ook in later tijd de gastvrijheid als eene hoofddeugd dei-kloosterlingen in eere, en wij lezen bijvoorbeeld van Simeon den kluizenaar, dat hij, wanneer hij voor een paar dagen zijne cel moest verlaten, eenen
128
HERBETKiZAAJIHEID.
]20
maaltijd bereidde, de deur van zijn armoedig verblijf liet open staan, en op den dorpel eene geschreven uitnoodiging neerlegde aan eiken vreemdeling, die daar mocht voorbij komen, om vrijelijk van wat er gereed stond gebruik te maken. Wel blijkt uit de geschiedenis der middeleeuwen, dat, vooral in bange tijden, de geloovigen zich ook destijds in dit opzicht ganschelijk niet onbetuigd lieten, en dat ook de ridderschap zich op deze deugd toelegde, ofschoon zij bij deze laatste al spoedig in een ledig ceremonieel ontaardde. Maar bij de tegenwoordige inrichting der maatschappij is de herbergzaamheid als van zelf op den achtergrond geraakt. Dat wij haar zouden beboeren te betrachten in den vorm, zooals zij in Paulus\' dagen in de Gemeente werd beoefend, zal. wel niemand van ons durven vergen. En als wij het voorbeeld van den zoo even genoemden kluizenaar wilden volgen, zouden wij ons ongetwijfeld op zeer zonderlinge ervaringen hebben voor te bereiden. Maar dit neemt niet weg, dat ook voor ons het Apostolisch voorschrift zeer bepaald zijne beteekenis behoudt.
De gastvrijheid rust op den grondslag van het familieleven. In den kring van ons huisgezin trekken wij ons in zekeren zin uit de algemeene gemeenschap terug; wij vormen er eenen kring van rustig en intiem en gezellig samenzijn. Maar zal dat samenzijn niet ontaarden in enghartig en egoïstisch en ziekelijk zich afsluiten, waardoor de zedelijke ontwikkeling van dit familieleven zelf belemmerd wordt, dan dienen wij van tijd tut tijd dien kring ook weer te
*.)
HERBERGZAAMHEID.
130
openen voor anderen, ten einde zoo met de alge-meene gemeenschap voeling te houden. We behoeven ons huis niet tot een liutel in te richten. We mogen het niet doen. Wie liet genot van het familieleven tot algemeen bezit wil maken, heeft daarmede de schoone en heilige beteekenis van dat familieleven op de schromelijkste wijze miskend. Ons huis moet ons te huis blijven, anders kan er ook van gastvrijheid geen sprake meer zijn; en wordt het tot eene herberg, dan is er voor \'t betoonen van Christelijke herbergzaamheid in eigenlijken zin geene gelegenheid meer. Maar als God ons het voorrecht geschonken heeft van een rustig huiselijk leven, dan is die gelegenheid er ook. En \'t komt er maar op aan, dat wij daarvoor de oogen open houden. Paulus zegt: »tracht naar de herbergzaamheidquot;. Eigenlijk: «achtervolgt ze, loopt ze naquot;. Alsof hij zeggen wil: als gij u niet met conscientieusen ijver op deze deugd der Christelijke liefde toelegt, dan zal ze u zeker ontglippen. Uwe zelfzucht en uwe gemakzucht en al dergelijke fraaie hebbelijkheden meer, die u eigen zijn, zullen dan wel zorgen, dat gij u voortreffelijk weet te verontschuldigen telkens, wanneer gij u op deze wijze uwen medemensch waarlijk van dienst zoudt kunnen zijn. Hoe menigeen, die tegenwoordig een eenzaam kamerleven moet leiden en wiens hart gij zoudt kunnen verkwikken, door hem eens aan uwe tafel te noodigen of hem eenen gezelligen Zondagavond te bereiden! Hoe menige zwerveling, die God er voor zou danken, als gij van tijd tot tijd een eenvoudig
HERBERGZAAMHEID.
profetenkamerken tot zijne beschikking steldet! Vooral de geloovige vrouw kan, als zij wil, met haar fijnen tact en haren aanleg tot gezelligheid in dit opzicht zoo onuitsprekelijk veel zegen verspreiden. Maar dan moet ook de overdreven weelde met al hare dwaasheden en eigenzinnigheden er onverbiddelijk aangeloo-ven; want als de weelde de voordeur van eene woning inkomt, dan gaat meestal de gastvrijheid de achterdeur uit. liet komt ook hier allereerst aan op de liefde, üe gastvrijheid is eene zaak niet van uwe beurs, maar van uw hart. Gelijk ook het woord, daarvoor in de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament gebezigd, eigenlijk beteekent: «liefde voor den vreemdeling.quot; En die liefde hangt immers niet hiervan af, of gij uwen gast een aantal fijne gerechten kunt voorzetten, en of gij een rijk gedrapeerde logeerkamer te zijner beschikking kunt stellen.
Vergeet dus de herbergzaamheid niet, want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. Zoo staat er geschreven. Dat laatste woord ziet op \'t bezoek van de engelen aan Abraham gebracht, in den lommer van Mamre\'s eiken. En \'t behoudt nog altijd zijne heerlijke beteekenis. Want al zou ik u kunnen vertellen van menschen, die niet lang geleden in een Christelijk gezin ergens in ons vaderland gulle gastvrijheid genoten en die later tot eene soort van afzettersbende bleken te behooren, \'t kan toch ook nog wel gebeuren, dat gij iemand onder uw dak krijgt, met het oog op wien de Heiland later zal zeggen: «ik was een vreemdeling en gij hebt mij
131
HERBERGZAAMHEID.
geherbergdquot;! Hebt gij nooit eenen zegen ontvangen, een\' frisschen zegen des Geestes, van den een\' of ander, die bij n logeerde, en n zulke vriendelijke herinneringen heeft nagelaten ? Is \'t u nooit overkomen, dat iemand eens loskwam, gelijk men \'t noemt, als gij \'s avonds in uwe kamer rustig met hem zat te praten, en hij n een\' blik gunde in een hurt, dat gij zoodoende voor goed hebt liefgekregen ? O, er zijn nog wel meer engelen onder de menschen, dan het zoo lijkt. Als gij maar met uwe deur ook uw hart voor hen opent, dan zal God u ook in dit opzicht de schoonste en liefelijkste verrassingen bereiden. De Rabbijnen zeggen: «een gast krijgt den eersten dag: gevogelte; den tweeden dag: visch; den derden dag : rundvleesch; den vierden dag: kool; en den vijfden dag : niets.quot; Zoo doet misschien de herbergzaamheid, waaraan de liefde ontbreekt. Maar de gastvrijheid der Christelijke liefde handelt liever naar den wonder-schoonen regel van de bruiloft te Kana: eerst het goede en dan het betere. Want de liefde wordt door het liefhebben altijd grooter. En zij kan niet nalaten het allerbeste, dat is, zich zelve te geven. En zij voelt hoe langer hoe duidelijker, dat er voor een mensch hier op aarde toch eigenlijk geen gewichtiger bezigheid is, dan die, welke hierin bestaat, dat men zich de moeite geeft aan de kleinen, om hunnen naam van discipel, eenen beker koud water te reiken.
Niet vervloeken, maar zegenen.
Eom. 12 : 14.
;lt% is eenc schoone opklimming in de reeks j-fvixn vermaningen, uns hier door den Apostel omtrent het practisch liefdebetoon ten beste gegeven. De kring breidt zich al verder en verder nit. Eerst worden wij opgewekt om te deelen in de behoeften van lien, met wie wij ons nanw verbonden gevoelen in de eenheid des geloofs. Daarna om gastvrijheid te bewijzen, niet slechts aan de heiligen, ook aan anderen. En nu vestigt hij de aandacht op hen, die evenmin tot de eerste als tot de tweede kategorie behooren. Behalve met geestverwanten en vreemdelingen krijgen we in deze booze wereld toch ook van tijd tot tijd te doen met menschen, die ons kwalijk gezind zijn, en ons van deze slechte gezind-
134 NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN.
heid op soms o zoo pijnlijke wijze blijk geven. Hoe behooren wij ons met betrekking tot zulke personen te gedragen ? Ook in de houding, die wij tegenover hen aannemen, moet de kracht en de heerlijkheid van ons Christelijk levensbeginsel zeer bepaald uitkomen. Paulus spreekt er van op een wijze, die ons duidelijk herinnert aan wat door Jezus zeiven, volgens de bergrede, hieromtrent is gezegd. Ook uit andere plaatsen blijkt, dat de Apostel bekend is geweest met woorden, die van des Heeren lippen gekomen waren, en die aanvankelijk door de mondelinge overlevering in de Gemeente zijn bewaard gebleven. Hiervan kunnen wij bijvoorbeeld nog in Rom. 2:19, 1 Cor. 4:12, l Cor. 7:10, 1 Cor. (5:7 en elders de sporen ontdekken. En zoo sluit hij zich dan ook op dit punt volkomen bij des Meesters eigen opvatting aan. Hij doet dit bovendien met bijzonderen nadruk. Had hij in dit verband tot nu toe in het oorspronkelijk de aantoonende wijs gebruikt «deelnemenquot; in de behoeften der heiligen, «trachtenquot; naar gastvrijheid, evenals â vergeef mij de familiare vergelijking â de conducteur bij het vertrek van den trein eenvoudig roept «instappen!quot; wetende, dat de reizigers, die mee willen, dan verder geene aansporing behoeven om zich overeenkomstig dien wenk te gedragen, nu bezigt hij de gebiedende wijs. \'t Is alsof hij gevoelt, dat zijne lezers in dit opzicht aan zoon bluote aanduiding niet genoeg hebben. Hier is een bepaald bevel noodig, in krassen vorm. Hier komt het aan op eene daad van zedelijke veerkracht en
NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN\'.
zedelijke wilskracht. Als er liefde in iemands hart woont, och dan gaat dat deelen in de behoeften zijner geloofsgenooten en dat betoonen van gastvrijheid schier van zelf. Buitengewone inspanning is er tenminste niet toe noodig. Maar om zich tegenover vijanden op de rechte wijze te gedragen, zooals een\' Christen past, daarbij is het een onmisbaar vereischte met onverbiddelijke gestrengheid tegenover zich zei-ven te werk te gaan. Zonder kloeke zelf beheersching kan het eenvoudig niet. \'t Is zoo natuurlijk, quot;t spreekt zoo bijna van zelf, dat wij ons door de vervolgingen ons aangedaan tot wrevel en bitterheid, tot scherpe woorden en wraakzuchtige daden laten prikkelen. En om nu daartegen in te gaan, om nu over al de slechte gewaarwordingen, die bij zoo\'n gelegenheid uit ons hart opkomen, de overwinning te behalen, dat is geene kleinigheid voorwaar. Daarom gebruikt de Apostel hier sterker aandrang, dan in de voorafgaande gevallen. Om dezelfde reden herhaalt hij zijne vermaning in negatieven vorm. «Zegent, die u vervolgenquot;, zoo klinkt het. En dan nog eens weer: «zegent en vervloekt nietquot;.
»Niet vervloekenquot;. Natuurlijk hebben we hier niet maar aan het terughouden van ruwe, gemeene ver-wenschingen te denken. In dat geval zouden de kijvende vrouwen op de vischmarkt en de vechtende jonge klanten in de herberg al haast de eenigen zijn, die zich aan dat euvel schuldig maakten. Er is een woord gebruikt, dat in algemeenen zin betee-kent; «iemand iets kwaads toewenschen.quot; Eu nu
135
NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN.
verstaat toch iedereen terstond, dat wij dit o zoo best kunnen doen, zonder dat daarbij kwetsende, honende taal wordt uitgeslagen. Als gij door een uwer huisgenooten onbillijk bejegend wordt en daarop een gesprek volgt, waarin de vorm van uitwendige beleefdheid ternauwernood wordt geschonden, doch waarvan de hatelijke toon en de venijnige woordenkeus duidelijk genoeg een boos humeur verraden ; als gij u verkneukelt in de gelegenheid om uw\' tegenstander eens eenen Hinken steek onder water te geven; als gij bij de hand genoeg zijt om iemand, aan wien gij persoonlijk een hekel hebt, haast ongemerkt, bij een ander, die hem tot nu toe vertrouwde, in een kwaad blaadje te brengen; als daar diep, heel diep in uw hart de hope schuilt, dat aan den mensch, die u zoo schandelijk bejegende, het u aangedane kwaad toch nog eens betaald moge gezet worden ; als gij er u o maar heel eventjes in verblijdt, wanneer dit werkelijk gebeurt, .... zijt gij dan niet reeds afgedwaald op hetzelfde spoor, waarvan Paul us verklaart, dat het door Gods kinderen niet mag worden betreden ?
En indien wij het zoover hadden gebracht, dat er geen zweem van deze zonde in onze zielen ware overgebleven, zouden wij bovendien in dit opzicht liet doel niet hebben bereikt. Het Christelijk leven bestaat niet slechts hierin, dat wij iets laten. Het bestaat hierin, dat wij het verkeerde nalaten en, in plaats daarvan, het goede doen. En dat is ook hier liet geval. Wij worden geroepen hen, die ons ver-
NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN.
137
volgen, te «zegenenquot;. En dat wil natuurlijk niet zeggen, dat wij over degenen, die ons kwalijk bejegenen, heel plechtig de handen moeten opheffen, en eene zalvende zegenbede uitspreken. In de meeste gevallen zou dit, naar ik vermoed, zeer nadeelig werken en de vijandschap nog sterker prikkelen. De zaak is deze, dat wij dengenen, die ons kwaad doen, het goede toebidden, werkelijk voor hen van God het goede verlangen. Dit behoeft niet altijd met woorden te geschieden, \'t Komt aan op wat er te hunnen opzichte in ons hart omgaat. De slechte bejegening, ons door hen aangedaan, moet dit bij ons teweeg brengen, dat wij opzettelijk met het oog op hen ons afzonderen en bepaald voor hen onze bede tot den troon onzes Gods opzenden. En daardoor zul van zelf de houding, welke wij tegenover hen aannemen, ook practisch geheel anders worden. Het is u zedelijk onmogelijk den vijand, voor wien gij des ochtends in oprechtheid gebeden hebt, in den loop van den dag, als gij met hem in aanraking komt, liefdeloos te bejegenen. Gij zult hem zien in een ander licht, in het licht der barmhartigheid Gods, het licht waarin uwe liefde hem had geplaatst. Gij zult veel minder hatelijks in hem ontwaren dan anders het geval wezen zou, want om het goede in een mensch te leeren waardeeren, is er geen probater middel dan dit, dat men voor hem bidt. Gij zult zeker de gelegenheid zoeken en misschien de gelegenheid vinden, om hem door een vriendelijk woord of door eene welwillende behandeling te too-
138 NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN.
nen, dat gij van uwen kant niet maar doet, alsof gij het goed met hem meent, maar werkelijk geen haat jegens hem koestert. Daarin ligt in beginsel reeds de overwinning. Want de liefde overwint.
En daaruit vloeit dan ook van zelf voort, dat die liefde uitkomt in de wijze, waarop gij u tegenover anderen aangaande hem uitlaat. Geen slechter gewoonte, geen onchristelijker gewoonte, dan dat wij u zoo lief doen als rle tegenstander zelf er bij is, en dan toch ons niet schamen om achter zijn\' rug van hem kwaad te spreken. De uitdrukking, door Paulus in \'t oorspronkelijk voor ons woord «zegenenquot; gebruikt, beteekent eigenlijk: »goed van iemand sprekenquot;. Daarin ligt, als ik mij niet bedrieg, een kostelijke wenk. Goethe heeft reeds verklaard, dat niemand zich grooter voordeel kan berokkenen, dan door de verdiensten van zijnen vijand te erkennen. Maar als wij eens den regel volgden: bij degenen, die ons kwaad doen, vóór alle dingen het goede op te zoeken en het zoo op te zoeken, dat wij het vonden ook; dat goede onbewimpeld en eerlijk te erkennen, het zoo ten volle te erkennen, dat daardoor\'t kwade, bij hen ontdekt, voor ons besef geheel in de schaduw kwam; als wij eens de standvastige gewoonte aannamen om, niet van onze vrienden, maar allereerst van onze vijanden eerlijk, eenvoudig, welgemeend, iets goeds te vertellen, zou dat «zegenen,quot; waarover Paulus hier handelt, in de tegenwoordige wereld niet wat minder onbekend zijn, dan thans het geval is ?
De gelegenheid om ons in dit opzicht te oefenen
NIKT VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN. 139
behoeven wij niet ver te zoeken. Paul us acht het niet noodig tot de leden der Gemeente te Rome onder-stellenderwijze te spreken: «indienquot; het eens gebeurde, dat gij vervolgd werdt, doet dan zoo en zoo. Aan de wijze, waarop hij zich uitdrukt, kunnen wij duidelijk merken, dat, volgens hem, aan het Christen zijn het ondervinden van vervolging noodzakelijk verbonden is. In die dagen sprak het van zelf, dat een oprecht belijder van het Evangelie door de menscben kwalijk bejegend werd. En, ofschoon men ons niet meer met beulenzwaard of brandstapel dreigt, spreekt dat eigenlijk nu ook nog van zelf. Even stellig als vriendschap met de wereld vijandschap is tegen God, even stellig komt vriendschap met God ons in den een\' of anderen vorm op vijandschap van den kant der wereld te staan. Smartelijke ervaring! Gelukkige ervaring ook! Maar zou niet voor een goed deel de veelszins onchristelijke houding, die wij gemeenlijk tegenover onze vijanden aannemen, hier vandaan komen dat wij niet door ons geloof, maar door eigen gebreken en verkeerdheden hunne vijandschap hebben gewekt ? \'t Is zeker niet gemakkelijk den mensch, die ons om Gods wil kwaad doet, van harte te zegenen. Maar \'t is dubbel moeilijk dit te doen, wanneer wij die vervolging door onzen hoogmoed en onze liefdeloosheid hebben wakker geroepen, want in dit geval zullen we eerst ons zeiven moeten veroordeelen, voordat er van zegenen sprake zal kunnen zijn. Als wij deze les van Paulus ernstig opvatten, dan zullen wij tot de ontdekking komen, dat de vijandschap, welke wij
1111 NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN.
van de menschen ondervinden, voor het grootste gedeelte van dien aard is, dat wij, wel verre van recht te hebben om er ons over te beklagen, reden hebben er God vergeving voor te vragen. En ook tot de ontdekking, dat velen, die wij met een boos oog voor vijanden aanzien, liet in werkelijkheid volstrekt niet zijn, maar alleen door ons in onze ijdelheid zoo beschouwd worden, omdat hunne overtuiging en individualiteit van de onze verschilt, of omdat zij zich om des gewetens wil tegen ons streven verzetten, of omdat zij ons de waarheid zeggen, misschien.
»De hand, die u leed doet, moet gij met parelen bestrooienquot;, zoo werd reeds in de heidenwereld gesproken. Maar hoe onverantwoordelijk is het dan als wij. Christenen, misschien o zoo sterk in dogmatische bekrompenheid en kerkelijke onverdraagzaamheid, van dat «niet vloeken, maar zegenen», zoo weinig werk maken! Hoeveel van onze vijanden hebben wij reeds gewonnen door onze liefde? Hoe vaak hebben wij den laster, dien deze of gene van ons uitstrooide, beloond met het streven urn nu voortaan bepaald van dien lasteraar zooveel mogelijk goed te vertellen ? Hoe menigmaal hebben wij den toorn van iemand, die in een onbewaakt oogenblik in drift tegen ons opvloog, ontwapend door iets innigers en iets diepers voor hem te voelen, dan een oogenblik te voren? Ik weet, dat hier groote zelfbeheersching noodig is. En dat het ons veel gemakkelijker valt over deze dingen mooi te praten, dan ze in werkelijkheid te doen. Denkt maar aan
NIET VERVLOEKEN\', MAAR ZEGENEN.
den redenaar die in een geleerd genootschap eene verhandeling over de zelf beheerschlng zon honden en aldus sprak: «De zelfbeheersching, mijneHeeren â och! doe daar die deur toe â de zelfbeheersching, mijne Heeren, is eene deugd, die â och ! doe daar dan toch in vredesnaam die deur toe â ik zeg, mijne Heeren, dat de zelfbeheersching eene deugd is, die voor ons allen â wat drommel, doe daar dan toch eindelijk die deur toe«, enz. Maar in de schooi van Christus kunnen wij het met ernstige oefening toch wel verder brengen, dan wij het tot nu toe gebracht hebben. Ik vergeet niet, dat liet soms o zoo moeilijk valt onverbiddelijk streng te zijn tegen de zonde en tevens tegen den zondaar grenzenloos zachtmoedig, twee dingen, die moeten samengaan, omdat heilige verontwaardiging de keerzijde vormt van mannelijk vergeven. Ma ar achter Hem, die altijd de verkeerdheid des menschen gevloekt heeft, zonderden mensch zei ven te vloeken en die altijd den mensch gezegend heeft zonder in een enkel opzicht zijne verkeerdheid te zegenen, achter Hem behoeven wij toch niet te wanhopen aan het verkrijgen van \'t geestelijk vermogen om deze lijne en scherpe onderscheiding goed te leeren maken.
Ach, we richten zulk een groot kwaad aan met onze scherpe zetten en onze kleine wraaknemingen! Kwaad jegens hen, op wie deze liefdeloosheden gemunt zijn, en wien wij zoodoende zulk een\' slechten, slechten indruk geven van liet Christendom en dus van Christus zei ven. Kwaad jegens ons zei ven; want
141
442
evenals iemand, die een handvol asch tegen den wind in strooit, ondervindt, dat die asch hem zeiven in het aangezicht vliegt, zoo valt de vloek, dien wij in stilte, den een of anderen mensch achterna slingeren, terug op ons eigen hart, dat dan beroofd wordt van den vrede Gods en zich misschien o zoo lang gedrukt gevoelt, zonder dat wij bespeuren waaraan het toch eigenlijk hapert. Liefdeloosheid en ongeloof gaan ook hier hand aan hand. Als wij vast staan in de overtuiging, dat ook onze machtigste tegenstanders toch slechts instrumenten zijn in de hand onzes Gods, en dat het kwaad, ons door hen aangedaan, ons bepaald van Hem toekomt, gelijk in den 22sten Psalm de vrome \'t eene oogenblik zegt, dat de vijanden hem omringen als sterke stieren van Basan, en tegen hem den mond opsperren als een verscheurende, een brullende leeuw; terwijl hij \'t andere oogenblik verklaart : «Gij, mijn God, legt mij in \'t stof des doods,quot; als wij in die overtuiging vast staan, dan vervalt daarmede van zelf alle reden om kwaad met kwaad te vergelden, aangezien wij, op de wijze van .Tozef, dat kwade als iets goeds hebben leeren kennen en waardeeren.
En omgekeerd wordt door ztdk liefdebetoon als hier is bedoeld het geloof versterkt. Hoe meer gij uwe vijanden van harte zegent, des te minder zult gij hen vreezen en des te stelliger er van overtuigd worden, dat zij inderdaad niets tegen n vermogen. Liefhebben is: overwinnen. Terwijl in den Bijbel, naar ik meen, geene bepaalde aansporing te vinden is om
NIET VERVLOEKEN, MAAR ZEGENEN.
143
onze vrienden te zegenen, worden wij wel uitdrukkelijk opgewekt om dat te doen ten opzichte van onze vijanden. Zeker omdat het eerste van zelf spreekt. Maar zou het ook niet zijn, omdat in dat laatste zulk eene bijzonder goede gelegenheid geopend is, om ons zeiven te oefenen in de godzaligheid, om den natuurlijken hoogmoed te overwinnen, om onze eigenliefde te dooden, om den naaste te helpen strijden tegen wat hem verderft, om Gods heerlijke vergevende liefde te openbaren in deze wereld ? Laat ons dan van deze goede gelegenheid een goed gebruik maken!
Met de blijden blijde zijn.
rom. 12 : 15a.
v^rafOe flieper wij in liet geestelijk leven wor-â¢S den ingeleid, des te beter leeren wij de blijdschap als een onmisbaar bestanddeel van dat leven waardeeren. Wij gevoelen, dat bet toch o zoo\'n heilige, heilige plicht is ons onafgebroken te verhevigen in onzen God. Wij ervaren, dat zonder die blijdschap ons geloof zich niet kan ontwikkelen in volle kracht. En steeds meer van harte geven wij den Hervormer gelijk, als hij op zijne krasse manier verzekert, dat de zwaarmoedigheid van den duivel komt, van den duivel, die ons geen enkel gelukkig oogen-blik gunt, en zoo best weet, dat Gods kinderen den Vader \'t meest kunnen verheerlijken, wanneer zij zich waarlijk gelukkig gevoelen.
I.
MET DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN. 145
Maar, zult gij zeggen, mijn vriendelijke lezer, juist in dien eisch om zich gelukkig te gevoelen zit de groote moeielijkheid. \'t Schijnt haast onmenschelijk zoo iets te vergen tegenover de tallooze bezwaren, waarmee wij in dit leven te worstelen hebben. Er is zooveel, dat ons onwillekeurig in eene gedrukte stemming brengt. Er is zoo weinig, dat ons opwekt en ons in staat stelt om onzen pelgrimstocht voort te zetten met een\' glimlach in de ziel.
Kom, dat meent gij niet. Dat moogt ge niet meenen. Zoo\'n klacht bevat eigenlijk eene aanklacht tegenover God, die een\' zondaar toch niet verlost voor zijn verdriet, en immers de ziel Zijner kinderen voortdurend wil omringen met vroolijke psalmen der bevrijding. \'t Ligt eenvoudig aan u, aan uwe verkeerde opvatting. Voor uw gevoel zijt ge nu misschien in de woestijn. Doch als ge nu maar over een paar heldere, eenvoudige kindemogen te beschikken krijgt en over een echt kinderhart, en dan goed uit die oogen kijkt, â want een mensch ziet eigenlijk niet met zijne oogen, en ook niet, zooals de geleerden zeggen, met zijne hersens, maar met zijn hart â zie, dan komt gij tot de ontdekking, dat het in werkelijkheid zoo heel anders is. Hier staat een palmboom, een groene frissche palmboom, en daar een, en ginds nog een, en iets verder weer een, en als gij scherp rondkijkt, dan ontwaart gij er zooveel, dat gij de poging om ze te tellen ten lange leste wel opgeven moet. En de fonteinen, van welker gedruisch gij zooeven in uwe knorrige, onkinderlijke stemming niets merktet, ze
!
10
MKT DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN.
klaat\'ren rondom u ecu vroolijk lied, en ze spelen voor uw\' verrukten blik met heur zilveren golfkens een vroolijk sped, zoo vroolijk, dat ge u haast uit het woestijnzand verplaatst waant in een paradijs.
Op eene van die vreugdebronnen, door ons zoo menigkeer voorbijgezien en toch door God zeer bepaald bestemd om ons levensgeluk aanmerkelijk te verhoo-gen, mag ik u, naar \'t voorbeeld van Paulus, wel even wijzen, in de hoop, dat gij haar dan voortaan met wat minder ondankbaarheid en achteloosheid behandelen moogt.
