-ocr page 1-

^Ljp-ts //«^Pc? J71 ■Ss2

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

De Bardesen te Heiloo en te Alkmaar.

door

C. W. BRUINVIS.

oen in 1567 commissarissen van woge Alva in het Noorderkwartier van Holland een onderzoek instelden naar hetgeen in dat en het vorige jaar door de nieuwgezinden op het stuk van den godsdienst en door de gewapende partijgangers van Hendrik van Brederode was verricht, informeerden zij ook bij Reinier Severijns, die als vice-cureit reeds 29 jaren de kerk van Heiloo voor een ouden religieus te Egmond bediend had, naar den godsdienstigen toestand aldaar, en ook naar mr. Willem Bardesen, die in de parochie schoone perceelen, alsmede land in het aangrenzend Limmen (volgens den schout van Westzaan, Krommenie en Krommeniedijk ook daar landen of renten) bezat. De aanleiding tot deze navraag was zeker

-ocr page 6-

2

geen andere dan het gedrag van Willems vader, Willem Dirksz., die, te voren reeds beschuldigd maar vrijgesproken, zich, na het verlies van het schoutambt te Amsterdam, openlijker bij de on-roomaehen had aangesloten

De bekomen inlichting, door meer getuigen bevestigd, luidde niet bezwarend: Bardes had, toen hij te Heiloo zijne residentie hield, de sermoenen van den geestelijke gehoord en trouw den dienst Gods gefrequenteerd.

Hoe hij dus in Noordholland gegoed was geraakt, terwijl zjjne ouders nog in leven waren, is niet bekend; misschien had hij het aan voorspoed in zijn bedrijf, of, waarschijnlijker nog, aan zijn huwelijk te danken. Dat hij zijne residentie wel te Heiloo hield doet veronderstellen, dat hij aldaar ook eene woning bezat en dat de plek, waar zijn zoon later een nieuw slot zou bouwen, reeds tot Willems „schoone perccelenquot; behoorde.

Heeft hij te Heiloo geene aanleiding gegeven om

1) De jaartailen hein betreffende verschillen zeer bij Kou, Vadert Woordenboek, en v. u. Aa, BiO\'/r Woordenboek, en zijn van den laatsten het waarschijnlijkst. Beiden melden, dat hij in 1568 te Delft overleed, gezondheid en versland verloren hebbende ten gevolge van de confiscatie zijner bezittingen te Amsterdam, zoodat de Prins, hem te Delft aantreffende, tot tranen toe bewogen was geweest. Een vertoef van Prins Willem te Delft vóór of in 1568 meenen wij met grond te mogen betwijfelen.

-ocr page 7-

voor vervolging te vreezen, te Amsterdam moet zulks wel het geval zijn geweest, zoodat hij het veilig oordeelde zijne vaderstad \') te ontvluchten. Onder de 135 uitgeweken burgers dier stad, tegen wie den 1 September 1568 te Antwerpen sententie van bannissement en confiscatie van goederen werd uitgesproken, vinden wy dan ook Güillaume Berdesse genoemd.

Na de omkeering van 1572 is hij teruggekeerd, om zijn rol in de bevrijding des Lands te gaan spelen. Hij werd als een der 4 Raden aan Noord-IIol lands gouverneur Sonoy toegevoegd, trad wel eens als diens plaatsvervanger op en zag.zich dooiden Prins ook belast met de ontvangst der licenten. Zoo werd hij te Alkmaar, waar hij door zijn vroeger verblijf in den omtrek reeds geen vreemdeling was, te meer bekend, herhaaldelijk riep men zijne hulp of tusschenkomst in tot bevordering van de belangen der stad, en men hoopte blijkbaar, dat hij er zich zou vestigen.

Voor dat geval besloot de vroedschap, den 16 December 1574, hem te gunnen vrijdom van allo accijnsen, officiën, schutterij, huisgeld en inlegering, alsmede vrij en vrank met do zijnen te komen en vertrekken, mits hjj de buurwacht zou houden. Gevolg had dit echter niet, en na het overgaan van Amsterdam in 1578 keerde Bakdes derwaarts

I) Reeds in 1419 was een Dirk Gardens schepen van Amsterdam.

