ocr page 1
ocr page 2

GUNNING 2 A 12

1 A-it.

J.HfiüNNIN£J.H!

tKimm

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

KENT GIJ HET LAND?

ocr page 6

-

ocr page 7

Kent gij het l^and?

BEELDEN EN TIEEHEEU II1T1IEÏ BELOOFDE Lil,

TOT OPHELDERING DER HEILIGE SCHRIFT.

DOOR

jl( U D W I G ^CHNELLEI^,

Predikant te Bethlehem.

MET EEN WOORD VOORAF VAN J. P. G. WESTHOFF,

Lnth. Pred. Ie Amsterdam.

j^aar hsl puitsch. — Vierde T)ruk. BIBLlOTHjEEK DER

RlüKwüNi v

U T E C N T.

NIJMEGEN, — P. J. MILBOKN. —

ocr page 8

Nijmegen. — Snelpersdruk der Weesinrichtquot;

ocr page 9

EEN WOORD VOORAF.

Op vriendelijlc verzoek van mi) dierbare vrienden, acht ik het em voorrecht, dit werk over Jwt Land\'\', het „ Heil!ge Landquot; hij het Christelijk publiek te mogen inleiden.

Er bestaan vele geïllustreerde en niet geïllustreerde werken over het Heilige Land, groot ere en kleinere, wetenschappelijke en populaire. Schier geen jaar gaat er voorbij, of er verschijnt een nieuw werk over Palestina.

Welk Christen is niet in het bezit van een of onder boek, dat over Palestina handelt? En bijaldien niet, ivie las niet wel eens met klimmende belangstelling een of ander werk, dat hem nader bekend maalde met de heilige plaatsen, icclke in het nauwste verhand staan met de geschiedenis van Gods uitverkoren volk, maar tevens ook met het leven van Jezus Christus en dat Zijner Apostelen ?

Het is nog zoo lang niet geleden, dat ik in mijne vrije uren een hoogst belangrijke reisbeschrijving van den nu reeds in zijn Heer ontslapen Hamburger predikant C. Ninck heb gelezen. Onder den titel „Auf hiblische Pfadaiquot; zijn het bladeren van zijn gehouden dagboek, na zijn terugkeer tot een geheel vereenigd Zij maken geen aanspraak op topografische ontdekkingen en weten-sehappehjke onderzoekingen. „ Wij zijnquot; — zoo zegt hij — „de sporen

ocr page 10

VI EEN WOORD VOORAF.

des Bijhels nagegaan en hchhen overal de voetstappen van het volk Gods, van omen Heiland Jezus Christus en van Zijne Apostelen gevolgd.\'quot;

Dat geldt ivaarlyk niet minder van dit werk, dat een geheel eenige plaats onder de beschrijvingen van Palestina inneemt.

De schrijver van het hoek ..Kent gij het Landquot; is de predikant Ludwig Schxeller. Gedurende vele jaren teas hij zendeling en predikant te Bethlehem, nadut hij vroeger te Berlijn werkzaam was. Te Jeruzalem geboren, zoon van het echtpaar Schneller, dat aan het hoofd, van het Syrisch weeshuis tc Jeruzalem staat, volkomen bekend met de Arabische tacd, viel het hem niet moei el ijk den zendingsarbeid ten Zuiden van Jeruzalem over te nemen. De plaats, waar hij woonde teas Bethlehem, maar bovendien stichtte hij zendingsposten te Hebron en Bet-Djüla. Het gelukte hem, aan die gemeenten eene duurzame organisatie te geven. Hij vervaardigde behalve enkele andere geschriften eene Arahisch-Evan-gelische kerkorde en een gebedenboek, die in het Syrisch Weeshuis gedrukt zijn. Hoeivel de Turken zijn werk, te Hebron met militaire macht onderdrukten, mocht hij het voorrecht hebben, zooivel te Bet-Djüla als te Bethlehem eene kerk en eene school tc bouwen. De daartoe vereischte middelen zijn door hem gevonden.

Van harte verblijd, dat zijn werk geslaagd is, is het hem echter duidelijk, dat de grond van zijn arbeid het Syrisch weeshuis is en blijft. Van daar ontvangt hij zijne leeraren en evangelisten, die van hunne kindsheid af in het Syrisch weeshuis zijn opgevoed; van daar zijne beste gemeenteleden, die met het Evangelie onge-voed, de zekerste basis zijn voor hegt; vormen van Evangelische gemeenten in het Heilige Land. Het is immers meer een Zendings-dan een eigenlijk Weeshuis. Weezen en niet-weezen, van den Libanon tot den Nijl, uit alle deelcn des lands, ontvangen er in school en werkplaats een evangelische opvoeding, om daarna als zelfstandige Christenen naar hun geboortegrond terug te keer en.

Sa eenige jaren te Keiden predikant te zijn geweest, is hij thans weder op zijn oud arbeidsveld werkzaam. In het „ Woord vooraf voor de Hoogduitsche uitgave zegt hij: „Een kind van

ocr page 11

EEN WOORD VOORAF.

het Heilige Land, hel) ih jaren lang te Bethlehem geleefd. Daar heb ik ondervonden, dat men er Christus niet heter vindt, dan ergens anders. Daar heb ik meermalen uit droevige toestanden van het arme volk des engels stem vernomen; „Hij is niet meer hierquot; Maar ik heb ook andere stemmen uit het heiligdom gehoord. Wel ruischt Davids psalmtoon niet meer, ivel zijn Christus en Zijne Apostelen niet meer te vinden, — maar gelijk ook eene gescheurde harp op de bergen nog geluiden doet hooren, wanneer er avondwind door de snaren strijkt en sedert lang vergeten klanken opwekt, zoo weerklinkt ook, voor den nauwkeurigen opmerker, uit het volk en syn toestanden, uit de hergen en puinhoopen van het Heilige Land, als de toon van een Aeolus-harp, eene zachte boodschap uit voorledene, heilige tijden. Ik heb naar haar geluisterd en het niet voor overbodig gehouden, bij de vele boeken over Palestina een nieuw te voegen. Ik heb er niet naar getracht, eene volledige beschrijving van Palestina met zijne landstreken en steden te geven. Dit is in vele voortreffelijke reisbeschrijvingen voldoende geschied. Nog minder heb ik mijn aandacht gewild aan de beschrijving van zoogenaam de heilige plaatsen. Deze zijn meestal ■meer geschikt, om de zaak in nevelen te hullen, dan ons met die oude tijden nader hekend te maken.

En waar men deze plaatsen zelfs hggeloovig vereert, daar antwoord ik met het oude woord, dat eens de profeet Jeremia gesproken heeft: „tevergeefs venvacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den Heer, onzen God, is Israels heilquot;\'! ( Jer. S: 28). Ik heb ook niet in puinhoopen en overblijfselen van steden gezocht. Want, al is Palestina ook een land van puinhoopen, meer dan eenig ander land, zoo verhalen zij ons toch weinig uit oude tijden. Te Ninevé heeft men na eeuwen de steenen bibliotheken der Assyrische koningen gevonden, maar Palestina\'s puinhoopen zwijgen.

En toch ontbreken de getuigenissen over de oudheid niet. Deze

zijn de bewoners des lands met hunne zeden en gebruiken.....

Mijn ambt en roeping stelden my te midden van het Arabische volk en eene Arabische gemeente. Het was my eene aangename

VII

ocr page 12

EEN WOORD VOORAF.

taal;, Palestina met zijn her (jen en mensdien, die als H ware de modellen zijn geweest voor de schilderij van het Koninkrijk der hemelen en zijne waarheden, te hespiedm en de sporen van het voorleden na te gaan. Op heete zomersehe dagen , wanneer alles verschroeid is, ziet er het Heilige Land zoo dor en doodsch uit. Maar wanneer des avonds de zon al hare tinten en kleuren over het land uitgiet, begint het in hetooverende schoonheid als een paradijs te schitteren. Zoo ligt ook het volk des lands met zijne in armoede en verval geraakte toestanden voor ons als een dor en eenzaam landschap. Indien gij er echter het licht des Bijbels over laat schijnen, treden plotseling de oude, welbekende trekken voor den dag; zij beginnen te schemeren, zij verkrijgen leven en kleur. De gestalten van den voortijd treden voor ons inwendig oog aj); profeten wandelen, prediken , strijden, bezwijken, totdat eindelijk de Zoon Gods zelf verschijnt en over deze bergen heengaat, om zijn verloren schaap te zoeken.

Ik helt het land met zijn menschen en zeden gevraagd en menig verrassend antivoord vernomen. Want in honderd gevallen handelt de tegenwoordige bewoner van Palestina nog even zoo, als voor eeuwen de Hethieten, Kanaanieten en Israëlieten.

Duidelijker dan alle tempels en opschriften spreken deze dingen tot ons over het JBijbelsch verleden en vormen alzoo een levenden commentaar tot de Heilige Schrift.

Al, wat ik hiervan heb waargenomen, wilde ik niet begraven, maar tot een heiligen dienstroepen. Niet,\' alsof ik in deze beschouwingen de eeuwige waarheden der Schrift zelve wilde voorstellen. Maar het kleed en het omhulsel der waarheden, de geschiedenissen en gelijkenissen der Schrift, wensch ik bij wijlen te illustreer en, gelijk een schilder doet, die op de plaats zelve zijne studiën heeft gemaakt. De Westersche Bijbellezers, leeken en Godgeleerden kunnen zich menigmalen noch door studie noch door fantasie voldoende in Oostersche gebruiken indenken; veel blijft hun duister of slechts ten deele verstaanbaar. Ik wensch hun de oude verhalen als 7 ware met de oogen te laten zien, door ze aanschouwelijk voor te stellen. De Heilige Schrift is eene levende geschiedenis.

VIII

ocr page 13

EEN WOORD VOORAF.

Geschiedenissen icinnen eehtcr, naarmate men ze zich duidelijker lean voorstellen. Hoe aanschmmelijher ons de bijbelsche geschiedenissen worden, des te dieper prenten wij ons die in, des te meer worden wij gedrongen over het eeuwige en blijvende na te denken-, dat zicJi achter de uitwendige verschijningen verbergt.

Niets kan ons echter hierin zulke belangrijke diensten bewijzen, als eene nauwkeurige tcaarneming der hedendaagsche Oostersche zeden en gébruiken, die sedert eeuwen slechts kleine veranderingen hebben ondergaan. Hetgeen ik nu in de huizen, op de markten, op vele tochten te weten ben gekomen, bied ik hiermede den lezers aan. Als leiddraad heb ik er naar getracht, het leven des Heer en eenigermate vast te honden .... Overal heb ik al het mogelijke gedaan, om het leven- in plaats van de boeken te raadplegen, het leven, zooals het zich heden in de Oostersche landen in zijne veelmddige vormen openbaart.

Wanneer véle dingen zich aan de lezers anders mogen voordoen dan tot dusver, dan verzoek ik, hen, niet te spoedig een oordeel te vellen, maar den tekst des Bijbels na te gaan en zich met mij op hetzelfde standpunt te plaatsen, als hoorde hij de evangelieverhalen voor H eerst, zonder de overleveringen, welke zich daaraan allengskens hebben vastgehecht, te kennen. Ik houd alles, wat de Schrift leert vow onomstootelyk waar. Alles wat op de overlevering steunt en meestal niet gegroeid is op den bodem van het Heilige Land, houd ik voor twijfelachtig en onzeker. In elk geval geef ik in dit boek geen fantasie of fantastische vermoedens, mam-veel meer nauwgezette waarnemingen der tegenwoordige toestanden. En dit is, vergeleken bij het uitgestrekte veld van bloote vermoedens, een bepaald begrensd gebied.

Wij prijzen de mannen, die ons Gods heilig Woord lecren en verklaren, zijn eeuwigen inhoud, zijn grootschen samenhang. Zij zijn de meesters, die aan den dom der Schriftuitlegging boutven. Maar ook de mindere dienst is hier niet gering. Ook hij mag zich verblijden, die kleine steenen en kalk mag aandragen. En wanneer het mij gelukt, menigen Bijbellezer hier en daar de heilige geschiedenis aanschouwelijker te maken, zoodat hij met ver-

IX

ocr page 14

een woord vooraf.

nicmvde helangstelling tot de hron tcruglccert; wanneer il; der christelylce gemeente een Meinen dienst, mag heivijzen, dan is mijne moeite rijlcelijh beloond. Ik geniet eene dubbele vreugd.\'\'\'\'

Het is ook mij tot vreugde geweest, toen ik deze ivoor den van mijn geacMen ambtsbroeder mocht lezen en vertalen. Het is een aanschouivelyk boek, een levende commentaar op de Heilige Schrift.

x

Reeds bevindt het zich in duizende handen. Ook in deze nieuwe vorm zij het velen ten zegen, die met mij om den vrede van Jeruzalem bidden. Psalm 122 : 0.

J. F. G. WESTHOFF.

Amsterdam, Nov. 1891.

ocr page 15

INHOUD.

Eenige ophelderingen betreffende de Kerstgeschiedenis.

Bladz.

Jozef en Maria................................1

Het bevel tot de volkstelling........................5

Jozefs aankomst te Bethlehem......................8

Was de Kerstnacht een winternacht?..................14

Bethlehem....................................18

De laatste gebeurtenissen in Bethlehem................24

Jezus in Nazareth.

Het huis te Nazareth............................30

De timmerman................34

Het verblijf in Nazareth..........................39

Overblijfsels van het vroegere volksleven in Palestina, zoo in het huiselijk leven als in het landbouwbedrijf.

De jaargetijden................................46

Water......................................56

Land- en akkerbouw............................62

Spijzen................ . . 79

Sprinkhanenplaag................82

Kleeding......................................86

De woningen in Palestina..........................91

Muziek...................95

Maaltijden..............r ... 105

bruiloften..................110

Graf- en Lijkzangen...............122

Stammen en geslachten.............133

Het reizen in Palestina..............138

De volkstaal.................149

Ophelderingen betreffende verschillende eigenaardige plaatsen in de H. Schrift................159

ocr page 16

inhoud.

Een en andek omtrent de lijdensgesumiedems des Heeren.

De feesten te Jeruzalem.............1()7

Do zalving in Bethanië..............176

De intocht te Jeruzalem.............179

De vervloeking van den vijgcbounj..........183

Het heilig Avondmaal..............190

De laatste nacht................195

Goede Vrijdag.................200

Het Graf van Jezus...............204

Slot....................209

Naar de Joruaan en de Doode Zee.

Op weg naar Jericho..............219

In de oase van Jericho............., 223

De Quarantania-berg...............228

De Doode Zee.................232

De Jordaan..................238

De profeet Elia op zijne tochten...........242

Geen regen..................243

Aan de beek Krith en te Zarfath..........252

Op den Karmel......-..........258

Naar den berg Gods...............204

Een Zondag aan liet meer Genezareth.........2G8

Een nacht te Naïn...............280

Door de woestijn Paran.............2.-;4

De weiden der Aartsvaders............286

Het heilige graf in de woestijn...........289

Aan de beek van Egypte.............292

In de woestijn.................295

Overoude paden................301

Fata Morgana .... ............303

Een onweder in de woestijn............306

Aankomst aan het Suez-kanaal...........309

xii

ocr page 17

een [(se ophelderingen betreffende

de kerst( j esc i redenis.

\\IOZKr EN MARIA.

Aan het begin van het Nieuwe Testament treden ons de aantrekkelijke gestalten van Jozef en Maria te genioet. Nu eens zien wij hen in Nazareth in (ralilea, dan op reis naarJudea, dan weder in Bethlehem. Hetgeen ons hier van de kindsheid van Jezus verhaald wordt, is als \'t ware het liefelijk voorspel van het heerlijk lied der liefde, dat ons uit geheel het Nieuwe Testament tegenklinkt. Wij zien daarin, hoe Jezus als eene bloem Gods op Israels bodem in alle stilte groeit en bloeit. Velen zijn ten opzichte dezer geschiedenissen uit Jezus\' jeugd gaan twijfelen wegens het verschil, dat daaromtrent bij Mat-theüs en Lukas bestaat. Lu kas verhaalt ons, dat Jozef en Maria vanwegon de volkstelling onder keizer Augustus in de noodzakelijkheid waren van Nazareth naar Bethlehem te reizen en dat tijdens hun verblijf aldaar Jezus geboren werd. Mat-theüs daarentegen verhaalt niets van deze reis, maar brengt ons dadelijk naar Bethlehem. Hieruit moeten wij opmaken, dat Bethlehem, ook voor de geboorte van Christus, Jozefs woonplaats was; want twee jaren na \'sHeeren geboorte, bij de komst der Wijzen, vinden wij hem nog te Bethlehem en

ocr page 18

JOZEF EN MARIA.

na do vlucht naar Egypte is de eerste gedachte, die bij Jozef opkomt, naar zijne woonplaats Bethlehem terug te keeren.

Vele Schriftuitleggers meenen, dal deze verschillende berichten niet, met elkaar in overeenstemming kunnen gebracht worden. Andere beproefden hot tweejarig verblijf te Bethlehem aldus te verklaren: Naar hetgeen door de profeten gesproken was, moesten Jezus\' ouders hun Zoon in Davids stad opvoeden. Doch de menschen behoeven de vervulling der profetieën niet te hulp te komen. Zonder het zelf te weten, werken zij onder Gods leiding daartoe mede. Zou er dan geen andere weg zijn om de beide Evangelisten in hunne berichten te doen overeenstemmen? Ik geloof, dat dit zeer wel mogelijk is, als wij een blik slaan op de tegenwoordige toestanden in het Heilige Land.

Allereerst moeten wij in aanmerking nemen het beroep, dat Jozef uitoefende. De Schrift noemt hom een „tektoonquot;, hetgeen eenigszins overeenkomt met architect, iemand die huizen bouwt. In bet Westen vertaalt men, gelijk ook Luther dit deed, dit woord door timmerman, want daar is bij hot bouwen de timmerman de hoofdpersoon. In Palestina daarentegen, waaide huizen geheel van steen worden opgetrokken, moot hot vertaald worden door „bouwmeesterquot; of „metselaar.quot; Sommigen vertalen het door „wagenmaker,quot; doch dat is geheel onjuist, want wagons of ploegen op wielen zijn in Palestina nooit in gebruik geweest.

Deze bouwmeester of metselaar Jozef woonde, volgens Mat-theüs, te Bethlehem, — ook volgons Lukas is hij uit Bethlehem geboortig — en werd eerst later door bijzondere omstandigheden genoodzaakt naar Nazareth te trekken. Bij Lukas echter vinden wij Jozef reeds voor Jezus\' geboorte te Nazareth. Zijn deze twee berichten onvereenigbaar ? In goenen doele, wanneer wij aannemen, dat Jozef zich wegens zijn beroep in Nazareth bevond, en vóór de geboorte van Jezus weder naar Bethlehem

2

ocr page 19

JOZEF EN\' MARIA.

3

terugkeerde. En hierover juist kunnen de tegenwoordige locstanden in Bethlehem eenig licht verspreiden. Het is merkwaardig, dat do bouwmeesters te Bethlehem ook nu nog in andere plaatsen werk gaan zoeken, als hunne eigene stad liet niet oplevert. Sommige vakken zijn in Palestina aan bepaalde plaatsen verbonden. Zoo vinden wij de pottenbakkers en glasblazers voornamelijk te Hebron; in Bethlehem wordt paarlemoer verwerkt en ook de bouwmeesters, metselaars en steenhouwers wonen voor het mecrendeel in deze stad en de twee daarbij behooreude dorpen Beit-Djala en Beit-Sartner. Bijna alle ge-bonwen worden door werklieden uit Bethlehem opgetrokken en men kent huns gelijken niet. Zij zijn dan ook zeer gezocht. Wordt er in Hebron gebouwd, dan worden zij geroepen. Is men in Kir-Moab, 7 dagreizen van hier verwijderd, aan het werk, dan zijn daar steenhouwers en metselaars uit Bethlehem; ook te Salt, het vroegere Ramoth in Gilead, is dit het geval. Zelfs begeven zij zich naar Galilea en vooral naar Nazareth, waar zij dikwijls voor langen tijd werk vinden en goed betaald worden. Zij verlaten ons dan gewoonlijk in do lente, als de regen opgehouden heeft, en keeren niet vóór November terug, want dan is het werk voltooid of moet het gedurende den winter gestaakt worden en dien tijd gebruiken zij om hunne velden te bearbeiden en hunne huisgezinnen van hot noodige te voorzien. Ongehuwde werklieden, zooals Jozef was, blijven ook dikwijls gedurende den winter weg, wanneer zij genoegzaam werk kunnen vinden. Heeft zulk een bouwmeester een werk onder handen, dan verlaat hij het alleen, wanneer dringende omstandigheden hem elders roepen, zooals bij Jozef het geval was na de uitschrijving der volkstelling. Altijd echter keert de werkman na korteren of langoren tijd naar zijne familie terug, want alleen in den kring der zijnen gevoelt hij zich thuis. Vandaar dat de bewoner van Betblobom nog beden

ocr page 20

JOZEF EX MARIA.

naar zijne woonplaats terugkeert, al worden hem elders ook do meest voordeelige aanbiedingen gedaan. De koopman uit Bethleliem, die met zijne artikelen van paarlemoer Europa, Amerika, Indië, China doorreist, zal nooit zijn woonplaats voor een vreemd land verwisselen. Het is en blijft zijn vurigst verlangen als een rijk man eenmaal terug te keeren in zijn geliefd Bethlehem, er een fraai huis te bouwen on temidden zijner talrijke familie een onbezorgd leven te leiden.

Wanneer wij nu nagaan, hoe gedurende vele eeuwen de standen in het Heilige Land dezelfde zijn gebleven, dan mogen wij ook, aannemen, dat dit met Bethlehem eveneens het geval is. Wij onderstellen dus, dat Jozef, een bouwmeester uit Bethlehem, gedurende langen tijd in Nazareth werk gevonden had. Wij kunnen niet bepalen hoe lang hij daar vertoefde, doch tijdens zijn verblijf aldaar leerde hij zeker Maria kennen en liefhebben en huwde hij met haar. \'t Is licht te begrijpen, dat hij het voornemen had met zijne jonge vrouw naar Bethlehem terug te keeren, zoodra zijn arbeid voltooid was. Nu had het vreemde geene aantrekkelijkheid meer voor hem, hij verlangde naar eigen huis en haard. Hij wilde zich met zijne vrouw in de nabijheid zijner verwanten vestigen. Evenals de tegenwoordige werklieden uit Bethlehem kon hij ook werk vinden in het trots gebouwde Jeruzalem, slechts twee uren van Bethlehem verwijderd. Eerst later en geheel onverwacht werd hij door de vijandschap van Herodes en diens zoon Archelaüs genoodzaakt , Bethlehem weder te verlaten. Wat lag er nu meer voor de hand dan naar Nazareth te vluchten? Dat was de geboorteplaats van zijne vrouw, daar had hij haar leeren kennen, daar had hij reeds vroeger werk gevonden. Later hechtten de Evangelisten aan deze verandering van woonplaats, die een zoo natuurlijk gevolg was van de tijdsomstandigheden, evenzeer de gewichtige beteekerfis van eene vervulling van pro-

4

ocr page 21

5

fetische aankondigingen, als aan den terugkeer van Bethlehem ten gevolge der volkstelling, waardoor Jezus niet in Nazareth, maar in de oude stad Davids geboren werd.

HET BEVEL TOT DE VOLKSTELLING.

Tijdens Jozefs verblijf te Nazareth vaardigde do Keizer een bevel uit, dat do geheele wereld zou beschreven worden. En iedereen ging om zich te laten beschrijven „een iegelijk naar zijne eigene stad.quot; Behoorde Jozef in Nazareth thuis, dan had hij zich niet naar Bethlehem behoeven tc begeven. Velen nemen aan, dat deze volkstelling volgens oud-Joodsch gebruik geschiedde, dat de namen naar de verschillende stammen en geslachten werden ingeschreven en ieder zich daarom naar de stad zijner vaderen begaf. Dit is echter niet zeer waarschijnlijk, want na de Babylonische ballingschap werd Galilea en ook Nazareth door eene zeer gemengde bevolking bewoond, zoodat het zeer moeilijk zou zijn geweest, een ieder tot zijne eigene stad terug te brengen, daar van velen de afkomst niet meer was op te sporen. Dit zou een zeer dwaze maatregel zijn geweest van het anders zoo practische Bomeinsche bestuur. Dit zou niet alleen de bevolking in groote verlegenheid hebben gebracht, — want dan had geheel Israël van Dan tot Berséba op do been moeten komen — en in plaats van de betere orde, die men er mee bedoelde, zou er eene groote verwarring zijn ontstaan. De geheel en al Bomeinsche regeering van het land zal zeker geen rekening gehouden hebben met de wijze, waarop vroeger een volkstelling in Israël plaats had. Het ligt veeleer voor de hand, dat elk zich liet beschrijven in de plaats, waar

ocr page 22

HET BEVEL TOT DE VOLKSTELLING.

hij woonde en werkte. Nemen wij dit aan, dan is alles ons duidelijk. Slechts zij behoefden zich huiswaarts te begeven, die zich niet in hunne woonplaats bevonden. Ieder ging naar zijne eigene stad, hoewel niet altijd juist naar de stad zijner voorvaderen. Daarom moest ook Jozef naar Bethlehem reizen, waar hij waarschijnlijk ook eenigen grond in eigendom had. Aloude familiën onder eene bevolking, welke den landbouw beoefent, zijn altijd grondbezitters. Wij weten niet of het land van Jozef gescheiden was van dat zijner familieleden; tot heden is de grond bij zulke familiën gemeenschappelijk eigendom. Zoo blijft het lichter in het bezit van eene en dezelfde familie. In dit geval was er Jozef ook veel aan gelegen, dat hij inde goede orde werd opgeteekend.

Waarom echter zegt Lukas, dat Jozef naar Bethlehem moest reizen, omdat hij uit het huis en geslacht van David was? Wederspreekt dit niet onze bewering, dat men volgens Ro-meinsche gewoonte handelde en ieder in zijne woonplaats opgeteekend werd? In geenen deele, want Lukas geeft hiermede niet de reden aan, waarom de overheid Jozef naar Bethlehem riep. Deze zal er niet naar gevraagd hebben, ot Jozef van Davids geslacht was of niet. Lukas zegt het ons, omdat het voor hem en voor zijn Evangelie van groot gewicht was: Jozef reisde naar Bethlehem, omdat hij uit het geslacht van David was, en uit dat geslacht, zoo verhaalt hij verder, moest de beloofde Verlosser geboren worden.

Jozef zag zich dus door het keizerlijk bevel genoodzaakt, zijnen arbeid eerder te staken, dan hij anders van plan was, en naar Bethlehem, naar „zijne stad,quot; gelijk Lukas zich uitdrukt, terug te keeren. Nu is het ons ook duidelijk, waarom Maria haren man vergezelt, want zijne vrouw behoeft zich niet met hem te laten beschrijven. De bewering, dat zij hiertoe als erfdochter verplicht was, mist allen grond. Daarom

G

ocr page 23

MET BEVEL TOT DE VOLKSTELLING.

7

vertalen wij niet: Jozef ging om zich met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, te laten beschrijven, maar zeggen: Jozef ging (om zich te laten beschrijven) met Maria naar Bethlehem. Jozef behoefde haar als zijne ondertrouwde vrouw niet mede te nemen om ook haar te laten beschrijven. Zij had te Nazareth kunnen blijven en Jozef had binnen eene week weer van zijne reis terug kunnen zijn. Wij begrijpen dan alleen, waarom Maria hem vergezelt, als wij aannemen, dat Jozef het voornemen had opgevat, zich als gehuwd man in Bethlehem te vestigen; het bevel des Keizers verhaastte de uitvoering van dit plan. Hij kon te Bethlehem of te Jeruzalem voldoende werk vinden en ctes zomers van stad tot stad reizen, terwijl zijne vrouw thuis bleef. Zoo ondernamen de jonggehuwden de reis, hetzij te voet of op een ezel. Waarschijnlijk richtten zij eerst hunne schreden naar het groene Jordaandal, trokken voorbij Jericho, welks marmeren gebouwen helder afstaken bij de ruischende palmbosschen en welriekende tuinen, verder over den Olijfberg naar Jeruzalem en kwamen vandaar in weinige uren te Bethlehem. De reis duurde gewoonlijk drie, vier dagen, hetgeen wij echter niet vergelijken moeten met de afstanden, die wij nu met den spoortrein afleggen. Het fluitje der locomotief liet zich toen evenmin als nu in het Jordaandal hooren, ook waren hooge rekeningen van hotelhouders onbekend. Langzaam trok men voort, slechts beschikkende over de eenvoudigste hulpmiddelen en zoo kwam het jonge paar good en wel te Bethlehem aan.

ocr page 24

JOZEFS AANKOMST IN BETHLEHEM.

De met olijven beplante heuvel tusschen Jeruzalem en Beth-\' lehem. waarop thans het klooster Mar Elia staat, bood Jozef en Maria het eerste uitzicht op het doel hunner reis. Het stadje was Maria niet geheel onbekend, immers niet lang te voren had zij op dit gebergte hare vriendin Elizabeth bezocht. Eone overlevering verhaalt, dat bij de aankomst van het jonge paar alle herbergen te Bethlehem bezet waren met reizigers, die kwamen om beschreven te worden. Wij kunnen ons met die voorstelling niet vereenigen. Waarschijnlijk was er een langere tijd dan eenige dagen aangegeven, om zich in zijne stad voor de beschrijving aan te melden. En al had dit niet verhinderd, dat allen te gelijk aankwamen, dan was het aantal personen, dat te Bethlehem woonde, toch niet zóó groot. En zij, die van elders kwamen, namen hun intrek niet in een herberg, maar bij hunne familieleden.

Vergezellen wij het tweetal naar de poort van Bethlehem! Zij treden de poort binnen en schrijden voort langs do straten van het stadje, waar niet de minste verwarring heerscht, ten gevolge van het keizerlijk bevel, leder volbrengt zijn gewonen arbeid. Jozef heeft waarschijnlijk menig bekende vroolijic gegroet. Maar waar zal hij zijn introk nemen? De christelijke sage geeft ons daarop een duidelijk antwoord, dat echter bij grondig onderzoek onhoudbaar blijkt te zijn. Het is ongetwijfeld geheel onjuist, dat Jozef en Maria, door gebrek aan plaats in de herberg, hunne toevlucht moesten nemen in eene soort van stal en dat reeds in dien eersten nacht Jezus geboren werd. Maria zal zoo kort te voren de reis van Nazareth naar Beth-

ocr page 25

JOZEFS AANKOMST 1.\\ BETHLEHEM.

lehem niet ondernonien hebben. Het was Jozef zeker al sedert eenigen tijd bekend, dat hij om de volkstelling zich naar Bethlehem moest begeven, en hij kon dus gaan, wanneer hij wilde. Ware dit niet het geval geweest, dan had hij met het oog op Maria\'s toestand alleen op reis moeten gaan en Maria te Nazareth achterlaten om zoo spoedig mogelijk tot haar terug te keer en!

Het Evangelie van Lnkas laat ons voor Jezus\' geboorte een speelruimte van een haltjaar tijds, waarin de reis naar Bethlehem kon geschieden. En hieruit maken wij op, dat Jozef en Maria verscheidene weken voor Jezus\' geboorte te Bethlehem zijn aangekomen en dit is nog waarschijnlijker, wanneer het algemeen gevoelen waarheid bevat, dat Jozef daar geene familiebetrekkingen had.

Deze meening wordt bevestigd door hetgeen wij in het Evangelie van Lukas lezen: „en het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.quot; Wanneer het dan waar is, dat Jozef en Maria niet slechts voor eenige dagen te Bethlehem waren gekomen (want Lukas verhaalt ons ook, dat zij 40 dagen na Jezus\' geboorte daar nog waren), dan begrijpen wij ook, dat zij niet eerst een onderkomen in de herberg hebben gezocht. In het Oosten kent men geene herbergen, waar iemand voor geruimen tijd tegen goede betaling zijn intrek kan nemen. De karavansera\'s zijn voor het meerendeel overwelfde ruimten, hoofdzakelijk gelegen aan druk begane wegen in de steden of in eenzame streken. Doortrekkende reizigers kunnen er voor één of twee nachten een onderkomen vinden en eenige ververschingen bekomen. Voor een langer verblijf waren zij echter niet ingericht. De reiziger is blijde, wanneer hij den nacht niet onder den blooten hemel, maar met zijne lastdieren in de karavansera kan doorbrengen om den volgenden morgen vroeg zijn weg te vervolgen. De

9

ocr page 26

JOZEFS AANKOMST IN BETHLEHEM.

inwoners des lands geven echter de voorkeur aan eene gastvrije woning, waar him een onderkomen wordt aangeboden, gelijk ook Jezus later zelfs in Samaria meermalen deed. Bij de overal bekende en te recht geroemde Opstersche gastvrijheid was en is het ook nu nog niet moeielijk, in Bethlehem huisvesting te vinden. Zelfs wanneer Jozef er geen bekenden had gehad, zou hij ongetwijfeld door den een of ander zijn opgenomen. Ten onrechte worden de bewoners van Bethlehem ten opzichte van Jozef van ongastvrijheid beschuldigd.

Is ondertusschen onze bewering, dat Jozef te Bethlehem thuis behoorde, juist, dan begaf hij zich natuurlijk tot zijne familiebetrekkingen. De oorspronkelijke tekst wederspreekt dit in \'t minst niet, want daarin is volstrekt geen sprake van een openbare herberg. liet woord Jcatalymaquot; dat wij vertaald vinden door herberg, gebruikt Lukas nog eens en wel om de zaal aan te duiden, waarin Jezus met Zijne jongeren het avondmaal hield, terwijl hij voor het woord herberg in do gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan een geheel ander woord gebruikt: pandocheion, hetwelk alleen het huis aanduidt, waar men inkeert of afstijgt. Het verband, waarin het voorkomt , alleen kan aanduiden of het een herberg of een gewoon huis is.

Hoe is dan echter de sage ontstaan, dat Christus in een stal geboren is? Waarschijnlijk, doordat ons verhaald wordt, dat Maria het kind in eene kribbe legde. Justinus de Martelaar (153 jaar na Christus\' geboorte) was de eerste, die verkondigde , dat Jezus in een stal en wel in een grot geboren was. Op zichzelf is dit niet onwaarschijnlijk, want de stallen, waarin de kudden des nachts verblijf hielden, waren grotten en worden ook nu nog niet alleen buiten de stad in grooten getale, maar zelfs in Bethlehem gevonden. Onder de meisjesschool alhier bevindt zich zulk eene grot, die vroeger voor stal diende

10

ocr page 27

JOZEFS AANKOMST IN BETHLEHEM.

en ook als werkplaats gebruikt werd. Het werd weldra voor zeker aangenomen, dat Jozef met Maria in eene grot had gewoond, want do Christenen van dien tijd waren volstrekt niet vrij van overdrijving en het strookte geheel met hun gevoelens om do armoede, waarin Jezus geboren werd, zoo groot mogelijk te maken. Het is in Palestina daarenboven in quot;t geheel niets ongewoons, dat menschen den nacht in een stal doorbrengen. En ware de algemeene opvatting waar, dat de herbergen alle gevuld waren, dan was zulk een warme stal een betere verblijfplaats voor Maria geweest, in den toestand, waarin zij zich bevond, dan de karavansera. die uit één groot vertrek bestond, waar de reizigers onophoudelijk uit-en ingingen. Ikzelf heb dikwijls in zulk eene grot overnacht. Ik reinigde de plek, waar ik mij wilde nederleggen, wikkelde mij in mijn reisdeken en sliep er gerust.

Op grond van deze sage werd in de 14de eeuw de schoone kerk Mariae de praesepio boven eene grot gebouwd. Nog heden beschouwen de pelgrims deze plek als de plaats, waar Jezus geboren werd, en begeven zich daarheen om te bidden. Vooral in Palestina moeten wij echter niet licht geloof slaan aan zulke overleveringen, want geen land is zoo rijk aan legenden als dit. Men ging zelfs zoo ver, dat men voor elke gebeurtenis, in de Heilige Schrift verhaald, eene plaats wist aan te wijzen, waar zij geschied zou zijn. Zoo toonde men het huis van den rijken man en den armen Lazarus; de schuren, die de rijke landman in de gelijkenis had willen bouwen; steenen, die den vorm van een bek hebben en bijna gesproken hadden, wanneer Jezus den kinderen verboden zou hebben. Hosanna te roepen. Maar hoewel dit uit lateren tijd dagteekent, werd deze neiging ook bij de eerste Christenen gevonden.

Wanneer men eenigen tijd in het Heilige Land vertoefd heeft, gaat men echter twijfelen aan alles wat niet bewezen

11

ocr page 28

JOZEFS AANKOMST IN BETHLEHEM.

is. Welk nut heeft het ook do juiste plekjes te weten! Laat ons liever een der heuvelen tegenover Bethlehem beklimmen en het oude Bethlehem Efrata, thans nog even schoon gelegen als voor eeuwen, in den spiegel van het verledene beschouwen en tot onszelven zeggen: op een dezer velden heeft Buth eens korenaren gelezen; daar strekte zich het eigendom uit van Isaï, een barer nakomelingen; op gindsche zonnige heuvelen boeit David zijne kudden geweid; daar, in een dier woningen is eenmaal de Hoor geboren. De heiligste plekken zijn voor het menscbelijk oog bedekt gebleven, er ligt oen sluier over uitgespreid, opdat zij niet zouden ontwijd worden door too-noelen, zooals die voorvallen in de kerken, gebouwd op de plaats, waar Jezus geboren en gestorven zou zijn, en die ons christelijk gevoel pijnlijk aandoen.

Misschien zijn er onder mijne lezers, die het mij ten kwade duiden, dat ik twijfel bij hen wek aangaande hetgeen zij roods in hunne kindsheid geloerd en lief gekregen hebben. Ik hoor hen reeds zeggen: hoe verklaart gij het dan, dat Jezus in oeno kribbe gelegd werd, wanneer Hij niet in een stal werd geboren? Om u dit duidelijk te maken, verzoek ik u mij te volgen in een oudorwotsch liuis te Bethlehem. Zulke huizen bestaan gewoonlijk alleen uit oeno benedenverdieping. Soms bobben zij nog oeno tweede verdieping. Elke verdieping bestaat uit oeno groote ruimte, door de geheole familie bewoond. Zoo heeft de leoraar van onze gemeenteschool in Beit-Djala, Djirius Aboe Deye oonige jaren geleden een huis gebouwd, dat ook slechts uit een groot vertrek bestaat. De kale wanden zijn zwart van don rook, want eene afzonderlijke keuken is oeno overbodige woelde, evenals vensters en oen schoorsteen. Wie hier oen penning verliest, moet ook bij dag oen licht ontstoken om hem te zooken. Deze ruimte wordt bewoond door Djirius mot vrouw en kind. Zijne jongere broeders, die later ook in het huwelijk

12

ocr page 29

JOZEFS AANKOMST IN BETHLEHEM.

treden, nomen met hun gezin in hetzelfde huis hnn intrek. Er is plaats voor meer gezinnen en als de ouders nog leefden zouden zij waarschijnlijk ook hij hunne kinderen inwonen. De Oosterling hecht niet zooveel waarde aan zijne woning als de bewoner dor Westersche landen. Do schoonste woning is in zijn oog fJods vrije natuur, waarhoven zich de hlauwo, wolken-loozo hemel welft. Bij voorkeur hrengt hij de dagen en nachten buiten in don hof, op het dak of op het open veld door, alleen in den regentijd is hem dit niet mogelijk. Hij hoschouwt zijne woning slechts als eeno toevlucht in koude nachten en op regenachtige dagen. Hot huis wordt echter niet alleen bewoond door monschon, ook do kameelen, paarden, ozols, schapen, geiten, kippen en duiven vindon er eeno schuilplaats.

Men begrijpt nu, dat er in zulk een huis geen afzonderlijk kamertje was voor een nieuwen wereldhurgor en zijne moedor, en dat wi j daar ongetwijfeld eeno houten kribbe vindon, waar wij tevergeefs zookon naar tafel, stoelen, sofa\'s, ledikanten en banken; slechts een eenvoudig tafeltje en eon grooto moolkist van leem zijn voorhanden. Zoo ziet hot er tot den dag van heden in eeno Avoning van eenvoudige landlieden uit, en daarmede stemt de Kerstgeschiedenis ook volkomen overeen. Al behoorde het huis niet aan Jozef, dan was het toch zoor natuurlijk, dat iiij bij zijne familieleden inwoonde. Ook daar stond eeno kribbe, natuurlijk niet voor een geheelo kudde, maar voor het vee, dat in huis was. Daar „er geone plaats was in de herberg,quot; daar er geone andere plok was om het kind neder le leggen, legde Maria hot in do kribbe. Deze was onder de eenvoudige meubelen tot dat doel hot meest geschikt. De lozer moet zich de wieg van oen kleinen wereldburger in Palestina niet voorstellen ais oen keurig bedje met zachte kussens en dokentjes. Zulk eon kind wordt stevig in doeken gewikkeld en\'ergens nedergelegd, dikwijls op den met matton

13

ocr page 30

\\

14 JOZEFS AANKOMST IN\' BETHLEHEM.

bedekten vloer naast do moeder; of. als de moeder uitgaat, neemt zij het mede in een zak, die op haar rug hangt en met een hand om het voorhoofd bevestigd is. Sommigen hebben eene wieg voor lam kind, maar er is weinig onderscheid tusschen eone kribbe en eene wieg. De wieg is ook van hout en beeft alleen nog een onderstel, zoodat ze kan schommelen; de kribbe kan ecliter even goed dienst doen, wanneer men ze voorziet van slroo, doeken en windsels. Hetzelfde lot als Jezus wedervoer, valt ook nu nog menig kind in Palestina ten deel, zonder dat het iemand invalt hierin iets bijzonders te zien. Er is niets in de Kerstgeschiedenis wat op eene bijzonder groote armoede wijst; wel blijkt er uit, dat Jezus Christus onder zeer eenvoudige omstandigheden geboren werd, zooals dat alles nog beden steeds bestaat bij de bevolking van het platteland. Jnisl daaruit blijkt, dat het verbaal der Evangelisten geheel der waarheid getrouw is.

WAS DE KERSTNACHT EEN WINTERNACHT ?

Vele lezers hebben waarschijnlijk reeds dikwerf diep medelijden gevoeld met het ouderpaar en het kind Jezus, dat zij in „den kouden winternachtquot; in Bethlehems stal vertoeven moesten. Doch men heeft geheel willekeurig den 25sten December als den geboortedag van Christus aangenomen. Welke datum zou dan wel de juiste zijn? vraagt wellicht menigeen.

We zullen deze vraag maar in \'t kort behandelen.

Velen meenen, dat de geboortedag van Christus een dag in den zomer moet geweest zijn, aangezien de herders des nachts

ocr page 31

WAS DE KERSTNACHT EEN WINTERNACHT ?

mol limine kudde in het veld waren. Doch deze omstandigheid kan niet tot voldoend bewijs dienen. De herders, die men nog heden ten dage in den omtrek van Bethlehem aan-treft en die er hunne schapen en geiten weiden, hebhon zeer veel overeenkomst mot de Bedoeïenen, die nimmer in huizen wonen. Zij houden hun verblijf\' in hot stoppongebied oostwaarts van Bethlehem . waar ook David eens zijne kudde weidde. Houten herdershutten, zooals men die in Europa aantreft, vindt men in Palestina niet. Doch zoowel in den zomer als in den winter drijven de herders hunne kudden des nachts in do rots-holen of spelonken, die men in den omtrek van Betlilehem in menigte aantreft. In den winter worden zij hiertoe door de koude genoodzaakt en in den zomer is dit een voilighéids-maatregel tegen roovers en verscheurende dieren, waarvoor men tusschen de rotsen beter beschermd is clan in hot open veld.

Hoort men echter van den winter in Palestina sproken, zoo donke men daarbij niet aan de barre getijden, zooals men die in het Westen heeft, noch aan sneeuw en ijs. Do winter in Palestina is van voel zachter aard. In Europa hooft men slechts zelden zulk eene schoone lento als de gewone winter hier. Ongerekend enkele storm- en regendagen, is do winter oven schoon als een zonnige lento in Midden-Europa. Do eerste viooltjes bobben wij hot vorige jaar op Kerstmis (25 December) geplukt. Don goheelon winter door werden do zonneschermen niet geborgen; toch zijn do nachten van November tot April veelal vinnig koud, zoodat do borders vooral in dezen tijd oen warm onderkomen dienen te zoeken. Eigen stallen bezitten zij echter niet; zij houden zich daarom in do spelonken op, waar zij het zich op hunne manier zoor aangenaam weten te maken.

Van de herders, die aldus hunne kudde weiden en des nachts in spelonken vertoeven, zegt hot volk thans ook nog.

15

ocr page 32

16 WAS DE KERSTNACHT EEN WINTERNACHT ?

in tegenstelling met hen, rlie in de stad wonen: „Zij brengen den nacht met hunne kudde op liet veld door.quot;

Het dal, waar zich de herders uit de Kerstgeschiedenis op-hielden, wordt heden ten dage nog aangewezenen draagt den naam van „Herdersveld.quot; Het is een dal of kleine vlakte aan de oostzijde van Bethlehem gelegen. Dit kan zeer goed de juiste plaats zijn, hoewel zulks niet bewezen kan worden. Nog heden ten dage houden de herders zich des winters hier gaarne op. Op een Decemberdag zag ik hier drie groote kudden geiten te gelijk. In dit dal is zelfs gedurende don winter het klimaat zacht. De vruchtboomen bloeien er nog eenige weken vroeger dan in Bethlehem. Do herders vertoeven hier echter zoowel in don zomer als in den winter en daarom valt uit de geschiedenis der herders niet op te maken, wanneer hot Kerstfeest eigenlijk moet gevierd worden.

De eenige aanduiding omtrent het jaargetijde, waarin Christus geboren zoude zijn, vindt men in het verhaal aangaande de Wijzen. Op de vraag van Herodes, wanneer do ster hun verschenen was, gaven zij zeker ten antwoord: Voor twee jaren. Nu ondernemen de Oosterlingen groote reizen alleen in den zomer.

Indien de Wijzen na twee jaren aankwamen, zoo zullen zij waarschijnlijk in het gunstige jaargetijde vertrokken zijn. Bij zulke zomerreizen geven de landbewoners, indien zij namelijk talrijk genoeg zijn, de voorkeur aan den nacht om te reizen, daar in de gloeiende hitte des dags mensch en dier Ie spoedig afgemat zijn.

Hebben zij des nacht s gereisd, wat zeer waarschijnlijk is, zoo hadden zij de ster steeds voor oogen, die hen naar Judea leidde. Ook hun laatste wandeling van Jeruzalem naar Bethlehem deden zij des nachts. Jozef maakte zich ook eenige dagen later, volgens bet geschiedverhaal, des nachts op om naar Egypte te

ocr page 33

WAS DE KERSTNACHT EEN WINTERNACHT? 17

reizen, wat ons eene aanwijzing geeft, dat het zomer was, aangezien zij met hun kind reisden.

Daar nu Hcrodes, volgens Mattheüs, „naarstiglijk onderzocht,quot; wanneer de Wijzen de ster zagen, en alle kinderen van twee jaar en daaronder dooden liet, zoo mogen wij aannemen, dat de ster ongeveer twee jaar vroeger aan de Wijzen verschenen is en Jezus dus twee jaar te voren in don zomer is geboren.

Thans gaan wij echter terug tot de geboorte en willen trachten de herders in dezen gewichtigen nacht een bezoek te brengen. Daar zien wij eene groote spelonk in de rotsen met eene wijde opening naar het Oosten; zij is zoo gekozen om beschut te zijn tegen den killen westenwind. In de ruimte tusschen de rotsen brandt en flikkert een groot vuur en bij der lichtgloed daarvan kunnen wij de kudden schapen en geiten, die vreedzaam nederliggen, goed onderscheiden. Door het groote aantal dezer dieren ontstaat een behagelijke warmte in het hol, waarvan de herders mede profiteeren; want ook de zomernachten zijn dikwerf koel. In den regel bevinden zich twee tot vier mannen of knapen bij de kudde. Een lage steenen muur, door henzelveu opgetrokken, scheidt hen van de kudde, opdat de schapen of geiten hen niet in den slaap zullen storen. Bij beurte slapen en waken er twee om de kudde tegen aanvallen van roovers of hyena\'s te kunnen beschermen; do wapenen voor den strijd liggen steeds gereed. Buiten op het veld is alles stil, de bergen rondom Bethlehem op de vlakte van Judea schijnen te slapen en te droomen, terwijl de stille sterrenpracht van den Oosterschen hemel het eenzame veld bestraalt, fonkelende als van zooveel duizenden diamanten. Daar verschijnt plotseling een zeldzame, heldere lichtglans voor de opening, van de grot; \'t is alsof de heuvels en het veld door het holste licht dos dags beschenen worden; hemelboden treden binnen en brengen den herders de blijde

2

ocr page 34

18 WAS DE KERSTNACHT EEN WINTERNACHT ?

boodschap van Christus\' geboorte. Daarop klinkt hot schoone jubelgezang over het veld, schooner dan ooit op aarde vernomen is, de tonen dringen door tot Bethlehem en sterven weg in de hoogte. Nog ruischt het schoone lied in de ooren dor herders, als hoorden zij hemelsche harptonen, hoewel het jubelgezang reeds geëindigd en alles weder in duister gehuld is; doch nu ijlen zij naar Bethlehem, dat ongeveer een uur van hen verwijderd is.

BETHLEHEM.

Als eene roos onder de doornen lig! Bethlehem in een krans van rotsachtige bergtoppen, ja, als een koningskind, rondom door reuzen bewaakt. Hier bracht Jezus de twee eersto jaren van den morgen Zijner kindsheid door. Van welken kant de moede reiziger ook komen moge, steeds wenkt en lacht Bethlehem hem vriendelijk toe; \'t is alsof hij na eene lange reis zijn vaderland terugziet, zoozeer trekt deze stad een ieder aan. Met uitzondering van de zachtglooiende noordzijde vindt men rondom de stad diepe dalen.

Vrij en vriendelijk ziet Bethlehem over hot land des Bijbels naar zoovele plaatsen, waar Christus, de geheel eenige onder al hare bewoners, eens den voet zette. Menigeen, die het Heilige Land bezocht, nam de aangename herinnering aan het heerlijk uitzicht, dat hem van het dak der woning van den leeraar der evangelische gemeente te Bethlehem vergund was, mede. Van bier uit heeft men in alle richtingen een schoon vergezicht; naar het Noorden, Westen en Zuiden wordt de blik wel is waar door bergen gestuit, doch ook dit beperkte

ocr page 35

BETHLEHEM.

uitzicht is niet te versmaden. Jeruzalem is westwaarts van Bethlehem gelegen; de berg van Mar Eli as onttrekt liet echter bijna geheel aan het oog, zoodat slechts het Syrische weeshuis in het verre Westen en de toren op den Olijfberg in het uiterste Oosten der stad van hier zichtbaar zijn. Schoon is vooral hel op een half uur afstands gelegen dorp Beit-Djala, dat door een woud van 80\'—100,000 olijfboomen omgeven is, waarboven zich liet dak der evangelische kapel verheft.

Plicht men echter het oog naar het Oosten, dan belemmert niets den blik naar lust te weiden van berg tot berg, van land tot land, over rivier en meer, ja, over eene geheele wereld! Treft men juist een helderen dag, dan is de verlichting der gansche landstreek zoo betooverend schoon, dat dit zich niet in woorden laat wedergeven. Nabij de stad ontwaart gij in de schaduw der olijfboomen en begrensd door de woestijn van Jndea het „Herdersveld.quot; Het ligt daar in de vlakte te midden van groene korenvelden en door rotsen omsloten. Voorts ontwaart ge de woestijn van Judea met talrijke heuvels, dalen en kloven. Als verstrooide lammerenkudden verheffen de heuvels hunne grauwe, roode en violetkleurige toppen. Hier en daar ziet men de patriarchale woningen der Bedoeïenen, de „zwarte tenten van Kedar.quot; Bijzonder trekt bovendien de prachtige Frankenberg de aandacht, die in hoogte alle hem omringende bergtoppen ver overtreft. Herodes heeft, volgens het geschiedverhaal, dezen bergtop door duizenden arbeiders zoo laten ophoogen en is, volgens de overlevering, daarop begraven. Rechts van dezen berg ligt Thekoa, de geboortestad van den profeet Amos.

Vervolgens ziet men in de verte, aan gene zijde der Doode Zee, het gebergte van Moab schemeren, als met een waas, nu eens blauw dan weer rood of paars, overtogen. Waar men liet oog wendt, overal treft ons de schoonheid der natuur.

19

ocr page 36

BETHLEHEM.

\'t is alsof de zon met haar heldere stralen de verschillende kleuren van don regenboog met kwistige hand over het landschap tusschen Bethlehem en het drie dagreizen ver gelegen gebergte van Moab, heeft uitgegoten. Doch thans keeren wij tot Bethlehem terug. Do schoone landouwen en akkers, die Bethlehem omgeven, verhoogen niet weinig do heerlijke ligging dezer stad.

Tot voor korten tijd lag dit land nog geheel woest en verlaten. Hot scheen, alsof in deze wildernis allo arbeid vruchteloos zou zijn. Slechts de puinhoopen der terrassen aan don voet dor bergen, sporen van voormalige Israëliotische vlijt, schijnen de voorbijgangers er aan te willen herinnoron, hoe schoon on vruchtbaar deze landstreek eens was en hoe schoon zij door vlijtige bearbeiding weder worden kan.

Sedert eenige jaren hebben zich echter do Bothlehemieten, in navolging van don Duitschen zendeling Muller, weer met ijver op den landbouw toegelegd, \'tis of hier thans de vroegere welvaart terug zal koeren; indien de Turk nu het goede maar niet weer vertreedt. Een schoone krans van tuinen, olijvenhoven, wijngaarden en vijgontuinen omringt thans de stad, terwijl do welige korenvelden, op eenigon afstand in de dalen, aan de geschiedenis van Ruth, de Moabietische, herinnoren, die van hier uit dagelijks de borgen van haar geboorteland aanschouwen kon. \'t Is oen waar genot in de lente eene wandeling door de omstreken van Bethlehem te doen. Alles ontluikt, zelfs de ver verwijderde woestijn neemt eene groene tint aan. Hoe genotvol is in Maart eene wandeling langs het voetpad, onder hetwelk het water door Salomo\'s waterleiding, voorbij het in do laagte groenende dal van Artas Etam naar den vijver van Salomo vliet. Over duizenden bloemen schrijdt men voort: purperkleurige anemonen in vlam-menden gloed, „schooner dan Salomo in al zijne heerlijkheid

20

ocr page 37

BETHLEHEM.

wedijveren met de in het groene boseh lachende Adonisroosjes, ontelbare viooltjes steken hun witte en violetkleurige kopjes van tusschen de ruwe rotsen op, terwijl de donkere olijf-boomen. met zilver gekroond, door een zoel windje bewogen, eon liefelijk geruisch doen hooren.

Dit is do natuur, zooals die hier sinds duizenden jaren haar oorspronkelijk karakter bewaarde. Op deze zelfde wegen wandelde eens, eveiizeer bekoord, David als herdersknaap. In dit zelfde gebergte bracht Christus niet Zijne ouders Zijne eerste levensjaren door. En deze onveranderde trekken der natuur voeren ons veel lichter in hot verleden terug, dan allo reliquiëen en kerken, die men ons in hot tegenwoordige Bethlehem heeft te toonen.

Doch thans zullen wij do stad eens bezien. Hoe vriendelijk en vredig liggen die huizen in hun Oostorsch gewaad voor ons. Het oude Bethlehem-Efrata zal er denkelijk niet veel anders uitgezien hebben. Waarschijnlijk was het kleiner en meer dorps-gewijs gebouwd. Men vindt er niet zooals te Jeruzalem hoogo koepels van moskeeën, die zich boven de andere huizen ver-hotfon, noch glinstert de Halve Maan boven do stad Davids; daarentegen ziet men reeds uit de verte verschillende torens van christelijke kerken. Van de 7000 inwoners behooren slechts enkele honderden tot de Mohammedanen. Evenals in alle steden in het Oosten zijn de straten in Bethlehem zeer onzindelijk.

De belangrijkste plaats in Bethlehem is de Geboortekerk; zij staat aan het uiterste oosteinde dor stad in de nabijheid van hot „Hordersveld.quot; Het is een groot, ouderwetsch, uit verschillende gebouwen, kerken en kloosters bestaand geheel. Do eigenlijke Geboortekerk kan men horkennon aan het kruisvormige leiendak; waarschijnlijk is hot do oudste Christenkerk op aarde, zoowel door Mohammedanen als Christenen heilig beschouwd.

21

ocr page 38

BETHLEHEM.

Vooral het Kerstfeest is voor Bethlehem van groote beteekenis. Tallooze scharen van pelgrims spoeden zich dan naar deze stad om er den geboortedag van Christus te vieren. Wie echter zich niet aan vele onvoegzame en nare ceremoniën wil ergeren, doet het verstandigst in dezen nacht de propvolle ruimten der Geboortekerk te vermijden. Wij klimmen daarom ook liever op ons dak en beschouwen vandaar het stille tooneel van deze heugelijke gebeurtenis. Daarbeneden bij de kribbe in de kerk zingt en bidt en dringt de menigte, overigens zwijgt alles. Op het dak staat, juist boven de krib, een kruis, waaraan roode lichten schitteren, om tevens te herinneren aan Golgotha en opwaarts te wijzen naar de woningen des lichts.

De bergen, waarover eens liet gezang der engelen weerklonk, verheffen zich in het donker. Op eenige mijlen afstands, in de woestijn van Judea, ziet men het schemerlicht van de vuren in de haren tenten der Bedoeïenen. De gansche omgeving spreekt tot ons van lang vervlogen tijden.

Hier is het dal, waar eens de heerlijkheid des Heeren de herders omscheen; ginds de Nebo, de koning van het Moabieten-gebergte, zichtbaar in den maneschijn; hij herinnert ons aan Mozes, den knecht Gods, die van daar als met arendsblikhet „goede landquot; overzag, dat hij zoo gaarne betreden had. Als hij toen reeds had. kunnen vermoeden, wie in het gebergte, dat hij voor zich zag, geboren zou worden, hoe zoude hij zich verheugd hebben. Voorts het gebergte, waarop eens Bileam, terwijl hij zijn oog naar Bethlehem richtte, van de ster, die uit Jakob zou opgaan, profeteerde en wenscbte te leven, als God zulks doen zou, en \'tis ons, alsof wij over datzelfde gebergte eene schare van vreemdelingen zien voorttrekken, die „zijne sterquot; gezien hebben in het Oosten en Hem komen aanbidden.

Zoo wordt Bethlehem met zijne bergen tot een prediker „op

ocr page 39

BETHLEHEM.

een hoogen bergquot; om van de verschijning der eeuwige liefde Gods op aarde te getuigen.

Doch, hoe staat het met de inwoners van Bethlehem? Kunnen zij ons ook iets verhalen van die lang vervlogen dagen ? De parelmoer- en olijvenhoutindustrie is niet juist geschikt om ons een denkbeeld te geven van den vroegeren toestand der bewoners. Ts echter de stroom van pelgrims, die van December tot Mei naar Bethlehem trekken, voorbij, dan wordt deze winstgevende arbeid gestaakt en leiden vele dezer nijveren hetzelfde landelijk leven als de Bethlehemieten van voor twee, drie duizend jaren. In Juli en Augustus trekken zij uit naar hunne vijgeboomen, want Bethlehem is in het gansche land bekend wegens de vijgencultuur. Dan worden de huizen verlaten en buiten op de wijnbergen en in de boomgaarden worden woningen opgeslagen. Hier houdt het vroolijke landvolk in de ronde torens of in tenten, of eenvoudig onder het geboomte verblijf en, wanneer men bij ons, in Europa, in de maand October naar de kachel begint te verlangen, huist heel Bethlehem nog in zijn zomerverblijven.

Overal ontmoet men vroolijke menschon; nu eens zitten zij onder een vijgeboom, dan weder in een hutje in den wijngaard of „een nachthutje in den komkommerhof\' (Jes. 1:8), wandelen van boom tot boom en eten vruchten. Knapen en meisjes laten uit de takken der boomen den vroolijken oogstkreet: „lololé lololéquot; hooren, waarbij zij den Zwitsers in het jubelen niets toegeven. Hoe dikwerf heb ik door deze tuinen gewandeld; ontmoette ik een bekende, zoo mocht ik nooit verder gaan, maar moest plaats nemen op het tapijt, dat in allerijl onder een vijg werd uitgerold. Dan moesten de 10 of 12 druiven-en vijgensoorten geproefd en ten slotte een kop geurige Arabische koffie gedronken worden. Nooit zag ik de Bethlehemieten zoo beminnenswaardig als hier, waar zij vrij van win-

23

ocr page 40

BETHLEHEM.

24

zucht, dezelfde gastvrijheid oefenen als hunne vaderen voor eeuwen in Bethlehem-Efrata.

Waarschijnlijk heeft Jozef ook landerijen in den omtrek van Bethlehem bezeten. Wie echter niet zoo gelukkig is , sluit zich hij andere familiën aan. Zoo is hij ook zeker met Maria gedurende de twee eerste levensjaren van het kind Jezus, telkens naar het zomerverblijf getrokken. Daar lag dan de jeugdige Jezus menigen nacht onder den blooten hemel. Hij, die arm geworden was om velen rijk te maken, die later zoo menigen nacht aldus in de eenzaamheid doorbracht, in de gemeenschap met Zijnen Vader.

DE LAATSTE GEBEURTENISSEN IN BETHLEHEM.

Gedurende twee jaren leefde Jozef met do zijnen ongestoord te Bethlehem. Hetgeen de herders in den nacht van Jezus\' geboorte verkondigd hadden, had bij allen wel groote verwondering verwekt, maar het geraakte spoedig in vergetelheid, daar het kind in dezelfde eenvoudige omstandigheden en evenals allo andere kinderen opgroeide; men gewende zich aan het knaapje, evenals wij aan alles wat ons eerst buitengewoon toeschijnt, maar dat later niets bijzonders meer voor ons heeft. Twee jaren daarna gebeurde er echter iets, dat het verhaal der herders weder in herinnering bracht; liet was de komst der Oostersche Wijzen. Dezen vermoedden niet, dat zij door hun komst een einde zouden maken aan het ongestoorde leven van Jozef en zijn gezin. Zij hadden in hun vaderland, waar-

ocr page 41

DE LAATSTE GEBEURTENISSEN IN BETHLEHEM. 25

schijnlijk Mesopotamië, zijne ster gezien on dan ruit opgemaakt, dat do beloofde Koning der Joden geboren was. Dat was reeds twee jaar geleden, maar de ster bleef aan den hemel staan en drong hen, haar tot in het Joodsche land te volgen; de ster kon hun echter niet zeggen, waar zij het Kindje zoeken moesten. Zij begaven zich naar Jeruzalem, waar zij uit het boek van den profeet Micha vernamen, dat zij hunnoschreden naar Bethlehem moesten richten.

Zoo zien wij hen op zekeren avond op weg van Jeruzalem daar Bethlehem: de zon is reeds ondergegaan en de schemering ingevallen, maar zij willen nog heden het doel hunner reis bereiken; de sterren aan den hemel vermenigvuldigen zich, en zie! daar straalt ook weder hunne ster en blijft boven Bethlehem staan. Deze ster heeft reeds menigeen veel hoofdbrekens gekost, vooral hun, die niet, aan Mattheüs\' Woorden willen twijfelen en het zich toch niet duidelijk kunnen voorstellen. Bethlehem is slechts twee uren van Jeruzalem verwijderd; hoe is het dan mogelijk, dat eene ster. die zulk een onmetelijke baan aflegt, op zulk een kleinen afstand voor hen uitgaat? Moest de afstand hun niet altijd even groot toeschijnen, .hetzij zij twee uur of slechts een half uur van Bethlehem verwijderd waren? Hoe kon de ster hoven een bepaald huis blijven staan? Dat is iets, wat men niet kan aannemen.

Sommigen meenen, dat het niet bepaald eene ster, maar een groot licht was , dat, niet hoog boven de aarde zwevende, voor de Wijzen uitging en eenige overeenkomst had met de vuurkolom, die des nachts in de woestijn den Israëlieten voorging. Beizigers verhalen zelfs, dat zij in den omtrek van Beth-lehem zulk een licht bemerkt hebben, dat nu eens zichtbaar, dan weer onzichtbaar voor hen uitging, en de bewoners dier streek beweren, dat dit geen zeldzaam verschijnsel is. Dit laatste is echter verdichtsel en Mattheüs zegt ons ook uitdruk-

ocr page 42

UE LAATSTE UEBEL\'KTENISSEN 1.\\ BETHLEHEM.

kclijk, dat het dezelfde ster was, die de Wijzen twee jaren te voren reeds in het Oosten hadden gezien. Wanneer het slechts een gewone ster is geweest, dan zou de Evangelist niet verhalen, dat /.ij den Wijzen voorging. Deze Galileërs toch, die zoovele nachten op het meer Genezareth doorbrachten, waren te wel met den sterrenhemel bekend om ons zulke onmogelijkheden te berichten. Het is slechts de vraag: wat was de bedoeling van den Evangelist Mattheüs? Wie bij nacht de reis van Jeruzalem naar Bethlehem heeft ondernomen, behoeft daarop het antwoord niet schuldig te blijven. Wanneer de hemel dan helder is, schijnt het ons meermalen toe, dat in het Zuiden eene vimrlichtende ster boven Bethlehem staat, als een hemelsche fakkel in het nachtelijk duister. Men ziet het niet, voordat men Bethlehem nadert, want men moet eerst verscheidene kleine heuvels achter zich hebben. Bij \'t verlaten van Jeruzalem is het, alsof die zuidelijke sterren boven den eersten heuvel staan; heeft men dezen heuvel beklommen, dan staat de ster voor het oog van den reiziger plotseling boven een volgenden heuvel, dichter bij Bethlehem. Eindelijk kan men de stad zelve, maar ook niet verder zien., want Bethlehem, dat op eene hoogte is gelegen, bedekt de daarachter gelegen bergen geheel voor het oog; de sterren werpen nu haar schijnsel juist op Bethlehem. Wij kunnen dus met hetzelfde recht zeggen, dat de sterren ons voorgaan, als wij zeggen, dat de zon van het Oosten naar het Westen gaat. Zoo ging het ook met de Wijzen en zij wisten, welk doel zij voor oogen hadden. Mattheüs zegt uitdrukkelijk, dat niet de ster, maar hot profetisch woord den Wijzen den weg naar Bethlehem wees. Onderweg zien zij do hun welbekende ster opnieuw en, juist boven Bethlehem, waarvan zij de lichten reeds zagen, schittert zij , die hun reeds twee jaren lang heeft toegeroepen zich op te maken, en op wier roepstem zij zich

ocr page 43

27

op wog hadden begeven! Hadden zij de ster gedurende hunne reis des nachts aanschouwd, nu begroetten zij haar niet dubbele vreugde, want nu straalde zij boven de plek, waar het Koningskind zich moest bevinden! Wie zou het hun ten kwade duiden, als zij daarin een bewijs zagen, dat hunnewenschen vervuld zouden worden. In hoeveel /.ij ook dwaalden, daarin hadden zij toch gelijk, dat de Heer in Zijne goedheid tot de menschen spreekt op die wijze, waarop zij Hem het best kunnen verstaan. Den herders wordt de blijde boodschap bekend gemaakt bij hunne schapen, den visschers bij hunne netten, de grijze Hanna in den tempel, waar zij zich zoo geheel thuis gevoelt, de Samaritaansche vrouw, die water komt putten, bij de bron. Tot de Schriftgeleerden spreekt de Heer in de taal der Schrift, tot de sterrekundigen in de wonderbare taal des hemels, welke zij zich ten taak stellen te ontcijferen.

De ster kon hun nu evenmin het huis aanwijzen, als te voren de stad of het dorp. Zij moesten bij de inwoners inlichtingen vragen; maar juist dit riep dezen weder te binnen, wat er voor twee jaren geschied was. Het viel den Wijzen daarom niet moeielijk. Jozefs huis te vinden.

Nog slechts gedurende korten tijd mocht Bethlehem den hoogen, niet naar zijne waardigheid erkenden gast herbergen; want na eenige dagen waren de Wijzen ongemerkt naar het Oosten en Jozef met zijn gezin naar het Westen vertrokken, terwijl Herodes in Jeruzalem het vreeselijke plan tegen het niets kwaads vermoedende Bethlehem beraamde. Deze had met weinig moeite kunnen te weten komen, welk huis de Wijzen waren binnengetreden; doch zijn argwaan was opgewekt en hij wilde niet alleen het kind uit den weg ruimen, maar ook de inwoners van Bethlehem straffen, omdat zij hot twee jaar voor hem verborgen hadden gehouden. Hot waren evenwel niet meer dan tien of twintig kinderen, die de tiran liet ombrengen.

ocr page 44

DE LAATSTE GEBEURTENISSEN IN BETHLEHEM.

Intusschen trok Jo/ef naar Egypte. Ook heden nog- begeven zich de inwoners van Bethlehem, wanneer zij voor de regeering of wegens bloedwraak moeten vluchten, óf naar het Oosten en wel naar Moab, zooals vroeger Davids ouders, öf naar het Westen, naar Egypte, zooals eenmaal de aartsvaders en Jerobeam.

Evenals destijds Jozef, begaven zich ook. eenige jaren geleden, de inwoners van Beit-Djala in zekeren nacht op weg om in Egypte de regeering te ontvluchten. De vlucht van Jozef naar dat land heeft dus ook niets bevreemdends voor iemand, die met het leven der inwoners van Bethlehem bekend is; uit alles blijkt ons de waarheid van de verhalen der Heilige Schrift.

Na den dood van Herodes wilde Jozef naar zijne woonplaats terugkeeren, doch de voorzichtigheid deed hem zijne schreden richten naar Nazareth. Dit herinnert Mattheüs aan de woorden uit de Heilige Schrift: „Uit Egypte heb Ik Mijnen zoon geroepen.quot;

Op één punt schijnen Mattheüs en Lukas elkaar tegen te spreken, dat moeten wij erkennen. Lukas verhaalt ons na de, voorstelling in den tempel: .En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galilea tot hunne stad Nazareth.quot; Volgens Mattheüs echter bleven zij in Bethlehem. Wij moeten dus tusschen die twee berichten kiezen. Om twee redenen geef ik de voorkeur aan het verhaal van Mattheüs. Zooals hij ons alles mededeelt, worden verscheidene moeilijkheden als vanzelf opgelost. Zelfs het bericht van Lukas, dat bij de volkstelling ieder naar zijne eigene stad ging, wordt ons daardoor duidelijk.

Ten tweede draagt het Evangelie van Mattheüs een meer onmiddellijk apostolisch karakter. De schrijver heeft persoonlijk omgegaan met Jezus\' moeder en broeders. Lukas echter heeft. gelijk hijzelf zegt, opgeschreven wat bij gehoord heeft. Van verdere gebeurtenissen in Bethlehem, die op het leven van

28

ocr page 45

ÜE LAATSTE GEBEURTENISSEN IN BETHLEHEM. 29

Jezus geen invloed hadden, vernam hij niets, en daarom nam hij aan, dat Jozef, die eerst twee jaren later zich voor goed te Nazareth vestigde, reeds vroeger daar gewoond had.

In Nazareth en Galilea wist men niets van Jezus\' vroegste jeugd. Toen Hij op 30-jarigon leeftijd openlijk optrad, was men ook in Galilea alles daarvan vergeten, en Jezus wilde nimmer iets uiterlijks laten gelden als bewijs van Zijne goddelijke zending. Zijne jongeren en Zijn volk moesten uit Zijne woorden en daden, uit geheel Zijn karakter opmaken, wie Hij was.

Te Bethlehem waren hoogstens 40 of 50 personen, die zich nog iets konden herinneren van het Kind, dat slechts zoo korten tijd in hun midden had geleefd. Immers 30 jaar is een lange tijd. Een geheel geslacht was ten grave gedaald. De wereld was veranderd en verlangde naar andere dingen. En die nu woordvoerders waren, waren destijds nog kinderen.

ocr page 46

JEZUS IN NAZARETH.

HET HUIS TE NAZARETH.

Wanneer God rle groote dingen voorbereidt, die strekken moeten om een oude, verlorene wereld eene andere gedaante te geven, gaat dit niet gepaard met geweldige schokken of groot vertoon. Zijne wegen loopen niet over Rome of Athene; neen, do Heere werkt b. v. in den kleinen kring eener eenvoudige familie in Ha ran, Hij verkiest de eenzame bergen in do woestijn van Sinaï, het kleine Bethlehem of hot verachte Nazareth. Evenals de bloem verscholen in hare windselen groeit, voor zij al hare schoonheid ontplooit en haren kelk naar het zonlicht keert, zoo groeide Jezus in het kleine stadje Nazareth als eene bloem Gods in de grootste verborgenheid en stilte op, terwijl overal elders in Palestina de uiterste ontevredenheid aan den dag werd gelegd en geklaagd over het dwangjuk, dat de Romeinen de bevolking oplegden.

Te recht heeft men opgehouden geloof te hechten aan de verhalen, waarin ons uit Jezus\'jeugd groote wonderen worden medegedeeld; zij zijn slechts de voortbrengselen eener bedriege-lijke verbeelding. Wanneer wij het echter zoowel ons recht als onzen plicht rekenen het leven des Heeren naar alle zijden na te vorschen, dan mogen wij ook wel beproeven ons eene voorstelling Ie maken van het leven, dat Jezus in Nazareth geleid heeft, niet door onze verbeelding den vrijen loop te

ocr page 47

HET HUIS TE NAZARETH.

laten, maar door na te gaan hoe de zeden en gewoonten van zijn vaderland nog zijn; want daarin is weinig verandering gekomen. Misschien kan dit eenig licht werpen op dit belangrijke gedeelte van Jezus\' leven.

Reeds dikwijls is beschreven, hoe liefelijk Nazareth met zijne witte huizen gelegen is op oen zachtglooionde hoogte, vanwaar men een hlik kan slaan in een uitgestrekt dal, omringd door heuvelen, die begroeid zijn met olijf- en vijgeboomen. Jezus zag Zich in Zijne jeugd omgeven van bergen en heuvels, die tot Hem spraken van hetgeen daar, volgons de Heilige Schriften, voor eeuwen was geschied. In het Oosten verhief zich de Tabor, een der schoonste bergen der gansche aarde; in hot Zuidoosten de sombere gebergten van Gilboa, waar koning Saul viel in don strijd tegen de Filistijnen; aan hunnen voet lag do groote vlakte met Sunem en Jizreël en ver in het Westen herinnerde do Karmel, in nevel gehuld, aan Elia, wiens naam men later zoo dikwijls van \'s Hoeren lippen hoorde.

In dit stadje, dat tegenwoordig Nasira heet, heeft Jezus Zijne jeugd doorgebracht. Zijne naaste omgeving was Zijne eigene familie. Zijn te huis. Tot Zijn twaalfde jaar mocht Jezus beide ouders bezitten, spoedig daarna schijnt Jozef gestorven te zijn, men verneemt ten minste niets moer van hem. Volgens de gewoonte van dien tijd — on dat is nu nog zoo — werd Jezus toen het hoofd van bot gezin en moest Hij het onderhouden. Hij moest in het vervolg voor het gezin en hoofdzakelijk voor Zijne moeder zorgen, en nooit zal oen zoon zijne moedor met meer liefde omringd hebben: immers Hij vervulde Zijn kinderlijken plicht tot in den dood. Toen Hij in hevigen doodsstrijd aan hot kruis hing, herinnerde Hij Zich nog, dat Hij als oudste zoon voor Zijne moeder moest zorgen en vertrouwde haar aan Zijn meest geliefdon discipel Johannes toe, opdat deze haar tot zoon zou zijn.

ocr page 48

HET HUIS TE NAZARETH.

Jezus kon tijdens Zijn verblijf te Nazareth nog niet zeggen: „Des menschen Zoon hoei\'t niets, waarop Hij het hoofd kan nederleggen.quot; Toen had Hij een huis en moest Hij daarvoor zorg dragen. Weinig is ons bekend van Zijn gedrag in den kring der Zijnen. Maar wanneer wij lezen, hoe Hij bij Zijne vrienden te Bethanië aller harten won, zou het verlangen bij ons opkomen ook eens een blik te hebben mogen werpen in Zijn tehuis te Nazareth. De Evangelisten bepalen zich echter tot de latere werkzaamheden van den Heer. Van alles wat tusschen Zijne geboorte en Zijn openbaar optreden geschiedde, eene tijdruimte van bijna 30 jaar, wordt door hen nagenoeg niets vermeld.

Hoe zal het huis van\' Jezus wel ingericht zijn geweest? Het was ongetwijfeld een huisje als van de tegenwoordige handwerkslieden, dat n.1. uit één vertrek bestond, zooals wij reeds bij de Kerstgeschiedenis aangemerkt hebben.

Het licht, dat des avonds ontstoken werd, als allen bijeen waren, bescheen, als het niet onder een korenmaat werd gezet, „allen die in huis waren.quot; In zulke huizen ziet men nog tegenwoordig een eenvoudigen kandelaar, die een meter hoog is, of een steen, die uit den muur vooruitspringt; hierop wordt do aarden lamp met olijfolie geplaatst, welke een flauw licht in de donkere ruimte verspreidt. Evenmin als bij de tegenwoordige bevolking waren er in het huis van Jezus vele meubelen te vinden; wie een penning verloren had, behoefde niet onder kasten, tafels en stoelen te gaan zoeken, hij had slechts den vloer te vegen, die öf met steenen geplaveid was, óf slechts uit den naakten bodem bestond; in elk geval moest men echter de lamp aansteken, want evenals nu ontbraken ook toen de vensters.

In den zomer en bij schoon weder bevindt het gezin zich in de vrije natuur; op het dak, in den tuin, of onder de vijge-

32

ocr page 49

HET HUIS TE NAZARETH. 3B

en olijfboomen. Wellicht was de vloer in huis bedekt met matten of eenvoudige tapijten, terwijl eeilige kussens voor sofa dienden; bedden waren er onbekend, des avonds wikkelde ieder zich in zijne deken en bedekte zich, als het noodig was, nog met zijn mantel. Des morgens vroeg, voor zonsopgang-stond Mirjam — zoo heeft Jezus Zijne moeder zeker genoemd — op en maalde tarwe om brood te bakken, want dit moest eiken dag versch zijn. Toen later Jezus\' zusters grooter werden, zullen dezen die bezigheid zeker verricht hebben; men doet bet bij voorkeur met zijn tweeën. Daarop doelt de Heer, als Hij ergens zegt; „Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de eene zal aangenomen en de andere zal verlaten worden.quot; Daar ook nog heden de mannen gaarne deelnemen aan het koken en braden, zal Jezus Zijne moeder zeker daarbij geholpen hebben, zelfs toen Hij den mannelijken leeftijd had bereikt. Het was zeker in de lijdensweek niet de eerste maal, dat Hij anderen de voeten wiesch, en Johannes verhaalt onszelfs, dat de Heer na Zijne opstanding, aan het meer Genezareth een maaltijd voor Zijne jongeren bereid had op een kolenvuur.

Zijne zusters zijn naar Oostersch gebruik ongetwijfeld vroeg in het huwelijk getreden en er had dus meermalen eene bruiloft plaats. Hij, als hoofd van het gezin, nam dan gewis daaraan deel, en het blijkt wel, dat Hij van ganscher harte in d? feestvreugde deelde, daar Hij later zoo dikwijls van eene bruiloft sprak als een zinnebeeld van hemelsche dingen. Daarom vergelijkt Hij Zijn roepen en dringen tot het Godsrijk zoo gaarne bij de noodiging der gasten tot de bruiloft. Door het huwelijk der zusters gevoelde het gezin, dat vroeger eigenlijk vreemd was in Nazareth, er zich steeds meer thuis.

[n den kring Zijner broeders en zusters leerde Jezus Zijn karakter vormen, te rechter tijd Zich rechtvaardig, standvastig, toegevend of vergevensgezind betoenen. Vooral Zijne broeders

3

ocr page 50

HET HUIS TE NAZARETH.

schenen, volgens het verhaal der Evangelisten, niet geneigd te zijn, Zijne voortreffelijke hoedanigheden te erkennen. Met de woorden: „Een profeet is niet geëerd in zijn vaderland en onder zijne magen,quot; drukte de Heer waarschijnlijk de ervaring nit, door hem in Zijne eigen woning opgedaan.

DE TIMMERMAN.