Ik bedoel: de blijdschap van anderen. Er zijn gelukkige menschen om u heen. Er gaat geen dag voorbij, waarop liet u ten eenenmale ontbreekt aan de gelegenheid, om uw oog op een vriendelijk gelaat te laten rusten. Huppelde niet juist daareven op straat een dartel kind vlak langs u heen, met een paar oogen als zonneschijn zoo helder en zoo vroolijk, alsof er in de heele wereld geen enkele schaduw van schuld en ellende te ontdekken ware ? Hebt gij niet nog pas van morgen een\' brief gekregen, waarin u iets bijzonder gelukkigs uit den kring van uwe familie of kennissen werd gemeld? Zult gij niet zoo meteen in aanraking komen met iemand, wien gij terstond afvoelt, dat er in zijn binnenste iets tintelt, waardoor zijne stemming verhelderd is en opgewekt?
Welnu dan, deze dingen gelden u zeer bepaald. God heeft er de bestemming in gelegd u de rimpels van het voorhoofd te helpen vegen. En nu komt het er op aan, dat gij aanneemt, wat 11 ij u hierin aan-
146
MKT DE BLIJDEN lü.I.IDE ZIJN.
biedt. Als gij het beneden uwe waardigheid acht in de kille verhevenheid van nwen somberen ernst notitie te nemen van \'t kind, dat u daar op straat zoo vroo-lijk voorbij dartelt; als gij n van de goede tijding, die tot u kwam, in der haast afmaakt door maar gauw een kaartje, met »p. f.quot; er op, in de bus te stoppen, terwijl gij, bij het schrijven van die letters bijna evenveel gevoelt als het karton, waarop zij komen te staan: als gij, bij de ontmoeting met dien feestelijk gestemden inensch, onverschillig blijft en onaandoenlijk en kond en n half jaloersch van hem afkeert met de verzuchting, dat voor anderen het leven toch maar heel wat fleuriger schijnt te zijn dan voor u.... natuurlijk, ondankbare brompot, die gij zijt, dan hebt gij terstond weer bedorven, wat Gods teedere liefde u zoo vriendelijk had bereid.
Neem toch den tijd om aan dien zachten glans van blijmoedigheid, die uit een ander menschenhart u tegenlicht, uwe opmerkzaamheid te wijden. Plaats n zeiven in dien gloed. Laat er u door verkwikken en koesteren. Verdiep u in het geluk, waarin uw mede-mensch zich verblijdt. Zorg dat het indruk op u maakt. Houd dien indruk vast. Geef er u aan over. En o dan zult ge ondervinden, dat gij dit niet doen kunt, zonder iets te ontvangen, iets dat uw eigen levensgeluk in geene geringe mate verhoogt.
Van vreeze, dat gij zoodoende de blijdschap dei-anderen zult benadeelen behoeft hier geen sprake te zijn. Integendeel, terwijl gij in dit opzicht neemt door te geven, geeft gij door te nemen. Door de blijd-
147
1 48 MET DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN.
schap van uwen medemensch tot uwe persoonlijke blijdschap te maken, werkt gij tot vermeerdering van de zijne mee. Een eigenaardig soort van diefstal, zei ik bijna, waardoor de bestolene rijker in plaats van armer wordt, en waarvoor niemand u dankbaarder is dan de bestolene zelf. Immers \'tis nu eenmaal een karaktertrek van de menschelijke natuur, dat zij niet gelukkig kan zijn, zonder terstond behoefte er aan te gevoelen, dat anderen in haar geluk deelen. Is dat liefde, liefde, die zegt: «ik wil niet genieten, zonder ook aan die anderen een\' zegen van dat genot te verschaffenquot; ? Of is het egoïsme, egoïsme, dat verklaart: «aan mijn eigen geluk heb ik nog niet genoeg, en nu moeten die anderen mij het helpen vergrootenquot;? Ik weet het niet. liet doet ook voor ons op\'toogen-blik niets ter zake. De behoefte is er.... «Hoe meer zielen, hoe meer vreugdequot;, zegt het spreekwoord terecht. Als gij het kind met een stuk speelgoed verrast, heeft het nauwelijks den tijd om u fatsoenlijk te bedanken, zóó sterk is de drang om het aan moeder te gaan vertellen, om aan zijne kameraadjes te laten zien wat voor moois het gekregen heeft. Verbeeld u een bruidegom, in zijn ééntje bruiloft vie-rende! Hoe pijnlijk doet het ons aan, wanneer wij, verrukt over de schoonheid van de natuur of over de heerlijkheid van eenig voortbrengsel der kunst, die verrukking aan niemand kunnen mededeelen, of, bij eene poging om dit te doen, bespeuren, dat de persoon, op wiens medegevoel wij een beroep deden voor wat ons in vlam zette, ten eenenmale onaandoenlijk
MET DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN. 449
bleef! Hoe natuurlijk vinden wij het, dat de herder, die zijn verloren schaap heeft teruggevonden, zijne vrienden en geburen samenroept en tot hen zegt: »Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren wasquot;!
En van den anderen kant is er in ons menschen, eenvoudig omdat wij tot God en dus tot liefhebben geschapen zijn, toch nog wel iets overgebleven van een\' zekeren drang om ons in het geluk van de anderen te verblijden, gelijk in het huisgezin, wanneer de verhouding niet al te slecht is, de vreugde van \'t eene kind zich aan het hart van broeders en zusters, in meerdere of mindere mate, als vanzelf mededeelt. Als Christenen mogen wij ons echter met dit natuurlijk medegevoel, dat met allerlei goddeloosheid en liefdeloosheid kan samengaan, niet tevreden stellen. Het moet gelouterd en tot zedelijke waarheid gebracht worden. Het moet voor ons de uitdrukking worden niet slechts van werkelijke liefde, maar van de Christelijke liefde, dat is, van de liefde, die op Gods liefde rust en van Gods liefde leeft. Bij Paulus zeiven zien wij dit bijvoorbeeld duidelijk uitkomen. Het medegevoelen met de broeders en zusters in de Gemeente vloeit, volgens hem, hieruit voort, dat zij allen leden zijn van het lichaam van Christus. Hieruit volgt niet alleen dat, als één lid lijdt, al de leden mede lijden, maar ook, dat, als één lid verheerlijkt (geëerd) wordt, al de leden zich mede verblijden (1 Cor. 12:26). In Christus, hun Hoofd, hebben de geloovigen alles, dus ouk hunne vreugde gemeen. Als Paulus zich verblijdt.
150 MET DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN.
verblijdt hij zich met de anderen. En hij wil dat ook die anderen zich niet slechts verblijden, maar zich wederkeerig verblijden met hem (Filipp. 2 : 18).
Alles komt hier maar aan op het liefhebben in der daad en waarheid. Waar dit ontbreekt, kan van het echte zich verblijden met der blijden blijdschap geen sprake zijn. Veeleer prikkelt dan deze blijdschap tot bitterheid, tut jaloerschheid, tot verdriet. Denkt aan den oudsten zoon uit de gelijkenis, wiens akelige liefdeloosheid maakt, dat bet geluk van de anderen hem ongelukkig maakt, en die te dieper in den wrevel van zijn eigen hart gaat wroeten, naarmate in de feestzaal de vreugde over zijns broeders terugkeer klimt. Afschrikwekkende liguur! Laten we ons van hare afschuwelijkheid maar telkens en diep doordringen. Maar daarbij niet vergeten, dat ook in ons binnenste de kiemen van dezelfde zonde schuilen en zich wie weet hoe voorspoedig ontwikkelen, \'t Kan ons toch ook soms zoo moeilijk val len bij anderen de zon in het water te zien schijnen, vooral wanneer we zelf in het donker zitten te mokken en te pruilen. Met de weenenden te gaan zitten weenen, nu ja, dat gaat nog. Maar om met de blijden ons eerlijk en van zelf en van heeler harte te verblijden .... zon er geen waarheid schuilen in de bewering van den beroemden schrijver, die verklaarde, dat men voor het eerste slechts een mensch, maar dat men voor het tweede een engel moet zijn\'?
In elk geval mogen wij ons niet ontslagen achten van de roeping, om naar dat ideaal uit alle macht
MKT DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN.
te streven. Voor de liefde is niets te hoog of te wonderbaar. Als wij maar onverbiddelijk aan elke zelfzuchtige gewaarwording den doodverklaren! Als wij er maar wezenlijk toe komen ons eigen «ikquot; niet mee te rekenen! Als wij ons zeiven maar zóó leeren vergeten, dat wij bij het zien van anderer geluk uitsluitend aan dat geluk denken, zonder te vragen wat ons daartegenover ontbreekt! Zal \'tgoed wezen dan moet dat als vanzelf gaan. Wie bij \'t aanschouwen van iemands vreugde noodig heeft tot zich zelf te zeggen: »o, nu moet ik mij schrap zetten en mij dwingen om ook blijde te zijnquot;, hij brengt het in werkelijkheid niet veel verder dan zóó ver, dat hij doet alsof hij blijde is, en dat hij die rol misschien tamelijk goed vervult. Handelt de moeder ook zoo tegenover haar kind ? Is er een lange weg tusschen den glimlach van haar kind en den glimlach van haar eigen hart ? Is die blijdschap van dat kind niet vanzelf hare blijdschap, hare eigene blijdschap, omdat het kind haar kind is, haar eigen kind ? In dier voege zal het ons ook gaan ten opzichte van de gelukkigen, met wie wij in aanraking komen, als wij hen in der waarheid liefhebben.
En die liefde verbiedt ons dan tevens in hunne vreugde te deelen wanneer die vreugde eene valsche, eene zondige blijkt te zijn; de holle lach der opgewonden dwaasheid zal ons veeleer tot droefheid stemmen, dan ons in de verzoeking brengen om mede te lachen en onze ziel zal onwillekeurig opspringen van vreugde wanneer iemand, die ons dierbaar is, einde-
\'152 MET DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN.
lijk door de namelooze smart van een hartgrondig berouw overmeesterd wordt. Zij verbiedt ons ook in iets uitwendigs liet eigenlijke deelnemen aan eens anders blijdschap te zoeken; wanneer wij iemand, die een prachtig examen deed o zoo hartelijk de hand drukken of aan den bruiloftsdisch wie weet hoeveel gloeiende toosten slaan op het geluk van het pas gehuwde paar, och! uit zulke dingen blijkt immers nog volstrekt niet, dat ons hart waarlijk in de blijdschap dier blijden deelt, quot;t Kan louter vertooning zijn. \'t Kan hij dat alles in den diepsten grond toch maar om eigen genot en eigen belang te doen wezen.
Opmerkelijk, dat Paul us tegenover den eisch om te weenen met do weenenden niet, zooals wij logisch zouden verwachten, den eisch plaatst om te »lachenquot; met de «lachendenquot;, maar om ons te verblijden met de blijden, \'tls alsof hij daarmede te kennen geven wil, dat het niet op het betoonen, maar enkel op het bezitten van die blijdschap aankomt; zij behoeft zich niet opzettelijk te openbaren: het moet haai* genoeg wezen te bestaan, evenals het de roos genoeg is op een stil plekje te bloeien en te geuren, zonder dat ze haar best doet om de aandacht te trekken. Trouwens als iemand u opzettelijk en luidruchtig en herhaaldelijk verzekert, dat hij toch o zoo diep in uwe blijdschap deelt, dan begint ge onwillekeurig de waarheid van die deelneming in twijfel te trekken; de echtheid van de echte wordt juist aan hare stilheid openbaar, en ze spreekt doorgaans \'t duidelijkst als zij \'t zwijgen bewaart.
MET DE BLIJDEN BLIJDE ZIJN.
153
Laat ons dan haar trachten te bezitten, en zorgvuldig aan te kweeken ! God schenkt er ons de overvloedige gelegenheid toe, eiken dag. Door blijde te zijn met de blijden openen wij ons zeiven eene rijke bron van verkwikking en vertroosting; gelijk Paulus zoo aandoenlijk verzekert dat zijne droefheid gelenigd wordt door de vreugde, welke de terugkeer van Epaphroditus aan de broeders en zusters te Filippi bereidt (Fillipp. 2 : 28). Door blijde te zijn met de blijden werken wij tevens niet slechts mede om hunne blijdschap te verhoogen, maar wij helpen hen ook in liet doen van het beste wat een mensch op aarde doen kan, namelijk; liefhebben. Waar blijdschap is, daar is liefde. En waar liefde is, daar is blijdschap. Want waar liefde is, daar is God.
Weenen met de weenenden.
Rom. 12 : 15b.
jllipirquot;
roosten is eene quot;i/oote kunst. En hoe meer
JW1Aâ|%
ons op de beoefening van deze kunst toeleggen, des te minder schijnen we van haar te leeren verstaan. Juist als wij ons met bijzonder veel ijver inspannen om iemand nn eens zeer krachtig te troosten, komt er doorgaans weinig of niets van terecht. Beproef eens een\' extra treiïenden condole-antie-brief te schrijven aan een\' uwer vrienden, die in diepen rouw werd gedompeld, honderd tegen één, dat uwe prachtige zalvende volzinnen de ziel van den armen lijder als een ijdel gerucht zullen voorbijglijden. Neem n voor door uw bezoek in een of ander sterfhuis de verslagen gemoederen der achtergeblevenen eens Hink op te beuren, er is alle kans,
WEEXEX MKT DE WEENENDEN.
dat uwe verschijning op hen, die daar zoo stil zitten te weenen, een\' alles behalve verkwikkenden indruk zal maken. Daarom is het in de meeste gevallen maar \'t best, niet te willen troosten. Misschien kan dat «niet willen troostenquot; ons dan in staat helpen stellen om vertroosting te brengen. Zoo doende loepen wij althans minder gevaar van tot de lastige vertroosters te behooren.
Over die soort van menschen en over al wat zij plegen te bederven is wel een heel boek te schrijven. Ik denk, dat niemand het zonder zelfverwijt zou kunnen schrijven. Ik denk, dat ook niemand het zonder zelfverwijt zou kunnen lezen. Die ruwe tact-loosheid, waarmede men de smart poogt te hulp te komen, maakt dat in duizend en nog eens duizend gevallen, ondanks de goede bedoeling, die aan zulk pogen ten grondslag ligt, het lijden eenvoudig wordt verzwaard. Is \'t mogelijk eene gapende wonde in \'t lichaam aan te raken zonder pijn te doen? En zou het dan wel mogelijk zijn de in een rnensclienhart geslagen wonde aan te raken, zonder pijn te doen .\' Is het mysterie van het vertroosten niet juist hierin gelegen, dat men zoo\'n gewond rnensclienhart zóó aanraakt, dat hierdoor de pijn eerst dieper wordt gevoeld en daarna eenigermate wordt verzacht ? Mot onze formeele deelneming doen wij zoo dikwijls het eerste, zonder tot het laatste mede te werken.
Ach, die oppervlakkigheid, waardoor wij verhinderd worden door te dringen in de eigenlijke diepte van het lijden, waaronderonze broedersenzustersgebogen gaan!
155
156 WEENEN MET DE WEENENDEN.
Ach, die ongevoeligheid, waarmede wij over de smarten des levens kunnen gaan zitten redeneeren, als stonden ze met algebraïsche formules gelijk!
Ach, die onhandigheid, waarmede wij onze troostredenen te pas weten te brengen, zoo goed te pas, dat wij er zelf van zouden schrikken, als wij begrepen, hoeveel kwaad wij er mee deden!
De nooden des levens laten zich voorwaar niet wegredeneeren of wegcomplimenteeren. O, gij ellendige vertroosters, die niet waarachtig liefhebt en u toch met zoo\'n liefelijken schijn van deelneming tooien wilt, hebt eerbied voor de smart, zeg ik 11! Eerbied voor liet rouwkleed van de weduwe ! Eerbied voor de stomme droefenis, waarmede de man het lijk zijner gade ziet wegzinken in het donkere graf! Eerbied voor de gebukte gestalte op wier bleek gelaat de engelen, die beter oogen hebben dan gij, eene lange lijdensgeschiedenis lezen, de lijdensgeschiedenis van een gebroken hart! Wordt het u bij dien aanblik niet wonderlijk te moede? Beginnen daarbij de verborgen snaren van uw zieleleven niet onwillekeurig te trillen ? Welnu, waagt u dan niet in de nabijheid. Gij zoudt heiligschennis plegen. Hebt althans zóóveel medelijden, dat gij den ongelukkige van het lijf blijft met uw zielloos rouwbeklag! Maakt hem uw bezoek niet tot eene nieuwe bezoeking ! Brengt hem niet tot wanhoop door naast hem te gaan zitten keuvelen over de oorzaak zijner droefenis ! Gij, dio door het miserere van eene menschenziel niet wordt aangegrepen, niet genoeg liefhebt om er door aan-
quot;WEENKX ilET I)K WEENENDEN.
gegrepen te worden â uw balsem is haar venijn in de wonde ; uwe van buiten geleerde woorden staan voor haar met dolksteken gelijk. Samson, de befaamde scherprechter, staat ten minste nog zwijgend, met zijn\' steek in de hand, op de roode kar voor de diep beklagenswaardige koningin, die naar de guillotine, gevoerd wordt, en gij . . . Eerbied voor de smart, zeg ik u.
Oorspronkelijk woont in ieder mensch een geheimzinnige drang om zich het leed van anderen aan te trekken en dit in meerdere of mindere mate tot liet zijne te maken. «Aangedaan te worden,quot; zoo heeft men reeds in de oudheid gesproken, «te treuren, te gevoelen, is het kenmerk van den mensch.quot; Vandaar dat liet den zondaar eerst na veel inspanning en strijd tegen zich zeiven gelukken kan zich voor eiken prikkel tot medelijden ongevoelig te maken. Wie onder alle omstandigheden onaandoenlijk kan blijven bij het aanschouwen van het lijden, waaronder anderen gebogen gaan, is haast een daemon geworden. De ruwe rooverhoofdman, in \'t bekende drama van Schiller, kan een uitroep van mededoogen niet bedwingen, wanneer zijne kameraden hem vertellen van de grijsaards, vrouwen en kinderen, die zij met duivelsche wreedheid hebben omgebracht. Een oogen-blik later verhaalt een dezer bandieten, dat hij een klein kind bij den arm gegrepen en in de vlammen geslingerd heeft met de woorden : «arm diertje, gij hebt het anders ook zoo koud.quot; \'t Is niet onmogelijk, dat zelfs deze woesteling zich straks op zijne beurt
157
158 WKKXKX MKT I)E WEENEXDEX.
mede pijnlijk getroffen gevoelt door het verhaal van de een of andere gruweldaad, door zijne makkers gepleegd.
Hieruit blijkt duidelijk, dat het geheim der waarachtige deelneming niet schuilt in het gevoel. Wie dadelijk de tranen in de oogen krijgt, wanneer zijne aandacht op iets droevigs gevestigd wordt, heeft in den grond der zaak misschien nog minder medelijden dan een ander, die de oogen droog houdt ook bij de meest schokkende tafereelen. Een fijn, of zal ik zeggen een zwak gevoel te hebben is evenmin een zedelijk voorrecht als bijvoorbeeld een scherp gehoor te bezitten. De ware deelneming is een zaak der Uejde. Wie liefheeft verblijdt zich met de blijden, niet door met die blijden te eten en te drinken, te lachen en te schateren â dat kan de liefdelooze ook â maar door des anderen vreugde als eigen vreugde te aanvaarden en daarin zich zeiven innerlijk gelukkig te gevoelen. En wanneer de dag van den tegenspoed aanbreekt, wordt de liefde als gemeenschap des li jdens openbaar. Zij gaat de smarten der anderen niet onverschillig voorbij. Zij wordt daarover met innerlijke ontferming bewogen. Zij kan \'t niet van zich verkrijgen zich voor een oogenblik in schijnbare teederheid neer te buigen en voorts onbedrukt haren weg te betreden. Zij wordt er door aangegrepen. Zi j laat er zich door vasthouden. Zij neemt de smarte over, gelijk de legende omtrent Vincentius van Paolo verhaalt, dat bij zich de boeien van eenen galeislaaf liet aandoen, opdat deze in vrijheid zou kunnen
WE EN EX MET DE WEEKENDEN.
heengaan. Zij lijdt zelf under dat lijden innig, wezenlijk, diep, zoo innig, zoo wezenlijk, zoo diep, dat zij onder eigen smart eer minder dan meer lijden zon. Ik verzeker n, de moeder die daar met loshangende haren en bleek geschreide wangen geknield ligt bij de wieg van haar stervenden lieveling, haar eigen stervensangst kan niet geweldiger zijn dan het nameloos wee, dat hare ziel doorvlijmt, bij het aanschouwen van haar worstelend kind.
Men kan weenen met de weenenden zonder lief te hebben. Dat schijnt medelijden. Het is geen medelijden. Eerst wanneer men uit liefde i net de weenenden weent, kan er van vertroosting, eerst wanneer men uit Christelijke liefde met de weenenden weent, kan er van Christelijke vertroosting sprake wezen. En als die liefde echt is, zal zij, dunkt mij, ook wel zonder veel moeite den weg kunnen vinden om hare lafenis op de rechte wijze aan te brengen. Is bet noodig een handboek te schrijven over de methode, die eene moeder bij het troosten van haar schreiend kind dient in acht te nemen? Zij zal het van zelf goed doen, tactvol en teeder en wijs, ook al is zij overigens eene onopgevoede vrouw. Indien zij eene rechte moeder is, zal zij het goed doen, omdat zij eene rechte moeder is. En de knapste moralist, die dit pnnt opzettelijk jaren lang bestudeerd heeft, zal haar in het stil maken van haar kindeken toch niet kunnen overtreffen.
De liefde behoeft niet vooraf te vragen, boe zij zich behoort aan te stellen, wanneer zij uitgaat om
159
WKKNKX MKT DE WEENENDEN.
te troosten. Zij gaat niet eens uit met het bepaalde doel om te troosten. Zij treedt de rouwkamer niet binnen met do gedachte : zie zoo, nu zal ik mijne opbeurende kracht hier eens ter degc laten gelden. Den drang van haar wezen volgende, komt zij niet om er iets te doen. Zij komt eenvoudig om er te zijn. Zij, die zooveel te doen heeft, heeft nu niets te doen. En juist door niets te doen, doet zij zooveel. Zij, die zoo veel te zeggen heeft, heeft nu niets te zeggen. En juist door dut zwijgen, zegt zij, dat ze zooveel te zeggen heeft. Daarom is stille deelneming doorgaans de beste deelneming.
De vrienden van Job maken geen groot misbaar en houden geene deftige toespraken tot dezen verdrukte ; zij doen geene wreede poging om zijne gapende wonden met schoone bloemekens te bestrooien; zij komen hem niet met zalvende bijbelteksten overstelpen â zeven dagen en zeven nachten zitten zij bij hem en zwijgen. Straks zullen zij den armen lijder met hunne dwaze opmerkingen en vrome vermaningen vreeselijk, vreeselijk gaan plagen, maar als zij voorloopig geen enkel woord tot hem spreken, omdat zij zien dat zijne smart zeer groot is, dan tooien zij daarin toch wel iets van het ware medelijden te verstaan.
Paulus vermaant ons ook niet om met de weenenden te gaan spreken of bidden. Hij wil, dat wij met hen zullen weenen, hun zullen laten merken, dat wij iets van hunne smart mede dragen. Dat is genoeg. Dat is alles. Hieruit volgt natuurlijk niet dat een
100
WEENEN MET DE WEENENDEN\'.
warme handdruk, een enkel luu\'telijk woord, een rustig gesprek onder sommige omstandigheden niet een\' vertroostenden invloed zou kunnen oefenen. Waar de liefde is, daar is vrijheid. Maar deze dingen vermogen dat alleen wanneer zij de spontane, de onopzettelijke uitingen zijn van eene liefde, die lief genoeg heeft om met de weenenden te kunnen weenen. Bij de smart hoort stilte. Bij het liefhebben hoort eveneens de stilte. Hoe stil wordt dan de stilte der liefde wel, wanneer zij door de stilte der smart en hoe stil wordt de stilte der smart, als zij door de stilte der liefde wordt verhoogd? Stille wateren hebben diepe gronden. Stille sympathie is de beste sympathie.
Als iemand een ongeluk gekregen heeft en tehuis is gebracht en door den arts is verbonden, dan komen spoedig de buren aanzetten. En ze roepen ach en wee. En ze moeten precies weten hoe het is gebeurd. En ze vertellen van allerlei zalfjes en smeerseltjes, die zeker zullen helpen. En ze willen de wonde wel eens gaarne bezien en betasten; bij zoo\'n gelegenheid hebben ze vroeger ook wel eens een\' goeden raad gegeven. En \'tis al heel mooi, wanneer ze zoo meteen verdwijnen, zonder met hunne drukke belangstelling-de hoofdpijn en de koorts van den lijder te hebben verergerd.
Is er geen gevaar om zoo te handelen met do wonden in het hart van den naaste geslagen, onkiesch, nieuwsgierig, zonder teederheid en zonder zelfverloochening? Een lijdend hart heeft evenals een krank lichaam dikwijls, meer dan aan iets anders.
161
WEEN\'KX MKT DE WEENENDEN.
behoefte aan rust. En wij kunnen het geen\' grooter dienst bewijzen, dan door het stil te helpen maken.
Ook de liefde dient voorzichtig te zijn. Zij mag niet gaan zitten weenen, waar het hare roeping is bestraffend op te treden. Ze mag haar balsem niet verspillen aan eene oppervlakkige droefheid, die het hart niet raakt. Ze mag de menschen niet aan het weenen trachten te brengen en niet met hen handelen, zooals rnen wel eens doet met kinderen, die als ze gevallen en weer rustig opgestaan zijn, beginnen te huilen wanneer men ze dan gaat beklagen.
Liefhebben is lijden. Hoe meer men liefheeft, hoe meer men lijdt. En hoe meer men op de rechte wijze lijdt, hoe beter men tot troosten in staat is. De herinnering aan wat we zelf hebben doorworsteld, en aan wat ons in die bange uren heeft gesterkt en gekweld, zal ons immers uitnemend kunnen helpen om op dit gebied het verkeerde af- en het goede aan te leeren.
Toch is eene rijpe en rijke ervaring van droefenis niet voldoende om anderen te kunnen helpen. Er moet iets anders bijkomen. Neen, er moet iets anders voorafgaan. Het ervaren van de vertroostingen Gods. Als Christenen mogen wij elkander niet met onze eigene vertroostingen komen aandragen. Als Christenen mogen wij ons ook niet door louter menschelijke vertroostingen laten vertroosten.
Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God van alle (let wel: van alle) vertroosting, die ons ver-
162
WEEN EN MET DE WEENENDEN.
troost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting met welke wij zelf van God vertroost worden !
Laat ons het hier aangeduid verband maar gedurig bestudeeren! In het bezit van den eenig waren troost, die er is in leven en in sterven, is het onze taak, o neen, niet dien eenig waren troost door onze deelneming overbodig te maken, of door onze liefde aan te vullen, maar door onze deelneming en door onze liefde dien troost te helpen brengen.
Wij behoeven de gelegenheid daartoe voorzeker niet verre te zoeken. Al is het overdreven te oor-deelen, dat al het geluk tusschen de wieg en het graf de pijn van het tanden krijgen en het tanden verliezen niet waard is, zoolang de eerste dingen niet zijn voorbijgegaan, blijft liet weenen tot liet dage-lijksch werk van de kinderen der aarde behooren en dus tot de dagtaak der kinderen Gods te weenen met hen. Tegenover de liefdelooze ongevoeligheid van de kinderen dezer eeuw, die op het graf hunner moeder zouden kunnen rondkruipen om te bota-niseeren, dienen wij ons bereid te toonen om te weenen met ieder, die nog weenen kan in dit tranendal.
Troosten, vooral door de stille werking onzer persoonlijkheid, teeder, zeer teeder, want het gekrookte riet wil niet met ruwe hand worden aangevat.