-ocr page 8-

4

terug, waar hij reeds den 26 Mei lid der vroedschap werd en het volgende jaar burgemeester, gelijk nog tienmaal daarna tot zijn overlijden op den 21 Maart 1601.

Evenwel heeft hij zijne betrekking tot Alkmaar nog hernieuwd. De . stad had in 1576 het vroegere S. Anna-klooster of witte begijnhof aan de Nieuwc-sloot verkocht aan jr. Sonoy, die het groote, aan 3 zijden door water omgeven perceel bewoonde mfet zijne eerste vrouw, Maria van Malsen, overleden in 1584, zijne dochter en haar echtgenoot jr. Leurt Manninga. Toen hij na de beëindiging in 1588 van zijn geschil met Prins Maurits naar Engeland vertrokken was, bleven huis en hof ledig staan, totdat in 1591 Bardes, toen „oud-burgemees-terquot; van Amsterdam, het grootste deel kocht van Sonoy\'s gemachtigde sedert 31 October 1589 en vroegeren secretaris Jan Claesz. Nachtegaal \'), blijkens kwijtscheldingen van 31 Januari en 6 Juni,

1) Hij was bevriend met den bekenden predikant Adoï.piius Venator, die hem zijn in 1003 zonder naam uitgegeven tooneelstuk Reden-vrevchl opdroeg. In Juli 1G14 werd hij te Dordrecht, ten huize van een vriend, op last van Gecoinm. Raden gevangen genomen en naar \'s Gravenhage vervoerd, en vervolgens door het hof aldaar uit de Vereen. Provinciën gebannen, omdat hij in een particulier gesprek Mozes, Jezus en Mohammed de 3 hoofdbedriegers genoemd en vooral van Jezus leelijke dingen gezegd had. Zie Francisci Dusseldorpii Anna les, uitgegeven door dr. IÏ. Fruin, bl. 449 en 514.

-ocr page 9-

5

de laatste van jr. Egbert Clant, procuratiehouder van zijn neef Leurt Manninga, voor zooverre deze wegens zijn huwelijk tot het verkochte gerechtigd was geweest. Den 5 Septemher vergunde de vroedschap den kooper de steenen brug, die over de Nieuwesloot toegang tot den hof en verder tot de huizing verleende, van boven toe te dekken, niet hooger dan burgemeesteren zouden goedvinden, mits het te makene weder af te nemen, mocht het later tot nadeel der stad bevonden worden. De bedoeling hiervan zou bezwaarlijk te begrijpen zijn, deed niet de in 1597 door Drebbel zoo fraai gegraveerde plattegrond van Alkmaar boven de achterste helft der brug een poortgebouw met trapgevel zien.

Wij vermoeden, dat Bardes gemeend heeft zich, tegen den tijd dat hij van de Tegeeringszaken genoeg zou hebben, een rustig verblijf, desnoods enkel een winterverblijf, in de nabijheid zijner landgoederen te verzekeren, maar dat hij langer in het bestuur gebleven is dan hij te voren bedoeld had, en dat de dood hem verrast heeft aleer hij zijn otium aangebroken zag.

Het voormalig „Hof van Sonotquot;, nu „Hof van Bardesquot; geworden, kreeg tot bewoner Bardes^ zoon, als hij Willem geheeten, den 3 November 1580 te Leiden ingeschreven als student in de rechten en in dc letteren. Den 8 November 1603 bekwam hij, op zijn verzoek, van de Staten van Holland een losrentebrief op de domeinen van f 200 (de eerste

-ocr page 10-

6

22 jaren wegens achterstallen f 400) \'sjaars, ter zake van f 3200, welke zijn grootvader bij zijn aftreden als schout per slot van rekening te vorderen had, en waarvoor diens weduwe, Dieüwer Dirksen, in November 1577 een rentebrief verworven maar slechts driemaal de betaling ontvangen had. Hij schijnt zijne woning,- te voren in grondvlak een winkelhaak, met den oostelijken vleugel — waarschijnlijk stalling — vergroot te hebben; maar zeker is het, dat hij aan de westzijde een zaal deed bouwen en daarnevens een houten brug, van afmeting als andere daaromtrent, waartoe hem den 7 Januari 1607 vergunning verleend werd. De brug is in 1863 bij het dempen der Nieuwesloot verdwenen, maar het fraaie poortje van gehouwen steen, dat Bardes eraan deed optrekken, siert nog den ingang van het Diaconiehuis en herinnert door het een grieksch kruis toonende wapenschild aan den stichter. (Men zie de afbeelding bij v. Arkel en Weissman, Noord-Hollanclsche Oudheden, 2e st. Ie ged., bl. 41).