Op onze schilderijen en teekeningen, die Jezus in Zijne jeugd voorstellen, zien wij Hem gewoonlijk met eene schaaf of zaag in de hand aan eene schaafbank staan, om Zijn pleegvader bij het handwerk te helpen, terwijl Mirjam zich in de werkplaats op den achtergrond vertoont.

Vroeger hebben wij reeds opgemerkt, dat teldoon eigenlijk bouwheer en niet timmerman beteekent. Met al de huizen, waarvan Christus in de gelijkenissen spreekt, worden steenen gebouwen bedoeld. In het gebergte worden bovendien alleen steenen huizen gebouwd.

Evenals vroeger zijn ook nog heden ten dage de bouwlieden van Bethlehem zeer geheim met hunne kunst en leert de vader slechts zijn eigen zoon de geheimen van zijn vak. Zoo heeft gewis ook Jozef Jezus ingewijd in de bouwkunst. Hij heeft Hem geleerd, hoe do verschillende steenen het best saam te voegen, hoe een gewelf of steenen dak te maken, kortom, al wat tot dit vak behoorde, zoodat, toen Jozef gestorven was, Jezus zelfstandig het werk kon voortzetten.

Mattheüs VI ; 3 bewijst ons niet slechts, dat Jozef vroeg gestorven is, maar ook dat Jezus het bedrijf Zijns aardschen

ocr page 51

DE TIMMERMAN. 35

vaders uitoefende, aangezien hier gesproken wordt van den timmerman (bouwmeester), den zoon van Maria. Hier is niet meer sprake van den zoon des timmermans, maar blijkt duidelijk, dat Jezus bet bouwvak zelf beoefende. Hij hoeft Zich echter waarschijnlijk niet uitsluitend met bouwen beziggehouden, en wel, omdat dit beroep slechts een gedeelte van hot jaar kan uitgeoefend worden, on do meeste bouwlieden bijv. in Bethlehem nog heden ten dage aan don landbouw doen. Dit komt ons te waarschijnlijker voor, daar Christus in Zijne gelijkenissen zoo dikwijls beelden aan het leven van den landman ontleent. Ieder kiest immers gaarne zijne beelden uit die sferen, waarin hij hot best te huis is. En aan geen enkel bedrijf ontleende do Heer zoovele beelden als aan den landbouw en hot bouwvak. De landbouw kon natuurlijk do meeste en geschiktste stof voor beeldspraak bieden: doch ook op hot bouwvak maakte Jezus menige toespeling. Behalve hot visschen, het handwork van do meeste Zijner jongeren, koos Hij geen enkel vak om er Zijne boeldon aan te ontleenen. Zeer zeker spreekt Hij in Zijne gelijkenissen nimmer van timmeren.

Roods bij don aanvang van Zijn optreden, toon Hij nog nauwelijks Zijn aardsch beroep vaarwel gezegd had om Zijn goddelijk ambt te aanvaarden, spreekt Hij van hot afbreken des tempels, dien Hij in drie dagen weder zoude opbouwen. (Joh. XI: 19). Christus wees bij dit gezegde niet mot Zijn vinger op Zijn eigen lichaam, zooals sommige Bijbelverklaarders meenen. Ware dit zoo geweest, dan had ieder zulks moeten begrijpen. Het was veeleer een dier raadselwoorden, zooals de Hoer er zoo dikwerf sprak, die niemand verstond en waarvan niemand nadere verklaring vroeg. Zoo worden vele gelijkenissen, zooals van den vierderlei bouwgrond, door Zijne jongeren zelfs niet begrepen. Do Hoor wilde bon, die Hem omringden, tot nadenken prikkelen. Zulke schijnbaarraadselach-

ocr page 52

DE TIMMERMAN.

tige uitspraken blijven veel beter in het geheugen bewaard, dan licht verstaanbare gezegden.

Zij, die een weinig nadachten bij hetgeen Christus van het afbreken en opbouwen des tempels zeide, konden zeer licht op de gedachte komen. dat in Christus meer dan een aardsch bouwmeester gezien moest worden. De meesten echter dachten aan Zijn handwerk en lachten Hem uit, dat Hij een tempel, waarover 40 jaren lang gewerkt was, in drie dagen weder wilde opbouwen.

Deze raadselachtige uitspraak was een dier zaadkorrelen, die Christus in de harten strooide, opdat ze later mochten ontkiemen en tot rijpheid komen. Zijn doel, dat het niet spoedig vergeten mocht worden en degenen, die het hoorden, tot nadenken mocht aansporen, heeft Hij volkomen bereikt.

Men maakte Hem namelijk later bij Zijne terdoodveroordee-ling er nog een verwijt van en was het zelfs nog niet vergeten bij de terechtstelling van Stefanus.

Na Zijne opstanding, zoo merkt Johannes op, werd het Zijnen jongeren eerst duidelijk, wat Hij met dit wonderspreukig gezegde bedoeld had.

Niemand was beter instaat om over de schoonheid des tempels te oordeelen dan Christus; aangezien Hijzelf eertijds bouwmeester was geweest. Vandaar dat een Zijner jongeren\' bij het bestijgen van den Olijfberg tot Hem zeide: „Meester, zie eens, welke heerlijke gebouwen en kostbare steenen,quot; als wilde hij hierdoor het oordeel van den Meester uitlokken, en Hij, die de schoonheid van dit trotsche gebouw waardeeren kon, antwoordde met een weemoedigen blik: „Ik zeg u, dat niet één steen op den anderen gelaten zal worden.quot;

In menige gelijkenis des Heeren hooren wij als het ware den vroegeren bouwmeester spreken. Waar Hij ons van Zijne eigene toekomst spreekt, daar stelt Hij ons eenige werklieden

3G

ocr page 53

DE TIMMERMAN.

voor, bezig met de steenen, die zij voor een schoon gebouw gebruiken zullen, uit te zoeken. Een der steenen wordt als totaal ongeschikt weggeworpen. Doch juist deze wordt later, tot verwondering van allen, die het aanschouwen, tot den hoeksteen, waarop het geheele gebouw rust, omdat de bouwheer het zoo beschikt heeft.

In Lukas XIV : 29 stelt Hij ons voor, hoe dwaas een bouwkundige handelen zou, die niet eerst eene berekening van de kosten zou maken, eer hij een toren ging bouwen. Kan hij door gebrek aan geldmiddelen zijn toren niet voltooien, zoo zal ieder hem uitlachen, die ziet, dat hij den onderbouw er voor reeds gereed heeft, wat toch op vele plaatsen in Palestina een zeer kostbare arbeid is.

Over de fondamenten spreekt Christus zeer dikwijls. In Palestina worden deze, al moet men nog zoo diep graven, op eene rots gelegd. Zoo wil Jezus ook Zijne gemeente op een fondament zoo hecht en sterk bouwen, dat zelfs de poorten der hel haar niet kunnen overweldigen, en besluit Hij Zijn zoogenaamde bergrede aldus:

.Een iegelijk dan, die deze Mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft; en er is slagregen nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen , en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangevallen en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die Mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft.quot;

Ja, zelfs in Zijn aandoenlijk afscheidswoord klinkt nog een toon. die aan den voormaligen bouwmeester herinnert: „Inliet huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden,quot; d. w. z.

87

ocr page 54

UE TIMMERMAN.

huizen te bouwen in de stad, wier bouwmeester God is.

Uit dit alles blijkt, hoezeer de bouwkunst en hare regels don Heer gedurig voor den geest kwamen, en dit dient wel tot staving onzer meening, dat niet het timmermans-, schrijnwerkers- of wagenmakersbedrijf, maar het huizen bouwen het beroep van den Heer was, vóór de aanvaarding van Zijn pro-tet isch-priesterlijk ambt.

Zonder twijfel zal de lezer gaarne eens nader kennis maken met hetgeen in Palestina zoo al op een bouwterrein op te merken valt. Welnu, wij willen ons daartoe naar een in aanbouw zijnde woning begeven. De fondamentsleuven zijn tot op den rotsgrond uitgegraven en de muren reeds tot eenige hoogte opgetrokken. Verscheidene bouwlieden staan niet hamer of troffel hoog boven op de muren om de gehouwen steenen af te meten en de openingen met kalk en kleine steenen aan te vullen. Naast hen staan handlangers, die op plankjes dokalk aanbrengen. Tegen de muren zijn zachtglooiende planken en balken opgesteld, waarover lastdragers, onze „opperlui,quot; voetje voor voetje de steenen naar boven sjouwen. Van tien tot vijftig werklieden bewegen zich over het bouwterrein. Op korten afstand wordt in een kuil de kalk gebluscht en met zand vermengd en hoort men het geregeld kloppen van den steenhouwer, die de ruwe steenen van alle zijden behoorlijk bebouwt.

Is men zoover met den bouw gevorderd, dat men met het gewelfde dak beginnen kan, dan komen alle buren en vrienden samen en helpen de arbeiders kosteloos den bouw voltooien. Meestal stellen allen, die medearbeiden, zich in eene lange rij op. Van de plaats, waar de steenen voor het dak opgestapeld zijn, tot boven op bet dak staan de arbeiders man aan man. Bij den arbeid zingen zij vroolijke, kortregelige liederen, of uil vijftig, zestig kelen klinkt het in de maat, heojalïssa! hecjalissa! of zoo iets. Op de maat van dit gezang of geroep

38

ocr page 55

dp; timmerman.

39

werpt men elkaar de steenen toe, die, van hand tot hand gaande, spoedig liet dak bereiken. Wordt de laatste of sluitsteen overgereikt, dan wordt het gejubel algemeen. Men plaatst nu een \'groenen tak op het dak van het huis, „een veertje op den hoed,quot; en allen, die medegearbeidhebben. Verzamelen zich tot een vroolijk feest, dat door den bouwmeester gegeven wordt en waarbij eenige schapen of bokjes worden geslacht.

De hoeksteen, waarop het gebouw rust, bevindt zich onderaan in de diepte; hij draagt den geheelen last. Daarop verheft zich het statige en trotsche gebouw. Zoo bouwt ook Hij, die eens een aardsch bouwmeester was, Zijne gemeente te midden van de vergankelijkheid dezer wereld. Zij heeft een wijzen bouwmeester, want zij wordt op eene rots opgetrokken. Hij wil zelf de bouwmeester en de rots, alsook de kostelijke, uitverkoren hoeksteen zijn. Hoe heerlijk en troostrijk is dit voor allen. die aan dit gebouw mede mogen arbeiden en zich in de lange rij scharen van hen, die steenen aandragen. Ook hun zal de bouwmeester eene goede plaats in dit gebouw aanwijzen. En wanneer het eens voltooid is, dan zal aan den maaltijd, dien de groote Bouwmeester bereidt voor hen, die komen van het Noorden of het Zuiden, voorzeker ook de minste of geringste onder de arbeiders niet vergeten worden.

HET VERBLIJF IN NAZARETH.

Wanneer wij denken aan het verblijf van Christus in Nazareth , zoo zweeft ons onwillekeurig een beeld van stille ingetogenheid , zooals ons dat steeds geschetst wordt, voor oogen. Doch Jezus leidde in Nazareth volstrekt geen kluizenaarsleven.

ocr page 56

HET VERI3LIJF IN NAZARETH.

Veeleer bewoog Hij er Zich vrij te midden van al hetgeen de wereld ook daar te aanschouwen gaf. Hij deelde vreugde en droefheid dergenen, die Hem omringden, zonder Zich uit de wereld terug te trekken. In al Zijn doen was Hij den menschen gelijk, zoowel vroolijkheid en vriendelijkheid als medelijden kenmerkten Zijn karakter. Slechts de zonde was Hem vreemd. Zij, die willen beweren, dat Christus wel nu en dan geweend, doch nooit gelachen zoude hebben, maken zich van Zijn persoon een geheel verkeerde voorstelling. Het onvergelijkelijk zedelijk bestaan van Jezus stond Hem voorzeker toe, met een vrolijken lach in te stemmen, waar \'t voegde; waar het aanstootelijk zou zijn, dien te onderdrukken. Dag aan dag doorleefde Hij mei de Zijnen dat tal van kleine, vroolijke en jammerlijke voorvallen , dat wij gewoon zijn het menschelijk leven te noemen, de geschiedenis ook van Zijn leven vóór Zijn openbaar optreden. Overal en in alle omstandigheden trad Hij als mensch op , doch Zijne handelingen droegen het stempel Zijner goddelijke afkomst.

Niet in een afgelegen haven, ver van hen, die op de golven der zee ronddobberen, mocht Hij Zich verbergen, die eens het schip Zijner kerk, evenals Noach de ark, over de bruisende wateren van de heensnellende eeuwen dezer wereld zou sturen. Hij wierp Zich in den stroom dezer zondige wereld. In hooge-ren zin mogen wij op onzen Heiland de woorden van een dichter toepassen:

Talenten vormen zich in de eenzaamheid,

Karakters slechts in \'s levens stroomen.

Rust zoowel als druk verkeer met anderen, was voor de ontwikkeling van Christus als mensch noodzakelijk; beide vond Hij in Nazareth.

In stille en eenzame uren kon Christus te midden der mensch-

40

ocr page 57

HET VERBLIJF IX NAZARETH.

heid Zijn even heerlijke als gewichtige roeping recht opvatten. En omgekeerd, lioc meer Hij Zich te midden der zondige wereld bevond en hoe meer Hij in de gelegenheid was de handelingen der menschen en hun jagen en streven na te gaan, des te meer behoefte gevoelde Hij aan de eenzame uren, die Hij op Nazareths bergen mocht doorbrengen. Boetpredikers, zooals Elia en Johannes de Dooper, konden zich voor hunne prediking het best voorbereiden in de eenzaamheid. Daar, van het gewoel der wereld verwijderd, beoordeelden cn veroordeelden zij de handelingen der menschen naar den maatstaf van Gods eeuwige wet. Jezus, de barmhartige Hoogepriester, die medelijden met onze zwakheden zou gevoelen, groeide op te midden van den stroom der wereld. Doch welke beteekenis had het verblijf van Christus in Nazareth, waar Hij het grootste gedeelte van Zijn leven doorbracht? Dit was van groote beteekenis: ten eerste voor Zijne betrekking tot Zijnen Vader en ten andere voor Zijne verhouding tot hot menschdom.

Laten wij dit laatste vooral eens nader beschouwen; wij zien dan:

n. dat Zijn beroep eene oefenschool voor Hem was, waar Hij Zijn heerlijke uitspraken ten aanzien van gerechtigheid, liefde tot de naasten en de vijanden, zelf in toepassing brengen en beproeven kon, alvorens Hij ze den volke verkondigde. Als leerling, gezel en meester kon Hij de verhoudingen van het dagelijksch leven loeren kennen en tevens zoowel standvastigheid als zachtmoedigheid loeren. Hoe menigmaal zullen Zijne ondergeschikten zulk een meester hebben moeten bewonderen. Als handwerksman week Hij nimmer van de waarheid af, zelfs niet wanneer Hijzelf daardoor schade leed. lederen boozen voorslag onder de arbeiders keurde Hij openlijk af. Sloeg iemand Hem in \'t aangezicht, Hij sloeg niet terug. Wie Hem vloekte, verliet Hij des avonds met een zegenwensch, waaruit de op-

41

ocr page 58

42 HET VERBLUF IN NAZARETH.

rechlhcid sprak. Wie Hem schold, schold Hij niet weder. Wie Hem onder de arbeiders beleedigde, Hij kwam hem, waar zulks noodig was, ter hulp zonder hem eenig verwijt te doen.

h. dat Hij bij de beoefening van Zijn handwerk gelegenheid had de groote menschenkennis op te doen, waardoor Hij ook ons nog met eerbied vervult. Werklieden, die in de hitte van den dag te zamen aan een gebouw arbeiden, ontzien zich niet voor elkander. Men vertoont zich aan elkander, zooals men is, zoowel in zijne handelingen als in zijne uitdrukkingen. Onder den dagelijkschen, vaak moeielijken arbeid toont de mensch zijne ware natuur. Zij vloekten en zwoeren evenals het werkvolk heden ten dage bij iederen zin. Geene verklaring werd afgelegd zonder bij den hemel, bij Jeruzalem of bij het eigen hoofd enz. te zweren. Terwijl Hij met Zijn hamer en troffel gewapend. Zijn arbeid verrichtte, zag Hij de zoogenaamde vromen voorbijgaan, die hun aangezicht mismaakten, opdat iedereen bemerken zoude, dat zij vastten, riij zag hen op opzienbarende wijze alleen, aalmoezen uitreiken, opdat hunne weldadigheid uitgebazuind zou worden. Uit do gesprekken dergenen, die met Hem arbeidden, bemerkte Hij hoe allen erop uit waren aardsche schatten te vergaderen, terwijl niemand zich om de hemelsche bekommerde. Als zich des middags al de arbeiders in de schaduw nederzetten om hun middagmaal te gebruiken, voegde Hij Zich bij hen en hoorde hen al hetgeen in de stad voorgevallen was, verhandelen. Menig beeld voor Zijne gelijkennissen heeft Hij waarschijnlijk uit deze verhalen genomen, zooals van den onbarmhartigen dienstknecht, den onrechtvaardigen rechter enz.; het is blijkbaar, dat zij uit het • volksleven gegrepen zijn.

r. Hier ook werd Jezus gevormd tot den barmhartigen Hooge-priester, met medelijden jegens Zijn arm volk vervuld. Bij Hem vinden wij een deelname in de huiselijke vreugde en het

ocr page 59

HET VERBLIJF IN NAZARETH.

huiselijk leed, die een Johannes den Dooper, in de woestijn opgegroeid, vreemd was gebleven. Eene bijzondere belangstelling toonde Hij voor de geringere volksklasse, bij welke Hij nog het meest eenvoud en onverdorvenbeid vond (Matth. XI). Hoe treffend zijn Zijne beelden van de vrouw, die den penning, van den herder, die zijn schaap verloren heeft. In deze zoekenden herkent Hij Zijn eigen beeld. Hij kan de vreugde der moeder medegevoelen, die in de vreugde over de geboorte van haar kind alle smarten, die zij moest lijden, terstond kan vergeten.

Zoo strekte het verblijf van Christus in Nazareth Hom niet slechts om in stille afzondering het tijdstip van Zijn openbaar optreden af te wachten, maar \'twas ook een tijd van voorbereiding en ernstige studie op de hoogeschool des levens. Hij zag daar des menschen diepe ellende en verdorvenheid en heeft er menige droeve ure doorleefd. Zijne reine ziel moest zich aan den voor hem ontzettonden aanblik der zonde als iets alledaagscb gewennen en toch mocht Hij niet wanhopen. Hij moest loeren gelooven, dat dit diepgezonken volk, waaronder Hij als de eenige reine verkeerde, zich zoude laten redden.

Doch hoe? Door het Lam ten brandoffer, dat de Vader Zichzelven zou voorzien. Reeds was Hij evenals Izaiik met Zijnen vader op weg naar den berg en menigmaal heeft Hij wis tot Zijnen Vader gezegd: „Vader, hier is het hout en het vuur, doch waar is het offerlam?quot;

En thans komen wij op de meer verhevene beteekenis van Zijn verblijf in Nazareth, namelijk de beteekenis van dit verblijf voor Zijne verhouding tot Zijnen Vader. Te midden van het hierboven geschetste bedrijvige leven, werd het bewustzijn van Zijne eenheid met Zijn Vader steeds helderder. Zelfs in de grootste drukte van Zijne dagelijksche bezigheden vervulde Hem altijd de gedachte aan Zijnen Vader. Hij zag en hoorde

43

ocr page 60

HET VERBLIJF IX NAZARETH.

Hom, waar Hij Zich ook bevond. Het ging Hem in nog hoogere mate als ons, wanneer wij iemand met ons geheele hart beminnen; dan toch denken wij telkens aan hem. Hieruit is ook de begeerte naar do eenzaamheid, die Christus nooit verlaten heeft, te verklaren. Hoe noodzakelijk het ook was, dat Hij dag aan dag met de wereld in aanraking kwam, zoo waren de uren, in gemeenschap met den Vader doorgebracht, Hem toch de liefste. Des avonds, op den Sabbat, op feestdagen trok Hij Zich gaarne in het gebergte terug.

Daar verlustigde Hij Zich in de schoone natuur, waaruit Hij zoovele beelden voor Zijne gelijkenissen putte. Doch niet de natuur was Zijn heiligdom, maar do onmiddellijke gonrcen-schap met Zijnon Vader.

De vraag van Nathanaël: „Kan er uit Nazareth iets goeds zijn?quot; was zeker spreekwoordelijk en toont ons voldoende, dat de bewoners van het stadje geen goeden naam hadden. En nu, to midden van eene zoo ruwe en verwaarloosde volksmenigte doorleefde de Verlosser Zijne jeugd en wel ten deele, opdat Gode alleen de eer zoude ontvangen, ten deele opdat Hij te midden van zooveel onreinheid en verdorvenheid Zich in de kracht Zijns Vaders onbevlekt van de wereld zoude bewaren en tevens, opdat Hij al de diepten van \'s menschen verdorvenheid zoude loeren kennen. Niet slechts het spreekwoord aangaande Nazareth doet ons de Nazareners als zulke diepgozonkenon, als een „boos en overspelig geslachtquot; konnon, doch wij zien dit ook duidelijk bij oen later bezoek van Christus aan deze stad. Zoo treurig was het met hen gestold, dat zelfs de diepaangrijpende en heerlijke prediking van Christus op hen slechts oen snel voorbijgaanden indruk maakte. Immers Hij getuigt zelve, dat Sodom, Gomorra, Tyrus, Sidon en Ninivé, de meest verdorven steden uit de heidenwereld, eerder te redden waren geweest dan de steden, in welke Hij de

44

ocr page 61

HET VERBLIJF IN NAZARETH.

meeste wonderdaden verricht had en waar Hij Zijne vermanende stem, vol vriendelijkheid en liefde, het moest had doen hooren.

Vanwaar kwam deze reine hemelplant, deze lelie onder do doornon, in Nazareth? Het eenig antwoord is: Zij was van goddelijken oorsprong, niet op den bodem van Nazareth ontsproten, doch uit hooger oord, vol van genade onwaarheid, overgeplant. Hij was daar niet geplaatst om er het loven in vrome bespiegeling in de eenzaamheid door te brengen. Neen, van bet oogonblik, dat Hij naar lichaam en geest tot volle, mannelijke kracht was gerijpt, moest Hij den strijd des levens aanbinden, hoe zwaar die Hem ook vallen mocht en hoezeer de eenzaamheid Hem aangenamer was en liefelijker dan deze strijd, die Hem, den Reine on Rechtvaardige, onverbiddelijk den weg naar Golgotha op voorde, waar Hij als oen eenling, van allen verlaten, heentrok, slechts door eene in zonden verdorven menigte omringd.

45

ocr page 62

OVERBLIJFSELEN VAN HET VROEGERE VOLKSLEVEN IN PALESTINA,

ZOO IN HET HUISELIJK LEVEN ALS IN HET LANDBOUWBEDRIJF.

DE JAARGETIJDEN.

Twee jaargetijden slechts wisselen in het Heilige Land elkaar af, men kent er alleen zomer on winter. De geleidelijke overgang van lente en herfst wordt hier niet gevonden. In de schoone Meimaand begint reeds de oogst en die duurt tot October en November, de eene vrucht rijpt onmiddellijk na de andere.

De winter of liever de regentijd is niet zoo somber als in de Westersche landen, want juist in dien lijd beginnen de planten te ontluiken. Overal komen de grasscheutjes en hal;nen to voorschijn en in Januari of Februari schijnt de zon soms zoo helder en warm, dat men vergeet, dat het winter is.

Het is eene zeldzaamheid, als er in Palestina sneeuw valt, en wanneer die gast uit meer noordelijke stroken ons komt bezoeken, wordt hij al spoedig door do zon verdreven. De sneeuw is dikwijls reeds gesmolten, vóór zij op de aarde neder-valt. Do profeet Jeremia gebruikte dit als een beeld van de onbestendigheid van bei volk Israels, als hij zegt: „Zal men ook om een rotssteen dos voids verlaten de sneeuw van Libanon? zullen ook do vreemde, koude, vlietende wateren ver-

ocr page 63

DE JAARGETIJDEN. 47

laten worden? Nochtans heeft Mijn volk Mij verlaten.quot; Er komen echter ook jaren voor, dat er eene massa sneeuw valt; in den tijd van vier jaren heb ik dat eenmaal beleefd. De sneeuw valt dan niet zoo kalm en statig neer als bij ons in het Westen; neen, de vlokken worden door de lucht gezweept en tegen vensters en boomen gejaagd. De natunr ziet er dan in het witte kleed indrukmakend uit. Ik herinner mij nog zeer levendig, dat ik op een Zondagmorgen het dak van mijn hnis beklom en zag, dat het gebergte van Judea geheel besneeuwd zich voor mij uitstrekte. De storm had uitgewoed, de natuur was tot hare kalmte teruggekeerd. De menschen hadden hunne woningen nog niet verlaten en het was, alsof de aarde zich in een feestkleed had gehuld; in plaats van de gewone kleurenpracht, bespeurde het oog niets dan het smetlooze wit in al zijne reinheid. Hoe schoon teekenden zich de omtrekken der bergen af tegen den donkeren bergmuur van Moab, waarvan slechts de kam en de hoogste toppen met sneeuw bedekt waren. Nog vele dagen daarna schitterde hij bij zonsondergang met de tooverachtigste kleuren, als eene geheel van goud opgetrokken stad. Bethlehem scheen mij ook schooner en liefelijker toe dan ooit te voron: vooral werd mijne aandacht getrokken door de kerk, terwijl het Syrische weeshuis, het eenige gebouw van Jeruzalem, dat zichtbaar was, zich met zijn toren scherp tegen den achtergrond afteekende.

Maar weldra smelt het sneeuwkleed en maakt plaats voor dat der lente. Want in zekeren zin kunnen wij hier toch van eene lente spreken, als bij het eind van den regentijd winteren zomerdagen elkaar vriendschappelijk de hand reiken.

Wil men de natuur in bruidstooi zien, dan moet men Palestina bezoeken in de lente, die slechts weinige weken duurt. Hieraan denkt Salomo, als hij in het Hooglied zingt: „Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is overgegaan; de

ocr page 64

48 DE JAARGETIJDEN.

bloemen worden gezien in hot land; do zangtijd genaakt, en do stem der tortelduif wordt gehoord in ons land. De vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort en de wijnstokken geven reuk mot hunne jonge druifjes.quot; In de lente tooit zich het dorre land zoo schoon, zoo feestelijk, dat men hot bijna niet horkent; dan profeteert het van de heerlijke toekomst, die het naar luid der Godspraken te gemoet gaat. Do purperroode anemonen (de „leliën dos veldsquot; in de H. S.), die den bodem als mot oen rood tapijt bedekken, verloenen het eono bekoorlijke schoonheid, die ons aan hot paradijs doet donken on in staat is ons in verrukking te brengen. Heeft de Hoer toch do leliën met zooveel heerlijkheid bekleed, wat zal Hij niot voor de monschen bereid hebben, die Hij naar Zijn eigen beeld borschapon heeft, en dieniet, als de leliën, vandaag ontluiken en morgen verwelken. Ik houd hoi ervoor, dat hot lento was, toon de Hoer Zijne prediking hield. Hij zag rondom Zich de schitterende bloemenpracht, waarop Hi j Zijne toehoorders wees, toon Hij zeide: „Aanschouwt de leliën dos voids, hoe zij wassen; zij arbeiden niot, en spinnen niot; en Ik zeg u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk eeno van deze. Indien nu God het gras des voids, 1) dat heden blooit en morgen in don oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kloeden, gij kleingeloovigen?quot;

Bij het begin van don regentijd komen meermalen die vreeso-lijke onweders voor, welke in het Ondo Testament beschreven worden. Daar een onweder hier eono zeldzaamheid is, is het des te indrukwekkender, en daar de bliksem bijna nooit schade aanricht, beschouwt do bewoner van Palestina hot slechts als

1

Volgens Mej. Von Pinkelstein is liet „gras-des-veldsquot; eeneWoem, die men bij het bakken van brood in den oven werpt, oin te weten, wanneer dit gaar is. Vekt.

ocr page 65

DE JAARGETIJDEN.

eone opcnbnring- van Gods almacht on majosteil. Tn zulk oen onwoder, zeggen do profeten, komt Gort als een krijgsman van Ertom en daalt de Heilige van hot gebergte Paran. (Het on-weder komt gewoonlijk in het Zuiden en Oosten op). Hij verlaat Zijn paleis in do borgen der 1)0vomwereld, do wolken pakken samen en bewegen zich als een krijgswagen met groote snol-beid door de lucht. Een tal van cherubijnen torsen den wagen, duisternis is onder Zijne voeten, Hij zweeft op de vleugelen des winds. Wanneer Hij Zijn voet op de borgen zet, beeft de aarde en do bergen rooken. De wolken zijn de damp uit Zijne neusgaten, wind on storm is do adem uit Zijn mond. Daar schiet do eone bliksemschiclit na do andere neder. Dat zijn de vurige pijlen, die Hij uit Zijn donkeren wagen afschiet, nu eens vuurrood, dan weder geel van kleur. Nu blaast Hij de bazuin: de donder rolt! Jehova\'s oorlogskreet, de uiting van Zijnen toorn wordt heinde en ver vernomen en Zijne vijanden worden verslagen door Zijne vreeselijke slem, terwijl de geheolo natuur beeft en aanbidt, als de Almachtige voorbijgaat.

Dikwijls brengen deze onwoders in Maart of April don spaden regen, die door don landman met hlijdschap wordt begroet! Zelfs na don winter, waarin weinig regen is gevallen, kan de regen in Maart of April nog hoop geven op een ruimen oogst; ja, hom zelfs meer dan verdubbelen. Hoe treurig was do aanblik, dien Palestina ons na don drogen winter van het jaar 1888 bood! Maar oen milde spade regen bracht weder loven in het verdorde, stervende gewas. Daarom roept Hozoa Zijn volk toe: „Wij zullen kennen, wij zullen vervolgen den Hoore te kennen. Zijn uitgang is bereid als de dageraad, en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spado regen en de vroege regen des lands.quot;

Deze spado regens, die omstreeks bet Paaschfeost vallen, gaan gewoonlijk vergezeld van sterke westenwinden, /nik een

49

ocr page 66

DE JAARGETIJDEN.

wind waaide waarschijnlijk ook door de straten van Jeruzalem, toen eens omstreeks het Paaschfeest in een der huizen twee mannen, bij \'t schijnsel eener hanglamp op een divan gezeten, in een ernstig gesprek verdiept waren.

Het is, als hooren wij het rnischen van den wind, wanneer wij Jezus tot. Nicodemus hooren zeggen: „De wind waait, waarheen hij wil. Gij hoort zijn geluid, maar weetniet, vanwaar hij komt noch waar hij heengaat. Zoo is een iegelijk, die uit den Geest gchoren is.quot;

Doel de zon reeds in den winter haar gezag gelden, in den zomer heerscht zij met onbeperkte macht. In April en Mei wordt er reeds oen begin gemaakt met den oogst, en het frissche groen, waarmede de lento de aarde tooide, kan de verzengende stralen der zon niet lang verdragen, maar verwelkt. Slechts de boomen en de wijnstok behouden hunne bladeren in den zomer. Vooral de olijfboom, staande te midden der gloeiend heete rotsen, die zijn bladerdos zelfs bij den zondvloed behield, prijkt den geheelen zomer met zijn eigenaardige schoonheid. Akkers, velden en steppen worden echter allengs meer met een bruinen dorenstruik bedekt, die, over onafzienbare stroken voortwoekerende, steeds moer door de zon wordt geblakerd. De bloemen en het gras verdwijnen echter nooil geheel, maar hunne kleuren zijn niet meer zoo schitterend. Hier en daar vertoont zich een plant met matroode bloesems en dorre bladeren, die het landschap veelal oen treurig aanzien geeft. De distelen groeien nu welig voort, alsol na \'t verdwijnen der bloemen eindelijk hun tijd is aangebroken. Daarom worden in de Schrift zoo dikwijls „doornen en distelsquot; gebruikt als zinnebeeld van den vloek der onvruchtbaarheid van bet land.

De Oostersche volken, die de zon aanbaden, vereerden daarin niet alleen de zegen aanbrengende godheid, maar ook den geweldigen heerscher, die het volk en het land met ver-

50

ocr page 67

DE JAARGETIJDEN\'.

zengende hitte kon straffen. Alleen in den ochtend en bij hel ondergaan der zon kan men hare schoonheid en liefelijkheid genieten. Hoe schoon wordt ons in het Oude Testament het morgenrood, „de eerste blik der godheidquot; beschreven. In purperen gloed treedt de zon des morgens vroeg van achter de bergen van Moab te voorschijn, een bruidegom gelijk, die zijne slaapkamer verlaat; en vroolijk is als een held om haar pad te loopen (Psalm XIX). Zij werpt hare stralen op het vlak der Doode Zee, doet de hitte in dit wondersclioone ketel-dal tot een ondragelijken gloed stijgen en rijst eindelijk loodrecht boven het gebergte van Juda ais de koninklijke beheer-scheres van den dag. Zonder gevaar kan geen Europeaan dan hare stralen trotseeren. Men moet zijne toevlucht zoeken achter de dikke, koele steenen muren der huizen, totdat de atmosfeer allengs weer afkoelt; want de zon laat niet met zielispotten; reeds menigeen, die zich in den voormiddag buiten waagde, is door hare stralen gedood. Alleen de geharde Fellah en lie-doeïen, die ook wel barrevoets door de sneeuw waden, ziet men op het heetst van den dag hunnen weg vervolgen, enkel het hoofd mot een dichten tulband omwonden, soms zelfs met ongedekten hoofde. Tusschenbeide doen zij, boven op den rug van hun kameel gezeten, hun middagslaapje, terwijl liet lastdier met loomen tred op het welbekende pad voortschrijdt.

Alles baadt op zulke dagen als in eene zee eene van verblindend licht, dat de oogen reeds pijnlijk aandoet, als men naar \'t venster treedt en naar buiten staart. Hoe aangenaam wordt dan ook de reiziger verrast, als hij op zijn weg een koel, beschaduwd plekje vindt. Vandaar, dat in do Schrift de schaduw zoo dikwijls tot zinnebeeld strekt. Ons leven is gelijk aan eene reis, waarbij we de „hitte des daagsquot; te verduren hebben. Maar de Heer dekt de Zijnen met „do schaduw Zijner handenquot; en beschut hen met „de schaduw Zijnor vleugelen,quot; als zweefde Hij

ocr page 68

DE JAARGETIJDEN.

bij den verzongendon zonnegloed als oen adelaar boven hen. Welgelukzalig daarom allen, die in de schuilplaats des Allor-hoogsten zijn gezeten, dio vornachten in do schaduw des Ai-machtigen.quot; Hoe groot is Uwe goedheid, oGod; diesdomen-schenkinderon onder de schaduw Uwor vleugelen toevlucht nomen.quot; Ja, zóó gaarne gebruikt de Oosterling do schaduw als zinnebeeld, dat, liij haar zeil\'!!; bezigt om de eeuwigheid to schilderon. Zoo in de TT. Schrift : „do zon zal hen niet steken, want hun Ontfermer zal zo leiden, want het Lam, dat in het midden van den troon is, zal hen leidon on hun een leidsman zijn tol levende fonteinen der wateren.quot; (Jes. XL1X; Openb. Vil.)

Behalve de zon zijn er echter nog twee machten, die om do heerschappij strijden, de oosten- en de westenwind. Do eerste is de vijand , de tweede de vriend van alle leven. Tn don zomer is de westenwind op alle bergen, in elke woning bijna dagelijks oen welkome gast. Des middags hoort men hem door de bladeren dor hoornen ruischen; als een verkwikkende adem des Hoeren waait hij eerst zachtkons, daarna met meer kracht over akkers en volden, overal met verlangen verwacht en met vreugde begroet. Men opent deuren en vensters nm hem binnen te laten, men verlaat de huizen om van zijn koelte te genieten. Met lange, volle teugen ademt men de frissche lucht in, die hij van de zee aanvoert. Daarom wordt do westenwind in de TI. Schrift, dikwijls zeewind genaamd. Alleen in de dalen en kloven blijft bot heet. Daarom is bijna elke kleine of grootero plaats eene „stad op een berg.quot; Zelfs dan wanneer het dal rijk is aan kostelijke, frissche bronnen , is het dorp niet in de ongezonde laagte, maar op de koelere berghoogte gebouwd.

Des te schadelijker invloed oefent de oostenwind ofSirokko (van bet Arabische sjerhi — oostenwind). Van Mei tot. October heersebt hij van tijd tot tijd en dan, volgens dc inwoners des

52

ocr page 69

DE JAARGETIJDEN.

lands, voor een tijd van 3, 0,9, 12 tot 21 dagen (het getal moet altijd door 3 deelbaar zijn.) Hij komt uit de gloeiend heete woestijn van Syrisch Arabië. Dan worden, zooals wij in Job XXXY11 lezen, do kleederen warm, de aarde wordt stil uit het Zuiden, de hemelen worden vast als een gegoten spiegel! Nu eens gelijkt de Sirokko een vermoeiden adelaar, die als met lamme vleugels over de aarde zweeft, geen zuchtje wordt gevoeld en de gloeiende atmosfeer drukt als lood op de versmachtende en verdorde aarde; dan weder stormt hij met alle kracht over velden en akkers. Eens, dat ik don Gerizim beklom, waaide de oostenwind zoo hevig, dat hij mij bijna van do ruïnen van don ouden Samaritaanschen tempel had geslingerd. Maar, of hij zich met moor ol minder kracht doet gelden, hij is altijd zeer afmattend voor monsch en dier. Toen in Ninevé do Sirokko opstak, verloor do profeet Jona den moed en slaakte de verzuchting: Ik zou liever sterven, dan loven. Altijd sleept hij jammerlijke gevolgen na zich, als: schraalheid dor gewassen, krankheden, koorts en besmettelijke ziekte. De planton laten bloemen en bladeren hangen, alsof zij sterven; do bloem, dio dos morgens mot hare schitterende kleuren do zon begrootte, is des avonds verzengd en verwelkt. en do oostenwind verstrooit hare bladeren heinde en ver. „Do dagen dos menschen zijn als hot gras, gelijk oen bloem des velds, alzoo bloeit hij. Al? de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer en hare plaats kent haar niet meer. Maar do goedortiorenhoid des Hoeren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over dogenon, die Hem vree-zon.quot; (Ps. CII1.) •

Do verderfelijke invloed van don oostenwind gaf den ouden Israëlieten veel te denken. In de golijkonisson, door do profeten uitgesproken, komt hij moer voor dan de zogen aanbrengende westenwind. Hij was. hun oen beeld van rampspoed en vijandschap , van sterven en vergaan.

ocr page 70

DK .IAAK6ET1JUEN.

.Allo vleosch is gras, 011 ;il /.ijno goodortioronhoid nis oene blooino des voids. Hot gras vordort, de bloom valt af, als de de geest des Heeren (of, do adem dos winds) daarin blaast. Voorwaar, hot volk is als gras.quot;

De oostenwind, dio bot gras on bloemen doet verdorren, die do vruobton afwerpt, sterke takken als een riet breekt, ze verdort on verbrandt, borinnorde bun, dat Hij, die don oos-tonwind uitzendt, allo lieerlijkboid dos menschen mot don adem Zijns inonds kan vernioligon.

Wolk oono weldaad is bot eebtor voor bet gebeole land, als na zulke dagen de dauw bot dorstige aardrijk bovoebtigt. De scbopping is dan als \'t ware borboren. Allo planton borleven en richten hunne slappe stengels weder op.

Waiiiieer in den morgen hot eerste rood don hemel kleurt, komen de wolken op, door den westenwind aangevoerd, on drijven op geringe hoogte over den aardbodem voort. Do kalkrotsen schitteren in do zonnestralen. Hot morgenrood schijnt de bron te zijn, waaruit millioenen bij millioenen droppels voortkomen, die aan grassprietjes en bladeren hangen en waarin do zon zich spiegelt. „ Alzoo,quot; zegt de Heer in don CXdequot; Psalm, .zullen n uwe kinderen geboren worden als do dauw uit do baarmoeder des dagoraads.quot; Heerlijk, rijk en kostelijk! Geen wonder, dat de dauw overal in de Schrift als zinnebeeld voorkomt van de bezielende en verkwikkende genade Gods. ,lk zal Israël zijn als de dauw; bij zal bloeien als de lelie,quot; zoo luidt hot bij den profeet Hozea. En eone andore stem klinkt daar: .Wat zal ik udoon, oEfraïifi! wat zal ik u doen, o Juda! dewijl uwe weldadigheid is als oene morgenwolk, en als een vi\'oogkomende dauw, die honengaat?quot; En als Micha wil uitdrukken, welk een zegen de kinderen verspreiden zullen van hom, die uit Bethlehem-Efrata zal voortkomen, zoo zegt hij: „Zij zullen zijn in het midden van vele volken, als een

54

ocr page 71

DE JAARGETIJDEN

dauw van den Heere, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch menschenkinderen verbeidt.quot; Wanneer de heete zon echter op de dauwdroppeien schijnt, verdwijnen zij weldra van rotsen en planten. Daarom vergelijkt do profeet Israels godsvrucht en liefde tot des Heeren dienst, ten tijde van koning Josia, met den spoedig verdwenen dauw, „zij zijn als eene morgenwolk en vroegkomende dauw, die henongaat.quot;

De zomer heerscht in Palestina tol November, soms zelfs tot December. Wanneer de bewoner der Westersche landen zich reeds bij de kachel warmt,, is het in dit land van zonneschijn nog zeer heet. Een blauwe, wolkenlooze, zonnige hemel welft zich nog over berg en dal. In den omtrek van Bethlehem heerscht buiten overal leven en beweging, want het is de tijd van den wijnoogst. Oud en jong begeeft zich naar de wijnbergen, die hot stadje omringen en die men van do daken der huizen zoo liefelijk ziet liggen met hunne steenhoopen, ronde torens en muren. „Van Dan tot Berséba woont alles op zijn wijnberg en onder zijn vijgeboom.quot; Overal verkeert men in eene vroolijke stemming. De duisternis van den nacht wordt door groote vuren verdreven en het gejubel en gezang klinkt heinde en ver. De profeet beschouwt het als een blijk van den treurigen toestand van het land, .als de blijdschap en vroolijk-heid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden niet wordt gezongen en het vreugdegeschrei ophoudt.quot; De eerste voorboden van den regentijd maken aan deze vroo-lijkheid een einde; dan keert men naar zijne woning terug en de winter brengt alles weer tot zijne gewone orde.

55

ocr page 72

W A T E R.

Palestina is thans niet meer zoo •waterrijk als vroeger. Evenals de vroegere vruchtbaarheid des bodems door menschelijke vlijt verkregen werd, zoo was ook tot bevochtiging van het land de helpende hand van den mensch noodig. Dit moet men ook bij de woorden van Mozes (Dent. VIII: 7) in het oog bonden: „Want de Heere uw God brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die indalen en bergen uitvlieten.quot; Hiermede wordt de Zontzee, het meer van Genezareth, het meer Merom en do eeuwig jeugdige Jor-daan met hare groote bijrivieren, die in \'t gebergte op haren oostelijken oever ontspringen. in do eerste plaats bedoeld. In het gebergte van het westelijk deel van Palestina waren de kunstig aangelegde waterleidingen en vijvers het voornaamste.

Thans is het oostelijk deel het rijkst aan water en malsche weiden; voorheen evenwel werd de bodem van westelijk Palestina, zooals men weet, als het beste deel des lands geroemd. De talrijke waterbakken, in de rotsen uitgehouwen en als \'t ware voor de eeuwigheid gemetseld, ongebruikt en vol vuilnis, strekken ten bewijze, hoe vlijtig eens de bevolking van dit land heeft gearbeid.

De weinige beken, die van de westzijde naar de Jordaan en de Doode Zee vloeien, zijn slechts in den regentijd met water gevuld. Zoodra de zomer in \'t land komt, drogen ze uit. Waar men eenige dagen te voren nog een machtigen stroom hoorde ruisehen, kan men dan droogvoets door de bedding gaan. Zoo zijn de beken Kidron en Kilt (Krith) in den zomer slechts smalle dalen of kloven, wier witte kiezelbedden men, op verren afstand, van de groene weidevlakten kan onderscheiden.

ocr page 73

WATER.

Het bergachtige land is niet zeer rijk aan bronnen; toch ontbreken zij niet geheel. Zij zijn daarom voor de bewoners van groot belang en worden als een zinnebeeld van de zegeningen Gods beschouwd. En dat is geen wonder. Waar men ook in don zomer, wanneer hét geheele land dor en droog is, water aantreft, bij den vijver van Salomo zoowel als bij eene waterleiding of eene murmelende bron, overal is de bodem daardoor met frisch en welig groen bedekt.

Wanneer de verzengende woestijnwind alles verschroeit, dan blijft hot land in de nabijheid der bronnen steeds voor verwelking gevrijwaard. Hoezeer verkwikken deze bronnen den wandelaar, die na een langen tocht langs de stoffige wegen of over do dorre velden, het liefelijk gernisch van zulk eene bron verneemt. Wanneer wij ons dit voorstellen, dan zullen wij eenigszins verstaan, dat de Israëliet voor de verkwikking zijner ziel geen treffender beeld wist te vinden dan levend water. Wij zien dit ook uit tallooze vergelijkingen in den Bijbel. AVil de Psalmdichter zijn innig verlangen naar God ontboezemen, dan zegt hij: „Gelijk een hert schreeuwt naar de water-stroomen, alzoo dorst mijne ziel naar God.quot; Wil hij uitdrukken, hoe dierbaar hem zijn God is, zoo zegt hij: „Gij zijt de bron des levens.quot; Den lof van den goeden Herder verkondigt hij, als hij zegt, dat .Hij Zijne schapen in grazige weiden aan stille wateren voert.quot;

\'t Is dan ook werkelijk een genot aan zulk een waterbron te vertoeven. De boomgroei is er ook schooner dan ergens elders. Vandaar dat de dichter in den eersten Psalm zegt, dat „de rechtvaardige zal zijn als een boom, aan waterbeken geplant, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks blad niet afvalt.quot;

Het aantal bronnen moet in de oudheid grooter geweest zijn dan in onzen tijd het geval is. Toen werd er de grootste zorg aan besteed; thans echter let er niemand op of steekt

57

ocr page 74

WATER.

oen hand uit om zo in stand lo bondon en tot zijn voordooi aan to wondon. Er was oon tijd, dat or in hot gobergte om Joruzalom goon wator word aangetroffon, doch met kunstig aangelegde watorloidingen wist men hot van hooggelegen bron-non naar do hoofdstad te voeren. Verscheidene koningen, waaronder Hiskia oen eerste plaats inneemt, hebben zich in dit opzicht zoor verdienstelijk gemaakt. Nog heden ten dage moot men do waterleiding van Salomo als oen kunstwerk bewonderen. Zij dient om het wator van Bothiohem naar Jeruzalem te voeren. Ook in en bij Joruzalom on Hebron vindt men do overblijfselen van kunstig aangelegde vijvers. Jeruzalem had nimmer gobrok aan wator, al was hot overal elders nog zoo dor. Daarom roept ook do Psalmdichter uit, terwijl hij don blik van hot aardscho op hot hemolsche Jeruzalem richt: „Do beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, hot heiligdom dos Allorhoogstenquot; (Ps. XLVI). Over hot algemeen moesten echter allo landeigenaars voor do besproeiing hunner landerijen zorgen. Dozen lieten vergaarbakken metselen of in de rotsen uithouwen, die gedurende don regentijd mot water gevuld worden. Deze bakken zijn in den regel onderaardscho holen, tor grootte van eene woonkamer of zaal, waarin zelfs bij do grootste hitte het wator koel blijft. Zij zijn door de rotsen en door kunstig gebouwde gewelven bedekt, waarin een kleine opening geboord is of gemaakt om er uit te kunnen putton.

Rondom zulk oen vergaarbak hooft men drinkbakken voor hot vee aangebracht. Aangezien hot van hot einde van Maart tot November niet regent, is in \'t laatst van den zomer menig wandelaar al blij, als hij nog eenig niet lauw en bedorven water vindt om zijn dorst te lesschen. Hot is daarom zoor begrijpelijk, dat hot onder zulke omstandigheden voor den reiziger oen onbetaalbare verkwikking moot zijn oon dronk frisch koud wator to bekomen. Vandaar, dat de Hoor zegt:

58

ocr page 75

WATER.

„Wie een dezer geringsten een beker koud water zal geven in den naam eens discipels, die zal zijn loon\'geenszins verliezen.quot;

Het zal ons thans ook duidelijk zijn, hoe men er toe kwam om water als een dankoffer te brengen. Zoo lezen wij b. v. I Sam. 5:6: ,Eii zij werden vergaderd te Mispa (waar men heden ten dage op den top des bergs nog eene bron aantreft) en zij schopten water en goten hot uit voor het aangezicht des Heeren en zij vastten te dien dage en zeiden: Wij hebben tegen den Heere gezondigd.quot;

In een land, waar overvloed van water is, of waar men zelfs last heeft van overstroomingen, zou dit natuurlijk niet geschieden. Menige schoone geschiedenis in den Bijbel is aan eene waterbron vastgeknoopt.

Zoo rustte Eliëzer op zijn tocht naar Mesopotamië, waar hij eene vrouw voor I/aak moest zoeken, met zijne kameelen bij zulk eene bron. Daar bad hij tot zijn God en deed de Heere hem ondervinden, dat Hij de Zijnen hoort, reeds eer zij tot Hem roepen. Want nog vóór hij uitgesproken bad, kwam Re-bekka tot de bron. Hij zag, dat zij schoon was, terwijl zij met haar waterkruik op de schouders, do trappen afdaalde om in de laagte te gaan putten; en toen zij zich weer verwijderen wilde, vroeg hij haar te drinken, aan welk verzoek zij aanstonds voldeed en, ten antwoord op zijn gebed, drenkte zij bovendien de kemelen.

Ann de bron Lachaï-Roï (bron des levenden en zienden), waarheen Izaak des avonds uitgegaan was om te bidden, zag deze d,e karavaan, die zijne bruid begeleidde, naderen en ontmoette hij Rebekka het eerst. Of juist daarom deze bron voor den aartsvader Izaak zooveel waarde had, is ons niet beschreven; wel komt zij dikwijls in zijne geschiedenis voor. Hij woonde nog vele jaren in de nabijheid dezer bron en had veel te stellen met de Filistijnen, die om hem te plagen deze en andere

59

ocr page 76

WATER.

putten stopten of er met zijne herders over twistten. Zoo lang hebben zij\' het hem aan deze bron of put lastig- gemaakt, dat hij ten slotte zijne tenten te Berséba bij eene bron opsloeg, waar zij hem met rust lieten.

Waarschijnlijk heeft Rebekka nog menigmaal aan de dagen harer Jeugd gedacht en aan hetgeen bij de bron in Mesopota-miö was voorgevallen. .Misschien hoeft zij haar lieveling Jakob hiervan wel verhaald, die toen zeker niet vermoedde, dat hem iets dergelijks zou gebeuren.

Die, waarbij Jakob zich later bevond, was echter een gegraven put, die met een zwaren steen bedekt was. Deze steen was zoo zwaar, dat de aanwezige herders hem niet afwentelen konden, maar wachten moesten tot er anderen kwamen om hen te helpen. Toen Jakob echter Rachel zag komen, was hij alleen sterk genoeg om die zware taak te verrichten.

Zulke bronnen vindt men ook heden ten dage in grasrijke streken, waar vele kudden weiden. Tegen den avond komen er do herders samen om hunne kudden te drenken. Het water wordt met lederen emmers uit den put geschept en in de drinkbakken gegoten, gelijk wij daarvan ook reeds in de geschiedenis van Jakob lezen.

Welk eene wreede bejegening was het, die Jozef van zijn nijdige en afgunstige broeders ondervond, als zij hem ontkleed in een drogen put wierpen. Ook tegenwoordig werpt men nog wel menschen in zulke uitgedroogde waterbakken, waar niemand hen zoekt, om alzoo de misdaad, aan zulk een persoon gepleegd, verborgen te houden.

Ook een Mozes heeft zijne vrouw, evenals de beide aartsvaders, bij eene bron gevonden. De dochters van den Midia-nietischen priester hadden namelijk de drinkbakken voor hare kudden gevuld, toen andere herders kwamen en haar van de bron wilden verdrijven. Mozes had echter niet alleen aan het

ocr page 77

WATER.

hof van Farao meer hoffelijkheid geleerd, maar kon al te weinig onrecht dulden om zulks aan te zien, hij dreef deze ruwe lieden weg en hielp de herderinnen. Later noodigden zij den vriendelijken Egyptischen man in huns vaders hnis, waar hij als loon voor zijne edelmoedigheid een der dochters lot vrouw kreeg. Zulke geschiedenissen vallen ook mi nog voor aan de bronnen en pullen, waar de herders en herderinnen samenkomen.

Ook onze gezegende Heiland had Zich eens hij znlk eene bron of put nedergezet. De» mond hiervan was waarschijnlijk door een lagen munr omringd, gelijk dit thans nog met de meeste putten het geval is. Op dezen muur heeft Christus Zich waarschijnlijk nedergezet, terwijl de Samaritaansche Hem naderde. Wegens de groote diepte was er uit dezen put echter geen water te krijgen, als men niet in \'t bezit was van een emmer en een lang touw of koord. Vandaar dat de vrouw zich verwonderde, dat de Heer haar levend wal er wilde geven, terwijl Hij toch emmer noch koord had.

De Heer bezigde voor deze onontwikkelde vrouw de bron als een beeld van bet levende water, dat zij behoefde, en waartoe zijzelve niets kon bijdragen; dat haar uit genade moest worden gegeven.

In den Bijbel wordt dikwerf de eigenaardige toestand van het land mot betrekking tot het water als beeld gebruikl. Zoo lezen wij Jesaja XLII1:2: „Wanneer gij door het waterende rivieren zult gaan, zoo zal Ik bij u zijn en zij zullen u niet overstroomen.quot; Zacb. XIV: 8: „En te dien dage zullen er levende wateren uit Jeruzalem vlieten,quot; en in Joh. IV: 14; „Wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem geven zal, zal in eeuwigheid niet dorsten, doch het zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.quot;

Ook Johannes spreekt aan het slot der Openbaringen, in

61

ocr page 78

WATER.

aansluiting aan dc profetie van Ezechiël, van het levende water: „En hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams, en aan beide zijden stond de boom des levens, van maand tot maand vrucht voorthrengende, wiens bladeren zijn tot genezing der heidenen.quot;

De kleuren dezer schilderij zijn alle aan het Heilige Land ontleend. Onuitsprekelijke dingen, die het een mensch niet mogelijk is te boschrijven, zijn er in uitgedrukt. Wij kunnen niet meer dan eenigszins vermoeden, wat bot zijn zal, als wij hiervan lezen, of als wij zingen:

Paradijs, Paradijs,

Uwe vrucht is hemelspijs!

Onder uwe levensboomen Zal \'tons zijn, alsof wij droomen.

62

Breng ons Heer, in \'t Paradijs!

LAND- KN AKKERBOUW.

Herodotus, de vader der ongewijde geschiedenis, schreef, meer dan twee duizend jaren geleden, aangaande Babylonië: „Volgens onze meening is Babylonië het meest geschikt voor den korenbouw. Het brengt altijd tweehonderdvoudige, in zeer voordeelige jaren driehonderdvoudige vrucht voort. De bladeren van de tarwe en de gerst worden meer dan een vinger breed. De gierst en vlasplanten bereiken ook eene bijna ongeloofelijke afmeting.quot; Wie echter heden ten dage de grauwe rietvelden en moerrassen van Babylonië aanschouwde,

ocr page 79

LAND- EX AKKERBOUW. G3

zou geneigd zijn te denken, dat de groote geschiedschrijver zich dit alles had ingebeeld. En toch sprak hij waarheid. Een dergelijk lot heeft intusschen alle voorheen zoo bloeiende landen in het Oosten getroffen. Betreden wij Palestina\'s bodem, dan vinden wij ook niets meer van de zoo geroemde vruchtbaarheid des lands. Waar zijn die waterrijke streken, waarvan de Bijbel en de oude schrijvers melding maken? Waar de korenrijkdom, waar de edele, met ooft beladen boomen, waar de weelderige wouden, die eens de hoogten bedekten? In plaats daarvan ziet men slechts kale, onvruchtbare rotsen, uit wier spleten de nakomelingen der voormalige bosschen zich slechts tot manshoogte verheffen en den vossen en den vogelen des hemels tenauwernood eene schuilplaats verleenen. Menige reiziger, die Palestina bezocht, verkreeg den indruk, dat het nooit dat vruchtbare land kon geweest zijn, waarvan de Heilige Schrift ons verhaalt.

En toch lijdt het geen twijfel, dat Palestina eenmaal het schoone, heerlijke, vruchtbare land was, waarvoor wij het volgens do beschrijvingen in de H. S. van jongs af hebben gehouden. Do Assyrische en Egyptische koningen voerden niet voor niets zoo bloedige oorlogen om het te bezitten. Terwijl het ge-heele land nu nog niet zooveel inwoners telt als Berlijn, telde het landschap Galilea alleen, volgens Josephus in zijn tijd 204 steden, waarvan de kleinste ten minste 15000 inwoners had. De talrijke ruïnen, de overblijfselen van tallooze ingestorte regenbakken, in de rotsen uitgehouwen, de puinhoopen van zorgvuldig aangelegde terrassen tegen de bergen, getuigen, dat duizenden handen hier eenmaal vlijtig gearbeid hebben en het land duizenden bij duizenden menschen heeft gevoed. Doch het werd hun ook maar niet slapend in den schoot geworpen. „Weest vlijtig,quot; zoo roept het land ook nog heden ten dage zijnen bewoners toe. En al die ruïnen zijn zooveel waarschu-

ocr page 80

LAND- EN AKKERBOUW.

G4

wende teekenen, waardoor de luiheid wordt veroordeeld, want al die overblijfselen leggen getuigenis af, dat het verval van Palestina niet een rcchtstreeksch gevolg is van don vloek Gods, maar van de verwaarloozing en onverschilligheid der latere bevolking. De vloek, die er op rust, ligt in de bewoners en niet hei minst in de rogooring, die voor alles betaald wil worden en zich tot alles laat omkoopen, die de landbouwers uitzuigt en hun daardoor den lust lot den arbeid beneemt. Het land bergt nog evenveel schatten in zijn schoot als voorheen, maar liet moet met vlijt bebouwd worden. Eerste vereischten zijn degelijke boschbouw, hot aanleggen van terrassen, het graven van vijvers en kanalen. De oude Israëlieten zagen dit ook in. Het zou ook niel bevorderlijk zijn geweest aan de opvoeding van het volk Gods, indien het land ook zonder bebouwd te worden, do rijkste vruchten had voortgebracht. Het volk moest naar alle zijden onhvikkeld on zedelijk gesterkt worden, en daarop oefent de natuur van een land grooton invloed. Israël moest door den aanblik zijnor bloeiende volden en vruchtbare akkers leeren beseffen, dat vlijt en volharding noodig waren om tot zulk eene schoone uitkomst te geraken. Arbeid is de tooverstaf, die onder den zegen Gods het land weder tot zijn voormaligen bloei kan terugbrengen. Wanneer de Heere Palestina weder wil zegenen, zal die zogen ongetwijfeld daarin bestaan, dat de inwoners, door de rogeering aangespoord en aangemoedigd, zich weer met ijver op den landbouw gaan toeleggen. Ook dan zal men nog kunnen zeggen: „hot is een land, van melk en honing vlooiende,quot; want in zeker opzicht is dit nog beden het geval, daar het Overjor-daansche nog veel melk en in den laatsten tijd hot Westen, door den sterk toenemendon bijenteelt, een massa honing oplevert. Geen land ter wereld is zoo rijk aan afwisseling als Palestina! Jeruzalem, tusschen zijne beschermende bergmuren.

ocr page 81

LAND- EX AKKERBOUW.

doet zich geheel anders aan het oog voor dan de streek, die aan het strand der zee grenst, waar de lucht vervuld is met den geur der oranje- en citroentuinen en palmhosschen, dien do wind mijlen ver herwaarts voert; con gansch ander aanzien weer heeft Berséba en zijne omstreken, waar do onmetelijke woestijn zich voor het oog uitbreidt; dan de tropische laagten van het lachende, zonnige Jordanndal. Welk een verschil Ius-schen de uitgestrekte, korenrijke velden van de vlakte van Jizreël en de bloeiende streek van Cesaróa-Filippi, in het Noorden, waar do groene oevers van het blauwe meer een scherpe tegenstelling vormen met de eeuwige sneeuw op den berg Hermon

Alle hemelstreken der wereld zijn in dit land vertegenwoordigd: do tropische gewesten in liet Jordaandal, dat tot lii^O voet henedon den zeespiegel daalt, waar do winter onbekend is; de noordelijke zonen op de sneeuwtoppen van don Libanon en don Anti-Libanon. Behoudens do heerlijke zuidvruchten, welke vroeger in de vlakte van Jericho groeiden, brengt het land nog dezelfde vruchten voort als voorheen, alleen niet moer in dien overvloed: druiven, vijgen, olijven, dadels, gra-naatappolon, sinaasappelen, citroenen, bananen, moloonon, moerbeziën, pruimen, perziken, abrikozen, noten, amandelen, pirapernoton, Johannesbrood, appelen, peren, enz. Reeds in Februari openen zich de roode kolken van den amandelboom en dan neemt het geheele jaar door het bloeien geen einde. Sommige accacia\'s prijken het ganscho jaar door met schitterend gekleurde bloesems. Men vindt deze vrnchtboomen echter alleen in do onmiddellijke omgeving der dungezaaide steden en dorpen.

Wat do profeten in droeve toekomst zagen, is sinds lang in vervulling getreden: do tuinen en parken zijn verdwenen, do waterwerken verwoest; wilde dieren: jakhalzen, vossen,

05

ocr page 82

GO LA.\\iJ- EN AKKEKBOUW.

hynea\'s, wolven doorzwerven de eens zoo vruchlbare vlakten. De bewoner der Westersche landen maakt zich dan ook gewoonlijk eene verkeerde voorstelling van liet hedendaagsche Palestina, als liij het hondt voor hetgeen het eenmaal was, een land met uitgestrekte Losse hen en loofhooinen en naald-hont, malsche weiden en bebouwde landerijen, waar geen slukje ongebrnikt blijft liggen.

Wanneer hij het Heilige Land mocht bezoeken, zou bij onafzienbare rotsbergen aanschouwen, de een aan den ander gesloten zonder den minsten plantengroei; slechts in de dalen brengt nu en dan een groene strook eenige afwisseling in de treurige wildernis. Men staat verwonderd en vraagt zich af, vanwaar al die steenen komen, zelfs op de bebouwde akkers in het gebergte; hoe een grond als in gesteente kan verkeeren, welks vruchlbare, roede teelaarde door de hevige winterregens medegevoerd werd naar de dalen, welker bodem zoodoende in kostelijken bouwgrond is herschapen. Toch heeft het land nog een bekoorlijk aanzien, zoo door de schoonheid zijner lijnen als doordat de zon het nog, als vóór eeuwen, alles met hare heldere stralen beschijnende, met weergalooze kleuren doet schitteren.

Een hoofdoorzaak van de mindere vruchtbaarheid des bodems is de uitroeiing van alle bosschen. Overal in het land vindt men nog sporen van den grootschen boomgroei, waarvan de Bijbel zoo veelvuldig melding maakt. Wanneer men de natuur haar vrijen gang liet, zouden binnen eenige tientallen jaren de kale bergen van Judea weer bedekt zijn met een heerlijk groen kleed. Het is eene onvergeeflijke fout der Turksche regeering, dat zij geen band uitsteekt om de uitroeiing van alle houtgewas tegen te gaan. Iedereen kan ongestraft het brandbare hout kappen en de toppen der jonge boompjes door zijne kudde laten afknabbelen. Van alle vroegere pracht bleef slechts

ocr page 83

(17

wat kreupelhout en struikgewas over, dat een man nauwelijks tot de heupen reikt. Eenige, als heilig beschouwde kreupel-bosschen, waarin zich geweldige stammen verheffen, strekken nog tot bewijs, hoe schoon het overal kon zijn, als men van hoogerhand lusschenbéide kwam. De bloemenrijkdom, dien hel eene Jaar als \'t ware aan het andere overlevert en die het eene geslacht na het andere bekoort, is ondertusschen niet aan de omgeving der sleden gebonden, zooals de kweekplanten ; ook heelt hij niet het onverstand van menschen te duchten. Alles bloeit en groeit in de lente. De koningin der hloemen is de purperkleurige anemoon, in de Bergrede „de lelie des veldsquot; geheeten. Zij overdekt hergen en dalen. De Heer s cl lijnt dan ook op hare menigte te zinspelen, als Hij zegt: „Ik zeg u, dat Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest, als eene van deze,quot; die toch niet duurzamer is dan gras, want de Sirokko behoeft zich slechts eenmaal Ie verheffen om de duizenden bloemen, wier heerlijkheid die van Salomo overtreft, te vernietigen. Ook de in het Noorden bekende bloemen zijn hier schooner van vorm en schitterender van kleur, Welk een verschil tusschen het bleeke alpenroosje en onze prachtige cyklamen! Deze bonte bloemenpracht is ook nog heden ten dage in staat het hart van den geloovige te verheffen tot den Vader in den hemel, evenals in de dagen, toen de Bergrede werd uitgesproken. Zij zijn ook predikers Gods, die in hare stille taal zoo welsprekend getuigenis afleggen van Hem, Die haar geschapen heeft. In December spreiden zij reeds hare volle --schoonheid ten toon. Eerst komen de fljngeteekende, teedere crocussen, dan de heerlijk riekende narcissen, dan de rosé-kleurige alpen viooltjes, die plaats maken voor de gloeiend roode anemonen, welke weer opgevolgd worden door asters, ranonkels, immortellen, boterbloemen, adonisroosjes of bloeddroppeltjes, tulpen, leliën enz. Zij verdwijnen eindelijk met April,

ocr page 84

LAND- EX AKKERBOUW.

want tegen de zomerhitte zijn zij niet bestand. Dan is het de tijd voor de distelen, die in hunne tallooze violetkleurige bloesems toch ook een eigenaardig schoon bezitten.

Het ontluiken en rijpen der verschillende vruchten en gewassen dient het volk tot kalender. Zooals bekend is, stonden het Pinkster- en Loofhuttenfeest in nauw verband met den landbouw. Het waren oogstfeesten, het eerste viel in Mei, als het eerste brood van den nieuwen oogst gebakken was, het andere in September of October, als de laatste der talrijke zomervruchten, de druiven en olijven, ingezameld waren. Het Loofhuttenfeest was het vroolijkste en meest geliefkoosde, vandaar dat de koningen van het rijk der tien stammen het niet durfden afschaffen.

Wanneer men nog heden in September of October Palestina bezoekt, is het, alsof er een algemeen Looflmttenfeest gevierd wordt, elkeen houdt bij voorkeur zijn verblijf in de tuinen en wijnbergen. Men berekent de verschillende termijnen niet volgens een papieren kalender, maar volgens dezen natuurlijken. Ook de Heer zinspeelde hierop, toen Hij in Matth. XXIV het uitbotten van den vijgeboom het begin van den zomer noemde.

Do vijgeboom is in menig opzicht een merkwaardige boom, en voor iemand, die den Bijbel leest, is het van belang een en ander van zijne natuur te weten. In November en December verliest hij zijne bladeren en strekt zijn vette, witte takken kaal en treurig uit. Doch, hoewel bij de laatste boom is, die afstand doel van zijn bladerbos, is hij de eerste, die zich weer met nieuw, frisch groen tooit. In Januari, als hel oude loof nauwelijks is afgevallen, vormen zich reeds weer nieuwe knoppen, alsof het krachtige sap daarbinnen den boom geen rust gunt.

Deze knoppen blijven echter langen tijd gesloten. Wie nu tijdens den koelen winter verlangend naar den zomer uitziet, kijkt telkens weer naar de botten van den vijgeboom en verliest

G8

ocr page 85

LAND- EN AKKERBOUW.

nllongs zijn geduld, tol de knoppen eindelijk in Maart helder groene uitspruitsels vertooncn en deze met de vrucht knoppen der vroege vijgen snel nangroeieu.

Dan klinkl het door het gansche land: „De vijgeboom bot uit, nu wordt het zomer.quot; Zoo jubelend klinkt ook de lentegroet in Salomo\'s Hooglied: „AVant zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan, de bloemen worden gezien op het land; de vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort.quot; Het was wellicht in de eerste dagen van April, dat de Heer met Zijne jongeren op den heuvel van Belhfagé (vijgenoord) stond. Alle boomen tooiden zich met jeugdig groen: amandel-. granaat-, Johannesbrood-, moerbei- en palmboomen, maaide vijgeboom was ze alle vooruit. Toen sprak de Heer, op de boomen wijzende: „Ziet den vijgeboom en allo boomen, wanneer zijn tak nu teeder wordt en de bladereu uitspruiten, zoo weet gij, dat de zomer nabij is.quot; Zoo zijn er ook teekenen in den loop der wereldgeschiedenis en van het Godsrijk, welke voor den oplettenden Bijbellezer zeer verstaanbare aankondigingen zijn.

Wanneer de bladeren van den vijgeboom eenmaal uit hun omhulsel te voorschijn zijn getreden, groeien zij met verwonderlijke snelheid. Hunne ontwikkeling is bij den dag waar te nemen. In korten tijd is de boom als overdekt met breede bladeren, wier groen het landschap een vroolijk aanzien geeft. De takken hangen door de zwaarte naar den grond, zoodat men slechts in gebogen houding toevlucht in zijne schaduw kan nemen, doch daar dan ook beschut is tegen alle nieuwsgierige blikken. Daarom zitten de Arabieren des zomers zoo gaarne onder deze natuurlijke bladertent, en lezen wij meermalen in de Schrift: ieder zal zitten onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, maar nooit: onder zijn olijfboom. Daarom had Nathanaël, toen de Heer hem in in den geest zag, een vijgeboom gekozen en was hij later zoo verwonderd, dat iemand hem daar gezien had.

69

ocr page 86

LAND- UN AKKEliBOUW.

Do olyfhoom speelt ook eene groote rol in het leven van den bewoner van Palestina. Hij bemint de gezelligheid, slechts zelden staat hij alleen en dient den reiziger dan tot wegwijzer. Gewoonlijk vindt men hem daar, waar mensehen wonen. W anneer men een dorp nadert, ziet men de olijfboomen reeds op grooten afstand. Mozes zeide dan ook reeds tot Israël: „Olijfboomen zult gij hebben in uwe landpalen.quot; (Dent. XXVIII: 40). Sommige worden meer dan 1000 jaren oud. Er zijn er dus, afkomstig uit den tijd van Karei den Grooten en Haroen al Rasjid en deze hebben werkelijk een eerwaardig voorkomen. Bij den eersten oogopslag ziet men, dat do stormen der eeuwen niet over hen zijn heengegaan zonder hen duchtig toe te takelen. Zij schijnen al het merg verloren te hebben, zoodat de uitgeholde stam niets meer schijnt te zijn dan een dikke, uitgebrande bast. Maar als de herfst in het land komt, blijkt het wel, dat in dien dorren stam nog frisch leven verborgen is, dat er nog menig droppeltje kostbare olijfolie door zijne vaten en vezelen vloeit. De olijf is van groot nut en niettemin zeer weinig eischend, hij groeit zelfs zeer welig op de naakte rotsen, als men er maar eenige zorg aan besteedt. Te Beit-Djala staat een dicht bosch van olijfboomen ter plaatse waar zich vroeger een rotsachtige wildernis uitstrekte.

Jaar op jaar verzamelt men hier eene groote hoeveelheid olie. Daarom zegt Mozes: „Hij geeft hem olie uit den kei der rots.quot; (Dent. XXXII: 13).

Wel is waar geeft een bosch van olijfboomen niet zulk een trotschen aanblik als een dennen- of eikenwoud, door welks zuilengangen men den noordenwind hoort suizen. De olijf is afkomstig uit andere streken als de slanke dennen en beuken. Toch is hij niet van schoonheid ontbloot. En wie eenigen tijd in Palestina heeft doorgebracht, gevoelt er zich door aangetrokken. Geheel ten onrechte heeft men hem vergeleken met.

70

ocr page 87

Land- en akkerbouw.

den wilg. De Italiaansche olijfboomen mogen eenige overeenkomst daarmede hebben, die van Palestina niet. Welk eene pracht spreidt hier de olijf ten toon, als zijne bladeren na den regen als zilver blinken en het zachte lentekoeltje door de takken en bloesems speelt. Wanneer gij zulk een bloeienden twijg tot een krans buigt, zal het u niet verwonderen, dat bij de Olympische spelen de hoogste prijs bestond in een krans van een dergelijken telg, door één der jongelingen met een gouden mes van den olijfboom gesneden. Hoe donker en rijk in kleur, hoe edel en degelijk tevens zijn zijne bladeren gevormd, die door de duif van Noach boven alle andere werden gekozen en sedert als zinnebeeld van den groet des vredes hebben gediend.

De bewoners van Palestina weten dezen boom naar waarde te schatten. De olie, die hij hun geeft, is hun heulsap in goede en kwade dagen. De gezonde gebruikt haar op zijn brood en des nachts voedt zij de vlam, die zijne woning verlicht. Den kranke strekt zij in tal van gevallen tot artsenij. Maar ook wendt men ze aan om zijne gezondheid te bevorderen. Menigeen bestrijkt er zich :t aangezicht mede. De Oosterlingen van den tegenwoordigen tijd zalven zich nog gaarne, evenals in de oude tijden, waarvan de Schrift melding maakt. Zij wrijven zich van het hoofd tot de voeten met die olie in en gelooven, dat dit hunne kracht doet toenemen. Zoo moesten zij doen, zeide de Heere, die vastten, opdat het door de menschen niet gezien werd. .Als gij vast, zoo zalf uw aangezicht.quot; En gelijk de barmhartige Samaritaan de wonden van den ongelukkigen Israëliet met olie en wijn verzachtte, zoo gebruiken nog heden de Fella\'s (boeren) bij alle uit- en inwendige ziekten de olijfolie als eenig geneesmiddel. De jongeren, die de Heere uitgezonden had o)u de kranken te genezen, spraken niet alleen hun machtwoord, maar maakten ook gebruik van de bekende artsenij, de olijfolie. Ook Jakobus raadt aan dit middel te gebruiken:

71

ocr page 88

LAND- EN AKKERBOUW;

.Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe do ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Hoeren.quot; Hiermede bedoelt hij na-tuurlijk niet, dat men in de Westersche landen ook altijd daarbij baat zal vinden, maar dat men bij de voorbede der ouderlingen de medicijnen in den naam des Heeren moet gebruiken.

hi oude lijden werden bij gastmalen de gasten met olie gezalfd. Daarom zegt de Heere tot zijn gastheer Simeon, die deze zoo gewone beleefdheid bij den in zijn oog eenvoudigen Galileeschen leeraar niet in acht nam: .Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfdquot;. (Luk. VII: 4G). Ook de dichter van den XXIIbten Psalm roept dankend uit: „Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Gij richt mij do tafel toe tegenover mijne tegenpartijders.quot; Het is ook algemeen hekend, dat de koningen gewoonlijk met olie gezalfd werden als het zinnebeeld van de bedeeling met de waardigheid van \'t kindschap Gods door den Heiligen Geest. En in den LIH™ Psalm spreekt de dichter zijne blijde verwachting uit: „Ik zal zijn als een groene olijfboom in Codes huis.quot; Ook het huiselijk geluk herinnert hem aan de olijftakken. die alle uit een en denzelfden stam voortkomen: „Uwe kinderen zullen zijn als olijfplanten rondom uwe tafel.quot;

In de H. S. wordt ook de wijnstok meermalen genoemd.

Deze bezit eene wonderbare groeikracht. Wanneer de kleine rank slechts met eenige zorg behandeld wordt, kan zij een stam worden, die eene mansdikte heeft, meer dan 1000 trossen voortbrengt en met zijne takken eene groote uitgestrektheid beschaduwt. Jozua en Kaleb zouden ook nog heden verscheidene trossen van 12 pond kunnen vinden, waarvan de druiven zoo groot zijn als pruimen. Deze verbazende ontwikkeling van het eerst zoo nietige plantje, dat weldra een machtige stam is geworden, die zijne honderden takken en twijgen tot in de verste

72

ocr page 89

LAND- EN AKKERBOUW.

hockon van den hof sap en kracht en voedsel toevoert — alsmede de eigenaardigheid, dat jiiisi de ongenschijnlijk sehoonste loten jaarlijks moeten afgesneden worden — gaf den Heere aanleiding juist dit gewas tot eene zinnebeeldige voorstelling van Zijn Persoon te kiezen: ,lk ben de ware wijnstok, gij zijt de ranken! Alle rank, die in Mij\'geene vrueht draagt, die neemt de Landman, Mijn hemelsche Vader weg, en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.quot;

Bij Zijne leerredenen tot het volk en Zijne discipelen ontleende de Heer aan alles om Hem heen beelden om als gelijkenissen voor het Koninkrijk Gods te dienen. Daar Hij, volgens onze meening, tijdens Zijn verblijf te Nazareth den landbouw beoefende, wilde Hij ook daaraan stof ontleenen, en nu herkennen wij in eiken trek Zijner gelijkenissen het land, zooals het nog heden ten dage is; alleen ontbreekt thans, wat Hij van de vruchtbaarheid zegt. Ook heden vindt de landman, als hij uitgaat om te zaaien, zoowel steenachtigen als platgetreden grond, plekken, die overvloedig doornen opleveren, zoowel als goede aarde.

Zoodra de herfst in \'t land is, worden alle akkers geploegd. De vorm der ploegen, die in Palestina gebruikt wórden, verschilt geheel en al van die, welke in de Westersche landen in gebruik zijn, daar men rekening moet houden met de steenlagen, waar men den ploeg overheen moet beuren.

De ploeg bestaat daarom ook maar uit een smalle, doch sterke ploegschaar, waaraan twee stangen bevestigd zijn, de eene dienende tot staart, de andere tot disselboom. Met groote oplettendheid moet de landman. wegens de vele rotsen en steenen in den grond en de wijnstokken en boompjes het oog op den ploeg en op de voor gericht houden. Dit kon men in Palestina, tijdens de Heer daar rondwandelde, overal waarnemen; immers dit blijkt uit de woorden van onzen Heiland:

7:!

ocr page 90

LAND- EN AKKERBOUW.

„Niemand, die do hand aan don ploeg slaat en ziel naar hot-goon achter is, is bekwaam tot hot Koninkrijk Gods.quot;

Ten tijde van Jezus\' omwandeling op aarde schijnt do baldadigheid niet zeldzaam to zijn geweest, om in don akker van zijn vijand onkruid te zaaien. Dit onkruid, loliiiin tumulentum, groeit ook nog boden tusschen do tarwe en draagt juist zulke aren; het wordt gebruikt voor kipponvoeder. Tegenwoordig openbaren de bewoners van Palestina hunnen haat op nog boosaardiger wijze. Wanneer iemand gedurende 10 of 20 jaar zich alle moeite heeft gegeven om een schoonon boomgaard te verkrijgen en zijne pogingen blijken niet onvruchtbaar, dan hakt zijn vijand soms in één nacht alle boomon om. En wanneer do eigenaar dan des morgens vol spijl en toorn do ver- ^ woosting aanschouwt, weel hij dadelijk: dal hooft mijn vijand gedaan.

Do wetten, door Mozos gegeven, verboden den Israëlieten ongelijksoortige dieren voor één ploeg te spannen, daar het zwakkere dier het dan voel lo hard te verantwoorden had. Do tegenwoordige bewoners van Palestina bekommeren zich daar niet over, zij spannen dikwijls een paard en een ezel, een kameel of wel oene koe voor den ploeg, terwijl de Folla mot den ossenstok of prikkel er achter loopt. Schrijver dezes beeft zelfs eens gezien, dat een boer den ploeg door zijne vrouw en een ezel liet trekken, hetgeen een treurigen indruk maakte en inderdaad kenmerkend was ten aanzien van de verhouding, welke de vrouw in het Oosten inneemt.

De dieren worden bij hot ploegen aangedreven mot een stok van 2, 3 meter lengte, aan welks einde een ijzeren punt of prikkel is aangebracht. Dieren, die nog niet aan\'t juk gewend zijn, slaan soms achteruit, waarbij zij zich meermalen aan dien prikkel verwonden. Zij bemerken dan ook spoedig, dat zulk verzot hun niets baat. Daarop zinspeelde de Heer, toon

74

ocr page 91

LAND- EN AKKERBOUW.