Troosten, niet door de tranen te willen drogen, maar door zachtkens en stil den weenende te trekken tot Hem, die alleen den rnensch van de smart
163
AVEENEX MKT DE WEENENDEN.
kan afhelpen, door liem er goed in- en dan goed doorheen te brengen.
Troosten, zóó dat men uit onze deelneming bemoediging en versterking vermag te putten, gelijk de knaap, op de kribbe in het hospitaal liggende, de edele Carmen Sylva, Rumeniës koningin, vraagt hem bij de hand te willen vasthouden gedurende de ope-ratie, die hij ondergaan moest.
Troosten, zóó dat de weenenden met ons en wij met hen het beter leeren verstaan, dat het ware geluk niet hierin schuilt, dat men niet weent, maar hierin dat men waarlijk vertroost wordt.
Eensgezindheid onder elkander.
Kom. 12 : 16a.
ir het oordeel van vele deskundigen heeft - Paulus hier niet maar eene eenvoudige opwekking tot het kweeken van broederlijke eeu-dracht willen uitspreken. De woorden, door hem in \'t oorspronkelijk gebruikt, worden op zeer verschillende wijze verklaard. Zoo lezen we in eene van de beste Duitsche Bijbelvertalingen: «de één zich in zijne gedachten met den anderen gelijk stellenquot;. Hiermede is dan natuurlijk niet bedoeld, dat wij, in den trant der socialisten, moeten pogen alle onderscheid in rang en ontwikkeling op te helTen, en ons maar moeten inbeelden, dat wij op ééne lijn staan met hen, die verre boven ons uitmunten. Er is mede bedoeld, dat wij ons zooveel mogelijk in den toestand
16(3 EENSGEZINDHEID ONDER ELKANDER.
van de anderen moeten trachten te verplaatsen, alsof hunne behoeften onze behoeften en hunne belangen onze belangen waren. Eene les, die ons onwillekeurig doet denken aan het schoone woord van Jezus uit de Bergrede: «Alles dan, wat gij wilt, dat de menschen u doen, doet gij hun ook alzoo ; want dit is de wet en de profetenquot;.
Godet, wiens naam immers ook onder ons als Schriftverklaarder zulk eenen goeden klank gekregen heeft, vertaalt aldus : «strevende naar hetzelfde doel, de een voor den anderquot;. Wat dan hierop neerkomt, dat wij, wel verre van tevreden te zijn, als wij er zelf maar komen, ook bij de anderen het jagen naar \'t hoogste doel moeten bevorderen; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn evenzeer zorg moeten hebben, als voor het onze. Niemand zal zeggen, dat deze gedachte den Apostel Paulus onwaardig is of in het verband niet past. Zij komt best overeen met wat wij elders (Fil. 2:4) lezen omtrent de verplichting, dat elk niet zijn eigen belang, maar ook dat van anderen behoort te bedoelen.
Ik voor mij aarzel echter aan deze verklaring boven de gewone de voorkeur te geven. De Apostel zegt woordelijk ; «hetzelfde ten opzichte van elkander bedoelendequot; of «bedenkendequot;. En hiermede is, naar liet mij voorkomt, toch niet de eisch uitgesproken, dat wij voor anderen moeten voelen, wat wij voelen voor ons zeiven, of dat wij ons te hunnen opzichte moeten toeleggen op datgene, waarop wij ons met het oog op ons zeiven toeleggen. Naar mijne beschei-
EENSGEZINDHEID ONDER ELKANDER. 167
den meening wil Paul us hier niet zeggen â de lezer veroorlove mij het zoo uit te drukken â dat A tegenover B gezind moet zijn juist zooals hij gezind is jegens zichzelven, maar dat A tegenover B in dezelfde verhouding moet staan als waarin B staat tegenover A. Van weerskanten hetzelfde vertrouwen en dezelfde waardeering, gelijke warme gehechtheid, waarmede de een zich aan den ander verbonden gevoelt. Zoo alleen is er kans, dat het gemeenteleven zich voorspoedig ontwikkelt. De sympathie kan niet van één kant komen, evenmin bijvoorbeeld als in een huwelijk. Wanneer een Evangeliedienaar zich o zoo warm aan zijne Gemeente gehecht gevoelt en haar eerlijk met zijn gansche leven dient, maar de Gemeente beantwoordt deze toewijding met het aannemen van eene strakke, koele houding, dan zal natuurlijk niemand beweren, dat zoodoende het ideaal is bereikt. Of wanneer gij, smachtende naar gemeenschap en samensternming u poogt aan te sluiten bij een\' ge-loovige, dien gij op uwen levensweg ontmoet, en gij opent hem uw hart en gij schenkt hem uw vertrouwen, en gij laat hem op allerlei wijze merken, dat gij o zoo vurig begeert de eenheid tusschen uw geestelijk leven en het zijne tot haar volle recht te laten komen, er van te genieten, er door gesterkt te worden. Als hij dan daartegenover n ol\'ficieel en critisch blijft behandelen, u niet met vertrouwen tegemoet komt, en toont, dat hij over uwe gebreken en eigenaardigheden in \'t geheel niet heen kan. Wat is daarvan allicht het gevolg? Dat gij door die pijn-
168 KENSGEZINDIIEID ONDER ELKANDER.
lijke teleurstelling u laat verleiden om voortaan op uwe beurt ook niet meer zoo toeschietelijk te zijn, voor de toegangen van uw hart eene dubbele wacht te plaatsen, u in uwe tente wantrouwend terug te trekken, het individualisme op de spits te drijven en er u in te schikken, dat ieder dan ook maar in vredes naam zijn eigen gang gaan moet. Dat er zoodoende van de Christelijke gemeenschap niet veel terecht komt, behoeft waarlijk geen betoog.
«Dit wort verstaen niet alleen van de eenigheyt van gevoelen ende verstant in de hoofdstucken der Christel]cke leere, maar ook voornamelick van de eenigheyt der gemoederen ende genegentheden tot malkanderen.quot; Aldus de kantteekenaars bij het vers, boven dit opstel aangegeven. En hoeveel beter zou het met de Christelijke eensgezindheid gesteld wezen, wanneer men dezen wenk maar eens ernstig ter harte begon te nemen! »Hoofdstuckenquot;. Eenheid in de belijdenis van kapitale waarheden dus, waarop het aan komt om getroost te kunnen leven en sterven. En hoe dikwijls gebeurt het, dat menschen, die als geloovigen dicht bij elkander behooren, door haspe-larij over allerlei nietigheden van elkander verwijderd blijven of verwijderd raken, en zich door onbeduidende afwijkingen van wat zij de zuivere leer achten tegen elkaar in \'t harnas laten jagen ! Het komt â onze kantteekenaars hebben het zoo goed gezien â voornamelijk aan op de eenheid der gemoederen en der genegenheden. Kan die eenheid niet werkelijk bestaan, ook waar men in meening en
EENSGEZINDHEID ONDER ELKANDER. 109
opvatting veelszins van elkander afwijktBlijkt niet uit het feit. dat menschen, die liet zelfs tut in de fijnste puntjes v;in de leer volkomen inet elkander eens zijn, desundanks onverschillig of vijandig tegenover elkander staan, blijkt int dat feit niet zeer duidelijk, dat het geheim der wezenlijke eensgezindheid niet in de samenstemming van belijdenis moet gezocht worden? Eischt die eensgezindheid niet juist, dat de eenvormigheid worde buitengesloten ?
De smart openbaart zich op allerlei wijze. Bij dezen in luid geween. Bij dien in liet beven der lippen. Bij genen in zwijgen. Aan die verschillende uitingen van droefenis kan toch hetzelfde smartgevoel ten grondslag liggen. En dit smartgevoel blijkt bij die onderscheidene personen echt te zyn juist hierdoor, dat het zich niet in denzelfden vorm openbaart. Ware dat wel het geval, dan zouden we immers terstond in de verzoeking komen van te zeggen: «dat is afspraak, dat is comedie.quot; De menschen, die, naar de gewoonte bij sommige volken, gehuurd worden om bij een lijk te komen klagen en huilen, kunnen dat doen met dezelfde liederen en dezelfde gebaren. Een teeken dat het hart er niet in deelt. Maar als er bij de begrafenis echte droefheid is, dan valt er immers van die formeele gelijkheid geen spoor te ontdekken.
p]n zoo is het met de liefde ook. De eenheid komt juist in en door de verscheidenheid aan het licht. Neemt maar eens een talrijk gezin, waarvan de leden zich inderdaad innig aan elkander verbonden gevoelen. Wat een verschil in karakter en temperament! Wat
170 EENSGEZINDHEID ONDER ELKANDER.
een afstand tusschen den oudsten zoon, die haast den mannelijken leeftijd bereikte, en het jongste kind, dat nauwelijks goed en wel den tafelstoel verlaten heeft! De een heei anders aangelegd en heel anders gevormd dan de ander! Belangen, die o zoo ver uiteen loopen! Neigingen, die vlak tegen elkander indruischen ! En toch bezitten allen onderling datzelfde gevoel van eenheid, en ze weten, dat zij op elkander kunnen blijven rekenen, al zullen ze later misschien wie weet hoe ver van elkander verwijderd raken.
De Gemeente is het huisgezin, dat de hemelsche Vader hier op aarde heeft. Daar moet het dus op dezelfde wijze toegaan. Niet één uniform, en ondanks die uitwendige overeenstemming, toch misschien innerlijke tegenstrijdigheid. Maar één hart, onder allerlei uniform.
En nu zullen wij verder maar geene pogingen doen om de klaagzangen over \'t gemis aan die eensgezindheid , waartoe Paulus de Romeinsche Christenen opwekte, met eene te vermeerderen. Ieder mijner lezers weet genoeg van het wantrouwen en de koelheid, waarmede de menschen elkander plegen te bejegenen, ook de menschen, die in dezelfde kerk en aan dezelfde avondsmaaltafel gansch zeer broederlijk naast elkander gaan zitten.
De groote fout schuilt in onze zelfzucht. Ach, in dit opzicht zijn we liet zeker wel met elkander eens, dat wij allen het eigen ik veel te veel op den voor-grond stellen. In het laatste drama van Ibsen komt
EENSGEZrXDtlIClD ONDER ELKANDEB.
iemand voor die niet schroomt liet geluk van de menschen, welke hem omringen, aan zijn eigen fortuin ten olfer te brengen. Hij legt het er op aan, dat die anderen met hunne gaven en krachten uitsluitend hem dienen, zonder zelf tot hun recht te komen. En als een zijner ondergeschikten bij gelegenheid tegen die verdrukking protesteert en vraagt of hij dan maar armoedig uit het leven gaan moet, antwoordt hij bitter : »gij moet uit het leven gaan, zooals u dat zelf \'t beste voorkomt.quot; Zoo ruw en ijskoud spreken wij natuurlijk niet. Maar is er in ons toch ook niet iets van die liefdelooze onverschilligheid omtrent het lot dergenen, met wie God ons in aanraking brengt en aan wie wij dus geroepen zijn onze liefde te betoo-nen ? Weegt de vraag, hoe het ons zeiven gaat ons in den regel niet zwaarder, dan de vraag, hoe de anderen door het leven en uit het leven gaan? En is het er niet verre vandaan, dat wij hen lief hebben zooals Christus ons heeft liefgehad, dus niet «zooalsquot; maar smeerquot; dan ons zeiven ?
Ik geloof niet, dat de eensgezindheid, waarop Pau-lus doelt, bestaanbaar is zonder den Heer. Hij is de eenheid. De eenige. En om dichter tot elkander te komen is het dus noodig dichter te komen tot Hem.
Een Russisch generaal, die over het slagveld reed, werd door een der gewonden, die daar in grooten getale lagen uitgestrekt, aangeroepen om een dronk water. De man verstond de taal van den gekwetsten krijger niet, en begreep ook niet, wat hij bedoelde. Deze deed vruchteloos zijn uiterste best om den gene-
171
172 EENSGEZINDHEID ONDER ELKANDER.
raai zijne begeerte aan \'t verstand te brengen. Eindelijk riep hij hopeloos uit: «Christosquot;. En op dat woord sprong de generaal van zijn paard en hielp den ongelukkigen broeder zoo goed mogelijk.
Gezegende naam! Al onzen troost en al onze hope sluit Hij in zich. Ook al onze liefde. De zielen, die dezen naam verstaan, verstaan elkander ook. Als Zijne gezindheid in ons woont, dan is er in werkelijkheid slechts één zin, een heilige, een hemelsche zin, die ons bestiert en vervult en ons dus innerlijk aan elkander verbindt. Daarom zegt de Apostel ook een oogenblik later in denzelfden brief: »De God nu der volharding en der vertroosting geve u onder elkander eensgezind te zijn naar Jezus Christus.quot; (15 :5). Naar Jezus Christus. Dat is: zóó, dat wij Christus daarbij voor oogen hebben als het ideaal, en het er ons om te doen is gezind te zijn, gelijk Hij gezind was. In de eenheid van zin met Hem ligt de grondslag van de onderlinge eensgezindheid der Zijnen.
En dan zien wij hier meteen wat aan die gezindheid vooral niet ontbreken mag, om de eensgezindheid met de broederen te kunnen kweeken. Niet zonder opzet spreekt Paulus hier toch van God, als van den God der volharding en der vertroosting. Volharding hebben we noodig, lijdzaamheid, om ons niet door \'t pijnlijke des levens tot ongeduld te laten prikkelen en ons zoo in eene slechte stemming tegenover de anderen te laten brengen; volharding in den strijd tegen al die zelfzuchtige neigingen, waardoor aan het behartigen van het hunne zoo onberekenbaar
473
veel afbreuk gedaan wordt. Troost hebben we noo-dig. Want als we zelf niet getroost zijn, blijft ook de goede gezindheid ten opzichte van de anderen afwezig. Eigen onvrede is, veel meer dan wij wel beselï\'en, de bron van liefdeloosheid jegens elkander. Gelijk God genadig is omdat Hij zalig is, zoo blijkt ook bij ons de liefde eene vrucht der blijdschap te zijn. En hoe meer wij dus van de vertroostingen Gods ervaren, des te beter zullen wij in staat zijn voor hen, met wie wij in Christus verbonden zijn, het rechte te gevoelen, het rechte te willen, het rechte te doen.
God helpe ons !
Door de oordeelen, die er in dezen tijd over de wereld gaan en die beginnnen bij het huis Gods, brenge Hij samen wat nu verdeeld is en toch bij elkander behoort, opdat de kinderen Israels en de kinderen .Tuda\'s, te kwader ure gescheiden, nog eens weer samen al weenende heengaan en hunnen God zoeken (Jer. 50 : 4)!
Hij doode in ons al wat voortkomt uit de booze neiging om, op welke wijze dan ook, de belangen van den naaste aan onze belangen ondergeschikt te maken !
Hij leere ons de een den ander uitnemender te achten dan zich zeiven en elkander aan te nemen, gelijk Christus ons aangenomen heeft, en toe te zien, dat wij bij de beoordeeling van elkander niet ingrijpen in het recht van God om op \'t een of ander punt dispensatie Ie \\nktr.tn, tene uitzondering op
174 KENSGEZINDIIEID ONDER ELKANDER.
den regel te veroorloven, toe te staan wat wij in onze bekrompenheid niet zouden durven of willen toelaten ! En bovenal make Hij ons één met zich zeiven! Hoe beter kinderen wij zijn, des te beter broeders. Eerst als wij ten volle een zijn met Hem, zullen we ook volkomen een zijn met elkander.
Niet staan naar het hooge.
Rom. 12 : 10b.
is voorzeker niets dat zooveel afbreuk ?doet aan de onderlinge broederlijke eensgezindheid, als het streven om zich boven de anderen te verheffen. In de Gemeente zijn er altijd, die als van zelf op den voorgrond komen. Door de bijzondere gaven en talenten, welke zij ontvingen, door de invloedrijke positie, welke zij innemen, zijn ze aangewezen om den toon aan te geven, zich te laten gelden, de leiding der zaken in handen te nemen. En hiertegen hebben wij natuurlijk niets. Dankbaar eerbiedigen wij in deze onderscheiding de ordening der liefde Gods, wel wetende, dat er van gelijkheid, in platten revolutionairen zin, onder de geloovigen evenmin sprake kan zijn, als onder de kinderen van een huisgezin.
176 NIET STAAN NAAR HET IIOOGE.
Toch is hieraan tweeërlei gevaar verbonden.
Ten eerste dit, dat zij die in eenig opzicht boven ⢠ie anderen uitmunten, zich daarop Jaten voorstaan. In plaats van zich kleiner te gevoelen en in bescheidenheid toe te nemen, naarmate hun aanzien klimt, komen zij er zoo licht toe in eigene verdienstelijkheid behagen te scheppen. Met ietwat aristocratischen trots beginnen zij op de gewone menschen neer te zien. Ze achten zich al heel gauw gepasseerd, wanneer voor het bekleeden van eenige belangrijke betrekking aan anderen boven hen de voorkeur gegeven wordt. Ze raken er aan gewoon, dat aan hunne meeningen eene buitengewone beteekenis wordt gehecht. Straks bezwijken zij schier ongemerkt voor de verzoeking om heerschappij te gaan voeren over de zielen. En van lieverlede beschouwen zij zich zelf als eene soort van bijna onmisbare grootheden, wier bezit de Gemeente waarlijk wel op zeer hoogen prijs stellen mag. Dat zoodoende hun eigen geestelijk leven schade lijdt, behoeft geen betoog. En dat door het aannemen van zulk eene houding de harmonie in de Gemeente niet bevorderd wordt â evenmin.
Hiermede staat het tweede van de gevaren, waarop ik zooeven doelde, in nauw verband. Het ligt immers voor de hand, dat, bij dezen stand van zaken, ook ile minder bevoorrechten aangelokt worden om naar vermeerdering van aanzien en invloed te jagen. Waarom zouden zij niet even goed eene stem in het kapittel hebben als de toongevers, die zich aanstellen, alsof zij \'t alleen weten en niemand anders ? De
NIET STAAN NAAR HET HOOGE. 177
eerzucht ontwaakt. De jaloerschheid is geprikkeld. En zie, daar begint het lieve leven. Een kinderachtig verlangen om toch ook eens eene eerste viool te spelen. Een hartstochtelijk streven om anderen van het kussen te dringen, ten einde er zelf op te kunnen gaan zitten. Een afmattend hunkeren om door de schare bewonderd te worden en gevierd. En hiervan is dan wederom het gevolg, dat de broederlijke liefde op de vlucht gaat, en van echte Christelijke eensgezindheid welhaast geen spoor meer valt te ontdekken.
De Apostel, die weet hoe veel goeds er op die manier kan bedorven worden, had dus wel reden om tegen zulk streven naar het hooge met nadruk op te komen. Dat hij hier niet denkt aan hetgeen waarachtig groot en verheven is, spreekt wel van zelf. Paulus is een idealist bij uitnemendheid. En den echten idealist gaat het als een bergklimmer, die achter den bergtop, waarnaar hij opklimt, altijd hooger punten ziet uitsteken, en in zich het verlangen omdraagt om ook deze te bestijgen. De geloovige is niet tevreden met wat hij is, en met wat hij doet. Hij zegt nooit: nu is het genoeg. Toen aan Kings! ey gevraagd werd: «Wat is uw ideaalquot;? antwoordde hij; «ik heb er maar één, het hoogste.quot; Dat mag, dat moet ieder Christen hem nazeggen. En heel het leven der (ie-meente is een jagen om het hoogste te grijpen.
Maar dit heilig heroïsme des geloofs heeft nu letterlijk niets uit te staan met het streven, hier bedoeld, met dat verlangen om ziel» naar boven te werken en
178 NIET STAAN NAAR HET HOOGE.
eene schitterende rol te spelen in de tegenwoordige wereld. Ik durf beweren, dat het eene door \'t andere strikt wordt huiten gesloten. Hij wien het er om te doen is groot te worden, in dien kleinen zin, toont daardoor reeds niet wezenlijk groot te zijn en het rechte begrip van ware grootheid te missen. De mensch, die naar het hoogste streeft, acht het beneden zich mede te doen aan dat staan naar liet hooge, waarvoor alleman zich inspant, en \'t meest degene die \'t minst beteekent. Dat ligt nu eenmaal in onze bedorven natuur. Als God uns â om zoo te zeggen â niet onder den duim houdt, zijn wij niet onder den duim te houden. Dat blijkt, voorwaar, duidelijk genoeg uit al die vruchtelooze pogingen van den tegenwoor-digen tijd om in eigen kracht de woelingen van revolutionair geweld en anarchistischen waanzin te onderdrukken. Eu pas is \'t ons gelukt â o ongelukkig gelukken! â ons onder den duim van Gods almachtige liefde heen te werken, of daar laat zich de begeerte gelden om ons natuurlijk zelfgevoel op allerlei wijze te bevredigen, het zelfgevoel, dat buiten volkomen afhankelijkheid van God toch geene bevrediging vindt. Iemand, die in den gloed der zomer-zonnestralen staat, komt niet op het denkbeeld een aantal waskaarsen rondom zich te ontsteken. Doch aangezien bij het gemis van ware heerlijkheid, het gevoel van behoefte aan heerlijkheid blijft, zoekt de van God afgevallen mensch naar de valsche, de ijdele, ten einde daarmede zoo mogelijk de ondoorgrondelijke leegte van zijn wezen te vullen. En zoo wordt het bestaan
NIET STAAX NAAR HET IIOOGE.
van de meesten een afmattend pogen naar roem en eere; eene aaneenschakeling van allerlei welberekende pogingen om in grooter of kleiner kring te schitteren en te stralen; eene voortdurende inspanning 0111 effect te maken en bewonderd te worden, \'t Is niet om uitmunten, meestal slechts om uitblinken te doen.
Andersen verhaalt in een zijner sprookjes van een mier, die eene toespraak houdt en zich daarbij op de achterpooten verheft om meer indruk te maken. Zonden wij deze kleine mier niet als het welgelijkend beeld van menig menschenkind kunnen beschouwen? En daarbij hangt het slechts af van den tact, waarmede men zich op den voorgrond plaatst en van de wispelturigheid der menigte, die niet naar een hoo-ger beginsel oordeelt, of de poging om furore te maken gelukt. De eene mier beklimt een\' boom, die naast den mierenhoop staat en verhaalt heerlijke dingen van wat zij daarboven heeft aanschouwd, doch hare bewering wordt opgevat als eene beleedi-ging, en zij zelve veroordeeld om een\' muilkorf te dragen en in eeuwige eenzaamheid rond te dolen. De andere mier doet hetzelfde, doch met meer bedachtzaamheid â en zij wordt geloofd, terwijl men na haren dood een monument van eierschalen opricht, om hare verdiensten te eeren. Een monument van eierschalen ! Ja dat is een waardig beeld van de glorie, waarmede de wereld hare dienaren loont, van het schitterend resultaat, dat \'t streven naar het hooge oplevert.
En nu moeten wij toch niet meenen, dat bij ons.
179
180 NIET STAAN NAAR HET HOOGE.
flie gelooven, deze verderfelijke neiging om hooger op te willen reeds met wortel en tak is uitgeroeid. Paulus had wel een\' doorn in het vleesch noodig en een\' scherpen doom ook, om daardoor tegen zelfverheffing te worden bewaard. En dan wij . . .
Zijn wij ganschelijk verlost van de bezorgdheid voor het figuur, dat wij rnaken ? Scheppen wij er al behagen in, niet meegeteld te worden ? Achten wij ons nooit verongelijkt, als anderen boven ons den voorkeur krijgen ? Is het ons wezenlijk een voorrecht onbekend te blijven ? En glimt er geen enkel vonksken van jaloerschheid meer in ons binnenste, wanneer wij zien dat onze mededingers van gisteren ons heden o zoo verre vooruitkomen, zonder zich verder over de achterblijvers te bekommeren ? Ach, om den hoogmoed te dooden is het noodig ons zeiven te dooden.
Menigkeer worden wij ook tot dat streven naar het liooge geprikkeld door de gedachte, dat wij veel meer voor het Koninkrijk Gods zouden kunnen doen als wij, zooals het dan heet, eene invloedrijke positie bekleedden, meer te zeggen hadden, niet langer gebonden waren door al die beperkingen van kleiner staat en lager rang. Ha, als we eens eene belangrijke rol hadden te vervullen, zoodat iedereen vol gespannen verwachting het oog op ons gevestigd hield, hoe geheel anders zouden wij ons gedragen dan nu, nu wij geplaatst zijn in een\' werkkring, waarin het haast niet de moeite waard is goed ons best te doen! Als we eens over tien talenten te
NIKT STAAN NAAK HET HOOGE.
beschikken hadden, in plaats van over dat ééne, waarmee we op de markt des levens toch maar zoo bitter, bitter weinig kunnen uitvoeren, o, dan zou men eens zien, hoeveel men aan ons hebben kon! En door zulke fraaie overwegingen, trachten wij dan in menig geval dat streven om ons naar boven te werken te verontschuldigen. We steken de handen uit naar die belangrijke rol, voor ons gevoel zoo verbazend interessant. We hunkeren naar dat bezit van de tien talenten, en zoolang wij ze nog niet hebben, kunnen wij ons misschien tocb al wel vast aanstellen, alsof we ze hebben, groot sprekende en groot doende.
Dwaasheid en nog eens dwaasheid! Onze betee-kenis voor het Koninkrijk Gods hangt volstrekt niet af van onzen rang in de wereld, ook niet van onzen rang in de kerk. Naar de orde van dat Koninkrijk gaat het juist omgekeerd. Wie zich zeiven verhoogt, zal vernederd, en wie zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden. Het zijn niet altijd pilaren van de Gemeente, die wij als zoodanig bewonderen; van menige eenvoudige dienstbode gaat dikwijls meer geestelijke kracht uit dan van menig ander, die deel heeft aan de vooraanzitting in de synagoge, liet zijn niet altijd de schitterendste redenaars, die de meeste zielen voor Christus winnen; wie weet of niet in den grooten dag der openbaring de Bossuet\'s en de Mas-sillon\'s, de Van der Palm\'s en de Van Oosterzee\'s een heel eind moeten achterstaan bij allerlei dorps-dominé\'s, die bijna nooit een beroep kregen en die
181
182 NIET STAAN NAAR HET HOOGE.
hier of daar op een kerkhof in de hei begraven werden ?
Laat ons dus voor het gevaarlijke en het verkeerde van dat staan naar liet hooge voortdurend de oogen open houden! Als Icarus het plan maakt om zoo hoog te vliegen, dat hij de zon bereikt en zich, statig als een adelaar, op de vleugelen van eigen fabrikaat in de lucht verheft, wordt dit het droevig einde van de historie, dat de stumper hals over kop naar beneden tuimelt en met een\' gevoeligen schok op de aarde terecht komt. Dat gaat nog altijd zoo. Wie zich uitstrekt naar wat boven zijn bereik gaat, heeft alle kans dat hij zijn\' hoogmoed met een extra pijnlijke vernedering moet bekoopen. Wat werkelijk groot is, verdient eerbied. Maar wie zich groot maakt, verdient bespotting. En \'t loon wordt prompt uitbetaald, daarvan kunnen we zeker zijn. Als de tijd het niet doet, dan doet het de eeuwigheid. Vele eersten zullen de laatsten zijn.