In hetzelfde jaar 1607 kocht hij ook, uit de voor schulden aangeslagen bezittingen van Lamoraal II van Egmond, de heerlijkheid Warmenhuizen, en moest hij den 16 September zijne vrouw Cornelia van Loo verliezen. Het samentreffen van dat alles mag hem wel bewogen hebben om aan het gewelf van het door hem zeer verhoogde en verfraaide vroegere kloostertorentje te doen schilderen: Aspice quam tenui pendent mortalia filo, quae cum summa

-ocr page 11-

7

putes, protinus ima vides*), d. i.: „Merk/ op aan hoe dunne draad de sterfelijke zaken hangen, welke gij, als gij ze de hoogste meent, eensklaps de laagste ziet.quot; Aan diakenen der gereformeerde gemeente keerde hij den 29 September, krachtens het testament zijner overleden echtgenoote, f 300:16 uit.

In de Provisionele Ontdeckinge eeniger misslaghen vinden wij, dat na de schorsing van den predikant Venator door de classis in het laatst van 1608, een sterk gerucht ging, dat, werd hij van den dienst verlaten, zeker heer en notabel burger op zijn hof eene plaats wilde timmeren, om hem daar te laten prediken. Niemand anders kan hier bedoeld zijn dan Bardes, die zoowel in zijne heerlijkheid als te Alkmaar de partij der remonstranten steunde. Hij huisvestte de predikanten, welke de stadsregeering in 1610 wegens de moeilijkheden met ds. van Uil van elders „leendequot;, waarvoor de vroedschap den 29 September burgemeesteren machtigde hem eene vereering te doen, hetgeen nogmaals goedgevonden werd den 31 October van het volgende jaar, voor het logeeren der leenpredikanten en andere goede vrienden, „die in de zwarigheid de stad met goeden raad bijgestaanquot; hadden.

Te Heiloo deed hij het huis Ypestein optrekken, maar hij mocht de voltooiing er van niet beleven; wel de hem zeker grievende zegepraal der contra-

1) bij v. Arkel en Weissman, Noord-Hollandsche Oudheden verkeerdelijk; jjro tenisshna vides.

-ocr page 12-

8

remonstranten. Hij overleed den 8 Mei 1619 en werd nevens zijne vrouw begraven op het koor der Groote kerk in een kelder, gedekt met een zerk van viermaal de gewone grootte, prijkende met de wapens van Bardes en van Log \'). In het opschrift heet hij ridder, van welke orde wordt niet gezegd. De wapens op den steen toonden het grieksche kruis tusschen 4 leliën (Bardes) en 2 gekruiste nederwaarts gerichte degens tusschen 4 klaverbladen (Van Loo); op kleiner schaal prijkten zij nogmaals als boekfiguren, waartoe voorts een paardenkop en een klimmende eenhoorn dienden -).

1) Nadat de grafkelder in December 1700 verkocht was aan Carel de Dieu, werd in 1702 de zerk verwijderd en op het kerkhof te koop gelegd. De Oudorper notaris Jan Choli. teekende haar daar zoo goed mogelijk af.

2) Het wapen van Bardes was eigenlijk een kruis met ster in de kwartierquot;n \'I en 4 (alles van zilver op groen). Aldus ook op een der 4 door leeuwen gehouden schilden op de plaats van het Diaconiehuis; een tweede loont van Loo (volgens Rietstap, De Wdjiens vnn den tegemroordiqen en den oroegeren Nederlandschen Adel: rood, de klaverbladen en de degens zilver, de gevesten der laatsten goud; op Smallegange\'s wapenkaart van Holland staan de degens opwaarts gericht); het derde schild stelt den eenhoorn voor, hot vierde is uitgesleten en heeft waarschijnlijk weleer den paardenkop gedragen IJzeren krammen in den rug der leeuwen wijzen op een eertijds hoogere standplaats, te bespeuren op de gravure van Schenk naar Rademakers afteekening van »het Hof te Petten, van ouds het Hof van Sonoy», t. w. op den — sedert verlaagden — trapgevel der door Bardes gebouwde zaal.