Hij, op den weg naar Damascus aan Paulus verschijnende, deze toeriep: ..Het valt n hard de verzenen tegen de prikkels te slaan.quot; De bedoeling dezer woorden was: eigenlijk bevindt gij n reeds onder .Mijn juk: al uw woeden is slechts een machtelooze poging om u daaraan te onttrekken, totdat gij n voor Mijne macht buigt.

Het ploegen geschiedt gewoonlijk dadelijk na den eersten vroegen regen en, te gelijk met het ontluiken der bloemen, ontkiemt ook het gezaaide. Met welgevallen rust dan het oog op de velden, die zoo lang dor en kaal waren en nu eindelijk het frissche, groene kleed hebben aangetrokken. Maar die pracht verdwijnt even snel als een morgenwolk, do heete zon doet ze verschroeien en weldra is het, als had men er slechts van gedroomd. Snel komt de vrucht lot rijpheid. Reeds in April en Mei begint de oogst der veldvruchten. De Fleer /.egt ervan in de gelijkenis: „en het eene droeg honderdvoudige, het ander zestigvoudige, en het andere dertigvoudige vrueht.quot; Heden ten dage is de oogst niet zoo groot, hoewel de vruchtbare, vette gedeelten nog veelvoudige vrucht opleveren. In den tuin van het Syrische weeshuis te Jeruzalem heel! eens een gerstekorrel zulk een groot aantal aren voortgebracht, dat er -2 tot 800 korrels tot volle rijpheid kwamen. Gewoonlijk echter moet men zich met een 4- tot 13-voudige opbrengst tevreden stellen. Andere gewassen geven meer. Boven alle staat het mostaardzaadje, dat hier het kleinste is onder alle zaden en toch tot een struik van een manslengte opgroeit, die meer dan duizendvoudige vrucht voortbrengt, en in welker takken de vogelen des hemels eene schuilplaats vinden. Daarom kiest quot;de Heer ook dit zaadje als \'een beeld voor de uitbreiding Zijns Koninkrijks; als een zaadkorreltje werd het in Palestina\'s bodem neergelegd en het scheen er te zullen sterven, toen de Heere aan het kruis hing; nu is het echter oen krach-

75

ocr page 92

LAND- EN AKKERBOUW.

tige boom geworden, wiens schaduw de geheelo aarde bedekt.

De oogsttijd is een blijde tijd, wanneer de vroege en spade regens de hoop des landmails niet teleurstellen. Alles begeeft zich naar veld en akker. Daar de vruchten te rechter tijd in de schuren moeien zijn. moet men dikwijls daglooners huren. Op de markt of aan de poort staan dan arbeiders genoeg ledig, wachtende tot iemand hen tegen een bepaald loon in dienst neemt. Het zou een treurig tooneel opgeleverd hebben, als een groot aantal dier arbeiders ledig stonden, terwijl de oogst verloren ging door gebrek aan werkkrachten. Welk een gevoel van weemoed heeft het harte van den Heer vervuld, als Hij zag op don grooten oogst, die in de schuren Zijns hemelschen Vaders moest binnengebracht worden. Daarvan lezen wij: „En Hij, de schare ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat ze vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geenen herder hebben. Toen zeide Hij tot Zijne discipelen: Do oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; bidt dan den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen oogst uitstoote.quot; Do arbeiders, die ledig op de markt staan, zijn den Heer een beeld van degenen, die Hij van de markt des levens roept om hen aan den grooten oogst te doen medearbeiden.

De maaiers op den korenakker worden gewoonlijk gevolgd door arme vrouwen en kinderen. die losse aren oplezen. Wien herinnert dit niet aan de geschiedenis uit het grijs verleden, toen de trouwe Ruth op de velden van Bethlehem onvermoeid bezig was de aren te verzamelen! Sommigen laten de armen ook wel eens tusschen de schooven, zooals Boaz het Ruth toestond, hoewel het zelden gebeurt, dat die vriendelijkheid zoo ver gaat als bij Boaz, die zijn knechts uitdrukkelijk beval, hier en daar iets voor Ruth te laten vallen.

Is het maaien afgeloopen. dan wordt de oogst op den dorsch-vloer gebracht; deze bevindt zich gewoonlijk op een rotsvlakte

76

ocr page 93

LAND- EN AKKERBOUW.

on is door oen lagen munr omringd. Daar worden de schooven uitgespreid en gedorscht.

Dat geschiedt ecliter anders dan in de Westersche landen, waar men don dorschvlogel met alle kracht zwaait onwaarde dorschors na den /.waren arbeid zoo hongerig zijn, dat hun honger en dorst spreekwoordelijk is geworden. In hot Oosten worden slechts eenigo ossen en koeien gedurende een geheelen flag over de uitgespreide schooven gedreven, totdat zij alles fijn getrapt hebben.

In do wot van Mozes was hot Israël verboden een dorschen-den os te muilbanden. Dien regel volgt men ook thans nog, zij mogen onder don arbeid gedurig een proefje nemen, wanneer zij het oigendom van den dorschor zijn. is het vee gehuurd, dan wordt echter do muilband aangebonden.

Zoolang hot graan op den dorschvloor ligt, verlaat de eigenaar dien niet. Zoo ook Boaz. Wie dozen voorzorgsmaatregel niet in acht nam, zou spoedig niets meer te dorschon hebben. Men hooft niet slechts te vreezen voor diefstal, maar ook voor brand, waardoor de oen of andere vijand den eigenaar soms tracht te benadeelen.

Toon ik op zekeren nacht, kort na afloop van den oogst, van Bethlehem naar Jeruzalem reed, werd de oostelijke horizont aan gene zijde der Doode Zee, plotseling helder verlicht en bemerkte ik een bloedroodo vlam, die snel om zich heen greep. Het vuur was zeker G tot 12 mijlen van mij verwijderd, maar het scheen mij toe, alsof een goheele berg in vlam stond.-\' Later vernam ik, dat iemand don brand ontstoken had op een grooten dorschvloor, welke mot oen rijken voorraad bedekt was.

Do dorschvloeren zijn hooggelegen plaatsen, waar de wind vrij kan spelen om hot kaf weg te voeren. Zoo verhief zich de tempel van Salomo ter plaatse, waar vroeger de dorschvloor van Arauna lag. Zijn de halmen en aren behoorlijk door hot

77

ocr page 94

LAND- EN AKKERBOUW.

voc uitgclmlcn. dan wordt idles wedor op eon hoop verzameld en gewand.

Voor den dienst der wanmolens wacht men hier op de hulp der winden. Wanneer er wind is, werpt men koren en stroo mot een groote schop in de hoogte, de zware graankorrels vallen neder, terwijl het kaf door den wind naar het uiterste einde van den dorschvloer medegevoerd wordt. „Zoo zijn,quot; zegt de (lichter van den lstequot; Psalm, „de goddeloozen als het kaf, dat de wind henendrijft, daarom zullen de goddeloozen niet bestaan in het gericht.quot;

Is deze schilling gedaan, dan wordt de dorschvloer geveegd, de tarwe wordt in de schuren gebracht, hel beste gedeelte van het stroo, dat ook lijn getrapt is, medegenomen om als voeder voor het vee te dienen, de rest echter als brandstof gebruikt. Zulk eene scheiding en zifting van het volk werd voorspeld door Johannes den Dooper, toen hij tot allen, die zich om hem verzameld hadden, sprak van „Dengene, die na hem zou komen. Hij schilderde Hem als een dorscher, „wiens wan in Zijne hand is en die Zijn dorschvloer zal doorzuiveren (vegen) en de tarwe in Zijne schuren samenbrengen, maar het kaf met onuitblusschelijk vuur zal verbranden.quot;

Ook de profeten ontleenden aan den landbouw de beelden, waarmede zij de toekomstige verlossing en voleinding der dingen teekenden. „Zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden en hunne spiezen tot sikkelen. Zij zullen zitten een ieder onder y.ijnen wijnstok en onder zijn vijgeboomquot; (Micha IV : 4). „Zij zullen een iegelijk zijnen naaste noodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboomquot; (Zach. 111:10). „En de Heere zal den hemel verhooren, en die zal de aarde verhooren, mitsgaders den most en de oliequot; (Hozea 11: 22). „Zij zullen wijngaarden plantenquot; (Jes. LXV:2i), „en alle stroomen van Juda zullen van water vol gaanquot; (Joel III: 18). „Zie, de dagen

78

ocr page 95

LAND- EN AKKEHHOUW. 79

komen, dat de ploeger den maaier en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal, en de bergen zullen van zoeten wijn druipen en al de heuvelen zullen smelten.quot; (Amos TX:13).

Dit zijn alle heerlijke beelden ten opzichte van den toekom-stigen toestand des lands, die door de werkelijkheid gewis verre zullen overtroffen worden.

SPIJZEN.

Op het punt van voeding is het volk van Palestina weinig-eischend. Een stuk brood en een dronk frisch water is voor hen voldoende, en het geldt voor iets bijzonders, wanneer zij hun brood in wat olie doopen. Op verre woestijnreizen nemen de Bedoeïenen gewoonlijk niets mee dan het noodige brood en water. Dit neemt evenwel niet weg, dat in de steden en bij feestelijke gelegenheden grootere weelde heerscht. Wij bepalen ons echter tot datgene, wat wij in de Schrift terugvinden. De vruchten, welke in de Schrift genoemd worden, maken ook nog heden een deel uit van het voedsel des volks: linzen, boonen, erwten, komkommers, meloenen, oranjeappelen, dadels, olijven en vooral druiven, die men van Juli tot November kan krijgen. In een land, waar brood het voornaamste voedsel uitmaakt, is de tarwe de belangrijkste vrucht. In den oogsttijd wordt deze ook ongemalen gebruikt. De volle aren worden op een kolenvuur geroosterd en dan uitgewreven; de korrels, die men van de eene hand in de andere laat glijden, worden door blazen van het kaf ontdaan en dan gegeten. Men zal zich herinneren, dat Isaï zijn zoon David lot diens broeders in het

ocr page 96

SPIJZEN.

80

leger zond met een zekere maat (efa) van zulk „geroost korenquot; en tien melkkazen voor den overste over duizend. Zooala destijds wordt nu nog in elk gezin dagelijks versch brood gebakken, ja, ook versch meel gemalen. Daartoe gebruikt men den molen, waarvan in de Schrift meermalen gesproken wordt. Bij het eerste hanengekraai moet de vrouw des huizes opstaan om het noodige meel te malen. Daarvan zegt Salomo, de deugdzame huisvrouw prijzende: „En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haren liuize spijze, hare lamp gaat des nachts niet uit.quot; Het is een vermoeiend en vervelend werk; daarom moesten de geringsten dat werk verrichten, bij de armen de vrouw zelf, wier lot niet veel van dat eener slavin verschilde, bij de meer gegoeden, de slavin of bet bijwijf. Dat was reeds de gewoonte in Egypte ten tijde van Mozes, want hij zegt: „Alle eerstgeborenen zullen sterven in Egypteland, van Farao\'s eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zonde, tot den eerstgeborene der dienstmaagd (slavin), die achter den molen is.quot; Het behoorde ook tot de straf, die de Filistijnen Sirnson oplegden, dat hij in zijn kerker den handmolen moest draaien. Men kan begrijpen, welk een kwelling dit voor den dapperen krijgsman was, als men zich voorstelt , boe deze heldengestalte, in de donkere gevangenis met twee ketenen geboeid, zonder ophouden dat eentonige, afmattende werk moest verrichten. Dat ook in Jezus\' tijd de handmolen hog in gebruik was, blijkt uit Zijne woorden: „Twee vrouwen zullen malen in den molen, de eene zal aangenomen en de andere zal verlaten worden.quot; Deze molen bestaat uit twee ronde steenen, welke op elkaar geplaatst zijn; de bovenste draait om eene as, die in den ondersten is bevestigd. Door de opening, waarin deze as rust, wordt ook het koren er in gestort en later als meel op eon doek opgevangen. De molen wordt gedraaid door middel van een houten pen; wanneer het door twee personen

ocr page 97

SPIJZEN.

geschiedt, zitten deze tegenover elkaar op don grond. Wanneer een reiziger in oen dorp overnacht, wordt hij reeds vroeg in den morgen op onaangename wijze uit zijn slaap gewold; want van twee uur af, wordt er met meer dan 100 molens, in \'t geheelo dorp gemalen. Hieraan beeft liij het evenwel ook te danken, dal hij des morgens versch brood krijgt, want toen bij zich ter ruste legde, was het meel nog koren. De ingeborenen zijn er aan gewoon, zooals in bet Westen de molenaars aan bel klapperen der raderen.

Eene andere spijze, die ons niet zou bevallen, leveren de sprinkhanen op, waarmede o.a. eens Johannes de Dooper zich voedde. Menigeen zou bij liet zien dezer langbeenige insecten en denkende aan zulk een gerecht, wel uitroepen: afschuwelijk. Toch worden zij in bet Heilige Land ook nu nog gegeten, zooals ik eens bij eene sprinkhanenplaag gezien heb. Gretig strekte men er de band naar uit en benam den vraatznchtigen gasten allen eetlust door ze eenvoudig te verslinden en dat niet uit weerwraak alleen, maar omdat het vleescb der sprinkhanen de lui best smaakte. Aan gene zijde der Jordaan worden zij in zakken verzameld, van de poolen, vleugèls en ingewanden ontdaan, op de daken der buizen gedroogd en gezouten en ten laatste gemalen en tot brood gebakken. Natiiiirlijk kan niet met zekerheid gezegd worden, of de Dooper in de woestijn ook zulk sprinkbanenbrood heeft gegeten, maar bet. komt mij wel waarschijnlijk voor; want wij kunnen niet aannemen, dal Johannes bij zijne hooge en veelomvattende roeping, tijd bad eiken dag op de sprinkbanenjacht te gaan, on het was ook niet mogelijk geweest, dat bij anders, behalve van honig, het geheele jaar uitsluitend van die spijze leefde, en dit moeten wij toch uit bet verhaal opmaken. In Jeruzalem wordt bet sprinkhanenvleesch versch verorberd; de boutjes vooral worden als een hijzonder lekker en sappig gebraad geroemd. Ikzelf

rgt;

ocr page 98

SPIJZEN.

82

heb er ook eens van geproefd, maar ik moet eerlijk bekennen, dat ik niel gaarne de gast van Johannes den\' Dooper was geweest. Ik zou de woorden van den ouden C.hristophorus tot de mijne hebben gemaakt. Deze wilde den gekruisten Heiland zoeken, en toen de abt hem aanraadde een leven te leiden als Johannes de Dooper in de woestijn, antwoordde bij: „Sprinkhanen en wilde honig vallen niet in mijn smaak , eerwaarde heer; wanneer men in den hemel niets anders vindt, blijf ik er liever buiten.quot;

SPRINKHANENPiiAACJ.

Dit is eene plaag, waardoor het land slechts zelden, maar dan ook vreeselijk geteisterd wordt. Ik was daar getuige van in de jaren 1860 tot 1808; niemand herinnerde zich ooit zoo iets beleefd te hebben, gelijk ook de profeet Joëlzegt: „Hoort dit, gij oudsten, en neemt het ter oore, alle inwoners des lands. Is dit geschied in uwe dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?quot; Met groote zwermen vlogen toen de treksprinkhanen over bet land; het zijn roodachtige dieren, een vinger lang, die hunne vleugels evenzoo kunnen uitspreiden als de vogels. De profeet Joël roept uit: „Een dag van donkerheid en duisternis, een dag van wolken en dikke duisternis, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, dergelijke van onds niet geweest is en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Voor hetzelve verteert een vnnr, en achter hetzelve brandt eene vlam; het land is vóór hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve eene woeste

ocr page 99

SPRINKHANENPLAAG.

wildernis, on ook is or goon ontkomon van hetzolvo. Dos-zelfs godaanto is als do godaanto van paarden , on als ruiters zullen zij loopen, zij zullon daarhenen springen als een ge-drnisch van wagenen, op do hoogten dor borgen , als liet gorlruisch cenor vuurvlam , die stoppelen verteert, als een machtig volk, dat in slagorde gestold is. Van doszelfs aangezicht zullen do volken in pijn zijn, alle aangezichten zullen betrekken als een pot. Als holdon zullen zij loopen, als krijgslieden zullen zij de mnron beklimmen; en zij zullon daarhenen trekken, elk in zijne baan; en al violen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden. Zij zullen in de stad omloopon, zij zullon kliimnen in de huizon, zij zullen door do vensteren inkomen als oen dief. De aarde is beroerd voor doszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en de maan worden zwart, en de sterren trekken haren glans in.quot;

Treffender en juister kan men do sprinkhanenplaag niet beschrijven. Ik boh meermalen zulk een geheel leger over het land zien trekken, akkers en velden verwoestende, alles verterende lot zelfs de schors dor hoornen. De hemel werd verduisterd, wij zagen zon noch maan, terwijl hot gegons en gernisch en gesuis boven onze hoofden mij voortdurend herinnerde aan de tegenwoordigheid van den gevroesden vijand. De atmosfeer was gloeiend heet, overigens had hot wel het aanzien, alsof een geduchte sneeuwbui in groote vlokken neer-stoof. Eene bruisende, akelig snorrende, levende wolk bedekte do zon, zoodat wij, evenals eenmaal de Spartanen, in de schaduw moesten vechten. Wanneer do zon hunne vleugels beschoon, geleken zij een groot leger, dat met koperen schilden en blinkende metalen wapenen ten strijde toog.

Hoo vreeselijk worden de boomen geteisterd! ITet was om er bij te schreien: voor eenige dagen stond alles heerlijk in bloei, nu alom de gruwel der verwoesting. „Vóór hetzelve een

83

ocr page 100

SPRINKHANENPLAAG.

liisihof. maar achter hetzelve eene woeste wildernis,quot; zegt de profeet. Letterlijk niets bleef er gespaard, bladeren, bloesems, vruchten noch schors van de kruin tot den voet der hoornen. De moestuinen waren in een oogwenk in eene woestenij veranderd. In den tijd van één dag was het prachtige woud van Beit-Djala met zijn t00,()()0 olijfboomen geheel afgevreten, zoodat enkel kale stammen hunne ontbladerde takken treurig naar alle zijden uitstaken. De beklagenswaardige bewoners van het land trachtten zich wel te weren. Gedurende een dag of tien streden zij met ijzeren volharding om tenminste hunne vijgen en olijfboomen te redden. Maar allengs gaven zij het op, daar het toch nutteloos bleek te zijn. Do gelederen van den vijand werden steeds dichter, hun vraatzucht werd al heviger, weldra was de grond zoo geheel met sprinkhanen overdekt, dat men den bodem evenmin kon herkennen als den hemel. Als drommen soldaten bleven zij in de rij en in het gelid, en wanneer men er duizenden doodde, kwamen millioenen hunne plaats innemen. Toch wekte het bij allo ellende nog den lachlust op, als men zag, hoe de geteisterde bevolking eenige exemplaren uil de millioenen vingen, deze van den kop, hot achterlijf en de vleugels ontdeden, ze in de as braadden on als brood gebruikten, waarbij den armen Fellah\'s soms de tranen over de wangen liepen.

Int.usschen komt in dit geval een ongeluk zelden alleen. Nog vreesolijker dan de sprinkhanen zijn hunne talloozo nakomelingen. Overal leggen de sprinkhanen namelijk hunne eieren, waaruit weldra zwarte larven te voorschijn komen, die nog niet kunnen vliegen. Zij trekken echter in myriaden voort, dikwijls ter dikte van eene hand over elkaar kruipend. Wat de sprinkhanen nog overlieten, wordt door hen verslonden; hunne vraatzucht is even vreeselijk als hunne volharding. Geen muur zelfs zou hun den eenmaal ingeslagen weg kunnen ver-

84

ocr page 101

tiPilI.N\'KHA.\\E.\\TLAAG.

sperren. „Als helden zullen zij loopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen, zij zullen hunne paden niet verdraaien,quot; zegt Joël. „zij zullen daarhenen trekken elk in zijne baan, en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden. Wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft do kruid-worm afgegeten.quot; Hierdoor duidt Joël de verschillende out-wikkelingsstadiën der larven aan.

Tegenover dezen vijand vermag menschelijke macht niets anders dan haar onmacht te bekennen. Ze is als een geweerkogel tegen een vestingmuur, als een zwakke molendam tegen den machtigen Rijnstroom. Hier moet een hoogere hand hulp bieden. Daarom zegt Joël, die ten tijde van zulk eene plaag optrad; „Bekeert u van ganscher harte; en dat met vasten en met geween en rouwgeklag. Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, verzamelt het volk! Scheurt uwe harten en niet uwe kleederen en bekeert u tot den Heere, uwen God; wie weet. Hij mocht Zich wenden en berouw hebben, want Hij is genadig, barmhartig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.quot; En zoo is het, waar alle pogingen der menschen vergeefsch zijn, daar is een ademtocht des Heeren voldoende om een einde aan de plaag te maken. Een kille westenwind, vergezeld van koude, regen of dauw, is voldoende om het geheele vijandelijke leger in een enkelen nacht tot den laatste te verdelgen. zoodat slechts de lijken getuigen, wie het arme land zoo vreeselijk geteisterd hebben.

Zoo geschiedde het ook in de jaren quot;66 en \'68. Hevige westenwinden dreven de sprinkhanen naar de woestijn en naar de Doode Zee. Zoo zegt ook Joël (n:!20): „Ik zal dien van het Noorden verre van olieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest-land (de Syrisch-Arabische woestijn), zijn aangezicht naar de Oostzee (de Doode Zee) en

85

ocr page 102

SPii INK 1 IA NENPLAAG.

80

zijn einde naar de achterste zee (den Perzischon zeeboezem), en zijn stank zal opgaan en zijne vuiligheid zal opgaan, nadat hij groote dingen heefl gedaan.quot;

De sprinkhanen trekken zelfs over Gaza en Eltrisj naar Egypte, zooals ten tijde van Mozes om Farao te straffen. Ook toen ,bracht cte Heer een oostenwind in het land, dien ge-heelen dag en dien ganschen nacht: het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht; en do sprinkhanen kwamen op over gansch Egypteland en lieten zich neder aan al de palen der Egyptenaren, alzoo dat het land verduisterd werd, en zij aten al het kruid des lands op en al de vruchten der boomen, en daar bleef niets groens aan de boomen noch aan de kruiden des velds in het gansche Egypteland. „En toen de Heer de plaag deed ophouden,quot; lezen wij, „keerde de Heer een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee, er bleef niet één sprinkhaan over in al de landpalen van Egyptequot; (Exod. X: 19).

K L E E DIN G.

Wie voor het eerst te Jaffa den bodem van het Heilige Land betreedt, zal\'zich niet weinig verwonderen over de kleeding der eenvoudige landlieden. Het schijnt hem toe, dat zij het grootste gedeelte van hun gewaad thuis gelaten hebben: jas, broek, kousen, laarzen, halsboord en das. Zij dragen niets dan een hemd en trekken, zoo uitgerust, wel het heele land door. En zoodanig zal waarschijnlijk ook de dracht van Jezus\' jongeren geweest zijn, toen zij nog Galileesche visschers waren.

ocr page 103

KLEEDING.

87

Evenals ook heden nog do gewoonte is hij den arbeid, omgordden do discipelen zich bij do vischvangst om zich vrijer te kunnen bewegen. Wij lezen zelfs (Joh. XXI: 7) van den apostel Petrus, dat hij zich eens, vóórdat de Heer hem riep om- een visscher van menschen te worden, van zijn hemd had ontdaan om zijn werk bij de vischvangst gemakkelijker te kunnen verrichten. Luther vertaalt het oorspronkelijke woord kctonct gewoonlijk door lijfrok: dat was een hemd, zooals de boeren thans nog dragon en dat tot de knieën reikte. De Heer droeg vóór do kruisiging een bijzonder kostbare kétonet (Gr. JciJou). Deze was niet genaaid, maar uit één stuk geweven, waarschijnlijk een geschenk van de vrouwen, die Jezus en Zijne jongeren vergezelden en voor hun onderhoud zorgden. De soldaten bij het kruis beschouwden het als te kostbaar om te verdoelen en wierpen het lot er over. Dit hemd of onderkleed werd met oen gordel om de lendenen bevestigd. Bij de landlieden is die gordel van leer, bij de stedelingen van wollen, linnen of zijden stoffage. Gewoonlijk bevat hij eenige zakjes voor geld en andere zaken van waarde. Daarom zegt Jezus tot Zijne discipelen: „Verkrijgt u goud, noch zilver, noch koper in uwe gordelsquot; (Matth. X; Mark. VI). Over het hemd werd en wordt nog oen mantel gedragen, wanneer men niet aan don arbeid is of als men deftig wil zijn. Deze mantel, in do Schrift overkleed genoemd, is uit schapenwol, kemels- of geitenhaar vervaardigd. Hij wordt los om do schouders geslagen en valt in zware plooien neer. De stedelingen houden van zwarte of witte wollen mantels, mot gekleurde stiksels kunstig versierd. Zulk een mantel bedoelt Markus, als hij van den blinden Bartimeüs te Jericho verhaalt: „Hij wierp zijn kleed af, stond op en kwam tot Jezus.quot; Ook de Heer was gewoon Zich in zulk een mantel te hullen, als Hij in Gothsemané of aan do zee van Tiberias onder den blooten hemel vernachtte.

ocr page 104

KLEEDIXG.

In plaats van schoenen, droeg men in Jezus\'tijd voetzolen. In koudere streken is men in de noodzakelijkheid de voeten geheel te bedekken; hierdoor wordt dit schoon gevormde lichaamsdeel echter geheel aan het oog onttrokken of zelfs mismaakt. In het Oosten ging men barrevoets, of onder de zolen der voeten droeg men sandalen, lederen zolen, die met meer of minder sierlijke riemen om den voet en de enkels bevestigd werden. Hieruit volgt, dat de voeten bij het gaan bestoven werden. Daarom behoorde het bij een gastmaal tot de gewone vormen van wellevendheid de voeten te wasschen, vóór men de tapijten in de feestzaal betrad. De meer gegoeden bezaten hiervoor sierlijke bekkens, waarin de heer des huizes of zijne dienaren den gasten, dadelijk bij hun binnentreden, een voetbad aanboden. Dit mocht de Heer dan ook verwachten van den Farizeër Simon, daarom zegt Hij tot hem: .Ik ben in uw huis gekomen: water hebt gij Mij niet tot Mijne voeten gegeven, maar deze heeft Mijne voeten met tranen nat gemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd.quot; Waar deze gewoonte gevolgd werd, kwam een dienaar om de riemen der sandalen te ontbinden, voor welk dienstbetoon Johannes de Dooper zich tegenover Jezus te gering achtte. De tegenwoordige bewoners van het Heilige Land dragen gewoonlijk spitse schoenen van rood leder; alleen bij de Bedoeïenen zijn de sandalen nog in gebruik.

Wanneer iemand ergens een bezoek aflegt, trekt hij bij \'t binnentreden de schoenen uit ten teeken van eerbied en begroeting, zooals men inliet Westen den hoed afneemt, wanneer men in eene kamer komt.

Zoo riep ook de Heer uit het brandende braambosch Mozes toe: „Trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want deze plaats, waarop gij staat, is heilig land.quot;

Een hoofdvereischte in het Oosten is een hoofddeksel, dat

88

ocr page 105

KLEEDING.

tegen de zonnestralen bestand is; wie dit miste, dien zou het gaan als eenmaal den zoon der Sunamietische: hij loopt gevaar door een zonnesteek getroffen te worden, hetgeen doodelijk kan zijn. De welbekende donkerroode Turksche muts of fez wordt daarom met een grooten, dikken, veelkleurigen doek omwikkeld- Zelfs des nachts kan men het hoofd niet onbedekt laten. Ik ken eene vrouw te Jeruzalem, die altijd aan krampen leed, wanneer zij zich blootstelde aan den invloed van het maanlicht. Daarom zegt ook de CXXH0 Psalm: „Do zon zal u des daags niet steken, noch do maan des nachts.quot;

Johannes de Dooper droeg een kemelsharen kleed. Hiermede wordt niet bedoeld do van kemelshaar geweven mantel, die tegenwoordig nog in gebruik is, want dat zou niets bijzonders zijn geweest, en ook voor den strengen boetprediker niet gepast hebben, daar slechts meergegoeden zulk een kostbaren mantel van kameelwol, {„abdi/esquot;) konden bekostigen. Jezus zegt echter tot Johannes: „Wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mensch, met zachte kleederen bekleed ? Zie, die zachte kleederen dragen, zijn in der koningen huizen.quot; Waarschijnlijk is het, dat de Dooper slechts het vel van een kameel omgeslagen en dat met een lederen gordel bevestigd hield. Ook Elia de Thisbiet droeg zulk een vel, want de dienaren van Ahazia meldden hunnen heer: „Het was een man met een harig kleed, en een lederen gordel gegord om zijne lendenen.quot; Menigmaal heb ik landbouwers gezien in een schaapsvel gehuld, waaronder het hemd door een gordel werd te zamen gehouden. De stedelingen echter zijn rijker gekleed; zij houden van kostbare kleeding gelijk ten tijde van Jesaja en trachten den Europeanen niet slechts daarin te evenaren, maar hun de loef af te steken.

Op straten en markten ziet men vaak bedelaars, arme lieden, die, in plaats van een hemd en mantel, op achtelooze wijze

89

ocr page 106

KLEEDING.

slechts ecne verlepte, veelkleurige lap dragen, die misschien vroeger wit is geweest. Door middel van een riem wordt ze om het lijf gehouden, terwijl eene oude, vroeger rood gekleurde muts het toilet voltooit, dat een fatsoenlijk man niet zou willen aanraken. Zoo kwam ook de verloren zoon in het vaderlijk huis terug. Zijn vader echter, die hem niettegenstaande zijne lompen reeds van verre herkende, schaamde zich niet hem te gemoet te gaan, hem te omarmen en te kussen. Het treft ons, als wij lezen, hoe de vader zich haast om alle sporen van liet treurig verleden des zoons uit te wisschen: „Haast u, iiaast u! breng mij liet schoonste feestkleed (een kleed, in lange plooien neervallend, tegenwoordig van rood en geel gestreepte zijde). Breng mij sandalen voor zijne vermoeide en gewonde voeten! Een kostbaren ring aan do bezoedelde handen! Dadelijk het gemeste kalf geslacht en een feestmaal bereid! Want deze mijn zoon was dood en hij is levend geworden, hij was verloren en is gevonden!quot;

De Oostersche kleeding is zeer schilderachtig en overtreft . die der Westersche volken in smaakvolle schoonheid. Men behoeft niet veel ten koste te leggen aan dure stoffen, de Oosterling weet zich met geringe kosten te tooien, daar hij de kunst verstaat fraaie, levendige kleuren aan te brengen en zijn kleed in bevallige plooien om te slaan. Zijn edele, trotsche houding draagt daartoe veel bij. Heeft men met niet weinig overdrijving gezegd, dat in Italië zelfs de bodelaars hunne lompen met bevalligheid dragen, met veel meer recht kunnen wij dal zeggen van het geheele Arabische volk. voor zoover liet niet de dwaasheid heeft gehad het nationaal costuum voor de Europeesche kleedeipracht te verwisselen. Zoo moeien wij o. i. ons ook den Heer voorstellen: een hooge, mannelijke gestalte met edele houding, in de schilderachtige dracht der Oosterlingen, den mantel los om de schouders geworpen, waaronder

ocr page 107

KLEEU1XG.

91

het witte, uit één stuk geweven onderkleed zichtbaar was, het hoofd met den witten of gekleurden tulband bedekt. Men moet deze statige Oostersehe gestalten, waarmee de inlandsche bijna geheel overeenkomen, gezien hebben om ten volle te kunnen beseffen, hoe onjuist de voorstellingen zijn, die do zoogenaamde „realistischequot; richting der nieuwere kunst ons geeft van gewijde tooneelen en tafereelen in Palestina. Wie bijbelsehe lafereelen naar waarheid wil schilderen, moet Palestina bezocht hebben. Werd dit door onze hodendaagscho schilders beter ingezien, zoo zouden zij voor dergelijke dwaze fouten bewaard blijven.

DE WONINGEN IN PALESTINA.

Bij het bouwen der huizen draagt men altijd zorg, dat de fondamenten op rotsgrond rusten, al moet men daartoe ook 5, 10 tot 15 meter diep graven. In Jeruzalem, waar de bouwvallen dor stad uit vroegere tijdperken de oen op den anderen liggen, moet men soms 70. 80, ja zelfs 100 voet diep graven. Noemt men deze voorzorgsmaatregelen niet in acht, dan loopt het gebouw gevaar te scheuren en ten slotte in te storten, „als do plasregens nedervallen en de watorstroomen komen.quot; Een bouwmeester, wiens werk het dus vergaat, wordt te recht door elkeen als een dwaas bespot. De aarde wordt n.l. door de groote hoeveelheid water, die in den regenlijd valt, tol op oene diepte van verscheidene voeten doorweekt. Zijn de fondamenten niet diep genoeg gelegd, dan is do bodem te week, dan dat het gebouw do hevige stormvlagen van den regentijd

ocr page 108

UE WONINGEN IN PALESTINA.

zon kunnen weerstaan. Vandaar do /,00 passende gelijkenis, door don Heer aan het eind der Bergrede uitgesproken i „Een iegelijk dan, die deze Mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op liet zand gebouwd heeft; en de slagregen is nedergevallen en de waterstroomen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangeslagen en het is gevallen en zijn val was groot.quot; Een Berlijnsch architect zeide eens, dat de Heer dit toch beter had moeten wéten, want geen huis stond vaster dan dat, hetwelk men in de mark Brandenburg op het zand had gebouwd. De man was echter niet met de Schrift bekend, anders zou hij geweten hebben, dat Lukas ons verhaalt: „Een iegelijk, die tot Mij komt en Mijne woorden hoort en dezelve doet. Ik zal u toonen, wien bij gelijk is. Hij is gelijk een niensch, die een huis bouwde, en verdiepte en leide het fundament op eene steenrots; als nu de hooge vloed kwam, /.00 sloeg de waterstroom tegen dit huis aan en kon het niet bewegen, want het was op de steenrots gegrond. Maar die ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mensch, die een huis bouwde op de aarde zonder fundament, tegen hetwelk de waterstroom aansloeg en het viel terstond en zijn val was groot.quot;

Wanneer het onmogelijk is de fundamenten op eene rots te leggen, dan moeten zij op zijn minst even diep in den grond steken, als het gebouw hoog wordt, anders loopt het gevaar in te storten, daar zij geheel van steen en met gewelven gebouwd worden en dus wel twintigmaal zoo zwaar zijn als de huizen in de Westersche landen. Het geheel wordt gedragen door de hoeken en pijlers, waaraan dus de grootste zorg moet worden besteed. De beste steenen worden voor do hoeken uitgezocht; wanneer er maar iets aan scheelt, worden zij, als voor dat doel onbruikbaar, ter zijde gelegd. Daarom waren

92

ocr page 109

IIE WONINGEN IN PALESTINA.

\'sHecren woorden voor allen verstaanbaar, toen Hij zeide: „De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks.quot;

Velen verstaan onder den hoeksteen den sluitsteen, die boven in het gebouw gemetseld is en het gewelf samenhoudt. Ts deze steen niet zonder gebrek, of niet met zorg bewerkt en ingevoegd, dan mist het gebouw alle vastheid en kan plotseling instorten, al is het overige nog zoo stevig en degelijk afgewerkt. Dit denkbeeld is inderdaad nog schooner om ons de beteekenis van ties Heeren Persoon zelf voor den bouw van hot Godshuis voor te stollen, want een gebouw heeft meer dan één hoeksteen, terwijl de sluitsteen de voornaamste is van al do steenen. Toch is deze nitlegging meer of min gezocht , daar er duidelijk sprake is \'van een hoeksteen of „hoofd des hoeksquot;, en die steen moet, zooals de Arabische bouwmeester, die het zendelingshnis Ie Betsjala bouwt, zich uitdrukt, niet alleen het gewelf dragen, maar. ook de richting en den vorm van het geheele gebouw aangeven.

Wanneer men getuige is van de inwijding van eeno woning, gevoelt men zich als verplaatst in den tijd, toen de Israëlieten Egypte verlieten. Onlangs nog wijdde een ouderling der Protes-tantscho gemeente zijne nieuwe woning in; want niemand betrekt zijn nieuwgebouwd huis, voordat deze plechtigheid is volbracht. Hiertoe slachtte liij Iwee geitebokken; het bloed werd opgevangen en met een kwast aan alle deuren, deurposten en drempels gestreken in den vorm van een kruis. Toen werd er een toespraak gehouden in aansluiting aan den tekst: „Zoo de Heer het. huis niet bouwt, tevergeefs werken de bouwlieden daaraan.quot;

Ook de Mohammedanen bestrijken bij het inwijden hunner woningen de deurposten met bloed, doch niet in den vorm van een kruis; zij maken slechts groote, vormelooze vlekken.

93

ocr page 110

DE WONINGEN IN PALESTINA.

Deze gewoonte is ontstann uit don volkswaan, dat eene nieuwe woning onverbiddelijk een offer vereischt, en de vrouw of een kind of zelfs de huisheer spoedig sterft, wanneer men verzuimt deze daad van verzoening te volbrengen. Ongetwijfeld is dit nog een overblijfsel van het oude Paaschfeest, want ook de beteekenis van dit gebruik herinnert ons aan Mozes\'woorden: „De Heere zal doorgaan om de Egyptenaren li1 slaan; doch wanneer Hij liet bloed zal zien aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zoo zal de Heere de deur voorbijgaan en den verderver niet toelaten in uwe huizen te komen om te slaan.quot;

Huizen, dorpen en steden worden bij voorkeur op heuvels en bergen gebouwd. Zij staan daar veelal als wachtposten, vanwaar men den geheelen omtrek kan overzien. Zulk eene stad was het, waaraan de Heer dacht, toen Hij daarmede de kinderen des lichts vergeleek, wier hemelsche wandel voor niemand verborgen kan blijven: „Gij zijl het licht der wereld; eene stad, boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.quot;

De bewoners der woestijn of steppen daarentegen volgen nog steeds het voorbeeld van hunnen aartsvader Abraham, die in tenten woonde en met zijne kudden van de eene plaats naar de andere trok. Deze tenten rusten op stijlen of op een enkelen middenstijl, andere zijn met koorden en palen in den grond bevestigd. Een man kan ternauwernood in zulk eene tent staan; toch weten de bewoners, die ongelooflijk weinig behoeften hebben, het zich in hunne vervoerbare woning zeer aangenaam en gemakkelijk te maken. Door middel van een doek of tapijt, dat boven in de tent bevestigd wordt, doelen zij er in een oogenblik een kamertje in af, waarin zij, bij gebrek aan sofa en stoelen, op hun gemak neerzitten op den vasten, moederlijken grond, even goed als de stedelingen op hunne zachte kussens, en ik ben verzekerd, dat zij niet gaarne met

94

ocr page 111

I.\'E WONINGEN IN PALESTINA.

de laatston zouden willen ruilen. Levert de plaats, waar zulk een Bedoeïnenstam zich nedergeslagen heeft, geen genoegzaam voeder meer op voor het vee, dan worden de tenten, 20 50 in getal, opgebroken en op kameelen geladen en zoo trekken zij voort, totdat zij weer eene gesdiikle plaats vindon om xe op te slaan, evenals vroeger de aartsvaders, die het geheele land doorkruist hebben, van Dan tot Berseha, ja tot zelfs aan Egypte. Deze tenten worden iioofdzakelijk uit zwart geitenhaar vervaardigd en laten geen droppel regenwater dooi-. Enkele munten door grootte en schoonheid boven de andere nil. Zoo zal vader Abraham zeker een ruimer en fraaier tent gehad hebben dan zijne herders. Toen de drie mannen hem bezochten in het eikenbosch van Mamrc, zal hij voor de deur zijner tent, terwijl zijne vrouw Sara zich in een afzonderlijk vertrek bevond. In sommige streken is liet vervaardigen van tenten een der voornaamste takken van bedrijf. Als men het, land doorreist, ziet men hier en daar mannen en vrouwen daarmee bezig. Dit herinnert ons aan den apostel Paulus, die als lentenmaker zijn brood verdiend heeft, zelfs nadat de Heer hem had uitgezonden om de Blijde Boodschap te verkondigen.

De Oosterling is over liet algemeen niet zoo aan zijn te huis gehecht, als de bewoner der Westersche landen. Des zomers worden do dorpen bijna geheel verlaten en houdt men verblijf in de wijnbergen en hoven onder wijnstok en vijgehoom. Gewoonlijk worden dan loofhutten gebouwd in tuin of veld en brengt men den warmen zomertijd door in gezelschap van tam en wild gedierte en gevogelte. !)it is de oorsprong van het Loofhuttenfeest.

95

ocr page 112

M U Z I E K.

Tonen, hnrmonioën on inolodicën worden niet alleen dooide luclit gedragen, maar ook weggevoerd; vandaar dat wij zoo weinig ojt de hoogte zijn van de muziek nit het verleden. De kunst om muziek op papier te brengen dagtoekenl eerst nit don lijd van Karei den Grooten. Wij kennen dan ook op zijn best don tekst der liederen, door de oude Grieken, Ro-moinon en Israëlieten gezongen en gespeeld. Om eenigszins op de hoogte te komen van do daarbij bohoorondo wijzen moeten wij ons weder wenden tot de tegenwoordige bewoners van Palestina, daar wij in hunne liederen eeno sterksprokende over-oonkomst vindon mot de oud-Hebreouwsehe gezangen.

De eerste vorm, waarin de dichtkunst voorkomt, is do rhylh-mns, bestaande in het gelijkmatig verheffen en doen dalen der stom. Eerst op hoogoren trap komt or de melodie bij, dio als \'t ware de uitdrukking van denzelfden inhoud is in eeno andere; taal. De Oostersche volken zijn op den oorston en laag-sten trap blijven staan. Eigenlijke molodieën oi\' zangwijzen konnon zij niet; van den Nijl lot den Eufraat zou men tevergeefs zoeken naar een melodisch volkslied, of harmonische accoorden. Ik houd mij verzekerd, dat wij, Europeanen, ons zeer weinig gesticht zouden gevoeld hobbon door eeno gods-dienstoofening in don tempel te Jeruzalem, waar do priesters on het volk Davids psalmen aanhieven.

Bij de liederen, in Palestina gebruikelijk, is de rhythmus ol\' maat de hoofdzaak. Geen volk ter wereld heeft daarvoor zooveel aanlog, goeno taal, die er zich beter toe leent. Do kleine kinderen, dio nauwelijks kunnen spreken, heffen rhyth-mische liedoren aan; do kleinste leerlingen onzer school kunnen

ocr page 113

MUZIEK. 97

de buigingen der woorden, spreuken en liederen slechts op die wijze opzeggen, terwijl zij zich op de maat heen en weer bewegen. Wanneer zij een doortrekkenden vreemdeling, naar lands gewoonte, uitschelden, geschiedt dit altijd in rhytlimisclie en berijmde regels. Het is eene onjuiste bewering, dat de Israëlieten geen werk maakten van den rbythmus der woorden, maar zich met den rbythmus der gedachten, het zoogenaamde parallelismus tevreden stelden, waarbij de gedachte van de tweede helft van een regel met die van de eerste helft overeenstemt. Ik voor mij geloof, dat allo psalmen der oude Isralie-ten in een even vrije, vroolijke en natuurlijke maat werden aangeheven als de liederen der tegenwoordige bewoners van Palestina. Een gedachten-rhythmus moge voor gedrukte poezië goed zijn, hij past niet voor de liederen Slons, die voor levendig volksgezang waren vervaardigd. 1)

Het gezang der Arabieren staat weliswaar bekend als zeer onwelluidend, een onuitstaanbaar neusgeluid. Dit beeft echter niets gemeen met hun koorgezang. Eigenlijk volksgezang bij bruiloften, begrafenissen enz. wordt nooit floor iemand afzonderlijk, maar altijd door koren uitgevoerd, waarbij de maat-wordt aangegeven door do bewegingen van het lichaam, terwijl dansen en gelijkmatige bewegingen in reien er onafscheidelijk aan zijn verbonden. Zang en dans, waarbij destijds gelijk nog lieden beide geslachten altijd van elkaar afgezonderd waren, gingen altijd gepaard. Mirjam aan de Roode Zee, Jefta\'s dochter mot hare vriendinnen, David voor do Arke des Verbonds dansten in reien; de profeten bezigen het als een zinnebeeldig bewijs voor don bloei van het volk, terwijl do psalmdichters uitroepen: „Looft Hem met luit en reien!quot;

\') Bij \'t gemeenschappelijk aanheffen van een lied is do maat een volstrekt vereischte.

7

ocr page 114

I

98 MUZIEK.

Gewoonlijk verdoelen de zangers zich in twee koren, die elkaar de woorden van liet lied toezingen. Bij bruiloften en begrafenissen worden de liederen meestal onder het zingen door den voorzanger gedicht. Het eerste koor herhaalt de woorden, waarop de andere voorzanger met zijn koor antwoord geeft. De woorden worden dikwijls twintig, veertig tot honderd maal met onvermoeide opgewektheid herhaald, totdat de voorzanger eene andere uitdrukking aangeeft. Door vroolijk handgeklap en geregelde bewegingen van armen en beenen wordt de maat aangegeven, terwijl het hoofdaccent eenvoudigquot; met geklap en bepaalde gebaren vergezeld gaat. Het is onbetwistbaar, dat ook de Israëlieten dergelijke gewoonten hadden. Slechts enkele proeven van volkspoëzie zijn ons bewaard gebleven; maar die zijn duidelijk genoeg, om ons aan te toonen, dat de tegenwoordige volksgewoonten zeer weinig van de vroegere verschillen.

Wij zullen dit door eenige voorbeelden trachten op te helderen.

Voor eenigen tijd was in onze nabijheid een man door een kameel gedood en werd hot volgende lied door de weeklagende vrouwen aangeheven:

A: Léesj dii\'iisto R: ér ridjal A: Léesj qatalto lgt;: ja djamal!

Woordelijk vertaald:

Waarom hebt gij hem vertreden, den man,

Waarom hebt gij hem gedood, o kameel!

(A. en B. zijn hier het eerste en tweede koor, die zich beurtelings laten hooren.)

Bij het vervaardigen dezer volksliederen, waarvan het hierboven genoemde al een der eenvoudigste is, worden dc maat en de klemtoon geregeld naar de gemoedsstemming, die tot het zingen der liederen aanleiding geeft.

ocr page 115

MUZIEK.

Nog volgen Mor oen paar voorbeelden van oud-Israëliotischén zang.

Het gansche Israëlietische volk bevindt zich aan den oever dor Schelfzee. Zij hebben aanschouwd, hoe Jehova koning Farao on zijn krijgslieden in de golven der Roode Zee deed omkomen. Daar treedt plotseling Mirjam, Aarons znster, uit de volksmenigte te voorschijn. Zij heeft een trommel in de hand en wordt door alle Israëlietische vrouwen in den reien-dans gevolgd. Tambonrijnen, cimbalen en pauken begeleiden het gezang. Mirjam zingt voor en de anderen herhalen of antwoorden.

A : Sjiroe l\'jahvéh IJ: ki goóli goóli

A; Sus verokbó B: Eamah bajjam

d. w. z. A; Laat ons den Heere zingen, B: Want Hij heeft een

lieerlijkc daad gedaan,

A: Man en paard: B; Heeft Hij in de zee

geworpen.

Waarschijnlijk zong Mirjam telkens A., terwijl B. door het geheele koor gezongen werd, zooals dit ook nog heden ten dage geschiedt. Beurtgezang van mannen- en vrouwenkoren, waarvan sommige Bijbelverklaarders spreken, komt nooit voor. Dit lied is schijnbaar zeer kort en wie met de gebruiken in het Oosten niet op de hoogte is, zou spoedig in de verzoeking komen, dit lied als eon uittreksel van het oorspronkelijke grootere gedicht te beschouwen. Doch, naar alle waarschijnlijkheid, bevatte het niet meer woorden. Het was, zooals het hier boven aangehaalde, een echt Oostorsch lied voorgezang en reiendans, dat, onder dartele bewegingen, wellicht honderdmaal herhaald word.

Nog een volkslied.

Toon hel triomfeerende leger van Israël van de zegepraal

99

ocr page 116

MUZIEK.

over Goliath on do Filistijnen tcrngkeerde, kwamen do vrouwon uit de verschillende steden van het land den krijgers te gemoet „met gezang en reien, mei trom melen, met vreugde, en met muziekinstrumenten (letterlijk: triangels).

„En do vrouwen spelende, antwoordden elkander en zeiden:

A : Hillt;kah sjaoel ba\'alalaf 11: Vcdavi\'d berif\'botav !

Saul heeft duizend verslagen , B ; Maar David tienduizend.quot;

Wij zien als het ware voor ons die vroolijke, dansende en zingende vrouwen, die, in twee koren verdeeld. haar beurtgezang deden hooren. De liederen waren juist geschikt voor de wijze, waarop zij voorgedragen werden, of liever dat tweeledige (parallelismus), dat alle Hebreeuwsche poëzie kenmerkt, is aan de wijze van ontstaan te danken. Het eene koor bevestigt, verklaart of vult de vershelft van het andere aan. Twee koren, twee versleden. Gelijk bij een danspas twee voetbewegingen behooron, zoo schrijdt ook het gezang huppelend voort. Eene ademhaling, met haar twee stroomingen. Twee kinderen, die op de groene weide spelen on elkander om beurte eene geurige bloem toewerpen. Deze oorspronkelijke, levendige, „dubbel-zinnigequot; vorm bleef de Hebreenwsclie. poëzie eigen en wij vinden dien ook bij den grooten dichter, die zoowel de koningskroon als den lauwerkrans droeg, terug.

In Davids psalmen en in dichtstukken van lateren tijd, waarvan sommige niet voor gezang bestemd waren, kan men toch overal den oorspronkelijken dichttoon herkennen. Wij noemen slechts Psalm XXIII.

A. De Heer is mijn herder!

li. Mij zal niets ontbreken.

A. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. ■

li. Hij voert mij zachtkens aan zeor stille wateren.

100

ocr page 117

MUZIEK.

Het meerendeel der psalmen intusschön is vervaardigd om gezongen te worden: zoo wordt b.v. in Psalm CXLVI1 de menigte tot zingen opgewekt met de woorden:

„Zingt den Heere bij beuvte met dankzegging,

Psalmzingt onzen God op de harp.quot;

Thans zal het ons ook duidelijk worden, waarom in den CXXXVIstc11 Psalm aan het einde van ieder vors de woorden herhaald worden: „ Want Zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.quot;

Wij mogen dit eentonig vinden, wanneer wij dezen psalm lezen, doch, wanneer wij ons voorstellen, dat de voorzangers bij het zingen in den voorhof plaais namen en het eerste deel van ieder vers deden hooren. waarna het gansche volk telkenmale met hetzelfde referein antwoordde, dan gevoelen wij, dat er iets zeer plechtigs en aantrekkelijks in deze wijze van voordracht moest gelegen zijn.

Thans zal het ons ook duidelijk zijn wat het opschrift boven sommige psalmen: ,Voor den opperzangmeesterquot; ilmri-nasscach) te beteekenen heeft.

Nog heden ten dage treft men in Palestina voorzangers of zangmeesters aan. Dezen zingen de liederen aan het volk voor, of zingen de solo\'s, waarna de menigte hun antwoordt. Op deze wijze werden zonder twijfel Ps. CXXXVI en CXV1I1 gezongen, waarbij de tweede helft van het vers steeds hetzelfde is en het volk slechts de laatste helft te kennen of te onthouden had. Bij de meest bekende psalmen werd waarschijnlijk het eerste deel door een koor van priesters en het tweede deel door het volk gezongen.

Dat ook in het voorhof des tempels de reiendansen — waarbij het ook thans nog evenals vroeger meer op vroolijke gebaren en sprekende bewegingen dan wel op veel springen en huppelen aankomt, — in zwang waren, blijkt hieruit, dat

101

ocr page 118

MUZIEK.

do verschillende slaginstrumenten, die bij den reiendans gebruikt worden, zooals pauken, cimbalen, trommels enz. dikwerf in de Psalmen genoemd worden, alsmede uit de bepaalde oproeping toi den reiendans, zooals in Ps. CL.

De behoefte aan begeleiding van het gezang ter wille van de maat deed zich reeds vroeg gevoelen. De eerste en eenvoudigste begeleiding was het handgeklap, dat reeds spoedig door het tegen elkander slaan van schelklinkende metalen voorwerpen vervangen werd. Later had men nog andere speelLuigen, die de herders vervaardigden, terwijl zij met hunne kudde in het veld waren, en die zij in hunne eenzaamheid bespeelden.

In de Psalmen van David lezen wij reeds van vele instrumenten. Wij moeten ons echter niet al te veel van deze instrumenten voorstellen en ons evenmin een te groot denkbeeld maken van de harmonie der tonen, die ze voortbrachten.

Een krachtig klinken van heldere of meer doffe tonen drukte het gevoel van vreugde of smart uit, dat den zanger vervulde. Het gezang bleef steeds de hoofdzaak, de begeleiding bijzaak.

Door sommigen wordt beweerd, dat wereldsche poëzie in Israël geen gelegenheid had zich te ontwikkelen, naardien men zich uitsluitend op het godsdienstig gezang toelegde; doch zij, die aldus spreken, dwalen schromelijk. Men behoeft het Oude Testament slechts op te slaan om van het tegendeel overtuigd te worden. Ontelbare malen wordt hierin van juichen, zingen en dansen gesproken. Bij ieder volksfeest. bij elke bruiloft. bij elk sterfgeval, in iederen wijnberg ten tijde van den wijnoogst werd gezongen en gedanst in reien. Zelfs bij de wegvoering naar Babyion kon men van de muziekinstrumenten niet scheiden, zoozeer was men eraan gehecht. Al weenende hing men in \'t land der ballingschap de harpen, die aan de vroegere dagen van vreugde en geluk herinnerden, aan de wilgen.

102

ocr page 119

MUZIEK.

Geen dezer wereldsche volksliederen bleef ons bewaard. Het waren slechts korte uitdrukkingen van vreugde en smart, ontboezemingen van hetgeen in het hart omging, kinderen van het oogenblik, gelijkende op de bovenaangehaalde liederen van Mirjam en van de vrouwen uit Sauls tijd. Men keurde deze liederen niet waardig, om, zooals de Psalmen, voor het nageslacht bewaard te blijven. Daaraan is het toe te schrijven. dat van een volk, welks levendige hartslag zang en poëzie was en welks beeldrijke taal louter poëzie is, in welks heilige Schriften tailooze malen de opwekking klinkl om te zingen, te juichen, te loven en te prijzen, zoo weinige volksliederen zijn overgebleven, dat men op de gedachte is gekomen, dat het hun aan gezang geheel en al ontbrak.

Hoe menigmaal hebben tnsschen Palestina\'s gebergten de vroolijke bruiloftsliederen weerklonken! Hoe liefelijk was het er „de stem des bruidegoms en der bruid,quot; het gejubel in den oogsttijd en het vroolijk geschal op de wijnbergen te vernemen. Maar, helaas, „de zilveren beek is verstikt, de dochteren des gezangs zijn ingeslapen.quot;

Van al deze liederen bleven ons alleen de paarlen, namelijk de Psalmen, bewaard, die al de eeuwen door hebben geklonken, zonder dat hun liefelijke schoonheid eenigszins is verminderd. De voortzetting van het volksgezang hoort men intusschen nog heden op de bergen.

Zoo kunstvol als onze hedendaagsche liederen, waren die zangen weliswaar niet. Doch wie den rechten zin heeft voor edelen, heiligen eenvoud, die moet meer smaak vinden in die heerlijke psalmen, dan in de liederen, waarmede de oude Grieken tegen elkaar wedijverden, hoe treilend schoon ook door maat en klank. „De muziek van een Griekschen virtuoos,quot; zegt de Wandsbecker Bote, „die meer dan eens een prijs had behaald, verhoudt zich tot de psalmen Davids onge-

103

ocr page 120

MUZIEK.

veer als een solo van een vluggen. bevalligen danser tot het huppelen van den man Gods voor de Arke des Verbonds.quot; En nu moet niemand denken, dat deze eenvoudige maatzangen, welke niet meer dan de noodzakelijkste bewegingen eener melodie bezitten, niet geschikt waren, smart of vreugde op passende wijze te ontboezemen. Veel meer is dit gemeenschappelijk roerend zingen of spreken (waarbij natuurlijk allen dezelfde toons-hoogte behouden), in al zijn eenvoud een getrouwe afspiegeling van de aandoeningen der zangers. Bij vroolijke liederen, bruiloft-, feest- en triomfzangen, verheft zich de stem natuurlijk bij de eerste regels in snelle maat en daalt in de tweede eenigszins in melodischen toonval. Geheel anders gaat het bij de klaagliederen. Zij zijn dikwijls buitengemeen roerend en aangrijpend. Wie ze eenmaal gehoord heeft, zal ze niet licht weer vergeten. Ook hier is alles gevoel, alles natuur, alles onmiddellijke uitstorting des harten. Gelijk bij hen die weenen, begint de eerste uitdrukking in zekere toonshoogte, doch hare smartvolle klanken dalen ras tot een treurigen toon, als voelde men alle vreugde en hoop wegsterven, als zag men alle levenslicht voor altijd uitblusschen.

De voornaamste dichters waren oogenblikkelijke vreugde en oogeiiblikkelijke smart. En wie zou durven ontkennen, dat juist in de gedichten, door de aandoeningen van het oogenblik ingegeven, inderdaad een deel van de levendige, zuiverste volkspoëzie is gelegen, die wij zoo weinig kennen, omdat wij slechts van buiten geleerde of uit boeken gelezen liederen van anderen zingen? Zoo was Israël een zanglustig volk, van liederen rijkelijk voorzien. Zij hadden geen schoone melodieën, zij zochten geen kunstige voetmaat. Zij antwoordden elkaar en juichten elkaar toe, zij huppelden tot elkander, zij weenden en klaagden tegen elkaar, zoodat klacht en traan elkaar als \'t ware wekten en uitlokten. Hunne verloren gegane volkspoëzie

104

ocr page 121

MUZIEK.

was als \'l gebloemte des vekls, even snel verdwenen als verschenen. Met de opeenvolgende geslachten bloeide en verwelkte zij; alleen het woord des Heeren, dat van Israels harpen en psalteren rnischte, is gebleven en blijft tot in der eeuwigheid.

M A A L T I.I D E N.

In de Westersche landen is het middagmaal de voornaamste maaltijd van den dag. In het Oosten geeft men hiervoor de voorkeur aan den avond, omdat dan de atmosfeer door den zeewind meer of minder is afgekoeld. Daarom is er in de Schrift hoogst zelden van een middagmaal, zeer dikwijls echter van een avondmaal sprake. Het feestmaal bij hot Paaschfeest was een „avondmaalquot;, vandaar dat die naam gebleven is voor de bediening en \'t gebruik van het sacrament.

W anneer de Europeanen een gastmaal aanrichten, stellen zij er een eere in hunnen gasten kostbare, fijne wijnen voor te zetten. Dit is bij een gastmaal in het Oosten van minder belang, hoewel de wijn van Palestina geurig en krachtig is. De Mohammedanen mogen, zooals men weet, eigenlijk geen wijn drinken. Frisch water, limonade en koffie zijn de voornaamste dranken, terwijl vleesch de hoofdschotel uitmaakt. Wanneer er in een huis geslacht wordt, is het feest. Evenals Abraham bij het bezoek der drie mannen dadelijk een kalf liet slachten, hoort men ook bij de Bedoeïenen, wanneer een vreemdeling hen komt bezoeken, dadelijk den uitroep: „Komaan, laten wij slachten!quot; Daar er in de meeste plaatsen geen vleesch-houwers wonen en ze er ook niet noodig zijn, omdat bijna

105

ocr page 122

MAALTIJDEN.

iedereen vee heeft, is in dit land geen feest denkbaar, waarop niet één of meer schapen of bokjes geslacht worden. Ook bij de feesten, waarvan het N. Testament melding maakt, was dit het geval. In de gelijkenis van de koninklijke bruiloft lezen wij: .Zie, ik heb mijn middagmaal bereid; mijne ossen en gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.quot; De gelukkige vader, die zijn verloren zoon wedergevonden had, zegt vol vreugde tot zijne knechten : -Brengt het gemeste kalf en slacht het en laat ons eten en vroolijk zijn.quot;

Ook de eeredienst en de godsdienstige feesten, zooals het Paaschfeest, sloten zich ais \'t ware aan bij dit algemeen gebruik. In de volksgewoonten en gebruiken werd een hoogere zin en diepere beteekenis gelegd, zij werden als \'t ware sacramenteel gemaakt om de aandacht van de aardsche gaven en genietingen af te leiden en te vestigen op den genaderijken Gever van al het goede. Elke familie richtte naar landsgebruik op de voorgeschrevene wijze op Paschen een feestmaal aan en gedacht daarbij de genadige uitredding uit Egypte. Als toespijs wordt ook nog heden brood met „bittere kruidenquot; gebruikt, _bij voorkeur neemt men daartoe het geurige, smakelijke sa\'tar.

Ter eere van een gast wordt nog heden ten dage in den regel een avondmaaltijd bereid, gelijk als ten tijde van Jezus\' omwandeling.. Bij de Bedoeïenen, die als de aartsvaders in tenten wonen, bestaat het maal eenvoudig uit geiten- of schapen-vleesch, rijst, gesmolten vet en ongezuurd brood, waarbij de .bittere kruidenquot; niet mogen ontbreken. De spijzen worden met de handen opgenomen uit groote houten schotels, waarin men op een anderen tijd ook het gezicht, handen en voeten en kleederea wascht. Het brood wordt in smout of vette sjeu gedoopt. Gewoonlijk verdeelt de huisvader of een persoon, die

106

ocr page 123

MAALTIJDEN.

ontzag heeft, het vleesch onder do aanzittenden om te voorkomen, dat een van hen zich het leeuwenaandeel zon toeëige-nen. Naarmate men de aanzittenden meer of minder wil eeren, wordt hun een grooter of kleiner stuk toebedeeld. Zoo lezen wij ook, dat bij het eerste bezoek van Saul aan den profeet Samuel, deze den gast bij het offerinaal. waar dertig genoodig-den aanzaten, het beste stuk deed voorzetten, dat voor hem was bewaard. Alle genoodigden gebruiken de rijst uit een en denzelfden schotel, waarop degene, die uitdeelt, ook de stukken vleesch voor ieder der aanzittenden neerlegt. Langs de wanden der tent zitten gewoonlijk nog verscheiden Bedoeïenen, onge-noode gasten, die de spijzen met begeerige blikken gadeslaan. Degene, die het vleesch verdeeld heeft, eigent zich nog de helft van het overgeblevene toe, terwijl hij de andere helft aan den een of ander der hongerige bijzittenden toewerpt, die het met het grootste genoegen verorbert.

Waar de Europeesche zeden haren invloed nog niet hebben doen gelden, vinden de maaltijden ongeveer op deze wijze plaats. In de steden maakt men wat meer omslag en gebruikt men borden, lepels en vorken. Zij, die met de hand de spijzen aanvatten, weten ze zoo behendig en op zulk een bevallige wijze op eenigen afstand in den mond te werpen, dat wij hen deswegen moeten bewonderen.

Er wordt in Palestina geen rekening gehouden met den rang en stand der gasten. Verschil in beschaving en ontwikkeling is hier trouwens weinig. Men verlangt alleen van hen, dat zij in feestgewaad verschijnen, In de gelijkenis zegt dan ook de gastheer tot één der gasten: „Vriend, hoe zijt ge hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende?quot; Nn begrijpen wij ook. dat de Heere Jezus tot Zijn gastheer zeggen kon: „Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo noodig armen, verminkten, kreupelen, blinden, en gij zult

107

ocr page 124

MAALTIJDEN.

zalig zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden; want het zal ii vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.quot; Wanneer wij nog heden die vermaning ter harte nemen, zal die zelfde zegen ons deel worden, hoewel wij, bij de gewoonten, die in ons vaderland heerschen, niet letterlijk daarnaar behoeven te doen. De Heer wil den hoogmoed der rijken bestraffen, die zich voor beter houden dan hunne minvermogende of arme medemenschen, en het als eene vernedering beschouwen broederlijk met minder bedeelden om te gaan. In de gelijkenis stelt Hij hun den heer tot voorbeeld, die zijne knechten in de straten en stegen der .stad zendt om de armen. lammen, kreupelen en blinden te noodigen tot den maaltijd. Hoewel de Heer daarmede eene buitengewone gastvrijheid wil aanduiden, is zulks bij de Oostersche toestanden meer denkbaar dan bij ons. Het huis van den Oosterling staat bijna voor een ieder open. Men behoeft zich niet te laten aandienen, wanneer men deel wil nemen aan een gastmaal. De deuren staan alle open; vandaar dat bij het gastmaal, door den Farizeër aan den Heer aangeboden, ook de zondares vrijen toegang had; zij kon ongehinderd tot Hem naderen en Hem do voeten zalven.

De van ouds geroemde gastvrijheid der Oosterlingen komt bij zulk een gastmaal schitterend aan het licht. Mildheid en voorkomende vriendelijkheid moeten hoofdtrekken zijn in het karakter van den gastheer. Eene blijmoedige stemming heerscht onder al de aanwezigen. Het geldt voor een teeken van vrede en goede verstandhouding, wanneer men te zamen eet en zijn brood in denzelfden beker doopt. Wanneer twee elkaar vijandige personen vrede sluiten, moet dit door een gemeenschappelijk maal bekrachtigd worden. De schuldige brengt als \'t ware een zoenoffer, wanneer hij zich naar den beleedigdo begeeft en hem en zijnen geburen een feestmaal aanbiedt, dal, naarmate de strijd hevig geweest is, uit éf\'n of meerdere schapen en een

108

ocr page 125

MAALTIJDEN.

ketel rijst met koffie bestaat. Omdat zulk eene verzoening van zoo groot belang is, wordt ons daarvan ook uitdrukkelijk verhaald in de geschiedenis van den aartsvader .Jakob. Hij was in bittere stemming van zijn schoonvader gevlucht, die hem echter zeven dagreizen ver achtervolgde. Op Goddelijk bevel sprak hij evenwel vriendelijk met Jakob, toen hij hem ontmoette, en ten bewijze dat zij zich verzoend hadden, offerden zij op den berg en aten te zamen, na ook hunne metgezellen tot deelname aan den maaltijd te hebben genoodigd. Den volgenden morgen scheidden zij van elkaar met zegenwenschen en heilbeden. Laban trok naar het Oosten, naar Mesopotamië, •Jakob naar liet Westen, naar Kanaan. — Is dit maal des vredes, waarbij de hoofdpersonen vTiak na langen tijd voor \'t eerst Uit één schotel eten, geëindigd, dan is er ook een einde aan allen strijd; vrede on vriendschap zijn hersteld. Daarom viel het den Heer des te zwaarder om van Judas te moeten zeggen: „Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.quot; Vandaar ook. dat de Farizeën zich zoozeer daaraan ergerden, dat de Heer met de tollenaren en de zondaren at, want Hij kon Zijne liefde tot hen niet duidelijker kenbaar maken, dan door met hen uit éénen schotel te eten. Het vertrouwelijk aanliggen aan den maal lijd wordt door den Heer ook als beeld gebruikl voorde innige gemeenschap, waarin Hij tot de Zijnen staat. Hij staat voor de deur als een vriend, die aan den maaltijd deel wil nemen: „Indien iemand Mijne stem zal hooren en de deur opendoen , Ik zal tot hem inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.quot;

Ook waar de Heer don blik vestigt op de voleinding aller dingen, dient Hem zulk een gastmaal .als zinneboeld, waar Hij in den geest ziet, boe de volkeren uit het Noorden en het Zuiden zullen komen on aanliggen in het rijk Gods. „Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruilof! des Lams.quot;

109

ocr page 126

BRUILOFTEN.

Eone bruiloft wordt in de Oostersche landen door oud en jong met de grootste vreugde en uitgelatenheid gevierd. Daar bij de Mohammedanen de veelwijverij heerscht, viert één man dikwijls drie, vier of vijf keer bruiloft. De meesten echter hebben niet meer dan één of twee vrouwen, omdat hunne middelen hun niet toelaten er meer te onderhouden. De harems zijn dan ook eene zeldzaamheid; het gebeurt zelden, dat iemand meer dan vier vrouwen neemt. De veelwijverij heeft echter geen groote vermeerdering van bevolking ten gevolge, integendeel neemt o. a. het aantal Mohammedanen, hoewel langzaam, toch zeker af. De veelwijverij is gewoonlijk oorzaak van groote armoede; want in plaats van het overgewonnen geld te bewaren, gebruikt de man het oin eene nieuwe vrouw te koopen, waardoor hij zijn huishouden te gronde richt en den huiselijken vrede uit zijne woning verdrijft.

Bij het huwelijk der Mohammedanen wordt het meisje nooit geraadpleegd, zij wordt eenvoudig aan den meestbiedende verkocht; daarbij wordt alleen de voorkeur gegeven aan bloedverwanten. Maar ook de man heeft bij het huwelijk niet veel in te brengen. De ouders of hunne plaatsvervangers, oudere broeders of ooms zijn het, die de geheele zaak regelen; zij oordeelen zichzelf daartoe beter in staat, dan de heethoofdige jonge man of knaap, die al licht bij zijne kous redenen zou doen gelden, die in hunne oogen niets te beteekenen hebben. Zij- vorderen voor hunne moeite echter ook eenige betaling.

Izaak mocht zijne bruid ook niet zelf kiezen. Abraham vertrouwde deze zaak, in kalm opzien tot God, zijn trouwen knecht Eliëzer toe. De bruid heeft echter nog minder in te

ocr page 127

bruiloften.

Ill

brengen; het arme meisje moet liet kalm aanhooren, lioe er over haar onderhandeld wordt, en \'t zich laten welgevallen, aan wien zij ook verkocht wordt. In oude tijden schijnt men met meer kieschheid te werk gegaan te zijn; want aan Rebekka werd gevraagd, of zij met Eliëzer wilde trekken. Ook betaalde hij geen prijs voor haar. want de prachtige geschenken, die liij medebracht, gaf liij niet aan hare ouders, maar aan Rebekka zelf. En zij, opgetogen over de geschenken en aangetrokken door de vriendelijkheid van den grijsaard, die haar van de wonderbare leidingen Gods verhaalde, aarzelde niet, haar jawoord te geven en liet zich door hem den man, voor wien zij bestemd was, te gemoet voeren. Maar al spoedig bemerken wij, dat men zich niet meer zoo aan Gods liefelijke leiding overgaf; immers, wij hooren Rachel en Lea t. o. v. hunnen vader klagen: „Zijn wij niet vreemden (slaven) van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht.quot; Dit voor den mensch zoo onteerend gebruik, werd echter nooit eene heerschende gewoonte in Israël, hoewel bij een huwelijk altijd een rijke bruidschat een vereischte was. Heden ten dage echter wordt het huwelijk bij de Mohammedanen enkel uit een stoffelijk oogpunt beschouwd. Volgens hunne begrippen moet de man de betrekking tot zijne vrouw als een gegeven verhouding aanvaarden, evenals die tot zijne overige bloedverwanten: vader, moeder, zusters en broeders, die hij toch ook niet kan kiezen, maar aannemen moet als hem toegewezen. Daar de ouders de keuze doen , leeren kinderen van acht of tien jaar elkaar reeds beschouwen als man en vrouw en moeten er zoo aan gewennen elkaar lief te hebben en te verdragen. Volgens de overlevering was ook Jezus\' moeder niet ouder dan 15 jaar, toen zij met Jozef verloofd werd; en dit is niet onwaarschijnlijk. Een lichtzijde van deze gebruiken is, dat er niet, zooals in de Westersche landen, zooveel

ocr page 128

BRUILOFTEN.

raéisjcs buiten hare schuld van hel huwelijk uitgesloten blijven.

Reeds bij do verloving wordt er een feest gevierd, waaraan hij de Christenen een kerkelijke plechtigheid is verhonden. Onlangs heb ik nog te Beit-Djala de verloving van drie paren beklonken. Bijna het geheele dorp was daarbij tegenwoordig. Daar het hnis te klein was om alle gasten te bevatten, begaven wij \'ons op het dak, vanwaar men gemakkelijk op de daken der belendende huizen kan komen. Met kinderlijke vroolijkheid werd het feest gevierd, „met zingen en spelen voor het aangezicht des Heeren.quot; De jonge mannen schaarden zich in twee groepen en zongen krijgs- en bruiloftsliederen, waarhij het eene koor telkens het referein herhaalde, zooals h. v. in Psalm CXXXVI: „Want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid.quot; Het gezang werd begeleid met buigingen en handbewegingen en allerlei pantomimes, die aan den inhoud van het gezang meer uitdrukking gaven. De vrouwen hieven tusschenbeide hare liederen aan; eene van haar was voorzangster en zong liederen van oogenblikkelijke eigene vinding, die door de anderen in koor beantwoord werden. Dit gezang had veel overeenkomst met. hanengekraai. Daarna werd eene toespraak gehouden over het woord bij Hozoa: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid!quot; enz. Elke bruidegom gaf mij toen een geldstuk, in een zijden hoofddoek gewikkeld. Dezen dook moest ik gedurende het gebed in de hand houden en overhandigde hem dan den schoonvader der bruid met de woorden: „Ik geef u dezen hoofddoek met zijnen inhoud ten toeken, dat uwe dochter met N. N. is verloofd.quot;

Na do verloving mag de bruidegom zijne bruid niet weer zien tot de bruiloft; bij bovengenoemde verloving was dan ook geen der bruiden tegenwoordig. De vaders zijn niet meer zoo listig als eens Laban, die wellicht van deze gewoonte gebruik maakte om Lea in Rachels plaats te schuiven en aan

112

ocr page 129

BRUILOFTEN.

11;!

Jakob tot vrouw to geven. Dat zou zich thans ook niemand laten welgevallen. Betreedt heden ten dage de bruidegom het huis van zijne bruid, zoo moet deze zich verwijderen of hot gelaat met een dicl ten sluier bedekken. Van Rebekka • wordt ons verhaald, dat zij zich bet golaat mot haren mantel bedekte, toen zij haren bruidegom Izaak zag naderen. Bij do verloving spelen de fraaie kleederon, de opschik en hot nieuwe en vreemde van de zaak do hoofdrol bij do bruid; zij is nog to jong om de boteekonis to beseffen. Dikwijls worden kinderen verloofd, vóór zij loopen of spreken kunnen. De snellere licbamolijke ontwikkeling in do Oostersche landen maakt het huwelijk op zeer jeugdigen leeftijd mogelijk. Hot behoort niet tot do zoldzaamhoden, dat men moeders van 12 en vaders van 14 jaar ontmoet. Dikwijls is de bruid niet ouder dan 8 ol\' 0 jaar, als zij mot den bruidegom voreonigd wordt. Zij zit dan op een kameel of een muildier en houdt oen blooten krommen sabel in de hand, dien zij nauwelijks torsen kan, daar hij oven lang is als bet bruidje zelf. Zi jzelf is geheel onzichtbaar, daar zij van bet hoofd tot de voeten in sluiers is gehuld. Eene talrijke menigte danst en springt voor haar honen. Zij heffen een soort van rbythmisch geschreeuw aan, dat don naam van gezang niet kan dragon; grijsaards, mannen, vrouwen en kindoren allen nomen er aan deel. Do voorzanger, die mot do leiding van bet feest belast is („de vriend des bruidegomsquot;, zooals Johannes do Doopor zichzelf noemt), roept eenige rbythmische woorden uit, waarop hot volk mot handgeklap en bevallige gebaren antwoordt. Wendt do voorzanger, die bovendien dansmeester is, zich om en werpt bij zijn sabel op den grond, dan staat de geheele optocht stil, niemand mag verder gaan, maar de mannon dansen en zingen, terwijl het volk hunne uitroepen op dezelfde wijze beantwoordt. Do kinderlijke vreugde, die het volk — van don wankelenden

8

ocr page 130

BRUILOFTEN.

grijsaard tot het kleine kind, dat nauwelijks alleen kan loopen — bij zulk een gelegenheid aan den dag legt, zou ons geheel doen vergeten, op welk een buitensporige wijze het onderdrukt wordt; op zulke oogenblikken toch is er geen wolkje aan de lucht, schijnt het kommer noch ellende te kennen. Alvorens do bruid en de bruidegom vereenigd worden, moet de laatste zijne geschenken aan de naaste betrekkingen der bruid aanbieden , eene gewoonte, die blijkbaar reeds ten tijde van Abraham in zwang was. Dikwijls wordt er urenlang op de stuitendste wijze onderhandeld, ten einde den bruidegom zoo mogelijk veel geld af te persen; eerst daarna wordt hij tot de bruid geleid en begint de eigenlijke bruiloft.

Reeds op dezen tocht is de bruid met bruidsgewaad en sieraden getooid. Hiervoor moet de bruidegom zorgen, en hot is mede eene zaak van ernstige onderhandeling, vóór de bruiloft begint, hoeveel de bruidegom haar aan kostbaarheden moet leveren.

Deze bestaan in vingerringen en gouden en zilveren munten, die als een parelsnoer aaneengeregen worden. De meeste dezer munten worden aan de eigenaardige, vastzittende muts zoodanig bevestigd, dat zij hot voorhoofd en het aangezicht ais een krans omgeven. Een witte, uiterst fijne, gestikte doek wordt over de muts geslagen en vormt met de gouden versierselen een schilderachtig geheel. Andere munten dienen tot halssnoer, dat op de borst afhangt, terwijl de armen met zware armbanden versierd zijn. Deze versierselen maken den grooten scbat uit van de jonge vrouw. Hoe zwaar de hoofdtooi ook moge drukken, zij zal hem buiten hooge noodzakelijkheid niet afleggen, zelfs niet des nachts of in tijd van ziekte. Zij ontdoet er zich slechts van, wanneer zij bij sterfgevallen den treurdans moet uitvoeren. Daarom is het zulk een treffende vergelijking, als wij Jeremia (II: 32) booren klagen: „Vergeet

ocr page 131

BRUILOFTEN.

ook ocne jorjkvrouw haar versiersel? of\' ecne bruid hare bind-selen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.quot;

Do eigenlijke bruiloft begint eerst na zonsondergang en deze wordt in Palestina spoedig door den nacht opgevolgd. De

vrouw wordt met luide jubelkreten en fakkellicht afgehaald; %

gelukwenschen klinken haar van alle zijden tegen, bloedverwanten en vriendinnen geleiden haar naar de nieuwe woning, waar do bruidegom verwacht wordt. Van zijne vrienden en verwanten omringd, verschijnt hij eindelijk. De vrouwen gaan hem met fakkels en lantaarns te gemoet en brengen hom bij zijne bruid. Eerst echter, moot men het over do geldzaken eens zijn, alvorens hij mag binnentreden, en dit is oorzaak, dat het ook heden ten dage wol middernacht wordt, eer dat oogon-blik is gekomen.

Hierop doelt de Hoor, waar Hij in do gelijkenis van do vijf wijze en de vijf dwaze maagden spreekt. Wij moeten daaruit loeren, altijd gereed te zijn om don homelschen Bruidegom te ontvangen, de lampen brandende, de vaten mot olie gevuld, opdat wij niet door Hom buitengesloten worden.

In Bethlehem echter hoorscht deze gewoonte niet. Daar komt mot het vallen van den nacht eene schaar van jonkvrouwen (nimmer getrouwde vrouwen), die lange fakkels of lichten in de hand dragon. Dit zijn stokken, aan bet eind met lappon om-wondon, die met olie zijn gedrenkt. In statigen optocht begeven zij zich naar het huis der jonggehuwden en voeren daar verscllillende dansen en reien uit, totdat de fakkels uitgebrand zijn. Een geheele week viert men feest, dikwijls tot in den nacht. Ook Simson vierde reeds eene bruiloft, die zeven dagen duurde. De vreugdekreten weerklinken in don door sterren verlichten nacht heinde en ver! Op verren afstand kan mem hot schijnsel dor fakkels ontwaren, dat huis en hof verlicht, en het

115

ocr page 132

BRUILOFTEN.

geluid van pauken en fluiten klinkt over de daken en door de straten der stad. Nu eens trekken /.ij door de straten en hun gedruisch sterft in de verte weg, dan weer verheft zich hun gejubel uit de woning en den hof, waar de bruiloft wordt gevierd. Eene bruiloft is voor de Oosterlingen het kort begrip van alle vreugde, zij noemen zulk een feest daarom, kortweg „de vreugde,quot; en de bruiloftsliederen „de stroomen der vreugde.quot;

„Kunnen de bruiloftskinderen treuren, zoolang de bruidegom bij hen is?quot; vraagde de Heer aan de Farizeen. Tijdens den bloei van Jeruzalem werd „die stem der vreugdequot; gewis eiken nacht gehoord en kwam er geen einde aan het harpgetokkel, gejubel en maatgezang.