Een zoon van Rabbi Jozua ben Levi, zoo verhaalt de fabel, stierf en keerde eenige oogenblikken later in het leven terug. De vader vroeg hem, wat hij in de andere wereld gezien had. «Ik zagquot; antwoordde de zoon, «eene verkeerde wereld; zij die hier bovenaan staan, stonden daar onderaan, en zij die hier de laatste plaats hadden, zag ik daar de eerste plaats bekleeden.quot; «Mijn zoonquot; hernam de oude Rabbi, «gij hebt juist de rechte wereld gezien.quot;
En nu zal toch zeker niemand ontkennen, dat deze overlevering eene waarheid behelst, welke ons aller
NIET STAAN NAAR HET HOOGE.
behartiging verdient. Indien het liooge vernederd wordt, dan hebben wij liet reeds vooruit te beschouwen, als het lage, beneden onze waardigheid, te gering om er ons om te bekreunen. Indien het need\'rige verhoogd wordt, dan hebben wij het reeds vooruit te beschouwen als het hooge, het te eeren, het te zoeken met ons gansche hart. »Wie hoog van gestalte zijn,quot; zoo staat er geschreven, «zullen neder-gehouwen wordenquot; (.les. 10 ; 33). Dit wetende dienen wij het bezitten van eene hooge gestalte in eiken zin te leeren verfoeien, en zorgvuldig alles te vermijden, wat ons zou kunnen berooven van die zeer kostelijke genade om met den psalmist in waarheid te kunnen verklaren : «mijn hart is niet verheven en mijne oogen zijn niet hoog, ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderbaarquot; (Ps. 431 : 1). Nu vooral, nu de grootschheid dei-tegenwoordige wereld zoo kennelijk ten verderve wordt toebereid, en oordeel op oordeel gaat over alle vleesch, dat zich verheft, nu vooral is het tijd ons liet woord des Heeren te laten herinneren, eens tot Baruch gesproken: «zoudt gij u groote dingen zoeken ? zoek ze niet.quot;
Luther moet eens gebeden hebben : «Heer Iaat mij in alle zonden vallen, maar niet in hoogmoedquot;. Een dergelijk gebed, hoe paradoxaal het moge klinken, zou ook op onze lippen wel passen. Want als de trotschheden niet over ons heerschen, zullen wij oprecht zijn en rein van groote overtreding (Ps. 19:15). De anderen, die meer zijn en meer kunnen dan wij.
183
184 MET STAAN NAAR HET HOOGE.
niet voorbij willen loopen. Onze schamele herders-tiisch niet op willen hangen op de plaats, voor dei-helden wapenrusting bestemd. Tevreden en dankbaar zijn, wanneer wij als voetknecht in de gelederen mogen dienen. En wanneer wij tot iets groots geroepen worden .... ik meen, dat het een van de mora-vische broeders geweest is, die zeide: «als God een\' van zijne dienaren bestemt tot het doen van groote dingen, dan begint Hij met hem armen en beenen te breken.quot; Laat ons liet niet vergeten! De weg tot het hoogste voert niet naar boven, maar naar beneden.
Zich voegen tot het nederige.
Eom. 12 : 16b.
wliiM wo,\'^en ohs, Christenen, toch bijzon-\'\' \'^^s^r-\'der groote eischen gesteld! Heerlijkteeken hiervan, dat God ons znlk eene bijzondere groote genade bewezen heeft.
Zoo is liet nog niet eens genoeg te sterven aan dat hunkeren naar hooge dingen, waarvan wij, opgeblazen menschen, toch al niet anders dan na veel innerlijken strijd kunnen verlost worden. Met dit negatieve laten dient een positief doen gepaard te gaan. Op de waarschuwing van niet te trachten naar de hooge dingen, volgt terstond de vermaning om ons te voegen naar de nederige. Trouwens, het eene is niet wel van het andere te scheiden. Als wij wezenlijk een\' afkeer van trotschheden krijgen, zal
186 ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE.
daaruit van zelf voortvloeien, dat wij in het tegenovergestelde van die trotschheden behagen gaan scheppen. En de proefneming om van het jagen naar hooge dingen af te staan, zonder ons tevens op liet zoeken van de nederige toe te leggen, zal ten slotte wel hierop nitloopen, dat wij feitelijk dan toch weer in \'toude kwaad vervallen. Wat dunkt u van een\' bootsman, die meent dat het om niet stroomafwaarts te drijven, voldoende is zijn roeispanen niet te gebruiken ? Als hij niet voortdurend tegen den stroom opwerkt, komt de snuggere schipper immers toch waar hij niet wezen wilde.
Sommigen meenen, dat hier aan personen en niet aan zaken is gedacht. Wij zouden dan moeten vertalen : «voegt u tot de nederigenquot;. En de Apostel zou daarmede dan natuurlijk aan de Christenen den raad hebben willen geven om zich aan te sluiten bij hen, die, wel verre van tot de eerste rangen in de maatschappij of tot de toongevers in de Gemeente te behooren, achteraan komen, schijnbaar weinig beteekenen, en dientengevolge ook in den regel niet worden meegeteld.
Wij geven de voorkeur aan de onzijdige opvatting : « Voegt u tot het nederige.quot; En dat wel omdat deze vermaning dan beter klopt op wat vooraf gaat,waar immers ook niet van hooggeplaatste personen, maar van hooge dingen gesproken wordt. Trouwens het eene sluit het andere niet uit. Voelt iemand zich aangetrokken tot het nederige in het algemeen, dan zal hij zich toch ook wel tot de nederige menschen aangetrokken voelen.
ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE. 187
Ik gebruik met opzet deze uitdrukking : »zich tian-getrokken gevoelen.quot; Want de gedachte, dat wij hier met het aannemen van een zekere nederbuigende, welwillende houding zouden kunnen volstaan, moet zorgvuldig worden buitengesloten. Als gij op een\' goeden dag in het hoofd krijgt om op straat den een\' of anderen stumper aan te spreken en hem een eindweegs vriendelijk koutend vergezelt, en dan met een\' handdruk afscheid van hem neemt, en u huiswaarts begeeft met het streelend gevoel, dat gij u nu toch eens bijzonder nederig en dus bijzonder Christelijk hebt aangesteld, dan hebt gij daarmee immers aan den nu ter sprake gekomen eisch nog in de verste verte niet voldaan. U voor \'t uitwendige tot het nederige voegend, zijt gij zoodoende misschien druk bezig geweest te trachten naar hooge dingen, naar den roem van in dit opzicht boven uw medechristenen uit te munten. De hoogmoed is nooit gevaarlijker dan wanneer hij het kleed van den ootmoed aantrekt.
Het kan mode worden nederig te doen. Men kan den eenvoud gebruiken om er mee te coquetteeren. Zoo is er een tijd geweest, dat in sommige kringen de dames er zich op toelegden om te leeren spreken als een kind van drie of vier jaar. Met verkeerd uitgesproken woorden. Met onjuiste zinswendingen. Alles om de schoone naïveteit van dien aanvalligen leeftijd na te bootsen, om den indruk van kinderlijken eenvoud te maken, en â zoodoende te behagen, \'t Is waar, om door zoo\'n onnoozel spelletje zich te laten
188 ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE.
verschalken, moet men al bijzonder onnoozel zijn. Maar de onnoozelheid der menschen is groot, vooral wanneer men het ver gebracht heeft in de slimheid om het Christelijke na te doen.
Het komt hier allereerst aan op het zich aangetrokken gevoelen door het nederige. Wij moeten er behagen in scheppen. Wij moeten er mee ingenomen zijn. Wij moeten er op verliefd wezen, had ik bijna gezegd. Niet zóó, dat wij, wie weet om wat voor reden, het eenvoudige naar ons toe trekken, maar zóó dat het eenvoudige ons naar zich toe trekt met eene wonderlijke bekoring, te machtig om er aan te kunnen ontkomen. Dan valt van zelf dat opzettelijke weg, dat gewilde, dat in het valsche Christendom zulk eene groote en gevaarlijke rol speelt, maar dat van zelf weg valt, zoodra de liefde aan het woord komt. De moeder behoeft zich geen geweld aan te doen om aan het keuvelen van haar kleine kleuters op de kinderkamer de voorkeur te geven boven het maken van statievisites in den meest ontwikkelden en beschaafden stand, waar het vernuft schittert en zijn triomfen viert.
Paulus gebruikt in het oorspronkelijk een\' lijdenden vorm. En zijne eigenlijke bedoeling wordt daarmede nog duidelijker teruggegeven, dan met de uitdrukking «zich voegen,quot; die in onze vertaling voorkomt. In plaats van voor korter of langer tijd met het nederige mede te gaan, moeten wij er door meegesleept quot;.vor-den, zoodat wij niet anders zouden kunnen, ook indien wij anders wilden. Wij moeten er mee wegloopen,
ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE. 189
gelijk men pleegt te zeggen. Zooals b. v. het publiek met eene schoone beroemde zangeres wegloopt. En niet waar, in zoo\'n geval loopt het publiek niet weg met de zangeres, maar, wel beschouwd, loopt de zangeres weg met het publiek.
Herinneren wij ons hoe Jezus gedaan heeft. Jezus, die zóó nederig was, dat Hij kon zeggen, wat niemand anders had kunnen zeggen zonder hoogmoedig te zijn: ))ik ben nederig van hartquot;. Alles had Hij lief, alles, behalve de zonde. En wat heeft Hij bij voorkeur lief gehad ? Was het niet het kleine, het schamele, het eenvoudige? Hij ontvangt de tollenaren en eet met hen. Hij gaat om met menschen van wie wij zouden zeggen, dat zij toch veel te ver beneden Hem stonden om voor Hem een geschikt gezelschap te kunnen vormen. Hij overnacht in huizen, waar men Hem niet eens een fatsoenlijke logeerkamer kan gereed maken. Dag aan dag, jaarin jaar uit, staat Hij aan de schaafbank, in den timmermanswinkel te Nazareth. De bloemen aan den weg, die de groote menschen doorgaans voorbijgaan met het hoofd in de lucht, omdat ze zoo groot zijn, trekken Zijne aandacht meer dan het prachtigste schilderstuk in een onzer beste musea had kunnen doen. En de ernst waarmede Hij de kinderen gadeslaat, die op de markt zitten te spelen, is intenser dan de spanning, waarmee de kunstliefhebbers in den schouwburg de ontknooping van een klassiek drama zitten af te wachten.
En in dit alles is geen dwang en geen opzet. Wij moeten ons niet voorstellen, dat Jezus toch eigenlijk
190 ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE.
liever in een prachtig paleis te Rome, dan in eene burgerwoning ergens in Galilea\'s achterhoek zijn verblijf zou gehouden hebben; wij behoeven ons niet te verbeelden, dat Hij in den grond den omgang met politieke en letterkundige mannen boven het gezelschap van visschers en tollenaren heeft gesteld, maar dat Hij zich tot het nederige heeft gevoegd, omdat het nu eenmaal behoorde bij de roeping, die Hij te vervullen had, of om den Zijnen in dit opzicht een goed voorbeeld te geven. Hij heeft het nederige lief. \'tKost hem geen moeite het lief te hebben. Liefhebben kost Hem nooit moeite. Het is Hem een genot het lief te hebben.
Iets van die minachting van het voorname, in we-reldschen zin, vinden wij ook bij Paulus zeiven terug. Veel van die minachting misschien. Daarom klinkt het ook van zijne lippen niet als eene aanmatiging, wanneer hij de geloovigen te Rome opwekt om zich tot het nederige te voegen. In de kringen van de eenvoudigen en stillen in den lande voelt de Apostel, een groote onder de grooten voorwaar! zich \'t best te huis. Elke geplaagde, mot wien hij in aanraking komt, werkt op hem als een magneet. Tot den misdeelden en vervolgden broeder voelt hij zich onwederstaan-baar aangetrokken. Het is hem geen last, liet is hem een voorrecht met de kleinen klein, met de dwazen dwaas, met de zwakken zwak te zijn. Beklaag hem niet omdat hij, een man die zoo hoog staat, den kost moet verdienen met te arbeiden in dat ruwe geitenhaar, waarvan men zeker soort zeildoek voor tenten vervaardigde;
ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE. \'191
hij zal u toornig die klachten terugslingeren in het aangezicht, en u het eelt in zijne handen laten zien met dezelfde fierheid, als waarmee de krijgsman u de litteekenen zijner wonden toont, de beste decoratie der dapperheid. Meen niet dat hij u de lijst zijner smartelijke ervaringen voorlegt (2 Kor. 11), om uw medelijden op te wekken, en u de opmerking af te persen, dat hij toch wel een beter lot had verdiend; hij die in zwakheden roemt en in smaadheden een welbehagen heeft, zou een\' indruk van u krijgen, alsof gij eene booze poging deedt om hem de eere-kroon van het hoofd te rukken.
Om onder de blijvende bekoring van het nederige te komen, moet er heel wat gebeuren in een van nature zoo hoogmoedig menschenhart. Het eenvoudige voor een oogenblik toe te juichen, dat gaat nog. Maar het werkelijk lief te hebben in eene wereld, die nu eenmaal heeft uitgemaakt dat het nagenoeg geen beteekenis heeft, nietwaar, dat is toch nog eene gansch andere zaak. Men behoeft de geschiedenis van de Gemeente er maar op aan te zien, om daarvan overtuigd te worden. De discipelen hebben al geruimen tijd met den Meester omgegaan, en dan gaan ze nog als ongeestelijke baliebijters kijven over de vraag, wie hunner het meeste zal zijn in het Koninkrijk Gods. Als op zekere kerkvergadering, niet lang na de Hervorming, Luthersche en Gereformeerde Godgeleerden met elkander samenkomen, en de Calvinisten, die toevallig het eerst ware binnengetreden, op de plaatsen \'t dichtst bij den voorzitters-zetel waren
192 ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE.
gaan zitten, toonden de Lutheranen zich daarover ter dege verbolgen en ze trokken allerlei scheeve gezichten en ze rustten niet vóórdat zij den voorrang hadden. Hoe kinderachtig! zegt gij. En gij moogt het zeggen, ids gij daarbij dan maar niet vergeet, dat het ook onder uns, in ons gemeentelijk en persoonlijk leven, van dergelijke dappere kinderachtigheden wemelt! Tegenzin om het gewone werk te doen en de eere-baantjes aan anderen over te laten. Een heimelijk behagen in wat schittert en klinkt. Verlangen om de eerste te zijn. Genot om liet woord, en zoo mogelijk het hoogste woord, te hebben. Zelfvoldoening als men ons meetelt. Zelfmarteling om een\' enkelen keer zoover te komen, dat wij er toe overgaan nu ook eens de broeders de voeten te wasschen.
Zal het nederige ons meesleepen, dan dienen wij zelf nederig te zijn. Het gaat hier als op het gebied van de kunst. Als gij geen muzikaal gehoor hebt, dan kunt gij de uitvoering van de eene of andere beroemde compositie bijwonen, zonder daardoor\' getroffen te worden. Kwansuis vindt gij ze wel mooi. Maar gij komt niet onder den indruk. Zij overmeestert u niet. Hoe geheel anders is het nu met den kunstenaar, die eene zekere hoogte van muzikale ontwikkeling heeft bereikt, als hem dat voorrecht te beurt valt. Hij wordt er door meegesleept, in den krachtigsten zin van het woord. Zijn heele wezen gaat er in op. Voor al wat buiten die sfeer der toonkunst valt, verliest hij gedurende eenige oogenblikken alle aandacht. En nog een poos nadat de laatste klanken zijn weg-
ZICH VOEGEN TOT HET NEDERIGE.
gestorven, zit hij daar neer in zichzelf verzonken, als een wezenlooze. Terwijl de kunstenaar buiten zichzel-ven schijnt te zijn, is hij juist tot zichzelven gekomen.
Zoo moeten wij nederig worden, om onder de machtige bekoring van het nederige te komen. En hierin ligt juist het groote bezwaar. Er is zooveel kans, dat deze hoeksteen ons een rotssteen der ergernis wordt. Er is zooveel genade toe noodig om eigen majesteit prijs te geven, de majesteit die valsch is, en die wij moeten prijsgeven om voor de echte majesteit oogen te krijgen.
Keizer Alexander 1 van Rusland wordt in een bootje bij SchaiThausen over den Rhijn gezet. Hij blijft rechtop in het vaartuig staan. En als men in den feilen stroom komt, en liet scheepje bijzonder heftig op en neer geworpen wordt, roept de schipper: «bukken, uwe Majesteitquot;! daarmede bedoelende dat de keizer veiligheidshalve op den bodem van het vaartuig zal gaan zitten. Dat is iets voor een Romanoll\', zoo gekommandeerd te worden! Maar de schipper roept met sterken aandrang; «bukken, uwe Majesteitquot;! En de Russische vorst geeft eindelijk aan den raad gehoor, ziende dat hij toch anders wel eens in den bruisenden vloed terecht zou kunnen komen.
Naar beneden met al onze eigene majesteit, die geen echte majesteit is! Ziedaar den weg om te ontkomen aan den stortvloed, die straks al het hooge gaat verbrijzelen. Ziedaar ook het middel om ons aangetrokken te gevoelen tot het eenvoudige, tot het nederige. We ontkomen aan den overweldigenden
193
13
ZICH VOEGEN TOT HET NEHERIGE.
indruk van het phaenomenale in de tegenwoordige wereld. We doen de verrukkelijke ontdekking, dat er zooveel kleins is in het groote en zooveel groots in het kleine. We zien door de dienstknechts-gestalte heerlijkheid heenschitteren, en o dan wordt het ons eene zaligheid, die dienstknechtsgestalte te volgen â ook naar beneden.
Op zekeren dag sluimerde een engel, dehloernen-engel, in de schaduw van eene rozenstruik. En toen hij ontwaakte, verfrischt en versterkt, sprak hij: ik dank u, hevalligste mijner kinderen, voor uw\' ver-kwikkenden geur en uw\' verkoelenden lommer, hebt gij niet een\' wensch, dien ik u vervullen kan? En als de rozelaar daarop smeekte om in schoonheid boven de andere struiken van zijn geslacht uit te munten, versierde de engel hem met eenvoudig mos.
üe mosroos de schoonste. In den eenvoud schuilt het geheim der heerlijkheid. Voor den mensch die liet ziet is het geen moeilijke plicht, voor hem wordt het eene zalige genade zich tot het nederige te mogen voegen. Echte heiligen zijn altijd eenvoudige heiligen. Wie zich laat meesleepen door het nederige, zal ondervinden dat hij wordt opgevoerd naar het schcone, naar het heerlijke, naar het eeuwige.
194
Niet wijs in eigen oog.
Rom. 12 : 16c.
onder de geloovigen de eenheid des gees-ten volle tot haar recht komen, en de Gemeente hare grootsche roeping hier op aarde naar behooren vervullen, dan dient alle ingenomenheid met het eigen ik ten strengste te worden geweerd. Ook de ingenomenheid met onze persoonlijke inzichten en opvattingen. Dat beteekent heel wat. Het geloof aan eigen voortreffelijkheid is helaas nu eenmaal zóó diep in ons wezen ingeworteld, dat liet bijna onmogelijk schijnt er radicaal van verlost te worden. En toch dienen wij er in elk opzicht van te worden verlost. Wij moeten er in elk geval eerlijk van verlost willen worden. Anders is ons Christendom het echte niet. En in plaats van de Gemeente te helpen
NIET WIJS IN\' EIGEN OOG.
bouwen, zullen we, met wat we in haar midden zijn en met wat we in haar midden doen, toch slechts haar leven belemmeren en haren wasdom tegenhouden.
Het verband springt terstond in het oog.
Wanneer gij u verbeeldt de wijsheid ongeveer alléén in pacht te hebben, dan volgt daaruit van zelf, dat gij in allerlei opzicht den baas wilt gaan spelen over uwe broederen. En met dat streven werkt gij lijnrecht in tegen de vervulling van den eisch, door den Meester aan de Zijnen gesteld: «Zoo wie onder u de eerste wil zijn, die zij uw aller dienstknecht.quot; Door uwe heerschzucht maakt gij dat de onderlinge verhoudingen bedorven worden. En in plaats van samen te binden, zult gij met uw\' dwazen eisch dat alles precies wezen moet zooals gij, kleine potentaat, het hebben wilt, de gemoederen tegen elkander opzetten, en de voor liet geestelijk leven zoo onmisbare eendracht verstoren.
Wijs te zijn in eigen oog is natuurlijk lang niet hetzelfde als te gelooven aan de juistheid van onze eigen overtuiging. Zonder dat geloof zou die overtuiging eenvoudig ophouden overtuiging te zijn. Wanneer gij uwe meening zóó weinig als uw innerlijk, persoonlijk eigendom bezit, dat gij ieder oogenblik van opinie wisselen kunt zonder dat het u meer moeite kost, dan het aan- en uittrekken van een jas, die in uw\' gang aan den kapstok hangt, zou die opinie dan wel zoo heel veel waard zijn ? En zoudt gij zelf als menscl i en als Christen in dat geval ook wel
196
NIET WIJS IN EIGEN OOG.
zoo bijzonder veel waard zijn ? Zoo iets loopt uit op een schandelijk spel met fle waarheid en met het geweten. Draaitollen zijn er genoeg in de wereld. En windwijzers ook. En rnenschen die met allerlei wind van leering worden omgevoerd, en die hunne overtuiging al voelen wankelen, wanneer hun maar even een welbespraakte afgezant van een of andere nieuwerwetsche Christelijke secte aan boord komt, zulke exemplaren zal toch wel niemand als toonbeelden van standvastigheid willen voorstellen. Een geloof dat men opgeven kan is geen geloof. Gij moet «neenquot; kunnen zeggen, »neenquot; tot iedereen, «neenquot; tot het einde toe, anders wordt het twijfelachtig, of gij in het diepst van uw wezen wel ooit waarachtig «jaquot; hebt gezegd.
Ma ar deze kloeke, onmisbare standvastigheid heeft met eigenzinnigheid niets uit te staan, misschien wel eens wat den vorm, maar toch nooit wat het wezen aangaat. Als Paulus zijn voornemen om niets anders te willen weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd doorzet, trots alle mogelijke pogingen om hem daaraan ontrouw te maken, zoudt gij hem dat als een smet op zijn karakter, als een teek en van stijfhoofdigheid durven aanwrijven? Als Luther op den Rijksdag te Worms, ondanks het heirleger van dreigementen waarmee men op hem aanvalt, op zijn standpunt blijft staan, onbeweeglijk als een rots van graniet, mogen we ons dan niet geroepen achten, die heldhaftigheid met ongehuichelde bewondering aan te staren ! Als gij in staat zijt ge-
U)7
NIET WIJS IN EIGEN OOG.
stold, smet ulle heiligenquot; (en dus niet als uw privaatbezit) «te begrijpen welke de breedte en lengte en diepte en hoogte isquot; d. w. z., als gij eenmaal eene, zij het dan ook aanvankelijk zeer zwakke, maar toch zuivere kennis verkregen hebt van de alles overtreffende en alles overheerschende Goddelijke liefde, van de liefde van Christus, die alle (natuurlijke) kennis te boven gaat . . . zou het dan geen misdaad zijn dien schat ooit ofte immer, ter wille van de men-schelijke logica of van wat dan ook, prijs te geven? Niemand behoeft u deze vraag te komen beantwoorden. Gij gevoelt zelf, dat het niet mag. Gij gevoelt ook, dat het niet kan.
Maar wat wij wel kunnen en ook moeten doen .. .. op onze hoede zijn tegen de neiging om, ik zeg niet met de waarheid, maar met ons eigen inzicht van de waarheid te gaan dwepen, alsof wij alleen het bij \'t rechte eind hadden. Gelijk trouwens overal, zoo is het ook hier weer enkel de liefde, die ons in staat stelt het rechte te treilen, en er ons voor bewaart dat wij een beginsel prijs geven, dat wij niet mogen prijs geven, of dat wij eene meening vasthouden, die wij niet mogen vasthouden. De liefde is het eigenlijke middelpunt van alle dingen, lïn daarom moeten wij altijd van haar uitgaan om de dingen in de rechte verhouding te plaatsen, oin scheeve opvattingen te voorkomen, en te zorgen dat wij ons niet aan overdrijving schuldig maken. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. Kennis zonder liefde (ofschoon zulk eene kennis eigenlijk geene kennis
198
NIET WIJS IN\' EIGEN OOG.
199
lieeten mag), voert dus noodzakelijk tot zelfverheffing en tot den eisch om, ten minste in zekere mate, ook door anderen voor een soort van autoriteit te worden aangezien. In het lief hebben ligt het geheim van de echte nederigheid, ook van de nederigheid op het terrein van het denken en het weten. En aangezien nu een Christen zonder liefde geen Christen, en die liefde zonder ootmoed geen liefde is, wordt hij juist door dien ootmoed beschermd tegen den waan, dat hij de wijsheid in pacht heeft gekregen. «Indien iemand meent iets te kennen, die kent nog niet gelijk men behoort te kennenquot; (1 Kor. 8 : 2). Onder de scherpe tucht van dit beginsel levende, leert hij alle ingenomenheid, ook met zijn eigen verstand, schuwen als eene belemmering om de waarheid te verstaan. De mogelijkheid van te dwalen staat hem voortdurend helder voor den geest. Hij wantrouwt zichzelven, de juistheid van eigen opvatting en onderzoek, omdat hij aan de waarheid zijn volle vertrouwen geschonken heeft. Van ongelijk overtuigd, zal het hem eene eer zijn, ongelijk te erkennen. Xiet aan de meening, die hij zich vormde, maar aan de waarheid zelve wenscht hij de opinie van anderen en ook die eigen meening voortdurend te toetsen. En beseffende dat het ook hem nog niet gegeven is anders te zien dan door een spiegel in een duistere rede, komt hij absolute onderwerping opeischen niet voor het inzicht, door hem van de waarheid verkregen, maar voor de waarheid zelve, voor de waarheid alleen.
MKT WIJS IN EIGEN OOG.
Hoe onaangenaam steekt daartegen af liet beeld van den mensch, die het hoofd in de lucht heft, alsof hij zeggen wil: «ik ben ik, en ik weet hetquot;! Onder de Farizeën in Jezus\' dagen heeft het zeker aan dergelijke helden niet ontbroken. Ten minste wij lezen, dat zij jaar in jaar uit, bij het eten van het paaschlam, heel bescheiden plachten te verklaren; «wij allen »zijn wijzen, wij allen zijn verstandigen, wij allen «hebben kennisse van de wet.quot; Juist! En omdat zij zoo wijs en zoo verstandig waren, konden zij den Christus niet verdragen, en wilden zij niet rusten, vóór dat zij Hem aan het Kruis hadden genageld. De waarheid is eene doodsvijandin van tien mensch, die trotsch genoeg is om eenige rnenschelijke en dus altijd hoogst gebrekkige opvatting van de waarheid met de waarheid te vereenzelvigen.
Dat blijkt ook nu nog duidelijk genoeg. Van de zeven wijzen uit het oude Griekenland wordt ons verhaald, dat zij eenparig weigerden den gouden drievoet aan te nemen, die bestemd was voor den wijste onder de kinderen der menschen, en dat zij besloten dien in den tempel van Apollo aan den dienst der Sibylle te wijden. Hoeveel geleerden en ongeleerden, hoeveel predikanten en leeken zouden er in onze dagen wel zijn, die wanneer eens in hun\' kring zulk een onderscheidingsteeken werd uitgeloofd, meenden dat zij in alle bescheidenheid hunne aanspraken daarop mochten laten gelden!