-ocr page 13-

9

IBardes heeft 5 kinderen nagelaten blijkens een extract van zijn besloten testament, den 4 November 1616 voor mr. Jacob Cooren, openbaar notaris en secretaris der stad, en 2 schepenen als getuigen gepasseerd. Wij vernemen daaruit zijn wil, dat, zoo „yemandt van mijne voorscreven vier kinderen off die ick noch wettelyck sal mogen teelenquot; zonder afstammelingen kwam te overlijden, diens goederen geheel zouden komen aan de andere nog levenden, en zoo van den een op den ander tot den laatsten toe; en mocht de laatste ook zonder descendenten sterven, dan aan de naaste vrienden van zijn zal. vaders- en moederszijde, „sonder dat mijne dochter Wendelasia immermeer daer van yet sal mogen erven ofte genieten.quot; Laatstgenoemde was in Mei 1613 gehuwd met Joh an Voeth, ritmeester te Harderwijk, en is den 8 Juni 1634 te Utrecht overleden als weduwe van haar tweeden echtgenoot Johannes van Abcoude van Meerten, maarschalk van het Overkwartier van Utrecht.

Het extract leert ons niet de namen der 4 overige, toenmaals vermoedelijk geene afstammelingen hebbende, kinderen kennen. Wij moeten dus trachten, ze elders op te sporen. Den 18 December 1620 werd te Alkmaar gedoopt Hector, zoon van „joncker Willemquot;, en den 2 April 1621 Cesar, zoon van „joncker Albert Willemsquot;, volgens de meer dan korte aanteekeningen in het doopboek. De jonk-heeren zijn evenwel te Alkmaar steeds te dun gezaaid geweest om twijfel te kunnen koesteren ten

-ocr page 14-

10

aanzien dezer beiden, die wij veilig voor zonen van Willem Bardes kunnen honden; t. w.: Willem, die den 12 October 1609 te Heidelberg1 als student uit Alkmaar was ingeschreven, en Albrecht, op den grafsteen zijner ouders (eene afbeelding daarvan mist de dagteekening van zijn overlijden) ritmeester genoemd ten dienste van den koning van Bohemen, den „Winterkoningquot;, die, na het verlies zijner kroon naar Nederland gevlucht, nog van herstel zijner macht droomde (1622).

Men meene intusschen niet, dat hij slechts een rang bij aangeworven maar niet gebruikte troepen heeft vervuld. In door den Burgemeester Willem Backer (1595—1652) gehouden aanteekeningen van genealogischen aard staat te lezen, dat hij als ritmeester van „den dollen hertogquot; (Christiaan van Brunswijk-Luneburg) in den krijg tot herovering van Bohemen gebleven is, tusschen Elbe en Weser eenmaal zoo dapper gevochten hebbende, dat van zijne compagnie niemand dan hij en zijn knecht, samen met 14 vaandelen beladen, was overgebleven! Dezelfde genealogie noemt hem en zijn broeder ongehuwd gestorven.

Laatstgenoemde voleindigde den bouw van Ypestein en hij moet het doel geweest zijn van de omstreeks 1627 beproefde maar gelukkig mislukte poging van den tot Duinkerker kaper geworden Alkmaarder Nobel om hem op te lichten, als hij zich des avonds van Alkmaar naar zijne buitenplaats begaf, door ons medegedeeld in De Navorscher, V, 335, en ver-

-ocr page 15-

11

volgens verhaald in v. Lennep en Hofdijk, Merkwaardige Kasteden, op „Het kasteel ter Coulsterquot;. Hij bezat de heerlijkheid zijns vaders en was ridder der orde van S. Michiel (wellicht had hij als „edelmanquot; een gezantschap naar Frankrijk vergezeld), blijkens zijn grafschrift, te vinden bij Timareten, Coüectio Monurnentorum, dat zijn sterfdag 15 October 1631, zijn ouderdom 41 jaren noemt. Volgens do aangehaalde geslachtslijst was hij zeer geleerd in zes talen en stierf hij aan de peperkoorts, de bruidegom zijnde van juffrouw Sisma.