Welk een trenrigen indruk moet dan niet Jeruzalem gemaakt hebben op de profeten, toen de Joden naar Babel waren weggevoerd. „De vreugde der trommelen rust, het geluid der vroolijk huppelende houdt op, de vreugde der harp rust,quot; zoo klagen zij.

„De Heer zal uit de steden van Juda en uit do straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vroolijkheid en de stem dei-vreugde; de stem des bruidegoms en de stem der bruid.quot;

Tweemaal voert ons het Nieuwe Testament naar oen bruiloftsmaal : bij do bruid te Kana en in de gelijkenis van do koninklijke bruiloft. Gewoonlijk geven de platen, welke de bruiloft te Kana voorstellen, ons een groot gezelschap te aanschouwen , dat op klaarlichten dag gezeten is aan eene lange, gedekte tafel, waarop vorken lepels, messen en borden niet ontbreken, bruid en bruidegom zijn naast elkander gezeten, terwijl de Heer de eereplaats naast de bruid inneemt. Dit is echter geheel in strijd met de gewoonte in het Oosten. Ten eerste vindt de maaltijd altijd des avonds plaats en dan nog nam de bruid geen deel aan den maaltijd der mannen. Wij weten reeds uit de geschiedenis van Lea, dat de bruidegom zijne bruid gedurende do feestelijkheden niet aanschouwde,

11G

ocr page 133

BRUILOFTEN\'.

zij was voortdurend gesluierd. Deze gewoonte bestaat ook lieden nog in Palestina. Het feest wordt gehouden in de woning van den man, niet in die der bruid. Vandaar, dat de hofmeester den bruidegom te Kana een verwijt maakte van de verkeerde bezorging van den wijn. Ook Maria en haar zoon, die voorheen bouwmeester, maar nu leeraar was, benevens Zijne jongeren waren genoodigd. Wellicht was zij met de hoofdpersonen van het feest verwant of bevriend, daar zij. uit Nazareth afkomstig, anders niet op zulk een verren afstand ter bruiloft zou zijn genoodigd. De deur der woning, stond tijdens de feestelijkheid open; het geheele dorp kon eraan dèelnemen, wie kwam was welkom.

Hieruit volgt, dat het een bewegelijk gezelschap was en er niet zulk eene stijve of althans strenge orde kon heerschen, als wij bij zulk eene gelegenheid verwachten. Eene tafel zoudt gij tevergeefs in de woning zoeken. Op dén vloer waren tapijten uitgespreid en hierop lagen kussens, waarop men zich kon nedervlijen. Het is echter meer dan waarschijnlijk, dat het grootste gedeelte der gasten zich buiten de woning bevond, want die was te klein om allen te bevatten. De meesten bewegen zich naar eigene verkiezing in den tuin of in den omtrek van het huis, tenvijl de bedienende aanverwanten, ..dienarenquot; volgens Joh. 11, allerlei spijzen en dranken ronddragen en met hoffelijke gebaren aanbieden. Op een daarvoor aangewezen plaats in den hof stonden de vrouwen en jonkvrouwen met de fakkels, hieven vroolijke bruiloftsliederen aan en voerden hare dansen uit. Met het gejubel der vrouwen vermengden zich de bruilofts- en krijgsliederen der mannen en jongelingen, die op eene andere plaats zich verzameld hadden. Alleen de meer bejaarde gasten, die liever in behagelijke rust het gezang aanhoorden, hadden zich in het huis bij het licht der lampen op de tapijten uitgestrekt.

ocr page 134

I 18 BRUILOFTEN.

Iii een hoek stónden groote aarden vaten, die ook nog heden ten dage den wijn bevatten, welke van de lucht afgesloten wordt door middel van een laagje olijfolie. De wijn werd in bekers rondgediend. Maria, die als nabestaande, zich ook met bediening onledig hield, bemerkte, dat de wijn bijna verbruikt was. Daar /.ij gewoon was, zich in elke verlegenheid tot haren zoon te wenden, zeide zij nu ook tot den Heer: .Zij hebben geen wijn!quot; Jezus antwoordde haar: „Vrouw, wat heb Ik met u te doen? ^lijiu» ure is nog niet gekomen.quot; Men heeft dit antwoord meermalen bijzonder ernstig, bijna streng genoemd.

De uitdrukking: „Wat heb ik met u te doen?quot; of woordelijk: „Wat is mij en u?quot; is ook nu nog zeer gebruikelijk. Slechts de toon, waarop die woorden worden uitgesproken, geven er de beteekenis aan, die men er in wil leggen. Ik houd het er voor, dat de Heer ze op vriendelijken toon heeft gesproken. Do Heer toch zal te midden der vreugde, die Hij niet slechts deelde, maar door het wonder verhoogde. Zijne moeder niet met bijna onheuschen ernst bejegend hebben.

- Inderdaad, de aanspreking: , Vrouw!quot; heeft voor de Oostersche vrouw volstrekt niet iets onvriendelijks of stootends. Zoo spreken thans nog de mannen hunne moeders op den vriende-lijksten toon aan („ja maralquot;). Ook aan het kruis sprak de Heer: „Vrouw, zie uw zoon!quot; en dat woordje beteekent zooveel als „lieve moeder!quot; Ernstiger voegt de Heer eraan toe: „Mijne ure is nog niet gekomenquot; een woord, dat door Maria waarschijnlijk niet dadelijk verstaan werd. Jezus\' antwoord had haar echter volkomen bevredigd. Zij had uit den toon, waarop het gegeven werd, verstaan, dat Hij haar helpen wilde. Daarom zeide zij tot de dienaren: „Zoo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.quot; Zij dacht daarbij natuurlijk niet aan een wonder, want zij had Hem nog nooit een wonder zien verrichten;

ocr page 135

BRUILOFTEN. 119

/.ij was hierover even verbaasd als de andere bruiloftsgasten.

In de gelijkenis van de koninklijke bruiloft worden wij in hoogere kringen verplaatst. Ook heden nog heerscht algemeen do gewoonte, dat niet de ouders der bruid, noch de bruidegom het feest geven, maar de vader van den bruidegom of zijn plaatsvervanger. Daarom zegt de Heer: „Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die zijn zoon eene bruiloft bereid heeft.quot; Hoe hooger in rang de persoon is, die de bruiloft geeft, hoe meer gasten hij noodigt. Wanneer bij de burgers reeds een ieder aan het feest mag deelnemen, hoeveel te meer zal dit het geval zijn bij de bruiloft van een koningszoon! Natuurlijk beschouwt ieder het als eene eer uitgenoodigd te worden, en niemand zal zich laten wachten. Men vergeet alles, tamilie, akkers, vee en handwerk om ter bruiloft te gaan. Aan tijdverlies denkt de Oosterling niet, hij kent nauwelijks do waarde van den tijd. Wie genoodzaakt is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen, neemt de gelegenheid des te gretiger waar, want dien dag ontvangt hij eten en drinken voor niet. De koning in de gelijkenis heeft alles tot den maaltijd bereid. De ossen en het gemeste vee zijn geslacht, het huis voor het feest is ingericht, hof en binnenplaats zijn versierd, in den tuin wordt in groote ketels gekookt en gebraden, terwijl de gasten er wachten. De knechten worden gezonden om de gasten ter maaltijd te roepen, maar zie, dezen willen niet binnenkomen. Dit is iets ongehoords voor den Oosterling. Ook de koning kan het niet gelooven; het moet een misverstand zijn, hij zendt de knechten nogmaals tot hen, maar tevergeefs. Zij hooren de uitnoodiging aan, alsof zij niet tot eene bruiloft aan \'t koninklijk hof, maar tot dienstverrichting geroepen worden. Eene zwaardere beleediging konden zij, volgens Oos-tersche begrippen, den koning niet aandoen. Maar als om hunne boloedigende grofheid tot het uiterste te drijven, grijpen

ocr page 136

BRUIUIFTEX.

ligt;0

zij eenige der dienaren, die toch alleen de vriendelijke uit-noodiging overbrachten, en mishandelden of doodden hen. Door deze gelijkenis wil de Heer onsleeren. dat men in Zijn koninkrijk tot de hoogste vreugde wordt uitgenoodigd, maar dat die uitnoodiging op do schandelijkste wijze van de hand wordt gewezen. Op aanschouwelijker, treffender wijze kon de Heere de vijandschap der Joden tegenover Gods genaderijke vriendelijkheid niet geteekend hebben. Velen was het geluk toegedacht, maar zij „waren het,quot; zooals de gastheer zeide, „niet waardig.quot; Daarom zond de koning zijne dienaren op de straten om allen uit te noodigen, die zij vonden. En zij brachten allen, boozen en goeden, en alle tafels werden bezet. In de groote zaal van het koninklijk slot waren lage tafeltjes geplaatst. die in het Oosten veel gebruikt worden. De gasten legden zich daar omheen op tapijten en kussens; bij het binnentreden des konings moesten zij echter terstond oprijzen om hem te begroeten. Natuurlijk verwacht men, dat elke gast in een voegzaam, zindelijk kleed verschijnt, vooral aan een koninklijk gastmaal. De mannen komen echter niet in het zwart gekleed, hetgeen men in de Westersche landen, vreemd genoeg, de meest gepaste kleur vindt om de feestelijke stemming uit te drukken, maar in de veelkleurige, sierlijk gedrapeerde, vaak lijn gestikte kleederdracht, die u in het Oosten alom zoo smaakvol te gemoet komt. Zoo bood dan het in de koninklijke zaal verzamelde gezelschap een schilderachtigen aanblik. Vele reizigers en Schriftuitleggers verhalen, dat in het Oosten de gewoonte bestaat, dat de gastheer aan eiken gast een feestkleed laat aanbieden, en daarop heeft men de niet onaardige toepassing gegrond, dat ook het kleed der Goddelijke gerechtigheid om niet geschonken wordt. Jammer maar, dat van dit voor de gasten zoo aangename gebruik in de Oostersche landen niets bekend is. Zulk eene weelde zou bijna niemand zich

ocr page 137

BRUILOFTEN.

kunnen veroorloven en bij den koning uit de gelijkenis kan er vooral geen sprake van zijn geweest, daar hij onverwachts allerlei slag van menschen van de straat liet roepen en binnen noodigen. De koning had dan onmogelijk een gast kunnen ontdekken, die zonder een feestkleed aan den maaltijd deelnam. Ue gelijkenis moet ons Juist leeren, dat elke genoodigde zorg moet dragen in een voegzaam gewaad te verschijnen. Wie dit niet wilde of kon, moest wegblijven en den gastheer niet be-leedigen door zijne onbehoorlijke verschijning. Op andere bladzijden der Schrift vinden wij het antwoord op de vraag, hoe iemand zich van zulk een bruiloftskleed kan voorzien. Ook hier is de werkelijkheid heerlijker dan de gelijkenis; want inderdaad, wie er ernstig om bidden, ontvangen het feestkleed voor do hemelsche bruiloft als een geschenk van Gods vrije genade.

De Heer vergelijkt de hemelsche dingen blijkbaar gaarne met de blijdschap en vroolijkheid, die op eene bruiloft heerschen. Wanneer iemand bruiloft viert en eerst laat in den nacht thuis komt, moeten zijne dienaren op zijne komst wachten. Daarom moeten „wij gelijk zijn aan de dienstknechten. die op hunnen heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. „Zalig zijn de dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden.quot; Zijne geheele verhouding tot het menschelijk geslacht, dat Hij kwam verlossen, de grond Zijner komst in quot;t vleesch en van Zijn bitter lijden vergeleek de Heer bij de liefde van een bruidegom tot zijne bruid: de liefelijkste, zaligste van alle aardsche betrekkingen. Hij gunt ons een blik in de diepten van Zijn Heilandshart, als Hij zegt: „Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijnen zoon eene bruiloft bereidt.quot; Het menschelijk geslacht is Zijne gevangene bruid, die Hij, door onuitsprekelijke.

ocr page 138

BRUILOFTEN.

alles overwinnende liefde gedrongen, uit den donkeren kerker verlost en binnenleidt in het Vaderhuis, waar de bruiloft dos Lams is bereid. Hiervan zegt Hij in Openb. XIX : 9: „Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.quot;

tiRAF- EN LI.JKZANGEN.

Men verhaalt van een volk in het gebergte van den Kauka-sus, dat bi j hen geweend wordt, zoo dikwijls er een kind wordt geboren, en gelachen, wanneer er iemand sterft. Volgens de meening dier menschen is de intrede in deze wereld, vol zorg en moeite, een groot ongeluk, en kan men niet dankbaar genoeg zijn, er weder van te mogen scheiden. Men zou geneigd zijn te gelooven, dat ook de Arabieren eene dusdanige levensopvatting hebben, wanneer men bij hen een begrafenismaal bijwoont. Het is voor verwanten en kennissen eene welkome gelegenheid om zich eens bijzonder te goed te doen. Zoodra een kranke overleden is, komen zij de achtergeblevenen troosten; en aan het eten en drinken komt geen einde, vóór de doode naar zijn laatste rustplaats is gebracht. Intusschen zijn de lijkzangen van zoo treurigen aard, dat men de boven geopperde meening wel moet laten varen. Do inhoud is nog even roerend als van de treurzangen van het oude Israël: en, ofschoon de gebruiken hier en daar wol gewijzigd of veranderd zijn, houden zij de herinnering aan hetgeen de Bijbel dienaangaande verhaalt, bij ons levendig.

Onder de Arabieren heerscht de gewoonte, dat men reeds

ocr page 139

GRAF- EN LIJKZANGEN.

vóór het overlijden van een cloodelijk kranke zijne deelneming komt betuigen. Alle vrienden, bloedverwanten en gebaren verzamelen zich om het sterfbed on vertoeven, ten blijke hunner belangstelling, dikwijls dagenlang m de woning van den kranke, waar zij den huisvader door hun grooten eetlust en voortdurend koffiedrinken op hooge kosten jagen en den stervende lastig vallen door het misbaar, dat zij daarbij maken. Onlangs bezocht ik eene stervende vrouw. De kamer was vol van deelnemende vrienden, die op haar uiteinde wachtten. Ik zond hen allen weg, met uitzondering van haar man en den evangelist, het was mij anders niet mogelijk geweest, nog eens ernstig met haar te spreken. Zelfs wanneer ik voor de teraardebestelling een kort woord wil spreken, kan ik me nauwelijks verstaanbaar maken , vanwegen de treurmuziek en de klaagzangen. Ook ten tijde van Jezus schijnt dit bij de Joden gebruikelijk te zijn geweest. Hij hoorde reeds uit de verte de treurmuziek en klaagliederen uit hot huis van Jaïrus weerklinken. „Kn toen Hij kwam in het huis van den overste en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden, zeide Hij tot hen: „Wat maakt gij beroerte en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, het slaapt.quot; Maar het gestorven meisje vóór hen sprak meer overtuigend dan Jezus. Een smartelijk of smadelijk glimlachen was hun antwoord. Toen dreef Jezus hen allen uit, nam het kind bij de hand en riep het in het leven terug.

Wanneer het eenigszins mogelijk is, vindl de begrafenis op den sterfdag plaats. Het gebeurt te Beit-Djala niet zelden, dat er tusschen het afsterven en begraven slechts zooveel tijd verloopt, als er noodig is om een graf te delven en mij te roepen; en dit duurt dikwijls niet langer dan twee uren. Vooral haast men zich daarmede, als de avond valt, want het wordt als een slecht voorteeken beschouwd, dat iemand na zonsonder-

ocr page 140

GRAF- EN LIJKZAN\'GE-N\'.

124

gang wordt begraven. Ook do Heer werd maar weinige uren na Zijn sterven in het graf gelegd. Wanneer ik het sterfhuis binnentreed, is de doode reeds in linnen gewikkeld; men legt hem. ongekist, op eene draagbaar en, door een langen stoet gevolgd, wordt hij naar zijne laatste rustplaats gebracht. In de Westersche landen wordt gerouwd door zich in het zwart te kleeden. In Palestina lieerscht dit gebruik niet. De oude Israëlieten bekleedden zich met een zak. Hiermede wordt waarschijnlijk bedoeld een kleed uit ruw, zwart geitenhaar, waaruit de Bedoeïenen tegenwoordig nog hunne graanzakken en tenten vervaardigen; de vorm van zoo\'n kleedingstnk kwam volstrekt niet met dien van een zak overeen. Zulke zwarte mantels worden ook nu nog wel gedragen, doch niet ten teeken van rouw. Alleen do vrouwen dragon nog bijzonder rouwgewaad. Zij volgen de draagbaar in een lange rij on bieden door hare eenvoudige schoono rouwkleeren een schil-derachtigon aanblik. Do vrouwen van Bethlehem dragen over hare gewone veelkleurige en sierlijk gestikte kleederdracht, mantels van rood- en zwartgestreepte stof, die ten toeken van droefheid weder bedekt zijn met oen dook van witte of zwarte kleur, die in ruime plooien van het hoofd tot de voeten afhangt en versierd is met zwart-roodo kwasten en franje. Mot afgemeten tred volgen zij den lijkstoet; en dit is een dor zeldzame, ik zou bijna zeggen, do oonigo gelegenheid — waarbij de waardeering der vrouw ook uiterlijk aan het licht treedt. Onder het gaan heffen zij gewoonlijk den lijkzang aan , die hot treurigst voortschrijdt, wanneer de heer des huizes is gestorven. Het gezang is aandoenlijk, hartbrekend en gaat gepaard met gebaren van vertwijfeling. Reeds in het Oude Testament lezen wij , dat do treurenden „in zak en aschquot; nederlagen, en wanneer wij heden ton dage zien, hoe vrouwen zich bij sterfgevallen het hoofd mot stof en aarde bedekken.

ocr page 141

GliAF- EN L1JKZANGEN.

jn zelfs zich in het stof wentelen, herinnert ons dit onwillekeurig aan plaatsen, zooals Jer. XXV: 34; Klaagl. 111:16; Ezcch. XXVIT: 30 enz. Dit is echter niet het eenige teeken van droefheid. De vrouwen trekken zich de haren uit . verwonden hoofd en borst met puntige steenen, wringen de handen en scheuren liare kleederen , alsof voor haar geen troost en levensgeluk meer bestond. Is het sterfgeval van minder treurigen aard, dan verscheuren zij hare kleederen niet geheel, maar maken, evenals de hoogepriester Kajafas deed, slechts een kleine scheur voor op de borst. Daar er onder zulk beloon van droefheid vee! huichelarij schuilt, vermaant een profeet : „Scheurt uw hart en niet uwe kleederen.quot;

Zulk een lijkstoet herinnert ons aan een looneel op Jezus\' lijdensweg nl. hoe de Heer doodmoede Jeruzalems poorten uitging naar de .gerechtsplaats, bijna niel meer in staat, den kruispaal te torsen en vele vrouwen en jongedochters van Jeruzalem Hem volgden. Zij waren niet zoo dweepziek opgewonden als de mannen; zij konden waarschijnlijk niet vergeten, dat do Heer den een of ander barer vrienden had genezen of welgedaan. Vol medelijden hieven zij nm Zijn jammerlijk lot den gebruikelijken treurzang aan en volgden de schare om Hem als \'t ware do laatste eer te bewijzen. Woordelijk vertaald, luidt de zinsnede bij den evangelist Lukas: „Zij sloegen zich op de borst cn hieven den treurzang aan.quot; Dit medelijden deed den Heer zeker weldadig aan op Zijnen, ondanks de tierende groote volksmenigte, doodelijk eenzamen weg. Maar juist daarom was Zijne smart nog te grooter, toen Hij dacht aan het vreeselijk lot, dat dezen vrouwen en haren kinderen bij de verwoesting van Jeruzalem wachtte. Hij bleef een oogenblik staan en sprak vol weemoed: „Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelven en over uwe kinderen. Want zie. daar komen dagen, in welke

ocr page 142

126 GRAF- EN L1JKZANGEN.

mon zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, dio niet gebaard, en de borsten, die niet gezoogd hebben.quot;

De graven zijn heden ten dage eenvoudiger dan vroeger. Men graafl een gat ongeveer tor diepte van een meter, do bodem daarvan wordt vastgetrapt en gelijk gemaakt en daarop een klein gewelf van ongeveer een halven meter hoogte gebouwd. Hierin legt men den afgestorvene neder met het aangezicht naar het Oosten gekoerd. Een olijftak wordt hem onder het hoofd gelegd, opdat de overledene, evenals de duive van Noach, met den olijftak des vredes de eeuwigheid moge binnengaan. Daarna wordt het gewelf met eenige groote, platte steenen gesloten en met aarde bedekt. Zoo rust de doode in den koelen schoot der aarde. Eigenaardiger wijze van behandeling, dunkt mij, dan dat men, zooals bij ons geschiedt, de afgestorvene in eene kist legt, die toogespijkerd of geschroefd wordt.

Jeruzalem is bijna geheel door begraafplaatsen omgeven. Ook nog tegenwoordig dragen, evenals oud-Israël eertijds, alle gezindten er de grootste zorg voor, dat alleen voor geloofsgenooten op hunne begraafplaatsen eene piek wordt afgestaan. Mohammedanen , Christenen noch Joden gedoogen, dat een vreemde te midden hunner dooden ruste. Bij het begraven van een vreemdeling stuit men dan ook dikwijls op moeielijkheden; en toch kan het om den tijd van het Paaschfeest, vooral als er zoovele pelgrims van alle zijden aankomen, licht gebeuren, dat er een vreemdeling te Jeruzalem sterft. Gewoonlijk wordt zulk een lijk dan in een vergeten hoek weggestopt. Ten tijde van Jezus schijnt men ook liet onontbeerlijke van een begraafplaats voor dezulken gevoeld te hebben, want de overpriesters voorzagen in die behoefte met liet bloedgeld van Judas Iska-rioth, dat volgens hunne meening den tempelschat ontheiligd zou hebben.

ocr page 143

GRAF- EX L1JKZANGEN.

Wanneer de doode begraven is, zijn do lijkzangen echter nog niet ten einde. Men begeeft zieh nu eerst weder naar hot sterfhuis of naar de woning van een dor bloedverwanten om hot begrafenismaal te houden. Weken lang kunnen do vrienden hunne deelneming komen betuigen, waarvoor zij gastvrij onthaald worden. Zij komen, zooals do Arabieren zeggen, „om to troosten.quot; Zoo verhaalt ons ook de evangelist Johannes: „En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha on Maria , opdat zij haar vertroosten zouden over baron broeder.quot; Ook in Bo-tbaniö moest het gebruikelijke begrafenismaal bereid worden.

In Bothlohom had dit jaar een treurig sterfgeval plaats. In de maand Februari, don oonigon tijd, waarin do kameelen gevaarlijk zijn zolfs voor hunne meesters, was een Mohammedaan door zijn kameel gebeten en getrapt, zoodat hij zwaar verwond te bod lag. Toen de zoon den volgenden dag do goederen, dio hij vervoeren moest, op den kameel wilde laden, werd deze weder wild, wierp zich op den Jongen man, en, na bom vrooselijk gebeten, geschopt en mishandeld te hebben, vatte hij hom met zijne tanden bij oen been en slingerde hom onder wild gebrul heen en woer, totdat het been geheel verbrijzeld was en de ongelukkige den geest gaf. Het rouwbeklag duurde drie weken; dag en nacht worden de treurzangen vernomen. Van den vroegen morgen tot den laten avond voerden de vrouwen in hare rouwkleederen den doodondans uit. In ons oog heeft de aanschouwing daarvan iets stuitends. Mot loshangende haren en zonder den gewonen hoofdtooi, scharen zij zich in twee kringen. In hot midden staat de voorzangster, die met eonigo barer bloedverwanten den dans leidt. Wanneer zij hot toeken geeft, noemt deze een aanvang. De vrouwen raken elkaar met de ellebogen. Mot gelijkmatigen tred dansen zij zijwaarts, terwijl zij den treurzang op ba|tstochtelijken, vertwijfo-londen toon zingen. Dit gaat gepaard met verschillende gebaren:

127

ocr page 144

128

lioftigc Ijowogingen van het hoofd on liet slaan op het voor-hoold, de borst en het aangezicht. Dagen lang wordt deze dans, met korte tusschenpoozen voortgezet. Zij rusten alleen even om adem te scheppen en gelijken mot haar vliegende haren en hoogroode geziohlen moer op razende furiën of wilde dieren dan op monschen. Enkel woeste drift, door smart verwek!, glinstert in hare oogen. Hoe diep zijn toch dogenen te hoklagen, die geene hoop hehhen op een eeuwig leven. Inde woning van den overledene oeron do mannen intusschon de nagedachtenis van don ontslapene door zich over te geven aan hot grootste genot, dat zij kennen, nl. hot eten van vleesch. Dikwijls worden tor ooro van den doodó tien of twintig schapen geslacht, hetwelk ons dool donken aan de doodenoffors, die hij de volken dor oudheid werden gebracht.

Zijn met do verandering van godsdienst van de bewoners des lands, deze openbaringen van droefheid wilder on hartstochtelijker geworden, toch mogen wij het ervoor houden, dat bij don dood van Lazarus do Joden hunne deelneming op dergelijke wijze hebben aan don dag gelegd (gt;11 was in dit geval hun misbaar des te heftiger, omdat hot een bijzonder treurig voorval was, daar Martha en Maria haar eenigen broeder verloren haddon. Nauwelijks heeft echter, zoo lezen wij, het zusterpaar vernomen, dat Jezus op weg is naar hare woning, of zij snollen Hom te gomoot. De Joden volgen haar en vormen wellicht een langen, treurigen stoot. Allen weenon. Hieronder moot men niet verstaan een onderdrukt geween of luid snikken, waarin de Joden vier dagen na Lazarus\' dood uitbraken, maaide luidruchtige uiting van droefheid in klaagtonen volgens de gewoonte. De deelnemende vrienden waren op weg naar hot graf, waar zij Martha en Maria hoopten te vinden. Onafgebroken weerklonk de treurzang; zelfs toon zij onverwachts Jezus op bunnen weg ontmoetten, kwam daaraan geen einde.

ocr page 145

120

Het spreekt als vanzelf, dal Jezus, de Vorst des levens. Zich onaangenaam aangedaan gevoelde door dit den mcnsch verlagende jammeren, weeklagen en huilen, dat meer van afgrijzen voor den dood dan van ware droefheid getuigde. Zijne geheele ziel kwam er tegen op. Hij toch was gekomen om den dood, den koning der verschrikking, te overwinnen. Dit in aanmerking nemende, wordt ons duidelijk, wat Johannes ons verhaalt: „Jezus dan. als Hij haar zag weenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook weeaende, werd zeer bewogen (eigenlijk: vergrimde) in den geest en ontroerde Zichzelven.quot; Dat Hij de tranen van diepgevoelde smart niel verachtte, maar met de bedroefden leed, blijkt uit de woorden: „Jezus weende.quot;

Evenals de Joden nog op den vierden dag na de begrafenis een bezoek wilden brengen aan het graf van Lazarus om er te klagen, gaat men ook nog heden bij zeer treurige sterfgevallen, weken achtereen dagelijks naar het graf. De treurzang wordt dan ook vooral door vrouwen aangeheven, die daartoe gehuurd zijn, zoogenaamde klaagvrouwen. Bij de meer gegoeden gebeurt het niet zelden, dat /.ij ten getale van 20 tol 80 gedurende weken op het graf nederzitten en den eentonigen lijkzang doen hoeren, dikwijls door snikken afgebroken. Hiermede verdienen zij genoeg om in haar levensonderhoud te voorzien.

Af en toe wisselen zij het gezang af met vroolijken kout of het behagelijk genieten van spijs en drank. Aldus gesterkt, doen zij met nieuwe krachten hare liederen weerklinken. Jere-mia zegt dan ook: „Roept klaagvrouwen, dat ze komen en haasten en weeklagen over ons.quot;

Deze gewoonte verspreidt ook een helder licht over eene bladzijde uit Jezus\' kindsheid. Wij kunnen ons daardoor te betere voorstelling maken van de droefheid, die er na den kindermoord te Bethlehem heerschte. Aan de lijkzangen kwam

9

ocr page 146

GRAF- EN L1JKZANGEN.

180

geen einde. De eene lijkstoet volgde of ontmoette den andoren en allen zongen treurzangen. Waarheen werden de vermoorde kinderen gebracht? Ongeveer tien minuten buiten Bethlehem staat op den weg naar Jeruzalem een koepelvormig gebouw, waarin, volgens de overlevering, Jakobs meest beminde vrouw, Rachel, ligt begraven. Niemand houdt deze overlevering meer in waarde dan de weinige nog overgeblevene Jodfei, die anders op het stuk van heilige plaatsen in dit land niet zoo lichtvaardig zijn als de Christenen. Met het begin van elke nieuwe maan verzamelen zich hier een groot aantal Joodsche pelgrims, die rouw bedrijven over hunne stammoeder. Hieruit blijkt, zoo niet al de juistheid, dan toch de hooge oudheid dezer traditie. In de nabijheid van dit „graf van Rachelquot; bevindt zich eene begraafplaats voor kinderen. De Bedoeïenen brengen hunne gestorvene kinderen dikwijls uit de aangrenzende woestijn daarheen om hen aan de zijde van de algemeen vereerde Rachel neer te leggen. Houdt men dit in het oog, dan wordt het duidelijk, dat Mattheüs bij het verhaal van den kindermoord, de woorden van den profeet Jeremia, betreffende Rachel, aanhaalde. De profeet zelf doelde daarbij op denaar Babel weggevoerde Israëlieten. Hun weg leidde over Rama en daar dit tot het gebied van Benjamin behoorde, laat de profeet Rachel met hare kinderen medeweenen en in hunne droefheid deelen, alsof zij hunne treurzangen hoorde. Waarom haalde Mattheüs nu deze woorden aan, daar toch de Bethlehemieten afstammelingen van Lea waren? De reden is licht te bevroeden, als de kinderen bij Rachels graf ter aarde besteld werden, waarbij het weinig afdeed, of de kinderen in de onmiddellijke nabijheid of op eenigen afstand van hot grafteeken neergelegd werden. Hij werd er onwillekeurig aan herinnerd, daar op dien vreeselijken dag de eene lijkstoet op den anderen volgde en hij alle de lijkzangen weerklonken. Daar de geheele omtrek

ocr page 147

filiAF- EX LIJKZANGEN.

bergachtig is, werden die droeve tonen voortgedragen van heuvel tot heuvel, van berg tot berg. Nog heden worden ze bij begrafenissen vernomen aan gene zijde van het dal Boit-Djala of van daar tot ons en tot de bergen van Artas (Elham) en die in de nabijheid van Hebron. Hoe treffend kwam daarmede de uitspraak van Jeremia overeen: „Daar is eeno klage gehoord, een zeer bitter geween: Rachel weent over liarc kinderen, zij weigert zich te laten troosten over hare kinderen, omdat ze niet zijn.quot; Het was treurig en aangrijpend, zoodat men bijna kon gelooven, dat de doode Rachel, in haar rust gestoord, opgestaan was om met de arme moeders te weenen en te klagen.

Het is licht te begrijpen, dat de kinderen iu hunne spelen zoowel deze lijkzangen als de bruiloftsliederen nazongen, die toch bij hot volk zulk een groote rol spelen. Des nachts bij helderen maneschijn zijn groote scharen kinderen op de markt gezeten, of trekken door tie straten van Bethlehem, terwijl zij droevige of vroolijke optochten nabootsen. Dit is een der meest geliefkoosde spelen. Natuurlijk gebeurt hot dikwijls, dat do kinderen hot niet eens kunnen worden, of zij eene bruiloft of eene begrafenis zullen voorstellen. Ten tijde van Jezus schijnen de kinderen dit spel ook gaarne gespeeld te hebben en ook de Heer zal in Zijne jeugd daaraan zeker hebben deelgenomen. Wij hooren Hem immers tot het volk zeggen: „Bij wie zal ik de menschen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk? Zij zijn den kinderen gelijk, die op de markt zitten en elkander toeroepen en zeggen: „Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.quot; (Luk. Vlll : 31.)

Wij hebben vroeger reeds aangemerkt, dat dit „elkander toeroepenquot; beteekent: in twee koren zingen. De Heer vergelijkt de Joden dus bij twee koren, waarvan het ééne eene

181

ocr page 148

GRAF- EX L1JKZANGEN.

bruiloft, het andere eene begrafenis wil voorstellen. Beiden beschouwen Johannes den Dooper en Jezus als hun speelmakkers, en elke partij wil, dat zij naar hare pijpen zullen dansen. De eene wil een vroolijken speelkameraad in plaats van den ernstigen boetprediker Johannes, de andere een somberen asceet in plaats van den vriendelijken Jezus, den Vriend van zondaren. Naar zulke kinderluimen kan de Goddelijke wijsheid, die uit beider werk sprak, zich niet richten of laten beoordeelen, zij moet naar hare innerlijke waarde, hare waarheid en booge beteekenis geschat worden. Wie dien maatstaf bezigt en geen acht slaat op het oordeel van Farizeën en Schriftgeleerden, zal bekennen, dat beider leer en wijsheid van God komt.

Eenmaal, zoo zegt de Schrift, zal er een einde komen aan de klaagtonen, die thans dag en nacht als een eeuwenoude, aanhoudende lijkzang door de bergen en dalen van het H. Land weerklinken. Dit is een van de trekken, waarmede ons de nieuwe hemel en de nieuwe aarde geteekend worden: daar zullen tranen, droefheid en smart niet meer zijn. Zoo lezen wij ook in Jesaja: „Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde , en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden en zij zullen in het hart niet opkomen. Maar weest gijlieden vroolijk en verheugt u tot in eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jeruzalem eene verheuging en haar volk eene vroolijkheid, en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening noch de stem des ge-schreeuws. Daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinige dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet vervullen zal.quot;

132

ocr page 149

STAMMEN EN GESLACHTEN.

Do lezers van dit boek zullen waarschijnlijk niet veel weten van den stam, waartoe zij behooren. \'t Valt ons dikwerf reeds moeilijk onze neven en achterneven te kennen en uit elkander te houden. In het Oosten is het hiermede geheel anders gesteld. Dit komt vooral hieruit voort, dat in Europa de familiebetrekkingen veelal meer verstrooid raken dan in Palestina. Wij zijn gewoon ons daar metterwoon te vestigen, waar men onze diensten verlangt, waar voor ons kans bestaat om in ons onderhoud te voorzien, of waar \'t klimaat onzen lichame-lijken welstand bevordert. Daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat de verschillende familiebetrekkingen bij ons dikwerf honderden uren van elkander verwijderd leven en wij verscheidene dagen noodig zouden hebben om hen allen te bezoeken, ja, dat velen hun dierbaren geboortegrond verlaten, zonder dien ooit weer te zien. In \'t Oosten leiden wel velen een nomadenleven, zij trekken met hunne kudden van de eene plaats naar de andere, doch zij blijven toch steeds in hetzelfde land of dezelfde landstreek. Iedere stam houdt zich in den regel binnen bepaalde grenzen op. Daarbij komt nog, dat ieder erop gesteld is te weten, tot welken stam en tot welk geslacht hij behoort. Ieder bijbellezer herinnert zich wel de hoofdstukken, die hem vaak zoo eentonig voorkwamen, waar

het telkens heet: de zoon van.... de zoon van____ enz. In

overoude tijden wist men nog lang, wie van Sem, wie van Chain en wie van Japhet afstamden. Men beschouwde het gansche menschengeslacht als eene groote familie, zooals wij dit in Genesis lezen, welke familie weder in hoofd-en zijliniën werd verdeeld.

ocr page 150

STAMMEN EN GESLACHTEN.

Wanneer zich een vader, 1). v. Abraham, met zijn gezin van de woonplaats zijner voorvaderen verwijderde om zich in een ander land te vestigen, dan werd hij weder de stamvader van een zijtak van zijn geslacht en dikwerf van een geheel volk. Zulke kleine volksstammen, die meer of minder aan elkaar verwant en zich dit bewust waren, trof men dikwerf aan, bijv. de Israëlieten, de Moabieten en de Ammonieten: de afstammelingen van Loth, do Ismaëlieten enz. Nog heden vindt men zulke verwante stammen en bij elkaar behoorende volken.

Do stamvader van ieder geslacht vereenigt in den regel in zijn persoon alle waardigheden en ambten. Hij is zoowel vorst of emir als huls- of landspriester.

De huisvader, die met zijne kinderen en kleinkinderen, met zijne herders en kudden zijne tenten in een grasrijke landstreek opsloeg, bekleedde al deze waardigheden. Zijne kinderen, zijne knechten en meiden, welke dikwerf een gebeden volksstam uitmaakten, ook zijne jongere broeders en zusters met hunne kinderen stonden onder hem en eerbiedigden hem als hun vorst en opperhoofd.

Voor zijne buren was hij oen machtige bondgenoot of een geduchte vijand, in zijno huishouding heer en vader, en, wat zijn levenswijze betrof, een nomade of rondtrekkend herdersvorst.

Hoe trotsch is veelal het voorkomen van den sjeik, het hoofd van zulk een stam! Hoog, edel en gebiedend is zijne gestalte, zijn voorkomen getuigt van gevoel van eigenwaarde. Als een koning oefent hij onbepaalde macht over zijn stamgebied en gewillig gehoorzamen hem zijne kinderen. Wijd en zijd is zijn naam bekend, geacht en gevreesd. Zoo ongeveer stellen wij ons ook Mózes, den grooten leidsman van Israels volk, voor: een hooge heerschersgestalte; een bonte doek, door dikke zwarte koorden van geitenhaar vastgehouden, hangt van

ocr page 151

STAMMEN EN GESLACHTEN.

liet hoofd op de schouders af en laat het koninklijk voorhoofd en het schitterend adelaarsoog zichtbaar; het geestvolle aangezicht is omgeven door een golvenden witten baard; een mantel {ahdjé) van kemelshaar of schapenwol is los om de schouders geworpen en bedekt ten deele het witte onderkleed, dat met een lederen gordel om de heupen is vastgesnoerd.

Het leven der Bedoeïenen is echter niet zoo poëtisch als vele dichters het, voorstellen. Eerstgenoemden zouden den aartsvader Jakob volstrekt niet beklaagd hebben vanwegen zijn hard leger bij Bethel, aangezien zij het niet anders gewoon zijn! De beschrijving van zijn leven tijdens zijn verblijf bij Laban: „Des daags verteerde mij de hitte en des nachts de koude,quot; kunnen zij hem in waarheid nazeggen.

Het is echter een moedig en vrij volk. Geld en goud, de groote tyrannen der aarde, verliezen meer en meer hunne macht, naarmate men dieper in Arabië doordringt. Hun rijkdom wordt evenals bij de aartsvaders. naar het bezit van vee: kameolen, paarden, ezels, schapen en geiten berekend. Grootendeels leven zij dan ook van de veeteelt. Hunne dieren verschaffen hun voedsel en kleeding. Dikwerf kan men de Bedoeïenenvrouwen in den heeten zonneschijn voor de tenten bezig zien met het spinnen van schapenwol of geitenhaar en het weven van kleedingstukken, mantels, tapijten enz. Zoo zal het er ook ongeveer in het leger van Israël uitgezien hebben, tijdens hunne veertigjarige omzwerving in de woestijn. De vrouwen weefden de tentenbekleeding van geitenhaar en waarschijnlijk was het ook aan haar opgedragen van boom-en schapenwol de witte, hemelsblauwe, purperen, scharlaken-roode banen met ingeweven cherubim, alsmede de dekkleeden van geitenhaar, voor den tabernakel te vaardigen. Israël bevond zich in die dagen niet zoozeer op reis; neen, evenals de Bedoeïenen trokken zij met hunne kinderen voort, met dit

135

ocr page 152

STAMMEN EN GESLACHTEN.

onderscheid, dat rlc laatst on altijd binnen een bepaalden omtrek blijven en dc Israëlieten steeds verder voortgingen. Dat dit den stammen, die de woestijn bewoonden, niet aangenaam was, kon van hun standpunt niet kwalijk genomen worden. Evenals heden ten dage de Bedoeïenen elkander dikwerf beoorlogen, zoo hadden ook de Israëlieten dikwerf met Amalekieten en Midianieten te strijden, en, daar rooverij zoowel als veeteelt eene bron van inkomsten is voor de Bedoeïenen, is het niet te verwonderen, dat die stammen geen weerstand konden bieden aan de verzoeking om het rijke leger der Israëlieten te overvallen en te plunderen.

Ook thans nog worden de stammen zeer nauwkeurig van elkander onderscheiden. Algemeen weet ieder, tot welken stam en tot welk geslacht hij behoort. Iedere Bedoeïen zwerft met den stam, waaruit hij geboren is, rond tot zijn dood. Hij verlaat zijn stam slechts dan, wanneer zijn loven bedreigd wordt b.v. dóór bloedwraak. Zij kennen een onbeperkt gezag toe aan hun opperhoofd of sjeik, die onder hen als een vorst geëerbiedigd wordt.

Doch niet slechts onder de Bedoeïenen en onder hen, die een nomadenleven leiden, wordt de kennis der familiebetrekkingen zeer op prijs gesteld, maar ook in Palestina, waar de bevolking een staalkaart vertoont van de meest verschillende nationaliteiten en stammen, waar Joden, Samaritanen, Filistijnen, Moabieten, Romeinen, Grieken, Arabieren, Duitschers, Fran-schen, Engelschen, Italianen, Seldsjukken, Saracenen als kaf en koren zijn ondereengemengd, bewaart men deze nog met zorg en hecht er voel aan. Wegens deze vermenging is het wel niet meer mogelijk, dat de Joden, die er wonen, mot zekerheid weten te zeggen of zij van Zebulon, Issaschar, dan wel uit Nafthali of Ruben afstammen; doch ieder weet u toch heel wat van zijne afkomst te vertellen en ieder Bedoeïen

186

ocr page 153

STAMMEN\' EN GESLACHTEN.

zal ii juist kunnen zeggen, wie tot zijn stam en verwanten behoort. De verwantschap wordt dikwerf tot het tiende gelid en nog verder in acht genomen.

Vooral bij huwelijken speelt zij een groote rol. Reeds van do aartsvaders zien wij, dat zij zich vrouwen kiezen uit de familie. En zoo gaat het nog heden. Wanneer b.v. een jongeling .een meisje uit zijne familie w;l huwen en het noodige geld bezit, dan mag zij niet de bruid van een ander worden, ook al heeft zij den laatste liever en al zijn hare ouders hot met haar eens. Zij, die tot de familie of den stam behooren, hebbende eerste aanspraken. Een zoodanig geval deed zich nog kortelings voor te Beit-Djala in de nabijheid van Bethlehem. Daar was een rijke jongeling uit eene zeer aanzienlijke familie, die een meisje uit een anderen stam tot zijne bruid verkoren had. Hij bood den ouders, die haar gaarne aan hem wilden afstaan, een aanzienlijke som; doch daar kwam ter elfder ure nog een jongeling, die tot de familie behoorde, en verlangde dit meisje tot vrouw. Het meisje weende en de. ouders wilden geene toestemming geven, omdat hij niet zulk een hoogen prijs kon betalen als de vreemde. Doch nu kwam het aan den dag, welke eene macht de oude volksgebruiken hier hebben, waaronder zich ieder buigen moet, zelfs wanneer er zijn levensgeluk van afhangt.

De ouders werden namelijk door de overige stamgenootea gedwongen de verloving met den eersten bruidegom te verbreken en het meisje aan den stamgenoot af te staan.

Zeer merkwaardig is het, dat volgens de opvatting dei-Israëlieten niet slechts diegenen tot de familie gerekend werden, die eruit geboortig waren, maar ook dezulken, die in de rechten van een der leden traden.

Wanneer bijv. in Israël een man stierf zonder kinderen na te laten, dan moest zijn broeder de nagelaten vrouw huwen.

137

ocr page 154

STAMMEN EN GESLACHTEN.

Do eerstgeboren zoon.\'uit zulk een huwelijk gesproten, werd dan rechtens als de zoon des overledenen beschouwd.

Zoo rekende Rachel ook de kinderen van haar slavin Bilha geheel als de hare, evenals Lea dit deed ten opzichte van de kinderen van Zilpa. In beide gevallen gold het recht meer dan de rechtstreeksche afstamming.

138

Zoo is het ook te verklaren, dat Mattheüs en Lukas Christus den zoon van Jozef noemen, hoewel beiden zeer goed wisten, dat Hij geen lijfelijke zoon van Jozef was. In rechten, d. w. z. volgens de toenmalige wetten en gebruiken, was Jezus wel degelijk een zoon van Jozef en daardoor een rechtmatige erfgenaam van David. Zoo werd ook in dezen de profetie van den Zone Davids in Christus vervuld. De afstamming van Maria hiermede in verband te brengen, zou van alle belang ontbloot zijn, aangezien slechts met de afstamming van den vader rekening werd gehouden om te bepalen, tot welken stam en tot welk geslacht de kinderen behoorden.

HET REIZEN IN PALESTINA.

Wie in Palestina reizen wil, moet zich niet voorstellen, dat hij daartoe gebruik kan maken van den spoortrein of een postwagen: hij moet te voet gaan of zich van een paard of een ezel bedienen. Weliswaar ziet men in den tegenwoordigen tijd ook wagens in Jeruzalem, doch er zijn slechts twee straten, die daarmede bereden kunnen worden; de straat, die van de havenstad Jaffa naar Jeruzalem loopt, en die, welke Jeruzalem met Hebron verbindt en over Bethlehem voert. Voor het

ocr page 155

HET REIZEN IN PALESTINA.

overige verkeeren de wegen in trenrigen staat en wij moeten de ezels, muildieren, kameelen en paarden bewonderen, die zoo bedaard en vaardig zelfs de grootste hinderpalen weten te boven te komen en over hooge rots- en steenblokken heen te klauteren. Wordt het land echter door den een of anderen booggeplaatsten persoon bezocht, dan worden de bewoners met een ongewonen ijver bezield. De straten worden geveegd — een anders ongekende weelde — ,.de dalenquot; d. z. de laagten, worden met aarde en steenen aangevuld, de „bergenquot; of hoogten geslecht, het kromme recht en het oneffene effen gemaakt. Dit herinnert ons aan de woorden van den profeet Jesaja ten opzichte van Johannes: „Bereidt den weg des Heeren , maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God. Alle dalen zullen verhoogd worden en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en al wat krom is, zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot eene vallei gemaakt worden!quot;

Er ligt veel meer poëzie in het reizen te paard of op een wakkeren ezel dan in het sporen. Men kan dan veel meer van de omringende natuur genieten, die als \'t ware tot eene spraakzame reisgezellin wordt. Zij spreekt ons van de eeuwige kracht en Goddelijkheid van Hem, die haar heeft geschapen. Wij hu-spieden de vogelen des hemels, die als een beeld van onbeperkte vrijheid en zorgenloozen levenslust rondvliegen, waar zij willen. De musschen zijn hier vertegenwoordigd als het zand aan den oever der zee. Wanneer de menschen moesten zorgen, dat dit, door hun spreekwoordelijk geworden eetlust befaamde geslacht, jaar in jaar uit behoorlijk gekleed en zelfs des zomers, als alle halmen verdord en alle beken uitgedroogd zijn, gespijzigd en gedrenkt werd, dan zouden zij spoedig ten einde raad zijn en de luchtige zwervers zouden ijlings in aantal sterk verminderen. De Heere heeft vankindsaf deze diertjes dikwijls gadegeslagen en met aanbidding merkte Hij op, hoe Zijn

139

ocr page 156

HET REIZEN IN PALESTINA.

homelsche Vader \'geen hunner vergeet, zoodat er niet één van

liet dak valt zonder Zijnen wil. Wij weten, Hij wees er Zijne

toehoorders op om hun duidelijk te maken, dat de Goddelijke

voorzienigheid ook over hen waakte: .Aanziet de vogelen des

hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in

de schuren, en uw homelsche Vader voedt nochtans dezelve;

gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?quot; Maar ook de fiere

adelaar, die zich op zijn krachtige wieken laat drijven, of met

forschen vleugelslag de lucht klieft, kent geen zorgen: als

helden vervolgen zij hunnen weg. Daarom zong ook David: 4

„Saul en Jonathan waren lichter dan de arenden, zij waren

sterker dan de leeuwen.quot;

En toch moeten ook deze roofdieren „wachten op God, die hun hunne spijze geeft te Zijner tijd, evenals het hert, dat naar water schreeuwtquot; en „de jonge raven, wier jongen tot God roepen.quot; (Job XXXVI11).

Ook den gier kan men op reis veelal nauwkeurig gadeslaan.

AVanneer onderweg een paard, ezel of kameel sterft, laat men het eenvoudig op de plaats, waar het nedergevallen is, liggen ,

tot grooten last van alle reizigers, die wegens den onverdra- ^

gelijken stank dikwijls in de noodzakelijkheid zijn een grooten omweg te maken. De gieren vliegen dan eerst in groote kringen boven het doode dier rond en schieten er eindelijk op neder om het aas te verslinden, doch zij moeten hunnen buit dikwijls deelen met een talrijk gezelschap van hyena\'s, vossen en andere viervoetige gasten. Na verloop van eenige dagen is er niets meer te vinden dan de afgeknaagde beenderen en is de weg weer begaanbaar. De gieren doen buiten op de bergen en op de heilwegen denzelfden dienst als de myriaden »

lastige muggen en vliegen in de steden, die zich verdienstelijk maken door schadelijke, in ontbinding verkeerende stoffen op te ruimen. Ook Jezus kende hunnen aard, want, toen Hij in

ocr page 157

HET REIZEN IN PALESTINA.

de laatste dagen Zijns levens Jeruzalem, de stad der profe-tenmoordenaars, aanschouwde en Zijnen jongeren voorspelde, welk lot Hem daar wachtte, zeide Hij: „Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.quot; De Romeinsche adelaars kwamen om het ten verderve gaande volk te vernielen en van de eens zoo bloeiende Godsstad, bleef niets over dan de dorre beenderen, die echter weer tot elkaar gebracht en met spieren en zenuwen bekleed, ja, levende lichamen zullen worden, als de adem des Heeren daarover blaast. Wijl men op reis in zulke nauwe aanraking komt met de dierenwereld, zegt de Arabier in plaats van: „hij is in de woestijn,quot; „hij is bij de dierenquot; {end él wohoesj).

Het is een der aangenaamste genietingen, aan het reizen in Palestina verbonden, bij het beklimmen van zoo menig steil bergpad te mogen denken: dezen weg heeft ook Jezus met Zijne jongeren bewandeld. Hij toch heeft het geheele land doorkruist. Nu eens vinden wij Hem in Nazareth, dan aan de oevers van de Jordaan, heden in de koningsstad Jeruzalem, morgen aan het meer Genezareth, op een anderen tijd in Samaria, aan gene zijde van de Jordaan of aan de Middellandsche zee, in den omtrek van Tyrus en Sidon of in de nabijheid van den met sneeuw bedekten Hennon, te Caesaréa Philippi. De Evangelisten hebben ons de reizen van Jezus niet in tijdrekenkundige volgorde beschreven, het was hun steeds te doen om hetgeen op die reizen voorviel. Bij een nauwkeurig onderzoek der Evangelisten blijkt ons echter, dat de Heer, behalve kleinere marschen en uitstapjes in den omtrek van het meer Genezareth, vijf of zes groote reizen door het land gedaan heeft. In don regentijd vertoefde Hij te Nazareth, waarschijnlijk in de woning van Petrus en Andreas, en daar. zullen de jongeren zeker met hun handenarbeid in de behoefte hunner familie hebben voorzien. En evenals Paulus het zich veel meer dan andere rabbi\'s

141

ocr page 158

HET REIZEN IN PALESTINA.

142

van zijn tijd tol eene eer rekende, door zijn eigen handenarbeid in zijn onderhoud en dat dergenen, die met hem waren, te voorzien, zoo zal ook Jezus Zich in dien tijd niet geschaamd hebben aan den arbeid deel te nemen. Hij verstond gewis even goed als Zijne jongeren de kunst om een zeil te hijschen, liet roer te hanteeren en tijdens een storm het schip te sturen. Hij, die den jongeren de voeten wiesch, zal Zich bij zulk eene gelegenheid niet ontzien hebben, mee de handen aan het werk te slaan. Des Zaterdags leerde Jezus het volk in de synagoge, waar Hij Zich ook bevond; ook schijnt de Heer op Zijne reizen onderweg gepredikt te hebben, doch slechts in den eersten tijd van Zijn optreden, toen groote scharen Hem volgden. In Kapernaüm was de toeloop dan zoo groot, dat Hij Zich niet meer in hel openbaar kon vertoonen (Mark. 1 : 45). Daarom begaf Hij Zich naar het open veld, op do bergen en in de begraasde vlakte of woestijnen in de nabijheid der stad om daar het volk te leeren. Uit den geheolen omtrek, dikwijls drie of vier dagreizen ver, stroomden de bewoners te zamen om den beroemden leeraar te hooren: „uit Jeruzalem en Iduméa en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon enz.quot; (Mark. III: 8.) Allengs nam echter het getal Zijner volgelingen af. De toeloop van vreemdelingen werd minder, de haat Zijner vijanden gevaarlijker en de reizen, die Hij ondernam, strekten meer om Zich aan do vervolging der vijanden te onttrekken, dan om het volk het Evangelie te prediken. Gewoonlijk kenden de jongeren ook in in don eersten tijd van Jezus\' optreden het doel der reis niet. Jezus verzweeg hun dat om een nutteloozen toeloop van nieuwsgierigen te vermijden, wien het toch slechts te doen was om wonderen te zien, en Jezus streefde er niet naar opzien te wekken, maar om het zaad des levens in do harten uit te strooien. Behalve Zijne jongeren vergezelden Hem ge-

ocr page 159

HET REIZEN IX PALESTINA.

woonlijk vorsclieidcne vrouwen, aan wie ITij onrterscheidene weldaden had bewezen en die Zijne leering en prediking wenschten te hooren. (Luk. VIII: 1.) Zij zorgden ook voor Zijn onderhoud en deden Hein handreiking van hare goederen. Jezus zelf kon toen niet voor Zijn eigen onderhoud zorgen, Hij leidde een zwervend leven en had zelfs geen plekje, waar Hij het hoofd kon nederleggen. De gaven, welke aan Jezus geschonken werden, weigerde Hij niet: aan Judas Iskariot gaf Hij de beurs, die droeg hetgeen gegeven werd (Joh. XII: G). Zoo trok Hij van stad tot stad, van dorp tot dorp (Luk. VIII: l). Soms zond Hij Zijne jongeren alleen uit en vervolgde Zijnen weg. Van hetgeen op die reizen voorviel of gesproken werd, is weinig voor ons bewaard gebleven.

Wa ar vindt men nu op zulke reizen in Palestina des nachts een onderkomen? Wij hebben vroeger reeds opgemerkt, dat in streken, waar de Európeesche invloed zich nog niet laat gelden, geen herbergen worden gevonden. Gastvrijheid is vanouds de roem en eere van den Oosterling geweest. En hoe beter de menschen hunne oorspronkelijke eenvoudige zeden bewaard hebben, zooals in de woestijn, met des te meer bereidvaardigheid en voorkomendheid wordt deze schoone deugd beoefend.

De Arabier beschouwt het als een bewijs van groote ruwheid, wanneer iemand een gast niet vriendelijk ontvangt; hij meent het dan ook oprecht, als hij tot zijn gast zegt: Bet! hêtah: mijn huis is uw huis. Hiermee is niet gezegd, dat men ieder persoon, ook van verdacht uiterlijk, dien men in de woestijn aantreft, maar als een goed vriend in huis opneemt. Daartoe behoort, dat men in zijne tent als zijn gast en huisvriend heeft vertoefd. Anders moet ge het niet vreemd vinden, dat hij u bij eene ontmoeting in de woestijn, van den last uwe beurs te dragen, vriendelijk ontheft. Hij beschouwt dit

143

ocr page 160

HET REIZEN IN PALESTINA.

volstrekt niet nis kwaad, liet is voor de vrijheeren een bron van bestaan, evenals aan de noordelijke kusten de strand-rooverij, waarbij men vroeger zelfs zoover ging in de kerk gebeden op te zenden om een rijken buit, of er een dankstond voor te houden. Is men echter eenmaal de gast van een Arabier geweest, dan kan men steeds op zijne bescherming rekenen. Wanneer men eene woning nadert, behoeft men gewoonlijk niet aan te kloppen, de bewoner komt den vreemdeling reeds te gemoet en noodigt hem vriendelijk uit, binnen te treden. Zoo lezen wij ook, dat Abraham, eens voor de deur zijner tent gezeten, als de zon heet was, drie mannen ziende naderen, hun te gemoet ging en zich ter aarde boog en zeide: „Heere, heb ik nu genade gevonden in uwe oogen, zoo ga toch niet van uwen knecht voorbij; dat toch een weinig water gebracht worde, en wascht uwe voeten.quot; Iets dergelijks, is mij meermalen in het gebergte van Juda van geheel vreemde menschen wedervaren. In verscheidene streken worden den gast ook de voeten gewasschen en .hij en zijn lastdier van spijs en drank voorzien, zoo goed als de gastheer het vermag aan te bieden. De verplichtingen, die de gastvrijheid oplegt, bepalen zich intusschen tot het gebied, hetwelk door den stam van den gastheer wordt bewoond. Een Arabier, die u heden vriendelijk heeft geherbergd en onthaald, valt u misschien morgen aan en schudt u uit, wanneer hij u in een andere streek ontmoet.

Op mijne reizen was ik altijd in de noodzakelijkheid den een of anderen inwoner van een dorp om nachtverblijf te verzoeken, hetgeen mij nooit werd geweigerd. Gewoonlijk gaf ik den volgenden morgen daarvoor een kleine vergoeding. De Arabieren uit vroegeren tijd zouden dit als eene beleediging beschouwd hebben. Onder elkander zullen zij ook geen geld aannemen, maar ten opzichte van Europeanen vinden zij

144

ocr page 161

HET REIZEN\' IX PALESTINA.

145

daarin geen gewetensbezwaar, vermits het hnn streven is zooveel mogelijk voordeel van hen te trekken. In den zomer heb ik ook dikwijls onder den blooten hemel overnacht. Het paard werd aan eene rots of aan een grooten steen vastgebonden, de mantel ol\' reisdeken omgeslagen en het zadel als hoofdkussen gebruikt. Ook Jezus en de Zijnen hebben waarschijnlijk meermalen den nacht buiten doorgebracht; wij vinden hen immers in de kende Aprilmaand des nachts buiten in Gethsemané! Dan wikkelden zij zich in hunne mantels van schapenwol of kemelshaar en legden het hoofd, evenals do aartsvader Jakob, op een steen of eene verhevenheid van den bodem. Wanneer het echter daarvoor te koud was, moesten zij een onderkomen vragen en werden zeker in verschillende woningen geherbergd. Wanneer vreemdelingen eene woning zijn binnengetreden, verzamelen zich daar gewoonlijk tal van mannen, dikwijls bijna het geheele dorp. en zetten zich op matten langs de wanden neer. Wij maken van zulk eene gelegenheid gewoonlijk gebruik om hun het Evangelie te prediken; dit is ook de wijze van arbeiden, welke door de evangelisten uit het Syrische weeshuis gevolgd wordt, die tweemaal per jaar het land doortrekken. Ik houd het er voor, dat ook Jezus dikwijls op die wijze van het Koninkrijk der hemelen gepredikt heeft, terwijl eene kleine olielamp haar mat licht over de rondom neergezeten toehoorders verspreidde, in wier verduisterde harten aldus een weerschijn van het eeuwige licht binnendrong. Wanneer niets Hem meer in zulk een dorp terughield, nam de Heer den volgenden morgen afscheid van de woning, waar Hij gastvrij ontvangen was en die Hij nooit verliet om bij voornamer lieden Zijn intrek te nemen (Matth. X:ll; Luk. X ; 7). Waren de menschon arm, bij wie Hij overnacht had, dan zal Hij zeker Judas bevolen hebben iets tot vergoeding achter te laten, daar Hij toch een gedeelte van het geld in de beurs voor de armen

lü

ocr page 162

HET REIZEN IX PALESTINA.

bestemde. (Luk. XI ; 41; Matth. XXVI: 11.) Dal dil echter Zijne vaste gewoonte niet was, blijkt o. i. uit Matth. X. waar wij lezen, dat, als Hij Zijne jongeren nitzond. Hij hun beval in de dorpen en steden van de gastvrijheid gebruik te maken, doch bun verbood geld mede te nemen in hunne buidels of gordels. Slechts éénmaal werd Jezus gastvrijheid geweigerd en wel door Samaritanen, toen Hij op weg was naar het door hen zoo gehate Jeruzalem. Wij zien echter uit de verontwaardiging van Jakobus en Johannes, „de zonen des donders,quot; welk een ongehoord feit dit was; zij wilden dadelijk vuur van den hemel doen nederdalen (Luk IX), want de nabijheid van den berg Karmel herinnerde hen aan den profeet Elia. Jezus echter berispte hen ernstig en begaf Zich naar een ander dorp. Toch bad de weigering ook Henl gegriefd, want tot den man, die Hem volgen wilde, zeide Hij: „De vossen hebben holenquot; enz., een woord, dat ons een blik gunt in Zijn leven vol ontbering, moeite on ingespannen arbeid. De Heere moet intusschen een gezond, sterk gestel» gehad hebben om al die vermoeienissen te kunnen doorstaan. Daarom kon Hij ook op een door storm geslingerd schip even rustig slapen als onder de palmen vijgeboomen op de bergen van Palestina.

De toestand der zieken in de dorpen is in den regel allertreurigst. Soms vindt men er iemand, die uit verschillende kruiden geneesmiddelen weet te bereiden, doch ook zijne kennis gaat niet ver, daar hij in \'t minst niet op de hoogte is van den bouw van het menschelijk lichaam. Gewoonlijk worden de kranken aan hun lot overgelaten en troost men elkaar met de woorden: „min allah!quot; d. i. het komt van God, eene machtspreuk, die den Oosterling over alle raadselen des levens heenhelpt. Komt echter een Europeaan te paard tut hen en houdt men hem voor een arts, dan wordt hij dikwijls door het halve dorp omringd en om raad gevraagd. Hier

14G

ocr page 163

HET REIZEN IN PALESTINA.

147

brengt oene moeder haar uitgeteerd kind, daar komt een ooglijder, wiens kwaal klaarblijkelijk uit onzindelijkheid voortkomt, ginds wordt een kranke ondergeschikte tot hem gebracht en zijne hulp op smeekenden toon ingeroepen. Zoo ging het ook met den Heer, toen het bekend werd, dat hij de macht bezat om kranken te genezen. Hierdoor baande Hij Zich een weg tot de harten der armen. Waar Hij kwam, brachten zij de zieken tot Hem en Hij legde allen de handen op en maakte hen gezond, opdat het woord van den profeet Jesaja vervuld zou worden: „Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen. (Matth. IV : 24; VIII: 17). En al wordt de reiziger ook al niet omringd door kranken, dan komen toch de bedelaars, melaatschen en blinden (welke laatsten hier zeer talrijk zijn) en roepen hem reeds van verre op smeekenden toon toe: „Hoer, erbarm u! Heer, erbarm u!quot; of vervolgen hem, waar hij gaat of staat, op de onbe-schaamdste wijze met hun halcsjies! haksjies! Op die wijze hebben zij ook Jezus vervolgd. Zoo hoeft ook de Kananeesche vrouw bij Tyrus en Sidon den Heer nageroepen en Hem, toen Hij niet antwoordde, den weg versperd en zich aan Zijne voeten geworpen. Evenzoo de twee blinden in Jericho met hun geroep: „Gij Zone Davids, ontferm U onzer!quot;—entoen Jezus niet hoorde, vervolgden zij Hem tot in de woning, waar Hij binnenging en waar Hij hen ook genas. Hij zette Zich bij de tollenaars, die ook heden nog doortrapte schelmen zijn, en bij de zondaars aan tafel en deed hun op die wijze Zijne vriendelijkheid en liefde ervaren. Bij dezulken heeft de Hoor ons vergeleken, die Hij op do straten en heggen laat noodigen tot Zijn heerlijk bruiloftsmaal; en men moot de onbeschaamdheid dier lieden kennen om hot geduld van den Zoon dos monschon jegens do zondaren oenigszins naar waarde te schatten. Hij gevoelde Zich tot do allerarmsten en oliënd igsten aange-

ocr page 164

HET REIZEN IN PALESTINA.

trokken, evenals zij liet zich tnt den Heer gevoelden. Het was dan ook dikwijls een vreemdsoortig gezelschap, dat Jezns omringde. Toen Hij van Tyrus en Sidon terugkeerde en Zich aan het meer Genezareth bevond, beklom Hij een berg (Matth. XV: 30) en het volk legerde zich om Hem heen. Het was een erbarmelijk schouwspel! De menigte scheen uit louter ellendigen te bestaan; Jezus, de Barmhartige, echter stond in hun midden. Kan het ons dan verwonderen, dat Hij Zichzelf steeds meer ging beschouwen als een geneesmeester, die een ziekenhuis was binnengetreden om aller krankheden op Zich te nemen? Binnen korten tijd was er evenwel een groote verandering te bespeuren: hier zag men een stomme, die met luider stem God verheerlijkte; daar een lamme, die vrij kon huppelen; de kreupelen gingen; do blinden zagen het gouden zonlicht weder.

Boven elke reis van onzen Heer kunnen wij het woord schrijven, dat Hij tot Zijne jongeren sprak: „Wij gaan op naar Jeruzalem.quot; Naar het aardsche Jeruzalem om te lijden, te sterven en te overwinnen, naar het hemelsche om tot de heerlijkheid bij den Vader terug te keeren. Ook was Zijn kruis een vingerwijzing naar het ware doel onzes levens. Gelijk de kruispaal naar boven wijst, geeft het een nieuwe, hemel-waartsche richting aan onzen levensweg en roept het ons toe: wij gaan op naar Jeruzalem!

148

ocr page 165

DE VOLKSTAAL.

Bij al Zijne leerredenen maakte Jezus gebruik van de volkstaal, gelijk Hij die geleerd had in den dagelijkschen omgang met het volk te Nazareth en op Zijne vele reizen, en dit was juist een der uiterlijke oorzaken, dat Zijne leeringen zulk een diepen indruk maakten en het volk verwonderd uitriep: .Hij leert als machthebbende en niet als de schriftgeleerden.quot; Hij liet Zich niet in met de kleingeestige bespiegelingen en spitsvondigheden , waarover de schriftgeleerden zich druk maakten, maar leerde en sprak in de beeldrijke taal, die men op de straten en markten uit den mond des volks kon opvangen.

Ook de volkstaal van de tegenwoordige bewoners van het Heilige Land is nog evenzeer zinrijk en schilderachtig als eertijds. De Arabier houdt er niet van zijne gedachten in korte, droge woorden weer te geven. Bij voorkeur gebruikt hij gelijkenissen , waarvan de hoorder de beteekenis zelf moet vinden. Als voorbeeld zal ik hier een gesprek mededeelen, dat ik voor korten tijd met een onzer gemeenteleden, ook een Arabier, voerde. Nadat de gewone plichtplegingen der begroeting met de veelvuldig herhaalde wenschen van een goeden dag, een lang leven, de vermeerdering mijner familie, de voortdurende gezondheid mijner kinderen en der Goddelijke bewaring en genade afgeloopen waren, begon hij aldus: „Abuna! (d. w. z. onze vader) ik heb u iets te zeggen!quot;

„Tot uw dienst ,quot; antwoordde ik.

„God schenke u een gelukkigen morgen! Daar was eens een schaap, dat naar de woestijn ging en er verdwaalde. Het strompelde van berg tot berg en van dal tot dal. Het vond nergens weide. Op de rotsen en in de doornen doorwondde

ocr page 166

DE VOLKSTAAL.

het zich de voeten. Het was op het punt te versmachten. Geloof mij, het was in het grootste gevaar. Wat zal nu de goede herder doen, indien hij den treurigen toestand van zijn schaap gèwaar wordt ?quot;

„Hij zal het opzoeken om het tot de kudde terug te voeren en het zorgvuldig verplegen,quot; antwoordde ik.

„Gij hebt recht geantwoord.quot;

Hierop zag hij mij met gespannen verwachting aan, of ik de juiste verklaring zijner gelijkenis zou vinden. Doch al spoedig bleek dit niet het geval te zijn, waarop hij zeide: „Abuna! God schenke u een lang leven, heil en zegen! Tk heb op het oogenblik in \'t geheel geen geld.quot; Eerst nu geraakten wij op streek.

Een ander voorbeeld. — In de gemeente Beit-Djala bestaat een Roomsch-katholieke gemeente, die sedert lange jaren do evangelische gemeente zoekt te benadeelen, waar zulk slechts mogelijk is. Voor eenigen tijd vermaande ik een der gemeenteleden, die zich hierover beklaagde, al het mogelijke te doen om den vrede te bewaren. Hij gaf mij hierop het volgende antwoord, waaruit ik moest opmaken, dat men van weerszijden de wederkeerige beleedigingen en krenkingen niet vergeten kon:

„ Er was eens eene slang, die in het hol van een vos kroop en een der jonge vossen doodbeet. Toen de vos dit bemerkte, beet hij de slang uit wraakzucht den staart af — dat zij verre van u (wij zouden zeggen, „met uw verlof). Sinds dien tijd kan de vos zijn jong, maar ook de slang haar staart niet vergeten.quot; Hierop ging hij heen zonder verder een woord te spreken. Ziehier hetzelfde gebruik, dat wij in de Evangeliën zoo dikwerf terugvinden. Daar ook worden de leeringen en antwoorden niet in korte woorden of regels, maar inbeelden en gelijkenissen gegeven, zoodat ze niet slechts meer indruk

150

ocr page 167

151

op do toehoorders maken, maar ook gemakkelijker te onthouden zijn. Iedere leeraar in het Oosten moet nog heden ten dage dezelfde wijze van leeren en prediking in practijk brengen en zieli daarin oefenen. Zonder gelijkenissen kan ik\'door mijne prediking mijne Arabische toehoorders niets zeggen. Zijn mijne gelijkenissen goed gekozen, zoo kan ik van een aandachtig gehoor verzekerd zijn. Verval ik echter te veel in een preektoon, zoo beginnen mijne toehoorders te geeuwen en te slapen.

De Arabieren bezitten bovendien een groote voorliefde voor spreekwoorden, die zij in hunne verhalen invlechten. In\'.edere vergadering en op iedere markt kan men dit hooren. Dikwerf krijgt ge op uwe vragen slechts een spreekwoord ten antwoord zonder iets meer. Ook Christus gebruikte dikwerf spreekwoorden. Zoo zegt Hij om iets onmogelijks aan te duiden: .Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke (een, die zijn vertrouwen op zijn rijkdom stelt), inga in het Koninkrijk Gods.quot; Met de valsche verklaring, dat , het oog van de naaldquot; de naam was van een kleine poort van Jeruzalem, ontneemt men de kracht aan deze gelijkenis. De Heer wil zeggen, dat het (bij de menschen) volstrekt onmogelijk is, evenzeer als het gaan door het oog van eene naald voor een kameel; slechts de wijsheid Gods kan hier nog eene mogelijkheid voor vinden. — Wanneer do Farizeën er Christus een verwijt van maken, dat Zijne jongeren niet vasten, zoo antwoordt Hij: „Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zoo lang de bruidegom bij hen is, kunnen zij niet vasten.quot; Berispen zij Hem vanwegen Zijn vriendelijken omgang met de tollenaren en zondaren, zoo antwoordt Hij zonder iets meer: „Diegezond zijn, hebbenden medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.quot;

In vele hedendaags gebruikelijke uitdrukkingen herkennen wij nog de volkstaal van het oude Israël. Wie zou niet aan

ocr page 168

152 DE VOLKSTAAL.

don aartsvader Jakob denken, wanneer een Arabier op de vraag: rHoe heet gij?quot; ten antwoord geeft: „Uw knecht heet Izaak, uwe dienstmaagd heet Sara, Mirjam, Oeardaquot; enz.! Of wie zoude niet denken aan de woorden van Jakobus (Jak. II: 16), wanneer hij een Arabier den bedelaar, dien hij niets geven wil, hoort toevoegen: „Allah iatlk!quot; d. w. z. God geve u; ,ga heen en word warm!quot; Zoodra een bedelaar dergelijke woorden hoort, [weet hij, dat hij niets bekomen zal, en hij vertrekt.

Nergens komt echter de overeenkomst van de tegenwoordige met de vroegere volkstaal meer bij uit, dan bij het zweren en bij het groeten.

Zweren en vloeken hoort men aan alle plaatsen, op de markt, op straat, in de werkplaatsen, in de huizen, overal waar men slechts menschen aantreft. Iedere bewering bijna begint met de woorden: Zoo waar God leeft, zoo waar gij leeft, bij mijn hoofd, bij mijn leven enz. Zulke spreekwijzen vinden wij ook dikwerf bij de profeten. Zoo begon bijv. Elia zijne rede veelal met de woorden: ,,Zoo waarachtig als de Heere, de God Israels, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta.quot;

Hier hebben dergelijke woorden eene majesteit, die eerbied afdwingt. Het volk misbruikte ze toen, evenals nu, in gedachteloosheid en daardoor op zeer zondige wijze. Wanneer men nagaat, dat men thans ook nog geen winkel voorbij kan gaan, zonder voortdurend te hooren zweren; dat er niet het geringste verkocht wordt zonder dat de verkooper zweert, dat hij het niet minder geven kan, en de kooper zweert, dat hij het niet betalen kan, dan leert men verstaan, hoe noodig het was, dat de Heer het volk in de Bergrede hierbij bepaalde, waar Hij zegt: .Ik zeg ulieden, zweert ganschelijk niet, maar laat uw woord zijn ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den booze.quot;

ocr page 169

DE VOLKSTAAL.

Do Joden, die ten tijde van Christus leefden, hadden te veel eerbied voor Gods naam oni dien bij het zweren in liet dage-lijksch leven te misbruiken. Zij konden echter deze zonde, aan de Oostersche volken zoo eigen, niet nalaten en zwoeren bij den hemel, bij de aarde, bij Jeruzalem, bij hun hoofd enz. De Heer wijst hen op het onhoudbare van hunne drogredenen, als zouden zij zoodoende niet bij God zweren, en toont in bijzonderheden aan, dat het in den grond toch zweren is bij God, al beroepen zij zich op Zijn troon, den voetbank Zijner voeten, Zijn koninklijke stad enz. Slechts dit gedachteloos en in de meeste gevallen leugenachtig zweren verbiedt Christus (verg. ook Jakobus); doch niet een ernstig eed afleggen als in de tegenwoordigheid Gods, hetwelk de overheid vordert in den naam van God, die haar instelde.

Wij vermelden hier nog, dat de Arabieren den naam Gods tot heden in hunne bijgeloovigheid en angst voor booze geesten ontelbare malen misbruiken. Bijna telkenmale, als zij een kind aanraken, bij het in het gebruik nemen van een nieuwen pot, ja, over de onbeduidendste dingen wordt de naam des Heeren als een machtige tooverspreuk of geheimzinnige talisman uitgesproken , ten einde zichzelf en zijn huis tegen booze machten te beschutten.

Tegen zoodanig misbruik spreekt het gebod: „Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken.quot; Daarentegen beveelt de Heer: „Alzoo zullen zij Mijnen Naam op de kinderen Israels leggen, en Ik zal ze zegenen.quot; (Num. VI: 27).

De begroetingen der Arabieren herinneren ons in alles aan de tijden, waarvan de Bijbel spreekt. Men zal niet licht oen volk kunnen vinden, dat zulk een rijkdom van fijne, sierlijke en hoffelijke spreekwijzen bezit, welke door hooggeplaatsten en eenvoudigen, geleerden en minbegaafden met zooveel vrijmoedigheid ten beste gegeven worden. Dat zijn de overblijfselen

15S

ocr page 170

DE VOLKSTAAL.

van een tijd, waarin deze beschaafdheid een innerlijke adel van het Arabische volk was. Thans is- van het wezen der zaak niets meer overgebleven, \'t Zijn slechts vormen, schoone woorden, die men uitspreekt, doch waarin alle geest en leven gemist wordt, koude plichtplegingen, die men uit kracht der gewoonte volbrengt. Schoone, zinrijke groeten heeft men nog in overvloed. Men stelt zich daarom in den regel niet met een enkelen groet tevreden. Neen, uit zulk eene begroeting ontspint zich dikwerf eene soort van samenspraak, waarbij de eene geluk-wensch met den anderen beantwoord wordt of de eene den anderen overtreft, bijv.

A. God geve u een goeden morgen!

B. U honderd goede morgens!

A. De morgen brenge u heil!

B. Ja, God beschikke u een morgen vol van heil!

A. Heb een gelukkigen dag!

B. Gelukkig en gezegend moge deze dag voor u zijn!

A. Vrede zij met u!

B. Over U zij vrede!

A. God bouwe uw huis!

B. Hij geve u een lang leven en spare uwe kinderen!

A. God zij met u! Blijf ons vriendelijk gezind!

B. Ga heen in vrede!

Dikwerf hebben wij gelezen, dat de begroetingen in het Oosten zoo tijdroovend zijn, dat de omhelzingen, vrede- en geluk-wenschen zooveel tijd vorderen, dat Jezus Zijnen jongeren deze vermaning op de reis meegaf: „Groet niemand op den wegquot; (Matth. X.) Dit is bepaald onjuist. Want de eenvoudige begroeting op den weg, zelfs wanneer die met kus en omarming gepaard gaat, is zoo tijdroovend niet, dat dit zulk een gebod noodig of verklaarbaar zou maken.

Wellicht zoude menig lezer nu denken, dat dit bevel wat

154

ocr page 171

DE VOLKSTAAL. 155

overdreven genoemd kon worden, indien het niet het bevel geweest ware van onzen Heer en Heiland, \'t Zou daarenboven inderdaad zeer onvoegzaam geweest zijn. indien de jongeren de voorbijgangers, die zij op hun weg ontmoetten, niet eens hadden mogen groeten, leder zoude dit als hoogst onbetamelijk beschouwd hebben en het zou voorzeker aan de taak, die hun opgedragen was, niet bevorderlijk zijn geweest.

De zaak krijgt echter een gansch ander aanzien, als wij bemerken, dat het woord Salem, dat door groeten vertaald is, bij de Oosterlingen ook beteekent: op reis zijnde, bij iemand een bezoek afleggen, hetgeen klaarblijkelijk door den Heer werd bedoeld.

Wanneer ik mij naar de woestijn begaf om een hoofdman te bezoeken en een dor Bedoeïenen mij op den weg tegenkwam met de vraag: „Wat komt gij hier doen?quot; zoo zoude ik hem op zijn Arabisch antwoorden: „Ik wensch uwen Sjeik te groeten.quot; Wil een onzer gemeenteleden te Hebron naar Jeruzalem gaan en mij op zijn weg een bezoek brengen, zoo zal hij, wanneer hij dit thuis wil mededeelen, tot zijne hnisge-nooten zeggen: ,lk zal den predikant op den weg groeten.quot; Van deze wijze van groeten spreekt Christus tot Zijne jongeren. Hij wil tot hen zeggen: „Laat u op den weg niet ophouden door goede bekenden, die u uitnoodigen om hen te komen „groetenquot; d. w. z. om hun huis binnen te treden, waar zij, volgens de gebruiken van het land aanstonds een beest zullen slachten en voor u een maaltijd bereiden om feest met u te vieren wegens het gelukkig wederzien, waardoor gij telkens een of meer dagen verliezen zoudt. Daarvoor is uwe roeping te gewichtig en uw tijd te kostbaar.quot; De jongeren des Heeren hebben echter voorzeker, evenzeer als hun Meester, de voorbijgangers steeds vriendelijk gegroet.