Ieder van mijne lezers zal wel eens het twijfelachtig voorrecht hebben gehad met zoo\'n type van
200
NIKT WIJS IN EIGEN OOG.
eigenwijsheid kennis te maken. Van langen duur was de kennismaking zeker niet. Want zoo\'n vleeschge-worden onfeilbaarheid in miniatuur behoort tot de onaangenaamste liguren, die er over de aarde rondwandelen. Mijnheer weet het. In vele gevallen zegt hij wel met gemaakte nederigheid, dat hij het niet weet, maar aan zijne lieele manier van zijn is het toch duidelijk te merken, dat hij liet weet. Hij weet ook, dat hij het weet. En die eigenschap maakt hem juist tot zulk een voortreffelijk mensch in de samenleving, en zulk een voortreffelijk lid van de Gemeente. Gij kunt altijd wat van hem leeren. Twijfel kent hij niet. Erkennen dat hij zich vergist heeft, zulk eene vernedering behoeft hij zicb gelukkig nooit te getroosten. Geen Bijbeltekst zoo moeielijk, of hij kan u dien uitleggen. Geen voorstel op eene of andere vergadering zoo volledig, of hij heeft een amendement. Geen preek zoo voortreffelijk, of hij kan u aanmerkingen leveren bij de vleet, op den inhoud van de preek en op de stem van den prediker enz. enz. En als gij met hem gaat redeneeren, o wees voorzichtig, anders gaat het u nog zooals het een\' mijner collega\'s ging, dien ik wel een uur lang ijverig hoorde redeneeren met een\' boer uit zijne gemeente, ten einde hem op zeker punt van dwaling te overtuigen, en die zijne moeite hiermede beloond zag, dat de welgedane landbouwer het gesprek eindigde met de opmerking: ))ik kan tegen dominéniet proaten, moar â ik heb toch geliek.quot;
Laten we anderen maar niet oordeelen, en zoo-
201
NIET WIJS IN EIGEN OOG.
doende, zonder het te weten, doen blijken dat het wijs zijn in eigen oog ook nog tot onze karaktergebreken behoort.
Laat ons liever de hand in eigen boezem steken!
Reeds de Heidenen hebben de dwaasheid van deze wijsheid zoo goed begrepen.
«Ieder menschquot;, zoo sprak Confucius, «die zegt; Mk weetquot;, raakt onvermijdelijk in allerlei strikken verward, en valt in kuilen, waaruit hij zich niet zal weten te redden !quot;
Een spreekwoord van de Chineezen luidt; «zelfge-Bnoegzaamheid is zelfvergissing.quot;
De Arabieren verzekerden : «hij, die zichzelf plaatst «in den rang der wijzen, wordt door God en men-«schen tot de dwazen gerekend.quot;
En zouden wij die verklaren te weten, dat de kennis van de dingen waarop het aankomt den wijzen en verstandigen verborgen is, maar den kinderkens geopenbaard, zouden wij niet bang behooren te zijn voor al wat ons op dit dwaalspoor kan leiden? Gaat het ons al grif en makkelijk af ruiterlijk ongelijk te bekennen, als wij voelen ongelijk te hebben ? Is ons geloof reeds zoo sterk, dat wij macht hebben om meeningen en begrippen los te laten, die wij vroeger aanhingen, maar waarvan ons nu later blijkt, dat zij geen wezenlijk bestanddeel van ons geloof uitmaken, en ten onrechte daaraan van buiten waren vastgehecht ? Is het ons reeds een kruis aanmerkingen te moeten maken ? En zijn wij al klein genoeg geworden, om, inzonderheid van de kleinen, gaarne te willen leeren?
202
NIET WIJS IN EIGEN OOG.
Geen beter middel voorwaar om blind te worden dan te meenen, dat men ziet! En geen beter middel om ziende te worden, dan terdege van eigen blindheid overtuigd te wezen. Geen beter middel om u door het verstand des vleesches te laten opblazen, en daardoor alle licht te laten uitblazen, dat God in uw binnenste ontsteken wil, dan rustig aan eigen importantie, ook aan de importantie van uw weten en uw verstaan te gelooven. En geen beter middel om met de helderheid van het licht dor waarheid beschenen te worden, dan hot eigen ik en al zijn eigenwaan ook wat het donken betreft te doodon, on alle gedachten tut do gehoorzaamheid aan Christus gevangen to geven. Indien de omgang met een\' wijze ons wijs genoog maakt om onszolvon als den voornaamste dor dwazen te gaan beschouwen, waar moot dan de wijsheid in ons eigen oog blijven, als wij loven in de gemeenschap met Hem, van Wien wij niet kunnen merken, dat Hij alles is, zonder er achter te komen, dat wij zelf niets zijn ?
De wijze bij zichzelf is dwaas genoeg om te zeggen : ik alleen bon wijs.
Do Gemeente is wijs genoeg om te zeggen : God alléén is wijs.
Don Koning nu der eeuwen, don onvordorfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid !
203
Kwaad niet met kwaad vergelden.
Kom. 12 : 17.
is een curieus verschijnsel dat wij, die s^^^^\'het immers met onszei ven niet zoo heel nauw plegen te nemen, doorgaans een\' vrij sterken drang tot het oefenen van gerechtigheid in ons binnenste voelen opkomen, wanneer wij door een ander kwalijk worden bejegend. Hebben wij iets misdaan . . . . nu ja, zoo\'n zwakheid, zoo\'n kleinigheid kan men toch gemakkelijk genoeg over het hoofd zien. Niemand is volmaakt, \'t Was ook zoo erg niet bedoeld. En wij vinden, dat het volstrekt en volstrekt niet te pas komt ons later die verkeerdheid nog eens voor de voeten te werpen. Maar pas wordt het geval omgekeerd en ons eenig onrecht aangedaan, of het eigen ik maakt zich gereed oin, met eene gewaar-
KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN. 205
wording van gekwetste majesteit, op den rechterstoel te gaan zitten. Wij, die gisteren en eergisteren nog zoo ongevoelig waren voor het harteleed, dat wij door een liefdeloos woord of eene onbroederlijke bejegening den naaste berokkenden, zijn, nu het onszelven geldt, plotseling o zoo fijngevoelig geworden. Het geheugen, dat ons schier geheel in den steek liet, toen het er op aankwam te onthouden wat wij tegen anderen misdeden, verkrijgt in eens eene wondere scherpzinnigheid, als er sprake is van de gronden, die wij hebben om die anderen betaald te zetten wat zij tegenover ons, in schijn of in werkelijkheid, hebben misdaan. Men kan zich toch ook zoo maar niet van idles laten zeggen! \'t Is immers geen plicht zich als een onnoozel schaap te laten behandelen. Voor het geweten van die anderen is het ook volstrekt niet goed hun den indruk te geven, dat ze ongemoeid kunnen voortgaan op hunne verkeerde paden. Neen, neen ! Zij moeten voelen dat ze onbehoorlijk deden. En wij, wij zijn geroepen om hun dat te laten voelen .... Leve de gerechtigheid !
Zoo komen wij zeer geleidelijk tot dat vergelden van kwaad met kwaad, waartegen de Apostel ons wenscht te waarschuwen. Ieder begrijpt, dat het zijne bedoeling niet is met deze waarschuwing aan de beteekenis van het recht afbreuk te doen. Indien de liefde recht van bestaan heeft in deze wereld, dan de gerechtigheid ook, want deze twee zijn één. De overheid draagt het zwaard niet te vergeefs.
206 KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN
Verslapping der tucht heeft, zoowel voor het huisgezin als voor het gemeenteleven, de bedenkelijkste gevolgen. En ik zou ook niet gaarne mij bereid verklaren tot het verdedigen van de stelling, dat het een\' Christen in elk geval ongeoorloofd zou zijn voor het hem aangedaan onrecht herstel te gaan zoeken bij den wereldlijken rechter. Wij zijn niet geroepen de snelle en felle uitbreiding van het booze in de tegenwoordige wereld maar stillekens te laten begaan. Zelfs het schenken van vergiffenis aan den naaste kan ons tot zonde worden, wanneer het namelijk niet met positieven afkeer van het bedreven kwaad als zoodanig gepaard gaat, met het geweten van hem die het deed geen rekening houdt, en zoo uit zwakheid of gemakzucht de heiligheid van Gods wil verzuimt hoog te houden. Als David zich niet door .Toab had laten overhalen om Absalom toch maar in genade aan te nemen (2 Sam. 14), zonder dat deze vooraf schuld gevoeld en schuld beleden had, wie weet hoeveel ellende hij daardoor had knn-nen voorkomen ? Door deze toegeeflijkheid heeft hij zich toch inderdaad aan de ontbinding van de theocratische orde in zijn huis en in zijn rijk mede schuldig gemaakt. Jezus zegt het uitdrukkelijk (Luk. 17 : 3) ; «indien uw broeder zondigt, bestraf hem ; en indien hij berouw heeft, vergeef \'them.quot; Indien hij berouw heeft . . . zoolang dat berouw niet aanwezig is, zoudt gij door het schenden van vergiffenis maar de zedelijke orde schenden, en den broeder hoe langer hoe verder op den verkeerden weg helpen.
KWAAD XIET MET KWAAD VERGELDEN.
Maar recht is geen wraak. Haat tegen het booze mag onder geen beding gepaard gaan met haat tegen den mensch, die er zich aan schuldig maakt. Terwijl de wereld in den regel o zoo verdraagzaam is tegenover de zonde en o zoo onverdraagzaam tegenover den zondaar, behoort de Gemeente deze verhouding om te keeren, en zich tegenover de zonde de onverdraagzaamheid, en tegenover den zondaar de verdraagzaamheid zelve te betoonen.
En dat vooral wanneer er sprake is van onrecht of beleediging, ons persoonlijk aangedaan. Wij mogen ons daardoor niet tot het koesteren van zekeren heimelijken wrevel laten verlokken. Wij moeten genoeg liefhebben om hem, die ons het liefhebben door zijne vijandschap bijzonder moeilijk of bijna onmogelijk maakt, te kunnen blijven liefhebben met een eerlijk hart en een goed geweten. Wij moeten volkomen blind worden voor de talrijke gelegenheden, die zich aan ons voordoen, om hem met gelijke munt te betalen. Wij moeten het booze, dat anderen ons aandoen, met zachtmoedigheid leeren verdragen, opdat zij niet tot meer haat worden geprikkeld, en wij zelf in de liefde, d. w. z. in de zaligheid toenemen, want een mensch is zalig in zooverre hij op de rechte wijze bemint.
Paulus legt den nadruk op het woord «niemandquot;; vergeldt «niemandquot; kwaad met kwaad. Ach, in het maken van uitzonderingen zijn wij menschenkinde-ren zoo boosaardig handig. igt;ij uwe vrouw, bij uw kind, bij uw\' geloofsgenoot niets door de vingers te
207
208 KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN.
willen zien en altijd gereed te staan om op hen de wet der wedervergelding toe te passen, nu, dat zou toch al bijzonder onchristelijk mogen heeten. Maar wanneer gij te doen krijgt met iemand, die u zoo schandelijk weet te tergen, en u zwart maakt bij de menschen, en u onophoudelijk allerlei moeielijkheden i in den weg legt, wordt dan toch het geval niet een weinig anders ? Neen, het geval wordt niet anders, liet geval wordt in geen enkel opzicht anders. Al stondt gij tegenover iemand, die u zóó slecht behandelde, dat gij zijn naam nauwelijks kunt hooren uitspreken, zonder dat gij van binnen warm begint te worden, dan zoudt gij van de allerschoonste, ik zei bijna van de allerchristelijkste gelegenheid om hem eens ongemerkt een\' fermen duw of een\' steek onder water te geven, toch geen gebruik mogen maken.
Niemand .... dat moet wel vreemd geklonken hebben in de dagen van den Apostel Paulus. Vreemd vooral in de ooren van hen, die onder den invloed van het exclusivisme, dat het Jodendom kenmerkte, het trekken van grenslijnen en het maken van uitzonderingen op zedelijk gebied als een soort van heilig, Gode welgevallig werk hadden leeren opvatten. Zij hadden gehoord dat tot de ouden gezegd was : gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand haten. Zij waren er zoo aan gewoon geraakt de Samaritanen te beschouwen als menschen, die men gerust uitgeplunderd en stervende aan den weg mocht laten liggen, zonder over die liefdeloosheid gewetenswroe-
KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN. 209
ging te gevoelen. Men had hun in \'tooi\' gefluisterd, dat afvallige Israëlieten, die de Avet en de profeten verwierpen, eigenlijk verdienden, zoo mogelijk in \'t openbaar, doch als dat niet kon, dan maar in \'t geheim om \'t leven te worden gebracht. Zij waren opgegroeid in de meening, dat een Jood, die een\' vreemdeling versloeg, de doodstraf niet verdiende, eenvoudig omdat zoo\'n Heiden geen «naastequot; was. En nu zoo absoluut zich den eisch te hooren stellen, dat men niemand kwaad voor kwaad mocht vergelden! Geen wonder, voorwaar! dat men moeite had zich er in te vinden.
Niemand .... wij kunnen helaas! niet zeggen, dat later de Christelijke kerk zich wèl gemakkelijk in de volstrektheid van dezen eisch heeft kunnen vinden. Wat heeft die kerk soms ruw van zich afgeslagen! Wat heeft ze zich vreeselijk gewroken op hen, die het stoute stuk durfden bestaan van haar in meening te verschillen, of ook maar een\'vinger naar hare onfeilbaarheid uit te steken! De Christenen zouden in deze wereld verkeeren als schapen onder de wolven. Maar de schapen hebben er nog al eens behagen in gehad de rollen om te keeren. en de functie der wolven over te nemen. Onder den lluweelen mantel van de zoete woorden der liefde heen kwamen telkens de roofgierige klauwen te voorscliijn. De vervolgde bruid van Christus begon zich nauwelijks in dit tranendal zeker te gevoelen van hare macht en heerschappij, of ze trad op met een\' vervolgingsijver, waarbij de Heidenen, die\'t haar zoo lastig had-
li
210 KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN.
den gemaakt, weI haast arme beunhazen in \'t vervolgen schenen tu zijn. En toen, om bij den ofliciëelen term te blijven, het Protestantisme de korenmate van den kandelaar had gerukt... men verhaalt dat zekere hertog uit de zilveren zerk, die in den dom te Pader-born op liet graf van een\' heilige lag, daalders liet slaan met het opschrift: «des Heeren vriend en der papen vijand.quot; Die daalders moeten thans zeer zeldzaam zijn geworden. Maar of het nu, zoovele eeuwen later, tot de zeldzaamheden behoort dat men Gode een\' dienst meent te kunnen doen door Roomschen of Protestanten, orthodoxen of liberalen het kwaad, dat zij misschien niet eens gedaan hebben, met kwaad te vergelden, dat zou ik niet durven beslissen.
Wij hebben ook wel iets beters te doen. Wij hebben te letten op ons eigen persoonlijk leven. Mogen wij er ons van verzekerd houden dat de lust om kwaad met kwaad te vergelden reeds uit ons binnenste met wortel en tak is uitgeroeid .\' Natuurlijk zal niemand zich uitlaten zooals indertijd de lichtzinnige Heine deed, toen hij zeide: «ik ben de vreedzaamste mensch ter wereld: mijne wenschen zijn: eene hut, een dak van stroo, maar een goed bed, goed eten, melk en boter, en bloemen voor liet venster, en voor de deur eenige flinke hoornen; en, als ik mijn geluk voltooid zal zien, moet ik liet genoegen beleven zes of zeven mijner vijanden aan die boomen te zien ophangen.quot; Wij zullen ons wel wachten zulke taal op de lippen te nemen, maar gevoelen wij toch ook niet iets voor de bekentenis, welke hij er in zijne cynische eerlijk-
KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN.
211
heid op laat volgen, dat hij zijne vijanden niet kan liefhebben vóór hij zich op hen gewroken heeft? Behouden wij niet soms tegenover iemand, die ons kwaad deed, eene gewaarwording alsof er tusschen hem en ons iets te vereffenen viel, terwijl wij dan de rekening voor ons bewustzijn niet zóó inrichten, dat wij hem vergevende liefde schuldig zijn, maar zóó dat hij ons iets, nog eene zekere voldoening, schuldig is? Is er, wanneer wij eens goed rondkijken, niet de een of ander, tegen wien wij heusch niets hebben, maar dien wij toch met plezier eens den voet dwars zullen zetten, als wij ons de kans geopend zien om liet te doen op eene wijze, waardoor de reputatie van onze liefdevolle verdraagzaamheid niet al te veel wordt geschaad? Zou het ons waarlijk geen genoegen doen, als wij een stuk of wat van onze vijanden, ik zeg niet aan de takken van de hoornen voor ons venster zagen bengelen, maar zagen dalen in de gunst der menschen of worstelen met tegenspoed of iets dergelijks ? Hebben wij reeds de kunst afgeleerd om een\' steek onder water en dan meteen boven water een handdruk te geven? Strekt het ons reeds tot grooter vreugde vergeving te schenken dan vergeving te ontvangen? Ligt er op den bodem van ons hart geen enkele kleine rancune (de menschen gebruiken liefst voor bijzonder leelijke dingen een vreemd woord, om zoo dat leelijke minder leelijk te doen uitkomen) ? En zouden wij vandaag kunnen sterven in de gewisheid, dat er van zoo iets geen zweem in ons binnenste overbleef?
212 KWAAD NEET MKT KWAAD VERGELDEN.
Er is, zou ik meenen, toch wel zeker verband tus-sehen de waarschuwing van Paulus, die ons thans bezighoudt, en de vermaning, die voorafging, omtrent het niet wijs zijn in eigen oog. Hoogmoed en echte vergevensgezindheid gaan nooit samen. Hoe meer beteekenis wij met al onze buitengewone talenten en al onze goede eigenschappen in eigen schatting hebben, des te meer beteekenis zullen wij ook hechten aan de miskenning die wij ondervinden, en die in vele gevallen toch maar in onze verbeelding bestaat. Wie zich zelf \'t meest vleit, voelt zich ook het spoedigst door anderen beleedigd. Daarom kan ook hier enkel zelfverloochening tot overwinning leiden. Wij moeten te weinig notitie nemen van wat ons toekomt, om niet te veel notitie te kunnen nemen van wat anderen tegenover ons te kort komen. Worden als een kindeken, ziedaar den weg om het Koninkrijk Gods in te gaan, ook wat betreft den lust om kwaad met kwaad te vergelden.
En dan elkander aannemen, gelijk Christus ons aangenomen heeft. Hij heeft ons aangenomen zonder ons een verwijt te maken van de vele, vele ongerechtigheden, waaraan wij ons schuldig gemaakt hadden. Hij heeft ons aangenomen met eene vergevensgezindheid, zoo wonderlijk edelmoedig, dat wij vruchteloos naar woorden zoeken om haar te beschrijven-Hij heeft ons zóó aangenomen, dat wij voor al wat wij misdeden niet de allerminste vergelding meer te wachten hebben, noch in den tijd, noch in de eeuwigheid. Dat moet ons helder voor den geest staan. Dat
KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN. 213
moeten wij gedurig indeuken en dourdenkeu. En dan wordt het ons, dunkt mij, van zelfeene onmogelijkheid aan de wraakzucht van ons bedorven hart den teugel te vieren. Voor den invloed van die hemelsehe liefde zal zij ten slotte wel het onderspit moeten delven. Want de vergeving, die God ons schenkt, bestaat niet hierin, dat wij machinaal van den vloek worden vrijgesproken, zonder meer. Zij bestaat hierin, dat de barmhartigheid Gods in ons neerdaalt, en zich van onze zielen meester maakt, en in ons binnenste alle hooze lusten, ook het verlangen om kwaad met kwaad te vergelden, gaat overwinnen. Daarom bevat het antwoord op de vraag of wij vergeven willen en vergeven kunnen, meteen liet antwoord op die andere of wij inderdaad vergeving hebben ontvangen.
Het is niet genoeg, dat wij geen kwaad met kwaad vergelden. Het is iets. Het is veel misschien. Maar het is niet genoeg. Eerst dan handelen wij op dit punt naar den wil van God, wanneer dat niet vergelden uit de rechte bron voortvloeit, d. i. uit de liefde.
Laten wij het na, eenvoudig omdat wij er geene geschikte gelegenheid toe vinden den naaste betaald te zetten wat hij tegen ons misdreef .... God neemt den wil voor de daad, ook den boozen wil voor de booze daad.
Laten wij het na, omdat het ons in de drukke afwisseling des levens onwillekeurig door het hoofd ging, dan heeft dat vergeten, slechts in schijn eene schoone vrucht van het vergeven, niet de minste zedelijke beteekenis.
214 KWAAD NIET MET KWAAD VERGELDEN.
Laten wij het na, omdat wij \'t beneden onze waardigheid achten, op de manier zooals Socrates deed, toen hij van iemand een\' trap kreeg, en aan een\' ander, die zich over zijn geduld verbaasde, vraagde : »Zou ik ook een ezel, die mij stoot, gaan aanklagen ?quot; dan is toch in werkelijkheid het kwaad met een ander kwaad, namelijk dat der minachting, vergolden.
Laten wij het na, nu ja, omdat God het wil, terwijl wij zelf het in den grond van de zaak zoo gaarne wel zouden willen, dan blijft onder de gedwongen vriendelijkheid een geheime wrok sluimeren, en hebben wij ook in het beste geval slechts eene halve overwinning behaald.
Alleen de liefde maakt ons vrij.
Alleen de liefde maakt ons waar.
Alleen de liefde brengt ons zoover, dat wij geen kwaad met kwaad vjillen vergelden en geen kwaad met kwaad kunnen vergelden.
En als zij ons zoover brengt, dan brengt zij ons nog verder ook.
Voor aller menschen oog.
Kom. 12 : 17b.
öörtdurcn\'l sterker wordt de zuclit naar open-\'|vA^^baarheid onder de kinderen van ons geslacht. De binnenkamer beteekent heel wat minder dan te voren. En de huiskamer ook. Allerlei dingen, die vroeger op den stillen achtergrond van het leven bleven, tracht men nu zooveel mogelijk naar voren, naar buiten te schuiven. Het volle licht moet er up vallen. Ze hehooren, zoo klinkt de ietwat socialistische tooverformule, publiek eigendom te worden. Geen mysteriën meer! Zij passen niet in eene wereldbeschouwing, waarin men weigert dingen op te nemen, die zich niet van alle kanten met scherpen, kritischen blik durven laten bekijken. Alles aan de groote klok! De tempelen der kunst, oorspronkelijk slechts voor
VOOR ALLER MEXSCIIEX OOG.
enkele ingewijden bestemd, nu voor de groote schare ontsloten. Het antieke ridderkasteel der wetenschap, met ijzeren poorten en zware ophaalbruggen, veranderd in een open park met glooiende heuvels en lachende vijvers, een open park, waarin ieder die het verkiest op elk uur van den dag eene wandeling kan gaan maken. Julïertjes van een jaar of vijftien zijn soms precies op de hoogte van dingen, waarvan hunne ouders niet zonder blozen zouden kunnen spreken. En ids ge vandaag een vlieg doodslaat, is er heusch eenige kans, dat dit heldenfeit morgen in de krant onder het stadsnieuws vermeld staat. Leve de publiciteit! Van de Chineezen verhaalt men, dat zij in liet geheel geen geheimen hebben. Zij zien er volstrekt geen bezwaar in brieven te lezen vooreen ander bestemd. Alles, naar zij voorwenden, in overeenstemming met liet bij hen zeer geloofde spreekwoord: «wanneer gij van iets niet weten wilt. dat gij liet doet, doe het dan niet.quot; Wie weet, als wij op den ingeslagen weg met fermen pas voortgaan, brengen wij het misschien op dit punt nog wel even ver als de langstaarten, die ons immers ook in andere opzichten in den laatsten tijd zulk een schitterend voorbeeld gegeven hebben.
Geen wonder intusschen, dat door die zucht naar openbaarheid bij niet weinige godsdienstige menschen het verlangen verlevendigd wordt, zich met een boeksken iu een hoeksken terug te trekken. In dat luidruchtige kunnen ze zich niet goed vinden. Het zwaartepunt van hun leven wenschen zij niet van
21(i
VOOR ALLER MENSCHEX OOG.
de binnenkamer naar de straat te verleggen. Zij gevoelen, dat in het raarktgedruisch der groote wereld hnn verborgen omgang met God niet ongedeerd blijft. Het stuit hun tegen de borst zich in te laten met die laffe concurrentie naar het maken van den besten indruk en het krijgen van liet hoogste woord, eene concurrentie, waarvan de onbeduidendheid onwillekeurig aan het gezegde van de holle vaten doet denken. Onwillekeurig deinzen zij terug voor het ruwe, het onkiesche, het ongeestelijke, aan die zoogenaamde publiciteit verbonden. Hun leven is met Christus verborgen in God. De wereld verstaat er toch niets van. De wereld wil er toch ook niets van weten. En het is daarom verreweg het verkieselijkst zich stil en rustig op den achtergrond te houden.
Deze opvatting nu kan licht tot schromelijke eenzijdigheid leiden. Niet dat het streven naar openbaarheid, in den zooeven aangeduiden zin, onze onvoorwaardelijke goedkeuring verdient. Evenals iemand door veel te praten het bewijs levert, dat hij niet diep denkt en niet diep voelt, zoo laten zich uit bedoeld verschijnsel gevolgtrekkingen afleiden, die omtrent het eigenlijk gehalte van het leven dezer eeuw een weinig gunstig getuigenis afleggen. Evenals iemand, die wrak staat, soms zeer weelderig gaat leven, om aan de anderen een indruk van soliditeit te geven, zoo zou deze zucht om den uitwendigen vorm boven het innerlijk wezen te laten gelden, wel eens de profetie van eene zeer bedenkelijke toekomst kunnen bevatten.
Maar dit alles neemt niet weg, dat daaraan toch
217
TOOK ALLER MENSCHEX OOG.
ook eene wettige behoefte ten grondslag ligt. Al wat leeft toch heeft de behoefte om zicli te openbaren. Het moet zich uiten. Het kan zich niet in zichzelf opsluiten. Het voelt eene spontane aandrift om zich op eenigerlei wijze te laten gelden. Waardoor wordt de kunstenaar van den echten stempel gedrongen om aan de kunstgedachte, die in hem leeft, in steen of op het doek een\' bepaalden vorm te geven ? Door het uitzicht op bekroning, of uit lust om geld te verdienen ? Neen, in dat geval zou bij geen kunstenaar van den echten stempel zijn. Eenvoudig door die kunstgedachte zelf; zij laat hem niet met rust; zij wil naar buiten; zij vraagt naar een\' vorm; zij verlangt in eene of andere gestalte op te treden, vol verrukking jubelend: «zie, bier ben ik!quot; En wat dan de menschen verder zullen doen met de gestalte, waarin zij haar zien verschijnen â dat moeten die menschen zelf weten. Zij beeft het hare gedaan.
Zoo ook hier. Het Christendom is innerlijk. Het Christendom is verloren, zoodra het ophoudt innerlijkheid te zijn. Maar het is ook zóó wezenlijk innerlijkheid, dat het niet laten kan zich naar buiten te doen gelden.