Door zijn kinderloos overlijden kwamen zijne bezittingen aan zijn broeder Arend of Aernout, die in Februari 1630 gehuwd was met Everhakdina, nagelaten dochter van Hector van Deelen, heer tot Rij sum, Hartscamp enz. Als hunne kinderen vinden wij te Alkmaar gedoopt (eerdere waren wellicht te Heiloo geboren \'): 7 December 1639 Anna Lijsbeth, 16 December 1640 Catharijna Clara, 1 December 1641 Diderick. Bij de eerste doopaanteekening heet de vader , joncker Arentquot; zonder meer, en de moeder wordt achtervolgens Everdijntje van Dalen, joffrou Everding en mevrou Everdinck van Delen genoemd, naar het schijnt om latere snuffelaers in de war te brengen en eene verwantschap tusschen

1) Onze poging om ten raad huize aldaar iets te ontdekken gaf geen baal; het oudst aanwezige doopboek begint met\'1751. Eene dochter, genaamd Iïverüina, geboren 15 December 1635, is gehuwd met den Oostfrieschen edelman JoAciilM von Honstede.

i

-ocr page 16-

12

dc familiën Bardes en van Everdingen te veronderstellen, te eerder wijl eene Ysabella Bardes in 1645 als scliilderesse in het S. Lueasgilde trad.

Nevens Wendelasia kunnen wij nu tellen: Willem, Albrecht en Aernoot, zoodat ons nog een der kinderen van Willem Bardes en Cornelia van Log ontbreekt. Gelukkig vinden wij haar genoemd in den Navovscher van 1886, bl. 574, als Emilia, overleden den 30 December 1622 te Utrecht, de woonplaats harer zuster. Een reden te meer om Ysabella te mogen houden voor eene niet te Alkmaar geboren dochter van Aerngüt. Nog een zoon van deze was vermoedelijk dc luitenant Willem Bardes, die den 23 Februari 1672 uit Wezel een brief richtte aan den oud-burgemeester Arent van de Graeff, naar aanleiding waarvan burgemeesteren den 10 Maart goedvonden, hem door de Alkmaarsche gedeputeerden bij do Staten met alle mogelijke devoir aan te bevelen tot eene compagnie (een kapiteinschap).

Aerngüt verkocht zijne stadswoning den 20 April 1644 aan jhr. Engbert Ramp en verliet Alkmaar, daar evenmin als zijne vaderen poorter geweest zijnde of een regeeringsambt vervuld hebbende. Aangezien Ysabella zich nog een jaar later in het schilderscollegie deed opnemen, is het te denken, dat Aerngüt zich aanvankelijk op zijn landgoed in het naburig Heiloo teruggetrokken heeft. Het bezit der heerlijkheid Kijsum kan geleid hebben tot zijne verhuizing naar Oostfriesland waar hij, levende aan het hof van Vorst Gegrg Christiaan te Aurich,

-ocr page 17-

13

den 22 September 1646 is overleden. Hij werd echter te Alkmaar begraven.

Blijkens de beide afteekeningen van het huis Ypestein in 1730 door C. Pronk, door H. Spilman in het koper gebracht, was het een door grachten omgeven groot vierkant gebouw van 2 verdiepingen boven de kelders, met fraai versierden ingang, binnenplaats en torens aan de 4 hoeken. In vorm gelijkt het een kasteel uit vroeger tijd, maar zonder het krijgshaftige daarvan: de voorgevel was bekroond door eene balustrade in plaats van door kanteelen en de spitse daken der beide vierkante torens aan de achterzijde eindigden in gekapte schoorsteenen.