Het woord. dat bij het groeten in het Oosten steeds de

ocr page 172

156 DE VOLKSTAAL.

hoofdrol speelt, is vrede. Als de liefelijk ruischende tonen uit een verzoende wereld, als een herinnering van een vervlogen gouden eeuw, als eene verzuchting naar en een voorgevoel van het vrederijk, dat komen zal, klinkt in allo begroetingen, ook nog heden ten dage. in Palestina het kostelijk woord „vrede.quot;

Hoe heerlijk klonk de groet, waarmede de hoofdman Amasa koning David begroette, als hij tot hem zeide: „Wij zijn de uwen, o David, met u zijn wij, o zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u en uwen helpers, want uw God helpt u.quot;

„Vrede zij met u,quot; dat is de groet, waarvan nog heden ten dage het grootste deel der bewoners van Palestina zich bedient. Een Mohammedaan zal echter dezen groet nimmer jegens een Christen gebruiken. Bezigt een Christen dezen groei jegens hem, dan ontvangt hij altijd ten antwoord: „Bekeer u tot den profeet!quot;

Zoozeer is intusschen het groeten en vrede wenschen in het oude land des Bijbels gelijkbeteekenend, dat heden ten dage, gelijk voorheen, de inwoners voor beide zaken hetzelfde woord gebruiken, zoodat het moeielijk is te weten, wat in elk bijzonder, geval bedoeld wordt. Zoo komt het ook, dat het woord saldm (Hebr. sclialom) vooral in het Nieuwe Testament veelvuldig en in zinrijke beteekenis voorkomt, waardoor verscheiden plaatsen in een zeer eigenaardig licht treden. Zoo zegt de Heer (Matth. X) tot Zijne jongeren: „En als gij in een huis gaat, zoo groet hetzelve (d. w. z. in de landstaal overgezet: spreek er vrede over uit) en, indien het huis waardig is, zoo kome uw vrede over hetzelve.quot; Deze groet der jongeren zou dus niet slechts een wensch zijn, maar werkelijken vrede in het huis brengen.

Een voorval te Hebron herinnerde mij kortgeleden aan dit woord. Een Mohammedaan was door een Arabisch Christen, die op de markt zat, mot zijn gewonen groet „vrede zij over

ocr page 173

DE VOLKSTAAL.

uquot; voorbijgegaan; deze antwoordde hem als gewoonlijk: „over u zij vrede.quot; Later hoorde de Mohammedaan echter, dat hij een Christen had gegroet. Hij kwam toen terug en voer heftig tegen hem uit. Met behulp van andere Mohammedanen begon liij don armen man te mishandelen, terwijl hij voortdurend uitriep: „Geef mij mijn vrede terug! geef mij mijn vrede terug! Want gij zijt een Christen!quot;

Alleen met behulp van eenige toegeschoten bekenden kon deze Christen aan verdere mishandelingen ontkomen. Hieruit blijkt wel. dat ook bij de tegenwoordige bevolking deze groet meer dan een wensch beteekent, dat deze zegenwensch iets wezenlijks, een hoogero beteekenis en kracht in zich moet sluiten, waarmede men niet roekeloos te werk mag gaan, dat het een „parelquot; is, die men niet „voor de zwijnenquot; mag werpen. Vandaar de omzichtigheid of liever karigheid, waarmede deze groet door de Mohammedanen wordt gebruikt. Vandaar dat de Mohammedaan van Hebron zijn vrede terugeischte. Zoo zegt ook Christus tot Zijne jongeren (Matth. X): „Maar indien het huis niet waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u.quot;

Ook bij het afscheid nemen is do algemeene groet ma\'ssalama! Ga heen in vrede! Hoe talloos vele voorbeelden uit de Heilige Schrift toonen ons aan, hoe oud deze afscheidsgroet is. Wij noemen slechts Exod. IV: 18; Richt. XVIII: 6, 1 Sam. 1:17. Wanneer de Heer een kranke genas en Hij hem vaarwel zei, sprak Hij telkens volgens \'t gebruik van het land: „Ga heen in vrede!quot; (Luk. VII: 50; XVIII: 48; Mark V : 34.) Deze groot had voor hen, die hem van de lippen van onzen gezegenden Heiland vernamen, niets buitengewoons. En toch hebben zij voorzeker telkenmale ondervonden, dat hier eene werkelijke macht en kracht des vredes aanwezig was, die zij nooit te voren hadden ervaren.

157

ocr page 174

DE VOLKSTAAL.

Jezus zegt zelve tot Zijne jongeren, dat Zijn afscheidsgroet een gansch andere beteekenis had dan die der wereld! In Zijn afscheidsrede (Joh. XIV) zegt Hij: „Vrede geef Ik n, Mijnen vrede laat Ik u,quot; d. i. als iemand, die afscheid moot nemen, moet Ik n thans vaarwel zeggen, of, in de taal der Oosterlingen. „Gaat henen in vrede!quot;

Dit is Mijn afscheidsgroet en de afscheidszegen, dien Ik n achterlaat. „Niet gelijk de wereld hem geeft, geef Ik hem u,quot; laat Hij erop volgen d. w. z. ook de wereld zegt bij het af-scheidnemen: „Gaat heen in vrede!quot; Doch dit is slechts een afscheidsformule, die gedachteloos uitgesproken wordt, of in \'t beste geval niet meer dan een ijdcle wensch is, dien men niet kan vervullen. Doch Ik schenk u in werkelijkheid dien vrede, die innerlijke rust en blijmoedigheid, die in het harte woont van hen,-die met God verzoend zijn, en die door de stormen van buiten niet verstoord kan worden. „Daarom worde uw hart niet ontroerd en zijt niet versaagd. Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga hoon en — Icom weder tot

Met dezen gebruikelijken groet verscheen ook Christus na Zijne opstanding plotseling te midden Zijner bekommerde jongeren, die dien vrede ook toen nog niet gevonden hadden. Wanneer iemand, dien wijzelven mede ten grave gedragen hadden, plotseling onze kamer binnentrad en ons rustig als altijd „goeden dagquot; wenschte, alsof nog alles bij het oude ware, zoo zou dit ongeveer denzelfden indruk op. ons maken, als dit binnentreden van Jezus met de woorden: „Vrede zij nlieden!quot; op de jongeren maakte.

Heeft ooit deze groet geschonken, wat hij belooft, dan is dit zeker toen het geval geweest. Sedert vervulde vrede de harten der jongeren, voor altijd. Toen verstonden zij het, waarom de Heer hun zeide: „Niet gelijkerwijs do wereld. Zij kent

158

ocr page 175

DE VOLKSTAAL.

159

den waren vrede niet en kan u dien ook nimmer schenken.quot; En is het niet, of deze dubbele beteekenis van het voord „vrede,quot; ook uit do laatste klanken van Aarons hoogepriester-lijken zegen als eene groete van Godswegen u tegenklinkt? „De Ileere verheflfe Zijn aanschijn over u en geve u vrede!quot; d. i. de Heere zie n nog eens met oogen vol genade aan, voor gij uit het Godshuis huiswaarts keert en groete u met Zijnen vredegroet:

„Ga heen in vrede!quot;

OPHELDERINGEN BETREEFENDE VERSCHILLENDE EIGEN AARDRIE PLAATSEN IN DE H. SCHRIFT.

Men verhaalt, dat bij eene godsdienstige bijeenkomst te Bazel, een der voorgangers standvastig weigerde te bidden, zoolang niet alle aanwezige vrouwen het hoofd hadden bedekt, al was het maar met een doek. Deze vriend had klaarblijkelijk eene geheel verkeerde opvatting van de woorden: „Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iels op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd, maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert mot ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd, want het is één en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.quot; Men moet hierbij niet uit het oog verliezen, dat Paulus hier spreekt van de vrouwen, die openlijk in de gemeente te Corinthe optraden om te bidden of te profeteeren. In het Oosten vertoonen de vrouwen zich nooit in \'t openbaar met ongedekten hoofde. • Bij de Mohammedanen moeten zij zelfs gesluierd zijn; slechts in den huiselijken kring mogen zij den sluier afleggen. Eenige dagen geleden trad ik onaangediend

ocr page 176

OPHELDERINGEN BETREFFENDE VERSCHILLENDE

160

een huis binnen, waar twee vrouwen bezig waren met koren malen. De eene had den hoofdtooi afgelegd en bedekte bij mijn binnentreden hoofd en aangezicht met een doek. Zij wilde niet weer te voorschijn komen, alvorens ik de woning had verlaten. Het zou dan ook voor een bewijs van zedeloosheid en lichtzinnigheid gelden, wanneer zij zich op die wijze in \'t openbaar vertoonden. Paulns beschouwt dit als een zinnebeeld van de betrekking, waarin de vrouw tot den man staat, zij moet „eene machtquot; op het hoofd hebben, d. w. z. een teeken van de macht, die de man over haar bezit. De Corinthische vrouwen schenen uit een beginsel van misplaatste christelijke vrijheid zich daarvan ontslagen te achten, zoodat sommigen, die dit aanslootelijk vonden, den apostel hierover raadpleegden. Paulus nu keurt haar gedrag, als onbetamelijk en strijdig met het algemeen, beteekenisvol gebruik, af; ja, hij Iaat niet na haar optreden in \'t openbaar te verbieden. In de Westersche landen houden wij ons aan de heerschende christelijke zeden en gewoonten, het openlijk prediken en voorgaan in !t gebed van vrouwen in de gemeente komt daar in \'t geheel niet voor, althans niet, waar de verhoudingen niet geheel zijn bedorven. De diepere zin van Paulus\' woorden is intusschen ook voor ons, ja, voor alle eeuwen van groote beteekenis, nl. de plaats, welke hij de vrouw in de gemeente van Christus, zoowel als in het maatschappelijk leven aanwijst. Het. toegevoegde „om der engelen willequot; zal wel altijd duister blijven. Avontuurlijke verklaringen aan hunne plaatsen gelaten, begrijpen wij niet, waarom de vrouwen aangespoord moeten worden bij hare kleeding rekening te houden met de onzichtbare tegenwoordigheid van engelen; het zou meer voor de hand liggen daarbij te denken aan de onzichtbare tegenwoordigheid des Heeren. Wij zouden geneigd zijn dit te beschouwen als een schrijffout, zoodat er waarschijnlijk in plaats van aggelus

ocr page 177

EIGENAARDIGE PLAATSEN IN UE H. SCHRIFT.

oorspronkelijk agins heeft gestaan: „om der Heiligen wille.quot;

In Palestina moet men, wil men niet afgezet worden, bij al wat verkocht wordt, om strijd loven en bieden. Onlangs wilde ik voor een mijner vrienden een voorwerp van olijfhout koopen. Ik vroeg den koopman naar den prijs. Hij antwoordde: „Omdat gij het zijt, 75 piasters, anders 100.quot; De vrome pelgrims, die jaarlijks herwaarts komen, hadden hem zeker de gevraagde som betaald en een drinkgeld bovendien. Ik kende mijn volk echter en, daar de koopman een Arabier was, bood ik 12 piasters. Ik joeg hem daardoor een hevigen schrik aan en liij verzekerde mij, dat hij er dan de helft op zon verliezen. Na lang heen en weer praten ging ik verder; er was echter nog geen dag verstreken, of hij kwam bij mij en verzocht mij zeer onderdanig het voorwerp toch van hem te koopen. „Hoeveel vraagt gij?quot; „Veertien piasters.quot; Ik gaf ze hem en meende goede zaken gedaan te hebben; een tijd daarna hoorde ik echter, dat tien piasters de gewone prijs was. — Wanneer iemand liet een of ander wil koopen, wordt het hem eerst als geschenk aangeboden. In den zomer van het jaar 1884 zond ik, op last van de Jeruzalemsche Zendingvereeniging, twee mannen naar Hebron om daar een huis te huren, dat als zendingspost dienst kon doen. Zij reden door het schoone dal Eskol en bereikten eindelijk Hebron. Na lang en vruchteloos zoeken ontmoetten zij een efendi (edelman) of stadsambtenaar, die hen uitnoodigde zijne woning binnen te treden. Hij scheen geneigd zijn huis te verhuren. Nadat zij, volgens algemeen gebruik, elkaar ongeveer tienmaal goedenavond ge-wenscht en over niets dan alledaagsche zaken hadden gesproken, brachten zij het gesprek op het eigenlijke doel van hunne komst, alsof dit slechts eene bijzaak was. Het huis beviel bun en zij vraagden naar den huurprijs, er bijvoegende, dat ■/.{] wilden betalen, wat redelijk was.

161

11

ocr page 178

102 OPHELDERINGEN BETREFFENDE VERSCHILLENDE

Eigenaar: „Gij vraagt mij naar don huurprijs? Neen, mijno hoeren, ik zal u het huis schenken.quot;

Huurders: „Wij danken u voor uwe liefde on vriendelijkheid. Wij willen het echter niet ten geschenke hebben, wij willen betalen, wat recht is.quot;

De eigenaar hoog on zeide: „Is dat nu vriendschap, dat wij geld vragen? Ik geef u hot huis en mijzelf erbij.quot;

Huurders: „Gij zijt zeer vriendelijk, maar noem ons den prijs, hoe denkt gij er over?quot;

Eigenaar: „Het is mij niet om geld te doen, maar het is een mooi huis.quot;

Huurders: „Welnu, wat is de prijs?quot;

Eigenaar: „Zijn wij geen vrienden? Het is een mooi luns, wel 100 gouden Napoleons huur waard.quot;

De huurders zeggen verschrikt: „Dat is te veel, zoover mogen wij niet gaan; stel uwe eischen daarom wat lager.quot;

Hij was daartoe echter niet te bewegen; de man, die ons het huis eerst wilde schenken, hield hardnekkig vast aan den eenmaal gevorderden prijs van 100 Lira\'s; geen rooden penning zou hij laten vallen. Onverrichter zake moesten zij Hebron verlaten. Te Halhoel, een dorpje, dat reeds bij Jozua voorkomt, werden zij echter achterhaald door een ruiter, die hun verzocht nog eens terug te keeren. Do eigenaar wilde zijn huis voor 70 gouden Napoleons afstaan, maar ook deze prijs was hun te hoog. Eerst nadat hij eenige dagon als gast bij mij aan huis verkeerd had en wij menige onderhandeling hadden gevoerd, waarbij hij herhaaldelijk verzekerde ons het huis te willen schenken, was hij er toe te bew-egen den huurprijs op 50 Lira\'s te stellen. Hoe levendig werd ik in die dagen herinnerd aan de gebeurtenis, die meer dan 4000 jaren geleden in die zelfde stad voorviel. Abraham keert met tranen in de oogen terug van het graf zijner lieve levensgezellin, die hem

ocr page 179

eigenaardige plaatsen in de h. schrift. 163

sinds zijnen uittocht uit Mesopotamië vergezeld had, en treedt in onderhandeling met Efron, daar hij de geliefde doode niet in een vreemd graf wil laten rusten. Hij verzoekt Efron hem do spelonk Machpéla voor de volle waarde tot eene erf-hegrafenis af te staan. Maar Efron zegt: „Neen, mijn heere, hoor mij: den akker geef ik u.quot; Toon boog Abraham zich neder voor het aangezicht van het voile des lands, zeggende: „Ik zal het geld des akkers geven, neem het van mij, zoo zal ik mijne doode aldaar begraven.quot; Maar de listige Efron antwoordde: „Hoor mij, een land van 400 sikkelen zilvers, wat is dat tusschen mij en u? Begraaf slechts uwe doode.quot; En Abraham luisterde naar Efron, en Abraham woog Efron het geld.quot; Is het niet merkwaardig, dat hetzelfde bedrijf nu, 4000 jaren later, in dezelfde stad, nagenoeg op dezelfde wijze wordt afgespeeld ? — Op do heuvelen in de nabijheid, vooral van de heilige steden zooals Jeruzalem en Hebron, vindt men allerwegen gedenk-teekenen, die enkel uit op elkaar gestapelde steenen bestaan. Dankbare reizigers hebben ze daar opgericht. Meer dan ergens elders ziet men ze, op weg van Jeruzalem naar Hebron, op den laatston heuvel, waarachter Hebron is gelegen. Zij staan daar, totdat zij door ouderdom ineenstorten, nooit zal iemand zich vermeten er de hand aan te slaan. Zoo liet Jozua verscheidene eeuwen geleden door twaalf Israëlietische mannen, uit eiken stam één, twaalf steenen uit de Jordaan nemen, ter plaatse waar het volk droogvoets door de rivier was getrokken, en daarvan een gedenkteeken samenstellen. Hij plaatste dit te Gilgal, opdat het aan het nageslacht zou verkondigen, hoe wonderbaar God Zijn volk in Kanaan had gebracht. Ook Jakob en Samuel hebben zulke eenvoudige steenen gedenkteekenen opgericht. Jakob te Bethel, waar hij de engelen gezien had, en Samuel, na de overwinning op de Filistijnen, zijn Eben-haëzer, dat het volk ook in latere tijden

ocr page 180

OP HELDER IXGEX BEÏKEFFEXDE VERSCHILLENDE

moest herinneren: „Tot hiertoe heeft de Heere geholpen!quot;

Wij vinden in Palestina slechts weinige sporen van den afgodendienst , daar het Mohammedanisme alle overblijfselen in zich opgenomen en vervormd heeft. Men wordt er echter dikwijls aan herinnerd. De profeten konden niet ernstig en dikwijls genoeg het volk bestraffen en vermanen, of zijne geneigdheid bestrijden om op de hoogten in bosschen te offeren, in plaats van op de door God daartoe aangewezen plaats. Zulke overoude bosschen vindt men niet zelden in verschillende streken van Palestina. Het zijn groepen van vijf of zes boomen van ongelooflijken omvang, die reeds gedurende vele eeuwen de stormen hebben getrotseerd.

Daar het volk gewoon was aldaar zijn valschen godsdienst te verrichten, herhalen de profeten meermalen de bedreiging: „Ik zal uwe bosschen uitroeien.quot; Zij worden heden ten dage niet meer voor afgodendienst gebruikt, maar het volk beschouwt ze toch met zekeren eerbied en zal het niet wagen ook daaraan zijne vernielzucht bot te vieren. Men gelooft thans, dat er een geest in zulk een bosch woont. Koestert iemand den een of anderen wensch, zoo bindt hij eene strook van zijn hemd aan een boom, opdat de geest zijner gedenke. Zulke vastgebonden strooken ziet men aan sommige bij honderden en duizenden. Aan tooverij onder verschillende vormen wordt door het volk ook nog druk gedaan, en dat openlijk en ongehinderd. De natuurlijke mensch heeft altijd een sterke neiging tot tooverij aan den dag gelegd, en dat des te meer, naarmate hij zich verder van den waren God verwijderde. Zoo gelooft men algemeen, dat er menschen zijn, die anderen met hun boozen blik kunnen betooveren, ja dooden. Vele meisjes beweren, dat zij op die wijze hare schoonheid verloren hebben, en verscheiden kreupelen en blinden schrijven daaraan hun gebrek toe.

164

ocr page 181

EIGENAARDIGE PLAATSEN [N DE H. SCHRIFT.

Het was in Syrië eene overoude gewoonte om menschen door het vuur te laten loopen; dit behoorde tot den Moloch-dieast. Ook de bewoners van Kanaan offerden en verbrandden op die wijze hunne kinderen, en ten tijde van Ahazia vond men dit gebruik zelfs in Israël; de Israëlieten slachtten hunne kinderen en legden ze in de gloeiende armen van het heet gestookte beeld dezer godheid. De uitdrukking „door het vuur gaanquot; is niet zeer duidelijk; wij vinden die reeds in de boekon van Mozes: „Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of dochter door het vuur doet doorgaan.quot; Daaronder moeten wij waarschijnlijk niet verstaan een werkelijk verbranden, maar eene zinnebeeldige reiniging, waarbij men de kinderen door het vuur trok. In de vlammen woonde, volgens hunne overtuiging, de godheid; vandaar had het doorgaan door de vlammen een louterenden invloed op den zondigen mensch. Deze gedachte ligt waarschijnlijk ook ten grondslag aan de godsdienstige gebruiken bij de Phoeniciërs. In den zomer van \'t jaar 1884 zag ik te Beiroet iets, dat mij daaraan herinnerde. De Arabieren hadden daar voor de feestviering eene groote houtmijt opgestapeld en toen zij deze in brand gestoken hadden, sprongen zij in hun wijde, licht ontvlambare kleederen door het vuur. Zij droegen steeds nieuwen voorraad hout aan en de dans werd steeds woester. Hoe verder men zich in de vlammen waagde, hoe luider de bijvalsbetuigingen werden; lachend werden de brandende takken, vonken en schroeiende stukken van hunne kleeren door hen afgeschud. Men verhaalde mij, dat dit in geheel Syrië een geliefkoosd volksvermaak is bij feestelijke gelegenheden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat dit nog een overblijfsel is van den afgodendienst, waartegen de prediking der profeten was gericht.

In Jesaja XLIX lezen wij; „Kan ook eene vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over don zoon haars

ocr page 182

1G() OPHELDERINGEN 13ET1?EFFENDE VERSCHILLENDE ENZ.

schools? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch niet vergeten, zie, Ik heb u in heide Mijne handpalmen gegraveerd. Uwe muren zijn steeds voor ilij.quot;

Deze woorden zijn dikwijls alzoo verklaard, alsof Christus ons met de nagelen, waarmede Hij aan het kruis geklonken was, in Zijne handpalmen geteekend heeft. Geen van Jezus\' toehoorders zou dit hieruit verstaan hebben. Eene bestaande gewoonte der Oostersche volken maakt ons den zin dezer woorden zeer aanschouwelijk. De Heer wil met het slot van de aangehaalde woorden zeggen, dat Hij Sion nooit zal vergeten. Het is hier namelijk gebruikelijk, als iemand zorgen wil, dat hij iets niet vergeet, b.v. een dierbaren naam of een een geboortedatum, dit met een naald in de armen of handen te laten prikken en daarna met eene blauwe verfstof te bestrijken, waardoor het inschrift blijvend en duidelijk leesbaar wordt. Men teekent op die wijze ook zijn eigen geboortedag op, ja, dit is voor de meeste Oosterlingen de eenige aanwijzing om hun ouderdom te bepalen. Deze inschriften en teekeningen kunnen niet weder uitgewischt worden. Alen neemt ze mede in het graf en zij vergaan slechts met het lichaam. Nu kunnen wij begrijpen, wat de Heer tot Sion zeggen wil. Hij heeft het op de zooeven beschreven wijze in Zijne handpalmen gegraveerd, zoodat Hij het steeds voor Zich ziet. Vandaar de toevoeging: uwe muren o, Sion zijn steeds voor Mij, d.i.: Ik denk er altijd aan.

Dit kon slechts ophouden, wanneer Hijzelf ophield te bestaan, dus blijft het in eeuwigheid. Voor den Oosterling, die dit gebruik kende, behelsden de woorden des Heeren dus een zeer duidelijk en troostrijk antwoord op de klacht: „Doch Sion zegt: de Heer heeft mij verlatenquot; (Jes. XLIX : 14.)

ocr page 183

EEN EN ANDER OMTRENT DE LIJDENSGESCHIEDENIS DES HEEREN.

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

„Jeruzalem is gebouwd als eenestad, die wel samengevoegd is, waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heeren, tot de getuigenis Israëls, om den name des Heeren te danken.quot; Deze woorden van den heiligen zanger van voor vele eeuwen, zijn nog heden op de hoofdstad van toepassing. Elk Israëliet moest drie keer per jaar aldaar voor het aangezicht des Heeren verschijnen. Wellicht was dit, naar de meening van vele bijbellezers, wel wat te veel gevergd, daar er toch zoovelen uit de afgelegenste gedeelten des lands moesten optrekken. Men boude evenwel in \'t oog, dat het land niet zoo groot is, of men kan Jeruzalem van alle zijden in eehige dagreizen bereiken. Bovendien voldeden de Israëlieten zeer gaarne aan deze verplichting. De feesten in Israël waren nationale feesten, waarbij men zich buitengemeen verheugde over den bloei van Jeruzalem, de kroon en de roem des lands, die ieder van zijn eigene berghoogte in de verte kon zien liggen. Tegenwoordig nog worden de groote feesten niet in de dorpen, maar te Jeruzalem gevierd, dat bij het gansche volk den naam El

ocr page 184

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

1G8

Kocds d.i. de heilige, draagt en bij die gelegenheden is het niet moeilijk zich eenigermate de beweging en vroolijke drukte in het oude Jeruzale^^voor te stellen. Iets dergelijks ziet men ten tijde van het Kerstfeest ook te Bethlehem, waar dit feest vooral gevierd wordt. De grootste drukte heerscht echter in de hoofdstad met het Paaschfeest. Evenals in vroegere dagen trokken de karavanen van alle kanten op naar Sion; op een ezel, te paard of te voet, of in den laatsten tijd ook wel per wagen. Wij worden dan herinnerd aan hetgeen wij lezen omtrent het eerste Pinksterfeest der Christelijke gemeente: „Parthers en .\\teders en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië en Judea en Cappadocië, Pontus en Azië, en Fiygië en Pamfylië.quot; Elk dorp, iedere streek, waar Christenen wonen, is er vertegenwoordigd. De weinige Christenen uit Hebron verschijnen bijna zonder uitzondering, uit Bethlehem, Beit-Djala, uit Jaffa en Sichem, uit Syrië en van de heuvelen van den Libanon; van Damascus en den Eufraat, van Armenië en den Kaukasus, van Klein-Azië en Griekenland, van Egypte en Abbessynië, ja, zelfs uit do afgelegenste streken van Bus-land stroomen de geloovigen naar Jeruzalem. Evenals vroeger de [Israëlieten hunne psalmen aanhieven, doen dezen hunne feestzangen en pelgrimsliederen weerklinken. Welk een vroolijke drukte, welk een bont gewemel in de straten van Jeruzalem, waar men de meest verschillende kleederdracht aanschouwt, en de meest uiteenloopende talen hoort! Honderden, duizenden pelgrims, dikwijls tot een getal van 20.000, ja 30.000 aangegroeid , trekken voort van straat tot straat, van kerk tot kerk, van kapel tot kapel, om alle heilige plaatsen te zien, te kussen en te vereeren. De sterkste tegenstelling met de Bussen en de Oosterlingen, die een onvoorwaardelijk geloof hechten aan allo overleveringen, vormen de jaarlijks talrijker wordende bezoekers van Palestina uit de Westersche landen, die de zoo-

ocr page 185

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

genaamde heilige plaatsen met meer critischen blik beschouwen.

Zelfs onder de Mohammedanen komt dan leven, alsof de oude herinneringen aan de vroegere bewoners des lands in hen ontwaakten. Bij duizenden trekken zij namelijk op het feest van Mozes op naar Nebi Musa (Mozesberg), tusschen •Jeruzalem en Jericho, waar men meent, dat zich het graf van Mozes bevindt. Het maakt een zonderlingen indruk. wanneer men de volgelingen van den valschen profeet denzelfden weg ziet volgen, dien eens Jezus met het feestvierend Israël betrad om op de hooge feesten te Jeruzalem te zijn. Met wapperende vaandels, groen of bont gekleurd en met goud versierd, begeven zij zich naar het graf van Mozes, aangevoerd door de derwischen, en zelfs met vrouwen in den achtertocht\' (die anders met geen godsdienst iets van doen hebben), terwijl de bewoners van elke stad of elk dorp zich nauw aaneensluiten; voortdurend doet zich het doffe geroffel van den trom hooren, nu en dan overstemd door het schrille geluid der fluiten, pauken en cimbalen.

De groote lust der bewoners van dit land voor zulke feestelijke tochten, is zeker nog een overblijfsel van die oude tijden. Dezelfde vreugde, die tegenwoordig allerwegen kan heerschen, openbaarde zich ook bij het oude Israël, als het ter feestviering optrok naar de hooggelegen hoofdstad. Oude bekenden zagen elkander weder, nieuwe vriendschapsbanden werden aangeknoopt, het geheele volk, dat anders verstrooid was, leerde elkander kennen, liefhebben en zich als één geheel beschouwen. Niets droeg zooveel bij om de nationale eenheid als een uitvloeisel van de eenheid van godsdienst en tempel te leeren beschouwen en op prijs stellen, als juist deze feesten. Wie maar eenigszins in de gelegenheid was, trok daarvoor volgaarne mede op naar Jeruzalem. Niet velen echter zullen er geweest zijn, die driemaal in het jaar de reis ondernamen. Slechts zij, die in den naasten omtrek der heilige stad woon-

160

ocr page 186

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

den, waren bij alle feesten tegenwoordig; degenen, wier woonplaats ver verwijderd was, kwamen slechts éénmaal in het jaar; zooals ook Jezus\' ouders; en dan het liefst met het Paaschfeest. Hot Loofhuttenfeest was echter het meest geliefkoosde volksfeest en lokte het grootste aantal bezoekers uit.

Het middelpunt der feestvreugde was natuurlijk de tempel. Men moet zich den tempel weliswaar niet voorstellen als een prachtig en ruim kerkgebouw, waarin het volk samenkwam. Behoudens de priesters mocht niemand den tempel overschrijden. Een gebouw, dat het geheele feestvierende Israël kon bevatten , was ook niet denkbaar! De eigenlijke tempel was een betrekkelijk klein gebouw, niet grooter dan eene gewone dorpskerk. Het volk echter bleef, volgens Oostersche gewoonte, buiten in de open lucht. De ruime voorhoven, welke door oen zuilenrij omgeven waren, konden eene verbazende menigte volks bevatten. De afzonderlijke gemeenten werden in de scholen en synagogen onderwezen en gesticht; ook in de open zuilengaanderijen des tempels verklaarden Schriftgeleerden de Heilige Schriften, zooals ons uit de geschiedenis van den twaalfjarigen Jezus in den tempel blijkt. De verschillende bijgebouwen en uitgestrekte ruimten, die tot den tempel behoorden, dienden tot allerlei doeleinden. Daar waren de schatkamers, de wapenzalen , waarin ook veroverde voorwerpen werden bewaard; daar waren de vergaderzalen van den Hoogen Raad, wereldlijke en geestelijke gerechtshoven, ministeriën, scholen en academiën. De tempel van Jehova met bijbehoorende gebouwen was niet slechts de plaats, waar hot aangezicht van Jehova gezocht werd, maar tijdens Israëls bloei, tevens het eerste staatsgebouw, het middelpunt der geestelijke en wereldlijke regoering, waar geraadpleegd werd over de algomeene belangen van het geheele land. Te midden van al deze gebouwen stond do eigenlijke tempel, de trots van eiken Israëliet, die ten tijde

170

ocr page 187

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

van Jezus, in zijne bijna fabelachtige pracht, een overweldigenden indruk moet gemaakt hebben. Uil glinsterend wit marmer opgetrokken, met gouden platen bedekt, schitterde hij, in de eerste stralen der boven den Olijfberg opgaande zon, als een sneeuwgebergte met. oogverblindenden glans.

Ook nog heden is de plek, waar de tempel gestaan heeft, eene der verhevenste en schoonste van geheel Jeruzalem. Onder alle heilige plaatsen is dit de eenige, welker echtheid men niet behoeft te betwijfelen. Thans verheft zich daar de parel van alle Oostersche gebouwen, de moskee van Omar, een Moham-medaansch bedehuis van wonderbare, verhevene schoonheid, waar nooit van die ergerlijke tooneelen plaatsgrijpen, als in de kerken van de Geboorte en van het Graf zoo gewoon zijn. Deze moskee is gebouwd op een hoog vierkant terras, dat 3000 jaar geleden door Salomo tot een effen plein werd gemaakt , door middel van uitgestrekte stutmuren en onderbouwwerken , die hij uit het Kidrondal optrok. Dat is de plek, waar eertijds het volk opging tot de feesten des Heeren, waar men elkaar met groene palmtakken een groet toewuifde. Daar weerklonken vroeger de psalmen van David onder begeleiding van pauken en cimbalen, fluiten en harpen. Daar stond eenmaal ook Jezus en sprak tot het volk van het licht der wereld, dat nog slechts een korten in hun midden zou schijnen.

Hoe levendig staat ons daar het feest voor oogen, waarvan door de Evangelisten melding wordt gemaakt! Het vroolijkste van alle feesten was het Loofhuttenfeest. Ook Jezus heeft het, volgens Johannes VII, bijgewoond. Zijne broeders, die Hem tevergeefs gedrongen hadden reeds vroegtijdig naar Jeruzalem te gaan, en ook de overige feestgenooten waren reeds in de hoofdstad om de loofhutten in gereedheid te brengen, toen Hij als in \'t verborgen derwaarts reisde. De voorhoven van den tempel, ja zelfs de geheele omtrek der stad van het Kidrondal

171

ocr page 188

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

tot Bethfagé was met zulke hutten bedekt. Ook in de stad vond men ze, op do platte daken, op de straten en markten. De stad scheen in een kamp van tenten herschapen. De tempel prijkte in luitengewone pracht. De zuilengaanderijen waren met bonte tapijten behangen en met groen versierd. Van den vroegen morgen tot den laten avond liep het volk in de voorhoven af en aan en, wanneer de zon was ondergaan, deed zich in de duisternis een schouwspel aan het oog voor, dat de pracht, die overdag heerschte, nog verre overtrof. In de voorhoven en zuilengangen schitterden tallooze lichten en fakkels. Groote gouden kandelaren met fraaie lampen wierpen een schitterend licht op de zuilen en wanden, zoodat de schoone vormen der heerlijke gebouwen tot op den Olijfberg zichtbaar waren. Wanneer dan de Heer door het Kidrondal en over den Olijfberg Zich naar Bethanië begaf, zal Hij Zich waarschijnlijk wel eens omgekeerd hebben om den blik op de geliefde stad te laten rusten. Dan zag Hij als \'t ware een schitterende licht-zee, waarin de trotsche lijnen van den majestueuzen tempel, zich scherp tegen het duister verschiet afteekenden.

Reeds op dat Loofhuttenfeest was Jezus het onderwerp van alle gesprekken. Zijn verschijnen baarde algemeen opzien en daar de Israëlieten, die naar het feest waren opgegaan, geene zaken te behartigen hadden, vonden zij ruimschoots tijd en gelegenheid om allerlei vraagstukken van algemeen belang, zooals dat aangaande den Messias, te behandelen. Ook nog heden houdt zich de feestvierende menigte, die te Jeruzalem samenkomt, op dergelijke wijze bezig. Bij de Mohammedanen is het fanatisme ook nooit zoo groot als ten tijde van godsdienstige feesten en de bedevaarten naar Mekka; een Christen doel wel, hen dan zooveel mogelijk uit den weg te gaan. Zoo was ook eertijds bij de feesten „de hoop en de verwachting Israelsquot; gewis dagelijks het onderwerp van gesprek. Naar aan-

172

ocr page 189

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

173

leiding van Jezus\' woorden en werken werd zeker in al die duizenden loofhutten druk gesproken over den Messias en Zijne komst. Zoodra Hij in den tempel verscheen, verzamelde zich in de voorhoven een dichte volksmenigte om Hem heen en juist, omdat Hij niet als een „geordendquot; leeraar optrad, gaven Zijne redenen aanleiding tot de levendigste twistgesprekken. De belangstelling in Zijn persoon werd allengs groot er, damde karavanen van elders steeds nieuwe mededeelingen brachten omtrent Zijne leerredenen en Zijne wonderen. Het is dan ook niet willekeurig, dat wij het tijdsbestek van Jezus\' openbare werkzaamheid bepalen naar de feesten, die Hij bezocht. Wie met de geschiedenis van Zijn leven bekend is, weet, dat die feesten altijd keerpunten waren in de verhouding van het volk van Israël tot zijn Messias. Dan was alles in beweging en daarom ging ook de Heer daarheen op als een veldheer, die een beslissenden slag wil leveren. Zijne zaak toch kon slechts te Jeruzalem beëindigd worden en wel niet beter dan op een volksfeest; want daar stond Hij niet alleen tegenover de hooge-priesters en de toongevende kringen, maar tegenover het plechtig vergaderde volk. Op die feesten verzuimde Hij geene gelegenheid om voor hef geheele volk getuigenis af te leggen; wij zouden bijna zeggen, dat Hij dan meer dan ooit met alle bedachtzaamheid en naar een vast plan te werk ging. Hij spreekt daar niet over vergevingsgezindheid, geloovig onbezorgd zijn, over het eenzaam gebed en een Godverheerlijkenden levenswandel. zooals in Zijne leerredenen in Galilea, maar \'t geldt hier de groote vraag, of Israël het leven, de waarheid, het licht, zijnen Messias wil aannemen of niet. Zijne redenen hebben altijd Zijn eigen Persoon, als den Zoon Gods, tot onderwerp. Hier was de rechte plaats, waar dit alles moest gezegd worden — al verwekte het ook ergernis — „opdat zij geene verontschuldigingen zouden hebben.quot; Hier alleen kon

ocr page 190

DE FEESTEN TE JERUZALEM.

Jezus hot geheele volk toespreken. Vandaar dat do Heer op allerlei wijze trachtte hen te winnen; wij hooren Hem bij afwisseling ernstig waarschuwen en dreigen, als een goede Herder vol liefde hen tot Zich lokken of vol diepe smart uitroepon: „Waarom hoort gij Mijne woorden niet!quot; Zijn woord maakte dan ook een ontzettonden indruk op Zijne toehoorders; immers wij lezen meermalen, dat men na zulke rodenon trachtte Hem gevangen te nemen of te steenigen.

Alleen op zulke feesten kon Israël zich vóór of togen den Heer verklaren en dat heeft hot ook gedaan. Vandaar ook Jezus\' woord: „Het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt, buiten Jeruzalem.quot; Op een feest word Hij gedood, het treurigste feest, dat ooit door Israël gevierd werd, maar dat dor geheele wereld een eeuwige verlossing aanbracht.

Niet alleen, zooals bij het Loofhuttenfeest, maar te midden der menigte van feestgangers ging Jezus in het volgende voorjaar op naar Jeruzalem tot dit laatste Paaschfeest. Van Efraïm, eene stad in Judea, niet ver van Jericho, ging hij naar de hoofdstad. Roods trokken van allo zijden groote scharen derwaarts en zoo sloot Hij Zich bij de foestkaravanon aan. die Hij bij Jericho ontmoette. Velen dor Galileërs hadden den Heer lief en hunne verwachting word zeer hoog gespannen, toen Hij te Jericho in het openbaar ettelijke wonderen deed. Zij verbaasden or zich over, dat Hij Zich zoo openlijk en onbevreesd bij hen voegde, want zij wisten , hoe men in Jeruzalem jegens Hem gezind was. Nog eene kleine dagroize was men van Jeruzalem verwijderd. Jezus hield Zich bij de karavaan en vormde met Zijne jongeren een afzonderlijke groep, daar de weg, dien men te volgen had, door een woestenij vol kloven liep en dus niet toeliet, dat men zich dicht aaneengesloten hield. Wel een kwartieruur gaans zullen de voorste en achterste feestgenooton van elkaar verwijderd zijn geweest. Sommigen

174

ocr page 191

DE FEESTEN TE JERUZALEM. 17Ü

gingen te voet, zooals Jezus en Zijne jongeren, anderen reden op ezels en muildieren, die ook dereisbenoodigdheden droegen. De groep, in wier midden Jezus, de profeet van Nazareth, ging, trok aller aandacht; het was, als gevoelden zij, dat het beslissende oogenblik naderde. Wellicht droomden zij reeds van een glorierijken intocht in Jeruzalem. Jezus\' woorden tot Zijne discipelen waren hiermede echter geheel in tegenspraak. Hij wist, dat Hij den dood te gemoet ging, en met kalme waardigheid besprak Hij de op handen zijnde gebeurtenissen met Zijne jongeren. Doch ook zij wilden daarvan niethooren. Nog kort te voren had Salomé den Heer verzocht haren beiden zonen de eereplaatsen in Zijn rijk te geven. dat Hij nu zeker te Jeruzalem ging stichten. De andere discipelen hadden zich toen daaraan geërgerd, toch had het denkbeeld ook voor hen eene eigenaardige bekoorlijkheid. De opgewekte stemming der schare maakte zich ook van hen meester, reeds zagen zij in de verte den top van den Olijfberg. Daar achter dien berg lag Jeruzalem, de stad van Koning David, Jezus\' stamvader, met hare schitterende tinnen. Dit gaf aanleiding tot een woordenstrijd over de vraag, wie de eerste plaats in Zijn rijk zou innemen, terwijl de Heer, dien niemand verstond, eenzaam vooraanging. Hoe zal hun woordenstrijd Jezus gesmart hebben! Het was, zooals Hij den zonen van Zebedeüs had gezegd: zij wisten niet, wat zij begeerden. Zij meenden achter gindschen berg een schitterende koningskroon te zien, die het hoofd huns Meesters zou sieren. Hij zag een doornenkroon en wist, dat ook Zijne jongeren die dragen zouden.

ocr page 192

DE ZALVING IN BETHANIÊ.

IToo huiselijk cn aantrekkelijk klinkt ons de naam van dit dorpje in de ooren, dat door eene gastvrije woning bij de ge-heele Christenheid geliefd is geworden! Het was het laatste dorpje, dat men passeerde, vóór men de oostelijk gelegen stille woestijn bereikte, en toch lag het slechts een uur gaans van Jeruzalem verwijderd, zoodat het de aangewezen plaats mocht boeten, waar de Heer Zich des avonds uit het drukke feestgewoel kon terugtrekken. Met de pracht der oude koningsstad is ook Bethanië verdwenen; niets bleef er over van de woning, waar de Hoer zoo gaarne vertoefde. Een armoedig dorpje, uit slechts weinige hutten bestaande en „Lazarusdorpquot; genaamd, ligt thans op de bevallige hoogte aan den weg naar Jericho. Maar overal, waar het Evangelie gepredikt wordt, spreekt men van hetgeen Maria van Bethanië aan den Heer gedaan heeft, vóór Zijn lijden en sterven.

De dag, aan Palmzondag voorafgaande, vond Jezus weder te Bethanië. Wij kunnen ons eenigszins eene voorstelling maken van de vreugde, waarmede Hij werd ontvangen. Na de opwekking van Lazarus was Jezus spoedig vertrokken, zoodat men Hein niet naar wensch voor deze weldaad had kunnen danken. Nu was Hij weder in het midden en ieder trachtte zijne dankbaarheid te toonen. Maria deed het op diepaangrijpende wijze. Te Zijner eere werd een gastmaal (natuurlijk een avondmaal) aangericht en Simon, de melaatsche, had voor zich de\' eer begeerd Jezus in zijne woning te mogen ontvangen. De feestzaal was gereed en de gasten waren reeds verzameld bij het licht van talrijke lampen of kandelaren. De vroeger reeds hoog gespannen verwachting der jongeren nam nog toe door de

ocr page 193

177

geestdrift en dankbaarheid der dischgenooten. En toch — onvermengd was de vreugde niet; het was, of een voorgevoel des doods allen beklemde. Er behoorde reeds een groote moed toe, zulk een gastmaal tot Jezus\' eere aan te leggen, daar toch de Hooge Raad ginds in de stad met strenge bedreiging-gelast had Hun te verraden en over te leveren. Zelfs Lazarus was zijn leven niet -zeker, alleen, omdat hij door Jezus uit den dood was opgewekt. Maar de dankbare blijdschap had toch de overhand, hoewel de daad van Maria en de daarop volgende woorden des Heeren de dischgenooten weder tot ernst stemden. Terwijl Martha de aanliggenden diende, trad Maria, die zich tot dusver op den achtergrond gehouden had, nader; want het was geene gewoonte, dat de vrouwen met do mannen aan den maaltijd deelnamen. Op treffende wijze gaf zij uitdrukking zoowel aan hare dankbaarheid en liefde als aan het treurig voorgevoel, dat zij niet onder woorden kon brengen. Zij had Jezus\' woorden betreffende Zijnen dood beter begrepen dan Zijne jongeren. Het vervulde haar met onuitsprekelijke droefheid, dat de Heer, die zoo kalm in hun midden vertoefde. Zijnen dood zoo nabij was. Nog éénmaal — en, zij gevoelde, het zou voor het laatst zijn, — wilde zij Hem een bewijs barer onbegrensde vereering en dankbaarheid geven. Zij trad achter Jezus, die op een tapijt aan tafel lag, met den arm op een kussen geleund, brak de flesch met on-vcrvalschte, kostbare nardus, goot den inhoud over Zijn hoofd uit en zalfde met het overige Zijne voeten, die achterwaarts gestrekt waren, ontbond haar weelderigen haardos en droogde ze daarmede af. Zij waagde het niet een woord daarbij te spreken tot verklaring harer handelwijze. Maar de Heer nam het als uit haar hart, toen Hij tot haar en tot Zijne jongeren zeide: „Zij heeft het gedaan tot eene voorbereiding van Mijne begrafenis.quot; Dien avond stond Jezus op als con ten doode

ocr page 194

ÜE ZALVING IN BETHAME.

gezalfde om met de gezusters en Lazarus naar huis te gaan. Het was de laatste maal, dat Hij op aarde zulk een gastmaal bijwoonde.

Het is bij de Oosterlingen eene geliefkoosde gewoonte om tijdens den maaltijd welriekende geuren in het vertrek te verspreiden. De Arabieren verstaan meesterlijk de kunst om van verschillende welriekende bloemen aftreksels te maken, die den geur dier bloemen bezitten; bijna in elke Arabische woning zijn zulke reukwateren aanwezig. Bij feestelijke gelegenheden vooral wordt hiervan veel gebruik gemaakt. De limonade, die den binnentredenden gasten wordt aangeboden en die met eenige droppels rozenwater vermengd is, smaakt hierdoor nog eens zoo goed als anders; en hoewei de dischgenooten reeds bij hunne komst met reukwater besprenkeld worden, geeft men hun, wanneer de maaltijd begint, bovendien nog een ruikertje van welriekende kruiden en bloemen in de hand. Onlangs bezocht ik eene welgestelde Arabische familie te Bethlehem; de menschen verheugden zich zeer over mijne komst en wilden mij eene bijzondere oplettendheid bewijzen. Daartoe nam de vrouw des huizes, terwijl ik op een kussen gezeten was, een fleschje met welriekend water en goot de helft daarvan over mijn hoofd, kleederen en handen, zoodat het geheole vertrek met den heerlijken geur vervuld werd.

Men heeft er zich over verwonderd, dat, zooals het Evangelie ons verhaalt, twee vrouwen op de gedachte kwamen om den Heer hare dankbaarheid op die wijze te toonen: Maria van Bethanië en de onbekende zondares uit Galilea. Wij hebben echter gezien, dat zulk eene zalving bij maaltijden dikwijls plaats vond, vooral toen Palestina nog bewoond werd door een gelukkig en welvarend volk. Het staat daarom bij ons vast, dat de vrouw, in het verhaal van Johannes genoemd, en die, welke Lukas bedoelt, niet een en dezelfde persoon zijn geweest.

178

ocr page 195

179

Was beider daad wat den vorm betreft dezelfde, de drijfveer en innerlijke beteekenis was zeer verschillend. Met evenveel recht zou men heden ten dage bij het verhaal van twee verschillende maaltijden kunnen besluiten, dat daarmede een en hetzelfde gastmaal werd bedoeld, omdat bij beide champagne werd geschonken. Alleen was het een bijzonder kostbare zalf, waarvan Maria zich bediende en die zij uitsluitend voor dat doel had gekocht. De bewering, dat zij ze eerst bestemd had om het lijk van Lazarus te balsemen, is ten eenenmale van grond ontbloot. Maria heeft ook in dit opzicht gedaan, wat zij kon. Voor den Heer was haar niets goed genoeg. Daarom gaf de Heer ook zulk een heerlijk getuigenis van hare liefdedaad.

DE INTOCHT IN JERUZALEM.

Het wordt algemeen als een treffend blijk van nederigheid beschouwd, dat Jezus bij Zijn intocht in Jeruzalem het veulen eener ezelin bereed. Deze opvatting is echter niet juist; want rijk en arm was destijds gewoon zich van een ezel te bedienen. Tegenwoordig zijn in Palestina ook paarden geen zeldzaamheid; maar in oude tijden was dit wel het geval. Evenwel is de ezel nooit uitsluitend het rijdier dor geringen en armen geweest. Het gebruik van ezels was, en is ook nog heden, zeer algemeen; zoo rijdt b.v. de gouverneur of pasja van Jeruzalem altijd op een ezel. De profeten onder oud-Israël hebben altijd geijverd tegen het invoeren van paarden, ■\'quot;omdat de Israëlieten zich dan voor den oorlog op hunne rossen zouden gaan verlaten. Het paard werd in den krijg gebruikt, de ezel daarentegen in tijd van vrede.

ocr page 196

180 IJE INTOCHT IX JERUZALEM.

De bovengenoemde meening is ten eenenmale verkeerd. De Heer wilde bij Zijnen intocht niet verschijnen in knechtsgestalte, Hij wilde als een koning Jeruzalem binnengaan. Hij liet Zich de verschillende eerbewijzen: het wuiven met palmtakken, de jubelkreten en lofzangen van grooten en kleinen tot Zijne eer, niet slechts welgevallen, maar keurde ze openlijk goed. Het volk had maar al te lang gewacht om Hem als zijn Koning uit Davids huis met „Hozanna\'s in de lioogte!quot; te begroeten. Het verhoogt het koninklijke van Zijn intocht, dat Hij een veulen bereed, \'t welk nog nooit een mensch gedragen had, en Mattheüs haalt daarbij de woorden aan: -Zegt der dochter Sions, ziet, uw Koning komt tot uquot;, een klaar bewijs, dat men hierin niet de nederigheid, maar de heerlijkheid van den intocht des zachtmoedigen Vredekonings moet erkennen. Hij wist, dat dit de eerste schrede was op den weg ter dood; doch Hij moest Zich nog éénmaal aan het volk vertoonen in Zijne Messiasgestalte.

Do feestkaravaan, waarbij de Heer Zich eerst had aangesloten , was den vorigen avond niet te Bethanië gebleven, maar voortgetrokken naar Jeruzalem. Als een loopend vuur had zich het gerucht door de stad verspreid, dat Jezus, wiens uitlevering iedereen bevolen was, openlijk met de schare van Jericho opgetrokken en te Bethanië gebleven was. Des Zondags moest Hij dus de stad binnenkomen. Er heerschte dan ook een buitengewone beweging te Jeruzalem, terwijl Jezus Zich in het stille Bethanië voor den verderen tocht gereed maakte. In het dorp was het nog rustig, het rumoer der hoofdstad drong tot dit stille vlek niet door. Ongeveer een halfuur ver ging Jezus met Zijne jongeren te voet, totdat zij in de nabijheid van Bethfagé waren gekomen. Vandaar zond Hij een paar hunner naar het dorp om een ezel te halen, die nog door niemand was bereden. Zij waren niet ver meer van Jeru-

ocr page 197

ÜE INTOCHT IN JERUZALEM.

zalem verwijderd, doch dit was door den Olijfberg aan hun oog onttrokken. Waarschijnlijk was Jezus reeds hier, door een aantal Zijner vereerders of wel door nieuwsgierigen omringd. Met verwondering zagen zij, dat Jezus aanstalte maakte om de stad op plechtige wijze binnen te trekken. De door Hem uitgezonden jongeren spoedden zich intusschen naar Bethfagé, waar zij het verlangde rijdier vonden en van de eigenaars verkregen. Het . volk begrijpt dadelijk de bedoeling des Heeren. Zij leggen hunne kleederen op den zadel en, opdat het dier den grond niet zou aanraken, breiden zij hunne mantels uit op den weg om de koningstraat, waarop in zoo langen tijd geen koning Israels meer stadwaarts trok, een feestelijk aanzien te geven. De weg van Bethanië naar Jeruzalem was beplant met palmen, vijgen, olijf- en Johannesbroodboomen. Daar werden takken afgehouwen, op den weg gestrooid en vroolijk heen en weder gezwaaid. Eene ongekende geestvervoering maakte zich van het volk meester. Reeds vroeger was dit een paar malen in Galilea het geval geweest, doch toen was Jezus uit het midden der schare weggegaan; nu echter nam Hij die huldebewijzen aan. Onophoudelijk nam de volksmenigte toe; wie denzelfden weg ging, sloot er zich bij aan. De geestdrift maakte zich van allen meester, jubelend en hozanna roepend, trokken zij verder, zoodat het scheen, alsof deze intocht het begin was van de oprichting van het door de profeten beloofde en lang verwachte rijk van den Messias.

Het was een liefelijke weg, dien de vroolijke stoet volgde, volgens den Evangelist Johannes, aan beide zijden met wuivende palmen bezet, links een diep dal, rechts de helling van den Olijfberg, waartoe de lage bergrug behoorde, dien zij moesten overtrekken. Toen zij deze bereikt hadden, zagen zij eensklaps de op den tegenoverliggenden berg gebouwde hoofdstad.

181

ocr page 198

DE INTOCHT IN JERUZALEM.

182

wier aanblik van dit punt den meesten indruk maakte. De tempel trad hier voor de heele stad in al zijne heerlijkheid op den voorgrond. Jeruzalem, Jeruzalem! zoo klonk het uit den mond der opgewonden menigte, die de koningsstad met jubelkreten begroette. Jeruzalem, Jeruzalem! zoo klonk het ook in het hart van Jezus, maar in geheel anderen zin. Diepe weemoed maakte zich van Hem meester, toen Hij stad en tempel voor Zich zag, badende in het heerlijke morgenlicht. Het smartgevoel overweldigde Hem, tranen vloeiden langs Zijne wangen, en, terwijl het volk om Hem heen juichte, jubelde, huppelde en vreugdeliederen aanhief, trilde in Zijne ziel een snaar van den diepsten jammer. In vroegere dagen, toen zich op den berg Moria nog geen stad en tempel verhieven, was daar eens een zwaarbeproefde vader heengegaan om zijn zoon te offeren. Nu gaat Gods eigen kind dien zelfden weg op om te sterven. Tranen vullen nog Zijne oogen, als Hij met de jubelende menigte in het Kedrondal afdaalt. Links vloeide de Siloa met hare stille wateren. Gethsémané gaan zij voorbij. De brug van de in April reeds uitgedroogde Kedron trekken zij over. De tempelmuren weerkaatsen reeds het geluid van de jubelkreten der menigte. Tien minuten daarna had de stoet de gouden poort bereikt, de prachtigste van Jeruzalems poorten, welke rechtstreeks naar den tempel voerde. Nu weerklonk het vreugdegeschal over de voorhoven van den tempel en door de straten van Jeruzalem tot Sion. Hier echter in de nabijheid der overpriesters en Farizeërs kwam het volk eenigs-zins tot bedaren. Het is, als klinken ons uit de woorden, waarmede Jezus den tempel voor altijd verliet, het geklank der trompetten van het jongste gericht reeds tegen: „Ziet, uw huis worde u woest gelaten;quot; doch ook het bazuingeschal van het jubeljaar, als Hij spreekt: „Gij zult Mij niet zien, totdat gij zult zeggen: ,Gezegend is Hij , die komt in den naam

ocr page 199

DE INTOCHT IN JERUZALEM. 188

des Heoron!quot; Jezus heeft den tempel niet weder betreden. Toen Hij nog eens door eene groote volksmenigte omringd was, voerde Zijn weg naar Golgotha.

DE VERVLOEKING VAN DEN VIJGEBOOM.

„En des morgens vroeg, als Hij van Bethanië wederkeerde naar de stad, hongerde Hem. En ziende een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe en vond niets daaraan dan alleenlijk bladeren en zeide tot hem: „Uit u worde geene vrucht meer in der eeuwigheid. En de vijgeboom verdorde terstond.quot; (Matth. XXI en Mark. XI.)

Kingsley laat in zijn „Hypatiaquot; den bisschop Synesius zeggen: „Toen ik nog een heiden was, maalde ik voortdurend over het verhaal van den vijgeboom. Toen ik echter leerde, wat de mensch, dien ik mijn levenlang voor een natuurproduct had gehouden, oorspronkelijk is, n.1. het evenbeeld van God, toen scheen het mij toe, dat het een geluk zou zijn, wanneer alle vijgeboomen ter. wereld vervloekt werden, als ééne menschenziel daaruit leering mocht ontvangen.quot;

Duizenden Bijbellezers en Bijbeluitleggers, die geen heidenen zijn, gaat het niet beter, dan het den ouden Synesius eerst ging: zij begrijpen dit gedeelte der Schrift niet. Hoe kon toch de Heer, zoo denken zij, vruchten aan den vijgeboom verwachten en hem zelfs vervloeken, omdat hij geene vruchten droeg, terwijl de tijd voor den oogst nog niet gekomen was? Men heeft getracht dit op verschillende wijzen duidelijk te maken. De meeste verklaringen luiden aldus: „Aan den vijgeboom

ocr page 200

DE VERVLOEKING VAN DEN VIJGEBOOM.

komen eerst de vruchten en daarna de bladeren te voorschijn. De Heer kon dus, waar bladeren aanwezig waren, ook vruchten verwachten, al gaf de tijd van \'tjaar daar geen grond voor; de boom moest gedeeltelijk wintervijgen, gedeeltelijk jonge, nog niet volgroeide zomervijgen dragen.quot; In April echter vindt men nooit late vijgen meer en met onvolgroeide zomervijgen zou iemand onmogelijk zijn honger kunnen stillen. Ook de verklaring, dat Jezus aan dezen boom als bij uitzondering vruchten kon verwachten, omdat ook de bladerdos bijzonder weelderig was, is ongegrond, vermits de vroege vijgen nooit eerder dan in Juni, de zomervijgen nooit vóór Augustus rijp zijn.

Wat wil de Evangelist dan zeggen met de woorden: „want bet was de tijd der vijgen niet?quot; Bedoelt hij daarmede, dat de boom geene vruchten opleverde? Maar dan zou het ontbreken van vruchten immers iets natuurlijks zijn geweest en, op Israël toegepast, zou de zinnebeeldige handeling de beteeke-nis hebben gehad, dat het ook zeer natuurlijk was, datJezus ook bij Israël tevergeefs vruchten zocht. Jezus vervloekte den vijgeboom, ofschoon het ons toeschijnt, dat de fout niet bij den boom, maar bij Hem lag, daar Hij op een verkeerden tijd vruchten verlangde. Ware dit het geval geweest, het zou eene onredelijke handelwijze moeten heeten, al gold het een redeloos voorwerp, waarmede Hij kon doen, wat Hem behaagde. Sommisten zeggen, dat het Markus later, bij het schrijven inviel , dat het nog niet de tijd der vijgen was, en dat bij er dit aan toevoegde zonder te bedenken, dat dit zijn verhaal geheel bedierf; doch deze opmerking verdient zelfs geen tegenspraak. Anderen, die den Evangelist goed meenen te verstaan, beweren, dat hij slechts heeft willen aanduiden, dat het een ongunstig jaargetijde voor vijgen was. Weer anderen meenen, dat het woordje „wantquot; eigenlijk „hoewelquot; beteekent. Ook zijn er Bijbelverklaarders, die den Evangelist beschuldigen zich hier

184

ocr page 201

DE VERVLOEKING VAN DEN VIJGEBOOM.

zeer onjuist uitgedrukt te hebben, terwijl een geacht uitlegger onbewimpeld verklaart: „Ik vind het toevoegsel ten eenenmale onbegrijpelijk.quot; Bij eene oppervlakkige beschouwing zouden wij geneigd zijn dit oordeel te beamen; wanneer wij echter den vijgeboom in het Heilige Land met oplettendheid gadeslaan, wordt ons do beteekenis dier woorden duidelijk. Hiertoe moeten wij de ontwikkeling dezer boomen zorgvuldig nagaan. Wanneer de plantengroei aan het einde van den zomer ophoudt en de eerste winterstormen over het land gaan, verliest ook de vijgeboom, in November of December, zijne bladeren. Naast de kleine knoppen of oogen zijn er dan enkel kleine beginsels van nieuwe vijgen aan de takken zichtbaar, en dit zijn de vruchten, die men waarschijnlijk bedoelt, wanneer men van late vijgen spreekt. Daar zij echter in het volgende jaar pas tot ontwikkeling komen, worden ze in Palestina algemeen vroege vijgen genoemd. De eigenlijke late vijgen, die men met bijzondere zorg ook na den vijgenoogst aan den boom laat, duren hoogstens tot December of het begin van Januari. In Februari beginnen echter de botten of knoppen te zwellen en in grooten getale komen de beginsels der vruchten te voorschijn. Vóórdat de blaadjes zich ontplooien, hebben die vruchtbeginsels of knollen de grootte van eene boon bereikt, zoodat men zeggen kan, dat er eerder vruchten aan den boom zijn dan bladeren. In Maart groeien de bladeren met ongeloofelijke snelheid aan en daarmede houden do vroege vijgen gelijken tred. (Zij bloeien, zooals men weet, in het inwendige van het vruchtbeginsel, dus geheel onzichtbaar.)

Dagelijks nemen zoowel bladeren als vruchten zienderoogen toe in grootte. In het jaar 1888 begonnen de vijgeboomen in \'t begin van Maart uit te loopen. Den lOden van die maand waren de vroege vijgen reeds zoo groot als kersen en met het einde van Maart waren zij bijna volgroeid, hoewel nog hard

185

ocr page 202

186 DE VERVLOEKING VAN DEN VIJGEBOOM.

en groen. Het getal der vroege vijgen in mijn tuin bedroeg toen 1500. Daar zich nu tegelijk met de vroege vijgen ook de bladeren ontwikkelen, mag men van een boom, die rijkelijk van bladeren voorzien is, ook goed ontwikkelde vroege vruchten verwachten. In de maand April, waarin de vervloeking van den vijgeboom plaatsgreep, moet ieder dezer vruchtboomen reeds bladeren en dus ook vroege vijgen dragen. Dit is vooral het geval in Beit-Sachoer bij Bethlehem en te Bethfagé (d. i. vijgenhuis), waar vroeger zoowel als tegenwoordig veel zorg aan de vijgenteelt werd besteed en de vruchten zelfs verscheiden weken vroeger rijp zijn dan op andere plaatsen, doordien de temperatuur dezer plaatsen, die aan de oostelijke helling van \'t gebergte, naar den kant der Doode Zee liggen, veel hooger is. In den omtrek van Bethlehem, waar meer dan 20 verschillende soorten van vijgen worden gevonden, is slechts ééne zeldzaam voorkomende soort, die geen vroege vruchten voortbrengt. Elke vijgeboom, waar ook, levert in de eerste helft van April onrijpe vroege vijgen op, en vooral in de vruchtbare streek van Bethfagé. Deze vroege vijgen vallen wel lichter af dan de zomervijgen (Openb. VI: 13), doch dit geschiedt eerst, wanneer de eerste beginsels der zomervijgen te voorschijn komen, daar deze al de kracht en het sap van den boom tot zich trekken. De vroege vijgen, die rijp worden, zijn echter tweemaal zoo groot als de zomervijgen en worden duur betaald, omdat zij bijzonder fijn en zoet van smaak zijn.

Maar wanneer de vroege vijgen pas in Juni rijp zijn, hoe kon dan de Heer in April daarmede Zijn honger willen stillen ? Men moet weten, dat de bewoners van Palestina eene groote voorliefde voor onrijpe vruchten hebben. Niet slechts amandelen , peren, abrikozen, pruimen enz. worden onrijp door hen gebruikt, zelfs de zure halfvolgroeide druif wordt door oud en jong met smaak gegeten en velen geven de voorkeur aan on-

ocr page 203

DE VERVLOEKING VAN DEN VIJGEBOOM.

rijpe druiven boven de zoete, geheel rijpe. En algemeen worden de vroege vijgen bij voorkeur gebruikt, wanneer zij nog niet rijp zijn. Zij worden een derde van den prijs duurder verkocht dan de rijpe. Men eet ze, zoo hard als ze zijn, met zout en nog wel als een bijzondere lekkernij. Iedereen, en vooral kinderen, beschouwen de onrijpe vroege vijgen als gemeengoed en plunderen uw gebeelen voorraad, wanneer gij daarvoor niet nauwlettend waakt, immers, daar de meeste vruchten toch afvallen, vóór zij rijp zijn, zien zij daarin niets onbehoorlijks. Wanneer iemand zich echter zomervijgen van een ander toeeigent, dan wordt dit voor diefstal gehouden. Daarom wonen de luidjes des zomers dan ook niet alleen ieder onder zijn vijgeboom om van de frissche lucht te genieten, maar om te waken, dat hunne vruchten niet gestolen worden (Spr. XXVII: 18). Ook ten tijde van Jezus dacht men er waarschijnlijk zoo over; want ook Hij strekte de hand uit naar een boom, die Hem niet toebehoorde.

Men ziet ook nog heden in April wel eens bladrijke vijge-boomen, waaraan de vroege vijgen ontbreken. In Augustus, den eigenlijken tijd voor de vijgen, heb ik dit echter nooit opgemerkt.

Stellen wij ons nu voor, in welken toestand de Heer Zich bevond. Hij komt van Bethanië en onderweg begint de honger Hem te kwellen. Daar in den omtrek van Bethfagé tal van goed gekweekte vijgen stonden, nadert Hij er een, die door zijn bijzonder rijken bladerdos ook overvloed van bijna rijpe vruchten doet verwachten. Gelijk het in Palestina de gewoonte was, at ook Jezus de vroege vijgen onrijp. Maar zie, de boom leverde zelfs niet ééne vrucht op. Dit is iets ongehoords en de Heer vervloekt den boom. „Want bet was de tijd der vijgen niet,quot; voegt Markus er bij, vertrouwende, dat zijne lezers met de natuur van dien boom bekend zijn. Hij wil daarmede aan-

187

ocr page 204

DE VERVLOEKING VAN DEN VIJGEBOOM.

duiden, hoe het mogelijk was, dat de Heer geene vruchten vond; in den rechten vijgentijd toch was dit onmogelijk geweest , maar nu, in den tijd der vroege vijgen, kon dit plaats vinden.

Welke bedoeling had nu Jezus met de vervloeking van den vijgeboom? Het was er Hem natuurlijk niet om te doen, den boom, het redelooze schepsel, dat voor zijne onvruchtbaarheid niet verantwoordelijk was, te straffen. Om den Heer te kunnen begrijpen, moeten wij ons in de gedachtenwereld verplaatsen , waarin Hij in die dagen geheel leefde. Jezus stond aan het einde van Zijne aardsche loopbaan. Hij was tot Israël gekomen, maar had geen vruchten gevonden. Kort te voren had Hij Zijnen jongeren eene gelijkenis verhaald van een vijgeboom, waaraan de eigenaar jaar op jaar tevergeefs vruchten zocht. Toen gaf deze bevel hem om te houwen. De hovenier echter verzocht nog een jaar uitstel, dan zou hij om den boom graven en mest leggen; bracht hij ook dan geene vruchten voort, dan zou hij omgehouwen worden. De jongeren wisten uit de woorden der profeten zeer wel, dat deze vijgeboom Israël beteekende. Thans, eenige dagen later, staat de Heer bij een vijgeboom en zoekt vroege vijgen. Ook in het Oude Testament was Israël meermalen met zulk eene vroege vrucht vergeleken. Hozea zegt: „Ik zag uwe vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar begin,quot; on Micha klaagt: „Ai mij, want ik ben. als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld , als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; daar is geene druif om te eten, mijne ziel begeert vroegrijpe vrucht (vroege vijgen).quot; Dergelijke aanhalingen uit het O. T. waren voor het volk als gangbare munt. Waaraan was Israël dan gelijk? Het was gelijk een boom, geplant in een vruchtbaar dal, waar de meeste zorg aan hem werd besteed, evenals aan de vijgeboomen in Bethfagé. God zelf had het

188

ocr page 205

DE VERVLOEKING VAX DEN VIJGEBOOM.

geplant, hoven alle volkeren bevoorrecht door het Zijne wetten, Zijne profeten en Zijne bijzondere genaderijke leidingen te schenken. Eerst na de uitstorting des Heiligen Geestes „over alle vleeschquot; kwam de tijd, dat alle volken op den stam van Israël zouden worden geënt. De Heer kon dus met alle recht vroege vruchten van Israël verwachten, alvorens de oogsttijd voor de geheele wereld was verschenen. Hij verlangde echter geen rijpe vruchten, ook daartoe was do tijd voor Israël nog niet gekomen. Maar Hij kon vruchten verwachten, die aan quot;t rijpen waren, en dat in overeenstemming met het jaargetijde: in het rijk Gods. Eerst dan, wanneer deze vroege vruchten bijna rijp waren, . zou de tijd komen, waarin algemeen de zomervruchten te voorschijn kwamen.

Maar Israël zelf beantwoordde niet aan dit plan der Goddelijke genade. Daar de kwade boom Israels, evenals de vijgeboom, wel schoone bladeren (zooals de geestvervoering van den vorigen dag), maar geene vruchten had, werd het in den vijgeboom zinnebeeldig vervloekt. In hetzelfde hoofdstuk lezen wij bij Mattheüs: „Daarom zegge Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal genomen en een volk gegeven worden, dat zijne vruchten voorthrengt.quot;

Zoodanige treurige gedachten vervulden het gemoed van Jezus in die dagen. In den geest zag Hij reeds de rookende puinhoopen van Jeruzalem, het wapentuig om de stadsmuren, en alle jammeren, nooden en ellenden, die de stad zouden overkomen. Hij spreekt deze gedachten, die Hem tot Golgotha bijbleven, uit zoowel in de gelijkenis van den vijgeboom, als in de vervloeking van den boom, in Zijne tranen over Jeruzalem , in Zijne voorspellingen aangaande haren ondergang en Zijne rede tot de dochteren van Jeruzalem. Zij kwamen zelfs geheel onwillekeurig uit in Zijne woorden en daden, ja, bij een schijnbaar onbeduidende aanleiding, zooals toen Hij hier

189

ocr page 206

DE VERVLOEKING VAX DEN VIJGEBOOM.

190

onderweg hongerig vruchten aan een vijgeboom zocht en ze niet vond. Hij zag daarin tot Zijne smart terstond een beeld van geheel Zijnen arbeid onder Israël. Maar nu is het ook gedaan; de onvruchtbare boom moet terstond verdorren. En evenals oudtijds de profeten meermalen hunne ernstige vermaningen meer klom trachtten bij te zetten door zinnebeeldige handelingen, wilde ook de scheidende Heer Zijnen jongeren deze waarheid op die wijze diep in \'t gemoed prenten. Wij zien uit de Evangeliën, dat de jongeren niet alleen doordrongen werden van de waarheid, dat Israël moest ondergaan, maar ook, dat de Heer de macht had Zijn vloekvonnis met één woord te voltrekken.

Zoo blijkt elke trek van dit verhaal eene duidelijke beteeke-nis te hebben. Wij behoeven er dus niet meer met geweld bij te halen, dat de Heer de macht heeft, zooveel vijgeboomen te vervloeken, als Hij wil, wanneer de Zijnen er slechts nut of leering uit kunnen trekken; maar deze bijna profetische geschiedenis is van diepe beteekenis en rijk aan gedachten, als die welke in die dagen de ziel van den Heer vervulden en die ons den sleutel in de hand geven tot do geheele geschiedenis van Israël.

HET HEILIG AVONDMAAL.

De Heer maakte Zich gereed om het laatste Pascha met Zijne jongeren te vieren. In het eerste jaar van Zijn openbaar optreden had Hij het grootste gedeelte van de feestdagen in Jeruzalem en omstreken doorgebracht. Hij had daar dan ook

ocr page 207

HET HEILIG AVONDMAAL.

genoeg bekenden om ergens in de stad een geschikt vertrek te krijgen, gelijk Hij er ook een tot Zijne beschikking had, toen Nicodemus kort na Zijn eerste optreden des nachts tot Hem kwam. Daarenboven was er voor een ieder, die tot het feest opging, wel gelegenheid eene kamer te bekomen, waar Hij het Paaschmaal kon gebruiken.

Ondertusschen geschiedde de aanwijzing van do zaal en do toebereiding van den maaltijd met zooveel geheimzinnigheid. dat het Judas niet bekend werd. waar de Heer hot Pascha zou eten met Zijne discipelen en hij derhalve de plaats niet aan de overpriesters kon verraden. Jezus had dit met opzet alzoo gedaan, omdat Hij in den kring Zijner geliefde jongeren ongestoord het Paaschfeest wilde vieren. De discipelen bereidden hot Paaschlam in eene groote opperzaal volgens het bevel van den Heer: „U zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik met water; volgt dien. Hij zal u wijzen eene groote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.quot; Onder de uitdrukking „toegerust en gereedquot; moeten wij verstaan: voorzien van tapijten, kussens en divans.

Ook heden nog zijn de woon- en ontvangkamers van gegoede Arabieren op die wijze ingericht. Langs de wanden zijn breede kussens en tapijten aangebracht, die onze stoeien vervangen , en waarop men zich met over elkaar geslagen beenen nederzet. Stoelen waren echter ook bij het oude Israël niet onbekend; wij lezen immers, dat het kamertje van den profeet Eliza was voorzien van een tafel, een stoel en een kandelaar. De Oosterlingen geven echter de voorkeur aan kussens. In de opperzaal stond in elk geval eene tafel, maar geheel anders van vorm dan die, welke men gewoonlijk op platen en schilderijen ziet afgebeeld. Waarschijnlijk was het een ronde tafel, slechts één voet hoog, gelijk de hedendaagsche Arabische tafels. Toen het Pascha bereid was, werden de kussens naderbij

191

ocr page 208

HET HEILIG AVONDMAAL.

geschoven, \'/oodat de gasten in een kring om den discli geschaard waren. De linkerarm rustte op het kussen, de voeten waren op de tapijten achterwaarts gestrekt. Wij lezen, dat hij het avondmaal Johannes, de discipel, dien Jezus liefhad, aan \'s Heeren horst lag. Wanneer wij met de wijze van aan tafel aanliggen bekend zijn, is dit licht te verstaan, want elk der aanliggenden reikte met hel hoofd aan de borst van den-gene, die aan zijne zijde lag. Jezus had de plaats van gastheer ingenomen, de eereplaats naast Hem, was Johannes toegewezen. Hoewel het ons al zeer lastig- voorkomt in zulk eene houding spijze en vooral drank tot zich te nemen, is dit in het Beloofde Land toch algemeen gebruikelijk. Ik heb zelfs wel gezien, dat men uit gebrek aan plaatsruimte om de tafel plat voorover op den lm ik lag, met den linkerarm tot steun onder de borst en met de vrije rechterhand de spijzen tot zich nemende. De dienstknechten moesten dan achter de gasten gaan en hun aanreiken, wat niet op tafel stond. Zoo schijnt ook de Heer Zijne jongeren wel bediend te hebben, want Hij zegt onder hot eten tot hen: „Want wie is meerder, die aanzit of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in \'t midden van u , als een die dient.quot;

Een ander bewijs van de liefde des Heeren jegens Zijne jongeren was, dat Hij na den maaltijd van tafel opstond. Zijne kleederen aflegde, Zich met een doek omgordde en hun de voeten wiesch. Het is ook nog in onzen tijd gewoonte, dat de vrouw haren man of de dienstmaagd haren heer de voeten wascht, wanneer hij thuiskomt. In vroegere dagen vooral waren de Oosterlingen gewoon gedurig een bad te nemen. In dezen tijd nog stollen zij, hoe in onreinheid ook verzonken, veel prijs op badinrichtingen in de steden en velen maken er dagelijks gebruik van. Had men zich nu juist gebaad vóór men do uitnoodiging tot een gastmaal opvolgde, dan behoefde men

192

ocr page 209

HET HEILIG AVONDMAAL.

bij het binnentreden slechts do voeten te wasschen, daar deze, niet met kousen en schoenen bedekt, maar slechts van sandalen voorzien, onder het gaan aan verontreiniging door liet stof blootgesteld waren. Wij weten, dat de Heer, ten opzichte van de bcteekenis des Heiligen Avondmaals daaraan eene schoone leering ontleende. Wie eenmaal door „bet bad der wedergeboortequot; gereinigd is van zijne zonde, is rein. Alleen het stof, dat ons op den levensweg besmet, moet telkens weder verwijderd worden.

Jezus bewees dit aandoenlijk, beteekenisvol dienstbetoon der voetwassching ook aan Judas, maar zeker niet zonder diepen weemoed te gevoelen, daar Hij wist. dat ook deze discipel Hem eenmaal vol geestdrift was gevolgd, maar nu op het punt stond Hem te verraden. Met welk eene liefde omringde de Heer dezen discipel nog, hoezeer trachtte Hij als de goede Herder dit afgedwaalde schaap den terugkeer gemakkelijk te maken. Niets liet Hij onbeproefd om den man te redden, van wien Hij zeggen moest: „De Zoon des menschen gaat wel honen, gelijk besloten is, doch wee donmensch, door welken Hij verraden wordt! Het ware hem goed, zoo die monsch niet geboren ware geweest!quot; Ook tijdons het Avondmaal bewijst de Heer aan Judas, dai Hij de Zijnen liefhad tot den einde. De stemming der jongeren is ondertusschon eenigszins gedrukt Zij weten, dat men slechts op eene gunstige gelegenheid wacht om hunnen Heer, die daar zoo kalm in hun midden zit, gevangen te nemen, nu en dan ontstaat er zeker eene pijnlijke stilte; want elk oogenblik konden Jezus\', vijanden Hem hier overvallen, daar er toch willige handlangers der overpriesters genoeg waren in de stad, waar zij vertoefden. Daar zegt de Heer eensklaps: „Voorwaar, Ik zegge u, dat een van u Mij zal verraden!quot; Hevig verschrikt en ontsteld hooren de jongeren deze woorden aan. Zoo weinig vermoedden /.ij het aanwezig

193

13

ocr page 210

194 HET HEILIG AVONDMAAL.

zijn van den verrader in hunnen kring, dat elk van hen eer aan zichzelf twijfelde, dan dat hij aan een ander dacht. „Ben ik het? ben ik het?quot; vragen zij beurtelings vol angst. Op een wenk van Petrus vraagt Johannes aan den Heer; „Heer, wie is het?quot; Jezus antwoordde hem: „Deze is het, dien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, geven zal.quot; En Hij doopte de bete in en gaf ze aan Judas Simonszoon Iskarioth. Deze handeling was niet slechts eene aanwijzing voor Johannes, wie de verrader was, maar Judas en de overige discipelen konden haar slechts als eene bijzondere, liefdevolle oplettendheid van Jezus opvatten. Het is n.1. nog heden bij de Oosterlingen gebruikelijk met de hand de spijzen tot zich te nemen, in plaats van met een vork of lepel. Sommigen echter bezigen telkens een stukje brood als lepel, dal zij bij elke bete mede opeten. Dit wordt algemeen gedaan, wanneer er een schotel met saus rondgediend wordt. Men breekt dan het brood, dat in schijven ter dikte van een vinger gebakken wordt, eh doopt de stukjes in de saus. Daarvan zegt de Heer op de vraag Zijner jongeren: „Een van u, die met Mij in den schotel indoopt.quot; Ook gebeurt het dikwijls, dat men een dischgenoot, wien men een blijk van bijzondere liefde wil geven, een stuk brood toereikt , dat men in den schotel heeft ingedoopt. Dit wordt beschouwd als een bewijs van innige liefde en vriendschap. Daarom zegt Jezus: „Deze is het, wien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal,quot; met andere woorden: hij is het, wien Ik nu Mijne bijzondere, innige liefde zal bewijzen. Wij kunnen eenigszins gevoelen, welk een diepen indruk zulk eene liefde moest maken op het hart van den discipel, die naderhand tot op hoogen leeftijd voornamelijk de liefde predikte als het kostelijkste en dierbaarste goed, dat hij kende. Maar wij kunnen ons ook voorstellen, welk eene dichte duisternis er moet geheerscht hebben in de ziel van een Judas,

ocr page 211

HET HEILIG AVONDMAAL.

195

dio, ondanks dit teedere liefdeblijk, geen oogenblik aarzelde en zelfs de onbeschaamdheid bozal, de vraag tot den Heer te richten: „Ben ik hot, Rabbi?quot; waarop de Heer hem bedroefd ten antwoord geeft: „Gij hebt het gezegd.quot; Eu na die bete, die hem voor \'t laatst toonde, hoe lief Jezus hem had, „voer de satan in hom.quot; Ook heden nog, wanneer men eone vraag met allen nadruk bevestigend wil beantwoorden, zegt men: „Gij hebt het gezegd,quot; gij zegt het.quot;

DE LAATSTE NACHT.

Het Heilig Avondmaal was afgeloopen. Jezus maakte Zich gereed om, gelijk Hij meermalen deed, den nacht onder den blooten hemel door te brongen. De Paaschmaaltijd was tusschen zes en zeven uur des avonds begonnen en omtrent negen of tien uur verliet Jezus do stad. De weg, die naar Gethsemané leidde, werd door do maan helder verlicht en duidelijk waren de talrijke graven en grafsteonen van liet dal Josafats zichtbaar. Jezus verliet do stad aan de oostzijde en daalde af in genoemd dal, door \'twelk de Kidron des winters naar de Doode Zee stroomt. Aan gene zijde van de in dien tijd van \'t jaar uitgedroogde beek lag aan den Olijfberg een hof, d. w. z. een landhuis met -een tuin, die volgens de gewoonte dos lands met een eenvoudigen stoenen muur was omringd. In ongeveer tien minuten had Jezus, door de stadspoort gaande, Gethsemané bereikt. Wanneer Hij opwaarts zag, aanschouwde Hij vóór Zich den prachtigen tempel, door het maanlicht beschenen. Daarachter flikkerden de lichten der stad, die

ocr page 212

196 DE LAATSTE NACHT.

toebereidselen voor het Paaschfeest maakte. Ook Hij moest Zicli voor dat feest voorbereiden. Hijzelf was het Paaschlam. Het was een koude Aprilnacht. De jongeren wikkelden zich in hunne mantels en legden zich te slapen, door den muur tegen den wind beschut. Jezus echter bad en worstelde met den dood.