Het gaat er meè als met de liefde. De liefde is ook innerlijkheid. Alle mogelijke uitwendige teekenen dei-liefde zijn met elkander niet zooveel waard, als deze innerlijkheid op zich zelve. Is die innerlijkheid weg, dan is de liefde ook weg. Maar de liefde is eveneens weg, wanneer die liefde geene innerlijkheid genoeg bezit, om het in zich besloten blijven tot eene onmo-
218
VOOR ALLER MENSCHEN OOG.
gelijkheid te maken. De geloovigen vormen niet wat men noemt eene stille partij ; zij vormen ook geene rumoerige partij ; zij vormen in \'t geheel geen partij ; alleenlijk zij leven een leven, dat zich als het ware leven aankondigt. En wie meent dat het voor de Gemeente een ideaal wezen zou, zóó in deze wereld te zijn, dat de wereld niets van haar merkte, hij moet zich van het wezen en het karakter dier Gemeente toch al zeer zonderlinge voorstellingen hebben gevormd.
Daarom zijn wij geroepen, naar het woord van den Apostel, te bezorgen hetgeen eerlijk is voor alle men-schen. Het is niet genoeg niemand kwaad met kwaad te vergelden. Dat is maar iets negatiefs. Positief moeten wij ons toeleggen op wat de tegenstelling van het kwade mag heeten. Het «eerlijkequot; is hier niet bedoeld in den beperkten zin van ons niet op slink-sche manier toeeigenen van wat ons niet toekomt, maar in de algemeene beteekenis van het rechte, het goede, het edele, datgene wat verdient in eere gehouden te worden. Wij moeten het «bezorgen.quot; D. w. z. wij moeten er ons op toeleggen. Paulus gebruikt een woord, dat doet denken aan voorafgaand overleg. Rustig nadenken, bedachtzaam te werk gaan, voortdurend ons inspannen om ons leven zóó in te richten, dat het zich naar buiten als iets goeds en als eene macht ten goede laat gelden. Luther heeft: »bevlijtigt u in eerbaarheid tegenover iedereen.quot; De Synodale vertaling, die den zin zeer juist teruggeeft: «behartigt het goede voor het oog van alle menschen.quot;
219
VOOR ALLER MENSCHEN OOG.
Van een bepaald opzet om door de menschen gezien te worden kan hier uiteraard geen sprake zijn. Dan zouden wij natuurlijk weer vervallen in dat pronken met de deugd, door den Heiland in de Farizeën Zijner dagen met onverbiddelijke strengheid afgekeurd. Wij mogen het goede niet doen om de aandacht te trekken, om er mee te koop te loopen. Dan houdt het terstond op wezenlijk goed te zijn. Ja, het houdt terstond op wezenlijk goed te zijn, wanneer wij het eeniglijk en alleen willen verrichten met het anders op zich zelf zoo voortrell\'elijke doel om anderen voor het Evangelie te winnen. Het goede behoort te worden gedaan alleen omdat liet goed is. En dan zóó, dat het geschiedt voor aller oog, en een indruk maakt, die tot verheerlijking van Gods Naam kan leiden.
Het gevaar ligt juist hierin, dat het eene met het andere verward wordt. En dit is degroote moeielijk-lieid : het goede voor de oogen en toch niet om de oogen der menschen te doen. Neem een bepaald geval. Gij zijt in een gezelschap, waar het gesprek zou loopt, dat gij in de verzoeking komt van onwaarheid te spreken. Het is in uw voordeel dat te doen. Maar gij overwint de verzoeking. Gelukkig, gelukkig! Jubel niet te spoedig, \'t Is nog de vraag of gij die verzoeking op de rechte wijze, d. w. z. uf gij haar wezenlijk overwonnen hebt. \'t Is de vraag waarom gij waarheid spraakt. Uit vrees, dat de anderen er achter zouden komen als gij het niet deedt, en gij zoodoende de reputatie van uw Christendom in ge-
220
VOOR AU.KR MENSCHEN OOG.
vaar zoudt brengen ? Of omdat gij vreesdet, dat uwe kinderen, die misschien ook in het gezelschap waren, liet verkeerde voorbeeld zouden gaan navolgen? Of om nu eens aan de anderen te; laten zien, dat uw karakter toch heusch wel vertrouwen verdient ? Ach, indien dergelijke overwegingen u tot liet spreken van de waarheid hebben bewogen, dan zijt gij, de eene verzoeking overwinnend, voor de andere verzoeking bezweken. Als gij de waarheid niet lief genoeg hebt om enkel uit liefde tot haar de waarheid te spreken, dan is dat laatste bij u ook het rechte nog niet. Gij gevoelt nu de moeilijkheid. Er is inderdaad een buitengewone eenvoud toe noodig om het goede voor het oog aller menschen te betrachten, en het toch niet zóó te betrachten dat het daardoor bedorven wordt meteen.
Geven wij wel acht op die uitdrukking; het goede. Dat goede voor de menschen te behartigen is toch lang niet hetzelfde als de geheimen van ons innerlijk leven bloot te leggen; geestelijke dingen te willen opdringen aan ongeestelijke menschen, die ze toch niet kunnen beoordeelen; hen, met wie we in aanraking komen, voortdurend te onthalen op het uitspreken van wat het geloof bezit en ervaart; hiertegen dienen we juist zoo zorgvuldig mogelijk O]) onze hoede te zijn. Dat zou kunnen uitloopen op eene overtreding van het hoog gebod : «geeft het heilige den honden niet en werpt uwe parelen niet voor de zwijnen.quot; Eerbied voor de verborgenheid des geloofs ! Eerbied, zeg ik u, voor de mysteriën
221
VOOR ALLER MEXSCHEN OOG.
van uw eigen innerlijk leven ! Tracht van den tempel geen marktplein, maar ook van liet marktplein geen tern pel te maken! Blijf in het allerheiligste van uw hart uw eigen hoogepriester! Vermoord het intieme niet, door het tot publiek eigendom te willen maken !
Voor de oogen der menschen hebben wij niet ons geloof zelf te brengen, maar de vruchten des geloofs. En dan nog wel in den vorm, in den zeer eenvou-digen en den zeer gewonen vorm van goed te doen. Niet of gij wedergeboren zijt, niet of gij een zuiver inzicht hebt in het Evangelie der zaligheid, niet of gij over eene rijke geestelijke ervaring hebt te beschikken, maar of gij nu ten gevolge van dat alles in staat zijt om goed te wezen en om goed te doen, ziedaar waarop het aankomt, wanneer gij voor de oogen der menschen verschijnt. Eerlijk zijn in handel en wandel. Waarheid spreken. Niet omgaan met valsche streken. Uw woord houden. U vriendelijk gedragen jegens uwe medemenschen. Vergevensgezindheid betoenen aan wie tegen u misdeed. Zóó handelen, dat men u gerust van alle kanten kan bekijken. Wie zal de grenzen van het goede aanwijzen ? Het heeft geene grenzen. De mensch, die zich er op toelegt het practisch voor de oogen der anderen te behartigen, â en liet anders dan in de practijk te behartigen is onmogelijk â hij behoeft nooit om arbeid verlegen te zijn.
En wat is dan toch wel de reden, dat van dit behartigen betrekkelijk zoo weinig werk wordt gemaakt\'? Ach, zeker ook en vooral wel dit, dat de
222
VOOR ALLER MENSCHEN OOG.
macht om goed te wezen en goed te doen eenvoudig bij velen ontbreekt. Er is een Christendom dat enkel nit een zeker aantal leerstellingen bestaat, plus wat kerkelijke vormen, plus eenige gemoedsaandoeningen. En dat is dan ook ongeveer alles. Zoo\'n Christendom is niet opgewassen tegen de eisehen, die het prac-tische leven aan Gods kinderen stelt. En het voelt er zich niet tegen opgewassen ook. Wat doet het nu? Voorzichtigheidshalve waagt het zich maar liever aan die eisehen niet, ten einde niet in zijne zwakheid en nietigheid openbaar te worden, ook niet aan zichzelf. De zwakkeling, die den heelen dag dicht bij de kachel kruipt en zich niet bekennen wil, dat zijne longen slecht genoeg zijn om hem eene gevaarlijke ziekte op den hals te halen, als hij maar even buiten komt en tocht vat. Toch heeft de koudkleum, daar bij de kachel, een groot woord. Wat meent ge, dat hij niet op het ijs durft, en dat hij geen moed heeft om den scherpen noordewind te trotseeren ? Hij durft best. Hij kan best. Alleen, toevallig is er bet een of ander, dat hem de gelegenheid tot uitgaan tegenwoordig beneemt. De eigenlijke reden tracht hij voor anderen en voor zichzelf verborgen te houden.
Staat het misschien geestelijk op die wijze met ons geschapen ? Wel in staat om met meeningen en leerstellingen en dergelijke dingen, maar niet om met het waarachtig goede voor den dag te komen, omdat het goede ontbreekt ? Bang dat de voosheid van wat wij ons geloofsleven noemen, maar al te duidelijk zal uitkomen, wanneer wij het eens in de practijk ern-
223
|
1.......- | |||
|
224 VOOR ALLER MENSCHEN OOG. | |||
|
1 : j i |
stig aan het werk wilden zetten ? Heimelijk bevreesd dat zooveel goeds, met het bezit waarvan we ons \' zoetelijk vleien, wel eens zou kunnen blijken in \'t geheel niet goed, misschien wel iets heel slechts te zijn, wanneer wij het onder de oogen der menschen durfden brengen, de oogen van den essayeur, die ons, wel eens zou kunnen aantoonen dat het goede, in het bezit waarvan wij ons zoo rijk waanden, in \'t geheel niet goed is? En een Christendom dat van alles kan, kerkgaan en psalmen zingen en belijden en avondmaal vieren en bidden en oordeelen, van alles, alleen maar dit eene niet: «goed doen,quot; zou zoo\'n Christendom wel Christendom zijn ? Gustave Doré, de bekende schilder, kwam eens, terwijl hij in een vreemd land reisde en in eene kleine stad vertoefde, tot de ontdekking, dat hij zijn pas verloren had. Hij ging terstond naar den burgemeester met het verzoek hem een nieuwen pas te willen bezorgen. De man aarzelde. Hij vermoedde, dat hij met den eenen of anderen bedrieger te doen had. Eindelijk gaf de burgervader hem een stuk papier en een potlood en zei: «Bewijs dat gij zijt, dien gij beweert te zijnquot;. Doré zette zich aan het raam, en teekende met zijne meesterhand in een oogwenk het tafereeltje, dat men door het raam op de markt voor het stadhuis kon gadeslaan. En daarmede was de zaak terstond in orde. Zoo moet de Gemeente aan de wereld toonen, dat zij is die zij is, door bet goede te behartigen voor het oog van alle menschen. Geen groote woorden! | ||
VOOR ALLER MENSCHKN OOG.
225
Geen gewichtige geheimzinnigheden, waaraan de menschen niets hebben. Kom voor den dag, o Christen, met goede werken, met de trouwe behartiging van al wat edel is en liefelijk en wel luidt. Gij behoeft er u niet voor te schamen. Gij moogt er u niet voor schamen. De slechte menschen zullen er u misschien om uitlachen, of er u om haten. Maar aan hun oordeel behoeft gij u niet te storen. Het geweten, het geweten der menschen zal u in het gelijk stellen. Uwe eer is er mee gemoeid. De eer der Gemeente is er mee gemoeid. De eer van uw\' God is er mee gemoeid. Met het apostolaat der goede werken doet gij veel meer dan met het apostolaat der goede woorden. Treed dan met uwe daden in het volle heldere licht. Put uit uw\' verborgen omgang met God voortdurend de kracht om het zóó te maken, dat gij in uw\' handel en wandel het licht in geen enkel opzicht behoeft te schuwen. Als gij zóó naar voren treedt, dan is daarvan juist het gevolg dat, terwijl gij van zelf eerbiedig terugwijkt. God naar voren komt. ))De goede reuke van ons leven,quot; zou Kalvijn zeggen, «zal tot de anderen doordringen, en daardoor zullen zij zicli tot God getrokken gevoelen.quot; Goed zijnde, weet gij zelf niet dat gij goed doet. Maar er zijn anderen, die het te weten komen. Terwijl gij uw licht laat schijnen voor de menschen, zullen zij uwe goede werken zien, en niet u, maar uw\' Vader die in de hemelen is verheerlijken.
15
Vrede met alle menschen.
Kom. 12 : 18.
e met God verzoende mensch is in den grond met alles verzoend. Terwijl wij toch eigenlijk met hemel en aarde en al wat er in is op een\' gespannen voet leefden, zoolang wij tot God zeiven in eene vijandige verhouding stonden, hebben wij pas dat verrukkelijke verlossingslied mede mogen aanstemmen: «gerechtvaardigd door het geloof, hebben wij vrede met God door onzen Heer Jezus Christusquot; ââ of wij gevoelen, dat die strakke spanning is opgeheven. De verstoorde harmonie wordt hersteld. De scheef getrokken verhouding wordt weer tot hare oorspronkelijke orde teruggebracht. Namelijk in beginsel. En dus niet zóó, alsof elke wanverhouding als door een\' tooverslag is weggenomen.
VREDE MET ALLE MENSCHEN.
Maar zóó, dat wij nu ook geroepen en bekrachtigd worden, zelf vervuld met den vrede Gods die alle verstand te boven gaat, allerwege aan de heeling van het gebrokene, aan de herstelling van het verscheurde mede te werken.
Vandaar zoo telkens in allerlei vorm de vermaning om te zorgen, dat wij tot onze medemenschen in de rechte, van God gewilde verhouding komen, dat wij vrede met hen hebben. Niet slechts met hen, aan wie wij door vriendschap of bloedverwantschap ons verbonden gevoelen. Ook niet enkel met degenen, die hetzelfde geloof met ons deelachtig werden. Neen, de regel duldt geene uitzondering. Paulus spreekt uitdrukkelijk van »allequot; menschen. En uit de toevoeging: «indien het mogelijk is, zooveel in u is,quot; mogen wij geenszins opmaken, dat wij ons in een zeker aantal gevallen van de roeping om onzerzijds vrede te houden, zouden mogen ontslagen achten.
Het gaat niet aan met sommige uitleggers de hier bedoelde beperking zóó op te vatten, alsof wij slechts in zooverre tot vrede verplicht werden, als ons dat mogelijk ware. Dan konden wij ons toch al te licht verontschuldigen met een beroep op ons ongemakkelijk humeur, dat wij ons zelf immers niet hebben gegeven, of op de onaangename, soms sarrende en be-leedigende houding, door een ander tegen ons aangenomen.
De Apostel wil zeggen : zooveel u aangaat, voor zoover het aan u ligt, moet gij vrede houden met alle menschen. In geen enkel geval mag het de
227
VREDE MET ALLE MENSCHEN.
schuld zijn van uwe zelfzucht en van uwen hoogmoed dat de harmonie wordt verstoord. Doorgeene heleediging, hoe grievend ook, moogt gij er u toe laten bewegen. Door geene hardvochtige bejegening, hoe pijnlijk misschien ook voor uw gevoel, moogt gij u laten verlokken tegenover uwen naaste eene houding aan te nemen, die niet van welwillendheid en zachtmoedigheid getuigt.
Of \'t u altijd baten zal ? Of \'t u altijd lukken zal op die wijze den vrede te bewaren ? Dat is eene andere zaak. Vandaar de beperking: «indien het mogelijk is.quot; Er zijn gevallen waarin het vrede houden ons onmogelijk gemaakt wordt door de schuld van hen, met wie wij te doen hebben. Er zijn gevallen waarin dat met alle geweld vrede willen houden ons tot groote zonde worden kan, dan namelijk wanneer het op \'t plegen van verraad aan de waarheid uitloopt. »Om vrede te stichten en strijd te voorkomen, mag men zich desnoods van eene onwaarheid bedienen,quot; zoo zeggen de Rabbijnen. Maar in de moraal van het echte, zuivere Evangelie hoort zoo\'n slimme stelling toch ongetwijfeld niet te huis. In der eeuwigheid worden wij niet geroepen om op de kronkelpaden van een valsch Jezuïtisme ook maar eene enkele schrede te zetten. Een mensch, die de waarheid gezien neeft, zal liever de wereld in brand steken dan de waarheid verloochenen.
Laten wij het ons maai\' terdege inprenten, dat er geene heilige leugens en geene Christelijke leugens bestaan, en dat hetgeen de waarheid schaadt, onmo-
228
VREDE MET ALLE MENSCHEN.
gelijk aan de liefde bevorderlijk kan wezen. Bah! dat transigeeren met beginselen, zoogenaamd om des lieven vredes wil. Die gewoonte om de scherpe puntjes van zijne overtuiging te laten afslijpen, uit vrees dat men anders met die scherpe puntjes dezen of genen wel eens eenige pijn zou kunnen veroorzaken. Dat wringen en kronkelen in tallooze bochten, om het toch vooral en vooral iedereen naar den zin te maken. De behendigheid om zijn eigen geweten voor den prijs van een handvol menschelijke eer of mensche-lijke sympathie om te koopen. Dat verfomfaaien van het heilige, ten einde te voorkomen dat het in een of ander opzicht met eene onheilige wereld in botsing zou komen. Een Christenhart walgt er van.
De echte krijgsknecht van Jezus Christus kan desnoods van alles verdragen; tegenover krenkingen, geschikt om anderen over wie hoogmoed en ijdelheid den baas spelen in woede te doen opstuiven, zal hij zich aanstellen als een weerloos kind ; maar pas op, dat gij de waarheid niet te na komt, dat gij zijn geloof nooit aanrandt, dat gij geen\' vinger uitsteekt naar de kroon van zijn\' Zaligmaker, want dan slaat hij subiet de hand aan \'t gevest van den degen, en gij zult ondervinden, dat gij te doen krijgt met een\' kampioen, die zijn man staan kan, sterk in den Heer en in de kracht Zijner sterkte. Beter met de geheele wereld, dan met de waarheid en met zijn geweten overhoop te liggen. Liever gescholden worden voor het onverdraagzaamste schepsel, dat er op twee bee-nen loopt, dan voor een mensch van elastiek, zonder
230 VREDE MET ALLE MENSCHEN.
weerstandsvermogen en zedelijke standvastigheid. Wie vader of moeder liefheeft, zoo sprak de Heiland, wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.
Hierbij komt, dat het vrede honden, waarop wij ons van onzen kant ernstig willen toeleggen, ons zoo menigwerf door de anderen onmogelijk wordt ge-maakt. \'t Gaat ons niet zelden als den psalmdichter, dien we hooren klagen : mijne ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten ; ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog (Ps. 120: 0 en 7). En \'t is toch ook wel merkwaardig, dat in de Bergrede terstond op de spreuke, waarin de vredestichters worden zalig gesproken, die andere volgt over het trouw blijven van hen, die gesmaad, vervolgd en belogen worden om Christus\' wil. Het schijnt wel alsof de onverdraagzaamheid geoordeeld is juist tegen de verdraagzaamheid in haar volle onver-dragel ij kb ei d los te komen. Als \'t u er wezenlijk om te doen is vrede te stichten en vrede te houden, loopt gij alle kans dat men u onder de spelbrekers en rustverstoorders zal gaan tellen. Men neemt\'t u kwalijk, dat gij maar liever niet alles bij \'t oude wilt laten. Men ziet u gramstorig aan, omdat gij zoo oneerbiedig alles aantast en uit den weg ruimen wilt, wat de komst van den vrede in den weg staat. Men vindt het zoo vreeselijk onbarmhartig, dat gij het zwaard durft brengen, het zwaard dat den vrede brengt, evenals het ontleedmes van den operateur, dat zoo meèdoogenloos diep in het kankergezwel gaat, juist om tot radicale genezing te kunnen leiden.
VRKDF, MET ATX IC MEN SC HEN.
Do liefde verdraagt alle dingen. En wat doet de wereld niet de liefde, als de liefde in de wereld komt ? Men hoont haar. Men spuwt haar in het aangezicht. Men werpt haar uit. Men spijkert haar aan \'t kruis. Vraagt het aan Golgotha.
Ondanks dat alles â en dit is de bedoeling van des Apostels woord â hebben wij ons van onzen kant met allen ernst op het vrede houden toe te leggen. Als de handhaving van de waarheid de ontevredenheid dei\' anderen opwekt; als men ons van wege de trouw, waarmede wij ons beginsel vasthouden, een beroerder in Israël scheldt; als men ons om ons geloof en onze liefde tegenstaat; als onze bloedverwanten en onze vrienden met ons breken, omdat zij niet met ons denzelfden weg op willen achter Jezus, â het moge ons smarten nameloos diep, maar het behoeft ons niet te verontrusten, zoo wij maar in ons geweten liet getuigenis bezitten, dat de verstoring van den vrede niet een gevolg is van onzen hoogmoed en onze liefdeloosheid, van onze zelfzucht en onze bekrompenheid. En daarop komt het nu juist aan, dat wij allerlei beweegredenen van min edel allooi, die hierbij zoo licht in het spel komen, zorgvuldig uitbannen en bekampen. Ook te midden van de felste bestrijding moet voor hen, die ons weerstaan, en die wij misschien om des gewetens wille weerstaan hebben, in het hart eene vredelievende gezindheid worden gekoesterd. Geene bitterheid mag in ons binnenste wortel schieten. Geen geheime wrok mag ons gemoed binnensluipen. Altijd bereid om vrede
231
232 VREDE MET ALLE MENSCHEN.
to maken. Altijd werkzaam tevens om zoo mogelijk nit den weg te ruimen wat de goede verhouding belemmert. En voor God verantwoord, volkomen verantwoord, ook al moest de scheuring, onzes ondanks, voortduren tot in onze doodsure toe.
Het zou inderdaad met de Gemeente vrij wat beter gesteld wezen, wanneer die roeping om met alle menschen vrede te houden met meer ernst en heiliger bedachtzaamheid werd behartigd. Men verhaalt van een Fransch edelman, dat hij in rouwgewaad aan het hof verscheen, zonder dat men van een sterfgeval in zijne familie vernomen had. En toen de koning hem vroeg, waarom hij dan toch zoo in zwaren rouw gekleed ging, antwoordde hij, dat het was omdat er vrede met Spanje gesloten was, en omdat hem daardoor de gelegenheid henomen v/as om zijn moed te betoonen en zich door het verrichten van dappere daden een\' schitterenden roem te verwerven. Zoo is er nog menigeen op strijden en vechten verzot, ook al zit hij bij allerlei gelegenheden gansch zeer gemoedelijk naar het vredelied van de engelen uit Efrata\'s velden te luisteren. Eene haast onbetoombare liefhebberij om een\' twistappel te gooien op elke tafel, waaronder hij zijne voeten steekt. Belust om verschilpunten aan te scherpen tot de scherpte van een els. Een boos verlangen om vuurtjes te stoken in de Gemeente, en als ze dreigen uit te gaan, fluks nieuwe brandstof aan te brengen, en er dan een lied van geloofsmoed en beginseltrouw bij te gaan zingen, dat klinkt als een
VREDE MET ALLE MENSCHEN.
klok. Gewoon om zich ook door de eenvoudigste opmerking, die niet precies in \'s mans kader past, tot tegenspraak te laten prikkelen, eti dan maar, zonder zich van zijne woorden rekenschap te geven, een onbarmhartig oordeel te vellen, dat onwillekeurig aan de reuk van den mutserd doet denken. Het opheffen van den vredepalm staat in zijne oogen met het neerhalen van de kruisvlag gelijk. En elke poging om in den geest der zachtmoedige liefde geschillen te vereffenen, aan eene laffe toegefelijkheid, die tot verkrachting van beginselen, tot versmading van de waarheid Jeidt.
Van deze spelbrekersnatuur â eene natuur, welke onwillekeurig aan dien grooten onruststoker doet denken, aan dien diabolos, wien het er om te doen is in Gods schoone geordende wereld alles onderste boven te werpen â van die spelbrekersnatuur zal er ook in ons nog wel een grooter of kleiner stuk zijn overgebleven. Misschien staan we kloek en pal in den strijd onzer dagen. Misschien ontkomen wij aan dien boozen geest der flauwhartigheid, die ons leert maar alles goed te vinden en ons naar alles te schikken, wat het ook zij. Misschien scheppen wij er volstrekt geen vermaak in te gaan spelemeien op de stille binnenwateren van laffe toegevendheid, waar ten slotte de ziel dooi\' geen enkelen ademtocht des Geestes meer bewogen wordt. Maar ligt in de overwinning van dit bezwaar niet een ander gevaar opgesloten ? Het gevaar van de roeping om met alle menschen vrede te houden niet hoog genoeg te
233
VREDE MKT ALLE MENSCHEN.
stellen, eu niet ijverig genoeg er naar te streven ?
Ik denk, dat er niet velen onder mijne lezers zijn, die verklaren kunnen letterlijk met niemand ter wereld op een\' gespannen voet te staan. Er zijn breuken, wanverhoudingen, allerlei dingen die de gemeenschap belemmeren. En zijn wij er nu wel volkomen zeker van, mogen wij er volkomen zeker van zijn, dat deze dingen eeniglijk en alleen de vrucht zijn van trouw aan ons geloof, dat zij in geen enkel opzicht geweten moeten worden aan de boosheid, door ons eigen hart opgeworpen ? Lag het ontstaan van deze of gene wanverhouding niet voor een groot deel aan onzen onwil, om met zachtmoedig geduld de gebreken van anderen te dragen ? Geschiedde datgene wat wij meenden om des gewetens wil te moeten doen, toch ook wel niet een beetje om des hoog-moeds wil ? Liep er geen eigenzinnigheid onder wat wij, toen het zoo scherp ging staan tusschen onzen broeder en ons, voor karaktervastheid lieten ligu-reeren ? Was het ons altijd om den triomf van de waarheid te doen, en nooit om den triomf van de opvatting, die wij ons nu eenmaal van de waarheid hadden gevormd ? Was er niet iets kils, iets hoogs in het bestraffend woord, dat wij den mensch, die zich na dien tijd geheel en al van ons terugtrok, niet mochten onthouden? Had de begeerte om gelijk te hebben nooit eenigen invloed op de houding, die wij tegenover andersdenkenden aannamen ? Zou een weinig zelfverloochening niet menig misverstand hebben kunnen voorkomen, of uit den weg hebben kunnen ruimen ?
234
VREDE MET ALLE MENSCHEN.
Hebben wij waarlijk alles gedaan, alles, om de gestoorde verhouding weer in orde te brengen ? En hebben wij gebeden om den vrede van Jerusalem, trouw genoeg, oprecht genoeg, vurig genoeg ?
Van het vrede houden zal er wel geen sprake kunnen zijn, zoolang niet het vrede hebben voorafgaat. Dat humeurig en stijfhoofdig zijn ; dat zich terstond geprikkeld voelen; dat nooit iets willen en kunnen verdragen, ach, het komt toch ten slotte maar hieruit voort, dat aan het innerlijk leven de harmonie ontbreekt. De duivel tracht alles in de war te sturen, omdat hij zelf zoo glad in de war is. Onvrede leidt tot ontevredenheid. En met een ontevreden mensch recht te kunnen schieten is een kunst, die de krachten ook van den allerbeste te boven gaat. Wij hebben het allen ondervonden, dat zij die de meeste blijdschap bezitten, als gevolg van den meesten ernst, ook de meeste geschiktheid hebben om in het dagelijksch leven allerlei pijnlijke botsingen te voorkomen. Wij hebben tevens ondervonden, dat het vrede houden met alle menschen onszei ven het best afging, als de vrede Gods heerschte in onze zielen. Zoo konden we de verzoeking tot het vervallen in allerlei stribbelingen met onze huisgenooten veel gemakkelijker overwinnen, dan wanneer we zelf in eene slechte stemming daarheen wandelden. Stekelige aanmerkingen deerden ons niet. Werden we tot strijden geroepen, dan voelden we ons in staat dien op riddelijke wijze te voeren. En met de vroolijke helderheid van onze levensopvatting, met
\'235
236 VREDE MET ALLE MENSCHEN.
een enkel vriendelijk woord gelukte het ons misschien het onweer te bezweren, dat in het hart van onzen broeder broeide, en dat tot wie weet wat voor noodlottige uitbarsting had kunnen komen.