Eene teekening van Ypestein, omstreeks 1750 door C. Croll vervaardigd, geett eene geheel andere voorstelling van het huis, overeenkomende met de beschrijving door Gerrit Schoemaker in zijne aan-teekeningen op de Noordhollandsche Ark ad la van Cl. Bruin (1732) en met die in deel VIII (1750) van den Tegenwoordigen Staat der Vereenigde Nederlanden. In laatstgenoemd werk lezen wij: „ Ypestein, digt bij Heiloo, een sierlijk en stevig gebouw, weleer met twee agtkanten toorens en omringd van eenen muur, op wiens hoeken ook toorentjes stonden, doch die alle sedert weinige jaaren zijn weggebroken [een bijschrift van onze teekening zegt daarentegen terecht, dat voorpoort, omringmuur en hoektorentjes bij de slooping van het huis staande zijn gebleven]. Het huis zelve is tot een afbreuk in den jaare 1749 verkogt en wordt thans geheel

-ocr page 18-

14

afgebroken. Men noemt het somtijds ook Egelenburg (zie Smid\'s Schatkamer)-, maar het moet niet verward worden met het huis van dien naam, waarvan ons nu te melden staat. Egelenburg was weleer een nette beplante buitenplaats, aangelegd door mr. Willem Bakdes, zoon van den vermaarden Amster-damschen burgemeester van dien naam; thans is zij niet meer in weezen en in de nabijgelegen plaats Vrieswijk getrokken, tocbehoorende aan\'den heere Joan de Vries te Hoorn.quot; Toch heelt later J. Bulthuis het huis Egelenburg nog afgeteekend, nagenoeg in denzeltden toestand als C. Pronk zulks te voren had gedaan. In deel IV van De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver (1796) van van Ollefen heet Vrieswijk weder Egelenburg, toen behoorende aan „den burgerquot; van der Mieden.

Als Waarmond in de Noordhollundsche Avkadia oi) de plaatsen Egeleuhurg, ter Koulster, Ypes te in. en Nieuwburg heelt gewezen, zegt Weetlust: „Men zou hier in do naamen ligt verdoolen.quot;

Dat schijnt den eerzamen Cornelis van der Woude overkomen te zijn, toen hij in zijne Kronijcke van Alcmaer, voor het eerst verschenen in 1645, het ten Zuidwesten van Heiloo gelegen Egelenburg in het Zuidoosten plaatste, evenzeer als toen hij dat huis begonnen, voltrokken en bezeten noemde door mr. Willem, jonker Willem en jonker Arnold Bardesius, en toen hij aan jonker Willem Bardes niet de orde van A\'. Mich iel maar van den Kousenband toekende. Zijne dwaling veroorzaakte de volgende, waaruit

-ocr page 19-

15

de schrijver van den Tegenw. Staat, de vervolger (1778) van Sviid\'s Schatkamer van Brussel en van Ollefen zich trachtten te redden door aan te nemen, dat Ypestein te voren ook Eyclcnburg werd g-nnoemd.

Als wij in weerwil van v. d. Woude en zijne navolgers niet Egelenburg maar Ypestein voor de plaats der Bardesen houden, dan gronden wij ons hierop, dat de nauwkeurige Simon Eikelenberg in 1704 uit den mond van Dirk Eeyersz. hovenier, die het van zijn vader had, het verhaal opschrijvende der poging om Bardes op te lichten als hij naar Ypestein ging, dien naam niet door Egelenharg verving; en hierop, dat zoowel de teekening van C. Croll als eene door H. Tavenier in 1790 vervaardigde van de bouwvallen van het in 1750 niet gesloopte, duidelijk op de voorpoort het wapen van Bardes ver-toonen. Reeds spoedig na 1790 moeten deze bouwvallen verdwenen zijn. Alleen de benedengedeelten van een paar gemetselde hekzuilen aan den Rijksstraatweg wijzen nog aan waar de oprijlaan van Ypestein was.

Na het vorenstaande moeten wij betwijfelen, of de beide gravuretjes van Spilman wel voorstellen wat zij voorgeven\'). Zijn zij het door Weetlust gevreesde gevaar van naamsverwarring niet ontkomen, dan valt na te gaan, waar ergens dergelijk aanzienlijk gebouw heeit bestaan.

*1) Het nerhcerlijkt Nederland, waarin zij voni komcn, beval geen tekst; de inhoudsopgaaf van liet 4i\' deel verwijst naaiden Terjemv. Staal, waarin echter een ander gebouw dan liet afgebeelde beschreven wordt.

-ocr page 20-

I

-ocr page 21-
-ocr page 22-
-ocr page 23-
-ocr page 24-