Ongeveer 10 uur, toen Judas vermoedde, dat de Heer Zich in Gethsemané bevond, maakte ook hij zich op en begaf zich met eene afdeeling gewapende soldaten waarschijnlijk- langs denzelfden weg derwaarts. Vreemde stemmen weerklinken plotseling in den hof, de jongeren schrikken op uit hunnen slaap, wapenen blinken in het maanlicht. ruwe soldatenstemmen schreeuwen verward door elkaar, daartusschen vernemen zij de kalme, vaste stem van den Heer, fakkels worden ontstoken en werpen een rossen gloed op de opgewonden menigte en op de oude, statige olijfboomen. Nadat Petrus eene poging tot verweer gewaagd heeft, vluchten de discipelen over den muur en verschuilen zich in de rotsspleten en grafspelonken, die nog heden in het Kidrondal zoo talrijk zijn. De stoet keert daarop naar Jeruzalem terug, waarschijnlijk door de jongeren nageoogd. Eindelijk sterft het geluid der stemmen weg, de fakkels verdwijnen daarboven in de poort der stad.

In het midden der Oostersche huizen bevindt zich gewoonlijk eene vierkante, geplaveide opene plaats, die soms met mozaïek is ingelegd en van verschillende bloemperken met rozen, anjelieren en geurige kruiden voorzien.

De vertrekken zijn alle van deze plaats toegankelijk, maar niet of ten minste zelden onderling door deuren verbonden. In den zomer brengt men er niet alleen den geheelen dag door, maar slaapt er ook dikwijls des nachts onder den blooten hemel. Ook de huisgenooten, knechten en dienstmaagden bevinden zich in hun vrijen tijd in dezen hof. Een soort van

ocr page 213

DE LAATSTE NACHT. 197

voorhof of overdekte gang, waarnaast rle deurwachter of deur-waarster zit, verleent toegang tot de binnenplaats. In zulk een huis wachtten in dien nacht Kajafas en de oudsten des volks in spanning op den terugkeer van Judas. Waarschijnlijk des avonds om 8 uur had de verrader hun den voorslag gedaan, Jezus in den volgenden nacht aan hen over te leveren. In allerijl werd de inhechtenisneming bevolen en de Hooge Raad bijeengeroepen. Eindelijk tegen 11 uur weerklonken de zwarQ. voetstappen der soldaten en het wapengekletter in de straat, de poort werd geopend, het rosse schijnsel der fakkels verlichtte de plaats, in gespannen verwachting snellen zij den stoet te gemoet en — zien Jezus gebonden in het midden der soldaten binnentreden. Dadelijk wordt Hij in een der nabijzijnde vertrekken gebracht, waar de oudsten op divans zitten om Hem in verhoor te nemen.

Op de binnenplaats hadden zich naar gewoonte de knechten en dienstmaagden verzameld, en de soldaten, die Jezus gevangengenomen hadden, voegden zich bij hen. Natuurlijk liep het gesprek over den gevangene; lage naturen scheppen er altijd groot genoegen in, eene gevallen grootheid (zooals Jezus in hun oogen was) te bespotten. Ook Petrus naderde den kring om zich mede aan het kolenvuur te verwarmen. Zulke vuren worden ook nu nog aangelegd om de winterkoude te verdrijven. Gloeiende houtskolen worden opgestapeld in aarden vaten {kanoen) of in de bekende ijzeren „manJcals.quot; Men kon op de binnenplaats door de open deuren waarschijnlijk elk woord van het verhoor verstaan. Petrus luisterde met gespannen aandacht, zonder acht te geven op de gesprekken der knechten en dienstmaagden. Zijn geheele wezen teekende onrust. De Heer stond met den rug naar Petrus gekeerd, en wel zóó, dat Hij dezen kon zien, wanneer Hij het hoofd omwendde. Terwijl Petrus oplettend luisterde naar de kalme antwoorden

ocr page 214

DE LAATSTE NACHT.

door den Heer gegeven, werd zijn aangezicht door de opflikkerende vlam van het vuur helder verlicht en herkende men hem als een discipel van Jezus. En juist zooals nog heden de inwoners van Palestina doen, als zij iets willen ontkennen, begon Petrus zich te vervloeken en te zweren: ,Tk ken den mensch niet.quot; Petrus had luid en driftig gesproken. Zijn vloeken en zweren was niet alleen vernomen op de binnenplaats, maar ook daarbinnen in de zaal. Jezus hoorde de welbekende stem van Zijn discipel zeggen: _Ik ken den mensch niet.quot; En — „terwijl hij nog sprak, kraaide de haan.quot; En Jezus keerde Zich om en zag door de openstaande deur Petrus aan. Beider blikken ontmoetten elkaar. Petrus zag den treurig ernstigen blik zijns Meesters op zich gericht. Toen hulde hij zich in zijn mantel en ging geheel verpletterd in de duisternis van den nacht naar buiten. Wellicht leunde hij met het hoofd tegen een van Jeruzalems muren en weende bitterlijk. Daarna keerde hij waarschijnlijk terug naar het Kidrondal, waar zich de andere jongeren verscholen hadden.

Het hanengekraai is de eenige aanduiding van den tijd, waarop het verhoor plaatsgreep. Daar de hanen in het quot;Westen niet voor het aanbreken van den dag kraaien, heeft men de nachtelijke rechtszitting bij Kajafas op ongeveer 3 uur in den morgen gesteld; doch wat is er dan geschied in de uren, die daaraan voorafgingen ? Naar onze meening is Jezus reeds voor 11 uur \'s nachts door Annas en dadelijk daarna door Kajafas verhoord. Men behoefde niet te wachten op de komst der raadsleden, want die konden reeds voor 8 uur des avonds saam-geroepen zijn. Het verhoor bij Annas en Kajafas kan op zijn hoogst twee uur geduurd hebben. Ook is hel niet waarschijnlijk , dat de leden van den Hoogen Raad geheel hunne nachtrust erom hebben willen opofferen 1 Nadat zij een voorwendsel gevonden hadden om Jezus des doods schuldig te verklaren.

198

ocr page 215

DE LAATSTE NACHT. 199

gingen /.ij naar huis en ter ruste om den volgenden dag hunne verdere maatregelen te nemen.

Een andere grond voor deze bewering is de tijd, dat hier te lande des nachts de hanen kraaien, hetgeen juist om dien tijd valt. Toen ik pas te Bethlehem woonde, hoorde ik tot mijne groote verwondering de hanen precies om 12 uur \'s nachts kraaien, als ik nog op mijn studeerkamer aan \'t werk was. Dit geschiedde eiken nacht zoo juist op hetzelfde tijdstip, dat ik er mij op kon verlaten als op eene klok. Wanneer de dag aanbreekt, in April dus om 6 uur in den morgen, kraaiende hanen weder, en dit hanengekraai wordt waarschijnlijk bedoeld in Mark. XIII: 35, waar wij lezen; „Zoo waakt dan, want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komt, des avonds laat of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond.quot;

Ook de ruwe soldaten legden zich te slapen , maar niet voordat zij hunne booze luim over den nachtelijken tocht bot gevierd hadden, door den Heer gedurende een halfuur of een uur de ergerlijkste mishandelingen aan te doen. Jezus werd waarschijnlijk geboeid in een vertrek gevangen gehouden, waar eenige soldaten iu Zijne nabijheid sliepen. Daar bracht \'Hij den laatsten nacht door: wakend en biddend, vóór Hij den verderen lijdensweg betrad, of doodelijk vermoeid en toch rustig slapend, evenals te midden van den hevigen storm op het meer Gene-zareth. Wie zal het ons zeggen?

ocr page 216

1

GOEDE VRIJDAG.

Do Hoogc Raad zotte den volgenden morgen het \'s nachts afgebroken werk voort, hoewel wij niet kunnen aannemen, wat veler meening is, dat dit reeds voor zes uur of nog vroeger geschiedde; want in de eerste helft van April gaat de zon in Palestina eerst om zes uur of half zeven op en, daar de raadsleden ongetwijfeld te huis hun ontbijt zullen gebruikt hebben, kwamen zij niet voor zeven uur bij elkaar. Een Aprilmorgen in Jeruzalem is gewoonlijk zeer schoon en frisch. Schitterend gaat de gouden zon achter den Olijfberg op en begroet de „heiligequot; stad. In zulk een morgenuur begon de Hooge Raad zijne rechtszitting. Het oordeel over Jezus was reeds uitgesproken , daarom duurde de beraadslaging niet lang. Het was nog geen acht uur, toen zij Jezus tot Pilatus brachten. In welk eene korte tijdsruimte was Jezus\' lot zoo ontzettend veranderd ! Den vorigen dag vermoedde niemand, zelfs de hooge-priester niet, dat Jezus dien dag ter dood gebracht zou worden. Nu sleepten zij Hem door de straten, waar reeds leven en beweging heerschte; immers het Avas Paaschfeest. Overal wekte de Heer, op die wijze door de soldaten voortgeleid, het grootste opzien. Ieder sloot zich bij den stoet aan, die bijna de geheele stad moest doortrekken. In ongeveer tien minuten was het paleis van Pilatus bereikt. Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht van Jezus\' inhechtenisneming. Eene grooto volksmenigte verzamelde zich voor het paleis van den Landvoogd , dat noordelijk van den tempel stond. De schare groeide met elk oogenblik aan, de inwoners van Jeruzalem, „de kinderen der stad, die de profeten doodde,quot; sloten zich aan bij hun geestelijke overheid. Ook Judas Iskarioth moot in hun

ocr page 217

GOEDE VRIJDAG. 201

midden zijn geweest. In ?t bezit van het bloedgeld, bemerkte hij nu, dat het niet den Heer op den dood uitliep. Toen ging iiij in vertwijfeling „naar zijn eigene plaats.quot;

Het tijdstip van Jezus\' dood wordt ons niet nauwkeurig opgegeven. Het verhoor voor Pilatus en Herodes heeft zeker eenige uren geduurd; het was waarschijnlijk elf uur, toen liet beslissend vonnis werd uitgesproken. Volgens Markus werd Jezus reeds op de derde ure, d. i. om negen uur gekruisigd. Volgens Johannes werd het vonnis ter zesder ure, dus omstreeks twaalf uur \'s middags, geveld. Evenals de nacht werd ook de dag in vier deelen verdeeld, die men door de derde, zesde en negende ure aanduidde. Markus verhaalt ons, dat de kruisiging plaats vond in het tweede gedeelte, tusschen 9 en 12 uur, volgens Johannes geschiedde dit in het derde gedeelte, ongeveer 12 uur. Daar Johannes van de discipelen de eenige ooggetuige was, zullen wij ons met het meeste recht aan hem houden; voor \'t overige is het geen wonder, dat de jongeren geen bepaalden tijd aangeven voor deze vreeselijke gebeurtenis.

Tegen den middag dus was Jezus aan het kruis genageld. Zelfs de leden van den Hoogen Raad waren gekomen om zich aan het schouwspel te verlustigen. Johannes was de eenige van de jongeren, die ook opgegaan Avas naar Golgotha zonder het gevaar, daaraan verbonden, te schromen. De vrouwen hadden niets te vreezen; zij stonden buiten de wet. Het is nog heden eene zeldzaamheid, dat eene vrouw gevangengenomen wordt. De kleine schare getrouwen verwachtte misschien nog een wonderdadig ingrijpen van God. Maar de schrik en angst steeg al hooger en bereikte wel het toppunt, toen een dikke duisternis het geheele land bedekte.

Wat voor eene duisternis was dit? Christelijke sterrenkundigen hebben berekend, dat er eene zonsverduistering moet

ocr page 218

GOEDE VRIJDAG.

plsats gevonden hebben. Doch dit is slechts mogelijk bij nieuwe maan, en het Paaschfeest viel altijd ten tijde der volle maan. Daaraan valt dus niet te denken. Hiervan maakten ongeloovige Schriftuitleggers gebruik om te beweren, dat de historische betrouwbaarheid der Evangeliën niet is te verdedigen. Van beide zijden wordt echter over het hoofd gezien, dat er in de Evangeliën volstrekt niet van een zoneclips gesproken wordt. De drie Evangelisten verhalen ons slechts van eene duisternis, die het geheele land bedekte; alleen Lukas voegt er bij, dat de zon hierbij verduisterd werd, haar glans verloor. Van eene astronomische zonsverduistering is dus ten eenenmale geen sprake.

Ongetwijfeld was die duisternis eene bijzondere beschikking Gods, zoo beschouwen ook de Evangelisten het. Komen zulke verduisteringen nog heden voor, dan kan dit ons licht over de zaak doen opgaan. In het jaar 1888 geschiedde het in Maart en April drie tot vier malen, dat een verzengende woestijnwind uit het Zuiden opstak, terwijl wij des morgens het schoonste lenteweer hadden. De wind voerde eene soort van stuifzand met zich, hetwelk zoo fijn is, dat het slechts aan zijne uitwerking nog herkenbaar is. De atmosfeer werd geheel verduisterd, de bergen, die Bethlehem insluiten, waren geheel onzichtbaar en de hemel, ofschoon wolkenloos, werd steeds donkerder en grauwer. De zon verloor haren glans, niets dan een schijf met mat licht bleef zichtbaar; als een gebroken oog zag zij van den hemel neer. Geen schaduwen meer. De heete lucht drukte loodzwaar op mensch en dier en de wind beklemde de ademhaling, terwijl hij nu eens nauw merkbaar was, dan weder met kracht opstak, alles uitdroogde en het den mensch bijna onmogelijk maakte buiten te blijven. Oók tijdens des Heeren lijden aan \'t kruis had iets dergelijks plaats; dit mogen wij met te meer zekerheid beweren, omdat eene

202

ocr page 219

GOEDE VRIJDAG.

aardbeving, zooals toon plaatsgreep, in den regel door een buitengewonen wind wordt voorafgegaan.

Misschien zullen sommige mijner lezers mij beschuldigen, dat ik ernaar streef, de wonderbare gebeurtenis op natuurlijke wijze uit te leggen. Doch wanneer, om een ander voorbeeld te noemen, bewezen wordt, dat ook nog heden in Egypte sprinkhanenplagen voorkomen, zal men toch niet loochenen, dat het eenmaal eene bijzondere beschikking Gods was (en dit is toch het kenmerk van het „wonderquot;). Deze duisternis moest de volksmenigte, die zich voor het huis verzameld had, des te wonderbaarder voorkomen, omdat zulk een woestijnwind tot de groote zeldzaamheden behoort, als in vele jaren soms niet éénmaal voorkomt. Vandaar ook, dat hierop door het volk meer acht geslagen wordt, dan op eene zonsverduistering. Hiermede is intusschen niet gezegd, dat zulk een wind en niets anders de in de H. S. vermelde duisternis heeft veroorzaakt. Wij meenen het ervoor te mogen houden, omdat deze wind het eenige verschijnsel in Palestina is, dat het feit verklaarbaar maakt, en vooral, omdat hij gewoonlijk alleen omstreeks den tijd van het Paaschfeest zich voordoet.

Te midden dezer duisternis, samenvallende met doterechtstelling van Jezus en daarom voor de aanwezige Joden en heidenen een zeer onrustbarend teeken der Godheid, moest Jezus den bitteren lijdensbeker tot den laatsten droppel ledigen. Duisternis omhulde Zijne ziel, duisternis heerschte rondom Hem, totdat Hij in alles overklimmende benauwdheid uitriep: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten!quot;

Eene der grootste folteringen moet voor de kruiselingen de brandende dorst zijn geweest. Daarbij kwam nu de verzengende, uitdrogende en afmattende woestijnwind, zoodat de lijdende Heiland den kreet slaakte: „Mij dorst!quot; Maar eindelijk weerklinkt ook Zijn zegekreet door het duister: „Het is volbracht!quot;

203

ocr page 220

GOEDE VRIJDAG.

204

Jezus beveelt Zijnen geest in de handen Zijns Vaders en Zijn lijden is ten einde. De aardbeving, waarvan men de voorteekenen waarschijnlijk reeds had opgemerkt, deed zich thans in al hare angstwekkende uitwerkingen gevoelen, zoodat zelfs de vaste rotsen spleten. Eindelijk herademt de natuur als van den ban ontheven, terwijl de Heer als overwinnaar van wereld, zonde en duisternis van deze wereld scheidt. De hoofdman echter, bij hot kruis staande en ziende de aardbeving en de dingen, die geschied waren, werd zeer bevreesd, zeggende: „Waarlijk, deze mensch was Gods Zoon!quot;

HET GRAF VAN JEZUS.

In het Westen worden de afgestorvenen, nadat zij in eene kist gelegd zijn, op eene algemeene begraafplaats aan den schoot der aarde toevertrouwd. In het Oosten werden in vroeger tijden de dooden op andere wijze ter aarde besteld. Men bereidde hun daar te voren reeds eene laatste rustplaats in eene spelonk of grot en legde daar al de leden der familie bij elkander ter ruste. Zoo kocht Abraham den akker met de spelonk van Machpéla tot een erfbegraafplaats om daar met de zijnen te rusten en opdat ook zijne nakomelingen met hunne vaderen in één graf verzameld konden worden. Zulke graven waren alzoo niet op een algemeen kerkhof, maar op een landgoed of in een tuin. Men had ook geen kist noodig, en de doode werd ook niet met aarde bedekt. In de rots werd eene soort van kamer uitgehouwen en in de wanden daarvan werden open ruimten gemaakt, die een lijk konden bevatten. In zulk

ocr page 221

HET GRAF VAX JEZÜS.

een kamertje lag ook Lazarus van Bethanië en in dergelijke woonden de twee bezetenen van Gadara. Heden ten dage worden echter de afgestorvenen in Palestina niet meer op die wijze begraven; toch vinden wij overal in \'t land overblijfselen van de in rotsen uitgehouwen graven, zoodat wij daaruit kunnen opmaken, hoe het graf van Jezus was ingericht. Gewoonlijk ziet men, voor zulk een graf staande, een vierkante opening in den steilen rotswand en daarachter weer, iets kleiner, de lage, smalle deuropening. Wie er in wil gaan of „erin zienquot; (Joh. XX: 5), moet zich diep bukken.

Toen Jozef en Nicodemus den Heer in het graf legden, moest een van hen daar eerst binnengaan om met behulp van den ander, die nog buiten stond, den afgestorvene erin te dragen; daarbinnen vonden beiden geschikte plaats genoeg om den Heer op Zijn rotsleger neer te vlijen. Het is ons, als voelen wij dopr alle graven, waarbij wij den Heer aantreffen, een levensadem waaien; het meest echter nemen wij dit waar bij Zijn eigen graf. Het is dan ook zeer begrijpelijk, dat de Christenen dit graf gaarne met eerbiedige liefde naderen.

Is ons echter Zijn graf nog bekend? Wie heden ten dage Jeruzalem bezoekt, wendt vóór alles zijne schreden naar de oude grafkerk, als de plaats, waar de Heer heeft gelegen. Wij vonden daar evenwel niets, dat ons herinnerde aan de overige rotsgraven in Palestina. Het is een klein, smakeloos tempeltje in het midden der kerk, waarin wij een graf aanschouwen, bijna geheel ingericht als die in de Westersche landen, waarop zich een grafsteen boven de effene vlakte verheft. Golgotha en het Heilige Graf zijn met alle mogelijke plaatsen, waaraan men historische herinneringen toegekend heeft, als op commando, zoo nabij elkander getrokken, dat alles gemakkelijk eene plaats vindt onder het dak eener groote kerk: de graven van Adam, Jozef van Arimathéa, Nicodemus, het middelpunt der wereld,

205

ocr page 222

I

20G HET GRAF VAN JEZUS.

enz.) Golgotha ligt eon trap hooger dan hot Graf. Men heeft alle mogelijke moeite gedaan om de echtheid van het H. Graf te bewijzen. Bij eenig nadenken komt men echter tot het besluit , dat dit bijna onmogelijk is, want de grafkerk staat midden in de stad en het is niet zeer waarschijnlijk, dat do aanleg der stad zóó geheel anders is, dat deze plaats vroeger geheel huilen Jeruzalems muren lag.

Een historisch bewijs voor de identiteit van dit zoogenaamde graf des Heeren ontbreekt intusschen geheel en al; immers men is pas in de vierde eeuw na Christus begonnen deze plaats als zoodanig te vereeren. In de eerste tijden van het Christendom vroeg men meer naar den levenden Christus en de leer Zijner apostelen; later stelde men meer belang in hunne graven en gebeenten. Eerst onder de regeering van keizer Konstantijn, toen er na Jezus\' dood reeds een tijdruimte verstreken was zooals nu tusschen ons en de Hervorming ligt (en wat was er in dien tijd in Palestina niet gebeurd), gaf men voor, Jezus\' graf gevonden te hebben. Zoo weinig echter was men zelf overtuigd van de echtheid, dat men de bewering daarvan door een wonder trachtte te staven. Wanneer men ziet, op welk een wijze deze „heilige plaatsquot; ontwijd wordt, komt men tot de overtuiging, dat de Goddelijke voorzienigheid de juiste plaats voor de menschen verborgen houdt om dergelijke ontheiliging te voorkomen.

Wij haasten ons om dit graf, met al wat wij er stuitends vinden, te verlaten, en begeven ons naar den stillen hof, waarheen de Evangelisten ons voeren, en die buiten de stad gelegen was, toevertrouwd aan de zorg van een hovenier. Tc oordeelen naar de tegenwoordige tuinen in Jeruzalem, waaraan men thans, na eene langdurige verwaarloozing, weder eenige zorg gaat besteden, was de hof van Jozef voor het grootste gedeelte met wijnstokken beplant, die ten tijde van het Paasch-

*

ocr page 223

HET GRAF VAN JEZUS. 207

fcost, evenals de boomen, met het eerste jonge groen prijkten. Langs do paden stonden verschillende soorten van boomen. Het lichtste groen, dat der vijgen en granaten, mengde zich met het donker getinte loof der olijven, terwijl de cypressen en palmen zich hoog boven alle andere boomen verhieven. Op den avond van Goeden Vrijdag, ongeveer tnsschen vijf en zes uur, begaf zich Jozef van Arirnathéa naar zijnen hof, waar hij een nieuw graf had laten uithouwen, waarin nog geen doode had gelegen. Daarin wilde hij Jezus\' lichaam neder-leggen. Markus verhaalt ons, dat hij lijnwaad gekocht had. Dit is nog heden het eerste, dat men voor eene begrafenis aanschaft; men koopt een stuk lijnwaad of wit katoen om het lijk daarin te wikkelen. Dit doet denzelfden dienst als bij ons de kist. Eerst richtte Jozef zijne schreden naar Golgotha. Ook Nicodemus begaf zich daarheen, waarschijnlijk door een zijner dienaren gevolgd, die, op een ezel, meer dan honderd pond mirre medebracht. Voorzichtig, als vreesden zij den ontslapen Meester nog smart te veroorzaken, nemen zij Hem van het kruis en wikkelen Hem in het lijnwaad, waartusschen een gedeelte der medegebrachte specerij gelegd wordt. Vóór zonsondergang moeten zij hun treurigen arbeid volbracht hebben. Nu dragen do beide mannen vol weemoed den afgestorvene naar Jozefs graf. De weinige discipelinnen van don Heer, die zich nog op Golgotha bevinden, vormen den lijkstoet. Zacht snikkend volgen zij den geliefden Doodo, die den vorigen avond, om denzelfden tijd, Zich nog met Zijne jongeren aan don Paaschmaaltijd had neergezet. De kloine stoet beweegt zich langzaam voort door de belommerde paden van Jozefs hof. Vóór hen verhief zich een loodrechte rotswand, waarin eene lage deuropening zichtbaar was. Hier was het graf. Jeruzalem, dat in den glans der avondzon voor hen lag, was weder tot rust gekomen; men vierde er immers Paaschfeest.

ocr page 224

HET GRAF VAN JEZUS.

Do laatste stralen der wegzinkende zon kusten den geliefdon Doodo, alvorens men Hom in de stille rotsholte noderlogdo. Eon groote steen word daarvoor gewenteld, tot wering van wilde dieren on andere indringers en toen keerden zij naar de stad terug.

In April volgt op zonsondergang eene schemering van niel meer dan eon kwartieruurs. Alios word nu stil. Een ernstig zwijgen heerschte op Golgotha, waar zich de drie ledige kruisen nog verhieven. Over Jeruzalem breidde zich de akelige stilte, als van een kwaad geweten, uit. Ook de jongeren, die daar vertoefden, vonden troost noch vrede. Al hunne hoop was vernietigd, bevreesd voor do Joden, hielden zij zich schuil. In Jozefs hof echter ruischen de cyprossen en palmen vredig bovon \'s Hoeren graf.

Nu slaapt in Jozefs hof,

Na strijd en zielenood,

De Held, gelegd in \'t stof,

In de armen van den dood.

De nieuwgehouwen groef Doorzweeft Gods vrede zacht,

De vrienden treuren droef,

Maar \'t Englenheir houdt wacht,

Tot Hij ontwaakt.

De volle maan, in wier licht Zich Jezus den vorigon avond naar Gothsomané had begeven, wierp hare zachte stralen over borg en dal, over boomgroep en struikgewas, ook in Jozefs hof met het stille graf in de rots. Wie in dien nacht op don rotsmuur had gestaan, waaronder Jezus\' lichaam rustte, zou in \'t rond verscheidene merkwaardige bergen aanschouwd bobben , die met het nabijzijnde Golgotha in betrekkingstonden: voor zich den borg Moria mot don tompol van Jehova, waarin Jezus zoo dikwijls geleerd had, oostwaarts do duidelijke

208

ocr page 225

HET GRAF VAN JEZUS.

omtrekken van den Olijfberg, waar Hij den vorigen avond had geworsteld, en zuidwaarts do door de maan verlichte bergen van Bethlehem, waar Hij eens onder het gezang der liQinelsehe heirscharen Zijne aardsche loopbaan was begonnen, die heden onder zwaren strijd en mateloos lijden was afgelegd.

S L O T.

Wij hebben gezien, dat de zeden en gebruiken van het Heilige Land een helder licht werpen op menig Bijbelsch verhaal, dat ons anders duister en onbegrijpelijk zou toeschijnen. Dit gaat echter niet verder dan tot \'s Heeren dood. Nog eenmaal beefde dit land, doch nu als van vreugde, daar Jezus op een helderen Aprilmorgen uit de rotsgroeve in Jozefs hof, nu eene poort des levens, te voorschijn trad. Nog éénmaal drukte Jezus\' voet de oude paden, als Hij met Zijne discipelen over de Kidron, voorbij Gethsemané en over den lagen pas van den Olijfberg ging, vanwaar Hij nog kort geleden een droevigen blik op de ongelukkige stad had geworpen. Nog eenmaal werd het vriendelijk Bethanië het schouwtooneel van eene belangrijke gebeurtenis in \'s Heeren leven, nl. van Zijne hemelvaart. Nog eenmaal moesten wind en wolken Hem als een wagen dienen of althans Hem aan. \'t gezicht der Zijnen onttrekken bij Zijn ingaan in het Vaderland, het land van liefde en licht. Het rijk Gods, dat als een mosterdzaadje in den heiligen bodem van dit schoone land was gelegd, heeft zich uitgebreid, en de geheele wereld is reeds het tooneel Zijner geschiedenis geworden, hoe klein en schijnbaar onbeduidend

14

ocr page 226

SLOT.

het begin ook was op Juda\'s borgen, in Bethlehem en Jeruzalem.

Ook de profeten knoopten, zooals wij reeds meermalen opmerkten, hunne verwachtingen voor de toekomst aan dit land vast. Palestina diende tot model bij do schildering van dé voleinding van het eeuwige, hemelsche rijk. Daar zal, zoo lozen wij, geen gebrek zijn aan water, watorstroomen zullen dooide dorre woestijnen ruischen, accasia\'s, mirten, olijfboomon, cyprossen, platanen on wilgen zullen in do wildernissen groeien. Eon levende stroom zal van Jeruzalem naar de Doode Zoo vlooien en haar bittorzout water in zoet verandoren. Er zal geen misgewas zijn, alle bergen zullen van zoeten wijn druipen, de heuvelen van molk. Do boomen zullen twaalf verschillende vruchten voortbrengen, van maand tot maand vruchtdragende. Men zal wijnbergen aanloggen en ieder zal in vrede wonen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom. Er zal geen krijg meer zijn; do zwaarden worden tot ploegscharen, de spiesen tot sikkelen geslagen, een eeuwigdurende vrede zal heerschen. En gelijk Jeruzalem de hoofdstad was van het Israëliotischo rijk, zoo zal ook dat rijk eeno hoofdstad Jeruzalem hebben, welker grondvesten saffieren zijn, welker venstors uit kristal en welker poorten uit robijnen zijn vervaardigd. Geen rouwzangen, geene droefenis, geen geschrei zal binnen hare poorten vernomen worden, er zullen enkel vreugdetonen weerklinken. De berg Sion zal hooger zijn dan alle bergen dor aarde, en van heinde en ver koeren de kinderen Sions naar hun vaderland terug. Wie zijn zij, die als wolkon daarhenen vliegen, als duiven tot hunnn vensters, waar zij nestelen ? Dat zijn de schepen van Tarsis, zij brengen de zonen en do dochtoren Sions met grooten rijkdom van zilver en goud herwaarts. Allo volken gaan op naar den borg dos Hoeren. Zij komen van liet Oosten en Westen en nemen in hot Godsrijk

ocr page 227

SLOT.

dcol aan do bruiloft des Lams, die de Vader op Israëlietische wijze voor Zijn Zoon heeft bereid. En gelijk zij bij hot Loofhuttenfeest, met palmen voorzien, door do gouden poort don tempel binnentraden en in de voorhoven de harpon tokkelden, zullen eenmaal de overwinnaars palmtakken in de hand dragen en de harpen bespelen tot lof en oor van God.

Wie zou nog durven ontkennen, dat de profeten van het Oude, zoowol als van het Nieuwe Testament de zalige toekomst geschilderd hebben met Palestina voor oogen! Do profeten waren Israëlieten, zij waren, evenals hot geheele volk, mot hun land verbonden als de ziel mot hot lichaam. Daarom was do scheiding daarvan, do dood der natie. En nog beden, na verloop van twee duizend jaren, vol vergeefsche verwachting , is het \'t vurig verlangen der getrouwen in Israël om wéder in het oude land dor vaderen terug te keoren. Nooit heeft oen volk zijn land meer liefgehad dan Israël hot zijne; zij konden en wildon zich do volmaking van het rijk Gods dan ook niet anders voorstellen dan met de vormen en kleuren van het Land der Belofte. En moesten de profeten niet alzoo sproken ? Evenals de gevangenen van Sion zich het schoone vaderland nog heerlijker voorstelden, toen zij aan Babels watoren gezeten waren, zoo verlangdon do profeten naar hot land van eeuwigen vrede en volmaakte gerechtigheid. Elke profetie, die daarop betrekking hooft, is, letterlijk opgevat, slechts op Palestina van toepassing. Dit land was hun door den Heere gegeven tot oen eeuwig eigendom en aan dit verbond van Jehova klemdon zij zich vast.

Bohooron wij deze beloften en profetieën echter letterlijk op te vatten ? Om deze vraag te beantwoorden , moeten wij ons herinneren, dat de Oosterlingen gewoon zijn in beelden en gelijkenissen te sproken. Niets zou onnatuurlijker zijn geweest, dan dat do profeten zich in don drogen loertrant tot hot volk

211

ocr page 228

SLOT.

hadden gewend. Zij moesten gebruik maken van gelijkenissen om zich door het volk te doen verstaan, gelijk wij het later ook Jezus zien doen. Het is zeer waarschijnlijk, dat de profeten in hunne redenen veel gezegd hebhen, dat door hen in eigenlijke bet eekenis bedoeld werd-, maar door ons in overdrachte-lijken zin moet worden opgevat. Hunne hoop was inderdaad niet gevestigd op een vergelegen. onbekend land van zaligheid, maar zeer bepaald en met helder bewustzijn op Palestina, in zijn vroegeren staat hersteld, ja, tot de hoogste volkomen-h \'id verheven. Meermalen echter laten zij ons duidelijk gevoelen, dat zij hunne profetieën niet woordelijk opgevat willen hebben. Het was ongetwijfeld niet hunne bedoeling, dat de berg Sion aan het einde der dagen tot een reuzengebergte zou worden, hooger dan de Himalaya, waarheen de volken, met zilver en goud beladen, zouden opgaan. Wij kunnen uit de voortzetting der profetie in het N. Testament duidelijk opmaken, dat wij de profetieën niet in letterlijken zin moeten verstaan. Even verwerpelijk echter is de uitsluitend geestelijke opvatting, waardoor wij aan de beloften veel van hare waarde ontnemen, ja, eigenlijk slechts geestelijke phantasieën overhouden. Die Godsmannen hebben gesproken en geschreven, gedreven dooiden Geest Gods. De denkbeelden, do waarheden, door hen uitgesproken, zijn derhalve niet de vrucht van menschelijk nadenken ; maar wel is dit de inkleeding der Goddelijke waarheid in menschelijke woorden en beelden.

De hoop op de herstelling en verheerlijking van het volk Israëls in Palestina, heeft zich op dezelfde wijze ontwikkeld als de verwachting van den Messias. Het is bekend, hoe deze zich in het Oude Testament langs twee lijnen of in twee richtingen voortbeweegt. De eene gaat van beneden naar boven, de andere van boven naar beneden. Ten laatste loopen zij in één punt samen. De eerste is de verwachting van een

212

ocr page 229

218

zoon Davids, die opstaan zal om Israël te redden; deze zoon Davids wordt steeds grooter. totdat hij de maat eener mensche-lijke persoonlijkheid verre te boven gaat. De. andere is de hoop, dat Jehova zelf zal komen om Zijn volk te verlossen, en deze Jehova neemt ten laatste de gedaante aan van een mensch. De ware vervulling dezer beide verwachtingen is de Godmensch Jezns Christus. Zoo knoopt Israël al 7.iine verwachtingen aan Palestina vast. De beelden en gelijkenissen der profeten verheffen zich echter steeds meer boven deze aarde. Evenals het avondrood, wanneer hot eerst de toppen der rotsachtige bergen met rooden gloed gekleurd heeft, steeds hooger stijgt en ten laatste den geheelen hemel tint en de wolken verlicht, zoodat zij zich vertoonen als een landschap met steden en dorpen uit goud, purper en vuurgloed opgetrokken, zoo verheffen zich \'de profetieën steeds meer boven de oude bergen van Palestina en schilderen ons een ander land in veel heerlijker vormen en kleuren. In \'t O. T. is het nog eene mengeling van de vormen en gestalten der toen bestaande wereld met die eener veel hoogere, toekomstige heerlijkheid. Nu eens vinden wij bij de profeten eene schildering van het volk Israëls ouder volkomen gelukkige, aardsche omstandigheden, — dan weder verspreidt plotseling één enkel woord daarover het licht der eeuwigheid en verheft het boven het gebied der zondige aarde: „Want zie, Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aaide.quot;

De profeten worstelen als \'t ware met de taal om uit te drukken, hetgeen niet onder woorden is te brengen. Het Heilige Land leent de grondtrekken tot de schildering van dat Heilige Land, waar geene droefheid of geween meer zijn zal. Een ideaal, niet nevelachtig en zwevend, maar naar hun eigen vaderland gevormd, zweeft hun voor oogen. Hadden zij in andere beelden gesproken, dan zou niemand onder hunne toehoorders hen begrepen hebben. Daarom brengen zij bij hunne

ocr page 230

SLOT.

beschrijving der toekomstige heerlijkheid, al het groote, goede, schoone en zegenaanbrengende van hun vaderland tot den hoogsten graad van volkomenheid. Zoo verheft zich de profetie steeds hooger, terwijl de Geest der profetie als een wijze leermeester tot den mensch afdaalt en de vorm, waarin Hij de waarheid giet, haar voor de toehoorders steeds begrijpelijk maakt.

Het is, als staan de profeten tijdens de schemering op een hoogen berg en als richten zij hunne blikken naar het Oosten, waar de zon moet opgaan. Zij hebben, evenmin als het volk, de zon reeds gezien, maar zij weten, dat deze moet opgaan, dat heeft de Geest Gods hun geopenbaard. Eene volkomene voorstelling kunnen zij zich daarvan weliswaar nog niet maken, maar het wordt steeds lichter in het Oosten, steeds duidelijker worden de omtrekken zichtbaar en zijzelf zeggen, dat, wanneer eenmaal het licht de duisternis zal hebben verdreven, „de vorige dingen niet meer gedacht zullen worden en nooit in het hart meer opkomen zullen,quot; zooveel zal het nieuwe heerlijker zijn. Daarom zegt Petrus, als hij ons in de stille werkplaats der profeten binnenleidt, „dat zij ondervraagd en onderzocht hebben, op welken tijd en op hoedanige wijze do genade, die aan ons geschied is, ons door God zoude geopenbaard en geschonken wordenquot; (1 Petr. I: 11).

Weliswaar zien de profeten nog alles wat nabij en wat verre is, als in een schilderij samengevat, zooals iemand, bij het aanschouwen van een landschap het ver verwijderde en nabij-gelegene met één blik overziet en als één tafereel beschouwt, zoodat Jesaja (hfdst. LXV) een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde aankondigt en evenwel spreekt van zondaars, die daar leven zullen. Het Jeruzalem der profeten is dikwijls nog aardsch, dat, waarvan Petrus spreekt, is hemelsch. In de Openbaring echter ontmoeten zij elkaar, daar daalt een nieuw hemelsch Jeruzalem op de verheerlijkte aarde neder. Daar is het eeuwig

214

ocr page 231

SLOT.

dag. God zelf is do tempel en Jezus Christus de kaars. Hetgeen ons daar verhaald wordt, behoort tot eene hoogere orde van zaken, die voor onze zinnen noch voor ons verstand is te vatten.

Wien echter gelden deze profetieën? In de eerste plaats, ongetwijfeld het volk Israels; verscheidene dezer beloften wijzen dit ten duidelijkste aan. Doch zij hebben niet alleen op Israël betrekking, dit leert ons het Nieuwe Testament duidelijk. Een der hoogst begenadigde zonen Israels zegt: „Daar is geen Jood, noch Griek; gij allen zijt één in Christus Jezusquot; (Gal. 111:28). Niet zij zijn Israëlieten, die door hunne geboorte tot dat volk behooren, maar zij, die in de voetstappen van Abraham wandelen en zijn geloof bezitten (Rom. II: 28 en 29 en IX : 7 en 8). Hun allen gelden de beloften en profetieën. Dit is de sleutel, dien het Nieuwe Testament ons in de hand geeft, tot opening der profetieën. Daarmee is echter de bijzondere betrekking van Israël niet vernietigd; neen, eerst het volk des Verbonds en dan de geloovigen, die niet daartoe behooren. Wij lezen bij de profeten, dat dezelfde straf, waarmedeEdom bedreigd wordt, ook bij het wereldgericht, alle vijanden Gods zal treffen. De schildering daarvan doelt in de eerste plaats op Edom, maar daarna op elk volk, dat hetzelfde karakter aan den dag legt. Edom wordt als een voorbeeld gesteld voor de geheele wereld, evenzoo Palestina bij de beschrijving dei-nieuwe, verheerlijkte aarde. Wat daarvan in\'t bijzonder geldt, is in \'t algemeen van toepassing op alle volkeren en landen. Wanneer wij de profeten recht verstaan, dan zal er eenmaal een verheerlijkt Palestina zijn; de betrekking tusschen dat toekomstige en het tegenwoordige land is echter evenzeer met een sluier bedekt, als die welke bestaat tusschen het lichaam van den Christen, thans op aarde, en dat, waarmede hij na zijne opstanding zal bekleed zijn. Want gelijk God van den

215

ocr page 232

*2 1 G SLOT.

beginne den menscli op de aarde geplaatst heeft, zoo belooft Hij hem ook bij de voleinding aller dingen eene nieuwe, verheerlijkte aarde. Wanneer elk volk, hoe onvolkomen ook, eene gedachte Gods te aanschouwen geeft, zal dit in den tijd der volmaking toch niet verloren gaan, integendeel tot volle ontwikkeling komen. De schaduwzijden van het verschil in nationaliteit zullen verdwijnen, de lichtzijden in alle heerlijkheid te voorschijn treden en Gods oneindige wijsheid zal daarin op het heerlijkst schitteren.

De profeten streven er onophoudelijk naar, te bewijzen, dat de dingen, die zij profeteeren, waarheid en werkelijkheid zijn. Bij het lezen hunner woorden gevoelen wij ons daarvan dan ook ten volle overtuigd ; zij doen in ons hart eene levende hoop ontwaken. De voleinding der wereldgeschiedenis is niet gehuld in de grauwe nevelen van een land, door geesten of zelfs door engelen bewoond, waarin, volgens de meening van velen, de afgestorvenen veranderd worden: maar de Schrift leert ons, ons voorloopig te houden aan datgene wat wij kennen en begrijpen, n.1. dat de geheele wereld verheerlijkt zal worden, door een alles overstroomend licht van reinheid, heiligheiden volmaaktheid «n dit kunnen wij op de ons bekende wereld toepassen. Van het onbepaald „in den hemel komenquot; gelijk het vrome spraakgebruik luidt, weet de H. Schrift in \'t geheel niets. Zij wil ons vervullen met hoop, met blijde verwachting, uitgaande van de bestaande verhoudingen, en leert ons integendeel onszelven in eene werkelijke, volmaakte en verheerlijkte wereld verplaatsen, waarin elke kunst en wetenschap, al het streven en trachten der menschheid, elke gedachte Gods in onze aardsche toestanden uitgedrukt, tot volkomenheid zal gebracht worden, terwijl God zal zijn alles in allen, de tempel, waar het Lam de kaars zal zijn, in wier licht alles leeft en zich eeuwig verblijdt.

ocr page 233

SLOT. 217

Daarom bewonderen wij ook hier de wijsheid, die op het paneel van een werkelijk, aardsch land als Palestina, de omtrekken van de nieuwe wereld heeft geschilderd. Zoo is dan het Heilige Land het beeld geworden van het eeuwig vaderland, waar God ondei de menschen zal wonen. De hoofdstad met hare twaalf poorten van paarlen en hare straten van goud draagt, ook den naam van Jeruzalem. Daar de kleuren en beelden, tinten en vormen, waarvan de proleten zich bedienden om ons de verwachtingen der geloovigen levendig voor te stellen, aan het aardsche Palestina zijn ontleend, heb ik in dit boek getracht don lezer daarmede bekend te maken.

Wanneer echter de profetieën in vervulling treden, zullen wij moeten erkennen, dat ook de profeten slechts gestameld hebben en de apostel Paulus met het volste recht kon zeggen: „Wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en in geens menschen hart is opgeklommen, heeft God bereid dien, die Hem liefhebben.quot; Dan zal ook op de profetieën het majestueuze woord van toepassing zijn : „Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten en- uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heer; want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde , alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen en Mijne gedachten hooger dan uwe gedachten.quot; (Jes. LV : 8).

Op den top van den Nebo staat Mozes, de groote grijze profeet Israëls. Achter hem ligt de woestijn, waar hij 40 jaren lang in heeft gezworven. Hij bevindt zich op den hoogsten top van de bergen van Moab xi de wind speelt hem door de grijze lokken en om het edele, gerimpelde voorhoofd. Hij richt zijn nog onbeneveld oog op het Beloofde Land. Daar beneden stroomt de Jordaan als een zilveren ader door het dal, daar verheffen zich de geliefde bergen van Palestina, het land zijner vaderen, waarnaar hij met smachtend verlangen heeft uitgezien! Hij kan ze nog niet geheel onderscheiden, hij ziet slechts de ruwe om-

ocr page 234

218 SLOT.

trekken van \'t hem dierbare land. Zijne verbeelding toovert hem echter de geliefde bergen en dalen in de schoonste kleuren voor oogen. En zie, als hij vol verlangen daarheen blikt en ze aanschouwt, neemt de Heer zelf hem bij de hand en voert hem een ander heilig land binnen. Plotseling is alles veranderd. Aan de aarde ontrukt, aanschouwt hij een land, dat allo verwachtingen en beloften overtreft.

Zoo staan wij ook op de bergen der profetie. Het zijn de hoogste toppen, waar de Heer zelf ons gebracht heeft en ons een blik vergunt in het beloofde land. Een verlangen om de vleugelen uit te slaan en daarheen te vliegen, maakt zich van ons meester. En toch kunnen onze stoutste verwachtingen de eeuwige heerlijkheid niet evenaren. Als de Heer eenmaal de gevangenen van Sion verlossen zal, zal het weer zijn, alsof zij droomen. Dan zullen wij het vaderland zien, waarvan de profeten in onvolkomen beelden, aan het oude Palestina ontleend, hebben gesproken. Daarheen strekt zich het verlangen onzer ziele uit, daarheen wijzen alle profetieën, daar moet ook met Gods hulp uw en mijn leven eindigen of liever daarin moet het overgaan !

Kent gij dat Land?

ocr page 235

NAAR DE JORDAAN EN DE DOÜDE ZEE.

OP WEG NAAR JERICHO.

Hot was do Mei van hot jaar 1887. üonkoro wolkon joogon in snollo vaart ovor do stad Jeruzalem hoon, nu on dan zich ontlastend in een hevige regenbui. Niettegenstaande het weinig uitlokkende weder stonden voor het huis van den Duit-schon consul verscheidene gezadelde paarden, lastdieren en drijvers gereed on wachtten slechts op hot reisgezelschap om op te breken tot een verren tocht. De bewoners van het huis, bij wie ik mij gevoegd had, beschouwden den hemel met onderzoekende blikken ; nu eens besloot men de reis naar Jericho te aanvaarden, dan weder maar stil te huis te blijven. Toen eindelijk de statige hoofdman der Bedoeïenen, die ons veilig door de woestijn zou geleiden, ons verzekerde, dat achter Bothanië de regen zou ophouden, worden do lastdieren met do reisbonoodigdheden vooruitgozonden. Vooral do dames verkeerden in onzekerheid, wat te doen ; zij sloegen meer geloof aan de zwarte, onheilspollende wolken dan aan do met gezag uitgesproken bewering van den hoofdman, dat het diepe Jor-daandal (hot diepste der wereld) in dezen tijd van hot jaar.

ocr page 236

OP WEG NAAR JERICHO.

bijna nooit door regen wordt bevochtigd. Eindelijk echter brak de zon door en lustig reden wij heen langs de huizen van de voorstad. De Moorsche bediende van den Duitschen consul reed in zijn met zilver beslikte uniform vooruit, op hem volgde de forsch gebouwde hoofdman der Bedoeïenen, het overige gezelschap bestond uit drie dames, vier heeren en eenige knechts. Wij reden de Damaskuspoort voorbij, den steil afhollenden weg naar Gethsemané af en toen naar Bethfagé en Bethanië. Nu en dan moesten wij nog eene regenbui trotseeren, doch, gelijk de Bedoeïen voorspeld had, hield de regen op, .toen wij Bethanië achter den rug hadden, schoon wij op onzen weg, die door boomlooze dalen en over witte mergelheuvelen leidde, ons omkeerende, niet alleen den witten Olijfberg, maar ook de donkere wolken over Jeruzalem zagen drijven. De luchtsgesteldheid was hier aanmerkelijk zachter.

Wat de maand Mei is voor de Westersche landen, dat is Maart voor het Oosten. Overal ontluiken de bloemen; zelfs de weg door de woestijn, dien wij volgen moesten, en waar in Mei alle plantengroei verdwijnt, was met tallooze fraaie bloemen omzoomd en de onvruchtbare heuvels prijkten met een zacht groen kleed. De weg was eenzaam en verlaten. Het was eene zeldzaamheid, wanneer wij eenige Bedoeïenen ontmoetten. Toch is het een merkwaardige weg, dien wij volgden. Hoevele duizenden Israëlieten gingen eertijds daar langs op naar de feesten te Jeruzalem! Langs dezen weg vluchtte eens David voor Absalom. Bijna 500 jaar later zien wij er des nachts den laatsten koning van Juda, Zedekia, vlieden voor den trotschen Babylonischen overwinnaar, wien hij te Jericho toch in handen viel. Op dezen weg verplaatst ons de gelijkenis van den barm-hartigen Samaritaan. Onmenschelijke tooneelen, als dat daarin is geschetst, zijn er ook tegenwoordig nog geen zeldzaamheid; want hier is het gebied der roofzuchtige Bedoeïenen. Hoe

ocr page 237

221

moer men het zuidelijk gedeelte der Doode Zee nadert, hoe gevaarlijker de roovers worden. Dikwijls zwerven zij ten getale van honderd op hunne kameelen rond om de karavanen en stammen uit te plunderen. Zij zijn goede schutters. Evenals David zich in deze woestijn met den slinger oefende, zoo oefenen zij er zich, terwijl zij op ver verwijderde, moeielijk te treffen steenklippen schieten; velen onder hen kunnen een vogel in de vlucht doorschieten. Wij kunnen ons hier gemakkelijk eene voorstelling vormen van den toestand des ongelukkigen uit de gelijkenis. Eenzaam ging hij zijns weegs. Op vele plaatsen is de weg door heuvelen ingesloten en vormt hij als \'t ware een hollen weg; en juist toen hij den laatsten heuvel achter zich had, wierpen zich plotseling een paar Bedoeïenen op hem, plunderden hem uit en lieten hem halfdood liggen. Elk geluid in de stille, eenzame woestijn werd door hem opgemerkt. Daar vernam zijn oor het getrappel van een paard. De man, die het bereed, was een priester. Met hoopvolle verwachting zag hij hem naderen, nu was hulp nabij. Toen de priester hem echter zag, ging hij tegenover hem voorbij. Uren verliepen, uren van angst en smart en gespannen verwachting. Daar hoort hij weder voetstappen: een leviet gaat dien zelfden weg. Weder hoopt de ongelukkige, dat een dienaar van Jehova\'s heiligdom hem helpen zal, maar ook deze gaat voorbij. Nu geeft de man den moed bijna op. Nog eenmaal weerklinkt een hoefslag van een rijdier in den hollen weg. Een ruiter nadert, maar de gewonde wendt teleurgesteld het hoofd af, het is een Samaritaan. Toen deze hem echter zag, gevoelde hij medelijden met hem. Hij steeg van zijn lastdier, verbond zijne wonden en goot daarin olie en wijn. Toon plaatste liij den armen onbekende op zijn paard, dat hij mot eene hand aan don teugel voortloidde, terwijl hij met de andere den gewonde onderstoundo. Zoo bracht hij hem in eenige uren naar Jericho,

ocr page 238

OP WEG NAAR JERICHO.

waar liij hem als oen broeder verpleegde. Het is niet onmo-gelijk, dat Jezus van deze geschiedenis, die hij zoo aanschouwelijk verhaalt, getuige is geweest, of zelf de barmhartige Samaritaan was, want vóór Zijn openbaar optreden /.al Hij dezen weg waarschijnlijk meermalen hebben afgelegd, wanneer Hij opging naar Jeruzalem om de feesten bij te wonen.

Na een rit van vier uur namen wij eenigen tijd rust. Daarna voerde de weg ons. hoog aan den bergrand, voorbij de Wadi Kilt, de woeste rotsspleet, waar Elia aan de beek verborgen is geweest. Bij eene kromming van den rotsachtigen weg vertoonde zich plotseling de uitgestrekte groene vlakte van Jericho, eene dor schoonste streken van het geheele land, aan ons oog. Een kreet van bewondering ontsnapt aller lippen, wij kunnen don blik niet van hot schoone landschap afwenden. Daar ligt zij aan onze voeten uitgestrekt als een tuin, een lusthof Gods, de wolbekende vlakte van Jericho. In do verte aanschouwen wij de Jordaan met hare boschrijke oevers als een donkere streep. In het midden der vlakte verheft zich de witte waterleiding met hare hooge bogen in do nabijheid van de weinige steenen huizen van Jericho, terwijl de bergen van Moab met verrukkelijke kleuren schitteren. Woldra echter wordt onze weg zoo steil en rul, dat wij al onze aandacht moeten wijden aan de afgronden en rotsblokken, waar onze lastdieren over moeten klauteren.

In het dal aangekomen, bereikten wij spoedig de beek van Wadi Kilt, die zich hier met de Ain es Sultan (do Eliza-bron) voreenigt. De boek was sterk gezwollen en daar zij niet overbrugd was, moesten wij ze doorwaden. Hot water kwam op sommige plaatsen den paarden tot aan do borst, doch do overtocht liep zonder ongelukken af. Bij den aanblik der groene vlakte, die wij om vijf uur bereikten, was allo vormoedheid vergeten. In snellen draf of galop roden wij naar het Bussisch

222

ocr page 239

OP WEG NAAR JERICHO. 223

logement voor bedevaartgangers, waar kamers voor ons besteld waren. Het is een fraai huis met hooge, ruime vertrekken en gangen. Niemand gevoelde intusschen behoefte aan rust. De vlakte, door de ondergaande zon beschenen, de heldere beek, de bloeiende citroenboomen, tusschen welker welriekende bloesems goudgele vruchten te voorschijn kwamen, die zich met nieuw groen tooiden en in den avondwind suisden, schenen ons naar buiten te willen lokken. Zoodra wij onze bagage bezorgd hadden, volgden wij de roepstem om van den liefelijken avond te genieten. Wij zochten ieder een gemakkelijk plekje onder een grooten. met duizenden citroenen beladen boom en wandelden door den fraaien tuin van het hotel, tot het tijd was voor het avondeten.

Toen de zon reeds lang ondergegaan was, beklommen wij nog het platte dak. Gebergte, vlakte en zee waren als ingeslapen en schenen te droomen in het tooverachtig licht der maan, dat geheimzinnig schitterde op de duidelijk zichtbare witte golven der Doode Zee, alsof ook daar een verzonkene wereld van menschelijke pracht en heerlijkheid begraven lag.

IN DE OASE VAN JERICHO.

Het is, dunkt mij, niemand mogelijk zich te onttrekken aan de toovermacht, die een heldere, zonnige morgen op den mensch oefent, wanneer alles om hem heen uit den slaap ontwaakt en het nieuwe licht begroet, en dat vooral in de lente. Wanneer alles groeit en bloeit, en zingt en tiert, als de ontwakende aarde zich met de eerste zonnestralen als met

ocr page 240

IN DE OASE VAN JERICHO.

con bruidskleed tooil en de dauw als een zee van diamanten in do bloemkelken en op het gras schittert, wanneer in alle boomen vogels hunne liederen zingen, dan gevoelt ook het hart des menschon zich verjongd, als het ton minste nog niet geheel onvatbaar is geworden voor vreugde en droefenis; dan, gevoelt men zich ook een kind dor natuur en tracht het ruischen en fluisteren in de bladeren, in de boek en in de lucht te verstaan , en te doorgronden wat do Schepper ons daarin zeggen wil. En zelden is wol do dag heerlijker opgegaan over de vlakten van Jericho en de Doode Zee dan op den Ssten Maart. Do zon was mot koninklijke pracht opgerezen van achter de donkerblauwe bergen. Welriekende geuren verspreidden zich overal. Geen wonder, dat men de stad, die hier gelogen heeft, Jericho (heden Rihda) noemde, d. i. „de aromatische of welriekende.quot; De Doode Zee lag daar in rustigen metaalglans als dof gepolijst zilver. Zij was omringd door een blauwen krans van bergen, waarboven zich do opgaande zon als een gouden diadeem verhief. Vooral de bergen van Moab in het Oosten en die van Juda in hot Westen schitterden mot de schoonste kleuren.

In het Zuiden aanschouwden wij verschillende voorgebergten van hot gebergte van Juda, die in de donkerblauw gekleurde Zoutzee eindigdon, totdat het overige zich in nevelen verloor. AVie kan zich bij den aanblik van dit alles voorstellen, dat hier duizenden van jaren geloden bloeiende steden lagen. Elk grasje, elk halmpje verheft zich zoo vroolijk, alsof al zijne verwachtingen vervuld zullen worden en niet één zonnestraal genoeg is om allo kleurenpracht onverbiddelijk te doen verdwijnen.

Dergelijke gedachten hielden ons allen bozig, toon wij elkaar op het dak van ons logement ontmoetten. Het gezelschap verdeelde zich om de oase te bezoeken en daar naar hartelust rond te dwalen, want vóór den namiddag hadden wij nog geen

Q94

ocr page 241

IN DE OASE VAN JERICHO.

plan gemaakt voor oen gemecnschappclijkcn tocht. Op de weiden graasden onze paarden. De ruischende beek, die wij gisteren overgetrokken waren, was heden morgen bijzonder schoon en liefelijk. Wij volgden haren oever. Eindelijk daalden wij af in de breede bedding, die slechts in den hevigsten regentijd, wanneer de bruisende bergstroomen uit de rotsspleten van het gebergte van Juda nederstorten, geheel met water is gevuld. De beide oevers prijkten met het meest frissche groen. Ten laatste zochten wij een plaatsje onder een grooten kruidnagelboom, welks doornige, door elkaar geslingerde takken het water overschaduwden.

Eenigen uit ons gezelschap waren gezeten aan den oever der beek, terwijl ik op een dikken tak tegen den stam geleund stond. In onbeschrijfelijke pracht lag het landschap voor ons. De gansche natuur was doodstil, als vierde zij Zondagmorgen. Het oor ving geen ander geluid op dan het murmelen dei-beek aan onze voeten, alsof zij ons geheimen uit lang vervlogen dagen wilde openbaren, en van boven uit de takken der boomen het gekweel der gevleugelde zangers. Een zacht koeltje streek over de kabbelende golven en lispelde in het gebladerte. Hier was het eene geschikte plaats om te droomen van de vervlogen dagen, die evenals de golven zijn henengesneld. Daar, aan den voet van den somberen Quarantania-berg verhief zich eens het oude Jericho. Het was een prachtige stad, niet alleen toen Jozua haar innam, hare hooge muren en torens ten trots, maar ook nog tijdens Jezus\' leven op aarde. Het tegenwoordige Jericho, een legerplaats van Bedoeïenen , wier ellendige woningen uit riet, leem en aarde zijn opgetrokken, is veel oostelijker gelegen. Maar laten wij in den geest de oude, door palmbosschen omringde stad binnentreden ! Er was anderhalf uur tijds noodig om haar rond te wandelen. Het aantal priesters, dat er woonde, bedroeg twaalf duizend. En hoe aangenaam was het leven in

225

15

ocr page 242

[N DE OASE VAN JERICHO.

deze stad ! Hoe schoon was de ligging! In de nabijheid was alles wat een landschap bekoorlijk maakt: een heerlijke vlakte, vier uren lang en één uur breed, een buitengemeen schoongelegen meer, een met bosschen omzoomde rivier en gebergten aan weerszijden. De vlakte was uitstekend van water voorzien. De eene lusthof grensde aan den anderen en vervulde in do lente de huizen en straten van Jericho met de welriekendste geuren. Wanneer men heden ten dage de vlakte ziet, waaraan, bij al hare natuurlijke schoonheid en vruchtbaarheid, toch de vlijtige hand des menschen gemist wordt, zou men geneigd zijn, de oude berichten aangaande Jericho\'s vruchtbaarheid als een sprookje te beschouwen. In deze vlakte groeiden palmen, oranje- en citroenboomen, bananen en alle in de oudheid bekende zuidelijke vruchten, en nog heden zou men in dit dal, het diepst gelegene der gansche wereld, alle vruchten kunnen kweeken, wanneer men zorg droeg voor behoorlijke besproeiing door Jordaanwater. Heerlijke citroenboomen, breedgetakte, lommerrijke sykomoren, zooals die waarop Zacheüs klom om den voorbijtrekkenden Heiland te zien, olijven en vijgen en de schoonste rozen van Palestina groeiden hier in weelderigen overvloed . vooral boeiden de beroemde balsemplanten van Jericho den blik. Niet zonder reden noemt Josephus deze streek, „het goddelijke landquot;, met welks pracht en vruchtbaarheid zich geen land ter wereld kon meten. En te midden dezer heerlijke natuur stond de stad, die, sedert Herodes den Grooten, met hare marmeren paleizen, amphitheaters en renbanen slechts door Jeruzalem overschaduwd werd. Ze was een middelpunt van handelsverkeer. De wegen, die van Jeruzalem naar Damascus en Syrië, van Arabic naar Phoenicië liepen, voerden door Jericho. Een groot aantal tollenaars met een overste aan het hoofd, was daar gevestigd om de belastingen van de passeerende handelswaren te heffen. Groote karavanen met kameelen, muildieren, paarden

ocr page 243

IN DE OASE VAN JERICHO. 227

on ezels kwamen ten tjide van Jezus dagelijks van verschillende kanten te Jericho aan, zelfs uit het Zuiden van Arabic. Dikwijls voerde ook de weg langs het meer van Genezaroth, waar do reizigers gelegenheid vonden Jezus te loeren kennen en Zijne woorden te hooren om ze over te brengen naar do verst verwijderde streken. Ten gevolge van dit drukke verkeer, zaten te Jericho eene groote menigte armen, kreupelen en blinden, zelfs uit andere plaatsen, langs de wegen om te bedelen. Wij lezen slechts van twee onder hen, dat zij geloof en vertrouwen hadden om Jezus\' hulp in te roepen, hoewel Hij dikwijls door deze stad kwam. Dit geschiedde ongeveer 30 jaar nadat de gruwzame Herodes, die Jericho zoo verfraaid en uitgebreid had, aldaar zijn ellendig, schuldig leven eindigde. Toen trok ook Jezus, die Zich niet aangetrokken gevoelde door de prachtige paleizen en amphitheaters, maar door de armen, deellendigen en de zondaars, voor hot laatst door hare straten om Zich naar Jeruzalem te begeven.

Heden ten dage is do vroolijko drukte verstoord, Jericho is van den aardbodem verdwenen en zijne juiste plaats kont men niet meer. De prachtige, trotscho lelie in dien wondortuin is weder een arm, eenvoudig heidebloempje geworden. Maar wie weet of Jericho niet nog eene toekomst hooft ? Er is slechts onvermoeide vlijt noodig om de schatten, die in den grond verborgen zijn, op te delven. Slechts weinigen zouden zich metterwoon te Jericho kunnen vestigen. Tn den zomer hoerscht er eene onverdragelijke hitte, zoodat bijna alle Europeanen, bij een langdurig verblijf aldaar, aan de koorts bezwijken. Des winters echter zou men op de gansche aarde tevergeefs eene liefelijker woonplaats zooken. De koude winden en regenbuien gaan den bewoners van Jericho hoog over hot hoofd, daar zij gewoonlijk van het eene gebergte naar hot andere drijven. De aangename temperatuur, die er des winters hoerscht.

ocr page 244

IX DE OASE VAN JERICHO.

228

zou ons doen denken, dat het lente was. Er is tegenwoordig ook een Europeesch hotel geopend en de geneeskundigen beschouwen Jericho als een nog geschiktere plaats voor horstlijders, dan het veel geroemde Kaïro. Allereerst moet echter voorzien worden in de behoefte aan geregelde besproeiing en moet men voortgaan met de aanplanting van palmbosschen, waarvan de eerste proefnemingen met een uitstekend gevolg zijn bekroond.

DE QUARANTANIA-BERG.

Des namiddags bestegen wij onze paarden weder. Het doel van den rit was de berg Quarantania met zijn in de wolken reikenden top met kluizenaarswoning. De naam Quarantania, bij de Arabieren verbasterd tot Karantel of Koeroentel, be-teekent berg der „veertig,quot; omdat Jezus hier veertig dagen en nachten gevast zou hebben en in de woestijn verzocht zou zijn geweest. Onze weg leidde door groene vlakten en welriekende tuinen. Reeds uit de verte zag men de kluizenaarswoning als een adelaarsnest tegen den rotswand. Aan den voet van den berg aangekomen, die dreigend uit de woestijn van Juda te voorschijn treedt, stegen onze paarden langzaam naar boven langs het rotsachtige, duizelingwekkende pad. De Quarantania-berg verhief zich als een trotsche vesting uit de voorwereld, op zware fondamenten in het dal rustend en geheel van rotsblokken opgetrokken. Aan den voet gaapte een vreeselijke afgrond. Wij kunnen nu begrijpen, dat de sage juist deze plaats aanwijst als de plek, waar Jezus verzocht werd.

ocr page 245

DE QUARA.NTANU-BERG.

In de middaghitte klom de stoet langs den kronkelenden weg den berg op; het laatste gedeelte, dat uit steenen trappen bestond, moest te voet afgelegd worden. De monniken van den Quarantania-berg ontvingen ons met Oostersche gastvrijheid, voor zoover dit in dit afgelegen oord mogelijk was. Zij breidden tapijten uit op de steenen banken en boden ons ver-verschingen aan. Boven den huiveringwekkenden afgrond hadden zij een balkon gebouwd. Wij wierpen van hier een blik over den omtrek. Aan onze voeten gaapte tusschen twee bijna loodrechte rotswanden een onpeilbare afgrond. Een duidelijke echo herhaalde onze woorden. Des winters moeten de beken met donderend geweld in de diepte nederstorten; men wees ons groote rotsblokken, die door het water van den top des bergs waren meegesleept. Smalle voetpaden, waarop zich geen levend wezen schijnt te durven wagen, loopen langs de vreese-lijke rotswanden naar boven. Zwarte geiten klommen onbevreesd en lustig van rots tot rots. Zelfs een ezel stond op een vooruitspringende rotspunt en blikte met voorwaarts gestrekte ooren ernstig naar omlaag. Het was ons een raadsel, hoe hij op dat uiterst gevaarlijke plekje gekomen was en hoe hij bij mogelijkheid weder terug zou keeren.

Op deze eenzame, geheel van de wereld afgesloten plek hebben sedert de vierde eeuw menschen gewoond, die rust zochten voor hun hart, welke zij in het gewoel der wereld niet konden vinden. Zij wilden Jezus navolgen, die hier gedurende 40 dagen als een kluizenaar in de woestijn leefde. Zij vergaten echter, dat Hij wel veertig dagen in de eenzaamheid, maar dertig jaren onder de menschen doorbracht, hoe moeilijk dezen Hem het leven ook maakten. Zijne zoogenaamde navolgers leefden in holen, die wij in groote menigte in de rotsen ontdekten. Tevergeefs zoekt men naar een voetpad, dat daarheen voert. Wij duizelen bij den aanblik van die bijna onge-

229

ocr page 246

DE QÜARANTANIA-BERG.

naakbare woningen, die slechts door touwladders en zwakke, over den afgrond geworpen bruggen met de buitenwereld verbonden waren. Heden ten dage wordt alleen het klooster nog bewoond. Adelaars, gieren en andere roofvogels hebben do plaats der oude monniken ingenomen.

Het was echter eene schilderachtige plek, die zij zich tot woonplaats hadden uitgekozen en menige onrustige ziel is hier waarschijnlijk weer tot kalmte gekomen. De eenzaamheid toch sluit alle gewoel der wereld buiten en opent het hart voor den invloed van al het schoone en heerlijke in Gods schepping. Vooral de aanblik van deze rotsen is wel in staat het hart van een mensch, door alle onrust der wereld verstompt en gevoelloos geworden, voor de heerlijkheid Gods in de natuur te openen. ■

Van hier heeft men het gezicht op het Jordaandal, dat zich als een groen, door de zon beschenen tapijt voor het oog uitbreidt. Stellen wij ons de pracht voor der marmeren paleizen en trotsche gebouwen der stad, die in de dagen van \'s Heilands omwandeling zich aan den voet van dezen berg verhieven, dan is het niet onaannemelijk, dat de verzoeker van dit punt uit alle heerlijkheid van alle rijken der wereld als een panorama voor Jezus\' blikken liet voorbijgaan; en daar de Heer dadelijk na Zijn doop in de Jordaan Zich in de woestijn afzonderde, waartoe ook deze berg behoort, is het zeer wel mogelijk, dat de overlevering hier de juiste plek aanwijst. Nog heden ziet men van hier een wonderschoon landschap. Zoeken wij ook tevergeefs naar de trotsche paleizen van voorheen, — behalve het Russische logement heeft Jericho slechts drie of vier steenen huizen — het tooverachtige landschap is als \'t ware een nog heerlijker paleis, van den eeuwigen God: beneden, de uitgestrekte Jordaauvlakte met hare zilveren aderen, waaraan Israël gelegerd was, voor het \'t Beloofde Land

2 HO

ocr page 247

DE QUARANTANIA-BERG 2;i I

binnentrok, de voetbank Zijner voeten, omgeven door stoute, duizendvoudig gespleten bergen; en daarboven het wolkenlooze azuren koepeldak des hemels met de stralende zon. ilen overziet van hier uit het bergland van Moab, Gilead, Basan en de landschappen van de stammen Ruben, Gad en Manasse. Op de tegenoverliggende bergen staande, heeft eens Mozes herwaarts gestaard. Daar stond hij op den Nebo, geheel alleen, ver verwijderd van de menschen en zijn rondzwervend volk, overzag dezelfde vlakte, die nu aan onze voeten ligt, en liet met smachtend verlangen zijn blik weiden over de bergen, die zich van den Karmel en den Ebal tot achter Jeruzalem, Bethlehem en Hebron uitstrekken.

Door de vlakte heen kronkelt zich de Jordaan in schijnbaar majestueuze kalmte, zich voor het oog der menschen achter dichte bosschen verschuilend. Uit de verte vermoedt niemand, hoe zij in woeste, ijlende vaart voortstroomt naar de Doode Zee, die op hare beurt weder den onwetenden reiziger bedriegt door de rustigheid barer donkerblauwe wateren, zooals zij zich uitbreidt te midden eener weergaloos schoone bergwereld, de stralen der zon in haar schoot opnemend of als een spiegel weerkaatsend.

Wij bestegen de rots langs eene daarin uitgehouwen trap en kwamen in eene kapel, welke versierd was met fraaie uit Rusland aangevoerde schilderijen. Boven gekomen, betraden wij een tweede balkon. Een onzer ontviel de rijzweep, die in den duize-lingwekkenden afgrond neerkwam. Een Arabier klauterde van de eene rots op de andere af en bracht de zweep terug; hij scheen even vertrouwd met het terrein als de gemzen. Ik knoopte ondertusschen een gesprek aan met den monnik, die ons als gids diende. Hij beleefde op den berg reeds den veertigsten zomer ; hij was als jongeling uit Bulgarije hier heengekomen en was reeds een oud man geworden. Zijn vermogen had hij

ocr page 248

DE QUARANTAN1A-BERG.

232

besteed om het eenzame klooster, het kerkje en liet balkon in deze wildernis te bouwen. Of de zonderlinge man gelukkig was ? Ik kan mij voorstellen, dat zoo iemand na een zwaren strijd zich hier in de eenzaamheid terugtrekt ; doch, wanneer hij oen man was geweest, zon hij genezing voor zijne wonden hebben gevonden en hij zou, weer geheel zichzelf, in de wereld teruggekeerd zijn om met nieuwen moed zijne levensroeping te volbrengen. Het leven echter, dat deze monniken leiden, is meer een dooden van den geest dan van bet vleesch ; er was geen spoor van geestelijke of wetenschappelijke werkzaamheid bij hen te ontdekken.

Wi j verlieten nu den berg en stegen af in het dal. Aan den voet van den berg springt op een bekoorlijk punt eene bron uit de rots te voorschijn. Zij wordt Eliza-bron genaamd, omdat Eliza eens haar bitter water in zoet moet veranderd hebb\'en. Hier namen wij eenige oogenblikken rust en reden toen terug naar de vlakte van Jericho.

DE DOODE ZEE.

De O\'10 Maart beloofde de schoonste dag van onze reis te worden ; immers wij hadden dien bestemd voor een bezoek aan de Doode Zee en de Jordaan. Wij gingen reeds vroeg op weg. De paarden sprongen vroolijk hinnikend voort in de frissche morgenlucht; wij hadden niet den minsten last van de zoo gevreesde tropische hitte, die hier heerscht. Het schemerde nog. De eerste stralen van het morgenrood waren boven Moab zichtbaar. In het Zuiden, ongeveer eene mijl van ons verwijderd,

ocr page 249

DE DOODE ZEE.

lag de zwijgende, ernstige Doode Zee. Hare oppervlakte was nog niet blauw gekleurd, maar geleek blank gepolijst staal. De overtocht over de beek had zonder moeilijkheden plaats en daarna vorderden wij snel, want de rijwegen hier worden goed onderhouden. Naarmate wij de Doode Zee naderden, verdween de plantengroei meer en meer, slechts hier en daar kwam een gekleurd bloempje tusschen de eenvormige struiken te voorschijn. De grond scheen al meer met eene witte zoutkorst overdekt. Talrijke grillige, ongeveer schansvormige heuvels verhieven zich als hunebedden uit de laagvlakte. Na een rit van twee uur hadden wij de Doode Zee bereikt. In vroegere tijden heeft men bij eene beschrijving daarvan altijd getracht den indruk te geven, dat de Doode Zee een somberen, neerdrukkenden invloed op den reiziger oefent, die onwillekeurig aan den toorn Gods en het gericht zon herinneren, dat eenmaal Sodom en Gomorra heeft getroffen. Een doodsche stilte, zoo verhaalde men dan, heerscht in den geheelen omtrek, geen plantje ontplooit er zijne bladeren, geen vogel zweeft boven den waterspiegel ! De indruk, dien wij echter ontvingen, was geheel daarvan verschillend. Eene uitgestrekte waterspiegel van het schoonste donkerblauw lag voor ons. De zee schitterde, als ware zij met duizenden diamanten bestrooid, en de bergen, die zich op een afstand van den oever verhieven, baadden in rozerooden glans, terwijl zich hoog over alles een smetlooze hemel welfde. De schrijver van het eerste Boek van „Mozes had ook een open oog gehad voor al dit schoone, want bij de beschrijving van den ondergang van Sodom, roept hij uit: „Eer de Heere Sodom on Gomorra verdorven had, werd de streek geheel door de Jordaan bevochtigd en was zij als de hof des Hoeren.quot;

Wij sloegen onze tent op dicht aan den oever der zee. Eenige oogenblikken daarna kwam ook eene Europeesche karavaan van Mar Saba aan. De reizigers vertoefden ongeveer

233

ocr page 250

DE DOODE ZEE.

oen half uur aan den oever rler zee en boden met hunne kleederdracht en hun veertigtal paarden een schilderachtig schouwspel. Evenals wij vóór hen, probeerden zij het bitterzoute water te drinken, maar de lachwekkende gezichtsvertrekkingen en gebaren van ieder, die het proefde, bewezen duidelijk, dat ook zij het walgelijk vonden. Langs den oever lag eene groote hoeveelheid drijfhout, door de Jordaan aangevoerd. De boom-stammen waren met eene zoutkorst bedekt en schitterden in do zon. Tot aandenken zochten wij eonige zwarte, witte, gele en groote steentjes. Ook vindt men als eene groote zeldzaamheid kleine mosselen, hoewel in de zee zelve geen schepsel kan blijven leven.

Ik was de eenige, die de begeerte uitsprak om een bad te nemen. Ik sloeg een doek om den rug om mij voor een zonnesteek te hoeden en zwom toen naar een rotsachtig eiland, dat slechts weinige minuten van den oever verwijderd scheen. Maaide heldere lucht was bedriegelijk, ik moest mij vijftien minuten lang inspannen om het te bereiken. Het bad was meer aantrekkelijk dan verkwikkend, want het ging mij evenals oen stuk hout, dat in het water geworpen dadelijk weer naar boven komt. Hot was mij onmogelijk te duiken, niet alleen omdat het water de oogen pijnlijk aandeed, maar omdat het met zout, magnesia en soda geheel verzadigde water zoo zwaar is, dat het \'t menschelijk lichaam draagt. Ik kon op zoor diepe plaatsen met over elkaar geslagen armen in het water staan. De grootste moeielijkheid was om de boenen onder water te houden. Bovendien was het water zeer olieachtig en bedekte het geheele lichaam met eene dunne zoutkorst.

Te recht zegt do bekende reiziger Gregorovius: „De voorstolling, die wij van de Doode Zee maken, is ver van juist. Wanneer God eenmaal in Zijnon toorn de bloeiende dalen, waardoor do Jordaan te midden van palmbosschen stroomde,

234

ocr page 251

ÜE DOODE ZEE.

heeft verwoest, dan lag er in Zijn vloek toch eene scheppende kracht, daar Hij in plaats daarvan zulk een wonderbaar landschap te voorschijn riep. De vreeselijke Zoutzee schittert met de kleuren van den regenboog, gelijk de golf van Sicilië of de zeeboezem van Corinthe. De glans echter is donker als van gesmolten metaal, zeldzaam en levendig. De watervlakte is niet onbewegelijk, integendeel, evenals bij alle andere zeeën vindt men ook hier aan de kust eene witschuimende branding. En, wanneer wij b. v. bij Jeremia lezen, dat aan de Doode Zee de wijnstok bloeide, kunnen wij daaruit opmaken, dat het tegenwoordige gebrek aan plantengroei een gevolg is, niet van toenemende onvruchtbaarheid, maar van het gemis aan menschelijke zorg en vlijt. Welke schatten zou nog heden het dal van Engedi opleveren, wanneer de bodem bearbeid werd, want nu groeien en bloeien er jaarlijks eene ontelbare menigte wilde citroenen, die den geheelen omtrek met hunne welriekende geuren vervullen! Vooral aan den westelijken oever zijn vele vruchtbare plaatsen. De Jerichorozen, die hier in overvloed gevonden worden, zijn wel geen bewijs van vruchtbaarheid, maar toch een symbool der niet te verwoesten levenskracht. Komen wij echter in de lente te En el (juer, aan den westelijken oever, dan vinden wij overal, behalve op de naakte rotsen, frisch jong gras, dat zelfs tot dicht bij den waterspiegel ontspruit. Uit verschillende openingen komt daar warm water te voorschijn. De temperatuur van dit water is aanmerkelijk hooger dan die der Doode Zee zelve, die in Maart eene warmte heeft van p. m. 16° R. Ook te Ain el fesjcha groeit een hoog rietbosch en treft men allerlei planten aan tot dicht aan den oever der Doode Zee. Oleanderboomen met hunne roode bloesems en hooge tamarisken doen ons bijna vergeten, dat wij aan den oever der Doode Zee staan, van wier zoomen, tengevolge van de massa zwavel en naphta,

ocr page 252

DE DOODE ZEE.

waarmede de grond is doortrokken, bijna alle plantengroei is verdwenen. Aan den westelijken oever, waar het gebergte steil uit de zee oprijst, vindt men minder vruchtbare plekjes dan aan den oostelijken oever. Hier in het dal en aan den mond der Zerka Maim en ook op andere plaatsen, staan talrijke palmen, werkelijke palmbosschen, aan de Doode Zee en in de aangrenzende kloven; daarenboven verheffen er zich slanke tamarisken en prachtige oleanderbosschen, die den reiziger eene heerlijke schaduw bieden. De kruidnagelboomen, die in het Jordaangebied en aan do Doode Zee zoo veelvuldig voorkomen, worden aan de oostkust bijna overschaduwd door witte malven. Ook ziet men er, evenals aan het meer van Genezareth, kleine vlakten, die door de hand des menschen in do heerlijkste tuinen herschapen konden worden, waarin alle tropische vruchten zouden kunnen groeien. Welke heerlijke lijst deze palmen, tamarisken, oleanders en malven vormen om het donkerblauwe meer, dat rondom door bergen is ingesloten, kan men zich voorstellen.