Laat het ons dan bovenal hierom te doen zijn, dat de liefde van Christus in onze harten niet slechts wone, maar heersche, inderdaad heerschappij voere over onze bedoelingen en gewaarwordingen, en ons zoo in staat stelle om in vrede met alle menschen te leven. Voor den wasdom van ons eigen geestelijk leven is dit laatsta beslist noodig. Want het is toch niet toevallig, dat in de Schrift het jagen naar vrede met allen met het jagen naar de heiligmaking in één adem genoemd wordt, een teeken hiervan, dat zonder het bezit van dien vrede de zedelijke reiniging niet gelukkig kan voortgaan. Het is noodig ook voor den bloei van de Gemeente. Indien de band des vredes verbroken wordt, zullen wij vruchteloos ons beijveren om de eenheid des Geestes te bewaren.
Zoo blijkt het dus voorwaar, geen overtolligheid ons te houden aan den Apostolischen raad ons hier gegeven. Laten wij er ons met meer ernst op toeleggen dan tot lieden toe. En als de vrede is verstoord ....
Doctor Martinus Luther sprak deze gelijkenis: als men een\' omgehakten boom, met vele knoestige takken, heeft afgehouwen en in een huis of kamer wil brengen, dan moet men hem niet bij den top vatten en zoo naar binnen sleepen ; de takken sprei-
VREDE MET ALLE MENSCHEN.
den zich uit, en bieden wederstand en breken misschien. Men moet hem aanpakken bij het benedeneind en zoo naar binnen trekken, dan buigen de takken mooi naar elkander toe, en zonder moeite krijgt men den boom in huis. Zoo moet het ook gaan als men vrede wil maken: de een moet den ander wat toegeven en zich naar hem toebuigen, dan komt alles in orde.
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
237
Plaats voor den toorn.
Eom. 12 : 19.
vleiend voor ons zelfbehagen is het niet, maar wie van het menschenhart en het menschenleven een weinig studie gelieft te maken, zal zich toch wel genoopt gevoelen aan dat sombere : «onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad,quot; uit onzen Catechismus, zijne instemming te verleenen. Ook de wraakzucht zit ons van nature in het bloed. Zij moge niet overal in een ruwen afstootenden vorm te voorschijn komen ; bij men-schen van een\' meegaanden aard en een zachtzinnig humeur moge zij nauwelijks iets van zich laten ontdekken ; onder den invloed van Gods vernieuwende genade moge zij hier en daar gelukkig beteugeld of misschien wel met wortel en tak uitgeroeid kunnen
PLAATS VOOR DEN ÃOORX.
worden, hiermede is natuurlijk niets afgedaan van het feit. dat die booze neiging zelve zich in ieder menschenhart in meerdere of mindere mate laat gelden.
En wij hebben voorwaar, iets anders noodig dan het zingen van een stuk of wat fraaie liedekens op ile liooge voortreffelijkheid van ons geslacht, om haar met goed gevolg te kunnen bestrijden. Haast van zelf heft onze hand zich dreigend op togen den mede-mensch, die het waagt unze eer aan te randen of ons eenig leed te berokkenen. Het kind geeft kla|i-pen aan de tafel, waartegen het zich bezeerde. De wilde bijt met grimmigheid den steen, waarover hij struikelde. Er zijn volksstammen bij wie de bepaling heerscht, dat de bloedverwanten van iemand, die uit een boom valt en dientengevolge sterft, verplicht zijn dien boom om te hakken, hem in stukken te houwen en de spaanders heinde en ver te verstrooien. Als een van Cyrus\' beste soldaten ergens in Azië in eene rivier valt en verdrinkt, wordt de koning zóó vergramd, dat hij besluit dien stroom te straffen, door hem droog\' te maken, dan zal hij toch nooit meer het plezier hebben aan een\' mensch het leven te benemen. Van een\' koning uit later tijd wordt ons vermeld dat hij, wanneer een zijner schepen in de vaart niet voldeed, hij het voor de oogen van liet publiek aan de kaak liet stellen, precies alsof hij met een\' struikroover of een\' valschen munter te doen had. En van een\' paus uit de Middeleeuwen lezen wij, dat hij het lijk van zijn\' voorganger liet opgraven, het
231 gt;
240 PLAATS VOOR DKN TOORN.
een bisschoppelijk gewaad deed aantrekken, en het zoo hracht voor een te Rome vergaderd Concilie, dat den dooden kerkvorst schuldig verklaarde aan de hem ten laste gelegde misdaad, met dit gevolg, dat het lijk van zijne priesterlijke sieraden werd ontdaan en in den Tiber geworpen, nadat men het eerst nog heel plechtstatig drie vingers van de rechterhand had afgesneden.
Zóó dwaas, zóó afgrijselijk kan de wraakzucht voor den dag komen, als men haar den teugel viert. En uit het feit dat wij, nu de beschaving zoo groote vorderingen maakt, dergelijke zotte dingen niet meer zien gebeuren, mogen wij waarlijk toch niet afleiden, dat de hier bedoelde booze neiging ook maar iets van haar vreeselijke kracht zou verloren hebben. De menschen zijn nog altijd in dit opzicht aan de dieren gelijk, aan de dieren die stooten, omdat zij ge-stooten, slaan, omdat zij geslagen, schoppen, omdat ze geschopt worden. En al geschiedt het dan gemeenlijk in wat minder ruwen vorm, â nu, of gij afgezet wordt door een\' struikroover, die in eens uit het bosch te voorschijn komt en u zijn pistool voor de oogen houdt, dan wel door een\' volleerden bedrieger met glacéhandschoenen aan, die zich met fraaie woorden en beleefde strijkages bij u weet in te dringen, dat maakt toch, wat het wezen der zaak betreft niet zoo bijzonder veel onderscheid.
Hoe algemeen geldt bij oud en jong de stelregel om, indien het maar eenigszins mogelijk is, zichzelven recht te doen! Hoe laf en kinderachtig acht men het
PLAATS VOOR DEN TOORN.
meestal dengene, die u een slug op de linkerwang geeft, ook de rechter toe te keeren, geheel in den trant der heidenen, die immers de wrake niet als eene zonde, maar integendeel als eene deugd van uitnemend allooi plachten te beschouwen! Hoe veel moeite kost het in beschaafde landen als Frankrijk en Duitschland veld te winnen voor de overtuiging, dat het duel, oogluikend toegelaten, en zelfs voor het handhaven der krijgsmanseere onmisbaar geacht, toch in den grond maar op één lijn staat met doodslag en moord! Nog niet lang geleden is het gebeurd, dat te Milaan iemand uit tie gevangenis ontslagen werd, waarin hij veertien jaar had doorgebraclit wegens een\' mislukten aanslag, op liet leven van zijn medeminnaar gepleegd. En wat was \'s mans eerste werk, nadat de deuren van den kerker hem ontsloten waren ? Dat hij zijn\' medeminnaar opzocht en hem een kogel door het hoofd schoot. Zóó vast kan de wraakzucht wortel schieten in een naar God geschapen menschenhart.
En daaruit laat het zich dan ook wel verklaren, dat op het bestrijden van die zondige neiging in de Schriften des Nieuwen Verbonds zoo herhaaldelijk en krachtig wordt aangedrongen. Ook hier nu weer door den Apostel Paulus met zijne vriendelijke vermaning : «wreekt u zei ven niet, beminden 1quot; Als drangreden laat hij er de woorden op volgen : «maar geeft den toorn plaats.quot; Wat hiermede bedoeld wordt is niet terstond duidelijk. En de opvattingen, welke de verschillende uitleggers zich van deze uitspraak heb-
\'241
16
242 PLAATS VOOR DEN TOORN.
ben gevormd, loopen dan ook al zeer uiteen. De een wil hier aan iemands seigenquot; toorn gedacht hebben ; de Apostel zou willen zeggen: gij moet (voordat gij u gaat wreken) uw\' toorn eerst laten uitrazen; gaat gij handelen, terwijl die booze hartstocht nog van uwe ziel meester is, dan kunnen er zulke vree-selijke dingen gebeuren, en daarom is het geraden, dat gij uw\' toorn tijd geeft, dan koelt hij van zelf af en is er kans, dat hij geheel en al verdwijnt. Maar deze verklaring verdient, dunkt mij, volstrekt geene aanbeveling. Zij is alles behalve helder. Zij is ook met wat er in \'t oorspronkelijk staat moeilijk overeen te brengen. Dan zouden wij liever de voorkeur geven aan de meening, dat Paulus aan den toorn van de anderen zou willen gedacht hebben, en bedoelen ; iemand, die tegen u aan het woeden en tieren is, moet gij maar stilletjes zijn gang laten gaan; spreek hem niet tegen; bied hem geen weerstand; dan is het booze vuurtje nog het spoedigst uitgebrand. Op zich zelf zeker wel een practische raad. Maar of zij de meening van den Apostolischen schrijver teruggeeft, valt toch zeer te betwijfelen. Zóó opgevat, is het immers met de tegenstelling niet in den haak. Men kan niet zeggen, dat het geven van gelegenheid om uit te razen de juiste tegenstelling is van zich te wreken. Ik kan mijn\' vijand zijne woede zonder verzet of tegenspraak laten uitvieren, en tocli met slechte, wraakgierige plannen tegen hem vervuld blijven. Ik kan bovendien te doen hebben met een\' tegenstander, bij wien van toorn of drift vol-
PLAATS VOOR DEN TOORN.
strekt geen sprake is, maar die zelf doodkalm blijft terwijl hij mij beleedigt, eu in koelen bloede langs allerlei wegen mij nadeel zoekt te berokkenen.
Wij doen het best hier ))toornquot; te nemen als aanduiding van den toorn »Gods.quot; Voor dien toorn moeten wij plaats maken, evenals de genoodigde in Luk. 14 : 9 door den gastheer uitgenoodigd zou kunnen worden om plaats te maken voor een\' aanzienlijker gast, later ter maaltijd verschenen; evenals wij in Eph. 4 : 27 vermaand worden den duivel geen plaats te geven, hem geen duimbreed van ons levensgebied af te staan. God ziet het onrecht dat ons wordt aangedaan. Gods toorn komt over dat onrecht. Hij zal het dengene, die er zich aan schuldig maakt, laten merken voorwaar, dat Zijne oogen te rein zijn om ook dat kwaad straffeloos te laten doorgaan. En als wij nu als onz\' eigen wrekers optreden, zie, dan treden wij God in den weg. Wij dringen met ons eigenwillig en eigenmachtig oordeel het Zijne terug. Wij belemmeren de ontplooiing Zijner heiligheid over den mensch, die zich aan ons bezondigde. En door zelf te willen richten, door ons zelf recht te willen verschaffen, maken wij inbreuk op liet recht dat Hem, en Hem alléén toekomt. Hem, van Wien immers geschreven staat: «Mij is de wrake, ik zal het vergelden, zegt de Heer.quot;
Is hier niet juist de wraakzucht aan het woord, de wraakzucht, die zich als liefde vermomt, om zoodoende des te beter haar slag te kunnen slaan? Er schijnt zoo iets geniepigs, zoo iets gluiperigs te kle-
243
PLAATS VOOR DEN TOORN.
ven aan deze moraal, zoo ongeveer de moraal van den braven schooljongen, die, na van een\' zijner kameraden een oorveeg gekregen te hebben, veel te braaf is om hem een fermen klap terug te geven, maar al grijnend dreigt, dat hij het aan meester zal gaan zeggen. Zoo wordt de zaak veel ernstiger. Nu komt meester er bij te pas. En de straf, die de roe-kelooze deugniet oploopt, zal er niet te lichter op worden omdat het ventje, dat de oorveeg kreeg, zoo zoet, zoo heel zoet is gebleven. En straks, als de ondeugende knaap na schooltijd die vervelende strafregelen moet blijven maken, dan kan de ander om het hoekje staan kijken met een triomfeerend glimlachje op de lippen, en zich verkneukelend in de overtuiging, dat hij zich op die manier, door zich niet op de gewone wijze te wreken, feitelijk dubbel gewroken heeft.
Met uw welnemen, Paulus van Tarsen is geen Jezuiet. En wanneer hij ons vermaant om den toom Gods plaats te geven, dan is daarmede in de verste verte zijne bedoeling niet ons in de gelegenheid te stellen om zoodoende zelf ongestraft eens ter dege aan eigen wraakzucht te kunnen botvieren. Wij moeten niet vergeten, dat het rechtsgevoel ons door onzen Schepper zeiven in het harte is gelegd. Indien iemand u pijnlijk beleedigd of in anderen vorm schandelijk bejegend heeft, en gij hem van uw\' kant wezenlijk van harte vergiffenis hebt geschonken, is daarmede dan alles al weer in orde ? Is zoo dooi\' u de wet buiten werking gesteld, dat het onmogelijk is straffeloos
244
PLAATS VOOR DEN TOORN.
te zondigen, evenals het onmogelijk is met vuur in aanraking te komen, zonder zich te branden? Was het gepleegde onrecht enkel eene zonde tegenover u, en niet ook, niet allereerst eene zonde tegenover God? Is God geen heilig God, juist omdat Hij de Liefde is? Zou liet niet met de ware liefde in strijd wezen uwerzijds te verlangen, dat God tegenover den mensch, die zich zoo deerlijk kwam te misgaan, het bedreven kwaad maar eenvoudig door de vingers zag zonder meer, en hem zoo ongestoord liet doorgaan op den weg, die ten verderve leidt?
Wraak is geen recht. Wraak is eene misvorming van het recht, eene bespotting van het recht, een caricatuur van het recht. Als het recht weg is, dan is de wereld ook weg. Dan is de zedelijke orde weg. Dan is de menschheid weg. Dan is God weg. Dan is alles weg. En nu is het juist onze roeping te zorgen, dat wij, door niet ons zelf te willen wreken, dat hoogheerlijke recht Gods in zijn\' loop niet stuiten, dat wij, door volkomen allen wrok op te geven, voor dat recht uit den weg gaan, het baan maken, in zijne volle kracht laten werken en doorwerken.... tot verdoemenis ? Ja, zeg ik u, tot verdoemenis, tot verdoemenis van de zonde. Neen, zeg ik u, tot behoudenis, tot behoudenis van den zondaar. Deze twee zijn één. Door verdoemenis van de zonde tot behoudenis van den zondaar.
Wij weten dat Gods toorn liefde is, heilige liefde, een verterend vuur dat redt, omdat het verteert.
Als Petrus tot Simon den toovenaar spreekt; »uw
245
240 PLAATS VOOR DEN TOORN.
zilver zij met u ten verderve, omdat gij gedacht hebt de gave Gods voor geld te koopenquot;, is dat het toegeven aan een satanischen lust om dien mensch, van wege zijne miskenning van het geestelijk karakter des Koninkrijks, ter helle te zien varen ? Het is veeleer eene aankondiging van de goddelijke straf, die hem overkomen zal, indien zijn hart niet recht blijkt voor God, eene aankondiging waarmee het redden van dezen mensch uit de strikken des leugens is bedoeld, gelijk zoo duidelijk blijkt uit de vermaning die volgt: «bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid den Heer of soms deze toeleg van uw hart u mag vergeven worden.quot;
Als Paulus aan het einde van den eersten Korin-therbrief met zoo\'n ontzaggelijken ernst uitroept: «indien iemand den Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt : Maranathaquot;! is daarin dan ook maar een glimp te ontdekken van het booze genot, waarin de wraakzucht zich verlustigt, als het haar gelukt de lang beloerde prooi eindelijk te treffen? Wie goed luistert, kan integendeel in die aankondiging van het gericht, dat onvermijdelijk de vijanden van Christus d. i. van de waarheid vroeg of laat overvalt, de ontferming hooren weenen van een hart, dat zoo gaarne, zoo innig gaarne, ook die ongehoorzamen aan den vloek zou zien ontkomen.
En als dezelfde Apostel aangaande Alexander den kopersmid, die hem zooveel kwaad had berokkend, de hope uitspreekt, dat de Heer hem vergelde naar zijne werken, is dat hardklinkende woord dan slechts
PLAATS VOOR DEN TOORN.
een teeken hiervan, dat ook in het gemoed van dezen mensch nog iets opvlamt van het daemonische hunkeren, om zijn persoonlijken vijand nog eens als een worm in het stof vertreden te zien ? Ik geloof er niets van. Hij wil eenvoudig, dat de Ooddelijke gerechtigheid haren loop hehhe, terwijl hij zelf geen\' vinger zal uitsteken om zich te wreken; dat die gerechtigheid haren loop hehhe, èn om der Gemeente wil, opdat deze bevrijd worde van den slechten invloed, dien hij met zijn woelen en stoken op haren geestelijken wasdom oefent; èn ter wille van dien kopersmid zeiven, want als de roede van Gods toorn hem tuchtigt, wie weet of hij dan niet vernederd en tot bekeering zal gebracht worden ?
Eu zoo blijkt het, dat liet plaats geven aan dien toorn, wel verre van neer te komen op eene slinksche poging om den mensch, die tegen ons misdeed, vromelijk in handen te spelen van een\' machtigen, bovenaardschen beid, een werk der liefde is, eene weldaad, eene dubbele weldaad, omdat de Hemelsche Rechter niet slechts oneindig rechtvaardiger, maar ook oneindig barmhartiger is dan wij.
Bovendien ook nog een weldaad aan onszelven bewezen. De menschen die zeggen dat de wrake zoet is, zij weten het niet. Zij is de bitterheid zelve. Zij ontsteekt een vuur in onze beenderen. Zij laat ons onbevredigd. Zij maakt ons ongelukkig, ongelukkig eerst door ons tot wedervergelding te prikkelen, en nog ongelukkiger wanneer wij haar, naar het heet, hebben voldaan. Hier is de geleschte dorst de erg-
247
PLAATS VOOR DEN TOORN.
ste dorst. Daarom zien wij zoo dikwerf wreedheid en wellust hand aan hand gaan. Als de wellusteling soms terstond na de voldoening zijner hartstochten zijn\' wellust in moordlust voelt veranderen, is het niet omdat hij in het duistere besef van zijn dierlijke vernedering, die vernedering tracht te wreken op het voorwerp, dat hem tot die vernedering in staat stelde, en dat nu zelf in zekeren zin een geweten voor hem wordt ?
Reden genoeg dus voorwaar, om met dat plaatsgeven aan den toorn wezenlijk ernst te maken. Pau-lus legt er ook bijzonderen nadruk op blijkens de omstandigheid, dat hij hier zijne lezers als «beminden toespreekt. Misschien was er in de gemeente te Rome een of ander dat hem drong, vooral betreffende dit onderwerp, zoo\'n teederen toon aan te sïaan. Misschien wil hij zoodoende ook laten gevoelen, dat er waarachtige liefde, groote liefde noodig is om den hier gestelden eisch te kunnen volbrengen. Kalvijn zegt dat, aangezien het zoo moeielijk valt ons dezen teugel te laten aanleggen, de Apostel met dat vriendelijke, streelende woord «bemindenquot; ons de hand op den arm wil leggen en ons zachtkens tot stilstaan en nadenken noopt.
Moge zijn doel bij ons worden bereikt!
Van een Oostersch vorst wordt verhaald, dat hij zich door een\'slaaf eiken dag liet toeroepen: «vergeet niet u te wreken !quot; Wij vernemen die stem ook. Het is de stem van een slaaf, niet waardig gehoord te worden.
248
PLAATS VOOR DEN TOORN.
Er is een andere stem die fluistert: »wreekt u zei ven niet, beminden!quot; De stem van een God, die het met onze vijanden en met ons zoo oneindig goed meent.
Laat het ons eene-eere zijn op haar acht te geven, vooral wanneer de slaaf in ons binnenste zich vermetel begint te roeren en met alle geweld het hoogste woord verlangt te krijgen.
\'t Moge fraai staan en heldhaftig schijnen met Bismarck te kunnen zeggen : ))ik heb nog nooit een handschoen, die men mij toewierp, laten liggen,quot; onze roeping is liet te weten, dat wij een groot werk doen met het volgen van een\' Groote â voor Wien het schier eene vernedering is naast andere grooten te worden genoemd â die, als Hij gescholden werd, niet wederschold en als U ij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. In die overgave ligt het geheim van onze medewerking aan het komen van de gerichten, en dus van de verlossingen Gods.
249
248 PLAATS VOOR DEX TOORN.
ste dorst. Daarom zien wij zoo dikwerf wreedheid en wellust hand aan hand gaan. Als de wellusteling soms terstond na de voldoening zijner hartstochten zijn\' wellust in moordlust voelt veranderen, is het niet omdat hij in het duistere besef van zijn dierlijke vernedering, die vernedering tracht te wreken op het voorwerp, dat hem tot die vernedering in staat stelde, en dat nu zelf in zekeren zin een geweten voor hem wordt ?
Reden genoeg dus voorwaar, om met dat plaatsgeven aan den toorn wezenlijk ernst te maken. Pau-lus legt er ook bijzonderen nadruk op blijkens de omstandigheid, dat hij hier zijne lezers als «bemindenquot; toespreekt. Misschien was er in de gemeente te Rome een of ander dat hern drong, vooral betreffende dit onderwerp, zoo\'n teederen toon aan te slaan. Misschien wil hij zoodoende ook laten gevoelen, dat er waarachtige liefde, groote liefde noodig is om den hier gestelden eisch te kunnen volbrengen. Kalvijn zegt dat, aangezien het zoo moeielijk valt ons dezen teugel te laten aanleggen, de Apostel met dat vriendelijke, streelende woord «bemindenquot; ons de hand op den arm wil leggen en ons zachtkens tot stilstaan en nadenken noopt.
Moge zijn doel bij ons worden bereikt!
Van een Oostersch vorst wordt verhaald, dat hij zich door een\' slaaf eiken dag liet toeroepen: «vergeet niet u te wreken !quot; Wij vernemen die stem ook. Het is de stem van een slaaf, niet waardig geboord te worden.
PLAATS VOOR DEN TOORN.
Er is een andere stem die fluistert: «wreekt u zei ven niet, beminden!quot; De stem van een God, die het met onze vijanden en met ons zoo oneindig goed meent.
Laat liet ons eene-eere zi jn op haar acht te geven, vooral wanneer de slaaf in ons binnenste zich vermetel begint te roeren en met alle geweld het hoogste woord verlangt te krijgen.
\'t Moge fraai staan en heldhaftig schijnen met Bismarck te kunnen zeggen : »ik heb nog nooit een handschoen, die men mij toewierp, laten liggen,quot; onze roeping is het te weten, dat wij een groot werk doen met het volgen van een\' Groote â voor Wien het schier eene vernedering is naast andere grooten te worden genoemd â die, als Hij gescholden werd, niet wederschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. In die overgave ligt het geheim van onze medewerking aan het komen van de gerichten, en dus van de verlossingen Gods.
249
Kom. 12 : 20.
j)en opzichte van de houding, die wij tegen-\'over onze vijanden hebben aan te nernen, wordt ons, gelijk trouwens overal op het terrein des Christelijken levens, de eisch gesteld om niet slechts iets te laten, maar ook zeer bepaald iets te doen. Geen wraak oefenen, eerbiedig en gewillig uit den weg gaan voor den toorn Gods. Dat staat voorop. En het is ook geen kleinigheid voorwaar, ons prikkelbaar gemoed zoo onder de tucht des Geestes te stellen, dat het daartoe reeds in werkelijkheid komt.
Ma ar toch is het niet voldoende. Wilden wij ons hiermede vergenoegen, dan zouden wij voorbijzien dat het Christendom toch niet, zooals b. v. Tolstoi het voorstelt, louter uit iets negatiefs bestaat. Gelijk bekend is, legt hij bijzonderen nadruk op het in de
KOLEN VTJURS.
Bergrede gepredikte beginsel: «wedersta den booze nietquot;; het uitoefenen van menschelij ke gerechtigheid stelt hij met dat ongeoorloofde wraaknemen op ééne lijn; men moet z. i. het kwaad maar eenvoudig zijn\' gang laten gaan, dan vernietigt het zich zelf; en deze gedachte wordt zóó op de spits gedreven, dat ook elke poging om van staatswege liet kwaad tegen te gaan als schadelijk wordt afgewezen, omdat zij toch maar op belemmering van dat vernietigingsproces uitloopt. Hier is de lijdelijkheid aan het woord. Ook wanneer Tolstoi de liefde als liet eigenlijke wezen van liet Christendom aanduidt, stelt hij haar toch veel meei duldend dan handelend voor, en geroepen om zich niet zoozeer op het verrichten van het goede, als wel op het nalaten van liet kwade toe te leggen.
Met deze negatieve opvatting nu van de gedragslijnen, door het Evangelie ons voorgeschreven, zou de Apostel Paul us zich stellig niet hebben kunnen vereenigen. Het blijkt duidelijk uit de wijze waarop hij aan den eisch, om voor Gods toorn uit den weg te gaan, dien anderen eisch verbindt om niet tegenover den vijand, maar ten bate, van den vijand handelend op te treden. «Indien dan uw vijand hongertquot;, zoo klinkt het met een uit het Spreukenboek (25 : 21 en 22) naar de Grieksche vertaling overgenomen gezegde, «indien dan uw vijand hongert, spijzig hem, indien hem dorst, geef hem te drinken; want dit doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen.quot;
Fijne ironie! Is er iemand die, ofschoon hij Gods bedoelingen op dit punt kent en toestemt, toch den
251
KOLEN VUURS.
lust om zich op den vijand te wreken niet goed vermag te bedwingen, welnu, laat hij dan eene geduchte wraak nemen, eene wraak waarmede hij den medemensch, die hem zoo\'n afkeer inboezemt, op de vreeselijkste wijze kan folteren en pijnigen. Laat hij diens honger en dorst zoeken te stillen. Het betoonen van barmhartigheid, ziedaar de eenige wrake, die Gods kinderen zich mogen veroorloven.
Vurige kolen!