Maar ook de zuidelijke oever draagt een eigenaardig karakter. Naar alle waarschijnlijkheid hebben daar eenmaal de steden Sodom en Gomorra in al hare heerlijkheid geprijkt. Wij vonden de namen nog bij do Bedoeïenen terug in Djehél (berg) Oesdom en Dj. Gamoera, twee der zuidelijke bergen. Hieruit mogen wij afleiden, dat de verwoeste plaatsen niet gebouwd waren op do plek, waar zich nu .de Doode Zee bevindt, maar zuidelijk daarvan. Aan den oever der zee vinden wij echter verscheidene stukken zwavel en salpeter, die ons aan de vreese-lijke gobourtenis herinneren. Do Djebol Oesdom, een zoutsteon-borg van kolossale afmeting, gelijkt uit de verte een gothischo dom. Do toppen on rotspunten zijn de torens, do loodrechte spleten zijn de ramen en ook do kleur van den berg doet denken aan eene oude kerk. Vooral bij maneschijn is do aan-

236

ocr page 253

DE UOODE ZEE.

blik botoovcrend, elk oogenblik zou men verwachten statige orgeltonen te vernemen. De Bedoeïenen zelf (en dit is een bewijs, dat zij dien naam niet aan den berg gegeven hebben1). zoeken de plaats van het oude Sodom midden in de Doode Zee. Zij verhalen o. a. dat men te Omdi et Torolri, dat aan den westelijken oever tegenover de monding van de Zerka Main ligt, de verzonkene stad dikwijls zeer duidelijk op den bodem der zee kan zien. Wanneer, zoo verhalen zij, een hevige storm de wateren beroert en de van het Noorden komende borea\'s de golven naar het Zuiden voortzweepen, dan ziet men eensklaps prachtige huizen en paleizen schitteren schooner en heerlijker dan van eenige stad ter wereld.

In oude tijden moet het water veel lager gestaan hebben dan tegenwoordig. De bekende Wurtemberger natuuronderzoeker Fraas, die ook aangetoond heeft, dat de Doode Zee niet door vulkanische werkingen, maar door een grooten toevoer van regenwater, dat van de bergen stroomde, is ontstaan, zegt hiervan het volgende: „In die lang vervlogen tijden was de Sinaï nog met gletschers bedekt. Egypte werd bijna geheel ingenomen door de Middellandsche Zee, en de Zwarte Zee strekte zich uit ongeveer tot aan Ulm in Wurtemberg.

Zoo kan men zich ook voorstellen, dat de Roode Zee zich uitstrekte tot den Hermen en dat hare wateren over de vlakte van Jizreël in de Middellandsche Zee liepen, zoodat het tegenwoordige Palestina een eiland vormde te midden der wereldzee, aan welker oever zich de bergen van Moab, de Hormon en de Libanon verhieven.

237

ocr page 254

236 DE DOODE ZEE.

waarmede de grond is doortrokken, bijna alle plantengroei is verdwenen. Aan den westelijken oever, waar het gebergte steil uit de zee oprijst, vindt men minder vruchtbare plekjes dan aan den oostelijken oever. Hier in het dal en aan den mond der ZerJca Malm en ook op andere plaatsen, staan talrijke palmen, werkelijke palmbosschen, aan de Doode Zee en in do aangrenzende kloven; daarenboven verheffen er zich slanke tamarisken en prachtige oleanderbosschen, die den reiziger eeno heerlijke schaduw bieden. De krn idnagelboomen, die in het Jordaangebied en aan de Doode Zee zoo veelvuldig voorkomen, worden aan de oostkust bijna overschaduwd door witte malven. Ook ziet men er, evenals aan het meer van Genezareth, kleine vlakten, die door de hand des menschen in de heerlijkste tuinen herschapen konden worden, waarin alle tropische vruchten zouden kunnen groeien. Welke heerlijke lijst deze palmen, tamarisken, oleanders en malven vormen om het donkerblauwe meer, dat rondom door bergen is ingesloten, kan men zich voorstellen.

Maar ook de zuidelijke oever draagt een eigenaardig karakter. Naar alle waarschijnlijkheid hebben daar eenmaal de steden Sodom en Gomorra in al hare heerlijkheid geprijkt. Wij vonden de namen nog bij de Bedoeïenen terug in Djebel (berg) Ocsdom en Dj. Gamoera, twee der zuidelijke bergen. Hieruit mogen wij afleiden, dat de verwoeste plaatsen niet gebouwd waren op de plek, waar zich nu .de Doode Zee bevindt, maar zuidelijk daarvan. Aan den oever der zee vinden wij echter verscheidene stukken zwavel en salpeter, die ons aan de vreese-lijke gebeurtenis herinneren. De Djebel Oesdom, een zoutsteen-berg van kolossale afmeting, gelijkt uit de verte een gothische dom. De toppen en rotspunten zijn de torens, de loodrechte spleten zijn de ramen en ook de kleur van den berg doet denken aan eene oude kerk. Vooral bij maneschijn is de aan-

ocr page 255

DE UOODE ZEE.

blik betooverend, elk oogenblik zon men verwachten statige orgeltonen te vernemen. Do Bedoeïenen zelf (en dit is een bewijs, dat zij dien naam niet aan den berg gegeven hebben), zoeken de plaats van het oude Sodom midden in de Doode Zee. Zij verhalen o. a. dat men te Oeculi et Torohi. dat aan den westelijken oever tegenover de monding van de Zerka Main ligt, de verzonkene stad dikwijls zeer duidelijk op den bodem der zee kan zien. Wanneer, zoo verhalen zij, een hevige storm de wateren beroert en de van het Noorden komende borea\'s de golven naar het Zuiden voortzweepen. dan ziet men eensklaps prachtige huizen en paleizen schitteren schooner en heerlijker dan van eenige stad ter wereld.

In oude tijden moet het water veel lager gestaan hebben dan tegenwoordig. De bekende Wurtemberger natuuronderzoeker Fraas, die ook aangetoond heeft, dat de Doode Zee niet door vulkanische werkingen, maar door een grooten toevoer van regenwater, dat van de bergen stroomde, is ontstaan, zegt hiervan het volgende: „In die lang vervlogen tijden was de Sinaï nog met gletschers bedekt. Egypte werd bijna geheel ingenomen door de Middellandsche Zee, en de Zwarte Zee strekte zich uit ongeveer tot aan Ulm in Wurtemberg.

Zoo kan men zich ook voorstellen, dat de Roode Zee zich uitstrekte tot den Hermon en dat hare wateren over de vlakte van Jizreël in do Middellandsche Zee liepen, zoodat het tegenwoordige Palestina een eiland vormde te midden der wereldzee, aan welker oever zich de bergen van Moab, de Hermon en de Libanon verhieven.

2:-i7

ocr page 256

DE JORDAAN.

Na oon i-it van ongeveer oen uur bereikten wij do oude Jordami, wier golven door zoo menige gebeurtenis, die de gewijde geschiedenis verhaalt, is geheiligd. Hier trok eens Israël het Beloofde Land binnen, evenals de aartsvader Jakob hier doorging naar Mesopotamië. Hier kliefde Elia den stroom, vóór hij ten\' hemel voer. Hier doopte Johannes, de prediker in de woestijn, de boetvaardige schare en eindelijk ook Jezus Christus, het Lam Gods, dat do zonde der wereld droeg. Hier werden do vijf eerste jongeren vrijwillig\'s Heeren navolgers. Daar zagen wij ze voortstroomen, de golven van de Jordaan, in vliegende vaart, met honderden kronkelingen, duizenden malen nieuwe hinderpalen ontmoetend, maar ze telkens weder trotseerende. De rivier weet, wat zo wil, zij laat zich door niets terughouden. Met onwederstaanbare kracht trekt zij, van dal tol dal, haar einddoel tegen, totdat zij in den schoot der Doode Zee ruste vindt. Steeds wilder wordt haar snelle, kronkelende stroom, al onstuimiger worden haar wielingen, die de aarde omwoelen en het water troebel maken. Van don met sneeuw bedekten Hermqn stroomt de Jordaan naar het warme Zuiden. Het moer Merom wil haar in haar loop stremmen, maar zij snelt voort. Het meer Genezareth lokt haar in zijn schoot, maar zij moet verder. Haar onrust neemt toe, totdat zij in de Doode Zee tot rust komt.

Hoewel do Jordaan slechts vijftien meter breed is, brengt zij de drie meters diepe Doode Zee toch dagelijks een verbazenden toevoer van water, dat daar in de laagte eiken dag verdampt. Een bad in de Jordaan is zooi\' verf\'risschend ; wie echter niet met hare watoren vertrouwd is, wachte er zicli voor do rivier

ocr page 257

UE JORDAAN. IBJ)

over te zwemmen. Reeds menige reiziger en inboorling heeft het waagstuk met zijn leven moeten boeten. Bij eene voorde of kromming draagt zij den zwemmer als \'t ware naar den anderen oever; zoo zagen wij op eene plaats, waar wij onze tent opsloegen, een groot aantal Bedoeïenen uit het oude grasrijke gebied van den stam van Ruben met ongeveer honderd vijftig stuks rundvee de rivier oversteken. De eenige brug, welke over de Jordaan is geslagen, was zeer nabij en de brugwachter had zich reeds verheugd over de aanzienlijke tolgelden, die bij zou ontvangen, toen hij tot zijne ergernis zag, hoe de Bedoeïenen dicht langs de brug met al hun vee de rivier overzwommen. Op een gegeven teeken begaf zich de geheele kudde te water. Zij namen de kalveren in de armen en zwommen met de beenen. Aan den anderen oever, iets meer stroomopwaarts, stonden eenige der bunnen, krachtige personen, in de rivier om de runderen, welke door den stroom medegesleept werden, op te vangen. Ongehinderd kwamen alle aan den tegen-overliggenden oever.

Vele bonderden pelgrims begeven zich jaarlijks hierheen om zich in den heiligen stroom te baden of te laten doopen. Reeds in do morgenschemering verlaten zij Jericho bij fakkellicht in statigen optocht. Oud en jong baadt zich in de Jordaan, heigeen zeer aangenaam en verfrisschend is en vele Grieksch-katholieke pelgrims laten zich door de aanwezige priesters doopen. Wie niet tot hunne kerk behoort, wachte zich deze priesters te naderen. Een Duitsch meisje uit Jeruzalem, dat .ook een bad in de rivier nam, weerde de priester, die haar doopen wilde, af en riep: „Muschlasem!quot; (het is niet noodig). „Lasem!quot; sprak de priester en dompelde haar in \'t water. „Musch lasem!quot; riep zij, met half gesmoorde stem, toen zij weer bovenkwam. „Lasem!quot; sprak de heilige man en dompelde haar ten tweeden en ton derden male onder. Het lange, witte

ocr page 258

DE JORDAAN.

homd, dat de pelgrims dragen, wanneer zij een bad nemen, wordt door allen zorgvuldig bewaard, om later als een zegenrijk en gewijd doodshemd gebruikt te worden en het lichaam te heiligen.

Beide oevers van de Jordaan zijn zeer boschrijk. Wij drongen door in het kreupelhout, dat als een oerwoud in \'t klein de gewijde rivier omzoomt. Eene vreemdsoortige, bijna tropische schoonheid vertoonde zich aan ons oog. Hooge tamarisken met hun bekoorlijk donkergroene zilverpopulieren, wilgen, terpentijnboomen. kruidnagelboomen en pijnboomen, vlochten hunne dikke takken door elkaar. Het was of nooit een mensche-lijko voet den bodem had betreden, zoo stond stam op stam gedrongen. En overal om alle stammen, om alle takken slingerden zich sierlijke klimplanten, dikwijls van den eenen boom op den anderen overgaande, terwijl in de schaduw der boomen duizenden grassoorten, halmen en bloemen bloeiden en groeiden. En welk een liefelijk concert gaven de zangers des wonds hier ten beste. Hier zoekt menige trekvogel en vooral de ooievaar des winters een toevluchtsoord. Zij komen uit de westelijke steden, dorpen en wouden hier aan den oever van de gewijde rivier bij elkaar, gelijk hunne voorouders dat reeds gewoon waren tón tijde van Johannes den Dooper. Adelaars en geduchte grijpgieren vervolgden hoog boven onze hoofden hunnen weg. Evers, hyena\'s en luipaarden moeten bij menigte in deze bos-schen huizen; wij ontmoetten er echter niet een. De slingerpaden volgende, kwamen wij ten laatste weder aan de rivier. Aan de overzijde zagen wij torenhooge, steile rotswanden, die op den altijd jeugdigen, voortijlenden stroom trotsch en ernstig neerzagen en het geheel een majestueus aanzien gaven. Duidelijk gaf hier de echo ieder woord terug. Wij poosden een oogenblik op een bijzonder liefelijk plekje. Aan de overzijde verhieven zich de rotsen grauw en wit, maar aan

240

ocr page 259

DE JORDAAN.

onzo voeten snelde de Jordaan door het kreupelhout voort.

Met zonsondergang keerden wij naar Jericho terug. Des nachts reden wij nog eens naar do Doode Zee, om deze ook hij maanlicht te aanschouwen, hetgeen een plechtigen, diepen indruk op mij maakte. Een zacht licht verspreidde zich over herg en dal. De bloemen vervulden de lucht met hare welriekende geuren. Het was, alsof wonderschoone melodieën zich lieten hooren. De volle maan was achter de bergen opgerezen eii bestraalde het landschap met haar zilveren licht. Op de watervlakte glansde eene lichtstreep, gelijk eon fonkelend diamanten-snoer en in de verte ruischte de Jordaan, als wilde alles in het rond de groote gebeurtenissen, die hier eenmaal plaatsgrepen, in herinnering brengen.

Do volgende dag was een rustdag, dien ieder onzer op zijn eigene wijze doorbracht. Den I2l,f!quot; Maart aanvaardden wij weder de terugreis naar Jeruzalem. Menigmaal daarna heb ik van Bethlehem uit het oog gericht op liet zonnige Jordaandal en de trotsche hergen en, evenals de bergtoppen zich met steeds heerlijker kleuren tooien, zoo is het ook mot mijne herinnering aan do dagen daar doorgebracht. Ik laat mijn blik gaan over de boschrijke zoomen der Jordaan, waar do tamarisken, zilver-populieren en terebinten ruischen en de nachtegalen en andere vogels van hot woud in de takken zingen en kwinkeleeren. Die gulden dagen zijn voorbij ; de tijd snelt voort als do golven van de Jordaan. Deze loopen uit in de hclderblamvo, stralende .Doodequot; Zee. De dood kan ze daar echter niet houden. In luchtige dampen veranderd, stijgen zij omhoog en zweven als schitterend verlichte wolkon over de aarde.

Zoo moge ook door Gods genade, als de stroom onzes levens door het dal dezer aarde naar de stille rustplaats van do Doode Zee vloeit, onze ziel zich als op vleugelen verheffen naar do eeuwige woningen des lichts!

1G

ocr page 260

DE PROFEET ELIA OP ZIJNE TOCHTEN.

Als een profetengeslalto van bijna bovenmenscholijko grootte, staat op de hoogten van liet Oude Verbond Elia de Thisbiet voor ons. Met eerbiedige bewondering beschouwen de geslachten van latere tijden den man Gods, voor wien zijne tijdgenooten zich reeds vol eerbied bogen. Zijn leven is ons slechts met enkele krachtige trekken geteekend, en bijna elk vers van dat verheven gedeelte uit het boek der Koningen, meldt een- wonder, dat ons met verbazing vervult. Hijzelf echter was het grootste wonder dier dagen; zijne stem weerklinkt nog na duizenden jaren, zijn vertrouwen op God was onwankelbaarder en vaster gegrond dan de berg Karmel, waarop hij eens het geheele volk overtuigde, dat zijn God de ware en levende God was.

Hoe beknopt zijne geschiedenis ook verhaald wordt, toch gunt zij ons meer dan eenige andere een ruimen blik in de toestanden des volks van het Beloofde Land in dien tijd. Hij heeft Palestina in alle richtingen doorkruist. Nu eens staat hij in het hooge Noorden aan den voet van den Libanon, dan op bet gebergte Sinaï; nu vinden wij hem aan het schitterende koninklijke hof te Jizreël, dan weder aan de beek Krith; hij trekt van het liefelijk gelegen zeestadje Zarfath naar de hoogten van Karmel of de witglinsterende, steile, sombere rotsen van den Horeb, totdat ten laatste de Heer zelf den vurigen wagen voor hem gereed heeft om hem naar de eeuwige Godsstad te brengen. Ik noodig u thans uit, Elia op zijne zwerftochten te vergezellen om daardoor meer bekend te worden met de toestanden in het Heilige Land, die, zooals blijken

ocr page 261

DE PROFEET EL1A OP ZIJNE TOCHTEN.

248

zal, na 3000 jaar nog juist dezelfde zijn, zoodat do tegenwoordige verhoudingen een helder licht werpen op menige bladzijde uit Ella\'s leven, die voor ons anders duister zou zijn.

GEEN REGEN.

Wij schrijven heden 13 December. De ooievaars en nachtegalen hebben reeds lang de westelijke streken Verlaten om in zachter oorden den winter door te brengen. Een geheele vlucht van deze trekvogels zag ik heden over Jeruzalem vliegen; zij zijn op weg naar de boschrijke oevers van do Jordaan, waar zij hun winterkwartier betrekken. Ook bij ons in het gebergte van Juda zouden zij zich veilig kunnen nederlaten. want, hoewel het half December is, doet do zon zich nog bijna in al hare kracht over het geheele land gevoelen. De bergen van Moab, aan gene zijde der Doode Zee, schitteren met de schoonste kleuren; het geheele bergland en do woestijn is verguld door de heldere zonnestralen — maar tevergeefs ziet men naar regen uit. Zulk eene weersgesteldheid in dezen tijd des jaars noemt men hier „slecht weder.quot; Met ongeduld ziet de landman uit naar don vroegen regen, die roods in November verwacht werd; daarvan toch hangt de oogst van het volgende jaar geheel af. De bewoners dor westelijke streken, die reeds ongerust worden, wanneer in den zomer de regen eenigo weken op zich laat wachten, kunnen zich niet voor-stollen, hoe men te moede is, als het gedurende acht, negen maanden of, zooals ten tijde van Elia en koning Achab, in drie jaren niet rogent.

ocr page 262

GEEN\' REGEN.

244

Voor een bewoner van het Heilige Land is dit echter niet zoo vreemd. Het blijft een wonder, dat onder koning Achab die tijd van droogte juist inviel, toen de Heere het gebood, maar het feit zelf is ons licht verklaarbaar. Het wonderbare, d. i. het ingrijpen van de hand Gods, is in den tijd gelegen, daarin, dat niet vóór of na, maar op de aankondiging van den profeet, de droogte begon, evenals bij het doortrekken van de Roode Zee het wonder niet zoozeer bestond in de scheiding der wateren (hetgeen nog heden meermalen geschiedt) maar daarin, dat dit natuurverschijnsel te rechter tijd plaatsgreep om Israël te redden en Farao te verderven. In het Heilige Land zijn slechts twee jaargetijden bekend: een lange, zonnige zomer, die met een heldere, korte lente begint en waarin geen droppel regen valt, en een kortere regentijd. Deze laatste duurt ongeveer van November tot Maart, soms bepaalt hij zich tot Januari en Februari en brengt twintig regendagen in de maand. Een goede vroege regen behoort tot de vurigste wenschen van den landman. Valt deze in November of einde October, dan ligt tusschen den vroegen en den winterregen een schoone, koele en toch zonnige tijd, dien de landman zich ten nutte maakt om te ploegen en te zaaien. Zien wij echter, evenals dit jaar, tevergeefs uit naar den vroegen regen, dan komt de winterregen gewoonlijk met Kerstmis of Nieuwjaar, en duurt dan zoo aanhoudend voort, dat de landman niet aan ploegen of zaaien kan denken en hij den geschiktsten tijd moet laten voorbijgaan en daarmee ook het uitzicht om het volgend jaar te oogsten moet opgeven. Wanneer daarom ook de Heer Zijn volk wil zegenen, zegt Hij; „Zoo zal Ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen.quot; (Deut. XI: 14). De profeten beschouwen het echter als een zware straf, wanneer die regen uitblijft: „Daarom, dat gij goddeloos zijt, zijn de regen-

ocr page 263

r.EEN REGEN.

droppolen ingehouden en daar is geen spade regen geweest.\'\'

Het meeste hemelwater valt tusschen den vroegen en spaden regen in Januari en Februari, soms reeds in December; doch ook deze maanden brengen dagen en weken aan, die ons ais in de lente verplaatsen en ons naar buiten lokken om het uitspruiten van gras, bloemen en gewassen te bewonderen. Dan valt in hot eind van Februari of in Maart de late regen, die de bloemen en het ontkiemende zaad nog eens verkwikt, alvorens de warme dagen komen, die den oogst in de maand Mei tot rijpheid brengén.

Deze regelmatige opvolging van droog weder en regen was ten tijde van don profeet Elia gedurende drie jaar verstoord. Toen trad de bedreiging in vervulling: „En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. De Heere uw God zal pulver en stof tot regen uws lands geven.quot; (Deut. XXVIII: ^3.)

Dadelijk na den winter, toen de late regen had opgehouden, moet Elia koning Achab dit gericht aangekondigd hebben; want Jezus zegt, dat ten tijde van Elia de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was. (Luk. IV: 25 ; zie ook Jak. V vs. 17). Men zou ook kunnen denken, dat het in October geschiedde, vóór den winterregen. Dit is echter niet waarschijnlijk, daar het einde der droogte wel in den gewonen regentijd zal zijn gevallen en bij het begin de\' beek Krith nog eenigen tijd met water gevuld bleef, en dit is in den nazomer zeer waarschijnlijk.

Het was dus een schoone lentedag, toen Eli^a te Jizreël voor Achab verscheen. Do aarde had zich aan don regen verzadigd en tooide zich met bloemen en planton ; aan den hemel was geen wolkje te ontdekken en het geheole land prijkte in voor-jaarsdos. Vooral de omstreken der koningsstad vormden oen verrukkelijk panorama. Daar strekte zich de waterrijke vlakte

ocr page 264

DE PROFEET ELIA OP ZIJNE TOCHTEN.

Als eon profetengestalte van bijna bovenmenschelijke grootte. staat op de hoogten van hot Oude Verbond Elia de Thisbiet voor ons. Met eerbiedige bonvondering beschouwen de geslachten van latere tijden den man Gods, voor wion zijne tijdgenooten zich roods vol eerbied bogen. Zijn leven is ons slechts met enkele krachtige trekken getoekend, en bijna elk vers van dat verheven gedeelte uit het boek der Koningen, meldt een- wonder, dat ons met verbazing vervult. Hijzelf echter was het grootste wonder dier dagen; zijne stom weerklinkt nog na duizenden jaren, zijn vertrouwen op God was onwankelbaarder en vaster gegrond dan de berg Kannel, waarop hij eens hot geheele volk overtuigde, dat zijn God de ware en lovende God was.

Hoe beknopt zijne geschiedenis ook verhaald wordt, toch gunt zij ons meer dan eenige andere oen ruimen blik in de toestanden dos volks van hot Beloofde Land in dien tijd. Hij heeft Palestina in alle richtingen doorkruist. Nu eens staat hij in hot hooge Noordon aan den voet van den Libanon, dan op hot gebergte Sinaï; nu vindon wij hom aan hot schitterende koninklijke hof te Jizreël, dan weder aan de boek Krith; hij trekt van hot liefelijk gelegen zoestadje Zarfath naar do hoogten van Karmel of de witglinsterendo, steile, sombere rotsen van den Horeb, totdat ten laatste de Hoor zelf den vurigen wagon voor hom gereed heeft om hem naar de eeuwige Godsstad te brengen. Ik noodig u thans uit, Elia op zijne zwerftochten te vergezellen om daardoor meer bekend te worden met do toestanden in het Heilige Land, die, zooals blijken

ocr page 265

243

zal, na 3000 jaar nog juist dezelfde zijn, zoodat de tegenwoordige verhoudingen een helder licht werpen op menige bladzijde uit Ella\'s leven, die voor ons anders duister zou zijn.

GEEN REGEN.

Wij schrijven heden 13 December. De ooievaars en nachtegalen hebben reeds lang de westelijke streken Verlaten om in zachter oorden den winter door te brengen. Een geheele vlucht van deze trekvogels zag ik herten over Jeruzalem vliegen; zij zijn op weg naar de boschrijke oevers van de Jordaan, waar zij hun winterkwartier betrekken. Ook bij ons in bet gebergte van Juda zouden zij zich veilig kunnen nederlaten. want, hoewel bet half December is, doet do zon zich nog bijna in al hare kracht over liet geheele land gevoelen. De bergen van Moab, aan gene zijde der Doode Zee, schitteren met de schoonste kleuren; het geheele bergland en de woestijn is verguld door de heldere zonnestralen — maar tevergeefs ziet men naar regen uit. Zulk eene weersgesteldheid in dezen tijd des jaars noemt men hier „slecht weder.quot; Met ongeduld ziet de landman uit naar don vroegen regen, die reeds in November verwacht werd; daarvan toch hangt de oogst van bet volgende jaar geheel af. Do bewoners dor westelijke streken, die reeds ongerust worden, wanneer in den zomer de regen eenige weken op zich laat wachten, kunnen zich niet voor-stollen, hoe men te moede is, als het gedurende acht, negen maanden of, zooals ten tijde van Elia en koning Achab, in drie jaren niet regent.

ocr page 266

GEEX REGEN.

244

Voor een bewoner van liet Heilige Land is dit echter niet zoo vreemd. Het blijft een wonder, dat onder koning Achab die tijd van droogte juist inviel, toen de Heere liet gebood, maar het feit zelf is ons licht verklaarbaar. Het wonderbare, d. i. het ingrijpen van de hand Gods, is in den tijd gelegen, daarin, dat niet vóór of na, maar op de aankondiging van den profeet, de droogte begon, evenals bij het doortrekken van de Roode Zee het wonder niet zoozeer bestond in do scheiding der wateren (hetgeen nog heden meermalen geschiedt) maar daarin, dal dit natuurverschijnsel te rechter tijd plaatsgreep om Israël te redden en Farao te verderven. Tn het Heilige Land zijn slechts twee jaargetijden bekend: een lange, zonnige zomer, die met een heldere, korte lente begint en waarin geen droppel regen valt, en een kortere regentijd. Deze laatste duurt ongeveer van November tot Maart, soms bepaalt hij zich tol Januari en Februari en brengt twintig regendagen in de maand. Een goede vroege regen behoort tot de vurigste wenschen van den landman. Valt deze in November of einde October, dan ligt tusschen den vroegen en den winterregen een schoone, koele en toch zonnige tijd, dien de landman zich ten nutte maakt om te ploegen en te zaaien. Zien wij ecliter, evenals dit jaar, tevergeefs uit naar den vroegen regen, dan komt de winterregen gewoonlijk met Kerstmis of Nieuwjaar, en duurt dan zoo aanhoudend voort, dat de landman niet aan ploegen of zaaien kan denken en liij den geschiktsten tijd moet laten voorbijgaan en daarmee ook het uitzicht om bet volgend jaar te oogsten moet opgeven. Wanneer daarom ook de Heer Zijn volk wil zegenen, zegt Hij: „Zoo zal Ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen.quot; (Deut. XI: 14). De profeten beschouwen het echter als een zware straf, wanneer die regen uitblijft: „Daarom, dat gij goddeloos zijt, zijn de regen-

ocr page 267

GEEN REGEN. i245

droppelen ingehouden en daar is geen spade regen geweest.quot;

Het meeste hemelwater valt tusschen den vroegen en spaden regen in Januari en Februari, soms reeds in December; doch ook deze maanden brengen dagen en weken aan, die ons als in de lente verplaatsen en ons naar buiten lokken om het uitspruiten van gras, bloemen en gewassen te bewonderen. Dan valt in het eind van Februari of in Maart de late regen, die de bloemen en het ontkiemende zaad nog eens verkwikt, alvorens de warme dagen komen, die den oogst in de maand Mei tot rijpheid brengén.

Deze regelmatige opvolging van droog weder en regen was ten tijde van den profeet Elia gedurende drie jaar verstoord. Toen trad de bedreiging in vervulling: „En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. De Heere uw God zal pulver en stof tot regen uws lands geven.quot; (Deut. XXVIII: 23.)

Dadelijk na den winter, toen de late regen had opgehouden, moet Elia koning Achab dit gericht aangekondigd hebben; want Jezus zegt, dat ten tijde van Elia de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was. (Luk. IV: 25 ; zie ook Jak. V vs. 17). Men zou ook kunnen denken, dat het in October geschiedde, vóór den winterregen. Dit is echter niet waarschijnlijk, daar het einde der droogte wel in den gewonen regentijd zal zijn gevallen en bij het begin dequot; beek Krith nog eenigen tijd met water gevuld bleef, en dit is in den nazomer zeer waarschijnlijk.

Het was dus een schoone lentedag, toen Elifcx te Jizreël voor Achab verscheen. De aarde had zich aan den regen verzadigd en tooide zich met bloemen en planten; aan den hemel was geen wolkje te ontdekken en het geheele land prijkte in voor-jaarsdos. Vooral de omstreken der koningsstad vormden een verrukkelijk panorama. Daar strekte zich de waterrijke vlakte

ocr page 268

GEEN REGEN\'.

van Jizreël uit, die in de Heilige Schrift ook den naam Megiddo of Esdrelon draagt. Do oude schrijvers zoeken tevergeefs naar woorden 0111 de schoonheid en vruchtbaarheid van dezen lusthof Gods te schilderen. Ook heden nog is dat land bijzonder vruchtbaar, wanneer het met zorg wordt bearbeid. De vlakte is geheel door bergen omringd ; in de nabijheid van Jizreël de gebergten van Gilboa en de kleine Hennon, in het Noorden de Tabor en de bergen van Nazareth en ver in het Westen de uitgestrekte, met bosschen begroeide Karmel. Als enkele witte zeilen op de zee, /.iet men op de vlakte talrijke dorpen verspreid liggen, meest alle gebouwd op lage, golfvormige heuvelen en ook hier en daar de tenten van zwervende Bedoeïenen. Een dier dorpjes, Scrahi genaamd, is reeds van verre zichtbaar. Het zijn de laatste overblijfselen van Jizreël, de eens zoo machtige koningsstad, waar Achab zijne zomerresidentie hield, waaraan ook de naam nog herinnert. Een bouwvallige Moorsche toren staat te midden dei-weinige ellendige hutten en dient den reizigers tot nachtverblijf.

Het is een oude maat, die zeker reeds veel heeft beleefd. De steenen zijn afgebrokkeld en zwart van kleur, en de talrijke spleten geven hem het aanzien van iemand, die niet diep gerimpeld voorhoofd en gefronste wenkbrauwen nederziet in de vlakte, waar zich eens in bont gewoel de koninklijke ruiters en wagens hebben bewogen. Toen omringden prachtig aangelegde parken de rijke, in volle pracht schitterende stad, waarin Achab een paleis had laten bouwen, met ivoor overladen, en waar, mot de jonge Izébel, alle weelde der Phoeniciërs was binnengetrokken. Inderdaad eene heerlijke residentie had Achab uitgekozen. Van Jizreël uit kon men de geheele vlakte overzien. Er was slechts een halve dag noodig om naar de Middellandsche zee te varen, wier golven tegen den voet van den Karmel breken, welks forsche gestalte boven alles uitsteekt. In nog korter tijd kon men door een bergpoort in een dal afdalende, het

246

ocr page 269

GEEN REGEN.

liefelijke meer Genezareth bereiken. Dit alles echter boeide het oog van den profeet niet, die de bergen van zijn land ten Oosten der Jordaan verliet om hierheen te komen. Noch de jeugdige pracht, die de lente ten toon spreidde, noch de glans en rijkdom der koningsstad konden hem bekoren, hem, den man met het ruwe kleed en het gefronste voorhoofd : het was de algemeene afval des volks van Jehova, zijn God, welke hem herwaarts riep.

De koningin toch had den zedeloozen Baalsdienst met al zijne gruwelen uit de Phoenicische stad Akka, slechts een halve dagreize van Jizreël gelegen, herwaarts overgebracht. Het geloof aan Jehova was met geweld uitgeroeid, de altaren desHeeren waren omgeworpen, Zijne profeten gedood. Zijn naam mocht niet meer genoemd worden. Juist in dien tijd, in de lente, werden de loszinnigste feesten, met de grootste uitgelatenheid, voor Baal gevierd. Daar treedt plotseling en onaangemeld do profeet Elia op, te midden van het jubelende volk; hij komt van gene zijde der rivier, van het gebergte Gilead, dat men te Jizreël dagelijks in den gloed der avondzon ziet schitteren. Niemand kent hem, ook beroept hij zich op niemand, maar moedig en eerbiedwekkend treedt hij zonder plichtplegingen voor den Koning: „En Elia do Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zeide tot Achab : Zoo waarachtig als do Heere de God Israels leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zal zijn, tenzij dan naar mijn woord!quot; Kort en ernstig, indrukmakend als Elia zelf, zijn ook zijne woorden. Niet één te veel, niet één te weinig. Hij noemt den naam des Heeren, den naam van den God Israels, aan Wien niemand meer gelooft en kondigt het strafgericht aan ; hij laat het aan zijne toehoorders over om na te denken en de oorzaken er voor op te sporen. Dat was een machtig woord: „Tenzij dan naar mijn woord!quot; Een veldheer zonder leger, maar met zijn

247

ocr page 270

GEEN REGEN.

God, komt hij op tegenover het geheele volk om den strijd tegen het on- en bijgeloof aan te binden. Hij kon geene legermacht tegenover die des Konings stellen, maar do wind en bet vuur des hemels waren zijne strijders. Toen Elia deze woorden gesproken bad, verdween hij even snel als bij gekomen was.

In don eersten tijd had men van de droogte niets te duchten. De beken waren nog gevuld en uit talrijke bronnen vloeide bet water door de vlakte. Men maakte zich dan ook niet ongerust, de ongeluksprofeet was verdwenen en bet leven ging o|) de oude wijze voort. In den zomer echter deed zich bet gel n-ek aan water reeds gevoelen, want daar bet des zomers in Palestina nooit regent, wordt de dauw, die des nachts de aarde drenkt en de planten verkwikt, als eene weldaad des hemels beschouwd en genoten. Gelijk Elia voorspeld had, zag men tevergeefs daarnaar uit. Tegen het einde van den zomer werd de nood knellend, in November toch keek men vol verlangen naar den hemel, maar geen wolkje vertoonde zich. Het woord van Elia, reeds half vergeten, kwam het volk nu weer te binnen en drukte bet terneer ; want dit was een ongewoon verschijnsel in Palestina, waar de regen steeds op bepaalde tijden nedervalt. De weersverandering grijpt gewoonlijk plaats bij wisseling der maan. Zoo hebben wij dit jaar bij elke nieuwe maan op regen gewacht, en werkelijk scheen onze wensch telkens vervuld te zullen worden, de wind stak op, de wolken dreven aan, maar bet was of een onzichtbare hand den regen tegenhield. Dit herbaalde zich vier maal, telkens na de maans-verandering waren de wolken geheel verdwenen en de wind ging liggen, totdat heden 14 Dec. juist met nieuwe maan de sluizen des hemels geopend werden en onder luid gejubel der bevolking de dorstige aarde alom werd gedrenkt. Wij kunnen ons hierdoor eene juiste voorstelling maken van den toestand,

248

ocr page 271

GEEN REGEN.

waarin zich Palestina, bijna 3000 jaar geleden, bevond, toen de Heere door het woord van Elia den hemel toegesloten had. IToe zullen de bewoners bij elke maansverandering vol hoop de blikken naar den hemel gericht hebben, waar de wolken zichtbaar waren, die de bergen van het rijk van Jnda met regen hadden verkwikt — maar in geheel Israël viel niet één droppel. De wolken dreven weg naar het Oosten, terwijl Israel zich voortdurend in zonneschijn baadde.

Toen de eerste winter op die wijze was voorbijgegaan, steeg de nood nog al hooger. De beken en bronnen waren reeds in het einde van October en het begin van November uitgedroogd. Ook de laatste vergaarbakken geraakten in December ledig. Overal was gebrek aan water, men moest het uit verafgelegen streken halen en de vraag, hoe het verder zou gaan, daar men niet vóór het einde van October regen verwachten kon, vervulde alle harten met bekommering. Gedurende de laatste weken en dagen herhaalde zich dit hier te Bethlehem op kleine schaal. Er was bijna geen water te verkrijgen, het moest èf van andere plaatsen gehaald, óf tegen hoogen prijs verkregen worden uit de waterleiding van Salomo, die van Etham naar Jeruzalem loopt, óf wel uit de beek van Beit-Djala, die echter steeds meer uitdropgde. De drenking van het vee veroorzaakte groote bezwaren. Van uren ver werd het vee naar Beit-Djala gedreven om er daar, tegen betaling, water voor te bekomen. De nood steeg met den dag, en steeds vuriger werd naar regen verlangd. Zoo ging het in het eerste jaar ook te Jizreël. Maar wat moet er in de harten zijn omgegaan, toen ook voor de tweede maal November hoegenaamd geene verandering bracht, de wind wel opstak, zooals gewoonlijk en zwarte wolken den hemel bedekten , maar zonder eenig gewenscht gevolg. Januari, Februari en eindelijk ook Maart, de laatste regenmaand, kwamen en

249

ocr page 272

GEEN REGEN.

gingen, maar de hemel was en bleef\' gesloten. Eene stomme vertwijfeling maakte zich van het volk meester. Het vorige jaar was de oogst geheel mislukt, nu viel er in het geheel op geen oogst te rekenen; de hemel was niet slechts van koper, maar ook de aarde werd, gelijk Mozes gedreigd had, als „ijzer,quot; hard en uitgedroogd, zoodat zij op vele plaatsen barstte, gelijk nog heden in het heetst van den zomer dikwijls geschiedt. De prijzen van het koren stegen tot ongekende hoogte — er kwam eene duurte in geheel het land van Israël en de aangrenzende landen, doch de ellende nam nog geen einde. Ook gedurende het derde jaar ging de regentijd voorbij, zonder dat er één droppel water viel, want de toorn des Heeren drukte zwaar op Israël. Ten Oosten en ten Zuiden van het Heilige Land zijn twee groote woestijnen, die in de aardrijkskunde als regenloos worden aangeduid, het zijn de Syrisch-Arabische woestijn en de Sahara. Even dor en kaal als die, werd het eenmaal zoo bloeiende land van het rijk der 10 stammen. Het moet den bewoners toegeschenen hebben, als ware de geheele orde der natuur, die zoo onwrikbaar schijnt, veranderd; als ware Gods belofte krachteloos geworden, dat, zoolang de aarde staat, zaaien en oogsten, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet zullen ophouden.

Maar hoe, zoo vraagt gij, was het mogelijk, dat men het onder zulke omstandigheden jaar uithield? Komt iets dergelijks ook nog heden voor? Den bewoner van het Heilige Land komt zulk een toestand minder onbestaanbaar voor dan ons. De bijzondere, Goddelijke leiding is hier gelegen in de beperking van de regenloosheid tot eene bepaalde streek. In het rijk van Juda is in die drie en een half jaar zeker evenveel regen gevallen als in de andere jaren. De Schrift toch verhaalt ons niet, dat in het twee dagreizen zuidelijk van Israël gelegen rijk, waar de vrome koning Asa regeerde, de bewoners

250

ocr page 273

GEEN REGEN.

onder hetzelfde zware strafgericht gehukt gingen, terwijl de heidensche schrijver Menander ook slechts spreekt van de duurte en den hongersnood. welke in \'t rijk van Israël heerschten. Ook het naburige Phoenicië, dat men in eene dagreis kon hereiken, schijnt door geen bepaald gebrek aan drinkwater gekweld te zijn, want Elia ontvangt op zijn verzoek, dadelijk een dronk waters van de weduwe van Zarfath. Het ontbrak de vrouw slechts aan spijs, want al het graan, dat in Phoenicië verbruikt werd, kwam uit Israëls gebied; vandaar dat ook zij wegens de droogte en onvruchtbaarheid leed. Heden ten dage komt het ook meermalen voor, dat de hoeveelheid regen, die bij ons in Judea valt, zeer verschilt van die, welke in Galilea nederkomt. Zoo gebeurde het o. a. eenige jaren geleden, dat wij hier volop regen hadden, terwijl men er in Galilea tevergeefs naar uitzag en de velden vanwegen de droogte bijna niet konden bebouwd worden. De regenwolken, die van hot Westen naar het Oosten trokken, ontlastten zich boven het land van Juda, maar lieten boven Galilea geen druppel vallen.

Maar, vraagt gij, vanwaar verkregen dan de bewoners van Israël hun drinkwater? Zij konden dat toch geen drie en een half jaar ontberen. Ook in die tijden konden zij zich daarvan voorzien, hoewel met groote moeite. Zij moesten het ui) de zuidelijke hergen. dicht aan de grenzen van Juda, halen en op ezels vervoeren, of wel uit de Jordaan of het meer Geneza-reth, die beide goed drinkwater bevatten en van Jizreël uit door een klein dal te bereiken waren. Landbouw en veeteelt konden echter niet blijven bestaan. Al het vee moest geslacht of naar de Jordaanvlakte en het meer Genezareth gedreven worden, gelijk ook nog heden de herders uit het gebergte van Juda doen, wanneer de weiden daar geen voeder genoeg opleveren, Achab wilde echter zijne paarden en muildieren bij zich te Jizreël houden, omdat hij ze om te rijden en voor zijn

251

ocr page 274

HEEN REGEN.

252

koninklijken wagen noodig had. liet bonoodigde drinkwater liet hij zeker uit de Jordaan en het meer Genezareth aanvoeren. Maar ook het voeder voor de dieren, gerst en stroo, verminderde en steeg bij den dag in prijs. Zoo zien wij aan het einde dezer drie en een half jaar den Koning in eigen persoon door het land trekken om voedsel voor zijne beesten te zoeken. Hij doorkruiste zelf een gedeelte van zijn rijk, terwijl hij zijn kamerdienaar, den vromen Obadja, een anderen kant uitzond met het bevel: „Trek door het land tot alle rivieren, misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden.quot; Aan beken en bronnen toch groeit zelfs in den tijd van groote hitte en dorheid frlsch, malsch gras. Achab sloeg waarschijnlijk den weg in naar het Jordaan-dal tot aan Jericho, terwijl Obadja zich naar de Phoenicische grens in het Noordwesten begaf. Op dien weg ontmoette hem de machtige, geduchte profeet Elia, de man, die, naar het scheen, de sleutels des hemels in handen had, volgens zijne eigene woorden als een geest.

AAN DE BEEK KR1TH EN TE ZARFATH.

Waar had zich in den tusschentijd de profeet Elia opgehouden? Toen zijne voorspelling in vervulling trad, begon men naar hem te vragen. Niemand echter had hem gezien, de scherpste nasporingen door het gansche land bleven vruchteloos. De Schrift verhaalt; „Daarna geschiedde het woord des Heeren tot hem, zeggende: Ga weg van hier en wend u naar het Oosten en verberg u aan de beek Krith, die vóór aan de

ocr page 275

AAN DE BEEK KR1TH EX TE ZARFATH.

Jordaan is; en het zal geschieden, dat gij nit do beek drinken zult en Ik heb den raven geboden, dat zij u daar onderhonden zullen.quot; Men is hot nog niet eens over de ligging van de beek. De meesten nemen aan, dat het de tegenwoordige Wadi Kilt is, eone beek, die eenige uren ten noorden van Jeruzalem ontspringt on naar do Jordaan vloeit. Men heeft liier togen ingebracht, dat dit dal echter niet „ten Oostenquot; van Jizreël ligt. Het spraakgebruik in Palestina echter noemt do geheele Jordaanstreek „het Oostenquot; (Scharka.) Andoren spreken het tegen, omdat Elia daar nog al te dicht in Achabs nabijheid zon zijn geweest. Maar ten eerste heeft Achab gedurende hel eerste half jaar niet naar Elia gezocht, en in dien tijd juist vertoefde hij aan de beek, ten tweede was er geen goed georganiseerde politie door \'t geheele land verspreid en boden de vole rotsspleten ruimschoots gelegenheid om zich te verbergen; tot bewijs daarvan vindt men in de Heilige Schrift voorbeelden genoeg. Zoo heeft het misschien menigon lezer verwonderd, dat David het waagde zich met honderden vluchtelingen te verbergen in het rijk van koning Saul, die hem vervolgde. Hij zwierf als een Bedoeïenenhoofdman met de zijnen door de woestijn Ziph rond, slechts eenige uren van Hebron verwijderd, groot endeels door rooftochten in zijn onderhoud voorziende. Herhaaldelijk komt Saul in zijne nabijheid, doch vindt den vluchteling niet.

Heeft men echter do tallooze rotsspleten en holen in de woestijn van Juda gezien, dan kan men gemakkelijk begrijpen, hoe dit mogelijk was. Ook heden nog dienen zij velen vluchtelingen tot schuilplaats. Zoo hebben zich eenige jaren geleden verscheidene mannen uit Beit-Djala, die door de Turkscho regeering achtervolgd werden, maanden lang tusschen de heuvels en kloven der woestijn, die reeds een uur ten Oosten van Bethlehem en Jeruzalem beginnen, verborgen gehouden

ocr page 276

AAN DE BEEK KRITH EX TE ZAHFATH.

en liet gelukte den Turkschen soldaten, waarvan eene sterke afdeeling op hen was afgezonden, niet, ook slechts één van hen te vatten. Het is daarom zeer wel mogelijk, dat Elia zich aan de Wadi Kilt verscholen heeft gehouden.

Laat ons nu den profeet eens in zijne schuilplaats opzoeken. Op den weg van Jeruzalem naar Jericho voert eene kromming van het bergpad naar een diep, woest, door rotsen ingesloten stroomdal. Daar vloeit de Wadi Kilt tusschen steile wanden door. Als reusachtige steenen muren, uit dikke lagen opgebouwd, verheffen zich hier de bergen van de woestijn van Juda, terwijl beneden in het dal frissche groene struiken de ruischende, zilveren beek omgeven en soms aan \'t oog onttrekken. Op sommige plaatsen is het, alsof de rotsen elkaar raken, zij laten ternauwernood ruimte voor de beek, nog minder is er plaats voor een dorp of zelfs voor een huis.

Dit geheel van de wereld afgesloten dal, van welks woeste schoonheid men zich geen denkbeeld kan vormen, is de verblijfplaats van steenbokken, gazellen, vossen en jakhalzen, terwijl ook raven, wilde duiven en veldhoenders er hun verblijf houden. De overblijfselen van een klooster uit de Middeleeuwen , op eene vooruitspringende rots gebouwd, en verschillende openingen in de bergen strekken ten bewijze, dat in den bloeitijd van het monnikenwezen, velen hier een toevluchtsoord hebben gezocht, in navolging van den profeet Elia.

Aan het noordelijk einde van dit dal verheft zich de Quaran-tania-berg, waar Jezus 40 dagen en nachten in de eenzaamheid zou hebben doorgebracht. Deze huiveringwekkende woestenij , waar geen geluid der buitenwereld doordrong, was juist wat do profeet verlangde, hij schijnt zich altijd bij voorkeur van de menschenwerold afgezonderd te hebben. Te midden van zulk eene grootsche, zwijgende natuur valt alles weg, wat ons verhindert onparijdig te oordcelen; men leert er de

254

ocr page 277

AAN DE BEEK KRITH EN TE ZARFATH.

dingen beschouwen, zooals zij in hunne werkelijke gedaante zijn, gelijk wij dit bij Elia en Johannes den Dooper kunnen opmerken. Wanneer men het dal doorkruist. over vooruitspringende rotsklippen, steenblokken en kiezelgruis klautert, tusschen weelderig bloeiende oleanders door, wier helderroode bloesems schril afsteken tegen het donkere, zwarte rotsgesteente, langs paden, waarop alleen de moedige steenbok en de vlugge gazel vertrouwd zijn, wordt men onwillekeurig herinnerd aan den man in het harige kleed en met den moedigen blik, die deze zelfde paden heeft bewandeld en door dezelfde boschjes zijne schreden richtte. Hier was Elia met zijnen God alleen als in een grooten tempel der natuur. Wolken en winden vervolgen boven den rotsentempel hun weg, terwijl de beek, als met volle orgeltonen ruischend, door het dal vloeit, waar niets vernomen wordt van de vreugdegeluiden en jammerklachten der buitenwereld.

In liet midden van den zomer heeft de profeet zich waarschijnlijk naar het hoogere gedeelte van het dal begeven ; want reeds in Mei kan hot water van de beek de Jordaan niet meer bereiken.

Zoo richtte hij zijne schreden door het altijd groene dal naar den oorsprong van de beek. Deze heet heden ten dage Ain Far a en is twee uren ten noorden van Jeruzalem gelegen, in de nabijheid van den bekenden bergpas Michmas en is ook nu nog om haar wild natuurschoon het doelwit van menig plezier-reiziger. Het dal is hier niet minder grootsch. Het water komt uit een prachtig gevormden rotsketel te voorschijn en vormt verschillende tot een bad noodigende bekkens, omringd door welig geboomte, vooral wilde vijgeboomen met hun voor \'t oog ondoordringbaar lommerrijk gebladerte.

Eindelijk echter, toen er met Januari van het eerste jaar, nog geen regen gevallen was, droogde ook de beek Krith uit. Toen geschiedde het woord des Heeren tot hem, zeggende :

255

ocr page 278

AAN DE BEEK KRITH EN TE ZARFATH.

„Maak u op, ga henen naar Zarfath. dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar eene weduwvrouw geboden, dat zij ii onderhoude.quot; Te dien tijde, toen men tevergeefs naar regen uitzag, zal Achab waarschijnlijk alle pogingen in het werk gesteld hebben om Elia op te sporen. Deze was noch in Israël noch in Jnda zijn leven zeker, daarom zond de Heer hem naar rhoenicië. vanwaar koningin Izebel afkomstig was. Daar heerschte geen gebrek aan water, de regen was op den gewonen tijd gevallen.

Langs eenzame wegen begaf Elia zich naar de Phoonicische stad Zarfath, die hij bereikte na eene reis van zes dagen, over den oostelijken rug van den Karmel, voorbij Akka, langs de kust der Middelllandsche Zee en over het voorgebergte Ras Nahnra. Een beroemde bergweg — de zoogenaamde „Tyrische trapquot;, welke een ruim uitzicht aanbiedt: voorwaarts op de uitgestrekte , blauwe zee, zuidwaarts op den Karmel en het land van Israël — is sedert overoude tijden hier in de rotsen uit-gehouwen. Waarschijnlijk heeft Elia hier op den hoog oprijzenden rotsberg eenige oogenblikken vertoefd om een laatsten, weemoedigen blik op het ongelukkige land te slaan, waarvan hij voor onbepaalden tijd afscheid nam. Toen hij het voorgebergte Bas cl Ahjah („het witte voorgebergtequot;), eene tweede hoogte, die men van de eerste reeds in de verte ziet blinken, bereikt had, zag hij op eenmaal Phoenicië voor zich. De zeekust strekt zich met een wijden boog uit tot Tyrus en met een tweeden langen boog tot het voorgebergte van Zarfath, dat nog juist voor hem zichtbaar was. In de verte zag hij de flauwe omtrekken van den Libanon en den Hermon, terwijl aan zijne voeten de spiegel der zee zich uitbreidde, waarop zich do zeilen der Tyriërs vertoonden. Zijn weg voerde verder langs Tyrus, de rijke, groote zeestad der oudheid, „de dochter der zeeënquot;, en na eene dag-reize had hij Zarfath bereikt.

25G

ocr page 279

AAK DE BEEK KRITH EN TE ZARFATH. 257

Sarepta, tegen de helling van een berg gebouwd, ziet vriendelijk en vreedzaam op de blauwe watervlakte der zee neder. Tyrus in bet Zuiden, noch Sidon in het Noorden zijn van hier zichtbaar, zij worden door verschillende bergen aan het oog onttrokken ; ook nu nog ziet men van hot dorp Sarafand uit, dal door zijn naam aan het oude stadje herinnert, niets dan de kleine kustvlakte en do onmetelijke zee. Het oude Sarepta moet dicht aan den oever gelegen hebben ; het was dus weder eene eenzame plok, waar de profeet zoo lang moest vertoeven. Door de Goddelijke zorg ontbrak het der weduwe, gedurende den tijd, dat Elia bij haar woonde, niet aan brood en olie, hetgeen ook heden nog bijna uitsluitend den mingegoeden tot een zeer gewaardeerd voedsel strekt. Aan water was geen gebrek. Bijna drie jaar bleef Elia te Zarfath. Ongetwijfeld is hem de tijd wel eens lang gevallen, maar gehoorzaamheid on een onwrikbaar vertrouwen op God waren hoofdtrekken van zijn karakter; — hij wachtte. Hij hechtte zich aan hot kleine stadje, hij deelde vreugde en droefenis mot do weduwe .en stond haar in de drukkende tijden zonder twijfel in alles tor zijde. Eindelijk in October of November van het derde jaar, geschiedde het woord dos Hoeren weder tot hem : „En hot gebeurde na vele dagen, dat het woord dos Hoeren geschiedde tot Elia in het derde jaar, zeggende : Ga henen, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen geven op don aardbodem !quot;

Achab doorkruist op dit oogenblik juist het land om voedsel voor zijn vee te zoeken, evenals zijn kamerdienaar Obadja. Langs de „Tyrische trappenquot; kiest Elia ook thans zijn weg naar het land van Israël en ziet dit, anders zoo vruchtbaar en bloeiend, nu zoo dor on kaal, voor de eerste maal weder. Plotseling treedt hij Obadja tegen en beveelt hem : „Ga heen, zeg uwen heer : zie, Elia is hier!quot;

17

ocr page 280

or DEN KARMEL.

Laat ons nu den majestueuzen Karmel beklimmen! In de Heilige Sclirift wordt hem eene plaats aangewezen naast de koninklijke bergen Sinaï, Hormon en Tabor. Als een reus verheft hij zich 1200 voet boven de vlakten en den zeespiegel en zendt zijne uitloopers diep in Samarië. Aan zijn voet vormt zich de schoonste golf der Syrische kust, ingesloten door de steden Haifa en Akka. Zijn voet is omringd door de schoonste en bloeiendste velden en dalen! Palmen en oleanders, oranje-, citroen-, granaatboomen, perziken, abrikozen, amandels en vijgeboomen dingen om den voorrang. Aan den noordelijken voet van den Karmel, die heden nog den naam draagt van Djebcl Mar Ellas, d. i. berg van den profeet Elia, stroomt de Kison met tallooze kronkelingen en bochten door eene bevallige wijdernis van rietbosschen, wilgen en oleanders naar zee. In den winter verandert zij in een woesten bergstroom, ros en ruiter met zijn geel en drabbig water medesleepend; het is mij eenige jaren geleden overkomen, dat ik zelfs in Mei slechts met moeite eene doorwaadbare plaats vond.

De Karmel gelijkt een reusachtigen dom, waartegen de golven der zee onophoudelijk breken. Dit was de tempel, waar Elia op \'s Heeren bevel den koning en zijn volk bijeenriep om Jehova te huldigen. Men wijst ons nog heden de plek, waar dit plaatsgreep, en het is zeer wel mogelijk, dat de overlevering met de waarheid overeenkomt. Op de naar het Zuid-Oosten vooruitspringende rotspunt ligt eene hoogvlakte, welke den naam draagt van Mahraka d. i. brandofferplaats, en van de vlakte van Jizreël uit langs een steil slingerend pad toegankelijk is. Dit pad is van weerszijden bezet met talrijke

ocr page 281

OP DEX KAKMEL.

259

eikon cn oleanderboomen. Uit de rots ontspringt oonc bron, dio zelfs gedurende die lange droogte niet uitgedroogd was, haar water wordt in een steenen bak opgevangen. Meer dan honderd voet diep, ziet men de Kison voortstroomen. Hier is plaats genoeg voor een talrijke volksmenigte. Daarenboven verheft de schoone omgeving het hart tot den Heere der hoeren, die de bergen gegrond en do aardo geschapen heeft, en do gedachten van koning en volk werden hier bepaald bij de heilige daden des Heeren vanouds, welke zij geheel vergeten hadden. Niet slechts de vlakte van Jizreël met de afgodische residentie, ingesloten door de bergen van Nazareth, don Tabor, den Hormon en het gebergte van Gilboa, waren van hier uit zichtbaar, maar ook Ebal en Gerizim, waar de Heer eenmaal zijn volk Zijn zogen en vloek voorgehouden had, alsmede de blauwe borgen aan gene zijde van do Jordaan, waarover Mozes het volk had gevoerd. Nu was het echter oen andere tijd. Do verbasterde nakomelingen van dat volk wilden van der vaderen God niets moer weten. De man, die, in zijn harig kleed, op zijn staf geleund, don Karmel beklom, droog diepen rouw over de zonden zijns volks, dat las men op zijn gerimpeld voorhoofd. Eenmaal had Mozes het volk naar den voet van den Sinaï geleid; heden voordo Elia, hem in zoovele opzichten gelijk, het naar don top van Karmel. Hij zou daar eene prediking voor hen houden in eene taal, gelijk die na de donders van Sinaï nog niet was vernomen. Eene groote volksmenigte volgt hem, terwijl nog ontelbare scharen do wegen van Jizreël bedekken. Daar zijn zij op do aangewezen plaats aangekomen. Onbevreesd staat do profeet, naar wien men zoo lang gevorscht heeft, voor koning en volk. Bijna dreigend weerklinkt zijne stem: „Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zoo do Heere God is, volgt Hem na, en zoo het Baal is, volgt hom na!quot; Op deze woorden volgt een diep stilzwijgen;

ocr page 282

OP DEN KARMEL.

op den Karmel wordt liet stil als in een kerkgebouw. Niemand, zelfs niet een van de 450 profeten van Baal, waagt het den man Gods te antwoorden. Daar verheft de profeet ten tweeden male zijne stem, en een bedroefden blik werpend op de verschroeide velden in den omtrek en op het afvallige volk, roept hij uit: „Ik ben alleen een profeet des Heeren overgebleven en de profeten Baals zijn 450 man. De God, die door vuur antwoorden zal, die zal God zijn.quot; En uit duizend monden klinkt het: „Dat woord is goed!quot; „Bereidt gij den var eerst, want gij zijt velen,quot; zoo spreekt Elia tot de Baaispriesters , terwijl hij zich voor het altaar des Heeren plaatst en zwijgend zijn blik over het BaalsofTer en over het land van de nakomelingen van Abraham, Izaak en Jakob laat gaan. In het Oosten zag hij de bergen, waar Jakob eens met God geworsteld en den naam Israël ontvangen had. Heden was Israël verzameld om eene keuze te doen tusschen Jehova en Baal.

Twee altaren waren op den berg opgericht. Het eene was vervallen en morsig, het was het altaar des Heeren ; het andere was versierd en werd door 450 Baaispriesters omringd. Daar weerklonken de verrukkende melodieën van den heidenschen ceredienst en voerden de rijkgetooide priesters den offerdans uit. Waarschijnlijk was het dezelfde dans, die nog heden bij bruiloften gebruikelijk is en die zulk een demonischen invloed oefent, dat allen, die er bij tegenwoordig zijn, als betooverd worden.

Zulk een uiterlijk vertoon kon Elia het volk niet bieden. De koninklijke familie zag met welgevallen de bewegingen der priesters aan en wierp donkere blikken op den profeet, die alleen stond tegenover het geheele volk. Het afgedwaalde Israël danste om het altaar van Baal, maar Baal lette er niet op. Nu roept Elia den priesters spottend toe: „Roept luider,

260

ocr page 283

OP DEN KARMEL. 261

want hij is een god, omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij eene reize heeft; misschien slaap hij en zal wakker worden!quot; Toen werd de dans al wilder en woester, de priesters maakten daarbij gebruik van zwaarden, die hen eigenlijk niet mochten kwetsen, zelfs niet bij de wildste sprongen, maar thans verwondden zij zich opzettelijk daarmede om hunnen god tot medelijden te bewegen. Doch al vloeide hun bloed ook bij stroomen, Baal antwoordde niet.

Als des namiddags nog geen antwoord op hun geroep was gekomen, treedt Elia vooruit en met krachtige stem roept hij ; „Nadert allen tot mij!quot; Plotseling staan de Baaispriesters alleen en al het volk omringt in angstige spanning den man, die met zoo groote kalmte het einde van het Godsgericht te gemoet scheen te zien, op wiens woord de hemel gedurende drie jaren gesloten bleef. Zwijgend begeeft Elia zich naar het altaar des Heeren, dat op zichzelf reeds duidelijk tot het volk sprak, daar het sinds overoude tijden op die plaats gestaan had en daardoor het volk aan het verleden herinnerde en zich tot zijn geweten richtte. „En bij heelde het altaar des Heeren, dat verbroken was, en Elia nam twaalf steenen, naar het getal der stammen van de kinderen Jakobs (tot welken het woord dos Heeren geschied was, zeggende: Israël zal uw naam zijn) en hij bouwde van die steenen het altaar in den naam des Heeren.quot; Toen maakte hij eene groeve om het altaar, legde hout en het offerdier daarop, putte zwijgend emmer voor emmer vol water en goot het uit over offer en hout, tot zelfs de groeve was gevuld. Nu slaat hij zijne oogen ten hemel en bidt met kalm vertrouwen : „Heere, God van Abraham, Izailk en Israël! dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt, en ik Uw knecht, en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. Antwoord mij, Heere, antwoord mij ; opdat dit volk erkenne, dat Gij, Heere, die God zijt, en dat Gij hun hart

ocr page 284

OP DEN KARMEL.

achterwaarts omgewend hebt.quot; Toen viel hot vuur des Heeren en verteerde het brandoffer, en het hout, en de steenen en het stof, ja, lokte het water op, dat in de groeve was.quot;

In ademlooze spanning had het volk toegezien. Eenige oogen-blikken te voren stond daar nog het altaar met het offer, nu zagen zij niets dan den laaien gloed, waardoor dit alles verteerd werd. Eon oorverdoovend gejuich weerklinkt heinde en ver: „Do Heere is God, de Hooreis God!quot; Een ongekende goostvor-voering maakt zich van al het volk moester. In dit oogenblik zouden zij elk bevel van Elia blindelings opgevolgd hebben. Mot bijna Goddelijk gezag voor het volk staande, roept do profeet: „Grijpt de profeten van Baal, dat niemand van hen ontkome.quot; Die meineedige priesters van Israël, die het volk verleid hebben, worden gegrepen en aan de Kidron met het zwaard gedood.

Achab echter zal nog oen ander bewijs ontvangen, dat do Hoere God is ; Elia wondt zich tot hem en zegt: „Trek op ; eet en drink! want er is oen geruisch van oen overvloodigon regen.quot; (Waarschijnlijk liet Achab juist een maaltijd voor zich bereiden.) In Palestina wordt de regen gewoonlijk voorafgegaan door een geweldigen stormwind en wanneer de wolken in het Westen opkomen, kan men altijd een overvloodigon regen verwachten. Zoo hoorde ook Elia den regen naderen, hoewel de hemel nog geheel wolkenloos was. De profeet beklimt nu don top van don berg, vanwaar hij een ruim uitzicht hoeft naar het Westen over do zoo, vanwaar de wolken moesten komen. Do wind loeide door de toppen der eiken. De volksmenigte spoedde zich huiswaarts, maar Elia vertoefde biddende op den berg, ootmoedig in \'t stof gebogen smeekt bij den Hoere om regen voor zijn volk. En zijn oor vornoonit reeds het lang verwachte suizen en huilen in de lucht, dat den vochtigen regenwind aankondigde. Herhaaldelijk zendt Elia zijnen dienst-

2G2

ocr page 285

OP DEN KARMEL.

knecht om te zien, of zijn gebed verhoord zal worden. Eindelijk keert deze terug met het bericht : „Zie, eene kleine wolk, als-eens mans hand, gaat op van de zee !quot;- Nu Iaat bij Achab weten : „Span aan en kom af\', dat u de regen niet ophoude.quot; „En het geschiedde ondertusscben, dat de hemel van wind en wolken zwart werd, en er kwam een groote regen.quot; In snellen draf rijdt de Koning huiswaarts. De band des Heeren echter kwam over Elia, hij gordde zijne lendenen en liep voor het aangezicht van Achab benen, tot daar men te Jizreël komt. Met ongelooflijke snelheid daalt hij den berg af, gaat den kortsten weg door de vlakte en komt nog vóór den Koning te Jizreël, daar diens wagen den kronkelenden rijweg moest volgen.

Slechts hij, die in Palestina een tijd van lange droogte heeft beleefd, kan zich voorstellen, welk eene vreugde in het ge-lieele land heerschte. Toen in dit jaar na lange droogte het welbekende ruischen van den wind vernomen werd, de wind aangroeide tot een storm, die de huizen dreigde om te rukken, toen eindelijk het jagend zwerk de eerste droppelen neder-zond, toen weerklonken overal luide jubelkreten. Allen snelden naar buiten om den regen te begroeten en, terwijl het daarbuiten stormde en kletterde, heerschte groote blijdschap in elke hut, in iedere woning. De uitgedroogde bronnen begonnen weer te vloeien; op eenmaal was er een einde gekomen aan het gebrek aan water.

Hoe groot zal de vreugde in Israël niet zijn geweest! De westenwind bruiste door het geboomte op den Karmel en bulderde over de vlakte van Jizreël. Dikke regendroppels vielen neder en met wellust ving het oor het geluid op van de neerslaande droppels. Het water stroomde uit de wolken, van de bergen naar de dalen en als met lange teugen dronk de dorstige aarde het in, als den lang ontbeerden zegen des hemels. Boomen en planten hieven het hoofd om 1 toog, beken en

263

ocr page 286

OP DEN KARMEL.

264

rivieren vervolgden weder vroolijk hun loop. Maar al die duizend stemmen der natuur schenen elk in haar eigene taal Israels volk toe te roepen: „De Heere is God, de Heere is God!quot;

NAAR DEN BERG GODS.

Daags na deze ingrijpende gebeurtenissen was Elia genoodzaakt te vluchten. De vertoornde Koningin had den dood van den onverschrokken profeet besloten. Hij vreesde voor zijn leven en voor het eerst vinden wij hem zijn eigen weg gaande. Hij heeft geen Goddelijk bevel afgewacht, en dat nog wel, nadat hij zoo duidelijk \'s Heeren almacht had ervaren. Inderdaad, na groote, verbazingwekkende uitkomsten zijn de beproefde Godsmannen het meest in gevaar. Als een geslagen veldheer vlucht hij naar het Zuiden, naar Berséba, waar eens Abraham met zijne kudden woonde. Daar laat hij zijn dienstknecht achter en trekt eenzaam en moedeloos de woestijn in, die zich van den Eufraat over het schiereiland Sinaï tot Egypte uitstrekt. Het oog aanschouwt hier niets dan zand en heuvels. Er staat niet één boom, die eenige schaduw afwerpt, slechts de jeneverstruik komt hier in enkele alleenstaande exemplaren of in groepen voor. Ook nu nog draagt hij den Hebreeuwschen naam van Betem. Zijn eenige schoonheid bestaat in de weinige bloesems, waarmede hij is getooid, voor het overige draagt hij geheel den stempel van éen voortbrengsel der dorre woestijn. Hij bereikt slechts eene manshoogte. De woestijnreiziger begroet evenwel zijne schaduw met blijdschap. Onder zulk een struik zette Elja zich neder, nadat hij eene dagreize ver in

ocr page 287

NAAR DEN BERG GODS. 265

de woestijn was voortgegaan. Diepe zwaarmoedigheid en neerslachtigheid hadden zich van hem meester gemaakt. Eenige dagen geleden stond hij met bijna bovenmenschelijk aanzien bekleed op den Karmel, nu zwerft hij als een voortvluchtige door de woestijn. — Toen bad hij, dat zijne ziele stierve en zeide: „Het is genoeg, Heere, neem nu mijne ziel, want ik ben niet beter dan mijne vaderen!quot; Daarna legde hij zich neder en sliep, wenschende niet weder te ontwaken. Een hemelsche bode echter wekte hem en zcide; „Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.quot; En hij stond op en at en dronk, en ging, door die spijze gesterkt, verder, veertig-dagen en veertig nachten tot den berg Gods, Horeb.

Binnen veertien dagen had hij den berg kunnen bereiken, wanneer hij den kortsten weg gevolgd was, maar de berg Gods was niet dadelijk het doel van zijn tocht geweest. Hij zwerft eerst als zonder bepaald plan door de woestijn rond, maar evenals vroeger het volk Israël, zoo moet nu ook hem deze lange zwerftocht tot loutering strekken. In de eenzaamheid spraken de zandheuvels en vlakten tot zijne onrustige ziel. In den geest zag hij Israël door dezelfde woestijn trekken, hij zag de hardnekkigheid van het volk en het geduld van zijn voorganger Mozes. Hier heerschte geen Izébel, hier te midden der bergen, die steeds in omvang toenamen, was God alleen koning. Slechts zelden ontmoet hij roofzuchtige Bedoeïenen of karavanen, of ziet hij de zwarte tenten van een troep zwervende herders. Eindelijk heeft hij den berg Gods bereikt. Evenals in vroegere dagen bewandelt thans een profeet dit eenzame bergpad. Hij treedt eene spelonk binnen en brengt aldaar den nacht door. „En ziet, het woord des Hoeren geschiedde tot hem: Wat maakt gij hier Elia? En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten, Uwe

ocr page 288

NAAR DEN BERG GODS.

altaren afgebroken en Uwe profeten met het zwaard gedood, en ik alleen ben overgebleven en zij zoeken mijne ziel om die weg te nemen. De Heere zeide: Ga uit en sta op dezen berg. En ziet, de Heere ging voorbij en een groote en sterke wind, scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen; doch de Heere was in den wind niet. En na dezen wind eene aardbeving, maar de Heere was ook in de aardbeving niet. En na deze aardbeving een vuur, de Heere was ook in het vuur niet, en na het vuur het suizen van eene zachte stilte. En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat bij zijn aangezicht bewond met zijnen mantel en uitging en stond in den ingang der spelonk.quot; Wat had de Heere hem te zeggen ?

Door de wijze, waarop Hij aan Elia verscheen, wilde Hij hem aantoonen, dat Hij niet slechts de driemaal Heilige, maar ook de duizendmaal Barmhartige is, dat, weliswaar, waarde menschen in hunne lauwheid te veel geduld gebruiken. Hij dondert; maar ook, dat Hij barmhartig, genadig en groot van lankmoedigheid is, waar de menschen zich door valschen ijver laten vervoeren. Door Zijne woorden wil Hij Elia echter nog meer leeren. „Wat maakt gij hier, Elia?quot; luidt de berispende vraag en hij wordt teruggezonden naar den post, dien hij eigenwillig heeft verlaten; daar moet hij niet het stille suizen, maar het gericht Gods aankondigen. En de profeet, wien deze zwerftocht ten zegen is geworden en die daar nog grootere dingen heeft gezien dan op den Karmel, snelt, met nieuwe kracht aangedaan, terug om zijne taak te volbrengen. Hij schijnt meestal op den eenzamen berg Karmel vertoefd te hebben. Zijne kleeding was die der landbewoners gelijk, zij bestond uit een wit hemd, met een lederen gordel om de lendenen bevestigd, en een mantel vervaardigd uit eene dierenhuid, die niet van het haar was ontdaan. Dagelijks zag hij

26G

ocr page 289

NAAR DEN BERG GODS.

van de hoogte neder op het land, waar hij niet tevergeefs als hersteller van Jehova\'s wet was opgetreden. Tot tweemaal toe zien wij hem onverschrokken tegen de goddelooze vorsten van Israël optreden. Toen kwam ook voor hem de tijd om deze aarde te verlaten.

Een hemelsche glans ligt over het levenseinde van den grooten profeet verspreid. Zijn strijd is volstreden. Hij verlaat nog éénmaal den Karmel en trekt het land door van stad tot stad, voorbij Gilgal, Bethel, over den Wadi Kilt, waar de raven hem spijzigden, en Jericho, naar de heilige Jordaan. De begroetingen der profetenzonen, die de knie niet voor Baal gebogen hebben, klinken hem tegen. Hij daalt af in het wonderschoone, altijd groengetinte Jordaandal, waar later zijn opvolger Johannes het werk weder ter hand nemen en Een, die groeier is dan zij beiden, afdalen zal om het menschdom nieuw leven te brengen.

Terwijl hij met Eliza ging en sprak, ziedaar een vurige wagen met .vurige paarden en Elia voer in een onweder op ten hemel.

De ernstige gestalte van den proleet Elia vermaant ook ons, den goeden strijd te strijden, den loop te voleindigen en het geloof vast te houden. En al is het ons niet gegeven de wateren van de Jordaan te klieven, maar moet de stroom van ons leven ook eerst in de Doode Zee vloeien, toch blinkt ook ons een zalig vaderhuis tegen, zien ook wij den hemel geopend, wanneer wij onder alle omstandigheden des levens vasthouden aan het geloof en het vertrouwen op God in en door Jezus Christus, totdat wij op den berg Gods zijn aangekomen.

2(57

ocr page 290

EEN ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

Den 6t,on October 1886 verlieten wij des middags den top van den trotschen Tabor om ons naar de oevers van het meer Genezareth te begeven. Onze paarden hadden een langen rusttijd gehad en draafden vroolijk door het lichtgroene kreupelhout, dat den voet van den Tabor omzoomt. Weldra moesten wij hunnen stap matigen, daar de weg als bezaaid was met bazaltsteenen en groote steenblokken. In de brandend heete» zon droegen onze rijdieren ons, door zonneschermen beschut, langs den eentonigen, vreeselijk langen weg hijgend voort. Na eenige uren echter werd het beter. Een koele westenwind waaide ons tegen, toen de ter kimme neigende zon de omliggende bergen verguldde. Van het meer was echter nog niets te zien, bazaltblokken, kleine verhevenheden en dalingen in den bodem en daarachter een gedeelte der oostelijke bergen was alles wat zich aan ons oog vertoonde. Tegen den avond bereikten wij den zoom van het rotsachtig hoogland.

Daar lag plotseling het meer Genezareth in zijne gansche uitgestrektheid voor ons. De donkerblauwe, glinsterende wateren waren door een krans van bfergen omringd. Zoo onverwacht , zoo verrukkelijk was de aanblik, dat wij met een kreet van bewondering onze paarden inhielden om een blik om ons heen- te werpen. De bergen, die als een beschuttende muur het meer omringen, waren door de ondergaande zon liefelijk rood gekleurd en spiegelden zich in den\' lichtenden vloed. Daar lag eens Kapernaüm, daar Gadara, daar op dien donkeren heuvel Chorazin, daar aan de schoonste der bochten Bethsaïda, ginds de groene vlakte van Gennezar, hier aan onze voeten in het dal Tiberias met zijne witte, dicht aan

ocr page 291

EEN ZONDAG AAN HET MEER VAN GENEZARETH.

don cover opgotrokkon huizen! Het was ons, als zocht ons oog in dit stille landschap, waarover eene liefelijke kalmte lag uitgebreid, de gestalte van Hem, die eens in dit dal rondgewandeld en in knechtsgestalte onder de armen en ellen-digen rondgegaan was om wel te doen.

Eindelijk reden wij langs do steile slingerpaden, die naar Tiberias afdaalden. Vriendelijk wenkten zijne witte huizon, hooge torens en het oude bouwvallige kasteel ons toe. Na verloop van een halfuur trokken wij de stad binnen met hot streelend vooruitzicht den geheelen volgenden Zondag aan de oevers van de Galileesche zee door te brengen. Evenals alle Oostersche steden bleek Tiberias, van nabij bezien, een vuil nest te zijn. Ten tijde van Jezus werd het door de Israëlieten als onrein gemeden, thans is het eene der heilige plaatsen van het Talmudistisch Jodendom. De bewoners zijn dan ook voor \'t grootste deel Joden. Eene Babylonische spraakverwarring heerscht op de markten en in de winkels: Duitsch, Arabisch , Poolsch, Spaansch. Italiaansch, Russisch, alles klinkt daar door elkaar, want de Joden zijn uit alle doelen der wereld herwaarts gekomen. Wij hielden ons niet bij hen op, maar spoedden ons naar het gastvrije Franciskanenklooster ton einde daar aan te kloppen om een onderkomen gedurende ons verblijf alhier. De ontvangst was niet zoo hartelijk, als wij verwacht hadden, daar alle kamers reeds bezet waren door eene Fransche karavaan en de eerwaardige Prior zijn eigen vertrek zelfs had afgestaan en voor zich een plaatsje op het dak in orde had gebracht. Hij was bij onze komst dan ook ten einde raad. Daar er echter in geheel Tiberias geen ander zindelijk logies te krijgen was, verklaarden wij ons gaarne te zullen vergenoegen met eene ligplaats op den grond, op onze tapijten. Het gelukte den goeden pater echter nog eene kamer met twee bedden te ontruimen. Twee van ons namen

2(19

ocr page 292

EEN ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

daar hun intrek, terwijl nog een vriend zich mot mij op het dak ter ruste legde, waar wij, ondanks de harde ligging, in do zachte lucht oen verkwikkendon slaap genoten.

Met ongewone pracht ging dien Zondagochtend de zon op on gaf aan het meer een hetooverendo schoonheid. Gezang on orgeltonen klonken ons uit de kloosterkapel togen. Ook wij tradon daar hinnen on vierden den Zondag te zamen mot de Roomsch-katholieken. Een pater uit Kana in Galilea was go-komon om eene prediking in \'t Arabisch te houden, waarin hij zijne hoorders tot boete, goede werken en vertrouwen op do heiligen opwekte. Hot voornaamste gedeelte onzer godsdienstoefening echter zou heden bestaan in een tocht op het meer Genezareth en naar Kapernaüm, de vroegere woonplaats dos Hoeren : borg en dal, zee en oever zouden heden onze predikers zijn. Togen den middag verlieten wij het klooster on begaven ons naar hot meer, waar een licht zeilscheepje ons roods wachtio. Eon Jezuïetenpator, die met ons te Tiberias was aangekomen, vergezelde ons en weldra wiegelde ons vaartuig op do blauwe golven. Alles herinnerde ons aan don „Schoonste onder de menschonkinderenquot;, die dit moor zoo dikwijls hoeft bevaren, on onder hot plassen der roeispanen weerklonk menig lied te Zijner oore.

Ons gezelschap bestond evenals do bemanning van hot scheepje uit zes personen. Onze vriend, de pater, maakte de opmerking, dat wij, evenals eenmaal do apostelen, mot ons twaalven waren, waarop ik hem antwoordde, dat de dertiende ongetwijfeld ook niet in hot schip gemist werd. Met do liefelijke geuren, welke de wind van de oevers, waar Jezus zoo dikwijls vertoefd had, ons tegenvoerde, tradon ook de herinneringen van die schoono dagen ons voor den geest, toen de Heer in dit dal rondging, predikende on goeddoende. Toen was dit landschap gelijk aan eene poort dos hemels, waardoor de

270

ocr page 293

EEN ZONDAG AAN HET MEEK GENEZARETH. 271

menschenkinderen aan de hand van den hemelschen Leidsman, een blik mochten werpen in de geheimenissen en do heerlijkheid van het eeuwige Rijk Gods.

Alles sprak ons van den Heiland der wereld en geene prediking had ons zoo kunnen treffen als deze sprakelooze, ernstige, liefelijke prediking der natuur. De geheele omgeving was als met een zondagskleed getooid. Het was, alsof de bergen zich voor den Heer bogen met den uitroep: „Zijt gegroet !quot; alsof de golven ons fluisterend verhaalden van \'s Heeren tweejarige werkzaamheid aan de oevers van dit meer. Ons gesprek liep hoofdzakelijk over deze bijbelsche herinneringen, en ook de pater, een grondig Bijbelkenner, nam er ijverig deel aan. Zelfs onze schippers deden ons aan de geschiedenissen uit Jezus\' leven denken. Het waren krachtige gestalten in marineblauwe pantalons, lichte kielen en violetkleurigen hoofddoek, door een strik van geitenhaar vastgehouden, of wel alleen in een blauw hemd, dat om de lenden met een gordel was bevestigd. Bij afwisseling roeiden drie van hen en boetten de anderen hunne netten. Ook Jakobus en Johannes waren daarmede bezig, toen Jezus, aan den oever wandelend, hen tot Zijne volgelingen riep. Wanneer wij eene ondiepe plaats hadden bereikt, schortten eenigen van hen het hemd op en sprongen in zee om hunne netten uit te werpen. Zoo deed ook eenmaal Petrus, toen hij zijn uit het graf verrezen Heer aan den oever zag staan.

Een van onze bemanning legde zich op den achtersteven te slapen en hoewel ons schip zachtjes over den waterspiegel gleed, herinnerde ons dit aan de stormachtige ure, toen Jezus ook sliep en. op het geroep Zijner jongeren opstond om met één wenk den storm tot zwijgen te brengen.

Onze Mohammedaansche bemanning echter toonde niet de minste geneigdheid om onzen gedachtengang te volgen, en uit

ocr page 294

272 EEN ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

limine gesprekken, waaraan zij door menigen vloek kracht wilden bijzetten, bleek ons, dat de wensch der bewoners van Gadara, dat Jezus hunne stad toch mocht verlaten in de volle beteekenis des woords was vervuld, ten opzichte van de tegenwoordige bewoners der oevers van dit meer. Zij gaven ons echter volgaarne antwoord op onze vragen, betreffende de vischvangst. Zij verhaalden ons, dat zij bij een rijke vangst dikwijls in éénen nacht van tien tot twaalf centenaars visch vingen, zoodat zij slechts met groote moeite het net aan land konden trekken en de netten meermalen scheurden. Men moest intusschen des nachts de netten uitwerpen, bij lichten dag leverde het geen vangst- op.