Reeds in oude tijden meende men in deze beeldspraak eene aanduiding te moeten zoeken van de goddelijke straf, die in bedoeld geval den vijand nog in erger mate dan anders zou treilen. Men poogde deze meening met een beroep op eene dergelijke uitdrukking in een Apocrief geschrift, bet zoogenaamde vierde boek van Ezra, te staven. En do zin zou dan hierop neerkomen; gij moet uw\' vijand maar zooveel mogelijk allerlei weldaden zien te bewijzen, want er is alle kans dat hij toch geen berouw krijgt, en dat het u gelukken zal op die manier het oordeel te verzwaren, dat God over hem zal brengen. Hoe meer liefde gij hem betoont, des te zwaarder straf zal hij ontvangen. Een fraai motief van zedelijkheid inderdaad! Een Christen, die zijn\' vijand gaat zegenen met het heimelijke doel om hem te dieper in het verderf te storten, en zich straks bij den aanblik van dat verderf te genoegelijker in de handen te wrijven! Zoo iets kan Paulus onmogelijk bedoeld hebben. Dan had hij ook in het volgende vers het doen van \'t goede niet moeten voorstellen
252
KOLEN VUURS.
als een middel om het kwade te overwinnen, maar integendeel als een middel om aan het kwade de overwinning te bezorgen. Ook den Spreukendichter mogen wij zoo\'n innig slechte bedoeling niet toeschrijven. Wij zouden hem zoodoende in tegenspraak brengen met zichzelf. Vergelijk b. v. Spr. 24 : 17, waar wij lezen: «verblijd u niet als uw vijand valt, en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen!quot;
Dan hebben onze oude kantteekenaars den spijker beter op den kop geslagen. »Gij zult den vijand,quot; zoo schreven zij, «alle diensten der liefde in zijnen nood bewijzen, en hem daermede opwecken om zijn ongelijck te kennen, hem daervan te bekeeren, ende ophouden u meer quaet te doen, gelijck iemand dien een kole vuers op zijn hooft geleght wort, hetzelve terstont voelt ende afschuddet als hetselve niet konnende verdragen.quot;
Wij hebben de hier door den Apostel gevolgde beeldspraak eenvoudig op te vatten als aanwijzing van het schaamtegevoel, door het betoonen van barmhartigheid misschien bij den vijand gewekt. Als hij ziet, als hij ondervindt dat gij, in plaats van hem met gelijke munt te betalen, hem in nood en moeite met hartelijke bereidvaardigheid te hulp komt, en dat gij er u op toelegt zijn\' haat met liefde te beloo-nen, o, dan is er kans, dat daardoor in zijn gemoed eene gelukkige verandering wordt teweeg gebracht. Zijn geweten begint te spreken. Hij krijgt een oog voor het booze, dat er was in zijne bejegening u aan-
253
KOLEN VUUES.
gedaan. Hij voelt diep in zijn binnenste eene brandende pijn, een gloeien en schrijnen, dat tot schuldbelijdenis prikkelt, en enkel door den balsemenden zegen van een oprecht berouw kan worden verzacht. En zie, als \'t zoo ver komt, dan hebt gij immers door eene dergelijke hemelsche wraakoefening meegewerkt om eene menschenziel, die in de donkerheid van mokkenden haat dreigde verloren te gaan, terug te brengen tot het licht, het zalig licht der liefde Gods.
Kolen vuurs!
Keizer Sigismund had de gewoonte aangenomen hun, die hij op zijn zegetochten tot onderwerping bracht, niet enkel het leven te sparen, maar hen ook in het bezit hunner goederen te laten. Ja,\'twas alsof hij er studie van maakte, om hen die zich \'t scherpst tegen hem gekant hadden, \'t vriendelijkst te bejegenen. Als er maar even kans was, werden juist deze tot het bekleeden van hooge betrekkingen geroepen. Dit verdroot zijne oude gunstelingen. En toen men hem over deze onpolitieke wijze van handelen eene opmerking maakte, verklaarde de keizer : «gij verlangt dat ik mijn vijanden dood, door ze om te brengen en te onderdrukken; ik heb eene andere methode om hen te overwinnen; ik dood hen door hun het leven te schenken, en ik krijg ze klein door hen groot te maken.quot;
Kolen vuurs!
Ergens in Zuid-Afrika hadden twee mannen elkander een\' eeuwigen haat gezworen. De een ontmoette op zekeren dag in liet woud \'t kind van zijn\' vijand.
254
KOLEN\' VUURS. 255
sneed het arme wicht in dierlijke woede twee vingers van de rechterhand en zond het bloedend naar huis, zelf over deze wandaad met duivelsche vreugde vervuld. Jaren gingen voorbij. Het wreedaardig verminkte meisje was vrouw geworden. En toen gebeurde het, dat zich een oude bedelaar bij haar kwam aanmelden met de bede om een aalmoes, al was het maar een broodkorst om den honger te stillen. De vrouw herkende terstond den man, die haar indertijd zoo had mishandeld. En zij liet hem een\' over-vloedigen maaltijd bereiden. En zij zette zich in de nabijheid neder. En zij zag het met ongehuichelde blijdschap aan, hoe de uitgehongerde bedelaar zich te goed deed aan wat hem was voorgezet. En toen hij heenging, liet ze hem de verminkte hand zien, zeggende: mu heb ik mij gewroken.quot;
Kolen vuurs!
Eene zangeres in Venetië, die nog pas op de muzikale loopbaan de eerste schreden had gezet, werd op allerlei wijze tegengewerkt door eene andere, die reeds het toppunt van haren roem had bereikt, en nu bang was dat hare reputatie door \'t ontluikend talent dier eerste zou benadeeld worden. Hare jaloezie wist de schandelijkste middelen te bedenken om de gehaatte mededingster er onder te krijgen. Later, veel later, zag deze op de straten van Berlijn eene blinde vrouw, door een kind voortgeleid. Door dien aanblik ontroerd, ging ze informeeren. En zie, de blinde bleek niemand anders te zijn dan de vroegere vijandin, nu in de diepste ellende gedompeld.
KOLEN VUURS.
En wat was de wrake ? Het geven van een concert waarop de edele kunstenares schooner zong dan ooit, en waarvan de opbrengst aan de blinde ten goede kwam, die nu van een gezworen vijandin in een echte vriendin veranderde, en tot haren dood toe op de meest kiesche wijze in alles werd verzorgd.
Kolen vuurs!
Zoo is bet goed begrepen.
Al wij \'t nu ook maar begrijpen !
Als wij nu maar niet wachten op officieele en buitengewone gelegenheden, om dit kostelijk beginsel der vergevende en reddende liefde in beoefening te brengen !
Want de gelegenheid om het te beoefenen wacht ons overal op. Voor zoover wij nog natuurlijke en dus zelfzuchtige menschen zijn, komen onze zoogenaamde belangen met die van de anderen voortdurend in botsing, en kan de liefde jegens die anderen geen waarachtige liefde zijn, indien zij niet ook dat element van vijandsliefde bevat. Zelfs in de verhouding tot onze vrienden en huisgenooten, zelfs in de verhouding tot hen aan wie wij ons zeer wezenlijk en innig gehecht gevoelen, moet het voortdurend practisch werkzaam blijven. Gij verneemt, dat iemand van u valschelijk kwaad sprak en u met opzet in een hatelijk daglicht stelde âvoor u eene roeping, de roeping om van dien mensch iets goeds te vertellen, en zijn karakter tegenover anderen te verdedigen zooveel maar even met de waarheid bestaanbaar is. Daar zet men u vandaag of morgen den voet dwars, zoo-
256
Indien dai^ uwci] vijand Ipoiigerl, zoo öpijzjg} bem; indien hem dorst Eoo accff bem
Wj)
1 ^
op ïij\\\\ IjpokI boopeq.
KOLEN VUURS. 257
dat gij dientengevolge een vurig begeerd doel niet bereikt, â voor u eene roeping, de roeping om te zoeken naar eene gelegenheid om juist aan dien mensch, die u zoo schandelijk tegenstond, den een of anderen dienst te bewijzen. In den dagelijkschen omgang wordt u eene ietwat bittere uitdrukking toege- * voegd, â voor u eene roeping, de roeping om nu dengene, van wiens lippen ze kwam, met nog teeder-der en warmer vriendschap te bejegenen, dan gij anders zoudt gedaan hebben. De taak der liefde is overal.
En zoo bestrooit zij, naar de schoone Oostersche beeldspraak, de hand die haar leed doet met pare- ; i len, en is zij als een boom, die een regen van sappige vruchten of geurige bloesems uitstort over wie | hem baldadig met steenen werpt.
Zoo moet het blijken of wij aanvankelijk hebben leeren liefhebben in daad en in waarheid; want practische vijandsliefde is de liefde bij uitnemend- i beid. Wie zijn vijand niet liefheeft, heeft in den grond in \'t geheel niet lief. En wie vijandsliefde bezit, bezit in beginsel ook alle andere liefde. «Indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij ? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde ?quot;
Zoo strijden wij met geestelijke wapenen, machtig voor God om sterkten neder te werpen, machtig dus om â wel verre van eene toevallige openbaring van het booze slechts tijdelijk terug te dringen of het slechts in een\' bepaalden vorm te fnuiken â het fondament waarop het booze zelf rust, te verwoes-
17
KOLEN VUURS.
ten, de wortelen waaruit het voortkomt, uitte roeien. De methode, door den Heer het oude Israël aangeprezen, als Hij roept om de afguden yeheel af te breken en de opgerichte beelden ganschelijk te vermorzelen. Indien gij uw\' hongerigen vijand spijzigt en uw\' dor-stigen vijand te drinken geeft, dan kunt gij hem zoodoende niet slechts van een bittere stemming, van een kwaadaardig humeur verlossen, gij kunt in Gods hand het middel worden om hem tot waarachtige bekeering te brengen.
Zoo wordt ook de lastige en pijnlijke vijandschap, die wij ervaren, ons zeiven tot een onuitsprekelijken zegen. »Wie redding noodig heeft,quot; zoo sprak reeds een wijze der oudheid, «moet een\' rechtschapen vriend of anders een\' geduchten vijand zoeken.quot; Maar de winst, die God ons in het hebben van zoo\'n vijand bereidt, valt ons toch eerst dan ten volle in den schoot, wanneer wij hem overwonnen, d. w. z., wanneer wij hem door onze liefde gewonnen hebben. En in dit geval bewijst hij ons een\' beteren dienst dan de trouwste vriend ons bewijzen kan, overmits hij ons oneindig schooner gelegenheid opent om waarlijk lief te hebben, om waarlijk liefhebben te leeren.
Zoo begint ook de verhouding tot de menschen die ons kwalijk bejegenen eene recht Christelijke te worden. Want dit is nog liet Christelijke niet, dat wij hen liefhebben met de liefde, waarmede God ons heeft liefgehad, maar dit is het, dat wij hen liefhebhen: God, die ons de veelheid onzer afschuwelijke zonden loont door over ons schuldig hoofd
258
KOLEN VUURS.
zegeningen uit te storten zonder tal, vurige kolen tot verterens toe; God, die zich in Christus tegenover ons gedraagt, alsof wij geen vergeving hadden te vragen, alsof Hy ons alleen om het aannemen van Zijne erbarming had te vragen: «laat u met God verzoenen.quot;
Teederheid en kieschheid mag in het beoefenen vooral van deze Apostolische vermaning niet worden gemist.
Indien uw vijand hongert, spijzig hem. Hier is in \'t oorspronkelijk een woord gebruikt, dat aan stuk wrijven, aan lijn maken doet denken. De moeder die haar kindeken op schoot heeft, en o zoo zorgvuldig de spijze toebereidt, het harde er uit verwijdert, oppast dat ze niet te koud is of te heet, en dan haar lieveling het voedsel in den mond brengt, zoo voorzichtig en geduldig, alsof er een koninkrijk op het spel stond. Dat zult gij ook tegenover uw\' vijand in acht moeten nemen. Indien gij hem in kille hooghartigheid een stuk brood toewerpt, o, dan beleedigt gij hem, dan verbittert gij hem met uw liefde, en gij zoudt zijn innerlijk leven misschien minder schaden door hem ruw weg een\' slag in \'t aangezicht te geven. Doe het niet zoo, dat gij zelf daarbij op den voorgrond treedt. In de meeste gevallen behoort de aan den vijand bewezen weldaad met den sluier der ano-nymiteit te worden bedekt, anders wordt zoo licht bij den beweldadigde een gevoel van wrevel wakker geroepen, en de schijn gewekt, alsof men \'t maar doet om de rol van den grootmoedige te spelen.
259
|
260 KOLEN VUURS. Juist in dat schuilhouden van zichzelf ligt een macht te nieeiquot; om het vergramd gemoed wat zachter te stemmen. En als God het noodig acht, dan zal Hij op zijn tijd den sluier wel ophelFen. Als de liefde, de rechte liefde, maar aanwezig is. Dan komt de fijne tact van zelf. Men behoeft geen handboek te schrijven, dat een moeder moet bestudeeren om haar kind behoorlijk het noodige voedsel te reiken. Moe-i der te zijn â dat is daartoe genoeg. Schoone taak. welke de Gemeente in dit opzicht te vervullen heeft! De vijandschap der wereld klimt. Vreesdij k! Godlof! En die wereld is bezig van honger te vergaan. Dat dan de Gemeente niet alarmeere, geen kwaad 1 met kwaad vergelde, hare vleeschelijke wapenen i wegwerpe als ijdel tuig, en al haar tijd en al haar kracht bestede aan deze ééne taak: die hongerende wereld te voeden met het brood der waarheid, dat uit den hemel daalde; die dorstende wereld te drenken met het water des eeuwigen levens. Dat werkt redding. Redding voor de wereld. Redding ook voor de Gemeente. | |||
De triomf van het goede.
Kom. 12 : 21.
zekeren krijgsoverste wordt verhaald, dat zijn regiment ging toespreken, voordat de veldslag een aanvang nam. Met een\' geduchten, onverschrokken vijand had men te doen. Alles was tot den kamp gereed. Ieder oogenblik kon het sein tot den aanval gegeven worden. Toen reed bedoelde kommandant voor het front zijner soldaten. En hij verhief zich in zijn stijgbeugels. En hij wees naar de plaats, waar zich de vijandelijke troepen bevonden. En hij zei met trillende stem : «Jongens ! daar zijn ze ; als gij hen niet doodt, dan dooden ze u.quot;
Zoo staat het ook tusschen ons en de zonde.
Wie den kamp tegen haar opvat als een spiegelgevecht, als eene schermutseling, als een strijd dien
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
men vermag te voeren zonder telkens van schrik te verbleeken, voorwaar! hij heeft den ernst, den ontzaglijken ernst van het Christelijk leven niet begrepen.
Overwinnen of overwonnen worden.
Een derde is er niet.
Haat haar met een\' onverzoenlijken haat... daardoor zal de felheid van haar woeden tegen u slechts tot vuriger grimmigheid worden aangeblazen.
Drijf haar op de vlucht . . . nog vóór dat gij u in uwe tent rustig kunt nederzetten om van de vermoeienis te bekomen, heeft zij al weer hare schuilplaats verlaten om u te achtervolgen, en op nieuw den strijd tegen u aan te binden.
Breng haar met uw heldenzwaard eene naar alle berekening doodelijke wonde toe ... in plaats van te bezwijken, zooals gij droomdet, schijnt zij in die tijdelijke nederlaag het geheim tot verdubbeling barer daemonische kracht te kunnen vinden.
Niet maar om u af te matten; niet maar om u te vernederen; niet maar om u te kwetsen . . . om de overwinning is het haar te doen. Ze wil u zóó in haar macht hebben, dat gij u tegen haren wil niet roeren of bewegen kunt. Ze poogt u zóóver te brengen, dat ze u kan gebruiken als haar werktuig, u kan behandelen als haar slaaf, machteloos en gedwee. Ze verlangt u zóó in hare strikken te binden, dat het laatste vonksken waarachtige menschelijkheid, dat nog in uwe borst bleef gloren, voor goed werd uitgedoofd. Ze tracht u als een machtelooze aan haar zegekar te boeien, en u zoo als een overwonneling
202
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
mee te voeren naar haar rijk, liet rijk des verderfs.
Het eenige middel om aan zoo\'n smadelijk overwonnen worden te ontkomen, ligt hierin, dat wij zelf de overwinning behalen. Wanneer de volken der aarde tegen elkander opstaan, kan de beslissing dikwerf ook wel worden verkregen zonder dat de eene partij volledig zegepraalt, en de andere daartegenover een volstrekte nederlaag lijdt. Er zijn allerlei schikkingen mogelijk. Nadat de voorposten-gevechten zijn geleverd, komen soms reeds andere mogendheden tus-schen beide. Door diplomatisch overleg kan de voortgang van den krijg worden gestuit. En allicht is men tevreden, wanneer de tegenpartijder, na een paar gevoelige nederlagen, genoopt werd op bepaalde punten toe te geven. Maar van iets dergelijks kan bij den strijd op zedelijk gebied geen sprake zijn. Overwinnen wij het kwade niet, dan overwint het ons.
Overwinnen of overwonnen worden.
En de macht?
«Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede.quot;
Paulus heeft hier bepaaldelijk het oog op die gevallen, waarin wij door anderen kwalijk bejegend worden, en ons zoo licht tot bitterheid en toorn laten prikkelen. Bezwijken we voor die verzoeking, slaan we den beleediger met nog scherper en forscher beleediging terug, zetten we iemand het ons door hem berokkende leed op gevoelige wijze betaald, dan moge de wereld ons om deze llinke houding willen prijzen, en dan moge in ons eigen hart de streelende
263
204 DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
gewaarwording opkomen, dat we ons nu toch eens recht dapper gedroegen, inderdaad hebben wij eene schandelijke nederlaag geleden. Zwakheid. Lafheid. Onmanlijkheid. Anders school er achter dien gewaan-den heldenmoed niet. Wij hebben ons laten overwinnen door het kwade. De tegenstander werd te heviger verstoord. En uit het eigen hart werd met de liefde ook de vrede gebannen. Handelen wij daarentegen in den geest der Christelijke vergevensgezindheid en zooals de Apostel in de voorafgaande verzen nader aanwees, dan hebben wij het genade-voorrecht in zelfverloochening en lijdzaamheid eene koninklijke overwinning te behalen. Booze hartstochten worden ontwapend. Booze gemoederen worden verteederd. Booze woorden worden teruggedrongen. Booze daden worden voorkomen. En zoo heeft dan de liefde getriomfeerd. Het kwade is overwonnen door het goede.
Nu geldt intusschen hetzelfde beginsel niet slechts in het hier bedoelde geval, maar overal op het terrein des zedelijken levens. Wij kunnen geen voet verzetten, zonder dat wij in botsing komen met de zonde. Elk oogenblik een strijd, gelijk wij herinnerden, op leven en dood. Wij moeten ons verdedigen. Wij moeten overwinnen. En hierin ligt eenvoudig het geheim van de zegepraal dat wij «goedquot; zijn en dat wij «goedquot; doen, en zoo de macht van het goede over de macht van het kwade laten zegevieren.
Hoe dan nu?
Bekent de Christus Gods niet meer mede ?
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
Vinden wij in onze leden niet deze schrikkelijke wet, dat het kwade ons bijligt als wij het goede willen doen?
Leert de ervaring ons niet, dat wij met al ons geroep van deugd en braafheid en humaniteit machteloos staan tegenover het kwade, dat ons van alle kanten omsingelt en overmant?
Is de Apostel des geloofs plotseling gedaald tot den rang van een zedepreeker, die ons een doos vol looden soldaatjes en kanonnetjes laat kijken, en ons dat speelgoed aanprijst als een nieuwerwetsch wapentuig, waarvoor ook de sterkste armee zal moeten wijken ?
O neen! Niet in dat goed willen zijn en goed willen doen op zichzelf ligt het geheim der overwinning. Het Evangelie der verlossing is een Evangelie voor zondaren, voor verlorenen. De zegevierende kracht zit in het geloof. Dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof toegerekend tot rechtvaardigheid. Maar zie, nu is het onze tank te toonen dat het geloof iets anders is, voorwaar! dan een schoone klank, iets anders dan een samenstel van ijle gedachten, iets anders dan een aantal streelende gewaarwordingen, dat het eene kracht is, eene kracht van God, eene kracht om goed te zijn en goed te doen, en zóó het kwade te overwinnen.
Op de practijk komt het aan.
Een geloof dat niet in staat stelt het goede te doen is geen geloof.
Het geloof overwint, niet allereerst door te belijden.
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
te roepen of te bestraffen, maar door zich in volle zedelijke kracht als het goede te ontplooien.
Het goede is: practijk geworden geloof.
En aangezien het kwade geen eigenlijke realiteit bezit, in zich slechts onwaarachtigheid, onwezenlijkheid, onwerkelijkheid is, moet het van zelf wijken zoodra het goede zich inderdaad laat gelden. Hoe verdrijft gij de duisternis? Er over klagen? Haar vervloeken? Tegen haar protesteeren uit alle macht? \'tBaat u immers geen zier. Breng licht! Breng licht! En de duisternis is van zelf verdwenen. Zoo kunt gij het kwade overwinnen, door er eenvoudig het goede positief tegenover te plaatsen.
Uw kind is onmanierlijk, onbeleefd. Gij hebt het telkens allerlei theoretische regelen van wellevendheid voorgehouden. Gij hebt al zoo vaak op scherpen toon den ruwen knaap over zijne botheid op dit punt uw ongenoegen te kennen gegeven. En vermoedelijk heeft dat alles n tot nu toe niet zoo bijzonder veel gebaat. Maar zijt gij zelf een toonbeeld van echte welvoegelijkheid ? Geen beter middel om den balstu-rigen jongen zijn slechte manieren af te leeren, dan dit, dat gij hem in uw eigen persoon en omgang de beteekenis van onberispelijk goede manieren laat zien. Zoo stelt gij tegenover zijn gebrek een positieve macht, waartegen dat gebrek op den duur niet bestand is. Zoo wordt het kwade door het goede overwonnen.
Iemand in uw omgeving lijdt aan een slecht humeur. Uw deftige vermaningen dienen maar om zijne korzeligheid te verergeren. En met strenge bestraffingen
266
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
werpt ge olie in liet vuur. Weet gij, wat gij doen kunt ? Goed zijn. Niet goedig. Dat prikkelt nog meer. Maar eenvoudig goed. Als gij, het hart met Gods vrede vervuld, rondom u eene atmosfeer van kalme blijdschap weet te scheppen, dan moet die booze luim het van zelf voor de macht van die vriendelijke opgeruimdheid afleggen; evenals een plant van zelf begint te kwijnen wanneer zij uit haar eigenlijke levenssfeer in een\' haar vreemden dampkring wordt overgebracht; evenals gij iemand, die een schreeuwerigen toon aanslaat, onwillekeurig noopt het speeltuig zijner lippen wat lager te stemmen, door zelf op zuchten, holle-lijken toon te gaan spreken.
En ten opzichte van den strijd, dien wij in eigen hart en leven tegen het kwade hebben te voeren, dient dezelfde methode betracht. Wanneer de onreine, geest is uitgevaren, en wij laten het huis ledig, o, dan duurt het niet lang of hij keert terug, en brengt met zich zeven andere geesten boozer dan hijzelf, om daar binnen te gaan en er te wonen, en het einde van dien mensch erger te maken dan het begin. De reine geest moet de plaats in beslag nemen, vroeger dooiden onreinen geest bezet, liet kwaad sluipt overal binnen, waar het maar in ons hart en leven eene ledige ruimte aantreft. Eerst waar die ruimte met het goede, met de realiteit van het goede is gevuld, daar staat het machteloos.
Booze gedachten die ons aanvliegen en overrompelen, vaak in onze beste oogenblikken, of wij al duizendmaal ons voornemen ze niet toe te laten, \'t is
267
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
alsof onze weerloosheid te erger wordt, naarmate wij den kamp er tegen te ernstiger opvatten. Dit is het raiddel om te overwinnen: hoofd en hart niet goede gedachten te vullen. Ons met het bedenken van goede dingen zóó ijverig bezig te houden, dat wij ons niet eens den tijd gunnen om te vragen, of die slechte gedachten nu niet misschien op \'t punt zijn zich van ons binnenste meester te maken. Dan verliezen ze van zelf hunnen in vloed. Dan sterven ze van zelf een smadelijken dood.
Wij zijn geroepen in liefde en zelfverloochening ons zelf te vergeten. Maar M anneer wij ons zelf bloot theoretisch dezen eisch stellen, worden wij dan niet juist hierdoor genoopt voortdurend aan ons zelf te denken ? Door de wet de zonde. Aan het kwade gebonden juist door het streven om het kwijt te raken. Door den strijd tegen het eigen ik, des te erger aan dat eigen ik verslaafd. Dit is het middel om te overwinnen : positief ons aan den dienst van anderen te wijden, het werk der liefde â het eenig goede werk â te doen, en ons daaraan zóó toe te wijden, dat ook de eisch om ons zelf te vergeten daarbij vergeten wordt.
Zoo moeten wij onze zonden, gelijk er geschreven staat, afbreken door gerechtigheid (Dan. 4 : 27). In het weldoen â denk aan Kaïn â ligt bet geheim der verhooging, het vermogen om de ziel op te beuren uit die sombere, doodsche verdrietelijkheid, waarin zij zoo licht op allerlei slechte dingen gaat broeden, en zich tot eene maar al te gemakkelijke prooi van
268
DE TRIOMF VAN HET GOEDE. 260
den aan de deur loerenden vijand laat maken. Het schenkt vroolijke veerkracht om de verzoeking aan te durven. En het koninklijk bewustzijn, dat wij haar aan kunnen ook, in den naam onzes Gods. «Bij elkeu plicht getrouw betracht, verliest de zonde iets van haar kracht.quot; Elke echt godvruchtige aandoening-brengt de nederlaag van een slecht begeeren mee. Elke edele daad draagt de profetie van eene overwinning op het voorhoofd. En gelijk de overlevering zegt, dat twee van Peninna\'s kinderen stierven telkens als Hanna een kind ter wereld bracht, zoo gaat elke versterking van het goede, niet alleen in ons persoonlijk leven, maar ook in de wereld rondom ons, met eene dubbele verzwakking van liet kwade gepaard.
Als wij dan maar genade willen ontvangen om tegenover het kwade, dat in deze dagen met zoo beangstigend succes voortwoekert, de macht te plaatsen, niet van Christelijke overtuigingen en kerkelijke begrippen, maar de macht van het goede, van het goede in zijn reinen eenvoud, in zijn heilige soberheid !
Als wij ons maar niet laten verleiden om het in eene keurige omlijsting van dogmatische en rechtzinnige waarheden te zetten, ten einde de menschen toch vooral en vooral te laten zien, dat het de vrucht is van het geloof!
Als wij maar eiken dag aangedaan worden met vrees voor het «gemakkelijke,quot; een vrees die ons weerhoudt van pogingen, om het kwade met een mindere macht dan die van het goede te overwinnen !
DE TRIOMF VAN HET GOEDE.
Als wij maar, ook bij bet gevoel van eigen gren-zenlooze zwakheid, aan de macht van het goede, d. i. aan de almacht Gods blijven gelooven, opdat wij ons niet dooi\' de schijnbare overmacht en den kortston-digen triomf van het kwade in en buiten ons laten verbijsteren, en dan zinken, gelijk Petrus zonk, toen hij zich meer door den storm dan door Zijn Meester liet imponeeren!
De overste dezer wereld is buiten geworpen.
Daarom mogen wij aan de zege niet wanhopen.
Zwak en toch gesterkt!
Verslagen en toch gekroond !
Overwonnen en toch overwinnaars !
Ja, meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.
270
INHOUD.
Bldz.
Po liefde ongeveinsd............................7
Huiveren voor liet boosso............17
Het goede aanhangen..............20
Hartelijkheid.................
Elkander voorgaan in eerbetoon .........45
In ijver onverdroten..............55
Vurig van geest................\'gt;4
Dient den tijd.................73
Verblijdt u in do hope.............83
Standhouden in de verdrukking.....- . . . . 02
Volharden in den gebede............102
Deolen in de behoeften der heiligen........112
Herbergzaamheid...............123
Niet vervloeken, maar zegenon..........133
Met de blijden blijde zijn............114
Weonon met de weenenden...........154
Eensgezindheid onder elkander..........165
Niet staan naar het hooge............175
Zich voegen tot het nederige . ..........185
Niet wijs in eigen oog...... ......195
Kwaad niet met kwaad vergelden..... ... 204
Voor aller menschen oog............215
Vrede met alle menschen......... . . 220
Plaats voor den toorn............ . 238
Kolen vuurs ... .............250
Do triomf van hot goede ... ........201