Wij kunnen ons dus de verbazing van Petrus voorstellen, toen hij, na den geheelen nacht vruchteloos gevischt te hebben, het bevel ontving, op klaarlichten dag het net uit te werpen. Petrus gehoorzaamde niettegenstaande alle ervaring van zijn visschersleven en sprak: „Op Uw woord zal ik het net uitwerpen !quot; En hij ving zulk eene groote menigte visch, dat hij den buit ternauwernood naar den wal kon trekken. Ontzetting maakte zich dan ook van allen meester, en Petrus zonk op de knieën en riep uit: „Heere, ga uit van mij ; want ik ben een zondig mensch !quot; De Heer sprak : „Vrees niet, van nu aan zult gij menschen vangenquot; ! en daarmede riep Hij de visschers van de Galileesche zee om te arbeiden op de groote wereldzee der volken.

Nieuwsgierig luisterden de visschers naar onze vreemde taal en sommige titels, die zij naar \'t Arabisch verklaarden, gaf hun stof tot vroolijke, voor ons minder vleiende opmerkingen. Met hartstochtelijke liefde zijn zij en huns gelijken aan het meer gehecht, gelijk de bewoners van het Nijldal aan hunne rivier.

Zij beschouwden het bijna als eene beleediging voor het meer, waaruit Tiberias jaar in jaar uit drinkt, dat wij hot

ocr page 295

EEN ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH. 273

water filtreerden, alvorens het te drinken; wij wisten echter maar al te goed. dat al het voile water der stad in het meer uitloopt. In het midden van het meer was het echter zuiver en zeer goed drinkbaar.

De geheele watervlakte had een donkerblauwe kleur, slechts hier en daar vertoonde zich eene groenachtige streep. De bergen, die het meer omringen, verheffen zich op vele plaatsen steil op den oever. Zij zijui onvruchtbaar, duizendvoudig gespieten en gekloofd en bieden toch een liefelijken aanblik door de kleurenpracht, waarmede zij schitteren. Het landschap was dien middag getooid met alle kleuren van den regenboog. Met éénen oogopslag kan men het geheele meer overzien en dan ontdekt men als \'tware acht kleinere bergketens, gedeeltelijk bestaande uit aaneengeschakelde bergruggen, gedeeltelijk uit op zichzelf staande bergen. In het nevelachtig Zuiden schijnen die van den oostelijken en westelijken oever, elkaar naderende, eene poort te vormen, waardoor de Jordaan vloeit, terwijl zich in het Noorden de reusachtige, met sneeuw bedekte Her-mon majestueus verheft en als liet hoofd der bergen over het geheele land tot het verre Jericho heenziet. Zoo is liet meer van alle kanten door een muur van bergen omringd. In het Westen rijst de sombere bazaltberg bij Wadi Hamüm hoog boven het meer op en trekt den blik tot zich ; daarachter zijn de Krom Hattin, d. i. de horens van Hattin, zichtbaar, twee bergspitsen, die gelijk een paar horens naast elkander staan. Volgens de overlevering deed de Heer aldaar Zijne zaligsprekingen hooren ; en ook uit de geschiedenis zijn zij bekend, want daar werd tijdens den laatsten der kruistochten de bloem der ridderschap van het Westen verslagen in den laatsten moorddadigen slag van Saladin. Sinds dat oogenblik moesten de kruisvaders het Heilige Land voor altijd aan de ongeloovige Mohammedanen prijsgeven.

18

ocr page 296

274 EEN ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

Do stroom dos tijds is ondertusschen ook niot zonder sporen achter te laten, over do oevers van dit schoone meer gegaan. ITot vroolijko rumoer, dat zich voorheen hier deed hooren. is verstomd, hot opwekkend gewoel is in doodsche stilte verkeerd, de dorpen on steden, die zich hier verhieven en wier tallooze schoepjes mot hunne witte zeilen hot moer beploegden, zijn verdwenen; Tiberias is de oenigo stad, die wij nog aanschouwen. Waar zijn Kapernaiim, Chorazin, Bothsaïda en Gadara, wier bewoners zich in dichte scharen om Jezus verdrongen ? Het vroegere Magdala, thans Magdal genaamd en uit enkele kleine hutten bestaande, herinnert ons nog aan Maria Magdalena, die hare woning alhier verliet om haren Heiland in nood en dood tot hot kruis te volgen. Zij was het. wier tranon op don Paaschmorgon door den Heer het eerst werden gedroogd. Als ware \'t oono herinnering aan hare liefde, mocht Magdala tot heden blijven bestaan, terwijl al de andere steden als in de diepte der zee zijn verzonken.

Magdala ligt aan het zuidelijk uiteinde van de grootste dor kleine vlakten, die zich van den oever dor zee tot de borgen uitstrekken en waarop ook de steden moeten gelogen hebben, waar Jezus den meesten tijd heeft vertoefd. Hier was de voornaamste schouwplaats Zijner daden. In oude tijden heette de bovengenoemde vlakte Gennesar en daaraan is de naam van het meer ontleend. He vlakte is vijf kilometers lang en ander-halven kilometer breed en was ten tijde van ons bezoek mot het schoonste groen getooid. Zij schijnt geheel door do menschon verlaten te zijn, slechts hier en daar ziet het oog een eenzamen Bedoeïen loeren of ontdekt liet tusschen het houtgewas een haren Bedoeïenentent. De kinderen der natuur: wild en govogolto, hoornen en bloemen tieren er echter als om strijd, vooral de oleander, die mot zijne roode bloesems tusschen de lange, fijn geteekende bladeren zich vriendelijk tot het blauwe water

ocr page 297

EEK ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

nederbuigt. Zoo praalt do eenzame vlakte met eigenaardige schoonheid, al is er ook geen mensch, die ervan geniet. Geen nijvere mensehenhand bearbeidt den vruchtbaren bodem. Niets wordt hier vernomen dan het zachte ruischen en mnr-quot; melen der boek. die hare wateren door do eens zoo bevolkte vlakte naar hot koele moer voortstuwt. Daar ginds moot Bothsaïda, de geboorteplaats van Petrus, gelegen hebben. Den volgenden dag konden wij kennis nemen van don rijken plantengroei. waarmede de vlakte van Gonnesar kan prijken. Naast de bloeiende oleanders groeiden verschillende struikon en boomon, waaronder de Dróm-boomen eene eerste plaats innamen; gewassen met blauwe schormbloemen, cichoroiplanton en talloozc grassoorten verleenden aan gieren, roerdompen, meeuwen, reigers, veldhoenders en duiven eene schuilplaats. Aan al deze gewassen, kruiden en geboomte hoeft de Hoer dikwijls Zijne gelijkenissen ontleend. Wij dachten daar onwillekeurig aan, als wij munte, dille en komijn dicht bij elkander zagen staan, en vooral do mosterdstruik, dat juiste zinnebeeld voor hot begin on de ontwikkeling van hot Godsrijk, herinnerde ons daaraan, als wij hom zagen, beladen mot duizendvoudige vrucht, den vogelen des hemels schaduw biedende tusschen zijne takken.

Door den zachten wind voortgedreven, gloed ons schoepje licht over den waterspiegel en steeds moor naderden wij do plok, waar voorheen Kapornaüm en Bothsaïda lagen, de twee steden, waaraan Jezus tevorgoefs al Zijne liefde had betoond. Achter do puinhoopen dor eerstgenoemde stad verheft zich het zachtglooiende heuvelland. Daar hoeft de Heer waarschijnlijk de bergprediking gehouden; want do trotscho Kroon Flattin waron daarvoor veel te afgelegen. De paden, de wogen, de heuvels langs hot meer zijn dezelfde als in die dagen. Immers, daar de bergen, steil en rotsachtig, dicht aan den oever op-

275

ocr page 298

27G EEN ZONDAG AAN HET MEEK GENEZARETH.

rijzen, kon men slechts daarlangs van de eene stad naar de andere komen. Links van Kapernaüm en door een heuvel daarvan gescheiden, moet Bethsaïda gelegen hebben. Jezus wandelde op een morgen langs den smallen weg tusschen het meer en de bergen, toen Hij Petrus en diens broeder Andreas riep om Hem te volgen. Hier ontstond ook die groote beweging onder het volk, toen de Heer Zijne openbare werkzaamheid aanvaardde en duizenden Hem volgden. Dal waren gelukkige uren, toen het volk zijne hulp bij Jezus zocht; doch ook vele droevige stonden heeft de Heer aan het meer Genezareth doorleefd. De eerste opwinding was spoedig voorbij, de menigte liet zich niet langer door den nieuwen Leeraar leiden, velen Zijner jongeren verlieten Hem en Hij was zelfs genoodzaakt Zich steeds meer in \'t verborgene terug te trekken. Dan zal Hij dikwijls alfeen langs deze oevers gewandeld hebben, steeds vaster overtuigd, dat Zijn weg op lijden en een geweld-dadigen dood zou uitloopen. Den geheelen nacht bracht Hij dan in de eenzaamheid door in \'t gebed tot Zijnen Vader. Ook nam Hij hier afscheid van de Zijnen, toen Hij Zich gereed maakte om op te gaan naar Jeruzalem, waar het kruis Hem wachtte.

Eindelijk legde ons scheepje aan. Wij hadden nog geen tweehonderd schreden afgelegd, toen wij de bouwvallen eener voormalige stad bereikten. Hier moet Kapernaüm gelegen hebben. Groote bazaltblokken liggen overal verspreid. Het merkwaardigste echter waren de overblijfselen van een groot gebouw, dat uit wit, op marmer gelijkend kalksteen opgetrokken, waarschijnlijk in het midden der stad heeft gestaan. De reizigers, die deze plaats in het voorjaar bezoeken, kunnen deze bouwvallen niet nauwkeurig bezien, ten gevolge der talrijke brandnetels, die er tot manshoogte opschieten; thans echter, in October, waren deze door de zon verschroeid. Het

ocr page 299

EEN ZONDAG AAN HET .MEEK 6ENEZARETH.

moet eens een gebouw zijn geweest van buitengewone schoonheid. De voetstukken der zuilen zijn nog ongeschonden en staan nog in hun oorspronkelijke orde; aan de hoeken stonden dubbele zuilen, hartvormig van doorsnede. Architraven en kapiteelen zijn met fraai lofwerk versierd. Wij zochten naar eene aanduiding van den ouderdom van dit gebouw. Een onzer meende op een grooten steen de symbolen van het Heilig Avondmaal te ontdekken: kelk en korenaren; maar wij zagen het eenigszins onduidelijke beeld aan voor een zevenarmigen kandelaar niet twee palmen en leidden daaruit af, dat het een Joodsch gebouw was geweest. Andere eigenaardigheden schenen op den tijd der Romeinen te wijzen, zoo b. v. een op de steenen afgebeelde triomfwagen op vier wielen, met een baldakijn op pilaren en overwelfd, alsmede prachtige Corintische kapiteelen. De Joodsche en Romeinsche kenmerken, welke wij bij de overblijfselen ontdekten, bevestigden ons in de meening, dat dit de bouwvallen waren van de synagoge, welke volgens Luk. VII: 5 en verv. door den Romeinschen hoofdman van Kapernaüm werd gebouwd. Was dit juist, dan stonden wij op de plok, waar onze Heer menigmaal op den Sabbat het volk heeft geleerd. Onwillekeurig zocht het oog het huis van Petrus, en de straten, waar het volk zich verzamelde, wanneer de Heer eene der woningen was binnengetreden — alles echter, evenals de bewoners, onder aarde en gruis begraven.

Wij zetten ons neder, op do puinhoopen van Kapernaüm en lazen, wat do Evangeliën ons van deze stad verhalen. Wij lieten al die oude, heilige geschiedenissen ter plaatse, waar zij voorvielen, aan onzen geest voorbijgaan. Wij vestigden onzen blik op de zee en de blauwe bergen en zagen in den geest, hoe de Heer den storm stilde, hoe Hij door duizenden gevolgd, langs den oever wandelde, hoe Hij in het schip ging

-211

ocr page 300

■27S EEN ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

om het volk te leeren. Wij zagen Hem eindelijk, na Zijne opstanding, te midden Zijner jongeren en hoorden Hem vragen: ,,Simon. Jonazoon, hebt gij Mij lief?quot; en gaarne hadden wij, diep getroffen door de indrukken, dien dag ontvangen, met Petrus geantwoord: „Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb.quot;

Reeds wilden wij opstaan om den terugtocht te aanvaarden, toen dequot; pater mij verzocht, nog eenmaal \'sHeeren oordeel over Kapernaüm te lezen. Ik voldeed aan zijn verzoek en herlas de woorden, die hier bij de bouwvallen der stad, een machtigen indruk op ons maakten: „Toen begon Hij de steden , in dewelke Zijne krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. Wee u, Chorazin! wee u. Bethsaïda! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en asch bekeerd hebben. Doch Ik zeg u, het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden. En gij, Kapernaüm! die tot de hemelen toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestooten worden. Want zoo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden lot op den huldigen dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u.quot; Ja, Kapernaüm is tot de hel toe nedergestooten. Het volk, de trotsche paleizen, alles is onder het puin begraven. Niemand weent op hun graf. Slechts wanneer de nachtwind over het meer Genezareth strijkt, is het, als weerklinkt er een treurzang. Dat is de lijk-zang over Kapernaüm.

In den maneschijn keerden wij naar Tiberias terug. Het was een zwijgende tocht, de woorden van het Evangelie weerklonken nog in onze harten. De bergen en de oevers van het meer hadden tot ons gesproken, het geheele Evangelie was als in een kort begrip onzen geest voorbijgegaan, de afzonder-

ocr page 301

EEN ZONDAG AAN HET .MEEK GENEZARETH.

lijke bladzijden lagen opengeslagen voor ons, het waren Gene-zareth, Tiberias, Magdala, Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin, Gadara.

In de stilte, op bet droomende meer reikten bet verleden en bet beden elkaar de band, de vQorspeliingen des Hoeren en bnnne vervulling traden ons te gelijk voor oogen. Het was een prachtige avond, en wij genoten volop van bet scboone schouwspel voor ons. Wij zongen :

Den pelgiim wenkt van verre Het Vaderland, zijn lust,

Daar tintelt zijne sterre,

Daar zoekt, daar vindt hij rust.

En ook onze pater Jezuïet zong van harte mee, toen ik regel voor regel voorzeide :

Ik aanbid U, God van liefde !

Ons door Uwen Zoon verklaard ;

Geef mij over aan die liefde,

Aan mij, worm, geopenbaard ;

\'k Denk niet aan mijzelf voortaan,

Badend aan deez\' oceaan.

Ik bracht den nacht weder door op het dak. Nog lang verlustigde ik mij in den aanblik van het meer, waarop het zilveren maanlicht glansde, luisterde naar den regelmatigen maatslag der golven, dacht eraan, hoe die zelfde wateren, welke nu zoo kalm waren, eens des nachts door een bevigen storm werden beroerd, toen Jezus\' jongeren zich met hun scheepje daarop bevonden ; — boe zij daar eensklaps eene gestalte op de golven zagen wandelen en eene stem bun toeriep: „Vreest niet. Ik ben het!quot; Hoe, toen zij Zijne stem herkend hadden, zij ongetwijfeld even kalm en gerust voortgingen, als bet kleine

279

ocr page 302

EEX ZONDAG AAN HET MEER GENEZARETH.

^80

scheepje, dat ik thans in de verte op de golven ontwaarde.

Ik heb menig liefelijk plekje in het Heilige Land gezien, ik bezocht de met sneeuw bedekte toppen van den Libanon, de omstreken van Galilea, Nazareth, Tabor, Naïn en Sunem, maar niets trof mij zoozeer als het meer Genezareth ; en de herinneringen, die daar in mij oprezen, zullen mij steeds bijblijven. .Maar ook het meer zelf zal niet immer verlaten blijven; wanneer do Heer der heerlijkheid komt, zal ook over zijne oevers do morgenglans der eeuwigheid opgaan.

EEN NACHT TE NAïN.

Het was op een Vrijdag, dat wij over de vlakte van Jiz-reël naar het dorpje Naïn reden. Wij hadden dien dag Samaria reeds gezien, waren een groot eindweegs over de vlakte van Esdivlon door Djenim en Jizreël gereden, terwijl om ons heen de Karmel, de kleine Hermon, de Galileesche bergen met het dorpje Nazareth en in het Noorden do Tabor, tal van herinneringen bij ons wekten. De zon neigde reeds ten ondergang achter den Karmel, toen wij het .uit het Oude Testament zoo welbekende Sunem verlieten. Een vooruitspringende top van den Bjeb\'d cd Dahi, van den zoogenaamden kleinen Hermon, scheidt Sunem van Naïn. Van beide plaatsen wordt ons verhaald, dat aldaar een doode in het leven werd teruggeroepen. Wij dreven onze paarden tot meerder spoed aan, toen wij om den berg heen reden, die Naïn nog voor onzen blik verborgen hield. Hoe duidelijk stond mij dat stadje nog voor den geest. Eenige dagen geleden had ik tot mijne Arabische gemeente

ocr page 303

EEN NACHT TE NAÏN.

gesproken over hetgeen daar geschied was, niet vermoedende, dat ik er zoo spoedig een nacht zou doorbrengen. Het was ons plan geweest slechts een vluchtig bezoek aan Naïn te brengen en dan naar den twee uur verder gelegen Tabor te rijden, maar onze paarden waren zoo vermoeid, dat wij daarvan moesten afzien.

Niet ten onrechte heet Naïn „de liefelijke.quot; Een hooge, steile rots, door het zwarte bazaltsteen nog indrukwekkender, verheft zich trotsch uit de vlakte van Jizreël, dat is de berg ed Dahi. Aan zijn voet verheft zich weder een zacht glooiende, vruchtbare heuvel, waarop een wit kerkje Is gebouwd. Hier ligt Naïn. Slechts eenige leemen hutten, waaruit het tegenwoordige dorpje bestaat, zijn in de nabijheid van het kerkje zichtbaar; op zichzelf zijn zij armoedig en vervallen, maarzij vormen een schilderachtig en liefelijk geheel, zoodat het ons niet berouwde, hier eenige uren te moeten doorbrengen. De meeste pelgrims overnachten op den schoonen Tabor, maar weinige in Naïn. Wij drenkten onze paarden aan de bron, die reeds ten tijde van Jezus de stad van water voorzag, en beklommen daarna den heuvel. De zon was verdwenen, toen wij het kerkje bereikten, en spoedig was alles in duisternis gehuld. Eene weduwe uit Naïn en hare schoondochter, beiden Mohammedaansche vrouwen, noodigden ons uit dien nacht bij haar door te brengen. De weduwe bracht, ons in eene kamer, die door Franciskanen te gelijk met de kapel gebouwd en vooi\' eenvoudige pelgrims ingericht was; zoowel de kapel als dit vertrek was aan de zorg onzer Mohammedaansche gastvrouw toevertrouwd. Wij waren weldra gemakkelijk ingericht; eenige planken, op blokken hout gelegd, dienden ons tot tafel, waarop wij ons avondeten bereidden. Die britsen, welke tot slaapplaatsen waren bestemd, bedekten wij met onze reisdekens, terwijl wij de zadeltasschen als kussens gebruikten. Bij gebrek

281

ocr page 304

282 EEN NACHT TE NAÏN.

aan verlichting, bracht de vrouw ons een kandelaar van het altaar. Haar zoon lag sedert eenigen tijd zwaar ziek aan de koorts, waarover zij zich zeer bezorgd maakte. Ik nam de gelegenheid waar om haar te wijzen op Hem, die bijna 1900 jaar geleden, eene andere weduwe haren dooden zoon teruggegeven had. Zij luisterde aandachtig en het bleek, dat zij de geschiedenis reeds kende, die haar dorp zoo beroemd heeft gemaakt. Toen ik haar vroeg, of zij geloofde, dat Jezus eenmaal den jongeling in het leven teruggeroepen had en ook heden nog helpen kan, antwoordde zij tot mijne niet geringe verwondering: „Daaraan twijfel ik in \'t minst niet; Hij is immers de Zoon des Allerhoogsten en uit den Almachtige zelf voortgekomen!quot;

Ik ging met haar tot den kranke, dien ik in een zeer zwakken toestand aantrof. Ik gaf hem eenige geneesmiddelen en vermaande allen, zich te wenden tot den grooten Geneesmeester, die hier eenmaal Zijne macht zoo krachtig had geopenbaard.

Toen wij ons door het avondeten versterkt hadden, traden wij naar buiten om aan Naïn een nachtelijk bezoek te brengen. De maan was opgegaan en verlichtte de stille vlakte en bergen. Duizenden sterren fonkelden aan den hemel en herinnerden ons, dat eenmaal de Levensvorst uit het rijk des lichts was nedergedaald en hier nieuw leven had gewekt. Was het slechts de betooverende schoonheid van dat landschap, die ons zoo diep aangreep, of waren liet de herinneringen, die het in ons wekte? Het was, alsof elke berg en elk dal ons iets te verhalen had. Vóór ons verhief zich de berg, waarachter Sunem gelegen was, de woonplaats van den profeet Eliza, alwaar hij den zoon der Sunemietische opwekte. Aan onze rechterhand zagen wij de Jichten van Endor, waar eens een ongelukkige koning de laatste uren zijns levens in vertwijfeling doorbracht. Op nog grooteren afstand waren do

ocr page 305

EEN NACHT TE NAÏX.

donkere omtrekken van de bergen van Gilboa zichtbaar, over welke David, in zijn roerenden treurzang over de gevallen belden, een vloek uitsprak, en beneden in het dal, hoewel voor ons oog verborgen, ligt het meer Genezareth. Vóór ons strekt zich de vlakte van Jizreël uit, waar men slechts hier en daar een vuur der Bedoeïenen bemerkt. terwijl daarachter zich de Tabor verheft en links de lichten uit de hoogst gelegen huizen van Nazareth flikkeren. In het Westen sluit de Karmel den nachtelijken horizont af. Dit schouwspel was wel in staat ons met heilige herinneringen te vervullen. Den meesten indruk echter maakte het liefelijke Naïn op ons. Het lag ongetwijfeld eenmaal op dezelfde plaats, waar nu de leemen hutten staan. In het oostelijk en westelijk gedeelte van het dorpje bevinden zich verscheidene graven; het is echter niet met juistheid te bepalen. waar de vroegere begraafplaats was. Het kerkje intusschen wees naar het Oosten en gaarne volgden wij dien wenk. Wij zagen in den geest den Heer het stadje naderen, in hetzelfde oogenblik, dat de doode jongeling werd uitgedragen. Dezen weg moet de treurige stoet gevolgd zijn, daarlangs ging de arme weduwe, die alles verloren had en niets liever wenschte dan met haren zoon begraven te worden. Jezus echter, de Levensvorst, kwam juist langs dien zelfden weg hun te gemoet en, den lijkstoet ziende, werd Hij met ontferming over de diepbedroefde vrouw bewogen. Hij troostte haar met de woorden: „Ween niet,\'quot; dwong den koning der verschrikking zijne prooi terug te geven en schonk, ten aan-schouwe der verbaasde omstanders, den moeder haren zoon terug.

Wij spraken niet veel, onze harten waren vol, wij hadden kunnen jubelen, maar de lippen bleven gesloten. Wij verkeerden in den geest in het verledene en prezen met de volksmenigte Jezus, den Vorst des levens. Nu begaven wij ons naar

ocr page 306

EEN NACHT TE XAÏN.

284

het kerkje, dat de Mohammedaansche vrouw voor ons ontsloot. Het behoorde aan de Roomsch-katholieken, maar er zijn plaatsen, waar men zoodanig verschil in godsdienst vergeet, en daartoe behoorde deze kapel. Wij staken de talrijke kaarsen op het altaar aan en hieven gemeenschappelijk een lied aan. Daarna las een uit het gezelschap het zevende hoofdstuk van het Evangelie van Lukas, beginnende bij de woorden: „En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar eene stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijne discipelen en eene groote schare.quot; Zelden zal dit geschiedverhaal aandachtiger toehoorders gevonden hebben, als dezen nacht, toen wij het hoorden voorlezen op de plaats zelve, waar het feit is voorgevallen. Toen verhieven wij onze harten tot God en dankten Hem, dat wij de verzekering hadden, ook eenmaal in nieuwe kracht te zullen opstaan en een nieuwen dag te zullen zien aanbreken, waarop de geheele aarde gelijk zal zijn aan één groot Naïn. Dan zal de Levensvorst voor het laatst den koning der verschrikking te gemoet treden en al Zijnon kinderen toeroepen : „Weent niet.quot; Dan zullen ook wij Hem volgen in het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid.

DOOR DE WOESTIJN PARAN.

Het is volstrekt mijn plan niet, den lezer te brengen in een dier Afrikaansche woestijnen, waarvan in de laatste jaren de ontdekkingsreizigers zulke afschrikwekkende beschrijvingen geven. De woestijn Paran is wel in Afrika gelegen, maar op onzen tocht door deze wildernis hebben wij niet ééne ont-

ocr page 307

DOOR DE WOESTIJN PARAX. 285

mooting met een leeuw of tijger gehad, en zijn wij ook niet in de noodzakelijkheid geweest, ons tegen de arme zwarte inlanders te verdedigen. Onze weg voerde langs sedert lang betreden paden, die ook onzen lezers niet onbekend zullen zijn; want hoe dikwijls volgden wij niet in den geest Abraham, Izaak, Jnkol) en Jozef alsmede Jozef met Maria en haar Zoon op hunnen weg door deze woestijn, die het Beloofde Land van Egypte scheidt. Reeds lang had ik gewenscht, de streken te bezoeken, door welke Jezus, op zoo teederen leeftijd, moest vluchten voor de moorddadige aanslagen van Herodes; en daar wij nu eene vergadering in Egypte moesten bijwonen, besloten wij, mijn broeder en ik, de reis over land te doen. Niemand onzer bekenden had dezen tocht ooit gedaan en eenige weken later werd het allen Europeanen ten strengste verboden.

Den 19den Maart I88G verlieten wij Bethlehem en begaven ons op weg naar Egypte. Het eerste doel van onzen tocht was Gaza, dat wij in twee dagen hoopten te bereiken. Van het gebergte van Juda daalden wij door diepe rotskloven af in de vlakte. Dien eersten nacht dwaalden wij langen tijd rond in de duisternis, alvorens de wolkensluier verbroken werd en de vriendelijke poolster ons in de gelegenheid stelde onzen koers te bepalen. Wij overnachtten te Beit-Djibrin, beroemd wegens zijne grillig gevormde rotspaleizen, in de woning van het eens zoo machtige opperhoofd. Den volgenden morgen zetten wij onzen weg voort over de rijk met „leliën des veldsquot; (anemonen) getooide vlakte van Sefala naar Gaza, de oude stad der Filistijnen, waar wij den Zondag doorbrachten, waarna wij des Maandags de woestijn betraden.

ocr page 308

DE WEIDEN DER AARTSVADERS.

Alvorens wij verder gingen op den overouden heirweg, die A/.ic met Afrika verbindt, wierpon wij nog een laatsten blik op bot land der Filistijnen. Vóór ons lag Gaza mot zijne witte buizen en den beuvel, waarop Simson de deuren dor poort moet gedragen bobben, die hij uit de hengsels badgeliebt. In bot Westen verheffen zich do duinbeuvels, waarachter do zee zich uitstrekt, in bot Noord-Oosten bet oude Gatb en ver in bet Noordon de streek van Askelon, waarvan nog enkele marmeren bouwvallen zichtbaar zijn, doch dat voor bet overige in de diepte der zee is verzonken.

Wij reden in zuidelijke richting voort. De weg was zandig, maar toch voor onze paarden begaanbaar. Zoo ver wij zien kondon, strekte zich de woestijn uit, slechts bewoond door Bedoeïenen, wier zwarte tenten wij bier on daar bespeurden. Af en toe ontmoette ons een hunner opperhoofden. Trotscb en vol gevoel van eigenwaarde zit bij op zijn paard, dat gezadeld is met een lichtblauw geverfde schapenvacht en met kwasten versierd. Met sierlijke bewegingen drilt bij zijne 4 meter lange lans. Wij bevinden ons echter nog niet in de eigenlijke woestijn. Deze geheele streek bestaat uit een groon-gekieurde grasvlakte, waarop talrijke kudden grazen. Reeds in oude tijdon wist mon deze weiden naar waarde te schatten; hierop toch brachten ook de aartsvaders gaarne hunne kudden. Daaraan borinnerde ons weldra oen heuvel, dien onze ezeldrijver mot den naam van Gerar aanduidde. In de verte waren de omtrekken van de bergen van Hebron zichtbaar, die Abraham eens verliet om hierheen te trokken. „Hij reisde vandaar naar bot land van het Zuiden en verkeerde als vreemdeling te

ocr page 309

DE WEIDEN\' DEH AARTSVADERS.

Gerar.quot; In deze strook is I/aak, de zoon der belofte, geboren, en hier hebben ook de huiselijke oneenigheden tusschon Sara en Hagar plaatsgogrepen. In dezelfde richting, die wij nu volgden, vluchtte eens Hagar, nadat Abraham haar des morgens met een bedroefd hart, haar afscheid had gegeven. Wolk oen treurige tocht zal het voor de vorstootene geweest zijn! Slechts dan, wanneer onze gids er ons opmerkzaam op maakte, ontdekten wij eene bron, door groote, schijnbaar doelloos daar neergeworpen steonon aan het oog onttrokken. Hagar had niemand om haar zulk eene bron aan te wijzen; vandaar dat zij bijna van dorst versmachtto en vol vertwijfeling baai-zoon onder een struik nederlegde, om hem niet te zien sterven. Toen word haar door Gods engel zulk oen verborgene bron aangewezen.

Tevergeefs zoekt men te Gerar naar woningen en hutton, maar do overblijfselen van vroegere bronnen herinneren ons evenwel des te levendiger aan lang vervlogen dagen, vooral aan de geschiedenis van Izaak, waarin do door hem of door zijn vader gegraven putten zulk eene voorname rol spelen. Ook thans zijn die putten gestopt en bevatten geen water meer.

De hitte werd steeds drukkender en wij vorderden slechts langzaam, daar de paarden diep in het zand zakten. Mot groote tusschenrnimten rijdt de eene ruiter achter den ander. Honger en dorst deden zich pijnlijk gevoelen, doch wij konden geen geschikte rustplaats ontdekken. Alleen de eenvormige telegraafpalen, die op gelijkmatigen afstand zijn geplaatst, geven eenige schaduw. Wij moesten het daarmee voor lief nemen, stegen af en ons zooveel mogelijk met onze zonneschermen beschuttende, gebruikten wij ons middagmaal. Doch hier zonder schaduw lo rusten is waarlijk geen genoegen. Daarom bestegen wij welhaast onze paarden weder en vervolgden onzen weg in zuidelijke richting. Na eenigen tijd bereikten wij Chan Junius, de laatste

287

ocr page 310

DE WEIDEN DER AARTSVADERS.

288

Tnrkschu stad in Azië. Zij bestaat uit armoedige leemen hutten, door hooge, slanke, wiegelende palmboomen overschaduwd. Het voornaamste gebouw is een, door den tijd zwart geworden moskee, die. evenals het rijk, aan welks grenzen zij staat, den ondergang nabij is. Wij verkwikten ons aan de bron met haar scheprad, midden in de stad en, nadat wij al draaiend do drinkbakken gevuld on onze paarden gedrenkt hadden, reden wij verder om dien dag nog Sjcch Zoewejid te bereiken. Tegen vier uur bevonden wij ons op de grens van Azië en Afrika, vijf dagreizen van het kanaal van Suez. Hier zijn twee fikscho granietzuilen opgericht om de grensscheiding aan te duiden. Daartusschon staat eenzaam een oude boom, welks takken zich zuidwaarts boven Afrika en noordwaarts boven Azië\'s grondgebied uitbreiden. Zelfs in de woestijn bemerkten wij reeds bij de eerste schrede, dat wij ons niet meer op Turksch grondgebied bevonden. Do telegraafpalen, die wij tot nu toe gezien hadden, waren alle slecht en staken in jammerlijke posities, als half omvergewaaide boonenstaken uit het zand; de Egyptische daarentegen waren degelijk en goed onderhouden. Het geruisch der zee achter de duinen, die zich in de verte verhieven, was voortdurend hoorbaar, doch wij konden niet derwaarts rijden, omdat de weg te slecht was. De weg, dien wij volgden, was voor onze paarden goed begaanbaar: hij scheen vroeger zelfs met wagens bereden te zijn. Immers het is de heirweg, waarlangs eenmaal ook de kamerling uit Mooronland reisde, die evenals wij uit Gaza kwam. Bij al den glans van bet koninklijk hof aan don Boven-Nijl, ontbrak hom de eenige kostelijke parel. Daarom begaf hij zich naar Jeruzalem, waar eenigen tijd te voren de Heiland der wereld aan \'t kruis was gestorven. Maar ook te Jeruzalem vond hij niet, wat hij zocht, en hij koerde naar huis terug, zich verdiepende in de profetieën van Jesaja. Toen leidde de Heilige Geest Filippus

ocr page 311

DE WEIDEN DER AARTSVADERS. 289

tot hem on nadat deze hem in den geest nogmaals te Jeruzalem gebracht had en naar Golgotha, dat hij voorbijgegaan was, vond hij den gewenschten vrede. Nimmer zal deze kamerling den tocht door de woestijn vergeten hebben.

Tegen het vallen van den avond zagen wij op eenigen afstand een palmbosch, dat ons tot rusten noodigde. Onze paarden versnelden hunnen tred. In de nabijheid der oase graasden paarden, kameelen, ezels en schapen, en reeds in de verte hoorden wij het voor den woestijnreiziger zoo stroelende ruischen der bladeren in den avondwind , als het verwijderde bruisen „veler wateren.quot;

HET HEILIGE GRAF IN DE WOESTIJN.

Sjech Zoowejid is een dier steenen, koepelvormige graven, die in Mohammodaansche landen zoo veelvuldig voorkomen, en heeft veel overeenkomst met het bekende graf van Rachel bij Bethlehem. Dit graf is hot middelpunt der oase en bezit eene onschatbare waarde, daar het een frissche bron bevat. Bij voorkeur richten de Mohammedanen dergelijke gebouwtjes op ter plaatse, waar zich eene bron bevindt, om het te doen voorkomen als stroomde het water uit het graf van den heilige, een zinnebeeld van de zegenrijke kracht, die van den afgestorvene uitging. Niet minder dan zeventien fraaie, slanke palmboomen waren om het stille graf geplant. Op korten afstand lag het dorp, dat uit ongeveer twintig Bedoeïenen-tenten bestond. Bij onze aankomst snelden verscheiden bewoners , woeste, door de zon gebruinde mannen ons te gomoet

19

ocr page 312

HET HEILIGE GHAF IN DE WOESTIJN.

on waren ons op ons verzoek gaarne behulpzaam bij het opslaan onzer tent. Terwijl zij en onze bedienden daarmede bezig waren, deden wij een uitstapje naar de naastbijgelegen duinheuvels, waar wij met groot genoegen kennis maakten met de dierenwereld, die in deze woestijn leeft. Hier vloog een troep pelikanen krijschend over de heuvels van de zeekust, daar stak eene schuwe gazel den kop in de hoogte, koekeen oogenblik vol verbazing het vreemde gezelschap aan en huppelde snel heen. Haar spoor in het zand was in een oogenblik uitgewischt. Een matig sterke wind is voldoende om de heuvels, louter uit zand bestaande, geheel van vorm te doen veranderen. Waarheen wij gingen, ontdekten wij in het zand sporen van een dier, dat wij maar niet konden herkennen. Het waren de indrukken van heel kleine pootjes; op zeer go-regelden afstand van elkander. Eindelijk ontdekten wij een zwarten kever, den heiligen skarabeüs of mestkever, voor de Egyptenaren het zinnebeeld van de eeuwigheid, de zon en de schepping der wereld. De meeste dezer kleine schepseltjes sleepten een brok most mede zes maal zoo groot als zijzelve. Soms hielpen zij elkander de zware vracht met de achterpootjes voort te duwen, zelf achteruit loopende. Vermakelijk was het te zien, hoe soms een paar dezer zwarte snaken elkaar denzelfden schat betwistten, waarbij de een vooruit, de ander achteruit trok, tot beiden tot hun verwondering met hun buit van eene kleine hoogte naar beneden tuimelden. Tevergeefs braken wij er ons hoofd over, hoe deze grappan-makers do hooge eer hadden verworven, het zinnebeeld te worden van de eeuwigheid, de zon en de schepping der wereld en ook onze gids scheen niet zeer voldaan over de verklaring, die hij ervan gaf. Hij beweerde n. 1., dat zij zoo beschouwd werden, wijl „dat gedierte nooit uitsterft.quot;

Het was een schoone avond. In plaats van de avondklok

290

ocr page 313

HET HEILIGE GRAF IX DE WOESTIJN.

weerklonk het bruisen der zee door de diepe stilte, die inde woestijn heerschte. De zon was als in de zee ondergegaan, de sterren schitterden, alles scheen te droomen van vervlogen eeuwen, van wandelaars, pelgrims en voortrukkende heirlegers, die eenmaal door deze woestijn waren getrokken en nu reeds lang in Oost en West begraven liggen. Het verwonderde ons niet, dat de bewoners dezer woestijn eenmaal geloofden, het lot der menschen in de sterren te kunnen lezen. De Arabieren beschouwden de sterren als boden Gods, als engelen, die in eeuwigen glans en nooit verbroken orde hunne banen vervolgden. Het waren kinderen Gods, die jubelend den troon des Allerhoogsten omringden of zich in slagorde stelden als krijgslieden van den Heere Zebaoth. Daarom viel hun goddelijke eer ten deel; deze Sabeërsdienst was gewis de oudste godsdienst der volkeren van Arabië. Toen wij terugkeerden, was onze tent in de nabijheid van het oude graf opgeslagen, onze reisdekens waren uitgespreid, de zadeltasschen als kussens nedergelegd en de geur der echte Arabische koffie kwam ons reeds tegen. De paarden waren buiten de tent vastgebonden en deden zich te goed aan de Filistijnsche gerst. Na den maaltijd verhaalden ons de Bedoeïenen, onder het genot eener Turksche pijp, van hunne levenswijze in de woestijn, waar zij heer en meester zijn en zich om regeering noch ambtenaren bekommeren.

Weet, dat hij het wèl beseft:

Heel het ruim is mijn gebied!

Waar zijn pijl maar snort en treft,

Wat er kruipt, op wieken vliegt,

\'tls zijn buit.

201

ocr page 314

AAN DE BEEK VAN EGYPTE.

Wij konden dien nacht nicl vcol slaap genieten. Do spade regen, dien wij niet meer verwacht hadden, bleek toch in aantocht te zijn en, hoewel wij daarvan in de woestijn niet voel te duchten hadden, hoorden wij toch den wind en trokken do wolken over onze hoofden voort. Tevergeefs trachtte ik onder mijn dunne reisdeken warm to worden; daar wij do koude niet verwacht hadden. was de quot;tent niet met de noodige voorzorg opgeslagen en had de kille nachtwind vrijen toegang.

Kort na den opgang der maan wekte ik, van don nood eene deugd makende, de overige leden van het reisgezelschap uit hun zoete rust, omdat hot hij nacht boter reizen is dan over dag. De tent werd opgebroken, de paarden werden gezadeld, en, hoewel gedeeltelijk nog slaapdronken, ging hot weldra voorwaarts. Zwijgend reed de een achter den ander, nadat men zich van \'t hoofd tot de voeten in zijn rood tapijt had gewikkeld, om togen de kou beschut te zijn, en slechts nu en dan een woord wisselend, wanneer de telegraafpalen, die ons den weg aanduidden, niet moer zichtbaar waren. Onze ezeldrijver had het hard te verantwoorden, daar zijn lastdier, dat niet best geluimd was, hom telkens met de grootste koelbloedigheid zandruiter maakte, welk vermakelijk spel ons allen goed wakker deed worden en in een vroolijke stemming bracht. Tusschenboide zagen wij in de duisternis de roode vlammen van de vuren der Bedoeïenen, die zich hier en daar gelegerd hadden. Eindelijk brak do dag aan, slechts door eene korte schemering aangekondigd. De donkere hemel wordt op eenmaal flauw verlicht. Groote wolkenmassa\'s drijven naar het Oosten, als om de dagvorstin te begroeten. Elk oogenblik schittert de

ocr page 315

AAN DE BEEK VAN EGYPTE.

hemel met andere tinten. Het is een grootsch schouwspel, de wolken hoepen zich op en vormen eene poort van purper en goud, waaruit plotseling de zon te voorschijn treedt en hot geheele aardrijk als met eene zee van licht overstort. De lichtgekleurde wolkjes verbleeken meer en meer, totdat de zon ze geheel doet verdwijnen. De atmosfeer werd van oogenblik tot oogenblik warmer. De ruiters ontdeden zich van hunne reisdekens en wij begroetten tegen 9 uur met blijdschap de palm-boomen van El-Arisj; want waren onze aangezichten reeds gisteren tamelijk verbrand, heden werd de hitte nog veel grooter, zoodat wij blij waren zoo vroeg opgebroken te zijn. Na verloop van een uur hadden wij de Egyptische grensvesting bereikt.

Gelijk een eenzaam eiland midden in de zee, zoo ligt El-Arisj , ver van het gewoel der wereld, in de woestijn tusschen Azië en Afrika. Waar men het oog ook heenwendt, het ontwaart niets dan zand, het vindt geen groen plekje om te rusten. In het Noordwesten bruist de zee; hooge, verweerde palmboomen wiegelen hunne kruinen droefgeestig in den wind. El-Arisj, de „looverhut,quot; heeft klaarblijkelijk zijn ontstaan te danken aan het overoude palmbosch, dat hier aan den mond der veelal waterlooze „beek van Egyptequot; den doortrekkenden karavanen eene rustplaats bood. Gelijk wij in de Heilige Schrift lezen, was deze beek vroeger de grensscheiding tusschen Egypte en Palestina en heden ten dage ligt hier nog de grensvesting van het wonderbare land der pyramiden. De citadel, een oud Mohammedaansch gebouw, welks steenen zwart zien van ouderdom, steekt hoog uit boven de lage, onaanzienlijke huizen der stad. De bewoners zijn frissche, krachtige gestalten. Zij voorzien in hun onderhoud door menschen en koopwaren op den rug hunner trouwe kameelen van het eene werelddeel naar het andere over te brengen. Onze vrienden in Gaza hadden

293

ocr page 316

AAN DE BEEK VAN EGYPTE.

ons voorspeld, dat wij hier een oponthoud van vier tot zes dagen zouden hebben, daar men in deze stad in quarantaine moet liggen, niet tot wering der cholera of eene andere vreese-lijke ziekte, maar om geen veeziekte over te brengen. Wij lieten als voorzorgsmaatregel onze paarden en onzen ezel achter en legden het laatste gedeelte van den weg te voet af, met onze reisbenoodigdheden beladen. Maar de Egyptenaars waren ons toch te slim af. Nauwelijks hadden wij de eerste hutten bereikt en bewonderden de straat, welke treffend op een leger van loofhutten geleek, toen een dikke beambte al hijgend en puffend ons staande hield en ons toeschreeuwde, of wij niet wisten, dat hier quarantaine was. Hoewel wij dit ontkenden, doch bescheiden opmerkten, dat dit, zoo wij meenden slechts van toepassing was op het dierenrijk, waartoe wij onszelven niet achtten te behooren, waren wij in de noodzakelijkheid den man te volgen naar het nieuwgebouwde quarantaine-huis. In de Oostersche landen kan men intusschen bijna alles met duimkruid dwingen en wij bemerkten ook spoedig, dat dit de zwakke zijde wras der heeren, voor wie wij moesten verschijnen. Na betaling eener niet geringe som gelds, mochten wij onzen weg vervolgen. Mijn knecht voerde onze paarden naar Palestina terug, daar wij nu gebruik moesten maken van kameelen, en wij brachten den nacht door in de woning van den telegrafist van El-Arisj, een evangelisch Christen, dien wij van onze komst verwittigd hadden.

Deze geleidde ons met de hartelijkste gastvrijheid naar zijne woning en ontving ons gelijk eens Mozes door Jethro werd ontvangen. Spoedig waren wij geheel met elkaar vertrouwd. In don huiselijken kring van dezen zoo eenzaam levenden Christen, die van den verren Libanon afkomstig was, doorleefden wij een aangenamen avond. Onze vrienden toch wilden volstrekt niet toelaten, dat wij onze tent voor de stad opsloegen ;

294

ocr page 317

AAN DE BEEK VAN EGYPTE.

maar zij ruimden ons het beste vertrek van hun leemen huis in en wisten het ons hier zoo geriefelijk en behagelijk te maken, als wij het in dit ultima Thule niet hadden kunnen verwachten.

IN ÜE WOESTIJN.

De zon had reeds een derde gedeelte van haren loop volbracht, toen onze gastheer ons een eindweegs buiten de stad geleidde. Daar onder de palmen bestegen wij voor het eerst het „schip der woestijn,quot; in deze streek dromedaris genaamd. Met vluggen tred droegen deze slanke dieren ons verder, zoodat de stad weldra uit ons gezicht verdwenen was, waar meer dan 80 jaar geleden Napoleon het verdrag van El-Arisj onderteekende, zich daardoor verbindende Egypte te ontruimen. Na verloop van een halfuur bereikten wij een kleinen heuvel, Tdl Bcrdawil, het gedenkteeken van een held uit veel oudere tijden. Berdawil is n. 1. eene verbastering van den naam Balde-wijn of Boudewijn, een kruisvaarder, die hier in de eenzame woestijn zijn graf vond.

Onze weg liep langs de zee, wier ultramarijn ons boeide. Met verrukking weidde onze blik voortdurend over de waterheuvels, die aan den verren gezichteinder als in \'t oneindige zich verliezen. Aan den oever, in onze onmiddellijke nabijheid hadden wij het altijd levendige, frissche schouwspel van \'t aanrollen der golven, die tusschenbeide de voeten onzer kameelen met schuim bedekten.

Hoe is deze Middellandsche Zee als met de geschiedenis der

295

ocr page 318

IX DE WOESTIJN.

menschheid samengeweven. Aan alle zijden door land omringd, heeft zij belangrijker geschiedenis, dan eenige andere zee. Sedert overoude tijden werden hare oevers door beschaafde volkeren bewoond: de Israëlieten, het volk Gods, de ernstige Egyptenaars, de ondernemende en vindingrijke Phoeniciërs, de kunstlievende Hellenen, de ijzeren Romeinen. Voor groote, ondernemende volken was zij zoowel de wieg als het graf. Op haren rug droeg zij eenmaal het geluk en de vrijheid van machtige koninkrijken, wanneer hunne schepen met trotsche masten en wapperende vlaggen uitvoeren of de ijzeren boeien in het bewegelijk element wierpen. De kampvechters voor de vrijheid met hunne legioenen, zijn reeds lang ondergegaan en vergeten, en de zee doet nog immer als om hunnentwil haar ernstigen en machtigen treurzang hooren. Ook de zon eener hoogere wereld ging aan hare oevers op, toen de Heiland dei-wereld geboren werd. Een Paulus werd over haar watervlak gevoerd om het allesbeheerschende Rome aan den Koning des hemels te onderwerpen. Weldra breidde zich de Christelijke Kerk in wijden kring rondom haar gebied uit, totdat, helaas, de belijders van den Islam de overhand verkregen tot de Pyreneën. Het is, als hooren wij in het gedruisch harer golven het klaaglied eener weduwe over het treurige einde van zulk een grootsch verleden. Weliswaar zijn de kruisvaarders er met vliegende vanen over gestoken en zond de marmeren lagunen-stad hare trotsche zeilers derwaarts; doch de doodelijk prangende gordel van den Islam, die de Middellandsche Zee omklemt, is nog niet gebroken

Deze gedachten en beelden verrezen voor onzen geest, terwijl wij naar het eeuwenoude lied der golven luisterden. Welk een zeldzaam verschil tusschen de zwijgende woestijn en de nimmer \'rustende zee! Niets dan zand vertoont zich aan ons oog, geen struik, geen boom, geen heuvel. Tallooze schelpen

296

ocr page 319

IN DE WOESTIJN. 297

onder don lichten voet onzer voortsnellende kameelen getuigen echter, dat ook hier eene dierenwereld heeft bestaan en zoo is ook do woestijn, niet hare overblijfselen van vroeger leven, het gebied van don dood, evenzeer als de onstuimige, einde-looze zee, een beeld der eeuwigheid en der scheppende macht Gods.

Tegen don middag verlieten wij den oever der zee in zuidwestelijke richting, nadat wij afgestegen waren en ons door een bad in zee hadden verfrischt. Onze dienstknecht miste daartoe den moed, met verbaasden blik had hij voor het eerst deze uitgestrekte wateren gezien, on een gestrand stoomschip, dat wij te Gaza waren voorbijgereden, had zijn vertrouwen in dit bedriegelijk element geenszins verhoogd. Hoe wakker hij overigens was, als gehuwd man en vader van kinderen, achtte hij het niet raadzaam zijn leven zoo te wagen. Weldra waren wij weder op onze kameelen gezeten en trokken verdolde woestijn in. Eerst toen wij het bruisen dor golven niet meer vernamen, ondervonden wij ten volle, wat het zeggen wil, een tocht door de onmetelijke, dorre woestijn te doen. Hot is dezelfde vreeselijke zandwoestijn, wier onafzienbare vlakten zich van den Eufraat, voorbij Palestina on de Zoutzee, tot het weelderige Nijldal uitstrekken. Sedert overoude tijden zijn duizenden over dit reusachtig kerkhof getrokken en duizenden hebben daarin een wel niet kil, maar te meer eenzaam graf gevonden. Dit gedeelte dor woestijn draagt den naam van Et-Nih, d. i. woestijn der omzwerving, daar het volk van Israël zoo lange jaren daarin rondgezworven hooft. Het is de noordelijke rand van „de groote en vreeselijke woestijn Paran,quot; zooals zij in de Heilige Schrift genoemd wordt. Tegenwoordig is het niet moeiolijk er den weg te vinden. Ook wanneer de steeds kleiner wordende telegraafpalen daar niet gestaan haddon, zouden de door de zon sneeuwwit gebleekte doodsbeenderen

ocr page 320

IN DE WOESTIJN.

ons de richting hebben aangeduid, die wij te volgen hadden. Meerendeels zijn het beenderen van kameelen, en vele daarvan moeten reeds zeer lang hier gelegen hebben; want, wanneer onze rijdieren ze met hunne pooten slechts even aanroerden, vielen ze als asch in elkaar. Kleurloos, met een verblindend licht overgoten, ligt de woestijn voor ons, geen boom wiegelt op den adem des winds, geen heuvel brengt eenige afwisseling in de lijnen van het landschap. De zon blakert alles, wij hullen hoofd en mond in doeken en hangen de zijden lamfers als een gordijn voor de oogen. Slechts met moeite kunnen wij ons door middel van opgestoken, dichte zonneschermen eenigs-zins tegen de hitte beschutten.

Wanneer iemand voor \'t eerst de woestijn, met hare tallooze dorre doodsbeenderen, betreedt, vaart hem eene huivering door de leden. Hoe licht en bevallig beweegt zich echter de kameel hier voort! Men ziet, hier is hij in zijn element. AVel schijnt hij, wanneer hij zich op den grond neerlegt, den langen hals in het zand uitgestrekt, een waar beeld van trage rust; doch, als hij u op zijn rug heeft laten klimmen en u opbeurt, tot gij als op een onbeweeglijken kerktoren zit, en zoo u voortdraagt, zult gij u moeten verbazen over zijne onvermoeibare volharding. Rustig en deftig gaat hij zijn weg; het sterkste en vlugste paard zou hij verre achter zich laten. Hij is het eenige vervoermiddel door de woestijn, bij gebrek daarvan, zouden de Oostersche volken door onoverkomelijke kloven van elkaar gescheiden zijn. De kameel is treffend doelmatig gebouwd; zijne pooten zijn juist geschikt om zich gemakkelijk over het zand voort te bewegen als op eene zachte weide en op zijn zwaar gebulten rug torst hij dagen achtereen lasten, zelfs van zes centenaars gewicht. Onze tocht duurde vier dagen en gedurende al dien tijd bleven zij nagenoeg zonder voedsel; slechts wanneer een taaie, stekelige struik aan den weg stond.

298

ocr page 321

IN DE WOESTIJN.

299

maakten zij zich daarvan meester en vermaalden hem met de scherpe tanden en het drietal lippen. Zij hadden in El-Arisj eene ontzaglijke hoeveelheid water gedronken, als wisten zij, dat zij in langen tijd geen water meer zouden zien. Zij kunnen het zonder water vijf tot zes dagen volhouden. Het is echter maar een vertelseltje, dat men bij gebrek aan water het dier doodt en zich verkwikt aan het water, dat hij in zakken in het lichaam bewaart. Dit water is voor den mensch ondrinkbaar. Eenmaal, te Bir el Ahd. vonden wij brakwater. Reeds bespeurden onze lastdieren de aanwezigheid ervan, zij strekten den langen hals uit en hielden de oogen, die door het vooruitstekende voorhoofdsbeen tegen den zonnegloed beschut worden, onafgebroken op die plek gevestigd, welker water een gein-uitzond, die in de wijdgeopende neusgaten opgevangen, de reukzenuwen prikkelde. Door deze vatbaarheid kan do kameel meermalen zijnen berijder van den dood redden. — Op onzen tocht hadden wij niet den minsten last van die soort van veeziekte, die, zoo men zegt, verbonden is aan hot berijden van den kameel, het schip der woestijn. Inderdaad, hoe zal men gemakkelijker rijden dan op deze lichtvoetige rijdrome-darissen. Wij zaten op onze zachte zadels, met de roode tapijten tusschen de hooge, vergulde zadelknoppen belegd, zooals wij het maar wenschen konden, lieten nu eens de beênen langs de zijden van ons rijdier nederhangen en strekten ze dan weder over elkaar geslagen op zijn langen hals uit, eene houding, die wij zelfs niet behoefden te veranderen, wanneer het dier in snellen draf voortliep. De Arabier verzorgt en behandelt zijn kameel als een vriend en zij verstaan elkaar bij den minsten wenk. De Bedoeïen springt meermalen op zijn kameel, wanneer het dier in vollen draf voortloopt. Het buigt dan den hals omlaag, zijn meester springt er behendig op, staat recht overeind op den hoogen nek en klimt dan verder naar

ocr page 322

IN DE WOESTIJN.

het zadel. Meermalen zagen wij zelfs oude Bedoeïenen met bruine gezichten; door een sneeuwwitten baard omringd, met witte wenkbrauwen die de arendsoogen overschaduwden, die op zulk eene wijze, als waren het jonge knapen, hun kameel bestogen.

Om gebrek aan water op reis te voorkomen, hadden wij te El-Arisj een sterk gebouwden kameel met zes aarden kruiken, van nagenoeg een meter hoogte, beladen. Het water te El-Arisj was echter zoo zout van smaak, dat het ons ging als eenmaal den kinderen Israels te Mara: „zij konden het water te Mara niet drinken, want het was bitter.quot; De inwoners dezer plaats drinken het evenwel jaar uit jaar in. Wij echter vulden onze kruiken met water uit eene bron, die een uur van de stad verwijderd was en hoewel ook dit troebel was, heeft het ons op reis toch menigmaal verkwikt. Wij leerden nu verstaan, hoe de Israëlieten bij gebrek aan water zoo spoedig den moed lieten zinken.

Bloedrood daalde des avonds de zon onder den cirkelronden gezichteinder en weldra was de geheele woestijn in duisternis gehuld. Wij sloegen onze tent op achter een kleinen zandheuvel ter zijde van den weg. De kameelen legden zich te rusten met den rug tegen den westenwind gekeerd, die des nachts zoo koel over de vlakten strijkt, en herkauwden de opgegeten struiken, terwijl de Bedoeïenen een groot, hoog opflikkerend vuur van bijeengeraapt struikgewas ontstaken, dat onze tent en onze geleiders schilderachtig verlichtte. Een vrome Moham-medaansche pelgrim, de eenige persoon, dien wij ontmoetten, had zich bij ons gevoegd. Hij was niet te Mekka geweest, maar had de heiligdommen te Jeruzalem en te Hebron bezocht, de heilige rotsen gekust en op het graf der patriarchen gebeden. Nu keerde hij voldaan naar het Nijldal terug, dat hem toch boven alles lief was, ook boven de heiligste plaatsen op

300

ocr page 323

IN DE WOESTIJN.

BOl

aarde. Hij verhaalde ons allerlei merkwaardigheden van zijnen tocht, terwijl wij ons avondeten, bestaande uit olijven met geconserveerd ossenvleesch uit de prairieën van Amerika, gebruikten. Eenige uren later, toen ook de koffie gedronken en het laatste luchtige wolkje uit de gemeenschappelijke pijp vervlogen was, legden wij ons ter ruste, door een van zand opgeworpen ringmuur tegen den konden nachtwind in onze tent beschut. Daar ik, zooals ik reeds zeide, slechts één reisdeken had medegenomen, groef ik een langen kuil, maakte van hot uitgeworpen zand mijn hoofdkussen, legde mij daarin neder als in een warm bed en sliep als oen der zeven slapers van de sage.

OVEROUDE PADEN.

Reeds vroeg in den morgen werden wij door anze Bedoeïenen gewekt en daar zij ons tot spoed aanspoorden, besloten wij ons ontbijt onderweg te gebruiken. De weg werd steeds breeder en in de frissche morgenlucht ging het in gestrekten drat voorwaarts. Aan beide zijden van ons pad verhieven zich lage heuvels, de weg zelf was in het midden plat getreden en bereikte eene breedte van 1 kilonieter. Wij werden met onze gedachten teruggevoerd naar oude tijden. In den geest zagen wij de geduchte legers der oudheid langs dezen weg optrekken, van Azië naar Afrika, van Afrika naar Azië: Egyptenaars, Assyriërs, Romeinen, Turken en Kruisvaarders. Blinkende wapenen, vliegende vanen, optrekkende legerafdeelingen zetten meermalen leven bij aan deze eenzame woestijn. Maar ook

ocr page 324

IN DE WOESTIJN.

het zadel. .Meermalen zagen wij zelfs oude Bedoeïenen met bruine gezichten, door een sneeuwwitten baard omringd, met witte wenkbrauwen die de arendsoogen overschaduwden, die op zulk eene wijze, als waren het jonge knapen, hun kameel bestegen.

Om gebrek aan water op reis te voorkomen, hadden wij te El-Arisj een sterk gebouwden kameel met zes aarden kruiken, van nagenoeg een meter hoogte, beladen. Het water te El-Arisj was echter zoo zout van smaak, dat het ons ging als eenmaal den kinderen Israëls te Mara: „zij konden het water te Mara niet drinken, want het was bitter.quot; De inwoners dezer plaats drinken het evenwel jaar uit jaar in. Wij echter vulden onze kruiken met water uit eene bron, die een uur van de stad verwijderd was en hoewel ook dit troebel was, heeft het ons op reis toch menigmaal verkwikt. Wij leerden nu verstaan, hoe de Israëlieten bij gebrek aan water zoo spoedig den moed lieten zinken.

Bloedrood daalde des avonds de zon onder den cirkelronden gezichteinder en weldra was de geheele woestijn in duisternis gehuld. Wij sloegen onze tent op achter een kleinen zandheuvel ter zijde van den weg. De kameelen legden zich te rusten met den rug tegen den westenwind gekeerd, die des nachts zoo koel over de vlakten strijkt, en herkauwden de opgegeten struiken, terwijl de Bedoeïenen een groot, hoog opflikkerend vuur van bijeengeraapt struikgewas ontstaken, dat onze tent en onze geleiders schilderachtig verlichtte. Een vrome Moliam-medaansche pelgrim, de eenige persoon, dien wij ontmoetten, had zich bij ons gevoegd. Hij was niet te Mekka geweest, maar had de heiligdommen te Jeruzalem en te Hebron bezocht, de heilige rotsen gekust en op het graf der patriarchen gebeden. Nu keerde hij voldaan naar het Nijldal terug, dat hem toch boven alles lief was, ook boven de heiligste plaatsen op

300

ocr page 325

IN DE WOESTIJN.

301

aarde. Hij verhaalde ons allerlei merkwaardigheden van zijnen tocht, terwijl wij ons avondeten, bestaande uit olijven met geconserveerd ossenvleesch uit de prairieën van Amerika, gein-nikten. Eenige uren later, toen ook de koffie gedronken en het laatste luchtige wolkje uit de gemeenschappelijke pijp vervlogen was, legden wij ons ter ruste, door een van zand opgeworpen ringmuur tegen den kouden nachtwind in onze tent beschut. Daar ik, zooals ik reeds zeide, slechts één reisdeken had medegenomen, groef ik een langen kuil, maakte van het uitgeworpen zand mijn hoofdkussen, legde mij daarin neder als in een warm bed en sliep als een der zeven slapers van de sage.

OVEROUDE PADEN.

Reeds vroeg in den morgen werden wij door an ze Bedoeïenen gewekt en daar zij ons tot spoed aanspoorden, besloten wij ons ontbijt onderweg te gebruiken. De weg werd steeds breeder en in do frissche morgenlucht ging het in gestrekten drat voorwaarts. Aan beide zijden van ons pad verhieven zich lage heuvels, de weg zelf was in het midden plat getreden en bereikte ,iene breedte van 1 kilometer. Wij werden met onze gedachten teruggevoerd naar oude tijden. In den geest zagen wij de geduchte legers der oudheid langs dezen weg optrekken, van Azië naar Afrika, van Afrika naar Azië: Egyptenaars, Assyriërs, Romeinen, Turken en Kruisvaarders. Blinkende wapenen, vliegende vanen, optrekkende legerafdeelingen zetten meermalen leven bij aan deze eenzame woestijn. Maar ook

ocr page 326

OVEROUDE PADEN.

302

moor vreedzame gestalten doen zich aan ons oog voor. Daar trekt Abraham met Sara aan het hoofd zijner kndden naar Egypte. Daar zien wij Jozef, Jakobs lieveling, als slaaf gebonden, wegvoeren. Daar begeven zich eenige jaren later zijne broeders met hunne korenzakken ook naar het korenrijke Nijl-dal. En eindelijk verschijnt een lange stoet van paarden en wagens en voert den grijzen aartsvader in triomf den dood-gewaanden zoon in de armen. Verder aanschouwen wij een Mozes, die het koninklijk hof ontvliedt en eene schuilplaats zoekt bij de Midianieten om in de zwijgende eenzaamheid te leeren luisteren naar de stem zijns Gods. En wie is die van ouderdom en zielesmart gebogen grijsaard, die op zijn stok geleund, met vele anderen door de woestijn trekt ? Het is de profeet Jeremia, uit de Godsstad verdreven: het hart vervuld met diepen rouw, het edele aangezicht met rimpels doorploegd, het oog door tranen verblind, zoo trekt hij met het overblijfsel van zijn volk, of liever zoo wordt hij meegesleurd naar het land dor dienstbaarheid, geheel anders dan zijne voorvaderen, die langs dezen weg Egypte verlieten bij het lofgezang van Mirjam en de reien van Israëls dochterenschaar, die Jehova verheerlijkten aan de oevers der Roode Zee. Doch welk een liefelijk beeld rijst ginds weer voor ons op? Het is Maria, met haar kind op het lastdier, gezeten, terwijl Jozef naast haar te voet gaat, althans naar de voorstelling onzer schilders. Het is echter waarschijnlijker, dat zij gebruik hebben gemaakt van een kameel, of, wanneer hun daartoe de middelen hebben ontbroken, zoo hebben zij, evenals de pelgrims, de reis te voet afgelegd. In elk geval was dit de weg, waarlangs zij van Bethlehem naar Egypte vluchtten, en de gedachte daaraan vervult ons gemoed geheel. Wij herinneren ons Hem, die, rijk zijnde, arm werd om ons rijk te maken, die den hemel verliet om in de woestijn tusschen stekelige doornen en scherpe rotsklippen.

ocr page 327

OVEROUDE PADEX.

303

diopo kloven en akelige waterlooze wildernissen het verloren schaap te zoeken.

De woestijn is hier niet geheel en al van plantengroei ontbloot , wij kwamen door streken, die geheel met struikgewas bedekt waren. Deze struiken, die op een afstand van drie tot vijf meter van elkander staan, bereiken eene hoogte van een halven tot anderhalven meter en gelijken veel op varens. Des nachts worden zij door den dauw gedrenkt; dit is het eenige water, dat zij ontvangen. Het was een geliefkoosd voedsel voor onze kameelen en ook groote kudden geiten deden zich daaraan te goed. Wanneer deze struiken hier niet gegroeid waren, zouden de aartsvaders onmogelijk met hunne kudden door deze woestijn hebben kunnen trekken. Deze struiken hebben zeer lange wortels, van boven eenige duimen dik; deze dringen twintig tot dertig maal zoo diep in den grond als de struik zich daarboven verheft. Bij het graven van het Suez-kanaal stiet men op tal van zulke wortels, terwijl de struiken, die ze uitzonden, ter zijde van het kanaal op de hooge heuvelen stonden. Zoo moet zoowel het vocht in de diepte als de dauw des hemels strekken tot instandhouding van de flora der zandwoestijn.

FATA MORGANA.

De hitte is inmiddels drukkend geworden en zooveel mogelijk trachten wij ons reeds sinds lang met zonneschermen en hoofddoeken tegen de zonnestralen te beschutten, zoodat slechts de oogen en \'t aangezicht zichtbaar zijn. Nu en dan zweeft een

ocr page 328

FATA MORGANA.

304

reusachtige, grauwe adelaar hoog boven onze hoofden en dikwijls zien wij groote zwermen ooievaars, die zeewaarts vliegen en zich op weg bevinden naar het Noorden. Een er van vonden wij dood op het zand liggen. Wie zal ons zeggen, hoevele malen de oude jongen den tocht reeds had afgelegd. Weer had hij een tijdlang aan do Nijloevers zich vermeid en zich opnieuw tot de reis naar \'t koele Noorderland toegerust , maar ditmaal kon hij zijne broeders niet meer bijblijven in hunne vlucht; als in zijne schachten geknot, was hij fladderend uit de hoogere sferen neergedaald en had hier in de woestijn zijn graf gevonden. Toen wij kwamen, had hij er nog niet lang gelegen; zijne reismakkers zagen wij in de verte voortspoeden. Tot aandenken nam ik een paar van zijne langste ponnen mede, die hem niet meer van dienst konden zijn. Met een daarvan heb ik zijn treurig einde voor de wereld opge-teekend, waarna ik een paar handenvol zand over hem heen wierp, mijn kameel weer besteeg en verder reed. Plotseling ontdekte mijn broeder in de verte een heuvel, in violetkleurigen damp gehuld. Ik zag hem echter aan voor een wolkje. Kort daarna wordt achter den heuvel eene -stoomboot zichtbaar, die witte rookwolken, laat ontsnappen, welke eene langgerekte wolk vormen. Zou daarginds de zee zich uitstrekken of het Suez-kanaal? Wij weten, dat dit onmogelijk is, en toch zien wij de stoomboot heel duidelijk, die weldra zelfs door een tweede, een derde en een vierde gevolgd wordt. Wij zetten onze kameelen tot meerderen spoed aan, om het te onderzoeken. Elk oogenblik wordt het beeld scherper,, wij zien de zon allerprachtigst in den blauwen waterspiegel schitteren. Nu kunnen wij ook de oevers onderscheiden. Groote, heerlijke palmbosschen verheffen zich aan de kust en daartusschen liggen steden met sneeuwwitte huizen en hutten in de schaduw van groene palmen verspreid. Eene lange, smalle landtong

ocr page 329

FATA MORGANA.

strekt zich een eindweegs in zee uit, zij is geheel met palmen begroeid, die zich in het water spiegelen. Wij zijn nu zoover genaderd, dat wij zien kunnen, hoe do golven tegen de kust breken en met wit schuim zijn bedekt. Maar niet het minste geruisch is hoorbaar en dit verwondert ons. Nog nooit hebben wij de zee in zulk eone pracht zien schitteren; alles noodigt ons naar het strand te rijden, onder de schaduw-der palmen uit te rusten en ons te verfrisschen door een verkwikkend bad. Maar het schoone Fata morgana, de bedriegelijke luchtspiegeling, is niet te bereiken. Onmerkbaar wijkt het verschijnsel achterwaarts en schijnt gelijken tred met ons te houden. De heuvels, welke een halfuur geleden getooid waren met de schoonste palmbosschen, zijn even kaal als alk andere, wanneer wij ze bereikt hebben. Het is een getrouw beeld van zoovele aardsche verwachtingen. Ook deze schijnen ons zoo schoon toe, als zou de vervulling daarvan alles overtreffen, wat wij reeds bezitten, en wanneer wij onze wenschen vervuld zien, zijn wij nog onvoldaan. Laten wij daarom onze hoop vestigen op het land der waarheid en volmaaktheid.

Gedurende twee uren verlustigden wij ons in dit schoone schouwspel. De oorzaak van deze luchtspiegeling moet waarschijnlijk daarin gezocht worden, dat het zand bedekt is met eene dunne zoutkorst, in welker kristallen de zonnestralen breken

305

Des middags bereikten wij een werkelijke oase, een vriendelijk dal, met palmen begroeid, waar wij ons middagmaal gebruikten. Wij vertoefden daar echter niet lang, dewijl wij nog gaarne een goed eindweegs wilden afleggen. In hot verre Zuiden wezen ons de Bedoeïenen de flauwe omtrekken van

\') Zooals de lezer weet, geven de natuurkundigen eene geheel andere verklaring van dit natuurverschijnsel. Vekt.

2U

ocr page 330

FATA MORGANA.

HOG

do borgon, waar do boste kofïio dor wereld moot grooien on waar do boroemdo natuurvorschor Palmor zijnc onversehrokkon-hoid met den dood moest boeten, toon hij de Arabieren wilde beletten, doel te nemen aan den opstand van Arabi-Pasja. Mot hot begin van den nacht sloegen wij onze tent op en ontstaken een groot vuur om dit eenigen onzer geleiders, die te voet gingen en ons bij onzen laatsten snellen rit niet konden bijhouden, ten teeken te doen strekken. Zij hadden te voren met het grootste gemak gelijken tred met ons kunnen houden, zelfs wanneer onze kameelon draafden. Na verloop van een uur voegden zij zich bij ons, tot onze verwondering in \'t minst niet vermoeid, en verhaalden ons nog allerlei merkwaardigheden uit hun leven.

EEN ONWEDER IN DE WOESTIJN.

Het was heden de laatste dag, dien wij in de woestijn zouden doorbrengen. De maan verspreidde haar zacht schijnsel over het nachtelijk landschap, toen wij voor de laatste maal met een weemoedig gevoel onze tont oprolden. Die eenvoudige linnen woning, slechts door een paar waskaarsen verlicht, was ons lief geworden. Wij begrepen nu, waarom de Heilige Schrift ons leven vergelijkt bij een wonen in tenten. Ook Paulus spreekt daarvan in den Tweeden Brief aan de gemeente te Corinthe, wanneer hij zegt, dat wij „een gebouw bij God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen,quot; wanneer ons lichaam, ons „aardsche huis dezes tabernakels,quot; wordt afgebroken. „Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde.quot;

ocr page 331

KEN ON WE DE R L\\ DE WOESTIJN.

In zalko hutten of tenten woonden eertijds de aartsvaders, ook de kinderen Israels in de woestijn, en ook Job, die zich met weemoed den tijd herinnerde, toen Gods verbond over zijne tente was. Ook Jehova, Israels God, die in-alles met Zijn volk wilde deelen en in hun midden zijn, woonde in de woestijn in eene tent, ,de tabernakel der getuigenis.quot;

Nog woester en dorder dan het doorreisde was het gedeelte der woestijn, dat wij heden doortrokken. De struiken waren zeldzamer, niets dan een barre zandvlakte vertoonde zich aan ons oog. Alet vluggen tred vervolgden wij onzen weg naar El-Kansara aan het Suez-kanaal. Wij vormden een statigen stoet: acht ruiters, hoog gezeten op de met roode tapijten gezadelde kameelen, • die versierd waren met afhangende snoeren en kwasten, en met witte of gekleurde zijden doeken op het hoofd en palmschachten als lansen in de hand. Voorop reed onze schoone, jeugdige leidsman, Hassan, losjes gezeten op den hals van zijn kameel, terwijl zijn wapperende, witte hoofddoek met rooden zoom hem reeds van verre kenbaar maakte. j

Om tien uur bereikten wij eene oase, de grootste, die wij op onzen tocht doortrokken. Meer dan 5000 palmboomen wuifden ons uit de verte tegen en in hunne schaduw stonden de laag omheinde hutten der Bedoeïenen. Hier gebruikten wij, in \'t bijzijn der onmiddellijk om ons vergaderde bewoners, ons ontbijt, waaraan het opperhoofd van het dorp, eene statige, krachtige gestalte, op ons verzoek deelnam. Daarna reden wij verder.

De atmosfeer was dien dag bijzonder koel. De hemel was bedekt met wolken, die in noordoostelijke richting voortdreven. Onze geleiders veronderstelden, dat in het bergland van Palestina sneeuw zou vallen, en het bleek later, dat zij juist geoordeeld hadden. Zulk eene koele temperatuur is eene

307

ocr page 332

EEN ONWEDER IN DE WOESTIJN.

zeldzaamhoid in de woestijn. Slechts wanneer dé zon even door de wolken henehbrak, bemerkten wij, dat zij niets van hare kracht verloren had.

Des zomers is het zelfs voor de Bedoeïenen onmogelijk over dag in de woestijn te reizen. Zij blijven dan in hunne tenten; het medegenomen water wordt heet en de zoon der woestijn, wiens voetzolen zoo hard zijn als hoorn, kan het gloeiende zand nauwelijks betreden. Toen de Israëlieten hier doortrokken, werd hun door Gods goedheid het reizen bij nacht gemakkelijk gemaakt. Wanneer de zon was ondergegaan, zagen zij de helder verlichte wolkkolom voor zich. — Heden echter zouden wij iets anders ondervinden dan de onverdragelijko hitte der laatste dagen. Om twaalf uur kwamen zwarte wolkenmassa\'s uit het Zuidwesten opzetten. Weldra hoorden wij den donder in de verte rollen. De eene bliksemstraal volgde onmiddellijk op de andere en groote regendroppelen werden ons door den wind in het aangezicht gezweept. Onze reisdekens, die wij hadden omgeslagen, waren spoedig doornat en, daar ook onze kameelen den storm niet konden weerstaan, maar zich met gebogen kop van den wind afwendden, hielden wij halt en zetten ons op het zand neder, ieder achter zijn kameel, ons zooveel mogelijk met de zonneschermen tegen den regen beschuttend. Doch dit baatte hoegenaamd niets. Het donderde en bliksemde onophoudelijk en de hemel was geheel met grijze wolken bedekt. Daar de regen ons allen doornat maakte, besloten wij verder te gaan, toen de storm eenigszins was bedaard. In snellen draf droegen onze kameelen ons door de woestijn, terwijl het water in stroomen wegvloeide.

Na ongeveer twintig minuten klaarde de hemel op en nu begroetten wij met vreugde de heete zonnestralen, die onze natte kleederen kwamen drogen. Maar er was nog geen halfuur verloopen, of er kwam weder eene onweersbui op, even

:!08

ocr page 333

ESN ONWEDER IN DE WOESTIJN.

hevig als de vorige. Wij vervolgden nu echter onzen weg en hadden dien middag zes maal een dergelijke bui te trotseeren.

AANKOMST AAN HET SUEZ-KANAAL,

Wij waren intusschen een groot eind gevorderd en toon des middags om vier uur de laatste onweerswolken verdwenen waren, ontdekten wij eensklaps in de verte verscheidene masten en zeilen. Het was nu geen Fata morgana, maar werkelijk het Suez-kanaal, dat drie werelddeelen verbindt. De kameelen versnelden hunnen tred, terwijl de wind en de zon onze kleederen ten minste eenigszins droogden. De masten en stoompijpen der schepen werden steeds duidelijker zichtbaar en na verloop van een uur hadden Avij de poorten van El-Kansara bereikt. Hier namen wij afscheid van onze trouwe geleiders en van onze kameelen, want wij konden nu weder gebruik maken van stoombooten en spoorwegen.

De beschaafde wereld maakte na onzen tocht door de stille eenzaamheid der woestijn geen aangenamen indruk op ons; straten en kroegen der stad wemelden van bedelaars en dergelijk volk. De gastvrije ontvangst bij eenige Arabische Christenen, wien wij aanbevolen waren, deed ons echter goed, zij brachten ons in een klein logement en verkwikten ons recht vriendelijk met spijs en drank. Toen staken wij het kanaal over om aldaar in een hotel kamers te bestellen. Wij begaven ons daartoe naar het voornaamste hotel van El-Kansara; maar hoe blijde waren wij, alles bezet te vinden, want er heerschte een geweldig rumoer, veroorzaakt door mannen en

309

ocr page 334

AANKOMST AAN HET SUEZ-KANAAL.

310

vrouwen, die deels om den disch gelegerd waren, deels eene hart- en oorverscheurende polka mazurka uitvoerden. Hoe gaarne waren wij naar onze Bedoeïenen teruggekeerd, maar daarvan kon natuurlijk geen sprake zijn. Dankbaar namen wij het aanbod van een der telegrafisten aan, om den nacht bij hem op den vloer door te brengen; hij voorzag ons ook van reisdekens, daar dé onze doornat waren. Weldra waren alle bekenden uit El-Kansara, en onder hen ook de gouverneur, om ons heen verzameld; zij verkeerden in den waan, dat wij met een politieke zending belast waren. Hot scheen ons toe, dat er een uitmuntende verstandhouding tusschen de Christelijke en Mohammedaansche ambtenaren bestond, doch later hoorden wij, dat juist het tegengestelde het geval was. De Christelijke ambtenaren waren niet uitgepraat over de hatelijkheden, hun door hunne collega\'s aangedaan. Een hunner had eens het geduld daarbij verloren en in tegenwoordigheid van zijn chef, die den Christennaam schandelijk beschimpte, in éénen adem Mohammed, diens vrouw, moeder, grootvader en alle Mohammedaansche profeten en kalifs vervloekt, waarvoor hem een nauwkeurig berekende geldboete van 50 piasters was opgelegd. Onze raad om den vrede te bewaren vond weinig ingang. Wij werden door allen met de grootste gastvrijheid onthaald, en degene, die in de boete was vervallen, noodigde ons uit, in zijne zeer nette woning te vernachten en bood ons twee uitmuntende bedden, waaronder zijn eigen, aan. Hoewel wij daarvoor bedankten, te meer omdat wij des nachts om twee uur met het stoombootje moesten vertrekken, liet hij ons niet los en wij genoten een korten tijd van weldadige rust. Om half twee werden wij door onzen vriendelijken gastheer zelf gewekt. Wij namen hartelijk afscheid en staken over naar Ismaïlia. Den volgenden dag bracht ons de spoortrein over het roemrijke slagveld van Teil cl Kebir naar het oude wonderland der Farao\'s.

ft ISÏO

ocr page 335

AANKOMST AAN HET SUEZ-KAN\'AAL.

Zoo zijn wij dan, waarde lezer, evenals eenmaal Abraham, Izaak en Jakob en later Jezus zelf als kind, door de woestijn naar Egypte gereisd.

Do reis omgekeerd, uit het Egyptische diensthuis naar het beloofde land Kanaan, is een zinnebeeld geworden van onzen aardschen pelgrimstocht. Wij zullen nog menige woestijn moeten doortrekken, maar ook ongetwijfeld op onzen weg meermalen een Mara vinden, dat ons zoet water, een Elim, dat ons rust en schaduw biedt, en menige donkere wolk zal ook in den nacht voor ons beginnen te stralen. Laat ons slechts het oog gericht houden op de eeuwige Godsstad, welker bouwmeester God is. Eens zullen ook de woestijn en de wildernis bloeien in onverwelkelijke pracht; en de verlosten des Heeren zullen met gejuich opgaan naar Zion. Eeuwige vreugde zal op hun hoofd wezen; maar droefheid en smart zullen wegvlieden. Dan zullen wij in de snaren grijpen, de harp tokkelen en psalmzingend eeuwiglijk den Heere prijzen!

311

ocr page 336
ocr page 337
ocr page 338
ocr page 339

.

ocr page 340